Het paard : in zijne natuurlijke ontwikkeling

By Wilhelm Bölsche

The Project Gutenberg eBook of Het paard
    
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this ebook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het paard
        in zijne natuurlijke ontwikkeling

Author: Wilhelm Bölsche

Translator: B.C. Goudsmit

Release date: August 28, 2025 [eBook #76754]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Gebr. Graauw, 1912

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET PAARD ***




                            WILHELM BÖLSCHE.

                               HET PAARD
                   IN ZIJNE NATUURLIJKE ONTWIKKELING

                              BEWERKT DOOR
                           DR B. C. GOUDSMIT.


                  GEBR. GRAAUW.—AMSTERDAM—WELTEVREDEN.








VOORREDE.


De ontdekking, dat ons paard oorspronkelijk afstamt van zeer kleine
dieren van de grootte van kleine honden, wier pooten op in het
oogvallende wijze aan onze menschenhand herinnerden, is één der
merkwaardigste en minst verwachte veroveringen der nieuwere dierkunde.
In meer beperkten kring is deze op voldoende wijze gewaardeerd. Onder
de onafzienbare menigte van paardenkenners, liefhebbers van
paardensport en andere practische paardenvrienden is zij daarentegen
nog lang niet bekend geworden in die mate, als de belangrijkheid van de
stof dit zou eischen. Het is ten slotte ook niet voldoende alleen de
paradoxale mededeeling daaromtrent te doen. Er moet iets bij verteld
worden, een stuk wereldgeschiedenis dat ten slotte nog veel kostbaarder
en belangrijker is. Wat wij thans weten, wat wij mogen veronderstellen
tot aan de grens der zekerheid op dit gebied, is veel meer dan die
weinige woorden te kennen geven. Een werkelijke geschiedenis van het
paard kan worden ontworpen, beginnende in een oertijd even vreemd als
een sprookjeswereld, eindigend in de speling der dingen, die ons thans
nog practisch in beroering houdt en die naar boven voert langs een
keten van de zonderlingste voorouders der paarden tot aan onze tamme
rassen toe. Hoe dikwijls heb ik niet door leeken de vraag hooren doen,
of ons kultuurpaard van den zebra afstamt; of wel, of het een veredelde
ezel is? Men peinsde er in het wilde over en besliste dan ten slotte,
dat het vraagstuk onoplosbaar was en dientengevolge dergelijke vragen
eigenlijk zonder eenige practische beteekenis waren. Met een ongeloovig
lachen werd de soms gedane opmerking: dat de neushoorn een verkapt
paard is, of dat de tapir een overgebleven oerpaard is, beantwoord. Die
dingen zijn echter feitelijk reeds lang uit het stadium van het
twijfelachtige getreden. Zij kunnen worden beantwoord. Maar men moet nu
eenmaal een uurtje den tijd nemen om bepaalde gedachten van
natuuronderzoekers daarbij grondig na te gaan. Ik zou wenschen, dat dit
kleine handige boek hier zoo geheel terloops eens dienst deed in
zoodanig vrij uurtje tusschen de practische werkzaamheden van
paardenliefhebbers; na een rit; tusschen sportoefeningen; in vrije
oogenblikken na den diensttijd. Ook in de aanbrekende periode der
automobielen mogen wij het toch nog wel vrij bekennen, wat voor een
heerlijk bezit der cultuur het paard is. Waarom zouden wij daaraan niet
op het juiste oogenblik een uur van ernstig nadenken wijden?

Dit paardenboek vormt een geheel op zich zelf staand, afgesloten
geheel. Intusschen is het uit den aard der zaak tevens ook waar, dat
hij die kennis genomen heeft van het dierenboek, daardoor nog een ruim
stuk perspectief mede krijgt. Daar waar de geschiedenis van het paard
begint, treedt hem reeds een groote ontwikkelingslijn te gemoet.

Uit het dierenboek moet dan ook ter wille van den noodzakelijken
samenhang voor den nieuwen lezer het volgende nog eens in het kort
worden weergegeven. Ons paard is een betrekkelijk hoog ontwikkeld
zoogdier. In het dierenboek wordt nu uitvoerig verhaald, hoe het
zoogdier in het algemeen is ontstaan. Hoe het zich in zeer ver
teruggelegen, voorwereldlijke tijden, die nog vele milioenen jaren vóór
het ontstaan van het paard lagen, heeft opgewerkt uit schepselen, die
met kruipende dieren overeen kwamen. Hoe het daarna als vogelbekdier
zijn jongen nog in een soort ei ter wereld bracht; hoe het begon die
jongen met melk te voeden, te zoogen, hoe het langen tijd het jong nog
in een soort huidzak met zich mededroeg, een handelwijze, die wij thans
nog bij de zoogenaamde buideldieren terugvinden. Hoe het zich een
inwendige verwarming, een blijvende warmte van het bloed aanschafte en
de oude schubben van kruipende dieren langzamerhand aflegde ten gunste
van een nieuwe bekleeding der huid met haren. Alle nog levende of
uitgestorven tusschenschakels, die door de oudere overgangen worden
belichaamd, worden uitvoerig in het „dierenboek” geschetst. Daarna
vertoeft het bij een buitengewoon belangrijk station, namelijk het
eerste groote station naar de hoogere zoogdieren, naar die zoogdieren
waartoe ten slotte ook paard en mensch behooren. Hier werd de
beschouwing eener groep van zoogdieren uiterst belangrijk, een groep
die thans geheel is uitgestorven, die vroeger echter, naar het schijnt,
zeer groote uitgestrektheden der aarde in haar geheel heeft bevolkt.
Men vindt tegenwoordig de overblijfselen dier beenderen hoofdzakelijk
nog in Noord-Amerika en bovendien op een bijzonder gunstige plaats in
de zoogenaamde Cernays-lagen bij Reims in Frankrijk. Naar die laatste
vindplaats heeft men menigmaal die geheele oeroude groep van zoogdieren
(die reeds tot de oudste tertiaire periode, het zoogenaamde Eocene
tijdperk, behoorde) eenvoudig de dieren van Cernays genoemd. Die dieren
van Cernays bezaten de hoogst merkwaardige eigenschap dat zij een zeer
bepaalde, oorspronkelijke uitgangsgroep voorstelden van alle latere en
thans nog bekende hoogere zoogdieren, aan gene zijde van die volkomen
oorspronkelijke vogelbekdieren en buideldieren, voor zoover die hoogere
zoogdieren, (waartoe tegenwoordig bij voorbeeld de apen en de
roofdieren, de hoefdieren en de walvisschen behooren) ook, wat hun huid
betreft, zich daarna van elkander hebben afgezonderd. In één opzicht
geleken al hunne echte vertegenwoordigers inderdaad in hoofdzaak nog
volkomen op elkander, zoodat men zag, dat zij werkelijk onderling nog
een bijna gesloten groep vormden. Meestal kleine, lage dieren met lange
staarten, lange gezichten en kleine hersenen, bezaten zij nog het
oorspronkelijke, volledige gebit van de oudste zoogdieren in het
algemeen, dat nog niet bepaald veranderd was om dienst te doen voor de
gewoonten van roofdieren en hoefdieren. Ook bezaten zij in den bouw der
vier pooten (of handen van voren en pooten van achteren) van oudsher
den fundamenteelen bouw der oorspronkelijke zoogdieren, namelijk vijf
vingers of teenen aan iedere hand of iederen voet, waarachter het vlak
of de zool oorspronkelijk bij het gaan nog geheel tot zelfs met de hak
werd neergezet. In beperkten zin toonden echter die dieren van
Cernays—en dat is nu het belangrijkste voor de verdere ontwikkeling—in
hunne verschillende vertegenwoordigers reeds kleine afwijkingen,
waardoor zij zich reeds van elkander begonnen af te scheiden, en
toonden zij dergelijke bijzonderheden louter in richtingen, die tot het
uiterste ontwikkeld, later werkelijk het wezen der roofdieren,
hoefdieren enz. moesten uitmaken. Eenigen vertoonden reeds een geringe
neiging tot het gebit der roofdieren, anderen tot den bouw van het
skelet van een zoogenaamden halfaap, dus één trap vóór den echten aap
en den mensch; een derde soort eindelijk tot den karakteristieken voet
van een hoefdier. Ongetwijfeld ziet men hier die latere hoofdgroepen in
al hare verscheidenheid zich eerst merkbaar ontwikkelen uit den
gemeenschappelijken wortelstam der dieren van Cernays. Duidelijk zijn
daarbij reeds te herkennen die latere roofdieren, die latere hoefdieren
en die latere apen, als het ware zich vertoonend in drie varianten van
de echte dieren van Cernays, die men gewoon is te onderscheiden als
Creodonten (oorspronkelijke roofdieren), Condylarthren (oorspronkelijke
hoefdieren) en Pachylemuriden (oorspronkelijke apen). Juist die drie
loten van den ouden stam hebben zich later in menig opzicht op tamelijk
ongelijke wijze van den ouden bodem verwijderd. Zoo staan aap en
mensch, ondanks de kolossale menschenhersenen, thans nog door den bouw
van hun gebit en bovenal van hun hand betrekkelijk zeer dicht bij de
dieren van Cernays, terwijl bij voorbeeld de hoefdieren zich meestal
juist in die deelen van hun skelet buitengewoon ver vandaar hebben
verder ontwikkeld. Juist op zulk een bijzonder typisch hoefdier, het
paard, worden in het hier gegeven boek onze beschouwingen gericht. Wij
zullen echter zien, hoe ten slotte toch ook de stamboom van dat paard
zich volkomen juist laat terugvoeren tot die dieren van Cernays en wel
tot hunne vertegenwoordigers, die reeds licht duiden op hoefdierachtige
wezens, die genoemde Condylarthren.

Het dierenboek beschreef dan verder nog uitvoerig zekere achterblijvers
van die hoogst belangrijke wereld van Cernays, die ten deele nog meer
echt, ten deele reeds meer gewijzigd tot heden nog levend behouden zijn
gebleven in onze zoogenaamde insecteneters, egels, mollen en consorten.
Het toonde eenige zijtakken aan, die misschien reeds vóór de splitsing
van den hoofdstam in die oorspronkelijke hoefdieren, roofdieren en
apen, zich hadden afgescheiden van de wereld van Cernays, namelijk de
vleermuizen, huidvliegers en de Amerikaansche gordeldieren, luiaards en
aanverwante dieren. Ten slotte behandelde het dan nog uitgebreider de
oorspronkelijke hoefdieren. Het maakte duidelijk, hoe de tegenwoordige
klauw van het roofdier, de nagel van den aap en de hoef zelf zich uit
den meest eenvoudigen op klauwen gelijkenden grondvorm oorspronkelijk
hadden ontwikkeld zonder absolute tegenstellingen te zijn. En het
besprak eindelijk bij die gelegenheid een kleine groep van zoogdieren,
die ook thans nog zoo klein zijn als konijntjes, maar toch reeds een
soort van hoef dragen, de zoogenaamde klipdas. Geen twijfel is er dat
dit alles voor dit boek reeds belangrijke lijnen trekt en de eigenlijke
inleiding levert. Het paardenboek gaat allereerst van boven naar
beneden en bereikt eerst zeer laat weder het oude aansluitingspunt. Wie
dan in ernst van het paard den dieperen oorsprong wil leeren kennen,
die moet er toe besluiten, ook het dierenboek zelf ter hand te nemen.
Ik moet nog opmerken, dat dit dierenboek onder zijn tien platen, die
het als inleiding toekwamen, twee heeft, waarop ook dit boek zich bij
voorkomende gelegenheden kan beroepen. De ééne plaat stelt
gereconstrueerd het uitgestorven oorspronkelijke hoefdier Phenacodus
voor, de andere plaat eveneens een uitgestorven merkwaardigen
neushoorn, het Elasmotherium.

Ook dit zou ik uit de voorrede van het dierenboek willen herhalen:
mijne populaire beschrijving neemt een zeker rustig standpunt in
tegenover den zenuwachtig voorthollenden tegenwoordigen stroom van het
vakonderzoek. Even zoo goed als het levende dier, eischt ook dat
onderzoek zelf een zekere „waarneming”. Men moet een stap achterwaarts
gaan, en zich met geweld een oogenblik tot rust dwingen. Wat ik geef,
is het gevolg van een zoodanige waarneming, gedurende een reeks van
jaren. Ik heb mijn veld, op een bepaald oogenblik, afgebakend en
inwendig gerangschikt, zonder naar rechts of links te zien, of de
schuimende ketel der dingen reeds weer ergens op nieuw begint over te
koken.

                             Mittel-Schreiberhau in het Reuzengebergte.

    WILHELM BÖLSCHE.








HET PAARD.


In het merkwaardige Faustgedicht, dat als „Het Boek Job” in het Oude
Testament is gekomen, wordt een natuurbeschrijving gevonden met zulke
geweldige beelden en zóó krachtige woorden, dat geloovigen zoowel als
kinderen der wereld zich daaraan van oudsher hebben te goed gedaan en
daarin stichting hebben gevonden. De groote vraag van het noodlot des
menschen is opgeworpen: hoe het in het wereldsche beloop moet worden
verklaard, dat ook de rechtvaardige smart moet ondervinden en de
zondaar kan juichen? In het debat tusschen de menschenkinderen, die
twijfelen en met elkander twisten, grijpt ten slotte de Wereldgeest in
eigen persoon in. En om de onbeduidendheid en de armoede van alle
menschelijke oplossingen, die alleen berusten op indrukken van het
oogenblik, tegenover een dergelijk ontzaglijk wereldprobleem te
geeselen en neer te slaan, legt de groote dichter (wiens naam ons niet
is overgeleverd) dien Wereldgeest een hymne in den mond op de
onnavorschbare en ontzaglijke verschijnselen der werkende natuur,
waarin alle verschrikkingen van den kosmos ons gemoed in beroering
brengen.

De aarde wordt geschetst in den zin der oude Babylonische voorstelling:
zwevend boven en beneden de getemde oorspronkelijke wateren. Boven haar
schittert de gordel van Orion en verrijst de morgenster. Dan wordt het
duister van wolken, de sluizen des hemels openen zich en storten hare
wateren uit, de bliksemschichten schieten neer. Voor den storm vliegen
de raven weg, en de leeuwen brullen om voedsel, terwijl boven de donder
rolt. Daarna wendt zich het natuurbeeld tot de dieren der aarde, en nu
volgt een schildering, die voortdurend grootscher en verhevener wordt.
[1]

Van de wilde geiten van het gebergte (of, zooals in de vertaling staat,
de gemzen) strekt zich de blik uit tot de eenhoevige dieren der
steppen, de wilde ezels of wilde paarden. De woestijn is hun tot woning
aangewezen en de steppe tot verblijfplaats, die zij snel, van alle
banden bevrijd, doorvliegen. De woudezel lacht om het stadsgewoel,
luistert niet naar het geroep van den drijver. Hij doorsnuffelt de
bergen als zijn weide, en zoekt er allerlei groen kruid op. En naast
dit type van wilde dieren wordt daar gesproken van het dier, dat door
Luther als de éénhoorn wordt voorgesteld, terwijl inderdaad daarmede de
geweldige woudos is geschetst, die toen eveneens nog het bergachtige
noorden van het Babylonische stroomland en den Libanon heeft bewoond.
Op hem is volkomen toepasselijk het woord, dat hij u niet kan dienen en
overnachten aan de kribbe (zooals het tamme rund), dat hij niet achter
u loopend den dalgrond kan eggen en uw zaad kan inbrengen en op uw
dorschvloer zal inzamelen. De struisvogel eindelijk voert u geheel naar
de woestijn, die door de zon doorgloeid is, waar zij haar eieren op den
grond laat liggen en ze in het zand verwarmt, zoodat zij worden
uitgebroed. „God heeft haar het verstand ontzegd, anders zou zij zich
wel in de hoogte verheffen en spotten met het paard en zijn ruiter.”
Daarmede is dan weer een nieuw, wonderschoon beeld gegeven.

Paard en ruiter! Het getemde paard in de hand van den mensch!

Het dient den mensch en toch heeft de mensch het niet geschapen. De
natuur heeft reeds het paard zijn eigenaardigheid, zijn individualiteit
medegegeven, zijn manen, zijn gang, die het doet huppelen als een
sprinkhaan. En dan vervolgt de Wereldgeest met de onvergetelijke
woorden: „Hoe ontzagwekkend is zijn fier gesnuif! Het krabt in het dal,
zich in zijn kracht verheugend, en trekt uit, der wapenrusting te
gemoet. Spot met de vrees en wordt niet vervaard, deinst voor het
zwaard niet terug. Boven hem rinkelt de pijlkoker, het lemmet der lans
en de strijdknots. Ontstuimig en wild verslindt het den bodem, en staat
niet stil als de bazuin klinkt; het hinnikt zoo vaak de bazuin wordt
gestoken, reeds van verre ruikt het den strijd, de donderende stem der
aanvoerders en het krijgsgeschreeuw.”

Als het paard van de aarde verdwenen was zooals de oeros, en wij van
dat dier geen ander waarheidsgetrouw bericht bezaten dan het
bovenstaande, dan zouden wij toch reeds vermoeden, dat wij te doen
hadden met één der edelste en meest interessante dieren, die onze
planeet ooit heeft voortgebracht.

Met een dier, dat uit tweeërlei oogpunt merkwaardig is. In zijn wezen
als dier onder de overige dieren. En in zijn betrekking tot den mensch.

Onze beschouwingen hebben ons vroeger wel gevoerd langs een bonte rij
van zoogdiervormen van de meest merkwaardige soort. Van de rij af
hebben wij in haar karakteristieke omtrekken trachten te schetsen: het
vogelbekdier, het buideldier, het schubdier, den insecteneter, (egel en
verwanten), den huidvlieger, de vleermuis, de Amerikaansche tandeloozen
(luiaard, gordeldier) en den klipdas. Onder al die merkwaardige klanten
was er echter zonder eenigen twijfel geen enkel huisdier. Van
uitgestorven Amerikaansche aardluiaards is vroeger wel eens beweerd,
dat zij door de Indianen evenals het vee binnen een omheining gehouden
waren, dit is echter een zeer losse hypothese. Van een aantal kan men
reeds uit hun geïsoleerd en verborgen leven afleiden, dat het geen
huisdieren kunnen zijn zooals de vogelbekdieren, schubdieren en
klipdassen. Van het nut van onzen egel wist men vroeger niets af. Bij
de groote en zoo vormenrijke groep der buideldieren is het echter zeer
in het oog vallend, dat er geen huisdieren onder gevonden worden. Het
Australisch-Polynesische gebied, waartoe uitsluitend reeds in den
praehistorischen menschentijd de buideldieren voor een groot deel en in
hun krachtigste vormen behoorden, is volstrekt niet vrij van
huisdieren. Het zwijn, het hoen, en in de eerste plaats de hond, waren
ook daar in dienst van den mensch. Geen enkel buideldier daarentegen
moet geschikt geweest zijn, huisdier te worden. Men zal toch wel moeten
aannemen, dat bij die oudste en laagste orden der zoogdieren niet
alleen het bloote toeval een grendel heeft voorgeschoven, maar dat het
beletsel ook lag in hun geringere intelligentie, in den grooteren
afstand, waarop zij van den mensch verwijderd waren. Hij die
buideldieren in gevangen toestand in onze zoölogische tuinen verzorgd
heeft, heeft steeds den indruk gekregen, dat een inwendige hinderpaal,
die ongetwijfeld in de hersenen gelegen is, zich tegen het temmen
verzet. Slechts in drie groepen van zoogdieren heeft de mensch
huisdieren weten te verkrijgen: de hoefdieren, de roofdieren en de
knaagdieren. Alle drie groepen zullen wij misschien later nog
bespreken. Het paard is echter, zooals een kind wel weet, het meest
duidelijke voorbeeld van een huisdier. Daarmede is voorloopig de engere
richting bij dat dier voor ons bepaald.

Laat ons eerst nog een oogenblik vertoeven bij de vraag, wat een
huisdier is. Dat begrip staat ons zóó helder voor oogen, dat het geen
nadere verklaring schijnt te vereischen. Maar het begrip „mensch” staat
ons nog helderder voor oogen, en toch is het voor ons een ontzettend
werk geweest, den mensch zóó te teekenen binnen de overige natuur, dat
men hem zag als een werkelijk onderdeel in de huishouding der natuur.
Als een dergelijke verschijning in het drijven van de huishouding der
natuur op aarde zou men ook het huisdier van den mensch moeten
opvatten.

Daar komt ons het woord „gevangenschap” in de gedachte. Gevangen
dieren. De geheele dierentuin is een duidelijke illustratie van dat
woord. Sommige geleerden, die het begrip huisdier wilden verklaren,
hebben gemeend, daaraan reeds voldoende te hebben. Voor Cuvier was het
wezen en het grondbegrip van het huisdier „slavernij”. Als een ruwe
huurkoetsier zijn armen knol afranselt, heeft het er werkelijk veel
van. Maar de verstandige en ontwikkelde dierenfokker zal dit zeker
ontkennen. Latere onderzoekers vatten volkomen terecht de juiste
verhouding op als een „symbiose”. Wij hebben dat woord reeds vroeger
genoemd, toen wij van de groene mieren in den pels der luiaards
spraken. In den meest uitgebreiden zin beteekent het een samenleven van
twee verschillende soorten van levende wezens tot wederzijdsch nut. In
den meer beperkten zin bedoelt men er mede, dat de deelgenooten niet
alleen als twee individuen van tijd tot tijd samenkomen, maar dat
gedurende een aantal generaties het samenleven een vast gebruik blijft,
zonder hetwelk men zich ten slotte die soorten in het geheel niet meer
kan denken. Dergelijke gevallen komen zeer veelvuldig voor tusschen
plant en plant, plant en dier, en ten slotte tusschen dier en dier.

Bij de planten zijn het beroemdste voorbeeld de zoogenaamde
korstmossen, die men langen tijd voor een afzonderlijke plantensoort
hield, totdat men op zekeren dag ontdekte, dat hier een wier en een
paddenstoel vast aan elkander gehecht in de meest trouwe symbiose
leven, waarvan ieder den anderen bepaalde voordeelen oplevert. Dat die
compagnieschap niet uit elkander gaat, daarvoor wordt gezorgd, doordat
bij de voortplanting iedere jonge paddenstoel reeds een jonge wierencel
en iedere jeugdige wier een jeugdigen paddenstoel medeneemt. Het
mooiste geval van symbiose tusschen dier en plant levert wel de
paddenstoel kweekende mier van Zuid-Amerika. Zij bereidt aan een
champignon, die haar in op koolrapen gelijkende knolletjes een
bijzondere voedingsstof biedt tot ruimen oogst, bijzonder gemeste
akkers in den vorm van kunstmatige mesthoopen, en ook hier draagt
iedere jonge mierenkoningin, die naar het gebruik van dat merkwaardige
volkje uittrekt, om een nieuwen staat met nieuw broedsel te
grondvesten, als een waren talisman der natie, in haar mondholte (zoo
te zeggen in een wangzak) een stukje ontwikkelingsvatbaren paddenstoel
mede, opdat ook de symbiose zich in iedere nieuwe generatie zeker kan
voortplanten. Eindelijk tusschen dier en dier zijn het meest leerzaam
die andere mieren, die de suikerzoete pis van bladluizen met gretigheid
opslorpen en die bladluizen als de voortbrengsters van zulke
„lekkernijen” verdedigen als een herder zijn schapen verdedigt tegen
den wolf; uit kleine kruimeltjes aarde bouwen zij voor hen echte
schuthokken, en in het ingewikkeldste geval hebben ook zij de geheele
gecompliceerde oppassing en verzorging van de eieren hunner melkdieren
op zich genomen, dus ook het voortduren der symbiose gewaarborgd.

Volkomen duidelijk kan men opmerken, dat in dit laatste geval ten
gunste van het van beide kanten zoo goed gelukte samenwerken bepaalde
instincten bij beide partijen zijn ontwikkeld, die anders tusschen die
vreemde diersoorten niet zouden bestaan. De bladluis vlucht niet voor
de anders zoozeer gevreesde mier. Vrijwillig staat zij de tastende mier
haar sap af, terwijl zij het aan andere dieren, die bij haar
aankloppen, weigert. Omgekeerd zal de mier zich zelfs in den
wintertijd, als zij het meest behoefte aan voedsel heeft, nooit
vergrijpen aan het ei der bladluis, dat haar is toevertrouwd.

Een ieder ziet, dat wij juist met dit voorbeeld van de mieren
onmiddellijk ook tot het vraagstuk der menschelijke symbiose bij onze
huisdieren zijn gekomen. De cultuurmensch staat trouwens tegenwoordig
zóó hoog boven ieder dier, wat betreft zijn intelligentie, die zulk een
wijd veld kan overzien, dat de verhouding iets verschoven lijkt in de
richting der eenzijdige opperheerschappij van den mensch. Maar wij
mogen niet vergeten, dat die cultuurmensch niet zou kunnen bestaan
zonder veeteelt en (voor de plant geldt ditzelfde) zonder koren en de
overige gekweekte gewassen. Van den kant van het dier zelf is echter
dezelfde „aanpassing” aan die blijvende symbiose met den mensch gevolgd
als bij de mier. Voor het echte huisdier is zijn voedsel bereid door
den mensch, en zoo ook zijn woning, zijn bescherming. De hoogste
intelligentie van den mensch staat in zekeren zin in ieder opzicht ook
in zijn dienst. Op de meest verfijnde wijze houdt de mensch toezicht op
zijn voortplanting, regelt hij die en werkt hij die in de hand. Juist
omdat ook hier de symbiose over ontelbare rijen van geslachten zonder
eenige onderbreking voortgaat, hebben zich zijn lichaamsvormen in de
meer speciale behoeften van die symbiose langzamerhand ingevoegd en
zich daaraan ook aangepast. Zijn instincten zijn anders geworden: het
jong van het reeds gedurende duizenden jaren verzorgde konijn, om
slechts een enkel voorbeeld te noemen, is van den eersten dag af
tegenover den mensch „tam”. En ook daar waar de mensch voor zijn eigen
levensbehoeften somtijds de individuen decimeert en het rund slacht,
behoudt toch de soort het geheele voordeel der symbiose, omdat ook haar
voortduren bij dat slachten juist wordt gewaarborgd. Men moet bedenken,
wat voor een absoluut verwoestende macht de mensch tegenwoordig is voor
alle dieren, die hij niet opzettelijk verzorgt en kweekt. Maar hem, die
gekomen is binnen het gebied dier verzorging en kweeking, valt
omgekeerd daardoor een zóó groote zegen ten deel, dat het geringe en
stelselmatige decimeeren door het slachten daarbij niet in aanmerking
komt, nog afgezien hiervan, dat niet alle huisdieren geslacht worden en
juist die, welke het edelst en het meest met ons verbonden zijn, het
minst. Bij den hond en het paard heeft de symbiose in enkele gevallen
een zóódanige hoogte bereikt, dat ook het individu hier in den waren
zin van het woord wordt gewaardeerd. Geen bezitter van een paard of een
hond met groote individueele gaven en bruikbare eigenschappen zal hun
dood wenschen. Heeft de symbiose hier bij het dier geleid tot de meest
volkomen aansluiting der fijnste individueele begaafdheden aan de
wenschen van den mensch—tot zelfs in die mate, dat het dier geworden is
tot een levend werktuig van den mensch—, zoo is omgekeerd in het
schoonste bloeitijdperk der cultuur dit dier als individu bij den
mensch binnengedrongen tot in het ideale beschermende veld zijner
ethiek. Medelijden met het dier, verzet tegen dierenmishandeling, het
denkbeeld ook van een bescherming van het dier, als het oud en
afgeleefd is, en dus niet meer van onmiddellijk nut is, kortom al
datgene, wat er van ethische beteekenis is in ons begrip van
„dierenbescherming” toegepast op getemde dieren, welk begrip te midden
der groote ruwheid, die nog steeds in den mensch gevonden wordt, toch
merkbaar meer en meer doordringt—in die woorden openbaart zich de
hoogste triomf van die symbiose in steeds toenemende mate ook in de
hoogst verheven, edelste menschelijke eigenschappen.

Binnen de wereld der zoogdieren, waartoe wij menschen nu
eenmaal—daaromtrent bestaat tegenwoordig geen twijfel—in het groote
veld der natuur het nauwste behooren, is deze intensieve symbiose van
den mensch eigenlijk een zeer eigenaardig verschijnsel. Wel vindt men
enkele aansluitingen, men zou kunnen zeggen vriendschappen tusschen
verschillende soorten, bij vele gezellig levende zoogdieren. Schillings
heeft een aantal merkwaardige voorbeelden gegeven van de aansluiting
van gnoe-antilopen en zebra’s, en van oude olifanten en giraffen op den
Kilimandsjaro, en dit door passende photografische opnamen gefixeerd.
Maar een geval, dat zelfs maar in de verte aan de mieren en bladluizen
herinnert, is anders bij de zoogdieren niet bekend. De mensch heeft
zich ook in dit opzicht gehandhaafd als het universeele wezen, dat van
een bepaald punt af alle denkbare mogelijkheden van het organische
leven begon uit te spelen. Dat punt lag echter eerst op een bepaalde
hoogte van zijn beschaving. Eerst daar hebben zich voor het eerst zijn
groote symbiosen geopenbaard.

Het schijnt, dat wij het beslissende keerpunt nog ongeveer kunnen
bepalen. De praehistorische jagerstammen van Europa, die ons de bekende
karakteristieke holencultuur der zoogenaamde oudere steenperiode hebben
nagelaten, die in Midden-Europa nog jacht maakten op de diluviale
olifanten en neushoorns en de omtrekken dier jachtdieren reeds zoo mooi
op de wanden van hun holen wisten te schilderen, zoodat wij zeer
nauwkeurig kunnen nagaan, met wat voor vreemdsoortige en merkwaardige
klanten zij nog hebben samengehuisd—die stammen hadden, zooals alle
vondsten ons leeren, nog geen huisdier. Eerst in de periode der
paalwoningen komen onweerlegbare getuigenissen van dergelijke reeds
gevorderde symbiosen voor. Al verplaatst men die mammouthperiode al met
een paar flinke nullen achter het cijfer één naar achteren terug—in
verhouding tot het bestaan van den mensch zelf op aarde is dat toch nog
een klein en nog volstrekt niet oud getal. Al is er ook sedert dien
tijd menige gaping gekomen in de zoogdieren, die op onze planeet
aanwezig zijn—ik behoef slechts te herinneren aan den mammouth
zelf—toch was het hoofdbeeld onzer wereld van wilde zoogdieren reeds in
die dagen voltooid. Hond en rund, zwijn en schaap zijn door den mensch
eerst tot symbiose opgeleid, nadat deze evenals de mensch zelf reeds
lang op dezelfde planeet met hem samen hadden geleefd,—en wel in wilden
toestand, zooals hij zelf ook in de beteekenis der cultuur zoo lang
„wild” was geweest. En zoo was het ook met het paard. De lichaamsbouw
van het paard heeft ons eerst een stuk wereldgeschiedenis te vertellen,
dat nog volstrekt niets te maken heeft met de symbiose.








Als wij van dien tijd der oudste holenbeschaving nog een eind verder
teruggaan, dan hebben wij, zooals wij reeds meermalen hebben opgemerkt,
van de zoogdieren van den toen beginnenden voortijd meest alleen
beenderen en skeletten over. Er is nu niet gemakkelijk een betere weg
te vinden, om ons te brengen tot de oorspronkelijke natuurlijke
eigenaardigheid van het paard in het algemeene beeld van het zoogdier,
dan de vergelijking van het skelet van een paard met dat van een
mensch. Skeletten maken op den leek een weerzinwekkenden indruk, door
het ongelukkige denkbeeld den dood als geraamte voor te stellen.
Goethe, die alle grove en ruwe vermaningen aan den dood gaarne uit den
weg ging, heeft onophoudelijk het skelet geprezen als een ware
openbaring, als één der schoonste werken der natuur, zooals deze de
geestelijke eigenschappen vast in zich bewaart. Inderdaad is er
nauwelijks een tweede plaats op aarde, waar de zuiver wiskundige logica
der ontwikkeling zóó wonderduidelijk en prachtig helder voor oogen
treedt als bij een skelet. Het moest de taak zijn bij het onderwijs in
de natuurlijke historie, de kinderen reeds in de allereerste jeugd zóó
op te voeden, dat zij evenzeer den onwaardigen angst voor een geraamte
verliezen als de dwaze vrees voor spinnen en padden.

Als men een leek zet voor een skelet van een mensch of een paard, dan
kan men hem dadelijk met een grappige vraag overbluffen. Gij hebt allen
wel gehoord van den duivel in het volkssprookje: aan zijn menschelijk
lichaam draagt hij een paardevoet. Teeken nu eens een dergelijk mensch
met een paardevoet. Gij teekent hem netjes zooals ook alle groote
schilders vóór u hebben gedaan: aan de menschelijke knie hecht gij
namelijk eenvoudig een onderbeen van een paard vast met den hoef als
voet. Kom nu voor het skelet en wijs mij bij mensch en paard de
beenderen, die daarin zouden moeten steken.

Hier hebt gij bij het geraamte van den mensch het bovenbeen, het
eenvoudige, lange dijbeen, dat van het bekken afdaalt. Daaraan sluit
zich het benedenbeen aan, dat eigenlijk bestaat uit twee beweeglijke
beenderen, het scheenbeen en het kuitbeen, maar dat in beginsel toch
overeenkomt met één enkel hoofdbeen, dat van de knie naar den voet
loopt. En hier eindelijk is de voet zelf. Dus drie hoofdgedeelten met
twee buigplaatsen, twee gewrichtsplaatsen. Haak nu het skelet van den
voet en dat van het onderbeen los, en hang daarvoor in de plaats het
stuk onderbeen van het paardenskelet met het skelet van den hoef,—dan
hebt gij het skelet van uw Mephistobeen. Haak echter die stukken weer
aan het paard vast, en tel na, van onderen naar boven. Daar hebt gij
den hoefvoet, het zooeven gebruikte onderbeen, daarboven het bovenbeen
en dan—zou het bekken moeten komen. In plaats daarvan hebt gij nog één
been te veel. Een boven-bovenbeen. Het paard heeft, naar het schijnt,
een heel been meer in de reeks dan de mensch! De grap kan echter zeer
wel verklaard worden. Feitelijk heeft ook het paard slechts drie groote
beenderstukken in zijn been. Het zoogenaamde boven-bovenbeen komt
overeen met het werkelijke menschelijke bovenbeen. Het zoogenaamde
bovenbeen is in werkelijkheid reeds het onderbeen. Het stuk echter, dat
nu volgt, en dat wij beschouwden als het onderbeen van Mephisto, is
reeds „paardevoet”, dat wil zeggen: het is reeds een echte voet, en
komt overeen met onzen voet van den enkel tot aan het begin der teenen.
Het eenige verschil is, dat het zoo reusachtig lang is uitgerekt, en
ons zoo als één geheel tegemoet komt, waardoor het dwaalbegrip zou
kunnen ontstaan, dat het nog in het geheel niet een voet, maar een
onderbeen is. En die vergissing was nog des te gemakkelijker te
verklaren, daar er bij het paard, dat nog met zijn vleesch bedekt is,
voor het uiterlijk nog een zeer merkwaardig verstoppertjesspel bijkomt.
Het ware bovenbeen van het paard stak zoo te zeggen in den romp. Waar
van buiten het been eerst begint, daar loopt het al over het
kniegewricht heen. Dan komt reeds het feitelijke onderbeen als een
bovenbeen te voorschijn en het buigt weer af tegen het reusachtige
voetstuk (voetbeen zou men wel kunnen zeggen), zoodat men zou meenen,
dat eerst hier de knie zit. Om dus uw menschenbeen een echten
paardepoot te geven, zou werkelijk het volgende noodig zijn. Gij zoudt
van het menschelijke skelet niet het onderbeen moeten loshaken, maar
alleen den voet. Dan zoudt gij echter het menschelijke bovenbeen zóó
naar boven moeten schuiven, dat het, als het met vleesch bedekt was,
gewoon weg in het lichaam naar boven verdween en zijdelings zich
plaatste naast het bekken. Daardoor zou natuurlijk nu het onderbeen ook
zóó ver naar boven gaan, dat zijn bovenste hoek, de knie, onmiddellijk
in de heupen kwam te liggen, terwijl zijn gewricht bij den voet nu daar
hing, waar vroeger de knie was. Om nu echter van die valsche knie de
leege tusschenruimte tot op den bodem te overbruggen, moest gij hier
dan echter het ontzaglijk steile voetbeen van den paardepoot er
tusschen voegen, dat geheel van onderen bij den hoef als de schoen van
den laatsten teentop nog weer eens eenigszins omgebogen is. Nu eerst
zou het skelet een echten „paardepoot” hebben,—en tevens is op die
manier ook de tegenstelling van mensch en paard in dit geheele
steunorgaan volkomen duidelijk.

Ons paard behoort niet alleen tot die dieren, die (op de vroeger
geschetste wijze) hun teentop met een harden schoen, een „hoef” hebben
omkleed. Maar het behoort ook tot die dieren, die zoowel teen als voet
zóó steil hebben opgetrokken, dat het lichaam alleen nog maar op den
teentop en den hoef balanceert. Maar ten slotte is het paard ook de
vertegenwoordiger van dat uiterste type, waarbij aan ieder been nog
slechts één enkele zoodanige hoef zit, zoodat feitelijk slechts vier
teenen het geheele viervoetige lichaam hebben te belemmeren, in plaats
dat, zooals bij ons menschen, als wij op vier voeten op de teenen
zouden willen loopen, in de toppen van onze vingers en teenen twintig
dergelijke steunpunten zouden aanwezig zijn. Slechts één enkele teen
aan iederen voet: dan ligt het echter voor de hand, dat met dien éénen
teen slechts één enkele wortel als voornaamste steun in het middendeel
van den voet overeenkomt. Bij iederen druk van de hand kan men in onze
menschenhand het volgende waarnemen (en bij onzen voet is het volkomen
hetzelfde): achter onze vijf vingers komt in het gezamenlijke
middendeel onzer hand met ieder dier vingers onder de huid en het
vleesch der spieren telkens één enkel wortelbeen overeen. Men kan die
vijf wortels zelf onder de huid van den rug der hand één voor één
tellen en ze gemakkelijk voelen. Eerst vlak bij het polsgewricht hangen
die wortels zelf weer als in een enkel wortelbed in een mozaïek van
kleinere beentjes, den eigenlijken gemeenschappelijken handwortel. Vijf
vrije vingers of teenen bij ons: en in overeenstemming daarmede vijf
verschillende wortels. Één teen slechts bij het paard: daarom zal daar
slechts één wortel aanwezig zijn. En met uitzondering van een
onbeduidend feit, dat voorloopig nog geheel bijzaak is, en waarop ik
eerst later nog terug kom, is dit ook zoo. Dat ééne uitsluitende
wortelbeen van den teen bij den eenigen nog bestaanden teen van het
paard vormt juist dat gewaande onderbeen of „voetbeen”, dat ons zooveel
hoofdbrekens heeft gekost. Hij vormt dit, door uit te groeien tot een
betrekkelijk kolossalen beenen staak, die nu als zoodanig in zijn
afmetingen volstrekt geen overeenkomst heeft met onze vingerwortels of
wortels der teenen. Terwijl de teen, die tot den hoef loopt, zelf zeer
matige afmetingen blijft behouden, schuift door die ontzaglijke
tusschenstang van den voet het eigenlijke been daarnaast. Dit moet zoo
zijn, daar anders het lichaam van het paard op stelten van een
onmogelijke lengte zou komen te staan. Van daar het naar boven drukken
van het geheele bovenbeen tot in den romp, waarvan het gevolg is, dat
het blijvende vrije been feitelijk alleen uit onderbeen en voet
bestaat, en het op de gewone plaats van de knie niet meer de werkelijke
knie, maar reeds het voetgewricht heeft, terwijl daar, waar men het
voetgewricht zou verwachten, reeds het engere gewricht van den teen
binnen in den voet, de buigplaats tusschen teenwortel (middenvoet) en
teen gelegen is.

Als men nu die geheele tegenstelling van paard en mensch overziet, dan
moet één zaak ondubbelzinnig duidelijk worden. In dien bouw van het
paard heerscht in tegenstelling met den mensch een dubbele strekking.
In de eerste plaats de strekking, om aan het geheele lichaamsdeel, tot
aan de uiterste spits den bouw te geven van een in één enkele lijn
uitgestrekt been, een stelt. Van daar ook de merkwaardige beperking van
den geheelen voet tot één enkelen middenwortel in plaats van splitsing
van den hoofdstam in vijf takken, zooals bij onzen menschenvoet of onze
menschenhand. En van daar dan ook het bijna volkomen optillen van dien
voet van dien stam in den rechten steltstand van het been. In de tweede
plaats echter een even duidelijke strekking, om dien op een been
gelijkenden voet nu ook naar boven toe, zoover als maar eenigszins
mogelijk is, tot een werkelijk vrij been te maken, dat vrije been,
zooveel mogelijk te vervangen door den voet.

Beide strekkingen worden echter in haar samenhang zoowel als in haar
beteekenis onmiddellijk duidelijk, als men nagaat, waarvoor het paard
zijn uiterste ledematen gebruikt. De dichter van het „Boek Job” spreekt
reeds van de stoutheid, waarmede het opspringt, en vergelijkt dat met
het wegvliegen van den sprinkhaan. Het paard in zijn zoowel meest
natuurlijken als ook meest edelen gang is geen karrepaard of
vigelantepaard. Het is een renpaard, dat vrij voortholt over de
uitgestrekte, vlakke baan. Het is hier geen schepsel, dat den bodem
drukt, dat zich in de eerste plaats op een breed steunvlak tracht op te
houden. Het slaat den grond in zijn loop. Het beheerscht dien grond in
die mate, dat het schijnt daarover heen te zweven, zoodat slechts de
scherpste blik de enkele oogenblikken kan waarnemen, waarop die Antaeus
de aarde nog juist even aanraakt om zijn kracht te vernieuwen. Die gave
van de suizende vlucht over de vlakte geeft aan het paard zijn
karakteristieke eigenschappen, waar het ons nog in zijn meest
oorspronkelijke vrijheid in de vrije natuur te gemoet komt als wild of
weer verwilderd galoppeerend dier der eindelooze grassteppe; maar
tevens is daardoor ook zijn hoogste waarde bepaald als zuiver sportdier
binnen de grenzen onzer cultuur.

Het meer eigenaardige geheim van dit schitterende bezit is echter, dat
het in dit geval juist verbonden is aan een zeer groot, en in zijn
meest edelen aard kolossaal dier. Een zoogdier van die grootte moet
noodzakelijker wijze een kracht bezitten, die daarmede in
overeenstemming is. De keerzijde echter van alle reuzengestalten is
hunne zwaarte. Een reus zijn kracht te laten en hem toch even licht
beweeglijk te maken als een dwerg, dat zou eerst eene gelukkige
oplossing zijn. Bij het paard is die oplossing bijna bereikt. Zij is
bereikt, in zooverre wel niet de zwaarte op zich zelf is opgeheven,
maar deze is geneutraliseerd door een schitterend bewegingsapparaat.
Hoe zwaar trouwens het paard is in zijn beste ras (dat juist zoo streng
zijn grootte handhaaft), wordt oogenblikkelijk duidelijk, als men het
paard ziet, als het op den grond is gevallen, uitsluitend overwonnen
door de zwaartekracht, onmachtig om zijn ontzettenden last weer op de
dunne stelten van zijn bewegingsmechanisme op te richten, ja zelfs
ernstig in gevaar, dat een verkeerd aangewende poging om op te staan
het fijne mechanisme door de geringste scheeve belasting breekt als
glas, juist omdat het zoo ontzettend fijn is. En toch is bij het paard,
als het rechtop loopt, die zwaarte niet alleen zóó overwonnen, dat een
voortreffelijk, onder bepaalde omstandigheden bijna ongeloofelijk
harddraven mogelijk wordt, maar dat de lichaamskracht van den reus nog
een belangrijke overmaat beschikbaar heeft. Die kracht gaat niet
verloren door de beweging alleen: zij weet zich te sparen, zoodat het
paard nog meer kan volbrengen. Hier openbaren zich juist zoo duidelijk
die twee voortreffelijke hoedanigheden, die aan het paard in de
symbiose met den mensch zijn zoo bijzonderen roep hebben verschaft. Aan
den éénen kant zijn volharding, die het niet alleen maakt tot een dier,
dat gedurende een kort oogenblik flink draven kan, maar tot een dier,
dat bij een niet te onregelmatig tempo een onschatbare draver over
groote afstanden is. Aan den anderen kant zijn overmaat van kracht,
waardoor het zelfs bij een snelle en langdurige beweging niet alleen
zijn eigen reuzengewicht spelend overmeestert, maar door dat eigen
gewicht volstrekt niet wordt uitgeput, en zelfs een aanzienlijke van
buiten aangebrachte belasting nog rustig kan verdragen.

Het bewegingsmechanisme is feitelijk zóó practisch ingericht, dat het
nog voldoende is voor een aanzienlijk grootere massa, het werkt met een
groot overschot en een groote speelruimte. Dit geeft aan het vrije
wilde paard een groote souvereiniteit van macht, het heeft steeds
kracht in overvloed bij de hand, zijn bewegingen krijgen iets
overmoedigs, vermetels, iets trotseerend-zekers, dat zich op een wijze,
zooals dit bij geen ander schepsel gevonden wordt, combineert met het
nog steeds daarachter doorschemerende type van het zware, in den grond
der zaak logge dier. Het tamme paard maakt echter met dit middel in de
symbiose der cultuur het rijden onder den man en het trekken mogelijk.
Binnen die speelruimte van de overmaat van kracht van den natuurreus,
die niet ten volle is in beslag genomen, kan hij het volle gewicht van
den ruiter op den koop toenemen bijna zonder dat dit eenigen invloed
heeft op zijn vermogen, zich gemakkelijk te bewegen. Het kan een wagen
voorttrekken, terwijl het slechts weinig, en als het niet te erg is,
zeker niet te veel van zijn snelheid en volhardingsvermogen opoffert.

Dit wonderlijke bewegingsmechanisme, dat een reus zóódanig ontlast, dat
hij zijn kracht kan gebruiken als een dwerg, die nauwelijks eenigen
overlast ondervindt van zijn zwaarte, is nu in het geheele skelet van
het paard tot zelfs in ieder beentje weergegeven, als goed ingebeitelde
letters, die nooit verloren gaan. Natuurlijk niet alleen in het skelet.
Ook alle andere deelen en stelsels van het lichaam staan duidelijk
merkbaar in dien dienst, in de eerste plaats ook de hersenen van het
paard.

Over hetgeen die hersenen kunnen praesteeren vindt men meeningen, die
elkander in velerlei opzichten tegenspreken, en dat zelfs bij de beste
kenners. Nu eens wordt dit overschat, dan weer niet op de juiste waarde
gesteld. Naar mijne meening moet men het verstand van het paard
voornamelijk in die richting zoeken, waarin het bewegingsmechanisme van
het paard ter sprake komt.

Het paard is dom, blind, schrikachtig, het is „schuw” en dwaas in zijn
handelingen, naar gelang men bij hem stoot op een bepaalden
oorspronkelijken aanleg en zijn instincten afmeet met den maatstaf van
ons menschenverstand. Men moet daar geen rozen van een doornbosch
willen oogsten. Het paard is nooit een loerend roofdier geweest, dat
een aanval met overleg voorbereidt, en evenmin ooit een voorzichtig
klein dier, dat zich verstopt. Zijn verdediging, de verdediging van den
sociaal levenden graseter in de steppe, was van den eersten oorsprong
af een wild wegrennen, een razende vlucht. Daartoe diende juist zijn
ontzaglijk ontwikkelde beweeglijkheid met zijn volhardingsvermogen. Het
instinct van die vlucht, die reeds begon bij het zien van een slechts
half begrepen beeld, na het signaal van den aanvoerder der kudde of
iets dergelijks, is nog heden gelegen in het „schrikken” van het paard,
dat alleen dikwijls verkeerd verklaard wordt, zooals zooveel instincten
van dieren, en dat dikwijls tot zijn verderf leidt, daar het
eigenaardige onzer cultuur medebrengt, dat wegen worden afgesloten en
worden versperd en gebarricadeerd in tegenstelling met de open steppe,
waarop het instinct van het onnadenkend er op los razen oorspronkelijk
was ingericht. Als een kazerne verbrandt, (waarvan ik mij nu juist een
geval herinner) en de paarden, na zich te hebben losgerukt, in een
zinnelooze vaart op een open schipbrug naar buiten razen en over de
leuning heen onmiddellijk in den stroom rennen, dan is dat geen domheid
van de dieren, maar het is hetzelfde oude instinct der steppen, waarbij
zij bij een prairiebrand eenvoudig onwillekeurig over de vlakte rennen,
omdat zij daar zeker zijn van een terrein, dat zich zonder letsel en
gevaar uitstrekt tot aan den horizon.

Een erfenis van dat veelbewogen steppenleven is ook de zoo ongelijke
ontwikkeling der zintuigen, die door den ongeoefenden en oppervlakkigen
waarnemer eveneens gemakkelijk wordt beschouwd als een criterium van de
werkelijke verstandelijke eigenschappen. Het paard is geen dier met een
scherp ontwikkeld gezicht, dat zijn handelingen nauwkeurig afweegt naar
bepaalde voorwerpen, die het met de oogen waarneemt. In de eentonige
grasvlakte is er trouwens niet veel te zien. Indien er hier plotseling
het ééne of andere nieuwe voorwerp van de verte uit binnen zijn
gezichtskring binnenkomt, dan is het meestal raadzaam, dat hij dit in
plaats van het te naderen ter betere aanschouwing, liever uit den weg
gaat, wat trouwens ook voor het paard verreweg het gemakkelijkst is.
Van daar dus de snelle instinctieve angst ook van het tamme paard, nog
niet zoozeer voor het werkelijk vijandelijke, maar ook reeds voor het
eenvoudig vreemdsoortige, merkwaardige, wat in zijn gewone bestaan
afwisseling brengt, iets wat op den oppervlakkigen beschouwer weer den
indruk maakt van buitengewone kortzichtigheid en onnoozelheid; men
denkt: kan dan het paard niet zien, dat een wilgenbosch geen beer is!
Daarenboven zijn de paarden oorspronkelijk ook sociale dieren, waarvan
een aantal in een kudde medeloopen, op den aanvoerder vertrouwen en wat
het uitkijken betreft zich in de bescherming der kudde veilig wanen als
een tam paard tusschen de oogkleppen. Daarentegen kan een paard met den
neus over de vrije vlakte uitstekend speuren, niet te vergeefs heeft
het paard dien reusachtigen „neusschedel”, die hem zijn karakteristiek
gelaat geeft; niet te vergeefs heeft hij zijn neusgaten, die zoo
wonderbaarlijk veel uitdrukking hebben, al heeft de cultuur juist op
het neuszintuig bij het paard niet meer zooveel gewicht gelegd. Maar in
de eerste plaats is het, een in een kudde levend dier, van het
allereerste begin af reeds een natuurlijk signaaldier, gewoon op het
geringste signaal van het aanvoerende dier even nauwgezet te reageeren
als een soldaat. Die eigenschap is omgekeerd één der belangrijkste
eigenschappen geworden bij ons cultuurpaard,—zonder deze zouden wij
nooit met het paard iets ernstigs hebben kunnen beginnen; zij komt
zelfs reeds duidelijk uit bij het armoedigste vigelantepaard, dat
onmiddellijk gehoorzaamt aan de zwakste aanraking van den teugel, en
het is zeker, dat het paard in dit opzicht bewezen heeft, geschikt te
zijn tot verdere opvoeding en ontwikkeling. De geschiktheid, om op een
zeer fijn teeken op de ééne of andere wijze te reageeren—zooals het
scheen zelfs een teeken, door een mensch onbewust en ongewild
gegeven—is het laatste gebleven, wat het in der tijd beroemde paard:
„de Slimme Hans” werkelijk van andere paarden onderscheidde; in ieder
geval was het een paard, dat buitengewoon gevoelig reageerde, en dat
bij willekeurige rekenkunstige vragen zóó lang met den hoef stampte,
totdat het uit het ééne of andere teeken van den vrager in de buurt van
het getal, dat het juiste antwoord aanwees, het bevel afleidde van op
te houden. Dergelijke bewegingsteekens leiden echter werkelijk reeds
tot het gebied, waar men het „verstand” van het paard in het algemeen
niet hoog genoeg kan waardeeren,—en wel overal, waar het juist ook om
de hulp der hersenen bij het bewegingsmechanisme te doen is.

Een paard, dat niet verschrikt is, en dat individueel acht geeft op den
weg, is steeds een prachtig gezicht. Alle voortreffelijke individueele
eigenschappen komen hier tot haar recht. Het individueele leeren viert
hier zijn triomfen. Men moet in het Reuzengebergte het gedrag der
paarden waarnemen, die met den zwaren vrachtwagen met volle biervaten
de zwaarste wegen opklimmen naar de hoogliggende hutten in het
gebergte, men moet zich eens laten verhalen, hoe op IJsland de
rijpaarden met hun last op het gevoel af de natuurlijke steenen trappen
der verkoelde stroomen lava afdalen. Hier ligt de echte zijde van het
verstand van het paard, die sedert duizenden en duizenden jaren
eenzijdig is gekweekt en waardoor het paard in de hand van den mensch
ook ongetwijfeld werkelijk nog een heel eind verder is gekomen. Men
moet in de eerste plaats hieraan denken, hoe de mensch hier het paard
(ik neem het woord in zijn meest uitgebreide beteekenis, waaronder dus
ook bij voorbeeld het muildier moet gerekend worden) tot een echt dier
van het gebergte voor zich heeft weten te vervormen. Het is steeds wel
is waar gaarne een dier der steppen van het hoogland geweest (zooals in
Centraal-Azië, waar ontzaglijke steppen, feitelijk van de hoogte van
den Mont-Blanc, zich van horizon tot horizon uitstrekken), dus wat het
klimaat betreft hier van oudsher goed aangepast. Maar hoe het muildier
tegenwoordig verstandig en zeker over de hooge Alpenpassen trekt, dat
is toch (niettegenstaande de bouw van hoeven en pooten onveranderd is
gebleven) ongetwijfeld een belangrijke vooruitgang in zijn verstand. En
in die richting liggen ook alle resultaten der dressuur van paarden in
een circus, een eigenaardige reeks van bravourstukjes van zijn
verstand, waar dit op beweging berust. Die eigenaardige richting van
het verstand is, wat zijn hersenen betreft, de kracht van het paard,
doch tevens zijn eenzijdigheid. Wat het paard leert, moet het als het
ware met de pooten leeren. Daarom was het dan ook reeds van te voren
zoo onwaarschijnlijk, dat de „Slimme Hans” ingewikkelde abstracte
rekenkunstjes zou hebben geleerd, terwijl het opletten op nog zoo fijne
bewegingsteekens (op zich zelf trouwens merkwaardig genoeg) toch in
ieder geval bleef in de lijn van het van ouds bestaande.

Het hoogtepunt vertoont echter de constructie van het been zelf. Hier
worden voor ons werkelijk al die geschetste eigenaardigheden
onmiddellijk duidelijk, en blijken deze even zoovele machinale
kunstgrepen te zijn uit dien geheelen samenhang. Het been is ontlast
tot op de grens der uiterste mogelijkheid—zooals een boom, waarvan men
alle takken heeft afgeslagen. Dat begint reeds bij de beenderen van het
eigenlijke been, waarvan de onderbeenen, de evenwijdige dubbele
beenderen, die wij menschen aan het onderbeen en den onderarm dragen
(elleboogspijp en spaakbeen, scheenbeen en kuitbeen) tot een enkele
stang beginnen samen te groeien, terwijl het toppunt bereikt wordt in
dien beenachtigen steltvorm der voeten. Te gelijker tijd worden echter
die rechte stelten, waarop het lichaam is geplaatst, tot op het
uiterste bewegelijk gemaakt en in haar onderdeelen verschuifbaar. En
juist daarvoor dient de kunstgreep met het naar boven schuiven van den
voet hoog in de constructie van het been. Terwijl een beenachtig
verlengd steil voetstuk zoowel wat plaats als wat wezen betreft in de
plaats treedt van het onderbeen—het voetstuk tusschen het voornaamste
teengewricht en het enkelgewricht—wordt dit teengewricht feitelijk
enkelgewricht en het enkelgewricht kniegewricht. Vooral de streek van
dat nieuwe enkelgewricht wordt daarbij de plaats van de meest volkomen
beweeglijkheid. Zoo wordt voor dat geheele lichaamsdeel als het ware
een gewricht gewonnen, en wel het oude kniegewricht. Terwijl het been
op die plek reeds lang genoeg van afmetingen is, kan het daarboven
liggende oorspronkelijke bovenbeen als het ware nog aan den romp
verwerkt worden, het kan nog een zoowel stevig als beweeglijk been tot
aanzetstuk van de spier tusschen het vrije lichaamsdeel en het stijve
bekken en het stijve borstbeen schuiven als een door het lichaam stevig
vastgepakten en bestuurden steel van het steile beenwerktuig daaronder.

Men zou wel is waar kunnen zeggen: in beginsel zou dit ook kunnen
bereikt zijn zonder optrekken en verlengen van den voet, eenvoudig door
een nieuw gewricht in te voegen bij voorbeeld midden in het been van
het onderbeen en door het rekken der zoo gewonnen deelen van dat
onderbeen. Maar het is nu eenmaal een karakteristieke trek bij de
vorming van ieder skelet, dergelijke radikale vernieuwingen te
vermijden, en tot aan het uiterste toe te komen binnen de grenzen van
de algemeene grondschets van wat voorhanden is. Dit beginsel is reeds
ongeveer zeventig jaar vóór het optreden van Darwin door Goethe
uitgesproken in zijn voortreffelijke anatomische studies. Hij noemde
dit de grondwet van het type. Een bepaald type van skelet was voor een
dierengroep, bij voorbeeld die der zoogdieren, als grondvorm gegeven.
Bij voorbeeld aan de onderste ledematen de verdeeling: bovenbeen,
onderbeen, voetwortel, middenvoet, teenen, en dat alles aan elkander
vastgeschakeld met beweeglijke gewrichten. Dat type trachtte zich
steeds weer in ieder bijzonder geval te handhaven. Maar daar binnen had
men dan de noodige speelruimte. De lengte der beenderen kan bij de
verschillende diersoorten verschillend zijn. Het aantal teenen kan naar
beneden toe afwisselen. En zoo voort. Goethe zelf verklaarde reeds die
verschillen binnen de gegeven speelruimte volkomen juist als een
aanpassing aan de telkens bestaande bijzondere wijze van leven der
afzonderlijke diersoorten. Voor de ééne diersoort waren lange beenderen
voor de pooten beter geschikt, voor de andere korte. Die aanpassing
zette zich dus voort door de ééne of andere macht der natuur. Doch het
type kan daardoor niet worden omgezet. Wij zouden tegenwoordig die wet
Darwinistisch iets minder abstract opvatten, haar daarentegen echter
scherper willen definieeren in de wijze van zijn tot stand komen. In
het steeds weer doordringen van het „type” zien wij de erfelijkheid,
die telkens op nieuw een oorspronkelijken gemeenschappelijken stamvorm
van elke groote dierengroep ook nog in de verste nakomelingschap tracht
voort te zetten, zoo ver het maar mogelijk is. In de aanpassing zoeken
wij een werkelijke historische verandering van die nakomelingschap
onder den aanhoudend gedurende groote tijdsruimten daarop inwerkenden
dwang van zijn milieu, waarvoor Darwin in zijn leer der teeltkeus ook
den korteren weg meent gevonden te hebben. Doch nog geen enkele theorie
geeft een in ieder opzicht bevredigende verklaring. Er zijn daar nog
uiterst raadselachtige zetten op het schaakbord der organisatie. Zoo
sleepen bij voorbeeld optredende veranderingen, ook zonder het type op
zich zelf in de war te brengen, dikwijls zeer bepaalde, blijkbaar aan
vaste wetten gebonden veranderingen aan andere, volkomen daarvan
onafhankelijke, lichaamsdeelen na zich, die niet in het minste verband
staan met het nut dier wijziging. Darwin noemde dat de „wet der
correlatie”, zonder die zelf verder te kunnen verklaren. Het maakt den
indruk, als ware er nog een derde macht en een derde instantie behalve
type en aanpassing. Overal zijn wij nog steeds omgeven door geheimen.
Maar onafhankelijk van iedere theorie: in die wet der typen op zich
zelf ligt een waarheid, dat is zeker. Als in den paardepoot een nieuw
gewricht gebracht was, zonder dat dit aansloot aan het officieele type
van het skelet, dan zou dit een schaakzet tegen het type hebben
beteekend, en wij zien, dat dit steeds wordt vermeden. Daarom moet de
voet zich weten te helpen met zijn gewone gewrichten, en moet hij hoog
in het been passen.

Misschien dat nu menig lezer het paard uit dit oogpunt nog eens op
nieuw beschouwt—en wel in verband met zijn merkwaardige eigenschap als
sterk geprononceerd „voetdier”; men zou ook kunnen zeggen „handdier”,
als men het uiteinde der voorste ledematen als hand beschouwt; in dat
geval krijgt de zaak een nog veel dieper zin. Wij hebben in een ander
werk [2] reeds een zoogdier besproken, dat met de handen door de lucht
vloog: de vleermuis. Hier zien wij het dier (en het paard is slechts
een enkel voorbeeld in dien zin voor een geheele reeks andere dieren,
die dergelijke wegen hebben ingeslagen), dat in de ware beteekenis van
het woord met de hand loopt, een schrale, dezen keer tot één enkelen
vinger teruggebrachte hand, die tot den elleboog reikt, en een even
schralen voet, die tot aan de knie reikt.

De gedachte, ontleend aan de ontwikkelingsgeschiedenis, zooals die ons
half bij toeval weer in den zin kwam, bezit echter in dat prachtige
bewegingsapparaat van ons paard uit den tegenwoordigen tijd nu nog een
soort van classieke plaats, waaruit zij zich in weerwil van allen
twijfel en alle aanvallen tot nu toe met geen middelen heeft laten
verjagen. De paardepoot heeft, zooals ik zeide, slechts één teen, en
omdat hij slechts één enkelen teen heeft, heeft hij ook slechts één
enkelen teenwortel—zooals de anatoom het uitdrukt, slechts één enkel
middelvoetsbeen, al is het dan ook zóó lang en zóó dik, dat het
bevorderd is tot den rang van een werkelijk onderbeen. Die wijze van
uitdrukking vereischt nu, zooals wij bij wijze van voorzorg reeds
eenmaal hebben vermeld, een kleine verbetering—een wel is waar kleine,
maar toch hoogst belangrijke.

Volkomen zonder beteekenis sluiten zich aan genoemde beenderen nog twee
kleine beensplintertjes aan, die aan weerszijden van boven komen en die
achterwaarts in een fijne punt eindigen, van geen belang in het
gebruik, als gold het slechts werkelijk twee afgesplinterde
woekeringen, die door het ééne of andere toeval vereeuwigd zijn. Naar
hun vorm noemt men ze griffels of griffelbeenderen. Bij al hun
onbeduidendheid is de plaats, waar zij gevonden worden, niet van zóó
weinig beteekenis, dat zij ons niet noopt tot een bepaalde verklaring.

Ik vergeleek dien paardepoot met een stam, waar men alle takken heeft
afgehouwen, namelijk alle andere teenen en teenwortels. Op een goed
gladgemaakten boomstam zoude men echter de snoeiplaatsen nog als
overblijfselen van stompjes herkennen. De griffelbeenderen van den
paardepoot zitten nu juist daar, waar een zoodanig afgekapt
overblijfsel van een „teentak” in stand zou hebben moeten blijven, als
aan weerszijden naast den overgebleven „stamteen” een dergelijke tak
zou zijn afgeknot. Zij bestaan uit één enkel lang stuk stift en
vergezellen alleen den teenwortel, nu die behouden is gebleven: het
zullen dus wel zelf ook alleen maar zulke overblijfselen van
teenwortels zijn, geen teenstompjes zelf. Maar dat is reeds voldoende,
om de zaak belangrijk te maken. Indien men nauwkeurig onderzoekt, hoe
dat griffelbeen aan die onderlaag van den voetwortel zelf verbonden is,
en iedere bijzonderheid overdenkt, dan wordt de zaak letterlijk
absoluut zeker. Men heeft te doen met een geval van zoogenaamde
„rudimentaire organen”, organen van een levend dier, die bij dat dier
geen direct doel meer hebben voor het gebruik, maar die door de natuur
nog steeds, hoewel in verkwijnden miniatuurvorm, in de groote
inventaris van het lichaam worden medegevoerd, hetzij, omdat het de
ontwikkeling nog niet is gelukt, ze geheel af te stroopen, hetzij (wat
mij waarschijnlijker voorkomt), omdat zij (overdrachtelijk gesproken)
als een soort van reserve worden medegesleept, om als het noodig mocht
zijn desnoods weer snel te kunnen worden hersteld. Ons eigen
menschelijk lichaam is vol van zoodanige overblijfselen, ik herinner
slechts aan het beruchte wormvormige verlengstuk van onzen blinden
darm, den zetel der ontsteking van den blinden darm, een gedeelte van
de buik, die bij sommige zoogdieren een belangrijke afdeeling vormde
van het darmkanaal, terwijl het bij ons niets anders is dan een
verloren plekje, dat hoogstens somtijds de eigenschap heeft verwarring
te stichten; de meeste rudimentaire organen hebben niet eens die
eigenschap, zij blijven volharden in hun onverschillige rust.

Zoo dikwijls ergens een zoodanig verkwijnd orgaan wordt gevonden, heeft
het, zooals reeds vroeger is medegedeeld, maar hier nog eens herhaald
moge worden, voor ons begrip een gewichtige beteekenis. Het wijst
namelijk op veranderingen in het verledene, op het opduiken van nieuwe
organen van een andere soort en het op zijde treden van die organen,
welke vroeger niet konden worden gemist, in één woord het wijst op
ontwikkelingen, die hebben plaats gegrepen, op voorouders van het
bedoelde schepsel, die een anderen bouw hadden. Zoo besluit men terecht
uit de rudimentaire organen van ons menschelijk lichaam tot dierlijke
voorouders van den mensch, daar die organen, die bij hem tegenwoordig
buiten dienst zijn gesteld in afwachting dat zij misschien later weer
in hun rol worden hersteld, en die alleen in rudimentairen toestand
aanwezig zijn, bij bepaalde dieren nog in volle grootte en kracht
worden aangetroffen.

Heeft ons paard dus in zijn beide griffelbeenderen aan iederen voet nog
twee rudimentaire teenwortelbeenderen, dan zou dit bij hem moeten
beteekenen, dat het oorspronkelijk moet zijn afgestamd van dieren, die,
in plaats van één enkelen, drie zulke teenwortels bezaten. En daar bij
drie teenwortels gemakkelijk drie teenen te denken zijn, moeten wij
naar een stamvorm van het paard zoeken, die een voet bezat met drie
teenen. En ook die laatste zaak wordt hierdoor zeker, dat af en toe wel
eens onder het groote aantal onzer paarden abnormale gevallen
voorkomen, waarbij aan zulke paardepooten niet alleen de
griffelbeenderen ontwikkeld zijn, maar waarbij aan de ééne of andere
griffel feitelijk ook nog werkelijk een overblijfsel van den teen
hangt. Dit komt dan ook overeen met het somtijds waargenomen geval, dat
een mensch een spitsoor of een uitwendig zichtbaren staart bezit, en
dus enkele organen abnormaal nog eens in voltooiden toestand vertoont,
die anders alleen nog maar in rudimentaire, verborgen aanwijzing bij
het tegenwoordige menschengeslacht voortbestaan. Ja zelfs, er zijn
gevallen bekend geworden, waar een dergelijke paardepoot zelfs een zóó
volledig ontwikkelden bijteen droeg, dat ook nog de hoef daaraan zat,
en dat ons dus een paard met twee echte hoeven (de abnormale was
trouwens iets kleiner) aan denzelfden poot voor oogen werd geplaatst.
Dergelijke merkwaardige paarden zijn reeds in vroegere tijden
waargenomen. Men zegt, dat het beroemde rijpaard van Alexander den
Grooten die eigenschap heeft bezeten. Ook Goethe kende dit feit en
verklaarde het als een van tijd tot tijd naar voren treden van het
type, dat oorspronkelijk aan alle zoogdieren meerdere teenen toekende,
en dat ook daar, waar het zich tot één enkelen teen had laten
terugbrengen, zijn ideëel voortbestaan gaarne nog eens in den vorm
eener schijnbare abnormaliteit wilde aantoonen. Hebben wij hier ook
werkelijk te doen met een ontwikkeling van één der beide normale
griffelbeenderen en niet met een misgeboorte van den zich
verdubbelenden hoofdteen (waartegen behalve andere redenen ook nog de
ongelijkheid in grootte kan worden aangevoerd; tweelingen zijn
gewoonlijk even groot), dan kan die geschiedenis werkelijk niet
gemakkelijk duidelijker worden aangetoond. Daar in een dergelijk geval
behalve dien ontwikkelden teen aan den bijhoef bovendien ook nog een
griffelbeen bestond, wordt men hier verwezen naar een stamvorm met
oorspronkelijk vier teenen.

Tusschen haakjes zij hierbij vermeld, dat meermalen vermoed is, dat ons
paard zelfs in normalen toestand nog een laatste klein rudimentje
vereeuwigd heeft van een voormaligen zijhoef in de bekende haarlooze en
hoornachtige plekken in de nabijheid der vier voetwortels, die men de
zwilwratten van den paardepoot noemt; de hoef van een verloren
voortzetting van het griffelbeen zou dan hier, naar een eenigszins
vreemde plek verdwaald, nog als een eeltplek oppervlakkig op de huid
zijn gekleefd. Tegen deze meening is eigenlijk alles te zeggen, maar
vooral ook dit, dat bij de zebra’s zoowel als bij de ezels, dus ook
ongetwijfeld paarden en verwanten van paarden uit onze dagen, die
zwilwratten aan de achterpooten eenvoudig ontbreken; als het hier een
zoo belangrijk overoud rudiment der voorvaderen gold, dan zou het
ongeloofelijk zijn, dat de taaiheid, waarmede het rudiment voortduurde,
bij zóó verwante makkers zou schommelen tot aan een verdwijnen op
bepaalde plekken. En inderdaad is men ook slechts op dat denkbeeld
gekomen, omdat men tot op heden niet weet, wat die zwilwratten
eigenlijk als actieve organen beteekenen. Misschien zijn het rudimenten
van oude klieren. Wij hebben ze in ieder geval verder bij onze
beschouwing niet noodig.

Voor onze beschouwing is alleen nog van belang, dat de ligging van den
behouden gebleven paardeteen van onze dagen tusschen de beide
evenwijdige griffelbeenderen aan weerszijden, zonder eenigen twijfel
bewijst, dat die teen geen buitenste teen (dus in de beteekenis van
onzen voet geen groote of kleine teen, in de beteekenis van onze hand
geen duim of pink is), maar moet behoord hebben tot het middenstuk van
den voormaligen waaier met de verschillende stralen als teenen. En de
geheele anatomische toestand wijst er nog in meer beperkten zin op, dat
die teen in de beteekenis van onze hand zelfs juist de middenstraal, de
middenvinger is.








Hiermede zouden wij nu ongeveer gekomen zijn op het einde van datgene,
wat de levende paardepoot van tegenwoordig ons kan leeren. Maar nu
komen er juist op die plek een aantal werkelijk historische documenten
bij, waarover, sedert zij bekend zijn geworden, bij de zoölogische
theoretici van alle partijen twist en vreugde over de overwinning met
elkander hebben afgewisseld—waarvan echter in ieder geval zóóveel
vaststaat, dat zij bijzonder merkwaardig zijn.

Cuvier, met wien de wetenschappelijke kennis der uitgestorven dieren
uit vroegere perioden van de geschiedenis der aarde haar eerste
triomfen vierde,—Cuvier, die als theoreticus niet geloofde aan
ontwikkeling, maar aan telkens zich herhalende moeilijk te begrijpen
nieuwe scheppingen in den loop van de geschiedenis der aarde, wist nog
niet, waar hij in het stelsel der levende dieren aan het levende paard
zijn vaststaande plaats moest aanwijzen. Het moest voor hem natuurlijk
buiten twijfel zijn, dat het een „hoefdier” was. Het was immers juist
het grondtype van een hoefdier. Maar het ontging Cuvier niet, dat het
begrip „hoefdier” bij de zoogdieren niet maar zoo onder een hoed kon
worden gevangen. Een groote groep van die hoefdieren, de runderen,
geiten, schapen, herten, kameelen, giraffen, hadden, behalve hun
hoeven, nog de karakteristieke gewoonte van het herkauwen. Van daar dat
hij die dieren, die inderdaad allen merkwaardig met elkander overeen
kwamen, als orde der herkauwende dieren samenvatte. Nu bleven voor hem
echter als rest der hoefdieren over: de olifanten, (juist door hem tot
verbazing van alle vakgenooten hieronder gerangschikt) klipdassen, die
de grootte hadden van konijnen, de zwijnen, de nijlpaarden, de
neushoorns, de tapirs en eindelijk de paarden zelf. Het was zeker wel
het ongelukkigste oogenblik bij de geheele systematiek der zoogdieren
van Cuvier, toen hij voor die bonte reeks den titel „Pachydermen”,
dikhuidigen uitvond. Dat woord spookt nog steeds in de hoofden, en in
de natuurlijke geschiedenis van het volk is het een zóó gewone
uitdrukking geworden, als geen tweede kunstmatige uitdrukking van het
nieuwere stelsel. Ieder meende, dat hij daarbij iets kon denken, en
toch kan men zich feitelijk bij een juiste systematiek wetenschappelijk
niets daarbij voorstellen. Onder die groote onheilsrubriek maakt Cuvier
ook nog een paar onderrubrieken, die niet veel gelukkiger waren. De
olifanten en de klipdassen nam hij bij elkander, wat nog de beste zet
was, de zwijnen echter bracht hij samen met tapir en neushoorn tot een
werkelijken anatomischen Minotaurus, en de paarden liet hij weer als
eenhoevige dieren geheel op zich zelf staan. Om het maar dadelijk te
vermelden: bij de volgende poging tot systematiek is ten minste
getracht, de paarden uit dien warwinkel weer uit te visschen, maar
voorloopig wist men nog niet goed, waar ze heen te brengen. Als een
mozaïek van zwijn, tapir, neushoorn, nijlpaard, klipdas en olifant
heeft een afgesloten orde van hoefdieren nog voortgeleefd in de eerste
drukken van Brehms „Leven der Dieren”, door welk werk de ongelukkige
zaak nog wel het meest onder het volk is verspreid. Tegenwoordig is zij
wetenschappelijk voor goed dood, en er kan niet genoeg op gewezen
worden, dat het wenschelijk is, dat het woord „dikhuidigen” ook weer
uit het spraakgebruik wordt uitgeroeid.

Dezelfde Cuvier (aan wiens onvergankelijke grootheid dergelijke
dwalingen in de bijzonderheden volstrekt geen afbreuk doen) ontdekte
aan het paard ten minste één geheel nieuwe zaak. Hij stelde uit
versteende beenderen vast, dat er reeds in een tamelijk ver verleden
van de geschiedenis der aarde dieren bestonden, die op paarden geleken.
Reeds in de oudere tertiaire periode hadden dergelijke paarddieren,
zooals men het Latijnsche woord „Equida” zou kunnen vertalen, in kudden
rondgesprongen op den bodem van het tegenwoordige Frankrijk. Het moest
reeds toen, onmiddellijk na zijn ontdekking, den indruk maken, dat over
de paardenbeenderen uit de voorwereld een bijzonder gunstig gesternte
had geschenen. Hetzij het een gevolg was van de groote hoeveelheid
individuen bij die dieren, hetzij van hun samenblijven binnen een eng
begrensd gebied, dat op dezelfde plek bij gelegenheid eener catastrofe
geheele catacomben bijeen lagen, hetzij dat paardebeenderen een groot
weerstandsvermogen bezaten—zeker is het, dat de oude aarde, die ons in
haar eigenzinnigheid zooveel heeft onthouden, in dat geval bijzonder
verkwistend was en bleef. Reeds in de eerste tientallen jaren na Cuvier
werd het waarschijnlijk, dat wij meer zouden vernemen over het
voorwereldlijke paard dan misschien over eenig ander zoogdier der oude
tijden. Toen de ontzaglijke vindplaats van beenderen van tertiaire
zoogdieren bij de pachthoeve Pikermi dicht bij Marathon—een in dubbele
beteekenis classieke plek—ontbloot werd, kwamen daar zóó volledige
overblijfselen van geheele exemplaren van tertiaire voorwereldlijke
paarden voor den dag, dat in het museum te München het skelet van een
zoodanig voorwereldlijk dier even gemakkelijk kan worden opgericht als
van een tegenwoordig bestaand paard. De kroon werd daarop echter in
lateren en zelfs in den laatsten tijd gezet in Amerika.

Theoretisch zou er niet gemakkelijk een plek op aarde kunnen gevonden
worden, waar men minder naar overblijfselen van paarden zou moeten
zoeken dan Amerika. Toen Columbus Amerika voor ons had ontdekt, en de
Spaansche goudzoekers in een vreeselijk bloedbad de inheemsche
Indiaansche beschaving van Mexico en Peru uitroeiden, waren de van
Europa medegebrachte paarden een belangrijke factor voor het succes van
hun ruw optreden. Geen bewoner van Mexico of Peru had tot nu toe een
ruiter te paard gezien, evenmin als een vuurwapen. Het paard was, ten
minste in symbiose met den cultuurmensch, in geheel Amerika in die
dagen onbekend. Of het in wilden staat nog in enkele troepen daar
ergens bestaan heeft in de dagen van Columbus en Cortez, is eerst in
den laatsten tijd tot een onderwerp van debat geworden; wij zullen
daarover nog spreken. Maar in ieder geval is dit punt eerst ter sprake
gekomen, nadat men op het einde der negentiende eeuw het verwonderlijke
feit had geconstateerd, dat geen land, van het hoogste noorden tot het
laagste zuiden, zóó opgepropt vol lag met fossiele beenderen der meest
verschillende soorten van paarden en paardachtige dieren, als Amerika.

In Amerika hebben twee dingen elkander voor de palaeontologie, de leer
der voorwereldlijke schepselen, in de laatste tijden in de hand
gewerkt. In de eerste plaats de omstandigheid, dat daar geheel aan de
oppervlakte, dikwijls werkelijk voor het grijpen, voorwereldlijke
dierenbeenderen in bijna ongeloofelijke massa bij elkander rusten. Maar
bovendien de wijze van exploiteeren. Daar ginds wachten die schatten
der wetenschap niet, totdat een industrieel, die voornemens is een
steengroeve of een mijn te exploiteeren met het doel, daaruit winst te
behalen, toevallig terloops daarop stoot. De palaeontologie is daar een
sport. Millionairs, die reeds lang hun zaken aan kant hebben gedaan,
werpen zich op dat vak, zooals zij zich op renpaarden of
zeilwedstrijden werpen. Dit heeft een ontzaglijk materiaal geleverd. Al
loopt er van tijd tot tijd wat reclame onder, om toch maar het record
te slaan in het vinden van den „langsten sauriër”, of om alle
voorgangers te overtreffen met een paar meters brontosaurus of
diplodokus: toch blijft het waar en is het feitelijk van belang, dat de
palaeontologie door die Amerikaansche millioenen een sprong vooruit
heeft gedaan verder dan men tot nu toe had vermoed. De groote
afgietsels van het kolossale skelet van den diplodokus, die
tegenwoordig herhaaldelijk ook in onze Europeesche musea als geschenk
van de overzijde worden opgenomen, steken uit als een uitwendig
symbool. De beslissende en voornaamste beteekenis ligt echter in den
detailarbeid, die er bij komt, nadat geschoolde geleerden het materiaal
zorgvuldig hebben onderzocht. Onder dat soliede werk, dat als zoodanig
niets meer te doen heeft met het sportvermaak, en dat dus niet deel
neemt aan zijn stemmingen en goedmoedige overdrijvingen, staat nu de
arbeid omtrent het paardengeheim bovenaan. En zoo is een eenvoudige
keten van vaststaande gegevens voor den dag gekomen, die als zoodanig
buiten elke theorie staan en door iedere partij bepaald moeten worden
toegegeven.

In het diluviale tijdperk (dus ongeveer in de dagen der noordelijke
groote glaciaire periode met haar warmere tusschenperioden, haar
verbinding met steppenperioden en haar vervanging in zuidelijke streken
door groote regenperioden en allerlei andere beroeringen op onze
planeet) leefde in Noordamerika en (door landverhuizing) ook in
Zuidamerika in groote hoeveelheden ons thans nog bestaand paard.
Natuurlijk als wild paard, zooals het tegenwoordig nog in Centraalazië
bestaat en eenigszins anders, als zebra, in het heete Afrika. Maar in
het skelet reeds typisch de als paard aangeduide soort, dus met slechts
één teenwortel en teen aan den voet en twee zwakke rudimentaire
griffelbeenderen daarnaast.

Dat dit echte Amerikaansche wilde paard reeds vóór de ontdekking van
Amerika weer geheel is te gronde gegaan, terwijl zijn makkers in Azië
en Afrika tot heden toe in stand gebleven zijn, moge merkwaardig
schijnen, maar het feit staat als zoodanig niet op zich zelf. Ook de
mastodonten en mammouths, die in die dagen Noordamerika bevolkten, zijn
eveneens absoluut verdwenen. Dezelfde redenen, hoewel die ons tot heden
toe niet volkomen duidelijk zijn, zouden even goed de wilde paarden in
Amerika kunnen uitgeroeid hebben als de mastodonten en mammouths. Als
een aanwijzing, hoe een talrijk verbreid groot wild ook zonder
verandering van klimaat of van voedingsplanten en zonder menschenhand
somtijds tot op de grens van totale vernietiging kan worden
gedecimeerd, kunnen beschrijvingen dienen van het verdwijnen der
reusachtige wilde buffels in Duitsch- en Britsch-Oostafrika in de
laatste vijf en twintig jaar. In het jaar 1887 schoot (zooals
Schillings bericht) Graaf Teleki aan den Nguaso-Niyuki in drie maanden
nog vijf en twintig buffels neer. Richard Böhm ontmoette kudden van
honderden van die buffels, zoodat men herinnerd werd aan de bisons van
Noordamerika. Die bisons zijn door de vuurwapenen verdelgd. De
Amerikaansche buffel werd daarentegen in 1890 overvallen door de
runderpest, die door het tamme vee werd overgebracht. Een Engelsch
ambtenaar vond op één dag ongeveer honderd besmette, stervende dieren.
Tegenwoordig ligt de steppe vol met gebleekte schedels. De buffels zijn
bijna geheel uitgeroeid. Wie kan dus na zooveel tijd nog raden, wat
voor toevallige processen en vermeerderingen in het rijk der protozoën,
die leidden tot het ontzettend toenemen van den een of anderen
doodelijken ziekteverwekker, in de dagen vóór Columbus ook over
Noordamerika kunnen zijn heengetrokken? In dergelijke gevallen heeft er
een natuurlijke schifting plaats, die niemand in de verste verte kan
berekenen. De ééne diersoort blijkt minder vatbaar te zijn voor een
epidemische ziekte, als deze verwoestend over het land heentrekt, de
andere diersoort is daarentegen vatbaarder. Het zou kunnen zijn, dat de
Amerikaansche wilde paarden het slachtoffer zijn geworden van een
Tsetse-vlieg, die de smetstof in hen inentte, zooals sommige muggen ons
de malaria inenten, terwijl de bison en de gaffelantilope derzelfde
prairie toen bleven voortbestaan, om veel later echter weer even
onverbiddellijk in de vizierlijn van het schietgeweer van den
cultuurmensch te vallen, waartegen ook het immuun zijn tegen
epidemische ziekten niets meer helpt. Zooals gezegd is, is zelfs de
juistheid van het feit zelf tegenwoordig in twijfel getrokken. Het
paard zou wel is waar in Mexico en Peru onbekend geweest zijn, maar
niet absoluut over het geheele werelddeel uitgeroeid, en het zou eerst
werkelijk verdwenen zijn, toen het zich vreedzaam vermengde met de snel
verwilderde, door onze cultuur ingevoerde paarden, waarbij het versche
bloed der laatsten in enkele geslachten de kleine eigenaardigheden der
wilde paarden spoorloos zou hebben doen verdwijnen. Een interessant nog
open vraagstuk, dat echter nog niet met vaststaande feiten kan worden
opgelost.

Laat ons thans den wijzer van het geologische uurwerk iets achteruit
zetten. Tot voorbij de schommelende grens van de diluviale periode tot
aan de geologisch zoo bekende tertiaire periode. Wij herhalen nog eens,
dat die tertiaire periode een tijdsruimte van minstens verscheidene
millioenen jaren omvat. Zij vormt het stuk aardgeschiedenis, dat den
overgang vormt tusschen de periode der groote sauriërs en den
diluvialen en nieuwen tijd. In die periode wordt de hooge vlucht der
hoogere zoogdieren voltooid aan gene zijde van die groep van Cernays,
[3] waarvan zij uitgingen. In overeenstemming met de groote spanne
tijds, die ook nog die periode omvat, wisselen daarin nog herhaaldelijk
de grenzen van land en water af, geweldige gebergten, zooals de Alpen,
het Himalayagebergte, de Cordillera’s rijzen eerst binnen den duur dier
periode op door plooiingen in de aardkorst, een wisseling van het
klimaat heeft in haar tweede helft plaats, een wisseling, die Europa en
Noordamerika slechts zeer geleidelijk uit een bijna tropisch klimaat
voert; die periode is het schouwtooneel ook van verwoestende locale
catastrofes, zooals kolossale uitstroomingen van bazalt, die als
gloeiende lava uitgestrekte streken op aarde bedekken. Naar oud
gebruik, dat echter slechts in ruwe trekken natuurlijke hoofdstukken in
de geschiedenis der aarde kan begrenzen, verdeelt men die periode in
drie of, nog later, in vier afdeelingen in onze geologische tabellen:
van beneden naar boven de eocene, oligocene, miocene en pliocene
periode. Aan gene zijde der diluviale periode komen wij dus het eerst
op het laatste gedeelte der tertiaire periode, dat het dichtst bij
onzen tijd gelegen is: de pliocene periode. Uit die pliocene periode
zijn ons in Noord- en Zuidamerika niet te miskennen duidelijke
afzettingen overgeleverd, waarin na dien tijd niets meer van beteekenis
is veranderd of later bijgevoegd is, en waarvan de ingesloten beenderen
dus afkomstig moeten zijn van een niet meer diluviale, maar iets
oudere, een pliocene dierenwereld. De verschillende afzettingen
verschillen weder onderling iets in leeftijd, terwijl enkele uit het
oudere, andere uit het jongere gedeelte der pliocene periode afkomstig
zijn. Ook dit kan nog zeer goed worden gedetermineerd.

In beide lagen liggen nu weer ondubbelzinnig beenderen van paardachtige
dieren zoowel weer in Noord- als in Zuidamerika. Zij leveren het
volgende beeld.

In de bovenste, nieuwe laag, de pliocene periode, die het dichtst ligt
bij het diluvium, wemelde het over het geheele werelddeel aan de
overzijde reeds van talrijke echte wilde paarden der diluviale soort.
Doch daartusschen vertoonden zich groote hoeveelheden eener diersoort,
die ieder volgens haar geheelen bouw reeds van verre zou hebben
gehouden voor een dergelijk wild paard, alleen wat korter van pooten,
wat kleiner en plomper. Men moet zich in het algemeen die echte
diluviale wilde paarden niet denken als trotsche Arabische renpaarden,
maar men houdt zich voor den gedachtengang het best aan de bekende
omtrekken der kleinere zebra’s of nog juister der Aziatische
Przewalski-wilde paarden, zooals zij in den laatsten tijd in onze
dierentuinen gevonden worden. Tusschen deze forsche, lage en
grootkoppige dieren, die de grootte hadden van stevige ponie’s, waren
dus nog iets steviger en meer ineen gedrongen wezens gemengd als van
een ras, waarbij die kenmerken sterker op den voorgrond traden. Maar
één blik op het eigenaardige kenmerk van het paardenlichaam zou
voldoende geweest zijn, om onze verbazing op te wekken. De kortheid der
pooten ontstond bij die eigenaardige wezens hoofdzakelijk door iets
meerdere kortheid van dat beenachtige bot in hun vier middenvoeten.
Daarentegen waren echter de griffelbeenderen, dus dat stuk, dat
tegenwoordig zoo weinig beteekent, in verhouding een heel stuk langer
dan bij de echte wilde paarden. En nu het vreemdste: aan den buitenkant
der voorpooten zat zelfs nog naast het griffelbeen aan dien kant een
heel klein stompje van een derde griffelbeen. Die kleine stompjes
hadden hier nog een spoor van een rudiment van den aangrenzenden vinger
aan dien kant. Als de groote algemeene paardenvinger de middenvinger
was en dus het binnenste griffelbeen het overblijfsel van den wortel
van den wijsvinger, en het buitenste griffelbeen in overeenstemming
daarmede dat van den ringvinger, dan hadden die zonderlinge dieren hier
ten minste aan den voorpoot, menschelijk gesproken aan hun hand, ook
nog een wortelstompje van den pink. En wel bezaten zij die abnormale
beentjes niet als individueele, slechts een enkelen keer voorkomende
misvormingen, zooals bij ons de zoo even besproken paarden, die wel
eens individueel een afwijking vertoonen, maar stuk voor stuk
vertoonden zij alle diezelfde verandering.

Dat zou nu niet meer beschouwd worden als een klein rassen- of
soortkenmerk, immers zóózeer wijkt tegenwoordig geen tam of wild paard,
geen zebra, zelfs geen egel van het normale type af. Die pliocene
Amerikanen met een paardenvorm, maar toch niet meer met volkomen
nauwkeurige paardepooten moesten gerekend worden tot een nieuwe soort
van paardachtige dieren. Toch bleven het, zooals de vakuitdrukking
luidt, echte equiden, of vertaald „paardachtigen”.

Evenals de echte diluviale wilde paarden reeds overal voorkomen in het
allerlaatste gedeelte der tertiaire periode, zoo is het overigens wel
mogelijk, dat ook die equiden met hun merkwaardige overblijfselen van
een pink, op enkele plaatsen in Amerika zelf ook nog geleefd hebben tot
in de diluviale periode. In dat vroeger beschreven wonderbare
Patagonische hol, dat ons nog met haren voorziene stukken huid van
reuzenluiaards heeft geleverd, is ook een paardepoot voor den dag
gekomen, die nog hierbij schijnt te behooren. Ook hij draagt nog een
ring van verbleekt geel rood vel. Ouder als diluviaal kan hij werkelijk
niet goed zijn. De verdedigers der meening echter, dat het geheim van
dit hol eigenlijk hierin bestaat, dat de overblijfselen, die daarin
gevonden zijn, afkomstig waren van dieren, die tegenwoordig nog in het
binnenland een onbekend en tot nu toe niet onderzocht leven leidden,
zouden zelfs van oordeel moeten zijn, dat ook allerlaatste
achteraankomers van die pliocene dikpooten nog tot in onze dagen
rondzwierven in het donkerste Patagonië; waarschijnlijk is dit echter
helaas al te boud gesproken, hoewel het natuurlijk nog interessanter
was dan alleen het voortleven van echte Amerikaansche wilde paarden tot
in den historischen tijd of in mengsels van rassen, tot zelfs in onze
dagen.

Doch hoe dit ook moge zijn: het zuiver historische onderzoek der oude
echt-tertiaire beender-voorraadschuren leert ons, als wij nog verder
terugzoeken, iets nieuws kennen.

In de oudere afzettingen der pliocene periode zijn er in Amerika geen
beenderen meer van echte wilde paarden. Die wilde paarden bestonden
toen nog niet. „Nog niet” in de historische rij van beneden naar boven.
Wel daarentegen waren er die merkwaardige wezens met dat veel
beteekenende verlengstukje van den pink en die lange griffelbeenderen,
ja zelfs zij beheerschten tegen dien tijd volkomen alleen den toestand
over het geheele onmetelijke werelddeel.

Nu komt de miocene periode. In het laatste gedeelte dier periode leven
reeds diezelfde „pinkdieren”. Maar daartusschen is thans nog in de
overgangsperiode van plioceen een nogmaals nieuwe soort van equiden
gemengd. Dieren, die naar hun vorm volmaakte paarden zijn, al zijn zij
ook in het oog vallend klein, meestal niet grooter dan onze kleinere
ezels. Dieren echter, die weer een anderen paardepoot vertoonen. Wel
hebben zij eveneens het overblijfsel van den pink, zoodat zij in dit
opzicht dus in zekeren zin de „pinkdieren” omvatten. Maar de beide
zijdelingsche griffelbeenderen zijn van voren en van achteren niet meer
alleen bijna even lang als de middenstam, maar aan ieder van die
zijtakjes hangt nog iets vast. Wel niet iets, dat evenals het hoefstuk
van den voetstam nog tot op den bodem reikt. Maar een verlengstuk, dat
aan weerszijden slechts als een kleine kwast of een vrucht daaraan heen
en weer bungelt. Het steeltje van die vrucht is echter, nauwkeurig
bezien, niets anders dan een echte miniatuurteen of een
miniatuurvinger, een teen met drie leden juist zooals de grootste
middenste paardeteen. En de vrucht zelf is aan weerszijden een echte
kleine hoef, die op het onderste lid van den teen zit als een hoedje.
Als ons dier liep, dan liep het feitelijk ook zoo nog altijd op den
grooten hoef van den middenteen of den middenvinger als een echt paard,
want, zooals gezegd is, die was de eenige, die op den bodem kwam; maar
te gelijker tijd hingen ongebruikt rechts en links als echte kwasten
die voor de sierlijkheid waren aangebracht, de beide luxevingertjes met
hun hoefjes naar beneden, de wijsvinger en de ringvinger, die er wel
waren, maar die niets te doen hadden.

Zonder dat eenige twijfel mogelijk is, was hier in blijvenden toestand
bij een geheel, in ontelbare hoeveelheden over de uitgestrekte steppen
der nieuwe wereld rennend equidenvolk, datgene aanwezig, wat die enkele
misgeboorten bij onze levende paarden vertoonden. Al die
„kwasthoevigen” geleken (en zelfs aan beide zijden) op het paard van
Alexander den Grooten en op het paard, zooals Goethe het zich als het
oorspronkelijke type voorstelde.

Hoe dieper wij afdalen in de miocene lagen en wij haar
equiden-kerkhoven bloot leggen (de beenderen dier equiden zijn als het
ware de fossielen, die de richting en het karakter van die geheele
geologische laag bepalen, die overal naar voren dringt), des te
duidelijker wordt de eigenlijke heerschappij van die kwasthoevige
dieren voor die geheele lange periode der aardgeschiedenis. De
pinkdieren treden geleidelijk ook volkomen terug, hun tijd schijnt,
zoodra men een stuk naar beneden gaat in de miocene periode, nog in het
geheel niet te zijn aangebroken. De kwasthoevigen daarentegen
beheerschen in allerlei bijzondere vormen ten slotte het geheele
terrein—gedurende een tijdsruimte, die men zeker niet te kort taxeert
op een millioen jaar.

Nu nog eens de gordijn naar beneden gehaald, en een stuk
wereldgeschiedenis terug. De miocene periode wordt voorafgegaan door de
oligocene, een soort van overgang of tusschenbedrijf tusschen de beide
innerlijk meest van elkander verschillende afdeelingen der groote
tertiaire periode. De profeet echter verzamelt weer zijn beenderen in
het museum en laat een dierenwereld verrijzen.

Verdwenen is de geheele heerlijkheid der kwasthoevigen. Over het land
wemelt het vóór en na van equiden. Maar zij zijn nog maar zoo groot als
schapen. Hoezeer zij in hun geheele houding nog steeds „paard” zijn,
het is toch nauwelijks meer mogelijk van een paardepoot bij hen te
spreken. De kwastteenen met hun in de lucht zwevende hoeven hebben zich
namelijk te gelijk vergroot en uitgerekt. Met de uiterste hoeken raken
zij dus reeds onmiddellijk den grond. Men heeft één der meest zeldzame
vormen van voet voor oogen, die denkbaar is: een voet, die als het ware
voor tweeërlei gebruik afwisselt. Op een volkomen hard, vlak terrein
kan een dergelijk paardje alleen met den middenhoef nog maar den grond
stampen en galoppeeren als een paard uit onze dagen, dat aan iederen
poot slechts één hoef heeft. Op een week terrein, op den drassen bodem
van het woud of op een moerasgrond daarentegen zal de poot zóó diep
inzinken, dat hij reeds op alle drie hoefvlakken, die in grootte
volstrekt niet meer zooveel van elkander verschillen, stevig aandrukt
en dus daarmede in uitgespreiden toestand het lichaam draagt. Een
dergelijke dubbele functie vindt men in enkele zeldzame gevallen ook
bij andere zoogdieren. Onze zwijnen bij voorbeeld hebben iets van dien
aard. Hun voet is trouwens reeds in beginsel anders gebouwd, maar in
het gebruik bezit hij ook die mogelijkheid: op den vasten bodem drukt
hij slechts met een stam, die uit twee hoefteenen bestaat, in het
moeras daarentegen kan hij er nog twee hulpteenen bij achteraan
trekken. Naar gelang van de omstandigheden mag men in verband met het
gebruik ook onzen oligocenen equide nog een éénhoevig of reeds een
driehoevig dier noemen. Uit een zuiver anatomisch oogpunt zal echter de
naam „driehoevig” dier als de eenig juiste moeten worden gekenschetst.

Een moeilijk te begrijpen zaak: een driehoevig paard. Men zou kunnen
vragen, wat aan dat dier dan nog eigenlijk paard is. Maar aan het
overige gedeelte van het skelet is er geen enkele reden te ontdekken,
waarom het dier op een andere plaats in het stelsel zou thuis behooren,
dan onder de „equiden”, de echte paardachtige dieren. Om de
merkwaardigheid echter volledig te maken, nemen wij ook bij die
driehoevige paardjes ter grootte van een schaap een verschil waar
tusschen voorpoot (hand) en achterpoot. De handpoot heeft ook hier,
behalve zijn drie van hoeven voorziene volledige vingers, nog dat
worteloverblijfsel van den pink, dat wij nu reeds bij de beide het
eerst besproken equiden vonden. Maar dezen keer begint ook deze zich
werkelijk met ernst in te voegen in het totale beeld. Hij is langer
geworden,—hij begint een echt griffelbeen te vormen. Drie hoefvingers
(de wijsvinger, de middenvinger en de pink) zijn voltooid, en een
vierde vinger, de kleine, ten minste als griffelbeen in aanleg,—hoe
lang zal dat zoo voortgaan, eer wij hoe langer hoe kleinere paardjes
hebben met hoe langer hoe meer op menschenhanden gelijkende handen!
Maar tevens zijn de vingerwortels voortdurend korter geworden, terwijl
zij onderling ongeveer even lang werden, het steile optrekken van hand
en voet en arm en been, dat zoo karakteristiek was voor ons paard,
schijnt zich eveneens heel zacht te vervluchtigen.

Wij komen nu in de eocene lagen, de eerste en oudste afdeeling der
tertiaire periode. Het morgenrood van den nieuwen tijd, zoo heb ik
vroeger al eens het woord vertaald. Maar zeker is het, dat dit
morgenrood heel ver van ons verwijderd straalde. Maar nog steeds werpen
die lagen paardenbeenderen naar ons toe. Bijna reeds paardebotjes.

De problematische driehoevige paarden zijn uit geheel Amerika
verdwenen. In hun plaats: equiden nog slechts ter grootte van een vos.
De eerste blik doet zien, dat die vospaardjes nu consequent zoowel van
achteren als van voren steeds op drie hoefteenen moeten loopen, waarvan
de zijdelingsche alleen nog maar in de dikte van de middelste
verschillen. Maar tevens is aan den voorpoot dat griffelbeen van den
pink even duidelijk in het stadium van den kwasthoef gekomen. Het heeft
den hoef en alle drie leden van den vinger ontwikkeld, maar hangt, daar
het nog niet voldoende gerekt is, nu nog evenzeer terug tegenover de
drie voornaamste hoefvingers, als bij de kwasthoevige dieren de beide
zijdelingsche voornaamste vingers dat deden tegenover den middenstam.

De eocene periode op zich zelf is echter weer geweldig lang. Ontelbare
geslachten van dergelijke vospaardjes volgen elkander daarin op. In het
begin (van boven af gerekend) zijn zij uitsluitend driehoevigen met
kwastjes. Dan, verder in die periode, zijn er vospaardjes onder gemengd
met nog eenigszins andere pooten. Van achteren, aan den eigenlijken
voet, komt plotseling een in wording zijnd griffelbeentje thans ook van
den kleinen teen te voorschijn. Wat van voren reeds kwastje is,
vertoont zich daar voor het eerst in het stadium van griffelbeentje.
Een tijd lang beheerschen die griffelvosjes den toestand. Maar dan
vindt men bij geslachten, die nog een stuk ouder zijn, weer een kleine,
maar toch uiterst karakteristieke nieuwigheid.

Aan den voorpoot, dus aan de hand van die vosjes, groeit tegenover het
pinkkwastje ook een griffelbeentje in eerst juist merkbaren aanleg. Er
is geen twijfel aan: hier zien wij den duim in het stadium van
griffelbeen. Wij hebben dus aan de hand, van nu af aan in aanleg,
overgang en voltooiing, als griffelaanleg, kwastgriffelbeentje of
voltooiden hoefvinger, alle vijf vingers van onze hand aangeduid; en
van achteren, aan den voet, op dezelfde wijze minstens vier teenen. Te
gelijker tijd is bij die vospaardjes hoe langer hoe meer de totale
lengte en de steilte der hand- en voetbeenderen verminderd. De
„verbeening” der pooten in de uiteinden is verlaten, de stam van den
voet van ons paard heeft zich hoe langer hoe duidelijker vertakt.
Hadden de vospaardjes niet voor en na in hun geheele skelet de
ondubbelzinnigste karaktertrekken van het paard, dan zou men aan hun
poot het paardenkarakter ten slotte nog maar alleen van de blijvende
dikte en zwaarte van stap van den middelsten teen kunnen aflezen.

Doch ook onder de paardenkenmerken in het overige lichaam hebben zich
reeds allerlei afwijkingen en bijzonderheden vermengd, die reeds
openlijk beginnen af te buigen van het paard. Men heeft het zekere
gevoel, dat als dat nog een enkelen trap zoo verder ging, men ook bij
het geheele skelet niet meer van echte equiden zou kunnen spreken.

De gordijn valt voor den laatsten keer. Wij staan in de oudste eocene
laag van Noordamerika. Er is nog geen enkel vospaardje. Maar op
dezelfde plek dolen door de grasvlakte bij het kreupelbosch die
schepsels, waarvan een vertegenwoordiger, Phenacodus genaamd, op de
laatste plaat van het vroeger genoemde „Dierenboek” in zijn
gecompleteerden ruwen omtrek is weergegeven. Die weergave kon zonder
veel bijmengselen der fantasie gelukken, daar juist van dat dier de
volledigste skeletten zijn overgeleverd.

De vier pooten van die diersoort hebben, eerst op zich zelf beschouwd,
daar wij tot nu toe nog altijd op het onderzoek der voeten uit zijn,
nog een onmiskenbare overeenkomst met die van onze vospaardjes der
volgende periode. Ook hier rust het lichaam zoowel bij de hand als bij
den echten voet met zijn grootste zwaarte op drie stevige hoefteenen,
waarvan de middelste nog steeds, volgens het model der paarden, de
stevigste en langste is. In de deelen, die bij onze vospaardjes als
kwastjes en griffelbeenaanzetsels optraden, is trouwens één gedeelte
weer wat meer ontwikkeld in dien zin, dat het meer nadert tot onze
menschenhand en onzen menschenvoet. Van voren, aan de eigenlijke
handen, is de pink zóó ver voorbij zijn stadium van kwastje, dat hij op
ieder eenigszins week terrein in elk geval nog goed meewerkt, zoodat op
zulke oogenblikken de hand hier zonder twijfel op vier vingers steunt.
Doch te gelijker tijd is ook de duim het stadium van griffelbeen
voorbij, en is bij het loopende dier in het stadium van kwastje. En in
overeenstemming daarmede is aan den achtervoet de kleine teen volkomen
als hulpsteun voor bijzondere omstandigheden, de groote teen, die bij
de vospaardjes nog in iederen vorm ontbrak, als kwastje ontwikkeld. Men
zou kunnen zeggen, dat er bij dien voet een kleine sprong vooruit is in
vergelijking met het vospaardje: men zou zich een tusschenvorm kunnen
denken, die daar eerst den kleinen teen als volkomen griffelbeen of
kwastje vertoonde, den grooten als begin van het griffelbeen. Het lijkt
alsof er een tusschenvorm was als nauwere verbindingsterm, welke vorm
hier echter verloren is gegaan. Intusschen is die sprong in beginsel
toch weinig belangrijk. De voor oogen liggende haltplaats is nog steeds
onmiskenbaar in de hoofdlijn gelegen. Evenzeer kan het nauwelijks
verbazen, dat de vinger- en teenwortels nu reeds in het geheel niet
langer meer zijn dan de vingers en teenen zelf, wanneer men zag, hoe
reeds bij de oudere equiden de oorspronkelijke tegenstelling van het
paard hier voortdurend meer verloren ging, totdat volkomen de
afmetingen der hand bereikt werden.

Slechts één enkele omstandigheid schijnt werkelijk anders te zijn en
voorbij al het vroegere te wijzen op een absoluut nieuwe richting. De
eindleden der half- of volkomen ongebruikte gebleven zijvingers en
zijteenen zijn zóó eigenaardig samengedrukt, dat men daarin in het
geheel geen breeden hoef meer ziet. Zij schijnen veel meer overeen te
komen met een spitsen, op een scheede gelijkenden klauw. En heffen wij
nu in eens onzen blik op tot het geheele skelet, dan wordt het ons
plotseling duidelijk: bij die vier equidenpooten, die reeds op de
uiterste grens staan, maar die wij toch nog in hun belangrijkste
kenmerken daarvoor moesten houden, behoort een lichaam, dat in de
meeste van zijn kenmerken nu niet meer aan een echten equide behoort.

Een dier is te voorschijn getreden, dat met kenmerken van hoefdieren,
paarden, op de meest in het oog vallende wijze ook kenmerken vereenigt
van oorspronkelijke roofdieren, zelfs halfapen,—een zoogdier, dat in
ieder geval nog een zeer primitieve mengvorm is op den drempel der
hoogere zoogdieren.

Waartoe veel woorden?... Wij zijn zóó diep afgedaald in de reeks der
hoe langer hoe oudere tertiaire lagen van Amerika, dat wij thans in de
nabijheid der oudste eocene lagen, eenvoudig midden in die dierenwereld
gekomen zijn, die bij ons in Europa hoofdzakelijk in Cernays bij Reims,
maar buiten Europa in de eerste plaats in Nieuw-Mexico haar
karakteristieke beenderen heeft achtergelaten—beenderen van een
menggroep aan den drempel der ontwikkeling van alle hoogste groepen der
zoogdieren, waartoe ons onze beschouwing vroeger steeds weer gebracht
heeft, van beneden opklimmend. [4]

Als de onmiddellijk overlevenden uit die groep hadden wij de
insecteneters (egel, mol en consorten) begroet. Onder hun uitgestorven
vormen hadden wij zóódanige waargenomen, die reeds iets naar boven
wezen naar de halfapen en latere apen tot aan den mensch; andere, die
het levende type van het roofdier reeds juist begonnen aan te wijzen;
en ten slotte zoodanige, die reeds blijkbaar losstuurden op het
hoefdier. Die laatste deelgenooten van die merkwaardige oorspronkelijke
en gemengde troep noemden wij met een in de nieuwere systematiek
ingeburgerden weinig handelbaren naam: Condylarthren; in plaats van een
onmogelijke, werkelijke vertaling van dat anatomische speciale woord
zullen wij ze oorspronkelijke hoefdieren noemen.

Met alle vertegenwoordigers der groep van Cernays vertoonden die
oorspronkelijke hoefdieren nog de oorspronkelijke vijfvingerige hand en
den oorspronkelijken voet met vijf teenen van de oudste zoogdieren. Dit
is alles vroeger uitvoerig verhaald. Uit den bouw dier groep van
Cernays hebben de apen en met hen wij menschen tot op den huidigen dag
onze vijf vingers en vijf teenen behouden. Maar in dien ouden tijd zelf
bezaten ook die oorspronkelijke hoefdieren in de groep hetzelfde aantal
aan hand en voet. Dit maakt duidelijk, waarom, toen wij bij ons zoeken
naar het paard met onze het laatst geschetste schepsels onverwacht in
die groep binnenkwamen, hand en voet op eens zoo ontzettend veel
overeenkomst hadden met die van den mensch, met uitzondering alleen van
de ook hier nog aanwezige hoeven.

Intusschen hebben wij vroeger medegedeeld, hoe ook de hoef zelf bij
deze oorspronkelijke hoefdieren als het ware begint weg te nevelen. Die
hoef is historisch een product, een ontwikkelingstoestand van den
klauw. Het is dus niet te verwonderen, dat in de reeks dier
oorspronkelijke hoefdieren nog allerlei overgangsvormen, waarbij klauw
en hoef en ook de derde vorm, de nagel, die toen eerst langzaam als uit
de moederloog uit kristalliseerde, en die aap en mensch zoo stevig
hebben bewaard, nog meer of minder in elkander overgaan. En dit is het
nu weer, wat wij ook bij ons oorspronkelijk hoefdier bij zijn
paardachtigen poot opmerkten, dat zijn zijvingers en zijteenen, die bij
het loopen minder gedrukt waren, plotseling een neiging vertoonden tot
klauwachtige of nagelachtige scheppingen. En juist dien trek kunnen wij
zelfs binnen verschillende soorten van die oorspronkelijke hoefdieren
met op paarden gelijkende voeten nog een eind vervolgen.

De op de laatste plaat van het „Dierenboek” gereconstrueerde
vertegenwoordiger, dien de Amerikaansche geoloog Cope zijn geestelijke
tweede vader, op grond der vondst van de beenderen „Phenacodus” heeft
gedoopt, had historisch in Amerika op die plek nog een voorganger, die
door dienzelfden Cope „Euprotogonia” genoemd werd. In zijn geheelen
bouw reeds bijna geheel gelijk aan den Phenacodus, had hij toch aan den
voorvoet zoowel als aan den achtervoet: duim en pink, grooten en
kleinen teen, die nog alle volkomen buiten het stadium van het half of
geheel ongebruikte kwastje lagen,—al die toppen van vingers en teenen
raakten evenzeer reeds met hun uiteinden bij het loopen den bodem, als
de drie oorspronkelijke, van voren en van achteren, in het midden. Maar
tevens waren bij die van nu af aan ondubbelzinnig vijfvingerige
dieren,—wier middenvinger en middenteen zelfs niet dikker meer waren
dan hun naastliggende makkers en nog slechts zóó weinig langer als in
onze menschenhand de middelste vinger,—alle tien toppen van alle tien
vingers en teenen nog slechts bekleed met de besproken mengvormen van
klauw en hoef—zoodat van nu af aan, evenals de laatste flauwe
weerschijn van den equidenaard, zoo ook in het algemeen het echt
karakeristieke der hoefdieren scheen te verduisteren en te verdwijnen
als afzonderlijke soort, die het stelsel bepaalde.

Onder de verdere makkers der Euprotogonia waren er te gelijker tijd
gestalten van dergelijke „verdwijnende hoefdieren” (verdwijnend in de
beteekenis van een oplossing in een volkomen gegeneraliseerden
oorspronkelijken grondstam), die hun voet met vijf teenen en hun
daarmede overeenstemmende hand niet meer alleen met de toppen van
teenen en vingers neerzetten, maar die zich bij het loopen evenals een
beer of een loopend mensch geheel en al op de platte zool lieten
vallen, met de hak te beginnen,—zoodat zij daardoor ook in dit punt het
laatste doel en de laatste beteekenis van het hoefdier aflegden ter
wille van die oudste en meest oorspronkelijke methode van loopen bij de
zoogdieren, waarvan wij vroeger reeds bij de algemeene beschouwing van
den hoef in het „Dierenboek” uitvoerig gesproken hebben.

En eindelijk moet hier nog aan worden toegevoegd, dat, evenals de echte
equiden ten slotte reeds samenschrompelden tot schepsels van de grootte
van vossen, onder die alleroorspronkelijkste eocene wezens nu werkelijk
vormen voor den dag komen, die in hun grootte zelfs afdaalden tot die
maten, die wij van een „hoefdier” nooit zouden mogelijk achten, als ons
niet nog tegenwoordig in dien in het „Dierenboek” geschetsten klipdas
feitelijk een echte, zij het dan ook een ouderwetsche hoevendrager voor
oogen stond, die nog slechts de grootte heeft van een konijn. De
beschreven en in beeld weergegeven Phenacodus had nog
vertegenwoordigers van zijn soort, die het tot de afmetingen van een
tapir brachten, naast andere, die, trouwens volkomen in overeenstemming
met de vospaardjes, niet grooter waren dan honden en vossen. Andere
soorten van dat gilde daalden echter ook toen reeds af tot de maat der
klipdassen, en daarmede bevestigden zij het beginsel, dat die
merkwaardige achteraanblijver uit onze dagen, ons zoo al niet de
onmiddellijke physionomie der oorspronkelijke hoefdieren in alles voor
oogen tooverde, toch in zijn grootte van een konijn nog een stuk der
alleroudste geschiedenis der hoogere zoogdieren in het algemeen, en van
de hoefdieren in het bijzonder, levend vertoonde.

Ik heb die geheele keten van opvolgende beelden, te beginnen met de
Amerikaansche wilde paarden tot aan de eocene Euprotogonia tot nu toe
opzettelijk doen voorbijgaan in de beteekenis van een zuiver
historische reeks, waar telkens het ééne beeld op het andere volgt,
zonder veel commentaren er aan toe te voegen. Hij die buitengewoon
voorzichtig zou willen onderrichten, zou hier het boek sluiten en
zeggen: verder geeft de wetenschap er niets meer bij, en wat gij er u
nog zoudt willen bijdenken, is een subjectieve geloofsbelijdenis en
bespiegelende natuurfilosofie, die den exacten natuuronderzoeker niets
aangaan.

De eenvoudige logica, die toch ten slotte de grondslag van alle juiste
natuuronderzoek is en moet blijven, laat zich echter niet zoo
afschepen. Van het oogenblik af, dat het denkbeeld bestaat in de wereld
der gedachte, dat er een voortdurende ontwikkeling in de dierenwereld
kon zijn, een ontwikkeling, die reeds gedurende millioenen jaren van de
ontwikkeling der aarde voortduurt, die reeds ontelbare rijen van
geslachten omvat en binnen die samenhangende keten van geslachten in
langzame omvorming groote en in het oog vallende veranderingen te
voorschijn brengt,—van dat oogenblik af moet zich ook een logische
waarschijnlijkheid aan ons opdringen, dat in die geschiedenis van den
paardepoot een bijzonder aanschouwelijk voorbeeld van een dergelijke
ontwikkeling voor oogen wordt gevoerd.

Wij zijn met onze beschouwing die ontwikkelingslijn in tegengestelden
zin te gemoet gegaan. Doch als werkelijk historisch proces moet de lijn
van beneden naar boven gestegen zijn. De beteekenis dier lijn was de
omzetting, vervorming van een voet, die oorspronkelijk vijf teenen had
en van een hand met vijf vingers, in vorm overeenkomende met onze
tegenwoordig nog bestaande menschelijke hand bij een klein zoogdier,
zooltreder en op klauwen loopend, en van zeer ouderwetsche vorming—,
welke vervorming door een aantal langzaam zich wijzigende
overgangsvormen voortging tot het merkwaardige eenteenige, steile en in
het been opgetrokken, van een hoef voorziene bewegingsapparaat der vier
paardepooten aan het lichaam van een groot, geweldig zwaar dier, dat
echter, wat de wijze van zijn voortbewegen betreft, is geholpen op een
wijze, die onder zijn omstandigheden als het ware een ideaal is. Van
station tot station zien wij, doch nu van beneden naar boven, de keten
nog eens overziende, hoe de hoeven en de steile stand zich van handen
en voeten meester maken, zien wij, hoe het lichaam, dat door die
ledematen gedragen wordt, hoe langer hoe grooter en zwaarder wordt,
zien wij, hoe de overtollige vingers en teenen stuk voor stuk eerst
dienst doen als reservestutten, daarna tot kwastjes, die al geen waarde
meer hebben, eindelijk tot griffelbeenderen en griffelaanhechtsels
overgaan, totdat zij eindelijk ten minste voor een deel absoluut
verdwijnen, terwijl de ééne middenteen van den paardepoot, die in volle
stevigheid overblijft, ten slotte de geheele kracht van het geheel in
zich vereenigt en alleen handhaaft.

Hoe wij ons ook de drijvende krachten, de wegen, waarlangs dergelijke
omvorming en ontwikkeling heeft plaats gegrepen, mogen denken—en er
zijn werkelijk binnen de ontwikkelingsidee ongetwijfeld verschillende
logische mogelijkheden, die ruimte laten tot discussie en bespreking
(Darwin toch had in de bijzonderheden niet dezelfde meeningen hierover
als Cope, de man, die met het gunstigste resultaat de zuiver
geologische feiten juist op dit gebied heeft ontraadseld, en nog
anderen hebben daarover weer andere meeningen),—toch zullen hierin toch
alle partijen binnen de ontwikkelingsidee eenstemmig denken, dat hier
een ontwikkeling voor oogen wordt gesteld, waarvan de engere beteekenis
nog gelegen is in de vervorming van een orgaan door een zeer bepaalde
behoefte voor het gebruik.

De levenswijze van het tegenwoordige paard is in beginsel nog altijd de
verklaring van het eerste begin. Op een uitgestrekte, harde vlakte,
waar het lichaam niet inzakt, en het dus zijn teenen niet behoeft uit
te spreiden, om niet in het moeras te blijven steken, wordt het
beginsel in de hand gewerkt, den vierteenigen voet op het middenstuk te
concentreeren, en met één enkelen stoot der elastische middenhoeven den
harden grond te stampen. In het begin helpt dit kleine dieren op de
vlucht, bij het trekken over de stevig dragende grasvlakte beter voort,
zoodat het zich op de ééne of andere wijze in hare organisatie als
„aanpassing” afdrukt. Als dit kenmerk er eenmaal is, maakt het ook aan
grootere, zwaardere vormen die levenswijze mogelijk, maakt het
mogelijk, dat het dier zwaarder wordt zonder dat zijn beweeglijkheid
daarbij vermindert, en daarbij dat de kracht veel meer wordt
geconcentreerd. Maar voortdurend, hoe zwaarder het dier wordt binnen de
perken van de eischen aan de beweging gesteld, moet het
bewegingsapparaat in de eenmaal ingeslagen richting verder verbeterd en
verfijnd worden. De middenteen wordt ten slotte alles. Wat nog een tijd
lang als reserve wordt meegevoerd, zooals de kwastteenen, dat wordt
eindelijk als ballast ook over boord geworpen, opdat het groote schip
zal kunnen zeilen. Totdat ten slotte na zooveel duizenden jaren, na
zooveel ontwikkelingstrappen, de eischen der functie zich een toestel
hebben geschapen van een zóó bewonderenswaardige sierlijkheid, en zóó
tot in het uiterste verfijnd, als wij dien tegenwoordig in den
paardepoot vóór ons hebben.

Dit ongeveer is het, wat naar mijn meening door iedere engere
ontwikkelingstheorie in onze dagen als de „grondbeteekenis” van het
geheele proces zal worden toegegeven. Van den eersten dag af dat,
oorspronkelijk nog zeer onvolkomen, die geologie van den paardepoot in
Amerika te voorschijn kwam, is er dan ook voor de aanhangers eener
ontwikkelingsidee in alle legerkampen geen twijfel geweest, dat er niet
licht een duidelijker voorbeeld kon worden gegeven van de werkelijke
wijze, waarop een ontwikkeling plaats had, en van het doel dier
ontwikkeling, dan bij het hier gegeven voorbeeld van het paard.

Men moet hierbij echter in het oog houden,—en dit is ook van toepassing
voor hen, die twijfelen,—dat ook bij dit voorbeeld moet gelden: men kan
niemand dwingen tot het aannemen van het ontwikkelingsdenkbeeld op
zichzelf. Hij die haar eenvoudige grondgedachten niet ontleent aan de
gevolgtrekkingen, de logica en de wetten van het meest alledaagsche
leven en gebeuren, zooals wij die bij ons zelf beleven en ervaren,
zooals wij die in iedere courant lezen, zooals zij ons geheele openbare
en particuliere leven onafgebroken beheerschen,—hij die niet van
daaruit de groote logische analogie en denkmogelijkheid medebrengt tot
in het leven der dieren en planten van thans en eertijds,—hij die niet
bij dat leven van planten en dieren de eenvoudige fundamenteele
opvattingen meebrengt, die bij voorbeeld iedere rechter ten grondslag
legt bij ieder menschelijk proces, dat namelijk de dingen zich naar hun
logische juistheid en natuurlijke consequentie hebben ontwikkeld en de
loop van het misdrijf of van de onschuld niet plotseling wordt gekruist
door een bovennatuurlijk wonder,— —hij, die, zeg ik, van die beteekenis
niet reeds de grondgedachte in zich omdraagt om ze nog maar alleen te
toetsen aan de mogelijkheid, dat zij verder doorwerkt en vruchten
draagt: die kan niet overtuigd worden, en vooral niet door de meest
voortreffelijke geologische bewijzen. Hij die de grondidee der
ontwikkeling als zoodanig niet wil erkennen en alle middelen der
fantasie laat medespelen, om daarnaast een anderen uitweg te zoeken
voor zijn gedachten, kan ook tusschen twee logische stations van een
dergelijke ontwikkeling van den paardepoot, hoe mooi die ook mogen
wezen, een bovennatuurlijk ingrijpen aannemen, het wandelen van een
geest, die geen geologische voetstappen achterliet. Hij heeft daar tijd
genoeg voor, en niemand heeft werkelijk het veranderingsproces direct
gezien, zooals steeds het geval is bij alle geologische dingen, die
steeds voor ons berusten op louter aanwijzingen, hoe het tijdens het
leven geweest is. Ten slotte zou zelfs dat met eigen oogen zien nog
niet voldoende zijn, immers het bovennatuurlijke tusschen twee
processen zou zóó snel kunnen gaan, zóó in het verborgen kunnen
geschieden, dat iedere controle van onze grove zintuigen ophield. Hij
die aanneemt, dat in de geschiedenis der menschelijke kiem in den
moederschoot alles zóó toegaat in een trapsgewijze ontwikkelingsreeks,
als onze embryologen het ons leeren, maar dat toch op de ééne of andere
bepaalde plek door een bliksemsnelle en niet te controleeren daad de
individueele ziel met haar erfzonde en mogelijkheid van verlossing er
ingeblazen wordt, in plaats dat de enkel langs natuurlijken weg
ontwikkelde zielswerkzaamheid voortschrijdt, die kan rustig ook al die
feiten der geologische beeldenreeks van den paardepoot toegeven, en
toch er bij kunnen blijven volharden, dat tusschen twee opvolgende
beelden telkens één, misschien wel honderden bovennatuurlijke
scheppingsdaden liggen.

Ik geloof, dat men daarover niet kan disputeeren. Maar het is niet te
dulden, dat nu de vertegenwoordigers van die opvattingen tegenwoordig
gaarne de meening verkondigen, dat ook voor hem, die principieel een
ontwikkelingsidee, die een organisch geheel vormt, niet afgebroken door
wonderen, erkent als de „meest waarschijnlijke denkmogelijkheid” ook
voor dergelijke geologische processen, een keten van feiten als die wij
hier zoo objectief mogelijk omtrent den paardepoot hebben medegedeeld,
geen wezenlijken zin en geen bewijskracht zou hebben. Hier komt thans
niet meer, zooals daar, de fundamenteele meening, maar de eerlijkheid
van iedere logische gevolgtrekking in aanmerking, nadat men zijn geloof
heeft uitgedrukt aan het onbeperkt heerschen van een zoodanige logica.
Hij die aan de geologie logica toekent, moet naar mijne meening hier
het hoofd buigen.

Voor den leek is de groote moeilijkheid, dat die draden tegenwoordig
alle door elkander heen loopen. Vertegenwoordigers van die
wereldopvatting buiten alle doorloopende natuurlogica (die, zooals
gezegd is, aan niemand kan worden opgedrongen maar ook niet kan worden
ontnomen bij de vrijheid van het subjectieve denken, die een zoo groote
verovering is van onze cultuur), treden de kampplaats der
ontwikkelingsgeschiedenis binnen en spelen daar hun sceptische
opvattingen tegen de feiten uit. Om tot steun dier twijfelzucht te
dienen, wordt een grenzelooze fantasie ontplooid, hoe de dingen anders
zouden kunnen zijn—terwijl toch het eenvoudige schrift der natuur hier
zóó ondubbelzinnig is, dat er niets ondubbelzinnigers bij mogelijkheid
kan gedacht worden. Het zal echter gaan als altijd. Ten slotte zal het
eenvoudigste toch wel zijn weg vinden, en dan zal men eindelijk ook
inzien, dat het zelf innerlijk rijker en dieper is dan al de praal der
fantasie, die daartegen is verzonnen. Hij die onder den logischen
eenvoud van de ontwikkelingsgedachte banaliteit en oppervlakkigheid
verstaat, heeft trouwens zelf het echte vaandel verlaten.

De geheele prachtige keten is ons nu niet uitsluitend in de pooten van
het paard overgeleverd. Als proef op de som dient, dat men die keten
naar verkiezing in vooruit- of achteruitgaande richting ook kan
doorloopen bij andere deelen van het skelet, om even aanschouwelijke
beelden eener volkomen consequente ontwikkeling te verkrijgen.

Aan het been zelf is nog het been van het onderbeen of den benedenarm
bijzonder leerrijk. Zooals wij reeds eenmaal hebben medegedeeld, is het
bij ons paard niet meer in dien zin een dubbelbeen als bij ons
(ellebeen en spaakbeen in den arm, scheenbeen en kuitbeen in het been).
Daar het onderbeen van het paard, wat plaats en functie betreft,
eigenlijk tot bovenbeen bevorderd is, maar het bovenbeen (en ook de
bovenarm) naar het oorspronkelijke type van alle dieren, die van armen
en beenen voorzien zijn, steeds uitsluitend bestaat uit één enkelen, op
zich zelf één geheel vormenden, solieden en onbeweeglijken beenen stam,
lag het uit een werktuigkundig oogpunt weer voor de hand, dit onderbeen
van het paard ook zelf stevig te maken op de wijze van het bovenbeen.
Dit is nu ook zóó geschied, dat aan den voorpoot van het paard de
ellepijp in verkwijnden toestand met het spaakbeen stevig vergroeit,
maar dat aan den achterpoot van het paard van het geheele kuitbeen,
uitwendig zichtbaar alleen een fragment van het bovenste stuk als
griffelbeen behouden blijft. In beginsel en voor het gebruik valt dus
het tweede been daar zoowel als hier eenvoudig weg, en het onderbeen
vormt een enkelen stam in de beteekenis van een werkelijk bovenbeen.

Dat tot bovenbeen worden van het onderbeen kan nu in de keten volkomen
evenwijdig met het tot onderbeen worden van den voet eveneens
historisch worden gevolgd als iets dat langzamerhand „geworden” is. De
oorspronkelijke hoefdieren, Euprotogonia en Phenacodus, bezitten nog
ellepijp en kuitbeen als even lange, vrij beweeglijke beenderen naast
spaakbeen en scheenbeen, volkomen op dezelfde wijze als wij menschen,
die ook hier trouwer gebleven zijn aan het oorspronkelijke type. Ook
bij de vospaardjes, dus reeds bij de oudste echte equiden, is de zaak
nog eveneens. Op de volgende geschetste equidentrappen ziet men dan
absoluut duidelijk, hoe van voren de ellepijp zich hoe langer hoe meer
vastlegt tegen het spaakbeen, zich eerst wat de plaats betreft daarmede
vereenzelvigt, zooals twee menschen, die elkander stevig omarmen, maar
hoe zij daarna werkelijk vergroeit; terwijl tevens van achteren het
kuitbeen dun wordt, zich eindelijk van onder op de dunste plek losrukt
en in het blijvende boveneinde tot een hoe langer hoe korter
griffelbeen wordt. De kwasthoevige dieren van de grootte van een egel
hadden reeds ellepijp en spaakbeen vast aaneen verbonden en hadden als
kuitbeen reeds een dun spits griffelbeen.

Een andere proef op de som leveren de tanden.

Ons paard heeft een zeer eigenaardig gebit. De snijtanden zijn
voltallig en stevig, de kiezen bepaald kolossaal. Doch verkwijnd is het
gebit op de plaats, waar de roofdieren de krachtige tanden hebben, om
die in te slaan in het vleesch en dat te verscheuren, dat is bij de
hoektanden en de voorste kiezen. De hoektanden zijn bij het vrouwelijke
paard reeds geheel verdwenen, en eveneens bij beide geslachten de
voorste kies zelf. In den gapenden muil vindt men hier een groote leege
ruimte. Daarentegen hebben de echte kiezen als het ware het geheele
overgebleven gedeelte der voorste kiezen voor zich veroverd, en de
grootte en den vorm daarvan overgenomen. Die vorm der kiezen is dan
zeer karakteristiek; het zijn lange en hooge vierhoekige prisma’s op
verkwijnende wortels, met sterk gekronkelde emailplooien op de
kroonvlakte van die beenderige stof, die anders bij de tanden der
zoogdieren de verborgen deelen bedekt, het zoogenaamde tandcement. Die
gedeeltelijk gecemente kroonvlakte vertoont een zeer wonderlijk,
geplooid, moeilijk te beschrijven bergrelief. Bij dit alles is dit
gebit in zijn „roeping” gemakkelijker te doorgronden dan eenig ander
gebit. De snijtanden met hun eigenaardige ligging zijn sterke
afplukkers, ja zelfs op hun manier reeds kauwers; de geheele, één
geheel uitmakende kiezenmolen, aan weerszijden zes boven en zes
beneden, is dan een uitstekend maal- druk- en verbrijzeltoestel, een
kauwmolen van den eersten rang. Dit gebit behoort aan een reus, die
zijn zwaar lichaam met buitengewone hoeveelheden voedsel moet voederen.
Hij is echter geen wezen, dat bij den aanval bijt, en op vleeschkost
uitgaat, maar een vluchtige draver, wien de steppe met haar eindelooze
plantenkoloniën een onuitputtelijke stof biedt. Niet eens heeft hij een
afwisselende voeding noodig als noodhulp, zooals een kleiner dier, dat
aan een bepaalde plek gebonden is. Zijn schitterend bewegingsmechanisme
is tegen zijn gewicht toch in ieder opzicht ruimschoots opgewassen. Dit
maakt hem tot vrijen meester van alle gezellig levende steppenplanten
van horizon tot horizon. De eentonigheid dier grassteppe spiegelt zich
af in het eenvoudige en eenzijdige pluk- en kauwapparaat van zijn
gebit. Zooals overal, vertoont het paard ook in zijn tandenbouw een
zeer geprononceerde, maar groote en in zijn voltooiing toch weer
eenvoudige lijn. Het is alles bijzonder eenzijdig ontwikkeld, maar het
beheerscht dan ook zijn gebied als een koning met volkomen
meesterschap.

Dit gebit van het paard uit onze dagen is nu echter niet het
oorspronkelijke gebit der hoogere zoogdieren, dit is ook onmiddellijk
duidelijk. Het is een gebit, zooals het bij dien uiterst ontwikkelden
paardevoet en dat paardebeen van tegenwoordig behoort, die eveneens
reeds lang niet meer in overeenstemming zijn met die der
oorspronkelijke hoefdieren. En wij zouden ons ook zijn geleidelijke
ontwikkeling niet schooner kunnen voorstellen dan de werkelijke
geologische keten, die ons de ontwikkeling van dat bewegingapparaat
heeft onthuld, en dat wel hier in werkelijk bestaande beelden heeft
onthuld.

De Euprotogonia en Phenacodus aan het begin der keten, oorspronkelijke
hoefdieren zooals zij werkelijk nog zijn, vertoonen dan ook werkelijk
nog dit oorspronkelijke zoogdierengebit in den schoonsten vorm,
waarover wij vroeger zoo dikwijls hebben gesproken, en zooals het weer
ten minste tot op een bepaalde hoogte ook bij ons menschen tot heden
toe prachtig is bewaard gebleven ten aanschouwe van iedereen. Alle
soorten van tanden zijn daar voorhanden, en dat wel zeer goed te
onderscheiden. Hun rij is van boven en beneden tot één geheel
aaneengesloten, ten minste zonder groote tusschenruimten. De hoektanden
zijn nog volkomen duidelijk ontwikkeld, hoewel niet overdreven
vooruitstekend. Alle vier voorkiezen zijn aanwezig, maar zij handhaven
tevens hun verschil met de drie echte kiezen, daar zij in de eerste
plaats aanzienlijk kleiner zijn. En die kiezen zijn aan hun werkzaam
bovengedeelte kort, maar in de kaak vast ingeslagen met groote spitse
wortels. Zij missen nog volledig het cementplombeersel in de diepten
van hun kauwvlakte. Die hoogten en laagten in het vlak zelf verschillen
in hun eenvoud nog ontzettend veel van het werkelijk angstwekkend
geplooide profiel der hooge prisma’s aan de kiezen van ons levend
paard. Wel ziet men, dat het ook hier reeds geldt den meer specialen
tak der dieren van Cernays, die op de hoefdieren wijst, die dus geen
punten op de kiezen draagt zooals de roofdieren, maar de echte kiezen
reeds op gemengd voedsel heeft ingericht. In hun breedte is de
tandkroon daarachter alleen met een paar eenvoudige vlakke bulten
voorzien. Van onderen zijn het slechts vier, van boven, door twee
tusschenbultjes, zijn er zes. Wil men den toestand werkelijk eens
geografisch beschrijven als tegenover een gebergte, dat men uit
vogelperspectief ziet, dan heeft men bij een dergelijke kies uit de
bovenkaak een mooie kleine hoogvlakte vóór zich met zes goed
geproportionneerde en duidelijk gescheiden bergkegels. Dat is de
typische kies van den omnivoor (allesetend), die trouwens in hoofdzaak
toch reeds de voorkeur geeft aan plantenkost, maar dan ook in groote
afwisseling. De zwijnen hebben ook een dergelijke kies. In
tegenstelling daarmede ziet het berglandschap van de paardekies er uit
als een gedeelte van de oppervlakte der maan met de meest grillige
lijnen van gekartelde kraterwallen, met ingesloten bekkens en allerlei
daardoor heen loopende verweeringen.

En nu heeft men ook hier de schoonste geleidelijke overgangen. Evenals
bij het onderbeen, zoo hebben ook bij de tanden op zeer karakteristieke
wijze de vospaardjes, dus de oudste echte equiden, eveneens nog bijna
geheel den toestand der oorspronkelijke hoefdieren. Nog zijn alle
tanden voltallig. Wel wordt de gaping, die reeds uiterst gering bij den
Phenacodus begon, zichtbaar, maar nog is het alleen maar een enkel
wijken der tanden, niet een ontbreken: de later verdwijnende eerste
voorkies is nog duidelijk van boven zoowel als beneden aanwezig. Nog
verschillen die voorkiezen van de gewone kiezen, nog hebben de kiezen
geen cementplombeersel, nog dragen de ouderen onder die vospaardjes op
ieder dier kiezen de zuiver gescheiden bulten. En dat alles toch, wel
te verstaan, nog bij een typisch echten equide! Bij de jongere
vospaardjes (die, welke aan den achterpoot reeds geen pinkaanhechtsel
meedragen), beginnen er eerst bergjukken tusschen de bulttoppen te
komen, en die toppen beginnen zich om te vormen tot eigenaardig
haakvormig gebogen kammen. Dit gaat dan op de volgende trappen verder,
als volgde men in een gebergte werkelijk wilde geologische
verschuivingen en plooiingsprocessen. Bij de vroeger genoemde
kwasthoevigen zijn de kiezen nog klein en van stevige wortels voorzien.
Maar reeds begint de karakteristieke prismavorm van het echte paard
door te breken. Terwijl in het relief van boven de middelste dier
haakvormig gebogen kammen zich aanschuiven tegen de uiterste, ver tot
aan den rand zich uitstrekkend, wordt de tusschenruimte, die vroeger
open dal was tusschen bergtoppen, tot een rondom omsloten kraterholte,
en in die holten zooals anders in de plooien begint zich plotseling
cementmassa af te zetten. Te gelijker tijd merkt men ook, dat de
voorste der voorste kiezen veranderlijk wordt, en de overige gaan hoe
langer hoe meer op de kiezen gelijken. Bij onze pinkdieren groeit de
kies echt tot een hooge zuil uit, waarbij de wortels verdwijnen. In een
diepe inzinking liggen daar thans de kraterholten absoluut ingesloten,
en steeds rijkelijker dringt overal als een taaie afgezette massa het
cement in de bergplooien. De kammen om de kraters kronkelen zich als
overoude verweeringsarabesken, de laatste nog uitstekende binnenste
toppen beginnen in dien warwinkel van plooien in te vloeien. Van daar
is het nog slechts een korte schrede tot het echte wilde paard. Niet
gemakkelijk kunnen er twee dingen zijn, die meer van elkander
verschillen dan de reusachtige prismatische kies van dat paard met haar
verkwijnende wortels en haar cementlabyrint, en de fijne cementlooze
gebulte tand met fijne, spitse wortels van den Phenacodus—en toch is er
in de geheele lijn tusschen die beide geen enkele sprong, waar men zich
verbazen zou over den plotselingen overgang, en de laatste overgang is
nauwelijks meer dan het invloeien van een laatste overblijfsel van een
inwendigen bult in de golvingen der plooien. Als een dergelijke
tandvlakte, reusachtig vergroot, werkelijk een plek op onze aardkorst
was met een krachtige bergformatie, waarop wij gedurende millioenen
jaren steeds van tijd tot tijd weer neerzagen,—dan zou geen enkele
geograaf de geleidelijke vervorming van dat gebergte, de omvorming van
zijn oorspronkelijke kegelspitsen in een labyrint van bergjukken in de
lengte en in de breedte en van gebarsten pieken, de uitdieping zijner
zeeën, anders verklaren dan in de beteekenis van een consequent
voortgezet formatieproces in de natuurlijke volgorde zonder eenig
hiaat. En als wij nu telkens na even groote tusschenperioden neerzien
op den tand in de kaak van een levende diersoort,—waarom zou dan het
proces een geheel ander zijn?

Over het „hoe” van dergelijke vervormingen zijn er, zooals ik zeide,
(en zullen er ook nog lang zijn) zeer van elkander afwijkende meeningen
ook binnen de partij, die onfeilbaar gelooft aan natuurlijke
ontwikkeling in het algemeen. Zoo is dan ook die geschiedenis van het
paard een tijd lang de aanleiding geweest tot een zeer interessant
debat, waarbij tegengestelde opvattingen omtrent het „hoe” scherp tot
uitdrukking kwamen.








Ik heb medegedeeld, dat versteende beenderen van op paarden gelijkende
dieren uit Fransche vindplaatsen het eerst door Cuvier zijn beschreven,
lang voordat Amerika die bewonderenswaardige keten leverde, en dat ook
in het vervolg Europeesch bewijsmateriaal niet ontbrak. Toen Darwins
denkbeelden zich eerst aanhangers verwierven en Haeckel de eerste
„stamboomen” van diergroepen ontwierp, kende men nog niets anders dan
die Europeesche resultaten. Het scheen echter reeds met deze eenigszins
mogelijk, een dergelijken „stamboom” van het paard te construeeren. Men
had ook daar reeds onmiskenbare kwasthoevige dieren uit de latere
tertiaire periode, en daarna driehoevige equiden uit oudere lagen
(juist deze had Cuvier reeds herkend); later zijn er zelfs nog
overblijfselen van vospaardjes en ook enkele zeldzame overblijfselen
van het oorspronkelijke hoefdier Phenacodus gevonden. Al was het op
verre na niet zoo nauwkeurig, toch schemerde de juiste grondlijn in
ieder geval zóó door, dat men haar werkelijk kon vaststellen, en de
eerste specialiteiten waren er niet weinig trotsch op, dat hun dit
scheen te gelukken. Bij de zekerheid van het feit, dat toch het
voortgekomen product, namelijk het tegenwoordige paard, als wild paard
en wilde ezel, zij het niet meer tegenwoordig in Europa, dan toch in
Afrika en Azië, dus in de oude wereld nog, in groote massa’s
voortbestond, kon in dat eerste aanstormen der dingen eerst ook geen
twijfel bestaan, of die stamboom liep alleen over vormen uit de oude
wereld. Toen men hoorde van voormalige Amerikaansche paarden, scheen
het even natuurlijk, dat men hier moest hebben te doen gehad met
verstrooide landverhuizers uit Oud-Azië of Oud-Europa.

Maar daar kwamen slag op slag de Noordamerikaansche vondsten voor den
dag met de geheele daar verkregen keten. De zaak werd moeilijk. En wel
des te moeilijker, toen het volgende scheen voor den dag te komen. De
Amerikaansche keten van de oorspronkelijke hoefdieren tot aan het
echte, daar ten minste zeer laat nog aanwezige wilde paard was
onberispelijk trap voor trap in zich zelf gesloten. In de meer
algemeene grondtrekken: dat zij ten slotte wees op voorvaderen met vijf
teenen, dat zij leidde langs een trap van driehoevige dieren, en een
tusschentrap omvatte van de kwasthoevigen, kwam zij volkomen overeen
met de reeds bekende Europeesche keten. Maar in bijzonderheden bleken
er ongetwijfeld afwijkingen te zijn.

De Amerikaansche en de Europeesche vertegenwoordigers der driehoevige
equiden wilden in de bijzonderheden volstrekt niet bij elkander passen.
Voor de kwasthoevigen daar en hier werd dit ten minste bestreden. Daar
op het oogenblik noch de Europeesche noch de Amerikaansche geleerden
hun stamboom wilden prijsgeven, doch beide stamboomen verschillend
waren, maar van den anderen kant het resultaat voor beide hetzelfde
was, scheen er slechts één logische uitweg te zijn. Het paard moest
zich als zoodanig twee maal hebben ontwikkeld in een overigens
identieken eindvorm: bij ons in de oude wereld uit oorspronkelijke
hoefdieren met vijf teenen langs de keten, die in Europa uit een
geologisch oogpunt ten minste nog eenigszins is te volgen, daar ginds
in Amerika uit de misschien nog gelijke oorspronkelijke hoefdieren
langs de keten, die daar nog nauwkeurig is na te gaan. Beide ketens
hadden verwante logische trekken, werden echter in bijzonderheden door
tamelijk veel van elkander verschillende equidenvormen
vertegenwoordigd. Enkele Duitsche onderzoekers, bij voorbeeld de oude
Kämpe, die even handig in het debat en in zijn polemiek even zelfbewust
als vreeselijk grof was, en de dikke Vogt traden op de meest fanatieke
wijze voor die oplossing in het strijdperk, alsof het wel en het wee
der geheele ontwikkelingsleer daarvan afhing. Doch het gold slechts een
bepaalde opvatting van de inwendige wegen eener zoodanige ontwikkeling,
maar in een in ieder geval interessanten vorm.

De vraag was opgeworpen, of een diersoort op onze aarde door
natuurlijke ontwikkeling tweemaal in volkomen denzelfden vorm kan
onstaan, en dat wel langs vormen van voorouders, die wel is waar in
wezen niet volkomen ongelijk waren, maar toch ook volstrekt niet in
zoölogischen zin gelijk waren. De bevestiging dier vraag moest
natuurlijk van bijzonder groote draagwijdte zijn. Passen wij dit bij
voorbeeld toe op den mensch, dan kan in een dergelijk geval dus de
mensch op verschillende plaatsen van onze planeet zich hebben
ontwikkeld uit diervormen, die van verschillende soort waren, al kwamen
zij dan ook in bepaalde trekken overeen, een feit, dat op de splitsing
der rassen van het begin af aan een ander licht zou werpen en den
stamboom van den mensch oneindig veel gecompliceerder zou maken.

Nu is in de eerste plaats niet goed te loochenen, dat de mogelijkheid
van twee onafhankelijke ontwikkelingen, die toch tot volkomen hetzelfde
resultaat leiden, zuiver theoretisch moet worden toegegeven. Iedere
ontwikkeling berust in den zin der moderne evolutieleer op natuurlijke
oorzaken, en wat die oorzaken voorschrijven, moet zich daarin
onveranderlijk voltrekken. Gelijke oorzaken hebben echter gelijke
gevolgen,—dat is ook een onveranderlijke wereldwet. Indien dus tweemaal
volkomen dezelfde oorzaken van ontwikkeling, waar ook op de wereld,
zijn opgetreden, moeten er ook dezelfde resultaten uit zijn
voortgevloeid.

Legt men het zwaartepunt bij het resultaat niet op volkomen
„gelijkheid”, maar alleen op „overeenstemming”, dan zijn er voor dat
beginsel voorbeelden in overvloed. Het vliegen is door de meest
verschillende dierengroepen zeker volkomen onafhankelijk van elkander
aangeleerd, en daarbij zijn op de meest verwijderde plaatsen zeer met
elkander overeenkomende vliegorganen ontwikkeld; zoo hebben wij in het
„Dierenboek” reeds medegedeeld, hoe zoowel de uitgestorven vliegende
hagedissen alsook de (daarvan ver verwijderde en onafhankelijke)
vleermuizen den vinger hebben gebruikt om de vlieghuid uit te spannen.
De vermindering der hoefteenen ter wille van een gemakkelijker
beweging, het steile opheffen van den middenvoet, de „verbeening” van
dien voet, dus karakteristieke feiten uit het proces der paardwording,
zijn in vormen, die in ieder geval met elkander overeenkomen, ook door
andere hoefdieren: runderen, schapen, herten enz. volbracht. Bij een
bijzonder merkwaardig uitgestorven hoefdier van Zuidamerika, dat
behoorde tot een groep van hoefdieren, die zich daar in oude dagen
hadden nedergezet, en dat zich daar volkomen had vervormd, het
Thoatherium, is dat proces zelfs zóóver gevorderd, dat evenals bij het
paard ook ten slotte alleen de middenteen is overgebleven; dat dier en
zijn verwanten hadden daarbij anders volstrekt geen gelijkenis en geen
betrekking tot het paard en den stamboom van het paard, zij waren
alleen in dat ééne opzicht bij volkomen verschillende ontwikkeling
onder den invloed van de werking van „gelijke oorzaken” gekomen. Nu was
alleen de vraag, hoe ver dat woordje „gelijkenis” tot het begrip
„gelijkheid” naderde. De gegeven voorbeelden zijn immers feitelijk alle
nog ver daarvan verwijderd; de vliegende hagedis is geen vleermuis, het
rund en zelfs het genoemde Thoatherium zijn geen paarden geworden. Zijn
er meerdere van zulke complexen van gelijke voorwaarden, zoodat een
geheele ontwikkeling zich zou kunnen herhalen totdat het geheele
complex van een volkomen identieke diersoort zich zou kunnen herhalen?

Men kan beginnen met ook die vraag te beantwoorden door een analoog
voorbeeld aan het oneindige heelal ontleend. Als wij ons een tweede
wereldlichaam denken ergens in het heelal gelegen, dat bij eenzelfden
stand ten opzichte van de zon uit dezelfde grondstoffen bestond als de
aarde en dezelfde verhoudingen in grootte had, dan is het zeker, dat
dit wereldlichaam, door gelijke oorzaken als onze aarde gebracht tot
ontwikkeling van organisch leven, volkomen dezelfde planten- en
diersoorten zou moeten voortbrengen en eindelijk ook door intelligente
menschen moest worden bewoond. In dichtstukken is daarvan dikwijls
gebruik gemaakt, maar het berust (bij de in het oogvallende
overeenkomst van veel kosmische scheppingen, bij voorbeeld van veel
vaste sterren met onze zon) op een veel strengeren grondslag dan de
meeste menschen meenen. Eveneens is het volkomen zeker, dat indien
heden onze aarde door de ééne of andere gewelddadige gebeurtenis weer
in den toestand van een chaotische nevelvlek zou terugkeeren, zonder
dat er anders iets veranderde aan haar stoffelijke samenstelling of
haar astronomische betrekkingen, na een periode van zoo en zooveel
millioenen jaren alles bij haar weer bij het oude zou zijn, dezelfde
planten-, dieren- en menschenwereld in al haar individuen en hun
lotgevallen weer aanwezig zou zijn, zóódanig, dat alle handelingen bij
voorbeeld bij ons menschen, die na de catastrofe aanwezig zijn, zich,
als ware er niets geschied, moesten aansluiten aan hetgeen vóór de
catastrofe gebeurd was op het oogenblik, dat de aarde in denzelfden
ontwikkelingstoestand verkeerde als thans.

Dit alles zijn dingen, die uit de ernstig opgevatte consequentie der
levensontwikkeling noodzakelijk voortvloeien. De zaak wordt echter iets
anders, wanneer wij een dergelijk geval nu op één en dezelfde planeet
in eenzelfde periode van de geschiedenis der aarde moeten construeeren.
Opdat het paard tweemaal, in Europa en Amerika, zou ontstaan, zouden in
het verloop der tertiaire periode de omstandigheden in de grassteppen
van dat Europa en Amerika absoluut gelijk moeten geweest zijn. Rijkdom
en wijze van plantengroei, verhoudingen te land en te water, klimaat en
aanvallende dieren, oorspronkelijk aantal individuen enz., dat alles
moest gedurende millioenen jaren een absolute identiteit hebben
gehandhaafd. Het is moeilijk zich dit te denken.

De zaak zou trouwens gemakkelijker verklaard kunnen worden, als men een
keuze deed tusschen bepaalde theorieën van de noodzakelijkheid der
ontwikkeling, en dan de meest geschikte uitzocht. De groote massa van
hen, die aan de ontwikkeling gelooven, nemen tegenwoordig aan, dat
iedere ontwikkeling in het bereik van het leven hoofdzakelijk tot stand
komt door den dwang der uitwendige omstandigheden, die de soorten
dwingt, zich te wijzigen in de lijn van bepaalde aanpassingen; voor hen
is het paard in iedere vezel een prachtig bewijs van een dergelijke tot
het hoogste punt opgevoerde aanpassing. De methode, waarop levende
wezens het tot stand brengen, werkelijk op een dergelijken dwang te
reageeren, zich op een voor het doel geschikte wijze tegenover de
eischen te vervormen, zich „aan te passen”,—is dan weer een zaak van
engere theorieën. Darwin denkt aan een voortdurend blind voortbrengen
van varianten, waarbij de uitwendige eischen steeds de meest bruikbare
varianten in stand doen houden. Over den aard en de kracht van die
varianten wijken de meeningen van Hugo de Vries en van andere
leerlingen van Darwin tegenwoordig van elkander af. Omgekeerd houden de
voorstanders van Lamarck meer rekening met een meer actieve en directe
geschiktheid tot aanpassing van de levende individuen, die dat proces
der blinde teeltkeus met zijn ontzettende decimeeringen in meerdere of
mindere mate onnoodig maakt. Bij beide wegen blijft echter de
beslissende macht der uitvoerige eischen bestaan. Om tweemaal het paard
op dezelfde wijze voort te brengen, zou zoowel voor de theorie van
Darwin als voor die van Lamarck die absolute identiteit der uitwendige
omstandigheden, van het Europeesche en het Amerikaansche milieu,
gedurende een onmetelijke tijdsruimte noodig geweest zijn, dus iets wat
niet gemakkelijk is te denken.

Om aan dien eisch tegemoet te komen, zou alleen een theorie dienst
kunnen doen, die de beteekenis van dien dwang van het milieu op den
achtergrond stelde ten gunste van een dwang tot ontwikkeling, die
geheel van binnen uit en zelfstandig werkt in de levende wezens zelf.
Ook dat denkbeeld heeft aanhangers, al heeft het tegenwoordig geen
enkelen op den voorgrond tredenden vertegenwoordiger. Volgens dat
denkbeeld moet de vaste ontwikkelingslijn van alle dieren en planten in
hoofdzaak in hen zelf liggen. De buitenwereld zou zich tegenover die
ontwikkeling slechts zóó gedragen als de broedwarmte tegenover het
kippenei. Dit denkbeeld put al zijn kracht voor de stamgeschiedenis der
soorten werkelijk uit de analogie met hetgeen in de kiem, in het ei of
in de pop geschiedt. Een pop van een vlinder, behoorlijk rustig en warm
gehouden, brengt denzelfden vlinder voort op grond van een inwendige,
als een uurwerk loopende regelmatigheid, even goed ginds in Amerika,
als, naar ons overgebracht, in Europa. Zoo zou het dan ook ongeveer met
de oorspronkelijke hoefdieren geweest zijn. In de Amerikaansche,
evenzeer als in de Europeesche prairie, zou, als maar voldoende tijd en
rust gewaarborgd was, het inwendige, opgewonden uurwerk der
ontwikkeling in een bepaald aantal generaties het paard moeten te
voorschijn brengen, en wel het volkomen identieke paard. Die theorie is
niet, zooals wel wordt beweerd, een onwetenschappelijke theorie zonder
meer, want zij berust in ieder geval op een analogie, namelijk op het
op zich zelf volkomen natuurlijke verloop der ontwikkeling in ei of
pop. Alleen blijft zij volkomen het antwoord schuldig op twee vragen,
die de zooeven genoemde andere vorm der ontwikkelingsidee spelend
oplost. En wel in de eerste plaats, wie het uurwerk heeft opgewonden.
In de geschiedenis der kiem, in het ei, is het naar de tegenwoordig
gangbare opvatting juist de stamgeschiedenis zelf geweest. Voor de
stamgeschiedenis bleef er dan een onbekende onderstelling open. Ten
tweede, hoe het komt tot de duidelijk zichtbare „vooruit vaststaande”
harmonie tusschen de resultaten van dat inwendige uurwerk en de eischen
van aanpassing der buitenwereld. Waarom tikt het inwendige uurwerk het
paard juist als een zoo voortreffelijke aanpassing aan de steppen naar
buiten?

Het is niet de taak van dit boek, in het groote spel en tegenspel van
dergelijke theorieën tegenwoordig scherpe beslissingen te nemen. Ik
wilde den lezer daarop alleen wijzen, als de stof daaraan noodzakelijk
raakt. Het geldt daarbij, zooals gezegd is, interessante vraagpunten
binnen het kader der groote ontwikkelingsidee zelf, vraagpunten, die de
inspanning van de besten en de edelsten ten volle waard zijn. Maar voor
ons vraagstuk over het paard is er gelukkig een oplossing, waarbij wij
die vraagstukken kunnen ter zijde laten ook zonder de noodzakelijkheid
van een beslissende oplossing.

Bij die geheele zaak was er iets, wat ontwijfelbaar de verbazing moet
opwekken. Indien op de ééne of andere van de verschillende theoretisch
denkbare wegen ten slotte het paard twee maal als volkomen identieke
vorm hier en ginds kon ontstaan: waarom waren dan de schakels der
ontwikkelingsketen, die tot het paard leidden, niet eveneens in Europa
en in Amerika volkomen identiek? Ik heb persoonlijk dit punt (juist dat
punt, waardoor oorspronkelijk het geheele debat is aangekomen), nooit
kunnen begrijpen. Als de ontwikkeling in beide gevallen bij voorbeeld
bij den tienden trap der keten op hetzelfde paard kwam, waarom dan niet
bij voorbeeld bij den zevenden trap op hetzelfde driehoevige dier? Als
dat driehoevige dier in Europa wel op dat van Amerika geleek, maar er
toch duidelijk van verschilde, dan eischte de eenvoudige logica, dat
ook de „paarden” van hier en ginds, dat wil zeggen de eindelijk langs
twee parallelle wegen veroverde eenhoevige dieren, wel op elkander
geleken, maar toch ook verschillend bleven. Waarom de identiteit op het
gedeelte tusschen driehoevig dier en paard plotseling in beide ketens
moet binnen komen, is volstrekt niet in overeenstemming met het
beginsel: gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen. Juist die
verscheidenheid der oudere vormen heeft echter feitelijk den hefboom
geleverd, om de zaak geheel en al omver te werpen en dat wel van het
volgende, geheel verschillende standpunt uit.

Die beroemde Amerikaansche keten, waarvan wij de schakels als
oorspronkelijke hoefdieren, vospaardjes, driehoevigen, kwasthoevigen,
vingerdieren, zoo goed als het ging in Hollandsche namen hebben
weergegeven, heeft natuurlijk ook haar vasten Latijnschen vaknaam.
Gewoonlijk zijn zij voorbij de oorspronkelijke hoefdieren Euprotogonia
en Phenacodus zelf reeds samengesteld met het Grieksche woord voor
paard „hippos”. Van onderen naar boven vindt men daar tusschen den
Phenacodus en den werkelijken hippos, het Amerikaansche wilde paard, na
een Hyrakotherium (waarbij men een oogenblik zou kunnen denken aan den
Hyrax, den klipdas) een equide Protorohippos (nog in de vospaardjes),
een Epihippos, (Mesohippos, Miohippos, waarbij men de driehoevigen
voorbijkomt), een Merychippos als typische trap van de kwasthoevigen,
en eindelijk een Hippidion voor onze pinkhoevigen. Voor een deel zijn
het moeilijk te vertalen namen, die op zich zelf weinig beteekenen, en
die de zoöloog dan ook alleen gebruikt als een soort gildeteekens. Het
belangrijkste is, dat men van al die stevig aan elkander sluitende
schakels der keten duidelijke skeletten bezit, die juist hier den zoo
goed als onbetwistbaren stamboom leveren. Nu zijn echter met die vaste
aansluitingen de massa’s der Amerikaansche paardebeenderen uit de
tertiaire periode nog volstrekt niet alle uitgeput. Men heeft daar uit
dien overvloed aan rijkdom nog een groote hoeveelheid equiden weder
kunnen samenstellen, die als het ware uitloopers, bijloopers der
hoofdlijn, voorstellen. Dieren, die niet behoorden in de lijn, die
consequent opsteeg naar het echte paard, maar van de verschillende
stations van dien stam als zijtakken of wilde loten afweken.

Zij speelden als het ware met de voortbrengselen van dat station,
dreven die in de breedte, deden allerlei varianten op die
voortbrengselen ontstaan, maar stierven gewoonlijk zelf weer uit, als
de hoofdstam een trap hooger steeg, zonder dat zij zelf het tot den één
of anderen eigen nieuwen top brachten. Iedere dierlijke stamboom, dien
wij, waar ook, een stuk ver kunnen vervolgen, laat dergelijke wilde
loten zien, dit moet diep in het wezen van iedere organische
ontwikkeling liggen, en vooral in de opvatting van Darwin, als de
voortdurende schifting uit een groot aantal verschillende varianten,
zou dit ook volkomen verklaarbaar zijn. Het latere duidelijke inzicht
in het werkelijke verloop van den stam zelf wordt ons echter helaas
zeer dikwijls moeilijk gemaakt door die voortdurend weer opborrelende
massa van daarnaast loopende wilde takken en bijkomend kreupelhout. Het
is als bij een werkelijken boom, waarbij men van verre alleen bladeren
en takken ziet en niet den hoofdstam. Dergelijke bijvormen plegen in
den tijd, die hun vergund is, een zeer buitengewone rol te spelen. Niet
meer deelhebbend aan den eigenlijken vooruitgang, breiden zij zich
oeverloos in de breedte uit. Zij beproeven alle mogelijke voordeelen
van een veroverd station, alsof dat station hun definitieve ankerplaats
was, zonder zich er over te bekommeren (overdrachtelijk gesproken) in
wat voor uitersten en wat voor sloppen zij bij dat zich al te huiselijk
inrichten mogen komen. Door de aanwezigheid van een ontzaglijk aantal
individuen op een gunstig terrein kon een op een bepaald oogenblik
bijzonder gelukkige variant zich zóó op den voorgrond dringen, dat in
de versteende overblijfselen, waarin steeds toch gapingen voorkomen,
later het echte type van dat station, dat tot verdere ontwikkeling is
gekomen, gemakkelijk geheel voor den blik verloren gaat. Het groote
aantal individuen dwingt dan dikwijls juist die ééne bijloot, zich
verder uit te strekken als een rijk van knoppen voorziene tak; dat wil
zeggen: de zich ophoopende individuen worden gedwongen het land te
verlaten, zij verspreiden zich over wijde uitgestrektheden der aarde,
en komen plotseling te voorschijn in geheel andere landen, waarheen
juist de geologische verhoudingen van dien tijd een begaanbare brug
hadden geslagen. Dit kan nu echter onder bepaalde omstandigheden
veroorzaken, dat zij op plaatsen ver van de plaats van ontstaan en
vervorming van hun oorspronkelijke stamlijn, toevluchtsoorden vinden,
waar zij veel langer kunnen blijven bestaan dan in de oorspronkelijke
woning zelf, schuilhoeken waar geen zeis hun al te weelderigen groei
afmaait en het noodlot van het station waar zij ontstaan zijn, ze op de
oude plek schijnt te hebben vergeten. Dan blijft zulk een verstrooide
troep millioenen jaren voortduren, hoopt voortdurend nieuwe catacomben
op van zijn beenderen en maakt daardoor de juiste waardeering hunner
beteekenis moeilijk.

Zoo ook is het met de paardachtige dieren van Amerika. Overal, waar een
groot keerpunt in hun ontwikkeling gelegen is, waar men, menschelijker
wijze gesproken, den indruk heeft van een tijdelijken stilstand in den
ontwikkelingsstroom, van een tot adem komen, een verzamelen van
krachten, begint telkens ook het schieten van ranken in de breedte,—de
uitloopers treden op naast de equiden, die het doel der ontwikkeling
waren.

Dit begint reeds op den trap der vospaardjes. Een eerste hoogtepunt
wordt bereikt op den trap der driehoevige equiden, dus daar waar de
wetenschappelijke taal spreekt van Miohippos en Mesohippos. In die
dagen vertakte zich een zeer eigenaardige variant in Noordamerika van
den hoofdstam af in den vorm van een equide: het Anchitherium. De naam
beteekent het „nauw verwante dier”. Wij vatten het hier op als nauw
verwant aan het reeds meest volkomene van die driehoevige dieren van
Amerika, die behooren tot de echte paardenreeks. Nauw verwant, maar
niet gelijk, want het is een op zijde afwijkende, in den zin der
hoofdontwikkeling onvruchtbare variant, die zich heeft vertakt, nadat
de typische driehoevige equiden reeds als zoodanig volkomen voltooid
waren.

Een tweede hoogtepunt lag vervolgens bij de kwasthoevigen, dus daar,
waar de beide zijteenen met hun hoeven nooit meer den grond aanraakten,
maar alleen nog slechts als groote overblijfsels aan weerszijden naast
den steeds meer de overhand hebbenden middenteen en het „voetbeen”
hingen. Hier heeft zich een in zijn soort zeer fraaie, sierlijke equide
als variant in Amerika vertakt, gemiddeld van de grootte der kleine
zebrasoorten van onze dagen. Deze nam de leelijke kwastvoeten mede,
zonder daaraan iets te veranderen tot aan het einde van zijn geslacht.
Voor het overige modelleerde hij in kleinigheden voortdurend aan het
type van zijn station, zooals dit bij al dergelijke varianten
gebruikelijk is. In zijn bovenkiezen gelukte het hem nog niet, het
laatste titteltje op de i te plaatsen, dat noodig was, om een echt
paard te zijn, namelijk den laatsten binnenbult geheel te laten
invloeien in het arabeskenwerk der kraters en kammen. Daarentegen
plooide hij aan de emailwanden der middelste kraters in het relief van
de gebergten van die tandkronen zóó overdreven weelderig voort, dat die
tanden nog veel meer dan bij het beeld van het echte paard er spoedig
uitzagen als doorgesneden kroppen salade in het klein. Die
„saladetandigen” heeft men in tegenstelling met de echte stamgetrouwe
kwasthoevigen, die wetenschappelijk Merychippos heeten, Hipparion
genoemd. Het woord heeft geen andere beteekenis dan „klein paard”. Men
moet, zooals zoo dikwijls, een dergelijken Latijnschen naam niet
opvatten alsof daarin een geconcentreerde beschrijving bevat is, maar
als een etiquette, een soort van nummer ter onderscheiding. Dikwijls
gebeurt het, dat dergelijke etiquettes in den loop der zich
verbeterende systematiek van dier verwisselen; de naam kan dan
onmogelijk meer met het dier in overeenstemming zijn. Een dier kan bij
voorbeeld „viridis” heeten en toch niet groen zijn, en zoo kon er ook
bij ons „paardje” Hipparion van daag of morgen een variant gevonden
worden, die zoo groot was als een rhinoceros, en die toch onder het
merk „Hipparion” moest ingeschreven blijven.

Dikwijls toch hebben juist zulke uitloopers een neiging, ook te
varieeren tot buitengewone grootten, wat trouwens in dit bijzondere
geval tot nu toe niet is vastgesteld. Als een dier stevig op drie
hoeven kon staan, kon met dien drievoet ook een zwaarder soort lichaam
worden bewogen. Zoo heeft er bij dien trap der driehoevigen van die
geheele dierengroep steeds een neiging bestaan, op te treden in forsche
varianten; wij spreken daar nog nader over. De overgang tot het
eigenlijk verfijnde experiment van het evenwicht op één enkelen hoef
moest zich daarentegen, zoolang dat proces in wording was en zich nog
niet volkomen had gelouterd tot zijn volmaking en technische
voltooiing, uit den aard der zaak beperken tot vormen van gemiddelde
grootte. Zoo is dan hier ons paard als slotproduct ook tevens de
technische overmeestering van het zwaarste dier, en zijn omgekeerd op
den trap der kwasthoevigen ook de varianten nog bescheiden van grootte.

Het eigenaardige nu van al die varianten onder de equiden is echter
dit, dat zij, zooals men met den meesten grond mag aannemen,
onmiddellijk aanleiding hebben gegeven tot het denkbeeld van een
zelfstandigen paardenstamboom ook bij ons in Europa. Terwijl de
eigenlijke stam in Amerika aangroeide tot het paard en alleen daar,
hebben zich in herhaalde voorwaartsche bewegingen troepen van die
varianten ver over de engere grenzen van Amerika heen verspreid. Zij
zijn ook in Europa, in de oude wereld, opgedoken, hebben hier nieuwe en
karakteristieke soorten gevormd, zijn hier in een ontzaglijk groot
aantal individuen gedurende lange tijdsruimten binnen de groote
tertiaire periode in stand gebleven, maar zijn ten slotte iederen keer
in het algemeen hier evenzeer onvruchtbaar ondergegaan als daar. Hoe
meer men naast de paarden in Amerika, die aan de bedoeling der evolutie
beantwoordden, ook de varianten daar leerde kennen, des te verrassender
is het feit voor den dag gekomen, dat de belangrijksten onder die
Amerikaansche varianten, zooals het Anchitherium en het Hipparion, in
de soort volkomen identiek waren met de equiden, die men in Europa had
beschouwd als de vertegenwoordigers van den daar aanwezigen, naar men
meende, afzonderlijken paardenstamboom. Geen wonder dus, dat zij (die
immers varianten waren van verschillende echte trappen van den
stamboom, maar van den Amerikaanschen), ook aanknoopingspunten
vertoonden aan een dergelijken stamboom, vooral als men ze eenvoudig
achter elkander plaatste, en opvatte als een doorloopende keten van
geslachten, waar bij voorbeeld het Anchitherium het Hipparion zou
hebben voortgebracht. Geen wonder ook, dat zij, daar zij toch varianten
waren, afweken van de echte Amerikaansche stamreeks. Juist die
onmiddellijke werkelijke verdere ontwikkeling der Europeesche equiden
van den éénen vorm tot den anderen, die eerst voor Europa een beeld zou
leveren van een echten stamboom, is echter absoluut niet aan te toonen.
Nooit zijn er tot nu toe werkelijke aanvullende vormen gevonden
tusschen de oudste Europeesche equiden en het Europeesche Anchitherium,
nooit tusschen dat Anchitherium en het Europeesche Hipparion, nooit ook
tusschen dat Hipparion en ons paard. Alles spreekt er, zoodra men
eenmaal weet, dat Anchitherium en Hipparion ook in Amerika voorkwamen
en wel daar als uitloopers, die buitengewoon taai en rijk aan
individuen waren—alles spreekt er, zeggen wij absoluut voor, dat wij,
hier bij ons, eenvoudig alleen te doen hebben met een Amerikaansch
importartikel.

Om een dergelijken import te begrijpen, moet men zich echter de
geografische mogelijkheden van dien tijd eenigszins voor den geest
halen. Het denkbeeld, dat de Europeesche grassteppe der tertiaire
periode geheel zelfstandig het paard uit de oorspronkelijke hoefdieren
zou hebben ontwikkeld, en eveneens dat geheel zelfstandig ook de
Noordamerikaansche steppe dit zou gedaan hebben, houdt rekening met
moderne verhoudingen, niet met die uit vroegeren tijd. Voor ons liggen
er tusschen Europa en Amerika zoo en zooveel dagreizen zeereis met het
gezicht op de zee van horizon tot horizon. Dat was het gedeelte
waterbrug, dat Columbus eerst voor ons moest overbruggen op een
onbegrijpelijk vermetele vaart. Op een kunstig door menschenhanden
gebouwd schip kon het eerste Spaansche paard eerst na een aantal dagen
van zulk een vaart levend naar de overzijde komen. De oorspronkelijke
feitelijke toestand, waarmede de tertiaire toestand begon, was
daarentegen een geheel andere.

Europa was toenmaals een archipel, een eilandenland, ongeveer zooals
tegenwoordig de Soenda-eilanden. Die Europeesche eilanden waren echter
niet, zooals men ten minste zou verwachten, de voorposten van de
Aziatische vastelandsmassa. Daar, oostwaarts, lag overal weer de zee.
Het meest nabijzijnde, daartoe behoorende blok land, een overoud
vastelandsstuk, strekte zich van het noorden van Scandinavië uit,
zooals bij voorbeeld Achterindië tegenwoordig zich uitstrekt tot de
Soenda-eilanden. Tegen dat landblok kwam, van het westen uit,
Noordamerika te liggen. In verband met de grootte van dat werelddeel en
zijn oostelijke uitbreiding van toenmaals is het gerechtvaardigd te
zeggen, dat Europa nog in het begin der tertiaire periode een groote
archipel is geweest, die in oostelijke richting de voorpost was van
Noordamerika. Die eigenaardige toestand bleef wel niet in zoo
bijzondere mate gedurende de geheele tertiaire periode bestaan, maar
toch is de weg van Amerika naar Europa in het midden dier tertiaire
periode nog steeds verreweg korter geweest. Nog tegenwoordig vertoonen
de insnijdingen van de verlengsels der groote Noordamerikaansche
stroomen in den bodem der zee duidelijk aan, hoeveel verder de kust
zich nog lang in de tertiaire periode daar in oostelijke richting heeft
uitgestrekt tot in streken, die tegenwoordig diepe, scheidende zeeën
zijn. En evenzoo wijzen de nog merkbare oude beddingen en delta’s aan
gene zijde der Europeesche westkust op den tegenwoordigen bodem van den
Atlantischen oceaan er op, hoeveel verder ook dat Europa, toen het zich
langzaam uit een eilandenwereld tot een zelfstandig vastland ontwikkeld
had, zijn landgrenzen nog lang in de richting van Amerika uitstrekte.
Wanneer men hoort van het telkens heen en weer slingeren van grootere
massa’s water en dan weer van grootere blootleggingen van land op het
geheele noordelijke halfrond binnen de oudste en middelste tertiaire
periode, moet het werkelijk onvermijdelijk schijnen, dat bij een
dergelijke nabijheid der beide vaste landen van tijd tot tijd weer een
aansluiting langs den drogen weg tusschen beide werelddeelen ontstond
aan de uiterste voorposten, bij voorbeeld ongeveer zóó, als men
tegenwoordig vindt tusschen Amerika en Azië, die bij de Behringstraat
op een enkele plaats geen negentig kilometers van elkander verwijderd
zijn,—een toestand, waarop dan gedurende langere tusschenperioden weer
een sterkere afscheiding door een breedere tusschenzee volgde. Toen ook
die mogelijkheid eindelijk ophield, toen de tertiaire periode langer
voortduurde, en de Atlantische oceaan zich als een steeds minder
verbreekbare grendel tot op de breedten der poolstreken uitstrekte,
toen was eindelijk de aansluiting van Europa ook aan het Aziatische
vasteland voltooid, welke aansluiting wel is waar langs een ontzaglijke
uitgestrektheid, maar toch ten slotte werkelijk een drogen weg aanbood
tot diezelfde Behringstraat, waardoor Amerika van die zijde voor Europa
was geopend.

Die geologisch-geografische opvolging van tooneelen komt nu niet alleen
in hoofdtrekken, maar werkelijk punt voor punt overeen met het
zoölogische beeld van een Amerikaansch-Europeesche immigratie der
paardachtige dieren.

In die dagen, toen Europa nog als het ware een oostelijke archipel was
van Noordamerika, waren zoowel vasteland als eilanden bevolkt met die
oorspronkelijke groep der hoogere zoogdieren, waartoe ook de
Condylarthren, de oorspronkelijke hoefdieren, behoorden. Wij vinden hun
gelijksoortige overblijfselen op het vasteland, in Nieuw-Mexico, en in
den uithoek van één der eilanden van den Europeeschen toenmaligen
archipel, dien wij nog konden doorsnuffelen: bij Cernays in het
tegenwoordige Frankrijk. Men had toen die eenheid in de dierenwereld,
die vergeleken kan worden met den toestand van thans, waar Ceylon den
olifant, Sumatra en Java den tijger en de één- en tweehoornige
rhinocerossen gemeen hebben met het Indische vasteland. In ieder geval
is het misschien reeds voor dien ouden tijd geen zuiver toeval, dat wij
veel talrijker en vollediger overblijfselen van dergelijke
oorspronkelijke hoefdieren (bij voorbeeld goed bewaard gebleven geheele
skeletten van den beroemden Phenacodus) uit het westelijke vasteland,
dus uit Noordamerika, bezitten. De periode dier dierenwereld, die een
organisch geheel vormt, schijnt dan ook nog de vorming en eerste
ontplooiing der vospaardjes te omvatten. Dergelijke oorspronkelijke
paardachtige dieren, behoorende tot de wetenschappelijke soorten
Hyrakotherium en Pachynolophus, leefden te gelijker tijd in
Noordamerika en in Frankrijk en Engeland. In ieder geval kon men ook
bij dezen nog in twijfel verkeeren, waar zij als eerste paardachtige
dieren begonnen zijn. Het ligt voor de hand, te beslissen ten voordeele
van Amerika, daar men alleen voor Amerika kan aantoonen, dat zij als
echte voorouders der paarden verder gingen. Immers van den bovensten
eocenen trap tot aan den miocenen driehoevigen equide Miohippos volgen
de verschillende deelen van den stamboom tegenwoordig uitsluitend in
Amerika op elkander. Tusschen Europa en Amerika moet hier één dier
„geografische scheuren” geweest zijn, die de dierenwereld gescheiden
hield. Indien de echte paardenstamboom ook in Europa in dien tijd
evenwijdig met Amerika verder was voortgeloopen van het daar afgesneden
deel der vospaardjes, dan zouden wij toch wel het ééne of andere spoor
daarvan in de rijke Europeesche overblijfselen van beenderen hebben
behouden gezien; maar niets daarvan is waar te nemen. Daarentegen
verschijnt in Europa volkomen onafhankelijk later het Anchitherium, een
Amerikaansche variant van dien Miohippos. Tijdelijk was er een landbrug
ontstaan, een inval van dergelijke zwervende kudden van varianten is
daarvan het gevolg geweest!

Maar daarna is in Europa een tijdlang de toegang gesloten geweest. Het
Anchitherium is zonder nakroost op het vreemde gebied weer
verdwenen—ook zonder een nieuwen toevoer, daar de miocene zee tijdelijk
weer de Amerikaansche brug onder water had bedolven. Toen kwam er
plotseling weer een nieuwe toevloed van ginds. In ontzaglijke massa’s
trekken nu weer over een hernieuwde brug die sierlijke, op zebra’s
gelijkende Amerikaansche kwasthoevige varianten, de Hipparions. In
weerwil van hun kwastbeenen moeten zij in hun zucht tot verbreiding,
zeker begunstigd door een langdurige periode van groote steppen met
kreupelhout zooals in het tegenwoordige Afrika, absoluut geen grenzen
gevonden hebben. Zij bewogen zich in het Rijndal bij Worms, evenals in
Pikermi bij Marathon, maar trokken nog ver voorbij Europa voort tot
naar Algiers, Indië en China. Zóó reusachtig is hun verbreidingsgebied
op een bepaald tijdperk, waarop het noordelijke halfrond blijkbaar
bijzonder rijk aan land was, dat hun uiterste voorposten aan de
Behringstraat oostwaarts weer Amerika moeten hebben bereikt, dus de
reis om de geheele wereld moeten hebben volbracht. Men zou er bijna aan
twijfelen, of niet ten slotte de geheele inval der Hipparions heeft
plaats gehad over het uiterste Oostazië, in de nabijheid van Amerika.
Maar in een dergelijke periode van land en steppen spreekt te veel ook
voor een tijdelijk weder tot stand komen van den zooveel dichter
bijgelegen Engelsch-Amerikaanschen doortocht.

Maar een dergelijk indringen over Azië is tamelijk zeker voor de daarop
volgende laatste invasie. In Amerika had de ware paardenstamboom,
zooals men zich zal herinneren, niet over het Hipparion zelf, maar over
den echten kwasthoevigen Merychippos geloopen. Uit den Merychippos
vormde zich het Hippidion (pinkpaardje), en uit het Hippidion kwam
eindelijk het echte wilde paard voort. Het Hippidion heeft zich wel is
waar, zooals wij meedeelden, ver uitgebreid tot naar Zuidamerika, maar
het is, voor zoover men kan nagaan, evenals de latere echte
paardenvoorouders, zelf niet in de oude wereld gekomen. Daarentegen
volgde nu daar in het laatste deel der tertiaire periode, in het
Pliocene tijdperk, een binnenstroomen van de nu eindelijk vermoede
echte wilde paarden, dat geleek op dien inval der Hipparions.

Voor het eerst sedert zoo langen tijd kwam met hen niet een
zijvariante, maar als het ware het origineel der keten, en wel dezen
keer de spits zelf, uit Amerika over. Daaruit wordt bijzonder eenvoudig
verklaard, dat dezen keer de inval in de oude wereld niet een zóódanige
was, die tot heden voortduurde, maar dat hij ook in de oude wereld in
een groote zelfstandige verdere ontwikkeling geleid heeft tot de vele
en verschillende gedeeltelijk thans nog levende paardenvormen, tot onze
Aziatische wilde paarden, de Afrikaansche zebra’s, de
Aziatisch-Afrikaansche wilde ezels en ten slotte, met behulp van de
symbiose met de menschen, tot de cultuurrassen. Alles doet echter
vermoeden, dat die invasie van wilde paarden dezen keer uitsluitend
gebruik maakte van den Aziatischen weg. Een Amerikaansch-Europeesche
brug heeft er in deze betrekkelijk late periode tamelijk zeker niet
meer bestaan. De oudste beenderen van wilde paarden uit de oude wereld
liggen in Azië aan het Himalayagebergte. Het maakt den indruk, als ware
de immigratie niet in snelle vaart, maar in verschillende etapes zeer
geleidelijk geschied. Zelfs in Noordamerika zelf is het te zien, hoe
het zwaartepunt der verspreiding van de echte wilde paarden in het
westen, dus ook aan de Aziatische zijde ligt. De laatste achterblijvers
daar ginds hebben later nog in Californië en Alaska geleefd. En evenzoo
is nog tegenwoordig de steppe van Centraalazië de laatste schuilplaats
van het oudste wilde paard, dat er nog op aarde is, het merkwaardige
Przewalskipaard.

Dit is naar alle waarschijnlijkheid de oplossing van den ingewikkelden
roman der geschiedenis van de paardachtigen en de paarden. Met minder
paradoxale eigenaardigheid, maar toch nog met genoeg in spanning
houdende afwisseling! Wie zou die lange keten van overgangsvormen en
van natuurspelingen niet nog weer eens in levenden lijve in den
zoölogischen tuin willen zien herleven! Daar zelfs het meest volkomen
skelet de meeste menschen geen helder fantasiebeeld voor oogen voert,
zou men zoo gaarne alle kunstmiddelen te hulp roepen, om een
aanschouwelijke voorstelling te verkrijgen.

Voor de kwasthoevigen zou er een kleine kans bestaan, als het bij
toeval eens gelukte een paartje van de vroeger besproken misgeboorten
uit onzen tijd, bij wie nog een kwastteen bij wijze van atavisme
gevonden werd, in één onzer dierentuinen verder te fokken. De beelden,
die ik van dergelijke vertraagde „Hipparionpaarden” tot nu toe heb
gezien, maken trouwens met hun vreeselijke logheid van den geheelen
voet steeds op mij een slechten indruk van een ziekelijken, veel te
weligen groei, die ten minste geen beeld zou kunnen geven van een in
het algemeen zoo sierlijken kwant als het Hipparion. Omgekeerd kan de
in het „Dierenboek” beschreven klipdas, die tegenwoordig bijna in
iederen zoölogischen tuin wordt gevonden, een denkbeeld geven van den
benedensten hoek bij het station der oorspronkelijke hoefdieren; hij
geeft ons het begrip van een kleinen voorganger van het paard uit een
ver van ons afgelegen oorspronkelijke wereld, een dier van de grootte
van een konijn, met een dikken pels en met platte voeten met
verschillende teenen. Daarmede zou nu het materiaal zijn afgesloten,
als niet de oneindige rijkdom der natuur aan spelingen ons niet nog een
onverwachten uitweg had geboden, die voor ons een volkomen nieuwen en
uiterst leerrijken en tevens aanschouwelijken hoek van den zoölogischen
tuin plotseling weder vruchtbaar weet te maken.








Dat ons huispaard en de schoon geverfde zebra nauw bij elkander
behooren, weet iedere leek. Ook de enge verwantschap van paard en ezel
is van oudsher algemeen bekend. De dierentuin pleegt daaraan reeds
uitdrukking te geven, en wel hierdoor, dat hij die typen een plaats
naast elkander inruimt, wanneer dit gaat zelfs in een bepaald
„paardenhuis”. Maar er is daar nog een bijzonder pronkstuk, dat de
plaats niet met hen deelt, maar dat door den bezoeker daar eveneens
gezocht wordt in verband met zijn naam: het nijlpaard of de
hippopotamus. Die kolos, onvergetelijk voor een ieder, die hem eenmaal
heeft gezien, heeft intusschen in weerwil van den naam direct absoluut
niets te maken met onze echte paarden en evenmin met de oude equiden
der voorwereldlijke tijden. Zijn naaste verwanten zijn de zwijnen, dus
dieren, zeer ver van het paard verwijderd. De leek wordt weer eens door
een woord op een dwaalspoor geleid; de Grieksche dierenschilders hebben
daartoe het eerst aanleiding gegeven.

Die oude Grieken hadden het nijlpaard in Afrika gevonden, dat
wonderland van de grootste en meest merkwaardige zoogdieren. Toen vele
eeuwen later de Europeesche cultuur het tropische Amerika ontdekte, dat
reeds van het begin af de verrassende beelden van een volkomen nieuwen
menschenstam en een nooit gezienen weelderigen plantengroei vertoonde,
kwam er een korte periode, waarin men geloofde, dat die „nieuwe wereld”
ook dergelijke ongehoorde typen van reuzendieren moest opleveren. Het
bleek echter zeer spoedig, dat dit onjuist was. Amerika was toen arm
(verarmd is eigenlijk het juistere woord) aan groote zoogdieren.

Toch ontdekte men langzamerhand in kleinere afmetingen menigen vorm,
die, ten minste wat de groep betreft, waartoe zij behoorden, verwant
scheen aan de Afrikaansche reuzen. En de eerste berichten uit
Zuidamerika omtrent dieren kondigden hier nu ook een nijlpaard aan uit
de nieuwe wereld, al was het dan ook een miniatuur-nijlpaard. In de
moerassige bosschen der onmetelijke stroomgebieden aan den Orinoco en
de Amazonenrivier moest het wonen, evenals zijn reusachtige broeder aan
den Boven-Nijl. Het dier, dat men hier op het spoor was, leefde
werkelijk, en tegenwoordig vindt men het in iederen zoölogischen tuin.
Maar het is geen Amerikaansch nijlpaard. Het heeft niets met het
nijlpaard te maken. Het was de tapir, dien men op die wijze onverhoopt
had ontdekt. In de achttiende eeuw, in den tijd van den grooten Buffon,
werd men er zich ook uit een dierkundig oogpunt van bewust, dat men
hier een eigenaardig, individueel dier voor oogen had. Men beschouwde
het nu als een typischen vertegenwoordiger van een zuiver Amerikaansche
dierengroep, die in de oude wereld in het geheel niet vertegenwoordigd
was, en rekende den tapir naast luiaard en gordeldier tot de
zoölogische wonderen van Amerika.

Doch in het begin der negentiende eeuw moest men hier weer iets anders
leeren. In de dagen van Buffon was de sage onder de dierkundigen
verspreid, dat het echte nijlpaard, al is het dan ook niet in Amerika,
dan toch in de oude wereld, dus ook in Indië huisde. In dien vorm was
dat weer onjuist geweest. Maar ook hier wierp de ontdekking van een
merkwaardig zoogdier der Indische tropen haar schaduw voorop. In de
Chineesche werken over natuurlijke historie was dat schepsel reeds lang
beschreven. Ook Europeanen, die echter toevallig niet allen
natuuronderzoekers waren, die aan het gilde waren aangesloten, hadden
het langzamerhand herhaaldelijk gezien. Het hoogtepunt werd bereikt,
toen een exemplaar, dat nog steeds niet beschreven en nog niet benoemd
was, in een kleinen zoölogischen tuin te Calcutta kwam. Daar werd nu
dan toch in 1816 iemand er opmerkzaam op. Het was reeds de bloeitijd
van den grooten Cuvier. Cuvier had juist de uiterst vermetele stelling
verkondigd, dat er nu wel geen enkel groot en in het oog vallend
zoogdier op aarde was, dat nog zou kunnen worden ontdekt. De straf
volgde op den voet, voor zoover dit voor een zoo opgewekten ontdekker
een straf kon zijn. Cuvier zelf moest in het jaar 1819 de eerste
diagnose van dat dier uit Calcutta publiceeren. Het gold, zooals
ontwijfelbaar bleek, een Indischen tapir. Al vertegenwoordigde de
Amerikaansche tapir daarginds niet het nijlpaard, toch
vertegenwoordigde hij dus een echt in de oude wereld aanwezig dier.
Maar toch geen Afrikaansch dier. Behalve uit het Indische en
Amerikaansche gebied is sedert dien tijd geen levende tapir meer bekend
geworden. Wat voor een „bloedverwant” had men echter in die beiden vóór
zich?

Indien de tapir werkelijk een verkapt miniatuur-nijlpaard geweest was,
dan had hem dat, zooals gezegd is, van geen hoefdier verder verwijderd
dan van het paard. Ook toen men reeds lang dat verband had over boord
geworpen, was men het volstrekt nog niet onmiddellijk eens over zijn
ware plaats in het stelsel. Nog in het jaar 1877 kon een man met zulk
een scherpen blik voor dierentypen als Brehm den tapir als
overgangsvorm aansluiten aan den olifant—een gelijkenis, die ten minste
bij de levende vertegenwoordigers nauwelijks ergens anders op berust,
dan op het feit, dat de olifant het meest in het oog vallende
„slurfdier” is onder de zoogdieren, en dat ook de tapir ten minste een
korte slurf bezit. De slurf alleen is echter voor de zaak niet
beslissend, want er zijn buitendien nog slurfdragers in verschillende
zeer ver van elkander gelegen orden van zoogdieren. De waterspitsmuis
Woechoechol hebben wij reeds met een slurf leeren kennen, de
Afrikaansche „olifantspitsmuizen” worden reeds voldoende door haar naam
gekarakteriseerd, en eveneens de rob uit de zuidpoolstreken, de
„zeeolifant”. De vreemdsoortige gezichtsgevel der neusapen is ook
beslist een echte slurf, en, hoe vreemd het ook moge klinken, zelfs
onze menschenneus, al heeft die ook den meest idealen Griekschen vorm,
is een even onmiskenbaar op een slurf aangelegd orgaan. Speciaal onder
de hoefdieren, waartoe in ieder geval de tapir behoort, is echter een
slurf een zeldzaamheid. Maar reeds Cuvier had in zijn tijd, toen hij de
eerste voorwereldlijke equiden uit fossiele beenderen in het skelet
weer samenstelde en de vleeschomtrekken daar omheen trachtte te
teekenen, uit allerlei aanwijzingen de gevolgtrekking gemaakt, dat
juist bij die oude bloedverwanten der paarden ten minste eertijds nog
slurven aanwezig geweest waren. Een paard in zijn tegenwoordigen bouw
met een slurf, is, om het zoo uit te drukken, een spookachtige
verschijning. Juist zoo iets uitwendig „vleeschachtigs” als een slurf
in ieder geval is, nog af te lezen van den naakten beenigen schedel,
blijft steeds een uiterst moeilijke zaak. Maar men heeft werkelijk
alleen maar die aansporing noodig om tapir en paard met elkander te
vergelijken, opdat hij, die eenmaal het beenderenalfabet heeft geleerd,
om geheel andere redenen tevens geleid worde tot de meest merkwaardige
betrekking tusschen die beide dieren.

Trouwens betrekkingen—en dat is tevens het eigenlijk interessante—niet
met het thans levende paard, maar met het paard, toen het nog stond op
één der meest karakteristieke trappen der voormalige paardachtige
dieren. Men vergelijke slechts beider voetskeletten: en op eens nadert
de tapir zeer dicht tot die jongere vospaardjes, die van achteren
zoowel als van voren nog stevig liepen op drie hoefteenen, maar die
tevens van voren ook nog een vierden teen (den „pink”) als kwastteen of
als reserveteen voor sommige gelegenheden bezaten. Het is niet te
loochenen, dat bij alle vier voeten van onzen tapir de belangrijkste
zwaarteas reeds door den middensten teen (den „middenvinger”) gaat; in
dit opzicht zou men hem met recht een wordend paard kunnen noemen. Maar
er is nog geen sprake van een concentreeren op den eenigen onvertakten
stam van dien voornaamsten teen. Van voren is de voetboom nog duidelijk
in vier takken gesplitst, waarvan ieder de hoefvrucht draagt, en van
achteren in minstens drie takken. En daarenboven is nu verder, volkomen
als bij de oude vospaardjes, de middenvoet veel korter en plomper dan
bij ons paard; de zuil van het benedenbeen en den benedenarm is nog
niet, zooals bij het bovenbeen, één geheel geworden, maar duidelijk
gesplitst in ellepijp en spaakbeen, in scheenbeen en kuitbeen; in het
gebit is nog steeds de hoektand zoowel beneden als boven aanwezig; de
eerste voorkies is zoowel boven als onder in wankelbaren toestand; de
voorste kiezen naderen in vorm reeds meer of minder sterk tot de echte
kiezen, die kiezen zelf zijn echter nog kort en van krachtige wortels
voorzien, zonder cement in de kroon; op die kroon vindt men nog
ongeveer het „oorspronkelijke gebergte” van den equidenstam, namelijk
de eenvoudige bergkegels, vier in getal, juist voor het eerst door
bergjukken zwak met elkander verbonden. Waren er overigens niet een
aantal dingen in den bouw geheel anders, dan zou men geneigd zijn, dien
tapir naar zijn skelet eenvoudig te beschouwen als een nog levend, zeer
groot vospaard der eocene periode.

En daarbij komen dan nog directe geologische feiten, die zelf van een
verrassende harmonie en overeenstemming zijn. Reeds in den tijd der
latere vospaardjes zelf leefde, zooals uit onloochenbare vondsten van
beenderen blijkt, in Noordamerika zoowel als bij ons in Europa in
grooten getale een dier, zoo groot als een tapir, de Lophiodon, in het
Hollandsch de heuveltand, een dier, dat den tapir nog nauwer verbond
met de oudste equiden. Cuvier zelf heeft het reeds beschreven. Reeds in
de oligocene periode kwam ook nevens de echte equiden een afzonderlijk
schepsel voor den dag, dat reeds in zoodanige mate den specialen bouw
van onzen tapir had, dat het Protapirus, in het Hollandsch „voortapir”
moest genoemd worden. Ja zelfs ook in de miocene periode, dus eerst in
het midden van het tertiaire tijdperk, komt zoowel ginds in Amerika als
bij ons reeds de volkomen echte tapir voor den dag, zooals hij nog in
de levende soort „Tapirus” bestaat. Hij is reeds zóó vroeg aanwezig,
dat bijna aan den egel, als vroeger vermelden stamvader der soort, als
oudste overlevend zoogdier, dat tot nu toe zelfs niet de soort heeft
gewijzigd, zijn rang wordt betwist. Een echt voorwereldlijk wezen is
dus in levenden lijve nog in onze zoölogische tuinen terecht gekomen,
en tevens een dier, dat nog treffend aan de vospaardjes herinnert.

Hij is echter in dien tijd niet met de echte equiden vooruit gegaan.
Als één van die „uitloopers” naast de groote lijn zou hij moeten
beschouwd worden, als een wezen trouwens, dat het wonder heeft klaar
gespeeld, tot heden toe zoowel in de oude als in de nieuwe wereld stil
in een uithoek voort te leven. Dat laatste zou inderdaad een sterk stuk
zijn. Het veel jongere Hipparion is in weerwil van zijn voorbeeldelooze
verbreiding en ontzaglijk aantal nog niet zoover gekomen. Men zal dan
hier nog wel een bepaalde bijzonderheid moeten op den voorgrond
stellen. Zulke uit- en bijloopers van den grooten paardenstam, zooals
dit Hipparion of vroeger het Anchitherium, vormden een onvruchtbaar
voortwoekerend kreupelhout op de ééne of andere plaats, het zonderde
zich als soort af, bracht allerhanden soorten voort als klein
bladerwerk, en stierf ten slotte af zonder zelfstandig naar boven op te
schieten. In de lijn, die zich in den Lophiodon het eerst had
losgemaakt van de vospaardjes en reeds zeer vroeg gekomen is tot den
tapir zelf, zullen wij daarentegen eer een zoodanige soort van een
uitlooper moeten constateeren, die van onderen heel in de diepte uit
den gemeenschappelijken stam der oorspronkelijke equiden een kort
bijstammetje deed rijpen. Een korten tijd groeide het weelderig op, als
wilde het evenwijdig met den hoofdstam omhoog. Het bleef niet bij die
ééne soort of familie, maar het had in die oorspronkelijke dagen, nog
zoo zeer in de nabijheid van de groote groeikracht van den wortelstok,
kracht genoeg, het tot een geheele reeks van families te brengen,
waarvan de top uit den tapir bestond. Maar met dezen was dan ook de
heerlijkheid geëindigd in den zin van een werkelijke verdere
ontwikkeling. De zaak bleef stilstaan. Maar het was, alsof de
groeikracht van den stam dezen keer ten minste onuitputtelijk behouden
was gebleven in de taaiheid, waarmede individuen werden voortgebracht
en in stand bleven, zoodat de tapir tot heden toe als het ware levend
versteend in den ouden vorm behouden bleef.

De zaak is naar twee kanten van belang voor den grooten samenhang der
paardensoorten. Aan den éénen kant toch bevat zij eigenlijk nog een
nieuw argument tegen die theorie, volgens welke de oudere stamboom der
equiden zich langs twee van elkander onafhankelijke wegen heeft
opgewerkt tot het echte paard, bij voorbeeld van het vospaardje af.
Hier hebben wij een voorbeeld van een dergelijken parallellen gang
juist op den kruisweg, waar het vospaard staat. Er is echter, zooals
blijkt, dezen keer geen echt paard ontstaan in de zijwaarts loopende
lijn, maar alleen een tapir, die bij alle taaiheid van zijn in leven
blijven tot heden toch nog in den bouw zijner tanden en pooten niets
anders is dan een zeer groote en dikke gewijzigde soort van een
vospaard.

Aan den anderen kant echter bezitten wij juist daarom nu werkelijk nog
in onzen dierentuin in vleesch en huid een dier, dat van alle dieren op
aarde het eenige is, dat ons ongeveer een beeld kan voor oogen stellen,
hoe ook de echte lijn der paarden op het station der vospaarden leefde
en er uitzag. Hier wordt de tapir, bijna volkomen eenzaam in het
stelsel als hij tegenwoordig is, plotseling één der meest interessante
schepselen van den geheelen zoölogischen tuin. Hij is een overlevend
oorspronkelijk paard uit de eocene periode.

Als men hem zoo beschouwt, dan wordt thans ook juist zijn verschil in
uiterlijk met ons voltooid paard bijzonder leerrijk. Zoo uiterst
verschillend zagen die voorvaderlijke paarden, die van voren nog drie
hoeven en een kwasthoef droegen, er dus toen nog uit, als men ze niet
alleen in het doode, stijve skelet, maar als werkelijke vette,
snuivende dravers in het vochtige oerwoud van die dagen had kunnen
waarnemen. Inderdaad kan onze tapir tegenwoordig met een goed geweten
met geen tweede, levend zoogdier worden vergeleken. Hij is eenig in
zijn soort, en alleen in de oorspronkelijke paardenwereld der oudheid
zouden wij iets kunnen vinden, dat met hem overeenkomt. Zoo moet hij
ons als alleenstaand dier van die oorspronkelijke wereld verhalen.

Het juiste bijvoegelijke naamwoord ter karakteriseering van den tapir
is „rond”. Hij heeft iets van een groot, blinkend achterdeel.
Eenigszins keert ook bij hem dat karakteristieke slecht gestopte, het
te stevig naar achteren toe gestopt zijn terug, dat zoo in het oog
vallend gevonden wordt bij buideldieren, en waarin op de ééne of andere
wijze een ouderwetsch kenteeken moet steken; het is het grootste dier,
dat ik ken, dat daarbij die merkwaardigheid vertegenwoordigt; het korte
staartstompje vermeerdert nog den indruk. Het eigenlijk
rondachtig-vette, spekachtige in de geheele gestalte wijst echter reeds
op de levenswijze. Wilde dieren, die hun levensonderhoud moeten
verdienen, zijn gewoonlijk gespierd, maar niet vet. Het vette zwijn is
niets anders dan een cultuurproduct, in wilden toestand is het zwijn
juist een magere klant. Er is slechts één uitzondering, die den indruk
mogelijk maakt van een gezwollen hangbuik: aanpassing aan het water.
Zij brengt, zooals reeds Goethe opmerkt, het lichaam van het zoogdier
in het stadium van smelten. Het hoogtepunt bereikt dit bij de walrussen
en groote walvisschen, waarbij de werkelijke oplossing van vet tevens
nog dienstbaar is aan de verwarming in de poolzee. Maar ook het
nijlpaard verschaft ons reeds een goed voorbeeld. Zijn vormen zijn
inderdaad aan het vervloeien, alsof een wasmodel smolt, waarbij de
voeten reeds gaan meegeven en de buik zich naar den grond beweegt. De
tapir nu heeft evenzeer iets daarvan, hoewel nog steeds binnen de
grenzen gehouden door het paardentype. Hij is onmiskenbaar een dier,
waarbij het water de vormen begint los te maken. In die beteekenis is
hij, met zijn echte verwantschap met het paard, in den waren zin het
eigenlijke „rivierpaard”.

Wat wij werkelijk weten van de levenswijze der tapirs, is daarmede
volkomen in overeenstemming. Zij gaan gaarne te water, zwemmen
voortreffelijk, leven grootendeels blijvend in tropische wouden bij de
groote rivieren, met hun mengelmoes van takken, slingerplanten en
struiken. Doch meer dan het eigenlijke water om te zwemmen is het
moeras, de weeke, drassige bodem, de wereld van den oneindigen humus
onder den door den regen vochtigen tropischen plantengroei hun domein.
Als men den tapir ijverig ziet heen en weer waggelen op de harde
planken van zijn verwarmde cel in den dierentuin, dan is er geen tweede
soort hoefdier, dat zoo weinig op harde hoeven, en zoozeer op weeke,
fluweelen zolen loopt. Het groene fluweel van het moeras is het, dat
eigenlijk in die voeten van den tapir voor ons elastisch op en neer
beweegt. En het geheele dier waggelt evenzeer als de bodem van zijn
vaderland. Hoe ver was eens nog de weg van zoodanige vormen tot den
trotschen, gespierden, stevigen wilden ezel of het wilde paard in hun
niets meegevende grassteppe.

Met de vochtigheid van het moeras hangt ook het eigenaardig korte,
blanke, afgeschuurde haar van die vette lichamen der tapirs samen. In
verband met de merkwaardige met witte vlekken voorziene kleur van den
rug bij de Indische soorten, is bij mij voortdurend weer onwillekeurig
de herinnering ingeprent, alsof de tapir volkomen naakt was als het
nijlpaard, wat feitelijk echter volstrekt niet het geval is; het is
slechts alsof hij met een machine zoo kort mogelijk was geschoren. Maar
volkomen in het kader past bij het als een worst opgestopte lichaam op
de korte pooten de vreemde vorm van den kop met de korte slurf. Bij den
Indischen tapir, die trouwens al het typische in het overdrevene
vertoont als een caricatuur, hangt de slurf werkelijk als een vooraan
slingerende worst aan het geheel vast. Terwijl zij aan den wortel met
haar last het geheele bovenprofiel beheerscht, schijnt zij het oog
merkwaardig diep naar beneden te hebben gedrongen. Bij den rhinoceros
is iets dergelijks geschied door den zwaren hoorn, maar daar is juist
in dat bovenste gedeelte het profiel bijzonder treffend uitgebeeld tot
een arabeske der meest woeste kracht. Het gezicht van den tapir
verkrijgt,—daar zijn oog alleen door een vleeschkussen verschoven wordt
en tevens iedere plooi in het voorhoofd door dat kussen wordt
gladgetrokken tot een eenvoudigen boog van de kruin tot aan de spits
van den neus—iets beschroomds en onnoozel goedmoedigs. Men kan den
tapir niet aanzien, zonder hem voor een stompzinnigen, ongevaarlijken
klant te houden, waarschijnlijk veel meer dan hij dat werkelijk is. Wat
een groote stap is het ook van hier tot het voorname profiel van het
paard! Ik stel mij voor, dat de echte voorvaders der paarden, hoezeer
zij ook met den tapir overeenkwamen, toch niet zulk een worstslurf
hebben gehad, en juist hierin was een voordeel gelegen voor hun hoogere
ontwikkeling, terwijl die slurf de oorzaak was van het doodloopen in
den tapir. Doch dit is niet te bewijzen.

In onze dierentuinen kan men tegenwoordig beide soorten zeer voldoende
bestudeeren: den donkeren Amerikaanschen tapir en den Indischen, die de
zoo bijzonder treffende benaming van Schabrak-tapir heeft gekregen. Als
men dat laatste vette dier, dat evenals alle halve waterdieren gaarne
lui ligt en zich over den grond wentelt, met zijn eigenaardige
merkwaardige kleuren ziet: achter op den rug van het anders eentonig
chocoladezwart gekleurde lichaam eenvoudig niets dan een groote witte
vlek en daarbij nog de zwarte duivelsooren blinkend wit gezoomd—dan zal
de leek steeds weer tot het vermoeden komen, dat het dikke dier tegen
een meelvat heeft gestooten of in het gips heeft gewenteld. Als wij
hooren, dat het schildhuisachtige zwart-wit van den zebra in de vrije
natuur een schitterend verdedigingsmiddel is, dat de gestalte van het
dier van verre laat vervloeien, dan kan men dat kleed van den tapir
beschouwen als een dergelijke mimicry in zijn woud, waar de tijger op
de loer ligt; de witte kalkvlek is als het ware een op zich zelf staand
licht tusschen kop en staart, dat op een dwaalspoor leidt. En ook voor
de verwantschap met het paard is het interessant, dat juist dit
voorwereldlijke wezen reeds als het ware het palet draagt, om een zebra
te maken met zwarte en witte strepen over het geheele lichaam.
Feitelijk echter vertoonen de jongen van den Schabrak-tapir en zeker
ook van ten minste één der Amerikaansche soorten, zelf reeds een
teekening van witte vlekken en streepjes op een donkeren achtergrond.
Niet, zooals bij den zebra, loodrecht op den rug, maar in de lengte,
evenwijdig met den rug. Volgens de wet, dat jonge dieren dikwijls nog
kenmerken der voorvaderen herhalen, zou men dus tot de gevolgtrekking
kunnen komen, dat de huidteekening van den Protapirus en van de oude
vospaardjes en oorspronkelijke hoefdieren oorspronkelijk ook uit zulke
strepen in de lengte bestaan heeft, waaruit dan de Schabrak van den
tapir te voorschijn kwam. Bij het gereconstrueerde beeld van den
Phenacodus op de plaat in het „Dierenboek” zijn niet willekeurig, maar
uitsluitend op grond juist van dien gedachtengang, dergelijke strepen
voor de huid van dat oorspronkelijke hoefdier gekozen, hoewel geen
menschenoog die ooit heeft gezien.

In vroegere jaren was die Schabrak-tapir een hooge zeldzaamheid in onze
dierentuinen. In den dierentuin te Keulen, waarin ik als jongen als het
ware ben opgegroeid, was zijn waarneming voor mij steeds een onvervulde
wensch, die steeds gevoed werd door teekeningen van het fantastische
dier. Tegenwoordig is hij een gewoon pronkstuk geworden, en in Keulen
zelf heb ik niet lang geleden het schoonste paar aangetroffen. Vooral
als hij van achteren neerhurkt als een reusachtig knaagdier (een
houding, die ook door den tweehoornigen neushoorn gaarne wordt
aangenomen, en hier en daar zelfs door paard en ezel), heeft hij voor
mij altijd iets van Chineesche, stijve, bontverlakte kunst. Zooals de
Indiërs hunne schrikverwekkende goden voorzagen van gestileerde
olifantsslurven, zoo hebben ook de oude Indiaansche kunstenaars der
verwoeste culturen in Centraalamerika hun tapir gaarne als ornament
gebruikt, met zóó overdreven gedraaide slurf, dat de mythe kon
ontstaan, dat men daar nog mastodonten of mammouths als levende
modellen had gehad.

Zooals de grootere en vettere Indische tapirs, zoo zijn ook die
Amerikaansche tapirs, die in volwassen toestand bijna effen donker
zijn, dieren der tropen. De meeste van die oude diervormen hebben het
niet meer verstaan, toen het tropische klimaat, dat in het oligocene en
miocene tijdperk over geheel Europa en Noordamerika bestond, plaats had
gemaakt voor een gewijzigd klimaat, zich aan die gewijzigde
omstandigheden aan te passen; in het noorden zijn zij te gronde gegaan,
en hebben het alleen daar uitgehouden, waar het klimaat tropisch bleef.
Zoo verklaart zich zonder moeite, dat het tapirvolk, dat eertijds van
tropisch Amerika af tot aan tropisch Azië leefde over geheel
Noordamerika, Europa en de tusschenliggende landbruggen, tegenwoordig,
nadat in het noorden zooveel wisselingen van het klimaat hebben plaats
gegrepen, alleen nog slechts aan de twee uiterste hoeken der tropen
blijft voortleven. En het is mij daarbij alleen onbegrijpelijk, waarom
hij ook uit het aequatoriale Afrika is verdwenen. De eenige kleine
aanpassing, die hij nog op het Zuidamerikaansche vasteland heeft kunnen
volbrengen, was het opstijgen in het gebergte, in de Cordillera’s, die
zich zelf eerst in de tertiaire periode, toen de tapir reeds bestond,
langzaam uit het vlakke oerwoud hebben omhoog gewerkt, en den tapir
evenals een groot deel van den plantengroei uit het oerwoud heel
onmerkbaar hebben medegevoerd. Iets meer wollig behaard en met een
kleine neiging, om aan wangen en randen der ooren weer lichter te
worden, gaat de bergtapir daar nog tegenwoordig langs de beken der
gebergten tot op een hoogte van twee duizend meters.

Merkwaardig is daarbij, dat twee van die, wat hun woonplaats betreft,
zuiver Amerikaansche tapirsoorten zonder schabrak, in een anatomisch
kenmerk (den bouw van het neustusschenschot) dichter staan bij den
Indischen tapir dan de beide andere Amerikanen. Het is, alsof in
vroegere tijden hier twee oorspronkelijke varianten naast elkander
geïmmigreerd zijn, die beide bijna donker bleven, terwijl alleen de
ééne van hen ook naar Indië kwam en daar het zwart-witte kleed
ontwikkelde. Men zou daaruit de gevolgtrekking kunnen maken, alsof ook
die ver afdwalende spruit der oorspronkelijke equiden van huis uit een
zoon van Noordamerika is geweest, zeker wat den rijkdom betreft.








Naar den feitelijken toestand zou dit anders niet onvoorwaardelijk
noodig behoeven te zijn. Toen de tapir ontstond, leefden, zooals wij
gezien hebben, vospaardjes zoo goed in Europa als in Amerika. En in een
analoog geval weten wij tamelijk zeker, dat het ontstaan van een
dergelijken weelderigen tak aan den oudsten equiden-stamboom in die
dagen feitelijk ook in Europa heeft plaats gegrepen. Juist in diezelfde
eocene periode, toen de stam der tapirs zich, in het begin trouwens
zeer zacht, afboog van het station der vospaardjes, moet daar nog een
loot zijn voortgebracht, die leidde tot een groep van
halfpaardachtigen, die men op hun korte hoogtepunt Palaeotheriën of
„oude dieren” heeft genoemd.

Cuvier doopte ze zoo, toen hij hun beenderen in groote hoeveelheden te
voorschijn haalde uit de gipslagen van den Montmartre te Parijs. Het
was toenmaals het eerste uitgestorven zoogdier, dat uit ver vervlogen
tijden—de gips daar was een afzetting uit een groot meer uit de eocene
periode—in nog al groote gedeelten van zijn skelet te voorschijn kwam.
Cuvier ontwierp zijn geheelen omtrek en zelfs het met vleesch bedekte
lichaam, dat hij in hoofdzaken het type gaf van den grooten tapir.
Later heeft een tot in bijzonderheden volkomen bewaard gebleven
geraamte de geniale juistheid van die teekening schitterend bevestigd.
Men had hier echter bij dien reeds lang weer verdwenen bewoner van den
ouden Parijschen zeeoever, zooals Cuvier ook reeds zag, volstrekt niet
te doen met een echten tapir. Wij weten thans, dat het ook geen echt
vospaard was.

Het Palaeotherium, dat door Cuvier langen tijd zóó populair bleef als
geen tweede uitgestorven dier, was in dien duidelijk uitgesproken vorm
zoo groot en nog grooter dan een tapir, het naderde bij enkele soorten
in grootte tot den neushoorn. Daarbij had het op dien trap, die tevens
bijna reeds zijn laatste was (nog in de eocene periode is het in
tegenstelling met den taaien tapir weer uitgestorven), aan ieder der
drie voeten eigenlijk slechts drie hoeven in gebruik, waarbij nog maar
alleen aan de voorvoeten een griffelbeen kwam van den pink. Hier waren
dus vospaard en tapir eigenlijk reeds voorbij gestreefd tot in den
eerstvolgenden hoogeren trap der equiden. En merkwaardiger wijze hadden
die Palaeotheriën ook reeds tanden, die veel meer op die van paarden
geleken. Op hun hoogsten trap hadden zij in de kiezen reeds een begin
van cementvulsel, terwijl die kiezen goed uitgegroeid waren, en tevens
naderden hier de voeten bijna reeds tot het stadium der kwasthoevigen.
Maar toch is er geen sprake van echte, voorwaarts schrijdende equiden
van den hoofdstam, en Cuvier had in ieder geval nog meer gelijk, als
hij ten minste den uitwendigen totalen omtrek in verband bracht met
groote tapirachtige dieren, die zeer licht van voet waren. Men zou met
een zekere onrust een antwoord kunnen wachten op de vraag, waar en hoe
zich dan die merkwaardige uitloopers moeten hebben afgescheiden van den
hoofdstam.

De plaats is, zooals wij reeds mededeelden, volgens alle tot nu toe
gedane vondsten, alleen Europa; uit Amerika is geen enkel overblijfsel
onzer musea afkomstig, terwijl de beenderen in Frankrijk, Engeland,
Zwitserland, en in groote hoeveelheden op de Zwabische en Frankische
Alpen liggen. De oplossing van het geheele raadsel is zeker wel, dat de
eigenlijke plaats der vertakking, evenals bij den tapir, gelegen was
bij de vospaardjes, en wel zeker bij de Europeesche uit die dagen. De
kleine, weelderig bloeiende tak heeft zich dan echter blijkbaar een
heel stuk ver werkelijk zelfstandig naar boven opgewerkt—hooger nog dan
de tapir in weerwil van zijn taai voortleven ooit is gekomen. De trap
van het griffelbeen naar den pink, die bij den tapir nog kwast is, en
het cement in de kiezen zijn naar alle waarschijnlijkheid zelfstandig
door die Palaeotheriën verworven.

Dit is nu weer interessant in verband met het vroeger meegedeelde. Als
ooit een zijtak den aanleg had gehad, in den zin van die hypothese van
de evenwijdige dubbele ontwikkeling een „Europeesch paard”
onafhankelijk voort te brengen, dan zouden het die Palaeotheriën hebben
kunnen doen. Wat is echter te voorschijn gekomen? Wij kunnen dit in dit
bijzondere geval nauwkeurig nagaan. Een groote tapirvariant met zeer
groote tapirtanden met eenig cementvulsel en met tapirpooten met een
rudimentairen pink van voren en eenige neiging een kwastjestapir te
worden. Maar dat was dan ook alles. Van verdere ontwikkeling in de
richting van het echte paard anders geen spoor. Het laatste
Palaeotherium sterft, zooals wij reeds hebben gezegd, reeds met de
oude, eocene periode uit.

Het is echter volstrekt niet te ontkennen, dat het jammer is, dat die
Palaeotheriën in ieder geval op hun ontwikkelingstrap niet zoo taai
geweest zijn als de tapir. Terwijl de tapir, hoewel dan ook als zijtak,
ons in menig opzicht thans nog het vospaardje doet zien, het
Palaeotherium had ons eenigszins het voorwereldlijke paardachtige dier
doen zien (al is het dan ook niet volkomen getrouw), zooals het er
uitzag op het station van het zuiver driehoevige dier.

Gelukkig toeval! Die Europeesche lijn is verdwenen tot op de beenderen,
evenals de driehoevige paarden zelf. In Noordamerika echter was in die
onverwoestbaar productieve eocene periode toen ter tijde nog een derde
uitlooper ontkiemd, die zich eenerzijds even stevig, ja zelfs nog wat
krachtiger, op dien trap der driehoevige dieren plaatste, maar
anderzijds, toen hij eenmaal daar was gekomen, dezelfde taaiheid van
leven heeft geopenbaard als de tapir, zoodat wij in allen ernst ook nog
heden zijn nakomelingen in onze dierentuinen vinden. De neushoorn, de
reusachtige rhinoceros met zijn hoogst karakteristieke gestalte, dien
ieder kind kent, is niets meer of minder dan eveneens een zoodanige
overoude, afgedwaalde driehoevige equide uit die dagen.

Toen Albrecht Dürer de schets gezien had van een ouden Indischen
neushoorn, gaf hij daarnaar een uitgewerkte teekening, die in Gesners
„dierenboek” is medegedeeld. Het kolossale dier is op een gedeeltelijk
overdreven, gedeeltelijk karakteriseerende wijze omgestileerd tot een
schepsel, dat een kunstig pantser draagt als voor een tornooi.
Onwillekeurig denkt men aan de ridderpaarden van vroeger, die een
metalen harnas als een ijzeren huid om zich heen hadden. De hoorn van
het monster maakt den indruk van de scherpe punt van een dolk op een
dergelijk paardenharnas. Die teekening van Dürer, waarbij een
overmoedige luim de teekenstift schijnt te hebben geleid (het was juist
Dürer, die als hij de dieren zag, ze tot in het huiveringwekkende toe
natuurgetrouw kon weergeven), heeft onbewust de waarheid gevoeld. De
neushoorn is een verpantserd paard. Hierin is uitgedrukt, wat die twee
met elkander verbindt en wat ze scheidt.

Men stelle zich een kwaden ouden hengst voor van meer dan gewone,
Herculische krachten. Door het ééne of andere toeval, nemen wij aan
door een huidziekte, is zijn huid hard geworden als die van Siegfried
uit de Sage. Deze is daarbij zwaar, ruw, vol vouwen geworden als een
groot veld van litteekens, en tevens bijna geheel van haren beroofd.
Maar zij is van nu af aan zóó hard, dat menige vroegere aanvaller hem
al niets meer kan maken. Op verschillende plekken is die Siegfriedhuid
met tamelijk dikke eeltknobbels bezet. Een dergelijke knobbel is ook op
den rug van zijn neus gekomen. Oorspronkelijk heeft het dier zich
daarmede gewreven, toevallig daarmede gestooten. Daarna is het, als een
aanvaller kwam, er toe overgegaan den knobbel met opzet als stootblok
te gebruiken. Daardoor is de verharding langzamerhand dikker en dikker
geworden, totdat zij eindelijk een wapen vormde, zooals het paard het
nooit heeft bezeten, en wel een wapen dat te gelijker tijd op den
geheelen kop drukte. Nu had de leelijke klant het gezelschap van andere
paarden niet meer noodig, hij kon nu alleen wel den strijd om het
bestaan voeren. Zoo vermeed hij de kudde en werd hij kluizenaar. De
razende vlucht voor den vijand was nu voor hem niet langer
noodzakelijk. Zoo werd hij in het gewone leven logger, als een dier,
dat niet meer zoo vlug behoefde te zijn. Terwijl vroeger zijn geheele
kracht zich concentreerde op het onrustige, vluchtige voortjagen, zoekt
hij die nu op toenemende afmetingen. Hij wordt een reus naast zijn
soortgenooten. Maar toch sluimert in hem nog altijd de oude renner. Als
het noodig is, vliegt ook hij nog voort als een stormwind, wat haast
ongeloofelijk schijnt bij die stijve huid, dien zwaren kop en die
grootte. De levendigheid, het impulsieve van den angst in het
vluchtende paard is bij hem, die thans de aanvaller is, tot bijna
zinnelooze woede geworden. Al is zijn oog opmerkelijk klein onder den
schaduwwerpenden toren van den grooten neusknobbel, toch zijn de oude
paardenzintuigen niet uitgedoofd. Als het ware als een vergoeding voor
de stijve huid, die bijna geheel gevoelloos is, is zijn reukvermogen
nog scherper geworden. Die huid is zóózeer versteend, dat vogels zich
daarop neerzetten als op een rots. Maar wanneer die plotseling
opvliegen, weet het dier dat signaal te verklaren, en stelt het zich in
postuur tegen het naderende gevaar. Zoo ontstond de neushoorn.

Zoo eenvoudig als ik het in die enkele zinnen heb verhaald, zijn de
natuurlijke wegen, die het dier in zijn ontwikkeling heeft gevolgd,
natuurlijk niet geweest. Maar er ligt toch een allegorische waarheid
aan ten grondslag. De neushoorn, die met zijn indrukwekkend, men zou
wel kunnen zeggen van potsierlijkheid stijlvolle gestalte weer eenzaam
in den zoölogischen tuin schijnt te staan als nauwelijks een tweede
dier, is in beginsel alleen te begrijpen, als men de trekken van het
paard daarin tracht te vinden en die begrijpt. Maar men moet die dan
weder van een historisch oogpunt opvatten. Ook de neushoorn is niet
eerst later uit ons reeds gevormde paard ontstaan, evenmin als de
tapir. In hem steekt een oude trap der equiden, en het heeft dien trap
dan nog individueel zóó vervormd, dat men dien als het ware nog eerst
in hem moet uitgraven.

Van alle levende hoefdieren is de neushoorn het eenige, dat op alle
vier pooten op drie teenen, drie hoeven loopt; de middelste voetteen is
daarbij de stevigste. Wie hem in den dierentuin met die pooten achter
de tralies ziet staan, kan met het oog op dat getal zeggen, dat hij
hier werkelijk nog één der driehoevige paardachtige dieren in levenden
lijve vóór zich ziet. Die driehoevige dieren van den echten stam
daarginds in Amerika van de grootte van een schaap, zoowel als het
grootere Anchitherium, dat tot zelfs naar Europa rondzwerft, die
verloren zoon van den stam op dien trap,—liepen indertijd, met die drie
hoeven, zooals de neushoorn het thans nog doet.

En met een zoo vroegen trap van paardachtige dieren zijn ook weer een
geheele reeks andere karakteristieke dingen in overeenstemming. Indien
de neushoorn op dat station gedurende millioenen jaren als het ware
levend versteend is, zooals dit bij den tapir op het daaraan
voorafgaande station het geval is geweest, dan moeten scheenbeen en
kuitbeen, ellepijp en spaakbeen aan die vier onderbeenen nog gescheiden
en tevens volkomen ontwikkeld zijn; en dit is ook inderdaad het geval.
Bij zijn kiezen zouden de verbindende dwarsjukken der oorspronkelijke
bergtoppen reeds meer versterkt zijn dan bij den tapir, en de eerste
vullingen met cement zouden moeten begonnen zijn, terwijl te gelijker
tijd de korte tand zich als het ware op de wijze der paarden ten koste
van den wortel zou moeten beginnen naar boven uit te strekken; dit
alles kan men zelfs binnen de verschillende nog levende soorten van
neusdieren op meerdere overgangstrappen volgen, totdat het op den
bovensten trap volkomen vervuld is.

Daarbij komen trouwens nu ook spoedig de trekken, die ons even
onmiskenbaar wijzen op den uitlooper, het afdwalende, ver afwijkende
paardachtige dier uit die dagen. In de eerste plaats de kolossale
grootte. Reeds vroeger is gezegd, hoe juist zulke uitloopers een
neiging hadden grooter te worden dan de vertegenwoordigers der echte
reeks, die naar het paard leidt. De tapir was ook grooter dan de
vospaardjes. Maar hier is het verschil zelfs met het echte paard als
grootste eindstation nog geweldig groot. De lichaamslengte van den
neushoorn kan vier meters overtreffen. Indien enkele horens der
Afrikaansche soorten in de musea nog een heel eind langer zijn dan een
meter, dan weet men nauwelijks, hoe ontzettend groot men zich het oude
exemplaar moet denken, dat een dergelijk wapen op den neus kon dragen.

Die horens, waarvan de levende soorten gedeeltelijk slechts één,
gedeeltelijk ook twee dragen (enkele abnormale individuen bezitten er
volgens Schillings zelfs tot vijf toe) zijn dan zelf bijna het
allermerkwaardigste aan die reuzen; geen enkel paard of paardachtig
dier toch heeft ooit voorheen iets dergelijks bezeten of bezit het nog.
Doch men meene niet, dat die horens de dieren zoo bijzonder ver uit de
reeks wegleiden, als het oppervlakkig schijnt. Als zij eenmaal aanwezig
zijn, „drukken” die hoorns in ieder geval sterk op den vorm van den kop
van den rhinoceros. Zij bepalen in zekeren zin dien vorm. Maar het is
volstrekt niet waar, wat de leek steeds geneigd is aan te nemen, dat
een dergelijke hoorn zelf een stuk schedel is. Hoe vreemd het ook moge
klinken, die hoorn is een stuk huid. Ik heb dien zooeven afgeleid van
een soort eeltknobbel. Als men het nog pakkender zou willen uitdrukken,
zou men werkelijk kunnen zeggen, dat hij een ontzaglijk groote
eksteroog is. Naar zijn inwendigen bouw is het een ontzaglijke
woekering der epidermis, de opperhuid, waarin zich een soort van
haarvormige hoornvezels tot een bijzonder stevige massa vereenigen.
Daarom kan die onder bepaalde omstandigheden worden afgeworpen en weer
vervangen worden zooals een eksteroog, die wordt afgesneden en toch
weer aangroeit. Als men direct aan onze eigen handen waarneemt, hoe
hard werk met een bepaalde plek der handen, steeds weer eeltknobbels
veroorzaakt, en men tevens hoort, hoe de wilde neushoorns hun hoorn
behalve voor den aanval ook vlijtig gebruiken om zich een weg te banen,
takken te breken en wortels uit te trekken, dan kan men moeilijk de
meening van zich afzetten, dat een steeds hernieuwd gebruik van dat
gedeelte van den neus gedurende een aantal geslachten dien grooten
eeltknobbel eindelijk moet hebben gekweekt; dat gebruik moet dan
oorspronkelijk gegrond geweest zijn op de gewoonten en de
noodzakelijkheid bij de ontstaande neushoorns, om zoo takken en wortels
te breken.

In ieder geval echter moet een zoo ontzaglijke eeltvorming volkomen
zonder beendereninhoud wel niet anders denkbaar geweest zijn dan bij
een dier, waarvan de huid om andere redenen reeds in het algemeen zoo
ongeloofelijk ruw en hard geweest was, en in vergelijking bij voorbeeld
met de echte huid van een paard inderdaad reeds een soort van
eeltmassa. Hoe de neushoorn aan een dergelijke „rhinoceroshuid” is
gekomen, is een vraagstuk op zich zelf. Bij de boven gegeven
allegorische voorstelling zeide ik, dat zij van een huidziekte
afkomstig kon zijn. Laat ons liever zeggen: van een vervorming der
huid. Naar analogie van dien specialen hoornknobbel moest men eigenlijk
naar een prikkel zoeken, die tot op zekeren graad op dergelijke wijze
reeds vroeger op de geheele huid van het lichaam zou hebben gewerkt.
Men zou weer kunnen denken aan de rol van het water, die bij voorbeeld
de met caoutchouc overeenkomende gladde dikke huid van het nijlpaard
heeft geschapen. Ook de neushoorns zijn groote liefhebbers van het
water, zooals men in iederen zoölogischen tuin kan waarnemen. Bepaalde
voorwereldlijke geslachten van neushoorns, de zoogenaamde teloceraten,
schijnen diezelfde eigenschap in het overdrevene te hebben bezeten, en
hun algemeene vorm met hun bijzonder korte beenen en uitgespreide
teenen moet inderdaad onmiddellijk aan het nijlpaard hebben herinnerd.
Maar in den hoofdstam van hun in het leven gebleven vormen ontbreekt
aan de neushoorns het eigenlijk „los geraakte”, het onder den invloed
van het water vervloeide der gestalte bijna in even sterke mate als bij
den olifant; bij al zijn logheid, die bepaald wordt door de algemeene
lichaamszwaarte en vooral door de eenzijdige belasting van den kop,
bewaart de rhinoceros nog iets straks, veel meer dan wij dat bij den
tapir waarnamen. Op zijn weeke zolen is hij toch in het wezen der zaak
een slenterende voetganger, dien men zich het liefst denkt in een open
steppe met kreupelhout, zooals hij die in tropisch Afrika voor zich
beschikbaar vindt. Beenderen van voorwereldlijke neushoorns liggen
steeds weer vereenigd met die van echte paardachtige dieren uit de
steppen. In de diluviale periode, toen Europa nog zijn laatste
inheemsche neushoorns levend bezat, behoorden zij nog tot de
stoffeering van de steppe en voedden zij zich met steppengras zooals de
wilde paarden uit die dagen en de Saïga’s of steppenantilopen. Doch een
andere eigenschap geeft te denken.

Over den eenhoornigen neushoorn, wiens huid het sterkst geplooid en het
meest met wratten is voorzien, kan men somtijds in den zoölogischen
tuin de vergelijking hooren, dat hij er uitziet als ware hij
overtrokken met een korst van slib, die, na gedroogd te zijn, tot
kussentjes is opgestapeld. Nu is de wilde neushoorn boven zijn eigen
met plooien bedekte huid werkelijk ook nog overtrokken met een laag
stof of slib. De grootste Afrikaansche soort, die tegenwoordig naar
alle waarschijnlijkheid reeds bezig is uit te sterven, draagt in de
jachtverhalen gewoonlijk den naam van den „witten neushoorn”, hoewel er
geen witte rhinocerossen als soort bestaan. De hier blijkbaar bijzonder
typische gewoonte, zich rond te wentelen in poelen met slijk, en dan
als het ware met een heldere „kalklaag” rond te loopen, heeft
aanleiding gegeven tot dien naam. Een dergelijke deklaag heeft ten
doel, te beschermen tegen insecten. Men weet, hoe vreeselijk juist de
paarden door muskieten geplaagd worden. Dat is nu van oudsher tot aan
de oorspronkelijke paardachtige dieren uit het begin der tertiaire
periode zeker eveneens het geval geweest. De strijd met de insecten
moet van oudsher één der moeilijkste factoren geweest zijn uit den
strijd om het bestaan van alle hoefdieren. Het is dus in ieder geval
denkbaar, dat een groep van oude equiden juist dit middel gemaakt heeft
tot een vaste gewoonte, om zich vóór iederen tocht met een korst van
slijk te overtrekken. Hierin kon dan de prikkel of de factor der
teeltkeus gelegen hebben, die de huid zelf langzamerhand wijzigde. Het
haar zou dan bijna geheel verdwenen zijn, de huid daarentegen zich bros
en knobbelachtig verdikt hebben. Men zou kunnen zeggen, dat het proces
tot heden toe bij de neushoorns niet geheel is voleindigd. In weerwil
van hun dikke huid hebben zij nog steeds van insecten te lijden en
blijven zij zich met slijk bedekken, evenals de olifant zich immers ook
(hier met de practische hulp der slurf) gaarne stof over zijn huid
strooit. Het kan ook zijn, dat de insecten in de verfijnde wijze van
hun aanvallen zelf door eigen aanpassing dat sluwe middel hebben weten
te verijdelen, immers tegenwoordig wordt de neushoorn vooral geplaagd
door teken (woudluizen) waarvan ééne soort, de Dermacentor
rhinozerotis, als plaaggeest in het bijzonder alleen aangepast schijnt
aan den neushoorn, en alle andere groote dieren der Oostafrikaansche
steppe versmaadt. Een zekere hulp tegen die onaangenaamheid schijnen
tegenwoordig weer de ossenpikkers te bieden, een soort van spreeuwen,
die gewoon zijn over den reusachtigen rug van den neushoorn te loopen
en die de parasieten weghalen, om die te verteren. Doch ook dit heeft
weer zijn bezwaren, daar de vogels met hun spitsen snavel de dikke huid
op verschillende plaatsen erg kunnen verwonden. Maar ook dit bezwaar
wordt weer geneutraliseerd door het nut, dat die gevederde „huisdieren”
aan den anderen kant weer opleveren: immers de vogels vliegen, zoodra
een vijand maar eenigszins in de nabijheid komt, krijschend op, en
maken zoo den neushoorn opmerkzaam, die wel is waar, als een oud
paardachtig dier, voortreffelijk speurt, maar slecht ziet, en overal
daar door zijn zintuigen in den steek wordt gelaten, waar het speuren
niet helpt, terwijl de vogels (die in het steppengras hoog op zijn bult
balanceeren) omgekeerd voortreffelijk zien.

Neemt men aan, dat dergelijke gewoonten, overgenomen van het ééne of
andere oorspronkelijke paardachtige dier, het pantserachtige zware
geplooide hemd en in zijn gevolg ook (als uiterste resultaat van een
neusknobbel in die huid) den hoorn hebben geschapen, dan is het overige
geschiedkundige verloop werkelijk tamelijk doorzichtig. De dikke huid
en de hoorn maakten van het schuwe vluchtende dier langzamerhand een
bijna niet aan te tasten weerbaar en aanvallend dier. De rhinoceros is
tegenwoordig zelfs tegenover den mensch één der vreeselijkste
aanvallers, die er in onze hedendaagsche dierenwereld zijn. Daarmede
echter werd het van minder belang, of hij zoo goed kon rennen en of het
dier zich verder ontwikkelde in de richting der beweeglijkheid (hoewel
de neushoorn tegenwoordig nog in geval van nood een flinke renner is)
terwijl te gelijker tijd pantser en neuswapen door hun toenemend
gewicht er toe leidden, dat de geheele machine in dien zin geremd werd
en er een oeconomische besparing in de beweging plaats had. Zoo blijkt
het onvermijdelijk geweest te zijn, dat de neushoorn niet is overgegaan
tot het steil opbouwen van zijn werkelijken paardenhoef en het tot één
geheel maken der teenen, maar dat hij in al de taaiheid van zijn leven
bij het stadium van driehoevig dier is blijven staan. Het vrije kloppen
van het vlakke veld met slechts één veerkrachtigen hoef en daarbij in
de eerste plaats de volharding van het paard is hem vreemd gebleven.
Zelfs zijn drie hoeven heeft hij niet verder ontwikkeld in de richting
van lichte kloppers van den grond, maar hij is meer overgegaan tot een
stempelgang; het deel der pooten onder het polsgewricht en het
spronggewricht gelegen, verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den
bodem bereikt, waarop het rust met de eivormige zool; de middelste van
elk drietal hoeven is ongeveer tweemaal zoo breed als ieder der beide
zijdelingsche. Het dier draagt daardoor zijn ontzaglijk gewicht op zijn
manier nog al gemakkelijk, ja zelfs bijna sierlijk, terwijl hij
bovendien dreigend snel kan loopen als op zachte pantoffels; wij leggen
den nadruk op „nog al” gemakkelijk, en dat nog wel alleen binnen
beperkte ruimten. Van dieren, die verder trekken, zijn de neushoorns
dieren geworden, die blijven op een bepaalde plaats, en van gezellige
dieren, zijn zij in verhouding tot hun bloedverwanten, de paarden,
kluizenaars geworden. De eenhoornige neusdieren leven, naar men meent,
in zeer bijzondere strenge monogamie. De jonge tweehoornige neushoorn
uit Oostafrika, die niet lang geleden door Schillings gebracht was in
den zoölogischen tuin in Berlijn, vertoonde een zeer in het oog
vallende, in haar soort werkelijk aandoenlijke liefde voor een paar
kleine geiten, welke liefde, in Afrika begonnen, zich in Berlijn
voortzette tot groot vermaak van alle bezoekers—wat toch een bewijs is
van de ten minste beperkt voortdurende behoefte naar gezelligheid van
dat dier, dat eertijds in kudden leefde.

Het is niet gemakkelijk, om nu dezen theoretischen weg met werkelijke
historische feiten te illustreeren. Wel behoort de neushoorn tot de
weinige dieren, die ons niet alleen tot heden levende nakomelingen
achterlaten, maar die ons in bijzondere omstandigheden ook lijken uit
de voorwereldlijke dagen zelf hebben overgeleverd met huid en vleesch.
Nog in de diluviale periode, te midden van de groote verandering in
klimaat der zoogenaamde ijsperiode, leefden, zooals wij reeds
opmerkten, ook in Duitschland talrijke steppenneushoorns. Vooral in
Taubach bij Weimar is er door praehistorische menschen in groote
hoeveelheden op gejaagd en zijn zij neergeveld, zooals uit de
uitgegraven overblijfselen van die beroemde vindplaatsen der
oorspronkelijke menschelijke beschaving duidelijk wordt aangetoond.
Evenals van de mammouths, zoo zijn nu ook van dien diluvialen neushoorn
enkele ijsmummies in de plooien van sedert dien tijd niet ontdooide
Noord-Siberische gletschers tot heden toe bewaard gebleven. Men kan
daaraan nog een dichten rood en wit gevlekten pels op de harde huid
herkennen, evenals op den mammouth uit die dagen, die ook dik behaard
was in tegenstelling met onze tropische olifanten van tegenwoordig. Het
ligt voor de hand, dat neushoorns, die op gletschers gingen wandelen,
zich in ieder geval een verwarmenden haarpels hadden aangeschaft, ook
al waren hun voorvaderen reeds wie weet hoe lang te voren bijna zuiver
naakthuidige dieren geweest. Men moet denken aan den ijsbeer, bij wien
zelfs onder dergelijke omstandigheden de voetzolen een pelsbedekking
hadden. Hoe interessant die geheele zaak met die in stand gebleven
Siberische mummies ook moge zijn, leidt zij ons toch slechts naar een
uitzonderingsgeval op een betrekkelijk zeer laat geologisch tijdstip.
Uit de oudere lagen, waarop het eigenlijk aankomt, hebben wij
daarentegen weer alleen beenderen, en kunnen wij zelfs over de horens
alleen gevolgtrekkingen maken uit den schedel, die daaraan toch in
meerdere of mindere mate eenigszins is aangepast.

Toch zijn de overgeleverde geologische bijzonderheden op zich zelf
interessant genoeg. Wat zij ons in de eerste plaats onweerlegbaar
aantoonen, is, dat ook de neushoorn niet maar een eenvoudige nevenvorm
is op den reeds veroverden trap van het paardachtige dier met drie
hoeven, maar dat het, evenals die vroeger genoemde „oude dieren” of
Palaeotheriën, een zij het dan ook ten slotte onvruchtbaren aanloop van
eigen ontwikkeling een eind ver ten minste in zich zelf heeft
gehandhaafd.

De oudste schedels, die ontegenzeggelijk iets bezitten van den lateren
rhinoceros, zijn reeds afkomstig van de grens der vospaardjes. De
dieren, tot wie die schedels behoorden, waren klein en hadden
oorspronkelijk aan den voorpoot nog de vier vingers, die de tapir tot
heden nog heeft behouden. Het bezit van zuivere drie hoeven is daarna
blijkbaar eerst zelfstandig verkregen binnen den zijtak aan gene zijde
van de vertakking uit den paardenstam. Het is ook mogelijk, dat die
vertakking, die dus zeker ook reeds bij de vospaardjes volgde, eerst
recht over den Lophiodon ging, die in een andere richting veel
conservatiever den Protapirus en den tapir heeft voortgebracht. In
ieder geval is die zijtak daarna nog een heel stuk op zich zelf verder
geloopen. De plaats was oorspronkelijk naar alle waarschijnlijkheid ook
Amerika. Daar wendde zich een zeer oude groep in weerwil van haar reeds
merkbaar neushoorntype nog eens met kracht naar de richting van het
loopen der echte paardachtige dieren. In die groep ontwikkelden zich
lange halzen en hoe langer hoe slankere onderbeenen met een bepaalde
voorkeur voor den middenteen. Hier zou het dus in Amerika zelf bijna
tot een evenwijdigen tak zijn gekomen, die onafhankelijk pooten en een
gang als van paarden had voortgebracht. Maar ook dit kan niet verklaard
worden in de beteekenis der vroeger besproken theorie der verschillende
wegen bij ons paard, immers zelfs als die poging was gelukt, zouden
daarbij toch slechts dieren voor den dag zijn gekomen met pooten als
van paarden, maar met een kop als van een neushoorn, dat ziet men reeds
bij het eerste begin; maar die geheele soort van hardloopende
neushoorns is trouwens vroeg weer uitgestorven.

Een andere oude groep ontwikkelde haar hoektanden tot groote
slagtanden. Misschien was dat een uiterste groep van wortelgravers, die
echter nog geen hoorn bezaten. Maar daaruit is ook verder niets
geworden.

Bij de echte neushoorns in den engeren zin, dus bij dat gedeelte van
den zijtak, dat nog tot op onze dagen voortleeft, is betrekkelijk het
duidelijkst, wat wij nog wankelend en als het ware heen en weer
schommelend kunnen volgen, de hoorn. Een aantal vertegenwoordigers
maken onmiddellijk den vasten indruk, dat zij nog geen horens droegen,
ten minste in ieder geval geen neushoorn. Men heeft ze dan ook de
aceratheriën, de „hoornlooze neushoorns” genoemd, een woord, dat
volkomen juist uitdrukt, dat een bepaald type van neushoorns in ieder
geval historisch reeds bestond, ook voordat het werkelijke neuswapen
nog behoefde te bestaan. Zoodanige hoornlooze dieren hebben in het
midden der tertiaire periode blijkbaar reeds in groote hoeveelheden in
Noordamerika geleefd, maar ook in Duitschland hebben zij nog wat later
in het Rijndal voortgeleefd. Ook zij hadden nog steeds stevige onderste
hoektanden, die als het ware geschikt waren om te graven, en aan den
voorpoot nog een heel klein vierde kwastteentje.

Die kleine kortbeenige langgerekte nijlpaardneushoorns, waarover wij
reeds gesproken hebben, dragen daarentegen hun hoorn ver aan de
voorzijde op de uiterste spits der neusbeenderen. Een gelijktijdig
voorkomende tweede soort heeft reeds den naam van tweehoornigen
neushoorn, doch dit beteekent hier, dat op ieder neusbeen een
afzonderlijke hoorn zat, zoodat de beide horens niet achter, maar naast
elkander uitstaken, iets wat een uiterst vreemden indruk moet hebben
gemaakt. De merkwaardigste proefneming was echter de keus tusschen een
hoorn gewoon op den neus en een op het voorhoofd.

Bij onze levende tweehoornige rhinocerossen moet reeds eenvoudig uit
gebrek aan plaatsruimte de tweede hoorn, als deze achter elkander
gelegen zijn, in plaats van op de echte neusbeenderen, op het
voorhoofdsbeen boven de oogen komen. Nu bestond echter een tijd lang
blijkbaar ook de mogelijkheid, dat slechts één hoorn werd ontwikkeld,
maar dat ook deze op het voorhoofd werd geplaatst. Het type, dat hier
ontstond, moest, zooals wel onmiddellijk duidelijk wordt, tot een dier
leiden, dat thans behoort tot de „mythen der zoölogie: een nog meer of
minder op een paard gelijkend groot wezen met een langen, spitsen hoorn
op het voorhoofd—in het kort tot den éénhoorn”. Onze wapens vertoonen
ons dat legendarische, overal beroemde dier als een heuschelijk paard
met een langen, gedraaiden hoorn, die scheef op het voorhoofd naar
boven loopt. De mythe, dat die „éénhoorn” een nog levend schepsel is,
is uit het oosten afkomstig. Wat men als het wapen van den zoogenaamden
eenhoorn in vorstelijke variëteitenmusea als een hoogst merkwaardig en
kostbaar iets bewaarde en men in kleine hoeveelheden zelfs als
allervoortreffelijkst geneesmiddel aan vorstelijke patiënten ingaf, is
gebleken iets geheel anders te zijn: die gedraaide spitse stangen zijn
niets anders dan een echte tandmassa, en wel zijn zij als geheel ieder
een kolossale hoektand, die afkomstig is van een zeezoogdier, den
narwal, dus van een walvisch. Aan wat voor een dier echter de mythe van
den éénhoorn zich vastknoopt, is tot op den huidigen dag niet met
zekerheid opgelost; mogelijk is intusschen het volgende.

In die oude tijden schommelde het tongetje van de weegschaal, in welke
richting bij bepaalde rhinocerossen de hoorn zou gaan, zooals gezegd
is, heen en weer; het was niet uitgemaakt, of hij op den neus, dan wel,
zooals dat bij de eenhoorns zou moeten zijn, op het voorhoofd zou
komen. Bij die aceratheriën waren de neusbeenderen inderdaad zóó zwak,
dat zij zeker geen hoorn konden dragen. Daarentegen vermoedt men, dat
toen reeds vormen, met een hoorn op het voorhoofd, voorkwamen. En dat
is dan het beginsel en tevens de uiterste consequentie geworden bij een
in zijn soort werkelijk afgrijselijken neushoorn, die nog in de
diluviale periode in de Rijnprovinciën en in Siberië heeft geleefd,—het
Elasmotherium. Zijn gereconstrueerd beeld hebben wij reeds in ons
„Dierenboek” weergegeven. Het was de grootste neushoorn, die ooit heeft
bestaan. De schedel alleen was ongeveer een meter groot. In zijn
hoektanden liet hij de grootste buitensporigheid zien, die ooit bij
tanden van neushoorns waren waargenomen: in hun prismatischen vorm met
zwakke wortels zijn het formeele paardentanden geworden, als wilde hier
nog eens voor het allerlaatst een neushoorn als uitlooper ten minste in
dat ééne punt den paardenstam trachten in te halen. Te gelijker tijd
zijn echter de glazuurplooien zóózeer in arabesken gewonden, dat men
herinnerd wordt aan den echten bijlooper der paardachtige dieren, het
Hipparion, het dier, dat onder dezen de meest buitensporige windingen
der tandplooien doet zien. Blijkbaar dus in ieder opzicht een groote
zonderling. Dat Elasmotherium heeft nu op het voorhoofdsbeen boven de
oogen (en alleen hier, niet ook op den neus) een zóódanigen
halfbolvormigen beenknobbel, dat er werkelijk geen andere verklaring
mogelijk is, dan dat daarop een ontzaglijk groote hoorn heeft gezeten.
Voor dien reus met de kracht en de woede van een neushoorn ongetwijfeld
een ontzettend wapen. Een beter geologisch model voor den eveneens als
een vreeselijk dier geschetsten eenhoorn der mythe is niet goed
denkbaar. Nu is het echter met die diluviale dieren een eigenaardige
zaak. In hun tijd zijn zij zeker wel allen nog door menschen gezien en
gejaagd, in ieder geval door praehistorische menschen. Vele soorten
zijn toen volkomen verdwenen, zoo bij voorbeeld die roodgevlekte
neushoorns van Weimar, die groote overeenkomst hadden met onzen
tegenwoordigen tweehoornigen Afrikaanschen neushoorn, de mammouths en
nog andere. Andere zijn echter tot heden in stand gebleven. De muskusos
leeft nog binnen den poolcirkel, de Saiga-antilope in Zuidrusland, het
wilde paard in Centraalazië—allen makkers uit dien voormaligen tijd.
Beenderen van het Elasmotherium liggen in Siberië. In dat Siberië
verhalen nu Mongoolsche jagerstammen, de Toengoezen, van ontzaglijke
zwarte stieren, die eens bij hen het land onveilig zouden hebben
gemaakt; op het voorhoofd zouden zij één enkelen hoorn hebben gedragen,
zóó groot, dat een geheele slede nauwelijks groot genoeg was, om dien
als jachtbuit te vervoeren. Is dat nog een gerucht van het
Elasmotherium, dat nog voor het laatst weerklinkt? En heeft de mythe
van den éénhoorn daar zijn aanknoopingspunt gevonden? Het zijn alles
open vragen, maar merkwaardig genoeg, waarvoor wij misschien later nog
eens aanwijzingen zullen vinden.

Intusschen moeten wij ons hiermede tevreden stellen, dat van al die
merkwaardige bijloopers der paardachtige dieren, de neushoorns, nog een
paar pronkstukken levend tot ons gekomen zijn. In Noordamerika zijn zij
reeds vroeg geheel verdwenen. Naar Zuidamerika schijnt reeds geen
enkele soort meer gekomen te zijn, toen de verbinding daarmede weer
hersteld was. Daarentegen heeft de oude wereld voor hen reeds van een
bepaalden voorwereldlijken tijd af als hun natuurlijke woonplaats
gediend, waar zij zich langen tijd zoo weelderig mogelijk hebben kunnen
ontplooien. Met heel wat meer energie dan de tapir hebben zij aan de
invallende koude daar in het noorden nog weerstand geboden, maar
eindelijk zijn ook zij alleen tot de tropen beperkt geworden. Op het
hoogland van Tibet, waar de sneeuwluipaard op roof uitgaat en op de
hellingen van het Himalayagebergte de merkwaardige Gnoe klimt, hebben
ten slotte nog neushoorns geleefd, die aan die gebergten waren
aangepast,—tegenwoordig vinden wij ook van deze nog slechts beenderen.
Toch zijn nog drie scherp van elkander gescheiden soorten levend tot
ons gekomen, een nieuw bewijs, hoe dat oude geslacht zich op
verschillende wijzen heeft ontwikkeld.

De ongetwijfeld meest oorspronkelijke en in zijn soort meest op zich
zelf staande vorm, is die, welke in onze zoölogische tuinen het
zeldzaamst is. De bezoeker dier tuinen pleegt zich in te prenten, dat
de Aziatische neushoorn de eenhoornige, de Afrikaansche daarentegen de
tweehoornige is. Hier moet hij echter er nog bij leeren, dat er
feitelijk ook een Aziatische tweehoornige neushoorn bestaat, die er
echter geheel anders dan de beide anderen uitziet. Naar de plek, waar
hij het eerst ontdekt werd, is men gewoon hem Sumatraanschen neushoorn
te noemen, maar hij komt in een vastelandsvorm ook wel in Achterindië
voor. Ongetwijfeld is hij ontsproten uit een oorspronkelijker tak van
den stamboom en leidt nog het diepst in de reeks der nog tertiaire
rhinocerossen. Zijn kiezen komen het minst met die van paarden overeen,
zij blijven kort en zonder cement, zijn huid is betrekkelijk dun (en
hoewel hij niets te maken heeft met die noordelijke pelsvormen) nog in
het oog loopend sterk behaard. Daarenboven is hij kleiner dan alle
andere en hij draagt den achtersten hoorn zóóver terug, dat deze nog
den echten stand heeft van den eenhoorn.

Een exemplaar, dat Mützel (in Hecks „Dierenrijk”) meesterlijk heeft
geteekend, vertoont beide horens bijna alleen in den vorm van groote
knobbels, en het geheele dier herinnert bijna aan een grooten, zeer
haveloozen en geplooiden tapir. Met dit uiterlijk kwam volkomen een
Sumatraansche neushoorn overeen, dien ik lange jaren geleden in den
„Jardin des Plantes” te Parijs levend heb gezien; deze was alleen
dichter behaard. Volkomen dergelijke knobbelig korte horens heeft een
opgezet paartje uit Malakka in het Londensche museum van natuurlijke
historie; de dragers van die horens zijn twee in het oog vallend
leelijke dieren, wier lange en verdroogde koppen bijna overeenkomen met
krokodillenmuilen, die men heeft vastgemaakt aan het harige lichaam van
een zoogdier. Des te interessanter was voor mij echter een levend dier
van den zoölogischen tuin, dat den Achterindischen vastelandsvorm in
een prachtexemplaar deed zien. Het leefde daar reeds sedert geruimen
tijd, en een (in het jaar 1900 gestorven) wijfje van diezelfde soort
had het daar zelfs twee en dertig jaar in de gevangenschap uitgehouden.
Dezen keer was de voorste hoorn een ontzettend groot en lomp wapen in
vergelijking met het kleine lichaam; de achterste vormde ook hier
slechts een breeden heuvel. Aan het lichaam kwam de plooiing zeer sterk
voor den dag. Buik en pooten waren zeer dicht, wollig en bruinzwart
behaard. De rug was op enkele plaatsen slechts met korte haarborstels
bezet en overigens als het ware glad afgeschuurd, de ooren daarentegen
hadden een dikken pikzwarten rand, waaraan de naam „ruwoorneushoorn”
zijn oorsprong ontleent. De geheele kleur neigde tot het roode. De
pooten leken bijna sierlijk in verhouding tot den grooten kop. Terwijl
ik naar hem keek, nam hij de hurkende zithouding der honden op het
achterdeel aan, die zoo dikwijls beschreven en afgebeeld is bij den
Afrikaanschen neushoorn.

De grootste tegenstelling met dezen kleinen harigen neushoorn levert de
sedert de oudste tijden bekende Indische neushoorn op. Vroeger over
geheel Vóórindië verspreid, leeft hij tegenwoordig nog alleen in de
zuidelijke voorgebergten van den Himalaya en is hij blijkbaar op het
punt van uit te sterven. Met hem verdwijnt één der meest ornamenteele
dieren der aarde. Hij ziet er uit, als uit steen gehouwen, een prachtig
beeldhouwwerk der natuur, dat alleen leelijk kan gevonden worden door
iemand, die geen oog heeft voor stijl. Ook hem bekomt de gevangenschap
zóó goed, dat hij daarin stokoud wordt, en dat hij ook hem, die niet
zelf in de tropen kan rondreizen, ten minste een blik doet slaan op een
volwassen en volkomen ontwikkelden neushoorn.

De levensuitingen, die men aan een dergelijken steenen kolos daar kan
waarnemen, zijn trouwens zoo spaarzaam mogelijk. Een op en neer wippen
der oogen, als hij lui in de zon ligt, en plotseling een ruk als van
een vliegenklap. De gang is katachtig zacht op zijn veerkrachtige
zoolkussens, die voor mij bij de ontzaglijke grootte steeds iets
beangstigends, iets spookachtigs heeft—men meent, dat hij achter iemand
kan komen staan met zijn kop met potsierlijke ooren, zonder dat men hem
hoort aankomen. De papegaaienbek, die open staat als om te bedelen,
stelt in de gelegenheid de verregaande verkwijning van het voorgebit
gemakkelijk te bestudeeren. En ten slotte het oog, dat
onvergelijkelijke oog van den rhinoceros, dat iets zoo eigenaardig boos
heeft als geen ander oog van een zoogdier. De neushoorn kan in den
waren zin dol van woede worden, hij handhaaft dan, zooals ik reeds
vroeger heb gezegd, het onweerstaanbaar impulsieve van het schuw
wordende paard, maar niet zooals deze als verdediger, maar als
aanvaller. Maar dit is wel niet van toepassing op den bedelaar, die
zich daar aan het getraliede hek door kinderen laat voederen, en van
wien wij weten, dat hij als echtgenoot en vriend ook zijn teedere
gevoelens heeft. Het oog van den rhinoceros heeft veeleer in zijn
uiterlijk iets, dat aan een zoogenaamd „boos oog” doet denken.

Men zoekt het in het gelaat op een andere plaats, namelijk open en rond
onder de diepe inzinking van het voorhoofd. Maar dan ziet men het
plotseling heel ergens anders, veel lager, bijna eerst daar, waar men
de neusgaten verwacht, en het komt juist bij den hoorn voor den dag,
zoodat men het niet kon zien, zonder te gelijker tijd de bedreiging van
het vreeselijke wapen te ondervinden. De booze indruk wordt in den
oogappel nog hierdoor versterkt, dat onder de donkere pupil bij iedere
beweging zooveel wit voor den dag komt. Als men den neushoorn zoo
boosaardig ziet dreigen met blik en hoorn, zou men werkelijk meenen,
dat hij in staat was onder het lichaam te hollen van den olifant op
hooge pooten en hem een doodelijken stoot van beneden naar boven toe te
brengen, zooals dit in het zoölogische sprookjesboek der strijdlustige
oudheid, bij den ouden Plinius, zoo aardig geschetst is, maar in de
werkelijkheid toch niet voorkomt. Het paard heeft immers in de mythe
altijd reeds een groote rol gespeeld met zijn merkwaardigen kop en
blik. Hoe zou dit nu niet het geval zijn met dit gepantserde paard, dat
zijn wapen op een zóódanige plaats heeft, alsof het inderdaad met zijn
oogen den stoot toebracht!

Van alle levende soorten der neushoorns heeft deze echte Indische
neushoorn het meest zijn huid werkelijk in een pantser veranderd. De
groote leeren platen hangen in de plooien juist zooals op zich zelf
onbeweeglijke platen in verschuifbare geledingen. Daar echter ook die
platen door een uitgebreide knobbelvorming iets van een wegnevelend
mozaiekbeeld hebben, een trek, die bij een nauw verwante soort overgaat
in een werkelijke sierlijke uitwendige begrenzing der veelhoekige
lederen schilden, — dringt de overeenkomst met een wezenlijken drager
van een hard pantser onder de zoogdieren krachtig naar voren, en wel
die met het gordeldier. Men zou een oogenblik het denkbeeld kunnen
koesteren, dat wij hier alleen te doen hebben met een ineenvloeien van
echte mozaiekplaten, zooals bij die Glyptodonten van Zuidamerika,
waarover wij hebben gesproken. Aan het embryo van den neushoorn komt
met iedere wrat of ieder knobbeltje of met ieder schildje inderdaad een
duidelijke op zich zelf staande harde huidpapil overeen. Zouden er
achter die Indische vormen reeds vroeger eens neushoorns geweest zijn,
die mozaiekpantsers droegen, welke volmaakt overeenkwamen met die der
gordeldieren, in ieder geval uit een zóó leerachtige massa bestonden,
dat daarvan niets versteend werd en dus de geologie ons geen
uitsluitsel kon geven?

Ook naast dezen grooten gepantserden Indischen neushoorn bestaat er een
eilandvorm, de zoogenaamde Wara, of Javaansche neushoorn, die echter
eveneens verbreid is over het vasteland van Achterindië, zooals de
Sumatraansche neushoorn. Deze heeft die fijnere mozaiekbedekking,
waarvan wij reeds gesproken hebben. Het merkwaardigst is echter, dat
eertijds ook de Afrikaansche tweehoornige neushoorns, die tegenwoordig
zoo scherp van de andere zijn afgescheiden, onmiddellijk naast die
Indische voorkwamen: hun beenderen liggen nog in het diluvium van
Madras. Dit was dus in dezelfde periode, waarin die roodgevlekte
neushoorns van Weimar in Duitschland leefden, en ook die Duitsche,
later Siberische pelsrhinocerossen waren immers, zooals wij gezegd
hebben, niet anders dan met een pels voorziene dubbelhoornige
neushoorns van de familie der tegenwoordige Afrikaansche neushoorns.
Die stam moet dus in een nog volstrekt niet ver afgelegen tijd de meest
zegevierende en meest verspreide geweest zijn van alle overlevenden.
Wat kan nu de reden zijn, dat zij zoo plotseling uitsluitend beperkt
zijn geworden tot het aequatoriale Afrika? Een vraag, waarop geen
antwoord kan worden gegeven.

In ieder geval was echter dat Afrika op het oogenblik, dat de
Europeanen der cultuurperiode met hun vuurwapenen in dat land
aankwamen, het meest met neushoorns gezegende land der geheele wereld,
als men het aantal kolossen rekent, en ook tegenwoordig wemelt het in
Duitsch en Britsch Oostafrika nog van hen, ten minste in het gebied van
den Kilimandsjaro. Het is de plek, waar Schillings zijn meesterlijke
momentopnamen heeft gemaakt. Aan hem zijn wij ook de tot nu toe beste
beschrijvingen van den wilden steppenneushoorn verschuldigd.

Wij zien hem in zijn natuurlijke omgeving, de met gras en struiken
begroeide steppe, die naar gelang het de regentijd of de droge tijd is,
daar ligt in den groenen weerschijn van den nieuw ontstanen grastooi,
over een uitgestrektheid van mijlen ook met water bedekt, door enkele
stroombeddingen door den regen met zilver doorstroomd,—of ook dor en
kaal, vaal en bruin met uitgestorven plantengroei, waar de plaatsen van
„inzinking” het oog slechts hier en daar een rustpunt gunnen, „waar
acacia’s, terminalia of andere boomen en struiken zooveel grondwater
vinden, dat zij gedurende langen tijd hun bladerentooi konden
behouden”. „Wij hebben hier te doen met dorre, uitgestrekte, vrije
vlakten, die, in den regentijd overstroomd, als zij opdrogen,
witachtige met zout doortrokken vlakten vormen, die slechts aan
spaarzame grasstruiken het leven schenken, nu weer met onafzienbare
groene of vaal verbrande grasvlakten, en dan weer met acaciaboschjes in
onafzienbare uitgestrektheid of met hagedoornen bedekt zijn, die voor
het leekenoog overeenkomst hebben met vruchtboomen en daarom ook zeer
treffend boomgaardsteppen worden genoemd. Daar waar de steppe met
blijvende acacia’s dicht begroeid is, kunnen deze natuurlijk hoog van
stam zijn of, in jongere exemplaren, meer struikachtig. Ook kan de
steppe bedekt zijn met heesters en struiken van verschillenden aard,
waartusschen in den regentijd gras tot manshoogte opgroeit en planten
van verschillende soort, met stekels en doornen bedekt, tusschen de
boomen en struiken gevonden worden. Een aantal soorten Euphorbia’s, ook
voor het leekenoog goed kenbaar, drukken op het geheel een typischen
stempel”. Van tijd tot tijd onderbreekt een termietenheuvel van
verscheidene meters hoog de vlakte of steekt een kolossale
apenbroodboom uit; „vreemd en zonderling van vorm bereikt deze
dikwijls, gehuld in een schitterend grijsglinsterenden bast, een omvang
van vele meters, door zijn verschijning wekt hij den indruk van den
voorwereldlijken tijd; de reiziger leert hem echter spoedig waardeeren;
immers menigmaal bergt hij in zijn hollen stam rijkelijke hoeveelheden
water, die uit den regentijd afkomstig zijn en dikwijls het eenige
water uitmaken, dat over een omtrek van een aantal dagreizen gevonden
wordt”. Op die steppe zien van verre hooge vulkanische bergen neer, die
in weerwil van hun ligging in de tropen op hun toppen met overgebleven
sneeuw en gletscherijs zijn bedekt, terwijl aan hun voet de
steppenstruiken overgaan in een echt oerwoud. Ontelbare groote, voor
een deel reusachtige zoogdieren bewegen zich vóór dat landschap als
achtergrond. „Als stroohalmen geknakt liggen boomen van aanzienlijke
dikte rechts en links van ons pad, daar waar een kudde olifanten haar
weg heeft genomen, en de in den regentijd ontstane olifantensporen
gelijken merkwaardig veel op diepe groeven, die een jaar en langer
zichtbaar blijven, en waarin het volstrekt niet zonder gevaar is te
struikelen. Behalve de olifantenkudden, die reeds maanden geleden hun
weg door de steppe hebben genomen, zijn de sporen en kenteekenen van
een ander groot dikhuidig dier, den neushoorn, duidelijk en op
karakteristieke wijze uitgedrukt. Naar de verschillende waterplaatsen
voeren over een lengte van verscheidene kilometers uitgeloopen,
elkander kruisende wildpaden, die, zeer duidelijk merkbaar in de
nabijheid van het water, zich in de uitgestrekte steppe geleidelijk
verliezen. Evenals de olifanten hebben de neushoorns op verschillende
plaatsen aan de stammen van heesters en aan de doornstruiken hun
schatting geheven, en enkele struiken vinden wij meer of minder
volledig van hun takken beroofd”.

Het is de moeite waard, bij die schildering stil te staan, en dat wel
niet alleen ter wille van den neushoorn. Zij geeft ons tevens nog een
beeld van het oorspronkelijke milieu, waarin de hoofdmassa der wereld
van onze tegenwoordige zoogdieren in het algemeen is ontstaan. Dat
landschap moet in de tertiaire periode onmetelijke gedeelten der aarde
hebben beheerscht, begunstigd door een heel wat warmer klimaat tot op
hooge noordelijke breedten. Met die verhoudingen zijn de kolossale
verzamelplaatsen van beenderen in Noordamerika, Europa en Azië in
overeenstemming. Zoo moet het er uitgezien hebben te Pikermi bij
Marathon, aan den Sivalikheuvel in Indië, in het Rijndal bij
Eppelsheim, in de zuidelijke staten van Noordamerika, toen daar een
ontzettend gewemel van groote en zelfs van de allergrootste
voorwereldlijke zoogdieren en in de eerste plaats hoefdieren te zamen
leefde. In een zoodanig milieu heeft zich de geheele middelste
geschiedenis van het paard eens afgespeeld, tot wier uiterste
speelruimte ook de driehoevige neushoorn nog behoort. Het is het beeld
van het landschap, dat ons steeds weer voor oogen zal komen, als wij
misschien later zullen hooren van het ontstaan der groote groepen van
herkauwende dieren, de wieg der buffels, antilopen, giraffen, zooals
zij tegenwoordig of voor een gedeelte nog voor korten tijd behooren of
behoord hebben tot de karakteristieke dieren der Afrikaansche steppen.

Hoewel tegenover de Aziatische neushoorns tegenwoordig een type, dat
een organisch geheel vormt, vervallen toch de Afrikaansche neushoorns
klaarblijkelijk in onderling zeer verschillende vormen, waarvan mij de
systematiek nog niet voldoende uitgewerkt voorkomt. De grootste soort,
juist die, welke bekend staat onder den naam van den „witten
neushoorn”, werd voor een tijd als uitgeroeid beschouwd, maar is in de
laatste jaren weer teruggevonden en naar versch geschoten stukken
gephotografeerd. Uit onze dierentuinen waren de dubbelhoornige
neushoorns voor eenigen tijd geheel verdwenen. Sedert Schillings ook
hier de betoovering heeft verbroken, komen ten minste jonge dieren weer
naar Europa. De Berlijnsche tuin kon een tijdlang bij dergelijke jonge
dieren, die reeds schoone horens hadden, twee zeer van elkander
afwijkende grondtypen voor oogen voeren. Heck heeft in het algemeen
gelijk met zijn bewering, dat de Afrikaansche neushoorn leelijk is in
vergelijking met den éénhoornigen Indischen neushoorn. De oorzaak ligt
echter eigenlijk juist hierin, dat de meer beweeglijke, meer dunbeenige
tweehoornige neushoorn meer gelijkt op zijn schoonen dubbelganger, het
paard; maar daar hij, niettegenstaande die gelijkenis, toch een
neushoorn blijft, lijkt hij een lompe en houterige, onhandig in
elkander gespijkerde caricatuur van het paard, terwijl de Indische
neushoorn geheel zijn eigen weg volgt. De Indische neushoorn is een
prachtig etalage-voorwerp, dat geen ornamenteeler indruk maakt dan
wanneer het dicht voor den beschouwer zoo rustig mogelijk stilstaat als
om te worden gephotografeerd. Om den Afrikaanschen neushoorn recht te
doen wedervaren, moet men hem over een uitgestrekte vlakte zien razen
en voorthollen, moet men zien, hoe hij in weerwil van zijn lompe
horens, die dikwijls de dikte hebben van komkommers, spelend
gemakkelijk den kop omhoog werpt als een heuschelijk paard en de beenen
naar voren werpt uit de leelijke heupen. Dan begrijpt men heel wat van
den neushoorn uit het woord „getraind”, dat Schillings op hem toepast,
en wanneer een deel der aesthetica van het dier toch altijd samenhangt
met het volmaakt oplossen van een technisch bewegingsvraagstuk, zóó dat
die beweging sierlijk en zonder eenige inspanning is, dan zal men juist
van den tweehoornigen neushoorn moeten erkennen, dat hij in zijn soort
in weerwil van ontzettend veel ongunstige factoren (die in de zwaarte,
dikhuidigheid en bovenal de rol van het voorgedeelte van den kop als
zetel van zijn wapen gelegen zijn), toch werkelijk nog al het mogelijke
volbrengt tot aan de grens van een sierlijke lijn. Staat hij in een
nauwe, afgeperkte ruimte, dan is hij zeker een verdraaid monster, dit
kan ik niet ontkennen; het paard daarentegen blijft ook dan nog een
prachtig dier.

Schillings heeft menig aardig staaltje medegedeeld van het verstand der
tweehoornige neushoorns. Zoo bij voorbeeld, hoe bijzonder ontwikkeld
hun plaatszin is in de steppe, die toch zoo weinig afwisseling biedt.
Vier uur lang kon hij eens het spoor van een neushoorn volgen, dat
oostwaarts rechtuit naar een kleinen waterpoel in de woestenij leidde;
toen de dorstige reus dien had bereikt, bleek het, dat ook deze
verdroogd was; nu boog dat spoor weer in een even rechte lijn westelijk
af, om na drie uur bij een tweeden poel werkelijk naar water te voeren.
Wat een ontzaglijke topografische kennis moet die neushoorn, die zoo
rechtuit er op afging, in zijn kop hebben gehad, een kennis, die
ongetwijfeld op persoonlijk verkregen ervaring berustte. Dat is de trap
van verstandelijke ontwikkeling, van waar wij ons moeten voorstellen,
dat het paard is uitgegaan.

Ook aan Schillings is de sterke individueele verscheidenheid niet
ontgaan. Daarin is misschien wel het meest beteekenisvolle verschijnsel
gelegen van het geheele hoogere dierenleven, maar hoe weinig is dat nog
onderzocht. Hoeveel bronnen van meeningsverschil tusschen
dierenschilders berusten daarop. Individueele trekken worden bij het
teekenen der karaktertrekken onwillekeurig onbetwist tot soortkenmerken
verheven, later neemt dan een tweede onderzoeker een individu waar, dat
geheel anders handelt, en meent dan het recht te hebben tot de
scherpste critiek; en toch hebben individueel beiden gelijk. Niet
zelden leidt dit tot geringschatting van het intellectsleven der
dieren, welke geringschatting tegenwoordig bij critisch aangelegde
personen zoo geliefd is als tegengif tegen het oude „jagerslatijn”,
maar even dikwijls weer niet minder „critisch onjuist” is. Iemand rilt
van het denkbeeld, dat het ééne of andere bijzonder stompzinnige,
onervaren en onpractische menschenexemplaar als voorbeeld zou genomen
worden voor het verstand van het geheele menschdom; maar ook de meest
sceptische dierenpsychologie is bij het geringe en aan zoo groote
toevallen onderhevige materiaal steeds aan die mogelijkheid prijs
gegeven. Het is volkomen dezelfde quaestie als bij het bang geworden,
in een paniek medegesleepte dier. Het handelt dan steeds naar de meest
blinde, oogenblikkelijke aandrift van zijn instinct, dikwijls zelfs
zóó, dat dit instinct het dier juist het tegengestelde laat doen van
wat noodig is, en dus in dat speciale geval zoo onnoozel mogelijk. Hoe
gemakkelijk kan men nu uit een zoodanig gedrag de gevolgtrekking
afleiden, dat in de hersenen van een dergelijk dier zoo goed als geen
verstand in het spel is. Nu moet men echter eens een vergelijking
maken, hoe menschen zich bij een paniek gedragen, en welken indruk dat
gedrag zou maken op een kalmen waarnemer, die overal die handeling
verwacht, die in dat individueele geval zoo practisch mogelijk is, als
hij dat gedrag bij voorbeeld in vogelperspectief kon overzien, zooals
hij het werk der mieren beschouwt. Aan den anderen kant moet men bij
voorbeeld eens letten op een muis, hoe zij zich zinneloos gedraagt in
den eersten panischen schrik, hoe zij de eenvoudigste mogelijkheid om
te vluchten over het hoofd ziet—en hoe zij handelt, als (misschien
eerst na eenige uren) die razernij overwonnen is en het verstand weer
begint individueele mogelijkheden tot vlucht te beproeven, om op de
ééne of andere wijze toch nog van den toestand zooveel mogelijk partij
te trekken en met overleg en volharding de redding door te zetten; men
zou meenen, twee geheel verschillende wezens vóór zich te hebben,
waartusschen de geheele weg nog gelegen was naar het werkelijke
verstand.

Nog van een ander voorwereldlijk schepsel moet hier een woord tot slot
worden gezegd, om den kring der bijloopers bij het oorspronkelijke
paard nog vol te maken. Het is vroeg weer op aarde verdwenen, maar dank
zij de groote Amerikaansche vindplaatsen zien wij zijn goed bewaard
gebleven geraamte tegenwoordig, in het oorspronkelijke of in gips
afgegoten, dikwijls in onze musea voor palaeontologie.

In zijn meest volkomen vorm heet hij het „Titanotherium”. Het is over
dien vorm in zijn tijd nooit heengekomen.

In zekeren zin kan het Titanotherium, dat niet langer bestaan heeft dan
tot in de miocene periode, juist het best aan de neushoorns worden
aangeknoopt. Zonder eenigen twijfel is ook zijn stam een korte zijloot
van den paardenstamboom, maar die toch een eind ver voor ontwikkeling
vatbaar is, en die zich evenals de tapir en de neushoorn in de
nabijheid der jongere vospaardjes afscheidde. Wij kunnen in
Noordamerika nog overgangsvormen herkennen, die in die richting liepen
zonder nog den lateren eindtoestand te bezitten. Ook het echte
Titanotherium heeft nog aan de voorpooten de vier teenen van den tapir
en de oudste neushoorns. Maar zijn gestalte overtrof spoedig in grootte
verre de afmetingen van den tapir. Reeds in dit opzicht vertoonden die
vreemde bijloten der paardachtige dieren de eigenaardigheid van den
neushoorn. Zelfs hebben zij eindelijk den neushoorn nog ver achter zich
gelaten. Zwaarder in bouw, maar in hun geheel hooger dan de grootste
rhinoceros, zijn zij geëindigd met de grootte van olifanten. Hun
merkwaardigste lichaamsdeel was echter hun schedel. Hij doet denken aan
den neushoorn, maar loopt in de merkwaardigste speling weer ontzaglijk
ver daarvan af.

Wij hebben gezegd, dat de hoorn op den neus van den rhinoceros een
reusachtige verharding is van de huid, waarin echter geen echte beenige
haak zit. Toch heeft zich de schedel van den neushoorn eenigszins aan
het bestaan dier horens als draagbalken aangepast. Waar zij de
neusbeenderen belasten, ziet men ook aan den schedel de daarmede
samenhangende verhoogde stevigheid om dien last te dragen. Met den
hoorn op het voorhoofd van het elasmotherium was zelfs een opgeblazen
en dik beenkussen op dat voorhoofd in overeenstemming. Stellen wij ons
nu een dergelijk kussen nog een eind hooger van den schedel uit naar
voren gedreven, dan moest dat toch langzamerhand den horen ontlasten,
daar het dien voor een deel verving. Langzamerhand was een hoornscheede
op de beenwoekering van den schedel voldoende, zooals onze ossen die
hebben. Doch ten slotte kon ook dat zelfs wegvallen. De
beenderenvoorsprong zou kunnen omkleed worden met een eeltachtige huid,
en dan zou deze nog altijd een van verre zichtbare hoornversiering
vormen,—het zou echter een open vraag zijn, of deze hoorn zoo
veerkrachtig zou zijn voor het stooten, en de hersens, die in den
schedel gelegen zijn, zou bevrijden van al te sterke schokken.
Intusschen moest echter de beenige hoorn ook van het voorhoofd naar den
neus verhuizen. En evenals bij die voorwereldlijke neushoorns, die
naast elkander twee neuswapens droegen, op ieder der beide
neusbeenderen één, rechts en links, zoo moest ook de beenwoekering zich
in tweeën splitsen, opdat op ieder neusbeen een afzonderlijke
voorsprong kwam. Wij hadden dan uit een neushoorn een zoo eenvoudig
mogelijk, echt Titanotherium gemaakt.

Van zijn neus, maar wel te verstaan, nu niet van de eeltvormig verharde
neushuid, maar van het been zelf, stegen twee korte, dikke komkommers
evenwijdig naar boven. Met een eeltvormige huid oppervlakkig bedekt,
moeten zij van verre in ieder geval eenigszins geleken hebben op een
stompen dubbelen hoorn, zooals die bij den neushoorn voorkomt, alleen
moet bij een stoot de eigenlijke schedel zelf opspringen. Ik geloof nu
niet, dat die beenige horens van het Titanotherium werkelijk gestooten
hebben, in de beteekenis, waarin de tegenwoordige rhinoceros dat doet.
Zij maken op mij den indruk niet van een sabel maar van een vreedzaam
werktuig, alsof zij oorspronkelijk als hefboom bestemd waren. Ik zeide
vroeger, dat de eelthoorn van den neushoorn misschien in het
allereerste begin ook een breek- en hefwerktuig is geweest in de
doornstruiken en het dichte oerwoud, en eerst later de rol van wapen er
bij heeft gekregen. De peenvormige beenderen op den neus van het
Titanotherium zien er volkomen zoo uit, als waren zij nooit over dat
oorspronkelijke doel heengekomen. Wij hebben een ander geslacht van
hoog op de pooten staande reuzen in de oudste tijden en tegenwoordig,
dat, van de oudste tijden af blijkbaar een zeer karakteristieke
woudbewoner, breekijzers en hefboomen, om de boomen in het woud te
ontwortelen, met een ander deel van zijn schedel heeft ontwikkeld, en
wel met de snijtanden; ik bedoel de olifanten met hun ontzaglijke
slagtanden. Niet zonder reden gelijken de Titanotheriën in
lichaamshoogte juist op die olifanten. Ik houd ook deze op een bepaalde
trap hunner ontwikkeling voor een uiterste aanpassing van den
equidenstam aan het woud. Hun bijlen, breekijzers en hefboomen, hun
„slagtanden” werden daar gevormd door het dubbele peenvormige been op
den neus. In dat oorspronkelijke dikke woud zullen er wel geen
aanvallers geweest zijn, die voor die kolossen gevaarlijk waren, zoodat
het wel nooit gekomen is tot echte, spitse aan die hefboomen geplaatste
horens met het doel zich te verdedigen. En in deze opvatting word ik
versterkt door een zeer leerrijke analogie bij een verdere ontwikkeling
van die Titanotheriën nog juist voordat hun bestaan was afgesloten, met
een eigenaardige ontwikkeling, die een zekere soort van olifant,
namelijk de mammouth, kort vóór zijn ondergang heeft doorloopen.

Evenals de andere olifanten, had ook die mammouth zijn stootwerktuigen
medegekregen als wapen onmisbaar voor den pionier bij het „ontginnen
van de bosschen”, dat wil zeggen voor het maken van paden in het
oerwoud en het afbreken van takken (wij spreken later nog over de
bijzondere methode bij dat werk der olifanten). In de diluviale periode
bewoner geworden der mossteppen in het hooge noorden, waar geen boomen
gevonden werden, had het geen bestemming meer voor die breekwerktuigen.
Zoo kwamen zij in een stadium van „hypertrophie”, zij groeiden uit tot
kromme arabesken zonder zin, die zonder eenig nut den drager langen
tijd hebben bezwaard en gehinderd en eindelijk waarschijnlijk een
oorzaak zijn geweest van zijn ondergang. Dit is ten minste het zeer
voor de hand liggende en logische vermoeden, door Brandes, den
voortreffelijken leider van den zoölogischen tuin te Halle, geuit, een
vermoeden, dat werkelijk aansluit aan de in ieder geval volkomen
onbruikbaar gekromde, krulvormige slagtanden der mammouths uit het
diluviale tijdperk. Het slotbedrijf in het leven der Titanotheriën
levert nu daarmede een zóó treffende analogie, dat men die werkelijk
mag mede tellen onder de bewijsmiddelen voor de verklaring bij den
mammouth gegeven.

Kort voordat zij weer voor goed van de aarde verdwijnen, vermeerderen
zij tot in het onmetelijke. Geheele lagen, afgezet in het
Noordamerikaansche gesteente, dragen haar naam naar de ontzaglijke
ophooping van hunne beenderen. Die lagen zijn afkomstig uit den tijd,
toen daarginds de reeds genoemde Protapirus, en van den echten
paardenstam de driehoevige paardachtige dieren van de grootte van een
schaap, leefden. Het is, alsof een uitwendige verandering in het
landschap in die dagen aan het Titanotherium plotseling een tijdlang de
allergunstigste levensvoorwaarden had geboden. Te gelijk echter begint
in de geraamten van die zoo ontelbaar toegenomen schepselen een, zoo te
zeggen, woest en wild varieeren. Allerlei vervloeien, allerlei
spelingen, allerlei goochelen en heen en weer schommelen in de
kenmerken begint. En dit geldt in de eerste plaats de breekijzers van
den neus. Juist zooals die mammouthtanden groeien zij ten slotte uit
tot ware vermommingen. Men staat er versteld van, hoe een dier met een
dergelijken beenderigen snavel nog behoorlijk kon eten, zoolang hem het
voedsel niet gewoon weg in den bek groeide. Als werktuig kon de dunne
vork in ieder geval onmogelijk meer worden gebruikt. Noodzakelijk moet
men denken aan de belemmerende kromme klauwen, waarin de hoeven der
wilde ossen in de zoölogische tuinen veranderen, als zij niet meer
gebruikt worden, en aan de potsierlijke woekertanden bij hazen, als de
daarmede overeenkomstige andere snijtand, die anders zijn vis à vis
door afslijting wist te regelen, toevallig is uitgevallen:
woekertanden, die zich als spiralen oprollen. Wat hier van tijd tot
tijd het individu wedervaart, schijnt daar de geheele soort te hebben
getroffen. Bij de weelderigste voeding varieerde ook hier een orgaan,
dat niet meer werd gebruikt, zonder eenige regelmatigheid, tot in het
zinnelooze. Naar alle waarschijnlijkheid waren die Titanotheriën uit
het dichte woud in de vrije, weelderige grassteppen gekomen. Hun
neushefboomen waren daar niets anders meer dan een stuk speelgoed, zij
ontsnapten volkomen aan de controle van het nuttige in den arbeid. Maar
toen dat nu zijn toppunt had bereikt, was het, als veegde een storm
plotseling het geheele geslacht weg. En men begrijpt volkomen, dat een
plotseling hernieuwde eisch van den strijd om het bestaan korte metten
moest maken met die gehypertropheerde gemaskerde neuzen, nadat zij
vroeger (overdrachtelijk gesproken), steeds zeer behagelijk hadden
kunnen blijven voortleven. De minste aanvaller, die opnieuw ten
tooneele verscheen, en in eenigerlei opzicht gevaar kon opleveren,
moest wel onmiddellijk met dien reus kunnen klaar komen, die door zijn
ontzaglijke beenderwoekeringen niet werd beschermd, maar juist weerloos
gemaakt. Zij moesten in eenigszins anderen vorm het lot ondergaan van
die lompe Dodo’s of Dronte’s van het eiland Mauritius, die, daar zij
langen tijd zonder eenigen vijand hadden geleefd, hun vleugels hadden
afgeschaft en hun lichamen in vettonnen hadden veranderd; tot op het
laatste exemplaar vielen zij als slachtoffers der eerste menschelijke
bezoekers. In de beteekenis van de theorie van Darwin geloof ik er wel
is waar niet aan, dat een diersoort zich zelf door hypertrophie van
organen onmiddellijk te gronde kan richten, als het ware door eigen
groei een zelfmoord kan plegen. Varianten, die onmiddellijk op
innerlijke evenwichtsgronden van den lichaamsbouw tot een bankroet
zouden leiden, zouden zich binnen de soort niet hebben gehandhaafd, en
de toestand zou zich zelf weer van zelf hebben moeten regelen. Bij
dergelijke woekerende beenige verzweringen betrof het echter
buitensporigheden, die langen tijd volmaakt onverschillig waren, en die
bij gelijkmatige uitwendige omstandigheden nog maar wat meeliepen
zonder nut maar ook zonder eenig bezwaar. Het doodvonnis werd eerst
over hen uitgesproken, toen van buiten wijzigingen optraden in den
strijd om het bestaan, waarin zij plotseling ongunstige kansen
aanboden. Hier werd de buitensporigheid hun tot verderf. Voordat in zoo
en zooveel geslachten die buitensporigheid weer kon worden uitgeroeid,
had deze de soort in haar geheel reeds vernietigd als gevolg van de
nieuw gestelde eischen.

Heeft ons dus de zoölogische tuin in tapir en neushoorn toch nog
minstens twee stations der oudere geschiedenis van het paard gered, in
den vorm van een beeld, dat zeer duidelijk is voor hem, die in de zaak
is ingewijd, er bestaat bovendien nog een derde middel tot
onmiddellijke aanschouwing. De zoölogische tuin laat ons ook het
voltooide paard zien nog op zijn trap als wild paard, voordat het in
symbiose met den mensch heeft geleefd.

Er kan in ieder geval hieromtrent geen twijfel bestaan: ook die trap
heeft tegenwoordig reeds een historisch karakter, het karakter eener
overlevende reliquie. De groote bloeitijd der ongetemde wilde paarden
is op onze planeet eveneens reeds lang voorbij. In onze periode van het
leven op aarde zijn het in verval gerakende, uitstervende dieren. Juist
in de meest karakteristieke dingen, die ons hier belang inboezemen,
komt ons onderzoek hier weer eens erg laat, meestal te laat.

Uit die groote bloeiperiode der wilde paarden moet onze menschelijke
cultuur haar tam paard hebben te voorschijn gehaald. Dit beginsel staat
absoluut vast. Daar dit cultuurpaard ten slotte toch het uitgangspunt
is geweest voor onze belangrijkste deelneming aan het geheel, moet hier
de spanning tot het hoogst klimmen. Maar de storm heeft weer
onverbiddellijk er over heen geveegd. De lange ketens van overgangen
van oude wilde paarden tot aan de rassen onzer cultuur ontbreken ons
geheel en al. Aan den éénen kant staan die rassen steil tegenover ons
als voltooid werk, aan de andere zijde als een paar toevallige
reliquieën van den stam. Zal er iets voor den dag komen, dan moeten ook
hier de fijne wegen der bewijzen door aanwijzingen worden betreden.

Daarbij komt nog de omstandigheid, dat onze cultuur tegenwoordig
tegenover die paar levende fossielen van het overoude materiaal niet
meer assimileerend, maar vernielend staat. Terwijl het onderzoek met
vliegende stift het weinige, dat toevallig is behouden gebleven, zou
willen fixeeren, decimeert het materiaal onder onze handen. De
inventaris aan wilde paarden is in het oog vallend verminderd, sedert
deze door de wetenschap ontdekt is geworden. Terwijl wij tegenover
huiden en schedels twisten over systematiek en nomenclatuur, hebben
onwetende jagers ons in bijzondere gevallen daar buiten reeds de
levende dieren tot op het laatste exemplaar neergeschoten. Een
wedstrijd tusschen redden en vernielen!








Wij hebben reeds medegedeeld, dat in het uiteinde der tertiaire periode
de oude wereld, dus Azië, Europa, Afrika, overal gevuld was met wilde
paarden van het voltooide type. Dus paarden, die den laatsten
voorbereidenden trap van de pinkpaardachtigen reeds voor goed achter
zich hadden gelaten, en in voet, tand en geheelen bouw „paard” waren.
Overblijfselen van beenderen van dergelijke tertiaire volkomen paarden,
die tot de oude wereld behoorden, zijn wat Azië betreft in Oost-Indië,
wat Europa betreft in Frankrijk en Italië, wat Afrika betreft in
Algiers aangetoond. Men kan ze samenvatten onder den naam, die
oorspronkelijk geschapen is voor de Oostindische paarden, en wel die
van Sivapaarden. Siva is een Indische godheid, waarnaar een beroemde
vindplaats van voorwereldlijke beenderen aan den zuidelijken voet van
den Himalaya heet. In die tertiaire Sivapaarden moet in die dagen alles
bij elkander gestoken hebben, wat tegenwoordig van paarden in de oude
wereld over is. Alle tegenwoordig gesplitste rassen van ons
cultuurpaard. Alle overblijfselen van wilde paarden van tegenwoordig.
En ook nog wel de tegenstelling van paard en ezel.

Paard en ezel zijn voor ons immers tegenwoordig, vooral in hun typische
gestalte als huisdieren, bijzonder van elkander verschillende
schepsels. Niet gemakkelijk kunnen twee dieren, die anatomisch zoo nauw
met elkander verwant zijn, sterkere tegenstellingen in hun physionomie
bieden. Zij zijn zóó nauw met elkander verwant, dat men ze reeds sedert
langen tijd met elkander pleegt te kruisen, en uit ezel en merrie het
„muildier”, uit hengst en ezelin den „muilezel” voortbrengt; echter
juist bij die kunstmatige combinaties vertoonen zich misschien de
eigenzinnige afzonderlijke kenteekenen zoo duidelijk mogelijk. Toch
blijft het bij dit alles onomstootelijk waar, dat ook ezel en paard
niet anders dan twee varianten zijn binnen het grondtype „paard”. In
die vroeger besproken kenmerken van het skelet, die het voltooide paard
uit een geschiedkundig oogpunt karakteriseeren, zijn beide absoluut
identiek. Als de ontwikkeling van het paard tot een organische eenheid
zich tot het laatst toe ook hierin is trouw gebleven, dat het echte
paardentype als eerste oorspronkelijke vorm slechts eenmaal is
ontstaan, dan moeten in dien eersten vertegenwoordiger ook ezel en
paard nog beide aanwezig zijn geweest als toekomstige mogelijkheid tot
varieering. Uit de overblijfselen der beenderen is er niets tegen in te
brengen, dat niet het tertiaire Sivapaard der oude wereld nog dat
eenheidstype is geweest; maar uit de beenderen alleen kan het noch
middellijk, noch onmiddellijk worden bewezen.

Overlevende onveranderde nakomelingen van dat Sivapaard hebben wij in
ieder geval tegenwoordig op aarde niet. Een in geraamte met het
paardentype overeenkomend dier, dat physionomisch in zijn uitwendigen
aanblik niet als een latere kruising of een gelijkenis, maar in de
beteekenis van een oorspronkelijke eenheidssoort in uiterlijk nog zóó
duidelijk toonde, dat geen der bestanddeelen overheerschte, bestaat in
levenden toestand niet. Met die gaping begint dus ons beslissend
hoofdstuk van het paard in ieder geval. Binnen de nog aanwezige
overblijfselen der wilde paarden bezitten wij reeds duidelijk de
splitsing voorbij die plaats. Wij hebben daarbij echter wilde ezels en
echte wilde paarden in engeren zin. En de tegenstelling kan ook
historisch nog tot in den diluvialen tijd, dus tot voorbij het begin
der cultuursymbiose van beide vormen worden gevolgd. Eerst daarmede
wordt voor ons de gordijn weggetrokken.

Maken wij in het kort den inventaris op van de levende
overblijfselen,—om te zien wat deze ons nog verder kan leeren. Europa
is hierbij geheel buiten het spel. Het heeft geen spoor meer van een
echt oorspronkelijk wild paard of wilden ezel. De gordel der reliquieën
begint in het zuidelijke gedeelte van Siberië, in westelijk China,
loopt in een breede strook over Perzië en Noordindië tot den
noordoosthoek van Afrika en dan over geheel tropisch Afrika.
Oorspronkelijk ook nog tot aan Kaapland, doch daar heeft tegenwoordig
reeds het genoemde vernielingsproces gewoed. Op die breede strook der
aarde wonen nog vier verschillende groepen van overblijfselen, en wel,
van het noordoosten naar het zuidwesten gerekend, ten eerste op den
Chineeschen hoek echte wilde paarden, dan, in het begin nog met die
wilde paarden te zamen, maar verder over het geheele overige deel van
Azië alleen echte wilde ezels, in Noordoostafrika een andere groep van
dergelijke wilde ezels en daar tot aan het einde weer een andere groep
van wilde paarden.

Ieder dier groepen geeft aanleiding tot afzonderlijke problemen. Het
van oudsher gemakkelijkste en meest doorzichtige ligt echter aan den
Noordoostafrikaanschen hoek, dus ongeveer in het midden van het gebied.

Wat het paard op zijn ontwikkelingsgang in den loop der
wereldgeschiedenis hoe langer hoe beslissender is geworden, dat is het
als wild paard ook nog tegenwoordig: een steppendier. Die geheele
verbreidingsgordel is, wat de plaats betreft, tevens een steppengordel.
In het hart van Azië het onmetelijke steppengebied, dat zich van de
woestijn Gobi tot in Tibet en eveneens westelijk eindeloos ver
uitstrekt, het land, dat door Sven Hedin zoo meesterlijk is geschetst.
De steppengedeelten van Indië. De met kreupelhout bedekte steppen van
Afrika, zooals wij die reeds hebben leeren kennen als de woonplaats van
den neushoorn. Die steppe strekt zich ook daar uit aan den
noordoosthoek van Afrika van de Somalilanden aan den Indischen oceaan
tot ver in het binnenland naar den Nijl in een oneindige vlakte, van
Kaap Gardafui tot naar Nubië. Door die steppe echter trekken nu kleine
troepen vlugge, schuwe, eenhoevige dieren, wie men op het eerste
gezicht kan aanzien, dat het wilde ezels zijn. Op dat uitgestrekte veld
kan men twee ondersoorten herkennen, een kleinere (indien ten minste de
scherpe verdeeling juist is), meer grauw van kleur met een zwart
schouderkruis zonder strepen over de pooten, dieper landwaarts naar
Nubië; en een grootere, meer roodachtige, meestal of altijd zonder
schouderkruis, maar wel altijd met een paar duidelijke donkere
dwarsstrepen aan de pooten, in de steppe aan de kust.

Die Afrikaansche ezels zijn, wat hun levenswijze betreft, wild; in hun
uiterlijk zijn zij zóó ontwijfelbaar echte ezels in de beteekenis van
onzen tammen ezel, dat geen kind zelfs een oogenblik kan aarzelen.
Vooral de kleinere vorm zonder strepen over de pooten is in alle
karakteristieke trekken eenvoudig onze „ezel”, alleen maar vrij en
frank in de open steppe geplaatst. De andere is trotscher, zwaarder,
rooder, meer gestreept, alsof die vrijheid ook reeds haar invloed op
den vorm van het lichaam heeft doen gevoelen; maar ook ten opzichte van
dien vorm vindt men, als men slechts goed zoekt, in de tamme rasvormen
van den ezel nog de duidelijkste analogie. Hij die in de omheining van
den dierentuin die Afrikaansche dieren terugvindt, ziet, dat zich hier
eigenlijk volstrekt geen probleem verder voor hem voordoet, maar
eenvoudig een gewone consequentie. In dat dier staat de oorspronkelijke
wilde stamvorm van onzen getemden ezel zelf ons nog voor oogen!

Alles is daarmede in overeenstemming. Die wilde ezels wonen nog
tegenwoordig in het Egyptische achterland. De vroegste sporen echter
van den reeds getemden ezel vindt men in de Egyptische cultuur. In
Opper-Egypte gaat hij daar terug tot voorbij de eerste dynastie, juist
tot in de eerste tijden der Egyptische cultuurperiode. Op de oudste
afbeeldingen ziet men hem reeds met absolute duidelijkheid als
huisezel, overal met het zwarte kruis op den schouder, het erfdeel van
den Arabischen wilden ezel. In die tijden en langen tijd daarna ontbrak
het tamme paard in dat Egypte, naar het schijnt, nog volkomen; zijn
beeld komt eerst voor den dag op gedenkteekenen der achttiende
dynastie, dus omstreeks 1500 jaar vóór Christus. De ezel daarentegen
liep reeds gedurende het bestaan van het geheele oude rijk op den
dorschvloer om te dorschen, en droeg het zadel van den reiziger.

Er is geen enkel bekend feit, dat in strijd is met de opvatting, dat de
geheele verspreiding van den tammen ezel over de landen aan de
Middellandsche zee oorspronkelijk van Egypte zou zijn uitgegaan. Tot op
onze dagen is de oostelijke uithoek daar de eigenlijke wereld, waar de
ezel gedijt en zich in zijn element gevoelt. Daar is hij groot,
krachtig, en nog steeds een werkelijke concurrent van het paard. Verder
op naar het noorden in Europa neemt zijn rijk daarentegen zóó sterk af,
dat men terecht heeft gezegd, dat hij nog alleen maar als caricatuur
voortleeft. Zoo klein, ellendig en armzalig, koppig en afgeranseld de
ezel in onze streken is, zoo statig, trotsch, betrouwbaar en dapper
wordt hij in de richting van Palestina en Egypte, waar hij den bodem
van zijn oude cultuur aanraakt. Voor onze noordelijke fantasie past hij
volkomen als humoristisch rijdier voor den intocht van Sancho Panza als
stadhouder; maar wij hadden nooit de onderstelling durven uiten, dat de
Heiland hem op het beslissende oogenblik zou berijden; en juist dit is
de meening in het oosten omtrent de komst van den verwachten Messias,
dat hij zijn intocht zal doen op een witten ezel.

Zoo past dan in dit geval alles zoo goed mogelijk in elkander.
Nauwelijks koesteren wij nog het verlangen, hier werkelijke
overgangsschakels tusschen den wilden en den getemden toestand te
zoeken. Uitwendige trekken der beide Afrikaansche witte ezels komen
immers nog steeds zichtbaar in onze ezels voor den dag; behalve dat
kruis op den rug ook telkens bij gelegenheid weer die donkere strepen
over de pooten. De kleur gaat ook nog steeds van tijd tot tijd over in
het roodgeel der steppen. En zelfs de als het ware psychische handeling
van het temmen kan niet al te moeilijk juist hier weer in gedachten
worden gereconstrueerd. Die wilde ezels zijn gezellig levende dieren,
waarvan de kudde uit merries en jonge veulens onder de leiding staat
van een mannelijk dier als aanvoerder. Een zoodanige merrie of een
dergelijk veulen, plotseling uit het verband weggerukt en in de macht
van den mensch gebracht, zou in zekeren zin al een schepsel zijn, dat
aan leiding gewoon was. De menschelijke temmer neemt nu de rol van den
vroegeren aanvoerder over. Hij behoefde de instincten der
gehoorzaamheid en van het begrijpen der signalen niet eerst voort te
brengen, hij vond die reeds voorhanden. Ik stel mij voor, dat misschien
langen tijd uitsluitend merries gebruikt zijn, die men van tijd tot
tijd steeds weer door wilde hengsten liet dekken. Dat proces zal bij
elke temming van wilde, in kudde levende dieren, ook bij de echte
paarden, op die wijze voltrokken zijn. De symbiose met den mensch was
slechts een voortzetting, een bekroning der reeds aanwezige symbiose in
de kudde. De manbare hengst is overal het langst nog het halfwilde dier
gebleven, dat eigenlijk nooit volkomen is getemd geworden. Hoe kleiner,
handiger echter de soort in het begin geweest is in verband met de
grootte van den mensch, des te gemakkelijker moest in het algemeen de
zaak gelukken. Hier bood de ezel de meest gunstige kansen. Het is
duidelijk in te zien, dat men het eerst zijn krachten heeft beproefd op
de kleinste soort. Op de oudere Egyptische afbeeldingen ziet men nooit
een mensch op een ezel rijden, maar steeds ziet men een draagstoel
tusschen twee ezels opgehangen. Eerst toen het temmen een bepaalde
hoogte had bereikt, zal men het getemde ras ook wat steviger en grooter
gefokt hebben, waardoor het weer meer overeenkomst gekregen heeft met
den anderen wilden vorm; ook is het mogelijk, dat ook kruisingen met
die aan de kust levende soort een rol hebben medegespeeld.

Afrika heeft anders geen wilde ezels. In alle landen van Afrika naar
het zuiden toe met hun zebra’s, ontbreken zij geheel. Het is als het
ware een goede luim der wereldgeschiedenis, dat zij in het geheele
onmetelijke werelddeel zich als op een beperkt eiland alleen daar
hebben kunnen handhaven, waar de loop der gebeurtenissen de eenige zeer
oude en op zich zelf staande hooge cultuur van het werelddeel in hun
nabijheid zou brengen. Een merkwaardig diereneiland en een merkwaardig
cultuureiland, die beide iets geïsoleerds hebben, als het ware als een
verloren post, zijn hier met hun inventaris samengekomen.

Intusschen hadden en hebben zich echter wilde ezels in ontelbare
troepen nog op een ander terrein gehandhaafd, dat door zee en land van
het andere gescheiden is, namelijk juist op den ouden stambodem, waarop
reeds in grijze, geologische tijden de eerste inval en verspreiding van
den geheelen echten wilden paardentroep had plaats gegrepen: en wel in
de steppen van westelijk en centraal Azië. Daar, over veel grootere
uitgestrektheden land verspreid, streken, die hoewel steppenland, toch
van oudsher bijna van alle kanten aan groote, overoude cultuurrijken
grensden—zijn die Aziatische wilde ezels toch tot in onze dagen voor
een groot deel fabelachtige dieren gebleven. De jeugdige gymnasiast
hoort over hen spreken in de anabasis van Xenophon: „Onagers” zwerven
daar rond in de „dierentuinen”, de groote omheinde jachtterreinen der
oude Perzische koningen; het woordenboek vertaalt het merkwaardige
woord met „wilde ezel”. In een schoolboek voor natuurlijke historie met
bont gekleurde teekeningen heb ik voor het eerst het woord „Dziggetai”
gelezen, ook weer een dierennaam, die zich als een bijzonderheid in
mijn geest inprentte. In het Mongoolsch is dit ons woord „langoor.” De
teekening deed een reuzenezel zien ter grootte van een paard en
citroengeel van kleur. Het was reeds lang mijn wensch, een dergelijk
wonderdier te zien, doch de zoölogische tuin vervulde dien wensch niet.

Feitelijk wist voor dertig jaar ook de echte zoöloog nog niet al te
veel af van hem en zijns gelijken. Die Aziatische steppen, waar omheen
eertijds de oude beschavingen waren opgegroeid als aan de oevers van
een onafzienbare binnenzee, lagen, wat haar dierenwereld betrof, voor
onze Europeesche wetenschap als onder een nevelsluier. Men wist, dat
zwermen dieren ongestadig daardoor heentrokken, en daaronder waren ook
de wilde ezels. Indien hier of daar, aan de Chineesche, Turksche,
Engelsch-Indische, Russische grens dergelijke zwervers van tijd tot
tijd door reizigers werden gezien, wist men niet, of het plaatselijk
scherp begrensde soorten waren dan wel één en hetzelfde vrije geslacht,
dat van Mongolië tot Perzië of Indië rusteloos heen en weer trok. Hier
hebben eerst in de laatste tijden werkelijk onze zoölogische tuinen
eenigszins licht ontstoken, vooral de Berlijnsche dierentuin, die zoo
systematisch zijn verzameling aanlegt. Hij heeft ons de Aziatische
wilde ezels van de rij af in verschillende plaatselijke typen in
vleesch en bloed voor oogen gevoerd, zoodat men zich daarvan een
physionomisch beeld kon maken.

Als het ooit de moeite waard was een diervorm te beschouwen, dan was
het wel deze. Het ezeltype ongetwijfeld nog gehandhaafd in de lange
ooren en andere kenteekenen, maar tevens toch dat type tot een hoogeren
vorm veredeld. Steile, hoog op de pooten staande, slanke, pezige
dieren, met krachtige zenuwen, dieren met prachtige koppen en dunne
halzen, met een trek van de fijne gazelle, en den Guanaco met zijn
dunnen, schralen hals; het laatste spoor van den caricatuurvorm van den
ezel is uitgewischt, het zijn in ieder opzicht prachtige schepsels,
wier dartele sprongen men met ongestoord genoegen steeds weder
gadeslaat. De kleur is in overeenstemming met het zwevende van den
gang: van de pooten in bovenwaartsche richting als witte melk, waarin
een meer of minder groote scheut bruine koffie gegoten is, zoodat deze
er als een wolk doorheen loopt, en eerst geheel op het laatst, aan de
bovenzijde van den rug boven de ruggegraat, een fijne donkere streep,
die de silhouet, die van onderen verloren gaat, ten minste van boven
nog afbakent, een donkere streep van de donkere manen tot den donkeren
staartkwast. En dit alles bij de grootste soort tot de volle grootte
van een flink paard, maar met nog langer pooten. In die afmetingen en
met verschillen in de sterkte van de koffiekleur op de huid vindt men
tamelijk duidelijk een aantal verschillende plaatselijke vormen. Zoo
heeft men een fijnen Perzischen ezel met een fijnen, kleinen kop, met
een fraai witte kleur met een zilverachtigen glans, welke kleur aan de
bovenzijde van den kop, aan de zijden van den hals en van de romp en
aan de heupen in een bleeke isabellakleur overgaat. Over de
schouderstreek loopt een witte streep, een hand breed naar beneden, een
breede streep loopt aan weerszijden langs het midden van den rug en
dicht ter zijde der dijen; tusschen de beide overlangsche strepen ligt
de koffiebruine rugstreep. Dit is de reeds bij Xenophon vermelde
Onager. Dan een hoogpootige, betrekkelijk kleine Indiër, die in het
oogloopend koffiebruin is gekleurd, en uit het achterland afkomstig is,
die door de bewoners van Beloetsjistan Gorkhar genoemd wordt, dan nog
de Koelan der Kirgiezen, een bijzonder mooi dier, van het Balkasjmeer,
met den edelsten kop bij betrekkelijk korte ooren, met vurig zwarte
oogen, donkerbruine manen, met een bruinachtigen streep over den rug
tot op den staartkwast, met donkere oorspitsen, maar overigens bijna
alles effen gekleurd met een isabellakleur. Men ziet duidelijk, hoe de
steeds kalere, steeds geler woestijn zich uitbreidt en haar kleur geeft
aan die dieren. De echte Dziggetai uit de Chineesche woestijn Gobi
heeft die stofgele kleur wel in de sterkste mate. Omgekeerd gaat de
reus van het geslacht, de geweldige „Kiang” van de hoogsteppen van
Tibet, weer meer naar het bruin over, dat zelfs tot het schitterendste
goudkleurige hoogrood overgaat.

Zonder twijfel zijn die luchthartige klanten geen van allen paarden.
Maar als men van onzen getemden ezel het begrip ezel wegneemt, dan doen
zij mij, wat hun physionomie betreft, steeds weer denken aan een derden
vorm van wilde eenhoevige dieren, die noch het aanzijn heeft geschonken
aan het paard, noch ook aan den ezel, maar die een geheel op zich zelf
staande zijtak is, een bijlooper der ezellinie, zooals eertijds de
Anchitheriën en Hipparions bijloopers waren van de oude groote
paardenlinie. En ik geloof, dat die bijzondere aard zich ook hierin
heeft gehandhaafd, dat zij in weerwil van de nabijheid van zooveel oude
cultuurrijken nooit werkelijk getemd zijn. Een op een gazelle
gelijkend, licht, slank huisdier met fijnen kop en op hooge pooten, dat
in de beteekenis van die Aziatische wilde ezels noch paard noch echte
ezel is, bezitten wij niet, het moet eenvoudig niet gelukt zijn, het in
Perzië of in China of in Indië of in de steppen der Kirgiezen blijvend
te fokken. Daarmede is natuurlijk niet gezegd, dat niet van tijd tot
tijd vruchtbare kruisingen hebben plaats gehad op het aanrakingsgebied
van den geïmporteerden Egyptischen ezel en de Aziatische in vrijheid
levende ezels. Als paard en ezel zich gekruist hebben en dat wel
blijvend veel vruchtbaarder dan men gewoonlijk meent, waarom dan niet
die beiden? In den Berlijnschen zoölogischen tuin heeft een kruising
van een Koelan met een ezelin van den beschreven vorm der Afrikaansche
wilde ezels aan de kust van Somaliland het aanzijn geschonken aan een
jong dier zonder echt schouderkruis, hoog op de pooten, van den bouw
van een Koelan met de strepen op de pooten, die de Somalimoeder had en
zelfs met een duidelijk zichtbaar kruis op den rug. Een bijzonder
schoon ras van een huisezel in het oosten, uit fokkerijen in
Centraal-Arabië, maakt met zijn witte huid bijna den indruk, alsof
daarin van oudsher ook Onagerbloed aanwezig is. Maar zelfs daaruit is
blijkbaar geen vaste regel ontstaan. Evenals het hooge schelle suizende
gefluit in het geschreeuw van den wilden Aziatischen steppenezel noch
past bij het hinniken van ons paard, noch bij het half komieke i-a, i-a
van onzen getemden ezel, zoo staan wij ook over het algemeen bij hem
tegenover een overblijfsel van vrije eenhoevige dieren, welk
overblijfsel in geen enkel opzicht iets heeft te maken gehad met de
symbiose in de dagen der werkelijke cultuur. En wij vinden nu als
duidelijke parallel bij dien oorspronkelijk geheel onafhankelijken
zijtak van het ezeltype nog een dergelijken volkomen onveranderd
gebleven zijtak van het echte paardentype in den zebra. Evenals Azië
den ezel heeft, die in den loop der cultuurgeschiedenis nooit blijvend
getemd is, zoo heeft Afrika een paard, dat nooit tot symbiose is
opgevoed.








Reeds in dien Noordafrikaanschen hoek in Somaliland komt de oude
oorspronkelijke ezel samen met vertegenwoordigers van den stam der
eenhoevigen, die zonder eenigen twijfel behooren tot een geheel ander
overblijfsel van den ouden bloeienden stam van dat geslacht. Ook zij
hebben zeker trekken van den ezel. In tegenstelling met ons
cultuurpaard en in overeenstemming met alle ezels ontbreken bij hen aan
den achterpoot de vroeger reeds genoemde eeltplekken of zwilwratten.
Hun staart heeft (ten minste meestal) alleen den staartkwast, zooals
die bij de ezels voorkomt, over het grootste deel van hun lengte kort
en alleen bij de spits lang behaard, in plaats van, zooals bij de
paarden, over hun geheele lengte met lange haren begroeid. Juist bij
dien Somalivorm zijn de ooren nog zeer verdacht gerekt. En toch beslist
een enkele blik op het geheel, waarbij de aandacht voornamelijk
gevestigd wordt op de physionomie van het dier, een blik die voor den
dierenkenner in hoogste instantie even belangrijk moet zijn als alle
atomistische beschrijving der details, in dit geval zonder tegenspraak
voor het paard. Het zijn voor een deel kleine, het zijn ineengedrongen,
langbuikige, kortpootige dieren, met zachte hoeven, in een reeks
kenmerken echt ezelachtige paarden,—maar paarden. En dat volkje is nu
weer in een aantal soorten verspreid over een kolossaal
district,—zooals wij zeiden oorspronkelijk over het geheele oostelijke,
zuidelijke en zuidwestelijke tropische Afrika tot aan het Kaapland,
onder den gemeenschappelijken naam van „Zebra.”

Het woord is voor ons niets anders dan een soort aanduiding van de
kleur, en beteekent zooveel als zwart-wit gestreept. En hier hebben wij
onmiddellijk weer een bijzonder punt, waarin die Afrikaansche wilde
paarden zoo eigenaardig zijn en dat zij allen gemeen hebben. Zij hebben
een neiging tot kleuring van hun huid, die geen enkele wilde ezel,
tamme ezel of geen enkel tam paard bezit: de neiging, dwars over een
helderen dikwijls volkomen sneeuwwitten ondergrond een prachtige
teekening te hebben van koolzwarte strepen. Die teekening, de
karakteristieke „zebrateekening” heeft den zebra beroemd gemaakt als
pronkstuk, zoolang men hem kent. Het dier is, voor zoover
geschiedkundige getuigenissen mededeelen, het eerst bewonderd in de
arena ten tijde van den Romeinschen keizertijd, onder keizer Caracalla
(211 na Christus); die zebrateekening wekt ook thans nog in iederen
zoölogischen tuin de verbazing op van iederen eenvoudigen boer.

Het gebeurt zelden, dat zoogdieren door hun kleur alleen de
belangstelling wekken. Het haar is in tegenstelling met de schubben van
de hagedis en de veeren van den vogel meestal te weerbarstig, te
onrustig voor zuiver bonte kleuren. Een onbeslist bruine, grauwe,
grauw-zwarte, grauw-gele kleur hult geheele groepen in een eenvormig
arbeiderskleed zonder eenige sierlijkheid. En als eens de bontheid van
kleur ook bij het zoogdierenvolk een enkelen keer duidelijk toeneemt,
zooals bij de apen, dan eindigt het spoedig hiermede, dat zij zich toch
weer van het haar losmaakt en als een schelle kleur van de onbehaarde
huid optreedt, zooals bij het cobaltblauw en het steenrood van de
mandril; het is in zekeren zin reeds de ontwikkelingslijn naar den
mensch, die bijna geheel naakt is, maar nu die naakte huid kunstmatig
tatoueert of met gekleurde kleeren omkleedt. De zebra is daarentegen
een uitzondering, waar de eigenaardigheid der kleur uitsluitend in de
haren zetelt. Met schitterend wit en schitterend zwart in de sterkste
tegenstelling, maakt hij een ontzaglijken indruk op het oog. Bij de
schoonste variëteiten is er bijna geen plekje meer op de geheele huid,
dat niet bijdraagt tot den eigenaardigen indruk van die strepen. De
strepen worden gevonden aan de neusgaten, op de korte, stijve manen, de
ooren, tot den staart toe, het geheele gelaat is daardoor met een
traliewerk bedekt. En als men nu den eersten indruk van de
tegenstelling van wit en zwart ten volle genoten heeft, blijft er voor
het nauwkeurig onderzoekende oog nog de prachtigste verrassing over
door het feit, dat de strepen niet meer ruw over de onderdeelen van het
paardenlichaam heen loopen, maar dat lichaam in zijn meest intieme
lijnen volgen. Wilhelm Busch heeft in een grappige teekening eens een
zebra eenvoudig schematisch schuin gelinieerd als de wand van een
Pruisisch schilderhuisje, zonder eenigszins rekening te houden met het
leven van het gelinieerde lichaam zelf. Ongetwijfeld was die teekening
in overeenstemming met den indruk van tallooze bezoekers van den
zoölogischen tuin, die slechts oppervlakkig hebben toegekeken; dit is
werkelijk de indruk, dien zij er in hun herinnering van hebben
behouden. Maar het eigenlijk interessante is, dat de zebra feitelijk
daarmede niet in overeenstemming is.

De werkelijke strepen sluiten nauwkeurig aan het levende lichaam aan
met zijn verschillende in elkander ingrijpende onderdeelen. In de
eerste plaats doet zij een hals en een rompgedeelte op zich zelf
uitkomen, die in het skelet en in de aanhechting der spieren van boven
naar beneden loopen, daar zij als het ware van de stijve wervelkolom
neerhangen, die alleen een sterke buiging maakt in den nek. In
overeenstemming daarmede hangen in dit gedeelte ook de zwarte strepen
alle ten minste in beginsel recht naar beneden van de kruin naar
beneden over de flanken van rug en hals, eveneens met een duidelijke
aanwijzing van de buiging van den nek. Een tweede stelsel zijn dan de
strepen op den staart, die, volkomen de werkelijke staartwervels
volgend, van achteren hooger op den rug opstijgen dan de leek zou
verwachten, die het skelet en de spierstelsels onder de huid niet kent.
Reeds hier begint, wat ik de „doorzichtigheid” zou willen noemen in die
zebrateekening. Zij doet ons een dieperen blik slaan in het inwendige
van het dier, daar zij den samenhang van het inwendige mechanisme, die
anders onder de huid verloren gaat, op een zoodanige wijze naar buiten
doet komen, alsof men door een doorzichtig omhulsel een laag dieper kon
naar binnen zien in het levende dier zelf. En dit alles viert zijn
triomf in de pooten. Elk der pooten heeft zijn strepen als stelsel op
zich zelf. Daar echter de stijve as van het been loodrecht staat op het
horizontale rugstuk, loopen ook dezen keer de strepen loodrecht op die
van den rug. Dat verschil in richting volgt echter het been naar boven
ver over de plaats heen, waar het in den gewonen omtrek van het paard
zich in de massa van den romp verliest. Wij herinneren ons, dat bij het
skelet van het paard feitelijk eerst op die plaats de echte knie
gelegen is, terwijl het been zelf zich nog een heel eind verder van
binnen voortzet in de schijnbare borst- en buikmassa. En nu is het
merkwaardig, hoe juist de strepen dien toestand zoo schitterend doen
uitkomen. De strepen op de pooten loopen in een richting, die loodrecht
staat op die van den rug, nog in een hoogen driehoek zoowel van voren
als van achteren voort naar de flanken van het lichaam. Zoo ontstaat
het prachtigste gedeelte van de geheele zebrateekening; die aan
weerszijden in de neerhangende strepen van den rug ingrijpende
driehoeken, bestaande uit fladderende wimpels, een verrukkelijk gezicht
voor ieder kunstenaarsoog, en dat aan den zebra eerst zijn groote
schoonheid geeft voor hem, die aan dat dier grootere opmerkzaamheid
wijdt.

De teekening wordt tevens op die wijze een belangrijke factor in het
totale beeld ook van den bouw van den zebra; terwijl zij namelijk het
anders in het lichaam van het paard verborgen bovenbeen van achteren en
van voren voor den uitwendigen blik duidelijk doet uitkomen, verlengt
zij schijnbaar daardoor de pooten in het algemeen: de zebra lijkt ook
hem, die zich volstrekt niet bewust is, wat de reden daarvan is,
feitelijk veel hooger op de pooten te staan dan werkelijk het geval is,
en ten gevolge daarvan maakt ook het geheel een veel fraaieren indruk.

Een eigenaardig stelsel van strepen vindt men ten slotte op den kop. De
manen zijn wel is waar geheel opgenomen in het strepenstelsel van den
hals, daar hier de neerhangende strepen eenvoudig doorgetrokken zijn
tot in het haar, een omstandigheid, die voor den totalen indruk hier
weer het voorste gedeelte van de kruin, waarmede die zwart-witte haren
samenvallen, aanzienlijk hooger en statiger maakt. Aan het voorhoofd en
de wangen daarentegen ontwikkelt zich de meest geraffineerde speling
van fijne strepen, als moest duidelijk uitgedrukt worden, dat daar de
meest zenuwrijke, meest gevoelige plaats van het geheel gelegen is. Om
de oogen worden de streepjes gewone hanepooten. Men meent te zien
doorschemeren, hoe het oog door de spieren wordt vastgehouden,
horizontale plooien van het voorhoofd met tegen elkander in loopende
hanepooten geven aan het oog iets ingespannens en dreigends, dat anders
nooit voorkomt bij een vluchtend hoefdier zonder kopverdediging. En
lager bij den bek duiden de halvemaans-strepen onmiskenbaar de
krachtige kauwbeweging aan.

Hij die een zebra, ook als hij stilstaat, gedurende langen tijd
nauwkeurig beschouwt met het oog op dat stelsel van strepen, moet
noodzakelijkerwijze geleid worden tot de waarneming van zuiver optische
verschijnselen. Door de verscheidenheid en talrijkheid der schelle,
nauwe, dikwijls elkander kruisende contraststrepen lijkt de zebra niet
alleen grooter, maar het oog van den waarnemer wordt onrustig van de
beschouwing; het beeld begint te verschuiven, loopt in elkander en
vloeit ten slotte formeel in elkander. Men kan die ervaring reeds
opdoen, als men zeer natuurgetrouwe afbeeldingen beschouwt, zooals bij
voorbeeld de voortreffelijke momentopnamen met magnesiumlicht, die
Schillings heeft gemaakt van wilde zebra’s des nachts aan de
drenkplaats. Juist Schillings, die reeds zuiver physisch een zeer
scherp ziende waarnemer is, heeft er met bijzonderen nadruk ook op
gewezen, hoe de zoo in het oog vallend zwart-wit gestreepte teekening
der zebra’s de dragers dier teekening volstrekt niet doet uitkomen
tegen het hen omgevende landschap. Naar gelang van de verlichting zien
er zebra’s heel verschillend van kleur uit, tot zelfs het eenkleurige
grijs; maar zelfs daar waar hun zwart-witte kleur van dichtbij zou
kunnen uitkomen, vervloeien de dieren op de meest merkwaardige wijze
met de kleur der steppe. Maar ook dan wordt ons een hoogst merkwaardig
voorbeeld van mimicry vertoond, als zebra’s tegen het middaguur rust
nemen onder boomen en struiken, die schaduw afwerpen; de trillende
strepen der schaduwen, die door de takken der boomen worden
veroorzaakt, vermengen zich dan op de meest verrassende wijze met de
strepen der zebra’s. Dit citaat uit Schillings is uit den aard der zaak
zeer merkwaardig. Het strepenstelsel, dat zich in den zoölogischen tuin
zoo aan ons opdringt en naar voren treedt, schijnt in de vrije
Afrikaansche steppe met haar kreupelhout omgekeerd juist tot de
schutkleuren te behooren. De vraag zou slechts zijn, of de door Busch
geleverde caricatuur der schilderhuisstrepen of een hoogst verward door
elkander loopende zigzagversiering niet nog betere, in ieder geval even
goede diensten zou kunnen bewijzen. Maar dat merkwaardige en
verwonderlijke naar buiten doen treden van het inwendige lichaam met al
zijn fijnheden en de geheele ornamenteele individualiseering binnen het
rhythmische grondbeginsel schijnen mij in ieder geval er op te wijzen,
dat ook nog inwendige factoren aan den bouw van het lichaam hebben
medegewerkt, die met de uitwendige beschermende aanpassing hier
uitsluitend door teeltkeus volstrekt niet kunnen worden verklaard.

Een lichte neiging tot het vormen van dwarsstrepen schijnt in alle
levende wilde paarden aanwezig te zijn, wij herinneren slechts aan de
strepen boven op den rug, de schouderkruisen en de strepen op de pooten
der ezels; ook bij de tamme paarden komen een enkelen keer strepen op
de pooten voor. Het zou in hooge mate interessant zijn, de huiden der
oude paardachtige dieren, van het Sivapaard af teruggaande, in dit
opzicht te kunnen vergelijken, om na te gaan in hoeverre hierin een oud
erfstuk en een oude ontwikkeling steekt. Maar hier is de draad onzer
kennis helaas volkomen afgebroken, aan de fossiele beenderen is niets
te ontleenen. Misschien waren de Hipparions, die in menig opzicht aan
de zebra’s herinneren, reeds even mooi gestreept. Maar wie kan het
zeker zeggen! Voor zoover de zaken tegenwoordig staan, geeft juist dat
bijzondere van de „zebrakleur” aan het overblijfsel van onze
Afrikaansche wilde paarden nog in sterkere mate het karakter van iets
eigenaardigs, dat afwijkt van de lijn, die naar het cultuurpaard leidt.

In engeren zin is ook bij die zebra’s de zwart-witte zebrakleur
overigens aan heel wat schommelingen onderworpen. De hierboven gegeven
beschrijving komt overeen met het meest in het oog vallende type. Maar
van daar uit is er een tamelijk groote speelruimte, waar de strepen
zich nu eens hier, dan weer daar als het ware van geheele groepen van
lichaamsdeelen terugtrekken, zonder dat daar, waar zij behouden zijn
gebleven, het karakter op zich zelf is gewijzigd. En juist hier kunnen
de verschillende locale vormen ingeschakeld worden (die op zich zelf
ook niet zoo gemakkelijk te verklaren zijn uit het beginsel van
beschermende aanpassing), die voor de zebra’s karakteristiek zijn op
hun uitgestrekt Afrikaansch verbreidingsgebied.

Toen ik mijn eerste studies maakte in den zoölogischen tuin, was de
natuurlijke geschiedenis der zebra’s in haar systematisch gedeelte
spoedig aangeleerd. Er waren in die dagen drie verschillende typen van
zebra’s: de echte zebra met strepen tot over de geheele pooten;
Burchell’s tijgerpaard (de dauw) met strepen alleen op het lichaam en
met volkomen witte pooten; en de Quagga, die alleen maar over het halve
lichaam gestreept was. Het tijgerpaard was in den dierentuin de gewone
vorm, hoewel hij tegenover den echten zebra, zooals die bij Brehm
beschreven stond, niet voor volkomen vol werd aangezien. Brehm had
trouwens ook alleen maar drie soorten genoemd. Na dien tijd zijn,
naarmate de nadere ontsluiting der merkwaardige Afrikaansche
dierenwereld heeft plaats gegrepen, zooveel speciale soorten van
zebra’s bekend geworden, dat men een geheele lijst van buiten moet
leeren. Maar te gelijker tijd is de onzekerheid over de werkelijke
grenzen en het aantal der onafgebroken op elkander volgende
verbeteringen, twijfelingen en nieuwe rangschikkingen zóó groot
geworden, dat men de neiging krijgt, weder tot dat oude drietal terug
te keeren, dat in zekeren zin nog steeds zeer goed iets uitdrukt, wat
op zich zelf onbetwistbaar is. Doch ook hier doet zich een moeilijkheid
voor ten gevolge van een intusschen onverwacht plaats gegrepen
sterfgeval.

De derde vorm, de Quagga, heet namelijk tegenwoordig volkomen
uitgeroeid. Wij hebben hier te doen met een zeer eigenaardig geval,
niet alleen voor de geschiedenis der dieren in het algemeen, maar ook
voor de meer beperkte geschiedenis van onze dierentuinen.

De Quagga was sedert de dagen van Buffon één der meest bekende soorten
van zebra’s, die zich door de plaats, waar zij gevonden werden, het
gemakkelijkst aan ons aanbood, daar hij in talrijke kudden juist over
het noordelijke deel van het Kaapland en den Oranjevrijstaat trok. Toen
de eerste dierentuinen in Parijs, Schönbrunn en later, in de
negentiende eeuw, in Londen geopend werden, was het zoo natuurlijk
mogelijk, dat ook de Quagga, die zoo gemakkelijk te bereiken was en zoo
veel voorkwam, daarin werd gezien, vooral daar het op zich zelf geen
bijzondere moeite kostte, Afrikaansche wilde paarden levend te
importeeren. En dat bleef nog zoo tot omstreeks de laatste twintig
jaren der vorige eeuw. In den Londenschen dierentuin is de Quagga
sedert 1831 niet minder dan driemaal aanwezig geweest, en hij heeft het
daar jaren lang uitgehouden. Van daar zijn de huiden afkomstig, die men
opgezet vindt in het museum van Rothschild en in het museum voor
natuurlijke historie te Londen. Dergelijke huiden zijn tegenwoordig
kostbare zeldzaamheden, en waar zij zijn, moeten zij zorgvuldig bewaard
blijven, want zij zijn niet te vervangen; behalve Londen bezitten
Berlijn, Weenen, München, Parijs en Amsterdam nog een enkel exemplaar.
Immers op een goeden dag kwamen geen nieuwe Quagga’s meer in den
dierenhandel voor. Na eenigen tijd waren de laatste paar exemplaren der
Europeesche tuinen allen gestorven. Korten tijd daarna begon zich het
gerucht te verspreiden, dat er geen Quagga’s meer in den dierenhandel
voorkwamen—nooit meer—daar er in Afrika zelf geen Quagga’s meer waren.
Het laatste exemplaar is, naar men zegt, reeds in het jaar 1880
geschoten. Een feit is het, dat men tegenwoordig geen enkele plek meer
kent in de geheele oude woonplaats der Quagga’s, waar in de latere
jaren nog een levende Quagga is gezien. En in andere deelen van Afrika
is juist die soort nooit bekend geweest.

Het lot van die dieren schijnt dus bezegeld te zijn. En het betreft
hier speciaal die soort van zebra’s, die het meest verschilden van alle
andere, dus in zekeren zin de meest op zich zelf staande, al is het dan
niet de allermooiste. Ik heb in der tijd verzuimd op den Quagga in den
zoölogischen tuin te letten, en kan dus alleen oordeelen naar
aanleiding van opgezette dieren in musea, van welke dieren ik het
Amsterdamsche exemplaar nauwkeurig heb beschouwd. Dat exemplaar, een
wijfje, had in het oog vallend korte en krachtige pooten. De Quagga
heeft absoluut niets meer van het zwart-wit der andere zebra’s. Het is
een bijna volkomen bruin paardje met een lichte aanduiding van strepen,
gerangschikt als bij een zebra, maar het blijft meer een lichte
nuanceering. Alleen aan den kop, aan het voorhoofd en de oogen heeft
men op den bruinen achtergrond nog werkelijke donkere zebrastrepen. Op
den hals, het eenige lichaamsdeel, dat van het geheele lichaam nog
duidelijke strepen vertoont, ziet men daarentegen reeds geen echte
zwarte banden meer op een helderden achtergrond. Maar door een
donkeren, reeds sepiabruinen grondtoon loopen een paar heel zachte,
golvende, lichte banden, die op de Amsterdamsche huid zelfs witachtig
zijn, zoodat in het geheel een indruk wordt teweeg gebracht, dien ik
niet beter zou kunnen vergelijken dan met het meer of minder fijn
genuanceerde bruin op de vleugels van een aantal vlinders. Bij het
Londensche exemplaar kon men iets wat op strepen geleek weg nevelend
nog waarnemen tot op het gebied der achterdijbeenderen.
Merkwaardigerwijze is de lichte staart een echte paardestaart, wat den
indruk verhoogt, dat men met een gewonen pony te doen heeft, een
indruk, die misschien nog veel sterker zou kunnen zijn bij minder
willekeurig opgezette dieren.

Zoolang ik een dergelijken Quagga in het museum bestudeerde, heb ik de
gedachte niet van mij kunnen afzetten, dat hij er uitzag als het
resultaat van een kruising van een bruin tam paard met een Burchell’s
tijgerpaard-zebra, die toch reeds onder het kniegewricht de strepen
mist. In den Berlijnschen dierentuin leeft een „zebroïde”, dat wil
zeggen een dergelijke werkelijke mengvorm van een hengst van een gelen
Shetland-pony en een zebra-merrie, een dier, dat reeds eenigszins
dergelijke fijn genuanceerde sepiakleuren doet zien. Maar in aanmerking
genomen het feit, dat de eerste kolonisten in Zuidafrika den Quagga
reeds aantroffen in talrijke kudden, is die losse gedachte natuurlijk
niet vol te houden; met wat voor geïmporteerde paarden zou die kruising
in onbekende dagen zijn geschied? In weerwil van dit alles blijft er
voor mij toch nog altijd iets geheimzinnigs over in den Quagga. Des te
meer is het te betreuren, dat die merkwaardigste soort onder de zebra’s
niet meer bestaat.

Voor de overige dier harlekijnachtige wilde paarden zou ik als echte
tijgerpaarden die soorten willen nemen, die tusschen de echte donkere
strepen nog een soort schaduwspel van meer of minder duidelijke
bijstrepen vertoonen; als echte zebra’s daarentegen alle dieren met het
typische, zuiverzwarte traliewerk. Of de grondkleur daarbij meer geel
of meer wit is, schijnt af te wisselen met leeftijd en geslacht binnen
rassen uit dezelfde streken.

Ook in de beteekenis van die ruwe oudste definitie is het in ieder
geval zeker, dat de tijgerpaarden een duidelijk uitkomende neiging
vertoonen tot pooten, die bijna geheel vrij zijn van strepen. Bij de
soort, die oorspronkelijk in alle zoölogische tuinen onder den naam van
Burchell’s tijgerpaard bekend was en in die dagen dikwijls was
ingevoerd, schijnen de strepen zelfs reeds op het bovenbeen te
verbleeken; men is meestal van meening, dat die soort ook reeds in
vrijheid volkomen is uitgeroeid, terwijl onze tuinen nog echt gefokt
materiaal bezitten. Door de verflauwde tusschenstrepen en den
algemeenen meer in het bruin loopenden grondtoon moet dat Burchell’s
tijgerpaard op de kolonisten in den Oranjevrijstaat in ieder geval zóó
sterk den indruk hebben gemaakt van een Quagga, dat zij het „de bonte
Quagga” hebben genoemd. Maar veel sterker en donkerder gestreept over
de achterpooten is het schoone tijgerpaard, dat in Duitsch
Zuid-westafrika nog tegenwoordig bestaat, de zoogenaamde Damara-zebra.
Uit een geografisch oogpunt zijn in ieder geval die tijgerpaarden de
eenige Zuid-Afrikaansche wilde paarden, die van het zuiden uit ook nog
een eind ver opklimmen naar de westkust.

De uit een geografisch oogpunt „echte zebra’s” gaan daarentegen van het
uiterste deel van het Kaapland tot aan het gebied der ezels in
Somaliland consequent door Oost-Afrika heen. De beide zebra’s, die in
hun strepen het schoonste zijn en die merkwaardiger wijze aan hun lange
ooren en andere kenmerken het meest op ezels gelijken, geven als het
ware de hoekpijlers aan en wel: de reeds het langst bekende echte zebra
of het bergpaard in het Kaapland en de zebra, die in den laatsten tijd
hoe langer hoe veelvuldiger in de zoölogische tuinen wordt gevonden, de
Grevy-zebra in Somaliland zelf. Van de daar tusschen gelegen
overgangsvormen noem ik als den meest bekenden den „Böhms-zebra” uit
het gebied van den Kilimandsjaro. Met zijn „gestreepte kousen”, die
zich uitstrekken tot op den hoef komt hij bijzonder goed uit op de
voortreffelijke met magnesiumlicht genomen photografieën van
Schillings.

De Grevy-zebra was voor mij, toen ik hem voor het eerst in Londen zag,
een ware verrassing. Een zoo kolossale zebra, waarbij de bergpaarden en
andere kleine soorten tot ponys inkrompen, had ik absoluut niet voor
mogelijk gehouden. De wonderen van de teekening, zoo fijn als de graten
van een visch, en van het contrast tusschen wit en zwart hebben daar
hun hoogtepunt bereikt. Geen enkele zebra maakt in zoo hooge mate den
indruk, als ware hij met zwart lak op een melkwitten achtergrond
kunstmatig geschilderd, en lijkt zoo volmaakt onmogelijk als
natuurproduct. Daarbij schijnt er voor gezorgd te zijn, dat die
allernieuwste indruk ons nog het meest getrouw blijft in de zoölogische
tuinen, terwijl het echte bergpaard uit het Kaapland noodzakelijker
wijze daar moet ondergaan onder den invloed der onverbiddelijke
cultuur.

Gedurende langen tijd was die veel kleinere, maar wonderlijk rijk over
het geheele lichaam, ook over de pooten, gestreepte vorm uit het
Kaapland de eigenlijke schat in onze afgesloten zebraparken. In Berlijn
heeft een oude merrie, die het meer dan een kwart eeuw flink heeft
uitgehouden, mij het eerst van het tijgerpaard geleid tot het type van
den echten zebra, en mij de liefde voor den zebra in het algemeen
ingeboezemd, die ik, zij het ook van verre, nog tot den huidigen dag
heb behouden; in de nabijheid als „vriend” is de zebra een valsche,
bijtachtige kwant, waaraan men nog steeds bemerkt, wat toch altijd in
het wezen der zaak het meest interessante aan hem is: het wilde paard.
Ik heb mij daarom dan ook nooit zoo warm kunnen maken voor het debat,
dat in den laatsten tijd zoo levendig is gevoerd over de mogelijkheid
den zebra blijvend te temmen, en over zijn bruikbaarheid voor de
cultuur. Voor mij is in de eerste plaats een werkelijk actueel
vraagstuk, hoe de zebra als wilde vorm kan worden gered door alle
mogelijke middelen der moderne bescherming tegen de jacht. Dat het
mogelijk is, een zebra oppervlakkig, individueel te temmen, is
tegenwoordig absoluut zeker, in weerwil van allen vroegeren twijfel.
Tegenover de hoop om den zebra snel op den duur te temmen tot een echt
cultuurdier, zooals ons cultuurpaard dit is, sta ik desniettemin even
sceptisch als tegenover alle andere pogingen, om uit wilde dieren in
een paar geslachten huisdieren te willen fokken. Wij menschen zijn
tegenwoordig ten gevolge van bepaalde werkelijk kolossale gevolgen in
den vooruitgang der cultuur allen eenigszins in het stadium der
geestelijke koortshitte. Wij willen overal loopen met zevenmijls
laarzen. Maar tegenover dergelijke karakterwijzigingen in het levende
wezen zullen wij nog wat bemerken van de taaiheid der natuur, van de
rotsgevaarten, die niet met geweld kunnen worden verbrijzeld, maar die
alleen door een duizenden jaren voortgezet druppelen kunnen worden
uitgehold.

Uit een historisch oogpunt mag men wel met zekerheid uitspreken, dat de
zebra met het werkelijke oorspronkelijke temmingsproces van ons paard
in niet den minsten samenhang staat. Geen enkel ras onzer getemde
paarden vertoont het geringste spoor van de physionomie van den zebra.
Alle zebra’s staan zóó geïsoleerd naast ons paard, dat men, wat de
uiterlijke gedaante betreft, geen oogenblik verwonderd zou zijn, als de
zebra in het skelet nog ergens een overtolligen teen of één dier oudere
kenmerken aanwees, die hem zou doen kennen als een overlevend
overblijfsel van één dier oudere groepen van paardachtige dieren. Doch
zóó ver staan zij zuiver systematisch niet van elkander. Maar des te
duidelijker ontbreekt iedere historische aanwijzing van een nauweren
samenhang met onze cultuurgeschiedenis.








Hoewel ook de zebra komt tot in Somaliland, dus in het stamgebied van
den ezel, is toch, even zeker als het feit, dat de ezel over Egypte in
de beschaafde wereld is binnengetreden, het andere feit, dat het paard
niet langs dien weg is binnengekomen. Egypte zelf heeft het paard eerst
veel later gekregen, en als alle teekenen ons niet bedriegen, van het
noorden uit. Zelfs echter indien er op den niet-Egyptischen
noordelijken rand van Afrika van oudsher een zelfstandig uitgangspunt
zou geweest zijn voor het fokken van tamme paarden (wat volstrekt niet
bewezen is), dan zouden niet de tropische zebra’s daarvoor in
aanmerking moeten komen, maar achterblijvers der diluviale Europeesche
wilde paarden, waarvan men de beenderoverblijfselen in Algiers heeft
gevonden.

Over die punten is men het dan ook vroeg tamelijk wel eens geweest. De
vraag, die zich dan echter met kracht naar voren drong, was deze: waar
dan ons tamme paard van afstamde.

Het eerste aannemelijke vermoeden wees op Azië. Men moet zich hierbij
een oogenblik terugdenken in de andere voorstelling van de negentiende
eeuw omtrent den geheelen gang der beschaving in het algemeen. In Azië
wortelde, naar men meende, alle cultuur. Van hier uit hadden zich van
oudsher cultuurvolken met golfbewegingen in westelijke richting
voortbewogen. Een dergelijke golf was in de gedaante der „Kelten” over
geheel Europa heengeslagen. Daarop volgde, de vorige gedeeltelijk
overstroomend, van het oosten naar het westen een Germaansche golf, en
daarop een Slawische. Bij een dergelijke voorstelling kwam een
oorspronkelijk zelfstandige cultuur voor Europa zoo goed als niet in
aanmerking. Europa rekende evenmin mede voor de oude cultuurdieren en
dus evenmin voor het paard. Zoo bleef dan Azië alleen over. In de
periode, waarin de geschiedenis van het huisdier op zuiver
philologische grondslagen was gegrondvest en berustte op bewijzen, aan
taal en literatuur ontleend, in de tweede helft der negentiende eeuw,
toen de even geestige als op taalkundig gebied zaakkundige studiën over
huisdieren en cultuurplanten van den energieken, in zijn bijzonder
gebied zich absoluut souverein voelenden Viktor Hehn de opvattingen
beheerschte, zonder dat men dadelijk haar eenzijdigheid
bemerkte,—scheen het eenvoudig van zelf sprekend, dat men uitsluitend
in Azië kon zoeken naar de voorouders van het paard.

Men hoorde nu in het eerst van „wilde paarden” uit de zuidoostelijke
Russische steppe, dus ten minste nog in het naar Azië openstaande
grensgebied. Zij werden beroemd onder den naam van „Tarpans” en hebben
tot een uitgebreide literatuur aanleiding gegeven. Tegenwoordig mag men
wel als vaststaand aannemen, dat de Russische Tarpan, die in zuiveren
vorm niet meer is op te sporen, ook vroeger nooit „zuiver” is geweest
in den zin van een oorspronkelijk wild paard, maar gerecruteerd is uit
verwilderde afstammelingen van een aantal oude cultuurrassen, die
onderling gekruist hebben; uit de kruising van die rassen zou hij als
het ware proefondervindelijk nog tegenwoordig te maken zijn in zijn
typischen vorm. In die dagen beschouwde men den Tarpan niet alleen als
een werkelijk wild paard, maar men beschouwde hem gewoon weg als
volkomen Aziatisch. Duistere geruchten over wilde paarden in de meer of
minder geheimzinnige steppen van Centraal-Azië werden zóó gecombineerd,
dat het Tarpanpaard als oorspronkelijk wild paard van steeds nog te
herkennen gelijkenis met het cultuurpaard, maar toch „wild”, zich ten
slotte nog tot in de woestijn Gobi op Chineesch gebied uitstrekte. Toen
het eenmaal gevangen was in den binnen-Aziatischen ketel, was de
gevolgtrekking ten opzichte van den Tarpan niet zoo moeilijk, dat de
ééne of andere der oude culturen aan den rand van dien ketel het dier
in het grijze verleden uit dien ketel heeft opgevischt.

De reactie bleef echter al spoedig niet uit. Reeds vroeg werd de Tarpan
een problematiek dier. Het bleek, dat die zoogenaamde Tarpans van
Perzië tot de woestijn Gobi, goed in het licht gezien, eenvoudig
dezelfde waren als de vroeger besproken Onagers en Dziggetais, dus als
wilde ezels. Ten einde raad nam Brehm, die één der weinige kenners uit
eigen aanschouwing van de Aziatische steppe was, zijn toevlucht tot den
uitweg, dat hij in een dergelijken wilden ezel zelf den
Trans-Caspischen Koelan, dien hij gelijkstelde met den werkelijken
Chineeschen Dziggetai der woestijn Gobi, den stamvader zag van ons
cultuurpaard. De trotsche pracht dier wilde Aziatische dieren, die hij
voor het eerst volkomen had leeren kennen, hield hem gekluisterd en
gevangen. Maar toch was aan die opgedrongen oplossing op den duur niet
ernstig te denken.

De twijfel aan het denkbeeld van Brehm vertegenwoordigde dan ook een
zeker keerpunt. Ondertusschen was er een geheele reeks van nieuwe
feiten bekend geworden over het ten minste eertijds voorkomen van wilde
paarden midden in de voornaamste cultuurlanden van Europa. Uit de
diluviale periode kwamen tallooze overblijfselen van paarden in
Frankrijk en Duitschland, en zelfs tot in Zweden voor den dag.
Ongetwijfeld had men hier te doen met inheemsche wilde paarden. Zij
liepen reeds parallel met een eveneens inheemsche Europeesche cultuur,
een praehistorische cultuur. Maar die cultuur bezat in het begin nog
geen huisdieren. Op het paard werd jacht gemaakt als op een wild dier
der steppe. In Westeregeln bij Maagdenburg liggen zijn beenderen midden
tusschen die van andere wilde steppendieren, bij wie nooit sprake
geweest kan zijn van temming. In een Zweedschen schedel, die afkomstig
is van een jong paard, steekt nog een vuursteenwapen der steenperiode.
Op een vindplaats onder een hoogen rotswand bij Solutré in Frankrijk
liggen overblijfselen van vele duizenden paarden op een zóó
karakteristieke wijze bij elkander, dat men bepaald moet aannemen, dat
de praehistorische mensch hier langen tijd gewoon was vluchtige wilde
paarden over den kling te jagen en zóó tot een zekeren buit te maken.
Eindelijk werden als bewijsstukken, die voor goed den doorslag gaven,
op ivoor gesneden figuren en verrassend goed uitgevoerde teekeningen,
voor een deel groote muurteekeningen in holen ontdekt van de hand van
praehistorische kunstenaars op de overoude Fransche cultuurplaatsen van
een niet bij name bekend, maar blijkbaar zeer begaafd volk, waarop een
diluviale dierenwereld, nog volkomen duidelijk te herkennen, was
voorgesteld. Naast teekeningen van den mammouth vindt men daar ook
teekeningen van een paard van een steeds terugkeerend, hoogst
karakteristiek type. Bepaalde trekken daarin, bij voorbeeld een dichte
baard aan de kin, schenen nog duidelijk te wijzen op de dik behaarde
dieren van den rand der gletschers uit de ijsperiode, waartoe ook de
roodbonte neushoorn en de mammouth met zijn geelbruin wollen kleed en
zijn manen hebben behoord. Maar aan den anderen kant leek de vorm ook
reeds in het oog vallend op bepaalde zware oud-Europeesche
cultuurrassen met een langen, zwaren, in het dik gewelfde neusgedeelte
ver vooruitstekenden, kop en met dikke pooten.

Dit praehistorische bewijsmateriaal is na dien tijd hoe langer hoe
zekerder en klemmender geworden. Maar als de dingen zoo waren, dan
moest men zich toch de vraag stellen, of niet, naarmate de Europeesche
cultuur verder voortschreed, het paard juist in Europa werkelijk voor
het eerst is getemd geworden. Hier werd nu ook het materiaal van
gewicht, dat scheen te bewijzen, dat het Europeesche wilde paard
volstrekt niet ongeveer op het allerlaatst der diluviale periode
evenals de mammouth en de roodbonte neushoorn in het land was
uitgestorven, maar dat het ten minste op enkele plaatsen feitelijk als
zoodanig tot zelfs ver in de historische tijden heeft voortgeleefd.
Inderdaad kunnen uit de oudere literatuur een groot aantal
mededeelingen over „wilde paarden” in het Duitsche woud worden
bijeengebracht. Dat het Duitsche wilde paard, oorspronkelijk een
steppendier, zich in het overgebleven gedeelte van het Duitsche
oerwoud, waar het nog bestond, voor de toenemende cultuur zou hebben
teruggetrokken, zou niet zoo bijzonder te verwonderen zijn. Dat aan den
anderen kant een bosch, dat nog langen tijd wisents, oerossen, elanden
geherbergd heeft, ook een goede schuilplaats kon aanbieden aan wilde
paarden, is ook duidelijk. De verschillende opgaven uit de literatuur
zijn merkwaardig eenstemmig. In de „Benedictiones ad mensas Ekkehardi”,
de zegeningen over de spijzen, door Ekkehard IV, den magister scholarum
in het klooster St. Gallen in Zwitserland gegeven, vindt men ook een
dergelijke zegening voor het vleesch van het „wilde paard.” In een
andere bron van het jaar 1593 wordt weer melding gemaakt van wilde
paarden in Wasgau. In de rechtsverslagen van Kaiserslautern worden tot
in het begin van den dertigjarigen oorlog „wilde paarden” genoemd, die
huisden in de diepe bosschen van de Pfalz, zich daar vermenigvuldigden,
en des nachts losbrekend als de wilde zwijnen, zóó groote verwoestingen
aanrichtten in de bebouwde velden, dat de stad in het jaar 1616 drie
afzonderlijke boschwachters tegen de wilde paarden moest aanstellen.
Hahn (niet Hehn, maar een ander onderzoeker der huisdieren) heeft in
het jaar 1892 op zeer overtuigende gronden de stelling verdedigd, dat
de „grimme Schelch”, die in het Nibelungenlied nog als een groot stuk
wild genoemd wordt, waarop te gelijk met den tegenwoordig verdwenen
oeros werd jacht gemaakt, een wilde hengst is geweest; het woord wordt
daarbij afgeleid van „Beschäler” (dekhengst.) Nog in het jaar 1537
leest men, in een keukenrekening uit Lippe, van een hengst, die
gezonden werd als „Beschäler” bij de wilde paarden. Toen men uit de
moerassen van Ierland bijzonder goed geconserveerde, meestal zelfs nog
door stukken huid omgeven geraamten van een hert met een kolossaal
gewei had leeren kennen, dat wel is waar tegenwoordig niet meer
bestaat, maar in Europa eerst betrekkelijk laat scheen te zijn
uitgestorven, werd het een algemeen verbreide hypothese, dat in dien
wonderlijken „Schelch” dat toen ten tijde nog voortlevende of in ieder
geval in sagen nog gekende reuzenhert stak. Maar feitelijk is er geen
enkel verder feit, dat een bewijs zou zijn voor het later voortleven
van dat in verschillende opzichten raadselachtige diluviale hert tot in
de historische tijden; het zou dus meer dan vermetel zijn, daartoe te
concludeeren uitsluitend op grond dat hier een „grimmig” jachtdier uit
oude dagen voorkomt, dat wij niet onmiddellijk kunnen thuis brengen. De
wilde hengst past echter uitstekend in het kader.

Nu is trouwens ten opzichte van al die „wilde paarden” uit de oudere
bronnen beweerd geworden, dat men hier gedeeltelijk ook weer te doen
heeft met verwilderde vluchtelingen uit oorlogstijden, die zich in het
oerwoud, waar dat nog bestond (en in enkele streken bestond het zelfs
zeer laat nog weelderig genoeg), tijdelijk zelfstandig hadden
gevestigd; gedeeltelijk echter ook met vorstelijke stoeterijen, waar
cultuurpaarden in half verwilderden toestand gehouden werden, die
zoowel landbouwer als stadbewoner van tijd tot tijd plaagden als wilde
dieren. Dit mag enkele medegedeelde feiten verklaren, doch moeilijk
juist de meest interessante. Bij stoeterijen van wilde paarden met
„grimmige” dekhengsten in het diepe eenzame woud zou men ook deze vraag
kunnen stellen, of niet juist die dieren zelf een bewijsstuk waren voor
nog laat behouden gebleven overgangstrappen van het temmingsproces. Ik
herinner aan hetgeen vroeger gezegd is van den hengst en zijn zoo late
temming. Misschien heeft men nog zeer lang de dekhengsten in een soort
van overgangstoestand gehouden als half wilde dieren en dieren van het
woud, wat echter niet uitsloot, dat zij reeds hun rechtmatigen eigenaar
hadden en in het algemeen beschouwd werden als hulp verleenende
cultuurdieren.

In ieder geval heeft de meest zorgvuldige critiek die zaken niet weer
geheel uit de wereld kunnen helpen. En zoo neigde zich het tongetje van
de weegschaal hoe langer hoe sterker naar Europa toe, terwijl te
gelijker tijd even zeker de hoop begraven werd, een wild paard, waarin
de voorvader van ons cultuurpaard zou kunnen steken, nog levend terug
te vinden. Daartoe was Europa reeds lang te zeer verlicht. Het
voorvaderlijke paard scheen evenzeer door zijn getemden kleinzoon te
zijn opgezogen als de eveneens reeds lang ten onder gegane oeros van
het oude Duitsche woud door het getemde rund.

In die schijnbaar nu zoo volkomen gezuiverde atmosfeer is echter toch
weer een nieuwe ontdekking van den allereersten rang als de bliksem
ingeslagen. In het jaar 1879 ontmoette de Russische reiziger Przewalski
(spreek uit Pschewalski) in het wildste gedeelte der
Centraal-Aziatische woestijn (in het Tarim-bekken) een wild eenhoevig
dier, dat nu volstrekt geen wilde ezel, maar een absoluut echt wild
paard was.

De Kirgiezen noemden het dier „Kertag”, de Mongolen „Taki”. Het was
over het algemeen klein, maar met een grooten kop, het droeg ooren als
van een paard, manenborstels als van een zebra, zonder kuif, en een
staart, die over de bovenste helft alleen korte haren had en eerst van
onderen eindigde in den echten paardestaart. De kleur kwam overeen met
die der woestijn tusschen rossig en geel, de in het oog vallende dikke
pooten waren van de knieën af zwart. Kudden van vijf tot vijftien
stuks, merries en veulens met een ouden hengst als leidsman, waren bij
elkander. De levendige, scherp speurende dieren hielden het meest van
de naakte zoutwoestijn, waar bijna geen water te vinden was. Alleen in
den winter was het mogelijk op hen te jagen, als de sneeuw voor de
jagers het water kon vervangen. Tweemaal stootte de ontdekker op een
kudde, zonder de gelegenheid te hebben hen onder schot te krijgen. Als
een stormwind vlogen de dieren den hengst achterna. Maar een huid en
een schedel, die langs anderen weg in het bezit kwamen van Przewalski,
waren onmiddellijk voldoende om wetenschappelijk het dier te huis te
determineeren.

Er was dezen keer geen sprake van verwilderde Mongoolsche
cultuurpaarden. Men stond tegenover een echt wild paard, even goed als
de zebra’s het wilde paard vertegenwoordigden. Maar nu tegenover het
wilde paard, dat men had gezocht: en wel een wild eenhoevig dier, dat
klaarblijkelijk uit een zoölogisch oogpunt behoort tot de engere groep,
waartoe ons cultuurpaard behoort. Het hoogstmerkwaardige schepsel,
waarmede een meer dan honderdjarige twistvraag in een geheel nieuw
stadium trad, werd het Przewalskipaard gedoopt.

Na de eerste publicaties trad er weer een pauze in, gedurende welke
geen verder bericht kwam, zoodat in de kringen der vakgeleerden reeds
weer twijfel opkwam. Toen ondernam de zoöloog Büchner een expeditie
naar Dzoengarije, uitsluitend ter wille van het wilde paard. Hij bracht
ook gelukkig een paar merries levend naar Rusland mede. In het
particuliere park van Falz-Fein in Askania Nova in Zuid-Rusland
verscheen het merkwaardige dier voor het eerst als wetenschappelijk
gevangene. Toen nu de belangstelling zoo algemeen was geworden, trad de
Hamburgsche handelaar in dieren, Karl Hagenbeck, de groote leverancier
van al onze groote Europeesche zoölogische tuinen, in het krijt. Hij
verschafte zich 28 stuks levend voor den handel, uitsluitend jonge
dieren, die allen in de nabijheid van Kobdo in West-Mongolië op
Chineesch grondgebied gevangen waren. De Mongoolsche jagers hadden door
plotseling opjagen van grootere troepen de veulens er toe gebracht,
achter te blijven bij hun vluchtende moeders, en ze met een soort van
lasso gevangen. In het kamp gebracht, waren de jonge dieren spoedig
gewend geraakt aan tamme merries als pleegmoeders, aan wie men haar
eigen jongen had ontnomen,—een leerrijke bijdrage voor het proces, dat
zich zeker ontelbare malen op dergelijke wijze had herhaald in de
temmingsgeschiedenis van het paard. Uit die bezending zijn al onze
grootere dierentuinen van dergelijke exemplaren voorzien, en daar de
veulens intusschen groot geworden zijn, kan men zich tegenwoordig van
het Przewalskipaard een betere voorstelling maken dan van een aantal
reeds veel langer bekende zoogdieren.

Het schoone paartje van den Berlijnschen dierentuin doet bijzonder goed
de tegenstelling zien met de verschillende Aziatische wilde ezels, die
daar in de nabijheid zijn gehuisvest. Niet gemakkelijk zal men dieren
vinden, die meer van elkander verschillen, niemand zal ze meer van
elkander willen afleiden. Op het eerste gezicht meent men, dat de
rollen omgekeerd zijn; de Koelan lijkt het groote, hooge, slanke paard,
het wilde paard lijkt de kleine dikke ezel. Een nadere blik doet dan in
het kleine dier toch de lijnen van het paard zien, maar eenigszins als
caricatuur. Een zwaar, massief paard met dikke pooten, alsof het
samengedrongen was, en klein en laag was gehouden. En daarbij ziet men
als speling de pooten van den zebra. Leelijke, maar merkwaardige
dieren. Wilde, krachtige loopers over de steppen, wie men reeds kan
aanzien wat men nooit in den zebra zou zoeken: dat zij, vergroot,
onvermoeide karrepaarden, last- en trekdieren zouden kunnen leveren.
Vooral de jonge dieren hebben zóó lange, onbehouwen koppen, dat zij er
met hun uitgerekt gezicht tusschen beide uitzien als een slecht
uitgevoerde photografie, waarbij de kop door een verkeerd perspectief
te groot is genomen tegenover het meer naar achteren staande lichaam.
De dikke wangen trekken steeds bijzonder de aandacht. De hoofdkleur
komt overeen met die der woestijn, daarin komen zij volkomen overeen
met de Koelans, en er zijn maar weinig gevallen, waar twee zoo geheel
van elkander afwijkende diervormen op een afstand toch weer zoo
overeenstemmen, daar zij beide het product zijn van eenzelfde milieu:
ook hier die roodachtige Isabellakleur met een wit toevoegsel, dat ik
vroeger heb gekenschetst als een wolkje melk in de koffie. En hoe
rijper van kleur de Berlijnsche hengst is geworden, des te zuiverder
zijn die kleuren der woestijn afgezet, b.v. de snuit verblindend wit
tegen den meer rooden kop. Volkomen als van een wilden ezel ziet er ook
de fijne donkere ruggestreep uit, die scherp, als ware het met inkt
geschied, voortloopt tot in den staartwortel. Welke beteekenis die
streep bij al die bleeke kinderen der woestijn wel mag hebben? Is het
een laatste schuilhoek als reserve, waaruit, als het noodig is, op een
bepaald oogenblik een soort weer de oude strepen der voorouders zou
kunnen te voorschijn roepen.

Maar dan komt er van onderen aan het lichaam van het wilde paard iets,
dat hem even duidelijk ook in de kleur onderscheidt van de Aziatische
wilde ezels. De Koelans en Dziggetais worden van onderen zóó helder
over hun geheele oppervlakte, dat hun pooten formeel verdwijnen, en
niets maakt ze zóó licht, zóó zwevend voor het oog als die eigenschap.
De kleine, zware armzalige Isabellapaarden staan daarentegen stevig aan
den grond vast als op vier dikke koolzwarte stutten. Zij dragen aan het
voetbeen over de hoeven echte zwarte kousen. Bij den hengst met zijn
veel levendiger kleur loopt de kleur van voren tot over het
handgewricht (schijnbaar het armgewricht) en is even ebbenhoutzwart als
de beste zwarte kous. En bij die donkere pooten, die de aandacht van
hem die het dier beschouwt, concentreeren op het ondergedeelte en
dubbel zwaar maken voor het uiterlijk, komt nog als vijfde donkere
massa het paardestaartachtige gedeelte van den staart, dat bij den
hengst zoo trotsch en donker mogelijk tot op den grond reikt, als kon
het van onderen niet duidelijk genoeg den indruk vestigen van den
echten paardestaart, terwijl toch aan den woestijnkleurigen gelen
wortel nog voor een deel het karakter van den zebra en den ezel
onmiskenbaar blijft voortbestaan. In de heldere zoutwoestijn moeten die
„kousenpaarden” er uitzien, alsof zij allen juist het moeras waren
doorgetrokken.

Terwijl zij des zomers er uitzien als waren zij geschoren, wapenen de
Przewalskipaarden zich tegen den tijd van hun steppenwinter met een
meer kroesharigen, wollen pels, die vooral van de kin van den hengst
als dikke bossen afhangt, en dus een echten boksbaard vormt. Juist dat
gebaard zijn van een paard leidt echter weer terug tot onze groote
strijdvraag.

In den Berlijnschen zoölogischen tuin is het paar bekend onder den naam
van „oorspronkelijke wilde paarden.” Die naam draagt rekening met de
tegenwoordig wel algemeen erkende stelling, dat van alle levende wilde
eenhoevige dieren tegenwoordig alleen nog het Przewalskipaard voor onze
cultuurrassen in aanmerking zou kunnen komen als een oorspronkelijke
vorm. Intusschen is er nog een meer uitgebreide beschouwing noodig, om
aan dat begrip zijn volle draagwijdte te geven. De verrassende
ontdekking van dit Centraal-Aziatische wilde paard moest den blik eerst
weer geheel naar Azië richten, maar beperkte dien tevens voor het
levende dier daar tot een betrekkelijk nauw gebied. Zooveel als kan
worden afgeleid uit verschillen in kleur, bewonen de Przewalskipaarden
tegenwoordig in twee variëteiten hun Mongoolsche woonplaats, de wat
donkerder soorten het Tarinbekken, een zeer lichte soort daarentegen de
woestijn Gobi. Doch het zou in ieder geval een beperkte kring zijn, als
dit van oudsher het geval was geweest—het zou de plaats, waar de
paarden getemd zijn, historisch vaststellen op een volkomen bepaalde en
tamelijk ongeschikte plaats, indien in de Przewalskipaarden werkelijk
de eenige en echte oorspronkelijke vorm moet steken. Men kan nu echter
aantoonen, dat die tegenwoordige geografische isoleering blijkbaar zelf
niets anders is dan een later toeval. Die oorspronkelijke wilde paarden
zijn tegenwoordig alleen in het leven gebleven in het gebied der
woestijn Gobi, die zoo ver is afgebleven van de cultuur; in een ouderen
bloeitijd waren zij daarentegen feitelijk over een onvergelijkelijk
veel grooter gebied der aarde verspreid. Nadat men ze nu eenmaal levend
op die ééne plek heeft leeren kennen, heeft men ze later, wat de
hoofdtrekken betreft, kunnen identifieeren.

In de eerste plaats heeft men kunnen aantoonen, dat Przewalskipaarden
nog in de eerste duizend jaren vóór de geboorte van Christus wild in
Mesopotamië voorkwamen en daar werden gejaagd. In het Britsch museum te
Londen vindt men een marmeren plaat met een in relief aangebrachte
voorstelling, die afkomstig is uit het paleis van Sardanapalus in
Kujundschik, dus een Assyrisch kunstwerk ongeveer van het jaar 650 vóór
Christus, en wel een kunstwerk van den eersten rang. Men ziet daarop
twee meesterlijk uitgevoerde kleine paarden in de snelste vlucht,
terwijl een derde, blijkbaar een jong dier, een veulen, juist door twee
Assyriërs is gevangen. Hij heeft een lasso om den hals, de mannen
houden de beide uiteinden vast, terwijl het paard zich nog woest tegen
zijn boeien verzet. Dus juist het tooneel als bij de Przewalskipaarden
van Hagenbeck! En dat wij hier met geen ander dier kunnen te doen
hebben, blijkt onbedriegelijk uit den absoluut onmiskenbaren, wondervol
gekarakteriseerden paardekop met de stijve manen en den echten staart
van het Przewalskipaard, waar op de halve lengte eerst de echte
paardestaart begint. Het tegenwoordig in het verre Mongolië
gelocaliseerde dier strekte zich toen nog even ver westelijk uit als
tegenwoordig de Aziatische wilde ezels.

Maar in veel vroeger dagen moet het dier zich nog heel wat verder
hebben uitgestrekt. In de vroeger vermelde praehistorische tijden van
Europa strekten die wilde ezels zich nog uit tot over Zwitserland en
Noord-Duitschland. Beenderen van den Dziggetai, zijn bij voorbeeld bij
Schaffhausen gevonden. Maar ook hier heeft het Przewalskipaard die
dieren vergezeld. Die dierenteekeningen van praehistorische menschen,
waarop onmiskenbaar wilde paarden zijn voorgesteld, vertoonen namelijk
even onmiskenbaar een type van het Przewalskipaard. Men ziet daar
inderdaad zijn langen, dikken kop, zijn borstelige manen, de dikke
wangen, den gedrongen lichaamsbouw met dikke buik en krachtige pooten,
en bovenal zijn dikken winterbaard onder de kin. Een teekening uit het
hol van Combarelles in Dordogne (Frankrijk) stelt den tegenwoordigen
bewoner der Chineesche woestijn Gobi zoo onovertroffen juist voor, dat
een modern teekenaar zich al bijzonder goed moest hebben geoefend op
het weergeven der speciale karakteristiek der dieren, om zoo juist te
kunnen treffen. En tevens zijn juist zulke paardenteekeningen der
praehistorische kunst gedeeltelijk reeds ontdekt en weergegeven in
tijden, lang vóór de ontdekking van het levende Przewalskipaard—men had
het dier dus eigenlijk reeds praehistorisch voor Europa, voordat men
het levend uit Centraal-Azië kon identifieeren.

Indien echter juist die paardenvorm eertijds bestaan heeft van
Schaffhausen af tot aan Babylon en zelfs tot de Chineesche woestijn
Gobi, dan lag het waarlijk wel voor de hand, dat hij als werkelijke
oorspronkelijke vorm gestaan heeft achter het geheele cultuurpaard—hij
en geen ander, waar wij ons ook willen denken, dat bij het paard de
symbiose der cultuur begint, hetzij in Europa, of in het centrum van
het oosten der oude beschaving of nog verder tot China terug. Aan den
anderen kant is het, als dit oorspronkelijke wilde paard eens
gelijktijdig ter beschikking gestaan heeft op een zoo ontzaglijk gebied
der aarde, even waarschijnlijk, dat juist daarom de temming niet alleen
op één plaats en alleen bij één volk van dit uitgestrekte gebied heeft
plaats gehad. Het zou kunnen zijn, al is het dan ook op grond van
eenzelfden grondvorm, dat de temming onafhankelijk op verschillende
plaatsen is gevolgd: in het oude Europa zoowel als bij voorbeeld in den
lichtkring der oudste Babylonische cultuur.

Doch in geen geval zou men zich hierbij mogen voorstellen, dat een
diersoort, die zich uitstrekte van den Rijn tot de grenzen van China,
niet reeds in wilden toestand gesplitst zou zijn in verschillende
plaatselijke variëteiten. Immers wij zien tegenwoordig, hoe op dat
kleine Chineesche gedeelte twee van die variëteiten van het
Przewalskipaard met elkander afwisselen. Evenals de Onagers, Kiangs,
Dziggetais bij de tegenwoordige wilde ezels, zoo zullen ook onder die
oude Przewalskipaarden talrijke en afzonderlijke vormen zijn
voorgekomen, die in beginsel wel allen Przewalskipaarden waren, maar
toch in bijzonderheden van elkander afweken. En uit zoodanige
verschillende locale rassen zoude nu ook bij dat temmen op
verschillende plaatsen uit den aard der zaak het materiaal moeten zijn
geput. En dat verklaart ons weer, hoe van het begin af ook in die
gefokte rassen, in weerwil van hun aanknooping aan een in hoofdzaken
gelijk soort van wilde paarden, locale verschillen zijn te voorschijn
getreden.

Het heeft reeds sedert langen tijd de aandacht getrokken van allen, die
een diepe studie gemaakt hebben van onze tamme paardenrassen, dat
daarin blijkbaar bepaalde anatomische tegenstellingen steken. Men
behoeft dit nu wel niet te overdrijven, en daaruit zes of acht scherp
gescheiden typen van skelet af te zonderen. Maar men kan het niet
ontgaan, bepaalde verschillen of tegenstellingen te zien, die wijzen op
het eene of andere diepe geheim bij het ontstaan.

Juist in de hoogste voltooiing, die onze moderne paardenfokkerij heeft
bereikt, komt een dergelijke tegenstelling aan het licht. Van oudsher
is in de noordelijke, middelste, westelijke gedeelten van Europa een
andere soort van paarden gefokt dan in het oosten. Hier lompe, zware
dieren met een grof beenderenstelsel en reusachtigen groven en meestal
opgevuld gewelfden neus. Daarginds een fijne, zenuwrijke soort met
korten, sierlijken neus, waarvan het rechte profiel met zijn lichte
uitholling de schoonste lijn voortbrengt, op stevige, maar toch ook
sierlijke ledematen. Om ze in hun wezen goed te onderscheiden, zou men
die twee grondvormen kunnen definieeren als het karrepaard en het
luxepaard, het paard, dat onder alle zweepslagen zijn phlegma behoudt,
en het paard, welks vuur met moeite wordt bedwongen, het leelijke, maar
brave werkpaard en het edele ros, dat voor den mensch als aesthetisch
dier hooge beteekenis heeft gekregen, het paard met spierkracht voor
den arbeid en het paard met een hoog ontwikkeld zenuwstelsel. In die
beide soorten schijnen twee verschillende vormen van landschap en van
een cultuur, die zich aan elk dier landschappen aansluit, naar voren te
komen. De ééne soort doet zich voor als het paard uit een ruw,
onvruchtbaar land, waar een langzaam zich naar boven werkende cultuur
met geringe middelen een ontzaglijken, taaien arbeid tegen haar zin had
te verrichten. Onwillekeurig moet men denken aan een landschap in het
noorden, waar de regen neerstroomt, en waar een zoodanig zwaar en lomp
paard zich, met modder en vuil bedekt, en hijgend voor een zwaar
beladen wagen door de natte klei heenwerkt, waarin de raderen ieder
oogenblik dreigen in te zakken. Bij dat andere paard ziet men de vrije
vlakte vóór zich, met een schitterenden sterrenhemel boven zich, en
luchtige tenten: de vlakte, waarover lichte, gespierde ruiters met hun
fladderende kleeren heenvliegen, die als het ware met hun paard
samengegroeid schijnen, in plaats van boerenknechts, die met de zweep
in de hand scheldend achter het paard aanloopen; men vermoedt daarin
het luxepaard, dat gevierd en bewonderd wordt, welks naam zich
voortplant als dat van een held en dat door de dichters van het volk
wordt bezongen.

Karrepaard en Arabisch paard! Ongetwijfeld steken in die tegenstelling
werkelijk historische lotgevallen van ver van elkander verwijderde
centra der beschaving. Het westersche paard, zooals men de zware,
dikneuzige soort heeft genoemd, is lang het beslissende product geweest
van de behoeften der eigen Europeesche cultuur. Het was het paard der
Noormannen, het typische paard, dat thuis behoorde over de geheele
Noordzee-kust; maar ook het bergpaard uit Stiermarken en Tirol, het
oud-Fransche en het oud-Engelsche paard. Van werkpaard van den
landbouwer tot oorlogspaard gemaakt, is dat zware dier het typische
ridderpaard geworden, ook als rijpaard hier bovenal een paard, dat een
zwaren last op den rug kan dragen, dat ruiter met wapenrusting en
harnas kan voortsleepen en zelf bovendien nog een harnas droeg als een
soort van kunstmatigen rhinoceros der cultuur. Dat is het oorlogsros,
dat door de sage vergroot is tot het ontzagwekkende paard Bayard, op
welks rug alle vier Heemskinderen te gelijk op avonturen uittrekken,
het godenpaard van Wotan, dat men gaarne een hoef meer zou hebben
toegedicht, om den grootst mogelijken last te dragen, waarbij de
fantasie onwillekeurig weer terugkeerde tot de werkelijke oude
natuurlijke wegen der neushoorns en Anchitheriën. Tot op zekere hoogte
leeft dat oude bloed nog in al onze koude soorten, in al onze
voortdurend ook door de moderne arbeidscultuur verder verlangde trek-
en sleeppaarden. Het zuiverst is dat bloed misschien nog in het paard
uit Tirol en Stiermarken, en in het Pinzgauerras, en betrekkelijk
zuiver in de zware Belgische paarden, de Percherons, de
Noord-Sleeswijksche „Deensche” paarden, en ook ten slotte als oud
reuzenbloed in de reuzen der Engelsche karrepaarden. Geen van die
levende rassen is immers tegenwoordig meer zonder gemengd bloed,
sommige zelfs zóó, dat juist het gezicht niet meer met het
oorspronkelijke overeenkomt. Maar toch is de oude inleg ongetwijfeld
nog overheerschend.

Omgekeerd steekt in het echt „oostersche paard”, waarbij wij
tegenwoordig in zijn eigenlijke woonplaats aan het „Arabische paard”
denken, het oorspronkelijke oude cultuurpaard der geheele edele
oostersche cultuur van Babylon af. Het begrip „Arabisch paard” is
daarbij uit een historisch oogpunt veel te eng, daar toch ten slotte
tegenwoordig de edele paarden van dat type volstrekt niet uit Arabië
afkomstig zijn. Op de oude Assyrische beeldhouwwerken zien wij reeds
onmiskenbaar het schoone paard met het „droge gezicht”, een ras, zóó
voornaam, dat men kan zeggen, dat het Arabische paard eigenlijk reeds
toen, en dus reeds zeer vroeg, in zijn geheelen aanleg gereed was.

Als het voorname, edele dier treedt het paard hier de geschiedenis
binnen in tegenstelling met de werkdieren, ook uit dat oosten
afkomstig, den ezel, het rund, den kameel. Het paard is de geleider
naar de groote gebeurtenissen in het menschelijke leven: de feesten, de
jacht, het gevecht. Duidelijk blijkt het, dat ook bij het paard in de
opleiding tot de cultuur een lange periode is voorafgegaan, waar het
niet zoozeer de rol van rijpaard vervulde, waar het evenals thans reeds
den wagen trok, maar het trok toen niet den langzaam voortgaanden,
krakenden wagen, maar trok den zwevend lichten strijdwagen achter zich
voort of den sierlijken luxewagen. In dien vorm komt het paard nog voor
in de cultuurperiode, die in de Homerische gezangen wordt geschetst.

In landen, waar het paard nooit zelf getemd was, maar eerst van buiten
als edelpaard werd ingevoerd, zooals dit ongetwijfeld in het oude
Egypte het geval is geweest, heeft men nog in versterkte mate den
indruk, dat het langen tijd een zuiver luxedier is geweest, een
kostbaar bezit der koningen en grooten in het land, waaraan de mindere
man hun grootheid en macht kon herkennen. Misschien ligt juist in die
oorspronkelijke hooge waarde van het paard als oostersch edelras de
reden van den merkwaardigen tegenzin tegen het eten van paardevleesch,
die reeds door de geheele oudheid heen uit het oosten afkomstig is. Wel
leest men, dat het verbod van het gebruik van paardevleesch eerst een
voortbrengsel is van het Christendom, dat optrad tegen heidensche
offermalen. Dit mag plaatselijk het geval geweest zijn, maar dan gold
het alleen noordelijke volksstammen, met wie de wereld van de
Middellandsche zee en het oosten voor het eerst in den vorm van het
Christendom in aanraking kwam. De afkeer tegen paardevleesch is echter
heel wat ouder dan het geheele Christendom.

Hoeveel kringen van beschaving en hoeveel volkeren sedert die dagen der
Assyrische paardenteekenaars over het oosten zijn heengetrokken, den
wondervollen schat van zijn edel paard heeft hij zich nooit meer laten
ontrukken, nooit meer laten begraven onder den zandstorm der
geschiedenis. In al de dertig eeuwen tot den tegenwoordigen tijd is
daar blijkbaar voortdurend verder gefokt aan het hoogste en edelste
type der oostersche paarden, en is dat type voortdurend verbeterd,
totdat het ideaal van het tegenwoordige Arabische paard is bereikt.
Toen de westersche beschaving later het engere oosten weer op nieuw
„ontdekte” op den weg harer eigen verdere ontwikkeling, kwam dit
product van de liefde van meerdere duizenden jaren haar niet te gemoet
als een oude bouwval, versleten en waardeloos als een oude munt, maar
juist in stralende schoonheid te midden van zooveel vervallen
grootheid.

Het is nu in hooge mate interessant, dat men nog tegenwoordig kan
aantoonen, hoe naar alle waarschijnlijkheid juist in die beide uiterste
afzonderlijke fokkerijen, de zware oud-Europeesche en de edele
oostersche, in beide gevallen reeds oorspronkelijk verschillende
afzonderlijke rassen van het gebruikte oorspronkelijke wilde paard zelf
hebben ingewerkt.

In het westersche, ramneuzige, zware en lompe ras steekt ongetwijfeld
nog steeds het bloed dier lompe, oud-Europeesche wilde paarden met
lange schedels en dikke neuzen, waarvan het beeld ons bewaard is
gebleven in de praehistorische teekeningen in de holen. Met absolute
duidelijkheid sluiten hier ook de diluviale beenderenoverblijfselen nog
aan de skeletten der meest typische rassen van onzen tijd aan.

Omgekeerd bestaat bij het volkomen tegengestelde uiteinde der lijn,
waar het oude oostersche edele ros geplaatst is, een in ieder geval
zeer groote waarschijnlijkheid, dat daarbij reeds van het begin af
gebruik is gemaakt van een meer sierlijk, wild Przewalskipaard met
fijner profiel en „droger gezicht”. De voortreffelijke onderzoeker der
huisdieren, Konrad Keller uit Zürich, heeft bij zijn beschrijving der
zooeven vermelde Assyrische voorstelling van een jacht op wilde
paarden, er het eerst de aandacht op gevestigd, dat de overigens niet
te miskennen Przewalskipaarden van die teekening toch ook reeds zeer in
het oog vallende koppen van Arabische paarden in den veredelden zin
vertoonen. Het jachttooneel is zóó uitnemend karakteristiek
weergegeven, dat de gedachte nauwelijks geloofwaardig schijnt, dat de
kunstenaar hier het wilde dier reeds heeft gestileerd naar het
aanwezige tamme ras. In ieder opzicht ligt het meer voor de hand, dat
in die dagen in het gebied van den Euphraat nog een wild ras
ronddoolde, dat reeds een meer concaaf profiel en andere kleine trekken
der Arabische paarden medebracht. Doch dan ligt weer voor de hand, dat
dit wilde ras ook van het begin af zelf het materiaal heeft geleverd
voor dat oud-oostersche cultuurpaard, dat tot op onzen tijd in het
Arabische dier voortleeft.

Ik geloof echter tevens, dat ook de temming uit die beide
oorspronkelijke varianten, de lompe met den langen schedel en die met
het fijnere gelaat, niet uitsluitend beperkt mag worden gedacht tot een
nauw begrensd gebied en tot één enkele historische daad. Ten minste,
wat de oorspronkelijk oostersche variante betreft, kan ik mij de zaken
niet anders verklaren, dan dat zij behalve in Babylon, waar zij
speciaal in den edelen „Arabischen” vorm is overgegaan, ook nog op de
meest verschillende andere plaatsen het uitgangspunt is geweest van
zelfstandige temmingen. Niet echte Arabische paarden, maar wel
cultuurpaarden, die wat hun schedelbouw en hun geheele houding betreft,
onmiskenbaar aansloten aan het oostersche ras, zijn onweerlegbaar reeds
van oudsher verspreid geweest over een onmetelijk gebied der oude
wereld. Als oude grondvorm gaan zij door het ras der Europeesche landen
aan het oostelijke gedeelte der Middellandsche zee en van het geheele
reuzengebied van den Caucasus tot Hongarije en Rusland. Zij beheerschen
China en Indië en kunnen nog vervolgd worden tot in de ponyvormen op
Java en in Japan.

Men zou een oogenblik geneigd zijn te meenen, dat dit alles ook reeds
van oudere tijden af kan worden teruggevoerd uitsluitend tot den
invloed van het groote cultuurcentrum in dien engeren oosterschen hoek,
dus ten slotte van uit Babylon. Naast dat zelfstandige
noord-Europeesche „karrepaardcentrum” zou dan ten minste voor die
geheele lijn Viktor Hehns lievelingshypothese juist zijn van een
werkelijk één geheel vormenden oosterschen inval voor elk ander
cultuurgebied van het paard in de oude wereld. Voor een bepaalde
hemelstreek zou dit juist kunnen zijn, en wel voor alles, wat van
cultuurrassen over het gebied der Roode Zee historisch naar Afrika is
binnengedrongen. Het oude Egypte uit den cultuurtijd heeft, zooals wij
reeds verhaalden, zijn tam paard naar alle waarschijnlijkheid eerst
laat en reeds als gereed cultuurras van het Aziatische beschaafde
oosten weggenomen, en wel werkelijk het reeds meer of minder ver
gevorderde Babylonische edele paard, den lateren „Arabier”. Oost-Afrika
heeft het dan ook niet verder gebracht dan het fokken dier Arabische
paarden. In het Somaligebied, dat uit een natuurhistorisch oogpunt zoo
interessant is, waar de oude wilde ezel samenkomt met het
onafhankelijke Afrikaansche wilde paard, den zebra, is het tamme paard
uitsluitend binnengetreden als het iets grovere Arabische paard, dat
ontslagen was uit de onvermengde fokkerij. Nog in onze dagen noemen de
Somali- en Gallastammen het met het Arabische woord „faras”, terwijl
zij het woord huispaard in hun taal niet kennen. En zoo is het ook
verder naar Zuid-Afrika toe.

Dit is echter uit een historisch oogpunt beschouwd uitzondering, geen
regel. Voor alle overige reusachtige Europeesche en Aziatische streken
hebben wij daarentegen geen enkelen steun voor de meening, dat zij hun
oude paarden met hun oostersche trekken eerst zouden hebben verkregen
langs den omweg van het fokken van Arabische paarden. Hoe oud de inval
wel zou moeten zijn, blijkt het duidelijkst uit het feit, dat reeds in
de latere Zwitsersche paalwoningen paardenbeenderen voorkomen, die
hiertoe behooren en niet tot het noordelijke paard met zijn langen kop.
Wij kunnen de paalwoningen uit die periode terugbrengen tot het bronzen
tijdperk. Het is echter absoluut niet te begrijpen, waarom die
Zwitsersche cultuur uit het bronzen tijdperk haar huispaard zou hebben
ingevoerd uit ontzettend ver afgelegen landen, terwijl toch in de
onmiddellijke nabijheid in hun eigen werelddeel paarden werden getemd,
en wel die westersche dikneuzige paarden, die nooit in het oosten zijn
gekomen. Het ligt toch veel meer voor de hand, dat die „oostersche”
variëteit van het oorspronkelijke wilde paard, waaruit in Babylon het
oostersche edele ros is ontstaan, in die dagen veel verder verbreid
was, en naast de andere, de meer plompe variant, evenzeer tot in Europa
voorkwam. Zij loste dan ook in Europa reeds vroeg op in daar
onafhankelijk getemde cultuurrassen, die daardoor van het begin af een
zeker „oostersch” type verkregen, zonder toch in oudere dagen ergens in
dat gebied op te klimmen tot een hoogte, die maar eenigszins kan
vergeleken worden met het edele dier der echt oostersche cultuur. Men
zou zich kunnen voorstellen, dat de locale behoefte een rol gespeeld
heeft bij de beslissing, welk Europeesch wild ras van de twee de
voorkeur zou hebben: in het noorden en westen over het algemeen meer de
plompe, zware vorm, in het gebied der Middellandsche zee tot in het
gebied der genoemde paalwoningen en in het zuid-oosten, meer de lichte,
fijne vorm. Ook is het wel mogelijk, dat reeds de geografische
verbreiding dier Europeesche wilde paarden te gemoet kwam aan die
behoefte, die men zich afhankelijk zou voorstellen van het locale
milieu, en die als het ware reeds van nature met het landschap in
overeenstemming is. Het komt mij voor, dat er een aantal gronden voor
spreken, dat het zware, diluviale wilde paard met zijn langen kop
oorspronkelijk meer de geografische vorm geweest is van die gedeelten
van Europa, die uitzien op den Atlantischen oceaan en de Noord- en
Oostzee, terwijl de fijnere vorm steeds bleef in de richting der
Middellandsche zee, ten zuiden van de Alpen en Karpathen bleef en door
middel van Zuid-Rusland te gelijk aansloot aan de steppe van
Centraal-Azië en aan het oostersche verbreidingsgebied. De
Atlantisch-noordelijke variant, die in die beteekenis meer het wilde
paard zou geweest zijn der steppe, die vrijkwam na de
gletschervormingen der ijsperiode, zou zich omgekeerd veel noordelijker
tot Azië hebben voortgezet, en wel door Siberië, en ten slotte ook tot
in de nabijheid van het overlevende Przewalskipaard. De beenderen der
diluviale wilde paarden, die men hoog in het noordelijke Siberië vindt,
komen ook daarmede overeen,—zij zijn absoluut niet „op oostersche”
leest geschoeid. De tegenwoordige Przewalskipaarden der woestijn van
Gobi zouden echter juist daar behouden zijn gebleven, waar aan de
uiterste oostersche plek de beide geografische gordels elkander
raakten. Op dit geheele onmetelijke dubbelgebied zouden wij historisch
de mogelijkheid hebben van onafhankelijke temmingscentra, die naar
gelang van hun ligging ten opzichte der groote scheidingslijn
„westersche” of „oostersche” gefokte rassen voortbrachten. Dat daarbij
zulke westersche paarden in hoofdzaak alleen in het werkelijke westen,
namelijk aan den Europeeschen westhoek van het bovenste gebied blijvend
schenen gefokt te zijn, terwijl over den geheelen anderen gordel van de
Middellandsche zee tot in China overal oostersche fokdieren van oudsher
verspreid zijn, kan voldoende verklaard worden uit het overwicht der
menschelijke cultuur in dien zuidelijken gordel tegenover het
Aziatisch-Europeesche noorden, dat het uitsluitend aan den westhoek in
noordelijk Europa gebracht heeft tot een groot, werkelijk autochthoon
cultuurcentrum. Het moet hierbij een volkomen open vraagstuk blijven,
hoeveel verschillende temmingscentra op dien rijken zuidelijken gordel
hebben kunnen liggen. Of bij voorbeeld het geheele Europeesche gebied
der Middellandsche zee oorspronkelijk het fijnere ras uit één en
dezelfde bron heeft betrokken, is een vraag, die bijna even ingewikkeld
is als de vraag omtrent de eenheid van oorsprong der geheele cultuur
der Middellandsche zee van de alleroudste tijden af, een vraagstuk,
waarbij tegenwoordig alles in beweging en beroering is. Reeds in de
antieke literatuur uit den tijd der Homerische gezangen heeft de
noordoosthoek van het gebied in de nabijheid van Thracië steeds een
groote rol gespeeld als van ouds beroemde kweekplaats voor de
paardenfokkerij, dus op karakteristieke wijze niet de eigenlijk
oostersche hoek, die naar Babylon wijst, maar de aanrakingsplaats met
den onafzienbaren horizon der Zuid-Russische steppe, die zeker een oud
eldorado van den eersten rang was voor de oude wilde paarden. Als in
den twijfelachtigen Russischen Tarpan werkelijk nog een overblijfsel
aanwezig was van het oude oorspronkelijke wilde bloed tot op onze
dagen, dan zou dat nog een nagalm geweest zijn van die plaats, die voor
de geschiedenis van het paard der cultuur van de Middellandsche Zee in
eenig opzicht van belang was: de schedel van den Tarpan wordt
beschreven als oostersch, maar met westersche bijmengsels; juist die
vermenging wijst echter niet op echt wild bloed in dat dier, maar op
het feit, dat wij hier te doen hebben met een weer verwilderd
cultuurpaard van een reeds ver gevorderde latere kruising van het ras.

Zeker zal het oude China een oud middelpunt voor het temmen en fokken
gevormd hebben, dat in geen verband stond met het westelijke. Voor
zoover mij bekend is, is het Chineesche cultuurpaard van oudsher een
oostersch ras, waarvan echter in weerwil der overoude cultuur niet veel
is terecht gekomen. Voor de fijnere Chineesche opvatting van cultuur
schijnt het paard steeds een zachten trek van barbaarschheid te hebben
behouden, iets als een herinnering aan ruwere en meer primitieve
toestanden. Daartoe heeft in ieder geval bijgedragen, dat de Chineesche
cultuur van alle op aarde de eenige is geweest, die op haar
buitengebied werkelijk nog tot in onze dagen als het ware nog den
barbaarschen oorspronkelijken trap der paardencultuur voortdurend voor
oogen heeft gehad. Op de grens van den engeren zoom der Mongoolsche
cultuur begint nog tegenwoordig in de richting naar Azië een beeld van
volkeren, waar de paardencultuur als het ware nog in wording is. Het
schijnt haast niet zonder inwendigen grond te zijn, dat juist hier nog
een oorspronkelijk wild paard zelf voort leeft. Het is, alsof de
paardencultuur tot heden toe hier niet de volle kracht ontwikkelt, die
in andere streken ontwikkeld wordt.

Hier zien wij nog trappen van paardenbehandeling, die reeds voor den
mensch der oudheid een mythisch barbaarsch karakter vertoonden. Het
paard wordt gemolken, als moest het overgebracht worden naar een geheel
andere categorie van huisdieren, en wel in die, welke gericht is op de
veeteelt in engeren zin, die welke dienstbaar is aan de voeding. Bij
arme steppenvolken met karige voeding is die bestemming meestal een
overgangstoestand geweest, die eerst op den achtergrond geraakte, toen
het paard kwam bij welvarende herdersstammen met een rijke veeteelt,
zooals in het oude beschaafde oosten. Oorspronkelijk was het paard als
wild paard zuiver jachtdier. Daarbij volgde de periode, dat merries en
veulens nu en dan bij de jacht gevangen werden. In dezen eersten tijd
lieten zich alleen de merries met haar instinct van onderworpenheid en
aanhankelijkheid aan een leider temmen. Kudden, uitsluitend uit merries
bestaande, leidden dan gemakkelijk tot het gebruik maken van de
paardenmelk. Het kan ook zijn, dat nu en dan het plotselinge verlies
van andere huisdieren geleid heeft tot het gebruiken van het paard als
noodhulp. Dit geldt echter reeds niet meer uitsluitend het gebruiken
van de melk, maar het kan onder bepaalde omstandigheden onmiddellijk
een eerste oorzaak geweest zijn, dat men zich met paardenfokken en
paardentemmen in het algemeen heeft beziggehouden.

Dergelijke overgangen, al is het dan ook al niet meer met het werkelijk
opnieuw beginnen der paardentemming van beneden af, kan men
tegenwoordig ook nog waarnemen bij de Toengoezenstammen aan den Amoer;
als zij hun van ouds in gebruik zijnd huisdier, dat bij hen werkelijk
op ieder gebied dienst doet, het rendier, door verwoestende epidemieën
verliezen, dan gaan zij door den nood gedrongen tot paardenfokkerij
over, en worden zij „paarden-Toengoezen”. Onwillekeurig moet men
daarbij aan onze Europeesche oudste voorvaderen denken, voor wie juist
het rendier bij het allereerste begin van hun cultuur minstens éénmaal
als gewichtigst jachtdier een werkelijk beslissende rol heeft gespeeld,
doch die daarna de post-diluviale afwisseling van klimaat moesten
beleven, die met de Toendra, de mossteppe, ook dat rendier bijna uit
geheel westelijk en noordelijk Europa verdreef. Als men zich mocht
voorstellen, dat met het rendier misschien reeds door dergelijke
diluviale jagersstammen bij ons de eerste pogingen zijn in het werk
gesteld en proefnemingen zijn verricht, om huisdieren te kweeken, dan
zou men bijzonder goed begrijpen, hoe juist in het oude Europa later,
toen de toenemende hitte de aanwezige inheemsche rendieren onverwachts
wegrukte (misschien ook wel langs den indirecten weg van verwoestende
epidemieën), reeds in het grijs verleden zich een uitgebreid en
krachtig centrum van paardenfokkerij kon ontwikkelen uit de behoefte,
dit huisdier door een ander te vervangen.

Voor die noord-Aziatische jagersstammen van onze dagen is hun getemd
rendier bovenal onontbeerlijk als voertuig, hulpdier, transportdier bij
hun onafgebroken zwerversleven, dat bepaald wordt door klimaat en zorg
voor de voeding. Als men op de praehistorische teekeningen op de muren
der holen in Frankrijk de tenten ziet, die reeds in die dagen door de
jagers werden opgeslagen, blijkbaar bij hun jachttochten op mammouth en
wisent, dan begrijpt men, hoe vroeg reeds dat vraagstuk van het
transport een brandend vraagstuk moet zijn geworden. Hier echter is nu
weer interessant, dat bij die rendier-Mongolen het rendier van tijd tot
tijd ook reeds als rijdier werd gebruikt. In ieder geval is voor de
geheele paardenfokkerij in de binnen-Aziatische steppen de
mogelijkheid, dat ook het paard bereden kon worden, van oudsher een
gewichtige factor geweest. Weer schijnt zich daarin een behoefte af te
spiegelen, die door het landschap wordt bepaald: de oneindige
steppenvlakte, die onder bepaalde omstandigheden zoo snel mogelijk
moest worden doorkruist, mijl na mijl in taaie volharding. Hier was
niet de beslissende eisch, zooals bij het Europeesche ridderpaard, een
kolossaal paard, dat gemakkelijk het zware gewicht van den berijder kon
dragen; niet zooals bij het Assyrische strijd- en pronkpaard de
veerkrachtige, zenuwrijke bestormer op een bepaald oogenblik, die met
het lichte strijd- of jachtwagentje indrukwekkend op het doelwit
losstormde. Maar hier gold het den schijnbaar armzaligen, maar taaien
draver, die het ontzaglijk lang kon volhouden, een klein paard
behoorende bij kleine menschen zonder veel ballast, dat het echter met
dit al den ruiter mogelijk maakte, wat eertijds in de steppen der
tertiaire periode de kleine wereldveroveraars, de Hipparions, hadden
kunnen volbrengen: het doorkruisen van een ontzaglijk uitgebreid
werelddeel tot in andere werelddeelen. Met die taaie Mongoolsche
paarden is het mogelijk geweest, die ontzaglijke tochten te volbrengen,
waarbij Aziatische volkeren in vliegende vaart met een snelheid als van
den stormwind vlogen midden door de Europeesche cultuur, als had er een
inval plaats van potsierlijke monsters van een andere planeet. Voor mij
ligt over die ontzaglijke invallen historisch nog altijd iets
raadselachtigs, iets wat in hun innerlijk wezen voor ons nog niet
tastbaar is. Men heeft slechts één analogie daarvoor: de even vlugge
tochten van troepen van bepaalde vogels over een even groote
uitgestrektheid. Juist op dezelfde wijze als eertijds die Aziatische
ruiters, zoo zijn in onze dagen herhaaldelijk geheel onverwachts
millioenen exemplaren van het sierlijke zandkleurige steppenhoen, als
waren zij meegesleept door een niet te weerhouden natuurkracht, in een
rechte lijn uit de Centraal-Aziatische zoutsteppen tot bij ons naar
Europa gekomen; tallooze dieren hebben den dood gevonden door aan te
vliegen tegen onze telegraafdraden, andere zijn neergeschoten, geen
enkele is weer teruggekeerd. Het motief, dat die vogels bezielt, is
even onbegrijpelijk als dat der voortdurend in westelijke richting
jagende ruiters. De vogel had daarbij de hulp van zijn vleugels. Den
mensch zou het nooit mogelijk zijn geworden, als niet de ontwikkeling
voorafgegaan was van dien onvermoeid volhardenden ruimtebedwinger,
eenig in zijn soort, den paardevoet.

Juist dergelijke reuzenritten doen ons echter ook de werkelijke
mogelijkheid zien, hoe, in weerwil van zoo verschillende, ver van
elkander verwijderde, lokale temmingscentra vermengingen en invloeden
konden ontstaan, die men volgens de rustige hoofdrichting der
cultuurgeschiedenis nooit denkbaar geacht zou hebben. Men heeft er op
gewezen, dat in de antieke mythe der centauren, de mythe omtrent de
fabelachtige wezens met het benedenlichaam van een paard en het
bovenlichaam van een mensch, een herinnering kon steken aan zulk een
plotseling invallenden en weder verdwijnenden stormvloed van
vreemdsoortige barbaarsche ruiters, die vastgegroeid schenen aan hun
ruwe paardjes. Het is een zaak, die niet onwaarschijnlijk lijkt en
waarover moeilijk kan worden gestreden. Ik geloof echter, dat de
centauren (het woord wordt ook in de Indische mythologie
teruggevonden), veel te duidelijk behooren tot die wereld van algemeene
fantastische stileeringen en combinaties, waaruit tevens het
gevleugelde paard Pegasus, de vogel Grijp met de klauwen van een
zoogdier, de sirene met het lichaam van een meisje en de pooten van een
vogel, de veelkoppige helhond Cerberus en de stierkoppige Minotaurus
zijn ontsproten, en waarvan de centrale woonplaats naar alle
waarschijnlijkheid in Phoenicië en Babylon was gelegen. Waarom zou
juist het paardmensch berusten op een historische herinnering, die toch
geen sterveling zal te voorschijn roepen voor zijn makkers uit
dienzelfden hoek, de vischmenschen, vogelpaarden en stiermenschen?

Aan de centaurenhypothese zijn dan verdere vermoedens vastgeknoopt: dat
het plotselinge opduiken van zulke „verschrikkelijke ruiters” in de
westelijke landen het paard zou hebben omgeven met een „bijgeloovigen
schrik” (dit zijn de woorden van den onderzoeker der huisdieren Eduard
Hahn) en de oostersch-Europeesche cultuur van het paardrijden had
afgewend naar het eenzijdige gebruik van het paard uitsluitend als
trekdier vóór den wagen. Of ook omgekeerd, dat juist dergelijke
invallen der Aziatische steppenruiters het rijden eerst zelf verbreid
hadden tot diep in het westen. De laatste meening zou misschien nog het
best voor discussie vatbaar zijn, maar ten opzichte van het
oostersch-oudgrieksche cultuurgebied schijnt zij mij volkomen onjuist
toe. Het oostersche edele ros is, zooals ik reeds heb besproken, van
het begin af pronk- en luxepaard geweest, het dier der koningen en
edellieden, en niet, zooals bij de Tartaren, een noodzakelijk attribuut
in den moeilijken levensstrijd. Het kwam als luxedier veel meer uit
vóór den prachtigen wagen, en in den slag voerde het vóór den wagen den
aanzienlijken strijder mede, die gewoon was, steeds ten minste één
volgeling ter zijde te hebben, die dienst deed hem de speer aan te
reiken, het schild te dragen of op andere wijze hulp te bieden, als
ware deze op een kleinen burcht geplaatst. Men moet niet uit het oog
verliezen, hoe nog in de Ilias eigenlijk alleen heeren- en
koningsgevechten geschetst worden. Ik geloof niet, dat men hier een
zeker afgrijzen gehad heeft van het paardrijden als van iets
spookachtigs, maar dat een edele uit die dagen het veeleer zou hebben
beneden zich geacht als iets plebejisch; hij zou gezegd hebben, dat een
koning geen stapel koolen was, die men op den rug van een dier laadde.
De kunst van het rijden op dat edele paard is eerst na het verval van
het oude oosten ontwikkeld, toen het in handen viel van oostersche
tent- en woestijnbewoners—maar die ontwikkeling was toen dan ook een
bepaalde, door den aard van het land beheerschte ontwikkeling, die
volstrekt niet onder den invloed behoefde te staan van vreemde
factoren.

Men heeft nog een bijkomend resultaat der paardenfokkerij, en wel van
een blijkbaar zeer oude fokkerij uit die invallen der midden-Aziatische
steppenruiters willen verklaren: en wel het ontstaan van het muildier.
Het muildier, het prachtige product van een mannelijken ezel en van een
vrouwelijk paard, is ongetwijfeld ook reeds een oude en waardevolle
bezitting der cultuur. Als onze getemde ezel geheel of voornamelijk uit
Afrika is gekomen, dan is de kring, waarover hij verspreid was, in
beginsel gegeven. Hahn heeft nu geschetst, hoe bij volkeren, die
oorspronkelijk alleen ezels bezaten, zulke Tartaarsche ruitervolken het
land doorgevlogen zijn en paarden hebben achtergelaten. Het zouden
echter alleen merries geweest zijn, waarbij herinnerd wordt aan de
tegenwoordige gebruiken in Arabië en andere landen, steeds uitsluitend
merries als rijpaarden te gebruiken. Men zou vervolgens getracht
hebben, het paard in de ezellanden iets meer tot den ezel te doen
naderen, door het te kruisen met den reeds langer bekenden ezel, en
daar men alleen merries der paarden tot zijn beschikking had, werd het
muildier geschapen. Dat klinkt zeer fraai, maar stelt eigenlijk een
ingewikkelden roman in de plaats van een zaak, die men zich veel
gemakkelijker kan voorstellen, een algemeen feit, dat plaats heeft
zonder invallen van Tartaren. Waar men den ezel reeds voor goed had als
cultuurdier, maar met het temmen van inheemsche paarden eerst een begin
maakte, zooals bij voorbeeld in het oude Babylon, daar kwam iederen
keer weer die eerste tusschenregeering der paardenfokkerij in
aanmerking: het eenzijdige begin der proef met paardenmerries.
Onmiddellijk op dien aanvangstrap lag het toen reeds genoeg voor de
hand, dat tamme ezels de opgekweekte paardenmerries dekten. De overgang
zal gemakkelijker gemaakt zijn door dat, wat nog tegenwoordig bij het
fokken van alle muildieren een groote rol speelt. Men had een enkelen
keer veulens van jonge paarden alleen gevangen (zooals wij vroeger
omtrent Hagenbeck bespraken) en liet die, nu hun eigen moeders
ontbraken, door zoogende ezelinnen groot brengen. Het zoogen van jonge
paarden door ezels levert ook thans nog geen bijzondere moeite op, maar
heeft steeds een zeer bepaald resultaat: het zoo groot gebrachte
pleegkind heeft volstrekt geen afkeer van een liefdebond met het volk
zijner zoogmoeder. Als het paard niet door een ezelin is gezoogd,
schuwt, ten minste in den regel, de paardenmerrie den mannelijken ezel,
terwijl de laatste volstrekt niet kieskeurig is. Als nu oorspronkelijk
op die wijze toevallig een enkelen keer de ban was verbroken, en een
jong muildier gelukkig ter wereld kwam, zal waarschijnlijk in het begin
alleen reeds de merkwaardigheid der zaak de belangstelling hebben
opgewekt. Tot op onze dagen heeft alles, wat samenhangt met het
ontstaan van het muildier, voor het groote publiek iets geheimzinnigs
aan zich; daaraan knoopt zich alle mogelijke bijgeloof vast, dat een
enkelen keer zelfs heeft ingewerkt tot in de wetenschappelijke zoölogie
en haar opvattingen omtrent dergelijke bastaardvormingen. Later moet de
practijk op zich zelf echter spoedig het nut van dat „monster” hebben
aangetoond. Het muildier is een dier, dat alle goede eigenschappen
heeft van het karakter van den ezel, gebracht op de grootte en de
gestalte van het paard. Dit is het geheim van zijn succes. Hij is het
product van de poging, het paard zuiver op te vatten als een middel ter
verbetering van den ezel. Een enkele schakel van die poging zal zich
overal in de geschiedenis van het paard ingevoegd hebben, waar men den
ezel reeds had en van oudsher hoogschatte, maar waar men met het paard
nog eerst stond in het stadium der nog onzekere proefnemingen.

Zijn eigenlijken triomf heeft het muildier daarna gevierd als het dier,
dat „in den nevel zijn weg zoekt”, en wel in het hooggebergte. Daar is
hem bij zijn volle paardekracht en een zekeren paardemoed de smalle
hoef van den ezel te stade gekomen. Men kan zoo goed zien, wat het
begrip „monster” in de natuur eigenlijk beteekent: alles komt ten
slotte neer op de geschikte gelegenheid, dan wordt het monster een
genie. Uit een aardrijkskundig oogpunt heeft de mulus (mulus is het
Latijnsche woord voor muildier, hinnus dat voor den in ieder opzicht
minder belangrijken muilezel, waar dus de moeder een ezelin is),—en wel
voor een deel op grond van die speciale gave—ten slotte dat land
veroverd als het gewichtigste, in dat land wel het edelste cultuurdier,
dat in oude dagen reeds eenmaal het doel is geweest van een zoo grooten
inval van paarden: Zuid-Amerika. Zoo jaagt het noodlot steeds rusteloos
weder voort.

In ieder geval echter zullen die invallen uit de Aziatische steppe,
die, naar het schijnt uitsluitend plaats hadden met oostersche ruwe
paarden, hun deel hebben bijgedragen tot de belangrijkste gebeurtenis
der geheele latere geschiedenis van het paard: namelijk de
dooreenmenging van het algemeen oostersche met het specifiek westersche
foktype, terwijl gelijktijdig alle lokaal van elkander afwijkende door
fokken ontstane producten van het oostersche grondtype met elkander
werden vermengd. Men behoeft zich slechts een paar haltplaatsen te
herinneren in de ontwikkeling van de cultuur der oude wereld in de
laatste tweeduizend jaren, om te begrijpen, hoe noodzakelijk het was,
dat dit mengproces plaats had door de verplaatsingen der cultuurvolken,
in wier hand het paard was. De Romeinen doen een tijd lang het geheele
gebied van Engeland, Frankrijk en Zuid-Duitschland tot aan de oude
streken der beschaving van het oosten tot één enkele beschavingseenheid
samensmelten. De volksverhuizing drijft Germanen tot naar het
noordelijke deel van Afrika. Het wereldrijk der Arabieren maakt Spanje
tot een provincie van het oosten. Er wordt een eindeloos voortdurende
poging gedaan, om uit Duitschland en Italië, uit Duitschland en Spanje
een blijvende eenheid te vormen. Het westen dringt tijdens de
kruistochten in het oosten in, het oosten met de Turken in het westen.
Het wereldrijk der Engelschen, uitgaande hoog van den noordwestelijken
uithoek van het gebied, begint de verste zuidelijke kusten en
oostelijke landen te omvatten. Op al die tochten heen en weer, in alle
richtingen, trekt het paard echter mede. Twee fundamenteele resultaten
komen tegenwoordig voor Europa voor den dag met de werking van dit
proces.

Aan den éénen kant het meer naar voren dringen van het oostersche
paardentype in het algemeen ook binnen het oude gebied van het
westersche ras, dus ook naar West- en Noordduitschland. De zware
achterblijvers van dat westersche ras staan tegenwoordig overal waar
zij behouden zijn gebleven, meestal tusschen oostersch invalmateriaal,
zij zijn daardoor omringd en uit een geografisch oogpunt tot zelfs in
Engeland reeds lang omsloten. Hun eigen bloed is in de meerderheid der
gevallen reeds doortrokken met een scheut vreemd westersch bloed. In
ieder geval zal dat ras blijven voortduren, zoolang onze cultuur
reusachtige Engelsche brouwerspaarden en gemakzuchtige Fransche
postpaarden noodig heeft, zoolang de electrische tram nog niet geheel
den omnibus en de paardetram heeft verdrongen. Zoolang wij een
industrie hebben, waarvoor het paard als trekkracht ten minste op korte
afstanden nog steeds de goedkoopste machine vertegenwoordigt, zoolang
wij het paard Bayard nog als het ware kunnen gebruiken als den olifant
onzer noordelijke cultuur, al is het dan ook niet voor het dragen van
vier romantische helden.

Het tweede belangrijke feit is ten slotte het binnendringen ook van het
echte edele paard in de engere „oostersche” beteekenis, van het
„Arabische” paard, in onze Europeesche paardenwereld, en wel beslissend
in den meest noordwestelijken hoek. Het Babylonisch-Arabische edele
dier, dat toppunt der geheele paardencultuur, die bereikt is in den
oostelijken hoek van het gebied der Middellandsche zee en die duizenden
jaren is veredeld, heeft zich ongetwijfeld eerst langzaam in westelijke
richting in beweging gezet na den achteruitgang der Romeinsche
beschaving in het gebied der Middellandsche zee, te gelijk met het
opkomen van het nieuwe oostersche tijdperk der Arabieren zelf. Terwijl
de van ouds beroemde paardenlanden van de classieke oudheid, het
Russische oosten, den invloed daarvan in het geheel niet ondervonden,
en bij hun slechter, oostersch, oud type bleven volharden, marcheerde
het edele ros eerst op den noord-Afrikaanschen zoom der cultuur op
Europa af. Het is mogelijk, al is het dan ook niet bewezen, dat het
westelijk daar naar voren dringend het eerst is gestooten op een
afzonderlijk oostersch ras, dat reeds lang getemd was uit inheemsche
wilde paarden der noord-Afrikaansche kust, en daarmede kruisend, het
tegenwoordige Berber-ras heeft voortgebracht, dat het Arabische bloed
met een beslist vreemden trek heeft vermengd. Het heeft daarna, het
eerst te gelijk met de Arabieren, Europa betredend op den meest
onwaarschijnlijken uithoek, den zuidwestelijken, iets dergelijks gedaan
met een eveneens nationaal fokras in Spanje, en zoo het typische
Spaansche paard voortgebracht, dat daarna voor het eerst oostersch edel
bloed ten minste als toevoegsel van den tweeden graad in het verdere
beschaafde Europa (vooral in Oostenrijk) practisch heeft ingevoerd en
voor het eerst een Europeesch heerenpaard heeft geschapen, dat ten
minste eenigszins Arabische trekken vertoont. Toch bleek die geheele
weg slechts een halve en flauwe stoot voorwaarts, evenals het op nieuw
ontdekken van het centrum der echte edele paarden door de kruistochten
in het bijna verloren gegane oosten. Beslissend werd eerst sedert de
tweede helft der zeventiende eeuw het bewuste en voortaan steeds meer
systematische ingrijpen en doortasten van de meest noordwestelijk
gelegen Europeesche cultuurnatie, de Engelschen. Dat tijdvak stelt het
grootste moment vast der geheele geschiedenis van het paard sedert het
begin der oud-oostersche cultuur van het edele paard, en tevens het
meest belangrijke moderne moment. Het betrof dezen keer niet een
toevallige strooming der volksbeweging van oost naar west, maar het
gold een bewust invoeren van iets wat op verre afstanden veroverd was,
door een volk, dat een internationaal oog ontwikkelde, dat reikte over
de geheele aarde met een slimme keuze van datgene, wat te huis het
grootst mogelijke nut zou kunnen opleveren. De Engelschman haalde het
beste en edelste Arabische materiaal naar zijn vaderland, zooals men
dieren haalt voor een zoölogischen tuin, vermengde dat met een kleinen
scheut inheemsch, Europeesch bloed, als het ware voor inwendig
acclimatiseeren, en schiep als practisch zoöloog dat Engelsche slag van
het oorspronkelijk Arabische ras, dat men met volle recht den
veredelden Arabier zou kunnen noemen: het Engelsche volbloed-paard, den
koning der renpaarden en het nieuwe ideale type der geheele
Europeesche, ja zelfs internationale paardenfokkerij.

Op nieuw keerde men nu terug tot de opvatting, die het oude oosten
reeds eenmaal had bezeten en practisch had bevestigd: dat dit type,
zooals dit in hoofdkenmerken door het Arabische paard werd uitgedrukt,
ook voor onze Europeesche cultuur het gegeven heeren- en sportpaard
was, het aesthetische paard in tegenstelling met het zware werkdier,
het karrepaard. Als men een oostersch ras wilde, dan moest het dit
zijn. Zoo is in navolging van het Engelsche paard, al is het dan niet
tot een zoo hyper-aristocratisch uiterste, of liever gezegd met een zoo
hyper-sportdoel—het Duitsche edelste paard, de Trakehner, met dergelijk
vreemd, doch specifiek edel bloed ingeënt, tot zijn tegenwoordigen
evenzeer wereldberoemden glans gekomen. Ook het Hongaarsche paard is
zoo veredeld, en welke geliefde soorten er nog meer zijn.

Wat oorspronkelijk in den rijkdom der plaatsen, waar het oostersche
type oorspronkelijk gekweekt werd, naar onze opvatting niet het geval
is geweest, dat is tegenwoordig, dank zij die latere bewuste handeling
der cultuur, werkelijk een feit geworden: alle systematisch
uitgeoefende en op een hoog doel gerichte Europeesche paardenfokkerij
staat voor haar oostersch gebouwd type zonder eenigen twijfel onder den
invloed van het oud-oostersche edele paard in de engere beteekenis, het
Arabische paard. Als men van de menschheid niets wist, dan die laatste
handelingen, waarbij zij zich het paard toegeëigend had, dan zou men
daaruit met zekerheid de gevolgtrekking kunnen maken, hoezeer zich het
bewustzijn harer beschaving, die individualiteit van haar cultuur als
geheel, langzamerhand hoe langer hoe meer tot een organisch geheel
heeft afgesloten. Wat eertijds meer of minder blind onderworpen was aan
een heen- en weerstroomen van politieke machtsverhoudingen en
volksverhuizingen, dat valt tegenwoordig binnen het gebied van het
bewuste experiment, dat ten doel heeft de wijze van ontwikkeling en
vooruitgang te leeren kennen onafhankelijk van alle geografische
grenzen, of grenzen, die in ieder geval alleen in zóóverre in rekening
komen, als bij voorbeeld het Arabische paard uit zijn oostersch milieu
in het noorden eenig noordelijk bloed, met overleg toegemeten, moest
verkrijgen als basis ter acclimatiseering.

Terwijl die triomf van het edele paard werd voorbereid, waren volkomen
ongemerkt de werkelijke oorspronkelijke wilde paarden ook in Europa
voor goed uitgestorven. De laatste exemplaren schijnen nog op Sardinië
te hebben geleefd. Slechts hier en daar komt in de tegenwoordige
getemde rassen nog weer eens een wilde troep tastbaar voor den dag, die
herinnert aan de verdwenen rassen. Zoo duiken onder onze ponyachtige
paarden (die over het algemeen volstrekt niet uitsluitend tot één type
behooren) van tijd tot tijd nog bijna echte Przewalskipaarden op, juist
met verschillende kenmerken van de Mongoolsche wilde vormen, die
tegenwoordig nog in de woestijn van Gobi leven. De dichter Gerhart
Hauptmann bezat voor eenigen tijd een dergelijken pony, die nog met
zijn woestijngele Isabellakleur en zijn pikzwarte kousen steeds op de
meest bedriegelijke wijze deed denken aan den Przewalskihengst van den
Berlijnschen dierentuin. Zelfs de merkwaardige streep op den rug komt
nog bij noordelijke cultuurpaarden voor. In het algemeen zal men bij
alle in het oog loopend kleine rassen meer aan de wilde paarden worden
herinnerd. Zij handhaven nog steeds trekken van de oorspronkelijke
schepping van het paard, terwijl de reuzenvormen onder de paarden,
onverschillig uit welken stam zij afkomstig zijn, absoluut zeker steeds
het resultaat van menschelijke inmenging zijn.

Doch bij de allerkleinste soorten van pony’s heeft ongetwijfeld nog een
andere factor zijn invloed uitgeoefend, een factor, die ons doet zien,
hoe ook het paard, ver van dien eigenaardigen oorspronkelijken grooten
ontwikkelingsweg, en zonder eenige medewerking van den mensch, onder
den invloed is van een macht, die met onze tegenwoordige kennis
volkomen onberekenbaar, ja zelfs absoluut niet te verklaren is. De
eigenlijke dwergen onder de ponysoorten, die in hun soort tot een
paardentype behooren, dat in ieder opzicht volkomen is afgewerkt, maar
alleen op miniatuurmaten is gebouwd, zijn dieren, die alleen op
eilanden worden gevonden. Zoogdieren, die op eilanden worden
geïsoleerd, zijn echter van oudsher onderworpen aan een volkomen
onwrikbare wet: zij worden dwergen. Reeds in voorwereldlijke tijden
zijn de dieren, die oorspronkelijk door hun grootte tot de monsters
onder de zoogdieren behoorden, het slachtoffer dier wet geworden: op
het eiland Malta zijn de olifanten, op het eiland Cyprus het nijlpaard
afgedaald tot olifanten- en nijlpaardpony’s. De plek op aarde die, wat
het voortbrengen van de meest verschillende soorten van pony’s,
tegenwoordig het beroemdst is, is het eiland Sardinië; daar zijn het
damhert, zoowel als het edelhert, het wilde zwijn zoowel als het wilde
schaap in miniatuurvormen overgegaan; de herten met korte pooten, die
in den waren zin van het woord op die van een dashond gelijken, zien er
echt bespottelijk uit. Men heeft dit merkwaardige verschijnsel gesteld
op rekening van het steeds onderling paren in een beperkte ruimte. Ik
voor mij geloof, dat wij eer staan tegenover een geografischen invloed,
tegenover dien van de omgeving, den bodem en den streek, van welks
geheimzinnige werking wij ook in andere opzichten in de plaatselijke
dierenrassen dikwijls de sporen zien, zonder dat de
ontwikkelingstheorie ten opzichte hiervan duidelijk stelling heeft
kunnen nemen. Men heeft hier nog een bijzonder interessant veld voor de
werkelijke uitbreiding dier leer. Een specialistisch onderzoek van de
verschijnselen zelf is even noodzakelijk als een nieuwe en vruchtbare
gedachte. Intusschen is het speciale raadsel der eilandenpony’s onder
de paarden slechts een schakel in het probleem, dat in het algemeen nog
zoo duister is.

Over het geheel genomen is het een feit, dat het wilde paard op onze
planeet tegenwoordig overal een uitstervend geslacht is. Het deelt in
dit opzicht het lot der meeste groote zoogdieren, wier opkomst en bloei
het kenmerk was der tertiaire periode.

Indien het paard in weerwil daarvan in de laatste duizendtallen van
jaren nog lichamelijk een hooge vlucht heeft genomen en zich bovendien
geografisch heeft verbreid, en zelfs in de allerlaatste paar eeuwen in
een snel wassend tempo, dan heeft het dit uitsluitend te danken aan de
wijze, waarop het zich in symbiose heeft aangesloten aan dat geheel op
zich zelf staande en eigenaardige schepsel uit die zoogdierenwereld,
die parallel daarmede ontstaan is, maar dat zich sedert dien tijd
onafgebroken van sport tot sport heeft opgeheven: wij bedoelen de
verhouding van het paard tot den mensch.

De mensch is tegenwoordig in hoogeren zin het noodlot van het paard.

Moeilijk kan men daarbij de gedachte op zijde zetten, dat trouwens ook
hier reeds in één richting het hoogste punt voor het paard als doel in
de cultuur is overschreden. Het blijkt toch, dat het technische gebruik
van het paard in onze cultuur aan het afnemen is. De strijd tusschen
electriciteit en paardekracht is tegenwoordig reeds veel verder beslist
dan zuiver theoretisch. De menschheid heeft op den duur veel te sterke
natuurkrachten noodig als reuzen, die haar bij den arbeid ten dienste
staan, om die fijne, van spieren voorziene, levende werktuigen met hun
gemakkelijk te verstoren uurwerk, en die fijn georganiseerde beenderen,
die immers breekbaar zijn als glas, nog evenzeer te waardeeren als
vroeger het geval was. Het zijn de menschelijke hersenen, die het
hoogste zijn, wat het leven heeft gesponnen. Als technische macht zijn
die hersenen echter tegenwoordig tot een zóó hoogen trap gestegen, dat
zij buiten zich zelf niets meer noodig hebben dan de allergrootste
onmiddellijk ten dienste staande, natuurkundige beweegkrachten der
planeet zelf; het overige, daartusschen gelegen leven, is voor die
hersenen niet meer van zoo groot belang.

Anders is het daarentegen over een afzienbaren tijd gesteld met de
aesthetische vraag, die in haar hoogere beteekenis ook de begrippen
„weelde” en „sport” in zich sluiten.

Dat oude keerpunt van het veredelde paard in de geschiedenis van het
oosten, toen het een heerlijk pronkstuk, het sieraad zijns meesters,
een vreugde voor het oog werd, en niet hijgend den zwaar beladen wagen
door de modder moest trekken, maar geroepen werd tot een hoogeren vorm
van arbeid in de cultuur, dat een voorwerp van gejubel werd, als het,
naar de woorden van den dichter van het boek Job, hinnikt „vroolijk in
zijn kracht”—dat hoogste moment in de geheele geschiedenis van het
paard, toen het oude ontwikkelingswerk der natuur als het ware in een
kunstwerk werd omgetooverd, en verhoogd werd tot de onsterfelijkheid
der ideale schoonheid—dat moment is voor ons nog steeds een waarborg
voor de toekomst.

Het is niet de taak van dit boek, te onderzoeken of de wereld onzer
beschaving steeds de tegenstelling zal behouden van heer en slaaf. Maar
hoe die vraag ook ooit moge worden opgelost: een edele sport, die
aesthetisch een hooger gebied van genot opent en zoo in ieder geval ook
ethisch veredelt, zal in iedere cultuurwereld, die waard is om daarin
te leven, behouden blijven. Daarin ligt de beslissing over het
toekomstige lot van het paard. Ik voor mij ben van meening, dat wij
niet alleen onze hoop moeten vestigen op een vooruitgang in de
beschaving, die musea bouwt, om de marmeren paarden van Phidias, de
marmeren menschen van Michel Angelo te behouden voor de eeuwigdurende
bewondering der menschheid, maar op een vooruitgang, die ook het leven
ademende kunstwerk, het product van den oneindigen strijd in de natuur
blijvend weet te waardeeren: naast het naakte menschelijke lichaam het
levende edele paard.








KORT OVERZICHT VAN DEN INHOUD.


Een dier in Symbiose met den mensch                          Blz. 1–11.

Het paard in het boek Job. Dieren, die niet konden worden getemd. Wat
is een huisdier? Zijn huisdieren slaven? Het begrip Symbiose. Huisdier
en dierenbescherming. Ouderdom der fokkerij van huisdieren. Het paard
bestond reeds lang, toen deze begon. Overgang naar de geschiedenis van
het wilde paard.


Het skelet van het paard als getuigenis van zijn verleden   Blz. 11–32.

Skelet van het paard en van den mensch. De opvatting van Goethe omtrent
de beteekenis van het skelet. De paardevoet van den duivel anatomisch
verklaard. Een botje te veel aan het been. Hoe de voet het been
verovert. En hoe de voet daarbij de gedaante van het been aanneemt. Het
paard als technisch probleem. Het overwinnen der zwaartekracht. Het
paard werkt met overmaat. Gevolgen voor de cultuursymbiose. Het
verstand van het paard. Vóór en tegen het verstand. De zintuigen van
het paard. De „Slimme Hans”. Het paard leert door middel van de pooten.
De leer van Goethe omtrent het type. Darwins verbetering. De classieke
plek voor de ontwikkelingsdenkbeelden van den paardepoot. Wat de
griffelbeenderen leeren. Rudimentaire organen. Het paard moet vroeger
eens drie teenen gehad hebben. Levende paarden met meerdere teenen. Een
dwaling over de zwilwratten. De paardeteen van tegenwoordig is een
middenteen. Zijn er werkelijke historische documenten over den
paardepoot?


De stamboom van het paard geologisch gestaafd               Blz. 32–67.

De plaats van het paard in het stelsel. Er bestaat geen orde van
dikhuidige dieren. Cuvier beschrijft de eerste versteende beenderen van
paardachtige dieren. Catacomben van paarden in Amerika. Amerikaansche
werkzaamheid en overdrijving. Het uitsterven der diluviale wilde
paarden in Amerika. De tertiaire periode. Paarden en paardachtige
dieren. Equiden met een overblijfsel van den pink. Een stuk huid van
een fossiel paard. Paardachtige dieren met kwasthoeven. Driehoevige
equiden van de grootte van schapen. Equiden van de grootte van een vos.
De pink wordt kwasthoef. Het te voorschijn komen van den kleinen teen.
Vospaardjes met het begin van een duim. Het oorspronkelijke hoefdier
Phenacodus. Vijf vingers aan de hand, vijf teenen aan den voet. De hoef
krijgt den vorm van een klauw. Wij zijn in de wereld der dieren van
Cernays. Waarom de paardepoot ten slotte op den menschenvoet gaat
gelijken. Het oorspronkelijke hoefdier Euprotogonia. De zoolgang
begint. De grootte daalt af tot die van konijnen. Verklaring dier
geologische feiten uit de ontwikkelingsleer. De beteekenis van het
geheele proces. Waartoe men niemand kan dwingen. Wat daarbij echter
vaststaat. Een tweede schakel voor het bewijs in de beenderen van
benedenarm en onderbeen. Een derde in de tanden. Het „berglandschap”
der paardenkiezen en zijn trapsgewijze ontstaan.


Is het paard twee maal ontstaan?                            Blz. 67–90.

De stamboom eerst in Europa opgesteld. Tegenstrijdigheden in den
Amerikaanschen stamboom. Zijn er onafhankelijke ontwikkelingen met
hetzelfde resultaat? „Gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen” als
wereldwet. Een zelfde milieu schept dezelfde aanpassingen. Bestaat er
een vooruit vaststaande ontwikkelingswet? Tegenargumenten tegen de
dubbele ontwikkeling. De Amerikaansche stamboom had een reeks
bijloopers. Het Anchitherium. Het Hipparion. De Europeesche stamboom
bestaat alleen uit dergelijke bijloopers van den Amerikaanschen.
Mogelijkheid van Amerikaansche invallen. Een stuk oude aardrijkskunde.
Eerst met het echte wilde paard komt de Amerikaansche hoofdstam ook in
de oude wereld.


De tapir                                                   Blz. 90–104.

De sage van het Amerikaansche nijlpaard. De Amerikaansche en de
Indische tapir. Waartoe behoort de tapir? Paarden met slurven. De
tapirs en de oude vospaardjes. De tapir als overoud dier. Hij is een
uitlooper van de voorouders der paarden in de eocene periode. Zijn
physionomie als moerasdier in tegenstelling met het paard op de steppe.
De kleur van den Schabrak-tapir. De tapir is tropendier gebleven.
Verschillende soorten van tapirs.


De neushoorn                                              Blz. 104–143.

Is er nog een dier in leven gebleven uit de groep der driehoevige
oorspronkelijke paarden? De uitgestorven Palaeotheriën als uitloopers
van dat station. De neushoorn als overlevende afgedwaalde driehoevige
equide der voorwereld. De neushoorn als verpantserd paard. Wat is de
hoorn van den neushoorn? De eelthuid. Uitgestorven waterneushoorns.
Onze neushoorn in de steppe. De slijkbedekking. Vogels als
waarschuwers. De pantoffelgang van den neushoorn. Sociale zin bij
neushoorns. Met pels voorziene neushoorns der ijsperiode. Speciale
stamboom van den neushoorn. Een neushoorn, die op weg was paard te
worden. Neushoorns, die met hun slagtanden wortels uitgroeven.
Neushoorns, die geen horens hadden. De mythische eenhoorn steekt
misschien in den reuzenneushoorn Elasmotherium. Elasmotheriumjagers
onder de Toengoezen? Levende dubbele neushoorns in Azië. De
ruwoor-neushoorn in den dierentuin te Londen. De groote Indische
neushoorn. Merkwaardige stand van het oog van den rhinoceros. Het
pantser van den Javaanschen neushoorn. De Afrikaansche dubbelhoornige
neushoorns. De Oost-Afrikaansche steppe. Een beeld der tertiaire
periode. Aesthetica der neushoorns. Is de neushoorn intelligent? Een
zijblik op de voorwereldlijke Titanotheriën. Neushefboom om takken af
te breken. De roman van een potsierlijk vervormd voorwereldlijk dier.
Overgang naar de overlevende echte wilde paarden.


De ezel als wild dier en als cultuurdier                  Blz. 143–155.

De Sivapaarden der tertiaire periode. Paard en ezel in één dier? De
verbreidingsgordel der tegenwoordige wilde paarden volgt de steppe. De
steppen in Somaliland als de woonplaats der wilde ezels. Uiterlijk der
Afrikaansche wilde ezels. De verovering van die wilde ezels door de
oud-Egyptische beschaving. Lof van den oosterschen ezel. Hoe de ezel
tam werd. De Aziatische wilde ezels in mythe en in geschiedenis. De
ezel op zijn hoogtepunt in den Aziatischen vorm als wilde ezel. Zijn
verschillende geografische afzonderlijke soorten daar. Die Aziatische
dieren physionomisch een afzonderlijke groep der paardachtige dieren.
Aziatisch bloed in tamme ezels.


De zebra                                                  Blz. 155–170.

Het ongetemde Afrikaansche paard. De zebra’s geen ezels. Het raadsel
der zebrateekening. Van de kleuren der zoogdieren. Aesthetica van den
zebra. Het beginsel der „doorschijnendheid” in de teekening. Mimicry in
de strepen van den zebra. Onmogelijkheid, alleen met die verklaring
klaar te komen. De strijd om de verschillende zebratypen.
Onmogelijkheid, reeds nu een beslissing te nemen. De Quagga. De
tragedie van zijn ondergang. Kan nog maar alleen in het museum
bestudeerd worden. Geheimzinnige kruisingen. De „tijgerpaarden”. Het
uitgestorven Burschell’s tijgerpaard. Schoonheid van den Grevy-zebra.
De berg-zebra. Hoe het met de tembaarheid van den zebra staat. De zebra
steekt niet in onze cultuurrassen.


Het Aziatische wilde paard als eenig overlevend overblijfsel van den
oorspronkelijken vorm van onze cultuurpaarden             Blz. 170–213.

Is Azië de oorspronkelijke woonplaats van onze cultuurpaarden? Viktor
Hehns standpunt. Het geheim van den Tarpan. De Tarpan geen echt wild
paard. Brehms hypothese van den Koelan als voorvader van het
cultuurpaard. Verandering van het beeld door de ontdekking van
overblijfselen van diluviale wilde paarden in Europa.
Paardenteekeningen uit de holenperiode. Hoe lang hebben wilde paarden
in Europa geleefd? Vleesch van wilde paarden op de tafel in een
klooster. Hoe de beteekenis duidelijk wordt van den „grimme Schelch” in
het Nibelungenlied. Wilde stoeterijen in het oerwoud. De ontdekking van
het Przewalskipaard als meest beslissend feit. De eerste Aziatische
wilde paarden in onze dierentuinen. Kleur der Przewalskipaarden. Het
winterkleed. Het begrip van het „oorspronkelijke wilde paard”.
Aziatische wilde paarden op een Assyrische voorstelling van een jacht.
Het Przewalskipaard en het Europeesche diluviale paard. Verschillende
temmingscentra. Verschillende gebruikte wilde rassen. De fundamenteele
tegenstelling van het westersche en het oostersche cultuurras. Het
zware en het lichte paard. Karrepaard en Arabisch paard. Het
ridderpaard. Ouderdom van het edele Arabische paard. Het oud-oostersche
luxepaard. De afschuw van paardevleesch. Babylonische Przewalskipaarden
met Arabischen kop. Het oostersche ras gaat niet uit van één enkel
temmingsmiddelpunt. Het cultuurpaard in Afrika. Oostersche paarden in
de paalwoningen van het bronzen tijdperk. Een noordelijke en een
zuidelijke vorm van wilde paarden. De paarden der zuid-Russische
steppe. Het Chineesche cultuurpaard. Paardenmelkers. Rendier- en
paardentemming. De oorsprong van het paardrijden. De invallen van
Aziatische ruitervolken in het westen. De mythe der Centauren. Waarom
de oud-oostersche koningen geen ruiters waren. De oorsprong van het
muildier. De verovering van het gebergte door het muildier. Het
muildier als edel dier van Zuid-Amerika. Geleidelijke vermenging van
alle rassen van het cultuurpaard. De toenemende overheersching van het
oostersche ras. Begin der uitbreiding ook van het oud-oostersche edele
ros naar het westen. De Berber-paarden. De oude Spaansche paarden. Het
ingrijpen der Engelsche paarden. Het Arabische paard in verband met het
Engelsche volbloedpaard. Het „aesthetische” paard. Het Trakehner paard.
Het uitsterven der Europeesche wilde paarden. Het raadsel in den pony.
De mensch als noodlot van het paard. Het op den achtergrond treden van
het werkpaard. Duur van het sportpaard. Toekomstige beteekenis van de
sport.








AANTEEKENINGEN


[1] Job, Hoofdstuk XXXIX.

[2] Het Dierenboek.

[3] Zie Dierenboek, De overlevenden van Cernays, blz. 166 env.

[4] Zie Dierenboek, De overlevenden van Cernays, blz. 166 env.









*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET PAARD ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg™ License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg™.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg™ License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg™ website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™

Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg™ and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West,
Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg™,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.