Lord Lister No. 0041: Een weddenschap zonder winner

By Matull and Blankensee

The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0041: Een weddenschap zonder winner
    
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this ebook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0041: Een weddenschap zonder winner

Author: Kurt Matull
        Theo von Blankensee

Release date: January 25, 2026 [eBook #77779]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0041: EEN WEDDENSCHAP ZONDER WINNER ***




                              LORD LISTER
                            GENAAMD RAFFLES
                          DE GROOTE ONBEKENDE.

                NO. 41   EEN WEDDENSCHAP ZONDER WINNER.








EEN WEDDENSCHAP ZONDER WINNER.


EERSTE HOOFDSTUK.

HET VERLOREN OMSLAGDOEKJE.


In het graafschap Brecknock, in Zuid-Wales, bevindt zich een gebergte,
de Black Mountains, dat veel bezocht wordt door toeristen.

Ten noorden daarvan ligt het stadje Brecknock.

Dit is voornamelijk een uitgangspunt voor niet al te groote tochten
door het gebergte, welke veelvuldig worden ondernomen door Londenaars,
die een uitstapje willen maken.

Zij kunnen uitstekend onderdak bekomen in een goed ingericht hotel, dat
gedurende de zomermaanden druk wordt bezocht en zelfs aan de hoogste
eischen voldoet.

In dat hotel houdt gedurende het reisseizoen dikwijls een deftig
publiek zijn verblijf, dat, na den 887 meter hoogen Beacon te hebben
beklommen, hier van zijn rust geniet, plannen maakt voor verdere
uitstapjes, flirt en geniet van de uitstekende maaltijden in het
hotel.— —

Het was laat in den namiddag van een warmen dag in Juni, toen een dame
van opvallende schoonheid in elegant reiscostuum de conversatiezaal van
het hotel binnentrad.

Drie heeren volgden haar.

Het vertrek was leeg, maar in de aangrenzende rookzaal, die door een
ondoorzichtige glazen deur van de conversatiezaal was gescheiden,
bevond zich een heer, die, een sigaret rookend, op zijn gemak en
oogenschijnlijk in gedachten verdiept, in het ruime vertrek heen en
weer liep.

Toen hij de binnentredenden bemerkte, deed hij de wijdopenstaande
verbindingsdeur een weinig verder dicht. Hij wilde voorkomen, dat de
rook zijner sigaret de dame zou hinderen.

Deze lette echter net op de beleefdheid van den vreemdeling, noch op de
heeren, die vol ijver naderkwamen om de dame van mantel en parasol te
ontlasten; zij nam in een fauteuil plaats, gejaagd haar handschoenen
uittrekkend.

De dame scheen zeer ontstemd te zijn.

Haar kleine mond was dichtgeknepen en toonde de neergebogen lijn, welke
men op het gezichtje van kleine kinderen zoo dikwijls ziet, als hun
iets wordt geweigerd.

Tusschen de wenkbrauwen vertoonde zich een rimpel van toorn, de donkere
gloedvolle oogen vonkelden strijdlustig.

Men kon het aan de dame zien, dat zij slechts op een gelegenheid
wachtte om haar toorn te kunnen koelen aan het een of andere
slachtoffer.

De drie heeren hadden intusschen aan een kellner hun
toeristenuitrusting afgegeven en keken met heimelijke blikken naar de
dame, die nog steeds met haar handschoenen bezig was.

„Nu, liefste, mag ik je een of andere verversching laten brengen?”
vroeg de oudste der heeren op kalmen, bezadigden toon.

„Dankje! Ik heb niets noodig!” was het korte, kattige antwoord.

Op mismoedigen toon sprak de aldus afgesnauwde heer:

„Ik begrijp niet, dat men door het verlies van iets, wat men zich weer
terug kan koopen, zoo ontstemd kan zijn!”

Snel wendde de dame zich tot den heer en sprak op heftigen toon:

„Mijnheer mijn echtgenoot vergeet geheel en al, dat mijn Indische shawl
niet terug te krijgen is.

„Ik kreeg hem van dien Indischen onderkoning persoonlijk ten geschenke
voor mijn medewerking aan het hof. De kostbare kanten doek hangt nu aan
dien verwenschten den op het mooiste punt van den Beacon.

„En dit verlies zou weer te herstellen zijn?”

„Als mevrouw niet zoo hevig had gezwaaid met den sluier, dan— —” de
persoon, die het waagde, deze schertsende woorden te uiten, zweeg
verlegen, toen de vonkelende oogen hem aankeken.

„De groet, dien ik naar het dal zond, gold mijn liefste vrienden, die,
zooals gij, baron, hebt gezien, zich aan den voet van den berg
bevonden. Ik ben niet in staat om de innigheid mijner gevoelens bij het
groeten af te meten.”

„Maar daarbij mag de vermolmde houten leuning niet zoodanig gaan
wankelen, dat wij allen angst krijgen, dat het met u in de diepte zal
storten.

„Als mijnheer uw echtgenoot daarom u, mevrouw, eenigszins onzacht
terugtrok, waardoor gij den kostbaren doek liet vallen, dan is toch
alleen zijn bezorgdheid voor u de oorzaak daarvan.

„Wees dus niet langer boos, mevrouw. Verander het booze Junogelaat in
het liefelijk lachende van Aphrodite!”

De aldus sprekende nam de hand der schoone vrouw en bracht die galant
aan zijn lippen.

De dame glimlachte hem toe, en sprak zuchtend:

„Uw alom bekende, oude galanterie, Lord Westerbull, brengt mij mijn
shawl niet terug!”

Vol ijver antwoordde de Lord:

„Mevrouw, ik wed om honderd pond, dat gij uw shawl morgen terug zult
hebben. Ik breng hem u terug!”

„Pardon, Lord, ik breng hem terug. Neen, neen, gij moogt mij niet
terugwijzen. Ik verwed er ook honderd pond om, dat ik hem terug breng!”

De jonge man, die eerst had gezwegen voor de toornige oogen der Lady,
uitte nu deze woorden tegen den galanten Lord Westerbull, welke een
bekend Don Juan was.

„Ik deponeer de som onmiddellijk. Als ik verlies, dan zal het geld
vervallen aan de Londensche armen.

„Als ik win, dan zal Lord Westerbull het genoegen hebben om te betalen.

„Neemt gij de weddenschap aan, Lord?”

„Natuurlijk, baron. Hier met uw honderd pond.”

Beide heeren haalden hun portefeuilles te voorschijn, en namen er ieder
een banknoot uit, die zij op tafel legden.

De Lord richtte zich nu tot den echtgenoot der schoone dame met het
verzoek, de banknoten te bewaren als onpartijdig getuige, totdat de
weddenschap zou zijn beslist.

De Lord willigde hun verzoek in en sprak:

„Ik leg het bedrag in deze kleine portefeuille. Zij bevat alleen de
twee banknoten en zal pas als de weddenschap is beslist, worden
geopend.”

Bij deze woorden haalde hij een kleine portefeuille van
krokodillenleer, voorzien van een slot, te voorschijn, legde de
banknoten erin, sloot de portefeuille en overhandigde den sierlijken
kleinen sleutel aan de dame, die hem aan haar horlogeketting
bevestigde.

Glimlachend sprak hij:

„Gij ziet, mijne heeren, dat het bedrag goed bewaard is. Dubbele
sluiting!”

Het tooneeltje had de schoone dame blijkbaar geamuseerd. Met een
neerbuigend hoofdknikje nam zij den sleutel in ontvangst, wierp den
Lord een geheimen blik van verstandhouding toe en sprak:

„Ik zal blij zijn, heeren, als ik weer in het bezit zou geraken van
mijn eigendom. Weest echter voorzichtig! Ik zou ontroostbaar zijn, als
u een ongeluk overkwam!”

Beide heeren bogen gevleid en verzekerden, dat hun voornemen om den
omslagdoek van den dennenboom, boven op de bergen, te halen, vlak bij
het uitzichtspunt, geen gevaren meebracht.

„Ik stel voor,” viel Lord Morvill in de rede, „dat de heeren eerst
krachten verzamelen voor het aanstaande avontuur en voor de doorgestane
vermoeienissen van het uitstapje. Gij zult uwe krachten noodig hebben.
Tracht die te verzamelen aan de goede tafel in de eetzaal!”

Dit voorstel vond algemeenen bijval en het gezelschap begaf zich naar
de eetzaal.

Toen men het salon had verlaten, kwam de vreemdeling uit den rooksalon
te voorschijn.

Hij had het geheele gesprek mede aangehoord.

Een ironisch glimlachje speelde om zijn lippen, zijn blik volgde de
vier zich verwijderende personen.

Hij belde den kellner en bestelde een flesch wijn. Toen de kellner deze
voor hem neerzette, vroeg de vreemdeling op onverschilligen toon:

„Kunt gij mij misschien vertellen wie de personen waren, die zooeven de
conversatiezaal verlieten?”

„O zeker, mijnheer! Het was de rijke Lord Morvill met zijn jonge, mooie
vrouw, Lord Westerbull en baron Coxwell.”

„Vertoeft Lord Morvill reeds langen tijd hier?”

„De Lord bezoekt Brecknock zeer dikwijls. Hij heeft bezittingen hier in
den omtrek, welke hij onlangs heeft verpacht. Zeer lang logeert hij
reeds in ons hotel. Bij zijn eventueel verblijf hier worden voor hem
altijd dezelfde kamers op de eerste verdieping gereserveerd.”

„Zoo, zoo, welke kamers zijn dat?”

„Slechts drie, want de Lord is hier altijd zonder bedienden. Een salon
en twee slaapkamers, nrs. 1–3.”

„Zeg eens, kellner, heb ik u vroeger niet in Londen gezien? Uw gezicht
komt mij zoo bekend voor.”

„Best mogelijk! Ik was daar langen tijd in betrekking in Hotel
Imperial. Gij kent dat zeker wel. De heeren, die ik zoo even noemde,
ken ik reeds uit die dagen. Vooral Lord Westerbull, van wien allerlei
pikante avonturen de ronde doen.”

„Ik weet het, ik weet het!”

Met deze woorden sneed de vreemdeling den woordenvloed van den kellner
af, die, naar het scheen, gaarne iets van deze „pikante avonturen” ten
beste zou hebben gegeven en niet kon nalaten nog te zeggen:

„Het zou mij niet verbazen, als de mooie Lady een magneet was voor den
Lord. Maar ik durf het natuurlijk niet met zekerheid zeggen.”

De vreemdeling keek den kellner met scherpen blik aan en sprak op
gemoedelijken toon:

„Mooi is de Lady, bijzonder mooi.”

Op listigen toon antwoordde de kellner:

„Zeker, zeer schoon en daarbij een engel, die gaarne uit den hemel
neerdaalt om ons arme stervelingen gelukkig te maken.”

„Hoe bedoelt gij dat?”

„Nu, nu,” en, alsof hij verlegen was, kuchte de man, „ik bedoel er
eigenlijk alleen mee, dat de Lady goedhartig is. Men huwde haar op
jeugdigen leeftijd uit aan den veel ouderen Lord, die, wat geen geheim
is in Londen, een bijzondere beruchtheid had als zwiertol.

„Zou het dus te verwonderen zijn, als de Lady zich wreekte? Booze
tongen beweren dat.”

„Gij schijnt goed op de hoogte te zijn van de schandaaltjes uit onze
hoofdstad, mijn waarde.”

„Och, als men in Hotel Imperial in betrekking is geweest, hoort men
veel.”

„Dat is waar. Maar wees toch een beetje voorzichtig met uw woorden, gij
zoudt anders wel eens in onaangenaamheden kunnen geraken.”

De vreemdeling stond op en gaf den kellner een geldstuk. Zonder het
bedrag, dat hij terug moest ontvangen, aan te nemen, begaf hij zich
daarop langzaam naar buiten.

Hier bedacht hij zich een oogenblik, ging naar zijn kamer, stak een
paar voorwerpen in zijn zak en verliet daarop het hotel.

Hij sloeg den weg in naar den top van den Beacon.

De straatweg liep langs het uitzichtspunt, waar de shawl der Lady naar
beneden was gevallen.

Na ongeveer drie kwartier had de vreemdeling het uitstekende punt
bereikt en hij zag, geleund tegen de wankelende houten leuning, den
shawl hangen op den grooten denneboom.

Door den wind was hij van den top afgewaaid en nu hing hij geheel
beneden aan een tak.

De vreemdeling glimlachte en mompelde:

„Lady, het geluk dient u! Ik zal den doek voor u gaan halen. John
Raffles behoeft immers niet altijd bij zijn bezoeken iets te halen, hij
kan ook wel eens iets brengen. Gij verdient het evenwel niet, want gij
zijt bezig den jongen Wilkens te verleiden. Ik wil u echter aan mij
verplichten.”

Vastberaden monsterde hij de rotsen, die onder het uitzichtspunt steil
naar beneden gingen en weldra ontdekte hij een geschikte kloof, die het
hem mogelijk maakte om naar beneden te klimmen.

Ieder onzer zou door een duizeling zijn aangegrepen.

Nu eens boven een afgrond hangend, dan weer zich aan een struik
vasthoudend, glijdend, voorzichtig zijn voeten neerzettende, kwam hij
steeds dichter bij het uitstekende rotspunt, waarop de hooge den zijn
takken uitstrekte.

Nu moest hij nog een sprong wagen om van een der rotsblokken den grond
te bereiken.

Slechts zeer geoefende turners konden dezen sprong wagen, want de
wortels van den dennenboom groeiden boven den grond en maakten het
neerspringen zeer moeilijk.

Raffles echter sprong naar beneden, alsof hij een acrobaat was, voor
wien dergelijke dingen kleinigheden waren en weldra stond hij aan den
voet van den boom.

„Nu naar boven,” mompelde hij verheugd. „De harsige stam bevalt mij
echter niet, mijn luchtreis mag mijn kleeren niet bederven.”

Hij haalde onder zijn jas een netjes opgerold touw te voorschijn, dat
op regelmatige afstanden van knoopen was voorzien.

Aan het eene uiteinde bevond zich een haak, aan het andere een ijzeren
ring. Handig slingerde hij het eene uiteinde, waaraan de haak was
bevestigd, over den tamelijk hoogen eersten tak. Ten gevolge van zijn
zwaarte viel het touw weer naar beneden.

De groote onbekende verbond nu het eind van het touw met den ring en nu
kon hij zich tamelijk gemakkelijk optrekken.

Op den eersten tak staande, maakte hij het touw los en herhaalde deze
manoeuvre met een anderen tak.

Steeds hooger klom de vermetele.

Eindelijk was het hem onmogelijk nog hooger te klimmen. De takken
dreigden te breken.

De shawl hing echter aan het uiterste dunne puntje van een twijgje, dat
men onmogelijk met de hand kon bereiken.

Alle moeite scheen vergeefs te zijn geweest.

Nu haalde John Raffles een instrument te voorschijn, dat soms in Italië
wordt gebruikt gedurende den carnavalstijd. Een soort schaar, die
gevormd wordt uit kruiselings over elkaar liggende houtjes en die bij
het openen, naar gelang van het aantal houtjes, soms eenige meters lang
wordt.

Daar zat de vermetele nu hoog op een onveiligen boomtak, terwijl de
steeds sterker wordende wind om hem heen blies. Hij zat daar zoo
behaaglijk, alsof de tak een gemakkelijke schommelstoel was en met de
geopende schaar trachtte hij het doekje te grijpen.

De schaar bleek echter een klein beetje te kort te zijn.

Maar de wind kwam hem te hulp, want door een sterkere windvlaag werden
de takken in schommelende beweging gebracht. Zij kwamen dichter bij
elkaar—en met een handige beweging werd de vluchteling gegrepen.

De groote onbekende kon hem naar beneden trekken en veilig onder zijn
vest bergen.

Het neerdalen ging sneller in zijn werk. Ongedeerd bereikte hij den
voet van den denneboom en nu zocht de koene klimmer een gemakkelijken
weg om weer boven op de rotsen te komen dan dien, langs welken hij was
afgedaald.

Het gezelschap had zich intusschen in de eetzaal te goed gedaan. Lord
Westerbull vatte het plan op om zijn mededinger voor te zijn en liet
den niet zeer geestigen baron het terrein bij de schoone Lady vrij.

Deze laatste had er altijd pret in om den bekrompen, mallen en ijdelen
baron een beetje voor den gek te houden en hem haar geestelijke
meerderheid te laten gevoelen.

In zijn groote ingenomenheid met zichzelf en zijn aangeboren goedigheid
vatte hij het dikwijls bittere sarcasme der schoone vrouw in het geheel
niet op als een beleediging.

Het verheugde hem zelfs, wanneer de dame hem tot mikpunt harer
spotternijen verkoos.

Hij meende haar hatelijkheden te mogen opvatten als een teeken van haar
levendige belangstelling voor zijn persoon.

De Lord had reeds lang zonder opzien te verwekken de tafel verlaten, in
allerijl een paar flinke bedienden van het hotel aangenomen en was
reeds met deze onderweg om den verloren shawl van den denneboom terug
te halen, toen baron Coxwell nog altijd schuddend van lachen naar de
spottende opmerkingen der schoone Lady zat te luisteren.

Hij scheen zijn weddenschap totaal vergeten te hebben.

Eindelijk echter viel het hem op, dat de Lord was verdwenen.

Langzaam ging hem een licht op, hij begon te begrijpen, dat de ander
hem voor was en op geërgerden toon riep hij uit:

„Ach, de Lord schijnt van plan te zijn, de weddenschap van mij te
winnen; dit zal hem echter niet gelukken!”

Daarna stond hij op en nam afscheid van de Lady na herhaaldelijk te
hebben verzekerd, dat hij de weddenschap zou winnen.

Van het hotelpersoneel vernam hij, dat zijn mededinger met een paar
mannen, die zich voorzien hadden van ladders, stokken en touwen, reeds
eenigen tijd geleden naar het uitzichtspunt was gegaan.

Snel volgde hij dit voorbeeld, deed moeite om lieden te krijgen,
beloofde dezen een groote belooning en haastte zich nu ook met zijn
helpers naar den berg.

Zoowel Lord Westerbull als later de baron ontmoetten onderweg den hun
onbekenden gast van het hotel, die uit de gereedschappen, welke de
heeren bij zich hadden, dadelijk begreep, wat deze van plan waren.

Met spottende blikken, maar schijnbaar bezorgd, vroeg hij den heeren,
of er misschien iemand was verongelukt, wien hulp gebracht moest
worden.

Lord Westerbull gaf hem alleen een ontkennend antwoord, de baron echter
vertelde den vreemdeling onmiddellijk de geheele geschiedenis, welke
deze zeer goed kende, waar naar hij echter vol belangstelling
luisterde.

Hij wenschte den baron veel succes met zijn onderneming en slenterde
doodkalm naar het hotel terug.

Op de hoogte aangekomen, wachtte Lord Westerbull een groote verrassing.

De Indische shawl hing natuurlijk niet meer aan den dennenboom en was
ook in den omtrek nergens te zien.

De baron had dezelfde verrassing.

Toen deze aankwam, waren de lieden van den Lord ijverig bezig, de
rotsen af te zoeken en de menschen, die de baron had meegenomen gingen
hetzelfde doen.

Terwijl de beide heeren vanaf een veilig plekje mistroostig naar het
gevaarlijke werk der lieden keken, begon de avond te vallen.

De invallende duisternis maakte verder zoeken onmogelijk, zoodat dit
gestaakt moest worden, en beide partijen onverrichter zake huiswaarts
moesten keeren.

Zwijgend en beschaamd kwamen de heeren terug, toen het reeds volslagen
donker was.

Zij vernamen in het hotel met vreugde, dat de Lady zich reeds naar haar
kamer had begeven en zij namen zich voor, hun nasporingen den volgenden
dag voort te zetten...

Het was nacht.

De bewoners van het hotel lagen in diepe rust, geen enkel geluid
stoorde hen.

De toeristen hadden zich reeds, vermoeid van hun uitstapjes, vroeg ter
ruste begeven; nieuwe gasten werden niet verwacht, daar geen treinen in
den laten avond te Brecknock aankomen.

In de gang van het hotel brandde alleen een matte gasvlam.

Daar werd voorzichtig de deur van kamer no. 5 geopend.

Een spookachtige, pikzwarte gestalte trad te voorschijn, keek naar de
gasvlam en draaide die uit, sloop daarop naar kamer no. 3 en luisterde.
Een langgerekt gesnurk van Lord Morvill was hoorbaar.

Tevreden glimlachte het zwarte spook en begon voorzichtig aan het slot
van kamer no. 2 te werken; dit bood eerst weerstand, daarop klonk een
zwak krakend geluid en de deur was geopend.

Weer luisterde de zwarte, doch geen geluid werd vernomen.

Wel klonk verwijderd hondengeblaf in zijn ooren, maar dit was
onschadelijk en stoorde niet den slaap van het echtpaar Morvill, in
wier vertrekker de indringer nu binnentrad.

Hij bevond zich in het salon, dat beide slaapkamers scheidde!

De Lady sliep in kamer no. 1.

Onhoorbaar zweefde het spook, niemand anders dan John Raffles, naar het
bed der Lady, dat slechts zwak werd beschenen door een nachtlicht.

Op het nachtkastje lag het horloge met den ketting, waaraan het
sleuteltje van de portefeuille van den Lord was bevestigd. Zacht nam
hij dat sleuteltje eraf en verdween er mee in het duister.

Hij begaf zich nu naar de slaapkamer van den Lord, waar het volkomen
donker was.

Hier zag hij zich genoodzaakt om zijn electrische zaklantaarn, die
speciaal voor dergelijke doeleinden was ingericht, te laten schijnen.

De gloeipeer was omgeven door een halven boog, welke slechts een
uiterst smalle, maar buitengewoon helderen, sterken lichtstraal liet
doordringen, waardoor nimmer de omgeving, doch alleen het bedoelde
voorwerp werd verlicht.

De kleeren van den Lord lagen op een stoel.

De leeren portefeuille bevond zich er niet in.

Raffles naderde nu het bed, belichtte de hoofdkussens, waarbij hij er
wel voor zorgde, het gelaat van den slapende niet door een lichtstraal
te treffen.

Hij bemerkte, dat de Lord de gezochte portefeuille onder zijn
hoofdkussen verborgen had met nog eenige andere voorwerpen.

„Dezen keer stel ik alleen belang in het geld,” mompelde Raffles en
begon voorzichtig de portefeuille te voorschijn te halen.

Het was een geduldwerk, want de Lord lag op zijn rug en maakte het werk
uiterst moeilijk.

Ten slotte gelukte het echter.

De groote onbekende opende de portefeuille, nam er het geld uit en borg
er in plaats daarvan een briefje in, dat hij van te voren reeds had
geschreven.

Daarop sloot hij de portefeuille en wilde die weer onder het
hoofdkussen schuiven.

Plotseling eindigde het gesnurk en de Lord bewoog zich.

Raffles doofde zijn lamp uit en bleef onbeweeglijk staan.

Onverstaanbare geluiden mompelend, wierp de slapende zich op zijn
zijde; hij was half wakker, maar viel weldra weer in een diepen slaap.

Nu viel het Raffles gemakkelijk om de portefeuille tusschen de kussens
te schuiven.

Hij keerde terug naar het slaapvertrek der Lady. Terwijl hij den
sleutel weer bevestigde, kon hij het engelachtig schoone gelaat der
slapende vrouw bewonderen.

Hij kon den blik niet van haar gelaat afwenden, met snelle schreden
trad hij nader en voorzichtig knipte hij eene kleine, donkere lok af
van het prachtige haar.

Daarop haalde hij uit zijn zwarte kleeren den Indischen doek te
voorschijn, benevens een klein bouquet rozen en legde beide met een
briefje op het nachtkastje.

Onhoorbaar verdween hij nu weer.

Plotseling ontwaakte de Lady, alsof zij de nabijheid van den
vreemdeling had waargenomen. Het kwam haar voor, alsof een schaduw door
de kamer zweefde.

Luisterend hield zij haar adem in, zonder zich te bewegen. Rondom haar
heerschte volkomen stilte. Gerustgesteld sloot zij langzaam de oogen en
sliep weer in.

Terwijl de zachte geur haar omzweefde en de God der droomen haar naar
de zonnige rozenakkers van Perzië voerde, verliet Raffles onopgemerkt
de kamers en verdween in zijn eigen vertrek.

Toen de weddende heeren den volgenden morgen opnieuw aan het zoeken
wilden gaan, ontvingen zij beide een anoniem briefje van den volgenden
inhoud:


    „Doe geen moeite meer, de shawl is gevonden en reeds in het bezit
    gesteld van de eigenares.”


Met zeer gemengde gewaarwordingen lazen zij dit bericht, dat volgens
hun meening van den Lord kwam en wachtten in de conversatiezaal van het
hotel op de komst van het echtpaar.

Zij lieten niet lang op zich wachten.

De Lady vertelde den heeren, dat zij wel innig verheugd was geweest,
toen zij bij het ontwaken het verloren voorwerp en de heerlijkste rozen
had gevonden, maar dat zij absoluut niet kon begrijpen, hoe deze dingen
in haar slaapkamer waren gekomen.

Toen zij den brief had geopend, had diens inhoud haar zeer doen
ontstellen, want de brief luidde:


    „Mylady!

    Daar het mij bekend is, dat het verlies van den kostbaren doek u
    zeer ter harte zou gaan, verheugt het mij bijzonder, u hierbij uw
    eigendom terug te bezorgen.

    Op deze wijze hebben de baron en Lord Westerbull beiden de
    weddenschap verloren. Ik zal mijn best doen om de verloren inzetsom
    aan de armen van Londen te doen toekomen.

        Met hoogachting,

            JOHN C. RAFFLES.”


„Hoe?” riep de baron uit, „Raffles, die gauwdief, die schurk, is ons
voor geweest? Ongelooflijk? Ongehoord!”

„Hoe komt die kerel op de hoogte van onze weddenschap?” vroeg Lord
Westerbull, ten zeerste verbaasd.

„Ja, maar het mooiste is, dat hij onze inzetsom zoodra mogelijk aan de
Londensche armen wil doen toekomen. Dat is onmogelijk, dat bedrag is
veilig opgeborgen in mijn portefeuille en de Lady heeft tot op dit
oogenblik het sleuteltje ervan veilig bewaard. Overtuigt u zelf, mijne
heeren!—Liefste, geef mij het sleuteltje eens!”

De Lady overhandigde hem het gewenschte en deze opende de portefeuille.

Als door een wesp gestoken, stoof hij echter overeind, onderzocht
haastig alle afdeelingen en haalde uit de geheel ledige portefeuille
slechts een briefje te voorschijn, dat het volgende behelsde:


                            Quitantie.

    Hiermede geef ik u in dank quitantie wegens 200 pond sterling ten
    behoeve van de Londensche armen.

                                    JOHN C. RAFFLES.


Terwijl de heeren elkaar stom van verbazing aankeken, barstte de Lady
uit in een schaterend gelach. Zij lachte tranen en de heeren wisten
niet beter te doen dan gedwongen mee te lachen.








TWEEDE HOOFDSTUK.

DE NAGEMAAKTE SLEUTELS


In haar rijk en deftig ingericht boudoir lag de schoone Lady Morvill in
achtelooze houding op haar divan. Naast haar zat op een laag stoeltje
de elegante Lord Westerbull en keek de schoone vrouw diep in de
prachtvolle oogen.

Hij had op hartstochtelijken toon tot haar gesproken, haar kleine hand
gevat en drukte nu een kus daarop.

De Lady liet hem begaan en sprak op schertsenden toon:

„Dus gij bemint mij, Lord, en hoopt op mijn wederliefde? Beken mij
eerst eens, hoeveel vrouwen hebt gij voor mij op dezelfde wijze
toegesproken?

„Neen, neen, geen uitvluchten! Ik ken de mannen precies. Vandaag dweept
gij met de eene, morgen met de andere. Het liefst echter met degenen,
die reeds een ander toebehooren.”

„Mylady, gij spot. Geloof mij, nog nimmer heeft een zoo diep gevoel in
mijn hart gezeteld als—”

„Als op het oogenblik, waarop gij mij hebt gezien en nimmer zal deze
onuitwischbare indruk uit uw hart verdwijnen.

„Deze uitdrukkingen zijn mij bekend, Lord, zooals gij hoort. Het zou
mij werkelijk aangenaam zijn eens iets anders, iets origineelers, van
een aanbidder te hooren dan altijd dezelfde woorden.

„Dat gij mij bemint of denkt lief te hebben, noem ik gaarne aan als
iets, dat vanzelf spreekt.

„Ik ken uw licht ontvlambaar hart, uw lichtzinnigheid.

„Maar als gij meent, dat een vrouw van mijn soort zoo gemakkelijk te
veroveren is als een jong, onervaren meisje, vergist gij u. Mij kan een
flinke, energieke man veroveren, iemand, die iets voor mij waagt!”

De Lord sprong op.

„Zeg mij, wat ik voor u zal wagen. Ik ben geen lafaard en als het erop
aankomt, sta ik mijn man. Spreek! Zeg mij, wat ik zal doen en het zal
geschieden!”

Vol twijfel het mooie hoofd schuddend, keek de Lady hem van terzijde
aan en sprak:

„Deze groote geestdrift zou spoedig voor iets anders plaats maken, als
ik een ernstig bewijs verlangde!”

„Neen, nooit! nooit! Ik bezweer u, stel mij op de proef!”

„Nu goed dan, Lord. Ik zal zien of gij woord houdt. Misschien komt de
tijd, waarin ik uw diensten noodig heb, dan zullen wij er verder over
spreken. Stil, daar komt iemand!”

De kamenier der Lady trad binnen en bracht op een zilveren blad een
visitekaartje. De dame las het en sprak tot den Lord:

„Baron Coxwell.”

Daarop zei ze tot de kamenier:

„Verzoek mijnheer binnen te komen.”

Met een reusachtigen bouquet in de hand trad de baron binnen, groette
den Lord met een korte buiging, snelde daarop naar de dame, wier hand
hij vol eerbied aan zijn lippen bracht en sprak, terwijl hij haar zijn
reuzenbloemruiker aanbood, met nasaal geluid:

„Staat gij mij toe, dat ik, ten teeken mijner oprechte vereering en
terwijl ik innig verheugd ben, u zoo opgewekt te zien, u deze Flora’s
kinderen aanbied?

„Ik hoop, dat haar geuren u genot zullen verschaffen. Evengoed als deze
bloemen gedoemd zijn om te sterven zou ook ik met genoegen mijn leven
voor u opofferen, Mylady!”

„Inderdaad, baron? Maar hoe zou het zijn, als die gelegenheid zich
inderdaad eens voordeed?”

Eenigszins bedremmeld stamelde de baron:

„Gelegenheid? Waartoe?”

„Wel, om u op te offeren! Evenals deze bloemen, die voor mij moeten
sterven!”

De dame nam den bouquet uit de handen van den baron en snoof den geur
der bloemen op.

„Sterven? Mylady schertst! Men sterft toch zoo maar niet! En dan—ik zou
u de vraag willen stellen: waarom sterven en met welk doel?

„Vindt gij ook niet, Lord Westerbull?”

De aangesprokene knikte bevestigend met het hoofd en keek in gespannen
aandacht naar de dame, die, dit begreep hij, het een of andere plan
had.

Lady Morvill keek met een glimlach naar haar aanbidders en sprak:

„Nu, heeren, gij zult beiden zekerheid hebben omtrent mijn wenschen.
Gij beweert alle twee, uw leven voor mij te willen opofferen. Stel u
gerust, ik eisch uw leven niet, doch ik wensch, dat gij mij in kennis
brengt met den beroemden—Raffles.”

Beide heeren staarden de Lady aan, alsof zij een spook zagen.

Na een pauze vond de baron het eerst woorden, terwijl de Lord nerveus
aan zijn snor plukte.

„Mevrouw! Gij, een dame van den hoogsten rang en stand, wilt Raffles
leeren kennen, dien schurk, dief en aartsschelm—en wij—maar dat is
immers ten eenenmale onmogelijk!

„Lord Westerbull, wat zegt gij hiervan?”

„Ik denk, dat Lady Morvill met ons schertst en er niet in ernst aan
denkt, dat wij in staat zijn om haar wensch te bevredigen!”

„Zeer juist, Lord, zeer juist. Wij kunnen ons toch onmogelijk met een
misdadiger bezighouden en dat nog wel met een, die ons reeds te pakken
heeft gehad!”

„Betreurt gij die honderd pond zoo zeer, baron? Ik dacht, dat de grap
die som wel waard was geweest.”

„Wel, mevrouw, het is niet om het geld, doch bedenk eens, hoe wij door
dit geval geblameerd zijn.

„Mijnheer uw echtgenoot heeft het geheele geval in de club verteld en
nu lacht geheel Londen ons uit. Het is verschrikkelijk!”

„De Londensche armen zullen waarschijnlijk niet veel van het geld
hebben gekregen. Geen penny hebben zij ervan gezien!”

Lord Westerbull riep deze woorden uit en liep opgewonden heen en weer.

„Gij vergist u,” antwoordde de Lady op kalmen toon, „zij hebben precies
200 pond gekregen!”

De dame nam een pakje van een klein tafeltje.

„Hier ziet gij een aantal brieven. In deze brieven bedanken arme
gezinnen mij voor giften van 5 tot 10 pond, welke zij uit mijn naam
hebben ontvangen en welke ik niet heb afgezonden.

„Ik wist niet, wat dit alles beteekende, totdat ik heden dit briefje
ontving. Het luidt:


    „Mylady!

    „De 200 pond zijn uit uw naam verdeeld tusschen arme gezinnen,
    welke ik ken. Wanneer zich weer een gunstige gelegenheid mocht
    voordoen ondersteuning te krijgen voor mijn beschermelingen, dan
    zal ik niet in gebreke blijven die aan te grijpen.

        Hoogachtend
            JOHN C. RAFFLES.”


„De duivel moge hem halen!” riep de Lord uit, „de kerel heeft
karakter!”

„Ik ben het geheel met u eens, Lord,” sprak de Lady op scherpen toon,
„daarom wil ik John Raffles leeren kennen en gij, mijne heeren, moet
mij daarbij helpen. Wilt gij of niet?”

„Ja—als—als—men maar wist hoe. Ik kan—dien Raffles toch niet—in alle
misdadigersholen gaan zoeken!” stamelde de baron.

„Daar zou men hem ook niet vinden,” meende de Lord spottend. „Iemand
als Raffles, dien niemand kent, wiens uiterlijk niemand nauwkeurig kan
omschrijven, die steeds zonder handlangers werkt, er vandaag zoo en
morgen weer geheel anders uitziet, is geen bewoner van „White-Chapel!”

„Zoekt hem dan, heeren. Hij moet toch ergens te vinden zijn!” sprak de
dame spottend. „Of zijt gij misschien bang voor uw portefeuille?”

„Lady, uw spot is onverdraaglijk. Goed dan, ik zal Raffles zoeken en
hem ook vinden. De gevolgen komen echter voor uw rekening!”

Lord Westerbull boog voor de Lady en sprak:

„Ik zal over eenige dagen komen om u bericht te brengen.”

Met deze woorden wilde hij gaan.

De baron hield hem tegen.

„Neem mij mede, Lord. Wij zullen samen overleggen, hoe wij den wensch
der Lady ten uitvoer kunnen brengen, want het spreekt van zelf, Mylady,
dat ook ik mij naar uw wenschen voeg.”

De baron kuste nogmaals de vingertoppen der dame en nam met diepe
buigingen afscheid.

Toen Lady Morvill alleen was, wierp zij den ruiker achteloos op tafel
en ging een oogenblik voor een grooten spiegel staan, welke haar
heerlijke gestalte en het bekoorlijke, rijkgelokte kopje weerspiegelde.

Met sierlijke bewegingen ordende zij een paar weerspannige krulletjes.

Daarop gleed een glimlachje van voldoening over haar gelaat. Zij wist,
dat zij schoon was en zij wilde het zijn. Juist nu wilde zij het.

Met lichten tred schreed zij een reeks vertrekken door en bleef toen
luisterend voor een deur staan.

Deze deur gaf toegang tot een bureau, waarin op dit oogenblik een
knappe, jonge man van 22 jaar zat.

Toen Lady Morvill de deur opende, zag zij een bejaarden heer, die
tegenover den beambte zat. De kleeding van den vreemdeling verried den
dorpeling. Een blauwe bril met opvallend groote glazen bedekte het
bovenste gedeelte van het gelaat, terwijl een volle baard het onderste
deel daarvan omgaf.

De Lady wilde zich snel terugtrekken, toen zij den vreemdeling zag.

De jonge particuliere secretaris van den Lord, Johnny Wilkens, sprong
echter snel op en volgde de dame in het aangrenzende vertrek.

„Wie is die man?” vroeg de Lady haastig.

„Een vriend van mijn moeder, die haar heeft ondersteund. Hij is
eenigszins doof en woont te Liverpool. Hij wilde naar mijn welstand
informeeren en kwam daarvoor hier.”

„Gauw, Johnny, zeg mij of je hebt gedaan, wat ik je opdroeg!”

„Yes Mylady,” sprak Wilkens op fluisterenden toon, „ik kreeg de
sleutels, welke ik liet maken, vandaag.”

„Goed, dan blijft het bij de afspraak. Vergeet niet, dat de
geldswaardige papieren in het bovenste vak van de brandkast liggen. Nog
heden wil ik vrij zijn aan je zijde.

„Ik verwacht je om 11 uur in het tuinhuis!”

Snel boog zij zich naar hem toe en kuste hem hartstochtelijk, daarop
keerde zij naar haar boudoir terug.

Als betooverd staarde de jonge man de wegijlende na. Hij had eenige
oogenblikken noodig om tot zich zelf te komen en weer naar den vriend
zijner moeder terug te gaan.

Als Wilkens zich haastig naar de deur had begeven, had hij kunnen
opmerken, dat de eenvoudige, doove man, van daar wegsloop en zacht
mompelde:

„Drommel! Zoo ver is het dus al gekomen! Ik ben juist nog op tijd
hier!”

Wilkens keerde naar het bureau terug.

De bezoeker stond op van den stoel, welken hij schijnbaar niet had
verlaten en sprak op goedigen toon:

„Nu, Johnny, het wordt mijn tijd. Ik heb je moeder en jou gezien. Gij
zijt gezond, jou gaat het hier goed, dus wat wil men nog meer. Ik moet
mij haasten, anders mis ik den trein naar Liverpool!”

„Leef wel, Mr. Jenkins, leef wel!” sprak de secretaris, drukte de
handen van den man en vergezelde hem naar de deur.

Naar het venster gaande, zag hij Mr. Jenkins de villa verlaten.

Daarop haalde hij langzaam drie kleine sleutels te voorschijn,
luisterde en ging de studeerkamer van den Lord, welke aan het bureau
grensde, binnen.

Haastig liep hij naar de groote brandkast, die in een hoek der kamer
stond en probeerde een der sleutels.

Deze paste.

Tevreden glimlachend ging hij hierop weer terug.

Een rijtuig hield voor de villa stil, Wilkens wierp een schuwen blik
uit het venster en mompelde:

„De Lord!”

Snel nam hij eenige acten ter hand, zoodat ieder, die hem zag zitten,
moest gelooven, dat de jonge man in zijn werk verdiept was.

Intusschen was de Lord het huis binnengegaan; hij begaf zich
onmiddellijk naar zijn weelderig ingerichte studeerkamer en van daar
door de met zware gordijnen behangen verbindingsdeur naar het bureau,
waar zijn geheim-secretaris, de jonge Wilkens, zat te werken.

De Lord overhandigde hem eenige papieren met het bevel, de noodige
aanteekeningen in de contoboeken aan te brengen en begaf zich daarna,
zonder de verwarring van den jongen man opgemerkt te hebben, naar het
boudoir der jonge Lady.

Wilkens wierp een blik op de papieren en mompelde:

„Alweer die oneerlijke wijze van zaken doen op de Beurs en het misbruik
maken van zijn voorname relaties. Wee den Lord, als men in zekere
kringen te weten komt, op welke wijze hij zich verrijkt!”

Daarop ging Wilkens aan het hem opgedragen werk.

De Lord ging het boudoir zijner echtgenoote binnen. Zij lag,
uitgestrekt op den divan, te lezen. Zij deed alsof zij zeer verrast was
en het onaangenaam vond, in haar interessante lectuur gestoord te
worden.

Kortaf en op eenigszins onvriendelijken toon sprak de Lord, een stoel
nemend:

„Neem mij niet kwalijk, als ik je stoor. Ik moet je echter spreken!”

„Ga je gang!” antwoordde de Lady even kort.

„Ik ontmoette zooeven Lord Westerbull en baron Coxwell. De laatste,
die, zooals je weet, altijd moet praten, vertelde mij van je vreemden
wensch betreffende Raffles.

„Ik moet nog opmerken, dat een dergelijke opdracht als die, welke jij
dien heeren hebt gedaan, een Lady Morvill onwaardig is.”

„Omtrent dat, wat mijner al of niet waardig is, mag Lord Morvill
allerminst critiek uitoefenen,” antwoordde de Lady op scherpen toon,
„ik wensch daaromtrent geen instructies te krijgen!”

Geërgerd riep de Lord uit:

„Ik moet toch vriendelijk verzoeken, een anderen toon aan te slaan en
niet te vergeten, wien je voor hebt!”

De Lady lachte gedwongen:

„Juist omdat ik dat laatste niet vergeet, richt ik mijn toon daarnaar
in. Overigens is het zeer goed, als bij deze gelegenheid eens
opheldering tusschen ons komt en onze wederzijdsche positie wordt
bepaald!”

„Dat is ook mijn wensch,” viel de Lord haar haastig in de rede, „ik zal
in een paar woorden die zaak tot klaarheid brengen.

„Als mijn echtgenoote heeft Lady Morvill voor alles haar plichten
jegens mij te vervullen en zich geen vrijheden te veroorloven, die in
strijd zijn met de maatschappelijke zeden en gewoonten.

„Ik duld het niet langer, dat Lady Morvill overal wegens haar
excentrieke ideeën over de tong gaat en er een heirleger aanbidders op
nahoudt, hierdoor de wereld aanleiding gevend, allerlei geruchten in
omloop te brengen, die ook mijn naam schaden.”

De Lady lachte luidkeels.

„Ik ben werkelijk nieuwsgierig om te hooren, wat er nog te bederven was
aan de reputatie van Lord Morvill, die bekend staat als de grootste Don
Juan en boemelaar der geheele wereld.

„Neen, mijnheer mijn echtgenoot, ik ben uw ijverige leerlinge geweest,
gij hebt van het onschuldige jonge meisje een ervaren vrouw van de
wereld gemaakt.

„Draag er nu de gevolgen van!

„Wij zijn niet meer in de middeleeuwen. Toentertijd was het nog de
gewoonte om weerspannige vrouwen te verbannen naar het een of andere
kasteel en daar achter dikke muren opgesloten te houden.

„In den tegenwoordigen tijd heeft de vrouw dezelfde rechten, wil zij
evengoed genieten als de man, die alle rechten voor zichzelf wil hebben
en ons het liefst de plichten op zou willen dragen.

„Gij, Lord Morvill, weet te leven. Ja, meer dan dat, gij geniet het
leven als een woesteling en mij zoudt gij aan de wereld willen
vertoonen als een opgesierde pop, waarmee gij pronkt en om wier bezit
gij bewonderd en benijd wilt worden.

„Waag het eens, mij aan banden te leggen! Waag het eens!

„Ik weet allang, dat de heeren der schepping dit allen wenschen te
doen, maar ik verzeker u op mijn woord, dat ik alle banden, zonder
onderscheid, zou verbreken! Vrijheid wensch ik, onbeperkte vrijheid!”

De schoone vrouw was opgesprongen en met vonkelende oogen, als een
godin der wraak, stond zij hoog opgericht en dreigend voor den Lord,
die niet kon nalaten haar schoonheid te bewonderen.

De Lord begreep, dat hij den boog te sterk had gespannen, hij bond
daarom in en sprak op kalmen toon.

„Waarom dadelijk zoo driftig, lieve? Ik wensch alleen, elk schandaal te
vermijden, lastertongen geen voedsel te geven. Begrijp toch, dat ik in
jouw belang spreek. Je five o’clock tea heeft in den laatsten tijd
aanleiding gegeven tot allerlei babbelpraatjes. Het zou zeer gewenscht
zijn, als je ook eens dames ontvingt, die in je salons tot de
zeldzaamheden behooren!”

„Ik zal ook voortaan mijn bezoekers volgens mijn eigen smaak kiezen.
Bemoei u alstublieft even weinig met mijn avonden als ik dat doe met
die, welke gij op de alleraangenaamste wijze doorbrengt in de kleine
villa Victoria.”

De Lord schrikte.

Wat wist zijn vrouw van deze villa, de getuige zijner heimelijke
liefdesavonturen?

Hij voelde zich overwonnen en krabbelde daarom haastig terug.

„Ik begrijp uw woorden niet! Ik ken geen villa Victoria!”

„Werkelijk niet? Uw verlegenheid bewijst het tegendeel. Gij weet nu,
dat ik de villa en haar geheimen ken! Ik hoop, dat dit u voldoende is.”

De Lady nam haar boek weer op, dat zij in haar drift had laten vallen,
strekte zich uit op den divan en sprak op onverschilligen toon:

„Ik geloof, dat ons onderhoud is afgeloopen. Laat mij verder lezen!”

Zij verdiepte zich schijnbaar weer in haar lectuur.

De Lord stond op en wierp een blik vol bewondering en woede
tegelijkertijd op de schoone vrouw.

Hij had gemeend, dit bekoorlijke wezen tot een speelbal zijner luimen
te kunnen maken en nu moest hij inzien, dat hij alleen een demon in
haar had opgewekt, die hem nog wel eens zeer gevaarlijk zou kunnen
worden.

Met een korten groet verliet hij het boudoir.

Toen hij was heengegaan, slingerde de Lady het boek op den grond.

Diep ademhalend fluisterde zij:

„Onverdraaglijk is het! Ik wil vrijheid! Vrijheid! Wie zal mij die
verschaffen?”








DERDE HOOFDSTUK.

DE VRIEND DER ARMEN.


In het vrij uitgestrekte park, dat de villa, welke Lord Morvill
bewoonde, omgaf, bevond zich een tuinhuis in het achterste gedeelte.

Het was een Japansche koepel, die met gezellige hoekjes, zachte zetels
en divans tot dolce far niente uitnoodigde.

Tegen de donkere kruinen der boomen, die er omheen stonden, stak het
dak in heldere, sprekende kleuren volgens Japanschen smaak gekozen,
zeer af.

De maansikkel wierp haar zilveren stralen over het park, spookachtige
schaduwen der reuzenboomen over de kiezelpaden werpend.

De koepel werd weinig gebruikt door de bewoners der villa. Zelfs de
bekoorlijke eigenares bezocht slechts zelden dit heerlijke plekje.

Des te meer moest het opvallen, dat nu, in het late avonduur, een
donkere gestalte haastig den koepel trachtte te bereiken. Af en toe
voorzichtig omkijkend, zocht zij zich in de schaduw der boomen
verborgen te houden.

Toen zij de deur, die toegang gaf tot den koepel, had bereikt, zette
zij een zwaar voorwerp op den grond en draaide haastig den sleutel der
deur om.

Snel nam zij het donkere voorwerp op, dat zij op het grint had
neergezet.

Een straal maanlicht verried, dat het een groote en, naar het scheen,
zware reistasch was.

De donkere gedaante verdween in het tuinhuis.

Toen zij de deur achter zich had gesloten, kwam een zucht van
verlichting van haar lippen.

Uitgeput van het snelle loopen en van angst, gezien te worden, viel zij
op een rustbed neer en sloeg haar sluier terug.

De maan, die onbescheiden door de vensters keek, verlichtte het gelaat
van de bekoorlijke Lady Morvill.

Van een kerktoren op eenigen afstand klonk de slag van een half uur.

Lady Morvill luisterde en haalde haar klein, met paarlen en brillanten
versierd horloge te voorschijn. Met een enkelen blik zag zij, dat het
half elf was. In haar haast en ongeduld was zij ongeveer een half uur
te vroeg gekomen.

Toen zij tot deze ontdekking kwam, vertoonde zich een ontevreden
uitdrukking op haar gelaat.

Zij plukte zenuwachtig aan het kleine kanten zakdoekje, dat zij in de
hand hield en haar sierlijk voetje stampte vol ongeduld op een
tijgervel.

Daarna stond Lady Morvill op en liep het vertrek vol ongeduld door.

Eindelijk leunde zij tegen de vensterruiten van het tuinhuis en staarde
met vast opeen geklemde lippen naar buiten in het park.

Het maanlicht bescheen het fijnbesneden gelaat, het een uitdrukking
gevend van ijzige koude, hoewel in haar binnenste een storm woedde van
tegenstrijdige gewaarwordingen.

„Nog een half uur!” fluisterde zij.

Als de torenklok elf slagen verkondigde, zou haar gevangenis zich voor
haar openen. Zij zou de vrijheid, waarnaar zij reeds zoo lang
verlangde, terug krijgen.

Reeds lang was het plan in haar gerijpt om den Lord dien zij dagelijks
meer haatte, te verlaten. Zij hoopte, in den vreemde een geluk te
zullen deelachtig worden, dat zij tot dusverre niet had gekend.

Tot dusverre hadden haar echter de middelen ontbroken om te kunnen
vluchten. Haar bruidsschat, omgezet in solide effecten, werd door den
Lord in zijn brandkast bewaard, waar van alleen hij de sleutels bezat.

Daar zij nimmer had geleerd, zich in iets te bezuinigen, kon zij van
het speldegeld, dat de Lord haar op ruime wijze deed toekomen, niets
overhouden.

Plotseling kwam na den dood van den vroegeren geheimsecretaris van den
Lord de jonge Wilkens in zijn plaats in huis. Het knappe uiterlijk en
de groote onervarenheid van den jongen man bevielen de Lady, die tot
dusverre in haar omgeving slechts Don Juans van de ergste soort en
fatten had ontmoet.

Zij bemerkte met haar vrouwelijk instinct dadelijk, dat de jonge man
vanaf het eerste oogenblik bekoord was door haar schoonheid.

Zij omstrikte hem meer en meer in haar netten, aanvankelijk alleen
omdat de naïeve bewondering van den jongen man haar beviel.

Weldra echter bouwde zij een afschuwelijk plan op haar macht, welke zij
over den jongen Wilkens had. Hij moest haar de behulpzame hand bieden
om de langgewenschte vrijheid te herwinnen.

Bij een kort onderhoud, dat zij in den tuin met hem had, wist zij, door
hem al de ellende af te schilderen, die zij aan de zijde van haar
echtgenoot te verduren had, en door een koketterie, waarin zij
meesteres was, den jongen man tot een belofte te bewegen, dat hij haar
zou helpen om haar bruidsschat terug te krijgen.

Zij wierp zich den onervaren jongen man, om zoo te zeggen, in de armen,
vertelde hem van haar gloeiende liefde en bezwoer hem, met haar te
vluchten.

Geheel verward en bijna gek van geluk, gaf de knappe jonge man haar
zijn woord, alles te zullen doen, wat deze sirene van hem verlangde.

Zij eischte nu al spoedig, dat hij wasafdrukken zou nemen van de
sleutels der brandkast en valsche sleutels zou laten vervaardigen. Dan
moest hij, als de gelegenheid zich voordeed, haar bruidsschat wegnemen
en met haar vluchten.

Daar Wilkens haar had medegedeeld, dat hij in het bezit was van de
sleutels, had zij dezen nacht voor de vlucht bestemd.

De tijd was gunstig gekozen, want Lord Morvill placht op den dag,
waarvan sprake was, eerst laat of in het geheel niet thuis te komen.

In het centrum der stad had hij een woonhuis voor den winter en daar
overnachtte hij, als hij de geheimzinnige villa Victoria verliet.

Toen Tom, de oude kamerdienaar van den Lord, Johnny Wilkens dien avond
vroeg, waar hij dacht te soupeeren, had deze slechts een kop thee op
kantoor besteld en daarop den ouden, getrouwen Tom weggestuurd met de
opmerking, dat hij nog veel te werken had.

Hoe meer het oogenblik naderde, waarop John zou ophouden, een
fatsoenlijk mensch te zijn, des te heviger bonsde zijn hart.

Hij schrok terug voor de daad, welke hij ten uitvoer zou brengen.

Met het hoofd in de hand verzonk hij in gedachten. Het verdriet zijner
oude moeder kwam hem voor den geest. Hij zag haar weenen om den
verloren zoon.

Het was hem, alsof zij de handen smeekend naar hem uitstrekte:

„Johnny, mijn kind, mijn lieveling, doe het niet! Bezoedel je handen
niet aan eens anders goed. Respecteer het eigendom van je
medemenschen!”

Langzaam vervloog het beeld van zijn moeder in een nevel en aan de
andere zijde verscheen de zinbekorende sirene. Zij glimlachte den
jongen man verleidelijk toe, haar volle blanke armen legden zich om
zijn hals en hij meende, haar gloeiende kussen te voelen.

Daar sloeg het van den torenklok kwart voor elf.

John schrikte en, nog onder den indruk van het visioen, stond hij
vastberaden op.

Ja, het moest en zou gebeuren.

Hij wilde deze schoone vrouw winnen en mocht haar niet laten wachten.

Er was nog slechts een kwartier over.

Hij snelde naar de brandkast en opende die met den valschen sleutel.

Het waardevolle pakket lag in het bovenvak.

Reeds strekte hij zijn hand uit om het te grijpen, toen die hand van
achteren werd vastgehouden. Op hetzelfde oogenblik werd hij achteruit
getrokken en voordat een enkel geluid over zijn lippen kon komen,
voelde hij een prop tusschen de tanden.

Van schrik verloor hij het bewustzijn.

Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij op de sofa in de
studeerkamer, weliswaar gemakkelijk, maar het was hem onmogelijk zich
te bewegen. Voor hem stond een gemaskerde man, den hoed over het
voorhoofd getrokken, gehuld in een donkeren mantel.

Toen de gemaskerde zag, dat Wilkens weer tot zichzelf was gekomen,
sprak hij op gemoedelijken toon:

„Je bent nog niet handig genoeg als collega van mij, mijn jongen. Wees
dus blij, dat ik je help, de politie zou je gauw te pakken hebben en
dan zou je suikerzoete Lady je leelijk in de modder laten zitten.

„Nu ben je gered en met een eerlijk geweten kun je verklaren, dat niet
jij, maar Raffles de brandkast heeft leeggeroofd.

„Opdat je deze verklaring ook echter kunt bewijzen, leg ik een
kwitantie in de brandkast.”

Raffles had het pakket met geldswaardige papieren onder zijn mantel
geborgen, een kwitantie voor het gestolen bedrag geschreven en die in
de brandkast gelegd, waarvan hij de deur aan liet staan.

Wilkens keek naar elke beweging van den gemaskerde, zoover zijn boeien
hem dat veroorloofden.

Vol ontzetting geloofde hij in hem den man te herkennen, die zich Mr.
Jenkins had genoemd, die hem dien middag nog had bezocht om hem de
groeten van zijn moeder over te brengen.

Voordat de gemaskerde heenging kwam hij nogmaals naar Johnny toe en
sprak op dreigenden toon:

„Mijn jongen, als je niet afziet van die slang, de schoone Lady, ben je
verloren. Niet telkens kan, zooals dezen keer, John Raffles je voor een
misdaad behoeden.”

Met deze woorden wendde de groote onbekende zich naar de deur en
verliet de kamer.— —

Nadat Lady Morvill voor den honderdsten keer het vertrek had
doorgeloopen, bleef zij vol ongeduld weer bij het kleine venster staan.

Zou er dan geen eind komen aan dat wachten?

Haar boezem ging van opgewondenheid haastig op en neer.

De kleine witte tanden groeven zich diep in de roode, zwellende lippen.

Weer keek zij op haar horloge.

Nog een minuut voor elf uur. De seconden leken haar uren. Haar slapen
bonsden, het hart klopte haar in de keel.

Wat zou de volgende minuut haar brengen? Allerlei fantastische beelden
vlogen door haar brein.

Van den kerktoren weergalmden elf metalen slagen. Langgerekt klonken de
tonen door den zwijgenden nacht.

Nauwelijks was de laatste slag gevallen, of het aandachtig luisterende
oor der Lady vernam schreden, welke snel het tuinhek naderden.

Haar hart klopte, alsof het zou barsten.

„Eindelijk!” fluisterde zij en snelde naar de deur, welke zij opende.

Doch met een kreet van schrik wankelde zij achteruit.

In de deuropening stond de donkere gestalte van een rijzigen man, wiens
gelaat met een halfmasker was bedekt.

Onbeweeglijk bleef de zwarte gedaante op den drempel staan.

Een paar schitterende oogen, die uit het masker haar aankeken, boorden
zich in het angstige, bleeke gelaat der Lady.

„Wie zijt gij?”

„Een vriend der armen en bedrukten,” klonk het op diepen, vollen toon
halfluid terug.

„Wat wilt ge?” vroeg de Lady bevend.

„Een misdaad voorkomen, waartoe gij, Lady, aanleiding geeft.”

Na een korte pauze, waarin Lady Morvill nauwelijks durfde ademhalen,
vervolgde de zwarte gedaante:

„Gij verwacht den jongen Wilkens hier. Gij wacht tevergeefs!”

„Komt hij niet?” ontsnapte het aan de lippen der dame.

„Neen! Ik heb het hem belet!”

„Mijn hemel! Wie zijt gij dan?”

„Dat komt er voorloopig niets op aan. Gij hebt John Wilkens overgehaald
tot een misdaad, welke ik nu voor hem heb gepleegd. Gij wildet met den
onervaren jongeling vluchten en wachttet op hem. Dat is tevergeefs,
zooals ik u reeds zeide.

„Keer daarom naar huis terug en zorg er voor, dat geen verdenking op
Johnny valt. Dat is het allerminste wat gij voor hem kunt doen.

„Neem u in acht, om voortaan weer dergelijke pogingen te wagen!

„Ik ken uw plannen en bedoelingen. Ik weet, dat gij tot elken prijs van
uw echtgenoot weg wilt.

„Alleen deze gedachte reeds is een misdaad. Doe echter wat gij wilt,
doch laat den jongen Wilkens er buiten. Hij is er te goed voor, dan dat
gij zijn leven en dat zijner moeder zoudt mogen vernietigen.

„Ik ken den Lord en ik ken u, Mylady. Gij zijt elkaar waard en het zou
eeuwig jammer zijn als zoo’n prachtig paar gescheiden werd.

„Daarom zorg ik er heden voor, dat dit u onmogelijk is. Bedenk, dat ik
uw bedoelingen ken en dat ik u zou kunnen vernietigen, als ik den Lord
de bewijzen bracht van uw handelingen.

„Opdat gij echter weet, wie zijn hand beschermend over John Wilkens
uitstrekt, wil ik u zeggen wie ik ben.”

De onbekende nam het masker van zijn gelaat, trad naar de Lady toe en
sprak:

„De wereld kent mij als John Raffles, onthoud dit gelaat, Lady. Gij
zult het terugzien en zwijgen.”

Met een hypnotiseerende uitdrukking rustten de glinsterende zwarte
oogen op het gelaat der Lady.

Een oogenblik stond zij als versteend, daarop echter gleed een
uitdrukking van triomf over haar gelaat.

„Raffles! Gij zijt Raffles?” klonk het van haar lippen. „Hoezeer heb ik
u, uw moed en vastberadenheid altijd bewonderd! Gij hebt mij den shawl
gebracht?”

„Zeker Mylady, hier is het bewijs!”

Raffles nam uit zijn portefeuille een haarlok, welke hij bij zijn
nachtelijk bezoek van het hoofd der slapende had geroofd.

Lady Morvill greep de hand, die de haarlok vasthield en fluisterde op
ontroerden toon:

„Hoezeer heb ik ernaar gesmacht, een man als u te leeren kennen.”

Op scherpen toon viel de groote onbekende haar in de rede:

„Mylady! John Wilkens wacht op uw hulp! Bij mij hebben uw kunsten geen
succes. Ga heen!”

Met fier opgerichte gestalte stond hij daar, als een God der Wrake en
met zijn rechterhand wees hij naar de deur.

De Lady bukte zich, als had zij een zweepslag gekregen.

Langzaam verliet zij het tuinhuis en vloog naar huis.

Lang volgde Lord Lister haar met de oogen, daarop verliet ook hij den
koepel en was weldra in het donker park verdwenen.








VIERDE HOOFDSTUK.

EEN VERHOOR EN ZIJN GEVOLGEN.


Angstig was de Lady de zijtrap opgesneld, die dicht bij haar vertrekken
op den corridor der eerste verdieping uitkwam. Reeds wilde zij haar
boudoir binnensluipen, toen de deur van het studeervertrek van den Lord
werd geopend en Tom, de oude kamerdienaar, snel naar buiten trad.

Toen hij de Lady bemerkte, snelde hij naar haar toe en sprak haastig:

„Mylady, er is op onbeschaamde wijze bij ons ingebroken. Zooeven heb ik
den heer secretaris in de studeerkamer van Zijn Lordschap gevonden.

„Ik heb Zijn Lordschap onmiddellijk telephonisch bericht naar de Club
gezonden en de politie gewaarschuwd.

„Beide zullen dadelijk hier zijn. Ik hol nu naar beneden om den portier
alles te vertellen.”

Met deze woorden stormde hij opgewonden de trap af.

De Lady, die onaangenaam verrast was door deze ontmoeting, en het meer
dan onpleizierig vond dat men haar in reistoilet had gezien, ging haar
boudoir binnen en verwisselde snel van kleeren.

Daarop ging zij de studeerkamer van den Lord binnen, waar zij Wilkens,
ontdaan van zijn boeien, op de sofa zag liggen, terwijl de bediende
George hem van tijd tot tijd iets liet drinken.

De bediende stond vol eerbied op bij het binnentreden der Lady.

Ook Wilkens wilde spreken, de Lady gaf hem echter een wenk om te
zwijgen, wel begrijpend, dat in tegenwoordigheid van den bediende een
onvoorzichtig woord gevaarlijk kon worden.

„Houd u rustig, lieve Mr. Wilkens, en herinner u het gebeurde goed,
opdat gij straks den Lord en de politie de gewenschte inlichtingen
omtrent het gebeurde kunt verstrekken. De zaak moet opgehelderd
worden!”

Zij sprak deze laatste woorden met bijzonderen nadruk en liet ze
vergezeld gaan van een waarschuwenden blik.

Wilkens had haar begrepen en sprak op zachten toon:

„Mylady kan onbezorgd zijn, ik herinner mij alles.”

De Lady verwijderde zich om geen achterdocht te wekken en wachtte op de
komst van haar echtgenoot en van de politie.

Beide lieten niet lang op zich wachten. Zij kwamen bijna op hetzelfde
oogenblik.

Terwijl de Lord nog in de vestibule stond en daar naar het verhaal van
den kamerdienaar luisterde, arriveerden politie-inspecteur Baxter,
detective Marholm en twee agenten.

Vol eerbied groette Baxter den voornamen heer, hoorde van hem nogmaals,
wat er gebeurd was en liet zich door Tom vertellen, hoe hij den
secretaris had gevonden.

Deze berichtte:

„Ik wilde mij eigenlijk met George ter ruste begeven en was op weg naar
mijn kamer. Zooals het mijn gewoonte is, ging ik echter nog eens de
gang door om mij ervan te overtuigen of de vensters goed gesloten
waren.

„Toen ik voorbij de deur der studeerkamer ging, hoorde ik een zacht
gekerm.

„Ik luisterde en toen dit zich herhaalde, ging ik de kamer door de
gangdeur binnen. Op de sofa lag, aan handen en voeten gebonden en met
een prop in den mond, mijnheer de secretaris.

„George en ik bevrijdden hem vlug van zijn boeien en sinds dat
oogenblik ligt hij nog geheel uitgeput boven in de kamer van zijn
Lordschap.”

„Goed, laat ons naar boven gaan en hooren, wat Wilkens ons te vertellen
heeft,” sprak de Lord koel en ging vooruit.

Inspecteur Baxter en detective Marholm volgden.

Wilkens had zich intusschen hersteld en zijn plan gemaakt.

Toen de Lord binnentrad, stond hij op, maar deed zich zwakker voor dan
hij inderdaad was.

„Wat ter wereld is er hier gebeurd, Wilkens?” vroeg de Lord. „Vlug,
vertel, opdat deze heeren, die van de politie zijn, de noodige
maatregelen kunnen nemen.”

„Uw Lordschap,” antwoordde Wilkens met zwakke stem, „ik kan eigenlijk
maar weinig vertellen. Ik werkte in mijn bureau en wilde eenig
achterstallig werk afmaken, om met alles bij te zijn. Daarom bleef ik
langer dan gewoonlijk hier.

„Plotseling kreeg ik een hevigen slag op het hoofd, die mij bewusteloos
maakte. Toen ik weer bijkwam, lag ik geboeid op de sofa in uw
studeerkamer met een knevel in den mond. Alle moeite om mij te
bevrijden, was vergeefsch. Eindelijk, na een tijd, die mij een eeuw
toescheen, kwam Tom en hielp mij.

„Meer weet ik niet mede te deelen.”

Inspecteur van politie Baxter had intusschen een tafel in het midden
van de kamer laten zetten, daarop een bundel acten neergelegd en zijn
vulpen in gereedheid gebracht.

Met een gewichtige houding nam hij aan de tafel plaats en begon het
verhoor.

Nadat John Wilkens de noodige opgaven omtrent zichzelf had verstrekt,
vroeg Baxter hem:

„Om hoe laat had de overrompeling plaats?”

„Het kan ongeveer 10 uur zijn geweest,” antwoordde John Wilkens na een
korte aarzeling.

„Precies weet ik het niet, want ik was verdiept in mijn werk.”

Lord Morvill was intusschen het bureau van zijn geheimsecretaris
binnengegaan en merkte dadelijk op, dat de brandkast niet gesloten was.

Na eenige oogenblikken snelde hij terug naar de kamer, waarin het
verhoor plaats vond. Hij was zoo bleek als een lijk en had een briefje
in de hand, dat hij zwijgend voor Baxter neerlegde.

Deze nam het op en las:


    „Mylord!

    Eenige dagen geleden heb ik mijn leven gewaagd om mevrouw uw
    echtgenoote een dienst te bewijzen en haar verloren eigendom terug
    te bezorgen. Heden heb ik daarvoor mijn belooning gehaald.

        JOHN C. RAFFLES.”


Inspecteur Baxter sloeg met de gebalde vuist op tafel.

„Alweer een Rafflesstreek! Wij moeten dien ellendeling toch eindelijk
onschadelijk maken!”

„Het wordt zeer zeker tijd,” kon Lord Morvill niet nalaten te
antwoorden, „dat onze politie eindelijk eens succes heeft!”

Baxter scheen deze woorden niet te hooren en wendde zich tot Lord
Morvill met de beleefde vraag:

„Zou het uw Lordschap mogelijk zijn, te bepalen wat den schurk in
handen is gevallen?”

„Zeker, ik heb er mij reeds van overtuigd. Ik heb nooit groote bedragen
in huis en zoodoende bevatte de brandkast niet meer dan een paar
honderd pond. Deze heeft de misdadiger echter onaangeroerd gelaten.

„Daarentegen bevond zich echter een pakket met geldswaardige papieren
in de kast. Het bevatte den geheelen bruidsschat mijner vrouw en dit
pakket is verdwenen.”

„Heeft uw Lordschap de Lady dit verlies reeds medegedeeld?” vroeg de
inspecteur.

„Neen Sir, maar dit kan onmiddellijk geschieden.”

„Mag ik u dan misschien verzoeken om de Lady te willen vragen, hier te
komen?”

„Als gij er op gesteld zijt, zeker.”

Lord Morvill gaf George een bevel.

De bediende boog en verdween in de gang, waarop het boudoir der Lady
uitkwam.

Baxter ondervroeg nu Tom omtrent de bijzonderheden, hoe deze John
Wilkens had gevonden.

De deur werd geopend en Lady Morvill trad binnen.

Eerbiedig stonden de heeren op. Lady Morvill dankte met een gracieuze
hoofdbeweging en nam op een stoel plaats.

Baxter keek vol spanning den Lord aan, die echter niet geneigd scheen,
zijn vrouw toe te spreken.

Lady Morvill leunde in achtelooze houding in haar stoel, af en toe een
klein reukfleschje naar haar neus brengend.

Eindelijk stond Baxter op en sprak, zich met een sierlijke buiging tot
de Lady wendend:

„Zou Mylady zoo goed willen zijn, ons de toedracht der zaak mede te
deelen, voor zoover zij die kent?”

„Ik kan u eigenlijk in ’t geheel niets mededeelen, heer inspecteur. Tom
vertelde mij, dat men den geheimsecretaris had overvallen; ik ging het
bureau binnen en vond den heer Wilkens daar, geheel onder den indruk
van het voorgevallene. Dat is alles.”

Met een onverschillige uitdrukking op het gelaat stond Lady Morvill op,
ging naar een tafeltje in een hoek der kamer en nam uit een bonbonnière
welke daar stond, eenige snoeperijen.

Inspecteur Baxter was blijkbaar verlegen.

Na een korte pauze sprak hij:

„Pardon, Mylady, maar ik moet u nog met een paar vragen lastig vallen.”

Ongeduldig haalde Lady Morvill de schouders op en keek Baxter vragend
aan.

Deze vervolgde:

„Dus Tom kwam bij Mylady in het boudoir om te melden—”

De bediende viel den inspecteur in de rede:

„Neen, ik wilde mij juist naar de kamers van Mylady begeven, toen haar
Ladyship de kleine trap opkwam.”

Lord Morvill keerde zich om en keek zijn echtgenoote met vragenden blik
aan.

„Nu ja—ik had in het park gewandeld.”

„Was het tegen 11 uur in den avond?” vroeg inspecteur Baxter zacht.

„Zeker,” antwoordde de Lady kortaf. „Ik had een beetje hoofdpijn.”

De Lord wierp een scherpen blik vol achterdocht op zijn echtgenoote en
sprak langzaam:

„Dat is in strijd met je gewoonte. Je gaat anders altijd vroeg naar
bed.”

Als twee dolken kruisten elkaar de blikken der beide echtgenooten, toen
Lady Morvill antwoordde:

„Dezen keer beliefde het mij, in het park te wandelen.”

Nadat zij haar echtgenoot een minachtenden blik had toegeworpen, wendde
zij zich tot Baxter en vroeg:

„Wenscht gij nog meer inlichtingen, mijnheer de inspecteur?”

„Neen, Mylady. Ik dank u zeer beleefd. Mij rest alleen nog de treurige
plicht, uwe Ladyship mede te deelen, dat uw geheele bruidsschat in
handen van den inbreker is gevallen.”

„Zoo?” antwoordde de Lady en verliet met een hoofdknikje tegen Baxter
het vertrek.

Verbaasd keek Lord Morvill zijn echtgenoote na en verzonk daarna in
gedachten.

Nadat de inspecteur eenige aanteekeningen had gemaakt, stond hij op en
keek den Lord aan.

Deze stond nog steeds met over elkander geslagen armen naar den grond
te kijken.

Baxter kuchte zacht en sprak:

„Wij willen uw Lordschap niet langer lastig vallen; voor vandaag weten
wij genoeg.”

„Goeden nacht, Sir!”

Met een hoofdbeweging gaf de Lord den beambten te verstaan, dat zij wel
konden heengaan. Deze vertrokken en Lord Morvill zuchtte diep.

„Tom, gij kunt wel gaan slapen. George moet nog opblijven, voor het
geval, dat ik hem noodig mocht hebben.

„Nu wensch ik alleen te zijn.”

Beide bedienden trokken zich terug.

Toen de deur achter hen was gesloten, nam Lord Morvill in een
gemakkelijken armstoel plaats en leunde met het hoofd in de
rechterhand.

„Wat beteekent dit?” mompelde hij, „om half elf des nachts in het
park.... het bericht, dat haar bruidsschat verloren is, ontroert haar
zoo weinig; dat men zou veronderstellen, dat zij ervan weet....

„Wat beteekent dit? Ik moet het geheim op het spoor komen.”

Vastberaden stond hij op en ging naar de gang, die naar de kamers der
Lady voerde.

Gebruik makend van de kleine zijtrap, bevond hij zich al spoedig
buiten.

Toen Lord Morvill in het park was gekomen, bleef hij een oogenblik
staan en keek met scherpen blik langs de door het maanlicht beschenen
paden.

Niets bijzonders vertoonde zich.

Werktuigelijk sloeg hij een zijweg in, toen een licht voorwerp zijn
aandacht trok. Hij bukte en vond het kanten zakdoekje der Lady dat zij
bij haar snellen loop naar huis had verloren.

„Dus hier is zij geweest,” mompelde Morvill. Opkijkend, viel zijn blik
op den Japanschen koepel en een inwendige stem riep hem toe:

„Ga daarheen!”

De Lord snelde voorwaarts en had spoedig het huisje bereikt.

De deur stond op een kier, hij opende haar en trad binnen. De maan, die
op de ruiten viel, verlichtte helder den vloer.

Wat was dat?

Daar in dien hoek stond een reistasch.

De Lord ging er naar toe, nam haar op en zette ze op een stoel. Daar
het sleuteltje er aan een bandje aanhing, was het een kleinigheid voor
hem om de tasch te openen.

Behalve de voor een dame benoodigde toiletartikelen voor een reis vond
hij alle juweelen der Lady erin.

Een onderdrukte kreet van woede kwam van de lippen van den Lord. Nu
begreep hij alles.

Zijn vrouw had willen vluchten, doch was verrast en had de reistasch
vergeten.

Hoe kon dit alles echter met elkaar in verband staan? De toebereidselen
tot de vlucht der Lady, de inbraak door Raffles?

Wie was deze Raffles?

Stond de Lady in eenige betrekking tot hem?

Maar dat kon toch niet mogelijk zijn, want die groote onbekende was
verdwenen met den bruidsschat, terwijl de Lady nog hier in het tuinhuis
was.

Duizend gedachten en veronderstellingen doorkruisten het brein van den
Lord.

Plotseling viel zijn blik op iets donkers, dat op tafel lag. Hij nam
het op en zag, dat het de haarlok was, die Raffles daar had neergelegd
ten bewijze, dat hij de geheimzinnige nachtelijke brenger van het
kanten doekje was geweest.

Het gelaat van den Lord was verwrongen van jaloezie en woede.

Met een beweging vol afschuw wierp hij de haarlok in de reistasch,
sloot die en ging terug naar de villa, de tasch meenemend.

Toen Lord Morvill het Japansche tuinhuis verliet bemerkte hij niet, dat
een donkere gedaante snel achter een boomstam schoof.

Peinzend vervolgde Lord Morvill zijn weg en was weldra langs de kleine
zijtrap in de villa verdwenen.

Toen kwam de donkere gedaante uit de schaduw van den boom te voorschijn
en werd zichtbaar in het glanzende maanlicht.

Het was Lady Morvill.

Toen zij eenigszins was bekomen van de ontsteltenis, doorleefde zij in
gedachten nogmaals het geheele verhoor en plotseling voelde zij een
hevigen schrik. Zij bedacht, dat zij haar reistasch, het bewijs harer
schuld, in het tuinhuis had achtergelaten.

Ontzetting maakte zich van haar meester.

Als Raffles de tasch had gevonden en ook haar juweelen geroofd, dan was
zij verloren, want zonder geldmiddelen kon zij er niet aan denken, de
zoozeer verlangde vrijheid te verkrijgen.

Toen dit tot haar bewustzijn was doorgedrongen, sloop zij de zijtrap
af, die naar het park leidde, en spoedde zich naar den koepel, in de
hoop, de tasch daar nog te vinden.

Juist toen zij in den koepel wilde sluipen, kwam Lord Morvill daar
echter uit te voorschijn en nam de tasch mede naar huis.

Het gelaat der Lady was doodsbleek, toen zij nu uit de schaduw van den
boomstam te voorschijn kwam. Met trillende lippen drukte zij de handen
op het wild kloppende hart.

Daar ging haar echtgenoot met de tasch, die door haar rijken inhoud de
eenige mogelijkheid bood om vrij te worden.

Zij begreep, dat zij voortaan onherroepelijk in de macht was van den
gehaten, ruwen man.

Woede, haat en angst misvormden het gelaat der schoone vrouw. Dreigend
hief zij den vollen, blanken arm op, die in het zilveren maanlicht als
uit marmer gehouwen scheen.

„Als je mij de vrijheid niet teruggeeft, moet je sterven,” klonk het
sissend van haar lippen.— —

Toen Lord Morvill zijn werkkamer was binnengegaan, nam hij de
kostbaarheden uit de reistasch der Lady en sloot die weg in de
brandkast. Den verderen inhoud liet hij onaangeroerd, hij zette
zwijgend de reistasch voor de deur, die toegang gaf tot de vertrekken
der Lady en keerde naar zijn werkkamer terug.

Hij drukte op de electrische bel en gaf, toen George was verschenen,
dezen bevel om de auto onmiddellijk gereed te maken voor een tocht naar
villa Victoria.

De Lord had een besluit genomen.

Hij meende nu zeker te mogen gelooven, dat hij den verleider van zijn
vrouw kende.

Het kon geen ander zijn dan Lord Westerbull. Het viel hem op, dat deze
heden, in strijd met zijn gewoonte, niet op de club was geweest. De
heeren plachten des Donderdags de Club vroeger dan anders te verlaten
en gezamenlijk naar villa Victoria te rijden.

Lord Morvill had heden niet meer kunnen gaan, daar hij door Tom van de
Club naar huis was geroepen. Nu wilde hij zich er van overtuigen, of
Lord Westerbull in villa Victoria was.

Hij twijfelde er aan, maar hoopte door zijn kennissen op het spoor te
worden gebracht.

Zijn bloed kookte van opgewondenheid. Als hij den vent kon
overrompelen, zou deze moeten sterven.

Lord Morvill nam een Browning-pistool uit zijn schrijftafel en stak die
in zijn zak.

Op dit oogenblik kwam George berichten, dat de auto gereed stond.

Door het binnenkomen van den bediende, die op de geheime tochten van
den Lord de plaats van chauffeur innam, was de Lord zoo verrast, dat
hij vergat, den sleutel uit de schrijftafel te nemen.

Hij verliet zijn studeerkamer. George draaide het electrische licht uit
en volgde zijn heer.— — —

Lady Morvill had, langzaam het park doorloopend, de kleine zijtrap
bereikt. Zij beklom deze en wilde zich in haar kamers terugtrekken,
toen haar voet tegen een voorwerp stiet.

Het was haar reistasch. Haastig nam zij die op en was er mee achter de
deur verdwenen. Zij draaide het electrische licht op en opende de
tasch.

Een kreet ontsnapte aan haar lippen.

De juweelen, haar laatste redmiddel, waren verdwenen.

Wat zij had gevreesd, was bewaarheid en door het feit, dat haar
echtgenoot de tasch voor haar deur had gezet, kreeg zij de
onomstootelijke zekerheid, dat niet Raffles, maar Lord Morvill, in het
bezit van de juweelen was.

Zij moest ze terughebben, tot elken prijs. Er mocht gebeuren, wat er
wilde. Nog eenmaal wilde zij den Lord smeeken:

„Geef mij mijn vrijheid terug!” Als dat niet hielp, moest zij haar
kleinodiën terug hebben, om daardoor haar vrijheid te kunnen
terugkrijgen.

Onmiddellijk wilde zij een poging wagen.

Vastberaden verliet zij haar boudoir, om haar echtgenoot in diens
werkkamer op te zoeken.

Toen op haar kloppen geen antwoord volgde, opende zij de deur en trad
de pikdonkere studeerkamer binnen.

Een oogenblik aarzelde de jonge vrouw, toen draaide zij het electrische
licht op.

Met snellen blik overzag zij het vertrek doch niets bijzonders
vertoonde zich.

Plotseling bleef zij naar de schrijftafel staren; de sleutel was in het
slot blijven steken!

De Lady snelde naar het meubel en opende de lade. Het eerste, waarop
haar blik viel, was een brief aan het adres van den Lord.

Zij ging in den bureaustoel zitten en nam den brief uit het couvert.

Met het hoofd in de hand verdiepte zij zich geheel in het lezen er van.

Duidelijk drukte haar gelaat de gewaarwordingen uit, door het lezen bij
haar opgewekt. Verbazing, smart, woede en afschuw waren daarop
duidelijk zichtbaar.

De inhoud van den brief luidde als volgt:


    „Waarde Lord!

    Het is mij nu toch gelukt, de kleine Manon, die tot dusverre steeds
    bleef weigeren, over te halen tot een bezoek aan de villa. Zij zal
    hedenavond en wel met een vriendin, Lucie, die ik ook heb leeren
    kennen, in ons gezelschap zijn.

    Ik kan u, mijn waarde Lord, de verzekering geven, dat Lucie nog
    meer aan mijn smaak beantwoordt dan uw jongste ideaal Manon.

    Zij is buitengewoon goed ontwikkeld voor haar vijftien jaar. Een
    kleine, blonde duivelin, die mij verrukte door haar allergrappigste
    invallen.

    Enfin, gij zult zelf zien.

    Daar ook onze oude vriendinnen, die nog niet zijn afgedankt, van
    avond zullen komen, zullen wij een prachtig gezelschap bijeen
    hebben.

    Verzuim den tijd niet, elke minuut zal „kostbaar” zijn!— —

    Tot ziens dus, hedenavond in villa Victoria.

        Uw trouwe

            Harro.”


Toen Lady Morvill den brief had gelezen, zonk haar arm machteloos neer.

Haar hand hield het papier vast omklemd, terwijl haar oogen vonken
schoten. Met een ruk stond zij op en siste tusschen de opeengesloten
tanden:

„Weer een bewijs! En aan dit monster moet ik geketend blijven! Hij
durft mij verwijten, dat ik met anderen flirt. Ik verdraag dit leven
niet langer. Als hij mij niet vrij laat, moet hij sterven!”

Zij streek den brief weer met haar hand glad en deed hem opnieuw in het
couvert.

Terwijl zij hem weer in de lade borg, viel haar blik op een fleschje,
dat een groenachtig poeder bevatte. Zij nam het op en keek er
aandachtig naar. Het fleschje bevatte een sneldoodend vergift, dat de
Lord van zijn Afrika-reis had meegebracht. In gezelschappen had hij er
dikwijls van verteld.

Lady Morvill herinnerde zich nog precies, hoe de Lord op zekeren dag
aan een zijner vrienden had getoond, hoe de uitwerking van het gift
was.

Een weinig van het gevaarlijke poeder werd in het drinkwater van een
hond gestrooid en het arme dier daarna tot drinken gedwongen. Bijna
oogenblikkelijk was de werking ingetreden.

De Lady was toen zeer bedroefd geweest, daar zij veel van den hond had
gehouden en de ruwheid, die uit deze daad van haar echtgenoot sprak,
haar afschuw jegens hem nog vergrootte.

Nu hield zij het fleschje met het vergift in haar hand. Doodelijke
bleekheid bedekte haar gelaat.

Een vreeselijk plan kwam in haar brein tot rijpheid.

Dit alleen kon haar de vrijheid brengen!

Bijna liefkoozend drukte zij het fleschje aan het hart en verborg
daarop den kostbaren schat in haar japon.

Snel de lade der schrijftafel sluitend, wierp zij een schuwen blik om
zich heen, draaide haastig het electrische licht uit en verdween in de
gang, die naar haar kamers leidde.








VIJFDE HOOFDSTUK.

DE GEHEIMZINNIGE VILLA.


Buiten de stad in Roehampton, naar den kant van het Richmond-park, lag
villa Victoria.

Het was een allerliefst, bekoorlijk nestje, dat Lord Morvill en zijn
vrienden zich daar hadden laten inrichten.

Omringd door een tamelijk groot park met breede kiezelwegen,
standbeelden en waterwerken, maakte het den indruk van een klein
Versailles.

Grotten en heestergroepen noodigden uit tot vertrouwelijke
samenkomsten.

Het inwendige van de villa was volkomen met dit alles in
overeenstemming.

De groote zaal, waarop waaiervormig verscheiden andere vertrekken
uitkwamen, was geheel in Moorschen stijl gehouden. Groote kroonlichten,
die van het plafond afhingen, verspreidden een rijkdom van licht, dat
door hooge spiegels, die van het plafond tot op den vloer reikten, werd
weerkaatst.

Voor de kunstig gebeeldhouwde zuilen, die gekroond waren met vergulde
drakenkoppen, verhieven zich smaakvolle standaards, welke bloeiende
uitheemsche planten droegen.

Overal zag men hangers met frisch groen en welriekende bloemen.

Een gezelschap van vijf heeren en zeven dames bewoonde het huis. De
mannelijke leden van het gezelschap waren deels in rok, deels in
smoking verschenen.

Elk kennersoog moest verrukt zijn door het zien van deze dames.

Een rij uitgelezen schoonheden, ieder van een ander type.

Twee gegalloneerde bedienden hadden zooeven de resten van het souper
afgeruimd en de gasten stonden in afzonderlijke groepjes bij elkaar.

De heeren offreerden de dames sigaretten en weldra stegen blauwe
rookwolkjes op, wier lucht zich vermengde met de geuren der bloemen en
parfums.

Op een ottomane lag, lang uitgestrekt, een gevulde blondine. Haar
rossig haar omlijstte een fijngesneden pikant gezichtje en hulde het
als in een gouden stralenkrans. Zij had den linkerarm onder het hoofd
gevouwen, terwijl de rechterhand gracieus de sigaret vasthield.

Eenige kringen in de lucht blazend, sprak zij tot een jong meisje, dat
juist op een kussen naast haar ging zitten:

„Nu, lieve Manon, is het niet verrukkelijk in ons kleine Paradijs?”

De toegesprokene wendde haar groote donkere oogen naar de spreekster en
antwoordde:

„Ja, het is werkelijk zalig. Ik wou Harro eigenlijk niet gelooven, toen
hij mij alles zoo bekoorlijk voorschilderde, en zou ook niet gekomen
zijn, als Lucie mij niet zoo had verveeld.”

Een rijzige jonge man kwam bij de praatster, pakte een der kleine,
rozige oorlelletjes, kuste dat en vroeg vroolijk:

„Daar juist hoorde ik mijn naam noemen. Wat zou de arme Harro weer
misdaan hebben?”

„Deze keer bij uitzondering geen domme streken!” klonk het lachend
terug, en Manon bevrijdde haar oorlapje uit de aangename gevangenschap.

Daarna sprong ze licht als een veertje overeind en zweefde met een der
andere heeren, die zich op dat oogenblik bij het groepje had
aangesloten, weg, gracieus ronddraaiend op de maat van een wals.

Een der heeren was intusschen aan den vleugel gaan zitten en liet een
aanlokkelijk wijsje weerklinken.

Lord Westerbull, die tegen een der zuilen aan leunde, zei tot een der
voor hem staande heeren:

„Graaf Armani, ik geloof toch, dat ik uw smaak geraden heb, toen ik u
uitnoodigde, met mij naar dit goddelijkst hoekje der wereld te gaan.”

De aldus toegesprokene streek met zijn welverzorgde hand, waaraan een
gouden ring schitterde, door zijn donkeren puntbaard en antwoordde
glimlachend:

„Ik ben u zeer verplicht, Lord. Alleen betreur ik het, dat ik niet de
eer zal hebben, aan den bezitter van al deze kostbaarheden te worden
voorgesteld, om hem mijne excuses aan te bieden voor mijn
vrijpostigheid.”

De spreker was een lange man van bij de veertig. Een donkere puntbaard
omlijstte de scherpe, edele trekken van zijn gelaat.

„Ik ben ervan overtuigd, beste Graaf,” zei Lord Westerbull, „dat Lord
Morvill binnen korten tijd hier zal zijn. Een heel bijzondere magneet
trekt hem namelijk vandaag hierheen.”

Hij wees hierbij met een alleszeggend knipoogje naar Manon, die daar
juist met haar vriendin Lucie als een dolleman voorbij de beide heeren
danste.

Graaf Armani volgde den blik van Lord Westerbull, en een gedwongen
glimlachje kwam op zijn gelaat.

Op dit oogenblik ging de deur open en Lord Morvill trad de zaal binnen.

De bekoorlijke blondine liet zich gauw van de rustbank glijden en vloog
naar Lord Morvill toe. Terwijl zij haar mollige, blanke armen om zijn
hals sloeg, vertrok zij haar roode mondje tot een bekoorlijk pruillipje
en vroeg:

„Waar ben je toch zoo lang geweest, my dear? Je kleine Nelly heeft zoo
erg naar je verlangd?”

Lord Morvill weerde de liefkozingen af en duwde zonder een woord te
antwoorden de schoone vraagster op zij. Zijne oogen vlogen door het
vertrek en bleven op Lord Westerbull rusten. Haat en woede stonden op
zijn gelaat te lezen.

Lord Westerbull scheen dit niet te bemerken, hij knikte Morvill
vriendschappelijk toe en trad hem tegemoet om hem de hand te drukken.
Deze echter keek Westerbull met een doordringenden blik aan en zei op
scherpen toon:

„Lord Westerbull, ik moet u om een onmiddellijk onderhoud onder vier
oogen verzoeken.”

Toestemmend boog de Lord en antwoordde:

„Ik ben dadelijk tot uw dienst. Sta mij toe, mijn waarde, graaf Armani
aan u voor te stellen. Ik had het genoegen, met hem kennis te maken,
toen ik twee jaar geleden uit Brazilië terugkeerde. Vanmiddag
ontmoetten wij elkaar toevallig in een café.

„Daar ik de voorliefde van den graaf voor schoone vrouwen kende,
vertelde ik hem van dit kleine paradijs, dat uw goedheid en uw fijne
smaak voor ons heeft geschapen.”

„Natuurlijk was ik verrukt,” begon graaf Armani, „en verzocht Lord
Westerbull, of hij mij niet in dezen kring zou kunnen introduceeren.
Zijn Lordschap was zoo vriendelijk, mij borg te staan voor uwe
welwillende toestemming, Lord Morvill, en nu ben ik dan hier, om u
vergiffenis te vragen voor mijn vrijpostigheid en uw verlof voor een
langer verblijf.”

„Wees hartelijk welkom, graaf, maak het u zoo behaaglijk mogelijk in
dezen kring van vreugde en genot,” zei Lord Morvill vriendelijk en
reikte hem de hand.

Armani dankte met eene ceremonieele buiging en trad bescheiden
achteruit.

„Ik dank u, beste Lord,” zei Westerbull, „dat gij mijn woord gestand
hebt gedaan en ben gaarne tot uw dienst.”

Lord Morvill noodigde Westerbull met een kort gebaar uit en trad een
der zijvertrekken binnen, Westerbull volgde hem.

Morvill had de deur dicht gedaan en liep met groote stappen opgewonden
door de kamer.

Westerbull keek hem verbaasd na, en stak, tegen den schoorsteenmantel
geleund, een sigaret aan.

Nog steeds zette Morvill zijn wandeling voort, af en toe Westerbull met
onderzoekenden blik aankijkende.

Eindelijk vroeg deze lachend:

„Ha, beste Lord, hebt gij mij naar dit vertrek gelokt, om mij een
kleinen wedloop te laten zien?”

De Lord bleef dicht voor Westerbull staan en vroeg kortaf:

„Waar waart gij vanavond?”

Verbaasd keek Lord Westerbull zijn overbuur aan en antwoordde kalm:

„Sta mij toe, Lord, dat ik uw vraag met een wedervraag beantwoord. Wat
gaat het u aan, waar ik mijn tijd doorbreng?”

Lord Morvill werd vuurrood in zijn gelaat.

„Maak maar geen uitvluchten en beantwoord mijn vraag. Waar waart ge
vanavond?”

„Mijn beste Lord,” antwoordde Westerbull volkomen kalm, „ik bemerk, dat
gij zeer opgewonden zijt. Al is mij ook de oorzaak hiervan onbekend,
toch is mij dit voldoende, om de beleedigende toon en manier, waarop
gij thans tegenover mij staat, vergeeflijk te doen schijnen. Wij zijn
te oude en goede vrienden, dan dat een misverstand ons van elkaar moge
verwijderen. Ik zal dus uw vraag beantwoorden.”

Morvill had zich afgewend en begon weer zijn zenuwachtige wandeling
door de kamer.

Westerbull vervolgde:

„Zooals gij reeds gehoord hebt, ontmoete ik vandaag toevallig graaf
Armani. Ik had hem de toezegging gedaan, hem hier te introduceeren.
Eerst wilden we echter naar de Club. Ik had verwacht u daar te
ontmoeten en door mijn tusschenkomst de heeren met elkaar in kennis te
brengen.”

„Gij waart echter niet in de Club,” viel Morvill zijn overbuur in de
rede.

„Dat is zoo, Lord. Armani had mij beloofd, om negen uur in café Royal
te zijn. Ik wachtte echter tot 12 uur tevergeefs op hem. Toen hij
eindelijk kwam, leek het mij beter direct hierheen te rijden.”

„Schurk, je liegt!” schreeuwde Morvill, trok zijn Browning-pistool uit
zijn zak en mikte op Westerbull.

Op het oogenblik, dat hij wilde aftrekken, voelde hij een krachtigen
slag tegen zijn benedenarm. De kogel, van zijn doel afgericht, drong
met een slag in het plafond.

Het was graaf Armani, die op het beslissend oogenblik de kamer was
binnengestormd en den slag op Lord Morvills arm had toegebracht.

Op het oogenblik dat het schot weerklonk, hoorde men in de Moorsche
zaal luide kreten van schrik.

De muziek hield plotseling op en alles verdrong zich vóór het vertrek,
waarin zich de heeren bevonden.

Graaf Armani ontving de indringers bij de deuropening.

Met een gemaakt lachje zei hij:

„Dames en heeren, ik verzoek u niet te schrikken, het is niets. Lord
Morvill had daar juist de goedheid ons eene nieuwe beveiliging aan zijn
pistool te laten zien. Het schijnt echter, dat deze niet geheel in orde
was, want plotseling knalde een schot. Gelukkig is er geen onheil
geschied. We zullen over een paar minuten bij u zijn. Voor ’t oogenblik
verzoek ik, om een beetje rust voor Lord Morvill, die door het gebeurde
wat geschrokken is.”

Het gezelschap liet zich spoedig geruststellen, en weldra drongen weer
vroolijke klanken door tot de eenzaamheid van het kabinet.

Nadat graaf Armani de deur had gesloten, keerde hij in de kamer terug
en zei op vriendelijken toon:

„Ik acht mij gelukkig, mijne heeren, dat ik op den eersten avond van
mijn verblijf u beiden een dienst heb kunnen bewijzen. Ik hoop echter
nog meer te kunnen doen, daar ik wellicht iets kan bijdragen tot
opheldering van het misverstand, dat hier blijkbaar plaats heeft.”

Lord Morvill was met het nog rookende pistool in zijn hand in een stoel
neergezakt. Zijn gelaat was krijtwit.

Lord Westerbull stond nog steeds tegen den schoorsteenmantel geleund.
Met gefronste wenkbrauwen keek hij zijn aanvaller aan.

Opnieuw nam graaf Armani het woord:

„Mijne heeren, ik was getuige van de scène tusschen u beiden en hoorde
uwe beschuldiging, Lord Morvill. Ik kan u mijn eerewoord geven, dat de
beweringen van Lord Westerbull volkomen met de feiten in
overeenstemming zijn.

„Ik was verhinderd en kon beslist niet om negen uur in Café Royal zijn.
Lord Westerbull had de overdreven goedheid daar tot 12 uur op mij te
wachten en toen reden wij hierheen.”

Lord Morvill stond op van zijn stoel.

Hij voerde een zwaren inwendigen strijd. Opeens trad hij op Westerbull
toe en sprak:

„Lord Westerbull, ik zie in, dat ik een onrecht tegen u heb begaan. Ik
heb mij door mijn groote opgewondenheid, waarvoor ik u ook een
verklaring zal geven, tot een onwaardige handelwijze laten voeren. Ik
verzoek u om vergiffenis!”

Morvill had Westerbull de hand reeds toegestoken. Deze echter wierp een
vernietigenden blik op zijn tegenstander en zei op snijdenden toon:

„Lord Morvill schijnt niet veel eergevoel te hebben, als hij meent, met
een paar woorden eene zware beleediging, ja de poging tot een
sluipmoord, goed te kunnen praten.”

Zoo wit als de dood week Morvill een schrede achteruit en zei met een
korte buiging:

„Ik ben tot uw dienst.”

Graaf Armani had dit optreden met belangstelling gevolgd en sprak, zich
tot Lord Westerbull wendend:

„Maar, beste Lord, laat het niet tot het uiterste komen. Zijn Lordschap
heeft zijn ongelijk al bekend en daarmede moet onder oude
vrienden......”

„Het spijt mij zeer,” viel Westerbull hem in de rede, „dat ook gij op
dit standpunt staat. Ik ben in elk geval gewend smaad met bloed uit te
wisschen. Ge zult van me hooren!”

Met een korte buiging verliet Westerbull het kabinet.

Morvill wendde zich direct tot Armani en zei:

„Graaf, gij waart getuige van het gebeurde. Gij hebt mijn zonderlinge
gedraging gezien. Gij zaagt de onzalige daad waartoe ik mij liet voeren
en aan uwe tusschenkomst heb ik het te danken, dat ik thans geen
moordenaar ben. Gij hebt daardoor recht op mijn oneindige dankbaarheid
verworven.

„Ik ben u ook een volledige verklaring verschuldigd, opdat gij mijn
optreden zult kunnen begrijpen.

„Wanneer gij alles weet, zal ik u verzoeken, bij het aanstaande duel
mijn getuige te zijn, en gij zult mij dezen vriendschapsdienst niet
weigeren.”

Lord Morvill had den graaf uitgenoodigd te gaan zitten en vertelde hem
daarna nauwkeurig en zonder omwegen alles wat hij had doorleefd. Hij
sprak van den roof van den bruidsschat zijner vrouw door Raffles, van
zijn ontdekking in het tuinhuisje en van zijn jaloezie op Westerbull.

Nadat Morvill zijn verhaal had geëindigd, vroeg hij graaf Armani of hij
genegen was, hem te secondeeren.

Armani verklaarde zich hiertoe bereid, waarop Morvill zei:

„Ik zal dus de eer hebben, u reeds in den loop van den voormiddag bij
mij te zien?”

Graaf Armani knikte toestemmend. Tegelijkertijd kwam er een glimlach op
zijn gelaat en hij mompelde:

„Dus, schoone Lady, spoedig zullen we elkaar terugzien.”

Op dit oogenblik traden twee heeren van het gezelschap de kamer binnen,
stelden zich aan Lord Morvill voor als de secondanten van Westerbull en
brachten formeel diens eisch over.

Lord Morvill noemde daarna graaf Armani als zijn getuige, en de heeren
bespraken in ’t kort, waar ze elkaar over een paar uur zouden ontmoeten
om de nadere voorwaarden voor het duel te bepalen.

Daarna verlieten Lord Morvill en graaf Armani de villa langs een
zijtrap.








ZESDE HOOFDSTUK.

DE TROUWE DIENAAR VAN ZIJN MEESTER.


Lady Morvill had den nacht rusteloos in haar kamer doorgebracht.

Toen het bleeke licht van den aanbrekenden dag door de ruiten scheen
verlichtte het het gelaat van de Lady, dat vaalbleek was.

Krampachtig hield haar hand het fleschje met het vergift omklemd.
Duizenderlei gedachten, beelden en gewaarwordingen woelden thans in
haar hoofd rond.

Hoe zou zij de zware daad volbrengen? Zij zelf voelde niet de kracht
daartoe in zich. Zou zij aan John Wilkens vragen, of die haar wilde
uitvoeren? Eens was hij al, ter wille van haar, inbreker geworden; zou
hij ook moordenaar...?

Zij rilde al, alleen bij de gedachte, aan dat woord. Zij wilde den
giftbeker wegslingeren, doch hield hem daarna weer krampachtig vast.
Zij zag hierin de eenige redding uit de ketenen van een rampzalig
huwelijk.

Lady Morvill was gewoon zich eerst tegen 11 uur uit Morpheus’ armen te
bevrijden. Vandaag zag de morgenschemering haar reeds buiten haar
legerstede.

Zij had geen lust om zooals gewoonlijk het kamermeisje te bellen. Zij
had zelf een lichte morgenjapon aangedaan en zat nu voor haar elegante
schrijftafeltje in het boudoir. Zij wilde schrijven, doch wist niet wat
en aan wien. Mismoedig sprong zij overeind en liep rusteloos rond.

Op welke wijze toch zou zij de ketenen kunnen afwerpen? Eindelijk
scheen zij een besluit te hebben genomen. Zij drukte op den knop der
electrische schel.

Het geduld der schoone Lady werd heden op een zware proef gesteld.
Eerst nadat zij voor de derde maal belde, verscheen het kamermeisje,
geheel ontdaan, haar meesteres zoo vroegtijdig reeds wakker te vinden.

Zij informeerde, zeer geschrokken, of de Lady lijdende was.

Lady Morvill maakte een afwerend gebaar en vroeg kortaf:

„Is de Lord al thuis gekomen?”

Het kamermeisje meldde:

„Zijn Lordschap is ongeveer een half uur geleden thuis gekomen en trok
zich dadelijk in zijn vertrekken terug.”

„Het is goed, breng mij chocolade.”

Het kamermeisje wilde zich met een buiging terugtrekken, toen de Lady
haar nog toeriep:

„Meld mij even, zoodra mijnheer Wilkens op kantoor komt!”

Nogmaals buigend verliet het kamermeisje het boudoir.

Lord Morvill had zich niet, zooals het kamermeisje vertelde, ter ruste
begeven. Van villa Victoria terugkomend ging hij dadelijk naar zijn
studeerkamer.

Nadat hij eenige brieven had behandeld begon hij zijn uitersten wil
neer te schrijven. Toen hij dat schriftuur had verzegeld sloot hij het
op in het middelste vakje van zijn schrijftafel en belde zijn
kamerdienaar.

Tom trad binnen. De Lord beval hem, de brieven dadelijk ter post te
bezorgen, belet te vragen bij den zaakwaarnemer van den Lord en dezen
te verzoeken zoo spoedig mogelijk bij hem te komen.

Daar hij meende nu voor alles te hebben gezorgd, stak hij een sigaret
aan en ging op zijn rustbed liggen.

De slaap wilde echter niet komen. Lord Morvill liet zijn geheele
vervloden leven aan zijn geestesoog voorbijgaan. Zijne echtgenoote,
door wie hij zich zwaar beleedigd voelde, wilde hij niet terugzien,
voordat hij zich met zijn tegenstander had gemeten.

Nog vóór zijn vertrek van villa Victoria had Lord Westerbull zijn
secondanten benoemd en Morvill wist, dat deze nu reeds met graaf Armani
en een bevriend heer uit de club de nadere regeling bespraken.

Weldra moesten de heeren komen om hem de voorwaarden van het duel mee
te deelen.

De Lord volgde peinzend de rookwolken, die uit zijn sigaret kwamen.

Opeens trad Tom de kamer binnen en berichtte, dat John Wilkens juist
zijn bureau was binnengegaan.

„Wil je Mr. Wilkens verzoeken, direct bij mij te komen.”

Tom verliet het vertrek om het bevel op te volgen, en een oogenblik
later trad de geheim-secretaris de kamer van den Lord binnen.

Deze wees naar een stoel en zei:

„Kom bij mij zitten, beste Wilkens, ik heb het een en ander met u te
bespreken.”

De secretaris had een stoel dicht bij het rustbed, waarop Lord Morvill
lag uitgestrekt, gezet en plaats genomen.

Lord Morvill vervolgde:

„Ik zal waarschijnlijk over een paar uur op reis gaan en weet nog niet
hoe lang ik van huis zal blijven. Behandel alle zaken zooals
gewoonlijk; opdat ge niet in verlegenheid zult zitten, overhandig ik u
hier een cheque van 500 pond. Mochten zich complicaties voordoen, stel
u dan in verbinding met mijn zaakwaarnemer. Ik verwacht dezen ieder
oogenblik en zal alles met hem bespreken.”

De Lord had den cheque ingevuld en reikte hem over aan Wilkens. Daarop
trok hij een ring van zijn vinger. Het was een zoogenaamde
Rance-Topaas, die door kleine brillanten was omgeven.

Lord Morvill overhandigde dezen ring aan Wilkens met de woorden:

„Beste Wilkens, ik was altijd zeer tevreden over u. Opdat ge niet zal
denken, dat ik u medeplichtig acht aan den diefstal van gisteren, of u
van onachtzaamheid of plichtsverzaking verdenk, verzoek ik u dezen ring
aan te nemen en als aandenken aan mij te dragen.”

De secretaris, die zich zijn zware schuld zeer wel bewust was, kleurde
hevig. Deze goedheid van zijn weldoener en meester ontroerde hem meer,
dan wanneer Lord Morvill hem aan het gerecht had overgeleverd. Hij wist
niet, welke houding hij zou aannemen, stamelde eenige woorden en wilde
den ring teruggeven.

Opeens kwam Tom de kamer binnen en meldde, dat graaf Armani, Lord
Colter en de notaris gekomen waren.

Lord Morvill ging voort:

„Draag den ring. Ik wil het! En laat mij nu alleen, ik moet met de
heeren werken.”

Met een diepe buiging trok de jonge man zich terug.

Hij was geheel van streek; de ring brandde hem in de handen.

Toen hij de kamer had verlaten, beduidde de Lord zijn kamerdienaar, dat
hij de heeren zou binnenlaten.

Lord Morvill stond op en ging de binnenkomenden tegemoet.

Nadat de begroeting had plaats gehad, vroeg Lord Morvill:

„Welnu, zijn de voorwaarden vastgesteld?”

„Zeker,” antwoordde graaf Armani, „vanmorgen om 11 uur in het boschje
tusschen de vijvers. Tien pas afstand. Vuren bij het avanceeren.”

De Lord gaf een goedkeurend knikje.

Daarna wendde hij zich tot den notaris, om hem zijn testament ter hand
te stellen en hem eenige belangrijke vragen ter beantwoording voor te
leggen.

Toen alles was afgesproken verliet de notaris den Lord met de beste
zegewenschen, waarna Lord Morvill bevel gaf het rijtuig in te spannen,
dat de heeren naar het terrein van den strijd zou brengen.

Nadat Tom de mededeeling had gebracht, dat ook dit bevel was
uitgevoerd, verlieten de heeren tezamen de villa en reden weg in den
lachenden zonneschijn van den heerlijken morgen.



Lady Morvill had door middel van haar kamermeisje de mededeeling
ontvangen, dat Wilkens weliswaar op zijn bureau was gekomen, doch
dadelijk bij den Lord was ontboden.

Ongeduldig wachtte zij af of Wilkens zou terugkomen.

Op hem was haar hoop gevestigd. Hij moest en zou haar helpen bevrijden.

Zij zelf deinsde er voor terug, haren echtgenoot den giftbeker, waarin
zij nog alleen hulp en redding zag, over te reiken; daarom hoopte zij
door vleierijen en haar volmaakte koketterie Wilkens over te halen tot
deze afschuwelijke misdaad.

Toen men haar bericht had, dat de jonge man op zijn bureau was
teruggekeerd, wachtte ze er geen oogenblik mee, hem daar te bezoeken;
temeer, daar zij gehoord had, dat de Lord met nog twee heeren de villa
had verlaten en uit rijden was gegaan.

De schoone sirene maakte van alle verleidings-kunstgrepen gebruik.

Haar blanke armen om den hals van den jongen man slaande, schilderde
zij in geuren en kleuren haar wanhoop.

Hij kon zich aan hare bekoring niet ontworstelen.

Toen de Lady zag, dat zij den secretaris geheel in haar macht had,
waagde zij het een kleine toespeling te maken op hetgeen zij van
Wilkens verwachtte.

De mooie vrouw was voor hem op de knieën gevallen en had alles zoo
ingericht, dat zij bij haar voetval gemakkelijk de speld kon
verwijderen, die haar zijden haardos bijeenhield.

Het haar was nu losgeraakt en als in een golvenden mantel gehuld,
knielde zij in een verleidelijk ochtendgewaad voor den jongen man neer.

Wilkens hoorde stom en willoos de beweringen der Lady aan. Het bezit
van deze heerlijke vrouw scheen hem het grootste geluk toe.

Plotseling echter doemde voor zijn oog de beeltenis van zijn oude
moeder op. Hij zag haar de handen wringen en hem badend in tranen,
verwijtend aankijken.

Als ontwakend uit een gevarendroom sprong hij plotseling overeind.

Met gesmoorde stem kwam het van zijn lippen:

„Ga heen, Lady! Voor deze daad vindt gij in mij geen bondgenoot.”

De Lady keek als ontnuchterd naar den jongen man.

Dat had zij niet verwacht.

Was er een man, die haar weerstond?

Haar ijdelheid was diep gekrenkt, en dat smartte haar meer dan het
mislukken van haar plan.

Een blik vol haat werpend op den jongen man, verliet zij zonder een
woord te spreken het vertrek.

Wilkens slaakte een diepe zucht. Hij ging naar het raam en keek naar de
voorbijschuivende wolken.








ZEVENDE HOOFDSTUK.

HET DUEL.


De Woudzee baadde in het heldere zonnelicht. Het beekje, dat door de
vlakte stroomde, geleek op een zilveren band, dat door een overmoedig
kind in de haren is gevlochten.

Het vroolijke gezang der vogels weerklonk. Alles ademde vreugde en
levenslust.

De Woudzee lag daar zoo rustig en stil, alsof zij nimmer eenig
menschelijk leed had aanschouwd en toch was zij reeds herhaaldelijk
getuige geweest van bloedige twisten.

De bodem was reeds meermalen gedrenkt met het bloed van jonge
menschenharten, welke waren gekomen om zich op te offeren aan
waanbegrippen.

Bij een open plek tusschen de boomen stonden twee rijtuigen. Uit het
eene was Lord Westerbull met twee heeren gestapt, terwijl het andere
rijtuig den dokter en Lord Exter had gebracht.

De heeren drukten elkaar ter begroeting de hand. De dokter bekeek het
terrein aandachtig; spoedig had hij gevonden, wat hij zocht.

Hij liep naar een boomstam, opende daar het meegebrachte kistje met
verbandartikelen en maakte alles in gereedheid.

Van den nabijzijnden straatweg hoorde men het rollen van een rijtuig en
Lord Morvill verscheen met zijn beide getuigen.

De heeren wisselden een beleefden groet. Daarop gingen de secondanten
naar elkaar toe, beraadslaagden eenige oogenblikken om daarna, zich tot
de tegenstanders wendend, nog een laatste poging tot verzoening te
doen.

Daar deze poging zonder resultaat bleef, begaven zij zich naar het
kistje, waarin de pistolen lagen en laadden de wapens.

De onpartijdige getuige duidde de standplaats aan voor Lord Westerbull.
Hierop telde hij vijf schreden af en liet daar zijn zakdoek vallen om
de plek aan te wijzen, waarop de tegenstanders rug aan rug moesten gaan
staan.

In rechte lijn vijf schreden verder loopend, wees hij daarop ook
Morvill diens plaats aan.

Toen alles was voorbereid begonnen de beide duellisten zich naar de
plek, door den zakdoek aangewezen. Zij begroetten elkaar door de hoeden
af te nemen en gingen daarop rug aan rug staan.

De secondanten namen de hoeden der beide tegenstanders aan en de heeren
kregen daarvoor in de plaats de geladen pistolen.

„Zijn de heeren gereed?” vroeg de onpartijdige op luiden toon.

„Klaar!” klonk het uit den mond der beide tegenstanders.

Op het commando „vooruit!” zetten beiden zich in tegenovergestelde
richting in beweging.

De onpartijdige getuige telde de schreden en commandeerde bij de
vijfde: „Vuur!”

Bliksemsnel keerden de beide duellisten zich op hun plaats om en
vuurden tegelijkertijd.

Een dubbele knal—een korte schreeuw—en Lord Westerbull zonk op het gras
neer.

Onmiddellijk snelde de dokter toe en ontblootte de borst van den
gewonde.

Ernstig schudde hij daarna het hoofd. De kogel had den top van de
linkerlong geraakt.

De secondanten hadden Lord Morvill van den aard der verwonding op de
hoogte gebracht.

Deze naderde nu den gewonde.

Lord Westerbull richtte zich, geholpen door den dokter, op en reikte
Lord Morvill de hand ten teeken, dat hij had vergeven en dat de
beleediging, hem aangedaan, door het vloeien van zijn bloed was
uitgewischt.

Lord Morvill nam de hem toegestoken hand en drukte die zwijgend.

Een beleefde buiging tot afscheid volgde en Lord Morvill verliet,
gevolgd door graaf Armani en Lord Exter, de kampplaats.

De heeren namen in het rijtuig plaats en dit begaf zich weer in de
richting van de villa van den Lord.

De heeren, die waren achtergebleven, hielden zich met den gewonde
bezig. Toen deze verbonden was, werd hij voorzichtig in een rijtuig
gelegd en langzaam aanvaardde de droevige stoet den terugtocht naar de
stad.








ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE GIFTBEKER.


De studeerkamer van Lord Morvill was naar oud Duitschen stijl
ingericht.

Zware, massieve meubelen gaven een kostbaren indruk aan het geheel.

Een groot Smyrnatapijt bedekte den geheelen vloer. De wanden waren met
olieschilderijen en kostbare bronsreliefs behangen. Vreemde wapens en
jachttropheeën van verschillende soort, op artistieke wijze overal
aangebracht, vormden voor het oog van den bezoeker een aangename
afwisseling.

Zware, donkere overgordijnen lieten het licht eenigszins gedempt naar
binnen dringen.

Een breede schoorsteen besloeg een der wanden van het vertrek. Op den
rand hiervan stond een kleine, antieke klok tusschen twee kostbare
vazen.

Naast de groote schrijftafel van den Lord stond een klein tafeltje van
houtsnijwerk, waarop een zilveren blad met een waterkaraf en twee
glazen van kostbaar kristal een plaats hadden.

De Lord had dit zoo geplaatst om steeds drinkwater bij de hand te
hebben.

Lord Morvill had aanleg om corpulent te worden. Hij vond, dat dit aan
zijn jeugdig uiterlijk afbreuk deed en dit wilde hij voorkomen.

Zijn huisdokter had hem geraden om, zooveel mogelijk, elke twee uur
eenige slokken water te drinken. En om dit voorschrift, dat hem bij
zijn levenswijze verre van aangenaam was, te kunnen opvolgen, had hij
het tafeltje met het waterstel naast zich staan.

Hoewel hij dezen raad van den dokter reeds eenige maanden volgde, was
er nog niet veel resultaat zichtbaar.

Hij ondervroeg den dokter en deze verklaarde, dat het mislukken zijn
oorzaak vond in het feit, dat de Lord het zoo eenvoudige middel te
onregelmatig toepaste.

De Lord zag de waarheid hiervan in, maar hij wist niet, hoe hij het
voorschrift stipt zou kunnen opvolgen.

Bij zijn ongeregeld leven, dat hem zelfs des nachts dikwijls
buitenshuis hield, was dat moeilijk. En daarom moest de voortdurende
nabijheid van de waterkaraf hem, als hij aan zijn schrijftafel zat, aan
zijn plicht herinneren.

De studeerkamer van den Lord was leeg. De middagzon scheen helder door
de ruiten en haar stralen wierpen, in het kristal der waterkaraf
brekend, bonte kleuren op het tapijt.

De kleine klok op den schoorsteenrand liet met zilveren klank twaalf
heldere slagen hooren.

Daar werd onhoorbaar de deur, die op de gang uitkwam, geopend.

In een elegante, zwarte japon van kantstof gekleed, trad de Lady het
vertrek binnen.

Als een donkere wolk omhulde de japon de buigzame, slanke gestalte,
alleen de schitterend witte hals, nek en armen vrijlatend.

Het anders blozende gelaat der Lady was vaalbleek. De schoone oogen,
overschaduwd door lange wimpers, glansden onheilspellend.

Toen de Lady onhoorbaar de deur had geopend, bleef zij een oogenblik op
den drempel staan en keek het vertrek door. Als aangetrokken door een
magneet, bleven haar groote glanzende oogen op de waterkaraf rusten.

Geruischloos sloot zij de deur achter zich en draaide snel den sleutel
om.

Haar blik bleef onafwendbaar aan de karaf hangen. Haar nek kromde zich
en, met de rechterhand stijf op de borst geklemd, stond zij roerloos
stil met voorovergebogen bovenlijf. De geheele verschijning had iets
roofdierachtigs.

Slechts eenige oogenblikken bleef zij in deze loerende houding. Haastig
liep zij daarop naar het kleine tafeltje, dat naast het schrijfbureau
stond.

Haar rechterhand had het fleschje met vergift uit haar boezem te
voorschijn gehaald en hield dat krampachtig vast. Met een snellen ruk
haalde zij de kurk van het fleschje af en nu schudde zij ongeveer de
helft van den inhoud in het water.

De giftmengster wierp nog een schuwen blik om zich heen, nam toen de
waterkaraf op, schudde ze en hield ze tegen het licht.

Het water was niet in het minst van kleur veranderd, het zag er
kristalhelder uit.

Tevreden knikte Lady Morvill met het hoofd.

Een duivelsche glimlach vloog over haar door haat verwrongen trekken.

Nadat zij de karaf weer op haar plaats had gezet, zoodat geen
verandering te zien was, verliet zij met snelle schreden onhoorbaar de
kamer langs denzelfden weg, dien zij gekomen was.








NEGENDE HOOFDSTUK.

VERGELDING.


Na den ongelukkigen afloop van het duel keerde Lord Morvill niet
onmiddellijk, zooals eerst het plan was geweest, naar zijn woning
terug.

Onderweg verliet hij het rijtuig en gaf den koetsier bevel, naar huis
te rijden. Hij zelf wilde nog een wandeling maken door de lanen van
Hydepark.

Hij had er behoefte aan om alleen te zijn met zijn gedachten en
gewaarwordingen. Een reeks plannen doorkruiste zijn brein, allen te
voorschijn geroepen door de vraag: hoe zou voortaan de verhouding zijn
tusschen hem en zijn vrouw?

Hoewel zij door haar opvallende koketterie meermalen zijn misnoegen had
opgewekt, was in zijn hart toch altijd een warm gevoel blijven bestaan
voor de schoone sirene.

Al bestond er ook geen enkele geestelijke band tusschen deze beide
oppervlakkige naturen, was toch altijd de betooverende schoonheid der
Lady een magneet geweest, die den Lord onweerstaanbaar had
aangetrokken.

Daar het hem nu echter duidelijk was geworden, dat de Lady hem niet
alleen haatte, maar ook verachtte en het haar eenig doel was, tot elken
prijs van hem bevrijd te zijn, was elk zachter gevoel voor zijn vrouw
in hem gestorven.

Hij zou bereid zijn geweest, dadelijk van haar te scheiden, als hij
niet het schandaal had gevreesd en tevens de hoop voedde, dat hij met
behulp der politie weer in het bezit zou geraken van den bruidsschat
zijner vrouw.

Zijn hebzucht was te groot dan dat hij zich met de gedachte zou kunnen
verzoenen, dat Lady Morvill niet meer de rijke partij was van vroeger.

Neen, hij zou haar de vrijheid niet teruggeven! Al kwam ook de gestolen
bruidsschat, die zeer aanzienlijk was geweest, niet meer terecht, toch
kon de Lady later aanspraak maken op een groote erfenis.

Waarom dus een scheiding? Welke voordeden zou hij kunnen hebben van een
scheiding? Zijn persoonlijke vrijheid? Maar die bezat hij immers
volkomen. Hij dacht onwillekeurig aan villa Victoria.

En als de Lady hem hier al te lastig mocht worden, dan bestonden er
immers wel middelen en manieren om de weerspannige te temmen!

Hij dacht aan zijn kasteel in Schotland. Een zijner voorvaderen had
daar gedurende meer dan 15 lange jaren een weerspannige Lady gevangen
gehouden. Voor de wereld heette zij dood. Inderdaad voerde zij echter
een ellendig leven achter kerkermuren dat in krankzinnigheid eindigde.

Wat zou hem beletten, om te handelen evenals dat familielid?

De „toren der bleeke vrouw”, zooals men in den volksmond in die streek
de gevangenis der martelares noemde, was leeg en wachtte sinds ongeveer
honderd jaar op een nieuwe bewoonster.

Evenals in die dagen, zou men ook nu wel het een en ander omtrent de
nieuwe bewoonster mompelen en fluisteren, maar niemand zou iets met
zekerheid weten.

Zoo zou het zijn.

Toen Lord Morvill dit plan had opgevat, voelde hij zich bijzonder kalm.
Hij zag nu uitkomst.

Natuurlijk zou hij niet vertellen, dat zijn echtgenoote gestorven was.

Men zou echter een sprookje kunnen verbreiden van een zware ziekte en
hij zou wel middelen vinden om ongewenschte spionnen tegen te gaan.

De Lord had zulk een gevoel van welbehagen, dat hij een afgezaagde
melodie, welke hem door het hoofd speelde, begon te fluiten.

Plotseling viel het hem in, dat hij graaf Armani had verzocht, hem in
zijn villa te bezoeken. Hij keek op zijn horloge en zag, dat hij zich
moest haasten om nog tijdig thuis te zijn.

Hij wenkte den koetsier van een voorbijkomend leeg huurrijtuig en gaf
hem zijn adres op. In snelle vaart naderde hij nu zijn woning.

Wederom moest hij aan zijn vrouw denken. Hij zou haar in de
eerstvolgende uren ontmoeten; hoe zou hij zich dan jegens haar
gedragen?

In elk geval wilde hij zekerheid en hij was van plan, haar voor oogen
te houden, dat zij volkomen afhankelijk van hem was.

Een soort van wreede wellust kwam in hem op, toen hij tot dit besluit
was gekomen. Ja, zij zou gevoelen, dat zij volkomen in zijn macht was.

Intusschen had Lord Morvill zijn villa bereikt. George verscheen om
zijn heer bij het uitstappen behulpzaam te zijn.

De Lord vroeg, of in zijn afwezigheid iets was voorgevallen.

George ontkende en meldde, dat de Lady in dien tusschentijd reeds drie
keer had geïnformeerd, of de Lord thuis was.

„Het is goed!”

Met deze woorden beklom de Lord de trap, die naar de villa leidde en
begaf zich naar zijn vertrekken.

Nadat hij zich van zijn hoed en jas had ontdaan, ging hij zijn
studeerkamer binnen.

Blijkbaar wenschte dus ook de Lady een onderhoud. Dat kwam volkomen
overeen met de wenschen van den Lord.

„Hoe eerder je begrijpt, waar je aan toe bent, hoe beter voor mij,”
mompelde Lord Morvill, op den knop eener electrische bel drukkend.

Tom trad binnen. Hij bleef bij de deur staan om op het bevel van zijn
heer te wachten.

„Zeg de Lady, dat ik haar hier verwacht.”

De bediende boog zwijgend en verdween in de gang, die naar de kamers
van de Lady voerde.

Lord Morvill stak een sigaret aan en zette zich op zijn gemak aan zijn
schrijftafel.

Eenige oogenblikken later kwam Lady Morvill de studeerkamer van haar
echtgenoot binnen.

Zij droeg nog dezelfde zwarte japon, die zij des middags had
aangetrokken.

De Lord nam de binnentredende op met een spottenden blik, daarop
noodigde hij haar met een handbeweging uit om plaats te nemen.

Lady Morvill was in de deur blijven staan.

Een blik vol haat en verachting viel op den Lord, die aan zijn
schrijftafel zat.

Na een korte pauze begon deze, terwijl hij met een pennemes speelde, op
korten, halfluiden toon:

„Lady, gij hebt mij dringend willen spreken. Ik ben tot uw dienst.”

De Lady stond nog steeds onbeweeglijk.

Zoo mogelijk was zij nog bleeker geworden. Haar oogen glinsterden
bovennatuurlijk, haar keel was van ontroering als dichtgeknepen en op
bijna klankloozen toon kwam het van haar lippen:

„Je hebt al mijn juweelen in bezit genomen. Ik weet het!”

„Welnu, als gij dat weet, Lady, dan zult gij zeker ook wel weten, waar
ik ze heb gevonden.”

De tanden der schoone vrouw groeven zich zoo diep in haar onderlip, dat
een paar bloeddroppels langs haar kin vloeiden.

Daar de Lord niet doorging, vroeg de Lady opnieuw, alsof zij het
antwoord van haar echtgenoot niet had verstaan:

„Zal ik mijn kostbaarheden terugkrijgen?”

„Neen!” klonk het op korten toon van zijn lippen.

Lady Morvill scheen haar bewustzijn bijna te verliezen. Haar gansche
lichaam beefde, doch na eenige oogenblikken had zij zich met
bovenmenschelijke wilskracht hersteld.

Zij ging vlak voor den Lord staan en vroeg met vonkelende oogen en
gekruiste armen:

„Waarom wil je mij mijn eigendom onthouden?”

„Omdat ik niet wensch, dat gij de middelen in handen zult hebben voor
een tweede ontvluchting.

„Omdat ik geen lust heb, door uw optreden prijs te worden gegeven aan
de publieke zucht naar schandaal en laster.

„Daarom blijven uw kostbaarheden onder mijn berusting. Al kan ik u ook
niet beletten, overal om u heen te koketteeren op schandelijke wijze,
dan wil ik u toch de middelen ontnemen om mij openbaar aan de kaak te
stellen.”

De Lady was doodsbleek geworden. Zij balde de vuisten in machtelooze
woede en week onwillekeurig een schrede achteruit.

De Lord was opgestaan en had zich naar het kleine tafeltje begeven. Hij
nam de waterkaraf en vulde een glas tot op de helft met de dood
brengende vloeistof.

Lady Morvill staarde als geestesafwezig naar haar echtgenoot.

Haar blik bleef als gebonden aan zijn hand, toen hij het glas vulde.

Haar wijdgeopende oogen puilden naar voren en haar gelaat was
spookachtig bleek.

Een seconde nog en zij zou vrij zijn!

Lord Morvill nam het glas op, toen een onderdrukte gil aan de lippen
der Lady ontsnapte.

Morvill had half met den rug naar zijn echtgenoote gestaan, nu keerde
hij zich om en zag haar lijkkleurig gelaat.

Een wreede, zegevierende glimlach verwrong zijn trekken en, terwijl hij
het glas weer op het tafeltje neerzette, sprak hij hoonend:

„Ik vrees uw haat niet, Lady. Alleen zou ik er u op willen wijzen, dat
ik nog middelen bezit om mij zelf te beschermen. Als gij mij al te
lastig wordt...

„Gij kent mijn kasteel Moar Castle in Schotland, nietwaar?

„Gij kent de geschiedenis mijner voorvaderen. Neem u in acht, dat het
lot van Lady Henriette ook niet u treft!”

Met van ontzetting wijd geopende oogen staarde Lady Morvill haar
echtgenoot aan. Zij hield de handen, alsof zij een onheil wilde
afwenden, voor zich uitgestrekt. Haar boezem hijgde en op halfluiden
toon sprak zij met moeite:

„Je wilt mij in de armen van den waanzin voeren, ellendeling! Ik
veracht je uit den grond van mijn hart!”

Morvill was bloedrood geworden van verontwaardiging. Zijn hand greep
een leeren zweep, die boven zijn schrijftafel hing, hij snelde naar
zijn vrouw toe en wilde haar met zweepslagen straffen voor haar
woorden.

De Lady stiet een rauwen gil uit.

Op dit oogenblik werd de deur geopend, die naar het bureau van John
Wilkens leidde, en deze stormde de kamer binnen.

Hij had de laatste woorden van den strijd der beide echtgenooten
gehoord en den angstkreet der Lady vernomen.

Een inwendige, onweerstaanbare macht dwong hem, de schoone vrouw, die
hij nog steeds liefhad, ter hulp te snellen.

Toen Wilkens de kamer binnensnelde en zag, dat de Lord met opgeheven
zweep tegenover zijn vrouw stond, verloor hij zijn kalmte en bezinning.

Hij greep den Lord bij de keel. Een korte worsteling volgde en de Lord,
die niet voorbereid was op dezen aanval, struikelde en viel.

Een doffe kreet en het bloed van Lord Morvill stroomde over het tapijt.

De Lord was met zijn hoofd tegen den scherpen kant van den
schoorsteenmantel terechtgekomen en had zich den schedel verpletterd.

John Wilkens staarde als wezenloos naar den Lord, die met den dood
worstelde.

Daar werd plotseling de deur naar de gang geopend en graaf Armani
snelde binnen.

Toen de Lady hem zag binnenkomen, riep zij half gillend uit: „Raffles!”
en viel bewusteloos op een stoel neer.

De binnenkomende was inderdaad de groote onbekende, die zich, aan den
Lord had laten voorstellen als graaf Armani.

Met een enkelen blik had hij den toestand overzien en met weemoedigen
blik keek hij naar Wilkens, toen hij sprak:

„John, ik had je gewaarschuwd. Je bent niet uit de nabijheid van deze
vrouw gebleven en het noodlot straft je. Help haar nu. Ik zal mij met
den Lord bezighouden.”

Raffles knielde naast Lord Morvill neer en stelde vast, dat het leven
reeds was geweken.

Intusschen was de Lady weer eenigszins tot zichzelf gekomen.

Nog geheel verward staarde Wilkens om zich heen. Zijn blik viel op het
half gevulde waterglas, dat Lord Morvill zooeven weer op het tafeltje
had neergezet. Hij nam het op en, naar de Lady gaande, goot hij de
bewustelooze een paar slokken in de keel.

De Lady voelde plotseling een heeten gloed door haar lichaam stroomen.
Met onduldbare pijnen richtte zij zich op en opende de oogen.

Zij zag het haar maar al te zeer bekende glas in Wilkens’ hand en de
vreeselijkste ontzetting stond op haar gelaat te lezen.

Haar treken verwrongen zich, het schuim kwam op haar lippen te
voorschijn en met een luiden gil zonk zij neer.

„Gift! Gift!” riep zij uit. „Ik had het voor hem gemengd en jij hebt
het mij gegeven!”

Nog voordat John Wilkens wist, wat zij bedoelde, had Raffles haar
woorden begrepen.

Hij naderde John, die bij de met den dood worstelende Lady neerknielde,
richtte hem op en sprak:

„De moordenares van haar echtgenoot heeft zichzelf in het verderf
gestort! Jij moest haar den giftbeker reiken, dien zij voor haar
echtgenoot had gereed gemaakt. Zoo wilde het noodlot het.

„Nu heeft zij haar vrijheid terug, al is het op een andere manier dan
zij bedoelde.”

Nu begon de secretaris alles te begrijpen. Hij sloeg de handen voor het
gelaat en snikte.

John Raffles legde hem de hand op den schouder en sprak:

„Al kon ik dezen keer niet over je waken, een hoogere macht heeft je
behoed. Dank den hemel, dat je handen rein zijn gebleven. Hier, neem
dit geld!”

Bij deze woorden nam Raffles een gevulde portefeuille uit den zak en
gaf die aan Wilkens!

„Deze portefeuille bevat de middelen voor een reis naar het buitenland
en zal genoeg zijn voor jou, totdat je een nieuwen werkkring zult
hebben gevonden.

„Ga nu heen, begin een nieuw leven en maak door ernstigen arbeid weer
goed, wat je hier, al is het ook slechts in gedachten, hebt misdaan.”

De secretaris drukte de hem toegestoken hand van den onbaatzuchtigen
beschermer en bevochtigde die slanke, fijngevormde hand met zijn heete
tranen.










*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0041: EEN WEDDENSCHAP ZONDER WINNER ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg™ License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg™.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg™ License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg™ website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™

Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg™ and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West,
Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg™,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.