The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0344: Het raadsel van Harrow Road
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Lord Lister No. 0344: Het raadsel van Harrow Road
Author: Kurt Matull
Theo von Blankensee
Felix Hageman
Release date: April 23, 2026 [eBook #78532]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78532
Credits: The Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0344: HET RAADSEL VAN HARROW ROAD ***
LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 344 HET RAADSEL VAN HARROW ROAD.
HET RAADSEL VAN HARROW ROAD.
HOOFDSTUK I.
DE INBRAAK.
Het was omstreeks twee uur in den nacht.
De maan hield zich schuil achter een dikke wolkenbank, waaruit gestadig
een trage regen neerdruppelde, die de straten van Londen nog vuiler
maakte, dan zij gewoonlijk reeds waren.
Paddington, een der deftige Westelijke wijken van de wereldstad, lag
daar rustig, en maar zelden hoorde men de stappen der voorbijgangers,
die zich haastig huiswaarts spoedden, met moeite hun parapluie
ophoudend, tegen de gure rukwinden.
Langs de Edgeware Road liepen met haastigen stap twee heeren, in lange
regenmantels gehuld, en den vilten hoed diep in de oogen getrokken.
Wanneer hun gelaat even beschenen werd door het licht van een
straatlantaarn, dan kon men zien, dat de eene een krachtig geteekend
gelaat had met scherpe trekken en doordringende grijze oogen, terwijl
zijn metgezel, vrij wat kleiner, blond was en blauwe oogen had.
Zonder te spreken stapten zij voort, zich blijkbaar niet bekommerend om
den regen, die steeds harder uit den donkeren hemel begon neer te
storten.
Op den hoek van de Harrow Road aangekomen sloegen zij deze breede
straat in en volgden haar over een geruimen afstand, tot zij den hoek
van Maide Hill hadden bereikt.
Daar verhief zich een vrij groot, nog nieuw gebouw, met een hardsteenen
pui en dat van den breeden weg gescheiden was door een kleinen
voortuin, waar door heen een klinkerpad naar de huisdeur liep.
Even boven de straat had het huis een zestal kelderramen, die van
vuistdikke tralies waren voorzien.
Naast de huisdeur bevond zich een koperen plaat, waarop met roode
letters te lezen stond:
AUSTIN GRAMMONT
Commissionnair in effecten
BANKZAKEN ENGROS EN EN-DETAIL.
Aan den kant van Maide Hill bezat het huis eveneens een deur, en
verderop was er nog een tweede, maar deze behoorde tot een muur van
omstreeks twee Meter hoogte, die een grooten tuin omgaf.
Over dezen muur heen kon men het dak zien van de garage, die dicht bij
den achtermuur geplaatst werd.
Het scheen een oogenblik of de beide heeren wilden doorloopen, maar zij
sloegen snel Maide Hill in, en het volgende oogenblik waren zij
verdwenen, alsof zij eensklaps door den grond waren gezonken.
Zij hadden echter niets anders gedaan, dan gebruik gemaakt van de
kleine tuindeur, waarvan zij blijkbaar een sleutel hadden.
En toch hoorden zij hier blijkbaar niet thuis, want in plaats van
dadelijk het huis aan de achterzijde binnen te gaan, stonden zij
geruimen tijd stil, een weinig voorovergebogen en ingespannen
luisterend.
Wie waren deze beide heeren, die op zulk een ongewoon tijdstip en langs
zulk een ongewonen weg het huis van den bankier Grammont binnengingen?
De grootste, de man met het strakke, scherp geteekende gelaat, was John
Raffles, de gentleman-inbreker, de langgezochte vijand van Scotland
Yard en zijn metgezel was zijn trouwe vriend Charly Brand.
En spoedig genoeg zal uit het vervolg blijken, wat de beide
onafscheidelijke vrienden hier kwamen uitrichten.
Toen zich in het groote huis volstrekt niets liet hooren, gingen zij,
behoedzaam over den grasrand van een der tuinpaden loopend, naar de
achterzijde van het huis, en stonden daar wederom even stil.
Nu vroeg Charly Brand, zoo zacht dat het bijna niet te verstaan was:
—Hoe staat het eigenlijk met het hondje van onzen vriend Grammont? Ik
meende dat het een zeer waakzaam dier was?
—Dat is het ook, en als ik een vreemdeling was, zou het beest zeker
vreeselijk te keer gaan en ons verraden. Maar ik heb in mijn
hoedanigheid als Lord William Aberdeen bij ieder bezoek, dat ik aan
Grammont bracht, de gelegenheid te baat genomen om goede maatjes met
Sherif te worden. Het dier ontvangt mij altijd kwispelstaartend, zonder
eenig geluid te geven.
Juist toen Raffles dit gezegd had, liet een naburige kerkklok een
enkelen galmenden slag hooren.
Het was halfdrie.
Raffles verloor geen tijd, maar zette zich aanstonds aan het werk.
Van onder zijn mantel haalde hij een kleine lederen tasch te
voorschijn, die een aantal instrumenten bevatte, alle aan zijn eigen
uitvindersvernuft ontsproten en in flanel gewikkeld, opdat zij geen
geluid zouden geven bij het dragen.
Eén daarvan was een vlijmscherpe beitel, met eenigszins gekromd lemmet,
hetwelk hij in het paneel van de achterdeur zette, en hieruit
vervolgens een stuk sneed; groot genoeg om er de hand door te kunnen
steken.
Het eerste, wat hij deed, was den draad van een alarminrichting door te
snijden, die onder het bereik van zijn hand langs den deurpost liep.
Vervolgens trok hij een paar zware grendels terug, en tenslotte draaide
hij den sleutel in het slot van de deur om.
Een oogenblik later waren de beide mannen binnengedrongen.
Raffles had dit alles volkomen op den tast verricht, maar nu zij
binnenshuis waren, zette hij eerst het uitgesneden stuk van het paneel
weder in de deur, en daarop maakten de beide mannen licht met behulp
van hun zaklantaarns.
Zij stonden in de met blauwe tegels geplaveide gang.
In het midden daarvan begon de diensttrap, naar de bediendenkamer,
waarvan de deur half aanstond.
Er lag geen looper op de trap, maar niettemin slopen de beide mannen
volkomen geruischloos naar boven, en bereikten zoo de eerste
verdieping.
Zij stonden op een portaal met een dikken cocos looper bedekt, waarop
twee deuren uitkwamen.
Charly wierp Raffles een vragenden blik toe, maar deze schudde
ontkennend het hoofd en zeide, na zijn mond vlak bij het oor van den
ander te hebben gebracht:
—De rookkamer en de kleine biljartzaal.
—Waar is ergens de werkkamer?
—Aan het einde van deze gang, en daar staat ook de brandkast, zooals ik
je gezegd heb, maar wij zijn in het midden van den zomer en het zou ons
veel te lang ophouden, om dat zware meubelstuk open te breken of open
te smelten. Over een uur is het klaarlichte dag.
—Maar hoe komen wij er dan in?
—De sleutels heeft Grammont in zijn slaapkamer, in de lade van het
nachtkastje. Wij zullen het oude, beproefde middel moeten toepassen en
een weinig bedwelmend gas in het slaapvertrek spuiten. Het is een
kwestie van vijf minuten. Je hebt immers alles bij je?
—Ja, natuurlijk. Waar slapen de bedienden ergens?
—Eén slaapt in het sousterrain en twee op de bovenste verdieping. De
huishoudster heeft een kamer op de derde verdieping.
—En het hondje?
—Dat schijnt nog al ongeregelde gewoonten te hebben. Het slaapt nu eens
hier, dan eens daar! Ik mag Sherif graag leiden, maar ik wilde toch
voor alle zekerheid, dat wij hem niet tegen het lijf liepen.
—En de slaapkamer van Grammont?
—Een verdieping hooger, ga maar met mij mede.
Zij sloegen een hoek van de gang om en bestegen opnieuw een trap, maar
ditmaal een breede, fraai bewerkte, van zwaar eikenhout.
Deze trap was met een dikken Smyrna looper belegd, en de voetstappen
van de beide mannen waren volkomen onhoorbaar.
Na het schijnsel van hun electrische lampen zoover te hebben gedempt,
dat zij er nog juist even bij konden zien, slopen de beide mannen naar
een hooge, wit gelakte deur, met fraai snijwerk versierd.
Charly begreep, dat het moeilijkste deel van de onderneming thans stond
aan te breken. Dit was zeker de slaapkamer.
Raffles bukte zich, bracht zijn oog voor het sleutelgat en kwam
dadelijk met een verbaasd gelaat weder overeind.
—Wat is er? vroeg Charly een weinig ongerust.
—Wat er is! Er brandt geen licht in de kamer!
—Wat zou dat dan?
—Wel, ik weet volkomen zeker dat Grammont steeds gewend is bij licht te
slapen. Hij zou in het donker geen oog kunnen dicht doen, zoo heeft hij
herhaaldelijk in gezelschap verzekerd.
—Hij zal toch niet uit de stad zijn? vroeg Charly.
—Welneen, om half elf was hij nog in de Windsor Club. Er was toen geen
sprake van, dat hij de stad zou uitgaan. Zijn gewoonten zijn zeer
geregeld, hij had om half één uiterlijk in bed moeten liggen.
—Een galant avontuurtje wellicht?
—Ik zeg niet, dat het onmogelijk is, maar Grammont was er juist de man
naar om dat ten aanhoore van alle leden van de Windsor Club te gaan
uitbazuinen. Hij is niet zoo bijzonder bescheiden, onze goede vriend
Grammont. Hoe dan ook, ik geloof niet dat hij op het oogenblik in deze
kamer is.
—Maar daaromtrent dienen wij toch zekerheid te hebben, hernam Charly
zacht fluisterend.
—Natuurlijk! Als hij binnen is, dan is de deur stellig op slot
gedraaid, als ik haar kan openen, dan kunnen wij er wel zeker van
opaan, dat hij niet thuis is.
En met deze woorden legde Raffles zijn hand op de kruk van de deur, en
begon haar met oneindig geduld, en zeer langzaam, open te draaien.
Er verliepen bijna volle vijf minuten, en toen week de deur naar binnen
open.
Raffles maakte haar, na zijn revolver ter hand te hebben genomen, weder
dicht en op het eerste gezicht zagen de beide vrienden, dat het groote
mahoniehouten bed in het midden van de kamer onbeslapen was.
De beide mannen keken elkander even aan en toen zeide Charly:
—Ik geloof, dat wij nu wel rechtsomkeert kunnen maken, natuurlijk heeft
hij de sleutels van zijn brandkast in zijn zak.
—Dat is nog zoo zeker niet, maar in ieder geval is de kans groot. Ik
vrees, beste Charly, dat het een verloren nacht zal zijn, want wij
hebben werkelijk geen tijd meer om de kast met geweld te openen. Het is
een verbazend zwaar en groot meubel, en ik zou op zijn minst anderhalf
uur noodig hebben om er een gat in te krijgen, en dan zou nog alles
moeten meeloopen. Ik moet je zeggen, dat mij die uithuizigheid van
Austin Grammont alles behalve aanstaat. Wat drommel, waarom heeft hij
mij niet van te voren gewaarschuwd?
—Ja, dat was hij eigenlijk jegens zijn Vice President van de
Windsor-Club half en half verplicht, zeide Charly spottend.
—Nu bij gebrek aan brood, eet men korstjes van pasteien, zeide Raffles
schouderophalend. Er zal in ieder geval wel iets in de secretaire te
vinden zijn. Een paar duizend pond is wel niet veel, maar het is beter
dan niets.
Op dit oogenblik deed een zacht geritsel hem plotseling ophouden, en
met de hand aan den palm van zijn revolver roerloos stilstaan.
Het geritsel kwam van den kant van de groote kleerenkast, en het
volgende oogenblik kwam kwispelstaartend een kleine foxterriër
aanloopen, die zich met een geweldigen geeuw behaaglijk uitrekte en
toen naar Raffles toekwam als naar een ouden kennis.
Hij ging tegen hem opstaan, en Raffles streelde het dier over den
schranderen kop en zeide op zachten toon:
—Ga maar weer slapen, Sherif, als een brave hond.
Het dier scheen hem zeer goed te begrijpen, en trippelde kalm weer naar
zijn warm plekje in den hoek bij de kleerenkast, waar hij zich rustig
neervlijde en verder geen notitie meer nam van de beide indringers.
Raffles en Charly verlieten het vertrek, waar zij niets meer te zoeken
hadden, daalden de trap weder af en traden de groote werkkamer van den
bankier binnen, waar in een hoek half in den muur gemetseld, een
brandkast van bijna twee Meter hoogte stond.
—Wat een gevaarte! kwam Charly bewonderend.
—O, wij zullen het ding nog wel eens aan den tand voelen, hernam
Raffles glimlachend.
—Wanneer de nachten wat langer worden en ik er wat meer tijd aan kan
gaan besteden, zullen wij dit huis nog wel met een bezoek vereeren.
Grammont is mij, over het algemeen genomen, volstrekt niet
onsympathiek, maar de man is veel te rijk.
Onder het spreken was hij op een fraai schrijfbureau toegetreden, en in
een oogwenk hadden zijn vaardige vingers het slot van de kap verbroken
en de lade geopend.
Zijn vermoeden bleek juist te zijn, en in een der stevig gesloten laden
vond hij een pakje bankbiljetten van tien pond, dat hij zonder het
zelfs te tellen, in den binnenzak van zijn jas liet glijden.
Hij liet zijn blikken door het vertrek dwalen, nam hier en daar als
terloops een paar fraaie gouden voorwerpen van schoorsteen of tafeltje,
en liet ze nonchalant in de tasch glijden, welke Charly hem geopend
voorhield.
Daarop raadpleegde hij zijn horloge.
Het was juist drie uur.
—Kom, mijn jongen, wij zullen dit huis weder verlaten, waar wij zoo
weinig welwillend ontvangen zijn, zeide Raffles. Een volgende maal
beter.
De twee vrienden verlieten het vertrek, sloten de deur achter zich,
gingen de bediendentrap weder af en stonden een oogenblik later weer in
den tuin.
Voor het achterlaten van een voetspoor behoefden zij niet bevreesd te
zijn, want het regende nog altijd hard en het hemelwater zou spoedig
alle sporen hebben uitgewischt.
In het Oosten begon de lucht zich te tinten met een lichter grijs, toen
zij weder door de tuindeur gingen, welke Raffles opnieuw geopend had
met den sleutel, dien hij zelf naar een wasafdruk van het slot had
vervaardigd.
Een oogenblik bleven zij staan luisteren, maar toen zich niets liet
hooren, dan heel in de verte de stap van een patrouilleerenden agent,
sloegen zij den kraag van hun jassen op en verlieten het terrein van
hun nachtelijke werkzaamheden, om pas een heel eind verder, aan het
begin van de Oxford Street, een huurauto aan te roepen, die hen tot op
honderd meter zou brengen van het fraaie huis in de Regentstreet,
hetwelk Raffles onder den naam van Lord Aberdeen bewoonde.
HOOFDSTUK II.
EEN VREEMDE VERKLARING.
De avondbladen van den volgenden dag behelsden een vrij uitvoerig
relaas van de inbraak, en Raffles en Charly lazen het met de
belangstelling van een acteur voor de kritiek eener première.
En zij lazen het tevens met een verbazing, die groeide, naarmate zij
verder gingen.
Dit geschiedde in de groote conversatiezaal van het Cecil-hotel, waar
zij gedineerd hadden.
Raffles had een nummer van de „Times” genomen, Charly had zich een
Daily Mail laten brengen en in dit laatste blad las de jongeman het
volgende verslag van de inbraak:
—In den afgeloopen nacht heeft er weder een uiterst brutale inbraak
plaats gehad, in het nieuwe huis van den heer Austin Grammont, den
bekenden bankier, hetwelk deze niet lang geleden in Paddington,
Harrow Road 39, heeft laten bouwen.
De inbrekers, want naar alle waarschijnlijkheid zijn er twee
geweest, zijn langs de tuinzijde binnengekomen, en hebben zich
toegang tot het huis weten te verschaffen, door een stuk uit een
paneel van de achterdeur te zagen, en door de opening heen de
knippen terug te schuiven en het slot om te draaien.
Tevens hebben zij de draden van het alarmsignaal doorgesneden.
De inbrekers hebben echter niet getracht de geweldig groote
brandkast aan te tasten, voor welk werk zij zeker zijn
teruggeschrikt en zij hebben zich tevreden moeten stellen met den
inhoud van het schrijfbureau, waaruit zij ongeveer elfhonderd pond
sterling aan bankpapier konden stelen, en met een aantal gouden
voorwerpen tot een gezamenlijke waarde van zeshonderd pond.
Op welk tijdstip de inbraak heeft plaats gehad, is niet nauwkeurig
na te gaan, maar in ieder geval moet het na één uur geweest zijn,
want op dat tijdstip was de butler van den heer Grammont, Henry
Dayton, nog wakker.
Toen begaf hij zich pas naar bed, daar hij meende, niet langer op
zijn meester behoeven te wachten.
De heer Grammont zelf verklaarde aan den detective, dat hij
omstreeks half twee was thuisgekomen, en zich toen dadelijk ter
ruste had begeven, en dat hij weliswaar een half uur later eenig
gerucht had meenen te hooren, maar daaraan geen beteekenis had
gehecht, en opnieuw was ingeslapen.
De bedienden zelven hebben volstrekt niets gehoord, maar wat het
vreemdste is, ook de foxterriër, anders een zeer waaksch dier, dat
bij het minste gerucht aanslaat, heeft in het geheel geen teeken
van leven gegeven.
De politie stelt een grondig onderzoek in, maar zij koestert
slechts geringe hoop, dat zij de daders zal kunnen vatten, want
deze hebben niet het minste spoor achtergelaten. Zij droegen
blijkbaar overschoenen, welke zij voor de achterdeur hebben
uitgedaan en binnenshuis is niet den minsten afdruk van hand of
voet gevonden.
Daar de conversatiezaal op dit oogenblik bijna geheel verlaten was, had
Charly dit korte verslag op zachten toon aan Raffles kunnen voorlezen.
Toen hij gereed was, zeide Raffles:
—De „Daily Mail” noemt het gedrag van Sherif het vreemdst. Maar er is
één ding, dat nog veel vreemder is, en dat is dat Grammont, die niet
thuis was, ons gehoord heeft.
—Dat is zeker al heel eigenaardig! Maar is het niet mogelijk, dat hij
ergens anders is geweest, in een ander vertrek van het huis?
—Dat is eenvoudig ondenkbaar, Charly, om verschillende redenen. Als een
zakenman om twee uur ’s nachts niet in zijn bed ligt, dan kan men hem
alleen maar in zijn werkkamer vinden, of met vrienden in de speelkamer.
Maar in het eerste vertrek was hij niet, en in het tweede kan hij niet
geweest zijn, want de speelkamer is daar vlak naast en wij hadden dan
natuurlijk moeten hooren lachen en praten. Je zult je echter
herinneren, dat het doodstil was in huis, en dan nog iets, als Grammont
dan in een andere kamer geweest is, en ons gehoord heeft, waarom is hij
ons dan niet komen overvallen? Hij is een man van even veertig jaar en
zeker geen lafaard. Ten slotte, hij zegt, dat hij wakker is geworden en
weer ingeslapen.
—Dat is waar, mompelde Charly, terwijl hij verbaasd voor zich
uitstaarde, dat is waar! Wel, dan begrijp ik er niets van!
—Ik moet je eerlijk zeggen, dat ik het ook niet goed begrijp. Welke
reden kan Grammont voor den drommel hebben, om een verklaring af te
leggen, waaruit blijkt, dat hij thuis was, terwijl wij heel positief
weten, dat dat niet het geval is geweest?
Charly haalde de schouders op en antwoordde:
—Ik kan je daar geen antwoord op geven, het is mij volkomen duister!
—Mij dunkt, dat daar maar één verklaring voor mogelijk is. Grammont is
ergens geweest, hetgeen hij tot iederen prijs geheim wenscht te houden,
en daarom heeft hij maar gezegd, dat hij eenig gerucht gehoord heeft.
Hij kan onmogelijk weten, dat wij in de slaapkamer zijn geweest, en
daarom gelooft hij, dat hij ongestraft deze leugen kan vertellen. Maar
waarom liegt de man? Welke reden kan hem daartoe bewogen hebben?
De beide vrienden bleven eenigen tijd zwijgend tegenover elkaar zitten
in diep nadenken verzonken, en toen hernam Raffles:
—Zoo zal het wel zijn, Grammont is ergens geweest, en dat wil hij
liever niet weten voor de buitenwereld. Het moet den schijn hebben,
alsof hij den nacht in zijn bed heeft doorgebracht en slechts even na
één uur is thuisgekomen. Nu, misschien brengen de volgende edities wel
een nadere opheldering.
Maar in deze verwachting zou Raffles bedrogen worden.
De late avondédities behelsden niets omtrent de inbraak, geen enkel
woord, misschien wel op verzoek van de politie.
Maar daarentegen las Raffles een bericht, dat hem zeer trof, ofschoon
het volstrekt niets te maken had met de inbraak en alleen maar, omdat
het feit, waarop het bericht betrekking had, zich op zeer korten
afstand had toegedragen bij het huis in de Harrow Road.
Het blad, waarin het bericht voorkwam, was de „Daily Telegraph” en het
luidde als volgt:
GEHEIMZINNIGE MOORD!
Een griezelige ontdekking.
In den afgeloopen nacht is er in Paddington een geheimzinnige
misdaad gepleegd, waaromtrent de politie nog volkomen in het
duister tast en die groote opschudding heeft gewekt in de geheele
buurt.
Een paar machinisten begaven zich hedenmorgen omstreeks vier uur
naar hun machineloods, staande in het spoorwegdepôt, tusschen de
Harrow Road en Bishop Road.
Zij hadden dienst en wilden hun machine uit de loodsen halen.
Het depôt is een zeer groot vierkant, doorkruist met een groot
aantal spoorlijnen, die naar de machineloodsen voeren, of naar een
der talrijke werkplaatsen.
Er worden veel wagons en ook machines hersteld en verder dient het
depôt voor het bewaren van oude en nieuwe wagons en goederenwagens,
waarvan er zich op dit oogenblik honderden bevinden.
Aan de zijde van Harrow Road is het terrein slechts door een laag
ijzeren hek van den openbaren weg afgesloten, terwijl het aan de
drie andere zijden omgeven is door een hoogen muur.
De machinisten hadden hun loods bijna bereikt, toen zij in de halve
schemering iets wits meenden te ontdekken, onder een goederenwagen.
Zij traden naderbij en deinsden met een kreet van afschuw en schrik
achteruit.
Daar—tusschen de rails—lag een menschelijk lichaam, zonder eenige
bedekking.
De beide mannen vatten echter moed en trokken het lichaam te
voorschijn.
Zij hielden een lijk in de handen.
Zooals gezegd, ontbrak ieder spoor van kleeding, de vingers hadden
ook geen ringen, maar wat het vreeselijkste was, het gelaat was
totaal onkenbaar, bedekt met een laag geronnen bloed, en
afschuwelijk verminkt.
De beide machinisten onderdrukten hun afgrijzen en zochten naar het
wapen, waarmede deze vreeselijke verwondingen waren toegebracht,
die het gelaat zoodanig hadden verminkt, dat herkenning wel
onmogelijk zou zijn.
En spoedig hadden zij het gevonden, op eenige meters afstand, het
was een soort zware koevoet, zooals ze in de depôts veel gebruikt
worden om wissels over te halen.
Het moordwapen was van onder tot boven met bloed bespat.
De beide machinisten ijlden, bleek van schrik en trillend over hun
geheele lichaam naar het huisje van den portier, dat zich aan den
ingang van het groote hek bevindt, en deelden hem, stotterend van
ontzetting, hun ontdekking mede.
Tien minuten later was de politie ter plaatse, nog geen kwartier
daarna was een inspecteur en een gerechtsgeneesheer komen
aansnellen.
Deze laatste deelde als zijn vaste overtuiging mede, dat de
ongelukkige nog geen volle drie uren dood kon zijn.
Hij was waarschijnlijk eerst bewusteloos geslagen, en daarna had
men met krankzinnigen drift op het gelaat gebeukt met de ijzeren
staaf, zoodat dit volkomen onkenbaar was geworden.
De politie staat hier voor een raadsel.
Zij heeft slechts kunnen ontdekken, dat het slachtoffer
waarschijnlijk ongeveer halverwege het lage hek verraderlijk is
overvallen, en, na te zijn neergeslagen door den moordenaar of de
moordenaars over het hek is geworpen, waarop zijn aanvallers hem
over het terrein naar een reeks wagons hebben gesleurd.
Het onderzoek van het lijk leverde verder hoegenaamd geen resultaat
op.
De geneesheer kon nergens een litteeken ontdekken, of eenig ander
herkenningsteeken.
Op verzoek van de politie vermelden wij hier het signalement van
den doode, natuurlijk voor zoover dit mogelijk is:
Lengte 64 inches, borst breed en gewelfd, beenen in geringe mate
hoepelvormig, hoofdhaar donkerblond, gave tanden, behalve een
tweeden rechterboventand, die geplombeerd is, groote voeten en
fijne, blanke handen, kortgeknipte snor.
Degenen, die mogelijkerwijs omtrent de identiteit van den doode
eenige inlichtingen zouden kunnen verschaffen, worden verzocht zich
op het hoofdbureau van politie in Downing Street aan te melden.
Raffles legde het blad terzijde, waarin hij dit treurige bericht had
gelezen en wendde zich tot Charly, die het reeds had gelezen, met de
opmerking:
—Daar zal wel weinig van terecht komen! Als het gelaat zoozeer verminkt
is, dat het onkenbaar is geworden, dan zal het wel heel moeilijk zijn,
den dader te vinden!
—Met welk doel zouden de moordenaars hun slachtoffer zoo
verschrikkelijk hebben toegetakeld? vroeg Charly, die nog vol afgrijzen
was over hetgeen hij had gelezen.
—Dat kan ik je niet zeggen, maar in ieder geval moet de man, die het
deed, een beest zijn geweest!
—En waarom is het lijk geheel ontkleed?
—Ook op die vraag moet ik je het antwoord schuldig blijven, Charly, ik
weet het niet, dat is alles wat ik zeggen kan.
Raffles haalde de schouders op en ging voort:
—De politie zal wel spoedig inzien, dat zij voor een zeer zware taak
staat en aan het signalement heeft men niet veel. Er zijn heel veel
mannen, met beenen, die een weinig hoepelvormig zijn, met geplombeerde
tanden, met donkerblond haar en met een kortgeknipte snor. Ook die
groote voeten zullen haar niet veel verder brengen. Ik ben er van
overtuigd, dat zich morgen honderden personen op Scotland Yard zullen
aanmelden, die er desnoods een eed op willen doen, dat zij in het lijk
een hunner bloedverwanten herkennen, en dan zal die bloedverwant thuis
zitten, als zij weer zijn teruggekeerd!
—Maar er zullen er ook vrij wat zijn, Edward, die inderdaad een
familielid missen! hernam Charly. In een stad als Londen verdwijnen
iederen dag tientallen menschen op geheimzinnige wijze, zonder dat er
een haan naar kraait!
Toen de beide vrienden dit gesprek voerden, bevonden zij zich in de
biljartkamer van het huis in de Regent Street, waar Gaston, de oude
kamerbediende, zooeven de laatste avondédities had binnengebracht.
Maar spoedig was de aandacht van de beide vrienden weder geheel bij de
zonderlinge zaak in Harrow Road, waarvan zij nog steeds geen oplossing
hadden kunnen vinden.
Raffles had een versche sigaret aangestoken en liep nu in gedachten
verzonken, met een rimpel tusschen de wenkbrauwen, het vertrek op en
neer.
Eindelijk barstte hij uit:
—Ik had er heel wat voor over, als ik maar een flauw vermoeden had,
waarom Grammont verklaard heeft, dat hij het gerucht van inbrekers
heeft vernomen, terwijl wij toch, als wij tenminste niet beiden versuft
en kindsch zijn, volstrekt zeker weten, dat hij niet thuis was
gisterennacht, in ieder geval niet tusschen half drie en drie uur, het
tijdstip van onze inbraak!
—Ik moet eveneens erkennen, Edward, dat ik het niet goed begrijp. Het
is immers niet aan te nemen, dat de man maar iets gezegd heeft, om een
praatje verlegen was, zooals het in den volksmond heet.
Raffles richtte zich op en zeide op vasten toon:
—Wij zullen er eens onderzoek naar doen, Charly, ik geloof, dat hier
meer achter schuilt, dan wij op het eerste gezicht kunnen vermoeden!
HOOFDSTUK III.
SHERIF.
Den volgenden dag, omstreeks tien uur in den morgen, hield een huurauto
stil voor het huis in Harrow Road, waar de inbraak had plaats gehad.
Den vorigen dag had er een politieagent voor het huis gestaan, maar men
had dezen wachtpost weder ingetrokken, als zijnde volkomen overbodig en
Raffles die in de auto had gezeten en nu op het huis toestapte,
behoefde dus volstrekt niet te duchten, dat hij met een agent van
politie moeilijkheden zou krijgen.
Hij belde aan en wachtte, totdat hem de deur zou worden opengedaan.
Toen voelde hij eensklaps iets tegen zijn beenen strijken.
Hij richtte den blik omlaag en ontwaarde Sherif, den kleinen
foxterriër, drijfnat en bibberend van de koude, die hem met smeekende
oogen aankeek.
—Mijn hemel, wat zie je er uit, kleine baas! riep Raffles vol
medelijden uit. Het lijkt wel of je uren en uren in een plasregen hebt
rondgeloopen! Zeker van den baas weggeloopen, nietwaar?
Op dit oogenblik werd de deur geopend en Sherif stoof naar binnen, luid
blaffend en er zich niet om bekommerend, dat hij met zijn modderige
pooten en zijn sliknat haar het kostbare kleed in de vestibule en den
marmeren vloer danig bevuilde.
De bediende, het was Henry Dayton, de butler, keek verbaasd van den
hond naar den vreemden bezoeker en vroeg toen:
—Neem mij niet kwalijk mijnheer, brengt u den hond mede? Is hij met u
medegeloopen?
—Volstrekt niet. Ik vond hem hier op de stoep voor de deur.
—Ik kan mij niet begrijpen, waar het beest gezeten heeft! Het is
gisterenmorgen de deur uitgeloopen en sindsdien is het niet terug
geweest!
—Misschien is het dier wel in een verliefde bui! meende Raffles. In
zulk een toestand zwerven zij vaak dagenlang over de straat!
Maar Dayton boog zich vertrouwelijk naar den bezoeker en zeide:
—Sherif moest eigenlijk geen jongensnaam dragen, mijnheer, zij is een
teefje! En ik wil u wel zeggen, dat zij nog nooit te voren geheel
alleen zoo lang op straat heeft rondgezworven. Mijnheer Grammont zal
aardig boos zijn! En wilt gij mij nu zeggen, wien ik moet aandienen?
—Ik ben William Blackburn, van het particulier detectivebureau en ik
wenschte mijnheer Grammont mijne diensten aan te bieden, in verband met
de inbraak. Onze voorwaarden zijn zeer billijk en ik weet zeker, dat
mijnheer Grammont van onze diensten wel gebruik zal maken!
De butler haalde de schouders op en zeide:
—Gij kunt het probeeren, maar ik geloof, dat gij uw tijd nutteloos
verspilt, mijnheer wil geen werk van de zaak maken.
—Geen werk? riep Raffles verwonderd uit. Maar wat drommel, elfhonderd
pond aan contanten en zeshonderd pond aan goud, is toch geen bagatel!
—Dat is ook mijn meening, maar mijnheer schijnt er anders over te
denken. Hij heeft de detectives van Scotland Yard ook al weggezonden,
die hier naar sporen kwamen zoeken en hij verklaart, dat het de moeite
niet waard is en dat men de inbrekers toch niet vindt!
—Nu, dat is een wijsbegeerte, welke men zelfs bij de rijkste menschen
niet veel aantreft, mompelde Raffles voor zich heen, te meer, daar het
hem, wat Scotland Yard betreft, immers geen cent behoefde te kosten!
Hij stond even in gedachten en eensklaps scheen hem iets in te vallen.
Hij wendde zich tot den butler met de vraag:
—Hoor eens hier mijn vriend, naar je deftig uiterlijk te oordeelen, ben
je zeker de butler, nietwaar?
—Die ben ik, mijnheer, antwoordde de man gevleid.
—Wil je me dan antwoorden op eenige vragen?
—Als het niet te lang duurt ....., antwoordde de man met een schuwen
blik naar de groote trap.
—Ik zal het zeer kort maken, dat beloof ik je. Is het zeker, dat op den
nacht van de inbraak, eergisteren dus, niemand van de bedienden iets
gehoord heeft?
—Volstrekt niets, mijnheer! Ik slaap zelf in het sousterrain en de twee
andere bedienden op de bovenste verdieping, terwijl de huishoudster een
verdieping lager slaapt. Maar het is een groot huis, en als de
inbrekers hun vak verstaan hebben, dan is het zeer begrijpelijk, dat
wij hen niet gehoord hebben.
—Gij zijt om één uur naar bed gegaan, naar ik in het verslag in de
bladen lees.
—Het kan er geen 5 minuten over zijn geweest!
—Hadt gij verlof, om naar bed te gaan, ingeval uw meester wat laat
thuiskwam?
—Ik behoefde nooit later dan tot half een te wachten. Het werd
eergisteren één uur, omdat ik toevallig in een boeienden roman had
zitten lezen!
—Het is natuurlijk ondenkbaar, dat mijnheer Grammont kan zijn
thuisgekomen, zonder dat gij het bemerkt hebt?
—Dat is onmogelijk, mijnheer! Ik ben den geheelen avond in of bij de
vestibule geweest, en van twaalf tot één heb ik op de groote bank, daar
bij die electrische lamp, zitten lezen.
—Mijnheer Grammont had natuurlijk een huissleutel?
—Dat spreekt van zelf. Maar ik zeg u nog eens, dat hij onmogelijk had
kunnen binnenkomen, of ik had hem moeten zien en hooren.
—Waren alle andere bedienden toen al naar bed?
—Al een uur.
—En de huishoudster?
—Die had zich om tien uur al naar haar kamer begeven. Miss Hotspur had
een weinig hoofdpijn.
—Kunt gij u herinneren, wanneer uw meester het huis verlaten heeft, om
zich naar de Windsor Club te begeven?
—Dat was ongeveer om half tien, antwoordde de butler na eenig nadenken.
—Hoe laat stond mijnheer Grammont gisteren op?
—Wel, vroeger dan hem misschien lief was, want ik ontdekte natuurlijk
dadelijk de inbraak, toen ik langs de werkkamer liep. Dat was omstreeks
acht uur en ik ben toen dadelijk mijnheer Grammont gaan waarschuwen,
die nog in zijn slaapkamer was.
—Sliep hij?
—Neen, hij was al wakker!
—Wat deed hij op dat oogenblik?
—Dat weet ik niet, de slaapkamerdeur was dicht.
—Was uw meester gewoon, die deur gesloten te houden?
—Neen, dat heb ik nog nooit opgemerkt!
Raffles haalde een goudstuk uit zijn vestzakje en stopte het den butler
in de hand.
—Ik dank u voor Uwe mededeelingen, ik zal er later nog wel gebruik van
kunnen maken.
De butler wilde iets zeggen, maar boven aan de trap klonken schreden en
Austin Grammont kwam naar beneden, terwijl hij bezig was zijn
handschoenen dicht te knoopen.
En toen gebeurde er iets zeer zonderlings.
Sherif, die al dien tijd had rondgesnuffeld, nu en dan het water van
zich afschuddend, had zijn meester nauwelijks in het oog gekregen, of
hij vloog de trap op en begon woedend tegen Grammont te blaffen.
Deze schopte toornig naar den hond en riep naar beneden:
—Ik heb je gezegd, Dayton, dat ik het mormel niet meer wilde zien! Hoe
komt het, dat ik het beest hier nu nog aantref?
—Aan mij! Maar mijnheer heeft mij niets gezegd! riep de butler
verwonderd uit.
—Nu, dan is het aan een van de anderen geweest, hernam Grammont.
Zijn gelaat stond bleek en strak en hij hield den steeds woedender
blaffenden hond van zich af met den voet.
Raffles had dit kleine tooneeltje met de grootste verbazing
gadegeslagen en hij vroeg zich tevergeefs af, waaraan het gedrag van
den hond was toe te schrijven, wiens genegenheid voor zijn meester hem
bekend was.
Austin Grammont was lid van de Windsor Club en Raffles had hem daar in
zijn kwaliteit van vice-president herhaaldelijk in gezelschap van den
kleinen terrier gezien.
Het schrandere dier gedroeg zich dan zeer welopgevoed, ging liggen,
waar het hem bevolen werd en bewoog zich niet, alvorens zijn meester
hem weder riep om te vertrekken.
Hij bestudeerde aandachtig, maar tersluiks, het gelaat van den bankier,
en hij las er een uitdrukking op, welke hij er tevoren nog nooit op
gezien had, een uitdrukking van wreedheid en boosaardigheid.
—Mijn God, wat is er met den man gebeurd? zeide hij zachtjes voor zich
heen. Zou hij op weg zijn, waanzinnig te worden? Is het mogelijk, dat
hij daarom volstrekt niet meer weet, wat hij eergisterennacht gedaan
heeft? Ik moet en zal zekerheid hebben.
Op dit oogenblik kreeg Grammont den bezoeker in het oog en vroeg op
tamelijk onvriendelijken toon:
—Wat is dat? Wat wenscht gij mijnheer?
Dadelijk was Raffles in zijn rol.
Hij nam beleefd zijn hoed af en zeide:
—Ik vraag verschooning, mijnheer, als ik u soms kom lastig vallen, maar
ik kom u mijn diensten aanbieden als particulier detective. Ik ben
William Blackburn.
—Zoo, meneer, het is mij aangenaam het te hooren, maar ik zal geen
gebruik maken van uw aanbieding, zeide Grammont kortaf. Ik heb reeds
aan de officieele politie laten weten, dat het mij de moeite niet waard
is, om zooveel drukte over de zaak te maken. Vindt men het gestolene en
ontdekt men den dief of de dieven, zooveel te beter. Maar in het
tegenovergestelde geval kan het mij volstrekt niet schelen. Ik ben
gelukkig rijk genoeg!
—Alweder een nieuwe karaktertrek, mompelde Raffles voor zich heen. Dat
heb ik ook nog nooit bij hem ontdekt! Je bent mij nooit sympathiek
geweest, vriend Grammont, maar je hebt toch nog nooit over je
rijkdommen gebluft!
En daarop vervolgde hij op luiden toon:
—Het spijt mij werkelijk meneer! Onze condities zijn zeer laag en ik
ben zeker, dat ik binnen korten tijd de daders zou hebben gevonden!
Misschien komt u nog wel op uw besluit terug en dan ben ik gaarne tot
uw dienst!
—Dat denk ik haast niet, mijnheer, zeide Grammont droogjes. Ik heb
weinig tijd, met dergelijke futiliteiten kan ik mij onmogelijk lang
ophouden.
Intusschen had de butler niet zonder moeite den kleinen terrier
opgevangen en hem in een vertrek, dat op de vestibule uitkwam,
opgesloten.
Maar ook daar nog ging het dier woedend te keer, huilde, blafte als een
razende en sprong tegen de deur op.
Het kwam Raffles voor, dat Grammont een snellen blik vol haat op de
dichte deur wierp en daarop kwam hij snel de overige treden van de trap
af, schreed door de vestibule en verdween, zonder verder notitie van
den gewaanden detective te nemen.
Raffles keek hem een oogenblik na en wendde zich toen weder tot den
butler met de vraag:
—Is uw meester altijd zoo vriendelijk gemutst?
—Ik moet bekennen, dat het humeur van mijnheer vandaag al bijzonder
slecht is, anders gaat het nogal.
—Wat mankeert die hond toch? ging Raffles nieuwsgierig voort.
Dayton haalde de schouders op.
—Ik begrijp er zelf geen sikkepit van. De hond is altijd dol van
blijdschap als hij mijnheer ziet en hij is voor vreemden juist niet
bijzonder toegankelijk!
Raffles dacht een oogenblik na en vroeg toen plotseling:
—Het is een onbescheiden vraag, maar mijnheer Grammont drinkt toch
niet?
De butler scheen een oogenblik te aarzelen, of hij wel op deze vraag
zou antwoorden en toen antwoordde hij met gedempte stem:
—Als gij mij bepaald belooft, dat gij het niet verder zult vertellen,
mijnheer drinkt in den laatsten tijd meer, dan wel goed voor hem is! En
dan doet hij aan morfine en meer van dat duivelsch goed!
Raffles schudde eenige malen het hoofd en bleef in gedachten voor zich
uitstaren.
Toen hernam hij:
—Dan heb ik hier verder niets meer te doen! Mijnheer Grammont schijnt
niet meer van mijn hulp gediend te zijn, het spijt mij, ik stelde veel
belang in de zaak. Apropos, hoelang heeft Mijnheer Grammont dien
terrier al?
—Minstens een jaar of drie! Hij heeft hem als pukkie van 3 maanden
gekocht.
—Is de hond wel eens meer zoo woedend tegen hem tekeer gegaan?
—Bij mijn weten nog nooit!
—Hoe komt het dier zoo kletsnat, en blijkbaar uitgehongerd thuis?
—Dat mag Joost weten! Mijnheer is gisterenmorgen met hem uitgegaan, en
hij moest hem toen aan de lijn meenemen. Het verwonderde mij toen
reeds, dat de hond volstrekt niet mee wilde, en ook zeide mijnheer
tegen mij, dat het dier te lastig begon te worden, en dat ik het maar
moest wegschenken. Toen hij terugkeerde, een uur later, verklaarde hij,
dat de hond van hem was weggeloopen in de drukte op het Strand.
—Merkwaardig! mompelde Raffles. Ik kan mij niet anders herinneren of
Grammont heeft altijd met groote liefde van zijn hond gesproken! Wat is
er toch met den man gebeurd, dat hij zoo eensklaps veranderd is.
Hij knikte den butler toe en verliet het huis.
Op straat riep hij een huurauto aan en liet zich tot dicht bij zijn
huis in de Regentstreet brengen.
Charly wachtte hem in de bibliotheekzaal.
Hij was juist teruggekeerd van een tochtje met zijn motorrijwiel en
vroeg dadelijk op nieuwsgierigen toon:
—Heb je met Grammont gesproken? Neemt hij je diensten aan?
—Ik heb met hem gesproken, maar hij wil mijn diensten niet aanvaarden.
—Dus je hebt niets bijzonders kunnen ontdekken, het geval is nog altijd
even raadselachtig?
—Mijn waarde, het is nog veel raadselachtiger geworden! kwam Raffles.
Ik moet je echter erkennen, dat ik er maar heel weinig meer van
begrijp. De man legt tegenover de politie een verklaring af, waaruit
moet blijken, dat hij thuis was in den nacht van de inbraak. Waarom? Ik
kan het niet zeggen! Hedenmorgen was ik bij hem en wien denk je dat ik
aan de deur ontmoette? Geef het maar dadelijk op, je zoudt het toch
niet raden. Sherif, zijn kleine trouwe foxterriër. Het beest was
drijfnat en waarschijnlijk letterlijk uitgehongerd, want het arme dier
had den geheelen dag van gisteren en hoogstwaarschijnlijk ook den
geheelen nacht op straat doorgebracht in dien plasregen.
—Dat is sterk! riep Charly verontwaardigd uit. Ik heb nooit bijzonder
veel met Grammont opgehad, maar in ieder geval had hij een goede
karaktertrek en dat was juist de liefde voor zijn dieren en speciaal
voor Sherif. Wat is er dan toch met den man gebeurd?
—Diezelfde vraag heb ik mij zelf ook gesteld, Charly, toen ik dit uit
den mond van den butler vernam. En ik kan er maar één antwoord op
vinden, er moet hem iets overkomen zijn, waardoor zijn hersens zijn
aangedaan! Maar wat dat is, dat weet ik nog niet, maar ik zal het
weten! Van dit oogenblik af, zullen wij met z’n drieën, jij, mijn
trouwe Henderson en ik, het huis in het oog houden. Er is iets niet in
orde daar in de Harrow Road, dat is zeker!
HOOFDSTUK IV.
HET DONKERE WATER VAN DE THEEMS.
Het was omstreeks één uur in den nacht van denzelfden dag.
In een portiek van een huis tegenover de bankzaak van Austin Grammont
stonden twee mannen.
Het waren John Raffles en Charly Brand.
Het was eigenlijk de wachttijd van Raffles, maar Charly had er op
gestaan, hem gezelschap te houden, en het nader verloop van de zaak zou
aantoonen, dat hij daar goed aan gedaan had.
Met eindeloos geduld hadden zij de wacht gehouden, na Henderson, den
chauffeur van Raffles, te hebben afgelost.
Dat was omstreeks 8 uur in den avond geweest en Henderson had hun
medegedeeld, dat hij volstrekt niets bijzonders had kunnen ontdekken.
Grammont had den geheelen dag thuis doorgebracht, en hij had hem vele
uren achtereen in zijn werkkamer voor zijn bureau zien zitten.
Nu en dan had hij iemand anders zien binnenkomen met een papier of een
register in de hand, waarschijnlijk iemand van het personeel, die den
bankier om inlichtingen kwam vragen.
Bezoekers waren er in het geheel niet geweest, maar wel eenige
winkeliersbedienden. En na achten had de bankier zijn huis al evenmin
verlaten. Hij had zeker veel te werken, want door de reet van een
gordijn voor een raam van zijn werkkamer scheen licht. Voor het overige
was het huis reeds om 11 uur in volkomen duisternis geweest.
Op dat tijdstip hadden de beide vrienden even een schaduw gezien achter
het lancaster rolgordijn van een kamer op de 3de verdieping, die van de
huishoudster Miss Hotspur.
Zij deed de overgordijnen dicht, en toen was al het licht uit het huis
verdwenen, behalve nog steeds de dunne reet van de gordijnen van het
raam der werkkamer.
Geruimen tijd hadden de beide vrienden zwijgend bij elkander gestaan,
toen Charly opmerkte:
—Ik sta nog voortdurend te denken aan het vreemde optreden van
Grammont. Wat denk je van mijn stelling, dat de man misschien zoo
ontzet is door de inbraak, dat dit zijn verstandelijke vermogens heeft
aangetast.
—Ik geloof niet, dat Grammont daar de man voor is, Charly, zeide
Raffles, hoofdschuddend. Dat er iets met zijn hersens gebeurd moet
zijn, dat staat volgens mij vast, maar als ik dat aanneem, dan kan ik
daarmee nog altijd niet het vreemde gedrag van den hond verklaren! Een
hond die zijn meester werkelijk lief heeft, verandert niet zoo van den
eenen dag op den anderen, als die meester hem eens wat ruw behandelt.
—Hij kan hem in blinde drift wel half dood geranseld hebben! meende
Charly.
—Dat zou het wel minstens moeten zijn, om het gedrag van den hond te
verklaren!
Een naburige kerkklok liet juist een enkelen sonoren klank hooren, toen
eensklaps de lichtkier verdween.
—Nu zal hij zich wel naar bed begeven, en wij kunnen, dunkt mij, wel
hetzelfde doen! kwam Charly.
—Een oogenblikje, mijn jongen, het is nu toch laat, en wij kunnen nog
wel een kwartiertje wachten!
—Wat verwacht je dan eigenlijk?
—Misschien gaat hij wel uit.
—Om één uur in den nacht? vroeg Charly verwonderd. Waar zou hij in ’s
hemelsnaam naar toe moeten gaan?
Raffles haalde de schouders op en antwoordde:
—Dat weet ik natuurlijk niet. Maar van iemand, die zoo vreemd doet, zou
het mij volstrekt niet verwonderen, als hij nog uitging.
Raffles had deze woorden nauwelijks uitgesproken, of boven de
straatdeur van het groote bankgebouw werd een flauw schijnsel
zichtbaar, dat spoedig weder verdween.
—Je motorrijwiel, Charly, haast je! zeide Raffles.
Charly had het zware, Amerikaansche motorrijwiel, waarmede hij en
Raffles hier waren gekomen in een garage gestald, die dag en nacht open
bleef en die op slechts eenige tientallen meters afstand in een
zijstraat was gelegen.
De jonge man ijlde weg, haalde het motorrijwiel, maar bleef voor de
garage staan, vanwaar hij de voordeur van het bankgebouw kon zien.
Juist ging de deur open en Austin Grammont verscheen.
Hij had zijn vilten hoed diep in de oogen getrokken en hield een klein
valies in de hand.
In een straat als deze rijden er op ieder uur van den nacht nog vrij
wat auto’s voorbij en de bankier had er dan ook spoedig een gevonden.
Hij gaf den chauffeur blijkbaar een of ander adres op en stapte in.
En nauwelijks was de auto weggereden, of Raffles ijlde op zijn beurt op
het motorrijwiel toe en wipte achter Charly op het tweede zadel.
—Houdt hem goed in het oog, maar kom niet te dicht bij, riep hij den
jongen man toe.
De tocht zou niet lang duren, want reeds veertig minuten later stopte
de huurauto in een straat, die op de Theemskade uitkwam.
Het was niet ver van de Lambeth Bridge.
Nog juist bijtijds had Charly het motorrijwiel tot staan kunnen
brengen, na het vlug een zijstraat te hebben ingestuurd.
Terwijl hij het op den standaard zette, keek Raffles voorzichtig om den
hoek en zag hoe Grammont met den chauffeur afrekende, terwijl hij het
valies naast zich op het asphalt had gezet.
De auto stond niet zoover af, of Raffles kon duidelijk het nummerbord
onderscheiden: N. L. 3717.
Niet ver daar vandaan was een auto-verhuurinrichting, en Raffles beval:
—Breng spoedig het rijwiel daar onderdak, Charly, maar haast je! Hij
schijnt te voet verder te gaan, en wij kunnen het motorrijwiel niet
gebruiken.
Terwijl de jongeman de motorfiets ging wegbrengen, hield Raffles den
bankier in het oog.
De auto had dicht bij een lantaarnpaal stilgestaan, en Raffles zag dat
het gelaat van den bankier bleek en vertrokken was.
Het valies trok eveneens zijn aandacht, het was zwaar en waarschijnlijk
zeer kostbaar, want het was van echt zwijnsleder vervaardigd.
Nu nam Grammont het op, knikte den chauffeur toe, en liep haastig de
straat af, die naar de Theemskade voerde.
Juist kwam Charly weder aansnellen, en de twee mannen volgden nu den
nachtelijken wandelaar op veiligen afstand.
Dat was wel noodig, want op dit uur van den nacht waren er in deze
straat zoo goed als geen voorbijgangers.
Ook de Theemskade was op deze plek stil en verlaten.
Op eenigen afstand teekende het Parlementsgebouw zijn krachtig silhouet
tegen den donkerblauwen nachthemel af.
Nog verder welfde zich de Tower Bridge machtig over de Theems.
—Ik gaf een lief ding, als ik wist, wat Grammont met dat valies van
plan is! Hij gaat dus op reis? fluisterde Charly.
—Als hij dat van plan is, waarom gebruikt hij dan niet zijn eigen auto
en waarom rijdt hij dan niet regelrecht naar een of ander station, naar
Victoria Station of Charing Cross?
Daarop wist Charly geen antwoord en daarom deed hij er het zwijgen toe.
Intusschen had Grammont de Theemskade over eenigen afstand gevolgd, en
nu liep hij de Lambeth Bridge op.
Ongeveer halverwege de brug scheen hij stil te staan.
Raffles en Charly, die zich haastig achter de borstwering van de kade
verscholen hadden, konden zijn gestalte vaag onderscheiden, zooals hij
daar over de ijzeren leuning boog en aandachtig scheen rond te kijken.
Het was reeds bij half drie, en heinde en ver was in deze eenzame buurt
niemand te bespeuren.
Aan de overzijde verhieven zich de hooge populieren van het
Aartsbisschoppelijke park, en aan deze zijde van de breede rivier
strekte zich de kade uit, geheel verlaten.
—Nu wil ik toch gevild worden, als ik iets van die geheele vertooning
begrijp, fluisterde Charly, wiens spanning iedere seconde toenam. De
man moet werkelijk niet goed bij het hoofd zijn. Lieve hemel, zie nu
toch eens wat hij doet.
Dat was werkelijk zonderling genoeg .......
Want er kwam een donker voorwerp van de brugleuning naar beneden
zakken, dat moest het valies zijn, hetwelk Grammont aan een touw
neerliet, waarschijnlijk, omdat hij bevreesd was, dat de plons van het
zware voorwerp in het water, de aandacht van een patrouilleerenden
agent zou trekken.
Gestadig daalde het valies naar de donkere, geheimzinnig glanzende
oppervlakte van de Theems. Binnen een halve minuut zou het valies onder
de golven verdwenen zijn.
Raffles verloor geen tijd.
Hij greep Charly bij den arm en trok hem mee, terwijl hij fluisterde:
—Ga spoedig mee, op twintig passen hier vandaan moet een sloep liggen
van de rivierpolitie, met een dreg er in.
—Maar dan moeten wij er de politie bij betrekken.
—Als het niet anders gaat, in ’s hemelsnaam dan maar.
De beide mannen snelden in gebukte houding langs de borstwering voort,
daalden een trap af, en ijlden op een kleine roeiboot toe, vastgemeerd
aan een paal, die een bord droeg, waarop met witte letters geschilderd
stond: „Politiedreg”.
Er was echter niemand in de nabijheid en de beide vrienden konden in
het bootje springen en het losmaken zonder dat iemand het zag.
Ook de man op de brug, die daar zulk een zonderlinge bezigheid
verrichtte, scheen voor niets anders oogen te hebben, dan voor het
valies, waarvan de onderzijde het water reeds aanraakte.
Toen liet Grammont het touw schieten, en geruischloos zonk het valies
in de golven.
Alsof de duivel hem op de hielen zat, zoo holde Grammont weg, zonder
zelfs een blik achter zich te werpen.
De beide vrienden hadden de riemen reeds gegrepen en roeiden nu zoo
snel zij konden, naar de plek, waar het valies was gezonken.
Omtrent de plek konden zij zich niet vergissen, het was juist tusschen
de middelste pijlers.
En het was nu voor hen van groot voordeel, dat Grammont het valies aan
een touw had laten zakken, want nu moest het valies noodzakelijk
rechtstandig gezonken zijn, en wel juist bij het begin van de
doorvaartopening.
Raffles begon de dreg eerst los te maken en dadelijk plonsde de looden
kogel, voorzien van een zestal haken, overboord.
Hij behoefde de dreg slechts even heen en weer te trekken over den
bodem, en reeds greep een van de haken in een der lederen handvatsels
van het valies.
Zoo palmde Raffles snel het valies in en het volgende oogenblik had hij
het aan boord getrokken.
En ternauwernood konden de beide vrienden een kreet terugdringen, die
hen onweerstaanbaar naar de lippen drong, er kwam geluid uit het
valies! Het was een zacht, erbarmelijk klagend gejank als van een dier
in stervensnood.
Vliegensvlug gespte Raffles de leeren riemen los, schoof de knippen
terug en daar lag het valies geopend op den bodem van de boot.
—Sherif! schreeuwde Charly ontzet en van verwondering geheel ontdaan.
—Ja, het was de foxterriër van Austin Grammont, juist op het nippertje
gered van den verdrinkingsdood, met half gesloten oogen en moeilijk
ademhalend.
Het arme dier zag Charly aan met een blik, waarin een zoo duidelijke
vraag om medelijden te lezen was, dat hem bijna de tranen in de oogen
deed komen.
Alsof hij met een menschelijk wezen te doen had, zoo behandelde Raffles
aanstonds den kleinen drenkeling.
Hij wreef hem voorzichtig over het ijskoude lijfje, zoodat het
ingezwolgen water weer werd overgegeven en drukte en perste zoolang,
tot de bloedsomloop weder was hersteld.
Met hun beide zakdoeken en met een halsdoek van Charly werd het dier
drooggewreven, en daarop kreeg het een plaatsje onder de korte overjas
van Raffles.
Nog rillend, de kleine oortjes in den nek, vlijde het dier zich tegen
zijn borst en sloot met een diepen zucht de oogen, alsof het wist, dat
het in veiligheid was.
Charly was intusschen behoedzaam teruggeroeid, zorgdragend met zijn
riemen zoo weinig mogelijk leven te maken.
Het geluk was hen gunstig, want nog altijd was er niemand bij de
aanlegplaats te zien.
Zij meerden de kleine jol weder, legden haar vast, schoten de dreg op
en aanvaardden toen haastig den terugweg, Raffles met den hond onder
zijn jas, Charly met het valies in de hand.
Zij gingen weder naar de garage, Charly nam zijn plaats aan het stuur
in en daarachter troonde Raffles in een wel wat moeilijke houding, want
hij moest onder den eenen arm het valies vastklemmen en met den anderen
den kleinen Sherif beschutten.
Maar het zadel was breed, hij was een acrobaat en voor de goede zaak
moest men wat over hebben.
Geen twintig minuten later hield de motorfiets stil voor de tuindeur
van het huis in de Regentstreet.
Charly was reeds van het rijwiel afgesprongen en opende de deur met
zijn sleutel, waarop zij beiden haastig binnengingen en de motorfiets
stalden in de garage.
Henderson, die voortreffelijke ooren had, en die boven de garage zijn
kamer had, was aanstonds wakker geworden en kwam nu zijn hoofd uit het
raam steken, maar werd met een paar woorden gerustgesteld.
Raffles en Charly gingen den tuin door en traden het huis aan de
achterzijde binnen.
Nu werd allereerst voor den kleinen terrier gezorgd.
Charly ging in de keuken eerst wat melk warmen en de hond likte het
schoteltje gretig op, kreeg vervolgens een heel blikje ossentong te
verorberen en tenslotte werd het dier in een wollen deken gerold, en
kreeg een heerlijk plaatsje in den hoek van de sofa in de rookkamer.
Het duurde niet lang of het dier strekte zich behagelijk uit en
sluimerde in, maar niet dan nadat het op de beide mannen een blik had
geworpen, waarin duidelijker dan in een menschenoog zijn dankbaarheid
te lezen viel.
Raffles keek eenigen tijd naar het fraaie dier, dat daar nu zoo rustig
lag te slapen, en vestigde toen zijn doordringende grijze oogen op het
gelaat van Charly.
—Wel, dat is al een heel vreemde zaak, vindt je niet? vroeg hij
langzaam.
—Om je de waarheid te zeggen, ik heb in mijn hoofd een gevoel alsof er
watten in zitten, watten en keisteenen. Als Grammont niet volslagen
krankzinnig is, waarom deed hij dit dan in ’s hemelsnaam?
—Ik begin nu te gelooven Charly, dat de bankier in het geheel niet gek
is, maar integendeel bijzonder goed weet wat hij doet. Die hond is hem
lastig! En wel in zeer hooge mate, anders zou hij zeker dien
nachtelijken tocht niet naar de Theems hebben gedaan, om het arme dier
te verdrinken.
—Als je je verbeeldt, Edward, dat je nu de zaak plotseling voor me hebt
opgehelderd, dan heb je het mis! riep Charly uit. Waarom is die hond
hem lastig?
—Ik wilde, dat ik je op die vraag een antwoord kon geven, Charly. Als
het niet te krankzinnig klonk, dan zou ik zeggen: Er heeft een
verwisseling plaats gehad, Sherif is door een anderen hond vervangen!
—Maar dat is tastbare waanzin, Edward! riep Charly ongeduldig uit. Neem
mij niet kwalijk, maar dat kan ik niet aannemen. En zelfs, al was dat
zoo, waarom zet Grammont dan niet eenvoudig een advertentie in de
bladen: „Hond weggeloopen, verkeerde thuisgebracht, de eigenaar wordt
beleefd verzocht zijn hond te komen afhalen, en tegen mijn eigendom in
te ruilen?”
—De hond kan dus niet verruild zijn, denk je? vroeg Raffles met een
zonderling lachje.
—Dat acht ik volkomen onmogelijk.
—Welnu, dan is er maar één andere oplossing mogelijk, als meester en
hond elkander niet meer herkennen, hetgeen hier het geval is, namelijk,
dat de meester verwisseld is.
HOOFDSTUK V.
HET LIJK IN HET SPOORWEGDEPÔT.
Charly bleef Raffles geruimen tijd met een wezenloos gezicht aanstaren.
Eindelijk kon hij stamelen:
—Neem mij niet kwalijk, het kan natuurlijk wel aan mij liggen, maar
waar de zaak mij tot dusverre alleen nog maar raadselachtig is geweest,
daar wordt ze mij nu totaal onbegrijpelijk. De meester verwisseld? Met
wien? Waarom? Wanneer? Is Grammont dan niet langer Grammont?
—Ik denk, dat Grammont dood is, antwoordde Raffles rustig.
Charly vloog van zijn stoel op en riep uit:
—Wat zeg je daar? Hoe kun je dat weten? Wij hebben hem nog geen uur
geleden zien wegvluchten van de Lambeth Bridge.
—Ik denk niet, dat die man Grammont was! ging Raffles kalm voort.
—Maar mijn hemel, hoe kom je daar zoo eensklaps op. Wat brengt je er
toe, om dat te denken?
—De hond, en niets anders dan de hond! Een mensch kan zich vergissen,
het instinct van een dier bedriegt nooit! Zoolang de wereld draait,
heeft een hond zijn meester op de honderdduizenden andere personen
dadelijk kunnen herkennen. Ik weet op dien regel geen enkele
uitzondering. De butler vertelt ons, en het is ons trouwens zelf
bekend, dat Grammont altijd zeer veel van zijn paarden en honden hield
en goed voor de dieren was. Hij komt herhaaldelijk met Sherif in de
Windsor-Club, laat het dier zijn kunstjes doen en vertelt vol trots van
zijn schranderheid en zijn trouw! Hoe verklaar je het nu, dat de hond
in een enkelen nacht omdraait als een blad op een boom? Je hadt het
dier van morgen woedend tegen hem te keer moeten zien gaan, het
scheelde maar weinig of hij had hem aangevlogen, als de butler hem niet
had tegengehouden.
—Dat kan ik niet verklaren, Edward.
—Pardon, dingen die niet verklaard kunnen worden, zijn mij bijzonder
antipathiek, vervolgde Raffles. Er bestaat niets onverklaarbaars! De
hond is, daarop wil ik nu wel een eed doen, zoo fel tegen Grammont
ingenomen, omdat het Grammont niet is! Ik voel zelf wel, dat hetgeen ik
daar beweer, zeer vreemd moet klinken, en toch moet het de waarheid
zijn, omdat een andere verklaring niet denkbaar is. Men kan desnoods
nog aannemen, dat iemand’s karakter in den loop der jaren een
verandering ondergaat en dat hij zijn honden gaat mishandelen, maar het
zal lang, zeer lang duren, eer de liefde voor zijn meester uit het hart
van een hond zal worden verdreven.
—Als je niet meer gegevens hebt, dan deze.....! riep Charly uit.
—Natuurlijk heb ik er meer, want dit zou me zeker niet voldoende zijn!
Waarom denk je wel, dat Grammont des nachts om één uur tersluiks zijn
huis verlaat, als iedereen slaapt, om zijn hond te gaan verdrinken? Ik
zal zeggen, waarom hij dat wilde doen, hij is bang voor het dier!
—Bang, waarom?
—Hij vreest, dat de hond hem kan verraden, vroeg of laat!
—Maar wat zou de hond dan toch wel kunnen verraden!
—Wel, bijvoorbeeld den diefstal van de identiteit van den echten Austin
Grammont!
—En die zou, volgens jou, dood zijn?
—Ja, ik denk, dat het de man onder den wagon op het spoorwegdepôt
is.....
Geruimen tijd werd er niets gesproken.
Charly, die weder plaats had genomen, had zich achterover in zijn stoel
laten vallen, en scheen met gesloten oogen na te denken, over hetgeen
Raffles hem daar zeide.
Het warrelde hem in het hoofd, want hij kon nog steeds niet inzien, wat
er dan gebeurd was.
Eindelijk hernam hij langzaam:
—Als men je er naar vroeg dan zou je natuurlijk geen enkel bewijs
kunnen bijbrengen voor je bewering?
—Geen enkel! Je ziet, dat ik eerlijk ben.
—Maar wel een vermoeden?
—Vermoedens heb ik, Charly, en wel zeer ernstige! Ik heb vanmorgen
Austin Grammont gezien. Het was het gelaat van den bankier, het was
zijn houding, zijn gang, zijn oogopslag, en toch was hij het weer niet!
Zooiets is moeilijk onder woorden te brengen, maar er lag op zijn
gelaat een uitdrukking, die ik er nimmer tevoren op had gezien.
Wreedheid en boosaardigheid.
—Maar dat is toch niet voldoende. Hij kan wel in een bijzondere
stemming zijn geweest.
—Op zichzelf zou dat zeker niet voldoende zijn, maar nu het geval met
den hond. Gisteren een paar uren na de ontdekking van de inbraak, ging
hij met den hond uit, die zich zeer onwillig betoonde, om met hem mede
te gaan, en een uur later komt hij terug, met de mededeeling, dat hij
het beest in de drukte is kwijt geraakt. Na wat wij aan de Theemskade
gezien hebben, kunnen wij natuurlijk als een zekerheid verklaren, dat
hij dit gelogen heeft. Hij heeft toen reeds getracht zich van het dier
te ontdoen, het misschien naar een hondenkoopman gebracht, het dier is
losgebroken, heeft een geheelen dag en nacht rondgezworven en tenslotte
toch het huis van zijn meester teruggevonden. Maar als Austin Grammont
dit met hem gedaan had, dan zou het dier toch nooit zoo tegen hem zijn
opgetreden. Het zou bedroefd zijn geweest maar nooit zou het hem hebben
willen aanvliegen.
—Is er nog meer?
—Ja, Grammont was niet thuis in den nacht van de inbraak. Waarom
verklaarde hij aan de politie het tegendeel? Omdat hij een alibi wilde
hebben! Hij moest dien nacht zijn thuisgeweest! En om aan alle lastige
ondervragingen een einde te maken, gaf hij te kennen, dat hij geen werk
van de inbraak wilde maken. Wij echter weten heel zeker, dat de man in
ieder geval vóór drie uur in den nacht niet thuis was. Maar waar is hij
dan geweest? Tot half twaalf ongeveer was hij in de Windsor Club. Dáár
was stellig de ware Grammont! Maar wat er daarna met hem gebeurd is, en
waarom hij niet naar zijn huis is gegaan, dat kunnen wij slechts
gissen! Maar het staat nu wel bijna onaanvechtbaar bij mij vast, dat
hij gedood is, en wel door denzelfden man, die nu zijn plaats heeft
ingenomen.
—Maar, dan zou die man een dubbelganger van Grammont moeten zijn! riep
Charly opgewonden uit.
—Welnu? is dat zoo ongehoord? Het is wetenschappelijk vastgesteld, dat
er twee menschen zoo sterk op elkaar kunnen gelijken, dat zelfs de
wederzijdsche familieleden zich vergissen! Grammont was schatrijk, dat
kan een motief zijn geweest, om hem van het leven te berooven. Ik zie
echter aan je gelaat, dat je nog niet overtuigd bent, en ik moet
eerlijk erkennen, dat mijn stelling op het eerste gehoor zeer vreemd
klinkt. Op een andere wijze kan ik mij echter het gedrag van Grammont,
zoowel als van den hond, niet verklaren. Maar wij zullen ons morgen
dadelijk zekerheid verschaffen, en op onderzoek uitgaan. Daarbij kan de
hond ons van grooten dienst zijn! En nu zullen wij maar gaan slapen, en
trachten, niet al te zeer over de zaak na te denken!
Raffles wierp nog een blik op den rustig slapenden hond, die zoo na aan
den dood was geweest, overtuigde zich, dat zijn schotel met melk gevuld
was, legde een groot stuk hondenbrood naast het dier op de sofa en toen
verlieten de beide mannen het vertrek en begaven zich ter ruste.
Den volgenden morgen waren zij beiden weer vroeg uit de veeren.
In de kleine eetkamer, die op den tuin uitzicht gaf, lazen zij de
ochtendbladen.
Zij bevatten volstrekt niets over de inbraak in Harrow Road, en slechts
weinige regels over de lugubere vondst op het spoorweg-emplacement.
Naar alle windstreken waren foto’s van het lijk verzonden, maar zonder
dat dit tot eenig resultaat leidde.
Er waren zich, zooals Raffles wel verwacht had, een twintigtal personen
op het hoofdbureau van politie komen aanmelden, die sedert langen of
korten tijd een familielid vermisten, maar geen hunner herkende in het
lijk den verdwenen bloedverwant.
Het was omstreeks elf uur in den morgen, toen een huurauto voor het
sombere gebouw van Scotland Yard stilstond.
Daaruit stapten Raffles en Charly, vergezeld door Sherif, den
foxterriër.
Beiden hadden zich goed vermomd, en zagen er uit als lieden uit de
provincie.
Zij stapten op een agent van politie toe, die voor de breede deur op en
neder wandelde, en Raffles vroeg beleefd:
—Neem mij niet kwalijk vriend, maar ik heb in de krant iets gelezen van
de vondst van een geheel ontkleed lijk. Ik kom vanwege een neef, die in
Orpington woont en wiens broeder sedert een paar dagen spoorloos
verdwenen is, van het oogenblik af, dat hij hier in Londen moet zijn
aangekomen. Ik zou zeer gaarne het stoffelijk overschot eens willen
zien, en ik heb het hondje van mijn vermisten neef meegebracht,
misschien kan dat hem wel herkennen, als hij het werkelijk is!
—Ga dan maar naar binnen en vraag naar den dienstdoenden brigadier,
zeide de agent, waarop hij met de handen op den rug zijn wandeling
voortzette.
Raffles en Charly traden het groote, sombere gebouw binnen en even
later herhaalde de eerste zijn verzoek aan een barsch uitziend man van
een statuur, die niet veel achterbleef bij dien van Henderson, die toch
waarlijk een reus was!
Hij luisterde een weinig ongeduldig naar het verhaal van den gewaanden
provinciaal en zeide toen:
—Ik zal u een agent meegeven, u kunt dan zelf zien. Maar schrijf eerst
uw naam in dit register!
Raffles schreef den eersten den besten naam in een groot boek, dat de
brigadier hem toeschoof en daarop volgden hij en Charly een agent, die
hen voorging naar het lijkenhuisje.
Met een zwaren sleutel opende hij de deur en de drie mannen traden een
zaal binnen, waar een zeer lage temperatuur heerschte.
In het midden stond een lage, groote tafel van stoepsteen, een weinig
schuins geplaatst, en daarop lag het geheel naakte lijk van een man
uitgestrekt, het hoofd een weinig terzijde geneigd.
Een sterke electrische lamp, juist boven de tafel opgehangen,
verlichtte het lichaam daghelder.
En nauwelijks had Sherif het lijk gezien, of hij worstelde om los te
komen uit de armen van Raffles en liep, toen hij op den grond was
gesprongen, erbarmelijk jankend, met den staart tusschen de beenen, en
de ooren in den nek naar de steenen tafel.
Hij ging er met de voorpootjes tegen leunen, besnuffelde even het lijk
en hief eensklaps een gehuil aan, dat in het geheele gebouw te hooren
moet zijn geweest.
Raffles had Charly een snellen blik toegeworpen, twijfel aan zijn
opvatting was bijna niet meer mogelijk!
Het hondeninstinct had gesproken en dat loog nimmer!
De agent had verbaasd naar het doen van den hond gekeken en riep nu
uit:
—Het is zeker, dat het dier dien man kent! Is hij familie van u?
—Dat moet wel zoo zijn, nu de hond hem herkent! gaf Raffles ten
antwoord. Dan zou die ongelukkige een neef van mij moeten zijn! Ik ga
dadelijk naar Orpington terug en haal er zijn broeder bij. Wij kunnen
nog vandaag gemakkelijk terug zijn. Misschien herkent Jack zijn broer
wel aan eenige bijzonderheden, die mij onbekend zijn.
Met groote moeite kon Raffles den terrier van het stoffelijk overschot
wegtrekken.
De hond kermde wanhopig en zijn gehuil was akelig om aan te hooren.
Maar eindelijk kon Raffles Sherif toch weer onder den arm nemen, en
daarop verlieten allen het lijkenhuis weder.
De twee zoogenaamde provincialen werden weder naar den brigadier
geleid, die vroeg:
—Welnu, meent gij het lijk te herkennen?
—Ik geloof, dat het mijn neef is, mijnheer! antwoordde Raffles. Zijn
hond, dien ik van Orpington had meegenomen, huilde tenminste
erbarmelijk. Ik wilde nu terug gaan en mijn neef halen, die zal zijn
broeder natuurlijk eerder herkennen dan ik. Het gezicht is zoo
vreeselijk toegetakeld, dat ik het niet durf verzekeren, of hij het al
of niet is.
—Haast u dan wat! hernam de brigadier. De zaak kan dan haar beloop
hebben. Uw neef is vermoord, daaraan kan niet worden getwijfeld, en wij
zullen den moordenaar gemakkelijker kunnen vatten, als wij zeker weten,
wie de vermoorde is!
En zoo verlieten Raffles en Charly het hoofdbureau van politie weder,
echter niet om naar Orpington te gaan, maar om hun onderzoekingen te
Londen zelf voort te zetten.
Zoodra zij weder in de huurauto hadden plaats genomen, die op hen was
blijven wachten, begon Raffles:
—Twijfel is nu dunkt mij niet meer mogelijk, het lijk op de steenen
tafel is dat van Grammont! De hond sprak een taal, die niet is mis te
verstaan. Hij herkende zijn meester dadelijk. Je hebt zelf gezien,
hoeveel moeite ik had, hem weer mee te krijgen.
—Ja, ik geef nu toe, dat alles wijst in de richting, welke je mij hebt
aangeduid.
—Maar dit is niet voldoende. Wij moeten meer bewijzen hebben. Ik zou
dien man, die nu in het huis van Grammont woont, en die toch Grammont
niet is, gaarne eens van nabij bespieden. Ik zou het mijzelf nimmer
kunnen vergeven, als het naderhand toch zou blijken, dat ik een domme
vergissing had begaan.
Inderdaad moest Raffles bij zichzelf erkennen, dat die mogelijkheid
niet volkomen was buitengesloten.
Het leek wel zeer ongewoon, dat een man den moed zou hebben, een
dubbelganger te vermoorden, om dan zijn plaats in te nemen.
Grammont was bankier, en voor alles was het dus volstrekt noodzakelijk,
dat zijn moordenaar verstand had van bankzaken.
In het tegenovergestelde geval zou het bedrog immers aanstonds ontdekt
worden.
Voorts moest de man er op rekenen, dat hij te doen kreeg met bedienden,
die reeds lange jaren in dienst van zijn slachtoffer stonden, al zijn
gewoonten kenden, en een afwijking daarvan dadelijk zouden opmerken.
In ieder geval stond het dus vast, dat de moordenaar zijn slachtoffer
geruimen tijd had moeten bestudeeren, en dat wel in het geheim, anders
zou de wonderbaarlijke gelijkenis tusschen de twee mannen spoedig aan
het licht zijn gekomen, en zijn toestand na het plegen van den moord
zou daardoor zeer gevaarlijk zijn geworden.
Waarschijnlijk had de misdadiger Grammont bij toeval in een schouwburg
of op de renbaan gezien en toen was het denkbeeld bij hem opgekomen,
zijn plaats in te nemen, wat niet kon geschieden of Grammont zou uit
den weg moeten worden geruimd.
Het was nu voor alles zaak, na te gaan, waar Grammont na half twaalf in
den nacht van den moord was geweest, en waarom hij niet rechtstreeks
van de Windsor-Club naar zijn huis in Harrow Road was gegaan.
Op den hoek van de Oxford Street, toen de chauffeur den weg naar
Charing Cross Station wilde inslaan, tikte Raffles tegen de voorruit en
gaf den man bevel, hem naar het clubgebouw te rijden, dat in de Oxford
Street was gelegen.
Tien minuten later stapten de twee mannen uit, dankten den chauffeur
af, en gingen binnen.
Raffles was vice-president van de club en Charly Brand kwam er
dikwijls, maar eerder zou de portier aan zijn eigen bestaan hebben
getwijfeld, dan aan te nemen dat die boersch gekleede menschen, die als
het ware de stallucht met zich medebrachten, Zijne Lordschap William
Aberdeen en zijn secretaris konden zijn!
De man bekeek hen wantrouwend en uit de hoogte en zeide toen
medelijdend:
—U is hier zeker verkeerd! Wat wenscht u?
—Ik wensch je voor alles een halve guinje te geven, mijn vriend,
antwoordde Raffles glimlachend.
Dat was zeker iets bijzonders voor een provinciaal, maar de portier was
blijkbaar van oordeel, dat een goudstuk een goudstuk blijft,
onverschillig of het afkomstig is van een Londenschen edelman of van
een boer uit de provincie.
Maar verbaasd was hij wel!
Hij stak het geldstuk op, en hernam, maar op een geheel anderen toon:
—Misschien willen de heeren een der leden van de club spreken?
—Neen, dat niet! Wij wilden u ondervragen! antwoordde Raffles bedaard.
Wij zijn niet voor wie gij ons houdt, geen boertjes namelijk! Wij zijn
particuliere detectives en wij hebben ons een weinig moeten verkleeden,
dat is alles.
—Zoo, dat is wat anders, kwam de portier. Dan moet ik zeggen, dat de
heeren het meesterlijk verstaan, zich als boertjes voor te doen! En als
u nu iets te vragen heeft, ga uw gang! Ik zal er op antwoorden, voor
zoover het mij mogelijk is, alleen begrijp ik niet best, wat er wel aan
de hand kan zijn!
—Wij komen hier in verband met de inbraak bij mijnheer Austin Grammont!
antwoordde Raffles.
—En denkt gij, dat ik u van nut zou kunnen zijn om die zaak tot
klaarheid te brengen? vroeg de portier op verbaasden toon.
—Dat zou ons althans volstrekt niet verwonderen, hernam Raffles. Er is
iets geheimzinnigs in die zaak, ziet gij, en daarom komen wij hier, in
de hoop, dat wij hier nieuwe aanknoopingspunten kunnen vinden. Zeg ons
eens, hoe laat kwam mijnheer Austin Grammont hier? Ik bedoel op den
avond van de inbraak.
—Het zal zoowat tien uur geweest zijn!
—Was er iets bijzonders aan hem te zien? Ik meen, was hij zooals
altijd?
—Ik heb in het geheel niets vreemds bij hem kunnen opmerken! antwoordde
de man. Hij knikte mij toe, zooals hij gewoonlijk doet, en daarop gaf
hij zijn overjas in de vestiaire af en ging de trap op naar boven.
—Hoe laat vertrok hij weer?
—Ik denk om bij twaalven!
—Was er in dien tusschentijd misschien een boodschap voor hem bezorgd?
De portier dacht even na en antwoordde toen:
—Neen, tenminste niet voor zoover ik weet.
—Wij kunnen zeker de kellners wel even ondervragen? Misschien heeft een
hunner mijnheer Grammont wel een briefje gebracht!
—Ga gerust uw gang, mijnheer! Maar waarom geeft gij u al die moeite, en
vraagt het niet aan mijnheer Grammont zelf?
Raffles kneep de lippen op elkander en een lichte huivering liep hem
over den rug, de vraag had hem geschokt, want hij zag weder het
vreeselijk verminkte lijk op de steenen tafel in het sombere
lijkenhuisje van het politiebureau liggen......
Hij herstelde zich evenwel dadelijk en antwoordde:
—Er zijn bijzondere redenen, waarom wij dit juist niet aan mijnheer
Grammont kunnen vragen, hij maakt een reis, een zeer verre reis!
—Nu, daarin moet gij u vergissen, mijnheer! riep de portier lachend
uit. Want daar komt mijnheer Grammont juist aan!
HOOFDSTUK VI.
DE DRADEN BEGINNEN ZICH TE ONTWARREN.
In een oogwenk had Raffles Charly en den portier in de loge van dezen
laatste getrokken en de deur op slot gedaan.
—Is hier nog een tweede vertrek achter? vroeg hij op gedempten toon.
—Ja, zeker, die deur! antwoordde de portier, zeer verbaasd over het
optreden van den gewaanden detective.
Raffles rukte de deur open en duwde den hond naar binnen.
Nu was het dier door twee deuren gescheiden van den man, die zooeven
was binnengetreden en nu de trap opging, zonder links of rechts te
zien!
—Gij zult later wel begrijpen, waarom ik dit deed! kwam Raffles op
zachten toon tot den portier. En let wel op, geen woord tegen mijnheer
Grammont over dit voorval, of gij zoudt betrokken worden bij een zaak,
die voor u zeer onaangename gevolgen zou kunnen hebben!
Raffles had dit op zulk een ernstigen toon gezegd, dat de portier hem
verschrikt aanzag en toen de verzekering gaf, dat hij over de komst van
den detective niet zou reppen.
Raffles duwde den man nogmaals een halven kroon in de hand, ging den
hond weer halen, die onrustig rondsnuffelde, alsof hij toch de lucht
had gekregen van den man, die zoo juist de trap was opgegaan en daarna
verlieten de twee mannen het clubgebouw weder.
Op straat gekomen zeide Raffles:
—Het doet mij genoegen, dat hij den hond niet herkend heeft, wie weet,
of hij zijn mond dan wel had gehouden! Nu wordt die waarschijnlijk
gesloten door de vrees, voor den arm der Justitie, ofschoon de man moet
weten, dat hij zich zelf in deze zaak minder te verwijten heeft dan een
pasgeboren kind!
—Waar gaan wij nu heen?
—Luister! Jij neemt den hond mede naar huis en wacht op nadere
instructies. Ik begeef mij naar het huis in Harrow Road, en zal Dayton
verzoeken, mij zijn plaats te laten innemen!
—Een uitstekend idee! Op die wijze zul je misschien het gemakkelijkst
achter zekere geheimen van den tweeden Grammont komen!
Charly nam den hond over en daarop drukten de twee vrienden elkander de
hand en gingen ieder huns weegs.
Raffles had spoedig opnieuw een huurauto gevonden en gaf den chauffeur
last hem naar het bankgebouw in Harrow Road te rijden.
Onderweg maakte hij zijn plan op.
Hij zou zooveel aan Dayton openbaren als noodzakelijk was, om den
butler te bewegen, hem zijn plaats in te ruimen.
Dit zou des te gemakkelijker gaan, daar de man, die Grammont’s plaats
had ingenomen, nog slechts weinige dagen met den butler in aanraking
was gekomen, en het dus wel niet zou opmerken, wanneer deze niet juist
deed, als hij het gewend was.
Eenmaal in huis, zou het Raffles niet al te moeilijk vallen, de noodige
nasporingen te doen.
De auto stond stil en Raffles stapte uit en zond den chauffeur weg.
Hij belde aan, en de deur werd geopend door Henry Dayton.
Hij nam den bezoeker een weinig verbaasd op en zeide toen:
—Als gij voor zaken komt, dan moet gij aan de kantoordeur zijn,
mijnheer!
—Ik kom wel voor zaken, maar niet degene die gij denkt! antwoordde
Raffles. Ik zou trouwens mijnheer Grammont niet thuis treffen! Een half
uur geleden zag ik hem elders!
—Mag ik dan weten, waarvoor gij komt, mijnheer? vroeg de butler
verwonderd.
—Ik kom voor u! antwoordde Raffles. Hebt gij tien minuten voor mij? Ik
ben particulier detective.
—Nog altijd om de inbraak! riep Dayton een weinig ongeduldig uit. Maar
het moest u toch bekend zijn, dat mijnheer Grammont geen gevolg aan de
zaak wenscht te geven!
—Hij misschien niet, maar de Justitie wel! kwam Raffles bedaard.
Weer kwam er een goudstuk uit zijn zak te voorschijn, dat naar de hand
van den butler verhuisde.
Deze opende de deur wat verder en liet den bezoeker binnen.
Hij ging hem voor naar een klein vertrekje aan het einde van de
vestibule en zeide, nadat hij de deur gesloten had:
—Vraag dan, wat gij te vragen hebt, mijnheer, maar ik verzeker u, dat
ik u niet veel zal kunnen zeggen!
—Ik zal u eerst wat voorstellen, en later nog iets vragen! zeide
Raffles.
—Mij voorstellen? herhaalde de butler langzaam. Wat zou dat wel kunnen
zijn?
—Dat zal ik u zeggen, ik wilde voor een dag of een paar dagen uw plaats
innemen.
—Hier? In dit huis? Mijn plaats als butler? riep Dayton met een
ongeloovigen blik uit. Met welk doel?
—Met het doel, mijnheer Grammont te bespieden!
—Wat? En daar durft gij zoo brutaalweg voor uitkomen? riep de butler
verontwaardigd. Dan zijt gij aan het verkeerde adres, mijnheer! Ik
verraad mijn meester niet!
—Dat doet gij ook niet, als gij mij uw plaats afstaat! hernam Raffles
rustig. Mijnheer Grammont is uw meester niet!
De butler keek Raffles een oogenblik aan, alsof hij vreesde met een gek
te doen te hebben.
Maar toen hij den ernstigen blik in de grijze oogen zag, riep hij uit:
—Gij houdt mij toch niet voor den gek, mijnheer? Mijnheer Grammont zou
mijn meester niet zijn?
—Op die vraag kunt gij u zelf het beste antwoord geven, als gij eens
bij u zelf te rade gaat, of gij sedert eergisteren niets bijzonders bij
uw meester hebt opgemerkt.
Raffles had dit op zulk een overredenden toon gezegd, dat de butler
verschrikt achteruit week en verbleekte.
Toen kwam het toonloos over zijn lippen:
—Als ik alles goed naga, dan, ja dan moet ik erkennen, dat mijnheer
Grammont niet is als gewoonlijk! Hij heeft sommige zijner gewoonten
afgeschaft en andere aangenomen, welke ik in het geheel niet kende! Zoo
vroeg hij gisterenmorgen driftig waar zijn scheerwater bleef, en
mijnheer Grammont heeft zich nooit zelf geschoren, zoolang mij heugt!
Ik wist zelfs niet dat hij een scheermes had!
—Wat deedt gij toen?
—Wat zou ik gedaan hebben? Ik antwoordde natuurlijk, dat ik voor
scheerwater zou zorgen! Het ligt niet in mijn aard, aanmerkingen te
maken op het doen en laten van mijn meester!
—Maar waar haalde hij het scheermes dan vandaan?
—Er was er geen! Ik vond het bakje met scheerwater juist zoo als ik het
op de waschkast had neergezet, maar steenkoud.
—En verder? Hebt gij verder niets vreemds opgemerkt? Bedenk u goed,
want ik verzeker u, dat het van het grootste gewicht is!
De butler dacht ingespannen na en riep eensklaps uit:
—Juist, het was gisteren de eerste van de maand, en mijnheer Grammont
wilde de bedienden zelf betalen. Dit nu is altijd mijn werk geweest,
zooals in alle gegoede huizen. Ik zeide hem bescheiden, dat ik het wel
doen zou, en toen gaf hij mij geld, vijf pond te weinig! Natuurlijk
dacht ik, dat hij zich eenvoudig verteld had, en ik zeide het hem.
—Nog iets?
—Toen ik gisterenmiddag langs het kantoor liep, hoorde ik toevallig den
boekhouder tot den procuratiehouder zeggen, dat hij volstrekt niets
begreep van een order, die mijnheer Grammont hem had gegeven. De
procuratiehouder haalde toen de schouders op en gaf te kennen, dat hij
zelf reeds den geheelen morgen met mijnheer Grammont overhoop lag. Hij
meende dat er iets niet geheel met hem in orde was.
—Daaraan heb ik voorloopig genoeg, mijn vriend! Het blijft mogelijk,
dat mijnheer Grammont door den een of anderen zielschok veranderd is,
maar ik moet zekerheid hebben. Gij loopt in geen geval gevaar, daar zal
ik zorg voor dragen. Gij hebt niets anders te doen, dan mij toe te
staan, uw uiterlijk aan te nemen, en een dag, hoogstens twee dagen in
uw plaats mijnheer Grammont te bedienen.
Nog scheen Dayton te aarzelen.
—Maar als gij u eens vergiste, mijnheer! Ik zou mijn betrekking kunnen
kwijtraken!
—Ik vrees, dat gij dat in ieder geval zult doen, mijn vriend! Maar ik
heb zeer vele en goede connecties, ik zal wel zorg dragen, dat gij geen
schade lijdt! Bedenk, dat gij de justitie een zeer grooten dienst
bewijst, als gij toestemt.
Nog even scheen Dayton in beraad te staan, en toen hief hij snel het
hoofd op en zeide:
—Het zij dan zoo, mijnheer! Uw woorden hebben vasteren vorm gegeven aan
mijn vage vermoedens! Ik ben tot uw dienst! Alleen wilde ik dit nog
weten, als die man, die hier in huis de meester speelt, niet mijnheer
Grammont is, wat is er dan van dezen geworden?
Een oogenblik overwoog Raffles, of hij den butler de waarheid zou
zeggen, maar hij bedacht zich nog bijtijds en antwoordde:
—In ieder geval iets zeer ernstigs! Juist om te ontdekken wat het is,
wil ik dezen vreemden man op de vingers zien!
—Zou het niet noodzakelijk zijn, Miss Hotspur, de huishoudster, in het
geheim te nemen?
—Dat kunnen wij doen, maar het is niet volstrekt noodig. Want ik
verzeker u, dat ik zoodanig uw voorkomen zal nabootsen, dat zelfs deze
eerwaarde dame mij niet zal herkennen! Kunt gij niet een boodschap
bedenken, die u een uur buitenshuis houdt?
—Mijnheer Grammont heeft gezegd, dat hij pas laat zou terugkeeren. Ik
kan het er dus wel op wagen.
—Dan ga ik nu heen, en verwacht u binnen vijf minuten op den hoek van
de volgende straat. Ik zal voor een auto zorgen.
Hij knikte den butler vriendelijk toe, en verliet het huis, om op
straat een auto aan te roepen.
Hij behoefde slechts een paar minuten te wachten, totdat Dayton
verscheen.
Hij had een korte overjas aan en droeg een bolhoed, zooals de meeste
Engelsche bedienden van goeden huize die plegen te dragen, als zij
buitenshuis komen.
Daar Raffles dit alles had voorzien, droeg hij alles bij zich, om snel
en zonder al te veel opzien van uiterlijk te veranderen.
De oogen van den butler waren lichter dan de zijne, en ook niet
volkomen grijs maar Grammont kende den butler te kort, om dit aanstonds
op te merken.
Raffles gaf den chauffeur last, hen naar een klein hotel te rijden, op
een half uur loopens afstand.
Daar bestelde hij een kamer, betaalde vooruit, en begaf zich erheen,
door Dayton vergezeld.
Aanstonds pakte hij de kleine tasch uit, welke hij bij zich droeg, nam
er een pruik en een aantal kleine fleschjes uit, met verschillende
vloeistoffen gevuld, ontdeed zich van zijn bovenkleeren en begon zich
met groote zorgvuldigheid te grimeeren.
Telkens wierp hij een blik op het gelaat van den butler, haalde hier
een fijne streep, trok daar een rimpel, maakte de huidskleur lichter,
door haar te bevochtigen met een kleurloos watertje en verfde zijn
wenkbrauwen met een andere kleurstof, zoodat zij donkergrijs werden.
Met behulp van een zeer dunne, vleeschkleurige pleister trok hij de
oogen in de buitenhoeken een weinig op, want de oogen van Dayton waren
een weinig schuin geplaatst, en nadat hij een paar korte bakkebaarden
op zijn wangen had geplakt, was de gelijkenis waarlijk verbluffend.
Dayton zat verstomd naar den gewaanden detective te kijken en zeide nu
vol bewondering:
—Ik moet zeggen, dat gij uw vak verstaat, mijnheer! Ik heb vaak
gemeend, dat het met die vermommingen maar lak was, en dat men het
dadelijk moest kunnen zien, maar ik moet nu wel van die meening
terugkomen!
—Gewoonte, vriend Dayton, niets dan gewoonte! gaf Raffles glimlachend
te kennen. Nu nog uw overjas en uw hoed, en dan ben ik gereed! Hebt gij
hier in de stad familie, naar wie gij u zoolang begeven kunt?
—Ik kan naar mijn zuster gaan, mijnheer!
—Mooi zoo, dan vertrek ik nu eerst, gij wacht nog een half uurtje, en
gaat dan op uw beurt heen. Op die wijze loopen wij het minst gevaar,
dat men de verkleedpartij opmerkt. Hier hebt gij mijn overjas en hoed!
—Ik moet daar nu zeker zoolang blijven, tot ik bericht van u ontvang?
vroeg Dayton, terwijl hij de jas aantrok, welke Raffles hem overhandigd
had.
—Ja, en het zal wel minstens een vollen dag duren! Maar alles kan mij
meeloopen en dan zult gij zeker met lof vermeld worden in de bladen,
want dan zult gij de behulpzame hand hebben geboden bij de onthulling
van.... een zeer ernstig misdrijf, meer kan ik er voor het oogenblik
niet van zeggen!
De beide mannen waren nu geheel gereed, en er stonden twee Daytons in
het vertrek, zoo volkomen aan elkander gelijk, wat het gelaat betreft,
dat niemand het onderscheid had kunnen ontdekken, of had kunnen zeggen,
wie de echte, wie de nagemaakte butler was.
Wel was Raffles, als hij zich oprichtte, bijna een decimeter langer dan
Dayton, maar dit verschil in lengte wist hij meesterlijk te verbergen,
door gebogen te loopen, met kromme knieën.
Hij bekeek zich nogmaals in den grooten spiegel, die in de eenvoudige
hotelkamer hing, en daarop stak hij Dayton de hand toe en zeide:
—Nu ga ik! En ik hoop, u spoedig bericht te kunnen zenden. Geef mij uw
adres, of liever het adres van uw zuster!
Dayton schreef het adres op een klein stukje papier en stak het Raffles
toe, die het in zijn zak liet glijden.
En daarop verliet hij de kamer, overtuigde zich, dat er geen kellners
in de nabijheid waren en liep haastig de trap af.
In de groote hall stonden wel eenige kellners en reizigers, maar
niemand sloeg acht op hem.
Als aanstonds de echte Dayton nogmaals voorbij zou komen, dan zou men
eenvoudig denken, dat hij in dien tusschentijd terug was geweest.
Raffles riep dadelijk een huurauto aan, en liet zich tot op een vijftig
meter van het huis van Grammont brengen.
Daar stapte hij uit, betaalde den chauffeur en ging te voet verder.
Hij belde aan, en de deur werd geopend door een eerwaardige oude dame
van ruim zestig jaar, met een grooten bril op den scherpen neus.
—Ik wist niet, dat je uit geweest waart, Dayton! zeide de dame, Miss
Hotspur.
—Ik ben wat langer opgehouden, dan ik dacht, Miss! kwam Raffles,
verheugd, dat hij blijkbaar aanstonds als Dayton werd aangemerkt. Neem
het mij alsjeblieft niet kwalijk!
—Ik zal je zeker niet kwalijk nemen, Dayton, maar als mijnheer Grammont
het merkte....! Je weet wel, dat hij de laatste dagen van een heel
onaangenaam humeur is!
—Is hij in dien tusschentijd thuisgekomen? riep Raffles met
voorgewenden schrik uit.
—Dat niet, maar het zal zoo lang niet meer duren! Mijnheer eet thuis,
zooals je weet!
Raffles wist er natuurlijk niets van, maar hij knikte, alsof hij er
alles van begreep, en begaf zich snel naar het bediendenvertrek, om
zich daar van zijn jas en hoed te ontdoen.
Het was hem nu van groot voordeel, dat hij het huis zoo goed kende,
want nu zou hij zich zeker niet zoo spoedig vergissen.
Niemand van de bedienden scheen ook maar een oogenblik aan zijn
identiteit te twijfelen, noch de kamerbediende, noch de kok, noch de
huisknecht.
En Raffles zelf maakte geen fouten!
Als het noodig was, zou hij maanden achtereen in de deftigste huizen
als butler kunnen dienen, zonder dat men reden tot klagen over zijn
kundigheden zou hebben gehad!
Alles wat hij deed, was volkomen correct, en een butler met jaren
praktijk zou hem niet hebben kunnen verbeteren.
Hij vergewiste zich, dat alles in de keuken in orde was, proefde van de
spijzen, gaf een paar orders, en klom toen haastig naar de tweede
verdieping, waar hij wist, dat zich de slaapkamer van Grammont bevond.
Snel opende hij de deur en ging binnen.
Hij trad op de kleerenkast toe en onderzocht ze haastig.
Daar hingen, keurig gerangschikt, dat was blijkbaar het werk van
Dayton, alle costuums van den bankier, zijn sportjakken, zijn flanellen
strandcostuums, zijn motorjekker, zijn smokings en zijn rokcostuums.
Naar een dezer laatste kleedingstukken zocht Raffles, de overige konden
hem voor het oogenblik minder schelen.
Hij nam een rok van den haak en begon snel maar grondig alle zakken te
doorzoeken.
Hij vond echter niets, evenmin als in vest en pantalon van het costuum.
Daarop greep hij een tweeden rok en begon opnieuw zijn nasporingen.
Hij stak de hand beurtelings in de beide binnenzakken, en vervolgens in
de zakken der panden.
De tweede zak bleek een weinig uitgescheurd te zijn, misschien door een
zwaren tooneelkijker, want Grammont bleek nogal nonchalant met zijn
kleederen om te springen.
En toen Raffles de hand door dat gat heenstak, voelde hij iets
knisteren, hij haalde een opgevouwen briefje te voorschijn....
Het was van zacht ivoorkleurigen tint, en rook sterk naar viooltjes.
De korte inhoud, met potlood geschreven, luidde als volgt:
—Lieve Austin! Ik wil je alles vergeven, ik wil alles vergeten, en geld
wil ik ook niet hebben! Ik wacht je vanavond, na afloop van de
voorstelling op den hoek van het spoorwegdepôt in Paddington. Twaalf
uur! Ik heb je lief! Je Nelly.
Raffles liet het briefje haastig in zijn zak glijden en hing den rok
weder weg.
Terwijl hij dit deed, ging de deur open en Grammont verscheen op den
drempel.
Hij bleef even staan waar hij stond en vroeg toen:
—Wat voer je daar uit, Dayton?
Raffles meende wantrouwen in de stem te hooren.
Hij had zich spoedig van zijn schrik hersteld en antwoordde onderdanig:
—Ik wilde mij even overtuigen, dat de rokcostuums van mijnheer in orde
zijn, ik meende mij te herinneren, dat er een gat was in een der
achterzakken van uw besten rok.....
Grammont keek den gewaanden butler strak aan, en Raffles meende op te
merken, dat zijn oogen snel achter elkander eenige malen knipten, als
van iemand, die eensklaps van de duisternis in het licht komt.
Toen zeide de bankier:
—Laat dat maar! Je behoeft niet zoo bijzonder ijverig te zijn! Doe
dergelijke dingen als ik het je beveel, en anders niet! Begrepen?
Raffles maakte een zwijgende buiging en sloot de kast.
—Mijnheer eet thuis?
—Waarvoor dacht je, dat ik anders hier kwam? zeide Grammont norsch.
Haast je maar wat! Ik heb een afspraak voor hedenavond.
—Ik zal zeggen, dat de kok zich moet reppen, mijnheer! hernam Raffles
en hij verliet in gebogen houding het vertrek.
Maar op de mat voor de deur stond hij even stil en bromde voor zich
heen:
—Dat verloren briefje, dat vodje papier, dat je over het hoofd hebt
gezien, kon je wel eens aan de galg brengen, mijnheer de Onbekende!
Hij ging weder de trap af, en nam in de vestibule de telefoon van de
haak.
Hij liet zich in verbinding stellen met het kleine hotel, waar hij
Dayton had achtergelaten en verzocht den portier den butler aan het
toestel te roepen.
En daarop ontspon zich het volgende, korte gesprek.
—Ik ben het, Dayton, je vriend van zooeven! Zeg mij eens spoedig, of
mijnheer Grammont kennis heeft aan een of andere dame, waarschijnlijk
een artiste, die Nelly heet!
—Ja zeker, mijnheer! Maar dat is al een paar maanden uit, als ik mij
niet vergis, die jonge dame maakte heel wat geld stuk en met haar trouw
was het niet bijzonder gesteld!
—Maar mijnheer Grammont hield zeker zeer veel van haar?
—Hij was gek met haar! Wel drie keeren heeft hij haar gesmeekt, het
toch weer goed te maken! Dan bleef zij hem ook weer een tijd trouw,
maar lang duurde het nooit!
—Kun je mij zeggen, of mijnheer Grammont op den dag van de inbraak een
brief van haar heeft gekregen?
—Laat eens even zien, ja, dat is wel mogelijk! Omstreeks vijf uur in
den middag kwam een man, die er wel wat als een tooneelknecht of iets
dergelijks uitzag, een briefje brengen.
—Hoe zag het er uit?
—Langwerpig, ivoorkleurig... en het rook sterk naar viooltjes, naar ik
mij meen te herinneren.
—Ik dank je, Dayton, dat is voorloopig voldoende! Blijf maar trouw op
je post, ik kan je zeggen, dat alles goed gaat, in dien zin, dat ik aan
den vooravond sta, een zeer zwaar misdrijf aan het licht te brengen!
Raffles hing het toestel weder aan den haak, en bemoeide zich nu
uitsluitend met het middagmaal.
En zoo voortreffelijk vervulde hij zijn rol, dat de overige bedienden,
noch de heer des huizes, noch de huishoudster, ook maar een seconde aan
zijn waren aard twijfelden.
Grammont at vlug, en scheen in gedachten verdiept, ofschoon Miss
Hotspur nu en dan een poging waagde, een gesprek aan te knoopen.
Maar tegen het dessert zeide Grammont eensklaps:
—Luister eens, Miss Hotspur! Ik moet morgen op reis, het zal wel een
verre reis worden, ik denk Indië of Australië, ik weet het nog niet
zeker. In ieder geval blijf ik minstens een half jaar weg!
—Lieve hemel, mijnheer, hoe komt u daar zoo ineens op, riep Miss
Hotspur uit, terwijl zij de handen van verbazing in elkaar sloeg.
—Het is een inval van mij! antwoordde Grammont ongeduldig. Ik had het
al lang moeten doen, ik wil daarginds een paar zakenvrienden gaan
bezoeken. Wat u betreft, gij kunt natuurlijk hier blijven, maar als gij
liever naar uw ouders gaat....
—Mijn ouders? herhaalde de huishoudster en haar oogen werden vochtig.
Is u dan nu reeds vergeten, dat de goede oudjes op denzelfden dag om
het leven zijn gekomen, een half jaar geleden?
Grammont bromde iets, dat op een verontschuldiging moest lijken, en
wierp zijn servet naast zich neer.
Hij stond op, haalde zijn sigarettenkoker te voorschijn, en vervolgde,
als terloops:
—Wat de bedienden aangaat, zij kunnen wel zoolang verlof nemen, en als
hun dat niet schikt, dan houd ik hen niet tegen, wanneer zij elders een
andere betrekking kunnen krijgen!
—Het klopt! het klopt alles als een bus! mompelde Raffles zachtjes voor
zich heen. De schurk wil zich maar het liefst ontdoen van allen, die
Grammont goed gekend hebben! En die reis is ook goed bedacht! Op die
manier vergeet men de inbraak en de rest! Maar John Raffles is er ook
nog, mijnheer Grammont, of wie je dan zijn mag!
De bankier had het vertrek reeds verlaten en een oogenblik later hoorde
Raffles hem bezig in zijn slaapkamer.
Hij stond even te luisteren, en daalde toen naar het bediendenvertrek
af.
En onderweg maakte hij bij zichzelf de opmerking:
—Als de kerel werkelijk morgen op reis wil gaan, dan is het tijdstip om
handelend op te treden, aangebroken.
HOOFDSTUK VII.
DE HAND VAN HET NOODLOT.
Den volgenden morgen, toen het nauwelijks negen uur had geslagen, hield
een huurauto stil voor het huis in Harrow Road.
Daaruit stapte een man met een gebruind intelligent gelaat, die een
klein reisvalies in de hand hield.
Hij rekende met den chauffeur af en trad op de huisdeur toe.
Raffles bevond zich toevallig in de vestibule, daar hij de gangen van
het wild tot iederen prijs wilde nagaan, en daarom opende hij de deur.
Hij keek wat verbaasd naar den heer in het reiscostuum, die op de stoep
stond, en vroeg:
—Wat is er van uw dienst, mijnheer?
—Wat is dat nu, Dayton, ken je mij niet meer? riep de bezoeker lachend
uit. Kom, kom, zoo ben ik toch niet veranderd! Zeg maar spoedig aan
mijnheer, dat ik er ben!
—Maar mijnheer Grammont is nog niet eens opgestaan! gaf Raffles te
kennen.
—Dan zal ik hemzelf wel gaan wakker maken! hernam de ander. Voor zijn
eigen broeder zal hij toch wel geen bezwaren maken! En vooral niet, als
die hem in zes jaren niet gezien heeft!
—Zijn broeder! herhaalde Raffles, een stap terugwijkend.
—Vindt je dat zoo verwonderlijk, hernam de bezoeker, op zijn beurt
verbaasd. Je kent me dus inderdaad niet meer?
In plaats van op deze vraag te antwoorden, trok Raffles den broeder van
Grammont tot diens groote verwondering in de vestibule, sloot de deur
en voerde hem haastig naar een kleine zijkamer.
Toen begon hij met gedempte stem:
—Luister mijnheer Grammont! Ik ben Dayton niet! Ik neem slechts zijn
plaats in, ik ben een particuliere detective.
De ander slaakte een kreet van ontsteltenis en verbazing, en riep toen
verschrikt uit:
—Wat moet dat beteekenen? Wat is er dan gebeurd? Ik kom zooeven van het
station na zes jaren in Bombay te zijn geweest en ik weet van niets.
Waarom is u hier als detective in het huis van mijn broeder?
—Uw broeder, mijnheer, moet ik vreezen, behoort niet meer tot de
levenden! zeide Raffles op zachten, ernstigen toon.
—Wat zegt gij daar! riep Grammont uit, terwijl hij verbleekte en
Raffles bij den arm greep. Wat is er dan met hem geschied?
—Ik vrees, dat hij vermoord is, en dat de man, die het deed, hier thans
als Austin Grammont in dit huis vertoeft!
De bezoeker liet zich op een stoel neervallen en staarde ontzet voor
zich uit.
Een tijd lang heerschte er stilte in het vertrek.
Toen hief Philip Grammont plotseling het hoofd op, en zeide:
—Hoe is dat mogelijk? Iedereen moet dat bedrog dan toch dadelijk gezien
hebben, tenzij....
—Tenzij de moordenaar trek voor trek op Uwen broeder geleek, vulde
Raffles den zin aan.
Eensklaps gaf Philip Grammont een schreeuw en riep, bleeker dan een
laken:
—Dan weet ik, wie het geweest moet zijn! Ik zal het u zeggen, ik heb
zes jaren in Bombay gewoond en daar ontmoette ik een paar jaar geleden,
bij toeval op een groote bijeenkomst een man, die zoo sprekend op mijn
broeder geleek, dat ik zelf mij zou hebben vergist en hem bijna zou
hebben aangesproken. Zijn naam kwam voor op de lijst van sprekers van
dien avond, hij heette Gordon Finn, en toen ik hem op het podium zag
staan, was de gelijkenis nog sterker, zoo sterk, dat ik waarlijk een
oogenblik meende, dat mijn broeder, de hemel mag weten om welke
redenen, onverhoeds uit Londen naar Bombay was gekomen, om daar, onder
een aangenomen naam, een redevoering te houden op een politieke
vergadering. Ik verloor den man echter uit het gezicht en ik heb daarna
nooit meer iets van hem gehoord.
—Dan is er toch iets onbegrijpelijks, hoe is het dan mogelijk, dat die
man van het bestaan van een dubbelganger hier te Londen afwist? Het zou
wel zeer toevallig zijn geweest, als hij juist daarna naar Londen was
vertrokken en in die korte spanne tijd uw broeder had gezien.
Met de vuisten tegen het voorhoofd gedrukt, dacht Philip Grammont een
oogenblik na, en riep toen uit:
—Ja, zoo kan het geweest zijn! Ik herinner mij nu zeer goed, dat mijn
broeder mij omstreeks een jaar geleden, een zeer bekend Londensch
tijdschrift toezond, het welk ook veel in Bombay wordt gelezen, en
waarin op de voorste pagina een bijna levensgroot portret van hem
voorkwam, ik geloof, naar aanleiding van het feit, dat hij als
president van de Economische Vereeniging was benoemd.
—Dat zou veel ophelderen! hernam Raffles. De moordenaar, Gordon Finn,
kan dat portret zeer goed hebben gezien achter het raam van een
boekwinkel, hij heeft uit het korte onderschrift kunnen nagaan, dat uw
broeder zeer rijk was, en toen was zijn plan gemaakt!
—Maar hoe weet gij dit alles, wat is er dan met mijn broeder geschied?
Wanneer is hij gedood? Zijt gij de eenige, die het weet of vermoedt?
—Tracht bedaard te blijven, mijnheer Grammont dan zal ik u alles
mededeelen, zeide Raffles.
En nu verhaalde hij den man, die door het noodlot naar de plaats scheen
te zijn gevoerd, waar zijn broeder door moordenaarshand was gevallen,
alles wat den lezer reeds bekend is, natuurlijk zonder zijn waren aard
te verraden, en terwijl hij zich uitgaf voor particulier detective.
Hij verzweeg niets, noch de nachtelijke rit van den gewaanden Grammont,
met het geheimzinnige valies, noch het vreemde optreden van Sherif, den
terrier, noch de vergissing, welke de moordenaar had begaan, en ook
niet het briefje van de variété artiste, dat hij in den uitgescheurden
zak van het rokcostuum van Austin Grammont had gevonden.
Maar één ding was er, dat hij niet verried, en dat was de eerste
aanleiding tot zijn wantrouwen, het feit, dat de gewaande Grammont aan
de politie had verklaard dat hij in den nacht van de inbraak thuis was
geweest.
Toen Raffles zijn verhaal beëindigd had, bleef Philip Grammont eenigen
tijd onbeweeglijk zitten, met het hoofd in de handen gesteund.
Maar toen sprong hij op, en riep op woesten toon:
—Is die ellendeling niet hier?
—Ja, hij is in zijn slaapkamer, hij wilde hedenmiddag op reis gaan,
naar Australië of Indië.
—Dan ga ik aanstonds naar hem toe, ik sla hem op de plaats dood.
En reeds ijlde hij naar de deur, maar Raffles trad hem in den weg en
greep hem bij den arm.
—Laat die daad aan de justitie over, zeide hij op ernstigen toon.
Ondanks alles zouden wij ons wellicht nog kunnen vergissen! Ik verzeker
u, dat hij ons niet zal ontkomen, maar eerst moeten wij al de mogelijke
bewijzen bijeen zamelen, dat is slechts een kwestie van eenige uren, en
de schurk zal geen voet verzetten, zonder dat ik hem naga, of laat
nagaan.
—Goed, ik zal nog een paar uren geduld oefenen! gromde Philip Grammont.
Zorg gij slechts voor de bewijzen, dat is uw taak.
—Ik zeide u reeds, dat het gelaat van den doode door slaan met een
ijzeren staaf, zoodanig was misvormd, dat het volstrekt niet meer te
herkennen viel, maar gij zijt de broeder van het slachtoffer. Misschien
weet gij wel een herkenningsteeken!
Philip Grammont dacht slechts even na en riep toen uit:
—Ja, er is er één! Austin is als jongen eens door een kameraadje met
een pennemes bij ongeluk in het hoofd gestooten. De wonde maakte een
groot litteeken, dat echter door het hoofdhaar bedekt werd. Het
litteeken moet zich aan de rechterzijde van het oog bevinden, schuin
boven het oor!
—Dan zullen wij dat dadelijk gaan onderzoeken, mijnheer Grammont. Ook
zullen wij den terrier halen, zoo mogelijk den chauffeur van de
huurauto met het nummer N. L. 3717, die dien man gereden heeft, en als
hij dan nog ontkend, zouden wij de politie te Bombay in den arm kunnen
nemen. Ik zal een mijner helpers hier telefoneeren, en als die hier
eenmaal is, dan ontkomt Gordon Finn niet meer, daarvan geef ik u de
verzekering. Wacht een oogenblik, dan zal ik telefoneeren.
Even later stond Raffles aan het telefoontoestel en sprak met Charly en
Henderson.
Zij moesten beiden met den terrier in een van de kleine auto’s tot
dicht bij het huis te Harrow Road rijden, goed acht geven op de
voordeur van het huis, en in geen geval toestaan, dat Grammont zich
naar een of ander station begaf. Mocht hij dit inderdaad doen, dan
moesten zij de politie waarschuwen, die dan aanstonds tot arrestatie
kon overgaan. In het tegenovergestelde geval, dus als de moordenaar het
huis niet verliet, moesten zij rustig wachten op de komst van Raffles
en den broeder van het slachtoffer.
Toen dit alles geregeld was, wendde Raffles zich tot Philip Grammont en
zeide:
—Ik moet voorloopig hier blijven, ten eerste om geen argwaan te baren,
en vervolgens om den man, die hier nu is, in het oog te houden, totdat
mijn helper mijn plaats inneemt. Gij kunt u in dien tijd naar Scotland
Yard begeven en daar verzoeken dat men het hoofdhaar van den vermoorde
afscheert, zoodat men zich kan overtuigen, of het litteeken werkelijk
aanwezig is. In dat geval is iedere twijfel natuurlijk buitengesloten.
Maar let nu wel op. Gisteren zijn er twee zoogenaamde provincialen
geweest met den terrier om namens een gewaanden neef te Orpington het
lijk te identificeeren. Een van die provincialen was ik. De hond jankte
bij die gelegenheid erbarmelijk, reeds toen was ik er zeker van, dat
hij zijn meester herkende. Gij kunt dat alles daarginds mededeelen, zij
zullen wel begrijpen, waarom ik die rol speelde. Als particulier
detective stel ik er natuurlijk prijs op de officieele politie een
vlieg af te vangen.
—Ik zal doen, zooals gij mij voorschrijft, en ik dank u voor Uwe
bemoeiingen! Later zullen wij dat alles wel regelen, naar ik hoop!
—Dat heeft volstrekt geen haast, mijnheer Grammont, zeide Raffles met
een zonderlingen glimlach, en ga nu spoedig, hij mag in geen geval
vertrekken vanmiddag.
—Welk een terugkomst, zeide Philip Grammont met een smartelijken zucht.
Wij hadden niemand dan elkander op de wereld. Met opzet had ik mijn
broeder niet gewaarschuwd, om hem te kunnen verrassen!
Hij nam zijn hoed en ging het vertrek uit, na Raffles de hand te hebben
toegestoken.
—Neem ook uw valies mee, hij mag niet weten, dat hier iemand geweest
is. En wacht totdat ik mij heb overtuigd, dat alles veilig is.
Hij betrad het eerst de vestibule, en wenkte toen den bezoeker, die
haastig de vestibule overstak, de voordeur opende en Raffles nog eens
toeknikte en haastig verdween.
Door de deur zag Raffles hoe hij een huurauto aanriep, instapte en
wegreed.
Aan de somberste gedachten ten prooi, zat Philip Grammont in een hoek
van de huurauto gedoken.
Het was hem goed gegaan in Bombay en hij hoopte de rest van zijn leven
in Engeland te kunnen doorbrengen, in gezelschap van zijn broeder, voor
wien hij altijd een groote genegenheid had gevoeld.
Verheugd en opgewekt had hij zich van het Victoria Station naar het
groote huis in Harrow Road laten brengen, en daar werd hij door zulk
een vreeselijke tijding ontvangen.
Hij was volstrekt niet op de hoogte van wat er geschied was, want een
dag geleden was hij nog op zee.
Hij keek op, toen de auto stilhield voor het sombere gebouw in Downing
Street, stapte uit en beval den chauffeur te wachten.
Door den dienstdoenden agent liet hij zijn kaartje naar den
hoofdcommissaris brengen, even later stond hij tegenover dezen beambte.
Hem werd een stoel aangewezen, maar Philip Grammont bleef staan en
zeide op doffen toon:
—Ik zal u niet al te lang lastig vallen, mijnheer, ik wilde gaarne het
lijk zien van den man, die eergisterennacht geheel ontkleed en met
vreeselijke hoofdwonden op het spoorweg-emplacement van Paddington is
gevonden.
De hoofdcommissaris schudde het hoofd en zeide:
—Het spijt mij mijnheer, maar ik meen als zeker te mogen aannemen, dat
gij een vruchteloos bezoek komt brengen. Er zijn reeds een paar lieden
uit de provincie geweest met een hond, en er was geen sprake van of het
dier herkende het lichaam. Wij verwachten ieder oogenblik den broeder
van het slachtoffer.
—Ik ben de broeder van den doode, mijnheer, hernam de man op schorren
toon. En de terrier was zijn eigendom. De lieden, die hier gisteren
geweest zijn, waren particuliere detectives.
En nu deelde de ongelukkige man aan den hoofdcommissaris mede, wat
Raffles hem zooeven had verteld.
Deze had aandachtig geluisterd, maar nu vertoonde zich een trek van
ongeduld op zijn gelaat, toen hij zeide:
—Die heeren van den particulieren detectivendienst gaan altijd heel
geheimzinnig te werk, naar het schijnt, zij trachten ons altijd een hak
te zetten. Ik moet echter erkennen, dat in dit bijzondere geval, uw
zegsman het wel eens aan het rechte eind kon hebben! Maar kunt gij mij
heelemaal geen herkenningsteeken opgeven?
—Boven het rechteroor, door het haar verborgen, heeft mijn broeder een
ruitvormig litteeken! Hij kreeg het als jongen van twaalf jaar en toen
hem op dertigjarigen leeftijd zijn hoofdhaar wegens een
hersenaandoening totaal moest worden afgeschoren, bevond dat litteeken
er zich nog steeds.
—Wij zullen het aanstonds zien, mijnheer, hernam de commissaris kortaf.
Dadelijk nam hij het telefoontoestel ter hand en bestelde den barbier,
die steeds voor dergelijke lugubere werkjes disponibel was.
Tien minuten later was de man ter plaatse, en gezamenlijk begaf men
zich naar het lijkenhuisje, waar het lichaam van den doode nog altijd
op de steenen tafel lag uitgestrekt.
Doodsbleek, met gebalde vuisten, bleef Philip Grammont op den drempel
staan, terwijl de barbier vlug het hoofdhaar aan de rechterzijde begon
af te knippen.
Vijf minuten verliepen, en toen boog de commissaris zich over het hoofd
van den doode heen, en zeide op gedempten toon:
—Daar is het litteeken!
Met een kreet wierp Philip Grammont zich naast het stoffelijk overschot
en barstte in hartstochtelijk snikken los.
Een oogenblik liet hij aan zijn smart den vrijen loop, maar toen sprong
hij op en riep op woesten toon:
—Ik weet wie de moordenaar is, mijnheer! Ja, het kan niet anders! Ik
weet ook waar hij is! Kunt gij mij niet met eenige manschappen
vergezellen?
En nu zette hij in kort afgebeten, nu en dan verwarde zinnen uiteen,
wat hem een half uur geleden ervaren was.
Met de grootste aandacht had de hoofdcommissaris toegeluisterd, en toen
de ongelukkige broeder zweeg riep hij uit:
—Ik zal u dadelijk een inspecteur en twee man meegeven, voorzien van
een bevel tot inhechtenisneming.
Als alles zich inderdaad zoo heeft toegedragen, als die particuliere
detective zegt, dan valt er niet aan te twijfelen, of de man, die daar
nu in het huis is, moet de moordenaar zijn.
Hij gaf snel eenige bevelen, en een oogenblik later reed Philip
Grammont weder naar het huis in Harrow Road terug, thans in gezelschap
van een inspecteur van politie en twee rechercheurs.
Op vijftig pas afstand van het bankgebouw stond een kleine auto te
wachten, achter welk stuurwiel een man van reusachtigen lichaamsbouw
gezeten was, het was Henderson, de trouwe helper van John Raffles die
daar met het geduld van een kat op zijn post was, in gezelschap van
Charly Brand, die voortdurend het huis in het oog hield.
De jonge man glimlachte, toen hij de auto zag voorbijrijden en
stilstaan voor de deur van het groote huis.
Hij had den hem welbekenden hoofdinspecteur herkend.
Hij boog zich even voorover in den open wagen en zeide op zachten toon
tot Henderson:
—Ik geloof, dat wij wel rechtsomkeert kunnen maken, Henderson, zij
zullen het alleen wel afkunnen. Maar wij zullen toch eens wachten of
zij met het wild weder te voorschijn komen.
Intusschen waren de politiebeambten en Grammont snel uitgestapt en op
de voordeur toegetreden.
Raffles had zeker op den uitkijk gestaan, want de voordeur werd
dadelijk geopend en de gewaande butler liet hen binnen.
Hij wendde zich dadelijk tot den inspecteur van politie en zeide op
zachten toon:
—Hij is in zijn slaapkamer, ik geloof, dat hij bezig is met zijn haar
te verven, voor zoover ik door het sleutelgat heb kunnen zien. Ik zal u
den weg wijzen, maar maak geen leven, want een man als hij is tot alles
in staat. Ik zal met een voorgewende boodschap naar hem toegaan en als
de deur eenmaal open is, volgt de rest vanzelf. Mocht hij evenwel niet
opendoen, dan zal ik u langs een anderen weg naar het breede balcon
voeren, dat over een groot gedeelte langs den voorgevel loopt, en gij
kunt dan de balkondeuren wel indrukken.
Sluipend gingen de vijf mannen de trap op.
Op de eerste verdieping kwamen zij Miss Hotspur tegen, die een kreet
van verbazing bijna niet kon onderdrukken, toen zij aangevoerd door den
butler, de vijf mannen zag naderen.
Maar Raffles nam haar terzijde en beet haar toe:
—Geen geluid, wat ik u verzoeken mag! Ga maar naar beneden, gij zoudt
ons hier maar in den weg loopen.
De huishoudster was zoo verbluft, over deze zonderlinge bejegening, dat
zij als Lot’s huisvrouw stokstijf op dezelfde plaats bleef staan en met
open mond het groepje nastaarde, totdat het om den hoek van de trap
verdwenen was.
Daar gekomen, legde Raffles den vinger op den mond en zeide zoo zacht,
dat het bijna niet te hooren was:
—Druk u nu zoo dicht mogelijk tegen den muur, totdat de deur open is.
Vervolgens begaf hij zich, gewoon loopend, en zijn keel schrapend,
zooals hij dit ook bij Dayton had opgemerkt, naar de deur van de
slaapkamer, klopte aan en zeide:
—Een telegram voor mijnheer.
—Schuif het maar onder de deur door, kwam het norsche bevel.
Dat was lastiger, maar Raffles liet zich niet zoo spoedig vangen.
Hij deed alsof hij poogde iets onder de deurreet door te schuiven en
zeide toen:
—Het gaat niet, mijnheer.
—Leg het dan maar op de tafel in mijn werkkamer.
Dat was alweer een streep door de rekening.
Raffles keerde op zijn schreden terug, en bracht de politiebeambten
langs een zijgang naar de groote biljartzaal, waar hij het balkonraam
opende, en toen zeide:
—Dit is het balcon, het is het derde raam, dit medegerekend. Ik zelf
zal teruggaan en bij de gangdeur post vatten, als hij daardoor soms
mocht trachten te ontsnappen.
Terwijl Raffles over de breede gang terugsloop, verdwenen de
politiebeambten langs het balcon.
Hij kon nog nauwelijks eenige tellen zijn post voor de deur hebben
ingenomen, toen het geluid van brekend glas zijn oor trof, gevolgd door
een luiden, op heeschen toon geuiten vloek.
Dadelijk daarop kraakte een schot, en daarop volgde het geluid van een
worsteling.
Raffles draaide aan de kruk van de deur, zij was gesloten.
Hij haalde zijn bos loopers te voorschijn en had in een oogwenk het
slot geopend.
Toen hij binnentrad, zag hij een verwarde kluwen menschenlichamen over
den vloer heen en weer rollen.
In een hoek van het vertrek lag een agent, zwaar gewond door een schot
in den arm.
De moordenaar was een krachtig en gespierd man, en hij begreep, dat hij
voor zijn leven vocht.
Hij wierp de twee mannen, met wie hij worstelde, herhaaldelijk van zich
af, maar de inspecteur was zelf een gespierd man en toen hij er in
slaagde, den rechterarm van Gordon Finn op zijn rug te wringen, toen
was de strijd beslist.
Er klikte iets met metalen geluid en de moordenaar staarde als verwezen
op zijn geboeide polsen.
Toen haalde hij met een cynisch gebaar de schouders op en zeide:
—Gij zijt de sterkste geweest, ik geef mij gewonnen! Als die vervloekte
gelijkenis er niet geweest was, dan zou het hiertoe niet gekomen zijn.
Ik denk...... dat nu de galg wel het einde zal zijn.
Gordon Finn had goed geraden, drie weken later werd hij door de Jury
tot den strop veroordeeld.
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0344: HET RAADSEL VAN HARROW ROAD ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you
are not located in the United States, you will have to check the laws
of the country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
the use of Project Gutenberg works calculated using the method
you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
within 60 days following each date on which you prepare (or are
legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
payments should be clearly marked as such and sent to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
License. You must require such a user to return or destroy all
copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free
distribution of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.