Lord Lister No. 0046: Vereeniging ter bevordering der goede zeden

By Kurt Matull et al.

The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0046: Vereeniging ter bevordering der goede zeden
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0046: Vereeniging ter bevordering der goede zeden

Author: Kurt Matull
        Theo von Blankensee


        
Release date: May 14, 2026 [eBook #78680]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78680

Credits: The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0046: VEREENIGING TER BEVORDERING DER GOEDE ZEDEN ***




                              LORD LISTER
                            GENAAMD RAFFLES
                          DE GROOTE ONBEKENDE.

         NO. 46   VEREENIGING TER BEVORDERING DER GOEDE ZEDEN.








VEREENIGING TER BEVORDERING DER GOEDE ZEDEN


EERSTE HOOFDSTUK.

BAXTER WORDT PRESIDENT.


De inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, de almachtige chef
van de Londensche recherche, was zeer ontstemd op zijn bureau gekomen
en ergerde zich, omdat zijn secretaris Marholm, of zooals de Londensche
misdadigers hem noemden, de Vloo, niet aanwezig was.

Zelfs het genot van zijn pijpje kon hem niet in de goede stemming
terugbrengen.

Onmiddellijk drukte Baxter op het knopje van de electrische bel op zijn
schrijftafel,  waarop uit het aangrenzende vertrek een der dienstdoende
agenten binnentrad.

„Waar is secretaris Marholm?” snauwde Baxter hem toe.

Het antwoord luidde:

„Secretaris Marholm heeft een brief gezonden, die op de schrijftafel
van den inspecteur ligt”.

Terwijl de politieagent nog wachtte, opende Baxter den brief en las:


    „Waarde inspecteur!

    De vorige week zijt gij drie dagen ziek geweest en ik moest toen uw
    dienst alleen waarnemen. Daar het vandaag ook zulk prachtig weer
    is, neem ik de vrijheid, eveneens ziek te zijn en verzoek u mijn
    werk er bij te willen doen. Met beste groeten.

        Marholm.”


Een oogenblik staarde Baxter onafgewend naar den brief.

Daarop barstte hij los:

„Een dergelijke onbeschaamdheid heb ik nog nooit beleefd. Deze
brutaliteit overtreft alles! Daarenboven ligt er hier een hoop werk
voor hem. Dat zou hij wel willen, dat ik ging zitten om zijn werk te
doen!

„De duivel hale dien kerel, ik zou graag een anderen secretaris willen
hebben, maar helaas — —”

Hij zuchtte woedend.

„Ik kan onder die domme beambten geen enkelen vinden, die in staat is
een acte te schrijven, die leesbaar is en zonder taalfouten.”

„Met woest rollende oogen wendde hij zich tot den bij de deur staanden
politieagent:

„Zend onmiddellijk mijn secretaris naar het bureau!”

„Tot uw dienst, inspecteur!” klonk het terug.

Baxter ging nu aan zijn schrijftafel zitten en begon de ingekomen
stukken te lezen.

De tweede brief, dien hij opende, droeg het gedrukte opschrift:


    „Vereeniging ter bevordering der goede zeden.

    Geachte heer!

    Ondergeteekende, president Sir Edwin Harper, heeft de eer u te
    verzoeken, tweede voorzitter te worden van de Vereeniging ter
    bevordering der goede zeden in Engeland.

    Zooals u waarschijnlijk bekend is, staat onze Vereeniging onder
    bescherming van Z. K. H. den hertog van Norfolk.

    Onder zijn voorzitterschap heeft aanstaanden Donderdag een
    feestmaal plaats ter viering van het tienjarig bestaan, in hotel
    Cecilia.

    De president is zoo vrij, u tot dezen feestmaaltijd uit te noodigen
    en verzoekt u op de bijeenkomst den hertog van Norfolk te willen
    mededeelen, dat gij het tweede voorzitterschap aanvaardt.

    Een eeretoelage van 500 pond sterling per jaar is aan deze
    betrekking verbonden, ten einde de onkosten te dekken, welke de
    werkzaamheden medebrengen.

    Op voorstel van verschillende onzer leden is de keus op u gevallen
    voor het vervullen van deze betrekking en het zou ons verheugen,
    een toestemmende beslissing te mogen vernemen.

        De president
            Edwin Harper.”


De misnoegde uitdrukking was van het gelaat van den inspecteur
verdwenen.

Zijn ijdelheid was door dit aanbod in de hoogste mate gestreeld en
zacht mompelde hij:

„Natuurlijk neem ik dat aan! Ik zou wel dwaas zijn, als ik het afsloeg!
Men moet altijd trachten, relaties te krijgen met menschen, die hooger
staan dan wijzelf en de hertog van Norfolk is, voor zoover ik weet, een
intiem vriend van den koning. Ik zal den president onmiddellijk
antwoorden. — —

„Marholm!”

Hij keek paar de ledige plaats van zijn secretaris en had geheel
vergeten, dat deze niet aanwezig was! Hij keek weer ontstemd en
vloekte:

„Het is eenvoudig ongelooflijk. Altijd als men dien man noodig heeft,
is hij er niet.

„De duivel moge hem halen!

„Er zal mij niets anders overblijven dan den president zelf te
schrijven.”

Hij nam een vel papier, doopte zijn pen in en dacht na.

Na eenige minuten begon hij:


    „Hooggeachte heer president!”


Verder kwam hij niet.

„Als ik nu maar wist, of de president dit kan lezen. Het is echter mijn
schuld niet, maar die van mijn leeraren, die het mij niet beter hebben
geleerd.

„Ik betwijfel werkelijk, of iemand het zal kunnen lezen,” mompelde hij
nadenkend. „Ik zal het nog eens probeeren!”

Hij nam een ander velletje en begon opnieuw, zorgvuldig de pen
hanteerend:


    „Hooggeachte heer president!”


Daarop vergeleek hij de beide stukken met elkaar en bekeek ze op
eenigen afstand.

Geen der twee vond hij goed genoeg en beide zoo onleesbaar, dat alleen
hij, die het had geschreven, het lezen kon.

Het waren merkwaardig onduidelijke letters, die hem toegrijnsden.

Opnieuw begon hij op Marholm te vloeken, daarop nam hij, om zijn woede
te luchten, de beide velletjes papier, kneep ze in elkaar en slingerde
ze in de papiermand.

Op dit oogenblik werd de deur geopend en de vurig verlangde Marholm
trad met een glimlach op het gelaat de kamer binnen.

„Goeden morgen, inspecteur”, riep hij, „wat is er aan de hand?”

„Voor den duivel, Sir!” schreeuwde Baxter, „wat bezielt je eigenlijk?
Ik ben verbaasd over zooveel brutaliteit, hoe durf je het wagen?”

„Ik ben ziek,” antwoordde de Vloo, steeds vroolijk glimlachend.

„Ziek? Zijt gij ziek? Gij straalt van gezondheid en lacht zoo vroolijk,
alsof gij van het een of andere prettige feestje kwaamt. Welke ziekte
hebt gij? Wilt gij mij dat eens opgeven?”

„Jawel,” antwoordde Marholm lachend, „ik heb rheumatiek!”

„Rheumatiek?” vroeg Baxter. „Al hadt gij dat, dan zou dat nog geen
reden zijn om uit het bureau weg te blijven.”

„Natuurlijk,” antwoordde de secretaris, „ik ben niet in staat om dienst
te doen.”

„Hoor eens,” schreeuwde de inspecteur, „als alle menschen, die
rheumatiek hebben, zoo flink op hun beenen staan als gij, dan zou ik
die kwaal wel willen hebben.”

„Wie zegt u, dat mijn knieën niet knikken?” vroeg de Vloo.

„Waar hebt u pijn?”

„In den arm!”

„In welken? Toch niet in den rechter?”

„Ik had nooit gedacht, dat gij zoo goed zoudt kunnen raden,” lachte
Marholm.

Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel.

„Gij wilt mij zenuwachtig maken, man, gij liegt natuurlijk!”

„Volstrekt niet,” klonk het op drogen toon. „Ik kan geen pen
vasthouden. Ik kan mijn eigen naam niet eens zetten!”

„Een mooie toestand!” kermde Baxter, „maar—” zijn gelaat helderde
plotseling op— —

Hij ging naar Marholm toe en hield hem, zooals hij dat gewend was, bij
een van zijn jasknoopen vast.

„Luister eens, Marholm,” sprak hij, terwijl hij den knoop begon rond te
draaien.

„Ja, ik luister,” antwoordde de Vloo, „maar ik verzoek u vriendelijk,
mijn knoop te laten zitten!”

„Gij zijt een slecht mensch,” sprak Baxter, „ik heb u op bedrog
betrapt!”

„Nonsens!” riep de secretaris uit. „Ik zal er niet invliegen. Gij wilt
zeker probeeren, mij beet te nemen.”

„En toch is het waar?”

De Vloo keek ongeloovig en haalde de schouders op.

„Wilt gij mij eens verklaren,” vervolgde de inspecteur, „als gij
rheumatiek in den rechterarm hebt en geen pen kunt hanteeren, wie dan
hedenmorgen dien brief voor u heeft geschreven?”

„Wel, ikzelf natuurlijk,” antwoordde de secretaris.

„Allright,” knikte Baxter, „en gij wilt mij wijsmaken, dat gij
rheumatiek in den rechterarm hebt? Neen, mijn waarde heer! Wie zulke
brieven kan schrijven, lijdt daar niet aan. Neem nu aan de schrijftafel
plaats en schrijf, wat ik u zal dicteeren.”

„Onmogelijk,” antwoordde de secretaris hoofdschuddend. „Toen ik den
brief schreef, had ik nog geen rheumatiek, maar een zeker geprikkel in
de vingertoppen voorspelde mij, dat ik het zou krijgen en dat is
uitgekomen ook!”

„Gij zijt onverbeterlijk!”

Deze woorden warden met groote zelfbeheersching uitgesproken want de
chef van Scotland Yard spande zich in om niet woedend te worden, omdat
hij brandde van verlangen om den brief aan den president te dicteeren.

„Maar,” vervolgde hij. „Misschien staat uw ziekte u toe, een klein
briefje voor mij te beantwoorden. Lees eens, welk schrijven ik
ontving.”

Hij overhandigde Marholm den brief en terwijl deze las, stak hij een
sigaar op. Zoodoende kon hij het vroolijke lachje niet zien, dat bij
het lezen van den brief om den mond van de Vloo speelde.

Marholm legde den brief neer en trok zijn overjas uit.

Toen Baxter dat zag, kwam een zucht van verlichting over zijn lippen.

„Als gij werkelijk rheumatiek hebt, mijn beste Marholm,” sprak hij op
vaderlijk bezorgden toon, „dan verzoek ik je om, nadat je dezen brief
hebt geschreven, weer naar huis te gaan. Gij kunt dan morgen wel
inhalen, wat er vandaag te doen was.

„Ik weet uit eigen ervaring, hoe men onder die ziekte kan lijden.

„Dus, zooals afgesproken, gij zult den brief voor mij schrijven,
nietwaar?”

„Als gij het wilt aannemen, ben ik er gaarne toe bereid.”

Marholm sprak op een eigenaardigen, ironischen toon, maar Baxter merkte
het niet. Hij zette zijn borst vooruit en begon te dicteeren:


    „Hooggeachte heer president!

    Uw aanbod om het tweede voorzitterschap der Vereeniging ter
    bevordering der goede zeden aan te nemen, is mij een buitengewone
    eer.

    Ik ben gaarne bereid erop in te gaan. Niet alleen ter wille van het
    aangename gezelschap en de relatie met mannen uit de hoogste
    kringen, welke deze positie meebrengt, maar vóór alles, omdat ik
    zelf sinds jaren een ijverig voorstander ben van deugd en
    zedelijkheid.”


— —„Au!”— —riep Marholm op luiden toon, zoodat zijn chef verbaasd
opkeek.

„Wat is er?” vroeg Baxter verschrikt.

„Mijn rheumatiek werd veel erger, inspecteur en ik heb op deugd en
zedelijkheid een groote inktvlek laten vallen. Nu moet ik den brief nog
eens schrijven!”

„Wees toch voorzichtig,” sprak de inspecteur. „Gooi geen vlekken op
deugd en zedelijkheid. Hebt gij nog zoo’n pijn, wacht dan liever even—
—Maar—waarom lacht gij eigenlijk?”

„Dat doe ik om mijn pijn te verbijten,” antwoordde Marholm.

„Wacht dus een oogenblik, inspecteur, totdat ik den brief
overgeschreven heb.”

Na eenige minuten, terwijl Baxter nieuwsgierig toekeek, of de brief
niet weer door inktvlekken bezoedeld werd, had de secretaris den
laatsten zin geschreven, waarna hij op het verdere wachtte.

Zijn chef kuchte en begon verder te dicteeren:

„Met alle kracht doe ik mijn best om de onzedelijkheid in Londen uit te
roeien!”— — —

„Ha, ha, ha, ha, ha,” klonk het van Marholms lippen, zoodat Baxter
verbaasd uitriep:

„Mijn hemel, wat hebt gij toch!”

„Ha, ha, ha, ha”, lachte Marholm, „o, inspecteur, die vervloekte
rheumatiek......”

„Maak mij toch niet zoo verschrikt! Roep dan liever: Au!”

„Dat gaat niet!” antwoordde de Vloo. „Als ik „au!” roep, dan maak ik
weer kladden!”

„Nu—verder!” sprak Baxter, hoofdschuddend.


    „Ik zal Donderdag gedurende het diner in hotel Cecilia de eer
    hebben, persoonlijk met u kennis te maken en verblijf hoogachtend

        Baxter,

    Inspecteur van politie, chef van het hoofdbureau Scotland Yard.”


Met een tevreden glimlach nam Baxter nu den brief van de schrijftafel,
las hem nog eens door, sloot hem in een couvert en sprak:

„Schrijf nu het adres.”

„Ja, mijnheer de voorzitter,” knikte de Vloo.

„Wat?” vroeg Baxter. „Hoe noemt gij mij?”

„Wel, gij zijt nu immers: Voorzitter der Vereeniging voor deugd en
zedelijkheid?”

„Zeer zeker,” antwoordde Baxter, „maar nog buiten dienst!”

„Juist!” lachte de Vloo, „dat had ik bijna vergeten! Met den dienst
hebben deugd en zedelijkheid niets te maken!”

„Gij kunt wel heengaan!”

Met deze woorden draaide Baxter hem den rug toe en met een vlugheid,
die volstrekt geen rheumatiek deed vermoeden, nam Marholm zijn jas van
den kapstok en ging heen.

Eenigen tijd later verliet ook de tweede voorzitter der Vereeniging ter
bevordering der goede zeden het hoofdbureau van politie, om den brief
persoonlijk op de post te bezorgen.








TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN FEESTAVOND.


In hotel Cecilia was in een der zalen de tafel gedekt voor de leden van
de Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland en de gasten
zaten in feestgewaad met witte, driekantige mutsen op het hoofd, witte
schorten, waarop in gouden letters „deugd” was geborduurd en witzijden,
breede linten over de borst, waarop in roode zijde het woord
„zedelijkheid” was aangebracht, rondom de tafel, aan wier hoofd het
eerelid de hertog van Norfolk, presideerde.

Aan zijn rechterzijde zat de voorzitter, Sir Edward Harper en daarnaast
de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard.

Om de vergadering te openen nam de voorzitter het woord en hield, onder
diep stilzwijgen der aanwezigen, de volgende rede:

„Hooggeachte leden van onze Vereeniging!

„Ik heet u allen welkom en ben verheugd, dat gij in zoo grooten getale
zijt verschenen om door trouwen arbeid ons werk voort te zetten.”

Een algemeen handgeklap volgde op deze woorden.

Daarop vervolgde hij:

„Gij ziet hier aan mijn zijde den hooggeachten inspecteur van politie
Baxter van Scotland Yard, op wien onze keus is gevallen voor de functie
van tweeden voorzitter onzer Vereeniging.”

Wederom weerklonk luid en langdurig applaus, waarop Baxter gevleid
boog.

De president veegde met zijn servet het zweet van zijn vet gezicht en
keek met een vriendelijk lachje, zoodat zijn wangen nog dikker schenen,
naar Baxter, terwijl hij sprak:

„Ja, hooggeachte heeren leden! Onze keus is een uitstekende geweest,
want Sir Baxter heeft, hoewel hij niet behoorde tot onze Vereeniging
ter bevordering der goede zeden in Engeland, reeds oneindig veel goeds
gedaan.

„Gij weet, dat hij onze theaterstukken heeft te beoordeelen, dat de
censuur bij hem berust, dat hij moet beslissen, of een dergelijk stuk
zedig en niet van verderfelijken invloed is.

„Wij danken onzen hooggeachten inspecteur Baxter de betere handhaving
der censuur in Engeland en wij hebben het steeds vol vreugde aangezien,
wanneer wederom een van de vele stukken, die voedsel geven aan de
wellust en de echtbreuk in de hand werken, of wel een loflied zingen
voor de ondeugd, verboden werd.”

„Bravo! Bravo!” klonk het van alle kanten en Baxter maakte weer een
diepe buiging.

„Het is te hopen,” vervolgde de president, „dat wij onder de leiding
van inspecteur Baxter nog strenger en energieker onzen veldtocht tegen
de onzedelijkheid zullen kunnen houden.

„In de eerste plaats moet op krachtige wijze gestreden worden tegen de
vergiftiging van onze jeugd, van politiewege moet toezicht worden
gehouden op de lectuur voor onze jongens en meisjes.

„Hoeveel kwaad wordt hierdoor berokkend?

„Een geheel leger misdadigers wordt telken jare op deze wijze
aangekweekt.

„Inspecteur Baxter zal dit wel met ons eens zijn en zijn ervaringen in
Scotland Yard zullen het bewijs leveren— — —

„Niet waar, inspecteur?”

Baxter had slechts met een half oor naar de laatste woorden geluisterd
en antwoordde met een vriendelijk lachje:

„Gij hebt gelijk, mijnheer de voorzitter. Bij mij in Scotland Yard
worden dergelijke boeken ook gelezen”.

Doodelijke stilte volgde.

Het gelaat van den president geleek op dat van zijn Chineesch
afgodsbeeld, toen hij vroeg:

„Hoe, mijnheer de inspecteur! versta ik u goed? Men leest ze bij u in
Scotland Yard?”

Eerst nu bemerkte Baxter, dat hij zich op glad ijs had begeven.

„Ja!” knikte hij en vervolgde: „Helaas! Men leest ze!”

„O, wat een schande!” zuchtte de president en de geheele vergadering
zuchtte.

Daarop vroeg Sir Harper:

„En de misdadigers, die gij gevangen neemt...?”

De Vloo zou gezegd hebben:

„Eerst moeten wij ze te pakken kunnen krijgen.”

Maar Baxter antwoordde:

„De misdadigers worden allemaal achter slot en grendel gebracht!”

„Neen, neen,” sprak de president, „ik bedoel of die misdadigers ook
dergelijke boeken lezen?”

„Welneen, dat is onmogelijk,” antwoordde Baxter, „ik kan u bezweren,
mijne heeren, dat zij dergelijke boeken niet te lezen krijgen. Zulke
lectuur is in de gevangenisbibliotheek niet voorhanden.”

„Gij begrijpt mij verkeerd,” riep de president uit. „Ik wensch te
weten, of de gevangenen niet vóór hun arrestatie die boeken hebben
gelezen en daardoor op het slechte pad zijn gekomen. In de laatste
verhandelingen van de politiebladen gaven de misdadigers het lezen van
dergelijke boeken steeds op als verontschuldiging voor hun daden.”

„Dan liegen die kerels,” sprak Baxter, „want nog pas eenige dagen
geleden vertelde mijn secretaris mij, dat hij tot zijn groote ergernis
die boeken altijd moest koopen. Geen enkele van de schurken, die
opgebracht werden, had er een bij zich.

„Ik moet bovendien den geachten voorzitter op dit punt tegenspreken!

„Mijn beambten zijn ontegenzeggelijk nette menschen en lezen toch,
zooals ik nogmaals moet constateeren, bij voorkeur spannende verhalen.
In alle bureaux van Scotland Yard vind ik ze.”

„Dat is merkwaardig. Daarvan wisten wij niets,” merkte Sir Harper
verbaasd op. „Die misstand moet onmiddellijk worden opgeheven,
inspecteur! Uw beambten moet leerzame en hoogstaande lectuur worden
verstrekt. Wij zullen u morgen uit onze bibliotheek een groot aantal
van zulke boeken doen toekomen!

„En om nu op een ander onderwerp over te gaan: door Zijne Hoogheid den
hertog van Norfolk is de volgende wensch geuit:

„De hertog beveelt om het dorp Sandram in Schotland onder streng
politietoezicht te stellen, opdat er een eind kome aan de daar
heerschende ontucht.”

„Wat is daar dan voorgevallen?” vroeg een der leden, die aan het
ondereind van de tafel zat, waarna alle aanwezigen in een luid gelach
losbarstten.

„Sir,” antwoordde de president, „weet gij niet, dat uit het dorp
Sandram alle minnen voor het geheele koninkrijk komen? Hebt gij nog
nooit een min noodig gehad?”

„Neen, het spijt mij, maar ik ben ongehuwd,” antwoordde het lid der
Vereeniging.

„Dus,” vervolgde de voorzitter, „het kweeken van minnen, of liever de
ontucht moet eindigen in dat dorp.”

„Ja, maar,” opperde een der leden, „wat moet men dan doen, als men er
een noodig heeft in zijn familie?”

Nu stond de hertog op, klemde zijn monocle in de holte van zijn
rechteroog en sprak langzaam en op plechtigen toon:

„Sir, dan behelpt men zich zonder min. Er zijn, zooveel middelen, welke
dagelijks worden geannonceerd, dat het ten eenemale overbodig is, een
kind door een min te laten grootbrengen. Ik verzoek nogmaals de geachte
vergadering om mijn wensch, de minnen uit te roeien, te willen
vervullen.”

„Laten wij het voorstel van Zijne Hoogheid in stemming brengen,” sprak
de voorzitter.

Voor dit doel moesten de leden, die er vóór waren, van hun zetels
opstaan.

Allen verhieven zich.—

Ook de ongehuwden.

Zijne Hoogheid knikte met een tevreden glimlachje en de voorzitter
sprak:

„Het voorstel van Zijne Hoogheid is met algemeene stemmen aangenomen.

„Als verder onderdeel onzer besprekingen komen de advertenties in de
kranten aan de orde en moeten wij een wet in het leven zien te roepen
om hieraan een einde te maken.

„Geheele pagina’s onzer dagbladen zijn gevuld met afschuwelijke
onzedelijkheid.

„In de eerste plaats zijn het de advertenties van onze
gummifabrikanten, verder die betreffende geneesmiddelen voor allerlei
geheime ziekten, gevolgen van jeugdzonden en dergelijke, in de derde
plaats de advertenties, waarin men onze dames een schoonen boezem wil
bezorgen.

„Ik bid u, mijne heeren, werkt niet reeds het woord boezem onzedelijke
voorstellingen op?

„Men kan gerust aannemen, dat dergelijke aankondigingen verderfelijk op
onze jeugd werken en aanleiding geven tot allerlei ondeugden.

„Er moest dus voor gezorgd worden, dat door de een of andere wet deze
advertenties worden verboden en dat de kranten, die ze toch
publiceeren, met een hooge geldboete of met de gevangenis worden
gestraft. Ik verzoek u, dit voorstel in stemming te willen nemen”.

Weer stonden alle aanwezigen op.

De president vervolgde:

„Zeer zeker zijn de kranten—uitgezonderd de berichten omtrent het hof
en de politiek—het verderf van onzen tijd. Alle soorten misdaden, ik
noem bijvoorbeeld de vergoding van John Raffles— — —”

„Zeer juist!” riep Baxter uit.

De president zag zich genoodzaakt om te herhalen:

„De vergoding van John Raffles. Het beschrijven van allerlei wandaden
is gevaarlijker dan alle mogelijke sensatieromans, want bij deze
laatste twijfelt men er aan, of dat, wat men leest, tot de
mogelijkheden behoort, maar wat in de kranten staat, is helaas
werkelijkheid.

„Ik bid u, mijne heeren, welken invloed moet het hebben op het karakter
van een jong meisje van tien jaar, wanneer het des morgens in de
kranten leest over een vergrijp tegen de goede zeden of op een
jeugdigen knaap, die op de hoogte wordt gesteld van de intimiteiten uit
het particuliere leven van de een of andere hooggeplaatste
persoonlijkheid! Is het niet waar, mijne heeren, dat is een groot
schandaal, het is publieke onzedelijkheid, welke voor iedereen te lezen
staat.

„Aan dit alles moet een einde worden gemaakt en daarover wenschte ik te
beraadslagen.”

De hertog stond op en allen luisterden vol eerbied.

„De oplossing van dit vraagstuk zou heel eenvoudig zijn”, sprak hij,
„wanneer er geen misdaden meer gepleegd werden.”

„Bravo! bravo!” riepen de aanwezigen, terwijl de spreker weer plaats
nam.

„Heeft nog iemand zijn oordeel hierover uit te spreken?” vroeg de
voorzitter en daar niemand het waagde, na den hertog nog iets in het
midden te brengen, verklaarde de voorzitter het zakelijke gedeelte voor
afgedaan en gaf tot algemeene vreugde het teeken om te gaan eten.

Met een honger als wolven wierpen allen zich op de voorgediende
spijzen.

Na korten tijd stond de hertog op en verliet het gezelschap.

Eerst nog had hij Baxter, als hooge onderscheiding, een handdruk
gegeven en deze voelde zich hierdoor zoo vereerd, dat hij vol diep
respect naar zijn hand keek.

Nadat de hertog was vertrokken, begon volgens Engelsch gebruik een
zwelgpartij. Het was reeds na middernacht, toen Baxter, arm in arm met
den president, het hotel verliet om zich op straat te begeven.

„Gaat gij al naar huis?” vroeg Sir Harper den inspecteur.

„Ik ben gewend”, antwoordde deze, „bijtijds te gaan slapen. Mijn dienst
is inspannend!”

„Kom!”, lachte de president, „dan maakt gij heden een uitzondering. Ik
ken hier in de buurt een klein Fransch restaurant, waar uitstekende
champagne wordt geschonken en waar men zich kostelijk amuseert. Gij
moet dat leeren kennen.”

„Natuurlijk!” antwoordde de chef van Scotland Yard, „als gij erop
gesteld zijt, dat ik u vergezel. Ik ben geen spelbreker.”

Zij behoefden niet ver te loopen en gingen van het Strand een kleine
zijstraat in. Zij bleven staan voor een huis, waaraan in geen enkel
opzicht te zien was, dat er nog leven in heerschte.

Aan de deur bevond zich een ouderwetsche klopper, dien zij meermalen in
beweging moesten zetten.

Na eenig wachten werd de deur geopend en een oude man, die er uitzag
als een kamerdienaar, maakte een buiging en sprak in het Fransch:

„Goeden avond, heeren!”

Daarop gingen zij binnen, terwijl de bediende de deur geruischloos
achter hen sloot.

Beide heeren ontdeden zich in de deftig ingerichte, met zware tapijten
belegde voorkamer van hun overjassen en Baxter hoorde het gedempte
lachen van vrouwenstemmen, het klinken van wijnglazen en de zachte,
welluidende tonen van een Zigeunerkapel.

Baxter keek verbaasd om zich heen, wat de president zag.

„Ja, ziet gij, mijn waarde”, sprak deze, terwijl hij voor een der
spiegels zijn haar in orde maakte, dat zich uiterst spaarzaam op zijn
spiegelgladden schedel vertoonde, „telkens na zulk een vermoeiende
vergadering voel ik er behoefte aan, mij een kleine afleiding te
gunnen. Ik verzeker u, dat gij u heerlijk zult amuseeren in dezen
kleinen tempel.”

Hij nam Baxters arm, de kamerdienaar, die eerbiedig bij een met
Perzische gordijnen versierde deur stond, sloeg de portières terug,
opende een kleine vleugeldeur en beide heeren traden een salon binnen.

Daar wachtte een andere bediende, die ook een buiging maakte en hun
tegelijkertijd een zilveren blad voorhield.

„O, drommels”, mompelde Baxter, „ik heb geen visitekaartje bij mij.”

De president lachte.

„Een visitekaartje? Neen, mijn waarde, dat is ook niet noodig, maar een
bankbiljet van een pond. Mocht gij er geen bij u hebben, dan ben ik
bereid, u er aan te helpen.”

Terwijl de inspecteur zijn portefeuille te voorschijn haalde om het
verlangde geld op het blad te leggen, fluisterde hij:

„Tot welk doel betaalt men hier?”

„Dat zult gij dadelijk in de zaal wel zien. Ik verzeker u, mijn beste
heer, dat het er heerlijk is.”

Hij trok Baxter met zich mee.

De portière van een tweede deur werd weggeslagen, een vleugeldeur
geopend en beide heeren traden een schitterend verlichte zaal binnen,
waar bij de muziek van een kleine kapel verscheiden paren dansten,
terwijl rondom aan de muren uit een menigte nissen het vroolijke lachen
en schertsen van dames en heeren weerklonk.

Overal brandden roode lampen en stonden rijk bekleede fauteuils.

Eenige der intiemste plekjes waren door blauw fluweelen gordijnen aan
de blikken der gasten onttrokken, andere waren half of gedeeltelijk
geopend en Baxter zag daarin alleenzittende dames, die hem met haar
waaier wenkten en hem allerliefst toelachten.

De president scheen hier een bekende persoonlijkheid te zijn.

„Er moeten hier een paar nieuwelingen zijn”, fluisterde hij den
inspecteur toe. „Luister naar mijn raad en neem niet een der oudjes.
Ziet gij daarginds dat kleine zwartje, dat is een nieuwe. Hoe vindt gij
haar? Of houdt gij meer van blondines met rijpere vormen?”

Baxter wist van verbazing niet wat hij zou antwoorden.

Zonder dat hem verder iets werd gevraagd, schoof de president hem naar
een dame en sprak:

„Lady, het zal dezen heer een genoegen zijn, met u te soupeeren.”

Hij zelf verdween in een der nissen.

Toen de inspecteur vele uren later in een cab naar huis reed, had hij
zooveel champagne gedronken, dat hij in de beste stemming zachtjes zong
en eerst toen hij thuis was, herinnerde hij zich, dat hij om 6 uur des
morgens dienst had en dat het nu tien minuten vóór 5 was.

Zoo goed als het hem mogelijk was, trok hij zijn frack uit en kleedde
zich in zijn dienstjas.

In hetzelfde rijtuig, dat hem naar huis had gebracht, liet hij zich
naar het hoofdbureau van politie brengen.

De Vloo had juist een kopje morgenkoffie voor zich staan en een pijpje
gestopt, toen Baxter binnentrad. Hij had moeite, op de been te blijven
en liep waggelend naar zijn schrijftafel.

„Wel, inspecteur”, riep de Vloo lachend, „waar komt gij vandaan?”

„Gij moet mij vervangen”, stotterde zijn chef met moeite. „Gij weet
immers, dat ik vergadering had van de Vereeniging voor ontucht van
minnen en gummi-artikelen—en—en—en— — —”

Marholm lachte luidkeels, maar antwoordde niet.

„Ik zal u later alles vertellen...... voorloopig moet ik slapen, mijn
lieve Marholm.”

Hij liet zich door de Vloo naar de kleine kamer naast het bureau
brengen, waar een lederen sofa stond en nauwelijks lag hij, of hij
sliep ook al.

Marholm echter sprak tot zichzelf:

„Jammer, dat John Raffles den inspecteur van politie niet heeft gezien;
wat zou hij een pret hebben gehad!”








DERDE HOOFDSTUK.

HET KLAVERBLAD VAN VIER.


Lord Edward Lister, of, zooals hij zichzelf noemde, John C. Raffles,
was juist met zijn vriend Charly Brand, die reeds verscheiden jaren
zijn assistent was en den Grooten Onbekende als zijn meester
beschouwde, van een Europeesche reis naar Londen teruggekeerd.

De deftige kleine villa in Hydepark, welke hij onder den naam van baron
Walkerfield had gehuurd en volgens zijn smaak op voorname manier
ingericht, was door den kamerdienaar, den ouden Joe, op voorbeeldige
wijze onderhouden.

Met een verheugden glimlach had hij zijn heer ontvangen, die zich
gedurende verscheiden weken in Parijs had opgehouden.

„Nu zijn wij weer thuis, mijn jongen”, sprak John Raffles tot Charly
Brand. „Ik moet je eerlijk bekennen, dat ik altijd, als ik eenige
maanden uit Londen weg ben geweest, heimwee naar onze stad krijg met
haar rustelooze menschenmassa.”

Charly Brand zette een nadenkend en zeer ontevreden gezicht.

„Ik moet zeggen”, sprak hij, een sigaret aanstekende, „dat ik altijd
verlang naar den dag, waarop je mij mededeelt, dat wij Londen gaan
verlaten. Ik sidder op dezen bodem, die altijd gevaar voor jou
oplevert.”

John Raffles lachte vroolijk.

„Je bent toch niet bang voor inspecteur Baxter?”

Hij nam zijn sigarettenkoker en stak er ook een aan. „Mijn beste
jongen, die krenkt mij geen haar. Hij is blij, dat ik hem niets doe.”

„Wie weet”, antwoordde Charly, „misschien heeft hij je met opzet
jarenlang van een zekere veiligheid laten genieten om er zich op een
goeden dag, als hij ze gevangen heeft genomen, op te kunnen beroemen,
dat het alleen hem, den alom gevreesden inspecteur Baxter van Scotland
Yard, is gelukt, om jou den genialen amateur-roofridder, eindelijk
onschadelijk te maken.”

„Geloof je dat werkelijk, mijn beste, jongen?” vroeg zijn vriend. „Ik
verzeker je, zoolang als ik op kalme wijze mijn eigenaardige sport
blijf uitoefenen, is mijn beroep absoluut ongevaarlijk. Alleen dan
wordt het een halsbrekend bedrijf, als ik lichtzinnig ga handelen.

„Dan gebeurt mij precies hetzelfde als dat elken zakenman of burger
passeert: ik ga over den kop!”— —

John Raffles nam, nadat hij deze woorden had gezegd, aan de groote
empire-schrijftafel plaats en begon een mededeeling te schrijven aan
zijn club, waarvan hij lid was, eveneens onder dien naam van baron
Walkerfield, dat hij weer van zijn reis was teruggekeerd.

Charly Brand had zich intusschen met de kranten bezig gehouden, welke
juist door den kamerdienaar waren gebracht en las de nieuwstijdingen.

Toen zijn vriend den brief af had, belde hij en gaf een kamerdienaar
den brief ter bezorging.

Daarop nam ook hij de kranten en vroeg of Charly iets interessants had
gevonden.

„Steeds hetzelfde,” antwoordde deze, „dezelfde misdaden, dezelfde
ongelukken, dezelfde sportberichten. Alleen de namen der persoonen
veranderen. Er is niet veel nieuws onder de zon.”

„Stop!” riep Raffles. „Jij bent nog een onervaren jongmensch, mijn
lieve Charly. Er is een groote massa nieuws, waarvan wij soms niet het
flauwste vermoeden hebben.”

Hij bladerde daarna de kranten door en sprak daarop, met een blik op
het blad, dat Charly in de hand hield:

„Je hebt daar zeker het blad, waarin de nieuwtjes staan uit de
Londensche hoogere kringen. Geef het mij eens.”

Charly Brand blies met aandacht den rook van zijn sigaret in de lucht,
nadat hij zijn vriend het nieuwsblad had gegeven, en sprak:

„Je bent een eigenaardig mensch, lieve Edward; ieder ander leest eerst
het werkelijk interessante, wat er in de wereld voorvalt:
politiek—eventueele oorlogsberichten en dergelijke. Jij daarentegen— —”

„Wees maar gerust”, viel John Raffles hem in de rede. „Je jeugd speelt
je alweer parten. Ik verzeker je, mijn jongen, deze schijnbaar droge
berichtjes, die mij vertellen, dat lord X met de dochter van den
Amerikaanschen beurskoning Smith uit Chicago is getrouwd, of dat
mevrouw v. Z. een eisch tot echtscheiding heeft ingediend tegen haar
echtgenoot, of dat de eigendommen van den Schotsen baron Y. zijn
verkocht—al die berichten zijn voor mij veel interessanter dan wat de
kranten verder op uitvoerige wijze hun lezers vertellen. Dat, wat jij
daar leest is voor de alledaagsche groote massa.

„Maar deze klein gedrukte mededeelingen zijn de werkelijk groote
treurspelen, welke in het geheim worden opgevoerd.

„Toe, stoor mij nu eens een oogenblik niet.”

Hij nam de krant en begon te lezen.

Nauwelijks had hij een paar seconden lang de berichten doorgekeken, of
hij liet plotseling het blad vallen en brak los in een luid gelach.

Charly Brand sprong verschrikt op en liet zijn sigaret vallen.

„Wat is er, Edward? Je doet mij werkelijk schrikken!”

„Neen maar, het is kostelijk, lieve Charly!” riep John Raffles uit. „O,
wat ik hier heb gelezen— —Je moet dit bericht uitknippen.”

„Allright!” sprak Charly Brand. Hij hield namelijk reeds jarenlang als
secretaris van zijn vriend een archief bij, waarin hij alle berichten
uit de kranten verzamelde, evenals alle mogelijke mededeelingen en
opmerkingen, welke op eenigerlei wijze betrekking hadden op Raffles en
welke hij alle zorgvuldig registreerde.

John Raffles had het bericht nogmaals gelezen en lachte opnieuw.

„Zou je mij niet willen vertellen,” vroeg Charly Brand, „waarom je zoo
vroolijk bent? Je schijnt buitengewoon veel plezier te hebben.”

„Zeker,” lachte John Raffles. „Alleen de Engelsche natie bezit zulke
grappenmakers, zulke komieke lui, onze Falstaffs, zooals Shakespeare ze
heeft geteekend.

„Een type daarvan is onze politie-inspecteur Baxter!

„Luister eens, wat hier staat: De Vereeniging ter bevordering der goede
zeden in Engeland vierde eergisteren in hotel Cecilia haar tienjarig
bestaan— —mooi, he?”

Charly Brand antwoordde glimlachend:

„Ik heb nog nooit iets gehoord van het bestaan eene dergelijke
vereeniging.”

„Ik ook niet,” antwoordde Raffles, „en ik had ook nu misschien nog
niets erover gelezen, wanneer een naam mijn aandacht niet had
getrokken.

„Deze naam is het grappige van de geschiedenis.

„Luister naar hetgeen hier verder staat:

„Op den feestavond, waaraan ook werd deelgenomen door den beschermheer
der Vereeniging, den hertog van Norfolk, werd door den president Sir
Edwin Harper, den nieuwen tweeden voorzitter der Vereeniging
geïnstalleerd: den inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard— —
—”

Nu barstte ook Charly Brand in een luid gelach uit, waar zijn vriend
opnieuw mee instemde.

Daarop riep deze uit:

„Dat is een mop, zooals men geen betere kan uithalen in de Vereenigde
Koninkrijken! Men moet Baxter zoo goed kennen als wij, om de
geestigheid, die in deze keus ligt opgesloten, te snappen.

„Deze drinker, om niet te zeggen zuiper, deze Don Juan, deze man, voor
wien deugd eenvoudig niet bestaat— — —die troont nu als president aan
het hoofd van een vereeniging ter bevordering van deugd en
zedelijkheid.

„Mijn hemel, wat een prachtige geschiedenis! Laat ons verder lezen!

„Luister:

„De Vereeniging nam voor het nieuwe jaar de volgende werkzaamheden op
zich:

„Het indienen van een wetsvoorstel betreffende afschaffing der
onzedelijke advertenties, verscherping der theatercensuur en— — —”

John Raffles moest plotseling naar lucht happen en riep, terwijl dikke
tranen van het lachen over zijn wangen rolden:

„Charly, Charly, de minnen zullen worden afgeschaft! De minnen zijn
onzedelijk! Heb je ooit dergelijken nonsens gehoord? Deze mop is bijna
even goed als die, om Baxter te benoemen tot president der Vereeniging—
— —”

„Hoe kan het mogelijk zijn geweest, dat men hem voor een dergelijke
functie uitkoos?” vroeg Charly Brand.

Raffles dacht even na en sprak:

„O, ik geloof, dat die oplossing heel eenvoudig is! Baxter is immer
onze theater-censor en zorgt er, in die hoedanigheid, al sinds jaren
voor, dat wij op het tooneel zoo weinig mogelijk gemeenheden te hooren
en te zien krijgen.”

„Och,” antwoordde Charly Brand, „daar mankeerde het anders niet aan. Ik
herinner mij nog, een paar maanden geleden in een onzer schouwburgen
dingen gezien en gehoord te hebben, die iemand een blos van schaamte op
de kaken tooveren.”

„Nu ja,” antwoordde Raffles, „de directeuren zullen wel over de brug
zijn gekomen om toestemming te krijgen, hun stukken op te voeren.—Ja,
ik herinner mij zelfs, dat de inspecteur een liaison had met een dame,
die verbonden was aan een onzer voornaamste variété-theaters.

„Maar dit heeft natuurlijk niets met zedelijkheid of deugd te maken.

„Doch nu genoeg.

„Kleed je aan en laat ons een wandeling in ons geliefde Londen gaan
maken. Ik verheug er mij op, door de straten te flaneeren!”

„Het is nog een beetje vroeg,” sprak Charly Brand.

„Je hebt gelijk!” knikte zijn vriend. „Wij kunnen nog wachten totdat
het tijd wordt voor de schouwburgen. Ik stel je voor om den avond door
te brengen in het Lyceum-theater en daarna op echt Engelsche wijze
ergens te gaan eten.”

Voordat Raffles zijn woning verliet, voorzag hij zich, daar sinds zijn
laatste zaakje zijn uiterlijk bekend was geworden, van een baard.

Tot dat doel begaf hij zich naar een cabinet naast zijn slaapkamer,
waarin een groote drie dubbele spiegel stond, welke van den vloer tot
aan het plafond van de kamer reikte.

Daarvoor waren electrische lichten aangebracht, zoodat de Groote
Onbekende, als hij voor den spiegel stond, elke lijn van zijn gelaat
kon onderscheiden.

Aan den eenen kant van de kamer stond een groote kast, die uit
verschillende deelen bestond en waarin costuums werden bewaard. Als
deze geopend was, meende men, een theatergarderobe voor zich te zien.

Aan den anderen muur bevonden zich langwerpige kasten, waarin allerlei
soorten schmink en gummimaskers lagen. Verder bevonden zich daarin
allerlei baarden.

De Groote Onbekende overlegde een tijdlang, voordat hij besloot, welke
verkleeding hij zou kiezen. Daarop ging hij naar de kast en nam het
costuum van een voornaam Chinees eruit.

Dit had hij met veel andere zaken van zijn laatste reis meegebracht en
er viel niet aan de echtheid te twijfelen.

Zelfs de naphtalinelucht, die gewoonlijk aan dergelijke kleeren hangt,
ontbrak niet.

Met de uiterste zorgvuldigheid trok Lord Lister het costuum aan en
vergat zelfs de daarbij behoorende onderkleeren niet. Daarop trok hij
de vilten schoenen aan, die er bij pasten en begon zich te schminken.

Daar zijn huid van nature bruin was en door de laatste zeereis nog
donkerder dan gewoonlijk was geworden, had hij in het geheel geen
schmink noodig, maar maakte alleen met een zwarte kleurstof zijn
wenkbrauwen iets langer, zoodat hierdoor de stand der oogen schijnbaar
een andere werd.

Daarop nam hij een in goud gevatten bril, die aan zijn gelaat het
uiterlijk gaf van een Chineesch geleerde.

Ten slotte zette hij het in China gebruikelijke zwartzijden mutsje op,
waaraan een zwarte staart was bevestigd. Daarop stak hij aan zijn
vingers eenige ringen, nam een waaier in de hand en verliet door een
zijdeur het cabinet.

Langs een kleine trap kon hij in de gang van het huis komen, zonder de
studeerkamer, waarin Charly Brand zich bevond, door te gaan.

Toen de Groote Onbekende in de gang stond, opende hij zacht de deur en
belde. Er verliep eenige tijd, daarop werd hem door den ouden
kamerdienaar Joe opengedaan.

John Raffles amuseerde zich over het verbaasde gezicht, waarmee de
trouwe bediende hem aankeek.

Nauwkeurig het neusgeluid van een voornamen Chinees nabootsend, sprak
Lord Lister:

„Ik zij een goed vriend van uw heer baron Walkerfield. Mijn naam is
Su-Ki-Bit-Wou-Wang. Hier mijn kaartje.”

De bediende nam het kaartje, dat de Chinees hem overhandigde en
antwoordde:

„Ik kan niet zeggen, Mr. Su-ki Bat Bung”— —

„Su-Ki-Bit-Wou-Wang”, verbeterde Raffles op nasalen toon.

De oude, welopgevoede man sprak:

„Pardon, Sir, de naam is wel een beetje lang en tamelijk moeilijk voor
mij.”

„O,” sprak Raffles, „wij hebben in China nog veel langere namen. Dit is
maar een heel kleine.”

„Ik zal eens hooren,” antwoordde de kamerdienaar met een buiging, „of
mijnheer de baron u kan ontvangen.”

„O,” zei Raffles, „hij zijn een goed vriend— —ik met u mee ga. Hij zeer
blij zal zijn, wanneer hij mij ziet.”

Joe wist niet, wat hij moest doen. Maar daar het bezoek zeker geen
onaangenaamheden voor zijn heer kon hebben, stond hij toe, dat de
Chinees hem vergezelde.

Charly Brand sprong verschrikt uit zijn fauteuil op, toen de
kamerdienaar met den Chinees binnentrad.

„Pardon, Mr. Brand,” sprak de bediende, „deze gentleman zegt, dat hij
een goed vriend van mijnheer den baron is en dat mijnheer zeer verheugd
zal zijn hem te zien.”

„Ja,” bevestigde Raffles met onuitstaanbaar neusgeluid en met een
vreeselijk accent, „hij heel blij zal zijn, mij te zien. Wij veel te
zamen beleefd hebben in Peking.”

De kamerdienaar ging heen en de secretaris maakte een beleefde buiging
voor den Chinees en sprak:

„Mijn naam is Brand. Ik ben de vriend en vertrouwde van baron
Walkerfield!”

„O, ik dat weten!” antwoordde de Chinees. „Heeft dikwijls de baron
verteld van zijn vriend.”

„Zeer vleiend voor mij,” sprak Charly. „Mag ik vragen met wien ik de
eer heb?”

„Zeer goed,” antwoordde de Chinees, „men mij noemen
Su-Ki-Bit-Wou-Wang”.

Charly Brand maakte weer een buiging. Hij had al het andere verstaan,
alleen den naam van den vermeenden bezoeker niet.

Hij wees met zijn hand naar een fauteuil en verzocht:

„Wees zoo goed, plaats te nemen, Sir, totdat mijn vriend komt. Ik
verwacht hem oogenblikkelijk.”

„Ik zal wachten,” antwoordde de Chinees, terwijl hij plaats nam.

Charly Brand zag, dat de vreemdeling oplettend in de kamer rondkeek.

Na eenige minuten van het diepste stilzwijgen sprak de Chinees:

„Gij wonen zeer mooi hier in Londen. Ik had niet gedacht in China, dat
men hier zooveel als bij ons bij elkaar kon stelen.”

Pats!— — —

De stoel, waarop Charly Brand zat, werd minstens een halven meter
achteruitgeschoven.

Met groote oogen staarde Charly Brand den zoon van het Hemelsche Rijk
aan.

Was de kerel gek of wat bezielde hem?

Waarschijnlijk kende hij niet genoeg Engelsch en bedoelde hij een ander
woord voor „stelen”.

„Gij staat mij zeker toe, Sir, dat ik u verbeter. De meubelen zijn niet
gestolen, maar gekocht.”

„Ik weten alles,” glimlachte de Chinees. „De meubelen gekocht zijn,
maar het geld, dat ervoor noodig, zijn gestolen.”

„Sir!” stoof Charly Brand op, „gij bevindt u in het huis van een
gentleman, van een baron!”

De Mongool glimlachte geheimzinnig en sprak door zijn neus:

„Ik weten alles! Ik zelf dief ben en gij klein diefje zijn. Gij nog
niet geslepen genoeg zijn!”

De jonge man wist niet of de grond links of rechts onder hem draaide.
Hij begreep niets van dien geheimzinnigen bezoeker en wist niet, wat
hij moest doen. Zenuwachtig keek hij naar den Chinees, die was
opgestaan en uit een sigarettenétui, dat Raffles had laten liggen, een
sigaret nam.

Op zijn gemak begon hij te rooken en bekeek onderwijl het kostbare, met
diamanten en robijnen bezette étui.

Charly Brand werd bleek van schrik, toen de Chinees met zijn vervelend
geluid sprak:

„Zeer schoon étui, ik zulk werk mooi vinden en meenemen.”

Op hetzelfde oogenblik had hij het étui in een der zakken van zijn wijd
bruinzijden overkleed laten glijden.

Nu werd het den secretaris al te erg. Hij ging naar den Chinees toe,
legde zijn hand op diens arm en sprak:

„Ik hoop, Sir, dat gij schertst. Het étui moogt gij u niet toeëigenen.”

„O, waarom niet?” vroeg de Chinees op kalmen, onverschilligen toon. „Uw
vriend, Mr. Raffles, kunnen zich immers een nieuw stelen.”

De jonge man greep den arm van den Chinees met ijzeren vuist beet en
trachtte hem het étui met de vrijgebleven hand weer uit den zak te
halen.

„Laat mij los!” klonk het dreigend terug, „of gij kunnen vliegen als
een elastieken bal in den hoek.”

„Vervloekt!” schreeuwde Charly Brand, „een dergelijke brutaliteit heb
ik nog nooit beleefd. Geef het étui terug of ik neem het met geweld.”

In het volgende oogenblik echter vloog hij als een voetbal midden door
de kamer en viel in een hoek op het tapijt neer.

Maar als een kat sprong hij weer op, haalde een Browningpistool uit
zijn zak te voorschijn en hield dat den Chinees dreigend voor.

„Geef het ding terug of ik schiet!”

„Gij zijt weinig beleefd,” sprak de Mongool, kalm doorrookend.

„Hoe komt gij ertoe om mij nog te sarren, nu gij u eerst op een manier
hebt gedragen, die u werkelijk het recht beneemt, een ander te
critiseeren? Gij steelt het étui van mijn vriend, gij gooit mij als een
elastieken bal in den hoek en zegt dan nog tegen mij, dat ik niet
beleefd genoeg ben tegenover u.”

Daar barstte de Chinees plotseling in een luid gelach uit. Charly Brand
keek verbaasd op, want dit lachen kwam hem buitengewoon bekend voor.

En nu klonk, inplaats van het neusgeluid van den bezoeker de welbekende
stem van zijn vriend, die uitriep:

„Steek die proppenschieter weer in je zak, mijn beste jongen. Ik heb
maar eens willen zien, of mijn vermomming onberispelijk is. Ik zie, dat
het in orde is en dat jij noch Joe mij hebben herkend!”

„Ben je het werkelijk?” vroeg Charly Brand en liep aarzelend, nog
steeds het wapen in de hand houdend, naar Raffles toe.

„Ja, ik ben het werkelijk!” herhaalde deze, „en ik ben blij, dat ik
zulk een schitterend succes had als Su-Ki-Bit-Wou-Wang.”

„Ongelooflijk!” sprak Charly, „wat zou jij een groot tooneelspeler zijn
geworden, Edward!”

„Mijn lieve Charly, om een groot tooneelspeler te zijn, is het
noodzakelijk, dat men op de planken staat en beschilderde coulissen van
linnen als milieu heeft. Ik ben van meening, dat men in het werkelijke
leven een veel grooter acteur moet zijn, als men succes wil hebben.

„Doch maak je nu gereed en steek je in de uniform van een
gardeluitenant, dan gaan wij—”

Een half uur later verliet het tweetal in een cab de woning van Lord
Lister om zich naar den schouwburg te begeven.

De Londenaren, die gewend zijn, vreemdelingen te zien, keken gedurende
de voorstelling toch vol belangstelling naar den Chinees, die naast een
gardeluitenant in een loge dichtbij het tooneel zat.

John Raffles interesseerde zich intusschen het meest voor een zijloge,
waarin een zwartharige dame zat met fonkelende oogen, die blijkbaar in
de beste stemming den naast haar zittenden gentleman pikante dingen in
het oor fluisterde, waarover deze, zonder op zijn omgeving te letten,
luidkeels lachte.

„Wie is die dame? Ken je haar?” vroeg Charly Brand op zachten toon.

„Ja!” sprak de Chinees door zijn neus. „Het is een der sterren van ons
Drury Lane theater, Miss Martha Raabe.”

„En wie is de heer, die naast haar zit?”

„Ik heb haar den naam een paar keer hooren noemen. Dat is de beroemde
Edwin Harper, de voorzitter der Vereeniging ter bevordering der goede
zeden. Daar ontbreekt Mr. Baxter nog maar aan om een waardig klaverblad
te vormen.”

„Het zou ook een klaverblad van vieren kunnen worden,” sprak Charly
Brand, „als Baxter ook met een dame kwam!”

Op dit oogenblik ging de deur open en—politie-inspecteur Baxter trad
binnen in smoking, met een roode anjer in het knoopsgat, terwijl aan
zijn arm zweefde een slanke sylphide met eigenaardige roodblonde
krulletjes, een brutaal wipneusje en met zulke slanke vormen, dat zij
veel overeenkomst vertoonde met een Engelsche rijzweep.

Ook zij was buitengewoon vroolijk, klopte den inspecteur voortdurend op
den schouder en noemde hem „mijn dikkertje”, terwijl hij haar teeder
met „schatje” aansprak.

Mr. Harper begroette haar met een vertrouwelijk lachje en hij sprak met
zijn dikke stem:

„Goeden avond, Miss Hansch.”

Daarop wendde hij zich tot Baxter, dien hij reeds met jij en jou
aansprak:

„Zeg eens, doe mij het genoegen, hier naast mij te komen zitten, opdat
Martha niet meer naar die loge daar kan kijken, waar die vervloekte
Chinees zit. Zij stelt, geloof ik, veel te veel belang in de
slangenoogen van dien kerel.”

„Allright,” antwoordde de inspecteur en nam op den aangewezen stoel
plaats, zoodat zijn arm dien van Raffles bijna aanraakte.

De tooneelspeelster met de zwarte schitteroogen sprak op eenigszins
beleedigden toon:

„Je maakt je belachelijk, Edwin, denk je heusch, dat ik verliefd zal
worden op een Chinees?”

De slanke Miss Hansch lachte spottend en sprak:

„Nu, hoor eens, jij doet precies alsof Mr. Harper knapper was dan de
Chinees. Ik denk, dat wij het eerst verliefd worden op den persoon, die
het meeste geld heeft.”

De gentleman wierp haar een woedenden blik toe, dien zij met een
brutaal lachje beantwoordde.

Daarop sprak hij:

„Wel, als het op het meeste geld aankomt, dan denk ik mij wel met den
Chinees te kunnen meten. Ik heb Miss Martha vandaag 1000 pond sterling
gegeven.”

De oogen van Miss Hansch fonkelden van hebzucht, toen zij die hooge som
hoorde noemen.

„Is dat waar, Martha?” vroeg zij op spijtigen toon.

„Natuurlijk,” antwoordde deze, „waarvoor is hij anders bankier?”

Daarop wendde Miss Hansch zich tot Baxter met de woorden:

„Heb je gehoord, hoe netjes je vriend zich tegenover mijn vriendin
heeft gedragen?”

De inspecteur knikte toestemmend en sprak:

„Zeker, mijn kind, hij is bankier en heeft het geld er voor!”

„Och kom,” lachte het meisje spottend, „met de bankiers is het lang
niet altijd zuiver spel. Ik heb al verscheiden van hen uit Londen zien
verdwijnen, nadat zij den armen menschen hier hun geld afhandig hadden
gemaakt.

„Ik moet ook zoo eentje zien te vinden.

„Jij bent gierig. Welk beroep heb je eigenlijk?”

De inspecteur van politie, die de kleine actrice pas sinds een paar
dagen kende, durfde haar zijn werkelijke betrekking niet noemen en daar
hij niet wist, wat hij zou antwoorden, sprak hij:

„Ik ben president!”

Beide dames keken hem met scherpe blikken aan, daarop sprak Miss
Hansch:

„Wat voor een soort van president?”

„Dat komt er niet op aan,” antwoordde Baxter.

„Ja,” lachte Harper, „als je dat zoudt hooren, zou je vreeselijk
schrikken en misschien hard wegloopen.”

„Zoo?” lachten zij beiden, „is hij misschien president van de
rechtbank?”

„Och, vraag toch niet verder,” weerde Baxter af, „kijkt nu naar de
voorstelling en dan gaan wij soupeeren.”

„Zeg”, vroeg Miss Raabe haar vriendin, „heb jij wel eens een verhouding
gehad met een Chinees?”

„Neen,” antwoordde de andere, „jij?”

„Ik zou het graag eens willen,” antwoordde Miss Raabe. „Als men dan
valsch haar noodig heeft, neemt men er doodeenvoudig de vlecht van den
Chinees bij! die zou verrukkelijk bij mijn haar passen.”

„Houdt op met die flauwe aardigheden!” riep Harper uit, „jelui bent
niet erg beleefd. Sinds ik je vandaag dat geld heb gegeven, schijn je
te denken, dat je mijn vriendschap niet meer noodig hebt.”

Miss Raabe lachte.

„Wat is 1000 pond!” sprak zij. „Ik had verleden jaar een vereerder, met
wien ik in Monte Carlo en Nizza ben geweest, die heeft mij zijn geheele
vermogen vermaakt.”

„En wat is er van dien man geworden?” vroeg Baxter.

„Hetzelfde, wat ik met het geld deed. Beide gingen aan den rol. Hij is
nu ergens in Amerika als glazenwasscher.

„Maar dezen keer ben ik verstandiger. Ik laat het geld niet weer door
mijn vingers gaan en als ik 10.000 pond bij elkaar heb, ga ik stil
leven als een voorname dame.”

„Wel”, knikte de bankier, „die 10,000 pond zal je wel gauw bij elkaar
hebben. Van mij alleen heb je tot dusverre 7000 gehad.”

„7000 pond? Drommels, dat is veel geld!”

„Hij heeft het er immers voor,” lachte het meisje, „hij is immers
bankier!”

Bij die woorden maakte zij de beweging van iemand, die geld wegneemt,
zoodat de drie anderen lachten.

„Een net klaverblad,” fluisterde Charly Brand, wien geen woord van het
gevoerde gesprek was ontgaan.

Zijn vriend knikte toestemmend.

Toen John Raffles den schouwburg verliet, sprak hij tot Charly Brand:

„Mijn beste jongen, wil je wel gelooven, dat men Londen werkelijk een
dienst bewees, wanneer men die Vereeniging ter bevordering der
zedelijkheid eens ging ontleden?

„Die Vereeniging moet ontbonden worden, men moet de leden ontmaskeren.

„Men walgt letterlijk, als men bedenkt, dat dit de mannen zijn, die
zedepreeken houden voor het volk. Met deze beide broeders moet ik mij
nader bezighouden.”

Daarop gingen zij soupeeren en reden al vroeg naar huis terug.

Voordat de Groote Onbekende zich ter ruste begaf, sprak hij:

„Ik heb een schitterend plan gemaakt en zal voorloopig als Chinees in
Londen leven.

„Onthoud goed mijn naam: Su-Ki-Bit-Wou-Wang!”








VIERDE HOOFDSTUK.

SU-KI-BIT-WOU-WANG IN DE KAST.


Het was den volgenden morgen tegen tien uur, toen bij bankier Harper,
die een kleine zaak had in de Regentstreet, de boekhouder een kaartje
afgaf, dat de bankier eenige seconden bekeek.

Eindelijk spelde hij: Su-Ki-Bit-Wou-Wang.

Een vage voorstelling van een Chinees, die den vorigen avond in een
loge naast hem had gezeten, vloog door zijn hoofd.

Tegelijkertijd kwam een gevoel van jaloerschheid in hem op, daar zijn
geliefde, Miss Raabe, te veel belang in den Mongool had gesteld.

Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij den man zou ontvangen of niet
en besloot toen tot het eerste.

„Su-Ki-Bit-Wou-Wang!” stelde de Chinees zich voor in zijn nasaal
Engelsch, toen hij tegenover Harper stond.

„Ik komen uit Peking.”

De bankier fronste de wenkbrauwen en wierp den bezoeker een niet zeer
vriendelijken blik toe.

Het was werkelijk de man, aan wien hij zich in den schouwburg had
moeten ergeren.

„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij op korten toon. „Het is beurstijd
en ik heb het zeer druk.”

„O, dat niets hindert,” sprak de Chinees. „Bij ons in Peking wij doen
alle zaken gedurende de beurs. Wij daar hebben veel tijd!”

„Dat is best mogelijk,” antwoordde Harper. „Wij in Londen hebben zeer
weinig tijd. Zeg mij in korte woorden wat gij wenscht!”

De zoon van het Hemelsche Rijk maakte een buiging en sprak:

„Ik vernemen, dat gij president van de schoone Vereeniging der
bevorderde zedelijkheid en deugd. Ik zou willen verzoeken, als
vreemdeling, in de Vereeniging te worden opgenomen.”

„Dan moet gij u tot den tweeden voorzitter wenden,” antwoordde Harper
onvriendelijk. „Hij moet voor dergelijke dingen zorgen.”

„Hoe heeten de tweede president?”

„Politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard.”

„Ik dank u zeer, maar ik niet weten de adres van dezen man. Ik u
verzoeken, mij eenige regels voor dien man mee te geven.”

Harper, die blij was, dat hij den onwelkomen bezoeker zoo gauw mogelijk
weer kwijt raakte, nam een blad papier, schreef het adres en een paar
woorden erop, met verzoek aan Baxter om den Chinees voor het volgende
diner der Vereeniging, dat weer op Donderdag in hotel Cecilia gehouden
zou worden, een uitnoodigingskaart te verstrekken.

Met veel buigingen ging de Chinees heen en Harper begaf zich naar de
beurs.

Hij speculeerde den laatsten tijd op zeer twijfelachtige wijze om te
trachten zijn inkomsten te vermeerderen, daar, ten gevolge van zijn
levenswandel, zijn kas zeer gedund was.

De Chinees was intusschen naar het hoofdbureau van politie gegaan en
verwekte daar groot opzien bij de beambten.

Baxter was juist in het bureau gekomen en daar hij zware hoofdpijn had
wegens te weinig slaap, trachtte hij zijn slechte bui te koelen op zijn
secretaris Marholm.

Deze luisterde doodkalm naar de scheldwoorden van zijn chef en stopte
zijn kort pijpje, alsof hij niets van al het gevloek van Baxter hoorde.

„Wat is er voor nieuws?” vroeg hij de Vloo op barschen toon.

„Dat wilde ik u juist vragen,” antwoordde Marholm. „Gij ziet eruit,
alsof gij heel wat te vertellen hebt.”

„Houdt uw b....!” brulde Baxter. „Ik heb geen zin om flauwe aardigheden
aan te hooren.”

„Dat is ook niet noodig, inspecteur,” antwoordde de secretaris. „Gij
schijnt flink katterig te zijn!”

„Wat gaat u dat aan?”

„Met uw verlof, heel veel! Gij schijnt mij als een soort zondebok te
beschouwen. Raas en tier tegen iemand anders, alstublieft. Uw gevloek
maakt op mij geen indruk!”

„Wilt gij mij de les lezen?” vroeg Baxter op scherpen toon.

„De hemel beware mij! Ik denk er niet aan,” antwoordde de Vloo. „Dat
zou vergeefsche moeite zijn.”

„Sir!” stoof Baxter weer op, zijn oogen woest latende rollen.

Als antwoord blies de Vloo hem een dikke rookwolk in het gezicht.

Daar trad een politie-agent binnen en meldde:

„Een Chinees wenscht inspecteur Baxter te spreken.”

Vol verbazing keek Baxter den agent aan.

„Een Chinees? Wat moet die hier doen?”

De agent haalde de schouders op en Marholm mompelde iets.

„Breng den Chinaman hier!” beval de chef.

Eenige oogenblikken later trad de Chinees het bureau binnen, neeg
driemaal en sprak in de bloemrijke taal van zijn land:

„Ik zie de zon opgaan en voel mij gelukkig, den hoogen politiemandarijn
van Londen, de geweldige vuist van het Engelsche Rijk, voor mij te
zien. O, ik mij voelen zeer gelukkig!”

„Wat is dat voor gekkentaal?” sprak de Vloo en keek den vreemdeling vol
belangstelling aan, die op iemand, dien hij kende, scheen te gelijken.
Tevergeefs bedacht hij echter, wie het kon zijn.

Ook Baxter kwam de Chinees bekend voor.

De vele champagne van den vorigen nacht had alle herinnering van het
theater bij hem uitgewischt.

Maar hij sprak:

„Ik moet u reeds meer hebben gezien, Mister—”

„Su-Ki-Bit-Wou-Wang uit Peking!”

„Juist, Sir Stucki-Kit-Sting-Stang,” antwoordde Baxter.

„No, no,” verbeterde de Chinees, „Su-Ki-Bit-Wou-Wang! Geen mensch hier
in Londen mijn naam kan uitspreken.”

„Ja,” lachte de Vloo, „daar is ook groote vaardigheid voor noodig.”

Baxter stelde voor om den naam af te korten en eenvoudig Mister Wang te
zeggen.

Nu overhandigde de Chinees hem den brief van Sir Harper.

„Allright!” antwoordde Baxter, nadat hij hem had gelezen. „Hier hebt
gij een kaart, het zal ons een groote eer zijn, u als onze gast bij ons
te zien.”

De Chinees glimlachte gevleid en antwoordde:

„O, ik hopen, dat daar nog meer zijn zulke schoone dames.”— —

„Dames?”

Baxter kreeg een schrik. Nu herinnerde hij zich plotseling, dat hij den
zoon van het Hemelsche Rijk in den schouwburg had gezien.

„Ja, dames,” knikte de Chinees. „Ik u immers gisteravond zag met dames,
met zeer schoone dames in den schouwburg.”

Baxter werd rood. Hij had den Mongool graag een oorvijg gegeven.

„Gij vergist u, dat waren onze dames niet,” antwoordde hij, om zijn
figuur tegenover de Vloo te redden.

„O, ik begrijpen,” glimlachte de Chinees, „dat waren gekochte dames,
niet echtgenooten. O, ik zoo graag weten wilde, hoe duur zulke dames
zijn!”

„Juist,” sprak Baxter, die begreep, dat Marholm vol inwendig genoegen
zat te luisteren, „nu herinner ik mij eerst, wat gij bedoelt. Het was
mijn zuster en de echtgenoote van een mijner vrienden, die met ons in
de loge zat.”

„Zeer schoone zuster, zeer schoone vrouw! Nu, ik wil niet verder
storen, ik gaarne weerkomen aanstaanden Donderdag. Tot weerziens!”

„Tot weerziens!” sprak Baxter en herademde, toen de onaangename
bezoeker eindelijk het bureau verliet.

Nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of de Vloo vertrok zijn
gelaat tot den breedsten glimlach, dien hij te voorschijn kon brengen.

„Waarom grijnst gij zoo?” vroeg zijn chef, die dit lachen kende.

„Waarom zou ik niet grijnzen?” antwoordde Marholm, „ik amuseer mij!”

„Hopelijk niet over mij!” barstte Baxter los. „Ik bedank daarvoor.”

„Gij moet u niet alles dadelijk zoo aantrekken,” sprak de Vloo, „ik had
nooit gedacht, dat gij zoo aantrekkelijk waart!”

De chef rolde met zijn oogen en daar Marholm kalm en behaaglijk bleef
glimlachen, sloeg hij met de vuist op tafel en schreeuwde:

„Wilt gij nu eindelijk eens ernstig kijken?”

„Ik denk er niet aan,” antwoordde de Vloo, „in de dienstvoorschriften
staat nergens, wat voor een gezicht men moet zetten!”

„Vervloekte kerel!” riep Baxter uit en toen hij Marholm nog steeds
vroolijk zag lachen, sprong hij van zijn stoel op en sprak:

„Als gij nu nog doorgaat met uw gegrijns, gooi ik u de deur uit!”

„Gelukkig!” zuchtte de Vloo, „ik verlang onuitsprekelijk naar frissche
lucht! Gij riekt namelijk naar—”

„Wat zegt gij, ik riek?” schreeuwde Baxter, hem in de rede vallend.

„Ja, zeker,” bevestigde de secretaris. „Gij schijnt flink katterig te
zijn! De Chinees schijnt u gisteravond goed opgenomen te hebben.
Gelooft gij zelf iets van die vrouw en zuster?”

„Wat? Of ik daaraan geloof? Gij hoordet immers, dat ik het zelf
vertelde!”

„Dat is immers juist het grappige”, lachte Marholm. „Gelooft gij, wat
gij zelf hebt verteld?”

„Ik geloof altijd, wat ik zelf vertel”, riep de inspecteur vol trots
uit.

Inplaats van te antwoorden, vertrok Marholm weer zijn gelaat tot dien
breeden grijns, die Baxter woedend maakte.

Weer barstte hij los en verbood Marholm te lachen.

Daar de Vloo echter geen aanstalten maakte, om ernstig te kijken, kon
Baxter zich niet meer bedwingen en schreeuwde:

„Ik ontsla u zoolang uit den dienst, totdat gij weer een ernstig gelaat
vertoont.

„Er uit!”

De inspecteur had nauwelijks het laatste woord gesproken, of Marholm
sprong zoo vlug mogelijk van zijn stoel op, greep zijn hoed en snelde
naar de deur.

Daar keerde hij zich nog eens om en vertoonde, voordat hij het bureau
verliet, den chef van politie zijn breedlachenden mond en met een
knipoogje, dat veelbeteekenend was, nam hij afscheid van Baxter.

De deur viel achter hem in het slot en—dat was geen oogenblik te vroeg,
want Baxter had een inktpot opgenomen en hem dien nagegooid.



Ook John Raffles had met een veelzeggend glimlachje het hoofdbureau van
politie verlaten.

Hij nam een cab en reed naar het Drury Lane theater.

Nadat hij den portier een fooi had gegeven, vernam hij van dezen het
adres der actrice Miss Raabe.

Hij gaf den koetsier den naam der straat en het nummer op en bevond
zich een kwartier later voor het kleine huis met één verdieping, waar
een voorname rust heerschte.

Lord Lister behoefde niet lang te wachten. Een aardig kamermeisje vroeg
hem, wat hij wenschte en glimlachte vroolijk bij het zien van den
Chinees.

John Raffles gaf ook haar zijn Chineesch visitekaartje, waarmee zij
verdween.

Reeds de vestibule, waarin Raffles zich bevond, getuigde ervan, dat de
bewoonster van het huis een uitstekenden smaak moest hebben, gepaard
gaande aan grooten rijkdom, of wel, en Raffles wist, dat dit laatste
het geval was, dat zij schatrijke aanbidders had.

Terwijl hij de meubelen en curiositeiten bewonderde, die de vestibule
versierden, kwam het kamermeisje terug en sprak:

„Miss Raabe verzoekt u, binnen te komen.”

Zij geleidde den bezoeker langs een trap naar boven en liet hem binnen
in een boudoir, waaraan een grooten muzieksalon grensde.

Hier heerschte buitengewone weelde, die bijna iets parvenuachtigs had.

Nauwelijks was de Chinees het boudoir binnengegaan, of hij hoorde het
ruischen van een zijden sleep in het muzieksalon en een oogenblik later
trad Miss Raabe in een met kanten bezet ochtendkleed binnen, dat haar
lichaam als een glinsterende elastieke slangenhuid gaf.

Onmiddellijk herkende zij den Chinees uit het Lyceumtheater van den
vorigen avond en, terwijl zij glimlachend haar sneeuwwitte goed
verzorgde tanden liet zien, riep zij uit:

„O, dat is charmant, Mr. Jucki-Bit! Ach kom! Die naam is prachtig, ik
zal u eenvoudig Mr. Jucki noemen— —Mijn lieve Mr. Jucki, ik ben zeer,
zeer verheugd, kennis met u te maken en ik hoop, dat gij voldoende
Engelsch verstaat, om elkaar te kunnen begrijpen.”

„O, zeer zeker, wij elkaar zullen begrijpen,” antwoordde Raffles, „en
als gij niet mijn Engelsch verstaat, zult gij mijn Chineesch wel
begrijpen. In de liefde Engelsch en Chineesch volkomen gelijk zijn. Ik
ben zeer vol geestdrift voor uw schoon gelaat!”

„Zoo?” glimlachte Miss Raabe gevleid, „maar gij hebt gelijk! Mr.
Harper, een goed vriend van mij, zei onlangs, dat mijn gelaat een
ongeschreven gedicht was.”

„Nu, dat betwijfelen ik moet. Men ziet lijnen, waarop een gedicht te
schrijven men zou kunnen!”

„Foei, hoe hatelijk!” riep Miss Raabe uit met een koket lachje.

„Ik weet, dat ik ben hatelijk, maar daarvoor is mijn geld zeer goed,”
antwoordde de Chinees. „Men houden daarom van mij veel en zeggen, dat
ik een zeer net mensen zijn. Gij zult dat ook nog van mij zeggen.”

Miss Raabe keek hem met een smachtenden blik aan en lispelde:

„Als gij heel lief voor mij wilt zijn! Maar gij moet mij niet te lang
laten wachten, anders zeg ik het tegendeel. Voor alles, mijnheer, ben
ik dol op brillanten.”

„Daarmee kan ik van dienst zijn!” antwoordde Raffles, „ik niets ken van
brillanten, maar ik goede cheques heb en daarvoor mijn vriendinnen
brillanten kunnen koopen. Dan kunnen zij mij niet verwijten, wanneer
zij door Engelsche koopmannen bedrogen worden.”

„Gij hebt gelijk.” knikte de schoone. „Hebt gij misschien toevallig
zoo’n cheque bij u?”

„Ik die dragen altijd bij mij. Zouden gij gaarne een willen hebben?”

Miss Raabe antwoordde zuchtend.

„Ja, mijnheer, ik verlang er naar. Maar gij schertst zeker?”

„O neen,” verzekerde de Chinees, „ik schertsen niet over zulke
onderwerpen,” en met de onverschilligheid van iemand, die over
millioenen beschikt, haalde hij zijn chequeboek uit zijn zak en vroeg:

„Hoe groot wenschen gij, vriendin van mijn hart, een cheque?”

Miss Raabe keek haar bezoeker verbaasd aan. Een dergelijke
edelmoedigheid was haar vreemd. Zij wist niet, wat zij zou antwoorden.

Maar de Chinees kwam haar te hulp en sprak:

„Ik denken, dat een net brillanten sieraad zullen kosten 1000 pond
sterling?”

De hebzucht ontwaakte in Miss Raabe.

Iemand, die haar zonder slag of stoot 1000 pond sterling wilde geven,
zou ook meer voor haar over hebben.

„Ik merk wel, dat gij nog geen brillanten sieraden hebt gekocht, Mr.
Jucki, anders moest gij weten, dat men voor een dergelijk bedrag geen
mooie steenen koopt.”

„Gij gelijk hebben,” sprak de Chinaman, „ik werkelijk in mijn leven nog
nooit brillanten gekocht hebben.”

Met deze woorden sprak de Groote Onbekende de waarheid, want alle
brillanten, die hij tot dusverre had bezeten, had hij den eigenaar
afgenomen.

„Mooi”, sprak hij, „zeg dan, hoeveel geld men noodig voor brillanten.”

Miss Raabe was dicht naast den Chinees gaan zitten en zijn hand
streelende, sprak zij:

„Mijn lieve, bruine Jucki— —nietwaar, gij zijt immers mijn lieve,
bruine Jucki? Reeds gisteren in den schouwburg stelde ik belang in u en
bewonderde uw mooie zwarte vlecht.”

Zij streek met haar zachte hand over den gitzwarten glanzenden haartooi
van haar nieuwen vriend.

„Ik wilde weten, hoeveel kosten brillanten!”

„Ja, ziet gij, mijn lieve Jucki, ik weet niet, of gij genoeg van mij
houdt. Ik heb een aanbidder, die mij 10,000 pond sterling heeft
beloofd, als ik hem mijn liefde wilde schenken!”

„Beloofd!” riep Raffles uit, „ik niet beloven, maar geven!”

„Hij heeft mij al 7000 pond gegeven, lieve Jucki!”

Zij liet reeds het woordje „Mister” weg, wat de Groote Onbekende met
genoegen opmerkte.

„O, ik u ook kan geven zooveel en nog meer. Ik u geven wil een cheque
op de Bank van Peking van 10,000 pond sterling, als de schoone miss mij
wil schenken haar liefde.”

Zij reikte hem haar hand, die schitterde van de juweelen en sprak:

„Geef mij uw cheque en ik zal zooveel van u houden, dat gij niet naar
China wenscht terug te keeren.”

„Allright, Miss Raabe,” sprak de Chinees, „hier is mijn cheque.”

Hij vulde een formulier in en gaf het haar.

Nauwkeurig las zij het en vroeg:

„Moet ik de cheque naar de Bank van Peking zenden?”

„Gij hem niet moeten zenden. Gij kunnen cheque geven aan Engelsche Bank
en na vier weken geld laten uitbetalen. De Bank zullen zich het geld
van Peking laten komen.”

„Dat is lang,” antwoordde Miss Raabe, „vier weken! dan moet gij ook nog
vier weken wachten voordat ik u mijn liefde schenk.”

„Ik gaarne wachten,” sprak de Chinees, „ik echter hoop, u te mogen
bezoeken.”

„O ja,” lachte Miss Raabe, „dat moogt gij. Ik sta u zelfs toe, mij naar
den schouwburg te vergezellen, soupers voor mij te bestellen, gij moogt
met mij gaan wandelen en kleine rekeningen, die ik hier en daar in
winkels heb, voor mij betalen.”

„Ik met grootste genoegen dat doen zullen”, antwoordde John Raffles.

Op dit oogenblik hoorde men het getoeter van een auto voor het huis en
Miss Raabe snelde naar het raam.

Nauwelijks had zij een blik naar buiten geworpen, of zij sprak zeer
ontsteld:

„O mijn hemel, wat moet ik nu doen! Daar komt mijn vriend Mr. Harper en
wanneer hij u en mij hier samenvindt, zou hij u uit jaloezie misschien
doodschieten.”

De Chinees sprong verschrikt op en riep:

„O neen, laat mij niet doodschieten! Ik zeer bang zijn daarvoor!”

Men hoorde reeds de huisdeur open- en dichtgaan en er was niet veel
tijd te verliezen.

Gejaagd sprak Miss Raabe:

„Kom gauw mee, gij moet u verbergen in mijn kleerkast. Ik heb daar een
schuilplaats laten aanbrengen, waar niemand u kan vinden.”

Zij voerde hem door het salon, waaraan haar slaapkamer grensde en
hierdoor naar een kleedkamer, waarin aan den muur een groote kleerkast
met drie deuren stond.

Zij opende echter geen dezer deuren, maar drukte aan een der zijkanten
op een lijst en geruischloos opende zich een smalle deur, die echter
juist breed genoeg was om een mensen van gewonen omvang door te laten.

Daarachter bevond zich een geheel afgescheiden ruimte, waarin zelfs een
zitplaats was aangebracht.

„Hier moet gij wachten, mijn lieve Jucki, totdat ik er u weer uitlaat.”

„De zaak er gevaarlijk uitzien”, meende de Chinees; „maar ik hopen, dat
gij mij niet te lang zullen laten wachten. Is Mr. Harper werkelijk zoo
gevaarlijk een man?”

„Zeer gevaarlijk, mijn lieve Jucki! Haast u nu, ik hoor hem al in het
salon.”

In het volgende oogenblik bevond Raffles zich in de kast en nauwelijks
was de deur achter hem gesloten, of hij hoorde door de dunne houten
deur de woedende stem van Harper:

„Waar zit je eigenlijk?”

„In mijn kleedkamer”, antwoordde Miss Raabe. „Waarom schreeuw je zoo?
Je gedraagt je sinds eenigen tijd niet zeer „gentlemanlike”.”

De bankier was binnengekomen en keek met wantrouwende blikken om zich
heen.

„Ben je alleen?” vroeg hij.

„Natuurlijk! Wat beteekent die gekke vraag?”

„Omdat ik weet, dat je bezoek hadt!”

„Bezoek?” vroeg zij, zacht lachend. „Ik geloof, dat je spoken ziet!”

„Spoken? Dan zeker van vleesch en bloed! Waar is de man, die je heeft
bezocht?”

„Houd nu toch op! Als ik je zeg, dat er niemand bij mij is, dan is dat
zoo!”

John Raffles hoorde, hoe Harper naar de kleerkast ging en die opende.

„Wat zoek je onder mijn kleeren?” vroeg de schoone. „Interesseeren mijn
rokken je? of wil je je er persoonlijk van overtuigen, dat mijn
toiletten, zooals ik je reeds herhaaldelijk vertelde, noodig moeten
worden verbeterd? Je moest mij een paar nieuwe koopen bij Peter
Robinson! Ik heb iedere japon al gedragen en zou graag weer eens nieuwe
costuums willen hebben.”

Harper had de kleeren op zij geschoven en ging nu naar het met zware
zijden damastgordijnen behangen bed, dat hij eveneens doorzocht.

Zij lachte opnieuw hoonend en met een woedende stem sprak hij:

„Ik heb in je salon het bewijs gevonden, dat er iemand bij je is, wil
je nog ontkennen?”

„Bah!” antwoordde zij en haalde minachtend de schouders op.

„Ik ben zeer nieuwsgierig, wat je gevonden hebt.”

„Kijk,” sprak hij en hield haar het visitekaartje van den Chinees voor
de oogen, „ken je dit kaartje?”

„Ach— —dat— — —” antwoordde zij langzaam, „natuurlijk ken ik dat
kaartje. Die malle Chinees kwam vanmorgen, maakte mij zijn opwachting
en ik was blij, toen ik hem weer kwijt was. Je ziet dus, dat ik op nog
meer mannen indruk maak dan op jou!”

„Tart mij niet!” schreeuwde hij woedend, „of ik zou mijzelf kunnen
vergeten. Is het werkelijk waar, dat de Chinees niet meer bij je is?”

Weer antwoordde zij minachtend: „Bah!” en vervolgde:

„Ik zou niet weten, waarom ik de aanwezigheid van dien heer, als hij
nog hier was, zou verzwijgen. Ik ben je daarover toch geen rekenschap
verschuldigd!”

„Zoo?” sprak hij.

„Is het kapitaal, dat ik tot heden aan je heb opgeofferd, niet de
moeite waard?”

„Je hebt niets aan mij opgeofferd, want het geld behoort aan je vrouw,”
sprak zij op ijskouden toon.

„Bewijs mij eerst, dat je inderdaad een offer voor mij kunt brengen.”

Hij drukte haar arm zoo hartstochtelijk tegen zich aan, dat zij een
kreet van pijn gaf. Daarop haalde hij een pakket uit zijn borstzak, dat
1000 pond aan bankpapier bevatte en riep uit:

„Zottin, geloof je werkelijk, dat ik geen offer voor je zou kunnen
brengen? Hier, neem dit geld! Je verlangdet 10,000 pond van mij. 7000
heb ik je al gegeven en wel, zooals je weet, het geld van mijn vrouw.

„De rest hoopte ik te winnen door beursspeculaties, maar dat is
mislukt.

„Om echter aan je wenschen te voldoen, heb ik de gelden van mijn
cliënten uit mijn brandkast genomen en voor je meegebracht. Je ziet
dus...”

Zij vlijde zich nu tegen hem aan als een groote witte kat en,
liefkoozend fluisterend, sprak zij:

„Ik wist het wel, dat je liefde grenzeloos is. Nu zal je vanavond de
belooning ervoor krijgen. Ik zal je zoo lief hebben als nog geen enkele
vrouw het heeft gedaan.

„Kom, laat ons nu gaan soupeeren!

„Ik zal al je zorgen verdrijven en het geld, dat je je cliënten hebt
onteigend, zal je wel gauw terug verdienen.”

Zij trok Harper, die nog eens met onderzoekende blikken rondkeek, in
het salon en begaf zich met hem naar een kleine eetkamer aan de
achterzijde van het huis.

Nauwelijks had het tweetal de kamer verlaten, of Raffles opende de kast
van binnen en trad er uit te voorschijn.

Zacht sloop hij door de slaapkamer rond en ontdekte naast het bed een
kleine ijzeren geldkist, die geopend was en waarin brillanten van
groote waarde lagen.

Daarin lag ook, in kleine pakjes verdeeld, een bedrag van bijna 10,000
pond, die Miss Raabe zelf bewaarde, daar zij een hekel aan Banken had.

Later vernam Raffles, dat zij zoo slecht schreef, dat zij zich geneerde
om haar naam onder een cheque te plaatsen en om die reden het geld
thuis bewaarde.

Met onderzoekende blikken bekeek Raffles dit alles en mompelde:

„Het is de moeite waard, met deze kleine een liefdesgeschiedenis te
beginnen; een dergelijke gevaarlijke slang moet onschadelijk worden
gemaakt.”

Een geluid in de eetkamer deed hem haastig in de kast terugkeeren.

Toen hij er weer in zat, ontdekte hij, dat een roset van het
houtsnijwerk verschoven kon worden, zoodat men in de kamer kon kijken.

Harper en zijn geliefde kwamen weer binnen en hij kon duidelijk zien,
hoe de schoone het geld in het kistje borg.

Daarop verlieten zij de kamer weer.

De Groote Onbekende hoorde Harper zeggen:

„Ik zal dus precies om zeven uur bij je zijn en verzoek je, mij niet
lang te laten wachten. Wij zullen naar het Criterium-Theater gaan. En
dan moet ik in elk geval tegen 10 uur een uurtje naar de vergadering.”

„Ach ja,” antwoordde zij, „ik heb er mij al op verheugd. Er moet een
mooie klucht worden gegeven. Ik blijf natuurlijk in den schouwburg!”

Zij glimlachte spottend, wat hij niet opmerkte.

Hierna verlieten zij de kamer en Raffles wachtte geduldig op de dingen,
die zouden komen.

Ongeveer tien minuten later werd de geheime deur door de geliefde van
den bankier geopend.

Zij keek hem schalksch aan met haar zwarte oogen en met een overmoedig
lachje riep zij:

„Ik heb den ouden gek naar huis gestuurd. Hij had geen honger en nu
moet gij met mij soupeeren, mijn lieve Jucki”.

Zij sloeg haar arm om Raffles’ hals en trok hem met zich mee.

„Zeer schoone hand, zeer schoone arm,” fluisterde de Chinees,
schijnbaar vol verrukking. „Ik houden van schoone vrouwenarmen.”

„Allright!” lachte zij, „als je heel lief bent, laat ik je na het
souper mijn geheelen arm zien.”

„Zeer groote kostbaarheid voor mij zal dat zijn!”

„Je bent een vleier,” antwoordde zij, „maar kom nu. Ik heb honger. Nu
zullen wij ongestoord zijn!”

Terwijl zij den bouillon dronk, die door het kamermeisje was gebracht,
sprak zij:

„Hij is namelijk getrouwd, mijn vriend, dien ik wegstuurde. Hij heeft
een oude, gierige vrouw en als hij niet stipt om 2 uur aan tafel
verschijnt, maakt zij hem het leven tot een hel.

„Ben jij ook getrouwd, lieve Jucki? Ik vind getrouwde vrouwen
afschuwelijk!”

„Ik ook,” antwoordde de Chinees. „Ik vinden een vrouw heel akelig. Wij
in China meer vrouwen hebben.”

„Zoo,” antwoordde zij op scherpen toon, „maar als je mijn vriend wilt
worden, mag je geen tweede vrouw hebben. Ik wil je alleen liefhebben,
ik verzeker je, dat jij de eenige man bent, dien ik liefheb!”

„Gij mij maken zeer gelukkig,” fluisterde de Chinees. „Maar gij zijn
een kleine slang. Alle vrouwen kleine slangen zijn, zoolang men ze niet
opsluit. Wij in China onze vrouwen opgesloten houden.”

„Hier in Londen bestaat dat niet,” legde zij hem uit, waarop hij
antwoordde:

„Zeer dom is dat!”

Nadat zij hadden gesoupeerd, sprak zij:

„Lieve Jucki, nu moet je gaan. Morgenochtend tusschen 11 en 1 kun je
terugkomen. Dan is „hij” altijd naar de beurs en zoodra ik het geld heb
van de Bank mag je bij mij komen wonen. Ik bekommer mij dan niet meer
om den ouden kaffer.”

„Allright, Lady,” antwoordde hij opstaande, „ik nu zal gaan en
terugkomen.”

Zij gaf hem glimlachend een hand ten afscheid, die hij voorzichtig
kuste. Ter verontschuldiging sprak hij:

„Wij Chineezen het kussen niet verstaan.”

„Ik zal het je leeren!” sprak zij, terwijl zij hem tot de voordeur
vergezelde— — —

Zeer voldaan over zijn bezoek keerde John Raffles naar huis terug en
sprak tot Charly Brand, die hem vroeg, waar hij was geweest:

„Ik heb de Vereeniging ter bevordering van ondeugd en onzedelijkheid
bestudeerd.

„Ik was op het hoofdbureau van politie en heb bij een demi-mondaine
gesoupeerd.

„Ik verzeker je, mijn lieve Charly, het wordt een prachtig zaakje, dat
ik op touw heb gezet! Daaruit zou een uitstekend comediestuk te maken
zijn!”








VIJFDE HOOFDSTUK.

DE MOORDENAAR.


Mr. Harper bezat in het westen van Londen een eenvoudige, bescheiden
woning.

Mrs. Harper, een magere slanke vrouw, met verwelkte trekken, zat met
haar twee kinderen, een jongen en een meisje van 6 en 8 jaren, aan de
eenvoudig gedekte tafel en wachtte tot de bankier thuis kwam.

Misschien reeds voor den tienden keer vermaande zij de kinderen:

„Weest heel bedaard, als papa komt, hij zal wel vermoeid zijn.”

Zij vermoedde niets van het slechte leven van haar man en meende, dat
zijn voortdurende vermoeidheid het gevolg was van hard werken.

Een half uur later verscheen Harper en nam met een boos gezicht en
nauwelijks groetend aan tafel plaats.

Hij zag niet de bezorgde blikken van zijn vrouw, die naar zijn vermoeid
uiterlijk keek.

De kinderen zaten stil op hun plaats en durfden hun bord bijna niet
aanraken, omdat hun vader dat geluid niet kon verdragen.

Niets smaakte hem.

Hoewel het eten uitstekend was klaargemaakt, had hij overal iets op aan
te merken, en stond eindelijk van tafel op en begaf zich naar zijn
studeerkamer om daar op den divan te gaan slapen.

Een uur later belde hij om koffie. Zijn vrouw bracht hem die zelf en
toen zij het kopje neerzette, riep hij uit:

„Waarom stuur je het dienstmeisje niet? Ik ben blij, als ik je gelaat,
dat er altijd bleek en huilerig uitziet, niet voor mij heb.”

„Ik kan mijn gezicht niet veranderen,” antwoordde zij op bescheiden
toon. „Als ik mij niet zoo bezorgd maakte om jou, zou ik er beter
uitzien.”

„Maak je bezorgd om wien je wilt, alleen niet om mij. Ik wensch je
medelijden niet.”

Zij wilde bescheiden de kamer verlaten, maar bleef bij de deur
aarzelend staan.

„Wat wil je nog?” beet hij haar toe.

„Ik heb wat huishoudgeld noodig,” antwoordde zij op zachten toon, „wees
zoo vriendelijk, mij een paar pond te geven.”

„Wat?” schreeuwde hij, „alweer geld? Eergisteren heb ik je pas 5 pond
gegeven. Zijn die alweer op? Je schijnt aardig huis te houden!”

„Ik moest onzen jongen broekjes en kousen koopen”, antwoordde zij, „en
Erna, ons dochtertje, had eenige schoolboeken noodig.”

„Laat mij met rust,” bromde hij, „de zaken worden met den dag slechter,
de duivel mag weten, hoe dat moet eindigen. Denk je, dat ik geld kan
maken? Kijk zelf maar, hoe je aan geld komt”.

„Daar zie ik geen kans toe. Mijn ouders zijn dood en alles, wat ik
bezat, heb ik jou gegeven.”

„Wil je mij verwijten maken?”

„Dat niet, maar het zou mij aangenaam zijn, als je werkelijk zoo het
land aan mij hebt, dat je mij het geld terug gaaft, opdat ik daarvan
voor de kinderen en mijzelf kon zorgen.”

„Dat zou je wel willen”, lachte hij hoonend, „neen, mijn lieve, dat kan
ik beter gebruiken. Gelukkig, dat ik zoo verstandig ben geweest om het
in mijn zaak te steken.

„En stoor mij nu niet langer, want ik moet brieven schrijven.”

„Je bent hard,” sprak zij. „Ik weet niet, waarvan ik het avondeten voor
de kinderen en mij moet koopen.”

„Ik ook niet,” antwoordde hij kortaf.

Plotseling kleurde een blos de bleeke wangen der vrouw, de zachte
uitdrukking verdween van haar gelaat en met gebalde vuisten riep zij
uit:

„Nu is het genoeg! Ik heb nu lang genoeg gezwegen en mij door jou erger
dan een slavin laten behandelen. Voor mij komt het er niet op aan, dat
ik niets te eten krijg, maar de kinderen mogen geen honger lijden en ik
zeg je dit—ik verlaat deze woning en ga onderdak zoeken met de kinderen
bij onze vroegere keukenmeid.

„Al het verdere tusschen ons zal mijn advocaat regelen.

„Binnen de 24 uur zal ik je door de wet laten dwingen, mij het mij
toekomende vermogen, dat ik je in bewaring heb gegeven, en waarvan ik
gelukkig een quitantie bezit, terug te betalen.

„Het doet mij leed, dat ik den kinderen hun vader moet ontnemen, maar
beter geen vader dan zulk een ruw, harteloos mensch als jij bent!”

Gedurende de lange jaren van haar huwelijk had de vrouw nooit
tegengesproken.

Als stom van verbazing keek hij haar aan, totdat plotseling een
zinnelooze woede zich van hem meester maakte.

„Wat?” riep hij uit, „jij durft mij trotseeren, mij dreigen? Je wilt je
verzetten tegen mij, je echtgenoot? Doodslaan zal ik je!”

Hij was opgesprongen en had een zwaren, metalen kandelaar gegrepen,
waarmee hij haar een slag op het hoofd wilde geven.

Maar hij had zijn vrouw onderschat.

Hoewel hij een breede, forsche man was en zij maar klein en mager te
noemen was, sprong zij als een kleine, lenige kat naar hem toe, sloeg
hem met haar vuist in het gelaat en stiet hem zoo hevig voor de borst,
dat hij terug wankelde.

„Als mijn kinderen er niet waren,” sprak zij, „zou ik mij kalm door je
dood laten slaan, maar voor mijn kinderen moet ik leven. Mijn zoon zal
mij eenmaal wreken! Ik zal het in de kranten laten publiceeren, wat
voor een karakter de president van de Vereeniging ter bevordering der
goede zeden heeft!”

Op het volgende oogenblik vloog de zware ijzeren kandelaar door de
kamer. Hoewel zij zich bukte, trof hij haar toch aan het hoofd.

Een oogenblik dreigde zij neer te vallen, maar daarop maakte oneindige
woede zich meester van de kleine vrouw.

„Je durft het wagen, de moeder van je kinderen zoo te behandelen?” riep
zij uit.

Zij trok de kast open, waarvoor zij stond en nam er eenige boeken uit.

„Daar!” riep zij, terwijl zij de boeken naar hem toeslingerde. „Daar
zijn je huichelachtige, leugenachtige boeken over deugd en
zedelijkheid, waarmee je de wereld bedriegt!

„De menschen moesten je schrijftafel eens zien, die gevuld is met
gemeene, onzedelijke prullen!

„Foei, jij slechte kerel!

„Maar dit is het allerlaatste! Je zult mij niet terugzien!”

(Zie het titelblad.)

Terwijl zij deze woorden sprak, had zij tientallen van vrome,
stichtelijke boeken, sommige zoo dik als een bijbel, naar zijn hoofd
geslingerd en zoo snel, dat hij zich niet kon verdedigen.

Met een slag vloog de deur achter haar toe en als een overwonnene stond
de president der Vereeniging ter bevordering der goede zeden te midden
van een hoop verscheurde vrome geschriften en werken en knarste op de
tanden van woede.

Hij liep naar zijn schrijftafel en haalde uit een der laden een geladen
revolver.

Met een duivelschen grijns mompelde hij:

„De heks zal eraan gelooven en de kinderen ook. Het is nu toch uit met
mij. Mijn zaken zijn geheel en al in de war, het restant van de gelden
mijner cliënten heb ik Miss Raabe gegeven. Een paar duizend pond heb ik
nog in mijn zak en met dat geld zal ik naar Amerika gaan, na hier eerst
schoon schip te hebben gemaakt. Daar ginds kunnen zij mannen, als mij,
gebruiken.”

Hij verliet het vertrek en begaf zich naar de eetkamer.

Toen hij deze leeg vond, sloop hij zacht, als een roofdier, naar de
slaapkamer en bleef een oogenblik luisterend staan.

Hij hoorde zijn vrouw zacht snikken en de knaap, die tot haar zei:

„Schrei niet, mama, wij zullen gauw weggaan. Ik wil geen vader hebben,
die mijn moeder slaat. Als ik groot ben, zal ik hem terugslaan! En als
wij niets te eten hebben, lief moedertje, zal ik, zooals andere
jongens, kranten verkoopen en laarzen poetsen— — —”

„En ik zal wel dienstmeisje worden en dan zullen wij samen zorgen, dat
u brood hebt,” sprak het zusje.

Nu trok Harper de deur open, zijn revolver in zijn broekzak
gereedhoudende.

Met een kreet van schrik keken de kinderen hem aan.

„Wat wil je nog?” vroeg zijn vrouw, die onheil vermoedde.

„Wat ik wil? Dat zal je dadelijk zien! Een mooie opvoeding geef jij je
kinderen!”

Nu kwam de kleine jongen met gebalde vuisten voor hem staan en riep:

„Pas op, als u mijn moeder slaat, zal ik u ook slaan!”

Een duivelsche lach als van een krankzinnige kwam van de lippen van den
ellendeling, hij haalde de revolver te voorschijn en hield die tegen
het voorhoofd van den knaap.

„Ik zal je leeren, wat slaan beteekent. Jij zult de eerste zijn, die op
reis naar de eeuwigheid gaat.”

Als verlamd, doodsbleek, staarde zijn vrouw naar dit ontzettende
tooneel. Van schrik kon zij geen geluid geven en zich niet verroeren,
zij kon geen hand uitsteken om haar jongen te redden.

Een gil kwam over de lippen van den knaap, een tweede en derde volgden
en aarzelend liet de ellendeling het wapen zinken.

Nu schreeuwde ook het meisje om hulp en bliksemsnel sprong de knaap als
een hond naar zijn vader toe en beet hem met zijn scherpe tandjes in de
hand, zoodat deze woedend van pijn het wapen liet vallen.

Maar een oogenblik later kreeg de kleine held een vuistslag en viel
bewusteloos neer.

De moordenaar wilde zich nu bukken om het wapen op te nemen, maar er
was nu beweging gekomen in de moeder.

Zij was vlugger dan haar echtgenoot, greep het wapen, richtte het op
haar man en riep:

„Ik tel tot drie en als je dan de kamer niet hebt verlaten, schiet
ik!—Er uit!”

Tandeknarsend en met een blik vol woede en haat wendde Harper zich naar
de deur en mompelde:

„Wacht maar, heks, daarvoor zal je boeten!”

Het volgend oogenblik had hij de kamer verlaten en de deur achter zich
dichtgetrokken.

Zijn vrouw schoof de grendel er voor, snelde naar de waschtafel en
legde een koudwatercompres op het hoofd van haar lieveling.

Na eenige minuten kreeg het kind zijn bewustzijn terug en herinnerde
zich onmiddellijk het voorgevallene.

Hij keek om zich heen en toen hij zag, dat zijn vader de kamer had
verlaten, lachte de kleine held en sprak:

„Ziet u, mama, dat heb ik goed gedaan, nietwaar?”

„Je bent een held, mijn jongen,” antwoordde de moeder met tranen in de
oogen en kuste hem.

„En nu, lieve kinderen, zullen wij ons kleeden en naar de oude Marie
gaan. Zij zal ons wel een paar dagen bij zich willen houden.”

Zij sloot den koffer, waarin zij linnengoed en kleeren voor zichzelf en
de kinderen had gepakt, belde en gaf het dienstmeisje bevel, een
rijtuig te bestellen.

Verbaasd keek het dienstmeisje naar de koffer en vroeg:

„Gaat mevrouw op reis?”

„Ja, voor eenige dagen.”

Eenige minuten later kwam een rijtuig voor en de koetsier bracht den
koffer op zijn schouders naar beneden. De vrouw van den bankier nam
haar kinderen bij de hand en volgde hem.

Voordat zij het huis verliet, gaf zij de revolver, die zij in een doek
had gepakt, aan het dienstmeisje en sprak:

„Geef dit pakje aan mijnheer, hij wil het misschien als aandenken
bewaren.”

Het meisje schudde verbaasd het hoofd en keek het wegrollende rijtuig
na, zoolang zij het kon zien.

Toen zij de kamer van Mr. Harper binnentrad, zag zij daar een
ontzettende wanorde.

De heer des huizes keek ontstemd op, toen het meisje hem kwam storen en
nam zwijgend het pakje uit haar handen.

Met een hoonlach pakte hij de revolver uit en stak deze toen in een der
zakken van zijn jas.








ZESDE HOOFDSTUK.

EEN DETECTIVE-TRUC.


Het was slechts een kleine bestuursvergadering, die dezen avond plaats
had in de Vereeniging ter bevordering der goede zeden.

Meneer Harper verscheen even over tienen en vond de heeren al voltallig
bij elkaar.

Zijn gelaat straalde van zelfvoldoening en van het geluk, dat hij de
laatste paar uren aan de zijde der bekoorlijke Miss Raabe had genoten.

Terwijl hij de vergadering leidde, wachtte zij beneden in de leeszaal
van het hotel.

Om de verveling te verdrijven, bladerde zij de daar neergelegde
couranten door.

Plotseling zag ze midden door de zaal Su-Ki-Bit-Wou-Wang aankomen.

„Hallo!” riep zij, „Mr. Jucki, waar wilt ge naar toe?”

De Chinees deed eerst erg verlegen, doch sprak toen, zijn gelaat
plooiend tot een beminnelijk glimlachje:

„O, ik zijn zeer verheugd, u te zien, mooie Miss Raabe, ik wil gaan
naar de „bevordering der goede zeden”

„Och zoo,” lachte zij, „gij bedoelt die Vereeniging!”

Hij knikte: „Yes, naar die Vereeniging!”

Zij klopte hem op de schouders en zei: „Weet wel, lieve Jucki, dat ge
daar niet veel wijzer zult worden. Ze bevorderen daar alleen de zeden
van anderen, aan zichzelf denken ze niet.”

„Dat hindert niets!” antwoordde de Chinees, „ik moet kennen leeren, of
hier bij u in Engeland ook zulke onzedelijkheden als in China. Ik
geloof, wij zijn even fatsoenlijke menschen!”

„Veel fatsoenlijker,” lachte Miss Raabe, „geloof me, ik heb er
ondervinding van. Ik ken de Londensche mannen.”

„Ik niet daaraan twijfel en weet u, ik ook veel liever in uw gezelschap
was dan in dat zedelijk gezelschap.”

„Ik heb een idee,” hernam Miss Raabe, „blijf gij bij mij en laten we
den avond ergens gaan doorbrengen. Ik verveel mij dood in gezelschap
van Harper.”

„O, hij is een zeer nette mensch, niet waar?”

„Gij bedoelt, omdat hij mij verveelt?”

„O ja, ik dat bedoel.”

„Dan vergist gij u,” lachte de schoone, „hij is het absolute tegendeel
van netheid. Gij begrijpt, dat men ook wel graag eens wat anders hoort,
en ik zou blij zijn, in fatsoenlijk gezelschap te verkeeren. Daarom zou
ik u willen verzoeken, den avond met elkaar door te brengen.”

„Allright,” knikte Su-Ki-Bit-Wou-Wang. „Ik gaarne bereid ben daartoe.
Maar wij wat doen?”

„Ik weet wat. Vis-a-vis het hotel is een oestersalon. Net rechts
tegenover het Strand. Daar zal ik op u wachten, als de vergadering is
afgeloopen.”

„Allright,” zei de Chinees.

Het tweetal reikte elkaar de hand, waarna hij zich naar de aan het eind
der gang gelegen kleine zaal begaf, waarin de vergadering plaats had.

Bij zijn binnentreden keken alle aanwezigen hem nieuwsgierig aan.

Baxter had de aanwezigen al meegedeeld, dat hij zou komen, en allen
wachten in spanning zijn komst af.

Een vroolijk lachje kwam op het gelaat der heeren, toen de Chinees
volgens landsgebruik zijn vilten schoenen uittrok, driemaal op zijn
knieën sloeg en eenige grappige buigingen maakte.

„Dat is zijn begroeting”, fluisterden de Engelschen tot elkaar, stonden
daarna op en maakten een stijve buiging.

De Chinees trad naderbij, schudde ieder de hand en noemde zijn naam:
Su-Ki-Bit-Wou-Wang.

Toen hij bij Baxter en Harper was gekomen, wilde hij met hen volgens
Chineesch gebruik gaan neus wrijven, hetwelk deze echter op hoffelijke
wijze afweerden door hem te verklaren, dat zij van zijn toegenegenheid
waren overtuigd, ook al gaf hij hun slechts volgens gebruik de hand.

Men bood daarop Su-Ki-Bit-Wou-Wang een stoel aan en de vergadering werd
voortgezet— —

Gedurende een kleine pauze vroeg de naast den Chinees zittende
Engelschman, hoe het hem in hunne vergadering beviel.

„O”, zei Su-Ki-Bit-Wou-Wang, „als straks komen de kleine meisjes, zal
het zeer aardig worden!”

De Engelschman, een predikant van streng rechtzinnige beginselen, week
ontsteld achteruit en kon zijn ooren bijna niet gelooven. Doch eenige
andere leden hadden de nogal luid gesproken woorden eveneens verstaan
en, als echte Engelschen, wel van een grapje houdend, vroegen zij:

„Wat voor kleine meisjes bedoelt u, Mr. Wang?”

„O,” gaf de Chinees ten antwoord, „ik bedoel de kleine meisjes, bij wie
ik mijne vrienden, de heeren presidenten, in den schouwburg zag
zitten!”

Opeens werd het ijzig stil als in een kerk. Harper en Baxter zaten als
aan den grond genageld.

Alle aanwezigen keken hen aan met een verwijtenden blik, die hen als
het ware doorboorde. Vooral de predikant zette een gezicht, alsof hij
de heilige aartsengel in eigen persoon was, die Gods oordeel
verkondigde.

Hij was dan ook de eerste, die het stilzwijgen verbrak en aan Mr.
Harper vroeg:

„Wat hebt gij op de merkwaardige woorden van dezen geachten gast te
antwoorden, meneer de president?”

Harper was zoo rood als een kreeft van opgewondenheid. Het zweet
druppelde in dikke parelen van zijn voorhoofd. Hij stond op, want hij
begreep, dat hij wat antwoorden moest.

„Mijne heeren,” aldus begon hij, „Mr. Wang heeft gelijk, wanneer hij
zegt, dat hij de presidenten van de Vereeniging ter bevordering der
goede zeden in gezelschap heeft aangetroffen van twee meisjes, die
helaas tot de verworpelingen van de maatschappij zijn te rekenen.”

Een luid „Foei” klonk rondom de tafel, hetwelk Harper met een
handbeweging bezwoer, waarna hij vervolgde:

„Gij vergist u, mijne heeren, wanneer ge meent u over de houding van
uwe presidenten ongerust te moeten maken; wij waren slechts in onze
hoedanigheid van trouwe strijders voor de goede zeden in gezelschap van
die dames.

„We hebben beproefd haar van haar slechten levenswandel terug te
brengen en haar weer het pad des deugd en zedelijkheid te doen
betreden.

„En het is mij gelukt een der zondaressen in een christelijk Tehuis
onder dak te brengen. Zij zal voor liefdezuster worden opgeleid.”

Nu weerklonk een luid „Bravo!”, terwijl de predikant sprak:

„Ik verzoek u uit naam van mijn vrienden aan deze tafel om vergiffenis.
De hemel moge uwen verderen strijd met zegen kronen.”

De president boog en met tranen van ontroering in de oogen ging hij
weer zitten om Baxter onder de tafel ongemerkt de hand te drukken.

Men zou nu gaan confereeren over het verbod van de verkoop van sommige
humoristische bladen.

De predikant had het voorstel gedaan een der schendbladen voor ondeugd
en onzedelijkheid van den Engelschen bodem te verbannen.

Opeens stond Su-Ki-Bit-Wou-Wang op.

„Pardon, heeren,” zei hij, „doch ik vinden deze vergadering zonder
kleine meisjes te oninteressant! Ik zal weer vertrekken. Bij ons in
China zorgen altijd kleine meisjes voor conversatie in
heerengezelschap.”

Opnieuw klonk een onrustbarend luid „Foei!” door de zaal.

Toen greep Harper, die eindelijk gelegenheid vond zich op zijn
aanvaller te wreken, den presidentshamer, gebood daarmee stilte en
riep, op Su-Ki-Bit-Wou-Wang wijzend: „Eruit gij, immoreel en onzedelijk
wezen! Waag het niet u ooit weer in ons midden te vertoonen. Gij zijt
een liederlijk mensch!”

„Liederlijk mensch!” riepen alle Engelschen tegelijk en spuwden op
Engelsche wijze naar Su-Ki-Bit-Wou-Wang op den grond.

Toen hij de zaal had verlaten, zei de predikant met ten hemel gerichte
oogen:

„Laten we opstaan van onze zitplaatsen, beste vrienden, en den hemel
danken, dat hij den duivel, die in de gedaante van dien vuilen Chinees
tot ons kwam, te rechter tijd uit onzen edelen deugdzamen kring heeft
verdreven.”

Allen stonden op, sloegen met den predikant de oogen op en gingen
daarna weer zitten.

Nadat men het er, na een kort debat, over eens was geworden, dat het
bedoelde tijdschrift een schendblad van het ergste allooi was, dat
stelselmatig, niet alleen de jeugd, doch ook de ouderen ten verderve
voerde, en daarom moest verboden worden, verklaarde Mr. Harper de
zitting voor gesloten, en, zakelijke bezigheid voorwendend, verliet hij
de vergadering.

Toen hij in de leeszaal kwam, om zijn geliefde af te halen, keek hij
vergeefs rond.

Een voorgevoel zei hem, dat zij misschien dien vervloekten Chinees had
ontmoet en met hem het hotel had verlaten.

Als een woedende stier snelde hij naar haar huis en toen hem niet werd
opengedaan, liep hij voortdurend daarvoor op en neer.— —

Miss Raabe zoowel als Su-Ki-Bit-Wou-Wang hadden ondertusschen samen
gesoupeerd. Tegen twee uur ’s nachts verklaarde zij gaarne naar huis te
willen gaan.

„Ik ben bang,” zei zij, „lieve Jucki!” (Ze waren nu al zeer intiem.)
„Geloof mij, die jaloersche man, Mr. Harper, zal bepaald voor mijn huis
staan om mij op te wachten. Ik ben bang, direct naar huis te gaan.”

„Ik zal dien man wel weg werken,” antwoordde Raffles.

Hij liet zich door den kellner papier en enveloppe brengen en schreef
een paar bladzijden. Daarna liet hij door den kellner een nacht-kruier
ontbieden.

Dezen overhandigde hij den brief, nadat hij op geheimzinnige wijze
verscheiden minuten met hem had gesproken. Na verloop van een kwartier
zei de Groote Onbekende:

„Ik zal u nu naar huis brengen, Miss Raabe, ge kunt volkomen gerust
zijn.”

„Is Harper er niet meer? Dat is mij een raadsel!” meende zij, „ik weet
niet, hoe ge dat hebt klaar gespeeld.”

Su-Ki-Bit-Wou-Wang glimlachte slechts, doch gaf geen antwoord.



Terzelfder tijd trad een nacht-kruier op den bankier toe, die nog
steeds voor het huis op en neer wandelde, en, zijn pet afnemend, zei
hij:

„Is u Mr. Harper?”

„Jawel”, antwoordde deze, „dat ben ik. Wat wenscht ge van mij?”

„Ik moet u een brief overhandigen.”

Hij gaf Mr. Harper het schrijven.

„Van wien komt die brief?” vroeg hij.

„Van den inspecteur van politie Baxter,” antwoordde de kruier.

Zonder verder antwoord af te wachten, verliet hij den bankier en
verdween in het nachtelijk duister.

Harper echter snelde naar een straatlantaarn, scheurde den brief open
en las:


    „Dear Sir!

    Ik ontving juist een alarmeerend bericht. Een van mijn detectives
    deelde mij mede, dat men ontdekt had, dat gij de deposito’s van uw
    klanten hebt verduisterd. Neem u in acht!”


De brief was niet onderteekend.

De straat begon opeens te draaien voor Harpers oogen. Hij viel bijna
neer als een dronken man en moest zich aan een straatlantaarn
vasthouden.

Daarna frommelde hij het blad papier ineen, stak het in zijn zak en
snelde weg. Zijn slecht geweten begon geweldig te knagen.

Hij voelde zich als door den duivel bezeten. Als een schaduw vluchtte
hij weg in de duisternis— —

Terzelfder tijd hield een rijtuig voor het huis stil.

De Chinees stapte uit en hielp Miss Raabe uit het rijtuig.

„Gij moet mij in mijn woning begeleiden,” zei zij, „ik ben vreeselijk
bang. Mogelijk loert die man daar op mij.”

„Ik zijn zeer moe,” antwoordde de Chinees, „ik hier zal wachten, totdat
gij woning doorzoekt en dan naar huis rijden. Ik graag in gevaar met
jonge dames mag samen zijn.”

Daar zij om den Chinees persoonlijk weinig gaf, doch slechts op zijn
geld aasde, zei zij hem vluchtig goeden nacht, sloot het huis open en
trad naar binnen.

Raffles wachtte nog een paar minuten, daarna werd op de eerste etage
een raam geopend, Miss Raabe verscheen, wenkte hem met haar zakdoek en
riep:

„Hier is niemand, ik dank u, lieve Jucki, goeden nacht!”

De Chinees sprak door zijn neus een onwelluidend „Goeden nacht”, stapte
in zijn rijtuig en reed weg.



Den volgenden morgen had Raffles het tot Charly Brands verbazing
merkwaardig druk.

Door middel van een advertentie in de courant had hij een stenographe
in dienst genomen en begon deze een comediespel te dicteeren.

Onvermoeid was hij daarmee bezig en rustte niet, voordat hij den
éénacter in twee dagen klaar had.

„Wil je mij het stuk niet voorlezen?” vroeg Charly Brand, die
nieuwsgierig was naar den inhoud.

„Dat is onnoodig, jongen, je zult het gauw genoeg op de planken zien.”

John Raffles kende door zijn club den directeur van den
Garrick-Schouwburg en bracht hem een bezoek.

„Er is me zeer veel aan gelegen,” wendde hij zich tot den directeur,
„dat ge dezen éénacter al over een paar dagen op de planken laat
spelen.

„Ik ben bereid alle aan de uitvoering verbonden kosten voor mijn
rekening te nemen. Het geldt hier een privé-genoegen voor mij
persoonlijk, en om te zien, of ik werkelijk de gave bezit, succesvolle
theaterstukken te schrijven.”

De directeur kende Lord Lister onder den naam Baron von Walkerfield.
Hij bladerde het stuk door, en nadat hij het in een goed kwartier
vluchtig had gelezen, verklaarde hij zich bereid, het stuk door zijn
tooneelspelers in drie dagen te laten instudeeren en de première reeds
over vier dagen te doen plaats hebben.

Eén moeilijkheid was aan de zaak verbonden, en dat was de censuur der
politie.

„Hoe kunnen we dat klaarspelen?” vroeg Raffles.

„Heel eenvoudig, beste baron”, antwoordde de schouwburgdirecteur, „ik
zal een vriendelijk briefje schrijven aan den censor en er voorzichtig
een biljet van 100 pond bij insluiten.”

„Fameus,” lachte Raffles, „dan zijn we klaar, nietwaar?”

„Jawel,” gaf de directeur ten antwoord, „ik heb echter nog één vraag,
namelijk wie zal de rol van den Chinees Su-Ki-Bit-Wou-Wang spelen in
het stuk?”

John Raffles begon opnieuw te lachen en sprak:

„Bijna had ik het voornaamste nog vergeten; die rol speel ik zelf.”

„Gij zelf? Hebt gij den moed als tooneelspeler op te treden?”

„Wel natuurlijk,” knikte de Groote Onbekende. „Ik speel in het gewone
leven nog meer comedie dan op de planken noodig is.

„Ik verzeker u, mijn beste directeur, nog afgezien van het feit, dat ik
de kosten der opvoering betaal, zult ge schitterende zaken maken met
het kleine tooneelspel.

„Ik zou durven wedden, dat geheel Londen hierheen komt om het stuk te
zien.”

„Dat ware te wenschen,” lachte de directeur, „ik heb op ’t oogenblik
juist geen goed stuk. Laten we dus het beste hopen.”

John Raffles nam afscheid en reeds den volgenden morgen begon de
directeur met de voorbereidingen. Hij verklaarde den baron, dat deze
hierbij zijn medewerking moest verleenen.

Eenige uren later ontving Baxter, die, zooals vermeld, het ambt van
censor voor tooneelspelen in Londen uitoefende, d.w.z. hij moest nagaan
of de stukken ook gevaar opleverden voor de goede zeden, een brief van
den directeur van den Garrick-schouwburg, benevens een blauwe
portefeuille, waarin zich het tooneelstuk bevond.

Baxter scheurde den brief open en las:


    Beste Inspecteur!

    Hierbij een stuk voor de censuur, waarbij zeer veel haast is.

    Met vriendelijke groeten,

        Uw
            GARRICK.


Tegelijkertijd had de inspecteur het bankbiljet van honderd pond
gevonden en stak dit met een inwendig lachje in zijn vestjeszak. Hij
kon het juist goed gebruiken, daar hij door zijne verhouding tot de
vriendin van Miss Raabe, de kleine Trude Hansch, veel geld had
uitgegeven.

Hij nam het voorgeschreven politiestempel, dat het verlof tot de
opvoering bekrachtigde, sloeg de klep der portefeuille op en drukte het
zegel op den omslag van het tooneelstuk, zonder er verder naar om te
zien.

Daarna schelde hij een bode en liet het toegelaten stuk naar den
directeur van den Garrick-schouwburg brengen.

De Vloo had stilzwijgend toegezien en zei nu:

„Weet ge, inspecteur, als ik me niet vergis, hebt ge daar juist weer
toestemming verleend tot het opvoeren van een tooneelstuk, dat ge
heelemaal niet kent. Ge zult u op een goeden keer nog eens gevoelig de
vingers branden.”

Baxter keek zijn secretaris woedend aan en sprak:

„Veroorloof u geen kritiek op mijn handelingen. Daar hebt gij niet het
recht toe. Overigens vergist gij u. Ik ken het tooneelstuk al. Het was
dus niet noodig het nog eens door te zien. Ik zou dus gaarne verschoond
blijven van uwe opmerkingen.”

De Vloo boog zijn hoofd over de voor hem liggende acte en ging verder
met zijn werk, terwijl Baxter een courant nam en begon te lezen.

Midden in zijn lectuur werd hij gestoord. Een detective-sergeant trad
binnen, bleef bij de deur staan en salueerde.

„Wat wenscht gij?” vroeg Baxter.

„Heb een gebeurtenis te melden, meneer de inspecteur,” rapporteerde de
beambte. „De zaak van den bankier Harper is sedert gisteren gesloten,
en heeft groote opgewondenheid te weeg gebracht onder de klanten van
den bankier.”

Baxter schrok hevig. Wat was er met Harper gebeurd? Zou hem iets
overkomen zijn?

„Is bankier Harper niet te vinden?” vroeg hij.

„Neen, meneer de inspecteur,” antwoordde de sergeant. „We hebben in
zijn woning en bij verscheiden bekenden al een onderzoek ingesteld. Het
laatst is de bankier twee dagen geleden in hotel Cecilia gezien. ’s
Avonds 10 uur.”

„Dat klopt,” zei Baxter, „ik was er persoonlijk met hem.”

„Ook aan zijn woning vernamen wij van het dienstmeisje, dat de bankier
sedert twee nachten niet thuis was gekomen en ook mevrouw en de
kinderen het huis sedert eenige dagen hadden verlaten.

„De klanten van den bankier eischen, dat de zaak van politiewege wordt
geopend en de deposito’s teruggegeven.”

Baxter dacht een paar seconden na.

Vergeefs brak hij zich het hoofd, wat er wel met Harper kon gebeurd
zijn. Daarna wendde hij zich tot Marholm:

„Neem een cab en rijd naar Lyttonstreet 16. Daar woont een
tooneelspeelster, Miss Raabe. Vraag aan die dame, of zij iets weet
omtrent het verblijf van den bankier Harper. Maak vlug voort, want
voordat gij met haar antwoord hier zijt, kan ik niets beginnen.”

Zonder een woord te antwoorden, verliet de Vloo de kamer, terwijl de
detective-sergeant in het voorvertrek wachtte.

Baxter echter liep onrustig heen en weer. De affaire scheen hem vreemd
toe. Hij had een onbepaald voorgevoel, dat er iets gebeurd zou zijn,
waar hij ook in betrokken zou worden. Tevergeefs probeerde hij zich te
kalmeeren, door het rooken van een sigaar. Ten slotte begon hij weer te
lezen.

Er kon ongeveer een half uur verloopen zijn, toen Marholm, die zich
zeer gehaast had, daar hij eveneens iets bijzonders vermoedde,
terugkwam met de mededeeling, dat de bankier sedert verscheiden dagen
niet in het huis der tooneelspeelster was geweest.

Nu bleef Baxter niets anders over dan zijn recherche-afdeeling mobiel
te maken en met de beambten naar de zaak van den bankier te rijden,
deze te openen en te doorzoeken.

De ijzeren luiken van het kleine kantoor waren stevig gesloten, toen
Baxter met zijn beambten aankwam.

De portier, dien Baxter liet roepen, beduidde hem, dat de meegebrachte
slotenmaker een deur van de gang naar de zaak gemakkelijker zou kunnen
open maken dan de ijzeren roljalousiën.

In korten tijd was de deur open, en de portier, die in de zaak bekend
was, draaide het electrische licht op.

Nauwelijks was de ruimte helder verlicht of de portier liet een kreet
van schrik hooren en lokte alle beambten naar zich toe.

„Wat is er, wat gebeurt er!” riep de inspecteur en trok zijn revolver.

Doch hij behoefde geen antwoord meer op zijn vraag.

Midden in het vertrek, voor de geopende brandkast lag de gezochte
bankier Harper op den grond en staarde met verglaasde oogen naar de
zoldering.

Geronnen bloed uit zijn slapen bedekte de eene helft van zijn hoofd en
den grond. De rechterhand hield nog krampachtig de revolver omklemd,
waarmee de ellendeling zich had doodgeschoten.

Een oogenblik stonden de beambten zwijgend om den doode, doch daarna
zei Baxter tot de Vloo:

„Ga zitten en maak het proces-verbaal op. Waar is de lijkschouwer?”

Deze was juist aangekomen en drong naar voren.

„Is hij dood?” vroeg Baxter, waarop de dokter antwoordde:

„Dat zou ik meenen.”

En Marholm voegde er aan toe:

„Die wordt door geen moraal weer levend gemaakt.”

De gebruikelijke wettelijke formaliteiten werden door de beambten
verricht, waarna Baxter zich met zijn beambten overtuigde, dat, behalve
een paar duizend pond sterling, die de zelfmoordenaar in zijn zak
droeg, zich geen enkel deposito in de brandkast bevond.

Deze bevinding deelde hij aan de voor de deur wachtende klanten van den
bankier mee.

Vloeken en verwenschingen werden geuit, toen het lichaam van den doode
in een ontboden lijkwagen der politie werd weggebracht.

Des avonds stond in de Londensche couranten „De zelfmoord van den
bankier!” kalmweg verteld. Slechts de korte bijvoeging, dat den
volgenden dag verdere ophelderingen zouden volgen, hield de
nieuwsgierigheid der lezers gespannen.

Baxter wenschte liever waar ook dan in Londen te wonen, en deze opinie
werd gedeeld door de andere leden van de Vereeniging ter bevordering
der goede zeden.

Het was een zware slag voor de Vereeniging, door den dood van haar
president veroorzaakt.

Alleen Su-Ki-Bit-Wou-Wang was over het verloop zeer tevreden, en toen
hij bij Miss Raabe kwam, veroorloofde deze zich zelfs grove scherts.
Wel beschouwd had zij tenminste eenige bedroefdheid over den dood van
haren vereerder moeten voorwenden.

Ze zag niet den blik vol afschuw, dien de Chinees haar toewierp.

Reeds den volgenden dag begonnen de couranten op ironischen en
spottenden toon de verhouding van Harper tot de Vereeniging ter
bevordering der goede zeden te critiseeren. Ook de hertog van Norfolk
en de inspecteur van politie kregen hun aandeel.

Baxter wond zich zoodanig op, dat hij niet op het bureau verscheen en
de Vloo weer eens alleen de zaken moest afdoen.

Hij heeft weer moreele Katzenjammer, lachte Marholm vergenoegd in
zichzelf en rookte de eene pijp na de andere.— —

Eerst op den avond van den dag, waarop de courantenstorm was bedaard,
verscheen Baxter weer op het bureau.

Hij vond verscheiden brieven, waaronder de mededeeling van den
directeur van den Garrick-schouwburg, dat over twee dagen de première
zou plaats hebben van den éénacter „Bevordering der goede zeden”.

De uitdrukking „goede zeden” werkte thans op Baxter als een rood doek.

„Goddam,” vloekte hij in zichzelf, doch zoo luid, dat de Vloo het
hoorde, „als ik dat geweten had, zou ik dat stuk niet hebben
toegelaten.”

„Ziet ge wel,” zei de Vloo, „waarom hebt ge niet naar mij geluisterd.
Als het kalf verdronken is, dempt gij den put. Ge hadt liever met uw
vingers van die goede zeden moeten afblijven.”

„Ja, ge hebt gelijk,” zuchtte Baxter, „daaruit komt niets anders voort
dan een reusachtige katterigheid. Men dorscht daar het leege stroo en
praat over dingen die niet bestaan.”








ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE INBRAAK.


Miss Raabe wachtte Su-Ki-Bit-Wou-Wang tamelijk onverschillig op.
Tevergeefs keek zij ieder oogenblik door de ruiten op straat om te zien
of hij ook kwam, nu eerst herinnerde zij zich, dat zij nog nooit in
zijn woning was geweest.

Zij besloot vanavond de schade in te halen, en ontwierp een plan om den
Chinees verder in haar netten te vangen, want na den dood van Harper
had zij een nieuwen geldschieter noodig.

Su-Ki-Bit-Wou-Wang kwam ’s avonds echter niet.

Tegen middernacht besloot zij het wachten op te geven en trok zich
terug in haar slaapkamer.

Zooals gewoonlijk nam zij ook nu een slaapmiddel in en sliep weldra
vast.

De schemerlamp wierp haar getemperd licht op de kostbare, zijde dekens,
waaronder de tooneelspeelster rustte, toen opeens de geheime deur der
kleerkast open ging en de donkere gestalte van een man te voorschijn
trad.

Hij schreed de slaapkamer binnen tot aan het bed der slaapster. Het
gelaat van den man was met een zijden masker bedekt, waaruit alleen
twee donkere oogen fonkelden.

De gemaskerde sloop naar het ijzeren kistje, dicht bij het bed en had
weldra van een sleutelbos den passenden sleutel gevonden, waarmede hij
het kistje openmaakte.

Daarin bevonden zich diamanten, edelgesteenten en ringen, alsook meer
dan 10,000 pond in bankpapier.

De kostbaarheden en bankbiljetten waren spoedig in een leeren taschje
gepakt en na zijn visitekaartje in het kistje te hebben gelegd, verliet
de gemaskerde even stil als hij gekomen was de kamer.— —



Den volgenden morgen tegen 11 uur vloog de tooneelspeelster Miss Raabe
als een krankzinnige bij Baxter het bureau binnen met den uitroep: „Ik
ben door Raffles bestolen, heeren!”

Verschrikt sprong Baxter op en riep: „Wat schreeuwt ge toch, Madam,
door wien zijt ge bestolen?”

„Door Raffles!” schreeuwde de miss opnieuw opgewonden. „Meer dan 10,000
pond aan bankbiljetten en evenveel waarde aan diamanten. Lieve
inspecteur, help mij toch uit vriendschap.”

„Pardon,” sprak Baxter, „gij zijt hier in het bureau van den inspecteur
van politie! Laat mijn persoon er dus buiten.”

Hij wilde voor de Vloo zijne betrekkingen tot de wereld verbergen.

„Waar hebt ge Raffles leeren kennen?” vroeg hij aan Miss Raabe.

„Ik heb hem nog nooit gezien,” antwoordde deze schouderophalend.

„Maar hij moest toch weten, dat gij uw geld en sieraden thuis bewaart.
De Groote Onbekende zal geen inbraak plegen zonder zich te
oriënteeren.”

„Misschien is hij onder een anderen naam bij u geweest,” viel de Vloo
in de rede.

„Ik ontvang geen heeren,” antwoordde de tooneelspeelster, „en heb
trouwens maar één vriend, een buitenlander, die in het geheel niet in
aanmerking komt.”

„Een buitenlander is zeer verdacht. Wilt gij ons zijn naam noemen?”
vroeg Baxter.

„Dat heeft geen doel, heeren,” antwoordde de bestolene, „doch wanneer
gij er bijzonder op staat en u zelf wilt overtuigen, het is een Chinees
en hij heet Su-Ki-Bit-Wou-Wang”.

„Zoo, zoo!” meende de Vloo, „als die Chinees Raffles maar niet is.”

„Gij zijt en blijft een idioot, Marholm,” stoof de inspecteur op, en
zich daarna tot Miss Raabe wendend:

„Hoe weet ge, dat het Raffles was, die de inbraak pleegde?”

„Hier is zijn visitekaartje, dat in het kistje lag,” antwoordde zij.

Op dit oogenblik belde de telephoon en Baxter riep:

„Hallo, wie daar?”

„Spreek ik met inspecteur Baxter?”

„Ja, wat wenscht u?”

„Is Miss Raabe ook bij u?”

„Ja, de Lady is hier op het bureau.”

„Wel, groet haar dan van mij.”

„Wie zijt ge dan?”

Toen klonk langzaam en duidelijk door de telephoon:

„John C. Raffles!”

„De duivel hale u!” schreeuwde Baxter, waarop het lachend terugklonk:
„Dat zal gebeuren!”

De telephoon ophangend riep Baxter: „Dat is weer echt zijn brutaliteit.
De kerel belt me op en drijft den spot met ons. Kon ik hem toch
eindelijk eens pakken.”

„Is die man dan werkelijk niet te pakken?” vroeg Miss Raabe.

Baxter haalde de schouders op, doch de Vloo verklaarde:

„Door ons niet, dat is zeker.”








ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE TOONEELVOORSTELLING.


Het publiek, dat de première ging bijwonen in den Garrick-schouwburg,
amuseerde zich vóór de voorstelling met het berichtje in de avondbladen
betreffende de inbraak bij de tooneelspeelster. Daarna las men het
programma van de voorstelling.

Hoe meer men tuurde op de rollen, die in het nieuwe stuk voorkwamen,
hoe meer het stuk hun verdacht voorkwam, temeer, daar de titel hen al
herinnerde aan de jongste gebeurtenissen en de rollen van bankier,
hertog en inspecteur van politie sterke gelijkenis toonden met de
personen der zedelijkheidsvereeniging.

Verder trof men onder de rollen die van een Chinees,
Su-Ki-Bit-Wou-Wang, verder een tooneelspeelster, een danseres, en ten
laatste als clou, als buitengewone sensatie, stond vermeld de naam:
Raffles.

De tooneelkijkers werden nieuwsgierig naar de loge gericht, waarin de
inspecteur van politie Baxter met eenige andere politiebeambten zat.
Deze had geen vermoeden, dat hij het middelpunt der belangstelling van
het publiek was geworden.

Zenuwachtig wachtten de ongeduldigen tot het belletje klonk, het
gordijn omhoog ging en men een nauwkeurige copie van een der zalen uit
hotel Cecilia op het tooneel zag.

De redevoeringen der zoogenaamde bevorderaars der goede zeden wekten
den algemeenen lachlust op, behalve bij Baxter, die zich nauwkeurig
nagebootst op de planken zag, en zijne verbazing bereikte het toppunt,
toen de bekende Su-Ki-Bit-Wou-Wang ten tooneele verscheen.

Deze speelde zijn rol meesterlijk en het publiek genoot volop, toen hij
uit de vergadering der zedelijke heeren werd verwijderd.

Nu veranderde het tooneel. Dames der demi-monde traden binnen, en men
kreeg tooneeltjes te aanschouwen, die in de Vereeniging ter bevordering
der goede zeden allesbehalve thuis behoorden.

Zoo werd achtereenvolgens al het gebeurde met Harper, Miss Raabe en den
Chinees voor het voetlicht gebracht, tot zelfs de inbraak bij de
tooneelspeelster en de vermakelijke scène op het bureau van den
inspecteur Baxter.

Het publiek riep enthusiast om den schrijver, waarna plotseling het
gordijn vaneen ging, de Chinees verscheen en boog.

Allen stonden verbluft.

Baxter had den schouwburg allang verlaten met zijn beambten.

Toen werd er van de galerij geroepen:

„Masker af! We willen zien hoe gij er uitziet!”

De Chinees gebood met een handgebaar stilte en sprak:

„Ik ben zeer blij, dat het stuk u is bevallen, en voldoe gaarne aan uw
wensch, mij zonder masker te zien. De inspecteur Baxter is toch niet
meer in de zaal! Een oogenblik slechts!”

Even later keerde hij terug als volmaakte heer, met gladgeschoren
gelaat, monocle in het oog en in eleganten rok gekleed.

„Raffles! Raffles!” klonk het van alle kanten.

„En sta mij nu toe, dat ik mij aan u voorstel. Gij zult het
begrijpelijk vinden, dat ik dadelijk daarna vertrek. Mijn naam is......
John C. Raffles......”

Het publiek stormde op het tooneel toe, doch Raffles was al verdwenen.

Het gebeurde ging als een loopend vuurtje door Londen en niet het minst
van allen was Baxter verbaasd, toen hij vernam, hoe de afloop was
geweest na zijn vertrek uit den schouwburg, en dat Raffles had
aangekondigd, dat het einde van het stuk morgen in de couranten te
lezen zou zijn.



En werkelijk bevatten de middagbladen van den volgenden dag in vet
gedrukte letters op de eerste bladzijde het volgende artikel:


    „De schuldige aan den moord van den bankier Harper. Raffles’
    inbraak uit medelijden. Raffles een weldoener.

    De weduwe van den bankier Harper, die zich voor een paar dagen van
    het leven beroofde wegens verliezen op de beurs, ontving heden van
    Raffles 7000 pond sterling met de mededeeling, dat hij dit
    ontstolen had aan een tooneelspeelster, die de beminde van den
    bankier was geweest. De bankier zou dit geld aan zijn beminde
    hebben cadeau gegeven— —

    Tegelijkertijd ontving het kantongerecht te Hampton Road 3000 pond
    sterling, zijnde de verduisterde deposito’s, welke door Raffles
    werden ter beschikking gesteld.

    De weduwe, die met haar twee kinderen in armoede verkeerde, is door
    deze daad tegen hongerlijden en ellende beschermd.

    Wij koesteren de hoop, dat Raffles onze stad nog dikwijls moge
    zegenen met dergelijke inbraken.”


„Hij heeft alweer een standbeeld verdiend”, zei de Vloo, toen hij het
artikel las.

Baxter echter was het een pak van het hart en hij dacht: „Raffles is
toch een fatsoenlijk mensch.”

„Ik ben blij, dat eindelijk van u te hooren”, sprak de Vloo.

Daarna vroeg hij: „Blijft gij voorzitter van de Vereeniging ter
bevordering der goede zeden?”

„Ik heb maling aan de goede zeden”, schreeuwde Baxter, „de duivel moge
ze halen!”

„Hoerah!” riep de Vloo, „ik geloof, dat gij verstandig wordt en dat
hebt gij alleen aan Raffles te danken.”











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0046: VEREENIGING TER BEVORDERING DER GOEDE ZEDEN ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.