Drie Harten

By Jack London

The Project Gutenberg eBook of Drie Harten
    
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this ebook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Drie Harten

Author: Jack London

Release date: January 20, 2026 [eBook #77745]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Johannes Müller, 1924

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE HARTEN ***




                              DRIE HARTEN


                                  DOOR
                              JACK LONDON


                               AMSTERDAM
                  BOEKHANDEL EN UITGEVERSMAATSCHAPPIJ
                            JOHANNES MÜLLER








VOORWOORD.


Ik hoop, dat de lezer mij niet kwalijk zal nemen, dat ik dit voorwoord
inleid met een snoeverij. Werkelijk, dit verhaal is een heugelijke
gebeurtenis. Wanneer het voltooid is, vier ik mijn veertigsten
verjaardag; het is mijn vijftigste boek; het zestiende jaar van mijn
schrijversloopbaan en een nieuw begin. „Drie harten”, is een nieuw
begin. Nooit tevoren heb ik iets dergelijks gedaan; ik ben er vrij
zeker van, dat ik nooit weer iets dergelijks doen zal. En ik durf er
gerust voor uitkomen, dat ik er trots op ben het gedaan te hebben. En
nu, wanneer de lezer van actie houdt, dan raad ik hem aan om de rest
van deze snoeverij en dit voorwoord over te slaan en zich hals over
kop, op het verhaal te storten en mij te vertellen of het zich niet
goed laat lezen.

Voor den meer nieuwsgierigen lezer wil ik het nog wat nader verklaren.
Nu de bioscoop verreweg de meest populaire vorm van ontspanning
geworden is over de geheele wereld, begon de voorraad van intriges en
verhalen der menschelijke verdichting snel uitgeput te raken. In een
jaar tijd is één enkele maatschappij met een twintigtal directeuren, in
staat om alle werken van Shakespeare, Balzac, Dickens, Scott, Zola,
Tolstoï en een dozijn, minder vruchtbare schrijvers te verfilmen. En
aangezien er honderden bioscoop-maatschappijen zijn, is het gemakkelijk
te begrijpen hoe snel zij tegenover een tekort stonden aan ruw
materiaal, waaruit bioscoopbeelden vervaardigd worden. Het film-recht
van alle novellen, korte verhalen en tooneelstukken, die al beschermd
waren door auteursrecht, werd gekocht of gecontracteerd, terwijl al het
ruwe materiaal, waarvan het auteursrecht verloopen was, even snel op
het doek gebracht werd, als zeelieden op een goudkust de korreltjes
goud zouden oppikken. Duizenden filmroman-schrijvers—of beter gezegd,
tienduizenden, want er was geen man, vrouw of kind, die niet in staat
ware om een filmroman te schrijven—tienduizenden filmroman-schrijvers
maakten strooptochten door alle literatuur (met en zonder auteursrecht)
en grepen de tijdschriften weg, nog nat van de pers, om zich meester te
maken van de een of andere nieuwe scène, intrige of geschiedenis,
voortgebracht door hun schrijvende medebroederen. Terloops moet er
echter op gewezen worden, dat dit geschiedde in de dagen, al is zulks
nog niet lang geleden, vóór de filmroman-schrijvers achtenswaardige
menschen werden, in de dagen, toen zij overwerk verrichtten voor
hondsche directeuren voor vijftien en twintig dollars per week of hun
producten te koop aanboden voor tien tot twintig dollars per stuk en
den halven tijd niet eens het geld ontvingen, dat hun toekwam, of toen
hun gestolen goederen hun eveneens ontstolen werden door even
onbarmhartige en schaamtelooze individuen, die bij de week slaafden.
Maar heden, al is dit slechts een dag later, ken ik
filmroman-schrijvers, die drie auto’s hebben, twee chauffeurs, hun
kinderen naar de deftigste scholen zenden en wier solvabiliteit niet te
betwijfelen valt. Het was voornamelijk te danken aan dit tekort aan ruw
materiaal, dat de filmroman-schrijvers zoo in waarde en aanzien stegen.
Er kwam vraag naar, ze werden met meer achting behandeld, beter betaald
en, wederkeerig, verwachtte men, dat ze op een hooger peil zouden komen
te staan. Een phase van deze nieuwe vraag naar materiaal was de poging
om bekende schrijvers voor dit werk te winnen. Maar al heeft iemand een
twintigtal novellen geschreven, dan is dit nog geen bewijs, dat hij een
goede filmroman kan schrijven. Integendeel, men kwam spoedig tot de
ontdekking, dat een vroeger succes als novellist de beste garantie was
voor een mislukking als filmroman-schrijver.

Maar de film-maatschappijen gaven den moed niet op. Verdeeling van het
werk, dat was de zaak. In verbinding tredend met invloedrijke
dagblad-organisaties of juist het tegenovergestelde, zooals met „Drie
harten” het geval was, lieten ze de bekwaamste filmroman-schrijvers
(die, met den besten wil van de wereld, geen novelle konden
vervaardigen) filmromans schrijven, die dan weer door
novelle-schrijvers (die, met den besten wil van de wereld, geen
filmroman konden vervaardigen) werden omgewerkt in novelles.

Zoo kwam Mr. Charles Goddard bij den schrijver, Jack London, zeggende:
„Tijd, plaats en menschen zijn gereed; de film-maatschappijen, de
dagbladen en het kapitaal, alles is klaar; laten we nu een overeenkomst
sluiten.” En wij deden het. Resultaat: „Drie harten.” Wanneer ik
beweer, dat Mr. Goddard aansprakelijk is voor „De gevaren van Pauline”,
„De heldendaden van Elaine”, „De Godin”, de „Maak dat je rijk wordt,
Wallingford”-series enz., dan kan er niet de minste twijfel bestaan aan
zijn bekwaamheid. Ook de naam der heldin van dit boek, Leoncia, is zijn
eigen vinding.

Op de rancho in de Maanvallei schreef hij de eerste episodes. Maar hij
schreef vlugger dan ik en had zijn vijftien episodes af, weken vóór ik
gereed was. Laat u niet misleiden door het woord „episode”. De eerste
episode beslaat drieduizend voet film. De volgende veertien ieder
tweeduizend voet. En iedere episode omvat negentig bedrijven, wat een
totaal maakt van ongeveer dertienhonderd bedrijven. Maar
desniettegenstaande werkten wij gelijktijdig aan onze respectieve
opdracht. Ik kon geen rekening houden met hetgeen er in het volgende of
twaalf hoofdstukken verder gebeurde, omdat ik dit niet wist. Evenmin
wist Mr. Goddard dit. Het onvermijdelijk gevolg was dat „Drie harten”
misschien niet erg logisch kon worden opgebouwd, ofschoon er toch zeker
een leidende draad in is op te merken.

Stel u mijn verrassing voor, toen ik daar in Hawaii en zwoegend onder
het novelliseeren der tiende episode, met de mail van Mr. Goddard uit
New-York de veertiende episode ontving en deze doorlezend, ontdekte,
dat mijn held getrouwd was met de verkeerde vrouw!—en dan nog maar één
episode te hebben, om die verkeerde vrouw kwijt te worden en mijn held
op waardige wijze te vereenigen met de echte en eenige vrouw. Zie voor
dit alles, alsjeblieft het laatste hoofdstuk der vijftiende episode.
Maar Mr. Goddard zal me wel aangeven, hoe dit moet geschieden.

Want Mr. Goddard is een meester in actie en snelheid. Actie kan hem in
het minst niet verontrusten. „Speel”, zegt hij kalm in een
film-aanwijzing voor den film-acteur. Blijkbaar doet de acteur dit,
want Mr. Goddard gaat onmiddellijk voort. „Vertolk verdriet”, beveelt
hij, of „zorg”, of „toorn”, of „teedere sympathie”, of „moorddadige
bedoelingen”, of „neiging tot zelfmoord”. Dat is al. En dat moet het
zijn, want hoe zou hij anders ooit al die dertienhonderd bedrijven
kunnen voltooien.

Maar stel u nu mij, arme duivel, voor, die het tooverwoord „Speel” niet
kan gebruiken, maar die, toch eenigszins uitvoerig, deze
gemoedsstemmingen en manieren moet beschrijven, zoo vluchtig in het
voorbijgaan door Mr. Goddard in het leven geroepen! Wel, Dickens zag er
niets in om een duizend woorden of zoo te besteden aan de beschrijving
en karakteriseering van een zeker verdriet van een zeker persoon. Maar
Mr. Goddard zegt: „Speel”, en de slaven der camera gehoorzamen.

En actie! Ik heb in mijn leven enkele avontuurlijke verhalen
geschreven, maar nog nooit heb ik, in al die werken, zooveel actie
kunnen leggen, als samengevat is in „Drie harten”.

Maar nu weet ik, waarom de bioscoop zoo populair is. Ik weet nu waarom
de heeren „Barnes van New-York” en „Potter van Texas”, millioenen
copieën verkoopen. Ik weet nu, waarom een hoogdravend stukje
redevoering meer stemmen verwerft dan de schoonste of edelste daad of
gedachte van staatsbeleid. Het is een interessante onderneming geweest,
dit novelliseeren van Mr. Goddards filmroman, en het was zeer leerzaam.
Het ouderwetsche beeld, dat ik mij over de samenleving gevormd had,
ontving daar door een andere belichting, een ander voetstuk en andere
steunsels. Ik heb, door dit avontuur in mijn schrijversloopbaan, de
zienswijze der groote menigte beter leeren begrijpen, dan ik ooit
tevoren deed en beter dan ooit gevoeld, hoe de volksmenner zijn gehoor,
welks toejuichingen hij verwierf, door zijn geestelijk meesterschap
weet te boeien. Het zou mij verwonderen, als dit boek geen opgang
maakte. („Speel verwondering”, zou Mr. Goddard zeggen, of „Vertolk
opgang”.)

Wanneer het avontuurlijke van „Drie Harten” toegeschreven moet worden
aan samenwerking, dan ben ik er door in vervoering gebracht. Maar
helaas!—ik vrees, dat Mr. Goddard dan een medewerker is, zooals er
slechts één op een millioen te vinden is. We hebben elkander nooit
gesproken, noch van gedachte gewisseld of verschil van inzicht
gehuldigd. Maar dan moet ik zelf ook een juweel van een medewerker
zijn. Heb ik hem niet zonder fluisteren, klagen of morren, laten
„spelen”, door vijftien filmepisodes, dertienhonderd bedrijven en
eenendertigduizend voet film, door honderdelfduizend woorden novelle
heen? Maar hoe het zij, nu het werk af is, wenschte ik, dat ik het
nimmer geschreven had—en wel om reden, dat ik het zelf zou willen lezen
om te zien, of het goed leest. Daar ben ik nieuwsgierig naar. Ik ben er
erg nieuwsgierig naar.

                                        Waikiki, Hawaii. 23 Maart 1916.

    Jack London.








            RUG AAN RUG, DOOR DEN GROOTMAST GESCHEIDEN.


            Wilt ge avonturen en schatten?
            Luistert, Kapers, trekt met me mee!
            Zoekt ze op de oceanen.
            Op de golvende, rollende zee.

                        Refrein.

            Woedende storm en de bruisende golven!
            Wij zijn de duivels, wier vroolijke moed,
            —Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
            De gansche bemanning wijken doet.

            Grijpt de dolken, grijpt pistolen!
            Ons is de zege na bloedigen strijd!
            Laat de zwaarden het werk voltooien,
            Door de kanonnen voorbereid.

                        Refrein.

            Woedende storm en de bruisende golven!
            Wij zijn de duivels, wier vroolijke moed,
            —Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
            De gansche bemanning wijken doet.

            Hoezee voor de rhum! hoezee voor de buit!
            Voor d’ orkaan met ’n dond’rende kracht!
            Laat de zeeman genade smeeken,
            Als de stuurlui zijn omgebracht.

                        Refrein.

            Woedende storm en de bruisende golven!
            Wij zijn de duivels, wier vroolijke moed,
            —Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
            De gansche bemanning wijken doet.

            Driewerf hoezee! het schip is genomen!
            Makkers hoezee! Gij waart het best!
            Neemt de maagden, neemt de lading!
            Naar de haaien met de rest!

                        Refrein.

            Woedende storm en de bruisende golven!
            Wij zijn de duivels, wier vroolijke moed,
            —Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
            De gansche bemanning wijken doet.

                        Naar het Engelsch van George Sterling.








HOOFDSTUK I.


De gebeurtenissen volgden elkander met groote snelheid op in het leven
van Francis Morgan op dien laten lentemorgen. Wanneer ooit een man met
groote sprongen het ruwe, bloedige drama en de tragedie der oudheid en
het middeleeuwsche melodrama van gevoel en hartstocht der Nieuwe Wereld
tegemoet snelde, dan was Francis Morgan bestemd om deze man te zijn en
het Noodlot zat hem dicht op de hielen. Toch was hij zich nauwelijks
bewust, dat er eenige beweging was in de wereld en hij bewoog zich zelf
ternauwernood. Een groot gedeelte van den nacht, aan de bridge-tafel
doorgebracht, was oorzaak van zijn laat opstaan. Na een laat ontbijt,
bestaande uit vruchten en plantaardig voedsel, was hij naar de
bibliotheek gegaan—de deftige, weelderige kamer, van waaruit zijn
vader, tot het laatste oogenblik toe, zijn uitgebreide en veelzijdige
zaken had geleid.

„Parker,” sprak hij tot zijn knecht, die vroeger reeds in dienst was
geweest van zijn vader, „heb je ooit een spoor van vet gezien aan R. H.
M., in de laatste dagen van zijn leven?”

„O, neen, mijnheer,” was het antwoord, dat gegeven werd met al den
verschuldigden eerbied van een geroutineerd bediende, maar dat tevens
vergezeld ging van een onwillekeurigen onderzoekenden blik, die op de
prachtige vormen van den jongen man bleef rusten. „Uw vader behield tot
het einde toe zijn slanke figuur, mijnheer. Hij bleef altijd dezelfde,
breedgeschouderd, met breede borst, en zwaar gebouwd, maar zijn middel
bleef slank, altijd slank, mijnheer. Wanneer hij zich uitkleedde om te
baden, mijnheer, dan zou zijn figuur de meeste jongemannen in de stad
beschaamd hebben. Maar hij verzorgde zijn lichaam ook goed; die
lichaamsoefeningen in bed deden het hem, mijnheer. Iederen morgen een
half uur. Daar ging niets van af. Hij noemde dit zijn
godsdienstoefening.”

„Ja, hij was een pracht-man,” antwoordde de jongeman luchtig, naar den
koersaanwijzer en de verschillende telefonen kijkend, die zijn vader
had laten aanleggen.

„Dat was hij,” stemde Parker geestdriftig toe. „Hij was slank en
aristocratisch, ondanks zijn schouders, beenderen en borst. En dat hebt
u van hem geërfd, mijnheer, alleen maar in een beetje weelderiger
vorm.”

De jonge Francis Morgan, die vele millioenen en krachtige spieren
geërfd had, leunde behagelijk achterover in een groote clubfauteuil,
zijn beenen uitstrekkend als een krachtige menagerieleeuw, die
overvloeit van levenskracht en keek naar een bericht in het
ochtendblad, dat hem op de hoogte bracht van een nieuwe ertsader in de
Culebra-Cut in Panama.

„Als ik niet wist, dat wij, Morgans, daar geen aanleg voor hebben,”
geeuwde hij, „zou ik alleen door dit bestaan al dik worden... Niet,
Parker?”

De bejaarde dienstknecht, die verzuimd had om onmiddellijk antwoord te
geven, schrok plotseling op, toen de pauze door deze vraag onderbroken
werd.

„O, zeker, mijnheer,” sprak hij haastig. „Ik bedoel, neen, mijnheer. U
verkeert in de schitterendste conditie.”

„Om den drommel niet,” verzekerde de jongeman hem. „Ik mag dan al niet
dik worden, slap word ik beslist... Niet, Parker?”

„Ja mijnheer. Neen, mijnheer; neen, ik bedoel neen, mijnheer. U is nog
precies dezelfde als toen u drie jaar geleden van de academie
terugkwam.”

„En mijn beroep maakte van ledigloopen,” lachte Francis. „Parker!”
Parker was een en al aandacht. Zijn meester ging aandachtig met zich
zelf te rade, alsof hij zich met een zeer gewichtig vraagstuk
bezighield, onderwijl het borstelige kneveltje opstrijkend, dat veel
geleek op een kleinen tandenborstel en dat hij sedert eenigen tijd op
zijn bovenlip aankweekte.

„Parker, ik ga visschen.”

„Ja, mijnheer!”

„Ik heb last gegeven om eenige hengelroeden klaar te maken. Wees zoo
goed die bij elkaar te binden, dan zal ik ze eens probeeren. Ik heb
zoo’n idee, dat een week of twee in de bosschen juist is, wat ik noodig
heb. Als ik het niet doe, zal ik beslist dik gaan worden en den heelen
familie-stamboom schande aandoen. Je herinnert je toch Sir Henry?—de
oude, origineele Sir Henry, de oude boekanier en ijzervreter?”

„Ja, mijnheer; ik heb over hem gelezen, mijnheer.”

Parker was in de deuropening blijven staan om te wachten op het
oogenblik, waarop de woordenvloed van zijn jongen meester tot stilstand
zou komen, zoodat hij zijn boodschap kon gaan doen.

„Niets geen reden om trotsch op te zijn, die ouwe zeeroover.”

„Zeg dat niet, mijnheer,” protesteerde Parker. „Hij was Gouverneur van
Jamaïca. Hij stierf als een zeer achtenswaardig man.”

„Hij mocht van geluk spreken, dat hij niet aan de galg stierf,” lachte
Francis. „Zooals de zaken nu staan, is hij de eenige schandvlek der
familie, die hij stichtte. Maar wat ik zeggen wil is, dat ik zeer
zorgvuldig zijn leven nagegaan heb. Hij behield zijn goed figuur en
stierf met een slanke taille, Goddank. Het is een goede erfenis, die
hij aan zijn nakomelingen naliet. Wij, Morgans, vonden nimmer zijn
schat; maar van grooter waarde dan robijnen is de slanke taille, die
hij ons, als zijn erfdeel, naliet. Dat is wat men noemt een kenmerk van
het ras—tenminste dat leerden de profs mij in de biologische lessen.”

Parker verdween uit de kamer in de nu volgende stilte, terwijl Francis
Morgan zich verdiepte in de berichten uit Panama en vernam, dat het
kanaal waarschijnlijk de eerste drie weken nog niet geopend zou worden.

Een telefoon rinkelde en door de electrische draden eener volmaakte
beschaving, strekte het Noodlot voor het eerst zijn voelhorens uit en
kwam in contact met Francis Morgan in de bibliotheek der villa, die
zijn vader op Riverside Drive had laten bouwen.

„Maar mijn beste, mevrouw Carrothers,” was zijn protest In de
spreekbuis. „Hoe het ook zij, ’t is niets dan een plaatselijke storm.
Tampico-Petroleum is secuur. ’t Is geen speculatief fonds. Het is een
secure belegging. Blijf er bij. Houd ze vast... Wat doet het er toe of
ze twee procent stijgen? Verkoop ze niet. Tampico-Petroleum is geen
loterij of een hazardspel. Het is echte, zuivere industrie. Ik wilde,
dat het niet zoo’n allemachtig groote zaak geweest was, dan had ik het
geheel aan mijzelf gehouden... Geloof me, alstublieft, het is geen
speculatie. Onze tegenwoordige contracten voor tanks loopen over meer
dan een millioen. Onze spoorlijn en onze drie buisleidingen kosten ruim
vijf millioen. Wel, we hebben op het oogenblik voor een honderd
millioen bronnen en het groote probleem is om de olie uit het land naar
de booten te krijgen. Dit is de beste tijd om te koopen. Over een of
twee jaar zullen uw aandeelen de rijksleeningen te niet doen...”

„Ja, Ja, alstublieft. Het doet er niet toe, hoe de markt loopt. En
bedenk wel, ik heb u niet aangeraden om er als een der eersten in deel
te nemen. Dat zou ik nooit een vriend aanraden. Maar nu ze er eenmaal
in zijn, houd ze vast. Ze zijn even solide als de Engelsche Bank... Ja,
Dicky en ik verdeelden gisterenavond den buit. Een gezellig partijtje,
ofschoon Dicky te veel temperament bezit voor het bridge-spel... Ja,
een helsch geluk... Ha! ha! Mijn temperament? Ha! ha!... Ja?... Zeg aan
Harry, dat ik er voor een paar weken tusschenuittrek... Visschen,
forelletjes, zie je, lente en de stroomen, het opstijgen der sappen,
het uitbotten, de bloesems en al het andere... Ja, gegroet, en houd
vast aan Tampico-Petroleum. Wanneer ze zakken, na die speculatie van
dien farmer uit Minnesota, koop er dan nog wat bij. Ik doe het ook. Het
geld ligt voor het oprapen... Ja... Ja, zeker... Het is te secuur, om
nu op een los gerucht te gaan verkoopen, omdat ze niet doorloopend
zullen zakken... Natuurlijk weet ik wat ik zeg, ik heb net acht uur
geslapen en nog niets gedronken... Ja, ja... Gegroet.”

Hij haalde het telegraflint naar zich toe en, gemakkelijk in zijn stoel
zittend, las hij het traag over, met iets toenemende belangstelling
kennis nemend van den inhoud.

Parker keerde terug met verscheidene dunne hengels, waarvan elk een
schitterende proeve van handwerk en kunst was. Francis sprong op van
zijn stoel, het lint werd terzijde geslingerd en als een opgewonden
jongen onderzocht hij het speeltuig, het eene na het andere, probeerde
ze, liet ze door de lucht zwiepen tot ze een geluid maakten als een
scherpen zweepslag en bewoog ze zachtjes, voorzichtig en zorgvuldig
langs het hooge plafond om ze op den vloer te doen zinken, alsof dit
een denkbeeldige poel was vol geheimzinnige forellen.

Een telefoon rinkelde. Oogenblikkelijk verscheen er een trek van
misnoegen op zijn gezicht.

„Om ’s hemelswil, geef jij maar antwoord, Parker,” beval hij. „En als
het weer zoo’n stom, speculeerend vrouwelijk wezen is, zeg haar dat ik
dood ben, of dronken, of typhus heb, of net ga trouwen, of een ander
ongeluk.”

Nadat Parker een oogenblik gesproken had, in de bescheiden en
gemoduleerde tonen, die volkomen in overeenstemming waren met de koude,
ingetogen, groote deftigheid van het vertrek, bedekte hij met een „Een
oogenblik, mijnheer,” den spreekhoorn met de hand en sprak:

„’t Is mijnheer Bascom, mijnheer. Hij wil u spreken.”

„Zeg mijnheer Bascom, dat hij naar den duivel kan loopen,” zei Francis,
zoo’n lange zwaai simuleerend, dat hij, wanneer hij werkelijk had
willen inleggen en de angel den weg gevolgd had, door zijn strakken
blik aangewezen, deze waarschijnlijk het raam uitgevlogen zou zijn en
den tuinman getroffen hebben, die daar buiten geknield zat bij een
rozenstruik, welke hij juist bezig was te planten.

„Mijnheer Bascom zegt, dat het over beurszaken gaat en hij u gaarne één
enkel oogenblik zou spreken,” drong Parker aan, maar zoo bescheiden en
onderdanig, dat het enkel scheen alsof hij een onbelangrijke en niet
dringende boodschap herhaalde.

„Vooruit dan maar.” Voorzichtig zette Francis den hengel tegen een
tafel en ging naar de telefoon.

„Hallo,” riep hij in den hoorn. „Ja, ik ben het, Morgan. Zeg op. Wat is
er?”

Hij luisterde een oogenblik, en viel den spreker toen ongeduldig in de
rede: „Verkoopen—alle duivels. Niets ervan... Natuurlijk ben ik blij,
dat ik het weet. Zelfs al loopen ze tien procent op, wat ze niet doen
zullen, houd alles vast, wat je hebt. ’t Kan een gewettigde stijging
zijn en ’t kan best zijn, dat ze nooit meer terugloopen. Ze zijn
soliede. Ze zijn heel wat meer waard, dan ze genoteerd staan. Ik weet
het, wanneer het publiek ’t soms niet doet. Over een jaar zullen ze aan
tweehonderd staan... dat wil zeggen, wanneer Mexico de revolutie kan
tegenhouden... Wanneer ze mochten dalen, krijg je kooporders van me...
Onzin. Wie verlangt medezeggingschap? ’t Is zuiver sporadisch... wat?
Pardon. Ik bedoel ’t is zuiver tijdelijk. Nu ga ik een veertien dagen
visschen. Wanneer ze vijf procent zakken, koop dan. Koop alles op, wat
aangeboden wordt. Zeg, wanneer een kerel werkelijk een betrouwbaar
eigendom verworven heeft en de speculanten maken zich er van meester,
is dit haast even erg als door beren vervolgd te worden... ja...
Zeker... ja. Saluut.”

En terwijl Francis welgemoed terugkeerde tot zijn vischhengels, was het
Noodlot, in het privé-kantoor van Thomas Regan in de benedenstad, druk
aan het werk. Nadat hij zijn talrijke makelaars opdracht gegeven had om
te koopen en, door zijn menigvuldige kanalen voor geheime publiciteit,
de geheimzinnige tip had laten verspreiden, dat er iets niet in den
haak was met de Tampico-Petroleum-concessies van de Mexicaansche
Regeering, bestudeerde Thomas Regan een rapport van zijn eigen
olie-expert, dien hij uitgezonden had en die twee maanden op de plaats
zelf gespionneerd had om te ontdekken, wat de werkelijke vooruitzichten
en verwachtingen waren van Tampico-Petroleum.

Een bediende bracht een kaartje binnen met het bericht, dat de bezoeker
er op aandrong om ontvangen te worden en een vreemdeling was. Regan
luisterde, keek op het kaartje en zei:

„Zeg aan dien heer Senor Alvarez Torres uit Ciodad de Colon, dat ik hem
niet kan ontvangen.”

Vijf minuten later kwam de bediende terug, nu met een boodschap, die op
het kaartje geschreven was. Regan grinnikte toen hij las:


    „Waarde mijnheer Regan, Hooggeachte Heer:—

    Ik heb de eer u te berichten, dat ik een aanwijzing heb van de
    plaats, waar de schat ligt, die Sir Henry Morgan in de dagen der
    vroegere zeeroovers begroef.

        Alvarez Torres.”


Regan schudde het hoofd en de bediende was al bijna de kamer uit, toen
zijn chef hem plotseling terug riep.

„Breng hem binnen—dadelijk.”

In het oogenblik, dat hij alleen bleef, lachte Regan heimelijk, toen
hij in den geest zijn nieuw plan naging. „Dat nuchter jong!” mompelde
hij, tusschen de rookwolkjes door van een sigaar, die hij juist
aanstak. „Dat denkt, dat hij de rol kan spelen van den ouden R. H. M.
Hij heeft een lesje noodig en de oude Grijskop, Thomas R. zal zien, dat
hij dit ontvangt.”

Senor Alvarez Torres’ Engelsch was even correct als zijn modieus
voorjaars-costuum en ofschoon zijn bleek-gele huid zijn
Latijnsch-Amerikaansche afkomst verried en zijn zwarte oogen getuigden
van een langdurige samensmelting van het Spaansche en Indiaansche ras,
was hij toch zoo door en door New-Yorksch, als Thomas Regan maar zou
kunnen wenschen.

„Met groote inspanning en na jarenlang onderzoek, heb ik eindelijk de
aanwijzing gevonden van het zeerooversgoud van Sir Henry Morgan,” was
zijn inleiding. „Natuurlijk ligt het op de Mosquito-Kust. Ik zal u nu
vertellen, dat het geen duizend mijlen verwijderd is van de
Chiriqui-Lagune en dat Bocas del Toro, met recht, de dichtstbijgelegen
stad genoemd mag worden. Ik werd daar geboren—maar in Parijs
opgevoed—en ken de omgeving daar op mijn duimpje. Een kleine
schoener—de uitrusting is goedkoop, heel goedkoop—maar de uitkomst, de
belooning—de schat!”

Senor Torres pauseerde om goed te kennen te geven, dat hij niet in
staat was een nadere omschrijving te geven en Thomas Regan, een hard
man, gewoon om met harde menschen om te gaan, ging voort om meer van
hem en zijn gegevens te weten te komen met al de strikvragen van een
rechtsgeleerde.

„Ja,” stemde Senor Torres al spoedig toe, „ik ben een beetje in
moeilijkheden—hoe zal ik het zeggen?—behoefte aan gereed kapitaal.”

„Je hebt geld noodig,” verzekerde de beursman hem brutaalweg en hij
boog, verlegen toestemmend.

En hij vertelde nog meer onder het snelvuur van vragen. Het was waar,
hij had eerst onlangs Bocas del Toro verlaten, maar hij hoopte er nooit
terug te keeren. En toch was hij bereid om terug te gaan, wanneer
misschien de een of andere schikking...

Maar Regan stopte hem den mond op de afdoende wijze van den heerscher,
die tegenover minderwaardige medeschepselen staat. Hij schreef een
chèque, ten name van Alvarez Torres en toen dat heer er een oog op
wierp, zag hij de cijfers van duizend dollars.

„Ziehier nu mijn plan,” zei Regan. „Ik hecht niet het minste geloof aan
je verhaal. Maar ik heb een jongen vriend—ik houd veel van den jongen,
maar hij houdt te veel van het stadsleven, fuiven, dames en de rest—je
begrijpt?” En Senor Alvarez Torres boog, zooals de eene man van de
wereld tegenover den ander doen zou. „Welnu, terwille van zijn
gezondheid, zoowel als van zijn geld en zijn ziel, zou het beste, wat
hem kon overkomen, een uitstapje zijn om den schat te gaan zoeken,
avontuur, inspanning, en... ik ben overtuigd, dat je me al begrepen
hebt.”

Weer boog Alvarez Torres.

„Je hebt geld noodig,” vervolgde Regan. „Tracht hem er voor te
interesseeren. Die duizend dollar is voor je moeite. Wanneer je er in
slaagt hem zooveel belangstelling in te boezemen, dat hij op reis gaat
om het goud van den ouden Morgan te zoeken, krijg je er nog
tweeduizend. En wanneer je hem drie maanden daar weet te houden, nog
tweeduizend—zes maanden, vijfduizend. O, geloof mij, ik heb zijn vader
gekend. Wij waren kameraden, deelgenooten, ik—ik zou willen zeggen,
bijna broeders. Ik zou er alles voor over hebben, om zijn zoon terug te
brengen op het pad der echte mannelijkheid. Wat zeg je ervan? Die
duizend dollars zijn voor jou om mee te beginnen. Welnu?”

Met bevende vingers vouwde Senor Alvarez Torres de chèque dicht en weer
open.

„Ik... ik neem het aan,” stamelde hij, stotterend van hebzucht. „Ik...
ik... Hoe zal ik het zeggen?... U hebt maar over mij te beschikken.”

Vijf minuten later, toen hij opstond om heen te gaan. volledig
ingelicht omtrent de rol, die hij moest spelen en het verhaal van
Morgan’s schat herzien en nog overtuigender gemaakt door het sluwe
zakelijk doorzicht van den beursman, flapte hij er, bijna schertsend,
maar niet minder pathetisch uit:

„En het grappigste is nog, mijnheer Regan, dat het werkelijk waar is.
De veranderingen, die u aangaf, doen mijn verhaal nog aannemelijker
klinken, maar waar is het ondanks alles. Ik heb het geld noodig. U is
zeer vrijgevig, en ik zal mijn best doen... Ik... ik vlei mij, dat ik
een artist ben, maar de echte en werkelijke waarheid is, dat de
aanwijzing van Morgan’s begraven buit onvervalscht is. Ik had de
beschikking over bronnen, die niet toegankelijk waren voor het publiek,
die niet maar te hooi en te gras gevonden worden, want de mannen van
mijn eigen familie—het zijn familie-overleveringen—hadden reeds
dergelijke bronnen en hebben hun leven besteed aan het vruchtelooze
onderzoek. En toch waren ze op het rechte spoor—behalve dat hun vernuft
hen tot op twintig mijlen van de plek bracht. Dit was de schuld van de
bronnen. Zij slaagden er niet in, ik vermoed door een voorbedachte
truc, een woordspeling, een puzzel, een vermomming, een doolhof, die
ik, en ik alleen, heb ontdekt en opgelost. De vroegere zeelui haalden
allemaal zoo’n kunstje uit met de kaarten, die zij teekenden. Zoo
verplaatsten mijn Spaansche voorouders de Hawaii-Eilanden op vijf
lengtegraden.”

Dit alles was weer Grieksch voor Thomas Regan, die glimlachend
toeluisterde en tegelijkertijd daarmede op verdraagzame wijze, het
ongeloof van den, door drukke zaken in beslag genomen zakenman te
kennen gaf.

Nauwelijks was Senor Torres verdwenen of Francis Morgan werd
binnengelaten.

„Mij dacht, dat ik eens een beetje raad moest zien in te winnen,” zei
hij, toen zij elkander begroet hadden. „En bij wien zou ik dit beter
kunnen doen dan bij u, die zoo op de hoogte waart van de zaken van mijn
vader? Ik weet, dat u en hij partners waren in enkele der grootste
ondernemingen. Hij zei mij altijd, dat ik op uw oordeel kon vertrouwen.
En, welnu, hier ben ik en van plan om te gaan visschen. Maar wat is er
toch aan de hand met Tampico-Petroleum?”

„Wat is er aan de hand?” was Regan’s herhaling, fijntjes simuleerend
niets van de zaak af te weten, op het oogenblik zelf, waarop hij de
aansprakelijke persoon was voor de opdrijving.

„Tampico-Petroleum?”

Francis knikte, liet zich in een stoel vallen en stak een cigaret aan,
terwijl Regan den koersaanwijzer raadpleegde.

„Tampico-Petroleum is gestegen—twee procent—dat geeft te denken,” was
zijn meening.

„Juist, wat ik zeg,” bevestigde Francis. „Het geeft te denken. Maar hoe
het zij, vermoed u dat er iets uitgelekt kan zijn over de werkelijke
waarde er van—en die is groot—ik spreek onder de roos, weet u, ik
bedoel absoluut vertrouwelijk?” Regan knikte. „Het is groot. Het is
waar. Het is je zaak. Het is wettig. En nu deze belangstelling—zou u
denken dat iemand, of de een of andere groep medezeggingschap tracht te
krijgen?”

De compagnon van zijn vader, met den eerbiedwaardigen grijzen haardos
boven zijn sluwe hersenen, schudde het hoofd.

„Wel,” overdreef hij, „het kan een oogenblikkelijke opwinding zijn of
het beurspubliek heeft het vermoeden gekregen, dat het werkelijk solied
is. Wat denk jij ervan?”

„Natuurlijk is het soliede,” antwoordde Francis met vuur. „De
rapporten, die ik gekregen heb, Regan, zijn zoo goed, dat je haren
ervan te berge zouden rijzen. Zooals ik al mijn vrienden gezegd heb,
dit is werkelijk echt. Het is vervloekt jammer, dat ik het publiek er
in moest betrekken. Het was zoo groot, dat ik wel moest. Zelfs al het
geld, dat mijn vader mij naliet, was niet toereikend—ik bedoel, mijn
los kapitaal, dat niet belegd was—het geld om mee te handelen.”

„Ben je kort bij kas?” vroeg de oudere man.

„O, ik heb nog een aardig beetje om mee te werken,” was het luchtige
antwoord van den jongeman.

„Je bedoelt?...”

„Zeker. Niet anders dan dat. Als ze dalen, ga ik koopen. Het is
gevonden geld.”

„Hoe ver wil je gaan met koopen?” was de volgende vorschende vraag,
gemaskeerd door een schijnbare opgewektheid en goedkeuring.

„Zoo ver ik kan,” antwoordde Francis onmiddellijk. „Ik zeg je, Regan,
’t is reusachtig.”

„Ik heb er niet genoeg op gelet om er een oordeel over te vellen,
Francis, maar ik moet zeggen, het weinige, dat ik ervan gehoord heb,
klinkt goed.”

„Goed klinken! Ik zeg je, Regan, het is zuivere waar, echt en recht en
het is een schande, dat het in de fondsenlijst opgenomen moest worden.
Ik hoef niemand te gronde te richten en heb niets noodig om ze er door
te halen. De wereld zal er beter van worden, wanneer ik, ik durf niet
te zeggen hoeveel honderden millioenen tonnen zuivere olie over haar
leegstort—laten we aannemen, dat ik enkel één bron in de
Huasteca-velden bezit, die zeven maanden lang zevenentwintig duizend
tonnen per dag oplevert. En zij gaat er nog steeds mee voort. Dat is
een druppel aan den emmer, dien wij tot nu toe aan de markt gebracht
hebben. Het soortelijk gewicht is twee en twintig en ze bevat nog geen
twee tiende procent droesem. En er is een bron—waarvoor we zestig
mijlen pijpen moeten aanleggen, waardoor we haar nog maar ternauwernood
beveiligen, die per dag zeventig duizend ton olie over het landschap
uitstort.—Natuurlijk is dit alles strikt vertrouwelijk, weet u. We zijn
er netjes mee bezig, en ik heb geen zin om Tampico-Petroleum als een
vuurpijl omhoog te zien vliegen.”

„Maak je daar maar niet ongerust over, mijn jongen. Zorg maar, dat je
je olie in de leidingen krijgt en de Mexicaansche revolutie wacht tot
Tampico-Petroleum opstijgt. Ga maar visschen en denk er niet meer aan.”
Regan pauseerde en met goed gesimuleerde plotselinge herinnering nam
hij het kaartje van Alvarez Torres met de potloodaanteekening op. „Kijk
eens, wien ik net bij mij gehad heb.” Blijkbaar plotseling op een idee
komend, hield Regan het kaartje nog een oogenblik vast. „Waarom zou je
alleen maar op forellen gaan visschen? Goed beschouwd, is het toch
enkel maar om de ontspanning te doen. Hier heb je iets om naar te gaan
visschen, wat echt een ontspanning zou zijn, de ontspanning van een
volwassen man en niet de ontspanning in een Perzisch paleis van een
Adirondack-kamp, met ijs en bedienden en electrische drukknoppen. Je
vader was altijd niet weinig trotsch op dat oude familielid—zeeroover.
Hij beweerde, dat hij op hem leek en jij lijkt sprekend op je vader.”

„Sir Henry,” lachte Francis, naar het kaartje grijpend. „Ook ik ben wel
een beetje trotsch op dien ouden schurk.”

Hij keek op met vragenden blik, toen hij het kaartje gelezen had.

„’t Is een geloofwaardige kerel,” verklaarde Regan. „Beweert, dat hij
daar in de buurt op de Mosquito-Kust geboren is en de aanwijzing
verkregen heeft uit zijn familiepapieren. Niet, dat ik hier een woord
van geloof. Ik heb geen tijd noch belang er bij, om me met iets te
bemoeien, dat buiten mijn eigen terrein ligt.”

„Hoe het zij, Sir Henry stierf, practisch gesproken, als een arm man,”
verzekerde Francis, terwijl de koppigheid der Morgans zich voor een
oogenblik op zijn gelaat vertoonde. „En men heeft nooit iets gevonden
van zijn begraven schatten.”

„Goede vischvangst,” spotte Regan vroolijk.

„Ik zou dien Alvarez Torres toch wel eens willen ontmoeten,” antwoordde
de jongeman.

„Goud der dwazen,” vervolgde Regan. „Hoewel ik moet erkennen, dat de
kerel zich buitengewoon geloofwaardig voordoet. Wel, wanneer ik jonger
was—maar o, duivels, mijn werk ligt hier op me te wachten.”

„Weet u ook waar ik hem kan vinden?” vroeg Francis een oogenblik later,
volkomen onbewust zijn hoofd stekend in het net der beproevingen, dat
het Noodlot, in de zichtbare gedaante van Thomas Regan, uitwierp om hem
te vangen.



Den volgenden morgen ontmoetten zij elkander op Regan’s kantoor. Senor
Alvarez Torres schrok en herstelde zich oogenblikkelijk, toen hij den
eersten blik sloeg op het gelaat van Francis. Dit ontging Regan niet,
die grinnikend vroeg:

„Hij lijkt sprekend op den ouden zeerover, niet?”

„Ja, de gelijkenis is zeer treffend.” Torres loog of loog gedeeltelijk,
want hij herkende de gelijkenis naar de portretten, die hij gezien had
van Sir Henry Morgan; ofschoon hij terzelfdertijd in den geest het
gelaat zag van een ander, nog in leven zijnde man, die niet minder dan
Francis en Sir Henry, op deze beiden geleek, dan zij op elkander
geleken.

Francis was nog jong, dat kon niet ontkend worden. Moderne atlassen en
oude kaarten werden bestudeerd, zoowel als oude documenten, geschreven
met verbleekte inkt op vergeeld papier, en na verloop van een half uur
verklaarde hij, dat de eerste visch die hij zou vangen, òf op den Stier
òf op het Kalf gevonden zou worden—de beide eilandjes in de Lagune van
Chiriqui, waar, volgens Torres, op een van beide, de schat begraven
lag.

„Ik zal den nachttrein nemen naar New-Orleans,” verkondigde Francis.
„Dan zal ik juist de aansluiting hebben met een der booten van de
United Fruit Company, bestemd naar Colon—o, ik heb dit alles juist
nagekeken, voor ik gisterenavond ging slapen.”

„Waarom zou u geen schoener charteren voor Colon?” raadde Torres aan.
„Doe de reis overland naar Belen te paard. Dat is de beste plaats om te
charteren, met onvervalschte inboorlingen als matrozen en al het andere
onvervalscht.”

„Dat laat zich hooren!” stemde Francis toe. „Ik heb altijd verlangd om
dat land eens te zien. Zult u gereed zijn om den nachttrein te nemen,
Senor Torres?... Natuurlijk begrijpt u wel, dat ik, onder de gegeven
omstandigheden, de minister van financiën ben en de onkosten betaal.”

Maar op een wenk van Regan, loog Alvarez Torres, snel begrijpend:

„Tot mijn spijt, kan ik mij eerst later bij u voegen, mijnheer Morgan.
Een kleine, dringende aangelegenheid—hoe zal ik het noemen?—een
onbeteekenende, kleine rechtzaak, die eerst afgedaan moet worden. Niet,
dat de uitslag van het proces zoo gewichtig is. Maar het is een
familie-kwestie en daardoor voor mij van het grootste belang. Wij,
Torressen, zijn trotsch, wat, ik moet het bekennen, in dit land
eigenlijk een dwaasheid is, maar bij ons wordt dit zeer hoog
opgenomen.”

„Hij kan later bij je komen en je den weg wijzen, wanneer je het spoor
kwijtgeraakt bent,” verzekerde Regan Francis. „En, voor je het vergeet,
zou het niet goed zijn om met Senor Torres een schikking te maken over
een eventueele verdeeling van den buit... wanneer je die ooit mocht
vinden.”

„Wat zou u er van zeggen?” vroeg Francis.

„Gelijk deelen, ieder de helft,” antwoordde Regan, op schitterende
wijze de verdeeling regelend tusschen de beide mannen, van iets waarvan
hij overtuigd was, dat het niet bestond.

„En u zult mij zoo spoedig mogelijk volgen?” vroeg Francis den
Latijnsch-Amerikaan. „Regan, wees zoo goed om uw best te doen voor die
kleine rechtzaak en deze te bespoedigen?”

„Zeker, mijn jongen,” was het antwoord. „En, wanneer het noodig mocht
zijn, zal ik dan Senor Alvarez maar crediet geven?”

„Prachtig!” Francis drukte hun handen in de zijne. „Dan heb ik er geen
moeite mee. En ik moet me haasten om te gaan pakken, eenige
uitnoodigingen af te zeggen en dien trein te halen. Tot ziens, Regan.
Goedendag, Senor Torres, totdat we elkander weerzien in de buurt van
Bocas del Toro, of in een klein hol in den grond op de Stier of het
Kalf—gij zegt, dat het, volgens uwe meening, het Kalf moet zijn? Mooi,
tot dan—adios!”

En Senor Alvarez Torres bleef nog een poosje bij Regan, ontving nadere
instructies omtrent de rol die hij moest spelen, beginnende met het
tegenwerken en ophouden van Francis’ expeditie en steeds doorgaande met
deze tegen te werken en op te houden.

„Kortom,” besloot Regan, „het zou mij niet veel kunnen schelen, wanneer
hij nooit terugkeert—als je hem daarginds zoolang kunt houden terwille
van zijn gezondheid.”








HOOFDSTUK II.


Geld laat zich evenmin verloochenen als jeugd en Francis Morgan, die de
wettige en natuurlijke vertegenwoordiger was zoowel van jeugd als van
geld, bevond zich op een namiddag, drie weken nadat hij afscheid
genomen had van Regan, aan boord van zijn schoener, de Angélique, in
een windstilte vlak voor het land. Het water was doorschijnend, de
zachte deining nauwelijks merkbaar, en, uit louter verveling en
overvloed van kracht, die evenmin zich laat verloochenen, vroeg hij den
kapitein, een kleurling, half Jamaïca-neger en half Indiaan, om een
klein bootje naar den wal te zenden.

„Het ziet er naar uit of ik wel een papegaai of een aap of zooiets zou
kunnen schieten,” beweerde hij, met een twaalfmaal vergrootenden
Zeiss-kijker den, met jungle begroeiden, op een halve mijl afstand
liggenden oever afzoekend.

„Zeer waarschijnlijk, mijnheer, dat u gebeten wordt door een labarri,
die in deze streken een giftige adder is,” grinnikte de
kleurling-kapitein en eigenaar van de Angélique, die van zijn
Jamaïca-vader de gave geërfd had om vele talen te spreken. Maar Francis
was niet van zijn voornemen af te brengen; want op hetzelfde oogenblik
ontdekte hij door den kijker: ten eerste, wat verder op een witte
haciënda en ten tweede, op den oever een, in het wit gekleede
vrouwelijke gedaante en verder, dat ze hem en den schoener door een
verrekijker opnam.

„Laat een boot naar wal gaan, kapitein,” beval hij. „Wie wonen hier in
de buurt?—blanken?”

„De familie Enrico Solano, mijnheer,” was het antwoord. „Op mijn woord,
het zijn deftige edellieden, van oud-Spaansche afkomst en het geheele
land van de zee tot de Cordilleras is hun eigendom, evenals de helft
der Chiriqui-Lagune. Ze zijn zeer arm, en zeer rijk... in land—en ze
zijn trotsch en vurig als cayenne-peper.”

Toen Francis in de kleine boot naar den oever roeide, merkte het
waakzaam oog van den kapitein, dat hij verzuimd had om geweer of buks
mee te nemen voor de bewuste papegaai of aap. En vervolgens kreeg de
kapitein de, in het wit gekleede vrouwenfiguur in het oog, die zich
afteekende tegen den donkeren junglerand.

Francis roeide regelrecht naar den witten oever van koraalzand, zonder
dat hij over zijn schouder durfde kijken of de jonge vrouw er nog stond
of verdwenen was. Zijn geest koesterde enkel de gezonde gedachte van
een jongeman, dat hij een landelijke jongedame, of een half-wilde
blanke vrouw zou ontmoeten, of op zijn best een zeer boersche, waarmee
hij enkele oogenblikken van de windstilte, die de Angélique tot
werkeloosheid doemde, prettig kon doorbrengen. Toen de boot over den
bodem schuurde, stapte hij uit, en beurde met krachtigen arm den kop
hoog genoeg op het zand, om daar door haar eigen gewicht de boot vast
te houden. Toen keerde hij zich om. Het strand tot aan de jungle was
verlaten. Vol vertrouwen stapte hij voorwaarts. Iedere vreemdeling, op
zoo’n vreemd strand, had het recht om naar bewoners te zoeken en
inlichtingen te vragen—dit was de gedachte, waarnaar hij handelde.

En hij, die slechts enkele minuten van afleiding verwacht had, zag zich
in zijn schoonste verwachtingen overtroffen. Als een duiveltje uit een
doosje, sprong de vrouw, die hem, in den korten blik, dien hij op haar
sloeg, tot de overtuiging bracht, dat zij een kind-vrouw was, rijp in
jaren en toch nog grootendeels een kind, uit den groenen junglemuur te
voorschijn en greep met beide handen zijn arm vast. Het stevige gewicht
van dezen greep verraste hem. Met zijn vrije hand nam hij zijn hoed af
en boog voor de vreemde vrouw met al de onverstoorbaarheid van een
Morgan, die in New-York getraind is en gewend om zich over niets te
verwonderen, en ontving nu een nieuwe verrassing of vele verrassingen
tegelijk. Niet alleen kwam hij onder den indruk van haar
brunette-schoonheid, die hem trof alsof hij een klap ontving, maar het
was vooral haar blik, die in zijn binnenste doordrong en een en al
gestrengheid was. Hij kreeg haast den indruk, dat hij haar moest
kennen. Voor zoover hij wist, keken vreemdelingen elkander nooit zoo
aan.

De dubbele greep op zijn arm veranderde in een trekken, toen ze, op
strakken toon, fluisterde:

„Vlug! Volg mij!”

Een oogenblik aarzelde hij. Zij schudde hem heen en weer in haar
dringend verlangen en trachtte hem naar zich toe en mee te trekken. Met
het gevoel, dat het een ongewone intrige was, zooals iemand alleen kon
overkomen op de kust van Centraal-Amerika, gaf hij glimlachend toe,
nauwelijks wetend of hij vrijwillig volgde of door haar heftigheid werd
meegesleept de jungle in.

„Doe net zooals ik,” riep zij hem over haar schouder heen toe, terwijl
zij hem aan de hand verder leidde.

Hij glimlachte en gehoorzaamde, neerhurkend wanneer zij neerhurkte,
vooroverbuigend wanneer zij vooroverboog, terwijl herinneringen aan
John Smith en Pocahontas in hem oprezen.

Plotseling hield zij hem tegen en ging zitten, met haar hand hem
beduidend om naast haar te komen zitten eer ze hem losliet, en deze
toen tegen haar hart drukkend, terwijl zij hijgde:

„God zij dank! O, barmhartige Maagd!”

In navolging van haar, zooals zij van hem gevraagd had en daar dit in
het spel scheen te pas te komen, drukte hij ook glimlachend zijn hand
tegen zijn hart, ofschoon hij hierbij noch God, noch de Heilige Maagd
aanriep.

„Kan je dan nooit ernstig zijn?” riep ze plotseling uit, toen ze zijn
handeling opmerkte.

En Francis was natuurlijk onmiddellijk zoo ernstig mogelijk.

„Mijn waarde dame...” begon hij.

Maar met een plotseling gebaar hield zij hem tegen; en, met toenemende
verwondering, zag hij haar vooroverbuigen om te luisteren, en hoorde de
beweging van lichamen, die op verscheidene meters afstand zachtjes
langs een sluippaadje liepen.

Een zachte, warme hand drukte zich vast op de zijne om hem te
waarschuwen stil te zijn en zij verliet hem met de snelheid, die hij
reeds als een gewoonte van haar beschouwde, om weg te sluipen naar het
verborgen paadje. Hij floot bijna van verwondering. Misschien zou hij
dit wel gedaan hebben, wanneer hij niet vlakbij haar stem gehoord had,
die in het Spaansch op scherpen toon mannen ondervroeg, wier Spaansche
stemmen, half-nederig, half-dringend en half-weerspannig, antwoord
gaven.

Hij hoorde hen verder gaan, nog altijd pratend en, na vijf minuten van
doodsche stilte, hoorde hij, hoe zij hem op bevelenden toon toeriep om
te voorschijn te komen.

„Hola! Ik zou wel eens willen weten, wat Regan onder dergelijke
omstandigheden zou doen!” zei hij glimlachend tot zich zelf, terwijl
hij gehoorzaamde.

Hij volgde haar, nu niet langer hand in hand, door de jungle naar den
oever. Toen zij stilstond, kwam hij naast haar en keek haar aan, nog
altijd onder den indruk, dien hij gekregen had, dat het een spelletje
was.

„Tik!” lachte hij, haar op den schouder tikkend. „Tik!” herhaalde hij.
„Jij bent de Ware!”

De boosheid, die hem uit haar vurige donkere oogen tegenstraalde, deed
hem schrikken.

„Dwaas!” riep ze, haar vinger, met wat hij beschouwde als een
ongeoorloofde intimiteit aan zijn schoenborstel-kneveltje brengend.
„Alsof dat je onkenbaar zou kunnen maken.”

„Maar mijn waarde dame...” begon hij zijn protest, om haar duidelijk te
maken, dat hij haar heelemaal niet kende.

Haar antwoord, dat een einde maakte aan zijn redevoering, was even
ongewoon en bizar als al het andere, wat er aan voorafgegaan was. Het
kwam zoo snel, dat hij niet eens zien kon, waarvandaan zij den kleinen,
zilveren revolver te voorschijn haalde, wiens loop niet alleen op zijn
buik gericht, maar er stevig tegenaangedrukt werd.

„Mijn waarde dame...” begon hij weer.

„Ik wil niet met je praten,” viel ze hem in de rede. „Ga terug naar je
schoener en maak, dat je wegkomt...” Hij raadde de onhoorbare snik, die
oorzaak was van de pauze, eer ze besloot, „voor altijd”.

Ditmaal bleven de woorden, die hij wilde spreken, op zijn lippen
steken, doordat de loop van het wapen nog steviger tegen zijn buik
gedrukt werd.

„Als je ooit weer terugkomt—de Madonna moge het mij vergeven—dan schiet
ik mijzelf dood.”

„Ik geloof, dat ik dan maar liever zal weggaan,” sprak hij luchtig,
terwijl hij zich naar de boot keerde, waar hij deftig en met zijn
houding verlegen heenwandelde, half-stikkend van het lachen over
zichzelf en het belachelijk en onbegrijpelijk figuur, dat hij sloeg.

Om tenminste nog eenigszins zijn waardigheid op te houden, deed hij
alsof hij niet merkte, dat zij hem volgde. Toen hij den kop der boot
uit het zand losmaakte, werd hij gewaar, dat een zacht windje de
palmbladeren in beweging bracht. Een frissche bries kleurde het water
vlakbij donker, terwijl verweg over het spiegelende water de
vooruitspringende klippen van de Chiriqui-Lagune als een fata morgana
boven het donkere, golvende water uitstaken.

Een snik weerhield hem om in de boot te stappen en deed hem het hoofd
omwenden. De vreemde jonge vrouw, die nu de revolver aan haar zijde had
hangen, schreide. Onmiddellijk liep hij naar haar terug en de aanraking
van zijn hand op haar arm, was tegelijkertijd een betuiging van
sympathie en een vraag. Zij huiverde onder deze aanraking, trad terug
en keek hem door haar tranen heen verwijtend aan. Zijn schouders
optrekkend over haar telkens veranderde gemoedsstemming, berustende in
het onbegrijpelijke der situatie, wilde hij zich weer naar de boot
wenden, toen zij hem tegenhield.

„Je kon tenminste...” begon ze, stotterde toen en moest een keer
slikken, „je kon me wel een afscheidskus geven.”

Zij naderde hem impulsief, met uitgestrekte armen, terwijl de revolver,
al heel ongepast, in haar rechterhand bengelde. Francis aarzelde een
oogenblik heel verbaasd, ving haar toen op en voelde een
hartstochtelijke kus op zijn lippen eer zij, in tranen uitbarstend,
haar hoofd op zijn schouder liet rusten. Ondanks zijn verbazing, was
hij zich bewust, dat de revolver plat tegen zijn rug lag, tusschen de
schouders. Zij hief haar betraand gelaat op en kuste hem telkens en
telkens weer en hij vroeg zich verwonderd af, of hij een schurk was
omdat hij haar kussen met bijna gelijke en even geheimzinnige
hartstocht beantwoordde.

Uit het gevoel, alsof het hem in het minst niet kon schelen, hoe lang
deze teedere episode mocht duren, werd hij opgeschrikt, doordat zij
zich plotseling van hem terugtrok, terwijl toorn en verachting uit haar
oogen straalden en zij hem, met den revolver dreigend, naar de boot
dreef.

Hij haalde zijn schouders op, als om te kennen te geven, dat hij geen
neen kon zeggen tegen een knappe jongedame en gehoorzaamde, de riemen
opnemend en haar aankijkend, terwijl hij weg begon te roeien.

„De Heilige Maagd verlosse mij van mijn verdorven hart,” riep zij uit,
met haar vrije hand een medaillon tusschen haar kleeren uithalend en
dit versiersel, in een stortvloed van gouden kraaltjes in het water
werpend, halverwege tusschen hen beiden in.

Van den zoom der jungle zag hij hoe drie mannen, met geweren gewapend,
naar de plek kwamen loopen, waar zij in het zand neergezonken was.
Terwijl zij bezig waren om haar op te beuren, kregen zij Francis in het
oog, die met krachtigen slag wegroeide. Over zijn schouder kijkend, zag
hij hoe de Angélique, bij den wind halend en licht overleggend, het
water doorploegend, naar hem toekwam. Het volgend oogenblik, richtte
een van het drietal op den oever, een oudere man met grooten baard, den
verrekijker van het meisje op hem. En het daarop volgend oogenblik, den
kijker neerwerpend, richtte hij zijn geweer op hem.

De kogel spatte in het water op nog geen meter afstand van de boot en
Francis zag hoe het meisje overeind sprong en het geweer omhoogsloeg,
zoodat het tweede schot zijn doel miste. Vervolgens zag hij hoe de
mannen met geweld zich van haar losrukten, om hun geweren op hem te
richten, terwijl zij hen met haar revolver zocht te dwingen om hun
wapens te laten zakken.

De Angélique, die in den wind gebracht werd om haar te doen stoppen,
kwam schuimend langszijde en met een behendigen sprong was Francis aan
boord, terwijl de kapitein het stuurrad wendde en de schoener langzaam
wegzeilde. Op een jongensachtige manier wierp Francis ten afscheid een
kushand toe aan het meisje, dat hem nastaarde en zag haar neerzinken op
de schouders van den ouderen man met den langen baard.

„Cayenne-peper, niet—deze vervloekte, verschrikkelijke, onzinnig
trotsche Solanos,” zei de kleurling-kapitein lachend tegen Francis,
terwijl hij zijn blanke tanden liet zien.

„Echte bullebakken—volslagen krankzinnig, niemand uitgezonderd,” lachte
Francis terug, terwijl hij naar de verschansing sprong, om het
zonderlinge dametje nog meer kushandjes toe te wuiven.



Voortgedreven door den landwind, bereikte de Angélique den buitensten
rand der Chiriqui-Lagune en de Stier en het Kalf te middernacht, waarop
de kapitein bijdraaide om het daglicht af te wachten. Na het ontbijt,
liet Francis zich door een der matrozen, een neger uit Jamaïca, aan wal
roeien om de Stier te gaan verkennen, het grootste der beide eilanden
en dat hij, volgens den kapitein, om dezen tijd van het jaar
hoogstwaarschijnlijk bezet zou vinden door Indianen van het vasteland,
die hier schildpadden kwamen vangen.

En Francis ontdekte haast onmiddellijk, dat hij niet maar dertig
breedtegraden van New-York verwijderd was, maar veeleer drieduizend
jaar, of nog beter eeuwen, dat hij van het laatste woord der beschaving
overgeplaatst was naar het eerste woord der aloudheid. Naakt, op
lendedoeken na van Bengaalsch linnen, gewapend met wreedaardige, zware
kapmessen, bewezen de schildpad-vangers spoedig, dat ze aartsbedelaars
en gevaarlijke moordenaars waren. De Stier was hun eigendom, brachten
zij hem aan het verstand door middel van zijn Jamaïca-matroos; maar het
Kalf, dat in het schildpadden-seizoen ook altijd hun eigendom geweest
was, was nu in bezit genomen door een kwaadaardigen, onmogelijken
Gringo, wiens roekeloos, heerschzuchtig optreden hen een eerbiedig
respect had ingeboezemd voor een tweebeenig menschelijk schepsel, dat
veel geduchter was dan zijzelf.

Terwijl Francis voor een zilver-dollar gedaan kreeg, dat een hunner een
boodschap van hem overbracht aan den geheimzinnigen Gringo, dat hij hem
wenschte te bezoeken, verzamelden de overigen zich rondom de boot van
Francis, jammerend om geld, hem aanstarend en zelfs, zoo onbeschaamd
mogelijk, zijn pijp stelend, die hij, nog warm van zijn lippen, naast
zich op de roertalie had neergelegd. Oogenblikkelijk had hij den dief
een klap om zijn ooren gegeven, en ook den volgenden dief, die er naar
greep en maakte zich weer meester van de pijp. De hakmessen kwamen te
voorschijn en glinsterden hem dreigend tegen, maar Francis verdedigde
zich en hield de bende in bedwang met zijn automatisch pistool; terwijl
zij zich in een groep terugtrokken en dreigend fluisterden, kwam hij
tot de ontdekking, dat zijn eenige matroos-tolk nu juist geen held was,
waarna hij zijn teruggekeerden boodschapper te woord stond.

De neger liep naar de schildpad-jagers toe en sprak zoo vriendelijk en
onderdanig met hen, dat het Francis niet aanstond. De boodschaplooper
overhandigde hem zijn briefje, waarop met potlood gekrabbeld stond:

„Vamos.”

„Ik geloof, dat ik er zelf maar eens heen moet gaan,” zei Francis tegen
den neger, dien hij gewenkt had om terug te komen.

„U zoudt beter doen met op uw hoede en uiterst voorzichtig te zijn,
mijnheer,” waarschuwde de neger hem. „Deze onredelijke beesten zijn
hoogstwaarschijnlijk van zins om zeer onredelijk te handelen,
mijnheer.”

„Ga in de boot en roei me er heen,” beval Francis kortaf.

„Neen, mijnheer; het spijt me zeer, dat ik het zeggen moet, mijnheer,”
was het antwoord van den zwarten matroos. „Ik heb mij aan laten werven
als matroos van Kapitein Trefethen, mijnheer, maar ik heb mij niet
laten aanwerven om iemand te helpen om zelfmoord te plegen, en ik zie
niet in, dat het mijn plicht is om u daarheen te roeien om een wissen
dood te vinden. Het beste wat we doen kunnen, is deze warme Plaats te
verlaten, die beslist en zonder twijfel nog veel heeter voor ons zal
worden, als we hier blijven.”

Zeer misnoegd en toornig stak Francis zijn automatisch pistool in den
zak, draaide de, met een lendedoek bekleede wilden den rug toe en
wandelde weg tusschen de palmen. Waar groote blokken koraalrots
opgeworpen waren door een vroegere beroering van den aardbodem, kwam
hij weer op het strand uit. Op het strand van het Kalf aan de overzijde
van het smalle kanaal, zag hij een, op den oever getrokken Indiaansch
bootje. Aan den kant, waar hij zich bevond, lag een ranke en
oogenschijnlijk lekke kano. Toen hij het water eruit hoosde, merkte
hij, dat de schildpad-jagers hem gevolgd waren en naar hem keken van
tusschen de cocospalmen, ofschoon zijn lafhartige matroos niet te zien
was.

Om het kanaal over te pagaaien was slechts het werk van een oogenblik,
maar nauwelijks bevond hij zich op den oever van het Kalf, of hij werd
met nieuwe ongastvrijheid begroet door een lange jongeman op bloote
voeten, die achter een palmboom te voorschijn kwam, met een automatisch
pistool in de hand en schreeuwde:

„Vamos! Maak dat je wegkomt! Vooruit!”

„Alle goden en kleine visschen!” grinnikte Francis, half-spottend,
half-ernstig. „Een mensch kan zich in deze streken niet bewegen, zonder
dat er een geweer onder zijn neus geduwd wordt. En iedereen zegt, maak
dat je wegkomt.”

„Niemand heeft je uitgenoodigd om hier te komen,” antwoordde de
vreemdeling. „Je bent een indringer. Maak dat je wegkomt van mijn
eiland. Ik geef je een halve minuut tijd.”

„Het spijt me zeer, vriend,” verzekerde Francis hem trouwhartig,
tegelijkertijd met een schuin oog den afstand metend naar den naasten
palmboom. „Iedereen, die ik hier in de buurt ontmoet is krankzinnig en
onhoffeliik, en angstvallig bezorgd om zich van mijn tegenwoordigheid
te ontslaan en ze beginnen te maken, dat ik er ook zoo over ga denken.
Bovendien, omdat gij mij zegt, dat dit uw eiland is, is dit nog geen
bewijs...”

De snelheid, waarmee hij de dekking van den palmboom opzocht, maakte
dat zijn zin onvoltooid bleef. Hij bereikte den stam tegelijk met een
kogel, die tegen den anderen kant aansloeg.

„Welnu, leer om leer!” riep hij uit, toen hij een kogel in den stam van
den anderen boom joeg.

De volgende minuten schoten zij aldoor of wachtten op een welberekend
schot, en toen Francis achtste en laatste patroon verschoten was, was
hij, op minder aangename wijze ervan verzekerd, dat hij slechts zeven
schoten van den vreemdeling geteld had. Voorzichtig bracht hij een
gedeelte van zijn zonnehelm, die hij in de hand hield, te voorschijn en
oogenblikkelijk werd deze doorboord.

„Wat voor een revolver gebruik je?” vroeg hij met ijskoude beleefdheid.

„Een Colt,” was het antwoord.

Francis stapte brutaalweg te voorschijn, zeggend: „Dan zijn je patronen
op. Ik heb ze geteld. Acht stuks. Nu kunnen we praten.”

De vreemdeling kwam ook naar voren en Francis kon niet nalaten om zijn
prachtige gestalte te bewonderen, ondanks het feit, dat zijn kleeding
bestond uit een smerige pantalon van zeildoek, een katoenen hemd en een
slappe sombrero. Bovendien kwam het hem voor alsof hij hem vroeger
gekend had, ofschoon het niet tot hem doordrong, dat hij op zijn eigen
evenbeeld staarde.

„Spreek!” snauwde de vreemdeling, zijn revolver wegwerpend en een mes
trekkend. „Nu ga ik je ooren afsnijden en je misschien nog wel
scalpeeren ook.”

„Hola! Jelui zijn hier in deze bosschen zachtmoedige en vriendelijke
beestjes,” antwoordde Francis, met steeds toenemende boosheid en
afkeer. Hij trok zijn eigen jachtmes, fonkelnieuw en zoo uit den
winkel. „Zeg, laten we er om worstelen en zoo dat messenzaakje
uitmaken.”

„Ik moet je ooren hebben,” antwoordde de vreemdeling vroolijk en
naderde langzaam.

„Zeker. Wie het sterkste is en de man, die wint, krijgt de ooren van
den ander.”

„Top.” De jongeman met de broek van zeildoek, stak zijn mes weg.

„’t Is jammer, dat er geen camera hier is, om een filmopname te doen,”
spotte Francis, ook zijn mes wegstekend. „Ik kook. Ik voel me als een
bende kwaadaardige Indianen. Wees op je hoede. Daar kom ik aan! Wie het
eerst onder ligt!”

Handeling en woorden vergezelden elkaar, en zijn dappere aanval had een
schandelijk resultaat, want de sterkere, die oogenschijnlijk den schok
wilde opvangen, liet zich, op het oogenblik, dat hun lichamen met
elkander in aanraking kwamen, achterover op zijn rug vallen,
tegelijkertijd zijn voet in Francis’ buik plantend en veranderde
Francis’ aanval in een woesten, voorwaartschen luchtsprong.

De smak, waarmee hij op het zand terechtkwam, benam Francis bijna den
adem en het vallende lichaam van zijn tegenstander, die zich nu op hem
stortte, het laatste restje wat hem nog overbleef. Toen hij zoo
sprakeloos op zijn rug lag, merkte hij dat de man, die boven op hem
lag, hem plotseling nieuwsgierig aankeek.

„Waarom draag je een knevel?” mopperde de vreemdeling.

„Zou je die ook maar niet afsnijden,” hijgde Francis, zoodra hij weer
een beetje op adem kwam. „De ooren zijn voor jou, maar de knevel is
mijn eigendom. Die is niet in het contract begrepen. Bovendien, deze
handgreep was zuiver jiu-jitsu.”

„Je zei, wie het eerst onder ligt,” beweerde de ander lachend. „Wat je
ooren betreft, je moogt ze houden. Ik was nooit van plan om ze af te
snijden en nu ik ze van dichtbij bekijk, verlang ik er nog minder naar.
Sta op en maak, dat je wegkomt. Ik heb je laten zien, dat ik de baas
ben. Vamos! En kom hier niet weer in de buurt rondsluipen! Begrepen!
Zwijg!”

Met nog meer walging dan eerst, waarbij nu nog het vernederende van
zijn nederlaag kwam, liep Francis weer terug naar den oever naar zijn
kano.

„Zeg eens, Kleine Vreemdeling, zou je je visitekaartje niet achter
willen laten?” riep de overwinnaar hem na.

„Visitekaartjes en een moordenaar hooren niet bij elkaar,” kaatste
Francis over zijn schouder heen terug, toen hij in de kano neerhurkte
en zijn pagaai inlegde. „Ik heet Morgan.”

Verwondering en verbazing waren het deel van den vreemdeling, toen hij
zijn mond opende om te spreken, van gedachte veranderde en zachtjes
mompelde: „Van denzelfden stam—geen wonder, dat we op elkander lijken.”

Nog altijd vol afkeer, bereikte Francis weer den oever van de Stier,
ging op den rand der kano zitten, stopte zijn pijp, stak die aan en
ging droomerig zitten nadenken. Allemaal krankzinnig, was zijn idee.
Niemand, die redelijk handelt. Ik zou den ouden Regan wel eens zaken
willen zien doen met deze menschen. Ze zouden zijn ooren gauw te pakken
hebben.

Wanneer hij op dit oogenblik, de jonge man met de broek van zeildoek en
die zoozeer op hem geleek, had kunnen zien, zou hij er zeker van
geweest zijn, dat er in Latijnsch-Amerika niets anders heerschte dan
krankzinnigheid; want de jongeman in kwestie, in een met gras bedekte
hut in het hartje van het eiland, grinnikte voor zich heen, toen hij
hardop sprak:

„Ik geloof, dat ik de vreeze Gods gelegd heb in het hart van dat lid
der familie Morgan,” en had juist zijn oogen gevestigd op een
fotografische reproductie van een olieverfschilderij aan den muur, die
Sir Henry Morgan voorstelde.

„Wel, Ouwe Zeeroover,” vervolgde hij grinnikend, „twee van je jongste
afstammelingen hadden elkander bijna om hals gebracht met hun
automatische pistolen, waarbij vergeleken jouw antidiluviaansche
proppeschieters niet veel meer zijn dan speelgoed uit een
dertig-cents-bazaar.”

Hij boog zich over een verweerde en vol wormgaatjes zittende
scheepskist, beurde het deksel op, dat het monogram „M.” droeg en
richtte zich weer tot het portret:

„Wel, ouwe Wallische zeeroover en voorvader, alles wat je mij nagelaten
hebt, zijn die oude vodden en een gezicht, dat sprekend op je lijkt. En
mij dunkt, als ik werkelijk nijdig werd, kon ik je Port-au-Prince-rol
net zoo goed spelen, als je zelf.”

Een oogenblik later begon hij zich te kleeden in de versleten en door
de motten verteerde kleedingstukken uit de scheepskist en voegde er aan
toe:

„Wel, nu heb ik de oude vodden aan mijn lijf. Kom nu maar eens uit je
lijst, Mijnheer de Voorvader, en zie maar eens in welke opzicht wij van
elkander verschillen.”

Gekleed in Sir Henry’s oude kleedingstukken, een ponjaard om het middel
hangend en twee reusachtigen zware vuursteen-pistolen in zijn gordel
gestoken, was de gelijkenis tusschen den levenden man en het
geschilderde beeld van den ouden boekanier, die reeds lang tot het stof
was weergekeerd, werkelijk sprekend.


        „—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
        De gansche bemanning wijken doet.”


Toen de jongeman, de snaren tokkelend van een guitaar, het oude
boekanierslied begon te zingen, was het hem alsof het beeld van zijn
voorvader veranderde in een ander beeld en dat hij zag:

Zijn ouden voorvader zelf, met den rug tegen den scheepsmast, een
flikkerende ponjaard zwaaiend tegenover een halven cirkel fantastisch
gekleede matrozen—moordenaars, terwijl achter hem, aan den anderen kant
der mast, een andere, net eender uitgeruste man, eveneens met
flikkerende ponjaard tegenover den tweeden halven cirkel moordenaars
stond, die den kring rondom den mast voltooiden.

Deze levendige fantasie werd verbroken door het springen van een snaar,
die hij al te hartstochtelijk beroerd had. En in de plotselinge stilte,
was het hem alsof hij een nieuw visioen zag van Sir Henry, die uit zijn
lijst stapte en naast hem kwam staan, alles heel werkelijk, en hem aan
zijn mouw trok om hem mee te voeren buiten de hut en een spookachtige
herhaling fluisterend van:


        „—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
        De gansche bemanning wijken doet.”


De jongeman gehoorzaamde zijn spookachtige leidsman of een aanwijzing
van zijn eigen innerlijke intuïtie en liep naar buiten en naar den
oever, waar hij aan de overzijde van het kanaal, op den oever van de
Stier, zijn vroegere tegenstander zag, met zijn rug tegen het stuk
koraalrots staande en zich verdedigend tegen een aanval der Indianen,
hun zwaaiende hakmessen afwerend door krachtig in het rond te slaan met
een stuk drijfhout.



En Francis, op het punt te bezwijken, duizelig heen en weer zwaaiend
door den slag van een rotsblok tegen zijn hoofd, zag de verschijning,
die hem bijna tot de overtuiging bracht, dat hij reeds dood en in het
schimmenrijk aangeland was, Sir Henry Morgan zelf, die, de ponjaard in
de hand, het strand opsnelde om hem te hulp te komen. Bovendien
schreeuwde de verschijning, de ponjaard zwaaiend en rechts en links de
Indianen buiten gevecht stellend:


        „—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
        De gansche bemanning wijken doet.”


Terwijl Francis’ knieën hem begaven en hij langzaam neerzonk, zag hij
hoe de Indianen zich verspreidden en vluchtten voor den aanval der
geheimzinnige zeerooversgedaante en hoorde hen roepen:

„De Hemel zij ons genadig!” „Heilige Maagd, bescherm ons!” „Het is de
geest van den ouden Morgan!”



Toen Francis zijn oogen weer opsloeg, lag hij in de grashut, op het
middelpunt van het Kalf gelegen. Het eerste wat hij zag, toen zijn
bewustzijn een beetje terugkeerde, waren de gelaatstrekken van Sir
Henry Morgan, die hem van het portret aan den muur aanstaarde.
Vervolgens zag hij diens jongere editie, die op drieërlei wijze bewees
een levend wezen te zijn; door zich te bewegen, een kroes met
brandewijn aan zijn lippen te houden en hem te verzoeken om te drinken.
Francis was op de been eer hij zijn lippen aan den kroes zette; en
zoowel hij als de vreemdeling, gedreven door dezelfde ingeving, keken
elkander recht in de oogen, toen naar het portret aan den muur en
klonken met hun kroesen als een saluut aan het portret en aan elkander,
eer zij dronken.

„Je zei me, dat je Morgan heette,” sprak de vreemdeling. „Ik ben ook
een Morgan. Die man daar aan den muur was de stamvader van mijn
geslacht. En jouw geslacht?”

„Dat van den ouden boekanier,” antwoordde Francis. „Mijn voornaam is
Francis. En die van jou?”

„Henry—rechtstreeks naar den ouden man. Wij moeten verre neven of
zooiets zijn. Ik ben op zoek naar den buit van dien sluwen, ouden,
vrekkigen Welshman.”

„Net als ik,” zei Francis, zijn hand uitstekend. „Maar ik bedank ervoor
om te deelen.”

„Dat is het oude bloed, dat uit je spreekt,” lachte Henry goedkeurend.
„Dus voor den gelukkigen vinder. Ik heb in de laatste zes maanden het
grootste gedeelte van dit eiland het ondersteboven gezet, en het
eenige, wat ik vond, waren deze oude vodden. Ik blijf bij je om je een
vlieg af te vangen als ik kan, maar ook om met jou rug aan rug tegen
den scheepsmast te leunen zoodra de nood aan den man komt.”

„Dat lied is een tooverlied,” beweerde Francis. „Ik moet het ook
leeren. Zing het nog eens.”

En tezamen, met hun kroesen klinkend, zongen zij:


        „—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
        De gansche bemanning wijken doet...”








HOOFDSTUK III.


Maar een barstende hoofdpijn maakte een einde aan het zingen van
Francis en hij was dankbaar, toen hij door Henry in een frissche
hangmat gestopt werd, waarop deze naar de Angélique roeide met bevel
van zijn bezoeker aan den kapitein om voor anker te blijven liggen,
maar geen enkele van zijn matrozen toe te staan om op het Kalf aan land
te gaan. Eerst laat in den morgen van den volgenden dag, na uren lang
vast geslapen te hebben, kwam Francis weer op de been en verklaarde,
dat zijn hoofd weer geheel in orde was.

„Ik weet wat het is—ben eens van een paard geworpen,” was de
sympathieke betuiging van zijn vreemde bloedverwant, toen hij hem een
grooten kop welriekende koffie inschonk. „Drink dit maar eens uit. Dat
zal een ander mensch van je maken. Kan je niet veel anders voor ontbijt
aanbieden dan spek, scheepsbeschuit en eenige bij elkander gegrabbelde
schildpadeieren. Ze zijn versch. Daar sta ik voor in, want ik heb ze
dezen morgen opgegraven terwijl je sliep.”

„Die koffie is op zich zelf al een maaltijd,” prees Francis, onderwijl
zijn bloedverwant opnemend en steeds weer naar het portret van hun
beider voorvader kijkend.

„Je lijkt precies op hem en niet alleen maar naar het uiterlijk,”
lachte Henry, toen hij hem bij dit onderzoek verraste. „Toen je
gisteren weigerde om te deelen, was dit de oude Sir Henry in levenden
lijve. Hij had een diepgewortelden afkeer tegen deelen, zelfs met zijn
eigen bemanning. Dat was de oorzaak van zijn meeste moeilijkheden. En
hij heeft beslist nooit een stuiver van zijn schatten meegedeeld aan
zijn nakomelingen. Nu denk ik er anders over. Niet alleen wil ik het
Kalf met je deelen; maar ik zal je ook van alles de helft geven, erf,
provisie, drank, deze hut, al deze mooie meubels, gronden, erfstukken
en zoo meer, en het overschot der schildpadeieren. Wanneer wil je je
intrek nemen?”

„Je bedoelt?...” vroeg Francis.

„Precies wat ik zeg. Er is hier niets te vinden. Ik heb het eiland nu
zoowat heelemaal omgewroet en niets gevonden, dan deze kist vol oude
kleeren.”

„Dat moet je toch moed gegeven hebben.”

„Buitengewoon. Ik dacht, dat het heel wat was. Maar hoe het zij, het
bewijst, dat ik op het rechte spoor ben.”

„Wat dunkt je ervan om het eens met de Stier te probeeren?” vroeg
Francis.

„Dat was ook mijn idee,” was het antwoord, „ofschoon ik ook een
aanwijzing gekregen heb op het vasteland. Deze oudgedienden hadden de
gewoonte om hun lengte- en breedtegraden heele einden te verplaatsen.”

„Tien Noordelijk en negentig Oostelijk op de kaart kan evengoed twaalf
Noordelijk en twee en negentig ten Oosten beteekenen,” beweerde
Francis. „En het kan ook acht Noordelijk en acht en tachtig Oostelijk
beteekenen. Zij hadden de verandering goed in het hoofd en wanneer ze
onverwacht stierven, zooals meestal hun gewoonte was, schijnt het, dat
het geheim met hen ten grave daalde.”

„Ik denk er half en half over om naar de Stier te gaan en deze
schildpadjagers terug te drijven naar het vasteland,” vervolgde Henry.
„En dan weer zou ik er haast toe komen, om eerst die aanwijzing op het
vasteland af te werken. Ik vermoed, dat jij ook voorzien bent van een
massa aanwijzingen?”

„Natuurlijk,” bevestigde Francis. „Maar zeg, ik zou mijn woorden over
het samen deelen willen intrekken.”

„Ga je gang,” moedigde de ander aan.

„Dan doe ik het bij deze.”

Hun handen werden uitgestrekt en een handdruk bezegelde deze
rectificatie.

„Morgan en Morgan, commanditaire vennootschap,” lachte Francis.
„Activa, de heele Caraïbische Zee, het Spaansche schiereiland, het
grootste gedeelte van Centraal-Afrika, een kistvol volslagen
onbruikbare oude kleedingstukken en een massa gaten in den grond.”

Henry werd aangestoken door de vroolijkheid van den ander. „Passiva,
slangenbeten, diefachtige Indianen, malaria, gele koorts...”

„En mooie meisjes, die de gewoonte hebben om volslagen vreemdelingen
het eene oogenblik te kussen en bedoelde vreemdelingen het volgend
oogenblik met glinsterende, zilveren revolvers te bedreigen,” voerde
Francis aan. „Dat moet ik je toch eens vertellen. Eergisteren roeide ik
daarginds op het vasteland aan wal. Op het oogenblik, dat ik aan wal
stapte, wierp het mooiste meisje ter wereld zich op mij en sleepte mij
mee de jungle in. Ik dacht, dat ze me op wilde eten of met me trouwen.
Ik snapte er niets van. En voor ik er achter kon komen, maakt het
aardige dametje enkel zeer oncomplimenteuze opmerkingen over mijn
knevel en jaagt me met een revolver terug naar de boot. Zei me om weg
te gaan en nooit weer terug te komen, of iets dergelijks.”

„Waar op het vasteland was dat ergens?” vroeg Henry gespannen, wat
Francis, die zich nog altijd vroolijk maakte bij de herinnering aan het
avontuur, niet opmerkte.

„Daarginds aan het andere einde der Chiriqui-Lagune,” antwoordde hij.
„Ik vernam, dat het gebied behoorde aan de familie Solano; en het is
een opvliegende familie, zooals ik ondervond. Maar ik heb je alles nog
niet verteld. Luister. Eerst sleepte ze me mee in het groen en
beleedigde mijn knevel; vervolgens joeg ze me met getrokken revolver
naar de boot; en toen vroeg ze mij, waarom ik haar niet kuste. Snap je
daar iets van?”

„En heb je dat gedaan?” vroeg Henry, zijn hand onwillekeurig naar zijn
zijde brengend.

„Wat kon een arme vreemdeling in een vreemd land doen? Het was een mooi
meisje om in den arm te nemen...”

Het volgend oogenblik was Francis overeind gesprongen en beschermde
zijn kaken voor een verpletterenden slag van Henry’s vuist.

„Ik... ik vraag vergiffenis,” stamelde Henry, en zonk neer op de oude
scheepskist. „Ik ben een dwaas, dat weet ik, maar ik laat me hangen,
als ik er iets aan doen kan...”

„Daar heb je het weer,” viel Francis hem verwijtend in de rede. „Je
bent net zoo krankzinnig als iedereen in dit onzinnige land. Het eene
oogenblik verbindt je mijn verbrijzeld hoofd en het volgend oogenblik
wil je datzelfde hoofd van mijn romp slaan. Net als het meisje, dat mij
om beurten kust en een revolver in mijn middenrif duwt.”

„Je hebt gelijk, ga maar voort, ik verdien het,” stemde Henry berouwvol
toe, maar onwillekeurig wond hij zich weer op, toen hij vervolgde: „De
duivel hale je, dat was Leoncia.”

„En wat zou dat, wanneer het Leoncia was? Of Mercedes? Of Dolores? Kan
een jonge kerel dan geen aardig meisje kussen, onder bedreiging van een
revolver, zonder dat de eerste wildeman de beste met een broek van
zeildoek aan, dien hij ontmoet op een beruchte zandhoop van een eiland,
hem het hoofd af wil slaan?”

„Wanneer dat aardige meisje nu echter verloofd is met dien wildeman in
zijn broek van zeildoek...”

„Je wilt toch niet zeggen...” viel de ander hem opgewonden in de rede.

„Het is minder aangenaam voor dien wildeman, om te hooren, dat zijn
beminde een wildeman gekust heeft, dien zij nimmer zag voor hij van den
schoener van een beruchten Jamaïca-nikker aan wal kwam,” voltooide
Henry zijn zin.

„En zij zag mij voor jou aan,” mompelde Francis, plotseling de heele
situatie begrijpend. „Ik neem je niet kwalijk, dat je boos werdt,
ofschoon je zult moeten erkennen, dat je een opvliegend karakter hebt.
Gisteren wou je mijn ooren afsnijden, is het niet?”

„Je bent zelf even erg, Francis, mijn jongen. De manier, waarop je er
op aandrong, dat ik ze zou afsnijden, toen ik je onder had—ha! ha!”

Beide jongemannen lachten, nu als zeer goede vrienden.

„Het is het karakter van den ouden Morgan,” zei Henry. „Volgens hetgeen
men van hem hoort, was hij een vurige, ouwe kerel.”

„Niets erger dan die Solanos, je aanstaande familie. Wel, het grootste
gedeelte van hen kwam naar den oever en bepeperden mij met hun geweren,
toen ik terugroeide. En je Leoncia richtte haar poppen-revolvertje op
een ouwe kerel met een langen baard, die haar vader had kunnen zijn en
bracht hem aan het verstand, dat ze hem vol kogels zou schieten,
wanneer hij niet ophield met mij onder vuur te nemen.”

„Ik wil wedden, dat het haar vader was, de oude Enrico zelf,” riep
Henry uit. „En die andere kerels waren haar broeders.”

„Aardige snuiters,” beweerde Francis. „Zeg, denk je niet, dat je leven
een beetje eentonig zal worden, wanneer je in zoo’n vredelievende
tortelduivenfamilie trouwt?” Hij hield op, getroffen door een nieuwe
gedachte. „Maar Henry, wanneer ze allemaal dachten, dat jij het waart,
waarom voor den donder wilden ze jou dan dooden? Heeft een ander scherp
kantje van je Morgans temperament de verwanten van je aanstaande vrouw
geprikkeld?”

Henry keek hem een oogenblik aan, alsof hij met zich zelf te rade ging
en antwoordde toen:

„Ik wil het je wel vertellen. Het is een netelige kwestie en ik geloof
wel, dat mijn temperament er schuld aan heeft. Ik had ongenoegen met
haar oom. Hij was de jongste broer van haar vader...”

„Was?” viel Francis hem in de rede, nadruk leggend op den verleden
tijd.

„Was, zooals ik zei,” bevestigde Henry. „Hij is niet meer. Zijn naam
was Alfaro Solano en hij had zelf ook het noodige temperament. Zij
beweren, dat ze afstammen van de Spaansche conquistadores, en ze zijn
buitengewoon trotsch. Hij had zijn fortuin gemaakt in den houthandel,
en hij had juist een groote plantage aangelegd, verder op de kust. En
toen kregen we ruzie. Dat gebeurde daarginds in dat stadje—San Antonio.
Het kan een misverstand geweest zijn, maar ik houd nog altijd vol, dat
hij ongelijk had. Hij zocht altijd ongenoegen met mij—had het land aan
mijn huwelijk met Leoncia, begrijp je?

„Welnu, het was een warme tijd. Ik kwam in een pulqueria, waar Alfaro
zat, die meer gebruikt had, dan goed voor hem was. Hij beleedigde mij.
Ze moesten ons scheiden en onze revolvers wegnemen, en wij gingen heen,
elkander dood en verderf toezwerend. Dat was de moeilijkheid—onze
strijd en onze dreigementen hadden een twintigtal getuigen gehad.

„Nog geen twee uur later vonden de Comisario en twee politie-agenten
mij, gebogen over Alfaro’s lijk in een achterstraat der stad. Hij had
een messteek in den rug, en ik was over hem gestruikeld op mijn weg
naar den oever. De verklaring? Niet te geven. Daar was de strijd en de
dreigementen om wraak te nemen en daar stond ik, slechts twee uur
later, gevonden ter zijde van zijn nog warme lichaam. Ik ben na dien
tijd niet meer teruggeweest in San Antonio en liet geen tijd verloren
gaan om me uit de voeten te maken. Alfaro was zeer populair—je kent dat
onstuimige type ook wel, dat zoo in den smaak valt van het gepeupel.
Wel, ze waren zelfs niet over te halen, om ook maar voor den vorm een
gerechtelijk onderzoek in te stellen. Daar en op datzelfde oogenblik
eischten zij mijn bloed, en ik vertrok met groote snelheid.

„Vervolgens bracht een bode van Leoncia mij te Bocas del Toro den
verlovingsring terug. Ziedaar alles. Ik kreeg een afkeer van alles en
daar ik niet terug durfde gaan, terwijl al de Solanos en de overige
bevolking naar mijn bloed dorstte, kwam ik hier om een poosje voor
kluizenaar te spelen en te gaan graven naar Morgan’s schat... Hoe het
zij, ik vraag me af, wie dat mes in Alfaro’s lichaam gestoken heeft.
Wanneer ik hem mocht ontdekken, dan zal ik wel weer in het reine komen
met Leoncia en de overige Solanos en er valt niet aan te twijfelen, of
dit zal gevolgd worden door een trouwpartij. En nu ik dit alles gezegd
heb, wil ik er wel aan toevoegen, dat Alfaro een goede kerel was, al
was hij even opvliegend als buskruit.”

„Alles is zoo klaar als de dag,” mompelde Francis. „Geen wonder, dat
haar vader en broers mij eventjes wilden perforeeren.—Wel, hoe meer ik
je aankijk, hoe meer ik zie, dat we op elkander gelijken als twee
druppels water, behalve mijn knevel...”

„En dit...” Henry stroopte zijn mouw op en liet op den linker arm een
lang, dun, wit litteeken zien. „Dat kreeg ik toen ik nog een jongen
was. Viel van een windmolen en door het glazen dak van een broeikas.”

„Luister nu eens naar mij,” zei Francis, terwijl zijn gelaat begon te
stralen door het plan, dat zich in zijn geest begon te vormen. „Iemand
heeft op zich genomen om je uit deze ongelegenheid te redden en die
kerel is Francis, deelgenoot der firma Morgan en Morgan. Jij blijft
hier aan het werk of steekt over en begint het onderzoek op de Stier,
terwijl ik terugga en alles uitleg aan Leoncia en haar familie...”

„Als ze je maar niet doodschieten, voor je hun kunt uitleggen, wie je
bent,” mompelde Henry droevig. „Dat is juist het ongeluk met deze
Solanos. Zij schieten eerst en praten dan. Zij willen niet naar rede
luisteren, of het moest zijn post mortem.”

„Ik zal het er maar op wagen, ouwe kerel,” verzekerde Francis den
ander, zelf heelemaal in vuur geraakt door zijn voornemen om het
misverstand tusschen Henry en het meisje op te helderen.

Maar de gedachte aan haar bracht hem in verwarring. Hij ondervond meer
dan een lichte spijt, dat het mooie schepseltje van rechtswege
toebehoorde aan den man, die zoo zeer op hem leek, en hij zag haar weer
in den geest op den oever, waar ze met tegenstrijdige gevoelens, hem
afwisselend bemind en naar hem verlangd had en hem haar toorn en
verachting in het gezicht geslingerd. Onwillekeurig zuchtte hij.

„Wat moet dat?” vroeg Henry spottend.

„Leoncia is een buitengewoon mooi meisje,” antwoordde Francis zeer
oprecht. „Maar het doet er niet toe, ze is van jou, en ik zal mijn best
doen, dat je haar krijgt. Waar heb je dien ring, dien ze je terugzond?
Als ik dien niet, voor jou, weer aan haar vinger steek en hier niet
over een week terug ben met het goede nieuws, dan mag je mijn knevel,
gelijk met mijn ooren, afsnijden.”

Een uur later, toen Kapitein Trefethen, in antwoord op het teeken, een
boot van de Angélique naar den wal had gezonden, zeiden de beiden
jongelui elkander vaarwel.

„Maar nu nog twee dingen, Francis. Ten eerste, vergat ik je te zeggen,
dat Leoncia heelemaal geen Solano is, ofschoon zij zelf denkt van wel.
Alfaro heeft mij dit zelf verteld. Zij is een aangenomen kind, en de
oude Enrico aanbidt haar, ofschoon zij noch van zijn bloed, noch van
zijn geslacht is. Alfaro vertelde mij nooit de bijzonderheden, ofschoon
hij wel zei, dat ze zelfs geen Spaansche was. Ik weet zelfs niet of ze
een Engelsche of een Amerikaansche is. Zij spreekt uitstekend Engelsch,
ofschoon zij dit door het gebruik geleerd heeft. Zie je, ze werd als
kind door hem aangenomen, toen ze nog maar een heel klein ding was, en
zij heeft nooit beter geweten of Enrico was haar vader.”

„En geen wonder, dat ze boos op mij was en mij haatte in jouw plaats,”
lachte Francis, „geloovende, zooals zij deed en nog doet, dat je haar
volbloed-oom een mes in den rug stak.”

Henry knikte en vervolgde:

„Het andere is van meer belang. En dat is de wet. Of liever, het
ontbreken eener wet. In dit afgelegen land maken ze ervan, wat ze zelf
willen. Panama ligt ver weg, en de gouverneur van dezen staat, of dit
district, of hoe ze het noemen, is een slaperige, oude Silenno. De Chef
van Politie te San Antonio is de man, dien je in het oog moet houden.
Hij is de kleine Tsaar van dien uithoek der bosschen, en hij is een
rare schutter, neem dit van mij aan. Inpeperen is een te zwak woord
voor sommige zijner handelingen en hij is even wreed en bloeddorstig
als een wezel. En zijn grootste genot is een executie. Hij is verzot op
een ophangpartijtje. Houd hem in de gaten, wat je ook doet... En,
welnu, zie zelf maar. En de helft van wat ik op de Stier vind, is voor
jou: ...en zie, dat je dien ring weer aan Leoncia’s vinger krijgt.”



Twee dagen daarna, nadat de kleurling-kapitein eerst het strand verkend
had en de tijding terugbracht, dat al de mannelijke leden van Leoncia’s
familie weg waren, roeide Francis naar wal op dezelfde plek, waar hij
haar het eerst ontmoet had. Geen meisjes met zilveren revolvers of
mannen met geweren vertoonden zich. Alles was rustig, en het eenige
levende wezen op den oever was een havelooze, kleine Indianenjongen,
die voor een geldstuk bereidwillig toestemde om een briefje naar de
jonge senorita der groote haciënda te brengen. Terwijl Francis op een
stukje papier uit zijn notitieboek de woorden krabbelde: „Ik ben de
man, dien gij bij vergissing aanzaagt voor Henry Morgan en ik heb een
boodschap voor u van hem,” kon hij niet droomen, dat ongelukkige
gebeurtenissen met even groote snelheid en in even groote menigte in
aantocht waren, als op zijn eerste bezoek.

Wat dat betreft, zou hij, wanneer hij over de rotspunt, waartegen hij
met zijn rug leunde, terwijl hij het briefje aan Leoncia schreef, had
kunnen kijken, verrast zijn geworden door het zien van de jongedame in
kwestie, die als een godin der zee na een verfrisschend bad uit het
water opsteeg. Maar hij schreef kalm door, de Indianenjongen zelfs nog
meer verdiept in het werk dan hij, zoodat Leoncia, die om de rots
heenliep, hem het eerst in het oog kreeg. Een uitroep smorend, keerde
zij zich om en vluchtte blindelings weg in het groene loover der
jungle.

Hij werd het eerst haar tegenwoordigheid gewaar, toen hij opgeschrikt
werd door een plotselingen angstkreet. Papier en potlood vlogen in het
zand, terwijl hij wegsprong in de richting der kreet en in botsing kwam
met een natte en sober gekleede jonge vrouw, die achteruitdeinsde voor
hetgeen haar dezen kreet ontlokt had. Deze onverwachte botsing was
oorzaak van een tweeden plotselingen kreet voor zij zich kon omkeeren
en zich overtuigen, dat dit geen nieuwe aanval, maar enkel een redder
in den nood was. Zij vloog langs hem heen, haar gelaat doodsbleek van
schrik, struikelde over den Indianenjongen en stond niet stil voor ze
op het open zand was.

„Wat is er?” vroeg Francis. „Zijt gij gewond? Wat is er gebeurd?” Zij
wees op haar bloote knie, waar twee kleine bloeddruppeltjes naast
elkander te voorschijn kwamen uit twee, nauwelijks zichtbare wondjes.

„Het was een adder,” zei ze. „Een vergiftige adder. Over vijf minuten
ben ik dood en ik ben er blij om, blij, want dan kan je mij niet langer
kwellen.”

Zij hief een beschuldigende vinger tegen hem op, hijgde een paar
onverstaanbare woorden en viel bewusteloos neer.

Francis kende de slangen van Centraal-Amerika enkel van hooren zeggen,
maar hetgeen hij ervan gehoord had, was vreeselijk genoeg. Men
vertelde, hoe muilezels en honden, na een ontzettenden doodsstrijd,
stierven, vijf of tien minuten nadat zij gebeten waren door kleine
reptielen van veertig tot vijftig centimeter lang. Geen wonder, dat ze
flauwgevallen was, dacht hij, nu zoo’n vreeselijk gif ongetwijfeld
reeds zijn werk begonnen was. Hij kende de behandeling van slangenbeten
ook enkel van hooren zeggen, maar toch vloog door zijn hersenen de
herinnering aan een tourniquet om den bloedsomloop boven de wond af te
klemmen en te voorkomen, dat het gif het hart bereikte.

Hij haalde zijn zakdoek uit zijn zak en bond dien los om haar been
boven de knie, stak er een kort stukje drijfhout in, en draaide den
zakdoek buitengewoon stevig aan. Vervolgens opende hij, alles volgens
hooren zeggen en vliegensvlug te werk gaande, zijn zakmes, verhitte dit
met verscheidene lucifers om het steriel te maken, en sneed
voorzichtig, maar meedoogenloos in de beide wondjes, die de gifttanden
der slang gemaakt hadden. Hij was zelf doodsbenauwd, en werkte met
koortsachtige haast, ieder oogenblik verwachtend, dat de doodsstrijd
zich meester zou maken van die heerlijke gestalte daar voor hem. Zooals
hij altijd gehoord had, begon het lichaam der slachtoffers van een
slangenbeet spoedig en vreeselijk te zwellen. Zelfs terwijl hij
voortging met het openen der wondjes, was zijn geest bezig met de beide
volgende behandelingen. Eerst zou hij zooveel mogelijk het gif
uitzuigen en vervolgens een sigaret aansteken en met het brandend
gedeelte de wonden cauteriseeren.

Maar terwijl hij nog bezig was om met de punt van zijn mes kris en kras
kleine sneedjes te maken, begon zij zich onrustig te bewegen.

„Blijf liggen,” beval hij, toen zij overeind ging zitten juist op het
oogenblik, waarop hij zich gereed maakte om de wond te gaan uitzuigen.

Als antwoord ontving hij van haar kleine hand een klinkende klap op
zijn wang. Terzelfdertijd kwam de Indianenjongen de jungle uitgedanst,
een dood slangetje bij den staart heen en weer zwaaiend en riep
juichend:

„Labarri! Labarri!”

Deze woorden deden Francis het ergste vreezen.

„Ga liggen en houd u stil!” herhaalde hij met barsche stem. „Er is geen
seconde te verliezen.”

Maar zij had enkel oogen voor de doode slang. Het was duidelijk
merkbaar, dat een groote verlichting zich van haar meester maakte; maar
Francis merkte dit niet, daar hij zich weer vooroverboog om de
vastgestelde behandeling van slangenbeten voort te zetten.

„Hoe durf je!” voegde ze hem dreigend toe. „Het is maar een kleine
labarri en haar beet is onschadelijk. Ik dacht, dat het een adder was.
Ze zien er net eender uit, zoolang de labarri nog klein is.”

De stremming der bloedsomloop door het tourniquet deed haar pijn en ze
keek naar beneden, om te zien, dat zijn zakdoek om haar been geknoopt
was.

„O, wat heb je gedaan?”

Een warme blos verspreidde zich over haar gelaat.

„Maar het was slechts een kleine labarri,” verweet zij hem.

„U zei, dat het een adder was,” antwoordde hij.

Zij verborg haar gelaat in haar handen, ofschoon zij bloosde tot achter
haar ooren. Toch zou hij er een eed op gedaan hebben, dat zij lachte,
of het moest een zenuwlach zijn; en voor de eerste maal drong het tot
hem door, welk een zware taak hij op zich genomen had om den ring van
een ander man aan haar vinger te steken. Hij verhardde dus vastberaden
zijn hart tegen haar schoonheid en de bekoring, die van haar uitging en
sprak op bitteren toon:

„En nu veronderstel ik, dat de een of ander van uw familieleden mij als
schietschijf zal gebruiken, omdat ik geen labarri van een adder kan
onderscheiden. Je kunt ook iemand van het personeel roepen om het te
doen. Of misschien wil je zelf wel een schot op mij wagen.”

Maar zij scheen zijn woorden niet gehoord te hebben, want zij was
opgestaan met al de vlugheid en lenigheid, die men van zoo’n prachtig
gevormd schepseltje mocht verwachten en stampte met haar voet op het
zand.

„Hij slaapt—mijn voet,” verklaarde zij met een lachje, dat ditmaal niet
achter haar handen schuil ging.

„Je gedraagt je al heel onbehoorlijk,” beweerde hij schalksch, „in
aanmerking nemend, dat ik de moordenaar van je oom ben.”

Bij deze herinnering staakte zij haar lachen en de kleur verdween van
haar gezicht. Zij gaf geen antwoord, maar boog zich voorover en
trachtte met vingers, die trilden van boosheid, den zakdoek los te
maken, alsof dit voorwerp haar diepen afkeer inboezemde.

„Laat mij je liever helpen,” opperde hij vroolijk.

„Beest!” snauwde zij hem toe. „Ga op zij. Zie je niet, dat je schaduw
op mij valt.”

„Je bent verrukkelijk, bekoorlijk,” spotte hij, weerstand biedend aan
het verlangen, dat hem drong om haar in de armen te sluiten. „Je
beantwoordt volkomen aan mijn laatste herinnering van je hier op het
strand, toen je mij het eene oogenblik verweet, dat ik je niet kuste,
het volgende oogenblik mij kuste—ja, dat deedt je—en nog weer een
seconde later dreigde om mijn spijsvertering in de war te brengen, door
dat kleine speelgoed-pistooltje van je. Neen, je bent na dien tijd nog
in het minst niet veranderd. Je bent nog dezelfde driftkop van een
Leoncia. Je zoudt wijzer doen, als je mij dat los liet maken. Zie je
niet, dat de knoop geklemd zit? Dat speel je nooit klaar met je kleine
vingertjes.”

Zij stampte met haar voet, niet in staat om een woord uit te brengen
van woede.

„Ik bof er bij, dat het je gewoonte niet is, om dat blikken
speelgoed-pistooltje mee te nemen, als je gaat zwemmen,” plaagde hij
verder, „want anders zou er hier op het strand heel gauw een beslist
aardig jongmensch begraven worden, die toch enkel de beste bedoelingen
met je heeft.”

Op dit oogenblik kwam de Indianenjongen aanloopen met haar badmantel,
dien zij hem uit de handen rukte en snel omsloeg. Vervolgens viel zij,
met behulp van den jongen, weer op den knoop aan. Toen de zakdoek los
was, slingerde zij dien van zich, alsof dit in werkelijkheid een adder
was.

„Vooruit, met dat smerige ding,” snauwde zij, aan zijn adres. Maar
Francis, die nog altijd zijn hart jegens haar verhardde, schudde
langzaam zijn hoofd en sprak:

„Het helpt je niets, Leoncia. Ik heb mijn stempel op je achtergelaten
en dat kan je nooit meer afwisschen.”

Hij wees naar de insnijdingen, die hij in haar knie gemaakt had en
lachte.

„Het stempel van het beest,” was haar antwoord, terwijl zij zich
omkeerde om heen te gaan. „Ik waarschuw je, dat je maakt, dat je
wegkomt, mijnheer Henry Morgan.”

Maar hij versperde haar den weg.

„En nu zullen we eerst eens over zaken spreken, mejuffrouw Solano,” zei
hij, op een heel anderen toon. „En gij zult naar mij luisteren. Ge
moogt met uw oogen vonken schieten zooveel ge wilt, maar val me niet in
de rede.” Hij bukte zich en raapte het briefje op, dat hij juist had
zitten schrijven. „Ik wilde je dit juist zenden door tusschenkomst van
den jongen, toen je dien gil gaaft. Neem het. Lees het. Het zal je niet
bijten. ’t Is geen adder.”

Ofschoon zij het niet wilde aannemen, vielen haar oogen onwillekeurig
op den eersten regel:

Ik ben de man, dien gij aanzaagt voor Henry Morgan...

Zij keek hem aan met verschrikte oogen, die niets begrepen, maar veel
vermoedden.

„Op mijn eerewoord,” zei hij ernstig.

„Gij... zijt... Henry... niet?” hijgde zij.

„Neen, dat ben ik niet. Zou je dit briefje niet willen aannemen en
lezen?”

Ditmaal voldeed zij aan zijn verzoek, terwijl zijn blik bleef rusten op
den gouden zonnegloed op haar, slechts weinig gebruind, blank gelaat,
rose gekleurd door het doorschemerend bloed.

Als in een droom kwam hij tot de ontdekking, dat haar verbaasde,
vragende, bruin fluweelen oogen op hem gericht waren.

„En wie zou dit dan geschreven hebben?” begon ze weer.

Hij kwam tot zichzelf en boog.

„Maar de naam?—uw naam?”

„Morgan, Francis Morgan. Zooals ik daarin reeds verklaarde, zijn Henry
en ik verre bloedverwanten—neven in den vijfenveertigsten graad of iets
dergelijks.”

Tot zijn groote verbazing, stond er plotseling groote twijfel in haar
oogen te lezen en de oude, bekende toorn vlamde weer op.

„Henry!” verweet ze hem. „Dit is een list, een duivelachtige streek,
die je mij wilt spelen. Natuurlijk ben je Henry.”

Francis wees op zijn knevel.

„Dien heb je sinds dien tijd laten staan,” beweerde ze.

Hij stroopte zijn mouw op en toonde haar zijn linkerarm van de pols tot
den elleboog. Maar ze gaf alleen te kennen, dat ze niet begreep, wat
deze handeling beteekende.

„Herinner je je het litteeken?” vroeg hij.

Zij knikte.

„Zoek het dan.”

Zij boog haar hoofd om snel een vruchteloos onderzoek in te stellen, en
schudde het toen langzaam, terwijl zij stamelde:

„Ik... ik vraag vergiffenis. Ik heb me vreeselijk vergist, en als ik
denk aan de wijze, waarop ik... ik je behandelde...”

„Die kus was verrukkelijk,” bekende hij stout.

Zij herinnerde zich nog meer directe voorvallen, keek omlaag naar haar
knie en onderdrukte iets, wat hij voor een zeer verrukkelijk lachje
aanzag.

„Je zegt, dat je een boodschap van Henry hebt,” veranderde zij
plotseling van onderwerp. „En dat hij onschuldig is?... Kan dit waar
zijn? O, ik zou je zoo gaarne gelooven!”

„Ik ben moreel overtuigd, dat Henry evenmin je oom doodde, als ik het
deed...”

„Zeg dan geen woord meer, tenminste nu niet,” viel ze hem opgewekt in
de rede. „In de eerste plaats moet ik je mijn verontschuldigingen
aanbieden, ofschoon je zult moeten erkennen, dat een en ander, wat je
gedaan en gezegd hebt, afschuwelijk was. Je hadt het recht niet om mij
te kussen.” „Wees zoo goed je te herinneren, dat ik dit deed, terwijl
de loop van een pistool op mij gericht was,” beweerde hij. „Het was de
vraag, of ik niet doodgeschoten zou zijn, wanneer ik het niet gedaan
had.”

„Och, schei uit,” smeekte ze. „Je moet nu met me mee naar huis gaan. En
onderweg kan je me dan van Henry vertellen.” Toevallig vielen haar
oogen op den zakdoek, dien zij zoo verachtelijk weggeworpen had. Zij
liep er heen en raapte hem op.

„Arme, mishandelde zakdoek,” sprak ze. „Ik mag jou ook wel mijn
verontschuldigingen aanbieden. Ik zal je zelf wasschen en...” Zij keek
Francis aan, toen ze het woord tot hem richtte. „En hem u teruggeven,
mijnheer, schoon en frisch en gewikkeld om een dankbaar hart...”

„En het stempel van het beest?” vroeg hij.

„Het spijt me zoo,” bekende zij boetvaardig.

„En mag ik nu mijn schaduw op u laten rusten?”

„Ja! Ja!” riep ze vroolijk. „Ziezoo! Nu sta ik in uw schaduw. En nu
moeten we op weg gaan.”

Francis wierp den grinnikenden Indianenjongen een geldstuk toe en
keerde zich toen zeer trotsch om en volgde haar door den tropischen
plantengroei langs het pad, dat naar de witte haciënda leidde.



Op de breede piazza der Solano-Haciënda gezeten, zag Alvarez Torres het
tweetal langs den, tusschen het tropische struikgewas slingerenden
rijweg naderkomen. En hij zag iets wat hem deed tandenknarsen en zeer
verkeerde gevolgtrekkingen maken. Hij mompelde heimelijke
verwenschingen en vergat zijn sigaret.

Hij zag Leoncia en Francis in zoo’n diep en opgewonden gesprek, dat zij
geen oog hadden voor iets anders. Hij zag dat Francis woorden en
gebaren zóó dringend waren, dat Leoncia zich plotseling gedwongen
voelde om stil te staan en verder naar zijn pleidooi te luisteren.
Vervolgens—en Torres kon zijn oogen haast niet gelooven, zag hij hoe
Francis een ring te voorschijn haalde en hoe Leoncia, met afgewend
gelaat, haar linkerhand uitstak en hoe de ring aan haar derden vinger
gestoken werd. Het was een verlovingsring, daar had Torres een eed op
willen doen. De werkelijkheid was echter, dat Henry’s verlovingsring
weer aan Leoncia’s hand gestoken werd. En Leoncia, zij wist niet
waarom, had een vagen tegenzin gevoeld om dien aan te nemen. Torres
wierp de uitgedoofde sigaret weg, draaide verwoed aan zijn knevel,
alsof hij hierdoor zijn eigen opwinding wilde verdrijven en liep hen
toen tegemoet over de piazza. Hij beantwoordde den groet van het meisje
niet dadelijk. In plaats daarvan barstte hij, met toornig gelaat, tegen
Francis los:

„Men verwacht wel niet, dat een moordenaar zich zal schamen, maar men
mag toch tenminste verwachten, dat hij zich fatsoenlijk zal gedragen!”

Francis glimlachte spottend.

„Daar heb je het alweer,” zei hij. „Weer zoo’n gek uit dit krankzinnige
land. De laatste maal, dat ik dezen heer zag, Leoncia, was in New-York.
Hij was toen erg verlangend om zaken met mij te doen. Nu ontmoet ik hem
hier en het eerste, wat hij mij vertelt, is dat ik een onfatsoenlijke,
onbeschaamde moordenaar ben.”

„Senor Torres, gij moet uw excuses aanbieden,” verklaarde zij toornig.
„Het huis Solano is niet gewoon, dat zijn gasten beleedigd worden.”

„Dan maak ik hieruit op, dat het huis Solano wel gewoon is, om zijn
mannen te laten vermoorden door doortrekkende avonturiers,” antwoordde
hij. „Geen offer is te groot, wanneer dit geschiedt in den naam der
gastvrijheid.”

„Houd je maar kalm, Senor Torres,” raadde Francis goedgeluimd. „Je bent
aan het doordraven. Ik begrijp je vergissing. Je denkt, dat ik Henry
Morgan ben. Ik ben Francis Morgan en jij en ik onderhandelden, nog niet
lang geleden, op Regan’s kantoor in New-York over zaken. Ziehier mijn
hand. Onder deze omstandigheden zal een handdruk voldoende excuus
zijn.”

Torres, een oogenblik onder den indruk van zijn vergissing, nam de, hem
toegestoken hand aan en bood zoowel Francis als Leoncia zijn
verontschuldigingen aan.

„En nu,” sprak zij lachend, terwijl zij in haar handen klapte om een
bediende te roepen, „moet ik mijnheer Morgan een kamer laten geven en
zelf eenige kleeren aan gaan trekken. En daarna zullen wij u van Henry
vertellen, wanneer u ons dit niet kwalijk neemt, Senor Torres.”

Terwijl zij vertrok en Francis een jonge, mooie mestiza-vrouw naar zijn
kamer volgde, kwam Torres, wiens hersenen weer een beetje normaal
werden, tot de ontdekking, dat hij nog nooit zoo verbaasd en zoo boos
geweest was. Het was dus een nieuweling en een vreemdeling voor
Leoncia, dien hij een ring aan haar ringvinger had zien steken. Zijn
hersenen werkten een oogenblik snel en hartstochtelijk. Leoncia, die
hij heimelijk altijd de koningin zijner droomen noemde, had, na een
kennismaking van een oogenblik, zich verloofd met een vreemden Gringo
uit New-York. Het was ongeloofelijk, monsterachtig.

Hij klapte in zijn handen en beval, dat het rijtuig, dat hij in San
Antonio gehuurd had, voor moest komen en reed in snelle vaart den
rijweg af, toen Francis weer verscheen om nog eens met hem te praten
over de verdere bijzonderheden der bergplaats van den schat van den
ouden Morgan.



Na de lunch, toen een landwindje opstak, wat hetzelfde beteekende als
een gunstige wind en een snelle overtocht over de Chiriqui-Lagune naar
de Stier en het Kalf, sloeg Francis, die verlangend was om Henry de
goede tijding te brengen, dat zijn ring Leoncia’s vinger weer
versierde, de aangeboden gastvrijheid af om den nacht over te blijven
en Enrico Solano en zijn groote zoons te ontmoeten. Francis had echter
nog een andere reden voor dit overhaast vertrek. Hij kon de
tegenwoordigheid van Leoncia niet langer verdragen—en dit was volstrekt
niet in onbeleefden zin bedoeld. Zij bekoorde hem, lokte hem aan en wel
zóó, dat hij niet langer onder dien invloed mocht blijven, wilde hij
trouw blijven aan den man, met zijn pantalon van zeildoek, die op het
oogenblik nog kuilen groef in het zand op de Stier. Daarom vertrok
Francis, met een brief van Leoncia aan Henry in zijn zak. Het laatste
oogenblik, vóór hij vertrok, was zeer kort. Met een zucht, die zóó snel
gesmoord werd, dat Leoncia afvroeg of het geen verbeelding was, rukte
hij zich los. Zij keek naar zijn, steeds kleiner wordende gedaante op
den rijweg, tot ze hem niet meer zien kon en staarde toen, met een
eenigszins droeven blik, op den ring aan haar vinger.

Van den oever gaf Francis de Angélique, die voor anker lag, een teeken,
om een boot aan wal te zenden om hem te halen. Maar voor de boot
gestreken was, reden een half dozijn ruiters met revolvers in den
gordel en geweren aan den zadelknop, langs den oever in galop op hem
toe. Twee mannen reden vooruit. De andere vier waren gemeene mulatten.
Francis herkende een der beide aanvoerders als Torres. Al de geweren
werden op Francis aangelegd en hij kon niet anders doen dan gehoorzamen
aan het, hem door den onbekenden aanvoerder toegesnauwd bevel, om zijn
handen op te steken. En Francis dacht hardop.

„Hoe is het mogelijk! Eens, nog niet lang geleden—of was het een
millioen jaren?—dacht ik, dat het bridge-spel, tegen een dollar het
punt, al een heele opwinding was. Welnu, heeren, daar op je paarden,
dreigend om met je wapens eenige vreemde voorwerpen in mijn arme corpus
te laten dringen, zeg me eens, wat er toch eigenlijk aan de hand is.
Kan ik dan nimmer dezen oever verlaten zonder eenige
buskruit-complicaties? Zijn het mijn ooren, of is het enkel mijn
knevel, waarop gij het voorzien hebt?”

„Wij hebben het op u voorzien,” antwoordde de vreemde aanvoerder, wiens
knevel even stekelig was als zijn sluwe, zwarte oogen.

„En, in den naam van alles en nog wat, wie ben je?”

„Hij is de Edelachtbare Senor Mariano Vercara è Hyos, Chef van Politie
in San Antonio,” antwoordde Torres.

„Wel te rusten,” lachte Francis, zich de beschrijving herinnerend, die
Henry hem van dezen man gegeven had. „Ik vermoed, dat ik volgens uwe
meening een havenreglement of een sanitair voorschrift overtreden heb
door hier te ankeren. Maar u moet dergelijke dingen uitmaken met mijn
kapitein, Kapitein Trefethen, een zeer achtenswaardig gentleman. Ik heb
dezen schoener slechts gecharterd—ben maar een passagier. Gij zult
zien, dat Kapitein Trefethen goed op de hoogte is in der maritieme
voorschriften en gebruiken.”

„Wij hebben het op je voorzien, wegens den moord op Alfaro Solano,” was
Torres’ antwoord. „Je kon mij niet om den tuin leiden, Henry Morgan,
met je vertelseltje daar op de haciënda, dat je een ander was. Ik ken
dien ander. Zijn naam is Francis Morgan en ik schroom niet er aan toe
te voegen, dat hij geen moordenaar, maar een gentleman is.”

„Wel alle menschen!” riep Francis uit. „En je hebt me toch de hand
gedrukt, Senor Torres.”

„Ik liet me beetnemen,” stemde Torres verdrietig toe. „Maar slechts
voor een oogenblik. Wil je goedschiks meegaan?”

„Alsof...” Met een welsprekend gebaar naar de zes geweren trok Francis
zijn schouders op. „Ik veronderstel, dat gij mij onmiddellijk zult
verhooren en met het aanbreken van den dag opknoopen.”

„De gerechtigheid werkt snel in Panama,” antwoordde de Chef van Politie
in een eigenaardig geaccentueerd, maar toch verstaanbaar Engelsch.
„Maar zóó snel gaat het toch niet. We zullen je niet opknoopen met het
aanbreken van den dag. Tien uur in den morgen is in alle opzichten een
meer geschikte tijd, vindt je ook niet?”

„O, wel zeker,” antwoordde Francis. „Maak er elf uur van, of twaalf—’t
is mij hetzelfde.”

„U wilt dus wel zoo goed zijn ons te volgen, senor,” zei Mariano
Vercara è Hyos, waarbij de minzaamheid zijner woorden geenszins zijn
ijzeren wil verborg. „Juan! Ignacio!” beval hij in het Spaansch. „Stijg
af! Neem hem zijn wapens af. Neen, het is niet noodig om zijn handen te
binden. Zet hem achter Gregorio op het paard.”




Francis, in een eerbiedwaardige gewitte gevangeniscel met vijf voet
dikke muren gezeten, op wier leemen vloer de gedaanten rustten van een
half dozijn medegevangenen, luisterde naar een dof gehamer, dat niet
ver verwijderd was en zich het verhoor herinnerend, dat hij juist
ondergaan had, floot hij langgerekt en zacht. Het was half negen ’s
avonds. Het verhoor had om acht uur een aanvang genomen. Het gehamer
beteekende de oprichting der schavotpalen, van welke verheven plek hij
veroordeeld was om den volgenden morgen om tien uur de ruimte
ingeslingerd en teruggehouden te worden van de aarde door een om zijn
hals geknoopt touw. Volgens zijn horloge had het verhoor een half uur
geduurd. Twintig minuten zou voldoende geweest zijn, wanneer Leoncia
niet naar binnen was komen stormen en het nog tien minuten gerekt had,
haar beleefd toegestaan als de voorname dame der familie Solano.

„De Chef had gelijk,” bevestigde Francis in een soort alleenspraak.

„De gerechtigheid werkt snel in Panama.”

Zelfs het bezit van den brief, hem gegeven door Leoncia en geadresseerd
aan Henry Morgan, had meegeholpen tot zijn veroordeeling. De rest was
gemakkelijk genoeg geweest. Een half dozijn getuigen hadden hun
verklaringen afgelegd in de moordzaak en hem aangewezen als den
moordenaar. De Chef van Politie had ook een dergelijke getuigenis
afgelegd. Het eenige vroolijke intermezzo was de inval van Leoncia
geweest, gechaperonneerd door een beverige oude tante der familie
Solano. Dat was heerlijk geweest—de strijd van het mooie meisje om zijn
leven te redden, niettegenstaande het feit, dat die gedoemd was om
zonder succes te blijven. Toen zij Francis zijn mouw op liet stroopen
en zijn linkerarm vertoonen, had hij gezien hoe de Chef van Politie
minachtend zijn schouders optrok. En hij had gezien hoe Leoncia een
stroom van Spaansche woorden, die hij niet kon volgen, naar Torres’
hoofd slingerde. En hij had de gebaren en het rumoer gezien en gehoord
van de menigte menschen, die de gerechtszaal vulde, toen Torres in de
getuigenbank verscheen.

Maar wat hij niet gezien had, was de gefluisterde samenspraak tusschen
Torres en den Chef van Politie, toen de eerste zich door de menigte een
weg baande naar de getuigenbank. Hij zag evenmin dit afzonderlijke
tusschenspel als hij wist, dat Torres door Regan er voor betaald werd
om hem zoo lang mogelijk van New-York verwijderd te houden of
vermoedde, dat Torres, zelf verliefd op Leoncia, werd verteerd door een
jaloezie, die geen grenzen kende.

Dit alles misleidde Francis, terwijl Torres door Leoncia ondervraagd
werd, die hem dwong te verklaren, dat hij nooit een litteeken gezien
had op den linkerarm van Francis Morgan. Terwijl Leoncia den kleinen,
ouden rechter triomfeerend aankeek, was de Chef van Politie naar voren
getreden en had met stentorstem aan Torres gevraagd:

„Kunt gij onder eede verklaren, dat gij wel eens een litteeken gezien
hebt op Henry Morgan’s arm?”

Torres was verrast en verslagen geweest, had den rechter verbijsterd en
Leoncia smeekend aangezien en ten slotte zonder een woord te zeggen,
zijn hoofd geschud om te kennen te geven, dat hij dit niet kon doen.

Een triomfeerend gebrul was opgestegen uit de menigte schoeljes. De
rechter had het vonnis uitgesproken, het rumoer was verdubbeld en
Francis was, niet geheel zonder weerstand te bieden, weggeleid naar
zijn cel door de gendarmes en den Commissaris, die er oogenschijnlijk
allen op uit waren om hem te beveiligen voor het gepeupel, dat weinig
lust had om tot den volgenden morgen tien uur op zijn dood te wachten.

„Die arme duivel, Torres, die struikelde over dat litteeken bij Henry!”
dacht Francis vol sympathie, toen de grendel van zijn cel weggeschoven
werd en hij opstond om Leoncia te begroeten.

Maar zij weigerde voor het oogenblik hem zijn groet terug te geven en
wendde zich in een snelvuur van Spaansche woorden tot den Commissaris,
met bevelende gebaren, waaraan hij gehoorzaamde, door den cipier te
gebieden om de gevangenen naar andere cellen te brengen, waarop
hijzelf, na een zenuwachtige en verontschuldigende buiging, naar buiten
ging en de deur achter zich sloot.

En toen zonk Leoncia snikkend tegen zijn schouder, in zijn armen: „’t
Is een vervloekt land, een vervloekt land. Er bestaat hier geen eerlijk
spel.”

En terwijl Francis haar gebogen gestalte vasthield, zoo vol vrouwelijke
aantrekkingskracht, dacht hij aan Henry, barrevoets, met zijn pantalon
van zeildoek en zijn slappe sombrero, die kuilen groef in het zand op
de Stier.

Hij deed een poging om zich los te maken van deze armvol
bekoorlijkheid, maar slaagde slechts gedeeltelijk hierin. Toch
beproefde hij, op dezen iets grooteren afstand, zijn verstand te laten
spreken, in plaats van zijn gevoel, dat maar al te zeer dreigde hem mee
te slepen.

„Nu weet ik tenminste wat een comedie is,” verzekerde hij haar,
heelemaal niet in overeenstemming met de ingeving van zijn hart. „Als
deze landgenooten van je wat kalmer nadachten, in plaats van zoo
hartstochtelijk te handelen, konden zij spoorwegen aanleggen en den
bloei van hun land bevorderen. Dat verhoor was je reinste comedie. Zij
wisten, dat ik schuldig was en waren zoo verlangend om mij te straffen,
dat ze zich zelfs niet druk konden maken over getuigen, bewijzen of
identiteit. Waartoe een uitstel? Zij wisten, dat Henry Morgan Alfaro
doodgestoken had. Zij wisten, dat ik Henry Morgan was. Wanneer iemand
iets weet, waarom zou hij zich dan druk maken met een onderzoek?”

Doof voor zijn woorden, snikkend en zich steviger aan hem vastklemmend
onderwijl hij sprak, had zij zich op het oogenblik, waarop hij ophield,
weer diep in zijn armen genesteld, drukte zich tegen hem aan en hief
haar lippen tot hem op; en, eer hij het wist, rustten zijn eigen lippen
op de hare.

„Ik heb je lief, ik heb je lief,” fluisterde ze gebroken.

„Neen, neen,” ontkende hij zijn liefste wensch. „Henry en ik lijken
teveel op elkaar. Je hebt Henry lief en ik ben Henry niet.”

Zij rukte zich plotseling los, trok Henry’s ring van haar vinger en
wierp dien op den vloer. Francis was zoo opgewonden, dat hij niet wist,
wat er het volgende oogenblik zou gebeuren, en werd enkel voor deze
mogelijkheid bewaard door het binnenkomen van den Commissaris, die met
het horloge in de hand en afgewend gelaat zijn best deed om niets
anders te zien, dan de seconden, door de kleine wijzer op de
wijzerplaat aangegeven. Zij richtte zich trotsch op en bezweek bijna
toen Francis Henry’s ring weer aan haar vinger schoof en haar hand
kuste om afscheid te nemen. Juist vóór zij de deur uitging, keerde zij
zich om en met een klanklooze beweging der lippen, fluisterde ze hem
toe: „Ik heb je lief.”



Op de minuut af, om tien uur werd Francis de gevangenis uitgeleid naar
het plein, waar de galg stond. Heel San Antonio was present, vroolijk
en luidruchtig en met hen het grootste gedeelte der naburige bewoners
en Leoncia, Enrico Solano en zijn vijf reuzen zoons. Enrico en zijn
zoons rookten en stapten deftig rond, maar de Chef van Politie,
bijgestaan door den Commissaris en zijn gendarmes, was zoo hard als
diamant. Tevergeefs deed Leoncia moeite om tot hem door te dringen,
toen Francis naar den voet van het schavot geduwd werd en tevergeefs
trachtten haar mannelijke verwanten haar te overreden om het plein te
verlaten. Haar vader en broeders protesteerden eveneens tevergeefs, dat
Francis de schuldige niet was. De Chef van Politie beval, met een
verachtelijk glimlachje, dat de executie voortgang zou hebben. Boven op
het schavot gekomen, op de trap staande, wees Francis den bijstand van
den priester af, hem in het Spaansch meedeelend, dat een onschuldige
geen bemiddeling met de toekomstige wereld van noode had, maar dat zij,
die het vonnis gingen voltrekken, behoefte hadden aan deze bemiddeling.

Ze hadden Francis’ beenen gebonden en waren juist bezig om zijn armen
te binden en de mannen hielden den strop en de zwarte muts boven zijn
hoofd om hem deze aan te doen, toen men de stem van een zanger hoorde
naderen, en het lied, dat gezongen werd, was:


        „—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
        De gansche bemanning wijken doet.”


Leoncia, die haast in zwijm viel, kwam weer bij op het hooren dezer
stem en slaakte een kreet van verrukking, toen ze Henry Morgan zag
binnenkomen, die de wachters aan de poort, die hem den weg wilden
versperren, terzijde wierp.

De eenige, dien het speet toen hij hem zag naderen, was Torres, wat
echter door de opschudding niet gemerkt werd. De toeschouwers waren het
eens met den Chef van Politie, die zijn schouders optrok en beweerde,
dat de eene man net zoo goed was als de ander, zoolang de executie maar
door kon gaan. Maar nu ontstond er een heele woordenstrijd met de
mannelijke Solanos, die volhielden, dat Henry evenmin schuldig was aan
den moord op Alfaro. Maar het was Francis, die vanaf het schavot,
terwijl zijn armen en beenen losgemaakt werden, boven het tumult uit
schreeuwde:

„Gij hebt mij verhoord! Maar hem hebt gij niet verhoord! Gij kunt geen
man ophangen, die geen verhoor ondergaan heeft! Hij moet verhoord
worden!”

En toen Francis van het schavot gekomen was en Henry’s hand in zijn
beide handen drukte, arresteerde de Commissaris, bijgestaan door den
Chef van Politie, plichtschuldig Henry Morgan voor den moord op Alfaro
Solano.








HOOFDSTUK IV.


„Wij moeten snel te werk gaan—dat staat vast,” zei Francis tot de
kleine vergadering van Solanos op het voorplein der Solano-haciënda.

„Dat staat vast!” riep Leoncia toornig uit, haar rusteloos heen en weer
loopen stakend. „Het staat vast, dat we hem moeten redden.”

Onder het spreken schudde zij hartstochtelijk haar vinger voor Francis’
neus, om haar woorden kracht bij te zetten. Hier niet mee tevreden,
schudde zij haar vinger met gelijken nadruk voor de neuzen van haar
vader en diverse broeders.

„Snel!” ging zij voort. „Natuurlijk moeten we snel te werk gaan. Dat,
of...” Haar stem stierf weg bij het ontzettende schrikbeeld van hetgeen
Henry te wachten stond, wanneer ze niet snel handelden.

„Voor den Chef van Politie staan alle Gringos gelijk,” bevestigde
Francis deelnemend. Wat was ze schitterend mooi en verrukkelijk, dacht
hij. „Hij loopt beslist heel San Antonio af en hij maakt korte metten.
Hij zal Henry niet meer tijd gunnen, dan hij ons gaf. We moeten hem
vannacht er uit zien te krijgen.”

„Luister nu,” begon Leoncia weer. „Wij, Solanos, kunnen deze... deze
terechtstelling niet toelaten. Onze trots... onze eer. Wij kunnen het
niet toelaten. Spreek! de een of ander van jelui. Vader—gij. Doe een
voorstel...”

En terwijl het gesprek voortgezet werd, werd Francis, die ditmaal
zweeg, door smart gefolterd. Leoncia’s ijver was schitterend, maar ze
gold een ander man en hij kon zich hier nu niet precies over
verblijden. De herinnering aan het gevangenisplein, nadat hij bevrijd
en Henry gearresteerd was, stond hem nog duidelijk voor oogen. Hij zag
nog, met dezelfde zielesmart, hoe Leoncia in Henry’s armen lag, hoe
Henry haar hand zocht om zich te overtuigen of zij zijn ring droeg en
de lange kus en omhelzing, die hierop volgden.

Och, het zei zoo, zuchtte hij heimelijk, hij had zijn best gedaan. Had
hij Leoncia niet met overtuiging en koelbloedig verteld, nadat Henry
weggevoerd was, dat deze haar man en haar minnaar was en dat dit de
wijste keuze was, die een dochter der Solanos kon doen?

Maar deze herinnering maakte hem geen greintje gelukkiger. En evenmin
de juistheid er van. Want juist was het. Daar twijfelde hij geen
oogenblik aan en dit gaf hem kracht om zijn hart jegens haar te
verharden. Toch vond hij in zijn geval, deze juistheid de schraalste
troost.

En toch, wat kon hij anders verwachten? Het was zijn ongeluk, dat hij
te laat in Centraal-Amerika gekomen was, dat was al, en dat hij deze
vrouwelijke bloem reeds geannexeerd vond door een, die vroeger gekomen
was dan hij—een man, even goed als hijzelf en een man met een beslist
even eerlijk hart, ja zelfs nog beter. En zijn eerlijk hart gebood hem
om loyaal te zijn jegens Henry—jegens Henry Morgan, van hetzelfde
geslacht en bloed; jegens Henry Morgan, de vurige afstammeling van een
vurig voorvader, met zijn pantalon van zeildoek en slappe sombrero, met
een voorliefde voor de ooren van vreemde jongemannen, die leefde van
scheepsbeschuit en schildpadeieren en de Stier en het Kalf omwoelde,
zoekend naar den schat van den ouden Sir Henry.



En terwijl Enrico Solano en zijn zoons plannen en ontwerpen maakten op
het breede voorplein en Francis slechts met een half oor luisterde,
kwam een bediende Leoncia iets in het oor fluisteren en leidde haar om
den hoek van het voorplein, waar zich nu een tooneel afspeelde, dat
beslist Francis’ lachlust en toorn opgewekt zou hebben.

Leoncia werd begroet door Alvarez Torres, in al de middeleeuwsche
Spaansche kleederpracht van een groot haciënda-bezitter, zooals die nog
altijd bewaard bleef in Latijnsch-Amerika, die met zijn sombrero in de
hand, diep voor haar boog en haar deed plaatsnemen in een rieten
ruststoel. Haar eigen begroeting klonk droef, maar toch doorweven met
nieuwsgierigheid, alsof zij hoopte, dat hij nog een woord van
bemoediging zou spreken.

„Het verhoor is afgeloopen, Leoncia,” sprak hij zacht en meewarig,
zooals men over een doode spreekt. „Hij is veroordeeld. Morgen om tien
uur is de tijd. Het is alles heel droevig; heel, heel droevig. Maar...”
Hij haalde zijn schouders op. „Neen, ik zal niet hard over hem spreken.
Hij was een achtenswaardig mensch. Zijn drift was zijn eenige fout. Hij
was te opvliegend, te vurig. Dit was zijn ongeluk. Nooit zou hij, in
een redelijk, bezonnen oogenblik, Alfaro neergestoken hebben...”

„Hij heeft mijn oom niet gedood!” riep Leoncia uit, haar afgewend
gelaat opheffend.

„En het is jammer,” ging Torres meewarig en droef voort, iedere
oneenigheid vermijdend. „De rechter, het volk, de Chef van Politie,
allen gelooven, helaas, dat hij het gedaan heeft. Wat zeer te betreuren
is. Maar dit is niet de reden, waarom ik u opzocht. Ik kwam om u mijn
diensten aan te bieden, in welk opzicht u die zoudt kunnen gebruiken.
Mijn leven, mijn eer, alles is ter uwer beschikking. Spreek. Ik ben uw
slaaf.”

Plotseling en elegant op één knie voor haar neerzinkend, greep hij haar
hand van haar schoot en zou oogenblikkelijk voortgegaan zijn met
spreken, wanneer zijn oogen niet waren blijven rusten op den ring met
den diamant aan haar ringvinger. Hij fronste de wenkbrauwen, maar hield
zijn hoofd gebogen om dit te verbergen, tot hij zijn gelaatstrekken
weer in zijn macht had en begon toen weer te spreken.

„Ik kende je al toen je nog klein was, Leoncia, zoo heel, heel klein en
lief, en ik heb je altijd liefgehad.—Luister nu alsjeblieft. Ik moet
mijn hart uitspreken. Luister naar mij, tot ik alles gezegd heb. Ik heb
je altijd liefgehad. Maar toen je van het klooster terugkwam, van je
kostschool in het buitenland, vrouw geworden, een volwassen en deftige
jongedame, volkomen in staat om het huis der Solanos te besturen, toen
werd ik verteerd door je schoonheid. Ik ben geduldig geweest. Ik
wachtte met spreken. Maar je zult het wel geraden hebben. Je hebt het
zeker geraden. Na dien tijd was ik dol verliefd op je. Ik werd verteerd
door de stralende schoonheid, door je vurige persoonlijkheid, zelfs nog
meer dan door je schoonheid.”

Hij was niet tegen te houden, dit wist ze maar al te goed, en ze
luisterde geduldig, neerziende op zijn gebogen hoofd en zich afvragend,
waarom zijn haar toch zoo leelijk geknipt was en of dit het laatst
gedaan zou zijn te New-York of te San Antonio.

„Weet je, wat je altijd voor mij geweest bent sedert je terugkomst?”
Zij antwoordde niet en deed evenmin een poging om haar hand terug te
trekken, ofschoon de zijne haar vleesch drukte en kneusde tegen Henry
Morgan’s ring. Zij vergat naar hem te luisteren, afgeleid door een
gedachtenketen, die zich ver uitstrekte. Het begin der keten was, dat
Henry Morgan haar niet met zoo’n woordenvloed bemind en voor zich
gewonnen had. Waarom moesten die menschen, met Spaansch bloed in de
aderen, toch altijd zooveel woorden gebruiken om hun gevoelens uit te
drukken? Henry was zoo geheel anders geweest. Hij had nauwelijks één
woord gesproken. Hij had gehandeld. Betooverd door haar blik, haarzelf
met zijn oogen betooverend, had hij haar zonder waarschuwing, zoo zeker
was hij ervan haar niet te zullen verrassen of verschrikken, in zijn
armen genomen en zijn lippen op de hare gedrukt. En de hare waren niet
al te verbaasd en volstrekt niet onwillig geweest om te antwoorden.
Eerst na dien eersten kus en met zijn armen nog om haar heen geslagen,
was Henry beginnen te spreken.

En welk plan werd daarginds nu door haar mannelijke familieleden en
Francis Morgan uitgebroed? peinsde haar geest verder, doof voor den
bewonderaar aan haar voeten. Francis! O, zij zuchtte bijna en vroeg
zich verwonderd af, waarom deze vreemde Gringo haar hart toch zoo in
beroering bracht, terwijl ze toch heel goed wist, dat ze Henry liefhad.
Was zij wispelturig? Was het deze man? Of een ander? Of onverschillig
welke man? Neen! Neen! Zij was niet wuft of ontrouw. En toch?...
Misschien kwam het omdat Francis en Henry zoo veel op elkander geleken,
en haar arm, dwaas, liefhebbend vrouwenhart niet voldoende onderscheid
tusschen hen kon maken. En toch—terwijl zij altijd gedacht had, dat zij
Henry overal ter wereld zou willen volgen, in alle voor- of tegenspoed,
nu scheen het haar toe, dat zij Francis zelfs nog verder zou willen
volgen. Zij had Henry lief, verklaarde haar hart plechtig. Maar ze had
Francis ook lief, en zij kon haast zeker raden, dat Francis haar ook
liefhad—zij kon zich niet vergissen in den warmen druk zijner lippen op
de hare in de gevangeniscel; en er was een verschil in haar liefde voor
de beide mannen, dat zij niet vermocht te verklaren en haar bijna tot
de beschamende conclusie bracht, dat zij, de laatste en eenigste
vrouwelijke afstammelinge van het huis Solano, wispelturig was.

De sterke druk van haar vleesch tegen Henry’s ring, veroorzaakt door
den hartstochtelijker greep van Torres, bracht haar gedachten tot hem
terug, zoodat zij weer den stortvloed van zijn woorden hoorden, die
steeds voortgolfde:

„Je waart de verrukkelijke doorn in mijn vleesch, het getande raadje
van de spoor, dat de zoetste en scherpste liefdewonden in mijn borst
maakte. Ik droomde van jou... en voor jou. En ik heb mijn eigen
benaming voor je. Altijd weer de eene naam, die ik voor je had: de
Koningin mijner Droomen. En je zult mijn vrouw worden, mijn Leoncia.
Wij zullen dezen dwazen Gringo vergeten, die al zoo goed als dood is.
Ik zal goed voor je zijn, en vriendelijk. Ik zal je altijd liefhebben.
En nooit zal zijn schim zich tusschen ons stellen. Wat mij betreft, ik
zal dit niet toestaan. Wat jou... Ik zal je zoo liefhebben, dat zijn
schim de kans niet zal hebben om zich tusschen ons te stellen en je ook
maar één oogenblik zielesmart te veroorzaken.”

Leoncia overlegde langen tijd zwijgend, wat nieuw voedsel gaf aan
Torres’ hoop. Zij voelde behoefte om tijd te winnen. Als Henry eens
gered kon worden... en had Torres zijn diensten niet aangeboden? Het
viel haar niet gemakkelijk om hem weg te zenden, wanneer een
menschenleven mogelijk van hem afhing.

„Spreek!—ik verteer!” drong Torres met bevende stem aan.

„Stil! Stil!” zei ze zacht „Hoe kan ik luisteren naar de
liefdesverklaring van een man, terwijl de man, dien ik liefhad, nog in
leven is?”

Liefhad! De verleden tijd gaf haar een schok. Eveneens verraste het
Torres en deed zijn hoop hooger opvlammen. Zij was reeds bijna de
zijne. Zij had gezegd: liefhad. Zij had Henry niet meer lief. Zij had
hem bemind, maar dit was nu voorbij. En zij, een teeder en fijngevoelig
meisje en vrouw, kon natuurlijk haar liefde voor hem niet bekennen,
terwijl de andere man nog in leven was. Dit was edel van haar. Hij was
trotsch op zijn eigen edele gedachten en vleide zich met het denkbeeld,
dat hij haar heimelijke gedachten zoo goed geraden had. En... wel
besloot hij, hij zou er wel voor zorgen, dat de man, die den volgenden
morgen om tien uur moest sterven, geen uitstel of hulp kreeg. Het
eenige, wat vaststond was dat, wilde hij Leoncia spoedig voor zich
winnen, Henry Morgan spoedig moest sterven.

„Wij zullen er niet verder over spreken... op het oogenblik,” zei hij
hoffelijk en vriendelijk, terwijl hij zachtjes haar hand drukte,
opstond en op haar neerkeek.

Zij gaf hem een zachten, dankbaren handdruk, voor zij haar hand
losmaakte en stond op.

„Kom,” zei ze. „We zullen ons bij de anderen voegen. Zij bedenken nu,
of trachten een plan te bedenken, om Henry Morgan te redden.”

Het gesprek van het groepje menschen verflauwde toen zij zich bij hen
voegden, alsof men Torres maar half vertrouwde.

„Hebben jelui al iets bedacht?” vroeg Leoncia.

De oude Enrico, even rechtop, slank en sierlijk gebouwd als zijn zoons,
schudde het hoofd.

„Ik heb een plan, als u het mij niet kwalijkneemt,” begon Torres, maar
hield op, toen hij een waarschuwenden blik opving van Alesandro, den
oudsten zoon.

Op den weg, beneden het plein gelegen, waren twee vogelverschrikkers
van bedeljongens verschenen. Hoewel ze, naar hun grootte te oordeelen,
niet ouder waren dan tien jaren, toonden zij door de listige
uitdrukking in hun oogen en op hun gelaat, veel ouder. Ieder droeg één
enkel prachtig kleedingstuk, zoodat men kon zeggen, dat ze samen een
hemd en een broek deelden. Maar welk een hemd! En welk een broek! Deze
laatste, gemaakt voor een volwassen man en van grof zeildoek, was
vastgemaakt om den hals van den jongen, terwijl de band ingehaald was
met een vastgeknoopt touw, zoodat het kleedingstuk niet van de
schouders kon glijden. Zijn armen waren door de gaten gestoken, waar
eens de zakken hadden gezeten. De pijpen der broek waren met een mes
afgesneden om ze meer in overeenstemming te maken met de lengte van
zijn eigen ledematen. De slippen van het manshemd, dat de andere jongen
aan had, sleepten over den grond.

„Vamos!” riep Alesandro hen barsch toe, om ze weg te jagen. Maar de
jongen met de broek nam deftig een steen weg, die hij boven op zijn
bloote hoofd gedragen had en liet nu een brief zien, dien hij daaronder
meegedragen had. Alesandro boog zich voorover, nam den brief en gaf
dien, na een blik op het opschrift geworpen te hebben, aan Leoncia,
terwijl de jongens op huilerigen toon om geld begonnen te vragen.
Francis, die ondanks zich zelf om hen moest lachen, wierp hen een paar
stukjes zilvergeld toe, waarop het hemd en de broek verdwenen langs het
pad.

De brief was van Henry en Leoncia las hem snel door. Het was niet
bepaald een afscheidsbrief, want hij schreef in den toon van een man,
die alleen door een onbegrijpelijk toeval verwacht te sterven. Maar,
met het oog op de mogelijkheid van een dergelijk onbegrijpelijk toeval,
wilde Henry toch afscheid nemen en er de schertsende aanbeveling voor
Leoncia aan toevoegen om Francis niet te vergeten, die wel waard was,
dat men zich zijner herinnerde, omdat hij zooveel op hem, Henry,
geleek.

Leoncia’s eerste opwelling was om de anderen den brief te laten lezen,
maar de opmerking omtrent Francis hield haar hiervan terug.

„Hij is van Henry,” zei ze, het briefje in haar japon stekend. „Er
staat niets bijzonders in. Hij schijnt er geen oogenblik aan te
twijfelen, dat hij op de een of andere manier zal ontsnappen.”

„Daar zullen we voor zorgen,” verklaarde Francis beslist.

Met een dankbaar glimlachje aan zijn adres en een vragend aan Torres,
zei Leoncia:

„U sprak over een plan, Senor Torres?”

Torres glimlachte, draaide zijn knevel op en nam een gewichtige houding
aan.

„Er is één manier, de Gringo-, Angel-Saksische manier en die is
eenvoudig, recht op het doel afgaande. Dat is het in één woord, recht
op het doel afgaande. Wij zullen heengaan en Henry op de regelrechte,
brutale en juiste Gringo-manier uit de gevangenis halen. Dat is het
eenige, wat ze niet van ons zullen verwachten. Daarom zal het gelukken.
Er zijn genoeg ongehangen schurken hier aan wal te vinden, waarmee we
de gevangenis kunnen bestormen. Huur ze, betaal ze goed, maar geef ze
slechts een gedeelte van het geld vooruit en de zaak is gezond.”

Leoncia knikte gretig en toestemmend. De oogen van den ouden Enrico
schoten vuur en zijn neusgaten verwijdden zich alsof hij reeds
kruitdamp rook. De jongelui werden aangewakkerd door zijn voorbeeld. En
allen keken Francis aan om zijn meening te hooren en zijn toestemming
te ontvangen. Maar hij schudde langzaam het hoofd en Leoncia slaakte
een scherpen kreet van teleurstelling.

„Dat is een hopelooze onderneming,” zei hij. „Waarom zoudt gij allen uw
hals wagen in zoo’n dolzinnige onderneming, die in het minst geen kans
van slagen heeft?” Onder het spreken liep hij van Leoncia’s zijde naar
de omheining om een oogenblik tusschen Torres en de andere mannen te
komen, en slaagde er tegelijkertijd in om Enrico en zijn zoons een
waarschuwenden blik toe te werpen. „Wat Henry betreft, het ziet er naar
uit, alsof het met hem gedaan is...”

„Je bedoelt, dat je mij wantrouwt?” stoof Torres op.

„Hemel, man,” protesteerde Francis.

Maar Torres draafde door: „Je bedoelt, dat ik door jou, een man, dien
ik ternauwernood ken, uitgesloten word van de vergadering der Solanos,
die mijn oudste en meest vereerde vrienden zijn.”

De oude Enrico, wien de opstijgende toorn tegen Francis in Leoncia’s
gelaat niet ontgaan was, slaagde er in haar een waarschuwing te doen
toekomen, eer hij met een hoffelijk gebaar Torres tot zwijgen bracht en
begon te spreken.

„Er zijn geen vergaderingen der Solanos, waarvan gij uitgesloten wordt,
Senor Torres. Gij zijt werkelijk een oud vriend van onze familie.
Wijlen uw vader en ik waren vrienden, bijna broeders. Maar dat—en gij
zult het oordeel van een oud man niet kwalijk nemen—neemt niet weg, dat
Senor Morgan gelijk heeft, wanneer hij zegt, dat uw plan hopeloos is.
Om de gevangenis te bestormen zou werkelijk een dwaasheid zijn. Denk
maar eens aan die dikke muren. Zij zouden weerstand bieden aan een
wekenlang beleg. En toch, ik beken het, kwam ik ook bijna in de
verzoeking om het te wagen, toen gij het plan opperdet. Toen ik nog
jong was, en de Indianen bestreed hoog in de Cordilleras, hebben we
iets dergelijks bij de hand gehad. Kom, laten we op ons gemak gaan
zitten, dan zal ik het jelui vertellen...”

Maar Torres, die vele dingen in zijn hoofd had, weigerde langer te
blijven en schudde met een beetje vriendelijker gevoelens allen de
hand, verontschuldigde zich kort tegen Francis en vertrok op zijn, met
zilverbeslag opgetuigd paard naar San Antonio. Een der onderwerpen, die
zijn gedachten in beslag namen, was de telegrafische verbinding, waarin
hij stond met het kantoor van Thomas Regan in Wall Street. Heimelijk
toegang hebbend tot het draadloos Rijkstelefoonstation van Panama in
San Antonio, was hij in de gelegenheid om berichten te verzenden naar
het station te Vera Cruz. Niet alleen was zijn connectie met Regan zeer
winstgevend, maar het was ook in overeenstemming met zijn persoonlijke
plannen met Leoncia en de Morgans.

„Wat heb je tegen Senor Torres, dat je zijn plan moest verwerpen en hem
boos maken?” vroeg Leoncia aan Francis.

„Niets,” was het antwoord, „behalve, dat we hem niet noodig hebben en
dat ik niet bijzonder met hem ingenomen ben. Hij is een dwaas en zou
ieder plan in de war sturen. Denk maar eens, hoe hij struikelde bij het
verhoor van mij. Mogelijk is hij ook niet te vertrouwen. Ik weet het
niet. Maar in ieder geval, waarom zouden we hem vertrouwen als we hem
niet noodig hebben? Maar zijn plan is goed. We zullen regelrecht naar
de gevangenis gaan en Henry er uit halen, wanneer jelui allemaal van de
partij zijn. En we hoeven ons vertrouwen niet te stellen in een bende
ongehangen schurken en strandslijpers. Wanneer wij met ons zessen het
niet klaarspelen, kunnen we er gerust van afzien.”

„Er moeten altijd minstens een dozijn schildwachten op post staan
rondom de gevangenis,” voerde Ricardo, Leoncia’s jongste broer, een
jongen van achttien jaar, aan.

Leoncia, wier toorn weer opgewekt werd, fronste de wenkbrauwen tegen
hem; maar Francis trok partij voor hem.

„Goed,” zei hij. „Maar we zullen die wachters wel wegjagen.”

„De muren zijn vijf voet dik,” zei Martinez Solano, tweelingbroeder van
Alvarado.

„Breek er door heen,” antwoordde Francis.

„Maar hoe?” riep Leoncia uit.

„Dat ga ik je juist uitleggen. Gij, Senor Solano, hebt voldoende
rijpaarden? Mooi. En gij, Alesandro, zie je misschien kans om me een
paar stukken dynamiet ergens van de plantage te bezorgen? Mooi, meer
dan mooi. En gij, Leoncia, moet als huisvrouw van de haciënda weten of
je in de provisiekamer voldoende voorraad hebt van die whisky, merk
drie sterren?”

„O, de zaak wordt al ingewikkelder,” lachte hij, toen hij haar
toestemmend antwoord ontving. „Wij bezitten al de eigenschappen voor
een avontuurlijk verhaal van Rider Haggard of Rex Bach. Luister nu.
Maar wacht. Ik moet met jou nog overleggen, Leoncia, omtrent enkele
bijzondere tooneelvoorstellingen...”








HOOFDSTUK V.


De namiddag was half om, toen Henry, voor zijn getralied celraam, de
straat inkeek en zich verwonderd afvroeg of er nooit een briesje zou
komen van de Chiriqui-Lagune en de onbeweeglijke lucht afkoelen. De
straat was stoffig en vuil—vuil, omdat de eenige straatvegers, die men
ooit gekend had sedert de stad eeuwen geleden werd gesticht, de
straathonden en de onheilspellende buizerds waren, die zelfs nu op roof
uit waren en door den afval dansten. Lage, gewitte steenen gebouwen en
huisjes maakten de straat tot een oven.

Al dit wit en het stof was ondraaglijk en pijnlijk voor de oogen, en
Henry zou den blik afgewend hebben, wanneer niet de talrijke havelooze
mosos, die in een tegenoverliggend portaal zaten te dommelen,
plotseling wakker geworden waren, en aandachtig de straat ingekeken
hadden. Henry kon niets zien, maar hij kon het rammelen hooren van het
een of andere voertuig, dat met spoed naderde. Plotseling kwam het in
gezicht, een, op een rattenval gelijkend, licht wagentje, dat getrokken
werd door een, op hol zijnd paard. Op de bank zat een oude man, met
grijs haar en baard, die tevergeefs het paard tot stilstand trachtte te
brengen.

Henry glimlachte en verwonderde zich erover, dat het bouwvallige
wagentje niet uit elkander viel, zoo hobbelde en danste het in de diepe
wagensporen. Elk wiel, half-los en dreigend heelemaal los te gaan,
hobbelde en ontweek het spoor van het andere wiel. En zoo het wagentje
al heel bleef, dan was het een wonder, dacht Henry, dat het rare tuig
niet in stukken vloog. Vlak voor het raam gekomen, deed de oude man een
laatste poging, door zich half van zijn zitplaats te verheffen en aan
de teugels te trekken. De eene was verteerd en brak. Toen de koetsier
achterover op zijn bankje terugviel, rustte zijn volle gewicht op den
eenen, overgebleven teugel, wat het paard met een scherpe wending naar
rechts deed keeren. Wat er toen gebeurde—of er een wiel bezweek of dat
er een wiel losraakte en daarna bezweek—Henry zou het niet kunnen
zeggen. Het eenige, wat te constateeren viel, dat de heele wagen
verongelukte. De oude man, meegesleept door het stof en zich hardnekkig
vastklemmend aan den overgebleven teugel, dwong het paard een cirkel te
beschrijven tot het bleef staan, hem aankeek en tegen hem snoof.

Toen hij opstond, verzamelden zich een menigte mosos rondom hem. Deze
werden rechts en links ruw terzijde geschoven door de gendarmes, die
uit de gevangenis kwamen toeloopen. Henry bleef aan het venster staan
en was, voor een man, die nog slechts enkele uren te leven had, een
zeer geanimeerd toeschouwer en toehoorder van hetgeen nu volgde.

Zijn paard aan een gendarme gevend om het vast te houden, niet
stilstaande om zich een beetje van het vuil te ontdoen, hinkte de oude
man snel naar den wagen en begon de talrijke kisten, groot en klein,
die de lading uitmaakten, aan een onderzoek te onderwerpen. Voor één
kist was hij buitengewoon bezorgd, beproefde zelfs om deze op te beuren
en scheen te luisteren, terwijl hij ze opbeurde. Hij richtte zich op,
toen hij door een der gendarmes aangesproken werd en gaf, rad van tong,
antwoord.

„Ik? Helaas, senors, ik ben een oude man en ver van huis. Ik ben
Leopoldo Narvaez. Het is waar, mijn moeder was een Duitsche, moge de
Heiligen haar genadig zijn; maar mijn vader was Baltazar de Jesus y
Cervallos è Narvaez, zoon van Generaal Narvaez met een roemrijk
verleden, die nog onder den grooten Bolivar zelf streed. En nu ben ik
half geruïneerd en ver van huis.”

Aangespoord door verdere vragen, doorspekt met de beleefde uitroepen
van medelijden, waarmee zelfs de nederigste moso niet karig is, slaagde
hij er in om, beleefd en dankbaar, voort te gaan met zijn verhaal.

„Ik ben van Bocas del Toro komen rijden. Die reis kostte mij vijf dagen
en ik heb weinig zaken gedaan. Ik woon in Colon, en ik wou, dat ik er
was. Maar zelfs een waardige Narvaez kan venter worden en ook een
venter moet leven, nietwaar, senors, is het niet zoo? Maar zeg me,
woont er in dit aardige stadje San Antonio geen Tomas Romero?”

„Er zijn een massa Tomas Romeros over heel Panama verspreid,” lachte
Pedro Zurita, de assistent-cipier. „Je mag wel een nadere beschrijving
van hem geven.”

„Hij is de neef van mijn tweede vrouw,” antwoordde de oude vol
verwachting en scheen zeer verbaasd over het bulderend gelach der
omringende menigte.

„En er wonen een dozijn Tomas Romeros in en om San Antonio,” vervolgde
de assistent-cipier, „die allemaal wel de neef van je tweede vrouw
kunnen zijn, senor. Daar heb je Tomas Romero, de dronkaard. Je hebt
Tomas Romero, de dief. Dan heb je Tomas Romero—maar neen, die werd een
maand geleden opgehangen voor moord en diefstal. Dan heb je nog de
rijke Tomas Romero, die veel vee in de heuvels heeft loopen. En...”

Bij elken naam, die genoemd werd, had Leopoldo Narvaez droevig het
hoofd geschud, totdat de veehouder genoemd werd. Nu kreeg hij meer hoop
en viel den spreker in de rede:

„Pardon, senor, dat moet hij zijn, of iemand anders zooals hij. Ik zal
hem wel vinden. Als mijn kostbare voorraad handelswaren veilig
opgeborgen kan worden, ga ik hem dadelijk opzoeken. Het is goed, dat
het ongeluk mij op deze plaats trof. Nu kan ik ze aan u toevertrouwen,
die, dat kan men met een half oog zien, een eerlijk en achtenswaardig
man zijt.” Onder het spreken haalde hij uit zijn zak twee zilveren
pesos te voorschijn en gaf die aan den cipier. „Ziedaar, ik wil dat gij
en uw mannen ook een pleiziertje hebt voor de hulp, mij bewezen.”

Henry grinnikte heimelijk, toen hij de toenemende belangstelling in den
ouden man en het medelijden met hem zag, van de zijde van Pedro Zurita
en de gendarmes, veroorzaakt door het geschenk der geldstukken. Zij
duwden de nieuwsgierigste toeschouwers ruw terug van den verongelukten
wagen en begonnen de kisten de gevangenis in te dragen.

„Voorzichtig, senors, voorzichtig,” smeekte de oude, zeer bezorgd, toen
ze de groote kist opnamen. „Wees er niet ruw mee. De inhoud is kostbaar
en breekbaar, zeer breekbaar.”

Terwijl de lading van den wagen in de gevangenis gedragen werd,
verwijderde de oude man zich en droeg het tuig van het paard, op den
teugel na, in den wagen.

Pedro Zurita beval, dat ook het tuig naar binnen gebracht moest worden
en verklaarde, met een blik op de armzalige menigte: „Er zou geen
stukje of gespje meer te vinden zijn een seconde nadat wij ons
omgedraaid hadden.”

Het overschot van den wagen als opstap gebruikend en met een handig
zetje van den cipier en zijn manschappen, slaagde de kramer er in om op
zijn paard te komen.

„In orde,” zei hij en voegde er dankbaar aan toe: „Duizendmaal dank,
senors. Gelukkig heb ik eerlijke menschen ontmoet, aan wie ik mijn
goederen gerust kan toevertrouwen—al zijn het maar schamele goederen,
koopmansgoederen, zie je; maar voor mij maken ze mijn kostwinning uit.
Het doet mij pleizier, dat ik u ontmoet heb. Morgen kom ik terug met
mijn bloedverwant, dien ik ongetwijfeld zal vinden, en zal u ontslaan
van den last om mijn onaanzienlijke bezittingen te bewaren.” Hij nam
zijn hoed af. „Adios, senors, adios!”

Hij reed weg op een sukkeldrafje, bang voor het dier, dat hij bereed en
dat het ongeval veroorzaakt had. Hij hield stil en keerde zijn hoofd
om, toen Pedro Zurita hem iets toeriep.

„Je doet het best, als je naar het kerkhof gaat, Senor Narvaez,” raadde
de cipier. „Daar liggen een groote honderd Tomas Romeros.”

„En ik smeek u, senor, dat ge goed op de groote kist past,” riep de
kramer terug.

Henry zag, hoe de straat weer eenzaam en verlaten werd, toen de
gendarmes en de inwoners vluchtten voor de verzengende zonnestralen.
Geen wonder, dacht hij heimelijk, dat de stem van den ouden kramer hem
een beetje bekend voorgekomen was. Dit kwam omdat zijn spraak slechts
gedeeltelijk een Spaanschen tongval bezat—en gedeeltelijk den Duitschen
tongval van zijn moeder. Bovendien sprak hij ook als een inboorling en
hij zou even goed beroofd worden als een inboorling, wanneer er iets
van waarde zat in de zware kist, die hij bij de cipiers gedeponeerd
had, was Henry’s gevolgtrekking, eer hij het voorval uit zijn geest
verbande.



In de kamer der bewakers, nauwelijks vijftig voet van Henry’s cel
verwijderd, was men bezig om Leopoldo Narvaez te berooven. Het was
begonnen toen Pedro Zurita een nauwkeurig en begeerig onderzoek
instelde van de groote kist. Hij beurde het eene einde op om het
gewicht te schatten, en snuffelde als een hond aan de spleten of zijn
neus hem ook op de hoogte zou stellen van den inhoud.

„Laat haar met rust, Pedro,” sprak een der gendarmes lachend tot hem.
„Je hebt twee pesos gekregen, om eerlijk te zijn.”

De assistent-cipier zuchtte, liep weg en ging zitten, keek nog eens
naar de kist en zuchtte weer. Het gesprek wilde niet vlotten.
Voortdurend dwaalden de oogen der mannen naar de kist. Een vettig spel
kaarten kon hen ook niet boeien. Het spel wilde niet vlotten. De
gendarme, die Pedro geplaagd had, liep nu zelf naar de kist en
snuffelde eraan.

„Ik ruik niets,” beweerde hij. „Blijkbaar is er niets in de kist, wat
ruikt. Maar wat kan er in zitten? De caballero zei, dat het iets van
waarde was!”

„Caballero!” snoof een andere gendarme. „De vader van den ouden man was
waarschijnlijk een venter van bedorven visch in de straten van Colon,
evenals diens vader voor hem. Iedere leugenachtige bedelaar beweert,
dat hij van de conquistadores afstamt.”

„En waarom niet, Rafaël?” antwoordde Pedro Zurita. „Stammen wij daar
ook niet van af?”

„Ongetwijfeld,” stemde Rafaël gereedelijk toe. „De conquistadores
versloegen menigeen...”

„En waren de voorouders der overlevenden,” voltooide Pedro voor hem,
wat een algemeen gelach uitlokte. „Maar hoe het zij, ik zou haast een
van deze pesos willen geven om te weten, wat er in die kist zit.”

„Daar heb je Ignacio,” begroette Rafaël de binnenkomst van een
sleutelbewaarder, wiens zware oogleden getuigden, dat hij juist een
dutje gedaan had. „Hij werd niet betaald om eerlijk te zijn. Kom,
Ignacio, verlos ons van onze nieuwsgierigheid door ons te zeggen wat er
in die kist zit.”

„Hoe kan ik dat weten?” vroeg Ignacio, naar het voorwerp der algemeene
belangstelling kijkend. „Ik ben pas wakker.”

„Dus men heeft je niet betaald om eerlijk te zijn?” vroeg Rafaël.

„Heilige Moeder Gods, ik zou wel eens willen zien, welke man mij
betaalde, om eerlijk te zijn?” vroeg de sleutelbewaarder.

„Neem dan die bijl en maak de kist open,” verklaarde Rafaël zich nader.
„Wij mogen het niet doen, want even zeker als Pedro de twee pesos met
ons zal deelen, even zeker zijn wij betaald om eerlijk te zijn. Open de
kist, Ignacio, of we sterven van nieuwsgierigheid.”

„We willen enkel kijken, alleen maar kijken,” mompelde Pedro
zenuwachtig, toen de sleutelbewaarder met de platte kant der bijl een
plank losmaakte. „Dan zullen we de kist weer sluiten en... Steek er je
hand in, Ignacio. Wat voel je?... hé, waar voelt het naar? Ha!”

Na veel trekken en wringen verscheen Ignacios hand weer, een cartonnen
omhulsel omsluitend.

„Maak het voorzichtig los, want het moet er weer om gedaan worden,”
raadde de cipier.

En toen de omhulsels van papier en carton weggenomen waren, rustten
aller oogen als betooverd op een kwart fleschje whisky.

„Wat is die zorgvuldig ingepakt,” mompelde Pedro op eerbiedigen toon.
„Dat moet heel goed spul zijn, dat er zooveel zorg aan besteed werd.”

„Het is Amerikaansche whisky,” zuchtte een gendarme. „Slechts eens in
mijn leven heb ik Amerikaansche whisky gedronken. Ze was verrukkelijk.
En ze gaf iemand een moed, dat ik in de arena te Santos sprong en een
woesten stier met mijn handen alleen bestreed. Zeker het is waar, de
stier wierp mij omver, maar sprong ik niet in de arena?”

Pedro nam de flesch en maakte zich gereed om er den hals af te slaan.

„Halt!” riep Rafaël. „Je werdt betaald, om eerlijk te zijn.”

„Door een man, die zelf niet eerlijk was,” luidde het antwoord. „Dat
goedje is contrabande. Er is geen accijns voor betaald. De oude man was
in het bezit van smokkelwaar. Laten wij er nu dankbaar en met een
gerust geweten bezit van nemen. We zullen er beslag op leggen. We
zullen ze vernietigen.”

Zonder af te wachten, dat de flesch de ronde zou maken, haalden Ignacio
en Rafaël een nieuwe te voorschijn en sloegen er de halzen af.

„Drie sterren—de beste, die er is,” sprak Pedro Zurita gedurende een
pauze, op het handelsmerk wijzend. „Zie je, alle Gringo-whisky is goed.
Eén ster duidt aan, dat ze heel goed is; twee sterren, dat ze
uitmuntend is; drie sterren, dat ze superb is, het beste en zelfs nog
beter dan dat. O, ik weet het. De Gringos zijn verzot op krachtig spul.
Van larie moeten ze niets hebben.”

„En vier sterren?” vroeg Ignacio, met een schorre stem van den drank en
vochtige, glinsterende oogen.

„Vier sterren? Vriend Ignacio, vier sterren zou òf een plotselingen
dood beteekenen òf te vertalen zijn als: het Paradijs.”

Het duurde niet lang of Rafaël noemde een anderen gendarme, zijn arm om
diens hals geslagen, broeder en beweerde, dat er niet veel toe noodig
was, om een mensch hier op aarde gelukkig te maken.

„Die ouwe man was een dwaas, een driedubbele dwaas en dat nog
driemaal,” was de verklaring van Augustino, een gendarme met een
onnoozel gelaat, die nu voor het eerst aan zijn gevoelens lucht gaf.

„Viva Augustino!” juichte Rafaël. „Die drie sterren hebben een wonder
gewrocht. Kijk maar! Hebben ze Augustino’s mond niet geopend?”

„En ik zeg, dat die oude man nog driemaal, driemaal een dwaas was!”
galmde Augustino dapper. „Deze echte godendrank was zijn eigendom,
geheel van hem en hij is er vijf dagen mee op weg geweest van Bocas del
Toro, en heeft er geen enkele druppel van genomen. Zulke dwazen als hij
moesten naakt boven op een mierenhoop gelegd worden, dit zeg ik.”

„Die ouwe man was een schelm,” beweerde Pedro. „En als hij morgen zijn
drie sterren komt halen, zal ik hem als smokkelaar arresteeren. Dat zal
ons een pluimpje bezorgen.”

„Als wij het bewijs vernietigen—zoo?” vroeg Augustino, weer een hals
stukslaande.

„Wij zullen het bewijs bewaren—zoo!” antwoordde Pedro, een leege flesch
op de steenen vloer stukgooiend. „Luistert, kameraden. De kist was heel
zwaar—dat weten we allemaal. Ze viel. De flesschen braken. De drank
liep er uit en zoodoende merkten wij, dat er contrabande inzat. De kist
en de gebroken flesschen zullen voldoende bewijs zijn.”

Het rumoer werd sterker, naarmate de drank verminderde. Een gendarme
kreeg ruzie met Ignacio over een vergeten schuld van tien centavos.
Twee andere zaten op den grond, de armen om elkanders hals geslagen en
weenden over de ellende van hun huwelijksleven. Augustino verdedigde,
in een zondvloed van woorden, zijn philosofische stelling, dat zwijgen
goud was. En Pedro Zurita dweepte met broederschap.

„Zelfs mijn gevangenen,” jammerde hij. „Ik heb ze lief, alsof het mijn
broeders zijn. Het leven is droef.” De tranen kwamen hem in de oogen en
hij zweeg even, om nog een teug te nemen. „Mijn gevangenen zijn, om zoo
te zeggen, mijn kinderen. Mijn hart bloedt om hunnentwil. Kijk maar! Ik
ween. Laten we met hen deelen. Laat hun ook een oogenblik gelukkig
zijn. Ignacio, mijn dierbare broeder. Doe me een pleizier. Zie, mijn
tranen vallen op je hand. Breng een flesch van dit elixir aan den
Gringo Morgan. Zeg hem, dat het mij toch zoo spijt, dat hij morgen moet
hangen. Zeg hem, dat ik hem liefheb en verzoek hem te drinken en
vandaag gelukkig te zijn.”

En toen Ignacio heenging om de boodschap over te brengen, begon de
gendarme, die eens te Santos bij de stierengevechten in de arena
gesprongen was te brullen:

„Ik moet een stier hebben! Ik moet een stier hebben!”

„Lieve hemel, hij moet er een hebben, om de armen om zijn nek te slaan
en hem lief te hebben,” verklaarde Pedro Zurita, opnieuw in tranen
uitbarstend. „Ik houd ook van stieren. Ik heb alle dingen lief. Ik heb
de muskieten zelfs lief. De heele wereld is liefde. Dat is het geheim
des levens. Ik wou, dat ik een leeuw had om mee te spelen...”



De, niet te miskennen, wijs van „Rug aan rug, door den grootmast
gescheiden”, dat openlijk op straat gefloten werd, trok Henry’s
aandacht, en hij liep door zijn groote cel naar het raam, toen het
geknars van een sleutel in de deur hem snel deed gaan liggen en zich
houden of hij sliep. Ignacio waggelde dronken naar binnen met de flesch
in de hand, die hij Henry deftig aanbood.

„Met de beste wenschen van onzen goeden cipier, Pedro Zurita,” stamelde
hij. „Hij zegt, dat gij moet drinken en er niet aan denken, dat uw hals
morgen een beetje uitgerekt zal worden.”

„Mijn beste wenschen aan Senor Pedro Zurita en zeg hem, dat hij voor
mijn part met zijn whisky naar den duivel kan loopen,” antwoordde
Henry.

De sleutelbewaarder richtte zich op en zwaaide niet langer, alsof hij
plotseling nuchter werd.

„Heel goed, senor,” zei hij, ging weg en sloot de deur.

In een oogwenk was Henry aan het raam, net op tijd om van aangezicht
tot aangezicht tegenover Francis te staan, die hem, tusschen de staven
door, een revolver toeduwde.

„Gegroet, camerada,” zei Francis. „We zullen je in een oogwenk hieruit
helpen.” Hij hield twee staafjes dynamiet, waarvan lont en slaghoedje
in orde waren, omhoog. „Ik heb deze aardige breekijzertjes meegebracht,
om je eruit te halen. Trek je zoo ver mogelijk terug in je cel, omdat
er heel gauw een gat in dezen muur geslagen zal worden, groot genoeg om
er met de Angélique door te zeilen. En de Angélique ligt op de reede op
je te wachten.—Nu, maak dat je wegkomt. Ik ga de lont aansteken. ’t Is
maar een kort stukje.”

Nauwelijks had Henry zich in een uithoek van de cel teruggetrokken, of
de deur werd met geweld ontsloten en geopend onder een heidensch
geschreeuw en gevloek, waaruit hij het duidelijkst de oude en
onveranderlijke strijdkreet der Latijnsch-Amerikanen kon onderscheiden:
„Dood den Gringo!”

Ook hoorde hij Rafaël en Pedro, onder het binnenkomen, brabbelen, de
een: „Hij is een vijand der broederlijke liefde,” en de ander: „Hij
zei, dat ik naar den duivel kon loopen—zei hij dat niet, Ignacio?”

Ze hadden geweren in de hand, en achter hen verdrongen zich de dronken
woestelingen, op verschillende wijzen gewapend, met ponjaards en
pistolen, zoowel als met bijlen en flesschen. Toen ze Henry’s revolver
zagen, stonden ze stil, en Pedro, die zenuwachtig aan zijn geweer
plukte, mompelde plechtig:

„Senor Morgan, je staat op het punt om naar je rechtmatige schuilhoek
in de hel te gaan verhuizen.”

Maar Ignacio wachtte niet. Hij vuurde woest en blindelings, miste Henry
de halve breedte der cel en viel het volgend oogenblik neer onder
Henry’s kogel. De overigen trokken zich overhaast terug in de gang der
gevangenis, waar zij, zelf ongezien, hun wapens in de kamer hun werk
lieten doen.

Den hemel dankend, dat de muren zoo dik waren en hopend, dat geen
ricochet hem zou treffen, verschool Henry zich in een beschutten hoek
en wachtte op de ontploffing.

Deze kwam. Het venster en de muur eronder werd één groote opening. Door
een stuk steen tegen het hoofd getroffen, zonk Henry duizelig op den
grond en toen de damp van kalk en kruit wat optrok, zag hij vaag, hoe
Francis, als het ware, door de opening naar binnen zwom. Toen hij door
het gat naar buiten gesleept werd, was Henry weer geheel zich zelf
meester. Hij zag hoe Enrico Solano en Ricardo, zijn jongste zoon, met
geweren in de hand, de menigte in bedwang hield, die op straat begon
samen te loopen, terwijl de tweelingen, Alvarado en Martinez, op
gelijke wijze de menschen terughielden, die van den anderen kant
kwamen.

Maar de bevolking was enkel nieuwsgierig, daar ze niets anders konden
doen, dan hun leven verliezen en niets winnen bij een poging om zulke
machtige lieden tegen te houden als deze waren, die op klaarlichten dag
muren lieten springen en gevangenissen bestormden. En ze weken
eerbiedig terug voor de dichtaaneengesloten groep, toen deze de straat
afmarcheerde.

„In de volgende straat wachten de paarden,” vertelde Francis aan Henry,
toen hun handen elkander drukten. „En Leoncia is er ook. Een galop van
een kwartier brengt ons naar het strand, waar de boot wacht.”

„Zeg, dat was dat lied, dat ik je geleerd heb,” grinnikte Henry. „Dat
klonk me verduiveld aangenaam in de ooren, toen ik je dat hoorde
fluiten. Die honden waren zoo voorbarig, dat ze zelfs niet tot morgen
konden wachten om me op te hangen. Ze dronken zich vol met whisky en
besloten om er maar onmiddellijk een eind aan te maken. Dat was een
rare geschiedenis met die whisky. Een oude caballero liet, als
verongelukt kramer, een heele karlading ervan, vlak voor de gevangenis
omkantelen...”

„Want zelfs een edele Narvaez, zoon van Baltazar de Jesus y Cervallos è
Narvaez, zoon van Generaal Narvaez met zijn roemrijk verleden, kan een
kramer zijn en ook een kramer moet leven, niet waar, senors, is het
niet zoo?” imiteerde Francis.

Henry keek hem blij verrast aan, en zei eenvoudig:

„Francis, één ding doet me pleizier, allemachtig veel pleizier.”

„En dat is?” vroeg Francis in de pauze, die ontstond juist op het
oogenblik, dat zij den hoek omsloegen van de straat, waar de paarden
stonden.

„Dat ik je ooren niet afgesneden heb op dien dag op het Kalf, toen ik
je onder had liggen en je er op aandrong, dat ik het doen zou.”








HOOFDSTUK VI.


Mariano Vercara è Hyos, Chef van Politie te San Antonio, zat
achterovergeleund in zijn stoel in de gerechtszaal en rolde, met een
kalmen voldanen glimlach, een cigaret. De zaak was afgeloopen, zooals
van te voren besloten was. Hij had den geheelen dag den kleinen, ouden
rechter van zijn mescal afgehouden en was hiervoor beloond, doordat de
rechter de zaak onderzocht had en het oordeel uitgesproken
overeenkomstig het programma. Hij had geen enkele fout gemaakt. De zes
inlandsche agenten waren zwaar beboet teruggestuurd naar de plantage te
Santos. Zij moesten de boeten aanzuiveren door een verlenging van hun
contract der dienstbaarheid. En de Chef was door deze transactie
tweehonderd dollars in goed Amerikaansch goudgeld rijker geworden. Deze
Gringos te Santos, besloot hij glimlachend, waren menschen, die men te
vriend moest houden. Zeker, ze bevorderden den bloei van het land door
hun henequen-plantages. Maar wat nog beter was, ze bezaten geld in een
ontelbare hoeveelheid en betaalden goed voor de kleine diensten, die
hij in staat was om hun te bewijzen.

Zijn glimlach werd nog breeder toen hij Alvarez Torres begroette.

„Luister,” zei deze laatste, hem zacht iets in het oor fluisterend. „We
kunnen alle twee die duivels van Morgans te pakken krijgen. Dat varken
van een Henry wordt morgen gehangen. Er is geen enkele reden, waarom
dat varken van een Francis vandaag niet aan zijn eind zou komen.”

De Chef zei niets, enkel door het optrekken van zijn wenkbrauwen een
vraag stellend.

„Ik heb hem aangeraden om de gevangenis te bestormen. De Solanos hebben
naar zijn leugens geluisterd en zijn het met hem eens. Ze zullen het
vanavond beslist probeeren. Vroeger kunnen ze het onmogelijk doen. Het
is uw werk om op die gebeurtenis voorbereid te zijn en er voor te
zorgen, dat Francis Morgan in het gevecht in de eerste plaats wordt
neergelegd en gedood.”

„Waarvoor en waarom?” vroeg de Chef ontwijkend. „’t Is enkel Henry,
dien ik uit den weg geruimd wil hebben. Laat die Francis terugkeeren
naar zijn beminde in New-York.”

„Hij moet vandaag aan zijn eind komen en om redenen, die gij zult
wettigen. Zooals gij weet, door het lezen van mijn telegrammen over de
Rijks draadlooze...”

„Wat wij overeengekomen zijn, toen ik je de vergunning bezorgde om
gebruik te maken van het Rijksstation,” herinnerde de Chef hem.

„En waarover ik mij niet beklaag,” verzekerde Torres hem. „Maar zooals
ik zei, gij weet, dat ik in zeer vertrouwelijke en belangrijke relaties
sta met den New-Yorkschen Regan.” Hij tikte met zijn hand op zijn
borstzak. „Ik heb net weer een draadloos telegram ontvangen. Het is van
groot belang, dat het varken van een Francis een maand lang van
New-York verwijderd wordt gehouden—en als ik Senor Regan niet verkeerd
begrijp, zou hij het nog beter vinden, als hij nooit terugkwam. Voor
zoover ik hierin slaag, zult gij er niet slecht bij varen.”

„Maar je hebt mij niet verteld, hoeveel je daarvoor ontvangen hebt, of
hoeveel je zult ontvangen,” informeerde de Chef.

„Het is een geheime overeenkomst en bedraagt niet zooveel, als gij
misschien zoudt denken. Hij is een hardvochtig man, deze Senor Regan,
een hardvochtig man. Maar ik zal de opbrengst van onze onderneming
eerlijk met u deelen.”

De Chef knikte toestemmend, en zei toen:

„Zou het ongeveer een duizend dollars goudgeld zijn, wat je er voor
krijgt?”

„Dat denk ik wel. Dat varken van een Iersche speculant kan me moeilijk
minder geven en je krijgt er vijfhonderd van als dat zwijn van een
Francis zijn botten in San Antonio achterlaat.”

„Zou het ook honderdduizend dollars kunnen zijn?” was de volgende vraag
van den Chef.

Torres lachte alsof hij een aardige grap hoorde.

„Het is beslist meer dan duizend dollars,” hield de ander vol.

„Misschien is hij royaal,” antwoordde Torres. „Het kan zijn, dat hij er
mij nog vijfhonderd geeft boven de duizend, waarvan dan natuurlijk,
zooals ik gezegd heb, de helft voor jou is.”

„Ik zal van hier regelrecht naar de gevangenis gaan,” verkondigde de
Chef. „Je kunt op mij aan, Senor Torres, even goed, als ik jou
vertrouw. Kom! We zullen er nu dadelijk heengaan, jij en ik, en je kunt
zelf zien, welke voorbereidingen ik zal treffen voor de ontvangst van
dezen Francis Morgan. Ik weet nog wel, hoe ik met een geweer om moet
gaan. En bovendien zal ik drie der gendarmes gelasten, om alleen op hem
te schieten. Zoo, dus deze Gringo-hond wilde onze gevangenis bestormen,
zoo? Kom! We zullen dadelijk op pad gaan.”

Hij stond op en wierp zijn cigaret met een krachtig gebaar weg. Maar
halverwege de kamer gekomen, werd hij door een hijgenden en zweetenden
bedeljongen aan zijn mouw getrokken, die jammerde:

„Ik heb nieuws. U zult mij er voor betalen, heel veel, senor? Ik heb
den geheelen weg gehold.”

„Ik zal je naar San Juan sturen, opdat de valken je onnutte karkas op
kunnen vreten,” was het antwoord.

De jongen verloor den moed bij dit dreigement, maar vermande zich toen
weer, dank zij zijn leege maag, de schraalheid van zijn voedsel en zijn
verlangen naar het geld voor een toegangskaart voor het aanstaande
stierengevecht.

„U zult bedenken, dat ik u het bericht bracht, senor. Ik heb den
geheelen weg gehold, zoodat ik bijna dood ben, zooals u zelf zien kunt,
senor. Ik zal het u vertellen, maar u zult bedenken, dat ik het was,
die den geheelen weg gehold heb en het u het eerste vertelde.”

„Ja, ja, ondier, ik zal het bedenken. Maar wee je gebeente, als ik het
al te goed bedenk. Wat is nu dat beetje nieuws? Het is misschien geen
centavo waard. En als dat zoo is, zal ik maken, dat je zou wenschen,
nooit de zon te hebben gezien. Om te San Juan door de valken opgevreten
te worden, zou een Paradijs zijn, vergeleken bij hetgeen ik je dan doen
zal.”

„De gevangenis,” huiverde de jongen. „De vreemde Gringo, die, welke
gisteren opgehangen zou worden, heeft de muur van de gevangenis laten
springen. Barmhartige Heiligen! Het gat is zoo groot als de toren van
de kathedraal! En de andere Gringo, die zoo op hem lijkt en die morgen
gehangen zou worden, is met hem door het gat ontsnapt. Hij heeft hem
zelf naar buiten gesleept. Dit heb ik zelf gezien, met mijn eigen oogen
en toen heb ik den geheelen weg hierheen gehold en u zult bedenken...”

Maar de Chef van Politie had zich al beleedigd omgekeerd naar Torres.

„En als deze Senor Regan vorstelijk royaal wil zijn, zal hij u en mij
het milde bedrag geven, dat overeengekomen is, nietwaar? Vijfmaal of
tienmaal dat bedrag zou er een beetje beter op gelijken met dezen
Gringo-tijger, die de wetten en onze goede gevangenismuren omverwerpt.”

„Hoe het zij, de zaak kan niet anders zijn dan een loos alarm; enkel
een aanwijzing, welke de bedoelingen zijn van dezen Francis Morgan,”
mompelde Torres met een flauw glimlachje. „Bedenk, dat ik hem in het
oor geblazen heb om de gevangenis te bestormen.”

„In welk geval jij en Senor Regan dus zult betalen voor dien goeden
gevangenismuur?” vroeg de Chef en voegde er toen, na een oogenblik
pauze, aan toe: „Niet, dat ik geloof, dat het al reeds gebeurd is. Dat
is niet mogelijk. Zelfs zoo’n gekke Gringo zou dat niet aandurven.”

Rafaël, de gendarme, met zijn geweer in de hand en het bloed nog altijd
uit een hoofdwond over zijn gezicht druipend, kwam de deur der
gerechtszaal binnen en plaatste zich naast de nieuwsgierigen, die zich
reeds rondom Torres en de Chef begonnen te verdringen.

„Wij zijn verwoest,” waren Rafaëls eerste woorden. „De gevangenis is
nagenoeg vernield. Dynamiet! Wel honderd pond! Of duizend! We hebben
dapper getracht de gevangenis te verdedigen. Maar ze ontploften—die
duizend pond dynamiet. Ik viel bewusteloos neer, met het geweer in de
hand. Toen ik weer tot mijzelf kwam, keek ik rond. Al de anderen, de
dappere Pedro, de dappere Ignacio, de dappere Augustino—allemaal,
allemaal lagen ze dood rondom mij!” Bijna had hij er bij kunnen zeggen
„dronken”, maar, overeenkomstig zijn Latijnsch-Amerikaansche natuur,
stelde hij het voorval zeer oprecht voor, zooals dit zich, dapper en
tragisch, in zijn verbeelding voordeed. „Ze lagen dood. ’t Kan zijn,
dat ze niet dood zijn, alleen maar bedwelmd. Ik kroop vooruit. De cel
van den Gringo Morgan was leeg. Er was een groot, monsterachtig gat in
den muur. Ik kroop door het gat naar buiten. Daar stonden een menigte
menschen. Maar de Gringo Morgan was verdwenen. Ik sprak een moso, die
alles gezien had en het dus kon weten. Er stonden paarden op hun te
wachten. Zij reden naar het strand. Daar is een schoener, die niet voor
anker ligt. Ze zeilt heen en weer, in afwachting van hun komst. Francis
Morgan heeft een zak met goudstukken aan zijn zadel hangen. De moso zag
dit. Het is een groote zak.”

„En het gat?” vroeg de Chef. „Het gat in den muur?”

„Is grooter dan de zak, veel grooter,” was Rafaëls antwoord. „Maar de
zak is groot. Dat zei de moso. En hij heeft hem aan het zadel hangen.”

„Mijn gevangenis!” riep de Chef uit. Hij trok een ponjaard uit de
binnenzijde van zijn jas onder het linkerarmsgat en hield dezen met het
gevest omhoog, zoodat dit een kruis vertoonde, waaraan een fijn
gemodelleerd Christusbeeld hing. „Ik zweer bij alle Heiligen, dat ik
mij zal wreken. Mijn gevangenis! Onze gerechtigheid! Onze wet!—Paarden!
Paarden! Gendarme, paarden!” Hij draaide zich op zijn hielen om naar
Torres, alsof deze laatste iets gezegd had en schreeuwde: „Naar den
duivel met Senor Regan! Dit is mijn zaak! Men heeft mij gehoond! Mijn
gevangenis is verwoest! Mijn wet—onze wet, waarde vrienden—is bespot.
Paarden! Paarden! Requireer ze op straat. Snel! Snel!”



Kapitein Trefethen, eigenaar der Angélique, zoon van een
Maya-Indianenmoeder en een Jamaïca-negervader, liep heen en weer op het
smalle achterdek van zijn schoener, staarde strandwaarts naar San
Antonio, waar hij zijn bemande sloep zag terugkeeren en dacht er over
om zijn dollen Amerikaanschen charterer te ontvluchten. Terzelfdertijd
dacht hij er echter over om maar te blijven om zijn overeenkomst te
verbreken en een nieuwe te sluiten voor een driemaal hooger bedrag;
want hij werd eigenaardig beïnvloed door zijn verschillend bloed. Het
neger-gedeelte raadde hem voorzichtigheid en inachtneming der
Panamasche wet. Het Indianen-gedeelte drong hem tot overtreding der wet
en het vooruitzicht op een conflict.

De Indiaansche moeder besliste het pleit en deed hem den kluiver
strijken, de groote schooten vieren en sneller strandwaarts gaan om de
naderkomende boot op te pikken. Toen hij de geweren der Solanos en
Morgans onderscheidde, had hij bijna het roer gekeerd om weg te zeilen
en hen aan hun lot over te laten. Toen hij echter de vrouw zag zitten
in den achtersteven, fluisterden avontuurlijkheid en winstbejag hem in,
om voort te gaan en hen aan boord te nemen. Want hij wist maar al te
goed, dat, wanneer vrouwen zich mengden in de aangelegenheden der
mannen, gevaar en geld daarmee hand in hand gingen. En de vrouw kwam
aan boord, het gevaar en het geld—Leoncia, de geweren en de zak met
geld—alles klauterend; want daar de wind zwak was, durfde de kapitein
de schoener niet stil te leggen.

„Blij u aan boord te zien, mijnheer,” begroette Kapitein Trefethen
Francis, terwijl zijn witte tanden te voorschijn kwamen tusschen zijn
glimlachende lippen. „Maar wie is deze man?” Hij knikte met zijn hoofd
in de richting van Henry.

„Een vriend, kapitein, mijn gast en eigenlijk een bloedverwant.”

„En, mijnheer, wanneer ik zoo vrij mag zijn, wie zijn die heeren, die
daar zoo snel over den oever rijden?”

Henry keek snel naar de groep ruiters, die over het zand galoppeerden,
nam zonder veel plichtplegingen den kijker uit de handen van den
stuurman en keek er door.

„De Chef zelf rijdt in de voorhoede,” verkondigde hij aan Leoncia en
haar mannelijke verwanten, „en een troep gendarmes.” Hij slaakte een
scherpen kreet, keek aandachtig door het glas en schudde toen het
hoofd: „Ik dacht haast, dat ik onzen vriend Torres herkende.”

„Bij onze vijanden,” riep Leoncia ongeloovig uit, zich Torres’
huwelijksaanzoek herinnerend en de aanbieding van zijn diensten en zijn
eer, die hij haar dienzelfden dag op de veranda der haciënda gedaan
had.

„Ik moet me vergist hebben,” bekende Francis. „Ze rijden zoo dicht op
elkander. Maar de Chef is het beslist, twee sprongen voor de troep
uit.”

„Wie is die eend van een Torres?” vroeg Henry barsch. „Hij stond me van
het begin af al niet aan, toch schijnt hij altijd welkom te zijn onder
je dak, Leoncia.”

„Ik vraag excuus, mijnheer, zeer tevreden en zeer onderdanig,” viel
Kapitein Trefethen hem vriendelijk in de rede. „Maar ik moet uw
aandacht vragen voor mijn vroegere vraag, mijnheer, en wel: wie en wat
is die cavalcade, die zoo gewichtig over het strand rijdt?”

„Die wilden mij gisteren ophangen,” lachte Francis. „En morgen zouden
zij mijn bloedverwant, hier, ophangen. Maar we zijn hen te glad af
geweest. En hier zijn we nu. Welnu, mijnheer de kapitein, ik roep je
aandacht in voor je groote schooten, die in den wind fladderen. Je
staat stil. Hoelang denk je nog hier in de buurt te blijven?”

„Mijnheer Morgan,” was het antwoord, „met den onderdanigsten eerbied
wil ik u dienen als charterer van het schip. Maar toch moet ik er u op
wijzen, dat ik Britsch onderdaan ben. Koning George is mijn koning,
mijnheer, en ik ben in de eerste plaats gehoorzaamheid verschuldigd aan
hem en aan zijn maritieme wetten, mijnheer. Ik begrijp heel goed, dat u
aan wal de wetten overtreden hebt, want anders zouden die ambtenaren
daar op den wal u niet zoo hardnekkig vervolgen, mijnheer. En het is
even duidelijk, dat u nu verlangt, dat ik de maritieme wetten zal
overtreden, door u te helpen om te ontsnappen. Dus ben ik, door mijn
eer, verplicht, om hier te blijven tot deze kleine aangelegenheid,
waarin u aan wal betrokken is, tot ieders genoegen geregeld is,
mijnheer, en tot genoegen van mijn wettigen souverein.”

„Hijsch de zeilen en maak, dat je hier vandaan komt, stuurman,” viel
Henry hem toornig in de rede.

„Mijnheer, met uw welnemen, moet ik u, tot mijn spijt, op twee dingen
wijzen. Gij hebt deze boot niet gecharterd en evenmin zijt gij de edele
Koning George, aan wien ik met hart en ziel verknocht ben.”

„Welnu, ik heb deze boot gecharterd, kapitein,” zei Francis opgewekt,
want hij had geleerd, dat hij den man, met zijn gemengde woorden en
gemengd bloed, niet moest prikkelen. „Wees dus zoo goed om je roer te
wenden en ons buiten deze Chiriqui-Lagune te brengen, zoo snel als God
en deze onbetrouwbare wind toelaten.”

„Het staat niet in onze overeenkomst, mijnheer, dat mijn Angélique de
wetten van Panama en Koning George zal overtreden.”

„Ik zal je er goed voor betalen,” antwoordde Francis, die zijn geduld
begon te verliezen. „Ga aan het werk.”

„U wilt dus opnieuw charteren, mijnheer, voor driemaal het
tegenwoordige bedrag?”

Francis knikte kortaf.

„Een oogenblikje, mijnheer, alstublieft. Ik moet een pen en papier uit
de hut halen en het stuk opstellen.”

„Hemeltje,” kreunde Francis. „Schiet op en breng ons eerst op gang. We
kunnen het stuk even goed gereedmaken, terwijl we varen als nu we
stilliggen. Kijk! Ze beginnen al te schieten.”

De kleurling-kapitein hoorde den knal en, het opgezette zeil
onderzoekend, ontdekte hij het gat van den kogel boven bij den top van
het grootzeil.

„Heel goed, mijnheer,” besloot hij. „U is een gentleman en een
achtenswaardig mensch. Ik vertrouw, dat u uw handteekening zult zetten
onder het stuk, zooals wij overeengekomen zijn.—Hé, neger! Wend het
stuur! Vlug! Vooruit, zwarte schavuiten, vier de groote schooten! Help
eens een handje, Percival, daar aan de laadboom!”

Allen gehoorzaamden, zoowel Percival, een grijnzende, waggelende
Kingston-neger, die even zwart was als zijn naam blank, als een ander,
die met meer eerbied werd aangesproken als Juan, die meer Spaansch en
Indiaansch, dan negerbloed in zijn aderen had, zooals zijn lichtgele
huid getuigde en wiens vingers, die den fokkeschoot vierden, even
handig en teer waren als van een meisje.

„Sla dien nikker op zijn kop, als hij niet wat beter opschiet,” bromde
Henry zachtjes tegen Francis. „Voor twee cent doe ik het onmiddellijk.”

Maar Francis schudde het hoofd.

„Hij heeft gelijk, maar hij is een Jamaïca-neger en je weet, wat dat
zeggen wil. En hij is even goed een Indiaan. We doen het beste door hem
in een goed humeur te houden, dat is nu eenmaal de aard van het
beestje. Hij bedoelt het goed, maar hij heeft geld noodig, waagt zijn
schoener er aan om in beslag genomen te worden en hij is behept met
vocabularitis. Hij moet nu eenmaal zoo lang van stijl zijn of hij wil
of niet.”

Op dit oogenblik naderde Enrico Solano, met trillende neusvleugels en
de vingers aan zijn geweer, terwijl hij met een half oog de, in het
wilde afgeschoten kogels volgde, die op het strand afgevuurd werden,
Henry en strekte zijn hand uit.

„Ik heb een ernstige vergissing begaan, Senor Morgan,” zei hij. „In de
eerste droefheid over den dood van mijn geliefden broeder, Alfaro,
dacht ik, dat gij schuldig waart aan den moord.” Bij deze woorden
flikkerden de oogen van den ouden Enrico met een verterend,
onuitdoofbaar vuur. „Want een moord was het, een laaghartige, laffe
moord, een steek in den rug in het duister. Ik had het beter moeten
weten. Maar ik was overstelpt en de bewijzen waren allemaal tegen je.
Ik dacht er geen oogenblik aan, dat mijn teer beminde, eenige dochter
je verloofde was; dacht er geen oogenblik aan, dat ik je niet anders
had leeren kennen, dan als oprecht, mannelijk en moedig, als iemand,
die nooit in het donker in hinderlaag zal gaan liggen. Ik heb er berouw
over. Het spijt mij. En ik ben er trots op, je nogmaals in onze familie
welkom te heeten als de aanstaande echtgenoot van mijn Leoncia.”

En terwijl Henry Morgan van ganscher harte weer in de familie Solano
opgenomen werd, ergerde het Leoncia, dat haar vader, op
Latijnsch-Amerikaansche wijze, zooveel mooie woorden en zinnen moest
gebruiken, waar één enkele zin, één handdruk en één oprechten blik in
de oogen alleen al voldoende zouden zijn geweest en was overtuigd, dat
noch Henry, noch Francis zooveel woorden verspild zouden hebben,
wanneer de situatie juist andersom geweest was. Waarom toch, vroeg zij
zich af, waarom toch, moest haar Spaansche familie, in zoo’n overvloed
van woorden, een dergelijke buitensporigheid van den Jamaïca-neger
navolgen?

Terwijl deze vernieuwing der verloving tusschen Henry en Leoncia plaats
had, merkte Francis, die zijn best deed om een onverschillig gezicht te
zetten, op, dat de bleekgele matroos, Juan genaamd, in gesprek met de
andere leden der bemanning, veelbeteekenend zijn schouders optrok en
druk met zijn handen gesticuleerde.








HOOFDSTUK VII.


„En nu zijn alle twee die Gringo-zwijnen ons ontsnapt,” klaagde Alvarez
Torres op het strand, toen, terwijl het briesje een weinig in kracht
toenam en de zeilen zich bolden, de Angélique buiten het bereik van hun
geweren kwam.

„Ik zou haast drie klokken in de kathedraal willen geven,” verklaarde
Mariano Vercara è Hyos, „wanneer ik ze op een honderd meter afstand
vóór mijn geweer had. En als ik mijn zin had, zouden alle Gringos zoo
snel om zeep gaan, dat de duivels in de hel genoodzaakt zouden zijn om
Engelsch te leeren.”

Alvarez Torres sloeg van louter onmachtige woede en teleurstelling met
de hand op den zadelknop.

„De Koningin mijner Droomen,” weende hij bijna. „Zij is verdwenen,
weggegaan met de beide Morgans. Ik zag haar tegen den kant der schoener
opklauteren. En dan is er nog die Regan in New-York. Eenmaal buiten de
Chiriqui-Lagune, kan de schoener regelrecht koers zetten naar New-York.
En dat varken van een Francis is geen maand opgehouden, en Senor Regan
zal geen geld geven.”

„Zij zullen de Chiriqui-Lagune niet verlaten,” zei de Chef plechtig.
„Ik ben geen onredelijk dier. Ik ben een man. Ik weet, dat ze er niet
uit zullen komen. Heb ik hen geen eeuwige wraak gezworen. De zon gaat
onder en de nacht belooft niet veel wind te zullen brengen. Dat kan
iemand met een half oog aan de lucht zien. Kijk maar eens naar die
langzaam voortdrijvende wolkjes. De wind, die er zijn zal, en dat zal
weinig genoeg zijn, zal uit het Noordoosten komen. Het zal een toer
zijn om Chorrera-Passage te bereiken. Ze zullen het niet probeeren. Die
nikker-kapitein kent de lagune op zijn duimpje. Hij zal trachten er uit
te komen langs Bocas del Toro, of door de Cartago-Passage. Maar al doet
hij dat, dan zullen we hem toch wel krijgen. Ik heb ook hersenen,
verstand. Verstand. Luister! Het is een lange rit. We zullen het
klaarspelen—regelrecht langs de kust naar Las Palmas. Kapitein Rosaro
ligt daar met de Dolores.”

„Die oude tweedehandsche stoomsleeper?—die niet uit de voeten kan
komen?” vroeg Torres.

„Maar die in dezen windstillen nacht en morgen de Angélique zal
vangen,” antwoordde de Chef. „Vooruit, kameraden! We zullen rijden!
Kapitein Rosaro is mijn vriend. Er bestaat geen gunst, of ik hoef ze
hem maar te vragen.”

Toen het daglicht aanbrak, strompelden de uitgeputte mannen op
afgejakkerde paarden door het vervallen dorp Las Palmas en over de
vervallen pier, waar een zeer vervallen stoomsleeper, die hoog noodig
eens geverfd moest worden, zich aan hun oogen vertoonde. Een
rookwolkje, dat uit de pijp opsteeg, bewees, dat ze onder stoom lag en
de Chef was uitgelaten van vreugde.

„Goeden morgen, Senor Kapitein Rosaro, blij je te zien,” begroette hij
den verweerden Spaanschen kapitein, die op een rol touw zat en zwarte
koffie dronk uit een kroes, die tegen zijn tanden rinkelde.

„Het zou een nog betere morgen zijn, wanneer die vervloekte koorts mij
niet te pakken had,” bromde Kapitein Rosaro gemelijk, terwijl de hand,
die de kroes vasthield, zijn arm en zijn heele lichaam zoo vreeselijk
bibberden, dat de heete vloeistof langs zijn kin en in het grauwe haar
liep, dat zijn half-naakte borst bedekte. „Dat is voor jou,
hellebeest!” riep hij, kroes en inhoud naar een jongen kleurling,
blijkbaar zijn bediende, slingerend, die zijn leedvermaak niet had
kunnen verbergen.

„Maar de zon zal opgaan en de koorts uitwerken en weer wegtrekken,” zei
de Chef, de misnoegde uitbarsting beleefd over het hoofd ziende. „En je
bent hier klaar en bestemd voor Bocas del Toro en wij zullen met je
meegaan, allemaal, op een zonderling avontuur. Wij willen den schoener
Angélique oppikken, die vannacht door de windstilte opgehouden werd in
de lagune, en ik zal verscheidene arrestaties doen en heel Panama zal
vervuld zijn van uw moed en handigheid, Kapitein, en je zult vergeten,
wat de koorts je ooit mocht influisteren.”

„Hoeveel?” vroeg Kapitein Rosaro ronduit.

„Hoeveel?” herhaalde de Chef verwonderd. „Dit is een
rijksaangelegenheid, waarde vriend. En het is juist in je weg naar
Bocas del Toro. Het zal je geen extra schep kolen kosten.”

„Muchacho! Meer koffie!” bulderde de kapitein van den stoomsleeper
tegen den jongen.

Er ontstond een pauze, waarin Torres en de Chef en het heele uitgeputte
gevolg snakte naar de gloeiend heete koffie, die de jongen bracht.
Kapitein Rosaro liet den rand van de kroes tegen zijn tanden rammelen
als een paar castagnetten, maar slaagde er in om zonder morsen te
drinken of zijn mond te branden.

Een Zweed met een droefgeestig gezicht, in een vettige jas en een vuile
muts, waarop „Machinist” te lezen stond, kwam van beneden, stak een
pijp aan en scheen in een standbeeld te veranderen, toen hij op de lage
verschansing ging zitten.

„Hoeveel?” herhaalde Kapitein Rosaro.

„Laten we op weg gaan, waarde vriend,” zei de Chef. „En dan, wanneer de
koortsaanval voorbij is, zullen wij verstandig over de zaak spreken; we
zijn toch immers redelijke wezens en geen dieren.”

„Hoeveel?” herhaalde Kapitein Rosaro weer. „Ik ben nooit een dier. Ik
ben altijd een redelijk wezen, of de zon op is of niet, of wanneer die
driemaal vervloekte koorts mij te pakken heeft. Hoeveel?”

„Wel, laten we vertrekken en hoeveel moet je hebben?” besloot de Chef
knorrig.

„Vijftig dollars goudgeld,” was het prompte antwoord.

„Je vertrekt toch in ieder geval, nietwaar, kapitein?” vroeg Torres
vriendelijk.

„Vijftig—goudgeld, zooals ik gezegd heb.”

De Chef van Politie stak met een wanhopig gebaar zijn handen omhoog en
draaide zich op zijn hielen om, om heen te gaan.

„En gij hebt eeuwige wraak gezworen voor de misdaad, aan uw gevangenis
gepleegd,” herinnerde Torres hem.

„Maar niet, wanneer het vijftig dollars kost,” snauwde de Chef terug,
steelsgewijze den bibberenden kapitein in het oog houdend, of deze ook
eenig teeken van toenadering gaf.

„Vijftig dollars goudgeld,” zei de kapitein, toen hij zijn kroes
leeggedronken had en met bevende vingers een cigaret trachtte te
rollen. Hij knikte met zijn hoofd in de richting van den Zweed en
voegde er bij: „En vijf dollars goudgeld extra voor mijn machinist. Dat
is zoo onze gewoonte.”

Torres liep op den Chef toe en fluisterde:

„Ik zal zelf de sleeper betalen en er den Gringo Regan honderd dollars
voor in rekening brengen, dan deelen we samen het verschil. Wij
verliezen niets. We zullen het klaarspelen. Want dit zwijn van een
Regan droeg mij op om geen onkosten te sparen.”

Toen de zon haar vurig gelaat boven den horizon verhief, keerde een
gendarme met de afgejakkerde paarden naar Las Palmas terug, terwijl het
overige gezelschap afdaalde naar het dek van den sleeper, de Zweed
wegdook in de machinekamer en Kapitein Rosaro, zich verwarmend in de
weldadige zonnestralen, den matrozen beval de lijnen los te gooien en
een hunner aan het wiel zette in den stuurstoel.



En dezelfde dageraad vond de Angélique, na een nacht van bijna
volstrekte windstilte, nog in de buurt van het vasteland, vanwaar ze
niet had kunnen wegkomen, ofschoon ze voldoende Noordwaarts gedreven
was om halverwege San Antonio en de vaargeulen van Bocas del Toro en
Cartago te zijn. Deze twee doorgangen naar het ruime sop lagen nog op
vijf en twintig mijlen afstand en de schoener sliep als het ware op het
spiegelgladde oppervlak der vredige lagune. Daar het beneden te benauwd
was om te slapen, hier in deze gloeiend heete tropische streken, was
het dek bezaaid met slapers. Boven op het smalle kajuitdak lag eenzaam
Leoncia. In de nauwe doorgangen aan beide zijden lagen haar broeders en
haar vader. Achter, tusschen de kajuitstrap en het roer, lagen de beide
Morgans, zij aan zij, Francis met zijn arm om Henry’s schouder
geslagen, alsof hij hem nog moest beschermen. Aan de eene zijde van het
stuurrad, zijn armen op de knieën en zijn hoofd op de armen rustend,
sliep de Neger-Indianen-kapitein, en in precies dezelfde houding, aan
de andere zijde, sliep de roerganger, die niemand anders was dan
Percival, de zwarte Kingston-neger. Het middenschip was bezaaid met de
lichamen der matrozen van gemengd ras, terwijl voor, op de kleine
voorplecht, de uitkijk, vooroverliggend, met zijn gelaat in zijn
gekruiste armen verborgen, sliep.

Leoncia, op haar verheven plaats boven op het dak der hut, ontwaakte
het eerst. Haar hoofd op de hand steunend, en met haar elleboog rustend
op een stukje van de poncho, waarop ze lag, keek zij langs de eene
zijde der kajuitstrap neer op de beide jongemannen. Zij gevoelde
medelijden met hen, die zoozeer op elkander geleken, en wist, dat zij
hen allebei liefhad, herinnerde zich Henry’s kussen op haar mond,
huiverde tot haar eigen gedachten haar wangen deden blozen bij de
herinnering van Francis’ kussen, en was verwonderd en verbaasd, dat het
haar mogelijk was om twee mannen tegelijkertijd lief te hebben. Zooals
zij reeds zichzelf had moeten bekennen, zou ze Henry willen volgen naar
het einde der wereld en Francis zelfs nog verder. En ze kon zoo’n
wispelturige liefde niet begrijpen.

Om haar eigen gedachten, die haar verschrikten, te ontvluchten, strekte
zij haar arm uit en liet het uiteinde van haar zijden sjaal over
Francis’ neus kriebelen, die na enkele onrustige bewegingen, nog altijd
in diepe rust, met zijn hand sloeg naar hetgeen hij dacht, dat een mug
of vlieg was, en Henry op zijn borst trof. Zoo kwam het, dat Henry het
eerst wakker werd. Hij ging zoo plotseling overeind zitten, dat hij
Francis ook wakker maakte.

„Goeden morgen, mijn vroolijke bloedverwant,” klonk Francis’
begroeting. „Waarom ben je zoo woest?”

„Morgen, morgen en nog eens morgen, kameraad,” mompelde Henry. „Je
slaap was zoo verwoed, dat jij me wakker maakte met een stomp op mijn
borst. Ik dacht, dat het de beul was, want dit is de morgen, waarop ze
me wilden ophangen.” Hij geeuwde, rekte zich uit, keek over de
verschansing naar de slapende zee en stootte Francis zachtjes aan om
hem opmerkzaam te maken op den slapenden kapitein en roerganger.

Ze zagen er zoo vroolijk uit, deze twee Morgans, dacht Leoncia, en
verwonderde zich er tegelijkertijd over, dat zij onwillekeurig in den
geest hier het Engelsche woord voor gebruikte, in plaats van een
gelijkluidende Spaansche uitdrukking. Was dit, omdat haar hart zoo
geheel uitging naar deze twee Gringos, dat zij in hun eigen taal aan
hen moest denken, inplaats van in haar moedertaal?

Om zich aan haar verwarrende gedachten te onttrekken, liet ze de sjaal
weer zakken, werd ontdekt en bekende lachend, dat zij het was, die hen
zoo gewelddadig had doen ontwaken.

Drie uur later, toen het ontbijt, bestaande uit koffie en vruchten,
genuttigd was, stond zij aan het stuurrad en ontving onder leiding van
Francis haar eerste les in het sturen op het kompas. De Angélique,
voortgedreven door een briesje, dat vrijwel naar het Noorden geloopen
was, schoot op het oogenblik door het water met een vaart van zes
knoopen. Henry, die heen en weer liep op de loefzijde van het achterdek
en de zee met zijn kijker onderzocht, deed zijn best om niet te letten
op die les, ofschoon hij heimelijk woedend was op zichzelf, dat hij
niet op het idee gekomen was om haar in te wijden in de geheimen van
het wachthuisje en stuurrad. Toch waakte hij er zorgvuldig voor om rond
te kijken of ook maar een blik te wagen in de richting van het tweetal.
Maar Kapitein Trefethen, die de wreede nieuwsgierigheid bezat van den
Indiaan en de onbeschaamdheid van den neger-onderdaan van Koning
George, kende een dergelijke fijngevoeligheid niet. Hij keek hen
openlijk aan en er ontging hem niets van de geheimzinnige kracht, die
zijn charterer en dit mooie Spaansche meisje tot elkander trok. Wanneer
ze zich over het stuurrad bogen om in het wachthuisje te kijken,
leunden zij tegen elkander aan en Leoncia’s haar streek langs Francis’
wang. En het drietal, zijzelven en de kleurling-kapitein, kenden de
aandoening, die een dergelijke aanraking vergezelde. Maar de man en de
vrouw wisten onmiddellijk wat de kleurling-kapitein niet wist, en deze
wetenschap maakte hen verlegen. In een oogwenk van stomme verbazing
ontmoetten hun oogen elkander en dwaalden toen, schuldbewust, af en
naar den grond. Francis sprak heel snel en hard genoeg, dat de halve
schoener het kon hooren, toen hij uitlegging gaf van het kompas. Maar
Kapitein Trefethen grinnikte.

Een sterker windstootje was oorzaak, dat Francis het stuurrad
omdraaide. Zijn hand, die hij op de spaken legde, rustte op haar hand,
die het stuurrad reeds vasthield. Weer huiverden zij en weer grinnikte
de kapitein.

Leoncia’s oogen werden opgeslagen naar Francis en dwaalden toen, in
verwarring, weer naar beneden. Zij trok zacht haar hand onder de zijne
weg en eindigde de les door langzaam weg te loopen, alsof dit heel
toevallig geschiedde en het stuurrad en het kompas haar geen
belangstelling inboezemden. Maar zij liet Francis achter met het
beschamend gevoel, dat hij kende als onwettig en verraderlijk, wanneer
hij keek naar Henry’s schouder en profiel en hoopte, dat deze niet
gezien had, wat er gebeurd was. Leoncia, die oogenschijnlijk over de
lagune naar den, met jungle begroeiden oever keek, zag echter niets,
terwijl zij, in gedachten verdiept, haar verlovingsring aan haar vinger
om en om draaide.

Maar Henry, die zich omkeerde om hen te vertellen, dat hij een
rookwolkje ontdekt had aan den horizon, zag dit onwillekeurig. En de
Neger-Indianen-kapitein zei, dat hij het gezien had. Dus boog de
kapitein zich naar hem toe en terwijl de wreedheid van den Indiaan de
overhand kreeg over de onbeschaamdheid van den neger, zei hij op
zachten toon:

„O, wees niet zoo neerslachtig, mijnheer. De senorita heeft een
edelmoedig hart. Er is voldoende plaats in haar hart voor allebei de
heeren.”

En in het volgend onderdeel eener seconde leerde hij de onvermijdelijke
en onveranderlijke les, dat men zich niet moet bemoeien met de
bijzondere aangelegenheden van blanke mannen, want hij lag op zijn rug,
zijn achterhoofd pijnlijk door de aanraking met het dek, de voorkant
van zijn hoofd, tusschen de oogen, pijnlijk door de botsing met de
knokkels van Henry Morgans rechterhand.

Maar de Indiaan in den kapitein was opgewekt en hij sprong woedend
overeind, met zijn mes in de hand. Juan, de lichtgele halfbloed, sprong
aan de zijde van den kapitein, een ander mes zwaaiend, terwijl
verscheidene der in de buurt zijnde matrozen zich bij hen voegden en
een halven cirkel om Henry vormden, die snel een stap achteruit deed en
met een opwaartschen slag van zijn hand, naar een met ijzer beslagen
drevel, hem lossloeg en de lucht in deed vliegen. Dezen grijpend, in
zijn vlucht, was hij gereed om zich te verdedigen. Francis verliet het
stuurrad en zijn automatisch pistool trekkend, terwijl hij naar hem
toesprong, drong door den kring heen, zoodat hij naast Henry kwam.

„Wat heeft hij gezegd?” vroeg Francis aan zijn bloedverwant.

„Ik zal zeggen, wat ik gezegd heb,” dreigde de kleurling-kapitein,
wiens negernatuur de overhand nam, nu hij de kans zag om een losgeld te
bemachtigen. „Ik zei...”

„Houd je mond, stuurman,” viel Henry hem in de rede. „Het spijt me, dat
ik je geslagen heb. Houd je mond. Zet een klem op je lippen. Vergeet
het. Het spijt mij, dat ik je sloeg. Ik...” Henry Morgan kon er niets
aan doen, dat hij een oogenblik op moest houden met spreken, eer hij de
woorden kon uiten, die hij ging zeggen. En het was enkel terwille van
Leoncia en omdat zij toekeek en luisterde, dat hij ze sprak: „Ik... ik
vraag excuus, kapitein.”

„Het is een beleediging,” verklaarde Kapitein Trefethen norsch. „Het is
mishandeling. Niemand mag een onderdaan van Koning George, dien God
moge zegenen, mishandelen, zonder hem daarvoor geldelijk schadeloos te
stellen.”

Bij deze openlijke poging tot geldafpersing, vergat Henry weer bijna
zich zelf en stond op het punt om op den kerel toe te springen. Maar
tegengehouden door Francis’ hand, die op zijn schouder gelegd werd,
bedwong hij zich, maakte een geluid, dat veel geleek op een hartelijke
lach, grabbelde in zijn zak naar twee goudstukken van tien dollar en
wierp deze, alsof ze hem brandden, in de hand van Kapitein Trefethen.

„Nogal geen hooge prijs,” kon hij niet nalaten om hardop te mompelen.

„Het is een goede prijs,” bekrachtigde de kapitein. „Twintig dollars
goudgeld is altijd een goede prijs voor een pijnlijk hoofd. Ik ben tot
uw dienst, mijnheer. Gij zijt op en top een gentleman. U mag mij voor
dien prijs altijd een klap geven.”

„Mij ook, mijnheer, mij ook!” solliciteerde de Kingston-neger, genaamd
Percival, met een breeden en schaamteloozen grijns van onderdanigheid.
„Geef me een klap, mijnheer, voor denzelfden prijs, wanneer u wilt, nu.
En u mag me zoo dikwijls slaan als u wilt...”

Maar nu zou er een einde komen aan dit tooneel, want op dat oogenblik
riep een matroos midscheeps:

„Rook! De rook van een stoomboot recht achter ons!”

Na verloop van een uur ontdekten zij van welken aard en van welk belang
deze rook was, want de Angélique, die door windstilte overvallen was,
werd zoo snel ingehaald, dat de sleepboot Dolores door den kijker op
een halve mijl afstand gezien kon worden, en haar kleine voorschip, dat
als het ware overladen was met gewapende mannen. Zoowel Henry als
Francis konden het gelaat herkennen van den Chef van Politie en
verscheidene zijner gendarmes.

De neusgaten van den ouden Enrico Solano verwijdden zich, toen hij, met
zijn vier zoons, die aan boord waren, zich op het achterschip gereed
maakte voor den strijd. Leoncia, wier gevoelens verdeeld waren tusschen
Henry en Francis, was heimelijk verstrooid, ofschoon ze deelde in het
gelach over de armzalige kleine sleepboot en zich verheugde over een
vleugje wind, dat de Angélique schuimend, met een vaart van negen
mijlen door het water joeg. Maar weer en wind waren wisselvallig. De
oppervlakte van de lagune werd beurtelings door windvlagen gerimpeld en
lag dan weer onbeweeglijk stil.

„Het spijt me, dat ik het zeggen moet, maar er is geen kans op
ontsnappen,” berichtte Kapitein Trefethen Francis. „Als de wind
aanhield, dan wel, mijnheer. Maar de wind is bedriegelijk en gaat
telkens liggen. Wij worden naar het vasteland gedreven. We zitten in
het nauw, mijnheer, en zijn al zoo goed als gevangen.”

Henry, die door den kijker het dichtbijzijnde strand bestudeerd had,
liet den kijker zakken en keek Francis aan.

„Spreek op!” riep de laatste. „Je hebt een plan. Dat is duidelijk aan
je te zien. Zeg, wat het is!”

„Daar vlak voor ons liggen de beide Tijger-eilanden,” verklaarde Henry.
„Zij bewaken den nauwen ingang naar Juchitan-Baai, die El Tigre genoemd
wordt. Geloof me, ’t is precies de tand van een tijger. Aan
weerszijden, tusschen de eilanden en het strand, is het water te ondiep
om er met een sloep doorheen te komen, wanneer men de kronkelende
kanalen niet kent, wat ik wel doe. Maar er tusschen in is het water
diep, ofschoon de El Tigre-doorgang zoo nauw is, dat er geen ruimte is
om te keeren. Een schoener kan er alleen doorheen komen, wanneer hij
den wind achter of opzij heeft. Welnu, de wind is gunstig. We zullen
het wel klaarspelen. Maar dit is slechts de helft van mijn plan...”

„En als de wind gaat liggen of draait, mijnheer—en het getij in de baai
als een dolle in- en uitstroomt, zooals ik weet, dat gebeuren kan—dan
komt mijn mooie schoener op de rotsen terecht,” protesteerde Kapitein
Trefethen.

„Wanneer dat gebeurt, zal ik je de volle waarde ervan uitbetalen,”
verzekerde Francis kortaf en schoof hem opzij. „... En nu, Henry, wat
is de andere helft van je plan?”

„Ik schaam me om het je te vertellen,” lachte Henry. „Maar het zal meer
Spaansche vloeken uitlokken, dan de Chiriqui-Lagune gehoord heeft
sedert de oude Sir Henry San Antonio en Bocas del Toro plunderde. Let
maar eens op.”

Leoncia klapte in haar handen en riep met schitterende oogen uit:

„Het moet een goed plan zijn, Henry. Dat kan ik aan je gezicht zien. Je
moet het mij vertellen.”

En een beetje terzijde gaande, zijn arm om haar heen geslagen, om haar
staande te houden op het slingerend dek, fluisterde Henry haar iets in
het oor, terwijl Francis, om zijn ontroering te verbergen, door den
kijker de gezichten op de vervolgende sleepboot bestudeerde. Kapitein
Trefethen grinnikte boosaardig en wisselde veelbeteekenende blikken met
den vaal-gelen matroos.

„Welnu, stuurman,” zei Henry, terugkomend. „We liggen net tegenover El
Tigre. Wend je roer en loop op den doorgang aan. Ook heb ik, en wel op
staanden voet, een rol halfduims, oud, zacht manilatros noodig, een
massa kabelgaren en zeilgaren, die kist met bier uit het lazaret, die
vijf gallons oliebus, die gisterenavond leeggekomen is en de koffiekan
uit de kombuis.”

„Maar ik ben zoo vrij, er uw aandacht op te vestigen, dat die tros goed
geld waard is, mijnheer,” klaagde Kapitein Trefethen, toen Henry aan
het werk ging met de verschillende bestanddeelen.

„Je zult er voor betaald worden,” stelde Francis hem gerust.

„En de koffiekan—die is bijna nieuw.”

„Je zult er voor betaald worden.”

De kapitein zuchtte en berustte erin, ofschoon hij weer zuchtte bij de
volgende handeling van Henry, die bestond in het ontkurken der
flesschen en het laten wegloopen van het bier door de spuigaten.

„Alsjeblieft, mijnheer,” smeekte Percival. „Als u het bier moet
weggooien, gooi het dan in mijn keel.”

Er werd verder geen bier meer verspild en de bemanning zorgde, dat de
leege flesschen spoedig naast Henry kwamen te liggen. Met
tusschenruimten van zes voet bevestigde hij de weer gekurkte flesschen
aan het halfduims koord. Ook sneed hij stukken er af van twee vadem
lengte en bevestigde deze als wimpels tusschen de bierflesschen. De
koffiekan en twee leege koffiebussen werden eveneens tusschen de
flesschen vastgemaakt. Aan het eene einde der groote lijn maakte hij
het olieblik vast, aan het andere de leege kist van het bier, en keek
Francis aan, die antwoordde:

„O, sedert vijf minuten ben ik er achter, wat je wilt. El Tigre moet
smal zijn of anders vaart de sleeper langs dat zaakje heen.”

„El Tigre is precies zoo breed,” was het antwoord. „Er is een plek,
waar het kanaal tusschen de beide zandbanken geen veertig voet breed
is. Als de kapitein onze val misloopt, raakt hij altijd ergens aan den
grond. Zeg, ze kunnen naar den kant waden, als dat mocht gebeuren.—Kom
nu mee, we zullen dat zaakje naar het achterschip brengen en ons gereed
maken om het uit te gooien. Je gaat aan stuurboord staan en ik aan
bakboord en wanneer ik het sein geef, werp je die kist zoo ver mogelijk
naar den kant.”

Ofschoon de wind verminderde, slaagde de Angélique, die recht voor den
wind liep, erin om vijf knoopen te maken, terwijl de Dolores, die er
zes maakte, haar langzaam inhaalde. Toen de geweren begonnen te spreken
op de Dolores, maakte de kapitein, onder leiding van Henry en Francis,
op den achtersteven van den schoener een lage barricade van zakken
aardappelen en uien, oude zeilen en kabeltouw. Laag neergehurkt achter
deze beschutting, kon de roerganger aan het roer blijven. Leoncia
weigerde om naar beneden te gaan, toen het geweervuur in hevigheid
toenam, maar stemde er in toe om achter de hut te gaan liggen. De
overige schepelingen zochten eveneens beschutting in hoeken en gaten,
terwijl de heeren Solano, die op het achterschip lagen, het vuur van de
sleepboot beantwoordden.

Henry en Francis, die op hun, zelf gekozen, plaats stonden te wachten
tot de engte van El Tigre bereikt was, hielpen een handje in den
strijd.

„Mijn compliment, mijnheer,” zei Kapitein Trefethen, wiens
Indianennatuur hem dwong om het hoofd op te beuren en over de
verschansing te gluren, terwijl de neger in hem, hem noodzaakte zijn
lichaam zoo plat op het dek uit te strekken alsof hij zich er doorheen
zou drukken, tegen Francis. „Dat was Kapitein Rosaro zelf, die aan het
stuur stond en de wijze, waarop hij opsprong en naar zijn hand greep
zou iemand doen denken, dat u er zeer handig een kogel doorheen gejaagd
hebt. Die Kapitein Rosaro is een zeer heetgebakerd hombre, mijnheer.
Mij dunkt, ik hoor hem nu vloeken.”

„Houd je gereed, Francis,” zei Henry, zijn geweer neerleggend en
aandachtig de lage oevers der eilanden van El Tigre aan weerszijden
bestudeerend. „We zijn er bijna. Let op als ik het sein geef, en bij
„drie” laat je los.”

De sleepboot was nog op tweehonderd meter afstand en haalde hen snel
in, toen Henry het sein gaf. Hij en Francis rezen overeind en bij
„drie” lieten ze los. Blik en kist vlogen naar weerszijden, en sleepten
door de lucht achter zich aan het met potten, kannen, flesschen en
touw-wimpels versierde koord.

Door nieuwsgierigheid gedreven, bleven Henry en Francis overeind staan
om te zien hoe hun val met de veelsoortige voorwerpen zich uitspreidde
over de oppervlakte van hun kielzog. Een fusillade van de sleepboot
deed hen weer plat op het dek neervallen; maar, over de verschansing
kijkend, zagen zij, hoe de voorsteven van de sleepboot de drijvende
lijn omlaag en onder water drukte. Een oogenblik later zagen zij de
sleeper vaart minderen, zoodat ze bijna stillag.

„Er zit wat om de schroef,” juichte Francis. „Henry, m’n compliment!”

„Nu, als de wind aanhoudt...” sprak Henry bescheiden.

De Angélique zeilde door, terwijl de beweginglooze sleepboot al kleiner
voor hen werd, maar toch niet zoo klein of ze konden zien, hoe ze
hulpeloos op de zandbank dreef en de mannen overboord sprongen en door
het water waadden.

„Laten we nu eerst ons lijfdeuntje eens zingen,” riep Henry opgetogen
uit, en zette in: „Rug aan rug, door den grootmast gescheiden.”

„Dat is nu allemaal heel mooi en wel, mijnheer,” viel Kapitein
Trefethen hem in de rede toen het eerste refrein gezongen was, terwijl
zijn oogen glinsterden en zijn schouders nog heen en weer bewogen op
het rhythme van het lied. „Maar de wind is gaan liggen, mijnheer. We
drijven in een windstilte. Hoe zullen we zonder wind uit Juchitan-Baai
komen? De Dolores is niet verongelukt. Ze wordt enkel opgehouden. De
een of andere nikker zal duiken en de schroef schoonmaken en dan heeft
ze ons net, waar ze ons wil hebben.”

„We zijn niet zoo heel ver van den wal,” schatte Henry zoo op het oog,
terwijl hij zich tot Enrico wendde.

„Wat voor een soort strand is dat hier, Senor Solano?” vroeg hij.
„Maya-Indianen en haciendados—wat is het?”

„Haciendados en Mayas, allebei,” antwoordde Enrico. „Maar ik ken het
land wel. Wanneer de schoener niet veilig is, op het strand zijn we het
wel. We kunnen paarden krijgen en zadels, vleesch en koren. Verderop
zijn de Cordilleras. Wat kunnen we nog meer wenschen?”

„Maar Leoncia?” vroeg Francis bezorgd.

„Werd in het zadel geboren en er zijn weinig Amerikanen, die zij niet
dood zou rijden,” was Enrico’s antwoord. „Wanneer ge het goedvindt, zou
het ’t beste zijn, om de groote sloep te water te laten, voor het geval
de Dolores ons weer op de hielen zit.”








HOOFDSTUK VIII.


„’t Is alles in orde, kapitein, ’t is alles in orde,” verzekerde Henry
den halfbloed-kapitein, die met hen op het strand stond en niet veel
lust scheen te hebben om afscheid te nemen en terug te keeren naar de
Angélique, die op een halve mijl afstand dreef in een absolute
windstilte, die zich neergelegd had over Juchitan-Baai.

„Het is wat je noemt een Krijgslist,” legde Francis uit. „Dat is een
aardig woord—Krijgslist. En het is nog aardiger, wanneer je er de
uitwerking van ziet.”

„Maar als het zijn uitwerking mist,” protesteerde Kapitein Trefethen,
„dan wordt het een ellendig woord, dat ik Catastrophe zou willen
noemen.”

„Dat overkwam de Dolores, toen we haar schroef vastlegden,” lachte
Henry. „Maar wij kennen de beteekenis van dat woord niet. Wij gebruiken
daarvoor in de plaats Krijgslist. Het bewijs, dat het zijn uitwerking
niet zal missen, is dat wij de beide zonen van Senor Solano bij u
achterlaten. Alvarado en Martinez kennen het vaarwater op hun duimpje.
Ze zullen je er met het eerste gunstige briesje uitloodsen. De Chef
heeft het niet op jou voorzien. Hij zit ons na en wanneer we de heuvels
intrekken, zal hij ons achtervolgen met den laatsten man, dien hij bij
zich heeft.”

„Begrijp je het dan niet!” viel Francis in. „De Angélique zit in de
val. Als wij aan boord blijven, neemt hij ons gevangen en de Angélique
even goed. Maar wij gaan voor afwisseling de heuvels in. Hij vervolgt
ons. De Angélique komt vrij. En natuurlijk vangt hij ons niet.”

„Maar neem nu eens aan, dat ik den schoener verlies!” hield de
donkergekleurde kapitein aan. „Wanneer hij op de rotsen loopt, is hij
verloren en de doortocht is zeer gevaarlijk.”

„Dan zal je er voor betaald worden, zooals ik reeds gezegd heb,” zei
Francis, blijk gevend van opkomende toorn.

„En dan heb ik ook nog mijn talrijke uitgaven...”

Francis haalde een bloc-note en potlood te voorschijn, krabbelde een
briefje en overhandigde hem dit, zeggend:

„Geef dat aan Senor Melchor Gonzales te Bocas del Toro. Het is goed
voor duizend dollars goudgeld. Hij is bankier en mijn agent, en hij zal
je uitbetalen.”

Kapitein Trefethen staarde ongeloovig op het bekrabbelde stukje papier.

„O, hij is er goed voor,” zei Henry.

„Ja, mijnheer, ik weet wel, mijnheer, dat mijnheer Francis Morgan
bekend staat als een rijk heer. Maar hoe rijk is hij? Is hij even rijk
als ik in alle bescheidenheid ben? Ik ben eigenaar van de Angélique
heelemaal vrij van schuld. Ik bezit twee aandeelen in de stad Colon. En
ik bezit vier aandeelen in de waterleiding van Belen, die mij rijk
zullen maken, wanneer de United Fruit Company begint met den bouw van
warenhuizen...”

„Wat heeft je vader je nagelaten, Francis?” vroeg Henry spottend. „Of,
beter gezegd, hoeveel?”

Francis trok zijn schouders op, toen hij vaag antwoordde: „Meer dan ik
vingers en teenen heb.”

„Dollars, mijnheer?” vroeg de kapitein.

Henry schudde heftig het hoofd.

„Duizenden, mijnheer?”

Weer schudde Henry het hoofd.

„Millioenen, mijnheer?”

„Nu begint het er op te lijken,” antwoordde Henry. „Mijnheer Francis
Morgan is rijk genoeg om bijna de geheele Republiek Panama te koopen en
het Kanaal op den koop toe.”

De Neger-Indianen-zeeman keek ongeloovig Enrico Solano aan, die
antwoordde:

„Hij is een eerlijk man. Ik weet het. Ik heb een wissel van hem geïnd
van duizend pesos bij Senor Melchor Gonzales te Bocas del Toro. Ze
zitten daar in dien zak.”

Hij knikte met zijn hoofd in de richting van het strand, waar Leoncia
midden tusschen de bagage, die met hen aan land gezet was, zich bezig
hield met een Winchester-geweer te laden. De zak, die reeds lang de
aandacht van den kapitein getrokken had, lag aan haar voeten in het
zand.

„Ik reis niet graag kort bij kas,” legde Francis verlegen uit aan de
blanke mannen, die bij de groep waren. „Je weet nooit, hoe je een
dollar noodig kunt hebben. Ik kreeg een gebroken machine te Smith River
Corners, op weg naar New-York, terwijl ik enkel een chèque-boek in mijn
zak had en weet je, ik kon in de stad zelfs geen cigaret krijgen.”

„Ik heb eens een blanke mijnheer vertrouwd in Barbadoes, die mijn boot
huurde om vliegende visschen te gaan vangen...” begon de kapitein.

„Dus, tot ziens, kapitein,” sneed Henry hem den pas af. „’t Was beter
als je aan boord ging, want we gaan op stap.”

En Kapitein Trefethen, die de ruggen te zien kreeg van zijn
vertrekkende passagiers, kon niet anders doen dan gehoorzamen. Hij
hielp de boot afduwen, klom er in, nam den stuurriem en zette koers
naar de Angélique. Van tijd tot tijd achterom kijkend, zag hij hoe het
gezelschap op het strand de bagage op den schouder nam en verdween in
den dichten groenen plantenmuur.



Zij kwamen uit op het begin van een open gedeelte en zagen ploegen
inlanders, die aan het houthakken waren en de wortels uitroeiden van
het maagdelijke tropische woud, zoodat daarvoor in de plaats
rubberboomen geplant konden worden voor de fabricatie van
automobielbanden. Leoncia liep voorop, naast haar vader. Haar broeders,
Ricardo en Alesandro, die in het midden liepen, droegen de bagage,
evenals Francis en Henry, die de achterhoede vormden. En deze vreemde
optocht ontmoette een slanke, rechte, hidalgo-achtige, oude heer, die
zijn paard over boomwortels en kuilen liet springen om hen te bereiken.
Zoodra hij Enrico zag, sprong hij van zijn paard en nam, Leoncia
herkennend, zijn sombrero af, stak zijn hand uit om Enrico als een oud
vriend te begroeten, terwijl zijn lippen woorden vormden en zijn oogen
zijn bewondering te kennen gaven voor Enrico’s dochter.

Het gesprek had plaats in een snelvuur van Spaansche woorden en de
vraag naar paarden was gedaan en reeds toegestaan, eer de beide Morgans
voorgesteld werden. Het paard van den haciendado was, volgens Latijnsch
gebruik, onmiddellijk ter beschikking van Leoncia en, zonder veel
complimenten, kortte hij de stijgbeugels in en hielp haar schrijlings
in het zadel. Een veeziekte, zoo verklaarde hij, had zijn plantage
beroofd van rijdieren; maar zijn eerste opzichter bezat nog een heel
goed dier, dat ter beschikking van Enrico zou zijn, zoo gauw als het
gehaald kon worden.

Zijn begroeting van Henry en Francis was hartelijk, zoowel als beleefd,
daar hij een paar minuten noodig had, om te beweren, dat de vrienden
van zijn waarde vriend Enrico ook zijn vrienden waren. Toen Enrico den
haciendado vroeg over de paden naar de Cordilleras en over olie sprak,
spitste Francis zijn ooren.

„U wilt me toch niet vertellen, senor,” begon hij, „dat ze olie
gevonden hebben in Panama?”

„Het is zoo,” bevestigde de haciendado ernstig. „Wij kenden de oliebron
en wisten al sedert generaties, dat die bestond. Maar het was de
Hermosillo-Maatschappij, die heimelijk haar Gringo-ingenieurs hierheen
zond en het land opkocht. Ze zeggen, dat het een uitgestrekt veld is.
Maar ik ben zelf volstrekt niet op de hoogte van olie. Ze hebben
verscheidene bronnen en hebben er nog meer geboord en ze krijgen
zooveel olie, dat deze over het land wegloopt. Ze zeggen, dat ze het
niet geheel kunnen stoppen, zoo groot is de voorraad en de drang, die
er achterzit. Wat zij noodig hebben, zijn de leidingen voor het
transport over den oceaan, die zij nu begonnen zijn te maken.
Ondertusschen vloeit de olie weg door de ravijnen, wat een
ongeloofelijk groot verlies beteekent.”

„Hebben ze tanks gebouwd?” vroeg Francis, wiens gedachten afgunstig
dwaalden naar de Tampico-Petroleum, waarin hij het grootste gedeelte
van zijn fortuin belegd had en waarvan hij, ondanks de stijgende koers,
niets meer gehoord had sedert zijn vertrek uit New-York.

De haciendado schudde het hoofd.

„Het vervoer,” legde hij uit. „Het overbrengen van de zee naar de
bronnen op muilezels is uitgesloten. Maar ze hebben het meeste
vastgelegd. Zij hebben heele oliemeren, groote reservoirs in de laagten
tusschen de heuvels, met aarden wallen afgedamd en nog kunnen zij den
stroom niet keeren en nog steeds stroomt de kostbare vloeistof weg door
de ravijnen.”

„Hebben ze deze reservoirs afgedekt?” vroeg Francis, die zich een
noodlottige brand herinnerde in de eerste dagen der Tampico-Petroleum.

„Neen, senor.”

Francis schudde afkeurend het hoofd.

„Ze moesten afgedekt zijn,” zei hij. „Een lucifer, weggeworpen door de
hand van een dronken of wraakzuchtigen inlander kon de heele boel in
brand steken. ’t Is een armzalig werk, een armzalig werk.”

„Maar ik ben de Hermosillo-Maatschappij niet,” zei de haciendado.

„Ik bedoelde ook van de Hermosillo-Maatschappij, senor,” legde Francis
uit. „Ik ben zelf een olie-man. Ik heb honderden en duizenden moeten
betalen voor dergelijke ongelukken of misdaden. Men weet nooit precies,
wat het is. Men weet alleen, dat ze gebeuren...”

Wat Francis nog meer had willen zeggen over het noodzakelijke van
beschermende olie-reservoirs met het oog op stomme en kwaadwillige
inlanders, zou men nooit te weten komen; want, op dat oogenblik, kwam
de eerste opzichter der plantage, met een stok in de hand aanrijden,
zijn belangstelling verdeeld, half over de nieuwe bezoekers en de
andere helft over de groep inlanders, die vlakbij aan het werk was.

„Senor Ramirez, wilt u mij pleizier doen door af te stijgen,” sprak
zijn werkgever, de haciendado, beleefd aan, tegelijkertijd hem, zoodra
hij afgestegen was, aan de vreemdelingen voorstellend.

„Het paard is het uwe, vriend Enrico,” sprak de haciendado. „Mocht het
sterven, zend mij dan alstublieft, wanneer het u gelegen komt, zadel en
tuig terug. En als het u niet gelegen komt, herinner u dan alstublieft
niet, dat er iets terug te zenden is, uitgezonderd dan altijd en immer,
uw liefde voor mij. Het spijt mij, dat gij en uw gezelschap nu geen
gebruik kunt maken van mijn gastvrijheid. Maar ik weet, dat de Chef een
bloedhond is. Wij zullen ons best doen, om hem van uw spoor af te
leiden.”

Leoncia en Enrico te paard en de bagage met leeren riemen vastgemaakt
aan de zadels, ging de cavalcade op pad, terwijl Alesandro en Ricardo
ieder een stijgbeugel omklemden van het zadel huns vaders en
meedraafden. Dit was om grooter spoed te kunnen maken, en werd
nagevolgd door Francis en Henry, die zich vastklemden aan Leoncia’s
stijgbeugels. Aan den knop van haar zadel was de zak met zilveren
dollars bevestigd.

„Het moet een vergissing zijn,” verklaarde de haciendado aan zijn
opzichter. „Enrico Solano is een achtenswaardig man. Iedere zaak,
waarin hij betrokken is, is een eerlijke zaak. Hij heeft deze zaak tot
de zijne gemaakt, wat het ook zijn moge en nu is Mariano Vercara è Hyos
hen op het spoor. Wij zullen hem om den tuin leiden, als hij dezen kant
uitkomt.”

„En daar heb je hem al,” merkte de opzichter op, „zonder tot nog toe
het geluk gehad te hebben om paarden te vinden.” Als toevallig keerde
hij zich naar de werkende inlanders en spoorde hen, onder
verschrikkelijke bedreigingen aan, om tenminste in een dag tijd het
werk van een halven dag te doen.

Tersluiks hield de haciendado de snel voortschrijdende groep mannen in
het oog, in wier voorhoede Alvarez Torres liep; maar, alsof hij hen
niet gezien had, besprak hij met zijn opzichter de voordeelen van het
uitgraven van dien bijzonderen stomp, waarmee de inlanders juist bezig
waren.

Vroolijk beantwoordde hij de begroeting van Torres en vroeg beleefd,
met een tikje boosaardigheid, of hij het gezelschap aanvoerde op de een
of andere verkenningstocht naar olie.

„Neen, senor,” antwoordde Torres. „Wij zoeken Senor Enrico Solano, zijn
dochter, zijn zoons en twee lange Gringos, die in hun gezelschap zijn.
Die Gringos moeten we hebben. Kwamen ze hierlangs, senor?”

„Ja, ze zijn hierheen gekomen. Ik dacht, dat zij ook de olie-koorts te
pakken hadden, zoo’n haast maakten zij, zoodat ze niet eens beleefd een
praatje konden maken en zeggen, wat het doel hunner bestemming was.
Hebben ze de een of andere misdaad begaan? Maar hoe kan ik dat vragen?
Senor Enrico Solano is een veel te achtenswaardig man...”

„Welken kant gingen zij uit?” vroeg de Chef, ademloos zijn gendarmes
vooruitloopend, die hij juist ingehaald had.

En terwijl de haciendado en zijn opzichter hen om den tuin leidden en
uitvluchten zochten en een geheel verschillende richting aanwezen,
merkte Torres een der inlanders op, die, op zijn schop geleund,
aandachtig toeluisterde. En terwijl de Chef nog om den tuin geleid werd
en bevel gaf om het valsche spoor te volgen, wierp Torres op eigen
houtje den luisterenden inlander snel een zilveren dollar toe. De
inlander knikte met zijn hoofd in de juiste richting, greep ongemerkt
het geldstuk, en begon weer te graven aan den wortel van den
reuzenstomp.

Torres veranderde het bevel van den Chef.

„Wij zullen den anderen kant uitgaan,” zei Torres, met een wenk aan den
Chef. „Een vogeltje heeft mij verteld, dat onze vriend zich vergist en
dat ze die richting genomen hebben.”

Toen de stoet vertrokken was langs het nog warme spoor, keken de
haciendado en zijn opzichter elkander verbijsterd en verwonderd aan. De
opzichter maakte met zijn lippen een beweging om tot stilte aan te
manen en keerde zich toen bliksemsnel tot de groep werklui. De
schuldige inlander werkte verwoed en geheel in zijn werk opgaande, maar
een andere inlander, wees hem, met een nauwelijks merkbaar hoofdknikje,
aan den opzichter aan.

„Hier hebben we het vogeltje,” riep de opzichter, met groote stappen op
den verrader toeloopend en hem verwoed door elkander schuddend.

Uit de lompen van den inlander vloog een zilveren dollar te voorschijn.

„Aha,” zei de haciendado, den staat van zaken begrijpend. „Hij is
plotseling rijk geworden. Het is verschrikkelijk, dat mijn inlanders
rijk zouden zijn. Ongetwijfeld heeft hij voor dat geld iemand vermoord.
Geef hem de noodige stokslagen en zorg, dat hij bekent.” Het schepsel
bekende, op zijn knieën gelegen en terwijl de stok van den opzichter
onophoudelijk neerdaalde op zijn hoofd en rug, wat hij gedaan had, om
dien dollar te verdienen.

„Sla hem, geef hem er nog wat meer, sla hem dood, dat beest, dat mijn
beste vrienden verraden heeft,” spoorde de haciendado lakoniek aan.
„Maar neen—voorzichtig. Sla hem niet dood, maar bijna. Wij hebben op
het oogenblik een te kort aan arbeidskrachten en kunnen dus niet den
vrijen loop laten aan onzen rechtmatigen toorn. Sla hem, dat hij het
flink voelt, maar toch zoo, dat hij maar een paar dagen niet werken
kan.”

Van hetgeen den inlander onmiddellijk hierna overkwam, zou een boekdeel
geschreven kunnen worden, dat men een heldendicht van zijn leven zou
kunnen noemen. Doch het is minder aangenaam om een beschouwing te
houden over iemand, die doodgeslagen wordt of daar lang bij stil te
staan. Laat het u genoeg zijn wanneer ik vertel, dat hij, toen hij nog
slechts een gedeelte van zijn straf ondergaan had, zich losrukte, met
achterlating van de helft van zijn lompen in de greep van den opzichter
en als een dolle naar de jungle vluchtte, het van den opzichter
winnend, die niet gewend was aan een snelle beweging, behalve wanneer
hij op den rug van zijn paard zat.

Zóó snel vluchtte de ongelukkige kerel, voortgedreven door de pijn van
zijn verwondingen en de vrees voor den opzichter, dat hij, blindelings
voorthollend, het Solano-gezelschap inhaalde, de jungle uitstormde en,
juist toen zij een ondiepe rivier overstaken, op zijn knieën en om
genade smeekend, tusschen hen neerviel. Hij jammerde omdat hij hen
verraden had. Maar dit wisten zij niet en Francis, die zijn ellendigen
toestand zag, bleef lang genoeg achter om de metalen schroef van een
veldflesch los te maken en hem met de helft van den inhoud te
verkwikken. Toen spoedde Francis zich voort, den armen duivel
achterlatend, die onverstaanbare dankbetuigingen uitstiet, eer hij
wegdook in een andere richting in de beschuttende jungle. Maar,
ondervoed, overwerkt als hij was, bezweek zijn kracht en hij zonk
onmachtig in het dichte groen neer.

Het volgende oogenblik bereikten de vervolgers de rivier, Alvarez
Torres vooraan en als een hond speurend, de gendarmes vlak achter hem
aan en de Chef hijgend en kortademig in de achterhoede. De natte
voetstappen van den inlander, die zich afteekenden op de droge steenen
langs den zoom der rivier, trokken Torres aandacht. In een oogwenk werd
de inlander, bij het beetje kleeren, dat hem nog overgebleven was, te
voorschijn gesleept. Op zijn knieën, welke lichaamsdeelen hij dezen dag
het meest scheen te moeten gebruiken, smeekte hij om genade en werd
ondervraagd. En hij zei, dat hij niets wist van het gezelschap Solano.
Hij, die een verrader geweest was en geslagen werd, maar die enkel hulp
had ontvangen van hen, die hij verraden had, voelde in zich een spoor
van dankbaarheid en betere gevoelens opwellen. Hij ontkende, dat hij de
Solanos gezien zou hebben sedert het oogenblik, waarop hij hen verkocht
had voor een zilveren dollar. Torres’ stok daalde neer op zijn hoofd,
vijfmaal, tienmaal, en bleef neerdalen met de zekerheid, dat dit zonder
ophouden zou voortduren tot hij de waarheid vertelde. En ten slotte was
hij toch maar een ellendig, ongelukkig schepsel, zijn geestkracht
gebroken door de slagen, die hij van kindsbeen af had ontvangen en de
pijn van Torres’ stok, die dreigde neer te dalen tot de dood intrad,
die zijn eigen meester, de haciendado, niet wilde voltrekken, hem deed
toegeven en den weg ter vervolging aanwijzen. Maar het was nog slechts
een begin van zijn wederwaardigheden. Nauwelijks had hij de Solanos
voor de tweede maal verraden en nog altijd lag hij op zijn knieën, of
de haciendado, met het gezelschap naburige haciendados en opzichters,
die hij te hulp geroepen had, verscheen, op dampende paarden gezeten,
ten tooneele.

„Mijn inlander, senors,” kondigde de haciendado aan, naar hem
toesnellend. „Gij mishandelt hem.”

„En waarom niet?” vroeg de Chef.

„Omdat ik het recht heb om hem te mishandelen en dit zelf verkies te
doen.”

De inlander kroop kermend naar de voeten van den Chef en bedelde en
smeekte om niet uitgeleverd te worden. Maar hij smeekte om genade, waar
geen genade te vinden was.

„Zeker, senor,” zei de Chef tot den haciendado. „We zullen hem u
teruggeven. Wij moeten de wet handhaven en hij is uw eigendom.
Bovendien hebben we hem niet meer noodig. Toch is hij een uitstekend
inlander, senor. Hij heeft gedaan, wat geen inlander ooit deed in de
geschiedenis van Panama. Hij heeft tweemaal op één dag de waarheid
verteld.”

Met de handen vóór hem samengebonden en door een koord vastgemaakt aan
het zadel van den opzichter, werd de inlander weggeleid met de vaste
overtuiging, dat het ergste pak slaag, dat hem dien dag beschoren was,
hem nog wachtte. En hij vergiste zich niet. Teruggekomen op de
plantage, werd hij als een dier aan een paal van een
prikkeldraad-heining gebonden, terwijl zijn meester en de vrienden van
zijn meester, die met de jacht geholpen hadden, in de haciënda hun
twaalfuurtje gingen gebruiken. Hij wist wat hem te wachten stond als
dat afgeloopen was. Maar het prikkeldraad der heining en de kreupele
merrie in de paddock daarachter, deden een idee oprijzen in het
wanhopige brein van den inlander. Ofschoon de scherpe haken telkens
weer zijn polsen wondden, zaagde hij snel zijn banden door, zoodat hij
vrij was, behalve voor de wet, kroop onder de heining door, leidde de
merrie het hek uit, sprong op de bloote rug van het paard en terwijl
zijn naakte hielen tegen haar ribben trommelden, galoppeerde hij weg
naar de veilige Cordilleras.








HOOFDSTUK IX.


Ondertusschen werden de Solanos vervolgd en Henry plaagde Francis met
de woorden:

„Hier in de jungle hebben dollars toch geen waarde. Ze kunnen ons geen
versche paarden verschaffen en evenmin deze beide futlooze dieren
vervangen, die eveneens aangetast schijnen door de veeziekte, die de
overige rijdieren van den haciendado doodde.”

„Ik ben nog nooit ergens geweest, waar geld zijn uitwerking miste,”
antwoordde Francis.

„Ik veronderstel, dat men er zelfs in de hel een dronk water voor kan
koopen,” was Henry’s antwoord.

Leoncia klapte in haar handen.

„Ik weet het niet,” merkte Francis op. „Daar ben ik nog nooit geweest.”

Weer klapte Leoncia in de handen.

„Hoe het zij, ik heb een idee, dat dollars ook in de jungle gebruikt
kunnen worden en ik ga het dadelijk probeeren,” vervolgde Francis,
tegelijkertijd den geldzak van Leoncia’s zadelknop losmakend.

„Ga vooruit en rijd door.”

„Maar je moet het mij vertellen,” drong Leoncia aan en terwijl zij zich
in het zadel tot hem overboog, fluisterde hij haar iets in het oor, wat
haar weer deed lachen, terwijl Henry, die zich tot Enrico en zijn zoons
wendde, zichzelf heimelijk voor een jaloersche gek uitschold.

Voor ze uit het gezicht verdwenen, keken ze om en zagen Francis, die
bloc-note en potlood te voorschijn gehaald had, iets opschrijven. Wat
hij schreef was welsprekend en kort, enkel het cijfer „50”. Het blaadje
afscheurend, legde hij dit duidelijk zichtbaar midden op het pad en een
zilveren dollar er bovenop. Nog negen en veertig dollars uit den zak
tellend, strooide hij deze uit in de onmiddellijke nabijheid der eerste
en rende het pad af, het gezelschap achterna.



Augustino, de gendarme, die zelden sprak wanneer hij nuchter was, maar
die, dronken, met vele woorden het loflied op het zwijgen zong, liep
voorop, met gebogen hoofd het wild nasporend, toen zijn scherpe oogen
op den zilveren dollar vielen, die het stukje papier vasthield. Van den
eersten maakte hij zich meester; het tweede overhandigde hij aan den
Chef. Torres keek over diens schouder en samen lazen zij het
raadselachtige cijfer „50”. De Chef wierp het stukje papier terzijde
als iets, wat geen waarde had en was er voor om de vervolging voort te
zetten, maar Augustino raapte het op en beschouwde aandachtig het
cijfer „50”. Terwijl hij er nog over stond te piekeren, verkondigde een
juichkreet van Rafaël, dat hij ook een dollar gevonden had. Toen wist
Augustino genoeg. Er lagen vijftig geldstukken voor het oprapen. Het
briefje wegwerpend, kroop hij op handen en knieën over den grond. Het
overige gezelschap ging meegrabbelen, terwijl Torres en de Chef in
vloeken uitbarstten en tevergeefs trachtten om hen voort te doen gaan.

Toen de gendarmes niets meer konden vinden, telden zij, wat zij
verzameld hadden. Het gezamenlijk bedrag was zeven en veertig dollars.

„Er zijn er nog drie,” riep Rafaël, waarop ze allemaal weer gingen
zoeken. Nog vijf minuten gingen verloren, eer de drie andere
geldstukken gevonden werden. Ieder stak zijn oogst in den zak en zetten
gehoorzaam de vervolging voort, Torres en den Chef van Politie op de
hielen volgend.

Een mijl verder trachtte Torres een glinsterenden dollar in den grond
te trappen, maar Augustino’s frettenoogjes waren hem te vlug af en zijn
begeerige vingers groeven het geldstuk op uit de zachte aarde. Zij
hadden reeds geleerd, dat waar één dollar te vinden was, er ook meer te
vinden waren. De troep hield halt, en terwijl de beide aanvoerders
kookten en vloekten, verspreiden de verschillende leden zich rechts en
links van het pad. Vicente, een gendarme met een vollemaansgezicht, die
meer op een Mexicaansch Indiaan, dan op een Maya- of een
Panama-„kleurling” geleek, ontdekte het spoor het eerst. Zij
verzamelden zich allen, evenals honden om een boom, waarin een opossum
zit. Het was ook werkelijk een boom, of tenminste een verteerde, holle
stomp, een twaalf voet hoog en ongeveer een derde daarvan in doorsnee.
Vijf voet boven den grond was een opening. Boven de opening, met een
doorn vastgestoken, zat een stukje papier, van dezelfde grootte als het
eerste, dat zij gevonden hadden. Daarop stond geschreven „100”.

In het nu volgend gegrabbel, gingen een half dozijn minuten verloren,
doordat een half dozijn rechterarmen moeite deden om het eerst te
verdwijnen in het holle binnenste van den stomp en den schat te
bemachtigen. Maar de holte was dieper dan hun armen lang waren.

„We zullen den stomp omhakken,” riep Rafaël uit, nadat hij met den
achterkant van zijn hakmes tegen den stam geklopt had om den bodem van
het gat te vinden. „We zullen allemaal helpen, tellen wat we er in
vinden en gelijk verdeelen.”

Maar nu werden hun aanvoerders dol en de Chef begon te dreigen, dat
hij, zoodra zij terug waren in San Antonio, hen naar San Juan zou
zenden, waar hun karkassen door de buizerds verslonden zouden worden.

„Maar we zijn, Goddank, nog niet terug in San Antonio,” zei Augustino,
zijn gewone zwijgzaamheid verbrekend om deze wijsheid te verkondigen.

„Wij zijn arme kerels en zullen eerlijk deelen,” beweerde Rafaël.
„Augustino heeft gelijk en God zij dank, dat wij nog niet terug zijn in
San Antonio. Deze rijke Gringo zaait zooveel geld langs den weg, dat
wij in één dag meer kunnen oprapen, dan we in een jaar kunnen verdienen
in de plaats, waar wij vandaan komen. Ik voor mij, ben voor revolutie,
wanneer het geld zoo overvloedig is.”

„Met den rijken Gringo als hoofd,” vulde Augustino aan. „Want zoolang
hij ons op deze wijze voorgaat, ben ik bereid hem eeuwig te volgen.”

„Als,” beweerde Rafaël toestemmend, met een hoofdknikje naar Torres en
den Chef, „als zij ons geen gelegenheid geven, om te verzamelen, wat de
goden voor ons hebben uitgestrooid, dan kunnen ze naar de laatste en
vurigste hel der hellen loopen. Wij zijn menschen en geen slaven. De
wereld is groot. De Cordilleras liggen vlakbij. We zullen allen rijk en
vrij zijn en wonen in de Cordilleras, waar de Indiaansche meisjes
vurig, schoon en begeerenswaardig zijn...”

„En we zullen goed van onze vrouwen afkomen, daarginds in San Antonio,”
zei Vicente. „Laten we nu dezen kostbaren boom omhakken.”

Hun hakmessen met krachtige, zware slagen zwaaiend, gaf het hout, dat
zoo verteerd was, dat het reeds sponsachtig werd, spoedig mee. En toen
de stomp omviel, telden en deelden ze eerlijk, niet honderd, maar
honderd zeven en veertig zilveren dollars.

„Hij is royaal, deze Gringo,” beweerde Vicente. „Hij geeft meer dan hij
zegt. Zou er misschien nog meer zijn?”

En uit de overblijfselen van het verrotte hout, dat grootendeels tot
stof verging onder hun slagen, haalden zij nog vijf geldstukken te
voorschijn, waarmee weer tien minuten verloren gingen, wat Torres en
den Chef op het randje van krankzinnigheid bracht.

„Hij maakt het zich niet druk met tellen, deze rijke Gringo,” sprak
Rafaël. „Hij opent zeker alleen dien zak maar en schudt er wat uit. En
dat is de zak, waarmee hij naar den oever van San Antonio reed, toen
hij met dynamiet den muur van onze gevangenis deed springen.”

De vervolging werd hervat en alles ging goed gedurende een half uur,
toen zij aan een verlaten erf kwamen, dat reeds gedeeltelijk begroeid
was met de weer terugkeerende jungle.

Een vervallen huis met strooien dak, een ingestortte werkloods, een
vervallen kraal, welks posten uitgesproten waren tot levende, groene
boomen en een bron, die getuigde van vroeger gebruik door een emmer,
bevestigd aan een stuk koord, wezen aan, waar het een mensch mislukt
was, de wildernis aan zich onderdanig te maken. En, duidelijk zichtbaar
aan deze put vastgehecht, zat een bekend stukje papier, waarop
geschreven stond „300”.

„Moeder Gods!—een fortuin!” riep Rafaël.

„Moge de duivel hem ten eeuwigen dage pijnigen in de laatste en diepste
hel!” was Torres’ bijdrage.

„Hij betaalt beter dan jouw Senor Regan,” spotte de Chef, wanhopig en
verontwaardigd.

„Zijn zak met zilver is alleen maar te groot,” antwoordde Torres. „Het
schijnt, dat we alles zullen moeten oprapen, eer we hem te pakken
krijgen. Maar wanneer we alles opgeraapt hebben en zijn zak leeg is,
dan zullen we hem vangen.”

„Laten we nu doorgaan, kameraden,” sprak de Chef beminnelijk tegen zijn
troep. „Dan kunnen we straks op ons gemak terugkomen en het zilver
opzoeken.”

Maar nu verbrak Augustino het zwijgen weer.

„Men weet nooit langs welken weg men terugkeert en of men wel
terugkeert,” verkondigde hij pessimistisch. Verrukt over den parel der
wijsheid, dien hij uitgestrooid had, deed hij nog een poging.
„Driehonderd dollars in de hand is beter dan drie millioen op den bodem
van een put, dien wij misschien nooit terug zien.”

„Een van ons moet in den put klimmen,” sprak Rafaël, het gevlochten
koord beproevend, door er aan te gaan hangen. „Kijk! Het koord is
sterk. We zullen er een man aan naar beneden laten zakken. Wie is de
dappere, die naar beneden wil gaan?”

„Ik,” zei Vicente. „Ik zal de dappere zijn, die naar beneden gaat.”

„En de helft steelt, van wat je vindt,” bracht Rafaël onmiddellijk zijn
verdenking onder woorden. „Wanneer je naar beneden gaat, moet je ons
eerst de pesos terhandstellen, die je reeds bezit. Wanneer je dan weer
boven komt, kunnen wij je visiteeren om te zien, wat je gevonden hebt.
Daarna, wanneer wij eerlijk gedeeld hebben, krijg je je andere pesos
weer terug.”

„Dan bedank ik er voor om naar beneden te gaan voor kameraden, die mij
niet vertrouwen,” zei Vicente koppig. „Hier, naast de put staande, ben
ik even rijk als een van jelui. Waarom zou ik dan naar beneden gaan? Ik
heb wel eens gehoord, dat men sterven kan op den bodem van een put.”

„In Godsnaam, maak dat je beneden komt!” drong de Chef aan. „Haast je!
Haast je!”

„Ik ben te dik, het koord is niet sterk en ik bedank er voor om naar
beneden te gaan,” zei Vicente.

Allen keken Augustino, den zwijgzame, aan, die nu reeds meer gesproken
had, dan hij anders in een week deed.

„Guillermo is de magerste en de lichtste,” zei Augustino.

„Guillermo moet naar beneden!” riepen de overigen in koor.

Maar Guillermo, die achterdochtig naar de opening der put keek,
krabbelde terug, schudde zijn hoofd en bekruiste zich. „Zelfs niet voor
de verborgen schat in de geheimzinnige stad der Mayas,” mompelde hij.

De Chef trok zijn revolver en keek naar de overige leden der troep om
instemming. Deze gaven zij met de oogen en door met het hoofd te
knikken.

„In ’s hemelsnaam, maak dat je beneden komt,” dreigde hij den kleinen
gendarme. „En haast je wat, of ik zal je een lesje geven, dat je nooit
weer naar boven of naar beneden zult gaan, maar hier blijven en
verrotten naast dit verdoemde gat. Is het goed, kameraden, dat ik hem
neerschiet, als hij niet naar beneden verkiest te gaan?”

„Het is goed!” schreeuwden zij.

En Guillermo haalde, met bevende vingers, de geldstukken te voorschijn,
die hij reeds verzameld had en, doodsbenauwd, bekruiste hij zich
herhaaldelijk en stapte, door zijn kameraden geholpen op den emmer,
ging zitten, met zijn beenen er om heen geslagen en werd naar beneden
gelaten in de donkere diepte.

„Halt!” schreeuwde hij uit de put. „Halt! Halt! Het water! Ik ben er
bij!”

Die boven aan de put stonden, hielden hem met hun gewicht tegen.

„Ik mag wel tien pesos extra hebben boven mijn deel,” riep hij naar
boven.

„We zullen je doopen,” werd hem toegeroepen en afwisselend: „Je zult
vandaag je genoegen kunnen drinken aan water.” „We laten je schieten.”
„We zullen het touw doorsnijden.” „Dan is er een minder om mee te
deelen.”

„Het water is niet lekker,” antwoordde hij, terwijl zijn stem uit de
donkere diepte oprees als de stem van een geest. „Er zijn zieke
hagedissen en een doode vogel, die stinkt. En misschien zijn er wel
slangen ook. Het is best tien pesos extra waard, wat ik moet doen.”

„We zullen je verdrinken!” schreeuwde Rafaël.

„Ik zal in de put schieten en je dooden!” bullebakte de Chef.

„Schiet op me of verdrink me gerust,” kwam Guillermo’s stem weer naar
boven, „maar daar zal je niets mee winnen, want de schat blijft dan nog
altijd in de put.”

Er ontstond een pauze, waarin zij, die op den vasten grond stonden
elkander aankeken, als om te overleggen, wat ze doen zouden.

„En de Gringos verdwijnen al verder en verder,” zei Torres woedend. „’t
Is een mooie discipline, die je over je gendarmes uitoefent, Senor
Mariano Vercara è Hyos!”

„We zijn hier niet in San Antonio,” snauwde de Chef terug. „Dit is het
kreupelbosch van Juchitan. Mijn honden zijn goed in San Antonio. Maar
in het kreupelbosch moeten ze met zachtheid behandeld worden, of ze
worden wild en wat zal er dan met ons gebeuren?”

„Het is de vloek van het goud,” gaf Torres droevig toe. „Het zou iemand
er toe brengen om socialist te worden, wanneer een Gringo de handen der
justitie op deze wijze met gouden koorden knevelt.”

„Met zilveren,” verbeterde de Chef.

„Loop naar den duivel,” zei Torres. „Zooals je gezegd hebt, dit is San
Antonio niet, maar het kreupelbosch van Juchitan en hier mag ik je wel
zeggen, dat je naar den duivel kunt loopen. Waarom zouden jij en ik
ruzie maken, omdat we slecht gemutst zijn, terwijl het toch in ons
voordeel is om elkander bij te staan?”

„Bovendien,” steeg de stem van Guillermo uit de diepte op, „is het
water nog geen twee voet diep. Je kunt er mij niet eens in verdrinken.
Ik heb juist over den bodem gevoeld en nu op het oogenblik vier ronde
zilveren pesos in mijn hand. De bodem is bezaaid met pesos. Wil je me
nog laten schieten? Of krijg ik tien pesos extra voor dit smerige
karweitje? Het water stinkt als een nieuw kerkhof.”

„Ja! Ja!” schreeuwden ze naar beneden.

„Wat? Laten schieten? Of tien extra?”

„Tien extra!” riepen ze in koor.

„In Godsnaam, schiet op! Schiet op!” riep de Chef.

Zij hoorden een geplas en gevloek op den bodem der put en merkten, aan
de verminderde spanning van het koord, dat Guillermo den emmer had
verlaten en rondplaste om de geldstukken te zoeken.

„Doe ze in den emmer, goede Guillermo,” riep Rafaël naar beneden.

„Ik doe ze in mijn zakken,” kwam het antwoord terug. „Wanneer ik ze in
den emmer deed, kon je dien wel eens eerst omhoog hijschen en daarna
vergeten om mij op te halen.”

„Door het dubbele gewicht zou het koord kunnen breken,” waarschuwde
Rafaël.

„Het koord is waarschijnlijk niet zoo sterk als mijn wil, want mijn wil
is in deze zeer sterk,” zei Guillermo.

„Als het koord brak...” begon Rafaël weer.

„Ik weet een oplossing,” zei Guillermo. „Kom jij naar beneden. Dan zal
ik eerst naar boven gaan. Ten tweede, de schat in den emmer. En, als
derde en laatste, halen wij jou omhoog. Zoo zal de gerechtigheid
triumfeeren.”

Maar Rafaël liet misnoegd zijn lip hangen en antwoordde niet.

„Kom je, Rafaël?”

„Neen,” antwoordde hij. „Steek al het zilver in je zakken en kom er
tegelijk mee naar boven.”

„Ik zou er toe komen om het ras te vervloeken, waaruit ik ben geboren,”
was de ongeduldige opmerking van den Chef.

„Ik heb het alreeds vervloekt,” zei Torres.

„Haal op!” schreeuwde Guillermo. „Ik heb alles in mijn zakken, behalve
de stank; en ik stik. Haal op of ik sterf, en dan sterven de
driehonderd pesos met mij. En er zijn er meer dan driehonderd. Hij
heeft zeker zijn heele zak omgekeerd.”



Voor hen uit op het pad, waar de weg steil werd en de paarden zonder
uithoudingsvermogen hijgend stilstonden, haalde Francis zijn gezelschap
in.

„Nooit van mijn leven zal ik weer op reis gaan, zonder klinkende
rijksmunt mee te nemen,” verklaarde hij, toen hij beschreef wat hij
gezien had om een hoekje van de verlaten plantage.

„Henry, wanneer ik sterf en naar den hemel ga, zal ik een grooten zak
met geld meenemen. Zelfs daar zou het mij uit, de Hemel mag weten
welke, verlegenheden kunnen redden. Luister! Zij vochten als katten en
honden rondom de opening der put. Niemand vertrouwde een ander om in de
put af te dalen of hij moest eerst aan de anderen, die boven bleven,
overhandigen wat hij reeds verzameld had. Ze luisterden naar niets
meer. De Chef moest, met zijn revolver, de kleinste en magerste van hen
dwingen om naar beneden te gaan. En toen hij beneden was, preste hij
hen vóór hij naar boven wilde komen. En toen hij boven kwam, verbraken
zij hun beloften en gaven hem een pak slaag. Ze sloegen hem nog, toen
ik wegging.”

„Maar nu is je zak leeg,” zei Henry.

„Wat onze oogenblikkelijke en grootste moeilijkheid is,” stemde Francis
toe. „Wanneer ik genoeg pesos had, zag ik best kans om de vervolgers
voor goed achter ons te houden. Ik vrees, dat ik al te edelmoedig was.
Ik wist niet, dat die arme duivels zoo goedkoop waren. Maar ik zal je
iets vertellen, waarvan je haren ten berge zullen rijzen. Torres, Senor
Torres. Senor Alvarez Torres, de elegante gentleman en oude vriend van
de familie Solano, leidt met den Chef de vervolging. Hij is woest over
het oponthoud. Ze kregen bijna ruzie, omdat de Chef zijn manschappen
niet in zijn macht had. Ja, mijnheer, en hij zei tegen den Chef, dat
deze naar den duivel kon loopen. Ik hoorde hem duidelijk tegen den Chef
zeggen, dat hij naar den duivel kon loopen.”

Vijf mijlen verder, waar de paarden van Leoncia en haar vader bezweken
en het pad verdween en omhoog liep door een donker ravijn, dwong
Francis de anderen om vooruit te gaan en bleef zelf achter. Hen een
paar minuten vóór gevend, volgde hij hen op eenigen afstand, als een
vrijwillige achterhoede. Iets verder, op een open plek, waar enkel een
dikke graslaag groeide, ontdekte hij, tot zijn misnoegen, de afdrukken
der hoeven van twee paarden, die hem, zoo groot als soepborden, uit de
zoden aanstaarden. In de hoefsporen stond een donkere, glibberige
vloeistof, die hij herkende als ruwe olie. Dit was slechts een begin,
een beetje, dat doorgesijpeld was van een zijtak, die boven uit den
grooten stroom vloeide. Een honderd meter verder stiet hij op den
stroom zelf, een olierivier, die op zoo’n helling een waterval gevormd
zou hebben, wanneer het water geweest ware. Maar nu het olie was, even
dik als suikerstroop, vloeide het ook langzaam als suikerstroop den
heuvel af. En, de voorkeur er aan gevend om hier stand te houden in
plaats van door de kleverige massa te waden, ging Francis op een
rotsblok zitten, legde zijn geweer aan zijn eene zijde, zijn
automatisch pistool aan de andere, rolde een cigaret en spitste zijn
ooren om het eerste geluid van zijn vervolgers op te vangen.



En de mishandelde inlander, die bedreigd werd door nog meer
mishandelingen en zijn uitgeputte merrie voortjoeg, reed over den
bovenkant van het ravijn boven Francis en naar de oliebron, toen zijn
vermoeid dier onder hem bezweek. Met zijn hielen schopte hij haar tot
ze weer opstond en bewerkte haar vervolgens met een stok, tot ze van
hem weg- en de jungle in wankelde. En de eerste dag van zijn
beproevingen was nog niet om, ofschoon hij dit niet wist. Ook hij
hurkte neer op een steen, zijn voeten teruggetrokken voor de olie,
rolde een cigaret en terwijl hij deze rookte, beschouwde hij aandachtig
de steeds vloeiende oliebron. Hij schrikte op door het gerucht van
naderende menschen en vluchtte in de onmiddellijk aangrenzende jungle,
vanwaaruit hij naar buiten gluurde en twee vreemdelingen zag naderen.
Zij kwamen regelrecht op de bron af en draaiden door middel van een
ijzeren rad de klep om, waardoor de stroom belemmerd werd.

„Niet meer,” beval de eene, die de baas scheen te zijn. „Nog een slag
meer en de drang, die er achter zit, zou de buizen wegdrukken—daarvoor
heeft de Gringo-ingenieur mij uitdrukkelijk gewaarschuwd.”

En een zwakke stroom, boven de beperkte veiligheid, bleef uit de bron
den bergrug afvloeien. Nauwelijks hadden de beide mannen dit gedaan, of
een troep ruiters kwam aangereden, die door den verborgen inlander
herkend werden als den haciendado, aan wien hij toebehoorde en de
opzichters en haciendados der naburige plantages, die even verzot zijn
op het nazetten van een voortvluchtigen arbeider, als een Engelschman
op een vossenjacht.

Neen, de beide olie-mannen hadden niemand gezien. Maar de haciendado,
die voorop was, zag de sporen der merrie, en gaf zijn paard de sporen
om deze te volgen, terwijl de heele stoet hem weer op de hielen volgde.

De inlander wachtte, rookte zijn cigaret heelemaal op en dacht na. Toen
de baan veilig was, waagde hij zich te voorschijn, draaide het
mechanisme, dat de bron controleerde, heelemaal open, en keek hoe de
olie door den onderaardschen drang hoog opspoot en als een ware rivier
den berg afstroomde. Ook luisterde hij naar het sissen, blazen en
bobbelen van het ontsnappende gas. Dit laatste begreep hij niet en
alleen het feit, dat hij zijn laatsten lucifer gebruikt had om zijn
cigaret aan te steken, spaarde hem voor verdere avonturen. Tevergeefs
doorzocht hij zijn lompen, zijn ooren en zijn haar. Hij had geen enkele
lucifer meer.

Zoo, grinnikend over de olierivier, die hij zoo moedwillig liet
wegstroomen en, zich den hollen weg naar beneden herinnerend, holde hij
den bergrug af en stiet op Francis, die hem met zijn automatisch
pistool opwachtte. Bevend en smeekend viel de man op zijn geschaafde en
gewonde knieën voor den man neer, dien hij dien dag al tweemaal
verraden had. Francis nam hem aandachtig op, in het eerst zonder hem te
herkennen, door het gekneusde en verscheurde gelaat en hoofd, waarop
het geronnen bloed als het ware een masker vormde.

„Amigo, amigo,” stamelde de inlander.

Maar op datzelfde oogenblik hoorde Francis beneden op het pad in het
ravijn een steen naar beneden rollen, die door den voet van een mensch
losgemaakt was. Het volgende herkende hij, in hetgeen van den inlander
overgebleven was, het beklagenswaardige schepsel, dat hij den halven
inhoud van zijn whisky-flesch gegeven had.

„Wel, amigo,” sprak Francis hem in zijn moedertaal aan, „het schijnt,
dat ze je op de hielen zitten.”

„Ze zullen me dooden, ze zullen me doodranselen, ze zijn zoo boos,”
stamelde de ongelukkige. „Gij zijt mijn eenige vriend, mijn vader en
mijn moeder, red mij.”

„Kan je schieten?” vroeg Francis.

„Ik was een jager in de Cordilleras voor ik als slaaf verkocht werd,
senor,” was het antwoord.

Francis overhandigde hem het automatisch pistool, zei hem zich te
verbergen en alleen te schieten, wanneer hij zeker was van zijn schot.
En heimelijk fluisterde hij: De golfspelers zijn nu op het oogenblik
druk aan den gang in Tarrytown. En Mrs. Bellingham staat op de veranda
van het societeitsgebouw en vraagt zich af, hoe ze de drieduizend
punten moet betalen, die zij achter is en smeekt om een wisseling van
het geluk. En—hier sta ik—Hemel! Hemel—mijn weg versperd door een
olierivier...

Zijn gefluister hield plotseling op, toen de Chef, Torres en de
gendarmes beneden op het pad te voorschijn kwamen. Even plotseling
schoot hij zijn geweer af en even plotseling verdwenen zij uit het
gezicht. Hij kon niet zeggen of hij iemand getroffen had of dat de man
enkel gevallen was op den snellen terugtocht. De vervolgers waagden
geen bestorming, maar stelden zich tevreden met hem te besluipen.
Francis en de inlander deden hetzelfde, zich schuilhoudend achter
rotsen en struiken en gedurig van positie veranderend.

Na verloop van een uur had Francis de laatste kogel in zijn geweer. De
inlander had, dank zij zijn waarschuwingen en dreigementen, nog twee
kogels in het automatisch pistool. Maar dit uur was een uur gewonnen
voor Leoncia en haar gezelschap en Francis bedacht dankbaar, dat hij
zich ieder oogenblik kon omkeeren en ontsnappen door de olierivier door
te waden. Alles was dus in orde en zou ook in orde gebleven zijn,
wanneer niet uit de hoogte plotseling andere menschen zich aangekondigd
hadden, die onder het afdalen, van achter de boomen schoten losten. Het
was de haciendado en zijn mede-haciendados, die den voortvluchtigen
inlander vervolgden, ofschoon Francis dit niet wist. Hij kwam tot de
conclusie, dat het een andere troep was, die hem vervolgde. De schoten,
die zij op hem losten, wezen hier wel op.

De inlander krabbelde naar hem toe, liet hem zien, dat er nog twee
kogels op het automatisch pistool zaten, dat hij hem overhandigde, en
smeekte hem dringend om zijn doos lucifers. Vervolgens drong de
inlander er op aan, dat hij het ravijn zou oversteken en aan de andere
zijde naar boven klimmen. De bedoelingen van den kerel half radend,
voldeed Francis hieraan, terwijl hij van zijn nieuwe, gunstige positie
zijn laatsten geweerkogel afschoot, op den naderenden troep en dezen
terugzond in het beschutte gedeelte beneden in het ravijn.

Het volgend oogenblik sloegen de vlammen hoog op uit de olierivier op
de plek, waar de inlander er een lucifer bij gehouden had. Een seconde
later, steeg uit de bron zelf, boven op den bergrug, een fontein van
brandend gas, een honderd voet hoog, op in de lucht. En nog een seconde
later, was het ravijn zelf een brandende stortzee, die neergolfde op
den troep van Torres en den Chef.

Geschroeid door de hitte van den brand, klauterden Francis en de
inlander tegen den anderen kant van het ravijn op, maakten een bocht om
en voorbij het brandende pad, en snelden langs het weer bereikte pad
voort.








HOOFDSTUK X.


Terwijl Francis en de inlander zich veilig langs het ravijnpad naar
boven spoedden, was het ravijn zelf, waar de olie er in stroomde, een
vuurzee geworden, die den Chef, Torres en de gendarmes dwong om den
steilen ravijnrand te bestormen. Terzelfdertijd was het gezelschap
haciendados, dat den inlander vervolgde, genoodzaakt om terug te
krabbelen naar boven, om uit het loeiende ravijn te ontvluchten.

Gedurig keek de inlander over zijn schouder heen om, tot hij met een
kreet van vreugde, op een tweeden zwarten rookkolom wees, die voorbij
de eerste brandende bron in de lucht opsteeg.

„Nog meer,” grinnikte hij. „Er zijn meer bronnen. Ze zullen allemaal
branden. En zoo zullen zij en hun heele ras betalen voor de menigte
slagen, die ze mij gegeven hebben. En er is daar ook een oliemeer, net
een zee, zoo groot als Juchitan-Baai is het.”

En Francis herinnerde zich het oliemeer, waarvan de haciendado hem
verteld had—dat, minstens vijf millioen ton olie bevattend, die nog
niet door leidingen naar de zee overgebracht konden worden voor het
zee-transport, open en bloot lag, enkel in een natuurlijke holte in den
grond en vastgelegd door een aarden wal.

„Hoeveel ben jij waard?” vroeg hij, schijnbaar al heel ontoepasselijk,
aan den inlander.

Maar deze begreep hem niet.

„Hoeveel zijn je kleeren waard—alles wat je aan je lijf hebt?”

„Een halve peso, neen, de helft van een halve peso,” bekende de
inlander spijtig, zijn verscheurde lompen bekijkend.

„En wat bezit je nog meer?”

Het ongelukkige schepsel trok zijn schouders op, als bewijs van zijn
groote armoede en voegde er toen bitter aan toe:

„Ik bezit niets dan een schuld. Ik heb tweehonderd vijftig pesos
schuld. Daar zit ik voor mijn leven aan vast; mijn leven is er door
verpest als dat van een man met een kankergezwel. Daarom ben ik een
slaaf van den haciendado.”

„Oef!” Francis kon niet nalaten te grinniken. „Tweehonderd vijftig
dollars minder dan niets waard, niet eens een cijfer, een loutere
abstractie van een minimale hoeveelheid zonder naam, behalve in de
mathematische verbeelding van den mensch, en toch verbrandt je hier een
waarde van millioenen pesos aan olie. En als de bedding los is en
onbetrouwbaar en de olie uit het buizenkanaal lekt, bestaat de kans,
dat de oliebodem van het geheele veld ontbrandt—die, laten we zeggen,
een waarde heeft van een billioen dollars. Zeg, voor een abstract
begrip met een niet bestaande waarde van tweehonderd vijftig dollars,
ben je toch wel een hombre, geloof me vrij.”

Hiervan begreep de inlander niets, behalve het woord „hombre”.

„Ik ben een man,” beweerde hij, zijn borst vooruitstekend en zijn
gekneusd hoofd opheffend. „Ik ben een hombre en een Maya.”

„Een Maya-Indiaan—jij?” spotte Francis.

„Half Maya,” was het weifelend antwoord. „Mijn vader is een
volbloed-Maya. Maar de Maya-vrouwen in de Cordilleras behaagden hem
niet. Hij moest een vrouw liefkrijgen van gemengd ras van de tierra
caliente. Ik werd geboren; maar later bedroog ze hem met een
Barbadoes-neger en hij keerde terug naar de Cordilleras. En, evenals
mijn vader, was het mijn noodlot om een halfbloed van de tierra
caliente lief te krijgen. Zij had geld noodig en mijn hoofd brandde van
verlangen naar haar, en ik verkocht mijzelf als slaaf voor tweehonderd
pesos. En ik zag noch haar, noch het geld terug. Vijf jaren was ik
slaaf. Vijf jaren heb ik gezwoegd en werd ik geslagen en zie, nu de
vijf jaren om zijn, is mijn schuld niet tweehonderd, maar tweehonderd
vijftig pesos.”



En terwijl Francis Morgan en de lankmoedige halfbloed-Maya al dieper de
Cordilleras indrongen om hun gezelschap in te halen en terwijl de
olievelden van Juchitan, steeds verder voort de Cordilleras door, in
vlammen opgingen, bereidden zich nog verder op, in het hartje der
Cordilleras, andere gebeurtenissen voor, die alle vervolgers en
vervolgden zouden tezamen brengen—Francis en Henry en Leoncia en haar
gezelschap; de inlander; het gezelschap haciendados; en de gendarmes
met hun Chef en gelijk met deze Alvarez Torres, begeerig om voor zich
zelf, niet alleen de beloofde belooning te winnen van Thomas Regan,
maar ook het bezit van Leoncia Solano.

In een hol zaten een man en een vrouw. De laatste was mooi en jong, een
mestiza, of vrouw van gemengd ras. Bij het licht van een kleine
olielamp las zij hardop uit een in kalfsleer gebonden boekdeel, wat een
Spaansche vertaling was van Blackstone. Beiden hadden bloote voeten en
armen, en waren gekleed in, van een kap voorziene, regenmantels van
paklinnen. Haar kap was op haar schouders teruggeslagen, waardoor haar
zwart, dik hoofdhaar zichtbaar werd. Maar de kap van den ouden man was
over zijn hoofd getrokken, op de wijze van een monnik. Het gezicht,
edel en ascetisch, een kenmerk van macht, was zuiver Spaansch. Don
Quixote moet juist zoo’n gezicht gehad hebben. Maar toch was er een
verschil. De oogen van dezen ouden man waren gesloten door het eeuwige
duister der blindheid. Hij zou nooit een windmolen kunnen zien om op in
te stormen.

Terwijl de mooie mestiza hem voorlas, zat hij daar, luisterend en
denkend, in een houding, die herinnerde aan Rodin’s „Denker”.

Ook was hij geen droomer, of een bestrijder van windmolens, zooals Don
Quixote. Ondanks zijn blindheid, die voor immer het uiterlijke der
wereld onzichtbaar voor hem maakte, was hij een man van de daad, en
zijn ziel was allesbehalve blind, onfeilbaar door den uiterlijken
schijn heendringend tot in hart en ziel der wereld en haar heimelijkste
zonden, roofzucht, edele gevoelens en deugden ontdekkend.

Hij hief zijn hand op en maakte een pauze in de lectuur, terwijl hij
hardop over den inhoud van het gelezene nadacht.

„De menschelijke wet,” sprak hij langzaam en zeker, „is vandaag een
speelbal van het vernuft. Geen rechtvaardigheid, maar vernuft, is
vandaag het spel der wet. De wet was in den beginne goed; maar de
verdere voortgang der wet, de toepassing ervan, heeft den mensch in
valsche banen geleid. Zij zien den weg aan voor het doel, de bedoeling
voor het einde. Toch is de wet wet, en noodig, en goed. Alleen is de
wet, in haar hedendaagsche toepassing, den rechten weg kwijtgeraakt.
Rechters en rechtsgeleerden wedijveren om elkander een vlieg af te
vangen en schrik aan te jagen door hun vernuft en geleerdheid, terwijl
zij de klagers en verdedigers voor hen, geheel vergeten, die
rechtvaardigheid en gerechtigheid zoeken in plaats van vernuft en
geleerdheid.

„Toch heeft de oude Blackstone gelijk. Onder dit alles, in den diepsten
grond hiervan, in de fundamenten van het gebouw der gerechtigheid, ligt
de vraag, de ernstige en eerlijke vraag van rechtvaardige menschen naar
gerechtigheid en rechtvaardigheid. Maar wat heeft de Prediker gezegd?
„Hunne verzinsels zijn vele.” En de wet, die goed was in den beginne,
is door al die verzinsels uit haar verband gerukt, zoodat noch
procesvoerders, noch benadeelden er mee gediend zijn, maar alleen de
vette rechters en de magere en hongerige rechtsgeleerden, die naam
maken en dik worden, wanneer ze slimmer blijken te zijn dan hun
tegenpartijen en dan de rechters, die beslissen.”

Hij zweeg, nog altijd in de houding van Rodin’s „Denker” en dacht na,
terwijl de mestiza-vrouw op zijn gewone teeken wachtte om voort te gaan
met lezen. Ten slotte, alsof hij ontwaakte uit een diepte van
gedachten, waarin werelden op de weegschaal gelegd waren, sprak hij:

„Maar, hier in de Cordilleras van Panama hebben we een wet, die
rechtvaardig, juist en enkel gerechtigheid is. Wij werken voor niemand
en mesten ons zelven niet vet. Paklinnen en geen fijn laken past bij de
gerechtigheid der wettelijke beslissing. Lees verder, Mercedes.
Blackstone heeft altijd gelijk, wanneer hij altijd juist gelezen
wordt—dit is, wat men een paradox noemt, en wat de tegenwoordige wet
ook meestal is, een paradox. Lees verder. Blackstone zelf is de
hoeksteen der menschelijke wet—maar, o, hoeveel onrecht is door
verstandige menschen in zijn naam geschied!”

Tien minuten later hief de blinde denker zijn hoofd op, snoof de lucht
in, en gaf het meisje een teeken om op te houden. Door hem er op attent
gemaakt, snoof ook zij de lucht op:

„Misschien is het de lamp, o Rechtvaardige,” opperde zij.

„Het is brandende olie,” zei hij. „Maar het is de lamp niet. Het komt
van verre. Ik heb ook hooren schieten in de ravijnen.”

„Ik hoorde niets...” begon zij.

„Dochter, jij, die zien kunt, behoeft niet zoo te luisteren als ik. Er
zijn vele schoten gelost in de ravijnen. Beveel mijn kinderen om een
onderzoek in te stellen en rapport uit te brengen.”

Eerbiedig buigend voor den ouden man, die niet kon zien, maar die, door
zijn scherp geoefend gehoor en welbewuste berekening van elk harer
spierbewegingen, wist dat zij gebogen had, hief de jonge vrouw het uit
dekens bestaande gordijn op en ging naar buiten. Aan weerszijden van
het hol zat een man, uit de inlandsklasse. Beiden waren gewapend met
geweer en hakmes, terwijl in hun gordels ontbloote messen gestoken
waren. Op bevel van het meisje stonden beiden op en bogen, niet voor
haar, maar voor het bevel en de onzichtbare bron van het bevel. Een
hunner sloeg met den achterkant van zijn hakmes tegen den steen, waarop
hij gezeten had, legde toen zijn oor tegen den steen en luisterde. In
werkelijkheid was de steen slechts het uiteinde van een ader van
metaalhoudend erts, die zich over en door het hart van den berg
uitstrekte. En verderop, op de tegenovergestelde helling, in een
gedeelte, dat uitzicht gaf op het schitterende panorama der afdalende
hellingen van de Cordilleras, zat een andere inlander, die eerst
luisterde, zijn oor gedrukt tegen een dergelijke metaalhoudende kwarts
en vervolgens met zijn hakmes daartegen klopte om te antwoorden. Daarna
stapte hij naar een grooten, half-dooden boom op een zes voet afstand,
greep in het holle binnenste ervan en trok aan een touw, evenals een
man, die een kerkklok luidt.

Maar geen geluid werd vernomen. In plaats daarvan bewoog een hoogen
tak, zich op en neer vijftig voet boven zijn hoofd en als een arm van
een seintoren uit den grooten stam uitstekend, evenals de arm van een
seintoren, wat hij ook eigenlijk was. Twee mijlen verder, op den kam
van een berg, gaf een dergelijke sein-boom antwoord. Nog verderop en
lager op de hellingen, verkondigde de flikkering van een handspiegel in
de zon het doorzenden der boodschap van den blinden man in het hol. En
dat geheele gedeelte der Cordilleras kwam in beweging door de geheime
taal van vibreerende ertsaderen, zonneflikkeringen en wuivende
boomtakken.



Terwijl Enrico Solano slank en recht als een jonge Indiaan op zijn
paard zat, aan weerszijden begeleid door zijn zoons, Alesandro en
Ricardo, die aan zijn stijgbeugels hingen, profiteerden van den tijd,
die gewonnen werd door Francis’ strijd met de gendarmes in de
achterhoede, bleven Leoncia, op haar rijdier gezeten, en Henry Morgan
achter. Geregeld keek een van beiden achterom, om te zien of Francis
hen nog niet inhaalde. Henry wachtte de gelegenheid af en liep terug.
Vijf minuten later probeerde Leoncia, die niet minder bezorgd was over
Francis’ veiligheid, haar paard te doen keeren. Maar het dier, dat
begeerig was om in gezelschap te komen van zijn kameraad, die hem
vooruit was, weigerde aan den teugel te gehoorzamen, steigerde en
verzette zich halsstarrig. Afstijgend en de teugels op den grond
werpend, volgens de Panamasche methode om een rijpaard te kluisteren,
ging Leoncia te voet terug. Zóó snel volgde zij Henry, dat zij hem
bijna op de hielen was, toen hij Francis en den inlander ontmoette. Het
volgend oogenblik berispten zoowel Henry als Francis haar om haar
gedrag, maar in beider stem lag onwillekeurig de teederheid der liefde,
wat geen van beiden aangenaam was te hooren.

Daar hun harten actiever waren dan hun hoofden, werden zij volslagen
verrast door het gezelschap haciendados, dat uit de omringende jungle
met geweld geweer op hen aanvloog. Ondanks het feit, dat zij op deze
wijze den weggeloopen inlander snapten, dien zij weer schopten en
mishandelden zouden Leoncia en de beide Morgans niets te vreezen gehad
hebben, wanneer de eigenaar van den inlander, de oude vriend der
familie Solano, er bij was geweest. Maar een aanval van malaria,
waaraan hij om de twee dagen leed, had hem, rillend van de koorts,
neergeveld in de buurt van het brandende olieveld.

Maar, ofschoon zij door hun slagen den inlander tot kermen brachten en
op zijn knieën om genade deden smeeken, waren de haciendados beleefd
tegen Leoncia en zeer behoorlijk jegens Francis en Henry, ofschoon zij
deze laatsten de handen op den rug bonden om hen mee te nemen naar de
helling van het ravijn, waar de paarden achtergelaten waren. Maar op
den inlander koelden zij, met Latijnsch-Amerikaansche wreedheid, hun
woede.

En toch zouden zij met hun gevangenen, op eigen gelegenheid, nergens
heengaan. Vreugdekreten verkondigden de verschijning op het tooneel van
de gendarmes met hun Chef en Alvarez Torres. In eens verhief zich het
snelvuur van staccato, verbasterd Latijn, waarin ieder lid der beide
partijen vervolgers tegelijkertijd uitlegging trachtte te geven en te
vragen. En terwijl het mengelmoes der stemmen, die allemaal tegelijk
spraken en waarbij niemand iets verstond, een ware spraakverwarring
deed ontstaan, trad Torres, met een hoofdknik tegen Francis en een
triomfeerenden grijnslach tegen Henry, voor Leoncia en boog voor haar
met de echte, diepe hoffelijkheid en eerbied van den hidalgo.

„Luister!” zei hij, op zachten toon, toen ze hem met een afkeerige
armbeweging wegstiet. „Begrijp mij niet verkeerd. Vergis je niet in
mij. Ik ben hier om je te redden en, wat er ook gebeuren moge, te
beschermen. Jij bent de koningin mijner droomen. Ik wil voor je
sterven—ja, met vreugde, hoewel ik toch nog veel liever voor je zou
willen leven.”

„Ik begrijp er niets van,” antwoordde zij kortaf. „Ik zie niet in, wat
leven en dood hiermee te maken hebben. Wij hebben geen kwaad gedaan. Ik
heb geen kwaad gedaan en mijn vader evenmin. Ook Francis Morgan of
Henry Morgan niet. Daarom, mijnheer, is dit geen kwestie van leven of
dood.”

Henry en Francis, die ieder aan een kant dicht tegen Leoncia
aangedrongen stonden, luisterden en vingen door het gemurmel der
stemmen het gesprek van Leoncia en Torres op.

„Het is een kwestie van een gewissen dood door terechtstelling voor
Henry Morgan,” hield Torres vol. „Zijn schuld aan den moord van Alfaro
Solano, die je volle oom en een volle broer van je vader was, is
onomstootelijk bewezen. Er bestaat niet de minste kans om Henry Morgan
te redden. Maar Francis Morgan kan ik redden en in veiligheid brengen,
als...”

„Als?” vroeg Leoncia, terwijl haar geheele houding deed denken aan een
wijfjes luipaard.

„Als... je lief voor mij bent, en mijn vrouw wordt,” zei Torres met
bewonderenswaardige kalmte, ofschoon twee hulpelooze Gringos, wier
handen op hun rug gebonden waren, hem met hun oogen hun
gemeenschappelijken wensch te kennen gaven om hem op staanden voet te
vernietigen.

Torres greep, in een ongeveinsde hartstochtelijke opwelling, ofschoon
zijn snelle blik hem overtuigd had van de hulpeloosheid der beide
Morgans, haar handen in de zijne en drong aan:

„Leoncia, als je echtgenoot kan ik misschien ook nog iets voor Henry
doen. Zelfs kan ik misschien nog zijn leven en zijn hals redden,
wanneer hij er in toestemt om onmiddellijk Panama te verlaten.”

„Jou, Spaansche hond!” snauwde Henry hem toe, zijn gebonden handen op
zijn rug wringend, in een poging om ze vrij te maken.

„Vervloekte Gringo!” antwoordde Torres, terwijl hij met den vlakken rug
van zijn hand Henry op den mond sloeg.

Oogenblikkelijk schoot Henry’s voet naar voren en de schop in Torres’
zijde wierp hem wankelend in de richting van Francis, die niet minder
vlug was, om hem ook een schop toe te dienen. Heen en weer als een
voetbal tusschen de spelers, werd Torres van den een naar den ander
geschopt, tot de gendarmes de beide Gringos aangrepen en hen, in hun
hulpeloosheid, begonnen te slaan. Torres moedigde niet alleen de
gendarmes aan, maar trok zelf een mes; en een bloedig treurspel zou
afgespeeld zijn, nu het beleedigde Latijnsch-Amerikaansche bloed in
vuur geraakt was, ware er niet een twintigtal of meer gewapende mannen
zwijgend ten tooneele verschenen, die zwijgend zich meester maakten van
de situatie. Sommige der geheimzinnige nieuwelingen waren gekleed in
katoenen buis en broek, en anderen droegen, met kappen voorziene,
regenjassen van paklinnen.

De gendarmes en haciendados deinsden verschrikt terug, bekruisten zich,
stamelden gebeden en riepen: „De Blinde Roover!” „De Wreede
Rechtvaardige!” „Het zijn zijn mannen!” „Wij zijn verloren!”

Maar de veel-mishandelde inlander sprong naar voren en viel op zijn
bloedende knieën neer voor een man met een streng gelaat, die de
aanvoerder der mannen van den Blinden Roover scheen te zijn. Uit den
mond van den inlander vloeide een stroom van klachten en een bede om
gerechtigheid.

„Gij kent de gerechtigheid, waarop gij een beroep doet?” vroeg de
aanvoerder met een diepe stem.

„Ja, de Wreede Gerechtigheid,” antwoordde de inlander. „Ik weet, wat
het zeggen wil om een beroep te doen op de Wreede Gerechtigheid, en
toch doe ik het, want ik zoek gerechtigheid en mijn zaak is
rechtvaardig!”

„Ik doe eveneens een beroep op de Wreede Gerechtigheid!” riep Leoncia
met vlammende oogen uit, ofschoon ze er op zachter toon tegen Francis
en Henry aan toevoegde: „Wat die Wreede Gerechtigheid dan ook moge
zijn.”

„’t Moet al heel erg zijn, wanneer ze minder eerlijk is, dan de
gerechtigheid, die wij van Torres en den Chef kunnen verwachten,”
antwoordde Henry op denzelfden fluistertoon, stapte toen stoutweg voor
den aanvoerder met zijn kap en zei hardop: „En ik doe een beroep op de
Wreede Gerechtigheid.”

De aanvoerder knikte.

„Ik ook,” fluisterde Francis zacht, en herhaalde toen hardop deze
woorden.

De gendarmes schenen in deze zaak niet mee te tellen, terwijl de
haciendados zich maar al te bereidwillig toonden, om zich te onttrekken
aan de gerechtigheid, die de Blinde Roover over hen zou uitspreken.
Alleen de Chef protesteerde.

„Misschien weet gij niet, wie ik ben,” snoefde hij. „Ik ben Mariano
Vercara è Hyos, met een ouden, beroemden naam en een lange, roemrijke
loopbaan. Ik ben Chef van de Politie in San Antonio, de beste vriend
van den gouverneur, en hoog in aanzien bij de Regeering der Republiek
Panama. Ik ben de wet. Er is maar één wet en één gerechtigheid, en dat
is die van Panama en niet van de Cordilleras. Ik protesteer tegen deze
wet der bergen, die gij de Wreede Gerechtigheid noemt. Ik zal een leger
uitzenden tegen uw Blinden Roover en de gieren zullen zijn beenderen
afkluiven in San Juan.”

„Bedenk, dat je hier niet in San Antonio bent,” waarschuwde Torres
sarcastisch den vertoornden Chef, „maar in de kreupelbosschen van
Juchitan. Bovendien heb je geen leger.”

„Zijn deze beide mannen onrechtvaardig geweest jegens iemand, die een
beroep gedaan heeft op de Wreede Gerechtigheid?” vroeg de aanvoerder
plotseling.

„Ja,” bevestigde de inlander. „Ze hebben mij geslagen. Iedereen heeft
mij geslagen. Zij ook hebben mij geslagen en zonder reden. Mijn hand is
bebloed. Mijn lichaam is gekneusd en verscheurd. Nog eens beroep ik mij
op de Wreede Gerechtigheid en ik beschuldig deze twee mannen van
onrechtvaardigheid.”

De leider knikte en gaf aan zijn eigen manschappen een teeken om de
gevangenen te ontwapenen en den afmarsch te regelen.

„Gerechtigheid!—ik vraag ook gerechtigheid!” riep Henry. „Mijn handen
zijn op mijn rug gebonden. Alle handen moeten zoo gebonden worden of
geen enkele. Bovendien is het zeer moeilijk loopen, wanneer men zoo
vastgebonden is.”

De schaduw van een glimlach vloog over de lippen van den aanvoerder,
toen hij zijn mannen beval de banden door te snijden, die zoo ergerlijk
getuigden van de ongelijkheid, waarover geklaagd werd.

„Oef!” grinnikte Francis tegen Leoncia en Henry. „Ik heb een vage
herinnering, dat ik vroeger, een millioen jaren geleden, ergens huisde
in een rustig, klein, oud plaatsje, genaamd New-York, waar wij zoo
onnoozel waren te denken, dat we de woestste en slimste golfspelers
waren, die bestonden, een Inspecteur van Politie electrocuteerden,
vochten met Tammany of vier mille boden met vijf vaste trekken in de
hand.”

„Oef!” zuchtte Francis een half uur later, toen het pad, van een minder
hoogen top, uitzicht gaf op verder op gelegen hoogere toppen. „Oef!
Deze kerels in hun linnen zakken zijn geen wilde beesten. Kijk, Henry!
Ze geven seinen! Kijk eens naar dien boom daar vlakbij, en dien grooten
aan de overzijde van het ravijn. Kijk eens naar het wuiven van die
takken.”



Nadat zij de laatste mijlen geblinddoekt afgelegd hadden, werden de
gevangenen, nog steeds geblinddoekt, het hol binnengeleid, waar de
Wreede Gerechtigheid resideerde. Toen de doeken weggenomen werden,
zagen zij, dat zij zich bevonden in een groote, luchtige grot, verlicht
door talrijke toortsen en tegenover zich een blinden grijsaard, gekleed
in paklinnen en gezeten op een ruw besneden troon, terwijl naast hem,
met haar schouder tegen zijn knieën, een mooie mestiza zat.

De blinde man nam het woord en in zijn stem lag de fijne, zilveren
toon, die ouderdom en levenswijsheid geven.

„Er is een beroep gedaan op de Wreede Gerechtigheid. Spreek! Wie
verlangt rechtspraak en gerechtigheid?”

Allen zwegen en zelfs de Chef kon geen moed vinden om te protesteeren
tegen de wet der Cordilleras.

„Er is een vrouw in het gezelschap,” vervolgde de Blinde Roover. „Laat
haar het eerst spreken. Ieder sterfelijk mensch, hetzij man of vrouw,
heeft zich aan iets schuldig gemaakt of wordt door zijn medemenschen
van het een of ander beschuldigd.”

Henry en Francis wilden haar tegenhouden, maar met hetzelfde glimlachje
aan beider adres, wendde zij zich met heldere, duidelijke stem tot den
Wreeden Rechtvaardige.

„Ik heb alleen den man, wiens vrouw ik zal worden, geholpen om aan den
dood te ontsnappen, dien hij ondergaan zou voor een moord, dien hij
niet gepleegd heeft.”

„Gij hebt gesproken,” sprak de Blinde Roover. „Kom dichter bij mij.”

Geleid door in paklinnen gekleede mannen, terwijl de beide Morgans, die
haar liefhadden, ongedurig en ongerust waren, liet men haar neerknielen
aan de voeten van den ouden man. Het mestiza-meisje legde diens hand op
Leoncia’s hoofd. Een minuut lang heerschte er een plechtige stilte,
terwijl de rustige vingers van den Blinde op haar voorhoofd rustten en
de polsslagen aan haar slapen controleerden. Toen nam hij zijn hand weg
en leunde achterover om een beslissing te nemen.

„Sta op, senorita,” sprak hij. „Uw hart is vrij van kwaad. Gij gaat
vrij uit.—Wie verschijnt er nog meer voor de Wreede Gerechtigheid?”

Onmiddellijk stapte Francis naar voren.

„Ik heb eveneens den man geholpen om aan een onverdienden dood te
ontsnappen. De man en ik dragen denzelfden naam en wij zijn, hoewel
zeer van verre, aan elkander verwant.” Hij ook, knielde neer, en voelde
de zachte vingers over zijn wenkbrauwen en slapen glijden en ten slotte
tot stilstand komen op den slagader aan zijn pols.

„Het is mij niet alles duidelijk,” sprak de Blinde. „Gij hebt geen rust
en geen vrede met uw ziel. Gij hebt zorgen, die u drukken.”

Plotseling stapte de inlander naar voren en sprak ongevraagd, terwijl
zijn stem de in paklinnen gekleede mannen deed opschrikken, alsof zij
een godslastering hoorden.

„O, Rechtvaardige, laat dezen man vrij uitgaan,” sprak de inlander
hartstochtelijk. „Tweemaal was ik dezen dag zwak en verried hem aan
zijn vijand en tweemaal heeft hij mij vandaag beschermd voor mijn
vijand en mij gered.”

En de inlander, weer op zijn knieën vallend, maar ditmaal aan den voet
der gerechtigheid, beefde en sidderde van bijgeloovige vrees, toen hij
de lichte, maar vaste aanraking voelde der vingers van den
zonderlingsten rechter, waarvoor hij ooit geknield had. Kneuzingen en
verwondingen werden snel onderzocht, zelfs op zijn schouders en rug.

„De andere man gaat vrij uit,” verkondigde de Wreede Gerechtigheid. „En
toch is er zorg en onrust in zijn binnenste. Weet iemand hier meer van
en wil hij spreken?”

En Francis wist oogenblikkelijk welke zorg het was, die de blinde man
in hem raadde—de groote liefde, die in hem gloeide voor Leoncia en die
het loyale gevoel ten opzichte van Henry dreigde te verstikken. Niet
minder snel begreep Leoncia en had de blinde man de onwillekeurige blik
van begrijpen kunnen zien, die de man en de vrouw elkander toewierpen,
dan had hij ongetwijfeld Francis’ zorgen kunnen vaststellen. Het
mestiza-meisje zag het echter wel en haar hart zei haar onmiddellijk,
dat hier een liefdesgeschiedenis in het spel was. Evenzoo had Henry het
gezien en onwillekeurig de wenkbrauwen gefronsd.

De Rechtvaardige sprak:

„Ongetwijfeld een aangelegenheid van het hart,” verklaarde hij de zaak.
„De eeuwige kommer om een vrouw in het hart van den man. Maar hoe het
zij, deze man gaat vrij uit. Tweemaal op één dag heeft hij den man
geholpen, die hem tweemaal verried. Evenmin heeft de zorg in zijn hart
iets uit te staan met de hulp, die hij den man verleende, die, naar men
zegt, onschuldig ter dood veroordeeld werd. Blijft nog het onderzoek
over van dezen laatsten; en de rechtspraak over dit mishandelde
schepsel voor mij, die dezen dag tweemaal zwak werd, terwille van
zelfbehoud, en die nu juist bewezen heeft dapper en sterk te zijn,
terwille van een ander.”

Hij boog zich voorover en liet zijn vingers onderzoekend over gelaat en
wenkbrauwen van den inlander dwalen.

„Ben je bang om te sterven?” vroeg hij plotseling.

„O, Groote en Heilige, ik ben vreeselijk bang om te sterven,” was het
antwoord van den inlander.

„Zeg dan, dat je gelogen hebt omtrent dezen man, zeg dat het een leugen
was, dat hij je tweemaal te hulp kwam, en je zult leven.”

De inlander kromde zich en kromp ineen onder de vingers van den Blinde.

„Bedenk je goed,” klonk de ernstige waarschuwing. „De dood is niet
goed. Om voor altijd onbeweeglijk te zijn, evenals de kluiten en
rotsen, is niet goed. Zeg, dat je gelogen hebt en je bent meester van
je leven. Spreek!”

Maar, ofschoon zijn stem beefde van doodsangst, verhief de inlander
zich tot de hoogste geestelijke menschelijkheid.

„Tweemaal heb ik hem dezen dag verraden, o Heilige. Maar ik ben geen
Petrus. Ik wil hem dezen dag geen driemaal verraden. Ik ben doodsbang,
maar ik kan hem geen driemaal verraden.”

De blinde rechter leunde achterover en zijn gelaat straalde en lichtte,
de uitdrukking ervan was geheel veranderd.

„Goed gesproken,” zei hij. „Gij hebt aanleg om een man te worden. En nu
zal ik mijn vonnis over je uitspreken: Van dit oogenblik af, gedurende
al uw levensdagen op dit ondermaansche, zult gij aldoor denken als een
man, handelen als een man, een man zijn. Het is beter om den een of
anderen tijd als man te sterven, dan om eeuwig als een beest te leven.
De Evangelist had ongelijk. Een doode leeuw is altijd beter dan een
levende hond. Ga vrij uit, mijn herboren zoon, ga vrij uit.”

Maar toen de inlander, op een teeken van de mestiza, op wilde staan,
werd hij door den blinden rechter tegengehouden.

„Wat was, o mensch, die eerst heden een man geworden zijt, in den
beginne de oorzaak van al uw moeilijkheden?”

„Mijn hart was zwak en hongerig, o Heilige, naar een vrouw van gemengd
ras van de tierra caliente. Ik zelf werd in de bergen geboren. Om
harentwille stak ik mijzelf in schuld bij den haciendado voor de som
van tweehonderd pesos. Zij vluchtte met het geld en een anderen man. Ik
bleef achter als slaaf van den haciendado, die geen slecht mensch is,
maar die, in de eerste plaats en altijd, een haciendado is. Ik heb
gezwoegd, werd geslagen, en heb vijf lange jaren geleden, en mijn
schuld is nu gestegen tot tweehonderd vijftig pesos, en toch bezit ik
niets dan deze lompen en een lichaam, dat verzwakt is door onvoldoende
voeding.”

„Was zij schoon?—deze vrouw van de tierra caliente?” vroeg de blinde
rechter zacht.

„Ik was dol op haar, o Heilige. Ik geloof nu niet meer, dat ze schoon
was. Maar toen was ze het. Het koortsachtig verlangen naar haar zette
mijn hart en mijn hersenen in brand en maakte mij tot een slaaf,
ofschoon zij in den nacht van mij wegvluchtte en ik haar nimmer
weerzag.”

De inlander wachtte, op zijn knieën liggend en met gebogen hoofd,
terwijl, tot ieders verwondering, de Blinde Roover diep zuchtte en tijd
en plaats scheen te vergeten. Onwillekeurig en automatisch zwierf zijn
hand naar het hoofd der mestiza, liefkoosde het glanzende zwarte haar
en bleef dit liefkoozen terwijl hij sprak.

„De vrouw,” zei hij, met een stem zoo zacht, dat het nauwelijks meer
was dan een gefluister en toch duidelijk en klankrijk. „Altijd weer de
schoone vrouw. Alle vrouwen zijn schoon... voor een man. Zij beminnen
onze vaders; zij brengen ons ter wereld; wij beminnen haar; zij
schenken ons zonen om haar dochters te beminnen en haar dochters schoon
te noemen; en dit is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven tot
het einde van het menschelijk bestaan en de menschelijke liefde hier op
aarde.”

Een diepe stilte heerschte in de grot, terwijl de Wreede Gerechtigheid
een tijdlang in gedachten verzonken was. Ten laatste gaf de mooie
mestiza hem een vertrouwelijk tikje en wekte hem uit zijn
overpeinzingen om hem te herinneren aan den inlander, die nog altijd
aan zijn voeten geknield lag.

„Ik spreek recht,” zei hij. „Gij hebt talrijke slagen ontvangen. Iedere
slag op je lichaam is een kwijting van je schuld aan den haciendado. Ga
vrij uit. Maar blijf in de bergen, en zorg er voor, dat je de volgende
keer een vrouw uit de bergen liefkrijgt, want een vrouw moet je hebben
en een vrouw is nu eenmaal een onvermijdelijke en eeuwige
noodzakelijkheid in het leven der mannen. Ga vrij uit. Gij zijt een
halfbloed-Maya?”

„Ik ben een halfbloed-Maya,” mompelde de inlander. „Mijn vader is een
Maya.”

„Sta op en ga vrij uit. En blijf in de bergen met je Maya-vader. De
tierra caliente is geen geschikte plaats voor iemand, die in de
Cordilleras geboren werd. De haciendado is niet tegenwoordig en daarom
kan er over hem geen recht gesproken worden. En bovendien is hij maar
een haciendado. Zijn mede-haciendados mogen ook vrij uitgaan.”

De Wreede Rechtvaardige wachtte een oogenblik en zonder dralen stapte
Henry naar voren.

„Ik ben de man,” bevestigde hij stout, „die onschuldig ter dood
veroordeeld werd voor het vermoorden van een man, dien ik niet gedood
heb. Hij was de volle oom van het meisje, dat ik liefheb, en die mijn
vrouw zal worden, wanneer er in deze grot in de Cordilleras werkelijk
nog rechtvaardigheid woont.”

Maar de Chef viel hem in de rede.

„Voor een twintigtal getuigen dreigde hij dezen man te zullen dooden.
Binnen het uur vonden we hem gebogen over het doode lichaam van den
man, dat nog warm en slap en dus juist gedood was.”

„Hij spreekt de waarheid,” stemde Henry toe. „Ik dreigde den man, toen
we allebei opgewonden waren door te veel drinken en drift. Ik werd zoo
gevonden, gebogen over zijn doode, nog warme lichaam. Toch doodde ik
hem niet. Evenmin weet ik, of kan ik vermoeden, welke lafaard hem in
het donker een mes in den rug stak.”

„Kniel beiden neer, opdat ik u kan ondervragen,” beval de Blinde
Roover.

Langen tijd onderzocht hij hen met zijn gevoelige, vragende vingers.
Lang en steeds langer gleden zijn vingers, die geen beslissing konden
vinden, over het gelaat en de polsen der beide mannen.

„Is er een vrouw?” vroeg hij scherp aan Henry Morgan.

„Een schoone vrouw. Ik heb haar lief.”

„Het is goed om zoo gekweld te zijn, want een man, die geen zorgen
heeft om een vrouw, is maar een halve man,” sprak de blinde rechter.
Hij wendde zich tot den Chef. „Geen vrouw baart u zorg, toch zijt gij
niet onbekommerd. Maar deze man”—op Henry wijzend—„ik kan niet zeggen,
of al zijn onrust aan de vrouw te wijten is. Misschien is zij
gedeeltelijk aan u te wijten, of aan het een of andere booze plan, dat
hij tegen u beraamt. Sta op, allebei. Ik kan niet tusschen u oordeelen.
Toch is er een onfeilbare proef, de proef van de Slang en de Vogel. Zij
is even onfeilbaar als God onfeilbaar is, want langs zulke wegen
spreekt God nog recht in de zaken der menschen. Ook Blackstone vermeldt
dergelijke methoden om de waarheid vast te stellen bij een gerechtelijk
onderzoek.”








HOOFDSTUK XI.


Alle aanwezigen hadden het waarschijnlijk voor een kleine arena
aangezien, die kuil in het midden van het domein van den Blinden
Roover. Tien voet diep en dertig voet in doorsnee, met een gelijken
vloer en loodrechte wanden, hadden menschenhanden weinig moeite gehad
om van de natuurlijke vorm een symmetrisch geheel te maken. De, in
paklinnen gekleede, mannen, de haciendados, de gendarmes—allen waren
tegenwoordig, behalve de Wreede Rechtvaardige en de mestiza, en allen
stonden om den rand der kuil geschaard, evenals het publiek, dat
neerziet op een stieren- of gladiatorengevecht in den kuil.

Op bevel van den gestrengen aanvoerder der, in paklinnen gekleede,
mannen, die hen gevangengenomen had, daalden Henry en de Chef langs een
korten ladder in den kuil af. De aanvoerder en verscheidene der roovers
vergezelden hen.

„De Hemel mag weten, wat er gaat gebeuren,” riep Henry lachend in het
Engelsch naar boven naar Leoncia en Francis. „Maar wanneer het op een
schermutseling aankomt of een Marquis van Queensbury of London Price
Ring, dan zal ik het wel klaarspelen met mijnheer de vette Politiechef.
Maar de oude blinde is niet gek en de kans bestaat, dat hij ons op de
een of andere wijze op gelijken voet tegenover elkander zal stellen. In
welk geval, als hij mij onder mocht krijgen, jelui, als publiek, je
duimen op moet steken en zooveel kabaal maken, als je maar kunt. Wees
er zeker van, dat zijn partij beslist de duimen zal opsteken, voor het
geval hij onder komt.”

De Chef, die overbluft was door de val, waarin hij afgedaald was,
wendde zich in het Spaansch tot den aanvoerder.

„Ik weiger te vechten met dezen man. Hij is jonger dan ik en beter bij
adem. Bovendien is de zaak niet wettig. Het is niet overeenkomstig de
wetten der Republiek Panama. Het is extra-territoriaal en volslagen
onwettig.”

„Het is Slang en Vogel,” ontnam de aanvoerder hem het woord. „Gij zult
de Slang zijn. Dit geweer krijg je in handen. De andere man zal de
Vogel zijn. In zijn hand wordt de bel gegeven. Zie je! Op deze wijze
moet je het godsgericht ondergaan.”

Op zijn bevel, werd een der roovers het geweer in handen gegeven en
geblinddoekt. Een andere, niet geblinddoekte roover, kreeg een zilveren
bel.

„De man met het geweer is de Slang,” zei de aanvoerder. „Hij mag één
schot lossen op den Vogel, die de bel draagt.”

Op het teeken om te beginnen, liet de bandiet met de bel, deze op
armslengte van zich afhoudend, rinkelen en sprong snel terzijde. De man
met het geweer richtte dit, alsof hij wilde schieten, op de plek, die
juist verlaten was en deed alsof hij schoot.

„Begrepen?” vroeg de aanvoerder aan Henry en den Chef.

De eerste knikte, maar de laatste riep juichend uit:

„En ik ben de Slang?”

„Gij zijt de Slang,” bevestigde de aanvoerder.

En de Chef greep gretig naar het geweer, niet langer protesteerend
tegen het extra-territoriale van het geval.

„Zal je een poging doen om me te raken?” waarschuwde Henry den Chef.

„Neen, Senor Morgan. Ik zal geen poging doen, maar ik zal je raken. Ik
ben een der twee beste schutters van Panama. Ik bezit meer dan veertig
medailles. Ik kan schieten met gesloten oogen. Ik kan in het duister
schieten. Ik heb dikwijls, en met goed gevolg, in het duister
geschoten. Je kunt je nu al gerust als dood beschouwen.”

Slechts één kogel werd op het geweer gedaan, vóór het aan den Chef
overhandigd werd, nadat deze geblinddoekt was. Vervolgens, nadat Henry,
uitgerust met de verraderlijke bel, aan de overzijde van de kuil
geplaatst was werd de Chef met het aangezicht naar den muur gekeerd,
waarna de roovers uit den kuil klommen en den ladder optrokken. Van
boven sprak de aanvoerder tegen hen:

„Luister goed, Senor Slang, en verroer je niet vóór je alles gehoord
hebt. De Slang mag maar één schot doen. De Slang mag zijn blinddoek
niet aanraken. Als hij dit wel doet, is het onze plicht te zorgen, dat
hij onmiddellijk gedood wordt. De Slang is aan geen tijd gebonden. Hij
kan den geheelen dag wachten en den geheelen nacht, en de geheele
eeuwigheid, eer hij het schot lost. Wat den Vogel betreft, deze heeft
slechts te zorgen, dat de bel in zijn hand blijft, en moet de klepel
altijd met volle kracht tegen den wand der bel slaan. Wanneer hij dit
niet doet, moet hij onmiddellijk sterven. Wij staan hier boven u,
senors, met het geweer in de hand om toe te zien, dat gij onmiddellijk
sterft, wanneer gij de voorschriften overtreedt. En nu, moge God den
onschuldige nabij zijn, vooruit!”

De Chef keerde zich langzaam om en luisterde, terwijl Henry, behoedzaam
een poging doende om de bel in beweging te brengen, deze deed rinkelen.
Het geweer werd met groote snelheid op het geluid gericht en volgde
dit, terwijl Henry voortrende. Met een snelle beweging greep hij de bel
in zijn andere uitgestrekte hand en rende terug in de tegenovergestelde
richting, terwijl het geweer hem onverbiddelijk volgde. Maar de Chef
was te slim om alles op één twijfelachtig schot te zetten en naderde
langzaam door de arena. Henry stond stil en de bel gaf geen geluid. Het
oor van den Chef had zoo juist de plaats van het laatste zilveren
gerinkel vastgesteld en, ondanks zijn blinddoek, liep hij er zoo
regelrecht op aan, dat hij precies ter rechterzijde van Henry en vlak
voor de bel kwam te staan. Zeer voorzichtig, om geen leven te maken,
hief Henry langzaam zijn arm op, zoodat het hoofd van den Chef, met een
tusschenruimte van nauwelijks één duim, er onder door ging.

Met geveld geweer en nauwelijks een voet van den muur verwijderd, bleef
de Chef besluiteloos staan, luisterde een oogenblik tevergeefs en deed
toen nog een stap, waardoor de loop van het geweer in contact kwam met
den muur. Hij draaide zich op zijn hielen om en voelde, nog altijd het
geweer geveld houdend, als een blinde in de lucht om zijn vijand te
zoeken. De loop zou tegen Henry aangedrukt zijn, wanneer hij niet
onstuimig en in een zigzag-richting was weggesprongen.

Midden in den kuil bleef hij stokstijf staan. De Chef liep op een meter
afstand langs hem heen en botste tegen den tegenovergestelden muur. Hij
liep langs den muur, zachtjes voortsluipend als een kat, terwijl zijn
geweer aldoor in de lucht gericht was. Vervolgens waagde hij het om den
kuil over te steken. Na een aantal malen aldus overgestoken te zijn,
waarbij de stilstaande bel hem geen enkele aanwijzing aan de hand deed,
beproefde hij het op een slimme manier. Zijn hoed op den grond gooiend
om zijn uitgangspunt aan te wijzen, stak hij den kuil vlak bij den wand
in rechte lijn over, deed een stap terzijde en begon den terugtocht
langs deze nieuwe en langere lijn. Weer bij den muur gekomen, stelde
hij vast, dat deze beide lijnen zuiver parallel liepen, door een stap
terug te doen naar zijn hoed. Ditmaal deed hij van den hoed drie passen
langs den muur en begon hier de derde lijn.

Zoo doorkruiste hij den heelen kuil en Henry zag, dat hij niet hieraan
zou kunnen ontsnappen. Evenmin wachtte hij af, dat hij ontdekt werd. De
bel rinkelend terwijl hij wegrende en zigzagsgewijze voortgaande en de
bel van de eene hand in de andere nemend, bleef hij op een andere plek
weer onbeweeglijk staan.

De Chef herhaalde zijn bewerkelijke onderzoekingstocht, maar Henry
verkoos om een einde te maken aan de spanning. Hij wachtte, tot de
laatste lijn van den Chef dezen vlak bij hem bracht. Hij wachtte, tot
de loop van het geweer, op borsthoogte, nog een duim of zes van zijn
hart verwijderd was. Toen maakte hij bliksemsnel twee gelijktijdige
bewegingen. Hij dook onder het geweer en schreeuwde met stentorstem het
bevel: „Vuur!”

Hierdoor verschrikt, haalde de Chef den trekker over en de kogel vloog
over Henry’s hoofd heen. Uit de hoogte kwam een daverend applaus van
de, in paklinnen gekleede, mannen. De Chef rukte zijn blinddoek af en
zag het glimlachend gelaat van zijn tegenstander.

„Het is goed—God heeft gesproken,” verkondigde de, in paklinnen
gekleede, aanvoerder, toen hij in den kuil afdaalde. „De ongedeerde man
is onschuldig. Blijft nog over om den anderen man de proef te doen
ondergaan.”

„Ik?” gilde de Chef bijna, in zijn verrassing en ontzetting.

„Gegroet, Chef,” grinnikte Henry. „Je hebt een poging gedaan om me te
raken. Nu is het mijn beurt. Geef hier dat geweer.”

Maar de Chef, in zijn teleurstelling en woede vergetend, dat er maar
één kogel op het geweer geweest was, drukte met een vloek den loop
tegen Henry’s hart en haalde den trekker over. De haan sloeg met harden
slag dicht.

„Het is goed,” sprak de aanvoerder, het geweer wegnemend en weer
ladend. „Uw gedrag zal gerapporteerd worden. Nu blijft de proef voor u
over, maar toch schijnt het, dat gij niet handelt als Gods uitverkoren
man.”

Als een in het nauw gedrongen stier in de arena naar een uitweg zoekend
om te ontsnappen en omhoog kijkend naar den kring meedoogenlooze
gezichten, evenzoo keek de Chef omhoog en zag niets dan de geweren der,
in paklinnen gekleede, mannen, de triomfeerende gezichten van Leoncia
en Francis, de verwonderde blikken van zijn eigen gendarmes en de
bloeddorstige gezichten der haciendados, die volkomen geleken op de
gezichten der toeschouwers bij een stierengevecht.

De nauwelijks zichtbare glimlach vloog weer over de strenge lippen van
den aanvoerder, toen hij Henry het geweer overhandigde en hem
blinddoekte.

„Waarom draai je hem niet met het gezicht naar den muur, tot ik klaar
ben?” vroeg de Chef, toen de zilveren bel rinkelde in zijn
zenuwachtig-trekkende hand.

„Omdat het gebleken is, dat hij Gods uitverkorene is,” was het
antwoord. „Hij heeft de proef doorstaan. Daarom kan hij geen
verraderlijke handeling begaan. Nu moet gij het godsgericht ondergaan.
Wanneer je eerlijk en oprecht bent, kan de Slang je geen kwaad doen.
Alzoo zijn Gods wegen.”

De Chef bewees veel handiger te zijn als jager, dan als wild. Aan de
overzijde van Henry in den kuil staande, deed hij zijn best om
onbeweeglijk te blijven; maar door zijn zenuwachtigheid trilde zijn
hand en rinkelde de bel, toen Henry’s geweer op hem gericht werd.
Onmiddellijk kwam het geweer tot stilstand en richtte zich dreigend op
het geluid. Tevergeefs trachtte de Chef zijn zenuwachtigheid meester te
worden en de bel stil te houden. Maar de bel rinkelde voort en, in
wanhoop, slingerde hij haar weg en wierp zich op den grond. Maar Henry
liet, op het geluid van den val van zijn vijand afgaande, het geweer
zakken en haalde den trekker over. De Chef gilde van pijn toen de kogel
zijn schouder doorboorde, sprong vloekend overeind, viel spartelend
terug op den grond en bleef vloekend liggen.



Weer in het hol teruggekeerd, sprak de Blinde Rechter het oordeel uit,
terwijl de mestiza aan zijn voeten naast hem zat.

„Deze man, die gewond is en zijn mond vol heeft over de wet van de
tierra caliente, zal nu kennis maken met de wet van de Cordilleras. De
proef van de Slang en de Vogel heeft bewezen, dat hij schuldig is. Om
zich te redden, moet hij een losgeld van tienduizend dollars aan
goudgeld betalen of anders blijft hij hier, als houthakker en
waterdrager, voor de overige levensdagen, die God hem hier op aarde
schenkt. Ik heb gezegd, en ik weet, dat mijn stem Gods stem is, en ik
weet, dat God hem niet veel levensdagen meer zal schenken, wanneer het
losgeld niet betaald wordt.”

Er heerschte een langdurige stilte, waarin zelfs Henry, die in de hitte
van den strijd best een tegenstander kon neervellen, vond, dat zoo’n
koelbloedige belofte van een spoedigen dood hem tegen de borst stuitte.

„De wet is meedoogenloos,” sprak de Wreede Rechtvaardige; en weer
heerschte er zwijgen.

„Laat hem sterven, bij gebrek aan een losgeld,” sprak een der
haciendados. „Hij heeft zich laten kennen als een verraderlijken hond.
Laat hem als een hond sterven.”

„Wat zeg jij ervan?” vroeg de Blinde Roover plechtig. „Wat zeg jij
ervan, inlander van vele slagen, die dezen dag als man herboren werd,
halfbloed-Maya, die je bent en minnaar der schoone vrouw. Zal deze man
sterven als een hond, bij gebrek aan een losgeld?”

„Deze man is een hardvochtig mensch,” sprak de inlander. „Toch is mijn
hart dezen dag wonderlijk zacht gestemd. Wanneer ik tienduizend dollars
goudgeld bezat, zou ik zelf zijn losgeld betalen. Ja, o Heilige en
Rechtvaardige, en wanneer ik tweehonderdvijftig pesos bezat, zou ik
zelfs mijn schuld betalen aan den haciendado, van wien ik vrijgemaakt
ben.”

Het blinde gelaat van den ouden man straalde als verheerlijkt.

„Uit u spreekt dezen dag ook Gods stem, herboren mensch,” prees hij.

Maar Francis, die snel iets in zijn chèque-boek gekrabbeld had,
overhandigde aan de mestiza een chèque, waarvan de inkt nog nat was.

„Ik wil ook spreken,” zei hij. „Laat de man niet sterven als een hond,
zooals hij verdient, nadat hij bewezen heeft, welk een verraderlijke
hond hij is.”

De mestiza las de chèque hardop voor.

„Gij hoeft het niet nader te verklaren,” legde de Blinde Roover Francis
het zwijgen op. „Ik ben een redelijk wezen en heb niet altijd in de
Cordilleras gewoond. Ik heb veel zaken gedaan in Barcelona. Ik ken de
Chemical National Bank in New-York en heb er door mijn agenten al meer
zaken gedaan. De chèque is goed voor tienduizend dollars goudgeld. De
man, die haar schreef, heeft vandaag waarheid gesproken. De chèque is
goed. Bovendien weet ik, dat hij de betaling niet zal beletten. De man,
die aldus het losgeld van een tegenstander betaalt is een der drie
dingen: een zeer goed man; een dwaas; of een zeer rijk man. Zeg mij, o
Man, is er ook een schoone vrouw?”

En Francis, die niet rechts of links durfde kijken, naar Leoncia of
Henry, maar die recht voor zich uit den Blinden Roover in de oogen
keek, antwoordde, omdat hij voelde, dat hij zoo moest antwoorden:

„Ja, o Wreede Rechtvaardige, er is een schoone vrouw.”








HOOFDSTUK XII.


Precies op de plek, waar ze de eerste maal geblinddoekt werden door de,
in paklinnen gekleede, mannen, hield de stoet stil. Deze bestond uit
een aantal der, in paklinnen gekleede, mannen: Leoncia, Henry en
Francis, die geblinddoekt en op muilezels gezeten waren; en uit den
inlander, die eveneens geblinddoekt was, maar die liep. Onder een
dergelijk geleide, waren de haciendados, de Chef van Politie en Torres
met hun gendarmes, hun een half uur geleden voorafgegaan.

Met toestemming van den gestrengen aanvoerder, schoven de gevangenen,
die op het punt stonden om vrijgelaten te worden, hun blinddoeken
terug.

„Ik geloof, dat ik hier meer geweest ben,” lachte Henry, in het rond
kijkend en vaststellend, waar hij was.

„Ik geloof, dat de olie-bronnen nog altijd in brand staan,” zei
Francis, wijzend op het landschap, dat half verdwenen was in het zwarte
wolkenfloers. „Slaaf, zie het werk van je handen. Voor een man, die
geen cent bezit, ben je wel de grootste verkwister dien ik ooit gezien
heb. Ik heb wel eens gehoord van dronken olie-koningen, die hun sigaren
aanstaken met bankbiljetten van duizend dollar, maar jij doet per
minuut een millioen dollars in rook opgaan.”

„Ik ben niet arm,” snoefde de inlander, trots en geheimzinnig.

„Een vermomde millionnair!” spotte Henry.

„Waar heb je een deposito?” voegde Leoncia er aan toe. „In de Chemical
National Bank?”

De inlander begreep deze zinspelingen niet, maar wist, dat men hem voor
den gek hield en verzonk in een hooghartig stilzwijgen.

De strenge aanvoerder sprak:

„Van hier af, kunt gij uw eigen weg gaan. Zoo heeft de Rechtvaardige
bevolen. Gij, senors, moet afstijgen en uw muildieren teruggeven. Wat
de senorita betreft, die mag haar muildier behouden als een geschenk
van den Rechtvaardige, die niet gaarne de aanleidende oorzaak zou zijn,
dat een senorita moest loopen. De twee senors kunnen best loopen. De
Rechtvaardige heeft met nadruk bevolen, dat de rijke senor zou loopen.
Het bezit van rijkdommen, oordeelde hij, is oorzaak, dat een mensch te
weinig loopt. Te weinig loopen maakt dik en dikheid is een hinderpaal
op den weg naar de schoone vrouw. Aldus oordeelt de wijze
Rechtvaardige.

„Verder, herhaalt hij zijn raadgeving aan den inlander, om in de bergen
te blijven. In de bergen zal hij zijn schoone vrouw vinden, omdat hij
een vrouw moet hebben; en het is het beste, wanneer deze vrouw van zijn
eigen ras is. De vrouwen van de tierra caliente zijn voor de mannen van
de tierra caliente. De Cordilleras-vrouwen voor de Cordilleras-mannen.
God houdt niet van gemengde rassen. Een muildier is een weerzinwekkend
iets. De wereld is niet bestemd voor gemengde rassen, maar de mensch
zelf heeft van allerlei verzonnen. Zuivere rassen, die zich met
elkander kruisen, brengen onzuivere voort. Olie en water zullen zich
nooit met elkander vermengen. Soort zoekt soort en daarom moesten
alleen soortgenooten elkander huwen. Dit zijn de woorden van den
Rechtvaardige, die ik herhaald heb, zooals mij bevolen werd. En hij
heeft mij op het hart gedrukt er bij te voegen, dat hij weet, wat hij
zegt, omdat hij ook op dezelfde wijze gezondigd heeft.”

En Henry en Francis, van Angel-Saksisch ras en Leoncia van het
Latijnsche, waren verslagen en verrast, toen het oordeel van den
Blinden Roover tot hen doordrong. En Leoncia met haar bekoorlijke
vrouwenoogen, zou protest aangeteekend hebben tegen beide mannen, die
zij liefhad, wanneer de andere er maar niet bij geweest was; terwijl
zoowel Henry als Francis tegen Leoncia geprotesteerd zou hebben,
wanneer hij alleen met haar was geweest. En toch sluimerde diep in hun
hart het geheimzinnige gevoel, dat de gedachten van den Blinden Roover
juist waren. En op ieders hart drukte zwaar de last van zondegevoel.

Gekraak en beweging in het kreupelhout leidde hun gedachten af, toen ze
op de helling van het ravijn, op wanhopig slippende en glijdende
paarden, de haciendado met verscheidene volgelingen op het tooneel
zagen verschijnen. Hij begroette de dochter der Solanos op
hidalgo-manier, diep buigend en met niet minder hartelijkheid de beide
mannen, waarvoor Enrico Solano borg gesproken had.

„Waar is uw edele vader?” vroeg hij aan Leoncia. „Ik heb goed nieuws
voor hem. In de week, nadat ik u het laatst zag, heb ik zware koorts
gehad en moest kampeeren. Maar door snelle boodschappers en gunstigen
wind over Chiriqui-Lagune naar Bocas del Toro, heb ik gebruik gemaakt
van de Rijks draadlooze—de Chef van Bocas del Toro is mijn vriend—en
verbinding gekregen met den President van Panama—die mijn vroegere
kameraad is en wiens neus ik even dikwijls door den modder gewreven heb
als hij het den mijnen deed in onze jongensjaren, toen we
schoolkameraden waren in Colon. En de boodschap is teruggekomen, dat
alles in orde is; dat de gerechtigheid in het gerechtshof van San
Antonio geweld is aangedaan door de al te groote, maar toch
prijzenswaardige ijver van den Chef van Politie; en dat alles is
vergeven en voor altijd vergeten, wat betreft de achtenswaardige
familie Solano en hun twee achtenswaardige Gringo-vrienden...”

Bij deze woorden boog de haciendado diep voor Henry en Francis. En,
achter Leoncia’s oom staande, vielen zijn oogen toevallig op den
inlander, en begonnen te schitteren van triomf.

„Moeder Gods, gij hebt mij niet verlaten!” riep hij hartstochtelijk uit
en keerde zich toen tot zijn talrijke vrienden, die hem vergezelden.
„Daar heb je hem, dat schepsel zonder redelijkheid of schaamte, die
zijn verplichtingen jegens mij ontvlucht is. Grijpt hem! Ik zal zorgen,
dat hij een maand op zijn rug blijft liggen door het pak slaag, dat hem
wacht!”

Dit zeggend, sprong de haciendado langs Leoncia’s muildier heen; en de
inlander, die onder den kop van het dier door dook, zou de bevrijdende
jungle bereikt nebben, wanneer niet een andere haciendado snel zijn
paard de sporen gegeven, hem den weg afgesneden en tegen den grond
gereden had. In een oogwenk hadden de haciendados, die aan dergelijk
werk gewoon waren, den ongelukkigen kerel overeind gezet, zijn handen
op zijn rug gebonden en een touw om zijn hals gedaan.

Francis en Henry protesteerden als uit één mond.

„Senors,” antwoordde de haciendado, „mijn achting en welwillendheid
jegens u en den wensch u van dienst te zijn, zijn even groot als voor
de achtenswaardige familie Solano, onder wier bescherming gij staat. Uw
veiligheid en gemak zijn mij heilig. Met mijn leven zal ik u voor
onheil bewaren. Gij hebt slechts over mij te bevelen. Mijn haciënda is
de uwe, met al wat ik bezit. Maar de aangelegenheid van dezen inlander
is iets geheel anders. Hij heeft niets met u te maken. Het is mijn
inlander; hij staat bij mij in de schuld; hij is weggeloopen van mijn
haciënda. Gij zult het begrijpen en mij vergeven, naar ik vertrouw. Dit
is alleen een kwestie van eigendom. Hij is mijn eigendom.”

Henry en Francis keken elkander in stomme verbazing en besluiteloosheid
aan. Het was de wet van het land, zooals zij zeer goed wisten.

„De Wreede Gerechtigheid heeft mij mijn schuld kwijtgescholden, zooals
iedereen hier kan getuigen,” fluisterde de inlander.

„Dat is waar, de Wreede Gerechtigheid heeft hem zijn schuld
kwijtgescholden,” bevestigde Leoncia.

De haciendado glimlachte en boog diep.

„Maar de inlander heeft met mij een contract gesloten,” zei hij
glimlachend. „En wie is de Blinde Roover, dat zijn onzinnige wet op
mijn plantage van kracht zal zijn en mij zal berooven van de, mij
rechtens toekomende, tweehonderd vijftig pesos?”

„Hij heeft gelijk, Leoncia,” stemde Henry toe.

„Dan wil ik terugkeeren naar de Cordilleras,” verzekerde de inlander.
„O, dienaren der Wreede Gerechtigheid, breng mij terug naar de
Cordilleras.”

Maar de gestrenge aanvoerder schudde het hoofd.

„Hier werd gij vrijgelaten. Verder reiken onze orders niet. Wij hebben
verder niets over je te zeggen. Wij zullen nu afscheid nemen en
vertrekken.”

„Halt!” riep Francis, zijn chèque-boek te voorschijn halend en begon te
schrijven. „Wacht een oogenblik. Ik moet dezen inlander vrijkoopen. En
dan heb ik, voor jelui vertrekken, je nog een gunst te vragen.”

Hij gaf de chèque aan den haciendado, zeggende:

„Ik heb er tien pesos bijgevoegd voor de ruil.”

De haciendado wierp een blik op de chèque, stak deze in zijn zak en
legde het eind van het touw, dat om den hals van het ongelukkige
schepsel gebonden was, in Francis’ hand.

„De inlander is nu uw eigendom,” zei hij.

Francis keek naar het touw en lachte.

„Kijk eens aan! Nu ben ik eigenaar van een mensch. Slaaf, je bent de
mijne, mijn eigendom, begrijp je?”

„Ja, senor,” mompelde de inlander onderdanig. „Het schijnt, dat ik voor
altijd afstand deed van mijn vrijheid, toen ik dol verliefd werd op die
vrouw, en het Gods wil is, dat ik voortaan altijd het eigendom van den
een of den ander zal blijven. De Wreede Rechtvaardige heeft gelijk. Dat
is Gods straf, omdat ik een vrouw verkoos, die niet van mijn ras was.”

„Gij hebt jezelf tot slaaf gemaakt voor iets, wat de wereld altijd als
het beste goed beschouwde, voor een vrouw,” merkte Francis op, de
banden doorsnijdend, waarmee de handen van den inlander gebonden waren.
„En daarom geef ik je aan jezelf ten geschenke.” Dit zeggende, legde
hij het hals-touw in de hand van den inlander. „Voortaan zult gij uw
eigen leidsman zijn en leg dat touw niet weer in eens anders hand.”

Terwijl dit alles plaatsgreep, had een magere, oude man zich, te voet,
ongemerkt, bij het gezelschap gevoegd. Het was een
volbloed-Maya-Indiaan, met ribben, die zich duidelijk zichtbaar onder
de perkamentachtige huid afteekenden. Niets dan een lendendoek bedekte
zijn naaktheid. Zijn ongekamd haar hing in vuil-grijze strengen om zijn
gelaat, welks wangbeenderen uitstaken en dat spookachtig mager was.
Spierbundels vormden zijn kuiten en biceps. Een paar alleenstaande
brokstukken van tanden waren zichtbaar tusschen zijn verwelkte lippen.
Diepe holten vertoonden zich onder zijn wangbeenderen. Maar zijn
gitzwarte oogen, die diep weggezonken waren in hun kassen, gloeiden als
van een koortslijder.

Als een aal gleed hij door den kring heen en sloot den inlander in zijn
broodmagere armen.

„Het is mijn vader,” verklaarde deze trotsch. „Kijk hem maar eens aan.
Hij is een volbloed-Maya en hij kent de geheimen der Mayas.”

En terwijl de beiden hereenigden elkander eindelooze uitleggingen
gaven, verzocht Francis aan den, in paklinnen gekleede, aanvoerder, om
Enrico Solano en zijn beide zoons op te zoeken, die ergens in de bergen
ronddwaalden en hen te zeggen, dat zij vrij waren van alle wettelijke
vorderingen en om naar huis terug te keeren.

„Zij hebben geen kwaad gedaan?” vroeg de aanvoerder.

„Neen; zij hebben geen kwaad gedaan,” verzekerde Francis hem.

„Dan is het goed. Ik beloof u, dat we hen onmiddellijk zullen opsporen,
want wij weten in welke richting zij gegaan zijn en ze naar de kust
zullen zenden, om zich daar bij u te voegen.”

„En ondertusschen zult gij mijn gasten zijn, terwijl gij op hen wacht,”
noodigde de haciendado hen gretig uit. „Er ligt een schoener voor anker
in Juchitan-Baai vlak bij mijn plantage, met bestemming naar San
Antonio. Ik kan haar laten wachten tot de edele Enrico en zijn zoons
terugkeeren uit de Cordilleras.”

„En Francis zal natuurlijk voor de schadevergoeding zorgen,” merkte
Henry een beetje stekelig op, wat Leoncia dadelijk opviel, ofschoon
Francis het niet merkte en vroolijk uitriep:

„Natuurlijk zal ik dat. En het staaft mijn bewering, dat een
chèque-boek overal goed te pas komt.”

Toen zij de, in paklinnen gekleede, mannen verlaten hadden, volgden de
inlander en zijn Indiaansche vader, tot hun verwondering, de Morgans en
reisden door de brandende olievelden naar de plantage, die het tooneel
geweest was van de slavernij van den inlander. Beiden, vader en zoon,
waren onuitputtelijk in hun toewijding, in de eerste plaats aan Francis
en vervolgens aan Leoncia en Henry. Meer dan eens merkten zij op, dat
vader en zoon een lang en ernstig gesprek voerden en, nadat Enrico en
zijn zoons aangekomen waren en het gezelschap naar het strand ging om
zich in te schepen op den wachtenden schoener, volgden de inlander en
zijn Maya-vader eveneens. Francis wilde op den oever afscheid van hen
nemen, maar de inlander zei, dat zij met hun beiden zich ook op den
schoener zouden inschepen.

„Ik heb u al gezegd, dat ik niet arm was,” verklaarde de inlander,
nadat zij het gezelschap meegetroond hadden, buiten het gehoor der
wachtende matrozen. „En dit is waar. De geheime schat der Mayas, die de
conquistadores en de priesters der Inquisitie nimmer hebben kunnen
vinden, berust onder mijn hoede. Of, om juister te zijn, onder de hoede
van mijn vader. Hij is de nakomeling, in de rechte lijn, van den
vroegeren hoogepriester der Mayas. Hij is de laatste hoogepriester. Hij
en ik hebben de zaak lang en breed besproken. En wij zijn tot het
besluit gekomen, dat rijkdommen niet te vergelijken zijn met het leven.
Gij hebt mij gekocht voor tweehonderd vijftig pesos en toch hebt gij
mij vrijgelaten, mij aan mijzelf teruggegeven. Het geschenk van een
menschenleven is meer waard dan alle schatten der wereld. Tot dit
besluit zijn wij gekomen, mijn vader en ik. En daarom, daar het de
gewoonte is der Gringos en Spanjaarden om naar rijkdom te verlangen,
zullen wij, mijn vader en ik, u bij de Maya-schat brengen, want mijn
vader kent den weg. En de weg door de bergen begint te San Antonio en
niet te Juchitan.”

„Weet je vader waar de schat ligt?—de juiste plek?” vroeg Henry,
terwijl hij Francis terzijde nam om hem te zeggen, dat juist deze
Maya-schat hem er toe gebracht had om het onderzoek naar het Morgans
goud op het Kalf op te geven en naar het vasteland te gaan.

De inlander schudde het hoofd.

„Mijn vader is er nooit geweest. Hij had er geen belang bij, daar hij
voor zich zelf geen rijkdom verlangde. Vader, laat het verhaal eens
zien, dat geschreven is in onze vroegere taal en dat alleen gij, onder
de nog levende Mayas, kunt lezen.”

Uit zijn lendedoek haalde de oude man een smerig en verkreukeld zakje
van canvas. Hieruit haalde hij iets te voorschijn, dat er uitzag als
een verward kluwen koord met knoopen erin. Maar de koorden waren
gestrengeld van de een of andere vezelachtige boomschors en zóó oud,
dat ze tot poeder dreigden te vergaan, wanneer men ze aanpakte, terwijl
de aanraking en betasting van zijn vingers een fijn poeder deed
opstuiven. Fluisterend en gebeden mompelend in de vroegere Maya-taal,
hield hij het geknoopte kluwen omhoog en boog, eerbiedig, eer hij het
losschudde.

„Het knoopenschrift, de verloren gegane geschreven taal der Mayas,”
fluisterde Henry zachtjes. „Dat is echt, als die ouwe ezelskop nu maar
niet vergeten heeft, hoe het gelezen moet worden.”

Alle hoofden werden er nieuwsgierig over heen gebogen, toen het aan
Francis overhandigd werd. Het had den vorm van een ruw gemaakte kwast,
samengesteld uit een menigte dunne, lange koorden. Niet alleen waren de
knoopen en verschillende soorten van knoopen, met onregelmatige
tusschenruimten in de koorden gelegd, maar de koorden zelf waren van
verschillende lengte en dikte. Hij liet ze door de vingers glijden,
onderwijl mompelend en fluisterend.

„Hij leest!” riep de inlander triomfantelijk. „Onze heele vroegere taal
staat in deze knoopen geschreven en hij leest haar, zooals een ander
mensch een boek leest.”

Zich meer vooroverbuigend om beter te kunnen zien, raakte het haar van
Francis dat van Leoncia aan en, onder den invloed van het onmiddellijk
verbroken contact, keken zij elkander aan, welke blik hen voor de
tweede maal een schok gaf. Maar Henry, die een en al oplettendheid was,
merkte dit niet. Hij had enkel oogen voor de geheimzinnige kwast.

„Wat zeg jij ervan, Francis?” fluisterde hij. „’t Is buitengewoon! ’t
Is buitengewoon!”

„Maar New-York begint te roepen,” aarzelde Francis. „O, niet de
bewoners of de vermakelijkheden, maar de zaken,” voegde hij er haastig
bij, toen hij Leoncia’s onuitgesproken verwijt voelde. „Vergeet niet,
dat ik geïnteresseerd ben in Tampico-Petroleum en de Beurs, en ik mag
er niet aan denken, hoeveel millioenen er op het spel staan.”

„Kom vooruit!” riep Henry. „De Maya-schat, al is die maar een tiende
van hetgeen beweert wordt, kan gerust in drieën gedeeld worden tusschen
Enrico, jou en mij en zal ons ieder dan nog rijker maken, dan je nu op
het oogenblik bent.”

Francis was nog altijd besluiteloos en, terwijl Enrico uitwijdde over
het bestaan van den schat, slaagde Leoncia er in om Francis zachtjes in
het oor te fluisteren:

„Ben je al zoo gauw moe van... van het zoeken naar een schat?”

Hij keek haar scherp aan en toen naar haar verlovingsring, terwijl hij
op denzelfden zachten toon antwoordde:

„Hoe kan ik langer in dit land blijven, terwijl ik je zoo liefheb, en
jij Henry bemint?”

Het was de eerste maal, dat hij haar openlijk zijn liefde bekende en
Leoncia voelde een snelle opwelling van vreugde, gevolgd door een niet
minder snelle opwelling van diepe schaamte, dat zij, een vrouw, die
zich zelf altijd als goed had beschouwd, tegelijkertijd twee mannen kon
liefhebben. Zij keek Henry aan, alsof zij haar hart op de proef wilde
stellen en haar hart zei: Ja. Zij beminde Henry even oprecht als zij
Francis beminde en deze aandoening scheen dezelfde, waar het tweetal
eender was, anders, waar deze verschilden.

„Ik vrees, dat ik in verbinding moet zien te komen met de Angélique,
die waarschijnlijk te Bocas del Toro zal zijn en afreizen,” zei Francis
tegen Henry. „Gij en Enrico kunt den schat gaan zoeken en samen
deelen.”

Maar de inlander, die dit verstaan had, begon een opgewonden gesprek
met zijn vader en vervolgens met Henry.

„Je hoort, wat hij zegt, Francis,” sprak de laatste, de heilige kwast
omhoog houdend. „Je moet meegaan. Hij is jou dankbaar voor zijn zoon.
Hij schenkt den schat niet aan ons, maar aan jou. En als je niet
meegaat, leest hij geen knoop van het schrift.”

Maar het was Leoncia, die Francis met een kalmen, verlangenden en
smeekenden blik aankeek, alsof zij wilde zeggen: „Doe het om
mijnentwil,” die de aanleidende oorzaak was, dat Francis van besluit
veranderde.








HOOFDSTUK XIII.


Een week later vertrokken drie verschillende expedities op denzelfden
dag uit San Antonio naar de Cordilleras. De eerste, op muildieren
gezeten, bestond uit Henry, Francis, den inlander en zijn ouden vader
en verscheidene knechts van Solano, die ieder een lastdier aan den
teugel leidden, beladen met provisie en benoodigdheden. De oude Enrico
Solano werd op het laatste oogenblik verhinderd om van de partij te
zijn door het opengaan van een oude wond, die hij opgeloopen had in de
revolutionnaire gevechten in zijn jonge jaren. De cavalcade volgde de
hoofdstraat van San Antonio, langs de gevangenis, waarvan Francis den
muur met dynamiet had laten springen en die nu nog langzaam hersteld
werd door de gevangenen van den Chef. Torres, die door de straat
slenterde, met het laatste telegram van Regan in zijn zak, zag met
verwondering de uittocht der Morgans.

„Waarheen, senors?” riep hij.

Zoo spontaan alsof ze het afgesproken hadden, wees Francis naar de
lucht, Henry regelrecht naar beneden naar de aarde, de inlander naar
rechts en zijn vader naar links. De vloek, waarmee Torres deze
onbeleefdheid beantwoordde, deed allen in lachen uitbarsten, waarin,
onder het voortrijden, ook de knechts bij de muildieren instemden.

Later in den morgen, in het siesta-uur, terwijl de heele stad sliep,
werd Torres voor de tweede maal verrast. Ditmaal werd dit veroorzaakt
door het zien van Leoncia en haar jongsten broeder, Ricardo, die, op
muildieren gezeten, een derde muildier aan den teugel meevoerden, dat
blijkbaar beladen was met een kampeeruitrusting.

De derde expeditie was die van Torres zelf, niet meer of minder
armzalig dan die van Leoncia, want ze bestond alleen uit hem zelf en
nog één persoon, José Mancheno, een berucht moordenaar, die Torres, om
bijzondere redenen, gered had van de gieren te San Juan. Maar Torres’
plannen waren, wat deze expeditie betreft, veel omvangrijker, dan ze
leken. Niet ver weg op de hellingen der Cordilleras woonde de
eigenaardige stam der Caroos. Oorspronkelijk gesticht door weggeloopen
negerslaven van Afrika en Carib-slaven van de Mosquito-Kust, hadden de
afvalligen zich vereenigd met gestolen vrouwen der tierra caliente en
met vrouwelijke slaven, die ontvlucht waren evenals zij zelf. Tusschen
de verderop wonende Mayas en het Gouvernement langs de kust, had deze
eigenaardige kolonie een gedeeltelijke onafhankelijkheid weten te
bewaren. In later dagen vermeerderd met ontvluchte Spaansche
gevangenen, waren de Caroos een mengelmoes geworden van rassen en
verheugden zich in zoo’n slechten naam en faam, dat de toenmalige
regeering van Columbia, ware zij niet zoozeer in beslag genomen door
haar eigen politieke aangelegenheden, beslist troepen uitgezonden zou
hebben, om het pesthol te vernietigen. En in dit pesthol der Caroos was
José Mancheno geboren uit een Spaansche moordenaar-vader en een
mestiza-moordenares-moeder. En naar dit pesthol leidde José Mancheno
Torres, opdat de bevelen van Thomas Regan uit Wall Street ten uitvoer
gebracht zouden worden.



„’t Is een geluk, dat we hem nog gevonden hebben,” zei Francis tegen
Henry, toen ze achter den laatsten Maya-priester aanreden.

„Hij is erg oud,” antwoordde Henry. „Kijk maar eens naar hem.”

De oude man, die voorop reed, haalde gedurig de heilige kwast te
voorschijn en liet deze, mompelend en fluisterend, door zijn vingers
glijden.

„Ik hoop, dat de ouwe heer het volhoudt,” was Henry’s vurige wensch.
„Men zou denken, dat hij de aanwijzingen eens zou lezen en ze wel een
poosje onthouden, inplaats van ze voortdurend te herkauwen.”

Zij kwamen uit de jungle op een open plek, die er uitzag, alsof de
mensch den een of anderen tijd de jungle weggehakt en teruggedrongen
had. Verderop bood deze open plek uitzicht op den berg, genaamd Blanco
Rovalo, die zich hoog in de zonnige lucht verhief. De oude Maya hield
zijn muildier in, voelde langs verschillende koorden uit de kwast, wees
op den berg en sprak in gebroken Spaansch:

„Er staat geschreven: Wacht in de voetstappen van den God, tot de oogen
van Chia beginnen te schitteren.”

Hij wees bepaalde knoopen van een bepaald koord aan als de bron van
deze inlichting.

„Waar zijn de voetstappen, oude priester?” vroeg Henry, om zich heen
ziende naar de ongerepte graszoden.

Maar de oude man zette zijn muildier aan, met zijn bloote hielen het
dier in de ribben porrend, joeg het voort over de open plek en verderop
de jungle in.

„Hij is net een hond, die iets op het spoor is en het ziet er naar uit
of het spoor warm wordt,” merkte Francis op.

Na een halve mijl afgelegd te hebben, toen de jungle overging in
grasland op sterk stijgende hellingen, dwong de oude man zijn muildier
om te galoppeeren, wat hij volhield tot hij een natuurlijke verdieping
in den grond bereikte. Drie voet of meer diep, ruim genoeg om met gemak
een dozijn personen te bevatten, vertoonde de vorm een treffende
gelijkenis met den indruk van een kolossalen menschelijken voet.

„De voetstap van den God,” verklaarde de oude priester plechtig, voor
hij zich van zijn muildier liet glijden en zich biddend op den grond
wierp. „Wij moeten wachten in den voetstap van den God, tot de oogen
van Chia beginnen te schitteren—aldus zeggen de heilige knoopen.”

„Een geschikte plaats om wat te eten,” merkte Henry op, in de diepte
kijkend. „Terwijl we op die hokus-pokus-dwaasheid wachten, kunnen we
best den inwendigen mensch versterken.”

„Als Chia er niets op tegen heeft,” lachte Francis.

En Chia had er niets op tegen, tenminste de oude priester kon geen
enkel bezwaar vinden in de knoopen.

Terwijl de muildieren vastgebonden werden op den zoom van de eerste
open plek, werd er uit een nabijgelegen bron water gehaald en in den
voetstap een vuur aangelegd. De oude Maya scheen niets van dit alles te
merken, terwijl hij eindelooze gebeden mompelde en de knoopen steeds
weer door zijn hand liet gaan.

„Als hij maar niet wegwaait,” zei Francis.

„Ik vond, dat hij er woest uitzag, toen we hem den eersten dag in
Juchitan ontmoetten,” vervolgde Henry. „Maar dat was nog niets,
vergeleken bij nu.”

Maar nu nam de inlander het woord, die wel geen woord van hun Engelsch
kon verstaan, maar toch de bedoeling ervan begreep.

„Het is zeer heilig, zeer gevaarlijk, om iets te doen te hebben met de
oude, heilige zaken der Mayas. Dit is de weg des doods. Mijn vader weet
dit. Menigeen is gestorven. Hun dood was plotseling en verschrikkelijk.
Zelfs Maya-priesters zijn omgekomen. De vader van mijn vader stierf ook
aldus. Hij, ook, beminde een vrouw van de tierra caliente. En uit
liefde tot haar, verkocht hij voor goud het geheim der Mayas en leidde
door het knoopenschrift mannen van de tierra caliente naar den schat.
Hij stierf. Ze stierven allen. Mijn vader mag de vrouwen van de tierra
caliente niet meer, nu hij oud is. In zijn jeugd hield hij te veel van
haar en dat was zijn zonde. En hij kent het gevaar, dat hij loopt, door
u naar den schat te geleiden. Menigeen heeft gezocht in al die eeuwen.
Van hen, die haar vonden, keerde er geen een terug. Er wordt verteld,
dat zelfs conquistadores en zeeroovers van den Engelschen Morgan de
bergplaats bereikt hebben en deze versierd met hun beenderen.”

„En wanneer je vader sterft, dan volg jij, zijn zoon, hem zeker op als
hoogepriester der Mayas?” vroeg Francis.

„Neen, senor,” zei de inlander hoofdschuddend. „Ik ben maar een
halfbloed-Maya. Ik kan het knoopenschrift niet lezen. Mijn vader heeft
het mij niet geleerd, omdat ik niet van zuiver Maya-ras ben.”

„En wanneer hij nu op het oogenblik mocht sterven, is er dan een andere
man, die het knoopenschrift kan lezen?”

„Neen, senor. Mijn vader is de laatste, die die oude taal kent.”

Maar het gesprek werd gestoord door Leoncia en Ricardo, die, nadat zij
hun muildieren bij de anderen hadden vastgebonden, heel onnoozel over
den rand der diepte keken. Een glans van vreugde kwam op het gelaat van
Francis en Henry toen ze Leoncia zagen, terwijl hun monden zich openden
om haar te berispen en te beknorren. Ook drongen zij er op aan, dat ze
met Ricardo terug zou keeren.

„Maar je kunt me toch niet wegsturen voor ik iets te eten gehad heb,”
hield zij aan, en liet zich van de helling naar beneden glijden, om met
echt vrouwelijke list, het gesprek op een hechtere en meer intieme
basis over te brengen.

Door het geluid hunner stemmen gestoord, ontwaakte de oude Maya uit
zijn gebedsvervoering en keek haar toornig aan. En toornig barstte hij
los, Spaansche woorden en zinnen vermengend met een stroom van
dreigementen in de taal der Mayas.

„Hij zegt, dat de vrouwen niet deugen,” vertolkte de inlander in de
eerste pauze. „Hij zegt dat vrouwen oorzaak zijn van de twisten der
mannen, dat zij het snelle staal, den plotselingen dood met zich
voeren. Onheil en Gods toorn rusten altijd op haar. Hun wegen zijn niet
Gods wegen en zij voeren den man naar zijn ondergang. Hij zegt, dat
vrouwen de eeuwige vijanden zijn van God en de mannen, daar zij eeuwig
een hinderpaal zijn tusschen God en den man. Hij zegt, dat de vrouwen
altijd de voetstappen van God uitgewischt en de mannen weerhouden
hebben om langs Gods weg tot God te komen. Hij zegt, dat deze vrouw
terug moet keeren.”

Met lachende oogen floot Henry, om zijn waardeering voor deze
schimprede te kennen te geven, terwijl Francis zei:

„Zal je nu lief zijn, Leoncia? Je ziet, hoe een Maya over je sexe
denkt. Dit is geen geschikte plaats voor je. Californië is beter. Daar
hebben de vrouwen meer in de melk te brokken.”

„Het ongeluk is, dat de oude man zich de vrouw herinnert, die zijn
noodlot was in de dagen zijner jeugd,” zei Francis. Hij wendde zich tot
den inlander. „Verzoek je vader om het knoopenschrift te lezen en te
zien, wat het zegt ten gunste of ten ongunste van de vrouw, die wandelt
in de voetstappen van God.”

Tevergeefs onderzocht de hoogepriester het heilige schrift. Hij kon
niet het minste bezwaar tegen de vrouwen erin vinden.

„Hij vermengt zijn eigen ervaringen met zijn mythologie,” grinnikte
Francis triomfantelijk. „Ik denk dus, dat het geen kwaad kan, Leoncia,
wanneer je een hapje blijft eten. De koffie is klaar. Daarna...”

Maar dit „daarna” kwam dadelijk. Nauwelijks hadden zij zich op den
grond neergezet en waren begonnen met eten, of Francis, die opgestaan
was om Leoncia van tortillas te bedienen, voelde zijn hoed van zijn
hoofd slaan.

„Op mijn woord,” zei hij, zich neerzettend. „Dat was onverwacht. Henry,
waag er eens een oogje aan en kijk, wie me als schijf wilde gebruiken.”

Het volgend oogenblik gluurden aller oogen, behalve die van den vader
van den inlander, over den rand van den voetstap. Wat zij van alle
kanten op zich zagen aankruipen, was een onbeschrijfelijke en
zonderling gekleede bende mannen, die niet tot het een of ander ras
schenen te behooren, maar samengesteld uit alle mogelijke rassen. De
verschillende menschelijke rassen schenen bijgedragen te hebben aan hun
vormen en de kleurschakeeringen hunner huid.

„De smerigste bende, die ik ooit gezien heb,” was Francis’ commentaar.

„Het zijn de Caroos,” mompelde de inlander vreesachtig.

„En wie voor den...” begon Francis. Oogenblikkelijk trok hij zijn
woorden in. „En wie in ’s hemelsnaam zijn de Caroos?”

„Zij komen regelrecht uit de hel,” was het antwoord van den inlander.
„Zij zijn woester dan de Spanjaarden, verschrikkelijker dan de Mayas.
Zij geven of nemen niet ten huwelijk, en een priester is onder hen
onbekend. Zij zijn duivelsgebroed en hun wegen zijn de wegen des
duivels, alleen nog een beetje erger.”

Hier stond de Maya op en wees, met een beschuldigend uitgestoken
vinger, Leoncia aan als de oorzaak van deze laatste moeilijkheid. Een
kogel schampte zijn schouder en deed hem in de rondte tollen.

„Trek hem omlaag!” schreeuwde Henry tegen Francis. „Hij is de eenige,
die de knoopentaal kent; en de oogen van Chia, wat dit ook zijn moge,
hebben nog niet geschitterd.”

Francis gehoorzaamde, zijn arm uitstrekkende en den ouden kerel bij de
beenen grijpend, rukte hij hem omlaag, zoodat hij neerviel als een slap
skelet.

Henry greep zijn geweer en antwoordde met een fusillade. Ricardo,
Francis en de inlander volgden dadelijk zijn voorbeeld. Maar de oude
man, die nog altijd de knoopen door zijn hand liet glijden, vestigde
zijn blik over den versten rand van den voetstap op een ruwen bergkam
verderop gelegen.

„Houd op!” schreeuwde Francis, tevergeefs trachtend om zich
verstaanbaar te maken.

Hij was gedwongen om van den een naar den ander te kruipen en ze met
geweld te dwingen om met vuren op te houden. Ieder afzonderlijk moest
hij uitleggen, dat al hun ammunitie op de muilezels was en dat ze
zuinig moesten zijn met het weinige, dat ze in hun geweren en gordels
hadden.

„En zorg, dat ze je niet raken,” waarschuwde Henry. „Ze hebben oude
musketten en donderbussen, die gaten in je lichaam maken ter grootte
van soepborden.”

Een uur later was de laatste kogel verschoten, op enkele in Francis’
automatisch pistool na; en het onregelmatig vuur der Caroos werd uit
den kuil met stilzwijgen beantwoord. José Mancheno was de eerste, die
vermoedde hoe de zaken stonden. Voorzichtig kroop hij naar den rand van
den kuil om zich te overtuigen en gaf toen den Caroos een teeken, dat
de ammunitievoorraad der belegerden uitgeput was en zij nader moesten
komen.

„Aardig in den val geloopen, senors,” hoonde hij de verdedigers,
terwijl overal langs den rand het gelach der Caroos werd vernomen. Maar
het volgend oogenblik veranderde de toestand even verwonderlijk als een
tooneelverandering in een pantomime. Met wilde angstkreten sloegen de
Caroos op de vlucht. Zoo wanordelijk en overhaast ging het toe, dat
velen van hun de musketten en hakmessen lieten vallen.

„Ik zal je toch wel krijgen, Senor Gier,” verzekerde Francis spottend
tegen Mancheno, terzelfdertijd zijn pistool op hem richtend. Hij hief
zijn wapen op terwijl Mancheno vluchtte, maar bedacht zich en haalde
den trekker niet over.

„Ik heb maar drie kogels meer over,” legde hij Francis half
verontschuldigend uit. „En in dit land kan men nooit met zekerheid
zeggen, wanneer drie kogels het best te pas komen, dat heb ik al
gemerkt, zeker, zeker.”

„Kijk!” riep de inlander, op zijn vader en den verwijderden bergrug
wijzend. „Daarom zijn ze weggeloopen. Zij hebben de gevaren
ondervonden, verbonden aan de heilige dingen der Mayas.”

De oude priester, die de knoopen van de kwast door zijn handen liet
glijden in een extase, die bijna op vervoering geleek, keek
onafgebroken naar den bergrug, waar vlak naast elkaar twee heldere
lichtstralen gedurig flikkerend te voorschijn kwamen.

„Twee gelijke spiegels in de handen van een mensch zouden hetzelfde
effect geven,” was Henry’s opmerking.

„Het zijn de oogen van Chia,” herhaalde de inlander. „Het staat zoo
geschreven in de knoopen, zooals gij mijn vader hebt hooren zeggen.
„Wacht in de voetstappen van den God, tot de oogen van Chia beginnen te
schitteren.””

De oude man sprong overeind en verklaarde opgewonden: „Om den schat te
vinden, moeten we eerst de oogen vinden!”

„’t Is goed, oude kerel,” kalmeerde Henry hem, terwijl hij met een
klein reiskompas den stand der glinsterende voorwerpen vaststelde.



„Hij heeft een kompas in zijn hoofd zitten,” was een uur later Henry’s
opmerking over den ouden priester, die op een muildier vooraan reed.
„Ik controleer hem met het kompas en, onverschillig hoe de natuurlijke
hinderpalen hem noodzaken om van de richting af te wijken, hij komt
altijd er weer op terug, alsof hijzelf een magneetnaald was.”

Nadat ze den voetstap verlaten hadden, waren de schitteringen niet meer
te zien geweest. Blijkbaar waren ze alleen van die ééne plek in het
woeste landschap zichtbaar. Het landschap was woest, met ravijnen en
rotsen, afgewisseld door boschrijke gedeelten en vlakten, bedekt met
zand of vulkaanasch. Ten slotte werd de weg onbegaanbaar voor hun
rijdieren en Ricardo werd achtergelaten om toezicht te houden op de
muildieren en hun geleiders en een kamp op te slaan. De rest van het
gezelschap ging verder, de met jungle begroeide helling, die hun weg
versperde, bestijgend door zichzelf en elkander tegen de boomwortels
omhoog te hijschen. De oude Maya, die nog altijd vooraan ging, was zich
niet bewust van Leoncia’s tegenwoordigheid.

Plotseling, een halve mijl verder, stond hij stil en deinsde, als door
een adder gestoken, terug. Francis lachte en over het woeste landschap
klonk de dissonant van een spottenden echo. De laatste priester der
Mayas liet haastig de knoopen door zijn hand glijden, pikte er een
bijzonder koord uit, raadpleegde tot tweemaal toe de knoopen en sprak
toen:

„Wanneer de God lacht, wees voorzichtig!—aldus zeggen de knoopen.”

Vijftien minuten gingen verloren eer Henry en Francis er in slaagden
hem slechts gedeeltelijk te overtuigen, en wel door herhaaldelijk te
roepen, dat het een echo was.

Een half uur later kwamen zij uit op een reeks, sterk golvende,
zandheuvels. Weer deinsde de oude man terug. Uit het zand, waarop zij
liepen, steeg een luid geruisch op. Wanneer ze stilstonden, was alles
stil. Een enkele stap en al het zand begon te spreken.

„Wanneer de God lacht, wees voorzichtig!” waarschuwde de oude Maya.

Met zijn vinger een cirkel in het zand trekkend, dat tegen hem riep
onder dit werk, zonk hij daarin op zijn knieën neer en de aanraking van
zijn knieën met het zand veroorzaakte een krijschend en huilend geluid.
De inlander volgde het voorbeeld van zijn vader in den luidruchtigen
cirkel, waar de oude man met zijn vinger schreeuwende kabalistische
figuren en teekeningen maakte.

Leoncia was onder den indruk en klemde zich aan Henry en Francis vast.
Zelfs Francis was niet op zijn gemak.

„De echo was een echo,” zei hij. „Maar dit hier is geen echo. Ik
begrijp er niets van. Eerlijk gezegd, krijg ik er kippenvel van.”

„Onzin!” antwoordde Henry, het zand met zijn voet in beweging brengend
tot het weer schreeuwde. „Dit is het schreeuwende zand. Op het eiland
Kauai, een der eilanden van Hawaii, heb ik dergelijke schreeuwende
zandvlakten gezien—een echte plaats voor touristen, dat verzeker ik je.
Dit soort is alleen nog een beetje beter en veel luidruchtiger. De
geleerden hebben een twintigtal hoogdravende theorieën om dit
verschijnsel te verklaren. Het wordt ook nog in verscheidene andere
plaatsen der wereld gevonden, zooals ik gehoord heb. Er is maar een
ding mogelijk, en dat is: het kompas volgen, dat ons er dwars doorheen
leidt. Zulk zand schreeuwt, maar men heeft nog nooit gehoord, dat het
beet.”

Maar de laatste der priesters was niet uit zijn cirkel te krijgen,
ofschoon zij er wel in slaagden om hem lang genoeg aan zijn gebeden te
onttrekken om een stortvloed van hartstochtelijke woorden in de taal
der Mayas over hen uit te storten.

„Hij zegt, dat we zoo’n groote heiligschennis willen plegen,” vertolkte
zijn zoon, „dat zelfs het zand tegen ons begint te roepen. Hij wil de
gevreesde schuilplaats van Chia niet verder naderen. En ik evenmin.
Zijn vader vond daar den dood, zooals algemeen bekend is onder de
Mayas. Hij zegt, dat hij daar niet wil sterven. Hij zegt, dat hij nog
niet oud genoeg is om te sterven.”

„Die ellendige tachtigjarige!” lachte Francis en schrok van den
spookachtigen spotlach van den echo, terwijl overal rondom hen de
zandheuvels in koor begonnen te schreeuwen. „Te jong om te sterven! Wat
zeg je daarvan, Leoncia? Ben je ook te jong om weldra te sterven?”

„Kom,” lachte ze terug, haar voet zachtjes heen en weer bewegend door
het zand, wat een licht kreunend geluid veroorzaakte. „Integendeel, ik
ben te oud om te sterven, alleen omdat de rotsen ons gelach weerkaatsen
en omdat de zandheuvels hun stem tegen ons verheffen. Kom, laten we
verder gaan. We zijn vlak bij deze lichten. Laat den ouden man in zijn
cirkel blijven wachten, tot we terugkomen.”

Zij liet de mannen los en stapte voorwaarts en toen zij volgden,
spraken al de heuvels, terwijl er een, vlak bij hen, langs wiens
hellingen een golf zand naar beneden gleed, rommelde en donderde.
Gelukkig voor hen, zooals zij spoedig zouden ondervinden, had Francis,
toen ze de muildieren achterlieten, een dun, sterk touw meegenomen.

Eenmaal op de zandvlakten ontdekten zij meer echos. Nu en dan hoorden
zij hun hallo’s, tot zes en acht maal toe, duidelijk herhalen.

„De hel is losgebroken,” zei Henry. „Geen wonder, dat de inboorlingen
een dergelijke plaats schuwen!”

„Was het niet Mark Twain, die schreef over een man, wiens stokpaardje
het was om echo’s te verzamelen?” vroeg Francis.

„Nooit van gehoord. Maar dit is beslist een schitterende collectie
Maya-echo’s. Zij hebben wijselijk deze streek als bergplaats gekozen.
Ongetwijfeld werd ze altijd als heilig beschouwd, zelfs voor de
Spanjaarden kwamen. De oude priesters kenden de natuurlijke oorzaken
der mysteries en gaven deze aan hun kudden door als een Mysterie met
een groote M en van bovennatuurlijken oorsprong.”

Slechts enkele minuten later kwamen zij uit op een open vlakte, vlak
onder een gespleten en vooruitstekende rots en veranderden hun wijze
van achter elkander voort te gaan, door met z’n drieën naast elkander
te gaan loopen. De grond had een harde, broze korst, zoo kristallijn en
droog, dat men niet kon denken, dat het verderop anders kon zijn. In
een dartele opwelling en met den wensch beide mannen gelijk te stellen,
greep Leoncia hun handen en zette het op een loopen. Maar na een half
dozijn passen gebeurde het ongeluk. Tegelijkertijd zonken Henry en
Francis tot aan hun middel weg door de aardkorst en Leoncia volgde hen,
nauwelijks een seconde later en nagenoeg even diep wegzinkend.

„De hel is losgebroken,” mopperde Henry. „Dit is de woonplaats van den
duivel zelf.”

En zijn, op zachten toon gesproken woorden, werden aan alle zijden van
de nabijgelegen rotsen teruggefluisterd en eindeloos en sissend
herhaald.

In het eerst begrepen zij niet ten volle het gevaar, waarin zij
verkeerden. Eerst door hun gemartel om los te komen, toen ze steeds
verder wegzonken, begrepen de beide mannen den ernst van den toestand.
Leoncia lachte nog altijd om het avontuur, want meer scheen het voor
haar niet te beteekenen.

„Drijfzand,” hijgde Francis.

„Drijfzand!” hijgde het geheele landschap terug en bleef dit hijgen in
een wegstervend, spookachtig gefluister, het steeds weer herhalend,
spotachtig en zalvend.

„Het is een kuil, gevuld met drijfzand,” bekrachtigde Henry.

„Misschien had die ouwe jongen wel gelijk, toen hij achterbleef op de
schreeuwende zandvlakten,” merkte Francis op.

Het spookachtig gefluister verdubbelde en het duurde geruimen tijd eer
het wegstierf.

Zij waren nu tot aan de borst weggezonken en verdwenen geleidelijk al
dieper.

„Wel, we zullen moeten zien, dat we levend uit deze klem uitkomen,” was
Henry’s opmerking.

En zonder er verder over te spreken, begonnen de beide mannen Leoncia
omhoog te hijschen, ofschoon deze poging en haar gewicht hen nog
sneller deed wegzinken. Toen ze vrij en los, met één voet op den
dichtstbijzijnden schouder van elk der beide mannen, die ze liefhad,
stond, zei Francis, ofschoon het landschap den spot met hem dreef:

„Nu, Leoncia, nu gaan wij je eruit gooien. Op het woord „Los!” laat je
los. En je moet zorgen, dat je met je volle lengte zachtjes op de borst
neerkomt. Je zult wel een beetje wegglijden. Maar laat je niet
tegenhouden. Zorg, dat je verder komt. Krabbel op handen en knieën naar
den vasten grond. En, wat er ook gebeurt, sta niet op, voor je vasten
grond onder de voeten hebt. Klaar, Henry?”

Samen, ofschoon dit hen sneller deed wegzinken, slingerden zij haar
heen en weer in de lucht en bij de derde schommeling riep Francis
„Los!” en schoven zij haar naar den veiligen oever. Zij gehoorzaamde
nauwgezet aan hun voorschriften en, op handen en knieën, bereikte zij
de veilige rotsen.

„Gooi nu het touw,” riep ze hen toe.

Maar Francis was al te ver weggezonken om het touw van zijn hals en
onder zijn eene arm weg te halen. Henry deed het voor hem en ofschoon
deze inspanning hem even ver deed wegzinken, slaagde hij er toch in om
het eene eind van het touw aan Leoncia toe te werpen.

Eerst trok zij er aan. Vervolgens legde zij een slag om een rotsblok,
ter grootte van een auto en liet Henry trekken. Maar alles was
tevergeefs. De spanning of winst was zoo gering, dat het hem alleen nog
dieper scheen te doen zinken. Het drijfzand zoog en steeg tot boven
zijn schouders, toen Leoncia hem toeschreeuwde, een helsch kabaal van
echo’s wakker roepende: „Wacht! Trek niet meer! Ik heb een idee! Laat
het heele touw schieten! Houd alleen zooveel over, dat je het onder je
armen kunt binden!”

Het volgend oogenblik klom ze, het touw bij het andere eind
vasthoudend, tegen de rots op. Veertig voet hooger, waar een kromme,
kleine boom in de spleten wortelde, stond ze stil. Het touw om den
boomstam slaande, bij wijze van haak, haalde zij het touw aan en maakte
dit vast aan een rotsklomp, die verscheidene honderden ponden woog.

„Hoera voor het meisje!” prees Francis tegen Henry.

Beide mannen begrepen wat zij van plan was en het succes hing er alleen
van af, of ze in staat zou zijn om het rotsblok in beweging te brengen
en van de helling te laten rollen. Vijf kostbare minuten gingen
verloren eer ze een dooden tak kon vinden, die sterk genoeg was om als
hefboom te dienen. De rotsklomp van achteren aanvallend en koelbloedig
te werk gaande terwijl haar beide minnaars steeds verder wegzonken,
slaagde zij er eindelijk in om hem over den rand te werken.

Toen hij viel, spande het touw zich met een ruk, die een onwillekeurig
gekreun aan Henry’s mond ontlokte, toen zijn borst plotseling omsnoerd
werd. Langzaam rees hij op uit het drijfzand, terwijl zijn vorderingen
vergezeld gingen van zuigende geluiden uit het zand, dat hem slechts
met tegenzin losliet. Maar toen hij de oppervlakte bereikte, was het
rotsblok zooveel zwaarder dan hij, dat hij met een vaart over de korst
voortschoot tot vlak onder het hijschtoestel, waarna het rotsblok tot
stilstand kwam op den grond naast hem.

Francis’ hoofd, armen en de toppen van zijn schouders waren alleen nog
maar te zien, toen het eind van het touw hem toegeworpen werd. En toen
hij naast hen op den vasten grond stond en zijn vuist schudde tegen het
drijfzand, waaraan hij zoo ternauwernood ontsnapt was, hielpen zij hem,
om het te bespotten. En myriaden spoken spotten terug en de geheele
lucht boven hen was vervuld door gefluisterde woorden, die tezamen een
duivelsch, spottend geheel vormden.








HOOFDSTUK XIV.


„We kunnen er onmogelijk een millioen mijlen vandaan zijn,” zei Henry,
toen het drietal stilstond aan den voet van een hooge, steile rots.
„Als het nog verder is, dan loopt de koers recht over deze rots en daar
wij die niet kunnen beklimmen en, naar de afmetingen te oordeelen, de
omvang mijlenlang moet zijn, kan het niet anders of de bron van deze
lichten moet hier ergens te vinden zijn.”

„Zou het geen man met een verrekijker geweest kunnen zijn?” opperde
Leoncia.

„Hoogstwaarschijnlijk is het ’t een of ander natuurverschijnsel,”
antwoordde Francis. „Ik voel veel voor natuurverschijnselen na onze
ontmoeting met de schreeuwende zandvlakten.”

Leoncia, die toevallig iets verder langs de voorzijde van de rots keek,
werd plotseling een en al aandacht en riep: „Kijk daar eens!” Hun oogen
volgden de hare en bleven op hetzelfde punt rusten. Wat zij zagen, was
geen schittering, maar een rustig, wit licht, dat straalde en gloeide
als de zon. Langs den voet der rots voortkrabbelend, bemerkten de beide
mannen aan den dichten plantengroei, dat hier in vele jaren geen
menschelijke wezens geweest waren. Ademloos van de inspanning, drongen
zij door het kreupelhout heen naar een open plek, waar nog niet lang
geleden naar beneden gestorte rotsblokken den plantengroei belemmerd
hadden.

Leoncia klapte in haar handen. Zij hoefde niet te wijzen. Dertig voet
hooger, in de voorzijde der rots, zaten twee reuzenoogen. Elk der oogen
was een vadem groot en de oppervlakte bestreken met een witte,
reflecteerende stof.

„De oogen van Chia,” riepen ze uit.

Henry krabde zich over het hoofd en herinnerde zich plotseling iets.

„Ik vermoed, dat ik je kan vertellen, waar ze van gemaakt zijn,” sprak
hij. „Ik heb het nog nooit gezien, maar ik heb er oude pioniers over
hooren spreken. Het is een oud kunstje der Mayas. Ik wil mijn aandeel
in den schat verwedden tegen een doorboord kwartje, Francis, dat ik je
kan zeggen, wat dat reflecteerende goedje is.”

„Aangenomen!” riep Francis. „Een man is een dwaas als hij dergelijke
weddenschappen niet aanneemt, zelfs al gaat het om een
vermenigvuldigingstafel. De kans om millioenen dollars te winnen voor
een beslist onbruikbaar kwartje. Ik zou wedden, dat tweemaal twee vijf
is op de kans, dat dit door een wonder bewezen zou kunnen worden. Zeg
op! Wat is het? De weddenschap is aangenomen.”

„Oesters,” lachte Henry. „Oesterschelpen, of liever, schelpen van
pareloesters. Het is paarlemoer, kunstig ingelegd en vastgemetseld,
zoodat de oppervlakte voortdurend reflecteert. Nu moet je bewijzen, dat
ik ongelijk heb, klim dus naar boven en kijk.”

Onder de oogen, zich een twintig voet naar boven en beneden langs de
rots uitstrekkend, was een eigenaardig driehoekig vooruitstekend stuk
rots. Het leek veel op een bult op het gezicht van de rots. De top
ervan was slechts een meter verwijderd van de plek tusschen de beide
oogen. De oneffenheden der oppervlakte en door er zich als een kat aan
vast te klemmen, maakten het Francis mogelijk om de tien voet te
beklimmen, die naar den voet der bult leidden. Van daar af tot aan de
rots, was de weg gemakkelijker. Maar de gedachte aan een val van een
vijfentwintig voet hoogte en een arm- of beenbreuk midden in zoo’n
eenzaamheid, was minder prettig en Leoncia riep naar boven, hierdoor
onwillekeurig een jaloerschen gloed in Henry’s oogen opwekkend:

„O, wees toch voorzichtig, Francis!”

Op de punt van den driehoek staande, keek hij nu eens in het eene, dan
weer in het andere oog. Hij trok zijn jachtmes en begon te graven en te
peuteren in het rechteroog.

„Als de ouwe heer hier was, zou hij een stuip krijgen bij het zien van
zoo’n heiligschennis,” merkte Henry op.

„Het doorboorde kwartje is voor jou,” riep Francis naar beneden,
tegelijkertijd het stukje, dat hij los gepeuterd had in Henry’s
opgehouden hand werpend.

Het was paarlemoer, een plat stukje, met groote zorg gesneden om
precies te passen in de menigte andere stukjes, die tezamen het oog
vormden.

„Waar rook is, daar is ook vuur,” oordeelde Henry. „Niet voor niets
kozen de Mayas deze, van God verlaten plaats en plaatsten deze oogen
van Chia in de rots.”

„Het schijnt, dat we een vergissing begaan hebben, toen we den ouden
heer en zijn heilige knoopen achterlieten,” zei Francis. „De knoopen
zouden er ons alles van kunnen vertellen en ons zeggen, wat we verder
moeten doen.”

„Waar oogen zijn, moet toch ook een neus zijn,” was Leoncia’s
opmerking.

„En hier is hij!” riep Francis uit. „Hemeltje! Dat was de neus, waar ik
tegen opgeklommen ben. We staan er te dicht bij om een goed overzicht
te hebben. Op een honderd meter afstand, zou het er uitzien als een
reusachtig gelaat.”

Leoncia naderde statig en schopte tegen een rottende hoop bladeren en
takjes, die daar blijkbaar door de tropische stormen neergewaaid waren.

„Dat moet de mond zijn of de plek waar een mond hoort te zitten, hier
onder den neus,” sprak zij.

In een oogwenk hadden Henry en Francis den rommel terzijde geschopt en
een opening blootgelegd, die te klein was om een menschelijk lichaam
door te laten. Het was duidelijk, dat de neergestortte rotsblokken den
weg gedeeltelijk versperd hadden. Door enkele rotsblokken opzij te
werken, kregen ze voldoende ruimte, dat Francis zijn hoofd en schouders
naar binnen kon werken en bij het licht van een lucifer rondkijken.

„Pas op voor slangen,” waarschuwde Leoncia.

Francis bromde, ten teeken dat hij het verstaan had en rapporteerde:

„Dit is geen natuurlijk hol. Het zijn allemaal uitgehouwen rotsen en
goed gedaan ook, voor zoover ik er over oordeelen kan.” Een gemompelde
verwensching verkondigde, dat hij zijn vingers brandde aan den
uitdoovenden lucifer. En vervolgens hoorden zij zijn stem, verwonderd
uitroepen: „Ik heb geen lucifers meer noodig. Het heeft een eigen
verlichting—ergens in de hoogte—een geheime verlichting, maar toch is
het daglicht. Deze oude Mayas waren beslist handige kerels. Het zou me
niets verwonderen, als we een lift ontdekten, warm en koud water, een
fornuis en een Zweedschen portier.—Welnu, tot ziens.”

Zijn lichaam, beenen en voeten verdwenen en toen hoorden zij zijn stem:

„Kom ook binnen. Het hol is fijn.”

„En ben je nu niet blij, dat ik meegegaan ben?” vroeg Leoncia, toen ze
zich bij de twee mannen voegde op den gelijken vloer van de, in de rots
uitgehouwen, kamer, waar zij, nu hun oogen zich snel gewenden aan het
geheimzinnige, grauwe daglicht, met verrassende duidelijkheid om zich
heen konden zien. „Eerst vond ik de oogen voor jelui en toen den mond.
Als ik niet mee gegaan was, zouden jelui nu hoogstwaarschijnlijk een
halve mijl verder geweest zijn, om de rots heenloopend en je met
iederen stap verder verwijderend.”

„Maar de plaats is even leeg als Moeder Hubbards provisiekast,”
vervolgde zij een oogenblik later.

„Natuurlijk,” zei Henry. „Dit is enkel de antichambre. Zoo simpel
zouden de Mayas den schat niet verbergen, waar de conquistadores met
zoo’n ijver achterheen zaten. Ik durf te wedden, dat we er bijna nog
even ver van af zijn om den schat te vinden, als wij zijn zouden,
wanneer we nog in San Antonio zaten, in plaats van hier.”

De doorgang, die twaalf of vijftien voet breed en een onbepaalde hoogte
had, liep volgens Henry’s schatting een veertig passen, of ruim honderd
voet door. Toen werd ze plotseling nauwer, liep eerst met een rechthoek
naar rechts en met een dergelijken rechthoek naar links en beschreef
een bocht naar een ander ruim vertrek.

Nog altijd wees het geheimzinnig binnendringende daglicht hen den weg
en Francis, die vooruitliep, bleef zoo plotseling stilstaan, dat
Leoncia en Henry, die een voor een achter hem aankwamen, tegen hem
aanbotsten. Zij gingen naast elkaar staan, Leoncia in het midden en
Henry aan haar linkerzijde en staarden nu op een lange rij menschelijke
wezens, reeds lang dood, maar niet tot stof vergaan.

„Evenals de Egyptenaren, kenden de Mayas de balsemkunst,” zei Henry,
onwillekeurig zijn stem dempend tot een gefluister in de
tegenwoordigheid van zooveel onbegraven dooden, die recht overeind
stonden, met open oogen, alsof ze nog altijd leefden.

Allen waren als Europeanen gekleed en allen droegen de ongevoelige
gelaatstrekken van Europeanen. Evenals in hun leven, waren zij gehuld
in de door de eeuwen verteerde kleedij der conquistadores en Engelsche
zeeroovers. Twee hunner droegen een verroest harnas, waarvan het vizier
opgeslagen was. Hun zwaarden en ponjaarden waren in hun gordels
gestoken of hielden zij in hun verschrompelde handen en in hun gordels
staken ook reusachtige vuursteenpistolen van heel oud model.

„De oude Maya had gelijk,” fluisterde Francis. „Ze hebben de bergplaats
getooid met hun stoffelijke overblijfselen en zijn in de wachtkamer
neergezet als een waarschuwend voorbeeld voor indringers.—Zeg! Die
kerel is een echte Spanjaard. Ik wil wedden, dat hij haia-lai gespeeld
heeft, en zijn voorouders voor hem ook.”

„En dat is een man uit Devonshire, zoo zeker als iets,” fluisterde
Henry terug. „Ik wil kwartjes met gaatjes verwedden tegen acht dollar
stukken, dat hij de vaalbruine herten stroopte en aan ’s konings wraak
ontsnapte in het eerste schip, dat uitzeilde naar het Spaansche
Schiereiland.”

„Br-r-r!” huiverde Leoncia, zich aan de twee mannen vastklemmend. „De
heilige dingen der Mayas zijn doodelijk en spookachtig. En er gaat een
klassieke wraakneming mee gepaard. De zoogenaamde schenders der
schatkamer zijn haar verdedigers geworden, haar beschermend met hun
stof, dat niet vergaat.”

Ze voelden niet veel lust om verder te gaan. De aangekleede geesten
der, reeds zoo langen tijd, dooden, hield hen tijdelijk ervan terug.
Henry werd melodramatisch.

„Zelfs tot deze afgelegen, gekke plaats leidde hun speurhondenneus hen,
reeds van het begin der Verovering af, op zoek naar schatten,” sprak
hij. „Al konden zij er zich dan ook niet mee uit de voeten maken, ze
hebben ze toch ongetwijfeld beroerd.—Ik neem mijn hoed voor jelui af,
zeeroovers en conquistadores! Ik groet u, oude, onversaagde
plunderaars, wier neuzen het goud rooken en wier harten dapper genoeg
waren om er voor te vechten!”

„Oef!” zei Henry, terwijl hij er bij de andere twee op aandrong om de
rij der vroegere avonturiers te doorloopen. „De oude Sir Henry zelf
moest eigenlijk hier staan, aan het hoofd der stoet.”

Zij deden dertig passen eer de doorgang weer een bocht maakte, juist
aan het einde der dubbele rij mummies en hier liet Henry zijn makkers
halt houden, terwijl hij voor zich uit wees en sprak:

„Ik weet niets van Sir Henry, maar daar heb je Alvarez Torres.”

Met een Spaanschen helm op, met een versleten Spaansch gewaad uit de
middeleeuwen, een groot Spaansch zwaard in zijn bruine, verweerde hand,
stond een mummie, wier mager, bruin gelaat sprekend geleek op het
magere, bruine gelaat van Alvarez Torres. Leoncia deinsde op dit
gezicht hijgend terug en bekruiste zich. Francis liet haar aan Henry
over, naderde en streek met zijn vingers over wangen, lippen en
voorhoofd van het voorwerp en lachte geruststellend:

„Ik wou maar, dat Alvarez Torres even dood was als deze hier. Ik
twijfel er echter geen oogenblik aan, of Torres stamde van hem af—ik
bedoel vóór hij hier kwam om hier zijn laatste aardsche woonplaats te
kiezen als een lid van de Bewaarders der Maya-schat.”

Leoncia passeerde huiverend de grimmige gedaante. Ditmaal noodzaakte de
nauwe bocht, die zeer donker was, Henry, die vooruit liep, om
verscheidene lucifers aan te steken.

„Hallo!” zei hij, toen hij na een paar honderd voet afgelegd te hebben,
stilhield. „Kijk eens naar die handwerkkunst! Kijk eens, hoe die steen
gehouwen is!”

Voor hen uit, stroomde grauw licht den doorgang binnen en maakte het
gebruik van lucifers onnoodig. Halverwege in een nis lag een steen,
even groot als de doorgang. Het was duidelijk, dat men dezen gebruikt
had om den doorgang af te sluiten. Hij was prachtig bewerkt, de
zijkanten en hoeken precies gelijk gemaakt aan de plaats in den muur,
waar hij ingeschoven moest worden.

„Ik wil wedden, dat de vader van den ouden Maya hier gestorven is,”
riep Francis uit. „Hij kende het geheim der balansen en hefboomen, die
dien steen in beweging brachten en hij werd slechts gedeeltelijk
weggeschoven, zooals je ziet...”

„De hel is losgebroken!” viel Henry hem in de rede, voor zich op den
vloer wijzend, waar de verschillende gedeelten van een geraamte
verspreid lagen. „Dat moeten zijn overblijfselen zijn. ’t Is beslist
van jongeren datum, anders zou hij ook wel een mummie geworden zijn.
Hoogstwaarschijnlijk was hij de laatste bezoeker, die voor ons hier
kwam.”

„De oude priester zei, dat zijn vader mannen van de tierra caliente
hierheen leidde,” herinnerde Leoncia Henry.

„En hij zei, dat niemand ooit terugkeerde,” voegde Francis er bij.

Henry, die het doodshoofd onderzocht en opgeraapt had, slaakte weer een
uitroep en stak een lucifer aan, om de anderen te laten zien, wat hij
ontdekt had. Niet alleen droeg het hoofd de sporen van een slag met een
zwaard of een hakmes, maar een gat in den achterkant van het doodshoofd
wees duidelijk aan, dat daar een kogel binnengedrongen was. Henry
schudde het hoofd en werd beloond door een gerammel er binnen in,
schudde nog eens en schudde er een, gedeeltelijk afgeplatten, kogel
uit. Francis onderzocht dezen.

„Uit een oud pistool,” besloot hij hardop. „Met zwak of zeer verlegen
kruit, want in een plaats als deze, moet het schot van een kleinen
afstand gelost zijn en toch is de kogel niet door en door gedrongen. En
het is beslist een echt menschenhoofd.”

Een rechthoekige bocht vormde het einde van den elleboog en gaf toegang
tot een kleine, maar goed verlichte, in de rots uitgehouwen kamer. Door
een boog en met verticale, een voet dikke en een halven voet van
elkander geplaatste, steenen staven afgesloten venster, drong grauw
daglicht naar binnen. De vloer van dit vertrek was bezaaid met
uitgebleekte menschelijke beenderen. Een onderzoek der doodshoofden
wees uit, dat deze van Europeanen afkomstig waren. Daartusschen
verspreid lagen geweren, pistolen en messen en hier en daar een hakmes.

„Zoover kwamen zij, over den drempel der schatkamer,” zei Francis, „en,
naar den schijn te oordeelen, hebben zij om het bezit ervan gestreden
vóór ze hem in handen kregen. ’t Is jammer, dat de oude man niet hier
is, om te zien, wat er met zijn vader gebeurde.”

„Zouden er geen overlevenden geweest zijn, om er met den buit van door
te gaan?” opperde Henry.

Maar op dat oogenblik zag Francis, die van de beenderen opkeek om de
kamer aan een onderzoek te onderwerpen, iets, wat hem deed zeggen:

„Neen, beslist niet. Kijk die steenen in die oogen eens. Dat zijn
robijnen of ik heb nog nooit een robijn gezien!”

Zij volgden zijn blik naar het steenen beeld van een hurkende, zware
vrouw, die hen met roode oogen en open mond aanstaarde. De mond was zoo
groot, dat het gezicht erdoor tot een caricatuur gemaakt werd. Ernaast,
eveneens uit steen gehouwen en van iets heldhaftiger vormen, stond een
obscure en afzichtelijke mannelijke gedaante, met één gewoon oor en één
oor, even belachelijk groot als de mond der vrouw.

„Die schoone dame moet zeker Chia voorstellen,” grinnikte Henry. „Maar
wie is haar mannelijke vriend met het olifantsoor en de groene oogen?”

„Raad maar,” lachte Francis. „Maar dit weet ik wel: deze groene oogen
van den man met zijn olifantenoor zijn de grootste smaragden, die ik
ooit gezien of waarvan ik ooit gedroomd heb. Ieder op zich zelf is
eigenlijk te groot om verhandeld te kunnen worden. Ze zijn geschikt
voor kroonjuweelen of voor niets.”

„Maar een paar smaragden en een paar robijnen, hoe groot ze ook zijn,
kunnen toch niet den geheelen schat der Mayas vormen,” merkte Henry op.
„Wij zijn den drempel der schatkamer overgestapt en nu missen wij den
sleutel...”

„Die de oude Maya, daarginds op de schreeuwende zandvlakten,
ongetwijfeld in die heilige kwast kan vinden,” sprak Leoncia. „Behalve
deze twee beelden en de beenderen op den vloer, is er niets hier te
vinden.”

Onder het spreken, naderde zij het mannelijk beeld, om dit beter te
bekijken. Het belachelijke oor trok haar aandacht en zij wees er in,
zeggend: „Ik weet den sleutel niet, maar hier heb je het sleutelgat.”

In werkelijkheid was het olifantsoor, in plaats van een opening te
vertoonen, die men van zoo’n groot oor zou verwachten, heelemaal
dichtgemaakt op een kleine opening na, die wel een beetje geleek op een
sleutelgat. Tevergeefs liepen ze door de kamer, tegen den muur en op
den vloer kloppend, op zoek naar listig verborgen doorgangen of geheime
aanwijzingen, die leidden naar de bergplaats van den schat.

„De beenderen der mannen van de tierra caliente, twee afgodsbeelden,
twee smaragden van buitengewone grootte, twee dito robijnen en wij
zelven, dat is al, wat dit vertrek bevat,” telde Francis op. „Er
blijven ons slechts twee dingen over om te doen: terugkeeren en Ricardo
en de muilezels halen om hier buiten te kampeeren; en den ouden heer en
zijn heilige knoopen hierheen brengen, al zouden we hem moeten dragen.”

„Blijf jij hier met Leoncia, dan zal ik teruggaan om hen te halen,”
stelde Henry voor, toen ze door de lange gangen geloopen waren en de
rij der rechtopstaande dooden en buiten de rots stonden in de
zonneschijn en de frissche lucht.



Achter hen op de schreeuwende zandvlakten knielden de inlander en zijn
vader in den cirkel, die op zoo luidruchtige wijze door den wijsvinger
van den ouden man getrokken was. Een plaatselijke regenbui ontlastte
zich boven hen en, ofschoon de inlander huiverde, bad de oude man door,
ongevoelig voor den wind en den regen, die zijn huid geeselden. Omdat
de inlander huiverde en zich onbehaaglijk voelde, merkte hij twee
dingen op, die aan de aandacht van zijn vader ontsnapten. Ten eerste,
zag hij Alvarez Torres en José Mancheno zich voorzichtig uit de jungle
op de zandvlakten wagen. Vervolgens zag hij een wonder gebeuren. Dit
wonder was, dat dit tweetal kalm voortstapte over het zand, zonder dat
hun voortgaan het minste geluid te voorschijn riep. Toen zij verdwenen
waren, raakte hij met zijn vinger voorzichtig het zand aan en er
ontstond geen spookachtig gefluister. Hij duwde zijn vinger in het zand
en nog bleef alles stil, evenals het stil bleef, toen hij stevig met
zijn vlakke hand op het zand sloeg. De voorbijtrekkende regenbui had
het zand met stomheid geslagen.

Hij schudde zijn vader wakker uit zijn gebeden, zeggend:

„Het zand geeft geen geluid meer. Het is even stil als het graf. En ik
heb den vijand van den rijken Gringo geruischloos over de zandvlakten
zien loopen. Hij is niet vrij van zonden, deze Alvarez Torres, en toch
maakte het zand geen leven. Het zand is dood. De stem van het zand
bestaat niet. Waar de zondaar mag loopen, daar mogen gij en ik ook
loopen, oude vader.”

Binnen den cirkel trok de oude Maya, met bevenden wijsvinger nog meer
kabalistische teekenen in het zand en het zand schreeuwde niet tegen
hem. Buiten den cirkel was het hetzelfde—omdat het zand nat geworden
was, en omdat het zand enkel kon spreken, wanneer het door de zon
kurkdroog was geworden. Hij liet de knoopen van de heilige kwast door
de vingers glijden.

„Ze zeggen,” sprak hij, „dat we veilig verder kunnen gaan, als het zand
niet meer schreeuwt. Tot dusverre heb ik alle voorschriften opgevolgd.
Opdat wij nu ook verder gehoorzamen, moeten we voortgaan.”

Ze vorderden zoo snel, dat ze, kort nadat ze de schreeuwende
zandvlakten over waren, Torres en Mancheno inhaalden, welk waardig
tweetal in het kreupelhout aan den eenen kant sloop, wachtte tot de
priester en zijn zoon voorbijgegaan waren en toen, achter hun aan, hun
weg vervolgden. Onderwijl liep Henry, die een korteren weg nam, de
beide paren mis.








HOOFDSTUK XV.


„Toch was het een vergissing en een zwakheid van mij om in Panama te
blijven,” zei Francis tegen Leoncia, toen ze naast elkaar op de rotsen
bij den ingang van het hol, op Henry’s terugkomst zaten te wachten.

„Heeft de New-Yorksche Beurs dan zooveel aantrekkingskracht voor je?”
spotte Leoncia koket; welke spot echter slechts gedeeltelijk koketterie
en voor het grootste gedeelte een poging om tijd te winnen was. Ze was
bang om alleen te zijn met den man, dien zij zoo verwonderlijk en hevig
liefhad.

Francis werd ongeduldig.

„Ik houd er altijd van om ronduit te spreken, Leoncia. Ik zeg, wat ik
meen, op de openhartigste en kortste manier...”

„Waarin je heel anders bent dan wij, Spanjaarden,” viel zij hem in de
rede, „die de eenvoudigste gedachten moeten versieren en aankleeden met
alle mogelijke woordspelingen.”

Maar hij vervolgde onverstoorbaar wat hij begonnen was te zeggen:

„Je draait er om heen, Leoncia, wat ik je juist wilde vertellen. Ik
spreek ronduit en de waarheid, zooals een man gewoon is. Jij speelt met
woorden en fladdert als een vlinder—wat, dit moet ik toestemmen, de
gewoonte is der vrouwen en van haar verwacht kan worden. Maar toch is
het niet eerlijk... tegenover mij. Ik zeg je ronduit, wat ik op het
hart heb en je begrijpt me. Jij zegt me niet, hoe het met je hart
gesteld is. Je fladdert en draait er om heen en ik begrijp er niets
van. Daarom ben jij in het voordeel. Je weet, dat ik je liefheb. Ik heb
je dit duidelijk genoeg gezegd. En ik? Wat weet ik van jou?”

Met neergeslagen oogen, terwijl een blos opsteeg naar haar wangen, zat
zij zwijgend neer, niet in staat om te antwoorden.

„Zie je!” drong hij aan. „Je antwoordt niet. Je ziet er warmer, mooier
en begeerenswaardiger uit dan ooit, kortom, verleidelijker; en toch
misleidt je mij en zegt me niets van je hart en je bedoelingen. Komt
dit omdat je een vrouw bent? Of omdat je een Spaansche bent?”

Ze was diep geschokt. Buiten zichzelven en toch zich volkomen
beheerschend, sloeg zij haar oogen op en keek kalm in zijn, even kalme
oogen, toen zij zei:

„Ik kan een Angel-Saksische, of Engelsche, of Amerikaansche zijn, of
hoe je het wilt noemen, wat betreft de bekwaamheid om de dingen
openlijk in het gelaat te zien en openlijk over de dingen te spreken.”
Zij pauseerde, overlegde kalm met zich zelf en vervolgde toen: „Je
beklaagt je, dat ik je niet verteld heb of ik je al dan niet liefheb,
nadat je mij je liefde bekend hebt. Ik zal dat nu, voor eens en voor
altijd, beantwoorden. Ik heb je lief...” Zij weerde zijn, begeerig naar
haar uitgestrekte, armen af. „Wacht!” beval zij. „Wie van ons is nu de
vrouw? Of de Spanjaard? Ik had nog niet uitgesproken. Ik heb je lief.
Ik ben trotsch op die liefde. Maar er is meer. Je hebt mij gevraagd
naar mijn hart en naar mijn bedoelingen. Ik heb je het eene
gedeeltelijk gezegd. Nu zal ik je alles van het andere vertellen: ik
ben van plan om Henry te trouwen.”

Een dergelijke Angel-Saksische oprechtheid benam Francis den adem.

„In ’s hemels naam, waarom?” was alles, wat hij kon uitbrengen.

„Omdat ik Henry liefheb,” antwoordde zij, haar oogen nog altijd vast op
de zijne gericht.

„En je... je zegt, dat je mij liefhebt?” stamelde hij.

„En ik heb je ook lief. Ik bemin jelui allebei. Ik ben een eerlijke
vrouw, tenminste, dat heb ik altijd gedacht. En ik denk dit nog,
ofschoon mijn verstand mij zegt, dat ik niet tegelijkertijd twee mannen
kan liefhebben en toch een eerlijke vrouw zijn. Ik kan er niets aan
doen. Wanneer ik slecht ben, dan ben ik het, en ik kan er niets aan
doen, dat ik aldus geboren werd.”

Zij hield op en wachtte, maar haar minnaar bleef nog altijd sprakeloos.

„En wie is nu de Angel-Sakser?” vroeg ze, met een klein glimlachje,
half moedig en half spottend over de stomme verbazing, waarin haar
woorden hem gebracht hadden. „Ik heb je, zonder omwegen, zonder
gefladder, mijn hart en mijn bedoelingen blootgelegd.”

„Maar dat is onmogelijk!” protesteerde hij opgewonden. „Je kunt niet
mij liefhebben en Henry’s vrouw worden.”

„Misschien heb je het niet begrepen,” sprak ze ernstig. „Ik ben van
plan om Henry’s vrouw te worden. Ik heb je lief. Ik heb Henry lief.
Maar ik kan niet met jelui allebei trouwen. Dat zou de wet niet
toelaten. Daarom zal ik enkel met één van jelui trouwen. En het is mijn
bedoeling, dat die eene Henry zijn zal.”

„Maar waarom, waarom drong je er dan op aan, dat ik zou blijven?” vroeg
hij.

„Omdat ik je liefhad. Dat heb ik je toch al gezegd.”

„Als je zoo doorgaat, zal ik nog krankzinnig worden!” riep hij.

„Ik heb zelf dikwijls gedacht, dat het mij krankzinnig zou maken,”
verzekerde ze hem. „Als je denkt, dat het mij gemakkelijk valt om zoo
de Angel-Saksische te spelen, dan vergis je je. Maar geen enkele
Angel-Sakser, zelfs jij niet, dien ik zoo innig liefheb, kan mij
verachten, omdat ik de beschamende geheimen en ingevingen van mijn
wezen verberg. Evenmin schaam ik mij om ze jou ronduit te vertellen.
Als dit iets Angel-Saksisch is, doe er dan je voordeel mee. Als dit
iets Spaansch is, iets vrouwelijks en Solanos, doe er dan ook je
voordeel mee, want ik ben een Spaansche en een vrouw—een Spaansche
vrouw uit de familie Solano...”

„Maar ik praat niet met mijn handen,” voegde zij er met een flauw
glimlachje bij, in de stilte, die intrad.

Juist toen hij iets wilde zeggen, beduidde zij hem om stil te zijn en
tezamen luisterden zij naar een gekraak en geritsel in het kreupelhout,
dat waarschuwde, dat hier menschelijke wezens zich een weg baanden.

„Luister,” fluisterde zij haastig, haar hand smeekend op zijn arm
leggend. „Ik zal eindelijk en voor het laatst een Angel-Saksische zijn,
wanneer ik zeg, wat ik je ga zeggen. Daarna en altijd, zal ik de, om de
zaken heendraaiende, fladderende, vrouwelijke Spaansche zijn, die gij
voor mijn beschrijving hebt uitgezocht. Luister: Ik bemin Henry, dit is
waar, echt waar. Ik bemin jou meer, veel meer. Ik zal Henry’s vrouw
worden... omdat ik hem liefheb en met hem verloofd ben. Maar toch zal
ik jou altijd meer liefhebben.”

Voor hij kon protesteeren, kwamen de oude Maya-priester en zijn zoon
vlak bij hen uit het kreupelhout te voorschijn. Hun aanwezigheid
nauwelijks opmerkend, viel de priester op zijn knieën neer en riep in
het Spaansch:

„Voor de eerste maal hebben mijn oogen de oogen van Chia aanschouwd.”

Hij liet de knoopen der heilige kwast door zijn vingers glijden en
begon een gebed in de taal der Mayas, dat, wanneer zij het verstaan
hadden, aldus luidde:

„O, onsterfelijke Chia, verheven echtgenoote van den goddelijken
Hzatzl, die alle dingen uit niets heeft geschapen! O, onsterfelijke
echtgenoote van Hzatzl, gij, die zelf de moeder zijt van het graan, het
goddelijk hart van het gezeefde koren, godin van den regen en de
bevruchtende zonnestralen, voedster van alle graankorrels, wortels en
vruchten, noodig voor het onderhoud van den mensch! O, heerlijke Chia,
wier mond het oor van Hzatzl gebiedt, tot u zend ik onwaardige, uw
priester, mijn bede op. Wees mij goedgunstig en vergevensgezind. Laat
uit uw mond den gouden sleutel voortkomen, die het oor van Hzatzl
opent. Laat uw getrouwe priester Hzatzl’s schat bereiken... Niet voor
hem zelf, o Goddelijke, maar terwille van zijn zoon, die door den
Gringo gered is. Uw kinderen, de Mayas, sterven uit. Zij hebben geen
behoefte aan den schat. Ik ben uw laatste priester. Met mij daalt alle
kennis van u in het graf en van uw verheven echtgenoot, wiens naam ik
slechts durf te noemen, met mijn voorhoofd op de steenen gebogen. Hoor
mij! O, Chia, hoor mij! Mijn hoofd rust op de steenen voor u!”

Volle vijf minuten lag de oude Maya voorovergebogen, huiverend en
trekkend als in een zenuwtoeval, terwijl Leoncia en Francis
nieuwsgierig toekeken, half meegesleept door de groote plechtigheid van
het gebed van den ouden man, ofschoon zij de woorden niet konden
verstaan.

Zonder op Henry te wachten, trad Francis voor de tweede maal het hol
binnen. Met Leoncia naast zich, had hij geheel het gevoel van een gids,
toen hij den ouden priester de plaats toonde. Deze laatste, die aldoor
de knoopen las en mompelde, volgde achter hen aan, terwijl de inlander
buiten achtergelaten was om wacht te houden. In de rij met mummies
gekomen, stond de priester eerbiedig stil—niet zoozeer om de mummies
als wel om de heilige kwast.

„Het staat zoo geschreven,” verkondigde hij, een knoopenstreng naar
boven houdend. „Deze mannen waren boos en roovers. Zij zijn gedoemd om
eeuwig hier voor de binnenkamer van het Maya-mysterie op wacht te
staan.”

Francis leidde hem snel langs den hoop beenderen van zijn vader, die
voor hem lagen, en bracht hem in de binnenkamer, waar hij onmiddellijk
zich voor de twee afgodsbeelden ter aarde wierp en lang en ernstig bad.
Daarna bestudeerde hij zorgvuldig bepaalde koorden. Toen verkondigde
hij, eerst in de taal der Mayas en toen Francis hem te kennen gaf, dat
ze dit niet konden verstaan, in gebroken Spaansch:

„Uit den mond van Chia naar het oor van Hzatzl—aldus staat geschreven.”

Francis luisterde naar de geheimzinnige uitspraak, keek in de donkere
holte van den mond der godin, stak het lemmet van zijn jachtmes in het
sleutelgat, dat in het monsterachtige oor van den god zat, klopte toen
met het heft van zijn mes tegen den steen en verklaarde, dat het beeld
hol was. Bij Chia teruggekomen, beklopte hij haar ook om te bewijzen,
dat ze hol was, toen de oude Maya mompelde:

„De voeten van Chia rusten op niets.”

Francis, die hierdoor getroffen werd, liet den ouden man deze
knoopen-boodschap nog eens herhalen.

„Haar voeten zijn groot,” lachte Leoncia, „maar zij rusten op den
hechten rotsvloer en niet op niets.”

Francis duwde met zijn hand tegen de vrouwelijke godheid en merkte, dat
ze gemakkelijk bewoog. Haar met beide handen vastgrijpend, begon hij
den strijd, haar met snelle rukken en draaien in beweging brengend.

„Voor den sterken en onbevreesden zal Chia wandelen,” las de priester.
„Maar de volgende drie knoopen zeggen: „Pas op! Pas op! Pas op!”

„Wel ik vermoed, dat dit niets, wat het ook zijn moge, mij wel niet zal
bijten,” lachte Francis, toen hij het beeld losmaakte, nadat hij het
een meter van zijn vorige standplaats verschoven had.

„Zoo, ouwe juffrouw, blijf daar maar een poosje staan, of ga zitten,
dan kunnen je voeten rusten. Ze zullen wel moe zijn van het eeuwenlange
staan op niets.”

Een kreet van Leoncia vestigde zijn aandacht op het gedeelte van den
vloer, dat vlak onder de groote voeten van Chia gelegen had. Achteruit
wegstappend van de verplaatste godin, was hij bijna in het, in de rots
uitgehouwen, hol gevallen, dat haar voeten verborgen hadden gehouden.
Het was rond en een meter in doorsnee. Tevergeefs onderzocht hij de
diepte, door er brandende lucifers in te werpen. Zij vielen brandend
naar beneden en, zonder den bodem te bereiken, nog altijd vallend,
doofden zij uit door den tocht van hun val.

„Het lijkt veel op het bodemloos niets,” was zijn oordeel, toen hij er
een klein stukje steen in liet vallen.

Verscheidene seconden luisterden zij eer zij het hoorden neerkomen.

„En dat is misschien nog niet eens de bodem,” merkte Leoncia op. „Het
kan tegen een uitstekende punt van den zijwand gestooten hebben en is
daar misschien wel blijven liggen.”

„Welnu, dit zal het wel uitwijzen,” riep Francis, een oud musket
grijpend, dat tusschen de beenderen op den vloer lag en zich gereed
makend om het naar beneden te werpen.

Maar de oude man hield hem tegen.

„De boodschap der heilige knoopen is: wie het niets onder de voeten van
Chia geweld aandoet, zal onmiddellijk en op vreeselijke wijze sterven.”

„Verre zij het van mij om de ledige ruimte te verstoren,” grinnikte
Francis, het musket wegwerpend. „Maar wat moeten we dan doen, oude
Maya? Uit den mond van Chia naar het oor van Hzatzl klinkt
gemakkelijk—maar hoe?—en wat? Laat de heilige knoopen door je vingers
glijden, ouwe kerel, en vind voor ons uit het hoe en het wat.”



Voor den zoon van den priester, den inlander met de ontvelde knieën,
was het uur geslagen. Onbewust, had hij zijn laatsten zonsopgang
aanschouwd. Onverschillig wat er dezen dag zou gebeuren, onverschillig
welke blinde pogingen hij in het werk zou stellen om te ontsnappen,
deze dag zou zijn laatste zijn. Wanneer hij op wacht was blijven staan
aan den ingang van het hol, dan zou hij ongetwijfeld gedood zijn
geworden door Torres en Mancheno, die hem op de hielen gevolgd waren.

Maar, in plaats van daar te blijven, kwam het in zijn voorzichtige,
vreesachtige ziel op om een verkenningstocht te doen naar mogelijke
vijanden. Zoodoende ontliep hij den dood in het daglicht onder den
blooten hemel. Toch waren de wijzers der klok niet tegen te houden, en
zijn noodlottig einde was hem nog even nabij.

Terwijl hij op verkenning uit was, kwamen Alvarez Torres en José
Mancheno bij de opening van het hol. De reusachtige, paarlemoeren oogen
van Chia in den rotsmuur waren te veel voor den bijgeloovig aangelegden
Caroo.

„Ga jij maar naar binnen,” zei hij tegen Torres. „Ik zal hier blijven
en de wacht houden.”

En Torres, die het bloed van den ouden voorvader, die trouw eeuwenlang
in de rij der mummies stond, in de aderen had, trad even onversaagd de
Maya-grot binnen, als die voorvader hier binnengetreden was.

En op hetzelfde oogenblik, waarop hij uit het gezicht verdween, vergat
José Mancheno, die niet schroomde om verraderlijk een levend en
bewegend mensch te vermoorden, maar die doodsbenauwd was voor de
ongeziene wereld, verborgen achter onverklaarbare verschijnselen, zijn
belofte om te wachten en te waken en sloop weg naar de jungle.
Zoodoende vond de inlander, die gerustgesteld terugkeerde van zijn
verkenningstocht en nieuwsgierig was om de Maya-geheimen te leeren
kennen van zijn vader en de heilige kwast, niemand bij de opening der
grot en ging zelf naar binnen, vlak op de hielen van Torres.

Deze laatste liep zacht en voorzichtig, uit vrees om zijn aanwezigheid
te verraden aan degenen, die hij op het spoor was. Ook werd zijn
voortgang vertraagd door het schouwspel der oude gestorvenen in de
galerij der mummies. Nieuwsgierig bekeek hij deze mannen, van wie de
geschiedenis verhaalde en voor wie de geschiedenis had opgehouden te
bestaan, hier in de antichambre der Maya-godheden. Bijzonder
nieuwsgierig werd hij bij het zien der mummie aan het einde der rij. De
gelijkenis met hem zelf was te groot, dat hij die niet zien zou, en hij
moest wel aannemen, dat zijn oog staarde op een zijner voorvaderen in
de rechte lijn.

Nog altijd kijkend en overleggend, werd hij gewaarschuwd door naderende
voetstappen en hij keek om zich heen naar een schuilplaats. Een
sardonische humor maakte zich van hem meester. De helm van het hoofd
van zijn vroegeren bloedverwant nemend, plaatste hij die op zijn eigen
hoofd. Eveneens drapeerde hij de verteerde mantel om zijn lichaam en
rustte zich uit met het groote zwaard en de groote kaplaarzen, die
bijna aan stukken vielen, toen hij ze aantrok. Vervolgens legde hij,
bijna teer, de naakte mummie op zijn rug in de donkere schaduw achter
de andere mummies. En eindelijk nam hij op dezelfde plaats aan het
einde der rij, zijn hand rustend op het gevest van zijn zwaard,
dezelfde houding aan, die hij van de mummie gezien had.

Alleen zijn oogen bewogen, toen hij den inlander langzaam en
vreesachtig langs de rij overeindstaande lichamen zag sluipen. Toen hij
Torres zag, bleef hij plotseling staan en mompelde, met opengesperde,
angstige oogen een reeks Maya-gebeden. Torres, die zoo aangekeken werd,
kon enkel met gesloten oogen toeluisteren en heimelijk vloeken. Toen
hij hoorde, dat de inlander doorliep, waagde hij het om even te kijken
en zag hem voorzichtig stilhouden in de nauwe elleboogvormige bocht,
waarin hij zich nu moest wagen. Torres zag zijn kans schoon en hief
zijn zwaard op, om den slag toe te brengen, die het hoofd van den
inlander in tweeën zou splijten.

Ofschoon dit de laatste dag en het laatste uur van den inlander was,
had zijn laatste seconde nog niet getikt. Niet hier, in de galerij des
doods, zou hij sterven door de hand van Torres. Want Torres trok zijn
hand terug en liet langzaam de punt van het zwaard afdalen naar den
vloer, terwijl de inlander voortliep, den bocht in.

Deze laatste kwam bij zijn vader, Leoncia en Francis, juist toen
Francis den priester vroeg om de knoopen te ondervragen om vollediger
aanwijzing omtrent het hoe en wat, dat het oor van Hzatzl zou openen.

„Steek je hand in den mond van Chia en haal den sleutel eruit,” beval
de oude man aan zijn aarzelenden zoon, die hem slechts schoorvoetend
gehoorzaamde.

„Ze zal je niet bijten—ze is van steen,” zei Francis lachend in het
Spaansch tegen hem.

„De goden der Mayas zijn nooit van steen,” berispte de oude man hem.
„Ze zien er uit alsof ze van steen zijn, maar ze leven en leven eeuwig,
en volvoeren onder den steen en door den steen heen en door middel van
den steen hun eeuwigen wil.”

Leoncia trok zich huiverend van hem terug en drong zich tegen Francis
aan, haar hand op zijn arm leggend, als om bescherming te zoeken.

„Ik voel, dat er iets vreeselijks gaat gebeuren,” zuchtte zij. „Ik houd
niet van deze plek in het hartje van een berg tusschen al deze doode
dingen. Ik houd van den blauwen hemel en den heerlijken zonneschijn en
de wijde zee. Er gaat iets vreeselijks gebeuren. Ik voel, dat er iets
vreeselijks gaat gebeuren.”

Terwijl Francis haar geruststelde, was de laatste seconde van de
laatste minuut van den inlander aangebroken. En toen hij, al zijn moed
bij elkander rapend, zijn hand in den mond der godin stak, tikte de
laatste seconde en het uur sloeg. Met een kreet van schrik trok hij
zijn hand terug en keek naar zijn pols, waar een klein bloeddruppeltje
vlak boven een slagader te voorschijn kwam. Het gespikkelde hoofd van
een slang kwam als een spottende, ironische tong te voorschijn, trok
zich weer terug en verdween in den donkeren mond der godin.

„Een adder,” gilde Leoncia, het reptiel herkennend.

En de inlander, die eveneens de adder herkende en wist, dat een
gewissen dood hem te wachten stond, deinsde ontzet achteruit, stapte in
het gat en verdween in het niets, dat Chia met haar voet zoo vele
eeuwen lang bewaakt had.

Een minuut lang sprak niemand en toen zei de oude priester:

„Ik heb Chia’s toorn opgewekt en zij heeft mijn zoon gedood.”

„Onzin,” stelde Francis Leoncia gerust. „De heele zaak is natuurlijk en
gemakkelijk te verklaren. Wat is natuurlijker, dan dat een adder haar
toevlucht zoekt in een opening in een rots? Dit is de gewoonte der
slangen. Wat is natuurlijker, dan dat een man, die door een adder
gebeten is, achteruit stapt? En wat is natuurlijker, wanneer er een gat
achter hem is, dan dat hij er in valt...”

„En dat is dan ook zeker natuurlijk!” riep ze uit, wijzend op een
stroom kristalhelder water, dat omhoog borrelde over de randen van het
gat en als een geyser in de lucht opspoot. „Hij heeft gelijk. Zelfs
door steenen volvoeren de goden hun eeuwigen wil. Hij heeft ons
gewaarschuwd. Hij wist het door het knoopenschrift van de heilige
kwast.”

„Onzin!” spotte Francis. „Niet de wil der goden, maar dien der oude
Maya-priesters, die zoowel hun goden als deze bijzondere kunstgreep
verzonnen hebben. Ergens daar beneden in dat gat heeft het lichaam van
den inlander tegen den hefboom gestooten, die de steenen sluisdeuren
opende. En zoodoende werd een onderaardsche waterleiding in den berg
geopend. Vandaar dat water. Een godin met zoo’n monsterachtigen mond
kan nooit anders bestaan hebben dan in de monsterachtige verbeelding
van den mensch. Schoonheid en goddelijkheid zijn één. Een echte en ware
godin is altijd schoon. Alleen de mensch schiep duivels in al hun
leelijkheid.”

De stroom was zoo sterk, dat het water reeds tot hun enkels reikte.

„’t Is alles in orde,” zei Francis. „Ik heb van af den ingang den
geheelen weg langs geregeld opgemerkt, dat de vloeren der vertrekken en
gangen een hellend vlak vormen. Deze oude Mayas waren goede ingenieurs
en zij bouwden, rekening houdend met het water. Zie hoe het water door
de gang wegstroomt.—Wel, oude man, raadpleeg uw knoopen, waar is de
schat?”

„Waar is mijn zoon?” was de wedervraag van den ouden man op een doffen,
hopeloozen toon. „Chia heeft mijn eenigen zoon geslagen. Terwille van
zijn moeder overtrad ik de wetten der Mayas en bezoedelde het zuivere
bloed der Mayas met het mestiezen-bloed van een vrouw der tierra
caliente. Omdat ik voor zijn bestaan moest zondigen, is hij mij
driedubbel dierbaar. Wat geef ik om schatten? Mijn zoon is weggenomen.
De wraak der Maya-goden rust op mij.”

Bruisend en borrelend en met uiteenspattende luchtbelletjes, die
getuigden welk een drang er achter zat, spoot het water nog altijd even
hoog in de lucht. Leoncia merkte het eerst, dat het water steeds hooger
kwam te staan op den vloer der kamer.

„’t Staat al halfweg mijn knieën.” Met deze woorden wekte zij Francis’
aandacht op.

„En het wordt tijd om te maken, dat we wegkomen,” stemde hij toe, den
toestand begrijpend. „De waterafvoer was waarschijnlijk uitstekend
aangelegd. Maar die neergestorte rotsblokken bij den ingang van de
rots, hebben waarschijnlijk den afvoerweg van het water versperd. In de
andere gangen, die lager liggen, staat het water natuurlijk nog hooger
dan hier. Toch wordt het hier ook al aardig hoog. En de eenige uitweg
is door de gangen. Kom!”

Leoncia voor zich uitduwend om naar een veiliger plek te vluchten,
greep hij den apathischen priester bij de hand en sleepte hem mee. Bij
den ingang van de elleboogvormige bocht reikte het water al boven hun
knieën. Toen ze in de kamer der mummies kwamen, stond het al tot aan
hun middel.

En uit het water, vlak voor Leoncia’s verbaasden blik, verrees het
gehelmde hoofd en het, met een ouderwetschen mantel bekleede, lichaam
van een mummie. Maar dit was het niet alleen, wat haar zoozeer
verbaasde, want ook andere mummies wankelden; vielen en dreven rond in
het snel ronddraaiende water. Maar deze mummie bewoog en hijgde naar
adem, en keek haar met levende oogen aan.

Het was teveel voor een gewoon mensch—een vier eeuwen oude mummie, die
nu door verdrinken den tweeden dood stierf. Leoncia gilde, sprong
vooruit en vluchtte terug langs den weg, dien zij gekomen waren,
terwijl Francis, op zijn manier even erg verschrikt, haar liet
passeeren terwijl hij zijn automatisch pistool trok. Maar de mummie,
die voet kreeg in den snel ronddraaienden stroom, riep:

„Schiet niet! Ik ben het—Torres! Ik ben juist van den ingang
teruggekomen. Er is iets gebeurd. De weg is versperd. Het water staat
hooger dan een manslengte en dan de uitgang, en er vallen rotsblokken
naar beneden.”

„En in deze richting is je weg ook versperd,” zei Francis, zijn
revolver op hem richtend.

„Dit is geen tijd om te twisten,” antwoordde Torres. „We moeten
allemaal ons leven zien te redden en daarna kunnen we twisten, als er
getwist moet worden.”

Francis aarzelde.

„Wat gebeurt er met Leoncia?” vroeg Torres sluw. „Ik zag haar
terugloopen. Kan ze zelf niet in gevaar zijn?”

Torres het leven schenkend en den ouden man bij den arm meesleepend,
waadde Francis terug naar de kamer met de afgoden, gevolgd door Torres.
Maar toen ze hem ook hier zag, gilde Leoncia het weer uit van
ontzetting.

„Het is Torres maar,” stelde Francis haar gerust. „Hij bezorgde ook mij
een helschen schrik, toen ik hem voor het eerst zag. Maar hij is
werkelijk vleesch en bloed. Hij bloedt wel, als er een mes tusschen
zijn ribben gestoken wordt.—Vooruit, ouwe heer! We willen hier liefst
niet verdrinken als ratten in een val. Dit is niet alles der
Maya-geheimen. Lees het knoopenschrift en zorg, dat we hieruit komen.”

„De weg is niet uit, maar in,” beweerde de priester.

„En het moet niet al te lang duren, eer we wegkomen. Maar hoe gaan we
er in?”

„Van den mond van Chia naar het oor van Hzatzl,” was het antwoord.

Francis kreeg plotseling een groteske en vreeselijke ingeving.

„Torres,” sprak hij, „er zit een sleutel of zooiets in den mond van die
steenen dame daar. Jij staat er het dichtst bij. Steek je hand er in en
haal hem er uit.”

Leoncia hijgde van ontzetting, toen ze Francis’ wraakneming begreep.
Torres merkte dit niet en waadde blijmoedig naar de godin, zeggend:
„Maar al te blij, dat ik je van dienst kan zijn.”

Maar toen kreeg Francis’ eerlijkheidsgevoel de overhand. „Stop!” beval
hij barsch, zelf naar het afgodsbeeld toewadend. En Torres, die eerst
verwonderd toekeek, zag aan welk een gevaar hij ontsnapt was. Francis
schoot verscheidene keeren zijn pistool af in den steenen mond, terwijl
de oude priester kreunde: „Heiligschennis!” Vervolgens, zijn jas om
zijn arm en hand windend, greep hij in den mond en trok de gewonde
adder er aan den staart uit. Met snelle slagen sloeg hij den kop van
het dier te pletter tegen de zijde der godin.

Zijn hand en arm omwikkeld houdend, met het oog op de mogelijke
aanwezigheid van een tweede slang, stak Francis zijn hand weer in den
mond en haalde een stuk bewerkt goud te voorschijn van denzelfden vorm
en omvang als de opening in Hzatzl’s oor. De oude man wees op het oor
en Francis stak den sleutel er in.

„Net een stuivers-automaat,” merkte hij op, toen de sleutel uit het
gezicht verdween. „Wat gaat er nu gebeuren? Laten we wachten of het
water plotseling wegvloeit.”

Maar de groote stroom bleef onafgebroken uit de opening opspuiten. Met
een uitroep van verbazing, wees Torres naar den muur, waarvan een,
oogenschijnlijk hecht, gedeelte langzaam omhoogschoof.

„De uitweg,” sprak Torres.

„In, zooals de oude man zei,” verbeterde Francis. „Wel, hoe het zij,
laten we verder gaan.”

Allen waren goed en wel door de nauwe gang gekomen, die er achter lag,
toen de oude Maya uitriep: „Mijn zoon!”, zich omkeerde en terugsnelde.

Het stuk muur daalde reeds weer in zijn vroegeren stand terug en de
priester moest diep bukken om er onder door te kruipen. Een oogenblik
later was het in zijn ouden stand teruggekeerd. Zoo precies was het
gemaakt en paste het, dat de stroom water, die uit de kamer met de
afgoden gevloeid had, onmiddellijk afgesloten werd.



Aan de buitenzijde was een klein waterstroompje, dat uit den voet der
rots vloeide uitgezonderd, geen enkel kenteeken, dat verried wat er in
het hartje van den berg voorviel. Henry en Ricardo zagen bij hun
aankomst het stroompje en Henry merkte op: „Dat is iets nieuws. Er was
hier geen water, toen ik wegging.” Een minuut later sprak hij, toen hij
naar de pas neergestorte rotsblokken keek: „Dit was de ingang van het
hol. Nu is er geen ingang meer. Ik vraag me af, waar de anderen zijn.”

Als antwoord schoot uit den berg, gedragen door den opspuitenden
stroom, het lichaam van een man te voorschijn. Henry en Ricardo vlogen
er op af en trokken het er uit. Den priester herkennend, legde Henry
hem met het gezicht voorover neer, boog zich over hem heen en paste de
eerste hulp voor drenkelingen op hem toe.

Eerst na tien minuten gaf de oude man teekenen van leven en eerst nog
tien minuten later opende hij de oogen en keek woest in het rond.

„Waar zijn de anderen?” vroeg Henry.

De oude priester mompelde iets in de Maya-taal, tot Henry hem beter
wakker schudde.

„Verdwenen—allen verdwenen,” zuchtte hij in het Spaansch.

„Wie?” vroeg Henry, de herinnering wakker schuddend in den, uit de
dooden opgewekte en herhaalde zijn vraag.

„Mijn zoon—Chia heeft hem gedood. Chia doodde mijn zoon, evenals zij al
de anderen gedood heeft.”

„Wie zijn die andere?”

Er volgden meerdere schuddingen en herhalingen der vraag.

„De rijke jonge Gringo, die een vriend was voor mijn zoon, de vijand
van den rijken jongen Gringo, dien men Torres noemt, en de jonge vrouw
der Solanos, die de oorzaak was van al het gebeurde. Ik heb u
gewaarschuwd. Zij had niet mee moeten gaan. Vrouwen zijn altijd den
mannen tot een vloek. Haar tegenwoordigheid vertoornde Chia, die ook
een vrouw is. De tong van Chia is een adder. Door haar tong trof en
doodde Chia mijn zoon en de berg spuwde een oceaan over ons uit daar in
het hartje van den berg en allen zijn dood, gedood door Chia. Wee mij!
Ik heb de goden vertoornd. Wee mij! Wee mij! En wee over hen, die den
heiligen schat wilden zoeken, om hem aan de goden der Mayas te
ontstelen.”








HOOFDSTUK XVI.


Halverwege tusschen den uitspuitenden waterstroom en de rotsblokken
staande, hielden Henry en Ricardo snel krijgsraad. Naast hen, op den
grond gehurkt, kreunde en bad de laatste Maya-priester. Door talrijke
schudpartijen, die dienden om zijn verdoofde oude hersenen wat
helderder te maken, was Henry er in geslaagd een tamelijk vaag verhaal
van het gebeurde in den berg los te krijgen.

„Alleen zijn zoon werd gebeten en viel in het gat,” redeneerde Henry
hoopvol.

„Dat is zoo,” stemde Ricardo toe. „Hij heeft niet gezien, dat de
overigen eenig letsel kregen, een nat pak uitgezonderd.”

„En het kan best zijn, dat ze nu in de een of andere kamer hoog en
droog zitten,” vervolgde Henry. „Wanneer we de rotsblokken kunnen
opruimen, krijgen we het hol misschien open, zoodat het water kan
afvloeien. Als ze nog in leven zijn, kunnen ze het dagen lang
uithouden, want gebrek aan water doodt het snelst, en water hebben ze
beslist meer dan ze noodig hebben. Ze kunnen het geruimen tijd zonder
voedsel uithouden. Maar ik vraag me af, hoe Torres daar binnen bij hen
kwam.”

„Ik vraag me af, of die aanval der Caroos op ons zijn werk niet was,”
merkte Ricardo op.

Maar Henry verwierp deze gedachte.

„Hoe het zij,” sprak hij, „daar gaat het op het oogenblik niet
over—waar het over gaat is: hoe in den berg te komen voor het geval zij
nog in leven zijn. Jij en ik kunnen in geen maand door dien steenhoop
heen komen. Wanneer we vijftig man konden krijgen om te helpen, dan
zouden we, wanneer we ze in dag- en nachtploegen verdeelen, in
achtenveertig uur de opening vrij kunnen maken. Dus is het eerste werk
wat we doen moeten, die mannen zien te krijgen. Ziehier, wat we moeten
doen. Ik zal een muildier nemen en zoo snel mogelijk naar die
Caroo-nederzetting rijden en ze den inhoud van een van Francis’
chèque-boeken beloven, wanneer ze ons willen komen helpen. Als dat
mislukt, kan ik een troep uit San Antonio halen. Ik ga dus direct op
weg. Ondertusschen kan jij den weg verkennen, en al de muildieren,
inlanders, voedselvoorraad en kampeeruitrusting hierheen brengen.
Luister ook aan de rots—zij konden wel eens teekenen geven door te
kloppen.”



Henry dreef zijn muildier voort, het Caroo-dorp binnen, zeer tot
misnoegen van het muildier en tot even groote verwondering der Caroos,
die hun wijkplaats aldus zagen binnendringen door één enkele van het
gezelschap, dat zij getracht hadden te vernietigen. Zij hurkten op hun
drempels en slenterden in den zonneschijn, onder een onverschillig
uiterlijk de verwondering verbergend, die hen doortintelde en hun haast
te machtig werd. Zooals het altijd geweest is, overheerschte de durf
van den blanke het wilde en het mestiezenras en de Caroos bleven
werkeloos. Onwillekeurig redeneerden zij op de hun eigen langzame
wijze, dat alleen een man, een buitengewoon man, een edel of
bovennatuurlijk man, uitgerust met krachten, die zij niet begrijpen
konden, het zou durven wagen om op een uitgeput en koppig muildier hier
in hun talrijk midden te verschijnen.

Zij spraken een mestiezen-Spaansch, dat hij verstaan kon en wederkeerig
verstonden zij zijn Spaansch; maar, wat hij hen vertelde betreffende
het ongeluk in den heiligen berg was niet in staat om hen wakker te
schudden. Met een lijdelijk gezicht en onverschillig hun schouders
ophalende, luisterden zij naar zijn voorstel om een poging tot redding
te wagen en de belofte van een hooge belooning voor hun tijdverlies.

„Wanneer een berg de Gringos verzwolgen heeft, dan is dit Gods wil en
wie zijn wij, dat wij ons zouden stellen tusschen God en Zijn wil?”
antwoordden zij. „Wij zijn arme menschen, maar wij hoeven voor niemand
te werken en evenmin verlangen wij tegen God op te staan. Bovendien was
het de schuld van de Gringos zelf. Dit is hun land niet. Zij hebben
geen recht om hier hun lusten bot te vieren op onze bergen. Laten ze
zelf hun zaak met God uitvechten. Wij hebben genoeg te doen met onze
eigen zaken, en onze vrouwen zijn losbandig.”

Lang na het siesta-uur reed Henry, op zijn derde en meest weerspannige
muildier het slaperige San Antonio binnen. In de hoofdstraat,
halverwege tusschen het gerechtshof en de gevangenis, hield hij stil op
het zien van den Chef van Politie en den kleinen, dikken, ouden
rechter, die op den voet gevolgd werden door een twaalftal gendarmes en
een paar ongelukkige gevangenen—weggeloopen inlanders van de plantages
te Santos. Terwijl de rechter en de Chef luisterden naar Henry’s
verhaal en bede om hulp, gaf de Chef den rechter, die zijn rechter was,
zijn maaksel en hem met hart en ziel toegedaan was, heimelijk een wenk.

„Ja, zeker zullen we je helpen,” zei de Chef ten slotte, zijn armen
uitrekkend en geeuwend.

„Hoe spoedig kunnen we de mannen bij elkander krijgen en op weg gaan?”
vroeg Henry gretig.

„Wat dat betreft, we hebben het zeer druk—nietwaar, waarde rechter,”
antwoordde de Chef met een vadsige onbeschaamdheid.

„We hebben het zeer druk,” geeuwde de rechter in Henry’s gelaat.

„Vooreerst nog te druk,” vervolgde de Chef. „Het spijt ons, dat we
morgen en ook overmorgen niet in de gelegenheid zullen zijn om een
poging te wagen ter redding van je Gringos. Maar over een poosje...”

„Laten we zeggen, aanstaande Kerstmis,” stelde de rechter voor.

„Ja,” besloot de Chef met een hoffelijke buiging. „Kom ons tegen
Kerstmis maar weer eens opzoeken en, als we het dan niet meer zoo druk
hebben, dan zullen we misschien eenige mogelijkheid zien om de
gelegenheid te vinden om te beginnen met de poging om de gevraagde
expeditie bij elkaar te brengen. Tot zoolang, gegroet, Senor Morgan.”

„Meen je dat?” vroeg Henry met toornig gelaat.

„Dat is hetzelfde gezicht, dat hij getrokken moet hebben, toen hij
Senor Alfaro Solano verraderlijk van achteren aanviel,” sprak de Chef
onheilspellend.

Maar Henry deed alsof hij deze laatste beleediging niet hoorde.

„Ik zal je zeggen, wat jelui zijn,” barstte hij los in rechtmatigen
toorn.

„Wees voorzichtig!” waarschuwde de rechter hem.

„Je bent mij geen knip voor den neus waard,” antwoordde Henry. „Je hebt
niets over mij te zeggen. Ik heb volledige vergiffenis ontvangen van
den President van Panama zelf. En nu zal ik zeggen, wat jelui zijn.
Jelui zijn mulatten. Jelui zijn mestiezen-zwijnen.”

„Ga voort, alstublieft, senor,” zei de Chef, met de onderdanige
beleefdheid, die doodelijke haat schenkt.

„Je bezit noch de deugden van den Spanjaard, noch die van den bewoner
van Caraïbië, maar beider ondeugden bezit je in driemaal sterkere mate.
Mestiezen-zwijnen, dat ben je en dat is alles, wat je bent, jelui
allebei.”

„Bent u uitgesproken, senor?—heelemaal uitgesproken?” vroeg de Chef
zachtmoedig.

Tegelijkertijd gaf hij de gendarmes een teeken, die Henry van achteren
besprongen en hem ontwapenden.

„Zelfs de President der Republiek Panama kan geen misdaad
kwijtschelden, die nog niet begaan is—heb ik gelijk, rechter?” zei de
Chef.

„Dit is een nieuwe beleediging,” nam de rechter onmiddellijk de
vingerwijzing op. „Deze Gringo-hond heeft de wet gehoond.”

„Dan zal zijn zaak onderzocht worden en nu onderzocht worden,
onmiddellijk en hier op deze plaats. We zullen ons niet ophouden met
terug te gaan en het gerechtshof weer te openen. We zullen zijn zaak
onderzoeken en als we een beslissing genomen hebben, verdergaan. Ik heb
een heele goede flesch wijn...”

„Ik houd niet van wijn,” weerde de rechter snel af. „Ik heb liever
mescal. En ondertusschen, nu we allebei getuige en slachtoffer van de
beleediging zijn, is het niet noodig om verdere bewijzen te zoeken dan
die alreeds in mijn bezit zijn en verklaar ik den gevangene schuldig.
Hebt u nog iets in het midden te brengen, Senor Mariano Vercara è
Hyos?”

„Vier en twintig uur in den stok zal dezen heethoofdigen Gringo wel een
beetje bekoelen,” antwoordde de Chef.

„Dat zal zijn vonnis zijn,” bevestigde de rechter, „dat dadelijk ten
uitvoer gebracht wordt. Leid den gevangene weg, gendarmes, en sluit hem
in den stok.”



Met het aanbreken van den dag lag Henry in den stok, nadat hij al
twaalf uren van gevangenschap achter zich had, op zijn rug te slapen.
Maar zijn slaap was ongedurig, daar deze subjectief gestoord werd door
nachtmerries over zijn metgezellen, die in den berg gevangen zaten en
objectief door de steken van ontelbare muskieten. Zoodoende ontwaakte
hij, zich wendend en krommend en slaande naar de gevleugelde
plaaggeesten, tot de volle bewustheid van zijn toestand. Bovenmate
geprikkeld door het gif van een duizend muskietenbeten, zond hij
zooveel verwenschingen het aanbrekende daglicht in, dat hij de aandacht
trok van een man, die een tasch met gereedschappen droeg. Het was een
goed gebouwd jongmensch met een schrander gezicht, gekleed in de
uniform van een aviateur van het Leger der Vereenigde Staten. Hij
veranderde van koers zoodat hij bij den stok kwam, stond stil en
luisterde en keek met verbazing en bewondering toe.

„Vriendje,” zei hij, toen Henry even zweeg om op adem te komen.
„Gisterenavond toen ik hier aan wal gezet werd, terwijl de helft van
mijn uitrusting aan boord gelaten werd, heb ik zelf ook een beetje
gevloekt. Maar dat was niets vergeleken bij jou. Alle achting,
mijnheer. Je kunt het nog veel beter dan een stukkenrijder. Als je nu
het heele lijstje nog eens wilt afwerken, zal ik heel wat meer voorraad
hebben, wanneer ik een volgende keer weer eens behoefte heb om te
vloeken.”

„En wie, voor den duivel, ben jij?” vroeg Henry. „En wat, voor den
duivel, kom je hier doen?”

„Ik neem het je niet kwalijk,” grinnikte de vliegenier. „Met zoo’n
gezwollen gezicht, heb je wel het recht om ruw te worden. Wie heeft je
zoo afgeranseld? In de hel heb ik tot nog toe mijn status niet
vastgesteld. Maar hier op aarde sta ik bekend als Parsons, Luitenant
Parsons. Met den duivel heb ik tot nog toe niets uit te staan; maar
hier in Panama moet ik vandaag van den Atlantischen Oceaan naar de
Stille Zuidzee vliegen. Is er iets, dat ik voor je doen kan, eer ik
vertrek?”

„Zeker,” bevestigde Henry. „Neem een stuk gereedschap uit je tasch en
verbrijzel dit hangslot. Ik zal nog rheumatiek krijgen, als ik hier
langer moet blijven. Ik heet Morgan en niemand heeft me afgeranseld.
Dit zijn muskietenbeten.”

Met eenige slagen van een schroevendraaier verbrijzelde Luitenant
Parsons het oude hangslot en hielp Henry overeind. Terwijl hij zijn
voeten en enkels wreef om het bloed weer in beweging te brengen,
vertelde Henry, vliegensvlug aan den vliegenier het voorgevallene en
het misschien tragische lot van Leoncia en Francis.

„Ik houd van dien Francis,” besloot hij. „Hij is mijn sprekend
evenbeeld. We lijken meer op elkander dan tweelingen en moeten heel ver
aan elkander verwant zijn. Wat de senorita betreft, niet alleen bemin
ik haar, maar ik ben met haar verloofd. Wil je mij nu helpen? Waar is
de machine? Het duurt een heelen tijd om te voet of op een muildier den
Maya-Berg te bereiken, maar wanneer je mij in je machine meeneemt, zou
ik er in een oogwenk zijn, tegelijk met een honderd dynamietpatronen,
die je mij wel kunt bezorgen en waarmee ik den bergwand zou kunnen
laten springen en het water doen afvloeien.”

Luitenant Parsons aarzelde.

„Zeg ja, o, zeg ja,” smeekte Henry.



In het binnenste van den heiligen berg, bevonden de drie gevangenen
zich in een absolute duisternis, zoodra de steen, die de opening van de
godenkamer afsloot, weer op zijn plaats gekomen was. Francis en Leoncia
tastten rondom zich en hun handen raakten elkander. Een oogenblik later
was zijn arm om haar heengeslagen en de zaligheid van deze aanraking
maakte den toestand slechts half zoo verschrikkelijk. Vlak bij hen
konden ze Torres hooren, die zwaar ademhaalde. Ten slotte mompelde hij:

„Heilige Moeder Gods, dat was op het kantje af! Ik vraag me af, wat er
nu verder zal gebeuren.”

„Er zullen nog menige verders komen, voor we uit dezen bergpas zijn
gekomen,” verzekerde Francis hem. „En we konden wel beginnen om te
trachten eruit te komen.”

Hun wijze van verdergaan was snel geregeld. Leoncia achter zich
plaatsend, terwijl haar hand den zoom van zijn jas vasthield, zoodat
hij haar kon geleiden, liep hij verder met zijn linkerhand tegen den
muur steunend. Voor hem uit, zocht Torres zijn weg langs den
rechtermuur. Door hun stemmen konden zij dus met elkander in verbinding
blijven, de breedte van den gang berekenen en voorkomen, dat ze door
dwarsgangen van elkander gescheiden werden. Gelukkig was de vloer van
den tunnel, want het was werkelijk een tunnel, gelijk, zoodat zij,
terwijl zij zich op het gevoel een weg baanden, niet struikelden.
Francis weigerde om, anders dan in dringende noodzakelijkheid, gebruik
te maken van zijn lucifers, en zorgde er voor om niet in een
eventueelen kuil te vallen, door voorzichtig eerst één voet vooruit te
brengen en zich te overtuigen, dat hij vasten grond onder de voeten
had, eer hij zijn gewicht er op over bracht. Bijgevolg vorderden zij
slechts langzaam. Zij legden niet meer dan een halve mijl per uur af.

Slechts eens ontmoeten zij een zijgang. Hier stak hij een kostbare
lucifer uit zijn waterdichte doos aan en vond, dat er geen keus te doen
was tusschen de beide gangen. Ze geleken op elkander als twee druppels
water.

„Er zit niets anders op, dan er een te probeeren,” besloot hij, „en
wanneer deze ons nergens heenleidt, terug te keeren en de andere te
nemen. Eén ding is zeker: deze gangen leiden ergens heen, anders zouden
de Mayas de moeite niet gedaan hebben om ze te maken.”

Tien minuten later stond hij plotseling stil en gaf een waarschuwenden
kreet. De voet, die hij uitgestoken had, vond niets dan een ledige
ruimte, waar de vloer had moeten zijn. Een andere lucifer werd
aangestoken en zij ontdekten, dat zij op den rand stonden van een
natuurlijk hol van zulke afmetingen, dat het kleine vlammetje noch
rechts, noch links, noch boven, noch onder, noch aan de overzijde de
grenzen ervan kon laten zien. Maar zij slaagden er in een soort ruwe
trap te ontdekken, die gedeeltelijk door de natuur, gedeeltelijk door
menschenhanden was gevormd, die afdaalde in de zwarte opening.

Na een uur, nadat zij het pad gevolgd hadden, dat over den bodem van
het hol leidde, werden zij beloond door een flauwe schemering, die
sterker werd naarmate ze verder gingen. Voor zij het wisten, hadden ze
de bron ervan bereikt—die veel dichterbij was, dan ze dachten; en
Francis, die wijnranken en kreupelhout wegtrok, krabbelde te voorschijn
in den namiddagzonneschijn. In een oogwenk stonden Leoncia en Torres
naast hem en keken van de rots neer in een dal. Het was bijna
cirkelvormig, een volle mijl in doorsnee, en het scheen rondom
afgesloten te zijn door bergen en rotsen.

„Dat is het dal der Verloren Zielen,” sprak Torres plechtig. „Ik heb er
van hooren spreken, maar heb er nooit aan geloofd.”

„Ik heb het ook gehoord en ook nooit willen gelooven,” hijgde Leoncia.

„En wat zou dat?” vroeg Francis. „Wij zijn geen verloren zielen, maar
echte menschen van vleesch en bloed. Waarom zouden we ons ongerust
maken?”

„Maar, Francis, luister toch,” zei Leoncia. „De verhalen, die ik ervan
gehoord heb, van dat ik een klein meisje was af, stemmen alle overeen,
dat iemand, die er inging, er nooit weer uitkwam.”

„Toegestemd dat dit zoo is,” zei Francis, die niet nalaten kon te
glimlachen, „hoe zijn die verhalen er dan uitgekomen? Wanneer er nooit
iemand terugkeerde om ze te vertellen, hoe kan dan iedereen daarbuiten
het weten?”

„Ik weet het niet,” stemde Leoncia toe. „Ik vertel alleen maar, wat ik
gehoord heb. Bovendien heb ik er nooit aan geloofd. Maar dit klopt met
alle beschrijvingen uit de verhalen.”

„Niemand keerde er ooit uit terug,” bevestigde Torres even plechtig als
tevoren.

„Hoe weet je dan, dat iemand er in ging?” hield Francis aan.

„Al de verloren zielen wonen hier,” was het antwoord. „Daarom hebben
wij ze nooit gezien, omdat ze er nooit uit konden komen. Ik verzeker u,
mijnheer Francis Morgan, dat ik geen onredelijk wezen ben. Ik heb een
goede opvoeding gehad. Ik studeerde in Europa en heb zaken gedaan in uw
eigen stad New-York. Ik ben op de hoogte der wetenschap en der
philosophie; en toch weet ik, dat dit het dal is, waaruit men nimmer
terugkeert, wanneer men het eenmaal is binnengetreden.”

„Wel, we zijn er nog niet in, is het wel?” antwoordde Francis met een
licht ongeduldige beweging. „En we hoeven er ook niet in te gaan, is
het wel?” Hij kroop voorwaarts naar den rand van een hoop losse aarde
en verbrokkelde steenen om beter het voorwerp in de verte te kunnen
zien, waarop juist zijn oog gevallen was. „Als dat geen dak van
graszoden is...”

Op dat oogenblik bezweek de grond onder zijn handen. In een oogwenk
brak de heele zachte helling, waarop zij stonden, los en alle drie
gleden en rolden de steile helling af, midden in een miniatuur-lawine
van aarde, steen en bosjes gras.

De beide mannen sprongen het eerst op in het dichte kreupelhout, dat
hun val gebroken had, maar eer zij bij Leoncia konden komen, was deze
ook al lachend opgestaan.

„Net terwijl je zei, dat we het dal niet binnen hoefden te gaan!” zei
ze lachend tegen Francis. „Wil je het nu gelooven?”

Maar Francis was met iets bezig. Zijn hand uitstrekkend, greep hij een
bekend voorwerp, dat achter hen aan de helling afdanste. Het was de
helm van Torres, dien deze uit de kamer der mummies gestolen had en hij
wierp hem Torres toe.

„Gooi dat ding weg,” zei Leoncia.

„Het is het eenige, wat ik heb, om me tegen de zon te beschermen,” was
zijn antwoord, toen, terwijl hij hem in zijn handen omdraaide, zijn
oogen bleven rusten op een opschrift aan den binnenkant. Hij liet dit
aan zijn metgezellen zien en las hardop:


                            „Da Vasco.”


„Ik heb er van gehoord,” hijgde Leoncia.

„En gij hebt de waarheid gehoord,” bevestigde Torres. „Da Vasco was
mijn voorvader in de rechte lijn. Mijn moeder was een Da Vasco. Hij
kwam met Cortez naar het Spaansche Schiereiland.”

„Hij was een oproerling,” vervolgde Leoncia het verhaal. „Ik herinner
mij heel goed, dat mijn vader en oom Alfaro het vertelden. Met een
twaalftal kameraden zocht hij den Maya-schat. Zij waren de aanvoerders
van een stam Caraïbiërs, een honderd personen sterk met inbegrip der
vrouwen, die hen moesten helpen. Mendoza vervolgde hen op bevel van
Cortez; en zijn rapport, dat in de archieven berust, vermeldt, zooals
oom Alfaro mij vertelde, dat ze in het dal der Verloren Zielen gedreven
werden, waar zij achtergelaten werden om een ellendigen dood te
vinden.”

„En hij heeft blijkbaar getracht er uit te komen langs den weg,
waardoor wij er in gekomen zijn,” vervolgde Torres, „en de Mayas grepen
hem en maakten een mummie van hem.”

Hij zette den ouden helm op zijn hoofd, zeggende:

„Hoe laag de zon ook staat aan den middaghemel, toch brandt ze mij
venijnig op het hoofd.”

„En mij bijt de honger venijnig,” bekende Francis. „Is het dal
onbewoond?”

„Ik zou het wel denken, senor,” antwoordde Torres. „Denk aan het
verhaal van Mendoza, waarin hij zegt, dat Da Vasco en zijn gezelschap
achtergelaten werden, om een ellendigen dood te vinden. Maar dit weet
ik wel: dat niemand ooit meer iets van hen gezien heeft.”

„Het ziet er naar uit, of er voldoende voedsel moet groeien in een
plaats als deze...” begon Francis, maar hield op, toen hij Leoncia
bessen van een struik zag plukken. „Hier! Schei uit, Leoncia! We hebben
al genoeg wederwaardigheden gehad, zonder nog een zeer lieftallige,
maar zeer vergiftigde jonge vrouw er bij te krijgen.”

„Ze zijn heel goed,” zei ze, kalm dooretend. „Je kunt zien, waar de
vogels er aan gepikt en van gegeten hebben.”

„Dan vraag ik vergiffenis en houd je gezelschap,” riep Francis, zijn
mond vullend met het sappige fruit. „En als ik de vogels kon vangen,
die er aan gepikt hebben, zou ik ze eveneens opeten.”

Toen ze hun ergsten honger gestild hadden, stond de zon zoo laag, dat
Torres den helm van Da Vasco afnam.

„We doen het beste, als we vannacht hier blijven,” sprak hij. „Ik liet
mijn schoenen achter in het hol bij de mummies en verloor Da Vasco’s
oude laarzen onder het zwemmen. Mijn voeten zijn aan reepjes gescheurd
en er is hier overvloed van droog gras, waaruit ik een paar sandalen
kan vlechten.”

Terwijl hij hiermee bezig was, legde Francis een vuur aan en verzamelde
een voorraad hout, omdat, ondanks het feit, dat zij zich dicht bij den
evenaar bevonden, de groote hoogte vuur voor een nachtverblijf noodig
maakte. Vóór hij voldoende voorraad had, was Leoncia, op haar zijde
liggend en haar hoofd in de holte van haar arm, gerust ingeslapen.
Langs haar heen, aan den anderen kant van het vuur, stapelde Francis
behoedzaam een verschansing van droge bladeren en boschaarde op.








HOOFDSTUK XVII.


De dag brak aan in het dal der Verloren Zielen en het Lange Huis in het
dorp der Verloren Zielen. Volle tachtig voet lengte mat het Lange Huis,
terwijl het half zoo breed was, opgebouwd van rotsblokken, dertig voet
hoog tot aan den gevel van het stroodak. Uit het huis stapte langzaam
de Priester der Zon naar buiten—een oude man, die beefde op zijn
beenen, met sandalen aan de voeten, gekleed in een lang kleed van grof
homespun, in wiens verweerd Indiaansch gelaat duidelijke kenteekenen te
vinden waren, dat hij ook afstamde van de oude conquistadores. Op zijn
hoofd stond een zonderlinge gouden kap, omgeven door een halven cirkel
gepolijst gouden punten. De beteekenis was zeer duidelijk, namelijk de
opgaande zon en de stralen der opgaande zon. Hij wankelde over een open
plek naar de plaats, waar een groot, hol houtblok bengelde tusschen
twee palen, die besneden waren met totemische en heraldische figuren.
Hij keek naar den Oostelijken horizon, die zich reeds rood kleurde in
de ochtendschemering, om zich te overtuigen, dat hij op tijd was, hief
een stok op, welks vezelig einde tot een bal was samengevlochten en
sloeg tegen het holle houtblok. Hoe zwak hij ook was en hoe licht de
slag, het holle houtblok dreunde en schalde als verwijderde donder.

Bijna onmiddellijk kwamen uit de, met graszoden gedekte woningen, die
het vierkant rondom het Lange Huis vormden, de Verloren Zielen naar
buiten, terwijl hij langzaam de slagen voortzette. Mannen en vrouwen,
ouden en jongen, kinderen en babies, die op den arm gedragen werden,
allen kwamen naar buiten en liepen naar den Zonnepriester. Geen meer
verouderd schouwspel kon ooit in de twintigste eeuwsche wereld worden
waargenomen. Ongetwijfeld waren het Indianen en toch waren in menig
gelaat de sporen van het Spaansche ras terug te vinden. Enkele
gezichten waren, zoo op het oog, zuiver Spaansch. Weer andere, zuiver
Indiaansch. Maar daarnaast en daartusschen getuigden de meesten van
hen, van een vermenging der beide rassen. Maar nog zonderlinger was hun
kleeding—wat niet zoozeer te merken was aan de vrouwen, die gekleed
waren in lange, bescheiden gewaden van homespun, maar meer aan de
mannen, wier homespun een zonderlingen snit had, overeenkomstig het
Spaansche kleed, dat in Spanje gedragen werd tijdens de eerste reis van
Columbus. Alledaagsch en droef zagen de mannen en vrouwen er uit—als
een ras, dat al te zeer gedegenereerd is om nog vreugde in het leven te
scheppen. Dit was ook het geval met de jongelingen en jonge meisjes,
met de kinderen en zelfs met de zuigelingen, die nog aan de borst
waren—het geval met iedereen, twee uitgezonderd; de eene, een jong
meisje van tien jaar, wier gezicht getuigde van kracht, geest en
verstand. Onder de pafferige gezichten der pafferige, domme Verloren
Zielen was haar gelaat als een schitterende bloem. Alleen het gelaat
van den ouden Zonnepriester geleek op het hare, schrander, krachtig en
intelligent.

Terwijl de priester voortging met op het weerklinkende houtblok te
slaan, vormde de geheele stam een halven cirkel rondom hem, het gelaat
naar het Oosten wendend. Toen de zon even haar bovenste randje
vertoonde, begroette de priester haar en juichte haar toe in een
eigenaardig, verouderd Spaansch, zelf tot driemaal toe een diepe
buiging makend, terwijl de stam zich plat op den grond neerwierp. En
toen de zon heelemaal boven den horizon stond, rees de heele stam, op
aanwijzing van den priester overeind, en hief een vroolijk gezang aan.
Juist toen hij zijn volk liet heengaan, trok een dun rookwolkje, dat
boven het dal in de kalme lucht opsteeg, de aandacht van den priester.
Hij wees er heen en riep een aantal der jonge mannen tot zich.

„Het stijgt op uit de Verboden Plaats der Verschrikking, waar geen lid
van de stam mag komen. Het is een duivel of een vervolger, die door
onze vijanden gestuurd wordt, die al eeuwenlang onze schuilplaats
gezocht hebben. Hij mag niet ontsnappen om rapport uit te brengen, want
onze vijanden zijn machtig en wij zouden vernietigd worden. Ga! Doodt
hem, opdat wij zelf niet gedood worden.”



Rondom het vuur, dat gedurende den nacht met tusschenpoozen van nieuwe
brandstof was voorzien, lagen Leoncia, Francis en Torres te slapen, de
laatste met zijn nieuwe sandalen aan de voeten en den helm van Da Vasco
stevig over zijn hoofd getrokken om zich voor den dauw te beschutten.
Leoncia werd het eerst wakker en het tooneel voor haar was zoo
wonderlijk, dat ze rustig door haar neergeslagen wimpers bleef liggen
kijken. Drie mannen van den zonderlingen stam der Verlorenen, met
gespannen boog, in een houding, die haar duidelijk te kennen gaf, dat
ze gestoord waren in het vermoorden van haar en haar metgezellen, keken
met verwonderd gelaat naar den slapenden Torres. Zij keken elkander
weifelend aan, ontspanden hun bogen en schudden het hoofd om te kennen
te geven, dat ze niet zouden dooden. Zij kropen dichter naar Torres
toe, hurkten neer om beter zijn gezicht te kunnen zien en zijn helm,
die hun het meeste belang scheen in te boezemen.

Van de plaats waar zij lag, kon Leoncia net even met haar voet bij
Francis’ schouder komen. Hij ontwaakte kalm en ging kalm overeind
zitten, hierdoor de aandacht der vreemdelingen tot zich trekkend.
Onmiddellijk gaven zij het algemeen geldende vredesteeken, legden hun
bogen neer en strekten hun vlakke handen uit, om te laten zien, dat ze
ongewapend waren.

„Goedenmorgen, grappige vreemdelingen,” sprak Francis hen in het
Engelsch aan, wat hun het hoofd deed schudden, terwijl Torres er door
ontwaakte.

„Dat moeten Verloren Zielen zijn,” fluisterde Leoncia tegen Francis.

„Of echte staatsagenten,” lachte hij terug. „Het dal is tenminste
bewoond.—Torres, wie zijn je vrienden? Uit de wijze, waarop ze je
aankijken, zou men opmaken, dat het bloedverwanten van je zijn.”

Absoluut geen notitie van hen nemend, gingen de drie Verloren Zielen op
een afstand staan en overlegden op zachten, sissenden toon.

„Dat klinkt als een eigenaardig soort Spaansch,” merkte Francis op.

„Het is, op zijn minst genomen, heel ouderwetsch,” bevestigde Leoncia.

„Het is een verbastering van het Spaansch uit den tijd der
conquistadores,” voegde Torres er aan toe. „Zie je, dat ik gelijk had.
De Verloren Zielen komen hier nooit weg.”

„Maar ze moeten in ieder geval ten huwelijk geven en gegeven worden,”
beweerde Francis, „hoe moet men anders het bestaan van deze drie jonge
broekjes verklaren?”

Maar nu verzochten de jonge broekjes, die het eens geworden waren, hen
met bemoedigende gebaren, om hen door het dal heen te volgen.

„Het zijn tenminste goedaardige, vriendelijke kerels, ondanks hun
zorgelijk uiterlijk,” zei Francis, toen zij aanstalten maakten om hen
te volgen. „Maar heb je ooit van je leven een verzameling gezien met
zoo’n droevig gelaat? Ze zijn beslist met donkere maan geboren, of al
hun geliefde gezellen zijn gestorven of iets dergelijks.”

„Het is juist het soort gezicht, dat men van Verloren Zielen zou
verwachten,” antwoordde Leoncia.

„En als we hier nooit weer uitkomen, veronderstel ik, dat we nog heel
wat droeviger zullen moeten kijken dan zij,” antwoordde hij. „Maar hoe
het zij, ik hoop, dat ze ons bij een ontbijt brengen. Deze bessen zijn
beter dan niets, maar dat beteekent nog niet veel.”

Nadat zij een uur of nog langer, gedwee hun geleiders gevolgd waren,
kwamen zij bij de open vlakte, de woningen en het Lange Huis van den
stam.

„Dit zijn afstammelingen van het gezelschap van Da Vasco en de
Caraïbiërs,” bevestigde Torres, toen hij zijn blik liet gaan over de
gezichten der saamgestroomde bewoners. „Dat is duidelijk aan hen te
zien.”

„En ze zijn van den Christelijken godsdienst van Da Vasco vervallen tot
de heidensche,” voegde Francis er bij. „Kijk maar eens naar dat
altaar—daar. Het is een steenen altaar en, naar den reuk te oordeelen,
is het geen ontbijt, dat daar staat te koken, maar een offerande,
ondanks het feit, dat het naar schapenvleesch ruikt.”

„Goddank, dat het slechts een lam is,” was Leoncia’s verzuchting. „De
oude Aanbidders der Zon brachten menschelijke offers. En dit is
Zonnedienst. Kijk maar eens naar die ouden man daar in dat lange kleed,
met den gouden stralenkap. Hij is een Zonnepriester. Oom Alfaro heeft
mij alles verteld omtrent de Aanbidders der Zon.”

Achter en boven het altaar, was een groot metalen beeld van de zon.

„Goud, allemaal goud,” fluisterde Francis, „en onvervalscht. Kijk eens
naar die stralen en hun dikte, en toch is het metaal zoo zuiver, dat ik
durf wedden, dat een kind ze naar alle kanten zou kunnen ombuigen en er
zelfs knoopen in leggen.”

„Hemelsche goedheid!—kijk daar eens!” hijgde Leoncia, met haar oogen
naar een grove steenen buste wijzend, die aan eene zijde van het altaar
stond en iets lager was. „Dat is het gelaat van Torres. Het is het
gelaat van de mummie in de Maya-grot.”

„En hier staat een opschrift...” Francis stapte naar voren om te
kijken, maar werd door de priester gebiedend teruggewezen. „Er staat op
„Da Vasco”. Zie je wel, dat hij hetzelfde soort helm op heeft als
Torres draagt.—En, zeg! Kijk eens naar den priester! Als hij geen volle
broer van Torres kan zijn, dan heb ik nog nooit in mijn leven zoo’n
gelijkenis gezien!”

De priester maande, met toornig gelaat en gebiedende gebaar Francis aan
om stil zijn en boog zich voor de kokende offerande. Als het ware als
antwoord, doofde de wind het vuur onder de offerande uit.

„De Zonnegod is boos,” verkondigde de priester met groote plechtigheid,
terwijl zijn eigenaardig Spaansch toch begrijpelijk was voor de
nieuwaangekomenen. „Er zijn vreemdelingen in ons midden gekomen en niet
verslagen. Daarom is de Zonnegod boos. Spreek, jongelingen, die de
vreemdelingen levend voor ons altaar gebracht hebt. Was het niet mijn
wensch, die eeuwig en altijd de wensch van den Zonnegod is, dat gij hen
zoudt dooden?”

Een der drie jongemannen stapte sidderend naar voren en wees met
sidderende wijsvingers op het gelaat van Torres en dat der steenen
buste.

„Wij herkenden hem,” stamelde hij, „en wij konden hem niet dooden,
omdat wij ons de profetie herinnerden, dat onze groote voorvader op
zekeren dag zou terugkeeren. Is deze vreemdeling het? Wij weten het
niet. Wij kunnen het niet weten of oordeelen. Gij, o Priester, hebt de
kennis en u zij het oordeel. Is hij het?”

De priester keek Torres oplettend aan en slaakte een onsamenhangenden
uitroep. Zich plotseling omkeerend stak hij het heilige offervuur weer
aan uit een pot met vuur, die aan den voet van het altaar stond. Maar
het vuur vlamde op, verdoofde en ging uit.

„De Zonnegod is boos,” herhaalde de priester; waarop de Verloren Zielen
op hun borsten sloegen en kermden, en jammerden. „Het offer wordt niet
aangenomen, want het vuur wil niet branden. Er gaan vreemde dingen
gebeuren. Dit is een kwestie der diepere mysteries, die ik alleen mag
weten. We zullen de vreemdelingen niet offeren—nog niet. Ik moet tijd
hebben, om mij op de hoogte te stellen van den wil van den Zonnegod.”

Met zijn hand wuivend, beduidde hij de leden van den stam om heen te
gaan, de plechtigheid half-volbracht opheffend en beval, dat de drie
gevangenen naar het Lange Huis gebracht zouden worden.

„Ik kan het spel niet volgen,” fluisterde Francis Leoncia in het oor,
„maar hoe het zij, ik hoop, dat we hier wat te eten krijgen.”

„Kijk eens wat een lief, klein meisje,” zei Leoncia, met haar oogen het
kind met het levendige, verstandige gelaat aanwijzend.

„Torres heeft haar ook al opgemerkt,” fluisterde Francis terug. „Ik
zag, hoe hij haar wenkte. Hij is ook niet op de hoogte van het spel en
weet niet naar welken kant de bom zal springen, maar hij laat geen
enkele gelegenheid voorbijgaan om vriendschap te sluiten. We zullen hem
in het oog moeten houden, want hij is een verraderlijke hond en in
staat, om ons ieder oogenblik te verraden, wanneer hij daarmee zijn
eigen huid kan redden.”

In het Lange Huis gekomen en gezeten op ruwgevlochten rietmatten, zagen
zij zich spoedig van voedsel voorzien. Zuiver drinkwater en een dikke
brij van vleesch en groenten werden in overvloedige hoeveelheid
opgediend in eigenaardige, ongeglazuurde steenen schalen. Ook kregen ze
warme koeken van Indiaansch koren, die wel wat geleken op tortillas.

Nadat de vrouwen, die hen bediend hadden, vertrokken waren, bleef het
kleine meisje, dat haar hierheen bracht en toezicht hield, achter.
Torres hernieuwde zijn vriendschapsbetuigingen, maar zij deed alsof ze
hem niet zag en wijdde haar aandacht aan Leoncia, die haar scheen aan
te trekken.

„Ik houd het ervoor, dat zij een soort gastvrouw is,” verklaarde
Francis. „Zie je—zooiets als de dorpsmeisjes in Samoa, die alle
reizigers en bezoekers, onverschillig van hoe hooge afkomst, gezelschap
houden en die toezicht houden op nagenoeg alle werkzaamheden en
plechtigheden. Zij worden door de opperhoofden gekozen om hun
schoonheid, hun deugd en hun verstand. En dit meisje doet me erg aan
haar denken, alleen is ze nog vreeselijk jong.”

Steeds dichter naderde zij Leoncia en, hoewel ze blijkbaar zich zeer
aangetrokken voelde door de schoone, vreemde vrouw, was er in haar
gedrag toch geen spoor te ontdekken van slaafsheid of een gevoel van
minderwaardigheid.

„Zeg mij,” sprak zij, in het eigenaardige, verouderde Spaansch, dat in
het dal gesproken werd, „is deze man werkelijk Kapitein Da Vasco, die
teruggekeerd is uit zijn huis in de zon, boven in den hemel?”

Torres lachte valsch en boog, en verklaarde trotsch: „Ik ben een Da
Vasco.”

„Niet een Da Vasco, maar Da Vasco zelf,” berispte Leoncia hem in het
Engelsch.

„Het is een goede kans—maak er gebruik van!” beval Francis, eveneens in
het Engelsch. „Het kan ons allen uit de verlegenheid helpen. Ik heb het
niet bijzonder begrepen op dien priester, en hij schijnt de
hooge-kokalorum over deze Verloren Zielen te zijn.”

„Ik ben eindelijk van de zon teruggekeerd,” zei Torres, van de
gelegenheid gebruik makend, tegen het kleine meisje.

Zij schonk hem een langen, vasten blik, waarin hij zien kon, hoe zij
nadacht, oordeelde en waardeerde. Toen boog zij, met een effen gezicht,
eerbiedig voor hem en, Francis nauwelijks een blik waardig keurend,
wendde zij zich tot Leoncia en begunstigde haar met een vriendelijk
lachje, dat haar gelaat verhelderde.

„Ik wist niet, dat God de vrouwen zoo schoon maakt, als gij zijt,”
sprak het kleine meisje zacht, eer zij zich omkeerde om weg te gaan.
Bij de deur stond zij stil om er bij te voegen: „De Dame Die Droomt is
schoon, maar ze is toch heel anders dan gij.”

Maar nauwelijks was ze heengegaan, of de Zonnepriester, gevolgd door
een aantal jongelieden, trad binnen, oogenschijnlijk om de schotels en
het ongebruikte voedsel weg te nemen. Juist terwijl sommige van hen
zich vooroverbogen om de schotels op te nemen, sprongen zij op een
teeken van den priester overeind, wierpen zich op de drie gasten,
bonden hun handen en armen stevig op hun rug vast en leidden hen naar
buiten naar het altaar van den Zonnegod voor den geheelen verzamelden
stam. Hier, waar ze een smeltkroes op een driepoot boven een fel vuur
zagen staan, werden zij vastgebonden aan, pas in den grond geslagen,
palen, terwijl talrijke dienstvaardige handen brandstoffen opstapelden
tot aan hun knieën.

„Houd je nu taai—wees even trotsch als een echte Spanjaard,” beval en
hoonde Francis Torres tegelijkertijd. „Je bent Da Vasco zelf. Honderden
jaren geleden, was je hier op aarde, in ditzelfde dal, met de
voorouders van deze mestiezen.”

„Gij moet sterven,” sprak de Zonnepriester hen aan, terwijl de Verloren
Zielen als één man het hoofd bogen. „Vierhonderd jaren lang, sedert wij
hier verblijf houden in dit dal, hebben we alle vreemdelingen gedood.
Gij werdt niet gedood en zie nu den oogenblikkelijken toorn van den
Zonnegod: ons altaarvuur doofde uit.” De Verloren Zielen kermden en
jammerden en sloegen op hun borsten. „Daarom, om den Zonnegod te
verzoenen, zult gij nu sterven.”

„Wees voorzichtig!” riep Torres, fluisterend nu eens door Francis, dan
door Leoncia, aangespoord. „Ik ben Da Vasco. Ik ben juist van de zon
teruggekomen.” Hij knikte met zijn hoofd, omdat zijn handen gebonden
waren, naar de steenen buste. „Ik ben die Da Vasco. Vierhonderd jaar
geleden leidde ik uw voorouders hierheen, en ik liet u hier, met het
bevel om hier te blijven tot ik zou terugkomen.”

De Zonnepriester aarzelde.

„Welnu, priester, spreek en antwoord den goddelijken Da Vasco,” sprak
Francis barsch.

„Hoe kan ik weten, of hij goddelijk is?” vroeg de priester snel. „Lijk
ik zelf ook niet veel op hem? Ben ik daarom goddelijk? Ben ik Da Vasco?
Is hij Da Vasco? Of kan Da Vasco niet nog in de zon zijn?—Want ik weet
zeker, dat ik een mensch ben, uit een vrouw geboren, achtenzeventig
jaren geleden en dat ik Da Vasco niet ben.”

„Gij hebt niet tegen Da Vasco gesproken!” dreigde Francis, terwijl hij
zeer eerbiedig voor Torres boog en hem in het Engelsch toesiste: „Wees
trotsch, vervloekte kerel, wees trotsch.”

De priester weifelde een oogenblik en sprak toen Torres aan.

„Ik ben de getrouwe Priester der Zon. Niet gemakkelijk zal ik mijn
geloof verzaken. Als gij de goddelijke Da Vasco zijt, beantwoord mij
dan één vraag.”

Torres knikte met schitterend gespeelde trotschheid.

„Houdt gij van goud?”

„Van goud houden!” spotte Torres. „Ik ben in de zon een groot heerscher
en de zon is van goud gemaakt. Goud? Het is voor mij hetzelfde als het
stof onder mijn voeten en de rots, waaruit uw trotsche bergen zijn
opgebouwd.”

„Bravo!” fluisterde Leoncia goedkeurend.

„Dan, o goddelijke Da Vasco,” sprak de priester nederig, ofschoon hij
den triomfantelijken klank in zijn stem niet geheel kon verbergen,
„zijt gij geschikt voor de oude en gebruikelijke proef. Wanneer gij den
gouddronk gedronken hebt, en nog kunt zeggen, dat gij Da Vasco zijt,
dan zal ik, en wij allen, ons voor u neerbuigen en u aanbidden. Altijd
kwamen zij, dorstend naar goud. Maar wanneer wij hun dorst bevredigd
hadden, was hun dorst onvermijdelijk voor immer gestild, want zij waren
dood.”

Terwijl hij sprak en de Verloren Zielen gretig toekeken en terwijl de
drie vreemde met niet minder groote vrees toekeken, stak de priester
zijn hand in den geopenden mond van een grooten, lederen zak en begon
handenvol goudklompjes in den heeten smeltkroes op den driepoot te
werpen. Ze stonden er zoo dicht bij, dat ze konden zien hoe het goud
vloeibaar werd en opsteeg in den smeltkroes als een drank, die het ook
moest worden.

Het kleine meisje, gebruik makend van haar buitengewone positie in den
Stam der Verloren Zielen, naderde den Zonnepriester en sprak, zoodat
allen het konden hooren:

„Dat is Da Vasco, Kapitein Da Vasco, de goddelijke Kapitein Da Vasco,
die onze voorouders lang, lang geleden hierheen leidde.”

De priester trachtte haar, door het fronsen van zijn wenkbrauwen, tot
zwijgen te brengen. Maar het meisje herhaalde haar bewering,
nadrukkelijk van de buste naar Torres wijzend en omgekeerd; en de
priester voelde, hoe hij zijn houvast verloor, terwijl hij heimelijk de
zondige liefde vervloekte der moeder van het kleine meisje, waardoor
zij zijn dochter geworden was.

„Maak, dat je wegkomt!” gebood hij streng. „Dit zijn dingen, waarvan
jij niets begrijpt. Als hij Kapitein Da Vasco is en goddelijk, zal hij
het goud drinken en ongedeerd blijven.”

In een grove aarden kruik, die verhit was in den pot met vuur aan den
voet van het altaar, goot hij het gesmolten goud uit. Op een teeken
legden eenige der jongemannen hun speren terzijde en naderden Leoncia,
blijkbaar met de bedoeling om haar mond open te breken.

„Houd op, priester!” riep Francis met stentorstem. „Zij is niet
goddelijk, zooals Da Vasco. Beproef den gouden dronk op Da Vasco.”

Waarop Da Vasco Francis een kwaadaardigen, boozen blik toewierp.

„Blijf je verheven trots bewaren,” was Francis’ instructie aan hem.
„Weiger den dronk. Laat hen de binnenzijde van je helm zien.”

„Ik wil niet drinken!” riep Torres, half in een panischen schrik, toen
de priester zich tot hem wendde.

„Gij zult drinken. Als gij Da Vasco zijt, de goddelijke gebieder der
zon, dan zullen wij het weten en neerknielen en u aanbidden.”

Torres deed een beroep op Francis, wat niet ontsnapte aan de smalle
oogjes van den priester.

„Trek een gezicht, alsof je zult moeten drinken,” sprak Francis
droogjes. „Hoe het zij, doe het terwille der dame en sterf als een
held.”

Met een plotselingen, woedenden ruk aan de koorden, waarmee hij
gebonden was, trok Torres zijn eene hand los, greep zijn helm af en
hield dien zoo, dat de priester de binnenzijde kon zien.

„Kijk, wat hierin gegrift staat,” beval Torres.

De verbazing van den priester bij het zien van het opschrift DA VASCO,
was zoo groot, dat de kruik uit zijn hand viel. Het wegvloeiende,
gesmolten goud, stak de droge bestanddeelen op den grond in brand,
terwijl een der speerdragers, die een spatje op zijn voet kreeg, woest
gillend van pijn wegdanste. Maar de Zonnepriester herstelde zich
spoedig. Den pot met vuur grijpend, wilde hij juist de takkebossen in
brand steken, die om zijn drie slachtoffers opgestapeld lagen, toen het
kleine meisje tusschenbeide kwam.

„De Zonnegod wilde niet, dat de groote kapitein den drank zou drinken,”
sprak zij. „De Zonnegod sloeg u de kruik uit de hand.”

En toen al de Verloren Zielen begonnen te mompelen, dat de zaak toch
meer beteekende, dan hun priester er uit maakte, was deze laatste
gedwongen om zijn hand terug te trekken. Maar toch was hij besloten,
dat de drie indringers zouden sterven. Dus sprak hij, listig, tegen
zijn volk:

„Wij zullen op een teeken wachten.—Breng olie. Wij zullen den Zonnegod
tijd laten om ons een teeken te geven.—Breng een kaars. De kruik olie
over de takkebossen gietend om ze nog brandbaarder te maken, zette hij
het aangestoken stuk kaars midden tusschen de gedrenkte vloeistof en
sprak:

„De duur van de kaars zal ook de duur van den tijd zijn voor het
teeken. Zal het zoo zijn, o mijn volk?”

En al de Verloren Zielen mompelden: „Het zij zoo.”

Torres keek hulp zoekend naar Francis, die antwoordde:

„De oude bruut verminderde zeker de lengte der kaars een beetje. Ze kan
op zijn best vijf minuten branden en misschien gaan we over drie
minuten al in vlammen op.”

„Wat kunnen we doen?” vroeg Torres als razend, terwijl Leoncia een
dapper gezicht zette en Francis met een droef en moedig liefdevol
lachje in de oogen keek.

„Bidden om regen,” antwoordde Francis. „En de lucht is zoo helder als
kristal. En als dat niet helpt, sterf kalm. Schreeuw niet al te hard.”

En zijn oogen keerden terug naar die van Leoncia en verrieden, wat hij
haar nooit tevoren had durven verraden—zijn gansche hart en liefde.
Hoewel gescheiden door de palen, waaraan zij ieder afzonderlijk waren
vastgebonden, waren zij toch nooit zoo dicht bij elkander geweest en de
band, die hen tot elkander trok en vereenigde, waren hun oogen.

Het kleine meisje, dat naar den hemel keek of het teeken ook kwam, was
de eerste, die het zag. Torres, die enkel oogen had voor het stukje
kaars, dat bijna opgebrand was, hoorde den uitroep van het meisje en
keek op. En tegelijkertijd hoorde hij, en hoorden allen, het ronkend
geluid, alsof er een monsterachtig insect door de lucht vloog.

„Een vliegmachine,” mompelde Francis. „Torres, zeg dat dit het teeken
is.”

Maar het was niet noodig om dit te zeggen. Boven hen, op een hoogte van
niet meer dan honderd voet, daalde en cirkelde de machine, de eerste
aëroplane, die de Verloren Zielen zagen, terwijl, als een zegenbede uit
den hemel, de bekende woorden neerdaalden:


        „—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
        De gansche bemanning wijken doet.”


Den cirkel geheel beschrijvend en tot een hoogte van bijna duizend voet
opstijgend, zagen zij hoe vlak boven hun hoofd een voorwerp zich van de
vliegmachine losmaakte, een driehonderd voet als een dieplood naar
beneden viel, zich toen uitspreidde in een groote parachute, waar
onderaan, als een spin aan zijn web, de gedaante van een man hing,
welke laatste, toen hij den grond naderde, weer begon te zingen:


        „—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
        De gansche bemanning wijken doet.”


En toen volgde de eene gebeurtenis op de andere met buitengewone
snelheid. Het stukje kaars viel uiteen, de brandende pit in het kleine
meer van gesmolten vet, het meer ontbrandde en de, in olie gedrenkte,
takkebossen er om heen vlogen in brand. En Henry, die midden tusschen
de Verloren Zielen belandde, een groot gedeelte van hen onder zijn
parachute begravend, stond met een paar sprongen naast zijn vrienden en
schopte de brandende takkebossen naar rechts en naar links. Slechts één
seconde hield hij hiermee op. Dit was toen de Zonnepriester
tusschenbeiden kwam. Een rechthoekige slag met zijn arm tegen de kaak
legde dezen bejaarden vertrouweling van God op zijn rug en, terwijl hij
zich langzaam herstelde en overeind krabbelde, sneed Henry de koorden
los, waarmee Leoncia, Francis en Torres gebonden waren. Zijn armen
werden uitgestrekt om Leoncia te omhelzen, toen ze hem terugstiet met
de woorden: „Snel! Er is geen tijd voor uitleggingen. Val op je knieën
voor Torres en doe alsof je zijn slaaf bent—en spreek geen Spaansch,
spreek Engelsch.”

Henry begreep er niets van en, terwijl Leoncia hem met haar oogen
geruststelde, zag hij hoe Francis zich neerwierp aan de voeten van hun
gemeenschappelijken vijand.

„Hola!” mompelde Henry, toen hij het voorbeeld van Francis volgde.
„Daar gaat hij. Maar het is erger dan rattekruid.”

Leoncia volgde en al de Verloren Zielen wierpen zich op den grond voor
Kapitein Da Vasco, die in hun midden hemelsche boodschappers ontving,
regelrecht uit de zon. Alles knielde neer, behalve de priester, die,
diep getroffen, er over stond te denken om het ook te doen, toen de
melodramatische spotduivel in Torres’ ziel hem ingaf om zijn rol te
buiten te gaan.

Zoo trotsch als Francis hem steeds geboden had te zijn, hief hij zijn
rechtervoet op en zette dien op Henry’s nek, bij ongeluk het grootste
gedeelte van zijn oor bedekkend en dit knellend.

En Henry vloog letterlijk omhoog.

„Je zult niet op mijn oor stappen, Torres!” schreeuwde hij, hem ter
gelijkertijd neerslaande, zooals hij den priester neergeslagen had.

„En nu is het boter aan de galg gesmeerd,” merkte Francis droog en niet
zeer geestig op. „Het verhaal van den Zonnegod nadert hier onmiddellijk
zijn einde.”

De Zonnepriester wenkte triomfantelijk zijn speerdragers; hij begreep
de situatie. Maar Henry richtte den loop van zijn automatisch pistool
op het middenrif van den ouden priester; en de priester, die zich de
legenden herinnerde van doodelijke projectielen, gevormd uit die
geheimzinnige zelfstandigheid, die „kruit” genoemd wordt, glimlachte
geruststellend en wenkte zijn speerdragers om terug te gaan.

„Dit gaat mijn gaven van wijsheid en verstand te boven,” sprak hij zijn
stamgenooten toe, terwijl zijn onrustigen blik steeds weer terugkeerde
naar den loop van Henry’s pistool. „Ik zal mijn toevlucht nemen tot een
laatste middel. Laat een boodschapper uitgezonden worden, om de Dame
Die Droomt te wekken. Zeg haar, dat vreemdelingen uit de lucht, en
misschien wel uit de zon, hier in ons dal zijn. En dat alleen de
wijsheid van haar verre droomen ons duidelijk kunnen maken, wat wij
niet begrijpen, en wat zelfs ik niet begrijp.”








HOOFDSTUK XVIII.


Onder geleide der speerdragers werd het gezelschap van Leoncia, de
beide Morgans en Torres door de lachende velden, alles nog in een zeer
primitieve cultuurstaat, geleid en langs voortvlietende stroomen, door
boschrijke gedeelten en met kniehoog gras bedekte weilanden, waar
koeien graasden van zoo’n miniatuur-ras, dat ze, volwassen, niet
grooter waren dan jonge kalveren.

„Het zijn ongetwijfeld melkkoeien,” merkte Henry op. „En het zijn
werkelijk prachtstukken. Maar zag je ooit zulke dwergjes. Een sterke
man zou de grootste op kunnen beuren en er mee wegloopen.”

„Verbeeld je dat maar niet,” sprak Francis. „Neem die eene daarginds
maar eens, die zwarte. Ik wil wedden, dat die geen ons minder weegt dan
driehonderd pond.”

„Om hoeveel wil je wedden?” daagde Henry hem uit.

„Zeg maar op,” was het antwoord.

„Om honderd dollars dan,” zei Henry, „dat ik die kan opbeuren en er mee
wegloopen.”

„Aangenomen.”

Maar de weddenschap werd nooit uitgemaakt, want zoodra Henry het pad
verliet, werd hij door de speerdragers teruggedreven, die met norschen
blik, door teekenen te kennen gaven, dat ze rechtdoor moesten gaan.

Waar de weg leidde langs den voet van een zeer woeste rots, zagen zij
boven zich talrijke geiten.

„Tam,” zei Francis. „Kijk maar naar die herdersjongens.”

„Ik was er zeker van, dat er geitenvleesch in die brij zat,” bevestigde
Henry. „Ik heb altijd van geiten gehouden. Als de Dame Die Droomt, wie
ze ook zijn moge, den priester ongelijk geeft en ons het leven schenkt,
ga ik vragen of ik de opperste geitenhoeder van het rijk mag worden en
dan zal ik een aardig hutje voor je bouwen, Leoncia en dan kan jij de
Opperste Kaasmaakster der Koningin worden.”

Maar hij wandelde niet verder, aldus schertsend, want nu kwamen ze aan
een meer, zóó schoon, dat het Francis een langgerekt gefluit ontlokte,
Leoncia in haar handen deed klappen en Torres een uitroep van
bewondering deed slaken. Het strekte zich uit over een volle mijl
lengte en was meer dan een halve mijl breed en zuiver ovaal. Behalve
één uitzondering, werd de franje van boomen, bamboe-boschjes en biezen,
die den oever omgaven en zelfs den voet der rots, waar het bamboe
buitengewoon welig groeide, door geen woning onderbroken. Op de kalme
oppervlakte weerspiegelden de omliggende bergen zoo duidelijk, dat het
oog bijna niet kon onderscheiden, waar de werkelijkheid ophield en de
weerspiegeling begon.

Midden in haar vervoering over de volmaakte weerkaatsing, hield Leoncia
op, om haar teleurstelling te kennen te geven, dat het water niet
kristalhelder was:

„Wat jammer, dat het zoo modderig is!”

„Dat komt door het aanspoelsel van den vruchtbaren dalbodem,”
verklaarde Henry. „Die bodem is honderden voeten diep.”

„Het heele dal moet vroeger een meer geweest zijn,” besloot Francis.
„Laat je oog eens langs de rots gaan en kijk eens naar de oude
waterlijnen. Ik vraag me af, wat het zoo deed dalen.”

„Hoogstwaarschijnlijk een aardbeving—die de een of andere onderaardsche
uitgang opende en het liet zakken tot de tegenwoordige hoogte—en het nu
ook nog steeds laat afvloeien. De donkerbruine kleur toont aan hoeveel
water er aldoor instroomt, en dat het niet veel gelegenheid heeft om te
bezinken. Het is de vergaderbak voor de geheele circuleerende
waterstroom in het dal.”

„Wel, daar staat tenminste een huis,” sprak Leoncia vijf minuten later,
toen zij een hoek van de rots omsloegen en, tegen de rots steunend en
zich boven het water uitstrekkend, een, op een bungalow gelijkende,
woning zagen met een laag dak.

De pilaren werden gevormd door massieve boomstammen, maar de muren van
het huis waren van bamboe en het dak was bedekt met gras-stroo. Het lag
zoo afgelegen, dat de eenige toegang, behalve per boot, bestond uit een
twintig voet lange brug, die zoo smal was, dat twee menschen er niet
naast elkander over heen konden loopen. Aan beide einden der brug,
stonden twee jonge mannen van den stam, blijkbaar gewapende wachters of
schildwachten. Op een gebaar of bevel van den Zonnepriester traden zij
terzijde en lieten het gezelschap passeeren, ofschoon de beide Morgans
opmerkten, dat de speerdragers, die hen vanaf het Lange Huis vergezeld
hadden, bij de brug achterbleven.

Zij liepen de brug over en in het, op een bungalow gelijkend gebouw op
pilaren gekomen, bevonden zij zich in een groote kamer, die beter
gemeubileerd was, al waren de meubelen dan ook grof gemaakt, dan ze in
het dal der Verloren Zielen verwacht zouden hebben. De rietmatten op
den vloer waren fijn en zorgvuldig geweven en de gordijnen van
gespleten bamboe, die de vensteropeningen bedekten, waren kunstig
gemaakt. Aan den anderen kant tegen den muur, was een reusachtig gouden
embleem van de opgaande zon, volkomen gelijk aan dat voor het altaar
bij het Lange Huis. Maar nog veel opvallender waren twee levende
wezens, die op zoo eigenaardige wijze deze plaats schenen te bewonen en
die zich nauwelijks bewogen. Onder de opgaande zon, een beetje boven
den vloer op een soort verhevenheid, stond een divan met talrijke
kussens, die half op een troon geleek. En op de divan, tusschen de
kussens, gekleed in een zacht-glinsterend gewaad van een stof, die
niemand hunner ooit gezien had, rustte een slapende vrouw. Alleen haar
borst rees en daalde zachtjes onder haar ademhalingen. Zij was geen
Verloren Ziel, van het gedegenereerde, gemengde ras van Caraïbiërs en
Spanjaarden. Op haar hoofd droeg zij een tiara van gedreven goud, met
glinsterende punten, zóó groot dat het bijna een kroon geleek.

Voor haar op den vloer stonden twee gouden drievoeten—de eene bevatte
smeulend vuur, de andere, veel grootere, een gouden bokaal, een volle
vadem in doorsnee. Tusschen de drievoeten, de pooten voor zich
uitgestrekt als een Sphinx, lag, met doffe oogen en zonder zich te
verroeren, een groote hond met sneeuwwitte huid, veel gelijkend op een
Russischen wolfshond en keek de indringers onafgebroken aan.

„Ze ziet er uit als een dame en schijnt een koningin te zijn en droomt
zeker prettig,” fluisterde Henry, wat hem een norschen blik van den
Zonnepriester bezorgde.

Leoncia was ademloos, maar Torres huiverde en bekruiste zich, zeggend:

„Dit heb ik nooit hooren vertellen van het dal der Verloren Zielen.
Deze slapende vrouw is een Spaansche dame. Zij is van zuiver Spaansche
origine. Zij is een Castiliaansche. Dat weet ik zoo zeker, als ik hier
sta, dat ze blauwe oogen heeft. Maar die bleekheid!” Weer huiverde hij.
„Dit is geen gewone slaap. ’t Lijkt wel of ze onder den invloed is van
een slaapdrank en reeds langen tijd slaapdranken gebruikt heeft.”

„Daar heb je het!” riep Francis, opgewonden fluisterend, uit. „De Dame
Die Droomt wordt volgestopt met droomen. Zij houden haar zeker hier als
een soort opperste-priesteres of opperste orakel.—’t Is in orde, oude
priester,” hij hield op, om in het Spaansch te vervolgen: „Als wij haar
wakker maken, wat gebeurt er dan? Wij zijn hierheen gebracht om haar te
ontmoeten en, naar ik hoop, in wakenden toestand.”

De Dame bewoog zich, alsof het gefluister haar diepen slaap had
gestoord, en, voor de eerste maal, bewoog ook de hond zich, zijn kop
naar haar toekeerend, zoodat haar naar beneden vallende hand
liefkoozend op zijn nek bleef rusten. Gebiedend werden nu de norsche
blikken van den priester en zijn gebaren om stilte te bevelen. En zij
stonden in roerlooze stilte en wachtten op het ontwaken van het orakel.

Langzaam kwam zij half overeind, pauseerde en liefkoosde opnieuw den
gelukkigen wolfshond, wiens wreede kaken zichtbaar werden, toen hij
zijn reusachtigen mond opende voor een langgerekten vreugdelach.
Beangstigend was de toestand voor hen, en deze werd nog vreeselijker
toen zij voor de eerste maal haar oogen ten volle op hen liet rusten.
Nooit zagen zij zulke oogen, waarin de wereld en al de werelden
opgesloten schenen te liggen. Leoncia bekruiste zich ten halve, terwijl
Torres, meegesleept door zijn eigen vrees, zich heelemaal bekruiste en
met lippen, die bewogen, maar geen geluid gaven, zijn geliefkoosd gebed
tot de Heilige Maagd opzond. Zelfs Francis en Henry keken, en konden
den blik niet meer afwenden, van dat tweelingpaar blauwe bronnen, die
bijna zwart geleken in de schaduw der lange, zwarte wimpers.

„Een blauwoogige brunette,” waagde Francis te fluisteren.

Maar wat voor oogen! Ze waren eer rond, dan langwerpig. En toch waren
ze ook weer niet rond. Ze hadden vierkant genoemd kunnen worden,
wanneer ze niet meer rond dan vierkant geweest waren. Ze hadden een
vorm, die deed denken, dat de artist tegengehouden was in zijn snelle,
schetsende wijze om cirkels te vormen uit vierkanten. De lange, donkere
wimpers omsluierden ze en verhoogden nog den indruk, dat ze donker
waren. Toch stond er geen verwondering of schrik in te lezen, toen ze
haar bezoekers voor het eerst zag. Ze waren droomerig en niet
nieuwsgierig en toch stond er flauwtjes in te lezen, dat ze begrepen,
wat ze zagen. Bovendien verrieden haar oogen, tot ontstelling der
aanwezigen, een gecompliceerde samenvatting van paradoxale
levensuitingen. Een uitdrukking van smart was er onafgebroken in te
vinden. Gevoeligheid verried zichzelf als een vochtige sluier, die
geleek op een voorjaars-regenbui tegen een verwijderden zee-horizon of
een dauwvloed op een morgen in de bergen. Smart—eeuwigdurende
smart—zetelde te midden van kwijnende slaperigheid. Het vuur van een
onmetelijken moed dreigde de electrische vonk van handeling en
zielskracht te ontsteken. Diepe sluimering scheen als een dreigenden
achtergrond steeds gereed te staan om alles in den slaap uit te
wisschen. En over dit alles, door dit alles, dit alles doordringend
zweefde eeuwenoude wijsheid. Dit alles werd versterkt door de
eenigszins holle wangen, die deden denken aan ascetisme. Op de wangen
lag een blosje, dat òf teringachtig òf aan de verfdoos te danken was.

Toen ze opstond, bleek ze slank en teer te zijn als een toovergodin.
Haar beenderen waren fijn, niet te overvloedig met vleesch bedekt; toch
waren haar vormen niet mager. Wanneer Henry of Francis hardop hun
indruk te kennen hadden gegeven, dan zouden ze gezegd hebben, dat zij
de molligste magere vrouw was, die ze ooit gezien hadden. De
Zonnepriester wierp zijn oud lichaam voorover tot hij, plat uitgestrekt
op den grond lag, zijn oud voorhoofd begraven in de rietmat. De anderen
bleven rechtop staan, ofschoon Torres zijn knieën voelde jeuken en
gaarne het voorbeeld van den priester gevolgd zou hebben, wanneer zijn
metgezellen eenig teeken gegeven hadden, dat ze hem gezelschap zouden
houden. Zooals de zaken nu stonden, bogen zijn knieën zich
gedeeltelijk, maar strekten zich weer en verstijfden door het voorbeeld
van Leoncia en de Morgans.

In het eerst had de Dame voor niemand oog dan voor Leoncia; en, nadat
zij haar aan een nauwgezet onderzoek onderworpen had, beval zij haar
met een lichte opwaartsche beweging van het hoofd om nader te komen.
Volgens Leoncia’s meening, was deze beweging veel te gebiedend voor
zoo’n etherisch, schoon wezentje en zij voelde onmiddellijk het
antagonisme, dat tusschen haar moest bestaan. Zij bewoog zich niet,
totdat de Zonnepriester haar norsch toefluisterde, dat ze moest
gehoorzamen. Zij naderde, zonder acht te slaan op den reusachtigen,
langharigen hond, liep tusschen de drievoeten door en langs het beest
heen en stond niet stil voor een tweede hoofdbeweging, even kort als de
eerste, haar dit gebood. Een minuut lang keken de beide vrouwen
elkander vast in de oogen, waarna Leoncia, met een flikkering van
triomf in de hare, zag hoe de andere haar oogen neersloeg. Maar deze
flikkering was slechts van tijdelijken aard, want Leoncia zag, dat de
Dame zeer nieuwsgierig haar kleeding bestudeerde. Zij stak zelfs haar
slanke, bleeke hand uit en voelde naar het weefsel en gleed er
liefkoozend overheen, zooals alleen een vrouw dit kan.

„Priester!” riep ze op scherpen toon. „Dit is de derde dag der Zon in
het Huis van Manco. Lang geleden zei ik je iets betreffende dezen dag.
Spreek.”

Slaafsch kruipend, sprak de priester:

„Dat op dezen dag vreemde dingen zouden gebeuren. Ze zijn geschied, o
Koningin.”

Maar de Koningin had het al weer vergeten. Nog altijd de stof van
Leoncia’s japon streelend, waren haar oogen er nieuwsgierig en
onderzoekend op gevestigd.

„Gij zijt zeer gelukkig,” tegelijkertijd haar te kennen gevend, dat ze
zich weer bij de anderen moest voegen. „Gij wordt zeer bemind door de
mannen. Alles is nog niet duidelijk, maar toch schijnt het, dat gij al
te zeer bemind wordt door de mannen.”

Haar stem, die zacht en welluidend was, en klaar als zilver, had een
verrukkelijke rhythmischen klank en geleek bijna op een verwijderde
kerkklok, die de geloovigen ter aanbidding of bedroefde zielen tot
rustige overdenking roept. Maar het was Leoncia niet gegeven om deze
wonderheerlijke stem te waardeeren. In plaats daarvan voelde ze alleen
een toorn in zich opstijgen, die haar wangen deed gloeien en haar
polsen koortsachtig kloppen.

„Ik heb u vroeger gezien, en dikwijls ook,” ging de Koningin voort.

„Nooit!” riep Leoncia uit.

„Stil!” siste de Zonnepriester haar toe.

„Daar,” zei de Koningin, op den grooten, gouden bokaal wijzend.
„Vroeger heb ik u daar dikwijls gezien.”

„U—ook, daar,” sprak ze Henry aan.

„En u,” verzekerde zij aan Francis, ofschoon haar groote blauwe oogen
zich verder openden en zij hem lang aankeek—te lang naar Leoncia’s zin,
die den angel der jaloezie voelde, die alleen een vrouw in het hart
eener andere vrouw kan steken.

De oogen der vrouw gloeiden, toen ze verder dwaalden en op Torres
bleven rusten.

„En wie zijt gij, vreemdeling, zoo wonderlijk uitgerust, op uw hoofd
den helm van een ridder dragend en aan uw voeten de sandalen van een
slaaf?”

„Ik ben Da Vasco,” antwoordde hij brutaal.

„Die naam heeft een ouderwetschen klank,” lachte zij.

„Ik ben de oude Da Vasco,” vervolgde hij, ongevraagd naderkomend.

Zij glimlachte om zijn vermetelheid, maar liet hem begaan.

„Dit is de helm, dien ik vierhonderd jaren geleden droeg, toen ik de
voorouders der Verloren Zielen in dit dal bracht.”

De Koningin gaf kalm met een glimlachje haar ongeloof te kennen,
terwijl zij rustig vroeg:

„Gij zijt dus vierhonderd jaar geleden geboren?”

„Ja, en nooit. Ik werd nooit geboren. Ik ben Da Vasco. Ik heb altijd
bestaan. Mijn tehuis is de zon.”

Haar fijn gepenseelde wenkbrauwen werden twijfelachtig samengetrokken,
ofschoon ze niets zei. Uit een geciseleerde gouden doos, die naast haar
op de divan stond, nam ze tusschen haar teeren en bijna doorschijnenden
duim en wijsvinger een beetje poeder en haar dunne, schoone lippen
kromden zich licht spottend, toen ze, als bij toeval, het poeder in den
grooten drievoet wierp. Een helder rookwolkje steeg op en was in een
oogenblik uit het gezicht verdwenen.

„Kijk!” beval zij.

En Torres naderde den grooten bokaal en keek erin. Wat hij zag, bleef
voor de overigen van het gezelschap een eeuwig geheim. Maar de Koningin
zelf boog zich voorover en, van boven neerziende, zag zij hetzelfde als
hij, terwijl haar gelaat een schoone vertolking was van vriendelijke en
medelijdende spot. En wat Torres zelf zag, was een slaapkamer en een
geboorte op de tweede etage van het huis in Bocas del Toro, dat hij
geërfd had. Het was beklagenswaardig, zooals dit laatste geheim onthuld
werd, evenals de vriendelijke, beklagenswaardige glimlach op het gelaat
der Koningin. En in dat vluchtige magische visioen zag Torres omtrent
hemzelf bevestigd, wat hij altijd gegist en vermoed had.

„Wilt gij nog meer zien?” vroeg de Koningin met lichten spot. „Ik heb u
het begin uws levens getoond. Kijk nu nog eens, en zie uw einde.”

Maar Torres, die te diep geschokt was door hetgeen hij reeds gezien
had, deinsde huiverend achteruit.

„Vergeef mij, Schoone Vrouw,” smeekte hij. „En laat mij gaan. Vergeet,
zooals ik zal hopen om voor altijd te vergeten.”

„Het is weg,” zei ze, met een achtelooze beweging van haar hand over
den bokaal. „Maar vergeten kan ik niet. De herinnering zal altijd in
mijn geest voortleven. Maar gij, o Man, zoo jong van jaren en zoo oud
van helm, heb ik reeds vroeger gezien, daar in mijn Spiegel der Wereld.
Gij hebt mij zooeven misleid door uw woorden. Maar niet door den helm.”
Zij glimlachte in rustige wijsheid. „Ook lijkt het mij, dat ik een
kamer des doods gezien heb, met reeds lang gestorvenen, die recht
overeind stonden op hun beweginglooze beenen en voor eeuwig mysteries
bewaakten, die hun geloof en hun ras vreemd zijn. En in dat droevige
gezelschap geloof ik, dat ik er een gezien heb, die uw ouderwetschen
helm droeg... Zal ik meer zeggen?”

„Neen, neen,” smeekte Torres.

Zij boog en wenkte hem om terug te gaan. Vervolgens richtte haar
vorschende blik zich op Francis, dien zij tot zich wenkte. Zij stond op
op de verhevenheid alsof ze hem wilde begroeten en, alsof het haar
verlegen maakte, dat ze op hem neer moest zien, stapte zij van de
verhevenheid af op den vloer, zoodat ze hem in het gelaat kon zien,
toen ze haar hand uitstak. Aarzelend nam hij haar hand in de zijne, en
wist toen niet, wat te doen. Het leek haast, alsof ze zijn gedachten
las, want ze sprak:

„Doe het. Nooit tevoren heeft men mij dit gedaan. Ik heb het nooit zien
doen, behalve in mijn droomen en in de visioenen, die ik in mijn
Spiegel der Wereld gezien heb.”

En Francis boog zich en kuste haar hand. En, omdat zij geen aanstalten
maakte om haar terug te trekken, bleef hij haar hand vasthouden,
terwijl hij tegen zijn handpalm den onduidelijken, maar geregelden
polsslag in haar rose vingertoppen voelde. En zoo bleven ze staan, geen
van beiden sprekend, Francis verlegen, de Koningin zwak zuchtend,
terwijl de woede, der vrouwelijke sekse eigen, Leoncia’s hart
verscheurde, en Henry vroolijk in het Engelsch uitriep:

„Doe het nog eens, Francis! Het bevalt haar!”

De Zonnepriester siste hem toe om zich stil te houden. Maar de
Koningin, met haar hand half terug als in maagdelijken schroom, legde
deze weer even vast als tevoren in Francis’ hand, en sprak Henry aan.

„Ik versta ook de taal, die gij spreekt,” waarschuwde zij. „Toch schaam
ik mij niet, ik, die nooit een man gekend heb, erken, dat het mij
bevalt. Het is de eerste kus, dien ik ooit ontvangen heb. Francis—want
zoo noemt je vriend je—gehoorzaam je vriend. Het bevalt mij. Het bevalt
mij. Kus mijn hand nog eens.”

Francis gehoorzaamde en bleef wachten terwijl haar hand nog altijd in
de zijne rustte en zij, alsof ze al het andere om zich heen vergat, en
geheel in beslag genomen werd door een aangename gedachte, hem kwijnend
aankeek. Zij herstelde zich met een zichtbare poging, liet plotseling
zijn hand los, beduidde hem om terug te gaan naar de anderen en wendde
zich tot den Zonnepriester.

„Wel, priester,” zei ze, terwijl de scherpe toon in haar stem
terugkeerde, „gij hebt deze gevangenen hier gebracht om een reden, die
ik reeds ken. Toch wil ik dit door uw eigen mond hooren bevestigen.”

„O Dame Die Droomt, zullen wij deze indringers niet dooden, zooals
steeds onze gewoonte is geweest? Het volk weet niet, wat het doen moet
en twijfelt aan mijn oordeel, en vraagt om uw beslissing.”

„En gij zoudt hen willen dooden?”

„Dat is mijn oordeel. Nu vraag ik het uwe, opdat uw en mijn oordeel een
en hetzelfde mogen zijn.”

Zij wierp een blik op de gezichten der vier gevangenen. Voor Torres
verried de peinzende uitdrukking op haar gezicht enkel medelijden. Voor
Leoncia had zij een fronsen der wenkbrauwen; voor Henry, een
twijfelachtigen blik. En Francis keek zij een minuut lang aan, terwijl
haar gezicht verteederde, tenminste zoo scheen het voor Leoncia’s booze
blikken.

„Is iemand uwer ongehuwd?” vroeg de Koningin plotseling. „Neen,”
voorkwam zij hen. „Ik weet, dat gij allen ongehuwd zijt.” Zij keerde
zich snel tot Leoncia. „Is het geoorloofd,” vroeg ze, „dat een vrouw
twee mannen heeft?”

Zoowel Henry als Francis konden niet nalaten te glimlachen over zoo’n
dwaze, ontoepasselijke vraag. Maar voor Leoncia was deze vraag niet
dwaas of ontoepasselijk en de toornige blos steeg weer op naar haar
wangen. Ze wist, dat ze hier te doen had met een vrouw, waarmee
rekening gehouden moest worden en die haar als een vrouw behandelde.

„Het is niet geoorloofd,” antwoordde Leoncia met heldere, duidelijke
stem.

„Het is heel vreemd,” dacht de Koningin hardop. „Het is heel vreemd.
Toch is het niet eerlijk. Daar er evenveel mannen als vrouwen in de
wereld zijn, kan het niet eerlijk zijn, dat een vrouw twee mannen
heeft, want, wanneer dit het geval is, beteekent dit, dat een andere
vrouw geen man heeft.”

Weer gooide zij een klein beetje poeder in den grooten, gouden bokaal.
Het lichte rookwolkje steeg op en verdween evenals de vorige keer.

„De Spiegel der Wereld zal mij zeggen, priester, wat er met onze
gevangenen moet gebeuren.”

Juist terwijl zij zich voorover wilde buigen om in den bokaal te
kijken, rees er een nieuwe gedachte in haar op. Met een omhelzende
beweging van haar arm, noodigde zij hen allen uit om bij de bokaal te
komen.

„Wij mogen het allen zien,” sprak ze. „Ik beloof u niet, dat wij allen
dezelfde visioenen onzer droomen zullen zien. Evenmin zal ik weten, wat
gij ziet. Ieder zal voor zich zien en weten.—Gij ook, priester.” Zij
zagen dat de bokaal, die zes voet in doorsnee was, half gevuld was met
een onbekende metalen vloeistof.

„Het zou kwikzilver kunnen zijn, maar het is het niet,” fluisterde
Henry Francis toe. „Ik heb nog nooit een dergelijk metaal gezien. Het
lijkt mij gloeiendheet gesmolten.”

„Het is zeer koud,” verbeterde de Koningin hem in het Engelsch. „En
toch is het vuur.—Gij, Francis, voel eens aan den buitenkant van den
bokaal.”

Hij gehoorzaamde en legde zijn geheele handpalm zonder aarzelen tegen
den gelen buitenkant.

„Kouder dan de atmosfeer in de kamer,” was zijn uitspraak.

„Maar kijk nu eens!” riep de Koningin, nog meer poeder in den inhoud
werpend. „Het is vuur, dat koud blijft.”

„Het poeder rookt door de hitte van zijn eigen bestanddeelen,” riep
Torres uit, tegelijkertijd in den zak van zijn jas voelend. Hij haalde
er enkele stukjes tabak uit, splintertjes van lucifers en vezels van de
stof. „Dit zal niet branden,” beweerde hij, een invitatie uitlokkend,
door het beetje vuil boven den bokaal te houden, alsof hij het er in
wilde laten vallen.

De Koningin knikte toestemmend en allen zagen het vuil op de vloeibare
metalen oppervlakte vallen. De stofdeeltjes maakten geen indruk op die
oppervlakte. Ze veranderden alleen in rook, die luchtig omhoog steeg en
verdwenen was. Er bleef geen spoor van asch over.

„En toch is het koud,” sprak Torres, het voorbeeld van Francis volgend
en aan de buitenzijde van den bokaal voelend.

„Steek je vinger in den inhoud,” stelde de Koningin aan Torres voor.

„Neen,” zei hij.

„Gij hebt gelijk,” stemde ze toe. „Hadt gij het gedaan, dan zoudt gij
nu een vinger minder hebben, dan het getal, waarmee gij geboren zijt.”
Zij wierp er weer poeder in. „Nu zal ieder zien, wat hij alleen zien
zal.”

En het was zoo.

Leoncia zag een zee, die haar en Francis scheidde. Henry zag hoe de
Koningin en Francis trouwden onder zulke vreemde ceremoniën, dat hij
eerst heel op het eind begreep, dat het een huwelijksplechtigheid was,
die voltrokken werd. De Koningin keek van een hooge galerij in een
groot huis, neer in een schitterende ontvangkamer, die Francis herkend
zou hebben als die, welke door zijn vader ingericht was, wanneer haar
visioen het zijne geweest was. En naast haar, zijn arm om haar heen
geslagen, zag zij Francis. Francis zag slechts één ding, zeer
onrustbarend: het gelaat van Leoncia, onbeweeglijk als van een doode,
waarin, juist tusschen de oogen, een lange ponjaard gestoken was. Toch
zag hij geen bloed vloeien uit de, door den ponjaard veroorzaakte,
wonde. Torres zag het begin van wat hij wist, dat zijn einde moest
zijn, bekruiste zich en was de eenige die terugdeinsde en weigerde om
meer te zien. Terwijl de Zonnepriester het visioen zag van zijn
heimelijke zonde, het gelaat en de gedaante der vrouw, voor wie hij de
Aanbidding der Zon verloochend had, en het gelaat en de gedaante van
het meisje in het dorp bij het Lange Huis. En allen trokken zich, als
één man, terug, toen de visioenen verbleekten, terwijl Leoncia zich met
vlammende oogen, als een tijgerin, tot de Koningin keerde en uitriep:

„Uw spiegel liegt! Uw Spiegel der Wereld liegt!”

Francis en Henry, die nog diep onder den indruk waren van hetgeen zij
zelf gezien hadden, schrikten op en verwonderden zich over Leoncia’s
uitbarsting. Maar de Koningin antwoordde op zachten toon:

„Mijn Spiegel der Wereld heeft nog nooit gelogen. Ik weet niet, wat gij
gezien hebt. Maar wel weet ik, dat, wat het ook geweest is, het waar
is.”

„Gij zijt een monster!” riep Leoncia weer. „Gij zijt een leelijke
tooverheks, die liegt!”

„Gij en ik zijn vrouwen,” verweet de Koningin zacht en vriendelijk, „en
kunnen niet over elkander oordeelen, daar wij vrouwen zijn. Mannen
zullen beslissen, of ik al dan niet een tooverheks ben, die liegt of
een vrouw met een liefhebbend vrouwelijk hart. Maar laat ons, daar wij
vrouwen en dus zwak zijn, ondertusschen vriendelijk jegens elkander
zijn.”

„... En nu, Priester der Zon, het oordeel. Gij, als priester van den
Zonnegod, weet meer van de oude voorschriften en gebruiken dan ik. Gij
weet ook meer over mij en hoe ik hier kwam, dan ik zelf. Gij weet dat
altijd, van moeder op dochter, en van moeder op dochter, de stam een
Geheimzinnige Koningin, een Dame Die Droomt, gehad heeft. De tijd is
gekomen, dat we moeten denken aan toekomstige geslachten. De
vreemdelingen zijn gekomen en zij zijn ongehuwd. Dit moet de
vastgestelde trouwdag zijn, wanneer de latere generaties van den stam
een Koningin willen bezitten, die voor hen droomt. Het zij zoo, en
tijd, benoodigdheden en plaats worden vastgesteld. Ik heb het oordeel
gedroomd. En het oordeel is, dat ik zal trouwen met diengenen onder
deze vreemdelingen, die van voor de grondleggingen der wereld voor mij
bestemd was. Dit is de proef: Als geen dezer wil trouwen, dan zullen
zij sterven en hun warm bloed zal door u geofferd worden voor het
altaar der Zon. Als er een is, die mij trouwen wil, dan zullen zij
allen leven, en de Tijd zal beslissen over onze toekomst.”

De Zonnepriester, die beefde van woede, trachtte te protesteeren, maar
zij beval:

„Zwijg, priester! Alleen door mij regeert gij het volk. Eén woord van
mij tot het volk—welnu, gij begrijpt. Het is geen gemakkelijke wijze
van sterven.”

Zij wendde zich tot de drie mannen, zeggend:

„En wie uwer wil mij trouwen?”

Zij keken elkander verlegen en ontzet aan, maar niemand sprak.

„Ik ben een vrouw,” ging de Koningin plagend voort. „En ben ik daarom
niet begeerenswaardig voor de mannen? Ben ik niet jong? Of ben ik
misschien niet mooi? Zijn de smaken der mannen zoo vreemd, dat geen
enkele man mij in zijn armen wil nemen en zijn lippen op de mijne
drukken, zooals Francis hier op mijn hand gedaan heeft?”

Zij vestigde haar oogen op Leoncia.

„Gij zult oordeelen. Gij zijt een vrouw, die zeer bemind wordt door de
mannen. Ben ik niet een vrouw als gij en zou ik niet bemind worden?”

„Gij zult altijd vriendelijker tegen mannen zijn dan tegen vrouwen,”
antwoordde Leoncia—onbegrijpelijk voor de drie mannen, die deze woorden
hoorden, maar volkomen duidelijk voor het vrouwelijk verstand der
Koningin. „En als vrouw,” vervolgde Leoncia, „zijt ge buitengewoon
schoon en verlokkelijk; en er zijn mannen in deze wereld, vele mannen,
die gek zouden worden van verlangen om u in de armen te sluiten. Maar
ik waarschuw u, Koningin, dat er in deze wereld mannen zijn en mannen.”

Toen zij dit gehoord en overlegd had, wendde de Koningin zich
plotseling tot den priester:

„Gij hebt het gehoord, priester. Vandaag zal een der mannen mij
trouwen. Als geen der mannen mij trouwt, zullen ze alle drie geofferd
worden op uw altaar. Eveneens zal dan deze vrouw geofferd worden, die,
naar het schijnt, mij wil onteeren, door mij minderwaardiger te vinden
dan zich zelf.”

Nog richtte zij het woord tot den priester, ofschoon hetgeen zij sprak
voor de anderen bestemd was.

„Er zijn hier drie mannen, waarvan er een, lange jaren vóór hij geboren
werd, bestemd was om met mij te trouwen. Dus, priester, ik beveel, dat
de gevangenen weggeleid worden naar een ander vertrek, en laat hen
onder elkander uitmaken, wie die man is.”

„Wanneer het reeds zoo lang van te voren uitgemaakt is,” vervolgde
Leoncia woedend, „waarom dan de beslissing aan hen overgelaten? Gij
kent den man? Waarom het dan er op gewaagd? Noem de man, Koningin, en
noem hem nu.”

„De man zal gekozen worden op de wijze, als ik bepaald heb,” antwoordde
de Koningin, terwijl zij tegelijkertijd afgetrokken een beetje poeder
in den grooten bokaal wierp en afgetrokken erin keek. „Ga dus nu heen,
en laat de onvermijdelijke keuze plaats hebben.”

Zij gingen reeds de kamer uit, toen een uitroep van de Koningin hen
tegenhield.

„Wacht!” beval ze. „Kom hier, Francis. Ik heb iets gezien, wat u
aangaat. Kom, en kijk met mij in den Spiegel der Wereld.”

En terwijl de anderen stilstonden, keek Francis met haar neer op de
vreemde oppervlakte van vloeibaar metaal. Hij zag zich zelf in de
bibliotheek van zijn huis in New-York en hij zag naast zich de Dame Die
Droomt, terwijl zijn arm om haar heen geslagen was. Vervolgens zag hij
hoe nieuwsgierig zij den koersaanwijzer bekeek. Toen hij haar dit uit
wilde leggen, keek hij op de smalle strook en las daarop zoo’n
ontstellend bericht, dat hij naar de dichtstbijzijnde telefoon sprong
en zag hoe hij, terwijl het visioen verbleekte, zijn makelaar opbelde.

„Wat zag je?” vroeg Leoncia, toen ze de kamer uitgingen.

En Francis loog. Hij zei er niets van, dat hij de Dame Die Droomt in
zijn bibliotheek te New-York gezien had. In plaats daarvan, antwoordde
hij:

„Ik zag een koersaanwijzer en een effectenbeurs in Wall Street, die in
een paniek overging. Hoe kan ze nu weten, dat ik iets uit te staan heb
met Wall Street en koersaanwijzers?”








HOOFDSTUK XIX.


„Iemand moet dat gekke mensch trouwen,” sprak Leoncia, toen zij zich
neerzetten op de matten der kamer, waarheen de priester hen gebracht
had. „Niet alleen zal hij een held zijn, die ons leven redt, maar hij
redt even goed zijn eigen leven. Nu, Senor Torres, u bent in de
gelegenheid om ons aller leven en het uwe te redden.”

„Br-r-r!” huiverde Torres. „Ik zou haar nog voor geen tien millioen aan
goud trouwen. Ze is te wijs. Ze is verschrikkelijk. Zij—hoe zal ik het
zeggen—zij, zooals jelui Amerikanen zeggen, ze bezorgt mij kippenvel.
Ik ben een dapper man. Maar tegenover haar ben ik niet dapper meer. Het
angstzweet breekt mij uit. Voor geen tien millioen zou ik moeite willen
doen om mijn vrees te overwinnen. Maar Henry en Francis zijn dapperder
dan ik. Laat een hunner haar trouwen.”

„Maar ik ben verloofd met Leoncia,” zei Henry dadelijk. „Daarom kan ik
de Koningin niet trouwen.”

Aller oogen vestigden zich nu op Francis, maar eer hij iets kon
antwoorden, nam Leoncia het woord.

„Dat is niet eerlijk,” zei ze. „Geen uwer heeft zin haar te trouwen. De
eenige billijke manier om het uit te maken is er om loten.” Onder het
spreken trok ze drie stroospieren uit de mat, waarop ze zat en brak er
een heel kort af. „De man, die het korte strootje trekt, zal het
slachtoffer zijn. Gij, Senor Torres, trek het eerst.”

„De huwelijksklokken luiden voor het kortste strootje,” grinnikte
Henry.

Torres bekruiste zich, huiverde en trok. Zijn stroospier was zóó lang,
dat hij een serie danspassen uitvoerde, zingend:


                    „Voor mij geen trouw,
                    ’k Verlang geen vrouw...”


Francis trok vervolgens en een even lange stroospier was zijn deel.
Voor Henry bleef geen keus over. De overblijvende stroospier in
Leoncia’s hand was het onheilsteeken. Zijn gelaat had een in-tragische
uitdrukking, toen hij Leoncia onafgebroken aankeek. En zij vloeide, dit
merkend, over van medelijden, terwijl Francis haar medelijden zag en de
gedachten in hem zich vermenigvuldigden. Dit was de redding. De heele
verschrikkelijke situatie kon zoo gemakkelijk opgelost worden. Hoe
groot zijn liefde voor Leoncia ook was, nog grooter was zijn mannelijk
loyaliteitsgevoel jegens Henry. Francis aarzelde geen oogenblik. Met
een vroolijken klap op Henry’s schouder, riep hij uit:

„Welnu, hier is de eenige ongebonden vrijgezel, die niet bang is voor
het huwelijk. Ik zal haar trouwen.”

Het was voor Henry’s gevoel, of hij van een dreigenden dood gered was.
Zijn hand schoot uit naar die van Francis en, terwijl zij elkander de
hand drukten, keken zij elkander met een oprechten blik aan, zooals
alleen fatsoenlijke, eerlijke mannen kunnen kijken. Ook zag geen van
beiden den misnoegden trek op Leoncia’s gelaat bij deze onverwachte
ontknooping. De Dame Die Droomt had gelijk gehad. Leoncia, als vrouw,
was niet loyaal, daar ze twee mannen liefhad en de Dame haar eerlijk
aandeel betwistte.

Maar elk gesprek hierover werd belet door het kleine meisje uit het
dorp, dat met de vrouwen binnentrad om hun middagmaal op te dienen.
Torres’ scherpe oogen merkten het eerst het snoer edelsteenen op, dat
om den hals van het meisje hing. Het waren robijnen en prachtige ook.

„De Dame Die Droomt heeft ze mij zooeven gegeven,” zei het meisje, dat
verrukt was, dat haar nieuwe bezitting zoo bewonderd werd.

„Heeft ze er nog meer?” vroeg Torres.

„Natuurlijk,” was het antwoord. „Ze liet er mij net nog een groote kist
van zien. En het waren er van allerlei soort en veel grooter, maar ze
waren niet aangeregen. Het waren net gepelde graankorrels.”

Terwijl de anderen aten en praatten, rookte Torres zenuwachtig een
cigaret. Daarna stond hij op en wendde een voorbijgaande ongesteldheid
voor, die hem belette te eten.

„Luister,” sprak hij met nadruk. „Ik spreek beter Spaansch dan een van
jelui Morgans. Ook geloof ik, dat ik het karakter der Spaansche vrouwen
beter ken. Om u te laten zien, dat ik het hart op de rechte plaats
draag, zal ik nu naar haar toegaan en zien of ik haar dit huwelijksplan
niet uit het hoofd kan praten.”



Een der speerdragers versperde Torres den weg, maar, nadat hij naar
binnen gegaan was, keerde hij terug en verzocht hem binnen te komen. De
Koningin rustte op de divan en wenkte hem minzaam tot zich.

„Gij eet niet?” vroeg ze belangstellend en voegde er aan toe, nadat hij
zijn gebrek aan honger toegestemd had: „Wilt gij dan drinken?”

Torres’ oogen glinsterden. Tusschen de opwinding door, waarin hij de
laatste dagen verkeerd had en de onwetendheid hoe dit nieuwe avontuur,
waartoe hij besloten was, zou eindigen, voelde hij een ontzettende
behoefte aan een dronk. De Koningin klapte in haar handen en gaf
bevelen aan de vrouwelijke bediende, die binnenkwam.

„Dit is zeer oud, eeuwenoud, zooals gij zult merken, Da Vasco, die het
zelf vier eeuwen geleden hierheen bracht,” zei ze toen een man een
klein houten tonnetje binnenbracht en openstak.

Aan den ouderdom van het vaatje kon niet getwijfeld worden en Torres,
die wist, dat het twaalf generaties geleden den Atlantischen Oceaan
overgestoken had, voelde hoe zijn keel begon te prikkelen van verlangen
naar den inhoud. De dronk, die door de kamervrouw ingeschonken werd,
was groot, maar toch verbaasde Torres zich over de zachtheid er van.
Maar spoedig begon de tooverkracht van den vier eeuwen ouden drank haar
spel in zijn aderen en maakte zijn hersenen van streek. De Koningin
verzocht hem om aan haar voeten op den rand van de divan te gaan
zitten, waar zij hem goed kon opnemen, en zei:

„Gij kwaamt ongeroepen. Wat hebt gij mij te zeggen of te vragen?”

„Ik ben de uitverkorene,” antwoordde hij, aan zijn knevel draaiend en
pogingen aanwendend om een gezicht te trekken als een man, die op
liefdesavonturen uitgaat.

„Vreemd,” sprak ze. „Ik heb uw gelaat niet gezien in den Spiegel der
Wereld. Er is... een vergissing, is het niet?”

„Een vergissing,” bekende hij gereedelijk, daar hij in haar oogen las,
dat ze zeker wist. „Het was de drank. Er schuilt een tooverkracht in,
die mij u deed zeggen, wat mijn hart voor u voelt, want ik verlang zoo
naar u.”

Met lachende oogen riep ze de kamervrouw weer en zijn aarden kroes werd
opnieuw gevuld.

„Een tweede vergissing is hiervan misschien het gevolg, is het niet?”
plaagde zij, toen hij den dronk naar binnen geslagen had.

„Neen, o Koningin,” antwoordde hij. „Nu is alles duidelijk. Nu kan ik
mijn trouw hart beheerschen. Francis Morgan, de man, die uw hand kuste,
is de man, die uitverkoren is om uw echtgenoot te worden.”

„Het is waar,” zei ze plechtig. „Zijn gezicht was het, wat ik zag en ik
herkende het van het eerste oogenblik af.”

Aldus aangemoedigd, vervolgde Torres:

„Ik ben zijn vriend, zijn allerbeste vriend. Gij, die alle dingen weet,
kent ook de gewoonte der bruidsschat. Hij heeft mij, zijn besten
vriend, gezonden, om daarnaar te informeeren en den bruidsschat van
zijn aanstaande te zien. Gij moet weten, dat hij tot de rijksten van
zijn eigen land gerekend wordt, en de mannen daar zijn zeer rijk.”

Zoo plotseling stond zij van de divan op, dat Torres ineenkromp en half
terugdeinsde, in den angst, dat hem een mes tusschen de schouderbladen
gestoken zou worden. In plaats daarvan liep, of beter gezegd, zweefde
de Koningin naar den ingang van een diepergelegen vertrek.

„Kom!” sprak ze gebiedend.

Eenmaal daarbinnen, herkende Torres, zoodra hij een blik in het rond
geworpen had, de kamer voor wat zij was, haar slaapkamer. Maar zijn
oogen hadden niet veel tijd voor zulke details. Den deksel van een
zwaren ijzerhouten, met koper beslagen koffer oplichtend, zei ze hem
erin te kijken. Hij gehoorzaamde en zag het wonder der wereld. Het
kleine meisje had waarheid gesproken. Als even zooveel gepelde
graankorrels, lag daar in de kist een onschatbare waarde aan
juweelen—diamanten, robijnen, smaragden, saffieren, de kostbaarste,
zuiverste en grootste van hun soort.

„Steek uw armen tot aan de schouders er in,” sprak ze, „en overtuig u,
dat dit speelgoed echt is en van edelsteen, meer dan illusies en
reflecties van een droombeeld, dat alleen in den droom werkelijkheid
is. Dan kan je een juist rapport uitbrengen aan je zeer rijken vriend,
die met mij zal gaan trouwen.”

En Torres, wiens brandende hersenen als krankzinnig waren door den
ouden drank, deed als hem gezegd was.

„Zijn deze stukjes glas zoo’n wonderlijk iets?” plaagde zij. „Je oogen
zien er uit, alsof zij groote wonderen aanschouwden.”

„Ik had nooit kunnen droomen, dat er ergens in de wereld zoo’n schat
bestond,” mompelde hij in zijn dronkenschap.

„Ze zijn niet te taxeeren?”

„Ze zijn niet te taxeeren.”

„Ze hebben meer waarde dan rijkdom, liefde en eer?”

„Ze zijn meer waard dan iets ter wereld. Zij zouden iemand krankzinnig
maken.”

„Kan men er de oprechte liefde van een man of een vrouw voor koopen?”

„Men zou er alles in de wereld voor kunnen koopen.”

„Kom,” zei de Koningin. „Gij zijt een man. Gij hebt vrouwen in uw armen
gehad. Zou men er vrouwen voor kunnen koopen?”

„Van den oorsprong der tijden af heeft men daarvoor vrouwen gekocht en
verkocht en vrouwen hebben er zich zelf voor verkocht.”

„Zal ik er het hart van uw besten vriend, Francis, voor kunnen koopen?”

Voor de eerste maal keek Torres haar aan en knikte en mompelde, terwijl
zijn oogen waterig stonden van den drank en woest door het zien van
zoo’n verzameling juweelen.

„Zal de goede Francis er zoo’n waarde aan hechten?”

Torres knikte sprakeloos.

„Hecht iedereen er zoo’n waarde aan?”

Weer knikte hij nadrukkelijk.

Zij uitte een zilveren spotlach. Zich vooroverbuigend, greep ze op goed
geluk af een handvol der kostbaarheden.

„Kom,” beval zij. „Ik zal je laten zien, hoeveel waarde ik er aan
hecht.”

Zij leidde hem door de kamer naar een platform, dat aan drie zijden
omgeven was door een watervlakte en aan de vierde door een loodrechte
rots. Aan den voet der rots vormde het water een draaikolk, die de
opening verried voor den afvoer van het water uit het meer, waarover
Torres de Morgans had hooren redeneeren. Met nog een zilverhelder,
plagend lachje, wierp de Koningin de handvol kostelijke juweelen in het
hartje van den draaikolk.

„Zooveel hecht ik er aan,” sprak ze.

Torres was ontzet en het opzettelijke dezer handeling ontnuchterde hem
nagenoeg.

„En zij komen nooit terug,” lachte ze verder. „Niets komt ooit weer
terug. Kijk maar!”

Zij wierp er een handvol bloemen in, die verscheidene keeren
ronddraaiden in den draaikolk en snel in het middelpunt ervan naar
beneden gezogen werden.

„Als niets terugkomt, waar gaat dan alles heen?” vroeg Torres met dikke
tong.

De Koningin trok haar schouders op, ofschoon hij wist, dat ze de
geheimen van het water kende.

„Meer dan één mensch is dien weg gegaan,” sprak ze droomerig. „Geen
enkele hunner is ooit teruggekomen. Mijn moeder ging ook dien weg, toen
ze dood was. Ik was toen nog een meisje.” Zij ontwaakte uit haar
droomerijen. „Maar gij, gehelmde, ga nu heen. Breng rapport uit aan uw
meester—uw vriend, bedoel ik. Zeg hem, hoe groot mijn bruidsschat is.
En, als hij maar half zoo verzot is op die stukjes glas als gij, zullen
zijn armen spoedig om mij heen geslagen zijn. Ik zal hier blijven
droomen totdat hij komt. Het spel van het water boeit mij.”

Aldus weggezonden, betrad Torres de slaapkamer, kroop terug om
heimelijk een blik te werpen op de Koningin en zag haar, op het
platform zitten, met haar hoofd op haar hand rustend en in den
draaikolk starend. Snel liep hij naar de kist, lichtte het deksel op en
stopte een groote handvol in den zak van zijn broek. Voor hij een
tweede handvol kon nemen, weerklonk achter zijn rug het spottend gelach
der Koningin.

Vrees en woede overweldigden hem zoo zeer, dat hij op haar toesprong en
haar vervolgde op het platform, waar hij alleen door den ponjaard, dien
zij hem dreigend voorhield, teruggehouden werd van haar te grijpen.

„Dief,” zei ze kalm. „Gij zijt een man zonder eer. En het lot van alle
dieven in dit dal is de dood. Ik zal mijn speerdragers roepen en je in
den draaikolk laten werpen.”

En de doodsangst maakte Torres listig. Aandachtig kijkend naar het
water, dat hem bedreigde, stiet hij een kreet van schrik uit alsof hij
iets vreemds gezien had, zonk op één knie neer en begroef zijn, van
gesimuleerden schrik vertrokken gelaat in zijn handen. De Koningin keek
terzijde, om ook te zien, wat hij gezien had. Dit was zijn kans. Hij
vloog overeind en op haar af als een tijger, die zijn prooi bespringt,
haar bij de polsen grijpend en den ponjaard uit haar handen wringend.
Hij veegde het zweet van zijn gelaat en sidderde, terwijl hij zich
langzaam herstelde. Ondertusschen keek zij hem verwonderd, maar
onbevreesd aan.

„Gij zijt een slechte vrouw,” snauwde hij haar toe, nog altijd trillend
van woede, „een tooverheks, die zich bedient van de machten der
duisternis en allerlei duivelsche zaken. Toch zijt gij een vrouw, uit
een vrouw geboren, en daarom sterfelijk. De zwakheid der sterfelijkheid
en der vrouw zijn uw eigendom, waarom ik u nu uit twee dingen laat
kiezen. Òf gij zult in den draaikolk geworpen worden en sterven, òf...”

„Of?” herhaalde zij.

„Of...” Hij pauseerde, bevochtigde zijn droge lippen en barstte los.
„Neen! Bij de Heilige Moeder Gods, ik ben niet bang! Of mij dezen dag
trouwen, wat de andere keuze is.”

„Wil je mij om mijzelf trouwen? Of om den schat?”

„Om den schat,” stemde hij onbeschaamd toe.

„Maar in het Boek des Levens staat geschreven, dat ik met Francis zal
trouwen,” weerlegde zij.

„Dan zullen we die bladzijde van het Boek des Levens overschrijven.”

„Alsof dat zou kunnen!” lachte zij.

„Dan zal ik je sterfelijkheid bewijzen daar in dien draaikolk, waarin
ik je zal werpen, zooals jij er de bloemen in geworpen hebt.”

Op dit oogenblik was Torres werkelijk onversaagd—onversaagd door den
ouden drank, die zijn bloed en hersenen in vuur zette, en omdat hij den
toestand meester was. Bovendien hield hij, als echt Latijnsch-Amerikaan
van een scène, waarin hij kon pronken en geuren.

Toch maakte zij hem aan het schrikken, door een sissend geluid uit te
stooten, gelijkend op de Latijnsche manier om een bediende te roepen.
Hij keek haar achterdochtig aan, toen naar de ingang van het
slaapvertrek en richtte vervolgens den blik weer op haar.

Als een spook, zag hij slechts vaag met een zijdelingschen blik den
grooten witten hond door den ingang springen. Opnieuw schrikkend, deed
Torres onwillekeurig een stap terzijde. Maar zijn voet vond geen steun
in de ijle lucht en de zwaarte van zijn lichaam deed hem van het
platform in het water vallen. Juist toen hij viel en het uitgilde van
wanhoop, zag hij de hond met een luchtsprong achter zich aankomen.

Hoewel een goed zwemmer, geleek Torres op een stroohalm in den greep
van den draaikolk; en de Dame Die Droomt, die van den rand van het
platform den blik niet van hem afwendde, zag hem verdwijnen en den hond
na hem, in het hartje van den maalstroom, waaruit niets terugkeert.








HOOFDSTUK XX.


Langen tijd bleef de Dame Die Droomt staren op het spel der wateren.
Ten slotte stond ze op, zuchtend: „Mijn arme hond.” Het heengaan van
Torres beteekende niets voor haar. Van haar meisjesjaren af gewoon om
de beschikking te hebben over leven en dood van haar half-wild en
gedegenereerd volk, was het menschelijk leven haar, bijgevolg, niet
heilig. Wanneer het leven goed en lief was, dan was het natuurlijk
juist om het te laten leven. Maar wanneer het leven boos was en leelijk
en gevaarlijk voor andere levens, dan was het juist om het te laten
dooden of te dooden. Zoodoende was Torres voor haar slechts een episode
geweest—onaangenaam, maar snel voorbijgaande. Maar van dien hond was
het jammer.

Luid in de handen klappend, toen ze haar kamer binnentrad, om een van
haar vrouwen te roepen, overtuigde zij zich, dat de deksel van de
juweelenkist openstond. Zij gaf de vrouw een bevel en keerde zelf terug
naar het platform, vanwaar ze onopgemerkt in de kamer kon kijken.

Enkele minuten later werd Francis door de vrouw de kamer binnengeleid
en alleen gelaten. Hij verkeerde niet in een vroolijke gemoedsstemming.
Hoe mooi het ook geweest was, dat hij van Leoncia afgezien had, hij kon
zich niet verheugen over deze daad. Evenmin kon hij zich verheugen in
het vooruitzicht om de vreemde dame te trouwen, die regeerde over de
Verloren Zielen en in deze zonderlinge meer-woning huisde. Maar, in
tegenstelling met Torres, wekte ze in hem geen vrees of verbittering
op. Integendeel, Francis voelde voor haar een diep medelijden. Hij was
onwillekeurig onder den indruk gekomen van het tragische pathos der
volwassen, mooie vrouw, die wanhopig zocht naar liefde en een
echtgenoot, ondanks haar gebiedend en aanmatigend optreden.

In een oogwenk herkende hij de kamer voor wat het was en vroeg zich,
licht verwonderd, af, of hij reeds beschouwd werd als de bruidegom,
zonder er verder over te spreken, zonder toestemming, zonder
huwelijksplechtigheid. In gedachten verzonken, trok de kist nauwelijks
zijn aandacht. De Koningin, die hem in het oog hield, zag, dat hij
blijkbaar op haar wachtte, en hem, na eenige minuten, op de kist
toetreden. Hij nam er een handvol juweelen uit en liet ze onverschillig
weer een voor een er in vallen, alsof het knikkers waren, keerde zich
om en stapte naar den anderen kant om de luipaardhuiden op haar
slaapstede te bekijken. Vervolgens ging hij er op zitten,
oogenschijnlijk volkomen onverschillig voor slaapstede of schat. Dit
alles beviel de Koningin zoo zeer, dat ze er niet toe kon besluiten, om
nog langer te blijven spionneeren. De kamer binnentredend en hem
begroetend, vroeg ze lachend:

„Was Senor Torres een leugenaar?”

„Was?” vroeg Francis, om iets te zeggen, terwijl hij opstond.

„Hij is niet meer,” verzekerde zij hem. „Wat beteekent, dat hij noch
hier noch daar is,” haastte zij zich te zeggen, toen Francis
belangstelling begon te toonen in Torres’ einde. „Hij is heengegaan, en
het is goed, dat hij heengegaan is, want hij kan nu nooit terugkomen.
Maar hij loog, is het niet?”

„Beslist,” antwoordde Francis. „Hij is een doortrapte leugenaar.”

Hij moest wel de verandering op haar gelaat zien, toen hij zoo van
harte instemde met haar meening omtrent Torres’ waarheidlievendheid.

„Wat heeft hij gezegd?” vroeg Francis.

„Dat hij de uitverkorene was, om met mij te trouwen.”

„Een leugen,” merkte Francis droogjes op.

„Vervolgens zei hij, dat gij de uitverkorene waart—wat ook een leugen
was.” Haar stem werd zachter.

Francis schudde het hoofd.

De onwillekeurige vreugdekreet, die de Koningin slaakte, wekte in zijn
hart zoo’n teeder medelijden op, dat hij er bijna toe kwam om zijn
armen om haar heen te slaan en haar te liefkoozen. Zij wachtte, wat hij
zou zeggen.

„Ik ben de man, die je zal trouwen,” vervolgde hij kalm. „Je bent zeer
schoon. Wanneer zal ons huwelijk plaats hebben?”

De onstuimige vreugde in haar gelaat was zóó groot, dat hij plechtig
beloofde, dat door zijn toedoen dit gelaat nimmer de sporen van
verdriet zou dragen. Zij mocht dan al heerscheres zijn over de Verloren
Zielen, onmetelijke rijkdommen bezitten en begiftigd zijn met de
bovennatuurlijke macht om in den Spiegel te lezen; in de eerste plaats
was ze voor hem een eenzame en naïeve vrouw, overvloeiend van liefde en
volkomen onwetend van de liefde.

„En ik zal je nog een leugen vertellen, dien dat beest van een Torres
mij vertelde,” barstte zij verontwaardigd los. „Hij zei mij, dat je
rijk waart en dat je, voor je mij trouwde, wilde weten, wat ik bezat.
Hij zei me, dat je hem gezonden hadt om te onderzoeken, welke
rijkdommen ik bezat. Ik weet, dat dit een leugen was. Je trouwt mij
niet om dat!” Met een toornig gebaar wees zij op de kist met juweelen.

Francis schudde het hoofd.

„Je trouwt mij om mijzelf,” ging zij triomfantelijk voort.

„Om jezelf,” loog Francis, ondanks zich zelf.

En toen zag hij een verwonderlijk iets. De Koningin, deze Koningin, die
de reinste autocraat was, die beval, kom hier en ga daarheen, die den
dood van Torres niet meer waardig keurde dan enkel een vermelding en
die haar koninklijken echtgenoot koos, zonder ook maar naar zijn
wenschen te vragen, deze Koningin begon te blozen. Langs haar hals en
over haar gelaat, tot aan haar ooren en voorhoofd toe, vloog de roze
gloed der maagdelijke zedigheid en verlegenheid. En dit teeken van
verwarring, bracht Francis ook in de war. Hij wist niet wat hij doen
moest en voelde het warme bloed opstijgen onder de gebruinde huid van
zijn eigen gelaat. Nooit tevoren, dacht hij, hadden een man en een
vrouw in een dergelijke positie verkeerd in de levensgeschiedenis der
mannen en vrouwen. Hun wederzijdsche verlegenheid was zeer groot en, al
had hij er zijn leven mee kunnen redden, het was hem onmogelijk om een
woord uit te brengen. Dus was de Koningin genoodzaakt om het eerst te
spreken.

„En nu,” zei ze, nog sterker blozend, „moet je mij het hof maken.”

Francis deed moeite om iets te zeggen, maar zijn lippen waren zoo
droog, dat hij ze eerst moest bevochtigen en slechts enkele
onsamenhangende woorden kon stamelen.

„Ik werd nooit bemind,” vervolgde de Koningin dapper. „Mijn volk houdt
zich niet op met liefde. Het zijn redelooze dieren. Maar wij, gij en
ik, zijn man en vrouw. Daarbij hoort begeeren en teederheid—dat heeft
mijn Spiegel der Wereld mij geleerd. Maar ik ben onervaren. Ik weet
niet hoe het moet. Maar gij, die uit de groote wereld komt, moet het
weten. Ik wacht. Gij moet mij liefhebben.”

Zij zonk neer op haar rustbank, trok Francis naast zich en wachtte,
zooals ze gezegd had. Terwijl hij, die op bevel moest liefhebben, als
verlamd was door de onmogelijkheid om aan dit bevel te gehoorzamen.

„Ben ik niet mooi?” vroeg de Koningin na een nieuwe pauze. „Zijn je
armen niet als dol van verlangen om zich om mij heen te slaan, evenals
ik dol verlangend ben, om ze om mij heen te voelen? Nog nooit hebben
mannenlippen de mijne beroerd. Waar gelijkt een kus op—een kus op de
lippen, bedoel ik? Je lippen op mijn hand waren een extase. Je kuste
toen niet alleen mijn hand, maar ook mijn ziel. Mijn hart voelde toen
den druk van je lippen. Heb je het kloppen ervan niet gevoeld?”



„En nu,” zei ze een half uur later, toen ze hand in hand op de
slaapbank zaten, „heb ik je het weinige verteld, wat ik van mijzelf
weet. Ik weet van het verleden niet anders, dan men mij ervan verteld
heeft. Het tegenwoordige zie ik duidelijk in mijn Spiegel der Wereld.
De toekomst kan ik eveneens zien, maar slechts vaag; ook begrijp ik
niet altijd, wat ik zie. Ik werd hier geboren. Zoo ook mijn moeder, en
haar moeder. Het toeval wilde, dat er altijd in het leven van iedere
koningin een minnaar kwam. Soms kwamen ze hier, evenals gij. De moeder
van mijn moeder, zoo vertelde men mij, verliet het dal om haar minnaar
te zoeken en was langen tijd weg—jarenlang. Zoo ging ook mijn moeder
weg. Ik ken den geheimen weg, waar de reeds lang gestorven
conquistadores de geheimen der Mayas bewaken, en waar Da Vasco zelf
staat, wiens helm door dat beest van een Torres zoo onbeschaamd
gestolen en tot zijn eigendom verklaard werd. Wanneer jij niet gekomen
waart, zou ik ook weg hebben moeten gaan om je te zoeken, want jij
waart het, die voor mij bestemd waart en moest zijn.” Een vrouw trad
binnen, gevolgd door een speerdrager, en Francis kon nauwelijks wijs
worden uit het vreemde, ouderwetsche Spaansch, waarin het gesprek
gevoerd werd. Met een gemengd gevoel van toorn en blijdschap, deelde de
Koningin hem in het kort den inhoud ervan mee.

„Wij moeten nu naar het Lange Huis gaan voor de trouwpartij. De
Priester der Zon is koppig, ik begrijp niet waarom, of hij moest
wenschen het bloed van jelui allen op zijn altaar te zien. Hij is zeer
bloeddorstig. Hij is de Zonnepriester, maar hij bezit weinig verstand.
Men bericht mij, dat hij het volk tracht op te zetten tegen ons
huwelijk—die hond!” Zij vouwde haar handen, terwijl haar gezicht hard
werd en haar oogen vlamden van koninklijke woede. „Hij zal ons trouwen
volgens de oude gebruiken, voor het Lange Huis, voor het Altaar der
Zon.”



„Het is nog niet te laat, om van gedachten te veranderen, Francis,”
drong Henry aan. „Bovendien is het niet eerlijk. Ik heb het kortste
strootje getrokken. Nietwaar, Leoncia?”

Leoncia kon niet antwoorden. Zij stonden in een groep voor het altaar,
ten aanschouwe van de vergaderde Verloren Zielen. De Koningin en de
Zonnepriester bevonden zich in het Lange Huis.

„Je zou niet graag zien, dat Henry met haar trouwde, is het niet,
Leoncia?” vroeg Francis.

„En jou evenmin,” antwoordde Leoncia. „Alleen Torres had ik gaarne met
haar zien trouwen. Ik houd niet van haar. Ik zou niet graag een mijner
vrienden haar echtgenoot zien worden.”

„Het lijkt haast of je jaloersch bent,” merkte Henry op. „Maar hoe het
zij, Francis schijnt niet al te mistroostig te zijn over zijn lot.”

„Ze is heelemaal niet kwaad,” antwoordde Francis. „En ik kan mijn lot
waardig, zoo al niet gelijkmoedig dragen. En ik wil je nog iets anders
vertellen, Henry, nu we het hier toch over hebben; ze zou je niet eens
nemen, al vroeg je haar.”

„O, dat weet ik nog zoo net niet,” begon Henry.

„Vraag het haar dan,” was het voorstel. „Daar komt ze aan. Kijk eens
naar haar oogen. Daar broeit iets. En de priester ziet er uit als een
donderwolk. Doe haar je voorstel en zie welke kans je hebt tegenover
mij.”

Henry schudde koppig het hoofd.

„Ik zal het doen—maar niet om je te toonen welk een vrouwenveroveraar
ik ben, doch alleen terwille van het eerlijke spel. Ik speelde dit niet
toen ik je zelfopoffering aannam, maar nu zal ik het spelen.”

Voor zij hem tegen konden houden, was hij op de Koningin toegeloopen,
had zich tusschen haar en den priester ingedrongen en begon op
ernstigen toon te spreken. En de Koningin luisterde lachend. Maar haar
lach was niet voor Henry bestemd. Stralend van triomf lachte ze tegen
Leoncia.

Het kostte niet veel tijd om Henry’s voorstel af te wijzen, waarop de
Koningin zich bij Leoncia en Francis voegde, terwijl de priester haar
op de hielen volgde en Henry, die langzaam achteraan kwam, moeite deed
om de blijdschap te verbergen, die hij voelde over het blauwtje, dat
hij geloopen had.

„Wat dunkt je ervan?” sprak de Koningin Leoncia aan. „Die goede Henry
heeft mij juist gevraagd zijn vrouw te worden, dat is vandaag de
vierde. Word ik niet zeer bemind? Hebt je ooit vier aanbidders gehad,
die je alle vier wenschen te trouwen op je huwelijksdag?”

„Vier!” riep Francis uit.

De Koningin schonk hem een teederen blik.

„Jij zelf en Henry, dien ik juist afgewezen heb. En voor jelui,
vandaag, die onbeschofte Torres en nu pas, in het Lange Huis, de
priester hier.” Bij deze herinnering vlamde de toorn op in haar oogen
en wangen. „Deze Priester der Zon, deze priester, die reeds lang
ontrouw was aan zijn beloften, deze man, die slechts half een man is,
verlangde mij als vrouw! Die hond! Dat beest! En hij had ten slotte de
onbeschaamdheid te zeggen, dat ik niet de vrouw van Francis zou worden.
Kom. Dat zal ik hem laten zien.” Zij riep met een hoofdbeweging haar
eigen speerdragers op uit den groep en beval met haar oogen twee hunner
om achter den priester te gaan staan en hem te bewaken. Op het gezicht
hiervan, begon er gemompel op te stijgen uit de menigte.

„Maak voortgang, priester,” beval de Koningin barsch. „Anders zullen
mijn mannen je op staanden voet dooden.”

Hij keerde zich met een ruk om, alsof hij een beroep wilde doen op het
volk, maar de toespraak, die zijn lippen deed trillen, werd niet onder
woorden gebracht, toen hij de speerpunten op zijn borst gericht zag.
Hij onderwierp zich aan het onvermijdelijke en liep vooruit tot vlak
voor het altaar, waar hij de Koningin en Francis voor zich plaatste,
terwijl hij zelf boven op het platform van het altaar ging staan,
vanwaar hij op hen neerzag en over hen heen de Verloren Zielen aankeek.

„Ik ben de Priester der Zon,” begon hij. „Mijn geloften zijn mij
heilig. Als gewijd priester word ik gedwongen deze vrouw, de Dame Die
Droomt, in den echt te verbinden met dezen vreemdeling en indringer,
wiens bloed reeds vervallen is aan dit altaar. Mijn geloften zijn mij
heilig. Het is mij onmogelijk, ze ontrouw te worden. Ik weiger deze
vrouw en dezen man te trouwen. In den naam van den Zonnegod weiger ik
deze plechtigheid te voltrekken...”

„Dan zult gij sterven, priester, hier en op dit oogenblik,” siste de
Koningin hem toe, de dichtstbijzijnde speerdragers een teeken gevend om
hun speren tegen hem op te heffen en de andere speerdragers bevelend om
zich tegen de murmureerende en half-opstandige Verloren Zielen te
keeren.

Nu volgde er een gewichtige pauze. Ongeveer een minuut lang werd er
geen woord gesproken, geen gedachte verraden door een ongedurige
beweging. Ze stonden allen onbeweeglijk als even zoovele standbeelden;
en iedereen keek naar den priester, op wiens hart de vergiftigde
speerpunten gericht waren.

Hij, wiens bloed en leven in deze zaak in de eerste plaats op het spel
stond, was ook de eerste, die handelde. Hij gaf toe. Kalm keerde hij de
dreigende speren den rug toe en richtte, in ouderwetsch Spaansch, een
gebed om vruchtbaarheid tot de Zon. Tot de Koningin en Francis
terugkeerend, liet hij hen, door een handbeweging, zich diep
neerbuigen, zoodat ze half voor hem knielden. Toen hij met zijn
vingertoppen hun handen aanraakte, kon hij niet verhinderen, dat zijn
gelaatstrekken zich onwillekeurig vertrokken.

Toen het paar, op zijn aanwijzing, opstond, brak hij een kleine
koren-koek doormidden en gaf ieder de helft.

„Het Heilig Avondmaal,” fluisterde Henry Leoncia in, toen het paar hun
stuk koek stukbrak en opat.

„De Roomsch-Katholieke Godsdienst, die Da Vasco met zich hierheen
gebracht moet hebben, maar zoo ontaard, dat het nu de
huwelijksplechtigheid geworden is,” fluisterde zij terug, ofschoon ze,
nu ze zag, dat Francis voor haar verloren was, moeite moest doen om
zich te bedwingen en met kleurlooze, op elkander geklemde lippen, haar
nagels in haar handpalmen drukte. Van het altaar nam de priester een
kleine ponjaard en een gouden kopje en bood deze de Koningin aan. Zij
zei iets tegen Francis, die zijn mouw opstroopte en haar zijn
ontblooten linker benedenarm aanbood. Op het punt om een sneedje in
zijn vleesch te geven, aarzelde zij en, inplaats daarvan, zette zij de
punt van den ponjaard voorzichtig op haar tong.

Maar nu kreeg de woede de overhand. Toen ze den smaak van het lemmet
proefde, wierp ze het wapen van zich, sprong half op den priester toe,
en gaf haar speerdragers half bevel om hem te dooden en beefde en
sidderde door de moeite, die ze deed om zich te beheerschen. Met haar
oogen den ponjaard volgend, overtuigde zij zich, dat de vergiftigde
punt niemand anders trof, om zijn noodlottige uitwerking te volbrengen
en trok toen uit de plooien van haar kleed een andere kleine ponjaard
te voorschijn. Deze probeerde zij eerst ook op haar tong, voor ze met
de punt ervan een sneedje in Francis’ huid gaf en in den gouden kop
eenige roode bloeddruppeltjes opving, die uit de verwonding kwamen.
Francis herhaalde hetzelfde voor haar en bij haar, waarop de priester,
met vlammenden blik, den kop nam en het vermengde bloed op het altaar
offerde.

Er ontstond een pauze. De Koningin fronste de wenkbrauwen.

„Wanneer er vandaag nog bloed moet vloeien op het altaar van den
Zonnegod...” begon zij dreigend.

En de priester richtte zich, alsof hij zich zijn verzuim herinnerde,
tot het volk en verkondigde plechtig, dat het tweetal nu man en vrouw
was. De Koningin wendde zich tot Francis, met de bede in de oogen, om
haar in zijn armen te sluiten. Toen hij dit deed en haar op de
begeerige lippen kuste, zuchtte Leoncia en drukte zich, als om steun
zoekend, vast tegen Henry aan. Evenmin ontging Francis deze
voorbijgaande zwakte en hij begreep, hoewel Leoncia, toen de blozende
Koningin met oogen, die triomfantelijk glinsterden, haar medezuster
aankeek, oogenschijnlijk trotsch en onverschillig rondblikte.








HOOFDSTUK XXI.


Twee gedachten vlogen door Torres’ brein, toen hij naar beneden gezogen
werd. De eerste betrof den grooten witten hond, die achter hem
aangesprongen was. De tweede was, dat de Spiegel der Wereld leugens
vertelde. Dat dit het einde was, daarvan was hij overtuigd, toch geleek
het weinige, waarnaar hij in den Spiegel had durven kijken, volstrekt
niet op een einde als dit.

Hoewel een goed zwemmer werd hij verzwolgen en meegezogen in een
snelle, beweeglijke duisternis, hij vreesde, dat zijn hersens
verpletterd zouden worden tegen de steenen muur of het dak van den
onderaardschen gang, waar hij door gesleept werd. Maar de grillige
stroom sleurde hem mee, zonder dat een enkel zijner lichaamsdeelen in
botsing kwam. Soms voelde hij, dat hij tegen waterkussens stiet, die
het dreigend gevaar verrieden van een muur of een rots en dan kromp hij
ineen als een zeeschildpad, die zijn kop intrekt voor een aanval van
haaien.

Het duurde nog geen minuut, hij beoordeelde het tijdsverloop door zijn
adem in te houden, voor hij, in een langzamer vlietende stroom, met
zijn hoofd boven water kwam en hij zijn longen verfrischte door met
groote teugen de koele lucht in te drinken. In plaats van te zwemmen,
hield hij zich drijvend en vroeg zich verwonderd af, wat er van den
hond geworden zou zijn en wat de volgende episode van zijn onderaardsch
avontuur zou zijn. Spoedig zag hij voor zich uit een lichtschemering,
het vage, maar niet te miskennen daglicht; en, toen de weg helderder
werd, keerde hij zijn hoofd om en zag iets, wat hem met snellen slag
deed voortzwemmen. Wat hij zag, was de hond, die hoog door het water
zwemmend, de tanden van zijn reuzenbek in het, steeds sterker wordende
licht liet glinsteren. Dank zij het licht, zag hij een veiligen oever
en klom uit het water. Zijn eerste gedachte, die hij ook gedeeltelijk
ten uitvoer bracht, was om in zijn zak te voelen naar de juweelen, die
hij uit de kist der Koningin gestolen had. Maar een doordringend
geblaf, dat in het hol veel op donder geleek, herinnerde hem aan zijn
geduchten vervolger en, in plaats van de juweelen, haalde hij den
ponjaard der Koningin te voorschijn.

Weer vlogen er twee gedachten door zijn brein. Zou hij probeeren om den
zwemmenden woesteling te dooden, eer deze landde? Of zou hij op de
rotsen klimmen en het er op wagen, dat de stroom den hond meesleepte
langs hem heen? Hij besloot tot het tweede en vluchtte naar boven langs
een smallen rotsrand. Maar de hond landde en volgde hem met een
viervoetige snelheid, zoodat hij hem spoedig inhaalde. Torres keerde
zich om op zijn sidderende voeten, hurkte neer en wachtte met den
ponjaard den sprong van den woesteling af.

Maar de hond deed geen sprong. In plaats daarvan, ging hij speelsch,
met wijd geopende, lachende kaken, zitten en strekte, bij wijze van
groet, zijn rechterpoot uit. Toen hij den poot in zijn hand nam en
schudde, bezweek Torres bijna onder het gevoel van verlichting. Hij
lachte met een schrilheid, die bijna iets hysterisch had en bleef den
poot van den hond op en neer slingeren, terwijl de hond, met wijd
geopenden bek en vriendelijke oogen teruglachte.

Verder de rots opgaande, terwijl de hond hem heel tevreden op den voet
volgde en nu en dan aan zijn kuiten snuffelde, merkte Torres, dat het
smalle pad, dat evenwijdig liep met de rivier, na een eindje stijgen,
weer naar de rivier afdaalde. En toen zag Torres twee dingen, waarvan
het eene hem huiverend deed stilstaan en het andere zijn hart hoopvol
deed kloppen. Het eerste was de onderaardsche rivier. Recht op den
rotsmuur aanstormend, stortte zij zich in een chaos van schuim en
draaikolken daarin, met stijfgetande en spijtig spattende golven, die
getuigden van de snelheid en de beweegkracht. Het tweede was een
opening aan de eene zijde, waar het witte daglicht doorscheen. Deze
opening was misschien vijftien voet in doorsnee, maar daarvoor hing een
spinneweb, monsterachtiger dan ooit in het brein van een krankzinnige
zou kunnen oprijzen. Nog afzichtelijker waren de overblijfselen van
beenderen, die er onder lagen. De draden van het web waren van zilver
en zoo dik als een potlood. Hij huiverde toen hij met zijn hand een
draad aanraakte. Ze bleef als lijm aan zijn hand kleven en slechts door
een krachtsinspanning, die het heele web in beweging bracht, slaagde
hij er in zijn hand te bevrijden. Aan zijn kleeren en aan de vacht van
den hond wreef hij zijn kleverige hand af.

Tusschen twee der lagere verbindingsdraden van het groote web ontdekte
hij voldoende ruimte om door de opening in het daglicht te kruipen,
maar eer hij dit waagde, deed de voorzichtigheid hem eerst de opening
onderzoeken, door den hond voor zich uit te schuiven. Het witte beest
krabbelde en werkte er zich doorheen, waarop het uit het gezicht
verdween en Torres wilde juist volgen, toen het terugkeerde. En die
terugkeer geschiedde zoo angstig en gejaagd, dat het dier tegen hem
aanbotste en zij samen neervielen. Maar de man wist zich op de been te
houden, door zich, met zijn handen aan de rotsen vast te klemmen,
terwijl de viervoetige woesteling, die zich niet vast kon grijpen, in
het kolkende water viel. Juist toen Torres een hand uitstak om hem te
grijpen, werd de hond meegesleept onder de rots.

Langen tijd beraadslaagde Torres. Die nieuwe onderaardsche doorgang der
rivier was een verschrikkelijke gedachte. Daarboven was de open weg
naar het daglicht en het leven in hem verlangde naar het daglicht als
een bij of een bloem naar de zon. Maar wat had de hond gezien, dat hem
in zoo’n snelle vaart terugdreef? Terwijl hij zoo stond te overleggen,
merkte hij, dat zijn hand rustte op een rond voorwerp. Hij raapte het
op, en keek in de, van oogen en neus beroofde, gelaatstrekken van een
menschelijken schedel. Zijn verschrikte oogen gleden over de laag
beenderen en, er viel niet aan te twijfelen, hij herkende de ribben en
rugwervels en dijbeenderen van wat vroeger menschen geweest waren. Dit
deed hem het water kiezen om een uitweg te zoeken, maar op het zien van
de schuimende kracht, waarmee het door de hechte rotsen drong, deinsde
hij terug.

De ponjaard van de Koningin trekkend, kroop hij zeer voorzichtig
tusschen de draden van het web door, zag wat de hond gezien had en kwam
met zoo’n snelle vaart terug, dat hij ook in het water viel en, nadat
hij net tijd gehad had om zijn longen met frissche lucht te vullen,
werd hij meegesleept in de opening en de duisternis.



Ondertusschen voltrokken zich ginds in de meer-woning der Koningin,
niet minder belangrijke gebeurtenissen met niet minder snelheid. Juist
teruggekeerd van de plechtigheid in het Lange Huis, wilden de
bruiloftsgasten zich neerzetten om, wat men het huwelijksontbijt zou
kunnen noemen, te gebruiken, toen een pijl, die door een spleet in den
bamboemuur drong, tusschen de Koningin en Francis door tegen den
tegenovergestelden muur vloog, waar de gevederde schacht, nog trillend
van de kracht van zijn, plotseling onderbroken, vlucht bleef steken.
Een sprong naar de ramen, die uitzicht gaven op de smalle brug, toonde
Henry en Francis den ernst van den toestand. Terwijl zij stonden te
kijken, zagen zij den speerdrager der Koningin, die den toegang der
brug bewaakte, vluchtend halverwege op de brug, in het water vallen met
een trillende pijl in den rug, volkomen gelijk aan die, welke in den
muur der kamer stak. Aan de overzijde der brug, op den oever, vulden de
mannelijke Verloren Zielen, met hun priester aan het hoofd en hun
vrouwen en kinderen achter zich, de lucht met hun gevederde pijlen. Een
speerdrager der Koningin wankelde het vertrek binnen, terwijl zijn
beenen hem bijna begaven, zijn oogen verglaasden en zijn lippen een
geluidlooze boodschap stamelden, die zijn wegvlietend leven niet meer
onder woorden liet komen, voor hij voorover op den grond viel, terwijl
de pijlen in zijn rug hem op een stekelvarken deden gelijken. Henry
sprong naar de deur, die van de brug toegang gaf tot het huis en veegde
deze, met zijn automatisch pistool, schoon van de aanvallende Verloren
Zielen, die slechts een voor een konden naderen en door zijn vuur
geveld werden.

De overwinning van het broze huis duurde slechts kort. Ofschoon
Francis, beschermd door Henry’s automatisch pistool, de brug vernielde,
hadden zij in geen enkel opzicht kans om den strijd aan te binden tegen
het brandende dak, dat op een twintigtal plaatsen in brand geschoten
werd door de vuurpijlen, afgeschoten onder aanwijzing van den
Zonnepriester.

„Er is maar één uitweg,” hijgde de Koningin, op het platform een blik
werpend op den draaikolk, terwijl zij de eene hand van Francis in de
hare greep en zich aan hem dreigde vast te klemmen. „Die geeft toegang
tot de wereld.” Zij wees op het middelpunt van den draaikolk. „Niemand
is er ooit uit teruggekeerd. In mijn Spiegel zag ik ze weggaan, altijd
dood, verder de wijde wereld in. Behalve Torres, heb ik nooit een
levende dien weg zien gaan. Alleen de dooden. En zij keerden nooit
terug. Evenmin is Torres teruggekeerd.”

Aller oogen keken elkander aan, toen ze het ontzettende van dezen weg
inzagen.

„Is er geen andere weg?” vroeg Henry, terwijl hij Leoncia naar zich toe
trok.

De Koningin schudde het hoofd. Rondom hen vielen reeds brandende
stukken dak naar beneden, terwijl hun ooren doof werden door het
bloeddorstig gezang der Verloren Zielen op den oever van het meer. De
Koningin maakte haar hand los uit die van Francis, blijkbaar met de
bedoeling om naar haar slaapkamer te gaan, greep toen zijn hand weer en
leidde hem naar binnen. Toen hij verwonderd naast haar stond, wierp zij
den deksel der kist dicht en sloot deze. Vervolgens schopte zij de mat
op den vloer opzij en lichtte een valluik op, waardoor men in het water
keek. Op haar aanwijzing, sleepte Francis de kist hierheen en liet die
er door vallen.

„Zelfs de Zonnepriester kent die bergplaats niet,” fluisterde zij, voor
ze hem weer bij de hand greep en, hard loopend, hem weer terugvoerde
naar de anderen op het platform.

„Het is tijd om deze plaats te verlaten,” verkondigde zij. „Neem mij in
je armen, beste Francis, mijn echtgenoot, en beur mij op en spring met
mij naar beneden,” beval ze. „Wij zullen den weg wijzen.”

En zij deden den sprong. Toen het dak in een stortvloed van vuur en
opstuivende asch naar beneden kwam, greep Henry Leoncia, en sprong naar
beneden in het kokende water, waarin Francis en de Koningin reeds
verdwenen waren.



Evenals Torres, ontsnapten de vier vluchtelingen aan verwondingen tegen
de rotsen en werden door de onderaardsche rivier voortgedragen naar de
daglicht-opening, waar het groote spinneweb den weg versperde. Henry
had het ’t gemakkelijkst, want Leoncia kon zwemmen. Maar Francis wist
door zijn zwemkunst de Koningin ook boven water te houden. Zij
gehoorzaamde hem onvoorwaardelijk, liet zich diep in het water zakken,
klemde zich niet vast aan zijn armen en belemmerde hem in geen enkel
opzicht. Bij de rots gekomen, klommen ze alle vier uit het water en
rustten. De beide vrouwen gingen haar haren uitwringen, die heelemaal
losgespoeld waren in den maalstroom.

„Dat is niet de eerste berg, wiens hart ik met jelui beiden ben
binnengedrongen,” lachte Leoncia tegen de Morgans, ofschoon haar
woorden meer voor de Koningin dan voor hen bestemd waren.

„Het is de eerste maal, dat ik met mijn man in het hartje van een berg
was,” lachte de Koningin terug en deze pijl wondde Leoncia diep.

„Het schijnt, dat jouw vrouw en mijn aanstaande het niet al te best
samen kunnen vinden, Francis,” zei Henry, met de scherpe censuur, die
mannen gewoonlijk toepassen om de verlegenheid te verbergen, waarin zij
door het vrouwelijk geslacht gebracht zijn. En, als het onvermijdelijk
gevolg, dat dit optreden der mannen teweegbrengt, was Henry’s belooning
een, nog meer in verwarring brengende en verlegen makende, stilte. De
twee vrouwen verheugden zich bijna over deze situatie. Francis martelde
tevergeefs zijn hersens om een opmerking te bedenken, die de zaak
minder pijnlijk zou maken, terwijl Henry, in wanhoop, plotseling
opstond met de opmerking, dat hij eens een „kijkje ging nemen” en, door
zijn hand uit te steken om haar op te helpen, de Koningin uitnoodigde
om hem te vergezellen. Francis en Leoncia bleven een oogenblik zitten,
koppig zwijgend. Hij was de eerste, die deze stilte verbrak.

„Wat zou ik je graag eens flink door elkaar schudden, Leoncia.”

„Maar wat heb ik dan gedaan?” spartelde ze tegen.

„Alsof je dat niet zoudt weten. Je hebt je afschuwelijk gedragen.”

„Jij bent het, die zich afschuwelijk heeft gedragen,” snikte ze bijna,
ondanks haar voornemen om niet een dergelijke vrouwelijke zwakheid te
toonen. „Wie dwong je, om met haar te trouwen? Je hebt het kortste
strootje niet getrokken. Toch moest jij je vrijwillig aanbieden, hals
over kop er op instormen, waar zelfs engelen slechts bevend den voet
zouden zetten. Heb ik het je soms gevraagd? Mijn hart stond haast stil,
toen ik je tegen Henry hoorde zeggen, dat jij haar zoudt trouwen. Ik
dacht, dat ik flauw zou vallen. Je hadt mij niet eens geraadpleegd;
toch was het op mijn voorstel, om jou voor haar te bewaren, dat er om
geloot werd—ja, en ik schaam me niet te bekennen, dat dit geschiedde,
omdat ik jou voor mijzelf wilde behouden. Henry bemint mij niet zoo,
als gij mij deedt gelooven, dat je mij liefhebt. Ik beminde Henry nooit
zoo, als ik jou bemin, als ik je zelfs nu nog bemin, God moge het mij
vergeven.”

Francis was buiten zich zelf. Hij greep haar en drukte haar in een
verstikkende omhelzing tegen zich aan.

„En dat nog wel op je trouwdag,” hijgde zij verwijtend, midden in zijn
omhelzing.

Zijn arm gleed van haar af.

„En dit van jou, Leoncia, op zoo’n oogenblik,” mompelde hij droevig.

„En waarom niet?” barstte ze los. „Je hadt mij lief. Je gaf mij te
verstaan, duidelijk te verstaan, dat je mij liefhadt; en toch, hier,
vandaag, verloochende je jezelf, gretig en blij, en trouwde met de
eerste blanke vrouw de beste, die zich zelf aanbood.”

„Je bent jaloersch,” verweet hij en voelde zijn hart van vreugde
kloppen, toen zij knikte. „Ik zeg, dat je jaloersch bent, maar
tegelijkertijd gebruik makend van het vrouwelijk privilege om te
liegen, lieg je nu. Wat ik deed, werd niet gretig of blij gedaan. Ik
deed het terwille van jou en van mij—of, nog beter, terwille van Henry.
Goddank, ik ben nog steeds een man van eer!”

„Manneneer voldoet een vrouw niet altijd,” antwoordde zij.

„Zou je mij liever onteerd zien?” nam hij snel den handschoen op.

„Ik ben maar een vrouw, die liefheeft,” pleitte zij.

„Je bent een stekende, vrouwelijke wesp,” viel hij woedend uit, „en je
bent niet loyaal.”

„Is een vrouw, die liefheeft, ooit loyaal?” sprak zij deze groote
bekentenis uit. „Mannen kunnen misschien leven van eer; maar weet dat
een vrouw, en als een nederige vrouw beken ik nederig mijn
vrouwelijkheid, alleen leeft door haar liefde.”

„Misschien heb je gelijk. Eer kan evenals de wiskunde, beredeneerd en
berekend worden. Daardoor blijft voor een vrouw geen moraliteit over,
maar enkel...”

„Enkel gevoel,” voltooide Leoncia verachtelijk, vóór hem.

Uitroepen van Henry en de Koningin maakten een einde aan het gesprek en
Leoncia en Francis stonden spoedig met hen naar het groote web te
kijken.

„Hebben jelui ooit zoo’n monsterachtig web gezien?” riep Leoncia uit.

„Ik zou het monster wel eens willen zien, dat dit gemaakt heeft,” sprak
Henry.

„En ik zou het liever zien, dan zijn,” haalde Francis aan uit de
„Purple Cow”.

„’t Is ons geluk, dat we dien weg niet behoeven te gaan,” zei de
Koningin.

Allen keken haar vragend aan, toen zij haar blik naar beneden op den
stroom wierp.

„Dat is de weg,” sprak zij. „Ik weet het. Telkens en telkens weer, heb
ik in mijn Spiegel der Wereld den weg gezien. Toen mijn moeder stierf
en in den draaikolk begraven werd, heb ik haar lijk in den Spiegel
gevolgd en ik zag het hier op deze plaats komen en van deze plaats
weggaan, nog altijd in het water liggend.”

„Maar zij was dood,” merkte Leoncia vlug op.

De afgunst tusschen haar laaide oogenblikkelijk weer op.

„Een van mijn speerdragers,” ging de Koningin kalm voort, „een knappe
jongen, helaas, waagde het om zijn oogen tot mij op te slaan. Hij werd
er levend in geworpen. Ik keek hem ook na in den Spiegel. Toen hij op
deze plek kwam, klom hij aan wal. Ik zag hem onder het web doorkruipen,
het daglicht tegemoet, en ik zag hem ruggelings terugdeinzen voor het
daglicht en zich in den stroom werpen.

„Nog een doode,” beweerde Henry grimmig.

„Neen; want ik volgde hem in den Spiegel, en ofschoon alles een tijd
lang donker was en ik niets zien kon, kwam hij toch eindelijk en
spoedig, te voorschijn in den boezem van een groote rivier, zwom naar
den oever en klom er tegen op—als ik mij goed herinner, was het de
linkeroever—en verdween tusschen groote boomen, zooals er in het dal
der Verloren Zielen niet gevonden worden.”

Maar, evenals Torres, huiverden de overigen voor het denkbeeld van den
donkeren doortocht door de levende rots.

„Daar liggen de beenderen van menschen en dieren,” waarschuwde de
Koningin, „die terugdeinsden voor den weg door het water en moeite
deden om de zon te bereiken. Daar liggen menschen—kijk maar! Of ten
minste, wat er van hen overbleef, de beenderen, die ook na verloop van
tijd tot stof overgaan.”

„En toch voel ik plotseling een ontzettende behoefte om in de zon te
kijken,” zei Francis. „Blijven jelui hier, terwijl ik een onderzoek ga
instellen.”

Zijn automatisch pistool te voorschijn halend, waarvan de kogels tegen
water bestand waren, kroop hij onder het web door. Onmiddellijk nadat
hij achter het web uit het gezicht verdwenen was, hoorden zij hem
schieten. Vervolgens zagen zij hem, achterwaarts loopend, terugkomen,
nog altijd schietend. En vervolgens boven op hem vallend, kwam de
bewoner van het web, een monsterachtige spin, die van den top van de
eene zwartharige poot tot den top van de andere twee meter mat, nog
altijd stuiptrekkend onder het wegvlietende leven, en die op
verschillende plaatsen doorschoten was. Het vaste middelpunt van haar
lichaam, waarvan de pooten phosforiseerden, had de grootte van een
gewone prullenmand en kraakte hoorbaar toen het op Francis’ schouders
en rug neerkwam, terugsprong en in de bruisende watergolven stortte,
terwijl de pooten nog hulpeloos trokken. Alle vier de oogenparen keken
toe, toen het lichaam tegen den rotsmuur viel, naar beneden gezogen
werd en verdween.

„Waar er een is, zijn er twee,” sprak Henry, met wantrouwigen blik naar
het daglicht kijkend.

„Het is de eenige weg,” zei de Koningin. „Kom, mijn echtgenoot, laten
we in elkanders armen door de duisternis naar de, in het zonlicht
schitterende wereld gaan. Bedenk, dat ik die nog nooit gezien heb en
haar nu spoedig, met jou, voor de eerste maal zal aanschouwen.”

Met uitgebreide armen voor hem staande, kon Francis het haar niet
weigeren.

„Het is een hol in den wand van een afgrond, een duizend voet diep,”
verklaarde hij aan de anderen, wat hij in een oogwenk achter het
spinneweb gezien had, greep de Koningin in zijn armen en sprong naar
beneden.

Henry had Leoncia tot zich getrokken en stond op het punt om den sprong
te wagen, toen zij hem tegenhield.

„Waarom nam je Francis’ offer aan?” vroeg ze.

„Omdat...” Hij hield op en keek haar verwonderd aan. „Omdat ik je niet
kan missen,” voltooide hij. „En ook omdat ik met je verloofd was,
terwijl Francis vrij was. Bovendien, als ik mij niet al te erg vergis,
schijnt Francis heel tevreden als bruidegom.”

„Neen,” zij schudde nadrukkelijk het hoofd. „Hij heeft een ridderlijk
hart en doet, wat hij kan, om haar gevoelens niet te kwetsen.”

„Och, dat weet ik nog zoo net niet. Bedenk, hoe hij voor het altaar,
bij het Lange Huis, toen ik hem zei, dat ik de Koningin zou vragen om
met mij te trouwen, snoefde, dat zij mij niet zou willen, wanneer ik
haar vroeg. Wel, daaruit blijkt vrij duidelijk, dat hij haar zelf wilde
hebben. En waarom ook niet? Hij is vrijgezel. En zij is toch ook een
knappe vrouw.”

Maar Leoncia had het nauwelijks gehoord. Met een snelle beweging leunde
zij achterover in zijn armen, zoodat ze hem recht in de oogen kon zien
en vroeg:

„Hoe heb jij mij lief? Heb je mij vreeselijk lief? Heb je mij, tot
krankzinnig wordens toe, lief? Beteeken ik zooveel voor je, en meer
nog, en meer, en meer?”

Zijn oogen konden enkel zijn verbazing te kennen geven.

„Heb je?—heb je?” drong ze hartstochtelijk aan.

„Natuurlijk heb ik dat,” antwoordde hij langzaam, „maar het zou nooit
in mijn hoofd opgekomen zijn, om het op die wijze te beschrijven. Wel,
je bent voor mij de eenigste vrouw ter wereld. Ik zou liever willen
zeggen, dat ik je diep en innig, en eeuwig liefheb. Wel, je bent als
het ware, zoo’n deel van mijn leven, dat het mij is, of ik je altijd
gekend heb. Zoo was het van het begin af.”

„Zij is een afschuwelijke vrouw!” ging Leoncia, heel ontoepasselijk,
voort. „Ik heb haar van het eerste oogenblik af gehaat.”

„Hemel! Wat een opgewonden standje! Ik mag er niet aan denken, hoe je
haar gehaat zoudt hebben, wanneer ik haar getrouwd had, in plaats van
Francis.”

„’t Was beter, als we hen nu volgden.” Met deze woorden maakte ze een
eind aan het gesprek.

En Henry, die zich zeer verwonderde, drukte haar stevig tegen zich aan
en sprong met haar in het witte, bruisende water.



Op den oever der Gualaca-Rivier zaten twee Indiaansche meisjes te
visschen. Een beetje stroomopwaarts van haar verhief zich de steile
rots van een der steunpilaren der hooge bergen. De stroom vloeide als
een chocoladekleurige vloedgolf voorbij, maar vlak bij haar, waar zij
vischten, was een kalme kolk. Ook het visschen bleef zeer kalm. Hun
snoeren gingen niet naar beneden ten teeken, dat ze beet hadden. Een
der meisjes, Nicoya, geeuwde, at een banaan, geeuwde weer en hield de
schil, die zij juist weg wilde werpen, in haar hand omhoog.

„We hebben ons heel stil gehouden, Concordia,” merkte ze op tegen haar
kameraadje, „en het heeft ons geen enkele visch opgeleverd. Nu zal ik
eens wat leven gaan maken en een beetje gespat. Ze zeggen altijd: „Wat
omhoog gaat, moet ook weer naar beneden komen,” waarom zou er dan ook
niet iets naar boven komen, wanneer er wat naar beneden gaat? Ik ga het
eens probeeren. Daar!”

Zij wierp de bananenschil in het water en keek droomerig naar de plek,
waar deze neergekomen was.

„Als er iets naar boven komt, hoop ik, dat het iets groots zal zijn,”
mompelde Concordia even droomerig.

En terwijl zij nog keken, verrees voor hun verwonderden blik uit de
bruine diepten een groote, witte hond. Zij haalden hun hengels op en
wierpen ze achter zich op den oever, sloegen de armen om elkander heen
en keken hoe de hond aan het lager gelegen gedeelte der kolk den oever
bereikte, tegen den hellenden kant opklom, stilstond om zich af te
schudden en toen tusschen de boomen verdween.

Nicoya en Concordia gichelden.

„Probeer het nog eens,” drong Concordia aan.

„Neen, nu jij. Kijk eens, wat jij naar boven kunt brengen.”

Er in het minst niet aan geloovend, wierp Concordia er een kluit aarde
in. En bijna onmiddellijk verrees er een gehelmd hoofd uit den vloed.
Elkander stevig vasthoudend, zagen zij hoe de man met de helm den oever
bereikte op dezelfde plek, waar de hond geland was en in het bosch
verdween.

Weer gichelden de beide Indiaansche meisjes; maar ditmaal, hoe ze er
ook bij elkander op aandrongen, kon geen van beide den moed vinden om
iets in het water te werpen.

Een poosje later, terwijl ze nog altijd zaten te gichelen over de
vreemde gebeurtenissen, werden ze opgemerkt door twee jonge Indianen,
die vlak langs den oever hun kano stroomop pagaaiden.

„Waarom lachen jelui?” begroette de eene haar.

„Wij hebben iets gezien,” lachte Nicoya tegen hen.

„Dan heb je zeker kruidenbier gedronken,” beschuldigde de jongeman.

Beide meisjes schudden het hoofd en Concordia sprak:

„Wij hoeven niet te drinken om iets te zien. Eerst, toen Nicoya een
bananenschil in het water wierp, zagen wij een hond uit het water naar
boven komen—een witte hond, even groot als een tijger uit de bergen...”

„En toen Concordia er een kluitje inwierp,” zette het andere meisje het
verhaal voort, „kwam er een man uit met een ijzeren hoofd. Het is
tooverij. Concordia en ik kunnen tooveren.”

„José,” aldus sprak een der Indianen zijn makker aan, „daar moeten we
er eentje op nemen.”

En ieder nam op zijn beurt, terwijl de ander met zijn pagaai de kano op
haar plaats hield, een teug uit een vierkante Hollandsche
jeneverflesch, gedeeltelijk gevuld met kruidenbier.

„Nee,” zei José, toen de meisje hem ook om een teug vroegen. „Als je nu
nog een slok kruidenbier neemt, zou je nog wel eens meer witte honden,
zoo groot als tijgers en mannen met ijzeren hoofden kunnen zien.”

„Ook goed,” beantwoordde Nicoya de weigering. „Werp zelf dan je flesch
kruidenbier er in en zie, wat er gebeurt. Wij haalden een hond en een
man te voorschijn. Jouw prijs is misschien wel de duivel zelf.”

„Ik zou den duivel wel eens willen zien,” zei José, nog een slok uit de
flesch nemend. „Dat kruidenbier geeft iemand werkelijk moed. Ik zou
dolgraag den duivel eens zien.”

Hij gaf de flesch aan zijn kameraad met een gebaar, om deze leeg te
maken.

„Werp ze nu in het water,” beval José.

De leege flesch viel met een sterk geplas in het water en de bezwering
had verrassend snel resultaat, want op de oppervlakte dreef het
monsterachtige, harige lichaam der gedoode spin. Dit was te veel voor
een eenvoudige Indiaan van vleesch en bloed. De beide jongemannen
deinsden zoo plotseling terug voor dit gezicht, dat de kano omsloeg.
Toen hun hoofden weer boven water kwamen, zwommen zij naar den snellen
stroom en werden snel meegevoerd stroomafwaarts, langzamer gevolgd door
de omgeslagen kano.

Nicoya en Concordia waren te verschrikt om te lachen. Zij klemden zich
aan elkander vast en wachtten, naar het tooverwater kijkend en met een
zijdelingschen blik ziende, hoe de jonge mannen de kano grepen, naar
het strand sleepten, het water uitsnelden en zich op den oever
verborgen.

De namiddagzon stond al laag aan den hemel, voor de meisjes het weer
durfden wagen om het tooverwater te bezweren. Eerst na veel overleg,
stemden zij er in toe om er beiden tegelijkertijd kluitjes aarde in te
werpen. En er verrezen een man en een vrouw—Francis en de Koningin. De
meisjes vielen achterover in het kreupelhout en bleven zelf
onopgemerkt, terwijl zij toekeken, hoe Francis met de Koningin naar den
kant zwom.

„Het kan toeval zijn—al deze dingen kunnen toevallig juist gebeurd zijn
op het oogenblik, waarop wij de dingen in het water wierpen,”
fluisterde Nicoya vijf minuten later tegen Concordia.

„Maar toen we er één ding ingooiden, kwam er slechts één te
voorschijn,” beweerde Concordia. „En toen we er twee ingooiden, kwamen
er twee te voorschijn.”

„Goed,” zei Nicoya. „Laten we nu de proef op de som nemen. Laten we het
allebei nog eens probeeren. Als er niets te voorschijn komt, dan
bezitten wij geen tooverkracht.”

Samen wierpen zij er kluitjes in, en een andere man en vrouw rezen uit
het water op. Maar dit paar, Henry en Leoncia, kon zwemmen, en zij aan
zij zwommen ze naar de natuurlijke landingsplaats en verdwenen, evenals
de anderen vóór hen, tusschen de boomen uit het gezicht.

Langen tijd wachtten de beide Indiaansche meisjes. Want ze waren
overeengekomen om er niets meer in te werpen en, wanneer er nu nog iets
opsteeg, dan zou bewezen zijn, dat het een samenloop van omstandigheden
was. Maar wanneer er niets opsteeg, konden ze enkel aannemen, dat ze
werkelijk toovermacht bezaten. Ze hielden zich schuil en keken naar het
water, tot de duisternis dit aan haar oogen onttrok; en langzaam en
kalm, keerden zij terug naar haar dorp, overtuigd, dat zij door de
goden gezegend waren.








HOOFDSTUK XXII.


Eerst den dag, volgende op zijn ontsnapping uit de onderaardsche
rivier, kwam Torres te San Antonio. Hij kwam er te voet, uitgeput en
vuil, met een kleine Indianenjongen achter zich aan, die den helm van
Da Vasco droeg. Want Torres wilde den helm laten zien aan den Chef en
den Rechter, om het verhaal te bewijzen van zijn zonderling avontuur en
hij brandde van verlangen om hun dit te vertellen.

De eerste, dien hij in de hoofdstraat ontmoette, was de Chef, die een
luiden uitroep slaakte bij zijn verschijning.

„Ben je dat werkelijk, Senor Torres!” De Chef sloeg eerbiedig een
kruis, eer hij hem de hand gaf.

Het stevige vleesch en, nog meer het vuil en zand aan de handen van den
ander, overtuigden den Chef, dat hij werkelijk met een mensch van
vleesch en bloed te doen had.

Maar nu werd de Chef boos.

„En ik heb je al dien tijd als dood beschouwd!” riep hij uit. „Die
Caroo-hond van een José Mancheno! Hij kwam terug en zei, dat je dood
was—dood en begraven tot den Dag des Oordeels in het hartje van den
Maya-Berg.”

„Hij is een gek, en ik ben misschien de rijkste man in Panama,”
antwoordde Torres trotsch. „Ik heb tenminste, evenals de oude,
heldhaftige conquistadores, alle gevaren getrotseerd en ben tot den
schat doorgedrongen. Ik heb hem gezien. Neen...”

Torres’ hand was in zijn broekzak verdwenen, om er de gestolen juweelen
van de Dame Die Droomt uit te halen; maar hij trok zijn hand ledig
terug. Er waren teveel nieuwsgierige oogen in de straat, die zich reeds
alle op hem en zijn bemodderde figuur vestigden.

„Ik heb je veel te vertellen,” zei hij tot den Chef, „maar ik kan het
je nu niet goed zeggen. Ik heb op de poorten des doods geklopt en de
gewaden van lijken gedragen. En ik ben bij menschen geweest, die reeds
vier eeuwen dood waren en toch niet tot stof vergaan en ik heb ze, door
verdrinking, een tweeden dood zien sterven. Ik ben door de bergen
gegaan, even goed als er overheen en heb brood gebroken met verloren
zielen, en een blik geslagen in den Spiegel der Wereld. Dat alles zal
ik je vertellen, mijn beste vriend, jou en den achtenswaardigen
Rechter, ter gelegener tijd, want ik zal jelui ook rijk maken.”

„Heb je misschien gegist kruidenbier gedronken?” vroeg de Chef
ongeloovig.

„Ik heb geen sterkeren drank gedronken dan water sedert den dag, waarop
ik het laatst San Antonio verliet,” was het antwoord. „En nu ga ik naar
huis en neem een langen, langen teug, en daarna zal ik het vuil van mij
afspoelen en heele, fatsoenlijke kleeren aantrekken.”

Maar Torres bereikte zijn huis niet, zonder opgehouden te worden. Een
havelooze straatjongen slaakte een uitroep toen hij hem zag, rende op
hem toe, en overhandigde hem een enveloppe, die hij herkende als
afkomstig van de plaatselijke Rijksdraadlooze, en hij was er zeker van,
dat dit van Regan kwam.

Je handelt goed. Houd persoon nog drie weken van New-York verwijderd.
Vijftigduizend als je slaagt.

Een potlood van den jongen leenend, schreef Torres een antwoord op de
achterzijde der enveloppe:

Stuur het geld. Persoon zal nooit terugkeeren uit bergen, waar hij
zoekgeraakt is.

Nog twee andere gebeurtenissen waren oorzaak, dat Torres lang op zijn
langen teug en bad moest wachten. Juist toen hij den juwelierswinkel
van den ouden Rodriguez Fernandez binnentrad, werd zijn weg versperd
door den ouden Maya-priester, dien hij het laatst in den Maya-berg
gezien had. Hij deinsde terug, alsof hij een spook gezien had, want hij
was vast overtuigd, dat de oude man in de Kamer der Goden verdronken
was. Evenals de Chef bij het zien van Torres, zoo deinsde Torres,
verbaasd en verrast, terug bij het zien van den priester.

„Ga weg,” sprak hij. „Vertrek, rustelooze, oude man. Gij zijt een
geest. Je lichaam ligt verdronken en afschuwwekkend in het hartje van
den berg. Je bent een verschijning, een spook. Ga weg, deze schim van
je heeft niets lichamelijks meer, anders zou ik je neerslaan. Je bent
een geest. Vertrek onmiddellijk. Ik zou niet graag een geest
neerslaan.”

Maar het spook greep zijn handen en klemde zich daaraan vast met zoo’n
kracht, dat hij wel degelijk overtuigd werd, met een levend wezen te
doen te hebben.

„Geld,” stamelde de oude. „Geef mij geld. Leen mij geld. Ik zal het
terug betalen—ik, die de geheimen van den Maya-schat ken. Mijn zoon is
vermist in den berg, met den schat. De Gringos zijn ook vermist in den
berg. Help mij mijn zoon te redden. Als ik hem maar heb, is genoeg; de
schat zal geheel voor u zijn. Maar we moeten mannen meenemen en veel
van het wonderpoeder der blanken en een gat in den berg maken, zoodat
het water kan afvloeien. Hij is niet verdronken. Hij is een gevangene
van het water in de kamer, waar Chia en Hzatzl met de juweelenoogen
staan. Hun groene en roode oogen alleen al zijn voldoende, om al het
wonderpoeder der wereld te betalen. Geef mij dus het geld, waarvoor ik
het wonderpoeder kan koopen.”

Maar Alvarez Torres was een zonderling mensch. Iets bekrompens, iets
verkeerds of iets eigenaardigs in zijn karakter maakte het hem altijd
vreeselijk moeilijk om van zijn geld te scheiden, wanneer dit
onvermijdelijk was. En hoe rijker hij werd, hoe sterker deze
eigenaardigheid op den voorgrond trad.

„Geld!” zei hij barsch, terwijl hij den ouden priester opzij duwde en
de deur van Fernandez’ winkel openmaakte. „Hoe kom je er bij, dat ik
geld zou hebben... Ik, die niets aan heb dan lompen en vodden, evenals
een bedelaar. Ik heb geen geld voor mij zelf, en nog minder voor jou,
ouwe man. Bovendien heb jezelf, en niet ik, je zoon den Maya-berg
binnengeleid. De dood van je zoon, die in den kuil onder de voeten van
Chia viel, welke kuil gegraven is door jouw voorouders en niet door de
mijne, kome over jou hoofd, en niet over het mijne.”

Weer klemde de oude zich aan hem vast en jammerde om geld, om dynamiet
voor te koopen. Maar Torres duwde hem zoo ruw terzijde, dat zijn oude
beenen hun gewonen dienst weigerden en hij languit op de straatsteenen
viel.

De winkel van Rodriguez Fernandez was klein en vuil en bevatte niet
veel meer dan een kleine, vuile uitstalkast, die rustte op een even
kleine en vuile toonbank. De plaats was bedekt met het stof en vuil van
een heele generatie. Hagedissen en kakkerlakken kropen langs de muren.
In iederen hoek zaten spinnewebben en Torres zag iets langs den zolder
loopen, wat hem snel terzijde deed stappen. Het was een, zeven duim
lange duizendpoot, die hij liever niet op zijn hoofd zag vallen of
tusschen zijn kleeren op den rug. En toen hij, als een reuzenspin, uit
het binnenste van een ongeventileerde kamer te voorschijn kroop, geleek
Fernandez een Shylock-figuur uit den tijd van koningin
Elisabeth—ofschoon hij een vrijwat smeriger Shylock was, dan zelfs in
het tijdperk van koningin Elisabeth in den smaak viel.

De juwelier kroop voor Torres en vernederde zich nog dieper, dan het
stof van zijn winkel. Torres haalde op goed geluk een dozijn of meer
der uit de kist der Koningin gestolen juweelen uit zijn zak te
voorschijn, koos de kleinste er uit en reikte deze, zonder een woord te
spreken, aan den juwelier toe, tegelijkertijd de rest in zijn zak
stekend.

„Ik ben een arm man,” kakelde hij, hoewel het Torres niet ontging, hoe
nauwkeurig hij het juweel onderzocht.

Hij liet het boven op de uitstalkast vallen alsof het weinig waarde
had, en keek zijn bezoeker onderzoekend aan. Maar Torres wachtte
zwijgend, wel wetend, dat hij hierdoor den praatzuchtigen, gierigen
oude aan het praten zou krijgen.

„Begrijp ik goed, dat de geëerde Senor Torres mijn raad wil inwinnen
omtrent de kwaliteit van den steen?” vroeg de oude juwelier eindelijk.

Torres knikte enkel kortaf.

„Het is een ruwe edelsteen. Hij is klein. En, zooals u zelf zien kunt,
is hij niet volmaakt zuiver. Bovendien zal er met het slijpen veel
verloren gaan.”

„Hoeveel is hij waard?” vroeg Torres met ongeduldige lompheid.

„Ik ben een arm man,” herhaalde Fernandez.

„Ik heb je niet gevraagd om hem te koopen, ouwe gek. Maar nu je er zelf
over begint, hoeveel wil je er voor geven?”

„Zooals ik reeds zei, met uw welnemen, edele heer, zooals ik reeds zei,
ik ben een zeer arm man. Er zijn dagen, waarop ik geen tien centavos
kan uitgeven voor een stukje bedorven visch. Er zijn dagen, waarop ik
geen slokje kan krijgen van den goedkoopen, rooden wijn, die zoo goed
is voor mijn gestel, zooals ik ondervonden heb toen ik nog maar een
jongen was en, ver van Barcelona, in Italië mijn leertijd doormaakte.
Ik ben zoo arm, dat ik geen kostbaarheden koop...”

„Ook niet om ze met winst te verkoopen?” viel Torres hem in de rede.

„Wanneer ik zeker ben van de winst,” kakelde de oude man. „Ja, dan wil
ik ze wel koopen; maar, daar ik arm ben, kan ik er niet veel voor
geven.” Hij nam het edelgesteente op en bekeek het lang en zorgvuldig.
„Ik wil er voor geven,” begon hij aarzelend, „ik wil er voor geven—maar
bedenk alstublieft, edele heer, dat ik een doodarm man ben. Vandaag
kwam nog niets dan een lepelvol uiensoep, mijn morgenkoffie en een
mondvol broodkorsten over mijn lippen...”

„In Gods naam, wat wil je er voor geven, ouwe gek?” donderde Torres.

„Vijfhonderd dollars—maar ik betwijfel sterk, of ik er iets op zal
winnen.”

„Goud?”

„Mexicaansche,” was het antwoord, wat het bod tot op de helft
verminderde en wat Torres zeker wist, dat gelogen was. „Natuurlijk
Mexicaansche, enkel Mexicaansche, wij betalen alleen met Mexicaansche
dollars.”

Ondanks zijn voldoening over zoo’n hoogen prijs voor zoo’n klein
juweel, toonde Torres zich zeer ongeduldig, toen hij zijn hand
uitstrekte om het edelgesteente terug te nemen. Maar de oude man trok
zijn hand terug, daar hij zich het koopje niet gaarne liet ontgaan.

„Wij zijn oude vrienden,” kakelde hij met schelle stem. „Ik zag je voor
het eerst, toen je, als jongen, van Bocas del Toro naar San Antonio
kwam. En, omdat we oude vrienden zijn, zullen we zeggen, dat het bedrag
in goudgeld berekend wordt.”

En Torres kreeg een sterk, maar vaag vermoeden van de waarde, zoowel
als van de echtheid der schatten van de Koningin, die in vroeger tijden
door de Verloren Zielen geroofd waren uit de bergplaats in den
Maya-berg.

„Heel goed,” zei Torres, met een snelle, beleefde beweging zich weer
meester makend van den steen. „Hij behoort aan een vriend van mij. Hij
wilde er bij mij geld op leenen. Dank zij je inlichtingen kan ik er hem
tot vijfhonderd dollar goudgeld op geven. En ik zal je gaarne, wanneer
we elkander weer ontmoeten in de herberg, tracteeren op een dronk—ja,
op zooveel dronken als je maar durft te nemen—van je slappe, roode
wijn, die zoo goed is voor je gestel.”

En toen Torres den winkel verliet, zonder ook maar eenigszins moeite te
doen om de minachting te verbergen, die hij voelde voor den juwelier,
dien hij zoo voor den gek gehouden had, was hij ervan overtuigd, dat
Fernandez, die Spaansche vos, de juweelen op de helft der waarde had
geschat.



Ondertusschen waren Leoncia, de Koningin en de beide Morgans, die per
kano de Gualaca-Rivier afgereisd waren, sneller dan Torres
vooruitgekomen en hadden de kust bereikt. Maar voor hun aankomst, was
er op de Solano-haciënda een belangrijke gebeurtenis voorgevallen, die
op dat oogenblik niet naar waarde geschat werd. Langs het kronkelend
pad, dat naar de haciënda leidde, liep een bezoeker, zóó vreemd als men
daar nog nooit gezien had, vergezeld door een afgeleefde, oude vrouw,
wier over hoofd en schouders geslagen zwarte doek, het magere,
verweerde gelaat niet voldoende kon beschutten voor de rondstuivende
vulkaanasch. Hij was een Chinees, van middelbaren leeftijd en dik,
wiens vollemaansgezicht de goedmoedigheid verried, meestal eigen aan
dikke menschen. Yi Poon geheeten, wat beteekent „De Room der
Curstad-appel”, waren zijn manieren even zacht en zalvend als zijn
naam. Voor de oude vrouw, die aan zijn zijde voortwankelde en half door
hem gedragen werd, was hij een en al vriendelijkheid en voorkomendheid.
Wanneer ze hijgde van lichaamszwakte en dreigde neer te vallen, hield
hij stil en gaf haar gelegenheid om weer op krachten en bij adem te
komen. Bij zulke gelegenheden, op den steilen tocht naar de haciënda,
gaf hij haar uit een dichtgeschroefden veldflesch een lepel Franschen
brandewijn.

De oude vrouw in een beschut, schaduwrijk hoekje van het voorplein
neerzettend, klopte Yi Poon brutaalweg aan de voordeur. Voor hem en
zijn handel, was de achtertrap de aangewezen weg, maar zijn handel en
zijn verstand hadden hem geleerd, wanneer het noodig was om van den
hoofdingang gebruik te maken.

De Indiaansche meid, die op zijn geklop de deur opendeed, bracht zijn
boodschap naar de woonkamer, waar de mistroostige Enrico Solano zat met
zijn zonen—mistroostig over het bericht, dat Ricardo meegebracht had
omtrent het zoek raken van Leoncia in den Maya-berg. De Indiaansche
meid keerde terug naar de deur. Senor Solano was ongesteld en wilde
niemand ontvangen, was het bericht, dat ze nederig overbracht, al was
de ontvanger ervan ook maar een Chinees.

„Phoe!” was de opmerking van Yi Poon, overtuigd de meid hierdoor genoeg
schrik aan te jagen om nog een tweede boodschap over te brengen. „Ik
ben geen koelie. Ik ben knap Chinees. Ik schoolgaan, heel veel. Ik
spreek Spaansch. Ik spreek Engelsch. Ik schrijf Spaansch. Ik schrijf
Engelsch. Kijk—ik schrijf nu in Spaansch voor Senor Solano. Jij niet
kan schrijven, dus ook niet kan lezen, wat ik schrijf. Ik schrijf, dat
ik Yi Poon ben. Ik woon Colon. Ik kom hierheen om Senor Solano te zien.
Groote zaak. Heel belangrijk. Heel geheim. Ik schrijf alles hier op
papier, wat jij niet kan lezen.”

Maar hij zei niet, dat hij ook nog geschreven had:

„Senorita Solano. Ik heb groot geheim.”

Blijkbaar had Alesandro, de oudste der reuzenzonen van Solano het
briefje in ontvangst genomen, want hij kwam met groote sprongen naar de
deur, zoodat de terugkeerende meid hem niet bij kon houden.

„Zeg mij je boodschap!” schreeuwde hij den dikken Chinees haast toe.
„Wat is het? Vlug!”

„Heele goede zaak,” was het antwoord van Yi Poon, die met voldoening de
opwinding van den ander zag. „Ik maak veel geld. Ik koop—wat je
noemt—geheimen. Ik verkoop geheimen. Heel goede zaak.”

„Wat weet je van Senorita Solano?” schreeuwde Alesandro, hem bij den
schouder grijpend.

„Alles. Heel belangrijke inlichting...”

Maar Alesandro kon zich niet langer bedwingen. Hij sleepte den Chinees
bijna het huis in en, hem vasthoudend, schoof hij hem de woonkamer
binnen en naar Enrico toe.

„Hij heeft nieuws over Leoncia!” juichte Alesandro.

„Waar is ze?” riepen Enrico en zijn zonen in koor.

Ha!—dacht Yi Poon. Een dergelijke opwinding, al beloofde die veel voor
zijn zaken, was voor hem even opwindend.

Zijn gepeins voor vrees aanziende, stak Enrico zijn hand op om zijn
zoons tot stilte te manen, en sprak kalm den bezoeker aan.

„Waar is ze?” vroeg Enrico.

Ha!—dacht Yi Poon. De senorita was weg. Dat was een nieuw geheim. Dat
kon op zekeren dag ook nog wel waarde krijgen. Een knap meisje, van een
voorname, rijke familie als de Solanos, dat zoek raakt in een
Latijnsch-Amerikaansch land, dat was een inlichting, die wel iets waard
was. Op zekeren dag kon ze gaan trouwen—daar had je dat praatje, dat
hij in Colon gehoord had—en nog later kon ze wel eens ruzie krijgen met
haar man of haar man met haar—op welken tijd zij of haar echtgenoot,
het deed er niet toe wie, gaarne een flinke prijs zou betalen voor het
geheim.

„Deze Senorita Leoncia,” sprak hij eindelijk, met listige
onderdanigheid. „Zij is niet uw dochter. Zij heeft andere papa en
mama.” Maar Enrico’s verdriet over haar verlies was te groot om zich te
verbazen over deze besliste bevestiging van een oud geheim.

„Ja,” knikte hij. „Ofschoon het buiten mijn familie niet bekend is, heb
ik haar als kind aangenomen, toen ze nog een baby was. Het is vreemd,
dat je dit weet. Maar ik heb er geen belang bij, dat je mij komt
vertellen, wat ik al lang weet. Wat ik nu wil weten is: waar is zij
nu?”

Yi Poon schudde ernstig en meewarig zijn hoofd.

„Dat weer een ander geheim,” verklaarde hij. „Misschien ik vind dat
geheim. Dan ik verkoop het u. Maar ik heb oud geheim. Gij niet weet den
naam van Senorita Leoncia’s papa en mama. Ik weet.”

En de oude Enrico Solano kon zijn belangstelling niet verbergen bij
zoo’n verleidelijke inlichting.

„Spreek,” beval hij. „Noem de namen en lever de bewijzen en ik zal je
er voor beloonen.”

„Neen.” Yi Poon schudde het hoofd. „Zeer slechte zaak. Ik niet doe zoo
zaken. Jij mij betaal, ik jou vertel. Mijn geheimen goede geheimen. Ik
bewijs mijn geheimen. Gij geeft mij honderd pesos en groote onkosten
van Colon naar San Antonio en weer naar Colon terug en ik zeg je naam
van papa en mama.”

Enrico Solano boog ten teeken van instemming en wilde juist Alesandro
opdragen om het geld te gaan halen, toen de kalme, stompzinnige
Indiaansche meid een afleiding bezorgde. De kamer binnensnellend en op
Enrico toevliegend, zooals ze haar nog nooit hadden zien loopen, wrong
zij haar handen en schreide zoo, dat men uit haar onsamenhangende
woorden niet kon opmaken, of haar opwinding door vreugde of door
droefheid veroorzaakt werd. „De senorita!” kon ze eindelijk met schorre
stem fluisteren, toen ze met een hoofdknik en een blik uit haar oogen
naar den zijkant van het voorplein wees. „De senorita!”

En Yi Poon en zijn geheim waren vergeten. Enrico en zijn zoons vlogen
naar buiten om Leoncia en de Koningin en de beide Morgans, met stof
bedekt, van de ruggen te zien glijden van muildieren, die gemakkelijk
te herkennen waren als komende uit de weiden aan den mond der
Gualaca-Rivier. Onderwijl verdreven twee mannelijke Indiaansche
bedienden, die door de meid geroepen waren, den vetten Chinees en zijn
oude metgezellen van huis en erf.

„Kom later maar eens terug,” zeiden ze tot hem. „Senor Solano heeft nu
juist gewichtige bezigheden.”

„Zeker, ik kom later wel eens terug,” verzekerde Yi Poon hen opgeruimd,
zonder wrok en zonder eenige teleurstelling te laten blijken, dat zijn
handelszaak verhinderd was, juist vóór hij het geld in handen kreeg.

Maar hij vertrok slechts schoorvoetend. Dit was een geschikte plaats
voor zijn zaken. De geheimen schoten er maar zoo uit den grond. Nooit
was er een rijper oogst in Kanaän, waaruit een landman, met den sikkel
in de hand, was verdreven! Ware het niet om de actieve Indiaansche
wachters geweest, dan zou Yi Poon naar den hoek der haciënda geschoten
zijn, om een oogje te werpen op de nieuw aangekomenen. Zooals de zaken
nu stonden en halverwege den heuvel het gewicht der oude vrouw te
vermoeiend vindend, goot hij haar leven en kracht in om haar eigen
gewicht nog een weinig verder voort te dragen, door haar een dubbele
dosis uit zijn schroefflesch te geven.

Enrico trok Leoncia van haar muildier voor ze kon afstijgen, zoo
hartstochtelijk verlangde hij er naar haar in zijn armen te drukken.
Eenige minuten hoorde men niets dan luidruchtige Latijnsche
begroetingen, toen haar broeders zich allemaal tegelijk verdrongen om
haar te verwelkomen en te omhelzen. Toen ze wat tot bedaren kwamen, had
Francis de Dame Die Droomt reeds van haar rijdier geholpen en wachtte
naast haar staande, met haar hand in de zijne, dat men hem zou
herkennen.

„Dit is mijn vrouw,” zei Francis tegen Enrico. „Ik ging in de
Cordilleras zoeken naar schatten en kijk eens, wat ik vond. Heeft
iemand ooit meer geluk gehad?”

„En zij offerde zelf een grooten schat op,” mompelde Leoncia dapper.

„Zij was koningin van een klein koninkrijk,” voegde Francis er bij, wat
een dankbare en bewonderende flikkering teweegbracht in Leoncia’s
oogen, die er snel aan toevoegde:

„En zij redde ons aller leven, maar offerde daarvoor haar klein
koninkrijk op.”

En Leoncia sloeg, in een edelmoedige opwelling, haar arm om het middel
der Koningin, trok haar weg van Francis en leidde haar zoo de haciënda
binnen.








HOOFDSTUK XXIII.


In al de pracht van het middeleeuwsch Spaansch costuum en dat der
Nieuwe Wereld, zooals dit nog altijd gedragen werd door enkele der
groote haciendados van Panama, reed Torres langs den strandweg naar het
huis der Solanos. Naast hem voortrennend, met zulke lichte sprongen,
dat deze beloofden het van Torres’ beste rijpaard te winnen, liep de
groote, witte hond, die hem gevolgd was door de onderaardsche rivier.
Toen Torres een bocht maakte om het kronkelpad te bereiken, dat over
den heuvel naar de haciënda leidde, passeerde hij Yi Poon, die
stilgehouden had, om de oude vrouw weer op krachten te laten komen. Hij
beschouwde het vreemde paar enkel als uitschot van het gepeupel. De
hooghartigheid, die hij aannam, tegelijk met zijn prachtige kleeding,
verbood hem, om hen meer belangstelling te schenken dan een vluchtigen
blik.

Maar Yi Poon nam hem op met zijn sluwe Oostersche oogjes, waaraan geen
enkele bijzonderheid ontging. En Yi Poon dacht: Hij lijkt erg rijk. Hij
is een vriend van de Solanos. Hij rijdt naar het huis. Hij kan zelfs
wel een aanbidder zijn van Senorita Leoncia.—Of een verslagen
mededinger naar haar liefde. In nagenoeg ieder geval, mag men
verwachten, dat hij het geheim van Senorita Leoncia’s geboorte zal
koopen en hij lijkt beslist rijk, heel rijk.

Binnen de haciënda, in de huiskamer, zaten de teruggekeerde avonturiers
en al de Solanos. De Koningin, die op haar beurt een gedeelte vertelde
van het verhaal der gebeurtenissen, beschuldigde juist met vlammende
oogen Torres van diefstal van haar juweelen en beschreef zijn val in
den draaikolk door den aanval van den hond, toen Leoncia, die met Henry
aan het raam stond, een scherpen kreet slaakte.

„Als je van den duivel spreekt!” zei Henry. „Daar heb je Torres zelf.”

„Ik eerst!” riep Francis, zijn vuist ballend en veelbeteekenend zijn
biceps opzettend.

„Neen,” besliste Leoncia. „Hij is een schitterend leugenaar. Hij is een
buitengewoon goed leugenaar, zooals we allemaal ondervonden hebben.
Laten we eens een pretje hebben. Hij stijgt juist af. Laten wij vieren
verdwijnen—Vader!” Met een handbeweging duidde ze Enrico en al zijn
zonen aan. „Jelui gaan allemaal hier zitten, mistroostig over mijn
verlies. Die schurk, Torres, komt binnen. Je hongert naar inlichtingen.
Hij zal je vertellen, niemand kan gissen, welke leugens omtrent ons.
Wat ons betreft, wij zullen ons daar achter dat scherm verbergen.—Kom
mee! Jelui allemaal!”

En, de Koningin bij de hand grijpend en vooruitloopend, gebood ze
Francis en Henry met haar oogen om haar te volgen naar de schuilplaats.

En Torres vond een tooneel der smart, dat nog zoo kort geleden
werkelijkheid geweest was, dat het Enrico en zijn zonen niet de minste
moeite kostte om dit na te bootsen. Enrico stond op uit zijn stoel om
hem te verwelkomen, maar zonk machteloos terug. Torres greep de hand
van den man in zijn beide handen en veinsde diep medegevoel, dat hem
belette te spreken van aandoening.

„Helaas!” slaagde hij er eindelijk in, om op hartroerenden toon te
zeggen. „Ze zijn dood. Zij is dood, uw schoone dochter, Leoncia. En de
beide Gringo Morgans zijn met haar omgekomen. Zooals Ricardo hier, moet
weten, zijn ze omgekomen in het hartje van den Maya-berg.”

„Het is het rijk der mysterie,” ging hij voort na lang genoeg gewacht
te hebben, dat de eerste heftige uitbarsting van droefheid van Enrico
een beetje gezakt was. „Ik was er bij, toen zij stierven. Hadden zij
mijn raad gevolgd, dan zouden ze allen in leven gebleven zijn. Maar
zelfs Leoncia wilde niet luisteren naar den ouden vriend der Solanos.
Neen, zij moest luisteren naar de beide Gringos. Na ongeloofelijke
gevaren wist ik mij een weg te banen door het hart van den berg, keek
neer in het dal der Verloren Zielen en keerde terug in den berg, om hen
stervend te vinden...”

Op dit oogenblik, sprong de witte hond, gevolgd door een Indiaansche
bediende, de kamer binnen, waar hij, sidderend en jankend van
opwinding, rondsnuffelde naar de talrijke sporen in de kamer, die de
aanwezigheid van zijn meesteres verrieden. Voor hij de plek kon
bereiken, waar de Koningin zich achter het scherm verborgen hield, had
Torres hem bij zijn nekvel gegrepen en overgegeven aan een paar der
Indiaansche huisjongens om hem vast te houden.

„Laat den woesteling hier blijven,” zei Torres. „Ik zal je straks wel
van hem vertellen. Maar kijk eerst eens naar dit.” Hij haalde een
handvol juweelen te voorschijn. „Ik klopte op de poorten des doods en,
kijk, de Maya-schat is mijn. Ik ben de rijkste man in Panama, in heel
Amerika. Ik zal machtig zijn ...”

„Maar je waart bij mijn dochter, toen zij stierf,” viel Enrico hem
snikkend in de rede. „Had zij geen woord voor mij?”

„Ja,” snikte Torres terug, echt onder den indruk van de stervensscène,
die haar ontstaan aan zijn verbeelding te danken had. „Zij stierf met
uw naam op haar lippen. Haar laatste woorden waren...” Maar hij kon
zijn zin niet voltooien, want met uitpuilende oogen zag hij Henry en
Leoncia, die op de meest natuurlijke, toevallige wijze ter wereld door
de kamer liepen, in een kalm gesprek verdiept. Zonder dat zij Torres
opmerkten, liepen zij, nog altijd in druk gesprek, naar het raam.

„Je vertelde me, dat haar laatste woorden waren?...” herinnerde Enrico.

„Ik—ik heb u voorgelogen,” stamelde Torres, terwijl hij tijd zocht te
winnen om zich uit de verlegenheid te redden. „Ik was overtuigd, dat ze
zoo goed als dood waren en nimmer weer den weg terug naar de wereld
zouden vinden. En ik wilde den slag voor u verzachten, Senor Solano,
door u te vertellen, wat ik zeker weet, dat haar laatste woorden zouden
zijn, wanneer ze stierf. Ook wat dezen man, Francis, betreft, dien gij
zoo gaarne mocht lijden. Ik dacht, dat het beter voor u was te
gelooven, dat hij dood was, dan hem te kennen als het Gringo-zwijn, dat
hij is.”

Op dit oogenblik blafte de hond vroolijk tegen het scherm en gaf de
beide Indianen de handen vol werk om hem tegen te houden. Maar Torres,
die niets vermoedde, ging voort met zijn noodlottige vergissingen.

„In het dal woont een onnoozel-zwakzinnig schepsel, dat voorgeeft door
tooverkracht in de toekomst te kunnen lezen. Zij is een wreedaardig en
bloeddorstig vrouwelijk schepsel. Ik ontken niet, dat ze physiek zeer
schoon is. Want schoon is ze, en een duizendpoot is mooi voor diegene,
die een duizendpoot mooi vindt. Begrijpt ge wat er gebeurd is. Ze heeft
Henry en Leoncia langs den een of anderen geheimen weg het dal
uitgestuurd, terwijl Francis verkozen heeft om daar bij haar te blijven
in een zondige verhouding—want zondig is die, daar er in het dal geen
Katholiek priester is, om hun verbintenis te wettigen. O, niet dat
Francis verzot is op dat vreeselijke schepsel. Maar hij is verzot op
een armzalige schat, die dat schepsel bezit. En dit is de Gringo
Francis, dien gij welkom hebt geheeten in den schoot uwer familie, de
glibberige slang van een Gringo, Francis, die zelfs de bekoorlijke
Leoncia om den tuin heeft willen leiden, door haar met de oogen van een
minnaar aan te zien. O, ik weet wat ik zeg. Ik heb gezien...”

Een vroolijke uitbarsting van den hond overstemde hem en hij zag
Francis en de Koningin, in even diep gesprek als het tweetal, dat hen
voorafging, door de kamer wandelen. De Koningin stond stil om den hond
te liefkoozen, die zoo groot was, dat, overeindstaande met zijn
voorpooten op haar schouders, zijn kop boven haar hoofd uitstak;
terwijl Torres zijn plotseling droog geworden lippen met zijn tong
bevochtigde en tevergeefs zijn hersenen pijnigde om een nieuwen leugen
te bedenken, waarmee hij zich uit zijn onmogelijke positie zou redden.

Enrico Solano was de eerste, die in lachen losbarstte. Al zijn zoons
volgden zijn voorbeeld, terwijl tranen van pleizier uit hun oogen
rolden.

„Ik had haar zelf kunnen trouwen,” hoonde Torres kwaadaardig. „Zij
smeekte er mij op haar knieën om.”

„Ik houd niet van smerige karweitjes. En dit is een smerig karweitje
besparen, door hem de deur uit te gooien.”

Maar Henry, die snel naderkwam, verzekerde:

„Ik houd wel van smerige karweitjes. En dit is een smerig karweitje,
dat mij al bijzonder aanstaat.”

Beide Morgans wilden op Torres aanstormen, toen de Koningin haar hand
opstak.

„Laat hem eerst,” sprak ze, „uit zijn gordel den ponjaard teruggeven,
dien hij mij ontstolen heeft.”

„Zoo,” zei Enrico, toen dit geschied was. „Zou hij u ook niet de
juweelen teruggeven, die hij ontvreemd heeft, schoone dame?”

Torres aarzelde geen oogenblik. Zijn hand in zijn zak stekend, legde
hij een handvol juweelen op tafel. Enrico keek de Koningin aan, die
kalm afwachtte.

„Meer,” zei Enrico.

En Torres voegde nog drie der schitterende ongeslepen juweelen bij de
andere op de tafel.

„Willen jelui mij misschien fouilleeren als een gemeene zakkenroller?”
vroeg hij zeer verontwaardigd, allebei zijn broekzakken leeg ten
binnenste buiten keerend.

„Ja,” zei Francis.

„Ik sta er op,” zei Henry.

„O, heel goed,” besloot Francis. „Dan zullen we het samen doen. En dan
kunnen we hem verder de trap afgooien.”

Als één man te werk gaande, grepen zij Torres bij kraag en broek en
renden naar de deur.

Alle andere aanwezigen vlogen naar de vensters om Torres te zien
vertrekken; maar Enrico, die de vlugste van allen was, bereikte het
eerst een raam. En meer achterwaarts, in het midden der kamer, streek
de Koningin de juweelen van de tafel in haar beide handen, en gaf deze
dubbele handvol aan Leoncia, zeggende:

„Van Francis en mij voor jou en Henry—je huwelijkscadeau.”



Yi Poon liet de vrouw op het strand achter en kroop terug om het huis
vanuit het kreupelhout in het oog te houden en grinnikte tevreden, toen
hij den rijken caballero met zoo’n kracht de trappen af zag werpen, dat
hij een heel eind verder-spartelend in het grint terechtkwam. Maar Yi
Poon was te verstandig om te laten merken, dat hij het gezien had. Zich
wegspoedend, was hij al halverwege den heuvel af, toen hij door Torres,
op zijn paard gezeten, ingehaald werd.

De zoon van het hemelsche rijk sprak hem nederig aan, en Torres, die
nog op alles en iedereen woedend was, hief woest zijn rijzweep op om
dien over zijn gezicht te halen. Maar Yi Poon verloor den moed niet.

„De Senorita Leoncia,” zei hij snel en ving den slag op. „Ik heb groot
geheim.” Torres wachtte, de zweep nog altijd dreigend opgeheven.

„Gij wilt andere man trouwen dat heel mooi Senorita Leoncia?”

Torres liet de zweep zakken.

„Ga voort,” beval hij barsch. „Wat is dat voor een geheim?”

„Gij niet wilt andere man trouwen dat Senorita Leoncia?”

„En, veronderstel, dat dit zoo was?”

„Dan, veronderstel, gij hebt geheim, gij kunt stop andere man.”

„Wel, wat is er? Spreek op!”

„Maar eerst,” Yi Poon schudde het hoofd, „gij betaalt mij zeshonderd
dollar goudgeld. Dan ik vertel u geheim.”

„Ik zal je betalen,” zei Torres bereidwillig, ofschoon hij er geen
oogenblik over dacht om zijn woord te houden. „Je kunt het mij eerst
vertellen en dan, als het geen leugen is, zal ik je betalen.—Kijk!”

Uit zijn borstzak haalde hij een portefeuille, die uitpuilde van het
papieren geld; en Yi Poon, gedwongen hiermee genoegen te nemen, leidde
hem langs het pad naar de oude vrouw op het strand.

„Dat oude vrouw,” legde hij uit, „zij niet liegt. Zij eerste klas meid,
eerste klas kindermeid. Op zekeren tijd zij neemt betrekking bij
Engelsche familie, die komt reizen in haar land. Langen tijd zij werkt
bij dat familie. Zij gaan terug naar Engeland. Dan—gij weet Spaansch
bloed is zeer heet—zij wordt zeer dol. Dat familie heeft een klein
meisje. Zij steelt klein meisje en loopt weg naar Panama. Dat kleine
meisje Senor Solano aanneemt als eigen dochter. Hij genoeg zoons, geen
dochter. Zoo, dat kleine meisje hij maakt zijn dochter. Maar dat oude
vrouw, zij niet vertelt wat naam draagt kleine meisjes familie. Dat
familie zeer voornaam, zeer rijk, iedereen in Engeland kent dat
familie. Dat familie heet: Morgan! Gij kent dat naam? In Colon komt San
Antonio mannen, die zegt Senor Solano’s dochter trouwt Engelsch Gringo,
die Morgan heet. Dat Gringo Morgan de broeder van Senorita Leoncia.”

„Ha!” zei Torres met boosaardige blijdschap.

„Gij betaalt mij nu zeshonderd dollars goudgeld,” zei Yi Poon.

„Merci, dwaas, dat je bent,” zei Torres, met onuitgesproken spot in
zijn stem. „Je zult misschien nog wel eens beter het zaakje leeren om
geheimen te verkoopen. Geheimen zijn geen schoenen of mahoniehout. Een
verteld geheim is niet meer dan een fluistering in de lucht. Het komt.
Het gaat. Het is verdwenen. Het is een spook. Wie heeft het gezien?
Schoenen en mahoniehout kan je opeischen. Maar je kunt nooit een geheim
opeischen, dat je verteld hebt.”

„Wij spreken over spoken, gij en ik,” zei Yi Poon kalm. „En de spoken
zijn verdwenen. Ik heb geen geheim verteld. Gij hebt een droom
gedroomd. Wanneer gij vertelt andere menschen, men vraagt, wie heeft u
gezegd. En gij zegt: „Yi Poon!” Maar Yi Poon zegt: „Neen.” En zij
zullen zeggen: „Spoken,” en je uitlachen.”

Yi Poon, die voelde, dat de andere tot zijn verheven gedachte
overhelde, zweeg met opzet.

„Wij hebben fluisteringen verteld,” vervolgde hij na eenige seconden.
„Gij spreekt waarheid, wanneer gij zegt fluisteringen zijn spoken.
Wanneer ik geheimen verkoop, dan verkoop ik geen spoken. Ik verkoop
schoenen. Ik verkoop mahoniehout. Mijn bewijzen verkoop ik. Die zijn
solied. Op de weegschaal hebben zij gewicht. Gij kunt er het papier
aftrekken en het is rechtsgeldig papier, waarop ze zijn geschreven.
Sommige, die niet op papier staan, kunt gij uw tanden op zetten en die
er op stukbijten. Want de fluisteringen zijn al verdwenen als
morgennevel. Ik heb bewijzen. Gij zult mij zeshonderd dollars goudgeld
betalen voor de bewijzen of men zal u uitlachen, omdat gij naar spoken
geluisterd hebt.”

„Goed,” gaf Torres, nu overtuigd, toe. „Laat mij de bewijzen zien, die
ik kan scheuren en waarop ik kan bijten.”

„Betaal me de zeshonderd dollars goudgeld.”

„Zoodra je mij de bewijzen hebt laten zien.”

„De bewijzen, die je kunt scheuren en waarop je kunt bijten, zijn de
uwe, zoodra gij de zeshonderd dollars goudgeld in mijn hand geteld
hebt. Gij belooft. Een belofte is een fluistering, een spook. Ik handel
niet met spookgeld. Gij betaalt mij echt geld, dat ik kan breken en
waarop ik kan bijten.”

En ten slotte gaf Torres toe, betaalde vooruit, wat hem zeer voldeed,
toen hij de documenten gezien had, de oude brieven, het
kinder-medaillon en het kinderspeelgoed. En Torres verzekerde Yi Poon
niet alleen, dat hij voldaan was, maar betaalde hem vooruit, op
aandringen van den laatste, nog honderd dollar goudgeld bovendien, om
een opdracht voor hem uit te voeren.



Ondertusschen waren Henry en Francis in de badkamer, die hun
slaapkamers verbond, gekleed in frisch linnengoed en zich scherende met
veiligheidsscheerapparaten, aan het zingen:


        „—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
        De gansche bemanning wijken doet...”


In haar gezellige vertrekken, geholpen en bijgestaan door een paar
Indiaansche naaisters, was Leoncia, half vroolijk, half droevig en vol
liefelijke en heilzame edelmoedigheid bezig om de Koningin in te leiden
in de heerlijkheden der kleeding eener beschaafde vrouw. De Koningin,
een echte vrouw in haar hart, was dol verrukt over de tallooze
snuisterijen van weefsel en versiering, waarvan Leoncia’s garderobe
voorzien was. Het was een kinderlijke pret voor allebei en een steekje
hier en een plooitje daar maakte enkele van Leoncia’s japonnen passend
voor de slanke leden der Koningin.

„Neen,” zei Leoncia beslist. „Gij hebt geen corset noodig. Gij zijt de
eenige vrouw op de honderd, die geen corset noodig heeft. Gij hebt voor
een magere vrouw de rondste lijnen, die ik ooit gezien heb. Gij...”
Leoncia hield op, blijkbaar in beslag genomen door de behoefte aan een
speld van haar kaptafel, waarvoor ze zich omkeerde; maar tegelijkertijd
slikte ze het brok in haar keel weg, zoodat ze kon vervolgen: „Gij zijt
een schoone bruid en Francis kan enkel nog trotscher op je worden.”

In de badkamer brak Francis, na opgehouden te hebben met scheren, zijn
gezang af om te antwoorden op een klopje aan de deur van zijn
slaapkamer en ontving een telegram van Fernando, op een na de jongste
der gebroeders Solano. En Francis las:


    Onmiddellijke terugkomst gewenscht. Meer marge noodig. Beurs zeer
    slap, maar een sterke aanval op al je fondsen, behalve
    Tampico-Petroleum, die vast is als ooit. Telegrafeer, wanneer je
    komt. Toestand ernstig. Denk, dat ik het wel kan uithouden, wanneer
    je onmiddellijk vertrekt. Telegrafeer dadelijk.

        Bascom.


In de woonkamer vonden de beide Morgans Enrico en zijn zonen, die bezig
waren om wijnflesschen open te trekken.

„Nauwelijks heb ik mijn dochter teruggekregen,” zei Enrico, „of ik ga
haar opnieuw verliezen. Maar het is nu een gemakkelijker verlies,
Henry. Morgen zal het huwelijk plaats hebben. Het kan niet te vroeg
voltrokken worden. We kunnen er zeker van zijn, dat die schurk van een
Torres op het oogenblik door geheel San Antonio het praatje rondstrooit
van Leoncia’s laatste escapade met jou.”

Voor Henry zijn dank kon betuigen, traden Leoncia en de Koningin
binnen. Hij hief zijn glas op en toastte:

„Op de bruid!”

Leoncia, die er niets van begreep, nam een glas van de tafel en keek de
Koningin aan.

„Neen, neen,” zei Enrico. „Niemand zal drinken, zoolang de toast niet
compleet is. Laat mij er van maken:

„Op de bruidjes!”

„Jij en Henry trouwen morgen,” legde Enrico Leoncia uit.

Hoe onverwacht en bitter het nieuws ook was, Leoncia wist zich te
beheerschen en waagde het om Francis met voorgewende vroolijkheid in de
oogen te kijken, terwijl ze riep:

„Nog een toast! Op de bruidegoms!”

Hoe moeilijk Francis het ook gevonden had om de Koningin te trouwen en
zijn bedaardheid te bewaren, nu, bij de aankondiging van het snelle
huwelijk van Leoncia, was het hem onmogelijk om bedaard te blijven. Het
ontging Leoncia evenmin, hoe hij zich moest inspannen om zich te
beheerschen. Zijn lijden deed haar heimelijk pleizier, en met een
gevoel, dat bijna op triomf geleek, zag zij hem gebruik maken van de
eerste gelegenheid de beste om de kamer te verlaten.

Hun het telegram toonende en verzekerend, dat zijn fortuin op het spel
stond, zei hij, dat hij een antwoord moest verzenden en verzocht
Fernando om voor een ruiter te zorgen, die het naar het Rijksdraadloos
telegraafstation te San Antonio kon brengen.

Het duurde ook niet lang, of Leoncia volgde hem. Zij vond hem in de
bibliotheek, aan de leestafel gezeten, het telegram nog ongeschreven,
terwijl zijn blik gevestigd was op een groot portret van haar, dat hij
van zijn plaats boven op de lage boekenplanken genomen had. Dit alles
was te veel voor haar. Haar onwillekeurige, hijgende snik bracht hem
nog net bijtijds op de been, om haar wankelend in zijn armen op te
vangen. En voor een van beiden wist, wat er gebeurde, waren hun lippen
hartstochtelijk op elkander gedrukt. Leoncia stribbelde tegen en rukte
zich los, haar aanbidder verschrikt aankijkend.

„Dit moet uit zijn, Francis!” riep ze. „Meer nog: je moogt niet hier
blijven op mijn bruiloft. Als je het toch doet, zal ik niet
aansprakelijk zijn voor mijn daden. Er vertrekt een stoomboot uit San
Antonio naar Colon. Jij en je vrouw moeten daarmee weggaan. Je kunt
gemakkelijk passage nemen op de fruitbooten van New-Orleans en den
trein halen naar New-York. Ik heb je lief!—dat weet je.”

„De Koningin en ik zijn niet getrouwd,” pleitte Francis, buiten zich
zelf, verrast door hetgeen plaats gevonden had. „Die heidensche
huwelijksvoltrekking voor het Altaar der Zon was geen huwelijk. Door
geen enkele daad of ceremonie zijn wij getrouwd. Dat verzeker ik je,
Leoncia. Het is nog niet te laat...”

„Dat heidensche huwelijk was tot nu toe voor je van kracht,” viel zij
hem kalm en flink in de rede. „Laat het van kracht blijven tot
New-York, of minstens tot... Colon.”

„De Koningin wil niet overtrouwen volgens onze gebruiken,” sprak
Francis. „Zij blijft er bij, dat de heele vrouwelijke linie voor haar
zoo getrouwd is en dat de plechtigheid voor het Zonnealtaar heilig en
bindend is.”

Leoncia trok onverschillig haar schouders op, ofschoon haar gezicht
streng en vastberaden was.

„Huwelijk of niet,” antwoordde zij, „je moet gaan—vanavond—jelui
allebei. Anders word ik krankzinnig. Ik waarschuw je: ik zal niet in
staat zijn om je tegenwoordigheid te verdragen. Ik kan het niet, ik
weet, dat ik het niet kan, niet in staat ben om je gezicht te zien,
terwijl ik verbonden word aan Henry en nadat ik Henry’s vrouw geworden
ben.—O, alsjeblieft, alsjeblieft, begrijp mij niet verkeerd. Ik heb
Henry lief, maar niet zoo... niet op dezelfde wijze... niet zoo als ik
jou liefheb. Ik—en ik schaam me niet over de stoutmoedigheid, waarmee
ik het zeg—ik heb Henry ongeveer even lief, als jij de Koningin lief
hebt; maar jou heb ik lief, zooals ik Henry moest beminnen en zooals
jij de Koningin moest liefhebben, zooals ik weet, dat jij mij bemint.”

Zij greep zijn hand en drukte die tegen haar hart.

„Daar! Voor de laatste maal! Ga nu!”

Maar zijn armen waren om haar heen geslagen en zij kon hem enkel haar
lippen toesteken. Weer rukte zij zich los, ditmaal naar de deur
vluchtend. Francis boog het hoofd voor haar besluit, en nam toen haar
portret op.

„Dat houd ik,” zei hij.

„Dat moest je niet doen,” sprak ze met een laatsten zoeten glimlach tot
hem. „Je mag het hebben,” voegde zij er bij, keerde zich om en was
verdwenen.



Yi Poon had een opdracht te vervullen, waarvoor Torres hem bij voorbaat
honderd dollars goudgeld betaald had. Den volgenden morgen, toen
Francis en de Koningin al uren lang op weg waren naar Colon, arriveerde
Yi Poon op de Solano haciënda. Enrico, die op de veranda een sigaar zat
te rooken en zeer tevreden was met zich zelf en de geheele wereld en de
wijze, waarop de wereld draaide, herkende en verwelkomde Yi Poon als
zijn bezoeker van den vorigen dag. Nog voor ze begonnen te spreken, had
Leoncia’s vader Alesandro weggezonden om de overeengekomen vijfhonderd
pesos te halen. En Yi Poon, wiens beroep was het handel drijven in
geheimen, had er niets op tegen om zijn geheim voor de tweede maal te
verkoopen. Toch was hij in zooverre trouw, dat hij Torres’ instructies
gehoorzaamde en weigerde het geheim te vertellen, wanneer Leoncia en
Henry er niet bij tegenwoordig waren.

„Dat geheim is verzegeld,” verontschuldigde Yi Poon, nadat het paar
geroepen was en hij het bundeltje bewijzen uitpakte. „Senorita Leoncia
en de man, met wien zij gaat trouwen, moeten eerst, vóór iemand anders,
deze dingen zien. Daarna mag iedereen kijken.”

„Dat is niet meer dan billijk, daar zij er het meeste belang bij
hebben,” stemde Enrico grootmoedig toe; ofschoon hij tegelijkertijd
zijn nieuwsgierigheid verried, door het ongeduld, waarmee hij zijn
dochter en Henry aanspoorde tot het onderzoek.

Hij deed zijn best om zich onverschillig te toonen, maar aan zijn
zijdelingsche blikken ontsnapte geen enkele hunner handelingen. Tot
zijn verbazing zag hij Leoncia plotseling een document, dat zij en
Henry samen doorgelezen hadden en dat er heel gewichtig uitzag,
neergooien en van ganscher harte en ongedwongen haar armen om diens
hals slaan en hem van ganscher harte en ongedwongen op de lippen
kussen. Vervolgens zag Enrico Henry achteruitgaan en, half versuft, op
hartroerenden toon, uitroepen:

„Maar, mijn God, Leoncia! Dit is het einde van alles. Nooit kunnen wij
man en vrouw worden!”

„Wat?” snoof Enrico. „Terwijl alles gereed is! Wat beteekent dit,
mijnheer? Dit is een beleediging! Trouwen zal je en wel vandaag nog!”

Henry keek, nagenoeg verdoofd, Leoncia aan, dat zij voor hem zou
spreken.

„Het is in strijd met de Goddelijke en menschelijke wetten,” sprak ze,
„dat een man met zijn zuster trouwt. Nu begrijp ik mijn vreemde liefde
voor Henry. Hij is mijn broeder. Wij zijn eigen broeder en zuster,
tenzij deze documenten liegen.”

En Yi Poon wist, dat hij Torres het bericht kon overbrengen, dat dit
huwelijk niet doorging en nimmer zou doorgaan.








HOOFDSTUK XXIV.


Een kwartier nadat ze met den kleinen kustvaarder geland waren te
Colon, een boot van de United Fruit Company treffend, was de reis van
de Koningin met Francis naar New-York een snelle opeenvolging van
gunstige verbindingen geweest. Door te New-Orleans op de werf een auto
te nemen naar het station en een wedloop van kruiers met handbagage,
slaagden zij er in om nog net op het nippertje den trein te halen. Te
New-York aangekomen, ontmoette Francis Bascom, die met Francis’ eigen
auto aan het station was, en met dezelfde vaart werd de tocht
voortgezet naar het sierlijke paleis, dat R. H. M. zelf, Francis’
vader, voor zijn millioenen had laten bouwen te Riverside Drive.

Zoodoende kende de Koningin nog niet veel meer van de groote wereld,
dan toen ze haar reizen begon door in de onderaardsche rivier te
springen. Wanneer ze een minderwaardiger schepseltje geweest was, zou
ze ontzet geweest zijn over deze reuzen-beschaving rondom haar. Nu was
ze koninklijk onlogisch, en nam deze beschaving aan als een geschenk
van haar koninklijken echtgenoot. Want koninklijk was hij, gediend als
hij werd door talrijke slaven. Had zij dit niet op de boot en in den
trein gemerkt? En hier, in zijn paleis, beschouwde zij den stoet
bedienden, die hen begroette, als iets heel natuurlijks. De chauffeur
opende het portier der limousine. Andere bedienden brachten de bagage
binnen. Francis stak geen hand uit, behalve naar haar arm om haar te
ondersteunen. Zelfs in Bascom—een man, dien zij niet voor een bediende
aanzag—vermoedde zij iemand, die in Francis’ dienst was. En zij zag
Bascom vertrekken in Francis’ limousine, met instructies en op bevel
van Francis.

Haar verrukking over het inwendige der woning was naïef en kinderlijk.
De bedienden heelemaal vergetend, of liever, er geen acht op slaande,
zooals zij haar eigen bedienden in haar meer-woning over het hoofd zag,
klapte zij in de groote hall in haar handen, keek naar de marmeren trap
en snelde op een drafje naar het naaste vertrek en gluurde naar binnen.
Het was de bibliotheek, die zij in den Spiegel der Wereld gezien had op
den dag, waarop zij Francis voor het eerst ontmoette. En het visioen
werd werkelijkheid, want Francis ging met haar de groote boekenkamer
binnen, zijn arm om haar heen geslagen, juist zooals zij hem gezien had
op de vloeibaar-metalen oppervlakte van den gouden bokaal. De telefonen
en de koersaanwijzer herinnerde zij zich ook; en, juist zooals zij toen
zich zelf zag doen, liep zij naar het bord om dit te bekijken en
Francis stond, met zijn arm nog altijd om haar heen geslagen, naast
haar.

Nauwelijks was hij begonnen om haar het instrument eenigszins te
verklaren en juist toen hij begreep, dat het onmogelijk was om haar in
een paar minuten al de finesses der beursinstelling te leeren, lazen
zijn oogen op het lint, dat Frisco Consolidated twintig procent was
gedaald—iets wat nog nooit gebeurd was met dien kleinen spoorweg in
Iowa, die R. H. M. gesticht en aangelegd had en op den dag van zijn
dood nog trots verklaarde zoo’n goed ding te zijn, dat dit iedere storm
zou doorstaan, al gingen de helft der banken en heel Wall Street over
den kop.

De Koningin merkte den onrust op, die steeds sterker op Francis’ gelaat
te lezen stond.

„Het is tooverachtig—net als mijn Spiegel der Wereld?” vroeg en
constateerde zij half.

Francis knikte.

„Het vertelt je geheimen, dat weet ik,” vervolgde zij. „Evenals mijn
gouden bokaal, brengt het de heele wereld hier in deze kamer, bij je.
Het brengt je zorg. Dat is duidelijk te zien. Maar wat voor zorg kan
deze wereld je brengen, terwijl je toch een van haar groote koningen
bent?”

Hij opende zijn mond om haar laatste vraag te beantwoorden, hield op en
zei niets, inziende dat hij het haar toch niet begrijpelijk kon maken,
terwijl zijn geest gekweld werd door de beelden van groote spoorwegen
en scheepvaartlijnen, van wemelende stations en woelige dokken; van
mijnwerkers, zwoegend in Alaska, in Montana, in Death Valley, van
gebreidelde rivieren en, in een harnas geslagen watervallen, en van
electrische geleidingen op tweehonderd voet hooge palen boven
laaglanden, moerassen en vennen, en van al de mechanische, economische
en finantiëele instellingen eener twintigste eeuwsche
machinebeschaving.

„Het brengt je zorgen,” herhaalde zij. „En, helaas! Ik kan je niet
helpen. Mijn gouden bokaal is weg. Nooit zal ik er de wereld meer in
aanschouwen. Ik ben niet langer een heerscheres over de toekomst. Ik
ben niets meer dan een vrouw en hulpeloos in deze vreemde, reusachtige
wereld, waarheen je mij gebracht hebt. Ik ben niets dan een vrouw, en
jou vrouw, Francis, je vrouw, die trotsch op je is.”

Hij had haar bijna lief, toen hij, het lint loslatend, haar een
oogenblik vast tegen zich aandrukte eer hij naar de telefonen liep. Ze
is verrukkelijk, dacht hij. Er is geen bedrog of kwaad in haar, ze is
enkel vrouw, een en al vrouw, liefelijk en beminnelijk—helaas, waarom
moet Leoncia altijd en immer in mijn gedachten tusschen haar staan;
haar die ik heb en haar, die ik nooit zal bezitten!

„Nog meer tooverij,” mompelde de Koningin, toen Francis, die
aansluiting gekregen had met Bascom’s kantoor, zei:

„Mijnheer Bascom komt ongetwijfeld binnen een half uur terug. U spreekt
met Morgan—Francis Morgan. Mijnheer Bascom vertrok nog geen vijf
minuten geleden naar zijn kantoor. Wanneer hij aankomt, zeg hem dan,
dat ik ook op weg ben naar zijn kantoor en er hoogstens vijf minuten
later zal zijn dan hij. Het is van groot belang. Zeg hem, dat ik op weg
ben. Dank u. Goeden dag.”

Het was zeer natuurlijk, dat de Koningin teleurgesteld was, toen
Francis haar vertelde, dat hij onmiddellijk moest vertrekken naar een
plaats, genaamd Wall Street, terwijl zij al de wonderen van het groote
huis nog moest zien.

„Wat is het toch?” vroeg ze, een tikje misnoegd, „dat je, als een
slaaf, van mij wegsleept?”

„Het zijn zaken—en zaken van groot gewicht,” zei hij haar, met een
glimlach en een kus. „Het is de groote Amerikaansche god. Bovendien, is
het een zeer verschrikkelijke god en als hij slaat, slaat hij
vreeselijk en snel.”

„En je hebt zijn misnoegen opgewekt?” vroeg zij.

„Helaas ja, ofschoon ik niet weet waardoor. Ik moet naar Wall Street
gaan...”

„Is dat zijn altaar?” viel ze hem vragend in de rede.

„Dat is zijn altaar,” antwoordde hij, „waar ik moet gaan onderzoeken,
waardoor ik hem beleedigd heb en hoe ik hem kan verzoenen en boete
doen.”

Zijn overhaaste poging om haar de deugden en werkzaamheden uit te
leggen der dienstbode, die hij telegrafisch uit Colon ontboden had,
boezemde haar nauwelijks belang in, en zij viel hem in de rede door te
zeggen, dat de dienstbode blijkbaar gelijkstond met de Indiaansche
vrouwen, die haar bediend hadden in het dal der Verloren Zielen en dat
ze gewend was om bediend te worden van den tijd, dat ze een klein
meisje was af, toen ze van haar moeder Engelsch en Spaansch leerde in
het huis aan het meer. Maar toen Francis zijn hoed nam en haar kuste,
bedaarde zij en wenschte hem geluk voor het altaar toe.

Na verscheidene uren, waarin zij in haar eigen vertrekken wonderlijke
avonturen beleefde, waarbij de meid, een Spaansch sprekende Fransche
vrouw als gids en raadgeefster diende en nadat zij afwisselend gemeten
en bekeken was door een prachtig gekleede vrouw, die zelf wel een
koningin leek en bediend werd door twee jonge vrouwen en die, volgens
de gedachten der Koningin, zeker geroepen was om haar en Francis te
dienen, liep zij de groote trap weer af om de bibliotheek eens te gaan
verkennen met haar geheimzinnige telefonen en koersaanwijzer.

Langen tijd keek zij naar den laatste en luisterde naar het
onregelmatig getik. Maar zij, die Engelsch en Spaansch kon lezen en
schrijven, kon niet wijs worden uit de hiërogliefen, die op zoo’n
wonderlijke wijze op het lint te voorschijn kwamen. Vervolgens
probeerde zij de eerste der telefonen. Zich herinnerend, hoe Francis er
aan geluisterd had, legde zij haar oor tegen de spreekbuis. Maar toen
herinnerde zij zich, dat hij gebruik gemaakt had van den hoorn, nam
dezen van den haak en hield hem aan het oor. De stem, ongetwijfeld een
vrouwestem, klonk zoo dicht bij haar, dat ze verschrikt en verrast den
hoorn liet vallen en terugdeinsde. Juist trad Parker, Francis’ oude
huisknecht, de kamer binnen. Zij had hem nog niet gezien, en zijn
kleeding was zoo keurig en zijn houding zoo waardig, dat ze hem voor
een vriend van Francis aanzag in plaats van voor een bediende—een
vriend, zooals Bascom, die hem met Francis’ machine aan het station
afgehaald had, als een gelijke met hen binnen in de auto had gezeten en
die toch vertrokken was, met de bevelen van Francis, waaraan hij
blijkbaar moest gehoorzamen.

Toen ze Parker’s ernstig gelaat zag, lachte ze verlegen en wees vragend
op de telefoon. Ernstig nam hij den hoorn op, mompelde: „Een
vergissing,” in den hoorn en hing hem op. In deze paar minuten ontstond
er een omwenteling in de gedachten der Koningin. Dat was geen stem van
een god of een geest, die zij gehoord had, maar een vrouwestem.

„Waar is die vrouw?” vroeg ze.

Parker’s stijve houding werd nog een beetje stijver, de uitdrukking van
zijn gelaat nog deftiger, terwijl hij boog.

„Er is een vrouw verborgen hier in huis,” sprak ze snel. „Haar stem
weerklinkt in dat ding. Zij moet in de andere kamer zijn...”

„Het was Centraal,” trachtte Parker haar woordenvloed tegen te houden.

„Het kan me niet schelen, hoe ze heet,” ging de Koningin voort.

„Ik wil niet, dat er een andere vrouw in huis is dan ik. Zeg haar, dat
ze weggaat. Ik ben zeer boos.”

Parker werd nog stijver en ernstiger, en nu kreeg zij een ander idee.
Misschien was deze deftige heer wel voornamer dan ze verwachtte in het
rijk der kleinere koningen, dacht ze. Misschien was hij wel net een
koning als Francis en zij had hem als een mindere, als een veel mindere
behandeld.

Zij nam hem bij de hand, in haar voortvarendheid toch zijn weerstand
opmerkend, trok hem naar een sofa en liet hem naast haar plaats nemen.
Om Parker’s verlegenheid nog te verhoogen, greep zij in een bonbondoos
en begon hem chocolaadjes te voeren, zijn mond met deze snoeperij
sluitend telkens wanneer hij hem open deed om te protesteeren.

„Zeg,” sprak ze, toen ze hem bijna volgestopt had, „is het de gewoonte
van de mannen hier in dit land om polygamie te plegen?” Parker stond
verstomd over deze ruwe oprechtheid.

„O, ik ken de beteekenis van het woord wel,” verzekerde ze hem. „Maar
ik herhaal, is het de gewoonte van de mannen hier in dit land om
polygamie te plegen?”

„Er is geen vrouw hier in huis, behalve u zelf, mevrouw, en de
vrouwelijke dienstboden,” slaagde hij er eindelijk in om te zeggen.
„Die stem, die u hoorde, is niet de stem van een vrouw hier in huis,
maar de stem van een vrouw, mijlen ver weg, die u moet dienen en
iedereen, die een telefonisch gesprek wil voeren.”

„Zij is de slavin van het mysterie?” vroeg de Koningin, die een flauw
vermoeden begon te krijgen, hoe de zaak in elkaar zat.

„Ja,” stemde de bediende van haar echtgenoot toe. „Zij is een slavin
van de telefoon.”

„Van de vliegende spraak?”

„Ja, mevrouw, zoo kunt u het noemen, van de vliegende spraak.”

Hij wist geen raad om te ontsnappen aan een situatie, waarin hij nog
nooit in zijn geheele carrière verkeerd had. „Kom, dan zal ik het u
laten zien, mevrouw. Deze slavin der vliegende spraak staat nacht en
dag klaar voor uw bevelen. Als u wilt, stelt deze slavin u in staat om
met uw echtgenoot, mijnheer Morgan te spreken...”

„Nu?”

Parker knikte, stond op en ging haar voor naar de telefoon.

„Eerst,” legde hij uit, „spreekt u met de slavin. Op hetzelfde
oogenblik, waarop u dit opneemt en aan uw oor brengt, zal de slavin
antwoorden. De slavin zegt onveranderlijk: „Nummer?” Soms zegt ze ook
„Nummer? Nummer?” En soms is ze zeer prikkelbaar. Wanneer de slavin
gezegd heeft „Nummer”, dan moet u zeggen: „Eddystone 1292”, waarop de
slavin zal zeggen: „Eddystone 1292” en dan moet u antwoorden: „Ja,
alstublieft.”

„Moet ik tegen een slavin „alstublieft” zeggen?” viel ze hem in de
rede.

„Ja, mevrouw, want deze slavinnen der vliegende spraak zijn bijzondere
slavinnen, die men nooit ziet. Ik ben niet jong meer, maar ik heb nog
nooit van mijn leven een Centrale gezien.—Dus, vervolgens, na een
oogenblik, zal een andere slavin, een vrouw, die weer mijlen ver van de
eerste verwijderd is, tegen u zeggen: „Dit is Eddystone 1292” en u zult
zeggen: „Ik ben mevrouw Morgan. Ik wil mijnheer Morgan spreken, die
waarschijnlijk in het privé-kantoor van mijnheer Bascom is.” En dan
wacht u, misschien een halve minuut, of een minuut, en dan zal mijnheer
Morgan met u beginnen te praten.”

„Over een afstand van mijlen en nog eens mijlen?”

„Ja, mevrouw—juist alsof hij in de kamer hiernaast was. En wanneer
mijnheer Morgan zegt: „Goedendag,” dan moet u ook zeggen: „Goedendag,”
en de hoorn ophangen, zooals u mij hebt zien doen.”

En alles gebeurde zooals Parker haar gezegd had, toen zij zijn
instructies opvolgde. De twee verschillende slavinnen gehoorzaamden aan
de tooverkracht van het nummer, dat zij haar opgaf, en Francis praatte
en lachte tegen haar, verzocht haar, om zich niet eenzaam te voelen en
beloofde dien middag niet later dan vijf uur thuis te zullen komen.



Ondertusschen en den geheelen dag door, had Francis het zeer druk en
was zeer verontrust.

„Wat heb je toch voor een geheime vriend?” vroeg Bascom telkens en
telkens weer, terwijl Francis zijn hoofd schudde en tevergeefs giste,
wie het kon zijn.

„Want zie je, behalve waar het jouw fondsen betreft, is de markt
redelijk en in orde. Maar kijk jouw fondsen eens. Daar heb je Frisco
Consolidated. Er is absoluut geen aanleiding of reden, waarom ze dien
kant opgaan. Alleen jouw fondsen dalen. New-York, Vermont en
Connecticut betaalde de laatste vier kwartalen vijftien procent, en is
zoo solied als Gibraltar. Toch is het gezakt en hard gezakt ook.
Hetzelfde is het geval met Montana Lode, Death Valley Copper, Imperial
Tungsten, Northwestern Electric. Neem Alaska Trodwell—zoo solied als de
rots der eeuwen. De beweging daartegen begon eerst gisteren laat in den
middag. Ze sloten acht procent lager, en vandaag zijn ze nog tweemaal
zooveel gezakt. Allemaal fondsen, waarin je sterk geïnteresseerd bent.
Andere fondsen worden niet meegesleept. Verder is de beurs vast.”

„Ook Tampico-Petroleum is vast gestemd,” zei Francis, „en daar ben ik
toch het sterkst in geïnteresseerd.”

Bascom trok wanhopig zijn schouders op.

„Weet je zeker, dat je niemand kunt bedenken, die hier de schuld van is
en misschien je vijand kan zijn?”

„Al was mijn leven er mee gemoeid, Bascom, ik kan geen mensch bedenken.
Ik heb geen vijanden gemaakt, omdat ik, sedert mijn vader gestorven is,
niet veel gedaan heb. Tampico-Petroleum is het eenige, waar ik zaken in
gedaan heb, en die zijn zelfs nu nog goed.” Hij stapte naar den
koersaanwijzer. „Daar. Een half procent hooger de aandeelen van
vijfhonderd.”

„Hoe het zij, er zit iemand achter je heen,” verzekerde Bascom hem.
„Dat is zoo klaar als de dag. Ik heb van het begin af de verslagen der
verschillende fondsen nagegaan. Ze zijn gekleurd, kunstig en
voorzichtig gekleurd, en de kleurstof is pessimistisch en officiëel.
Waarom boekte Northwestern Electric haar dividend? Waarom zetten ze dat
zwartgallige stukje in Mulhancy’s verslag over Montana Lode? O, de rest
van die zwartgalligheid doet er niets toe, maar waarom al deze
uitlatingen. ’t Is duidelijk genoeg. Het is niets anders dan een raid,
die naar het schijnt op jou gemunt is en het is ook geen plotselinge,
snelle aanval. Het is langzaam begonnen en neemt gestadig toe. En de
bom is gereed om los te barsten bij het eerste oorlogsgerucht, een
groote werkstaking of een finantiëele paniek—bij het een of ander, dat
de geheele markt zal drukken.

„Bedenk eens in welke positie je verkeert, nu alle fondsen, behalve die
van jou, normaal zijn. Ik heb je stukken op prolongatie gedekt en nog
eens gedekt. Een groot deel van je geldelijke borgtocht is reeds
verdwenen. En je stukken op prolongatie zakken steeds meer. Je kunt ze
ook moeilijk verkoopen. Dat zou een ramp tengevolge kunnen hebben. Het
is te netelig.”

„Daar heb je Tampico-Petroleum, die zoo gunstig is als je maar kunt
wenschen—dat is voldoende borgtocht om alles te dekken,” opperde
Francis. „Hoewel ik altijd huiverig geweest ben om die aan te spreken,”
voegde hij er bij.

Bascom schudde zijn hoofd.

„Dan is er nog de Mexicaansche revolutie en onze eigen krachtelooze
administratie. Als we Tampico-Petroleum op het spel zetten, en er zou
daarginds iets ernstigs gebeuren, dan zou het uit zijn met je, je waart
op, failliet.

„En toch,” besloot Bascom, „zie ik geen anderen uitweg dan om
Tampico-Petroleum te gebruiken. Zie je, alles is bijna uitgeput, wat je
mij in handen gegeven hebt. En dit is geen wervelstorm. Het gaat
langzaam en zeker als een naderende gletscher. Ik heb al deze jaren je
beurszaken gedaan, en dit is de eerste maal, dat we in het nauw
gedreven worden. Maar hoe staat het met je andere zaken? Collins
behartigt die en is er van op de hoogte. Je moet er ook van op de
hoogte zijn. Welke zekerheid kan je me geven? Nu? En morgen? En de
volgende week? En de eerstvolgende drie weken?”

„Hoeveel heb je noodig?” was Francis’ weervraag.

„Vandaag vóór beurssluiting een millioen.” Bascom wees veelbeteekenend
op den koersaanwijzer. „En in de eerstvolgende drie weken nog minstens
twintig millioenen, wanneer—en let goed op dit wanneer—wanneer de vrede
in de wereld behouden blijft en wanneer de algemeene markt even normaal
blijft als in de afgeloopen zes maanden.”

Francis stond op, na een besluit genomen te hebben en greep naar zijn
hoed.

„Ik ga nu dadelijk naar Collins. Hij weet veel meer van mijn andere
zaken af, dan ik zelf. Ik zal zorgen, dat je vóór beurssluiting
minstens een millioen in handen hebt, en ik vertrouw, dat ik de rest
gedurende de eerstkomende weken wel zal kunnen dekken.”

„Bedenk wel,” waarschuwde Bascom hem, terwijl zij elkander de hand
drukten, „het is juist die langzaamheid van den aanval, die zoo
onheilspellend is. Het is regelrecht op jou gemunt en het is geen
onbeduidende zaak. Wie er ook achter zit, hij doet het op groote schaal
en hij moet heel wat in de melk te brokken hebben.”



Verscheidene malen, laat in den middag en avond, werd de Koningin
opgebeld door de slavin der vliegende spraak en in staat gesteld om met
haar echtgenoot te praten. Tot haar blijdschap vond zij in haar eigen
kamer, naast haar bed, een telefoon, waardoor zij, door het kantoor van
Collins op te bellen, Francis goedennacht zei. Ook probeerde ze hem een
hartelijken kus te geven en ontving, met een vreemd en vaag geluid,
zijn kus als antwoord.

Zij wist niet hoelang zij geslapen had, toen ze wakker werd. Zonder
zich te bewegen, zag ze door haar halfgesloten oogleden Francis in de
kamer en naar haar kijken. Toen hij zacht verdergegaan was, sprong ze
uit haar bed en liep nog tijdig naar de deur om hem de trap af te zien
gaan.

Nog meer moeilijkheden met den grooten Zakengod—was haar gedachte. Hij
ging naar beneden naar die wonderlijke kamer, de bibliotheek om nog
meer te lezen van de dreigementen en waarschuwingen van dien geduchten
god, die zoo geheimzinnig den vorm aannamen van geschreven woorden bij
het getik van den koersaanwijzer. Zij bekeek zich zelf in den spiegel,
streek haar haren glad en met een glimlachje van liefde en verwachting
trok ze een huisjapon aan—een der verrukkelijke sieraden van Francis’
voorzorg en voorzienigheid.

Bij den ingang der bibliotheek stond ze stil, daar ze de stem hoorde
van een ander dan Francis. Eerst dacht ze, dat het de vliegende spraak
was, maar onmiddellijk begreep ze, dat het daarvoor te duidelijk, te
dichtbij en heel anders was. Naar binnen glurend, zag ze twee mannen in
groote clubfauteuils vlak bij elkander zitten, met de gezichten naar
elkander toe. Francis, vermoeid van de beslommeringen van den dag,
droeg nog altijd zijn gewone pak; maar de andere was in avondtoilet. En
zij hoorde, hoe hij haar man „Francis” en hoe deze hem „Johnny” noemde.
Dat, en hun intiem gesprek, overtuigde haar dat zij oude en dikke
vrienden waren.

„En vertel me nu niet, Francis,” zei de ander, „dat je al dezen tijd
door Panama gezworven hebt, zonder dat je je hart een dozijn malen aan
de senoritas verloren hebt.”

„Maar eens,” antwoordde Francis na een pauze, waarin de Koningin
opmerkte, dat hij zijn vriend onafgebroken aankeek.

„Bovendien,” ging hij na een nieuwe pauze voort, „verloor ik werkelijk
mijn hart—maar niet mijn hoofd Johnny Pathmore, o Johnny Pathmore, je
bent werkelijk een flirtende bruut, maar ik zeg je dat je nog massa’s
moet leeren. Ik verzeker je, dat ik in Panama de verrukkelijkste vrouw
ter wereld gevonden heb—een vrouw, waarvoor ik den hemel dankbaar was,
dat ik haar leerde kennen; een vrouw, waarvoor ik met vreugde gestorven
zou zijn; een vrouw, vurig, hartstochtelijk, lieftallig, edel, ja een
koninklijke vrouw.”

En de Koningin, die luisterde en de intense bezieling van zijn gelaat
zag, glimlachte trots en verrukt, want had zij niet een echtgenoot
gekregen, die tegelijkertijd een aanbidder bleef?

„En de dame—e—a—beantwoordde zij je gevoel?” waagde John Pathmore te
zeggen.

„Zij bemint mij zooals ik haar bemin—dit weet ik absoluut zeker.” Hij
stond plotseling op. „Wacht. Ik zal je haar laten zien.”

En toen hij naar de deur liep, vluchtte de Koningin, overgelukkig door
de bekentenis van haar echtgenoot, die zij afgeluisterd had, schalksch
weg om zich te verbergen in den breeden deuringang van een groot
vertrek, dat de meid haar beschreven had als de ontvangkamer, wat dat
dan ook voor een kamer mocht zijn. Met vergenoegen zich Francis’
verbazing voorstellend, wanneer hij haar niet in bed vond, keek ze hem
na toen hij de breede, marmeren trap opliep. Enkele minuten later kwam
hij terug. Met een lichte huivering merkte zij, dat hij niet de minste
verbazing toonde, dat hij haar niet gevonden had. In zijn hand droeg
hij een rol dun, wit karton. Niet rechts of links ziende, liep hij de
bibliotheek weer in.

Naar binnen glurend, zag ze hem de rol losmaken, die voor Johnny
Pathmore neerleggen en hoorde hem zeggen:

„Oordeel zelf. Daar heb je ze.”

„Maar waarom zet je daarbij zoo’n doodbiddersgezicht, ouwe kerel?”
vroeg Johnny Pathmore, na langen tijd het portret bekeken te hebben.

„Omdat we elkander te laat ontmoetten. Ik was genoodzaakt een andere te
trouwen. En ik verliet haar voor altijd, enkele uren vóór ze de vrouw
werd van een ander, welk huwelijk al vastgesteld was, voor een van ons
beiden wist, dat de ander bestond. En je moet weten, dat de vrouw, die
ik trouwde, een goede en prachtige vrouw is. Zij zal altijd mijn
toewijding bezitten. Maar, helaas, mijn hart kan ik haar nooit geven.”

Na een oogenblik van groote afgetrokkenheid, begon de Koningin de
geheele waarheid te begrijpen. Haar gebalde handen tegen haar hart
gedrukt, bezweek ze bijna onder de duizeling, die haar beving. Ofschoon
er nog verder gesproken werd in de bibliotheek, verstond zij geen woord
meer, terwijl ze haar best deed om zich te beheerschen, wat haar eerst
langzaam gelukte. Eindelijk wankelde ze met ingetrokken schouders, een
arm, droef schaduwbeeld van de schitterende vrouw en echtgenoote, die
zij nog slechts enkele minuten geleden was, door de hall en sleepte
zich langzaam, als in een nachtmerrie, de trap op. In haar kamer
gekomen, verloor ze al haar zelfbeheersching. Francis’ ring werd van
haar vinger getrokken en vertrapt. Haar boudoir-mutsje en haar
schildpadden haarspelden deelden in de algemeene verwoesting onder haar
voeten. Stuiptrekkend, sidderend en in zich zelf mompelend, wierp ze
zich wanhopig op haar bed en slaagde er enkel in om, in een extase van
verdriet, zich volkomen kalm te houden, toen Francis, op weg naar bed,
even om het hoekje in haar kamer keek.

Zij gaf hem een uur, dat haar duizend eeuwen toescheen, tijd om in
slaap te komen. Toen stond ze op, nam de ruwe, met juweelen bezette
ponjaard, die haar eigendom geweest was in het dal der Verloren Zielen
in de hand en liep zachtjes, op haar teenen, naar zijn kamer. Daar op
de tafel stond het groote portret van Leoncia. Niet wetend wat te doen,
den ponjaard omklemmend tot zij kramp kreeg in haar handpalm en
vingers, weifelde zij tusschen haar echtgenoot en Leoncia. Eenmaal,
vlak naast zijn bed, hief zij haar hand op om toe te stooten, maar de
opwellende tranen in haar brandende oogen verduisterden haar blik,
zoodat de hand met den ponjaard naar beneden zakte, terwijl zij
hoorbaar snikte.

Zich oprichtend en van besluit veranderend, liep ze naar de tafel. Een
gereedliggende bloc-note en potlood trokken haar aandacht. Zij
krabbelde een paar woorden, scheurde het blaadje af en legde dit op het
gelaat van Leoncia, dat plat op de oppervlakte van het gepolijste hout
lag. Vervolgens, nagelde zij, met een vasten stoot van den ponjaard,
het briefje vast op het portret tusschen Leoncia’s oogen, zoodat de
punt van het lemmet in het hout drong en het gevest trillend rechtop
bleef staan.








HOOFDSTUK XXV.


Ondertusschen waren, evenals de verschillende gebeurtenissen in
New-York, waar Regan krachtig voortging met zijn reusachtigen aanval op
al de fondsen van Francis, terwijl Francis en Bascom tevergeefs zijn
identiteit trachtten vast te stellen, ook in Panama gebeurtenissen in
werking, die Leoncia en de Solanos omvatten, Torres en den Chef van
Politie en, om de belangrijkste niet te vergeten, Yi Poon, de dikke
Chinees met het vollemaansgezicht. De kleine, oude rechter, die het
werktuig was van den Chef, zat te slapen in het gerechtshof te San
Antonio. Hij had rustig twee uren geslapen, nu en dan met zijn hoofd
knikkend en iets mompelend, ofschoon het een ernstige zaak was, waarop
twintig jaren in San Juan stond, waar de sterkste het niet langer dan
tien jaar kon uithouden. Maar de rechter hoefde geen rekening te houden
met bewijzen of pleidooi. Voor de zaak afgeroepen werd, waren
beslissing en vonnis reeds bepaald, hem ingeblazen door den Chef. De
advokaat van den gevangene eindigde zijn oppervlakkig pleidooi, de
klerk bij het gerechtshof snoot zijn neus en de rechter werd wakker.
Hij keek opgewekt rond en sprak:

„Schuldig.”

Niemand verwonderde zich, zelfs de gevangene niet.

„Morgen vroeg verschijnen voor het vonnis.—Volgende zaak.”

Na dit bevel, maakte de rechter aanstalten om een nieuw dutje te gaan
doen, toen hij Torres en den Chef het gerechtshof zag binnentreden. Een
glinstering in de oogen van den Chef zei hem wat hij doen moest en
oogenblikkelijk hief hij de gerechtszitting op tot den volgenden dag.

„Ik ben bij Rodriguez Fernandez geweest,” legde de Chef vijf minuten
later in de leege gerechtszaal uit. „Hij zegt, dat het een ruwe
edelsteen was en dat veel verloren zou gaan door het slijpen, maar dat
hij er toch nog vijfhonderd dollars goudgeld voor wilde geven.—Laat hem
den rechter eens zien, Senor Torres, en de overige handvol groote
steenen.”

En Torres begon te liegen. Hij moest liegen, omdat hij de schande niet
wilde bekennen, dat de juweelen hem door de Solanos en de Morgans
ontnomen waren, toen ze hem de haciënda uitgooiden. En hij loog met
zoo’n overtuiging, dat hij zelfs den Chef overtuigde, terwijl de
rechter, behalve waar het de kwaliteiten van sterken drank betrof,
alles accepteerde, wat de Chef hem wilde doen gelooven. In het kort,
ontdaan van de talrijke bijzonderheden, die Torres er doorheen vlocht,
kwam zijn verhaal hier op neer, dat hij zoo overtuigd was, dat de
juwelier de juweelen te laag schatte, dat hij ze door een specialen
boodschapper naar zijn agent in Colon gezonden had, met instructies om
in connectie te treden met Tiffany in New-York om ze te laten taxeeren
en eventueel te verkoopen.

Toen ze de gerechtszaal verlieten en de trappen afgingen, die
geflankeerd werden door afzonderlijke pilaren, die de merkteekenen
droegen van kogelschoten van vroegere revoluties, zei de Chef:

„En daar wij de bescherming der wet noodig hebben bij onzen
avontuurlijken onderzoekingstocht naar deze juweelen en, nog meer,
omdat we beiden onzen goeden vriend, den rechter, gaarne mogen lijden,
zullen we hem een klein aandeel geven in hetgeen we winnen. Hij zal ons
vertegenwoordigen in San Antonio gedurende onze afwezigheid en, zoo
noodig, ons de bescherming der wet verleenen.” Nu wilde het toeval, dat
achter een der pilaren Yi Poon half-gehurkt zat, met zijn hoed in de
oogen getrokken. Ook was het niet enkel toeval, dat hij daar zat. Reeds
lang had hij geleerd, dat waardevolle geheimen, die altijd gepaard gaan
met menschelijke zorgen, bijzonder veel te vinden zijn in de buurt der
gerechtshoven, die het brandpunt vormen van dergelijke moeilijkheden.
Men kon het nooit van tevoren zeggen. Ieder oogenblik kon zoo’n geheim
iemand ontvallen of aan een ander oververteld worden. Daarom beschouwde
Yi Poon zich als een visscher, die zijn lijn uitwierp in zee, wanneer
hij zat te luisteren naar den verdediger en den beschuldigde, de
getuigen en de getuigen à décharge, en zelfs het aanhangsel der
gerechtshoven, den oogenschijnlijk toevalligen toeschouwer.

Zoo was dezen morgen, de eenige veelbelovende persoon, dien Yi Poon er
uit gepikt had, een ouden, in lompen gekleeden inlander, die er uitzag
alsof hij teveel had gedronken en nu, in dezen toestand van reactie,
zou bezwijken, als hij niet onmiddellijk weer wat te drinken kreeg.
Zijn oogen waren met bloed beloopen en hadden roode randen, terwijl er
in zijn verwilderde en verweerde trekken een wanhopig besluit te lezen
stond. Toen het gerechtshof leeggeloopen was, had hij zijn plaats
gekozen buiten op de trappen, dicht bij een pilaar.

En waarom? Yi Poon vroeg dit zich zelf af. Daar binnen bleven enkel de
drie voornaamste mannen van San Antonio over—de Chef, Torres en de
Rechter. Welk verband bestond er tusschen hen, of een van hen en den
dronkelap, die bibberde, alsof hij verkleumde in de gloeiende hitte der
loodrechte zonnestralen? Yi Poon wist het niet, maar hij wist, dat het
wel de moeite zou loonen om zijn kans, al liet die nog zoo lang op zich
wachten, waar te nemen om dit te weten te komen. Daarom zat hij
droomerig, als de verpersoonlijking van iemand, die rustig een zonnebad
neemt, op de trappen achter den pilaar, waar geen streepje schaduw hem
beschutte voor de gloeiende zon, die hij zoozeer verfoeide. De oude
inlander deed wankelend een stap vooruit, zwaaide alsof hij zou
neerslaan, maar slaagde er toch in om Torres van zijn metgezellen te
scheiden, die een twaalf passen verder op straat op hem wachtten, waar
ze ongedurig en trippelend, alsof ze op heete kolen stonden, maar in
een ernstig gesprek verdiept bleven staan. En er ontging Yi Poon geen
woord of gebaar, geen glinstering in de oogen of een veranderde trek in
het gelaat van het tweetal, onder het gesprek, dat plaats had tusschen
den grooten Torres en het wrak van een inlander.

„Wat nu weer?” vroeg Torres barsch.

„Geld, om godswil een beetje geld, senor, een klein beetje geld,”
jammerde de oude inlander.

„Je hebt je geld gehad,” snauwde Torres. „Toen ik wegging, gaf ik je
het dubbele bedrag om tweemaal zoo lang van je af te zijn. In de eerste
twee weken heb je geen centavo tegoed.”

„Ik heb schuld,” jammerde de oude man, terwijl zijn heele lichaam
sidderde en trilde door de zenuwverstorende werking van den drank, dien
hij blijkbaar nog zoo kort geleden gebruikt had.

„Op de lei in de Peter- en Pauls-herberg,” zei Torres hoonend, zijn
onfeilbare diagnose stellend.

„Op de lei in de Peter- en Pauls-herberg,” was de openhartige
bekentenis. „En de lei is vol. Ik kan geen drank meer krijgen zonder
betalen. Ik ben een ellendige en lijd duizend folteringen zonder mijn
kruidenbier.”

„Je bent een onredelijk zwijn!”

Een vreemde waardigheid en een wijsheid, die alle wijsheid te boven
gaat, scheen plotseling het oude wrak te bezielen, toen hij zich recht
oprichtte, een oogenblik ophield met beven, en ernstig sprak:

„Ik ben oud. Er is geen levenskracht meer overgebleven in mijn hart en
mijn aderen. De wenschen mijner jeugd zijn vervlogen. Met dit gebroken
lichaam kan ik niet eens meer werken, ofschoon ik heel goed weet, dat
arbeid verlichting en vergetelheid schenkt. Ik kan zelfs niet arbeiden
en vergeten. Voedsel walgt mij als ik het in den mond steek en pijnigt
mijn ingewanden. Vrouwen—zij zijn een pest en het is een ergernis te
denken, dat men haar ooit begeerd heeft. Kinderen—ik heb mijn laatste
twaalf jaar geleden begraven. Godsdienst—maakt mij bang. Dood—zelfs
slapend verlaat mij de angst daarvoor niet. Drank—o, goede God! dat is
de eenige prikkeling en het eenige levensgenot, dat mij overblijft!

„Wat doet het er toe of ik teveel drink? Dat komt omdat ik veel te
vergeten heb en niet veel tijd meer over om in de zon te luieren eer de
Duisternis, voor eeuwig de zon voor mijn oude oogen uitdooft.”

Ontoegankelijk voor de filosophie van den ouden man, maakte Torres een
ongeduldige, dreigende beweging om verder te gaan.

„Een paar pesos, maar een handvol pesos,” smeekte de oude inlander.

„Geen centavo,” zei Torres beslist.

„Heel goed,” zei de oude man even beslist.

„Wat bedoel je daarmee?” knarste Torres, in wien snel een vermoeden
oprees.

„Heb je dat vergeten?” was het antwoord, dat met zoo’n
veelbeteekenenden nadruk gegeven werd, dat Yi Poon zich er over
verwonderde, om welke reden Torres den inlander een soort pensioen of
lijfrente gaf.

„Ik betaal je, volgens onze overeenkomst, om te vergeten,” sprak
Torres.

„Ik zal nooit vergeten, hoe mijn oude oogen zagen, dat je Senor Alfaro
Solano in den rug stak,” antwoordde de inlander.

Ofschoon hij zich, in onbeweeglijke rust, verborgen achter den pilaar
bleef zitten, ging Yi Poon, figuurlijk gesproken, recht zitten. De
Solanos waren menschen van aanzien en rijkdom. Dat Torres een hunner
vermoord zou hebben, was werkelijk een kostbaar geheim.

„Beest! Onredelijk zwijn! Smerig dier!” Torres’ handen balden zich van
woede. „Omdat ik goed voor je ben, behandel je mij aldus! Als je nog
eens je tong durft roeren, zal ik je naar San Juan zenden. Je weet, wat
dat zeggen wil. Niet alleen zal je slapen in angst voor den dood, maar
als je wakker bent, zal je geen oogenblik bevrijd zijn van den angst
voor het leven, als je staart op de gieren, die zeker en binnenkort het
vleesch van je beenderen zullen scheuren. En er zal geen kruidenbier
zijn in San Juan. Er is nooit een druppel kruidenbier in San Juan voor
de menschen, die ik daarheen zend. Zoo? Hé? Ik dacht het wel. Je wilt
dus twee weken wachten, tot het weer de tijd is, waarop ik je het geld
geef. Als je niet wacht zal je nooit meer kruidenbier drinken vóór je
in de magen der gieren belandt.”

Torres draaide zich op zijn hielen om en was verdwenen. Yi Poon keek
hem na toen hij met zijn beide metgezellen de straat uit liep, kwam
achter den pilaar uit om den ouden inlander te vinden, die in elkaar
gezakt was uit teleurstelling van nu heelemaal geen drank te krijgen,
en die kreunde en kermde en scherpe gilletjes uitstootte, terwijl zijn
lichaam sidderde als het lichaam van een stervend dier in zijn laatste
stuiptrekkingen, en zijn vingers aan zijn huid en kleeren plukten,
alsof hij er duizendpooten aftrok. Yi Poon ging naast hem zitten en
begon op eigen gelegenheid met een opmerkelijke bezigheid. Gouden en
zilveren munten uit zijn zak halend, begon hij deze te tellen en liet
het geld rammelen en rinkelen, met zoo’n zoeten, zachten klank, dat het
in de verdoofde ooren van den inlander klonk als het kabbelend,
klaterend geluid van fonteinen vol sterken drank.

„Wij zijn verstandig,” vertelde Yi Poon hem in hoogdravend Spaansch,
terwijl hij aldoor het geld liet rinkelen en de inlander huilde en
jammerde om de paar centavos, die noodig waren voor een borrel. „Wij
zijn verstandig, jij en ik, oude man, en we zullen hier gaan zitten en
elkander vertellen, wat we weten van mannen en vrouwen, van leven en
liefde, van vrees en plotselingen dood, van de woede, die het hart in
vuur zet en het staal, dat bitter koud in den rug dringt; en als je mij
vertelt, wat ik gaarne hooren wil, dan zal je kruidenbier drinken tot
het je ooren uitloopt en je oogen er in verdrinken. Je houdt van dat
kruidenbier, hé? Je zoudt nu graag een borrel hebben, nu, spoedig, heel
gauw?”



De nacht, waarin de Chef van Politie en Torres hun expeditie
voorbereidden onder bescherming der duisternis, zou voor de
Solano-haciënda een zeer gewichtige worden. Het begon al vroeg. Toen
het diner afgeloopen was, zat de familie, waartoe ook Henry, als
broeder van Leoncia, gerekend werd, op de ruime veranda voor het huis
hun koffie te drinken en hun cigaretten te rooken. In het maanlicht
zagen zij op de trap een zonderlinge gedaante naderkomen.

„Het lijkt wel een spook,” zei Alvarado Solano.

„Dan toch een vet spook,” merkte Martinez, zijn tweelingbroeder op.

„Een Chineesch spook, waar je je vinger niet doorheen kunt steken,”
lachte Ricardo.

„Dezelfde Chinees, die Leoncia en mij voor een huwelijk behoedde,” zei
Henry Morgan, hem herkennend.

„De geheimenkoopman,” lachte Leoncia. „En als hij niet met een nieuw
geheim komt aanzetten, zal het mij erg tegenvallen.”

„Wat wil je van ons, Chinees?” vroeg Alesandro, de oudste der
gebroeders Solano, op scherpen toon.

„Mooi nieuw geheim, heel mooi nieuw geheim misschien koopen,” mompelde
Yi Poon trotsch.

„Je bent te duur met je geheimen, Chinees,” zei Enrico niet zeer
bemoedigend.

„Dit mooie nieuwe geheim zeer duur,” verzekerde Yi Poon hem
vriendelijk.

„Maak, dat je wegkomt,” beval de oude Enrico. „Ik hoop nog lang te
leven, maar tot aan den dag van mijn dood verlang ik geen geheimen meer
te hooren.”

Maar Yi Poon was heel zeker van zijn zaak.

„Op zekeren dag hadt gij een zeer knappen broeder,” sprak hij. „Op
zekeren dag uw zeer knappe broeder, Senor Alfaro Solano, sterft met mes
in zijn rug. Mooi. Een geheim, niet?”

Maar Enrico was al bevend overeind gesprongen.

„Je weet?” gilde hij bijna zijn vraag uit.

„Hoeveel?” zei Yi Poon.

„Al, wat ik bezit!” riep Enrico, maar keerde zich tot Alesandro, om er
bij te voegen: „Handel jij met hem, mijn zoon. Betaal hem goed, als hij
het door een ooggetuige kan bevestigen.”

„Gij kunt er van op aan,” sprak Yi Poon. „Ik heb een getuige. Hij goede
oogen gekregen. Hij ziet man steken mes in Senor Alfaro’s rug in het
donker. Zijn naam...”

„Ja, ja,” hijgde Enrico vol verlangen.

„Duizend dollars voor zijn naam,” zei Yi Poon, aarzelend welk soort van
dollars hij zou durven vragen. „Duizend dollars goudgeld,” besloot hij.

Enrico vergat, dat hij de onderhandeling overgedragen had aan zijn
oudsten zoon.

„Waar is je getuige?” schreeuwde hij.

En Yi Poon, zachtjes iets naar beneden roepend, in de richting van het
kreupelhout, ontbood den, door den drank verwoesten, inlander, die als
een echt spook langzaam naderkwam en de trappen opwankelde.



Op denzelfden tijd bewaakten, aan het uiteinde der stad, twintig
ruiters, waaronder de gendarmes Rafaël, Ignacio, Augustino en Vicente,
een karavaan van ruim twintig muilezels en wachtten op het bevel van
den Chef van Politie om te vertrekken voor, zij wisten niet welk
geheimzinnig avontuur, in de Cordilleras. Wat ze wel wisten, was dat,
zorgvuldig gescheiden gehouden van al de overige dieren, een sterk,
groot muildier stond beladen met tweehonderdvijftig pond dynamiet. Ook
wisten ze, dat het oponthoud veroorzaakt werd door Senor Torres, die
langs het strand was weggereden met den gevreesden Caroo-moordenaar,
José Mancheno, die, dank zij de gratie Gods en van den Chef van
Politie, er al jarenlang voor gespaard was gebleven, om op het schavot
zijn talrijke vergrijpen tegen leven en wet te boeten.

En terwijl Torres op het strand wachtte en het paard van den Caroo en
nog een ander vasthield, liep de Caroo te voet den slingerenden weg op,
die naar de haciënda der Solanos leidde. Weinig vermoedde Torres, dat
op twintig voet afstand, in de jungle, die langs het strand liep, een
rustig slapende, dronken, oude inlander lag en gehurkt naast hem een
zeer heldere en zeer nuchtere Chinees zat, met een, pas verworven,
bedrag van duizend dollars in zijn gordel. Yi Poon had nauwelijks tijd
gehad om den inlander in dezen schuilhoek te slepen, toen Torres over
het zand voorbijreed en bijna vlak naast hem stilhield.

Op de haciënda waren alle leden der huishouding op weg naar bed.
Leoncia, die juist haar haren los ging maken, hield op, toen ze kleine
keisteentjes tegen haar raam hoorde kletteren. Met een zacht
gefluisterde waarschuwing om geen leven te maken, overhandigde José
Mancheno haar een verkreukeld briefje, dat Torres geschreven had, met
de geheimzinnige woorden:

„Van een vreemden Chinees, die geen honderd voet hier vandaan op den
zoom van het kreupelhout wacht.”

En Leoncia las, in afschuwelijk Spaansch:

„Eerste keer, ik vertel u geheim over Henry Morgan. Nu ik heb geheim
over Francis. Kom mee en praat nu met mij.”

Leoncia’s hart sprong op van vreugde toen ze den naam van Francis las
en toen ze een mantel omsloeg en met den Caroo meeging, kwam het geen
oogenblik in haar op, om er aan te twijfelen, dat Yi Poon op haar stond
te wachten.

En Yi Poon, die beneden op het strand Torres bespiedde, twijfelde geen
oogenblik, toen hij den Caroo-moordenaar zag verschijnen met de
senorita Solano, gebonden en met een prop in den mond, als een meelzak
over zijn schouder geslagen. Ook betwijfelde Yi Poon geen oogenblik
zijn volgende handeling, want hij zag hoe Leoncia werd vastgebonden in
het zadel van het derde paard en in galop meegevoerd over het strand,
terwijl Torres en de Caroo ieder aan een kant van haar reden. De
Chinees liet den dronken inlander slapen en liep zoo snel den weg tegen
den heuvel op, dat hij ademloos op de haciënda aankwam. Niet alleen
tevreden met op de deur te kloppen, sloeg hij er met zijn vuisten en
voeten tegen en bad zijn Chineesche goden, dat geen kortaangebonden
Solano hem een kogel zou geven, voor hij zijn dringende boodschap kon
overbrengen.

„Loop naar den duivel,” zei Alesandro, toen hij de deur geopend had en
het licht viel op het gelaat van den lastigen bezoeker.

„Ik heb groot geheim,” hijgde Yi Poon. „Zeer groot, splinternieuw
geheim.”

„Kom morgenvroeg maar eens op een fatsoenlijker uur terug,” bromde
Alesandro, toen hij zich gereed maakte om den Chinees van de deur te
trappen.

„Ik verkoop niet geheim,” stamelde en hijgde Yi Poon. „Ik geef het
present. Ik geef nu geheim. De senorita, uw zuster, is gestolen. Zij is
gebonden op een paard, dat hard loopt over het strand.”

Maar Alesandro, die Leoncia nog geen half uur geleden goedennacht had
gezegd, lachte luid en ongeloovig en wilde den geheimenkoopman weer een
schop toedienen. Yi Poon was wanhopig. Hij haalde de duizend dollars te
voorschijn en legde ze in Alesandro’s hand, zeggende:

„Gij gauw gaan kijken. Als de senorita nu in dit huis is, gij houdt al
dat geld. Als de senorita er niet is, gij geeft geld terug...”

En Alesandro was overtuigd. Een minuut later wekte hij het heele huis.
Vijf minuten later waren de paardenjongens, hun oogen nauwelijks open
door hun diepen slaap, in de kralen paarden en muilezels aan het vangen
en opzadelen, terwijl de familie Solano rijkleeren aantrok en zich van
wapens voorzag.



Op en neer langs de kust en op de verschillende paden, die terug
leidden naar de Cordilleras, verspreidden de Solanos zich, in het
donker blindelings zoekend naar het spoor der ontvoerders. Of het
toeval het zoo wilde, kreeg Henry, dertig uur later, alleen het spoor
te pakken en volgde het, zoodat hij, gekampeerd in dezelfde voetstap
van God, waar de oude Maya-priester het eerst de oogen van Chia gezien
had, het heele gezelschap van twintig mannen en Leoncia aantrof, die
het ontbijt gereedmaakten en nuttigden. Twintig tegen een, wat nooit
eerlijk en altijd iets onmogelijks is, maakte geen indruk op Henry
Morgan’s Angel-Saksischen geest. Wat wel indruk maakte was het, met
dynamiet beladen muildier, dat afgezonderd stond van de ruim veertig
afgezadelde dieren en daar door de zorgelooze inlanders achtergelaten
was, met de lading nog altijd op zijn rug. In plaats van de beslist
onmogelijke poging te wagen om Leoncia te bevrijden en begrijpend dat
het groote getal der mannen haar vrouwelijke veiligheid verzekerde,
stal hij het muildier met de dynamiet.

Hij nam het niet ver mee. In de beschutting van het lage hout, opende
hij het pak en vulde al zijn zakken met dynamietpatronen, een doos met
detonators en een stuk lont. Met een spijtigen blik op de rest van het
dynamiet, dat hij gaarne zou hebben laten ontploffen, maar wat hij niet
aandurfde, bepaalde hij den weg, dien hij zou moeten nemen, wanneer hij
slaagde, om Leoncia aan haar ontvoerders te ontfutselen. Zooals
Francis, bij een vroegere gelegenheid te Juchitan, den weg bezaaid had
met zilveren dollars, zoo bezaaide Henry ditmaal den weg met dynamiet,
de patronen in kleine hoopjes en de lonten, niet langer dan de lengte
van een detonator, met een detonator aan ieder einde.



Drie uren sloop Henry om het kamp in den voetstap van den God, eer hij
gelegenheid kreeg om Leoncia van zijn tegenwoordigheid op de hoogte te
brengen; en nog twee kostbare uren gingen verloren, eer zij de kans
schoon zag, om naar hem toe te sluipen. Wat niet zoo erg geweest was,
wanneer haar vlucht niet bijna onmiddellijk ontdekt was en de gendarmes
en de rest van Torres’ gezelschap, allen bereden, hen, die te voet
waren, niet dadelijk hadden kunnen inhalen.

Toen Henry Leoncia neertrok om zich naast hem achter een beschuttende
rots te verbergen en tegelijkertijd zijn geweer aanlegde, protesteerde
zij.

„We hebben niet de minste kans, Henry,” zei ze. „Zij zijn te talrijk.
Als je vecht, wordt je beslist gedood. En wat zal er dan van mij
worden? ’t Is beter, dat je zelf ziet te ontsnappen en hulp haalt,
terwijl ze mij opnieuw gevangen nemen, dan dat je sterft en ik toch
weer gevangen genomen word.”

Maar hij schudde zijn hoofd.

„Ze zullen ons niet gevangennemen, liefste zuster. Vertrouw op mij en
wacht. Daar komen ze. Nu moet je kijken.”

Op verschillende rijdieren, paarden en pakdieren—zooals zij ze in hun
haast gegrepen hadden—verschenen Torres, de Chef en hun mannen in het
gezicht. Henry mikte, niet op hen, maar op een, iets dichter bijgelegen
plek, waar hij zijn eerste lading dynamiet had neergelegd. Toen hij den
trekker overhaalde, verhief zich in de tusschenruimte een wolk rook en
aarde, die hen belette om iets te zien. Toen de wolk langzaam optrok,
zagen ze hen, de helft der dieren en mannen omvergeworpen en allemaal
versuft en verschrikt door de ontploffing.

Henry greep Leoncia’s hand, trok haar overeind en holde zij aan zij met
haar voort. Op behoorlijken afstand achter zijn tweede zaaisel, trok
hij haar naast zich neer om te rusten en op adem te komen.

„Ze zullen nu niet zoo snel naderkomen,” siste hij juichend. „En hoe
langer zij ons vervolgen, hoe langzamer ze zullen vorderen.”

Overeenkomstig zijn voorspelling, bewogen de vervolgers zich, toen ze
in het gezicht kwamen, zeer voorzichtig en zeer langzaam.

„Eigenlijk moesten ze gedood worden,” zei Henry. „Maar ze hebben niet
de minste kans en ik heb den moed niet om het te doen. Maar ik zal ze
toch een beetje aan het schrikken maken.”

Weer schoot hij in het uitgezaaide dynamiet en weer vluchtte hij, de
verwarring den rug toekeerend, achter zijn derde zaaisel.

Nadat hij de derde ontploffing teweeggebracht had, rende hij met
Leoncia naar zijn vastgebonden paard, hief haar in het zadel en rende
naast haar voort, zich aan haar stijgbeugel vastklemmend.








HOOFDSTUK XXVI.


Francis had orders voor Parker achtergelaten om hem om acht uur te
roepen en toen Parker zachtjes binnentrad, vond hij zijn meester nog in
slaap. Nadat hij het water in de badkamer in het bad had laten loopen
en het scheergerei klaargezet had, ging de knecht de slaapkamer weer
binnen. Nog altijd zachtjes loopend, opdat zijn meester zoo lang
mogelijk zou kunnen blijven slapen, vielen Parker’s oogen op den
vreemden ponjaard, die recht overeind stond en waarvan de punt door een
briefje en een portret heen in het harde hout der tafel gedrongen was.
Langen tijd keek hij naar dit vreemde schouwspel en toen opende hij,
zonder aarzelen, voorzichtig de deur van mevrouw Morgan’s kamer en keek
naar binnen. Vervolgens schudde hij Francis flink bij den schouder.

De oogen van dezen laatsten gingen open en verrieden een oogenblik de
onbegrijpelijkheid van den pas ontwaakten slaper, maar verhelderden
toen, alles herkennend en zich het bevel herinnerend om hem te wekken,
dat hij den vorigen avond achtergelaten had.

„’t Is tijd om op te staan, mijnheer,” mompelde de knecht.

„Dat is altijd een slechte tijd,” geeuwde Francis glimlachend. Hij
sloot zijn oogen weer met een: „Laat me nog een minuut liggen, Parker.
Als ik insluimer, schud me dan wakker.”

Maar Parker schudde hem onmiddellijk.

„U moet dadelijk opstaan, mijnheer. Ik geloof, dat er iets gebeurd is
met mevrouw Morgan. Zij is niet in haar kamer en er zijn hier een
vreemd briefje en een mes, waarvan ik niets begrijp. Ik weet niet,
mijnheer...”

Francis was met één sprong uit zijn bed, staarde een oogenblik naar den
ponjaard en las vervolgens, dien er uit trekkend, het briefje nog eens
en nog eens, alsof de eenvoudige beteekenis, vervat in die paar
eenvoudige woorden, niet tot zijn begrip vermochten door te dringen.

„Adios voor eeuwig,” zei het briefje.

Wat hem nog meer trof, was de ponjaard, die tusschen Leoncia’s oogen
gestoken was en, terwijl hij staarde naar de wond, gemaakt in het dunne
karton, was het hem, alsof hij ditzelfde vroeger al gezien had en hij
herinnerde zich de meer-woning van de Koningin, toen ze allemaal
gekeken hadden in den gouden bokaal en hij Leoncia’s gelaat had gezien
op dat vreemde, vloeibare metaal, met het mes tusschen de oogen
gestoken. Hij stak zelfs den ponjaard weer terug in het karton en bleef
er naar staren.

De uitlegging ervan was duidelijk. De Koningin was van het begin af
jaloersch geweest op Leoncia en hier in New-York, het portret van haar
mededingster op de tafel in de kamer van haar echtgenoot vindend, had
dit niet minder zijn uitwerking gemist, dan zij met haar stalen punt de
gefotografeerde gelaatstrekken gemist had. Maar waar was zij? Waar was
zij heengegaan?—Zij, een vreemdelinge, zooals nooit de groote stad was
binnengetreden; die de telefoon het wonder der vliegende spraak noemde;
die Wall Street voor een tempel aanzag en Zaken beschouwde als de god
der New-Yorksche mannen. Zij was even onwetend en onnoozel omtrent een
groote stad alsof ze een bewoner van Mars geweest ware. Waar en hoe had
zij den nacht doorgebracht? Waar was zij nu? Was ze nog wel in leven?

Visioenen van de Morgue met zijn onbekende dooden en van lichamen, die
met de eb naar zee dreven, vlogen door zijn brein. Het was Parker, die
hem weer tot zich zelf bracht.

„Is er iets, dat ik voor u doen kan, mijnheer? Zal ik het
detectivebureau opbellen? Uw vader zei altijd...”

„Ja, ja,” viel Francis hem snel in de rede. „Er was een man, dien hij
meer gebruikte dan al de anderen, een jongeman bij de
Pinkertons—herinner je je zijn naam?”

„Birchman, mijnheer,” antwoordde Parker prompt, wegloopend. „Ik zal een
boodschap zenden, dat hij dadelijk komt.”

En hiermee, met het onderzoek naar zijn vrouw, werd Francis verwikkeld
in een reeks avonturen, die hem, den geboren New-Yorker, een duidelijk
beeld gaven omtrent toestanden en verwikkelingen in New-York, waarvan
hij, tot op dat oogenblik, niet het minste geweten had. Niet alleen
zocht Birchman, maar een twintigtal detectives werkten onder hem, die
als met een fijne kam de stad afliepen, terwijl in Chicago en Boston,
de werkzaamheden van dergelijke menschen door hem geleid werden.

Francis’ bestaan was allesbehalve eentonig, verdeeld als het was door
zijn strijd met den ongekenden vijand van Wall Street en de herhaalde
oproepingen om hier en daar en overal heen te gaan, om, naar aanleiding
van een nieuw spoor, de identiteit vast te stellen van wat misschien
zijn vrouw kon zijn. Hij vergat wat een geregelde slaap was en werd er
aan gewend om van zijn lunch of diner afgeroepen te worden, of om uit
zijn bed gehaald te worden, om te beantwoorden aan spoedeischende
oproepingen om te komen en naar pasgevonden vermiste dames te kijken.
Geen spoor van iemand, die aan haar beschrijving beantwoordde en per
trein of stoomboot de stad had verlaten, werd ontdekt en Birchman zette
onvermoeid zijn nauwgezet onderzoek voort, overtuigd, dat zij zich nog
in de stad bevond.

Zoodoende maakte Francis uitstapjes naar Mattenwan en Blackwell en
bezocht de Tombs en het All-Night-gerechtshof. Evenmin ontkwam hij er
aan om naar ontelbare hospitalen en naar de Morgue gesleept te worden.
Eens werd zijn aandacht gevestigd op een pas gesnapten winkeldief, die
niet in de crimineele registers stond opgeteekend en wier identiteit
niet was vast te stellen. Hij had avonturen met geheimzinnige vrouwen,
die door Birchman’s satellieten in het nauw gedreven waren in de
achterkamers van Reines’ Hotels, en in Westzijde, in de Fifties,
verraste hij twee betrekkelijk onschuldige liefdes-idylles, tot groote
verlegenheid van iedereen, hem zelf inbegrepen.

Misschien beleefde hij wel zijn belangrijkst en meest tragisch avontuur
in het tien-millioenen-dollar-huis van Philipp January, den
Telluride-mijnkoning. De vreemde vrouw, een slanke dame, was bij de
Januarys gekomen, een week voor Francis haar zag. En, zooals zij die
geheele week gedaan had, begon zij ook nu tegen Francis op hartroerende
wijze haar handen te wringen, onophoudelijk te schreien en smeekend te
mompelen: „Otto, je vergist je. Op mijn knieën bezweer ik je, dat je
ongelijk hebt. Otto, jou en jou alleen heb ik lief. Daar is niemand
buiten jou, Otto. Er is nooit iemand anders dan jij geweest. ’t Is
alles een vreeselijke vergissing. Geloof me, Otto, geloof me, of ik
sterf...”

En tusschen dit alles door, werd de Wall Street-strijd voortgezet tegen
den, niet te ontdekken, machtigen vijand, die begonnen was met een, wat
Francis en Bascom moesten erkennen, als een noodlottigen aanval, een
strijd op leven en dood op zijn fortuin.

„Als we maar kunnen voorkomen, dat we Tampico-Petroleum in den
maalstroom moeten werpen,” bad Bascom.

„Ik verwacht mijn redding juist van Tampico-Petroleum,” antwoordde
Francis. „Wanneer iedere zekerheidsstelling, die ik kan geven, uitgeput
is, dan zal het inbrengen van Tampico-Petroleum gelijkstaan met de
verschijning van een nieuw leger op een hopeloos slagveld.”

„En verondersteld, dat je onbekende tegenstander machtig genoeg is om
ook die laatste, schitterende activa op te slokken en om nog meer
schreeuwt?” vroeg Bascom.

Francis trok zijn schouders op.

„Dan zal ik geruïneerd zijn. Maar mijn vader werd een half dozijn malen
geruïneerd eer hij zijn fortuin won. Bovendien werd hij doodarm
geboren. Ik hoef me over zoo’n kleinigheid niet druk te maken.”



Een tijdlang volgden de gebeurtenissen op de Solano-haciënda elkander
langzaam op. Eigenlijk waren er, na de bevrijding van Leoncia door
Henry langs zijn met dynamiet bezaaid pad, geen gebeurtenissen
voorgevallen. Zelfs Yi Poon was niet meer komen opdagen om een volkomen
frisch en fonkelnieuw geheim te koop aan te bieden. Er was niets
gebeurd, behalve dat Leoncia neerslachtig was en apathisch en dat noch
Enrico, noch Henry, haar eigen broeder, noch haar Solano-broeders, die
heelemaal geen broeders van haar waren, haar konden opvroolijken.

Maar, terwijl Leoncia neerslachtig neerzat, maakten Henry en de lange
zoons van Enrico zich ongerust en druk over den schat in het dal der
Verloren Zielen, waarheen Torres zich op dat oogenblik met dynamiet een
weg baande. Eén ding wisten zij, namelijk, dat de Torres-expeditie
Augustino en Vicente teruggezonden had naar San Antonio om nog twee
muildierladingen dynamiet te halen. Het was Henry, die na in overleg
getreden te zijn met Enrico en zijn toestemming verkregen te hebben, de
zaak met Leoncia besprak.

„Lieve zuster,” waren zijn woorden, „wij gaan naar boven, om te zien
wat die schurk van een Torres en zijn bende uitvoeren. Dank zij jou,
kennen wij hun doel. Het dynamiet moet een ingang maken in het dal. Wij
weten, waar de Dame Die Droomt haar schat liet zinken, toen haar huis
in brand stond. Torres weet dit niet. Ons idee is, dat we hen kunnen
volgen in het dal, nadat ze de Maya-kelders hebben laten leegloopen en
evenveel kans hebben, zoo niet meer om beslag te leggen op die kostbare
kist met juweelen. En het voornaamste is, dat we jou graag mee zouden
nemen op die expeditie. Ik geloof, dat je er niet tegen op zoudt zien,
om dien tocht langs de onderaardsche rivier nog eens te herhalen,
wanneer we er in slaagden om zelf dien schat te bemachtigen.”

Maar Leoncia schudde droevig het hoofd.

„Neen,” zei ze, nadat hij bleef aandringen. „Ik verlang er niet naar om
het dal der Verloren Zielen ooit weer te zien en hoop er nooit meer
over te hooren spreken. Daar verloor ik Francis aan die vrouw.”

„Het was alles een vergissing, liefste zuster. Maar wie kon dit weten?
Ik niet. Jij niet. En Francis evenmin. Hij handelde als een eerlijk,
oprecht man. Niet wetend, dat jij en ik broer en zuster waren,
geloovende, dat we werkelijk verloofd waren—wat toentertijd ook het
geval was—wilde hij je mij niet ontnemen en hij maakte verdere
verleiding onmogelijk en redde ons aller leven door de Koningin te
trouwen.”

„Ik mis het eeuwigdurend gezang, van jou en Francis: „Rug aan rug, door
den grootmast gescheiden,”” mompelde ze droevig en niet zeer
toepasselijk.

Stille tranen welden op in haar oogen en rolden over haar wangen, toen
ze zich omkeerde, de trappen van de veranda afliep, het erf overstak en
doelloos den heuvel afdaalde. Voor de twintigste maal sedert ze Francis
het laatst gezien had, volgde zij denzelfden weg, naar dezelfde plek,
waar ze hem de eerste maal van de Angélique naar het strand had zien
roeien, waar ze hem mee de jungle ingesleept had om hem te redden voor
haar toornige mannelijke familieleden, tot het oogenblik, waarop ze
hem, met getrokken revolver, gekust had en hem gedwongen had om in de
boot te gaan en weg te roeien. Dit was zijn eerste bezoek geweest.

Vervolgens bedacht ze elke bijzonderheid van zijn tweede bezoek vanaf
het oogenblik, waarop zij naar haar zwemtochtje in de lagune, om de
rots heenloopend, hem had zien zitten, leunend tegen de rots, terwijl
hij zijn eerste briefje aan haar krabbelde; haar verschrikte vlucht de
jungle in, de beet in haar knie van de labarri (die ze bij vergissing
voor een vergiftige adder aangezien had) en haar botsing met Francis
toen ze terugdeinsde en bewusteloos op het zand neerviel. En, onder
haar parasol, zette ze zich neer op dezelfde plek, waar ze bewusteloos
geworden en weer bijgekomen was, om hem aanstalten te zien maken om het
gif uit de wonde te zuigen, die hij reeds opengemaakt had. Als zij zich
goed herinnerde, was het de pijn van dit openmaken geweest, wat haar
weer tot bewustzijn gebracht had.

Zij was diep verzonken in de zoete herinneringen, hoe ze hem een klap
op zijn wang gegeven had, juist toen zijn lippen haar knie naderden,
verborg blozend haar gelaat in haar handen, lachte omdat haar voet
geslapen had door zijn al te stevig tourniquet, werd wit van boosheid
toen hij haar hielp herinneren, dat zij hem beschouwde als den
moordenaar van haar oom en zij zijn aanbod afwees om het tourniquet los
te maken. Zoo diep was zij verzonken in die zoete herinneringen, die
nog zoo kort geleden gebeurd waren en nu toch door een halve eeuw van
den tegenwoordigen tijd gescheiden leken, zoo groot was de voorraad aan
voorvallen, avonturen en teedere oogenblikken daartusschen door, dat ze
niet het, op een rattenval gelijkende rijtuig, van San Antonio langs
den strandweg zag rijden. Evenmin zag ze hoe een dame, zeer modieus
gekleed, ten bewijze dat ze uit New-York kwam, uit het rijtuig stapte
en haar te voet naderde. De dame, die niemand anders was dan de
Koningin, Francis’ vrouw, beschermde zich ook door een parasol tegen de
tropische zon.

Vlak achter Leoncia staande, merkte zij niet, dat zij het meisje
verrast had in een oogenblik, waarop ze afstand deed van alles, wat
haar lief was. Alles, wat ze wist, was, dat ze Leoncia een klein
portret uit haar blouse zag halen en er lang naar kijken. Over haar
schouder heenkijkend, zag de Koningin, dat het een kiekje van Francis
was, waarop haar dolzinnige jaloerschheid opnieuw losbarstte. Een
ponjaard vloog in haar hand uit de scheede, die zij vóór in haar japon
gestoken had. Deze snelle beweging was voldoende om Leoncia te
waarschuwen, die haar parasol wegnam om te kijken, wie het was, die
achter haar rug stond. Te droevig gestemd om zich ook maar even
verbaasd te voelen, begroette zij de vrouw van Francis Morgan, alsof
deze haar eerst een uur geleden verlaten had. Zelfs de ponjaard
vermocht haar verwondering of vrees niet op te wekken. Misschien,
wanneer ze zich verwonderd of bevreesd had getoond, zou de Koningin het
staal wel in haar lichaam gedreven hebben. Zooals de zaken nu stonden,
kon ze alleen uitroepen:

„Je bent een slechte vrouw! Een slechte, slechte vrouw!”

Waarop Leoncia enkel haar schouders optrok en zei:

„Zou je niet liever je parasol tusschen jou en de zon houden?”

De Koningin liep om haar heen, zoodat ze voor haar kwam te staan, en
keek op haar neer met een vrouwelijke woede, vermengd met een jaloezie,
die haar sprakeloos maakten.

„Waarom?” Leoncia was de eerste die sprak, na een lange pauze.

„Waarom ben ik een slechte vrouw?”

„Omdat je een dief bent,” barstte de Koningin los. „Omdat je mannen
steelt, terwijl je zelf getrouwd bent. Omdat je je echtgenoot ontrouw
bent—tenminste in je hart, omdat het tot dusverre in ander opzicht
onmogelijk was.”

„Je aanstaande echtgenoot dan—ik dacht, dat je zoudt trouwen op den dag
na ons vertrek.”

„Ik heb geen aanstaande echtgenoot,” vervolgde Leoncia even kalm.

De spieren der andere vrouw spanden zich zoo plotseling, dat Leoncia
een oogenblik aan een tijgerin dacht.

„Henry Morgan!” riep de Koningin.

„Hij is mijn broeder.”

„Een woord, dat ik heb leeren kennen als van ruime beteekenis, Leoncia
Solano. In New-York zijn er aanbidders van zekere altaren, die alle
mannen in de wereld, broeders en alle vrouwen, zusters noemen.”

„Zijn vader was ook mijn vader,” verklaarde Leoncia kalm en duidelijk.
„Zijn moeder was ook mijn moeder. Wij zijn eigen broer en zuster.”

„En Francis?” vroeg de andere, nu overtuigd, met plotseling toenemende
belangstelling. „Ben je ook zijn zuster?”

Leoncia schudde het hoofd.

„Dan heb je Francis lief!” beschuldigde de Koningin, pijnlijk
teleurgesteld.

„Jij hebt hem,” zei Leoncia.

„Neen; want jij hebt hem mij ontroofd.”

Leoncia schudde langzaam en droevig het hoofd en keek bedroefd uit over
de gloeiende, schitterende oppervlakte der Chiriqui-Lagune. Na een
lange stilte, sprak ze droef: „Je mag het gelooven. Geloof, wat je
wilt.”

„Ik vermoedde het al van het eerste oogenblik af,” riep de Koningin.
„Je hebt een eigenaardige macht over de mannen. Ik ben geen leelijke
vrouw. Sinds ik in de wijde wereld geweest ben, heb ik mannenoogen op
mij gevestigd gezien. Ik weet, dat ik niet heelemaal onaantrekkelijk
ben. Zelfs de ellendige mannelijke Verloren Zielen hebben met
neergeslagen oogen in liefde naar mij opgezien. Een durfde meer dan
kijken en hij stierf voor mij, of om mij, en werd in den maalstroom
geworpen, om daar zijn straf te vinden. En toch oefen jij, met je
vrouwelijke macht, zoo’n vreemde aantrekkingskracht uit over mijn
Francis, dat hij, zelfs in mijn armen, nog aan jou denkt. Ik weet het.
Ik weet, dat hij zelfs dan nog aan je denkt!”

Haar laatste woorden waren de noodkreet van een hartstochtelijk en
bezwijkend hart. En het volgend oogenblik, ofschoon Leoncia er zich
niet erg over verwonderde, te apathisch om zich over iets te
verwonderen, liet de Koningin haar mes in het zand vallen en zonk
ineen, begroef haar gelaat in haar handen en gaf zich over aan de
uitbarsting van een hysterisch verdriet. Bijna zonder het te weten en
heelemaal machinaal, sloeg Leoncia haar arm om haar heen en trachtte
haar tot bedaren te brengen. Dit duurde verscheidene minuten, waarop de
Koningin, kalmer wordend, plotseling vastberaden sprak:

„Ik verliet Francis op het oogenblik, waarop ik overtuigd was, dat hij
je liefhad,” zei ze. „Ik stak mijn dolk in jouw portret, dat in zijn
slaapkamer staat en kwam hierheen om ditzelfde in jouw lichaam te doen.
Maar ik had ongelijk. Jij kunt er niets aan doen, en Francis evenmin.
Het is mijn schuld, dat ik zijn liefde niet heb kunnen winnen. Niet
jij, maar ik moet sterven. Maar eerst moet ik teruggaan naar mijn dal
en mijn schat weer opzoeken. In de tempel, die Wall Street heet,
verkeert Francis in groote moeilijkheden. Het is mogelijk, dat zijn
fortuin hem ontnomen wordt, en hij heeft een ander fortuin noodig om
het zijne te redden. Ik bezit dat fortuin en er is geen tijd te
verliezen. Wil jij en je familie mij helpen? Het is terwille van
Francis.”








HOOFDSTUK XXVII.


Zoodoende kon het gebeuren, dat het dal der Verloren Zielen langs
onderaardsche wegen van twee verschillende richtingen binnengedrongen
werd door twee partijen schatgravers. Van de eene zijde naderden snel
de Koningin en Leoncia, Henry Morgan en de Solanos. Veel langzamer,
ofschoon ze veel eer vertrokken waren, vorderden Torres en de Chef. De
eerste aanval op den berg was het moeilijkst geweest. Om een opening te
maken naar de Maya-kelders had meer dynamiet gekost, dan ze
oorspronkelijk hadden meegebracht, terwijl de rots hardnekkiger geweest
was, dan ze verwacht hadden. Verder bleek het, toen ze eindelijk een
weg gebaand hadden, dat ze zich boven den vloer van den kelder
bevonden, zoodat ze nog meer rots moesten laten springen om het water
te doen opvloeien. En toen ze een weg gemaakt hadden naar de, in het
water rondzwemmende mummies der conquistadores en tot het Vertrek der
Goden, moesten zij zich ook weer een uitweg banen verder in het hartje
van den berg. Maar voor ze verder gingen, maakte Torres zich eerst
meester van de robijnoogen van Chia en de smaragdoogen van Hzatzl.
Ondertusschen drongen de Koningin en haar gezelschap, nagenoeg zonder
eenig oponthoud, door den berg aan den anderen kant het dal binnen. Ook
hielden zij zich niet precies aan den vroeger door hen afgelegden weg.
De Koningin kende, door het langdurige staren in haar Spiegel, iederen
centimeter van den weg. Waar de onderaardsche rivier zich een doortocht
baande en in de Gualaca-Rivier uitliep, was het onmogelijk om hun
booten mee te nemen. Maar, door een nauwgezet onderzoek onder haar
leiding vonden zij den kleinen ingang van een hol in den steilen muur
van een rots, zóó verborgen door dichte bessenstruiken, dat ze het
nooit gevonden zouden hebben, wanneer ze niet hadden geweten, wat ze
zochten. Met algemeene hulp en met de touwen, die zij meegenomen
hadden, heeschen zij hun kanos tegen de rots op, droegen ze op hun
schouders door de kronkelende gangen en lieten ze weer te water in de
onderaardsche rivier, waar deze vrij en rustig tusschen ruime oevers
doorstroomde, zoodat ze met gemak tegen den zwakken stroom op
pagaaiden. Bij andere gelegenheden, wanneer de rivier te snel stroomde,
trokken ze de kanos aan touwen langs den oever voort; en waar de rivier
zich een doortocht baande door de hechte verbindingen der bergen, daar
wees de Koningin hen de blijkbaar uitgehouwen, oude doorgangen waardoor
ze hun lichte vaartuigen konden heendragen.

„Hier moeten we de kanos achterlaten,” beval de Koningin ten slotte, en
de mannen begonnen ze bij het licht van flikkerende toortsen, stevig
aan den oever vast te meeren. „Het is maar een klein eindje door dezen
laatsten doorgang. Dan komen we bij een kleine opening in de rots,
verborgen onder wijnranken en varens en kijken neer op de plek, waar
mijn huis eens stond naast de draaikolk. De touwen zullen we noodig
hebben om de rots af te dalen, maar dat is maar vijftig voet.”

Henry liep met een electrische toorts vooruit, de Koningin naast hem,
terwijl de oude Enrico en Leoncia de achterhoede vormden, om toe te
zien, dat misschien niet een lafhartige inlander of Indiaansche
bootsman achter zou blijven en wegloopen. Maar toen het gezelschap op
de plek kwam, waar de uitgang van het hol had moeten zijn, was er geen
uitgang. De gang hield op, van den vloer tot het dak stevig afgesloten
door rotsblokken, die in grootte varieerden van straatsteenen tot
huizen der inboorlingen.

„Wie kan dit gedaan hebben?” riep de Koningin toornig uit.

Maar Henry stelde haar, na een vluchtig onderzoek, gerust.

„Het zijn maar naar beneden gestorte rotsblokken,” sprak hij, „een
oppervlakkige breuk in de buitenste rotshuid, die naar beneden gegleden
is, en we zullen het met ons dynamiet spoedig herstellen. Gelukkig
hebben we een voorraad meegenomen.”

Maar het duurde lang. Het overige van den dag en den geheelen nacht
door waren ze aan het werk. Groote hoeveelheden springstoffen werden
niet gebruikt, omdat Henry vreesde voor een nog grootere storting van
rotsblokken uit de breuk daarboven. Het dynamiet, dat gebruikt werd,
had alleen ten doel om de stukken kleiner te maken, zoodat ze deze uit
de gang konden wegschuiven. Den volgenden morgen om acht uur ontplofte
de lading, die hen de eerste schemering van het daglicht deed
aanschouwen. Daarna gingen ze heel voorzichtig te werk, om geen nieuwe
rotsblokken naar beneden te doen storten. Ten slotte stonden ze voor
een rotsblok van tien ton, dat den mond van de gang afsloot. Door
openingen aan weerskanten konden ze hun armen uitstrekken in den
brandenden zonneschijn, maar het blok steen versperde hen den weg. Wat
ze ook probeerden, ze konden het alleen maar even doen trillen en Henry
besloot tot een laatste ontploffing, waardoor het naar buiten en het
dal in zou rollen.

„Ze zullen wel merken, dat er bezoekers in aantocht zijn, nadat we de
laatste vijftien uren zoo op hun achterdeur geklopt hebben,” lachte
hij, toen hij zich gereed maakte om de lont aan te steken.



Voor het altaar van den Zonnegod voor het Lange Huis verzameld, merkte
de geheele bevolking inderdaad, en angstig, de komst der bezoekers. Hun
ondervinding van de laatsten, die gekomen waren, was zoo noodlottig
geweest, toen de meer-woning verbrand was en zij hun Koningin verloren,
dat ze nu den Zonnegod smeekten, om geen bezoekers meer te zenden. Maar
tot een ding waren ze, hartstochtelijk opgehitst door hun priester,
besloten, namelijk, om onmiddellijk en zonder onderhandelingen alle
bezoekers, die bij hen kwamen, te dooden.

„Zelfs Da Vasco zelf,” had de priester geroepen.

„Zelfs Da Vasco,” hadden de Verloren Zielen geantwoord.

Ze waren allen gewapend met speren, strijdknotsen, pijlen en bogen; en
terwijl zij wachtten, bleven zij bidden voor het altaar. Ieder
oogenblik arriveerden renboden van het meer, met hetzelfde bericht dat,
hoewel de berg nog altijd bleef donderen, er niets uit te voorschijn
kwam.

Het kleine meisje van tien jaar, het meisje uit het Lange Huis, dat met
Leoncia gesproken had, was de eerste, die nieuwaangekomenen ontdekte.
Dit was mogelijk, omdat de aandacht van den stam gevestigd was op den
rommelenden berg bij het meer. Niemand verwachtte bezoekers uit den
berg aan den anderen kant van het dal.

„Da Vasco!” riep ze. „Da Vasco!”

Allen keken en zagen, op nog geen vijftig meter afstand, Torres, den
Chef en hun volgelingen, op de open vlakte komen. Torres droeg weer den
helm, die hij van zijn rimpeligen voorvader in de Kamer der Mummies
gestolen had. Zij werden onmiddellijk en warm begroet, in den vorm van
een vlucht pijlen, die om hen heen snorden en twee der volgelingen
tegen den grond wierpen. Vervolgens vielen de Verloren Zielen, mannen
en vrouwen, aan, terwijl de geweren van Torres’ mannen begonnen te
spreken. Deze aanval kwam zoo onverwacht en geschiedde zoo snel en op
zoo’n korten afstand, dat, hoewel er velen door de kogels vielen, toch
een aantal de indringers bereikte en overgingen tot een wanhopig
gevecht van man tegen man. Nu werd het voordeel der vuurwapenen
verminderd en gendarmes en anderen werden aan speren geregen of met de
zware knotsen den schedel ingeslagen.

Maar ten slotte moesten de Verloren Zielen het onderspit delven, dank
zij voornamelijk de revolvers, die in het dichtste handgemeen hun werk
konden doen. De overlevenden vluchtten, maar de helft der indringers
was gevallen en gevallen om niet weer op te staan. De vrouwen hadden op
drastische wijze gezorgd voor iederen man, die gewond neerviel. De Chef
tierde van pijn en woede, veroorzaakt door een pijl, die in zijn arm
gedrongen was; en kon niet tot bedaren gebracht worden voor Vicente het
gevederde gedeelte afsneed en de schacht er uit trok.

Torres was ongedeerd, op een pijnlijken schouder na, waar een knots hem
getroffen had; en hij zag met genoegen den ouden priester, die stervend
op den grond lag, met zijn hoofd op de knieën van het kleine meisje.

Daar ze zelf geen gewonden hadden, waarop ze hun ruwe en vlugge
geneeskunst moesten toepassen, gingen Torres en de Chef vooruit naar
het meer en kwamen bij de overblijfselen van de woning der Koningin.
Slechts eenige gehavende stompen van pilaren, die boven het water
uitstaken, wezen aan waar deze eens gestaan had. Torres was verlegen,
maar de Chef was woest.

„Hier, in dit huis juist, stond de schatkist,” stamelde hij.

„Een vruchtelooze jacht!” bromde de Chef. „Senor Torres, ik heb altijd
vermoed, dat je een gek was.”

„Hoe kon ik weten, dat het huis afgebrand was?”

„Dat had je moeten weten, jij, die zoo wijs bent in alle mogelijke
dingen,” kaatste de Chef terug. „Maar je kunt mij niet voor den gek
houden. Ik heb je in het oog gehouden. Ik zag je de smaragden en
robijnen stelen uit de oogholten der Maya-goden. Die zal je met mij
deelen en dadelijk.”

„Wacht, wacht, een beetje geduld,” verzocht Torres. „Laten we eerst een
onderzoek instellen. Natuurlijk zal ik die vier juweelen met je
deelen—maar wat beteekenen die, vergeleken met een heele kist vol? Het
was een lichtgebouwd, broos huis. De kist kan ongedeerd in het water
gevallen zijn, toen het dak instortte. En water beschadigt edelsteenen
niet.”

Tusschen de verbrande pilaren liet de Chef zijn mannen een onderzoek
instellen, en zij waadden en zwommen in het ondiepe water, zorgvuldig
oppassend om niet gegrepen te worden door de zuiging van den verderop
liggenden maalstroom. Augustino, de Zwijger, deed de vondst, vlak bij
den oever.

„Ik sta op iets,” zei hij, terwijl het water nauwelijks tot zijn knieën
reikte.

Torres sprong er in, en naar beneden reikend tot zijn hoofd en
schouders onder water verdwenen, betastte hij het voorwerp.

„Het is de kist, ik ben er zeker van,” verklaarde hij. „... Kom! Jelui
allemaal! Sleep haar op het droge, dan kunnen we de zaak onderzoeken!”

Maar toen dit geschied was en juist toen hij zich vooroverboog om het
deksel te openen, hield de Chef hem tegen.

„Ga terug in het water, jelui allemaal,” beval hij zijn manschappen.
„Er zijn een massa van deze kisten en onze tocht zal mislukt zijn, als
we ze niet allemaal vinden. Eén kist zou de onkosten niet goed maken.”

Eerst toen al de menschen door het water waadden en er in rond
grabbelden, opende Torres de kist. De Chef stond als aan den grond
genageld. Hij kon enkel toekijken en onverstaanbare klanken uitstooten.

„Wil je het nu gelooven?” vroeg Torres. „De waarde ervan is niet te
schatten. Wij beiden zijn de rijkste mannen in Panama, in Zuid-Amerika,
in de heele wereld. Dit is de Maya-schat. Wij hoorden er over spreken,
toen we nog jongens waren. Onze vaders en grootvaders droomden ervan.
De conquistadores konden hem niet vinden. En nu is hij van ons—van
ons!”

En terwijl de beide mannen, nagenoeg verstomd, ernaar stonden te
staren, kropen hun volgelingen een voor een uit het water, vormden
zwijgend een halven cirkel achter hun rug en staarden er eveneens op.
De Chef en Torres wisten niet, dat hun mannen achter hen stonden en
deze wisten evenmin, dat ze van achteren heimelijk beslopen werden door
de Verloren Zielen. Ze stonden allemaal verbaasd en geboeid op den
schat te staren, toen de aanval geschiedde.

Pijl en boog, op tien meter afstand gebruikt, zijn doodelijke wapens,
vooral wanneer er voldoende tijd is om goed te mikken. Twee derde der
schatgravers viel gelijktijdig neer. Vicente, die toevallig vlak achter
Torres stond, werd door niet minder dan twee speren en vijf pijlen
doorboord. Het handjevol overlevenden had nauwelijks tijd om hun
geweren te grijpen en zich om te keeren, toen de aanval met de knotsen
begon. Hierbij werden van Rafaël en Ignacio, twee der gendarmes, die
het avontuur in de Juchitan-olievelden meegemaakt hadden, bijna
onmiddellijk de schedels verbrijzeld. En, zooals gewoonlijk, zorgden de
vrouwelijke Verloren Zielen er voor, dat de gewonden het niet lang meer
maakten.

Het einde was voor Torres en den Chef nog slechts een kwestie van
enkele oogenblikken, toen een luid gekraak van den berg, gevolgd door
een neerstortende rotslawine, de aandacht afleidde. De weinige Verloren
Zielen, die nog in leven gebleven waren, verdwenen in doodsangst in de
beschuttende kreupelboschjes. De Chef en Torres, die alleen nog op de
been waren en ademden, vestigden hun oogen op de rots, waar de rook nog
steeds te voorschijn kwam uit het pas gemaakte gat, en zagen Henry
Morgan en de Koningin op den rand der rots in den zonneschijn naar
buiten stappen.

„Jij neemt de dame,” snoof de Chef. „Ik zal met dien Gringo Morgan
afrekenen, als is dit ook de laatste daad van een leven, dat
oogenschijnlijk niet lang meer zal duren.”

Beide hieven hun geweer op en vuurden. Torres, die nooit heel zeker was
van zijn schot, zond zijn kogel goedgemikt in de borst der Koningin.
Maar de Chef, kampioen-schutter en bezitter van talrijke medailles,
miste zijn doel heelemaal. Het volgend oogenblik, trof een kogel uit
Henry’s geweer zijn pols, vloog door den benedenarm tot aan den
elleboog, waar hij er weer uitdrong en zijn weg vervolgde. En toen zijn
geweer kletterend op den grond viel, wist hij, dat die rechterarm,
waarvan het been van de pols tot aan den elleboog verbrijzeld was,
nooit meer een geweer zou hanteeren.

Maar Henry schoot niet best. Juist naar buiten gekomen na een verblijf
van vierentwintig uur in een duister hol, waren zijn oogen nog niet
gewend aan het verblindende zonnelicht. Zijn eerste schot was gelukkig
geweest. Zijn volgende schoten troffen enkel de onmiddellijke omgeving
van den Chef en Torres, toen zij zich omkeerden en, als dollen, het
kreupelbosch invluchtten.



Tien minuten later, terwijl de gewonde Chef vooruit liep, zag Torres
een vrouw der Verloren Zielen achter een boom te voorschijn springen en
hem met een reuzensteen, die ze in beide haar handen zwaaide, den
schedel inslaan. Torres schoot haar eerst neer, bekruiste zich toen
verschrikt en strompelde verder. Achter hem hoorde hij in de verte het
geroep van Henry en de gebroeders Solano, die hem vervolgden, en hij
herinnerde zich het visioen van zijn dood, dat hij vluchtig aanschouwd,
maar geweigerd had te zien in den Spiegel der Wereld en vroeg zich
verwonderd af, of dit einde nu nabij was. Toch had het niet geleken op
deze plek met boomen, varens en jungle. Uit hetgeen hij vluchtig
aanschouwd had, kon hij zich geen plantengroei herinneren—enkel hechte
rots, brandende zonneschijn en beenderen van dieren. De hoop ontwaakte
weer bij deze gedachte. Misschien was dit einde hem dezen dag nog niet
beschoren, misschien nog niet eens in dit jaar. Wie kon het zeggen? Het
kon nog best twintig jaren duren, eer dit einde kwam.

De jungle verlatend, kwam hij op een vreemde rots, gevormd uit wat
reeds lang verteerde lavasteen geleek. Hier liet hij geen spoor achter
en hij liep er voorzichtig overheen naar de verder gelegen jungle, weer
eens vertrouwend op zijn goed gesternte, dat hem ook ditmaal in staat
zou stellen om te ontsnappen. Zijn ontvluchtingsplan begon vorm aan te
nemen. Hij zou een veilige schuilplaats zien te vinden tot het donker
werd. Dan zou hij terugkeeren naar het meer en de draaikolk. Eenmaal
daar gekomen, zou niets en niemand hem tegen kunnen houden. Hij hoefde
er slechts in te springen. De onderaardsche reis had niets
verschrikkelijks meer voor hem, nu hij haar eens gedaan had. En in zijn
verbeelding zag hij weer het liefelijk beeld der Gualaca-Rivier, die
schitterde onder den vrijen hemel op haar weg naar zee. Bovendien,
droeg hij de twee groote smaragden en twee groote robijnen niet bij
zich, die de oogen geweest waren van Chia en Hzatzl? Fortuin genoeg en
zeker, goed fortuin ook, voor wie ook ter wereld. Wat kon het schelen,
dat hij niet de rijkste man ter wereld geworden was, doordat de
Maya-Schat hem ontgaan was? Hij was tevreden. Al, wat hij nu noodig
had, was duisternis en een laatste onderdompeling in het hart van den
berg en door het hart van den berg naar de Gualaca, die naar zee
stroomde. En juist op dat oogenblik, toen hij het visioen van zijn
vlucht zoo duidelijk voor oogen had, lette hij niet op den weg onder
zijn voeten en maakte een duikeling. Maar het was geen onderdompeling
in een draaikolk. Het was een duikeling, voorover, op het vasteland van
een rotshelling. Deze was zoo glibberig, dat hij voort bleef glijden,
ofschoon hij er in slaagde zich om te keeren, zoodat hij met gezicht en
buik naar de oppervlakte lag en deed woeste pogingen om zich met handen
en voeten vast te klemmen. Deze pogingen verminderden enkel zijn vaart,
maar konden hem niet tot stilstand brengen.

Op de bodem aangekomen, bleef hij een oogenblik ademloos en versuft
liggen. Toen hij weer bij zinnen kwam, was het eerste, wat hij merkte,
dat zijn hand op iets vreemds rustte. Hij had er een eed op willen
doen, dat hij tanden voelde. Ten slotte, huiverend zijn oogen openend
en al zijn moed bijeenrapend, waagde hij het om naar het voorwerp te
kijken. En onmiddellijk voelde hij zich verlicht. Het waren tanden, een
echt, verbleekt kakebeen; maar het waren varkenstanden en het kakebeen
was van een varken. Er lagen nog meer beenderen in de buurt van zijn
lichaam, die, na een ingesteld onderzoek, beenderen van varkens en
kleinere dieren bleken te zijn.

Waar had hij toch al meer zoo’n verzameling beenderen gezien? Hij dacht
na en herinnerde zich den grooten, gouden bokaal der Koningin. Hij keek
op. O, Heilige Moeder Gods! Dit was dezelfde plaats! Hij herkende het
op het eerste gezicht, toen hij den trechter zag, waarboven in de verte
het daglicht scheen. Volle tweehonderd voet boven hem was de rand van
den trechter. De harde, gladde rotskanten helden steil naar hem af en
zijn oogen en verstand zeiden hem, dat geen man, uit een vrouw geboren,
ooit tegen die helling kon opklimmen.

Het denkbeeld, dat in zijn geest oprees, deed hem plotseling in
panischen schrik overeind springen en snel om zich heen kijken. Alleen
op grootere schaal, herinnerde de trechter, waarin hij gevangen zat,
hem aan de trechtervallen, door jachtspinnen in het zand gegraven, die
op den bodem zaten te loeren naar de prooi, die er in zou vallen. En,
nu zijn levendige verbeelding eenmaal opgewekt was, werd hij verschrikt
door de gedachte, dat een monsterspin, even groot als de trechterval,
misschien op hem zat te loeren om hem te verslinden. Maar er verscheen
geen dergelijke bewoner. De bodem der Val, die rond van vorm was, had
een doorsnee van een goede tien voet en was bedekt, hij wist niet hoe
dik, door de overblijfselen van beenderen van kleinere dieren. Waarom
hadden de oude Mayas zoo’n reusachtig hol gegraven? vroeg hij zich af;
want hij was er meer dan half van overtuigd, dat de trechter geen
natuurverschijnsel was.

Voor het donker werd, had hij door een dozijn pogingen uitgemaakt, dat
het onmogelijk was om uit den trechter te klimmen. Tusschen de
verschillende pogingen door hurkte hij neer in de, steeds grooter
wordende, schaduw der ondergaande zon en hijgde met brandende lippen
van warmte en dorst. De plaats was een ware oven, en zijn
lichaamsvochten werden door het voortdurende transpireeren uit hem
geperst. Den geheelen nacht door, met kleine tusschenpoozen, waarin hij
indommelde, peinsde hij tevergeefs over het vraagstuk, hoe te
ontsnappen. De eenige uitweg was naar boven, maar hij kon geen enkele
methode uitdenken om naar boven te komen. Bovendien verwachtte hij met
schrik het aanbreken van den dag, want hij wist, dat geen mensch volle
tien uren gloeiende hitte, zooals dan zijn deel zou worden, kon
doorstaan. Eer de avond weer viel, zou de laatste druppel vocht uit
zijn lichaam verdwenen zijn, en hem als een gerimpelde en reeds half
door de zon verdroogde mummie achterlaten.

Met het aanbreken van den dag nam zijn angst reuzensnel toe, en hij
bedacht een nieuwe en zeer eenvoudige theorie om te ontsnappen. Daar
hij niet naar boven kon klimmen en ook niet door de zijwanden kon
dringen, was de eenige weg, die overbleef, naar beneden. Dwaas, die hij
was! Hij had gedurende de koele nachtelijke uren kunnen werken en nu
moest hij het doen in de snel toenemende hitte. Hij werkte zich op tot
een extase van energie om door de massa verteerde beenderen heen te
graven. Natuurlijk moest daar een uitweg zijn. Hoe kon anders de put
droog zijn? Anders zou hij vol of gedeeltelijk gevuld zijn met het
regenwater. Dwaas! Driemaal driedubbele dwaas!

Hij groef aan den eenen kant van den muur, de afval in een hoop tegen
den anderen kant gooiend. Zoo wanhopig ging hij te werk, dat hij zijn
nagels tot in het leven afbrak, terwijl ieder vingertop doorgeschaafd
was en bloedde. Maar de liefde tot het leven beheerschte hem in sterke
mate en hij wist, dat het een strijd was op leven en dood met de zon.
Toen hij dieper kwam, werd de afval steviger, zoodat hij den loop van
zijn geweer als breekijzer gebruikte en het losgewerkte vuil met
handenvol opschepte.

Toen de voormiddag half om was en zijn hoofd begon te duizelen van de
hitte, deed hij een ontdekking. Op den muur, dien hij ontbloot had,
ontdekte hij het begin van een opschrift, blijkbaar met de punt van een
mes ruw in de rots gekrast. Met vernieuwde hoop, hoofd en schouders in
het gat, groef en krabde hij als een hond, het vuil als een hond er uit
en tusschen zijn beenen doorgooiend. Een gedeelte ervan viel buiten den
kuil, maar het meeste viel terug en op hem. Maar hij was nu te ver
heen, om het nuttelooze van zijn poging in te zien.

Eindelijk was het opschrift vrij, zoodat hij kon lezen:


Peter McGill uit Glasgow. 12 Maart 1820. Ik ontsnapte uit den Put des
Duivels door dezen gang, door in de diepte te graven, waar ik hem vond.


Een gang! Deze gang moest onder het opschrift liggen! Torres werkte nu
verwoed door. Hij zat zóó onder het vuil, dat hij geleek op een
reusachtig, viervoetig, in de aarde wroetend dier. Het vuil kwam nu en
dan in zijn oogen, in zijn neusgaten en luchtwegen, waardoor hij haast
stikte en genoodzaakt was om den kuil uit te gaan en door snuiten en
hoesten zijn ademhalingsapparaat weer vrij te maken. Tweemaal werd hij
bewusteloos. Maar de zon, die nu bijna loodrecht boven hem stond,
spoorde hem aan.

Hij bereikte de bovenste rand van den gang. Hij groef niet verder tot
den ondersten rand, want zoodra de opening groot genoeg was om zijn
lenige gestalte door te laten, wrikte en wrong hij zich erin en weg van
de vernietigende zonnestralen. De koelte en de duisternis kalmeerden
hem, maar zijn blijdschap en de reactie, van wat hij ondergaan had,
deden hem voor de derde maal in zwijm vallen.

Weer bijgekomen en met zwarte, gezwollen lippen een onzinnig lied van
dankbaarheid en dankzegging uitstootend, krabbelde hij verder door den
gang. Hij moest wel krabbelen, want de gang was zóó laag, dat een dwerg
er niet rechtop in had kunnen staan. De plaats was een knekelhuis.
Beenderen kraakten en verbrokkelden onder zijn handen en knieën, en hij
wist, dat zijn knieën tot op het been opengereten werden. Na een
honderd voet afgelegd te hebben, zag hij de eerste lichtschemering.
Maar hoe meer hij de vrijheid naderde, hoe langzamer hij vorderde, want
hij kwam in het laatste stadium van uitputting. Hij wist dat het geen
lichamelijke uitputting was, of van honger, maar hij was uitgeput door
dorst. Water, een paar ons water, was al wat hij noodig had om hem weer
sterk te maken. En er was geen water.

Maar het licht werd sterker en kwam nader. Hij merkte op het laatst,
dat de vloer van den gang met een hoek van dertig graden naar beneden
liep. Dit maakte zijn weg gemakkelijker. Zijn gewicht dreef hem voort
naar de bron van het licht en hielp ieder zijner zwakke bewegingen.
Zeer dicht erbij gekomen, merkte hij, dat de voorraad beenderen grooter
werd. Toch trok hij zich hier weinig van aan, want dit was nu al een
oude geschiedenis voor hem geworden, terwijl hij te uitgeput was om er
op te letten.

Hij merkte, met schemerende oogen en een toenemende ongevoeligheid, dat
de gang zoowel verticaal als horizontaal toeliep. Met een hoek van
dertig graden naar beneden hellend, deed het hem denken aan een
rattenval, waarin de rat, hijzelf, met het hoofd vooruit afdaalde naar,
hij wist niet wat. Even voor hij haar bereikte, merkte hij, dat de
streep helder daglicht, die getuigde van de vrije wereld daarachter, te
nauw was om zijn lichaam door te laten. En zijn vermoeden was waarheid.
Half bewusteloos over het geraamte heenkruipend, dat hij in het
daglicht herkende als dat van een man, slaagde hij er, na talrijke en
pijnlijke beschadigingen van zijn ooren in, om zijn hoofd door de
langwerpige opening te steken. De zon brandde op zijn hoofd, terwijl
zijn oogen de ruimte der vrije wereld indronken, die de onmeedoogende
rots aan het overige van zijn lichaam ontzegde.

Wat hem nog het meest dol maakte, was een voortvlietende rivier, op nog
geen honderd meter afstand en verderop boomen, met malsch weidegras,
dat van zijn kant naar de rivier leidde. En in het door de boomen
beschaduwde water stonden slaperig en tot aan hun knieën erin,
verscheidene koeien van het dwergsoort, dat gevonden werd in het dal
der Verloren Zielen. Nu en dan sloegen ze lui met hun staarten naar de
vliegen, of brachten hun gewicht van de eene poot op den anderen over.
Hij keek of hij ze niet zag drinken, maar blijkbaar hadden ze genoeg
water gehad. Dwazen! Waarom zouden ze niet drinken, terwijl al die
rijkdom aan water ongebruikt voorbij vloeide.

Er ontstond eenige beweging onder hen, ze draaiden hun koppen naar den
anderen oever en staken hun ooren vooruit. Toen er een groote gehoornde
bok uit de boomen aan den rand van het water te voorschijn kwam, legden
zij hun ooren weer terug, schudden hun koppen en stampten in het water,
zoodat hij het geplas kon hooren. Maar het hert trok zich niets aan van
hun dreigementen, boog zijn kop en dronk. Dit was teveel voor Torres,
die een waanzinnige kreet uitstootte, welke hij, wanneer hij bij zinnen
geweest was, niet herkend zou hebben als komend uit zijn eigen keel en
strottehoofd.

Het hert sprong weg. Het vee keerde hun koppen in de richting van
Torres, sloot slaperig de oogen en zette de vliegenjacht voort. Met een
verwoede poging, nauwelijks voelend dat hij zijn ooren half afgetrokken
had, haalde hij zijn hoofd terug uit de langwerpige opening en viel
boven op het geraamte in zwijm.

Twee uur later, ofschoon hij niet wist hoeveel tijd er verloopen was,
kwam hij weer bij en vond zijn eigen hoofd wang aan wang met het
geraamte, waarop hij lag. De ondergaande zon scheen reeds in de nauwe
opening en zijn blik bleef bij toeval rusten op een roestig mes. De
punt er van was afgesleten en gebroken, en hij begreep het verband. Dit
was het mes, waarmee het opschrift in de rots aan den voet van den
trechter gemaakt was aan het andere einde van den gang, en dit geraamte
was het beenig overblijfsel van den man, die het opschrift gemaakt had.
En Alvarez Torres werd krankzinnig.

„Ha, Peter McGill mijn vijand,” mompelde hij. „Peter McGill uit
Glasgow, die mij aldus verraden hebt.—Dit is voor jou!—En dit!—En dit!”

Dit zeggend, stak hij het zware mes in het broze voorhoofd van den
schedel. De stof van het been, dat eens de tabernakel geweest was van
McGills hersenen, vloog in zijn neusgaten en vermeerderde zijn woede.
Hij viel het geraamte met zijn handen aan, rukte er aan, scheurde het
uiteen en vulde de nauwe ruimte rondom hem met rondvliegende beenderen.
Het was als het ware een strijd, waarin hij vernietigde, wat nog over
was van de stoffelijke overblijfselen van den vroegeren bewoner van
Glasgow.

Nog eens wrong Torres zijn hoofd door de spleet om een blik te werpen
op de verbleekende heerlijkheid der wereld. Als een rat in den val, met
zijn nek in den val zittend, uitgedacht door de oude Mayas, zag hij de
schitterende wereld en dag verbleeken en duister worden, evenals ten
slotte zijn bewustzijn opgelost werd in de duisternis des doods.

Maar het vee stond nog altijd in het water te droomen en sloeg naar de
vliegen en later keerde het hert terug, zonder zich aan het vee te
storen en zette zijn gestoorden dronk voort.








HOOFDSTUK XXVIII.


Niet voor niets, werd Regan door zijn associés, De Wolf van Wall Street
genoemd! Terwijl hij gewoonlijk slechts een conservatief, op grooten
schaal handelend, speler was, bezondigde hij zich even dikwijls,
evenals een periodiek drinker, aan woeste, gewaagde beursspeculatie.
Minstens vijfmaal in zijn langdurigen loopbaan had hij de bodem uit de
markt of het dak er afgeslagen en dit telkens met een persoonlijke
winst van millioenen. Hij hield zich nooit op met een kleine
strooptocht en hij deed het ook niet te dikwijls.

Hij liet jaren rustig voorbijgaan, tot alle verdenking tegen hem in
slaap gesust was en zijn wereld dacht, dat de Wolf eindelijk oud en
vreedzaam geworden was. En dan, als een donderslag, trof hij de mannen
en de fondsen, die hij wilde vernietigen. Maar, hoewel de slag altijd
als een donderslag neerkwam, de voorbereiding was heel anders. Maanden
en zelfs jarenlang werden de verschillende plannen voor dien dag
gesmeed, de plannen en voorwaarden voor den strijd nauwkeurig gewikt en
gewogen.

Zoo was het ook geweest met de voorbereiding en uitwerking van het
dreigende Waterloo voor Francis Morgan. Er schuilde wraak achter, maar
het was wraak jegens een doode. Niet Francis, maar Francis’ vader was
de man, dien hij wilde treffen, ofschoon hij door den levende het graf
moest treffen, om zijn doel te bereiken. Acht jaren had hij gewacht en
naar zijn kans uitgekeken, voor de oude R. H. M.—Richard Henry
Morgan—gestorven was. Maar hij had zijn kans niet schoon gezien. Hij
was werkelijk de Wolf van Wall Street, maar nooit had hij, door het een
of ander gelukkig toeval de kans gehad tegenover de Leeuw—want tot aan
zijn dood stond R. H. M. bekend als de Leeuw van Wall Street.

Zoo had Regan, hoewel altijd onder den schijn van eerlijkheid, de veete
van vader op zoon overgebracht. Toch was Regan’s grondslag, waarop hij
zijn wraak opbouwde, laag en verkeerd op touw gezet. Zeker, acht jaren
voor R. H. M.s dood, had hij getracht hem een poets te spelen en dit
was mislukt, maar hij had nooit kunnen droomen, dat R. H. M. dit
geraden had. Toch had R. H. M. dit niet alleen geraden, maar was er,
zonder een schaduw van twijfel, van overtuigd, en had prompt en handig
zijn verraderlijke associé beetgenomen. Zoodoende zou Regan, wanneer
hij geweten had, dat R. H. M. van zijn trouweloosheid op de hoogte was,
zijn pil geslikt hebben zonder aan wraak te denken. Zooals de zaken nu
stonden, geloovend dat R. H. M. even slecht was als hij zelf,
geloovende dat R. H. M. uit laagheid, even laag als de zijne, zonder
aanleiding of verdenking, hem zoo gemeen behandeld had, zag hij geen
anderen weg om zijn rekening met hem te vereffenen dan door hem, of in
plaats van hem, zijn zoon te ruïneeren.

En Regan had zijn tijd afgewacht. Eerst had Francis zich niet druk
gemaakt met het finantiëele spel, tevreden met zijn geld veilig te
laten staan in de veilige fondsen, waarin zijn vader het belegd had.
Eerst toen Francis voor het eerst actief was opgetreden, door
millioenen te steken in Tampico-Petroleum, met de zekerheid, hier
millioenen mee te winnen, had Regan een schijn van kans gezien om hem
te vernietigen. Maar toen hij eenmaal de kans had, liet Regan geen tijd
verloren gaan, hoewel zijn langzame, grondige campagne maandenlange
ontwikkeling noodig had. Voor hij hiermee gereed was, wist hij ongeveer
ieder aandeel van ieder fonds, dat Francis bezat. De voorbereiding had
Regan, werkelijk twee jaren en nog meer gekost. Van enkele der
corporaties, waarin Francis sterk geïnteresseerd was, was Regan zelf
directeur of een der voornaamste aandeelhouders. Van Frisco
Consolidated was hij president. Van New-York, Vermont en Connecticut
was hij vice-president. Het toezicht hebbend over een directeur der
Northwestern Electric had hij het door keukenpolitiek zoover gebracht
dat hij een meerderheid van twee derde controleerde. En zoo ging het
met alles, hetzij direct of indirect, door corporaties en bank-relaties
had hij de hand in de geheime bronnen en drijfveeren van het
finantiëele, en zaken-organisme dat de steun uitmaakte van Francis’
fortuin.

Toch was geen enkele hiervan meer dan een bagatel, vergeleken bij dat
voornaamste van alles—Tampico-Petroleum. Hiervan bezat Regan, behalve
een onnoozele twintig duizend aandeelen, die hij op de beurs gekocht
had, niets, beheerschte niets, ofschoon de tijd naderde, waarin hij
deze in ongekende hoeveelheden zou moeten verkoopen, en er mee
handelen. Tampico-Petroleum was feitelijk Francis’ particulier terrein.
Verscheidene zijner vrienden waren, voor hun doen, hier sterk in
geïnteresseerd; mevrouw Carrothers zelfs heel sterk. Zij maakte het hem
lastig en liet hem zelfs per telefoon daarover niet met rust. Dan waren
er ook nog anderen, zooals Johnny Pathmore, die hem nooit lastig vielen
en die, wanneer ze elkander ontmoetten, zorgeloos en optimistisch over
den toestand der markt en over finantiëele aangelegenheden in het
algemeen praatten. En dit alles was nog moeilijker te dragen dan de
voortdurende zenuwachtigheid van mevrouw Carrothers.

Northwestern Electric was, dank zij Regan’s machinaties, werkelijk
dertig procent gedaald en daarop blijven staan. De buitenstaanders, die
meenden, dat ze op de hoogte waren, beschouwden dit fonds als absoluut
onbetrouwbaar. Dan was er de kleine, oude,
zoo-hecht-als-de-rots-van-Gibraltar Frisco Consolidated. De ernstigste
geruchten waren daaromtrent in omloop en op het praatje van een
failliet werd steeds meer den nadruk gelegd. Montana Lode leed reeds
onder Muthaney’s minder gunstig en ongemodificeerd rapport en Weston,
de groote expert, uitgezonden door de Engelsche aandeelhouders, had
niets geruststellends gerapporteerd. Zes maanden geleden had Imperial
Tungsten, dat nog niets opleverde, noodlottige groote onkosten moeten
maken door de groote werkstaking, die nog heel in haar begin scheen te
zijn. En niemand, behalve de talrijke arbeidersleiders, die het wisten,
vermoedde, dat Regan’s goud achter deze zaak zat. Het was juist het
geheime en het doodelijke van den aanval, wat Bascom ontmoedigde. Alle
fondsen, waarin Francis geïnteresseerd was, werden, als door een
langzaam voortschuivenden gletscher, naar beneden gedrukt. Er was niets
opzienbarends in deze beweging, het was enkel een geregeld, aanhoudend
dalen, waardoor Francis’ groot fortuin ontzettend inkromp. En behalve
hetgeen hij in vast bezit had, krompen ook zijn stukken op prolongatie
telkens meer in.

Toen kwamen er oorlogsgeruchten. Gezanten ontvingen rechts en links hun
paspoort en de halve wereld scheen te mobiliseeren. Dit was het
oogenblik, nu de beurs geschokt was en er een paniek heerschte, en nu
de wereldlijke machten talmden met het uitvaardigen van moratoriums,
dat Regan gekozen had om toe te slaan. De tijd was rijp voor een
berenaanval en met hem verbonden, waren een half dozijn andere groote
beren, die hem stilzwijgend als hun aanvoerder erkenden. Maar zelfs zij
kenden niet den vollen omvang van zijn plannen, of vermoedden hun
bepaalde richting. Zij namen deel aan den aanval, terwille van de winst
en dachten, dat hij dit om dezelfde reden deed, in de eenvoudige
oprechtheid hunner geldelijke visioenen geen spoor ontdekkend van
Francis Morgan of zijn overleden vader, voor wien de groote klap
bestemd was.

Regan’s bureau tot het verspreiden van geruchten kreeg het druk en de
eersten, die daalden en die het hardst daalden op de terugloopende
markt waren de fondsen van Francis, die reeds aanzienlijk gezakt waren,
voor de berenaanval begon. Toch was Regan te voorzichtig om dwang uit
te oefenen op Tampico-Petroleum. Trotsch hieven deze het hoofd op
temidden der algemeene plotselinge daling en gretig wachtte Regan op
het oogenblik van wanhoop, waarop Francis genoodzaakt zou zijn om deze
op de markt te werpen om zijn verminderde borgtocht in andere
richtingen te dekken.



„God! God!”

Bascom rustte met zijn wang op de palm van zijn eene hand en trok een
gezicht alsof hij vreeselijke kiespijn had.

„God! God!” herhaalde hij. „Er heerscht een paniek op de beurs en
Tampico-Pet is naar de maan. Kijk ze dalen! Wie had dat kunnen
droomen!”

Francis, die geregeld een trekje deed aan een cigaret en niet eens
merkte, dat hij haar niet aangestoken had, zat met Bascom in het
privé-kantoor van dezen laatste.

„Het lijkt wel een uitverkoop,” beweerde hij.

„Dat kan zoo niet langer doorgaan dan tot morgenvroeg—dan ben je
uitverkocht en ik met je,” sprak zijn makelaar eenvoudig, snel een blik
op de klok werpend.

Deze wees op twaalf, zooals Francis’ snelle, machinale blik vaststelde.

„Gooi de rest van Tampico-Pet er op,” zei hij droevig. „Dat is wel
voldoende tot morgen.”

„En wat morgen?” vroeg zijn makelaar, „met dit bodemloos vat en nu
iedereen, tot de loopjongens toe, al is uitverkocht.”

Francis trok zijn schouders op. „Je weet, dat ik het huis, Dreamwold en
Adirondack Camp al tot het uiterste belast heb.”

„Heb je geen vrienden?”

„Op zoo’n tijd!” zei Francis bitter.

„Wel, dit is juist de goede tijd,” antwoordde Bascom. „Kijk eens hier,
Morgan. Ik ken het stel, waarmee je college geloopen hebt. Daar heb je
Johnny Pathmore...”

„En hij zit er al tot over zijn ooren tusschen. Wanneer ik failliet ga,
gaat hij ook. En Dave Donaldson zal zich moeten bekrimpen tot een
bedrag van ongeveer honderd zestig dollar per maand. En wat Chris
Westhouse betreft, hij zal zijn kostwinning moeten zoeken in de
bioscoop. Hij was altijd goed op tooneeluitvoeringen, en ik weet zeker
dat hij het ideale „film-gezicht” heeft.”

„Dan heb je nog Charley Tippery,” opperde Bascom, ofschoon hij daar
blijkbaar niet veel van hoopte.

„Ja,” stemde Francis even hopeloos toe. „Maar er is alleen maar één
ding met hem het geval—zijn vader leeft nog.”

„Die oude kerel waagde nooit iets in zijn leven,” voltooide Bascom.
„Hij heeft altijd millioenen ter zijner beschikking. En hij leeft nog,
ongelukkig genoeg.”

„Charley zou hem er wel toe kunnen overhalen, en dit zeker doen ook,
maar er is maar één bezwaar.”

„Geen borgstellingen meer?” vroeg de makelaar.

Francis knikte.

„Alsof de oude man van een dollar zou scheiden, zonder de noodige
zekerheidsstelling.”



Toch liet Francis enkele minuten later, hopende Charley Tippery in de
middaguren op zijn kantoor te vinden, zijn kaartje afgeven. Van alle
juweliers en handelaars in edelgesteenten in New-York, was de zaak van
Tippery de grootste. En dat niet alleen. Ze werd als de grootste ter
wereld beschouwd. Van het geld van den ouden Tippery was een grooter
bedrag in de groote Diamond Corner gestoken, dan zelfs zij, die de
meeste dingen doorgrondden, hiervan afwisten.

Het onderhoud verliep, zooals Francis voorspeld had. De oude man hield
feitelijk de teugels van alles nog in handen, en de zoon had weinig
hoop zijn bijstand te winnen.

„Ik ken hem,” zei hij tegen Francis. „En ofschoon ik mijn best zal
doen, vertrouw geen oogenblik op een goeden uitslag. Ik zal zoover gaan
als ik kan, maar dat is ook alles. Het ergste is, dat hij het gereede
geld heeft liggen, om nog niets te zeggen van de noodige goede
hypotheken en Amerikaansche effecten. Maar zie je, Grootvader Tippery
leende eens, toen hij nog jong was en moest vechten en de zaak
stichten, een vriend duizend dollars. Hij kreeg ze nooit terug en kwam
hier nooit overheen. Evenmin kon Vader Tippery hier ooit overheen
komen. Deze gebeurtenis verhardde hen beiden. Wel, vader zou zelfs geen
stuiver leenen op de Noordpool, tenzij hij de Pool als onderpand kreeg
en deze eerst terdege had laten taxeeren. En jij hebt geen waarborgen,
zie je. Maar ik zal je wat zeggen. Ik zal er vanavond na het diner met
den ouden heer over beginnen. Dan is hij het beste gestemd, en ik zal
ondertusschen op mijn eigen houtje rondsnuffelen en zien, wat ik doen
kan. O, ik weet wel, een paar honderdduizend helpen geen zier, en ik
zal doen, wat ik kan, om een grootere som los te krijgen. Wat er ook
gebeurt, ik zal morgen vroeg om negen uur aan je huis zijn...”

„’t Zal morgen een drukke dag voor mij zijn,” lachte Francis flauwtjes,
toen zij elkander de hand drukten. „Ik ga om acht uur van huis.”

„En ik zal er tegen acht uur zijn,” antwoordde Charley Tippery, hem
hartelijk de hand drukkend. „En ondertusschen zal ik mijn best doen. Er
beginnen zich al plannen te vormen...”



Francis had dien middag nog een ander onderhoud. Teruggekomen op het
kantoor van zijn makelaar, vertelde Bascom hem, dat Regan opgebeld had
en Francis wilde spreken, zeggende dat hij een belangrijke mededeeling
voor hem had.

„Ik zal er dadelijk heengaan,” zei Francis naar zijn hoed grijpend,
terwijl de hoop zijn gelaat deed opklaren. „Hij was een oud vriend van
mijn vader en als iemand mij erdoor kan slepen, dan is hij het.”

„Wees daar niet al te zeker van.” Bascom schudde zijn hoofd en zweeg
een oogenblik, huiverig om te zeggen, wat hij te zeggen had. „Ik belde
hem op, juist voordat je terugkeerde uit Panama. Ik was zeer openhartig
tegen hem. Ik vertelde hem van je afwezigheid en je gevaarlijke positie
hier en vroeg hem—o ja, ronduit en op den man af—of ik in geval van
nood op hem mocht rekenen. En hij weigerde. Zeker, iemand kan weigeren,
wanneer hem een dienst gevraagd word. Dat is niets bijzonders. Maar mij
dunkt, ik merkte meer... neen, ik wil niet zeggen vijandschap; maar ik
wil zeggen, dat ik den indruk kreeg... hoe zal ik het noemen?—wel, dat
het mij opviel, dat hij zoo bijzonder en eigenaardig koelbloedig en
onverschillig was.”

„Onzin,” lachte Francis. „Hij was een veel te goed vriend van mijn
vader.”

„Wel eens gehoord van de Cosmopolitan Railways Merger?” vroeg Bascom
met veelbeteekenenden nadruk.

Francis knikte bevestigend, maar zei toen:

„Maar dat was voor mijn tijd. Ik heb er van gehoord en dat is ook
alles. Spreek. Wat was daarmee? Zeg me, wat je op het hart hebt.”

„Dat is een te lange geschiedenis, maar neem deze eene raadgeving van
mij aan. Als je Regan spreekt, leg dan je kaarten niet open op tafel.
Laat hem eerst zijn spel spelen en als hij iets aanbiedt, laat hij dit
dan doen, zonder dat je er om gevraagd hebt. Natuurlijk kan ik mij
vergissen, maar het zal je niet schaden, als je je hand omhoog houdt en
hem eerst laat spelen.”

Na verloop van nog een half uur, zat Francis bij Regan en zijn toestand
was zoo hachelijk, dat hij zijn natuurlijke opwellingen moest bedwingen
en zich, overeenkomstig Bascom’s instructies, heel onverschillig
voordeed over zijn staat van zaken. Hij deed zelfs groot.

„Je zit er aardig tusschen, hé?” begon Regan.

„O, nog niet zoo diep, dat het water over mijn lippen komt,” antwoordde
Francis luchtig. „Ik kan nog ademhalen en het zal nog lang duren, eer
ik begin te zinken.”

Regan gaf niet dadelijk antwoord. In plaats daarvan, keek hij snel naar
de laatste meters van het lint, dat de koersen aangaf.

„Maar je drukt Tampico-Pet toch aardig omlaag.”

„En ze hebben aftrek,” kaatste Francis terug en voor het eerst begreep
hij, uiterst verwonderd, dat Bascom’s voorgevoel wel eens waar kon
zijn. „Zeker, zij worden verzwolgen.”

„Maar toch zal je merken, dat Tampico-Pet zakt terwijl ze aftrek
hebben, dat is toch een zeer wonderlijk verschijnsel,” hield Regan vol.

„Wanneer de contramineurs bezig zijn, ziet men allerlei wonderlijke
verschijnselen,” blufte Francis met een air van groote wijsheid. „En
wanneer ze genoeg van mijn fondsen verzwolgen hebben, zullen ze rijp
zijn voor kruierswerk.

„De een of ander zal er wel wat voor over hebben om mijn fondsen uit
hun handen te krijgen. Ik denk, dat ze leelijk zullen bloeden, eer ik
met hen afgehandeld heb.”

„Maar je zit er heelemaal onder, jongen. Ik heb je strijd gevolgd, al
van voor je terugkomst af. Tampico-Pet is je laatste toevlucht.”

Francis schudde het hoofd.

„Dat zou ik niet graag zeggen,” loog hij. „Ik heb reserves ter
beschikking, waarvan mijn beursvijanden niets vermoeden. Ik leid ze om
den tuin, dat is de zaak, leid ze heelemaal om den tuin. Natuurlijk
vertel ik je dit in vertrouwen, Regan. Je waart een vriend van mijn
vader. Ik houd een groote schoonmaak en, als je mijn raad wilt
aannemen, dan begin je dadelijk met koopen. Je kunt er zeker van zijn,
dat je spoedig met de aanbieders kunt afrekenen.”

„Wat zijn dat voor reserves?”

Francis trok zijn schouders op.

„Dat zullen ze wel ondervinden, wanneer ze volgepropt zitten met mijn
stukken.”

„’t Is niets dan bluf!” barstte Regan bewonderend los. „Je hebt
dezelfde stalen zenuwen van den ouden heer. Maar je zult mij moeten
bewijzen, dat het geen bluf is.”

Regan wachtte en Francis werd plotseling geïnspireerd.

„Het is zoo,” mompelde hij. „Je hebt het gezegd. Het water loopt mij
over de lippen en ik sta op het punt om te zinken. Maar dit zal niet
gebeuren, als jij me wilt helpen. Je hebt je enkel maar mijn vader te
herinneren en je hand uit te steken om zijn zoon te redden. Als jij me
steunt, zullen we hen allen buikpijn doen krijgen...”

En nu toonde de Wolf van Wall Street zijn tanden. Hij wees op het
portret van Richard Henry Morgan.

„Waarom denk je, dat ik dit al die jaren daar aan den muur had hangen?”
vroeg hij.

Francis knikte, alsof de eenige denkbare verklaring hun beproefde en
oude vriendschap kon zijn.

„Raad nog eens,” spotte Regan grimmig.

Francis schudde verbaasd het hoofd.

„Opdat ik hem nooit zou vergeten,” vervolgde de Wolf. „En wanneer ik
wakker was, heb ik hem geen enkel oogenblik vergeten.—Herinner je je de
Cosmopolitan Railways Merger? Wel, de oude R. H. M. heeft me daarmee
een vlieg afgevangen. En het was een reuzenvlieg, dat kan je gelooven.
Maar hij was te slim, om mij het hem ooit betaald te laten zetten.
Daarom bleef dat portret daar hangen en ik heb hier zitten wachten. En
nu is de tijd gekomen!”

„Je bedoelt?” vroeg Francis kalm.

„Net wat ik zeg,” gromde Regan. „Ik heb gewacht en gewerkt voor dezen
dag en nu is hij aangebroken. Ik heb de welp gekregen, waar ik hem
wilde hebben.” Hij keek met een kwaadaardigen blik naar het portret.
„En als dat den ouden heer niet in zijn graf doet omdraaien...”

Francis stond op en keek zijn vijand nieuwsgierig aan.

„Neen,” zei hij, bij wijze van alleenspraak, „het is het niet waard.”

„Wat is het niet waard?” vroeg de andere argwanend.

„Om je een pak slaag te geven,” was het koelbloedige antwoord. „Ik zou
je met mijn handen in vijf minuten kunnen dooden. Je bent geen Wolf. Je
bent slechts een laffe hond, voor zoover je geen stinkdier bent. Ze
zeiden me, dat ik dit van je kon verwachten, maar ik geloofde het niet
en kwam hier, om te zien of het waar was. Ze hadden gelijk. Je bent
alles, wat ze van je zeiden. Wel, ik moet maken, dat ik hier wegkom.
Het ruikt naar een vossenhol. Het stinkt.”

Hij bleef staan met zijn hand op de deurknop en keek om. Het was hem
niet gelukt, om Regan driftig te maken.

„En wat ga je nu doen?” hoonde de laatste.

„Als je mij toestaat om mijn makelaar aan je telefoon te roepen, dan
zal je het misschien hooren,” antwoordde Francis.

„Ga je gang, jonge bok,” stemde Regan toe en liet er toen achterdochtig
op volgen: „... Ik zal hem zelf voor je opbellen.”

En, nadat hij zich overtuigd had, dat Bascom werkelijk aan de telefoon
stond, overhandigde hij Francis den hoorn.

„Je hadt gelijk,” verzekerde deze aan Bascom. „Regan is al, wat je
gezegd hebt en nog veel meer. Ga door met je plan de campagne. We
hebben hem, juist waar we hem wilden hebben, ofschoon de oude vos het
geen oogenblik wilde gelooven. Hij denkt, dat hij mij zal villen,
ruïneeren.” Francis dacht een oogenblik na, hoe hij het best zijn
grootspraak kon voortzetten en vervolgde toen: „Ik zal je iets
vertellen, wat je nog niet weet. Hij is de man, die van het begin af
den aanval leidde. Zoo, nu weet je, wie we gaan begraven.”

En na nog een poosje op deze wijze doorgesproken te hebben, hing hij
den hoorn op.

„Zie je,” verklaarde hij, weer bij de deur staande, „je waart zoo slim,
dat we er niet achter konden komen, wie het was. Wel, alle duivels,
Regan, we waren er op voorbereid om een onbekende, die heel wat sterker
was dan jij, af te rossen. En nu jij het maar bent, wordt de zaak al
heel gemakkelijk. Wij dachten, dat het inspanning zou kosten. Maar nu
is het een ding van niets. Morgen om dezen tijd, zal er hier in je
kantoor een begrafenis zijn, maar jij bent geen van de rouwdragers. Jij
zult het lijk zijn—en een allesbehalve aanlokkelijk finantiëel lijk zal
je wezen, wanneer we met je afgerekend hebben.”

„Het doodelijk venijn van R. H. M.,” grinnikte de Wolf. „Hemel, wat kon
hij opsnijden!”

„’t Is jammer, dat hij jou niet begraven heeft en mij die moeite
bespaard,” was Francis’ laatste pijl.

„En al de onkosten,” riep Regan hem achterna. „Het wordt wel een beetje
kostbaar voor je en op deze plaats zal geen begrafenis zijn.”



„Wel, morgen is het dus de dag,” zei Francis tegen Bascom, toen ze ’s
avonds afscheid namen. „Morgen om dezen tijd zal ik een netjes
geschoren, gevild, gedroogd en gerookt exemplaar zijn voor Regan’s
particuliere verzameling. Maar wie zou gedacht hebben, dat dit ouwe
stinkdier zooiets met mij voorhad! Ik heb hem nooit iets in den weg
gelegd. Integendeel, ik beschouwde hem altijd als den besten vriend van
mijn vader.—Als Charley Tippery maar wat van dat overtollige geld der
Tippery’s kon loskrijgen...”

„Of als de Vereenigde Staten maar een moratorium wilden uitvaardigen,”
verklaarde Bascom even hopeloos.

En Regan sprak op dit oogenblik tegen zijn bijeengeroepen agenten en
specialiteiten van zijn geruchten-bureau:

„Verkoopen! Verkoopen! Verkoop alles, wat je machtig hebt kunnen
worden. Ik zie geen heil in deze markt!”

En Francis kocht, op weg naar de stad, het laatste extra-blad, en las
de, met groote letters gedrukte hoofdregel:


Ik zie geen heil in deze markt... Thomas Regan.


Maar Francis was den volgenden morgen om acht uur niet thuis om Charley
Tippery te ontvangen. Het was een nacht geweest, waarin het officiëele
Washington niet had geslapen en de telegraafdraden hadden het nieuws
over het land gedragen, dat de Vereenigde Staten, hoewel niet in
oorlog, een moratorium uitgevaardigd hadden. ’s Morgens om zeven uur
door Bascom zelf, die deze tijding bracht, uit zijn bed gehaald, was
Francis met hem naar de stad gegaan. Het moratorium had hen nieuwe hoop
gegeven en er was veel te doen.

Maar Charley Tippery was niet de eerste, die in het paleis in Riverside
Drive arriveerde. Enkele minuten voor acht, was Parker zeer verrast en
verstoord toen hij Henry en Leoncia, vreeselijk bruingebrand en
vermoeid van de reis, den tweeden huisknecht, die de deur opengedaan
had, voorbij zag snellen.

„Het helpt niets, of u zoo naar binnen komt,” verzekerde Parker hen.

„Mijnheer Morgan is niet thuis.”

„Waar is hij heengegaan?” vroeg Henry, het valies, dat hij droeg, in de
andere hand nemend. „Wij moeten hem pronto hebben en ik zal je leeren,
dat pronto vlug beteekent. En wie, voor den duivel, ben jij?”

„Ik ben de vertrouwde knecht van mijnheer Morgan,” antwoordde Parker
deftig. „En wie is u?”

„Ik heet Morgan,” antwoordde Henry kortaf, rondkijkend alsof hij iets
zocht en liep met groote stappen naar de bibliotheek, keek naar binnen
en zag de telefonen. „Waar is Francis? Onder welk nummer kan ik hem
opbellen?”

„Mijnheer Morgan heeft last gegeven, dat niemand hem op mocht bellen,
behalve in dringende omstandigheden.”

„Wel, wat ik hem te zeggen heb, is dringend. Wat is het nummer?”

„Mijnheer Morgan heeft het vandaag zeer druk,” herhaalde Parker koppig.

„Hij staat er aardig slecht voor, is het niet?” raadde Henry.

Het gelaat van den knecht verried niets.

„’t Ziet er naar uit, of hij vandaag failliet zal gaan, niet?”

Parker’s gelaat verried geen enkele aandoening.

„Voor de tweedemaal zeg ik u, dat hij het zeer druk heeft...” begon
hij.

„Alle duivels!” viel Henry hem in de rede. „Het is geen geheim. De
speculanten hebben hem leelijk te pakken. Dat weet iedereen. De
ochtendbladen waren er vol van. Kom nu maar uit den hoek, mijnheer de
vertrouwde knecht. Ik wil zijn nummer weten. Ik heb zelf belangrijke
zaken met hem af te handelen.”

Maar Parker bleef weigerachtig.

„Hoe heet zijn advokaat? Of zijn agent? Of een van zijn
vertegenwoordigers?”

Parker schudde zijn hoofd.

„U moet me eerst zeggen, wat voor zaken u met hem hebt,” waagde de
knecht te zeggen.

Henry zette het valies neer en deed alsof hij op den ander aan wilde
vliegen om Francis’ telefoonnummer uit hem te schudden. Maar Leoncia
kwam tusschenbeide.

„Zeg het hem,” sprak ze.

„Het hem zeggen!” schreeuwde Henry, haar voorstel aanvaardend. „Ik zal
beter doen. Ik zal het hem laten zien.—Hier, kom hier, jij.” Met groote
stappen liep hij de bibliotheek binnen, gooide het valies op een
leestafel en begon het los te maken. „Luister naar mij, mijnheer de
vertrouwde knecht. Onze zaak is een goede zaak. Wij willen Francis
Morgan redden. Wij gaan hem uit de put halen. Wij hebben millioenen
voor hem, hier in dit ding...”

Parker, die ijskoud, met afkeurenden blik had toegekeken, deinsde bij
deze laatste Woorden ontzet achteruit. Òf die vreemde bezoekers waren
krankzinnigen, òf slimme misdadigers. Misschien waren op dit oogenblik,
waarop ze hem aan de praat hielden met hun verhaal over millioenen, hun
handlangers wel bezig om de bovenste verdiepingen van het huis te
bestelen. En dat valies, kon best met dynamiet gevuld zijn.

„Hier!”

Met een snellen greep, had Henry hem bij zijn kraag gegrepen, toen hij
zich omkeerde om te vluchten. Met zijn andere hand hief Henry het
deksel op en liet een massa ongeslepen juweelen zien. Parker toonde
duidelijk, dat hij verrast was, ofschoon Henry den aard van zijn
opwinding niet vermoedde.

„Ik dacht wel, dat dit je zou overtuigen,” verweet Henry. „Wees nu een
goede kerel en geef me zijn nummer.”

„Ga zitten, mijnheer... en mevrouw,” mompelde Parker onder beleefde
buigingen en een welgeslaagde poging om zich te beheerschen.

„Ga zitten, alstublieft. Ik heb het nummer in mijnheer Morgan’s
slaapkamer laten liggen; hij gaf het mij vanmorgen, toen ik hem hielp
met kleeden. Ik zal het in een oogwenk halen. Gaat u onderwijl
alstublieft zitten.”

Eenmaal buiten de bibliotheek, werd Parker een zeer actief,
helderdenkend persoon. Den tweeden lakei aan de voordeur plaatsend,
zette hij den eersten op wacht voor de deur der bibliotheek. Hij zond
verscheidene andere bedienden heen om de bovenverdiepingen te gaan
verkennen of ze daar misschien ook medeplichtigen zouden verrassen bij
hun verfoeilijk werk. Zelf wendde hij zich, via de telefoon van den
bottelier, tot den naastbijzijnden politiepost.

„Ja, mijnheer,” herhaalde hij tot den sergeant. „Het zijn òf een paar
krankzinnigen òf een paar misdadigers. Zend alstublieft dadelijk een
gevangenwagen, mijnheer. Ik weet op het oogenblik zelf niet welke
verschrikkelijke misdaden zich misschien nog onder dit dak zullen
afspelen...”

Ondertusschen liet aan de voordeur de tweede lakei, met merkbare
verlichting, den, ondanks het vroege uur in avondtoilet gekleeden,
Charley Tippery binnen, dien hij kende als een beproefd vriend van zijn
meester. De eerste bottelier liet hem met een even groot gevoel van
verlichting, waaraan hij nog diverse wenken en waarschuwingen
toevoegde, in de bibliotheek.

Niet wetende, wat of wie hij verwachten moest, liep Charley Tippery
door het groote vertrek naar den vreemden man en de vrouw toe. In
tegenstelling met Parker, trok hun gebruind en vermoeid gelaat zijn
aandacht, niet als iets verdachts, maar als iets, dat meer
belangstelling waardig was, dan New-York gewoonlijk aan zijn meer of
minder deftige bezoekers schenkt. Leoncia’s schoonheid trof hem en hij
zag dadelijk, dat zij een dame was. Henry’s gebruinde, verweerde
trekken, die zoo sprekend geleken op die van Francis en R. H. M. wekten
zijn bewondering en eerbied op.

„Goeden morgen,” sprak hij Henry aan, ofschoon deze begroeting tevens
voor Leoncia bestemd was. „Vrienden van Francis?”

„O, mijnheer,” riep Leoncia. „Wij zijn meer dan vrienden. Wij zijn hier
gekomen om hem te redden. Ik heb de ochtendbladen gelezen. Alleen door
de stomheid der bedienden...”

En Charley Tippery koesterde niet de minste achterdocht. Hij stak Henry
zijn hand toe.

„Ik ben Charley Tippery,” zei hij.

„En mijn naam is Morgan, Henry Morgan,” begroette Henry hem met warmte,
als een verdrinkende, die zich vastklemt aan een levensredder. „En dit
is juffrouw Solano—Senorita Solano—mijnheer Tippery. Eigenlijk is
juffrouw Solano mijn zuster.”

„Ik kwam voor dezelfde zaak,” verkondigde Charley Tippery, toen de
voorstelling was afgeloopen. „De redding van Francis moet, volgens mijn
inzicht, geschieden door gereed geld of beslist verhandelbare
borgstellingen. Ik heb meegebracht, wat ik dezen geheelen nacht bij
elkaar heb kunnen scharrelen, en wat ik beslist weet, dat ontoereikend
is...”

„Hoeveel heb je meegebracht?” vroeg Henry op den man af.

„Achttienhonderd duizend—en wat heb jij meegebracht?”

„Rommel,” zei Henry, op het geopende valies wijzend, niet wetend, dat
hij tot een deskundige uit een, reeds drie generaties bestaande,
juweliersfirma sprak.

Een vluchtig onderzoek van een dozijn der juweelen, op goed geluk er
uit genomen en een nog vluggere globale schatting der hoeveelheid,
bracht een uitdrukking van verwondering en opgewektheid op het gelaat
van Charley Tippery.

„Ze zijn millioenen waard! millioenen!” riep hij uit. „Wat wil je ermee
doen?”

„Ze verkoopen, om er Francis mee te helpen,” antwoordde Henry. „Ze zijn
voldoende borgstelling voor elk bedrag, is het niet?”

„Sluit het valies,” riep Charley Tippery, „onderwijl zal ik
telefoneeren!—Ik moet mijn vader zien te spreken, voor hij het huis
uitgaat,” legde hij hen over zijn schouder heen uit, terwijl hij op
aansluiting wachtte. „Het is maar vijf minuten gaans van hier.”

Juist toen hij het korte gesprek met zijn vader afbrak, trad Parker
binnen, gevolgd door een politie-luitenant en twee agenten.

„Daar is de bende, luitenant—arresteer ze,” zei Parker. „....O,
mijnheer, pardon, mijnheer Tippery. Ik bedoel natuurlijk u niet.—Alleen
de twee anderen, luitenant. Ik weet niet, wat hun ten laste gelegd moet
worden—krankzinnigheid, in ieder geval, zoo niet erger, wat zeer
waarschijnlijk is.”

„Hoe maakt u het, mijnheer Tippery,” was de vriendschappelijke groet
van den luitenant.

„U zult niemand arresteeren, luitenant Burns,” zei Charley Tippery
lachend tegen hem. „U kunt den wagen terugzenden naar de post. Ik zal
het wel in orde maken met den Inspecteur. Want u gaat mee met mij en
dit valies en deze verdachte menschen, naar mijn huis. U zult de
lijfwacht zijn—o, niet van mij, maar van dit valies. Er zitten
millioenen in; koude millioenen, harde millioenen, prachtige
millioenen. Wanneer ik het open in tegenwoordigheid van mijn vader,
zult gij iets zien, wat weinig menschen in deze wereld te zien zullen
krijgen.—En nu, vooruit, allemaal. Wij verknoeien onzen tijd.”

Gelijktijdig met Henry greep hij naar het valies en toen beider handen
het vastgrepen, sprong luitenant Burns toe om tusschenbeide te komen.

„Ik geloof, dat ik het maar zal dragen, tot de koop gesloten is,” sprak
Henry.

„Zeker, zeker,” stemde Charley Tippery toe, „als we maar niet meer
kostbare tijd verliezen. Het zal toch nogal tijd kosten om den koop te
sluiten. Kom mee! Vlug!”








HOOFDSTUK XXIX.


Ontzaggelijk gesteund door het moratorium, was de dalende markt tot
stilstand gekomen en enkele fondsen begonnen zich zelfs te herstellen.
Dit was feitelijk met alles het geval, behalve met de aandeelen, die
Francis bezat en waar Regan’s aanval op gericht was. Hij ging hier mee
voort en deed ze langzaam zakken en hij merkte verheugd de reuzen
hoeveelheden Tampico-Petroleum op, die op de markt gebracht werden,
blijkbaar door niemand anders dan door Francis.

„Nu is het tijd,” zei Regan tegen zijn mede-samenzweerders. „Maak, dat
je er bij bent. Het is een dubbele slag. Denk aan de lijst, die ik je
gegeven heb. Verkoop deze en verkoop snel. Die zijn niet te houden. Wat
al de andere betreft, koopen en koop nu, en lever alles af, wat je
verkocht hebt. Zie je, je kunt niet verliezen en als je je aan de lijst
houdt, sla je een dubbele slag.”

„Maar hoe doe je zelf?” vroeg een van zijn talrijke contramineurs.

„Ik koop niets,” was het antwoord. „Dat zal je toonen, hoe eerlijk ik
geweest ben met mijn tip, en hoe vol vertrouwen ik ben. Ik heb buiten
de lijst geen enkel aandeel verkocht en heb dus niets af te leveren. Ik
verkoop nog steeds en houd mij aan de lijst en de lijst alleen. Daarmee
zal ik mijn slag slaan en je kunt er evengoed in deelen, als je
voortgaat met snel te verkoopen.”



„Daar heb je het!” riep Bascom, om half elf in zijn privé-kantoor,
wanhopig tegen Francis. „De heele markt is stijgend, behalve jou
aandeelen. Regan wil bloed zien. Ik had nooit kunnen droomen, dat hij
zoo sterk zou zijn. We kunnen dit niet uitzingen. ’t Is met ons gedaan.
We zijn failliet—jij, ik, wij allen—alles.”

Nog nooit was Francis koelbloediger geweest dan nu. Als alles verloren
is, waarom je dan drukmaken?—sprak uit zijn houding; en, slechts een
leek in het spel, zag hij mogelijkheden, die verborgen bleven voor
Bascom, die teveel en te goed doorkneed was in het spel.

„Neem het niet te zwaar op,” raadde Francis, wiens nieuw idee met het
oogenblik vaster vorm aannam. „Laten we eens opsteken en er een
oogenblik over praten.”

Bascom maakte een zeer ongeduldig gebaar.

„Wacht toch!” drong Francis aan. „Wacht! Kijk! Luister! Ik ben
failliet, zooals je zegt?”

Zijn makelaar knikte.

„Jij bent failliet?”

Weer een bevestigend knikje.

„Wat beteekent, dat we op zijn, heelemaal op,” ontwikkelde Francis zijn
nieuw idee verder. „Nu is het zoo klaar als de dag, voor jou en voor
mij, dat een man nooit meer dan totaal, volkomen, honderd procent,
heelemaal op kan zijn.”

„Wij verspillen onzen kostelijken tijd,” protesteerde Bascom, terwijl
hij toestemmend knikte.

„Niet, wanneer we zoo volkomen op zijn, als jij zegt, dat wij zijn,”
lachte Francis. „Daar we heelemaal op zijn, hebben tijd, verkoop, koop,
niets meer, eenige waarde voor ons. Waarde bestaat niet meer voor ons,
begrijp je dat dan niet?”

„Ga verder, wat bedoel je?” vroeg Bascom, tijdelijk geduldig geworden
door uiterste wanhoop. „Ik bezit op het oogenblik minder dan een
kerkmuis en, zooals je zegt, ik kan onmogelijk meer verliezen.”

„Nu begrijp je me!” jubelde Francis. „Jij bent lid van de Beurs. Ga
erheen en verkoop of koop, doe, wat jou en mijn vroolijk hart besluit.
Verliezen kunnen we niet. Wanneer je iets van niets aftrekt, blijft er
altijd niets over. We hebben al ons kruit verschoten en meer dan dat.
Laten we nu verschieten, wat we niet hebben.”

Bascom waagde nog een zwak protest, maar Francis versloeg hem met een
laatste:

„Bedenk, iets van niets afgetrokken, blijft niets.”

En het volgend uur, niet langer een zelfstandig makelaar, gehoorzaamde
Bascom, als in een nachtmerrie, aan Francis’ wil in het krankzinnigste
beursavontuur van zijn leven.

„O, zeker,” lachte Francis om half twaalf, „we zouden er nu wel uit
kunnen scheiden. Maar bedenk, we zijn er niet erger aan toe, dan een
uur geleden. Toen hadden we niets. En nu hebben we niets. Je kunt nu
ieder oogenblik de veilingsvlag ophangen.”

Bascom nam langzaam en droevig den hoorn van de telefoon en wilde juist
de orders geven, die een eind zouden maken aan den strijd door een
onvoorwaardelijke overgave, toen de deur openging en het bekende wijsje
van een zeerooversliedje naar binnen drong, dat Francis snel zijn hand
uit deed steken om zijn makelaar reeds bij voorbaat tegen te houden.

„Halt!” riep Francis. „Luister!”

En zij luisterden naar het lied, dat de komst van den zanger
aankondigde:


        „—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
        De gansche bemanning wijken doet.”


Toen Henry verwaand binnenstapte, met een reuzen-valies in de hand,
stemde Francis mee in met het liedje.

„Wat is er aan de hand?” vroeg Bascom aan Charley Tippery, die, nog
altijd in avondtoilet, er door de inspanning zeer afgemat en vermoeid
uitzag.

Uit zijn borstzak haalde hij drie geteekende chèques tot een
gezamenlijk bedrag van achttienhonderd duizend dollars te voorschijn en
overhandigde hem die. Bascom schudde droevig het hoofd.

„Te laat,” zei hij. „Dat is slechts een druppel in den emmer. Steek ze
weer in je zak. Het zou maar weggooien zijn.”

„Maar wacht,” riep Charley Tippery, zijn zingenden metgezel het valies
uit handen nemende en dit openend. „Misschien kan dit helpen?”

„Dit” bestond uit een groote massa nette bundeltjes goudaandeelen en
soliede waarborgen.

„Hoeveel is het?” hijgde Bascom, wiens moed als bij tooverslag
herleefde. Maar Francis, die overbluft was bij het zien van zoo’n
overvloed ammunitie, hield met zingen op, om hijgend toe te kijken. En
zoowel hij als Bascom hijgden weer toen Henry uit zijn binnenzak een
bundeltje te voorschijn haalde, bestaande uit een dozijn geteekende
chèques. Zij vermochten enkel te staren naar dat reuzenbedrag, want elk
der chèques was goed voor een millioen dollars.

„En er is nog overvloed op de plaats, waar dit vandaan komt,”
verkondigde Henry luchtigjes. „Je hoeft maar te spreken, Henry, en we
zullen deze speculantentroep tot gruis slaan. Ik denk, dat je het nu
druk zult krijgen. De geruchten loopen overal, dat je op bent en het
met je gedaan is. Vooruit en toon wie je bent. Pluk je aanvallers tot
den laatsten toe. Schud ze uit tot hun gouden horloges en de vullingen
hunner tanden toe.”

„Je hebt dus eindelijk den schat van den ouden Sir Henry gevonden,”
feliciteerde Francis.

„Neen.” Henry schudde het hoofd. „Dit maakt deel uit van den schat der
oude Mayas—ongeveer een derde ervan. We hebben een derde gedeeld met
Enrico Solano, en het andere derde deel berust veilig bij de Nationale
Juweliers- en Handelsbank.—Zeg, ik heb nieuws voor je, als je klaar
bent om te luisteren.”

En Francis was gauw klaar. Bascom wist zelfs beter dan hij, wat er
gedaan moest worden en gaf reeds zijn orders per telefoon aan zijn
staf—kooporders in zoo’n reuzenhoeveelheid, dat Regan’s heele fortuin
hem niet in staat zou stellen om te leveren, wat hij had verkocht.

„Torres is dood,” vertelde Henry hem.

„Hoera!” ontving Francis dit bericht.

„Gestorven als een rat in een val. Ik zag zijn hoofd naar buiten
steken. Het was geen prettig gezicht. En de Chef van Politie is dood.
En... en nog iemand anders is dood...”

„Leoncia toch niet!” riep Francis uit.

Henry schudde het hoofd.

„Iemand der Solanos—de oude Enrico?”

„Neen, je vrouw, mevrouw Morgan. Torres schoot haar dood, schoot haar
met opzet dood. Ik stond naast haar, toen ze viel. Maar luister, ik heb
nog meer nieuws. Leoncia is hier in dat andere kantoor en zij wacht,
dat je bij haar zult komen.—Kan je niet wachten, tot ik uitgesproken
ben? Ik heb nog meer nieuws, dat je zal zeggen, wat je doen moet, voor
je naar haar toegaat. Wel, alle duivels, als ik een zekere Chinees was,
dien ik ken, zou ik je een millioen laten betalen voor al de nieuwtjes,
die ik je voor niets geef.”

„Schiet op—wat is het?” vroeg Francis ongeduldig.

„Goed nieuws, natuurlijk, onvervalscht goed nieuws. Het beste nieuws,
dat je ooit gehoord hebt. Ik—nu lach niet of sla mijn kop niet af—het
goede nieuws is, dat ik een zuster gekregen heb.”

„Wat zou dat?” was Francis’ norsch antwoord. „Ik heb altijd geweten,
dat je zusters had in Engeland.”

„Maar je houdt mij niet voor den gek,” ging Henry voort. „Dit is een
fonkelnieuwe zuster, heelemaal-volwassen en de mooiste vrouw, die je
ooit gezien hebt.”

„En wat zou dat?” bromde Francis. „Dat mag goed nieuws zijn voor jou,
maar ik zie niet in, wat ik daarmee te maken heb.”

„Zoo, nu komen we er dichter bij,” grinnikte Henry. „Jij gaat met haar
trouwen. Ik geef je mijn volle toestemming...”

„Nog niet al was ze tienmaal je zuster, of tienmaal zoo mooi,” viel
Francis hem in de rede. „Er bestaat geen vrouw, waarmee ik zou willen
trouwen.”

„Dat doet er niet toe, Francis, mijn jongen, met deze eene ga je toch
trouwen. Ik weet het. Ik voel het in mijn botten. Ik wil er wat onder
verwedden.”

„Ik wed om duizend dollars, dat ik het niet doe.”

„Och wat, maak er liever een echte weddenschap van,” zei Henry.

„Om wat je wilt.”

„Aangenomen, om duizend vijftig dollars dan.—Ga nu regelrecht naar het
kantoor daar en bekijk haar maar eens.”

„Ze is bij Leoncia?”

„Neen, ze is bij haar zelf.”

„Ik dacht, dat je zei, dat Leoncia daar was.”

„Precies, precies. En Leoncia is daar ook. En er is niemand bij haar en
zij wacht op je, om met je te praten.”

Maar ditmaal werd Francis kregelig.

„Wat vertel je me toch?” vroeg hij. „Ik kan geen touw vastmaken aan je
onzin. Het eene oogenblik is je fonkelnieuwe zuster daar binnen, en het
volgend oogenblik is het je vrouw.”

„Wie zegt je, dat ik ooit een vrouw had?” was Henry’s weervraag.

„Ik geef het op,” riep Francis. „Ik zal naar binnengaan en Leoncia
begroeten. Ik zal later wel verder met je praten, wanneer je weer goed
bij zinnen bent.”

Hij liep naar de deur, maar Henry sneed hem den pas af.

„Nog een oogenblik, Francis en dan heb ik het mijne gezegd,” sprak hij.
„Ik moet je die toelichting geven. Ik ben niet getrouwd. Er zit
daarbinnen maar één vrouw op je te wachten. Die vrouw is mijn zuster.
En het is Leoncia.”

Francis stond een halve minuut versuft, eer hij begreep hoe de vork aan
den steel zat. Weer, en nu vliegensvlug, ging hij naar de deur, toen
Henry hem weer tegenhield.

„Heb ik gewonnen?” vroeg Henry.

Maar Francis schudde hem van zich af, vloog door de deur en wierp deze
achter zich dicht.


                                EINDE.











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE HARTEN ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg™ License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg™.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg™ License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg™ website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™

Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg™ and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West,
Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg™,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.