The Project Gutenberg eBook of Oostersch leven
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Oostersch leven
Deel 1 van 2
Author: H. Th. Obbink
M.A. James Neil
Illustrator: S. B. Carlill
James Clark
John Macpherson Haye
Release date: August 18, 2026 [eBook #79397]
Language: Dutch
Original publication: Nijkerk: G. F. Callenbach, 1914
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79397
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OOSTERSCH LEVEN ***
OOSTERSCH LEVEN
DOOR
Dr. H. Th. OBBINK
EERSTE DEEL
NIJKERK—G. F. CALLENBACH
1914
WOORD VOORAF.
Wie den Bijbel leest, stuit, zoowel in het Oude- als in het Nieuwe
Testament, herhaaldelijk op zegswijzen en beeldsprakige uitdrukkingen
die niet alleen vreemd aandoen, maar ook die zonder nadere verklaring
eenvoudig onverstaanbaar zijn. En niet alleen dat ze voor den
hedendaagschen bijbellezer onverstaanbaar zijn, maar ze waren dat
goeddeels ook al voor de Statenvertalers, tengevolge waarvan menige
uitdrukking in onzen vertaalden Bijbel niet den juisten zin aangeeft
van wat de gewijde schrijver bedoelde.
Nu is, door onophoudelijk speuren en zoeken, in den loop der eeuwen al
veel opgehelderd, en voor een goed deel zijn die ophelderingen ook
reeds door tal van populaire geschriften in breede kringen bekend
geworden. Een der meest noodzakelijke voorwaarden voor het verstaan van
den Bijbel is wel de kennis der zeden en gewoonten, der
levensvoorwaarden en sociale verhoudingen in Palestina zelf, in den
tijd waarin de bijbelsche verhalen ons verplaatsen. Uit den aard der
zaak zijn de mededeelingen daarover uiterst schaarsch: buiten de
bijbelsche gegevens vinden we voor de kennis van de kultuur-toestanden
in het oude Palestina al heel weinig; en wat we vinden is meer
aangeduid en ondersteld dan opzettelijk behandeld en uitgewerkt. Zoo
bleef er vrije speelruimte voor de fantasie, en van de middeleeuwen en
de dagen der Renaissance af tot op onzen tijd toe, heeft de kunst in
allerlei uitingen van die fantasie een gul gebruik gemaakt. Vele
werken, zelfs van groote meesters, zijn uit historisch en archeologisch
oogpunt bezien, onvoldoende.
Nu is in den laatsten tijd de meening uitgesproken, dat een meer
nauwkeurige kennis, ook van de oude gewoonten en gebruiken in
Palestina, langs anderen weg te verkrijgen is, nl. door het onderzoek
in het hedendaagsch Palestina zelf. Men spreekt tegenwoordig graag van
„het onbewegelijk Oosten”, en bedoelt daarmee dat nog tegenwoordig de
Palestijnsche boer op precies dezelfde wijze zijn akker ploegt, als
voor 2000, ja voor 4000 jaren, dat hij nog dezelfde huwelijks- en
rouwgebruiken heeft als toen, ja dat ook zijne religieuze
voorstellingen niet noemenswaard van de toenmalige verschillen, en dat
die latere wijzigingen zich zoo oppervlakkig op de oude gebruiken en
voorstellingen hebben gelegd, dat ze met een weinig kritisch oordeel
nog duidelijk af te zonderen zijn. Het komt mij voor dat men in dat
opzicht overdrijft, en dat de onbewegelijkheid van het Oosten niet zóó
star is, als men het graag doet voorkomen. Een bekend geleerde S. I.
Curtiss, die vele jaren in het Oosten vertoefde, schreef een tiental
jaren geleden een werk „Ursemitische Religion im Volksleben des
heutigen Orients”, waarin hij op grond van zijne onderzoekingen in het
hedendaagsch Palestina en omliggende landen, een voorstelling meende te
kunnen vormen zelfs omtrent de oudste tijden, ook wat godsdienst en
zeden betreft. Het is nu al wel duidelijk welke groote bezwaren kleven
aan zulk een wijze van behandeling. Maar een waarheid ligt er toch in.
De tallooze reisbeschrijvingen en vooral de honderden fotografieën uit
het hedendaagsch Palestina doen duidelijk zien, hoe groot de
stabiliteit is in het oostersch leven gedurende lange eeuwen. En de
beschrijvingen van het doen en laten in het tegenwoordig Palestina
werpen inderdaad dikwijls verrassend licht op tal van bijbelsche
beelden en zegswijzen.
Aan beschrijvingen van het tegenwoordig Palestina ontbreekt het niet.
Niet alleen dat tientallen van boeken verschenen zijn van menschen die
gedurende korter of langer tijd het Oosten bereisden, maar ook zij, die
er gedurende vele jaren hebben gewoond, soms haast als Oosterling
geleefd, hebben ons een schat van gegevens verstrekt.
Een van deze is James Neil M. A., die in 1913 een in het Engelsch
geschreven werk uitgaf „Everyday life in the holy land”, met tal van
gekleurde platen versierd. Het was met dit werk dat de uitgever
Callenbach tot mij kwam met de vraag, om voor Hollandsche lezers een
bewerking daarvan te geven. Dat zou dan geschieden op deze wijze, dat
de platen uit het werk van James Neil den grondslag vormden, zoodat,
evenals in het Engelsche werk, het geheel het karakter droeg van
„Platen met bijschriften”. Daarmee was de indeeling en de te behandelen
stof vanzelf gegeven, en de lezer begrijpt dat dit werk in geen enkel
opzicht beoogt een systematisch geheel te zijn; ’t zijn alle losse
schetsen, waarbij veel onbesproken bleef, wat in een werk dat bedoelt
het „Oostersch leven” te beschrijven, niet zou mogen wegblijven.
Ik heb gemeend mij niet te moeten bepalen tot een bewerking of zelfs
omwerking van het boek van Neil, maar iets geheel zelfstandigs te
moeten geven. Om velerlei redenen. Ten eerste is Neils werk typisch
Engelsch, en daardoor al dadelijk voor Hollandsche lezers minder
geschikt. Dan leek het mij ook te apologetisch van aard—ik sta met
apologetiek op niet te besten voet—en eindelijk neemt één mensch, zelfs
al is hij zoo goed op de hoogte als Neil, altijd eenzijdig waar, en
verschillende besliste uitspraken van Neil worden door anderen, die het
Oosten niet minder goed kennen dan hij, weersproken.
Zoo is dan voor dit boek het werk van Neil het „point de départ”, en
levert behalve de platen, ook verschillende gegevens, maar het meeste
is wel ontleend aan het door mij in de laatste tien jaar verzamelde
materiaal; verder aan de werken van Charles, L. de Vaux, Conder,
Röhricht, Burchhardt, van Senden, van de Velde, Robinson, Tobbe, Bovet,
Verschuur, L. Bauer, G. Hölscher, Ninck, H. Guthe, H. J. van Lennep,
Goodrich-Freer, Lane, Löhr, Curtiss, Baedeker, Ebers, K. Jäger,
Trietsch e.a. Ook moeten hier genoemd worden het Zeitschrift des
deutschen Palästina-Vereins en het tijdschrift Globus, terwijl de
tallooze fotografieën, die tegenwoordig ten dienste staan, uitnemende
diensten bewezen.
H. Th. O.
Utrecht, April 1914.
BIJ DE BRON
De plaat brengt ons in den geest naar het Oosten en schildert een dier
schitterende avonden, tegen zonsondergang, zooals men die alleen in het
Oosten kent. De hitte van den gloeienden oosterschen dag heeft plaats
gemaakt voor een frissche koelte, en rondom de bron, waarvan op onze
plaat een deel der monding zichtbaar is, verzamelen zich in bonte groep
de kleurig gekleede Oosterlingen; vermoeide reizigers, die als Jezus
bij de put van Sichar, verpoozing en lafenis zoeken, of vrouwen die met
de kruik op het hoofd, komen om water te putten voor het huiselijk
gebruik.
Het klimaat van Palestina geeft aan zulk een avonduur bij de bron een
eigenaardig karakter. Men kent in Palestina slechts twee jaargetijden,
den regentijd en den drogen tijd. Het voorjaar, verreweg de
aangenaamste tijd van het jaar, valt van midden Maart tot midden Mei.
Van begin Juni tot begin October valt er bijna nooit regen. Bij hooge
uitzondering breekt er een onweer los in den zomertijd, maar dat is zoo
zeldzaam dat toen God volgens 1 Sam. 12 : 17, 18 op Samuels bede midden
in den zomer een onweer met regen zond, het volk zeer vreesde vanwege
dit bijzondere teeken. Door die maandenlange droogte wordt de atmosfeer
buitengewoon doorschijnend en de hemel ook des nachts zeer helder, en
krijgt de maan een ongekenden glans (Ps. 121 : 6). Gedurende de
zomermaanden valt een groote hoeveelheid dauw (Richt. 6 : 38), welks
uitblijven als geen gering gemis wordt gevoeld, zoodat het „geen dauw
of regen zal op u zijn” (2 Sam. 1 : 21) als een gevoelige straf wordt
beschouwd. De dauwvorming is vaak zoo sterk dat des morgens de daken
druipen als na een regenbui, en het overnachten onder den blooten hemel
onmogelijk wordt gemaakt. Dit is dan ook de eenige neerslag in den
regenloozen tijd. Voor de stralen der opgaande zon verdwijnt al spoedig
het laatste spoor daarvan, zoodat Hozea de wufte godsdienstigheid
zijner tijdgenooten vergelijkt bij den vroegkomenden dauw, die snel
vergaat. Daarbij komt dat de zeer droge oostenwind, die tegen einde Mei
begint te waaien, alle vocht uit den dampkring opzuigt, en de
groeikracht vernietigt, behalve daar waar, zooals in de omgeving van
Damaskus, de bodem kunstmatig bevochtigd kan worden. De putten en
bronnen drogen uit, en van meer dan een put geldt wat van „Jozefs put”
staat geschreven: er was geen water in. Zeer vroeg in het voorjaar
begint de regentijd, en dan zijn het soms stortvloeden, waardoor de
leemen hutten der landbewoners instorten, de putten en bronnen worden
weer vol, en het koren komt tot rijpheid. De jaarlijksche wisseling van
land- en zeewind herhaalt zich op kleineren maatstaf elken dag; in den
zomer worden door de zonnestralen de krijtbergen in het Oosten sterk
verhit, sneller als de zee, waardoor men overdag doorgaans zeewind
heeft; ’s nachts koelen de krijtrotsen sneller af, zoodat tegen den
avond een koele oostenwind verfrisschend komt verkwikken.
Dat is het uur dat het volk de putten en bronnen opzoekt, deels om zich
te verkwikken in de frissche avondlucht, deels om in kruiken en kannen
het water mee te nemen naar huis. Hier is dikwijls de verzamelplaats
van oud en jong. Men komt er bijeen op de manier zooals nog
tegenwoordig in het Oosten van ons land de dorpbewoners zich verzamelen
in groepjes op den „brink”, om ’t nieuws van den dag te bespreken. Het
verwondert dan ook niet, dat in den Bijbel zoovele belangrijke
gebeurtenissen plaats vinden bij zulk een put of bron. Zoo steeg
Eliëzer, toen hij uitging om een bruid voor Izaäk te zoeken, buiten de
stad bij den put af, des avonds als de vrouwen kwamen om water te
putten, en daar hooren wij uit zijn mond dat gebed van stil vertrouwen
dat God hem de rechte vrouw voor Izaäk zal aanwijzen. En het was
wederom bij zulk een put dat Izaäk op een avond zijne oogen ophief en
zag Eliëzer en Rebekka naderen, de vrouw die hem zou troosten over
zijne moeder. Ook Mozes had zijne vrouw gevonden uit de dochters van
den priester van Midian, toen zij kwamen om water te putten. En
natuurlijk denken we hier aan de vriendelijke geschiedenis uit Joh. 4,
het verhaal der Samaritaansche vrouw, aan wie Jezus „levend water”
geeft.
Deze laatste uitdrukking wordt verstaanbaar als wij bedenken, dat wij
twee soorten van waterreservoirs moeten onderscheiden, die we
gemakshalve putten en bronnen zullen noemen. In de Statenvertaling is
het verschil tusschen die twee niet altijd nauwkeurig in het oog
gehouden. De putten dienen tot het opvangen van het regenwater en
hebben daarom dikwijls gemetselde of gepleisterde wanden, om ’t
wegzakken van het water in den grond te voorkomen. De bronnen zijn in
den grond gegraven gaten, waarin het welwater zich verzamelen kan. Zoo
lezen wij dat Izaäks knechten graven in het dal en vinden een put van
levend water, Gen. 26 : 19. Het welwater heet dus levend water, een
naam die ook wel aan stroomend water, eigenlijk aan alle in beweging
zijnd water kan gegeven worden.
Tegenwoordig heeft elke welgestelde stadsbewoner bij zijn huis een put
ter verzameling van het regenwater, en de opgravingen in Palestina
hebben aangetoond dat dat ook in oude dagen reeds het geval was;
trouwens uit 2 Sam. 17 : 18 en andere plaatsen in het Oude Testament
blijkt het evenzeer.
Dikwijls waren zulke „putten” in de rots uitgehouwen: uiteraard een
voortreffelijk waterreservoir, waarin het water bovendien geheel frisch
en koud bleef. Vaak lag zulk een reservoir zoo diep, dat men met
trappen er in afdaalde, zoo b.v. Rebekka, om voor Eliëzer water te
scheppen, Gen. 24 : 16.
Behalve dat men bij vele stadshuizen zulke putten aantrof en nog
aantreft, bevond zich dikwijls buiten de stad een put of bron voor
algemeen gebruik, en eveneens ziet men ze vaak langs wegen en in het
open veld. Meerdere van zulke zeer oude putten en bronnen zijn tot op
den huidigen dag in gebruik gebleven, b.v. die van Berseba, en de bron
aan den voet van den Gerizim, de zgn. Jakobsbron (Joh. 4 : 12), die
tegenwoordig 23 meter diep is, en een doorsnee heeft van 2½ meter. De
opening werd meestal toegedekt met schuinopstaande steenen, zoodat in
het midden een opening bleef, die na gebruik meestal met een zwaren
steen werd gesloten (Gen. 29 : 3), waarover soms aarde werd gestrooid
om de plaats voor vreemden onkenbaar te maken. De berghellingen van
Palestina zijn hier en daar met ruïnen van cisternen, kanaaltjes,
reservoirs enz. als bedekt, die voor een deel reeds eeuwen oud zijn.
Vooral waar het een put en niet een bron gold, was bij aanhoudende
droogte het gevaar niet denkbeeldig, dat de voorraad uitgeput raakte,
wat voor een herderstroep met hunne kudden vertrek naar elders en het
zoeken van een nieuw waterreservoir noodzakelijk maakt. De geschiedenis
der aartsvaders leert ons dan ook hoe een der middelen om een
vijandelijken stam te benadeelen, is, dat men zijn putten verstopt
(Gen. 26 : 15).
Afgezien van een paar grootere steden, waar tegenwoordig eenigszins in
den waternood is voorzien—in Jeruzalem kostte het water nog voor korten
tijd f 2.50 per kubieken meter—is de toestand nog dezelfde als voor
3000 jaar, en ziet men in Palestina op straten en wegen de
waterverkoopers hun waar aanprijzen. Zij dragen het water bij zich in
een leeren zak—een dichtgenaaide dierenhuid—die ook reeds in den Bijbel
genoemd wordt, en door de Statenvertaling door „flesch” wordt vertaald
(Gen. 21 : 14).
Het water halen is de taak der vrouwen. Men noemt ’t dan ook sjoegal
niswan, vrouwenwerk. Op de plaat zien we een meisje komen met haar
kruik op ’t hoofd en een soort emmer met touw om te putten. De steenen
aan den rand van den put zijn reeds uitgesleten door het daarlangs
trekken van de touwen, gedurende vele jaren, misschien wel gedurende
vele eeuwen. In de Schrift wordt ons verhaald hoe Jezus zijne
discipelen uitzendt om het Pascha te bereiden, zeggende: als gij in de
stad zult gekomen zijn, zal u een mensch ontmoeten, dragende een kruik
waters. Uit het Grieksche woord hier door „mensch” vertaald, blijkt dat
hier een man wordt bedoeld. De Heer geeft daarmee een zeer duidelijke
aanwijzing, want, terwijl mannelijke waterverkoopers in het Oosten
veelvuldig voorkomen, dragen die hun voorraad water steeds in een
dichtgenaaide dierenhuid, nooit in een kruik. Een man, een kruik water
dragende, is in het Oosten een zeer ongewoon verschijnsel.
Op de plaat zien wij drie soorten menschen bij de put. De man, gewapend
met het kromzwaard, staande bij de kameel, waarop zijn vrouw zit; dan
de twee mannen links, de eene staande, de ander zittende biddend zijn
„rozenkrans”; de derde, het meisje komende om water te putten. Deze
drie groepen vertegenwoordigen de bevolking van het hedendaagsch
Palestina.
De hoofdbevolking van Palestina noemt zich met een algemeenen, niet
geheel juisten naam aulâd-el-Arab: kinderen der Arabieren, en vallen
wat gewoonten, kleeding, enz. betreft, uiteen in de boven aangewezen
drie groepen, n.l. 1e de stadbewoners, medenî; welk woord is afgeleid
van medeni = stad; daartoe behooren de beide mannen, links op de plaat;
2e de dorpsbewoners, fellâh van falah = het land bebouwen, dat is de
landbouwende bevolking; en 3e de bedoeïenen, bedawî, een woord dat is
afgeleid van ’t arabisch bedw = woestijn.
Deze drie klassen onderscheiden zich zoowel door taal-eigenaardigheden,
kleeding, uiterlijk aanzien, woning, als ook door zeden en gebruiken en
algemeene levenswijze. Wat de taal betreft, is het b.v. merkwaardig dat
b.v. de inwoners van Nablus, het oude Sichem de letter sj niet kunnen
uitspreken, maar daarvoor altijd s zeggen, een feit dat ons dadelijk
herinnert aan het bekende verhaal uit Richt. 12 : 6 waar wordt verhaald
dat de Ephraïmieten het woord sjibbolet niet kunnen zeggen, maar ’t
uitspreken als sibbolet.
De stadbewoners beschouwen zich natuurlijk als de beschaafde klasse, en
zien met trotsche verachting op de domme, onontwikkelde fellah’s neer.
Ja fellah! jij fellah! is een in hun mond veel voorkomende scheldnaam.
De bedoeïen van zijn kant acht zich de heer der schepping en acht zich
zoowel boven den stedeling als boven den fellah verre verheven. Het
zich bezighouden met den akkerbouw is voor den trotschen
woestijnbewoner even verachtelijk als het zich opsluiten tusschen de
muren van een stad. Natuurlijk is de grens tusschen stadbewoner en
fellah niet scherp te trekken, daar b.v. plaatsen als Nazareth,
Bethlehem enz., hoewel eigenlijk dorpen, toch echte stedelingen
herbergen. De grens tusschen beide, ook wat kleeding en taal betreft,
is soms tamelijk vaag. Alleen de bedoeïen staat er zelfstandig naast,
vooral door zijn geheel verschillende levenswijze. Maar ook tusschen de
verschillende plaatsen onderling is het onderscheid in taal, kleeding
en levenswijze tamelijk groot. Tal van bizonderheden komen later ter
sprake.
De allerongunstigste verhoudingen, waaronder de bewoners leven, hebben
een nadeeligen invloed gehad op het algemeene volkskarakter. Vooreerst
de ellendige Turksche politiek die niets doet om de
levensomstandigheden te verbeteren. Voor eenige jaren werd zelfs een
aanbod van een Amerikaansche dame om voor eigen rekening de oude
waterleiding van Salomo te doen herstellen—de kosten waren geschat op
ongeveer een millioen gulden—van de hand gewezen! Vervolgens de invasie
van tallooze vreemdelingen. Van alle kanten wordt beproefd vasten voet
te krijgen in het heilige land, en de elementen die op deze wijze zich
daar nestelen, zijn vaak niet de beste. Zoodat men, sprekende van het
algemeen karakter van den Oosterling, licht een donker tafereel
ophangt. Op den voorgrond treedt de geldzucht, het altijd en overal met
eerlijke en oneerlijke middelen naar zich toe halen. Dan het gebrek aan
energie, de slapheid en lusteloosheid, onverschilligheid voor alles
waar niets mee te verdienen valt. Werken is eigenlijk schande. Vooral
van de stedelingen geldt dat, wier vrouwen ongeloofelijk traag zijn en
slordig. Vooral dat wat eenige geestelijke inspanning kost, is
verwerpelijk. Daarmee hangt onmiddellijk samen dat men eeuwenlang
volhardt bij de eenmaal overgeleverde voorvaderlijke gebruiken, en nu
nog het land bebouwt met dezelfde primitieve middelen als voor 2000
jaar. Hardnekkig en onnadenkend, enkel door de natuurlijke traagheid
gedreven, volhardt men bij wat eenmaal is, en ziet al het nieuwe
wantrouwend aan of onverschillig. De wereld der dingen die hen
interesseert is heel klein. Deze zelfde traagheid doet hen zoo
makkelijk zich neerleggen bij een eenmaal voldongen feit. Men heeft de
oorzaak daarvan vaak in het fatalisme van den Islam gezocht. Veeleer
moet gezegd worden dat de Islam met zijn „berustingsleer” daarom zoo
gemakkelijk bij dit van nature zoo trage volk ingang vond, omdat hij er
zoo geheel voor paste. Immers de weinige Christenen in Palestina vormen
geen al te sterke tegenstelling met dezen algemeenen volksaard. Men zou
haast wenschen dat hun godsdienst maar wat meer invloed had op ’t
dagelijksch leven. Men houde overigens in het oog, dat dit
Palestijnsche „Christendom” van een eigenaardig allooi is: Ten eerste
is het „Grieksch-orthodoxe” geloofssysteem met al de daaraan
vastzittende bijgeloovigheid verreweg in de meerderheid, waarbij het
Evangelie begraven is onder een massa puin van heiligenlegenden en
geestengeloof, vervolgens is zoowel dit oppervlakkig Christendom zoomin
als de Islam, in staat geweest, de oorspronkelijk heidensche gewoonten
en voorstellingen uit te roeien. Wat de Mohammedanen betreft, een
streng orthodox Mohammedanisme gaat hand aan hand met een zeer slordig
leven. Het meest treden aan het licht: dronkenschap, onzedelijkheid,
speelzucht, geldzucht en leugen. Zijn naaste te bedriegen geldt niet
als slecht maar als handig. Bij het bespreken van den handel komen we
daarop terug. Het is voor een Westerling uiterst moeielijk een kwestie
met hen te behandelen. Ze zeggen nooit rechtstreeks en ineens hun
meening, maar loopen er door breede beeldspraak en woordenrijkheid
onophoudelijk omheen, om pas de waarheid te zeggen als het hun tijd is.
Die wijdloopigheid wordt nog vergroot door de eindelooze vloeken en
bezweringen, waarbij hemel en aarde te pas komen. De term kilme
frendsjije = „woord van een Westerling” beteekent bij hen: betrouwbaar
woord. Ze zweren bij Allah, bij hun leven, bij den baard van Mohammed,
bij hun hoofd, kortom, bij alles wat hun maar in den zin komt, dat ze
de waarheid zeggen. Wie denkt daarbij niet aan de bekende woorden van
Jezus Matth. 5 : 34 vgg.? Zeer verderfelijk werkt de speelzucht. Naast
allerlei speciaal Arabische spelen, kent men, vooral te Jeruzalem en in
de havensteden, ook het westersche kaartspel. Kaarten worden wel eens
kenmerkend genoemd: kitâb il-fuharâ wesj-sjahhadin: boek der armen en
bedelaars. Daarmee gaat natuurlijk drankzucht gepaard, speciaal bij de
stadbewoners en de bedoeïenen. Ook de onzedelijkheid in engeren zin is
onrustbarend groot, de tegennatuurlijke ontucht niet uitgezonderd.
Daartegenover staan echter ook goede eigenschappen. Voorop de
diepgewortelde eerbied voor de ouders, die niet alleen als respect zich
uit, maar werkelijk liefde beteekent. Ze vertellen elkaar gaarne zulke
verhalen waar ouder- of broederliefde een vriendelijke rol spelen. Ook
is een zeer gunstig verschijnsel de zin voor humor en de
goedmoedigheid, die overal aan ’t licht komt, waar ’t geld buiten spel
is.
In ’t vervolg zullen wij volop gelegenheid hebben van een en ander
frappante voorbeelden te vernemen.
Wanneer wij de plaat er nog eens op aanzien, valt ons op een merkbaar
verschil in kleeding tusschen de drie afgebeelde menschentypen. Het
eenvoudigste is het water halende fellah-meisje gekleed. Ze draagt een
tot op de voeten hangenden blauwen rok van ruwe stof, die echter op
onze plaat is opgenomen en tusschen den gordel gestoken. Deze rok is
niet altijd van dezelfde snit noch van dezelfde kleur. De vergelijking
met andere platen in dit boek doet zien hoeveel variaties men in dit
simpele kleedingstuk, dat tôb heet, weet aan te brengen. Soms is ’t
niet anders dan een omgeslagen groote doek met gaten voor de armen,
soms is hij met mouwen voorzien, soms is hij blauw, soms groezelig wit.
Voor feestelijke gelegenheden maakt hij plaats voor een tôb harîr, d.i.
een veel kostbaarder rok met blauwe, groene, roode, of gele strepen,
terwijl op de borst nog een ander stuk doek van sprekende kleur is
opgenaaid, terwijl ’t geheel door een gordel van katoen of zijde wordt
bijeengehouden. Trouwens ook voor gewone dagelijksche dracht ziet men
dit kleedingstuk veel voller dan op onze plaat. Men lette op den
eigenaardigen vorm van mouwen op plaat 2 en 3, waar de mouwen zoo lang
zijn, dat ze ver over de handen heenreiken, terwijl de noodige vrijheid
voor de handen gekregen wordt door ze van af den elleboog, aan de
binnenzijde met een split te voorzien. Op plaat 2 is die mouw zóó lang
dat ze over den grond sleept. Het is natuurlijk onmogelijk met zulke
slepende mouwen te werken. Daarom worden ze bij den arbeid opgenomen en
in den nek saamgebonden, terwijl, zooals boven reeds werd opgemerkt, de
slippen van het kleed tusschen den gordel worden gestoken. „Zich
gorden” beteekent dus: zich gereed maken voor ’t werk. De jonge
fellah-vrouw op onze plaat is „gegord”. Vandaar dat het woord „gegord
zijn” in het Oosten gebruikt wordt voor „sterk zijn”, en „de gordel
verliezen” voor „verzwakken”. Vandaar ook de talrijke uitdrukkingen in
Oud en Nieuw Testament waar de gordel voorkomt als beeld van mannelijke
kracht.—Over den rok wordt dikwijls een, roode of blauwe mantel, abâ
genaamd, of ook wel, als te Bethlehem, een met gouddraad gestikt jakje,
gedragen.
De mannelijke fellah’s zijn zoo mogelijk nog eenvoudiger gekleed. Ze
dekken zich met een hemd, blauw of wit, van groezelige ruwe stof,
hangend tot over de knie en op de borst diep uitgesneden. Men zie de
volgende platen. Dit hemd wordt door een lederen gordel om de lendenen
vastgehouden. Is men niet aan den arbeid, dan wordt daarover heen
veelal gedragen een, meest gestreepte wollen mantel. Zonder dien mantel
gaat een welopgevoede fellah niet uit. Meest is ’t een groot vierkant
stuk doek, zóó dichtgenaaid dat voor de armen openingen blijven. Deze
mantel dient voor velerlei: het beschermt tegen regen en koude, ’s
nachts dient hij voor deken en bed tegelijk, want de doorsnee-fellah
legt zich te slapen op zijn stroomat of ook op den blooten grond,
terwijl hij zich in zijn abâ wikkelt. De zoo rustende fellah lijkt wel
wat op een mummie, of een reusachtige vlinderpop. We zien hier weer hoe
humaan de Mozaïsche geboden zijn, als ze bevelen een verpanden mantel
vóór zonsondergang terug te geven (Ex. 22 : 26 vg.; Deut. 24 : 13),
opdat niemand des nachts zonder de noodige bedekking zij. Verder dient
de abâ als gebedstapijt, dat de fellah op den grond legt om er zijn
geregeld terugkeerend gebed op te doen. Ook wordt de abâ als zak
gebruikt om alles in mee te nemen: inkoopen uit de stad, gras voor zijn
vee, enz.; zoo noodig dient hij ook als voederbak voor ’t vee; na voor
dergelijke nuttige doeleinden te hebben dienst gedaan, wordt hij
uitgeschud, en de abâ fungeert weer als mantel. Soms spant de fellah
hem, op ’t veld zijnde, uit als tent, en legt zich neer in zijn
geïmproviseerde woning. Bij den arbeid is zoo’n kleedingstuk natuurlijk
lastig, en wordt het afgelegd, maar de fellah wordt niet geacht gekleed
te zijn zonder abâ; integendeel hij heet dan „naakt”. Zoo verstaan wij
ook Joh. 21 : 7, waar de visschende Petrus „naakt” wordt genoemd.
Dikwijls wordt ’s winters over het hemd een soort van jak met korte
mouwen gedragen, in elkaar gezet uit schapenvellen, en gedragen met de
wol naar den binnenkant, terwijl de buitenkant met een roode verfstof
wordt bestreken. De plooien, gevormd door den gordel en den abâ vormen
voortreffelijke zakken, waar een Hollandsche jongen jaloersch op zou
wezen. Die zakruimte wordt ook in de Schrift bedoeld als er sprake is
van iets bewaren in den gordel, Matth. 10 : 9; Mark. 6 : 8; messen,
wapens, brood, tabak, zakdoek—voor zoover die gebruikt wordt—kortom
alles wat men onderweg meent noodig te hebben, vindt daar een plaats.
De kleeding der stadbewoners en meer gegoede fellahs is veel
gecompliceerder. In de eerste plaats vindt men er meestal een soort
onderbroek, een wijde pantalon, niet ongelijk aan die onzer Marker
visschers, maar minder lang. Verder dragen ze over het hemd een ander
soort mantel, de z.g.n. kumbes met lange mouwen, en in den winter
dikwijls een kort vest, zonder mouwen met een lange rij liefst
bontgekleurde knoopen. Overigens gaat het in Palestina als met de
provinciekleeding in Nederland; het eigenaardige nationale kostuum
dreigt verdrongen te worden door de gewone westersche „beschaafde”
kleederdracht. Toch vindt men vooral bij de dames in de steden nog druk
gebruik gemaakt van den z.g.n. isar of sluier. Het is een zeer groote
omslagdoek, meest wit, die door alle vrouwen boven de 12 jaar gedragen
wordt als ze zich op straat vertoonen, en die niets openlaat dan een
ruimte voor de oogen. In dezen sluier weet men door kleur en vorm,
zwart, geel, bruin, groen voortreffelijk de meerdere of mindere
welvaart der eigenares uit te drukken. Een der schrikkelijkste
martelwerktuigen van het Westen, het corset, heeft nog zoo goed als
geen ingang gevonden.
Wat het schoeisel betreft, zien we op onze plaat dat de fellah
blootvoets gaat, de bedoeïen daarentegen heeft iets aan dat op het
voorste deel van een schoen gelijkt. In dit opzicht is het gebruik aan
het verschuiven. Oudtijds was het dragen van sandalen gewoon, terwijl
de armen blootsvoets gingen. Die sandalen waren eenvoudig ruwe stukken
leer. Niebuhr vertelt ergens dat op een zijner reizen een ezel stierf.
Dadelijk maakten zich zijne gezellen meester van de huid, die ze stuk
sneden en er sandalen van maakten, door er gaatjes in te boren, waar
doorheen ze touwen haalden om ze aan den voet vast te binden. Beter
bewerkte sandalen hadden vaak aan den hiel en op zij opstaande stukken
om den voet beter te beschermen. In Palestina zelf zijn de sandalen
bijna uit de mode, en draagt men in plaats daarvan lompe, ruwbewerkte
en roodgeverfde schoenen uit buffelhuiden, die òf alleen het
voorgedeelte van den voet bedekken, òf ook den vorm aannemen van lange
laarzen, met opstaande punten. Bij de bedoeïenen zijn naast de
schoenen, nog de sandalen in gebruik, plaat 2, waar meteen een goed
voorbeeld hoe ze onder den voet worden vast gemaakt. In alle geval doet
men bij het binnentreden in een vertrek zijn schoenen uit of zijn
sandalen af; ’t staat zoowat gelijk met ons gebruik van het afzetten
van den hoed. Even onbeleefd als wij het zouden vinden als iemand met
zijn hoed op ’t hoofd bij ons binnen kwam, even onbeleefd vindt het de
Oosterling als men niet zijn schoenen uitdoet. In de stad draagt men
bovendien soms kousen, en loopt dan in huis op zijn kousen rond, op het
land steekt men zijn bloote voeten in de schoenen. De verandering van
sandalen tot schoenen zal wel mee zijn oorzaak hierin vinden dat
schoenen de voeten beter beveiligen op Palestina’s ongebaande wegen.
Een zeer belangrijk kleedingstuk, zoowel voor mannen als voor vrouwen,
is het hoofddeksel. Een complete tulband bestaat uit meerdere deelen:
op het kaalgeschoren hoofd—alleen op de kruin laat men een bosje haar
staan—past een wit katoenen kapje, daarover heen komt een vilten muts,
eveneens nauw sluitend om het hoofd, en daarover heen de roode fez of
tarboesj, van zijde of katoen. Daarna wordt het geheel met een witten
of gekleurden doek omwonden, waar alleen bovenuit komt de roode fez met
donkerblauwe kwast zooals b.v. op onze plaat bij den zittenden man
duidelijk is te zien. Deze tulband is vaak zoo dik en omvangrijk dat
zijn eigenaar, zich met gedekten hoofde, te slapen leggend op niets dan
een steen, toch een voldoend hoofdkussen heeft. Alleen de bedoeïenen
dragen een veel eenvoudiger hoofdsieraad: ze slaan een grooten
vierkanten doek, tot driehoek gevouwen, zóó over het hoofd dat eene
punt ver op den rug afhangt, terwijl een dik wollen snoer den doek op
’t hoofd vasthoudt, zooals op de plaat bij den bedoeïen het geval is.
Ook sommige fellahs hebben deze gewoonte van de bedoeïenen overgenomen.
Deze hoofdbedekking dient tevens als zakportefeuille: brieven en
stukken van waarde worden tusschen de vouwen gestoken en daar gedurende
langen tijd zeer veilig bewaard. Want de Oosterling zet zijn tulband
onder geen voorwaarde af: hij gaat er mee op bezoek, naar de moskee,
naar een gastmaal: altijd gedekt.
De hoofdbedekking der vrouwen wisselt vrij sterk volgens plaatselijk
gebruik. Daarbij is te vergelijken onze Zeeuwsche „gouden krullen” en
Friesche „oorijzers”. De algemeene bedekking is een groote ver naar
achter afhangende hoofddoek, zooals bij het fellah-meisje op de plaat.
Onder dien witten doek is op de plaat zichtbaar een band om het hoofd,
blijkbaar met versierselen bezet. De vorm daarvan is zeer verschillend.
In Bethlehem b.v. dragen de vrouwen een soort kap, waarlangs aan den
voorkant een of meer rijen zilver- of goudstukken zijn vastgenaaid,
soms tot een bedrag van aanzienlijke zwaarte. Deze hoofdbedekking dient
niet alleen als sieraad maar ook als spaarpot. Bij ’t huwelijk wordt
dat kapitaal er aan genaaid, en ze draagt het mee, totdat de „nood aan
den man” komt: dan trekt ze er zooveel geldstukken af, als ze noodig
heeft. Komt ze weer in beteren doen, dan worden ze er weer aangenaaid.
Reizigers vertellen in de buurt van Nazareth tal van vrouwen gezien te
hebben, die de banden nog wel om de kap droegen, maar waaraan geen
geldstukken meer bengelden. Dan weten de vrouwen in Nederland hun
financiëelen toestand beter te maskeeren! Het gebeurt soms dat een
vrouw op den weg wordt aangevallen en van haar geldswaarde beroofd,
maar de behoefte om het op deze wijze te pronk te dragen, schijnt
grooter te zijn dan haar vrees voor diefstal. Ook christenvrouwen
dragen zoo’n hoofdsieraad; soms wordt het ten slotte aan de kerk
vermaakt tot het houden van zielmissen. Eigenlijk behoort dit
hoofddeksel niet meer tot de kleeding, maar veeleer tot de sieradiën
der oostersche vrouw. Van ouds heeft de Oostersche altijd veel behagen
in opschik, vooral blinkende mooidoenerij; in dit opzicht zijn ze
eigenlijk groote kinderen. Het fellah-meisje op onze plaat heeft zeer
eenvoudige versierselen: de hoofdband, de armband en een voetband. Om
te weten, hoever oostersche dames hun prachtlievendheid kunnen drijven,
vergelijke men de in dit boek voorkomende platen; waar wij gelegenheid
zullen hebben er meer van te hooren. Uit 2 Kon. 9 : 30; 1 Tim. 2 : 9, 1
Petr. 3 : 3 en andere plaatsen der Schrift zien we hoe oud zulke
gebruiken zijn. Ook hebben de opgravingen der laatste jaren in Egypte,
Babel en Palestina duizenden kleine sieraden en toiletartikelen aan het
licht gebracht. Een der meest voorkomende sieraden is wel de armband,
die tot in armere kringen gedragen wordt, zij het ook van min edel
metaal; vervolgens de voetringen en voetkettinkjes, welke laatste de
dames noodzaakte met kokette trippelpasjes te loopen—een liefhebberij,
die ook bij onze Europeesche dames niet onbekend is. Verder oor- en
neusringen (zie volgende platen). De neusring was ook bij de oude
Hebreën reeds bekend: Gen. 24 : 47, waar in het Hebreeuwsch staat: ik
leide den ring in haren neus. Ook uit den voor-Israëlietischen tijd in
Kanaän zijn onlangs zulke neusringen gevonden. In Jes. 3 : 18–23 vinden
we een heelen inventaris der vrouwelijke ijdelheid: „Te dien dage doet
de Heer den opschik weg, de voetringen, voorhoofdsversierselen en
maantjes, de oorknoppen, kettinkjes en sluiers, de tulbanden, armbanden
en linten, de reukfleschjes, amuletten en zegelringen, de neusringen,
feestgewaden en overkleeden, de omslagdoeken, tasschen en mutsen, de
opperkleeden, kappen en hoofdbanden.” De oostersche vrouw blanket zich
graag, vooral de oogen en wenkbrauwen worden met een soort zwarte zalf
zóó bewerkt, dat ’t wit der oogen er te scherper—naar hun bedoeling:
mooier—door uitkomt. Ook het rood verven van het haar is bij sommige
grijs wordende fellah-vrouwen een merkwaardige liefhebberij, het
hel-roode haar langs de geel-bruine slapen vormt een alles behalve
aesthetischen aanblik.
Nog op een eigenaardige gewoonte om zich „mooi te maken” moet ik
wijzen: het beschilderen van handen en voeten. De vrouwen doen dit door
middel van een sap uit een z.g.n. henna-plant getrokken, waarmee vooral
de toppen van de vingers en de teenen groezelig-rood worden geverfd, en
verder tal van figuren op handen en voeten worden geteekend. Dit wordt
om de veertien dagen herhaald. Een duurzamer middel tot „versiering”
van het lichaam is het tatoeëeren. Men doet dit door met een bundeltje
naalden in de huid te prikken en in de daardoor ontstane wondjes een
zekere kleurstof te wrijven, die aan de aldus bewerkte plaatsen een
nooit weer verdwijnende blauwachtige kleur geeft. Op deze wijze wordt
aangezicht, handen, armen, voeten, borst enz. bewerkt. Hoe „mooi” de
oostersche vrouw op deze manier wordt, is te zien op plaat 2 en 14. In
Lev. 19 : 28 werd het tatoeëeren reeds uit religieuze overwegingen
verboden.
Hiermee heb ik in hoofdzaak besproken wat op onze plaat te zien
is,—over den bedoeïen met zijn vrouw en kameel spreek ik bij de
volgende plaat—maar één ding bleef nog onbesproken. De man, zittende
bij de bron, heeft een rozenkrans in de hand en bidt. Ieder Mohammedaan
moet vijf maal per dag bidden op bepaalde tijden, waarvoor de oproeper
op den trans der minarets het sein geeft door zijn voorgeschreven
uitroep: Allah Akbar asjadu anna la ilaha ill allah, anna
muhammadur-rasul-ullah, hajja al-assala! d.i. Allah is groot! ik
verkondig dat er geen god is dan Allah en Mohammed is de profeet van
Allah, kom tot het gebed! Het gebed zelf kan overal worden gedaan, maar
in de moskee, onder leiding van een voorbidder, overtreft het de waarde
van een gebed tehuis of in het veld vijfentwintig maal. Het gebed
reinigt van zonden. Mohammed zeide: „Meent gij dat, wanneer een rivier
voorbij uw huis stroomt, en gij u vijfmaal daags daarin baadt, dat er
nog iets onreins aan u blijft? Zóó is het met het vijfmalige gebed,
waarmee God de zonde wegwischt.” Bij dit gebed werd oorspronkelijk de
rozenkrans niet gebruikt. Dat gebruik namen de Mohammedanen van de
Boeddhisten over sedert de 9e eeuw. Hij bestaat uit 99 balletjes, omdat
Allah 99 goddelijke eigenschappen heeft, en voor elk van die een
afzonderlijken naam.
De Roomsche rozenkrans is weer van de Mohammedanen overgenomen, en door
Paus Pius V in 1596 bevolen. Er wordt echter in de Roomsche kerk een
ander verhaal ondergeschoven: den heilige Paulus van Pherma, een asceet
uit de 4e eeuw, zou bevolen geworden zijn een gebed 300 maal op te
zeggen. Daartoe nam hij 300 steentjes bij zich, en wierp telkens na een
gebed te hebben opgezegd, één steentje weg. Maar de bedoeling is bij
Roomschen en Mohammedanen geheel dezelfde. Bij dit rozenkrans-gebed mag
de bidder een meer makkelijke houding aannemen, dan bij het eigenlijke
hoofdgebed: we zien den bidder op de plaat dan ook heel op zijn gemak
zittende, de balletjes aftellen. Hij zegt op de zgn. ayet el kurse of
troon-vers, d.i. het 256e vers van het 2e hoofdstuk van den Koran, welk
vers aldus begint: „O God, er is geen god dan hij,” en dan verloopt het
„gebed” zoo: „O, allerhoogste! O Groote, ik verheerlijk Uw
volmaaktheid.” Dan: „De volmaaktheid van God” (33 maal). „De
volmaaktheid van den grooten God met zijn lof voor eeuwig” (1 maal).
„Lof zij God” (33 maal). „Geprezen zij zijn majesteit, daar is geen God
dan hij” (1 maal). „God is de grootste” (33 maal). „God is de grootste
in grootheid, en overvloedig zij zijn lof” (1 maal). Op den rozenkrans
telt hij af om het juiste getal te onthouden.
De Mohammedaan is, in het uitwendige tenminste, vroom. Daarom moet het
niet verwonderen hem bij alle mogelijke gelegenheden en op alle
mogelijke plaatsen, te zien bidden: bij een bron, in den winkel, in een
gouvernementsgebouw, op straat enz. Midden in zijn bezigheden zal hij
plotseling zeggen tot de aanwezigen: „excuseer mij,” en, zijn mantel op
den grond werpende, daarop neerknielen met het gezicht naar Mekka
gekeerd.
De vrouwen hebben niet zulke strenge religieuze regelen in acht te
nemen; toch komt het niet zelden voor dat ook zij een rozenkrans bij
zich dragen en op geregelde tijden de heerlijke eigenschappen van Allah
opsommen; vooral onder de meer beschaafde kringen komt dat voor. De
eenvoudige landsbevolking is in godsdienstig opzicht zeer onwetend en
bepaalt zich meerendeels tot het doen van geloften aan een of anderen
heilige, wiens graf in de nabijheid ligt.
Maar de Mohammedaan hecht niet weinig waarde aan het feit dat de vrouw
een religieuzen aard heeft. Bij het huwelijk zal hij er naar
informeeren of zij gewoon is bij al haar huiselijke bezigheden „den
naam van Allah te vermelden.” Ik kom daarop terug bij de bespreking van
het huwelijk.
WOESTIJNBEWONERS
Werden op de eerste plaat de drieërlei bewoners van het heilige land
voorgesteld door enkele typen, verzameld om een bron, onze plaat geeft
ons één dier drie groepen afzonderlijk: de woestijnbewoners of
bedoeïenen. Ik wees er reeds op dat de naam bedoeïen is afgeleid van
het Arabische woord bedw, dat woestijn beteekent, zoodat
„woestijnbewoner” eig. de letterlijke vertaling van dit Arabische woord
is. Heelemaal juist is de naam niet, ten minste niet voor zoover men
bij „woestijn” denkt aan een groote plantenlooze zandvlakte. ’t Is veel
eer de ongekultiveerde bodem der groote vlakten, waar de natuur uit
zich zelf een meer of minder schralen plantengroei voortbrengt.
Van al de hedendaagsche Oosterlingen hebben zij het best de oude zeden
en levenswijze, zooals ons die in het Oude Testament aan het licht
komt, bewaard. Gewoonlijk noemt men ze nomaden, een naam die is
afgeleid van het Grieksche woord nomas en eig. veehoeders beteekent.
Die naam kan echter niet op alle bedoeïenen worden toegepast. De meeste
in Palestina levende bedoeïenen doen ook aan akkerbouw, en houden zich
doorgaans in één bepaald gedeelte van het land op. Het is onjuist te
meenen dat de bedoeïenen heelemaal geen landbezit erkennen, iedere stam
beschouwt een bepaald gebied als ’t zijne, en verdedigt dat met hand en
tand tegen alle vreemden. Zoo wonen in het Sinaïtisch schiereiland, in
de Jordaanvlakte, in de Libanon enz. steeds dezelfde stammen. Sommigen
trekken in den winter als trekvogels naar Centraal Arabië, maar komen
tegen den zomer geregeld terug op de oude woonplaatsen. Men kan ze het
best vergelijken met ooievaars en andere trekvogels, die zeer gehecht
zijn aan hun oude verblijf, en alleen verhuizen als ’t hun daar
onmogelijk wordt gemaakt. Men vindt dan ook op groote kaarten van
Palestina talrijke plaatsen als bedoeïenen-leger aangeduid, wat
natuurlijk alleen mogelijk is als ze telkens op dezelfde plaatsen
terugkomen. Ze wonen daar—in Palestina—op de grens van het gebied der
fellah’s, voor wie ze groote verachting koesteren, en die dikwijls niet
weinig van hen te lijden hebben. Menigmaal maken hunne horden
strooptochten in de dorpen, en nemen wat van hun gading is. Om voor
dergelijke overvallen veilig te zijn, komt het voor dat een fellah-dorp
een verbond sluit met zoo’n bedoeïenenstam, waarvan de hoofdinhoud is,
dat het dorp aan de bedoeïenen een z.g.n. chuwwe, letterlijk:
„broederschap” zal betalen. Zoo’n „broederschap” bestaat in een
belasting in den vorm van koren, en is een al te vriendelijke naam voor
zulk een afgedwongen gave. Doet de boerenbevolking een beroep op de
Turksche regeering ter bescherming tegen de bedoeïenen, dan is
menigmaal het middel nog erger dan de kwaal: de afpersing der bevolking
door de regeering is vaak nog drukkender dan die door de bedoeïenen.
Ook de verschillende bedoeïenenstammen leven doorloopend met elkander
in veeten, en zijn dan ook streng van elkaar gescheiden. Voor ons
bewustzijn is een bedoeïen een bedoeïen. In werkelijkheid is er
tusschen de verschillende bedoeïenenstammen geen andere dan
vijandelijke aanraking. De huwelijken vinden doorgaans plaats binnen
den eigen stam, en iedere stam weet precies, of zegt althans precies te
weten wie hun eerste voorvader was; ze leiden zich gaarne af van een
tijdgenoot van Mohammed of zelfs van diens familieleden. Met zekeren
trots noemen ze zich: arab el-arab, Arabier der Arabieren = dé Arabier
bij uitnemendheid. Uit het Oude Testament zijn ons bekend de zgn.
geslachtslijsten: A is de zoon van B, de zoon van C enz. Dergelijke
opsommingen zijn bij de bedoeïenen in hooge eere, zoo zelfs, dat, als
iemand een oud verhaal doet, hij de betrouwbaarheid aantoont door aan
het begin van zijn verhaal te vertellen langs welke lijn van mannen dat
verhaal is voortgeplant tot op den verteller toe. Zijn lijst van
„zegsmannen” heet isnâd, ketting. Een betrouwbaar verhaal moet zoo’n
isnâd kunnen aanwijzen, vooral wanneer het betreft een gewoonte of daad
van Mohammed of een zijner tijdgenooten. Op deze wijze worden nog heden
ten dage de verschillende bedoeïenenstammen nauwkeurig uit elkander
gehouden. Ieder blijft bij zijn stam, tenzij de wet der
bloedwraak—waarover straks—hem noodzaakt naar een anderen stam te
vluchten. De twisten tusschen de verschillende stammen onderling vinden
natuurlijk dikwijls hun aanleiding in het bezit der waterputten (verg.
Gen. 26 : 15), het geleiden van reizigers, het verdeelen van den buit
enz.
Wat de waterputten betreft, is het eigenaardig te zien hoe de
bedoeïenen zelden hun legerplaats opslaan in de onmiddellijke nabijheid
van water; zoodat hunne vrouwen soms ver moeten loopen met hare kannen
en waterzakken om water te halen. De oorzaak schijnt hierin te liggen
dat de plaatsen in de nabijheid van water meestal te laag gelegen zijn,
en of door de drassigheid van den bodem of door plotselinge
stortvloeden, gevaarlijk kunnen worden. Ondanks dat ze die plaatsen
vermijden, gebeurt het nog menigmaal dat door onverwacht losbrekende
onweders hun tenten tegen den grond worden geslagen, en zijzelf zich
haastig moeten bergen.
Op den achtergrond der plaat zien we zoo’n bedoeïenentent, waarvan de
vorm maar flauw zichtbaar is, en over welks vorm en bouw wij in het
bijschrift der volgende plaat nadere bizonderheden zullen vernemen.
Zulke tenten, doorgaans van zwart geitenhaar gemaakt, zijn volkomen
ondoordringbaar voor den regen. Nog heden ten dage is het beroep
tentenmaker, dat ook Paulus uitoefende, tamelijk winstgevend. Behalve
tenten, dienen ook dikwijls de tallooze in Palestina voorkomende
grotten tot woonplaats, of deze worden gebruikt als schuilplaats voor
de kudde, terwijl de eigenaars in de nabijheid hunne tenten opslaan.
Sommige dier holen dienen bovendien als zgn. Chan = een algemeene
herberg, waar ieder reiziger onderkomen vinden kan. Het schijnt dat
Maria en Jozef, naar Bethlehem gekomen voor de volkstelling, in zulk
een grot voor het vee hebben overnacht, tenminste de Evangelie-verhalen
doen aan zulk een gelegenheid denken. Dat men het overigens in
Palestina niet zoo erg vindt, met het vee onder een dak of zelfs in een
vertrek te slapen, zal ons blijken als we spreken over het inwendige
van een fellahwoning. Justinus Martyr—we weten niet uit welke bron hij
zijne gegevens putte—deelt uitdrukkelijk mee dat Jezus in zulk een grot
geboren is.
Door vergelijking van plaat 1 en 2 zien we dat de bedoeïen zoowel het
paard als het kameel als rijdier benut. Het kameel, met zijn lompe
houding, zijn domme oogen, zijn slecht humeur, is onmisbaar voor den
bedoeïen, en dient dan ook als rijdier van den Nijl af tot den Euphraat
toe. In zijn geduld en uithoudingsvermogen heeft de kameel
eigenschappen die hem als woestijndier een voorsprong geven boven elk
ander. De zwaarste last draagt hij dagen lang door onbegaanbare oorden,
zonder water, met geen ander voedsel dan de dorre planten der
wildernis. Zijn haar dient voor kleeding en tentdoek, zijn huid voor
schoenen, zijn melk voor drank, en als het dier sterft in de woestijn
op de lange tochten, dan wijzen de door de zon gebleekte beenderen
langs den weg aan latere woestijnreizigers den weg der karavanen.
Palgrave noemt domheid, onverschilligheid en wraakzucht de meest
karakteristieke eigenschappen van den kameel. Hij vertelt o.a. hoe een
kameel, die door een jongen was geslagen, een paar dagen later den
knaap greep, ophief, tegen den grond smakte dat zijn schedel spleet, en
de hersenen in het zand lagen, en toen alsof er niets gebeurd was, kalm
zijn weg vervolgde. Maar de bedoeïen is dol op zijn kameel, kust hem op
de lippen, klopt hem op den hals, noemt hem zijn lieveling, zijn schat,
en de naam „kameel” tegen een jong meisje, beteekent een zeer
gewaardeerde vriendelijkheid. Een Arabisch spreekwoord zegt dat een
goede vrouw, een Marokkaansch zwaard en een kameel een mensch gelukkig
maken. Overigens is volgens Ebers, de faam omtrent het dagenlange
uithouden der dieren, zonder water, sterk overdreven. Wanneer b.v.
verteld wordt, dat een kameel het 25 dagen zonder water uithoudt, dan
is dat volgens verschillende reizigers beslist onwaar: reeds na den 4en
dag begint het dier teekenen van uitputting te vertoonen, wat trouwens
in die heete luchtstreek niet te verwonderen is; geen ander dier houdt
het zoolang uit zonder water. Ook het slachten van kameelen om zich met
het in hun maag bevindende water het leven te redden, schijnt tot het
rijk der legenden te behooren. Maar ook zonder dergelijke kwestieuze
eigenschappen, zal voorloopig geen ander dier in staat zijn den kameel
uit de goede reputatie te verdringen, waarop hij al zooveel eeuwen
rechtmatig trotsch kan zijn, en misschien ook wel is. Omtrent hun
snelle en langdurige marschen is maar één roep. In Cairo worden van
tijd tot tijd kameelenwedstrijden gehouden. Ebers woonde er een bij,
waarvan hij verklaart dat een ruiter op een flink paard het ongeveer
tien minuten tegen een kameel uithouden kan, maar als het paard
aemechtig neervalt, draaft de kameel door als kwam hij pas „van stal”.
Wat dat voor de bedoeïenen, deze kinderen der woestijn, waard is,
behoeft niet gezegd te worden.
Overigens bedienen ze zich, zooals onze plaat doet zien, ook van
paarden. Echte Arabische raspaarden hebben eigenschappen die hen
bizonder geschikt maken voor hun doel. Hun snelheid, schranderheid en
trouw zijn ongeëvenaard. Ze kunnen klauteren als een steenbok, langs
bijna onbegaanbare bergpaden voeren ze den reiziger waar hij te voet
haast niet zou kunnen komen, zoodat de reiziger, die goed vast in den
zadel zit, er zich veiliger voelt dan op zijn eigen voeten. De
lenigheid en vlugheid dezer dieren ligt voor een goed deel aan hun
kleinen en lichten lichaamsbouw. Op deze behendige dieren gezeten, met
hun lange lansen gewapend, vallen ze een naburigen stam aan, en voordat
hulp opdaagt, zijn ze op hun snelle rossen al weer uit het gezicht.
Zulke strooptochten vullen een goed deel van het bedoeïenenleven,
natuurlijk het meest van die stammen die in de eigenlijke woestijn
leven, ten Oosten van Palestina. Uit de wijze waarop de bedoeïenenvrouw
haar kinderen pleegt te dragen, (zie de plaat), begrijpt men hoe jong
en hoe vaardig de jeugd reeds leert paardrijden.
Behalve de lans, draagt de bedoeïen gewoonlijk een kromme sabel, zooals
op plaat 1 blijkt. Bovendien is tegenwoordig het geweer en de revolver
een geliefkoosd wapen. Boog, spies en schild zijn daardoor in onbruik
geraakt. Wel zijn nog in gebruik de dolk en de slinger. De geweren der
bedoeïenen zijn overigens meest niet van de beste soort: bijna altijd
oud model, vóórladers, vaak half of heel onbruikbaar, wapens waar men
wel bij ongeluk mee raak kan schieten, maar die meestal het doel
missen. Dat ze van de nieuwe vuurwapenen zoo slecht voorzien zijn, is
het gevolg van opzettelijke maatregelen der Turksche regeering, die er
stelselmatig voor zorgt dat dit soort menschen zooveel mogelijk
minderwaardige wapenen worden verkocht. Ook door allerlei maatregelen
heeft de Turksche regeering het gedaan gekregen, dat niet alleen het
Westjordaanland, maar ook het Overjordaansche, tegenwoordig even veilig
bereisd kan worden als de kultuurstaten van Europa. Dit voordeel is
goeddeels ook hierdoor verkregen dat de bedoeïenen die, zooals bij vele
stammen in Palestina het geval is, neiging hebben om den akkerbouw ter
hand te nemen en het nomadische leven te verlaten, daarbij door de
regeering krachtig geholpen worden. Meestal zijn zulke
bedoeïenen-horden echter eerst bijna tot den rang van gewone
zigeuner-troepen afgezakt, die zich voor een deel onledig houden met
het geleiden van reizigers, wat dikwijls aanleiding geeft tot hevige
ruzietooneelen, want, hoewel naar men zegt, het aldus verdiende geld
geregeld aan den stam wordt afgedragen en als gemeenschappelijk bezit
beschouwd, vechten ze er om wie den reiziger geleiden zal. Met dat
afdragen van het verdiende geld schijnt het dus niet al te nauw te
worden genomen.
Ik sprak boven van hun rooftochten. Merkwaardig is daarbij dat zij
zelden of nooit het leven van hun slachtoffers aantasten. Ze berooven
hem van alles wat bruikbaar is, maar dooden hem niet. Dat gebruik vindt
ongetwijfeld goeddeels zijn oorzaak in de wet der bloedwraak, een wet
die ons hard toelijkt, maar die inderdaad bij alle volken, die nog niet
in geregeld staatsverband leven, op heilzame wijze het leven van de
individu beschermt. Vooral ook wordt daardoor het samenleven der leden
van één stam mogelijk. Wanneer een bedoeïen een stamgenoot doodt, dan
stormt de bloedwreker naar de tent van den moordenaar, verwoest ze, en
rooft zijne kudden. Volgens het gewoonterecht—het eenige recht der
bedoeïenen—mag hij gedurende drie dagen nemen wat hij wil, zonder dat
dit bij de latere afrekening ter sprake komen mag. Deze eerste drie
dagen heeten de „bloedwoede”. Wat ná dien tijd geroofd wordt, komt bij
de afrekening in mindering. Curtiss vertelt een mooi verhaal van zulk
een bloedwraak, waarbij tevens de macht der gastvrijheid blijkt. Iemand
had een ander gedood en was gevlucht. Zijn huis werd verwoest, zijn vee
geroofd. De zonen van den vermoorde zochten jaren lang naar den
moordenaar om hem te dooden, waartoe zij wettelijk het recht hebben. Op
een nacht vervoegt zich de moordenaar bij den zoon van den vermoorde en
zegt: ik kan het leven van een vogelvrijverklaarde niet langer dragen;
hier ben ik, doe met mij wat gij wilt! De ander antwoordde: nu gij hier
in mijn tent zijt, zijt gij veilig. Maar de vrouw van den vermoorde kon
den moordenaar niet vergeven, en eischte van hare zonen zijn dood. Deze
bleven weigeren, omdat hij in hún tent om gastvrijheid was gevlucht. Ze
spraken tot den moordenaar: wij willen u niet dooden, maar daar onze
moeder den moord niet vergeten kan, ga weg uit onzen stam, wij zullen u
niet meer vervolgen.—Zulk een moordenaar vlucht meestal naar een
nabijzijnden sterkeren stam, die hem dan beschermt, krachtens de wet
der gastvrijheid, maar hij is verplicht bij de eerste de beste
gelegenheid de vlucht voort te zetten, totdat hij geheel buiten bereik
zijner vervolgers is. Ook gebeurt het dat de stam waarheen hij gevlucht
is, en die hem dus beschermen moet, in onderhandeling treedt met de
stam des vermoorden over het zoengeld, en de bloedschuld afkoopt. Op
een en ander kom ik nader terug.
Het recht der gastvrijheid gaat dus boven alles, en wordt zelfs
tegenover vijanden streng in acht genomen. Het verhaal van Lot in Gen.
19, die zelfs de eer zijner dochters prijs gaf om die zijner gasten te
redden, evenals het in Richt. 19 : 24–26 meegedeelde, is in dit opzicht
karakteristiek.
Het gebeurde eens in een zeer droog jaar, toen in de meeste
bedoeïenententen het gebrek groot was, dat een bedoeïen zijn buren,
zijne benijders, recht op zijn tent zag afkomen. Deze, meenende, dat
hij geen eten meer in huis zou hebben, kwamen opzettelijk zich als
gasten aanmelden, om zich te vermaken met zijne verlegenheid, waarin
hij moest komen, doordat het gastrecht eischte, dat hij hen onthaalde,
en zijn gebrek aan het noodige het hem onmogelijk maken zou. Met schrik
wendde hij zich tot zijn vrouw of die misschien een weg wist om zijne
eer te redden, opdat hij niet zou behoeven te zeggen: ik kan u niets
voorzetten. Deze, een echte bedoeïenenvrouw, die als de weduwe van
Zarfat bijna niets meer in huis had, nam wàt ze had, zonder te vragen
of er voor haar en haar gezin morgen nog wel te eten zou zijn, bereidde
een rijkelijk maal, zette de gasten de goedgevulde schotels voor en
zei: „slaat uwe mouwen hoog op”, d.w.z. tast maar flink toe! Toen trad
de bedoeïen, stralend van blijdschap toe, en kuste zijn vrouw ten
aanschouwe der vreemdelingen. Deze, wel wetende wat een ongehoorde daad
dat onder de bedoeïenen is, zeiden verbaasd: wat mankeert u toch, dat
ge uw vrouw in het openbaar kust? Wel, zeide hij, zou ik ’t niet doen?
Gij wildet mij in verlegenheid brengen, zij heeft mijne eer gered, door
u een feestmaal aan te richten. Uit zoo’n verhaal blijkt dat de weduwe
van Zarfat volgde de gewoonten van het land, toen zij den profeet van
het weinige dat zij bezat, onthaalde.
Wat hun godsdienst betreft, zijn ze wel allen Mohammedanen, maar ze
laten zich met godsdienst zeer weinig in. Weinige bedoeïenen weten hoe
een Mohammedaan bidden moet. Met roof en heen en weer trekken hebben ze
het veel te druk om zich met religieuze vragen in te laten. Hun
praktische godsdienst is eigenlijk niet anders dan bijgeloof: vrees
voor booze geesten (dsjinns), en heiligenvereering. Op tal van plaatsen
in Palestina en daarbuiten vinden wij graven van heiligen, waarheen men
trekt om een gelofte te doen of om onheilen af te wenden. Ze zullen
b.v. gerust een meineed zweren onder aanroeping van den naam Gods,
omdat ze meenen dat Allah dat toch niet straft, maar een meineed onder
aanroeping van den naam van een heilige of bij diens graf, is hoogst
gevaarlijk, want de heilige zal dat zeker straffen. Ze worden dus van
het kwade minder afgehouden, omdat het kwaad is, maar om de gevreesde
gevolgen. Hun lichtzinnige opvatting van werkelijken godsdienst wordt
o.a. getypeerd door het antwoord dat een jonge bedoeïen gaf op de
vraag, hoe hij na zulk een roekeloos leven voor Gods rechterstoel
durfde verschijnen? Hij antwoordde: Wel we gaan dan naar God, en
begroeten hem, en als hij gastvrij is, en ons vleesch en tabak geeft,
dan blijven wij bij hem, anders bestijgen we onze paarden en rijden
weg. De verteller, die herhaaldelijk onder bedoeïenen reisde, noemt dit
antwoord karakteristiek voor de voorstellingen der bedoeïenen omtrent
de onzichtbare wereld. Hun heiligengeloof echter heeft sociale
beteekenis. De graven der heiligen, tevens hunne heiligdommen, is een
heilige plaats, en dus een veilige plaats, een asyl. Palestina is met
zulke „heiligdommen” overdekt, die niet alleen door bedoeïenen, maar
ook door fellahs en zelfs door Christenen worden bezocht. Vooral de
heiligdommen aan Elia, David, Ali, Abraham gewijd, zijn beroemd. Men
kan het zoo’n heiligdom aanzien, dat het druk bezocht wordt: allerlei
meer of minder waardelooze voorwerpen leggen getuigenis af van de daar
gedane geloften. Men noemt dat een nizr ez-ziara: een gelofte bij het
bezoek aan een heiligdom. Zoo’n bezoek is dikwijls een heele optocht
van de gansche familie in feestkleedij. Betreft de gelofte het
verlangen naar een zoon, dan is b.v. de formule: o mijn Heer, ik heb
een gelofte op mij genomen, ik kom om u te bezoeken; als gij ons een
zoon schenkt, dan breng ik een offerdier en een zak rijst. Binnen den
tot zoo’n heiligdom behoorenden kring legt men gereedschap of koren
neer dat men bewaren wil: niemand denkt er aan, het te rooven. Onder de
hoede van den heilige is het veilig. Geen bedoeïen zal er aan denken,
zelfs op zijn rooftochten om ook maar iets zich toe te eigenen van wat
een ander onder de hoede van een of anderen heilige heeft gesteld. Aan
zulke heiligen pleegt men ook zijne geloften te doen. Kinderlooze
vrouwen beloven geschenken aan den heilige, wanneer hij haar een kind
schenkt. ’t Is zelfs voorgekomen dat iemand aan een heilige beloofde
om, wanneer hij een zoon kreeg, diens gewicht in zilvergeld aan den
heilige te zullen betalen, welke belofte, toen hem inderdaad een zoon
geboren werd, trouw werd nagekomen. Ook voor het goed gedijen van het
vee, voor het afwenden van ziekte, voor ’t goed volbrengen van een
reis, tegen overval door vijandige stammen, kortom, in alle gevallen
van nood kunnen zulke geloften die we ook uit het Oude Testament wel
kennen, worden gebracht. Men denke slechts aan de gelofte van Jeptha.
Alleen: men brengt ze niet aan God maar aan den heilige.
Bij de volgende plaat zullen we gelegenheid hebben meer te vernemen van
hun dagelijksch doen en laten.
IN EEN BEDOEÏENENTENT
De bedoeïenentent, door de bewoners zelf wel eens „haren huis” genoemd,
is gemaakt uit een zeer sterk weefsel van geiten- of kameelenhaar en
doorgaans zwart of donkerbruin gekleurd. Dit tentdoek is geheel
waterdicht, en bovendien een uitstekende bedekking voor de heete
stralen der oostersche zon, daar ’t niets doorlaat. Zulke tenten zijn
dus veel beter beschermers dan de witte linnen tenten, door Europeesche
reizigers gebruikt. Een bedoeïenentent heeft den vorm van een
parallelogram, terwijl de lengte meestal varieert tusschen 4 tot 15
meter. Meestal rust zoo’n tent op een negental palen, in groepen van
drie bij elkaar geplaatst, welk getal natuurlijk grooter is, bij een
tent van groote lengte. Over die palen heen wordt de haren tentdoek
gespannen door middel van sterke koorden, die aan pinnen vastgemaakt
worden, waardoor het geheel zoo stevig komt te staan, dat zelfs vrij
hevige rukwinden er geen vat op hebben. De vorm van zoo’n tent is als
’t dak van een huis: daar de middelste stang gewoonlijk wat langer is
dan de andere, loopt het tentdak naar weerszijden schuin af, en geeft
het regenwater gelegenheid tot wegvloeien. Aan de voorzijde blijft een
opening van ongeveer een manshoogte. Door dien vorm van het tentdak
wordt de hemel vergeleken bij een uitgespannen tent, Jes. 40 : 22. Een
bedoeïenendorp bestaat uit gemiddeld een dertigtal van zulke tenten,
soms meer, soms minder naar gelang van de grootte van den stam. Deze
tenten staan niet maar wild door elkaar maar in bepaalde orde,
vierhoekig, driehoekig of ook hoefijzervormig, terwijl dan de „deur der
tent” naar de binnenzijde van den kring is gekeerd. Zoo’n groep
groezelig zwarte tenten maakt in de verte een indruk waarop reeds de
dichter van ’t Hooglied (1 : 5) zinspeelt.
Talloos zijn de bijbelsche beelden, ontleend aan het leven in tenten.
Uit de aartsvadergeschiedenissen weten wij trouwens dat ook zij reeds
in tenten leefden, en menig liefelijk tooneel staat ons uit het Oude
Testament voor den geest. Wie denkt niet aan de vriendelijke ontvangst
door Abraham den drie vreemdelingen bereid? Maar ook in later tijd,
toen Israël vaste woonplaatsen had, bleven tal van uitdrukkingen in de
taal de herinnering aan dien ouden tijd bewaren, toen Israël nog in
tenten woonde. Als in Rehabeams tijd het volk van dezen koning geen
verlichting van lasten verkrijgen kan, breken ze met hem onder den
uitroep: wat deel hebben wij aan David? ja geen erve hebben wij aan den
zoon van Isaï, naar uwe tenten, o Israël! (1 Kon. 12 : 16). Het is
duidelijk dat Israël toen sinds lang niet meer in tenten woonde. Maar
de uitdrukking „tent” voor „huis” was gebleven. Tal van bijbelplaatsen
krijgen op deze wijze duidelijke belichting. Zoo wordt in Jes. 22 : 23
de tentpinnen, die met een hamer in den grond werden gedreven—op onze
plaat is op den voorgrond zulk een hamer en tentpinnen zichtbaar—als
beeld gebruikt voor vastigheid en zekerheid. Daar wordt nl. omtrent den
koning van Israël gezegd: ik zal hem als een tentpin (jated) inslaan in
een vaste plaats. In Jes. 33 : 20 wordt Jeruzalem genoemd: een tent die
niet zal ternedergeworpen worden, welker pinnen in der eeuwigheid niet
zullen worden uitgerukt, en van welker touwen er geen verscheurd zal
worden. En Jer. 10 : 20 is de klacht van een verlatene: mijne tent is
verstoord, en al mijne zeelen zijn verscheurd.... er is niemand meer
die mijne tent uitspant, en mijne gordijnen opricht. Bij dergelijke
uitdrukkingen wordt niet aan eigenlijke tenten gedacht: de uitdrukking
is geheel beeldsprakig; de koorden der tent is de „levensdraad”, die
wordt afgesneden enz. Zeer duidelijk is dat ook Jes. 54 : 2: maak de
plaats uwer tent wijd.... maak uwe koorden lang en steek uwe pinnen
vast in. Daarmee wordt aangeduid de Messiaansche tijd, als Israël zal
„zeker wonen”. Ezra gebruikt hetzelfde beeld bij den terugkeer der
ballingen naar Jeruzalem, als hij zegt dat de Heer heeft gegeven een
tentpin in zijne heilige plaats, d.w.z. een plaats om te wonen. De in
de Statenvertaling volkomen onverstaanbare tekst van Job 4 : 21 wordt
duidelijk als wij weten dat er zal moeten gelezen worden: wordt hunne
tentpin uitgetrokken, dan sterven zij, zonder dat zij weten, hoe.
In den regel is een bedoeïenentent door het spannen van een doek in
tweeën verdeeld: een mannen- en een vrouwenafdeeling. Op onze plaat is
die „scheidingsmuur” duidelijk te zien. Alleen de rijke stamhoofden
hebben soms voor hunne vrouwen aparte tenten. Zoo wordt Gen. 24 : 67
van Sara’s tent, en Gen. 31 : 33 van Lea’s tent als van een
afzonderlijke tent gesproken. Maar de gewone bedoeïen heeft één tent,
in tweeën gedeeld. De mannentent is in den regel rechts, de vrouwentent
links, en deze laatste is, in onderscheiding van die der mannen, vaak
aan den voorkant dicht, zoodat niemand in het vrouwenverblijf kan zien.
Het inwendige der tent is zeer eenvoudig, maar naar gelang van den
welstand van den eigenaar weet men ze van allerlei te voorzien. Soms
liggen er stroomatten op den grond, soms een soort van karpet, of
kussens. Als stoel wordt of de grond gebruikt of ’t kameelzadel,
waarover men een deken werpt. Voor tafel dient meestal een stroomat, of
een stuk dierenhuid. Sommige stammen vormen een soort tafel door een
metalen plaat op een onderstel te leggen. Een gat in den grond in de
mannenafdeeling of een vierkante ruimte door een stuk of wat steenen
gevormd, dienen voor vuurhaard. Zakken, uit dierenhuiden in elkaar
genaaid, dienen tot het bewaren van vloeistoffen als water en melk. De
„melkflesch” van Jaël, waarvan Richt. 4 : 19 spreekt, is zulk een
lederen zak. Verder de handmolen tot het malen van koren, een paar
pannen en een paar schotels—dat is alles wat een gewone bedoeïenentent
bevat. Behalve het karpet en de kussens, die de „heeren der schepping”
voor zich zelf wel makkelijk vinden, wordt alles in de
vrouwenafdeeling, die tevens als rommelkamer dient, onder dak gebracht,
en voor den dag gehaald als men ze noodig heeft. Uit een oogpunt van
westersche galanterie tegenover de vrouwen valt op een en ander nog wel
wat aan te merken. Als Gen. 31 : 34 Rachel op een kameelzadel zit in
hare tent, hebben wij ons dus waarschijnlijk niet voor te stellen dat
dit meubelstuk voor haar gerief in hare afdeeling is geplaatst, maar om
de bovengemelde reden. De mannenafdeeling is meteen de ontvangkamer. In
de vrouwenafdeeling worden vreemdelingen nooit toegelaten, maar de
vrouwen—mogelijk zijn de bedoeïenenvrouwen met nòg minder recht dan de
westersche dames van de hebbelijkheid, nieuwsgierig te zijn, te
betichten—kunnen natuurlijk alles hooren, daar hun afdeeling enkel door
het straks genoemde gespannen doek van die der mannen gescheiden is. De
bedoeïenenvrouw op onze plaat schijnt aan het hooren niet eens genoeg
te hebben, met vrouwelijke handigheid heeft ze zich misschien wel
staande op het kameelzadel, zoo hoog weten op te werken, dat ze over
den „muur” kan heenzien, en deelnemen aan het gesprek der beide mannen.
Ook van Sara lezen wij, Gen. 18 : 9–15, dat zij van uit haar tent
hoorde wat de engel tot Abraham zeide, hoewel zij zelf zich schuil
hield. Die vrouwenafdeeling heet de harîm, waarover later nog zal
gehandeld worden. Hoewel bedoeïenenvrouwen wel den hoofdsluier, maar
niet den aangezichtssluier dragen, zijn ze evengoed als elke andere
oostersche vrouw harîme d.i. onaantastbaar, en van den omgang met
vreemde mannen afgesloten. Het spreekt van zelf dat op het land, dus
bij de fellah’s en bedoeïenen die afsluiting niet zoo hermetisch zijn
kan als in de stad, waar de vrouw niet uitgaat, dan na zich zoo te
hebben ingehuld, dat ze op een wandelende schim gelijkt, terwijl van
haar aangezicht of handen geen stipje te zien is. We zien dat vrijere
in den omgang bij fellahs en bedoeïenen b.v., wat de eerste betreft,
uit Joh. 4, het gesprek van Jezus met de Samaritaansche vrouw, want,
hoewel de discipelen zich verwonderen „dat hij met een vrouw sprak” is
de mogelijkheid van het alleen spreken met een fellah-vrouw dus niet
uitgesloten. Wat de bedoeïenen betreft, wijs ik op de bekende
geschiedenis uit Richt. 4: Jaël en Sisera. James Neil, aan wiens boek
onze plaat is ontleend, houdt naar aanleiding daarvan een zonderlinge
redeneering. Hij zegt dat het dooden van Sisera door Jaël een der
grootste moeielijkheden was van de studie van het Oude Testament, welke
moeilijkheid hij nu wegruimen wil. Met die moeilijkheid bedoelt hij
dit, dat, waar, zooals we boven zagen, een die zijn toevlucht zoekt in
een tent der bedoeïenen, daar veilig is en bescherming vindt, en dit
gastrecht allen bedoeïenen heilig is, Jaël zich niet ontziet hem die
bij haar schuilplaats zoekt, verraderlijk te dooden. Uit het oogpunt
der oostersche gastvrijheid is dat de verraderlijkste daad die een
bedoeïen zou kunnen doen, en Neil voelt zich bezwaard, zulk een
verraderlijke en lage daad aan Jaël toe te schrijven, en beredeneert nu
het gebeurde aldus: Sisera, zoekende schuilplaats in Hebers tent,
vlucht de vrouwenafdeeling binnen, daar de mannenafdeeling, als zijnde
van voren open, geen voldoende schuilplaats, bood. Maar het doordringen
van een man in de vrouwenafdeeling is een met den dood strafbare
misdaad, en zoodra Jaëls man thuis kwam, zou hij onmiddellijk den
vreemden indringer tegen den grond hebben geslagen, en Jaël zelf zou
haar rechtvaardige straf niet hebben ontgaan. Daarom doodt zij den
vreemden indringer en redt daardoor tevens haar eigen eer en leven. Het
valt aanstonds op, hoe gewrongen en onnatuurlijk die opvatting is. Jaël
komt immers den vluchtenden man tegemoet buiten de tent, en noodigt hem
binnen, onthaalt hem als gast, verleent hem gastvrijheid en als hij
niets kwaads vermoedende, zich neerlegt, slaat ze hem verraderlijk een
tentpin door het hoofd. We behoeven ons niet in allerlei bochten te
wringen om Jaël van verraad vrij te praten: haar daad was gemeen,
verraderlijk, was al mee het ergste wat een bedoeïenenvrouw kon doen,
maar niettemin werd Israël er door van een gevaarlijken vijand verlost.
’t Is ’t zelfde als wanneer Jozefs broeders hem als slaaf verkoopen, en
dat het middel wordt „om een groot volk in het leven te behouden,”
omdat God uit het kwade het goede deed voortkomen, maar daardoor wordt
het kwade zelf nog niet goed.
Meest alle bedoeïenen hebben slechts ééne vrouw. De Mohammedaansche wet
laat overigens de polygamie in zooverre toe, dat één man vier vrouwen
mag hebben, maar dat komt in de praktijk heel zelden voor, omdat het
veel te kostbaar is. Maar deze eene vrouw wordt alleen als moeder
geëerd; overigens is zij in elk opzicht de slavin van den man, ze eet
niet samen met den man, maar afzonderlijk, mengt zich niet in zijn
zaken, zelfs niet in zijn gesprekken, en gehoorzaamt hem als haar heer.
Is zij kinderloos, dan is haar positie nòg onaangenamer. Onder geen
voorwaarde mag een vreemdeling den bedoeïen naar den welstand zijner
vrouw vragen: dat geldt als hoogst ongepast. De eenige taak der vrouw
is: kinderen voort te brengen, liefst zonen, ander nut heeft ze niet.
Ongehuwde vrouwen komen dan ook niet voor. Heeft een bedoeïenenvrouw
zich aan overspel schuldig gemaakt, dan wordt ze, meestal door hare
naaste verwanten, wreedaardig vermoord. Doen deze dat niet, dan wordt
de heele stam onteerd, en zouden de meisjes uit dien stam niet eens
meer een eervol huwelijk kunnen aangaan. Men kan dat wreedaardig
vinden, maar het getuigt toch van een hoogere zedelijke opvatting van
het huwelijk dan tegenwoordig in sommige „beschaafde” kringen ten
onzent gangbaar is, waar op zedelijk gebied ongeveer alles geoorloofd
schijnt.
Op onze plaat zien we de beide mannen liggen rondom een vuur in het
midden der mannenafdeeling, terwijl boven het vuur op een
geïmproviseerde drievoet een pot hangt. Het hoofdvoedsel is brood en
melk, vleesch eten ze zelden; komt onverwacht een gast, dan wordt snel
een schaap of geit van de kudde gehaald en een vleeschmaaltijd gereed
gemaakt (Gen. 18 : 7). Ook is soep een geliefkoosd eten, waarvoor de
meest verschillende „groenten” moeten dienst doen. „Alle planten zijn
eetbaar”, zou eens een bedoeïen hebben gezegd. Daar de bedoeïen bijna
uitsluitend op de veeteelt is aangewezen, en de van het vee verkregen
producten niet alleen sterk afhankelijk zijn van de aanwezigheid van
goede weide, en deze weer van de hoeveelheid regen, maar ook zeer sterk
wisselen volgens den tijd van het jaar, kent de bedoeïen naast tijden
van overvloed—de tijd dat de kameelen „nieuwmelkt” geworden zijn, niet
minder zijn tijden van gebrek, ja van honger. Gedurende een langen tijd
van het jaar moet hij zich met zeer schrale kost vergenoegen; gedroogde
kaas, dadels, en alleen als hij dicht bij het kultuurland leeft, kan
hij zich brood verschaffen.
De Schrift spreekt nog van een ander soort voedsel o.a. door Johannes
den Dooper gegeten: de sprinkhaan. Deze zijn in en om Palestina zeer
talrijk, men telt wel een 40 soorten. Vooral die soorten, die als
trekvogels van de eene plaats naar de andere vliegen en grenzeloos
vraatzuchtig zijn, zijn om hun verwoestende gevolgen gevreesd. Waar ze
zich neerlaten, blijft niets over. Als een vijandelijk leger—zie de
mooie beschrijving bij Joël 2 : 2–11—laten ze zich neer in zwermen die
den hemel zelfs verduisteren. Sommige soorten van deze sprinkhanen zijn
eetbaar, men zegt dat ze aan garnalen doen denken, maar zijn minder
smakelijk. Ook worden ze in zakken verzameld, de vleugels worden
uitgetrokken, de ingewanden uitgehaald, dan worden ze op het dak gelegd
om te drogen, ingezouten en dikwijls fijngemalen en tot brood gebakken.
Maar we moeten het er voor houden, dat het toch altijd een brood der
armoede is, al wordt het om zijn goeden smaak geprezen. In elk geval
wordt Matth. 3 : 4 het eten van sprinkhanen en wilden honig door
Johannes den Dooper, meegedeeld als bewijs voor zijn sobere
levenswijze. Ook het manna dient nog heden ten dage als voedsel. Het is
een product van een soort tamariskenstruiken. Een insect steekt een
kleine opening in den bast van den boom, dan vloeit er een soort hars
uit, dat, aan de buitenlucht blootgesteld, verstijft, en kleine korrels
vormt, die worden opgezameld en gegeten. Alleen als er voldoende regen
valt, is op een mannaoogst te rekenen. Ook kwakkelen zijn nog heden ten
dage een gewild voedsel, en verschillende reizigers verzekeren dat ze
daarvan een inderdaad smakelijk maal weten te maken.
De voornaamste drank is natuurlijk water, maar de bedoeïen is dol op
koffie, en een „kopje koffie” is wel het eerste waarmee ze een
aangekomen gast eeren. Eerst worden de boonen in een pan geroosterd,
dan in een door jarenlang gebruik en vuilheid groezelig-viezen houten
bak fijngestooten, welke bezigheid in een bepaalden rythmus en met een
begeleidend neurie-wijsje wordt volbracht, dan wordt het grove meel in
een kan gekookt, zoo dat de koffie als een drabbig vocht wordt
ingeschonken, een soort dunne brij. Er schijnt geen beter middel om den
dorst te verslaan.
De bedoeïen houdt verder bizonder veel van rooken. Iedere bedoeïen
heeft zijn pijp, en rooken, koffiedrinken en vertellen breekt de
eentonigheid van het leven dezer kinderen der woestijn.
In een der reisbeschrijvingen vond ik een vergelijking tusschen het
leven in de woestijn en het rondtrekken van Israël in diezelfde
streken. De schrijver zegt: „Hoe dikwijls zeide ik niet tot mij zelf:
Ziedaar Israël! Als men den armen Sheik, die thans in schamele kleeding
ons met zijn twee kameelen begeleidde, schapen en runderen en kameelen,
dienstknechten en dienstmaagden had gegeven, waarom zou hij er dan niet
uitgezien hebben, zooals Abraham in zijn tijd? Zouden Izaäk en Ismaël
niet juist zoo getwist hebben als die twee kloeke bedoeïenen-jongens
het thans voor onze tent deden? Van Abraham af komen over het algemeen
in de woestijn de bijbelsche verhalen ons natuurlijker en
begrijpelijker voor dan de vroegere, waarmee wij minder vertrouwd zijn.
De harem-geschillen van den grooten Sheik Ibrahim, zooals Abraham ook
thans nog wel genoemd wordt, en van Jakob, zijn zeer gemakkelijk te
verklaren in dit land, en onder dit volk. Het wonderschoone verhaal van
de ontmoeting tusschen Izaäk en Rebekka ademt niet alleen een echt
morgenlandschen geest, maar die gewoonte komt ons ook gemeenzaam en
vanzelfsprekend voor in deze omgeving. Op de raadselachtige
geschiedenis van de besnijdenis van Mozes valt, als men die in verband
met een oud-Arabische opvatting beschouwt, een nieuw licht. Of wanneer
de bedoeïenen, als wij hun van ons geconserveerd vleesch wilden geven,
voordat ze er van durfden eten, eerst angstvallig vraagden of daar geen
chansir, varkensvleesch, bij was, dan werd men vanzelf herinnerd aan
het Israëlietische gebod, betreffende de reine en onreine dieren.”
In het bovenstaand bijschrift is ons, hoewel wij die vergelijking niet
trokken, ieder oogenblik de juistheid dezer woorden gebleken.
HERDER EN SCHAPEN
Aangelegde weiden, zooals wij die kennen, bestaan in het Oosten niet.
Men zaait geen graszaad om opzettelijk weiland te krijgen, en men
zamelt geen hooi in tot voeder voor het vee des winters. Waar wij hooi
gebruiken, neemt de Oosterling gekneusd stroo, dat onder de dorschslede
zacht geworden is. Men noemt dit stroo teben precies als in Salomo’s
dagen, 1 Kon. 4 : 28, waar wij lezen dat des konings beambten koren en
teben verzamelen voor de paarden. Wanneer er dus sprake is van
„grasrijke weiden”, dan hebben wij daarbij aan iets anders dan onze
toestanden te denken. De „weiden” waarop men het vee, vooral schapen
drijft om voedsel te zoeken, zijn hoofdzakelijk van tweeërlei aard.
Allereerst de achtergrond rondom ieder dorp die gedurende eenige
maanden van het jaar door het vee mag betreden worden. Maar dit land
wordt niet bedoeld als de bijbel van „weiden” spreekt. Dan worden
bedoeld de groote eenzame heuvelachtige steppe, midbar, welk woord in
den bijbel meestal door „woestijn” is vertaald, maar dat toch niet
uitdrukt, wat wij onder „woestijn” plegen te verstaan. Uit Gen. 37 : 22
zien wij dat Jozefs broeders de schapen weiden in de midbar, eveneens 1
Sam. 17 : 28. In Palestina is natuurlijk geen woestijn in den zin dien
wij aan dat woord hechten, maar van een midbar is herhaaldelijk sprake.
Op de meeste plaatsen zouden wij het dan ook beter kunnen vertalen door
„steppe”. ’t Zijn de groote vlakten, zooals in Palestina veelvuldig
voorkomen en die gedurende het droge heete jaargetijde dor en doodsch
liggen, enkel bedekt met wat stekelige distelsoorten en hard taai gras
en houtachtige planten, maar die in den regentijd plotseling een heel
ander aanzien vertoonen. Dan breekt als door een wonder een weelderige
plantengroei los: uitgestrekte grasweiden, bezaaid met veelkleurige
bloemen, waaronder de purperroode anemone, geven het land een
feestelijk aanzien. Deze anemone is waarschijnlijk wel de „lelie des
velds”, waarvan Jezus zeide (in Matth. 6 : 28 vv.) dat zij schooner
bekleed is dan Salomo was. Er is overigens geen onbelangrijk verschil
in plantengroei tusschen de hooger gelegen steppen en de lagere vlakten
met moerasachtigen bodem. Vroeg in het voorjaar begint deze gelukkige
tijd. Dan werpen de kudden, en vloeit de melk rijkelijk. De Mohammedaan
spot dan met de Christenen die, wegens den vastentijd, dan juist geen
melk mogen nuttigen: „De melk van Maart is aan de ongeloovigen
verboden.”
De kleine man, die maar enkele schapen of geiten houden kan, laat ze
grazen in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis, en drijft ze ’s
avonds terug naar den stal. De grootere kuddenbezitter laat ze door
herders verder weg voeren, waar ze jaar in jaar uit leven in het vrije
veld, ’s winters meer in de warmere dalen der wadi’s en valleien, voor
zoover deze nl. nog niet voor den landbouw in gebruik zijn genomen, ’s
zomers gaan ze naar meer bergachtige streken, waar de gesteldheid van
den bodem het eetbare groen langer handhaaft, en waar bovendien
allerlei struikgewas groeit, waarvan de bladeren en kleinere takjes het
weidend vee tot voedsel dienen zoodra het gebrek aan gras begint. Deze
manier van doen heeft voor den plantengroei van Palestina
allerverderfelijkste gevolgen, want daar vooral de geiten, op hun
achterpooten staande, zelfs tamelijk opgeschoten boompjes tot aan den
top bereiken kunnen, bijten ze de jonge toploten af, en beletten het
welig opschieten. Het gevolg daarvan is dat uren in de rondte een flink
opgeschoten houtgewas haast niet te vinden is, daar het jonge hout zich
nu zijwaarts uitbreidt, en het meest niet verder brengt dan
struikgewas. Van overheidswege wordt tegen deze bosch-verdelgende
methode geen enkele maatregel genomen, en de bevolking zelf ziet
blijkbaar niet, hoe zij handelt tegen haar eigen belang in. In die
streken van ons land waar heideschapen worden gehouden (vooral Drenthe)
wordt elke nieuwe aanplanting van dennen en ander hout zorgvuldig voor
schapen enz. afgesloten totdat het houtgewas zoo groot is dat de top
niet meer door de dieren bereikt kan worden. Zulke maatregelen zijn ook
in Palestina hoog noodig, maar—ze worden niet genomen. Men moet in
Palestina wèl onderscheiden tusschen den dorpsherder, dien men
half-nomade zou kunnen noemen, en den eigenlijken herder-bedoeïen. Deze
laatste leidt een geheel nomadisch leven, terwijl de dorpsherder met
zijn schapen- en geitenkudden de omgeving van het dorp doorkruist, en
bij slecht weer zijne toevlucht neemt in een der tallooze spelonken der
rotswanden. Meestal heeft hij in het dorp een huis, dat zijne familie
bewoont, terwijl hijzelf of anders leden zijner familie met de kudden
rondzwerven.
Onze plaat laat ons zien een herder, die de schapen uitgedreven heeft
uit den stal en die nu „voor hen henen gaat”. Het is dus Joh. 10 : 4 in
beeld gebracht. De plaat geeft ons aanleiding tot verschillende
opmerkingen. De bodem laat zien al de kaalheid en dorheid van het droge
jaargetijde in de midbar. De plaat verplaatst ons dan ook niet in de
nabijheid van een dorp maar in de steppe, zooals bovendien blijkt uit
de op den achtergrond zichtbare herderstent. De herders nl. aan wie de
zorg voor de schapen het geheele jaar door is toevertrouwd, en die met
de kudde in het veld blijven ook ’s nachts—men denke aan Gen. 37 : 14,
waar Jakob zijn zoon Jozef zendt om onderzoek te doen naar den welstand
zijner andere zonen en zijner kudden—leven daar niet in hutten, maar in
tenten, terwijl de schapen werden gedreven in een door steenen omheinde
ruimte, met een vierkant gat als deur (zie de plaat). Zulke „stallen”,
van boven open, worden in de Schrift herhaaldelijk genoemd, en meestal
door „schaapskooien” vertaald. Meestal zijn ze van ruwe onbehouwen
stukken bergsteen, zóó in elkaar gelegd, dat ze zoo goed mogelijk
sluiten, maar kalk of cement wordt niet gebruikt. Overigens doet hunne
constructie denken aan wat de bouwkundigen noemen „cyclopen-verband”.
Daar geen kalk wordt gebruikt, noch fundamenten gegraven, wordt de
stevigheid bevorderd door ze van onder dikker te maken dan van boven;
zoodat de dwars-doorsnede van zoo’n muur een pyramidalen vorm vertoont.
Vroeger schijnt het een tamelijk algemeen gebruik geweest te zijn tot
meerdere veiligheid daarbij nog een wachttoren te bouwen. 2 Chron. 26 :
10 wordt van Uzzia verteld, dat hij „torens in de woestijn” bouwde,
omdat hij vele kudden had. Daarmee worden ongetwijfeld zulke
wachttorens ter bescherming der kudden bedoeld.
Het komt wel voor dat verschillende kudden, d.w.z. van meer dan één
herder in zoo’n schaapskooi overnachten. Bij het uitdrijven roept dan
de herder zijne schapen en zij volgen hem (Joh. 10 : 1 v.v.). Een
vreemde „zullen ze geenszins volgen, overmits zij de stem des vreemden
niet kennen”. Wij voelen wat een vriendelijk beeld dat is, door Jezus
gebruikt om de verhouding tusschen hem en de zijnen aan te duiden. Die
hem kennen als hun herder, loopen geen anderen na, vergissen zich niet
als een stem hen tot volgen roept.
De herder is zeer eenvoudig gekleed. Over zijn grijs-kleurig hemd
draagt hij een pels van schapen- of geitenvel. Wanneer men het haar of
de wol er op laat zitten, dan draagt men hem ’s winters met de haren
naar binnen. Soms ook worden eerst de haren verwijderd. Hebr. 11 : 37
blijkt voldoende dat deze kleeding werd gerekend als armoedige
bedekking: onder de beproevingen, ondergaan door de geloovigen van den
ouden dag wordt o.a. genoemd, dat ze gewandeld hebben in schaapsvellen
en in geitenvellen.
Verder houdt hij in zijn linkerhand de staf, sjebet, met een haak aan
het boveneind. Deze staf is ons ook uit den bijbel welbekend, als
zinnebeeld voor het regeeren Gods over zijn volk. Ik herinner hier
alleen aan Micha 7 : 14: weid uw volk met uw staf, de kudde uwer
erfenis. En een bizonder mooi beeld Ps. 23 : 4, waar de Statenvertaling
niet geheel den juisten zin getroffen heeft, en waar gelezen moet
worden: al ging ik ook in een stikdonker dal, ik zou niet vreezen, want
gij zijt met mij, Uw staf en Uw stok voeren mij opwaarts. De gedachte
is dus dat het schaap dat in een rotsspleet of diepe vallei is geraakt,
door den herder wordt opgezocht en er uit gevoerd naar de hoogte. Nog
een andere interessante toespeling op het gebruik van den staf vinden
wij in Ezech. 20 : 37. Wanneer nl. de herder des avonds zijne kudde
naar den stal voert, pleegt hij bij de deur staande ze te tellen door
zijn staf over de binnengaande schapen uit te strekken, zoodat zij
„onder den staf doorgaan”. In Jer. 33 : 13 wordt dat beeld gebruikt in
deze woorden: In de steden van het gebergte, in de steden der laagte,
en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de
plaatsen rondom Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de kudden
wederom onder de handen des tellers doorgaan, zegt de Heer. Daar wordt
dus alleen van het tellen gesproken, niet van den uitgestrekten staf.
Dit laatste vinden wij Ezech. 20 : 34–38, waar niet meer van kudden
maar van Israël sprake is, in deze prachtige beeldspraak: ik zal u
leiden uit de volkeren, u verzamelen uit de landen, waarin gij
verstrooid zijt, met sterke hand en uitgestrekten arm, en door het
uitstorten van gramschap. Ik zal u brengen in de steppe (—midbar) der
volkeren, en u daar oordeelen, van aangezicht tot aangezicht. Zooals ik
uwe vaderen geoordeeld heb in de steppe van Egypteland, zoo zal ik het
u doen, spreekt de Heere Heer. En dan volgt: ik zal u onder den staf
doen doorgaan, en u hoofd voor hoofd binnenleiden. De uitdrukking:
onder den staf doen doorgaan beteekent dus dat de Heer zorgen zal dat
ze allen binnenkomen, dat niet één verloren gaat. Wie denkt hier niet
aan de gelijkenis van het verloren schaap? Als de herder zijne schapen
onder den staf doet doorgaan en één ontbreekt, dan zal hij uitgaan om
dat ééne schaap te zoeken, „totdat hij het vindt”.
Deze uitdrukking werpt ook licht op een andere plaats der Schrift, nl.
Levit. 27 : 32: Aangaande al de tienden van runderen en klein vee,
alles wat onder den staf zal door gaan, het tiende zal den Heer heilig
zijn. Hier is de uitdrukking: onder den staf doorgaan niet alleen de
aanduiding voor: al het vee, maar geeft meteen te kennen op welke wijze
die tiende werd uitgekozen. Joodsche schrijvers vertellen nl. dat het
de gewoonte was dat kudden, waaruit de tienden zouden genomen worden,
werden saamgedreven in een omheinde ruimte, en dan een voor een door de
nauwe opening werden uitgelaten, terwijl de herder bij de deur stond
met zijn staf, waarvan het einde gedoopt was in een roode verf. Bij elk
tiende schaap liet de herder zijn staf neer op dit dier en kleurde zijn
rug rood, en de aldus gekleurde schapen waren dan de tienden. Wanneer
genoemde joodsche schrijvers gelijk hebben en dit inderdaad de manier
was om de tienden uit te zoeken wordt de bedoelde bijbelplaats
inderdaad zeer sprekend.
Verder draagt de herder in zijn rechterhand zijn slinger, een eenvoudig
door hem zelf gemaakt werptuig: een stuk touw met in het midden een
zakvormige verbreeding, waarin de slingersteen gelegd werd. Dit wapen
wordt gebruikt om de kudde bijeen te houden. Dwaalt een schaap te ver
af, dan legt de herder een steentje in den slinger en mikt daarmee,
niet op het dier zelf, maar op diens onmiddellijke nabijheid, waardoor
het beest verschrikt terugloopt naar de troep. Het werptuig dient dus
voor hetzelfde doel waarvoor de herders b.v. in Drenthe een klein
schopje gebruiken met zeer langen steel. Ze steken daarmee een brokje
aarde uit den grond—ter grootte van een eetlepel—en werpen er de
afgedwaalde dieren mee. Na eenige oefening kan men het verwonderlijk
ver brengen in de juistheid van treffen, zelfs op zeer grooten afstand.
Ook de Palestijnsche schaapherders weten met groote handigheid hun
steenen te slingeren: bijna alle schaapherders zijn uitstekende
slingeraars. We denken daarbij natuurlijk aan David, die van achter de
kudden komende, met een slingersteen den reus Goliat doodde. En van den
stam Benjamin lezen wij in Richt. 20 : 16 dat daar waren „700
uitgelezen mannen, welke linksch waren; deze allen slingerden met een
steen op een haar, dat het hun niet miste.” Wij zouden in zoo’n geval
zeggen: 700 scherpschutters. Ook elders in Israëls geschiedenis vinden
we telkens melding gemaakt van de diensten die de slingeraars in den
oorlog bewijzen.
Op onze plaat zien wij den herder bovendien gewapend met een knots, die
aan zijn kleeren is opgehangen. Natuurlijk was zoo’n wapen in vroeger
dagen meer noodig dan nu, maar op de groote vlakten en heuvelruggen van
Palestina is het toch niet geheel zonder oorzaak dat dit primitieve
wapen uit de oudheid is bijgehouden.
De kudde schapen en geiten worden eigenlijk alleen gehouden om de wol
en de melk, vooral de melk. In ’t voorjaar, als de vroege regen de
groote vlakten in frisch-groene weide heeft herschapen, begint de
melkovervloed, en meteen de bereiding van boter, zure melk en kaas. De
zoete melk wordt in een geitenvel gedaan, opgehangen in de tent—ten
minste bij de bedoeïenen doet men ’t zoo—en dan gedurende eenigen tijd
krachtig heen en weer gestooten. De daardoor zich afscheidende boter
wordt evenals de achterblijvende karnemelk, die leben heet, op allerlei
wijze als voedsel gebruikt. Ook wat wij dikke melk noemen, wordt direct
uit de zoetemelk bereid, door ze te koken, er wat zure melk bij te
doen, dan in goed gedekte vaten te laten staan, en na ongeveer een dag
is het voor gebruik gereed. Uit de overtollige melk wordt kaas bereid,
of ook z.g.n. kisjk d.i. gedroogde dikke melk. De kaasbereiding is heel
eenvoudig: de dikke melk wordt uitgedrukt, daarna met zout vermengd,
tot platte schijven gekneed en dan in de lucht gedroogd. De boter wordt
bij de bedoeïenen meestal gekookt om ze duurzamer te maken, daar men
anders het grootste deel van het jaar van boter zou verstoken zijn. Erg
smakelijk is de aldus bewerkte „boter” niet, een Westerling vindt er
bovendien allerlei dingen in die hij liever in boter niet vindt:
geitenhaar is wel ’t meest onschuldige dat men er overvloedig in
aantreft, meteen een sprekend bewijs dat het „natuurboter” is.
Tweemaal per jaar is het de tijd van het jongen werpen der schapen. De
eerste tijd is December. Die heeten dan de „vroegelingen”. Deze
lammeren zijn het krachtigst, daar zij tegen den regentijd, de
vruchtbaarste tijd van het jaar, naar het veld gaan, en de voorwaarde
voor hunne ontwikkeling het gunstigst is. Veel minder waard zijn de
„laatgeborenen” (in Juni) die in het droge jaargetijde ter wereld
komen. Uit dit oogpunt laat zich de handelwijze van Jakob verstaan, die
de streepsgewijze geschilde jonge twijgen juist bij de „vroegelingen”
in de drinkbakken legt, Gen. 30 : 41, waardoor hij niet alleen véél vee
krijgt, maar tevens de beste exemplaren.
De herder is voor het goed gedijen zijner kudde aansprakelijk. Reeds in
de Oud-testamentische wetgeving (Ex. 22 : 9–12) en in het wetboek van
Chammurapi was bepaald, dat de herder het weggeraakte moest vergoeden.
En wij zien dan ook in Gen. 31 : 39 dat Jakob zich tegenover Laban er
op beroept, dat hij al wat er is weggeraakt, zoolang hij de kudde
weidde, door hem „geboet” is. Alleen als de herder bewijzen kon dat het
schaap door een wild dier was verscheurd, ging hij vrij uit. Dat kon
natuurlijk geschieden door dat hij, zooals Am. 3 : 12 zegt „een
oorlapje” uit den muil van het roofdier redt, en zijn meester toont.
Vandaar ook de teedere zorg voor de schapen, die ook werd in de hand
gewerkt doordat de herder niet enkel in geld zijn loon ontving, maar
een deel der kudden. Wij herinneren ons de vriendelijke beelden,
waaronder het Evangelie schildert, hoe de herder voor zijn schapen
zorgt: het gewonde verpleegt, het afgedwaalde op zijn schouder legt,
het zieke verzorgt. Het brengen der eerstelingen, uit het Oude
Testament welbekend, is nog in gebruik. Alleen dat de Mohammedaansche
herder de eerstelingen meestal aan een of anderen heilige wijdt, b.v.
Elia of Mozes. Zoo ligt ten Westen van de Doode Zee een heiligdom van
Nebi Mûsa (Mozes). Daar worden vele eerstelingen ten offer gebracht. Is
het wegens den afstand te bezwaarlijk de dieren aan het heiligdom zelf
te offeren, dan kan men de dieren ook in naam van den heilige dooden
aan de deur zijner tent. Meestal besprenkelt men dan de overige dieren
der kudde met het bloed van het geslachte dier.
Een dergelijk offer voor het welzijn der kudde, komt ook overigens wel
voor. Onder bepaalde ceremoniën wordt een dier geslacht en met het
bloed worden de belhamels bestreken; ook strijkt men gaarne van het
bloed aan de deurposten. Zoo’n geslacht dier geldt dan als fedu, d.i.
losprijs, voor de heele kudde.
Het schapenscheren was in oude dagen een soort feest. In 1 Sam. 25
blijkt hoe dan zelfs naburige stammen bij zoo’n gelegenheid hun
gelukwensch kwamen brengen, zooals David bij Nabal deed. Dan werd een
feestmaal aangericht en de scheerders feestelijk onthaald. Van dat oude
feest van het schapenscheren is niet anders overgebleven dan dat de
scheerders—ten minste bij de grootere kuddebezitters—nog worden
onthaald. De tijd van het scheren is afhankelijk van de meerdere of
mindere warmte in het voorjaar. De eigenlijke tijd is einde April of
begin Mei—in ons land met zijn kouder klimaat is het wat later,—en niet
alle kuddenbezitters rekenen evenveel met het koude lijden der dieren.
Een schaap, dat zoo pas van zijn dikke vacht is ontdaan staat vaak te
trillen van koude. Ook de handeling van het scheren zelf is voor het
dier alles behalve aangenaam (men denke aan de uitdrukking uit Jes. 53
van het schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders),
vooral als het wat ruw gebeurt. Het is zelfs in Nederland geen
bizonderheid als men ziet hoe de scheerder niet alleen de wol afknipt,
maar tegelijk een heel stuk van de plooiige huid, zoodat een bloedende
wonde ontstaat. Niet vergeefs vinden we in de Schrift tal van
waarschuwingen tegen hardvochtigheid tegenover weerlooze dieren.
IN DE „PRONK VAN DEN JORDAAN”
De Jordaanvallei, eigenlijk een breede vulkanische kloof, is een der
merkwaardigste verschijnselen in Palestina. De rivier heeft een zeer
sterk verval. De bron ligt 520 meter boven, de Doode Zee ligt 393 meter
beneden den zeespiegel. Het geheele verval is dus 913 meter. En de
heele afstand is niet meer dan 220 kilometer. Dit verbazend sterke
verval heeft mede ten gevolge gehad de tallooze kronkelingen, zoodat de
werkelijke loop der rivier bijna driemaal zoolang is als de
hemelbreedte die hij doorloopt. Aan den bovenloop stroomt de rivier
tusschen dicht aansluitende rotswanden door. Verder Zuidelijk treden de
bergen verder terug en ontstaat een veel breeder bedding van kalk en
leem. Daarin vormt de rivier een dubbele bedding: eerst een stroombed,
van ongeveer een half uur breed, met bijna loodrechte wanden, en daarin
weer de tegenwoordige bedding van ongeveer 30 meter breed met zeer
scherpe bochten. Zelfs bij den hoogsten waterstand vult de rivier niet
de oude breede bedding. Bijna overal is het Jordaandal alleen te
bereiken langs steile en haast onbegaanbare paden. De breedte van het
dal zelf is zeer verschillend; in de nabijheid van Jericho is ze ’t
grootst, ongeveer 3 uur gaans. Het water, dat bij het verlaten van de
zee van Tiberias nog helder is, neemt uit den bodem zoovele
bestanddeelen op, dat het troebel en chocolade-kleurig wordt. Door de
diepe ligging is het dal voor de koele vochtige winden niet bereikbaar,
en heerscht er een tropisch klimaat, vooral naar het Zuiden toe, waar
de rivier zich ten slotte in de Doode Zee uitstort. De temperatuur is
hier van dien aard dat de 6 millioen tonnen water, die de rivier
dagelijks in de Doode Zee zendt, daar verdampen, want de Doode Zee
heeft geen uitwatering. De Doode Zee vormt een 915 vierkante kilometer
groot verdampingsoppervlak, waarvan naar berekening dagelijks een
waterlaag van ruim 13 millimeter water verdampt. Volgens sommigen
hebben die berekeningen echter weinig waarde, daar men onderstelt dat
aan de Westzijde van de Doode Zee op den zeebodem bronnen zijn, die
misschien dezelfde hoeveelheid water toevoeren als de Jordaan en de
bij-riviertjes. Is dit inderdaad zoo dan zou de hoeveelheid water dat
door verdamping wordt opgelost, nog veel grooter zijn. Ten gevolge dier
buitengewoon sterke verdamping, bevat het water der Doode Zee ongeveer
25 % vaste stoffen. Op sommige plaatsen iets minder, op andere iets
meer. Het water is daardoor zoo zwaar dat een versch ei er niet alleen
in drijft, maar zelfs nog een derde deel er van boven water uitsteekt.
Een mensch kan zonder eenige moeite aan de oppervlakte blijven drijven,
en niet dan met groote moeite duiken. In het water der Doode Zee komen
geen levende wezens voor, en zeevisschen die men er in loslaat, sterven
na korten tijd, maar de bewering dat in de nabijheid geen levend wezen
bestaan kan, noch een vogel er over vliegt, is een legende. Wel is de
plantengroei in den omtrek uiterst karig, wat door gebrek aan zoet
water in de nabijheid te verklaren is. Ook ziet men geen schip op het
water, zoodat de heele toestand dezer watervlakte den naam „Doode Zee”
inderdaad rechtvaardigt.
Anders is het met de oevers van den Jordaan. De langwerpig ronde
Jordaanvallei, tusschen 7.5 en 18 kilometer breed, een sterk uitgerekt
ovaal is wel de oorzaak van den hebreeuwschen naam kikkar, in Gen. 13 :
10 en 11 vertaald door „vlakte der Jordaan”. Een andere naam is arabah,
drooge vlakte, steppe, met welken naam vroeger werd aangeduid het heele
dal van de zee van Tiberias af tot den Elanitischen zeeboezem toe, maar
die nu meestal gebruikt wordt voor de Zuidelijke helft, terwijl het
Noordelijk gedeelte Gòr, inzinking, heet. Uit Gen. 13 : 10 is te zien
wat een weelderigen aanblik de Jordaanvallei van de heuvels van Bethel
uit, moet hebben geboden, want als Lot „zijne oogen ophief”, en zag de
gansche vlakte van den Jordaan, begeerde hij die tot weide voor zijn
vee.
Gedeeltelijk tengevolge van de jaarlijksche overstrooming, gedeeltelijk
door de tropische hitte, verschijnt aan beide oevers der rivier een
rijke sub-tropische plantengroei van bamboe, ineengestrengelde
struiken, slingerplanten en riet van 12 tot 15 voet hoog. Deze wilde,
verwarde en eenzame vegetatie bood en biedt nog heden ten dage een
natuurlijke schuilplaats voor wilde dieren. Die jaarlijks na elke
overstrooming met veelsoortige planten en veelkleurige struiken zich
sierende Jordaanstrook, scherp afstekend tegen de omgevende dorre
landstreek, heet in den Bijbel „de pronk der Jordaan”. Het Hebreeuwsche
woord gaôn wordt in de Statenvertaling soms weergegeven door
„verheffing”, soms door „hoogmoed” der Jordaan. In vroeger dagen
huisden daar meer wilde dieren dan tegenwoordig. Jer. 49 : 19
beschrijft den inval der Chaldeeën: zie hij zal komen als een leeuw uit
de pronk der Jordaan. Zoo in tal van plaatsen, waar de leeuw wordt
vermeld als een gevreesd roofdier. Tegenwoordig is hij in Palestina
niet meer te vinden; sedert de dichte bosschen werden verwoest, vindt
hij geen schuilplaats genoeg, en kan zich voor de vervolgingen der
menschen niet meer bergen. Sedert heeft hij zich tot achter den
Euphraat teruggetrokken. De beer heeft zich sedert lang teruggetrokken
in de bergkloven van den Hermon. Ook de ontembare wilde ezel, eens het
beeld voor de nakomelingen van Ismaël (Gen. 16 : 12), wiens hand tegen
ieder zou zijn en de hand van een ieder tegen hem, vindt men er niet
meer, behalve misschien op de bergen van Basan. Daarentegen is het
luipaard nog heden ten dage het gevreesde roofdier, niet alleen in de
bergen van Gilead, maar ook in de „pronk der Jordaan” vindt hij zijn
schuilplaats. Hier blijkt tevens dat de Statenvertaling, die onder
„verheffing des Jordaans” blijkbaar bedoelde het wassen van het water,
waardoor de leeuwen uit hun schuilplaats werden verdreven, de
uitdrukking gaôn hebben misverstaan. Overigens neemt Jer. 12 : 5 elken
twijfel dienaangaande weg. De profeet zegt: Wanneer gij met voetgangers
geloopen hebt, en zij hebben u afgemat, hoe zult gij dan met de paarden
gelijken tred houden? In een vredig land waart gij gerust, maar hoe
zult gij het maken in de pronk des Jordaans? Hier is dus het „vredig
land” tegenovergesteld aan de pronk des Jordaans, de ontoegankelijke,
door roofdieren bedreigde wildernis, de schuilplaats van leeuwen en
luipaarden. Trouwens uit Zach. 11 : 3 „de pronk des Jordaans is
vernield”, is het bovendien duidelijk dat niet het wassen der rivier
kan zijn bedoeld.
Onze plaat teekent ons deze „pronk des Jordaans” tegen den avond. Op
den voorgrond twee luipaarden, gereed om een hert en een gazelle te
bespringen, die hun dorst komen lesschen. Deze dieren, luipaard of
panther, in het Oude Testament bekend onder den naam namar, is voor
Palestina, wat de Bengaalsche tijger voor Indië is, hoewel minder
gevaarlijk voor de menschen. Hij moet vroeger zeer veelvuldig zijn
voorgekomen, zooals sommige Palestijnsche plaatsnamen doen zien, bv.
Beth-Nimrah letterlijk: panterhuis, (Nimr of Namr is de Arabische naam
voor het dier) en het riviertje Nakr-Nimrim, letterlijk: panterstroom.
Tegenwoordig komt hij weinig meer voor en bijna uitsluitend in de
omgeving van de Doode Zee en in Gilead en Basan, een enkele maal ook in
Syrië. Des avonds komt het dier uit zijn schuilhoek te voorschijn, en
sluipt rond, loerend op zijn prooi; men zegt dat de nachtelijke tochten
zich soms uren gaans uitstrekken. De inwoners vertellen, dat het dier
zich nooit langer dan drie nachten op dezelfde plek ophoudt, dan gaat
het weer verder, roof zoekende. In de bekende schildering der
Messiaansche eeuw Jes. 11 : 6 zien we dat dit dier gold als hèt type
van een roofdier; dat „het luipaard bij den geitenbok” zal nederliggen
is het teeken van volkomen vreedzaamheid. Zulke beelden spraken
natuurlijk te sterker in dagen toen deze roofdieren in grooten getale
voorkwamen, en ze ’s nachts loerende slopen om steden en dorpen (Jer. 5
: 6), en de vlugheid en onhoorbaarheid hunner bewegingen als beeld werd
gebruikt, zooals Hab. 1 : 8: hunne paarden zijn vlugger dan luipaarden,
wordt daar van de snelheid der Chaldeeuwsche strijdrossen gezegd. In
Dan. 7 : 6 dient het beeld van een gevleugeld luipaard om het Perzische
rijk te schilderen, dat snel als een luipaard om zich heen grijpt.
IN HET DAL DER DUISTERNIS
Na hetgeen wij bij plaat 4 over het herdersberoep hebben gezegd, kan
ons bijschrift bij deze plaat kort zijn. Ze verplaatst ons in de
woestijn van Juda, in een der daar talrijk voorkomende ravijnen of
rotsspleten, van welke sommige dienen als doorgang of schuilplaats voor
heen en weer trekkende bedoeïenen, maar waaronder er ook zijn, die
vooral in vroeger dagen onveilige en zelfs gevaarlijke schuilhoeken
waren voor tal van roofdieren. Sommige dezer ravijnen zijn zeer grillig
van vorm waar door bodemverschuivingen enz. loodrechte of zelfs
overhangende rotswanden zijn ontstaan, die honderden voeten hoog zich
verheffend, maar weinig daglicht ontvangen, en door mensch en dier
worden vermeden. Een dier donkere dalen stelt onze plaat voor. Een
eenzaam schaap is van de kudde weggedwaald en in dit diepe dal
terechtgekomen, en daar omringd door hongerige hyena’s, en overgegeven
aan een wissen dood.
Wij moeten deze gesteldheid van de woestijn van Juda in het oog houden
om het sprekende der beelden te zien, zooals die in Oud- en Nieuw
Testament voorkomen, ontleend aan het herdersleven. Onze plaat is een
illustratie zoowel bij Psalm 23 : 4, als bij de gelijkenis van het
verloren schaap. In Psalm 23 heeft de Statenvertaling: dal der schaduw
des doods. Die vertaling is verkregen door een onjuiste vocalisatie.
Daar men nl. in het Hebreeuwsch niet de klinkers schrijft, maar alleen
de medeklinkers, is het mogelijk een bepaald woord op verschillende
manieren te lezen door er telkens andere klinkers tusschen te voegen.
Soms krijgt men daardoor een geheel anderen zin. Nu las de
Statenvertaling tsel-mawet, dus twee woorden (wat mogelijk is doordat
in het oud-hebreeuwsch tusschen de verschillende woorden van een zin
geen open ruimte werd gelaten zooals bij ons), en vertaalde: schaduw
des doods. Beter is het echter te lezen één woord nl. tsalmut en te
vertalen: duisternis. De bedoeling komt natuurlijk ongeveer op
hetzelfde neer. Wat de dichter met zoo’n dal der duisternis bedoelde,
zien wij op onze plaat. Wee het schaap dat er verdwaalt, want dat dal
der duisternis wordt hem een dal des doods!
Maar nu verstaan wij ook de krachtige geloofsuiting, die uit Psalm 23
spreekt. Zelfs al ging ik door zulk een dal der duisternis, zegt de
dichter, al werd ik aan alle kanten door doodsgevaren omringd, dan nog
zou ik niet vreezen, want Gij, o Heer zijt met mij. Uw stok en Uw staf,
die voeren mij opwaarts. Voor de bedoeling van de woorden stok en staf
verwijs ik naar het gezegde bij plaat 4. Die woorden duiden dus aan het
grootst mogelijke gevoel van veiligheid, daar de psalmist zich geborgen
weet bij zijn God. Het is de veiligheid, die zich ook uitspreekt in het
bekende:
Als gevaren mij omringen
Wil ik zingen
Van genade trouw en macht
of van dat andere: de Heer is mijn Herder, ’k Heb al wat mij lust. En
de Israëliet, die van nabij wist wat een doodsgevaar en angst er ligt
uitgedrukt in dat „dal der duisternis”, moest bij het hooren en het
zingen van dien Psalm 23 wel zeer sterk onder den indruk komen van de
trouw en hulpe Gods.
De andere bijbelplaats, die sprekend wordt toegelicht door onze plaat,
is de gelijkenis van het verloren schaap. We zien in gedachten den
herder van het schaap, dat in de ravijn geraakt is, zijne honderd
schapen tellen, en—hij mist er een. Dan laat hij de 99 aan hun plaats,
zoekt zijn knots (zie plaat 4) en gaat de woestijn in, al is het tegen
den avond, om het verlorene te zoeken. Allerlei overwegingen, die ten
minste een schijn van recht zouden hebben, als: ik vind het toch niet,
of: ’t is mogelijk al verslonden door wilde dieren, of: ik begeef mij
zelf in levensgevaar, vinden bij hem geen plaats, hij gaat er op uit,
en zoekt, en treft het misschien aan, zooals het schaap op onze plaat,
omgeven door wolven of hyena’s. Maar, zegt Jezus, de goede herder stelt
zijn leven voor de schapen, hij waagt zich er aan. Hij zegt niet, dat
één van de honderd toch zoo erg niet is, hij vlucht niet voor „den
wolf”, maar valt de dieren aan, en verjaagt of doodt ze, en redt zijn
schaap uit hun muil. Dan „neemt hij het op zijne schouders, verblijd
zijnde”, en met gejuich brengt hij zijn schaap dat verloren was, terug
in den stal, in veiligheid.
Wij moeten ons dat alles indenken om te verstaan de diepte en
schoonheid van het beeld, door den Heer gebruikt om aan te duiden zijne
liefde voor de zondaren, die hij komt redden uit de verdelgende macht
van zonde en dood. Het is dan ook niet te verwonderen dat het beeld van
schaap en herder een der meest geliefkoosde beelden is, waarin de
Schrift zoowel het verloren zijn van den zondaar als de reddende liefde
Gods pleegt uit te drukken.
Dat de hyena in vroeger dagen niet zelden voorkwam in Palestina schijnt
vrij zeker uit het feit dat sommige plaatsnamen aan dit dier
herinneren. Het dal van Zeboïm b.v. heet bij de tegenwoordige Arabieren
sjuk ed-Dubba d.w.z. ravijn der hyena’s. Tegenwoordig schijnen ze in
het eigenlijke Palestina zoo goed als verdwenen te zijn.
INTERIEUR VAN EEN FELLAHWONING.
Het eerste wat op onze plaat de aandacht trekt, is de eigenaardige
welving, waaronder de fellah-vrouw zit en koren maalt. Het is noodig
allereerst iets te zeggen over den bouw der huizen, en het daarvoor
gebruikte materiaal. Dat materiaal is nog tegenwoordig hetzelfde als
vroeger: in de vlakten leem, in bergstreken kalksteen, die overal
voorkomt. Men kent daarvan verschillende soorten: de kakoeli is een
geelachtig gekleurde steen die zoo zacht is dat hij met een mes kan
uitgesneden worden, maar die, aan de lucht blootgesteld, spoedig
verhardt, evenwel niet zoo dat men er duurzame huizen mee bouwt. Deze
steen is te vergelijken met de bekende Limburgsche steen te Valkenburg,
die met een zaag aan groote stukken als koek wordt uitgesneden in de
groote onderaardsche grotten, maar eenmaal als muur opgemetseld spoedig
verhardt. Deze steen wordt in Palestina gaarne gebruikt voor een tweede
verdieping omdat hij zoo licht is. Een hardere soort steen is de
malaki, die voor den bouw der betere huizen wordt gebruikt. In de buurt
van Bethlehem gebruikt men tegenwoordig ook veel een nog hardere steen,
terwijl in de omgeving van Nazareth een zeer poreuze kalksteen wordt
gebruikt, die ook overigens voor ovens uitstekend dienst doet, omdat
hij tegen de vuurhitte kan zonder te barsten. Bij de zee van Tiberias
en de Doode Zee, waar de bodem rijk is aan bazalt, wordt deze zwarte
steensoort veel gebruikt, die aan de huizen hun somber aanzien geeft.
Heeft men een ruïne in de nabijheid, dan worden kapiteelen en andere
stukken steen daar vandaan gehaald en in het te bouwen huis ergens
onder gebracht, want op symmetrie en schoonheid wordt niet gelet: als
’t maar een veilige bedekking geeft tegen regen en hitte. Zoo’n huis
ziet er uit de verte meer uit als een steenhoop dan als een huis, en
een fellah-dorp dat niet omgeven is door tuinen of palmboomen, maar op
de kale vlakte staat, is uit de verte gezien van een groep steenhoopen
niet te onderscheiden. Het armelijkst zijn wel die huizen die uit
gedroogde baksteen of leem met gehakt stroo vermengd, gebouwd zijn. Zoo
vindt men ze meest in de groote vlakten. Zulke huizen zijn al heel
weinig duurzaam. Zoo komt het ook dat tal van plaatsen, wier namen in
den Bijbel genoemd worden, spoorloos verdwenen zijn: als de bewoners ze
verlaten hebben, keeren ze in korten tijd terug tot een vormelooze
massa, terwijl bij nauwkeurig toezien een eigenaardig afgeronde steen
verraadt dat hij eens als molensteen dienst deed, en daar dus een huis
of misschien wel een geheel dorp stond.
In bergstreken, waar steen genoeg te krijgen is, bouwt men gaarne in
koepelvorm, waarboven het platte dak dat dikwijls aan den straatkant
voorzien is van een borstwering, zooals reeds Deut. 22 : 8 bevolen
werd. Meestal bestaat zoo’n borstwering uit een meter-hoogen muur met
gaten om door te zien, zoodat wie zich op het dak bevindt, op de straat
kan zien, zonder zelf gezien te worden. Wanneer de armoede het bouwen
van een gewelf verbiedt, dan worden de vier muren met ruwe boomstammen
en twijgen bedekt. Daarover wordt dan een voet dik aarde gelegd en goed
aangestampt, en daarover heen giet men een uit leem en gehakt stroo
bereiden dikken brei, die aan de lucht blootgesteld, hard wordt. Hier
en daar begint in den laatsten tijd een soort van tegels (dakpannen) in
gebruik te komen. Voor het begin van den regentijd moet die deklaag
worden vernieuwd, anders lekt het door, of zelfs wordt het door de
zwaarte gevaarlijk voor de inwoners. Zulk een dak hebben wij ons
waarschijnlijk in Mark. 2 : 4 te denken, dat door vier mannen wordt
opengebroken om een zieke door te laten. Op zulk een dak groeit in het
voorjaar gras, en soms loopt er een geit op te grazen. Door ’t
opstellen en neerleggen van matten maakt men er in een oogenblik een
logeerkamer van, waar men even veilig en in elk geval frisscher logeert
dan in huis. 1 Sam. 9 : 25 vermeldt zoo’n geval. Meer welgestelde
bewoners hebben vaak op het dak nog een verdieping, de z.g.n. ollije,
die dient als logeerkamer voor aanzienlijke gasten, en waar de huisheer
met vrienden vrij kan converseeren zonder dat hij voor luistervinken
behoeft te vreezen. Zoo lezen wij Richt. 3 : 20, dat Eglon, de koning
der Moabieten, in die „koele opperzaal” Ehud ten gehoore ontvangt. Deze
„opperzaal” is meestal ook wat netter afgewerkt, de vloer gecementeerd
en de wanden glad. De rest van het dak dient dan tot balkon, behoorlijk
gelambrizeerd, waar de bewoners graag des avonds en des morgens vroeg
wat koelte opvangen. In de groote vlakten ziet men in de plaats daarvan
op het dak der leemhutten een soort groote twijgen-kooien, uit matten,
takken en loof in mekaar gewerkt, waar de bewoners vooral des nachts,
gedurende den zomer, tegen de drukkende hitte en het ongedierte
bescherming zoeken. De eigenlijke woning is dan bijna onbewoonbaar en
onze westersche „woningwetten” zouden in Palestina toegepast, handen
vol werk leveren.
Bij den bouw van een huis, vooral bij gewelfbouw, is het een zaak van
belang er op te letten, dat de fundamenten op vasten grond rusten,
liefst op een rots, en men graaft op de berghellingen vaak even diep in
den grond als het huis zich boven den grond verheft, en is niet eer
gerust, voor men rotsbodem heeft. De oorzaak daarvan is natuurlijk in
de eerste plaats de lompe zware bovenbouw, maar verder ook de massa’s
regenwater die in den winter zoo diep in den bodem dringen, dat ze een
„huis, op zandgrond gebouwd”, door verweeking en verzakking van den
bodem zouden ondermijnen. Van hier uit valt een verklarend licht op de
bekende woorden van Jezus, Matth. 7 : 24 vg., over het huis op een
steenrots. Ook bouwt men om dezelfde reden de dorpen gaarne op de
helling of den top van een heuvel, daar de aanhoudende regens de dalen
vaak in ondoorwaadbare poelen veranderen. Tevens zijn ze op de hoogte
beter tegen de aanvallen van bedoeïenen-horden beschermd. Op deze
bouw-wijze zinspeelt Jezus’ woord over „een stad op een berg” liggende,
die niet kan verborgen zijn.
Een groote rol speelt bij den bouw van een huis het bijgeloof. Zoowel
bij stedelingen als bij fellahs vindt men de meening dat onder den
deurdrempel booze geesten wonen, die men bezweren moet. Wie een huis
laat bouwen, verzuimt niet tegenwoordig te zijn bij het leggen van den
drempel, en dan legt hij daaronder een muntstuk—niet van koper—om den
geest te bevredigen. Verder wordt vaak een haan—liefst een
witte—geslacht, en diens bloed laat men op den drempel uitstroomen, of
de deurposten worden er mee bestreken. De bedoeling daarvan is, door
zulke riten den boozen geesten het wonen onder of aan den drempel
onmogelijk te maken. Is straks het gewelf gereed, dan wordt boven de
deur een been, meest een kameel-kinnebakken, opgehangen, of groote
blauwe glasstukken, of knoflook of aluin. Een gebruik dat overigens ook
bij de boerenbevolking ten onzent hier en daar nog in gebruik is. Dat
alles dient tot afwending van het „booze oog”. Vooral de blauwe kleur
is in dat opzicht heilzaam. Ook vindt men vaak boven de deur een blauw
gekleurde hand geschilderd, van reusachtige afmetingen, als
kwaadafwerend symbool. In vroeger dagen verkreeg men datzelfde
resultaat—afweren der booze geesten—door het z.g.n. bouwoffer. De
opgravingen in Palestina hebben aangetoond hoe algemeen dit gruwelijk
gebruik vroeger was. In en onder de muren vindt men telkens
kinderlijkjes ingemetseld. In Gezer werd o.a. gevonden het lijk van een
vrouw en een kind, ingemetseld in de muur. Uit dat oogpunt is 1 Kon. 16
: 34 te verstaan: toenmaals bouwde Hiel van Bethel de stad Jericho weer
op, op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon, heeft hij haar gegrondvest, en
op Segub, zijnen jongsten zoon, heeft hij hare poorten gesteld. Men
heeft langen tijd gemeend, dat dit beeldsprakig was te verstaan; nù
weten wij dat het letterlijk is bedoeld: ze werden levend ingemetseld.
Later toen de zeden verzachtten, verzachtte ook dit gebruik: men
offerde een dier of, zooals nog heden in Bulgarije: men offert de
schaduw van een mensch in den muur. „Ieder huis wil zijn doode hebben”,
hetzij man, vrouw, kind of dier, zegt men nog heden in het Oosten,
opdat de anderen te beter leven kunnen. Vraagt men nader naar de
bedoeling, dan wordt het verschillend omschreven: „om des zegens wil”
zegt de een; „opdat niet iemand van de familie sterft”, zegt de ander;
„opdat het huis niet boven de bewoners instorte”, verklaart een derde.
Het geslachte dier is in alle geval de „fedu an el-beit” d.i. de
losprijs voor het huis. Dat woord fedu, hebreeuwsch pada komt in het
Oude Testament telkens voor in den zin van verlossing, en de
Nieuw-Testamentische uitdrukking, rantsoen of losprijs, gaat er op
terug. Een Moslim zeide: gewoonlijk heeft de fedu betrekking op de
toekomst, om een kwaad af te weren, ieder huis moet door een dieroffer
worden losgekocht, opdat de menschenlevens worden behoed. Men giet
daarom dikwijls het bloed van het geofferde dier op de fundamenten uit.
Bij de bouwlieden bestaat een spreuk: geen bouwwerk zonder
bloedvergieten! Het is God welgevallig en brengt zegen. ’t Zelfde
gebruik past men tegenwoordig zelfs toe bij de opening van een nieuwen
spoorweg. De priester van een heiligdom te Homss zeide: Bij het
betrekken van een nieuwe woning doodt men in den eersten nacht, dien
men in het huis doorbrengt, de fedu, en laat het bloed voor Gods
aangezicht vloeien; het is losgeld voor de heele familie en houdt
ongeluk en djinns (= booze geesten) weg. Dit gebruik gaat zelfs zoo
ver, dat dorpbewoners, die gedurende den oogsttijd hunne huizen
verlaten en op het land in holen wonen, bij het betrekken van zulk een
tijdelijke hol-woning soms nog een dier slachten voor den heer van dat
hol, een djinn, opdat hun eigen leven veilig zij.
Het geldt hier duidelijk het plaatsbekleedend sterven, een gedachte aan
het Oude Testament ontleend, en die niet alleen bij den bouw van
huizen, maar bij tal van andere gelegenheden wordt aangetroffen. Zoo
wordt bv. een schaap geslacht, de belhamels der kudde met het bloed
bestreken: „dat is de verlossing voor de heele kudde tot behoud van
alle”.
In dorpen waar de bevolking meer welvarend is, zijn de huizen ook veel
gecompliceerder dan de alleenstaande, één verdieping hooge, ruwe
steenklompen der fellah-woningen, hoewel ook dan nog alle elegantie en
bevalligheid verre te zoeken is. Men kan ’t niet beter omschrijven dan
door zich te denken ettelijke fellah-woningen tegen elkander aan en op
elkaar gezet, en het geheel omgeven door een hoogen, dikken muur, vaak
met een open plein in het midden, terwijl de afzonderlijke kamers
rusten op logge dikke pilaren. Zoo’n heel complex heet dan dàr en de
enkele vertrekken beit. Binnen dien muur is plaats voor ’t vee. Eenige
tientallen van zulke dàr’s vormen samen een dorp, en daar de huizen
familiegewijze bij elkaar staan, precies zooals de bedoeïenententen,
krijgt men vanzelf de indeeling in wijken, die „van huis uit” bij
mekaar behooren. ’t Zijn dus geen rijen huizen, met straten
daartusschen, maar woninggroepen, waaromheen de straat loopt. Zoo’n
wijk of kwartier ligt niet zelden met de aangrenzende wijk of kwartier
in jarenlangen twist. Iedere wijk heeft dan zijn eigen moskee, welks
voorhof vaak meteen als herberg dienst doet, en zijn eigen kerk. Dan is
er tusschen de verschillende wijken van een dorp niet de minste
gemeenschap. Het bezit van één herberg en één kerk voor het heele dorp
kan gelden als bewijs voor vreedzame verhouding der bewoners. In
dorpen, waar de moskee ontbreekt, dient de herberg meteen als
verzamelplaats der geloovigen.
De deur van het huis schijnt reeds in oud-Israël met eenzelfde soort
slot geopend en gesloten te worden als nog tegenwoordig. Daarvoor dient
nl. een houten toestel van aanzienlijke grootte, zoo groot dat men hem
op den schouder dragen kan. Vergelijk daarvoor Jes. 22 : 22, waar
sprake is van het dragen van den sleutel op den schouder, wat ons
verklaarbaar wordt als we zien de afmetingen van dit voorwerp, zooals
het nog heden dienst doet.
Nu we den bouwtrant en uiterlijke verschijning van een Palestijnsche
fellah-woning kennen, gaan we aan de hand van onze plaat het inwendige
bezien. Het vertrek, waar de vrouw koren zit te malen, is het eenige
vertrek van het huis, en dient tegelijk als ontvangkamer, slaapkamer,
eetkamer, veestal enz. Op de plaat zien we dat het vee staat en ligt in
een lager gedeelte van het vertrek, terwijl het hooger gelegene deel
voor woning dient. De deur die altijd open staat, wanneer de bewoners
thuis zijn en het niet al te koud is—een gesloten deur, terwijl de
bewoners aanwezig zijn, zou het vermoeden wekken dat men daarbinnen
iets uitvoerde wat het licht niet mag zien,—de deur dan geeft
allereerst toegang tot het lagere gedeelte, waar de verschillende
diersoorten, die de fellah er op na houdt, ’t zij vreedzaam, ’t zij in
oneenigheid bij elkaar wonen. Een koe, alleen bij de meer welgestelden
te vinden, de ezel, „der Geist der stets bejaht”, een geit, een paar
schapen, soms kippen en een kat. Daar het vee lager huist dan de
mensch, is het hooger gelegene deel van het vertrek, vaak met een soort
cement-vloer voorzien, gemakkelijker rein te houden, doordat men alle
onreinheid eenvoudig in den „stal” veegt. De deur binnenkomende, gaat
men dus door den „stal” het steenen trapje op naar de woonkamer, dat
door de familie wordt bewoond. Voor een gast legt men daar een mat of
een kussen—stoelen zijn onbekend—en de vreemdeling moet dan wennen aan
het half of drie kwart-donker van het vertrek—want als venster dienen
alleen een paar kleine openingen, zonder glas, die bovendien gedurende
het koude jaargetijde nog worden „dichtgespijkerd”—en als dan de rook
niet al te dicht is en het zien onmogelijk maakt, kan men langzamerhand
een en ander onderscheiden, en het ontvangsalon in oogenschouw nemen.
Als de rook niet al te dicht is, want een schoorsteen is onbekend, en
de rook moet maar zien hoe hij door de reten, deur en „vensters” een
uitweg vindt. Daar bovendien het vuur meestal gevoed wordt met niet al
te droog hout of onkruid of met gedroogde schapen- en rundermest—beide
brandstoffen die veel rook verspreiden—krijgen de wanden van het
woonvertrek op den langen duur een natuurlijk zwart glanzend behang,
door de vaste stoffen die de rook er op afzet; maar wat erger is, de
bezoeker zit er neer met tranen in de oogen, en hoest alsof hij een
keelaandoening had. Door een en ander te bedenken, valt op sommige
bijbelsche uitdrukkingen een eigenaardig licht. B.v. de oostersche
spreekwijze: als rook voor de oogen, zoo is de luiaard dengenen die hem
uitzenden.
Mede om den hinder van den rook wordt het vuur alleen, bij erge koude
den heelen dag brandende gehouden, maar als het even kan, dooft men het
uit omdat het haast niet uit te houden is, den heelen dag in den rook.
Daarop wordt gezinspeeld in Jes. 65 : 5, waar God van de goddeloozen
zegt: deze zijn een rook in mijn neus, een vuur den ganschen dag
brandende.
Bij gebrek aan voldoende hoeveelheid hout of gedroogde mest, brandt men
ook het om het dorp groeiende onkruid, struiken, dor gras en alles wat
maar branden wil. Daarom spreekt Jezus Matth. 6 : 30 van het gras des
velds dat heden is en morgen in den oven geworpen wordt.
In de eerste plaats bevinden zich in dit vertrek eenige door de vrouwen
zelf uit leem vervaardigde etagères met tal van vakjes, waarin kannen,
vaten enz. tot het bewaren van levensmiddelen. Tegenwoordig worden die
gaandeweg vervangen door gekochte blikken bussen, vaak leege
petroleumbussen enz. En verder een kist waar de meest heterogene
zelfstandigheden in ongestoorden vrede bijeen liggen: een zak met
suiker, houten lepels, kleedingstukken, schotels, geld en sieraden. In
een hoek een groot aarden vat voor drinkwater. Al deze benoodigdheden
staan een eindje van den muur, zoodat daarachter voldoende ruimte
blijft voor een rommelkamer, waar allerlei mogelijke en onmogelijke
dingen door en over mekaar liggen.
Links op de plaat zien we een ovaalrond koepelvormig voorwerp: dat is
de oven, die bij iedere eenigszins welgestelde familie te vinden is.
Brood behoort tot de dagelijksche levensbehoeften van de fellah’s, en
hij eet het alle dagen versch. ’s Morgens is het eerste teeken van
leven dat in een fellah-dorp gehoord wordt, het knarsend geluid der
molens, door fellah-vrouwen bewogen, waarin het koren wordt gemalen, en
binnen een half uur is het brood gereed. Wanneer daar is „een nederig
geluid der maling”, d.i. als de knarsende molens slechts zelden en
flauw worden gehoord, dan is dat een bewijs dat de familie is verarmd,
en de verkondiging dat „het geluid der molens” zal worden weggenomen
(Jer. 25 : 10), of dat „geen geluid des molens meer zal gehoord
worden”, dan is dat een overdrachtelijke uitdrukking, die verwoesting
of verbanning aanduidt. In den oven bevindt zich een uit leem gevormde
plaat, die met kiezelsteentjes wordt belegd, en daarop weer een deksel
met langen greep. Moet nu gebakken worden, dan wordt op dat deksel een
hoeveelheid gedroogde koe-, paarden- of schapenmest gelegd en
aangestoken. Na eenige minuten is het deksel en zijn vooral de
kiezelsteentjes gloeiend heet. Dan wordt het deeg op die heete
kiezelsteenen gelegd, waar het in weinige minuten gebakken is. Na het
wegnemen van het brood wordt de nog gloeiende koemest op het deksel
weer in den oven gedaan, om zoodoende des winters een voortdurend
brandende „kachel” te hebben. F. A. Klein vertelt dat eens een moeder,
die haar kind eens lekker koesteren wou, het wicht op een mat in een
verwarmden oven legde, toen zij later het kind er weer uit wou nemen,
was de kleine al dood en half geroosterd: de oven was te warm geweest.
Wat de gedroogde koemest als brandstof betreft, is het misschien niet
ondienstig te verwijzen naar Ezech. 4 : 12–15, een plaats, die, zooals
ze in de Statenvertaling gelezen wordt, de gedachte wekt aan walchelijk
eten. Inderdaad is niets anders bedoeld, dan dat het brood bereid wordt
door verbranden van gedroogde meststoffen.
In den allerlaatsten tijd vestigden zich hier en daar, ook op de
dorpen, beroepsbakkers, en op hen is het spreekwoord bekend: „geef uw
deeg aan den bakker, ook al eet hij er de helft van op.” Hun
eerlijkheid schijnt dus niet boven bedenking. Ook in ons land was het
hier en daar tot voor korten tijd nog gewoonte het deeg naar den bakker
te brengen ten einde het door hem tegen een kleine vergoeding te doen
bakken. Men was niet altijd overtuigd dat men al het deeg als brood
terug ontving. Misschien werkte dat wantrouwen mee om de gewoonte in
onbruik te brengen.
De fellah-vrouw op de plaat is bezig koren te malen. In de steden is
dat het werk van de laagstgeplaatsten en als men zeggen wil: van den
koning af tot den slaaf toe, d.w.z. allen, dan heet het (Ex. 11 : 5):
alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao’s
eerstgeborene af, die op zijnen troon zitten zou, tot de eerstgeborene
der dienstmaagd, die achter den molen is. De uitdrukking:
„eerstgeborene der dienstmaagd” herinnert ons er aan dat wij hier niet
te doen hebben met ons begrip: dienstbode, die zich voor geld bij een
ander verhuurt, maar aan een gehuwde vrouw. ’t Is nl. aan een ongehuwd
meisje niet toegestaan als dienstbode ergens in dienst te treden: alle
vrouwelijke dienstboden zijn gehuwde vrouwen of weduwen. Op onze plaat
is het blijkbaar de fellah-vrouw zelf, die dezen zwaren arbeid
verricht. Zware arbeid, want de molen bestaat uit twee groote
bazaltsteenen, de onderste steen ligt vast, heeft soms een opstaanden
rand en in het midden een pen, die door een opening in het midden van
den bovensten steen steekt, zoodat ook deze op zijn plaats blijft en
tevens draaien kan. Het koren wordt in de opening rondom de pen met de
hand gestrooid, valt dan tot op den ondersten steen, en wordt door het
draaien van den bovensten gekneusd. Wegens de zwaarte van het werk
wordt het dikwijls door twee vrouwen gehanteerd. Op dat gebruik wordt
o.a. Matth. 24 : 41 gezinspeeld. Koren te moeten malen is wel de
diepste vernedering die eene aanzienlijke oostersche vrouw kan worden
aangedaan. Als de profeet het oordeel aan Babel aankondigt, zegt hij
(Jes. 47 : 1 en 2): daal af, en zit in het stof, gij jonkvrouw, dochter
van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, gij dochter der
Chaldæën! want gij zult niet meer genoemd worden de teedere, noch de
wellustige. Neem den molen en maal meel!.... En als in de Klaagliederen
(5 : 13) gejammerd wordt om de ellende des volks dan komt daaronder
voor de klacht: zij hebben de jongelingen weggenomen om te malen; voor
een jongeling des te onteerender, omdat het malen, evenals het halen
van water sjoegal niswan, vrouwenwerk is.
Hoewel al dit zware en minderwaardige werk tot de taak der vrouw
behoort, kan men toch niet zonder meer zeggen dat ze de slavin is van
den man. De eigenlijke grond voor de minderwaardige positie van de
vrouw ligt wel in de polygamie, waarover later. Maar daaruit vloeit
meteen voort, dat door het steeds meer in zwang komen van het monogame
huwelijk de positie der vrouw verbetert, en ze als huismoeder vaak
hooge achting geniet. In Mohammedaansche steden is de vrouw meer een
luxe-voorwerp van den man, met al de narigheid die daaruit voortvloeit;
in de dorpen is ze de levensgezellin, die naast hem arbeidt voor het
gezin en zijn leed en vreugde deelt. Dat vindt goeddeels zijn oorzaak
daarin dat op het platteland de vrouw ongesluierd gaat, èn niet minder
hierin dat de armoede vanzelf het hebben van meer vrouwen tegengaat. De
monogamie bij de Mohammedanen is dus niet het gevolg van een hooge
zedelijke opvatting betreffende de vrouw als mensch, maar
noodgedrongen. En een arme fellah ziet niet zelden met afgunst naar
zijn rijken buurman, die zich de luxe van meer vrouwen kan veroorloven.
Maar nog tegenwoordig laat men de meisjes vrijwel zonder onderwijs
opgroeien: zij hebben het niet noodig.
De stadbewoner, soms ook de fellah, roept zijne vrouw door ja masa, o
vrouw!—welke uitdrukking tegenover een vrouw niets beleedigends
inhoudt: vergelijk de woorden van Jezus tot Maria: vrouw wat heb ik met
u te doen?—of ook ja hurme, o verbodene, een uitdrukking die heenwijst
op de afgesloten positie der vrouw tegenover vreemden. Men zou niet
verwachten dat er in de gegeven omstandigheid, ergens in het Oosten een
„pantoffelheld” gevonden werd. Toch schijnt dat volstrekt geen
uitzondering te zijn. Men zegt zelfs dat bij de fellah’s een gebruik
bestaat dat de bruidegom zijn bruid een slag op het hoofd geeft, ten
teeken dat hij niet „onder den pantoffel” wil. Wij zouden zoo zeggen:
door zóó te doen heeft hij het spel al verloren.
Een dame die langen tijd in Palestina woonde, vertelt van een
fellah-vrouw, die twist kreeg met haar man, die zoo hoog liep dat de
man haar met de daarvoor gebruikelijke formule haar congé gaf. Spoedig
kreeg hij echter berouw van zijn overhaaste daad, en wenschte de wettig
ingetreden echtscheiding ongedaan te maken. Zijn vrouw bewilligde, op
voorwaarde dat ze dan opnieuw haar „bruidschat” hebben moest. De man
stemde toe, en daar de bruidschat eigenlijk is de som waarvoor een
fellah zijne vrouw koopt, was hij door de vrouwelijke list gedwongen te
erkennen dat zijn vrouw wel een dubbele som waard was. De verhaalster
voegt er aan toe: blijkbaar was ze dat ook!
Maar in ’t algemeen genomen is de vrouw de dienares van den man en is
al tevreden als ze door hem als een groot kind vriendelijk behandeld
wordt. Behalve het malen van het koren en het bakken van brood, is ook
het melken van het vee haar werk. De overtollige melk wordt door de
vrouwen in steenen of blikken vaten gedaan, deze in groote manden
gezet, en zoo op het hoofd naar de stad gedragen. Dikwijls hangt
bovendien nog een zuigeling in een soort hangmat op den rug. Anderen
doen hetzelfde met allerlei „groenten”, vruchten, eieren, vogels, hout
enz. Het is ongeloofelijk, welke reusachtige hoeveelheden koopwaar een
fellah-vrouw in één keer naar de stad draagt. Ik zag een fotografie van
zoo’n Palestijnsche boerin die zooveel bloemkoolen op haar hoofd en
langs haar lichaam had hangen, dat ze sprekend geleek op één groote
wandelende bloemkool. In de stad gekomen, wordt deze waar op de markt
of op de straat verkocht. Hebben ze geen „zaken” in de stad te doen,
dan bezorgen of verwaarloozen ze thuis haar eigen huishouding. Met
wasschen van kleedingstukken maken ze zich niet druk, want
zindelijkheid is juist niet haar fort, maar ’t kan toch zoo erg worden
dat het noodig is met de door vuil ontoonbare kleedingstukken naar de
bron te gaan om ze schoon te maken. Ze nemen daar een grooten platten
steen voor zich, leggen het eerst natgemaakte goed daarop als een bal,
houden dien met de eene hand vast, en slaan met een knuppel of steen er
op, aldoor het goed met water besprenkelend, zoolang, tot dat het eerst
koffie-kleurig vocht dat er uitgeslagen wordt, een meer doorschijnende
kleur krijgt.
In Juli begint voor vele vrouwen den tijd om hun geschonden of gebroken
huisgereedschap te herstellen of door ander te vervangen. Met
opgestroopte mouwen hanteeren ze het leem tot fabrikatie van nieuwe
vaten en potten, welke bezigheid veelal op het dak plaats vindt. De
vaten worden uit een mengsel van leem en haksel vervaardigd en door de
zonnewarmte gedroogd. Hier en daar worden de vaten bovendien gebakken,
door ze in een gat in den grond te plaatsen, met gedroogden mest te
omgeven, dit aan te steken, en de pottebakkersoven is in werking.
Het hardste lot hebben die fellah-vrouwen die als weleer Ruth, wegens
gebrek aan werk te huis, naar ’t Oostjordaanland trekken en daar van
April tot Juni beproeven een zuur stukje brood te verdienen, door of
als dagloonster te werken voor geld of voor een ellendig bundeltje
koren. Ook lezen ze (vg. Ruth 2 : 3) op het afgemaaide land de aren op,
die ze ’s avonds met een stok uitkloppen.
Op onze plaat zien we vooraan op het verhoogde deel der vloer aan
weerszijden van de trap een soort kribbe, voederbak voor ’t vee. Zulke
voederbakken zijn of ruw uit hout getimmerd, of, zooals op onze plaat,
uitgehold in den steenen vloer, waarin we het gekneusde stroo, dat als
veevoeder dient, zien liggen.
Over één ding op onze plaat sprak ik nog niet: op den achtergrond zien
we een hangmat, waarin een slapend kind. De eigenaardige manier waarop
dit kind „verpakt” is vraagt om eenige opmerkingen betreffende de
behandeling en opvoeding der jeugd. Een der hartelijkste wenschen van
een Oosterling is, veel kinderen, en vooral veel zonen te hebben. Een
man die veel zonen, kleinzonen en achterkleinzonen heeft, geniet
daardoor niet alleen den noodigen steun op zijn ouden dag, daar de
zonen meestal in of bij het ouderlijk huis blijven wonen, maar elk
mannelijk lid zijner familie vertegenwoordigt een stuk invloed en macht
bij zijne dorpsgenooten. Eigenaardig is dan ook dat men de talrijkheid
van een familie pleegt te tellen naar het getal bawardiye, schutters.
Een familie van 200 „schutters” heeft uiteraard in den dorpsraad heel
wat meer te zeggen dan een van 50. Een kleine familie is in den regel
eene van weinig invloed, de groote deelen de lakens uit. Daarom ziet de
vader met trots op zijn zonen neer, en een dochter des huis geniet als
ze van haar „broers” vertellen kan. Het is feest in huis als een zoon
geboren is, en de verwanten en vrienden komen met hun gelukwensch:
mubarak ma adsjak, gezegend zij wat tot u kwam! En trotsch en blij
beantwoordt de gelukkige vader den groet: allah jebarek fik, God zegene
u! Een kop koffie wordt gepresenteerd—de Oosterling is dol op koffie—,
en als het „Christenen” zijn volgen ze de „christelijke” gewoonte en
drinken een borrel. Droevig dat de „Christenen” overal de beste
importeurs van jenever zijn geweest. Men vergelijke overigens het op
blz. 22 gezegde ter kenschetsing van het Palestijnsche „Christendom”.
Is de jonggeborene een meisje, dan is ’t al mooi als de vader niet boos
en heftig uitvalt, maar een feest is hem de geboorte van een dochter
niet, tenzij hij al een heele rij zonen heeft. Ook nemen vrienden en
verwanten geen notitie van de geboorte van een dochter. Worden iemand
eenige dochters geboren, dan komt het voor dat hij zulk een schepseltje
Temâm noemt, d.w.z.: nu is ’t genoeg! Ook uit de talrijke
spreekwoorden, waarin smadelijk over dochters gesproken wordt, blijkt
diezelfde voorstelling. B.v.: „wie veel dochters heeft, die neemt ten
slotte nog honden als schoonzonen”, d.w.z. tegen elken prijs wil hij ze
uithuwelijken. Nog erger is dit: „het graf is de beste schoonzoon”. Dit
spreekwoord doelt blijkbaar op de zede, de dochters levend te begraven.
Aan een bedoeïenen-sheik werd gevraagd, hoeveel kinderen hij had. Hij
antwoordde: Allah gaf mij zes kinderen. De waarheid was, dat hij zes
zonen had, benevens eenige dochters. Maar die laatsten telde hij niet
mee. Een Engelsche consul speelde eens een partij schaak met een
aanzienlijk Arabier. Daar komt een slaaf van den Arabier aanloopen, en
zegt tot zijn meester: Mijnheer, u is een zoon geboren! Deze spoedde
zich naar huis en vond zijne vrouw in tranen: het was maar een dochter!
De slaaf had in tegenwoordigheid van vreemden niet durven zeggen dat
het een meisje was! Oostersche meisjes weten dat alles zeer wel. En als
ze willen zeggen dat iets hun maar heel matig plezier doet, zeggen ze
b.v.: ’t Is een blijdschap als op den dag mijner geboorte. Toch heeft
een Oosterling liever dochters dan heelemaal geen kinderen, want gelijk
de geboorte van een zoon voor de familie beteekent toename van eer en
invloed, zoo beteekent de geboorte van een meisje toename van kapitaal.
Zoodra het meisje nl. kan uitgehuwelijkt worden, ontvangt de vader een
niet onaanzienlijke som geld voor zijn dochter, die hem door den
bruidegom in zekeren zin moet worden afgekocht. Men zegt zelfs dat het
voorkomt dat iemand aan een vader van b.v. vier dochters een niet
onaanzienlijk crediet verleent op dien basis.
Bij de geboorte wordt het kind ingewreven met fijngestooten zout. Dit
wordt geregeld gedurende eenige weken herhaald en men zegt dat het kind
daardoor gehard wordt. Maar ook kwade gevolgen zijn niet zeldzaam. F.
A. Klein vertelt van een knaap te Bethlehem die door het onzinnige
inwrijven met zout reeds als zuigeling zijn gezicht verloor, daar de
scherpe pekel hem in de oogen vloeide. Maar over ’t algemeen schijnt
het geen kwaad te doen, want ondanks verregaande verwaarloozing,
ondoelmatige voeding, ongeloofelijke onreinheid, sterke wisseling van
temperatuur en ons ondoeltreffend schijnende zout-inwrijvingen groeien
de kleine, vuile, half of heel naakte fellah-tjes als kool—alle
hygiënische theorieën ten spijt. Evenwel, hoe groot het getal der
vroegstervende kinderen is, kan niet worden nagegaan, of liever, kon
tot nog toe niet, want sedert eenigen tijd is van gouvernementswege
bevolen de geboorte van een kind bij den „burgerlijken stand” aan te
geven, terwijl op het nalaten boete is gesteld. Maar de kleinen die er
dóór komen, zijn in elk geval sterk en taai van gestel. Verwend worden
de kleinen niet: uren en uren moet het kind van nog geen acht dagen oud
daar liggen in lompen, totdat de moeder, die den 4en of 5en dag na de
bevalling alweer met de waterkan op ’t hoofd naar de bron loopt, weer
terug is. Trouwens zulke dingen gebeuren niet alleen in Palestina.
Schrijver dezes herinnert zich een geval uit Drenthe, waar de moeder ’s
morgens haar vierjarig kind vastbond in de wieg, het vuur wat opstookte
opdat het warm zou blijven in het vertrek en toen den heelen dag uit
werken ging. Toen ze ’s avonds terugkwam, lag haar zoden hut in puin,
ze was met kind en al verbrand! Vooral door de tallooze vliegen en
andere insecten lijden de kinderen ontzaglijk veel. Werpt de moeder een
doek over ’t hoofd van de kleine, dan dreigt het door gebrek aan lucht,
te stikken, laat ze het na, dan verzamelen zich zwermen van die dieren
op oogen, neus, mond en ooren. De kleine gilt en trapt, maar kan er
niets tegen doen, evenmin als de moeder: straks schikt het kind zich in
het onvermijdelijke, en doet geen poging meer de insecten te verjagen.
Zoo komt het dat ze, grooter geworden, op de straat en vuilnishoopen
spelende, om ieder oog een kring van vliegen kunnen hebben zitten,
zonder de minste poging om ze te verjagen: een mensch kan aan alles
wennen.
De kinderen worden, indien even mogelijk, door de moeders niet korter
dan twee jaren gezoogd, en soms veel langer. Men zegt dat het gebeurt,
dat jongens van 5 jaar, die op straat en in den modder rondkruipen met
een „boterham” in de vuist, moeder ziende, naar haar toeloopen en om
een massa d.i. een „slokje” vragen. Want vooral als het jongens zijn,
vindt de moeder er een eer in ze zoolang mogelijk te zoogen. Op haar
manier verzorgen de Palestijnsche moeders dus hunne kinderen zoo goed
mogelijk, en met verontwaardiging hoorden ze door een Europeeschen
reiziger vertellen dat hier in Europa instellingen bestaan, die ten
doel hebben kinderen tegen de verwaarloozing hunner ouders te
beschermen (de kinderwetten!). Het feit dat een dronken fellah-vrouw
feitelijk tot de onmogelijkheden behoort, zal wel mee een oorzaak zijn,
dat zij nog geen „kinderwetten” noodig hebben. Van hieruit ontvangt het
verhaal uit 1 Sam. 1 : 22–28 en 2 : 11 een zekere belichting. Daar
wordt gezegd dat Hanna haar kind Samuel volgens hare gelofte, naar den
tempel bracht, zoodra hij gespeend was, en dat Samuel daar den Heer
diende voor het aangezicht van den priester Eli (2 : 11). Dat wordt
begrijpelijk, wanneer wij bedenken dat dit spenen pas zoo laat plaats
had of ten minste kon hebben. Hanna heeft haar kind zeker tot zijn
vijfde jaar bij zich gehouden, en toen pas gespeend en naar den tempel
gebracht. Mogelijk was hij nog wel ouder. Zoo zal ook Mozes’ moeder
haar zoon niet maar een maand of wat, maar ettelijke jaren bij zich
gehouden hebben (Ex. 2 : 7–10). Ook Matth. 21 : 16: Uit den mond der
kinderen en der zuigelingen hebt gij U lof toebereid, komt daardoor tot
zijn juiste beteekenis. ’t Zijn dan geen kinderen die nog geen woord
kunnen zeggen, maar kinderen die kunnen loopen en praten.
Zoolang de kleinen nog geheel hulpeloos zijn, worden ze ingepakt op de
wijze, waarop onze plaat het aangeeft. Ze hebben dan de gedaante van
een worst met een hoofd er op of van een kleine mummie. Reeds in Ezech.
16 : 4 vinden we deze gewoonte vermeld, trouwens dat vers bevat een
heel repertoire voor bakers: ten dage als gij geboren waart, werd uw
navel niet afgesneden, en gij zijt niet met water gewasschen, gij zijt
ook niet met zout ingewreven, noch in windselen gewonden. De profeet
wijst er op hoe de onreinheid en gebrek aan goede behandeling in
Jeruzalems jeugd—het goddelooze Jeruzalem wordt hier bij een pasgeboren
meisje vergeleken, dat door de ouders niet behoorlijk wordt verzorgd,
omdat ze zich van het schepseltje willen ontdoen: vs. 5 het wordt te
vondeling gelegd—nog nawerkt, en tevens om te laten zien hoe God zich
over dit verwaarloosde kind ontfermde, toen Hij het vond bij den weg,
en alzoo Jeruzalem alles aan den Heer te danken heeft. Dat inwikkelen
gebeurt zeer soliede. De voeten worden tegen elkaar gelegd, de armen
tegen het lichaam en zoo wordt het omwonden tot het geen vinger meer
verroeren kan. Meestal hoort daarbij een band onder de kin en over het
hoofd, waardoor het kind niet met open mond kan slapen zoodat geen
ongedierte in den mond kruipt.
Een eigenaardigheid is nog dat na de geboorte van een zoon de naam van
den vader dikwijls wordt veranderd, hij heet voortaan naar zijn zoon.
Ook van de moeder geldt het menigmaal. Hem naar een meisje te noemen,
zou een beleediging zijn. Dat gebruik noemt men kunja. Men doet dat
zoo, dat de vader den naam van zijn zoon krijgt met voorvoeging van
abu: vader. B.v. een man wiens zoon Izaäk is genoemd, heet voortaan abu
Izaak, waarvoor dan nog menigmaal zijn eigen naam mee genoemd wordt.
Ook wordt een zoon vaak genoemd met denzelfden naam als zijn vader en
er ibn: zoon, voorgevoegd. Overigens hebben zelden bepaalde ceremoniën
plaats bij de naamgeving van het kind. Alleen dit dat de vader, zoodra
hij den naam van het kind noemt, er bismillah, „in den naam van Allah”,
bij zegt. Een eigenaardigheid is, dat men er algemeen op gesteld
schijnt, in één familie, één en denzelfden naam onder allerlei vormen
te dragen, een gebruik dat ook in Nederland op ’t platteland voorkomt.
Zoo ken ik een boerenfamilie met een zestal kinderen, waar bijna
uitsluitend de naam Jan in allerlei variaties voorkomt: Jan, Jantje,
Jansje, Jantien, Johan, Jannes, Janus. Om het opgroeiende kind voor het
„booze oog” en allerlei andere onheilen te beschermen, worden zijne
haren dikwijls aan een heilige gewijd. Zoodra het een of twee jaar oud
is, volgt een bedevaart naar een of andere heilige plaats, waar de
haren van het kind worden afgeschoren onder bepaalde ceremoniën.
Bovendien hangt men de kleine graag allerlei amuletten om, om het voor
booze invloeden te beschermen. Ook hier speelt het bijgeloof een groote
rol. Zoolang de kleine nog niet loopen kan draagt de moeder het in een
soort hangmat op den rug overal heen, en het kind verlaat die verheven
zitplaats dikwijls ook niet als de moeder haar werk doet.
Een groot feest is de besnijding, welke plechtigheid plaats vindt in ’t
6e of 7e jaar, of nog later. Het kind dat besneden moet worden, wordt
in feestelijken optocht door de straten gevoerd, zittende op een voor
die gelegenheid geleend en met allerlei moois opgepoetst paard, gevolgd
door een heelen stoet belangstellenden, en voorafgegaan door een
barbier of rondreizenden „dokter” mohel genoemd, die de handeling van
het besnijden verricht, en muzikanten. De knaap is prachtig uitgedoscht
in vrouwenkleeren en veel blinkend metaal. Deze versiering dient om de
aandacht van hem zelf af te trekken en op al die kostbaarheden te
vestigen, terwijl hij zelf een doek voor den mond houdt. Dit alles uit
vrees voor het „booze oog”, dat hem kwaad zou doen. Om de kosten van
zulk een optocht minder kostbaar te maken en het toch nog al wat te
doen lijken, voegen zich vaak twee of drie families, waarvan een kind
moet besneden worden, bijeen, of ook, men sluit zich bij een
bruiloftstoet aan, en deelt op die manier op goedkoope wijze in de
algemeene belangstelling.
Over de bijgeloovigheden die achter deze en dergelijke handelingen
schuilen, zal bij de volgende plaat meer worden meegedeeld.
EEN FELLAH-WONING BIJ NACHT
De plaat stelt voor een slapende fellah-familie. Het slaapvertrek is
hetzelfde dat wij op de vorige plaat als woonvertrek leerden kennen.
Maar we zien het hier van de andere zijde. Bij de vorige plaat stond de
toeschouwer bij de deur in het lager gelegen gedeelte. Hier is dat
lager gelegen gedeelte op den achtergrond, waar de ezel staat. De oven,
op de vorige plaat geheel boven den grond staande, is hier voor een
deel onder den bodem verborgen. In het koude jaargetijde slaapt men
gaarne in een ronden kring rondom den oven, met de voeten naar den oven
gekeerd. Op deze plaat zien we waarom het in Luk. 11 : 7 een bezwaar
wordt geacht bij nacht op te staan en den vriend brood te leenen: mijne
kinderen zijn met mij te bed. (De Statenvertaling heeft hier niet
geheel juist: in de slaapkamer. Het grieksche woord duidt veeleer aan
de plaats waar men neerligt). Wanneer niet de heele familie ligt in één
vertrek, maar ieder zijn eigen slaapkamer heeft, zelfs een eigen
ledikant, zou het geen zin hebben als bezwaar aan te voeren: mijne
kinderen en ik zijn te bed. Maar op de wijze als onze plaat aangeeft,
spreekt het vanzelf dat het opstaan, ’t zoeken van het brood, het
openen van de deur, de heele familie wekken zou. Hier moet evenwel
dadelijk worden bijgevoegd dat in meer welgestelde kringen men wel
degelijk afzonderlijke slaapkamers heeft, en ook vroeger reeds had,
waarom bv. in 2 Sam. 4 : 7 sprake is van het liggen op het bed in de
slaapkamer.
Op de plaat zien wij verder dat de Oosterling zich niet ontkleedt bij
het naar bed gaan, maar men doet alleen den mantel af, maakt den gordel
los en trekt de schoenen uit. Dikwijls dient de mantel, dien men daags
draagt, ’s nachts als deken. Daarom wordt Ex. 22 : 26 en Deut. 24 : 12,
13, 17 bevolen een in pand genomen kleed voor den avond terug te geven:
indien gij uws naasten kleed te pand neemt zoo zult gij het hem
wedergeven, eer de zon ondergaat, want dat is zijn eenige bedekking.
Het doet weldadig aan, wanneer we reeds in die oude dagen zulke humane
geboden vinden als bekend onder het volk. Door deze wijze van gaan
slapen is het mogelijk dat in deze huizen met één vertrek, waar de
heele familie slaapt, men toch gasten logeeren kan zonder eenig
bezwaar.
Het bed zelf bestaat uit een soort dunne matras, zeer licht en
buigzaam, die na gebruik gemakkelijk kan worden opgerold, onder den arm
weggedragen en opgeborgen. Zoo wordt ons in de Evangeliën (Matth. 9 :
6; Mark. 2 : 11) van den geraakte verteld, hoe hij op Jezus’ bevel zijn
„bed” opneemt en wegdraagt. Reizigers vertellen, dat een Oosterling
zelden den heelen nacht doorslaapt: nadat men een paar uur heeft
geslapen, staat men op, rookt bv. een sigaret, drinkt wat water, en
legt zich dan weer te slapen. Maar dit schijnt speciaal de stedelingen
te betreffen. In het heete jaargetijde brengt men dikwijls den nacht op
het dak door, waar ’t veel frisscher is dan in de bedompte woningen.
Lane zegt dat velen tengevolge van het blootgesteld zijn aan de
nachtelijke lucht, oogziekten opdoen, een opmerking die bij ons
Westerlingen minder gereedelijk ingang vindt, dan wanneer hij zeide dat
de berookte benauwde atmosfeer in de schoorsteenlooze vertrekken dat
gevolg had.
Midden in het vertrek zien we op een soort schraag een lampje
brandende. Nog tegenwoordig heeft de lamp der fellah’s ongeveer
denzelfden vorm als die van 3000 jaar geleden: een aarden schotel,
waarvan de randen naar elkaar toegebogen zijn, terwijl op één plaats de
rand tot een soort tuit is bijeengedrukt, zoodat het geheel een
schelpvormig karakter heeft. In die „tuit” wordt de pit gelegd, zoodat
het eene einde in de olijfolie ligt, waarmee het bakje gevuld is.
Verscheidene van zulke lampen zijn in Palestina uitgegraven, waaronder
er zijn, die dateeren uit den voor-Israëlietischen tijd.
De lamp brandt den heelen nacht door. Niemand slaapt in donker, behalve
de bedelaars. De uitdrukking: „hij slaapt in duister” beteekent: hij is
geruïneerd. Een van de eerste plichten der huisvrouw is te zorgen dat
er olie in de lamp is. Zoo wordt Spreuk. 31 : 18 als een der
eigenschappen van een goede vrouw genoemd: hare lamp gaat des nachts
niet uit. Een Palestijnsche vrouw, die voor het eerst in haar leven in
Europa kwam, en daar langen tijd logeerde, werd op zekeren dag
gevraagd, wat haar in onze westersche levenswijze het meest getroffen
had. Zonder aarzelen zei ze: twee dingen, in de eerste plaats dat ik
als vrouw, hier overal veilig rondloopen kan, en in de tweede plaats:
uwe vreeselijke gewoonte om zonder licht te slapen. Duisternis is voor
den Oosterling een schrikkelijk ding, en het verwondert niet, in den
Bijbel te zien, hoe vaak de duisternis wordt gebruikt als beeld van de
gruwzaamste ellende. Een paar bijbelplaatsen ten bewijze. Jes. 47 : 5
wordt het oordeel over Babel in dezen vorm gegeven: ga heen in
duisternis, gij dochter der Chaldeën. Psalm 35 : 6 wordt den
goddeloozen toegewenscht: hun weg zij in duisternis. En in Job 17 : 13
klaagt de lijder: in duisternis spreid ik mijn bed. Ook in het Nieuwe
Testament is de plaats des oordeels een plaats der duisternis, en van
de plaats der gezaligden heet het: er zal aldaar geen nacht zijn. Men
kent in het Oosten den „schrik des nachts” (Psalm 91 : 5). Daar
tegenover is het licht altijd het beeld van leven en kracht en
heerlijkheid.
Om nu die nachtelijke duisternis te ontkomen, brandt den heelen nacht
door de lamp. En wij verstaan Petrus beeldspraak zoo goed als hij zegt
(2 Petr. 1 : 19) dat het profetisch woord is een lamp, schijnende in de
duisternis. Zoo is de lamp dikwijls het beeld voor leven, en iemands
lamp uitblusschen is: hem dooden of ten minste verdrijven uit zijn
huis. Job 18 : 6 heet het van den goddelooze: zijn lamp zal worden
uitgebluscht. Nog sterker Job 21 : 17: hoe dikwijls geschiedt het dat
de lamp der goddeloozen uitgebluscht wordt, en hun verderf overkomt. Op
dezelfde wijze beteekent „iemand een lamp geven”: zijn huis bevestigen
(2 Kon. 8 : 19; 1 Kon. 15 : 4).
Die vrees der Oosterlingen voor de donkerheid van den nacht vindt
goeddeels haar oorsprong in bijgeloof, nl. de vrees voor booze geesten,
waaronder de meest voorkomende wel zijn de z.g.n. djinns. Men gelooft
dat ze geschapen zijn eerder dan de menschen, en dat ze een
tusschen-positie innemen tusschen engelen en menschen. Vaak vindt men
de meening dat ze geschapen zijn uit vuur, en de macht hebben in
allerlei vormen te verschijnen, als menschen, wilde beesten, enz. Ook
kunnen ze zich naar believen onzichtbaar maken. Ze eten, drinken,
planten zich voort, dit laatste zelfs door vereeniging met menschen, en
zijn sterfelijk, hoewel ze soms eenige honderde jaren leven. Hun
eigenlijke woonplaats is de Kaf, d.i. een bergketen die de aarde
omgeeft, maar ze dwalen, vooral bij nacht, overal rond. De boosaardigen
onder hen heeten sjeitan d.i. duivels; hun hoofd is Iblis, satan.
Overal moet men voor hen op zijn hoede zijn. Ze omringen de menschen
aan alle kanten en bewerken onverwacht allerlei onheil, ziekte en dood.
In ’t algemeen worden alle onbegrepen verschijnselen aan de djinns
toegeschreven. Lane vertelt van een Oosterling, die in Europa werd
meegenomen naar een schouwburg, waar plotseling alle lampen werden
uitgedaan, zonder dat er iemand aanraakte (’t was electrisch licht), en
deze oostersche bezoeker schreef dat aan den invloed der djinns toe.
Een krankzinnige wordt beschouwd als speciaal in de macht van een of
meer djinns, maar ook overigens wordt elke ziekte aan hunne werking
toegeschreven.
Daar de Oosterling zich door tallooze geesten omringd acht, is hij er
op bedacht zich tegen hunne grillen te wapenen. Tal van gebruiken in
het dagelijksch leven vinden hunne verklaring als maatregelen tegen
booze geesten. Als het meest werkzame middel geldt: het noemen van den
naam van Allah. Bijna bij elke handeling spreekt de Mohammedaan den
naam van Allah uit. Het begint al dadelijk bij de eerste bezigheid in
den morgen, het malen van het koren. Als een vrouw koren giet in de
opening van den molen, dan zegt ze: smalla d.i. naam van Allah. Bakt ze
iets op de gloeiende kolen, dan zegt ze: „gaat weg (nl. gij daemonen)
opdat gij U niet brandt”, enz. Vooral in donker zijn ze te vreezen.
Daarom is het voorzichtig bij het binnengaan van een donkere kamer den
naam van Allah uit te spreken. Intusschen zijn de maatregelen tegen de
djinns lang niet alle van zoo’n onschuldigen aard. Zoo gebeurde het in
het dorp el-Chadr in de buurt van Jeruzalem, dat in een zekere familie
alle kinderen jong stierven, behalve een kind, dat Ali heette. De
ouders kwamen daardoor op de gedachte dat in Ali een daemon huisde die
de andere kinderen doodde, en besloten dien daemon er uit te drijven.
Daartoe hingen ze Ali met het hoofd naar beneden, boven een put, en
ranselden hem zoolang tot de daemon uit zijn lichaam in de put was
ontweken. Maar Ali was door deze kunstbewerking bewusteloos. Dat ze hem
juist boven een put hingen, vindt zijn oorzaak hierin, dat daemonen
graag in putten huizen, en deze daemon dus wel het rustig wonen in de
put verkiezen zou boven het doodgeslagen worden. Niet het minst bij de
opvoeding der kinderen speelt het daemonengeloof een groote rol. Zoo
geeft men b.v. een bizonder mooi of voordeelig ontwikkeld kind bij
voorkeur een afschuwelijken naam, of kleedt het opvallend leelijk en
slordig, of geeft de leeftijd eenige jaren te hoog op, opdat het niet
een voordeelig ontwikkeld kind schijne enz. Trouwens de meeste van
zulke maatregelen vindt men terug bij alle „animistische” volken,
d.w.z. bij al die volken waar het geestengeloof een groote rol speelt.
Gedurende de maand Ramadan, d.i. de 9e maand van het mohammedaansche
jaar, de maand waarin een strenge vasten is voorgeschreven gedurende
den heelen dag van zonsopgang tot zonsondergang, zijn de djinns in de
gevangenis opgesloten, volgens de moslims. Die theorie vindt zijn
oorsprong in de gewoonte om zich ’s nachts dubbel schadeloos te stellen
voor het honger en dorst lijden des daags. Men kan dan veilig eten en
drinken en feestvieren gedurende den nacht. Daar de djinns na afloop
van den vastentijd weer loskomen, is het hier en daar gewoonte dat de
vrouwen aan het einde dier maand zout strooien op den vloer om de
djinns het binnentreden te beletten. Ze spreken daarbij de bekende
formule: in den naam van God den genadige en barmhartige.
Een bepaald soort van djinns zijn de Ghoels, die liefst in de gedaante
van monsterdieren, kerkhoven en eenzame wegen opzoeken, van lijken
leven, nachtelijke reizigers doen verdwalen en in het ongeluk storten.
Een mohammedaansche traditie zegt dat djinns, die zooals we boven zagen
de bergen rondom de aarde bewonen en vandaar gemakkelijk den ondersten
hemel kunnen bereiken, probeeren stilletjes af te luisteren wat Allah
in den hemel spreekt, door Allah met steenworpen worden weggejaagd (die
steenen zijn de vallende sterren), komen ze dan op ’t vaste land
terecht, dan zijn het Ghoels.
Nog tal van andere spook-achtige wezens zijn er volgens het
fellah-geloof, die we hier niet zullen noemen. Het spreekt vanzelf dat
al deze wezens bij voorkeur de nachtelijke duisternis benutten voor
hunne werkzaamheden. En vandaar dat de Oosterling de duisternis vreest,
en bij het gaan slapen licht ontsteekt. Ook daar waar dergelijk
bijgeloof niet meer heerscht, blijft natuurlijk die gewoonte toch in
zwang.
Eene in Palestina wonende dame vertelt een aardig verhaal dat duidelijk
laat zien hoezeer het geestengeloof het leven der fellah’s beheerscht.
Het komt hierop neer: In een dorp woonde een jong echtpaar;
aanvankelijk in goeden doen, nam gaandeweg hun vermogen af, zonder dat
ze er een verklaring voor konden vinden, daar beide zeer zuinig
leefden, en geen enkele buitensporige uitgave deden. Sommige
huishoudelijke artikelen raakten op onverklaarbare wijze zoek, en zelfs
miste de man op een goeden dag zijn paard. Hij en zijne dorpsbewoners
gingen zoeken in alle richtingen, vergeefs. De man, die zijn paard niet
missen kon, besloot er alleen op uit te gaan, en den omtrek af te
reizen, daar hij vermoedde dat rondtrekkende bedoeïenen zijn paard
hadden gestolen. Bij zijn vertrek waarschuwde hij zijn vrouw dat hij
mogelijk vele dagen van huis zou zijn. Op den eersten dag zwierf hij
door een omgeving, die rijk was aan holen en spelonken, waarin zich de
herders met hunne kudden ’s nachts plegen op te houden. Tegen den nacht
langs zulk een hol komende, zag hij daarbinnen licht. Hij vermoedde dat
daar herders waren, en besloot er binnen te gaan en te vragen of ze
zijn paard ook hadden gezien, en anders gastvrijheid voor den nacht bij
hen te ontvangen. Hij trad de grot binnen, en stond daar plotseling
voor een gezelschap djinns die hem uitnoodigden, den nacht bij hen door
te brengen. Uit vrees hen boos te maken, nam hij hunne uitnoodiging
aan, hoewel hij veel liever het hazenpad gekozen zou hebben. Ze
noodigden hem uit deel te nemen aan den maaltijd, die juist beginnen
zou. Hij weigerde, vast van plan te ontsnappen, zoodra de gelegenheid
zich maar voor deed. Maar zij drongen sterk aan, zeggende, dat alles
wat hij hier om zich zag, immers zijn eigendom was. Daar de
Oosterlingen dat dikwijls zeggen tot hun gasten, louter als een
beleefdheidsvorm, zooals wij zeggen: doe alsof ge thuis waart, meende
hij dit ook enkel als vriendelijke zegswijze te moeten opvatten. Hij
liet zich echter niet overhalen. Toen vroegen hem de djinns, wat hij
zoo laat op ’t veld uitvoerde, waarop hij vertelde het droevig verhaal
van het gestolen paard. O, zeiden ze, dat treft goed, want wij hebben
uw paard, en tegelijk gaf de overste bevel, het paard te brengen.
Aangenaam verrast herkende de man dadelijk zijn eigen paard. Welnu
zeide de overste, ge kunt dus gerust zijn, ik zal ook uw paard laten
voederen, en ge ziet dat ge in goed gezelschap zijt, en kunt rustig met
ons mee eten. De man liet zich nu den maaltijd der djinns, die precies
was toebereid als die in zijn eigen huis, goed smaken. Zelfs zijn
lievelingsgerecht ontbrak niet.
Toen hij verzadigd was, stond hij op en bedankte met de gewone formule:
Allah jekattir cherkom, d.i. Allah vermeerdere uw welvaart. Maar de
gastheer antwoordde: mijn waarde, ge behoeft in het geheel niet te
bedanken, want de rijst en de boonen, ook het voer voor uw paard, het
is alles uw eigendom. De man hield ook die woorden voor niets anders
dan beleefdheidsphrasen, waarmee de Oosterling zoo kwistig is, bedankte
nogmaals en reed goedsmoeds op zijn paard naar huis. Tegen middernacht
kwam hij daar aan, tot groote verrassing van zijne vrouw het verloren
paard medebrengend. Zij zette hem in de blijdschap van haar hart een
schotel met zijn lievelingsmaal voor. De man was verbaasd, want hij
meende precies denzelfden schotel bij de djinns in de grot te hebben
gezien, en die verwondering steeg nog, toen de deksel er werd
afgenomen, en het bleek, dat juist den handvol, die hij bij de djinns
uit dien schotel genomen had, hier ontbrak. Zijne vrouw zei: o
excuseer, ik dacht dat ik den schotel had toegedekt, maar ik zie dat de
kat er van gesnoept heeft. Maar de man antwoordde: neen, vrouw, niet de
kat heeft dat gedaan, dat heb ik vannacht zelf gedaan, en nu begrijp
ik, waarom de djinns zeiden, dat alles wat ik at, mijn eigendom was. De
djinns die mijn paard gestolen hebben, hebben ook van onze rijst en
onze gerst gestolen, en mij mijn eigendom voorgezet. Verschrikt liep de
vrouw naar haar voorraad koren, en zag dat inderdaad ook daarvan wat
ontbrak. Nu wist het echtpaar meteen, waaraan hun achteruitgang te
danken was: de djinns ontstalen hen hun goed. De man zeide: ik mag u
geen verwijt maken, want ’t is mijn schuld evengoed als de uwe. Ik had,
dadelijk toen ik u trouwde, moeten vragen: bitsammi? d.w.z. pleegt gij
bij al uwe handelingen de naam van Allah uit te spreken? Voortaan
zullen we altijd bij alles wat we doen, den naam van Allah noemen. Zoo
geraakte dit echtpaar weer tot vroegere welvaart.
Dit verhaal is leerzaam om te weten hoe de fellahs leven in
voortdurende vrees voor booze geesten, en hoe, behalve het vermijden
van de duisternis, door den heelen nacht de lamp te branden, het noemen
van den naam van Allah een werkzaam middel is, om aan hunne listen te
ontkomen.
DE MAALTIJD
Men onderscheidt in Palestina zoowel bij stad- als landbewoners
eigenlijk maar twee maaltijden, een morgenmaaltijd en een
avondmaaltijd, wat niet wegneemt dat ook tusschentijds wel gegeten
wordt. De avondmaaltijd is het hoofdmaal. Het eten wordt soms opgediend
in de pan waarin het gereed gemaakt is, soms in een houten schotel, die
behalve voor eten, ook wel dient om de handen of de hemden te wasschen.
Lepels, vorken, borden enz. zijn bij de eenvoudigste fellah’s onbekend;
in de steden en in de om de steden gelegen dorpen begint men evenwel
van deze dingen gebruik te maken. In vele gevallen wordt de tafel
„uitgespreid”, d.i. een mat die men op den vloer legt, of ook dient een
groote steenen of metalen plaat die op een soort drievoet of op den
oven wordt gezet, voor tafel, waaromheen men dan gehurkt zit met onder
het lichaam gekruiste beenen. Soms ook vindt men een meer liggende
houding, b.v. Joh. 13 : 23. Maar dit „aanliggen” is in Palestina lang
niet zoo algemeen als dikwijls wordt gedacht, en een gewoonte die
waarschijnlijk van buitenaf is ingevoerd, en vooral in de steden bij
weelderige maaltijden in gebruik kwam. In Richt. 19 : 6, 1 Sam. 20 : 5,
1 Kon. 13 : 20 en andere plaatsen vinden wij nadrukkelijk vermeld, dat
men, aan tafel aanzat. Op onze plaat zien wij de bij de fellah’s meest
gewone manier van aanzitten.
De huisvader eet meestal samen met zijn vrouw en kinderen, maar, vooral
in de hoogere klassen worden er gevonden, die daarvoor te trotsch zijn,
en alleen eten; hun vrouw, die voor hun maaltijd zorgt, eet dan later.
Meestal ontbloot de eter zijn rechterarm tot den elleboog—op onze plaat
is dit niet zoo—omdat men met de hand eet, en de lange mouwen anders
met den inhoud van den schotel in aanraking zouden kunnen komen. Ons
Westerlingen lijkt die manier van eten nogal onsmakelijk, maar
reizigers, die in een fellah-woning gastvrijheid hebben genoten,
zeggen, dat dat erg meevalt, aangezien men niet maar met de hand in den
schotel omgrabbelt, maar bij voorkeur een stukje brood afbreekt, dat
doopt in den dikken brij die zich in den schotel bevindt, en ’t dan op
eet. Of ook wel maakt men van het stuk brood, dat gebakken wordt in den
vorm van een platten ronden pannekoek, door de kanten op te drukken een
soort van broodlepel, schept daarmee de saus uit de midden op de tafel
staande kom en eet dan den lepel met den inhoud op. Voor meer
soepachtige spijzen gebruikt men meestal een houten lepel. Men schept
met ’t zelfde stukje brood nooit twee keer. Het eten op zoo’n manier is
vooral niet onsmakelijker dan de wijze, nog tegenwoordig veelvuldig bij
de plattelandsbevolking in het oosten van ons land gebruikelijk, om nl.
midden op tafel een grooten schotel te zetten, waaruit de heele familie
met lepels eet. Daarbij gaat de lepel van den schotel naar den mond en
van den mond weer naar den schotel. Op onze plaat zien we op den
voorgrond een stapel van die pannekoek-vormige brooden liggen. De naam
„brood” beantwoordt dus, vooral wat den vorm betreft, heelemaal niet
aan onze voorstelling van brood. Ook is het volume veel kleiner. Zoo
moeten wij verstaan als in het Evangelie Jezus de gelijkenis bezigt van
den man die ’s nachts tot zijn vriend komt met de vraag: vriend leen
mij drie brooden. Voor ons zou één brood al meer dan voldoende zijn om
een hongerigen reiziger te verzadigen, maar ten eerste zette men graag
zijn gast veel meer voor dan hij noodig had—zie beneden—en vervolgens
is „drie brooden” volstrekt niet zoo’n groote hoeveelheid. Het brood
wordt nooit met een mes gesneden, maar altijd gebroken, een gewoonte
die ons ook uit den Bijbel welbekend is. Voor dat het maal begint, zegt
men gaarne: bismillah, d.i. in den naam van Allah. Men zegt dat zacht,
haast onhoorbaar, nadat de gastheer of huisheer het ’t eerst heeft
gezegd. Zijn er gasten, dan is dat „bismillah” meteen de uitnoodiging
om mee toe te tasten. Is toevallig een mohammedaansch of christelijk
priester aanwezig, dan zal men hem vragen een „gebed” te doen, zooals
dat ook ten onzent op het platte land niet ongewoon is. Overigens bidt
men vóór het eten niet, maar vergenoegt zich met het bovengenoemde
„bismillah”. De huisheer begint het eerst te eten, en op zijn voorbeeld
volgen de anderen, allen hun brood in denzelfden schotel indoopende. ’t
Is op deze wijze dat Jezus met zijne discipelen aan den laatsten
maaltijd aanzat, en zeide: die met mij de hand in den schotel indoopt,
die zal mij verraden. Wanneer een gastheer een zijner gasten bizonder
eeren wil of ook een kleine attentie wil bewijzen, dan neemt hij een
smakelijk stukje brood, doopt het in den schotel en geeft het aan den
gast. Op de plaat zien we den gastheer een zijner gasten zulk een
„bete” toereiken. En uit de Evangeliën herinneren wij ons hoe Jezus in
den nacht waarin hij verraden werd de „bete” gaf aan Judas den
verrader. Judas had al heel wat vriendelijkheden van den Meester
ondervonden, maar nu hij hier boven de anderen door den Heer wordt
uitgekozen voor deze daad van vriendelijke toegenegenheid, nu wordt het
den verrader te machtig; die „bete” wil hem niet door de keel, hij kan
’t nu in dien kring, en vooral bij dien Meester, die altijd goed voor
kwaad vergeldt, niet langer uithouden. „En hij de bete genomen
hebbende, ging terstond uit; en het was nacht,” Joh. 13 : 30.
Bij den maaltijd komt de eigenaardige oostersche gastvrijheid het
meeste uit. Nooit zal men ter wille van een bezoeker die wat lang
blijft, het etensuur laten passeeren: dat zou strijden met de
welvoegelijkheid. Hetzij de bezoeker een vreemdeling is of een vriend,
zoodra het etensuur daar is, zal de huisheer bevelen het eten te
brengen. Te eten in tegenwoordigheid van een gast, zonder hem uit te
noodigen mee te eten, zou eenvoudig onhebbelijk worden gevonden. Wil
iemand zijne gasten bizonder eeren, dan eet hij niet met hen mee, maar
staat erbij om hen te bedienen. Zoo lezen wij van Abraham, Gen. 18 : 8,
dat hij onder den boom stond, toen zijne gasten aten. Alleen als de
gasten hem uitnoodigen mee te eten, neemt hij in dat geval ook deel aan
den maaltijd. Men laat een gast zelfs niet wachten tot het eten, maar
presenteert hem vast cigaretten of citroen-limonade. Onderwijl wordt de
koffie gereedgemaakt, d.w.z. de boonen worden geroosterd en in een
soort vijzel stuk gestampt. Dat stukstampen geschiedt opzettelijk met
veel lawaai en op een bepaalde rythmus, om de buren opmerkzaam te maken
dat er een gast is. Deze komen aanloopen en bestormen den vreemdeling
met hun nieuwsgierige vragen, onderwijl hem de koffie wordt
gepresenteerd.
Het eten met de hand, waarvan boven sprake was, heeft natuurlijk
invloed op de bereiding der spijze. Het hoofdvoedsel is voor de
fellah’s brood en water. Dat is zoo gebleven sedert oude dagen. Zoodat
Abraham die Hagar met haar zoon wegzendt met brood en water (Gen. 2 :
14) haar daarmee den gewonen landkost meegeeft, evenals Obadja (1 Kon.
18 : 4) die 100 profeten in grotten verbergt en met brood en water
onderhoudt, d.i. hun het gewone voedsel verstrekt. Op „brood en water”
leven heeft voor onze ooren een heel anderen klank. De fellah vindt het
een bizonder genot als hij zijn brood in olie doopen kan bij het eten.
Die olijfolie wordt dan vooraf met wat pekel vermengd, en is in heel
Palestina zeer gezocht. Het verhaal van de weduwe te Sarepta laat zien
hoe toen dezelfde wijze van brood eten werd gevolgd (1 Kon. 17 : 12).
Als toespijs neemt men gaarne ingemaakte olijven.
Behalve brood, olijven en olie levert het plantenrijk van Palestina tal
van eetbare „groente”, die deels gekookt, deels gedroogd, deels als
gelei gegeten wordt. Boonen, linzen, erwten, spinazie, bloemkool, en
vooral ook uien en knoflook. Reeds in Num. 11 : 5 zien wij dat die
dingen toen ter tijde reeds als lekkernij golden: wij gedenken aan ...
de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look en aan de ajuinen,
en aan het knoflook. Verder zijn vijgen, druiven en abrikozen zeer
gewilde vruchten. Vleeschgebruik is zelden en bepaalt zich
hoofdzakelijk tot de feestdagen, als bij de geboorte van een zoon of
diens besnijdenis, bruiloft, schapenscheren of ’t bouwen van een huis.
Het vleesch eet men meestal met rijst, een soort currie-schotel. Het
vleesch wordt met de hand stukgescheurd, van de rijst maakt men met de
hand balletjes, die met den duim heel handig in den mond geschoven
worden. In de buurt van de zee van Galilea wordt natuurlijk veel visch
gegeten. Vermelding verdient nog de merkwaardige manier waarop soms een
heel dier gebraden wordt. Men graaft een ondiep gat in den grond, en
bouwt daaroverheen een uit steenen en leem samengesteld gewelf. In
dezen „oven”, voorzien van een deuropening en een rookgat, wordt één
tot twee uur lang hard gestookt. Daarna schuift men ’t schaap, na den
kop en de ingewanden verwijderd te hebben door de opening naar binnen,
stopt vervolgens alle openingen goed dicht, en wacht dan twee uur lang.
Dan is het gebraad gereed. Natuurlijk vindt zoo iets alleen bij
feestelijke gelegenheden plaats. Als ’t kàn heeft men graag een kop
koffie na het eten, vooral als er gasten zijn. De gast geeft dan de
leege kop terug, zeggende: daiman d.i. altijd. Het is een verkorte
uitdrukking voor: moogt gij altijd koffie hebben. Ook staat het netjes
als de gast bij het opstaan van tafel door luide oprispingen of
„boeren” te kennen geeft dat ’t hem goed smaakte. Wij vinden zulke
gewoonten vreemd en eigenaardig, maar op het platteland ook ten onzent
kan men dagelijks waarnemen dat gebruiken die ons tegen de borst zijn,
niet den minsten aanstoot verwekken. Onder die ons vreemde gebruiken
behoort ook dit dat de gastheer zelf het vleesch met de handen vaneen
scheurt en elk der gasten het voor hem bestemde portie voorlegt, een
gebruik dat trouwens ook bij onze plattelandsbevolking nog veelvuldig
gevonden wordt. Wil men daarbij een gast bizondere eer bewijzen dan
legt men voor hem een heel groote portie neer. Zoo lezen wij dat Jozef,
toen zijne broeders in Egypte kwamen om koren te koopen, en hij hen te
gast had, voor Benjamin een vijfmaal zoo groote portie deed neerleggen
als voor de anderen, om te zien of ze ook jaloersch zouden zijn. Dat
jaloersch zijn was dan natuurlijk niet omdat Benjamin nu zooveel méér
kon eten dan zij—want het gebruik eischt dat men voor een gast altijd
veel meer neerzet dan hij noodig heeft maar wegens de eer die daarmee
aan Benjamin werd aangedaan.
LOT EN MEETSNOER
Onze plaat stelt een typisch tooneeltje in Palestina voor, nl. de
verdeeling van het land bij het begin van den zaaitijd. Om de plaat
goed te verstaan, is het noodig op enkele bizonderheden van het
Palestijnsche landleven wat nader in te gaan.
Palestina heet in den Bijbel het land, vloeiende van melk en honig. In
den letterlijken zin des woords is dat tegenwoordig niet meer zoo. Er
groeien in Palestina veel te weinig bloemen, dan dat er overvloed van
honig zou kunnen zijn. Daar echter honig weinig gevraagd wordt, is de
prijs niet bovenmatig hoog: ongeveer 60 cent per kilo. Anders is het
met de melk. In het voorjaar betaalt men voor koe- of geitenmelk 30 tot
36 cent per liter; in het najaar zelfs meer dan 60 cent. Trouwens er
zijn er die het ook voor de oude dagen niet letterlijk meenen te moeten
opvatten, maar het òf verklaren als: alle vruchten van Palestina zijn
zoo zoet als melk en honig, òf er onder verstaan: Israël zal in Kanaän
overvloed van melk hebben vanwege de veelheid der kudden en op allerlei
wijze honig kunnen bereiden, ’t zij als bijen- of vijgen- of dadel- of
druivenhonig. In dat geval zou de uitdrukking „vloeiend van melk en
honig” niet anders bedoelen dan te wijzen op de buitengewone
vruchtbaarheid van het land. Maar ook dàt kan van het hedendaagsche
Palestina niet meer worden gezegd. Het schijnt evenwel dat de
tegenwoordige toestand van het land veel meer een gevolg is van
verwaarloozing, en dat bij goede behandeling het land ook nu groote
opbrengsten leveren kan. Het Duitsche consulaat te Jaffa (Joppe)
schreef voor enkele jaren: „Bij de vruchtbaarheid van den bodem in het
algemeen zou het land zich tot een rijk en ook oeconomisch
beteekenisvol deel van het Turksche rijk ontwikkelen,” en een consul te
Haïfa schreef dat akker- en tuinbouw in dit land nog een groote
toekomst hebben. Uit allerlei sporen is nog op te maken dat men in
vroeger dagen de productiviteit van den grond beter heeft weten te
benutten dan tegenwoordig.
Er is echter de laatste 30 jaar weer een vooruitgang te bespeuren. In
sommige streken is het terrein voor landbouw verdubbeld, in de buurt
van Joppe worden voortreffelijke boomgaarden aangelegd; ook de wijnbouw
begint een groote rol te spelen. Abrikozen- en amandelkultuur begint
zich weer te ontwikkelen. En als de sociale positie der bevolking maar
een betere was, zou er heel wat meer energie ontwikkeld worden. De
voorwaarde voor een goed kultuurland zijn er goeddeels wel aanwezig.
Maar in alle geval zal de regenval in de oudheid een overwegenden
invloed hebben gehad, zoo goed als tegenwoordig. Reeds Deut. 11 : 10
vgg. wordt Palestina onderscheiden van Egypte hierin dat het een land
is, dat niet als een groentetuin kan worden bevloeid, maar dat den
regen van den hemel indrinkt, „een land waarvoor de Heer uw God zorgt.”
Het hedendaagsch Palestina vertoont buitengewoon sterk den invloed der
jaargetijden. Midden October heeft het land het meest verlaten en
onvruchtbaar aanzien: de velden zijn kaal, de vruchtboomen en wijnstok
leeg. Het groen is verdord of reeds afgevallen. De bodem hard als steen
met diepe scheuren door ’t opdroogen. Dat begint tegen het einde van
October, den tijd van den eersten regenval te veranderen, en van dat
oogenblik af vertoont het land van maand tot maand een ander aspect.
De Palestijnsche landman verdeelt het jaar in drie gedeelten, ingevolge
zijn landarbeid:
1e de tijd van ploegen en zaaien, van midden November tot einde
Januari.
2e de tijd van oogsten en dorschen, van Mei tot Augustus.
3e de druiven en olijventijd, van midden Juli tot midden October.
In den loop van October verzamelen zich wolken in het Westen,
plotseling steekt een hevige wind op, en alles is in verwachting van
den komenden regen, die meestal gepaard gaat met onweer. Eenige zware
dikke regendruppels kondigen den naderenden stortvloed aan en worden
met gejuich begroet. Dat is de „vroege regen” waarvan ook in den Bijbel
zoo dikwijls sprake is. Den 16en November viert men in Lydda,
noordwestelijk van Jeruzalem, het feest van een zekeren heilige, die
door de Joden Elias, door de Mohammedanen el-Chidr, door de Christenen
St. George wordt genoemd. Zijn feest beteekent voor den Palestijnschen
fellah het begin van de landarbeid, nl. wanneer minstens 14 dagen van
te voren de regentijd is begonnen. Soms blijft hij uit tot midden
November, ja zelfs tot December, en komt pas tegen dat de echte
winterkou optreedt. Dat is groote schade voor den fellah, want zoodra
de op tijd komende „vroege” regen den uitgedroogden en door de droogte
gebarsten bodem heeft doorweekt, kan hij beginnen met het
„winterkoren”. In dezen tijd verplaatst ons de scène op de plaat. Al
moet bij het woord „winterkou” niet aan onze winters worden gedacht,
toch is ’t er vaak zóó, dat de temperatuur beneden het vriespunt komt,
en sneeuw is niets ongehoords. De maand Februari staat in een kwaden
reuk. Bij de grillige „Maartsche buien” vertelt men elkaar gaarne een
anecdote: „een oude vrouw, blij dat de gure Februari-dagen ten einde
liepen zei: daar gaat Februari, en krijgt „’t heilige kruis” na. De
maand Februari voelde zich beleedigd en zon op wraak. Hij verzocht aan
zijn broeder Maart om drie dagen, om samen die oude vrouw met haar
spinnewiel te straffen. Maart willigde in: en begin Maart woedden de
gure buien met nieuwe kracht, en de koude werd ondragelijk. De oude
vrouw verbruikte al haar brandhout, en toen dit op was, verbrandde ze
haar spinnewiel, en stierf ten slotte van kou.” Zoo’n verhaal bewijst
voldoende dat men ook in Palestina de „Maartsche buien” kent. De
Palestijnsche boer heeft een spreekwoord: „als ’t gedijt: Maart komt
nog; als ’t niet gedijt: Maart komt nog,” d.w.z. gij moet bij goed en
bij slecht vooruitzicht uw oordeel opschorten, totdat Maart voorbij is.
Het uitblijven van den regen beteekent voor den Palestijnschen boer een
mislukte oogst. Dan worden bidstonden gehouden, speciaal ook Maria, de
„regenmoeder” wordt aangeroepen, en processies worden gehouden, waarbij
de schuldbelijdenis soms een groote plaats inneemt: om onzer zonden
wil, is de zomer tot winter geworden! Een eigenaardig gebruik is ook,
dat bij het uitblijven van den regen vrouwen met ledige korenmolentjes
in de hand naar buiten loopen, de molentjes doen draaien, zingend dat
ze niets te malen hebben. Dit gebruik heerscht vooral te Nazareth.
Kinderen loopen met een leege petroleumkan in de eene, en een stok in
de andere hand, waarmee ze aan de ledige kannen een soort van muziek
ontlokken, schreeuwend door de straten. Daarbij klagen ze over het
gebrek, waardoor ze geen nieuwe kleeren kunnen koopen en straks
misschien, als weleer Jakob naar Egypte de wijk moeten nemen. Op
sommige plaatsen wordt vooral Sint Nicolaas om regen gebeden. Een in
onze oogen zeer zonderling gebruik vindt men bij sommige
mohammedaansche fellahs: een oude vrouw wordt op een ezel gezet,
terwijl ze een haan in de hand houdt. In optocht, waaraan tal van
dorpelingen deelnemen, wordt ze naar het dorpshoofd gevoerd. Onderweg
drukt en knijpt ze den haan zoolang, tot hij kraait. Dit alles gaat
gepaard met het opzeggen van een kreupelrijm, vragend om regen. Bij het
dorpshoofd aangekomen, treedt deze naar buiten, besprenkelt de menigte
met water en zegt: God moge u met uws Heeren barmhartigheid drenken.
Tot recht verstand moeten nog enkele opmerkingen voorafgaan over het
grondbezit. Men kan in Palestina onderscheiden, wat het gekultiveerde
land betreft, drie soorten van bouwland. Het eerste heet ard miri, d.i.
staatsdomein, regeeringsland. De naam is afgekort voor ard emiri. De
emir is de regeeringspersoon, de stadhouder. Tot dit ard miri behooren
vooral de groote vlakten, zooals de vlakte van Jaffa, Ramle, Esdrelon
enz. Deze landerijen worden door de regeering aan een geheel dorp of
ook aan enkele personen verpacht. De pachter moet voor het recht van
bebouwen den pachtheer de tienden opbrengen. De pachter heeft
natuurlijk niet het recht om miri-land te verkoopen, maar heeft alleen
het recht van bebouwen gedurende langeren tijd. Dat recht blijft
gedurende het leven van den pachter van zelf voortbestaan; komt hij te
sterven dan gaat dat recht op zijne kinderen of zelfs verdere verwanten
over. Heeft hij die niet, dan valt het weer terug aan den Staat, en
volgt een nieuwe verpachting. Een groote belemmering is ook dat de
velden waarop sedert jaren de bedoeïenen met hunne kudde rondzwierven,
nadat ze in particuliere handen zijn overgegaan, door de bedoeïenen nog
steeds als een soort eigendom worden beschouwd, zoodat ze den daarop
groeienden oogst vaak vernielen of rooven.
De tweede soort grond heet: ard wakf, wij zouden zeggen: ad pios usus.
Dat is land dat door een vroegeren eigenaar geschonken is aan een of
andere stichting, klooster, moskee, school, armenhuis enz. Sommige
zulke stichtingen, zooals de Omarmoskee te Jeruzalem, hebben
uitgestrekte landerijen in bezit. Men zegt dat vooral christelijke
boeren zich door de kloosters lieten overhalen hunne akkers aan de
kloosters af te staan, en zelf als vruchtgebruikers het land bleven
bebouwen, ze dachten daardoor van de zware en vaak onbillijke
belastingen af te komen, maar raakten natuurlijk van den regen in den
drup. Dit land is eenigszins te vergelijken met onze
„kloostergoederen”. Ook dit land kan niet verkocht, maar alleen
verpacht worden. De tiende wordt hiervan natuurlijk aan de bepaalde
stichting ter hand gesteld, d.w.z. aan den bestuurder van zoo’n wakf
(stichting), maar men zegt dat daar dikwijls niet veel van terechtkomt,
en die bestuurders ’t hoofdzakelijk voor eigen onderhoud gebruiken.
Het derde soort land heet ard mulk d.i. eigendom. Dat is zooals de naam
al zegt, land waarover de eigenaar de vrije beschikking heeft,
daarnaast onderscheidt men dan nog braakliggend land (ard-búr) en dood
land (ard-mejjite). Deze beide laatste soorten ontbreken in Palestina
met zijn slechte oeconomie, niet.
Van het voor bouwgrond bruikbaar land is het overgroote deel ard miri
of ard wakf, waarvan de bebouwers dus slechts pachters zijn. Bij de
meeste dorpen behoort een stuk van het omliggende land, dat ze sedert
onheugelijke jaren op deze wijze in pacht hebben. Dat land ligt zonder
scheiding of grens tusschen de verschillende akkers als één groote
vlakte rondom het dorp. De bebouwers wonen dan niet, zooals wij dat bij
ons vaak kunnen waarnemen, verspreid, ieder op hun stuk land, maar bij
elkaar in het dorp. Dat hangt eenerzijds samen met de meerdere
veiligheid, anderzijds met het feit dat zij niet individueel pachters
zijn, maar dat het dorp als geheel pachter is. Dat is van oude tijden
al zoo geweest. Toen Jozua volgens het bijbelsch verhaal aan Israël bij
het lot zijn grondgebied aanwees, beteekende dat niet dat elke
Israëliet een bepaald stuk land ontving, maar werd het land verdeeld
aan de stammen, en binnen elken stam weer aan de geslachten, en binnen
elk geslacht weer aan de families. De families woonden, zooals we
vroeger al zagen, gaarne bijeen in het zelfde dorp, en in grootere
dorpen in bepaalde kwartieren. En ook toen de familieverhouding
tusschen de leden van één dorpsgemeenschap fictief werd, bleef toch
altijd het te-zamen-behooren in het volksbewustzijn leven.
Zoo ligt dus om elk dorp een groote strook land, die als
gemeenschappelijk bezit geldt, ten minste als pachtbezit, en waarvan de
deelen door geen heg of sloot zijn gescheiden. Dat is het „veld” (sade
waarvan in den Bijbel zoo dikwijls sprake is). Toch is er wel een
scheiding tusschen de stukken die ieder ter bebouwing krijgt. Zoo’n
apart stuk heet chakel, in den hebreeuwschen bijbel chelka, waarvan
b.v. sprake is 2 Kon. 9 : 25, waar Jehu beveelt het lijk van Achab te
werpen op het stuk land van Nabot, of Ruth 2 : 3, waar Ruth aren leest
op het deel van het veld van Boaz. (In de Statenvertaling staat onjuist
„een” deel van het veld van Boaz, er wordt mee bedoeld dat stuk land
dat door Boaz werd bearbeid). Het woord chelka werd en wordt ook
gebruikt voor een akker dien men in vollen eigendom heeft, maar uit den
naam chelka is nog te zien dat de oorspronkelijke bedoeling was: een
stuk land ter bebouwing toegewezen.
Zulke stukken land dragen dikwijls een eigen naam: de patrijsakker, de
muizenakker, de bronnenakker, de pottebakkersakker, enz. Zoo vinden wij
in Matth. 27 : 8; Hand. 1 : 19 gesproken van den bloedakker, in het
syro-chaldeesch: hakel-dama, waarvan het eerste woord natuurlijk gelijk
is aan het bovengenoemde chakel.
Op welke wijze worden deze stukken (chakels) onder de bewoners
verdeeld? In November, bij het begin van den regentijd, ligt het ard
miri zonder eenige onderverdeeling als één groot uitgestrekt veld
rondom het dorp. Is nu de tijd tot ploegen gekomen, dan verzamelen zich
allen die een stuk land „onder de ploeg” willen hebben in de saha (open
plein) of madafe (herberg), zooals op onze plaat te zien is. De imâm of
chatib, wij zouden zeggen, de burgemeester, die allerlei functies
tegelijk vervult, en gewoonlijk de eenige is die behoorlijk schrijven
kan, is de voorzitter. Op de plaat is hij op den voorgrond hurkende
voorgesteld. Hij neemt de namen van alle aanwezigen op, en schrijft
achter hun naam het getal „ploegen” waarover deze beschikt. Een „ploeg”
wil zeggen: één juk ossen. Heeft iemand maar „een halven ploeg” d.w.z.
één trekdier, dan voegt hij zich met een ander die in gelijke conditie
verkeert, tezamen. Wanneer nu b.v. 40 „ploegen” in het geheel zijn
opgegeven, dan worden die in 4 groepen verdeeld, elk van 10 ploegen, en
over elk van die groepen wordt een chef gekozen, die voor hen handelt,
en hen vertegenwoordigt. Zijn nu aldus de deelnemers in 4 groepen (elk
van 10) verdeeld, dan wordt het geheele te bebouwen terrein, zoodanig
in vieren verdeeld, dat het slechte en ’t goede land gelijkelijk aan de
4 groepen toevalt. Over deze verdeeling in vieren, die wegens het
groote verschil in vruchtbaarheid van het land zeer moeielijk billijk
uit te voeren is, worden tusschen de chefs der afdeelingen vaak
langdurige besprekingen gevoerd. Zijn ze het over deze indeeling eens,
dan wordt het lot geworpen, aan wie der 4 groepen elk der 4 deelen zal
komen. Onze plaat stelt het oogenblik dier loting voor. Dat gebeurt nl.
zoo dat elk der chefs een of ander voorwerp, steentje, blikje enz. doet
in een leeren zak, dien de chatib in de hand houdt. Nu noemt de chatib
een der 4 deelen waarin het geheel verdeeld is, door de namen der
„akkers” op te noemen, waaruit dat deel bestaat. Onderwijl wordt een
kleine jongen opgedragen een der 4 voorwerpen uit de zak te nemen.
Degene der chefs, van wie dit voorwerp is, krijgt het stuk land,
waarvan de naam genoemd is. Men kiest voor het uitnemen der „loten”
graag een klein kind, om knoeierij te voorkomen. Op dezelfde wijze
wordt met de andere drie stukken land gehandeld.
Nu is het land dus verdeeld in 4 groote stukken, elk van 10 „ploegen”.
Dan beginnen de chefs de hun toegewezen stukken te verdeelen onder de
menschen van hun afdeeling. Daartoe wordt het toegewezen stuk verdeeld
in tien akkers, en elk der tien akkers in tien strooken, welke door een
osseprikkel (een stok van ongeveer 8 voet lengte of door een ander
meetsnoer) worden afgemeten. Op den achtergrond onzer plaat zien wij
mannen bezig de akkers uit te meten. Dat verdeelen der akkers in tien
strooken geschiedt omdat niet ieder een afgebakend stuk van het geheel
krijgt, maar van elk tiende deel een stuk, wat alweer gebeurt om
redenen van billijkheid: anders zou de één een veel vruchtbaarder stuk
onder den ploeg kunnen krijgen dan de ander. Het behoeft niet eens te
worden gezegd, hoe verderfelijk deze manier van landverhuren voor het
land zelf is. Daar een fellah bijna zeker weet dat hij elk volgend jaar
een ander stuk land onder den ploeg zal krijgen, doet hij natuurlijk
niets om het te verbeteren, onkruid weg te ruimen of te bemesten. Hij
haalt er eenvoudig uit wat er uit te halen is, er niet om gevend in
welken toestand zijn opvolger het volgend jaar dien akker vinden zal.
Onze Nederlandsche boeren zouden zulk een manier van landbewerking
„roofbouw” noemen.
Zulk een meetsnoer wordt ook in het oude Testament herhaaldelijk
genoemd, het heet daar chebel. Zoo bedreigt Amos de goddelooze
Israëlieten dat hun land door het meetsnoer (chebel) zal verdeeld
worden aan anderen (Am. 7 : 17), en wordt in Psalm 105 : 11 gezegd dat
Kanaän aan Israël is ten deel gevallen door het meetsnoer. Zeer
bizonder licht valt hieruit op de bekende bijbelplaats Psalm 16 : 5b en
6, waar letterlijk vertaald, gezegd wordt: „gij handhaaft mijn lot; de
meetsnoeren zijn mij gevallen in liefelijke oorden, ja mijn erfdeel
bekoort mij zeer.” Als wij bedenken dat dit woord gesproken werd te
midden van een volk dat aan de jaarlijksche uitmeting en loting van het
land gewoon was, krijgt deze uitdrukking een zeer teekenachtig
karakter. „Gij handhaaft mijn lot.” Het woord dat hier door „handhaven”
is vertaald, levert eenige moeielijkheid, maar ik geloof toch den
juisten zin te hebben weergegeven. Gij handhaaft mijn lot, zegt de
dichter, en wil er mee zeggen: gij o God zult het mij toebedeelde
beschermen tegen elken vijandigen aanval. „God handhave mijn lot” zegt
nog heden ten dage de man wiens steentje uit den zak kwam, en wiens
„lot” daarmee was aangewezen. Het woord „lot” in Psalm 16 heeft dus
niets te maken met levenslot, maar is bij wijze van overdrachtelijke
uitdrukking den naam voor het stuk land, dat door het lot is
toegewezen. De dichter stelt er te meer prijs op dat God zijn lot
handhaaft, omdat „de meetsnoeren hem gevallen zijn in liefelijke
oorden.” Letterlijk wil dat natuurlijk zeggen dat hij bij het uitmeten
van het land mooie stukken land heeft getroffen, want hoeveel moeite
men ook deed om alles evenredig te verdeelen, toch kon ’t niet
uitblijven dat de een een vruchtbaarder stuk land kreeg dan de ander.
Maar de dichter spreekt hier in beeldspraak, en wil zeggen dat zijn weg
zoo voorspoedig is geweest, dat alles hem is „meegeloopen”, en in dat
meeloopen ziet hij Gods hand, die hem leidde, en van wien hij dan nu
ook verwacht dat hij zijn lot handhaven zal en de liefelijke oorden,
waarin zijne meetsnoeren vielen, in zijn bezit zal doen blijven.
Ook Spreuk. 1 : 14 vindt hier zijne verklaring. Daar staat: laat uw lot
in ons midden vallen, d.w.z. ga onder ons wonen, zoodat gij te zamen
met ons deelneemt aan de loting en meting des lands. Een zeer
duidelijke toespeling vinden we ook in Deut. 32 : 9 want des Heeren
deel (chèlek) is zijn volk, Jakob is het meetsnoer (chebel) zijner
erfenis. Dat is een bizonder mooi beeld. De gedachte is deze: De heele
aarde met alle volken is het veld, de sade, of bouwgrond, bestaande uit
tal van chèlka’s of akkers, elk verdeeld in strooken door ’t meetsnoer,
waarvan een deel, Israël, is toegevallen aan Jehovah, Jakobs God. In
Jes. 34 : 17 blijkt dan dat die gedachte ook bij de profeten geliefd
is: Hij zelf heeft voor hen het lot geworpen, en zijne hand heeft het
hun uitgedeeld met het meetsnoer, tot in der eeuwigheid zullen zij dat
erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen.
Was eenmaal aan ieder zijn deel door het meetsnoer toegewezen, dan was
men er op bedacht de grenzen daarvan tegenover den buurman duidelijk af
te bakenen. Men deed dit door het plaatsen van een grenssteen, in de
Statenvertaling „landpale” genoemd. Het behoort tot de schandelijkste
misdrijven „zijns naasten landpale te verzetten” (Job 24 : 2) waarom
reeds in Deut. 27 : 17 den vloek wordt uitgesproken over wie dat durft
doen.
De landpalen te verzetten was te schandelijker omdat het zoo
gemakkelijk was, en in een oogenblik te volvoeren, zonder dat iemand
het merkte. Ik heb geen aanduidingen kunnen vinden voor de
Palestijnsche fellahs, van de gewoonte, die men wel bij de
Nederlandsche boerenbevolking aantreft, om nl. op bepaalde plaatsen den
grenssteen in den grond te graven, zonder dat de buurman weet waar hij
zit. Met een hooivork met lange tanden voelt men dan van tijd tot tijd
of de grens nog met de plaats van den grenssteen overeenkomt. Trouwens
deze manier van doen zou ook in Palestina bij het jaarlijks uitmeten
niet kunnen worden toegepast, zonder dat men het heele veld
langzamerhand vol steenen stopte. In het oude Babel bekleedden die
grenssteenen een groote plaats. Er zijn er al heel wat gevonden,
groote, eenigszins behouwen steenen met tal van opschriften en
afbeeldingen bedekt. Die opschriften bevatten soms heele verhalen om
het eigendomsrecht uiteen te zetten, en eindigen met een schrikkelijke
vloekformule voor wie den steen zou willen wegnemen of schenden.
Gewoonlijk zijn dan tal van godenfiguren bovendien afgebeeld om den
vloek kracht bij te zetten.
EEN PLOEGER BIJ NAZARETH
Wij zouden een gansch onjuiste voorstelling van den Palestijnschen
landbouw hebben, als wij ons voorstellen dat het akkerland scherp
gescheiden is van den woesten grond daar om heen. Reeds het bij de
vorige plaat gezegde, bewijst dat van eigenlijk gezegde akkers geen
sprake kan zijn. Juist doordat elk jaar het terrein wisselt, dat de
fellah te bebouwen krijgt, ontbreekt hem de lust om er van te maken wat
er van te maken is. Hij roeit de struiken niet uit, ruimt de steenen
niet weg, bemest niet behoorlijk, kortom zorgt alleen voor de
onmiddellijke opbrengst, zonder te zorgen voor het land. Hoeveel meer
er uit te halen zou zijn wordt bewezen door Europeesche kolonisten, die
zich op een bepaalde plaats hebben neergezet, grond gekocht en dat nu
bewerken zooals dat noodig is. Aan het einde van het drooge jaargetijde
valt weinig verschil op te merken tusschen bouwland en braakliggende
grond en de wegen loopen er door in verschillende richtingen. Ook is de
akker gewoonlijk zoo bezaaid met groote en kleine steenen dat het haast
niet meer op een akker gelijkt. Men zegt dat die steenen opzettelijk
niet worden weggeruimd, om de vochtigheid van den bodem te bewaren.
Intusschen blijkt uit Jes. 5 : 2 dat het zuiveren van steenen wel
degelijk gerekend wordt tot het in orde brengen van den akker. Maar om
reeds vroeger genoemde redenen neemt men dikwijls die moeite niet.
Begint nu het ploegen, dan wordt zoo’n „weg” eenvoudig mee omgeploegd,
om even spoedig, dwars door den „akker” heen weer als weg gebruikt te
worden. Trouwens ook in ’t Oosten van ons land kan men hetzelfde
verschijnsel hier en daar zien: hoe midden door een akker met koren een
voetpad loopt, terwijl de halmen zóó overhangen dat ze het heele pad
bedekken. Onwillekeurig zal iemand gaande door zoo’n veldpad, aren
plukken en de korrels opeten, zooals wij dat van Jezus’ discipelen
lezen.
De eigenlijke ploegtijd begint in November. Bij de vorige plaat noemden
we als datum het feest van St. George, 16 November. Men telt gaarne bij
bepaalde feestdagen, of bij gebeurtenissen aan het landleven ontleend.
In dat opzicht schijnt de boerenbevolking van alle oorden ’t zelfde
gebruik te volgen. Ook de landbouwbevolking ten onzent heeft tal van
spreuken en zegswijzen, waaruit blijkt hoe het oogstjaar en ’t heele
natuurleven met bepaalde heilige dagen wordt saamgebracht. St. Peter
betaalt men de pacht, St. Jan schiet het hout geen loten meer, St.
Jakob is de rogge rijp, en „wie op zijn tijd knollen wil eten, moet St.
Laurens niet vergeten”, d.w.z. St. Laurens is de tijd van knollen
zaaien, enz.
Het heeft op het eerste gezicht iets opvallends dat in Palestina ook de
Mohammedanen hun landbouwtijden bepalen volgens christelijke
feestdagen. Dat heeft wel mee zijn oorzaak in het feit dat de
Mohammedanen rekenen volgens het maanjaar, waarbij de maand slechts 29
dagen heeft, zoodat na verloop van 33 jaar elke maand successievelijk
in alle jaargetijden is gevierd geworden. Daardoor deugt het
mohammedaansche jaar met zijne feestdagen niet voor bepaling van zaai-
en oogsttijden, en sluiten ze zich bij de christelijke feestdagen aan.
Ook ten onzent spreekt een protestantsche boer even goed van St. Jan en
St. Peter als een Roomsche.
Onze plaat verplaatst ons evenwel niet in de eerste zaaitijd, komende
na de „vroege regen”, maar in het voorjaar, den tweeden zaaitijd, nl.
van het zomerkoren. Dat deze tijd bedoeld wordt blijkt uit den
bloeienden olijfboom rechts op de plaat. Er is in Palestina een tijd
dat men tegelijk zaait en oogst, nl. de eerste oogst van het
winterkoren valt samen met het zaaien van het zomergraan in het
voorjaar. In Amos 9 : 13 wordt op dat feit gezinspeeld, als daar wordt
verkondigd de vruchtbaarheid des lands: de tijd zal komen dat de
ploeger den maaier.... genaken zal, d.i. dat ze tegelijk zullen bezig
zijn op het land.
De plaat stelt blijkbaar een dal voor, op den achtergrond zien we
bergen. Ook de hellingen dier bergen zijn voor bouwland geschikt, ten
minste ten deele. Die bergen bestaan nl. voor een goed deel, vooral aan
de oppervlakte, uit een soort krijtachtige kalk, die onder den invloed
van regen en lucht zich omzet tot een roodachtige leem-aarde, die zeer
vruchtbaar is, maar ook dikwijls zoo’n dun laagje humus vormt dat het
woord van Jezus letterlijk van toepassing is: het ging terstond op,
omdat het geen diepte van aarde had. Ook heeft dat soort land
natuurlijk buitengewoon spoedig last van de droogte. Daarbij komt nog
iets: door de geweldige regenstroomen wordt die leemlaag van de bergen
weggespoeld naar de laagte, waar ze blijft liggen en aan het land
groote vruchtbaarheid geeft. Vooral in de omgeving van Nazareth, waar
onze ploeger werkzaam is, vindt men dezen vruchtbaren mineraal-rijken
bodem, die door verweering van de bergkalk ontstaan is. Jammer dat door
gebrek aan goede maatregelen, zooveel van die leem-aarde de bedding der
beken bereikt, en in den wintertijd door de snelvlietende stroomen
wordt meegevoerd. Daardoor verarmt het land. In de laatste jaren wordt
hier en daar dit voor het land zoo verderfelijke proces tegengegaan
door het aanleggen van terrassen op de berghellingen, waardoor de vaste
stoffen worden tegengehouden. Nog meer afdoende zou het zijn, als de
Turksche regeering het mogelijk maakte door een minderen belastingdruk,
dat die hellingen weer met olijfboomen werden beplant, waardoor zoowel
de vruchtbare teelaarde zou worden vastgehouden, als een nieuwe
gemakkelijk te openen bron van blijvende welvaart zou ontstaan.
De ploeg is een uiterst eenvoudig instrument. Trouwens in Palestina
vindt men, afgezien van de westersche stoomwerktuigen en het door
westersche kolonisten gebruikt materiaal, die er de laatste jaren hun
intrede hebben gedaan, alles nog precies als in bijbelsche tijden,
dezelfde simpele manier van leven, dezelfde onbeholpen
landbouwwerktuigen, dezelfde primitieve toestanden. Men spreekt van een
juk ossen, en bedoelt daarmee een stuk land van een bepaalde grootte,
nl. zoo groot dat een man het met één juk ossen in een dag ploegen kan.
In het Zeitschrift des deutschen Palästina-Vereins wordt daarover de
onnoozele opmerking gemaakt, dat dat nog al een onbepaalde
maataanduiding is. Deze schrijver vergeet dat ook onze boeren diezelfde
aanduidingen hebben voor de grootte van het land: men spreekt van een
„dag maaien” en bedoelt daarmee een stuk grasland dat één maaier in één
dag maaien kan; of een „schepelzaad”, en verstaat daaronder een stuk
land waarvoor een schepel zaad noodig is om het behoorlijk te bezaaien.
Maar onbepaalde aanduidingen zijn dat heelemaal niet: zoo’n stuk land
heeft een heel precieze grootte, zoo lang en zoo breed. ’t Is er
hetzelfde mee als wanneer men spreekt van een machine van 10
paardekracht, wat ook een allesbehalve vage aanduiding is.
Uit de verschillende photographieën, die ik heb gezien, schijnt het dat
de ploeger den ploegstaart meestal met de rechterhand vasthoudt, dus
anders dan bij ons (voorzoover men ten onzent nl. geen tweestaartige
ploegen gebruikt), waar de ploeger in de voor loopt, en dus met de
linkerhand den ploegstaart houdt. In de andere hand houdt de ploeger op
de plaat den osseprikkel: een lange stok met aan het eene einde een
spatel, om den ploeg schoon te maken en voor allerlei andere
doeleinden, aan het andere einde van een scherpe punt voorzien. Met die
punt wordt het trekvee tot meerder spoed aangemaand. Mocht een os
boosaardig terugslaan met de achterpooten, dan slaat hij „de verzenen
tegen de prikkels” (Hand. 26 : 14). Het is zulk een osseprikkel die
Samgar als wapen diende, waarmee hij 600 Philistijnen versloeg, en
Israël redde (Richt. 3 : 31).
Boven wees ik er reeds op, hoe weinig een Palestijnsch bouwland op het
onze gelijkt. Akker en ruwe grond zijn niet scherp gescheiden. Op en in
den akker vinden we struiken, steenen, boomwortels, rotsbodem, riet en
dorens. Daardoor kan het zaad vallen onder de dorens, en verstikken,
want ook door den ploeg worden die dingen niet weggeruimd. Trouwens de
ploeg is een veel te licht werktuig, en de wijze van ploegen veel te
ondiep, om struiken en dorens weg te ruimen. Men werkt er met den ploeg
omheen en overheen, en wroet alleen die gedeelten los, die geen al te
groote hinderpalen bieden. Daardoor is het zeer noodig nog meer dan bij
ons, dat de ploeger alle aandacht hebbe bij het werk, want één
oogenblik van onachtzaamheid, en de ploeg is geraakt onder een
boomwortel of onder taaie struiken, en breekt. Het is van hier uit dat
wij moeten waardeeren het woord van den Heiland: Wie de hand aan den
ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is niet bekwaam tot het
koninkrijk Gods. Wij voelen hoe sprekend dat beeld wordt bij de
overweging van de bezwaren van het ploegen in het Oosten. Op onze
westersche, effen gelegde en gezuiverde akkers, heeft het achterom zien
geen ander gevolg dan dat men kromme voren trekt, in Palestina is het
gevaarlijk wegens het breken van den ploeg.
De ossen trekken, evenals bij ons, voorzoover nog ossen of koeien voor
den ploeg worden gebruikt, aan een juk, bestaande uit drie stukken
hout: een dwarshout dat over den nek ligt, en twee neerhangende
stukken, ter weerszijde van den hals, welke dan van onder door leeren
riemen worden saamgebonden. Het is bekend genoeg hoe vaak in de Schrift
het juk dient als beeld der dienstbaarheid en slavernij. „Verbreken van
het juk” beteekent dan: bevrijding, verlossing.
Natuurlijk komt bij ploegen en zaaien heel wat bijgeloof te pas—wat
trouwens ook ten onzent niet is uitgestorven. In Palestina is wel de
meest voorkomende vorm de gelofte, d.w.z. dat men zaaiende, een deel
van de opbrengst belooft aan een of anderen heilige, ingeval deze een
goeden oogst geeft. Zoo wordt het voor dien heilige een zaak van
eigenbelang te zorgen dat de oogst voorspoedig is.
DE DORSCHVLOER
Reeds midden April of Mei, in de warmere dalen iets vroeger, op de
koudere berghellingen wat later, begint de oogsttijd. Daarom kan Jer. 8
: 20 deze volgorde worden genoemd: de oogst is voorbijgegaan, en de
zomer is ten einde, een uitdrukking die in ons klimaat, waar de oogst
na den zomer komt, niet passen zou. De oogst valt in den drogen tijd,
en vele fellah’s verlaten hunne woningen, en wonen gedurende den
oogsttijd in holen of hutten of tenten of op het open land, slechts
primitief beschut. Eerst komt de gerste- dan de tarwe-oogst. ’t Is de
vroolijke tijd, waaraan mannen, vrouwen en kinderen gelijkelijk deel
nemen. Daar niet in alle deelen van het land de oogsttijd precies op
denzelfden tijd valt, hebben de armere fellah’s uit het gebergte
gelegenheid om bij den oogst in de vlakte een stuk brood te verdienen.
De halmen worden met een sikkel afgesneden, die men alleen met de
rechterhand hanteert, terwijl de linker de afgesneden halmen vasthoudt.
Deze wijze van doen verklaart een eigenaardig gezegde. Wanneer een arme
wandelaar de maaiers passeert, roept hij hen toe: sjimélak, d.i. (geef
mij wat gij in) uw linkerhand (hebt), dus een vraag om een aalmoes.
Deze uitdrukking is in het Oosten merkwaardig, omdat overigens alles
wat met de linkerhand in verband staat, veracht is. Door Duitsche
kolonisten is de zeis bekend geworden, die daarom brusiani heet. De
halmen worden losjes tot bundels gebonden, die op ezels of muildieren
worden geladen om ze naar den dorschvloer te brengen. De beesten worden
soms zoo hoog en breed met koren bepakt, dat ze lijken op een korenhoop
op 4 pooten. Onder het zingen van allerlei oogstversjes drijft men de
beesten naar den dorschvloer. Op het afgemaaide korenveld mogen de
armeren aren lezen; dat Ruth (2 : 15) ook tusschen de garven aren
zoeken mag is een bizonder voorrecht.
De dorschvloer (bedar) is voor het heele dorp gemeenschappelijk. Het is
een groote effen plaats, liefst een kaal rotsplateau; heeft men die
niet in de nabijheid van het dorp, dan wordt ze gemaakt door den grond
te effenen en met leem of klei te harden. Soms wordt daarvoor gedroogde
koe-mest gebruikt. Ieder dorpeling heeft op dezen dorschvloer zijn
eigen plekje, waar hij zijn gerst of tarwe samenbrengt. Daar het de
regenlooze tijd is, behoeft hij niet te vreezen voor onweer of regen,
en brengt ook den nacht dikwijls op den dorschvloer door, gedurende
enkele weken, of zelfs enkele maanden, naarmate zijn voorraad groot is.
In het dorp zijn gedurende dezen tijd tal van huizen verlaten, daar de
heele familie op den dorschvloer is. De armeren dorschen al heel
eenvoudig: hij drijft zijn vee, met of zonder muilkorf, heen en weer
over het uitgespreide koren, dat door de hoeven der dieren zoolang
wordt getreden en door elkaar gehaald, tot het koren er uit is, en het
stroo tevens zacht is geworden en stuk getreden, zoodat het als
veevoeder dienst kan doen. Uit den Bijbel herinneren wij ons het gebod,
dat een dorschenden os niet mag gemuilband worden. De meer gegoeden
hebben dorschsleden, d.i. een zwaar houten bord, waarvan de onderkant
bezet is met kleine scherpe punten van metaal of steen, zooals wij op
de plaat links er een ’t onderste boven zien liggen. Een trekdier wordt
daarvoor gespannen, en de fellah zelf of zijne kinderen zitten er op om
de slede nog te verzwaren. Deze slede wordt over het stroo heen en weer
getrokken, waardoor de korrels uit de aren loslaten, en het stroo tot
grof haksel wordt gemaakt. Een ander dorschwerktuig is rechts op de
plaat afgebeeld: een vierkant houten raam, waarin tal van kleine houten
wielen met een soort zitbank er dwars overheen, waarop de voerman zit.
Of ook slaat men het koren uit de aren door middel van lange stokken.
Alle drie manieren van dorschen waren reeds in de oudheid bekend, Jes.
28 : 27 lezen wij reeds: Men dorscht de wikken niet met een
dorschslede, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan,
maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok.
De heele handeling van het dorschen vinden we ook in Jes. 41 : 15 en 16
vermeld: ik heb u tot een nieuwe scherpe dorschsleden gesteld, die
scherpe pinnen heeft; gij zult de bergen dorschen en vermalen, en
heuvelen zult gij stellen als kaf; gij zult ze wannen, en de wind zal
ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien. De bergen en de
heuvelen worden hier vergeleken met de korenhoopen, die geleidelijk
wegslinken naarmate de arbeid voortgaat.
Zijn op deze wijze de korrels uit de aren verwijderd, dan begint het
wannen, of zooals het Richt. 6 : 11 eigenaardig heet, het „vluchten”.
Dat gebeurt liefst des avonds als er een koeltje waait, want om te
wannen heeft men wind noodig. Met een gaffel of vork werpt men de
verwarde massa van stroo, kaf en koren in de hoogte. Het koren valt
door de zwaarte dadelijk, vlak voor den wanner, op den grond, de
lichtere stroostoppelen worden een eindweegs door den wind meegevoerd,
en vallen daar neer, en het nog lichtere kaf waait nog verder weg, of
wel, als er een sterken wind staat, wordt het ver weg gevoerd en „door
den wind verstrooid”, een beeld in den Bijbel gaarne gebruikt om aan te
duiden het lot der goddeloozen. Men denke aan het beeld in Job 21 : 18:
dat zij gelijk stroo worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de
wervelwind wegsteelt. Het haksel wordt bijeengebracht tot voedsel voor
het vee, en het koren wordt in schuren of kelders opgehoopt, nadat het
eerst door middel van een zeef nog nauwkeuriger gereinigd is. Het
haksel-dragen wordt door vrouwen en meisjes verricht. Naar die
bezigheid heet de melkweg aan den hemel—ik kan niet uitvinden
waarom—tarik et-tebbenèt = „de weg der hakseldraagsters”. Van het
langere stroo vlechten de meisjes kleine mandjes. De bewaarplaatsen
voor het koren zijn vaak zeer ongeschikt, in de aarde gegraven holen of
in de rots gehouwen bakken, die dan vooral als ’t gaten in de aarde
zijn, rondom met haksel worden belegd. Daardoor krijgt het aldus
opgespaarde koren dikwijls een alleronaangenaamsten reuk. Dan blijft er
op den dorschvloer nog een rest harde stoppelen, die niet voor
veevoeder deugen. Deze worden dan gebruikt of om den oven te stoken, of
om, vermengd met leem, te dienen tot reparatie van het dak. Het gebruik
om zulk gekneusd stroo te gebruiken voor huizen, door het te vermengen
met leem en er dan steenen van te bakken, is in het heele Oosten
verbreid. Reeds in Ex. 5 : 5–19 lezen wij dat de Israëlieten in Egypte
de „tichelsteenen” bakten door het nijlslib met stroo te vermengen, en
dan te drogen. Het kaf, en wat er overigens nog op den dorschvloer
blijft liggen, wordt dikwijls tegen den avond in brand gestoken, wat
een plotseling hoog opvlammend vuur geeft. Dat vuur leverde het beeld
voor het bijbelsche beeld van het „kaf dat met vuur verbrandt wordt”.
Trouwens het beeld van den dorschvloer, waar het goede zaad van het kaf
wordt gescheiden, is uiteraard een geliefd bijbelsch beeld, om aan te
duiden het oordeel dat eenmaal scheiding maken zal.
Het bovenvermelde verzamelen van het koren in de schuren vindt echter
meestal niet dadelijk plaats. Want er moet belasting van worden
betaald. De opbrengst van het veld blijft dan liggen op den
dorschvloer, en wordt door den eigenaar, die dag en nacht op den
dorschvloer doorbrengt, bewaakt. Eindelijk verschijnt de pachter der
belastingen, die meestal wacht totdat een geschenk in geld hem beweegt
het koren op den dorschvloer te taxeeren. Gedurende de taxatie moeten
de pachter met zijn knecht, benevens hunne paarden, door het dorp
worden onderhouden. Bij deze taxatie van de verschuldigde belasting
hebben tal van chicanes plaats, b.v. de pachter laat opzettelijk op
zich wachten; de fellah, die al langen tijd heeft geborgd, moet zijn
schuldeischer betalen van zijn koren, hij neemt nu alvast wat van het
op den dorschvloer liggend zaad, en betaalt zijn schuld, of hij heeft
het noodig voor levensonderhoud voor zijn gezin. Nu komt de
belastingambtenaar en slaat het reeds weggenomene veel te hoog aan. Zoo
gebeurt het dat van menigen fellah, wiens reclames natuurlijk
vergeefsch zijn, niet het tiende maar het achtste, zesde deel of
mogelijk wel de helft van zijn weinigje wordt ontnomen. Niet overal
heerschen precies dezelfde toestanden, en de hierboven gegeven schets
is maar één der vele gevallen, die echter alle hierin overeenkomen dat
ze teruggaan op het z.g.n. belasting-verpachtingssysteem: de bron van
tal van onheilen.
Deze directe belasting wordt door de regeering jaarlijks verpacht aan
den meestbiedende. De pachters moeten een vermogensbewijs overleggen,
opdat de regeering zekerheid hebbe, dat de pachtsom binnen komt. Is
voor een bepaald dorp een zekere som betaald, dan moet de pachter maar
zien hoe hij het uit dat dorp terug krijgt, en er bovendien nog aan te
verdienen. En dat kan dikwijls alleen gebeuren door de fellahs te veel
te laten betalen. Daar de regeering belang heeft bij hooge pachtsommen,
beschermt ze eerder de pachters dan de fellah’s, die meestal tegenover
allerlei afpersingen machteloos staan. Het spreekt vanzelf dat groote
welvarende dorpen of welgestelde grondbezitters minder last zullen
hebben van dit verderfelijke pachtsysteem, dan kleine armere plaatsen
voor wie het vaak een echte uitzuigingsmethode is. En het is niet
vreemd dat deze belastingpachters, die in het Nieuwe Testament
„tollenaren” heeten, al van ouds in een kwaden reuk stonden. Het komt
dan ook niet zelden voor dat armere fellah’s geheel in de macht van den
pachter geraken. Behalve de roofvogels in den vorm van schuldeischer en
belastingpachter, loeren nog andere roofvogels op het karig bezit van
den fellah dat op den dorschvloer ligt. Heeft hij bij ’t ploegen
gebruik gemaakt van anderer hulp, dan moet die hulp ook van den
dorschvloer worden betaald; de dorpsgeestelijke die de verloting en
uitmeting leidde, eveneens, verder de rondzwervende derwischen, die
overal zijn waar wat te halen is. Afzonderlijk moeten hier nog genoemd
worden de priesters van de talrijke heiligdommen. De fellah pleegt nl.
bij het begin van het oogstjaar een of anderen heilige aan te roepen om
een goeden oogst. Bij die gelegenheid wordt dan niet zelden een gelofte
gedaan dat men den heilige een deel van de opbrengst geven zal, wanneer
hij een goeden oogst verschaft. En daar zoo’n gelofte doorgaans bij het
heiligdom zelf wordt afgelegd, weten de priesters precies wie de
gelofte deed en voor welk bedrag. En zoodra het koren rijp is,
frisschen ze het geheugen der fellah’s wat op, door een persoonlijk
bezoek hen herinnerende, dat de heilige N. N. hun dien oogst
verschafte. Soms nemen ze het resultaat der gelofte maar dadelijk mee.
Soms ook geeft men het beloofde koren aan de armen. Een groot klooster
van den heilige St. George in Noord-Syrië heeft zelfs agenten in elke
stad met de volmacht de geloften in vee, koren enz. in ontvangst te
nemen. Meestal steekt de fellah bovendien in oude schulden, zoodat zijn
heele opbrengst soms niet eens in staat is, deze af te doen, en daar
hij toch wat voor zichzelf en zijn gezin moet houden, moet hij zich
vaak vergenoegen met een afbetaling van een deel zijner schuld, terwijl
de rest tegen hooge rente weer blijft wachten op een volgenden oogst.
Zoo raakt hij steeds dieper in de schuld, en als hij een paar jaar
misgewas heeft, wordt het hem te benauwd en plotseling is hij met pak
en zak verdwenen naar het overjordaansche, waar geen schuldeischer hem
terugvinden kan. De tegenwoordige Turksche regeering schijnt betere
toestanden in het belastingwezen te beoogen, maar in ver-afgelegen
provinciën hangt toch bijna alles af van de medewerking der
belastingambtenaren.
Het „30, 60 en 100 voud” waarvan het Evangelie spreekt, is tegenwoordig
nergens meer te vinden. De korenopbrengst schijnt tegenwoordig
gemiddeld het zesvoud te leveren, terwijl een twaalfvoudige opbrengst
reeds tot de zeldzaamheden behoort. Hoewel: het schijnt ook nu nog voor
te komen dat hier en daar uit één enkelen tarwekorrel 10 tot 15 halmen
schieten, en dan van honderd tot tweehonderdvoudige vrucht draagt.
Mogelijk heeft de Heer daarop het oog gehad in de bekende gelijkenis in
Matth. 13 : 8.
Op den voorgrond van onze plaat vinden we nog een voorstelling, die
eigenlijk niet tot den dorschvloer behoort, en hier vermoedelijk alleen
is terechtgekomen, omdat het een handeling betreft, die nog al eens op
de dorschvloer wordt uitgeoefend. Het is nl. een pottebakker, die bezig
is met een grooten, ruwen steen gebroken kannen en aarden vaten tot
gruis te slaan. De harde dorschvloer leent zich daartoe uitnemend, maar
in zooverre is de plaat niet geheel juist, dat dat werk pas plaats
vindt nadat het dorschen is afgeloopen, en de plaat ons voorstelt een
pottebakker die bezig is tegelijk met den dorscher.
Zooals ik vroeger reeds aanwees, maakt de fellah of zijne vrouw—want
het pottebakken is een echt vrouwenwerk—hun aarden huisgereedschap
zelf. Een der middelen is deze: In sommige bergstreken—vooral in de
omgeving van Gaza—wordt een bepaald soort leem gevonden dat zich voor
het maken van potten bizonder leent. Dat leem wordt van vreemde
bestanddeelen gereinigd, en gaarne vermengd met gruis van potscherven,
welk gruis verkregen wordt door met een grooten steen oude en
onbruikbare vaten tot poeder te slaan. Dan wordt dit deeg gekneed en op
de pottebakkersschijf gebracht. Uit Jer. 18 : 3 blijkt dat het in
Jeremia’s dagen al op dezelfde manier werd behandeld. De potten en
kannen worden overigens geheel met de hand gevormd, en hebben niet
zelden een bevalligen vorm. De kleur is door ’t branden, groezelig
zwart. Ter versiering worden er vaak nog roode figuren op aangebracht.
Glazuursel kent men niet meer, zooals in oude dagen.
Het gruis van potscherven wordt nog voor een ander doel gebruikt. De in
den grond gegraven of in de rotsen uitgehouwen waterreservoirs hebben
om het water voor wegzakken te bewaren, goed gecementeerde wanden
noodig. Die wanden worden gepleisterd uit potscherven en een mengsel
van kalk en asch, en daar over heen komt een soort cement van opgeloste
kalk, een potscherven-poeder, wat, na gladgestreken te zijn, een vaste
en harde, voor water ondoordringbare oppervlakte geeft.
Als in Psalm 2 tot den Messias-koning wordt gezegd ten opzichte van de
oproerige heidenen: gij zult ze verbrijzelen als een pottebakkersvat,
dan is dat wel een toespeling op de bezigheid van den man op onze
plaat, en nog duidelijker Jes. 30 : 14: Hij zal ze verbreken, gelijk
een pottebakkerskruik verbroken wordt, in het verbrijzelen zal hij niet
verschoonen, alzoo dat van hare verbrijzeling niet één scherf zal
gevonden worden. In die bijbelplaatsen wordt duidelijk niet bedoeld een
bij ongeluk stuk gaan van een vat, maar zeer nadrukkelijk het
opzettelijk stukslaan. Het beeld wordt nog sprekender als men bedenkt,
dat zulk stukslaan alleen plaats heeft met reeds gebroken vaten, niet
met ongeschondene. Zoodat in Psalm 2 de hooghartige vorsten, die het
gezag Gods verwerpen, vergeleken worden met gebroken vaten.
Ook het beeld uit Nebucadnezars droom in Dan. 2 : 34, 35 met zijn
leemen voeten die door een steen verbrijzeld worden, zal wel aan deze
zelfde handeling zijn ontleend.
ZAAD ZIFTENDE
De op den grond hurkende vrouw is een fellah-vrouw, bezig met het
ziften van koren, om het straks te malen en er brood van te bakken. Het
is dus niet het koren ziften op den dorschvloer, waarvan bij de vorige
plaat sprake was. Dat blijkt al dadelijk hieruit dat zij deze bezigheid
verricht voor de deur van haar uit leem gepleisterd huisje, door een
doek op den grond uit-te-spreiden en daarop het koren te ziften. Zooals
wij bij de vorige plaat opmerkten, wordt het koren op den dorschvloer
niet volkomen van kaf en onkruid gereinigd, maar alleen voor zoover als
noodig is om het in de schuur te kunnen opbergen. Moet het straks
gebruikt worden om meel te malen en brood te bakken, dan moet het eerst
opnieuw worden gereinigd van allerlei dat er mee vermengd bleef:
onkruidzaden, steentjes, stoppels, fijn gestampt stroo enz.
Voor de kleeding van de ziftende vrouw, haar grijsachtig-grauwe mantel,
de witte hoofddoek, de roode band met versierselen rondom haar hoofd,
het snoer om haar hals, is reeds vroeger gesproken.
Het ziften gebeurt tegenwoordig in Palestina op dezelfde manier als bij
ons. Een vrij groote ondiepe zeef wordt voor de helft gevuld met het
mengsel van koren, kaf, stroo etc. De mazen in de zeef zijn zoo fijn,
dat geen korrel er door kan vallen, alleen het ietwat kleinere
onkruidzaad, kleine steentjes en kaf valt er door. Nu schudt men de
zeef eenige malen krachtig heen en weer, waardoor zand, kaf,
onkruidzaad door de zeef valt, en het grove zeer lichte stroo, aren
enz. zich boven op het koren tot een hoop verzamelt, zoodat men het met
de hand verwijderen kan. Daarna voert de zeefster een andere beweging
uit: ze houd de zeef een weinig schuin voor zich uit, zóó dat de van
haar af gekeerde zijde het dichtst bij den grond is, en werpt met
handige beweging de inhoud van de zeef in de hoogte, en vangt het
daarna weer op in de zeef. Onderwijl blaast ze uit alle macht in de
opgeworpen massa. Deze wijze van doen is dus in ’t klein min of meer
wat het „vluchten” op den dorschvloer is. Men moet om dit werk goed te
doen, eenige bedrevenheid hebben in het hanteeren van de zeef. Wie dit
goed doet, reinigt het koren zóó dat er niets onreins in blijft, zonder
één korrel te verliezen, ja zelfs kan men op die manier door handige
bewegingen met de zeef het koren zelf weer onderscheiden in betere en
minder goede kwaliteit.
Het wannen van koren, zooals onze boeren dat plegen te doen, berust op
dezelfde bewegingen, maar gaat veel sneller door de grootere
hoeveelheid koren die tegelijk kan worden bewerkt.
Een van de mooiste beelden uit de beeldrijke profetie van Amos berust
op deze wijze van koren reinigen. Am. 9 : 9 staat: zie, ik geef bevel,
en ik zal het huis van Israël onder al de heidenen schudden, gelijk als
(zaad) geschud wordt in een zeef; en niet één korrel zal ter aarde
vallen. De Statenvertaling heeft het hebreeuwsche woord tseroor
vertaald door „steentje”. Dat is stellig onjuist. Iemand die koren
zift, is het er niet om te doen, dat geen steentje, maar dat geen
korrel ter aarde valt. De steentjes vallen juist wel ter aarde. Amos’
bedoeling is, dat er een oordeel over Israël zal komen van wege zijn
goddeloosheid, dat oordeel zal evenwel niet allen verdelgen, de
godvreezenden, hier met korrels vergeleken, zullen worden gescheiden
van de goddeloozen, en deze laatsten zullen omkomen.
Ook in het Nieuwe Testament komt hetzelfde beeld voor in Luk. 22 : 31
waar Jezus tot Petrus zegt: Simon, Simon, de Satan heeft zeer begeerd u
te ziften als de tarwe. Hier komt het woord ziften voor naar een heel
anderen kant. Hier treedt niet de gedachte van zuiveren, reinigen,
voorop, maar het schudden en stooten van het koren wordt hier gebruikt
als beeld voor zware verzoekingen: zoo werd Simon geslingerd en
geschokt als het koren in een zeef, maar de Heer heeft voor hem
gebeden, dat zijn geloof niet ophield.
Op den achtergrond der plaat zien we een fellah naderen, gekleed in het
gewone hemd, en daar over heen een kort buis van een schapenvel. Op
zijn schouder draagt hij de knots, het eenvoudigste wapen, dat fellahs
dikwijls en herders meestal met zich voeren, en dat gebruikt kan worden
zoowel tot wapen als tot jachtwerktuig. In zijn hand draagt hij een
door hem gevangen haas en een patrijs. Deze twee wildsoorten komen in
Palestina veelvuldig voor, en worden door de bevolking vervolgd zoowel
om de schade die ze aanrichten als ook om hun vleesch, dat door de
bevolking gaarne gegeten wordt, behalve dat Joden en Turken nooit
hazenvleesch eten. Jachtwetten, hetzij tot bescherming van het wild,
hetzij tot bescherming der jagers, kent men in Palestina niet, zooals
in Nederland, waar wel het wild en de jagers wettelijke bescherming
ondervinden, maar de boeren, van wier vruchten en arbeid de dieren
leven, nog altijd onbeschermd staan tegen overlast van wild en van
jagers.
Het is merkwaardig dat wij in den Bijbel zoo weinig gesproken vinden
van de jacht, vooral omdat Palestina oudtijds nog meer dan nu een
wildrijk land was. Toch zijn enkele bijbelsche beelden aan de jacht
ontleend. Vooral in de Psalmen is herhaaldelijk sprake van het spannen
van een strik, of het graven van een kuil. Dat is nog heden een der
meest voorkomende middelen om het wild te verschalken.
Nog moet ik iets zeggen over den achtergrond van onze plaat. Over het
gepleisterd leemen huisje sprak ik reeds vroeger, evenals over de
gewelf-vormigen bouw die ook de deur typeert. Deze manier van bouwen is
wel een van de minst soliede. Als niet elk jaar tegen de regentijd het
huis wordt nagezien en opgeknapt, is het in heel korten tijd veranderd
in een puinhoop.
Naast de deuropening zien we op den muur drie ronde schijven. Dat zijn
koeken van koemest die in de zon moeten drogen om straks als brandstof
te dienen. Daar hout zeer schaarsch is, vooral in de vlakten, wordt
voor branden alles gebruikt wat brandbaar is: stoppelen, struiken,
gedroogde koe-, schapen- en kameelenmest enz. Deze mestbrandstof is
zelfs zeer gezocht, omdat ze beter vuur houdt dan de licht ontvlambare
stoppelen. Ze vertegenwoordigt eenigszins onze turf, daar ze ook meer
gloeit dan brandt. Aesthetisch is evenwel die drogerij aan den deurpost
niet, maar met schoonheidsvragen houdt de fellah zich niet op.
Verder op den achtergrond verheft zich de met sneeuw bedekte top van
een der bergen uit het Libanongebied. Over ’t algemeen valt in
Palestina meer sneeuw dan meestal gedacht wordt. Van 1860 tot 1882 viel
in Jeruzalem 47 maal sneeuw, dus gemiddeld vaker dan twee keer per
jaar. Daarbij werd geconstateerd een temperatuur van 6 graden onder
nul, zoodat het stilstaand water bevroor. In de laag gelegen streken
blijft echter de sneeuw zelden langer dan een paar uur liggen, en het
ijs houdt het nooit een dag lang uit. Op dat snelle verdwijnen der
sneeuw voor de zon in het Oosten wordt in Job 24 : 19 gezinspeeld.
Anders is het in het gebied van den Libanon en Anti-Libanon, twee
bergketenen, die gescheiden door het diepe Beka-dal, zich hoog
verheffen. De hoogste top van den Libanon, de Timaron, is 3212 meter
hoog, wedijvert dus met de Eiger, Mönch en Jungfrau-groep; terwijl de
hoogste top van den Anti-Libanon, de groote Hermon 2860 meter hoog is.
Aan de benedenhelling vindt men nog de ceder-boomen, hoewel van
cederwouden, zooals in de dagen van Salomo, eigenlijk geen sprake meer
is. Het is bekend hoe vaak in het Oude Testament de ceder voorkomt als
beeld van krachtigen groei, welvaart en gedijen. De ceder, met zijn
massieven, sterken stam, zijn altijd groene naalden, zijn
eeuwen-verdurende groeikracht, maakt inderdaad een indruk van
onverwoestbaarheid. Er zijn stammen bij, die op 3000 jaar worden
geschat. De ceder heeft veel weg van onze dennen, maar is meestal
zwaarder gebouwd en minder slank. Boven 25 meter is hij zelden of
nooit. Gemiddelde hoogte is 14–20 meter. Op de hoogste toppen van den
Libanon groeit hij niet meer, deze steken boven de plantenzone uit, en
zijn, zooals onze plaat laat zien, soms met een dikke laag sneeuw
bedekt. In Psalm 68 : 15 wordt gezinspeeld op sneeuw liggende op den
Salmon. Nu ligt de Salmon volgens Richt. 9 : 48 bij Sichem, en is geen
sneeuwberg. En volgens de Statenvertaling is het besneeuwd zijn
karakteristiek voor den Salmon. Volgens juistere vertaling staat er:
toen de Almachtige koningen daar uitbreidde, lag er sneeuw op den
Salmon. De bedoeling schijnt dus te zijn, dat de aanblik der verslagen
koningen in hun blinkende wapenrusting was, als was de Salmon met
sneeuw bedekt.
Men zou overigens kunnen meenen dat het vroeger in Palestina meer
sneeuwde dan tegenwoordig, ten minste sommige plaatsen der Schrift
geven daartoe aanleiding. Spreuk. 31 : 21 wordt van een deugdelijke
huisvrouw gezegd dat ze niet vreest van wege de sneeuw, omdat zij haar
huis er tegen heeft beschut. En 2 Sam. 23 : 20 wordt van Benaja verteld
dat hij een leeuw sloeg in den sneeuwtijd. Vergelijken wij dezen tekst
met 1 Kron. 11 : 22, dan blijkt dat bedoeld is, dat het zoo veel
gesneeuwd had dat de leeuw, door de sneeuw misleid, onverhoeds in den
voor hem gegraven kuil kon vallen. En uit Spreuk. 25 : 13 blijkt dat de
oude Israëlieten ook het gebruik kenden om hunne dranken, vooral in den
oogsttijd met sneeuw af te koelen. Hoe dit zij, de vraag, in hoeverre
het klimaat en de neerslag in Palestina tegenwoordig verschilt van oude
tijden, misschien mede onder den invloed van de ontbossching van het
land, is nog een open vraag.
IN DE OLIJVENGAARDE
De olijfboom is dè boom van Palestina. Geen andere boom komt zoo
veelvuldig voor, noch is van gelijke beteekenis voor de bewoners.
Daarom vergelijkt de profeet het na de ballingschap herstelde en
vernieuwde Israël bij een olijfboom: Hozea 14 : 11; zijne heerlijkheid
zal zijn als van den olijfboom. En in Jothams fabel, waar de boomen
zich een koning willen kiezen, wenden ze zich het eerst tot den
olijfboom: kom, wees koning over ons.
De olijfboom is de nuttigste der boomen in Palestina. Voor allerlei
doeleinden weet men zijne producten te gebruiken. Daarover straks.
Bijna ieder dorp wordt door een groep olijfboomen omringd: reeds Deut.
28 : 40 wordt gezegd: olijfboomen zult gij hebben in al uwe landpalen.
Zoo’n olijvenbosch met zijne altijd-groene bladeren geeft aan het
landschap een vriendelijk aanzien. Door verstandig aanplanten zou ook
in de olijven-kultuur nog heel wat verbetering aan te brengen zijn,
maar ook hier ontbreekt alle gemeenschappelijk handelen, en menige
olijfboom valt onder de handen van den fellah, die in geldnood verkeert
en nu de „kip met de gouden eieren slacht.” Evenwel: ook het
gouvernement werkte door allerlei onverstandige maatregelen de
uitroeiing dezer zoo nuttige boomen in de hand. Vooral door de
onverantwoordelijke manier van belasting innen. De belasting werd nl.
geheven van het getal boomen, zonder dat in aanmerking genomen werd, of
het reeds vruchtdragende boomen zijn of niet. Men kan zeggen dat dit
meer de schuld is van de belastingpachters, die hierbij geheel
willekeurig te werk gingen (zie het gezegde bij de vorige platen), maar
ze hadden bij die praktijken dan toch den steun der Turksche regeering.
Dat alles is in den allerlaatsten tijd veel verbeterd, maar het land
zucht nog onder de ernstige gevolgen dezer praktijken. Een aanplanting
van olijfboomen te bevorderen behoorde de regeering als een harer
eerste plichten tegenover Palestina te beschouwen, èn omdat daardoor de
humus beter wordt vastgehouden, èn om het zoo noodige brandhout, èn om
den meerderen neerslag, en niet het minst om de groote opbrengst voor
weinig moeite. Het is duidelijk dat een fellah, die 20 olijfboomen
heeft, waarvan 10 nog jong—ze dragen geen vrucht vóór het 15e jaar—en
die dus van 20 boomen belasting betaalt, er in geldnood toe komt zijne
10 nog jonge boomen om te hakken, waardoor hij ten eerste geld ontvangt
voor het hout, en ten tweede zijne belasting tot op de helft
vermindert, terwijl de onmiddellijke opbrengst hetzelfde blijft. Het
behoeft geen betoog, hoe deze tijdelijke hulp hem straks zal ruïneeren.
Dat vernietigen van goede olijfboomen, ja zelfs van geheele
olijfboomgaarden, heeft hier en daar een grooten omvang genomen, zoodat
heele streken van deze boomen worden ontbloot. Naast de genoemde
oorzaak (onbillijk hooge en ondoelmatig geheven belasting) komt ook in
aanmerking het groote gebrek aan brandhout. De van hun inkomsten
beroofde fellahs zien zich niet zelden genoodzaakt naar elders (vooral
Zuid-Amerika) de wijk te nemen.
Een oorzaak, waarom de olijfboom voor den fellah met zijn geringe
finantieele draagkracht van zoo voortreffelijk nut is, is ook hierin
gelegen dat hij zoo weinig zorg eischt, en groeien kan op een bodem,
zoo schraal en rotsachtig, dat het bekende „olie uit den rotssteen”
(Deut. 32 : 13) door den olijfboom werkelijkheid wordt. Uit dit oogpunt
is een Palestijnsche spreekwijze interessant. Ze luidt: de wijnstok is
een sitt, (d.i. een voorname dame, die veel zorg en aandacht vraagt),
de vijgeboom is een fellah-vrouw (d.i. stelt minder hooge eischen) en
de olijfboom is een bedawije (d.i. een bedoeïenenvrouw, die het in de
grootste ontbering, en op allerlei bodem, uithouden kan). De zorg, die
men er aan besteed, is dan ook weinig meer dan niets. Rondom den boom
wordt in den regentijd de grond wat omgewoeld, bemesting vindt zoo goed
als nooit plaats, en de boom redt zich zelf wel verder. Daar hij zeer
oud wordt, en de knoestige, vaak in 3 of meer reuzenarmen zich
verdeelende stam, die soms tot 7 à 8 Meter in omvang hebben kan, en wel
13 Meter hoogte, gaat barsten en splijten en regenwater hem bij den
grond doet rotten, hoopt men onder om den stam soms puin en steenen op,
om hem te beschermen. Op onze plaat rechts op den achtergrond staat een
op die wijze beschermde boom. Kolonisten, naar Palestina gekomen om uit
den bodem te halen wat er in zit, en minder traag dan de
oorspronkelijke bewoners, wijden meer zorg aan de kultuur van den
olijfboom, en dan is ook de opbrengst aanzienlijk grooter. Deze
kolonisten zijn het vooral die begrepen hoe een doelmatige watertoevoer
ook de kwaliteit van de olie ten goede komt. Vandaar dat graven van
kanaaltjes rondom de boomen, om ’t water op te vangen. Men beweert dat
de olie van boomen die voldoende watertoevoer hadden, van veel betere
kwaliteit is, en zonder bitteren bijsmaak. Men kan dan ook op een
schuldbekentenis b.v. lezen: „ik ondergeteekende verklaar aan N. N.
schuldig te zijn zoo en zooveel olie, die behoorlijk met kanûnwater (=
Januari-regen) gedrenkt is, en zuiver, zonder bezinksel en bitteren
bijsmaak.” Naar men zegt is ook bij de verwaarloozende fellah-bewerking
een boomgaard van 150 boomen ruim voldoende om een fellah-familie te
onderhouden.
Kweekerijen voor jonge olijvenstekken ontbreken natuurlijk. Ook hier
helpt de fellah zich zelf. Uit de knoestigen stam spruiten tal van
jonge twijgjes—misschien is aan deze takjes het beeld uit Psalm 128 : 2
ontleend.—Deze takjes worden geoculeerd, en als ’t aanslaat, met een
stukje uit den stam, weggenomen en opnieuw geplant. Wil men een
volwassen, heel of half wilden olijfboom veredelen, dan brengt men ter
manshoogte in den stam een loot van een goeden olijfboom, en snijdt
boven deze entplaats de bast van den boom tot op het hout door, opdat
de sappen meer op de enting worden geconcentreerd. Het gevolg is, dat
dat jaar veel minder bloesems afvallen dan anders en dat de jonge loot
voorspoedig groeit. Na de oogst wordt dan de boom boven de geënte
plaats afgekapt, en de bewerking is gereed. In Rom. 11 : 17–24 spreekt
Paulus van het inenten van wilde takken op een goeden olijfboom. Dat is
dus precies omgekeerd als de gewone handeling. De apostel zegt dat ook
zelf in vs. 24 door op te merken dat dit een handeling is „tegen de
natuur”, om te scherper te doen uitkomen de genade die God aan de
heidenen bewees, door hen in te zetten in de goeden olijfboom: Israël.
Het valt op dat in den Bijbel steeds wijnstok en vijgeboom samen
genoemd worden, zelden wijnstok en olijfboom. Dat komt doordat de
olijfboom zijn plaats altijd alleen wil hebben, hij wil vrij staan. Hij
beneemt den in zijne nabijheid staanden wijnstok de levensvoorwaarden
door het voedsel uit den bodem tot zich te trekken, en met zijne dichte
takken lucht en licht aan den onder hem staanden wijnstok te benemen.
Hoewel de aldus vrij staande olijfboom een zeer hoogen ouderdom, vele
honderde jaren, bereiken kan, is het toch zeer onwaarschijnlijk dat de
olijfboomen in den hof van Gethsemane dezelfden zijn, die getuige waren
van den zielestrijd van den Heiland.
De olijfboomen in Palestina zijn lang niet altijd het eigendom van
dengene die den grond bezit, waarop ze staan. Menigmaal wordt de grond
verkocht, terwijl de boomen in het bezit blijven van den vorigen
eigenaar. Deze houdt dan het recht den grond rondom den boom—waar toch
niet gezaaid worden kan—om te woelen, en in den oogst de olijven te
plukken.
Einde September zijn de vruchten rijp. Ze worden deels geschud, deels
met stokken afgeslagen, zooals op onze plaat te zien is. Deze laatste
manier van oogsten komt dikwijls zeer ten nadeele van den boom zelf,
want daarbij worden dikwijls heel wat jonge takjes stukgeslagen, die
het volgend jaar zouden vrucht dragen. Het is dan ook merkwaardig, dat,
terwijl de door de fellahs behandelde boomen slechts om het andere jaar
vrucht geven, de duitsche kolonisten, die de vruchten niet afslaan,
maar plukken, elk jaar kunnen oogsten. ’t Is nog dezelfde manier als in
de dagen van het Oude Testament. Reeds in Deut. 24 : 20, wordt geboden
bij dit oogsten niet al te nauwkeurig toe te zien of er nog een is
blijven zitten: voor den vreemdeling, den wees en de weduw zal het
zijn. En in Jes. 17 : 16 wordt dit het beeld voor het „overblijfsel”
des volks na het oordeel: een nalezing zal daarin overig blijven,
gelijk bij de afschudding van den olijfboom, twee of drie beziën in den
top van de bovenste takjes.
De bijeengezochte vruchten worden gedurende tien tot veertien dagen op
het dak van het huis te drogen gelegd, of zooals men zegt: om te
gisten. Dan komen ze in de olijfpers, voor zoover ze nl. niet worden
ingezouten, om straks als voedsel te dienen. Maar de overgroote
hoeveelheid komt in de pers, of liever eerst in den molen, d.i. een
grooten steen, van boven in den vorm van een reusachtig tafelbord.
Daarop staat een ronden, schijfvormigen steen op zijn kant (beda), die
door een trekdier of met de hand op den ondersten steen wordt
voortgerold, op de manier als in de ook nog in Nederland te vinden
ouderwetsche oliemolens. In deze molens worden de olijven tot een brij
geperst (bidrusja). Deze brij brengt men vervolgens naar de eigenlijke
pers, waar op allerlei manieren de olie er uit gewonnen wordt: door
persen met steenen, trappen met de bloote voeten, of zelfs door er
kokend water op te gieten, waardoor de olie boven komt, en kan worden
afgeschept. Als Ex. 27 : 20 en 29 : 40 wordt gesproken van „gestooten
olie”, dan is dat natuurlijk eene toespeling op deze manier van olie
persen. Eveneens Job 29 : 6 waar Job spreekt van den tijd dat „de rots
bij mij oliebeken uitgoot”, bedoelt te zinspelen op dit persen in
steenen kuipen, waarbij de olie door een gleuf van den steen (= rots)
stroomt. Ook doet men wel de brij in een mand, waarop van boven druk
wordt geoefend, zoodat het sap door de mandopening wegloopt in een
bassin. De in de mand achtergebleven brijachtige massa dient als
voeder. Dat elke zindelijkheidsmaatregel ontbreekt, behoeft niet te
worden gezegd. Hoe vleeziger de olijf, hoe minder olie; de beste olie
komt van onrijpe olijven.
De aldus bereide olie dient als voedsel, om de lamp te branden, voor
zeepfabricatie, als geneesmiddel, als zalf enz. Volgens het duitsche
consulaatbericht uit Haïfa loopt de opbrengst alleen uit dat gebied tot
800.000 K.G. olie, die ongeveer voor de helft wordt uitgevoerd,
goeddeels naar Amerika. Reeds het Oude Testament weet van olie-uitvoer
naar Tyrus, Egypte enz. (1 Kon. 5 : 25; Ezech. 27 : 17; Hoz. 12 : 2).
Maar de manier van bereiden sluit natuurlijk uit dat goede
consumptie-olie op deze wijze kan gewonnen worden. De overgebleven pulp
na de uitpersing is een goede brandstof.
INHOUD.
Bladz.
Een woord vooraf V
Bij de bron 11
Woestijnbewoners 37
In een Bedoeïenentent 55
Herder en schapen 71
In de „pronk van den Jordaan” 87
In het dal der duisternis 95
Interieur van een fellahwoning 101
Een fellahwoning bij nacht 131
De maaltijd 145
Lot en meetsnoer 155
Een ploeger bij Nazareth 173
De dorschvloer 183
Zaad ziftende 197
In de olijvengaarde 207
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OOSTERSCH LEVEN ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you
are not located in the United States, you will have to check the laws
of the country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
the use of Project Gutenberg works calculated using the method
you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
within 60 days following each date on which you prepare (or are
legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
payments should be clearly marked as such and sent to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
License. You must require such a user to return or destroy all
copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free
distribution of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.