Langs Slingerpaden : een verhaal uit de Berkelstreek

By H. J. Krebbers

The Project Gutenberg eBook of Langs Slingerpaden
    
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this ebook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Langs Slingerpaden
        een verhaal uit de Berkelstreek


Author: H.J. Krebbers

Illustrator: Frans Van Noorden

Release date: January 30, 2024 [eBook #72834]

Language: Dutch

Original publication: Doetinchem: Uitgevers-maatschappij "C-Misset", 1916

Credits: Produced by R.G.P.M. van Giesen


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LANGS SLINGERPADEN ***
  LANGS SLINGERPADEN.




  Langs Slingerpaden


  EEN VERHAAL UIT DE BERKELSTREEK


  DOOR


  H. J. KREBBERS
  SCHRIJVER VAN "TOON BEVERS", ENZ.


  {Illustratie: logo}


  UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ "C. MISSET" DOETINCHEM.




  INHOUD.

  Hoofdstuk.                                              Bladz.
      I. Waarin men een straattooneeltje bijwoont en kennis
         maakt met de familie De Laat                        1
     II. De kennismaking wordt voortgezet                   12
    III. Het Speenvarkentje                                 21
     IV. Op visite bij De Laat                              25
      V. Hoe de kleine Steven zijn Speelmakker verloor      45
     VI. Een ongewenschte ontmoeting                        51
    VII. Een aanranding                                     56
   VIII. De kleine Steven bezoekt het kasteel Heiterloo en
         raakt leelijk in de klem                           64
     IX. Hoe dronken Teunis uit visschen ging en wat hij
         thuis bracht                                       76
      X. Op de Dorpskermis                                  84
     XI. De Beer                                            96
    XII. Een vervelende dag en een pleizierige avond       100
   XIII. De mislukte Vischvangst                           104
    XIV. Een vader, op weg om zijn zoon te zoeken          113
     XV. Moeder en zoon.                                   126
    XVI. Het einde van een verwoest leven.                 132
   XVII. Op stroopen uit                                   144
  XVIII. Een Paardenspel                                   152
    XIX. Een crisis                                        160
     XX. Besluit                                           164




I.

Waarin men een straattooneeltje bijwoont en kennis maakt met de
familie De Laat.


't Was een koude, heldere avond in 't laatst van October. Steven de
Laat, een ventje van zeven jaar, had op de dorpsstraat met zijn
makkers gespeeld en wilde juist het huis binnen gaan, toen 't op den
hoek, bij de tapperij van Klaas Brouwer, bijzonder rumoerig werd.
Een bekende dronkaard, Teunis Vlak, kwam met een uitsporigen zwaai
de kroeg uit en de straat op loopen en schreeuwde uit alle macht,
terwijl hij op een allergekste manier met armen en bovenlijf
zwaaide: "Wij gaan nog niet naar huis!" enz. Daar er in 't stil,
landelijk dorpje, dat we maar Veldwijk zullen noemen, slechts zelden
iets bijzonders gebeurde, trok de luidruchtige dronken man
buitengewoon veel belangstelling. Hij bracht weer eens wat leven in
de brouwerij, zooals men zegt.

"Dronken Teunis is weer aan den gang!" riepen de bewoners, die
nieuwsgierig uit hun huizen kwamen loopen, elkander toe en lachten
en schaterden om de komieke manier, waarop hij over de straat
laveerde.

Teunis scheen te meenen, dat hij zich door zoo mal te doen jegens 't
belangstellend publiek buitengewoon verdienstelijk maakte. Althans:
hij grijnslachte allerleelijkst en zong steeds weer van voren af
aan, dat hij nog niet naar huis ging.

"Ha, ha! -- die is goed!" lachte een spotvogel onder de
toeschouwers. "Hij heeft geen huis en hoe zou hij er dan naar toe
gaan? Zijn hut kan men toch geen huis noemen. De getuinde wanden
zijn met leem dichtgesmeerd; het dak is van half vergaan stroo,
dat hier en daar met mos en huislook begroeid is. Het ondereinde van
een eiken stam is de tafel; een wrakke stoel is schier 't eenige
meubel. De vent kan evengoed in 't arrestantenlokaal zitten."

"Misschien is 't wel zijn toeleg, om door de politie opgepakt te
worden!" zei bakker Joosten. "Hij komt dan voor niet een heelen
nacht onder dak. Morgen vroeg wordt hij weer vrij gelaten en kan dan
van nieuws beginnen. Ze hadden hem al lang naar de Schans moeten
sturen en hem noodzaken om met werken zijn brood te verdienen."

"'t Is een gevaarlijke kerel!" sprak nu boer Scholte, die met paard
en wagen in 't dorp was en daar een vaatje boter en een honderdtal
eieren bij den kruidenier afleverde en daarvoor waren terug nam. "Je
kunt je hier in 't dorp haast niet voorstellen, wat een last wij
buitenmenschen van dat brutale bedelvolk hebben. Als de vrouwen
alleen thuis zijn, dwingen en dreigen ze, om te krijgen wat er van
hun gading is. Ze zijn een ernstig, blijvend gevaar voor oppassende,
werkzame menschen." Hij groette, klom op zijn wagen en reed met het
schokkende, ratelende voertuig over den met keien geplaveiden
straatweg, terwijl hij 't paard in draf zette.


De nieuwsgierige dorpelingen, die nog altijd naar het dwaze doen van
den vagebond bleven kijken, zagen nu eensklaps veldwachter Van Braam
om den hoek heen komen en met haastige stappen naderen. De
ondergaande zon schitterde op de kleine koperen knoopjes, aan
weerskanten van zijn sjako-achtig hoofddeksel en de heel groote
knoopen van 't zelfde metaal, waarmee de voorzijde van zijn kaal
afgesleten lakensche jas versierd was.

Hij was een lang man met een deftige houding. Een dikken stok droeg
hij onder den arm en aan zijn linkerzijde hing de geduchte sabel.

"Wat is hier te doen?" vroeg hij barsch.

"De Bierton is weer dronken!" galmde de straatjeugd, die den
landlooper op de hielen volgde en een groot vermaak schepte in zijn
heen en weer zwaaien en zijn dronkemansgezang.

De veldwachter stapte kordaat op den vagebond toe, greep hem bij den
kraag van zijn ruigen pijekker, die hem, in verband met zijn vuile
pelsmuts, het voorkomen gaf van een ruigen beer en zei forsch: "Wel,
wel, Teunis, is 't weer zoo laat met je! Kom mee: 'k zal je wel even
onder dak brengen!"

Maar Teunis vond dit aanbod niet naar zijn zin. Hij zette zich
terdege schrap en zong of liever schreeuwde weer uit alle macht, dat
hij nog niet naar huis ging.

De straatjeugd en ook sommige volwassen lieden vonden dit zulk een
kluchtig tooneel, dat ze 't uitschaterden en staan bleven om te
zien, hoe 't zou afloopen. Zij zagen, hoe de veldwachter vooruit en
Teunis achteruit trok, hoe die twee struikelden over een straatkei,
in de goot vielen en in 't vuile water lagen te ploeteren en ze
barstten uit in een schaterlach.

Gelukkig kwam de nachtwacht nu te hulp schieten en met hun beiden
brachten ze den druipnatten landlooper in 't arrestantenlokaal. Men
kon hem echter ook toen hooren zingen, dat hij nog niet naar huis
ging.


"Vader! Moeder! De Glimworm kwam er aan en greep de Bierton, die
zong, bij den kraag. Maar de Bierton wou niet mee en trok aldoor
achteruit en de Glimworm trok vooruit en toen vielen ze allebei in
de goot en lagen er in 't vuile water te ploeteren ... och zoo
grappig!"

Met dit nieuws kwam de zevenjarige Steven de Laat het woonvertrek
binnenloopen. Hij had een kleur als bloed van den haast, dien hij
gemaakt had om 't groote nieuws aan vader en moeder te vertellen en
beefde van opgewondenheid en groote pret.

Zijn vader zat erg vermoeid in den leunstoel in 't warme hoekje van
den haard. Zoo pas nog was hij van een verre, hoogst bezwaarlijke
voetreis weer thuis gekomen.

De verkeersmiddelen van tegenwoordig, zooals spoor- en tramwegen,
waren toen in dit gedeelte des lands nog onbekende zaken, want wat
we nu beginnen te vertellen, is ongeveer een halve eeuw geleden
voorgevallen.

October had den goeden man bij 't scheiden als in boozen luim zijn
kille hagelbuien in 't gezicht geblazen of wel hem begroet met een
sneeuwjacht, waardoor niet enkel de streek als wit gepoeierd werd,
maar ook hij zelf in een sneeuwman veranderd scheen, die, voor de
afwisseling, zijn vaste standplaats verlaten had, om een uitstapje
te doen in de buurt en er een praatje te maken met een anderen
sneeuwman.

De landwegen, die hij had moeten passeeren, verkeerden in een
slechten staat; op sommige plaatsen waren 't modderpoelen en de reis
had geduurd van Maandag tot Zaterdag. Hij was dan ook zeer vermoeid,
zooals we reeds zeiden, en zat te knikkebollen tegen 't hoog
opvlammend haardvuur, alsof hij dit door middel van gebaren een
hoogst belangrijk geheim wilde mededeelen. Op dit oogenblik kwam
zijn zoontje met het voor dezen zoo gewichtig nieuws binnen stormen
en deed hem opschrikken uit zijn sluimer.

Verwonderd keek De Laat eerst zijn jongen aan en richtte vervolgens
de oogen op zijn vrouw, die juist bezig was om den avondmaaltijd
gereed te maken.

"Wat praat de jongen toch van de Bierton en den Glimworm?" vroeg hij
verbaasd. "Wat meent hij daarmee?"

"Och," antwoordde zijn echtgenoote lachend, "de jongens noemen
Teunis Vlak, omdat hij zoo dik is, de Bierton. En als de veldwachter
hem, wanneer hij dronken over de straat laveert, in 't
arrestantenlokaal wil opsluiten, scheldt Teunis hem om de glimmende
knoopen van zijn uniform voor "leelijke glimworm" en de jongens
hebben ook dien scheldnaam overgenomen."

De Laat schudde bedenkelijk het hoofd. "'t Bevalt me niet," zeide
hij ernstig, "dat de jongen zoo laat nog op straat loopt en allerlei
dingen ziet gebeuren, waarvan hij zoo lang mogelijk onkundig moest
blijven en er de lui scheldnamen leert geven. Waar is hij nu weer
zoo gauw gebleven? Zeker weer de straat op."

"Misschien wel," antwoordde zijn vrouw, ze opende de voordeur en
riep haar zoontje. Toen ze 't woonvertrek weer binnentrad, zei ze:
"'t Begint al aardig te vriezen. 't Zal een koude nacht worden."

Steven volgde haar op den voet en zijn vader liet zijn plan varen om
hem te berispen. Hij kon later immers evengoed zijn jongen
waarschuwen.

Spoedig stond nu de maaltijd gereed en zaten ze recht gezellig aan
tafel. Helder brandde de lamp en 't haardvuur verspreidde een
aangename warmte.

't Genot van spijs en drank deed den man weer heelemaal opleven. Hij
vertelde van 't geen hij op zijn reis alzoo gezien had.

"Ze zijn op 't Wolvenveld met een spoorbaan aan 't leggen," dus
begon hij. "Een troep polderwerkers is daar op een verwonderlijke
manier in den taaien leemgrond aan 't bolwerken. 'k Heb nog van mijn
leven zulk werken niet gezien. De één graaft en delft; de ander duwt
den zwaarbeladen kruiwagen tegen een smalle plank op en stort den
inhoud uit in een grooten wagen, die op ijzeren richels staat. Dat
alles geschiedt met een vlugheid en handigheid, alsof 't hun
volstrekt geen inspanning kostte. Als die wagens gevuld zijn, worden
er een dozijn of nog meer aanéén gehaakt. Dan komt er een
locomotief, zooals ze 't ding noemen, rookend, sissend en fluitend
over die richels aanrollen. Ze maken daarachter de wagens vast en
blazend, puffend en hijgend trekt hij ze voort, veel sneller dan een
paard loopen kan."

"Hoeveel paarden zijn daar dan wel voorgespannen, vader?" vroeg
Steven.

"Er loopen heelemaal geen paarden voor, mijn jongen!" was het
antwoord. "De voorste wagen, die locomotief heet, is gevuld met
kokend water en de damp van dat heete water brengt al die wagens in
beweging en doet ze loopen zoo snel als een vogel vliegen kan."

Steven vond dit verhaal veel verwonderlijker, dan dat van Klein
Duimpje of Asschepoester en haast te wonderlijk om het te gelooven.

"Ja," zei De Laat, "'t is een verwonderlijke uitvinding. Een paar
weken geleden stond ik vrij laat in den avond in een eenzame streek
aan een overweg van de spoorbaan en moest wachten, tot de laatste
personentrein gepasseerd was. 't Was donker; de lucht was bewolkt en
dreigde met regen; droomerig suisde de wind in de kale boomen en
ontlokte aan de telegraafdraden boven mijn hoofd allervreemdste
geluiden.

Op de plaats, waar ik stond, maakte de weg een bocht. Ratelend kwam
de trein aanstoomen. De twee groote lantaarns voor aan den
locomotief leken wel de vlammende oogen te zijn van een vreeselijk
monster uit de voorwereld. Daar was het vuurspuwend gedrocht vlak
tegen mij! 't Scheen zich van de spoorstaven te willen loswringen,
om op mij te komen aanstormen en me te vermorselen! 't Was een
gekletter van wielen en stangen, van ijzer op ijzer, alsof alles
kort en klein moest. Maar het vuurspuwend monster met zijn langen,
vurigen staart van helder verlichte wagens holde voorbij en liet een
ijselijk gegil hooren, dat mijlen ver over de streek weerklonk en
door de echo's herhaald werd.

Vermoeid van de lange reis leunde ik over den afsluitboom en dacht,
hoe mijn vader, die toch een moedig man was, geschrikt zou zijn, als
hij in zijn tijd dezen trein had zien voorbij-daveren en den vurigen
gloed had gezien, die er uit opsteeg en onheilspellend afstak tegen
de donkere lucht.


{Illustratie: "We gaan nog niet naar huis". (Pag. 3).}


De goede man ware de gevolgen van den doorgestanen schrik misschien
nooit weer te boven gekomen.

Maar zie! terwijl ik zoo dacht, kwam plotseling de boom, waarop ik
leunde, in beweging. Van 't verwijderde wachthuis werd hij omhoog
getrokken om den weg weer vrij te maken en ik ging mee de hoogte in.
Verschrikt liet ik me vallen en kwam vrij onzacht op den natten
grond terecht."

"Foei!" zei zijn vrouw huiverend. "Je zou armen en beenen hebben
kunnen breken! Maar," dus ging ze voort, "die spoorwegen maken 't
verkeer toch zeer gemakkelijk en goedkoop. Levensmiddelen en andere
zaken worden in weinig tijd naar de meest afgelegen plaatsen
vervoerd, zoodat er in gewone omstandigheden weinig of geen gevaar
meer bestaat voor hongersnood. Vroeger ging dit vervoer uiterst
langzaam per as en vaak over ongebaande en met tollen bezwaarde
wegen. 't is maar gelukkig, dat we binnen kort hier in de streek ook
zoo'n spoorweg zullen krijgen."

"Ja," zei De Laat, "die veranderingen met stoom en telegraaf zijn
ongetwijfeld verbeteringen. En wie weet, welke veranderingen we
mettertijd nog te wachten hebben. Sinds we kinderen waren, is er op
verschillend gebied al zooveel vooruitgang waar te nemen. Het heugt
me nog als de dag van gisteren, dat Teunis, de marskramer, hier de
eerste lucifers bracht. Wat hadden onze moeders vroeger een moeite
om 's morgens 't vuur aan te maken, als de gloeiende turfkool, die
ze den avond te voren onder de asch in den haard hadden begraven,
was uitgedoofd, wat nog al eens gebeurde. Vader moest dan met staal,
vuursteen en tonderdoos te werk, of wij moesten bij buurvrouw een
kool vuur gaan halen.

Nog zie ik in gedachten Teunis hier in 't hoekje zitten met de
bemodderde schoenen op de vuurplaat en de mars met kruidenierswaren
achter zich. Hij zag er dien keer heel gewichtig uit. Vrouw Stoffel
was juist een buurpraatje komen maken. Moeder bood haar een kop
koffie met een klontje aan en Teunis kreeg ook een kopje. Hij dronk
het met langzame teugen leeg en zei: 'Hé! daarvan frischt een mensch
weer heelemaal op!"

Hij zette een heel ernstig gezicht. Toen diepte hij uit zijn
broekzak een doosje op en zei: "U is altijd zoo vriendelijk om mij
een plaatsje te gunnen aan uw warmen haard en me nog bovendien op
een kop heerlijke koffie te trakteeren; nu heb ik ook iets
meegebracht, dat u in de huishouding kan te pas komen. Ziehier dit
doosje! 't Zit vol kleine houtjes met een rooden kop. Die zijn
allemaal voor u. Als u er zuinig mee te werk gaat, kunt u er wel een
maand mee toe."

"Maar wat moet ik met die houtjes uitvoeren?" vroeg moeder
nieuwsgierig.

"Neem er eens zoo'n stokje uit," antwoordde hij, "strijk het met den
ronden kop over den ruwen kant van 't doosje en je zult wat wonders
zien gebeuren."

Nu, moeder deed zoo en nu hoorden we een zwakken plof, we roken een
sterke zwavellucht en zagen het houtje branden. We schrikten er van
en meenden, dat er tooverij onder stak. En tegenwoordig denken we
niet meer om 't vreemde van 't geval. Zoo wordt alles tot een
gewoonte."


Toen De Laat tot hier met zijn verhaal van de vroegere toestanden
gevorderd was, keek hij verwonderd naar zijn zoontje, dat met open
mond zat te luisteren.

"Heb je muizen in jou zak, mijn jongen?" vroeg hij.

"Neen, vader," verzekerde Steven. "'k Zag van morgen wel een muis.
Toen ik wakker werd, zat er een op mijn bed. 't Beestje keek me met
zijn schitterende oogjes heel verwonderd aan. Toen sprong het weg.
Waar 't is heengeloopen, weet ik niet, maar in mijn zak is het niet
gekropen: 't liep een heel anderen kant uit."

"Maar ik hoorde toch ook een gepiep," zei de moeder. "Kom, trek je
buisje eens uit: 't is toch bedtijd."

Steven gehoorzaamde, want de slaap werd hem de baas. Zijn moeder
voelde eens in den binnenzak van zijn jas. Doch ze trok de hand weer
snel terug. "Hu!" riep ze, "er zit een groote rat in. Die had me
leelijk kunnen bijten."

"O neen!" zei Steven. "'t Is een van onze kuikentjes. 't Lag van
avond koud en stijf op den hardbevroren grond. Toen heb ik 't in
mijn zak gestoken en nu is 't weer warm en levend geworden. Kijk
maar!" riep hij vroolijk, terwijl hij 't jonge kopje, dat angstig
piepte, springlevend uit den zak te voorschijn haalde.

De ouders prezen hem om zijn zorgzaamheid voor 't kleine schepseltje
en moeder gaf hem verlof om nog zoolang op de stoof in 't hoekje van
den haard tegenover zijn vader te blijven zitten, totdat zij de koe
gemolken had. Hij kon dan, vóór hij ging slapen, nog een kopje
lekkere melk drinken.

Zij spoedde zich nu met een emmer naar de deel en nam 't kuikentje
en ook de lamp mee.


De huisvader schoof een paar houtblokken op den haard, waarboven nog
de waterketel hing te zingen en te stoomen. De oplaaiende vlammen
verlichtten de naaste omgeving en bij dit wisselend schijnsel kwam
't hem voor, dat het gezicht van zijn zoontje buitengewoon bleek
was. "Hoe is 't? Ben je een beetje ziek, mijn jongen?" vroeg hij
bezorgd.

"Neen, vader!" verzekerde Steven.

Hij bleef droomerig in 't vuur kijken.

De knaap verbeeldde zich, dat hem uit den gloed vreemde gezichten
aanstaarden, die zeer geheimzinnig knipoogden, maar al ras met een
vlies van witte asch overtogen werden en weer door andere gezichten
werden vervangen.

De vader hoorde op eens, tot zijn schrik, een geluid dat veel op 't
knorren van een varkentje geleek.

"Foei, jongen, wat heb je een akeligen hoest!" zei hij. Steven bleef
met opmerkzaamheid de gezichten in den haard beschouwen en lette
niet op wat zijn vader zei.

Eenige minuten later, juist toen de vlammen verstoppertje speelden
en 't vertrek in 't duister lieten, herhaalde zich hetzelfde
knorrende geluid.

"Hoor eens, mijn jongen!" riep nu de verschrikte vader, "dien hoest
van jou bevalt me volstrekt niet. Morgen ga je mee naar den dokter,
hoor! Heb je 't erg benauwd, mijn ventje?"

"Neen, vader!" antwoordde Steven in gedachten.

Maar daar hoorde men 't zelfde geluid weer.

De vader sprong verschrikt op van zijn stoel. Hij wilde naar de deel
snellen om zijn vrouw te vertellen welk een leelijken hoest hun
zoontje toch had, doch ging weer zitten, toen hij bedacht dat het
goede mensch met het melken gedaan moest hebben, eer ze komen kon.
En hij wilde haar niet noodeloos doen schrikken.

Welhaast kwam ze dan ook met een emmer vol schuimende melk van de
deel. Steven kreeg daarvan een kopje vol en dronk dit vlug leeg.

Toen vulde ze een bakje met melk en ging daarmee eveneens naar den
hoek waar haar jongen zat. Naast dezen stond een groote mand, die
met een leegen hennepzak was toegedekt en zij diepte daaruit een
spierwit speenvarkentje op. Terwijl ze 't met den linkerarm omvat
hield, stak ze het den voorvinger van de linkerhand in den bek en
duwde toen 't snuitje van den kleinen hongerhals in de melk. 't
Aardig diertje begon op den vinger te zuigen en kreeg meteen een
goede portie melk binnen. "Hoe kom je aan dat varkentje?" vroeg haar
man, wien nu op eens het heele geval duidelijk werd.

"Och ja, 'k vergat dit nog te zeggen," antwoordde ze. "Boer Hulzebos
heeft het ons van middag gebracht. Zijn zeug heeft dertien biggen
gekregen en ze kon er maar twaalf zoogen: het ééne moest daarom
worden opgefokt en omdat hun dit teveel tijd kostte, bracht hij 't
ons maar."

"Dat is dan alzoo een buitenkansje," zei De Laat. "Melk hebben we
genoeg, meel kunnen we koopen en zoo zal 't beestje wel vet worden."

Toen 't varkentje genoeg gedronken had, zette de vrouw het weer in
de mand en dekte er den zak weer overheen.

En weldra was Steven nu ook te bed gebracht en lag hij gerust te
slapen.


"'t Bevalt me van onzen jongen, dat hij zoo'n dierenvriend is," zei
De Laat, toen zijn vrouw naast hem was komen zitten. "Hoe aardig van
hem, om dat kuikentje in zijn zak te warmen!"

"O ja," zei de moeder met trots. "Hij is vrij wat vlugger en
verstandiger dan andere kinderen van zijn leeftijd."

De glimlach die, toen ze dit zeide, haar gelaat verhelderde,
verhoogde haar schoonheid zoo zeer, dat haar man er zich over
verwonderen moest en zich gelukkig achtte dat hij uit de donkerheid,
de guurheid, de drukkende eenzaamheid en de onveiligheid daar
buiten, na een afwezigheid van zooveel moeilijke dagen, in den zoo
vriendelijken huiselijken kring was teruggekeerd.




II.

De kennismaking wordt voortgezet.


Steven de Laat, -- de vader, -- was handelaar in tuinzaden. Hij was
een goedaardig, in zichzelf gekeerd man, middelmatig groot en gezet
van postuur.

Zijn kennissen zeiden schertsend van hem, dat hij op _een grooten
voet_ leefde. Zij hadden geen ongelijk, in zoover zijn voeten
buitengewoon groot waren, even alsof hij ze door 't vele loopen
uiteen getrapt had en ze daardoor langzamerhand zoo breed geworden
waren.

Door de vele voetreizen en 't geregelde verkeer in de buitenlucht
was hij tegen wind en weder gehard.

Alle wegen en paden daar in de streek kende hij en kon hij zelfs bij
duisteren nacht passeeren, zonder gevaar van te verdwalen. Overal
voelde hij zich thuis en op zijn gemak.

Gelijk veel menschen, die vaak alleen zijn, was hij gewoon om nu en
dan half luid in zichzelf te spreken, of wel hardop te loopen
denken, zooals men zegt.

Steunend op een dikken, eikenhouten stok met een looden knop, welk
wapen hem nog daarenboven diende om er zich de kwaadaardige
wachthonden op de eenzaam gelegen boerenhoeven mee van 't lijf te
houden, en met een groenen reiszak op den rug, zagen de lieden die
nevens den weg woonden hem op vaste tijden voorbijkomen.

Hij was een voor zijn tijd vrij ontwikkeld man en deed alle werk met
overleg.

De grond in zijn woonplaats was bijzonder geschikt om er groenten
op te verbouwen en zaden te telen. De laatste behoefde hij voor zijn
handel. Hij kocht ze bij hoeveelheden van de boeren en verkocht ze
met groote winst weer in 't klein.


Vrouw De Laat leek, voor zoover haar kleeding en spraak betrof,
vrijwel op de boerinnen daar in de streek. Doch heur hagelwitte
neepjesmuts was mooier en van een kostbaarder stof; de gebloemde
borstdoek, het jak en de rok van donkere kleur en de blauwe
boezelaar met gebloemden rand kleedden haar bijzonder goed. Ze was
een wakkere vrouw, een voorbeeld van rustige werkzaamheid, met een
vriendelijk open gelaat, groote, sprekende oogen en een zachte,
aangename stem.

Beleefd en vriendelijk was ze ook jegens de armsten en zoo kreeg ze
daardoor zelden andere dan vriendelijke gezichten te zien. In dit
opzicht gelijkt de wereld een spiegel, die 't gelaat te zien geeft,
dat men hem toekeert. Iedereen komt onder de bekoring van een
vriendelijke verschijning.

Steven, het zoontje, was hun éénig kind. Hij was gezond, vlug en
vrij schrander. Maar, -- zooals dit vooral toentertijd bij tal van
jongeluitjes op 't platteland het geval was, -- hij speelde veel
liever buiten met zijn makkers of met de met hem bevriende
huisdieren dan naar school te gaan, te leeren en

  "Te zitten op die harde banken;
  Te kijken naar die zwarte planken
  En zoet te zijn als domme Jool."

Zijn vader meende, dat hij geregeld de school bezocht. De goede man
was in de week maar zelden thuis. Zijn vrouw wist echter wel, dat
haar zoontje, van wien ze zulke groote verwachtingen had, een
sterken afkeer had van 't schoolgaan en ze had hem zelf herhaalde
malen gebracht naar 't onoogelijk gebouw, bezijden de kerk, dat voor
school dienst deed, maar veel meer geschikt ware geweest voor
pakhuis. Voor een levenslustig ventje als Steven was 't werkelijk
een erge straf, om daarin dag op dag vijf uur achtereen opgesloten
te zitten, terwijl daar buiten de vogels lustig floten, de bloemen
fleurden en geurden en de dieren in veld en weide zich in hun
vrijheid verlustigden.

Op eens scheen de knaap echter zijn tegenzin in 't naar school gaan
overwonnen te hebben. Hij klaagde 's morgens niet meer als vroeger
over hoofdpijn of buikpijn, maar verliet tijdig de ouderlijke woning
en ging gewillig heen. De moeder verwonderde zich over dit
veranderde gedrag van haar jongen en toen hij op een morgen weer
heel parmantig de deur uitging, volgde zij hem ongemerkt. Ze zag hem
het huisje van een buurman binnengaan en volgde hem. De oude moeder
Teunissen zat ijverig te spinnen, maar Steven was niet te zien.

"Zeg eens, buurvrouw, waar is onze jongen?" vroeg ze.

't Oude mensch hield bijzonder veel van Steven en daar ze zelf lezen
noch schrijven kon, begreep zij ook volstrekt niet, welk belang er
iemand bij hebben kon, om zich zoo jong al in die nuttige kunsten te
oefenen. Ze beantwoordde de vraag dan ook vrij bits met de
wedervraag: "Hoe kan ik dat weten?"

"Wel, ik zag hem zoo pas hier binnengaan. De jongen moet hier zijn
en voor den dag komen ook."

"Dan moet je maar zoeken, tot je hem vindt!" zei de oude vrouw. "Je
wilt hem zeker weer naar die nare school sturen."

"Wel wis en zeker!" was 't antwoord. "De jongen _moet_ en _zal_
leeren! Wat zou er anders van hem terecht komen?"

"Je plaagt jou jongen met dat naar school gaan en dat leeren! En 't
is toch zoo'n aardig kereltje! 'k Begrijp heusch niet, hoe je 't
over je hart kunt verkrijgen om hem heele dagen in zoo'n akelige
gevangenis op te sluiten! En al dat leeren dient nergens voor.
Gingen de boerenmenschen vroeger ook naar school? De meesten dachten
er niet aan, het te doen. En ze zijn er ook buitendien wel gekomen,
hoor!"

Zoo ging 't oude, goedhartige moedertje voort haar buurvrouw te
bekijven. Deze keek intusschen het heele vertrek rond. De kleine, in
lood gevatte ruitjes van 't éénige raam verlichtten maar flauw het
armoedig woonvertrek en lieten de hoeken in een schemerig donker.

Het haardvuur, van wat turf en schadelen opgebouwd, gloeide in den
ijzeren pot zonder ooren, die, tot aan den rand in den grond
gegraven, voor stookplaats diende. Een gedeukte, met een dikke
roetkorst bedekte waterketel hing er boven aan den berookten
"haolketting" en zong zulke eentonige, vreemde deunen, dat men er
droefgeestig van worden moest.

Over den vloer, bestaande uit vierkante vakken van keisteentjes,
door een band van op den kant gezette roode metselsteenen omlijst,
dribbelde taterend een bedrijvige kip rond en zocht er naar
broodkruimels. Maar van Steven was geen spoor te ontdekken.

"Waar zou de jongen toch zitten?" dacht de moeder.

Daar zag ze opeens achter de rokken der oude vrouw heen een
kinderklomp te voorschijn komen. Steven, die zijn moeder had zien
aankomen, had daarachter een schuilplaats gezocht. Nu was hij
ontdekt en werd, ondanks het gekijf van vrouw Teunissen, door zijn
zorgzame moeder aan school afgeleverd. "'t is mijn jongen en ik ben
voor hem aansprakelijk!" zeide ze.

Ook na dien tijd werd Steven nog herhaalde malen in school gemist.
Maar op Vrijdagnamiddag zag men hem toch geregeld in de lange bank
naast zijn makkers plaats nemen. En 't liedje, dat dan bij 't begin
wel eens werd aangeheven, zong hij uit volle borst mee:

  "Komt, makkers, 't schooluur heeft geslagen,
  Waarnaar elk kind om 't zeerst verlangt." enz.

Hij hield dan ook veel van zingen en had een goede stem. Maar de
grootste aantrekkelijkheid voor de jeugd hadden dan toch de
vertellingen van den onderwijzer, waarin men reizen maakte te land
en ter zee. De kale muren van 't somber en donker schoolvertrek,
waarbinnen vaak een onaangename lucht heerschte, schenen dan
plotseling voor de verbeelding der eenvoudige landjeugd te
verdwijnen. Men bezocht in gedachten vreemde landen en nog vreemder
menschen en leefde in vollen ernst met hen mede.

Ja, die Vrijdag-namiddagen waren ook toentertijd in die oude,
ondoelmatig ingerichte plattelandsscholen wel eens bij uitstek
vormend voor verstand en hart. Ook de leesboeken, schoon lang niet
zoo doelmatig als die tegenwoordig gebruikt worden, bevatten tal van
verhalen, welke spraken tot gevoel en verbeelding. Daaraan vooral
was het toe te schrijven dat Steven, toen hij eindelijk die boeken
kon lezen en begrijpen, er toe werd aangezet om de lessen meer
geregeld bij te wonen.


Vader De Laat had gelijk, toen hij zeide dat zijn zoontje een echt
dierenvriend was. De honden uit de buurt kwamen kwispelstaartend
naar hem toe. Hij deelde wel eens zijn boterham met hen en ze waren
hem daarvoor op hun wijze erkentelijk.

Onder den maaltijd zat de groote, zwartbonte poes gewoonlijk op een
stoel naast hem te spinnen en telde hem, zoo te zeggen, de brokken
in den mond. Van tijd tot tijd tikte ze hem met haar poot op den
arm, om hem een stukje af te bedelen. En ze bereikte daarmee
gewoonlijk haar doel. En als dit niet spoedig genoeg 't geval was,
begon ze heel vlijtig te spinnen, als wilde ze zich op die manier
voor de huishouding verdienstelijk maken.

Daar zijn vader maar zelden thuis was, hechtte de knaap zich meer
aan zijn moeder. Deze vond in zijn gezelschap een zeer gewenschte
afwisseling in haar overigens vrij eentonig leven. Ze vermaakte zich
met zijn gekeuvel en zijn spelen met de huisdieren. Vooral het
speenvarkentje speelde een belangrijke rol in de kleine huishouding.
Steven rolde met het zindelijk diertje gedurende de donkere
winterdagen om en om in 't hooi, dat Bles stond te verorberen. Het
groot, goedaardig beest zag de twee luidruchtige worstelaars, van
wie de één door geschater en de ander door geknor zijn pret te
kennen gaf, zwijgend aan met een gezicht, als wou ze zeggen: "Ja,
ja, spelen jelui maar! Je weet er nog niemendal van, wat er al zoo
in de wereld te koop is, maar zult het spoedig genoeg leeren!"

Als de jongen naar school was, vond de moeder 't erg leeg en stil in
huis. De hangklok aan den wand, waarvan de wijzerplaat met roode
rozen beschilderd was, tikte dan buitengewoon hard, vond ze; de
waterketel boven 't vuur zong dan zulke zwaarmoedige deunen, dat ze
wel eens de deur uit ging, om zich wat te verzetten. En als de
school uitging, stond zij haar jongen aan de straat op te wachten;
ze vermaakte zich met zijn gekeuvel en vond, dat hij al bijzonder
verstandig praten kon, haast net als een groot mensch. Ze vertelde
op een keer aan buurvrouw Teunissen, hoe knap haar jongen al was en
hoe wijs hij praten kon, maar de goede oude schudde bezorgd het
hoofd. "'t Ventje wordt niet oud!" zei ze treurig. "Dat stil zitten
in school en dat gestadig leeren deugt volstrekt niet voor hem."

"Gekheid!" antwoordde de moeder. "Andere kinderen leeren immers ook
en blijven toch gezond en in leven; waarom zou onze jongen juist
daarvan ziek worden?"

Maar toch bleef die herhaalde verzekering van 't oude mensch haar
onaangenaam stemmen. Ze vond het noodzakelijk, dat Steven geregeld
onderwijs kreeg en wilde toch voor de heele wereld niet, dat zijn
gezondheid schade leed. Zij gaf hem daarom aan tafel de lekkerste
beetjes en kocht hem allerlei speelgoed. Bovendien stond ze toe, dat
hij zijn halven spaarpot in een mooi beursje in den zak had, om er
gekleurde griffels of andere benoodigdheden voor aan te schaffen. En
daar hij de waarde van 't geld niet kende en niet bij ondervinding
wist, hoeveel moeite 't vaak kost om enkele stuivers te verdienen,
was hij er ook volstrekt niet zuinig op.

Hij was goedhartig en mededeelzaam, zoodat zijn makkers veel van hem
hielden.

Op een morgen kwam Tonia, het dochtertje van den nachtwacht Jansen,
schreiend naar school.

Steven hield veel van 't aardige meisje. Hij staakte daarom zijn
spel, ging op haar toe en vroeg wat haar scheelde.

"'k Heb mijn schoolgeld verloren en moeder heeft ook geen centen
meer in huis, dat weet ik wel," zei ze snikkend.

"O, is 't anders niet!" sprak hij geruststellend. "Hier heb je vijf
centen, geef die maar aan meester." Tonia stond een oogenblik
verbaasd te kijken. Vijf centen, waren voor 't arme kind een heele
schat. Haar mooie kijkers werden verwonderlijk groot. Ze staarde
naar de toegestoken hand met de centen er in, als wilde ze vragen:
"Voor mij?" Ze draalde met het aannemen van den zoo bereidwillig
geboden schat, uit vrees dat de jongen gekscheerde en de hand met
het geld lachend zou terugtrekken, als zij die wilde aannemen.

"Wil je ze niet hebben?" vroeg Steven verwonderd.

"O, heel gaarne," zei ze, terwijl zij ze aannam. "Ik denk, dat ik ze
Maandag wel weer kan teruggeven."

"Dat hoeft niet!" verzekerde de knaap. "'k Heb nog centen genoeg in
mijn spaarpot en daar komen er iedere week nog wat bij. Vertel maar
niet in huis, dat je 't geld verloren hebt, want dan zou je nog
knorren krijgen."

"Wat ben je toch goed! Dank je!" zei het meisje en spitst de lippen,
alsof ze hem een zoen wou geven, maar niet durfde. Haar schoone,
donkere oogen schitterden van dankbaarheid en vreugde tevens, omdat
ze nu uit die groote moeilijkheid gered was. Met haar blauw
boezelaartje droogde ze haar tranen en ging met de anderen opgeruimd
het schoolgebouw binnen.

Steven zag haar na en onwillekeurig richtten zijn blikken zich naar
de plaats, waar zij zat, toen ook hij zijn plaats op de schoolbank
had ingenomen.

Hoe vriendelijk werd ze door den meester toegesproken! En hoe deed
ze haar best met leeren!

"Ik moet ook mijn best doen!" dacht de knaap. En hij was dien morgen
met leeren al zijn makkers de baas.

  *   *
    *

Het huis, waarin De Laat met vrouw en kind woonde, verschilde weinig
van een gewoon boerenhuis daar in de streek. Evenals deze stond het
ook met de achterzijde naar de straat gekeerd. Het ruime achterhuis
met den leemen dorschvloer had hier grootendeels gemist kunnen
worden. In den grooten stal, die eertijds een viertal koeien tot
verblijf had gestrekt, stond nu alleen Bles en 't ruime varkenshok
herbergde nu 't speenvarkentje.

Door de tusschendeur kwam men in de keuken, die ook hier tot woon-
en tevens tot slaapvertrek diende. Twee paar groene gordijnen aan
weerszijden van den haard verborgen de hooge, met ganzeveeren
gevulde bedden in de ruime slaapsteden.

Aan den Zuidkant leidde een trap over den keldermond naar de
zoogenaamde opkamer.

Het raam dezer laatste bood een heerlijk uitzicht over de schoone
streek met haar graan- en aardappelvelden, weiden, kreupelbosschen
en boomen. Op den achtergrond verhief zich 't bosch van het kasteel
Heiterloo.

Op menigen zonnigen winterdag, als de boomen kaal stonden, kon men
de vergulde windvaan op den toren van 't kasteel zien glinsteren en
blinken. De kleine Steven kon er soms lang naar zitten staren en als
hij zoo vertrouwelijk zat te keuvelen met zijn vriendin Tonia van
den nachtwacht, was dat geheimzinnige schitterende vaantje vaak het
onderwerp hunner gesprekken. Het kasteel zelf hadden ze ook al eens
uit de verte gezien. Het was zoo groot, zoo hoog en zoo mooi, dat
het naar hun meening niet ter woning strekte aan gewone menschen,
maar tot verblijf moest dienen van hooger wezens.




III.

Het Speenvarkentje.


Het speenvarkentje groeide als kool. 't Bracht heel wat gezellige
drukte in 't kleine huishouden. In weinig dagen leerde het al, de
hem aangeboden melk zelf uit het bakje te drinken. In 't eerst was
het erg kouwelijk en moest bij den haard in de overdekte mand
blijven huizen. Doch dit werd gaandeweg beter en iederen volgenden
dag mocht het een poosje langer blijven voortscharrelen over de
kleine steentjes in 't woonvertrek. Onder een vroolijk geknor
snuffelde 't nieuwsgierig in alle hoeken en maakte telkens weer de
grappigste sprongen, zoodat Steven 't uitschaterde van plezier. En
't leukste was wel, dat het al druk begon mee te praten over alles
en nog wat. Vooral als de moeder 't woord tot een der anderen
richtte, begon 't aardig diertje terstond heel ernstig met
vriendelijk geknor te antwoorden en stak dan tevens heel gewichtig
de ooren op, alsof 't wou zeggen: "Ja, mijn lieve mensch, als ik met
mijn groot verstand er niet was, zou 't er slecht voor jelui
uitzien!"


De winter naderde met rassche schreden. 's Morgens was daarbuiten
vaak alles met rijp overdekt. De doornhaag, die het tuintje omsloot,
was wel zijn bladertooi kwijt, maar ieder takje, met ontelbare
ijskristalletjes bezet, fonkelde allerheerlijkst in 't zonlicht. De
boomen waren even sierlijk getooid. Maar 't mooist waren toch de
dennenbosschen daar in de buurt. Als met zilveren webben waren ze
overspannen en de ontelbare dauwdroppels, die er aan hingen,
schitterden als juweelen. Iederen morgen bracht iets nieuws en moois
voor de streek. Nu eens baadden velden en bosschen in den
zonneschijn, dan weer was alles als met een zilveren nevel
omwikkeld. Het speenvarkentje lette daarop echter in 't minst niet.
Het sprong en dartelde met Steven om de woning rond en als het moe
was, werd het weer in zijn mand bij den haard getild en kroop
heelemaal weg in zijn strooleger. Aan zijn moeder, van wie hij zoo
vroeg al gescheiden was, dacht het nooit meer.


Het was een paar maand later.

Toen Steven op een morgen ontwaakte en tusschen de bedgordijnen door
in 't woonvertrek gluurde, zag hij daar zijn zorgzame moeder al
ijverig bezig met den vloer aan te vegen.

En op den haard brandde 't vuur zoo lustig, als wou 't het groote
vertrek geheel een zomersche warmte meedeelen en nog bovendien 't
water in den ketel, die er boven hing, aan den kook brengen. Het
water zong nu zoo droefgeestig, alsof het er een voorgevoel van had,
dat het welhaast als thee zou verhuizen naar een menschenmaag. Een
gedeelte er van wist nog bijtijds in den vorm van stoom door de tuit
te ontsnappen en zich zoo in vrijheid te stellen. Het vuur bleef
intusschen lustig door branden en deed de tinnen en koperen borden
en schotels, welke langs de wanden achter houten richels waren te
pronk gezet, blinken met een verwonderlijken gloed.

Steven vond het er nu zoo gezellig, dat hij aanstalten maakte om op
te staan. Zijn moeder, die dit merkte, zei echter: "Blijf nog maar
wat in bed, mijn jongen! Je ligt er zoo lekker warm en 't is buiten
koud. Ook hier in de keuken is 't nog ver van warm."

"Neen, 'k moet nu opstaan," antwoordde Steven.

"Waarvoor zoo vroeg al?" vraagde de moeder.

"'k Moet naar mijn speenvarkentje!" antwoordde hij. "'t Ligt in zijn
hok zoo erg alleen. 'k Zal 't in de keuken bij 't vuur brengen en
eten geven. Gisteravond heb ik nog een grooten bos stroo in zijn hok
gebracht. O, hij was er zoo blij mee! Hij gilde 't uit van pleizier,
maakte een groot gat en kroop er met prettig geknor heelemaal in.
Maar als 't nu 's nachts zoo bitter koud wordt, was 't misschien
beter dat ik 't maar bij mij in bed nam. Wat dunkt u er van,
moeder?"

"Gekheid!" zei deze. "Een varkentje hoort te slapen in een bed van
stroo; dat is voor 't beestje warm genoeg, hoor!"

"U moet niet meenen, dat hij onzindelijk is," -- pleitte Steven.
"Als hij iets doen moet, wat zijn leger vuil zou maken, gaat hij
altijd naar dezelfde plaats in den hoek."

"'k Weet het," antwoordde de moeder. "Als de hokken maar goed droog
worden gehouden, zijn de varkentjes gewoonlijk heel zindelijk. Maar
we kunnen ze daarom nog niet bij ons in 't bed nemen."

Bles deed juist haar morgenmaal met geurig hooi. En toen ze nu
moeder en zoon in 't woonvertrek zoo gezellig hoorde keuvelen, wilde
ze blijkbaar ook een duit in 't zakje gooien, want ze begon zoo echt
goedaardig te brommen: "Hammm! hmmm!" Want klinkers gebruikte Bles
alleen, als ze heel hard moest roepen. Dan zei ze: "Boe!" en de
heele buurt kon 't hooren.

"Bles roept mij al," zei Steven. "'t Is hoog tijd, dat ik er uit
kom."

Vrouw De Laat hield haar jongen niet langer tegen en welhaast was
hij 't bed uit en in de kleeren. En 't eerste wat hij deed, was, zoo
vlug mogelijk naar de deel te loopen en de koe, die hem in blijde
verrassing brommend en snuivend een goeden morgen wenschte, bij den
gehoornden kop te pakken en er zijn gezicht tegen aan te drukken.
Het goede dier likte hem met haar stekelige tong, wat voor Steven
alles behalve een genot moest zijn, maar hij was niet kleinzeerig en
wist, dat de bedoeling goed was.

Toch kon hij soms onmogelijk een pijnlijken gil onderdrukken.
Daardoor werd in 't aangrenzende hok het speenvarkentje gewekt. Blij
gillend kroop het uit den bos stroo, die hem tot nachtleger gediend
had en sprong driftig knorrend en gillend tegen de deur op. 't Was
duidelijk, dat hij daarmee zeggen wou: "'k Wil er uit! Laat mij er
uit! 'k Wil ook van de partij zijn!" Steven, aldus op de
aanwezigheid van zijn speelmakker opmerkzaam gemaakt, -- hoe had hij
hem, al stoeiend met Bles, kunnen vergeten? -- haastte zich, de deur
te openen. Het beestje liep hem knorrend en gillend zoo uitgelaten
mogelijk om de beenen en bewoog blij zijn sierlijken krulstaart heen
en weer. Steven pakte 't beet en ging er mee aan 't rollen en
wentelen in 't hooi, dat Bles tot morgenmaal diende. 't Goedaardig
beest lekte de twee pretmakers, waar ze die maar kon vatten en nam
ondertusschen zoo nu en dan een hap hooi, ze zette daarbij zoo'n
vriendelijk, ernstig gezicht, als ware ze de eigen moeder van 't
stoeiende tweetal en moest ze dit onder haar bescherming nemen. Doch
opeens uitte de jongen een smartkreet, die 't varkentje hevig deed
schrikken. Bles had met een plok hooi ook een bosje van zijn
hoofdhaar gepakt. Op zijn kreet liet ze oogenblikkelijk den heelen
hap vallen en pakte een anderen van een meer verwijderde plaats.
Daarbij schudde ze nadenkend haar ruigen kop, als wou ze zeggen:
"Ja, ja! voor wie met dat jonge goedje moet omgaan, is oppassen de
boodschap. Maar met dat al is 't hier toch een recht gezellig
huishouden."




IV.

Op visite bij De Laat.


De Laat en zijn vrouw werden door de boeren, die de tuinzaden
leveren en, ondanks de schaarschte van 't geld in dien tijd, toch
steeds in klinkende munt betaald werden, zoo nu en dan op visite
genoodigd.

De Laat zelf bewees men daardoor geen dienst. Aangezien hij vaak 't
grootste gedeelte van de week op reis was, zou hij, eenmaal thuis
zijnde, er ook liever in den kring van zijn gezin zijn gebleven. Dat
hij niettemin geregeld aan die uitnoodigingen voldeed, geschiedde
alleen ter wille van zijn vrouw, die anders maar zeer weinig
afwisseling had in haar leven.

Maar wie ter visite gaat, moet op zijn beurt ook weer gasten
ontvangen. En zoo had onze zaadhandelaar op zekeren avond in Januari
de met hem bevriende boeren en hun vrouwen ten zijnent genoodigd. En
hij was wel zeker, dat niemand hunner buiten noodzaak zou
wegblijven, omdat hij bij zulk een gelegenheid elk der gasten
betaalde, wat ze voor de door hen geleverde zaden te vorderen
hadden.

Het was een sombere, donkere avond. De lindeboomen, die bij wijze
van zonnescherm voor de gevels van sommige huizen waren heengeleid,
de vruchtboomen op de erven en de kastanjeboomen langs de straat, ze
stonden daar alle recht spokerig, terwijl hun knoestige takken
dropen van water. Geen tochtje bewoog ze en zoo stonden ze daar als
dood.

De lucht was dik bewolkt en op de dorpsstraat, die nog door geen
enkele lantaren verlicht werd, heerschte een drukkende stilte, alsof
het heele dorp was uitgestorven.

Op eens verbrak de oude torenklok het algemeen zwijgen door zes
brommende slagen, die nog eenige oogenblikken erg vreemd in de
donkere ruimte nagalmden. Die klokslagen schenen op de omgeving een
tooverachtige uitwerking te hebben uitgeoefend want in 't volgend
oogenblik hieven de wachthonden op de naburige erven een echt
nijdig, schor geblaf aan en op de modderige landwegen bij het dorp
werd een plassend gedruisch vernomen. Spoedig daarop klonk er een
geratel van belang op de straatkeien en verschillende huisdeuren
werden in groote haast geopend, terwijl tal van gezichten
nieuwsgierig naar buiten gluurden en tal van stemmen vroegen: "Wat
is er toch te doen?"

De nieuwsgierigen merkten al ras, dat die opschudding werd
veroorzaakt door een zestal boeren-kleedwagens, die achter elkaar
het dorp kwamen inratelen. In elk daarvan zaten een boer en zijn
vrouw.

Spoedig waren de paarden in den ruimen schuurstal der voornaamste
dorpsherberg tegenover de kerk onder dak gebracht en de boeren en
boerinnen begroetten elkaar op de gewone, luidruchtige manier van
menschen, die meestal in de buitenlucht verkeeren en hun stemmen
moeten uitzetten om met elkander of tegen hun paarden te praten.

De Laat stond in de deur zijner woning hen op te wachten en heette
hen hartelijk welkom.

Een weldadigen indruk maakte het door een petroleumlamp helder
verlichte, ruime woonvertrek op de bezoekers. Het haardvuur brandde
zoo lustig en in 't vertrek heerschte zulk een aangename warmte. 't
Was hier vrij wat genoegelijker dan in de nauwe, schokkende wagens,
waarin ze een geruimen tijd in 't kille duister door modder en slijk
waren voortgetrokken, telkens gevaar loopend om door de hevige
schokken in de "knijpgaten" uit het voertuig te worden geslingerd.

Na den gastheer en zijn vrouw als oude kennissen gulhartig te hebben
begroet, namen de boeren plaats bij den haard en de vrouwen om de
ronde tafel, waar de stoelen voor hen waren gereed gezet. De
boerinnen waren ieder nog voorzien van een warme stoof.

De gastheer had zijn gewone plaats in 't hoekje van den haard
ingenomen en zat daar recht genoegelijk zijn pijp te rooken. Hij
liet zijn goed voorziene zilveren tabaksdoos de rondte doen en
welhaast zaten de mannelijke leden van 't gezelschap te dampen, dat
het een aard had.

De vrouwen hadden daarvan geen hinder, omdat de rook door den
schoorsteen ontsnapte.

't Was er recht gezellig.

De koperen-, tinnen- en porseleinen schotels en borden, langs de
wanden overeind gezet, blonken verwonderlijk mooi en de bijbelsche
tafereelen, die met bonte kleuren op de witte haardtegels
geschilderd stonden, schenen door 't hoog opvlammend vuur als
bezield.

En hoe gezellig tikte de groote, staande klok in den hoek, die niet
alleen den stand der maan, maar tevens den naam van maand en dag op
de sierlijk beschilderde wijzerplaat te zien gaf.

De stil heen en weer spoedende, altoos bedrijvige huismoeder had de
koffie al gezet en was nu bezig die in te schenken. Ze legde
bovendien in ieder schoteltje een stuk kandij, anders gezegd een
klontje.

Gezelliger dan hier kon 't wel nergens zijn. En dit alles was nog
maar 't begin van 't feestelijk onthaal.

Allen verkeerden dan ook in een opgeruimde stemming.

De vrouwen begonnen den gezelligen kout. Gewoonlijk waren ze over
dag druk met de huishouding en avond op avond ijverig met het
spinnen van vlas in de weer, om 't benoodigde garen voor een goeden
voorraad "eigengereid" linnen te bekomen, zoodat er dan geen tijd
tot praten overbleef. Nu toonden ze al dadelijk, door tegelijk te
spreken, een geducht pak nieuws op 't hart te hebben en zielsblij te
wezen, dat ze hun gemoed eens konden ontlasten. Ze vertelden
allerlei merkwaardigs van haar kinderen, haar huishouding en haar
buren.

Vrouw De Laat, die nu ook in den kring had plaats genomen, verhaalde
allerlei merkwaardigs van haar Steven. Gelukkig dat deze zelf in de
naburige bedstede rustig lag te slapen en alzoo van de loftuitingen
zijner moeder niets hoorde.

De tongen van de boeren raakten nu ook los. En ook zij begonnen
allemaal tegelijk te praten. De gastheer alleen zat zwijgend, met
een glimlach op 't gelaat toe te luisteren.

De anderen begrepen echter al gauw, dat men wel allen tegelijk het
woord kan voeren, maar dan ook geen de minste kans heeft om verstaan
of begrepen te worden. Daardoor kwam er een oogenblik stilte,
waarvan De Laat gebruik maakte om zelf het woord te nemen.

"Oost, West, thuis best!" dus begon hij. "Maar met altijd thuis te
blijven, komt men niet ver. Als er één te voet verre tochten gedaan
heeft, dan was 't wel mijn vader, dien sommigen van jelui nog wel
gekend hebben, want het zal met Februari a.s. juist twintig jaar
geleden zijn, dat hij, tachtig jaar oud zijnde, gestorven is.

Als die van zijn ontmoetingen op zijn vele, verre tochten te voet
vertelde, luisterden we met mond en ooren en als dan de geschiedenis
uit was, waren we soms te bang om naar bed te gaan. Zoo vertelde hij
op een avond het volgende:

"'t Was de 13de October 1830, een mooie, zonnige dag, uitstekend
weer om een verre wandeling te doen, zonder last te hebben van
vermoeienis. 't Was heerlijk buiten. De spurrie stond te bloeien en
te geuren op de landen nevens de akkers met frisch knolgroen. Langs
wegen en paden bloeiden de gele en blauwe wildebloemen, die 't
najaar kenmerken, echt lieve bloemen, schoon door haar eenvoud. Ook
het heidekruid prijkte nog met tal van bloemtrossen en daar tusschen
wiegden de klokjes gentiaan. De dennen, hier verspreid en daar dicht
bijeen gegroept, waren mooi groen en daar tusschen verhieven zich de
witte, met donkere vlekken bezette berkenstammen, wier sierlijke
loofslingers al begonnen te gelen.

De boomgaarden bij de verspreid liggende boerenhoeven waren echter
't allermooist. Haast iedere appelboom leek een reusachtig groote
bloemruiker, waarvan de rijpe appels met hun gele en roode wangen de
bloemen vormden. De zon deed ze glanzen als de paarlen in het
tooverslot van Aladin uit het bekende Arabische wondersprookje.

Verwonderlijk stil was 't in de bosschen, waar de herfsttinten
glansden en de zilveren herfstdraden zweefden.

Toen mijn vader over de hem zoo welbekende paden en wegen
voortstapte, maakten zijn schreden in 't dorre loof zulk een groot
gerucht, dat hazen en konijnen er door werden opgejaagd en
wegvluchtten, dieper het hout in. Eekhorens wipten kwetterend rond
door toppen en takken en zochten in de struiken en boomen naar
hazelnooten of beukenoten.

Maar geen vogel zong er. De plechtige stilte van den "Kranenzomer"
heerschte alom, slechts nu en dan afgebroken door 't geroep van
groote zwermen trekvogels, die hoog in 't blauwe ruim voortspoedden
naar 't warme Zuiden.


Mijn vader wisselde van tijd tot tijd een groet met een landman, die
op een akker nevens den weg, of een vrouw of meisje, die voor haar
huisdeur aan 't werk was. Intusschen stapte hij, zonder zich op te
houden, doch ook zonder zich te haasten, geregeld voort, zooals
menschen doen, die gewoon zijn om te voet groote afstanden af te
leggen.

Het dorp Markelo, dat tusschen een kring van hoogten als
verstoppertje speelt, had hij een kwartier geleden verlaten en op
den straatweg over Holten naar Deventer het punt bereikt, waar die
weg meer dan een half uur gaans pijlrecht door de heidevelden
voortloopt, met op eenigen afstand links de lage broekweiden.

't Was ongeveer drie uur in den namiddag. Hij zag nu vóór zich uit
een vijftal wagens, ieder met één paard bespannen, zonder zijplanken
of ladders, met vrij groote tusschenruimten achter elkander
stapvoets voortrijden. Op 't voorstel zat de voerman en op 't
achterstel waren gevulde zakken vastgebonden, die hooi of haver voor
de paarden schenen te bevatten.

Een reizend koopman in zeisen, zichten, scharen en messen, zekere
Jozeph Kersting uit Pruisen, een goede kennis van mijn vader, daar
ze elkander op hun reizen meermalen ontmoetten, was dezen een paar
honderd meter vooruit. Hij steunde zwaar op zijn stok en liep
gebogen onder zijn vracht, maar repte zich toch zooveel mogelijk, om
den achtersten wagen in te halen, in de hoop van te mogen meerijden.

Dit gelukte hem dan ook. De wagen hield stil en de koopman zette
zich neer op één der zakken op 't achterstel.

Toen reed men weer verder.

Mijn vader was intusschen vlug doorgestapt. Hij hoopte, ook te mogen
meerijden en verlangde eveneens naar 't gezelschap van de menschen,
met wie hij een praatje zou kunnen maken. Nu zag hij hoe de koopman,
vermoeid van de reis, zich eens recht op zijn gemak had gezet en
zijn tabakspijp uit den zak haalde, om wat te rooken. Na die pijp
gestopt te hebben, kreeg hij staal, vuursteen en tonderdoos en begon
al "ketsende" vuur te slaan. De voerman keek verschrikt naar hem om.

Men denke zich vaders ontzetting!

Al ketsende sloeg de koopman uit den steen een vonk, die omlaag
schoot; de vonk werd een oplaaiende vlam; het dampte, siste,
bruiste; een allerverschrikkelijkste slag volgde, die den grond deed
schudden, zoodat vader als dronken heen en weer waggelde. Toen rook
en smook weer waren opgetrokken, waren het voertuig en de twee
menschen, die er op gezeten hadden, als spoorloos verdwenen. Het
paard lag er nog, met afgeschroeid haar en manen, dood. De hoepels,
zeisen en zichten van den koopman vond men op een afstand; ze waren
als kurketrekkers ineen gedraaid; de wagen en de twee menschen waren
in stukken weggeslingerd; een groot, diep gat was in de straat
geslagen.

De zakken waren gevuld met buskruit, dat gesmokkeld werd; het kruit
had vuur gevat en zoo was alles in de lucht gevlogen.

De vier andere wagens, vermoedelijk ook met buskruit geladen,
draafden daarop terstond het wijde veld in naar de Holter-Borkelt,
waar zij ontkwamen."

"Als dat ongeluk in 't dorp zelf gebeurd was, zou er misschien geen
enkel huis zijn blijven staan," zei nu boer Scholte. "Hier was dus
ook weer een geluk bij een ongeluk."

"Ja," -- dus begon daarop boer Jansen, "een mensch kan rare
ontmoetingen hebben. Als ik bij onzen baron de pacht kom betalen en
de mevrouw of één van de jonkers bevindt zich in dezelfde kamer als
wij, dan praten ze Fransch tegen elkaar, zoodat ik er geen woord van
verstaan kan. Ik vind, dat dit niet te pas komt, want het heeft dan
den schijn, of ik niet weten mag wat ze zeggen. Ik kan er evenwel
niets aan doen. Maar een ander geval overkwam me verleden Woensdag
in de stad. Ik kocht er in de apotheek voor een kwartje
koortspillen, want mijn vrouw heeft ieder voor- en najaar van die
koortsachtige aandoeningen, zal ik maar zeggen.

Den apotheker Jochems telde ik twee dubbeltjes en vijf centen op de
toonbank neer. Hij streek ze in de lade. En wat denk je, dat die
vent tegen me zei? -- "Merci!" zei hij tegen me. Ik ging boos de
straat op en bromde zoo in me zelf: Merci! Merci! Wat is dat?
Merci?"

"Hoe loop je daar zoo in je zelf te mompelen en te brommen, Jansen?"
vroeg nu de boekhandelaar Pietersen, die op de stoep voor zijn
winkel stond. -- "Wel," antwoordde ik, "dat verwaande heerschap daar
uit de apotheek zei zoo even "Merci" tegen me." -- "Te drommel," zei
nu meneer Pietersen, "durft die vent dat tegen een eerlijk man als u
te zeggen? Je weet zeker wel, wat dat woord beteekent?" -- "Neen,"
zeg ik, "dat weet ik niet, maar veel goeds zal 't wel niet wezen!"

"_Merci_ is het Fransche woord voor _Gauwdief_!" zei hij. Toen werd
ik voorgoed kwaad. Ik liep dadelijk naar de apotheek terug en riep
achter de deur heen, zoodat allen in huis het wel hooren konden:
"Zeg er eens, heerschap, weet je wel wat jij bent?"

"Apotheker," zei hij en hij keek heel verwonderd naar me. "Neen,
heerschap!" schreeuwde ik hem toe, "jij bent _merci_; jou vader is
_merci_, jou moeder is _merci_ en jou heele familie is _merci_!" En
nadat ik deze verzekeringen had uitgebruld, ging ik heel wat
opgelucht de straat op.

Baas Pietersen was in zijn schik, dat ik me zoo kordaat had
gedragen. Toen ik zijn winkel weer voorbij ging, zei hij lachend:
"Zie zoo! daar kan de kwast het voor dezen keer wel mee doen!"

"Dat dunkt me toch ook!" zei ik. "Maar er zijn ook lui, die
onverbeterlijk zijn!"

De gasten gaven luide hun instemming te kennen met de kordate wijze,
waarop Jansen dien stadschen heerschap den mond had gesnoerd en
vrouw Scholte was zelfs van oordeel, dat hij hem wegens laster bij
't gerecht had moeten aanklagen, waarop vrouw Jansen aanmerkte, dat
haar man dit ook stellig zou gedaan hebben, als hij maar twee
getuigen had gehad.

De gastheer glimlachte echter veelbeteekenend en scheen iets te
willen in 't midden brengen, doch daar de gasten weer allemaal
tegelijk het woord voerden, deed hij er 't zwijgen toe. Na nog eenig
over en weer praten kwam 't gesprek op de paarden.

"Geen verstandiger beest is er te vinden!" zei boer Huisman. "Van
mijn jeugd af heb ik met paarden omgegaan en ik kan er derhalve ook
over meespreken. Geen dier hecht zich meer aan zijn meester, als
deze 't met zachtmoedigheid en geduld weet te leiden en te leveren.
Maar een harde behandeling, vooral in de jeugd, maakt het
zenuwachtig, koppig en onhandelbaar. In dat geval moet men zich voor
zoo'n creatuur terdege in acht nemen. Daar heb je b.v. dien bonk van
den vrachtrijder Roggeveld, -- die sloeg den smid, die hem beslaan
wilde, zoo hevig voor 't hoofd, dat hij dood neerviel, en een paar
jaar later heeft hij den veearts Hofman doodgeslagen, toen die zich
bij 't kwade dier in den stal waagde. Ik verzeker je, dat wie met
zulk een paard uit is zijn vijand tot reisgezel heeft en zijn leven
geen minuut zeker is."

Hij besloot deze verzekering, waarmee allen blijkbaar instemden,
door een dikke rookwolk uit zijn zwakpijp te trekken en die in
krullen en spiralen in de lucht te blazen.

Vervolgens kwamen nog de prijzen van 't vee en van de
landbouwproducten aan de beurt, tot eindelijk de gastheer, na met
zijn vrouw blikken van verstandhouding te hebben gewisseld, aan 't
gezelschap voorstelde om zich eens te vertreden en de koe in den
stal te gaan zien.

Dit voorstel had aller instemming en voorgelicht door een lantaarn,
waarin een vetkaars ontstoken was, begaf men zich naar de deel,
uitgezonderd de gastvrouw, die ondertusschen den maaltijd wou
opdisschen.

't Was daar in 't achterhuis donker en stil. De koe lag op haar
zindelijk bed van stroo te herkauwen. Maar bij 't zien van al die
menschen zette ze groote oogen op; ze opende zeer wijd de neusgaten
en snoof zeer sterk. Steunend verhief ze 't logge lichaam en kwam,
zich schuddend, op de pooten, om op alle gebeurlijkheden te zijn
voorbereid.

"Een pracht van een koe!" zei boer Scholte en hij klopte haar
vriendschappelijk op de breede schoft.

"'t Is een bovenstbeste melkgeefster, want ze heeft fijne horens en
heldere kringen om de oogen," sprak vrouw Verlaar.

"Mensch, wat een dikke melkaders heeft ze!" riep boer Jansen uit den
stal.

"Stil! Luister eens even!" verzocht nu De Laat half fluisterend. "'k
Meende in gindschen hoek gerucht te hooren." Hij wees op den
tegenovergestelden hoek, waar achter zich de bergplaats voor hout en
turf bevond.

Men luisterde. Maar alles was en bleef stil. En ook het onderzoek,
dat men vervolgens instelde, bracht niets bijzonders aan 't licht.

"Er zullen eenige turven van den hoop gevallen zijn. Een rat heeft
misschien daarover de vlucht genomen en ze zóó los gemaakt van den
hoop," gaf boer Reinders in overweging.

"Ja, maar hier vind ik toch een paar turven, die stuk getrapt zijn,"
zei boer Scholte. "Er moet hier dus iemand geweest zijn."

"Nu ja," sprak zijn vrouw, "als men hier in 't donker turf vandaan
moet halen, worden er allicht eenige stuk getrapt, als ze iemand
voor de voeten liggen."

De anderen vonden ook, dat zoo iets gemakkelijk kon plaats hebben.
Boer Horstman wees nu echter op een opening in den getuinden, met
leem bepleisterden buitenwand.

"Hoor eens, De Laat!" sprak hij op vermanenden toon, "dit kippengat
hier is veel te groot. Bij ons is die opening juist groot genoeg, om
één kip tegelijk door te laten. Maar door deze opening kan een
volwassen manspersoon zonder veel moeite naar binnen komen."

Men kon echter niets verdachts bespeuren.

't Was kil en donker en ongezellig daar in 't achterhuis. De
lantaarn verlichtte er slechts de naaste omgeving en tooverde
vreemde schaduwen op vloer en wanden.

Wie, als deze menschen, pas uit een warm, helder verlicht, recht
gezellig vertrek kwam, voelde hier onwillekeurig een huivering door
de leden gaan.

Daar hoorde men plotseling op den open hooizolder een zwaren bons,
onmiddellijk gevolgd door een erbarmelijk geschreeuw.

Algemeene ontsteltenis.

De vrouwen slaakten uitroepingen van schrik. De koe sprong in botte
verbijstering hoog op. Het speenvarkentje, dat nu al vrij groot was,
kwam met een angstig gegil uit zijn warm strooleger opspringen en
holde als bezeten door zijn hok heen en weer.

"Die verwenschte katten zouden iemand een doodschrik op 't lijf
jagen!" zei de gastheer lachend. "Ze hebben al vroeg het voorjaar in
't hoofd!"

"Ze vinden zeker, dat er bij ons feest ook muziek moet wezen! Hoor
ze toch eens te keer gaan!" sprak de vroolijke vrouw Scholte en ze
schaterde 't uit van lachen.

"Mensch, mensch! Is me dat schrikken!" riep de ziekelijke vrouw
Jansen, hevig ontsteld. Ze was zeer bleek en vouwde de handen voor
de borst, om 't klappen van 't hart wat te doen bedaren.

Maar 't katten-concert werd met kleine tusschenpoozen van diepe
stilte voortgezet. 't Klonk nu eens heel hoog en dan weer in
brommende bastonen.

"Komt, nu moeten jelui ons speenvarkentje toch ook eens gaan zien.
Mijn vrouw heeft het opgefokt en 't is haar prachtig gelukt," sprak
nu De Laat.

Ze begaven zich daarop allen naar de verblijfplaats van 't aardig
dier, dat op 't gerucht van al die voetstappen verschrikt bleef
zitten en bij 't zien van zooveel menschen de ooren verwonderd
overeind stak. Het slaakte een zacht geknor, alsof het verschrikt
vroeg: "Wat is er toch aan de hand?"

"Och, wat een mooi, zindelijk dier is dat!" riep vrouw Scholten.

"Wat is het vet!" riep vrouw Jansen. "'k Wil wedden, dat het al meer
dan anderhalf honderd pond weegt!"

De Laat vertelde nu, welk een schrander, vriendelijk dier het was en
hoe aardig zijn zoontje er mee spelen kon. "Denk eens!" zeide hij,
"ze zijn bij mooi weer buiten en bij ongunstig weer hier op de deel
en stoeien en spelen, dat het een wonder is. In 't eerst was de
jongen 't sterkst, maar hij liet het al worstelend om den anderen
keer 't varkentje winnen, zoodat het op zijn beurt boven kwam te
liggen. En nu 't beest het in kracht van den jongen wint, laat het
hem ook op zijn beurt baas blijven. Steven beproeft wel eens uit de
grap tweemaal achtereen de bovenhand te hebben, maar dat wil 't
varkentje volstrekt niet toelaten; het knort en gilt dan, alsof het
zeggen wou: "Neen, dat mag niet! Zoo is het geen eerlijk spel!"

't Mooiste van de zaak is, dat het den jongen van de straat houdt,
want daar leeren de kinderen vooral bij avond maar weinig goeds."

Onder die bedrijven hadden ze al 't merkwaardige in 't achterhuis
bezichtigd tot de antieke kleerenkist in den hoek toe, die nu diende
tot berging van tuinzaden. Ze was van eikenhout gemaakt, aan den
voorkant en de zijden met kunstig snijwerk versierd en gemerkt met
het jaartal 1713.

"'t Is een familie-erfstuk," zei De Laat. "Jammer, dat we haar geen
betere plaats kunnen geven. Maar komaan!" vervolgde hij, "laten we
eens gaan zien, of 't moeder de vrouw gelegen komt om ons weer te
ontvangen."

Met deze woorden ging hij 't gezelschap weer voor naar 't
woonvertrek. "Jelui komen alsof je geroepen waart!" zei vrouw
De Laat. "Komt nu allemaal hier om de tafel zitten!"

Er lag wel geen helder wit kleed over de tafel. Dat was toen en is
ook nu nog geen gewoonte bij de boeren in deze streken. Maar menige
keurig gedekte tafel heeft niet zulk een overvloed van heerlijke,
voedzame spijzen.

Hier stond opgedischt een schaal, opgehoopt met groote sneden "eigen
gebakken wegge" (wittebrood, waarvan 't beslag door de huisvrouw
zelf gemaakt was en met zoete melk was aangemengd).

Een tweede schaal was opgehoopt met groote sneden heerlijk
krentenbrood.

Daarnevens stond een bord vol met dikke schijven metworst, een
tweede gevuld met rookvleesch en een derde met dikke sneden
zoetemelksche kaas. En hoe geurig was de koffie, die daarbij
geschonken werd! Daaraan konden de bezoekers naar hartelust te gast
gaan. En ze lieten zich dan ook niet nooden. Het spreekwoord: "Als
de katten muizen, mauwen ze niet," was ook toepasselijk op dit
gezelschap; van een geregeld gesprek was er ook bij hen gedurende
den maaltijd geen sprake.

Na afloop daarvan was het al bij tienen.

De dorpsbewoners waren al ter rust gegaan.

Droomerig suisde de avondwind in de kale boomen op 't ruime
kerkplein.

Welhaast klonken uit den hoogen, slanken toren tien galmende slagen.

Daarop hoorde men 't geratel van den nachtwacht, gevolgd door zijn
schor geroep:

"Tien uren heeft de klok! De klok heeft tien!"

't Werd voor de bezoekers langzaam aan tijd, om naar huis te keeren.

De gastheer verzocht daarom de boeren, hem even te volgen naar de
"opkamer", dat is de zijkamer, waarnaar de trap boven den keldermond
toegang verleende.

De vrouwen bleven zoolang in 't huishoudvertrek onder gezelligen
kout bijeen en dronken er nog een laatste kop koffie, een zoogenaamd
"neugeköpken".

Toen de boeren in de opkamer om de tafel hadden plaats genomen,
ontsloot de gastheer een fraaie, ouderwetsche kast, die voor een
goed deel gevuld was met "eigengereid" linnen van zijn vrouw. Met
een tweeden sleutel opende hij vervolgens een smal deurtje, links in
den stijl aangebracht, in welken stijl nu van onder naar boven een
rij lange, smalle laden zichtbaar werden. Uit één van die laden
haalde hij een grooten zak, gevuld met klinkende munt, te
voorschijn. Papieren geld was in den tijd van ons verhaal nog lang
niet zoo algemeen in omloop als tegenwoordig en op 't platteland
ontving men het over 't geheel enkel in een noodzakelijk geval:
velen trokken de waarde er van in twijfel.

Juist was De Laat bezig met aan ieder de verschuldigde som toe te
stellen, toen één der boeren de opmerking maakte, dat hij "zoo'n
nare brandlucht" rook.

In 't volgend oogenblik klonken er haastige voetstappen op de trap
en werd de deur snel geopend door de verschrikte vrouwen, die
verzekerden, dat er in de keuken zoo'n rook was en ze vreesden, dat
er brand was in 't achterhuis. Allen kwamen nu schielijk op de been.

De Laat behield echter zijn kalmte. Hij legde de hand op den
schouder van zijn vriend Scholte en zei bedaard:

"Ik vertrouw die zaak niet. 'k Meende vóór een uur, toen we op de
deel waren, schuifelende voetstappen te hooren, maar er was toen te
veel gepraat. Blijf jij hier, om op 't geld te passen."

"'t Zal gebeuren!" zei deze. En hij bleef alleen achter, terwijl de
rook door de open deur naar binnen drong.

De anderen spoedden zich intusschen onder uitroepingen van verbazing
en schrik naar 't achterhuis.

Boer Scholte deed de deur weer dicht en ging weer aan tafel zitten
in afwachting van wat er verder zou gebeuren. 't Was drukkend stil
om hem heen.

Het flauwe licht der lantaarn, die midden op tafel stond, deed de
geldstukken glinsteren en blinken.

Slechts nu en dan hoorde hij een roep der anderen, die blijkbaar
zich afsloofden om den brand te blusschen.

Was niet misschien 't vernielend vuur reeds tot de verste hoeken van
't groote, holle gebouw doorgedrongen?

Een huivering liep hem door de leden. Die hoopjes zilver, daar voor
hem, oefenden een zonderlinge aantrekkingskracht op hem uit. Zijn
blikken bleven er onophoudelijk door geboeid. Terwijl hij er al
starend naar bleef kijken, scheen het edel metaal door een
spookachtig licht omgeven. Het kostte hem moeite, er de oogen af te
wenden. Maar hij vermande zich en keek spiedend rond, en nu zag hij
aan den wand, tusschen andere voorwerpen, een pistool hangen.

Zou ze geladen zijn?

In dat geval ware 't een geducht wapen in de hand van wie een schat
moest bewaken, en misschien in 't volgend oogenblik goed en leven
tegen een stoutmoedigen vagebond zou moeten verdedigen.

't Was zelfs niet onmogelijk, dat er meer dan één schelm in de
nabijheid rondsloop, die 't geschiktst oogenblik afwachtte om hem
van achteren te bespringen en zoo te overmannen.

Hij luisterde scherp toe en meende nu in 't woonvertrek sluipende
voetstappen te hooren.

Wat moest hij doen?

Om hulp roepen?

Maar als 't gevaar nu eens alleen in zijn verbeelding bestond, zou
hij zich, dus doende, toch zeer belachelijk aanstellen en 't
reddingswerk vertragen, zoo niet verijdelen!

Sluipend ging hij naar de plaats waar 't pistool hing, omvatte dit
wapen, spande den haan en richtte 't op de deur. Het was nog juist
bijtijds.

Eenige oogenblikken later toch werd zacht de kruk van de deur
omgedraaid en deze zacht open geduwd en op den drempel vertoonde
zich een breede, plompe kerel met een zwart gemaakt gezicht. Zijn
loerende oogen keken spiedend rond.

Boer Scholte stond nu nevens de tafel den hem toevertrouwden schat
te bewaken. Op het zien van den vagebond beheerschte hem een killen
schrik.

Maar ook de roover ontstelde blijkbaar zeer hevig, toen hij de kans
om zich onbespied van 't geld meester te maken, verijdeld zag. Hij
bleef onbewegelijk staren naar den boer, een flink gebouwd persoon
van buitengewone lengte, die daar in een gebiedende houding
uitdagend op slechts eenige schreden afstands hem met groote oogen
bleef aanzien en, -- wat het ergste was, -- 't pistool op hem
richtte.

Hij uitte een half gesmoorden vloek, keerde zich toen ijlings om en
vluchtte als een bloode haas weg.


De eenzame wachter loosde een zucht van verademing.

Maar, -- dus vroeg hij zich met bezorgdheid af, -- zou de schelm
niet spoedig terugkeeren met eenige kameraden?

Onmogelijk was dit niet.

Ook maakte hij zich steeds meer ongerust over 't lot der anderen,
onder wie zijn eigen innig geliefde vrouw, de zorgzame moeder zijner
kinderen. De rook daar binnen werd steeds dikker. Dat voorspelde
weinig goeds.

Eensklaps hoorde hij nu 't gerucht van voetstappen, vermengd met een
luid gepraat. En voor hij er op bedacht was, kwam zijn bezorgde
echtgenoote op hem toesnellen. Zij omhelsde en kuste hem en sprak
bewogen: "De brand is gebluscht, maar ik miste u. Eerst nu hoorde ik
van De Laat, dat je hier alleen waart achter gebleven, om 't geld te
bewaken."

De anderen kwamen nu ook binnen en toen ze 't gebeurde vernamen, zei
De Laat: "Er is geen twijfel aan: de brand is opzettelijk
aangestoken, om van de daardoor ontstane verwarring gebruik te
kunnen maken om 't geld te stelen. De boef had in een hoek, waar dit
vooreerst weinig gevaar voor brand kon opleveren, een paar
hennepzakken en wat vochtige dennentakken op een hoop gegooid en die
door een stevig gebonden brandenden bos stroo aan 't smeulen
gehouden, zoodat ze een verstikkenden rook verwekten. De schurk
dacht natuurlijk hier zijn slag te kunnen slaan, terwijl wij druk
waren met het blusschen van den brand, maar dit is hem
tegengevallen.

Hoe zag de vent er uit?"

Deze vraag was tot boer Scholte gericht.

"Nu," antwoordde hij, "'t was een logge, plompe gast met een gezicht
zoo zwart als roet. Hij had, naar ik meen, een ruwen pijekker aan en
een ruige muts op. 't Zou me niet verwonderen, zoo 't "Dronken
Hannes" geweest is."

Allen waren van meening, dat deze best tot zoo'n schelmstuk in staat
was, maar omdat men volstrekt geen bewijzen had en bang was, dat
hij, zoo men er 't gerecht mee in kennis stelde, zich op de eene of
andere wijze op hen zou wreken, besloot men om aan 't geval geen
ruchtbaarheid te geven.

De brand was nu wel gebluscht, maar het huis was nog vol scherpen
rook, die het ademhalen zeer moeilijk maakte. Men zette daarom
deuren en vensters wijd open en nu rolde en zweefde de rook in
breede golven naar buiten, terwijl de frissche lucht binnendrong. De
vochtige nachtwind verspreidde die golven over de streek.

Bij tusschenpoozen keek de maan tusschen de donkere wolken door en
verlichtte met haar bleek schijnsel huizen en boomen, bosschen en
velden en deed in de naburige beek het water blinken, dat nu hoog
tegen de oevers stond en met onstuimige vaart voortspoedde naar de
verwijderde rivier en vervolgens naar de oneindige waterwereld, de
zee.

Overigens was alles in diepe rust.


Over de stille dorpsstraat kwam nu baas Teunissen, de nachtwacht,
aanstappen, om de gewone rondte te doen.

Hij draaide zijn ratel en maakte met schor geroep bekend, dat het
elf uur was.

Op eens bleef hij ontsteld staan.

Hij zag den dikken rook uit De Laat's woning in breede golven naar
buiten dringen.

"Lieve deugd, daar is brand!" riep hij verschrikt. "En dat hier
midden in 't dorp en op dit late uur, nu allen in hun eersten slaap
liggen!"

In botte verbijstering liet hij zijn ratel vallen. En wijl er vóór
de herberg daar schuin tegenover eenige emmers vol water gereed
gezet waren, om de paarden te drenken, greep hij in iedere hand één
emmer en wierp den inhoud door 't openstaande raam van De Laat's
woning naar binnen, om zoo den brand te blusschen.

Die vloed van water kwam plassend neer op een tafeltje, dat er voor
't raam stond en waarop een kostbaar servies van oud porselein was
te pronk gezet. Dit spoelde weg en viel op den vloer aan scherven.

Daarop sprong de gedienstige man zelf met een bewonderenswaardige
vlugheid over 't vensterkozijn heen naar binnen en snelde onder 't
herhaald geroep van "Brand!" naar de bedstede, waarin Steven gerust
lag te slapen. "De jongen heeft mijn kind uit het water gered: ik
zal hem uit het vuur redden!" zei hij in zich zelf.

De Laat en zijn vrouw, alsmede de gasten, hadden zich in een hoek
buiten den tocht neergezet. Zij verkeerden nog onder den indruk van
wat er dien avond was voorgevallen en zagen dit nieuw tooneel van
verwarring aan, sprakeloos van schrik.

Zij meenden in den nachtwacht een brutaal indringer te zien,
misschien was 't wel dezelfde persoon, die den brand gesticht had en
nu, na eerst het kostbaar servies vernield en den vloer in een plas
verkeerd te hebben, met haar éénig kind wegsnelde.

't Was de moeder, die bij dien gewaanden kinderroof plotseling
overeind vloog, den roover naijlde, hem bij den uitgang inhaalde,
met ongewone heftigheid bij den schouder vastpakte en met een
schorre stem riep:

"Je kunt hier alles in brand steken of stuk smijten of onder water
zetten, maar van ons kind zul je afblijven! Laat los, zeg ik je, of
'k bega aan jou een ongeluk!"

Intusschen was ook haar man komen toeschieten. Hij greep den
verbluften nachtwacht bij den anderen schouder en ontrukte hem 't
slapende jongske, dat, door al dat getob en gewurm wakker geschrikt,
het op een huilen zette en angstig om moeder riep.

Niemand was echter, door dezen samenloop van omstandigheden, meer
verbluft, dan de nachtwacht zelf, die, door de boeren en boerinnen
eensklaps als in een tooverkring besloten, zich niet keeren of
wenden kon.

"Och, mijn lieve menschen!" riep hij in wanhoop uit, "zie je dan
niet dat het heele huis hier in brand staat? Je moet hier toch, zou
'k zoo zeggen, haast stikken van den rook en de afschuwelijke
brandlucht. En 'k was bang voor jou Steven, dat die stikken of
verbranden zou, want voor eenigen tijd redde hij mijn dochtertje
Tonia, toen die op de Bleek door 't ijs zakte, van een wissen dood.
Hij heeft haar op den kant van de sloot weten te werken en weer
thuis gebracht. En, zie je ..."

"Je houdt er een mooie manier op na om een brand te blusschen, die
al gebluscht is!" zei De Laat. "Zie toch eens, hoe je hier den boel
hebt opgeknapt! 't Is waarlijk meer dan erg! Doch daaraan is nu
niets meer te veranderen. Je kunt gaan!"

"Ongevraagde diensten worden maar zelden op prijs gesteld!" mompelde
de arme man verdrietig, toen hij weer op straat stond en de moede
beenen opnieuw in beweging bracht, om de rondte door 't dorp te
doen.

Den dag te voren had hij boer Teeuwsen helpen mestrijden. Nu moest
hij een groot deel van den nacht al wandelend op straat doorbrengen,
terwijl zijn medemenschen rustig sliepen.

Zijn lot was waarlijk niet te benijden.


Het gezelschap in De Laat's woning bleef nog eenige oogenblikken
druk pratend bij elkander. Men vroeg zich af, of soms de nachtwacht
de brandstichter had kunnen zijn en nu nogmaals beproefd had om
verwarring te stichten en zóó een kans te hebben tot stelen.

"Die menschen hebben altijd voor eerlijk bekend gestaan," zei De
Laat.

"Ze hebben misschien in moeilijke omstandigheden verkeerd," merkte
vrouw Scholte aan. "Nood breekt wet!"

Intusschen was de rook uit het huis nu verwijderd. Deuren en
vensters werden weer gesloten en de bezoekers namen met gemengde
gevoelens afscheid.

Met groot gerammel en geratel, schuddend en schokkend, reden ze in
hun kleedwagens zonder veeren over de erg ongelijke straatkeien,
zoodat de lieden in 't dorp van 't gerucht wakker schrikten.

Toen men het dorp uit was, ging 't weer over de landwegen in
verschillende richtingen als in slakkengang verder.

Bij 't licht der volle maan teekenden de witte, bolstaande kleeden
der voertuigen zich scherp af tegen 't grauw der omgeving, als waren
't vreemde, witte wezens uit een Droomenland of wel schepen met
gespannen, blanke zeilen, stevenend over een in nacht gehulde zee
naar een onbekende kust.




V.

Hoe de kleine Steven zijn speelmakker verloor.


"Morgen samen!"

Met dezen groet trad op zekeren morgen een bejaard persoon, klein,
maar stevig gebouwd, het woonvertrek der familie De Laat binnen.

Zijn breed, stroef, gerimpeld gezicht, zijn kleine oogen en scherpe
stem gaven hem een merk van ongevoeligheid, ja zelfs van wreedheid.
Een roode das was als een wrong om zijn hals geknoopt en de mouwen
van zijn buis en de pijpen van zijn broek, -- de laatste vooral op
de knieën, -- glommen van vet.

"Morgen allemaal!"

Dus luidde de groet van een jongmensch van even achttien jaar, die
hem op de hielen volgde en in houding en voorkomen een sprekende
gelijkenis met den eerste vertoonde. Ook in hun kleeding was
dezelfde overeenkomst op te merken.

Het waren de slager Pelleman en zijn zoon. Beide hadden om hun
middel een breeden gordelriem en daaraan hingen in een lederen koker
een paar geduchte messen. Naast dien koker hing een lang rond staal,
om daarop de messen te scherpen.

Gedurende 't grootste deel van 't jaar hielden deze menschen zich
uitsluitend met het landbouwbedrijf bezig. Maar in den
slachttijd bezochten ze de boeren, om voor een kleine, geldelijke
belooning het slachtvee onder den pekel te brengen.

Toen ze 't woonvertrek binnentraden, zat Steven op zijn
kinderstoeltje in 't hoekje van den haard. Zijn moeder had hem
opgedragen om de afgebrande houtblokken op het vuur telkens wat aan
te schuiven en zoo het water, dat er in een grooten ketel boven
hing, aan de kook te brengen.

Hoe schrikte de goede jongen toen deze twee menschen zoo plotseling
voor hem stonden! Hij kende ze wel en had ze altijd met zekere
vrees, ja met afschrik beschouwd, daar hij, de dierenvriend, het
werk, waarvoor ze door de boeren geroepen werden, allerakeligst
vond.

Daar stonden ze dan in 't anders zoo vreedzaam en gezellig
woonvertrek en bij iedere beweging, die ze maakten, ratelden de
messen in hun koker en nu begon Steven met ontzetting te begrijpen,
waarom zijn ouders den grooten koperen ketel van buurman geleend en
dien vol water boven 't vuur te kook hadden gehangen.

"Heb je alles klaar?" vroeg de slager.

"Ja, 't water kookt," antwoordde de moeder. "Maar ga even zitten en
drink eerst een kop koffie. Je bent van morgen zeker al vroeg met
het werk begonnen?"

"'t Slachten is haast gedaan. 't Weer wordt te warm," zeide hij met
een schorre stem.

"We hebben zoo even bij boer Huisman nog een koe geslacht," zei nu
de zoon, die zich verplicht achtte om ook een duit in 't zakje te
gooien. "'t Is maar te hopen, dat het met het inzouten niet
misloopt!"

De slager knikte toestemmend en wierp een goedkeurenden blik op zijn
jongen, die zoo verstandig redeneeren kon.

"Daar hebben we ook al koffie gedronken en we zullen 't best doen
niet maar terstond te beginnen," sprak hij.

Steven huiverde bij die woorden.

Roerloos zat hij daar, want met ontzetting begreep hij, dat zijn
viervoetige vriend zou geslacht worden.

Ongemerkt, juist zoo of zijn eigen leven op 't spel stond, sloop hij
door de tusschendeur weg naar 't achterhuis en boog zich over den
rand van 't varkenshok heen, om een laatsten groet te wisselen met
zijn speelmakker, zijn vriend.

Deze, die rustig had liggen slapen, werd op eens klaar wakker, toen
hij de hem zoo welbekende voetstappen hoorde. Hij hief den kop
omhoog uit zijn strooleger, stak nieuwsgierig de lange ooren
overeind en liet, bij wijze van morgengroet, een vriendelijk geknor
hooren. 't Scheen of hij vragen wou: "Hoe kom je zoo vroeg al?"

Op dit oogenblik werd de tusschendeur opnieuw geopend. De slager en
zijn zoon, voorafgegaan door den huisvader, traden op het varkenshok
toe.

't Was er vrij donker op de deel, want de buitendeuren waren nog
gesloten en zoo viel het den knaap niet moeilijk, om ongemerkt door
een zijdeurtje naar buiten te komen.

Alsof de dood hem op de hielen zat, vluchtte hij weg en verschool
zich in 't kleine schuurtje, zóó dat hij door een reet in den wand
kon zien wat er op de plaats voor 't achterhuis gebeurde.

En toen zag hij iets vreeselijks geschieden, iets wat hij zich jaren
naderhand nog met droefheid herinnerde en dat allicht op zijn gedrag
in later tijd niet zonder invloed is geweest.

Hij, de dierenvriend, was aan zijn speenvarkentje zeer gehecht. Het
goede dier was dan ook altijd zoo blij geweest met zijn gezelschap,
dat het, zoodra 't hem maar van ver zag aankomen, van pure
blijdschap een paar allerkoddigste luchtsprongen maakte.

Nog gisteren hadden ze op de deel allerpleizierigst samen gestoeid
en geworsteld en had hij, Steven, 't nog telkens uitgegierd van
pret, als zijn pogen om tweemaal achtereen baas te blijven, door 't
verstandig beest, blijkens zijn knorren, heel kwalijk werd genomen.
Het had nooit anders dan eerlijk spel willen dulden.

Ook nu was het, zonder eenig onheil te duchten, uit zijn hok komen
loopen en met vriendelijk geknor naar buiten gehuppeld. Hij had zich
zonder verzet een touw om de achterpooten laten vastmaken. Men
stelle zich eens voor, wat er in den knaap moest omgaan, toen hij
zag hoe zijn eigen vader, tot wien hij altijd met eerbied en ontzag
had opgezien, het arme dier door middel van dat touw neertrok,
zoodat het spartelend op den grond kwam te liggen. Het sloeg met de
pooten, gilde van angst en pijn en worstelde om te ontkomen, maar te
vergeefs. Weldra lag het daar stil en dood, terwijl zijn bloed den
grond kleurde.

Steven had meermalen bij de buren een varken zien slachten en dit
altijd recht akelig gevonden, maar nu zijn eigen varkentje op
dezelfde wijze gekeeld werd, vond hij 't verschrikkelijk.

Droevig schreiend liep hij naar de oude buurvrouw, zijn vriendin en
vertelde haar snikkend, wat er gebeurd was en hoe zijn vader zelf
aan dat bloedig werk geholpen had.

Deze kon hem echter geen anderen troost geven, dan dat de varkens nu
eenmaal vetgemest worden, om ze dan te kunnen slachten en opeten.


Wanneer menschen op zekeren leeftijd een droevig verlies betreuren,
troost hen de gedachte aan 't vele goede, dat ze nog mochten
behouden en de hoop op een beteren tijd. Hun wereld is zoo groot en
zoo ruim en bij ondervinding weten ze, dat het leven van ieder zijn
lusten en lasten, zijn vreugde en kommer heeft.

De wereld van een kind daarentegen is klein. Het heeft nog zoo
weinig, waaraan 't hechten kan en 't hecht zich daarom ook aan dat
weinige met groote innigheid. Hoop op de toekomst is het nog vreemd.

De oude vrouw had het te druk, om veel op zijn verdriet te letten.
Ze zat bij de wieg van haar kleinkind, -- het jongste, dat naar haar
genoemd was. De kleine schreide heel luid, alsof het ziek was en
erge pijn leed. Met bevende stem zong zij een wiegedeuntje en deed
ondertusschen de wieg vervaarlijk heen en weer schommelen. Dat was
zoo de ouderwetsche manier om kinderen te sussen.

Zoo vond de arme jongen dan ook hier geen troost.

Een poosje bleef hij snikkend kijken naar zijn oude vriendin, die
echter al haar opmerkzaamheid aan haar kleinkind bleef wijden. Toen
sloop hij weer de deur uit en ging den kleinen moestuin door en over
't pad, dat achter de huizen en tuinen heen naar de einden van de
dorpsstraat voerde en waarmee de hoofdpaden der verschillende tuinen
in verbinding stonden.

Achter 't smalle tuintje van den nachtwacht gekomen, hoorde hij er
de lieve, welluidende stem van zijn vriendinnetje Tonia klinken, die
de kippen bijeen riep om ze met het overschot van den morgenmaaltijd
te voederen.

Hij ging het tuinpad op, om haar deelgenote van zijn droefheid te
maken. Gedeelde smart is maar halve smart. Zoodra ze hem zag
aankomen, zette ze 't voederbakje neer en kwam blij op hem toe. Maar
toen ze zijn verdriet bemerkte, kreeg ook haar gezicht terstond een
ernstige plooi. Deelnemend vatte ze hem bij de hand en vroeg wat hem
scheelde. Schreiend vertelde hij 't haar. Ze troostte hem op haar
kinderlijke manier en droogde met haar zakdoek zijn mild vloeiende
tranen. Ze liet hem de kippen met den haan zien, liet ze uit haar
hand eten en praatte tegen hen en ze gaven haar taterend antwoord.
De koddige vragen van 't meisje en 't strakke gezicht en de groote
oogen waarmee de kippen toeluisterden, maakten, dat Steven
onwillekeurig moest lachen.

"Je moet mijn vrouw worden, Tonia," zei hij, zijn verdriet
vergetend.

De haan, die den knaap met wantrouwende oogen bekeek, stak nu den
kop omhoog, schudde zoo nadrukkelijk van "_Neen_!", dat zijn
vuurroede kam als een wimpel wapperde en kraaide toen zoo luid,
alsof hij de heele buurt wou toeroepen: "Er kan niets van komen,
hoor! We willen Tonia niet missen!"

Toen hij op die wijze zijn gemoed lucht gegeven had, zette hij
bedaard weer zijn maaltijd voort.

Een kind vergeet licht zijn zorgen en verdriet. Dat schelle gekraai
op dit oogenblik deed Tonia in den lach schieten en Steven lachte
eveneens.

Het aardig kind was als een moedertje voor den knaap. Ze praatte
heel wijs over wat ze mettertijd doen zouden, als ze beiden groot
zouden geworden zijn en op die wijze opende zich voor Steven een
schoon verschiet, zoodat hij er heelemaal van opfleurde. Ten slotte
verzekerde ze hem, dat ze zijn vrouw wilde worden en zoo kreeg hij
weer lust in 't leven.




VI.

Een ongewenschte ontmoeting.


    Het Voorjaar is gekomen!
  Daar buiten gaat het zonnetje op!
    Daar vouwen alle boomen
  De blaadjes uit hun knop!
    Daar woelt het jonge leven
  En vlecht er zijn loofhutten ent
    En 't juicht in veld en dreven:
  "Ontwaak! ontwaak! 't is Lent'!"

                          J. J. L. TEN KATE.

't Was een mooie morgen in 't begin van Mei.

De lucht was heerlijk blauw.

Aan den horizont zweefde een blauwachtigen nevel, terwijl millioenen
schitterende dauwdroppels als paarlen langs de randen der bladeren
van boomen en grassen als gerist zaten.

De vogels zongen.

Het water der beek, echt landelijk in 't loover verscholen, ruischte
kabbelend tusschen met bloemen getooide oevers voorbij.

De vruchtboomen op de boerenerven aan weerszijden van den landweg
stonden in vollen bloei. Bosch-anemonen bloeiden onder 't hout;
slooten en plassen waren bedekt met wateranemonen.

De popels, berken en beukeboomen prijkten met lichtgroene loovers.

Een frissche koelte blies uit het Zuiden.

In zijn blauwen kiel gedost, met zijn gevulden groenen reiszak op
den rug en steunend op zijn dikken eikenhouten stok met looden knop,
stapte De Laat bedaard voort als iemand, die zich nooit overhaast en
niettemin steeds op tijd komt, waar hij wezen moet.

Even buiten 't dorp voerde 't pad hem over een hoogen kamp land, die
voor 't grootste deel was bezet met groene rogge. Hier poosde hij
even en wierp een terugblik op het dorpje met zijn lage huizen, die
als wegschuilden achter bloeiende vruchtboomen en naar de kerk met
haar slanken toren. De vergulde haan op de spits fonkelde in de zon.

Uit de meeste schoorsteenen, ook uit dien van zijn eigen woning,
steeg de rook zoo recht gezellig omhoog en vervloeide in 't zonnig
blauw der lucht. Daar zaten zijn lieve vrouw en zijn zoontje nu hun
morgenmaal te gebruiken.

't Kostte hem blijkbaar moeite om zijn weg te vervolgen, die hem
gedurig verder van zijn geliefden verwijderen zou.

Maar welhaast spoedde hij weer voort.

Na eenige minuten te zijn doorgestapt lag de groote heide voor hem.
Meeuwen vlogen heen en weer tusschen de beek en een naburigen plas,
groot en diep, aan den kant met biezen begroeid en die daarom "de
Biezenkolk" heet.

Al voortgaande over den met wagensporen doorgroefden en verder met
heidekruit bezetten weg, scheerden op eenigen afstand de kieviten
angstig roepend in wijde kringen rond.

Onze eenzame wandelaar, gewoon om het natuurleven op te merken,
verwonderde zich over de drukte van die vogels en over hun angstig
geroep, waarvan hij de reden niet begreep. Toen hij echter een dicht
boschje van jonge dennen nevens den weg bereikt had, werd hem
eensklaps het geval duidelijk. Tegen den rand van de droge sloot
toch zat de hem zoo welbekende beruchte strooper Teunis Vlak. Zijn
zwarte haardos hing in slordige wissen om zijn hoofd en zijn
stoppelbaard, die in de laatste week niet geschoren was, maakte zijn
bol gezicht vooral niet aantrekkelijker. Zijn glurende oogen keken
spiedend rond. Hij had zijn rustplaats zóó genomen, dat hij den weg
aan weerszijden tot op een grooten afstand kon overzien.

Toen de zaadhandelaar tegenover hem voorbijging, vertrok zijn gelaat
zich tot een leelijken grijns en wenschte hij hem met schorre stem
een goeden morgen.

Naast hem lag zijn ruwe pelsmuts, half gevuld met kievitseiers, die
hij gevonden had en in 't dorp voor een goeden prijs kon verkoopen.
De Laat groette beleefd terug en vergrootte zijn regelmatige passen,
om zoo gauw mogelijk uit de nabijheid van den strooper weg te komen.
Het zien van dezen alleen reeds had hem zijn voorjaarsstemming doen
verliezen. "Wat is hij toch een ongelukkig mensch!" dacht De Laat
onder 't voortgaan. "Niemand houdt van hem; de menschen schuwen hem.
Zijn hut is haast onbewoonbaar en hij huist er geheel alleen. Geen
wonder, dat hij de nachten vaak doorbrengt in een schuur, een hooi-
of zaadberg of iets van dien aard, waar hij tegen wind en weer
beschut is. 't Is een beklagenswaardig mensch. En in dien toestand
is hij geraakt, doordien zijn moeder, toen hij nog een kind was, van
armoede en verdriet is gestorven. Zijn vader was een ergerlijk
dronkaard, die hem meestal aan zijn lot overliet, ja hem in zijn
vlagen van woede, als hij beschonken thuis kwam, wel eens bont en
blauw sloeg. Met bedelen en stelen moest hij gewoonlijk zijn kostje
opscharrelen. Schoolgaan deed hij niet, werken leerde hij evenmin.
En nadat zijn vader op een avond in den Molenkolk verdronk, is de
zoon, op zijn voorbeeld, aan 't zwerven en stroopen geraakt en 't
zou me niet verwonderen of hij heeft ook de diefstallen gepleegd,
waarvan de dader onbekend gebleven is, want nadat er zulk een
diefstal had plaats gehad, was hij de daarop volgende dagen dronken
en had hij geld op zak."


Terwijl De Laat, zoo denkende, zijn weg vervolgde, werd hij door den
vagebond in de sloot nagegluurd. Deze mompelde:

"Dat heerschap laat de boeren ook maar zwoegen. Hij heeft ook,
evenals ik, aan 't werken een broertje dood: daarin zijn wij tweeën
precies gelijk. Maar overigens: wat een verschil! Hij heeft een echt
gezellig thuis, een aardige vrouw en een flinken jongen. Hij zal ook
zoo nu en dan wel een bom duiten thuis brengen, want hij drijft
handel, zooals ze dat soort van leegloopen believen te noemen. En
als ik doodmoe in mijn rooknest van een hut terugkom, is de haard
koud en alles is er koud en doodsch. 'k Ben ook daar, evenals
overal, geheel alleen. Die leeglooper daar, met zijn groenen zak op
den rug, wordt door ieder geacht. lk word door iedereen geschuwd.
Hij is overal welkom, maar als ze mij ergens zien aankomen, hitsen
ze den wachthond op mij aan.

Mij loopt ook alles tegen.

Toen ik op dien avond, dat ze visite hadden, brand stichtte op de
deel en van de verwarring wilde gebruik maken om 't geld, dat hij
den boeren moest betalen, stilletjes in te palmen en zóó uit de
zorgen te raken, stond er een stevige boer met een geladen pistool
mij op te wachten.

Nu is hij zeker op weg naar de voorjaarsmarkt te D. Die wordt
overmorgen gehouden en daar kan hij zijn zaden voor een goeden prijs
verkoopen. Dan begint hij allicht nog denzelfden middag de
terugreis. 't Wordt wel middernacht, eer hij thuis is. De vent is
niet bang, want de weg, dien hij bij donkeren avond over moet, is
erg eenzaam en gevaarlijk ook, vooral voor een man alleen, die hem
met een gevulden buidel passeeren moet.

'k Heb daar in de buurt nog een paar "gezworen kameraden", met wie
'k vroeger al voordeelige zaken gedaan heb. De Laat, -- zegt men,
-- is een man van zaken. Welnu: ik heb grooten lust, om ook eens
zaken met hem te doen. Maar alleen gaat het niet, want hij is
stellig niet voor een klein gerucht vervaard. Doch met ons drieën
zou 't wel gaan! Ja, ja, 't zou wel gaan!"

Vlugger dan men dit van zulk een log persoon zou gedacht hebben,
sprong hij nu overeind, vatte voorzichtig de muts met de eieren met
beide handen vast, werkte zich behoedzaam tegen den slootkant omhoog
en stapte toen haastig den weg op naar 't dorp.




VII.

Een aanranding.


"Je kunt van avond niet verder gaan, vriend: het is al laat; 't
loopt naar elf uur; 't is buitengewoon donker en de weg is zeer
eenzaam; over een afstand van een uur gaans ongeveer staat er geen
enkel huis in de buurt -- en 't is er in den laatsten tijd
onveiliger dan ooit. Al een paar avonden achtereen heb ik hier in de
omgeving personen zien rondspoken, die 'k vooral in den laten avond
liever niet tot reisgezel hebben zou."

Zoo sprak de dikke, verstandige waard uit de herberg "De
Zonnebloem", welke herberg als een welkome pleisterplaats op een
eenzaam punt stond aan den straatweg van D. naar G. en verder naar
de Duitsche grens. Over dien weg had destijds een druk verkeer
plaats. De postbode van H. sprong daarover met één stijf en één
gezond been voort naar 't vier uur gaans verwijderde D. en keerde
nog dienzelfden namiddag en avond naar H. terug, beladen met brieven
en pakken en niet zelden ook met geldswaarden. Zoo deed hij alle
dagen.

Lange rijen zwaar beladen vrachtwagens werden er op vaste dagen en
avonden iedere week soms laat in den avond over voortgetrokken door
groote, bonkige paarden, met rinkelende bellen aan de tuigen. Onder
die wagens liepen groote, nijdige wachthonden, die een kwaadaardig
gebrom lieten hooren, zoo vaak er iemand voorbij kwam. De
voerlieden, meestal ruwe, gebaarde mannen, met een door wind en
weder gebruind gelaat, waren van wapens voorzien om in geval van
nood de brutale roovers weerstand te kunnen bieden, welke laatste
zich in de donkere bosschen aan weerszijden van den weg schuil
hielden van wie er sommige zelfs niet voor een moord terugdeinsden.

Onze tijd schiep ook in dit opzicht betere toestanden. Nu loopt de
spoortrein door de streek en brengt in weinig tijd personen en
goederen veilig naar de plaats van bestemming. De vrachtwagens zijn
grootendeels verdwenen, het verkeer over den straatweg heeft weinig
meer te beteekenen en de roovers moesten derhalve uitzien naar een
ander middel van bestaan.

"De weg is zeker eenzaam en op verschillende plaatsen zijn er aan
weerskanten groote bosschen, waarin roovers zich heel gemakkelijk
kunnen verschuilen, maar hetzelfde kan men zeggen van de meeste
wegen hier in de streek," antwoordde De Laat, -- want hij was het,
tot wien de waard zijn waarschuwing richtte.

"En" -- dus ging hij voort, -- "de onveiligheid op de wegen is ook
zoo groot niet meer, als men wel beweert. Geschiedenissen als die
van Hutten Klaas behooren voor goed tot het verleden.

Ik, die op alle uren van den avond en soms in den nacht onder weg
ben, heb tot nog toe altijd mijn reis kunnen vervolgen, zonder door
iemand gehinderd te worden. Waarom zou ik dan van avond juist gevaar
te duchten hebben?"

"Je sprak daar van Hutten Klaas," zei nu de kastelein nieuwsgierig.
"Dien naam heb ik meer gehoord. Wie was dat ook?"

"'k Zal u in 't kort vertellen, wat ik van hem weet," antwoordde de
zaadhandelaar.

"Omstreeks 1775 woonde in de Wienersteeg tusschen Delden en Goor de
zeventigjarige Klaas Annink, die men gewoonlijk Hutten Klaas noemde.
Zijn vrouw Aarne Aarnink was toen vier en vijftig jaar, hun zoon
Jannes was een en twintig en hun jongste, Gerrit, dertien jaar oud.

Klaas werd door de heele buurt en ver daar buiten gevreesd en
geschuwd. Men was te bang voor hem, om hem aan te klagen, zoodat hij
zijn schelmstukken ongestraft kon uitvoeren. Hij en zijn
huisgenooten stalen ganzen, eenden, kippen, boomvruchten, gevulde
bijenkorven enz.

Zekere Pompen Herman, zooals men hem noemde, een neef van Klaas'
vrouw, kwam dikwijls bij hen aan huis en maakte dan telkens weer
aanmerkingen op hun gedrag. "Als de politie er achter komt, wachten
jelui de vreeselijkste straffen," waarschuwde hij dan.

Ze werden bang, dat hij hen verraden zou en toen hij eens weer bij
hun haard zat, zonder eenig kwaad vermoeden te hebben, sloegen zij
hem dood. Zoo kon hij hen niet meer verklappen.

Op een keer traden twee slagers, de gebroeders De Leeuw, de onzalige
woning binnen om hun pijp aan te steken en te zien, of ze er
misschien ook een stuk vee zouden kunnen koopen.

Klaas merkte wel, dat ze een aardig sommetje geld bij zich hadden.
"Ik moet geld hebben om den hooikoop op Langenhorst te betalen,"
riep hij met schorre stem en liep ijlings naar de deel.

De twee bezoekers vreesden, dat hij vandaar het een of ander
moordtuig wilde gaan halen en vluchtten weg.

Zooals je weet, komen er nog telkens kooplieden, afkomstig uit het
Oldenburgsche, naar Drente, Twente en de Graafschap, om er allerlei
wollen goed: kousen, sokken, wanten enz. te verkoopen. Hun waar
dragen zij in een mars op den rug; ze bieden die te koop aan de
huizen en eveneens op jaarmarkten en kermissen.

Zulk een "Hozzenkramer" was ook zekere Willem Stint, die, wanneer
hij de markten te Goor en te Delden bezocht, telkens bij Hutten
Klaas zijn intrek nam. Dit deed hij ook, toen hij in 1775 van de
Goorsche wintermarkt huiswaarts keerde. Hij had een aardige som geld
bij zich. Het kamertje, waar hij logeerde, was naast de keuken. Toen
hij zich ter rust wilde begeven, hoorde hij een onheilspellend
gemompel tusschen Klaas en zijn vrouw. Hij kreeg daardoor argwaan en
bleef gekleed en met zijn stevige stok in de vuist geklemd afwachten
wat er gebeuren zou. En toen nu Klaas de deur opende om hem in den
slaap het leven te benemen, werd hij door Stins overmand. Maar door
't gerucht en geschreeuw, dat hierdoor ontstond, werden de beide
zoons gewekt en de oudste kwam zijn vader te hulp, terwijl de vrouw
die twee aanhitste. Eenige oogenblikken later was nu de ongelukkige
kramer een lijk.

De vader van dezen maakte er zich ongerust over, dat zijn zoon, die
altijd gewoon was om met Kerstmis thuis te zijn, zelfs
midden-Januari nog niet was teruggekeerd. Hij begaf zich derhalve op
reis om hem te zoeken. Op een Zondagmiddag kwam hij in Delden, juist
toen de kerk uitging. Tot zijn verbazing zag hij onder de
kerkgangers een persoon, die een broek aan had juist gelijk aan die
van zijn vermisten zoon.

Het was Hutten Klaas.

Hij deelde die ontdekking mede aan 't gerecht en dit gaf bevel om
Klaas en de zijnen te arresteeren. De vrees voor deze onmenschen was
echter zoo groot, dat niemand er zich toe leenen wilde om hen in hun
eigen huis te vatten.

Daar Klaas een trouw kerkganger was, werd de volgende Zondag
afgewacht. Toen posteerden zich zes stevige boschjagers aan de
kerkdeur en namen Klaas en Jannes gevangen.

Ook Aarne en Gerrit werden daarop in huis in verzekerde bewaring
genomen. De gevangenen werden van elkaar gescheiden, om geen
afspraken te kunnen houden. Zoo gelukte het, hen allen tot een
volledige bekentenis te brengen. Ze werden naar Oldenzaal gevoerd en
daar gekerkerd. In de Oudheidkamer aldaar bevindt zich nog de stoel,
waarop Klaas werd vastgezet. 't Is een houten leuningstoel, -- een
lomp meubel, -- met wijd uitstaande pooten om hem meer stevigheid te
geven. Aan de leuningen en de pooten zijn ijzeren banden bevestigd,
waarmee de moordenaar werd vastgezet. Klaas en Jannes werden
geradbraakt en Aarne aan een paal geworgd. De jongste, Gerrit, werd
met een schip den Oceaan opgestuurd, een middel dat eertijds veel
werd aangewend bij jeugdige personen, van wie men voor de toekomst
weinig goeds verwachtte."


"Nu, dat waren dan toch echte schurken!" zei de goedhartige waard
huiverend. "Maar als je meent, dat de rooverstroep, die hier bij
avond en ontijd gezien wordt, veel beter is, dan heb je het toch
mis. Ik verzeker je, dat je 't niet in je hoofd zoudt krijgen om van
avond de reis te vervolgen, als je hun boeventronies gezien hadt.
Die kerels staan nergens voor en zouden ook niet voor een moord
terugdeinzen.

En de politie staat tegenover die bandieten vrijwel machteloos. 't
Moet al een groote plaats zijn, waar men meer dan één veldwachter
heeft en die blijft natuurlijk, als hij eenigszins kan, bij avond en
nacht in 't dorp waar hij thuis hoort, wat hem ook niet kwalijk te
nemen is. Ik zou in zijn geval niet anders handelen: het hemd is
nader dan de rok. Buiten de bewoonde plaatsen is 't niet veilig. Nog
de vorige week is de slager Simons een goede tien minuten gaans van
hier staande gehouden door een persoon, die hem op een brutalen toon
vroeg, hoe laat het was. Maar Simons is een reus van een vent. Hij
zwaaide den aanrander met zijn geducht slagersmes vlak voor 't
gezicht heen en riep dreigend: "Zoo laat is 't!" en de boef uitte
een kreet van ontzetting en vluchtte als een bloode haas het hout
in."

"'t Zou al een stoere vent moeten zijn, die mij den baas werd!"
sprak de zaadhandelaar bedaard en hij toonde zijn dikken stok met
looden knop. "En als 't op een snijpartij mocht uitloopen," hervatte
hij, "dan kan ik ook wel mijn man staan!"

Dit zeggende haalde hij uit een broekzak een vervaarlijk schedemes
te voorschijn. "Je ziet, ik ben op een nachtelijke ontmoeting met
dat rooversgespuis voorbereid en zal 't er maar op wagen. 'k Zou
morgen gaarne bijtijds weer in huis terug zijn om er de zaken te
regelen."

Hij betaalde de vertering en nam afscheid.

De waard sloot de deur achter hem dicht en blies het licht uit.

Zoo stond hij dan geheel alleen te midden van een oneindige, in
nachtelijk donker gehulde ruimte.

't Was er angstwekkend stil. Geen vogel zong.

Alleen 't schor geblaf van een wachthond op een verwijderd boerenerf
verbrak bij poozen 't algemeen zwijgen.

Zoo stil en snel mogelijk poogde hij voort te gaan, maar tot zijn
spijt kwam 't hem voor, of zijn voetstappen op de steenen nu veel
meer gerucht maakten dan anders.

Toch achtte hij 't veiliger het midden van de straat te houden, dan
er nevens te gaan over den graszoom, waar hij door iemand, die in 't
hout verborgen op hem loerde, onverhoeds kon worden overvallen.

Hij stapte een goede tien minuten vlug voort en lette onderwijl
scherp op alles, wat er om hem heen bespeurd werd. Zoo bereikte hij
't punt, waar de weg tusschen dichte dennenbosschen voortloopt. Hier
was 't erg donker, maar de oogen van De Laat waren daaraan gewoon
geraakt. Een eenzamer plek was er echter moeilijk te bedenken. Niet
alleen zijn voetstappen maar zelfs zijn kleeren maakten nu, naar hij
zich verbeeldde, een verwonderlijk groot gerucht.

Nog niet lang was hij zoo voortgegaan, toen hij eensklaps ter zijde
van den weg eenig gerucht hoorde, dat hem uiterst verdacht voorkwam.
Starend keek hij in die richting en zag nu uit het hout een persoon
te voorschijn treden en regelrecht op hem aankomen. "Goeien avond!"
zeide hij barsch.

"Ook goeien avond!" zei De Laat zoo mogelijk nog barscher en stapte
voort.

Doch de ander trad hem op zijde en vroeg: "Waar gaat dat zoo laat in
den avond nog naar toe, vriend?"

"Naar huis, man! -- Waarom vraag je dat zoo?"

"Ja, zie je, 'k moet je in dat geval waarschuwen! 't Is hier in de
streek verschrikkelijk onveilig. En je hebt, als ik me niet vergis,
een aardig sommetje geld bij je. Geef mij dat zoolang in bewaring:
ik ken hier den weg en zal zorgen, dat het me niet afhandig gemaakt
wordt!"

"Maak je maar niet ongerust: ik kan er zelf wel voor zorgen en 'k
zal het doen ook, wees daar zeker van!"

"Dat kunt ge niet!" verzekerde de ander.

"Probeeren is 't naaste!" zei De Laat met een forsche stem. "Hier
is mijn geld! We willen er om vechten!"

Hij wierp den zak, gevuld met rinkelende geldstukken, vóór zich op
straat.

De ander bukte om dien te grijpen en er zich dan snel mee uit de
voeten te maken, doch De Laat zwaaide nu zijn geduchten stok, zoodat
die gonsde door de lucht en met een doffen slag op 't hoofd van den
aanrander neerkwam. Deze zakte in de knieën en viel daarop kreunend
met een smak op de straatsteenen.

De Laat greep weer zijn zak met geld en snelde terug, overtuigd dat
zijn leven afhing van den spoed, dien hij maakte.

In ijlende vaart voorthollend, hoorde hij van verschillende kanten
een doordringend gefluit, dat hem weinig goeds voorspelde. Gelukkig
bereikte hij weer de uitspanning, die hij kort geleden verlaten had.
Hij klopte er aan en riep dringend: "Doe in 's hemels naam vlug
open!"

De waard was blijkbaar op dezen afloop bedacht geweest.
Oogenblikkelijk opende hij de deur en sloot die terstond weer achter
hem dicht.

"We steken geen licht aan; we blijven hier in 't duister bij elkaar
zitten, in afwachting van wat er verder gebeuren zal," zeide hij.

Nog nauwelijks waren ze gezeten, of ze hoorden daar buiten een
geloop en gedraaf als van een troep jonge veulens.

Er volgde een bonzend kloppen op de deur en toen riep er één met een
grove stem op een kommandotoon:

"Kastelein, doe gauw open! We moeten er in!"

"Hei daar! -- Wie maakt daar in 't holle van den nacht zoo'n helsch
leven?" riep de waard met een stem, alsof hij geducht boos was,
omdat men hem uit zijn eersten slaap had doen opschrikken.

"Goed volk! Doe maar gauw open!" riep de stem van buiten terug.

"Jelui hadden maar vroeg moeten komen. Bij nacht laat ik niemand
binnen: ik heb ook tijd om te slapen noodig."

"Kom, maak maar geen uitvluchten: je herbergt een koopman en dien
moeten we noodzakelijk spreken!"

"Jelui hebben abuis. Een drie kwartier geleden is hier wel een
koopman geweest, maar die is, na 't noodige gebruikt te hebben, weer
verder gereisd. 'k Heb toen terstond het licht uitgebluscht en ben
onder de dekens gekropen en ben ook niet van plan voor morgenvroeg
weer op te staan. 't Is voor mij en mijn huisgenooten vandaag zwaar
werken geweest!"

Er volgde een gemompel van dreigende stemmen, met nu en dan een
ruwen vloek of een ijselijke verwensching er tusschen.

Maar welhaast dropen ze af, om in de buurt naar den vluchteling te
zoeken.




VIII.

De kleine Steven bezoekt het kasteel Heiterloo en raakt leelijk in
de klem.


Nu 't speenvarkentje er niet meer was om hem den tijd te korten en
Bles het grootste gedeelte van den dag in de weide liep te grazen,
vond Steven het in 't groote huis erg eenzaam en stil. Moeder had
het meestal te druk met allerlei huiswerk om zich veel met hem bezig
te houden en als ze daarmee gereed was, ging ze voor 't spinnewiel
zitten en spon soms nog tot laat in den avond. 't Gesnor van 't wiel
en 't eentonig getik der oude huisklok waren juist geen aangename
muziek.

De knaap liep dan ook, als er geen school was, meestal het huis uit
en speelde met zijn makkers op straat, of zag toe bij den arbeid der
handwerkslieden. Soms dwaalde hij verder af naar de boerenhoeven in
de streek en bewonderde er de paarden, koeien, schapen, varkens en
kippen.

Tegen etenstijd zorgde hij echter weer thuis te zijn, want hij had
een grage maag.

Maar 's avonds kwam hij wel eens na zonsondergang weer terug. Het
zwervende leven, dat zijn vader leidde, scheen ook hij recht
aangenaam te vinden.


Kleidorp is betrekkelijk laag gelegen. Ofschoon de Berkel met haar
zijtak de Bolksbeek op vrij grooten afstand er van voortstroomt,
toch heeft het water van deze laatste eertijds gespoeld tot aan den
zoom der geringe verheffing, waarop het plaatsje gelegen is en er
aan die zijde een laag klei gevormd, die de voormalige moerasgronden
in uitmuntende weiden herschiep.

Op een schoonen voorjaarsnamiddag ging Steven door 't eenzaam, maar
mooi, houtrijk landschap. De witte bloemschermen der
lijsterbessenboschjes tusschen 't frisch-groen kreupelhout
verspreidden hun sterken, zoeten geur en op verschillende plaatsen
waren de kanten van den weg getooid met bloeiende bremstruiken.
Leeuweriken zweefden kwinkeleerend boven zijn hoofd, zóó hoog, als
wilden ze opstijgen naar de zon, die als een groote, stralende bol
aan 't blauwe ruim stond te flonkeren. Ze verdwenen ten slotte
geheel uit het gezicht, maar ook dan nog was hun liefelijk gezang te
hooren.

Hier en daar zong nog een nachtegaal in 't frischgroen gebladerte.
De lijsters beproefden hem zijn slag na te doen, doch 't was een
vruchteloos pogen.

Het mooie weer en de schoone natuur lokten Steven al verder van
huis, in de richting van 't kasteel Heiterloo, dat hem een slot
geleek uit een verrukkelijk tooversprookje.

Nergens werd er een tochtje bespeurd. Toch waren de bladeren der
populieren langs de breede slooten, die heel mooi in 't zonlicht
blonken, voortdurend in een schommelende beweging en ze ritselden
onophoudelijk.

De knaap vond het hier een vreemde wereld. In de weiden liepen
groote troepen ganzen te grazen. Ze kwamen brutaal, met geheven
vleugels, op hem af, alsof ze hem zóó wilden aanvliegen. Hun schril
geroep was tot op grooten afstand te hooren.

De boeren in lage streken hielden eertijds groote troepen ganzen om
't voordeel, dat ze gaven. De groote slagpennen werden vrij algemeen
als schrijfpennen gebruikt; stalen pennen waren nog zeldzaam. De
fijne veeren werden ieder jaar uit de huid van deze vogels geplukt;
ze dienden voor dons in kussens en bedden en waren zeer kostbaar.

Groote troepen ganzen werden er naar de naburige markten gedreven en
er voor goed geld verkocht om geslacht te worden.

Steven keek op naar 't hoog, oud-vaderlijk kasteel op eenigen
afstand, te midden van eeuwenoude, statige eiken, die er trotsche
lanen vormden.

De vergulde windvaan op de spits fonkelde in de zon, als ware hij
van 't fijnste goud.

Hoe klein was de afstand, die hem nu scheidde van dit tooveroord.
Sinds lang reeds had deze plaats hem aangetrokken en rijke stof
geleverd voor zijn kinderlijke droomen.


De ganzen staken de koppen met gerekte halzen naar hem uit en 't
scheen den knaap toe, dat ze die halzen zoo lang konden maken als ze
zelf wilden; de vleugels bewogen ze aldoor op en neer en ze keken
hem zoo brutaal aan, alsof ze vragen wilden: "Wat kom je hier doen?"

Steven geleek intusschen in moed op zijn vader. Rustig bleef hij
leunen over 't getuinde hek, dat den toegang afsloot en naar de hem
nog onbekende dieren zien. Deze begonnen dan ook, toen ze den hun
vreemden knaap nauwkeurig beschouwd en niets bijzonders aan hem
opgemerkt hadden, weer ijverig te grazen en dat was ook 't
verstandigste, dat ze doen konden.

In een naburige sloot klonk nu 't gejoel en gelach van eenige
opgeschoten jongens, -- schoolmakkers van Steven.

"Wat zouden die daar uitvoeren?" dacht hij.

"Dat moet ik toch eens zien!"

Hij poogde 't getuinde hek, dat den toegang tot de weide afsloot, te
openen, doch 't was te zwaar. Gelukkig zaten op één plaats de
stokken, waaruit het gevlochten was, zoover van elkaar, dat hij er
doorheen kon kruipen. Dit deed hij ook en zoo kwam hij bij zijn
schoolmakkers, -- kinderen van behoeftige daglooners, -- die met
bloote beenen in de sloot rondspringen en 't water troebel maakten.

"Kom je ook bloedzuigers vangen?" vroegen ze.

"Wat zijn dat voor beesten?" vroeg Steven.

"Hu!" riep nu één der knapen, "daar voel ik er één!"

Hij tilde 't been uit het water op, pakte 't diertje, dat er zich
aan vastgezogen had, beet en deed het in een flesch met water, die
op den kant lag.

"'k Heb er ook één!" riep nu een andere knaap, die wat verder de
sloot troebel maakte. En toen ook hij het been uit het water trok,
zat er eveneens een bloedzuiger aan vast gezogen. "Och," zei hij
toen teleurgesteld, "die deugt niet!" Toen wierp hij hem weer in 't
water.

"Waarom is die niet goed?" vroeg Steven verwonderd.

"Dat weet ik ook niet," zei de ander, "maar de dokter wil alleen
bloedzuigers koopen, die drie roode strepen over den rug hebben;
voor deze geeft hij een dubbeltje per stuk."

"Wat doet de dokter met die diertjes?" vroeg Steven weer.

"Menschen, die teveel of onzuiver bloed hebben, wordt wel eens wat
bloed afgetapt," antwoordde de jongen heel wijs. "Daarvoor moet men
hun een ader openen. Maar onze dokter vindt het gemakkelijker en
beter om bloedzuigers te zetten. Die zuigen 't bloed op en als men
ze weg neemt, is 't werkje afgeloopen."

Steven nam de flesch met water, waarin de gevangen beestjes
rondkropen. Hij bekeek ze een poosje en zei: "Rare dieren! Ze lijken
vrij veel op jonge kikvorschen maar hebben niet zoo'n dikken kop. 'k
Zou niet graag hebben, dat de dokter er één op mijn armen of beenen
zette, om daaruit bloed te zuigen."

"Pijn doet het niet: je voelt er maar weinig van," verzekerde een
der knapen en ging daarop weer, evenals zijn makkers, ploeteren in
't troebele water, zoodat het hoog opspatte.

Toen hij weer op de plaats kwam, waar Steven op den kant stond toe
te zien, hield hij nog even op om te vragen: "Zeg, heb je verleden
Zondag mijn nieuwe pet wel gezien?"

"Die met dien kwast er boven aan?" vroeg Steven.

"Juist."

"Jawel! 't Is een heele mooie!"

"Nu, die kocht ik voor 't geld, dat ik met het vangen van
bloedzuigers verdiend heb. Als er van 't najaar veel eikels zijn, ga
ik die zoeken onder de boomen bij 't kasteel en verkoop ze aan de
boeren. Zoo verdien ik alweer wat. "Alle beetjes helpen!" zegt
vader."

't Verwonderde Steven, dat kinderen van behoeftige menschen zooveel
moeite moesten doen om eenige stuivers te verdienen. Hij vroeg
daarom: "En hoeveel verdient je vader wel, als hij de boeren een dag
helpt arbeiden?"

"'s Winters een paar dubbeltjes en 's zomers dertig cent. En
aardappels en boonen verbouwen we zelf genoeg op onzen akker,"
antwoordde de knaap en ging weer ijverig voort met zijn werk.

"Hoe weinig verdienen die menschen toch met hard werken!" dacht
Steven en hij liet de dubbeltjes en de centen, die hij zoo maar los
in zijn broekzak bewaarde, door de hand glijden. Hij versnoepte in
één dag wel eens evenveel, als zoo'n daglooner in denzelfden tijd
verdiende. Was zijn toestand zooveel gunstiger dan die van velen
zijner makkers?

Dit vond hij niet onwaarschijnlijk.


't Was drukkend warm. Geen tochtje bracht verkoeling aan. Niettemin
bleven de ganzen, al voortwaggelend, ijverig 't gras afbijten.

De koeien in de naburige weiden hadden echter de schaduw der
populieren en wilgen en van 't elzen kreupelhout langs de
slootkanten opgezocht en lagen er rustig te herkauwen.

Hoe mooi groen waren nu die rijk met bloemen getooide weiden,
waarover de bonte vlinders rondvlogen. En ze strekten zich te ééner
zijde zoover uit, als kwam er nooit een eind aan. Naar 't Noorden
reikten ze tot bij 't bosch van 't kasteel Heiterloo.

Verleidelijk blonken de leien van 't hooge dak en den slanken toren
hem tegen. En de fonkelende windvaan op de spits scheen hem
verlokkend toe te wenken.

Steven was er nu zoo dicht in de buurt gekomen, dat hij den lust
geen weerstand kon bieden om er heen te gaan en 't eens van nabij te
bezien. Haastig stapte hij voort over 't zoogenaamde kerkpad, dat
door de weiden voerde en, daar 't over den moerasgrond liep, op
sommige plaatsen onder zijn voeten borrelde en ruischte.

Hoe verbazend warm was het op 't onbeschaduwde pad. Het zweet liep
hem met stralen van 't gezicht. Maar welhaast bereikte hij 't smal
bruggetje over de beek, dat hem de gelegenheid bood om den overkant
te bereiken en eenige minuten later stond hij onder 't lommer der
statige laan, die om den grooten bloemen-, groenten- en vruchtentuin
en om 't kasteel zelf voerde.

Hoe netjes waren de randen der paden met een scherpe spade
afgestoken! De paden zelf waren keurig geharkt en nog geen enkele
voetstap stond er in de fijne, regelmatige strepen afgeteekend. Doch
hazen en konijnen hadden er hier en daar hun sporen achtergelaten.

't Was hier ongewoon rustig en heerlijk koel. Lijsters en
nachtegalen zongen als om strijd en ook de andere vogels taterden en
snaterden lieflijk en luid.

Hoeveel netter was 't hier dan in 't dorp met de mestvaalten en
vuile riolen aan weerszijden van de straat en de bouwvallige huizen
daar achter, voor 't meerendeel grauw en verweerd!

Hij hoorde in den tuin vroolijke kinderstemmen. Maar deze was door
een breede, diepe gracht omringd en er achter verhief zich een
hooge houten schutting, zoodat de knaap niet zien kon, hoe 't er
daar binnen uitzag en wat er voorviel.

Een poos stond hij schier ademloos te luisteren. Zijn hart klopte
hoorbaar. Hoe vrijmoedig hij anders ook was, toch vreesde hij hier,
zoo ver van huis en in een vreemde streek, zich op verboden terrein
te bevinden. Dit was echter niet het geval. Als de menschen, die er
in de streek woonden, naar het drie kwartier gaans verwijderde dorp
moesten, passeerden ze deze laan en kozen verder denzelfden weg,
dien Steven gegaan was om hier te komen. Dicht in de buurt, ter
linkerzijde, lag een boerderij, tevens uitspanning en tolhuis. Er
was namelijk door den eigenaar van 't kasteel een harde weg
aangelegd, waarover men den grooten rijksweg kon bereiken. Wanneer
de boeren van dezen kunstweg gebruik wilden maken, moesten ze voor
paard en wagen een halven stuiver tolgeld betalen. Die halve stuiver
had toentertijd ongeveer de waarde, die thans een dubbeltje heeft.
Kochten de lui echter een borrel van vijf centen, dan werd hun het
tolgeld geschonken.


Steven mocht ook al huiverig zijn om hier lang te vertoeven, toch
was bij hem de nieuwsgierigheid sterker dan de vrees.

Hij keek omhoog langs de dikke boomstammen.

"Als ik in zoo'n boom zat," dacht hij, "dan zou ik alles kunnen
zien."

Hij beproefde de boomen te omvademen, maar kon dit niet. Toen ging
hij een weinig dieper de laan in en zag nu een dikken, knoestigen
stam, waarlangs hij zonder veel moeite opklom. Eenige oogenblikken
later zat hij schrijlings op één der dikke, benedenste takken en had
nu een vrij uitzicht op den tuin en ook op 't kasteel.

Dat was eerst een prachtige tuin; een echt Wonderland! Aan zijn
opgetogen blikken vertoonden zich groote perken met mooie, kleurige
bloemen. Op andere perken stonden sierstruiken, die nog haast mooier
waren.

Doch 't heerlijkst van al vond hij de perken met bessenstruiken, die
vol rijpe trossen zaten, en de breede randen met aardbeiplanten, vol
groote, rijpe vruchten, langs de wandelpaden en de boomen vol rijpe
kersen. Vlak bij 't kasteel waren groote broeikassen, waaruit hem
ook al rijpe vruchten tegenblonken.

Die tuin was een waar Luilekkerland.

En hoe hoog waren die met klimplanten begroeide muren van 't
kasteel, loodrecht oprijzend uit de gracht. Druivenboompjes
omslingerden met hun frisch groen de vensters en den ronden boog der
deur.

De ramen waren met de warmte opengeschoven en voor een dezer zat een
dame te lezen uit een fraai gebonden boek, verguld op de snede. Ze
was geheel in 't wit gekleed. Vroolijke kinderen, eveneens in witte
kleederen, speelden op 't groote, frischgroene grasperk. Ze schenen
den knaap wezens toe uit een andere, betere wereld, die met de
boerenkinderen uit zijn omgeving, -- zijn schoolmakkers, -- maar
zeer weinig gemeen hadden en deze in schoonheid onbeschrijfelijk ver
te boven gingen.

Hoe wenschte hij, deel te mogen nemen aan hun spelen en steeds met
hen te mogen verkeeren. Maar hij begreep tot zijn groote droefheid,
dat hij veel beter voegde bij de boerenkinderen, dan bij hen, om
zijn kleeding, zijn spraak, zijn manieren en levenswijs.

Terwijl hij daar zoo zat te peinzen, hoorde hij eensklaps een
geluid, alsof er heel in de verte een kanonschot gelost werd. En
toen hij naar dien kant uitkeek, zag hij de dalende zon achter een
donkere wolk schuil gaan.

Een killen schrik ging hem door de leden.

Hij begreep nu eerst recht het verlatene van zijn toestand. De avond
viel, er kwam een dreigend onweer opzetten en hij was alleen en zoo
ver van huis.

Er kwam al beweging in de hooge boomtoppen; kikvorschen begonnen in
de slooten te kwaken en met het schuilgaan der zon kwam er een
schemering over het kort te voren nog zoo licht en zonnig landschap.
Overigens heerschte overal nog een diepe stilte, slechts nu en dan
afgebroken door 't dof gerommel van 't naderend onweer uit de verte.

Er was iets vreemds, iets sombers gekomen over de laan, waarin hij
zich bevond, die hem kort te voren nog zoo mooi, zoo heerlijk had
toegeschenen en waar hij zulk een uitnemende beschutting had
gevonden voor de felle zonnestralen.

't Leek hem toe, dat het plotseling avond geworden was en hij groot
gevaar liep om den nacht buiten in 't donker te moeten doorbrengen.

Er was iets vreemds, iets onbeschrijfelijk sombers gekomen over de
groene velden met ruischend graan; over de bloeiende weiden en de
zoo even nog glanzende boomen van de streek, die hij uit zijn
verheven zitplaats overzien kon.

Drukkender dan ooit was intusschen de warmte, angstwekkend de
stilte. Door die stilte heen meende hij een onheilspellend ruischen
te hooren, heel ver verwijderd, ja, maar dat aldoor duidelijker
werd, onrustbarend snel naderde en de geheele ruimte vulde.

Ook in 't kasteel had men de naderende bui bespeurd.

De schoone dame toch riep de stoeiende jongeluitjes toe, dat ze
binnen moesten, komen, want dat er een geducht onweer kwam opzetten.

Eenige oogenblikken later waren nu allen in 't groote kasteel
verdwenen; de ramen werden er dicht geschoven; alles werd er stil en
eenzaam en Steven bevond zich daar onder die hooge boomen en te
midden van die vreemde, oneindige wereld moederziel alleen. De arme
jongen wist niet, dat hier dicht in de buurt de hoeve was van boer
Jansen, een vriend zijner ouders, dien ook hij zeer goed kende,
omdat hij haast iederen Zondag, na kerktijd, bij moeder De Laat een
kop koffie kwam drinken. In tien minuten zou Steven die gastvrije
woning hebben kunnen bereiken. De boer, of anders een zijner
huisgenooten, zou hem, als 't onweer geëindigd was, met genoegen
weer hebben thuis gebracht.

Doch Steven wist dit niet. Hij snelde daarom de laan uit, die hem nu
in hooge mate angstwekkend toescheen en verwijderde zich zoo snel
mogelijk van deze voor hem geheimzinnige plaats. Hij holde 't
bruggetje over, waaronder het water van de beek traag voortvloeide
naar de rivier en met deze langs drukke steden, vroolijke dorpen,
donkere bosschen, bloeiende heiden, korenlanden en weiden naar de
groote zee in 't verschiet.

Steven vroeg zich niet af, vanwaar dit water op zijn rusteloozen
tocht door de ruimte kwam en waarheen het nu ging. Hij lette evenmin
op de visschen, die met de warmte aan de oppervlakte stonden en hem
met hun groote oogen als verwonderd aanstaarden. Hij liep voort,
alsof zijn leven afhing van den spoed, dien hij maakte. Angstig zag
hij telkens weer om naar de bui, die met verbazende snelheid kwam
aanzetten.

Een onweer, zooals slechts enkele stokoude ingezetenen er ooit een
hadden bijgewoond, brak boven 't kasteel en den omtrek los. Wolken,
angstwekkend donker en dreigend, met helkleurige banen als
doorstreept, naderden in ijzingwekkende vaart en bedekten alras naar
drie zijden de gansche lucht. De saamgepakte wolkgevaarten rolden en
buitelden over elkaar, joegen in woeste vaart in kringen rond en ze
dreven niet, maar vlogen, als voortgegeeseld door een wervelstorm.
Bliksemflitsen schoten door die donkere wolkenbergen heen met
oogenverblindende schittering; krakende donderslagen deden telkens
weer den grond dreunen en sloegen den anders zoo moedigen knaap in
zijn verlaten toestand met een killen schrik. Groote, donkere
stukken werden daar omhoog door den storm van de groote wolk
afgescheurd en aan flarden uiteen gerukt. Toch was de bui nog niet
boven hem.

Hoe onheilspellend ruischten en klaterden echter die rustelooze
loovers der populieren!

Daar stak eensklaps ook waar de knaap zich bevond de wind op. Hij
loeide en gierde; de boomen bruisten; 't was een gerucht, dat hooren
en zien deed vergaan en een luchtpersing die den doodelijk
vermoeiden knaap, al loopende, schier den adem benam.

Daar werd zijn vaart eensklaps gestuit door het getuinde hek, dat
den ingang afsloot. Ook nu poogde hij, door de opening te kruipen,
die hem ruim een uur geleden een doorgang had verschaft. De spoed,
dien hij maakte, was echter oorzaak dat hij er in beklemd raakte.
Zij kin zat vast tegen zijn knie gedrukt en hoe hij zich ook
inspande, hij kon voor- noch achteruit, evenmin als een boef, die in
de boeien is kromgesloten.

En daar barstte nu vlak boven hem de bui met ongekende hevigheid
los.

De bliksem schitterde; de donder ratelde met korte tusschenpoozen.
Stukken ijs ter grootte van een duivenei of nog grooter vielen bij
stroomen al kletterend naar beneden. Ze kwamen met zulk een kracht
tegen den grond, dat ze herhaaldelijk weer hoog opsprongen en een
wilden dans uitvoerden. En die stukken waren niet rond, zooals
gewone hagelkorrels, maar zeer onregelmatig van vorm, met scherpe
hoeken, alsof er door een vreeselijke kracht een zware ijsbank boven
in de lucht was in stukken gebeukt.

De koeien, door de pijn als dol, galoppeerden in de naburige weide
met geheven staarten woest heen en weer. De ganzen staken de koppen
in de veeren. Steven moest dien kouden zilveren stroom maar op zich
laten neerkomen, evenals de gierigaard uit het sprookje, die den
wenschring geroofd had en honderdduizend rijksdaalders wenschte te
hebben. Die werd jammerlijk gedood door den stroom van op hem
neêrvallende geldstukken.

De angst van den armen knaap was onbeschrijfelijk. Hij huilde, hij
kermde, hij riep om vader en moeder, maar zijn stem werd door 't
gebulder van den storm, 't geklater van den ijsstroom en 't
ontzaglijk geratel van den donder geheel verdoofd. En hoe meer
pogingen hij deed om zich los te werken, hoe vaster hij tusschen de
stokken van 't hek beklemd raakte.

De bui trok eindelijk af en toen lagen de veldvruchten in de streek,
waar ze gewoed had, vernield tegen den grond.

Vogels, die een uur te voren nog lustig gezongen hadden, lagen nu
dood onder de boomen, tusschen het stuk gehagelde, afgewaaide
loover, dat overal de wegen bedekte.

De wagensporen en andere lage plaatsen waren opgevuld met groote
brokken ijs, en ofschoon 't in den zomer was, lagen zij er den
anderen dag nog.

De zon was intusschen ondergegaan. Het werd avond en Steven zat nog
steeds gevangen en zijn angstgeschrei en zijn geroep om hulp bleven
maar altijd vruchteloos.

Zou hij hier den heelen nacht zoo moeten blijven zitten?




IX.

Hoe Dronken Teunis uit visschen ging en wat hij thuis bracht.


Teunis Vlak, gewoonlijk dronken Teunis genoemd, zat op den
drukkend-warmen namiddag, in 't vorige hoofdstuk vermeld, in zijn
hut voor 't klein, vierkant raampje en keek belangstellend uit naar
't bed met bloeiende Duizendschoonen, die hij met veel zorg had
gekweekt op een perkje in 't midden van 't stukje grasgrond vóór
zijn deur.

Een dagloonersvrouw uit de buurt, moeder Bremer, die medelijden had
met den eenzamen man, had hem zaad gegeven en uit dankbaarheid had
hij dezen morgen een hoekje grond voor haar omgespit. "Je bent
menschen, die ook moet tobben en sloven om van den eenen dag tot den
anderen te komen en voor wat hoort wat," had hij gezegd.

Maar met zijn dik, log lichaam en bij die groote warmte was hem dit
ongewoon werk uiterst moeilijk gevallen, temeer daar hij zijn
pijekker niet had kunnen uittrekken om den haveloozen, vervuilden
toestand zijner overige plunje.

Hij was zeer blij geweest, toen tegen den middag het werk was
afgeloopen. De vrouw had hem op een maal aardappelen en een stukje
spek vergast en daaraan had hij zich recht tegoed gedaan. En nu zat
hij in zijn hut van de vermoeienis wat uit te rusten en van 't
vriendelijk uitzicht te genieten.

De oude stoel, -- de éénige die hij rijk was, -- kraakte onder zijn
gewicht, zoo vaak hij zich maar even bewoog. Zijn beenen lagen
gestrekt over 't worteleinde van een afgezaagden eikenstam, die hem
voor tafel diende.

"'t Lijkt wel niet heel netjes, zoo met de beenen op tafel te
zitten," zeide hij bij zich zelf. "'k Doe juist zoo als de boer,
wiens dochter als keukenmeid bij een groot heer diende en die hem
bij zijn bezoek op lekkere kluifjes onthaalde. "Leg de beenen maar
op tafel, vader!" zei de dienstmaagd en de man, die moe was van 't
loopen, strekte ook zijn beslijkte beenen over de tafel uit;
hahaha!"

Hij lachte zoo, dat zijn dikke buik er van schudde. De vergissing
van dien boer vond hij erg komiek.

"Ik zit hier toch wel gemakkelijk," -- dus ging hij, in zich zelf
sprekende, voort. "'k Zit hier juist zoo, of 'k van mijn renten
leef! Voor rentenier heb ik werkelijk heel veel aanleg. Hoe jammer
toch dat vader Adam, toen hij nog in 't Paradijs en derhalve in
goeden doen was, vergeten heeft om één gulden voor mij op de
spaarbank te beleggen, rente op rente! Als hij dit gedaan had, zou
ik nu wijd en breed millionair zijn geweest. Nu is 't voor mij:
"Adam, gij moet werken!" En aan werken heb ik een broertje dood. 'k
Begrijp niet, hoe de menschen 't bij zoo'n hitte een heelen dag
volhouden! Toch zal ik op de eene of andere wijze moeten pogen om
wat te verdienen. Van 't leegloopen kan de schoorsteen niet rooken.
Haha!" lachte hij weer, "al had ik ook volop te koken, te bakken en
te braden, toch zou er een zware wijs opgaan om _mijn schoorsteen,
die er niet is_, aan 't rooken te krijgen. 't Is hier een naar, duf
hol; erg vervelend om er alleen te wonen. Maar als ik hier een vrouw
en een half dozijn schreeuwende kleuters om mij heen had, zou er
toch rijkelijk veel leven in de brouwerij zijn, dunkt me zoo. Maar
'k zit me hier anders erg te versuffen. Die grauwe leemen wanden,
die zoldering van stroo, die vloer van zand, waarin de stoel telkens
wegzakt, zijn allesbehalve geschikt om iemands leven te
veraangenamen. 'k Heb al heel wat buitelingen gemaakt met dien stoel
en vrees nog eens mijn nek er mee te zullen breken.

Maar hoe ik mijn toestand zou kunnen verbeteren, weet ik niet. Voor
straat- of struikroover mis ik de noodige vereischten. Die kerels
zouden zich niet ontzien om een moord te plegen. Ze wilden me
dwingen om te zeggen wie hun kameraad een groot gat in 't hoofd had
geslagen, natuurlijk om hem later te dooden, want de schelmen staan
voor niets. Doch ik hield mij onnoozel. 'k Zei maar, dat ik in een
droge sloot achter 't elzen hakhout had verborgen gezeten, toen er
twee personen waren voorbij gekomen, van wie de één den ander
verteld had, dat hij naar D. ging en met een aardige som geld in den
buidel hoopte terug te komen.

Neen, met dat boevengespuis wil ik in 't vervolg niets meer te maken
hebben. Maar de gebraden duiven vliegen me hier ook niet in den
mond, dat is zeker! 't Best zal zijn, dat ik met den hengel wat ga
visschen. Welbezien is het toch alles maar begonnen om de
hap-hap-hap en de snap-snap-snap. Jan Blom zei laatst: hij nam 't
zijn vader erg kwalijk, dat die hem het _eten_ geleerd had, omdat
hij nu van den morgen tot den avond moest sloven en zwoegen om een
schraal kostje te winnen. 't Is een oolijke grappenmaker, die Jan,
doch dat aldoor werken in 't land zou mij toch op den duur niet
bevallen. 't Is vrij wat gemakkelijker om, zooals ik, met visschen
en wildstroopen, of, als 't niet anders kan, met bedelen aan den
kost te komen. Maar komaan! Laat ik den tijd en de gelegenheid te
baat nemen en geen gras laten groeien over 't plan om te gaan
visschen. 'k Denk haast, dat de visch met dit warme weer wel zal
willen bijten."

Met een vlugge beweging poogde hij op te staan. Ongelukkig kwam zijn
log lichaam nu grootendeels op de ééne zijde van den wrakken stoel
te rusten. De poot brak en onze Teunis werd zandruiter.


{Illustratie: Hoe onheilspellend ruischten en klaterden echter die
rustelooze loovers der populieren! (Pag. 74).}


"Daar heb je 't al," bromde hij, terwijl hij steunend en kreunend
overeind scharrelde. "'t Is hier toch allemaal terdege goed spul van
't jaar nul. 't Ergste is, dat ik nu geen stoel meer heb: in 't
vervolg zal ik op de tafel moeten zitten."

Hij sloeg met de vlakke hand het zand van zijn pijekker, ging toen
naar een hoek van 't vertrek, nam een bierflesch met wormen om tot
aas voor de visschen te dienen en stak die in den zak. Vervolgens
stak hij een paar angels bij zich en stapte heel deftig naar buiten.
De wrakke deur trok hij achter zich toe, terwijl hij bromde:

"Waar niets is, heeft zelfs de keizer zijn recht verloren. 't Is
daarom ook geheel onnoodig, mijn deur te sluiten."

Daarop spoedde hij zich langs zijwegen en paden naar de lage streek,
ten Westen van 't dorp, waar de meeste slooten waren en er derhalve
de meeste kans was om wat te vangen.

Op de plaats gekomen, waar hij zijn geluk wilde beproeven, wischte
hij zich met de mouw het zweet van 't gelaat en sneed toen een
buigzamen tak van een knotwilg, maakte daaraan de lijn met den angel
vast en zei: "Ziezoo, klaar is Kees!"

De flesch met de wormen legde hij naast zich neer. Achter 't elzen
hakhout vond hij een schaduwrijk plekje en 't malsche gras bedekte
er, als een mollig tapijt, den bodem. 't Was een heerlijk plekje,
veel beter geschikt om er na de vermoeienissen van dezen dag eens
goed uit te rusten, dan zijn duffe, vunzige hut.

De vogels zongen lustig; heerlijk geurden de bloemen; overal daar
buiten was het licht en vroolijk.

Hij kon dan ook den lust niet weerstaan, om hier een middagdutje te
doen. "'t Is toch gemakkelijk, als je overal thuis bent!" zeide hij.

Languit ging hij in 't gras liggen en weldra sliep hij zoo vast als
een beer.

Toen tegen den avond het onweer kwam opzetten, lag hij nog in een
diepen slaap gedompeld. Hij hoorde niet steeds heviger en dreigender
het rommelen van den donder en zag evenmin 't aldoor feller
schitteren van de bliksemstralen.

Men verbeeldde zich dus zijn ontsteltenis, toen hem plotseling een
stroom van scherpe ijsstukken met kracht op hoofd en aangezicht
vielen en daarop hun rondedans dansten. In 't eerst meende hij in
zijn botte verbijstering, dat de kwajongens, die hem op straat wel
eens honend naschreeuwden, met striemende zweepslagen zijn gezicht
bewerkten. Woedend sprong hij op, stiet een rauwen vloek uit en
balde de vuisten om de denkbeeldige vijanden te lijf te gaan. Doch
al ras begreep hij, wat er eigenlijk gaande was en dat het de
neerkletterende ijsstroom was, die hem pijnigde.

Ten einde raad wierp hij zich plat op zijn buik, trok zijn pijekker
over 't hoofd en bleef zoo liggen, tot de bui had uitgewoed. Doch
ook toen hij zoo lag ontlokte de pijn hem nog telkens smartelijke
kreten. 't Leek hem bij 't afgrijselijk gerucht, dat de bui maakte,
dat de wereld vergaan moest.


De bui trok af, even snel als ze was opgekomen. De natuur kwam weer
tot bedaren, maar geen vogel hoorde men meer zingen. Een doodsche
stilte had het wilde gerucht van zoo even vervangen.

Teunis haalde diep adem. Om zich heen vertoonden zich overal de
teekenen der verwoesting. Weiden en velden glinsterden, maar 't was
de kille glans van 't ijs, dat overal den bodem bedekte en hier en
daar zelfs lag opgehoopt. De hoop van den landman op een goeden
oogst was over een groote streek vernietigd.

Onder den naasten populier lag tusschen de ijsstukken een doode
lijster. Teunis nam den vogel in de hand, bekeek hem een poosje en
zei toen meewarig: "Arm dier! Kort geleden hoorde ik je nog zoo
lustig zingen en nu al dood! Maar je einde is snel en je doodspijn
niet groot geweest. Koude en hitte, honger en dorst, storm en onweer
kunnen je niet meer deren!"

Zacht legde hij den vogel neer onder 't elzenloof. "Mijn mooie
bloemen zullen ook wel duchtig geleden hebben," mompelde hij,
terwijl hij in gedachten voortging.

Het vreeselijk natuurtooneel had een diepen indruk op hem gemaakt.

Juist wilde hij een zijweg inslaan, die voorbij het dorp naar zijn
hut leidde, toen hij op eenigen afstand het angstgeschrei en 't
geroep om hulp van een knaap hoorde. Hij liep vlug dien kant uit en
vond er Steven in de klem zitten.

"Hoe kom jij hier zoo verzeild, jongen?" vroeg hij verbaasd. En toen
de knaap maar aldoor bleef om hulp schreeuwen, poogde hij hem uit
zijn moeilijken toestand te verlossen. "Je hebt het zwaar te
verduren gehad, mijn baasje!" zei Teunis. "Je bloedt! Wist ik maar,
hoe 'k je helpen kan!"

Na eenig wikken en wegen begon hij de stokken van boven af in de
hoogte te werken en zoo de ruimte, waarin Steven bekneld zat, te
vergrooten en op die manier gelukte 't hem den knaap te verlossen.

Hij vatte hem vriendelijk bij de hand.

Steven, die zich nu weer vrij voelde, kwam ook welhaast tot bedaren.
Hij klaagde echter dat gezicht, hoofd, nek en handen hem zoo'n pijn
deden.

"Geen wonder!" zei Teunis. "Je hebt de bui ongedekt moeten
doorstaan. Maar vertel me toch eens, hoe je zoo ver van huis bent
weggedraaid!"

"Moeder was druk met de wasch en vader was ook niet thuis,"
antwoordde de knaap. "Ik verveelde me en ben maar wat gaan wandelen.
'k Ben heelemaal bij 't kasteel geweest en kon, toen de bui opkwam,
niet weer zoo gauw terug loopen."

"'t Is niet goed van je, om heel alleen zoo ver weg te loopen," zei
Teunis, die hem wel een aardige jongen vond. "Als je wandelen wilt,
doe je beter door den anderen kant uit te gaan, waar niet zulke
diepe modderslooten zijn. Hier zou de bullebak je wel eens kunnen te
pakken krijgen en dan was 't met je gedaan."

Zoo pratende, waren ze 't dorp genaderd en gekomen op de plek, waar
een zijpad leidde naar de buurt waar Teunis woonde. En daar deze om
begrijpelijke redenen De Laat en zijn vrouw liever niet wilde
ontmoeten, zeide hij: "Ziezoo, mijn jongen! nu kun je 't huis
gemakkelijk zelf vinden, is 't niet? Kijk, daar staat de kerk met
den hoogen toren en er vlak bij is je huis."

"O ja," antwoordde Steven. "Wel bedankt!"

Toen liep hij wat hij loopen kon voort en de eerste, die hij op
straat ontmoette, was zijn vriendinnetje Tonia, die hem vertelde,
dat men in 't dorp overal naar hem zocht.

Teunis ging in gedachten verdiept zijns weegs. Hij dacht na over
allerlei dingen en o.a. ook daarover, hoe 't hem, die geen werken
geleerd had, mogelijk zou zijn om in 't vervolg op een fatsoenlijke
manier te leven en den kost te winnen.


't Was ook voor hem geen geschikte tijd, om ergens in 't dorp
bezoeken af te leggen.

In verschillende huizen was geen ruit heel gebleven. De bewoners,
die zich, toen de bui losbrak, buiten de deur gewaagd hadden, met
het voornemen om de blinden te sluiten, waren genoodzaakt geweest om
in allerijl weer naar binnen te vluchten, zonder hun doel bereikt te
hebben.

De dorpsstraat was dik bedekt met stukken ijs; de riolen waren er
mee opgevuld. Veld- en tuinvruchten waren vernield. Droefheid en
ontsteltenis heerschten algemeen.

Toen Steven thuis kwam, vond hij er zijn vader en moeder niet: ze
waren in den grootsten angst naar hem aan 't zoeken. Hij ging
derhalve weer de straat op, om te ontdekken waar ze waren. Welhaast
vonden ze elkaar weder. Toen de ouders hoorden, waar hun jongen
geweest was en wie hem uit zijn moeilijken toestand verlost en weder
thuis gebracht had, kende hun verbazing geen grenzen. 't Kwam hun
voor, dat ze Teunis wel eens verkeerd hadden beoordeeld en ze waren
voortaan vriendelijk jegens hem.




X.

Op de Dorpskermis.


  "Het gras was gehooid en het koren was binnen.
    De najaarszon gloorde met feestlijken glans.
  't Was kermis in 't dorp en de blonde boerinnen
    Verzelden de juichende boeren ten dans."
                                              J. VAN BEERS.

Een half dozijn jaren is er verloopen, sinds de voorvallen, in de
voorgaande bladzijden beschreven, plaats hadden.

't Is 's morgens tegen tien uur en een mooie, zonnige dag in den
na-zomer.

Het dorpje, anders zoo stil, is nu vol leven en beweging. Een bonte
menigte van boeren en boerinnen, knapen en meisjes, verdringt zich
op straat voor de kramen en spellen.

Uit de herbergen klinkt ons een opwekkende dansmuziek tegen.

't Is kermis.

Die kramen en spellen staan op 't kerkplein, een grasveld, waarop
men overal platte paaltjes vindt met letters er van boven
ingesneden. 't Zijn de voorletters der namen van wie daar begraven
liggen.

Evenals op de meeste andere plaatsen toch, was vroeger ook hier het
_kerkplein_ tevens _kerkhof_. Rijke menschen werden zelfs in de kerk
begraven en in veel kerken bestaat de vloer nog in onzen tijd,
gedeeltelijk uit grafsteenen, terwijl men in niet weinige mooie
praalgraven aantreft. Het sierlijk monument op 't graf van M. A. de
Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam is van algemeene bekendheid.

't Is erg druk op de kermis, dat moet gezegd worden. Geen wonder
ook!

De buitenmenschen hebben weinig afwisseling in hun leven. 't Is
daarom wel te begrijpen, dat ze van deze gelegenheid tot
ontspanning, zoo mogelijk, gebruik maken.

Steven de Laat bevindt zich ook onder de feestgenooten. Men ziet hem
gewoonlijk op plaatsen, waar drukte heerscht en 't vroolijk toegaat.
Hij is, om een bekende spreekwijze te gebruiken, op alle markten en
kermissen thuis.

Zorgen en verdriet zijn hem zoo goed als onbekend. Alleen vindt hij
't erg onpleizierig, dat zijn goede moeder in den laatsten tijd niet
meer zoo gezond is als vroeger. 't Gebeurt soms dat hij, als hij van
een uitstapje in de buurt thuis komt, haar vindt te bed liggen. Doch
als hij dan voorstelt om den dokter te halen, zegt ze
geruststellend: "Welneen, 'k heb alleen maar een beetje pijn in de
borst en moet erg hoesten: 't is een zware verkoudheid. Morgen ben
ik allicht weer heelemaal beter. 'k Heb me misschien wat
overspannen."

Ja, zij overspant zich wel eens met werken en zorgen: ze begint zich
steeds ernstiger bezorgd te maken over de toekomst van haar éénigen
zoon, van wien ze zulke groote verwachtingen koesterde.

Geen wonder ook: zijn vroegere speelmakkers zijn allen reeds op de
eene of andere wijze nuttig werkzaam: de een is dag op dag druk in
de weer om een handwerk te leeren, de ander helpt zijn ouders in den
landbouw en de veeteelt; bakker Antoon is 's morgens voor dag en
dauw al in de bakkerij bezig en Jan van den ontvanger bereidt zich
voor op 't examen van veearts.

Doch als men hem, Steven, vraagt wat _hij_ worden wil, is gewoonlijk
't bescheid: "Vraag me iets, dat ik weet en niet iets, dat ik niet
weet!" De buren, die 't goed met hem meenen, schudden wel eens
ernstig het hoofd, terwijl ze de opmerking maken, dat het dan toch
hoog tijd wordt, om daarover te denken.

Steven schijnt echter te meenen, dat hij nog tijd genoeg heeft om
met geregelde werkzaamheden te beginnen. "Er gaat niets boven de
vrijheid," dus redeneert hij en staat, als er niets bijzonders te
zien is, nu eens bij de timmerlui, dan bij de metselaars, een
anderen keer bij de schilders naar hun werk te kijken. Zoo brengt
hij vaak heele dagen zoek. 's Avonds, als 't overal en ook op straat
donker is, omdat de straatverlichting hier nog altijd op zich laat
wachten, neemt hij gewoonlijk zijn toevlucht tot de smederij van 't
dorp. Hij vindt er genoegen in om den smid den zwaren hamer te zien
zwaaien, zoodat de vonken om hem rond spatten. Maar om zelf den
hamer eens ter hand te nemen, den bezigen man het werk te verlichten
en te zien of ook hij geen lust in dit vak krijgen kan, dat komt
niet in hem op.

Alleen 's Zaterdagsavonds helpt hij zijn vader bij 't houden van 't
boek en ziet dan gewoonlijk, dat deze een voordeeligen handel
gedreven heeft. Hij begrijpt zeer goed, dat dit ook voor hem van
groot belang is en de vader, die hem dan zoo ijverig bezig ziet om
zich met alles op de hoogte te stellen, zegt dan wel eens tot zijn
bezorgde vrouw:

"Wees maar gerust! Met onze jongen zal alles wel op zijn best
uitloopen: hij heeft een uitmuntend verstand, is goedaardig, vlug en
vriendelijk jegens iedereen."

En intusschen gaat De Laat zelf geregeld voort zijn zaadhandel te
drijven, die hem, al reizend, een gewenschte afwisseling verschaft
en bovendien een goed bestaan verzekert.

Dat de gezondheid zijner goede vrouw er in den laatsten tijd niet
beter op geworden is, schijnt hij niet te merken. Wel is hij een
belangstellend huisvader, maar toch in de eerste plaats een man van
zaken. Daardoor is 't hem juist mogelijk geweest om hier in dit
afgelegen hoekje van de wereld een zaak te stichten, die in de heele
Graafschap en Twente gunstig bekend is en hem en zijn klein gezin
een onbezorgd bestaan verzekert.


Maar 't was ons voornemen om een dorpskermis bij te wonen in een
tijd, die ongeveer veertig jaar achter ons ligt.

Daar staan we dan in gedachten op 't kerkplein en komen er juist op
tijd om de schutters te zien uittrekken naar 't grasveld in de
buurt, waar ze een schietwedstrijd willen houden. De beste schutter
zal straks _schutterskoning_ zijn en op één na de beste
_koningsknecht_. De eerste kiest zich dan uit de aanwezige meisjes
een koningin en de ander een _koningsmeid_. Ook de gekozen meisjes
bekomen ieder een prijs. Ze achten 't bovendien een groote eer, uit
zoovelen gekozen te worden tot koninginnen van 't feest.

De schutters staan reeds in rijen van vieren aangetreden, ieder met
zijn eigen of wel met een geleend geweer op schouder, niet zooals
dat bij de militairen 't gebruik is, met de kolven omlaag en de
trompen omhoog, neen, ieder draagt ze, zooals hem dat het best
uitkomt.

Jan Vreeman, een timmerman van zijn ambacht, die soldaat is geweest
en bij de infanterie was ingedeeld, is kommandant van den troep.
Zijn vrouw heeft hem een paar breede strooken, -- korporaalsstrepen,
-- op de mouwen van zijn kapotjas genaaid. Zijn houding is zoo
heldhaftig als die van den kranigsten officier; zijn kommandostem is
welluidend en krachtig. Jammer genoeg mist zijn troep de noodige
vaardigheid in 't uitvoeren der handgrepen en hij zelf mist het
noodig gezag over de jongelui, in wier huizen hij onder gewone
omstandigheden op daghuur gaat werken.

De meesten toch, zich hun onbedrevenheid bewust en bang om voor de
toeschouwers, onder wie zich ook hun tegenwoordige of toekomstige
vrijsters bevinden, een mal figuur te maken en uitgelachen te
worden, nemen bij voorbaat reeds een houding aan die den anderen
toonen moet dat hun dit oorlogszuchtig gedoe niemendal schelen kan
en ze 't als een laffe komedie beschouwen. Anderen daarentegen
wekken den lachlust der toeschouwers op door hun overdreven
krijgshaftige houding.

De troep wordt voorafgegaan door een paar allerverschrikkelijkste
_bielemans_. Ze hebben zich 't gezicht zoo zwart gemaakt, als een
echte neger zich zijn huid maar kan wenschen en springen als
bezetenen nu naar rechts, dan naar links, terwijl ze in alles
hakken, wat hun in den weg komt, zelfs in de keien aan den hoek van
't smalle kerkstraatje. Ze zwaaien zoo woest met hun botte bijlen,
als moest de heele burger- en boerenbevolking op echt-ouderwetsche
wijze in de pan gehakt worden.

Vooral op de jeugdige schoonen hadden ze 't gemunt. Deze springen
dan ook bij hun onverhoedsche aanvallen verschrikt, onder allerlei
uitroepen van verbazing en schrik, uit den weg.

Maar wie van de schutters zich ook al plomp en onbeholpen moge
aanstellen, of 't belang dezer openbare vertooning schijne te
minachten, niet alzoo de vaandrig. Hij toch zwaait de vaderlandsche
driekleur in sierlijke kringen om zijn hoofd, om zijn middel, onder
't één en 't ander been door met een hoogernstig gezicht en een
gezwindheid, die van ernstige vooroefeningen getuigt.

En de trommen der beide tamboers mogen ook al erg oude instrumenten
zijn, -- ze zijn zoo netjes opgepoetst, dat ze blinken in de zon.

Daar klinkt het bevel van den kommandant: "Geeft acht!"

Veel manschappen verkeeren blijkbaar geheel in 't onzekere, waarop
zij acht moeten geven en nemen derhalve een afwachtende houding aan.
Ze zien een gescharrel met voeten en geweren en volgen dit voorbeeld
hunner kameraden. De verwarring is vrijwel algemeen.

Om daaraan en einde te maken, roept de aanvoerder: "Tamboers!"

Een roffel klinkt en maakt blijkbaar een diepen indruk op de
aanwezigen. 't Geroezemoes van stemmen houdt op, evenals 't
gescharrel met de voeten en zelfs de onhandigsten en de
onverschilligsten onder de schutters laten hun achtelooze houding
varen.

Van de ontstane stilte maakt de aanvoerder op een verstandige wijze
gebruik. Zijn bevel klinkt: "Voorwaarts, marsch!"

De tamboers roeren weer de trommen en op de maat daarvan zet zich de
heele bonte stoet in beweging. Allen, tot zelfs de meisjes die nog
de zwarte kap met veeren dragen, doen hun best om in den pas te
blijven.

Welhaast was men nu in de weide gekomen, waar de schijf stond
opgericht.

"Waar zou 't veiligst wezen om te staan, Barend?" vroeg een
spotvogel aan den boer nevens hem.

"Vlak achter de schijf," antwoordde deze lachend.

Ten einde ongelukken te voorkomen had men twee van de beste geweren
uitgekozen, om er mee naar de schijf te schieten.

De deelnemers aan den wedstrijd moesten, om te beginnen, een nummer
trekken, dat hun beurt om te schieten aanwees.

Steven de Laat, die bij geen openbare vermakelijkheid van eenige
beteekenis gemist werd, behoorde ook tot de schutters. Hij had
echter nog nooit te voren een geweer in handen gehad, zoodat zijn
kans om een prijs te winnen uiterst gering was. Er bevonden zich
namelijk onder de schutters ettelijke wildstroopers, die maar zelden
't doel misten. Bovendien had Steven nog te nauwernood den
vereischten leeftijd bereikt om aan den schietwedstrijd deel te
nemen.

Maar hij voelde behoefte aan afwisseling en verstrooiing. Hoe ouder
hij werd, hoe meer hij gekweld werd door een drukkende verveling.

Dit was onder zijn omstandigheden ook zeer natuurlijk. Het leven is
als een stroom. Het water midden in de rivier vloeit helder en
lustig voort en weerspiegelt nu eens de voorbij zwevende wolken en
dan weer den blauwen hemel met zijn miriaden van schitterende
lichten. Aan de oevers daarentegen, waar riet en biezen groeien of
waar de stroom een bocht maakt, staat het water stil of draait er in
kleine kringen rond. Het wordt troebel en door verschillende
rottende stoffen verontreinigd.

Zoo ook is er voor een mensch niets gevaarlijker dan lediggang.

Wie, als Steven, zich geen werkplaats in de samenleving wist te
veroveren, voelt zich daarin ook niet thuis.

Voor den werkzame daarentegen is iederen gelukkig volbrachten arbeid
een overwinning, die hem kracht en moed geeft tot moeilijker, meer
loonenden arbeid.

Niemand weet, waartoe hij in staat is, zoo hij 't niet ernstig
beproefd heeft en evenmin hoever hij 't door vlijt en volharding
brengen kan.

    *   *
      *

Men staat gereed om den wedstrijd te beginnen. De nachtwacht, die
bij de schijf geplaatst is, om de geschoten punten door 't wuiven
met een vlaggetje aan de anderen kenbaar te maken, is in de diepte
neergedaald, die hem tot schuilplaats moet dienen en met dit doel in
den grond is uitgegraven.

Toen de eerste schutter 't geweer op de schijf richtte, werd het
plotseling stil onder de toeschouwers. Vooral de huwbare meisjes
wachtten met spanning op den uitslag van dezen wedstrijd. Als haar
vrijer een prijs verwierf, zouden zij immers deelen in zijn eer en
nog bovendien ook een mooien prijs bekomen.

Daar knalde het schot.

In gespannen verwachting zag men den nachtwacht uit zijn veilige
schuilplaats te voorschijn kruipen, de schijf bezien en met het
vlaggetje eenige malen op en neer wuiven, om zoo aan de anderen 't
geschoten aantal punten kenbaar te maken.

Daarop verdween hij weer in zijn onderaardsch verblijf en de
volgende schutter was aan de beurt.

Op die wijze ging het geregeld voort.

Er werd niet best geschoten.

De wildstroopers hadden waarschijnlijk reeds te veel "spraakwater"
gebruikt, om met de vereischte juistheid te kunnen richten, want
voor iemand, wiens oogen schemerden, was de schijf op een te grooten
afstand geplaatst.

Antoon van den bakker had echter 't geluk om de schijf dicht nevens
de roos te treffen.

Steven de Laat, die toevallig het hoogste nummer getrokken had, kwam
dus het laatst aan de beurt.

"Die had ook beter gedaan door maar thuis te blijven," zei boer
Verlaar. "Dat jonge mensch kan, geloof ik, niets anders dan
leegloopen en 't geld van zijn ouders verteren."

"Ja," zei boer Scholte, die naast hem stond, "ik vrees, dat zijn
vader en moeder heel wat verdriet aan hem zullen beleven. Hij is
anders een goede jongen, maar als de meeste éénige kinderen,
verwend. Zoo heeft hij een afkeer van werken gekregen en ledigheid
is des duivels oorkussen. -- Ik denk intusschen, dat de wedstrijd
hier niet vóór den middag zal afloopen en dan wordt het vervelend,"
dus ging hij voort; "in 't dorp begint de muziek van den mallemolen
al te spelen, hoor maar! En als de paar jongelui, die nog een beurt
moeten hebben, de roos niet raken, zullen de schutters dichter bij
de schijf geplaatst worden en een tweede beurt moeten hebben."

Zij, die de leiding van den wedstrijd hadden, begrepen blijkbaar
ook, dat er haast diende te worden gemaakt. Toen de voorlaatste man
aan de beurt kwam, duwde een der lieden, die met de lading der
geweren belast waren, aan Steven dit wapen in de handen, met den
raad:

"Maak je alvast ree!"

Deze voldeed aan dit verzoek. Hij voelde zich volstrekt niet op zijn
gemak, te minder omdat hij de opmerkingen der anderen omtrent zijn
persoon gehoord had. Toen de voorman zijn schot gelost had, nam hij
oogenblikkelijk diens plaats in, legde 't geweer aan en ...

"Doe den vinger voor 't huisje en niet voor den trekker!"
waarschuwde er een.

De raad was te laat gekomen. Op 't zelfde oogenblik knalde 't schot,
dat door de omgeving drievoudig herhaald werd.

Uitroepen van verbazing en schrik volgden.

Geen wonder! De nachtwacht stond nog vlak nevens de schijf de punten
van den voorman te tellen, toen het schot viel.

Daar zag men hem zoo snel mogelijk het weiveld inloopen. Maar, o
schrik! na een dozijn stappen gedaan te hebben, plofte hij languit
tegen den grond.

Een smartelijke kreet verhief zich uit de bonte schaar van
toeschouwers.

"Ach hemel!" jammerde Tonia, "hij schoot mijn vader dood!" Zij wrong
radeloos de handen en haar geklaag en droef geween sneed de anderen
door de ziel. Zij wilde hem ter hulp snellen, toen opeens: daar kwam
de doodgewaande weer overeind, zette 't opnieuw op een loopen, maar
stortte welhaast weer op het bed van gras neêr.

Wie beschrijft den toestand van den ongelukkigen Steven? Eerst
verkeerde hij in 't onzekere, of hij waakte of droomde. Bleek en
bevend stond hij daar, aan de onvriendelijke blikken der anderen en
hun toornige uitroepen blootgesteld.

Het droef geween en de jammerklachten zijner vriendin sneden hem
door de ziel en 't zien van haar vader, die daar roerloos op 't
grastapijt neêrlag, ontstelde hem dermate, dat hij geen grond onder
de voeten voelde.

"Arme stakker! 't Is met hem gedaan!" hoorde men van verschillende
kanten roepen.

Met ongeloofelijke snelheid kwam nu zijn doodelijk verschrikte
dochter op hem toesnellen, aldoor roepend: "Vader! Lieve vader! Ik
kom!"

Deze verzekering van zijn geliefd, éénig kind scheen een
wonderbaarlijke uitwerking te hebben op den armen nachtwacht.
Nogmaals zag men hem overeind komen en weer zijn vlucht voor den
Dood vervolgen en eenige minuten later had zijn dochter hem met haar
armen omvangen en aan haar liefhebbend hart gesloten.

"Dat is eerst een flink meisje!" riep men en snelde toe, om, zoo
mogelijk, te helpen.

"Waar ergens ben je geraakt?" was de algemeene vraag. En 't
antwoord, dat de doodelijk verschrikte man stotterend uitbracht,
luidde:

"Geraakt ben ik eigenlijk niet, -- de kogel floot vlak voorbij mijn
oor, maar 'k wachtte elk oogenblik een tweede schot, want 'k meende
dat het op mijn leven gemunt was."

"Maar hoe kwam het, dat je tweemaal gevallen bent?" vroeg men
nieuwsgierig.

"'k Struikelde beide keeren over een molshoop," sprak de man,
terwijl hij hijgde om weer wat op adem te komen.


Steven was geheel alleen en als versuft met het geweer in de hand
blijven staan, waar hij stond toen hij 't schot loste. Hij kwam
eerst weer tot zich zelf, toen Tonia met haar vader langs hem heen
voorbijging, zonder naar hem om te zien. Hij wilde op hen toesnellen
en hun om vergiffenis vragen voor den schrik dien hij hun onwillens
had veroorzaakt, toen hij eensklaps weer hevig onstelde door 't
geroep van een paar schutters, die naar de schijf waren gaan zien.
De anderen snelden nu ook daarheen. Ze schenen zeer verbaasd te
zijn, althans hij hoorde verschillende uitroepingen als: "Je zou
zeggen!" -- "Hoe is 't mogelijk!" en dergelijke. Maar wie schetst de
ontsteltenis van onzen Steven, toen ze allemaal over 't weiveld heen
regelrecht op hem kwamen aandraven. Hij wilde vluchten, maar kon het
niet: de schrik was hem in de beenen geslagen.

Eenige oogenblikken later stonden allen in een kring om hem heen
geschaard, zoodat er aan ontvluchten niet meer te denken viel. Hij
sidderde.

Groote droppels angszweet parelden hem op 't gezicht.

Daar zag hij den kommandant heel deftig op hem toekomen, hem een
groote ster van goudpapier op de borst spelden en hem vervolgens den
prijs, voor den schutterskoning bestemd, overhandigen.

Hij had, heel toevallig, de roos getroffen.

"Wie zal koningin zijn?" vroeg de kommandant.

In botte verbijstering zag Steven om naar zijn vriendin Tonia. Maar
ach! het goede meisje verdween juist met haar vader om den hoek. Ten
einde raad, ging hij vervolgens toe op de bonte rij van meisjes en
zag nu de knappe Mientje Laak, de vriendelijke dochter van een
behoeftig daglooner, vóór zich staan. Hij verzocht deze, hem als
koningin te vergezellen.

Het meisje bloosde zeer sterk. Ze was reeds verloofd en stond op 't
punt om 't vereerend aanzoek van de hand te wijzen. Haar vrijer, een
hupsch jong gezel, trad echter op haar toe, glimlachte en zei: "Kom,
Mientje, help Steven eens uit den brand! Gedurende den optocht naar
't dorp is hij dan gered en dan kun je in dit geval afscheid van hem
nemen."

Zoo werd onder 't zwaaien van de vlag, de trommelmuziek en 't
potsierlijk gedans van de bielemans, de terugreis aanvaard en op die
wijze de schutters-wedstrijd besloten.




XI.

De Beer.


Toen de feestelijke stoet onder 't geklapper der vrij uitwaaiende
driekleur, 't gebom der trommen en de woeste grimassen en sprongen
der bielemans, het kerkplein met de kermisvermakelijkheden weer
bereikte, mocht ze zich niet, zooals gewoonlijk, in de algemeene
opmerkzaamheid en belangstelling verheugen.

Er heerschte daar namelijk een ijselijke opschudding.

Telkens hoorde men een angstwekkend gebrul, oogenblikkelijk gevolgd
door een geschreeuw en getier, dat hooren en zien deed vergaan.

Dat gebrul werd veroorzaakt door een grooten, bruinen beer, dien men
voor een dubbeltje kon te zien krijgen. Maar 't beest hield niet van
die kermisdrukte. Eerst was hij erg leelijk gaan kijken, toen nog
leelijker gaan brommen en eindelijk woedend tegen de traliën van
zijn kooi opgestoven. Hij schudde en rukte er aan met zijn klauwen,
dat ze rinkelden, terwijl hij allerverschrikkelijkst brulde.

De toeschouwers liepen in de grootste ontsteltenis de tent uit en
deelden hun schrik ook aan de lieden op het plein mede.

"Wat is er toch te doen?" hoorde men nu veldwachter Van Braam met
een forsche stem vragen.

"De beer is uit zijn kooi losgebroken," riepen sommigen.

Zelfs waren er, die meenden gehoord te hebben, dat hij al een vrouw
te pakken had en bezig was het arme mensch tot ontbijt te gebruiken,
zonder dat iemand hem dit durfde beletten.

De veldwachter verschrikte bij 't hooren van deze Jobstijding
evenzeer als de anderen. Gelukkig kwam één der jongens door de
toeschouwers heendringen en vertelde, dat onze Isegrim nog wel in
zijn kooi zat opgesloten, doch alle krachten inspande om los te
komen.

't Was intusschen een reden tot geruststelling, dat de veldwachter
met zijn scherp wapentuig aanwezig was om in geval van nood het
bloeddorstige monster te bedwingen.

Hij drong dan ook tusschen de kermisgasten heen tot bij de kooi en
wendde zich tot den berenleider met de forsche vraag: "Wat is er
hier gaande?"

"Hoe-oe-oe!" brulde de beer met een allerijselijkst basgeluid, alsof
hij zeggen wou: "Zoo je dat nog niet weten mocht, heerschap, dan zal
ik 't jou wel aan 't verstand brengen!" Daarop vloog hij weer tegen
de tralies op en schudde die met zijn klauwen, dat ze rinkelden en
zelfs begonnen door te buigen.

De veldwachter sprong, evenals de anderen, verschrikt achteruit.

Men bleef van een eerbiedigen afstand naar 't razende monster
kijken. 't Heele dorp raakte in rep en roer.

De herbergen liepen leeg. In den mallemolen en voor de kramen en
spellen was er niemand te zien. De beer had aller belangstelling op
zich gevestigd.

"De kwajongens hebben 't kreatuur getergd!" riep de eigenaar van den
beer, ten einde raad.

"Daar is niets van aan!" schreeuwden de jongens.

"Moet zoo'n leelijk beest ons hier de heele kermispret bederven?"
vroeg een boerin nijdig.

"Men moet hem een ring door den neus doen, dan zal hij wel tot
bedaren komen," zei boer Scholte. "Wat dunkt u daarvan, smid?"

"Voor mijn part, moog je je gang gaan," antwoordde deze. "Ik ben
mijn leven nog niet moe."

"Doe 't beest een touw onder den buik door!" ried de veldwachter.
"Als hij de voorpooten niet op den grond kan krijgen, is zijn kracht
gebroken."

Allen vonden dit een goeden raad.

De smid wipte even zijn werkplaats binnen en kwam welhaast met een
lang, dik touw en een haak terug:

"Laten we beginnen met den barren sinjeur een touw om den snuit te
doen," ried boer Scholte, "we kunnen dien snuit tusschen de traliën
doortrekken en de smid kan er dan op zijn gemak een ring door maken!
Is 't eenmaal zoover, dan zal hij wel tot bedaren komen!"

Men vond dit een verstandigen raad en na veel vergeefsche pogingen
gelukte 't eindelijk, het touw om den snuit van den beer te
bevestigen.

Een dozijn kermisgasten, onder wie ook de veldwachter, trokken nu
uit alle macht aan het touw.

Maar op eens ging er een kreet van verbazing en schrik op onder de
toeschouwers. Door 't hevig rukken en trekken toch was de strik van
den ruigen snuit gegleden en pof! daar sloegen onze wakkere maats
tegen den grond en zwaaiden met de beenen in de lucht.

Men dacht in 't eerste oogenblik natuurlijk, dat de beer schuld had
aan hun plotselinge verdwijning.

Toen de eerste ontsteltenis bedaard was, zei de veldwachter: "Neen,
zoo gaat het niet. 't Is beter, dat we den lastigen sinjeur het touw
om den nek doen!"

De berenleider opperde eenige bezwaren tegen dit plan, maar niemand
luisterde naar hem.

Werkelijk gelukte het, den raad van den veldwachter op te volgen.

Men trok weer uit alle macht aan de beide einden van het touw.

De beer spartelde in 't begin nog geducht tegen, maar welhaast liet
hij een akelig geluid hooren; hij werd zoo gedwee als een lam en dus
kon de smid hem zonder gevaar een ring door den neus maken.

Toen men na dezen welgeslaagden arbeid het touw losliet, zakte 't
monsterdier op den bodem der kooi en gaf geen enkel teeken van leven
meer.

Hij was geworgd.

Zijn meester bleef hem eerst als versuft aanstaren, hief toen
ontsteld de handen in de hoogte en riep op droevigen toon: "Nu
hebben jelui 't arme schepsel vermoord! Och, och! wat moet ik nu in
't vervolg aanvangen? Nu ben ik mijn middel van bestaan kwijt!"

"Beter een doode beer, dan een razende beer, want die zou van ons
allemaal koud vleesch maken!" zei de veldwachter.

De anderen vonden dit verstandig gesproken en welhaast waren de
herbergen weer overvol en ook de mallemolen was weer druk bezet. De
berenleider stond met zijn viervoetigen reisgenoot alleen. Hij wrong
de handen en zei op klagenden toon:

"Och, mijn arme Bruin, mijn kameraad en broodwinner al sinds jaren,
hoe kon je toch zoo raar doen? Verongelukt is jou leven en het mijne
meteen! Och, och, mijn goede Bruin, wat zal jou baas toch in 't
vervolg zonder jou beginnen?"

Maar zoo de beer zich vroeger ook al over een en ander mocht
bekommerd hebben, nu deed hij dit niet meer.

De vennootschap, die hem verplichtte om voor Jan en alleman kunsten
te maken, terwijl zijn reisgenoot de centen opstreek, was voorgoed
ontbonden.




XII.

Een vervelende dag en een pleizierige avond.


Steven de Laat was alzoo door toevallige omstandigheden
Schutterskoning geworden, een eer, die hem echter al heel weinig
genoegen verschafte. De opschudding toch, die de beer veroorzaakte,
toen de schutters weer 't kermisplein kwamen opmarcheeren, maakte
dat de overige kermisgasten zoo goed als geen opmerkzaamheid wijdden
aan dezen feestelijken intocht.

Zijn koningin had hem terstond bij de aankomst in 't dorp weer
verlaten en toen hij evenals de anderen naar den beer ging kijken,
wekte 't de verontwaardiging en ergernis van onzen dierenvriend, dat
het arme beest mishandeld, ja geworgd werd.

Maar na al 't gebeurde waagde hij het niet, daarop aanmerkingen te
maken.

Daarbij kwam, dat zijn vader niet thuis was en zijn moeder door een
hevige hoofdpijn gekweld werd. Tonia liet zich ook niet weer zien en
zoo gevoelde hij zich te midden van de kermisdrukte zeer alleen.
Niemand toonde in 't minst belang te stellen in 't door hem behaalde
succes en terwijl hij tusschen die feestvierenden heen en weer ging,
zag hij sommigen hem lachend nakijken en hoorde hij hen spottende
aanmerkingen maken op zijn koningschap.

Mismoedig verwijderde hij zich uit deze omgeving en sloeg het pad
in, dat achter de tuinen om liep. Herhaaldelijk ging hij daarover
heen en weer en keek telkens, of hij zijn vriendin niet kon te zien
krijgen, doch ze kwam niet te voorschijn en haar vader evenmin. En
na den schrik, dien hij hen onwillekeurig veroorzaakt had, durfde
bij hen ook geen bezoek brengen.

Ach, hoe miste hij 't goede meisje, dat gewoon was in zijn lust en
leed te deelen!

De kermis, waarvan hij zich zooveel genoegen had voorgesteld, bracht
hem nu enkel verveling.


De dag viel Steven ijselijk lang en hij was blij, dat eindelijk de
avond viel.

De kermis was echter nog in vollen gang.

De bejaarde lieden waren naar huis terug gekeerd, maar de jongelui
hadden hen vervangen.

De mallemolen was nu schitterend verlicht. De kramen en spellen
waren 't evenzoo. Daardoor had het kerkplein een recht druk, licht,
gezellig aanzien gekregen, dat te beter uitkwam, naarmate de
omgeving meer in 't duister werd gehuld.

Steven, die nog maar altijd doelloos ronddwaalde, hoorde, toen hij
op den hoek de herberg van Klaas Brouwer voorbijging, een vreemd
brommen, gevolgd door een schaterend lachen. Nieuwsgierig om te
zien, wat er daar gaande was, stapte hij naar binnen.

De groote petroleumlamp, die midden in 't vertrek aan den zolder
hing, gaf een flauw, roodachtig schijnsel.

Dikke wolken tabaksrook vulden de ruimte.

Deze, vermengd met een warme, benauwende dranklucht, golfden hem in
de deuropening tegen en benamen hem schier den adem.

Bij 't flauwe licht zag hij een bonte groep kermisgasten als een
donkere massa de ruimte vullen. 't Was een duwen en dringen van
geweld.

Steven bleef verwonderd bij den ingang staan, om te vernemen wat er
gaande was, en merkte al spoedig, dat Dronken Hannes deze lieden met
zijn praten en zijn plompe kunsten vermaakte. Met schorre stem riep
hij:

"Jelui meenen, dat de beer dood is, maar dat heb je toch mis! Hier
staat hij in levenden lijve voor je!"

Met zijn log lichaam, gehuld in den ruigen pijekker en zijn
ordeloozen haarbos, gedekt met een ruwe muts, leek hij ook vrij wel
op een beer, die op zijn achterpooten stond.

Nu ging hij plat op den rug op den vloer liggen en riep: "Ziezoo,
daar ligt nou de beer! Wie een dubbeltje geeft, mag op zijn buik
staan. De beer zal hem er afgooien, zonder gebruik te maken van zijn
klauwen of tanden!"

"Hier is een dubbeltje!" zei een jonge boer en reikte hem zulk een
geldstukje toe. "Als je mij niet kunt afwerpen, krijg ik mijn geld
weerom, is 't niet zoo?"

"Zonder twijfel!" bromde Hannes met zijn diepe basstem, en allen
schoten om de vreemdheid van 't geval in den lach.

De boer trok zijn schoenen uit en plaatste zich boven op hem. "Van
de plank gewiepst!" zei deze.

Door een plotselinge intrekking en weer uitzetting der buikspieren
wierp hij nu werkelijk den boer van zich en wel met een kracht, die
hem midden onder de tafel deed belanden. Deze werd uitgelachen,
Hannes daarentegen door allen luide toegejuicht.

Steven vond het geval zoo komiek, dat zijn schaterlach boven de
anderen uit klonk. "'t Is toch heel gevaarlijk," zeide hij, "om
zoo'n Isegrim te laten losloopen, zonder een berenleider die hem in
geval van nood in bedwang kan houden."

"Die berenleider moet jij wezen!" riepen allen. "De schutterskoning
is het best in staat om zoo'n vervaarlijk, ruig beest te temmen."

"Ja," riep Hannes nu, "Steven moet mijn meester zijn en niemand
anders!"

Men bracht nu een touw en knoopte het den beer om zijn middel.
Hannes maakte zotte sprongen en bromde haast precies zoo, als hij 't
den beer had hooren doen en Steven was berenleider. Hij gaf hem een
blaaspijp bij wijze van geweer in handen en liet hem exerceeren en
na iederen toer ging hij bij "'t geachte publiek" rond om in zijn
pet centen voor zijn beer in te zamelen.

Hannes verdiende dien avond met zijn toeren goed geld en Steven had
nog nooit zulk een pleizierigen avond gehad als dezen.




XIII.

De mislukte Vischvangst.


Het voorjaar slingerde zijn saprijke, groene, met bloemen omwoelde
guirlandes over heiden en weiden, bosschen en velden, zelfs over 't
rustig voortkabbelende water van de beek.

Lijsters en nachtegalen zongen hun hoogste lied.

Vader De Laat was de heele week in huis bezig geweest met het in
orde brengen der boeken. Steven had hem daarbij geholpen, maar zoo
vaak hij daartoe kans had gezien, was hij naar buiten geloopen. Dat
in huis zitten bij zulk mooi weer was voor hem een ware straf. De
avonden sleet hij gewoonlijk in 't huis van den nachtwaker, bij zijn
vriendin Tonia.

Ook zijn vader was dat zittend leven erg zuur gevallen. 's Avonds
ging hij geregeld voor de achterdeur aan de straat frissche lucht
scheppen en maakte dan een praatje met zijn buurman, den smid
Verhoeven.

Zoo kwam de Zaterdagavond.

Hij was in een opgewekte stemming, vooral ook omdat zijn goede vrouw
zich veel beter voelde, dan ze in den laatsten tijd gedaan had.

"Wat een mooie avond, buurman!" Met deze woorden nam hij nevens zijn
vriend, den smid, plaats op de bank voor 't huis.

"Dat zeg je wel!" antwoordde deze. Hij deed een fermen haal aan de
zwakpijp en blies den rook in krullen en spiralen de lucht in.

"Van Steven hoorde ik heden middag, dat er in den kolk, daar, waar
vroeger een watermolen gestaan heeft, een boel mooie visch zit,"
hervatte De Laat. "Mijn vrouw houdt heel veel van visch, maar ze is
hier in de streek gewoonlijk voor geld en goede woorden niet te
bekomen."

De smid verzekerde, dat ook hij zeer gaarne visch lustte, liefst
mooi bruin gebakken.

Zacht suisde de avondwind in 't jonge loof der linde- en
kastanjeboomen langs de straat. In 't naburig elzenboschje zat een
nachtegaal te zingen. De menschen, die allen voor de deuren hunner
huizen kwamen zitten of staan, roemden als om strijd den schoonen
zomeravond, zoo lieflijk en mild.

"Notaris Verlaar heeft een vischnet, dat nog zoo goed als nieuw is,"
hervatte na eenige oogenblikken de smid.

"De notaris is niet thuis, naar ik gehoord heb," sprak De Laat.

"Des te beter," hernam de ander lachend, "dat net heeft hij
opgeborgen in zijn schuur en ik heb een sleutel, die op 't slot
ervan past."

"'t Zou inbraak plegen zijn!" hervatte zijn vriend en trok een zeer
bedenkelijk gezicht.

"Neen, zoo moet je 't niet noemen," viel de smid hierop in. "De
notaris komt ook bij mij nu dit en dan weer dat leenen. Voor een
goede veertien dagen kwam zijn keukenmeid nog de koekepan leenen van
mijn vrouw. Dat gaat over en weer en 't hoort ook zoo. Als twee
handen elkander wasschen, worden ze beide schoon."

"Dat is allemaal goed en wel," sprak weer De Laat, "maar we hebben
geen acte en mogen daarom ook niet met een net visschen."

"Ja, er mag zooveel niet, dat toch gebeurt!"

"Maar als de veldwachter ons betrapt, zijn we 't net kwijt en moeten
nog bovendien boete betalen."

"De veldwachter is stellig ook blij, als hij 's avonds rustig bij
vrouw en kinderen thuis kan zitten," oordeelde de smid.

De vrienden wachtten tot het donker geworden was en begaven zich
toen ter vischvangst. De Laat, aan een regelmatigen, bedaarden stap
gewoon, moest zich terdege reppen om zijn langen buurman op zijde te
kunnen blijven. Ze spoedden zich zwijgend voort door den tuin van
dezen, waar ze door een hooge beukenhaag aan 't gezicht der anderen
waren onttrokken. Een smal voetpad leidde hen verder 't kreupelbosch
in, dat uit hoog opgeschoten eiken- en elzenhakhout bestond.

De bodem hier was dik bedekt met dorre bladers van vorige jaren, die
ruischten en ritselden onder hun schreden.

"Loop toch wat zachter: men zou ons licht kunnen hooren!" vermaande
de smid.

"Ik loop zoo zacht mogelijk!" bromde zijn vriend. "Jij maakt met de
voeten vrij wat meer gerucht dan ik."

Om bij de beek te komen, moesten ze een sloot over die wel niet
breed was en waarin ook geen water stond, maar daarentegen veel
modder en er overheen een dek van dorre bladers.

Nu en dan raakten ze verward in de dorens en ze maakten onder die
omstandigheden vrij wat meer gerucht, dan wel dienstig was. De
vrienden voelden zich hoe langer hoe minder op hun gemak.

"Hier moet er gesprongen worden!" zei de smid fluisterend. "Daar ga
'k je vóór!"

Hij zette zich schrap en deed den sprong. Hij zweefde boven de sloot
en zou er wel overheen gezweefd zijn, als hij niet aan 't ééne been
op den overkant ware vastgehouden. Plotseling werd hij toch in zijn
vaart gestuit en in 't volgend oogenblik hing hij met het hoofd
omlaag in de sloot.

"Help! Help!" riep hij in de grootste ontsteltenis uit en dat vrij
wat luider, dan in de gegeven omstandigheden raadzaam was.

De Laat, die 't net droeg, bleef verbluft staan. "Wat zijn dat nu
voor kunsten?" vroeg hij verbaasd.

"Help toch! O, help! O, mijn been! 't Is, of mijn voet wordt
afgeklemd!" jammerde hij. En ondertusschen scharrelde hij met de
handen op den bodem der sloot in 't dorre loof en den modder, als
meende hij daar een vetten paling te pakken te krijgen.

"Hoe kom je daar toch zoo komiek aan je ééne been te hangen?" vroeg
De Laat, wien 't moeite kostte om niet hardop te lachen.

"Moest ik dan bijgeval aan mijn beide beenen hangen?" vroeg zijn
vriend boos. "In plaats van daar op den kant, te staan grinniken,
deed je beter met mij weer uit den strik te helpen waarin mijn voet
is bekneld geraakt."

Hij wist echter al tastend een over de sloot hangenden twijg te
vatten en 't gelukte hem zich met behulp daarvan tegen den
glooienden kant omhoog te werken, vóór zijn vriend nog een middel
had weten te bedenken om hem te hulp te komen.

Maar de wildstrik, die zijn been boven den enkel omknelde, was eerst
met moeite weer los te krijgen.

De vrienden stonden juist gereed om de sloot over te springen, toen
de Laat den wijsvinger vlak vóór 't gezicht van zijn makker ophief
en fluisterend zei: "Stil! Hoor je niets?"

"Neen," zei de ander, eveneens fluisterend. "Maar nadat ik in den
strik heb gehangen, heb ik zoo'n sterk geruisch in mijn ooren."

"'k Meende, hier dicht bij een zacht gegrinnik te hooren."

"Allemaal verbeelding!" fluisterde de smid. "Laten we liever wat
voortmaken!"

Zoo kwamen ze welhaast op de plaats waar ze wezen wilden.

De vischvangst kon alzoo beginnen.

"Mijnentwege visschen we den heelen nacht door!" fluisterde De Laat.
"'t Is zoo'n mooie avond."

"Neen, dan zou de slaap me te pakken krijgen! 'k Heb den heelen dag
voor een heet vuur staan kloppen en hameren. 't Been doet me ook
pijn."

De eerste trekken met het net waren vruchteloos.

"Alle begin is moeilijk," fluisterde hijgend en zweetend de
zaadhandelaar, terwijl hij een paar vischjes ter dikte van een duim
uit het net opdiepte en ze zóó voorzichtig op den kant legde, alsof
ze licht konden breken.

"Sssst!" fluisterde hij weer. "Was daar geen geritsel?"

Ze luisterden schier ademloos, want ze voelden zich hier alles
behalve op hun gemak.

"'t Zal de wind wezen!" zei de smid. "Dat lastig geruisch in mijn
ooren blijft maar aanhouden."

Weer hanteerden ze 't net zoo wakker, dat het zweet hun van 't hoofd
gutste. Vooral De Laat vond het erg warm. 't Bleef dan ook zeer
drukkend in de lucht.

Hun ijver werd met den besten uitslag bekroond. Ze haalden een half
dozijn groote snoeken op en wilden met hun buit huiswaarts keeren,
toen ze op eens hevig schrikten van een ruwe bulderstem, die hen
onder 't uiten van allerlei verwenschingen met het gerecht dreigde.

De twee vrienden lieten 't net en de visschen in den steek en
vluchtten weg zoo snel als ze konden.


Ook Dronken Hannes, -- want zoo zullen we hem maar blijven noemen,
-- had het dien dag geducht warm gehad.

Hij was weer den boer op geweest en had vrij veel bijeen gebracht,
dat hem kon te pas komen. Derhalve was hij in een goeden luim. Als
hij bij de lui aan huis was gekomen, had hij grappen verteld en
terwijl hij zich die onder 't voortgaan weer herinnerde, moest hij
overluid grinniken. 't Grappigst vond hij 't geval bij den daglooner
Verhorst. De vrouw was er alleen thuis geweest met het jongste kind,
dat nog in de wieg lag. Achter den rug der moeder had hij allerlei
leelijke gezichten tegen den kleine getrokken, zoodat deze
onbedaarlijk was beginnen te huilen. Want hij kon bijzonder goed
voor bullebak spelen. Men vertelde van hem, dat hij zelfs
gevaarlijke wachthonden, door ze strak aan te kijken, zóó angstig
kon maken, dat ze jankend, met den staart tusschen de beenen,
achterwaarts in hun hok terugkropen, waaruit ze een minuut te voren
woedend kwamen te voorschijn vliegen.

Wanneer hij ergens dronken aan den kant van den weg lag, -- en dat
gebeurde nog al eens, -- dan zou hij toch nooit nalaten om, als hij
er maar even kans toe zag, lieden die daar voorbij kwamen en hem
niet opmerkten, een streek te spelen. Menigeen, die anders voor geen
klein gerucht vervaard was, ging als een bloode haas op den loop,
wanneer hij bij avond op een eenzamen weg en in een boschrijke
streek rustig voortstappend, onverwachts van uit het kreupelhout aan
den kant de vreemdste en akeligste geluiden hoorde.

Paarden, die wat zenuwachtig waren, kon men bij avond onmogelijk
voorbij een plaats krijgen, waar zijn nabootsingen van kattengemauw,
ekstergeschreeuw of berengebrom gehoord werden, of de voerman moest
van den wagen stappen en hen bij den toom voortleiden.

Bijgeloovige lieden beweerden bij kris en kras, dat het in de buurt,
waar iets dergelijks was voorgevallen, heel erg spookte.

De landlooper had alzoo, -- daarvan hield hij zich overtuigd, -- den
dag bijzonder nuttig besteed.

Hij naderde nu het dorp, maar besloot de plaats te vermijden en 't
pad te gaan, dat langs de beek voerde en waarlangs hij eenige
minuten vroeger zijn woning bereiken kon.

Met zijn gewonen sluipenden tred als dien van een beer op sokken, de
oogen spiedend rond slaande, ging hij 't bruggetje over en vervolgde
langzaam zijn weg, want hij was erg moe.

Eensklaps stond hij paalstil. Hoorde hij daar aan de overzijde der
beek achter 't hooge hakhout geen leven?

Er was geen twijfel aan.

Maar wat kon dat zoo laat nog zijn?

Voorzichtig als een speurhond sloop hij nader bij en zag nu de twee
vrienden druk met het net in de weer. Oogenblikkelijk herkende hij
ze en hij begreep ook wel, dat ze zich daar aan wetsovertreding
schuldig maakten. Bovendien zag hij, hoe bij iederen trek met het
net het aantal visschen vermeerderde. Grijnslachend mompelde hij:

"Gaan jelui je gang maar, hoor! Ik zal hier intusschen een poosje
zitten uitblazen."

Eerst toen hij bespeurde, dat onze twee visschers gingen eindigen,
begon hij te roepen:

"O jij schurken! Onbeschaamde vischdieven! Wacht maar een oogenblik!
Wacht! zeg ik je. 'k Beveel het je, overeenkomstig artikel zóó en
zóóveel van de Wet!"

De Laat en zijn vriend, in de meening dat veldwachter Van Braam of
de jachtopziener van 't kasteel Heiterloo die bedreigingen uitte,
namen In allerijl de vlucht. Dronken Hannes pakte de visschen met
het net mede en, ofschoon hij zwaar bevracht was, daar hij den
gebedelden voorraad ook nog te dragen had, toch moest hij telkens
stil staan en om de kostelijke grap grinniken.


Hijgend als een stoompaard bereikten onze twee visschers het dorp.
Erg ontdaan kropen zij onder de dekens, wat te gemakkelijker viel,
omdat hun overige huisgenooten al sinds geruimen tijd in diepe rust
waren. Ze konden echter den slaap niet vatten. Van achteren speet
het hun, dat ze zich door den mooien avond en de gunstige
gelegenheid hadden laten verlokken om uit visschen te gaan.


{Illustratie: ... en blijft nu en dan staan luisteren ... (Pag.
113).}


De smid vroeg zich bezorgd af, wat daarvan wel 't gevolg zou zijn.
De mogelijkheid bestond toch, dat niet alleen de heer van Heiterloo,
maar ook al de boeren die pachters van dezen grondeigenaar waren, in
't vervolg zijn smidse zouden vermijden. In dat geval zou jaar op
jaar de schade aanmerkelijk wezen. Zonder last en onaangenaamheden
zou 't stellig niet afloopen, meende hij. De jachtopziener Vervoort
was een algemeen gehaat en gevreesd heerschap, die 't in hem
gestelde vertrouwen meer dan eens op een schandelijke wijze
misbruikt had, door onschuldige lieden achter slot en grendel te
helpen. Hij zou ook deze zaak stellig niet maar blauw-blauw laten.

Ruim een kwartier zou Verhoeven aldus hebben liggen peinzen, toen
hij eensklaps tot zijn groote ontsteltenis een luid kloppen op 't
venster van zijn slaapvertrek hoorde, 't welk hem deed opschrikken.

Hij hield den adem in en bleef ingespannen in 't bed zitten
luisteren.

Spoedig werd het kloppen herhaald.

Toen vermande hij zich en vroeg luid:

"Wie is daar?"

Een grove stem van buiten antwoordde:

"'t Spijt me baas, maar 'k heb onaangenaam nieuws voor je: 'k moet
namelijk rapport van je maken!"

"'t Was de eerste maal en 't zal ook de laatste maal zijn,"
verzekerde deemoedig de smid, die intusschen opgestaan en naar 't
raam toegekomen was.

"Zóó waarlijk! Dan ben je er al dadelijk leelijk ingeloopen! Weet je
wat? Schuif vlug het raam op en geef me een rijksdaalder. In dat
geval zal ik zorgen, dat de zaak geheim blijft."

De smid haastte zich om aan dit bevel te voldoen en legde zich toen
weer ter rust, blij dat de zaak voor hem zulk een gunstige wending
genomen had. Maar 't was toch een dure pret voor hem geweest.

Hannes streek den rijksdaalder op, gaf brommend den raad dat zoo
iets nooit weer gebeuren moest en spoedde zich toen naar de woning
van De Laat, waar hij met het gewenschte gevolg dezelfde comedie
speelde.

De twee vrienden moesten nu een nieuw net koopen en ze waren nog
bovendien ieder een rijksdaalder kwijt.

De vagebond wist het gekaapte net in een naburig stadje voordeelig
van de hand te doen.

Toen had hij geld.

De gelegenheid was gunstig.

Het weder was uitlokkend.

Hij nam derhalve den dikken knuppel, die hem voor wandelstaf diende,
ter hand, snoof de lucht op als een beer die zijn prooi ruikt,
draaide zich op zijn breede, plompe voeten, die in vuile, erg
havelooze schoenen staken en vrij veel overeenkomst vertoonden met
de klauwen van een beer, naar 't Oosten, naar 't Westen en naar 't
Zuiden en stapte toen in de beste stemming voort waarheen de
omstandigheden hem voeren zouden, zóó kordaat als ware hij van plan
geweest een reis om de wereld te ondernemen.




XIV.

Een vader, op weg om zijn zoon te zoeken.


Eenige jaren zijn er weer verloopen.

't Is een sombere herfstavond.

In gedachten bevinden we ons in een nauwe, donkere straat van één
onzer kleine steden, waar aan weerszijden de hooge huizen zich
spookachtig afteekenen tegen de donkere lucht.

De straat is bevloerd met groote keien, waarover men slechts
moeilijk kan voortgaan, omdat ze bij iederen stap de voeten knellen
en pijnigen.

Slechts hier en daar flikkert een lantaarn, die de naaste omgeving
maar gebrekkig verlicht.

De bejaarde man, die daar gebogen en hijgend voor ons uit gaat,
stoot zich tengevolge van zijn sloffenden gang telkens weer aan de
ruwe steenen.

Hij leunt zwaar op zijn stok. Blijkbaar is hij zeer vermoeid. En dat
is ook waarlijk geen wonder. Hij heeft toch al een lange,
bezwaarlijke reis achter den rug.

't ls onze oude kennis, de zaadhandelaar De Laat.

Wat heeft hij, zoo laat, nog in deze nauwe, donkere straat te doen?

Schuw kijkt hij telkens om zich heen.

Spiedend neemt hij de huizenrijen aan weerskanten in oogenschouw en
blijft nu en dan staan luisteren naar 't gerucht, dat daar binnen
gehoord wordt.

Enkele huizen zien er vrij wat deftiger uit dan al de overige. Voor
de breede ramen hangen kleurige gordijnen en er binnen hoort men een
luidruchtige dansmuziek. Door de openstaande deuren werpt hij
spiedende blikken in de helder verlichte gang. Maar als de portier
hem beleefd doch dringend uitnoodigt om binnen te komen, verwijdert
hij zich snel en met teekenen van schrik en afschuw.

De arme man zoekt zijn zoon, zijn Steven, die vóór eenige dagen de
ouderlijke woning verliet en van wien men sedert niets meer vernam.

En tegelijk met hem is ook Dronken Hannes verdwenen.

In den laatsten tijd gebeurde 't, helaas! wel meer, dat hij een
heelen nacht buitenshuis doorbracht, maar zóó lang als nu is hij
toch nog nooit weggebleven.

Zijn moeder is al sinds weken ziek en tobt aldoor over 't lot van
haar éénigen zoon. Als hij niet thuis is, heeft ze rust noch duur.

Sinds den vroegen morgen is De Laat al op 't pad. Nu is hij koud en
doodmoe. Zijn schoenen zijn erg bemodderd. Geen zonnestraal heeft
zijn weg vervroolijkt. De lucht was donker bewolkt en dreigde met
regen. Er woei een koude, vochtige wind.

Het water in de slooten en beken stond buitengewoon hoog en was op
sommige plaatsen buiten de oevers gevloeid, het had de lage weiden en
heidevelden en hier en daar zelfs de wegen overstroomd.

Aldoor verder ging de reis.

Hij heeft den moed niet, om zonder zijn jongen in huis terug te
komen, overtuigd als hij is, dat zijn vrouw dan doodelijk ongerust
worden zou.

Maar hoe zou hij hem vinden?

Voor wie iets of iemand zoekt, is de wereld zoo verbazend groot en
zijn er zooveel wegen, waarvan telkens weer nieuwe wegen uitloopen.
Onder deze omstandigheden wordt het zoeken haast een hopeloos werk.

De Laat kende al de wegen uit den omtrek. In alle wind en weer was
hij er over voortgespoed. Plassen had hij doorwaad, koude en hitte
moedig doorstaan, want hem kwelden zorgen noch verdriet en hij had
hoop op vertrouwen in de toekomst.

Zijn handel ging zeer voordeelig en de som, die hij en zijn vrouw
konden besparen, werd met ieder jaar grooter.

Hoe schoon, hoe licht en blij had toen hem en zijn brave vrouw de
toekomst geschenen!

En nu was alles zoo geheel anders geworden.

De zoon, op wien hun hoop gebouwd was, had de ouderlijke woning
verlaten, om in gezelschap van een gewoon vagebond de wereld in te
gaan, misschien wel om met dezen in 't vervolg als een straatslijper
rond te zwerven. En dat, terwijl hij zijn hulp in de zaak telkens
meer behoefde, want met het klimmen zijner jaren viel 't reizen hem
steeds moeilijker. En in plaats dat de zoon nu voor de zaak, die ook
dezen in staat stelde om in betrekkelijke welvaart te leven, op reis
zal gaan, moet de vader zijn huis verlaten om hem te zoeken en zijn
zieke vrouw aan de zorg van Tonia toevertrouwen.

Nu, het bedaarde, schrandere, werkzame meisje is dat vertrouwen wel
waardig.

Als de arme moeder zich bezorgd toonde over de toekomst van haar
zoon, -- en dat was telkens weer 't geval, -- dan wist ze haar beter
dan iemand anders gerust te stellen en de goede verwachtingen weer
in haar te wekken, die ze vroeger van haar kind had gekoesterd.

Moeder De Laat werd steeds meer aan haar verstandig en vriendelijk
buurmeisje gehecht en ze verlangde iederen dag naar het uur, waarop
ze gewoonlijk kwam opdagen.


De weg naar hier was vader De Laat erg lang gevallen. Zoo vreemd,
zoo treurig eenzaam hadden hem de vroeger zoo vriendelijke wegen en
paden geschenen.

Wanneer hij op zijn handelsreizen daar voorbijkwam, groette hem
iedereen en wisselde hij met de meesten eenige vriendelijke woorden.

Nu poogde hij geheel alleen en onopgemerkt zijn reis te vervolgen.
Dat was niet gemakkelijk.

Op schier iederen akker waren nu de lieden met den aardappelenoogst
bezig.

Uit de huizen, waar hij voorbijging, kwamen bekende vrouwen naar
buiten; sommige om water te putten, andere om de wasch te verzorgen
of eenig ander werk te verrichten.

Als hij ze zag, die bekende gezichten, en bedacht hoe vriendelijk ze
hem altijd hadden welkom geheeten, schaamde hij zich diep, hen nu
zonder groeten voorbij te moeten gaan.

Want hij was overtuigd dat ze, zoodra ze hem zagen, hem zouden
uitnoodigen om binnen te komen, wat uit te rusten en, -- evenals
vroeger, -- een kop koffie met een boterham te nuttigen. En hij was
verzekerd, dat dan haar eerste vraag wezen zou: "Hoe komt u zoo
hier? -- We hebben u in zoo langen tijd niet in deze buurt gezien."
En verder zouden ze vragen naar den welstand van vrouw en zoon en
wat de laatste zou worden: of hij ook voor den zaadhandel, dan wel
voor een handwerk of eenig vak van studie werd opgeleid.

De zielsbedroefde vader poogde zich dan achter 't kreupelhout ter
zijde van den weg te verbergen en zoo dit niet mogelijk was, sloop
hij voorbij, de oogen ten gronde gericht en zonder te groeten, in de
hoop van niet opgemerkt, in ieder geval niet herkend te worden.

Sommige merkten hem niettemin op en wanneer er dan twee of meer bij
elkander waren, hoorde hij haar zacht tegen elkaar zeggen:

"Lieve deugd, wat is die hupsche, vroolijke man treurig veranderd!
Wat is hij erg geouderd! Men zou hem haast niet weerom kennen."

Op verschillende plaatsen passeerde hij jongens en meisjes, die hun
koe langs de wegen hoedden. Ze kenden echter niet den bejaarden,
vermoeiden man, die daar sloffend kwam voorbijgaan en die hen
geregeld vroeg:

"Is je hier vandaag of gisteren of eergisteren niet een jongmensch
gepasseerd in gezelschap van een bejaard persoon, die zoo'n ruigen
pijekker aan had?"

Op die wijze had hij eenige uren na den middag 't geluk, zijn jongen
op 't spoor te komen.

"Eergisterenmorgen zijn hier twee zulke lui voorbij gekomen,"
verzekerde hem een kleine koeherder. "Ze gingen gearmd en zwaaiden
van links naar rechts, precies of ze dronken waren."

"Dom toch, dat ik daaraan niet eer gedacht heb!" mompelde de vader
en haastte zich, den weg naar de stad in te slaan, die intusschen
nog uren ver verwijderd was.

En gelijk we bij 't begin van dit hoofdstuk reeds mededeelden, --
hij bereikte eerst vrij laat in den avond het doel van zijn
treurigen tocht, een tocht die hem zou blijven heugen, al werd hij
ook honderd jaar oud.


Zoo had vader de Laat dan nu de stad bereikt. Maar voor iemand, die
er een geliefd kind moest opsporen, is zelfs een kleine stad
verbazend groot.

Intusschen begreep hij dat zijn jongen, nu hij Dronken Hannes tot
kameraad had, in geen geval in een zoogenaamde fatsoenlijke buurt
moest gezocht worden.

Hij wendde zich derhalve terstond tot de achterbuurt, waar we hem
zooeven ontmoetten en waarin hij tot dusver nog nooit een voet gezet
had.

Eindelijk bleef hij poozen voor een herberg, die met de voorzijde
naar een grootere straat gekeerd stond.

Hij luisterde ademloos toe.

Daar binnen klonk een luidruchtig gepraat en gelach.

De stem van zijn zoon meende hij luid boven die der anderen uit te
hooren.

Terwijl hij nog in beraad stond, of hij hier al of niet zoo te
zeggen met de deur zou komen in huis vallen, trad er een eenvoudig,
doch zindelijk gekleede vrouw met een knap, vriendelijk gezicht naar
buiten.

Ze bleef op de stoep staan.

"Hè!" zei ze, zich tot De Laat wendend, "'t is daar binnen bij die
dranklucht en dien tabakswalm op den duur niet om uit te houden!"

De Laat begreep, dat het de waardin was. Hij zei derhalve met een
toonlooze stem:

"'t Schijnt er in uw herberg druk te wezen vanavond, juffrouw!"

En terwijl hij dit zeide, beefde hij alsof hij de koorts had. Geen
wonder.

Hij herkende nu heel duidelijk de stem van zijn zoon, die op een
kommandotoon iets scheen te gebieden.

Daarop volgde een dof gebrom als van een beer, toen een herhaald
gebons op de planken vloer en eindelijk een daverend gejuich en
handgeklap.

"O ja!" antwoordde de waardin, "'t gaat er nu een paar avonden al
zeer luidruchtig toe. Gisteravond kwam hier zoo'n ruwe kerel met een
harigen pijekker aan en een ruwe muts op, zijn intrek nemen en hij
had een jongmensch van een goede achttien jaar bij zich, die, naar
zijn kleeding en zijn voorkomen te oordeelen, in 't geheel niet bij
hem past. En die twee maken daar binnen nu de poppen aan 't dansen.
Kent u dat jonge mensch bijgeval?"

"Ja! Is u de waardin hier?"

"Precies geraden! Hoe vraagt u dat zoo?"

"Dan begrijp ik waarlijk niet, hoe u er toe komen kunt om zulke
brooddronken lieden in uw herberg te laten den baas spelen. Als ik
in uw plaats ware, liet ik dat soort lui zonder omwegen buiten de
deur zetten."

"Van den baas spelen is hier in 't minst geen spraak," antwoordde de
kasteleines fier. "Die oude, dien je daar zoo leelijk hoort brommen,
loopt nu op handen en voeten door de gelagkamer en speelt voor beer.
En dat doet hij zóó natuurlijk, dat men om zijn potsen lachen moet,
of men wil of niet. Het jonge mensch speelt voor berenleider. Hij
houdt zijn ruigen kameraad vast aan een dik touw en laat hem dansen.
Gisteravond ging de oude languit op den rug op den vloer liggen en
liet één der gasten op zijn buik staan. En toen 't hem begon te
vervelen, deed hij dezen door een gezwinde intrekking en uitzetting
der buikspieren een buiteling maken, zoodat hij onder de
biljarttafel terecht kwam en in den eersten opslag van toeten noch
blazen wist. "Die is van de plank gewiepst!" riep hij zegevierend.
Er kwam geen einde aan de toejuichingen der gasten, terwijl 't jonge
mensch, dat met moeite van onder 't biljart kwam te voorschijn
kruipen, door de anderen werd in 't ootje genomen.

Dit spelletje wordt nu ook weer vertoond en de gasten vermaken er
zich kostelijk mee. Als het is afgeloopen, heft de beer zich weder
log en plomp overeind en 't jonge mensch, dat hem gezelschap houdt,
roept:

"Het eerste bedrijf is af. De kunst moet beloond worden! Als ieder
een kleinigheid bijdraagt, zijn ze alle twee geholpen: de
berenleider en de beer!"

En de bezoekers tasten in hun beurzen en de rojaalsten onthalen de
beide potsenmakers nog bovendien op een borrel of een glas bier.

Dan begint het tweede bedrijf.

Het jonge mensch loopt op handen en voeten zoo verbazend vlug door
de gelagkamer heen en weer, dat het verwonderlijk is om te zien. Wie
gewoon op zijn voeten loopt, kan hem nog haast niet bijhouden. Dan
buitelt hij verscheidene malen achtereen over zijn hoofd. Vervolgens
gaat hij op 't hoofd staan, -- eerst op den vloer. En de hond dien
ze bij zich hebben, -- een oud, leelijk mormel, ze noemen hem
Fannie, -- nu, die hond dan wipt op kommando heel netjes tusschen de
in de lucht geheven beenen van 't jonge mensch door. 'k Geloof
haast, dat ze nu juist tot daar toe met hun voorstelling gevorderd
zijn. Hoor maar, hoe ze 't uitschateren! Hoor ze eens in de handen
klappen! Maar 't spel zal nog vrij wat komieker worden. 't Jonge
mensch klimt vervolgens op een tafel en gaat ook daarop op zijn
hoofd staan, zoodat zijn beenen hoog in de lucht staan. En ofschoon
dit zooveel moeilijker te doen is, toch springt ook nu de hond er op
kommando flink weg door heen. En als dit eenige malen geschied is,
roept de oude, die voor beer gespeeld heeft:

"Het tweede bedrijf is afgeloopen. Gedenk de arme kunstenaars! Ieder
moet wat verdienen: ook wij kunnen onmogelijk van den wind leven,
ofschoon we 't al vaak genoeg geprobeerd hebben. Wees daarom voor
dezen keer een beetje rojaal, mijn lieve menschen en bedenk wel, dat
het zaliger is te geven, dan te ontvangen!"

Op die manier pratende gaat hij met zijn ruige muts rond en ontvangt
centen, stuivertjes en zelfs enkele dubbeltjes.

Dan komt het derde bedrijf.

Het jonge mensch leent van een der gasten een fiets en maakt daarop
allerlei kunsten. Hij rijdt er op rondom de biljarttafel, om gewone
tafels en stoelen heen; om kort te gaan: ook in dit opzicht
volbrengt hij verbazende toeren. Hij is een echte waaghals en 't zou
me volstrekt niet verwonderen, zoo hij op die manier nog eens een
ongeluk kreeg."

Wie beschrijft de gewaarwordingen van den armen vader, die eens
zulke groote verwachtingen koesterde van zijn zoon en nog steeds was
blijven hopen, dat hij eens de steun van zijn ouderdom wezen zou, nu
hij van deze vrouw moest vernemen dat zijn Steven in gezelschap van
Dronken Hannes haast net als een gewone bedelaar giften inzamelde
bij 't meest alledaagsche herbergpubliek.

Sprakeloos van droefheid bleef hij daar als aan den grond geboeid
staan.

De spraakzame kasteleines verwonderde zich over den indruk, dien
haar verhaal op den vreemdeling gemaakt had. En daar deze bleef
zwijgen, vervolgde zij:

"U meent misschien, dat we een goed werk zouden doen, als we voor
dit soort menschen onze herberg gesloten hielden.

Toch is juist het tegendeel 't geval.

Zoolang de klanten enkel pleizier maken, is 't voor alle partijen
beter, dat we ze laten begaan.

Door zooveel mogelijk den teugel te vieren, voorkomt men opstootjes.
Het ongeluk van veel jongelieden, ja zelfs van bejaarde menschen is,
dat ze geen gezellig, ja soms in 't geheel geen thuis hebben. En zoo
we hen hier de deur wijzen, loopen ze gevaar van in gelegenheden te
belanden, waar ze nog vrij wat erger middelen van tijdpasseering en
verstrooiing zullen vinden en gevaar loopen om met hun beurs tevens
hun gezondheid kwijt te raken."

"Hebt u zelf ook kinderen?" vroeg hierop De Laat met een toonlooze
stem.

"Ja we hebben een jongen en een meisje!" antwoordde ze, terwijl een
glans van geluk haar gelaat verhelderde.

"Zijn die op 't oogenblik ook daar in de gelagkamer?"

"Welneen! Ze hebben een afkeer van zulke ruwe tooneelen. Onze zoon
is op een handelskantoor werkzaam. Hij past goed op, verdient al
negen gulden in de week en zijn chef heeft hem beloofd, binnen kort
zijn loon te zullen verhoogen. Ons meisje helpt mij in de
huishouding en ofschoon ze nog pas veertien jaar is, kan ze al zoo
handig met de naald omgaan als ik zelf het nooit geleerd heb."

"Hoe is 't mogelijk, dat uw kinderen onder zulke omstandigheden toch
zoo braaf en oppassend gebleven zijn?" vroeg De Laat met blijkbare
verbazing.

"Wel," antwoordde de vrouw, "mijn man en ik hebben ons uiterste best
gedaan, om hun een gezellig thuis te verzekeren en ze steeds nuttige
bezigheid te verschaffen, zoodat ze lust in 't werken kregen. Ook
zorgden we, dat ze niet meer dan 't hoog noodige zakgeld hadden en
dat hun kameraden eenvoudige, flinke, werkzame jongeluitjes waren.
Verder zorgden we zooveel mogelijk voor goed voedsel, een doelmatige
kleeding, goede boeken en tevens voor de noodige leermiddelen.
Daarbij gaven we er nauwlettend acht op, dat de taak die ze te doen
kregen, voor hun leeftijd en krachten was berekend en dat er op de
inspanning steeds de noodige uitspanning en rust volgde. Maar boven
alles zorgden wij er voor, dat er in ons gezin altijd een
vriendelijke geest bleef heerschen, zoodat de kinderen een prettig
thuis hadden en niet uren achtereen op straat bleven rondzwerven.
Hebt u ook kinderen?" dus besloot de waardin op zachten toon te
vragen.

"Ach ja!" klonk het bedroefd antwoord. "'k Heb een zoon."

"Och zoo!" zei de goede vrouw meewarig. "'t Komt me voor, dat die
zoon u juist niet veel reden tot vreugde geeft."

"Neen, precies het tegendeel. Hij is den breeden weg opgegaan,
zooals men zegt," antwoordde de ongelukkige vader met een zucht.

"Arme man!" zei de vrouw op deelnemenden toon. "Ik ben waarlijk met
uw lot begaan. En leeft zijn moeder nog?"

"Ze leeft nog, ja! Maar ze is eenigszins zwak van gestel en 't
verdriet, dat ze van haar zoon gehad heeft, maakte haar onvatbaar
voor vreugde en geluk. In den laatsten tijd is ze meestal
bedlegerig."

"Hoe oud is uw zoon?" vroeg de vrouw weder met een zachte,
medelijdende stem.

De vermoeide vader, verteerd door kommer en hartzeer, bleef zwijgen.
Zijn lippen bewogen zich krampachtig; het was hem echter niet
mogelijk, om een woord uit te brengen. Tranen verduisterden zijn
oogen.

Door het diepst medelijden bewogen, vatte de waardin hem bij de
hand.

"Je bent doodmoe en moet wat uitrusten, aleer ge uw reis vervolgt,"
zei ze. "Kom mee!"

Hij volgde haar werktuigelijk. Ze traden een klein, net vertrek, dat
grensde aan de gelagkamer, binnen. En eenige oogenblikken later
stond er voor onzen eenzamen reiziger al een warm kop thee en een
flinke boterham op tafel.

Hij dronk de thee in eens uit. "Hé, daar frischt een mensch weer
heelemaal van op!" zei hij. "Mag ik nog een kop thee, als 't u
blieft?"

Dit zeggende haalde hij zijn beurs te voorschijn, om te toonen dat
hij niet arm was en 't geen hij gebruikte wenschte te betalen.

Doch de vrouw maakte met de hand een afwerend gebaar.

"Neen, laat dat blijven!" sprak ze, "wat de klanten bestellen moeten
ze natuurlijk betalen, maar u is van avond mijn gast. Het komt me
zoo voor, dat ge zijt uitgegaan om uw zoon te zoeken; anders zoudt
ge wel bij uw zieke vrouw zijn thuis gebleven. In gedachten stel ik
me in uw plaats, mijn goede man! Geen onzer weet, wat hem nog boven
't hoofd hangt. Onze zoon heeft een schat van mooie boeken. Sommige
staan vol verzen en één van deze boeken is van Tollens. Verleden
Zondag las ik deze regels, die me sinds altijd door 't hoofd spelen:

  "'k Heb zoovele struikelaren,
    Vrienden, op mijn weg ontmoet,
    Die den ééns geglipten voet
  Langer niet meer meester waren,
    Wien zoo licht een tweede pas
    En zoo zwaar het keeren was."

Het medelijden, dat deze eenvoudige vrouw hem betoonde, deed haar
geheel het vertrouwen van vader De Laat verwerven.

Hij vertelde haar nu, wie de berenleider en kunstenmaker was en
verzocht haar tevens hem te willen zeggen, hoe hij naar haar meening
in deze omstandigheden diende te handelen.

"Van avond kunt ge onmogelijk weer thuis komen," zei ze na eenig
beraad. "Bovendien zou 't ook niet verstandig wezen om nu uw zoon
onder de oogen te komen en hem in 't bijzijn van al die anderen te
bevelen om met u mee te gaan. Terwijl hij zich reeds aangewend heeft
om in alles zijn eigen hoofd te volgen, zou 't zeer de vraag zijn of
hij u, terwijl de anderen hem om 't zeerst toejuichen, zou
gehoorzamen. 't Best zal wezen, dat u van nacht hier blijft. De twee
vrienden hebben den vorigen nacht in onze schuur in 't hooi geslapen
en dit zullen ze ongetwijfeld van nacht weer wenschen te doen. Ik
zal zorgen, dat ze een goed avondmaal krijgen en ieder een paar
dekens om in te slapen. Als dan de schuur zorgvuldig gesloten wordt,
zijn we zeker dat ze ons niet ontsnappen. Morgen vroeg ga ik uw zoon
alleen te spreken vragen en breng hem dan bij u. Terwijl gij hem
tracht te overreden om u naar huis te volgen, praat ik met zijn
kameraad en dreig hem met de politie, omdat hij een minderjarige
buiten voorkennis van zijn ouders en zelfs tegen hun wil heeft
meegenomen. Van hem zul je dan in den eersten tijd geen last meer
hebben en zonder hem kan uw zoon vooreerst ook weinig uitvoeren.
Dronken Hannes is vroeger wel meer hier geweest en als ik dan maar
even van de politie repte, kroop hij dadelijk in zijn schulp. En ik
vermoed, dat hij daarvoor wel zijn goede redenen zal hebben."

Zóó werd dan ook besloten.




XV.

Moeder en zoon.


"Kind, kind, wat doe je jou vader en mij een verdriet aan, door zóó
maar weg te loopen!" zei moeder De Laat den volgenden avond diep
treurig tot haar zoon, die stil voor haar bed zat en niet zonder
aandoening het bleek en vermagerd gelaat der goede vrouw beschouwde.

"Maar vader en moeder doen _mij_ nog een grooter verdriet aan,"
sprak hij met zacht verwijt, "door me te noodzaken om weer thuis te
komen, juist als ik goed op weg ben om het tot iets meer dan een
leeglooper te brengen. Wat toch moet ik in huis uitvoeren? Er is
hier volstrekt niets voor me te doen, dan mij zelf en anderen in den
weg zijn."

"Och, och! dat ik nog moest beleven dat het zoover kwam!" zuchtte de
goede vrouw. "Arme, arme jongen! In gedachten zie 'k je later, als
je vader en ik reeds gestorven zijn, bij duisteren avond nog eens
terugkomen en om 't oude huis zwerven en aan ons en aan den goeden
ouden tijd terug denken, toen we hier samen nog zoo blij en gelukkig
bij elkander waren. Vreemde menschen zul je dan op onze oude
plaatsen zien zitten en voor jou, mijn kind, zullen ze dan geen
enkel plaatsje hebben open gelaten.

Je zult in je ouderlijk huis niet meer thuis zijn en misschien
daarin zelfs niet meer geduld worden.

Van nacht, in den droom, zag ik je hier om 't huis rondzwerven,
koud, doodmoe en hongerig, met gescheurde kleeren en doorgesleten
schoenen, terwijl 't binnen zoo warm, zoo licht en gezellig was en
de bewoners om de welvoorziene tafel zaten. 't Was avond en door de
reten van de vensterluiken gluurde je naar binnen. Je steunde 't
vermoeide hoofd tegen 't vensterkozijn; ik hoorde je zacht schreien
en 't ging me door de ziel. Een kleine hond daar binnen merkte je
op; hij begon te keffen en toen maakte jij je snel uit de voeten. En
toen de deur openging en 't licht zoo recht vriendelijk naar buiten
straalde, was je al achter 't kreupelhout op den dijk verdwenen.

Ik wilde je troosten, maar ik greep in de ijle lucht. Toen werd ik
wakker en riep je luid bij je, naam en Tonia van den nachtwacht kwam
uit het bed hiernaast stappen, zette zich neêr waar jij nu op 't
oogenblik zit en toen ik haar vroeg: "Waar is Steven? en waar is
mijn man? Zijn die nog al niet thuis gekomen?" zag ze mij
medelijdend aan. "Stel je gerust en beproef wat te slapen,
buurvrouw!" zei ze. "Morgen zullen ze wel al terug zijn." De goede
ziel schudde 't bed wat op en legde de kussens terecht en toen ik me
verder stil hield, ging ook zij weer slapen.

En nu ben je terug gekomen," zeide ze zacht en teeder. "En alles is
vergeven en vergeten. Ik ben blij, dat ik je dit nog zelf zeggen
kan. Want ik heb er een voorgevoel van, dat ik niet lang meer bij u
en uw vader zal kunnen blijven. Je moeder zegent je, mijn arme goede
jongen en ze is verzekerd, dat alles zich nog eens ten beste zal
schikken."

Ze strekte de vermagerde hand naar hem uit.

Hij vatte die, zichtbaar bewogen en hield ze in de zijne gesloten.
Er welden tranen in zijn oogen.

Die magere hand en arm; dat smal, vermagerd gelaat; die diepliggende
oogen, welke hem, ondanks al wat er gebeurd was, nog vol liefde
tegenschitterden zooals andere oogen, ook de vriendelijkste, dit
nooit deden, -- ze zeiden hem duidelijker dan woorden dit kunnen
doen, dat weldra die hand en die arm, door doodskou verstijfd, die
oogen al ras voor immer zouden gesloten zijn; dat de tijd aanstaande
was, waarin haar vriendelijke stem hem nooit meer zou kunnen
spreken van vergeven en vergeten en haar ooren niet meer zouden
kunnen vernemen zijn verzekering van diep berouw en zijn bede om
vergeving.

Hij boog zich snikkend over de goede vrouw heen en omarmde en kuste
haar, als in vroeger, gelukkiger tijden.

Op dit oogenblik kwam er een groote, ruige hond op de bedsponde
springen, zoodat de zieke er van ontstelde.

Het beest lekte de handen en 't gezicht van den zoon en trachtte hem
blijkbaar op die wijze te troosten en op te beuren.

"Hoe komt die hond zoo op eens hier?" vroeg de moeder verwonderd.

Steven klopte 't vriendelijk dier goedkeurend op zijn ruigen kop en
streelde hem met de vlakke hand over nek en rug.

"Een veertien dagen geleden wilden de jongens het arme beest
verdrinken, moeder!" zei hij. "Ze hadden een touw met een zwaren
steen er onderaan om den hals gestrikt. Maar 't verschrikte beest
huiverde en jankte en zag me zóó smeekend aan, dat ik medelijden met
hem kreeg en zei: "Geef mij dien hond maar!"

Sinds is hij altijd bij me gebleven.

En, o! je moest eens gezien hebben, moeder! welke sterke toeren hij
deed, toen we in die stadsherberg, waar vader me vond, onze
voorstellingen gaven. De zaal daverde van de toejuichingen!"

"Goed, goed mijn jongen!" zei de moeder met een afwerend handgebaar,
"zwijgen we verder daarover! Je vader zou 't erg verdrietig vinden,
als hij je daarvan hoorde vertellen, bedenk dit wel! En laat
voortaan ook voor hem alles vergeven en vergeten zijn! Hij is een
goed man en wel waard om liefde te ontvangen van wie hem 't liefst
zijn op de wereld."

De stem der moeder stierf weg in een zacht gefluister.

Zij sloot de vermoeide oogen.

Een diepe stilte heerschte nu in 't vertrek. Slechts het getik der
oude huisklok werd gehoord.

Steven voelde een huivering door de leden gaan; 't was hem, of hij
zoo plotseling uit het volle, rijke leven in een zonderlinge
droomwereld was verplaatst.

De zoo bekende ruimte, waarin hij nu leefde en ademde, door zooveel
zelfopofferende liefde van zijn goede ouders gewijd, had iets heel
vreemds en geheimzinnigs voor hem. Hij voelde de vervlogen tijden
met hun herinneringen als geesten hem omzweven. En zijn arme, goede
moeder, die daar nu zoo mat en bleek lag te sluimeren, scheen ook
reeds uit het leven te zijn gescheiden en tot het stille geestenrijk
te behooren.

De stralen der avondzon, die juist van achter een donkere wolk heen
naar binnen vielen, verleenden 't gelaat der zieke een hooge
bekoorlijkheid, als wilden ze de scheidende Moeder, die ondanks haar
gebreken toch groot was in liefde, tooien met de kroon der
onsterfelijkheid.


Het was de laatste maal, dat moeder en zoon zoo rustig, zoo
vertrouwelijk samen waren.

Eenige weken later was de bleeke, lijdende vrouw reeds voor goed te
rusten gelegd op de algemeene begraafplaats in den hoek onder den
treurbeuk en op 't paaltje aan 't hoofdeinde van haar graf waren de
voorletters van haar naam geschilderd.

Ze hadden haar in stillen ernst begraven. Op den wagen van boer
Reinders was de zwarte kist weggereden. Een viertal vrouwen uit de
familie zaten in rouwkleeren en met zwarte doeken om 't hoofd voor
en achter de kist op den geïmproviseerden lijkwagen en de mannen
liepen met zwarte kleeren en hooge hoeden op, er tegen en er achter.
En 't dichtst achter den wagen schreden stil De Laat en Steven
voort; de vader als één die de hoop en den steun van zijn leven
verloren heeft en nu geduldig wacht op den tijd, dat alle zorg en
kommer, alle droefheid en rouw zullen verdwenen zijn; de zoon,
aangedaan, snikkend van hartstochtelijke droefheid.

De torenklok werd geluid en heur sombere galmen klonken wijd heen
over de streek.

De begraafplaats was in weinig minuten bereikt. Er werden bij 't
graf eenige hartelijke woorden gesproken van de Liefde, die eeuwig
is en hoe wie haar bezitten de onsterfelijkheid deelachtig zijn. En
toen werd de kist in de groeve neergelaten en met aarde bedekt; de
klok hield op te luiden; de menschen keerden terug en de
plechtigheid was afgeloopen.

Daar ze een stille, huiselijke vrouw was geweest, werd er slechts
kort over haar gesproken.

Maar in huis meende men ze nog altijd te vernemen. Al was ook haar
stoel bij de tafel ledig, ze zou spoedig terugkomen. Als De Laat 's
avonds in de schemering in 't woonvertrek rondzag, meende hij haar
in 't naaste vertrek te hooren. Hij meende zelfs te hooren hoe zij
ademde en kuchte en eerst langzamerhand scheen 't hem recht
duidelijk te worden, dat ze werkelijk uit het huis verdwenen was en
daarin nooit meer zou terugkeeren. De herfstwind blies en de dorre
bladers stoven.

Ook de treurbeuk liet zijn loover vallen, bruin en geel en overdekte
haar graf, zoo eenzaam en stil, met een warme, kleurige sprei.


Later kwam de sneeuw het heele landschap in een lijkwade hullen. De
wind joeg ze als golvende lakens voor zich heen en wischte de sporen
uit van den eenzamen man, die telkens een bezoek kwam brengen aan 't
graf onder den treurbeuk.

En de sneeuw bleef aldoor neerdwarrelen uit een donkere lucht. De
boomtakken kraakten en bezweken onder dien schitterenden last, die
in sierlijke golvingen, als verbazend groote donzen kussens van den
donkeren mantel der dennenbosschen naar omlaag hing.

Maar de wolken dreven weg. De lucht was helder blauw. De zon scheen
op de sneeuw en herschiep het landschap als in een schitterende
tooverwereld.

Overal heerschte een diepe rust, een door niets gestoorde stilte.

Nu was 't eerst in waarheid Zondag.




XVI.

Het einde van een verwoest leven.


't Is midden-October en omstreeks vier uur in den morgen, of,
juister gezegd, in den nacht.

Overal is 't nog duister, kil en stil.

Alle voorwerpen op eenigen afstand zijn gehuld in een grijzen nevel.

De dorpsklok steekt zoo donker af tegen de lucht en de omtrekken van
dit reuzengevaarte zijn voor 't oog zóó onbestemd, dat een vluchtige
beschouwing ons doet huiveren. Wie nu hier omdwaalt tusschen die
lage huizen, waarvan sommige er zoo grauw en verweerd uitzien, alsof
ze steeds dieper in den modder en 't slijk van den bodem wegzonken,
voelt zich vrij zeker in een onbehagelijke stemming. Die in nevel
gehulde, verstrooid liggende huizen schijnen grafheuvels of
zonderlinge monumenten uit vervlogen tijden.

Het leven, 't Iicht, de warmte en de bezieling van den dag ontbreken
nu.

Zoo we 't niet uit ervaring wisten, zou niemand zich kunnen
voorstellen hoe hier den dag en avond te voren alles nog vol leven
en beweging was; hoe er door iedere ruit vroolijke of wel door
droefheid benevelde oogen naar buiten staarden; hoe op iederen haard
het vuur helder en vroolijk opvlamde en uit iederen schoorsteen de
rook vriendelijk naar boven steeg; hoe over de dorpsstraat wagens en
karren aldoor voortratelden; hoe er paarden brieschten, koeien
bulkten, hoenders kakelden en groote en kleine menschen rusteloos
bezig waren.

Nog tot laat in den avond loeide de blaasbalg van den smid zoo
luidruchtig mogelijk in den vuurgloed. De jongen, die hem trok,
floot een lustig deuntje en de smid en zijn knecht hamerden op een
bonk gloeiend ijzer, dat de vonken om hen rond spatten en voor
ieder, die hier den gloed als een paaschvuur zag gloren, de kilheid
van den avondnevel als wegtooverde. En uit iedere woning zag men
door reten en spleten 't licht vriendelijk naar buiten stralen.

De kuiper Verhagen en zijn zoon Frederik, van denzelfden leeftijd
als Steven De Laat, -- die twee dan klopten en hamerden op de vaten,
dat het een heel eind buiten 't dorp te hooren was. 't Scheen als
waren ze overtuigd dat het hun laatste werkdag was en ze zich om die
reden zooveel mogelijk moesten reppen, om eerst nog alle inwoners
voor een langen tijd van net en stevig vaatwerk te voorzien. Ze
werden bij hun werk voorgelicht door een groote tuitlamp, die een
vlam gaf zóó groot en zóó rood als ware ze een flambouw en een
vurigen weerschijn over de straat wierp.

Hoe schaafden en hamerden die timmerman Joosten, zijn knecht en zijn
zoon in hun werkplaats, waaruit al mede 't licht vriendelijk naar
buiten straalde!

Arend, de linnenwever, daar schuin tegenover, deed nog tot laat in
den avond het weefgetouw kletteren dat het een aard had.

Niet minder lustig hamerde de schoenmaker Pothof op de zool van den
schoen, waaraan hij juist de laatste hand legde. En ondertusschen
zong zijn jonge vrouw met een zachte, welluidende stem een
wiegedeuntje. Ze deed heel zacht, zonder schokken, de wieg
schommelen, om zoo haar tweede kind, een allerliefst meisje, te doen
inslapen.

In den vooravond speelden de dorpskinderen tusschen de huizen en in
de donkere hoeken van 't kerkgebouw verstoppertje en telkens weer
gierden ze 't uit van pret.

Welk een verschil tusschen dat druk, licht en levendig dorp,
-- verscholen tusschen 't kleurig najaarsloover, -- van den vorigen
dag en avond en datzelfde dorp nu, in den nanacht, terwijl

    "alles zwijgt en sluimert en rust,
  Alles, behalve de menschen,
    Droef wakende onder den prikkel des noods,
  Der smart of der ijdele wenschen."

Wat ligt het huis van De Laat daar nu akelig somber en stil in den
mist. Alles daarbuiten, voor zoover 't bij het nachtelijk duister is
waar te nemen, verkeert in een treurigen staat van verval. Blijkbaar
ontbreekt hier een zorgende, wakende hand. Gras groeit er op
verschillende plaatsen tusschen de steenen van 't straatje, dat naar
de voordeur leidt en veel meer nog op de tuinpaden. Die tuin zelf,
vroeger zoo keurig in orde, verkeert nu in een treurigen toestand.
De vruchtboomen zijn er ongesnoeid; de perken onbezoomd en 't
onkruid verdringt er steeds meer de bloemen. De wingerd langs den
muur ten Zuiden is op verschillende plaatsen naar beneden gestort.
Alles heeft er een haveloos en vervallen aanzien, niet het minst
geldt dit van de woning.


Achter het huis om verschijnt plotseling een persoon, die sluipend
voortgaat, alsof hij iets kwaads in den zin heeft. Het is Steven,
die heimelijk door de achterdeur de woning verlaten heeft en zoo
vlug mogelijk voortspoedt. Maar een dief, die op 't punt staat om
ergens inbraak te plegen, kan niet vaker 't hoofd naar links en naar
rechts wenden en over de schouders heen met spiedende oogen naar
alle zijden uitzien. Ook zijn gang is zoo zacht en sluipend als een
volleerde dief maar zou kunnen wenschen. Zijn kleeding is vrij
slordig en haveloos. Bij de kerk sluipt hij langs den ouden muur,
doch staat plotseling verrast stil. Hoort hij daar in den toren niet
een zwaar, bonzend geluid? Zonder twijfel.

Angstig vraagt hij zich af, wat dit zijn kan?

Och ja! hoe kan hij ook zoo dwaas wezen om daarvoor te schrikken? 't
Is immers de torenklok, wier slinger bonzend heen en weer gaat.

Vooruit dus weer!

Opnieuw rept hij zich voort.

Doch plotseling houdt hij weer stil en luistert opnieuw. Begint die
klok daar boven in den toren alarm te luiden? Welneen: ze slaat vier
uur.

De vierde slag galmt lang na en dan wordt het weer stil.

"Ik dacht dat er brand was en dat de klok geluid werd om de
spuitgasten te wekken," mompelde hij.

"Waarom is er ook nooit brand bij nacht? 't Zou nog eens wat
afwisseling geven en bovendien aan belanghebbenden een mooie kans
bieden om een goeden slag te slaan. Maar wat drommel is dat daar nu
weer?"

Aan de andere zijde der kerk en alzoo vlak bij geeft de nachtwacht
vier stooten op zijn horen en roept dan zóó luid, dat de echo 't hem
nabauwt: "Vier uren heeft de klok! De klok heeft vier!"

Steven sluipt angstig weg achter een hoek van 't groote holle gebouw
en dringt zich zoo dicht mogelijk tegen den muur aan, om niet te
worden opgemerkt. De nachtwacht komt met onregelmatige passen nader,
want door den langen dienst heeft hij een stijf been gekregen. Daar
hij zoo pas eerst zijn verlicht woonvertrek heeft verlaten, moet hij
nu wegens de duisternis op den tast voortgaan en merkt Steven
volstrekt niet. Deze vervolgt daarop al spoedig zijn nachtelijken
tocht. Een zucht van verlichting ontsnapt hem, omdat hij onopgemerkt
is gebleven.

"Zoo'n nachtwacht heeft toch voor de veiligheid der ingezetenen
weinig te beteekenen," mompelt hij onder 't voortgaan, terwijl een
glimlach zijn strakke trekken even ontspant. "Teunissen moest een
hond hebben, zooals Fannie er een is. Die zou me hier stellig
ontdekt hebben en niet alleen mij, maar ieder ander. Doch de man
wordt veel te karig bezoldigd. 't Is bij hem 't heele jaar door
armoe troef. Er nog bovendien een hond op na te houden, gaat dus
niet. En zoo is 't derhalve ook hier weer de zuinigheid, die de
wijsheid bedriegt.

Eigenlijk had ik Fannie moeten meenemen. 'k Zou dan veiliger geweest
zijn. Hoe jammer, dat vader me verleden jaar naar huis haalde! Met
hem zou ik geld verdiend hebben van belang. 't Lijdt geen twijfel,
of ik zou heel beroemd zijn geworden. Hier is volstrekt niets te
beginnen. 't Is er de dood in den pot!"

Dus denkende ging hij zacht, doch zoo snel mogelijk voort.

Maar 't nachtelijk donker heeft iets geheimzinnigs; iets dat
huiveren doet. Het oog wordt dan niet afgeleid door kleuren; het oor
niet door tonen. Men voelt zich zoo alleen in dien zwijgenden nacht,
welke ons als in een reusachtig graf besloten houdt. Doch in dat
graf zuchten of loeien de winden; het nachtelijk roofgedierte loert
en snuffelt er om ons heen en onze ontstelde verbeelding omringt ons
overal met vreeswekkende schimmen.

Vooral een nacht in 't midden van October bij mistig weder, gelijk
nu, als er nog geen strenge nachtvorsten geweest zijn en de boomen
derhalve nog grootendeels hun bladertooi behouden hebben, -- zulk
een nacht kan erg donker wezen. En nu was het buitengewoon donker.

Eerst had Steven nog aan weerszijden de bouwlanden van den
zoogenaamden Esch, die, van hun oogst ontbloot, een uitgestrekte
vlakte vormden.

Doch welhaast naderde hij het bosch, dat zich als een zwarte,
ontzaglijk hooge massa steil uit de vlakte verhief. De ingang leek
een hooge, donkere poort, die scheen te voeren naar een zwarten,
ijzingwekkenden afgrond.

Daar gekomen vervolgde hij op den tast huiverend zijn weg, terwijl
hij den knuppel, dien hij in de rechtervuist geklemd hield,
bestendig voor zich uit zwaaide, om te vermijden dat hij met iemand
of iets in botsing kwam.

Na op die wijze een kwartier gaans te hebben afgelegd, bereikte hij
een breeden landweg, met aan weerszijden een dennenbosch.

Weinig minuten later hield aan de rechterzijde 't bosch op en maakte
plaats voor een weide, die hier en daar bezet was met boschjes van
berkenhakhout. Hier baande hij zich voorzichtig een weg door de
droge sloot.

In den hoek der weide, half achter de kreupelbosschen verscholen,
stond een lang, laag gebouwtje. 't Was het hok, waarin de eigenaar
van de weide zijn kippen hield. Steven bleef nu een oogenblik pal
staan en bootste 't gekraai van een haan zeer natuurlijk na.

Terstond daarop vernam hij een zacht geritsel in de struiken. Een
donkere gedaante kwam sluipend nader. Een schorre stem voegde hem
knorrig toe:

"Zóó! Ben je daar dan toch eindelijk! Nog een paar uur en 't zal
weer volle dag zijn. 'k Heb hier al langer dan een uur op je
gewacht!"

Het was zijn oude reismakker Dronken Hannes, die aldus sprak.

"'k Heb me verslapen!" antwoordde Steven met gedempte stem.

"Verslapen!" 't Is wat moois!" bromde de ander met een vloek. "Als
er wat te verdienen valt, blijf je in bed liggen! Je hebt toch een
klok in huis!"

"Mijn oude heeft vergeten, die op te winden en zoo is ze blijven
staan. Je kunt je niet voorstellen, hoe vergeetachtig en suf hij na
den dood van moeder geworden is."

"Hij vergeet ten minste om op te stappen!" bromde Hannes weer en
zijn met bloed beloopen oogen keken kwaadaardig in den mist, alsof
hij daar een vijand zag naderen. "Als hij dood was, zou je jou eigen
meester wezen en we zouden weer de wijde wereld kunnen ingaan en
samen ons geluk beproeven. We waren toen al zoo goed op dreef."

"Hij wordt erg oud en suf," mompelde Steven. "'t Wordt in huis hoe
langer hoe onpleizieriger. Tonia brengt ons nu al sinds eenigen tijd
's middags een maal warm eten; voor 't overige moeten we ons met wat
melk en brood behelpen. 't Is een nare boel. Tonia ruimt ook eenmaal
per dag het huis wat op, terwijl mijn oude zwijgend in den hoek zit
toe te zien. Zoolang zij bij ons thuis is, schijnt hij weer
heelemaal op te leven. Onder 't werken vertelt ze hem van allerlei
zaken, om hem zoo wat afleiding te bezorgen en moed in te spreken.
Wil je wel gelooven, dat ik zelf haar bij 't beredderen van de
huishouding behulpzaam ben en dat ik, als ze altijd bij ons in huis
was, alle kans had om een werkzaam mensch te worden."

"Als ik in jou plaats was, gaf ik er den brui van om me zóó te
behelpen," bromde de ander gemelijk. "Waarom ga je niet naar de
herberg en laat er je voor rekening van jouw vader het noodige
opdisschen?"

"Zonder geld gaat dat niet," zuchtte Steven.

"Misschien houdt hij zich maar arm, om je op die wijze met niemendal
te kunnen afschepen. Maar we hebben later wel tijd om daarover te
praten: nu moeten we hoe eer hoe beter aan 't werk."

Hij had zijn gezegden met eenige verwenschingen en vloeken kracht
pogen bij te zetten en vervolgde nu, ook fluisterend:

"Ga jij eens zien, of er aan _dien_ kant ook wild in de strikken
zit, dan zal ik _dezen_ kant voor mijn rekening nemen. Ziehier al
twee hazen. 't Zijn een paar bovenstebeste: ze wegen ieder wel acht
pond!"

"Te drommel, ja!" zei Steven aangenaam verrast. "Die twee maken ons
den morgen al goed."

"Het blijft met dat al een onaangenaam en gevaarlijk werk!" bromde
zijn kameraad, die er nu bijzonder zenuwachtig en gejaagd uitzag,
terwijl hij schuw om zich heen keek. "Ze loeren al lang op ons. Maar
wie me te dicht nadert, schiet ik neer en zeg dan met Van Speyk:
"Berg je jongen!"

"Je zult toch om zoo'n kleinigheid als een veertien dagen "brommen"
geen moord willen doen?" vroeg Steven verschrikt.

"Veertien dagen!" fluisterde Hannes. "Dat kun je begrijpen! Neen,
als ze mij eenmaal te pakken krijgen, zullen ze me, vrees ik, heel
wat langer opbergen. Die heeren van 't gerecht zijn haatdragende lui
en aldoor geneigd om oude koeien uit de sloot te halen. -- Maar mijn
hemel, wie is dat daar?" viel hij zich zelf halfluid en angstig in
de rede.

"Ik zie niets! Jij wel?" zei Steven, blijkbaar ook alles behalve op
zijn gemak.

"Daar tusschen die twee eiken!" antwoordde Hannes. Zijn wijd
geopende oogen staarden angstig voor zich uit. Hij deinsde een paar
passen terug. Zijn spraak was onduidelijk, als die van een dronken
persoon.

"'t Is jou moeder, die daar aankomt," dus ging hij verschrikt voort,
als in zich zelf sprekend. "Een wit kleed reikt haar van 't hoofd
tot de voeten. Ze komt naar ons toe, zie maar! En ze doet 't zoo
stil, alsof haar voeten volstrekt niet aan den grond raakten, maar
of ze op den mist kwam aandrijven. Wat staan haar oogen wijd open en
wat kijkt ze mij al door strak aan! Precies zóó staarde ze mij
vroeger ook aan, als ik bij jelui thuis kwam. Wat zou ze willen?"

Hij stond als aan de plaats geboeid en beefde zóó, dat hem de tanden
op elkander klapperden.

"Je bent krankzinnig of stomdronken!" zei Steven met een schorre
stem, terwijl hij zich met afschuw eenige passen van hem
verwijderde. "Je weet even goed als ik, dat moeder al een vol jaar
dood en begraven is. Waarom wacht je niet met drinken, tot het werk
gedaan is?"

"Ik zweer je, dat ik van morgen nog geen druppel geproefd heb!"
verzekerde de vagebond met een vloek.

"Wat jij daar ginds ziet, zie ik ook wel," hervatte Steven. "'t Is
de nevel, die overal de open plekken vult."

Met de vuile mouw van zijn ruigen pijekker veegde de ander zich nu
over voorhoofd en oogen, staarde weer voor zich uit en zei toen
huiverend: "Ja ik geloof dat je gelijk hebt. 't Zal verbeelding van
me geweest zijn! Kom, we zullen samen de strikken gaan nazien!"

"Om alle twee tegelijk gesnapt te worden!" sprak hierop Steven, die
zich in gezelschap van zulk een gevaarlijken kameraad en op zulk een
eenzame plaats alles behalve op zijn gemak voelde.

"Stel je gerust!" antwoordde Hannes. "Ik zal 't werk wel doen. Wie
de strikken niet aanraakt, is ook niet strafbaar."

Stil verdwenen ze nu alle twee in 't hooge kreupelhout.

Een geruimen tijd later kwamen ze op de plek, vanwaar zij uitgegaan
waren, terug.

Ofschoon het nu al vrij licht werd, was de mist nog niet geheel
opgetrokken.

Ze hadden nog één haas, twee konijnen en één fazant buitgemaakt, die
zich hadden vastgewerkt in de strikken.

"Nu Is 't ook mooi genoeg voor één dag!" zei Steven fluisterend. "En
jij hebt rust noodig: je ziet er vreeselijk naar uit en beeft alsof
je de koorts hadt."

"We zijn nu toch hier en 't zou erg dom zijn, zoo we niet nog even
dit boschje gingen afjagen!" was het antwoord, op schorren toon
gegeven. "Zou Fannie in 't vervolg het wild niet voor ons kunnen
opjagen? 't Is zoo'n schrander beest!"

"'t Is te beproeven," mompelde Steven en hij verwonderde zich, dat
hem dit niet reeds vroeger in de gedachte gekomen was. Met Fannie
bij zich had hij ook van zijn kameraad, die er hoe langer hoe
gevaarlijker begon uit te zien, niets te duchten. Hij keek den
vagebond aan met oogen, waarin vrees en afschuw te lezen stonden en
zorgde er voor, onder 't bereik van zijn ruwe, morsige handen
vandaan te blijven.

Wat hing hem de ruige, rossige haarbos slordig om voorhoofd en
wangen! Wat stonden zijn met bloed beloopen oogen strak en akelig en
hoe angstig staarden ze in de richting van de twee eiken, waar de
mist nog als een blauwachtig-wit gordijn was blijven hangen! Zelfs
toen hij zich bukte om onder 't kreupelhout heen het oude geweer,
dat hij daar den vorigen avond had verborgen en waarvan 't slot met
een ijzerdraad was vastgemaakt, bij den loop te voorschijn te halen,
bleef hij toch onafgewend op die plek staren, als vreesde hij,
vandaar uit onverhoeds overvallen te worden.

"Als 't geweer geladen is, zou ik er een beetje voorzichtiger mee
omgaan!" waarschuwde Steven.

Maar pas had hij dit gezegd, toen hij uit den mond van 't geweer een
rookwolkje zag stijgen, terwijl hij onmiddellijk daarop den knal van
't schot hoorde.

In 't volgend oogenblik zag hij zijn kameraad met de armen een zwaai
in de lucht maken en hem toen met een zwaren plof achterover vallen.

Roerloos bleef hij liggen.

't Volle schot was hem in de borst gedrongen en had hem
oogenblikkelijk gedood.


Steven bleef een wijle, door schrik als verlamd, staan staren op het
lijk van zijn makker, die nu zijn makker niet meer was en 't ook
nooit meer wezen zou.

Hij zag die door ontzetting ijselijk gewrongen trekken; die wijd
geopende, angstige oogen, zoo akelig strak naar boven gericht; hij
zag den eveneens als tot een noodkreet opengesperden mond en waande
te droomen.

Geen antwoord! Geen enkel teeken van leven!

Hij riep hem dringend bij zijn naam.

De door den storm gevelde dennenboom daar aan den rand der sloot,
die hen zoo vaak voor zitbank gediend had, kon nu evenveel hulp en
vriendschap verleenen als Dronken Hannes. Radeloos keek Steven rond
door de stille ruimte. De morgenwind vaagde juist, als met een
onzichtbare hand, tusschen de twee eeuwenoude boomen den laatsten
sluier van nevelen weg.

De lucht was nu geheel opgeklaard.

De groene, gele en roode bladeren van eiken, accasia's en beuken
glansden in 't licht van de rijzende zon.

De gansche streek baadde in een vriendelijk licht.

Miljoenen dauwdroppels schitterden op het gras, het heidekruid, het
kreupelhout en 't met fijne webben overspannen dennenbosch.

Het stille, plechtige landschap straalde en schitterde in
onbeschrijfelijke pracht. In grootschen eenvoud welfde zich
daarboven het diep-blauwe uitspansel.

En te midden van al dat schoon lag daar die doode, met akelig
verwrongen trekken, de starende oogen met een afdrukking van
ontzetting strak omhoog gericht.

"Ze zullen denken dat ik hem heb doodgeschoten!" mompelde Steven.

Een killen schrik beving hem.

Zonder recht te weten, wat hem onder deze bedenkelijke
omstandigheden te doen stond, ja zelfs zonder te weten wat hij deed
sloeg hij op de vlucht.


{Illustratie: Steven bleef een wijle ... staan staren op het lijk
van zijn makker ... (Pag. 141).}


Hij vlood, over slooten springend en door hagen dringend, als een
bloode haas of een gejaagde ree.

Zoo bereikte hij al hollend den ingang van 't dorp, waar een groep
spelende kinderen verschrikt door zijn akelig uitzicht, voor hem uit
den weg stoven.




XVII.

Op stroopen uit.


't Is in 't begin van Februari en in den na-nacht.

In gedachten bevinden we ons in de buurt van den huize Heiterloo en
wel op den landweg, vóór den donkeren ingang van 't bosch, dat het
kasteel aan drie zijden over een groote uitgestrektheid omgeeft.

Voor ons uit zien we iets wemelen en nu we naderbij komen, blijkt
het de gedaante te zijn van een man. Ook hooren we, gedempt, zijn
voetstappen in 't dorre loof.

Wat zou die persoon hier zoo vroeg al willen uitvoeren?

Haast schijnt hij volstrekt niet te hebben, want hij nadert slechts
langzaam.

Een dikken stok heeft hij onder den arm.

Op 't oogenblik, dat hij den donkeren ingang van 't bosch wil
binnentreden, slaat juist de klok in den toren van 't kasteel drie
uur.

Hoe lang, hoe vreemd, -- we zouden haast zeggen hoe spookachtig
galmt de laatste slag na in den zwijgenden nacht!

Een uil is er blijkbaar door wakker geschrikt: hij laat een paar
maal zijn droefgeestig geroep hooren. Dan wordt het weer overal
stil.

Zelfs de stappen van den nachtwandelaar zijn slechts even te hooren.
Zóó voorzichtig sluipt hij verder, dat enkel een zacht ritselen van
't dorre loof nu en dan zijn tegenwoordigheid verraadt.

't Is overal zoo stil, dat we onze ademhaling kunnen hooren. En
toch: als we goed luisteren, hooren we bovendien nu hier, dan daar
een geritsel, alsof we door levende wezens omringd zijn, die kringen
om ons heen te beschrijven, zooals eertijds de tooverpoeder die
beschreef om den bekenden dokter Faust. Hier, in 't hooge mastbosch,
is 't nog stiller en donkerder dan ergens elders.

We volgen in gedachten dien eenzamen man op zijn schreden. Maar 't
is een onaangename wandeling voor ons, die nog zoo pas door 't
vriendelijkst licht en de gezellige drukte van ons bekende menschen
omringd waren. 't Is of plotseling alles, wat ons lief was en
vreugde gaf, voor immer verdwenen is en we in 't vervolg door een
altijd durenden nacht zullen omringd zijn. En telkens hooren we nu
hier en dan weder daar dat suizen, zoo vreemd, in de donkere dennen
hoog boven ons, als 't gezucht van sombere reuzen; dat geritsel in
't dorre loof om ons heen, als van een sluipend en gluipend ondier,
dat ons naar 't leven staat. We hebben juist een gevoel of de nacht
leeft; of we van alle zijden door glinsterende oogen aangestaard
worden; of we als omspannen zijn door een onzichtbaar weefsel.

Een huivering gaat ons door de leden.

Een soortgelijk angstig gevoel moet in den morgen der geschiedenis
den eersten, half wilden Germaan beheerscht hebben, die hier in de
onmetelijke wouden en wildernissen verdoold geraakt, den eersten
nacht sleet in de forsche kroon van een eeuwenoude eik en in zijn
ontstelde verbeelding overal uit die woeste, wilde wereld dood en
verderf meende te zien en te hooren naderen.

Gelukkig voor den eenzamen nachtwandelaar, die nu als een
spookgedaante in de duisternis voor ons uit treedt, zijn hier in den
loop der eeuwen de beren, wolven, wilde zwijnen, ja zelfs op weinig
uitzondering na de sluipende, giftige adders verdwenen, welke dien
eersten mensch overal dreigend omringden.

Een luid, snorrend gerucht doet op eens den eenzamen man verrast
stilstaan.

Daar komt eenige oogenblikken later een ruigharig schepsel uit het
hout op den weg springen, loopt op den man, die blijkbaar zijn
meester is, toe, blijft kwispelstaartend voor hem staan en laat een
zacht, schor gebrom hooren.

"Koest, Fannie!" luidt het fluisterend bevel. En Steven De Laat,
-- want deze is 't, -- volgt nu sluipend den trouwen hond, die zoo
pas een troep fazanten opjoeg.

Twee dezer dieren hebben zich, misschien door voor den hond te
vluchten, vastgewerkt in de strikken, die zijn meester daar
geplaatst heeft en worden nu door dezen voor goeden prijs verklaard.

In plaats van, -- evenals andere menschen, -- door ijverig werken in
zijn onderhoud te voorzien, beproeft hij weer, evenals toen Dronken
Hannes nog leefde, met wild stroopen wat te verdienen. Want het moet
gezegd worden: er zit "durf" in dit jonge mensch. Bovendien is hij
vlug en schrander en Fannie, hoe oud ook, is dit eveneens.

Geen nacht gaat er in den laatsten tijd voorbij, waarop niet eenige
boschwachters of jachtopzieners op hem loeren. Maar Fannie komt deze
lieden door zijn reuk telkens op 't spoor. En zoodra merkt hij niet,
dat er iemand in de buurt waar zijn meesters strikken staan, op den
loer ligt, of hij waarschuwt dezen oogenblikkelijk. Steven Iaat dan
daar ter plaatse 't wild in de strikken onaangeroerd en 't wild, dat
hij reeds buit maakte, verbergt hij snel op een plaats, waar hij 't
gemakkelijk kan terugvinden.

Het geld, dat hij voor 't gestroopte wild krijgt, moet hem tot
zakgeld dienen. Hij verteert het gewoonlijk in één der talrijke
gelegenheden, welke daarvoor in de naburige grootere plaatsen worden
aangetroffen. Want een afstand van eenige uren gaans telt hij niet.

Het bosch van den huize Heiterloo biedt een uitmuntende gelegenheid
aan voor wildstroopers. In de omgeving van 't kasteel doorkruisen 't
breede wandelpaden, terwijl verderop landwegen en paden voor
voetgangers naar 't dorp of de naburige landerijen en weiden voeren.
Deze laatste vindt men niet alleen in de naaste omgeving van 't
bosch, maar op sommige plaatsen voeren ze er midden door.

Nu stond het graan te groenen op de akkers. 't Had nog niets van de
nachtvorsten te lijden gehad, want het was een zachte winter geweest
met veel sneeuw. Het wild uit heel de streek ging er aan te gast. De
hazen namen hun weg over zeer goed zichtbare paadjes, die in verloop
van tijd door hun stappen waren ontstaan.

Op die paden nu had Steven zijn strikken geplaatst. Als heer Lepel
zich dan terdege repte om den akker te bereiken, raakte hij in zoo'n
strik bekneld en iedere poging om zich los te rukken was oorzaak dat
die vaster om zijn keel sloot, zoodat hij door verstikking den dood
vond.

Steven was gewoon om den hond tegen den wind in te doen loopen,
opdat deze de jachtopzieners, die op hem loerden, vroeg genoeg onder
den reuk zou krijgen om hem nog tijdig te kunnen waarschuwen.

Doch in een bosch als dit, waarin paden en paadjes op de meest
grillige wijze in alle richtingen doorheen slingerden, ging daar
niettemin een zware wijs op.


Onze strooper was slechts weinige oogenblikken op 't voetspoor van
den hond in het duister van 't hout verdwenen, of hij kwam weer op
't pad terug met de twee fazanten onder zijn jas verborgen.
Vervolgens sloop hij weer een geruimen tijd voort over een publiek
pad, uitsluitend voor voetgangers bestemd en kerkpad geheeten.

Dergelijke paden loopen meestal zoo recht mogelijk uit ver
schillende richtingen op één plaats aan. In vroeger tijd dienden ze,
-- en ze doen dit nog, -- om langs den kortsten weg de kerk te
bereiken; vandaar de naam: _kerkpaden_. Ze doorsnijden heidevelden,
weiden en bouwlanden, loopen over de boerenerven soms tusschen 't
huis en de schuur door en storen zich aan geen gemaakte
begrenzingen. De boer ploegt ieder jaar gemakshalve die paden om,
welke vaak zijn akker diagonaalswijze in tweeën splitsen en hij
zaait er zijn koren op uit. Maar reeds den volgenden dag hebben de
schoolgaande kinderen of lieden, die de naburige plaats willen
bezoeken, waaronder vooral kerkgangers, de aarde weer plat getrapt
en 't pad opnieuw gebaand.

Slechts weinig wegen en paden herinneren zóó sterk aan 't grijs
verleden, toen er kapellen en kerken werden gebouwd en bij die
kerken scholen.

Daar vonden groot en klein een vereenigingspunt en ze rustten er uit
van de moeiten en zorgen des levens en er omheen, onder de groene
zoden, sliepen de betreurde vrienden en verwanten hun laatsten
slaap. Vijanden verbroederden zich met elkander binnen deze stille
muren, waar eeuw aan eeuw geleerd werd dat de Liefde de meester is.

Het streven naar orde, reinheid en een betere toekomst; de drang des
harten om lief te hebben en goed te doen, werd zoo gemeenschappelijk
goed.

Menigeen is in den loop der eeuwen over zoo'n kerkpad voortgegaan
met vluggen, vroolijken tred, in zijn beste pak, met een bloem of
veer op den hoed, als ging hij ten feest; menig ander schreed er
over voort in rouwkleederen, langzaam, zielsbedroefd of ongeneeslijk
ziek.

Als ze hun geschiedenissen konden vertellen, die eeuwenoude paden en
gebouwen, zou het overwaard zijn er naar te luisteren.

Maar die zijn weggewaaid met den wind. Slechts de zon, de maan en de
sterren kunnen ze weten, want die hebben alle geslachten voorgelicht
op de levensreis, zoo te nacht als bij dag. Doch keeren we terug tot
de geschiedenis van Steven de Laat.

Steven ging nog een geruimen tijd op zijn sluipende manier voort.
Het was duidelijk, dat hij zich hier op deze eenzame plek alles
behalve veilig achtte. Hij begreep dat een enkel schot voldoende was
om zijn hond te dooden en dan zou hij niet alleen hier, doch op al
zijn verdere tochten alleen staan. En de jachtopziener van Heiterloo
was in de heele streek bekend als een ruw persoon, die voor geen
klein gerucht vervaard was. Vroeger was hij een gevreesd
wildstrooper geweest en dus met de kunstgrepen van dit vak
uitstekend op de hoogte. Juist om die reden had men hem voor deze
betrekking gekozen.

Terwijl Steven over een en ander liep te peinzen, schrikte hij
eensklaps op. Fannie toch kwam plotseling uit het hout loopen en
sprong tegen hem op, terwijl hij een kwaadaardig gebrom liet hooren.

De strooper wierp nu snel de twee gevangen fazanten onder de dichte
takken van een paar dwergdennen en vervolgde toen schijnbaar bedaard
zijn wandeling, terwijl hij zacht zeide: "Hier blijven, Fannie!"

De hond bleef nu vlak achter hem loopen.

Dicht bij werden nu plotseling de takken als door een sterken
rukwind bewogen. Een stoere kerel sprong onverhoeds uit het donker
bosch te voorschijn. "Ha!" riep hij, "snap ik jou daar dan toch
eindelijk!" En hij vatte Steven vrij onzacht bij den schouder.

Maar op 't zelfde oogenblik vloog Fannie hem als een wolf naar de
keel.

"Help! help! ik word vermoord!" kermde de jachtopziener, -- want
deze was het.

"Fannie, hier!" gebood Steven.


Het trouwe dier gehoorzaamde terstond. Het ging voor zijn meester
staan en bleef den aanrander nijdig grommend met een kwaadaardig
geknipoog aanzien.

"Blijf daar staan, als je leven je lief is en houd vooral jouw
handen thuis," vermaande Steven. "En," -- dus ging hij voort,
"vertel mij eens, waarom je mij hier op dit publiek pad, waar
iedereen op elk uur van den dag of in den nacht vrij mag loopen, zoo
hardhandig hebt bij den schouder gepakt?"

"Heb je nu je hond vast?" vroeg de jachtopziener bevend.

"Welneen, maar dat is ook niet noodig."

"Ben je daar wel zoo heel zeker van?"

"Ja."

"Maar hij bromt toch zoo nijdig."

"Ja, hij houdt jou in de gaten! Maar zeg: waarom heb je mij zoo
brutaal aangerand?"

"Dat is mijn plicht. Je weet drommels goed, dat je hier geen
strikken mag zetten!"

"Doe ik dat dan?"

"Je weet zelf wel, dat je dat doet en 't ook al lang gedaan hebt.
Geef af het wild, dat je vannacht weer gevangen hebt!"

"Houd je bedaard!" zei Steven weer. "En zorg er voor, dat je geen
hand naar mij uitsteekt!"

De jachtopziener zag angstig naar 't ruige beest. Het lette scherp
op al zijn bewegingen en stond blijkbaar gereed om zich bij de
minste aanleiding weer op hem te werpen. 't Scheen hem in de
donkerheid veel grooter en gevaarlijker dan 't in werkelijkheid was.
Hoe gaarne hij ook door overmacht of dreigementen Steven tot een
bekentenis zou hebben gedwongen, iets wat hem bij andere
wildstroopers meer dan eens gelukt was, hij begreep nu maar al te
goed dat dit jonge mensch door middel van zijn hond hem volkomen in
de macht had.

"We zullen voor deze keer de zaak "blauw-blauw" laten, maar neem jou
in 't vervolg in acht!" zei hij schor, wendde zich om en haastte
zich weg.

Ook Steven vervolgde nu zijn tocht, maar stuurde oogenblikkelijk den
hond weer 't hout in.

Hij keek nog eens achter zich om en zag nu, dat de ander 't zelfde
deed en zijn geweer tot schieten gereed hield.

"Ha zoo! wou je den hond doodschieten?" mompelde Steven. "Dat zal je
dezen keer eens niet lukken: in 't hout kun je hem niet onder schot
krijgen!"

Schijnbaar was hij heel kalm. Maar in werkelijkheid had het
voorgevallene hem geducht doen ontstellen.

Toen dan ook de jachtopziener voor goed uit het gezicht was, riep
hij Fannie weer tot zich en liet hem verder weer achter zich aan
loopen.




XVIII.

Een Paardenspel.


De komst van een paardenspel op zulk een klein plaatsje was in dien
tijd nog een veel grooter bijzonderheid, dan dit in onze dagen 't
geval zou zijn.

Een landbouwer stelt over 't algemeen 't grootste belang in paarden.

En in 't circus, dat er verwacht werd, zouden die dieren optreden en
hoogst zeldzame toeren verrichten.

Op verschillende plaatsen waren verbazend groote programma's
aangeplakt, helgeel, met kolossale zware letters bedrukt.

Dat programma was een heel merkwaardig stuk. Het vermeldde, dat er
kunstrijders en rijdsters van den eersten rang nooit geziene,
allerwonderbaarlijkste blijken zouden geven van hun vaardigheid in
de hoogere rijkunst; proeven, die hun de gunst verzekerd hadden van
de machtigste potentaten en van alle mogelijke volken der aarde en
hun den titel hadden doen verwerven van "Professeur in de
aller-opperste rijkunst" of iets dergelijks.

En de dieren zouden in 't minst niet voor die wondermenschen
onderdoen, maar allermerkwaardigste proeven van verstand en
kunstvaardigheid geven.

't Was haast ongeloofelijk!

De tent, waarin deze verwonderlijke voorstellingen zouden gegeven
worden, werd opgeslagen op een stuk tuingrond, achter de schuur van
de dorpsherberg.

Twee avonden achtereen zou de voorstelling plaats hebben.

Dat bouwen van 't circus was op zich zelf al een feest voor de
dorpsjeugd. Zelfs de kruidenier Verbeek en nog eenige andere
burgers, die overvloed van leegen tijd hadden en voor wie een weinig
afwisseling hoogst welkom was, stonden belangstellend toe te zien.

De jongeluitjes hielpen wakker mee. Op die wijze verrees als door
een tooverslag de reusachtige tent, met grijs doek overspannen, ter
plaatse waar 't vorig jaar de mangelwortels van den herbergier
hadden staan groeien en dat over weinig dagen zou worden omgespit,
om er dusgenaamde snij- of staakboonen op te verbouwen.

Welk een wisseling van tooneel!

En dat in zoo'n korten tijd!

Het Ninivé der Ouden, die groote, prachtige wereldstad, de zetel der
machtige koningen van Assyrië, was voorbestemd om in den loop der
eeuwen te veranderen in "een woning der draken".

En de zonen en dochteren van 't "aloude Volk" trekken reeds sinds
verscheiden eeuwen ter bedevaart naar 't Oosten, om te treuren op de
bouwvallen van 't onvergetelijk Jeruzalem.

De jeugd leest er van, maar begrijpt de diepe beteekenis er van
niet. Eenige minuten zijn al voldoende, om hun dit alles te doen
vergeten voor tol, hoepel en springtouw.

Maar hier was 't een gansch andere zaak. Hier verrees voor aller oog
op een stuk gewonen tuingrond een tempel, aan de kunst gewijd.

Aan den opbouw er van werkten ze naar hun vermogen mee. Als ze dien
over eenige dagen weer even snel zien sloopen en de spade van den
daglooner Teunissen zelfs de laatste sporen van zijn bestaan zal
doen verdwijnen, wordt het ons jong, levenslustig volkje voor een
wijl bang om 't hart en ze leeren plotseling den diepen zin verstaan
van de versregels:

  "Ieder woelt hier om verand'ring
    En betreurt ze dag aan dag;
  Hunkert naar hetgeen hij zien zal;
    Wenscht terug 't geen hij eens zag."

Maar zoover is het nu nog niet gekomen.

De daglooner moet zijn tijd afwachten.

De tent staat daar nu opgericht; ze is wijd en zijd te zien en neemt
door haar reusachtigen omvang den halven groentetuin in beslag.

Zoo iets is hier nog nooit vertoond.

Zie! Nauwelijks is de avond gevallen, of het stille dorp weergalmt
van een schetterende muziek en bij den donkerrooden gloed van
flambouwen doen nu de feestelijk opgesmukte of liever bont
opgetakelde kunstrijders en rijdsters, gezeten op feestelijk
versierde paarden, een optocht over het dorpsplein en een
kunstenmaker, -- op 't programma heet hij clown, -- met afzichtelijk
beschilderd gelaat, houdt met schorre stem een toespraak, waarin
Hollandsch en Duitsch allerkomiekst zijn dooreen gemengd. Maar
niettemin heeft onze redenaar een aandachtig gehoor, want de
wonderen, waarvan hij gewaagt, zullen zoo straks werkelijk aan "'t
geachte publiek" vertoond worden, iets wat bij verreweg de meeste
wonderverhalen niet het geval is.

Zoo begaf zich de stoet, voorafgegaan door een open rijtuig, waarin
de muzikanten zaten, in feestelijken optocht door 't dorp.

En de muzikanten bliezen, als wilden ze hun wangen te bersten blazen
en de tamboer sloeg op een verbazend groote turksche trom, dat het
zoo'n aard had en de jongeluitjes zongen, dat hun gezicht er rood en
hun keel er schor van werd.

En de optocht werd hoe langer hoe grooter en luidruchtiger, naarmate
hij verder kwam, want van alle kanten, over alle wegen en paden
kwamen in bonte groepen de bewoners der streek en zelfs die van
naburige plaatsen vlug naderen. Ze waren in hun beste pak uitgedost
en hun vroolijk gepraat en gelach was op een afstand te hooren.

Toen de stoet weer bij 't circus aankwam, was hij door een dichte
menigte omstuwd.

Hier werd halt gehouden.

Hij, die "de baas van 't spul" was, nam nu in hoogst
eigen-persoonlijkheid het woord.

Zijn houding was echt-koninklijk.

Zijn gebaren waren breed en indrukwekkend.

Jammer was 't daarom, dat ook hij erg schor was en er een taal op
zijn eigen hand op nahield.

Niettemin was de toejuiching, die op zijn toespraak volgde,
uitbundig.

Geen wonder ook: hij verzekerde "'t geachte publiek", dat de
voorstelling precies om zeven uur beginnen zou en dat ze alle
voorstellingen van dien aard, die ooit gegeven waren, in alle
opzichten zeer ver zou overtreffen.

Toen werden de paarden weer in den stal der schuur van 't
dorpslogement gebracht en de lieden, die van buiten gekomen waren,
verdrongen zich in de gelagkamer en vulden zelfs de naburige
vertrekken, om zich door 't gebruik van "een hartsterking" voor te
bereiden op de dingen, die komen zouden.


Het was kwartier voor zeven, toen één der dames van "'t spul", zeer
licht gekleed, met een kleurigen mantel los om 't slanke lichaam
geslagen, met vlugge hand het tentdoek bij den ingang opende en
gelegenheid gaf om een kaart te koopen en binnen te gaan.

De wachtende schare stond in 't donker en zij stond in 't volle
licht, dat door één der lampen werd uitgestraald. Zóó leek ze den
eenvoudigen landbewoners een hoogst bekoorlijk wezen. Wie nog
weifelden tusschen 't Circus, de Spaarbank of iets anders, werden
door haar verschijning oogenblikkelijk tot het koopen van een
kaartje gedrongen.

En zoo raakte in weinig tijd de ruimte daar binnen met toeschouwers
opgevuld. Die helder verlichte ruimte vol feestelijk opgetooide
menschengroepen leverde voor allen een zeer ongewoon en bij uitstek
feestelijk schouwspel op.

Buiten was 't nu donker en vrij koud; hier daarentegen was het
licht, warm en uiterst gezellig.

Jongens en meisjes, mannen en vrouwen, voelden zich hier in
elkanders gezelschap zoo tevreden en gelukkig: ze waanden zich in
een tooverwereld verplaatst.

De bodem van 't circus was met zaagsel en wit zand dik bestrooid.

Pas had de klok zeven geslagen, of daar had men 't lieve leven
gaande! De trom begon te roffelen; de muzikanten deden weer hun
horens schallen en een paar kunstenmakers kwamen, op de gewone
manier uitgedost, met komieke deftigheid elk van een
tegenovergestelden kant het circus met een echten pauwentred binnen
stappen. Ze schenen elkaar niet op te merken, buitelden eenige malen
over 't hoofd, keken toen, aldoor achteruit loopend, naar de
toeschouwers en toonden zich over de aanwezigheid van zulk een
menigte menschen uiterst verrast en verbaasd. Op die wijze kwamen
ze, steeds achteruit loopend, zoo hevig met elkander in botsing, dat
ze met een plof neervielen, op hun rug heen en weer rolden en
allererbarmelijkst schreeuwden en huilden, alsof ze zich heel erg
bezeerd hadden. De toeschouwers, groot en klein, moesten 't
uitschateren, omdat twee zulke groote kerels zich zoo kinderachtig
aanstelden. 't Geval werd nog grappiger toen de twee hansworsten, na
met huilend gebrul te zijn overeind gekrabbeld, plotseling als dol
op elkander toevlogen en elkaar op een half dozijn luid klinkende
oorvegen trakteerden, waarna ze 't hoofd met beide handen omvatten
en weer in een allerjammerlijkst gehuil uitbarstten.

't Uitbundig geschater, dat hiervan 't gevolg was, verstomde echter
oogenblikkelijk, want één der kunstrijders, slank en lenig, kwam op
een schimmel 't circus binnendraven. Eerst reed hij stapvoets den
kring rond en beantwoordde de toejuichingen, waarmee hij verwelkomd
werd, door heel deftig naar alle kanten buigend, het "geëerde
publiek" te groeten. Toen reed hij in galop en vervolgens in een
wilden ren rond, en ondertusschen stond hij heel bedaard op den rug
van zijn schimmel gymnastische toeren te maken, over zijn hoofd te
buitelen, door hoepels te springen en dergelijke meer. Boer
Reinders, een liefhebber van paarden, verzekerde zijn vrouw dan ook,
dat hij zoo iets nooit te voren gezien had en boer Scholte, die ook
voor deze gelegenheid was overgekomen, was een en al verbazing. Hij
knikte herhaaldelijk goedkeurend met het hoofd en mompelde telkens
weer: "Je zou zeggen: hoe is zoo iets nu mogelijk!"

Ook Steven bevond zich onder de toeschouwers.

Hij was een en al bewondering.

Dat was eerst een bekoorlijk leven!

Aldoor reizen en trekken; de bewondering van allen inoogsten en veel
geld verdienen op den koop toe!

Hoe benijdde hij die "clowns"!

Immers: kon hij niet, even goed als zij, verscheidene malen
achtereen over zijn hoofd buitelen?

Konden hij en Fannie geen kunsten vertoonen, die veel aardiger waren
dan alles, wat die twee beschilderde grappenmakers ten beste gaven?

Zelfs in de stad was hij immers bewonderd en toegejuicht! Maar
Fannie begon geducht oud en stijf te worden: dat was erg jammer!

"Toch lijdt het geen twijfel," dacht Steven verder, "of ik zou even
goed, zoo niet beter, voor clown geschikt zijn dan de twee, die daar
telkens zoo uitbundig worden toegejuicht."

De kunstrijder poosde even en één der clowns nam nu de gelegenheid
waar om met dit heerschap een gesprek te beginnen. Met zijn schorre,
huilerige stem riep hij:

"Mijnheer de directeur, mag ik ook eens rijden?"

Maar deze antwoordde uit de hoogte:

"Och, clown, wat is dat nu voor gekheid? Je kunt immers heelemaal
niet rijden!"

De potsenmaker liet zich echter zóó maar niet afschepen; hij
verzocht dringend:

"Och toe, meneer de directeur, laat me 't maar eens probeeren!"

"Je zult armen en beenen breken, clown!" waarschuwde de kunstrijder.

"Dat is voor mijn verantwoording, mijnheer de directeur!"

"In dat geval kun je mijnentwege jou gang gaan!"

De ruiter wipte van 't paard en reikte den clown de leidsels over.

"Och toe, help me even een handje!" verzocht deze. "'t Is zoo'n toer
om er alleen op te komen!"

"Kom aan! Opgepast dan! Huup-la!" zei de ruiter. Hij gaf daarop zijn
makker een duw, zoodat deze over 't paard heenvloog en met een smak
aan den anderen kant neerplofte.

Het paard bleef onder die bedrijven tot aller verwondering staan als
een paal.

De toeschouwers hieven een schaterlach aan; maar het luidst lachte
Steven. Het bleek nu immers duidelijk, dat zoo'n potsenmaker niets
anders kon doen, dan 't publiek door zijn zotte kluchten vermaken.

De clown gaf het echter niet op. En zie! een volgende poging om 't
makke ros te bestijgen, gelukte boven verwachting.

Ja, daar zat hij er op! Maar hoe? Met zijn rug naar den kop van 't
paard gekeerd! Dat scheen hij echter volstrekt niet te merken;
althans: hij trok het geduldige beest aan den staart en riep: "Maar
directeur, dat paard heeft in 't geheel geen kop! Hoe gek toch!"

Algemeen geschater en gejuich van "'t geachte publiek", waaronder
vooral van Steven.

Niets was voorzeker gemakkelijker, dan voor clown te spelen.

Doch zie! daar doet eensklaps onze potsenmaker een stouten sprong en
zit in eens behoorlijk op 't paard, dat nu met hem voortdraaft. Hij
buitelt op den rug van 't dier over zijn hoofd, alsof dit
dagelijksch werk voor hem ware en verricht minstens even sterke
toeren, als "meneer de directeur" zelf.

Nu begon Steven tot zijn groote teleurstelling te begrijpen, dat een
clown op zijn beurt ook kunstrijder is en dat hij, Steven, daartoe
niet alleen de vereischte bekwaamheden mist, maar bovendien te
ongeoefend en te oud is, om 't ooit zoover te kunnen brengen.

En och! hij had zoo gehoopt, zich bij deze menschen te kunnen
aansluiten en bij hen niet alleen een werkkring maar zelfs een
prachtige toekomst te zullen vinden.

Nu begonnen ook bij afwisseling "de dames van 't spul" blijken van
hun kunstvaardigheid te geven.

Vlug, lenig en slank, veel meer dan de gewone boerenvrouwen en
meisjes, in een zwevend gewaad, dat armen en beenen volkomen vrij
liet en schitterde, als 't ware met flonkerende diamanten bezaaid,
zweefden ze op het paard voorbij als lichte, bovennatuurlijke wezens
uit het een of ander tooversprookje. Ze sprongen door hoog
opgehouden hoepels, zoo licht en bevallig alsof haar lichaam geen
het minste gewicht had. Dus beschreven ze als 't ware schitterende
tooverkringen, terwijl de muziek lustige danswijzen speelde en de
toeschouwers telkens weer losbarsten in daverende toejuichingen en
handgeklap.

Op die manier vloog de avond om. Een tweede avond volgde en toen
-- was 't uit.




XIX.

Een crisis.


Toen Steven eenige dagen later tegen den avond nog eens de plaats
bezocht; waar de tent gestaan had, was de daglooner Teunissen al
bezig met er den grond om te spitten en in gereedheid te brengen
voor 't poten van de staak- of snijboonen.

Mismoedig keerde hij terug naar de straat, waar de dorpsjeugd zich
vermaakte met eenige bonte lappen en kleurige linten, welke door de
kunstenaars waren achtergelaten.

Steven doolde dien avond nog laat door 't dorp en den omtrek rond.
Hij had rust noch duur. Het leven, dat hem vroeger zoo bekoorlijk
had geschenen, had nu alle aantrekkelijkheid voor hem verloren.

Toen hij voorbij de woning van den nachtwacht ging, herinnerde hij
zich zijn laatste gesprek met zijn vriendin Tonia. Evenals
gewoonlijk was ze ook nu vriendelijk jegens hem geweest, maar hij
had een droeven trek op haar lief gelaat bespeurd en ze had hem zeer
ernstig onder 't oog gebracht, dat hij den kostbaren tijd met
straatslijpen verkwistte, terwijl zijn goede vader zijn hulp zoozeer
behoefde.

Uit haar geheele gedrag jegens hem was hem duidelijk gebleken, dat
ze in de toekomst al heel weinig van hem hoopte. Dit had hem te meer
gegriefd, daar hij wist dat de zoon van den smid, een algemeen
geacht, werkzaam jongmensch, haar tot vrouw wenschte.

Beter dan ooit te voren begreep hij nu, dat zijn leven op mislukking
zou uitloopen.

Al voortgaande over de stille, donkere straat, raakte hij ten
laatste erg vermoeid. Hij huiverde en rilde en voelde zich doodziek.
Zijn hoofd gloeide en klopte.

Zoo bereikte hij weer het ouderlijk huis. Hij drukte 't hoofd tegen
de koude steenen om 't zoo te verkoelen. Toen werd hij zóó duizelig,
dat hij met de hand tastte naar eenig voorwerp om zich aan vast te
houden. Doch hij vond geen houvast en viel schavend langs den muur.
Daar lag hij, als dood.

Zijn verhit brein was intusschen werkzamer dan ooit.

In zijn koortsachtige droomen werd het _verleden_ weer _heden_. Hij
bevond zich weer in de vriendelijke, gezellige, ouderlijke woning.
Zijn moeder was er weer, vroolijk, vol hoop en goeden moed. Het
speenvarkentje en Bles, ja alles was er weer, zooals het geweest was
in vroeger, gelukkiger tijden. Zelfs de oude moeder Teunissen, die
hem achter haar rokken verborgen had, als hij niet naar school
wilde, was in 't vertrek aanwezig. Ofschoon ze al jaren geleden
gestorven en 't kleinkind, dat ze zoo vaak in slaap gewiegd en
gezongen had, nu al bezig was om een handwerk te leeren, -- ze was
er weer en wiegde ouder gewoonte datzelfde kleinkind, terwijl ze
zong, gelijk ze vroeger deed:

  "Suja, suja kindjen!
  Hoe ben je dan zoo stout?
  Heb je pijn in 't buikjen,
  Of zijn je voetjes koud?
  Prikt je hier of daar een speld?
  Is er een bandje, dat je knelt?
  We zullen een vuurtje stoken;
  We zullen een papje koken.
  't Wiegjen dat gaat: tik-tak!
  Voor den kleinen dikzak."

Steven gevoelde zich, ondanks zijn doodelijke matheid, gelukkig.

In zijn droomen toch genoot hij weer al de zelfopofferende liefde
van zijn vervlogen jeugd. Nachtegalen zongen hem weer in slaap, als
in zijn prille jeugd; de lucht was verkwikkend warm en bezwangerd
met den heerlijken geur van het klaverveld en de rozen, van de
vlier, den meidoorn en de kamperfoelie. Velden, weiden, boomen en
bosschen waren mooi groen; ze waren met dauwdroppels overdekt, die
schitterden in 't avondlicht als fonkelende juweelen. De boschduiven
koerden en de koekoek riep.

Hij vond zich opgenomen in den kring der schoone gelukkige kinderen
van 't kasteel Heiterloo; ze beminden hem als een broeder, speelden
met hem in den mooien tuin en genoten naar hartelust van de
heerlijke vruchten en zijn ouders stonden glimlachend, innig blij
toe te zien; ze verheugden zich in 't geluk van hun kind.

Wat later bevond hij zich in 't circus, onder de kunstrijders. Hij
deed ongeloofelijke toeren en werd door 't verbaasde publiek
uitbundig toegejuicht.

Maar een volgende maal spookten wilde droomen door zijn ontsteld
brein. In verbeelding bevond hij zich weer op 't schuttersveld en
schoot bij ongeluk den vader der arme Tonia dood. Hij hoorde haar
klagen en jammeren; hij zag hoe ze radeloos de handen wrong en hij
wenschte, dat de grond zich onder hem opende en zich weer boven hem
toesloot. Zijn vrienden stonden op eenigen afstand verrast en
verschrikt toe te zien; ze meden en schuwden hem en de veldwachter
trad op hem toe, deed hem de boeien aan en leidde hem weg om hem in
verzekerde bewaring te brengen.

Ook de avontuurlijke tochten met Dronken Hannes doorleefde hij in
verbeelding weer.

Eens verscheen hem in zijn koortsige droomen zijn goede vader,
gebogen onder een zwaar pak, waarmee hij de klanten wilde bezoeken.

Hoe vermoeid en lusteloos zag die vroeger zoo krasse, moedige man er
nu uit!

Hoe langzaam vorderde hij en wat leunde hij zwaar op zijn stok!

Steven kon het niet aanzien, dat hij zich zoo moest inspannen en
poogde op te staan, bij hem te komen en 't pak van hem over te
nemen, doch dit was hem geheel onmogelijk. Het was hem juist zoo, of
hij door sterke armen werd vastgehouden.

Hij was plotseling zwaar ziek geworden en toen hij aan den hoek der
ouderlijke woning was neergestort, hadden zijn vader en Tonia, die
er 't huiswerk verrichtte, dit gehoord; ze waren ijlings
toegeschoten en hadden hem te bed gebracht.

Dag en nacht moest er bij hem gewaakt worden. Zijn toestand was
uiterst bedenkelijk en 't stond te vreezen, dat hij er nooit weer
van zou opkomen.




XX.

Besluit.


Al stonden alle klokken in de wereld stil, toch bleef de tijd
ongestoord zijn gang gaan; zoowel op 't kleinste dorpje als in de
grootste wereldstad; zoowel in de poolstreken als onder den evenaar.

Alles ontwikkelt zich langzaam en geleidelijk tot zijn volle kracht
en schoonheid. Dan gaat het weer kwijnen en sterven en plaats maken
voor iets anders.

Alles werkt.

De poolrivier, tot op de bodem toe bevroren, moge ook al
onbewegelijk schijnen, inderdaad wordt ze door de persing der hooger
gelegen ijsmassa's en eigen zwaarte langs de hellende bedding
voortgestuwd en in zee gedrongen, waar ze in den vorm van ijsbergen
haar reis in de wereld vervolgt.

Over 't _verleden_ heeft niemand macht. Alleen het _heden_ levert
ons een sport in de ladder, waarlangs we, al klimmend, vaak met veel
moeite, onze bestemming bereiken.


Hoe geheimzinnig eenzaam verheft zich daar in de stille streek, met
het groote, wildrijke bosch tot achtergrond het kasteel Heiterloo.

De paden die om 't kasteel en door 't bosch slingeren, zijn weer
netjes geharkt, evenals in vervlogen tijden, toen daarover de
schoone, levenslustige kinderen der adelijke bewoners in witte of
wel kleurige sierlijke kleedjes, "als door feeënhand geknipt",
zweefden en streefden.

Als die schoone, vroolijke jeugd hier nu verscheen, welk een
eigenaardig contrast zou ze vormen met de twee jongelieden in hun
eenvoudige kleederdracht, die hier zoo vertrouwelijk hand in hand
voortgaan.

Toch is ook hun Zondagspak heel netjes; 't getuigt van een goeden
smaak en zit hun als aan 't lijf gegoten.

't Zijn onze bekenden, Steven de Laat en Tonia van den nachtwacht.

Steven is van zijn gevaarlijke ziekte gelukkig hersteld. Hij heeft
nu al gedurende twee jaren zijn vader in de nog steeds bloeiende
zaak bijgestaan en in den laatsten tijd het reizen daarvoor geheel
op zich genomen. Dat reizen gaat ook veel vlugger en gemakkelijker,
dan in zijn vaders jongen tijd; de meeste plaatsen kan hij per trein
of tram bereiken. Bovendien zijn tengevolge der nieuwe
verkeersmiddelen, in verband met de uitbreiding der politiemacht, de
wegen overal in ieder uur van den nacht te passeeren, zonder door
roovers te worden bemoeilijkt.

Sinds eenige weken zijn Steven en Tonia getrouwd. Nu doen ze samen
een uitstapje naar 't kasteel Heiterloo, dat voor Steven steeds zulk
een groote aantrekkingskracht heeft bezeten. De adelijke familie
vertoeft nog in 't buitenland en de tuinman, aan wien hij jaarlijks
zaden levert, gaf hem gaarne toestemming, om met zijn jonge vrouw
het schoone park te bezichtigen. Dat park, zoo keurig onderhouden,
is dan ook een bezoek overwaard. Een aantal groote goudkarpers
zwemmen troepsgewijs in de heldere vijvers. Waterleliën van
verschillende kleuren vertoonen zich boven de oppervlakte, waarin
perken met mooie zeldzame bloemen en sierheesters zich spiegelen.

Tonia, die nooit iets dergelijks zag, is één en al bewondering. Aan
't einde van één der vijvers, tusschen zeldzame struiken, welks
kleurig loover blinkt in den zonneschijn, zijn twee groote ruiten
aangebracht, de eene van rood en de andere van blauw glas.

De jonge vrouw staart door de eerste ruit en ziet nu alles in rooden
schijn: het water, de bloemen, de struiken en boomen, de blauwe
lucht en de vluchtige wolkjes, die er hier en daar langs zweven. Van
verbazing slaat ze de handen samen. "Och, hoe verwonderlijk mooi is
hier alles!" zegt ze.

"Kijk nu eens door 't blauwe glas!" zegt haar man, blijde dat zijn
lieve vrouw zoo buitengewoon veel genot smaakt bij dit uitstapje.

Zij doet het en nu is alles mooi blauw.

Daar dicht bij op een hoogte staat een koepel, tot boven toe als
omlijst met bloeiende rozen. De lucht is vervuld van de geuren der
bloemen. In 't hoog geboomte daar achter zingen de vogels als om
strijd.

In dien koepel zetten ze zich op de bank neder en genieten van 't
bekoorlijk uitzicht. Dan gaan ze weer bewonderend voort over de
breede, kronkelende wandelpaden, door hooge sierheesters aan 't
gezicht onttrokken en na een bruggetje, over de gracht die de
vijvers verbindt, te zijn gepasseerd, opent zich rechts een lange
wandeling, met aan weerskanten een dichte haag van bloeiende rozen,
die boven hun hoofden een sierlijk gewelf van geurige bloemen
vormen.

"Och, hoe heerlijk!" zegt de jonge vrouw.

"Het mooiste komt nog!" zegt haar man. "Kom, gaan we den
rozendoolhof eens zien!"

Ze treden er binnen en gaan bewonderend voort over de kronkelende
paden, die een kunstig geheel, een doolhof vormen, waarin 't niet
gemakkelijk is den weg te vinden. Maar hoe genoegelijk is 't hier,
om te dolen! De paden zijn er aan weerszijden ingesloten door een
dicht net van hooge rozenstruiken, die van onder tot boven vol
bloemen zitten. 't Is er een bloemenwereld, die men meenen zou
alleen in 't warm en zonnig Oosten te zullen vinden.

Na eenig zoeken bereiken ze 't midden, waar, tusschen zeldzame
gewassen, rotswerken en leuke beeldengroepen te zien zijn. Aardige
dwergen staan er gereed om ter jacht te gaan; ze blazen op horens,
zijn met een of ander handwerk bezig of zitten rustig een pijp te
rooken. Een vos speelt er voor barbier en staat er heel deftig met
een ernstig gezicht een haas te scheren. Jonge hazen zitten er om
rond en kijken nieuwsgierig toe. Men vindt er konijnen, kippen met
een haan aan 't hoofd, kikvorschen en zoo al meer, alles in
natuurlijke grootte.

Op een bank zetten zij zich neer, arm in arm, gelukkig in elkanders
bezit.

De bloemen keeren hun kleurige kelken naar de zon; ze drinken als 't
ware het reine licht en de koesterende warmte met volle teugen in.
De lucht is geheel vervuld met haar zoete geuren. 't Is, als ademde
men hier in een droomwereld.


Toen ons jeugdig paartje weer huiswaarts ging door de schoone,
stille streek, zoo gelukkig als menschen maar wezen kunnen, breidde
zich ook daarbuiten de wereld om hen heen uit in heerlijken
zonneschijn. De vogels zongen hun mooiste lied; bonte vlinders
zweefden rond en puurden geurigen nectar uit de bloemen, die als met
kwistige hand voor hun voeten waren gestrooid.

Nog eens zien ze om naar het eeuwenoud gebouw.

De windvaan op den toren wijst naar 't zoele Zuiden en schittert hen
tegen, als ware ze van een edel metaal gesmeed, "waar, goudener dan
goud, het goud geen proef bij houdt."


                   _EINDE_.




[ Transcriber's Notes

  Het papieren boek accentueert sommige woorden met uitgebreidere
  letterafstand ("expanded letter-spacing"). In deze platte-tekst
  versie wordt dit met underscores aangegeven:
  
    _gespatieerde tekst_
    
  Bladzijdenummers zijn in de 'platte-tekst'-versie weggelaten. In
  de HTML-versie zijn ze wel zichtbaar, maar virtueel, wat het
  voordeel heeft dat u kunt zoeken op tekst-fragmenten zonder dat
  de bladzijde-nummers het zoeken hinderen.

  Voor het gemak van de lezer is een lijst van illustraties
  toegevoegd na de inhoudsopgave (alleen in de "HTML"-versie).

  Voor de hand liggende interpunctie fouten zijn gecorrigeerd maar
  worden hier verder niet genoemd.

  Dit boek bevat een aantal zetfouten.
  De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:

  [sprak vrouw Verlaat.] -> [sprak vrouw Verlaar.]
    {Ook al komt de achternaam "Verlaat" 1x voor, uit de context
    is op te maken dat dit "Verlaar" moet zijn.}

  [kleine tuschenpoozen] -> [kleine tusschenpoozen]

  [Hoe de kleine Steven zijn speelmaker verloor.] ->
    [Hoe de kleine Steven zijn speelmakker verloor.]
    {Staat in de inhoudsopgave goed, maar fout verderop in het boek.}

  [maar zelf zijn kleeren] -> [maar zelfs zijn kleeren]

  [toe ze den hun] -> [toen ze den hun]

  [hadden beooordeeld en ze] -> [hadden beoordeeld en ze]

  [bakkers Antoon is] -> [bakker Antoon is]
    {"bakkers" is meervoud van "bakker" terwijl het hier maar één
    persoon betreft. Bovendien is verderop in de tekst sprake van
    "Antoon van den bakker" en ook is er een "bakker Joosten"
    waarin ook geen meervoud is gebruikt.}

  [was op somige plaatsen] -> [was op sommige plaatsen]

  [tevens vor de] -> [tevens voor de]

  [overal de opene plekken] -> [overal de open plekken]

  [die blijk-blijkbaar zijn] -> [die blijkbaar zijn]

  [stappen waren onstaan.] -> [stappen waren ontstaan.]

  [dat de Liefde de meeste is.] -> [dat de Liefde de meester is.]

  [XX. esluit.] -> [XX. Besluit.]
    {Staat in de inhoudsopgave goed, maar fout verderop in het boek.}

  [is 't, hier om te] -> [is 't hier, om te]


  Mogelijke zetfouten waarvan niet kon worden vastgesteld of dit
  inderdaad fouten zijn (en dus niet gecorrigeerd), maar wel
  interessant om op te merken:

  [lekte de twee]
    {Deze schrijfwijze, "lekte", komt 2x voor, terwijl de hedendaagse
    schrijfwijze "likte" ook 1x voor komt. Dit is niet gecorrigeerd.}

  [Stins] / [Stint]
    Beiden zijn achternamen voor dezelfde persoon en beiden komen
    1x voor. Welke juist is, blijft onduidelijk, en daarom is dit
    niet gecorrigeerd.

  [rojaal] en [rojaalsten]
    {Of deze spelling in 1916 gangbaar was, kon niet worden achterhaald.}

]




        
            *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LANGS SLINGERPADEN ***
        

    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg™ License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg™.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg™ License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg™ website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™

Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg™ and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West,
Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg™,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.