De goudzoekers

By Gustave Aimard

The Project Gutenberg eBook of De goudzoekers
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De goudzoekers

Author: Gustave Aimard


        
Release date: April 3, 2026 [eBook #78354]

Language: Dutch

Original publication: 's-Gravenhage: De Erven J.L. Nierstrasz, 1905

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78354

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GOUDZOEKERS ***




                            DE GOUDZOEKERS.


                     Naar de zesde Fransche Uitgave
                                  VAN
                            GUSTAVE AIMARD.


                 MET ACHT OORSPRONKELIJKE HOUTGRAVURES.
                              DERDE DRUK.

                             ’s Gravenhage,
                       DE ERVEN J. L. NIERSTRASZ.








DE GOUDZOEKERS.


I.

DE PRAUW.


De 25 September 16 .. juist op het tijdstip dat de zon tot het zenith
gekomen, hare gloeiende heete stralen loodrecht nederzond op den reeds
half verschroeiden grond, voer een prauw door drie personen bemand, na
veel moeite Kaap Coquibacoa om, zette haar koers langs de westkust van
de baai van Venezuela voort, en bleef ten laatste vast zitten in het
zand van den oever, bij de monding eener rivier zonder naam, na zich
eerst doorgeworsteld te hebben tusschen doode boomen en zware
waterplanten van allerlei soort, die op deze plek bijna totaal de
bedding van dit armzalige stroompje verstopten.

De bemanning van de prauw beraadslaagde eenige minuten in fluisterend
gesprek en hield vrij bezorgd den blik onafgebroken gericht naar de
beide te dezer plaatse niet ver van elkaar verwijderde oevers. Een
hunner wantrouwender of misschien voorzichtiger dan zijne metgezellen,
trok uit zijn wambuis een verrekijker te voorschijn (een werktuig dat
in die dagen nog tot de zeldzaamheden behoorde) en na die gesteld te
hebben, doorsnuffelde hij met zijn oog, om het zoo eens uit te drukken,
al de dicht begroeide plekjes en boschjes in de nabijheid; daarna
schoof hij den kijker met de palm van zijn rechterhand ineen en zei:

—Wij kunnen gerust aan wal stappen. In den ganschen omtrek is geen
menschelijk wezen door mij ontdekt kunnen worden.

Toen sprongen alle drie op den oever, zorgden daarna er voor om de
prauw stevig vast te meeren, schoon de boeg reeds diep in het zand was
gewoeld en gingen toen zitten in de schaduw van eenige kort daarbij
staande boomen, wier zwaar bladerengewelf hun eene hoogst welkome
beschutting aanbood tegen de zonnestralen die van lieverlede verzengend
dreigden te worden.

Zooals wij reeds gezegd hebben bestond de bemanning van de prauw uit
drie personen.

De Spaansche schildwacht, die op post stond op den toren van Guette,
waardoor de ingang van de golf van Venezuela wordt beschermd, had met
onverschilligen blik de vlugge vaart van het lichte vaartuig, dat bijna
binnen het bereik van een geweerschot van zijn wachtpost passeerde,
gadegeslagen; meer dan half drommelend, en misleid door het armzalige
voorkomen van de prauw, had hij die gehouden voor een kano uit
boomschors vervaardigd, waarvan de Indianen zich bedienen als zij in
volle zee gaan visschen, en verder had hij zich daarover niet
bekommerd. Maar als hij beter toe had gekeken, dan zou hij zeker
gehuiverd hebben van angst en alarm gemaakt, want dan zou hem gebleken
zijn, dat de drie gewaande Indianen, niet slechts waren Broeders der
Kust, maar zelfs twee hunner voornaamste aanvoerders, Montbars de
Verdelger en Luiwammes [1], want werkelijk waren zij het die met zoo
groote stoutmoedigheid de golf van Venezuela binnendrongen. Wat hun
metgezel betreft, dit was iemand van vier- of vijfendertig jaar, die
men zoo door zijn voorkomen als door zijne lengte, die meer bedroeg dan
zes voet, een echte Hercules had kunnen noemen; even als dit dikwerf
voorkomt had ook deze reus, een open gelaat, een frissche kleur, rood
als van een jong meisje, dikke, hoogroode lippen en prachtig aschblond
haar, wel slecht verzorgd, doch dat toch met lokken zacht als zijde tot
op zijne schouders neerviel; om kort te gaan, zijn gunstig uiterlijk
werd gekenmerkt door eene zóó groote mate van goedhartigheid, schoon
volstrekt niet verwant met onnoozelheid, dat dit dadelijk iedereen
reeds bij de eerste ontmoeting voor hem moest innemen.

Zijn gewaad bestond uit den bol van een hoed met oogklep, twee hemden,
over elkaar aangetrokken, een broek, een wambuis, alles van dezelfde
stof, namelijk grof linnen; zijne krachtig gespierde beenen, zoo harig
als die van een beer, waren naakt; sandalen van varkensleer,
beschermden zoo goed als kwaad dit ging, zijne voeten tegen de beten
der slangen en de scherpte der steenen op den weg. Hij droeg een gordel
van stierenleer, waaraan aan den eenen kant hingen een kruithoorn en
kogeltasch en aan den anderen kant een koker van krokodillenvel, waarin
vier lange, breede messen en een dolk staken; een tent van zeer fijn
linnen, zoodanig in elkaar gerold, dat die niet veel plaats besloeg,
was bij wijze van bandelier over zijn schouder geslagen, en het was of
die diende om zijne uitrusting compleet te maken, doch toch was hij nog
bovendien gewapend met een geweer uit de fabriek van Brachie te Dieppe.
Die man was de pandeling van Montbars, en heette Tributor. In de
hoogste mate gehecht aan zijn meester, wien hij reeds sinds een paar
jaar toebehoorde, werd hij door Montbars bij voorkeur gekozen als er
sprake was van een dier gevaarlijke verkenningstochten die gewoonlijk
de expeditie van den Verdelger voorafgingen.

Wij hebben nog verzuimd gewag te maken van een prachtige patrijshond
met gele vlekken, lange hangende ooren, en oogen die tintelden van
slimheid; dat dier was ook uit de prauw gesprongen en had zich op een
wenk van Tributor, aan diens voeten neergelegd. Dit laatste personage
was begiftigd met den naam van Monaco.

En wat was nu de oorzaak dat die drie mannen en die hond zóóver
verwijderd waren van de streek waar zij gewoonlijk vertoefden, en zich
nu bevonden in de golf van Venezuela dat wil zeggen geheel en al op
Spaansch territoir en dus te midden hunner onverzoenlijke vijanden? Dit
zal ons duidelijk worden door het volgende gesprek.

Toen zij daar een poosje gezeten hadden, begon Luiwammes zich druk
onledig te houden, al zijne zakken te doorsnuffelen, die hij den een na
den ander omkeerde, hoogst waarschijnlijk om naar iets te zoeken, wat
hij maar niet kon vinden; eindelijk na tal van vergeefsche pogingen,
gaf hij het op, sloeg met de vuist op de dij en riep spijtig:

—Mooi zoo! Nu ziet het er voor mij prettig uit! Waarachtig! Dat
mankeerde er nog maar aan.

Montbars draaide het hoofd naar hem toe en vroeg:—Wat scheelt er aan?

—Ik heb mijn pijp en mijn tabak verloren,—gaf de flibustier ten
antwoord.—Wat zegt ge van zoo iets? Nu weet ik niet wat ik moet
aanvangen.

—Wel natuurlijk!—hernam Montbars.—Niet rooken tot ge weer in de
gelegenheid zijt.

—Niet rooken!—herhaalde de ander met diepe verslagenheid.

—Ik weet ten minste niets anders te bedenken; ge weet dat ik nooit
rook.

—Dat is zoo!—stemde hij toe, zeer teleurgesteld.—Wel verduiveld! Het is
of in de laatste dagen alles ons moet tegenloopen.

—Vindt ge dat?—vroeg Montbars, en glimlachte daarbij op eene
zonderlinge manier.—Dan ben ik het niet met je eens, kameraad.

—Zoo!—bromde de ander met gebogen hoofd.—Verschil van opinie! Nu, houd
het er dan maar voor, dat ik niets heb gezegd.

—Kapitein Luiwammes,—begon de pandeling op zeer onderdanigen toon.—Ik
heb nog tabak, ’t is wel niet veel, maar toch genoeg om zoo gij dit
verlangt je een pruim aan te bieden.

—Wat, of ik dit verlang?—herhaalde Luiwammes zeer verheugd.—Geef maar
gauw, beste Tributor! Drommels, ge zijt nog eerst een ferme kerel, en
op dit oogenblik doet ge niet veel minder al gelooft ge dat zoo niet,
dan mijn leven redden.

—Ba!—hernam de pandeling goedhartig.—Dit meent ge niet!

—Niet meenen? Ik ben er zeker van! Geef maar gauw wat!

—Ik ga het halen uit de prauw, waar ik de tabak onder een bank had
gestopt om die frisch te doen blijven.

—Hij is toch een onbetaalbare kerel!—verklaarde Luiwammes lachend.—Hij
denkt altijd aan alles!

Tributor stond op en liep naar de prauw, maar halverwege bleef hij
staan, bukte, en uitte een kreet van verrassing.

—Hei! Waarom schreeuwt ge zoo?—vroeg Luiwammes.—Hebt ge misschien
zonder het te merken op een slang getrapt?

—Dat niet,—luidde het antwoord,—maar ik heb je pijp en je tabak
teruggevonden. Kijk maar eens!

Te gelijk toonde hij een soort van zak gemaakt uit de blaas van een
wild zwijn, en een rood steenen pijp met korten steel van
kersenboomenhout, welke beide zaken hij uit het gras had opgeraapt.

—Het is waarachtig waar!—riep Luiwammes recht in zijn schik.—Het is
zeker onderweg uit mijn zak gevallen. Heerlijk! Nu is, Goddank! de ramp
zóó groot niet, als ik duchtte.

Zonder verder verwijl, begon hij de pijp te stoppen, die Tributor hem
had aangereikt, stak die aan, en dampte toen met die uitdrukking van
innig welgevallen, zoo dikwerf merkbaar op het gelaat van een
hartstochtelijk rooker. Tributor had zich weer op het gras uitgestrekt.

—Dus, Luiwammes, oude jongen—zei Montbars spottend—schijnt ge nu tot
andere gedachten gekomen, en voelt ge u niet meer zoo diep ongelukkig
als straks?

—Dat is zoo kameraad, maar toch ge moet er niet boos om worden als ik
dat zeg, hebben wij overigens geen reden te beweren dat wij tot nu toe
gelukkig gekoerst hebben.

—Dan ben je te hoog in je eischen. Komt er een kink in de kabel, dan
raak je dadelijk overstuur, en gelooft niet anders dan dat de heele
boel verloren is.

—Neen, ik geloof niet zoo gauw dat de heele boel verloren is, Montbars,
en vooral niet als gij er bij zijt maar toch...

—Maar toch—viel de ander haastig in—, meent ge dat er veel te veel
gewaagd wordt, is het niet zoo?

—Waarom zou ik dit ontkennen? Het is immers de waarheid.

—Hoor eens, wij hebben op dit oogenblik overvloed van tijd, want de
felste hitte moet geweken zijn, eer wij onzen tocht voortzetten, zeg
dus hoe ge er over denkt. Ik luister naar je.

—Blijft ge dan nog altijd van plan om er naar toe te gaan?—werd met
groote verbazing door den ander gevraagd.

—Ge weet toch dunkt mij van ouds,—antwoordde Montbars eenigszins
heftig,—dat ik nooit op een eens genomen besluit terugkom.

—Dat is volkomen waar! Het schijnt dat ik alles ga vergeten en een
halve zot word.

—Daarover wil ik niet met je harrewarren, je moet zelf maar uitmaken
wat daarvan aan is, maar dat is nu de zaak niet.

—En wat dan wel?

—Wij moeten nu spreken over de weinige kans, die naar jou meening, voor
ons bestaat.

—Nu, dat kan gauw afgehandeld zijn, want waarachtig is het niet noodig
zóó verbazend knap te wezen, om dit dadelijk in te zien.

—Leg mij dit dan uit.

—Als ge dit wilt, goed! Maar ge eischt het bepaald van mij, niet waar?

—Zeker, zeker! Ik verlang er zelfs naar om precies te weten hoe ge
daarover denkt. Spreek vrijuit, en zonder omwegen.

—Och! Wat ik te zeggen heb, is gauw genoeg verteld. Wij zijn uit
Port-Margot vertrokken, op een goed schip, bemand met veertig flinke
kerels, klaar en gereed voor ieder karweitje, dat gij ons aan de hand
mocht doen, goed! Wij kruisen een paar weken in de richting die de
galjoenen gewoonlijk nemen, en zien niets, zelfs geen enkele meeuw,
over het gansche natte vlak opdagen, best! Wij krijgen onze bekomst van
zoo’n vervelende vaart, wendden het over den anderen boeg, om dichter
bij de kust te komen, in de hoop dáár een goeden slag te slaan, en
krijgen het toen te kwaad met een bui, die ons dwarschscheeps aanpakt
uit het noord-noordwesten, met zoo’n geweld dat wij genoodzaakt zijn de
zeilen in te halen en ons op goed geluk te laten drijven, hoe langer
hoe mooier! En of dit alles nog niet goed genoeg was, stoot ons goed,
lief schip plotseling op een vervloekt stuk rots tusschen wind en
water, dat wij niet gewaar hadden kunnen worden, waardoor het
opensplijt, als een gehalveerde meloen en binnen een uur gaat het naar
den grond met al onze kameraden. Het mag nog een geluk genoemd worden,
dat...

—O, zoo!—viel Montbars in.—Ge spreekt daar toch nog over een geluk! Ik
zal dat woord onthouden.

—Mij wel, onthoud zooveel als je maar wilt, maar dit verandert niets
aan de ramp. Onze kameraden zijn verdronken en ons goede schip is te
gronde gegaan!

—Wat konden wij er tegen doen? Is het onze schuld geweest?

—Dat wil ik volstrekt niet beweren. Neen, in het geheel niet!

—En wat is er nog meer gebeurd? Dit, dat wij toen heel toevallig een
prauw op sleeptouw hadden, een paar dagen te voren door ons in volle
zee opgepakt; hoe en waarom weet ik niet, misschien onder den drang van
een voorgevoel, had ik Tributor last gegeven, om die prauw te voorzien
van leeftocht, kruit en wapens. Juist op het tijdstip van dat
noodlottige onheil, was de flinke kerel daarmee klaar gekomen; hij
sneed de tros door waarmee de prauw aan ons schip was verbonden, deed
zich ongeveer een kabellengte afdrijven om buiten het zog van ons
vaartuig te blijven, en trok ons in de boot juist in tijds, want
uitgeput door inspanning waren wij op het punt als baksteenen te
zinken. Zes uur later liepen wij de golf van Venezuela binnen, dáár
hebben wij verder geen last van storm gehad, en nu het laatste, wat
eigenlijk de hoofdzaak is, die ge goed in gedachte moogt houden,—hier
zijn wij nu als de eenige overgeblevenen van de gansche equipage.

—Ja, dat alles is waar, dat alles moet ik toegeven, maar voeg er dan
ook bij, hoe wij hier zijn, namelijk ver van onze broeders, overgelaten
aan ons zelven, in een land waar allen, beesten zoowel als menschen,
ons vijandig zijn, en dan zult ge mij ook moeten toegeven, dat die
toestand alles behalve aangenaam genoemd kan worden. Denkt ge des
ondanks er anders over, dan maar basta! En spreken wij liever over iets
anders.

—Luister eens, Luiwammes,—hernam Montbars—het wordt nu meer dan tijd
dat ge met mijne gansche meening daarover bekend wordt.

—Ook al goed!—zei de Luiwammes tamelijk onverschillig.—Het kan mij
eigenlijk ook bitter weinig schelen of ik hier moet sterven of ergens
anders, als ik er maar voor zorgen kan dat ik op eene glansrijke manier
naar de andere wereld vertrek.

—Wees daarover gerust, vriendlief. Zoo wij hier ten onder moeten gaan
dan zullen wij slechts in de hitte van een gevecht omkomen.

—Dan is alles zooals ’t hoort! En nu weg met al die droefgeestigheid!
Zelfs een kat verkwijnt door smart of bezorgdheid, zeggen ze bij mij te
lande. Nog eens, basta! ik wil niets meer weten.

—Dat is wel mogelijk, maar ik sta daarentegen er op, dat ge nu al mijne
plannen te weten komt, dan kunt ge mij helpen om die ten uitvoer te
brengen.

—Goed, als ge het zoo bedoelt, ga dan je gang maar. Ik luister.

—Doe dit met de meeste oplettendheid, want ik verzeker je, die zaak is
het wel waard. Het zal nu zoo wat zes weken geleden zijn, dat ik op
Tortue was en toen dáár een bericht ontving van het hoogste gewicht.

Luiwammes schudde eenige keeren het hoofd, en mompelde:

—Zoo! Alweer?

—Ja! Alweer, zooals altijd.

—Nu, zet maar door!—deed de flibustier hooren, op den toon van iemand
die er aan wanhoopt een ander tot rede te brengen, en zich nu maar
getroost om naar hem te luisteren daar het voor het oogenblik niet
anders kan.

—Ik rustte dus de brigantijn uit met het uitsluitende doel om naar deze
kust te komen. Mijn plan was om het schip hier of daar in eene kreek te
verbergen en daarna met vijf of zes van onze fermste kameraden in een
boot de golf binnen te roeien, hier te landen, en....

—Wel dan mankeert er zoo goed als niets meer aan. Het eenige verschil
bestaat hierin dat wij in plaats van met ons achten, met ons drieën
zijn,—viel Luiwammes in,—en dit is een bagatel, niet de moeite waard om
er over te spreken. Gij hadt dit dadelijk moeten zeggen, maar ’t doet
er niet toe, nu ik weet dat wij juist hier moesten komen, maak ik mij
over niets meer ongerust.

—Ja, doch het is nu juist niet bepaald hier, waar wij moesten
komen,—gaf Montbars te kennen, met een flauw lachje.

—Nu! Gaan wij nog verder?

—Ja, nog een eindje,—hernam de flibustier, half spottend.—Wij zijn op
weg naar Maracaïbo.

—Wat!—riep Luiwammes uit, en sprong op van verrassing.—Naar Maracaïbo?

—Ja zeker.

—En ge weet dat dit een stad is met tien of twaalf duizend inwoners.

—Zeker, zeker! Maar wat kan mij dat schelen?

—En een garnizoen van zes duizend man sterk!

—Zeker! Maar daar geef ik niets om.

—Daarenboven kanonnen....

—Nog iets meer?

—Maar ge zult toch voor den drommel, er niet over denken om Maracaïbo
te nemen?—viel de ander op eens uit ten hoogste verstomd en zelfs bijna
verschrikt door de koelbloedigheid van den flibustier die thans
waarlijk zoover gedreven werd, dat het, zooals Luiwammes in zich zelven
zei, de spuigaten uitliep.

—Wie weet?—sprak Montbars, met dezelfde kalmte en denzelfden spot, die
zijne woorden hadden gekenmerkt, sinds het begin van het gesprek.

—Wel, heb ik van mijn leven!—riep Luiwammes en sloeg uit verbazing de
handen tegen elkaar.—Hoor eens, Montbars, ik heb je veel zien
uitvoeren, menige expeditie, die alleen door jou stoutmoedigheid
gelukte, heb ik met je meegemaakt, maar als dit je mocht gelukken, dan
grenst dat aan het wonderbaarlijke! Dus,—voegde hij er bij, met een
hartelijken lach,—gij, ik, Tributor en Monaco, wij trekken er op los om
Maracaïbo te gaan belegeren. Ik kan er niet anders van zeggen, dan dat
het een hoogst origineel idee is. Het is meer dan waarschijnlijk dat
wij er niet in zullen slagen, maar dat doet er niet toe, het is al mooi
genoeg als men zoo iets heeft durven beproeven. Waarlijk het is een
idee waardig om door je te zijn bedacht, en wat er ook van moge komen,
ik help er graag een handje aan meê!

—Als ge goed kunt vinden op te houden met spotten,—werd hem koeltjes
door Montbars toegevoegd,—dan zal ik vervolgen.

—Spotten? Ik denk er niet aan, beste vriend! Maar dit weet je, neem mij
die uitdrukking niet kwalijk, komt mij zoo potsierlijk voor dat...

—Ge gelooft dat ik gek ben of op het punt van het te worden, is het
niet zoo?—viel Montbars haastig in.—Wees daarover niet bezorgd, ik heb
al mijne zinnen goed bij elkaar, en was nooit kalmer dan op dit
oogenblik. Ik heb volstrekt geen plan om zelfs met hulp van Monaco mij
meester te maken van Maracaïbo, later zullen wij nader zien, maar voor
het tegenwoordige is de hoofdzaak eenvoudig om in de stad te komen.

—Hm! Een zeer eenvoudige hoofdzaak, die mijns inziens, zeer moeielijk
tot stand zal komen. Ik verklaar je ronduit, dat ik er geen kans op zou
zien en als gij geen middel weet te bedenken.....

—Ik zal te zijner tijd wel een middel vinden.

—Maar eer wij er over behoeven te denken hoe in de stad te komen, is
het toch vrij wat noodzakelijker dunkt mij, dat wij beginnen met er
voor te zorgen dat wij in de buurt van de stad zijn en dit zal al even
bezwarend wezen.

—Het is niet meer dan hoogstens een dozijn mijlen van hier.

—Het is mij in mijn leven meer dan eens voorgekomen, dat het de hoogste
inspanning kostte om zelfs maar een kwartmijl af te leggen! Doch dat
daargelaten, hoe denkt ge het aan te vangen?

—Vriendlief, om voor eene expeditie, zoo hachelijk als de onze waarbij
alle kansen tegen ons zijn plannen te beramen, dat zou eene groote
dwaasheid wezen. Het is vrij wat raadzamer om ons te laten leiden door
het toeval, te meer daar zooals ge weet het toeval de groote beschermer
is van de Broeders der Kust. En ook thans zal het wel niet in gebreke
blijven.

—Nu, ik merk al uit welken hoek de wind gaat waaien, en als dit zoo
volhoudt, dan zullen wij heel wat voor het mes krijgen.

—Heel wat, toegestemd! Hebt ge er spijt van, dat ge met mij zijt
medegaan?

—Wis en waarachtig niet! Maar toch zou ik er een lief ding voor willen
missen als Michel de Baskiër en de Olonner bij ons waren, die ontbreken
nog aan het spel.

—Dat is zoo, beste vriend, maar wie kan daar iets aan doen? Wij zullen
ons zonder hen moeten redden.

—Och, dat zal misschien wel lukken, maar ik wil er maar mee zeggen dat
zij zwaar het land zullen hebben als zij hooren, wat wij zonder hen
hebben uitgevoerd.

—Het is nu minder warm, de stralen van de zon vallen reeds in de
schuinte, als ge dus genoeg zijt uitgerust, en ge vindt het goed, dan
moesten wij onzen tocht hervatten.

—Moeten wij nog lang pagaaien als waren wij Caraïben?

—Neen, maar tot morgen.

—Dan maar weer verder op goed geluk! Maar dat doet er niet toe, ik
blijf er bij dat wat wij gaan uitvoeren iets hoogst origineel is. Was
dat door je ontvangen bericht nu werkelijk van zooveel gewicht?

—Ja!—werd dof ten antwoord gegeven.—Eindelijk heb ik eenige hoop iets
op het spoor te zijn gekomen, en wee! over wie getracht mocht hebben
mij te verschalken, en als slachtoffer in een hinderlaag te lokken.
Maar bij den hemel! de Spanjaarden kennen mij nog niet, als zij mij
voor zoo oliedom houden, dat ik mij op zulk eene wijze zou laten
snappen! Hoe groot en sterk Maracaïbo mag zijn dan zou ik het te vuur
en te zwaard verwoesten!

—Wel drommels, hij meent het!—zei Luiwammes in zich zelven.—En wat zal
ik er verder van denken? Och wat doet het er toe? Het zou toch waarlijk
meer dan zonderling wezen als hij haar hier nog terug vond na twintig
jaar zoekens.

Juist toen zij de prauw te water brachten hoorden zij in de verte een
geschreeuw, en dadelijk daarna een dubbele ontploffing.

—Ei, ei!—zei Luiwammes die zich oprichtte om eens rond te kijken.—Het
schijnt dat men daar in den omtrek elkaar klop geeft.

—Wat gaat het ons aan,—gaf Montbars ten antwoord, en haalde de
schouders op.—Laten we voortmaken.

Zij grepen de pagaaien en begonnen tegen den stroom op te werken, zich
tegelijk een doortocht banend tusschen de zware planten en boomstammen,
waardoor het lichte vaartuig telkens gevaar liep om bij den minsten
schok te kantelen.








II.

DRIE MANNEN EN VIJFHONDERD KAAIMANNEN.


De oevers van het riviertje waarin de flibustiers met zooveel moeite
slechts langzaam vooruit kwamen, waren hoogst schilderachtig en vol
oneffenheden; ’s avonds tegen vijf uur kwamen zij op eens in de
nabijheid van een meer van middelbare grootte, dat eigenlijk niet
anders was dan een uitbreiding van de rivier. Aan den oostkant van dat
meer bestonden uitgestrekte moerassen en aan den westkant groote wouden
en boschjes van oranjeboomen. Daarna passeerden zij een baai die
omringd werd door moerassen met cipresseboomen. Verder op naderden de
beide oevers elkaar zoo dicht dat zij als het ware een soort van kanaal
vormden ter breedte van ongeveer honderd vijftig vademen, waardoor zij
naar eene andere rivier kwamen, de Rio Trinidad.

De avond naderde; het werd dus hoog tijd om uit te kijken naar een
heuvel of steilte waar men het kampement voor den nacht zou kunnen
opslaan, want in die tropische streken volgt de duisternis bijna
onmiddellijk op het licht, zoodat dus de zon nauwelijks is ondergegaan
of de nacht is reeds ingetreden.

De flibustiers, die, om het zoo eens uit te drukken, als verdwaald
waren op een terrein dat hun totaal onbekend was, geraakten in geen
geringe verlegenheid en wisten niet waar zij aan land zouden stappen,
doch op eens bespeurden zij na een bocht in de rivier een kleine
landtong die den stroom tot een breedte van bijna vijfenzeventig
vademen vermeerderde; die landtong was zoo iets als een schiereiland,
eene oppervlakte van ongeveer twee hectaren hoogland, geheel bedekt
door boschjes oranjeboomen en enkele groene eiken, magnolia- en
palmboomen.

—Dáár moeten wij heen!—gelastte Montbars.—Wij konden het niet beter
treffen.

—Ja, daarheen!—beaamde Luiwammes.

Zij pagaaiden langs de uiterste punt en kwamen toen op de plek die zij
hadden uitgekozen om er te landen, en die werkelijk zoo gunstig gelegen
was als zij slechts konden verlangen.

Het was een kleine kringvormige haven, aan den voet van de kust, die te
dezer plaatse eene hoogte van twaalf voet had. Achter dit heuveltje was
een groot cipressebosch, dat zich naar beide kanten uitstrekte, en nog
verder naar achter bespeurde men groene vlakten, bezaaid met
heuveltjes, bedekt door verschillende boomen, waaronder magnolia’s en
palmen; die heuveltjes, uitsluitend gevormd door massa’s schelpdieren,
stonden langs de oevers der kleinere stroomen, gevoed door het water
van de rivier, die in deze onmetelijke prairiën rondslingeren en in den
winter alles overstroomen.

Het kamp werd door de avonturiers opgeslagen op een open plek, dicht
bij de uiterste punt van de landtong en niet verder dan enkele vademen
van de prauw verwijderd, die zij stevig hadden vastgemeerd bevestigd
aan een grooten eik, zeker de oudste in deze woeste streken, die
eenzaam en afgezonderd stond op het hoogste punt, alsof hij zich daar
wilde vergasten aan het grootsche landschap dat zich aan zijn voet
uitbreidde.

Van deze plaats, beheerschten de flibustiers de rivier en konden alles
gewaar worden wat daarop voorviel.

Nadat door Tributor eene hoeveelheid hout was bijeengebracht, voldoende
om het vuur den ganschen nacht aan te houden, ving hij aan om alles
voor den avonddisch gereed te maken; het was reeds laat, de dag was
vermoeiend geweest, en de drie mannen hadden allen trek, doch toen hij
den leeftocht onder oogen kreeg, zag hij dadelijk dat de provisie zeer
was ingekort en er genoegzaam niets was overgebleven. Dit was een
hoogst ernstig geval. De drie avonturiers beraadslaagden met elkaar.
Zij allen waren lieden verhard door het leven in de Amerikaansche
woestijnen; zonder zich dus erg ongerust te maken, doorzochten zij den
omtrek van hun tijdelijk verblijf, om zich zekerheid te verschaffen of
die hun eenige levensmiddelen zou kunnen opleveren. Op ongeveer vijftig
schreden beneden hun kamp vormde de rivier een kreek of baai, waarvan
de ingang zeer nauw was, maar die zich verder op uitbreidde en een
meertje vormde, dat in moerassen uitliep. Bij den ingang en langs de
oevers van dit meer waren groote plekken pistia, nymphea en andere
waterplanten; de forel houdt bij voorkeur zijn verblijf bij dergelijke
planten, en dus was het meer dan waarschijnlijk dat men die visch dáár
zou kunnen bemachtigen. Voor een gedeelte van het souper bestond dus
bijna geen bezwaar meer. Bovendien waren de oevers en de eilandjes van
het meer overal bedekt met planten en heesters die in bloei stonden;
tal van kleine vogels liepen met half uitgeslagen vleugels langs de
kreeken, en vervolgden elkaar al tjilpend onder het hoog opgeschoten
gras; hoog in het water zwommen talinkjes rustig de moeder volgende,
terwijl er nu en dan een gesnapt werd door eene groote forel die op
haar beurt de prooi werd van een vraatzuchtige krokodil.

Voor het souper was dus alles te verkrijgen, visch, wild, tot zelfs
sappige vruchten; het kwam er nu slechts op aan, die visschen te
vangen, die vogels te dooden en die vruchten te plukken. Die bezigheden
werden verdeeld; Montbars nam de jacht op zich; Luiwammes zou visschen;
Tributor belastte zich met het plukken van de vruchten en Monaco, die
zeer bedaard op zijn achterklavieren bleef zitten, moest het kampement
bewaken en keek daarbij zeer ernstig naar de verschillende bewegingen
zijner meesters.

Het was zacht en helder weer: de krokodillen deden zich hooren en
vertoonde zich in talrijke groepen langs de oevers en in den stroom van
de rivier.

Opeens kwam een kaaiman uit de struiken en bladeren waartusschen hij
verscholen had gelegen. Het afgrijselijke dier zwelgde een massa water
naar binnen en sloeg nu en dan met den schubachtigen staart. Het water
golfde uit den wijd geopenden muil en uit zijne neusgaten steeg een
wolk van damp op. Het gebrul dat hij deed hooren weerklonk heinde en
ver. De drie avonturiers staakten allen hunne verschillende bezigheden,
en ondanks al hunne manhaftigheid, gevoelden zij zich angstig en
verschrikt. Het uitdagende gebrul van den kaaiman werd dadelijk aan den
tegenovergestelden oever op gelijke manier beantwoord, en een tweede
kaaiman kwam voor den dag. De twee monsters stoven op elkaar los en
deden in hun vaart het water schuimend opstuiven. Daarop begon een
afschuwelijke worsteling, of beter gezegd een ontzettend tweegevecht.
Kort in elkaar gestrengeld doken zij dadelijk en verdwenen in de
diepte, en terstond daarna borrelde van den bodem een dikke laag modder
op, die het water tot op verren afstand troebel deed worden. Spoedig
echter kwamen zij weer boven, steeds vechtende, en deden de lucht
weergalmen van het herhaalde geklapper van hunne zware kakebeenen, die
zij met kracht en geweld open en dicht sloegen; toen doken zij weer, en
de strijd eindigde op den bodem van het meer.

De overwonnene maakte zich het troebele water ten nutte, om te gaan
schuilen in de moerassen, doch de trotsche overwinnaar kwam weer te
voorschijn op de plek waar de worsteling was ontstaan. Het monster
scheen zeer in zijn schik, en het was alsof een groot aantal kaaimannen
die van den kampstrijd getuigen waren geweest, hem toejuichten, want de
echo’s herhaalden tot vervelens toe hunne afschuwelijke geluiden, die
tot ver in de bosschen weerklonken. Het afschuwelijke schouwspel dat
zoo onverwacht vóór hunne oogen was afgespeeld, deed bij de avonturiers
ernstige bezorgdheid ontstaan, want zij begrepen ten volle hoe ieder
oogenblik hun toestand nog bezwarender en gevaarlijker kon worden. De
zon was op het punt van onder te gaan en de krokodillen kwamen van alle
kanten opzetten, om zich te vereenigen in de haven kort waarbij de
flibustiers hun nachtverblijf hadden opgeslagen. Die overwegingen
brachten hen er toe om den voorgenomen tocht naar de kreek om visch en
talingen te vangen ten spoedigste te staken, en daar zij meenden dat
het zeer noodzakelijk was om al hunne krachten te vereenigen, werd
Tributor door Montbars en Luiwammes aangeroepen, en stapten met hem in
de prauw, Monaco voorloopig ter bescherming van het kamp achterlatende.
Zij namen hun geweren niet mede, daar die nu geen dienst konden doen en
wapenden zich met stevige staken beter geschikt om zich tegen de
kaaimannen te verdedigen, zoo die monsters mochten beproeven hen aan te
vallen.

Toen vertrokken zij; gekomen bij den eersten troep kaaimannen, waardoor
zij als omringd waren, weken die dieren; doch daar enkele der grootste
de avonturiers volgden, bleven deze op hunne hoede en pagaaiden zoo
snel zij konden, naar den toegang tot het moeras, in de hoop dat zij
daar bevrijd zouden wezen van het verder opdringen dier monsters. Doch
nog eer zij halverwege waren gekomen, werden zij op eens van alle
zijden aangevallen. Verscheidene kaaimannen deden hun best om de prauw
te doen kantelen, vier van de sterksten waren tegelijk daarmeê bezig,
brulden afschuwelijk en braakten massa’s schuim over de avonturiers
uit, wier toestand zeer kritiek werd, daar zij onophoudelijk in het
gevaar verkeerden van in het water te vallen en dan door de monsters
verslonden te worden.

Toch slaagden zij er eindelijk in, doch niet dan na de grootste moeite,
de prauw dicht naar den oever te sturen, en daarna langs de kust
waardoor zij minder gevaar liepen. Terwijl Montbars en Luiwammes
pagaaiden, hield Tributor door middel van een enorm zwaren staak de
kaaimannen op behoorlijken afstand. Zij maakten zich die tijdelijke
verademing ten nutte om eenige forellen en een paar talingen te vangen
en haastten zich te wenden, om zoo spoedig doenlijk weer in hun kamp te
komen. De kaaimannen waren in grooten getale bijeengekomen vlak vóór
den ingang van de haven, toch gelukte het aan de vrijbuiters, dank zij
hun beleid en hunne stoutmoedigheid, het kamp te bereiken, zonder te
erg in de klem te zijn geraakt. Toen was hun eerste zorg de prauw zoo
ver mogelijk op vasten wal te trekken, om daardoor den monsters te
beletten haar te doen kantelen of te doen zinken. Na alles wat er zich
in bevond meegenomen te hebben, maakten de flibustiers het gansche
terrein rond hen effen, om bij een mogelijken nachtelijken aanval,
hetzij van den waterkant hetzij van de landzijde, door niets te worden
gehinderd. Want zij hadden ook nog bemerkt dat het schiereilandje wat
zij hadden uitgekozen, tamelijk druk bezocht werd door wolven en beren,
wier sporen overal merkbaar waren. Na eene verkenning in de omstreken
van het kamp begonnen de avonturiers aan de toebereidselen voor hun
maal, en legden tevens het wachtvuur aan.

Het was reeds donker geworden; het gebrul van de kaaimannen had
opgehouden, en de avonturiers zaten druk en met goeden trek te eten,
toen op eens hunne aandacht opnieuw werd gaande gemaakt door een
ontzettend rumoer dat in de rivier ontstond, dicht bij hun kamp. Toen
waren zij getuigen van een vreemd schouwspel, dat niet alleen met de
grootste verrassing maar zelfs met bewondering door hen werd
aanschouwd. Dat ontzettende rumoer toch, werd veroorzaakt door eene
ontelbare menigte kaaimannen die zich bij den ingang van de haven
vereenigd hadden. De rivier scheen over hare gansche oppervlakte van
den eenen oever tot den anderen en verder dan een mijl, zoowel boven
als beneden het kamp der vrijbuiters, niets anders dan één enkele
stevig ineengedrongen school visschen van allerlei soort die zich in
den zoo nauwen ingang der haven verdrongen, om uit de rivier naar het
kleine meer te komen. De krokodillen wachtten hen dáár, en waren zóó
talrijk en lagen zóó tegen elkaar aangedrukt, dat het niet moeielijk
zou geweest zijn, de rivier over hunne koppen over te steken.

Ondoenlijk is het te beschrijven welk eene afschuwelijke slachting er
plaats had, gedurende den tijd dat dit onnoemelijk aantal visschen
trachtte den doortocht te forceeren; millioenen bij millioenen werden
door die vraatzuchtige monsters verzwolgen. Het gebeurde soms dat een
aantal visschen tegelijk door een kaaiman hoog uit het water werden
opgegooid en in het vallen weer gegrepen en tusschen de sterke tanden
verbrijzeld; de staarten der forellen sloegen nog langs de huid of in
de oogen der monsters, terwijl de koppen reeds waren verslonden; het
geklapper van de kakebeenen der kaaimannen was ijzingwekkend; meer dan
eens zag men hoe zij doken midden onder dien hoop rampzalige visschen,
om bijna terstond met hun prooi weer boven te komen, en zich alsdan ter
hoogte van eenige voeten uit het water op te heffen. Stroomen bloed en
water golfden uit hunne muilen, en het was of uit hunne neusgaten een
wolk van rook steeg. Die ontzettende slachting duurde zoolang er nog
visschen waren die naar een uitgang zochten, dat wil dus eigenlijk
zeggen den ganschen nacht door.

Hoe afgrijselijk dit schouwspel ook mocht wezen, toch stelde het de
avonturiers eenigszins gerust, want nu werd het hun duidelijk dat die
verzameling van zulk een groot aantal kaaimannen moest worden
toegeschreven aan den regelmatigen terugkeer der visschen, en bijgevolg
konden zij er staat op maken, dat die monsters het nu in hun eigen
element te druk zouden hebben om alles te verorberen, dan dat zij er
nog over zouden denken het kamp aan te vallen. De flibustiers hervatten
dus hun maal, en toen dit was afgeloopen, gooiden zij zooveel hout op
het vuur dat dit lang genoeg kon aanblijven, strekten zich toen op den
grond uit, en sliepen spoedig zoo rustig en onbezorgd, als alleen
mogelijk is wanneer men vertrouwd is geworden met ieder gevaar.

Tegen twee ure in den morgen werd Tributor plotseling in zijn slaap
gestoord door Monaco, die hem over het gelaat likte en tegelijk zacht
knorde.

—Wat is er aan de hand, trouw dier?—vroeg de reus, die zich half
slaapdronken de oogen uitwreef, en toen met uitvorschenden blik om zich
heen keek.

Alles was kalm en stil, iets wat hij gemakkelijk gewaar kon worden,
daar het zeer licht was door den helderen maneschijn, en de flikkering
van de millioenen sterren, die als diamanten aan den hemel schitterden.
Maar daar de pandeling wist hoe goed hij op zijn hond kon vertrouwen en
dat het dier hem niet zonder reden zou wekken, greep hij zijn geweer en
luisterde scherp toe. Een oogenblik later kwam het hem voor alsof hij
een nog bijna onmerkbaar geluid hoorde dat van de landzijde kwam;
Monaco bleef steeds knorren. Tributor stond zeer stil op en luisterde
opnieuw; toen vernam hij duidelijk het geluid van een dier dat door het
water liep. De pandeling achtte het onnoodig zijne metgezellen te
wekken, doch toch wilde hij zonder verder verwijl weten waardoor het
geluid werd veroorzaakt, dat zich hoe langer hoe sterker deed hooren;
daarom begaf hij zich buiten het kamp en liep zeer behoedzaam naar den
ingang van de haven. Een honderdtal passen verder stond hij stil en
verschool zich tusschen een groepje oranjeboomen. Monaco was steeds bij
hem gebleven, maar de hond liep niet zooals anders snuffelend vooruit,
doch volgde thans zijn baas met hangende ooren en den staart tusschen
de pooten. Dit was zóó vreemd bij dit dier, dat Tributor vermoedde dat
de vijand die kon opdagen, wie af wat die wezen mocht, zeker niet
gering mocht geschat worden, en bijgevolg hield hij zich gereed om dien
bij de eerste verschijning behoorlijk te ontvangen. Lang behoefde hij
niet te wachten; want slechts enkele minuten daarna, werd Tributor op
geen verderen afstand dan vijftig vademen, twee groote zwarte beren
gewaar, die dwars door het water het bosch waren ingeloopen en nu
bedaard naderden naar den kant waar hij zich bevond. Waarschijnlijk
waren die dieren nog niets bewust geworden van de aanwezigheid van
Tributor, daar zij langzaam bleven doorloopen zonder de minste onrust
te toonen, maar op een afstand van vijftien vademen gekomen, begonnen
zij te snuffelen, hun neus in den wind te steken en overal rond te
staren. Tributor begreep dat zij hem gewaar waren geworden; hij mikte
en schoot met goed gevolg, want een der beren, de zwaarste, rolde over
den grond; de andere keerde dadelijk om, vluchtte overhaast, plompte in
het water en verdween in het moeras. Tributor verliet toen zijn
schuilplaats, en liep naar den getroffen beer, om hem verder af te
maken, zoo het dier nog niet dood mocht wezen, maar bij hem gekomen
bespeurde hij dat het morsdood was; de kogel was door het oog heen
ingedrongen. Montbars en Luiwammes wakker geworden door het gevallen
schot, dachten niet anders dan dat er een aanval gaande was en snelde
toe om Tributor te hulp te komen. Tegelijkertijd sprong Monaco, die tot
nu toe steeds dicht achter zijn meester was gebleven, vooruit onder
hevig geblaf.

—Hoe nu!—sprak Tributor in zich zelf, terwijl hij zijn geweer haastig
weer laade.—Al wêer iets op til! Het is een raar soort van landje hier,
dat men er bijna geen oogenblik rust kan hebben!

—Mooi zoo, mijn jongen!—riep Montbars hem toe.—Het is een uitmuntend
schot! Dat noem ik nu nog eens een mooie jacht.

—En die waarschijnlijk nog niet is afgeloopen,—merkte de reus
aan.—Luister maar eens naar Monaco!

—Ja,—bevestigde Luiwammes,—de hond heeft zeker de lucht van iets
gekregen, maar ik zou zeggen, ofschoon het mij vreemd voorkomt, dat het
er meer van heeft of hij blaft uit blijdschap dan wel uit kwaadheid.

—Daar hebt ge gelijk in—hernam Tributor.—Nu dit is al zeer vreemd.

—Laten wij gaan zien wat er van waar is,—sprak Montbars, die de haan
van zijn geweer spande om op alles bereid te wezen, en toen met vasten
tred het spoor van den hond volgde.

Zijne metgezellen volgden hem. Alle drie liepen het bosch dwars door,
behoorlijk er voor zorgende van iederen boom als borstwering gebruik te
maken, en kwamen toen na enkele minuten aan de grens van de
belommering. Toen zagen zij op ongeveer een geweerschot afstand van de
plek waar zij stonden twee mannen, die met het geweer over den schouder
in groote haast naar hun kant kwamen. Vroolijk blaffend sprong Monaco
op en langs die beide mannen.

—Wel drommels!—begon Montbars—Nu wordt het hoe langer hoe
interessanter! Monaco schijnt bij kennissen te wezen. Zou hij bij geval
een vriend hebben onder de Spanjaarden? Daar moet ik dadelijk het mijne
van hebben!

De flibustier deed een paar passen buiten het bosch, zette het geweer
met de kolf op den grond en riep met luider stem:

—Werda!

—Vrienden!—werd hem terstond daarop in het Fransch toegeroepen.

—Vrienden? Des te beter!—hernam Montbars.—Het kan waar wezen, want het
is of je stem mij niet geheel onbekend is, maar toch, mijn goede man,
zoudt ge mij genoegen doen te zeggen wie ge zijt, eer ge een stap
verder doet.

—Kom, kom, Montbars, dat doet er immers niet toe!—luidde het
antwoord.—Ik ben Philippe.

—Philippe!—herhaalde de avonturier met de grootste verbazing.—Wel
drommels! Dat is eerst eene zeldzame ontmoeting.

Dadelijk verlieten zij hunne schuilplaats, en ijlden met vaart de
anderen te gemoet, die van hun kant ook hun tred bespoedigden.
Werkelijk waren het Philippe en Pitrians. Hoe hartelijk en oprecht
gemeend was de wederzijdsche begroeting! De vijf avonturiers keerden in
opgetogen stemming terug naar het kamp, doch vergaten niet ook den beer
daarheen te brengen, zoo behendig geveld door Tributor, die niet had
kunnen vermoeden dat dit goed gemikte schot nog buitendien zulke
belangrijke gevolgen zou hebben, waardoor de avonturiers elkander
ontmoet hadden.








III.

DE VRIJBUITERS.


Tributor wierp een goede portie droog hout op het wachtvuur, dat toen
opnieuw vroolijk opflikkerde, de vrijbuiters legden zich er om heen, en
toen vroeg Montbars aan Philippe door welk toeval hij hier was gekomen,
op eene plek zóó ver verwijderd van de streken die gewoonlijk door de
flibustiers bezocht worden.

—Diezelfde vraag zou ik tot jou kunnen richten, waarde Montbars,—gaf
Philippe ten antwoord.—Want dat toeval, aangenomen dat er een toeval
is, bestaat evenzeer voor jou als voor mij.

—Dat is zoo, vriendlief,—stemde Montbars toe,—maar wat mij betreft is
het juist niet geheel alleen het toeval dat mij hier heeft gebracht.

—Wat dan nog meer?

—De storm! Door een stormvlaag heb ik mijn schoener verloren, en ben
hier aangeland eigenlijk zonder precies te weten waar ik mij bevond; ik
moet er echter in één adem bijvoegen, dat ik zeer in mijn schik was,
zoodra ik bemerkte dat ik in de golf van Venezuela was terecht gekomen,
want reeds sinds lang was het mijn wensch die te bezoeken.

—En uwe bemanning?

—Behalve mijne beide metgezellen hier, is die totaal verloren gegaan.

—Dat is zeer treurig!—zuchtte Philippe en schudde het hoofd.—Wat mij
zelven aangaat, wil ik je rondweg verklaren, waarde Montbars, dat ik
Tortue verlaten heb met het formeele plan mij hierheen te begeven.

—En ben jij, evenals ik, door een onheil overvallen?

—Neen, Goddank niet! Mijn schip ligt verscholen in een kreek van de
kust, en geankerd te midden van dicht geboomte, dat er als het ware
zulk een dicht gordijn om vormt, dat ik de gavachos tart om het dáár te
ontdekken.

—Heerlijk, opperbest, kameraad! Dat is een nieuwtje dat mij des te meer
welkom is daar ik je eerlijk moet bekennen dat ik waarlijk geen raad
wist hoe ik mij uit dit wespennest hier redden moest.

—Je kunt geheel over mij beschikken, daaraan zult gij trouwens niet
hebben getwijfeld.

—Dank je wel! Wanneer zijt ge aangekomen?

—Gisterenavond tusschen zeven en acht uur. Eer ik dezen morgen aan wal
zou gaan, kreeg ik, bezig om den horizont op te nemen, een prauw in het
oog, die de punt bij de vuurbaak omkwam. Ik kon wel niet duidelijk
gewaar worden door wie die bemand was, maar reeds bij het eerste
gezicht zag ik dat er Broeders der Kust in zaten. Toen deed ik mij
dadelijk naar wal roeien en ben er terstond op los gegaan om je op te
zoeken, en, zoo gij daaraan behoefte mocht hebben, je mijne goede
diensten aan te bieden, en mij geheel tot je beschikking te stellen.

—Waarde vriend, bij herhaling nogmaals dank, zoowel voor mijn persoon
als voor mijne metgezellen, want op mijn woord wij bevonden ons in een
zeer neteligen toestand. Nu wil ik ook gaarne erkennen, dat het toeval,
waarover ik sprak, werkelijk in dit opzicht niet bestaat. Doch houd mij
één enkele vraag ten goede.

—Zeg vrij wat gij verlangt te weten.

—Hoe komt het dat gij ons reeds sedert den ganschen dag zoekt en ons
eerst nu diep in den nacht vindt?

—Dat is, als ik mij veroorloven mag dit te zeggen, eenigszins je eigen
schuld.

—Hoe dat?

—Hebt ge dan onze signalen niet gehoord?

—Wel, nu ik er over denk,—viel Luiwammes in,—schiet het mij te binnen
dat ik even vóór zonsondergang gemeend heb een schot te hooren.

- Zoo was het, wij, Pitrians en ik schoten toen, zooals wij ook den
ganschen dag niet hebben nagelaten, op gevaar af van door de Indianen
ontdekt te worden, want wij zijn hier, zooals ge weet, in het hartje
van het Indiaansch territoir.

—Wij hebben toch niet meer dan één schot gehoord.

—Ja,—voegde Montbars er bij,—en wij durfden het niet te beantwoorden,
uit vrees van ons daardoor de Spaansche boekaniers op den hals te
halen.

—De gavachos hebben den moed niet om zich hier te wagen in de streken
langs de zee, want de bewoners zijn hunne verwoede vijanden en
daarenboven menscheneters.

—Het is goed dat wij dit weten!

—Kort en goed, wij begonnen er aan te wanhopen je te vinden, en stonden
op het punt naar boord terug te keeren (ons schip ligt hier dicht bij),
toen het door Tributor zóó juist gemikte schot op den beer ons precies
de richting aangaf, waar wij je konden ontmoeten. Ge ziet dus, waarde
Montbars, dat alles zeer eenvoudig is toegegaan.

—Ge hebt gelijk vriendlief, maar ge hebt mij nog niet gezegd, welke
reden je hier naar de kust gevoerd heeft; mocht dit echter een geheim
wezen, houd het dan als niet gevraagd, en spreken wij over iets anders.

—Waarde vriend, er bestaat geen enkele aanleiding om die redenen geheim
te houden, maar vooral niet tegenover jou. Ik ben op een
verkenningstocht om zoowel het terrein als het gansche land te
onderzoeken daar ik plan heb eene expeditie tegen Maracaïbo te
beproeven, dat, als de geruchten niet overdreven zijn, onmetelijke
schatten moet bevatten.

—Is het waar wat ge daar zegt?—riep Montbars met groote
opgewondenheid.—Zijt ge werkelijk met dat doel hier?

—Waarom anders zou ik gekomen zijn?

—Dat is zoo! Welnu, waarde Philippe, ik wil niet minder openhartig zijn
dan jij. Weet dan dat mijn doel hetzelfde is als het uwe, ook ik wil
een aanslag op Maracaïbo wagen.

—Wel drommels!—uitte de jonge man zeer verheugd.—Beter kan het niet
treffen! Dan sta ik gaarne en gewillig aan jou het opperbevel over die
expeditie af. Uw meerdere ondervinding en uw roemrijke naam geven je
daarop het volste recht, alleen zou ik gaarne tot voorwaarde maken dat
je mij aanstelt tot je luitenant.

—Blijft dit afgesproken?—vroeg Montbars, die hem de hand toestak.

—Wis en waarachtig!—bevestigde de jonge man met een stevigen handdruk
aan den vermaarden vrijbuiter.—Zoo vast en zeker afgesproken, dat ik
zoo gij het goedvindt van stonden af aan mij ondergeschikt verklaar, en
jou het gezag van mijn schip overdraag.

—Ik neem je aanbod even rondborstig aan als je het mij doet doch alleen
in zoo verre betreft deze expeditie, of beter gezegd de verkenning die
wij willen beproeven; wat het bevel over uw bodem aangaat, zult ge mij
genoegen doen dit te behouden. Naar ik hoop zal het niet lang meer
duren eer ik je een nog veel gewichtiger opdraag, als wij hier weer
terug zijn gekomen.

—Het zij zooals gij verlangt, waarde Montbars.

Tributor die aan het gansche gesprek geen deel had genomen, was al dien
tijd druk in de weer geweest om den beer in stukken te snijden; eerst
had hij de vier pooten afgehakt en die onder de gloeiende asch gestopt,
daarna met verbazende behendigheid de huid afgestroopt, en schijfjes
van de nier afgesneden, die hij terstond roosterde met een paar
prachtige forellen en een taling aan het spit gestoken door middel van
zijn laadstok. Daarna had hij oranjes, limoenen, guyaven (Indische
peren) en andere vruchten geplukt, palmbladeren neergelegd om als
borden te dienen, en na al die toebereidselen was hij naar het vuur
gegaan. Juist op dat oogenblik brak de dag aan, en prachtig verscheen
de zon aan den horizont, te midden van wegtrekkende nevels die
schitterden met al de kleuren van den regenboog.

—Het ontbijt staat gereed,—kondigde Tributor aan.

—Kom, laten wij dan gaan eten,—liet Luiwammes er op volgen.

—En al etende kunnen wij verder praten,—voegde Montbars er bij.

In opgeruimde stemming nam men aan tafel plaats, of beter gezegd ging
ieder op het gras zitten vóór het palmblad dat hem tot bord diende, en
toen nam het ontbijt een aanvang. Een jagersmaal duurt zelden lang, ook
dit was in een half uur afgeloopen, en zoo daar zooveel tijd aan
besteed werd, kwam dit hoofdzakelijk door de groote hoeveelheid der
spijzen, die door Tributor met veel deftigheid en groot vertoon werden
opgediend. De goedhartige reus toonde een hoogst vergenoegd gelaat en
was erg in zijn schik, toen Montbars hem bijzonderen lof toezwaaide
over die staaltjes zijner kookkunst. Na den afloop van het ontbijt, en
toen de pijpen waren aangestoken, nam Montbars opnieuw het woord en
zei:—Nu moeten wij onze zaken gaan behandelen.

—Niets liever dan dat,—verklaarde Philippe.

—Maak jij dan daarmee een begin, waarde vriend, en vertel mij hoe ge
het denkt aan te leggen om het land, de stad Maracaïbo en het fort te
Gibraltar te verkennen, want om den goeden uitslag van onze onderneming
te verzekeren, is het eene eerste vereischte dat wij geheel en al
bekend raken met de punten waarop de aanval gericht zal worden, om
gevrijwaard te blijven van reeds bij onze landing eene groote fout te
begaan.

—Naar mijne meening,—merkte Luiwammes aan,—zou het beste wezen, dat die
verkenning door ieder afzonderlijk beproefd werd.

—Verklaar je nader,—zei Montbars.

—Ik bedoel daarmee dat een onzer de kust voor zijn rekening moest
nemen, een ander het binnenland, de derde de stad en de laatste het
fort.

—Voeg er dan nog bij een vijfde, die belast moet worden met opnemen en
peilen van de baai, en dit is, volgens mijn meening, eene zeer
gewichtige zoo niet de gewichtigste taak, want de baai is als verstopt
door een aantal zandbanken,—werd door Pitrians aangevoerd—en onze
schepen loopen groot gevaar om bij het binnenkomen daarop vast te
geraken.

—Die opmerking van Pitrians is zeer juist,—gaf Montbars te kennen.—Hoe
denkt gij over die voorstellen, Philippe?

—Ook ik, Montbars moet erkennen dat die zeer goed zijn. Al die
inlichtingen zijn werkelijk voor ons onontbeerlijk, en wij moeten, wat
het ook kosten moge, trachten die te verkrijgen.

—Ik ben het daarmee eens, en nu is de vraag maar, hoe wij die rollen
zullen verdeelen.

—De beslissing daarvan komt je rechtens toe, Montbars.

—Het zij zoo. Hoor dan hoe ik daarover denk. Luiwammes moet, als hoogst
ervaren zeeman, zich belasten met het opnemen van de kust.

—Goed! zoo’n karreweitje is juist iets voor mij.

—Tributor moet de peiling van de baai op zich nemen; dat is de
gevaarlijkste post, die daarenboven de grootste behendigheid vereischt,
maar ik vertrouw ten volle dat hij er in zal slagen.

—Dat zal ik!—verzekerde de reus, zeer gestreeld door het vertrouwen dat
Montbars in hem stelde, en vurig verlangend om dit te rechtvaardigen.

—Nu blijven nog over het inwendige van het land, de stad en het fort.
Pitrians is langen tijd werkzaam geweest als beambte bij de belasting,
dat is juist iets voor hem. Hij moet uit hoofde van de Indianen een
paar maats met zich nemen en Tributor moet Monaco aan hem afstaan, daar
hij den hond toch niet kan gebruiken.

—Best!—zei Pitrians.—Als mij een paar dagen worden toegestaan dan neem
ik op mij om deze streek voldoende te verkennen.

—Ten laatste iets over de stad en het fort,—zei Montbars.—Nu, dunkt
mij, dat wij daaromtrent ons eerste plan eenigszins moesten wijzigen,
naar aanleiding van de moeielijkheden die zich daarbij kunnen opdoen.
Gij, waarde Philippe, ge spreekt het Spaansch zoo goed alsof ge een
zoon waart van het oude Castilië en ik geloof daarmee zoo heel ver niet
bij je achtertestaan, wij beiden zullen ons dus naar Maracaïbo begeven,
lukt het om in die stad te komen, welnu dan zullen wij ons door de
omstandigheden laten leiden en ons daarnaar regelen. Hoe vindt ge dit
plan?

—Zeer goed! Ik deel volkomen uw meening, en ben bereid op staanden voet
je blindelings te volgen, waar heen ge ook moogt goedvinden mij te
brengen.

—Dit houden wij dus voor afgesproken; maar er ontbreken ons nog eenige
onvermijdelijke zaken, die wij ten zeerste behoeven om ons in de stad
te vertoonen zonder argwaan te wekken, en ik vrees er hard voor dat het
tot het onmogelijke zal behooren om ons die te verschaffen.

Philippe lachte luide, en vroeg,—En wat verstaat gij onder die
onvermijdelijke zaken, Montbars?

—Vooreerst en vóór alles kleederen, mijn vriend.

—Aan boord heb ik drie koffers vol, dus kust en keur.

—Mooi. Dan goud, en zelfs veel goud. Ik moet je ronduit bekennen dat ik
bij de schipbreuk geen enkelen piaster heb kunnen redden.

—Vijftig duizend piasters kan ik tot je beschikking stellen. Is dit
genoeg?

—Zeker, vriend. Zooveel zullen wij bepaald niet noodig hebben.

—Goed, dit is dan afgehandeld. Tot dusver heb ik uwe bezwaren vrij
gemakkelijk kunnen oplossen. Vindt ge niet?

—Niet alleen gemakkelijk, maar op verwonderlijk afdoende manier,
kameraad. Toch blijft er, jammer genoeg, nog één bezwaar over en ik
vrees zeer, dat ge er niet in zult slagen om dit even gemakkelijk uit
den weg te ruimen als al de vorige.

—Ba, wie weet? zooals de gavachos gewoonlijk zeggen. Maar laat hooren
waarin dit onoplosbare bezwaar bestaat.

—Ge weet toch, niet waar, hoe argwanend de Spanjaarden zijn, en hoe
verbazend veel voorzorgen zij genomen hebben, om voor goed te beletten,
dat vreemdelingen in hunne koloniën op het vasteland komen, daar zij
niet dulden dat die zich dáár vestigen.

—Zooals ge zegt dat weet ik. En verder?

—Verder? Wel mij dunkt dit is genoeg gezegd, want nu vraag ik je, hoe
zal het voor ons mogelijk zijn, om in de stad te komen?

—O! Is het niet anders! Wel, zeer gemakkelijk!

—Dat betwijfel ik nu toch zeer!

—Ongeloovige Thomas!—voegde de jonge man hem spottend toe.—Niet alleen
zal ik u goud, en kostbaarheden en kleêren verschaffen meer dan ge
noodig hebt om uw rol als Spaansch hidalgo of zoo ge dit beter oordeelt
als grande van Spanje behoorlijk te kunnen vervullen, maar wat meer
zegt, ik verbind mij je de noodige papieren te bezorgen, zoo volkomen
volgens regel en wet, dat de autoriteiten der stad, zoodra zij er één
enkelen blik op geworpen hebben, je volkomen vrij zullen laten in al je
handelingen, en zelfs zich geheel onder je orders zullen stellen.

—Maar waarachtig maat, als je tot zoo iets in staat zijt, dan kan ik
niet anders zeggen dan dat je een toovenaar zijt.

—Drommels!—zei Philippe lachend.—Pas toch wat ik je bidden mag op, dat
je dit niet te Maracaïbo zegt, want voor de inquisitie ben ik zoo bang
als een wezel en er ganschelijk niet op gesteld om levend verbrand te
worden tot meerdere eere Gods.

—Ge brengt mij in de grootste verbazing! Hoe is het mogelijk dat ge al
uwe maatregelen reeds zóó goed genomen hebt?

—Ik heb je immers gezegd, dat ik opzettelijk hier naar de kust koers
heb gezet. Niet waar?

—Dat is zoo, werkelijk hebt ge mij dit gezegd.

—Welnu, Montbars, ge ziet dus dat ik drie maanden den tijd had om alles
in orde te brengen.

Montbars schudde herhaaldelijk het hoofd.

—Waarom schudt ge uw hoofd zoo?—vroeg Philippe.

—Kameraad,—antwoordde Montbars peinzend en ernstig,—ik ben een der
oudste en intiemste vrienden van den heer d’Ogeron, uw oom. Ik ken je
reeds van toen ge nog een kind waart, en evenzeer je karakter alsof ge
mijn eigen zoon waart. Dat karakter haakt naar het grootsche en
edelmoedige. Wat bij al onze expedities steeds en overal bij jou op den
voorgrond stond, was de zucht naar roem. Meer dan eens was ik er
getuige van dat je geweigerd hebt deel te nemen aan eene expeditie, als
daardoor, naar je meening, meer bedoeld werd goud dan glorie te winnen.
Is alles wat ik je daar zeg waarheid, Philippe?

—Ja, waarde Montbars! Ik kan dit niet ontkennen. Maar wat maakt gij
daaruit op?

—Niets, vriendlief, doch nu weet ik alles wat ik weten wilde.

—Ik begrijp je niet, Montbars, en nu verzoek ik dringend nadere
verklaring.

—Waartoe zou die dienen?

—Ik herhaal je mijn dringend verzoek.

—Welnu, als ge er zóó op staat, zal ik aan je verlangen voldoen. Ge
zult mij nooit kunnen wijs maken, Philippe, dat ge zulk eene
gevaarvolle expeditie wilt ondernemen alleen met het doel om een stad
te plunderen, hoe rijk die stad ook wezen moge!

—Maar, waarlijk, Montbars, ik verzeker je...

Montbars zweeg glimlachend.

—Hoe nu! Waarom glimlacht ge, waarom schudt ge het hoofd, wat
vooronderstelt ge dan toch van mij, Montbars?

—Ik vooronderstel niets, Philippe, daarvoor beware mij God! Ge zijt
jong, daarmee is genoeg gezegd, en de hartstochten der jeugd zijn niet
die van den mannelijken leeftijd. Gierigheid is een ondeugd der
grijsheid.

Philippe kleurde even, boog het hoofd en raakte geheel in verlegenheid
dat Montbars hem zoo goed doorgrond had, doch hij herstelde zich
terstond en voegde den ander toe:—Maar wat drommel, waarde Montbars, ik
heb alle recht om je eigen woorden op je zelf toe te passen!

—Hoe dat, waarde vriend?

—Omdat gij zelfs nog veel minder dan ik, door geldzucht wordt gedreven,
want zoo ge dit had gewild, waart ge reeds sinds lang de rijkste man
van al de flibustiers geweest.

—In zooverre hebt ge gelijk, Philippe. Ik geef niet om geld.

—Goed, maar dan zult ge ook mij nooit wijs kunnen maken dat zucht tot
plundering je er toe brengt om zulk eene gevaarlijke expeditie te
wagen.

—En ik zal ook wel degelijk oppassen zoo iets tegen je vol te houden,
want het zou geheel bezijden de waarheid zijn.

—Ha! Ha!—lachte de ander.—Er is dus ook bij jou een ander doel in het
spel?

—Dat ontken ik niet.

—En wat is dat doel?

—Wraak!—werd op doffen toon geantwoord.

Philippe zweeg een poosje en zei toen:

—Misschien wordt het zelfde doel door mij beoogd.

—Neen, Philippe want jij draagt den Spanjaard geen haat toe.

—Ja! Wel drommels....

Glimlachend viel Montbars hem in de rede, en vervolgde:—Ik zal je
zeggen wat je eigenlijke doel is, daar je mij niet genoeg schijnt te
vertrouwen om het mij mede te deelen. Wat je zoekt is... eene vrouw. Ge
zijt verliefd.

—Ik!—riep de ander uit en maakte een heftig afwijzend gebaar.

—Philippe, vriend, ik wil mij niet dringen in je geheim; bewaar dit
veeleer als een kostbaren schat in het diepst van je gemoed. Maar
vergeet nooit dat ik je vriend ben en ten dage dat ge mij noodig mocht
hebben steeds bereid zal zijn je te helpen wat er ook moge gebeuren.

—O! mijn vriend!—juichtte de ander in vervoering.

—Geen woord meer daarover, thans over iets anders. Wij moeten ons nu
bezig houden met ernstiger zaken dan waarover je zeker zoudt uitwijden
nu ge weet dat ik je doorgrond en als in je hart gelezen heb; alles op
zijn tijd niet waar? Denken wij nu liever aan het dringendste en voor
ons is thans het dringendste om langs den kortsten weg naar ons schip
te gaan.

—Het is zoo, Montbars, ge hebt volkomen gelijk. Dus opgestapt zonder
langer te talmen.

—Gij hebt zooeven gezegd dat het niet ver van hier ligt?

—Hoogstens een paar mijlen; als wij het water te baat nemen, dan duurt
de tocht zeker niet langer dan een uur.

—Liever zou ik als het je hetzelfde is toch den langeren weg kiezen en
over land gaan, want onze prauw is zeer klein en bovendien heeft die
gisteren avond zoo erg geleden door de krasse aanvallen der kaaimannen,
dat ik niet graag nog eens het brooze vaartuigje daaraan zou
blootstellen; niet dat ik zoozeer opzie tegen den dood, maar, naar
mijne meening, heeft de mensch die zich ten plicht heeft gesteld nog
eene grootsche taak te vervullen, geen recht zich onnoodig in gevaar te
begeven, eer hij aan dien plicht voldaan heeft.

De vrijbuiters braken hun kamp op en verborgen zeer zorgvuldig de prauw
tusschen de struiken om die terug te kunnen vinden zoo dit voor hen nog
noodig mocht worden; daarop sloegen zij door Philippe en Pitrians
voorafgegaan een pad in, dat eenigszins door de wilde dieren gebaand
was en waarlangs zij komen konden op de plaats waar de brigantijn ten
anker lag.








IV.

BERAADSLAGING.


Het pad dat de vrijbuiters volgden liep langs de rivier. Van die
ontzaglijke menigte kaaimannen in den afgeloopen nacht vóór den ingang
van het meer verzameld, waren nu slechts weinigen overgebleven;
verscheidene sliepen aan den oever, of warmden zich in de zon en
wentelden zich in het slijk; anderen zwommen heen en weer, zonder
bepaalde richting. Maar één van die alligators, een kaaiman van
bijzondere grootte, die met den stroom meezwom en op afgrijselijke
manier schreeuwde en brulde, trok zeer de aandacht der vrijbuiters; een
vast aaneengesloten groep van minstens een honderdtal jonge kaaimannen
volgde in het zog van dit monster, dat hun moeder of beter gezegd hun
beschermster was. Zwemmend vormden zij eene lange colonne die noch te
rechter noch te linkerzijde afweek. Al die kleine dieren schenen van
denzelfden leeftijd, hadden eene lengte van ongeveer vijftien
centimeter, waren zwart met schuinsche strepen of donker gele vlekken,
en hadden wat de kleur betreft veel van ratelslangen. De moeder of
aanvoerdster stootte voortdurend dreigende geluiden uit, en de
kaaimannen die in de rivier rondspartelden, haastten zich om haar niet
in haar vaart te belemmeren daar zij er blijkbaar weinig trek in hadden
met haar in gevecht te komen.

Steeds langs den oever voortloopende, bespeurden de vrijbuiters bij
eene kromming van de rivier een groot aantal heuveltjes, of pyramiden,
het best te vergelijken met hoopen hooi, en als eene rij tenten langs
de oevers der rivier opgesteld. Die heuveltjes stonden acht tot tien
vademen van het water af, en staken ongeveer vier voeten rechtstandig
daar boven uit. Verscheidene groote alligators zwommen kort in den
omtrek. Het waren niet anders dan krokodillen-nesten, de meesten reeds
verlaten, terwijl men er om heen op den grond groote witachtige schalen
zag liggen afkomstig van de gebroken eieren.

Hoeveel haast de vrijbuiters ook mochten hebben om de brigantijn te
bereiken, toch konden zij hunne in hooge mate opgewekte
nieuwsgierigheid niet bedwingen, en daarom besloten zij naar die nesten
te gaan, om die nader te onderzoeken, daar zij meermalen er over hadden
hooren vertellen, doch geen van hen er ooit een had gezien.

Het resultaat van dit onderzoek was het volgende:

Die nesten of heuveltjes hebben den vorm van een afgeknotten kegel,
vier voeten hoog en aan de basis vier tot vijf voeten in doorsnede, en
zijn samengesteld uit slik en gras. Het dier gaat bij de vervaardiging
op de volgende wijze te werk: Eerst maakt het op den grond een laag
gras en slijk, legt daarop een rij eieren, bedekt die vervolgens weer
met een laag van zes tot acht centimeters dikte, legt daarop wederom
een rij eieren en zoo vervolgens tot bijna aan den top van den kegel.
Ieder nest bevat dan van honderd tot tweehonderd eieren. Waarschijnlijk
worden die door de hitte der zon uitgebroed, doch het zou ook kunnen
wezen dat de plantaardige bestanddeelen vermengd met slijk, waaruit die
nesten bestaan, onder den invloed der zonnewarmte overgaan tot eene
soort van gisting, en dat daardoor de voor de broeding noodige warmte
ontstaat. Ik laat het aan de geleerden over om hierover uitspraak te
doen.

In den omtrek van verscheidene bunders, rondom deze nesten, droeg de
grond onmiskenbare sporen dat daar kaaimannen aanwezig geweest waren.
Het gras was overal platgedrukt, en de aarde vast gestampt, en er was
bijna geen plant of struik meer te bekennen, terwijl verder op het gras
zeer dik en vijf, op sommige plaatsen zelfs zes voet hoog stond. Het
kan als zeker worden aangenomen dat het wijfje met de meeste zorg haar
nest bewaakt tot de eieren zijn uitgekomen, en het zou ook wel mogelijk
zijn, dat zij daarna al de jongen die tegelijkertijd uitkomen, zoowel
van haar eigen nest als van die van anderen onder haar bescherming
neemt; dit ten minste is stellig dat die kleine kaaimannetjes nooit
zonder toezicht blijven. Wij moeten hier nog opmerken dat de liefde van
die moeders voor de kleinen even groot is als die van de kloekhen voor
hare kuikens; zij zijn even oplettend als deze en even bereid te allen
tijde de kleinen die aan hare zorgen worden toevertrouwd te beschermen
of te voorzien van het noodige voedsel; en als die beestjes uit het
water komen om zich in de zon te warmen, dan hoort men hen schreeuwen
en roepen, juist zooals de kuikens doen.

Hoogstens een zesde van een broedsel en gewoonlijk nog minder wordt
volwassen, want de groote krokodillen zijn er zeer opgesteld om de
kleine op te peuzelen, zoolang die nog niet in staat zijn zich te
verdedigen.

De Amerikaansche krokodil, kaaiman of alligator is tegenwoordig te
algemeen bekend, dan dat wij die in het breede behoeven te beschrijven.
Wij willen ons dus bepalen tot de mededeeling, dat het dier tot vollen
wasdom gekomen kolossaal groot is, eene verbazende kracht heeft en
onbegrijpelijk vlug en vaardig is bij al zijne bewegingen in het water;
de gemiddelde lengte bedraagt ongeveer twintig voet, doch er zijn er
die twee-en-twintig soms zelfs drie-en-twintig voet lang worden. Hun
gebrul is angstwekkend om aan te hooren, vooral in de lente dat de
paartijd is; het gelijkt op het gerommel van den donder in de verte.

Een der oudste kaaimannen is gewoonlijk de alleenheerscher van ieder
klein meer of moeras; al zijn er ook vijftig andere, net zoo sterk als
hij, bijeen, zoo wagen zij het niet te brullen dan alleen in de
naburige kleine kreken. Als de kaaiman te voorschijn komt van onder de
struiken of het riet waar hij zijn schuilhoek heeft, vertoont hij zich
in zijn volle lengte aan de oppervlakte van het water, en neemt in
rechte lijn de richting naar het midden. Aanvankelijk is daarbij zijne
snelheid bijzonder groot, maar van lieverlede vermindert die tot hij in
het midden van het meer komt, daar houdt hij stil; dan zuigt hij door
zijn bek lucht en water op, zoodat hij opzwelt, waardoor uit zijn borst
een snijdend scherp gefluit dringt dat bijna een minuut aanhoudt; maar
dat water, met geweld teruggedrongen, spuit kort daarna met groot
geraas uit zijn bek en neusgaten en vormt een damp zoo dik als rook.
Tezelfder tijd steekt het monster zijn staart in de hoogte en geeselt
daarmeê het water. Soms ook wanneer hij tot berstens toe opgezwollen
is, heft hij zoowel den kop als den staart op en draait in vliegende
vaart rond bijna met het water gelijk.

In dergelijke omstandigheden vervult de kaaiman, de koning van het
water, als het ware de rol van een Indiaansch opperhoofd, die eene
voorstelling geeft van een zijner gevechten; daarna zwemt hij langzaam
terug en laat de plek vrij aan anderen die het durven wagen zich te
vertoonen, en hun best doen elkaar te overtreffen om zoodoende de
aandacht te trekken van het wijfje dat bijna altijd bij dit spel
tegenwoordig is, schijnbaar zonder daarin het geringste belang te
stellen. Dit zijn nagenoeg de meest kenmerkende eigenaardigheden van
die geduchte halfslachtige dieren (amphibiën).

Ten laatste was de weetgierigheid der vrijbuiters ten opzichte van die
nesten voldaan en vervolgden zij hun tocht langs den oever van de
rivier stroomopwaarts; eindelijk kwamen zij aan den zoom van een
prachtig bosch, laurier- en oranjeboomen en hielden daar bijna een uur
lang halt, zoowel om wat uit te rusten, als om de ergste hitte van den
dag te laten voorbijgaan. Op dien tijd van den dag heerscht over de
woestijn een indrukwekkend stilzwijgen; men hoort dan letterlijk niets
dan het onophoudelijk suizen van millioenen muskieten, die
spiraalsgewijze boven het moeras rondzweven. Na eenigszins uitgerust en
verfrischt te zijn onder dit verrukkelijke lommer, stonden de
vrijbuiters na een wenk van Philippe op, en begaven zich weer op weg,
nu echter verwijderden zij zich van de rivier en drongen in het bosch,
dat zij in rechte lijn doortrokken.

—Zouden wij er haast zijn?—vroeg Montbars, nadat zij reeds bijna een
uur geloopen hadden.—De dag loopt zoetjes aan ten eind, en ik vrees dat
ge wellicht verdwaalt zijt, vriend.

—Daarvoor behoeft ge niet te duchten; wij houden nu recht aan op de
kust en zullen binnen een uur aan boord zijn.

—Nu, ik voor mijn part zal daar niet tegen hebben, want ik ben nooit
meer geweest dan een zeer middelmatig voetganger, en zoo’n tocht over
paden die op zijn best gebaand zijn, daar heb ik verbazend het land
aan.

—He! Kijk eens naar Monaco,—zei Philippe,—die heeft de lucht gekregen
van onze schildwachten; dan zijn wij reeds dichter bij dan ik dacht.

Het was zoo, de patrijshond was onrustig geworden, het dier liep
kwispelstaartend heen en weer en blafte kort en afgebroken doch
kennelijk van genoegen.

—Werda!—werd plotseling geuit door de krachtige stem van een man, nog
onzichtbaar daar hij zich achter de boomen verborgen hield.
Tegelijkertijd hoorde men dat de haan van een geweer werd overgehaald.
Philippe haastte zich om dien aanroep te beantwoorden.

—Vrienden! Broeders der Kust!

Terstond daarop werden de takken uiteengeschoven en kwamen verscheidene
vrijbuiters te voorschijn. Men was dus aangekomen. Zoodra zij Montbars
gewaar werden, Montbars door al de Broeders der Kust zoo geliefd en
gewaardeerd, snelden zij naar hem toe en verwelkomden hem met
vreugdegejuich. Op een wenk van Philippe kwamen allen weer tot kalmte
en stilte, en sloeg men de richting in naar de brigantijn, die zij
spoedig in het oog kregen, geankerd midden in eene nauwe, ondiepe
kreek, verscholen achter een zwaar gordijn van boomen, zoodat het
onmogelijk was van den zeekant het schip gewaar te worden.

Het was een flink vaartuig, hoogstens driehonderd ton metend, licht,
fijn en slank van vorm, hoog op het water, en dat als de wind goed in
zijne zeilen viel, door het water heen moest snijden met verwonderlijke
vaart.

Montbars en Philippe stapten in een boot en lieten zich naar boord
roeien. Zoodra de vermaarde vrijbuiter den voet op het dek van het
vaartuig zette, bemerkte hij met een glimlach van voldoening dat het
evenzeer geschikt was om den strijd te aanvaarden als dien ijlings te
ontwijken, al naar mate de omstandigheden eischten. Bij Philippe aan
boord heerschte strenge tucht, alles was er geregeld, alles goed en
netjes in orde, en dit waren zaken, die op de schepen der flibustiers
tot de zeldzaamheden behoorden. De beide zeelieden daalden naar de
kajuit af, en namen daar tegenover elkaar plaats op rolstoelen. Op last
van Philippe verscheen een aardige kleine scheepsjongen van twaalf
jaren met een guitig en slim gezicht, om voor hen eenige
verfrisschingen gereed te zetten waarna de knaap vertrok.

—Zoo, zoo,—begon Montbars terwijl hij voor zich een glas oranjewater
gereed maakte,—naar ik zie hebt ge den zoon van Meursel in dienst
genomen.

—Ja, de arme kleine duivel was na den dood van zijn vader zoo geheel en
al verlaten; hij stierf half van honger, en toen heb ik hem opgenomen.

—Dat was een goede daad, maar buitendien heeft die kleine snaak een
zeer goed uiterlijk, hij schijnt opgeruimd, en zoo fijn als een zijden
draad.

—Dien naam hebben wij hem ook juist gegeven en hij beantwoordt daaraan
in alle opzichten.

—Dat dunkt mij ook,—beaamde Montbars.

Hij dronk, liet de tong tegen het verhemelte klappen, zette niet al te
zacht zijn glas op tafel neer, keek zijn overbuur vlak in het gezicht
en hernam:

—Dat alles is zeker heel belangrijk, maar zullen wij nu over iets
anders praten?

—Zeer gaarne, maar waarover?

—Over de wijze waarop wij in de stad Maracaïbo zullen komen, en over
onze gedragslijn gedurende den tijd dat wij onder de gavachos moeten
vertoeven. Vindt ge dit onderwerp interessant genoeg?

—Zeer zeker, maar ik durfde daarmee zonder je toestemming niet
beginnen.

—Die schenk ik je gaarne, spreek op, vriendlief, ik luister.

—Rondweg moet ik je bekennen, waarde Montbars dat ik niet veel
vindingrijkheid bezit. Veel aangenamer zou het mij dus wezen zoo gij je
de moeite wildet geven een plan te ontwerpen en mij dit uit te leggen;
dan heb ik niet anders te doen dan dit te volgen, en op die manier zou
deze zaak voor mij zeer worden vereenvoudigd.

—Ge denkt te gering over je zelven, vriendlief,—merkte Montbars aan met
een ietwat spotachtig lachje,—doch zoo ge er op staat, en ook om verder
geen tijd te verspillen aan ijdele plichtplegingen, wil ik aan je
verlangen voldoen en aan je oordeel een plan onderwerpen dat reeds door
mij gemaakt is; een plan trouwens waarover wij te zamen moeten
beraadslagen.

—Best! Op uwe gezondheid!

De twee zeelieden klonken met elkaar, dronken de glazen tot den
laatsten druppel leeg, en toen nam Montbars het woord.

—Mag ik vrij uit en zonder de minste achterhoudendheid spreken?—vroeg
hij met uitvorschenden blik.

—Ik verzoek je dit zelfs zeer dringend.

—Op uw woord?

—Wis en waarachtig, Montbars!—verklaarde de jonge man hartelijk,
terwijl hij hem de hand toestak die door den vrijbuiter welgemeend werd
gedrukt.

—Goed, dan meen ik te mogen vertrouwen dat wij het wel met elkaar eens
zullen worden.

—O! Daarvan ben ik overtuigd!

—Stellen wij dan eerst de feiten vast.

—Niets liever dan dat.

—Gij en ik, wij beiden beoogen éénzelfde doel, welke drijfveeren ons
daartoe ook mogen voeren, en dat doel is, de inneming van Maracaïbo,
niet waar?

—Zoo is het!

—En dat doel willen wij bereiken, tot iederen prijs.

—Tot iederen prijs!—herhaalde Philippe.

—Goed zoo! Op die manier wordt de zaak heel wat eenvoudiger. Ik heb je
beloofd openhartig te zullen zijn, nu zal ik daaraan voldoen, luister
dus goed toe. Ge hebt mij niet den geringsten voorslag gedaan, ik ben
dus noch je vertrouwde, noch je medeplichtige en ik ben daarom
tegenover jou geheel vrij in al mijn handelingen. Stem ge dat toe?

—Volkomen, Montbars.

—De eenige drijfveer die je, naar mijne meening, in deze omstandigheden
tot handelen aanvuurt is de begeerte om eene vrouw terugtevinden en
haar te schaken. Val mij nu niet in de rede,—liet hij er op volgen en
strekte den arm naar hem uit.—Dus is die drijfveer de liefde, met
andere woorden, een hartstocht. Ge zult het met mij eens zijn dat de
hartstocht geen berekening kent; hij beheerscht en sleept mee, en het
gevolg daarvan is meestal het verderf van hem of haar wie hij
overmeesterd heeft. Ge bemerkt dat ik koel en logisch redeneer, doch
dit moet, want de zaak is van hoogst ernstigen aard, en vereischt dat
wij zorgvuldig alle hulpmiddelen overwegen die ons door inzicht en
verstand aan de hand worden gedaan.

—Vervolg, vervolg, waarde vriend, ik luister met aandacht, er ontgaat
mij geen woord van hetgeen je mij zegt.

—Nu kom ik tot deze gevolgtrekking. De leiding van de gansche expeditie
moet aan mij en uitsluitend aan mij verblijven; ik behoud altijd en in
alles het recht om naar eigen goedvinden te handelen. Gij van uw kant
daarenboven doet er een eed op dat ge mij onbepaald zult gehoorzamen.
Hebt ge bezwaar tegen zulk een eed? Denk er goed over na, en antwoord
dan.

—Montbars,—werd door Philippe op ernstigen toon ten antwoord
gegeven,—ik erken de waarheid van alles wat door je is aangevoerd, en
aarzel geen oogenblik om den door jou gevergden eed af te leggen. Ik
zweer dus je in alles te zullen gehoorzamen, zonder er zelfs ooit aan
te denken om je rekenschap te vragen van je handelingen.

—Dat is mij een bewijs, Philippe, dat ik mij te uwen opzichte niet
bedrogen heb en ge in werkelijkheid zijt de man van wien ik steeds en
zoo gaarne heb gehouden. Maar wees gerust, beste vriend, ge kunt er op
aan dat ik geen misbruik zal maken van de mij verleende macht,
integendeel, ik zal die steeds aanwenden in ons wederzijdsch belang,
want even zeer, ja, misschien nog meer dan jij, haak ik er naar onze
pogingen met een goeden uitslag bekroond te zien. Luister nu naar
hetgeen dat, mijns bedunkens, door ons moet worden gedaan. Gij hebt
gezegd dat ge in het bezit zijt van de noodige papieren, niet waar?

—Ja, dat heb ik.

—Best. Zoek nu of er onder die papieren wellicht een is, dat kan dienen
als bewijs dat men de een of andere aanzienlijke betrekking bekleedt,
bijvoorbeeld van het hooge gerechtshof of iets dergelijks.

Philippe stond op, en deed met een sleutel, die aan een stalen
kettinkje om zijn hals hing een koffertje open, dat in een hoek van de
kajuit stond; hij haalde daaruit een gansche hoop bescheiden die hij
ijverig begon te doorsnuffelen. Kort daarop zei hij:—Zie eens, ik
geloof dat ik daar iets vind, dat ons juist van pas zal komen. Hier
hebt gij,—en bij die woorden stelde hij hem verscheidene geelachtige
perkamenten ter hand—familie documenten van zekeren graaf de l’Atalaya;
die graaf de l’Atalaya is een paar weken geleden gesnapt aan boord van
een Spaansch schip op de hoogte van Jamaïca.

—Waar kwam hij van daan?

—Uit Spanje.

—Dat treft goed. En wat is er van hem geworden?

—Hij is gestorven aan de wonden, die hem tijdens de entering waren
toegebracht; het schijnt dat hij zich met leeuwenmoed verdedigd heeft,
zoo ten minste werd mij verteld door Pierre Legrand, die het kommando
had over het vrijbuiters-schip dat het Spaansche vaartuig
overmeesterde.

—Dat treft waarlijk hoe langer hoe beter! Wij moeten die stukken eens
wat nader onderzoeken.—Vluchtig doorliep hij die documenten en
vervolgde toen:—Die graaf don Pacheco de l’Atalaya begaf zich naar
Mexico, als afgevaardigde van het Spaansche gouvernement, tot onderzoek
van verduisteringen gepleegd door intendanten en ter opneming hunner
rekeningen, met de meest uitgebreide volmacht, zoodat hij hen zelfs
desgevorderd kon doen arresteeren en naar Spanje opzenden. Hier heb je
zijne benoeming tot buitengewoon Opper-intendant,—daarna las hij dat
stuk geheel voor, en hernam toen,—dit pakket brieven met een lint
samengebonden bevat de koninklijke bevelschriften met het gewone
onderschrift Ik, de Koning, gericht aan al de Onder-Koningen,
Intendanten, Adelantados en Gouverneurs der Spaansche bezittingen.
Heerlijk! Heerlijk! Ge zoudt geen betere vondst hebben kunnen doen! Dit
zijn, zooals ge reeds gezegd hebt, beste vriend, juist de papieren, die
wij noodig hebben, en het is onnoodig er nog verder in te zoeken.
Luister nu goed. Ik treed op als die graaf, en noem mij dus graaf don
Pacheco de l’Atalaya, buitengewoon gezant van Zijne Majesteit Koning
Filips IV; gij, gij wordt don Cardenio Figueroa, mijn geheim
secretaris; beide die namen en hoedanigheden worden vermeld in de
documenten die ik hier voor mij heb. Weet ge wellicht ook wat er van
dien Cardenio geworden is?

—Pierre Legrand heeft hem aan Zwartkop verkocht.

—Zoo, dan kunnen wij ook wat hem betreft gerust zijn, want al is hij
niet dood dan scheelt dit toch niet veel, wij beiden, gij en ik, weten
hoe onze vriend Zwartkop zijne pandelingen behandelt. Spreekt
Zijden-Draad Spaansch?

—Als een Castiliaan!

—Ook al goed! Dan wordt hij mijn page en krijgt tot naam, Lopez
Cardenas. Nu moeten wij nog drie bedienden kiezen, iemand van mijn rang
en stand kan het niet minder stellen. Als zoodanig moeten optreden
Tributor, Pitrians en Luiwammes, en gij moet er voor zorgen dat de taak
die ik hun eerst had opgedragen aan drie andere daarvoor bekwame en
goed berekende personen wordt opgedragen. Zij met hun drieën zijn
genoegzaam bekend met het Spaansch en bovendien, flinke ferme kerels op
wien wij, zoo dit noodig mocht wezen, gerust staat kunnen maken.

—En daarbij komt nog,—werd door Philippe aangemerkt,—dat het dan voor
ons onnoodig wordt naar vreemde bedienden om te zien, en wij verzekerd
zijn dat ons geheim trouw verzwegen zal worden.

—Dat alles blijft dus afgesproken. Nu hebben wij verder niets te doen
dan van kleeren te verwisselen, goud genoeg bij ons te steken en...

—Een oogenblikje,—viel Philippe op eens in.—Gij vergeet onze bagage;
hoe moet die vervoerd worden?

Montbars lachte hartelijk en hernam:—Hoe komt ge er toe om mij voor
zoo’n bagatel in de rede te vallen! Geef maar order om onder zeil te
gaan. Tien of twaalf mijlen oostwaarts ligt een armzalig dorp, eertijds
gesticht door Fernando Cortez doch thans verlaten, daar zullen wij
alles vinden wat wij noodig hebben. Begrijpt ge mij nu?

—Drommels goed!

—Zoodra wij ontscheept zijn, moet uw schip onder zeil gaan om hier weer
te ankeren, dan hebben wij het altijd te onzer beschikking.

Een half uur later was de schooner onder zeil.








V.

LA MADRE DE DIOS.


Den dag na dien waarop het gesprek tusschen Montbars en Philippe, dat
in het voorgaande hoofdstuk vermeld is, aan boord van het
vrijbuitersschip had plaats gehad, zeilde tegen ongeveer vijf uur ’s
morgens een vlugge, ranke Spaansche schooner kaap Coquibacoa om, zette
koers naar den ingang van het meer Maracaïbo en hield aan op het kanaal
tusschen het eiland Kijk-Uit en het Houtduifeilandje, doch niet dan na
met het eerste signalen gewisseld en het saluut uit het fort van het
laatste beantwoord te hebben door de zes bronzen kanonnen waarmee het
bewapend was.

Voor het geoefend oog van een zeeman was het niet mogelijk zich te
bedriegen over de hoedanigheid van den schooner; de stoute kromming van
zijn romp, de achteroverhellende bovenmasten, zijn nieuwe zeilen, en
het zoo uiterst zorgvuldig bekleedde en goed geteerde want deden dit
vaartuig dadelijk herkennen als een Spaansch oorlogschip.

Vlak over het Houtduifeiland werd een licht bootje te water gebracht,
waarin twee mannen plaats namen, die met kracht van riemen koers zetten
naar de brigantijn, waarvan de zeilen gestreken waren in afwachting van
hunne komst. Een van die twee was een loods. Onder het bereik van de
stem gekomen, riep die loods de brigantijn aan en vroeg of men hem
noodig had. Na het bevestigend antwoord van den kommandant lag de loods
aan stuurboordzij aan, waarna men hem een eind tros toewierp om het
bootje vast te sjorren; toen klom hij aan boord, zijn metgezel die in
het bootje was gebleven om het aan te houden, vierde den tros en liet
het vaartuigje achter den brigantijn drijven, waarvan de zeilen opnieuw
waren uitgebracht, en die nu weer op de Kaap aanhield.

Eer wij verder gaan willen wij hier een paar woorden inlasschen over de
streek waar de gewichtigste voorvallen uit dit verhaal zullen plaats
hebben.

Tusschen kaap Gracias a Dios en Rio Orinoco strekt zich eene lange rij
van kusten uit over eene zeer uitgebreide oppervlakte; de eerste
ontdekkers daarvan waren don Alonzo de Ojeda, Vasco Nunez de Balboa (de
ontdekker van de Stille Zuidzee), Juan de la Cosa en Amerigo Vespucci.
Die lange rij van kusten werd, naar aanleiding van de onmetelijke
schatten die daar aanwezig waren, door de Spanjaarden bestempeld met
den naam van Het Gouden Castilië. Dat gedeelte van die gronden liggende
tusschen de Magdalena en Orinoco-rivieren, is het eenige waarmeê wij
ons behoeven bezig te houden.

De Spanjaarden gaven aan die golf den naam van Venezuela, omdat de zeer
lage kust tegen overstroomingen slechts door duinen beschermd wordt, en
ook nog omdat zij, tijdens de ontdekking, de bewoners gehuisd vonden in
hutten, die op de toppen der boomen waren gevestigd, terwijl die lieden
niet anders dan door middel van prauwen in verkeer met elkaar konden
komen.

Die golf begint bij kaap Saint-Romain, tusschen den 9n en 10n graad
noorderbreedte en eindigt bij kaap Coquibacoa, beneden den 9n graad van
diezelfde breedte. De vrijbuiters gaven er den naam aan van de golf van
Maracaïbo, of bij verkorting van Marecaye. Tien of twaalf mijlen in
volle zee, vlak bij den ingang der golf, liggen de eilanden Aruba en
los Monjes. De golf van Maracaïbo zal omstreeks tien tot twaalf mijlen
breed zijn; geheel aan het achtereind liggen een paar eilandjes van een
mijl in omtrek, en daar tusschen door stroomt het water uit het groote
meer van Venezuela om zich in zee uit te storten. Die stroom vormt
tusschen die eilandjes een kanaal van middelmatige breedte en breekt op
een zandbank, die men de Baar noemt. Die hinderpaal kon niet anders
ontweken worden, dan door lichte vaartuigen. Op het eerste van die twee
eilandjes, waarover wij reeds gesproken hebben, Kijk-Uit, stond een
wachttoren, op het andere, het Houtduifeiland, een fort. Als men dien
nauwen ingang, tevens den toegang tot het meer, ten einde is, komt men
in een kom of kolk, honderd en twintig kilometers breed en bijna
tweehonderd en veertig lang, die de wateren van zesenzestig rivieren in
zich opneemt. De geheele oostelijke oever van het meer is laag en bijna
altijd overstroomd; juist aan dien kant, ongeveer tachtig mijlen van de
monding van het meer, huisden de Indianen, waarvan wij melding maakten,
die, als vogels hun nest, hunne hutten uit een soort van riet op
wortelboomen hadden opgetrokken. De stad Maracaïbo, het doelwit van de
vrijbuiters, verhief zich amphitheatersgewijze aan den oever van het
meer. De elegante huizen, versierd met balkons en beeldhouwwerk, hadden
het uitzicht op een kleine haven waar het bijna altijd meer dan vol was
door allerlei koopvaardijschepen. De stad met haar rechte, breede
straten, bevatte bijna vijfduizend inwoners, vier kloosters,
verscheidene kerken en een zeer rijk begiftigd hospitaal. Het garnizoen
bestond uit achthonderd uitgelezen soldaten, en was dus voor die
streken vrij aanzienlijk te noemen.

Iets verder aan den anderen kant van het meer verhief zich het
bekoorlijke dorp Gibraltar waar de rijke handelaars uit Maracaïbo en
Merida, eene stad aan de andere helling der bergen, hunne
buitenverblijven hadden. Die stad Merida, een der fraaiste en rijkste
van de Nieuwe Wereld, was in die streek de zetel van het gouvernement
en de verblijfplaats van den Adelantado of gouverneur-generaal.

De loods werd zeer hupsch door den kommandant van de brigantijn
ontvangen, die hem dadelijk het gezag over het vaartuig afstond. De
wind die tot nu toe naar de kust was geweest, begon bij het verlaten
van het kanaal te draaien en daardoor werd de schooner genoodzaakt bij
den wind te houden en te laveeren ten einde het voorgebergte Cabrites
om te zeilen. Dit voorgebergte vormt eene vrij ver vooruitstekende
kaap, die als het ware de grond is van de zandbank waardoor de ingang
van het meer wordt belemmerd. Dank zij de uitstekende vaart van den
schooner en de gemakkelijkheid waarmee hij tegen den wind opwerkte,
koste het niet veel moeite om met het schip de kaap om te zeilen.

—Vive Dios!—riep de loods die naar aanleiding daarvan dien uitroep niet
kon weerhouden,—Kommandant, wat hebt gij een uitstekend schip! Ik kende
het nog niet. Het is zeker de eerste keer dat het zich in deze streek
vertoont, niet waar?

—Ja, het is werkelijk voor den eersten keer,—bevestigde de
kommandant.—Maar bovendien, het is gebouwd op een der werven van
Corunna, en die hebben, zooals ge weet, overal een goeden naam.

—Ja, ja, men mag zeggen wat men wil, maar de Spaansche marine is de
beste van de geheele wereld, en er is geen land waar zulke knappe
scheepsbouwmeesters gevonden worden,—luidde de blufferige uitspraak van
den loods.—Hebt gij geen enkele haven aangedaan eer gij hier kwaamt?

—Zeker, zeker! Ik ben te Santo Domingo binnen geloopen en heb mij dáár
een paar weken opgehouden.

—Zoo! En is de overtocht voorspoedig geweest?

—Bij uitnemendheid! Uitgezonderd dat wij bij het passeeren der eilanden
onder den wind een paar verdachte schepen in het zicht kregen, die wij
echter zonder veel moeite achter ons konden laten, hebben wij niet den
minsten tegenspoed gehad.

—Ja, ik twijfel er ook niet aan of uw schooner is best in staat om een
ander de loef af te steken. Die schepen behoorden zeker aan de ladrones
van Sint Christoffel. Hebt gij al vernomen dat die kerels het eiland
Tortue weer heroverd hebben? [2]

—Neen, dat wist ik niet! Hoe is dat gekomen?

—Daar weet niemand het ware van. Die gevleeschde duivels zijn op het
eiland doorgedrongen, hoe dit weet geen sterveling, en hebben het
garnizoen overrompeld en krijgsgevangen gemaakt, eer dit eigenlijk goed
wist wat er gaande was en met welke vijanden het te doen had.

—Hum! Dat is een treurig geval.

—Zeer treurig, zeker! De Onder-Koning van Nieuw-Spanje is dan ook
woedend, en heeft er een eed op gedaan, dat hij die herhaalde
schandalige zeeschuimerij duur aan de ladrones zal betaald zetten. Naar
het schijnt heeft hij reeds maatregelen genomen om aan die bedreiging
gevolg te geven en is eene zeer sterke vloot uit Vera-Cruz vertrokken.

—God geve dat het hem gelukke moge aan die halve duivels een verdiende
kastijding toe te dienen!

—Amen! En nu kommandant zullen wij met uw goedvinden, vol voor den wind
afhouden om tusschen het eiland Borica en het vaste land te passeeren,
dan langs de stad zeilen en voor den wind de haven binnen loopen waar
gij een veilige ligplaats zult vinden.

—Er liggen zeker veel schepen te Maracaïbo?

—Neen, daarvoor is het nu de tijd niet; er zijn er maar heel weinig,
zeker niet meer dan zeven of acht kustvaarders. Maar over een maand dan
komen ze weer uit Europa opzetten en zal de haven er heel anders
uitzien dan nu.

De manoeuvre werd met de meeste stiptheid uitgevoerd; de brigantijn
hield vóór den wind af, passeerde tusschen Borica en het vaste land,
zeilde ongeveer een half uur langs de stad bijna rakelings aan het
strand, en liep toen, even als door den loods gezegd was, met volle
zeilen de haven binnen, waar men ten anker ging genoegzaam vlak aan den
rand van den nauwen ingang, kort vóór de koopvaardijschepen, en het
schip vastmeerde aan een dood lichaam dat bestemd was voor de
oorlogsschepen. De loods ontving zijn loon, en op de brigantijn werden
de zeilen gestreken en geborgen met de eigenaardige vlugheid en
regelmatigheid welke aan oorlogsschepen eigen zijn; daarna werden door
de bemanning, onder leiding van den bootsman, de booten te water
gebracht. De kommandant liep op den achtersteven aan stuurboordzijde op
en neer, druk pratende met een reeds eenigszins op jaren gekomen
persoon, een passagier naar het scheen, toen een der scheepsjongens
hoogst onderdanig bij den officier van de wacht kwam om hem kennis te
geven, dat een boot, waarin zich verscheidene personen bevonden, de
haven had verlaten en met kracht van riemen op den schooner scheen aan
te houden. De officier ging daarvan dadelijk rapport maken bij den
kommandant, die oogenblikkelijk stil bleef staan, een paar minuten de
boot zeer nauwkeurig opnam, en zich toen over den schouder van den
officier van de wacht heenboog om dezen iets in het oor te fluisteren;
daarna gaf hij een wenk aan den passagier met wien hij in gesprek was
geweest, hem te volgen, en beiden daalden daarop af naar de kajuit. Een
paar andere personen waren in de kajuit aanwezig en hielden zich
onledig met dunne cigaretten te rooken, nu en dan een teugje
oranjewater nemend uit kelken van Boheemsch glas.

—Wel?—vroeg in het Fransch een van hen aan den kommandant, zoodra deze
in de deur van de kajuit verscheen.

—Wel!—herhaalde de kommandant, en wreef zich daarbij zeer vergenoegd de
handen.—Tot nu toe gaat alles zeer naar wensch; de loods houdt ons voor
niet anders dan echte gavachos: la Madre de Dios doet wonderen; zij
heeft op en top het voorkomen van een eerzamen Spaanschen schooner, de
loods is zeer in zijn schik over ons vertrokken, en verheft ons
waarschijnlijk op dit oogenblik tot in de wolken in alle mogelijke
kroegen van de stad.

—Wel drommels, Pierre Legrand,—werd daarop geantwoord door den eersten
spreker, die niemand anders was dan Philippe,—eere wien eere toekomt!
Jij hebt ruimschoots bijgedragen aan dit goede succes. Ge speelt je rol
uitmuntend, en op mijn woord men zou je kunnen houden voor een echten
señor.

—Ba!—hernam Pierre Legrand lachende.—Dat beduidt waarachtig toch
zooveel niet, ik ben immers een Bayonner? Maar nu opgepast, broeders,
er is een boot in het zicht, daarmee komen zeker de eerste autoriteiten
van de stad. Nu komt het er op aan een oog in het zeil te houden en op
te passen dat wij ons niet verspreken.

—Kom, kom!—antwoordde Philippe lachende.—Heb daarover geen zorg! Wij
zullen je voorbeeld volgen en hopen te toonen dat wij niet voor je
onderdoen. Wie is de officier die je met de ontvangst van onze
bezoekers hebt belast?

—Michel de Baskiër.

—Uitmuntend, dit kan niet beter, want hij is voor het minst even goed
Castiliaan als jij.

Het zoogenaamd Spaansche oorlogschip was werkelijk de brigantijn van
Philippe.

Met de vermetele stoutmoedigheid hun eigen, hadden de flibustiers niet
geaarzeld dit roekelooze waagstuk te ondernemen, vast verzekerd dat
zij, zoo het mocht gelukken, veel gemakkelijker en veel spoediger al de
inlichtingen zouden verkrijgen, die volstrekt noodig waren voor den zoo
gevaarvollen aanslag, dien zij wilden ondernemen, en even vast
besloten, om ingeval van mislukking en ontdekking, zich eer met hun
schip in de lucht te laten vliegen dan zich aan de Spanjaarden over te
geven. Overigens moeten wij erkennen dat al de voorzorgen, door de
voorzichtigheid geëischt, met de meeste zorgvuldigheid waren in acht
genomen.

De schooner, een Spaansch schip door Pierre Legrand en Philippe eenigen
tijd vroeger prijs gemaakt, had men ontdaan van alle eigenaardigheden
van een vrijbuitersschip, om het daarentegen weer geheel en al het
voorkomen te geven van een Spaansch oorlogsschip, tot zelfs den
vroegeren naam van la Madre de Dios, die in plaats gekomen was van la
Coquette, zooals Philippe het schip had herdoopt; het want was met zorg
nagezien en opnieuw geteerd, nieuwe zeilen waren aangeslagen, het dek
geschuurd en geschrobt, het koper opgepoetst, en de bemanning gestoken
in de kleedij van matrozen der Spaansche marine, in één woord nooit was
zulk een dwaze expeditie met meer beleid op het getouw gezet en
aangevangen.

Onbezorgd over zoovele gevaren die hun boven het hoofd hingen, lachten
die duivelsche vrijbuiters als halve dwazen bij de gedachte aan den
mooien streek dien zij hunne onverzoenlijke vijanden van zins waren te
spelen; zulk een kwajongensstreek, die echter geduchte gevolgen kon
hebben, lag geheel in hun aard en kwam overeen met hun karakter en
hunne gewoonten, zoodat zij zich daarover om het zoo eens uit te
drukken verkneuterden. Ieder beijverde zich dus ten zeerste om goed de
rol te vervullen die hem in deze comedie was toebedeeld, eene comedie
echter die ieder oogenblik door een of ander toeval, met geen
mogelijkheid te voorzien, kon veranderen in een vreeselijk treurspel,
een tooneel van moord en slachting, in een bloedbad. Maar dit was geen
bezwaar waardoor de flibustiers zich lieten terughouden, zij dachten er
slechts aan hoe zij zich het meest ten koste der Spanjaarden zouden
amuseeren, en over de beste manier waarop zij daarin zouden slagen.

Inmiddels was de boot, snel voortgestuwd door krachtige riemslagen,
dicht bij de brigantijn gekomen, en kort daarna lag zij bij de valreep
aan stuurboord.

Michel de Baskiër had reeds spoedig bemerkt dat in de achtersteven van
de boot iemand zat in de uniform van hoofdofficier; hij plaatste dus
verscheidene matrozen bij de staatsietrap en toen de Spaansche officier
die beklom werd hem, op het fluitje van den bootsman, de eer bewezen
verschuldigd aan zijn rang. Zoodra die officier, die niemand anders was
dan don Fernando d’Avila, de vroegere gouverneur van Tortue, den voet
op het dek zette bevond hij zich tegenover Michel de Baskiër. De beide
personages groetten elkaar zeer ceremonieel.

—Met wien heb ik de eer te spreken, caballero?—vroeg Michel beleefd.

—Señor oficial—(officier) werd door Fernando niet minder beleefd ten
antwoord gegeven,—ik ben don Fernando d’Avila, namens Zijne Majesteit,
Gouverneur van de stad Maracaïbo.

—Wees welkom aan boord van dit schip señor Gouverneur,—zóó luidde de
begroeting van Michel, vergezeld van een eerbiedig gebaar.

—Señor,—hernam don Fernando,—bij de nadering van dit schip meende ik
het te herkennen als Zijner Majesteits schooner la Madre de Dios, die
te Santo-Domingo binnenliep op denzelfden dag dat ik die stad verliet
om mij voor Zijne Majesteit naar hier te begeven.

—Gij hebt u daarin niet vergist, caballero, dit schip is werkelijk la
Madre de Dios.

—Dat werd ook bevestigd door den loods die het in de haven heeft
gebracht, en bij wien ik informatie liet inwinnen. Ik heb mij toen
gehaast naar hier te komen, daar, zoo ik mij niet bedrieg, zich bij u
aan boord moet bevinden señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya, en ik
gaarne de eerste wilde zijn hem bij zijne komst in deze streken te
begroeten.

—Wij hebben de eer, caballero, om onder onze passagiers ook te tellen
den graaf de l’Atalaya, die zich heeft verwaardigd te Santo-Domingo
zich bij ons in te schepen.

—Ja, ik had ook reeds vernomen dat de graaf gebruik zou maken van uw
schip bij zijn overtocht naar hier. Ik verzoek u thans, señor, zoo goed
te willen zijn mij voor te stellen aan Zijne Excellentie.

—Señor, dáár is onze kommandant,—zei Michel, buigende voor Pierre
Legrand die juist op dit oogenblik op het dek kwam,—die zelf de eer zal
hebben u aan den señor Conde voor te stellen.

Don Fernando d’Avila trad naar Pierre Legrand toe, met wien hij eenige
plichtplegingen wisselde, en tegelijkertijd dezelfde vraag deed die hij
reeds aan Michel de Baskiër had gedaan.

—Gouverneur,—gaf Pierre Legrand ten antwoord,—Zijne Excellentie stond
juist gereed om aan wal te gaan, doch zal zich, daaraan twijfel ik
niet, gelukkig achten u hier te ontmoeten, en het zeer op prijs stellen
dat door u zooveel haast is gemaakt, om aan boord te komen. Heb de
goedheid mij te volgen.

Daarop ging hij vooruit om den gouverneur den weg te wijzen, en steeg
met hem de trap af naar de kajuit, waar zich thans niemand bevond.
Pierre Legrand bood den gouverneur een zetel aan, en sloeg toen op een
timber (klok zonder klepel) waarop een kajuitsjongen verscheen.

—Ga Zijne Excellentie graaf de l’Atalaya verwittigen dat de señor
gouverneur van Maracaïbo hier de bevelen van Zijne Excellentie
afwacht,—gelastte Pierre Legrand.

De kajuitsjongen boog en vertrok; een oogenblik later kwam hij terug en
kondigde aan:—Señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya.

Montbars trad binnen, en don Fernando stond haastig op om hem te
begroeten. Montbars beantwoordde dien groet met waardigheid en zei
daarop:—Naar ik meen zijt gij kapitein don Fernando d’Avila. Ik heb
reeds meermalen en zeer gunstig over u hooren spreken. Het is mij
aangenaam, señor, met u in kennis te komen.

—Uwe Excellentie maakt mij verlegen,—antwoordde de gouverneur opnieuw
buigende.—Ik verdien waarlijk niet...

—Houd het mij ten goede, señor,—viel Montbars haastig in.—Gij zijt een
goed en loyaal dienaar van Zijne Majesteit, en als zoodanig hebt gij
recht op al mijne achting. Laat mij u bovendien bedanken voor de moeite
die gij u hebt willen geven u zoo spoedig aan mij voor te stellen. Ook
ik had mij reeds voorgesteld een bezoek aan u te brengen.

—Dat behoorde toch het eerst door mij te worden gedaan, Excellentie, en
tevens acht ik het mijn plicht mij te uwer beschikking te stellen;
daarbij heb ik de eer u mede te deelen dat ik last heb gegeven om voor
Uwe Excellentie en gevolg in het paleis, dat ik bewoon, vertrekken in
gereedheid te brengen.

—Dat is iets waaraan geen gevolg moet worden gegeven, waarde heer, want
hoewel ik u zeer dankbaar blijf voor dit zoo hoffelijke aanbod, kan ik
toch niet anders dan het bepaald afslaan, daar ik op geenerlei wijze u
den minsten overlast wil veroorzaken. Buitendien moet ik u, onder ons,
in vertrouwen doen opmerken, dat het voor mij, om behoorlijk de zending
te vervullen die mij is opgedragen, hoog noodig is, dat ik den ganschen
dag vrij over mijn tijd kan beschikken. Gij zult mij wel begrijpen,
niet waar?

—Excellentie...

—Laat ons dit beschouwen als bepaald afgesproken. Gij keert nu naar wal
terug, en zult mij zeer verplichten door voor mij een zeer gewone
bescheiden woning te huren, het doet er niet toe waar.

—Maar toch...

—Genoeg daarover,—voegde Montbars hem toe en tikte hem even op den
arm.—Er bestaan voor mij overwegende redenen om op die manier te
handelen. Later zal ik u die wel eens mededeelen.

—Als het zoo door uw Excellentie geëischt wordt, blijft mij niet anders
over dan te gehoorzamen.

—Ik zeg u dank voor uwe bereidwilligheid. Wees er verzekerd van
mijnheer de Gouverneur, dat ik hoogst gevoelig ben voor uwe
beleefdheid.

—Dan zal ik nu afscheid nemen van uwe Excellentie, om ten spoedigste
aan uw verlangen te voldoen.

—Doe zoo, en ik verzoek u het mij dadelijk te doen weten zoodra door u
eene geschikte woning is gevonden.

—Excellentie, ik wil aan niemand de eer afstaan u in uwe nieuwe woning
te installeeren, en zoo dit mij door u wordt toegestaan, zal ik zelf u
daarheen geleiden.

—Zeer gaarne.

De twee heeren wisselden toen nog de gewone beleefdheden en daarop
verliet don Fernando het schip, opgetogen door de zoo welwillende
ontvangst die hem ten deel was gevallen van iemand zoo hoog in rang als
graaf de l’Atalaya.








VI.

DE INSTALLATIE.


Toen don Fernando d’Avila niet meer op de brigantijn aanwezig was en de
aanvoerders der flibustiers dus weer buiten hun rol konden treden,
gaven zij zonder eenige terughouding lucht aan de overmaat van vreugde
over het groote en ongedachte succes van zulk een brutaal bedrog. Hun
vermetele krijgslist scheen alles te overtreffen wat in de jaarboeken
van de Broeders der Kust over zaken van dien aard geboekstaafd stond,
en toch bevatten die jaarboeken menig staaltje dat de bewondering
gaande maakte. Doch het moest erkend worden, dat door de vrijbuiters,
ondanks hun dapperheid, die boven allen twijfel verheven stond, nog
nooit zulk een gevaarvollen aanslag was beproefd om achter de geheimen
hunner vijanden te komen. Morgan, de mooie Laurent, in één woord geen
enkel der helden onder de boekaniers hadden ooit durven wagen zooveel
op het spel te zetten.

Maar toen de eerste oogenblikken van opgewondenheid voorbij waren,
begon men te wikken en te wegen, en daarna zich te beangstigen over den
zoo geheel onverwachten goeden uitslag. Toen scheen het hun onmogelijk
lang de rollen vol te houden die zij onder elkander hadden verdeeld, en
die zoo hachelijke comedie af te spelen, zonder daarbij ontmaskerd te
worden. Zij bleven peinzend staren naar de stad, wier witte huizen
trapsgewijze voor hunne blikken oprezen, en de vraag kwam bij hen op,
of het niet beter zou zijn, nu het nog tijd was, zich den aanstaanden
nacht ten nutte te maken, weer onder zeil te gaan en te trachten, te
ontkomen aan dit wespennest waarin zij zich zoo roekeloos hadden
gestoken.

De Spanjaarden waren immers te veelvuldig met de vrijbuiters in
aanraking geweest, om het als genoegzaam zeker te kunnen achten dat in
een stad met meer dan vijfduizend inwoners en een garnizoen van
achthonderd man, niet de een of ander zou wezen, die hetzij een der
aanvoerders hetzij een der matrozen van den schooner zou herkennen.

Die overwegingen kwamen zeker wel een beetje te laat, maar toch waren
zij oorzaak dat die gebruinde gezichten somberheid toonden; de
voorzichtigheid kreeg de overhand, en die mannen, hoe dapper ook,
werden nu ondanks zich zelven ten prooi aan een onwederstaanbaren angst
bij de gedachte aan de verschrikkelijke wederwraak die de Spanjaarden
zouden nemen zoodra deze het brutale bedrog zouden ontdekken, waarvan
zij de dupe waren geweest. Die vrees werd zóó ernstig zóó algemeen
gedeeld, dat het weinig scheelde of de brigantijn was dadelijk onder
zeil gebracht ten koste van alles wat daarvan mocht komen.

Slechts twee mannen bleven vast en onwrikbaar bij hun besluit om aan
wal te gaan en tot het eind te volharden in het plan waarom zij naar
Maracaïbo waren gekomen. Die twee mannen waren Montbars en Philippe. De
beweegredenen waardoor zij gedreven werden, waren zoo ernstig en
gewichtig dat in hun geest alle bezwaren en overwegingen moesten
wijken, voor hun vurig verlangen om tot iederen prijs te slagen in
hetgeen zij zich ten doel hadden gesteld. Nu zij met de grootste
koelbloedigheid hun eigen leven en dat hunner kameraden hadden gewaagd
om in de stad te komen, waarop zij thans een blik konden vestigen, nu
zij op het punt stonden hunne pogingen bekroond te zien, nu zouden zij
nooit toestemmen tot een schandelijken terugtocht onder den invloed van
overdreven angst, een gevoel onwaardig voor mannen zooals zij waren.
Montbars verhief met kracht zijne stem tegen dit besluit dat zijne
kameraden wilden nemen; hij toonde hen aan hoezeer het prestige dat de
vrijbuiters hadden weten te verwerven, hun, zelfs buiten hun weten, tot
waarborg strekte tegen de ondernemingen der Spanjaarden, bij het niet
zeer denkbare geval dat deze hen zouden herkennen. Het ergste wat hun
kon overkomen, was dat men gedwongen werd tot vechten; thans was er
geen enkel Spaansch oorlogschip noch in de golf noch op het meer,
derhalve waren de vrijbuiters meesters van de zee, en dus nog altijd in
staat om zonder groot bezwaar een terugtocht aan te vangen die
glorierijk zou mogen genoemd worden, waar men te kampen had tegen
honderdvoudige overmacht, maar op dit oogenblik des te smadelijker daar
er niets was, waardoor men ertoe genoodzaakt werd.

Die overtuigende redeneering, krachtdadig ondersteund door Philippe,
had het gevolg wat Montbars er van verwachtte; de vrijbuiters schudden
even gauw den angst af als die hen overvallen had en zwoeren Montbars,
dat zij hem trouw zouden blijven, en zich eer tot den laatsten man
zouden laten dooden dan hem aan zijn lot overlaten.

Nauwelijks had Philippe don Fernando d’Avila gezien of hij had hem
herkend als den vroegeren gouverneur van het Schildpaddeneiland, den
voogd van donna Juana. Onmiddellijk daarop stond zijn besluit vast; al
moest hij alleen te Maracaïbo blijven, dan zou hij dit zonder aarzelen
doen, veel liever dan af te zien van de hoop haar die hij liefhad terug
te zien, te meer daar dit het eenige doel was waarom hij een expeditie
uitgerust en zijn brigantijn bewapend had.

Toen de opgewondenheid, veroorzaakt door al die beraadslagingen door
ons in hoofdzaak medegedeeld, bedaard en de rust hersteld was, werden
de volgende besluiten genomen. De schooner zou dien nacht de
ankerplaats verlaten en dichter bij wal worden gebracht om zoodoende
makkelijker het verkeer met de stad te kunnen onderhouden. Pierre
Legrand en Michel de Baskiër, de beide gezagvoerders van het schip,
zouden verkenningen doen, en peilingen bewerkstelligen, maar alles
steeds in gereedheid houden om op het eerste signaal onder zeil te
gaan. Nog werd overeengekomen dat het aan de gansche bemanning,
uitgenomen de beide gezagvoerders, strikt verboden zou zijn aan wal te
gaan, en dat zelfs de gezagvoerders dit nooit te zamen maar altijd
ieder afzonderlijk mochten doen, uit vrees voor een mogelijke
overrompeling. De scheepjongen, Zijden-Draad, werd belast met de
overbrenging van de orders van Montbars naar de brigantijn. Aan boord
zou de stiptste discipline gehandhaafd worden, en, daar de geringste
ongehoorzaamheid den ondergang van allen zou kunnen berokkenen, werd
bevolen dat de schuldige onmiddellijk zou worden doodgeschoten; ten
overvloede en om zoo min mogelijk iets aan het toeval over te laten,
werd nog verordend dat de toegang tot het schip volstrekt ontzegd bleef
aan de inwoners van de stad. Al die maatregelen werden vastgesteld en
goedgekeurd in eene gezamenlijke vergadering door de vrijbuiters; zij
deden er een eed op dat die stipt zouden worden in acht genomen, op
even plechtige wijze als bij hunne aanwerving voor de inneming van het
Schildpaddeneiland bij de beëediging der monsterrol had plaats gehad.
Toen dit alles was geregeld, ging men over om de ontscheping te
bespreken.

Er waren zes personen, die zich aan wal moesten begeven, en wel in de
eerste plaats, Montbars, onder den naam van don Pacheco graaf de
l’Atalaya, buitengewoon Opper-intendant, en Philippe, als don Cardenio
Figueroa, zijn geheim-secretaris. Tevens Tributor, Pitrians en
Luiwammes, thans José, Purdo en Pico genoemd, als bedienden van den
graaf en eindelijk Zijden-Draad of Lopez Cardenas, zijn page. Montbars
deed allen in de kajuit bij zich komen om hun zijn laatste instructies
te geven. De rollen die zij van nu af hadden te vervullen, waren des te
moeielijker daar zij die in acht moesten nemen ten aanzien van een
ieder, en goed zorgen dit geen oogenblik te vergeten. Er ging meer dan
een uur voorbij om hun dit met allerlei voorbeelden goed in te prenten
en te doen gevoelen dat het van het grootste gewicht was dit steeds in
het oog te houden. Toen de vermaarde vrijbuiter ten laatste er zeker,
of ten minste bijna zeker van was, dat zij hunne rollen stipt zouden
volhouden, gaf hij order om twee booten te bemannen.

Hij zelf begaf zich in de eerste vergezeld door Philippe en
Zijden-Draad; drie andere vrijbuiters namen plaats in de tweede, met de
kisten, koffers en de verdere bagage, die aan hunne zorgen werden
toevertrouwd. Montbars keek om zich heen met eene vreemde uitdrukking
op zijn gelaat, ging toen recht in de boot staan, nam zijn hoed af,
groette glimlachend de matrozen, die zich over de berghouten van de
brigantijn gebogen hielden en sprak daarna met luide stem tot de
roeiers.

—Stoot nu af, mannen, maar denkt er vooral aan dat van dit oogenblik af
geen enkel Fransch woord door ons mag gesproken worden.

De boot werd afgehouden en met krachtige riemslagen voortgestuwd naar
het havenhoofd, waar reeds een groot aantal der inwoners verzameld was
en met ongeduld scheen te wachten naar het oogenblik waarop het de zoo
hoog geplaatste persoon, die men wist dat zich aan boord van de
brigantijn la Madre de Dios bevond, behagen zou aan wal te komen.

Nu wij tot dit gedeelte van ons verhaal zijn gekomen willen wij gaarne
zeer nederig bekennen dat wij zouden aarzelen het te vervolgen, zoo wij
niet in het bezit waren van de authentieke bewijzen der bijna
hersenschimmige feiten die wij verder hebben mede te deelen. Want
waarlijk grenst het aan het ongeloofelijke dat die mannen zoo vermetel
zijn om eene gansche bevolking tot dupe te maken van een zoo dwaas
komediespel, en evenzeer kan dit gezegd worden van de verbazende
onnoozelheid waarmede de bevolking, met de autoriteiten aan het hoofd,
zich zoo gemakkelijk door hen laat bedotten, zonder eenig wantrouwen te
koesteren, ondanks de menigvuldige listen waaraan zij van de kant der
flibustiers reeds blootgestaan had en die haar nu weer tot speelbal
gekozen hadden. Doch men moet in het oog houden dat in die dagen de
middelen van verkeer veel moeielijker en beperkter waren dan
tegenwoordig; slechts op enkele vaste tijden kwamen er schepen uit
Europa aan, daardoor bleven de Spaansche Koloniën bijna altijd in
genoegzaam volslagen onbekendheid niet alleen met de gebeurtenissen in
het moederland, maar zelfs met hetgeen in de onmiddellijke nabijheid
voorviel, dat wil zeggen in de naburige Koloniën.

Die onwetendheid kwam aan de vrijbuiters bij hunne plannen bijzonder
goed te stade; buitendien waren zij zelf, die onophoudelijk en in alle
richtingen de zee doorkliefden en kruisende bleven vóór de voornaamste
havens der kust en van de eilanden, steeds volkomen op de hoogte der
gebeurtenissen die voor hen van eenig belang waren, door de schepen die
zij van de Spanjaarden kaapten, hetzij die van Europa kwamen of
daarheen terugkeerden, de gevangenen die zij daarbij maakten en de
depêches of documenten die hun daardoor in handen kwamen. Ook moeten
wij ten overvloede hier nog bijvoegen dat door de vrijbuiters, sedert
de verbeterde organisatie hunner vereeniging, in de gewichtigste
plaatsen spionnen werden onderhouden die hun door middel van
afgesproken signalen langs de kust, bericht gaven van alle zaken die
voor de vrijbuiterij van belang waren.

Hoe dit ook wezen moge de beide booten naderden met spoed het
havenhoofd en lagen kort daarop stil aan de trap.

Don Fernando d’Avila, in groot tenue van Luitenant-Kolonel van het
Spaansche leger, weer een hoogeren rang die hem sinds kort was
verleend, wachtte de reizigers af te midden van den staf van het
garnizoen en van de voornaamste autoriteiten der stad. Na de
gebruikelijke plichtplegingen en voorstellingen liet don Fernando voor
Montbars en Philippe paarden voorbrengen. Het gansche geleide steeg te
paard en onder de toejuichingen der menigte, het gebulder van het
geschut, en de opwekkende militaire muziek werd de tocht naar de Plaza
Mayor langzaam aangevangen.

Het huis dat don Fernando had laten inrichten tot een geschikt verblijf
voor Montbars, stond op dit zelfde plein, niet ver van de kathedraal en
vlak tegenover het paleis van den gouverneur. Een eerewacht was vóór de
deur opgesteld. Don Fernando steeg af en noodigde de vrijbuiters uit
hem in het huis te volgen waarna hij hen de kamers rondleidde, en
verscheidene inrichtingen meer in het bijzonder aanwees. Na afloop van
dit kort bezoek nam de Gouverneur afscheid om graaf de l’Atalaya tijd
te geven zich geheel naar zijn goedvinden in dit huis te installeeren,
doch don Fernando verwijderde zich niet dan na van den graaf de belofte
te hebben verkregen, dat deze met zijn secretaris dien avond deel zou
nemen aan een banket dat hem werd aangeboden door de autoriteiten van
de stad.

Nauwelijks waren de poorten van het huis achter de Spanjaarden gesloten
of de vrijbuiters herademden; het was voor de eerste maal dat zij zich
zóó lang moesten bedwingen en dit begon hun moeite te kosten en te
vermoeien; zij hadden er dus veel behoefte aan om zich weer vrij te
gevoelen. Hun eerste zorg was nu om het huis tot in de kleinste
bijzonderheden nader op te nemen. Niettegenstaande hem daarvoor slechts
weinig tijd was gelaten had de gouverneur de woning voor den
Opper-Intendant uitstekend in orde gebracht. Het was een groot huis met
ruime vertrekken; achter het huis strekte een prachtigen tuin zich vrij
ver uit, en, wat den vrijbuiters het meeste beviel, het gebouw, in
werkelijkheid eigenlijk een paleis, had drie verschillende uitgangen,
die niet met elkaar in verband stonden; de eerste, de hoofdpoort, kwam
uit op de Plaza Mayor, de tweede, in den tuinmuur, verleende toegang
tot de calle Bodegones, en de derde, meer bepaald ten gebruike van het
dienstpersoneel in de calle Plateros. Dank zij deze, voor hen zoo
dienstige inrichting, waarover de vrijbuiters zeer in hun schik waren,
konden zij uit- en ingaan zonder te worden bemerkt en liepen zij geen
gevaar in hun huis als in een gevangenis opgesloten te blijven.
Daarenboven was de tuin, waarvan wij reeds melding maakten, vol
uitheemsche, zeer lommerrijke boomen, en verscheidene zeer dicht
begroeide prieeltjes, waar bijna geen zonnestraal kon doordringen,
zoodat hier zeer goede gelegenheid bestond om bezoeken te ontvangen, en
geheime gesprekken te voeren zonder in gevaar te verkeeren van
bespionneerd of beluisterd te worden.

Daar de optocht, zooals wij gezegd hebben niet dan langzaam
voortschreed, was de bagage reeds in de woning gebracht, eer de
vrijbuiters daar afstapten; alles was daar reeds geschikt, geregeld, en
op orde nog vóór zij den voet binnen de deur hadden gezet. Montbars
begaf zich naar zijne vertrekken om eenige oogenblikken rust te nemen,
en liet aan Philippe de zorg over om de bedienden, die zich kwamen
aandienen te woord te staan, en hun hunne plichten aan te wijzen.
Philippe kweet zich van die netelige taak als een zeer schrander
persoon, dat hij trouwens werkelijk was. Zijn eerste zorg was daarna
naar den officier te gaan die de eerewacht kommandeerde en hem hoogst
beleefd te bedanken, maar meer nog om er voor te zorgen dat hij zich
met zijne soldaten zoo spoedig mogelijk verwijderde, waarom hij zich
haastte hem, namens Zijne Excellentie, een met goud goed gevulde beurs
ter hand te stellen om onder deze waardige manschappen te verdeelen,
die daarop aftrokken onder uitbundig vreugdegejuich.

Daarna stelde Philippe aan: een kok, twee keukenjongens, twee
mayorales, twee lakeien, en vier palfreniers. Al die lieden verkregen
geen toegang tot de bijzondere vertrekken waarvan de dienst uitsluitend
moest worden waargenomen door de vertrouwde bedienden van den graaf,
met andere woorden door Tributor, Luiwammes en Pitrians. De anderen
bleven overigens onder het onmiddellijk toezicht van Pardo, of
Pitrians, den zoogenaamden Intendant van Zijne Excellentie. Toen het
bedienend personeel dus was georganiseerd, liet Philippe paarden
voorbrengen, hij koos er twaalf, dieren van groote waarde, die dadelijk
naar de corral werden gebracht. De jonge man, die niets over het hoofd
zag, was op zeker oogenblik op de gedachte gekomen, dat het misschien
goed zou wezen, om te allen tijde over uitstekende paarden te kunnen
beschikken.

Pitrians, Luiwammes, Tributor, en Zijden-Draad werden gehuisvest in de
vertrekken grenzende aan die van Montbars en Philippe, om op ieder uur
zoowel ’s nachts als op den dag in de nabijheid te wezen van hunne
voorgewende meesters en zoo noodig hun hulp te kunnen bieden. Aan
Pitrians werd nog in het bijzonder opgedragen geen enkelen avond ter
rust te gaan, dan na het huis van boven tot beneden in alle hoeken en
gaten te hebben doorzocht, en tot overmaat van zekerheid de vertrekken
der Spaansche bedienden te hebben afgesloten. Al die beschikkingen
vereischten vrij wat tijd en het was niet vóór vijf uur ’s namiddags
dat Philippe daarmeê eindelijk gereed was, en toen naar Montbars kon
gaan om dezen verslag te doen van alles wat hij verricht had. De
vrijbuiter keurde zijne schikkingen goed, en beiden begonnen zich nu te
kleeden voor het banket waarop zij genoodigd waren, daarbij geholpen
door Tributor, die bij deze gelegenheid fungeerde als kamerdienaar.

—Wij dienen ons wel op dit feest te vertoonen,—meende Montbars.—Alleen
de vrees om den gouverneur te ontstemmen, wiens goede gezindheid wij
tot iederen prijs moeten trachten te behouden, heeft mij weerhouden om
dadelijk voor die uitnoodiging te bedanken, doch nu wij ons niet geheel
van dit feest kunnen onttrekken, is het ook zaak zooveel mogelijk van
die gelegenheid te profiteeren en terstond in onze rollen op te treden.

—Wat wilt gij daarmee zeggen?—vroeg Philippe, die de bedoeling niet
begreep.

—Wat ik daarmee zeggen wil, wel, dat wij reeds morgen aan den dag in
functie moeten komen. Laat ons het steeds bedenken dat wij hierheen
zijn gezonden, om de rekeningen van de heeren Intendanten op te nemen,
na te zien, uit te pluizen enzoovoorts. Dat werk is een werk van langen
duur, want wij worden er door verplicht de voornaamste steden van
iedere kolonie te bezoeken. Vat ge nu waar ik heen wil, vriend?

—Volkomen. Dus moeten wij naar Gibraltar gaan en naar Merida?

—In één woord overal waar een streng onderzoek moet plaats
grijpen,—merkte Montbars glimlachend aan.

—Arme Spanjaarden,—mompelde Philippe.

—Hoe nu! Begint ge medelijden met hen te krijgen?

—Ronduit gezegd, ja! Zij ontvangen ons zoo hartelijk!

—Maar vergeet des ondanks niet om een dolk bij je te steken.

—Wees daarover gerust. Men weet nooit wat er kan gebeuren.

—Tributor laat de paarden zadelen. Gij moet ons vergezellen tot aan het
paleis van den gouverneur. Het zal wel overbodig wezen om je nog eens
op het hart te drukken, een oog in zeil te houden, niet waar?

De pandeling liet een flauw glimlachje bemerken, boog en ging heen.
Enkele minuten later reed graaf de l’Atalaya vergezeld van zijn
secretaris, en gevolgd door een bediende en een page, de Plaza Mayor
over, en richtte zich naar het paleis van den gouverneur, waar de wacht
onder de wapens kwam om hem militaire eer te bewijzen.








VII.

DE DUENNA.


Zóó verliepen enkele dagen waarin de vrijbuiters de dubbele rol, die
zij op zich hadden genomen, vervulden met zeldzame behendigheid en
zelfs zonder die één enkel oogenblik uit het oog te verliezen. Ondanks
het voorgewende strenge onderzoek over de tamelijk verwarde rekeningen
en verantwoordingen der intendanten, wist Montbars zich in hooge mate
de genegenheid van die waardige ambtenaren te verwerven, daar zij zich
gelukkig achtten, er dank zij de verschoonende toegevendheid van den
gevreesden buitengewonen Opper-intendant, beter af te komen dan zij
verwacht hadden; zij wisten niet hoe zij hem genoeg zouden roemen, en
waren niet uitgesproken over zijne kunde en zijn degelijk inzicht, maar
in de eerste plaats over zijne uitstekende bekwaamheden in betrekking
tot de belastingen.

Onder voorwendsel van alleen door eigen oogen te willen zien (en
werkelijk was dit zijn doel, doch niet in den zin dien men aan zijne
woorden gaf) gunde de flibustier zich geen oogenblik rust, maar trok
onophoudelijk van Maracaïbo naar Gibraltar, en van Gibraltar naar
Maracaïbo, nergens verzuimende het terrein op te nemen en schijnbaar
zonder daaraan veel gewicht te hechten, steeds druk met den gouverneur
in gesprek over zaken waarover hij nader wenschte te worden ingelicht.

Michel de Baskiër hield zich van zijn kant ijverig bezig met opnemingen
en peilingen en de oplossing van ingewikkelde zeevaartkundige
berekeningen, waarover de Spanjaarden, onnoozel genoeg, ten hoogste
verbaasd maar ook zeer verrukt waren, zich vleiend met de hoop dat die
strekken moesten voor het maken van uitgestrekte zeeweringen, iets wat
van het hoogste belang was voor de toekomst der kolonie.

Zonder bepaald reden te geven van zijn verlangen om te Maracaïbo te
blijven, had Philippe aan Montbars verzocht hem in de stad achter te
laten, om, zoo hij voorgaf, het oog te houden op de autoriteiten, en
bij den minsten schijn van gevaar zijne kameraden te kunnen
waarschuwen. Bij dit verzoek had de flibustier even geglimlacht, doch
zonder verdere toelichtingen te verlangen dadelijk aan den jongen man
toegestaan hierin geheel naar eigen goedvinden te handelen; toch had
hij hem ernstig op het hart gedrukt de grootste voorzichtigheid in acht
te nemen, er vooral op wijzende dat één enkele verkeerde zet door hem
gedaan voldoende zou wezen om den goeden uitslag van de gansche
expeditie onvoorwaardelijk te verspelen, vooral met het oog op het zoo
begrijpelijke wantrouwen der Spanjaarden, een wantrouwen dat zoozeer
versterkt was geworden door de zoo herhaalde verrassingen waarvan zij
door de vrijbuiters de slachtoffers waren geworden.

Toch was nog buitendien de positie van den jongen man uiterst
moeielijk. Iederen keer dat hij goed vond aan don Fernando d’Avila een
bezoek te brengen, werd hij door dezen zeer voorkomend ontvangen en
bejegend, dit was waar; de waardige gouverneur had er geen flauw
vermoeden van wie of wat de secretaris aan Zijne Excellentie graaf de
l’Atalaya eigenlijk was, ook dit was waar. Maar toch bleek uit alles
duidelijk dat de gouverneur met dien fijnen reuk, welke aan jaloersche
menschen en aan voogden eigen is, zich zoo al niet bepaald verzekerd
hield, dan toch vermoedde dat er onder het elegante uiterlijk en de
beschaafde manieren van señor don Cardenio een minnaar school. Wel
ontving de gouverneur den jongen man met de meeste ongedwongenheid, wel
deed hij het voorkomen alsof hij hem ten volle vertrouwde, maar toch
bleven zijne manieren zoo ceremonieel, waren de beleefdheden zoo deftig
en werd bij alles zulk een echt Castiliaanschen trots in acht genomen,
dat het niet mogelijk was tot eenige intimiteit te komen, daar dit
steeds door den slagboom eener onoverkomelijke etiquette belet werd.

Philippe raakte buiten zich zelven van woede; iederen keer wanneer hij
terugkwam van eene dier vruchtelooze bezoeken bij den gouverneur gaf
hij zich in zijn kamer aan buien van dolle vertoorndheid over, die
belachelijk zouden zijn geweest, indien de jonge man niet zoo innig en
oprecht bemind en dus vreeselijk geleden had.

Don Fernando had zijne pupil niet aan de flibustiers voorgesteld,
sedert hunne komst te Maracaïbo, had hij haar als het ware naar hare
vertrekken verbannen, zoodat zij slechts één keer naar de kerk was
geweest in een zeer dicht gesloten palankijn, omstuwd door een aantal
bedienden die de gansche breedte van de straat besloegen en dus den
toegang tot den palankijn onmogelijk maakten; buitendien was zij de
kerk binnen getreden door eene bijzondere deur en had toen plaats
moeten nemen in eene getraliede galerij waar zij door niemand kon
worden opgemerkt. Het was dus te vergeefs geweest dat de jonge man,
geheel op de hoogte van de Spaansche gewoonten, er voor zorgde om een
der eersten in de kerk te zijn, en dadelijk post vatte bij een
wijwaterbakje. Hij bood dan het gewijde vocht aan tal van bekoorlijke
dames, die hem beloonden met een innemend lachje, tegelijk hoogst
aanvallig even hare mantilles openslaande; en waarschijnlijk zou het
slechts van hem hebben afgehangen verscheidene veroveringen te behalen;
maar die glimlachjes, en die uitdagende blikken waren tegenover hem
verlorene moeiten; zij voor wie hij slechts oogen had, verscheen niet,
en hij ging heen met den dood in het hart, ten prooi van hevige
ontroering, en, zooals alle teleurgestelde verliefden, in zijn geest
allerlei plannen beramend, die even onzinnig als onuitvoerbaar waren.

Ten einde raad kwam de jonge man er toe het als zeker te beschouwen,
dat donna Juana don Fernando niet naar Maracaïbo vergezeld had, maar
door dezen naar Sint-Domingo teruggebracht was; die meening vestigde
zich zoo sterk bij hem, dat hij besloot dien eigen avond nog aan den
gouverneur daarover opheldering te vragen, het kostte wat het wilde.
Hij had tot vaste gewoonte aangenomen ’s avonds in de Alameda eene
wandeling te doen, en kon er bijna zeker op rekenen dáár ook den
gouverneur te ontmoeten.

Het was zoowat vier uren in den namiddag; gewoonlijk werd die
wandelplaats niet vóór zeven ure ’s avonds bezocht, en dus had Philippe
nog drie volle uren den tijd om te bedenken hoe hij het zou aanleggen
bij don Fernando met zulk een soort van verhoor te slagen, maar hoe
dichter de klok naar zeven uur wees, hoe moeielijker hij het begon te
vinden zijn plan ten uitvoer te brengen. En waarlijk hoe kon er eene
gereede aanleiding gevonden worden om bij een caballero, dien men eerst
sinds de laatste drie of vier dagen had leeren kennen, inlichtingen in
te winnen omtrent iemand, met wiens bestaan hij geacht moest worden
geheel onbekend te zijn? Hoe zou don Fernando die onbescheiden vragen,
die hij voornemens was tot hem te richten, opnemen? Welk recht had hij
den gouverneur die vragen te doen? Het geval was ernstig, zoo ernstig
zelfs dat Philippe zich moedeloos op eene buttaca liet neervallen, de
armen over de borst sloeg, en tot de overtuiging kwam dat er eigenlijk
niets door hem kon worden verricht.

Het sloeg zeven ure, en op dit kort afgebroken geluid, sprong Philippe
plotseling op, als getroffen door een electrieken schok, greep zijn
hoed, drukte dien vast op zijn hoofd en mompelde:—Kom! Toch ga ik! Wie
weet wat er gebeurt!

Op dat oogenblik werd een paar keeren geklopt aan de deur van het salon
waar hij vertoefde.

—Wel?—riep Philippe eenigszins sidderend.—Wie is daar?

—Ik ben het,—werd ten antwoord gegeven door de schorre stem van
Tributor.

—Loop naar de maan!—hernam Philippe spijtig.—Ik verwachtte heel iemand
anders dan jou.

Philippe zou zeker zeer in verlegenheid zijn gebracht indien de
goedhartige reus hem gevraagd had, wien hij dan wel had verwacht; maar
die gedachte kwam niet bij Tributor op en lachend gaf hij ten antwoord:

—Word ik op die manier door je ontvangen! Ik moet zeggen dat is zeer
hupsch, je bent wel in een prettige stemming.

—Goed! Wat wil je eigenlijk?

—Ik? Niets.

—Waarom kom je mij dan hier hinderen?

—Omdat in de Saguan iemand is die vraagt of gij te spreken zijt?

—En wie is die iemand?

—Dat zou ik waarlijk niet zoo precies kunnen zeggen. Maar zoover ik heb
kunnen nagaan, ondanks de kap en de doeken waarin zij zich heeft
gewikkeld, moet het eene oude vrouw zijn.

—Laat zij naar de maan loopen!—hernam Philippe.

—Goed,—vervolgde Tributor.—Gij schijnt van avond niet bijster in je
schik, en daarbij veel lust te hebben een ieder naar de maan te zenden.

—Ge verveelt mij, en van die oude vrouw wil ik niets weten, zend haar
weg.

—Zoo als gij wilt! Maar,—gaf de reus te kennen en schudde tevens het
hoofd,—misschien doet gij daar verkeerd aan. In Spanje wordt eene oude
vrouw doorgaans gevolgd door eene jonge dame en op dit oogenblik
bevinden wij ons hier midden onder de Spanjaarden. Denk daar eens over
na.

Dit gezegde trof Philippe en daarom zei hij:

—Nu, ’t is mogelijk dat ge gelijk hebt. Is dat oudje heel leelijk?

—Afzichtelijk! Zij heeft veel van eene tooverkol die van de heksendans
terugkomt.

De jonge man bleef een oogenblik in gepeins en al dien tijd keek
Tributor hem ter sluik en spotachtig aan.

—Nu goed,—zei Philippe eindelijk.—Breng haar maar hier, dan zal ik te
weten komen wat zij van mij wil, en spoedig genoeg een middel vinden om
mij van haar te ontslaan.

Dit zeggende, sprak Philippe anders dan hij dacht want zijne
nieuwsgierigheid was ten sterkste opgewekt, en met slecht verholen
ongeduld vestigde hij zijne blikken op de deur, toen hij de komst
afwachtte van de vrouw waarover Tributor had gesproken. Eindelijk
verscheen zij. Philippe uitte een kreet van vreugde en van verrassing,
snelde naar haar toe.—Na Cigala!—riep hij uit.

Zonder antwoord te geven, wees de duenna naar den reus die onbeweeglijk
bij de deur voor het salon stond.

—Ga heen,—zei Philippe tegen Tributor.

Dadelijk verwijderde de reus zich en trok de deur achter zich toe. Toen
kwam de duenna dichter bij Philippe, keek hem eenige oogenblikken strak
aan en vroeg toen:

—Zijt gij het dus wezenlijk en waarlijk zelf?

—Zeker, ik ben het,—luidde het antwoord.—Twijfelt ge daar nog aan?

—Hoe kan men er toe komen te gelooven dat u waarlijk hier waart, en dat
nog wel in zulk eene betrekking als u bij den Señor Conde de l’Atalaya
bekleedt, die luid en overal verkondigt welk een gloeienden haat hij
den gringos (ketters) toedraagt.

—Dit is zoo,—beaamde hij onwillekeurig glimlachend,—en toch ziet ge dat
de graaf, ondanks dien haat, goed heeft gevonden mij aan te stellen als
zijn geheim-secretaris, doch dit alles doet er eigenlijk niets toe. De
hoofdzaak was voor mij te zorgen dat ik hier in de stad kwam; nu dit is
mij gelukt, op welke manier ik daarin ben geslaagd is iets dat mij
alleen aangaat, en laten wij dus liever spreken over donna Juana.

—Donna Juana,— herhaalde zij met een diepen zucht.

—Is haar eenig onheil overkomen?—vroeg Philippe gejaagd.

—Onheil, neen, neen!—antwoordde zij dadelijk, en maakte naar Spaansch
gebruik het teeken des kruises.—Die arme Juana!

—Maar waarom spreekt ge dan over haar op een wijze die mij met vrees
vervult en toch vooronderstellen doet dat zij een nog heviger lijden te
verduren heeft dan dat, waaraan ik ten prooi ben.

De duenna bleef een poos zwijgen en keek wantrouwend om zich heen.

—Niemand kan ons hier hooren, na Cigala,—sprak de jonge man, die dit
opmerkte geruststellend.—Spreek gerust, maar ga eerst zitten, want dan
zult ge je meer op uw gemak bevinden, en deel mij nu de boodschap mede,
waarmede ge zeker voor mij zijt belast.

—Och!—zuchtte zij, terwijl zij ging zitten in de butaca die Philippe
naar haar toe had geschoven.—Mag ik tegen u señor don Philippe, rond en
openhartig zijn? Ik wil wel spreken, maar durf bijna niet, uit vrees
dat gij boos zult worden.

—Goede ziel,—gaf Philippe ten antwoord, die de grootste moeite had zijn
ongeduld te bedwingen,—spreek gerust en vrij uit, dit verzoek ik u
zelfs dringend, en beloof daarenboven, dat ik mij niet kwaad zal maken,
wat ge mij ook moogt mededeelen. Ik verlang er zoozeer naar om te weten
wat ge mij te zeggen hebt, en geloof mij ik kan daardoor in geen ergere
spanning komen, dan waarin ik nu verkeer, want uwe achterhoudendheid
kwelt mij onuitstaanbaar.

—Och, och, santa Virgen!—bromde de oude vrouw.—Wat zijn zulke jonge
menschen toch haastig en ongeduldig!

—Maar vóór alle dingen verzoek ik je ernstig mij antwoord te geven op
een paar vragen, en dan zal ik je vrijheid laten, om geheel naar eigen
goedvinden mij verder alles te vertellen.

—En wat zijn die vragen?—vroeg zij weer met eenig wantrouwen.

—Is donna Juana gezond?

—God zij dank, ja! Zij is geheel en al bekomen van die vermoeiende
reis, en zoo gezond als zij wenschen kan.

—Dank, dank! En heeft zij mij nog altijd lief?

—Zou ik anders wel hier zijn gekomen?—merkte de oude vrouw eenigszins
bits aan.

—Dan is alles goed!—riep Philippe opgewonden.—Als hare gezondheid niets
te wenschen overlaat, en als zij mij nog altijd bemint, dan is aan
mijne grootste begeerte voldaan! Begin nu maar te zeggen, goede, beste
ziel, alles wat ge te zeggen hebt. Thans ben ik zoozeer door je
gerustgesteld, dat ik met het grootste geduld naar je zal luisteren,
zonder boos of driftig te worden, dat beloof ik je, begin dus, want ik
ben zeer benieuwd wat ik door je zal vernemen.

Met een glimlach om de lippen wierp de jonge man zich achter in zijn
leunstoel, en ging recht gemakkelijk zitten. Droevig en meer dan eens
schudde de duenna het hoofd en keek daarbij den jongen man aan met eene
moeielijk te beschrijven uitdrukking; daarna haalde zij diep adem, even
als iemand die een zeer gewichtig besluit heeft genomen en zette het
gesprek voort.

—Señor caballero,—zoo begon zij,—gij zult het zeker van mij, die in uw
oog niet anders is, en niet anders zijn kan dan eene dienstbode, zeker
zeer vreemd vinden, dat ik mij bemoei met de zaken en belangen van
personen, die door hunne geboorte zoover boven mij geplaatst zijn.

—Daarin bedriegt ge je, na Cigala,—werd door Philippe op zeer
goedhartigen toon ten antwoord gegeven.—Ik weet hoe vriendschappelijk
donna Juana je gezind is, en vind het dus integendeel zeer natuurlijk,
dat je veel belang stelt in alles wat haar aangaat.

—Voor donna Juana ben ik geen gewone dienstbode, señor; ik heb haar
bijna zien geboren worden, la querida ninna; ik was haar min; bijna
nooit ben ik van haar af geweest; om haar naar Amerika te volgen heb ik
alles achter gelaten, mijn man, mijne kinderen en mijne bloedverwanten.
Ik heb haar even lief, alsof zij mijn eigen kind was, en misschien nog
liever.

—Met alles wat ge mij daar vertelt, was ik reeds bekend, behalve over
die bijzonderheden van uwe reis naar Amerika. Dus is donna Juana in
Spanje geboren.

—Wie kan dat zeggen?—mompelde de oude vrouw en sloeg de oogen ten
hemel.

—Hoe! Wie kan dat zeggen!—herhaalde Philippe.—Wat beteekent dit, na
Cigala?

—Luister, caballero,—werd ten antwoord gegeven.—Het weinigje dat ik
daarover weet, zal ik u nu mededeelen.

—Ga voort, na Cigala, ga voort,—uitte de jonge man haastig.

—Vergeet niet, caballero, dat ik vertrouw op uw woord als edelman, en
dit geheim nooit over uwe lippen mag komen.

—Ik geef u daarop mijn woord van eer!

—Ik was al zoowat een jaar of drie getrouwd, had reeds mijn eerste kind
gekregen en sinds een maand was het tweede er bij gekomen. Mijn man en
ik woonden in een hutje, dicht bij een stroom, enkele uren van Pau.

—Wat!—viel Philippe hoogst verwonderd uit.—Zijt ge dan geen Spaansche?

—Neen, ik ben uit Bearn.

—Verder, verder,—zei Philippe haastig en draaide ongeduldig in zijn
stoel heen en weer.

—Mijn man maakte jacht op beren en wilde geiten, deed zoo nu en dan een
beetje aan het smokkelen, en diende in zijn verloren oogenblikken als
gids aan de reizigers die somwijlen uit Spanje naar Frankrijk trokken,
of uit Frankrijk naar Spanje terugkeerden. Ondanks al die bedrijven of
juist omdat hij er zoo vele aan de hand had, was mijn man arm, zoo arm
zelfs, dat er meer dan eens gebrek aan brood was in ons armzalig hutje.
Juan werd wanhopig, het ongeluk scheen ons te vervolgen, maar ondanks
alles bleven wij eerlijk. Eens kwam mijn man terug, na langer dan
gewoonlijk afwezig te zijn geweest, en werd toen vergezeld door een
edelman. Gij kunt er op aan dat ik blijde was toen ik hem weer bij mij
had, want in de laatste twee dagen was er geen kruimel over mijne
lippen gekomen en Juan bracht leeftocht meê.—Moed gehouden,
vrouwlief—zei hij tegen mij,—doe je te goed en wees in je schik, want
hier is een edel heer, die medelijden met ons heeft.—Toen nam ik dien
vreemden heer eens goed op, want ik had nog bijna geen acht op hem
geslagen, daar hij diep in zijn mantel gedoken dicht bij de deur was
blijven staan. Die vreemde heer was reeds op jaren, had een mooi maar
stuursch gelaat, zoo trotsch van uitdrukking, dat ik er van huiverde,
hij was gekleed juist als een edelman. Ik groette hem onderdanig en
bedankte hem bijzonder voor al de goedheid die hij ons betoonde. Toen
sloeg hij zijn mantel open, toonde mij een kindje dat hij tegen zijn
borst hield gedrukt en zoowat van den eigen leeftijd van mijn jongste
was, en zei: „Goede vrouw, ge behoeft mij daarvoor niet te bedanken,
want de eene dienst is de andere waard, en hier ziet ge een zeer teer
schepseltje waarvoor ik je verzoek voorloopig te zorgen alsof jij zelf
de moeder waart.” Ik greep het kindje dadelijk, dacht er niet langer
aan meer te eten, hoewel ik rammelde van den honger en legde het
schepseltje aan de borst.

—En dat kindje was Juana, niet waar?—viel Philippe ongeduldig in.

—Ja, caballero, zij was het. Die edelman scheen er een oogenblik met
voldoening naar te kijken, dat ik dadelijk zoo goed zorgde voor dat
lieve engeltje; hij kwam dicht bij mij staan en drukte een kus op het
snoeperige gezichtje van de kleine die reeds rustig was ingeslapen.
„Nu, ik zie wel,” zei hij,—„dat alles hier goed zal gaan, en ge als een
moeder zult zorgen voor Juana, zóó heet het kind, het is een weesje.
Hier hebt ge een beurs met zestig onzen goud [3]; binnen een jaar zult
ge hetzelfde bedrag ontvangen, door bemiddeling van de heeren Izaguirre
en Zamala te Pau, en dat zal herhaald worden zoolang het kind aan uwe
zorgen blijft toevertrouwd; ge hebt niet anders te doen dan aan die
heeren dezen ring te vertoonen.”—Toen trok hij van den pink van zijn
linkerhand den ring, versierd met één enkelen steen, een bleeke robijn,
en reikte mij dien toe. „Ge hebt goed begrepen wat ik van u verlang,
niet waar? Weet te zwijgen, en dan zult ge u niet over mij te beklagen
hebben. Vaarwel.”—Hij wikkelde zich weer in zijn mantel, trok den rand
van zijn hoed over de oogen, gaf door een gebiedenden wenk aan mijn man
te kennen, hem te volgen en ging de hut uit. Hij is nooit meer bij ons
terug geweest, maar hoe kort ik hem ook gezien heb, toch ben ik er
zeker van, dat ik hem zou herkennen, zoo wij elkaar ooit weer mochten
ontmoeten; zulk een indruk heeft zijn gelaat op mij gemaakt, en zoo
duidelijk en klaar kan ik mij zijne trekken weer voor oogen stellen.

—Wie kan die man zijn geweest?—mompelde Philippe.—Haar vader
waarschijnlijk?

—Dat geloof ik niet. Drie jaren gingen voorbij. Ieder jaar ging ik naar
Pau, toonde daar den ring, en zonder dat men verder iets vroeg werden
mij de zestig onzen goud uitbetaald. Op een goeden morgen werd er tegen
de deur van onze hut geklopt; ik begon te beven, want wij woonden dáár
zoo afgelegen, dat wij nooit door iemand werden opgezocht, dan alleen
door enkele kennissen van mijn man, óók smokkelaars die zonder veel
omslag de deur openduwden en deden alsof zij te huis waren. Ik deed de
deur open, en zag een vreemden heer vóór mij staan. Die heer was een
der eerste klerken op het kantoor van de heeren Izaguirre; ik weet dit
heel goed, want had hem er altijd gezien, als ik daar het geld ging
halen. Hij groette mij en vroeg of hij mijn man kon spreken, ik zei van
neen, daar hij er op uit was, maar dat ik hem ieder minuut terug
wachtte.

„Nu goed,”—gaf hij ten antwoord,—„ik heb al den tijd.” Hij kwam binnen
en ging op een bank bij het vuur zitten, wij waren nog vroeg in de
lente en het was vinnig koud tusschen de bergen; pas een uur later kwam
mijn man terug, de vreemde heer ging met hem naar buiten, en daar
bleven zij lang met elkaar praten. Op eens kwam Juan weer bij mij en
zei, „vrouw, je moet je gauw kleeden, die señor hier komt Juana halen
en je moet met hem mede.” Ik begon er iets tegen in te brengen, maar
die heer viel mij in de rede en waarschuwde: „Doe zooals uw man zegt
daar zult ge u wel bij bevinden.” Ik gehoorzaamde, met tranen in de
oogen. Een uur later zat ik naast dien heer in een rijtuig met Juana op
mijn schoot, en reed dwars door de Pyreneën op weg naar Spanje. Wij
hielden nooit anders stil dan om te eten of van muildieren te
verwisselen. Na een tocht van vier dagen hield het rijtuig op voor een
heel mooi huis buten een dorp; later vernam ik dat dit dorp Ocano
heette. De vreemde heer gaf door een wenk te kennen dat ik moest
uitstappen en hem volgen. De deur van dat huis was reeds opengedaan
toen men het rijtuig hoorde stilhouden; die heer trad binnen, ook ik,
en zag daarna eene dienstbode die onbeweeglijk vóór ons stond. De heer
liep met mij het gansche huis door, en toonde mij al de kamers, die
zeer goed, doch zonder weelde, waren gemeubileerd. „Hier zijt ge nu
tehuis,” voegde hij mij toe, „en moet er tot nader order blijven;
iedere maand zult ge het voor uw onderhoud noodige geld ontvangen.
Mijne zending is nu afgeloopen. Goeden dag.”—„Maar mijn man dan?—vroeg
ik.”—„Dat is waar ook,—gaf hij ten antwoord.—Lees dezen brief, dien hij
mij voor je heeft meegegeven. Maar onthoud vooral goed dat ge niemand
hier bij je moogt toelaten dan alleen den persoon, die je een ring zal
toonen, geheel gelijk aan dien welken je reeds hebt. Vaarwel!” Hij ging
heen, ik hoorde het rijtuig in galop wegrijden, en bleef alleen achter
met Juana, die zich om niets bekommerde en zeer in haar schik was dat
zij nu vrijheid had om door al de kamers te huppelen.

—Dat is een zeer zonderlinge geschiedenis,—zei Philippe.—En hoe liep
dat af?

—Op de eenvoudigste manier, señor. In den brief van mijn man, gelastte
deze mij dat ik stipt moest gehoorzamen en gaf hij mij de verzekering
dat alles heel goed voor ons zou afloopen. Ik onderwierp mij dus aan
zijn verlangen, en gevoelde mij weldra geheel tehuis en tamelijk
tevreden in ons nieuw verblijf. Zoo verliepen enkele maanden. Doch op
zekeren dag hield een rijtuig vóór het huis stil, een heer stapte er
uit, kwam naar binnen en toonde mij een ring. Die heer was don Fernando
d’Avila; hij vertelde mij dat hij de voogd was van Juana en kwam om
haar te halen en naar Madrid te brengen; hij vroeg mij of ik lust had
met hem mede te gaan; daar ik zóó innig hield van het arme kind,
waarvoor ik als eene moeder had gezorgd, brak mijn hart bij de
gedachte, dat ik van haar zou moeten scheiden, en dus nam ik zijn
voorstel aan. Te Madrid werden wij gehuisvest in een prachtig paleis.
Iederen dag kwam don Fernando op een bepaald uur Juana afhalen voor
eene wandeling die soms zeer lang duurde. Wat mij betreft ik ging nooit
uit, daar het mij verboden was mijne vertrekken te verlaten, doch
schikte mij hierin, te meer daar mijn man mij in al zijne brieven
voorhield, dat ik steeds zonder tegenstribbelen moest gehoorzamen aan
alles wat men van mij verlangde. Op een goeden dag deelde don Fernando
mij mede dat hij naar Amerika moest vertrekken, en deed mij, even als
den vorigen keer, den voorslag om hem daarheen te vergezellen. Wat
moest ik doen? Ik was ver van mijne vrienden, in een vreemd land. Wie
kon zeggen wat de gevolgen zouden zijn, indien ik weigerde? Ik nam het
dus aan. Wij maakten met don Fernando den overtocht naar Hispaniola,
dáár wees hij ons tot verblijf aan het stadje, waar het toeval of
wellicht de hand der Voorzienigheid u zoo onverwachts op onzen weg
heeft gebracht. Verder heeft niets de eentonigheid van ons leven
afgebroken. Don Fernando heeft steeds volgehouden zijne pupil met
goedheid en eerbied te behandelen; naar het schijnt is hij bijzonder op
haar gesteld, terwijl hij ook voortdurend haar met de meeste zorgen
omringt.

—Maar,—zoo viel Philippe haar in de rede, haastig en gejaagd,—hebt ge
nooit iets meer ontdekt omtrent de geboorte van donna Juana, dan wat ge
mij daarover hebt medegedeeld?

—Niets. Wie zou mij daaromtrent hebben kunnen inlichten?

—Gij hebt gelijk! Het is eene hoogst zonderlinge geschiedenis!

—En tevens eene zeer treurige.

—Arm kind!—zuchtte Philippe.—Doch zeg mij eens,—vervolgde hij op geheel
anderen toon,—hebt ge dien ring bewaard?

—Zeker! Die ligt secuur geborgen in een koffertje.

—Wilt ge mij dien eens laten zien?

—Wanneer ge maar goedvindt.

—Wie weet? Zou het zoo onmogelijk zijn dat wij daardoor iets op het
spoor kwamen?

De duenna schudde twijfelend haar hoofd.








VIII.

EEN ZEETOCHTJE.


Er heerschte eenige oogenblikken stilzwijgen, doch ten laatste hervatte
Philippe het gesprek en zei, met den arm op zijn butaca leunende.

—Na Cigala, ik betuig je mijn bijzonderen dank, zooals ik ten volle
verplicht ben, voor het vertrouwen dat ge toont in mij te stellen, daar
ge mij dit geheim hebt willen mededeelen; toch wil ik je ronduit
bekennen dat het mij reeds bekend was, tenminste gedeeltelijk. Donna
Juana had mij reeds geruimen tijd geleden alles verteld wat zij er van
wist. Doch houd het mij ten goede zoo ik nu, op mijn beurt, eene vraag
tot je heb te richten.

—Laat hooren, señor,—gaf de duenna ten antwoord,—zoo ik er toe in staat
ben, zal ik die beantwoorden.

—Dat zal je niet veel moeite kosten. Ge hadt zonder twijfel een
bedoeling met het verhaal van die treurige geschiedenis. Welnu waarin
bestaat dat doel? Dit is iets wat ik gaarne wil weten.

—Ik stond op het punt, caballero, om het u mede te deelen.

—Goed, doe dit dan, ik verlang er zeer naar.

—Donna Juana is u gewaar geworden, hoe en waar, dat zou ik niet kunnen
zeggen, doch het is een feit dat zij u dadelijk heeft herkend. Haar kon
ik niets weigeren, ik heb haar veel te lief, dan dat ik niet alles zou
doen wat zij van mij verlangt. Nu heeft zij mij dringend verzocht naar
u toe te gaan, en te zeggen, dat zij u van avond nog wacht op eene
plaats waar ik u zal brengen, daarom ben ik hier gekomen. Maar op die
wandeling van het huis van don Fernando naar het uwe, heb ik er ernstig
over nagedacht, en thans wil ik u doen hooren wat het resultaat is
geweest van mijne overwegingen.

—Goed, na Cigala, deel mij het mede, en ik ben er zoo goed als zeker
van dat ik je daarop voldoende zal kunnen antwoorden.

—God geve het, Señor! De eer van donna Juana gaat mij boven alles ter
harte. Bij ons vertrek uit Hispaniola vleide ik mij met de hoop dat ik
u nimmer zou terugzien, en donna Juana er eindelijk toe zou komen om u
te vergeten. Gij bemerkt dat ik openhartig ben.

—Ja, misschien een beetje te veel.

—Toch niet! Eene liefde zonder hoop sterft ten laatste uit, dit is zoo
zeker als een wet der natuur. Dus rekende ik er op, dat de afwezigheid
eindelijk mijn lief kind zou bevrijden van haar innig gevoel voor u;
doch door uwe onverwachte komst hier, worden al mijne plannen in de war
gestuurd en falen al mijne berekeningen. Don Felippe, gij zijt jong,
knap, rijk, van goede afkomst, dit laatste vooronderstel ik ten minste,
welnu, ik smeek u in naam uwer moeder, wees tegen mij even openhartig,
als ik dit tegen u was. Antwoord mij dus zooals dit een edelman
betaamt. Is de liefde die gij voor donna Juana gevoeld waarachtig en
oprecht? Met andere woorden bemint gij haar genoeg om haar tot vrouw te
nemen ondanks al het duistere en al het geheimzinnige dat ten opzichte
van hare geboorte bestaat? Of is het bij u wellicht, zooals zoo dikwerf
bij jonge menschen, niets anders dan eene voorbijgaande hartstocht,
waarin de ijdelheid het hoogste woord voert, en die verdwijnt zoodra
aan haar verlangen is voldaan. Gij bemerkt nu ten volle don Felippe dat
ik met die vragen rondborstig voor den dag kom, geef daarop zonder
aarzeling en op dezelfde manier antwoord, dit eisch ik van u die
edelman zijt.

—En zoo zal ik ook doen, na Cigala—verklaarde Philippe in de grootste
opgewondenheid.—Ik bemin donna Juana met waarachtige en oprechte
liefde, eene liefde zoo zuiver dat de engelen zich er over zouden
verheugen. Wij hebben bezworen dat wij elkaar tot echtgenoot zullen
nemen, en dat noch de een noch de andere ooit aan een ander zou
behooren. Wat mij betreft dien eed zal ik gestand blijven tot iederen
prijs. Wat doet het er toe, of donna Juana al dan niet van adel mocht
wezen! Zij is goed, mooi en verstandig, en dit is voor mij voldoende;
ik ben rijk en adellijk genoeg zoowel voor haar als voor mij. Sinds
lang reeds beschouw ik haar als mijne vrouw en zij, van haar kant, ziet
in mij haar echtgenoot. Welke ook de hinderpalen mogen zijn die zich
tegen onze vereeniging opdoen, ik zal die weten te boven te komen.
Alleen om haar te zien, heb ik de grootste gevaren getrotseerd, en zoo
min nu als in de toekomst zal ik mij door iets laten terughouden. In
mijne liefde vind ik de kracht om de vijanden te weerstreven, die het
mochten wagen haar aan mij te ontrooven, in één woord die liefde is
mijn leven, en zal duren zoolang ik leef! Dat is mijn antwoord, na
Cigala, ik acht het loyaal en zoowel mij als de vrouw die ik bemin,
waardig. Zeg nu wat ge wilt dat er gedaan wordt, ik stel mij tot uw
beschikking.

—Goed en braaf gesproken, don Felippe,—gaf de duenna ten
antwoord.—Thans weet ik wat ik weten wilde, en ik blijf u van ganscher
harte toegenegen. Ik zelve, ik ben niet meer dan een eenvoudige
dienstbode, die weinig invloed kan uitoefenen, maar hoe gering die ook
zij, gaarne wil ik die geheel voor u aanwenden, en wees er van
verzekerd dat ik niets zal verzuimen om u te doen slagen in uw
voornemen om met mijn dierbaar kind in het huwelijk te treden en dus
aan uw beider geluk mede te werken.

—God vervulle uwe en mijne wenschen, na Cigala! Waarlijk, ik kan geen
woorden vinden om je naar eisch mijne dankbaarheid te betuigen.

—Don Felippe, het uur waarop de samenkomst moet plaats grijpen, nadert.
Wikkel u goed in een mantel van donkere kleur, trek den rand van uw
hoed diep over de oogen, gesp uw degen aan en volg mij; donna Juana
wacht u.

De jonge man gehoorzaamde, als een volgzaam kind, en was in een
oogenblik gereed.

—En wat moet ik nu doen?—vroeg hij daarop.

—Mij volgen alsof het iets zeer gewoon ware; verder u over niets
verwonderen, en binnengaan waar ik binnenga.

—Ga maar voor. Ik volg je.

Zij verlieten het huis. De avond was reeds gevallen; het was een van
die echt Amerikaansche avonden, met heldere lucht vol sterren, frisch
en aangenaam geurend, een avond zooals in het noordelijke klimaat niet
wordt gekend. In de straten, op den dag genoegzaam verlaten om de
brandende stralen der zon, waren nu tal van wandelaars aanwezig, die
gingen en kwamen onder vroolijk gesprek; vóór iedere deur stonden
groepjes menschen te lachen, te dansen en te tokkelen op de jarabe, de
Amerikaansche guitaar.

Zeer ongedwongen en geheel met het voorkomen van een gewoon wandelaar,
drong Philippe behendig door de menigte en volgde zonder opzien te
wekken de duenna, wier rebozo door hem niet uit het oog werd verloren.
Zóó liepen beiden bijna een half uur voort, en drongen hoe langer hoe
verder door in de zeer verwarde straten der benedenstad; eindelijk
kwamen zij uit bij de haven. Daar ter plaatse was het lang zoo levendig
niet; slechts enkele wandelaars verkwikten zich er aan de frissche
zeekoelte. Toen vertraagde de jonge man zijn stap eenigszins, uit vrees
dat hij anders de aandacht op zich zou vestigen, maar de duenna bleef
daarentegen op dezelfde manier haar weg vervolgen en keek rechts noch
links om, evenals iemand die haast heeft om tehuis te komen, doch het
houten havenhoofd, waar de goederen werden gelost, liep zij met vasten
tred langs. Ongeveer op het midden van dat havenhoofd stond zij stil,
keek even om zich heen, kuchte toen een paar keeren en steeg eenige
treden af van de trap, die naar het water liep. Een boot, waarin zich
slechts één man bevond, lag beneden aan die trap; zij stapte er
dadelijk in. Philippe deed dit insgelijks, de schipper stootte af en
het vaartuig werd in beweging gebracht. De duenna had het roer gegrepen
en stuurde, terwijl de schipper de riemen uitsloeg en het lichte bootje
het water deed klieven, met de snelheid van een ijsvogel die over de
kruin der golven scheert. Philippe gevoelde zich geheel aan zich zelven
overgelaten; hij durfde het niet wagen het woord tot de duenna te
richten en keek nieuwsgierig om zich heen. Het duurde niet lang of hij
kreeg een donker punt in het oog dat al heel spoedig zeer in omvang
toenam, en waarheen het bootje gestuurd werd. Dit donkere punt werd
meer en meer zichtbaar, en kort daarna bleek het eveneens een boot te
zijn, bestuurd door één enkel man, terwijl zich daarin ook eene vrouw
bevond. Onwillekeurig overviel Philippe eene siddering, en hij gevoelde
dat zijn hart met versnelde slagen klopte; hij had in die vrouw donna
Juana herkend. Na enkele minuten lagen de twee booten zij aan zij. Op
een wenk van de duenna stapte Philippe over in de tweede boot, en de
man die had geroeid kwam in de eerste. Daarop werden de beide booten
van elkaar verwijderd, en nu bevond Philippe zich alleen, met haar die
hij zoo innig beminde. Dit alles was met zulk een spoed afgeloopen, en
had zoo geheel onverwachts plaats gehad, dat de jonge man, overweldigd
door zijne ontroering een oogenblik sprakeloos bleef, en de kracht
miste één enkel woord te uiten.

—Is dat je groet, don Felipe, en dat nog wel na zulk eene lange
afwezigheid?—werd hem half fluisterend en op eenigszins spotachtigen
toon door een allerliefste stem gevraagd.

—O! Juana querida, vergeef het mij!—riep hij in vervoering.—Het komt
doordien ik mij overstelpt voel door het geluk dat mij te beurt valt.
Ach! Ik gaf bijna alle hoop op om je te ontmoeten!

—Eerst dezen morgen, beste Felipe, heb ik bemerkt dat gij te Maracaïbo
waart. Zeer toevallig herkende ik je, op het oogenblik waarop je de
patio van ons huis overstaakt.

—Hoe komt het toch dat het mij in die tien dagen, die ik nu reeds hier
ben, ondoenlijk geweest is je te zien en te spreken?

—Helaas, beste vriend, ik geniet hier niet zooveel vrijheid als in het
huisje te San Juan de Goava,—gaf zij zuchtende ten antwoord.

—Is don Fernando dan niet meer zoo welwillend voor je dan vroeger?

—Juist het tegendeel, hij schijnt veeleer nog vriendschappelijker, doch
in de laatste dagen kwam het mij voor, alsof hij over het een of ander
bezorgd is, en nu en dan ziet hij mij zeer treurig aan, zonder dat ik
met eenige waarschijnlijkheid kan nagaan wat daarvan de oorzaak is.

—Goede God! Zoudt ge door eenig onheil bedreigd worden?

—Dat geloof ik niet, beste Felipe, en toch heb ik, mijns ondanks, een
onverklaarbaar voorgevoel dat er spoedig iets zal gebeuren waardoor in
mijn toestand eene groote verandering zal komen.

—Juana, ge maakt mij angstig,—en zijn verbleekt gelaat bevestigde die
woorden.—Helder mij dit in ’s hemels naam op! Hoe komt ge op die
verontrustende gedachte?

—Dit kan ik je niet zeggen, Felipe, want het is ook voor mij een
raadsel. Het eenige dat ik heb kunnen opmerken is, dat die veranderde
gemoedsstemming van don Fernando eerst sinds een paar weken is
ontstaan. Toen ontving hij, met een schip dat van het vaste land kwam,
een brief, en de inhoud van dien brief scheen op hem zeer veel indruk
te maken. Hij gaf toen dadelijk last dat een prachtig verblijf, enkele
uren van de stad, hoogst bekoorlijk gelegen, met den meesten spoed
bewoonbaar gemaakt moest worden.

—Dat ligt naar den kant van Merida, niet waar?

—Juist, juist!

—Nu ik heb dat niet alleen gezien, maar ben er zelfs in geweest, het is
werkelijk een zeer prachtig verblijf. Don Fernando heeft mij vertelt
dat hij het in orde liet brengen voor een hoog geplaatst persoon, dien
hij ieder oogenblik kon verwachten.

—Die zelfde mededeeling heeft hij ook aan mij gedaan, doch hij heeft er
nog een paar woorden bij gevoegd, die ik meer raadde dan verstond en
wel: „Arm kind!” Hoe veel moeite ik ook deed om er iets meer van te
vernemen, toch was dat alles te vergeefs; don Fernando bleef zeer
geheimhoudend, en het gelukte mij verder niet iets te vernemen; daartoe
bepaalt zich dus alles, doch, beste vriend, wij zijn nu lang genoeg
over mij bezig geweest, laten wij liever over jou praten. Hoe is ’t
mogelijk dat ge het gewaagd hebt hier in de stad te komen, ik sidder
als ik denk aan de mogelijke gevolgen. Ge weet toch dat ieder
vreemdeling die in de Spaansche koloniën wordt aangehouden onmiddellijk
ter dood wordt gebracht, niet waar? De wet is te dien opzichte
onverbiddelijk.

—Dat weet ik, lieveling, maar wat geef ik er om! Ik wilde tot iederen
prijs je weerzien, om je nogmaals te zeggen dat ik je liefheb.

—En ik dan, beste Philippe, ik heb je immers ook lief?

—Ja, maar zeker toch niet zoozeer als ik.

—Misschien, maar hoe dit zij, ik beef en sidder voor je! Als ge eens
ontdekt werd.

—Wees daarover niet ongerust, liefste. Ik ga door voor een Spanjaard,
en niemand hier vermoedt dat ik tot eene andere natie behoor. Ik ben
secretaris bij den graaf de l’Atalaya, die een zeer voornaam heer is.

—Dit stelt mij eenigszins gerust, maar toch zou de geringste
onvoorzichtigheid je ondergang kunnen bewerken.

Philippe glimlachte guitig.

—Maar hoe zijt ge er in geslaagd, om de bescherming te verkrijgen van
den graaf de l’Atalaya?—hernam de jonge dame.

—Lieve, beste, het zou veel te lang duren om je dit in geuren en
kleuren te vertellen, maar zeg mij veel liever hoe ge er toe gekomen
zijt om hier in volle zee een samenkomst met mij te willen hebben?

—Wel, beste vriend, dat komt omdat ik sinds eenige dagen, waarom weet
ik niet, strenger dan anders in het oog wordt gehouden. Als ik hier of
daar heen wil gaan, dan volgt men mij op korten afstand, en dus was ik
er te benauwd voor dat men ons in de stad of op onze wandeling mocht
gewaar worden.

—Maar die schippers dan, die geroeid hebben?

—Die zijn op mijn hand.

—Hum!—deed de jonge man hooren, en schudde daarbij het hoofd.—Nu, ge
kent die menschen zeker beter dan ik, dus zal ik daarover maar zwijgen.
Zou ik je nog eens kunnen ontmoeten?

—Helaas, beste vriend! Dat zal te bezwaarlijk gaan!

De jonge man zuchtte, greep haar hand, drukte die innig, en vroeg op
teederen toon:

—Juana, stelt ge het volste vertrouwen in mij?

—Zeker doe ik dat, beste vriend, want ik heb je lief en ben overtuigd
dat wederkeerig ook jij mij liefhebt!

—En zijt ge evenzeer er van overtuigd, dat al mijne handelingen, wat ik
ook doen moge, geen ander doel hebben dan om met je te worden
vereenigd, en je gelukkig te maken?

—Dat geloof ik vast en zeker, Philippe.

—Voor die woorden zeg ik je dank, beste Juana! Nu is alles goed, want
ge hebt mij juist beoordeeld. Let nu goed op het geen ik je verder ga
zeggen, querida Juana, want het is om ons geluk, om mijn leven te doen.

—Spreek, beste vriend! Alles wat ge van mij verlangt, zal ik stipt ten
uitvoer brengen.

—Zonder aarzelen?

—Ja, zonder de minste aarzeling.

—Misschien zal ik binnen twee of drie dagen genoodzaakt zijn dit land
te verlaten.

—Ach, Philippe!—kreet zij smartelijk.

—Maar om er spoedig terug te keeren,—vervolgde hij,—dat zweer ik je
lieve beste.

—Helaas! Weer eene scheiding!

—Die echter de laatste zal zijn,—werd door hem verzekerd.—Één,
misschien twee maanden kan mijne afwezigheid duren, maar stellig niet
langer, en als ik terugkom dan zal dit zijn om je nooit meer te
verlaten.

—Waarlijk? Kan ik daarop rekenen?

—Ik verzeker het je op mijn woord als edelman!—bevestigde hij zeer
opgewonden.—Maar, Juana, dan moet ge ook, als ik er niet ben je kloek
en krachtig toonen; de gedachte aan mij moet voor je zijn als een
talisman, die je beschermt tegen alles wat men jegens je mocht
beproeven. In één woord, blijf volharden in liefde voor mij.

—Vertrek dan gerust en onbekommerd, beste vriend.—Wat er ook gebeure
moge, ge zult mij terug vinden, zooals gij mij verlaten hebt. Ik ben
immers reeds voor God uw vrouw? Maar hoe zal ik bericht krijgen van uw
terugkomst?

—Laat je lieve oogen maar telkens over de zee dwalen, vooral als er
schepen in aantocht zijn. Het schip aan boord waarvan ik zal wezen, zal
aan den fokkemast een vlag met zwarte en witte ruiten in top hebben.

—Zwarte en witte ruiten. Goed Philippe ik zal dat niet vergeten.

—Luister nu goed toe, liefste Juana; wat er bij mijn terugkeer in de
stad mocht voorvallen, wat men je ook te mijnen opzichte mocht
vertellen, let er niet op, blijf er doof voor, en beoordeel mij niet,
eer ik zelf bij je gekomen ben om mij te rechtvaardigen.

—Nu maakt gij mij waarlijk beangst. Beste vriend wat zijt ge dan
voornemens te doen?

—Dit is iets wat ik zelf nog niet weet, Juana, maar ik ben er zeker van
dat het mij gelukken zal. Zorg er vooral voor dat ge in uwe vertrekken
blijft, hoe erg men ook bij u mocht aandringen om uit te gaan; ge moet
je daar ten sterkste tegen verzetten. Mocht het noodlot mij te lang van
je verwijderd houden, dan zal ik een of meerdere boodschappers tot je
zenden, die ge gemakkelijk kunt herkennen, want zij dragen allen om den
rechter arm een band met de zelfde kleuren als de vlag aan den
fokkemast. Die lieden kunt ge ten volle vertrouwen en gerust doen alles
wat zij zeggen. Hebt ge mij goed begrepen, beste Juana?

—Ja, ja, Philippe, maar toch maakt ge mij door dit alles zeer ongerust.
Zeg mij toch in ’s hemels naam, beste vriend, welke onheilspellende
plannen ge toch hebt.

—Querida Juana, ik bedenk geen ander plan dan om voor altijd met je
vereenigd te worden, en het hangt slechts van jou af of dit plan
gelukken zal.

—O! Als dit het geval is, dan hoeft ge niet te twijfelen aan den goeden
uitslag.

—Doch hierbij blijft het niet, ge moet mij vast en stellig beloven zeer
stipt al de instructies te volgen, die ik je gegeven heb.

—Twijfelt ge er nog aan dat ik hierin te kort zal schieten? Stipt zal
alles verricht worden, zoo waar ik je liefheb.

—Ge zijt een engel, querida! Ge toont hoe blindelings ge mij vertrouwt.
Van mijn kant doe ik er een eed op dat ge gelukkig zult worden, of ik
moest sterven!

—O! Lieveling, spreekt nu niet over sterven, niet over den dood. Ach!
Mocht dit het geval wezen, gelooft ge dat ik dan de kracht zou hebben
om je te overleven?

—Juana, liefste, straks hebt ge gezegd dat ge een voorgevoel hadt, dat
heb ik nu ook en wel dit, dat al onze wederwaardigheden spoedig ten
einde zullen zijn.

—God geve het, Philippe!

—Bid Hem, dat Hij u bescherme, mijne Juana, want, zoo waar ik leef, om
u te bezitten ga ik doen wat nog nooit eenig man heeft gewaagd.

—O! Goede God! Ik sidder bij die gedachte!

—Liefste, koester veeleer goede hoop!

Op dit oogenblik vernam men dicht bij het geklots van riemen en de boot
waarin de duenna zat, kwam uit de duisternis te voorschijn.

—Nu moeten wij scheiden, Philippe,—zei het jonge meisje.

—Nu reeds!—mompelde Philippe.

—Ja, zoo ik langer uitbleef zou dit argwaan kunnen wekken, en
buitendien hebben wij nu toch hoop elkaar spoedig terug te zien.

—Dat is waar liefste, en dan zal dit voor altijd wezen. Vergeet toch
vooral niets van alles wat ik je zoozeer heb aanbevolen.

—Ik zal niets vergeten.

De beide booten stieten tegen elkaar.

—Tot weerziens, Philippe,—fluisterde Juana hem toe.

—Ja, ja, tot een spoedig wederzien, liefste beste Juana!—antwoordde hij
op dezelfde manier. En na een langen kus op de hand, die hem werd
toegereikt, beheerschte hij zich zelven, en stapte in de andere boot.
De beide jongelieden wisselden nog een laatsten blik, eer de vaartuigen
zich verwijderden in verschillende richting. Toen hij weer voet aan wal
zette, boog Philippe zich naar het oor van de duenna, en
zei:—Hartelijken dank, na-Cigala. Nooit zal ik vergeten, wat ge heden
voor mij hebt gedaan! maar dien ring....

—Zult u morgen ochtend ontvangen. Goeden avond, señor,—voegde zij er
met een vriendelijk lachje bij.

Te huis gekomen vond Philippe dáár Montbars, die hem wachtte, en met
groote stappen zijn slaapkamer op en neer liep.

—Wel drommels, waar komt ge zóó laat van daan?—vroeg Montbars.

—Van een zeetochtje,—antwoordde Philippe met het openhartigste
voorkomen.

Montbars bleef zóó versteld staan door dit antwoord, dat de jonge man
in schaterend gelach uitbarstte.








IX.

HET VERTREK.


Philippe wierp mantel en hoed af, ontgespte zijn degen en bood den
vrijbuiter een zetel aan.—Hebt gij op mij gewacht?—vroeg hij daarna.

—Ja, beste vriend,—gaf Montbars ten antwoord, terwijl hij plaats
nam.—Reeds meer dan een uur heb ik hier in je slaapkamer op en neer
geloopen.

—Heeft Tributor je dan niet gezegd...

—Toch wel, beste Philippe,—viel Montbars in.—Tributor heeft mij van
alles op de hoogte gebracht, en verteld dat ge bezoek hebt gehad van
eene soort van duenna, en met dat zeer eerwaardige oudje waart
uitgegaan. Daaruit heb ik opgemaakt dat hier hoogst waarschijnlijk
spraak was van een rendez-vous tusschen een paar verliefden, en dat dit
bij gevolg wel niet zoo kort zou duren, maar daar ik je hoog noodig
moet spreken, ben ik op je blijven wachten. Ge duidt mij dit toch niet
ten kwade?

—Volstrekt niet, waarde Montbars. Zaken gaan vóór alles, maar vooral in
een toestand als den onze, daar wij ieder oogenblik in gevaar verkeeren
om gesnapt en als dolle honden gemold te worden; zelfs geloof ik
bemerkt te hebben dat wij bij dezen en genen reeds in kwaden reuk
komen.

—Dat is juist ook mijne meening.

—Is er dan iets voorgevallen?

—Dat zoozeer niet, doch het is best mogelijk dat dit zeer spoedig
gebeurt, en daarom acht ik het noodig onze maatregelen te nemen.

—Zoodat?

—Zoodat... doch ik vrees dat ik je nu al te erg verdriet ga aandoen,
vooral na je zeetochtje,—werd er spottend bijgevoegd,—en daardoor
verwarring zal teweeg brengen in eenige zaken die ongetwijfeld hoogst
aangenaam voor je zijn.

—Dat doet er niets toe, waarde vriend,—verzekerde Philippe
lachend.—Doch ter zake.

—Verlangt ge dit?

—Wis en zeker.

—Nu dan, naar ik geloof hebben wij nu reeds lang genoeg in deze streken
vertoefd en dreigt een verder verblijf hier voor ons gevaarlijk te
worden.

—Dat ben ik volkomen met je eens,—gaf Philippe te kennen.

—Wat!—uitte Montbars in verbazing.—Meent ge nu wat ge daar zegt?

—Zeer zeker.

—Dus als ik order gaf om morgen aan den dag op te breken...

—Dan zou ik van ganscher harte dit besluit toejuichen,—vulde de ander
aan.

—Wel zoo!—sprak Montbars, wiens verwondering steeds stijgende
bleef.—Heb nu toch even de goedheid mij daarvan nadere verklaring te
geven, want ronduit beken ik je, dat ik er geen touw meer aan vast kan
knoopen.

—Hoe dat zoo?

—Wel, ik dacht bepaald dat ge erg verliefd waart.

—En daarin bedriegt gij je volstrekt niet. Ik ben tot over de ooren
verliefd op een allerbekoorlijkst schepseltje.

—Welnu dan?

—Welnu, daarom juist moeten wij zoo spoedig mogelijk vertrekken.

—O, zoo!—lachte Montbars.—Nu begin ik het te snappen.

—Neen, waarde vriend, gij snapt niets,—gaf Philippe met zekere
gevatheid te kennen.—Ik bemin, met eene liefde die even oprecht als
onbegrensd is, eene liefde die alleen met mijn leven zal ophouden, een
engelachtig wezen, wier hand ik nog slechts heb gekust, en nu zal het
je duidelijk worden hoe deze zaak zich geheel anders toedraagt dan
waarschijnlijk door je word verondersteld.

—Dan is dit toch, neem het mij niet kwalijk, een raar soort van
liefde,—merkte de vrijbuiter lachend aan,—daar ge de zoo zeer door u
aangebeden schoone gaat ontvluchten!

—Ontvluchten, neen, dat is de bedoeling niet, maar ik wil haar
verlaten.

—Nu, dat komt zoowat op hetzelfde neer, zou ik meenen.

—Niet zoo precies! Men verlaat iemand, als men plan heeft terugtekomen,
doch neemt men de vlucht, dan is dat voor altijd.

—En dus?

—Ben ik bereid om te vertrekken, zoodra gij maar wilt.

—Ik zal het maar opgeven om verder daarover met je te harrewarren;
achter die onverklaarbaar haastige bereidwilligheid schuilen zeker
geheime bedoelingen, die ik niet behoef te kennen en dus wil ik daar
niet op aandringen.

—Hartelijk dank voor zulk eene bescheidenheid, waarde vriend.

—Keeren wij nu terug tot onze gezamenlijke belangen. Onze kameraden
zijn met hun peilingen en opmetingen gereed gekomen; Luiwammes is nu
met de golf van Venezuela even goed bekend als de beste loods; verder
zijn kaarten in plattegronden gemaakt van Maracaïbo, Merida en
Gibraltar; wij zijn geheel op de hoogte van de sterkte onzer vijanden,
en in staat om tot handelen over te gaan, zoodra wij het geschikte
oogenblik gekomen achten. Dit is meer dan wij noodig hebben, niet waar?

—Dat stem ik toe.

—Nu komt er nog bij, dat don Fernando d’Avila ieder oogenblik de komst
verwacht van iemand van zeer hoogen rang, en het is voor ons alles
behalve raadzaam zulk een personage te ontmoeten. Tot nu toe is de
fortuin ons in alles zoo gunstig geweest dat het overmoedig zou wezen
daarvan nog meer te verwachten. Onze rollen zijn hier afgespeeld, en
dus kunnen wij van het tooneel verdwijnen.

—Onder voorbehoud van daarop spoedig weer te verschijnen.

—Natuurlijk. Zoo denk ik er juist ook over.

—Doch wij kunnen toch niet zoo opeens en zonder aanleiding of reden
vertrekken.

—Zeker niet! Maar een voorwendsel is gemakkelijk te vinden. Ik moest
hier immers eene zending vervullen, niet waar? Welnu, dat heb ik
gedaan, en na al de rekeningen van die heeren intendanten te hebben
opgenomen, nagezien en zeer nauwkeurig nagesnuffeld, is hier mijn taak
geëindigd en dus niets natuurlijker en eenvoudiger dat ik mijne reis
verder voortzet.

—Dat is goed bedacht,—verklaarde de jonge man lachend.—De Gouverneur
zal noch kan daar iets vreemds of onregelmatigs in vinden.

—Ik heb dezen avond reeds tegen hem mij daarover een paar woorden laten
ontvallen, en ik moet bekennen dat hij die mededeeling zeer leuk heeft
opgenomen. Het blijft onder ons, beste vriend, maar ronduit gezegd, ik
ben tot het vermoeden gekomen, hoe en waardoor dat weet ik zelf niet,
dat don Fernando d’Avila recht in zijn schik zal wezen, als hij ons
ziet vertrekken.

—Dat ben ik geheel en al met je eens!—verklaarde Philippe spottend.

—Ei! En hoe dat zoo?

—Och, dat weet ik niet, maar toch ben ik er zeker van.

—Mooi zoo! Nu beginnen wij weer met de raadseltjes, maar daar heb ik
genoeg van, dus basta! Buitendien wil ik je niet langer ophouden, en
daarom ga ik naar bed. Slaap rustig, waarde Philippe. Maar luister nog
even, ik moet je toch nog een paar woorden zeggen.

—En wat zullen die behelzen?

—Alleen dit, dat ik er zeker van ben dat wij allen in deze heele zaak
voor jou de kastanjes uit het vuur hebben gehaald en dat bij het
afsluiten van de rekening blijken zal, dat gij het zijt die er het
meeste voordeel van trekt. Heb ik goed geraden?

Philippe begon te lachen, drukte zijn kameraad de hand en daarop
scheidden zij.

—Wat kan het mij schelen, of hij al dan niet iets heeft geraden?—sprak
Philippe in zichzelf, zoodra hij alleen was.—Want wat daarvan zij, ik
weet toch zeker dat ik staat kan maken op zijne vriendschap en
toegenegenheid.

Na die overdenking stapte hij in bed, weldra rustig slapende en
heerlijk droomende tot aan den morgen. Tegen tien uur liet graaf de
l’Atalaya zijn geheim-secretaris bij zich ontbieden. Toen Tributor in
de kamer van Philippe kwam vond hij dezen nog slapende, met die
gelukkige onbezorgdheid der jeugd, voor wie slechts het tegenwoordige
bestaat en die zich niet bezwaart met het verledene, noch bezorgd maakt
voor de toekomst. Tributor had veel moeite om den jongen man wakker te
krijgen.

—Loop naar den drommel, lastige kerel!—bromde Philippe die in zijn bed
oprees, en zich nog erg slaperig de oogen uitwreef.—Ik lag juist zoo
heerlijk te droomen!

—Kom, kom!—merkte de reus zeer wijsgeerig aan.—Mijnheer Philippe weet
zeer goed dat de mooiste droom toch niets haalt bij de werkelijkheid.
Droomen zijn bedrog!

—O! Ben jij daar, Tributor! Ik moet zeggen je draagt je naam terecht.
[4] Wat moet je van mij hebben?

—Vooreerst moet ik je dit doosje ter hand stellen, dat men dezen morgen
voor je heeft gebracht.

—Geef op!—gelastte Philippe barsch, rukte het doosje uit zijn hand en
stopte het dadelijk weg onder zijn beddekussen.—En verder?

—Wat ben je haastig gebakerd van ochtend! Nu dan, Montbars wacht je in
het groote salon; dáár zijn zeker meer dan twintig lieden die om het
hardst babbelen. Naar het schijnt heeft men je dáár noodig.

—Wie zijn die menschen?

—Vooreerst onze kameraden, en dan de Gouverneur, die, ik weet niet
hoeveel, geborduurde rokken bij zich heeft.

—Wel alle duivels! Dan moet ik mij niet laten wachten, want het schijnt
eene ernstige zaak te wezen.

—Dat geloof ik ook. Gij moogt dus wel haast maken.

—Binnen vijf minuten ben ik klaar. Ga zeggen dat ik kom.

—Goed.

De reus ging heen. Philippe sprong haastig uit zijn bed, en begon zich
te kleeden, doch midden in die bezigheid hield hij even daarmee op, en
greep naar het doosje dat hij onder zijn hoofdkussen verborgen had. Hij
deed dit open en zag toen een hoogst eenvoudigen ring, waarin echter
een bleeke robijn van zeer hooge waarde was gezet.

—Dat is vreemd!—mompelde hij, terwijl hij den ring nauwkeurig bekeek,
en dien in zijne vingers ronddraaide. Toen meende hij eenig gerucht te
hooren, stak dus spoedig den ring weer in het doosje, verborg dit op
zijn borst en eindigde zijn toilet. Tien minuten later trad hij het
salon binnen, waar hij een talrijk gezelschap bijeen vond, zooals hij
reeds van Tributor had vernomen. Montbars had, even als dit tusschen
hen den vorigen avond was afgesproken, zich reeds bij tijds dien
morgen, zoowat tegen acht uur, naar den Gouverneur begeven, om dezen
zijn vertrek aan te kondigen en afscheid van hem te nemen. Don Fernando
d’Avila had den graaf de l’Atalaya zeer beleefd ontvangen, en hem zijn
leedwezen betuigd dat hij reeds zoo spoedig de kolonie ging verlaten,
zelfs eenigszins, doch eigenlijk slechts flauwtjes er op aandringend,
dat de graaf zijn verblijf te Maracaïbo zou verlengen; daarna had hij,
nadat bleek dat de graaf vast bij zijn besluit bleef, hem eene
voorspoedige reis toegewenscht, en waren de beide heeren gescheiden
schijnbaar in de beste verstandhouding. Toen Montbars daarna in zijne
woning was teruggekomen, had hij dadelijk Tributor naar Michel, de
Baskiër, gezonden om dezen te berichten dat alles in gereedheid moest
worden gebracht om ieder oogenblik onder zeil te kunnen gaan, en tevens
met last om met al de officieren van het schip aan wal te komen, ten
einde afscheid te nemen van de autoriteiten der stad.

Door Michel, den Baskiër, even als door al de vrijbuiters, die
voortdurend aan boord gebleven en dáár al dien tijd aan de strengste
discipline onderworpen waren geweest, was die order ontvangen met de
grootste ingenomenheid, daar zij zich zeer verheugden over het
aangekondigde vertrek. Het reeds zóólang gerekte verblijf op de kust
begon voor allen drukkend te worden, vooreerst omdat zij in zulk een
ingetogen gedrag moesten volharden, maar meer nog door de bestendige
vrees, dat zij ieder oogenblik gevaar liepen te worden herkend, voor
wat zij werkelijk waren. Geen wonder dus dat Michel de Baskiër, zich
haastte de waterprovisie aan te vullen, eenige versche levensmiddelen
op te doen, en naar boord terug te doen komen vijf of zes matrozen,
die, onder voorwendsel van te gaan jagen, bezig waren de omstreken van
de stad te verkennen. Een uur later was het tuianker gelicht, lag de
brigantijn voor het tweede anker, waren de booten aan boord geheschen
en was alles gereed om het schip binnen vijf minuten onder zeil te
brengen.

Daarna kleedde Michel de Baskiër zich in groot tenue, begaf zich
vergezeld door al zijne officieren naar wal, en begon met de
afscheidsbezoeken bij de autoriteiten der stad. De Gouverneur werd
echter niet in zijn paleis aangetroffen, daar hij met zijn staf naar
den graaf was gegaan om dien nog een laatste woord tot afscheid toe te
spreken en als eerbewijs hem uitgeleide te doen naar de boot, die hem
aan boord van het schip moest overbrengen. Dit bezoek kenmerkte zich
overigens door de uiterste voorkomendheid. Nu don Fernando er zeker van
was dat de graaf niet langer te Maracaïbo zou vertoeven, aarzelde hij
niet om nogmaals bij hem aan te dringen het vertrek nog wat uit te
stellen, en daarin werd hij gesteund door zijne officieren, doch zooals
licht te begrijpen is, al die verzoeken bleven te vergeefs. Met hoogst
beleefde bewoordingen, bedankte Montbars al de heeren voor dit bewijs
van hoffelijkheid, doch bleef standvastig weigeren, zich beroepende op
de overwegende verplichtingen van de zending, die hij had te vervullen.
Juist op dat oogenblik trad Philippe het salon binnen, en ieder haastte
zich hem te begroeten.

—Señor conde,—sprak de Gouverneur,—daar het u ondanks onze vurige
begeerte om u nog eenige dagen in ons midden te doen vertoeven,
onmogelijk is aan dit verlangen te voldoen, verzoek ik u de verzekering
aan te nemen, dat wij allen dit zeer betreuren. Wees er van verzekerd
dat bij ieder onzer lang in herinnering zal blijven het slechts al te
korte bezoek, waarmede gij ons hebt vereerd.

—Gaarne verklaar ik u, mijnheer de Gouverneur, dat het leedwezen, dat
mij door u uit aller naam wordt kenbaar gemaakt, mij niet alleen
verheugd, maar dat ik zelfs trotsch daarop ben. Houd u er van
overtuigd, mijne heeren, dat dit leedwezen ook door mij wordt gedeeld.

—Helaas señor! Waarschijnlijk keert gij zeer spoedig naar Europa terug
en is dit dus ongetwijfeld de laatste keer, dat wij de eer genieten u
hier te ontmoeten.

—Wie weet! mijnheer de Gouverneur!—gaf Montbars ten antwoord met een
bijna onmerkbare zweem van spotternij.—Het toeval speelt zulk een
groote rol in het lot van den mensch, dat wij misschien elkaar eer
zullen terugzien dan gij veronderstelt.

—Dat geve God, señor conde! Laat ik u mogen verzekeren, dat, zoo dit
plaats mocht grijpen, wij allen het zouden beschouwen als een groot
geluk.

—Dat zij aan de beslissing van God overgelaten, señor!

—Vergun mij nu, señor conde, u nog een enkele vraag te doen.

—Gaarne señor. Het zou mij zeer veel genoegen doen, zoo ik u in een of
ander opzicht van dienst kon wezen, om op die manier, hoe weinig het
mocht zijn, u mijne dankbaarheid te betoonen voor de van u genotene
gastvrijheid. Zou dit wellicht het geval wezen?

—Misschien, señor conde. Zijt gij van plan Chagres aan te doen alvorens
gij u naar Vera-Cruz begeeft?

—Mag ik weten señor, met welk doel die vraag door u wordt gedaan?

—O, zeker caballero! Op dit oogenblik heb ik onder mijne berusting een
bedrag van honderd vijftig duizend piasters [5], dat ik reeds sinds
lang naar Panama had moeten zenden, doch wij zijn hier zooals u bekend
is, señor, op een als het ware afgelegen post, en tot nu toe heb ik
geen gelegenheid kunnen vinden om dit te bewerkstelligen.

—En dus?—vroeg Montbars op zonderlingen toon.

—Waarlijk, caballero, ronduit wil ik u bekennen dat de
verantwoordelijkheid van zulk een aanzienlijke som mij zwaar begint te
drukken en als gij u mocht willen belasten met de overbrenging, zoudt
gij mij ontzaglijk verplichten.

—Het doet mij ontzettend veel leed, señor,—gaf Montbars tamelijk
droogjes ten antwoord,—dat ik niet in staat ben aan uw verlangen te
voldoen, doch dit is letterlijk onmogelijk.

—En waardoor, señor conde?

—Om de eenvoudige reden, caballero, dat het volstrekt niet zeker is of
ik Chagres zal aandoen, want eigenlijk heb ik daar niets te verrichten,
en hoogst waarschijnlijk zal de op de kust zoo veranderlijke wind ons
veeleer in de ruimte houden, zoodat er veel kans zou bestaan, dat dit
geld lang onder weg bleef eer het de plaats van bestemming bereikte.

—Dus moet gij het afslaan?

—Zoo is het, señor, doch geloof mij, ik doe dit zeer tegen mijn wil,
toch dunkt mij is het beter dat dit geld nog eenigen tijd onder uwe
bewaring blijft te meer daar er toch slechts weinige dagen zullen
verloopen vóór de aankomst der konvooien uit Europa, en dan hebt gij
gelegenheid te kust en te keur, om u te ontslaan van die bezwarende
verantwoordelijkheid.

—Genoeg, caballero, laten wij er verder niet meer over spreken en houd
mij dit onbescheidene verzoek ten goede.

—Daarvan kan geen sprake zijn, caballero, want ik ben het veeleer die u
verschooning zou moeten vragen. Waarlijk zou het mij heel veel genoegen
hebben gedaan, zoo ik u in dit opzicht van dienst had kunnen wezen!
Doch thans is het uur van scheiden aangebroken, señor!

Op het plein vóór het huis stonden de paarden gezadeld en gereed; men
verliet de vertrekken en ieder steeg op. Eene eerewacht stond onder de
saguan onder de wapenen. Montbars voerde den stoet aan, onder geleide
van don Fernando; al pratende reed men naar de haven. De straten, die
men moest door trekken, waren ondanks het vroege uur opgepropt door
eene zeer talrijke menigte lieden die onder herhaalde toejuichingen,
niet ophielden, met hoeden, doeken en sjerpen te zwaaien. Met zeer veel
ingenomenheid werd don Montbars naar rechts en links gegroet. Philippe
deed alle moeite onder de menigte die zich op den weg voor den stoet
verdrong, het bekoorlijke gelaat van Juana gewaar te worden, doch dit
was vergeefsche moeite; de jonge man versmoorde een zucht, en werd
droevig gestemd. Eindelijk bereikte men het havenhoofd, waar de
matrozen reeds druk in de weer waren de bagage naar de daarvoor klaar
liggende vaartuigen te brengen; toen steeg men af, en begonnen de
laatste afscheidsgroeten. Eene eigenaardigheid van de Spanjaarden is de
langwijligheid hunner plichtplegingen, doch Montbars achtte het
raadzaam daaraan kort en bondig een eind te maken, en nauwelijks had
hij bemerkt dat de bagage was ingescheept, of hij gaf een wenk aan
zijne officieren, dat zij hem moesten volgen, en stapte onmiddellijk in
zijn boot.

—Wel drommels,—begon Michel, de Baskiër zoodra de boot ver genoeg van
den wal was.—Kommandant, dat is daar straks toch een zonderlinge inval
van je geweest.

—Over welken inval spreekt ge eigenlijk, oude jongen?—vroeg Montbars
glimlachend.

—Wel, om dat geld te weigeren, dat die Gouverneur je zoo goedsmoeds
aanbood!

—Ge zegt iets zonder daarbij door te denken, kameraad. Wij zijn toch
geen dieven, naar ik meen? Wij zijn dappere, maar eerlijke vrijbuiters,
niet waar?

—Daar zegt ge een goed woord, kommandant! Maar toch zevenhonderd
vijftig duizend francs! ’t Is geen kleinigheid!

—Kom, kom, Michel, wees gerust daarover, met geduld komt alles terecht!
Het geld, dat ik niet heb willen aannemen, zullen wij later toch wel
vinden, dat beloof ik je! Maar buitendien, misschien was dat aanbod
juist een valstrik geweest van den Gouverneur.

—Dat zou ook waar kunnen zijn, maar waar of niet, toch hebt ge gelijk,
kommandant.

Een kwartier later sneed de schooner met volle zeilen door het water,
met de snelheid van eene meeuw die over de golven scheert, en werd tot
afscheid begroet door het gejuich der opgewonden menigte, die zich op
het havenhoofd verdrong om getuige te zijn van het vertrek.

De kajuitsjongen Zijden-Draad, was verdwenen. Als men Montbars daarover
sprak, lachte hij even geheimzinnig, als hij gewoonlijk deed als hij
ergens geen ander antwoord op wilde geven.








X.

DE BEIDE NEVEN.


Op een mooien ochtendstond, juist toen de zon even boven den horizont
te voorschijn was gekomen, gereed om hare koesterende stralen overal om
zich heen te verspreiden, traden twee mannen uit een bosch, dicht
begroeid met guajava-, mastik- en bloeiende oranjeboomen, waarvan de
uiterste takken hun zwaar gebladerte in het heldere en koele water van
den Artibonite deden weerspiegelen. Zij bevonden zich hoogstens drie
uren van de stad Port-de-Paix; een stad die geacht kon worden eene der
voornaamste schuilnesten te zijn van die geduchte roofvogels, de
flibustiers, die spottend met de Spaansche macht en als om die te
trotseeren, stoutmoedig en onvervaard hun nest hadden opgeslagen op de
kust van de rijkste kolonie, het verwijfde en weelderige Hispaniola.

Die beide mannen keken vorschend en angstvallig om zich heen, en toen
zij zich verzekerd hielden dat niemand hen bespionneerde, daalden zij
langs het vrij ruime steile pad van den oever van den stroom af,
maakten daarna eene lichte prauw van boomschors, die onder de struiken
verborgen was, los, en trokken die naar zich toe, waarna zij er
uitwierpen alles wat er in aanwezig was, zooals pagaaien, een mast, en
dergelijke dingen. Daarna droegen zij de prauw op hunne schouders naar
den voet der glooiing en keerden haar toen om, met het doel om er
zoowel een schuilplaats van te maken voor de zonnestralen, als voor
onbescheidene blikken. Zij bevestigden haar stevig, door middel van
staken, die van afstand tot afstand in den grond werden gestoken,
gingen daarna in de schaduw liggen, en begonnen een en ander klaar te
maken voor hun ontbijt.

Wij zullen het oogenblik, waarop zij zich daarmee bezig houden, te baat
nemen om den lezer eenigszins nader met hen in kennis te brengen.
Beiden waren gekleed als Fransche boekaniers; de grof linnen
onderbroek, die even over de knieën viel en op de heupen werd
teruggehouden door een gordel van krokodillenvel, de twee hemden over
elkaar aangetrokken, en die met bloed- en vetvlekken bemorst waren, de
tent van fijn linnen, die krap opgerold en samengeperst, als een
bandelier om hunne schouders was geslagen, en op het hoofd de bol van
een hoed met oogklep. Hunne wapens bestonden uit drie dolken en een
mes, gestoken in een koker van buffelvel, die aan hun gordel naast een
kruithoorn en kogelzak was gehecht, benevens uit een van die lange
geweren, uit de fabriek van Brachie te Dieppe, die men in die dagen
bestempelde met den naam van flibustiers-geweren.

Zoo gewapend waren die mannen in staat zich krachtdadig te verweren,
zoo het ongeluk wilde dat zij in aanraking kwamen met dezen of genen
die twist met hen wilde zoeken. Trouwens getuigden hunne
gelaatstrekken, en hun door wind, regen en zon gebruinde tint, van zulk
een vasten wil, en toonden hun forsche lichaamsbouw, en de buitengewoon
stevige armen, voorzien van peezen en spieren, zoo dik en hard als
touwen, zulk een mate van kracht, dat men zich wel tweemaal zou bedacht
hebben, eer men besloot het hun lastig te maken.

Die beide personen waren betrekkelijk nog jong, en voor zoover men kon
nagaan, want hartstochten en buitensporigheden hadden hun gelaat reeds
geteekend, waren zij nog niet boven de veertig. Doch ondanks dat
gansche voorkomen zullen wij, als wij luisteren naar wat zij elkaar te
zeggen hebben, spoedig bemerken dat zij niet zijn waarvoor zij willen
doorgaan, maar veeleer een paar vossen in leeuwenhuiden; en even
spoedig tot het inzicht komen dat die kleeding als boekaniers eigenlijk
niet anders is dan eene vermomming. Toch moeten wij er dadelijk
bijvoegen dat die vermomming zóó juist was aangebracht, dat zelfs de
slimste mensch, na een zeer nauwkeurig en ernstig onderzoek, toch nog
veel kans zou gehad hebben, zich er door om den tuin te laten leiden.

De toebereidselen tot het ontbijt hadden niet veel tijd in beslag
genomen, en onze beide personages, wier magen zeker geprikkeld waren
tengevolge van een vermoeienden marsch door zulk een eenzame streek
langs ongebaande wegen, verorberden met smaak wat zij hadden
medegebracht en voerden middelerwijl in het Spaansch een gesprek, doch
niet dan met ingehoudene, half fluisterende stem, alsof zij, ondanks de
hen omringende eenzaamheid, beangst waren dat het geluid hunner stemmen
door den ochtendwind zou worden overgebracht naar de ooren van lieden,
die konden zijn uitgezonden om hen te bespieden of te overvallen.

—Hoe ver zijn wij hier van Port-de-Paix?—vroeg een van hen.

—In vogelvlucht genomen,—gaf de ander met vollen mond ten
antwoord,—omstreeks vijf kwartier, doch als men de paden moet volgen
minstens drie uren.

—Hum! Dan zijn wij toch nog al ver doorgedrongen, naar mij dunkt!

—Misschien zelfs te ver, doch als wij niet zoo ver gekomen waren,
hadden wij veel kans gehad hem te missen dien wij willen ontmoeten.

—Zijt ge benauwd, dat wij zóó dicht bij de stad wellicht eene minder
aangename ontmoeting zouden kunnen hebben?

—Dat is niet zeer waarschijnlijk edele heer, want in de vlakte waar wij
ons nu bevinden, is op dit oogenblik geen enkel stuk wild te vinden; ik
durf er alles onder te verwedden, dat tien uren hier in den omtrek geen
spoor van een stier zou te ontdekken zijn. Dit weten de boekaniers zeer
goed, en daarom hebben zij deze streken verlaten, daar zij hier zeker
in geen maand iets onder schot zouden krijgen.

—Ik moet toestemmen Birbomono,—hernam de eerste spreker,—dat er veel
waar is in wat daar door je wordt aangevoerd, maar naar mijne meening,
zijn de vrijbuiters niet de eenige vijanden die wij te duchten hebben.

—En welke andere vijanden worden dan door u bedoeld, edele heer?—vroeg
Birbomono, want het was werkelijk de mayordomo.—Ik moet in alle
nederigheid bekennen dat ik u niet begrijp.

—Op wie zou ik anders doelen dan op de Caraïben, die verschrikkelijke
stroopers, die zoo mogelijk nog wreeder zijn dan de boekaniers.

Birbomono begon hartelijk te lachen.—Vive Dios, edele heer! Gij vergeet
welke kleeding op dit oogenblik door u wordt gedragen. De Caraïben zijn
de onverzoenlijke vijanden der Spanjaarden, dit is waar, maar
daarentegen zijn zij de trouwe vrienden van de Broeders der Kust, en
als bij toeval enkele dier wilden ons op het spoor kwamen dan zouden
zij, verre van het ons lastig te maken, veeleer alles doen wat ons
aangenaam kon zijn, daarvan ben ik overtuigd.

—Het is mogelijk,—gaf de ander ten antwoord, naar het scheen slechts
ten halve overtuigd,—toch moet ik je bekennen dat het mij bijna
berouwt, dat wij ons zóó ver gewaagd hebben, hoewel wij niet geheel en
al aan ons zelven zijn overgelaten en de drie detachementen, die ik in
het bosch in hinderlaag gelegd heb, op het eerste signaal ons te hulp
zullen komen.

—Gij weet, edele heer, hoe ik over die detachementen denk,—gaf de ander
op een onbeschrijfelijk minachtenden toon te kennen.—Gij en ik, wij
beiden, hebben hen aan het werk gezien [6] en weten bij ondervinding
wat van hen te verwachten is! Neen! Liever dan op hen, reken ik in
zoo’n geval op mij zelven!

—Caraï Birbomono! De tijd vliegt om, en onze man komt niet!

—Hij zal komen, edele heer. Geduld maar, geduld!

—Rekent ge er zoo vast op?

—Oordeel zelf! Het is u bekend dat mijne meesteres, na zóó vele jaren
in het verborgen te hebben geleefd, zich gevestigd heeft te
Port-de-Paix. Dáár heeft zij op mijn aanraden, en om aan alle
vermoedens te ontkomen, eene soort van hotel ingericht, waar de
voornaamste aanvoerders der flibustiers huisvesting kunnen verkrijgen.

—Dat alles weet ik lang en breed, maar het blijft voor mij een raadsel,
hoe de Broeders der Kust, die zoozeer en terecht als fijne speurhonden
bekend staan, onnoozel genoeg zouden zijn, zich door haar zóó te laten
beet nemen, en haar niet, reeds den eersten dag den besten als eene
Spaansche herkend zouden hebben.

—De vrijbuiters, edele heer, zijn niet zóó wantrouwend als gij wel
gelooft; hun meerder vertrouwen ligt in hunne kracht. Maar buitendien
wij zijn te Port-de-Paix aangebracht door een Hollandsch schip, en
ontscheept onder opgave dat wij uit Europa kwamen. Wij gaven ons uit
voor Vlamingen, onze papieren waren in de beste orde. Wat kon men dus
meer verlangen?

—Niets en te minder daar de Castiliaansche taal nog algemeen in
Vlaanderen, dat aan den koning van Spanje toebehoort, gesproken wordt.

—Juist zoo is het, en dan nog ten overvloede, hoe zou er bij zulke
lieden, die zich door niets ter wereld schrik laten aanjagen, de minste
vrees kunnen bestaan voor eene reeds bejaarde dame, die niemand anders
bij zich heeft dan één enkele bediende? Men heeft ons dan ook
integendeel ontvangen met de meeste welwillendheid, en zooveel mogelijk
geholpen bij het in orde brengen van onze nieuwe inrichting.

—Ja, de flibustiers zien het zelfs gaarne dat vreemdelingen zich bij
hen vestigen, niet waar?

—Zeker, zeker! Dat geeft hun een gezetene, oppassende, nijvere
bevolking, die later, naar zij hopen, er toe zal bijdragen om hun
inwendigen toestand tot gezonder voet te brengen.

—Ga door, ik stel in uwe mededeelingen groot belang.

—Edele heer, ik heb er niet veel meer bij te voegen, alleen dit nog,
dat Francoeur, dus noemen de vrijbuiters den man over wien wij het nu
hebben, zich ten onzent heeft gevestigd, en dat de brief dien gij mij
hebt doen toekomen, door mij aan hem is overhandigd.

—En wat heeft hij toen gezegd?

—Hij scheen zeer ontroerd, edele heer, toen hij dien brief onder de
oogen kreeg, en een oogenblik later zei hij kortaf, „goed, ik zal
komen.”

—Dan is het wel, want hij zal woord houden. En is uwe meesteres nog al
tevreden?

—Ja, voor zooverre, dit voor haar mogelijk is, maar gij weet, edele
heer, dat ik vrij gauw iets opmerk.

—En wat hebt ge opgemerkt?

—Iets wat mij zeer bevreemdt, edele heer. Donna Clara, die gewoonlijk
zoo stil en afgetrokken is, en meermalen weken lang geen woord uit,
toont voor dat jonge mensch eene bijzondere genegenheid te koesteren.

—Wel zoo! Wat zegt ge mij daar, Birbomono!

—De waarheid, edele heer! Zoodra zij hem gewaar wordt, heldert haar
anders zoo somber gelaat geheel op, en als hij zoo nu en dan haar
toespreekt, dan is het of het geluid zijner stem haar ontroert. Komt
hij een enkelen keer in de algemeene kamer, dan volgt zij hem met hare
blikken, let op al zijne bewegingen en zucht dan diep bij zijn vertrek,
en laat het hoofd hangen. Zij zelve houdt het toezicht over zijn kamer
en al zijne kleeren in orde, het is alsof zij die zorg aan geen ander
wil overlaten en zich gelukkig gevoelt door al die bemoeiingen om het
den jongen man alles naar genoegen te maken. Mij dunkt, edele heer, dat
ook gij dit alles zeer bevreemdend zult vinden.

—Dat is ook zoo! Hebt ge er donna Clara nooit over gesproken?

—Slechts ééns. Toen heb ik het gewaagd haar een opmerking te maken,
maar dadelijk viel zij mij in de rede, heeft met een engelachtig
glimlachje den vinger op haar mond gelegd en tot mij gezegd op zulk een
gevoelvollen toon, dat de tranen mij in de oogen kwamen, „Birbomono,
trouwe vriend, laat mij trachten hiermede al mijn leed te verdooven. Ik
heb dien jongen man lief, alsof ik zijne moeder en hij mijn eigen kind
ware. Zeker is hij door eene genadige beschikking van God bij mij
geplaatst, tot troost over het verlies dat ik geleden heb, en tracht te
vergeten.” En, edele heer, wat kon ik daartegen inbrengen? Niets, en
daarom zweeg ik.

—Ja, ja,—mompelde de eerste spreker, en streek met de hand langs zijn
voorhoofd, waarop klam zweet parelde.—Het is als eene beschikking van
God! Dat Zijn heilige wil geschiedde! Maar hoe denkt die jonge man zelf
over haar?

—Och, edele heer, ik geloof dat hij er eigenlijk in het geheel niet
over denkt, om de eenvoudige reden dat hij er niet op let. Hij is
iemand van gansch andere geaardheid dan zijne metgezellen, somber en
terughoudend. Hij dobbelt niet, drinkt niet, houdt zich met geen
vrouwvolk op en dikwerf is de vraag bij mij opgerezen, hoe komt zulk
een man onder de vrijbuiters?

—Toch schijnt hij onder hen eenige vrienden te hebben.

—Hoogstens een paar, Pierre Legrand en Philippe d’Ogeron, maar die twee
zijn reeds lang op eene expeditie uit, en dus leeft hij geheel op zich
zelf.

—Kent Montbars hem?

—Dat geloof ik niet, of liever gezegd, daar weet ik niets van. Toen wij
te Port-de-Paix kwamen, was Montbars reeds ongeveer een maand van daar
vertrokken, en is nog niet teruggekomen.

—Nu dat doet er ook niet toe, Birbomono. Blijf, zooals ik je dit
dringend heb verzocht, dien zonderlingen jongen man goed in het oog
houden; ik heb daarvoor zeer gewichtige redenen, die ik je later zal
kunnen mededeelen.

—Het is voor mij genoeg dat mij dit door u wordt gelast, edele heer,
verder behoor ik mij daarmee niet te bemoeien. Doch ik geloof dat ik
eenig gerucht hoor,—voegde hij er bij,—en vermoed dus dat hij in
aantocht is.

—Tracht te zien of dit zoo is, vriendlief, en mocht het zoo zijn breng
hem dan bij mij.

De mayordomo verwijderde zich na een wenk van verstandhouding, en
verdween spoedig tusschen de dichte struiken van de savanne.
Tenauwernood had hij een honderd passen gedaan, of hij stond bijna vlak
tegenover iemand die met snellen tred naderde. Die persoon was
Francoeur, de flibustier [7].

—Ik kom laat, niet waar, Birbomono?—vroeg hij en wischte het zweet van
zijn gelaat.

—Och, neen!—gaf de mayordomo ten antwoord.—Het is nog niet veel later
dan acht uur, en als ik mij niet vergis, was de samenkomst bepaald
tegen half negen.

—Dat is waar ook! Nu, des te beter, want ik zou mij niet gaarne hebben
laten wachten. Waar is de persoon die mij heeft doen verzoeken naar
hier te komen?

—Wil mij volgen, mijnheer, hij wacht u hier kort bij.

—Wijs mij dan den weg. Ik verlang er naar hem te ontmoeten. Doch
nauwelijks kreeg de jonge man den boekanier in het oog, of hij keerde
zich zeer teleurgesteld naar Birbomono, en zei vrij barsch:—Wat heeft
dat te beduiden? Wat verlangt die man van mij? En waar is de...

—Een oogenblik geduld, mijnheer, als ik je verzoeken mag,—viel de
boekanier haastig in. Daarna wendde hij zich naar den mayordomo en
zei:—Birbomono, vriendlief, laat ons alleen, en wil er voor zorgen dat
wij door niemand lastig worden gevallen. Mocht je iets verdachts
bespeuren in de savanne, kom ons dan terstond waarschuwen.

De mayordomo groette, greep zijn geweer, en ging heen zonder een woord
te spreken. De boekanier bleef hem nakijken, doch zoodra hij hem niet
meer kon bespeuren, keerde hij zich naar den jongen man en stak dezen
zijn hand toe.

—Welkom, neef,—begon hij,—het doet mij genoegen je hier te zien.

—Hoe! Wat!—uitte Francoeur één en al verbazing.—Zoudt gij werkelijk...

—Don Sancho de Penaflor [8] zijn,—vulde de ander aan.—Ja, neef die ben
ik in hoogst eigen persoon.

—Maar de kleeding...

—Is eene zeer goed bedachte en niet minder goed uitgevoerde vermomming,
niet waar? Het kwam mij voor dat die te dezer gelegenheid den
Gouverneur van Sint-Domingo beter zou passen, dan zijn schitterend
ambtsgewaad.

—Gaarne wil ik je bekennen, waarde neef, dat die vermomming zoo
volkomen is dat ik zelfs nu, ondanks dat ik er alles van weet, moeite
heb je te herkennen.

Eene omhelzing der beide edellieden volgde en daarna gingen zij naast
elkaar zitten.

—En laat ons nu spreken over onze zaken,—hernam don Sancho,—zoo ge dit
goedvindt, want daarvoor zijn wij hoofdzakelijk hier gekomen.

—Ik ben tot je orders, neef. Doch zeg eerst, hoe zijt ge toch te weten
gekomen, waar ik was?

—Het is immers een mijner eerste plichten er voor te zorgen dat ik
alles weet, niet waar? Welnu, ik heb informaties ingewonnen en dit was
voldoende. Beste vriend, zijt ge waarlijk nog zoo onnoozel om te meenen
dat wij onder ulieden geen spionnen zouden hebben? Kom dan van die
dwaling terug, want wij hebben er verscheidene en onder hen zeer slimme
vossen die wij, onder ons gezegd, zeer duur moeten betalen. Doch nu ter
zake, herinnert ge je nog neef, ons laatste gesprek te Vera-Cruz?

—Ieder woord daarvan heb ik goed in mijn geheugen gehouden.

—En dus zeker ook trouw in acht genomen alles wat ik je toen zoo
ernstig op het hart heb gedrukt niet waar?

—Ge moet mij dit ten goede houden, maar eerlijk gesproken, weet ik
eigenlijk niet waarop ge zinspeelt.

—Dan zal ik mij nader verklaren. Ik vertrouw namelijk dat ge, daar ik
je dit zoo dringend verzocht heb, je stipt hebt onthouden van alle
briefwisseling met Zijne Excellentie den hertog de Penaflor, mijn
vader, daar ge hiermeê zoudt wachten tot wij elkaar weer ontmoet
hadden, en nadat ge van mij de verdere ophelderingen zoudt ontvangen
hebben, die ik je beloofde.

—Waarde don Sancho, ik wil openhartig jegens je zijn,—verklaarde de
jonge man, doch met eenige aarzeling in zijn stem,—en als gij alles van
mij vernomen hebt, spreek dan een oordeel over mij uit.

—Goed!—uitte de markies kortaf terwijl hij de wenkbrauwen fronste,—ik
ben geheel gehoor.

—Er zijn reeds verscheiden maanden verloopen, sedert wij te Vera-Cruz
zóó onverwacht afscheid van elkaar moesten nemen, nadat de hertog de
Penaflor de goedheid had mij die zeer gevaarvolle zending toe te
vertrouwen; in dat tijdsverloop is er heel wat voorgevallen zonder dat
ik ooit iets van je vernam. Herhaaldelijk, doch altijd te vergeefs heb
ik moeite gedaan om je te ontmoeten; ik moest het er dus voor houden
dat gij òf uwe belofte vergeten hadt, òf dat gij, bij nadere
overtuiging op uw besluit teruggekomen, en niet meer van plan waart mij
die verdere ophelderingen te geven. Daarentegen ontving ik van den
hertog de Penaflor, wiens onvermoeibare werkzaamheid gij kent,
boodschap op boodschap, om mij aan te moedigen, zonder aarzeling of
ontmoediging de gedragslijn, die hij mij had afgebakend, te volgen, en
zoodoende de eervolle zending te vervullen, waardoor Spanje verlost zou
worden van hare geduchtste tegenstanders in deze wateren. Wat kon ik nu
anders doen dan gehoorzamen? Te meer daar stipte gehoorzaamheid aan de
ontvangen bevelen, niet alleen bevorderlijk zou zijn aan de belangen
van mijn land, maar evenzeer aan de voldoening mijner wraak. En
buitendien had ik mijn woord als edelman verpand, en ge weet, neef, dat
geen enkel lid van ons geslacht ooit in gebreke is gebleven zijn woord
gestand te blijven.

—O!—barstte don Sancho los, met opeen geperste lippen, en door toorn
verwrongene trekken.—Hoe herken ik in dit alles de helsche overmacht
van mijn vader, en zijn onverzoenlijken haat! Het is weer zooals
altijd, alles is door hem vooraf berekend, alles heeft hij voorzien!

—Wat wilt ge daarmee zeggen, neef? Ge maakt mij werkelijk ongerust! Wat
bedoelt ge met die woorden?

—Ga maar door don Gusman, ga maar door! Nu is het toch meer dan
waarschijnlijk te laat om je verdere ophelderingen te geven! Wie weet
welk onherstelbaar onheil er reeds is gesticht!

—Om Gods wil, don Sancho! Ge zult toch niet weigeren om uitleg van uwe
woorden te geven?—smeekte de jonge man bevende van ontroering.

—Zeg eerst alles wat ge nog te zeggen hebt, neef, en daarna... zal ik
zien of ik aan uw verzoek kan voldoen.

—Er is verder niet veel meer door mij te vertellen.—Trouw en stipt heb
ik tot nu toe de zending vervuld, die mij is opgedragen. De hertog de
Penaflor is steeds door mij op de hoogte gehouden van al de plannen en
bewegingen der flibustiers. Gisteren bij voorbeeld heb ik nog iemand
naar hem gezonden om hem bericht te geven over een zeer groote
expeditie die tegen een der havens van het vaste land op til is, en
hoogst waarschijnlijk, zal worden aangevoerd door Montbars, die ieder
oogenblik op Tortue wordt verwacht, en door de voornaamste
gezagvoerders van de Broeders der Kust. Nu is de beurt aan u neef, nu
zal ik naar u luisteren.

Don Sancho stond op, keek den ander een oogenblik zeer droefgeestig
aan, drukte de hand op zijn schouder, en voegde hem op meewarigen toon
toe:—Thans heb ik je niets meer te zeggen, arme jongen! Ge zijt
overgeleverd aan de macht van een man, die je het hart zal breken,
zonder dat ge in staat zult zijn je er tegen te verzetten. Je wreekt je
zelven niet, maar het is tot bevrediging van zijn eigen haat, waaraan
hij je dienstbaar gemaakt heeft. Arme kerel! Ge zijt niets dan een
werktuig in zijne handen!

—Maar wat moet ik dan doen? Zeg mij, in ’s hemels naam, wat ik doen
moet?

Don Sancho aarzelde een poos, en sprak eindelijk somber:—Don Gusman, ik
mag geen nadere verklaring geven. Tracht de bedoeling mijner woorden te
raden.

—Hoe kan ik dat? Het hoofd loopt mij om!—viel de ander radeloos uit.

—Ik wil je herinneren aan de woorden van den heiligen Remigius tot
Clovis: „Verbrand wat ge aangebeden hebt, aanbid wat gij verbrand
hebt.”

—En wat wil dit zeggen?—vroeg don Gusman gejaagd.

—Dat wil zeggen,—werd door den markies ten antwoord gegeven met nog
somberder stem,—dat wil zeggen dat de hertog de Penaflor mijn vader is
wien ik gehoorzaamheid en ontzag verschuldigd ben, met andere woorden
en kort af, dat wil zeggen, dat ik zwijgen moet. Maar als vriend en
bloedverwant geef ik je nog eene laatste en hoogst ernstige
waarschuwing, thans is het mij niet geoorloofd duidelijker tot je te
spreken, maar wees voorzichtig, don Gusman, wees voorzichtig.

Hij maakte zich gereed heen te gaan.

—Een woord nog, één enkel woord slechts, dat mij ten minste tot
leidraad kan dienen, in al die geheimzinnigheid!

—Ik mag niet meer zeggen.

—O! Het is of ik vervloekt ben!—barstte don Gusman los, als verpletterd
door overmaat van smart.

—Misschien wel!—beaamde don Sancho met onbeschrijfelijk
medelijden.—Doch verlies alle hoop niet, en doe uw best te raden wie
werkelijk uwe vijanden zijn. Vaarwel!

—Zal ik je nog terug zien?

—Ja.

—Wanneer?

—Dat weet ik niet, maar waarschijnlijk te laat om een vreeselijke
ontknooping te verhoeden, zoo je de bedoeling mijner woorden niet
begrepen hebt. Nog eenmaal, vaarwel, beste neef en denk aan den
heiligen Remigius.

Daarna drukte hij hem de hand en ging heen.

—Helaas! Helaas!—riep de jonge man uit, radeloos wanhopend.—Genadige
God! Wie zal mij tot gids zijn in zulk een ondoordringbare geheimenis?

Hij hoorde eenig gerucht en keek dadelijk op, wellicht zich vleiende
met de hoop, dat zijn neef, met zijn smart bewogen, zou terug zijn
gekomen, doch spoedig bemerkte hij zijne dwaling, het was Birbomono,
die naar hem toekwam.

—Zullen wij naar Port-de-Paix terugkeeren, señor?—vroeg de mayordomo.

—Laat ons opstappen,—werd kortaf geantwoord, en zonder er verder een
enkel woord bij te voegen begaf don Gusman zich op weg, voorafgegaan
door Birbomono, die voor hem het pad baande.








XI.

DE TERUGKOMST.


Tijdens Francoeur, Martial, of wel don Gusman de Tudela, al naar de
lezer verkiest hem te noemen, vertoefde op de plaats der bijeenkomst in
de Groote Vlakte aan de oevers van den Artibonite, waar zijn neef don
Sancho de Penaflor hem bescheiden had, heerschte er te Port-de-Paix een
buitengewone opgewondenheid. Eene voor de gansche bevolking hoogst
belangrijke tijding, had zich met de snelheid van een loopend vuurtje
verspreid en de inwoners hadden terstond daarop hunne huizen verlaten,
kroegen en herbergen waren leeggeloopen, en de menigte begaf zich in
groote haast naar den kant van de haven, onder luid vreugdegejuich
elkaar stootend en verdringend, daar ieder er het eerst bij wilde wezen
om een goed plaatsje te veroveren.

Nu moet erkend worden dat die tijding voor de Broeders der Kust van het
hoogste gewicht en al die opschudding wel degelijk waard was; de
wachter die aan de punt Marigot op den uitkijk was geplaatst, had de
aankomst geseind van een schooner, bemand door de vermaardste
flibustiers van Tortue, een brigantijn die reeds zoo lang geleden
vertrokken was, dat men die verloren of door de Spanjaarden genomen
achtte en er aan wanhoopte haar ooit terug te zien. Geen wonder dus dat
men uitermate verheugd was, en geestdrift ieder had aangegrepen.

Werkelijk was het die schooner; begunstigd door een flinke bries liep
het schip onder volle zeilen snel en lustig de haven binnen, en reeds
kon men de Broeders der Kust, die in groepjes op het dek stonden en
vroolijk met hunne mutsen wuifden ten bewijs van eene gelukkige
terugkomst, gemakkelijk onderscheiden.

Knarsend viel het anker neer, de zeilen werden gegeid, en de heer
d’Ogeron, die met zijne officieren op de uiterste punt van het
havenhoofd stond, en dit oogenblik met ongeduld verbeidde, kon zich
niet langer bedwingen, en stapte haastig in de prauw, die voor hem
gereed lag en nu met krachtige riemslagen naar de brigantijn werd
geroeid.

Montbars zelf stond bij den valreep gereed om hem te ontvangen en stak
de hand uit om hem aan boord te helpen, maar de Gouverneur greep den
valreep en sprong ondanks zijne gezetheid vlug en behendig op het dek.

—Wees welkom, mijnheer d’Ogeron!—sprak Montbars, en deed dit vergezeld
gaan door een hartelijken groet.

—Dubbel welkom gij zelf!—uitte de Gouverneur opgeruimd.—Wel verduiveld!
Ik dacht niet anders of gij allen waart naar de grondvergadering
gegaan, want het kwam geen oogenblik bij mij op, dat gij je door de
gavachos zoudt hebben laten snappen. Ik verzeker je dus, waarde
Montbars, dat er mij nu een heel pak van het hart genomen is.

—Ik zeg je oprechtelijk dank voor die woorden, mijnheer, en acht het
een bijzonder voorrecht voor mij je hier te mogen zien, want ik heb
zeer veel met je te bepraten, zoodat, wanneer gij niet zoo dadelijk aan
boord gekomen waart, mijn eerste bezoek bepaald aan u zou zijn geweest.

—Hum! Hum!—liet de heer d’Ogeron schertsend hooren.—Dan schijnt er wat
nieuws op til te zijn?

—Zoo is het.

—Dan hebt ge zeker eene goede reis gemaakt?

—Een uitmuntende.

—En hoeveel brengt ge mee?

—Niets.

—He! Noemt ge dit dan eene uitmuntende reis?

—Zeker.

—Daar kan ik niet goed bij! Verklaar je nader.

—Zeer gaarne, en liefst op staanden voet, zoo gij daar niets tegen
hebt.

—Twijfelt ge daar aan? Ik ben immers zonder verwijl uitsluitend aan
boord gekomen om het verslag over de expeditie uit uw eigen mond te
vernemen.

—Nu, dan kan het niet beter. Wees zoo goed met mij naar mijn kajuit te
gaan.

—Waarvoor is dat noodig? Mij dunkt dat wij dat hier ook wel kunnen
afhandelen.

—Ja, als wij over koetjes en kalfjes hadden te praten, maar niet nu ik
met u iets te bepraten heb, dat tusschen ons moet blijven.

—Wel drommels!—liet de andere hooren, en wreef zich in de handen.—Wat
spreekt ge geheimzinnig! Ik hoop toch dat de kool de sop waard is,
he?—werd er spottend bijgevoegd.

—Gij zult dat zelf kunnen beoordeelen zoo gij met mij naar beneden
gaat.

—Gaarne, gaarne, maar vertel mij eerst even hoe het komt dat ge op een
brik zijt uitgevaren en op een schooner terugkomt?

—Ei, ei!—luidde het antwoord.—Heb je dat reeds opgemerkt?

—Dat was toch waarachtig gauw genoeg te zien, dunkt mij.

—Het komt omdat mijn brik die tamelijk oud en zoo lek als een zeef was,
bij een stormvlaag onder mijn voeten is weggezonken en ik met enkele
metgezellen verplicht ben geworden, op het vaste land een schuilplaats
te zoeken.

—He! op het vaste land midden onder de gavachos. Maar beste vriend, dan
hebt ge u letterlijk gewaagd in het hol van den wolf.

—Dat is zoo, maar zooals ge ziet, ben ik er ongedeerd uitgekomen.

—Het zou er ook waarachtig hier mooi uitgezien hebben als dit niet het
geval ware geweest.

—Wel mogelijk,—luidde het eenigszins droefgeestige antwoord.—Maar
misschien zal dit mij een volgenden keer niet weer gelukken.

—Kom, kom! Dat weet ge niet!

—Wie weet! zooals de gavachos zeggen, doch wat daarvan zij, gij ziet
mij nu springlevend weer, zeer bereid, dit zweer ik je, om op nieuw er
de proef van te nemen wat ook later de gevolgen mogen zijn. En als gij
het mij nu veroorlooft zal ik je nu naar mijne kajuit voorgaan.

—Doe zoo, daar ge dit noodig schijnt te vinden.

De Gouverneur volgde Montbars, die hem naar zijn kajuit bracht en
plaats deed nemen aan een tafel waar rum, water, suiker, citroen en
notenmuskaat gereed stond. Gewoon aan de gastvrijheid der flibustiers
maakte de heer d’Ogeron dadelijk een grogje voor zich klaar en
middelerwijl werd Philippe even door Montbars ter zijde genomen om hem
met een paar woorden te gelasten, dat niemand tot de kajuit mocht
worden toegelaten. De jonge man groette zijn oom, wisselde met dezen
een paar woorden ter verwelkoming, en haastte zich toen weer naar het
dek, waar zijn eerste zorg was een wacht bij de luikklep te plaatsen,
met uitdrukkelijken last te zorgen dat niemand naar beneden ging. De
beide heeren waren er nu zeker van niet lastig gevallen noch beluisterd
te zullen worden en konden er dus nu in alle gerustheid toe overgaan
hunne zaken te behandelen. Montbars zette even de lippen aan zijn glas,
en opende daarna het gesprek.

—Waarde mijnheer d’Ogeron,—zoo begon hij.—Hebt gij nog altijd evenveel
vertrouwen in mij?

—Het onbepaaldste vertrouwen, beste vriend—werd onmiddellijk en zonder
de minste aarzeling door den Gouverneur verzekerd.—Maar zeg mij eens
waarom doet gij mij zulk eene zonderlinge vraag?

—Omdat ik, hoewel bijna zeker van het antwoord dat ik zou ontvangen, er
toch behoefte aan had dit nog eens uit uw mond te vernemen.

—Welnu, dan zult ge er mee voldaan zijn, niet waar?

—Volkomen!

—Op je gezondheid!

—Op de uwe!—Zij klonken.

—Ik had echter nog eene andere beweegreden,—hernam Montbars.

—Wel drommels! Dacht ge nu waarlijk dat ik dit niet begrepen had? En
wat is die beweegreden?

—Deze, dat ik je iets onmogelijks heb voor te stellen.

—Voor jou Montbars bestaat er niets onmogelijks!

—Meent gij dit?

—Ja, het is mijne vaste overtuiging, dit verzeker ik je op mijn woord.

—Dank je. Nu, dan zal alles wel losloopen.

—Goed! Maar waarin bestaat dan die onmogelijke zaak?

—Laat ik eerst een gesprek in uw geheugen terugroepen dat wij enkele
dagen vóór de herovering van het Schildpaddeneiland met elkander
hadden.

—Doe zoo, wij hebben al den tijd.

—Toen heb ik je gezegd, indien gij het je nog herinnert, dat onze
Vereeniging, zoo die op meer solide grondslagen gevestigd was, in staat
zou zijn de Spaansche macht te doen beven en sidderen, en dat wij dan,
zoo wij wilden, krachtig en sterk genoeg zouden zijn om aan den handel
der Spanjaarden in de Amerikaansche koloniën een knak toe te brengen,
zoo al niet dien geheel te vernietigen.

— Juist, diezelfde woorden zijn door je gebezigd, en ik heb de
bedoeling daarvan zoo ten volle begrepen, dat ik er toen ten sterkste
op aangedrongen heb, zoo spoedig mogelijk te trachten Tortue te
heroveren, als een uitnemend strategisch punt om den vijand in bedwang
te houden.

—En als gevolg daarvan hebben wij het Schildpaddeneiland hernomen.

—Ja, en de gavachos zullen dit nimmer meer in hun bezit krijgen,
tenminste zoolang ik de eer zal hebben uw Gouverneur te zijn, dit
verzeker ik je!

—Daaraan twijfel ik ook geenszins, doch ik geloof dat thans de tijd
daar is, om een goeden slag te slaan.

—Nu zal ik dan eindelijk iets vernemen,—meende de oude heer die met
kleine slokjes zijn grogje uitdronk—en naar de manier waarop die zaak
door u word ingeleid, vermoed ik dat die allesbehalve eene kleinigheid
is.

Montbars lachte even, en zei schertsend:

—Men kan voor u toch niets verborgen houden!

—Kom, kom! Vertel er nu meer van.

—Moet ik open spel met u spelen?

—Zeker.

—Zult gij mij niet beschuldigen, een halve dwaas of een dweeper te
zijn?

—Noch het een, noch het andere. Ik houd je voor een zeer ernstig man,
die geen expeditie, welke ook, zult wagen, dan na daarvan eerst goed
alle kansen te hebben overwogen.

—Nu als dit het geval is, wil je dan verder luisteren.

—Ik ben geheel gehoor.

—Ik heb je reeds verteld, dat ik, na het verlies van mijn schip, de
toevlucht naar het vaste land had genomen. Waarheen denkt gij dat het
toeval mij heeft gebracht?

—Ja, hoe kan ik dit gissen?

—Ongeveer een paar mijlen onder den wind in de golf van Maracaïbo.

—Ei, ei, ik ken die. Behalve de gavachos houden zich daar wilden op,
met wie men ook liever niet in aanraking moet komen. Ge zult het er dus
wel kwaad te verantwoorden gehad hebben, waarde Montbars!

—Toch niet, want nauwelijks was ik aangeland, of ik ontmoette daar uw
neef Philippe, die zijn brigantijn in eene verlatene kreek aan de kust
verborgen had.

—Wat drommel had de snaak dáár uit te voeren?

—Dat weet ik niet, en ronduit gezegd heb ik hem daarnaar niet eens
gevraagd.

—Dan zal ik dat doen, daar kunt ge op aan!

—Dat is iets wat u aangaat. Doch toen is bij mij de gedachte ontstaan
op een nieuw plan.

—Dat is juist iets voor een man als gij,—verklaarde de Gouverneur, met
eene hoffelijke buiging.—En wat is dat plan? Ik twijfel er niet aan of
het zal er een wezen, dat meer dan gewone stoutmoedigheid vereischt.

Montbars beantwoordde zijn buiging.

—Och!—zei Montbars op onverschilligen toon.—Het is eigenlijk zoo
ingewikkeld niet. Het is zeer eenvoudig en bestaat alleen maar in de
verovering van Maracaïbo.

—Maracaïbo te nemen!—viel de heer d’Ogeron uit, van zijn stoel
opspringend.—Maracaïbo te nemen!—herhaalde hij.

—Anders niet. Hoe denkt gij daarover?

—Wel verduiveld! Ik ben er geheel en al door verbluft! En ge doet, naar
uwe gewoonte, mij die vraag als met het pistool op de borst.

—Zijt gij er dan zoozeer over verwonderd?

—Ik moet zeggen dat ik je met al uwe koelbloedigheid hoogst naïef vind,
op mijn woord! Maar vertel mij nu eens, is het je alles waarlijk ernst?

—Twijfelt gij daaraan? Langer dan een maand loop ik al met dit plan
rond, in al dien tijd heb ik over niets anders gedacht.

—Maar je bent gek, stapelgek. Het is te gek om er langer over te
praten!

—Zoo, zoo! Nu heeft het er toch veel van alsof ge in mij niet veel meer
dan een kwâjongen ziet!

—Dat komt omdat ik mij geen begrip kan maken hoe zulk een dwaas plan in
iemands brein kan opkomen, Maracaïbo te willen veroveren!

—En waarom niet?

—Och, kerel! Ge schijnt wel te denken dat je tot alles in staat zijt!

—Dat is juist de beste manier om in alles te slagen. Maar luister nu
liever verder en bedaard, want voor dit plan is reeds meer verricht,
dan door je kan vermoed worden.

Daarop deelde Montbars tot in de geringste bijzonderheden alles mede,
wat er tijdens zijn verblijf op de kust was voorgevallen; de manier
waarop hij in de stad was gekomen, de wijze waarop hij dáár ontvangen
was, de voorbereidende maatregelen door hem genomen, en dergelijke
zaken meer. De heer d’Ogeron luisterde met open mond; hij durfde zijne
ooren niet te vertrouwen. Toch was dezelfde heer d’Ogeron voor geen
klein geruchtje vervaard; hij was zelf jaren achtereen vrijbuiter
geweest, had menig heldenfeit bedreven en dan nog welke feiten! Maar
aan zulke ongehoorde expedities had men in zijn tijd niet gedacht; en
dit plan ging alles te boven wat men uitzinnigs bedenken kon, en
grensde aan het onbestaanbare! Hij was dan ook, zooals hij reeds aan
Montbars had gezegd, geheel en al overbluft, en waande half dat hij
eigenlijk aan een nachtmerrie ten prooi was. Montbars glimlachte,
lepperde aan zijn grogje en besloot bedaard en onverstoord zijne
mededeelingen, met eene verdere ontwikkeling van zijn plan, en van de
middelen die moesten gebezigd worden om het goede gevolg daarvan te
verzekeren. Het gevolg daarvan was het gewone, wanneer twee flinke
mannen tegenover elkaar staan en die twee elkaar reeds lang kennen, en
naar waarde weten te schatten; wie van hen dan de meeste
stoutmoedigheid betoont, eindigt met den ander te overtuigen, en zijn
plannen te doen aannemen, al moeten die dan ook op sommige punten
eenigermate worden gewijzigd. Zoo ging het ook nu; de heer d’Ogeron
helde langzamerhand over tot de meeningen van Montbars, trad met hem in
discussies over het geopperde plan, en eindigde met daaraan zijne
goedkeuring te verleenen.

—Het is een grootsch plan,—verklaarde hij ten slotte,—en geheel den man
waardig, die het heeft durven ontwerpen, maar de uitvoering zal vele
bezwaren opleveren.

—Minder dan gij denkt, mijnheer. Want als wij het nu eens bedaard
nagaan, waar komt dan eigenlijk alles op neer? Op eene verrassing, op
niets anders,—verzekerde Montbars op stelligen toon.—Gij moet vooral
niet uit het oog verliezen, dat het betreft een zeer afgelegen streek,
bijna van elke hulp van buiten verstoken en daardoor genoegzaam aan
zich zelf overgelaten; de bewoners zijn niet talrijk en verspreid over
eene groote oppervlakte, de garnizoenen zwak, en de versterkingen
onbeduidend. Wij moeten met de snelheid des bliksems de kolonie
overvallen, zoodat de kolonisten niet kunnen gissen met wie zij
eigenlijk te doen hebben, en geen tijd meer hebben om, na van den
eersten schrik te zijn bekomen, zich te verzamelen. Zóó zal onze slag
geslagen en zullen wij weer ingescheept zijn, terwijl zij nog in het
onzekere zijn wie hunne vijanden waren.

—Maar stel eens dat je een Spaansch eskader ontmoet?

—Geen nood! Dan zullen wij het bevechten, en zoo noodig in den grond
boren. Daarenboven, wie niet waagt, wie niet wint, volgens het
spreekwoord. Wij hebben kans op een ontzaglijken buit, want gij kunt je
niet voorstellen welke onmetelijke rijkdommen in dat land te vinden
zijn.

—Dat wil ik graag gelooven,—zei de heer d’Ogeron lachend—want wij zijn
daar nog nooit geweest, voor zoover ik mij herinner?

—Nooit; ook dient Maracaïbo, als het ware, tot stapelplaats voor de
andere koloniën, zoo veilig gelooven de inwoners zich dáár voor iederen
overval.

—Arme Spanjaarden! Dan hebben zij niet het minste vermoeden van wat hen
boven het hoofd hangt.

—Hoe heb ik het nu, wordt gij waarlijk weemoedig bij het aanstaande lot
van de gavachos?

—Ja, ja! Want ik denk daarbij aan het vreeselijke bloedbad dat gij
onder hen zult aanrichten.

—Nooit zal ik naar mijn zin genoeg van die verwenschte natie kunnen
laten ombrengen!—viel Montbars uit op barschen toon en met woeste
blikken.

—Hebt ge dan aan hen zulk een gloeienden haat?

—Ik?! Ik zou graag, even als Nero, nieuwe straffen willen uitdenken, om
hen des te erger te doen lijden! Maar bepalen wij ons nu tot onze
zaken. Hoeveel schepen zijn er hier?

—Te Port-de-Paix?

—Te Port-de-Paix, te Margot, te Leogana, op Tortue, in één woord
overal.

—Niet bijzonder veel; hoogstens een dertig, maar daarvan zijn zeker
twaalf of veertien bijna niet in staat om zee te houden.

—Dan zijn er toch meer dan wij noodig hebben, mits dat het snelzeilers
zijn; en in dat geval koop ik ze.

—Sapperloot! Dan moet het je niet aan geld ontbreken!

—Ik ben heer en meester over de schatkist der Twaalven,—gaf Montbars
lachend ten antwoord.

—Zoo dikwerf heb ik reeds hooren spreken over die Vereeniging der
Twaalven [9],—merkte de heer d’Ogeron aan, met ietwat ontevreden
gelaat.

—Laat die je geen bezorgdheid inboezemen, mijnheer. De opperste leiding
berust in mijne handen, en die vereeniging heeft geen ander doel, dan
de glorie en het fortuin van de flibustiers.

—Goed, dan zal ik daarover niet verder spreken, doch onder voorbehoud
later daarop terug te komen.

—Ieder oogenblik ben ik daartoe bereid, mijnheer. Dus hebt gij er niets
tegen mij die schepen te verkoopen?

—Van dit oogenblik af, kunt gij er over beschikken.

—Ik dank je! Nu komt het er op aan manschappen aan te werven.

—Aan manschappen ontbreekt het niet.

—Wel mogelijk, doch ik moet mij beter uitdrukken. De mannen waaraan ik
behoefte heb, moeten geharde kerels zijn, bereid en in staat om mij tot
naar de hel te volgen, zoo ik dit eischte.

—Ik houd het er voor, dat ge zonder veel moeite die mannen wel vinden
zult.

—Heerlijk! Nu heb ik niets meer te doen dan je slechts ééne zaak zeer
dringend aan te bevelen.

—En die is?

—Alles stipt geheim te houden. Gij weet dat hier meer dan te veel
spionnen loeren en één enkel onbedacht woord zou genoegzaam zijn om
alles te doen mislukken.

—Ge zegt daar iets, waarde Montbars, dat ongelukkig genoeg maar al te
waar is, en ik moet je zelfs mededeelen, daar ge dan in tijds de
noodige voorzorgen kunt nemen, dat er, hoe het komt weet ik niet, in
den laatsten tijd een booze geest onder ons schijnt te waren. Er kan
tegenwoordig door ons geen enkel besluit meer genomen worden dat geheim
blijft; dadelijk wordt alles aan de Spanjaarden verklapt, die dus
gemakkelijk overal op hunne hoede blijven, waardoor al onze
ondernemingen mislukken.

—Dat is een zeer ernstig geval, mijnheer d’Ogeron! Dan moet er een
verrader onder ons schuilen.

—Dat heb ik ook reeds gedacht.

—En wat hebt gij toen gedaan?

—Iets dat gij zelf zeker ook zoudt gedaan hebben. Ik heb enkele der
voornaamste onder de Broeders der Kust bijeengeroepen, zooals Grammont,
Drack, Francoeur, en een paar andere; ik heb hun toen mijn vermoeden
meegedeeld en zeer ernstig op het hart gedrukt een wakend oog te
houden, niet alleen op hunne kameraden en de inwoners, maar zelfs op de
pandelingen.

—En het gevolg?

—Het gevolg is, dat wij niets ontdekt hebben.

—Bij den hemel! Dan zal ik dien verrader ontdekken, dat zal ik, dat
zweer ik u, mijnheer d’Ogeron,—verklaarde de flibustier op somberen
toon,—en dan, wee hem! Wee, wie het ook wezen moge!

—Daar hebt ge nu om een voorbeeld te noemen,—hernam de heer
d’Ogeron.—Ge zijt zoo pas te Port-de-Paix binnengeloopen, niet waar?

—Nauwelijks een uur geleden, dat weet gij.

—Juist. Welnu, sedert twee of drie dagen was reeds in de stad het
gerucht in omloop van uw aanstaande terugkomst, en men wist bovendien
nog te vertellen dat ge bepaald van plan waart, weer eene zeer
belangrijke expeditie uit te rusten. Nu vraag ik je wie en hoe kan dat
te weten zijn gekomen?

—Dat is hoogst bevreemdend en gaat alle begrip te boven, te meer daar
slechts drie personen bepaald met mijne voornemens bekend zijn; het
overige van de bemanning van den schooner vermoed wellicht iets, doch
zonder eenige zekerheid.

—En wie zijn die drie personen?

—Uw neef Philippe, voor wiens stilzwijgendheid ik borg blijf, gij zelf
en ik; doch genoeg daarover en wees gerust, ik sta er voor in dat alles
door mij zal behandeld worden op zulk eene manier, dat de verrader, wie
of wat hij zijn moge, er niet in zal slagen om van iets op het spoor te
komen.

—God geve het!—uitte de heer d’Ogeron, terwijl hij opstond.—Blijft ge
nog aan boord?

—Stellig niet. Ik ga dadelijk met je naar wal, zoo gij er niets op
tegen hebt.

—Niets liever dan dat. Hebt ge een verblijf, waar ge je intrek denkt te
nemen?

—Waarom?

—Omdat, zoo dit niet het geval mocht zijn, ik je een kamer bij mij aan
huis zou aanbieden.

—Ik blijf je daarvoor zeer dankbaar, doch kan dit zeer beleefde aanbod
niet aannemen, daar ik mij onverwijld met de besprokene zaak wil bezig
houden en dus vóór alles vereischt wordt, dat ik volkomen vrij blijf om
over al mijn tijd te beschikken, terwijl ik bovendien met mijn
kameraden nog tot overeenstemming moet komen.

—Zoo! ge komt toch van avond bij mij eten, niet waar?

—Dat zeer gaarne, ten minste zoo ge niet te laat eet, daar ik gaarne
vroeg vrij wilde zijn.

—Vijf uur, schikt je dit?

—Zeer goed, dus blijft dit afgesproken.

Daarna begaven zij zich weer naar het dek, waar de heer d’Ogeron door
de equipage der brigantijn werd ontvangen met groot gejuich, dat
gegrond was op zuivere toegenegenheid en ware hoogachting. Wij hebben
reeds vroeger medegedeeld dat de heer d’Ogeron half aangebeden werd
door de vrijbuiters, waarvan hij de meesten persoonlijk kende, en zeker
werd dit ook veroorzaakt, doordien hij bij uitnemendheid den slag bezat
om hen in hun zwak te tasten, doch tevens hen eerbied en zelfs waar dit
noodig was vrees voor zich in te boezemen. Eer de Gouverneur van boord
ging drong hij er op aan om het schip van het dek tot het ruim te
inspecteeren, (eene beleefdheid waardoor de bemanning zich zeer gevleid
betoonde), en na zijn neef en de voornaamste officieren van den
schooner bij zich op het diner te hebben genoodigd, stapte hij,
vergezeld door Montbars, in de boot die door de goede zorg van Philippe
reeds voor hem in gereedheid was gebracht.

Bij het aan wal stappen hernieuwde de heer d’Ogeron zijne uitnoodiging
aan Montbars en drong er op aan dat deze vooral niet te laat zou komen;
daarna namen de beide heeren op zeer hartelijke wijze afscheid van
elkaar, en ging ieder van hen een anderen kant uit.

Montbars had de grootste moeite zich te onttrekken aan de ovatie die de
Broeders der Kust hem bereid hadden daar zij voornemens waren hem in
triomf door de straten te dragen; eindelijk gelukte het hem te
ontkomen, door onverhoeds een logement binnen te gaan dat hij toevallig
in het oog kreeg en nadat de menigte lang genoeg vóór de deur had post
genomen om te bemerken dat hij niet meer voor den dag kwam ging zij
eindelijk uiteen.








XII.

HET LOGEMENT.


Het logement waarin Montbars, als het ware, gevlucht was om bevrijd te
worden van de ovatie die zijne kameraden in de overmaat hunner
opgewondenheid hem hadden willen brengen, was een zeer bescheiden
woning, dicht bij den ingang van de haven, aan den hoek van twee
straten. Zooals al de huizen in die stad was het van hout, en had het
een plat dak; langs de eerste verdieping liep een balkon, en een
zuilengang van ruw afgeschaafde boomstammen, diende tot steun voor een
breede veranda; boven de deur aan een tak van een citroenboom was eene
ijzeren roede bevestigd aan wier eind bij het minste windje een breede
blikken plaat knarste, waarop met groote geelachtige letters geschreven
stond: „Logement voor Zeevarenden.”

Bij het binnenkomen werd de deur door Montbars stevig achter zich dicht
getrokken, zoodat het in de eerste oogenblikken voor hem was alsof hij
zich in totale duisternis bevond, doch van lieverlede wendden zijne
oogen zich aan het weinige licht, en kon hij gemakkelijk de voorwerpen
onderscheiden die hem omringden. De zaal, waarin het toeval hem had
gebracht, was middelmatig groot; tafels, stoelen en banken maakten de
meubileering uit; in een hoek stonden of lagen tegen den muur, riemen,
masten, raas en netten, en aan het benedeneind van de zaal was een
buffet waarin verschillende flesschen met geestrijk of ander soort van
vocht.

De vrijbuiter keek om zich heen, bemerkte dat hij alleen in de zaal
was, en klopte toen met de greep van zijn dolk op een tafel die vlak
bij hem stond om den pandeling die belast was met de bediening der
klanten, te roepen. Daarop leunde hij met zijn elleboog op de tafel, en
met zijn hoofd op zijn hand en gaf zich over aan zijn gepeins.

Een oogenblik later deed een licht geluid hem het hoofd opheffen en zag
hij dat eene vrouw onbeweeglijk vóór hem stond, tegen het licht in,
zoodat ook door de in het vertrek heerschende duisternis de omtrekken
van haar gelaat zeer moeielijk te onderscheiden waren. Zij zag den
vrijbuiter zoo vreemd en zonderling aan dat hij daardoor ondanks
zichzelven ontroerd werd.

—Gij hebt geroepen, mijnheer,—begon zij met zachte en bevende stem.—Ik
ben tot uwe orders, wat verlangt gij?

Bij den welluidenden klank van die stem, gevoelde de flibustier eene
gewaarwording, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven; hij begon te
beven, en druppels klam zweet liepen langs zijne slapen.

—Ja,—gaf hij ten antwoord genoegzaam zonder te weten wat hij eigenlijk
zei,—ik geloof dat ik geroepen heb. Ge zijt zeker de eigenares van dit
logement?—vroeg hij zich eenigszins herstellende.

—Ja, mijnheer,—antwoordde zij, en liet langzaam het hoofd zakken.

Montbars, nog altijd onder den indruk zijner ontroering, trachtte
telkens doch te vergeefs haar gelaat beter in het gezicht te krijgen
doch ook die poging werd door haar verijdeld, daar zij zeker de
schemering nog niet genoegzaam achtte om onbekend te blijven en dus het
dikke weefsel van hare rebozo over haar gelaat trok.

—Ik ben een zeeman,—hernam de vrijbuiter,—en...

—Ik ken u,—viel zij bijna fluisterend hem in de rede.

—Hoe!—spotte hij verwonderd,—kent ge mij?

—Ja, gij zijt de onverbiddelijke aanvoerder aan wien de Spanjaarden den
bijnaam van den Verdelger gegeven hebben.

—Dat is zoo!—bevestigde hij met eene niet weer te geven uitdrukking van
haat.—Aan de gavachos schenk ik nooit genade.

Zij boog even zonder antwoord te geven.

—Kunt ge mij hier huisvesting geven?—vervolgde Montbars.

—Waarom niet zoo u dit verlangt? Doch gij hebt immers uw eigen huis,
dat gij kunt betrekken.

—Gaat dit u aan?

—O, neen!—antwoordde zij zachtmoedig.—Daarin hebt gij gelijk, ik heb
mij daarmee niet te bemoeien.

—Zijn er bij u nog meer aanvoerders van de vrijbuiters?

—Drie, mijnheer.

—Wie zijn dat?

—Francoeur, de ridder de Grammont, en kapitein Drack.

—Zoo. Kunt ge mij een afgescheiden kamer geven?

—Wat verstaat gij door afgescheiden, mijnheer? Houd mij die vraag ten
goede, maar ik begrijp u niet best, mijnheer, want ik ben eene
Spaansche en dus minder vertrouwd met de Fransche taal.

—O! zijt gij eene Spaansche?—vroeg hij kortaf.

—Dat wil zeggen,—werd haastig ten antwoord gegeven—ik ben in Spaansch
Vlaanderen geboren.

—Zoo!...—liet hij hooren, en keek haar lang en scherp aan, doch
vervolgde alsof hij aan die mededeeling weinig gewicht hechtte.—Met een
afgescheiden kamer, bedoel ik een vertrek dat niet met de overige in
verband staat, en waar ik dus ongestoord uit- en in- kan gaan zonder
kans van lastig gevallen en zoo noodig zelfs zonder gezien te worden.

—Zulk eene kamer heb ik tot uwe beschikking.

—Goed, dan betrek ik die. Hier hebt ge iets in voorschot.—En bij die
woorden wierp hij eenige goudstukken op de tafel.

—Het is mijne gewoonten niet, voorschot aan te nemen,—gaf zij haastig
te kennen en schoof het geld met zenuwachtig gebaar van zich.

—Dan is dat zoo goed als verloren geld,—merkte hij eenigszins bits
aan,—want het is mijne gewoonte om nimmer terug te nemen wat ik eens
gegeven heb.

Een oogenblik aarzelde zij, toen streek zij de goudstukken naar zich
toe.

—Maar gij dient dan toch te weten hoeveel ik voor uwe huisvesting in
rekening zal brengen.

—Dat acht ik geheel onnoodig. Ge weet dat ik rijk ben en met zulke
kleinigheden bemoei ik mij niet.

—Wilt gij dan tenminste de kamer eerst gaan opnemen?

—Ook dat is overbodig. Als het vertrek is zooals ge mij hebt gezegd,
zal het juist voor mij geschikt zijn, daar ben ik zeker van.

—Wanneer wilt ge de kamer betrekken?

—Liefst dadelijk.

Hij stond op, dit gesprek begon hij drukkend te vinden, hij gevoelde
zich tegenover die vrouw in gedwongen verhouding, hoewel hij zich
volstrekt geen rekenschap kon geven waaraan hij dit moest toeschrijven.

—Vergun mij nog een paar woorden,—hernam zij.

—Spreek,—gaf hij kortweg ten antwoord en ging weer zitten.

—Ik wilde u verzoeken mij een gunst te bewijzen.

—Eene gunst? En dat aan mij!

—Ja, mijnheer,—luidde het zeer ootmoedige antwoord.

—Ge kent mij, ge zijt eene Spaansche en toch vraagt ge mij je eene
gunst te bewijzen!—viel hij uit, en trok de schouders op.

—Ik gevoel dat ik ongelijk heb, maar ik moet toch deze gunst juist van
u vragen daar gij de eenige zijt die daaraan kunt voldoen.

—Nu, als het er dus mee staat, spreek dan maar op; ik luister mits het
niet te lang duurt.

—Niet langer dan enkele minuten, mijnheer.

—Goed, toegestaan.

Juist op dit oogenblik werd de deur opengedaan, en traden een paar
personen binnen. Zij keek op, deinsde verschrikt terug, en verzocht
door een wenk den vrijbuiter haar te volgen.

—Kom mee,—hernam zij,—ik zal u naar uwe kamer brengen.

—En ge moest mij iets vragen.

—Later, op een ander oogenblik misschien,—luidde hortend en stootend
het antwoord, daar zij hare ontroering niet kon bedwingen.

—Doe naar uw goeddunken, maar dáár zie ik juist een mijner kennissen
met wien ik gaarne eenige woorden zou wisselen.

—Kent gij Francoeur dan?—vroeg zij gejaagd.

—Is dat zoo’n wonder? En gaat het u aan?

—Mij! O, neen, niets!

—Dan zult ge ons nu wel willen alleen laten, naar ik verwacht.

—Ik zal heengaan. De man die dáár bij den heer Francoeur staat, is mijn
pandeling, die kan hier blijven om u te bedienen.

—Goed, goed!—luidde het op ongeduldigen toon.—Welk eene zonderlinge
vrouw!—mompelde Montbars binnensmonds, terwijl hij haar nastaarde toen
zij de zaal verliet.—Zij is voor mij een raadsel. Doch hoe kom ik er
toch toe om mij zooveel aan haar gelegen te laten liggen? Misschien
doordien het is alsof ik haar vroeger ontmoet heb, maar waar en hoe,
dat kan ik mij niet herinneren.

Hij ging naar Francoeur, die zich op een stoel had laten neervallen,
als overweldigd door hevige gemoedsbeweging, doch toen hij Montbars
hoorde naderen, keek hij op, stak hem de hand toe en zei:—Welkom te
Port-de-Paix.

—Dank!—gaf Montbars ten antwoord en drukte hem daarbij de hand.—Maar
wat scheelt je? Ge ziet zoo bleek en ontdaan... Er is je toch geen
ongeluk overkomen?

—Neen, och neen, het is niets! Let er maar niet op. Ik schaam er mij
eigenlijk over dat ik mij dus aanstel. Ik heb de anderendaagsche
koorts, en die hindert mij, maar dat is ook alles. Het schijnt dat de
lucht hier niet goed voor mij is.

—Maar, vriendlief, hoe kunt ge zoo iets denken! Het klimaat hier is
immers zoo goed als men wenschen kan!

—Ja... mogelijk heb ik dan kou gevat te Leogana.

—Nu wat er de oorzaak van zij, doet er niet toe,—gaf Montbars te
kennen, daar hij zeer goed bemerkte dat de jonge man om de eene of
andere reden, niet voor de waarheid wilde uitkomen,—doch in ieder geval
hoop ik dat de ziekte of ongesteldheid wat dan ook, je niet zal
beletten deel te nemen aan eene nieuwe expeditie, die ik van plan ben
te ondernemen.

—Gij weet dat het mijn grootste verlangen is je daarbij te vergezellen.

—Goed, sla toe, dan blijft dit afgesproken.

—Is er nu spraak van een belangrijken tocht?

—Daarover zult ge zelf later kunnen oordeelen,—antwoordde Montbars
glimlachend.

Gedurende dit gesprek tusschen de beide vrijbuiters, had de pandeling,
die niemand anders dan Birbomono was, de zaal op en neer gedrenteld, en
hier en daar een tafel of een stoel recht gezet.

—Luister eens, vriend,—riep Montbars hem toe,—ik heb zoo even hier in
huis een kamer gehuurd, ga eens met mij mee om mij den weg te wijzen.

—Tot uwe orders, mijnheer.

—Gaat gij heen?—vroeg Francoeur hem terwijl hij zeer gejaagd opstond.

—Ja, doch maar even; ik heb behoefte om een poosje rust te nemen.

—Dat spijt mij,—hernam de jonge man steeds even haastig en gejaagd,
want nu het toeval ons zoo bij elkaar heeft gebracht, had ik die
gelegenheid gaarne waargenomen om je eene opheldering te vragen.

—Eene opheldering van mij?—vroeg Montbars met verbazing.

—Ja, wel te verstaan, zoo gij mij dit veroorlooft.

—Is daarbij dan zooveel haast?

—Dringende haast, dit verzeker ik je.

—Dit bevreemdt mij. Geldt het dan zulk eene ernstige zaak?

—Eene zaak waarbij het voor mij eene levensvraag geldt,—verklaarde hij
met half verstikte stem.

Montbars keek hem een poos met de grootste verwondering aan.

—Die woorden verbazen mij zeer,—hernam hij eindelijk.—Onze kennismaking
is nog sinds kort, en in ons vroeger leven zijn wij nooit met elkaar in
aanraking geweest, hoe is het dus mogelijk dat ge van mij zulk een
gewichtige mededeeling kunt verwachten?

—Stemt gij er in toe, naar mij te luisteren?

—Zeker, wanneer ge maar wilt.

—Dan liefst dadelijk.

—Goed, ik zal luisteren.

—Ja, maar niet hier; wat ik je te zeggen heb, is alleen voor jou
bestemd.

—Mij wel! Volg mij dan in mijne kamer, tenzij ge liever wilt dat wij
ons naar de uwe begeven.

—De plaats waar is mij tamelijk onverschillig, onder voorbehoud dat wij
maar alleen zijn.

Montbars gelastte door een wenk aan Birbomono, om hun de besprokene
kamer te wijzen; daarna gingen die drie de zaal uit, en onder weg
fluisterde de mayordomo den jongen man toe:

—Maar caballero! Wat gaat gij beginnen?

—Op de eene of de andere manier moet er een eind aan komen,—gaf de
ander ten antwoord, met verwilderden blik.—Mijn toestand word
onverdraaglijk!

Birbomono liet het hoofd op de borst zakken, zonder eenig antwoord te
geven. Na eenige treden een trap te zijn opgeloopen, deed de mayordomo
eene deur open, en bracht de beide heeren in een vrij goed gemeubileerd
vertrek.

—Dit is uwe kamer,—zei hij tegen Montbars.

—Goed. Ge kunt nu wel heengaan.

De mayordomo vertrok en sloot de deur achter zich dicht. Het eerste
vertrek diende tot spreekkamer; de vrijbuiters vertoefden daar niet,
maar begaven zich naar het tweede dat een salon scheen te zijn.
Montbars nam plaats in een leunstoel en noodigde door een wenk den
jongen man uit dit eveneens te doen, doch Francoeur schudde ontkennend
het hoofd, en bleef staan. De stilte die daarna volgde duurde tamelijk
lang, en werd het eerst door Montbars verbroken.

—Ik wacht op hetgeen gij mij te zeggen hebt!—zei hij.

Francoeur sidderde, en hief haastig het hoofd op, dat tot op zijn borst
was gezonken.

—Montbars,—begon hij langzaam en met sombere stem,—gij hebt den naam
iemand te zijn van wiens onversaagdheid geen wedergade wordt gevonden.

—Wat!—liet Montbars hooren, één en al verbazing over de zonderlinge
inleiding waarmee dit gesprek werd aangevangen.

—Ja,—hernam Francoeur,—gij gaat door voor iemand vol onversaagden moed,
in één woord voor een dier mannen die voor niets terugdeinzen,
hoogstens zich over iets verwonderen kunnen.

—Dat alles is mogelijk,—gaf Montbars koeltjes ten antwoord,—maar wat
ter wereld heeft mijn meerdere of mindere moed uitstaande met die zoo
gewichtige opheldering, die je van mij verwacht?

—Dat zal ik je zeggen, Montbars. Men heeft mij gezegd, dat gij sinds
gij op de Kust zijt, meer dan eens een tweegevecht hebt gehad, en het
duel tusschen boekaniers gaat meestal gepaard met doodelijken afloop.

—Ter zake, mijnheer, ter zake, dat verzoek ik je dringend!—viel
Montbars uit, wiens toorn gaande werd gemaakt, en die gevoelde dat hij
zich niet lang meer zou kunnen beheerschen.

—Altijd heeft het geluk u begunstigd, en gij zijt steeds ongedeerd
gebleven bij dergelijke ontmoetingen, niet waar?

—Ligt het in uwe bedoeling mij te beleedigen?—klonk de driftige vraag.

—Neen, mijnheer,—werd zacht, zelfs bijna weemoedig ten antwoord
gegeven.—Alleen verzoek ik u dringend mij te willen antwoorden.

—Nu, dan! Ja, mijnheer! God heeft mij steeds beschermd, want altijd was
de zaak die ik voorstond, rechtvaardig!

—God!—herhaalde Francoeur ten toppunt van verbazing.—Noemt gij den naam
van God, Montbars?!

—Zeker, jong mensch! En waarom zou ik dat niet? Doch thans niet meer
daarover, en nog eens voeg ik u toe, ter zake!

—Zoo zij het dan, Montbars! Ik verlang met je te vechten, en daar ook
ik het er voor houd, dat de zaak waarvoor ik strijd, heilig en
rechtvaardig is, hoop ik op mijn beurt, dat God mij beschermen en ik je
dooden zal.

Montbars deinsde ontroerd terug.

—Wat beduidt die comedie, mijnheer,—vroeg hij op hoogen toon,—of zijt
ge gek?

—Ik ben niet gek, mijnheer, en speel evenmin comedie,—luidde het nu
meer rustig gegeven antwoord.

—Dus beteekent dit werkelijk eene uitdaging?

—Zeer stellig eene uitdaging!

—Ge wilt mij dus dooden?

—Dat hoop ik te doen.

—Maar dat gaat zoo maar niet, voor zoo iets is geen naam te
vinden!—barstte Montbars los, en begon met groote stappen in de kamer
op en neer te loopen.—Gij kent mij te nauwernood en ik heb je nooit
eenig verdriet aangedaan, en nog veel minder u eenig onheil berokkend.

—Zoudt gij dat denken?

—Hoe! Of ik dat denk? Neen, ik ben er zeker van.

—Dan vergist gij u zeer, mijnheer. Gij hebt mij zeer veel kwaad gedaan,
ja, zelfs mij een onherstelbare ramp toegebracht!

—Ik!

—Ja, gij, señor, gij zelf!

—Kunt ge dat naar waarheid getuigen?

—Dat verzeker ik u op mijn woord van eer.

Montbars zweeg eenige oogenblikken, en bleef in gepeins; ten laatste
hernam hij:

—Luister eens, hoe vreemd en zonderling het voorstel schijnt dat je mij
doet, ik neem het aan.

—Daarvoor betuig ik je mijn dank.

—Ja maar, hoor nog even. Ik neem het aan, dit herhaal ik, doch op ééne
voorwaarde.

—Welke?

—Dat ge mij vooraf zegt wie ge zijt, en welke de beweegredenen zijn,
die je nopen dus te handelen, en wie de lieden zijn die je daartoe
hebben aangezet.

—Maar!!

—Doe geen verdere pogingen! Dit besluit is onherroepelijk!

—Maar toch...

—Hoe nu! Ik moet bekennen, dat ik je meer dan dwaas begin te vinden! Ge
komt hier zonder de minste aanleiding twist met mij zoeken, en mij
rondweg zeggen dat ge verlangt mij te dooden, en dacht ge nu misschien
dat ik dit mij maar zoo dadelijk zou laten welgevallen. Maar waarde
heer, dat is nog erger dan louter onzin! Bedenk wel dat ik geen lust
heb te vechten met den eersten den besten, die het goed mocht vinden om
mij zonder grond of reden te beleedigen. Neen, neen, mijnheer, dat gaat
niet aan, reken er niet op dat ge mij noodzaken zult je voldoening te
geven, zelfs al waart ge laag genoeg mij eene van die beleedigingen aan
te doen, die alleen door bloed kunnen worden uitgewischt. Wees dus
gewaarschuwd, want ik verzeker je dat ik je bij het eerste gebaar of
bij het eerste woord, neerschiet als een dollen hond. Nu kent ge mijne
voorwaarden, en kunt spreken of zwijgen naar goedvinden, mij is dit
tamelijk onverschillig.

—Welnu, mijnheer, dan zij het zoo! Daar gij er dus op aandringt zal ik
spreken! En toch, geloof mij, zou het wenschelijker voor u wezen indien
ik zweeg, want dan zou ten minste uwe eer onbezoedeld blijven.

—Ik vermeen mijnheer, zelf de beste rechter te zijn, in alle zaken
waarbij mijne eer mocht gemoeid zijn. Spreek dus, zonder vrees en
zonder eenige terughouding.

—Dat zal ik, doch beschuldig dan niemand anders dan je zelven over de
gevolgen die mijne woorden zullen veroorzaken.

—Nog eens, en thans voor de laatste maal, herhaal ik je, dat ik van je
verlang eene ronde, openhartige en volkomen voldoende verklaring, en ik
voeg er bij, dat ik geen enkel oogenblik beducht ben voor de gevolgen
daarvan.

—Ik zal dan aan je verlangen voldoen, en naar ik hoop zal er daarna
niet de minste aanleiding voor je overblijven tot een weigering om mij
voldoening te geven.

—Te dien opzichte behoeft ge geen zorg te hebben, dit verzeker ik u op
mijn woord van eer. Maar nu verzoek ik u dringend er zonder verder
verwijl een begin meê te maken, want ronduit gezegd, begint het mij
verbazend te vervelen.

De jonge man boog, nam plaats in een leunstoel, vlak over Montbars, en
maakte zich tot spreken gereed.








XIII.

DE OPHELDERING.


Ondanks al de heftigheid van het voorgevallene, gevoelde Montbars toch
niet de minste verbittering jegens dat jonge mensch, hoewel hij er zich
zeer over verwonderde, dat hij zoo kalm was gebleven en zonder toorn.
Met de kin in de hand leunend op de armen van zijn stoel, keek hij met
eene mengeling van droefgeestigheid en medelijden, naar dien jongen man
vlak tegenover hem, naar Francoeur, door wiens edel en fraai gelaat met
den fieren blik hij reeds bij de eerste ontmoeting met onwederstaanbare
sympathie was aangetrokken; naar dienzelfden Francoeur, dien hij,
gedreven door het rampzalige noodlot, wellicht na eenige uren
genoodzaakt zou zijn te dooden, zoo hij niet onverbiddelijk door dezen
gedood wilde worden. Tal van gedachten kruisten door zijn brein en
dringend rees de vraag bij hem op, of hij den droevigen moed zou hebben
zulk een jeugdig bestaan te vernietigen, dan wel of het niet veel beter
zou wezen dat hijzelf het was, die bij dien mogelijken kampstrijd ten
onder werd gebracht?

De jonge man bleef zijnerzijds nog een poosje nadenken, als om al zijne
herinneringen te ordenen, en begon toen te spreken, eerst zwak, zelfs
eenigszins bevende, doch van lieverlede met meer kracht, en kort
daarna, onder den invloed van het gevoel dat hem beheerschte, met vol
geluid en hartstochtelijke vervoering.

—Montbars, het noodlot maakt ons als met ijzeren hand tot vijanden, en
toch zou ik er zoozeer de voorkeur aan gegeven hebben, om door u met
toegenegenheid te worden behandeld, want ronduit verklaar ik je, dat ik
ondanks al mijn streven om je innig te haten, mij met onweerstaanbare
kracht tot je voel aangetrokken. Misschien zou een ander dit gevoel
kunnen verklaren en ontleden, ik tracht er niet naar, maar ik weet dat
het bij mij bestaat, dat het mij beheerscht, schoon het mij tot nu
heeft doen terugdeinzen voor die opheldering, die slechts met den dood
van een van ons beiden kan eindigen.

—Ook ik,—betuigde Montbars op weemoedigen toon,—gevoel dat ik je zou
hebben kunnen liefhebben, ja, werkelijk had ik je reeds lief, en zelfs
op dit oogenblik kan ik er niet toe komen je haat toe te dragen.

—Doch ongelukkig genoeg, Montbars,—hernam de jonge man,—moeten wij die
zachtere gevoelens terugdrijven naar het diepste van ons gemoed om
slechts te luisteren naar de stem van den plicht, die onverbiddelijke
stem die mij thans gelast van je eene vreeselijke verantwoording te
eischen. Ik ben geen Franschman, zooals ten onrechte door je is
geloofd, zeker naar aanleiding van de gemakkelijkheid waarmede ik uwe
taal spreek, doch ik ben althans, ik geloof te zijn, een Spanjaard.

—Gij een Spanjaard!—uitte Montbars op smartvollen toon.

—Ja, Montbars. Vergun mij nu dat ik je de geschiedenis van mijn leven
mededeel, dit is noodzakelijk om verder goed door je begrepen te
worden, doch ik zal daarbij zoo kort mogelijk zijn, en mij er toe
bepalen je niet meer te zeggen, dan wat gij noodzakelijk moet weten.
Mijne ouders heb ik niet gekend, noch mijn vader, noch mijne moeder.

—Arme jongen!—mompelde Montbars.

—Ik ben opgevoed door een oom, de broeder van mijne moeder,—vervolgde
de jonge man.—Die oom had voor mij de grootste zorg; nauwlettend hield
hij het oog over mijne opvoeding, en door zijn toedoen kwam ik bij de
marine.

—En ge zijt nu reeds, ondanks uw jeugdigen leeftijd, een uitstekend
zeeman geworden, daarvan kan ik getuigenis afleggen.

—Ik heb de eer officier te zijn op de vloot van Zijne Katholieke
Majesteit.

—Hoe! Wat! Maar van waar komt het dan dat...

—Een beetje geduld, als ik je verzoeken mag,—viel de jonge man in.—Ik
heb je immers verzekerd dat gij alles zoudt vernemen?

—Het is waar! Vervolg dus, en houd mij dien onverhoedschen uitval ten
goede.

—Nu ongeveer zes maanden geleden was ik te Vera-Cruz, waar ik
verpoozing zocht van een lange en vermoeiende reis in Europa. Op een
goeden dag werd ik bij mijn oom ontboden, die, naar hij zei, mij zeer
gewichtige mededeelingen had te doen. Ik was dadelijk naar hem
toegegaan, zijn zoon was de eenige die het onderhoud bijwoonde, en toen
vernam ik de afgrijselijke geschiedenis van mijne familie.

De jonge man hield op; een zucht, een snik ontwelde aan zijn borst, hij
verborg het hoofd in zijn handen en weende. Montbars gevoelde eerbied
voor dit betoon van smart, eene smart waarvoor hij misschien meer
medegevoel koesterde dan hem lief was. Eindelijk na enkele minuten
waarin de doodsche stilte slechts werd verbroken door de gesmoorde
snikken van Francoeur, hief hij op eens het hoofd op, keek den
vrijbuiter aan met koortsachtig brandende oogen, vol uitdrukking van
verbittering en doodelijken haat en barstte los:

—Waartoe dient het nog langer je die vreeselijke geschiedenis te
vertellen. Gij kent die immers even goed als ik? Gij! Gij, de verleider
mijner moeder, die van wanhoop gestorven is met een vervloeking over je
op de lippen! Gij, de lafhartige moordenaar van mijn vader!!

Bij deze ongehoorde beschuldiging, en verregaande beleediging was
Montbars plotseling opgesprongen, alsof een slang hem vervaarlijk had
gebeten. Zijn bleek gelaat was als door een lijkkleur overtogen, zijne
oogen waren als verduisterd door een bloedig waas en met door woede
vast op elkaar geknepen lippen, ontsnapte uit zijn keel een gebrul als
dat van een wild dier. Als een tijger sprong hij op den jongen man af,
wierp hem met al zijn kracht, nog vermeerderd door zijne woede op het
tapijt en zette hem de knie op de borst; terwijl hij hem met de
linkerhand de keel toekneep, trok hij met de rechter zijn dolk uit,
zwaaide die met woest gegrijns boven het hoofd van zijn slachtoffer en
beet hem met heesche stem toe:—Ellendeling, ge zult sterven!

De jonge man zoo plotseling overweldigd door een aanval, volstrekt niet
door hem verwacht, deed geen enkele poging om te ontkomen aan de
krachtige hand, die hem gekluisterd hield; hij begreep dat iedere
wederstand nutteloos zou zijn, doch vestigde alleen een vasten blik op
zijn vijand, met eene zoo hoonende uitdrukking dat die niet te
beschrijven is; een glimlach vol verachting vertrok zijne door de
ontroering verbleekte lippen, en met luider stem beet hij driemaal
achtereen Montbars dit enkele woord toe:

—Lafaard! Lafaard! Lafaard!

Het was met den ongelukkigen jongen man gedaan, de onheilspellende
flikkering van het staal verduisterde zijn blik; geen menschelijke
macht scheen hem meer te kunnen redden, toen op eens een fijne, nette
hand, de hand eener vrouw, den arm van Montbars vatte, en tegelijk een
zachte doch smeekende stem, met een uitdrukking van smart zeide:—Zal
zóó door Montbars een kind dat weerloos aan zijn voeten ligt, worden
vermoord.

De vrijbuiter keek op, zonder echter zijn vijand te bevrijden van de
drukkende knie op diens borst. De eigenares van het logement stond vlak
naast hem, bleek, bevende, geheel ontroerd, als een standbeeld van de
smart, schoon, ondanks hare tranen, als de Niobe der oudheid, en zag
hem aan met eene uitdrukking, zóó smeekend, zóó teeder, en toch zóó
onderworpen, dat geen schilder in staat zou zijn dit weer te geven. De
flibustier sloeg de oogen neder onder den machtigen blik van die zwakke
vrouw, die een magnetischen invloed op hem scheen uit te oefenen.

—O!—die kreet uitte hij zacht en half snikkend. Toen was het alsof hij
de overmacht gevoelde van eene onbekende kracht, grooter dan de zijne;
hij stond langzaam op, stak den dolk weer in zijn gordel, deed een paar
passen achterwaarts om zijn vijand gelegenheid te geven eveneens op te
staan, sloeg de armen kruiselings over de borst, en bleef, met gefronst
voorhoofd, waarop het zweet zichtbaar was, en met somberen blik, en
kalme en waardige houding met opgeheven hoofd staan, als een leeuw, die
alles rustig afwacht.

Zoodra de jonge man zich vrij gevoelde, sprong hij op, en stond in één
oogwenk weer ter been; maar eveneens beheerscht door het zoo
indrukwekkende als statige voorkomen van die vrouw bleef ook hij
onbeweeglijk staan, schoon bevende door woede, doch toch zonder naar
zijn degen of dolk te tasten. De vrouw, die zoo te juister tijd en als
door de Voorzienigheid geroepen, te voorschijn was gekomen om een moord
te verhoeden, die zonder hare onverwachte tusschenkomst, ongetwijfeld
onder haar dak zou bedreven zijn geworden, zag eenige oogenblikken met
de meeste aandacht naar de beide tegenstanders; daarna deed zij een
paar schreden vooruit en plaatste zich tusschen hen, als om eene
vernieuwing van den strijd te voorkomen. Toen wendde zij zich tot
Montbars en voegde hem toe:

—Mijnheer, verblind door uwe onzinnige drift stond gij op het punt eene
afschuwelijke misdaad te begaan.

—Dat is zoo, mevrouw,—gaf de vrijbuiter ten antwoord met zooveel
zachtaardigheid dat zijn vijand daarover versteld stond,—en dit zou ik
eeuwig berouwd hebben. Daarom betuig ik u mijne dank voor uwe
tusschenkomst.

—Later zult gij mij nog inniger dank zeggen,—sprak zij met nauw
hoorbare stem.

—Wat wilt gij daarmee zeggen, mevrouw?

—Voor dit oogenblik niets,—hernam zij, waarna zij zich naar den jongen
man keerde en zei:

—Mijnheer, de beleedigingen vernederen nog meer hem die ze uitspreekt,
dan hem tot wie die gericht worden. Vervolg nu, in plaats van u te
laten vervoeren door uw toorn, waartoe gij u gerechtigd waant, het
verhaal dat door u was begonnen op eenvoudige wijze, waardig u zelven
en hem die u aanhoort. Misschien zal er dan eenig licht dagen over deze
geheimzinnige geschiedenis, en zult gij tot het besef komen, dat gij
geen slachtoffer zijt, maar een werktuig dat dient tot de bevrediging
van den haat van een ander.

Die woorden, met bijzonder overleg gekozen, gaven het jonge mensch veel
te denken, des te meer daar men tegen hem dien eigen dag bij de
bijeenkomst in de Groote Vlakte bijna diezelfde woorden had gebezigd;
hij gevoelde zich vernederd door dit soort van zedelijken dwang dien
men op hem scheen te willen toepassen; en dit had bij hem eene
verkeerde uitwerking, daar hij nu trachtte in verzet te komen tegen
zulk een eisch van onderdanigheid, waartoe hij ongezind was iemand het
recht te geven.

—Mevrouw,—antwoordde hij op hoogst beleefden toon, die echter niet vrij
was van een lichten zweem van spot,—dank zij uwe edelmoedige
tusschenkomst heeft die man dáár, die mij onder zijn knie gekneld
hield, mij niet gedood; daarvoor betuig ik u zeer onderdanig mijn dank,
niet omdat ik zoozeer aan mijn leven gehecht ben, dan wel omdat de aan
mij opgedragen taak nog niet is vervuld; noch mijn vader, noch mijne
moeder is gewroken. Echter komt het mij voor dat de mij door u bewezene
dienst, waarvoor ik u eeuwig dankbaarheid ben verplicht, u echter geen
recht geeft u met mijn zaken in te laten, die, veroorloof mij u dit
onder het oog te brengen, mij alleen aangaan en waarin gij u dus niet
behoort te mengen.

Een koele, snijdende, en minachtende glimlach vertrok even de lippen
van de dame.

—Wat weet ge daarvan?—zeide zij.—Zie naar dien man dáár, zooals ge hem
zoo even hebt genoemd. Hij heeft mij herkend, daar ben ik zeker van, en
het recht dat gij mij betwist, wordt mij door hem in al zijne
uitgestrektheid toegekend.

—Zoo is het, mevrouw,—erkende Montbars.—Hoewel sedert de laatste maal
dat wij elkaar ontmoet hebben jaren na jaren langzaam en droevig zijn
voorbijgegaan, heb ik u herkend, en gaarne erken ik dat uwe
tusschenkomst alleszins geoorloofd en rechtmatig is.

—Welnu, als dit zoo is, dan zal ik die zaak als afgehandeld
beschouwen,—antwoordde het jonge mensch koel.—Overigens is het mij
tamelijk onverschillig of dit geheim al dan niet bewaard blijft.
Gedreven door nog een restje van hoffelijkheid tegen dien man dáár, heb
ik zijn eerloos gedrag niet voor ieders oog willen bloot leggen. Doch
gij eischt dat ik zal spreken, welnu dan zal ik dit doen.

—Doe dit, mijnheer, en misschien zal dan, even als mevrouw u reeds
heeft gezegd, spoedig aan ons blijken op wien de schuld moet vallen van
die verregaande eerloosheid, waarover je op zulk een hoogen toon
spreekt.

—Wat heeft uw zoogenaamde oom,—vroeg daarop de dame, toen hij met zijn
ontzettende mededeelingen ten einde was,—u gelast.

—Mijn zoogenaamde oom mevrouw!—viel de jonge man heftig uit.

—Ja, mijnheer, uw zoogenaamden oom! Dat houd ik vol, ten minste tot het
tegendeel daarvan bewezen is.

—Doch hoe kunt gij iets van die gansche geschiedenis weten, daar ik er
nooit één enkel woord over gerept heb?

—Doordat ik straks, hier achter de deur verborgen, alles gehoord heb.

—O! Hebt gij zóó gespionneerd!

—Ja! En daardoor uw leven behouden!

Hij boog het hoofd; nogmaals gevoelde hij zich overwonnen, en erkende
de nutteloosheid van verder verzet.

—Ik ben,—vervolgde hij, terwijl hij thans tot het besluit kwam alles
openhartig te vertellen,—zooals ik u reeds gezegd heb, officier bij de
Spaansche marine; op last van mijn oom heb ik mijn ontslag ingediend en
verkregen, en heb mij toen als matroos doen aanmonsteren op een schip
van flibustiers.

Montbars huiverde.—Met welk doel?—vroeg hij.

—Met het doel om geheel op de hoogte te komen van uwe strijdkrachten,
van al uwe hulpmiddelen en van uwe gansche organisatie, in één woord om
je daardoor te kunnen overwinnen en voor goed en voor altijd al die
zeeschuimers-schuilhoeken te vernietigen, die schandvlekken voor de
menschheid zijn.

—Of met andere woorden,—sprak Montbars met snijdenden spot,—uw oom
heeft onder het schoonschijnende voorwendsel van eene ingebeelde
wraakneming een spion van je gemaakt! Ik moet zeggen dat is een zeer
waardige rol voor een Castiliaansch edelman!

—Mijnheer!—viel de ander heftig uit. Doch dadelijk daarna beheerschte
hij zich en vervolgde:—Een spion! Nu goed, laat dit zoo zijn, doch in
mijne oogen was de rol, die ik moest spelen, niet zoo laag, het doel
dat ik beoogde veredelde in mijn oogen althans wat die in de oogen van
het algemeen verachtelijks moet hebben.

—Een drogreden is geen verontschuldiging, mijnheer!—gaf Montbars koel
ten antwoord.—Doch het doel waarvan gij gewag maakt, is toch niet het
eenige dat door je werd beoogd?

—Dat is zoo, ik had een nog veel heiliger plicht te vervullen, ik moest
den verleider mijner moeder, den moordenaar van mijn vader, ontdekken,
en mij op hem wreken.

—Zeker door hem te vermoorden?—vroeg Montbars ironisch.

—Neen, door mij van hem meester te maken, en hem als een dief en
moordenaar te laten ophangen.

—Ellendeling!—bulderde Montbars.—Dus bekent ge je verraad?

—Ik beken wat door mij verricht is, en op dat alles ben ik trotsch.

—Gij zijt het dus die in de laatste maanden al onze plannen aan de
Spanjaarden hebt verklapt?

—Ja, dat ben ik!

—Ongelukkige! Weet ge dan niet dat de straf die je wacht, ontzettend
is?

—Dat weet en wist ik zeer goed,—luidde eenvoudig het antwoord.

—En beeft ge niet bij die gedachte?

—Waarom zou ik dat? Toen ik de taak op mij nam, die ik moest vervullen,
wist ik welk lot mij stond te wachten indien ik ontdekt werd, en ik heb
bij voorbaat al de kansen die voor en tegen mij waren goed berekend.
Toch heb ik tegen u dit gewaagde spel aangevangen waarbij mijn hoofd
tot inzet diende. Ik vertrouwde dat God met mij zou zijn, daar de zaak,
die ik wilde bevorderen, billijk en rechtvaardig is. God heeft mij
verlaten, het zij zoo! Ik onderwerp mij aan Zijn ondoorgrondelijken
wil, zonder murmureering, maar ook zonder zwakheid. Ik ben in uwe
macht, doe met mij wat je goed dunkt. Ik heb het spel verloren, en zal
den inzet weten te betalen.

—Ja,—hernam Montbars vergramd, doch op ijskouden toon,—heden nog zult
gij uw verdiende straf ondergaan.

—Houd op!—sprak de dame, en strekte haar arm uit, als om Montbars terug
te houden.—Zwijg nu, en wacht nog enkele minuten. Dat jonge mensch
heeft alles nog niet gezegd.

—Hoe! Heeft hij alles nog niet gezegd?

—Hij heeft nog verzuimd ons zijn naam op te geven, dan eerst kunnen wij
er zeker van zijn dat hij waarlijk een edelman is, zooals hij
voorgeeft. Misschien is hij niet anders dan een laaghartige spion, een
ellendeling van lagen stand die alleen ter wille van het geld met onze
vijanden gemeene zaak heeft gemaakt.

Terwijl zij dit zei had de dame een zonderlingen blik met Montbars
gewisseld, die door hem toestemmend was beantwoord.

—Zoo!—liet de jonge man hooren, met eenigszins triomfeerenden lach.—Dat
had ik verwacht! Maar ge zult bedrogen uitkomen als ge daarop rekent.
Sterven moet ik en zal ik, doch gij zult niet weten wien door je ter
dood wordt gebracht.

Teleurgesteld maakte Montbars driftig een gebaar, doch werd weer
tegengehouden door de dame, die hernam:

—Weer bedriegt ge u, want al zijn wij nu nog niet bekend met uw naam,
toch behoeft het ons niet veel moeite te kosten om dien te weten te
komen.

—Daar twijfel ik hard aan!—luidde het tartende antwoord.

—Dwaas kind!—voegde zij hem toe, op medelijdenden toon.—Dwaas kind! Ge
waant u sterk, omdat ge u vast besloten en eerlijk gevoelt, en toch
zijt ge niets meer dan de speelbal van hen die u omringen!...

—Mevrouw!—viel hij uit.

—Luister maar,—vervolgde zij en deed of zij dien uitroep niet had
gehoord.—Mijn pandeling Birbomono, heeft u een brief ter hand gesteld,
waarin ge werd uitgenoodigd tot eene samenkomst; dezen morgen zijt ge
daarheen geweest, naar de Groote Vlakte, aan den oever van den
Artibonite, niet verder dan drie uren van hier. Dáár hebt ge langer dan
een uur gesproken met iemand, gekleed als boekanier, die u omarmt en
als neef begroet en behandelt, en zijt ge nu onnoozel genoeg om te
gelooven, dat wij, voor wie het van zooveel belang is van alles wat
hier voorvalt op de hoogte te zijn, dat wij zeg ik dien man niet zouden
kennen?

—Zeker geloof ik dat, zeker zóó onnoozel ben ik, want als gij wist wie
die man is, dan zou hij nu uw gevangene zijn, of ten minste gij zoudt
getracht hebben u van hem meester te maken.

—Weer dwaalt gij, mijnheer! Wij kennen dien man zeer goed, en toch
laten wij hem vrij, want schoon hij Spanjaard is draagt die man ons
geen kwaad hart toe, en zelfs heeft hij ons meer dan eens groote
diensten bewezen.

—En zijn naam?

—Zijn naam? Daar ge wilt dat ik dien zal noemen, zult ge hem hooren.
Hij heet don Sancho de Penaflor, en is namens den Koning van Spanje,
Gouverneur over het eiland Hispaniola.

—Don Sancho de Penaflor!—riep Montbars, en sprong op van verrassing.—O!
Nu is alles mij opgehelderd!

—Misschien!—werd veelbeteekenend door de dame aangemerkt.—Er begint ten
minste eenig licht in de duisternis te komen, doch laten wij ons niet
verheugen eer het volle dag is.

De jonge man gevoelde zich als verpletterd, en liet zich droefgeestig
ontvallen:—O! Groote God!

—Don Sancho hier!—zei Montbars.—Wist ge dit donna Clara?

—Dit moest ik immers weten?—zeide zij eenvoudig.

—Dat is zoo!—erkende hij opgewonden.—Bij den hemel! Wat daarvan ook de
gevolgen voor mij moge wezen, zien wil ik en zal ik hem!

Donna Clara was den jongen man meer genaderd en zei tegen hem:

—Gij houdt veel van don Sancho en ook hij houdt van u. Zoo ge zijn raad
had gevolgd, zoudt ge wellicht niet in den toestand zijn waarin ge
thans verkeert; doch wat geschied is, is geschied, en het is nutteloos
daarop nu weer terug te komen. Luister nu naar mij. De hertog de
Penaflor heeft u gezegd, dat Montbars uwe moeder verleid en uw vader
vermoord heeft. Zoo is het immers?

—Ja,—stamelde de jonge man, overweldigd door al zijn leed.

—O!—barstte Montbars los.—Dat is weer juist iets voor dien
onverbiddelijken man! Daarin herken ik hem geheel! Uw naam,
jongman,—liet hij er gebiedend op volgen.

—Don Gusman de Tudela,—luidde het antwoord, gegeven zonder verdere
aarzeling.

—Welnu! Gij don Gusman de Tudela, geef mij uw woord van eer, dat gij
geenerlei poging zult doen om te ontvluchten.

—Dat geef ik je, Montbars,—gaf hij openhartig ten antwoord.

—Goed ik neem het aan. Birbomono zal met je naar Sint-Domingo
vertrekken. Ge hebt zeker de noodige middelen om ieder oogenblik en
zonder eenig gevaar in de hoofdstad van het eiland door te dringen,
niet waar?

—Ja, die middelen bezit ik.

—Best! Dan gaat gij daar aan don Sancho mededeeling doen van het
vreeselijke tooneel dat tusschen ons heeft plaats gegrepen en van alles
wat tusschen ons is gesproken zonder tittel of jota te vergeten.

—Dat zal ik doen.

—Tevens moet gij don Sancho bezweren bij wat hem het heiligste ter
wereld is, je te zeggen, of ik schuldig ben aan de misdaden, waarvan de
hertog de Penaflor, zijn vader, mij tegenover jou beticht heeft. Zoo
daarop een bevestigend antwoord volgt, kom dan terug en gij zult mij
bereid vinden je alle eerherstellingen en iedere voldoening te geven,
die gij van mij eischen zult.

—Zijt gij daartoe bereid?—viel de ander in op verrukten toon.

—Daarop verpand ik mijn woord van eer,—gaf Montbars plechtig ten
antwoord,—maar mocht don Sancho je daarentegen zeggen, dat ik niet
alleen onschuldig ben aan die misdaden, maar zelfs meer dan twintig
jaren vervolgd wordt door eene even onverzoenlijken als
onrechtvaardigen haat, wat zal je dan doen? Antwoord mij daarop?

—Wat ik dan zal doen?

—Ja, dit verlang ik te weten.

—Dan verpand ik op mijn beurt mijn woord van eer, dat ik, als hij mij
dit zegt, mij in je handen zal overleveren, om met mij geheel naar uw
goeddunken te handelen.

—Ik houd je aan uw woord. Ga, mijn vriend, want ondanks alles wil ik je
nog zóó blijven noemen. Ga, het is nu nog niet veel later dan drie
uren; als ge zonder talmen vertrekt kunt ge vóór zonsopgang in
Sint-Domingo wezen.—Daarop wendde hij zich tot donna Clara en vroeg op
onbeschrijfelijk goedhartigen toon:—Is het zóó naar uw verlangen
geschikt, mevrouw?

—O!—kreet zij terwijl zij, uitbarstende in gesnik, aan zijne voeten
knielde.—Ge handelt grootsch en edel zooals altijd!

Montbars hief haar met vriendelijken glimlach op, en fluisterde haar
bemoedigend toe:—Houd moed arme vrouw, blijf hoop koesteren, arme
moeder!

Een uur later verliet don Gusman, vergezeld door Birbomono,
Port-de-Paix, en zette het in galop op den weg naar Sint-Domingo.








XIV.

EEN DINER BIJ DEN HEER D’OGERON.


Na een lang onderhoud met donna Clara, (een onderhoud dat zelfs geheim
bleef voor Birbomono, die toch reeds sinds jaren het volle vertrouwen
zijner meesteres genoot) verliet Montbars het logement en begaf hij
zich naar de woning van den heer d’Ogeron, om dáár, volgens zijne
belofte, te gaan dineeren.

Reeds meermalen hebben wij gezegd dat de Broeders der Kust den
gouverneur hooge achting toedroegen, dat zij tevens zeer op hem waren
gesteld, doch tegelijk groot ontzag voor hem koesterden. Zijn huis
stond bekend als het aangenaamste van de gansche kolonie en ieder wist
dat men daar uitstekend werd onthaald, en er steeds een uitgekozen
gezelschap vond. De heer d’Ogeron, een edelman nog van het oude ras,
wist in alle opzichten de eer van zijn huis op te houden, doch had
daarenboven een bijzonderen tact om aan zijne tafel menschen te
vereenigen in staat om elkaar goed te verstaan en wederkeerig naar
waarde te schatten, iets wat waarlijk geen geringe taak mocht heeten in
een land waar de bevolking grootendeels bestond uit ruwe, eerlooze
lieden, ware schipbreukelingen van de Europeesche beschaving, wier
gemoedsaard zoo wederspannig was, dat zij niet dan hoogst onwillig
bogen onder het lichtste juk, dat men hun wilde opleggen.

Overigens was de verhouding van den heer d’Ogeron daar ter plaatse zeer
zonderling, want hij bevond zich te midden van lieden, die zijn titel
van Gouverneur des Konings, tenauwernood schoorvoetend verdroegen, dan
wel inderdaad erkenden, en ieder oogenblik gereed waren tegen de
onbeduidendste zijner beschikkingen in verzet te komen. De oude edelman
had dus groote behoefte aan al zijne energie en zijne groote bekendheid
met de gewoonten en manieren der vrijbuiters, onder wie hij jaren lang
geleefd en met wie hij vroeger menige kruistocht meegemaakt had, om
zich in zijne betrekking te Port-de-Paix goed te handhaven en de
gewichtige belangen, die de Koning aan hem had toevertrouwd, niet in
gevaar te brengen.

Montbars werd met de uiterste hoffelijkheid door den heer d’Ogeron
ontvangen, en vond dáár reeds vereenigd de meest in naam zijnde
aanvoerders der flibustiers, die allen zeer verlangden hem te
begroeten, zich hadden beijverd om haastig na de noodiging bij den
Gouverneur ter maaltijd te komen. Hoe goed ook het geheim in acht mocht
genomen zijn, toch kenden de oude vrijbuiters, die reeds zoolang de
metgezellen van Montbars waren, den vermaardsten hunner te goed, (hem
met zijne uitstekende begaafdheden en zijn ingekankerden haat tegen de
Spanjaarden), om niet te vermoeden dat zijne zoo langdurige
afwezendheid van het Schildpaddeneiland in verband moest staan met
buitengewone plannen, om er bijna zeker van te zijn dat de
ongeëvenaarde aanvoerder voor den dag zou komen met het voorstel tot
eene expeditie, zóó als alleen door hem kon worden bedacht, en waarvan
de uitvoering spoed zou vereischen.

Nu waren reeds sinds lang al de tochten der flibustiers tamelijk slecht
afgeloopen; al hunne plannen, zelfs de best beraamde, hadden schipbreuk
geleden zonder dat men precies kon uitmaken wat daarvan de oorzaak was;
steeds vonden zij de vijanden, die zij op het onverwachts meenden te
overvallen, bijzonder op hunne hoede, en kwamen zij van hunne
kruistochten terug, met schepen, door de kogels der Spanjaarden lek
geschoten, en equipages die door het Spaansche schroot sterk gedund
waren.

Voor de flibustiers, gewoon om met volle handen het geld te verkwisten
dat zij bij hunne rooftochten buit maakten, was zuinigheid een woord
dat niet bestond, zoodat er nu onder hen groote geldschaarschte
heerschte; zij kregen, zooals zij dit uitdrukten, grooten honger, en
het was dus hoog tijd dat hun een extra buitenkansje ten deel viel.
Geen wonder dus dat Montbars door hen werd ontvangen met daverende
toejuiching, en ieder zich haastte om hem de hand tot verwelkoming toe
te steken.

Het diner verliep zeer behoorlijk onder vriendschappelijk gekout
tusschen den heer d’Ogeron en zijne gasten, doch, tegen zijne gewoonte,
moedigde de gouverneur hen niet aan om de glazen te ledigen. Montbars
was stil en teruggetrokken en antwoordde meestal niet dan zeer
onvoldoende op de vragen die men hem deed. Naar het scheen peinsde hij
aanhoudend over iets; hij at genoegzaam niets en vergat telkens zijn
glas dat bijna onaangeroerd voor hem stond.

Dat alles werd herhaaldelijk en door al de Broeders der Kust opgemerkt,
en was voor hen eene nieuwe aanleiding om te vermoeden dat in het brein
van hun vermaarden aanvoerder het plan broeide tot het doen van een
grootsche onderneming; stilzwijgend verheugden zij zich daarover, maar
tegelijk vermeerderde hun ongeduldig verlangen, dat hij hun daarvan
mededeeling zou doen. Toen het dessert was opgezet, gaf de heer
d’Ogeron een wenk, waarna de bedienden zich dadelijk verwijderden en de
deuren achter zich toetrokken. De gasten bleven nu onder elkaar. Zij
waren tien in getal, met inbegrip van den gouverneur. In de eerste
plaats Montbars; dan Philippe d’Ogeron, de neef van den gouverneur;
Pierre Legrand; de ridder de Grammont; de Olonner, de vroegere
pandeling van Montbars, die zooals hij zelf hem vroeger had voorspeld,
een der geduchtste flibustiers van Tortue was geworden; kapitein Drack;
de Poleter en Morgan de Engelschman, die pas terug was gekomen uit
Jamaïca, waar hij langen tijd had vertoefd, en de Mooie Laurent [10].

—Heeren,—zei daarop de heer d’Ogeron,—daar staan likeuren, pijpen,
tabak en sigaren, weest zoo goed daarvan gebruik te maken.

Ieder stak de hand uit en greep naar welgevallen pijp of sigaar. De
Gouverneur stond op, liep een paar keeren door de zaal en deed toen de
deuren open, waarop men in de gang op eenige passen afstand Luiwammes,
Tributor, Michel de Baskiër en Pitrians in het oog kreeg, die daar op
stoelen gezeten en zwaar dampten.

—Gij ziet,—vervolgde de gouverneur, terwijl hij zijn plaats aan tafel
weer bezette,—dat wij onder goede hoede zijn, en ten minste dezen keer
in alle gerustheid over onze zaken kunnen spreken, zonder vrees dat
onze woorden in verkeerde ooren zullen vallen.

De vrijbuiters juichten de genomene voorzorg zeer toe, te meer daar die
hun voorspelde dat er eene ernstige beraadslaging zou plaats grijpen,
waarbij zij veel belangrijks hoopten te vernemen.

—Maar toch,—hernam de gouverneur,—raad ik je aan niet al te luid te
spreken, want de muren zijn niet bijzonder dik, en wie weet hoeveel
spionnen daar buiten als luistervinken rondfladderen!

Montbars greep een flesch die vóór hem stond, schonk zijn glas
boordevol, zonder er op te letten welke likeur het was, en dat zeer
sterke rum bleek te zijn, en hief het in de hoogte:

—Broeders,—dus begon hij,—ik drink op eene expeditie roemrijker dan er
ooit eene door de flibustiers ondernomen is, eene expeditie die wij
gezamenlijk zullen maken, zoo gij mij waardig keurt over jelui het
bevel te voeren. Ik drink op onze wraak op de gavachos! Doet mij
bescheid!

Na die woorden bracht hij het glas aan zijne lippen, en ledigde het in
één teug tot op den laatsten droppel.

—Op onze wraak op de gavachos!—riepen al de vrijbuiters en volgden zijn
voorbeeld, door de glazen in één teug te ledigen.

—Ei, ei!—liet Pierre Legrand hooren.—Het schijnt dat er iets aan de
hand is.

—Dat is immers altijd het geval als Montbars er bij is?—merkte de
Olonner aan, die zich vergenoegd in de handen wreef.

—Goddam!—vloekte Morgan,—ik geloof goed te hebben gedaan met hier terug
te komen.

—Heeren,—sprak de Gouverneur,—Montbars vraagt het woord, ik verzoek je
naar hem te luisteren.

—Te meer omdat dit zeer waarschijnlijk wel der moeite waard zal
zijn,—voegde de Poleter op lustigen toon er bij.

—Stilte! Luisteren! Stilte!—riepen de meesten.

In één oogwenk heerschte de diepste stilte.

—Broeders,—hernam Montbars,—ik moet beginnen met je mijne dank te
betuigen voor de blijken van sympathie mij door je betoond ter
gelegenheid van mijne terugkomst in uw midden, ofschoon het voor den
eersten keer is dat die terugkomst geschiedt zonder dat een enkel prijs
gemaakt schip door mij op sleeptouw werd aangebracht en zonder dat gij
een enkelen gavacho aan de raas van mijn schip hebt kunnen zien hangen.
Die schijnbare verandering heeft je zeker te denken gegeven, en
misschien is daarvan de slotsom geweest dat door je vermoed wordt, dat
ik van groote plannen zwanger ga. Welnu kameraden, als dat het geval
is, dan hebt gij je daarin niet bedrogen. Mijne plannen zijn groot,
zelfs zoo groot dat ik die bijna aan mij zelf niet durf bekennen,
ofschoon ik reeds meer dan twee maanden dag en nacht aan niets anders
heb gedacht, en herhaaldelijk al de kansen, die er voor of tegen
pleiten nauwgezet heb overwogen.

Bij eene dergelijke inleiding werd de aandacht der vrijbuiters nog
vermeerderd, zoodat men bij de ademlooze stilte gemakkelijk zelfs het
gonzen van een muskiet zou gehoord hebben, ondanks dat er tien personen
in de zaal bijeen waren.

—Ik wil,—vervolgde Montbars met zijn duidelijke en zoo klankvolle stem,
terwijl hij op die woorden drukte,—versta mij wel, ik wil op de
Spanjaarden zulk eene schitterende wraak nemen, dat honderd jaren later
de herinnering daaraan nog zoo levendig zal bestaan, dat hunne
kleinkinderen beven zullen zoo zij slechts den naam hooren van de
Broeders der Kust! Gedurende mijn afwezigheid is er onder u veel
voorgevallen; verscheidene onzer broeders, en daaronder menigeen die
hoog stond aangeschreven, zijn verraden en verkocht door spionnen die
zich onder ons genesteld hebben, en achter onze geheimste
beraadslagingen gekomen zijn; die broeders zijn gevallen en strikken en
hinderlagen waar zij een eerloozen dood hebben ondergaan, want in het
oog der gavachos zijn wij niets dan ladrones, en als zoodanig worden
wij door hen behandeld. Die broeders zullen op roemvolle wijze door ons
worden gewroken, dit zweer ik u! Iedere druppel van hun bloed zal
betaald worden, door stroomen bloed van onze vijanden!

Ondanks de aanbeveling van den heer d’Ogeron werd die toespraak
afgebroken door daverende kreten van bijval; door hun haat tegen de
Spanjaarden op te roepen, had de spreker de gevoeligste snaar zijner
toehoorders aangevoerd, en was er in geslaagd hun een onbeperkt
vertrouwen in te boezemen.

Zoodra de stilte hersteld was, vervolgde Montbars:

—En voor ditmaal is er bij mij geen spraak van eene gewone expeditie.
Nu denk ik er niet over om op avontuur te gaan kruisen, neen! Wat ik nu
bedoel, wat ik nu verlang dat is de oorlog, en een oorlog zonder
genade. Wilt gij mij volgen?

—Ja, ja!—luidde de kreet, als met één stem.

—Tot naar de hel, als het moet!—voegde de Olonner er bij.

Philippe, de eenige die wist welk doel Montbars beoogde, drukte zijn
hand tegen zijn hart als om het minder snel te doen kloppen doch kon er
slechts met moeite in slagen om zijne vreugde te verbergen; want het
gevolg van het goede succes der expeditie was voor hem, de vereeniging
met donna Juana, en het overige liet hem koel.

—Wij vertrekken dus gezamenlijk broeders, doch ieder behoudt het gezag
over zijn eigen schip.

—Maar wij zijn slechts met ons negen,—werd door Pierre Legrand in het
midden gebracht.

—Daarin vergist ge u, broeder, ons getal zal veertien bedragen.

—Dan maken wij een vloot uit,—merkte Morgan onverschillig aan.

—Zoo is het, broeder,—stemde Montbars eenvoudig toe,—eene vloot waarvan
gij, zoo ge dit begeert, de vice-admiraal zult zijn.

—Zoo ik dit begeer? Goddam, twijfelt ge daar nog aan?—viel de ander
uit, en sprong op alsof hij een schot kreeg.

—Dan blijft dit bepaald en afgesproken, broeder!—sprak Montbars, en
drukte hem de hand. Daarna vervolgde hij:

—Doch, broeders, daar het verraad ons van alle kanten omringt, en de
Spaansche spionnen steeds op de loer liggen, eisch ik van uwe zijde het
onbepaaldste vertrouwen, met andere woorden, ik verg van u dat gij mij
in het bezit laat van mijn geheim tot het oogenblik zal gekomen zijn,
waarop ik het noodig acht je mijn plan geheel en al te ontvouwen. En
dan, wees daar zeker van, dan zult gij allen versteld staan over het
grootsche van het doel waartoe ik je uitnoodig. Neemt gij dit aan?

—Wij nemen het aan!—werd weder als in koor geantwoord.

Montbars gevoelde zich gestreeld door zulk eene onvoorwaardelijke
toestemming, die hem opnieuw tot bewijs verstrekte van den grooten
invloed dien hij op zijne kameraden bezat.

—Ik moet er nog bijvoegen,—sprak daarop de heer d’Ogeron,—dat Montbars
al zijne plannen aan mij ontwikkeld en daarover met mij beraadslaagd
heeft, en tevens dat ik daarmeê zoo volkomen instem, dat ik het eene
groote eer zou achten mij persoonlijk bij de expeditie aan te sluiten,
indien mijne betrekking mij niet verplichtte hier te blijven.

De verzekering hun door den gouverneur gegeven, behoefden de
flibustiers niet, want zij waren reeds genoegzaam overtuigd dat de zaak
die Montbars op het oog had evenzeer zou voldoen aan hunnen dorst naar
wraak als aan hun verlangen naar voordeel; echter werd toch hunne
opgewondenheid nog grooter na die verklaring van een man die door hen
allen zoozeer werd geacht, en hun door zijne vroegere heldendaden
zooveel vertrouwen inboezemde; zij werden dus des te meer bevestigd in
het genomen besluit om blindelings het fortuin van den vermaardsten
vrijbuiter te deelen.

—Luistert nu goed toe, broeders,—vervolgde Montbars,—want ik wensch nog
iets te zeggen over het materieel onzer expeditie.

Weer luisterde men ernstig en aandachtig.

—De heer d’Ogeron heeft te mijner beschikking gesteld zeven schepen,
die hier moeten worden uitgerust en onder het gezag gesteld van
Luiwammes, Michel de Baskiër, den Olonner, den ridder de Grammont, den
Poleter, Drack en Pitrians. Zeven anderen zullen worden aangekocht te
Leogana en Port-Margot, en komen onder bevel van Pierre Legrand,
Philippe d’Ogeron, David, de Mooie Laurent, Morgan, Barthélemy en Roc
de Braziliaan. Morgan wordt vice-admiraal van de vloot en voert zijn
vlag op het grootste en zwaarst bewapende schip. Om bij de spionnen
geen achterdocht op te wekken moeten de schepen zeer in het geheim
worden uitgerust, hetzij aan de kleine of de groote Goava, hetzij te
Leogana. Ieder schip dat geheel gereed is, behoort onmiddellijk onder
zeil te gaan en zee te kiezen, om het overige van de vloot af te
wachten op eene plaats die te gelegener tijd door mij zal worden
aangeduid, want, daar het plan van dezen tocht van mij is uitgegaan,
acht ik het billijk, dat ik mij het opperbevel daarover voorbehoud.

Hier viel de heer d’Ogeron den spreker in de rede, daar hij als
Gouverneur geen enkele gelegenheid ooit liet voorbijgaan, om zijn gezag
te bevestigen.

—Dat is zóó billijk,—sprak hij,—dat ik uit naam des Konings, uw meester
en den mijnen, de benoemingen door u, Montbars gedaan, bekrachtig. Ik
zal de eer hebben zoowel al de officieren als aan u zelven, in het
bezit te stellen van de aanstellingen die Zijne Majesteit mij
gemachtigd heeft uittereiken.

De vrijbuiters betuigden aan den Gouverneur hun warmen dank voor die
gunstige beschikking, buiten welke zij het toch zeer goed hadden kunnen
stellen, daar de geldigheid hunner benoeming ook zonder die
bekrachtiging onbetwistbaar bleef, doch opnieuw strekt dit ten bewijze
dat de menschen, hoe en waar ook geplaatst overal en te allen tijde
dezelfde zijn, en een stuk perkament uitgevaardigd in naam van een
Souverein, in hunne oogen steeds iets van groote beteekenis is, zelfs
al wordt door hen diens gezag niet ten volle erkend.

De heer d’Ogeron, zeer voldaan over de manier waarop zijn aanbod was
ontvangen, gaf een wenk aan Montbars om zijn toespraak te vervolgen.

—Zorgt er vooral goed voor,—hernam deze daarop,—dat gij iedere
onbescheidene vraag van de zijde uwer equipage voorkomt, en daarom zal
het, mijns inziens, goed zijn dat de aanwerving uitsluitend geschiedt
aan boord. Dáár moet dan ook, zoodra een matroos zich verbindt, de
monsterrol worden geteekend, en hem gelast worden aan boord te blijven.

—Hoe groot moet de bemanning van ieder schip zijn?—vroeg Morgan.

—Minstens honderdvijftig, en hoogstens twee honderd.

—Drommels!—viel Pierre Legrand uit.—Dat is zoo goed als een heel leger!

—Dat moet het ook zijn, want hoogstwaarschijnlijk zullen wij eene
landing doen. Zijn wij dan ook eenmaal onder zeil, ver buiten het
gezicht en gehoor der spionnen, dan zal ieder gezagvoerder een
landingsafdeeling formeeren van tachtig uitgelezen manschappen.

—Ei, ei!—deed Roc de Braziliaan hooren.—Elf honderd man
landingstroepen! Moeten wij er misschien op uit zooals vroeger Cortez,
en gaan wij Mexico veroveren?

—Wie weet!—zei Montbars glimlachend.

—Caramba! zoo als die schelmachtige gavachos zeggen, dat zou een kolfje
naar mijn hand zijn, en hoe denkt gij daarover, broeders?

—Zeker zou dit eene zeer voordeelige zaak wezen, als er kans was dat
zij gelukte,—meende de Poleter op ernstigen toon te moeten opmerken.

—Op mijn eer!—verklaarde de ridder de Grammont,—Montbars blijft toch
altijd dezelfde! Het is een lust om met hem er op uit te gaan en men
kan er altijd op rekenen, dat hij ons de eene of andere verrassing
bereidt.

—Maar broeders,—voegde Montbars er nog bij,—denkt er vooral aan bij de
aanmonstering, hoezeer het eene hoofdvereischte is, dat de wapens en
het kruit van ieder man in behoorlijken staat zijn.

—Laat die zorg daarover gerust aan mij over,—verzekerde Morgan—daarop
zal ik nauwlettend toezicht houden.

—En nu, broeders, heb ik niets meer te zeggen. Ik reken er op dat gij
niet alleen flink en ferm, maar vooral met den meesten spoed in alles
te werk zult gaan, want hoe eer wij kunnen vertrekken hoe beter de kans
tot slagen voor ons zal wezen.

—Hoe veel tijd staat gij ons toe voor de gansche uitrusting?

—Een week; dat is lang genoeg.

—Binnen een week zullen wij gereed zijn.

—Thans heb ik er slechts dit nog bij te voegen, broeders. Om de
spionnen zooveel mogelijk van het spoor te brengen, moet het den schijn
hebben alsof ik niets met de expeditie heb uit te staan, en mij
daarmede volstrekt niet bemoei; dus moeten alleen Morgan, Philippe en
Luiwammes van tijd tot tijd bij mij komen, om mij van alles op de
hoogte te houden. En nu broeders, het is tijd om onze bijeenkomst te
sluiten, ik ga heen, en laten wij dit ieder afzonderlijk doen, en ieder
zijn eigen weg volgen. Vaartwel!

—En, heeren, houd uwe aanstellingen in gedachte, overmorgen zullen die
te uwer beschikking zijn!—werd hun ter herinnering door den Gouverneur
toegevoegd.

Montbars vertrok, de overigen lieten niet na zijn voorbeeld te volgen,
en de heer d’Ogeron bleef alleen achter.

—Wat zou men met zulke lieden niet kunnen uitvoeren, indien er slechts
mogelijkheid was hen te temmen!—sprak hij in zichzelf.—Maar, bij den
hemel! hoe zwaar die taak moge wezen, toch zal ik die beproeven, en,
met Gods hulp, twijfel ik er niet aan of die zal mij gelukken.








XV.

DE MARKIES DON SANCHO DE PENAFLOR


Verscheidene dagen waren verloopen; noch don Gusman, noch Birbomono
waren te Port-de-Paix teruggekomen. Montbars wist niet waaraan zulk
eene lange afwezendheid kon worden toegeschreven; hij werd door een
ongerustheid, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven, gekweld,
en telkens als hij zijne gastvrouw ontmoette, wendde hij zich af om
haar bleek gelaat niet te zien, en hare koortsachtig brandende
betraande oogen te ontwijken, die met zulk een uitdrukking van
smartvolle onderwerping op hem gevestigd werden, dat dit hem te erg
aandeed.

Langzamerhand, dit gevoelde hij, verstierf de haat dien hij haar had
toegezworen, om vervangen te worden door een innig gevoel van
medelijden. Hij zag het oogenblik naderen waarop hij zich niet langer
in staat zou gevoelen den vreeselijken eed gestand te blijven, die eens
door hem was uitgesproken. Ondanks al de pogingen die hij aanwendde om
zijn gerechtvaardigden toorn weder op te wekken, kwam hij tot de
zekerheid dat ondanks het driedubbele staal dat zijn hart als met een
pantser omsloot, dit toch ongenoegzaam bleek om hem te beschermen bij
eene langere worsteling tegen de vrouw, die hij zoo innig had bemind,
de vrouw die door die liefde zoozeer had geleden en wier leven er als
het ware door vernietigd was. Alles pleitte voor haar in zijn hart;
hare langdurige boetvaardigheid, haar edele zelfverloochening, hare
stille onderwerping, en zelfs hare schroomvallige teederheid, die zich
telkens uitte door al de zorgen die zij zonder zijne voorkennis aan hem
wijdde, terwijl zij toch bijna altijd onzichtbaar bleef. Thans, na zulk
eene reeks van jaren sedert de misstap door de arme vrouw bedreven,
vroeg hij zich af, of er nu voor hem werkelijk nog reden bestond om
onverzoenlijk voor haar te blijven, en of het niet beter ware het uur
der vergiffenis niet langer te verschuiven. Maar dan verhief zich weer
de herinnering aan alles wat hij geleden had, dan kwam bij hem weer de
gedachte op aan het onwaardige verraad waarvan hij het slachtoffer was
geworden, en aan de onverdiende rampen als gevolg daarvan; die
herinnering en die gedachte troffen als dolksteken zijn hart, opnieuw
werd hij door woede aangegrepen, en als hij zich dan van donna Clara
afwendde, mompelde hij in zich zelf:

—Neen, nog is de boete niet volkomen, nog is de schuldige niet
gekastijd. Ik wil geen zwakheid betoonen eer ik mijn werk der wrake
voltooid heb.

En dan, dan namen zijne trekken, waarop een zachtere uitdrukking
verspreid lag, weer de vroegere onwrikbare gestrengheid aan; somber
trokken zich zijne wenkbrauwen samen, onheilspellend schitterden zijne
oogen, diepe rimpels verschenen op zijn vaalbleek voorhoofd, en weer
was hij dan de onverbiddelijke man, zooals hij bezworen had te zullen
blijven.

En toch, wij herhalen het, hij begon te wankelen; zijne stroefheid voor
die arme vrouw was slechts een masker en zijn nog immer even felle haat
tegenover zijne andere vijanden week tegenover haar langzamerhand om
van lieverlede plaats te maken voor eene aanstaande vergiffenis en
verzoening. De weinige dagen die hij met donna Clara onder hetzelfde
dak te Port-de-Paix had doorgebracht, hadden veel bijgedragen om dit
werk des vredes zeer te bevorderen, zoodat zelfs het geringste toeval
in staat zou zijn het te voltooien.

Het was avond; Montbars bevond zich in zijn kamer met Morgan, den
ridder de Grammont en Philippe, en besprak met hen de toebereidselen
tot de expeditie, die zeer snel vorderden; verscheidene schepen waren
reeds geheel uitgerust en dadelijk daarna in zee gestoken en zouden den
volgenden dag bij zonsopgang door andere worden gevolgd, zoodat de
gansche sloot binnen een paar dagen onder zeil zou zijn; de zaken waren
zóó geheim en met zooveel beleid behandeld, dat niettegenstaande zulk
een aanzienlijk getal vrijbuiters was ingescheept, door de Spanjaarden,
naar men uit alles meende te mogen opmaken, nog niets was bemerkt,
ondanks de onafgebroken waakzaamheid en bijzondere slimheid hunner
spionnen. De drie vrijbuiters waren juist in druk gesprek over de
laatste schikkingen die nog bepaald moesten worden, toen er een paar
keeren zeer bescheiden geklopt werd op de deur van de kamer waar zij
zaten. Montbars gaf door een wenk aan de anderen te kennen dat zij
moesten zwijgen, stond op, en deed de deur open. Birbomono stond vóór
den drempel en een paar andere personen, diep in hunne mantels gedoken,
hielden zich eenigszins ter zijde buiten het licht.

—Hier ben ik,—begon Birbomono half fluisterend, na een beleefde
buiging.

—En in gezelschap, naar het schijnt,—merkte Montbars aan.

—Kan ik vrij uitspreken?

—Is het iets gewichtigs?

—Ja, en dat vooral geheim moet blijven.

—Zoo! wacht even ik kom dadelijk terug.

Hij sloot de deur en ging weer naar zijne kameraden.

—Broeders,—sprak hij.—Ik krijg daar bezoek van iemand die, naar hij
zegt, mij iets van het hoogste gewicht heeft mede te deelen. Weest dus
zoo goed en gaat nu eenige oogenblikken in mijne slaapkamer.

—Wel, mij dunkt Montbars, dat het dan beter zou wezen dat wij heen
gingen, dan zijt gij geheel vrij,—opperde Morgan.

—Neen, doe dat niet want als ik met hem gesproken heb en dat zal niet
lang duren, dan zal ik je weer noodig hebben.

—Ga dan uw gang, wij zullen blijven, en middelerwijl doen alsof wij
doof en stom waren.

—Goed,—zei de ander glimlachend.

Montbars liet hen in zijn slaapkamer gaan, stiet de deur achter hen
toe, schoof daar een grendel voor, nam een kaars op, waarmee hij door
het salon stapte en deed toen het tweede vertrek open waar hij de kaars
op een tafel plaatste, en de deur ook sloot.

—Mijne heeren,—begon hij,—ik ben tot uwe orders, weest zoo goed plaats
te nemen, en mij te zeggen wat de reden is van uw bezoek.

—Naar ik meen, caballero, heb ik hier niets meer te verrichten?—zei
Birbomono.—Als gij het goedvindt zal ik heengaan en op het portaal
blijven wachten.

—Goed,—zei Montbars kortaf.

De mayordomo boog en ging heen; nauwelijks was de deur achter hem
gesloten of een der beide onbekenden deed een paar passen voorwaarts,
wierp den mantel weg, nam hoogst beleefd zijn hoed af, en zei met
hoffelijke buiging:

—Graaf, veroorloof mij vóór alle dingen u te begroeten.

—Markies de Penaflor!—ontsnapte aan Montbars die ten hoogste verbaasd
en verrast was.

—Stil toch, stil toch!—viel don Sancho schertsend in.—Wel verduiveld,
vergeet toch niet, dat mijn naam hier juist niet zoo algemeen in goeden
reuk staat, zoodat het alles behalve noodig is dien zóó luid uit te
bazuinen!

—Gij hier! Gij!

—En waarom niet, graaf, ik ben immers in uw huis? Wat zou ik hier te
duchten hebben, dat vraag ik u?

—Van mij niets, mijnheer, dat is zoo; toch betuig ik u er mijn dank
voor, dat gij u daarvan overtuigd houdt. Maar als anderen wisten, dat
gij hier in de stad zijt?

—Dat zullen zij niet te weten komen, ten minste niet eer, naar ik hoop,
dan na mijn vertrek van hier, en dit zal onmiddellijk plaats grijpen,
na afloop van ons gesprek.

—Sta mij dan toe mijnheer, mijn eerste vraag aan u te herhalen. Wat is
de reden van uw bezoek? En mag ik tevens vernemen wie de persoon is die
u vergezelt?

—Dat ben ik,—antwoordde don Gusman, die zich nu ook van zijn mantel
ontdeed.

—Gij hebt goed gedaan terug te komen, wat daarvan ook bij u de
aanleiding moge zijn.

—Ik had je immers mijn woord verpand?

—Dat is zoo, en geloof mij, daar vertrouwde ik op.

—Daarvoor betuig ik je mijn dank,—gaf de jonge man met eene buiging ten
antwoord, waarna hij zich tot don Sancho wendde en tegen hem
zei:—Thans, waarde neef, verzoek ik u te spreken.

—Mijnheer,—sprak daarop de markies op waardigen toon,—hoe fel de haat
zij, die tusschen onze beide families bestaat, vlei ik mij dat het u
niet zal zijn ontgaan, hoezeer ik steeds getracht heb de onzijdigheid
in het verschil te bewaren.

—Dat is zoo, mijnheer, en zeer gaarne wil ik dit erkennen,—gaf Montbars
met zekere hartelijkheid te kennen.

—Maar ik ga verder, mijnheer,—vervolgde don Sancho,—en, schoon ik mij
niet wil veroorloven een rechtstreekschen blaam te werpen op de
gedragingen van mijn vader tegenover u, verklaar ik u toch dat ik den
moed mis om zijn gansche gedrag te uwen opzichte goed te keuren. Naar
mijne meening kunnen en moeten edellieden hunne geschillen ridderlijk
bevechten van aangezicht tot aangezicht en met den degen in de hand.
Iedere andere wijze van handelen acht ik hunner onwaardig.

—Ik acht mij gelukkig mijnheer, zulk een oordeel uit uw mond te mogen
vernemen.

—Wanneer ik aan u die verklaring geef, mijnheer, en tevens u mijn
oordeel doe kennen, dan is dit omdat ik mij daartoe verplicht acht,
doch tegelijk geef ik u de verzekering dat ik dien plicht met te
grooter genoegen vervul, daar er nog altijd tusschen ons een oude
rekening moet vereffend worden. Dit is zeker bij u uit het geheugen
gegaan, dit kon ik verwachten, doch ik ben uw schuldenaar en dus de
eerste die aan die schuld moet denken. Daarvoor is het nu juist het
geschiktste oogenblik, want nu bestaat er voor mij gelegenheid mijn
schuld aan u af te doen, en ik grijp die gaarne en zonder de minste
aarzeling aan, wat daarvan ook voor mij de gevolgen mogen wezen.

—Mijnheer, ik weet volstrekt niet waarop door u gedoeld wordt!

—Ik daarentegen zeer goed, graaf, en dat is de hoofdzaak. Gij moet
weten dat een dag of drie geleden mijn neef te Sint-Domingo gekomen is
om mij uit uw naam een verklaring af te vragen. Dat is immers zoo?

—Zoo is het, mijnheer.

—Die opheldering heb ik hem niet geweigerd, doch daar het er op aan
komt, dat die even duidelijk als onwederlegbaar zij, wilde ik die niet
geven dan in uw bijzijn, overtuigd dat ik geen gevaar zou loopen door
te uwent te komen. Mijn neef heeft, dit moet ik bekennen, getracht,
zeker in mijn belang, mij van dit plan terug te houden, maar mijn
besluit stond vast, en nu weet gij de reden van dit bezoek.

—Op mijn woord, mijnheer, gij zijt mij van harte welkom,—betuigde
Montbars met ingenomenheid,—want gij handelt als een waar edelman.

—En nu,—hernam don Sancho na eene buiging voor Montbars,—verzoek ik u
beiden, mijnheeren, een oogenblik naar mij te luisteren. Ziethier wat
ik zou geantwoord hebben op de door mijn neef aan mij gestelde vragen,
zoo ik er niet de voorkeur aan had gegeven om dit hier in uw beider
tegenwoordigheid te doen. Ik roep God tot getuige en verklaar op mijn
woord als edelman, dat wat ik nu ga zeggen de zuivere waarheid is. Don
Gusman de Tudela is geen zoon van een zuster van mijn vader, den hertog
de Penaflor; mijn vader had slechts ééne zuster, en die is op
negentienjarigen leeftijd gestorven aan eene slepende ziekte in het
Carmelietenklooster te Sevilla, waar zij zich had teruggetrokken. Mijn
vader had ééne dochter, mijne zuster; die dochter is verdwenen
tengevolge van een vreemd en geheimzinnig voorval, waarbij een Fransch
edelman, de graaf de Barmont [11], betrokken was. Het is mogelijk dat
don Gusman de zoon mijner zuster is, doch dit kan ik niet met zekerheid
verklaren.

—Neef,—riep de jonge man uit, ten prooi aan eene geweldige
ontroering.—Wat zegt gij daar! In ’s hemels naam!

—De waarheid, don Gusman.

—Hoe! De dochter van den hertog...

—Was wettig gehuwd met dien Franschen edelman, dat herhaal ik u. Mijn
vader heeft haar van haar kind beroofd, nog eer zij dit den eersten kus
kon geven. Vervolgd door een onrechtvaardigen haat van mijn vader, is
het geluk van den graaf de Barmont vernietigd, zijn loopbaan verwoest,
en hij eveneens verdwenen.

—Ach! Dat alles is te verschrikkelijk!—kreet de jonge man, die
wanhopend zijne handen wrong.—En ik, ik, wie ben ik dan?

—Gij neef,—antwoordde don Sancho op waardigen toon,—gij zijt edel van
karakter, dapper van aard, en in staat om wat er ook moge gebeuren, je
een goede plaats in de wereld te veroveren.

—En daarin zal ik hem helpen!—betuigde de flibustier met
opgewondenheid.

—Mijn God! Mijn God!—snikte de jonge man.—Wat dacht men dan van mij te
maken?

—Dat heb ik je reeds gezegd, neef; men wilde je bezigen als een
werktuig ter verkrijging van wraak en ter voldoening van haat jegens
een man die onschuldig is en die recht heeft op al uw achting. Montbars
is geen moordenaar, Montbars is geen verleider, doch al ware hij
schuldig, dan hebt gij toch, dit herhaal ik je, het recht niet hem tot
verantwoording te roepen, neef.

—Noem mij zóó niet meer, don Sancho! Wie weet of ik wel tot uwe familie
behoor?

—Daarop kan ik geen ander antwoord geven, dan dat ik zeer aan je ben
gehecht, dat ik je ken reeds sedert uwe kindsheid, en dat ik je altijd
zal beschouwen als een mijner verwanten.

—Helaas!—uitte Montbars.—Kan de haat zoo ver gedreven worden?

—Dat blijkt u thans, graaf. Thans is door mij een heilige plicht
vervuld; hoe mijn vader ook over mijn gedrag in deze omstandigheden
moge denken, mijn geweten voelt zich gerustgesteld en ontheven van een
drukkenden last. God moge mij oordeelen!

—Uw gedrag was niet anders dan door mij verwacht werd van een man zóó
als gij, en ik betuig u mijn oprechten dank,—werd door Montbars
gezegd.—Maar,—voegde hij er niet veel meer dan fluisterend bij,—kunt
gij nu aan mij niet eenige meerdere inlichting geven?

—Daarmede zal eene andere persoon zich belasten,—werd even fluisterend
geantwoord.

—Van dit oogenblik af, mijnheer, is die persoon mij heilig. God, Wiens
macht onbegrensd is, zal genadiglijk vergunnen dat het haar gelukke te
vergeten, eveneens als ik zelf alles vergeten zal.

—Thans is het aan mij, mijnheer, om in alle oprechtheid mijn dank toe
te brengen, want door uwe laatste woorden maakt gij mij opnieuw tot uw
schuldenaar.

Die beide mannen zoo groot van gemoed als van geest, drukten elkaar met
ontroering de hand.

—En hij?—vroeg de markies en wees op den jongen man, die als
verpletterd zijn gelaat in de handen verborg.

—Met hem belast ik mij.

—Arme jongen!—zuchtte don Sancho, die daarop naar don Gusman toetrad,
en tegen hem zei met zachte, deelnemende stem:

—Moed gehouden, neef, zware rampen maken den mensch sterk! Waarom laat
ge dus uw hoofd hangen, ge hebt het recht vrij om je heen te blikken,
want gij, ge zijt evenmin een schuldige?

—Ach, neef, als gij alles wist...

—Gusman, ik weet alles; het noodlot heeft je vervolgd; ge hebt
gehoorzaamd aan een wil, die de uwe niet was, en waaraan ge je niet
hebt durven onttrekken. Laat je dus niet te erg terneerslaan.

—Wat te doen? O! God! Wat moet er van mij worden?!

—Twee wegen staan je open. Òf ge moet mij volgen, en dan, dit zweer ik
je, zal ik als een goed bloedverwant voor je tegen en jegens allen
partij trekken, òf ge moet hier blijven onder uwe nieuwe vrienden, en
als ik het goed bedenk, dan geloof ik dat die nieuwe weg de beste voor
je zou wezen.

—Neef, hoe zou ik dit durven wagen, na alles wat er is voorgevallen?
Ben ik iets anders dan een ellendeling, een verrader, een... spion!!

Langzaam was Montbars naar hem toegekomen en drukte de hand op zijn
schouder, terwijl hij hem daarbij met zachten drang toevoegde:

—Hef het hoofd op. Don Gusman de Tudela hoort tot het verledene en van
nu af ken ik je alleen als Francoeur, de dappere Broeder der Kust.

—Hoe!—riep het jonge mensch uit.—Schenkt gij mij dan waarlijk
vergiffenis daar gij die woorden spreekt?

—Men schenkt alleen vergiffenis aan schuldigen, en Francoeur kan dat
niet zijn,—verklaarde Montbars ernstig.

—Neen, nooit!—riep Francoeur in vervoering.—Van dit oogenblik af,
behoor ik je toe. Doe met mij wat gij wilt!

—Goed, mijn jongen! Droog uwe tranen, van nu af zult ge in mij een
vader vinden.

Toen sloeg hij zijne armen open, met eene ontroering die bij iemand als
hij iets zeer buitengewoons was. Francoeur wierp zich snikkend aan zijn
borst, en lang duurde die innige omhelzing. Daarop deed zich een licht
geraas aan de deur hooren, die zachtjes werd opengestooten; het bleeke
en onderworpene gelaat van donna Clara vertoonde zich. Montbars ging
regelrecht naar haar toe, nam haar bij de hand, en bracht haar verder
de kamer in, die zij betrad, vreesachtig en beschroomd, maar toch met
stille hoop.

—Francoeur,—sprak Montbars tot den jongen man,—zoo gij in mij een vader
gevonden hebt, zie dan hier in haar eene voortreffelijke vrouw, die bij
jou de plaats van eene moeder zal bekleeden. Heb haar lief alsof zij
dit werkelijk was, want zij koestert voor jou eene onbegrensde liefde.

—Ja!—verklaarde zij met onuitsprekelijke ontroering,—gij zult mijn zoon
zijn, ge zijt het reeds!

—Stil, Clara, stil,—waarschuwde Montbars goedhartig.—Ge moest je eens
bedriegen.

—O!—uitte zij en zag hem aan met een dier blikken, die alles
ophelderen.—Bedriegt eene moeder zich ooit?—en in de overmaat van haar
geluk knelde zij den jongen man tegen haar hijgenden boezem.

—Zulk een zaligheid, na zulk eene vreeselijke smart,—juichte de jonge
man.—God zij gedankt en geprezen!

—O, ja! Eere zij Zijn naam,—hernam donna Clara,—want Zijne
rechtvaardigheid is onfeilbaar!

Montbars wist zich meer te beheerschen dan de overigen, en achtte het
meer dan tijd dat aan dit tooneel een eind kwam.

—Duid het mij niet ten kwade, don Sancho,—sprak hij,—dat ik u al dien
tijd schijn vergeten te hebben. Wij hebben alleen aan u dit zóó
gelukkig oogenblik te danken, en trachten dit te verlengen als echte
egoïsten, zonder te denken aan uw vrij gevaarlijken toestand hier in de
stad, waar ge, buiten ons, ieder tot vijand hebt.

—Op mijn woord, waarde graaf,—gaf de markies ten antwoord met
aantrekkelijke vroolijkheid,—door uw geluk ben ik eveneens in eene
stemming gekomen om alles om mij heen te kunnen vergeten, maar toch
moet ik u bekennen dat ook ik geloof dat het hoog tijd voor mij wordt
om te maken dat ik weg kom. Ik voel mij hier lang niet op mijn gemak en
had er een lief ding voor over om er uit te komen zooals ik er in
gekomen ben, zelfs op gevaar van voor een lafaard door te gaan. Als dus
mijne oude kennis Birbomono nog eens mijn gids zou willen zijn, dan
neem ik hartelijk graag zijne hulp aan, om daardoor uit de verlegenheid
te geraken.

—Ik stel mij tot uwe orders, señor markies,—antwoordde de mayordomo die
inmiddels was binnen gekomen.—Wij kunnen vertrekken, zoodra dit door u
verlangd wordt.

—Dan liefst dadelijk, vive Dios! want het is of hier de grond onder
mijne voeten brandt!

—Vaarwel dan, don Sancho,—sprak Montbars.—Het spijt mij dat wij moeten
scheiden, want ik voel mij zeer aan u gehecht, maar wij staan tegenover
elkaar in zulk eene moeielijke verhouding, dat de beste wensch dien ik
u kan toevoegen, mijns inziens hierin moet bestaan, dat wij elkaar
nooit meer ontmoeten.

—Wij zijn in vroegere dagen nog eens gescheiden met een dergelijk door
u gebezigd woord, en toch hebben wij elkaar nu wedergezien.

—Dat is zoo, doch wie weet wat hierna zal gebeuren!

—Een enkel woord nog, mijnheer.

—En dat is?

—Mijn vader?

—Opzoeken zal ik hem niet; dit is alles wat ik u kan beloven. Doch God
verhoede dat ik hem op mijn weg ontmoete!

—Het zij zoo! Vaarwel! Na die belofte vertrek ik geruster. Houd goeden
moed, neef, en vergeet mij niet.—Bij die woorden omhelsde hij den
jongen man hartelijk.

—Birbomono, aan uwe goede zorgen vertrouw ik den markies toe.

—Ik sta in voor de veiligheid van den markies, señor.

—Nog eens, vaarwel! kom mee, Francoeur.

De jonge man volgde Montbars; zij verlieten de zaal, en lieten den
broeder en de zuster achter, met den trouwen mayordomo. Zoodra zij in
het salon waren, sprak Montbars.

—Droog uwe oogen af, Francoeur, herstel je, en toon mij dat ge een man
zijt, want zij aan wie ik je nu ga voorstellen, en die van nu af uwe
broeders moeten blijven, zijn mannen in den waren zin van dit woord.

Montbars schoof den grendel weg, deed de deur open en beiden traden in
de slaapkamer, waar de drie vrijbuiters met elkaar zaten te praten.

—Neem het mij niet kwalijk, broeders, dat ik je zóó lang heb laten
wachten; hier ben ik eindelijk,—zei Montbars.

—Ei, kijk!—riep Grammont.—Daar is mijn maat, wie ik al sinds eene week
gezocht heb! Wat drommel, kerel, waar hebt ge gezeten?

Montbars haastte zich daarop te antwoorden, en te zeggen:—Ik had hem
eene geheime zending toevertrouwd.

—O! dat is iets anders, dan heb ik er niets op aan te merken.

—Broeders,—hernam Montbars,—Francoeur zal mijn vlagofficier zijn. Wil
dus, wat ik je verzoek, hem als zoodanig erkennen.

De vrijbuiters, die veel met den jongman ophadden, wenschten hem geluk,
dat hij door Montbars gekozen was ter vervulling van eene zeer
gewaardeerde betrekking, waarop reeds menigeen doch steeds vergeefs
gevlast had; en na eenige oogenblikken hervatte men het ernstige
onderhoud dat zoo onverhoeds door de onvoorziene terugkomst van
Birbomono was afgebroken.








XVI.

HET ADMIRAALSSCHIP „DE TIJGER”.


De vloot der flibustiers was sinds een paar dagen onder zeil; slechts
één enkel schip lag nog op de nu verlatene reede van Port-de-Paix voor
anker; op dit schip, iets meer naar zee vast gemeerd aan een dood
lichaam, waren de marszeilen geheschen, de onderzeilen hingen los, en
het was dus in staat om op het eerste signaal ook onder zeil te gaan.

Dat schip was van geringe tonnenmaat, en bewapend met niet meer dan
vier kleine ijzeren kanonnen; het had volstrekt geen geducht voorkomen,
terwijl de logge en zware vorm deed vermoeden dat het in Holland
gebouwd was. Toch was deze bodem door Montbars gekozen om de
Admiraalsvlag te voeren. Hoe men hem ook had aangeraden zich op een
ander in te schepen flinker en solider van bouw, sterker bewapend, en
vooral beter zeiler, toch was hij van dit besluit niet af te brengen;
op al de gemaakte bedenkingen, had hij geantwoord, dat de goede schepen
door zijne vrienden zouden worden bezet, dat hij zorgen zou niet te
laat op de plaats der bijeenkomst te verschijnen, en dat men zich over
hem niet ongerust behoefde te maken, daar hij voor die keuze bijzondere
redenen had.

De overige vrijbuiters en zelfs de heer d’Ogeron begrepen dat verdere
aanmerkingen niets zouden uitwerken, en het dus het beste was hem zijn
eigen zin te laten volgen, daarbij tevens als zeker aannemend, dat de
vermaarde flibustier achter die schijnbare zelfverloochening meer dan
waarschijnlijk een of ander stout waagstuk verborgen hield, te meer
daar zij hadden opgemerkt, dat Montbars, mocht hij zich ook al tamelijk
onverschillig toonen over de meer of minder goede hoedanigheid van zijn
schip, des te moeielijker te voldoen was wat de bemanning betrof, die
eerst na lang wikken en wegen werd te zamen gebracht en bestond uit
tweehonderd manschappen, die door hem zelf, om het zoo eens uit te
drukken, uitgepikt waren uit de meest beroemde flibustiers.

Doch wat er van dit alles zijn mocht, op den dag waarover wij het nu
hebben, gaf Montbars aan zijn vlagofficier Francoeur, ’s ochtends
tusschen zeven en acht uur de laatste orders; Francoeur stapte toen in
een sloep, vergezeld door donna Clara en Birbomono, die verzocht hadden
aan de expeditie deel te mogen nemen, om de gewonden te verbinden en te
verplegen, iets wat hun was toegestaan, ondanks de uitdrukkelijke
bepaling van de wet, waarbij de toelating van vrouwen op de schepen der
vrijbuiters verboden was; daarna verliet Montbars het logement, en
stapte naar het havenhoofd.

Iemand gekleed als boekanier, met zijn pijp tusschen de tanden en de
handen op zijn rug, liep op de havendam op en neer en keek nu en dan
met een blik van ware voldoening naar een ranken schooner, die op een
paar kabellengten van het havenhoofd lag te wiegelen. Nu moet dan ook
erkend worden, dat die slanke schooner, vlak op het water liggend, goed
en netjes afgewerkt, een juweel van een schip was, waard om door een
kenner in alle deelen te worden opgenomen. Ook de man, met wien wij ons
nu bezig hebben te houden, was zóó verdiept in die beschouwing, dat hij
Montbars niet eens hoorde naderen, en eerst toen deze vrij onzacht de
hand op zijn schouder deed neerkomen, gewaar werd dat de vrijbuiter
achter hem stond.

—Hei, hei! Schipper! Slaapt ge bijgeval?—vroeg Montbars.

—Neen, neen, señor!—werd haastig geantwoord en even gauw den hoed tot
groet afgenomen.—Ik keek maar naar mijn brigantijn.

—Zoo! Nu, kom eens een eindje hierheen,—hernam Montbars,—want wij
hebben samen nog eene rekening te vereffenen.

—Och, caballero, dat heeft al den tijd,—luidde het flikflooiend
antwoord.

—Toch niet, daar is integendeel veel haast bij, want ge moet binnen een
half uur vertrokken zijn.

—Ik zal vertrekken zoodra gij dit verlangt, señor.

—En hoe eerder hoe liever, niet waar?—vroeg de vrijbuiter op sarrenden
toon.—Ge zijt hier toch zeker niet erg op uw gemak, is het wel?

—Señor, ik ducht hier niets, sinds gij mij uwe bescherming hebt
toegezegd.

—Dat heb ik, doch zooals ge weet op zekere voorwaarden, die ge je zeker
nog wel herinneren zult.

—Zeker, señor, zeker, en ik blijf bereid aan die voorwaarden op loyale
wijze te voldoen.

—Hum!—deed Montbars hooren.—Genoeg daarover, wij zullen het er maar
voor houden, dat ge op dit oogenblik twee pannetjes te vuur houdt,
schipper Aguirre.

—Señor!—stamelde de ander verbleekende.

—Natuurlijk, want de Spanjaarden betalen je om ons te bespionneeren, en
ik van mijn kant geef je geld om bij de Spanjaarden den spion te
spelen, maar dat doet er nu niet toe. Wees dus maar niet ongerust,
schipper Aguirre, de zaken zullen beter voor je afloopen dan gij wel
denkt. Maar nu ter zake. Waarin bestaan de inlichtingen die je aan
Francoeur moest overbrengen?

—Heeft hij je dan gezegd...?—viel de schipper uit, verbaasd en
doodelijk ongerust.

—Alles,—vulde Montbars aan.—Volg nu mijn raad, en spartel niet langer
tegen, ik herhaal en verzeker je, dat de zaken dan goed voor je zullen
afloopen.

—Nu, señor, het betreft eene zeer ernstige zaak.

—Zoo, en waarin bestaat die?

—Señor, een Spaansch fregat, bemand met driehonderd flinke kerels, en
bewapend met zes-en-veertig stukken, heeft last ontvangen het
Schildpaddeneiland te overrompelen.

—Zoo, en waar ligt op dit oogenblik dat fregat geankerd?

—Aan de Rio Efferra, señor, op de Westkust van Cuba.

—Goed, ik ken die plek.

—De door den Gouverneur van Cuba genomen maatregelen zijn zeer kras.
Vier goed uitgeruste brigantijnen moeten zich bij dat fregat voegen om
aan die ladrones.... O! neem mij niet kwalijk! ik meen om aan de
flibustiers alle hoop om zulk een macht te kunnen wederstaan, te
benemen.

—Dat is zeer goed bedacht! En waar zijn nu die brigantijnen?

—Voor anker te Puerto del Principe op de zuidkust van Cuba, maar zij
kunnen ieder oogenblik onder zeil gaan, om zich bij het fregat, dat op
hen wacht te voegen en dan gezamenlijk tot den aanval over te gaan.

—Is dit alles, schipper Aguirre? Hebt ge niets vergeten?

—Nog slechts één ding, señor. Maar waarlijk, ik durf u dit bijna niet
te zeggen.

—Kom, kom, ga je gang maar man, ’t komt er nu op een beetje meer niet
op aan.

—Querido, señor,—luidde het antwoord, met ietwat bevende stem.—Vergeet
niet dat gij mij dwingt tot spreken.

—Ja, ja! spreek op!

—Welnu, señor, de Spanjaarden zijn er zoo zeker van dat de vrijbuiters
den dans niet kunnen ontspringen en zoo vast besloten hun geen genade
te verleenen, dat op uitdrukkelijken last van den Gouverneur aan boord
van het fregat een negerslaaf is ingescheept om, na de overwinning, de
functie van beul waar te nemen.

—Wel verduiveld, die heeren Spanjaarden denken aan alles,—spotte
Montbars,—en nemen vroeg voorzorgen. Is er nu nog iets?

—Niets, señor! zoo waar als ik eens in den hemel hoop te komen!

—Goed, maar zoo ge mij bedriegt, al waart ge dan ook in plaats van in
den hemel, in de hel, dan zal ik u ook dáár weten te vinden.

—Ik zal er wel voor zorgen, señor.

—Luister nu goed. Ge wordt door den Onder-Koning van Mexico betaalt om
ons te spionneeren. Daar is niets tegen te zeggen. Ge moet dadelijk het
anker lichten en onder zeil gaan naar Vera-Cruz, verstaat ge mij?

—Ja, señor, de Onder-Koning bevindt zich juist nu dáár.

—Des te beter. Ge moet hem zeggen, en ik voorspel dat hij je daarvoor
ruim zal beloonen want de zaak is dat wel waard, dat een sterke vloot,
bemand met twee duizend flibustiers, onder bevel van Montbars den
Verdelger kruisende is voor het gouden Castilië, tusschen de golf van
Dariën en die van Venezuela, met het doel eene landing te beproeven en
een der havens aan de kust te overweldigen.

—Nu gij dat begeert, señor, zal ik dit zeggen.

—Ik eisch het zelfs, doch zorg er goed voor, schipper Aguirre, dat ge
open spel met mij speelt, want het minste verraad zou je duur te staan
komen. En buitendien daar de berichten die gij hebt over te brengen
waarheid behelzen, zult ge dus daarmee aan uw land en aan den
Onder-Koning een grooten dienst bewijzen en als ge die taak uit dit
oogpunt beschouwt, zal die voor je verre van onaangenaam zijn, maar
bovendien zeer voordeelig voor hen, want ieder werk moet betaald
worden, en daarom pak aan, hier hebt ge al vast iets op rekening, en
zoo ik tevreden ben over de manier waarop ge je zending vervult, dan
zal het daarbij niet blijven.

En hij liet eene zware beurs met goud in de hand vallen, die schipper
Aguirre hem angstvallig toestak.

—En nu genoeg, tot weerziens,—hernam Montbars,—en dat de duivel je
bescherme!

Bij die godslasterlijke woorden maakte de Spanjaard het teeken des
kruises; Montbars keerde hem lachend den rug toe, liet hem staan, en
begaf zich naar den heer d’Ogeron, die hem te gemoet kwam. Een
oogenblik bleef schipper Aguirre verbluft over zulk een zonderling
afscheid van den vrijbuiter, doch spoedig herstelde hij zich, stak de
goed gevulde beurs in zijn zak, stapte in eene prauw, die voor hem
klaar lag, en roeide snel naar zijn schip, bij zich zelf zeggende:—Ja,
verwenschte ladron, ge kunt er op aan dat ik niet te kort zal schieten
in die zending, moogt ge daardoor eindelijk de gerechte straf ondergaan
voor al uwe misdaden.

Kort daarna werden van de brigantijn de ankers geligt en het schip naar
volle zee gekoerst.

De heer d’Ogeron wilde Montbars niet laten vertrekken zonder hartelijk
afscheid te nemen en de laatste wenschen uit te spreken voor het goede
succes van de zóó gevaarlijke onderneming. Na een druk gesprek van
eenige oogenblikken drukten de beide heeren elkaar welmeenend de hand
en scheidden daarna. Montbars stapte in een boot die hem naar boord
bracht, en de heer d’Ogeron bleef onbeweeglijk op het uiterste van den
havendam staan, daar hij zich niet wilde verwijderen eer het schip
onder zeil was. Daarop behoefde hij niet lang te wachten, nauwelijks
toch had Montbars den voet op het dek gezet of de marszeilen werden
allen tegelijk bijgehaald, de meertouwen gekapt, de raas gericht, en
toen helde het schip naar bakboord over, viel af, en schoot vooruit,
waardoor de onderzeilen vol liepen; daarop verwijderde het zich met
snelle vaart, geholpen door een flinke bries uit het Zuid-Zuid-Westen.
Ondanks het logge en zware voorkomen had de Tijger, dit was de naam van
het schip, toch goede eigenschappen, en daartoe hoorde, dat het een
flinke zeiler was, goed zee kon houden en vrij wat doek kon verdragen.

De kusten van Hispaniola waren weldra door de nevels van den horizont
uit het gezicht geraakt, en de Tijger bevond zich nu in volle zee. Toen
gaf Montbars aan zijn vlagofficier den koers op, en daalde af naar zijn
kajuit, na gelast te hebben dat men hem dadelijk moest waarschuwen, zoo
men iets bijzonders gewaar werd. De eerste zorg van den Admiraal, na
een vluchtigen blik door het vertrek voor hem persoonlijk bestemd, was
eene nauwkeurige inspectie over de gansche inrichting van het schip.
Francoeur, die uitsluitend daarmee belast was geweest, had zich van die
taak als een hoogst ervaren officier gekweten. Montbars had niets aan
te merken, en vond alles overal in uitstekende orde.

Twee hutten in den achtersteven aan bakboordszij, niet ver van het
verblijf van den admiraal en dicht bij de hut van Francoeur, waren
bestemd en ingericht voor donna Clara en haar getrouwen Birbomono. Zij
beidden hadden reeds bezit genomen van hun niet zeer ruim verblijf en
vonden zich daar als te huis.

’s Avonds tegen zonsondergang gaf Montbars bevel dat de gansche
equipage op het dek bijeen moest komen. De manschappen voldeden daaraan
terstond, want zij waren overtuigd dat hun bevelhebber hun de eene of
andere zeer gewichtige mededeeling zou doen. En daarin werden zij niet
teleurgesteld, want toen zij op het dek, even vóór den grooten mast in
het gelid stonden, besteeg de admiraal het halfdek, en wierp eerst een
blik van voldoening op hunne krachtige gestalten, met gezichten gehard
en gebruind door wind en weer, regen en zon. Daarop begon hij te
spreken met kort afgebroken doch zoo klankvolle stem, dat die,
schijnbaar zonder eenige moeite, uitkwam boven het geraas der golven
die tegen het schip sloegen, en den wind die door het want gierde.

—Broeders,—dus begon hij,—ik heb je bij een gebracht voor eene
expeditie, die ons roem en voordeel zal bezorgen, want mijn doel is om
een der rijkste stapelplaatsen der Spanjaarden op de kust van het vaste
land te overvallen. Om die expeditie, waar toe de grootste
krachtsinspanning wordt vereischt, volkomen te doen gelukken, heb ik
mij genoodzaakt gezien verscheidene schepen uit te rusten en al de
Broeders der Kust op te roepen, zoowel uit Leogana als van Groot- en
Klein-Goava. Te Port-de-Paix en Port-Margot blijven niet anders achter
dan de bewoners en enkele boekaniers. Hoe dapper die bewoners en die
boekaniers mogen zijn, toch zouden zij, klein in getal als zij zijn,
het onderspit moeten delven zoo zij flink werden aangevallen. Nu heb
ik, juist toen ik op het punt stond hier aan boord te komen, vernomen
dat de Spanjaarden gebruik willen maken van onze afwezigheid om onze
stellingen ginds aan te tasten. Zullen wij onze broeders dáár laten
vermoorden?

—Neen! Neen!—schreeuwden de vrijbuiters en zwaaiden met hunne
wapens.—Er op los! Er op los!

Met één enkelen wenk gebood Montbars stilte, en dadelijk zwegen allen.

—Ik weet waar de gavachos zich op dit oogenblik verborgen houden; niet
ver van hier ligt een fregat gereed, zij vermoeden niet dat wij zoo
dicht bij hen zijn, en dus, broeders, zoo gij het wilt, zullen wij de
armzalige klomp waarop wij nu zwalken, verruilen voor een waardig
Admiraalsschip.

Een oogenblik werd de toespraak afgebroken door een licht rumoer
ontstaan door algemeene opgewondenheid.

—Zij wanen zich zoo zeker van hunne zaak dat aan boord van dit fregat
een beul is aangenomen, opzettelijk met het doel om onze broeders te
onthalzen [12].

—Dood aan de gavachos!—brulde de equipage.

—Laat ons hen dan overvallen, ons op hen wreken en onze broeders
redden!—riep Montbars hen toe.—Wilt gij mij volgen?

—Ja, ja! Leve Montbars!

—Goed, broeders, ik had dit van je verwacht en reken op je. Dit beloof
ik je, dat het niet lang zal duren, of wij gaan met hen aan den dans.

Het gejuich en de hoera’s werden vernieuwd. Montbars verliet het
halfdek; hij had zijn doel bereikt, en wist nu dat hij naar willekeur
kon beschikken over al die mannen, die zich op de eersten wenk van hem
zouden laten dooden.

Nog twee dagen hield men den zelfden koers, echter goed zorgende om ver
genoeg uit de kust te blijven en niet bemerkt te worden uit een der
Spaansche wachttorens, waar steeds scherp uitkijk werd in acht genomen.
Den derden dag tegen twee uur ’s morgens gaf Montbars order om bij te
leggen. Er was niet veel wind, met kalme zee en zonder erge afdrijving.
Men bevond zich toen kort onder den wind bij de rivier Efferra. Twee
booten werden op last van Montbars zoo stil mogelijk te water gelaten.
Honderd-vijftig manschappen namen daarin plaats, daarop hielden de
vaartuigen af, en wendden den boeg naar de kust.

De riemen waren vooraf met werk omwoeld, de booten werden in snelle
vaart gebracht, zonder daardoor veel geraas te maken en lieten de
brigantijn in de volle ruimte achter, om, in afwachting hunner
terugkomst, onder bevel van Francoeur te blijven laveeren.

Na ongeveer een paar uren roeiens kwam men aan de monding der rivier.
Toen scheidden de beide booten, de eene hield op den rechter, de andere
op den linker oever aan. Zij gleden in stilte voort onder de zwaar
getakte wortelboomen, die aan weerskanten van den oever stonden, en
voeren bijna ter lengte van een mijl den stroom op. Op een sein van
Montbars had de ontscheping plaats onder de grootst mogelijke stilte,
de manschappen gingen plat op den grond liggen achter de twee booten,
die dus dienst deden als verschansing, met den vinger aan den trekker
van hun geweer, om gereed te zijn bij iedere gebeurtenis, en zóó
wachten zij het aanbreken van den dag af.

Even na zonsopgang werden zij zeer dicht bij hen, iets verder de rivier
op, het Spaansche fregat gewaar dat zich gereedmaakte onder zeil te
gaan. Dit fregat was een prachtig schip zooals in die dagen trouwens de
meeste schepen der Spaansche marine waren. Niet meer dan een half jaar
was er verloopen sinds het op een der werven van Cadix was afgebouwd,
en het deed nu zijn eerste reis naar de kust. Montbars trilde van
vreugd toen hij het schip in het oog kreeg, immers bleek nu dat
schipper Aguirre hem niet bedroog, en de admiraal zulk een spoed had
gemaakt, dat de vier brigantijnen, die deel moesten nemen aan den
tocht, geen tijd hadden gehad zich bij het fregat te voegen; dit schip
was dus nog alléén.

De flibustiers hielden met het grootste ongeduld hun oog er op
gevestigd; eindelijk werd het als overdekt met zeilen en stond op het
punt om uit te loopen. De Spanjaarden stonden, zonder eenig kwaad
vermoeden, in groepjes op het dek, in bewondering over de mooie groene
en belommerde oevers waartusschen zij zeilden. Op eens, juist op het
oogenblik toen het fregat zich bevond tusschen de beide lijnen der
hinderlagen, deed Montbars een kreet hooren. Terstond daarop knalde
knetterend een salvo op zoo korten afstand afgevuurd, dat bijna door
ieder schot een slachtoffer viel, dank ook de onvergelijkelijke
behendigheid der vrijbuiters. Geen wonder dat na zulk eene onverwachte
begroeting de grootste wanorde heerschte op het dek van het rampzalige
schip; toch snelden kort daarop de kanonniers naar hunne stukken, en
begonnen zij op de struiken het schroot als een hagelbui te doen
neerkomen, doch daar de vrijbuiters buiten het gezicht en zich schuil
hielden, was het geheel en al vergeefs dat van het fregat op hen
geschoten werd, en slechts nuttelooze verspilling van de munitie. Met
verbazende behendigheid voerde Montbars zijn manschappen langs de
oevers, steeds het juiste oogenblik aangevend waarop zij plat op den
grond moesten gaan liggen om het vuur der Spanjaarden te ontwijken, en
toch er voor zorgend dat hunne schoten onafgebroken knalden. Op die
manier werd het gevecht vijf uren lang volgehouden zonder dat door de
vrijbuiters één man werd verloren, wat alleen te danken was aan de
afdoende voorzorgen van hun bevelhebber. Tegen den vollen middag begon
Montbars te bemerken, dat het vuur der Spanjaarden verzwakte; slechts
enkele soldaten vertoonden zich nog op het dek; het bloed vloot met
stroomen uit de spuigaten, en de vrijbuiter begreep dat nu het
oogenblik om een eind aan de zaak te maken gekomen was.

—Enteren, broeders!—gelastte hij, en was de eerste die in zijn boot
sprong.

—Enteren! Enteren!—brulden de vrijbuiters en sprongen hem achterna.

In een oogwenk was men bij het fregat, dat door hen aan alle zijden te
gelijk werd aangevallen, daar zij het overal besprongen, beklommen, of
er krampachtig tegen opklauterden. Ondanks de zware verliezen die de
Spanjaarden hadden ondergaan, boden zij heldhaftig wederstand en
verdedigden zich voet voor voet op hun terrein, maar, wijkend voor de
overmacht en den schrik, overweldigd bij het zien van die zoo gevreesde
flibustiers die als onoverwinbaar werden beschouwd, duurde het slechts
kort eer zij genoodzaakt werden het dek te ontruimen, en een toevlucht
te zoeken in het ruim, waar nog eenige oogenblikken een strijd werd
doorgezet, die als geheel nutteloos kon worden beschouwd.

—Geen kwartier geven!—donderde Montbars hun toe.

—Geen kwartier!—herhaalden de vrijbuiters, en toen ving eene
vreeselijke slachting aan. Op dat oogenblik snelde een neger toe, en
viel, half dood van angst, voor den Admiraal op de knieën.

—Wie zijt ge?—werd hem door Montbars gevraagd.

—De beul,—luidde het snikkende antwoord.

—O! Zoo!—riep Montbars met daverende stem.—Broeders, hier is de beul
aan wien door den Gouverneur van Havannah was opgedragen je te
onthoofden. Dit is immers waar, ellendeling?

—Helaas, ja! Señor kapitein.

—Welnu! Dan zult ge bij den hemel! je taak vervullen! Broeders, brengt
de gevangenen hier.

Toen viel er op het bloedige dek van het schip een afgrijselijk tooneel
voor. Al de Spaansche gevangenen werden vlak bij den grooten mast
gebracht, waar men hen dwong te knielen, terwijl de vrijbuiters hen
omringden.

—Hier, pak aan,—gelastte Montbars aan den neger, wien hij een bijl
toestak—die lieden zijn veroordeeld, begin je werk.

De slachting nam een aanvang; de beul onthoofde al de gevangenen, tot
op één na.

—Houd op,—beval Montbars, die met hardvochtig oog dit moordtooneel had
gadegeslagen.—Ik schenk je genade,—voegde hij den laatsten gevangene
toe,—mits dat je dien man doodt, die al je vrienden heeft onthoofd.

De gevangene sprong als een tijger toe, wierp zich op den overbluften
beul, vatte de bijl uit diens hand en deed met één enkelen slag het
hoofd van den romp vliegen. De neger viel als een blok op die massa
lijken der mannen die door hem waren vermoord.

—Zoo is het goed!—hernam Montbars.—Ge zijt vrij en kunt gaan, maar
neen,—wacht nog even.

Daarop haalde hij een zakboekje voor den dag, scheurde er een blaadje
uit, en schreef daarop met bloed, de gebeurtenissen die hadden plaats
gehad; toen gaf hij die zonderlinge depêche aan den gevangene, die zich
meer dood dan levend waande, en zei:—Breng dit papier aan den
Gouverneur van Cuba en vertel hem de straf, die Montbars den Verdelger
heeft voltrokken aan den beul dien hij voor hem bestemd had. Ga heen!

De gevangene werd toen in een boot gezet, die de vrijbuiters hem
afstonden, en spoedde zich naar land, half krankzinnig van angst en
wanhoop. Maar de taak waarmede Montbars zich had belast was hiermede
nog niet voltooid. De lijken der Spanjaarden werden over boord gegooid,
het dek afgespoeld en afgedwijld zoo goed als kwaad dit ging, daarna de
zeilen gesteld, en eindelijk liep toen het schip in zee; doch in plaats
van de ruimte te kiezen, wat door de vrijbuiters werd verwacht, gaf de
admiraal last dat men langs de kust moest houden.

Tegen vier ure ’s namiddags kwam het fregat met volle zeilen op de
reede van Puerto-del-Principe aan. De vier brigantijnen lagen daar nog
ten anker. Montbars liet hen aanvallen. De Spanjaarden zoo onverwachts
en onverhoeds overvallen, boden slechts geringen wederstand en binnen
een half uur waren die vier brigantijnen door de vrijbuiters
overmeesterd. Die vaartuigen waren knappe schepen, goed bewapend en
genoegzaam nieuw; doch ongelukkig had Montbars geen volk genoeg om die
te bemannen, en daarenboven moest hij zich haasten, want in de stad
werd de alarmklok geluid, het volk liep te wapen, en begon zich reeds
op den oever te verzamelen.

Montbars gaf last om de kostbaarste zaken uit de buit gemaakte schepen
weg te voeren, en toen die alle aan boord van het fregat waren
gebracht, werden de brigantijnen lek gestooten en in den grond geboord
met hunne gansche bemanning die op het dek gekluisterd lag.

—Ziezoo!—uitte toen de flibustier met onheilspellenden glimlach.—Nu
hebben wij onze broeders gered, en kunnen er gerust toe overgaan aan
ons zelven te denken, en ons met nuttiger zaken bezig te houden.

De vrijbuiters wendden het fregat een paar keeren en losten telkens de
volle laag op de talrijke menigte langs den oever; daarna kozen zij de
ruimte vervolgd door de machtelooze wanhoopskreten van hunne doodelijk
verschrikte vijanden. Tegen ongeveer zeven ure ’s avonds, voegde het
fregat zich bij den Tijger die nog altijd laveerde op korten afstand
van de kust. Montbars wilde zich zeker niet aan donna Clara vertoonen
met handen als het ware nog rookend en rood door het bloed harer
rampzalige landgenooten, die zoo onbarmhartig door hem om het leven
waren gebracht, en droeg dus het bevel over den Tijger aan Francoeur
over, hem bijzonder op het hart drukkende donna Clara met de grootste
voorkomendheid en den meesten eerbied te behandelen. Vijftien
manschappen deed hij op den Tijger overgaan tot versterking der
bemanning, en hijzelf bleef op het fregat, aan welks grooten mast nu de
admiraalsvlag werd geheschen.

Na het nemen van al die verschillende schikkingen hielden de beide
schepen denzelfden koers, in de richting van het eiland Aruba, dat door
Montbars als verzamelplaats voor de gansche vloot was aangewezen, en
waar dan ook naar alle waarschijnlijkheid de overige schepen reeds
zouden zijn aangekomen.

De overrompeling met zooveel stoutmoedigheid door den geduchten
flibustier ten uitvoer gebracht, deed den Spanjaard als het ware van
schrik verstijven en had in de toekomst ontzettende gevolgen.








XVII.

DE RAAD DER FLIBUSTIERS.


Wij hebben reeds in een der voorgaande hoofdstukken medegedeeld, bij
eene beschrijving van de golf van Maracaïbo of Maracaye zoo als de
flibustiers haar noemden, dat tien of twaalf mijlen zeewaarts bij den
ingang van de golf verscheidene eilandjes liggen, onder anderen Aruba,
en las Monjes. Die beide eilandjes, vroeger aan de Spanjaarden
onderworpen, waren bevolkt door Indianen, die de Castiliaansche taal
spraken, doch thans onderhoorig waren aan de Staten-Generaal der
Vereenigde Nederlanden, die na de verovering van Curaçao over die
eilanden gouverneurs aangesteld en er garnizoen gelegd hadden, niet
zoozeer om de vruchtbaarheid dier streken, want nauwelijks werd daar
genoegzaam voedsel gewonnen voor de geiten en paarden die er in groot
aantal aanwezig waren, maar meer omdat zij dienden als marktplaatsen
voor den uitgebreiden slavenhandel die tusschen de Spanjaarden en de
Hollanders gedreven werd.

Vijf-en-dertig dagen na hun vertrek uit Port-de-Paix waren al de
schepen der vrijbuiters zonder eenige uitzondering vereenigd bij het
eiland Aruba, waar de bijeenkomst op last van Montbars moest plaats
hebben. Zoodra Morgan bij het eiland was aangekomen, bestond zijne
eerste werkzaamheid in de overmeestering daarvan; daarna deed hij al de
booten en prauwen der bewoners lek stooten, om hen te beletten zee te
kiezen, en zette op al de toegankelijke plekken der kust posten op den
uitkijk. Daar het door die verstandige voorzorgen voor ieder der
bewoners zoo goed als onmogelijk was geworden om het eiland te verlaten
en elders hulp te gaan zoeken, was de veiligheid der vrijbuiters voor
het oogenblik ten minste genoegzaam verzekerd, en konden zij er bijna
vast op rekenen, dat hunne tegenwoordigheid in deze streken niet bekend
zou worden dan op het tijdstip waarop zij goed zouden vinden zelf
daarvan het bewijs te leveren.

Montbars wachtte op de komst der gezagvoerders, die hij allen bij zich
aan boord ontboden had; over de verschansing leunend dwaalde zijn oog
over het water en peinzend keek hij naar een boot die van den Tijger
was afgevaren en recht op het fregat aanhield. Drie personen zaten
achterin, eene daarvan was eene vrouw, en zoodra Montbars haar gewaar
werd, betrok zijn gelaat waarop, schoon niet zeer merkbaar, toch een
meer of minder ontevredene trek te voorschijn kwam; echter slaagde hij
er in dien te doen verdwijnen en ging met een glimlach om de lippen
naar den valreep aan stuurboord om het gezelschap te ontvangen dat met
de boot langs zij van het fregat was gekomen. Na de gebruikelijke
begroetingen begon Francoeur op hoogst eerbiedigen toon.

—Admiraal, door mevrouw is aan mij hare begeerte te kennen gegeven zich
aan boord van uw schip te begeven, en ik heb gemeend mij niet tegen dit
bezoek te mogen verzetten, vooral ook, omdat mevrouw verlangt een
onderhoud met u te hebben.

—Gij hebt er zeer goed aangedaan door mevrouw mede te brengen,
kapitein. Het doet mij zeer veel genoegen haar hier te zien, en ik stel
mij geheel te harer beschikking; alleen spijt het mij dat mevrouw geen
gelegener uur heeft gekozen dan dit, daar mijne plichten mij op dit
oogenblik verhinderen, zoo lang en ongestoord met haar in gesprek te
blijven, als ik wel zou wenschen.

—Ik heb al den tijd te wachten, mijnheer,—werd door haar ten antwoord
gegeven,—tot uwe bezigheden u zullen veroorloven mij een onderhoud toe
te staan. Zoo gij mij dat vergunt, zal ik hier blijven tot de
vergadering, die door u gepresideerd moet worden, afgeloopen is, daarna
keer ik met de boot waarmee ik hierheen ben gekomen, weer terug naar
den Tijger, en dus zal toch het vertrek van den kapitein niet al te
lang worden vertraagd, want ik heb u slechts een paar zaken mede te
deelen.

—Uwe begeerten, mevrouw, beschouw ik als bevelen,—hernam Montbars, en
liet daarop volgen terwijl hij den arm naar de zee uitstrekte, die over
eene zekere ruimte als bedekt was met booten die alle op het fregat
aanhielden,—doch gij ziet, mevrouw, dat het mij, hoezeer dit mij spijt,
op dit oogenblik onmogelijk is om met u te spreken, want daar ziet gij
mijne officieren die op mijn last hier aan boord komen. Wees dus zoo
goed en doe mij de eer tijdelijk gebruik te willen maken van mijne
bijzondere kajuit; zoodra ik vrij ben zal ik mij haasten, dáár bij u te
komen.

Donna Clara boog, tot bewijs van instemming met dit voorstel, groette
Francoeur, en volgde een scheepsjongen aan wien door Montbars was
gelast haar den weg naar zijn kajuit te wijzen.

De sloepen kwamen langs zij van het fregat, en de kapiteins bestegen
achtereenvolgens het dek, waar zij ontvangen werden met de militaire
eerbewijzingen, die bij de marine van alle landen in zwang zijn, waar
het geldt officieren van hoogen rang. Montbars stond bij den valreep,
drukte de hand van zijne kameraden en wisselde met hen eenige
vriendschappelijke woorden, zoodra zij hun voet op het dek hadden
gezet. De officieren begaven zich naar het vertrek dat ingericht was
tot vergaderplaats van den raad; twee vrijbuiters, met het geweer bij
den voet, stonden op wacht bij de deur, om te zorgen dat de bijeenkomst
ongestoord blijven, en niets van de beraadslaging bekend zou worden.
Eene ronde tafel met een groen kleed stond in het midden en daar om
heen waren zetels geplaatst. Er waren vijftien kapiteins tegenwoordig,
allen gezagvoerders van de schepen waaruit de vloot bestond, en allen
behoorende tot de meest in aanzien zijnde aanvoerders der flibustiers.
Reeds vroeger zijn hunne namen door ons vermeld. Montbars presideerde,
daarin bijgestaan door Morgan. Francoeur, als de jongste fungeerde als
secretaris; vóór den zetel, dien hij moest innemen, waren papier,
pennen en inkt geplaatst. Op een wenk van den Admiraal namen de
officieren plaats.

De wetten der vrijbuiters waren kort en duidelijk; onder meer werd
daarbij bepaald, dat als eene expeditie werd uitgerust waarbij de
gezagvoerder slechts één schip onder zijn bevel had, geen besluit door
hem mocht genomen worden dan na toestemming zijner equipage, daar al de
leden daarvan beschouwd werden als zijne mededeelhebbers, die even veel
belang bij het goede succes der expeditie hadden als hij zelf en bij
gevolg ook recht, stem in den raad te hebben. Ieder voorstel dat ter
tafel werd gebracht, moest met algemeene stemmen worden aangenomen,
anders werd het geacht verworpen te zijn, terwijl het aan den
voorsteller verboden bleef zich daardoor beleedigd te toonen.

Ingeval echter dat er spraak was van eene meer gewichtige expeditie,
als die welke thans door de vrijbuiters zou ondernomen worden, luidden
die bepalingen eenigszins anders, in zoo verre namelijk dat de
equipages der verschillende schepen geacht werden hunne rechten te
hebben overgedragen aan de gezagvoerders onder wier bevel zij stonden,
zoodat deze voor hen moesten optreden; doch de uitslag der stemming
bleef onveranderd, elk besluit moest steeds eenparig genomen worden, en
zelfs slechts één stem tegen werd voldoende gerekend om een voorstel
onherroepelijk als verworpen te beschouwen. Zulk eene wijze van
handelen mocht in beginsel eenige verdienste bezitten omdat daardoor
het belang van ieder en allen gewaarborgd werd, doch het groote gebrek
daarvan bestond hierin dat de discussies dikwerf in het oneindige
werden gerekt, zonder dat men tot een afdoend besluit kwam. Doch
daartegen kan worden aangevoerd dat de voornaamste officieren mannen
waren van goeden naam en erkende verdiensten, en dat zij die jonger
waren of hunne minderheid gevoelden, hoogst zelden in oppositie kwamen
en daarentegen met vol vertrouwen met hunne stemmen bekrachtigden,
alles wat werd voorgesteld; en dientengevolge liep gewoonlijk zulk eene
raadsvergadering zeer kalm af.

Eer de vergadering geopend werd, achtte Montbars het gepast aan zijne
kameraden verslag te doen van de manier waarop hij zich meester had
gemaakt van het Spaansche fregat en de vier brigantijnen, die bestemd
waren geweest om de schuilplaatsen der flibustiers te verwoesten. Van
al de aanwezigen ontving hij hartelijke gelukwenschingen en toejuiching
over dit stoute wapenfeit waardoor hij meester geworden was van een
prachtig schip, het mooiste en zwaarst bewapende van de vloot, terwijl
het daardoor bovendien voor de Spanjaarden, ten minste voor den eersten
tijd, onmogelijk was geworden iets tegen de vestingen van de Broeders
der Kust te ondernemen. Na de niet geringe opgewondenheid, veroorzaakt
door de gloeiende woorden waarmee Montbars zijn verslag had
voorgedragen, werd hem verzocht de zitting te openen, waaraan hij
terstond gehoor gaf, te midden der grootste aandacht en algemeene
nieuwsgierigheid.

—Broeders en vrienden,—sprak hij,—met zeker genoegen stel ik mij voor,
dat thans nu gij allen vereenigd zijt op de plek die door mij is
opgegeven als de plaats der bijeenkomst, thans nu uwe schepen geankerd
zijn in het gezicht dier rijke kust, waaraan door de Spanjaarden den
naam gegeven is van het Gouden Castilië, dat thans het doel van onze
expeditie geen geheim meer voor je zal zijn, of dat gij er minstens
iets van zult vermoeden, doch om je niet langer in het onzekere te
laten en daar het uur tot handelen is aangebroken zal ik het je doen
kennen. Mijn doel is dat wij Maracaïbo en de omliggende steden zullen
bemachtigen. Kameraden, hoe denkt gij over dit plan?

—Admiraal,—werd uit aller naam door Morgan ten antwoord gegeven,—wij
zijn van meening dat het plan uwer waardig is, en rekenen het ons tot
eer je aan de verwezenlijking te mogen helpen.

—Toch, broeders, moet ik ronduit bekennen,—vervolgde Montbars,—dat het
eerste denkbeeld van dit plan niet bij mij is opgekomen. Eere wien eere
toekomt. Het eerste denkbeeld daartoe is ontstaan in het brein van
Philippe d’Ogeron, die reeds sinds eenige dagen de kust opnam, toen het
toeval mij dáár deed landen in eene prauw met een paar kameraden, daar
ik bij een stormvlaag met slechte zee, mijn schip, te oud geworden om
zee te houden, onder zeil verspeeld had en te gronde zag gaan. Wij
behooren ons compliment dus te maken aan onzen jeugdigen en dapperen
kameraad, want hem komt de eer toe het eerste het plan te hebben
geopperd tot deze expeditie, ik heb niet anders gedaan dan het te
overwegen en uit te werken, en zooveel mogelijk overal de noodige
inlichtingen in te winnen, om het met uwe zeer gewaardeerde hulp te
volvoeren.

Ingenomen door die bescheidenheid van Montbars, gaven de officieren
door toejuiching te kennen hoezeer zij daarover voldaan waren; want
allen waren bevoegde beoordeelaars van flinke handelingen op ieder
terrein, doch slechts weinigen hunner achtten zich in staat de
zelfverloochening in die mate te betrachten. Montbars hernam, zich
thans tot Morgan wendende:

—Nu gij het doel van ons streven kent, verzoek ik aan onze
vice-admiraal mij verslag te doen over uwe verrichtingen na uw vertrek
uit Port-de-Paix.

—Mijn rapport kan kort zijn, Admiraal,—gaf Morgan ten antwoord.—Ik heb
altijd goeden wind gehad en kalme zee. Vier mijlen onder den wind van
het eiland heb ik de verschillende schepen van de vloot verzameld, en
zijn wij allen te gelijk, als een vlucht gieren op Aruba neergestreken.
Hoewel ik daartoe van je geen order had ontvangen, heb ik toch, in de
meening dat die plek hier niet ver zou zijn van de plaats die moest
worden aangevallen, willen vermijden alle onnoodige berichtgevingen,
die voor ons noodlottig zouden hebben kunnen wezen. Daarom heb ik mij
meester gemaakt van het eiland, de bewoners, arm en niet zeer talrijk,
hadden zulk eene overrompeling niet van ons verwacht, en lieten zich
dus genoegzaam zonder tegenstand ontwapenen. Toen heb ik hunne booten
lek doen boren, om te voorkomen zoo enkelen hunner plan mochten hebben
daarmee te ontsnappen, en op al de toegankelijke punten van de kust
wachten op den uitkijk geplaatst, en tot nog grootere waarborg is door
mij last gegeven dat eenige booten bemand met flinke kerels wacht
zouden houden op enkele kabellengten afstand in volle zee, doch
schijnbaar alsof zij daar aan het visschen waren. Sedert onze aankomst
alhier zijn er ongeveer een dozijn kustvaarders zonder eenig kwaad
vermoeden op het eiland aangeland. Het is onnoodig je te zeggen dat
geen hunner weer vertrokken is, wij hebben hen allen gevangen gehouden,
iets waardoor zij ten hoogste werden verrast,—verklaarde hij
lachend,—en dit is alles wat ik heb te rapporteeren, Admiraal.

—Waarde Morgan,—antwoordde Montbars,—ik betuig je mijn oprechten dank
voor alles wat door je is verricht. Er konden geen betere en gepastere
maatregelen worden bedacht dan die door je genomen zijn, doch toen ik
je die gewichtige betrekking bij de vloot toevertrouwde wist ik waartoe
gij in staat waart, en kon dus volkomen gerust zijn. Thans is de
hoofdzaak middelen te beramen voor onze landing, zoo mogelijk zonder
dat die door den vijand worden bemerkt. Dit is een hoogst moeielijk
geval; de stad die wij voornemens zijn te overrompelen, ligt aan het
eind van een meer; de toegangen zijn in goeden staat van verdediging,
de stad zelf is behoorlijk versterkt, en in het bezit van een talrijk
garnizoen, onder bevel van een ervaren officier, die zich niet licht
zal overgeven, dit weet ik zeker want ik ben met hem bekend. Thans geef
ik het woord aan Philippe d’Ogeron, die met de grootste nauwgezetheid
de posities van den vijand heeft opgenomen, en bij wien, zooals ik
reeds de eer had je te zeggen het plan tot deze expeditie is ontstaan.
Wees dus zoo goed, broeder, te spreken, wij zullen met aandacht naar je
luisteren—bij die laatste woorden wendde hij zich meer tot den jongen
man.

Philippe stond op met eenigszins verhoogde kleur, eenigszins verlegen
door de herhaalde vleiende toespraak van zijn bevelhebber, doch meer
nog geërgerd door den spottenden blik dien de ridder de Grammont op hem
wierp; Philippe begreep dat door dezen, geholpen door het scherpe
inzicht der jaloezie, zijne geheimste gedachten geraden waren en
eveneens de beweegreden die hem dreef tot de begeerte om Maracaïbo te
overmeesteren, liever dan eenige andere even rijke plaats aan de kust.
Doch hij wist zich zelven te beheerschen, onderdrukte zijne ontroering,
en nam flink weg het woord.

—Broeders,—zoo begon hij,—daar je verlangt dat ik je mijne meening zal
doen kennen, en ofschoon ik een der jongsten onder u ben, en mijne
ervaring bij de uwe geheel in de schaduw moet staan, zou ik het
ongepast achten uit valsche schaamte te weigeren aan uw verlangen te
voldoen, en zal gehoorzamend aan uw wil, in weinige woorden je mijn
gevoelen mededeelen. Zooals de admiraal je reeds gezegd heeft, de stad
is sterk en zal krachtig en goed verdedigd worden. Naar mijn inzien zou
het raadzaam zijn, eer wij iets tegen de stad beproeven, ons te
verzekeren of onze aanwezigheid dáár reeds bekend is geworden, dan wel
of men daarvan nog niets vermoedt. Deze streken worden bezocht door
zeer veel kustvaarders, en verscheidene van die vaartuigen zijn niet
veel meer dan roeibooten, zoodat het zeer gemakkelijk kan gebeurd zijn,
ondanks al onze waakzaamheid en al de genomene maatregelen, dat enkele
daarvan ons ’s nachts ongemerkt zijn voorbijgegaan. Mocht dit,
ongelukkig voor ons, plaats hebben gehad, dan valt er niet aan te
twijfelen of wij zijn herkend, want onze schepen zijn te zeer
verschillend van de Spaansche of Hollandsche; en dan zal nu reeds over
de gansche kust alarm zijn geslagen. Als gevolg daarvan bestaat er zeer
veel kans dat de lieden die wij willen overrompelen goed op hunne hoede
zullen zijn, en loopen wij dus gevaar zelf te vallen in den strik dien
wij hun spannen.

—Uwe opmerkingen zijn zeer juist,—gaf Montbars te kennen, na met een
blik de overige kapiteins te hebben geraadpleegd,—en welke middelen
zouden, naar je meening, moeten worden genomen om ons die zekerheid te
verschaffen?

—Wij hebben hier verscheidene Spaansche brigantijnen, het zal weinig
moeite kosten een daarvan te bemannen; wij zullen onze gevangenen
dwingen ons de seinen op te geven waaromtrent zij met de kustwachters
overeengekomen zijn. De brigantijn moet doordringen tot het meer, zelfs
zoo dicht mogelijk bij Maracaïbo en dan terug zeilen om hier rapport te
komen doen. Mocht dit voorstel worden goedgekeurd, dan verzoek ik,
belast te worden met het gezag over dien brigantijn.

—En dan verzoek ik, broeder, je daarbij te mogen vergezellen!—voegde
Grammont spotachtig er bij. Philippe beantwoordde dit met een lichte
buiging en een even spotachtig glimlachje, en nam weer plaats.

—Heeft iemand uwer tegen dit voorstel iets in te brengen,
broeders?—vroeg Montbars. Niemand gaf antwoord.

—Niet? Dan zal ik dit doen,—hernam Montbars.—De opmerkingen van
Philippe d’Ogeron zijn zeer juist, dit heb ik straks reeds gezegd, en
nu wil ik er nog bijvoegen dat die, naar mijne meening, ook zeer
gegrond zijn. Ook ik acht het werkelijk ondenkbaar dat een vloot van
vijftien groote schepen, geheel ten oorlog uitgerust, hier op deze zóó
druk bezochte kust zou kunnen verschijnen, zonder te zijn opgemerkt.
Ook ik geloof dus dat onze aanwezigheid bekend en alarm geslagen is,
ja, ik ben er zelfs genoegzaam zeker van, dat men op dit eigen
oogenblik nu ik tot u spreek, in alle dorpen te wapen snelt en overal
zich bereid maakt om krachtdadig wederstand te bieden. En derhalve
moet, mijns inziens, juist om al die redenen, het voorstel van Philippe
niet in aanmerking komen. In de eerste plaats omdat als wij daartoe
besloten, voor ons veel kostbare tijd zou verloren gaan, die aan onze
vijanden te nutte zou komen, daar zij des te meer gelegenheid zouden
hebben zich te versterken en de schatten in veiligheid te brengen, die
wij voornemens zijn hun te ontrooven. Maar bovendien meen ik, al werden
de Spanjaarden die list met den brigantijn niet gewaar, al lieten zij
dat vaartuig rustig zijn zending volbrengen, de berichten die ons bij
zijn terugkomst worden meegedeeld ons toch niet dienstig zullen kunnen
wezen ten opzichte eener landing, want wij zullen toch wel niet zoo
naïef zijn een oogenblik te veronderstellen dat een vloot als de onze
onbemerkt het meer zou kunnen binnen vallen. Philippe d’Ogeron die even
als ik bekend is met de plaatselijke gesteldheid dáár, weet zeer goed
dat iedere andere weg voor ons is afgesloten, en dat het doen van een
landing op het een of ander punt der kust, ter einde over land op
Maracaïbo aan te rukken, gelijk zou staan met tot op den laatsten man
al ons volk in de waagschaal te stellen; want, en ook dit weet hij zeer
goed, die marsch zou moeten geschieden door een land, met holen, en
moerassen en modderpoelen, waar ontelbare rivieren zich kruisen, een
land bedekt door dichte wouden waar zware boomen met bladen zoo scherp
als een mes den doorgang beletten, een land bevolkt door ontembare
wilden, echte kannibalen, tegen wie wij onophoudelijk te kampen zouden
hebben.

—Dan zou het eene onverantwoordelijke dwaasheid zijn, zoo wij ons
blootstelden aan al die gevaren met zoo weinig kans op goeden
uitslag,—werd door Morgan opgemerkt.

—Wat is dan uwe meening?—vroeg Pierre Legrand.

—Wel!—riep de Olonner en sloeg daarbij met de vuist op de tafel.—Mij
wordt het al duidelijk en klaar welk plan de Admiraal heeft, dit zal
toch wel niet anders zijn dan onvervaard op te trekken, den toegang tot
het meer te forceeren en met al onze macht een aanval op de stad te
beproeven. Wat drommel! Al stonden die duivelsche gavachos tegen ons
als tien tegen één, dan zijn wij toch immers kerels ferm genoeg om hen
het vuur na aan de schenen te leggen, zou ik zoo denken! Het zou
waarachtig de eerste keer niet zijn dat wij dat deden!

—Wat zegt gij er van, Admiraal? Wat zegt gij er van?—riepen de meeste
hem toe.

—Ja, Montbars,—hernam de Olonner,—zeg hoe gij er over denkt. Gij zijt
het beste in staat om ons in dit opzicht voor te lichten.

—Broeders,—gaf Montbars ten antwoord en stond daarbij op,—het is juist
zooals de Olonner heeft gezegd, hij heeft mijn plan reeds geraden. Het
voorstel dat ik je wilde doen is dus het zijne. Geen tijd gunnen aan
den vijand om tot zich zelven te komen, den doortocht forceeren en met
alle kracht een aanval op de stad doen. Ik wacht uwe beslissing af.

—Wel verduiveld!—vloekte de Olonner, die dit tot eene slechte gewoonte
maakte.—Die beslissing kan niet anders zijn dan eene toestemming in wat
gij verlangt dat wij zullen ondernemen, daar sta ik borg voor, want ge
hebt zoo helder als klaar het ware van onze positie blootgelegd, door
te bewijzen dat ieder ander plan van ontscheping ondoenlijk is.

Morgan raadpleegde nog even met de overige kapiteins en verklaarde
daarna uit aller naam:

—De leden van den raad keuren het door den Admiraal voorgestelde plan
goed, en zij verzoeken hem dit ten spoedigste uit te voeren.

—Broeders,—sprak Montbars,—de vloot zal binnen een paar uren onder zeil
zijn, zorgt er dus voor dat alles klaar is om de ankers te laten
glippen, en dat de landingstroepen gereed zijn voet aan wal te zetten.
Keert terug naar uwe schepen, om de noodige maatregelen te nemen. Ik
sluit de zitting van den raad. Waarde Morgan,—voegde hij er nog bij,—u
moet ik verzoeken nog enkele oogenblikken hier aan boord te blijven,
daar wij samen nog een en ander te bespreken hebben, om elkaar goed te
verstaan.

—Ik ben tot je orders, broeder,—gaf Morgan ten antwoord.

De kapiteins groetten en vertrokken naar hunne bodems, uitgezonderd
Morgan, die met Montbars in het vertrek bleef waar de beraadslaging had
plaats gehad, en Francoeur die, volgens afspraak, wachtte tot donna
Clara gereed zou wezen met hem mede te gaan, en in dien tijd op het dek
op en neer liep.








XVIII.

SCHIPPER AGUIRRE.


Tijdens de komst der flibustiers op het eiland Aruba dat zij bezetten
om van daar, volgens hunne uitdrukking, als een vlucht gieren neer te
strijken op Maracaïbo, heerschte in die rampzalige stad, zoo geheel
onbekend met het gevaar dat haar boven het hoofd hing, groote drukte;
ieder was dáár recht in zijn schik, allen lachten en dansten, in één
woord overal hield men feest; want het waren juist de dagen waarop
gewoonlijk de schepen uit Europa arriveerden. De uit Spanje verwachte
vloot was dan ook de golf binnen gestevend, doorgedrongen tot het meer,
en vóór de stad ten anker gekomen. Gedurende acht maanden van het jaar
bleven de kolonisten genoegzaam aan hun eigen lot overgelaten; te ver
verwijderd van groote en voorname steden zooals Vera-Cruz, konden zij
zich niet dan met groote moeite al het noodige verschaffen voor de
noodzakelijkste behoeften en kregen dus ten laatste daaraan groot
gebrek; met verlangen zagen zij daarom uit naar de aankomst der
koopvaardijschepen die nieuwen voorraad aanbrachten en hen in de
gelegenheid stelden al de voortbrengselen van den bodem, zooals tabak,
cacao, timmerhout, benevens goud, zilver en paarlen, waarmede hunne
magazijnen overpropt waren, te verruilen tegen levensbehoeften,
kleedingstukken, gereedschappen en allerlei Europeesche artikelen.
Dezen keer waren, als door eene bijzondere beschikking, de schepen
direct uit Cadix aangekomen, zonder onderweg eenige andere haven aan te
doen, zoodat de ladingen nog onaangebroken waren; de kolonisten hadden
dus overvloed van keus om te voorzien in hunne behoeften of te voldoen
aan hunne begeerten.

Voortdurend zag men in de stad verschijnen recuas van muildieren,
waarvan ieder zwaar belast was met eene dubbele baal, en die,
voortgedreven uit de dorpen en de haciendas van het binnenland, het
vroolijke geluid hunner schelletjes in de straten deden weerklinken. Op
last van den Gouverneur waren op de Plaza Mayor tenten opgeslagen, en
jacales van takken gebouwd om tot tijdelijke magazijnen en kramen te
dienen aan de kooplieden, die er hunne waren voor ieders oog konden
uitstallen. Om kort te gaan het was een voortdurende kermis, die een
maand lang zou duren, en gedurende welke de bevolking, door den grooten
toevloed van vreemdelingen bijna verdubbeld was. ’s Avonds waren de
straten, als door een tooverslag, geïllumineerd, en op alle pleinen
werd gedanst met de opgetogenheid en de opgeruimdheid, die zoo
aantrekkelijk en eigenaardig zijn bij alle meer zuidelijke volken wier
karakter zich meest altijd kenmerkt door vroolijkheid, onbezorgdheid en
natuurlijke ongedwongenheid.

Don Fernando d’Avila had heel wat te doen om de orde te handhaven in
zulk een warboel, en te zorgen dat het bij alle handelsverrichtingen en
verdere inkoopen en verkoopen op loyale wijze toeging, want de
Europeesche handelaars maakten er geen gewetenszaak van om honderd
piasters te vragen voor iets dat geen hoogere waarde dan tien piasters
bezat, en het was dus niet te verwonderen dat er dikwerf geschillen en
vechtpartijen ontstonden die door den Gouverneur tenauwernood konden
worden bijgelegd, daar de kolonisten zoo min als de Europeanen er toe
gebracht konden worden naar verstandige en bezadigde taal te luisteren.
Zoo werd don Fernando door al die bemoeiingen, hoezeer ook geheel tegen
zijn wil, als het ware genoodzaakt zich minder aan zijne pupil gelegen
te laten liggen, die bijna altijd als in hare vertrekken opgesloten
bleef; doch de jonge dame beklaagde zich niet over zulk eene
afzondering; zij scheen daarentegen zich er gelukkig door te gevoelen
en kon nu ongestoord al hare gedachten wijden aan hem dien zij lief
had. Een groot gedeelte van den dag bracht zij op het balkon door, half
verborgen achter de zonneschermen, steeds naar het meer turende en
verdiept in eene reeks van droomerijen. Somtijds keek zij even op om
naar na Cigala te kijken, die gewoonlijk dicht bij haar zat en te
vragen, met haar lief vleiend stemmetje:

—Zeg eens, na Cigala, zoudt ge denken dat mijn lieveling nu gauw terug
zal komen?

De oude vrouw schudde dan met een onvergenoegd gezicht het hoofd, gaf
meestal geen antwoord, of zoo zij dit een enkelen keer deed, dan was
dit op knorrigen toon, en binnensmonds eenige woorden brommende die
door de jonge dame niet verstaan werden; echter moet hier bijgevoegd
worden, dat deze er zich ook niet veel moeite voor gaf, want veel
liever hield zij zich bezig met hare eigene gedachten en verviel ook
spoedig weer in zoet gepeins.

Reeds meer dan eens had na Cigala beproefd donna Clara tot het inzicht
te brengen hoe verkeerd het was zulk een eenzaam en eentonig leven te
leiden, waarin zij nu zoo zeer behagen scheen te hebben, en dat het
voor haar veel beter zou zijn, om te zamen uit te gaan, de stad eens
door te wandelen en de winkels te bezoeken, waar de Europeesche waren
uitgestald, en zij zulk eene ruime keuze zou hebben voor hare inkoopen.
Eene verleidelijke uitnoodiging, want de beschouwing van dergelijke
benoodigdheden en ook van dergelijke kostbare prullen is voor iedere
vrouw, hetzij dame, hetzij dienstbode een genot, ja, meer dan dit, want
hoe dikwerf worden daardoor de oogen zoo verblindend aangetrokken, dat
vele van haar tot doemwaardige handelingen overgaan, en den duivel in
handen vallen.

Iederen keer dat de duenna hierop aandrong had donna Juana dit niet
anders beantwoord dan door kortweg neen te zeggen, of hoogstens
bepaalde zij zich tot de verklaring, dat zij niets gaf om kanten of
juweelen, zich heel goed vond dáár waar zij was, en veel liever stil
tehuis bleef; waarna zij weer verviel in de zoo geliefde en nu zoo
onaangenaam afgebroken overdenkingen.

Weer werd op zekeren morgen die aansporing door de duenna herhaald,
maar nu nog veel dringender dan vroeger; de jonge dame gevoelde zich
juist dien dag zeer droefgeestig gestemd, zonder dat zij zich daarvan
reden wist te geven, want zij kon niets bedenken waardoor dit ontstaan
zou kunnen zijn; zij ging naar de deur zeker om zich te verwijderen en
daardoor ontslagen te worden van de vervelende op- en aanmerkingen
harer voedster, toen die op eens werd opengedaan en don Fernando de
kamer binnentrad.

—Beste Juana, ik kom je vragen om met mij naar de haven te gaan,—gaf
hij haar te kennen zonder eenige voorafspraak,—de kapitein van la
Trinidad is, naar hij zegt, in het bezit van kostbare Mechelsche
kanten, en prachtig met gouddraad gestikte stoffen. Hij zou je die
zaken zeer gaarne laten zien, want hij houdt er zich van verzekerd dat
uwe keus als wet zal gelden, en de stoffen waaraan gij de voorkeur
geeft, bij iedereen in trek zullen komen. Hij heeft ons uitgenoodigd
bij hem aan boord, zonder omslag en onder ons, te komen ontbijten, en
ik heb dit voor ons beiden aangenomen. Die kapitein is iemand van
groote verdienste en het is mij veel waard hem eenigen dienst te kunnen
bewijzen. Wees dus zoo goed je klaar te maken en je daarmee te haasten,
want die kapitein wacht ons op den havendam daar hij zelf ons aan boord
van zijn schip wil brengen.

Het jonge meisje beet zich op de lippen, toonde een pruilend gezichtje,
zei eerst goeden morgen tegen haar voogd, dien zij dien dag nog niet
had ontmoet en voegde hem daarop toe met ietwat kwijnende stem:—Ik voel
mij waarlijk te ongesteld om uit te gaan, señor, en dus zoudt gij mij
zeer veel genoegen doen er niet bij mij op aan te dringen u bij dit
bezoek te vergezellen.

—Kom, kom,—gaf hij lachende ten antwoord,—ge ziet er beter uit dan ooit
en vandaag juist zoo frisch en blozend als de mooiste roos. Wees nu
eens goed en lief, Juana, en weiger mij dit niet, want daardoor zoudt
ge de oorzaak zijn, dat ik mijn woord tegen dien braven kapitein niet
hield, en dit zou mij voor den goeden man zeer spijten. Buitendien
geloof ik stellig dat de frissche lucht je goed zal doen.

—Dit heb ik al zoo dikwijls tegen haar gezegd, maar zij wil naar mij
niet luisteren,—werd in het midden gebracht door de oude vrouw, die
zeer in haar schik was, nu zij hulp kreeg van een kant van waar zij die
niet verwacht had.

—Houd den mond, na Cigala,—viel donna Juana toornig uit.—Het is of ge
het er altijd op toelegt mij te kwellen.

—Hoor dat nu eens aan...—mompelde de oude vrouw, sloeg de handen ineen
en de oogen naar den hemel.—Heere God, wat zijn die kinderen toch
ondankbaar!

—Kan ik er op rekenen dat ge met mij zult meegaan, Juana?—hernam don
Fernando.

—Als gij dit eischt, ja, señor,

—Laten wij elkaar goed verstaan, kindlief. Eischen doe ik niets, alleen
verzoek ik het, en verzoek ik het zeer dringend. Maar als ge er zoozeer
tegen zijt, dan geef ik mijne begeerte op en zullen wij er niet verder
over spreken. Ik hoop dat de kapitein zich mijne verontschuldigingen,
ook uit uw naam gegeven, zal laten welgevallen, daar ge begrijpt, dat
als gij niet mee wilt gaan, het voor mij geheel onnoodig is om dit
bezoek af te leggen.

Hij groette zijne pupil en stond gereed heen te gaan, doch zij snelde
naar hem toe, greep zijn hand en zei haastig:—Och, señor! Waarlijk gij
moet het mij niet kwalijk nemen, en heusch het spijt mij zóó als ik
iets doe of zeg dat u onaangenaam is, maar, geloof mij, ik weet niet
wat mij vandaag scheelt, en toch kan ik er mij niet tegen verzetten. Ik
heb mij nog nooit zóó gevoeld.

—Zoudt ge dan werkelijk ziek zijn, kindlief?—vroeg hij met vaderlijke
bezorgdheid.

—Ik weet het niet, ik kan het u niet zeggen, maar dit is zeker dat ik
ieder oogenblik zou kunnen uitbarsten in een huilbui, en zoo gedrukt
ben ik, alsof ik door een groot gevaar werd bedreigd.

—Kom, kom,—sprak hij lachend en geruststellend,—ge zijt een
zottinnetje! Ge hebt het den laatsten tijd doorgezet om zóó afgezonderd
te leven als een kluizenares, en dat is de schuld van dit alles.

—Och, neen, señor! Lach niet, dit verzoek ik u, want waarlijk ik lijd
erg,—en de tranen kwamen reeds in hare oogen.

—Maar, lief kind, als dit nu wezenlijk het geval is, dan moet ge naar
bed gaan, en zullen wij den dokter laten komen.

—Neen, neen, dan ga ik liever uit, dan zal ik met u meegaan. Ik geloof
eigenlijk dat gij gelijk hebt, en dat de frissche lucht dit akelige
gevoel verdrijven zal.

—Wilt ge dan nu waarlijk toch met mij meegaan, Juana? Maar laat ik je
dan herinneren dat ik je op geenerlei manier mijn wil verlang op te
dringen.

—Daarvoor zeg ik u dank, señor, doch bij nader inzien twijfel ik er ook
niet meer aan of de buitenlucht zal mij goed doen. Gun mij even den
tijd om mijne rebozo te halen en een mantille om te slaan.

—Ik zal wachten tot ge daarmee klaar zijt.

—Binnen een paar minuten. Kom mee, na Cigala.

En vlug en levendig als een vogeltje verliet zij het vertrek.

—Ach! Hoezeer wenschte ik dat zij mijne dochter ware!—sprak de bejaarde
officier in zich zelf, en versmoorde daarbij een zucht.

Kort daarna keerde het jonge meisje terug, en vroeg schertsend:

—Lang ben ik niet weggebleven, is het wel?

—Ge zijt een lief, best kind, steeds even voorkomend en bekoorlijk.

—Ei, ei!—antwoordde zij guitig.—Nu ik doe wat gij wilt, vindt gij mij
weer aardig en krijg ik een prijsje!

Zij gingen naar buiten. Half weg van de haven, kwamen zij den kapitein
van la Trinidad tegen, wien het, ongeduldig door het lange wachten op
den havendam, goed had gedacht hun een eind te gemoet te gaan. Die
kapitein was een nog jeugdig man, met verstandige en sprekende
gelaatstrekken; hij had vroeger bij de Spaansche marine gediend, en
ging door voor een kundig en ervaren officier. Een boot die gereed lag
tot ontvangst der bezoekers, kwam op een wenk van den kapitein vlak
onder de trap van het havenhoofd aanleggen, en enkele minuten waren
voldoende om langs zij van het schip te komen; een prachtigen
driemaster, bewapend met tien bronzen stukken, die meer had van een
oorlogschip dan van een vreedzamen koopvaarder. De grootste orde
heerschte aan boord, en de Gouverneur en zijne pupil werden aan
stuurboordzij ontvangen, met de eerbewijzingen aan zijn rang
verschuldigd.

Onder een tent, die achter den grooten mast was opgeslagen, stond een
tafel gereed, gedekt voor vier personen. De officieren werden aan den
Gouverneur voorgesteld door den kapitein, die daarna zijn luitenant,
een ouden zeerob, die reeds lang met hem had gevaren, uitnoodigde om de
vierde plaats aan tafel te bezetten, echter niet dan na daartoe aan don
Fernando d’Avila vergunning te hebben gevraagd, eene vergunning die hem
trouwens dadelijk werd toegestaan; daarop liet de kapitein onmiddellijk
opdisschen. Op den maaltijd was niets aan te merken, de gerechten waren
keurig, en de wijn uitstekend.

Het was of donna Juana zich inspande om de wispelturige wreveligheid,
door haar dien morgen betoond, weer goed te maken; of wellicht was zij
onder den invloed geraakt van het vreemde der omgeving, de drukte op de
ree, en het heerlijke uitzicht op het landschap. Wat daarvan zij, het
zoo drukkende gevoel scheen geheel geweken, zij was vroolijk en
innemend, spraakzaam en opgewekt, en had er schik in om den ouden
luitenant te plagen en met hem te schertsen, schoon de goede man weinig
begreep van haar guitigheden, en nog veel minder van hare geestigheden
en daarbij zulk een ongelukkig figuur maakte dat de uitgelatenheid van
het jonge jolige schepseltje steeds aanhield.

—Wel, Juana,—vroeg haar voogd,—hebt ge er nu nog spijt van dat ge met
mij zijt meegegaan?

—Och! Praat daar niet meer over, don Fernando, ik was een zottinnetje,
en ben nu heel en al beter. Señor kapitein, hebt ge veel moois aan mij
te laten zien?

—Gij zelve zult daarover moeten oordeelen, señorita; niemand heeft
mijne waren nog onder de oogen gekregen; ik wachtte met de uitstalling
tot gij de goedheid zult gehad hebben daarover met uw onfeilbaren smaak
uitspraak te doen.

—Zoo! Nu reken er maar op dat ik lang niet makkelijk te voldoen ben.

—Dat zal mij juist zeer aangenaam zijn, señorita, want wat in uw oog
van waarde is, zal ongetwijfeld bij de andere dames in de kolonie ook
wel bijval vinden.

—Dat zal nog bewezen moeten worden, señor kapitein, want iedere dame
beweert dat het haar niet aan smaak ontbreekt.

—Toegegeven, señorita, alleen staat het bij mij vast, dat uw smaak vrij
wat beter is.

—Señor, señor,—lachte zij.—Wat kunt ge vleien! En wanneer denkt ge al
dat moois uit te stallen?

—Dadelijk na het ontbijt.

—En gij, señor luitenant,—bij die woorden wendde zij zich tot den ouden
zeerob, die, daar hij niets beters te doen wist, at alsof hij
uitgehongerd was, en daarbij dronk als een tempelier,—is er door u ook
iets voor mij achtergehouden?

—Door mij, señorita!—uitte hij zoo haastig met vollen mond dat hij
gevaar liep van te stikken, en keek daarbij verschrikt en verbaasd om
zich heen.—Wat zou door mij achtergehouden zijn, señorita?

—Dat weet ik niet, misschien kanten of juweelen, of mogelijk ook die
mooie gouden gekrulde kammen, die de dames te Sevilla dragen.

—Neen, neen, dat geloof ik niet.

—Wat zegt ge daar, gelooft ge dat niet? Weet ge dit dan niet zeker?

—Ja, señorita, neem mij niet kwalijk, ja, ik weet het vast en zeker. Ik
heb niets anders dan heel fijn neteldoek met gouddraad voor
muskietengaas.

—O! Dit treft heerlijk, dat moet zeker mooi zijn!—en lachend klapte zij
in de handen.—Maar hebt ge niets anders?

—Alleen nog zilveren sporen en gouden mecheros.

—Voor dames?

—Wel neen, wel neen! Voor heeren, maar señorita, als u er lust in mocht
hebben om iets daarvan aan te nemen, dan stel ik dit gaarne te uwer
beschikking.

—De sporen, dat gaas of de mecheros?

—Alles, señorita, alles wat gij maar wilt,—verzekerde hij met een
tamelijk plompe buiging.

Toen barstte het jonge meisje in zulk een schaterend gelach uit, dat de
oude zeerob daardoor letterlijk overbluft werd. Juist nu kwam een der
scheepsjongens naar den kapitein, groette dezen, en fluisterde hem iets
in het oor.

—Señor Gouverneur,—zei daarop de kapitein,—er is iemand die verzoekt u
te mogen spreken.

—Och! Wat nu weer!—antwoordde don Fernando ontevreden.—Dan moet hij
maar wachten. Ik veroorloof mij waarlijk zoo zelden een uurtje voor mij
te nemen, dat ik geen lust heb mij nu al weer dadelijk met zaken te
gaan bemoeien.

—Pardon, señor Gouverneur, maar die man zegt dat eene zeer gewichtige
zaak hem naar hier drijft, en dat gij hem op staanden voet zult
toelaten, zoodra gij zijn naam hebt gehoord.

—Ei, ei! Die sinjeur schijnt zich heel wat in te beelden! Wat voor een
soort van man is hij?

—Naar zijn uiterlijk schijnt hij een zeeman,—gaf de scheepsjongen zeer
onderdanig te kennen.

—En hoe is die zoo veelbeteekenende naam, heeft hij je dien genoemd?

—Ja, dat heeft hij, señor Gouverneur.

—Nu, hoe noemt hij zich?

—Aguirre.

—Wat!—viel de Gouverneur uit, van zijn stoel opspringende, alsof hij
een schok had ontvangen, terwijl hij doodsbleek werd.—Aguirre, zegt ge
immers?

—Aguirre, juist, señor Gouverneur.

—Dat is vreemd! Waarde kapitein, hebt ge voor mij, hier of daar het
doet er niet toe waar, een plekje beschikbaar, waar ik met dien man
eenige oogenblikken, zonder gestoord te worden, kan spreken?

—Mijne kajuit is te uwer beschikking, señor Gouverneur.

—Opperbest! Wees zoo goed mij daarheen den weg te wijzen, en dien man
dáár ook te doen komen. Lieve Juana, in mijne afwezigheid, en die zal
slechts van korten duur zijn, zullen de beide heeren je al dat moois
wel laten zien.

—Ga gerust, mijnheer,—antwoordde donna Juana,—ik hoop niet dat dit
gesprek tengevolge zal hebben, dat gij lang van ons wegblijft.

De Gouverneur volgde den kapitein van la Trinidad naar diens kajuit,
waar deze hem achterliet, doch niet dan na met de breedsprakige
hoffelijkheid van de Spaansche beleefdheid, hem verzocht te hebben zich
hier als tehuis te gevoelen en diensvolgens te handelen. Een oogenblik
daarna klonk er op de kajuitstrap een zware stap, en voorafgegaan door
den scheepsjongen trad schipper Aguirre binnen. Don Fernando gelastte
door een wenk den jongen weg te gaan, wendde zich toen naar den spion,
die zeer onderdanig bij de deur was blijven staan en vroeg:—Zoo, zoo,
schipper Aguirre, gij hier! Het is een wonder je in deze streken te
zien. Welke goede wind brengt je hierheen?

—Het is geen goede wind, gestrenge heer,—klonk het dubbelzinnige
antwoord.—Ik houd het zelfs voor een zeer slechten.

—En wij hebben hier reeds langer dan een maand het prachtigste weder.

—De ergste stormen komen niet altijd uit de lucht, edele heer.

—Neen! Ge bedoelt zeker dat de menschen daarvan dikwerf de oorzaak
zijn, niet waar?

De spion boog zwijgend.

—Waar komt ge vandaan?

—Regelrecht uit Vera-Cruz, op een brigantijn die daarvoor uitsluitend
door Zijne Excellentie den Onder-Koning in hoogst eigen persoon werd
uitgerust.

—Door den hertog de Penaflor!

—Ja, gestrenge heer.

—Hum! Dan schijnt die zaak zeer ernstig!

—Meer dan dat, edele heer. Het is eene zaak van het hoogste gewicht!

—Zoo! Nu ik verwacht nadere verklaring.

—Hier is een brief voor u, gestrenge heer, van den Onder-Koning die u
van alles op de hoogte zal brengen, beter dan ik dit zou kunnen
doen.—Bij die woorden trok hij uit de voering van den bol van zijn hoed
een brief die daar verborgen was geweest.

Don Fernando greep er haastig naar, en brak dien met bevende hand open;
lang was die brief niet, doch de inhoud van de weinige regels was zóó
gewichtig dat de Gouverneur verbleekte ondanks zijn erkende en
beproefde dapperheid.

—En,—vroeg hij een oogenblik later, toen hij weer opkeek,—zijn die
berichten waar en echt?

—Geheel en al naar waarheid, en stipt overgebracht, edele heer. Ik zelf
bracht ze aan Zijne Excellentie den Onder-Koning.

—En hoe zijt ge daarmee bekend geworden?

—Door niemand anders dan mijzelven. Ik heb oogen en ooren gebruikt.

—Dus wordt door de vrijbuiters eene expeditie uitgerust?

—Eene ontzaglijke expeditie.

—Maar misschien is die niet tegen ons gericht?

De spion lachte minachtend.

—Om hier te arriveeren heb ik dwars door eene vloot moeten stevenen,
door eene vloot van meer dan twaalf schepen, die met korte slagen
laveerde om te Aruba voor anker te komen.

—En wie voert het bevel over die vloot?

—Montbars de Verdelger zelf.

Don Fernando huiverde bij dien zoozeer geduchten naam.

—Weet ge ook of Montbars zich nu reeds onder al de schepen van die
duivelsche kerels bevindt?

—Nog niet, gestrenge heer, hij is van zijn koers afgeweken om zich
eerst meester te maken van het fregat la Perla en van vier
brigantijnen, schepen die door den Onder-Koning waren uitgerust om de
stichtingen der vrijbuiters op Tortue te vernielen.

—En?—viel de Gouverneur in met angstige gejaagdheid.

—Montbars heeft door entering het fregat genomen op de rivier Efferra,
is daarna binnengevallen ter ree van Puerto del Principe, heeft de
brigantijnen overvallen en doen zinken en de equipage der rampzalige
schepen onverbiddelijk omgebracht, en zal nu binnen een paar etmalen te
Aruba arriveeren, waar zijn vloot hem verwacht, om dan tot handelingen
over te gaan.

—Dan zij God ons genadig!—kreet don Fernando en liet op een zetel zich
neerzinken,—want, tenzij er een wonder geschiede, zijn wij verloren!








XIX.

DE CABILDO.


Er heerschte een oogenblik stilzwijgen.

Don Fernando, overstelpt door het ontzettende bericht dat hij zoo
onverwacht had ontvangen, verpletterd door ontroering en genoodzaakt
tot de erkentenis van de onbeduidendheid der verdedigingsmiddelen
waarover hij beschikken kon, scheen niet in staat tot geregeld denken.
Somber en onbeweeglijk stond de spion tegenover hem, steeds wachtende
of het zoo plotseling afgebroken gesprek zou worden hervat. Maar don
Fernando d’Avila was een oud soldaat met onverminderde energie, dapper
tot het vermetele, en nu de eerste slag ontvangen was, een slag die
hard was aangekomen, werd hij zich zelven weer meester, ieder spoor van
ontroering of aandoening verdween van zijn gelaat, en hij toonde zich
even kalm en koel als naar gewoonte.

En waarom ook niet? Wat gaf hij om den dood? Hij die in zoo menig
gevecht den dood dapper te gemoet getreden, en als getart had, den dood
van den krijgsman, die geveld wordt in edelen strijd door de hand van
den vijand! Had hij gesidderd, had hij zich als vernietigd gevoeld bij
dit zoo plotselinge bericht van een hoogst waarschijnlijken aanval der
flibustiers op de kolonie waarvan het gezag aan hem was toevertrouwd,
dan was dit niet veroorzaakt door vrees voor het vreeselijke gevaar dat
hem bedreigde, neen, dit was alleen ontstaan door zijne bekendheid met
de vrijbuiters, tegen wie hij meer dan eens hardnekkig gestreden had.
Hij wist maar al te goed dat na de behaalde overwinning, hunne
wreedheid nog grooter was dan hunne vermetelheid gedurende den strijd,
en dat dan leeftijd zoo min als kunne genade vonden in de oogen dier
vervaarlijke tegenstanders, meer nog, dat de vrouwen vooral het meest
van hen te duchten hadden.

Hoe luttel de middelen mochten zijn waarover hij kon beschikken, toch
besloot hij daarvan gebruik te maken, niet zoozeer om den slag af te
wenden waarmee hij werd bedreigd, als om die minder hard te doen
neerkomen, en zoo hij de stad niet kon redden, dan wilde hij ten minste
trachten de inwoners te behoeden voor de rampen die het gevolg zijn van
eene overrompeling en bestorming.

—Schipper, kan ik je vertrouwen?—vroeg hij aan den spion en keek dien
doordringend aan.

—Zijne Excellentie, de Onder-Koning stelt het volste vertrouwen in mij.

—Is uw brigantijn nog al ruim?

—Ruim genoeg om voor een korten tocht een honderdtal manschappen te
bergen.

—Goed, ge hebt mij reeds begrepen. Keer naar uw schip terug, maak alles
gereed om dadelijk onder zeil te gaan, en wacht mijne verdere orders
af.

De spion stond klaar om heen te gaan.

—Wacht nog even,—riep de Gouverneur hem toe,—weet dat ge mij met uw
leven borg blijft, dat geen enkel woord over dit alles over uwe lippen
komt.

—Dat zweer ik, gestrenge heer!

—Goed! Ga.

Schipper Aguirre vertrok en een oogenblik daarna verscheen de
Gouverneur weer op het dek.

—Wel,—vroeg Juana aan hem.—Waren die berichten nu werkelijk zoo
gewichtig?

—Gewichtig genoeg, kindlief, om mij te noopen je te verzoeken dadelijk
met mij aan wal te gaan, terwijl ik mij bij den kapitein moet
verontschuldigen dat ik zoo onverhoeds het schip verlaat, waar wij zoo
heusch door hem zijn ontvangen.

De kapitein boog en zei:

—Señor, in afwachting van wat misschien noodig zou kunnen zijn heb ik
reeds een boot voor u gereed doen houden.

—Daarvoor ben ik u zeer verplicht, caballero, maar de bezichtiging van
uwe koopwaren is, naar ik hoop, slechts tijdelijk uitgesteld en zal dus
later geschieden. Gaat ge met ons meê?

—Zoo gij mij dit veroorlooft, ja, señor Gouverneur.

—Ge zult mij daarmeê zelfs genoegen doen. Kom, Juana, kindlief, wij
hebben ons hier reeds te lang opgehouden.

—Maar zijn die tijdingen dan werkelijk zoo gewichtig?—herhaalde zij,
daar zij angstig begon te worden.

—Zoo al niet ernstig dan toch dringend genoeg, en daarom moet ge u wat
haasten.

Men ging van boord, en enkele minuten later stapten zij aan de kade uit
de boot, en bevonden zich weldra te midden van eene talrijke
luidruchtige, vroolijke en drukke menigte. Don Fernando’s gelaat
betrok; die onbezorgde opgewondenheid deed hem pijnlijk aan, hij gaf
een wenk aan een officier die op de havendam een sigaar stond te
rooken, en dadelijk naar hem toekwam; hij fluisterde hem iets in het
oor, zeker een order die door anderen niet verstaan behoefde te worden.
De officier verwijderde zich haastig, en met versnelden tred; don
Fernando bood daarna zijn arm aan zijne pupil en vergezeld door den
kapitein van la Trinidad ging hij met haar, ook zeer overhaast, naar
zijn woning, waardoor de bij het jonge meisje ontstane angst sterk werd
vermeerderd. Op het plein van zijne woning nam de Gouverneur afscheid
van donna Juana, kuste haar op het voorhoofd, en toen hij gezien had
dat zij verdwenen was in dat gedeelte van het huis waar hare kamers
waren, wendde hij zich tot den kapitein en zei:—Kom meê.

—Waar gaan wij heen?

—Naar de cabildo.

De kapitein keek verbaasd op en vroeg:—Wat is er toch gaande,
Excellentie?

—Ik heb een zeer noodlottig bericht ontvangen,—luidde het meer
gefluisterd dan gesproken antwoord.—Ga mee, ge zult alles maar al te
vroeg vernemen.

In Spanje en in de Spaansche koloniën geeft men den naam van cabildo
aan het stadhuis, dat wil zeggen aan den zetel van de regeering.

Toen don Fernando vergezeld door den Gouverneur dáár aankwam, waren de
officieren van het garnizoen en de notabelen der stad er reeds
vereenigd in de zaal waar de beraadslagingen werden gehouden. Zij
stonden, in groepjes bijeen, met elkaar te praten over en te gissen
naar de redenen tot zulk eene buitengewone oproeping. Met ernstig
gelaat en zwaren stap trad de Gouverneur binnen en nam plaats op den
zetel voor hem bestemd op eene estrade achter in de zaal.

—Señores en caballeros,—dus begon hij,—weest zoo goed mij uw volle
aandacht te schenken, want nog geen uur geleden heb ik berichten
ontvangen, die ik mij verplicht acht u onmiddellijk mede te deelen.

De officieren en notabelen haasten zich de plaatsen in te nemen, die
hen volgens het ceremonieel toekwamen. Nadat ieder gezeten en de stilte
hersteld was, stond de Gouverneur op, vouwde den brief open die hem
door schipper Aguirre aan boord van la Trinidad was ter hand gesteld en
zei:

—Señores, gelieft mij aandachtig aan te hooren, want vive Dios! het is
eene zaak die u allen betreft.

Zoo mogelijk werd het nog stiller, en de nieuwsgierigheid nog meer
gaande gemaakt. De Gouverneur wierp een blik over de aanwezigen en
begon de depêche voor te lezen:


    „Aan den Señor kolonel don Fernando d’Avila, Gouverneur namens
    Zijne Katholieke Majesteit, over de provincie Venezuela, Maracaïbo
    en andere plaatsen.

    „Señor Kolonel!

    „Wij vernemen uit zekere en betrouwbare bron dat de Fransche en
    Engelsche ladrones, die den naam van flibustiers hebben aangenomen,
    in strijd met het volkenrecht, de bezworen trouw, en den thans
    tusschen de drie koninkrijken bestaanden vrede, op dit oogenblik
    eene machtige vloot uitrusten bestaande uit twaalf of veertien
    schepen, en bemand met drieduizend bandieten, met het doel, zooals
    dit op hoogen toon door hen verzekerd wordt, de steden der
    provincie, die onder uw gezag staat, te overvallen en te
    plunderen.”


Na de mededeeling van dit bericht, uitten de aanwezigen kreten van
verontwaardiging en schrik, waardoor de Gouverneur genoodzaakt werd de
lezing een oogenblik te staken.

—Luisteren, heeren, luisteren,—voegde hij hun toe met kalme en ferme
stem,—ik ben nog niet aan het eind.

En daarna hernam hij te midden van doodsche stilte en doffe ontroering:


    „Ik acht het onnoodig, señor kolonel, u aan te bevelen de noodige
    maatregelen te nemen die het belang van den dienst des Konings
    vereischen. Ik ben te zeer overtuigd van uw erkende dapperheid, en
    uwe groote ervaring om u de handelingen voor te schrijven die onder
    deze omstandigheden door u moeten worden verricht. Slechts heb ik u
    te verwittigen dat zoo gij u enkele dagen staande en die ladrones
    in bedwang kunt houden, gij er op rekenen kunt dat u uit Vera-Cruz
    zulke aanzienlijke hulp en versterking zal worden toegezonden, dat
    het u, hieraan twijfel ik niet, gelukken zal die bandieten-horde te
    vernietigen, die nu van plan is u aan te vallen. Wanhoop dus niet,
    señor kolonel, en verdedig ook thans even dapper de Castiliaansche
    eer, als dit reeds zoo herhaaldelijk door u is gedaan! Leve de
    Koning!

    „Hiermede, señor kolonel, bid ik God, dat Hij u in Zijne heilige
    hoede neme!

    „De Onder-Koning van Nieuw-Spanje:
    Hertog de Penaflor,

    „Caballero cubierto, Grande van Spanje der eerste klasse, enz.
    enz.”


Die brief bevatte nog enkele regels tot naschrift, maar don Fernando
achtte het raadzaam daarvan de voorlezing achterwege te laten. De
inhoud van dit naschrift was als volgt:


    „Nog moet ik u verwittigen, señor kolonel, dat de ladrones worden
    aangevoerd door de beruchtste schelmen van hunne verfoeielijke
    vereeniging, en dat de twee voornaamste bevelhebbers zijn Montbars
    de Verdelger en de Engelschman Morgan, een paar ellendelingen, die,
    zooals ieder weet, nooit genade aan de overwonnenen schenken,
    zoodat dit eene aansporing te meer is om u liever te laten dooden,
    dan u over te geven.”


Don Fernando hield de inhoud van dit naschrift voor zich alléén, want
zoo hij ook daarvan aan de vergadering mededeeling had gedaan, dan zou
de reeds wankelende moed zeker totaal vernietigd zijn geworden, daar
vooral de naam van Montbars een onoverkomelijke vrees bij velen teweeg
bracht. Na de lezing van den brief van den Onder-Koning heerschte er
gedurende eenige minuten zulk een verward en hevig rumoer door
geschreeuw, vervloekingen en verwenschingen, dat het den Gouverneur
ondoenlijk bleef zich te doen verstaan; eindelijk verminderde het
tumult van lieverlede, don Fernando haastte zich daarvan gebruik te
maken en nam toen het woord.

—Thans,—sprak hij op barschen toon,—is het geen oogenblik om te
jammeren of te weeklagen, thans moet gehandeld worden, de tijd dringt
ons. Volgt mijn raad zonder een oogenblik te talmen, en dan sta ik er
voor in, zoo al niet dat de stad behouden zal blijven, dan toch dat gij
in staat zult zijn om uwe gezinnen te redden, en uw vermogen te
behoeden voor de roofzucht dier bandieten.

—Laat hooren, laat hooren! Wat moet er gedaan worden?—schreeuwden allen
te gelijk.

—Luistert liever bedaard in plaats van zoo dolzinnig te
schreeuwen—donderde hij hun toe, en stampte zelf in de uiterste drift
op den vloer.

Ieder zweeg.

—Het is gelukkig voor ons—vervolgde hij,—dat de Spaansche vloot hier op
de reede ligt, en onze haven vol is met schepen van allerlei grootte.
Haast u dus uwe vrouwen en kinderen met uw kostbaarste zaken op deze
schepen te brengen, die zullen naar Gibraltar overvaren. Maracaïbo kan
geen beleg doorstaan en het is dus beter deze stad te verlaten. Wij
moeten die door de bandieten laten bezetten zonder wederstand te bieden
en terwijl die schelmen dan hier hun tijd zullen verspillen door te
plunderen en te verbrassen het weinige wat wij hier achter hebben
gelaten, moeten wij werken, werken met man en macht om de versterkingen
van Gibraltar, die toch reeds zeer beduidend zijn, nog te vermeerderen
en krachtiger te bevestigen. Als de bandieten het durven wagen ons ook
dáár aan te vallen, dan hebben wij groote kans, dit acht ik genoegzaam
zeker, om hen zóó toe te takelen, dat zij voor langen tijd er genoeg
van zullen hebben weer eene nieuwe expeditie naar deze streken uit te
zenden. En vergeet daarbij niet, dat de Onder-Koning aan ons spoedige
hulp heeft toegezegd, het is dus zeer waarschijnlijk dat die bandieten
weinig lust zullen gevoelen ons in dien schuilhoek aan te vallen. Geeft
dus met den meesten spoed van dit alles kennis aan uwe medeburgers en
zorgt nu goed dat zij dadelijk alles in gereedheid brengen voor hun
vertrek. Allen die morgen bij zonsopgang nog te Maracaïbo zijn achter
gebleven, zullen dáár blijven. Ik vertrouw dat gij mij begrepen hebt,
gaat dus heen. U, Señores officieren, verzoek ik hier te blijven.

Haastig en in verwarring snelden de burgers naar de deuren en in een
oogwenk was de zaal door hen ontruimd. Bijna dadelijk daarna hoorde men
buiten klagen en gejammer en daarin mengden zich spoedig de sombere
toonen van den alarmklok die in alle kerken geluid werd.

Zoodra de Gouverneur zich overtuigd had, dat al de burgers vertrokken
en alleen de officieren gebleven waren, sprak hij de laatsten
toe:—Caballeros wij hier, wij zijn krijgslieden en zullen ons niet zoo
licht laten ontmoedigen, want wij kennen onzen plicht. Ik hoef u dus
niet uit te noodigen dapper in den dienst des Konings te strijden,
Kolonel don Santiago Tellez!

—Excellentie!—antwoordde de kolonel, die vooruit trad.

—Neem onder uw bevel vijftig flinke manschappen en ga met hen naar de
haven; dáár zult gij een schipper aantreffen, een zekeren Aguirre.
Scheep u met uwe onderhoorigen in op zijn brigantijn, en laat u
overbrengen naar het Houtduifeiland, waar het garnizoen niet meer
bedraagt dan vijfenveertig man. Gij moet het daar zoo noodig, minstens
één dag tegen de ladrones uithouden.

—Excellentie, ik geef er u mijn woord op, dat ik het twee dagen lang
zal verdedigen.

—Goed, des te beter! Vaarwel, kolonel!

—Vaarwel, Exellentie. Gij zult spoedig het bericht van mijn dood
vernemen, doch kunt er staat op maken, dat ik mijn leven duur aan die
bandieten zal verkoopen.

Hij boog en vertrok, voor het uiterlijk zoo kalm alsof hij eene
wandeling ging maken. De Gouverneur versmoorde een zucht en
vervolgde:—Kapitein Ortega, doe vijftig soldaten opzitten en zendt hen
in alle richtingen uit, om de buitenlui te waarschuwen dat de ladrones
in aantocht zijn; u kunt gaan.

Kapitein Ortega ging dadelijk heen.

—En aan u, kolonel don José Ortez,—hernam de Gouverneur,—draag ik het
bevel over het garnizoen over. Trek daarmee af naar Gibraltar; gij laat
hier niet meer achter dan vijftig manschappen, mits geschikte en
gewillige kerels. Naar ik vermoed zult gij mij begrepen hebben.

—Volkomen, Exellentie.

—Nog moet ik u ten sterkste aanbevelen stipt er voor te zorgen dat geen
enkel wapen, en niets van de krijgsbehoeften hier achter blijft, want
het zou te groote dwaasheid zijn als wij de ladrones in staat stelden
daarvan voor hunne kanonnen gebruik te maken.

—Dat zou werkelijk meer dan dwaas zijn, Exellentie. Waar moeten die
soldaten post vatten?

—Hier op de cabildo.

—Goed, en wanneer moet ik vertrekken?

—Met het laatste konvooi inwoners. Vaarwel, kolonel!

—Toch niet, Exellentie, tot weerziens!

—Wie weet?—mompelde de Gouverneur. Ook die kolonel verwijderde zich en
toen bleef de gouverneur slechts over met één persoon, den kapitein van
la Trinidad.

—Hoe nu!—uitte don Fernando, zoodra hij hem gewaar werd.—Zijt ge nog
hier, kapitein?

—Ja, Exellentie, ik was er op gesteld bij u te blijven.

—Doch, houd het mij ten goede dat ik u dit onder het oog breng,
kapitein, dit is waarlijk geheel in strijd met uw eigen belang.

—Exellentie, ik heb iets opgemerkt,—gaf de kapitein te kennen, zonder
bepaald de opmerking van den Gouverneur te beantwoorden.

—En waarin bestaat dit, kapitein?

—Dat gij, sedert wij hier in de zaal zijn, u druk hebt bezig gehouden
met anderen, doch aan u zelven niet schijnt te denken.

—Dat is immers mijn plicht?

—Zeer zeker! Verre zij het dus van mij door die opmerking eene
afkeuring te bedoelen.

—Welnu dan?

—Welnu, dan dunkt mij dat thans uwe beurt gekomen is en daarom juist
ben ik hier gebleven. Door u is last gegeven om naar Gibraltar af te
trekken en zeker hebt gij daarvoor afdoende redenen.

—Zeer gewichtige, en zeer afdoende, kapitein.

—Maar als zoodanig kunt gij niet laten gelden uw voornemen om te
sneuvelen, zonder glorie en zonder eenig voordeel, hier aan het hoofd
van een onnoozel troepje manschappen. Buitendien hebt gij eene pupil,
en uw plicht is het ook voor haar te zorgen.

—Mijne pupil zal de overtocht naar Gibraltar doen aan boord van uw
schip.

—Alleen?

—Met u.

De kapitein schudde het hoofd en zei botweg:—Neen!

—Hoe!—uitte don Fernando hoogst verbaasd;—weigert gij mij dit?

—Niet ik weiger, Excellentie, maar zij zal dit doen.

—Kom, kom, hoe krijgt ge het in het hoofd dit te beweren, kapitein!

—Vraag het haar, en dan zullen wij nader spreken; doch luister even,
Excellentie, en houd dit goed in gedachte. Van daag nog of stellig
dezen nacht zullen al de schepen naar Gibraltar uitzeilen, doch één zal
hier blijven en wel het mijne. Ik heb er een eed op gedaan dat ik u
hier niet achter zal laten.

De Gouverneur bleef een oogenblik in gepeins, toen stak hij hem de hand
toe, en sprak met bewogen stem:—Het zij zoo, kapitein, ik neem uw
aanbod aan, doch ik moet u vooraf waarschuwen dat ik mijn post niet
verlaat dan als de laatste en op het uiterste oogenblik, eerst dan als
voor mij niets anders meer te doen overblijft.

—Vive Dios! Dacht gij dat ik iets anders van u verwachtte?

—Kom nu mee, dan gaan wij naar mijne pupil.

Thans verlieten zij ook op hun beurt de cabildo, en liepen met
haastigen tred naar het verblijf van den Gouverneur.

Het voorkomen van de stad was binnen de laatste twee uren totaal
veranderd; nog steeds waren de straten opgepropt door eene talrijke
menigte, dat is waar, doch nu hoorde men geen gelach meer en geen
gezang, nu zag men geen opgeruimde gezichten; thans werden kreten van
smart gehoord, gesnik en geween, thans was ieders gelaat bleek en
ieders blik beangst, in één woord thans heerschte overal en bij allen
schrik en bezorgdheid, die aan wanhoop grensde. Ingevolge het door den
Gouverneur uitgevaardigde bevel had de verhuizing der bevolking reeds
een aanvang genomen; gevolgd door hunne weenende vrouwen en kinderen,
en beladen met hunne rijkdommen hadden de bewoners hunne huizen
verlaten. Het was een hartverscheurend tooneel. Kwade tijdingen worden
gewoonlijk bliksemsnel verspreid; zoo had dan ook donna Juana reeds
alles vernomen. Toen don Fernando haar kamer binnentrad, zag hij haar,
half liggende op kussens, bleek van gelaat, maar met koel vastbesloten
voorkomen. Na Cigala zat in een hoek der kamer ineengedoken, weenende
en met het gelaat in de handen verborgen. Bij den eersten oogopslag
begreep don Fernando hoe hier de toestand was.—Juana, liefste kind, ge
hebt, naar ik merk, reeds kennis gekregen van het gevaar dat ons boven
het hoofd hangt.

—Helaas, ja, mijnheer,—luidde het droefgeestige antwoord.

—Ge weet dus zeker ook dat wij genoodzaakt zijn voor de overmacht te
wijken, en de stad te ontruimen.

—Ook dat is mij bekend, mijnheer.

—En daarom moet ik je verzoeken, uwe kostbaarheden voor zooverre dit
mogelijk is in te pakken, en dan met mij meê te gaan.

—Gaan wij dan heen?—vroeg zij, en sprong haastig overeind.

—Dat wil zeggen, kindlief, gij gaat heen; ik moet hier nog een poos
blijven, om zoo veel doenlijk te waken en te zorgen voor het belang van
de ongelukkige bevolking.

Zij viel weer op hare kussens neer en zei:—Goed, dan zal ik blijven
wachten.

—Hoe! Wilt ge blijven wachten?

—Wilt ge mij de beleediging aandoen, mijnheer, van één oogenblik te
gelooven, dat ik zonder u zou heen gaan?

—Wees verstandig, Juana, lief goed meisje, het gevaar is zeer dreigend;
ge weet hoeveel ik van u houd, en dan eerst zal ik gerust zijn, wanneer
ik de zekerheid heb dat gij in veiligheid zijt. Kom dus mee, want de
kapitein wacht op u.

—Ik ben den kapitein daarvoor zeer verplicht, doch ik ga niet van hier
dan met u. Neen, mijnheer, schud nu uw hoofd zoo niet, ik heb vast
daartoe besloten. Gij hebt gezegd dat gij zooveel van mij houdt, maar
evenzeer, misschien nog meer, is dat bij mij het geval, want voor mij,
arm verlaten kind zonder ouders of familie, zijt gij alles, en dit
altijd geweest. Ernstig en dringend verzoek ik u dus, er verder niet
meer over te praten, want het zou vergeefsche moeite zijn. Met u zal ik
sterven of met u gered worden.

—Juana, ik smeek het je, zie af van dit besluit, ge brengt mij door uw
voornemen tot wanhoop. Stem in mijn verzoek toe en vertrek.

—Met u, ja, zonder u, neen! Ik ben uw eigen kind niet, dit is waar,
maar ik beschouw mij als uwe dochter, en de plicht eener dochter is,
wat er ook moge gebeuren, te blijven bij haar vader. En dus, ik blijf!

Wat don Fernando ook beproefde, alles was vergeefs, zij volhardde
onwrikbaar bij haar besluit, en er bleef dus niets anders over dan toe
te geven aan haar verlangen. Toen vloog het jonge meisje op, wierp zich
in de armen van don Fernando, en barstte uit in tranen, hem snikkend en
hartstochtelijk haar dank betuigende.

—Denk nu nog eens aan mijn voorgevoel van dezen morgen,—voegde zij er
bij met een weemoedig lachje.—Zegt gij nu nog dat ik een zottinnetje
was?

—Neen, neen,—gaf hij ten antwoord.—Ik was blind, God heeft het u
ingegeven.

Den anderen dag, reeds zeer in de vroegte, was de stad doodsch en
verlaten. In de straten en op de pleinen zag men slechts nu en dan
enkele personen ronddwalen, arme drommels te behoeftig om iets van de
vrijbuiters te duchten te hebben, en die het dus onnoodig hadden geacht
voor hen te vluchten. Don Fernando bleef voortdurend op het stadhuis,
waar de vijftig soldaten geposteerd waren, de eenige die hij bij zich
had willen houden van de achthonderd man waaruit het garnizoen bestond.
Donna Juana had zich met na Cigala begeven aan boord van la Trinidad,
en de kapitein van dit schip had aan het jonge meisje zijn woord
verpand dat hij zonder don Fernando niet zou vertrekken. Al de in het
belang der bevolking beraamde maatregelen waren dus ten uitvoer
gebracht, en de daardoor gerustgestelde Gouverneur wachtte nu
onvervaard de vrijbuiters af, die niet lang op zich zouden laten
wachten.








XX.

HET HOUTDUIFEILAND.


Nadat door Montbars met Morgan de noodige schikkingen waren getroffen
voor den door hem beoogden aanval, nam hij afscheid van hem, doch deed
hem nog uitgeleide naar zijn boot en toen hij zich daarna omkeerde
stond hij vlak tegenover Francoeur.

—Och!—uitte hij.—Ik had waarlijk niet meer gedacht aan donna Clara.

—Gun mij een oogenblik, Admiraal,—sprak de jonge man op zeer
eerbiedigen toon.—Ik heb u iets te verzoeken.

—Spreek,—kreeg hij zeer goedhartig ten antwoord,—is het iets dat van
mij afhangt dan....

—Het hangt geheel en al van u af, Admiraal.

—Dan is het zoo goed als toegestaan, en hebt ge mij slechts te zeggen
waarin dat verzoek bestaat.

—Admiraal, gij hebt mij benoemd tot uw vlagofficier, niet waar?

—Dat is zoo, maar die benoeming is slechts tijdelijk geschied, in
afwachting van de eerste de beste gelegenheid om je een kommando op te
dragen.

—Houd het mij ten goede, Admiraal, doch ik zou er de voorkeur aan geven
dat gij mij het kommando dat ge mij wel hebt willen toevertrouwen
ontnaamt en mij de post van vlagofficier weder bij u liet bekleeden.

Montbars keek hem scherp aan en vroeg:—Welke reden drijft je tot dit
verzoek?

—Mijn verlangen, Admiraal, om bij u te zijn in de ure des gevaars, in
de hoop dat ik u in de hitte van den strijd eenigszins van dienst zal
kunnen zijn.

Die woorden klonken zoo oprecht, en het gelaat van den jongen man was
daarmee zoo geheel in overeenstemming dat Montbars er door werd
getroffen.

—Goed,—sprak de Admiraal en bood hem de hand,—keer terug naar den
Tijger en zeg aan uw eersten officier dat gij aan hem het gezag
overdraagt. Kom dan hier terug, de betrekking van vlagofficier is
steeds onbezet gebleven en kan dan weer door u worden vervuld.

—O! Admiraal, daarvoor betuig ik u mijn oprechten dank,—verzekerde
Francoeur in vervoering.

—Luister nog even,—vervolgde Montbars,—breng dan tegelijk de koffers en
kisten van donna Clara mee, ook zij behoort hier aan boord te komen,
want niet al onze makkers munten altijd uit in hoffelijkheid, en op dit
punt stel ik niet genoeg vertrouwen in uw opvolger, Alexandre IJzerarm,
om haar met gerustheid dáár aan boord te laten.

Hij wenkte den jongen man vriendschappelijk toe en stapte daarop naar
de kajuit waar donna Clara hem wachtte.

—Mevrouw, duid het mij, dit verzoek ik u dringend, niet ten kwade, dat
ik u zoolang heb moeten laten wachten; had het van mij afgehangen, dan
zou dit waarlijk niet zijn geschied.—Inmiddels had hij een zetel
genomen en zich vlak tegenover haar geplaatst.

—Daarvan houd ik mij overtuigd, doch ik heb tijd te over.

—Te eer,—hernam Montbars,—daar ik u kom verwittigen dat gij niet meer
naar den Tijger behoeft terug te keeren. Francoeur heeft afstand gedaan
van het kommando over dien bodem, om, volgens zijne begeerte, weer de
betrekking in te nemen die hij vroeger bij mij bekleedde. En nu heb ik
gemeend, mevrouw, dat het voor u passender was om hier bij mij aan
boord te blijven, dan te verkeeren op een schip waar gij niemand kent,
en u dus zeer eenzaam en afgezonderd zoudt bevinden.

—Ik ben u zeer dankbaar voor die oplettendheid, mijnheer,—gaf zij met
ontroering te kennen.

—Het is toch waarlijk iets van zoo weinig beduidenis, mevrouw, dat het
zulk eene dankbetuiging niet verdient, en als u de kajuit waar wij nu
zijn, bevalt, dan verzoek ik u die van nu af als uw bijzonder vertrek
te beschouwen; uw trouwe en vertrouwde Birbomono kan een hut betrekken,
vlak hier naast, zoodat hij ieder oogenblik te uwer beschikking blijft.

—Dat is waarlijk te veel goedheid, mijnheer.

—Toch niet, het is niet meer dan een staaltje van mijn plicht, doch dit
daargelaten. Mag ik u thans verzoeken mij mede te deelen waarmeê ik u
van dienst kan zijn?

—Mijnheer,—sprak zij met bevende stem,—zooals gij weet ben ik eene
Spaansche, en gij, gij beoorloogt mijne landgenooten, nu verzoek ik u,
wees niet altijd zonder eenige genade jegens hen.

Het gelaat van Montbars betrok eenigszins.

—Helaas, mevrouw! Ik durf verklaren dat het mij tot in de ziel grieft,
maar wat gij mij vraagt is juist de eenige zaak waarin ik niet aan uw
verlangen kan voldoen.

—Ach! Hebt gij dan waarlijk nog niet genoeg van dien vreeselijken naam
van Montbars den Verdelger, waarmede uwe vijanden u bestempeld hebben!

—Mevrouw, het is ongelukkig genoeg in dit opzicht maar al te waar dat
ik zelf in deze zaak eigenlijk niets te zeggen heb. De wetten van onze
Vereeniging luiden stellig en bepaald, en ik moet mij daaraan
onderwerpen even goed als al mijne broeders. Bij die wetten is het ons
verboden aan de Spanjaarden genade te verleenen, of hen vrij te laten.

—Maar mijnheer, al uwe vrienden maken toch gevangenen.

—Dan moeten zij het voor zich weten te verantwoorden dat zij de wet
verkrachten, ik voor mij zou dit niet kunnen, om de eenvoudige reden,
dat die wetten door mij zijn gemaakt, en bijgevolg ik dus, meer nog dan
een hunner, gehouden ben daaraan te gehoorzamen.

—Het zij zoo, mijnheer,—zuchtte zij,—dan zal ik niet langer er op
aandringen. Gods wille geschiedde! Vergeet wat ik tot u gezegd heb, en
vergeef mij dat ik het waagde op die manier tot u te spreken.

Montbars stond op, groette zeer beleefd en verliet de kajuit om zich
weer naar het dek te begeven.

—O God!—snikte donna Clara, die haar hoofd in de handen verborg en half
wanhopend op een zetel neerzonk.—O God! Ben ik nog niet zwaar genoeg
gestraft voor eene misdaad waaraan ik onschuldig ben. Groote God! Welke
smarten hebt Gij mij nog toebedacht, te midden van deze onverzoenlijke
menschen!

Zij knielde voor een kruisbeeld door haar gehecht aan den wand van het
schip en bleef verzonken in gebed; zoo ging voor haar de dag voorbij;
toen Birbomono met een licht de kajuit binnentrad vond hij haar
bewusteloos aan den voet van het kruis; hij nam haar op, lag haar in
een hangmat en wendde de hulpmiddelen aan die door haar toestand werden
vereischt. Donna Clara sloeg de oogen weer open, doch bleef zwak en
moedeloos, de wanhoop had haar aangegrepen.

—Arme vrouw!—klaagde de mayordomo, die kort bij haar in de schaduw
bleef zitten om zoo noodig haar verder hulp te bieden.

Den ganschen nacht bleef donna Clara zacht snikken en weenen; eerst
tegen den morgen sliep zij in, overmeesterd door vermoeidheid. Toen
stond Birbomono zeer behoedzaam op, en verliet de kajuit op de teenen
loopend uit vrees dat hij zijne meesteres in haar slaap zou storen.

Kort daarna begon het te dagen, en het oogenblik naderde waarop groote
gebeurtenissen zouden plaats grijpen, want, zooals de lezer zich zal
herinneren was door Montbars gezegd, dat hij besloten had het
Houtduifeiland aan te tasten. Den vorigen avond, tegen zonsondergang,
was door Montbars eene lichte boot bestegen, bemand door twaalf
matrozen, en zoo dicht mogelijk onder de kust gekomen, om, zelf
onzichtbaar door de zware deining, met behulp van een verrekijker op te
nemen wat aan wal voorviel. Hij had verscheidene zware booten bemerkt
tot overladens toe bemand, die met kracht van riemen op het
Houtduifeiland aanhielden; die booten waren langs het strand gaan
liggen en hadden daar hunne passagiers ontscheept. Het gevaar niet
achtende waar aan hij zich blootstelde door nog meer te naderen, het
gevaar van ontdekt en gevangen te worden genomen, had Montbars, die
zich zeer ongerust maakte over die heimelijke ontschepingen, aan zijne
matrozen gelast om zoo dicht mogelijk naar het eiland te roeien.

Het mocht voor hem gelukkig worden geacht dat de zon onder gegaan en
het vrij donker was, nu toch kon hij de verkenning zoo ver uitstrekken
als hij dit noodig oordeelde. Toen bemerkte hij, door middel van een
uitnemenden nachtkijker, dat al de aangebrachte personen, hoogst
waarschijnlijk soldaten, zeer druk bezig waren den grond om te graven,
en daaruit maakte hij op, wat ook werkelijk het geval was, dat hunne
werkzaamheid bestond in het oprichten van verschansingen, die dienen
moesten tot meerdere verdediging van het eiland. Die mannen waren dan
ook de vijftig soldaten, door don Fernando d’Avila, onder bevel van
kolonel don Santiago Tellez afgezonden, ter versterking van het
garnizoen. De vrijbuiter was voldaan over wat hij te weten was gekomen,
achtte het onnoodig nu nog langer daar te vertoeven, en haastte zich te
laten wenden om zijn schip te bereiken, waar hij tegen middernacht
aankwam. Dadelijk daarop werd Francoeur door Montbars naar de andere
schepen gezonden, met last aan de gezagvoerders dat zij bij het
aanbreken van den dag onder zeil moesten zijn, en in een halven cirkel
op het eiland aanhouden, doch het aan het fregat overlaten in de
voorhoede te blijven.

De Admiraal was tot het inzicht gekomen dat de Spanjaarden bekend waren
met zijne aanwezigheid, en wilde hun den tijd niet laten den toegang
tot de golf zoodanig te versterken dat het ondoenlijk zou worden die te
forceeren; daarom besloot hij den aanval in linie te beproeven, en zich
tot iederen prijs meester te maken van het Houtduifeiland, daar van het
bezetten dier stelling, waardoor de ingang van de baai werd beheerscht,
voor hem den goeden uitslag van de expeditie afhing.

Voor de Spanjaarden was het in waarheid een grootsch maar tevens
geducht schouwspel, een vloot van vijftien schepen die bij het
aanbreken van den dag als uit de golven scheen op te rijzen, naar de
golf van Maracaïbo te zien koers houden; doch de in het fort
geposteerde soldaten, waren allen kernachtige kerels aangevoerd door
ervaren officieren; en ieder hunner was evenzeer bereid om het leven op
te offeren. Met woede en toorn, maar ook met een gevoel van trots zelfs
eenigermate van voldoening, zagen zij hun geduchte vijanden hunne
versterkingen naderen, die vijanden voor wie zij zoo dikwerf het
onderspit hadden moeten delven, en zij brandden van verlangen om eene
schitterende weerwraak te nemen.

Toen de schepen op slechts enkele kabellengten van het eiland
verwijderd waren, wendden zij, op een sein van het Admiraalsschip hunne
zijden daarnaar toe en bleven stil liggen. Een vuurpijl die uit den
wachttoren was afgestoken, diende tot waarschuwing aan het Spaansche
garnizoen dat de vloot der vrijbuiters zich gereed maakte het kanaal
van de golf te passeeren; de kanonniers werden dus met brandende lont
bij hunne stukken geplaatst om op het eerste sein den doortocht die
volkomen door het fort werd beheerscht, onder vuur te nemen. Er verliep
een vrij langen tijd waarin, naar het scheen, niets door de vrijbuiters
werd uitgericht. De Spanjaarden begrepen niets van eene dergelijke
werkeloosheid en wisten niet waaraan die moest worden toegeschreven,
doch op eens bemerkten zij dat van het fregat een boot werd afgezonden
die, voorzien van een parlementaire vlag, met kracht van riemen op het
eiland aanhield.

—Wat moet dat beteekenen?—werd door den vroegeren kommandant aan den
kolonel gevraagd.

—Niet anders,—luidde het antwoord—dan dat die lieden dáár
waarschijnlijk iets hebben voor te stellen.

—Zouden wij er over denken om met zulke ellendelingen te
onderhandelen!—viel de officier woedend uit.—Dat zou eene schande van
ons zijn! Ik ga dadelijk order geven die vervloekte boot in den grond
te boren.

En reeds stond hij gereed om naar de dichtst bijzijnde batterij te
gaan, doch haastig hield de kolonel hem tegen en zei:

—Doe dit vooral niet! Ik heb order ontvangen om het hier zoo lang
mogelijk uit te houden, en dus is het zaak om hun tijd te doen
verliezen, daardoor zal aan dit bevel veel beter voldaan worden.

—Neem u dan het gezag over, kolonel—gaf de ander verstoord ten
antwoord,—want vive Dios! ik bedank er voor om met die bandieten
praatjes te gaan houden.

—Goed,—uitte de kolonel,—ik neem de verantwoordelijkheid op mij.
Waarlijk, het is nu het geschikte oogenblik niet om zich al te trotsch,
en evenmin om zich licht geraakt te toonen. De hoofdzaak is nu, de stad
te redden; laat mij dus mijn gang gaan.

—Doe zooals u goeddunkt, kolonel! Gij zijt buitendien ouder in rang dan
ik, derhalve moet ik gehoorzamen.

De kolonel liet dadelijk op het fort een parlementaire vlag hijschen en
tegelijkertijd gaf hij last een boot te bemannen. Toen de boot van de
vrijbuiters op den afstand van een geweerschot bij het fort was
gekomen, bleef die stil liggen en haalden de roeiers de riemen in. De
kolonel was reeds in de boot gestapt, die hij had laten gereed maken,
en zoodra hij bemerkte dat de vrijbuiters niet verder kwamen, liet hij
op hen aanroeien. De beide booten waren weldra niet verder dan een
pistoolschot van elkaar. Montbars, die zich persoonlijk in de boot der
vrijbuiters bevond, stond op, nam zijn hoed af en sprak:

—Heb de goedheid, señor, langs zij aan te leggen. Ik geef mijn woord
tot pand, dat gij van onze zijde noch bedrog noch verraad te wachten
hebt.

—Wie of wat is mij daarvoor een waarborg?—vroeg de kolonel.—Ik ben de
Gouverneur van het fort.

—En ik de Admiraal van de vloot,—antwoordde Montbars.—Ten overvloede
ziet gij dat hier in mijn boot niet meer zijn dan vier ongewapende
matrozen, terwijl gij vergezeld zijt door twintig goed gewapende
manschappen. Wij zouden dus veeleer reden hebben voor u bevreesd te
zijn.

—Gij hebt gelijk,—erkende de kolonel en gelastte den bootsman:—Ga langs
zij liggen.

De twee booten kwamen boord aan boord. Montbars greep den rand van het
grootere vaartuig om het tegen te houden, en wipte met vluggen sprong
er over heen, om dadelijk naast den kolonel plaats te nemen. Werkelijk
was de flibustier ongewapend.

—Gij ziet, caballero, dat ik u voorga met een blijk van vertrouwen.

—Señor,—antwoordde de kolonel op waardigen toon.—Gij zijt thans onder
de hoede van de Castiliaansche eer.—Montbars beantwoordde dit met eene
hoffelijke buiging.

—Door u wordt eene bijeenkomst verlangd, señor,—vervolgde de
kolonel.—Mag ik u verzoeken mij daarvan verklaring te geven.

—Voor die verklaring, caballero, zijn een paar woorden voldoende. Ik
verlang eenvoudig van u de overgave van het fort.

De kolonel begon te lachen en zei:—Op mijn woord dat klinkt kort en
bondig, en gij valt met de deur in het huis, zooals men wel eens zegt.

—Dat is mijne gewoonte, caballero. Mag ik u nu op mijn beurt verzoeken,
daarop te antwoorden.

—Señor, ik zal uw voorbeeld volgen en heb voor dat antwoord slechts één
woord noodig: Nooit!

—Dan moet ik u onder het oog brengen, mijnheer, dat het nestige fortje
waarover gij het bevel voert, geen weerstand kan bieden aan de geduchte
overmacht waarmee het zal worden aangevallen.

—Dat is iets, mijnheer, wat alléén mij aangaat. Dat nestige fortje,
zooals gij het gelieft te noemen, is aan mij toevertrouwd. Zoo ik er
niet in slaag om het te behouden, dan zal ik bij de verdediging
sneuvelen, zóó als het een krijgsman past.

—En waarlijk, señor, dat zal een roemrijke dood zijn, doch... geheel
nutteloos.

—Dat blijft de vraag, señor. Daarbij gij zijt niet bekend met den staat
onzer middelen tot verdediging.

—Toch wel, minstens even goed als gij zelf. Denk nog eens aan graaf de
l’Atalaya en zie mij nu goed aan,—en na die woorden nam hij zijn hoed
af en streek te gelijk zijn haar naar achter.

—Hoe is het mogelijk!—liet de verbaasde kolonel zich ontvallen.

—Dat was ik, mijnheer, ik! Brengt die ontdekking geen wijziging in uwe
plannen?

—Volstrekt niet, señor! Mijn besluit blijft even vast.

—Luister nu kalm en bedaard,—voegde Montbars hem toe op verzoenenden
toon.—Gij zijt een dapper man, maar waarom laat gij u drijven door
overdreven trots en valsch eergevoel om het onder uw bevelen geplaatste
garnizoen nutteloos op te offeren? Ik geef er u mijn woord op, dat ik u
in staat zal stellen eervol te capituleeren.

—Ik heb u reeds gezegd, dat mijn besluit vast en onveranderlijk blijft.

—Is dat uw laatste woord?

—Het laatste,—werd kortaf door den kolonel geantwoord.

—Dat dan uw noodlot vervuld worde, doch gij zijt verantwoordelijk voor
al het bloed dat vergoten zal worden!

—Daarover laat ik met gerustheid het oordeel aan God! Ik vertrouw op
Zijn almacht en goedheid!

—Dat Hij u dan ter hulp kome, want dat is de eenige uitkomst die u
overblijft. Vaarwel, señor! Binnen een kwartier laat ik met de
vijandelijkheden een aanvang maken.

—Wij zullen trachten, señor, u warm te ontvangen.

De beide heeren groetten elkaar beleefd. Montbars stapte weer in zijn
boot, die terstond afstak en naar het fregat werd geroeid, terwijl de
kolonel haast deed maken om zoo spoedig mogelijk aan wal te komen.

—Welnu?—vroeg de Gouverneur toen de kolonel op het fort was gekomen. De
kolonel trok zijn degen en zei:

—Heeren, maakt u gereed voor het gevecht en vergeet niet dat wij te
doen krijgen met mannen die nooit kwartier geven.

Iedereen spoedde zich naar zijn post, vast besloten niet te kort te
schieten in de vervulling van zijn plicht. Wij moeten hier nog even
opmerken, dat de laatste handeling van Montbars, een handeling die
geheel en al in strijd was met de gewoonten van den vermaarden
vrijbuiter, alleen het gevolg was van de dringende bede van donna
Clara; toch moeten wij er als in één adem bijvoegen, dat hij, toen hij
zijn toestemming daartoe gaf, wellicht een geheim voorgevoel had dat
daarvan toch niet het minste resultaat te verwachten was.

Nauwelijks was de Admiraal aan boord terug, of er werden met de vloot
verscheidene signalen gewisseld en zeer kort daarna kon men gewaar
worden dat tal van zwaar bemande booten de schepen verlieten, en zich
langzaam naar wal richtten. Dat eskadertje bestond uit vijfentwintig
barkassen, bemand met ongeveer vijfhonderd man en was bestemd om eene
landing te beproeven. Montbars, Morgan en de voornaamste gezagvoerders,
voerden het aan. De Spanjaarden lieten de booten tot onder geweerschot
naderen. Plotseling schoten de kanonniers hunne stukken af, en het
eskader werd begroet met een hagelbui van kruit. De vrijbuiters
beantwoordden dit vuur niet; rustig roeiden zij voort, onder het zingen
van een statig lied wat altijd hunne gewoonte was, en zonder zich in
het minst te bemoeien met hunne makkers, die door een schot mochten
getroffen zijn. Ten tweede male werden de stukken gelost en
onmiddellijk volgde daarop het derde vuur.

—Voorwaarts!—bulderde toen Montbars, trok den degen en sprong in zee.

—Voorwaarts! Voorwaarts!—herhaalden de vrijbuiters die ook uit de
barkassen sprongen, en hem volgden, zonder er over te denken of zij
dicht genoeg bij den wal waren om grond te voelen. De Spanjaarden
verdubbelden hun vuur; de avonturiers bereikten het strand, en ijlden
naar de palissaden die, met aarde bedekt, den vijand als voorposten
dienden. De vervoering van de aanvallers was onwederstaanbaar; de
palissaden werden in één oogwenk uit den grond gerukt of verbroken; de
Spanjaarden overhoop geworpen en vertrapt of gewurgd; de vluchtenden,
met het zwaard in de hand, achterna gezeten en op zulk een korten
afstand vervolgd dat Franschen en Spanjaarden te gelijker tijd het fort
binnen stormden. De vrijbuiters wierpen zich onmiddellijk op de
kanonniers, doodden hen bij hunne stukken, zonder hen tijd te laten die
nog eens af te vuren, en keerden de mond der kanonnen terstond naar de
vluchtende soldaten, die nu door het schroot als weggemaaid werden.

De vrijbuiters hadden het Houtduifeiland bemachtigd, en de toegang tot
het meer was dus nu vrij. Naar de vloot werd dadelijk het verkregen
resultaat overgeseind, terstond werden de zeilen gesteld en zette men
koers naar het meer om zoo dicht mogelijk onder de stad te komen. Aan
slechts enkele soldaten gelukte het te ontkomen, al de overigen werden
zonder genade gedood. De vrijbuiters vonden in het fort veertien
kanonnen van zwaar kaliber, wapens, kruit en eene aanzienlijke
hoeveelheid levensmiddelen van allerlei aard.

Door de bemachtiging van het fort was het goede succes van de expeditie
verzekerd, de val van de overige steden aan het meer moest
onvermijdelijk volgen, en het was alleen de vraag of dit na korten of
langeren tijd zou geschieden.

Zooals de kolonel aan don Fernando d’Avila had beloofd, had hij zich
zoolang mogelijk staande gehouden, doch was na dapperen strijd aan de
spits van het garnizoen gesneuveld. Die dood mocht roemrijk genoemd
worden, doch bleef bijna volslagen nutteloos, want het fort was binnen
een uur tijds overmeesterd.








XXI.

MARACAÏBO.


Door de bemachtiging van het Houtduifeiland lag de weg naar Maracaïbo
voor de vrijbuiters open; door één en denzelfden slag waren zij meester
geworden van het meer en in staat om met alle kans op goeden uitslag de
overige steden langs de kust aan te vallen. Het succes van de expeditie
kon dus genoegzaam zeker worden geacht; echter bleef de zee nog open.
Het zou dus mogelijk zijn dat de Spanjaarden van daar met aanzienlijke
macht opdaagden, den ingang van het meer versperden, zich krachtdadig
nestelden op het Houtduifeiland, den terugtocht van de vrijbuiters
afsloten, en hen zoo doende als in een muizenval opgesloten hielden.
Zooveel doenlijk moest tegen eene dergelijke gebeurlijkheid gewaakt
worden.

Montbars riep een krijgsraad bijeen waaraan hij kort en zakelijk den
toestand uiteenzette. Nog half bedwelmd door de behaalde overwinning
lieten de Broeders der Kust hem vrij om naar eigen inzicht de
maatregelen te nemen die hij in het belang van aller veiligheid
noodzakelijk achtte. De beroemde flibustier sterk door het in hem
gestelde vertrouwen en geleid door den omzichtigheid en misschien ook
wel gedreven door zekere geheime plannen die reeds lang bij hem
bestonden en welker verwezenlijking hem ongetwijfeld meer ter harte
gingen dan de schatten waarop zijn kameraden uitsluitend het oog hadden
gericht, toonde zich onder deze omstandigheden wederom geheel berekend
voor de taak die hem werd toevertrouwd. Vreezende dat door te groote
overhaasting de gunstige kansen van de expeditie gevaar liepen in de
waagschaal te worden gesteld, hield Montbars zich dus in de eerste
plaats bezig te zorgen voor een veiligen aftocht ingeval men daartoe
werd genoodzaakt. Eer dus tot eenige verdere operatie over te gaan,
liet hij met man en macht de versterkingen op het Houtduifeiland
vernielen, en het fort met den grond gelijk maken, terwijl de kanonnen
daarvan werden vernageld, daar men tijd noch middelen had ze mede te
voeren. Hoe grooten spoed ook met die werkzaamheden werd gemaakt, toch
vereischten die heel wat tijd; zoodat eerst drie dagen na de inname van
het fort de vloot gereed was om op Maracaïbo aan te houden. Groot was
de verbazing der vrijbuiters toen zij, na in de haven voor anker te
zijn gekomen, gewaar werden dat de stad totaal verlaten was.

Montbars en zijne kameraden begaven zich dadelijk aan wal, en bezochten
de aanzienlijkste huizen; doch de Admiraal vermoedde een krijgslist, en
zette dus posten uit op de Plaza Mayor, in de Kathedraal, en zelfs op
de straten die naar het vrije veld voerden. Zoodra die onvermijdelijke
voorzorgsmaatregelen genomen waren, werd overgegaan tot eene geregelde
plundering en aan de vrijbuiters volle vrijheid verleend bot te vieren
aan hunne opgewondene vroolijkheid, wat natuurlijk gepaard ging met
allerlei losbandigheid.

De admiraal vestigde zich in het huis dat hij bij zijn vroeger verblijf
had bewoond; een van de vertrekken werd ingericht tot uitsluitend
gebruik voor donna Clara. Sedert de vrijbuiters zich van Maracaïbo
hadden meester gemaakt, had donna Clara zich gewijd aan de verpleging
der gewonden; door hare goede zorgen was de cabildo herschapen in een
hospitaal; de bij de bemachtiging van het Houtduifeiland gewonden waren
dáár ingebracht, en dank zij hare uitnemende verzorging waren
verscheidene hunner reeds op weg van herstel. Donna Clara liet zich bij
die heilige roeping helpen door eenige arme vrouwen, die na het vertrek
van de inwoners in de stad waren gebleven, en zich nu op deze manier
tamelijk veilig konden achten, ook door toedoen van donna Clara. Het
grootste gedeelte van den dag en meermalen ook van den nacht bleef die
edele vrouw in het hospitaal te midden der zieken en gewonden, die zij
troostte en bemoedigde met zachte toespraak en innemende woorden, die
alleen de vrouw ten dienste staan, omdat die bij haar als uit het hart
wellen.

In den eersten tijd werd donna Clara bijna door iederen flibustier met
leede oogen aangezien; zij konden het niet verkroppen dat zij, en zij
alléén op de vloot aanwezig mocht zijn, haar aanwezigheid werd slechts
geduld, maar van lieverlede was hunne opinie over haar gewijzigd
geworden, en, zooals dit gewoonlijk het geval is bij menschen met een
hevig karakter, nu waren zij plotseling van het eene uiterste tot het
andere vervallen; de haat en de nijd jegens hunne weldoenster hadden
plaats gemaakt voor oprechte toegenegenheid, grooten eerbied en eene
onbegrensde toewijding; de wilde dieren waren veranderd in zachtmoedige
lammeren; één wenk, één enkele blik van donna Clara deed wonderen.
Diezelfde mannen vereerden haar nu als een heilige, en wee hem die het
durfde wagen (niet om haar te beleedigen, want zulk een voornemen kon
niemand hunner in de gedachte komen) tegen haar de minste lompheid te
begaan.

Zelfs Montbars kwam meer en meer onder den invloed die haar meegaand,
zacht, edel gemoed op zijn weerbarstig karakter oefende, en verre van
zich te verzetten tegen de algemeene vereering volgde hij en plooide
zich met geheim genoegen naar de bekoring die zij om zich verspreidde.

Doch in één opzicht bleef hij onverzettelijk en ontoegankelijk; noch
tranen noch smeekingen vermochten iets daartegen; het was als donna
Clara eene poging deed uit de diepste diepte van zijn gemoed iets op te
delven omtrent zijne wraakzuchtige plannen; alleen dan bleef hij
onverbiddelijk, want ieder ander verzoek werd dadelijk toegestaan, een
glimlach was daartoe reeds voldoende, en dikwerf voorkwam hij de
begeerten van donna Clara, door uit eigen beweging de strengheid te
verzachten die jegens de rampzalige Spaansche gevangenen werd
uitgeoefend.

Wat de verhouding van Francoeur tot de vrijbuiters betrof, die mocht in
waarheid vreemd genoemd worden; zijne gansche opleiding had gestrekt om
hem met haat tegen hen te bezielen en ondanks al zijne pogingen kon hij
er niet in slagen hen te beschouwen als zijne kameraden, terwijl toch
meermalen bij hem de vraag oprees of hij tot de wraak, die hij thans op
de Spanjaarden wilde uitoefenen, wel gerechtigd was, en of het billijk
mocht genoemd worden al zijne landgenooten aansprakelijk te stellen
voor al het onrecht dat één hunner jegens hem had bedreven.

Montbars sloeg al die verschillende gemoedsbewegingen van den jongen
man, die op diens gelaat zich duidelijk afspiegelden, oplettend gade;
maar hij bleef zwijgen, hij moedigde hem evenmin in het eene opzicht
aan, als hij in het andere iets afkeurde, ook omdat hij voor zich zelf
niet eens wist welk gevoel hem voor Francoeur bezielde, en onzeker
bleef, ondanks al de vermoedens van don Sancho en donna Clara, of hij
in hem den lang verloren zoon had weergevonden; vandaar dan ook dat hij
hoewel schijnbaar onverschillig met zenuwachtigen angst de
gebeurtenissen tegemoet zag die wellicht eenmaal de waarheid aan het
licht zouden brengen van eene zaak die voor hem van zooveel gewicht
was. Één man was slechts bekend met het geheim waarvan voor de toekomst
het geluk of het ongeluk van Montbars afhing, en die man was de hertog
de Penaflor. Doch bestond er een middel om dien onverbiddelijken man te
noodzaken dat geheim op te helderen? Toch wanhoopte hij niet; hij
verbeidde den uitslag van zekere berekeningen, die, naar hij meende,
niet anders dan gunstig konden uitvallen.

Maar van al de vrijbuiters gevoelde Philippe d’Ogeron zich
ontegenzeglijk het ongelukkigste. Terwijl al zijne kameraden vol vreugd
over den behaalden triomf, al de doorgestane moeiten en gevaren
vergaten, en bot vierden aan hun lust tot brasserij en balddadigheden,
scheen hij als aan wanhoop ten prooi.

De expeditie, zoo uitstekend uitgerust, zoo beleidvol bestuurd, was een
plan alléén van hem afkomstig; dat gewaagde stoutmoedige plan, waarvoor
in het begin zelfs de dapperste zijner kameraden terug hadden gedeinsd,
was in zijn brein opgekomen, met één enkel doel; aan dat doel, de
vereeniging met haar die hij beminde, had hij alles opgeofferd, en dat
zoo vurig en reeds zoo lang begeerde doel, die met zooveel hartstocht
gekoesterde hoop, ontsnapte hem, juist op het oogenblik dat hij meende
het bereikt te hebben. Zoodra zijn schip binnen het gezicht van de stad
was gekomen, had hij, volgens afspraak, de bepaalde vlag geheschen en
met kloppend hart getuurd naar al de vensters der huizen die op de
haven uitkwamen, doch te vergeefs; geen enkel sein had het zijne
beantwoord, alles bleef dáár stil, doodsch en somber. Nauwelijks aan
wal, was hij, half ziek door smart en vrees, geijld naar het huis van
donna Juana, maar dat huis was verlaten, donna Juana was verdwenen en
geen spoor te ontdekken van de plaats waarheen zij zich mocht begeven
hebben.

Toen had hij met het geduld en het onwrikbaar vertrouwen van een echt
verliefd jong mensch de gansche stad doorkruist en afgeloopen, was alle
huizen binnengedrongen, had alle deuren geopend, en kon ondanks die
vergeefsche pogingen zijn ongeluk niet als waarheid aannemen, ieder
oogenblik niet anders verwachtende dan dat zij die hij liefhad
plotseling vóór hem zou staan, hoewel hij zeer goed wist, dat de stad
door al de inwoners was verlaten, en hij had moeten begrijpen dat donna
Juana bij zoo een algemeene vlucht niet achter zou gebleven zijn. Toen
hij eindelijk tot de overtuiging gekomen was van de werkelijkheid, toen
er voor hem geen twijfel meer overbleef dat ook de innig geliefde de
stad had verlaten, sloot hij zich uren achtereen in een kamer op en
toonde zich zoo, als volslagen, vernietigd, dat zelfs de ridder de
Grammont, hoewel zijn medeminnaar, medelijden gevoelde bij de uiting
van zulk een diepe smart, en beproefde, hoewel te vergeefs, hem
eenigermate te vertroosten of af te leiden.

Eindelijk verdween die inzinking om plaats te maken voor een aanval van
even overdreven verbittering. Half woedend liep hij naar Montbars om
hem te betuigen dat het verlaten van de stad door de Spanjaarden niet
anders kon zijn dan een krijgslist waarom hij zich aanbood met eenige
manschappen de omliggende bosschen te gaan doorzoeken.

—Best mijn vriend, doe zoo,—zei Montbars met een veelbeteekenenden
glimlach;—die raad is goed, te meer daar die door jou gegeven wordt.
Doe het dus zoodra ge dit goedvindt, al ware het van daag, en als onder
de lieden, die gij zeker vinden zult, misschien ook vrouwen mochten
zijn in wie ge belang stelt, dan zal ik het zóó weten te schikken dat
die vrouwen aan jou worden toebedeeld, en aan geen ander.

—Daarvoor zeg ik je dank, en reken op uwe belofte die ik je te
gelegener tijd en plaats zal herinneren.

—Vriendlief, dat zal geheel onnoodig wezen. Ga nu.

Philippe liet zich dit niet ten tweeden male zeggen, want hij verlangde
te zeer er naar om met die menschenjacht te beginnen. Hij bracht een
zestigtal vrijbuiters bij elkaar en vertrok met hen naar de bosschen.
Den eigen avond kwam hij te Maracaïbo terug en bracht tachtig
gevangenen mee, meer dan vijftig muildieren beladen met buit en
buitendien nog een som gelds ter waarde van meer dan vijftig duizend
gulden.

—Bravo!—uitte Montbars, nadat hem rapport was gedaan over dezen
tocht.—Dat is een mooi begin. Die proef moet herhaald worden!

— Morgen,—luidde het antwoord.

Werkelijk vertrok hij den anderen morgen weer. De andere vrijbuiters
kregen ook wel zin met hem mee te gaan, te eer daar de plundering van
de huizen en kerken vrij wat minder had opgeleverd dan men had
verwacht, iets wat zeer gemakkelijk is te begrijpen, daar de inwoners
tijd te over hadden gehad om hun geld en hunne kostbaarheden in
veiligheid te brengen, en daarvan behoorlijk gebruik hadden gemaakt.
Die jacht hield eenige dagen achtereen aan, nu eens met wat meer dan
weder met minder goed gevolg, doch toch altijd voldoende in zooverre
het betreft het behalen van buit; de vrijbuiters waren dus zeer in hun
schik; doch Philippe werd hoe langer hoe mistroostiger; al zijne
metgezellen begrepen niets van zulk eene vreemde houding, en er waren
er onder hen die niet anders meenden dan dat hij op het punt stond van
gek te worden. Op zekeren avond nadat hij aan Montbars had medegedeeld,
met een gelaat somberder dan ooit, dat hij honderd muildieren had
meegebracht beladen met buit en goud ter waarde van meer dan honderd
duizend gulden, zei de bevelhebber tegen hem:

—Beste vriend, ge hebt er niet goed slag van dat zaakje aan te pakken,
zooals het behoort; ik zal er mij eens mee bemoeien. Hebt gij
gevangenen gemaakt?

—Ruim honderd,—werd zuchtend ten antwoord gegeven.

—Goed, en wat voor soort van lieden?

—Ik heb er niet op gelet.

—Dat is verkeerd, kom mee, dan zullen wij ze gaan opnemen.

—Waartoe zou dat dienen?

—Dat zult ge zien. Wat drommel, kom dan toch mee! Waar zijn zij
opgesloten?

—Ik geloof in de kerk van San Francisco.

—Goed, ga mee.

Zij gingen er heen, onderweg hield Montbars eenige vrijbuiters aan, die
niets te doen hadden, en nog nuchter genoeg waren om hem te
vergezellen. Het was zoo, de gevangenen waren opgesloten, allen door
elkaar, in de kerk van San Francisco, op één na de grootste van de
stad, en de deuren werden bewaakt door op post gezette vrijbuiters, die
bezig waren met drinken en dobbelen. Montbars liet de deur voor zich
openen en trad de kerk binnen gevolgd door Philippe en zijn geleide.
Het inwendige van de kerk bood een hartroerend schouwspel aan. Er
stonden zeer verward opeengehoopt twee- tot driehonderd ongelukkigen,
mannen, vrouwen en kinderen; sommigen zwaar gewond lagen kermend op de
zerken en iedereen klaagde jammerlijk, want zij kenden de
barbaarschheid der vrijbuiters en wisten dat de eenige weldaad die zij
van hen te wachten hadden bestond in een spoedigen dood, bevrijd van
ondenkbare martelingen.

Montbars overzag met koelen blik de gansche menigte die bevangen werd
door siddering bij het zien van dien man met zulk een somber en
onverbiddelijk gelaat, die zich scheen te verheugen over al hun leed.

—Pitrians,—zei Montbars,—ge hebt nog al een fijnen neus, en dus, kerel,
moest ge eens van die caballeros er een stuk of wat uitzoeken die ge
meent dat het beste in staat zouden zijn om een flink losgeld te
betalen. Breng die dan vóór mij.

Pitrians trad vooruit, drong ruw tot in het midden van den troep door
en begon met cynische onverschilligheid hen op te nemen, nu en dan een
der gevangenen naar voren stootende, om daarna zijn onderzoek onder het
fluiten van een vroolijk deuntje te vervolgen, en daarbij de gevangenen
als het ware voor den gek houdende. Eenige minuten later had hij een
vijftiental uitgekozen, en hen genoodzaakt vlak vóór Montbars op een
rij te gaan staan, dat door allen bevende werd gedaan.

—Goed zoo, mijn jongen,—zei Montbars daarna,—voor het oogenblik zijn er
genoeg. Luister nu eens hier.—Pitrians naderde.—Houd je
gereed,—vervolgde Montbars en gaf hem een onheilspellenden wenk.

—O, zoo!—uitte Pitrians.—Naar het schijnt moet er een pretje volgen.

—Meer of minder, dat hangt van jou af.

—Goed, goed, laat dat maar aan mij over.

De gevangenen bevroedden niet waarom zij van hunne metgezellen waren
afgezonderd en evenmin wat men van plan was met hen uit te voeren, doch
een geheim voorgevoel overviel hen dat zij bedreigd werden door een
vreeselijk gevaar en allen trilden, als bladeren die door een stormwind
worden heen en weer geschud. Montbars trad een paar passen vooruit, en
voegde hen met forsche stem toe:

—Hei caballeros, laat ons eens een paar woorden met elkaar praten. Gij
lieden dáár, zijt allen notabelen van de stad, hoe zijt gij er toe
gekomen om even als vossen en konijnen in een hol te kruipen, in plaats
van stilletjes in uwe huizen te blijven, dat zeker voor iedereen veel
beter zou geweest zijn? Het heeft er veel van af of gij allen stapel
gek zijt geworden! Gelooft gij dan waarachtig dat het ons aan middelen
ontbreekt om te weten te komen waar uwe stadgenooten zich verborgen
houden en waar zij hunne schatten hebben verstopt? Wat hebt gij met uw
geld gedaan? Geeft daarop antwoord.

Vol angst keken de gevangenen elkaar aan, eindelijk besloot een hunner
uit aller naam te spreken, en zei:

—Machtige heer, onze bezittingen zijn in uwe handen, gij hebt u meester
gemaakt van al onze have en goed.

—Ge liegt, señor, doch ik weet wel hoe ik je tot bekentenis zal
brengen. Pitrians, nu is het jou beurt.

Pitrians kwam nader, en had in zijn hand een eindje touw zoo dik als
een pink; hij wikkelde dit tweemaal om het hoofd van den gevangene die
het woord had gevoerd even boven diens slapen, lei er een lossen knoop
in en zag toen naar Montbars.

—Zijt ge van plan,—hernam Montbars,—om antwoord te geven op deze twee
vragen. Waar zijn uwe stadgenooten? Waar is uw geld?

—Ik weet het niet,—stotterde de gevangene.

—Ga je gang, Pitrians.

Pitrians trok een pistool uit zijn gordel, stak de loop in den knoop,
en begon toen het wapen om te draaien tot het touw zóó vast om den
schedel werd gekneld dat het letterlijk in het vleesch drong. De
gevangene leed onuitstaanbare pijn; het was of zijne oogen uit de
holten zouden springen, zijn gelaat werd paarsch, bloedig schuim
vertoonde zich in de hoeken van zijn mond, en hij schreeuwde
erbarmelijk.

—Geef antwoord,—gelastte Montbars barsch.

De gevangene spande al zijne krachten in, zijne oogen stonden
verwilderd en waren met bloed beloopen, en hij stamelde met heesche
stem.—Ik weet het niet. Heere God, wees mij genadig.

—Haal nog wat vaster aan, Pitrians,—gelastte Montbars, en trok de
schouders op.

—Hoe dwaas toch van zoo’n mensch om zich zóó te laten pijnigen!—merkte
Pitrians zeer leuk op terwijl hij het touw nog vaster aanhaalde.

—Ik weet het niet. Doodt mij, ellendelingen,—brulde de gevangene, langs
wiens gelaat het bloed vloeide, want het touw was door de huid heen
gekneld.

—Blijf zoo verstokt niet, arme duivel, dat is eene malle gewoonte; het
is maar een kuur,—vermaande Pitrians die steeds bleef draaien. Hoezeer
de ongelukkige zich vast had voorgenomen alle smart standvastig te
verdragen, toch werd die gruwelijke foltering hem te zwaar en hij gaf
te kennen dat hij zou antwoorden. Montbars wenkte en Pitrians knoopte
het touw los.

—Stomme kerel,—mopperde hij,—wat hebt ge er nu aan zóó gehavend te
zijn?

Het koord was zoo vast in het vleesch gegroefd dat Pitrians het met
zijn hand los moest rukken. Het gelaat van den gemartelde was zoo
verwrongen dat het niet menschelijk meer kon genoemd worden.

—Vertel me wat ge weet,—grijnsde Montbars,—nu je eindelijk lust tot
praten schijnt te hebben gekregen.

—Wat moet gij weten?—stamelde de arme man, die half bewusteloos op de
zerken viel, maar de waardige Pitrians was vlug bij de hand, gooide hem
een puts water over het gezicht en zei:

—Die arme tobberd, het is te kras voor hem geweest! Wat een verwijfd
kereltje!

Bijgekomen en iets minder pijn gevoelende door dit ruwe maar toch niet
ongepaste middel kon de gevangene zich ten minste eenigszins opheffen.

—Wat is er geworden van den gouverneur en zijne pupil?—werd door
Montbars steeds even norsch gevraagd.

—Zij zijn uitgeweken naar Gibraltar.

—Zoo! Weet je dat zeker?

—Ja.

—En de inwoners?

—De meesten zijn diep de bosschen ingetrokken met de soldaten van het
garnizoen. Ga hen dáár maar volgen dan zullen zij het je duur betaald
zetten.

—Zijn zij zoo vast besloten te vechten?

—Zij zullen volhouden tot aan den laatsten man.

—Dat is een blijde tijding,—verklaarde Montbars en wreef zich
genoeglijk in de handen,—want als die lieden zooveel lust hebben tot
vechten, dan moeten zij ook heel wat te verdedigen hebben. Waar zijn
hunne schatten verborgen?

—Te Gibraltar, te Merida en in de bosschen.

—Zie zoo! Nu heb je ten minste iets bepaalds verteld. Vaarwel!

—Wees vervloekt!—gilde de ander en zonk weer ineen.

—Wat moet er met dat arme schepsel worden uitgevoerd?—vroeg Pitrians
meewarig.

—Ba!—uitte Montbars.—Doe wat ge wilt. De kerel deugt nergens meer toe.

Toen keerde hij zich om, glimlachte tegen Philippe en vroeg: Nu weet ge
wat ge weten wildet, niet waar?

—Ten naastenbij,—luidde het antwoord.

—En wat dan nog meer?

—Van u vernemen wie je gezegd heeft dat ik Juana liefheb?

—Dwaze jongen! Kan ik dit dan niet geraden hebben?

Op het plein gekomen hoorden zij in de kerk een pistoolschot en haastig
keken zij om. Pitrians had den Spaanschen gevangene een kogel door den
kop gejaagd, om den rampzalige van zijn onuitstaanbare pijnen te
verlossen, en dit strekt ten bewijze dat Pitrians teer van gemoed was
en zijn medemensch een medelijdend hart toedroeg.








XXII.

GIBRALTAR.


De kerk uitgaande, had Montbars de vrijbuiters die door hem mede waren
genomen, weggezonden, daarna zijn arm onder dien van den jongen man
gestoken en was toen met hem naar diens woning gegaan. De beide
Broeders der Kust liepen aldus naast elkaar voort, zonder een enkel
woord te wisselen; de een zoowel als de ander bleef verdiept in
gepeins. Op eens stond Montbars stil, keek Philippe strak aan en vroeg
hem:—Waar denkt ge over?

—Ik?—gaf de jonge man ten antwoord, en keek plotseling op.—Ik denk er
over hoe verbazend veel rijkdom dáár in Gibraltar moet opgehoopt zijn.

Montbars begon hartelijk te lachen en zei:—Vriendje, jij meent geen
enkel woord van alles wat ge daar zegt.

—Niet?—viel Philippe uit.

—Neen, zeker niet! Zal ik je eens vertellen waarover of liever aan wie
gij dacht?

—Ga uw gang, dat wil ik wel eens hooren, maar ik zeg het je.

—Nu dat zullen we eens zien!—hernam Montbars.—Letterlijk zal ik den
loop van je gedachten herhalen.

—Letterlijk! Nu wordt het toch al te kras.

—Toch niet, dat is juist het gepaste woord. Terwijl wij daar zoo naast
elkaar arm in arm voortloopen hebt ge tot je zelven gezegd: die
Montbars is toch op mijn eer een zonderlinge kerel! Daar blijft hij nu
hier te Maracaïbo, waar de inwoners niets hebben achtergelaten, hier te
Maracaïbo, dat nu niet veel meer is dan een geruïneerde stad, zijn tijd
verknoeien en verbeuzelen, terwijl aan den anderen kant van het meer
vlak tegenover hier, Gibraltar ligt, eene stad te rijker omdat al de
bewoners van deze streek daarheen al het kostbaarste hunner bezittingen
hebben gevoerd. Hij heeft, om zoo te zeggen, zijn arm maar uit te
strekken om in het bezit te komen van al die schatten, en toch verroert
hij geen vin! En dan wil ik er nog niet eens over spreken, dat als hij
dat deed, ik in staat zou worden gesteld om de vrouw te ontvoeren, die
ik zoo innig bemin, en die voor mij veel grootere waarde heeft dan al
het goud dat dáár in Gibraltar is opgehoopt. Hoe komt hij er toe om
hier tijd te verliezen en te talmen, in plaats van met man en macht den
vijand aan te tasten, die reeds als half overwonnen kan worden
beschouwd, en als verlamd door onze behaalde overwinning. Biecht me
eens op, broeder, heb ik je gedachte goed wedergegeven?

—En als dit nu eens het geval ware, wat zoudt ge dan daarop te
antwoorden hebben?—werd met inwendige verbittering gevraagd.

—Heel wat, waarde vriend. In de eerste plaats dit, dat onze vijanden
zeer op hunne hoede zijn. Als zij op Gibraltar terug zijn getrokken,
dan is dit met het bepaalde doel zich daar hardnekkig te verdedigen!

—En wat doet er dat toe?

—Voor jou niets, voor mij zeer veel! Voor mij is dat eene hoogst
ernstige zaak, en ik heb er alles behalve lust in om hals over kop een
sprong in den blinde te doen, waar het, zooals hier, geldt eene zeer
hachelijke expeditie, waar wij te doen zullen krijgen met lieden die,
in hun laatsten schuilhoek gedreven, zullen vechten pro aris et focis
(voor haardstee en altaar) zooals het in het Latijn luidt, en eer tot
den laatsten man zullen sterven dan een voet te wijken.

—Welnu, dan zullen wij hen doen sterven!

—Dat weet ik drommels goed, evengoed als jij, wij zullen hen dooden,
maar ten koste van welken prijs? Dit is en blijft de hoofdvraag! Doch
buitendien, ik wacht ieder oogenblik nadere en bepaalde inlichtingen;
zoolang die niet in mijn bezit zijn, zoolang ik in het duister verkeer
omtrent de voornemens der Spanjaarden denk ik er niet over iets te
ondernemen, want eerst daarna zal ik plannen tot een aanval kunnen
beramen.

—En door wien denk je die inlichtingen te verkrijgen?

—Wel door iemand dien jij zeer goed kent, je vroegeren kajuitsjongen
Zijden-Draad. Toen wij den vorigen keer hier zijn geweest heb ik hem
met opzet achtergelaten om ons op een gegeven oogenblik als wij dit
noodig mochten hebben, op de hoogte te brengen van alles wat wij
noodzakelijk moeten weten.

—Goed overlegd, jammer maar, dat Zijden-Draad verdwenen is, en wij, nu
reeds bijna twee weken hier vertoeven en in al dien tijd niets van hem
hebben vernomen.

—Hij zal wel voor den dag komen, daar kunt ge staat op maken.
Zijden-Draad is veel te slim om zoo maar in den val te loopen.

—Arm kereltje! Zij hebben hem zeker herkend, en gedood!

—Hum! Daar is hij te leep voor! En het bewijs staat vlak vóór je, kijk
maar naar ginder.

—Zijden-Draad!—viel Philippe uit.

—Wel drommels, wie zou het anders zijn? Zie je hem niet, dáár vlak vóór
de deur van je huis?

—Zoo waar, ge hebt gelijk!—riep de jonge man op verheugden toon en toen
tot den jongen die werkelijk als een standbeeld vóór de deur
stond:—Heidaar jongen, kom hier langs zij liggen en maak haast er meê!

De knaap keek om zich heen, doch nauwelijks had hij gezien wie hem
naderden of hij uitte een kreet van vreugde en snelde naar hen toe.

—Ben je daar eindelijk terug, verloren schaap!—sprak Montbars en klopte
hem goedhartig tegen de wang.—Waar kom je van daan? Ik dacht dat je
dood waart gegaan.

—Dood gegaan?—herhaalde hij,—om wat te doen, Admiraal?

—Drommels, dat weet ik zoo precies niet,—lachte Montbars.—Maar daar
wij, sinds wij hier zijn, niets van je gehoord hadden, konden wij niet
anders vermoeden dan dat de Spanjaarden je hadden vermoord of gevangen
gemaakt. Doch nog eens van waar kom je?

—Uit Gibraltar, met een slechte boot, die ik het geluk had te kapen.

—Mooi zoo! Dat is juist iets zooals ik van je verwachtte; ge zijt nog
altijd even behendig en bij de hand als vroeger. En welke gewichtige
tijdingen hebt ge ons te berichten?

—Verscheidene, maar liever niet hier, als u er niets tegen hebt.

—Ge hebt gelijk, volg mij,—zei Philippe.—Op mijn eer, dat kereltje is
nog verstandiger dan men reeds naar zijn uiterlijk zou vermoeden.

—Dank u zeer, kapitein! Welk compliment moet ik u nu maken?—vroeg hij
lachend.

—Dat is onnoodig. Kom maar mee, dan kunnen wij praten.

Zij traden het huis van Philippe binnen gevolgd door den kajuitsjongen,
die zijne vingers liet knippen en de gekste grimassen maakte, evenals
een aap die een noot zit te peuzelen. Nadat de vrijbuiters in eene
afgezonderde kamer plaats hadden genomen, gelastte Montbars:—Vertel nu
wat ge weet, maar kort en bondig.

—Dat zal gauw genoeg gedaan zijn,—antwoordde de knaap.—Wat verlangt u
te weten?

—Wat er van de inwoners geworden is, en wat de Gouverneur don Fernando
d’Avila voornemens is te doen. Zoover ik er over heb kunnen oordeelen
is hij een dapper soldaat en daarom verwondert het mij dat hij nog geen
teeken van leven gegeven heeft sinds wij het meer zijn binnengeloopen.

—Dat is toch heel licht te begrijpen. Hij wacht u af.

—Hoe! Wacht hij mij af?

—Zeker, Admiraal, luister maar even.

Toen begon de kajuitsjongen te vertellen wat er voorgevallen was, en
hoe alles zich had toegedragen; op welke wijze de Gouverneur bericht
had gekregen van de aanwezigheid der vrijbuiters bij het eiland Aruba,
en hoe hij, oordeelende dat Maracaïbo niet in staat was een aanval te
wederstaan, last had gegeven de stad te ontruimen, en eindelijk hoe die
ontruiming had plaats gegrepen onder de oogen van den Gouverneur, die
zich het allerlaatst had ingescheept, na zich verzekerd te hebben, dat
verreweg de meesten der inwoners in veiligheid waren aan boord der
schepen, om zich naar Gibraltar of Merida te begeven.

—Goed, heel goed!—gaf Montbars te kennen.—Het komt mij juist te pas te
vernemen dat ik die aangename verrassing aan schipper Aguirre te danken
heb; dat zaakje hoop ik later hem betaald te zetten.

—O! Admiraal,—merkte de jongen lachend aan,—gelooft u dat hij er zin in
heeft op u te blijven wachten? Neen waarachtig niet! Zoodra hij den
troep had ontscheept dien hij naar het Houtduifeiland moest
overbrengen, heeft hij er haast achter gezet; hij heeft zich wel
gewacht weer het meer binnen te loopen, maar daarentegen het ruime sop
gekozen.

—Hoe langer hoe beter!—verzekerde Montbars.—Op die manier heb ik des te
meer kans hem spoedig weer te ontmoeten. Maar nu nog iets over den
Gouverneur. Wat heeft die uitgevoerd?

—Hij! Nu Admiraal, gij kunt er op aan dat die van zijn tijd goed heeft
gebruik gemaakt en gij kunt er eveneens op aan dat het verkeerd van u
geweest is om hier zoo lang te blijven.

—Wel, wel, hoor eens aan!—lachte Philippe,—mijnheer Zijden-Draad
vermeet zich den Admiraal de les te lezen!

—Toch niet kapitein, ik herhaal slechts wat ik heb hooren zeggen.

—Vertel meer jongen, vertel meer!—viel Montbars ongeduldig uit.

—Dadelijk, Admiraal,—zei de knaap die daarop vervolgde, zoo ernstig als
een officier die verslag doet,—zooals ik u reeds heb gerapporteerd zijn
de inwoners van Maracaïbo uitgeweken naar Gibraltar en naar Merida; ik
moet daar nu nog bijvoegen, dat zij in die beide plaatsen op de
hartelijkste wijze ontvangen zijn, onder betuigingen van deelneming met
hun ongelukkig lot. Zoodra don Fernando d’Avila zich verzekerd had dat
al die lieden zoo veel mogelijk en zoo goed doenlijk waren gehuisvest,
heeft hij, als een oud soldaat die zich niet licht laat beetnemen en
veel naam heeft gemaakt tijdens de oorlogen in Vlaanderen....

—Genoeg van die lofspraak en al die uitweidingen!—viel Montbars
ongeduldig in en stampte driftig op den vloer.—Ik begin waarachtig te
gelooven dat die kwajongen een loopje met mij denkt te houden.

Zijden-Draad keek hem schuins aan en bemerkte zeker dat het nu geen
tijd was om zijne gewone aardigheidjes aan den man te brengen, waarom
hij zijn rapport op minder hoogdravenden toon vervolgde:

—Don Fernando d’Avila,—hernam hij,—is uitgetrokken aan het hoofd van
vierhonderd soldaten, waarbij zich aansloten vierhonderd inwoners van
Gibraltar, allen goed gewapend en behoorlijk uitgerust. Die uitgelezen
troep heeft met den meesten spoed aan den zeekant verschansingen
opgeworpen en er een hollen weg, die van de landzijde naar de stad
loopt, onbruikbaar gemaakt, en daarentegen door het bosch een anderen
aangelegd om dienst te kunnen doen bij een mogelijken terugtocht.

—Bravo! Dat is eene betere manier van rapporteeren, kereltje,—sprak
Montbars nu weer op welwillenden toon.—En kunt ge mij ook zeggen hoe
die verschansingen in elkander zitten?

—Ja, Admiraal, dat kost niet veel moeite.

—Vertel dan wat ge er van weet.

—Vooreerst heeft men een gracht gegraven, tien voet diep en vijftien
breed, en goed gezorgd dat de uitgegraven grond glooiend naar de
stadszijde werd opgeworpen; daarna heeft men achter die helling, om die
te stutten, palen in den grond bevestigd, overal met de noodige
openingen om er de kanonnen te plaatsen.

—En staan die stukken daar reeds?

—Nu, of ze! Zeker vijfentwintig voor het minst.

—Hum!—uitte Montbars, het hoofd schuddende.—Dan zal het voor ons een
zwaar werk wezen, die verschansing te bemachtigen.

—Kom, kom!—bracht Philippe er tegen in, onbezorgd als altijd.—Het fort
van het Houtduifeiland is toch ook wel door ons genomen, niet waar?

—Dat is zoo, maar dit was niet zóó goed versterkt. En wat doen de
Spanjaarden nu, jongen?

—Zij wachten u af, Admiraal, en gelooven vast en zeker dat zij u allen
zullen doen verdrinken.

—Nu, dat zal te bezien staan.

—Ja,—voegde Philippe lachende er bij,—dat valt nog te eer te
betwijfelen omdat wij allen vrij goede zwemmers zijn. Hoe denkt gij nu
te handelen, Admiraal?

—Keer naar boord terug, waarde Philippe, ge zult te dien opzichte
spoedig mijne orders vernemen.

—Dus vertrekken wij dáár heen?

—Nog heden, vriendlief. Zijt ge nu tevreden?

—Volkomen.

—Dan tot straks, en neem dien kleinen schelm met je mee.

Philippe vertrok, gevolgd door Zijden-Draad.

—En nu,—begon de knaap, terwijl hij den kapitein aankeek,—iets onder
ons.

—Wat, onder ons?

—Ja,—antwoordde de knaap met een vroolijk gelaat,—ik heb een brief voor
u.

—Een brief voor mij?—herhaalde de jonge man in vervoering.—Is het
werkelijk waar?

—Zeker! En tot bewijs, zie maar, hier is die.

Tegelijk stelde hij hem een verzegeld briefje ter hand, dat door
Philippe gretig aangenomen, en met verrukking gelezen werd.

—Die lieve, beste Juana!—uitte hij half luid, en kuste het briefje
herhaaldelijk.—Dus hebt ge haar gezien?

—Wie meent u?—vroeg de knaap met een guitig gezicht.

—De dame die dit briefje aan mij geschreven heeft.

—Of ik! Nu, kapitein, dat is er een die veel van u houdt zou ik zeggen.
Maar dat doet er niet toe, want zij is heel, heel mooi en goed ook. Zij
heeft mij naar u toe gezonden.

—En heeft zij niets tegen je gezegd?

—Niets gezegd?! Luister eens, kapitein, zij heeft over niets anders
gesproken dan over u, en als ik u dat alles moest oververtellen, dan
zou er geen eind aan komen.

—Maar je weet toch waar zij woont, niet waar?

—Dat zal waar zijn. Zij heeft mij zelfs in haar huis opgenomen, ik weet
dus best, reken daar maar op, den weg daarheen.

—Ge moet nu verder bij mij blijven. Ga mee naar boord, en dan kunt ge
mij alles over haar vertellen, zult ge?

—Niets liever dan dat, kapitein, vooral ook als ik u daarmee eenig
genoegen doe.

—Goed, goed! Ge zijt een ferme jongen.

Dien eigen dag werd aan boord van het fregat een kanonschot gelost,
waardoor al de equipages naar hunne schepen werden teruggeroepen.
Leeftocht werd ingescheept, de gevangenen aan boord gebracht, en daarna
ging de vloot onder zeil, slechts één schip vóór Maracaïbo
achterlatende, om zich te verzetten tegen een terugkeer der Spanjaarden
en in het bezit te blijven van de stad. Donna Clara en haar getrouwe
Birbomono scheepten zich in op een brigantijn die onder het gezag stond
van Tributor. Zij had er op aangedrongen de expeditie mede te maken, en
haar besluit was door de vrijbuiters met ingenomenheid en oprecht
gemeende dankbaarheid begroet. De overtocht duurde drie dagen; reeds
naderde die aan het eind, reeds vertoonden zich aan de blikken der
vrijbuiters de stad, met de talrijke landhuizen die haar als een gordel
omsluiten, en nog altijd had Montbars geen enkel woord tegen hen
gesproken, noch iets medegedeeld van al de inlichtingen die hij van
Zijden-Draad ontvangen had, terwijl hij ook aan Philippe zeer ernstig
gelast had, daarvan niets te doen uitlekken, waaraan door dezen stipt
werd voldaan, daar hij zeer goed begreep van hoe groot gewicht het was
daarover het stilzwijgen te bewaren, daar eene expeditie die zoo
gevaarlijk was en met zoo vele bijna onoverkomelijke moeielijkheden zou
gepaard gaan, zijne kameraden ondanks al hun beproefde dapperheid had
kunnen afschrikken. En nochtans geschiedde dit, wat trouwens niet
anders verwacht had kunnen worden.

Bij het zien van al de schikkingen die getroffen waren in het belang
der verdediging, bij het zien van dat omwoelde en gekapte terrein, van
al dat onder water gezette land, van die holle wegen, die elkaar in
alle richtingen kruisten, van die stevige palissaden, van die geduchte
batterijen, na het aanschouwen van dat alles, maakte zich gedurende
eenige oogenblikken van de flibustiers een gevoel meester dat hun tot
nu toe onbekend was gebleven, en werden zij overvallen door zulk een
panischen angst, dat Montbars voorzag dat alles totaal verloren zou
zijn, zoo hij dit niet onmiddellijk te keer ging. Een wimpel die op het
Admiraalsschip geheschen werd, riep zonder verwijl een krijgsraad
bijeen, samengesteld uit de gezagvoerders van de vloot en de dapperste
vrijbuiters van de expeditie. Toen allen vereenigd waren in de daarvoor
bestemde ruimte, stond Montbars op en eer iemand tijd had om de een of
andere meening te uiten nam hij het woord en sprak met luider
stem:—Broeders! ik heb je weer bij mij aan boord doen komen, omdat men
met mannen, zooals gij zijt, recht door zee moet gaan en de dingen bij
hun waren naam moet noemen. Verre dus van mij om het te willen
bewimpelen dat het tot dusverre behaalde succes onzer expeditie door
ontelbare moeielijkheden wordt bedreigd. De Spanjaarden, in tijds
bekend geworden met den val van Maracaïbo, hebben ruim gelegenheid
gehad om hier alles zóó in te richten, dat zij ons warm kunnen
ontvangen: zij zijn naar hier afgetrokken om schitterende weerwraak te
nemen over de door hen geledene nederlagen. Hunne soldaten zijn talrijk
in den krijg verhard, hunne aanvoerders ervaren officieren, en allen,
soldaten zoowel als officieren, hebben gezworen liever te sterven dan
zich over te geven. Zij zijn in het bezit van kanonnen van zwaar
kaliber, en in hunne magazijnen ligt een massa krijgsbehoeften. Gij
bemerkt nu, broeders, dat ik de waarheid niet verbloem, maar je die
veeleer doe kennen; maar de Broeders der Kust behooren niet tot die
mannen die zich laten beangstigen of afschrikken door moeielijkheden en
hindernissen. Als de Spanjaarden bedacht zijn geweest op en nu besloten
tot zulk een hardnekkigen wederstand, dan is dit hoofdzakelijk omdat al
hunne schatten te Gibraltar zijn opeengehoopt! Die schatten dus, die
ongehoorde buit, moeten wij aan hen ontrooven, of die verliezen
tegelijk met een leven dat verder dan voor ons waardeloos zou zijn. Als
wij overwinnaars zijn, en ik zeg je wij zullen het wezen, dan is het
een onberekenbaar fortuin dat door uw moed en uwe dapperheid je ten
deel zal vallen! En waarom zou het fortuin ons nu op eens den rug
toedraaien nadat het ons zoo herhaaldelijk heeft begunstigd? Nog altijd
ben ik immers uw bevelhebber, ik, de man dien men den bijnaam heeft
gegeven van den Verdelger! Volgt dus mijn voorbeeld! Denkt aan onze
vroegere dagen, toen waren wij lang zoo machtig niet als nu, maar wij
dachten er niet aan onze vijanden te tellen dan nadat zij vóór onze
voeten lagen. Handhaaft dus op nieuw den door u verkregen naam! Het
gevaar is groot, maar nog grooter na den zege de roem en de buit die
het loon zullen zijn voor onze pogingen!

Die toespraak, gesproken met vaste stem en levendige gebaren, door den
man in wien zij het grootste vertrouwen stelden, had op de vrijbuiters
eene buitengewone uitwerking; zij werden door die woorden als op nieuw
bezield door de oude hartstochten waardoor zoo vele ongehoorde feiten
wisten tot stand te brengen; eene huivering van woede voer over allen
heen, het verlangen naar den strijd, het uitzicht op dien ontzaglijken
buit, deed hunne oogen bliksemen, en Montbars hield zich overtuigd dat
hij zijne zaak gewonnen, en nog niets verloren had van zijn overmacht
op den geest zijner metgezellen. Hij wilde nu het ijzer smeden terwijl
het heet was, begrijpende dat het er op aan kwam het geschikte
oogenblik niet ongebruikt voorbij te laten gaan en besloot dus
onmiddellijk naar de wapens te doen grijpen.

—Voorwaarts, broeders!—donderde hij hun toe.—Zoo ik, u aanvoerende,
val, wreekt dan mijn bloed, door dat der Spanjaarden! Maar weet, dat
zoo iemand uwer aarzelt of wijkt, ik dan dien lafaard niet waardig
onder ons te leven, met mijn bijl zal neerhouwen! Te wapen dus,
broeders, te wapen!

—Te wapen! Te wapen!—werd door alle vrijbuiters herhaald, hunne wapens
boven het hoofd zwaaiende. Die kreten weerklonken over de gansche
vloot, en voerden de aandrift en de opgewondenheid der vrijbuiters ten
toppunt.

Bij het aanbreken van den dag werden vijfhonderd manschappen zonder
meerdere wapens dan een korten sabel, twee pistolen en dertig patronen
aan wal gezet. Zij allen waren kernachtige kerels met zorg gekozen uit
de gansche bemanning der vloot. Voet aan wal zettend, omhelsden zij
elkaar als lieden die er niet op rekenden elkander weer te zien, en na
dien plicht vervuld te hebben begonnen zij met vasten tred hun marsch.
Tot gids diende hun een Spanjaard, een arme stakkerd, door hen te
Maracaïbo gevangen gemaakt, die op hoop van een rijke belooning, zich
bij de vrijbuiters had aangesloten; doch ongelukkig genoeg wist die man
genoegzaam niets van de maatregelen door den Gouverneur genomen,
terwijl ook de inlichtingen door Zijden-Draad gegeven, verre van
afdoende konden genoemd worden; spoedig zou Montbars daarvan de bittere
ondervinding opdoen.

De gids geleidde de vrijbuiters naar den ingang van den hollen weg,
doch dáár gekomen bleek het hun dadelijk dat het ondoenlijk was dien in
te slaan, want die weg was van afstand tot afstand doorsneden door
breede sloten voorzien van scherp gepunte staken. Men werd dus
genoodzaakt terug te trekken en een omweg te maken in de richting van
het woud, maar toen deden zich andere hindernissen op, door de natuur
geschapen. Toch gelukte het hun om tot op een pistoolschot afstand een
Spaansche verschansing te naderen, doch plotseling week de grond onder
hunne voeten en zonken zij tot aan de knieën in een stinkenden
modderachtigen poel, en op hetzelfde oogenblik werden zij overstelpt
door een hagelbui van schroot uit zes kanonnen op hen afgeschoten. Doch
ook dit was niet in staat hen tegen te houden en zij bleven voortrukken
met zulk eene volharding, dat die zelfs de onverschrokkenste soldaten
vrees moest inboezemen.

—Trekt over ons heen, wij zijn overwinnaars!—schreeuwden de vrijbuiters
die verminkt of bloedende in dien modderpoel waren
gevallen.—Voorwaarts, broeders, voorwaarts!

Ten laatste slaagden de vrijbuiters er in, om het moeras te boven te
komen, waarin het een oogenblik scheen dat allen zouden verzinken.
Thans hadden zij een vaster terrein bereikt, en daardoor vermeerderde
hun moed; reeds geloofden zij de grootste moeielijkheden achter den rug
te hebben, toen op eens uit het dichtste van het struikgewas dat hen
omringde opnieuw eene geduchte losbranding op hen werd afgevuurd,
terwijl tegelijkertijd eene batterij van vijfentwintig stukken haar
schoten op hun flank uitbraakte.

Zelfs de dappersten werden in wanorde gebracht, de anderen begonnen te
aarzelen, en durfden niet verder te gaan, en van de voor- tot aan de
achterhoede heerschte algemeene ontzetting. Het vuur van de batterij
hield met verdubbelde kracht aan, de dood waarde tusschen de gelederen
der vrijbuiters, die met tientallen tegelijk vielen; alles en allen
kwamen in verwarring, en de aanvallers weken in wanorde terug naar het
moeras. Zoo er geen hulp opdaagde, hulp zonder eenig verwijl, dan was
alles verloren, en bleef de zege aan de Spanjaarden. Maar Montbars is
er bij, Montbars heeft alles gezien. Gevolgd door Philippe, Michel de
Baskiër, Luiwammes, de Mooie Laurent, Pierre Legrand, Pitrians, de
Olonner en een veertigtal anderen, die allen besloten hadden te
overwinnen of te sterven, was het hem, als door een wonder, gelukt,
ongedeerd dwars door het terrein dat door het vuur der batterij
bestreken werd, heen te komen. Eer men tijd had om den op den hoek
geplaatste stukken op hen te richten, wierp hij zich op den grond langs
den kant en bereikte toen de helling van de verschansing. Doch hoe deze
te bestormen zonder ladder? Zal hij zijne stoutmoedigheid met zijn
leven moeten betalen? Philippe fluistert hem iets toe, Montbars
glimlacht. Plotseling wijkt het gros der vrijbuiters, en nemen zij de
vlucht onder het uiten van angstige kreten.

De Spanjaarden meenende dat zij nog slechts te doen hadden met het
rampzalige overschot van een afgezonderd en ontmoedigd troepje, en
alleen gehoor gevende aan hunne verblinde woede, stormden uit hun
verschansing en vielen met het zwaard in de vuist op de gehaatte
vijanden aan. Nu echter veranderde het tooneel. Juist op dien uitval
had Montbars gehoopt, en de vrijbuiters keerden nu even plotseling om
als zij op de vlucht schenen gegaan te zijn, waarna een afgrijselijk
gevecht ontstond. Ook de Spanjaarden vochten en waren dapper maar niet
zoo krachtig als hunne tegenstanders, dus ook niet bestand tegen een
strijd van man tegen man waar geen andere wapens dienstig zijn dan de
sabel en de dolk; zij wilden dus ten spoedigste zich terugtrekken
achter hunne verschansingen, te meer daar hun artillerie niet kon vuren
op de verwarde menigte, daar dan zoowel vriend als vijand zou gedood
worden. Kwartier werd niet gegeven, aan genade werd niet gedacht, het
bloed stroomde, en het werd meer een bloedbad dan een gevecht.

Francoeur werd gewaar dat het vuur uit de verschansing had opgehouden;
hij verzamelde een groot gedeelte van de Broeders der Kust en voerde
hen aan tot hulp voor Montbars. Van dat oogenblik verklaarde de zege
zich bepaald ten gunste der vrijbuiters, die over een hoop lijken
binnen de verschansing drongen. Zeshonderd soldaten of inwoners van
Gibraltar verloren in dit gevecht het leven, het overschot gaf zich op
genade of ongenade over en werd zonder mededoogen door de overwinnaars
gedood. [13]

Beschermd door een ongelooflijk geluk, had Montbars zelf niet de
geringste schram ontvangen, doch meer dan zestig vrijbuiters waren
gevallen als offers van deze overwinning, en meer dan het dubbele van
dit aantal zoo vreeselijk gewond, dat er geen hoop bestond hen in het
leven te behouden.

Gibraltar werd dus genoodzaakt zich over te geven.








XXIII.

MONACO.


Na zijne aankomst te Gibraltar, had don Fernando d’Avila een
allerliefst landhuis gehuurd, op eenige geweerschoten afstand van die
stad, maar zoo geheel in het dichtste der bosschen verborgen, dat men
zeer precies met de ligging bekend moest zijn om den weg daar heen te
vinden. Levensbehoefte en provisie van allerlei aard waren er naar toe
gevoerd, en voor weelderige meubileering gezorgd, want zijne bedoeling
was, zoo er een aanval der flibustiers mocht plaats grijpen, dat huis
te doen dienen als een wijkplaats voor zijne pupil. Zoodra dan ook de
vloot der vrijbuiters in het gezicht kwam, haastte de Gouverneur zich
om, vergezeld van eenige vertrouwde bedienden, donna Juana en hare
voedster naar die woning te brengen, waar zij voorloopig in veiligheid
zouden zijn. Daarna keerde hij terug om zijn post bij het te verwachten
gevecht te betrekken, een post door hem zelf gekozen, en natuurlijk
dáár waar het grootste gevaar bestond, echter niet dan na aan zijne
vertrouwste bedienden nadrukkelijk last te hebben gegeven, steeds
paarden gezadeld gereed te houden, om, in geval van nederlaag, met de
beide vrouwen naar Merida te kunnen vluchten, waarheen hij zelf hen
wilde geleiden, zoo hij zoo gelukkig mocht zijn ongedeerd aan den
strijd te ontkomen.

De beide dames bleven dus alleen achter ten prooi aan hevige
ongerustheid, eene ongerustheid die nog vermeerderde bij het hooren van
het onheilspellend gedonder van het geschut en het kort afgebroken
geknetter van de geweerschoten, wat zij duidelijk konden onderscheiden.
Donna Juana luisterde naar het rumoer van dien strijd, met vrees en
toch ook met hoop doch durfde geen wenschen te uiten noch voor de eene,
noch voor de andere partij; want bij de eene stond haar voogd, bij de
andere de man dien zij liefhad. Het werd haar ondoenlijk stil te
blijven zitten, gestadig liep zij uit het eene vertrek naar het andere,
ging naar den tuin, dwaalde over het voorplein, in één woord deed alle
pogingen om hare ongerustheid te bedwingen. Eindelijk ten einde raad,
kon zij niet langer wederstand bieden aan de ontroering die dreigde
haar geheel te overmeesteren, en besloot zij, zonder de gevolgen te
bedenken, of beter gezegd juist die gevolgen berekenende met die
slimheid der liefde waardoor alles gerechtvaardigd en alles vergoelijkt
wordt, om op den top van het huis de vlag te hijschen, die Philippe
haar als een sein had achtergelaten.

—Als de Spanjaarden overwinnen,—overwoog zij bij zich zelve,—kan dit
volstrekt geen kwaad, want ik zal licht iets kunnen verzinnen,
voldoende voor mijn voogd, om die handeling als onbeduidend te
rechtvaardigen, en als de flibustiers in triomf hier heen komen en die
vlag zien, dan zal die mij juist beschermen, daar het de vlag is van
een hunner voornaamste aanvoerders.

Gerustgesteld door die redeneering, nam donna Juana de vlag, die zij
verborgen in een harer groote koffers, altijd met zich meê voerde, en
tevens een lans, die zij met verscheidene anderen tegen den muur zag
staan, en klom naar het bovenste gedeelte van het huis.

In de Spaansche koloniën zijn de daken der huizen meest altijd gebouwd
als te Venetië, en dit uit hoofde van het heerlijke klimaat; ’s avonds
dienen zij dan ook gewoonlijk tot plaats van ontspanning. In
verscheidene Amerikaansche steden maakt men die daken tot een soort van
hangende tuinen, door ze met bloemen en heesters te versieren.

Dat van het huis waar donna Juana vertoefde was op die wijze ingericht;
men vond daar zelfs een prieeltje van oranje- en citroenboomen, een
plekje dat door het jonge meisje dikwerf bezet werd, om dáár ongestoord
aan hare zoete droomerijen te kunnen bot vieren, waarbij zij echter
steeds het oog gevestigd hield op de zee, die men van deze verhevenheid
duidelijk gewaar kon worden.

Toen donna Juana op het terras gekomen was, kon zij zonder eenige
inspanning het verwarde rumoer hooren van het hevige gevecht dat in het
dichtste van het bosch kort in hare nabijheid plaats greep. Bovendien
was die plek zeer gemakkelijk te onderkennen door een dikke wolk van
rook, die boven de boomen uitsteeg.

—O, God!—smeekte zij, vouwde vroom de handen en viel op de
knieën.—Goede God! Red don Fernando! Genadige God! Behoud mijn
dierbaren Philippe!

Op dit oogenblik drong een nog veel heviger rumoer tot haar door; het
jonge meisje stond op, maakte het teeken des kruises, en ging vast
besloten naar het prieeltje, waar zij op het hoogste plekje met haar
sjerp de lans vastbond die dienen moest tot vlaggestok. Vreesachtig
keek zij om zich heen om te zien of zij door iemand was bemerkt, en
snelde toen vlug de trap af naar beneden waar zij zich in haar kamer
terugtrok. Het gevecht werd van lieverlede niet zoo merkbaar meer
vernomen en eindelijk werd het geheel en al stil. Zóó verliep uur op
uur in doodelijke stilte, en in dien tijd verkeerden donna Juana en
hare voedster, volslagen onbekend met alles wat kon hebben plaats
gehad, in onuitstaanbaren angst. De zon daalde naar den horizont, het
licht maakte plaats voor de duisternis, en eindelijk werd het nacht
zonder dat donna Juana er aan dacht te gaan slapen. De ongerustheid van
het jonge meisje werd hoe langer hoe grooter, te meer daar zij
letterlijk niets wist van de gebeurtenissen van den afgeloopen dag.
Toch had don Fernando bij het afscheid haar vast beloofd dat hij,
ingeval hij zelf niet kon komen, iemand zou zenden om haar te berichten
hoe de aanval der vrijbuiters was afgeloopen. Vierentwintig uren waren
nu reeds sinds dat tijdstip verstreken, en nog was geen sterveling
opgedaagd.

Het werd ochtend en tegen acht uur steeg de angst van donna Juana
dermate, dat zij zich niet langer kon bedwingen, zoodat zij besloot,
het kostte wat het wilde, berichten te gaan inwinnen. Zij luisterde
niet langer naar de smeekingen harer duenna, zij sloeg geen acht op al
de door de bedienden geopperde bezwaren, die haar met tranen in de
oogen bezwoeren nog wat te wachten. Vastberaden kleedde zij zich in
mansgewaad, stak een dolk en een paar pistolen in haar gordel en
gelastte dat men een paard zou zadelen. Er stonden verscheidene paarden
gezadeld en getuigd, gereed; maar donna Juana wist dit niet, want de
order daarvoor was door don Fernando in hare afwezendheid gegeven; om
tijd te winnen zorgden de bedienden er wel voor die bijzonderheid aan
donna Juana mede te deelen, en tot nog langer verwijl gingen zij naar
den corral om dáár een paard te halen. Daardoor verliepen nog ettelijke
minuten, en in dien tusschentijd liep donna Juana haastig over het
plein, luisterende naar het minste gerucht, en steeds met stijgenden
angst.

Plotseling vernam zij een vrij hevig geraas in de struiken en een
twaalftal mannen drongen er door heen, onder welke zij don Fernando
d’Avila gewaar werd. Het jonge meisje ijlde naar de poort, en haastte
zich die open te maken. De vluchtelingen, want dat zij niet anders
waren toonden hunne gehavende en met bloed bevlekte kleederen en hunne
bleeke gezichten, drongen overhaast naar het plein waarvan de poort
onmiddellijk achter hen werd gesloten. Don Fernando d’Avila was gewond;
hij liep moeielijk, leunende op zijn degen en ondersteund door een
zijner onderhoorigen; zoodra hij donna Juana in het oog kreeg, uitte
hij een kreet van vreugd.

—Heer, mijn God, zij gedankt! Ik kom nog in tijds. Paarden, in ’s
hemels naam, paarden! Dadelijk, dadelijk paarden!!

Maar na die woorden zonk hij ineen, en viel zonder bewustzijn ter
aarde; zijne krachten waren eerder bezweken dan zijn moed. Donna Juana
snelde hem te hulp. Don Fernando bloedde hevig uit twee vervaarlijke
wonden; er viel dus op dit oogenblik niet aan vluchten te denken.

Het jonge meisje gelastte dat men haar voogd in huis moest dragen, en
hield zich terstond onledig met al de verzorging die zijn toestand
vereischte, terwijl zij de verpleging der overige gekwetsten aan na
Cigala overliet. Die arme lieden waren er niet veel beter aan toe dan
hun bevelhebber; allen waren in meerderen of minderen graad gewond, en
overal waar zij gestaan hadden, was op den grond een bloedig spoor
zichtbaar. Het mocht een wonder genoemd worden dat zij het huis nog
hadden kunnen bereiken, zoozeer waren allen uitgeput en verzwakt.

Thans behoefde men zich niet meer in pijnigende onzekerheid te achten,
thans was iedere twijfel opgeheven; men behoefde slechts één blik te
werpen op het rampzalige voorkomen van die lieden, die blik was even
voldoende als het uitgebreidste rapport. De zege der flibustiers stond
met duidelijke letters op hunne door angst en vrees verwrongene
gelaatstrekken en in hunne schuw dwalende en verbijsterde oogen te
lezen. Door de goede zorgen van donna Cigala, vonden zij een rustplaats
op bossen stroo in een schuur, en werden zij dáár verzorgd en hunne
wonden verbonden. De flauwte van don Fernando was alleen veroorzaakt
door bloedverlies en overmaat van vermoeidheid bij eene overhaaste
vlucht door genoegzaam ondoordringbare bosschen, doch spoedig kwam hij
weder bij. Hij bedankte donna Juana en wilde toen opstaan doch het
jonge meisje hield hem terug en zei op meewarigen toon:—Daarvoor zijt
gij nog veel te zwak. Gij moet eerst eenige uren uitrusten.

—Uren! Geen enkele seconde!—viel hij heftig uit.—Men vervolgt ons, dit
weet ik zeker, wij moeten vluchten, ijlings vluchten. Als ik te zwak
ben om te paard te stijgen, moet men er mij maar op binden, maar ik
herhaal het u, kindlief, wij moeten dadelijk vluchten, ieder minuut die
ge verliest is een minuut minder van uwe vrijheid.

—Goed, daar gij het eischt zal ik gehoorzamen.

—Ja, ja, doe zoo! Waar zijn de anderen?

—Zij liggen op stroo in een schuur.

—Goed, uwe bedienden moeten zich wapenen. Haast je! Haast je!

Op eens stond hij op van de rustbank waar hij lag, scheen een oogenblik
scherp te luisteren en riep toen met eene onbeschrijfelijke uitdrukking
van wanhoop:—O! Mijn God! Het is te laat, te laat! Daar zijn zij! Sluit
de poorten! Barrikadeer alles of gij zijt verloren!

En ondanks al de pogingen van donna Juana om hem tegen te houden, wilde
hij naar buiten om de bedienden te wapen te roepen. Van onder de
struiken werd een kort afgebroken geblaf gehoord, dat snel het huis
naderde. Kort daarna werd men een grooten hond gewaar, die met
opstaande haren, de tong uit den bek, en den neus langs den grond, kwam
aanhollen alsof hij een spoor volgde, daarop werd herhaaldelijk de stem
van een man vernomen die, nog onzichtbaar, in het Fransch het dier
toeriep:—Zoek, Monaco, zoek, brave hond.

Bij de poort gekomen, bleef het dier staan, om bijna nog verwoeder te
blaffen.

—Vervloekt beest!—brulde don Fernando woedend.—Door dat dier is ons
spoor ontdekt, en vallen wij onzen vijanden in handen.

Hij trok een pistool uit zijn gordel, en loste het op den hond, maar
het schot was niet goed gemikt en de hond bleef ongedeerd.

—O! Wat hebt ge nu gedaan!—kermde donna Juana.—Dát is onze ondergang.

Don Fernando liet in wanhoop het hoofd op de borst zinken.

—Blijf daar, Monaco,—zoo liet die stem zich weer hooren.—Koest, beste
hond, koest, wij komen!

Een aanval op het huis scheen nu onvermijdelijk. De Spanjaarden waren
vast besloten zich tot het uiterste te verdedigen, en de gedachte zich
over te geven kwam zelfs niet bij hen op, want zij wisten te goed wat
zij van hunne woeste tegenstanders te wachten hadden.

Even als te Maracaïbo was het Philippe’s eerste zorg geweest na zijne
komst te Gibraltar om, geleid door Zijden-Draad die hem tot gids moest
dienen, te hollen naar de woning van donna Juana. Maar weer wachtte hem
dezelfde teleurstelling. Het huis was verlaten. Tevergeefs vloog de
jonge man van de eene kamer naar de andere; overal en telkens bleek hem
duidelijk dat er een overhaast vertrek had plaats gegrepen, en de jonge
dame was ook hier nergens te vinden. Philippe raapte een zakdoek op die
op een der meubels lag en zeker vergeten was, een zakdoek nog vochtig
van de tranen die donna Juana zeker bij haar vertrek gestort had.
Philippe drukte er herhaaldelijk een kus op, en ging wanhopig heen,
niet wetende waarheen hij nu zijne schreden zou richten.

—Wel weet ik,—zei Zijden-Draad tegen hem,—dat don Fernando hier in den
omtrek een landhuis heeft, maar wáár, dat zou ik niet kunnen zeggen,
want ik ben er nooit geweest.

—Wat te doen?—mompelde Philippe en drukte den zakdoek tegen zijne
lippen, alsof het fijne weefsel in staat ware voor hem het raadsel op
te lossen van het tegenwoordige verblijf zijner beminde.

—Wacht eens,—riep op eens Zijden-Draad.—Daar valt mij iets in! Nog is
alles niet verloren!

—Wat wil je daarmee zeggen?—vroeg Philippe haastig.

—Laat mij maar begaan. Misschien krijgt gij straks weer eenige hoop.

De jongen had Tributor in het oog gekregen, die, gevolgd door zijn hond
Monaco, jacht maakte op de Spanjaarden.

—Hei! Tributor!—schreeuwde de jongen.

De pandeling keek om en vroeg:—Wat wil je van mij?

—Ik? Niets,—gaf de jongen ten antwoord,—maar kapitein d’Ogeron heeft je
iets te zeggen.

—Hier ben ik,—hernam de pandeling.—Hier, Monaco!

De reus liep dadelijk naar Philippe aan wien hij zeer was gehecht,
sinds de kapitein hem een grooten dienst had bewezen.—Wat verlangt gij,
kapitein?

—Ik?—werd met verwondering gevraagd.

—De kapitein,—haastte Zijden-Draad zich in plaats van Philippe te
antwoorden,—zou wel eens willen weten of Monaco zulk een goede
speurhond is als door jou wordt beweerd.

—Wel drommels! ’t Kost weinig moeite om dat te bewijzen,—verzekerde de
reus, die met welgevallen zijn hond streelde.—Neem er de proef maar van
op menschen of op dieren. Breng hem op het spoor en hij zal het volgen.

—Dat zullen we dan eens zien, ouwe jongen. Kom met ons mee, als de hond
het spoor volgt, waarop wij hem zullen brengen, en dit tot het eind
volhoudt, dan kan je er duizend francs mee verdienen. Staat je dit aan?

—Of het! Want ’t is net zoo goed alsof ik die duizend francs reeds in
mijn zak heb.

—Ba! Wat een gebluf op zoo’n hond!

—Monaco is een zeer goed dier,—antwoordde de reus eenigszins
geraakt,—en bluffen is mijn gewoonte niet.

—Nu, ook al goed, kom maar mee.—Daarop wendde de jongen zich tot
Philippe, en vervolgde:—Die hond zal ons terug doen vinden wat wij
verloren hebben.

—O!—uitte de kapitein.—Als zoo iets mogelijk was!

—Wat belet ons het te beproeven?

—Jij hebt gelijk,—luidde het gejaagde antwoord.—Dit moeten wij doen.

—Volg mij!—hernam de jongen.

Zij sloegen de richting in naar het vrije veld; maar na eene opmerking
van Zijden-Draad, dat men waarschijnlijk genoodzaakt zou wezen zich een
heel eind van de stad te verwijderen, dacht Philippe dat het niet kwaad
zou zijn zich door eenige vrijbuiters te doen vergezellen en klampte
onder weg achtereenvolgens een dertigtal aan, die dadelijk bereid waren
hem te volgen. Buiten de stad werd stil gehouden en door den reus
gevraagd:

—Welken kant moeten wij op?

—Dat moet jouw hond weten,—antwoordde de jongen,—hij is nu onze gids.

—Hier,—zei Philippe tegen den reus.—Hier heb je een doek, laat je hond
dien beruiken.

—Doe nu je best, oude jongen,—voegde Zijden-Draad er bij,—want denk er
aan, duizend francs zijn er mee gemoeid.

—Hou jij je er maar buiten,—hernam de reus bits,—ik heb immers al
gezegd dat het net zoo goed is alsof ik die in mijn zak heb.

Toen nam hij den hond bij den nek, hield hem den doek voor en streelde
hem.

—Zoeken, Monaco, zoeken! Pak aan, beste hond, pak aan!

Monaco snoof herhaaldelijk langs den zakdoek, begroef er zijne snoet in
en wentelde de doek eenigen tijd in alle richtingen om; toen stak hij
zijn kop in de hoogte, en keek zijn meester aan met oogen die naar men
zou gewaand hebben, getuigden van menschelijk begrip. Tributor liet het
dier los. De hond liep dadelijk met den neus op den grond in een cirkel
rond en deed dit eenige keeren, doch telkens werd de cirkel kleiner. Op
eens bleef hij stilstaan, stak den kop in de hoogte, scheen de lucht op
te snuiven, blafte een paar malen kort afgebroken, keek toen zijn
meester aan, en liep recht voor zich uit met de snelheid van een pijl.

—Het spoor is gevonden,—verzekerde Tributor.

—Dan op weg! Op weg!—riep Philippe.

De vrijbuiters snelden den hond achterna. Het was kort bij zeven uur ’s
avonds toen de jongen Tributor in het oog had gekregen en op de
gedachte gekomen was of Monaco ook van dienst zou kunnen wezen; nu
stond de zon dus reeds gereed onder te gaan. Ondanks dit late uur
aarzelden de flibustiers geen oogenblik verder te gaan. ’s Ochtends
tegen twee uur begon de hond, die men aan een lange lijn vasthield,
daar men vreesde hem in de duisternis uit het oog te verliezen,
teekenen van onrust te geven, en telkens kwam hij weer terugloopen.

—Hier schijnt het spoor zich te kruisen,—merkte Tributor op.—Het beste
zou zijn dat wij hier bleven tot het dag wordt.

Niemand had daar iets tegen; zulk een dwaaltocht, uren achtereen, over
bijna onbegaanbare wegen, had, zooal niet den moed, dan toch de
krachten zelfs van den sterkste te zeer aangetast, en ook Philippe
ondervond dit daar hij halfdood van moeheid was. Men bleef dus waar men
was, en ieder zocht een geschikt plekje om zoo goed als kwaad het ging,
er den nacht door te brengen. Niet lang daarna waren allen in een
gerusten slaap gedompeld. Bij het krieken van den dag werden zij
wakker. Die enkele uren van gezonden slaap waren genoegzaam voor hen om
zich verfrischt en weer flink te gevoelen. De hond werd nu opnieuw
losgelaten, nadat men het dier nogmaals den zakdoek had laten
besnuffelen. Een paar minuten later had Monaco het spoor teruggevonden
en rende even hard voort als den vorigen avond, gevolgd door al de
vrijbuiters, met Tributor aan hun spits, die telkens schreeuwde:

—Pak ze, Monaco, pakken als een brave hond!

Die tweede tocht duurde lang; eerst tegen acht uur hoorden zij den
hond, dien zij reeds eenige minuten uit het oog hadden verloren,
verwoed blaffen.

—Ginds is iets aan de hand,—verzekerde Tributor.—Monaco staat.

—Dan dadelijk er op los!—gelastte Philippe hijgend.

Tributor hitste den hond opnieuw aan, en toen viel plotseling een
schot.

—Carambo!—vloekte de reus, die een sprong deed als een tijger.—Daar
vermoordt men mijn hond. Koest, Monaco, koest, wij komen, wij komen!

Steeds bleef de hond even verwoest blaffen, en op eens bevonden de
vrijbuiters zich buiten het bosch vóór een huis, en vlak bij de poort
waar Monaco nog altijd stond.

—Nu geloof ik toch dat wij aan het eind van het spoor gekomen zijn,
he?—vroeg Tributor met voldoening.

—Wel drommels,—viel Zijden-Draad uit.—Zoo’n tweede hond is er niet! En
wat heb ik dat netjes verzonnen!

—Blijft allen staan!—gelastte Philippe.

Hij trad vooruit, nam het huis nader op, en spoedig teekende zijn
gelaat hoe gelukkig hij zich gevoelde, daar hem de vlag in het oog was
gevallen die boven uit het prieeltje wapperde.

—Eindelijk! Eindelijk!—riep hij uit.—Goddank, ik heb haar
teruggevonden!

Zonder een oogenblik te bedenken welk eene onvoorzichtigheid hij
beging, liep hij regelrecht naar het huis, waaruit hem barsch werd
toegeroepen:—Wie daar?

—Goed vriend,—luidde onmiddellijk het antwoord.

—Ik heb geen vriend onder de ladrones. Terug of ik schiet!

De vrijbuiters voorzagen dat het tot een gevecht zou komen, en hielden
hunne wapens gereed. Maar wat niemand verwacht had, gebeurde; na die
ruwe toespraak bleef het een vrij lange poos zeer stil en daarna werden
plotseling de luiken van het tralievenster weg geschoven, en verschenen
twee personen; een daarvan was don Fernando d’Avila, de tweede donna
Juana, nog altijd in manskleederen. Philippe was op het punt naar de
jonge dame toe te ijlen, doch een wenk van haar hield hem terug.

—Wat verlangt gij?—vroeg don Fernando op somberen toon.

—Dat dit huis door u wordt overgegeven, waar gij u toch niet kunt
staande houden!—gaf Philippe ten antwoord.

—Ons aan u overgeven!—hernam de Gouverneur schamper en bits.—Dan is het
beter te sneven met de wapens in de hand.

—Uw leven en dat van allen die er zich in bevinden zal gespaard
blijven, en uw goederen onaangeroerd.

—Ja, gespaard zooals dat van de inwoners van Maracaïbo en Gibraltar, en
zoo zou het ook met onze goederen gaan. Welken waarborg geeft gij mij
voor de nakoming van die belofte?

—Mijn woord van eer, caballero, het woord van ridder Philippe d’Ogeron.

Een oogenblik heerschte er stilzwijgen. Don Fernando deed, hoezeer met
groote moeite en leunend op zijn degen een schrede voorwaarts en
zei:—Luister naar mij.

De jonge man naderde.

—Ik ben,—hernam de Gouverneur steeds even somber,—de voogd van deze
jonge dame; zij heeft mij zoo even bekend dat zij u liefheeft; hoe en
waar die liefde ontstaan is, kan ik nu op dit oogenblik niet nader
onderzoeken; zij zegt dat gij een man van eer, en een echt edelman
zijt. Wilt gij er een eed op doen dat zij door u gerespecteerd en
beschermd zal worden?

—Dat zweer ik!

—Ik aanvaard dien eed, ik vertrouw op uw woord! Tegenover stervenden
liegt men niet, en ik ga sterven.

—Mijnheer!—kreet de jonge dame.

—Stil, stil, donna Juana, wij hebben geen tijd te verliezen, laat mij
uitspreken. Die jonge dame hier is mij, toen zij nog een zeer klein
kind was, toevertrouwd door den hertog de Penaflor; in deze
portefeuille zult gij de stukken vinden die de waarheid bewijzen van
wat ik u daar gezegd heb. Neem die portefeuille aan.

Bij die woorden haalde hij een portefeuille uit zijn zak en stelde die
aan Philippe ter hand.—Gij zweert dus dat gij uw woord trouw zult
blijven?—hernam de oude man op plechtigen toon.

—Dat zweer ik niet alleen wat betreft donna Juana, maar ook ten
opzichte van uwe metgezellen en in de eerste plaats van u zelven.

—O! Wat mij betreft dat is onnoodig, ik zal wel voor mij zelven weten
te zorgen,—verzekerde hij met droeven glimlach.—Ik roep God tot getuige
dat ik gedurende mijn gansche leven getrouw mijne plichten als Christen
en als soldaat ben nagekomen. Ik ga dus den dood tegemoet zonder mij
iets te verwijten te hebben. Donna Juana, maak de poort open.—Haastig
werd door haar daaraan voldaan.—Komt allen hier,—riep don Fernando met
luider stem tot zijne manschappen.—Werpt uwe wapenen weg, gij allen
zijt gevangenen.

—Neen,—sprak Philippe dadelijk daarop tot de soldaten die zich achter
hun bevelhebber geschaard hadden.—Behoudt uwe wapenen, dappere kerels,
gij zijt allen vrij.

—Gaat, gaat, kinderen!—uitte de Gouverneur, en groette hen met de
hand.—Maakt u het zoo goedgunstig verleende verlof ten nutte om je zoo
spoedig doenlijk in veiligheid te stellen,—en toen hij bemerkte dat zij
aarzelden, zeker uit gehechtheid aan hun meester, werd er door hem
bijgevoegd op een toon die geen weerspraak gedoogde:—Gaat, ik wil en
gelast het.

Toen snelden de arme duivels naar het heestergewas, waar zij spoedig
tusschen de struiken verdwenen, zonder dat een der vrijbuiters zich
verwaardigd had het hoofd om te draaien en hen na te kijken.

—Mijnheer,—hernam de Gouverneur,—ik betuig u mijn dank voor uwe
loyaliteit. Donna Juana, leef gelukkig, blijf altijd aan mij denken, ik
heb je als een vader liefgehad.

—O! Neen!—snikte het meisje dat zich in zijne armen wierp.—Zóó zullen
wij niet scheiden.

Hij lachte droevig, en mompelde terwijl hij haar omhelsde:

—Eer dan ge denkt, arm kind! Mijn zegen schenk ik je!

Hij schoof haar van zich af en wendde zich tot Philippe die
onbeweeglijk voor hem stond en hem oplettend gadesloeg.

—Een oud krijgsman zooals ik, vraagt geen kwartier, en geeft zijn degen
aan niemand over, zelfs niet aan zulk een dapper edelman als gij.
Vaarwel, alles wat ik heb liefgehad! Leve Spanje!...

En eer men kon vermoeden wat zijn voornemen was, trok hij een pistool
uit zijn gordel en schoot zich door het hoofd. Donna Juana slaakte een
kreet van wanhoop en snelde naar hem toe, doch viel bewusteloos in de
armen van Philippe.

—Kameraden, bewaart het stilzwijgen over alles wat hier is
voorgevallen,—verzocht hij aan de vrijbuiters.

—Dat zweren wij!—verklaarden zij, daar allen zich getroffen gevoelden
door deze zoo tragische als onvoorziene gebeurtenis.

—Waarachtig!—uitte Tributor.—Het is jammer dat hij zich gedood heeft,
want zoo waar ik leef, hij was een dapper soldaat. Koest, Monaco,
koest, brave hond.








XXIV.

TEN EINDE RAAD.


Sedert de verovering van Gibraltar was een maand verloopen; de
vrijbuiters waren teruggekeerd naar Maracaïbo, en die terugtocht geleek
meer op eene vlucht dan op een zegetocht. Zoo was het ook; de
flibustiers hadden werkelijk de vlucht genomen, niet voor menschen maar
voor een veel geduchteren en onverbiddelijken vijand, de zwarte pest!

Met een paar woorden moeten wij ophelderen waardoor die ontstaan, en
hoe het dus noodzakelijk was geworden voor de vrijbuiters om met den
meesten spoed terug te trekken.

De Spaansche gevangenen waren in een verwarden troep opeengehoopt in de
kerken; vrouwen, kinderen, grijsaards, zelfs de slaven, allen bevonden
zich daar door elkander. Waren zij eenmaal achter slot en grendel, dan
bemoeide men zich verder niet met hen, en dus stierven zij van honger
en gebrek, zonder dat hunne erbarmelijke klachten de vrijbuiters één
oogenblik weerhielden bij de plundering die, naar hunne gewoonte,
stelselmatig en geregeld geschiedde en uitgevoerd werd met eene
onbaatzuchtigheid die men bij zulke lieden niet zou hebben verwacht,
daar al de buit in massa werd bijeengebracht, in afwachting van de
verdeeling, volgens het daarvoor bestaande reglement.

In de eerste dagen had men de lijken der Spanjaarden neergegooid in
booten die geen dienst meer konden doen, en die vaartuigen als zij vol
waren in zee gesleept en doen zinken; maar spoedig vonden de
vrijbuiters dit een vervelend en tevens een zeer walgelijk werk, daarom
hielden zij daarmee op; vandaar dat, zoowel de gevangenen die in de
kerken van honger waren omgekomen, als de vrijbuiters die iederen dag
in de huizen der stad stierven tengevolge van de bekomene wonden, zelfs
niet door de geringste laag aarde werden bedekt, en tot aas dienden
voor de insecten en de roofvogels. Die even stuitende als roekelooze
onbezorgdheid moest door allen weldra duur worden betaald, want het
natuurlijke gevolg in een zoo warm klimaat was, het uitbreken van een
pestziekte. Een zeer groot aantal der vrijbuiters stierf daaraan bijna
oogenblikkelijk, en nog verscheidene anderen bezweken daar hunne oude
wonden weer openbraken en daarin koudvuur ontstond. Eindelijk werd de
sterfte zoo groot, dat de vrijbuiters begrepen hoe een langer verblijf
geen ander gevolg kon hebben, dan hun totalen ondergang, zoodat geen
hunner het Schildpaddeneiland ooit weer zou betreden.

Montbars gaf dus order te vertrekken; doch eer men onder zeil ging,
zond hij eenige vrijbuiters naar de in de bosschen verscholene
vluchtelingen om hun aan te kondigen dat zij binnen twee dagen tien
duizend piasters moesten opbrengen, daar hij anders de stad aan de
vlammen zou prijs geven. Die twee dagen verliepen zonder dat het geld
in zijn bezit kwam, en even onverbiddelijk als altijd, deed Montbars de
stad in brand steken. De weinige inwoners die er nog achter waren
gebleven, wierpen zich toen vóór de voeten van den onbarmhartigen
vrijbuiter, en beloofden een losgeld te betalen tweemaal grooter dan de
geëischte som, zoo hij er in toestemde dat de stad verder gespaard
bleef. Montbars vergunde hun het gevraagde uitstel en de twintigduizend
piasters werden na afloop daarvan hem ter hand gesteld, doch ongelukkig
genoeg was toen de stad reeds voor meer dan de helft verwoest. Aldus
werd door de vrijbuiters vaarwel gezegd aan de ongelukkige stad
Gibraltar, waar zij niets achterlieten dan puin en lijken! [14]

De bewoners van Maracaïbo hadden inmiddels hunne huizen weder
betrokken, doch werden opnieuw tot wanhoop gebracht door den terugkeer
van Montbars en de zijnen, en zij hadden daarvoor maar al te zeer
reden, want hij legde hun eene schatting op van dertigduizend piasters,
als afkoop eener hernieuwde plundering. Smeekingen hielpen niet, aan
verzet viel niet te denken, en dus bleef er voor de inwoners niet
anders over dan zich te onderwerpen.

Maracaïbo werd toen door de vrijbuiters bezet, en terwijl de
voornaamste handelaars van die stad zich beijverden het geëischte
losgeld bijeen te krijgen, begonnen de vrijbuiters, onder voorgeven dat
kloosters en kerken niet begrepen waren in de geslotene overeenkomst,
met een ijver een betere zaak waardig die gewijde plaatsen van alles te
berooven; de kostbaarheden van het altaar, de kruisbeelden, de gewijde
vaten, tot zelfs de klokken werden door hen weggevoerd, terwijl zij
sarrend op de schuchtere aanmerkingen der inwoners ten antwoord gaven,
dat dit alles hun moest dienen bij de oprichting op het
Schildpaddeneiland van eene kapel gewijd aan Onze Lieve Vrouwe van de
Overwinning. Eindelijk was men er in geslaagd de dertigduizend piasters
te kunnen betalen, en bovendien werden aan de vrijbuiters vijfhonderd
ossen afgestaan als victualie voor de vloot, daar de inwoners hoopten
op die wijze des te eerder van hen ontslagen te zullen worden.

Voor den eersten keer hielden de flibustiers trouw hun woord; zij
maakten aanstalten om spoedig en voor goed de streken te verlaten, die
zoo erbarmelijk door hen waren verwoest, toen Montbars zeer plotseling
van Francoeur, die door hem op een brigantijn ter verkenning was
uitgezonden, vernam, dat een talrijk Spaansch eskader in het gezicht
der kust kruisende was. Die tijding, hoogst waarschijnlijk door hem
verwacht, deed Montbars bijzonder veel genoegen, en dadelijk wijzigde
hij nu zijne plannen omtrent het vertrek. De vermaarde vrijbuiter kende
veel te goed de mannen die onder zijn bevel stonden om niet te weten,
dat roem voor hen weinig beteekende als die niet gepaard ging met
voordeel, en eveneens dat hij behoedzaam en voorzichtig moest handelen
om geen gevaar te loopen van door hen aan zijn lot te worden
overgelaten, wanneer men bij het verlaten van het meer in de
noodzakelijkheid zou worden gebracht, den strijd te aanvaarden waartoe
de Spaansche admiraal hen trouwens hoogst waarschijnlijk wel zou
dwingen.

Nu was het juist de hoop dat het tot zulk een strijd zou komen, dat
Montbars het gansche plan tot deze expeditie had ontworpen, eene
expeditie, tot nu toe met zooveel stoutmoedigheid als beleid door hem
volgehouden, eene expeditie ook, die zulke enorme voordeelen voor de
deelhebbers had opgeleverd. Onmiddellijk liet hij de toebereidselen tot
het vertrek staken, kondigde aan dat de vijand met aanzienlijke macht
bij den ingang van het meer was komen opdagen, en voegde er bij dat met
het oog op de gebeurtenissen die verwacht moesten worden, de verdeeling
van den buit niet zou geschieden op het Koe-eiland, zooals eerst
overeen was gekomen, maar dadelijk hier te Maracaïbo, zoodat dus ieder
terstond in het bezit gesteld van zijn deel der veroverde schatten, des
te feller zijne bezitting zou verdedigen, zoo het tot een gevecht met
de Spanjaarden mocht komen.

Dit besluit werd zeer goed opgenomen door de vrijbuiters, daar zij,
ondanks hun vertrouwen in hunne aanvoerders, toch er zeer op gesteld
waren hoe eer hoe beter te kunnen beschikken over hun deel in den
behaalden buit. Er werd dus eene algemeene samenkomst gelast van al de
vrijbuiters, op den volgenden dag ’s ochtends acht uur in de
voornaamste kerk van Maracaïbo, die voor dit doel behoorlijk werd
ingericht. Op het bepaalde uur waren reeds al de vrijbuiters gewapend
in de kerk gekomen, en hadden zij zich zwijgend rechts en links in het
gelid geplaatst; dicht bij het koor waren banken gezet voor de
aanvoerders van de expeditie, die daar plaats namen, al naarmate hunne
bemanning aankwam. Midden in de kerk was een ontzaglijke hoop goederen
en zaken van allerlei aard bijeengebracht; dit was de buit en de
opbrengst van de dubbele plundering te Maracaïbo en te Gibraltar.

Eerst hoorden de flibustiers de mis aan in stille aandacht en als
geloovige lieden; geknield op de zerken, deden zij hunne gebeden en
bleven in die houding al den tijd dat de dienst aanhield, eerst
opstaande toen de geestelijken zich in de sacristie hadden
teruggetrokken. Toen stond ook de admiraal van zijn zetel op, besteeg
de trappen van het hoofdaltaar, en zwoer met de hand op het evangelie,
dat hij niet het minste of geringste had achtergehouden van den
algemeenen buit, en dat hij geen aanspraak maakte op een grooter
aandeel dan hem toekwam volgens de bepalingen van het reglement der
vereeniging zooals die waren opgenomen in de monsterrol.

Na de vervulling van die plechtigheid, ging men over tot de berekening
van den buit, en het gezamenlijke bedrag, met inbegrip van alles, ook
van de kleinodiën en het gebroken zilverwerk, dat geschat werd op tien
kronen per pond, werd gesteld op de hoogst aanzienlijke som van
zeshonderd en zestigduizend piasters, een bedrag gelijkstaande met een
millioen, achtmaal honderd duizend gulden, nog ongerekend vijftig
duizend piasters, dus nog honderd vijftig duizend gulden, als opbrengst
van de plundering door de matrozen afzonderlijk gedaan, en die volgens
aangenomen gebruik, aan hen werden afgestaan.

Nadat het deel des Konings was afgezonderd, ontving ieder voor zich
zijn aandeel, doch vooraf was ingehouden de vergoeding toekomende aan
de gewonden, en de belooningen van de chirurgijns der vloot, welke
beide uitkeeringen in geld of in slaven werden voldaan, en ook nog het
deel voor de gesneuvelden of overledenen, dat aan hunne verwanten of
vrienden moest worden afgestaan, na behoorlijk ingeleverde
bewijsstukken. Het doet ons goed te kunnen verzekeren dat al die
verrichtingen aangevangen in goed vertrouwen op hunne aanvoerders,
eindigden zonder den minsten twist en tot volkomen bevrediging van een
ieder.

Nadat al de onderhoorigen vertrokken en slechts de gezagvoerders in de
kerk gebleven waren, die ook aanstalten maakten heen te gaan, werden
zij daarin tegengehouden door een wenk van den ridder de Grammont die
hun toeriep:—Een oogenblik, Broeders! Ik heb nog aan het oordeel van
den raad eene zeer gewichtige zaak te onderwerpen.

—Spreek!—antwoordde de admiraal uit aller naam.—Wij luisteren naar je.

—Er is immers bij de monsterrol bepaald dat al wat op de Spanjaarden
mocht worden buit gemaakt, met inbegrip der slaven, gelijkelijk door
ons moet worden verdeeld?

—Zeer zeker is dit bepaald, en staat het beschreven in de
monsterrol,—bevestigde Montbars.

De flibustiers begonnen aan die zaak hunne aandacht te wijden; Grammont
wisselde met Philippe een tartenden blik, en vervolgde met sarrenden
glimlach:—Hoe komt het dan dat een van ons, een zeer voornaam officier
der vloot, een man, in één woord, die èn om zijn rang èn om zijn naam
ten voorbeeld moest strekken niet slechts van onbaatzuchtigheid maar in
de eerste plaats van eerlijkheid, zich veroorloofd heeft zich op eigen
gezag eene slavin toe te eigenen, en haar aan den algemeenen buit te
onttrekken?

—Als een van ons zulk eene laakbare handeling gepleegd heeft,—gaf
Montbars op strengen toon te kennen,—dan heeft hij zich aan twee
misdrijven schuldig gemaakt. Vooreerst van bedrog jegens zijne
broeders, en vervolgens van ontduiking van de bepalingen der
monsterrol, en verbreking van den eed vrijwillig door hem uitgesproken
ten aanhoore van ons allen en met de hand op het evangelie. Zeg mij wie
die man is, en hij zal gestraft worden.

—Die man...—hernam Grammont met spottende stem, doch Philippe drukte
hem de hand op den schouder en viel hem eensklaps in de rede, en
zei:—Het is aan mij daarop antwoord te geven, kapitein Grammont, want
ik ben de man die door u wordt beschuldigd. Laat mij u er dus voor
behoeden eene laagheid te begaan.

—Eene laagheid!—barstte de kapitein los en sprong driftig op.

—Ik heb dat woord gebruikt en trek het niet terug. Waar en wanneer gij
wilt zal ik u daarvan rekenschap geven.

—Dan dadelijk!

—Laat ons vooraf de zaak afhandelen die je op zulk eene ongepaste
manier te berde hebt gebracht, daarna zal de andere aan de beurt komen,
wees daar gerust op.

—Kom tot kalmte, Grammont, en gij, Philippe, vervolg. Wat hebt gij te
uwer verdediging in te brengen?—vroeg Montbars, steeds even bedaard en
koel.

—De vrouw, of liever het jonge meisje, waarvan nu sprake is, werd
werkelijk door mij gevangen gemaakt, en het is waar dat ik haar niet
gevoegd heb bij de slaven bestemd om bij den buit te worden verdeeld.
Doch ik geloof mij te mogen beroepen op Montbars zelf, die mij tot
belooning voor het door mij ontworpen plan van deze expeditie, heeft
toegestaan voor mij zelven een slaaf of slavin, naar eigen keuze, te
behouden; en dat Montbars zijn woord gestand zal blijven, dat staat bij
mij vast.

—En dit zal ook bepaald en zeker het geval zijn,—bevestigde
Montbars.—Bovendien is alles wat daar door Philippe gezegd is de
letterlijke waarheid. Ik heb gemeend dat de macht die aan mij door het
vertrouwen mijner broeders is verleend, ver genoeg zou strekken, om
zulk eene onbeduidende belooning toe te staan aan den man, door wiens
toedoen wij zulk een ontzaglijken buit hebben behaald.

—Dat recht hadt gij, broeder, en hebt gij nog,—verklaarde de Mooie
Laurent. [15]—Als ik dit zeg vertrouw ik te spreken namens al de
broeders.

—Ja, ja!—beaamden al de aanvoerders.

—Grammont heeft ongelijk,—sprak ten overvloede Luiwammes.

De kapitein beet zich tot bloedens op de lippen en het kostte hem
blijkbaar inspanning niet te spreken.

—Dus, broeders, ben ik in uwe oogen volkomen gerechtvaardigd?—vroeg
Philippe.

—Ja, ja!—klonk het hem toe.

—Daarvoor zeg ik je dank, doch in eigen oogen zou ik dit niet zijn, zoo
ik je iets verzweeg.

—Spreek op, broeder, spreek!

Philippe wendde zich naar den rechterkant van de kerk, waar in een
zijkapel een biechtstoel stond en zei:—Wees zoo goed hier te komen,
mevrouw.

De biechtstoel werd opengedaan en donna Clara naderde de gezagvoerders.
Allen bogen eerbiedig voor haar, zelfs Grammont groette haar, schoon
een blos van schaamte zijn gelaat kleurde, daar hij al het laaghartige
van zijne handelwijze begon te bevroeden.

—Heeren,—ving donna Clara aan,—op den dag na de bemachtiging van
Gibraltar bracht kapitein Philippe ’s avonds tegen zes uur, bij mij aan
huis eene jonge dame en eene oude dienstbode. Die jonge dame had hevige
zenuwtoevallen. Ik stelde den kapitein voor haar bij mij te houden en
te verzorgen en op te passen; dat was juist wat de kapitein verlangde,
met dat doel had hij haar bij mij gebracht. Voor het lot van die jonge
dame gevoelde ik groote belangstelling; het gelukte mij haar tot
herstel te brengen. Toen verzocht ik den kapitein haar aan mij af te
staan, en hij gaf mij ten antwoord dat de diensten die ik aan de
expeditie had bewezen die vraag mijnerzijds ten volle billijkten,
zoodat ik van dit oogenblik de volkomene beschikking verkreeg over het
lot van het jonge meisje. Heeren, ziedaar het ware en eenvoudige
verslag van de feiten. Sinds dien tijd is de arme gevangene te mijnent
gebleven, en heeft mij met al hare kracht bijgestaan aan de taak
waaraan ik mij heb gewijd.

—Mevrouw,—antwoordde Montbars, wien het moeielijk viel zijne ontroering
te bedwingen,—wij allen zijn aan kapitein Philippe dank verschuldigd
voor zijn edel gedrag in deze omstandigheden. Die jonge dame behoort u
toe.

Grammont boog een knie ter aarde voor donna Clara.—Mevrouw,—sprak hij
met gesmoorde stem,—mijn gedrag was dat van een ellendeling, maar gij,
gij zijt een engelachtig wezen en daarom durf ik hopen op uwe
vergiffenis.

—Sta op, mijnheer,—voegde zij hem toe op zachten doch droevigen
toon.—Ik schenk u vergiffenis, en ik beklaag u.

Donna Clara groette de vrijbuiters, die opnieuw eerbiedig voor haar
bogen, en verliet met langzamen tred de kerk.

—En nu tusschen ons, kapitein,—zei Grammont tegen Philippe.—Tegenover
die dame heb ik de begane dwaling hersteld, maar tegenover u...

—Genoeg!—gelastte Montbars streng, terwijl hij zich tusschen hen beide
plaatste.—Weet gij, die met de voorschriften der monsterrol zoo goed
bekend zijt, dan niet dat tusschen Broeders der Kust ieder tweegevecht
ongeoorloofd is gedurende den duur eener expeditie en dat gij je den
doodstraf op den hals haalt indien gij het waagt een uwer broeders uit
te dagen? Begeef je aan boord van je schip kapitein, en geen woord
verder met uw tegenpartij. Zijt gij beiden weer op Tortue dan staat het
aan ulieden om die zaak al dan niet door het zwaard te beslechten, maar
tot dien tijd gelast ik, geen bedreigingen en geen uittartingen meer.

—Dan zal ik wachten tot wij weer ginds op het eiland zijn!—riep hij
ziedende van woede.—Maar dan....

—Dan kunt gij handelen naar goedvinden,—viel Montbars in en voegde er
terstond bij,—Broeders, binnen een uur moeten wij onder zeil zijn.
Houdt alles gereed om de Spanjaarden warm te ontvangen, zoo zij lust
mochten gevoelen ons den doortocht te beletten.

—Bij den hemel!—riep Luiwammes.—Laten ze dat maar uit hun hart laten!

Daarop werd de kerk door allen verlaten en gingen zij naar de haven,
waar hunne booten op hen lagen te wachten. Ondanks alle door Montbars
genomene voorzorgen, om voor zijne kameraden verborgen te houden, niet
zoozeer de aanwezigheid van het Spaansche eskader want hiermeê waren
zij bekend, maar uit hoeveel schepen het bestond en hoe die bemand
waren, bracht het vreugdegejuich door de inwoners van Maracaïbo
aangeheven op het oogenblik waarop de vloot het anker lichtte en gereed
was onder zeil te gaan, de vrijbuiters tot het besef van de volle
waarheid.

Twaalf groote oorlogsschepen, met zes-en-veertig honderd koppen bemand
en met vierhonderd stukken van zwaar kaliber gewapend lagen dwars bij
den toegang tot de golf en verstopten in letterlijken zin den
doortocht. Buitendien was het door de vrijbuiters ontmantelde fort op
het Houtduifeiland weer in bruikbaren staat gebracht, voorzien van de
noodige stukken en van een garnizoen, vijfhonderd man sterk. De
Onder-Koning van Nieuw-Spanje was in eigen persoon op het eskader
aanwezig.

Bij zulke vernietigende tijdingen ontzonk de moed zelfs aan de
stoutmoedigste vrijbuiters; zij vervielen tot doffe wanhoop en
weigerden botweg eenige poging te wagen om den doortocht te forceeren.
Hun toestand, dit moet erkend worden, was dan ook hachelijk, hoogst
kritiek; hunne schepen waren slechts van middelbare grootte en daarbij
zwak bewapend, zoodat ze verreweg onder moesten doen voor de goed
bewapende oorlogsschepen der Spaansche marine; ook kwam daar nog bij
dat de pest de bemanning met een derde verminderd had, terwijl het
getal der strijdbare manschappen eveneens belangrijk was gedund, daar
al de gewonden of verminkten die niet in staat waren om deel te nemen
aan het gevecht toch opgenomen waren op de vloot, en hun aantal meer
dan tweehonderd beliep. Om kort te gaan de vrijbuiters konden hoogstens
vijftienhonderd weerbare manschappen tegenover de macht der Spanjaarden
stellen.

Intusschen was een brigantijn onder parlementaire vlag te Maracaïbo
aangekomen. Die brigantijn bracht voor de aanvoerders der expeditie een
brief van den Onder-Koning waarbij hij hen opeischte zich op genade of
ongenade over te geven. Dit schrijven eindigde met deze vernietigende
woorden, die den dapperste het bloed in de aderen deed verstijven.


    „Indien ik morgen bij zonsopgang geen twintig gijzelaars heb
    ontvangen, onder wie in de eerste plaats zich behooren te bevinden,
    Montbars de Verdelger, Francoeur, Philippe d’Ogeron, Pierre
    Legrand, de Olonner, Grammont, Morgan, de Roodkop en de Mooie
    Laurent [16], die ten voorbeeld voor allen zullen dienen, zal ik
    het meer instevenen, u te Maracaïbo komen opzoeken, en al werd die
    stad door u ook in een hoogoven veranderd, dan zult gij toch dáár
    in mijne handen vallen en door mij behandeld worden met al de
    gestrengheid die gij verdient.”


Zulk een trotsche en zoo dreigende taal ging alle palen te buiten en
had niet de uitwerking die de Onder-Koning zich daarvan ongetwijfeld
had voorgesteld. Daardoor toch werd aan de vrijbuiters tot zelfs de
minste hoop op eenige vrijgevigheid benomen, daardoor ook herkregen zij
hun dolzinnigen overmoed, en hun onwrikbare stoutmoedigheid, daardoor
ontstond bij hen de grootste verontwaardiging, daar men het waagde hen
op zulk een minachtende wijze toe te spreken. Montbars verlangde dat
die brief met luider stem zou worden voorgelezen aan al de Broeders der
Kust. Na die lezing nam hij het woord.

—Bij den hemel, kameraden,—riep hij hun toe.—Ik herken je niet meer!
Zijt gij er de mannen naar om je zóó te laten beleedigen, door iemand
die het nog nooit gewaagd heeft zich met ons te meten? Zijt gij bereid
om de smadelijke kastijding te ondergaan, waarmede die onbeschaamde
tegenstander uw erkenden moed wil bezwalken? Goed, het zij zoo!
Onderwerp je aan hem! Maar ik voor mij, ik wil geen deel nemen aan zulk
eene lafhartige handeling. Ik heb mij in je bedrogen, gij zijt niet de
mannen waarvoor ik je hield, gij zijt thans niet veel meer dan bevende
vrouwen, die schrikken voor de stem van een Spanjaard, en daarom laat
ik je vrij in uw besluit. Strekt uwe armen uit om geketend te worden,
en gaat de hand kussen van uw beul.

Die vinnige toespraak ontlokte hun een dof gemompel; een blos van
schaamte steeg op het gelaat der flibustiers, en de daardoor ontstane
woede gaf hun den ouden moed terug.

—Voer ons aan naar den vijand,—riepen zij Montbars toe,—en wij zullen
vechten zoolang er nog bloed in onze aderen vloeit! Zelfs de gewonden
zullen je kruipende volgen. Voorwaarts, Montbars! Blijf ons aanvoeren!

—Zijt gij dan vast besloten mij te gehoorzamen?—vroeg Montbars ernstig.

—Ja, ja! Beveel! Wij behooren je toe!

—Goed!—hernam Montbars, die zijn hoed afnam en de hand op zijn hart
drukte.—Dan zweer ik je plechtig, broeders en kameraden, dat die
onbeschaamde Spanjaard met zijn leven boeten zal voor zijne bluffende
woorden, en tevens, dat wij ongedeerd zullen ontkomen aan de nederlaag,
die hij zich reeds zeker waant ons te zullen toedienen!

—Leve Montbars!—brulden de vrijbuiters in vervoering.

Nu was alle vrees verdwenen, en de vrijbuiters twijfelden niet langer
of zij zouden overwinnen.

—En nu, kameraden,—hernam Montbars,—eisch ik van u een eed, dat gij
vechten zult tot uw laatsten snik, zonder genade te vragen.

—Dat zweren wij!—werd hem als uit één mond toegeroepen, terwijl zij hun
wapenen zwaaiden.

Daarop wendde Montbars zich tot den Spaanschen officier, die belast met
de overhandiging van den brief van den Onder-Koning, de verschillende
wisselingen van dit tooneel had bijgewoond.

—Keer naar uw meester terug, señor,—voegde Montbars hem met de diepste
minachting toe,—en deel hem alles mede wat door u hier is gehoord en
gezien. Zeg hem ook dat de Broeders der Kust gewoon zijn voorwaarden te
stellen, maar er nooit over denken om zich die te laten opleggen! Ga
señor, uwe zending hier is afgeloopen, hier in ons midden hebt gij
niets meer uit te richten. Vertrek!

De officier groette en vertrok begeleid door Morgan, die hem naar de
brigantijn bracht, om hem te vrijwaren voor beleedigingen der
vrijbuiters, die in groote menigte door de straten dwaalden, en
waarschijnlijk, zoo de parlementair alleen ware geweest, er geen
bezwaar in gezien zouden hebben hem overhoop te steken, zoo hevig was
hun haat tegen iederen Spanjaard, doch vooral op dit oogenblik.

Morgan nam op beleefde manier afscheid van den officier, en begaf zich
toen weer naar zijne kameraden, die nog raadsvergadering hielden in
dezelfde kerk waar dien eigen morgen de buit was verdeeld.

Toen de Spaansche officier aan boord van zijn schip zich in veiligheid
rekende, ontsnapte hem een zucht van verlichting, daar hij niet had
durven hopen, ongedeerd te blijven bij zulk eene zending naar
dergelijke lieden. Zonder tijd te verliezen liet hij het anker lichten
en enkele minuten later, koerste de brigantijn met volle zeilen naar
den ingang van het meer om zich weêr te voegen bij de vloot van den
Onder-Koning. Toch achtte de officier zich niet buiten alle gevaar eer
het eskader van de vrijbuiters geheel uit zijn gezicht was, en voor hij
de hoog getopte masten der Spaansche schepen weer in het oog kreeg.








XXV.

EEN HUISELIJK TAFEREEL.


De haat is een slechte raadgever. De hertog de Penaflor had, door zich
te laten leiden door den haat dien hij Montbars toedroeg, een grooten
misslag begaan. Als hij het meer onverhoeds was binnengeloopen en
dadelijk met alle kracht een aanval op de vrijbuiters had gedaan, dan
was er geen twijfel aan geweest of deze zouden door zijne plotselinge
verschijning aan het hoofd van zulk een geduchte overmacht, geheel
ontmoedigd zijn geworden. Dan zou hij hen zeker overwonnen en
genoodzaakt hebben, zoo al niet om de wapenen neer te leggen, dan toch
stellig om afstand te doen van den buit en de slaven, die zij bij deze
expeditie hadden overmeesterd, en tevens hen zoo gekortwiekt hebben,
dat zij voor langen tijd er niet aan zouden durven denken hunne
stoutmoedige overvallen op de Spaansche koloniën te wagen. Maar bij den
hertog de Penaflor had zijn persoonlijke haat de overhand op zijn
plichtsgevoel, en toen hij de vrijbuiters geen andere keuze liet dan
tusschen de smadelijkste oneer of den dood, wekte hij bij hen de
vroegere energie weder op, en bezielde hen met het vaste besluit tot
den laatsten man te strijden, en tevens met de hoop van door moed en
standvastigheid een nederlaag te voorkomen, en aan hem te ontkomen.

Olivier Oexmelin, zelf een vrijbuiter en chirurgijn aan boord van een
hunner schepen, heeft een zeer omstandig relaas geschreven van deze
expeditie, die natuurlijk ook door hem is bijgewoond; aan dit verslag
ontleenen wij al de bijzonderheden over de maatregelen door Montbars
genomen, om met eer en glorie te geraken uit den hachelijken toestand
waarin hij zich thans bevond.

Meer dan ooit toonde de vermaarde vrijbuiter bij deze gelegenheid
hoezeer hij op de hoogte was van zijn taak, en hoe onuitputtelijk in
het bedenken van krijgslisten. Ook hij liet zich leiden door haat, dit
moeten wij toegeven, maar hij liet zich door dien haat niet zoozeer
verblinden dat hij daardoor zijn plicht als bevelhebber uit het oog
verloor; wel was zijn grootste begeerte om een schitterende weerwraak
te nemen op den man die hem nu reeds sinds tal van jaren onverbiddelijk
vervolgde, maar niet minder sterk was zijn streven om al de lieden te
redden die zich aan hem en zijn goed fortuin hadden toevertrouwd.

Naar beide deze drijfveeren regelde hij zijne handelingen en toen hij
al de kracht zijner overreding had aangewend om den terneer geslagen
moed van zijne kameraden weer op te wekken, toonde hij zichzelf een
voorbeeld van energie en wilskracht, in het overwinnen van de grootste
hinderpalen. List moest het scherpste wapen zijn dat hem de zege op de
Spanjaarden deed behalen en dat wapen zou ook nu weer door hem
aangewend worden.

Een zijner eerste maatregelen bestond hierin dat hij voorzorgen nam
tegen een mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk oproer der gevangenen,
een oproer waardoor zijne positie genoegzaam hopeloos zou worden. De
Spaansche gevangenen en ook de uit Gibraltar medegevoerde gijzelaars
werden op zijn last zwaar geboeid, en bij hen eene sterke wacht
geplaatst met de strengste orders tot hunne bewaking. Vervolgens koos
hij uit de grootste schepen dat wat hem toescheen het oudste en minst
zeewaardige te zijn, en besloot dit in een brander te veranderen. Er
werden dus aan boord van dit vaartuig alle mogelijke brandbare stoffen
gebracht, zooals pek, teer, zwavel, benevens zooveel kruit als men
missen kon; tevens liet hij bommen maken van pek en zwavel, gedrenkt in
teer, die geschikt moesten zijn om als granaten geworpen te worden, en
verder nam hij allerlei beschikkingen om de goede uitwerking van die
vreeselijke vernielingsmiddelen te verzekeren. De buitenhuid van dien
brander werd aan den binnenkant zooveel mogelijk uitgehakt, om op het
gegeven oogenblik des te gemakkelijker uit elkaar te springen. Nog
werden op zijn bevel op het dek ruw gehouwen houten blokken vastgezet
omkleed door matrozenplunje, breedgerande hoeden met wapens en
vaandels, zoodat men uit de verte gezien, meende dat het werkelijk
soldaten waren, die fier en onbeweeglijk het oogenblik afwachtten om
den vijand met alle macht te lijf te gaan.

Aan weerszijden werden talrijke schietgaten geboord, waardoor geronde
en geverfde balken werden gestoken, die het aanzien van kanonnen
hadden, en de Fransche vlag in top geheschen; in één woord er werd door
Montbars, die dit zoozeer verstond, geen mogelijke list verzuimd om de
ware bestemming van het schip, als brander, te bemantelen, en het
geheel en al het voorkomen te geven van een goed uitgerust en sterk
bemand en bewapend Fransch oorlogschip. Dit soort van helsche machine
werd in de voorhoede geplaatst. De overige schepen van het eskader
hielden zich op korten afstand meer achterwaarts.

In het midden van het konvooi waren in eenzelfde vaartuig al de
mannelijke gevangenen opeengehoopt; de vrouwen, de kinderen, het goud,
de juweelen en verdere kostbaarheden, in één woord het kostbaarste van
den buit bevond zich op een schip, dat onder bevel stond van Luiwammes,
die order had zich eerder in de lucht te laten springen dan zich over
te geven.

Toen al die schikkingen waren getroffen, begaven de vrijbuiters zich
aan wal, en gingen in behoorlijke orde naar de kerk waar zij met vrome
aandacht de mis bijwoonden, daarna scheepten zij zich wederom in zonder
de minste baldadigheid in de stad te plegen. Ondanks zichzelven
gevoelden de bewoners zich getroffen door de sombere maar vastberadene
trekken der vrijbuiters; zij begrepen dat die lieden gereed waren tot
het uiterste toe vol te houden, en met huivering en angst dachten zij
aan de gevolgen van den ontzettenden strijd, die zou aanvangen tusschen
het eskader der vrijbuiters en de vloot der Spanjaarden.

Tegen ongeveer vier uur in den namiddag waren al de equipages weer aan
boord. Montbars was niet van plan onder zeil te gaan eer de nacht
volkomen gevallen was; hij berekende dat bij duisteren nacht, zonder
maneschijn, de meeste kans zou bestaan om onbemerkt het kanaal te
naderen.

Montbars had zes dagen voor zijne toebereidselen noodig gehad, doch
ondanks hunne onbeschaamde opeisching en bedreiging, waren de
Spanjaarden het meer niet binnengeloopen, en duidde niets aan dat zij
gevolg zouden geven aan die bedreiging en aan hun voornemen om de
vrijbuiters te Maracaïbo te komen opzoeken. Montbars ging naar zijne
kajuit, na zich door middel van zijn verrekijker te hebben verzekerd
dat alles op het eskader gereed was, en de gezagvoerders slechts
wachtten op het sein van den admiraal, om dadelijk onder zeil te gaan.

Na eenigen tijd werd de deur van de kajuit geopend, en twee personen,
donna Clara en Francoeur, traden binnen. Montbars groette hen met de
hand, wenkte hen om plaats te nemen en zei:—Gij moet het mij ten goede
houden dat ik u verzocht heb beiden hier te komen, doch ik verlang er
zeer naar om u zonder verwijl te spreken.

—Tot uwe orders, Admiraal,—antwoordde de jonge man en boog.

—Ik wacht uwe nadere verklaring, mijnheer,—sprak donna Clara met zachte
stem.

Montbars zweeg eenige oogenblikken met gebogen hoofd en gefronste
wenkbrauwen; langzamerhand echter helderde zijn gelaat op; hij hief het
gelaat omhoog en sprak met diepe en ingehouden stem waarin de laatste
weergalm klonk van eene met moeite bedwongene ontroering.

—Ik heb u beiden eene opheldering te geven, die inzonderheid jou
betreft, don Gusman.

—Admiraal, die naam is de mijne niet meer,—merkte de jonge man haastig
aan, doch dadelijk daarop legde donna Clara hare hand op zijn schouder
en voegde hem toe:—Laat nu den Admiraal spreken zonder dat gij hem in
de rede valt.

Verwonderd zag de jonge man haar aan, maar hij werd op haar gelaat zulk
eene goedhartige en smeekende uitdrukking gewaar dat hij boog ten
teeken van instemming.

—Het beslissende oogenblik, sinds zoo vele jaren door mij verbeid, is
eindelijk aangebroken,—verklaarde Montbars.—Naar ik hoop zal ik morgen
bij zonsopgang voor de laatste maal van aangezicht tot aangezicht
tegenover den onverbiddelijken vijand staan, wiens haat mij gedurende
mijn gansche leven heeft vervolgd. God, wiens oordeel onfeilbaar is,
zal tusschen den hertog de Penaflor en mij vonnissen.

—De hertog de Penaflor!—kreet donna Clara, en wrong verschrikt de
handen.

—De hertog de Penaflor!—mompelde de jonge man verbaasd.

—Ja, wist gij dit niet?—hernam Montbars op bitteren toon.—De hertog de
Penaflor, de Onder-Koning van Nieuw-Spanje, is in eigen persoon
aanwezig op de vijandelijke vloot, daar hij, gedreven door zijn
verregaanden haat, getuige wil zijn van den doodstrijd van zijn vijand!
Doch laat dit zijn zooals het is, en spreken wij liever over jou, don
Gusman. Ik verlang niet van je dat gij tegen uw zin deel zult nemen aan
den strijd zonder genade tegen den man, die in uw jeugd voor je heeft
gezorgd, en wien het uw plicht is, tot het tegendeel mocht bewezen
worden, te beschouwen als uw weldoener; ik wil evenmin uw geweten
geweld aan doen,—liet hij er op volgen met eene uitdrukking van wreeden
spot, die zijne toehoorders deed huiveren.—Gij behoudt dus uwe vrijheid
onzijdig te blijven in het aanstaande gevecht, zoo,—voegde hij er
bij,—uwe gevoelens je nopen daaraan geen deel te nemen.

—Maar Admiraal!—viel hij uit.

—Stil!—hernam Montbars haastig,—ik ben nog niet aan het eind.

—Mijn God!—mompelde donna Clara,—wat wilt gij dan nog meer zeggen.

—Alles mevrouw!—verklaarde hij met snijdende stem,—want eindelijk heeft
het uur geslagen waarin alles moet worden opgehelderd; het uur waarop
de waarheid aan het licht moet komen; het uur waarop deze jongman
rechter moet zijn in zijne eigene zaak, en uitspraak doen tusschen zijn
vader en zijn weldoener!

—Mijn vader?—herhaalde de jonge man een en al verbazing.—Hebt gij daar
niet gezegd, mijn vader?

—Ja, don Gusman, want alles bewijst mij dat gij mijn zoon zijt. De
papieren door den stervenden don Fernando d’Avila aan Philippe d’Ogeron
ter hand gesteld, laten in deze zaak niet den minsten twijfel meer
over.

—Admiraal! Ik begrijp er niets meer van, ik geloof dat ik nog gek word!
Gij, mijn vader?!

—Luister verder. De hertog had een eenige dochter; het toeval wilde dat
ik het leven van die dochter redde. Toen ter tijd was ik een
aanzienlijk edelman, vol geloof, vol eerzucht, vol hoop en verwachting,
officier bij de marine van den koning van Frankrijk. De hertog moedigde
mijne liefde voor zijne dochter aan, voerde haar, als het ware, in
mijne armen, en daar Frankrijk en Spanje destijds met elkaar in oorlog
waren liet hij te Cadix ons huwelijk in het geheim voltrekken [17].
Maar slechts enkele dagen daarna ontvoerde hij zijne dochter en nam met
haar de vlucht; en toen ik mij vervoegde aan zijn paleis om van hem
mijne vrouw op te eischen, was hij reeds vertrokken en werd mij door
een bediende dit geschrift overhandigd.

Bij die woorden haalde Montbars een portefeuille uit zijn zak, deed die
open en nam er een door den tijd geel geworden papier uit, dat hij
ontvouwde.

—Ziehier wat dit geschrift inhield. Luistert.

En hij las met eene stem, bevende door toorn en misschien ook wel door
smart:


    „Señor Conde!

    „Gij zijt niet met mijne dochter gehuwd; ik heb u misleid door een
    onwettig huwelijk. Nimmer zult gij haar terugzien. Zij is voor u
    dood. Sedert een aantal jaren bestaat er een onverzoenlijke haat
    tusschen uwe familie en de mijne. Ik zou u niet opgezocht hebben,
    maar God heeft u op mijn weg gevoerd. Toen heb ik begrepen dat het
    Zijn wil is, dat ik wraak op u zou nemen. Ik heb gehoorzaamd. Ik
    geloof er in geslaagd te zijn uw hart voor altijd te breken. De
    liefde, die gij voor mijne dochter gevoelt, is innig en oprecht.
    Des te beter, want des te heviger zult gij lijden. En hiermede
    genoeg, mijnheer. Eén raad nog: tracht er niet naar mij weer te
    ontmoeten; want dan, daar kunt gij zeker van zijn, zal mijne wraak
    nog feller op u neerkomen. Binnen eene maand trouwt mijne dochter
    met hem door wien zij bemind wordt, en die zij altijd en
    uitsluitend heeft liefgehad.

    „Don Estevan de Sylva, hertog de Penaflor.”


—O! Dat is afschuwelijk!—jammerde de jonge man, die zijn gelaat in de
handen verborg.

—Toch is het nog niet alles,—vervolgde Montbars terwijl hij koel het
papier weer toevouwde en in zijne portefeuille wegborg.—Ik vervolgde
den hertog maanden achtereen dwars door Spanje en Italië, en kwam bijna
gelijktijdig met hem weer in Frankrijk, waar ik hem eindelijk
achterhaalde in een armzalig dorp dicht bij Parijs. Toen eischte ik van
hem mijne vrouw op, want zijne dochter was mijne vrouw; onze
wederzijdsche liefde had al de ingewikkelde berekeningen van zijn haat
en zijne wraakzucht doen falen. Een maand vroeger had zijne dochter het
leven geschonken aan een kind, dat de hertog dadelijk aan haar had
ontrukt nog eer zij gelegenheid had aan dat onschuldige wicht den
eersten kus te geven.

—Heb medelijden! In ’s hemels naam, heb medelijden met mij. Ben ik dan
nog niet genoeg gestraft?—smeekte donna Clara, en viel snikkend op de
knieën voor Montbars.

Een oogenblik zag hij haar aan met zonderlingen blik; toen boog hij
zich tot haar neer, kuste haar teeder op het voorhoofd, en hief haar
behoedzaam op.—De smart heiligt, en gij, arme vrouw, hebt zwaar en veel
geleden. Ik schenk u vergiffenis!—betuigde hij hoogst ontroerd.

—Moeder! O! Zij is mijne moeder! Reeds lang heeft mijn hart mij dit
voorspeld!—juichte de jonge man in vervoering, en wierp zich in de
armen van donna Clara.—Goddank! Ik heb mijne moeder gevonden!

—Mijn zoon! O! Eindelijk, eindelijk!—riep donna Clara, en knelde hem
tegen haar boezem.

Hunne kussen en hunne tranen smolten als ineen.

—Helaas!—mompelde Montbars.—Dit is sinds jaren het eerste oogenblik van
vreugde dat de hemel mij toebedeelt.—Hij liet het hoofd op de borst
zinken.—Zal ik er in slagen het geluk van die beide zoo innig door mij
geliefde wezens te verzekeren?

Op eens rukte donna Clara zich van haar zoon, wees hem op Montbars, die
hem glimlachende aanzag, en vroeg:

—En hij?

—Mijn vader! Ja, ja! Ik heb hem lief. Mijn vader!!

Allen hielden elkaar omvat in één en dezelfde omarming. Zóó gingen
eenige minuten voorbij; alles om hen heen scheen in het niet verzonken;
het geluk van zulk eene onverwachte hereeniging had ieders gemoed
overweldigd. Montbars was de eerste die met hevige wilskracht er in
slaagde zich zelf meester te worden en zijn gewone kalmte te
herkrijgen.

—Thans...—zei hij.

—O! Vader, nu geen woord meer daarover,—viel de jonge man met
opgewondenheid in.—Ik heb nu eene moeder, die ik aanbid, een vader,
dien ik liefheb en hoogacht! Blijft mij thans iets meer te wenschen
over? Wat behoef ik nog meer te vernemen? Immers niets! En wat den
hertog de Penaflor aangaat, hem, den beul van mijn vader, den tiran van
mijne moeder, den kwelgeest van mijn jeugd, hem beschouw ik als een
monster, dat ik niet meer wil erkennen; hij behoort niet meer tot mijne
familie!

—Goed zoo, mijn zoon!—verklaarde Montbars met vreugde.

—Mijn zoon,—sprak donna Clara, en lei daarbij hare beide handen op
zijne schouders, terwijl zij hem aanzag met eene onbeschrijfelijk
smeekende uitdrukking,—dat monster is mijn vader! Zoo somwijlen God
gedoogt dat ouders hunne kinderen vervloeken, toch blijft Zijn gebod
dat kinderen hunne ouders zullen eeren!

—Moeder,—gaf hij ten antwoord met gebroken stem, terwijl Montbars op
hem een zonderlingen blik wierp,—God verwerpt toch ook die menschelijke
monsters, maar gij, gij zijt een engelachtig wezen, gij beoogt slechts
vergiffenis, doch wij, mijn vader en ik, wij....

—Zwijg, zwijg!—viel zij uit, en drukte haar hand tegen zijn
mond,—spreek geen godslastering uit, ongelukkig kind!

—Ik zal u gehoorzamen, moeder, wees daarop gerust,—verzekerde hij en
wendde zich toen met eene buiging tot Montbars, wien hij toevoegde op
afgemeten toon die door dezen ten volle werd begrepen.—Admiraal, ik ben
uw vlagofficier, mijn plaats in het gevecht is dus aan uwe zijde, en
die plaats eisch ik als een mij toekomend recht.

—Gij zult haar vervullen,—luidde het antwoord van Montbars.

—Ach!—jammerde donna Clara.—Hoe onverzoenlijk zijt gij beiden!

Op dit oogenblik werd de deur van de kajuit plotseling geopend en trad
iemand binnen. Het was Philippe d’Ogeron.

—Houd het mij ten goede, Admiraal,—begon hij groetende,—dat ik zoo
onverwachts en onaangediend binnen kom.

—Waarde Philippe,—antwoordde Montbars,—ge zijt mij altijd welkom. Wat
verlangt ge?

—Admiraal, de duenna van donna Juana heeft mij bij uw eerste verblijf
te Maracaïbo, een ring van groote waarde ter hand gesteld. Van dien
ring heb ik tot nu geen afstand kunnen doen, doch nu wij binnen enkele
uren een hevigen strijd zullen leveren, een strijd waarin het ook
wellicht mijn lot zal wezen te sneuvelen, acht ik het mijn plicht, daar
die ring misschien later kan dienen tot opsporing der ouders van dit
zoo beproefde jonge meisje, dat kostbare kleinood aan u af te staan,
met verzoek het te bewaren bij de papieren van don Fernando d’Avila die
betrekking hebben op donna Juana.

—En dien ring?

—Hier is die,—sprak hij zuchtend, trok dien van zijn vinger en reikte
dien aan Montbars toe.

—Aan uw verlangen zal voldaan worden, beste vriend,—gaf Montbars ten
antwoord terwijl hij den ring aannam,—en als gij, wat God verhoede, in
het gevecht mocht komen te vallen, wil ik thans den eed herhalen, dat
ik als een vader zal zorgen, voor haar die zoo oprecht door je word
bemind.

—Ontvang nogmaals mijn dank, Admiraal, voor die plechtige verzekering,
ik verwachtte niets anders van de mij steeds door je betoonde
vriendschap.

En daar hij vreesde dat zijne aandoening hem zou overweldigen groette
de jonge man haastig, en verliet ijlings de kajuit.

—Zie eens, mevrouw,—zei daarop Montbars tot donna Clara,—misschien
herkent gij dezen ring. Het is helaas! het eenige geschenk van
bijzondere waarde dat ik aan u heb kunnen geven, en het werd u door uw
vader afgenomen op een oogenblik dat ge buiten kennis waart.

—Maar hoe komt het?....—vroeg zij gejaagd.

—De hertog heeft, toen hij donna Juana toevertrouwde aan de goede
zorgen van don Fernando hem gezegd dat zij de dochter was van u en den
Stenio de Bejar.

—O! Dat is een leugen!—viel zij uit.

—Dat weet ik, mevrouw, maar hij achtte dien leugen noodzakelijk tot
meerdere verwarring en verwikkeling der omstandigheden, om alle
vermoedens op een dwaalspoor te brengen, daar hij uw eenig kind zóó
verlangde op te voeden en op te leiden, dat dit eenmaal zou worden de
moordenaar of de beul van zijn vader.

—Ach! mijnheer!—riep zij met afgrijzen uit.

—Het is de waarheid!—verklaarde de jonge man op koelen toon.

—Die ring werd later aan de min van donna Juana gegeven, en zou, naar
de meening en de bedoeling van den hertog, al het geheimzinnige nog
vermeerderen. Begrijpt ge nu ten volle den ganschen toeleg van die
duivelsche berekeningen en van al die opeenstapeling van leugens en
bedrog?

—O! Het is afschuwelijk!—mompelde zij geheel ter neer geslagen.—En dat
jonge meisje?

—Wie zij is kan ik niet zeggen; waarschijnlijk een kind dat door hem
eveneens aan de ouders is ontrukt, om dienst te doen bij zijne
schandelijke plannen tegen u en tegen mij. Schenkt ge nu uw vader nog
vergiffenis?

—Ik herhaal het u, mijnheer, hij is en blijft mijn vader, en God heeft
in Zijne onuitputtelijke goedheid, de vergevingsgezindheid gesteld tot
de liefelijkste en tevens de verhevenste deugd.

Montbars wierp op haar een blik vol innige teederheid, drukte haar een
kus op het voorhoofd en verliet de kajuit om haar alleen te laten met
haar zoon. Dat bijeenzijn van moeder en zoon duurde eenige uren, maar
die uren gingen voor hen voorbij als een spanne tijds, en eerst toen de
zon aan den horizont verdween en de duisternis begon te vallen, kwam
Montbars in de kajuit terug.—Zijt ge nu gelukkig, mevrouw?—vroeg hij
glimlachend aan donna Clara.

—Zóó gelukkig dat ik helaas ducht voor de toekomst!

—De toekomst behoort aan God, mevrouw!

—Dat is waar,—antwoordde zij berustend; daarna hief zij plotseling het
hoofd op, wees op haar zoon, en sprak met kracht:—Hem vertrouw ik aan u
toe, mijnheer.

—Houd goeden moed, mevrouw, en voor hem blijf ik u borg,—hernam hij
kalm. Daarop wendde hij zich tot den jongen man en zei:—Kapitein, laat
drie aangestoken lantaarns aan den top van den fokkemast hijschen, het
is tijd om onder zeil te gaan.

Francoeur ging dadelijk heen om de ontvangene order uit te voeren.

—Nu moest ge eenige uren rust nemen,—hernam Montbars,—al die
aandoeningen matten u te erg af.

—Neen,—gaf zij ten antwoord en wees op het Christusbeeld dat tegen den
wand hing.—Ik zal gaan bidden tot Hem in Wiens handen ons lot berust,
en Hem smeeken dat Hij ons genadig zij!

Montbars boog voor haar en vertrok zonder iets meer te zeggen. Aan de
order door den Admiraal gegeven, was door zijn vlagofficier dadelijk
voldaan, en nauwelijks waren de drie aangestoken lantaarns naar den top
van den fokkemast geheschen of op alle bodems werd het geraas door de
kaapstanders veroorzaakt gehoord, zoodat er geen vol kwartier verliep
eer de schepen alle onder zeil waren in de aangegeven richting, en met
uitgedoofde lichten Maracaïbo verlieten. Den ganschen nacht koerste men
onder klein zeil, en tegen drie uur ’s morgens werd bijgelegd en dit
een paar uren volgehouden. Toen het begon te dagen, kreeg men de
Spaansche vloot in het oog, die in de volmaaktste orde vóór het kanaal
ten anker lag, vlak boven het Houtduifeiland, waar het fort zeer goed
hersteld en op krachtige wijze bewapend scheen.

Het schip, waarop de Onder-Koning zich bevond, lag geankerd in het
midden van het nauwe kanaal dat het Kijk-Uit-eiland scheidt van het
Houtduifeiland; op dien bodem werd dadelijk alles in gereedheid
gebracht tot een warme ontvangst van den vijand, wiens onbezonnen
vermetelheid in het oog van den Onder-Koning alle palen te buiten ging.
De brander die aan de spits bleef van het eskader der flibustiers, werd
door den Onder-Koning gehouden voor het Admiraalsschip, en hij gaf
order om dit te laten naderen, schoon hij zich er zeer over
verwonderde, dat met zulk een sterke bemanning en op zulk een korten
afstand het vuur nog niet geopend werd; doch daaruit besloot hij dat de
vrijbuiters, volgens hunne gewoonte, de voorkeur gaven aan eene
entering; die overtuiging bracht hem er toe om ook van zijn schip geen
enkel schot te laten lossen, en hun eerst de volle laag te geven,
zoodra het ’t zijne wilde aanklampen. Dit misbegrip of liever die
vergissing der Spanjaarden kwam Montbars uitnemend te stade, daar
enkele goed gemikte schoten voldoende zouden zijn geweest om het brooze
vaartuig in den grond te boren, want het was werkelijk niet veel meer
dan het geraamte van een schip. Ongelukkig genoeg voor hen, bespeurden
de Spanjaarden hunne dwaling te laat, en eerst toen de brander op het
punt stond hen te bereiken. Toen waren al hunne pogingen, zoowel die om
het vaartuig af te houden als om het eene andere richting te geven,
vruchteloos. Slechts enkele flibustiers onder bevel van Francoeur
maakten de bemanning uit van den brander; zij maakten hem los van zijn
sleper, wierpen eenige enterdreggen in de raas van het schip van den
Onder-Koning en sprongen toen ijlings in hun boot om zich met kracht
van riemen te verwijderen van de plek waar de ontploffing zou plaats
hebben. Die gansche manoeuvre was met zooveel beleid uitgevoerd dat
toen de Onder-Koning last gaf om den brander af te weren, het daarvoor
reeds te laat was; toch verloor hij zijn tegenwoordigheid van geest
niet en liet onmiddellijk eenige matrozen, voorzien van bijlen, aan
boord daarvan overspringen om de masten te kappen en het schip te doen
zinken; maar het vuur had de buitenhuid reeds aangetast en de eerste
bijlslagen baanden aan de vlammen een doortocht, en ze sloegen
onstuimig en verwoed naar buiten, voorafgegaan door dikke en
verstikkende rookwolken. Aangewakkerd door een scherpe bries uit het
oost-noord-oosten, die uit volle zee kwam opzetten, verkreeg de brand
na verloop van enkele minuten zulk een omvang, dat het schip van den
Onder-Koning er niet aan kon ontkomen, en ondanks al de inspanning van
matrozen en soldaten om het vuur te bedwingen, was de totale ondergang
reeds te voorzien.

Zoo was het ook; in minder dan een half uur was het prachtige schip
omgeslagen en een prooi der golven geworden, het grootste gedeelte der
bemanning kwam bij die ramp om, en aan slechts enkele personen,
waaronder de Onder-Koning, gelukte het, half dood van vermoeienis en
uitputting, den zandigen oever van het Houtduifeiland te bereiken.

De strijd was aldus op wanhopende maar schitterende wijze door de
flibustiers aangevangen.








XXVI.

VAN AANGEZICHT TOT AANGEZICHT.


Al dien tijd had Montbars met scherpen blik het verloop dier
gebeurtenissen waargenomen, en dadelijk maakte hij zich de algemeene
verslagenheid, die bij de Spanjaarden was ontstaan door dit voor hen
zoo noodlottige onheil, ten nutte, om de ondernemendste zijner
kameraden tot den aanval op een tweede schip aan te voeren, dat
geënterd en bijna zonder slag of stoot genomen werd op hetzelfde
oogenblik dat het schip van den Onder-Koning in de golven verdween.

Grammont had een derde schip aangeklampt, en eveneens geënterd en
leverde een verwoed gevecht tegen de tot wanhoop gebrachte Spanjaarden.
Die strijd werd gevoerd met de grootste hevigheid; herhaaldelijk
teruggeworpen sprongen de flibustiers weer even spoedig aan boord van
het aangetaste vaartuig, en stonden eindelijk op het punt de zege te
behalen, toen Grammont te midden van hen nederstortte geveld door een
bijlslag die zijn schedel kliefde. Verschrikt en ontsteld door den dood
van hun gezagvoerder, aarzelden en wankelden de vrijbuiters; de
Spanjaarden daarentegen verdubbelden hunne pogingen en nog eenige
oogenblikken werd het gevecht voortgezet.

Zóó ging het langs de geheele linie, het gansche eskader der
vrijbuiters kwam nu op de Spaansche vloot af en ieder hunner schepen
wierp enterdreggen en haken in het want der vijandelijke bodems, waarop
over de geheele linie een gevecht ontstond van man tegen man.

Overal was de strijd hevig en verwoed, en nergens werd er aan gedacht
genade te vragen of te geven; vier Spaansche schepen sprongen in de
lucht, liever dan zich over te geven; de overigen, onthutst door zulk
eene opeenstapeling van onvoorziene rampen, dachten aan niets dan aan
het dreigende gevaar te ontkomen. Zij kapten overhaast de kabels en
lieten zich afdrijven naar het Houtduifeiland, om onder de beschutting
te komen van de verschansingen die waren opgericht uit de bouwvallen
van het fort. Zoodra zij aldaar aan wal gekomen waren, lieten zij hunne
schepen zinken om te voorkomen dat de vrijbuiters ze zouden
bemachtigen.

Die zoo prachtige en geduchte Spaansche vloot was totaal vernietigd en
toch had het gevecht nog geen uur geduurd. Het gebeurde had veel van
een wonder; de vrijbuiters en Montbars zelf begrepen niet hoe het hen
had kunnen gelukken, om in zulk een korten tijd, met een verlies van
hoogstens vijf of zes manschappen, en met zulke zwakke hulpmiddelen
zich te redden uit den bijna wanhopigen toestand niet alleen, maar
zelfs bovendien nog eene volkomen overwinning te behalen. Geen wonder
dat hunne vreugde onbegrensd was, en de algemeene opgewondenheid ten
toppunt klom; zij omhelsden elkaar, zij wenschten elkaar telkens geluk,
en daverend en herhaaldelijk klonk jubelend de naam van Montbars, als
hun redder en bevrijder.

Doch ook die triomf was nog niet voldoende voor den Admiraal, want zijn
aartsvijand was hem ontsnapt, en juist om dien man was het hem te doen;
hij besloot dus oogenblikkelijk een aanval te beproeven op de
verschansingen van het Houtduifeiland. De vrijbuiters bestormden die
met ongekende verwoedheid; zij dorstten naar Spaansch bloed, en wilden
tot op den laatsten matroos van die vloot, die hun zooveel schrik en
angst berokkend had, vernietigen.

De Onder-Koning had den aanval voorzien en zich dus gehaast de noodige
stellingen in te nemen tot het bieden van krachtdadigen wederstand. De
botsing tusschen de vrijbuiters en de Spanjaarden was ontzettend, maar
de Onder-Koning had met zooveel tact zijne soldaten op de gevaarlijkste
punten post doen vatten, en de manschappen wisten zóó goed dat zij niet
op genade hadden te hopen, dat zij met de grootste volharding stand
hielden, zoodat de vrijbuiters ondanks al hunne verbittering, er niet
in konden slagen de verschansingen te overmeesteren.

Montbars zag dadelijk in dat het onmogelijk was door een bestorming de
positie te forceeren, die door den vijand met al de kracht der wanhoop
verdedigd werd, en achtte het noodig den terugtocht te gelasten en naar
de booten te trekken na zware verliezen te hebben geleden, want bij
dien aanval waren honderd twintig manschappen gedood of gewond.

Ondanks de behaalde zegepraal en niettegenstaande de vernietiging der
Spaansche vloot was de toestand der vrijbuiters niet veel gunstiger
geworden, want nog altijd bevonden zij zich aan gene zijde der engte,
die gepasseerd moest worden, om in volle zee te komen; en de
Spanjaarden, behoorlijk verschanst op het Houtduifeiland, waren, dank
zij het aanzienlijke getal hunner stukken, in staat ongestoord te vuren
op de schepen al naar mate die mochten beproeven zich in de nauwe geul
te wagen om het ruime sop te bereiken. Het lot van de vrijbuiters hing
dus af van de bemachtiging van het fort, maar zij hadden reeds eene
ernstige poging aangewend het te overmeesteren en waren daarin niet
geslaagd hoeveel kracht ook door hen was ontwikkeld geworden.

De geduchte nederlaag, ondervonden bij een plotselingen overval op de
Spanjaarden, toen deze geacht konden worden nog geen vasten voet te
hebben gezet in hunne posities, ontmoedigde hen dermate, dat de
vroegere wankelmoedigheid weer de overhand verkreeg, waardoor schrik en
ontsteltenis ontstond en zij begonnen te vreezen voor een goeden
uitslag van de expeditie.

Alleen Montbars wanhoopte niet; zijne kameraden mochten er bij hem op
aandringen te trachten met den Onder-Koning in onderhandeling te komen,
zij wilden hem zelfs machtigen den te Maracaïbo en te Gibraltar
verkregen buit prijs te geven, hij sloeg geen acht op hunne vertoogen
en smeekingen en bleef onverzettelijk bij zijn besluit om het fort te
nemen en den doortocht stormenderhand te forceeren. Hij herinnerde aan
de flibustiers hoe zij hem bezworen hadden hem in alles te zullen
gehoorzamen en tot den laatsten man te strijden; spottend sprak hij
over hunne wankelmoedigheid en op alles wat zij aanvoerden gaf hij
steeds hetzelfde antwoord, dat zij aan hem hun lot hadden toevertrouwd,
en dus niets anders hadden te doen dan stipt zijne bevelen op te
volgen, zonder zich te bekommeren over de gevolgen, waarvoor hij, en
hij alléén, verantwoordelijk bleef.

Thans zullen wij opnieuw het woord afstaan aan Olivier Oexmelin, den
waarheidlievenden en betrouwbaren ooggetuige aan wiens relaas wij reeds
meer dan ééne bijzonderheid hebben ontleend.

Toen Montbars de treurige ondervinding had opgedaan dat kracht noch
geweld voor den doortocht kon baten, besloot hij weer tot list zijn
toevlucht te nemen. Thans verzon hij er weer iets anders op. Daags na
den mislukten aanval, deed hij toen het begon te dagen, met de booten
van het eskader, een honderdtal vrijbuiters aan wal zetten buiten het
bereik van het geschut van het fort, naar een plek bedekt met hoog gras
en dicht struikgewas. Vervolgens moesten op zijn bevel, die
flibustiers, na daar ter plaatse zich eenige uren verborgen te hebben
gehouden, één voor één naar de booten terugkeeren, doch op Indiaansche
manier over den grond kruipende, zoodat men hen niet van uit het fort
gewaar kon worden. Waren zij aldus bij de booten gekomen dan moesten
zij zich daarin plat uitstrekken, en die dan schijnbaar leege
vaartuigen door een paar roeiers naar boord worden teruggebracht. Die
zonderlinge manoeuvre, werd den ganschen dag voortdurend herhaald in
het gezicht der Spanjaarden, om deze in den waan te brengen dat al de
bemanningen waren ontscheept.

En die list beantwoordde inderdaad aan de bedoeling. Misleid door dien
valschen schijn, twijfelden de Spanjaarden er niet aan, dat de
vrijbuiters voornemens waren den volgenden nacht van de landzijde op
het fort een aanval te doen; zij verplaatsten dus hunne stukken en
brachten die in batterij naar den bedreigden kant, waar zij al hun
macht vereenigden, zoodat aan den zeekant alles bijna zonder
verdediging bleef.

Dit had Montbars juist verwacht, op die vergissing had hij gerekend, en
met zijn gewone vaardigheid maakte hij zich dien misslag ten nutte. ’s
Avonds tegen tien uur staken de booten vol gewapende manschappen van de
schepen af en landden op den zandigen oever van het Houtduifeiland; de
flibustiers sprongen ijlings aan wal, en deden op de verschansingen een
onwederstaanbaren aanval, en tezelfder tijd heschen hunne schepen de
zeilen en passeerden zonder eenige verhindering het kanaal, terwijl zij
daarvan op een half kanonschot afstand dwars gehaald, op het fort
telkens onafgebroken de volle laag deden neerkomen.

Eerst nu werd eindelijk aan de Spanjaarden de krijgslist hunner
vijanden duidelijk, en wilden zij met den meesten spoed de stukken weer
in de vroegere positie brengen, om de bestorming der verschansingen te
beletten, maar het was te laat en te vergeefs; de vrijbuiters toch
waren reeds tot in hun midden gedrongen, hieven een woest
krijgsgeschreeuw aan, of beter gezegd, brulden dit uit, en zwaaiden in
dolle woede hunne wapens in de lucht. Er volgde tusschen belegeraars en
belegerden een gevecht van man tegen man, een vreeselijke kampstrijd,
doch waarvan de uitslag moest zijn ten voordeele van de vrijbuiters,
dank zij de behendigheid en de oneindig grootere lichaamskracht waarin
zij de Spanjaarden overtroffen. Toch bleven de Spanjaarden zich
verdedigen met bewonderenswaardige dapperheid en volharding, gedreven
door wanhoop en hun vast besluit hun leven op te offeren; zij weken
niet terug dan pas voor pas, en vielen niet eer zij gedood werden;
iedere duim gronds die door de flibustiers werd veroverd, kostte
stroomen bloeds; de verbittering was thans van weerskanten even fel, en
ieder begreep dat nu de leuze gold, sterven of overwinnen.

Het volle maanlicht bescheen de plaats van het gevecht en maakte de
worsteling nog afschuwelijker, daar zij de strijdenden in staat stelde
hunne slagen des te zekerder te doen neerkomen. Ondanks zijn hoogen
leeftijd verrichtte de Onder-Koning wonderen van dapperheid; het was of
hij steeds overal en bij allen was, en hij moedigde de soldaten
onophoudelijk aan zoowel door stem als door voorbeeld.

Die ontzettende kampstrijd duurde bijna twee volle uren, steeds even
verwoed, even hardnekkig, even volhardend, zonder dat noch bij de eene,
noch bij de andere partij verzwakking merkbaar werd. Niemand zou hebben
kunnen voorspellen hoe die afschuwelijke slachting zou eindigen, toen
op eens boven alles uit de stem werd vernomen van Montbars, die een
donderen „Voorwaarts!” deed hooren.

Gevolgd door zijne dapperste kameraden, doet de vermaarde en zoozeer
geduchte vrijbuiter een aanval op de dichtste drommen der Spanjaarden,
en werpt omver, verslaat of verstrooit allen die hem in den weg staan.
De flibustiers ontwikkelen al hunne kracht; de Spanjaarden beseffen dat
zij verloren zijn, doch de wanhoop doet hen stand houden; zij vechten
niet meer om te overwinnen, maar om met de wapens in de hand te vallen,
daar zij den dood verkiezen boven de schande en de kwellingen der
slavernij.

Ziedend van woede doet Montbars zijn zwaard met felle slagen neerkomen
tusschen de gelederen zijner vijanden, en roept met heesche stem
telkens den hertog de Penaflor op, wien hij steeds trachtte op te
sporen te midden van de verwarde strijders. De Onder-Koning beantwoordt
die uitdaging van zijn tegenstander; wanhopend snelt hij met de
grootste verbittering op hem toe en staat op het punt hem te naderen,
toen hij zich op eens van achteren voelt aangegrepen, op den grond
geworpen en ontwapend, terwijl Montbars die zich eindelijk vlak
tegenover den hertog bevindt, stilstaat, brullende van woede en
teleurstelling; zijn doodsvijand is de gevangene van Francoeur en
Philippe d’Ogeron. Die twee jongelieden hadden zich, als bij afspraak,
op den hertog geworpen en hem overweldigd.

—Ach!—barstte Montbars, op niet weer te geven verwijtenden toon
los.—Gij, gij, mijne getrouwsten, gij hebt mij van mijn wraak beroofd.

—Toch niet,—gaf Philippe ten antwoord.—Wij hebben die in tegendeel voor
je verzekerd.

Francoeur sloeg de oogen naar den grond en voegde er bij:—Die man moet
niet in het gevecht gedood worden.

—Dat is waar,—bevestigde Montbars.—Bij den hemel, gij hebt gelijk! Zulk
een dood zou voor hem te eervol zijn geweest! Ik dank je, jongens!

De beide mannen wisselden een blik van verstandhouding, terwijl
Montbars zich weder wierp daar waar de strijd het felste werd gevoerd.

De val van den Onder-Koning werd dadelijk bekend, en was het sein tot
de nederlaag der Spanjaarden; van dit oogenblik was hun tegenstand nog
slechts onbeduidend en ongeregeld, en kort daarna werden de enkele
dappere soldaten, die nog overgebleven waren, genoodzaakt de wapens
neer te leggen.

Twee uren later verlieten de schepen der flibustiers voor goed die
verwoeste streken, en lieten daar slechts bouwvallen en lijken achter.



’t Was feest te Port-de-Paix.

Het eskader der flibustiers was in vollen triumf dáár teruggekeerd van
die glorierijke expeditie naar Maracaïbo, en de bemanningen met
schatten beladen waren ontscheept. Als naar ouder gewoonte onbezorgd
voor den dag van morgen, hadden de Broeders der Kust zich dadelijk te
buiten gegaan in de onzinnigste brasserijen, waarbij al die rijkdommen
weer werden verspild, die hun zooveel inspanning, zooveel gevaren en
ontberingen, zooveel bloed gekost hadden. Met uitzondering van den
Onder-Koning, waren de Spaansche slaven opgesloten in tijdelijke
gevangenissen, om later aan de inwoners en aan de boekaniers verkocht
te worden. De hertog de Penaflor en enkele zijner officieren, die
ongelukkig genoeg voor hen, niet in het laatste gevecht waren
gesneuveld, werden gehuisvest in het verblijf van den Gouverneur, in
afwachting van het losgeld, dat voor hen moest worden opgebracht.

Er was een algemeene raadsvergadering der flibustiers belegd geworden,
waarbij de heer d’Ogeron het voorzitterschap bekleed had. In die
bijeenkomst bracht de plaatsvervanger des Konings in de eerste plaats
hulde en dank aan Montbars, voor de uitnemende en schitterende wijze,
waarop de expeditie door hem was bestuurd. Koel was die hulde door den
Admiraal aangehoord, en door hem alleen het woord gevraagd om als een
recht voor zich te eischen, dat de Onder-Koning aan hem zou worden
overgeleverd. Tevergeefs had de heer d’Ogeron getracht tegen dien eisch
in verzet te komen, want Montbars beriep zich op de wet der
flibustiers, die naar hij aantoonde duidelijk en bepaald sprak, en daar
ook de meerderheid der aanwezige vrijbuiters partij gekozen had voor
den Admiraal, was de heer d’Ogeron wel genoodzaakt toe te geven. Hij
had er zich dus aan onderworpen om den hertog ter beschikking te
stellen van Montbars, doch onder voorwaarde dat aan hem als Gouverneur
een uitstel van ééne week zou worden verleend, eer hij den gevangene
uitleverde. Toen was Montbars op zijn beurt gedwongen geweest die
voorwaarde aan te nemen, waarop hij zich verwijderd had met ingehouden
toorn.

Gedurende die week had de heer d’Ogeron herhaaldelijk geheime
bijeenkomsten met zijn neef en diens vriend Francoeur gehad; en had
zelfs aan den jongen man eene geheime zending opgedragen, zoodat sedert
zes dagen niemand hem meer te Port-de-Paix had gezien. Ook Montbars
scheen onzichtbaar geworden; hij had zich in zijn huis opgesloten,
waarvan de toegang onverbiddelijk geweigerd werd zelfs aan zijne
intieme vrienden, uitgezonderd twee hunner, met name Michel de Baskiër,
en Luiwammes. Die uitzondering bevreemde niemand, want het was algemeen
bekend dat zij beiden behoorden tot zijne oudste kameraden, en met hart
en ziel aan hem gehecht waren. Eindelijk was de week, die door den heer
d’Ogeron als uitstel bedongen was, ten einde, en op den morgen van den
laatsten dag, liet de gouverneur Montbars, verwittigen dat hij gereed
was den gevangene aan hem uit te leveren.

Bij het ontvangen van dit bericht betrok het gelaat van den flibustier;
hij vermoedde, dat er achter die schijnbare toegevendheid van den heer
d’Ogeron een adder onder het gras schuilde. Zonder echter zijn
achterdocht te laten blijken, verliet hij dadelijk zijn huis, en begaf
zich naar de woning van den Gouverneur, door Michel den Baskiër, en
door Luiwammes vergezeld. De heer d’Ogeron wachtte Montbars in zijn
salon af, ontving hem daar met innemende beleefdheid en verzocht op
hoogst gewonen toon dat hij hem zou volgen naar de kamer van den
gevangene. Montbars sloeg een scherpen blik op het rondborstige en
openhartige gelaat van den Gouverneur en zei:—Vergun mij één enkel
woord.

—Wel twee, als gij dat wenscht, waarde vriend,—ontving hij ten
antwoord.

—Gij noemt mij daar uw vriend, naar ik hoor, is het niet?—vroeg
Montbars eenigszins wantrouwend.

—Zeer zeker! Gij zijt dit immers, niet waar?—luidde de wedervraag.

—Dat is zoo, mijnheer, ik ben dat. Het is u bekend niet waar dat de
hertog de Penaflor mijn doodsvijand is?

—Ja, dat is zóó.

—Dan weet ge zonder twijfel ook dat ik voornemens ben mij op hem te
wreken.

—Dit verwachtte ik reeds, maar eveneens dat die wraak u waardig zal
zijn.

— Ge zult daarover straks kunnen oordeelen. Er wordt dus open spel
tusschen ons gespeeld?

—Bepaald, mijn vriend, reken daar op. Ge hebt thans vrijheid den
gevangene met u te voeren, zoodra ge dit goedvindt. En ik stel mij voor
dat dit alles is wat gij verlangt te weten. Is het niet zoo?

—Juist! Laat ons dan gaan.

—Kom mee!

Montbars, steeds vergezeld door de beide flibustiers, volgde den
Gouverneur. Zij liepen verscheidene vertrekken door, eindelijk deed de
heer d’Ogeron de laatste deur open en trad Montbars een vertrek binnen
waar de hertog de Penaflor zich bevond, doch de hertog was niet alleen;
er was een talrijk gezelschap bij hem vereenigd. Dit gezelschap bestond
uit de volgende personen: don Sancho de Penaflor, de zoon van den
hertog, donna Clara, donna Juana, Francoeur, Philippe d’Ogeron, en iets
meer achteraan, de mayordomo, Birbomono.

Zoodra de hertog Montbars in het oog kreeg, stond hij op, naderde hem
een paar stappen, groette ceremonieel, en sprak onmiddellijk zonder den
ander tijd te laten het woord te nemen:—Met ongeduld werd gij door mij
verwacht, mijnheer.

—Zoo!—uitte Montbars met moeite, terwijl hij met fonkelenden blik al de
aanwezigen monsterde. Daarop wendde hij zich tot den heer d’Ogeron om
dien met bittere minachting toe te voegen:

—Ik betuig u mijn dank, mijnheer, voor de zeer loyale manier waarop gij
uw woord gestanddoet.

—Een oogenblik geduld, mijnheer,—antwoordde de Gouverneur uiterst kalm.

—Graaf,—sprak de hertog,—ik weet dat ik uw gevangene ben en ben gereed
u te volgen, doch ik verzoek, eer gij overgaat tot de voltrekking der
wraak die gij zeker voornemens zijt op mij te nemen, mij eenige
oogenblikken toe te staan. Ik ben meer dan tachtig jaren oud, mijnheer,
mijn leven kan dus niet meer van langen duur zijn,—gaf hij met droeve
bitterheid te kennen,—en ik gevoel dat voor mij het uur tot
boetedoening eindelijk aangebroken is.

—Mijnheer,—antwoordde Montbars op somberen toon,—ik verlang verder
niets meer van je te hooren. De man, die mij gedurende zijn gansche
leven zonder gegronde redenen met een onverzoenlijken haat vervolgd
heeft, de man, die mij zoo ontzettend heeft doen lijden, dat ik dit
nooit kan vergeten, de man, die nu eindelijk door mij overwonnen en in
mijn macht is, zal het niet gelukken om door een lafhartig en te lang
verschoven berouw mijn gemoed te verteederen en voor medelijden
toegankelijk te maken.

Een koortsachtige gloed overtoog het gelaat van den hertog, die een
droefgeestigen blik wierp naar zijn zoon; toen hernam hij met zachte
stem.

—Neen, mijnheer, het is geen lafhartig en te laat berouw waardoor thans
mijn gedrag wordt geregeld. Thans, nu ik in uwe macht ben, bezielt mij
tegen u dezelfde haat als vijfentwintig jaar geleden. Ik haat u even
fel, en die haat zal mij bijblijven tot aan mijn jongsten snik.

—O! Nu herken ik u weder!—viel Montbars uit.

—Doch,—vervolgde de hertog, zonder op dien uitroep acht te geven,—eer
ik mij in uwe handen stel, heb ik aan u in het bijzijn van allen die
hier tegenwoordig zijn eene verklaring af te leggen.

—Mijnheer,—werd door Montbars op waardigen toon aangemerkt,—ik begrijp
niet welk recht de hier aanwezigen hebben om tegenwoordig te zijn bij
de behandeling van zaken die uitsluitend ons persoonlijk aangaan.

—Mijn vader heeft zich minder juist uitgedrukt, mijnheer,—meende de
markies te moeten inbrengen,—vergun mij daarom eer wij verder gaan, ook
om allen twijfel die mijn aanwezigheid alhier omtrent mijn bedoelingen
zou kunnen geven, te verbannen, u vóór alles de verzekering te geven
dat mijne aanwezigheid niet met de minste vijandige gezindheid jegens u
in verband staat, integendeel verklaar ik gaarne en openlijk, niet
alleen dat ik zekere verplichtingen aan u heb, maar tevens dat ik ware
achting gevoel voor uw karakter.

—Het zij zoo, mijnheer. Maar hoe meent gij dan uwe tegenwoordigheid
hier te kunnen rechtvaardigen?

—Bedenk, mijnheer, dat ik de zoon ben van den hertog de Penaflor. Is er
nog eene andere rechtvaardiging noodig?

—En ik,—voegde donna Clara er bij, die met gevouwen handen smeekend
Montbars naderde,—laat ik u ook mogen toevoegen.... hij is mijn vader.

—Hij heeft mij in mijne kindsheid verzorgd,—mompelde Francoeur, als
antwoord op den vragenden blik van Montbars.

De flibustier antwoordde niet, zijn voorhoofd betrok, zijn hoofd zonk
op de borst. Al de aanwezigen wachtten in spanning, en eene doodsche
stilte heerschte in de zaal.—Dus,—hernam Montbars met vaste stem:—Mijne
vrouw, mijn zoon, mijne vrienden, gij allen vereenigt u om aan den
leeuw zijn prooi te ontrukken! Gij allen dringt er bij mij op aan, dat
ik afstand zal doen van mijn wraak, en toch is de hoop dat eenmaal dit
verlangen zou worden vervuld, het eenige geweest dat mij al die jaren
moed heeft gegeven om te blijven leven en te worstelen tegen de smart
die mij verteerde. Ach! Wee, wee over mij, dat ik den moed miste mijn
eigen bestaan te vernietigen, dien dag toen ik met een vreeselijken eed
zwoer dat ik mij zou wreken! Ellendeling die ik ben, nu ik mij zwak
gevoel tegenover al die tranen en smeekingen!...

—Mijnheer,—viel de hertog in op trotschen toon.—Ik moet u opmerken dat
ik u niet gesmeekt of gebeden heb.

—Och, zwijg mijnheer,—riep Montbars uit.—Ziet gij dan niet, dat ik
medelijden met je heb, en dat ik je vergiffenis schenk?

—Mij vergiffenis schenken!—uitte de hertog.

—Zwijg, zeg ik nog eens. Ja, ik schenk je vergiffenis omdat zij die je
omringen goed en braaf zijn, en ik hen niet verantwoordelijk wil
stellen voor je eerloos gedrag. Ik schenk je vergiffenis, omdat ik dit
ook deed aan uwe dochter, die zich een oogenblik zwak heeft betoond. Ik
schenk je vergiffenis ook omdat gij, ondanks al je pogingen, er niet in
zijt geslaagd mijn zoon tot een nietswaardige te maken. Vertrek! Gij
zijt vrij. Ik schenk je je losgeld zelfs kwijt. Markies, ik geef u uw
vader terug.

—O! Die beleedigingen zijn te verregaande!—viel de hertog uit.—Neem je
in acht, mijnheer, want nog is tusschen ons niet alles uit, en duur zal
ik je die smadelijke taal betaald zetten.

Met innige verachting trok Montbars de schouders op en zei spottend en
vernietigend:

—Afgeleefde grijsaard, gij kunt thans niets kwaads meer uitrichten; al
je duivelsche kuiperijen zijn ontmaskerd en verijdeld; zelfs weet ik
alles omtrent dat ongelukkige jonge meisje, dat gij in mijn oogen
ongetwijfeld voor het kind van je dochter wildet laten doorgaan,
terwijl zij niet anders is dan dat van een uwer vertrouwdste bedienden,
want al hare geboortebewijzen zijn in mijn bezit! Ga, gij zijt
volslagen overwonnen, want gij blijft alléén staan, beladen met de
verachting van allen, die je kennen. Ik zou geen heviger marteling noch
harder kastijding voor je kunnen bedenken dan deze, om je je ellendig
bestaan te laten voortslepen, waaraan gij je zoo krampachtig vastknelt!
Gij zult dus leven, bedenk dit wel, omdat ik het je vergun en ook omdat
ik het beneden mij acht mij verder op je te wreken daar gij te zwak
zijt en geen macht genoeg meer bezit om den strijd tegen mij vol te
houden.

—Ellendeling! Ge zult sterven!—barstte de hertog los, en wierp zich met
een dolk in de hand op Montbars, die hem dit wapen ontrukte, en het ver
weg wierp, terwijl hij hem terugstootte en verachtelijk
toebeet:—Vertrek, moordenaar!

—Ach!—jammerde de hertog.—Weer overwonnen, nog eens overwonnen!

—Ja!—hernam Montbars.—Weer en telkens overwonnen, omdat, ondanks al
mijne gebreken en mijne fouten, God met mij is, en mij tegen je woede
beveiligt.

Doch de hertog hoorde die woorden niet; overvallen door stuipachtige
trekkingen, wankelde hij en stortte in de armen van zijn zoon en zijne
dochter. Plotseling was zijn gelaat geheel veranderd; koud zweet
druppelde langs zijne slapen, zijne oogen met bloed beloopen, rolden
verwilderd in de holten en zijn gansche lichaam schokte en trilde
onrustbarend.

—God!—mompelde hij met holle stem,—God! God! Altijd.... O! Ellendeling!
Ellendeling!....

Op eens vermande hij zich, ontsnapte aan de handen zijner kinderen, die
hem tegen wilden houden, keek zijn vijand die onbeweeglijk en koel
bleef staan, met de woede van een krankzinnige aan, naderde hem een
paar stappen, hief den arm op, als om hem in het gezicht te slaan, en
herhaalde met snijdende stem:

—Vervloekt!... Wees vervloekt!....

Maar machteloos viel zijn arm langs zijne zijde neer. Een nieuwe schok,
nog heviger dan de vorige deed zijn gansche lichaam trillen, en hij
viel, als een eik die door den bliksem wordt getroffen, vóór de voeten
van Montbars die geen enkele beweging maakte om hem te ontwijken, en
hem met opgeheven hoofd en een glimlach om de lippen had afgewacht.

Men snelde naar den hertog toe om hem op te beuren, maar hij was reeds
dood. Zijne trekken waren door den doodstrijd geheel vertrokken, maar
de wijd geopende oogen behielden ook nog na zijn verscheiden dezelfde
uitdrukking van onverzoenlijken haat, die aan het verbleekte gelaat van
dezen doode een afschuwelijk en afgrijselijk voorkomen gaf.



Twee maanden na al de gebeurtenissen die wij verhaald hebben, liep de
logger de Meeuw met volle zeilen de haven van Dieppe binnen; op het dek
van dien logger stonden acht personen, die de kusten van het dierbare
vaderland met zoete ontroering begroetten. Die acht personen waren: de
heer d’Ogeron, die naar Frankrijk terugkeerde daar koning Lodewijk XIV
hem terug had geroepen, Montbars, of liever de graaf de Barmont, donna
Clara, Philippe, donna Juana, don Gusman de Tudela, na Cigala en
Birbomono.

Philippe en donna Juana, sedert eenige weken door het huwelijk
verbonden, gingen de wittebroodsweken op het oude kasteel van de graven
de Barmont doorbrengen, bij Montbars en donna Clara wier hart, zoo
langen tijd als verdoofd door al hun leed, weer begon te herleven en
als te ontluiken, ook onder den invloed van het reine en onbewolkte
geluk van de beide jongelieden.

De heer d’Ogeron bracht den jongen graaf de Barmont, don Gusman, aan
het hof, om hem voor te stellen aan hem, dien men toen reeds begon te
noemen den Grooten Koning.

Ondanks hunne voornemens om zich uit het woelige krijgsleven terug te
trekken, ondanks al hunne plannen om in stilte hun geluk te genieten,
zullen wij onze personen nog eens ontmoeten [18] onder die geduchte
flibustiers van Tortue om hen opnieuw en onverbiddelijk te zien
strijden tegen de Spanjaarden; want de toekomst behoort aan God, die in
Zijne onbegrijpelijke en ondoorgrondelijke wijsheid, naar Zijn
welbehagen over der menschen lotgevallen beschikt.








AANTEEKENINGEN


[1] Zie de Zeeschuimers, bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L.
Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[2] Zie het vorige deel „de Zeeschuimers” bij dezelfde Uitgevers de
Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[3] Ongeveer vier en twintig honderd gulden.

[4] Tributor,—zoo iets als tolheffer.

[5] Ongeveer vier maal honderd duizend gulden.

[6] Zie „de Zeeschuimers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L.
Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[7] Zie „de Zeeschuimers” bij dezelfde uitgevers, de Erven J. L.
Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[8] Zie „de Boekaniers” en „de Zeeschuimers” bij dezelfde uitgevers de
Erven J. L. Nierstrasz, te ’s Gravenhage.

[9] Zie de „Boekaniers” bij dezelfde uitgevers de Erven J. L.
Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[10] Zie het volgende deel dezer Serie: „De Hacienda del Rayo”, bij
dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[11] Zie „de Boekaniers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L.
Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[12] Historisch.

[13] Het verhaal van dit gevecht is streng historisch.

Gustave Aimard.

[14] Historisch.

[15] Zie het volgende deel dezer Serie: „De Hacienda del Rayo”, bij
dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[16] Zie het volgende deel dezer Serie „de Hacienda del Rayo”, bij
dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[17] Zie „de Boekaniers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L.
Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[18] Zie het volgende deel dezer serie „de Hacienda del Rayo” bij
dezelfde uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GOUDZOEKERS ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.