Paedagogische Overwegingen

By Eva Wilhelmina Asscher

The Project Gutenberg EBook of Paedagogische Overwegingen, by E. W. Asscher

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Paedagogische Overwegingen

Author: E. W. Asscher

Commentator: J. H. Gunning

Release Date: January 18, 2009 [EBook #27833]

Language: Dutch


*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAEDAGOGISCHE OVERWEGINGEN ***




Produced by Jeroen van Luin, Ginirover and the Online
Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net









PAEDAGOGISCHE OVERWEGINGEN




STAATKUNDE LETTEREN

HANDBOEKJES
ELCK 'T BESTE

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS

UITGEGEVEN DOOR DE
MAATSCHAPPIJ VOOR
GOEDE EN GOEDKOOPE
LECTUUR AMSTERDAM

KUNST WETENSCHAP




GESCHIEDENIS HYGIENE

E. W. ASSCHER

PAEDAGOGISCHE
OVERWEGINGEN

MET NASCHRIFTEN VAN
DR. J. H. GUNNING Wzn.

1920

WIJSBEGEERTE PRACT. LEVEN

A. C. BERLAGE




De schetsen met een * gemerkt zijn eertijds verschenen in het
Veertiendaagsch Blad voor Ouders en Opvoeders "Het Kind"




GEDRUKT TER DRUKKERIJ "DE DEGEL"--AMSTERDAM




INHOUD


                                                                       BLZ.
        I IEDER ONS AFGEBAKEND TERREIN                                    5
       II HAAR NATUURKINDJE (MET NASCHRIFT)                               8
      III NIET "PREEKEN"                                                 11
       IV HET RECHT VAN STRAFFEN EN VERMANEN                             14
        V HET STERKEN VAN DEN WIL                                        17
       VI EERBIED VOOR DE MEENINGEN VAN ONS KIND                         20
      VII DE JUISTE STRAF                                                23
     VIII EEN TOEKOMSTBEELD                                              27
       IX DE SINAASAPPELMETHODE VAN JAN LIGTHART (MET NASCHRIFT)         29
        X HOE DEZE PAEDAGOOG ER OVER DACHT                               34
       XI ONS HUMEUR                                                     37
      XII DE FABEL (MET NASCHRIFT)                                       39
     XIII OPRECHTHEID                                                    42
      XIV OVERBLUFFEN (MET NASCHRIFT)                                    44
       XV VOORZICHTIG INGRIJPEN                                          49
      XVI SCHAAMTE IS EEN MACHTIGE HULP TER VERBETERING                  52
     XVII DE GENOEGENS VOOR HET KIND                                     55
    XVIII OP HET KLEINE KIND VALT NIMMER TE REKENEN (MET NASCHRIFT)      58
      XIX WAT HIELP (MET NASCHRIFT)                                      61
       XX TWEE VLIEGEN IN EEN KLAP                                       64
      XXI EENTONIGE ARBEID                                               68
     XXII GEEN WIJZE REDENEERINGEN                                       70
    XXIII DE GEVOELENS VAN HET KIND                                      73
     XXIV DE RECHTEN VAN HET KIND                                        76
      XXV MUZIEK LEEREN                                                  78
     XXVI IETS MOETEN DOEN EN IETS WILLEN DOEN (MET NASCHRIFT)           81
    XXVII DE KUNST VAN BEVELEN                                           84
   XXVIII HUN ALTRUÏSME                                                  87
     XXIX HET KORTE WOORD (MET NASCHRIFT)                                89
      XXX SNOEPEN                                                        95
     XXXI WAAGHALZERIJ                                                   98
    XXXII DE KLEINE KUNSTENAAR                                          100
   XXXIII HET SPRAK VAN ZELF                                            102
    XXXIV LIEFDE                                                        103
     XXXV EERLIJKHEID                                                   106
    XXXVI RECHTVAARDIGHEID (MET NASCHRIFT)                              109
   XXXVII ZELFVERBETERING (MET NASCHRIFT)                               112
  XXXVIII EERBIED                                                       115
    XXXIX VEELEISCHENDHEID                                              117
       XL JALOERSCHHEID                                                 120
      XLI EENKENNIG                                                     122
     XLII DE KLEINE PAEDAGOOG                                           125
    XLIII WEELDE                                                        128
     XLIV DOORZETTEN                                                    132




I IEDER ONS AFGEBAKEND TERREIN *


Het gesprek liep over het resultaat, dat ik na een moeilijke opvoeding,
met een mijner pupillen bereikt had.

"En, zou je de verschillende kinderen nu nog allen op dezelfde wijze
behandelen?" vroeg een der aanwezigen, enthousiast.

"Helaas, neen," bekende ik. Althans niet practisch. Wij ouderen van
dagen, zijn daar meestal niet meer toe in staat. Wij missen de kracht om
bij de opvoeding onzer lievelingen de strengheid door te voeren, welke
het kind tot een zelfstandig, vrij individu kan vormen. Velen onzer
hebben te droeve ervaringen opgedaan omtrent het leven, velen hebben te
pijnlijk aan den lijve ondervonden, wat het kind mogelijk te wachten
staat. Het enthousiasme, waarmede de jeugdige opvoedster(der) in de
gelukkige toekomst van het kind gelooft, bezielt haar werk. Het is een
kracht in haar, waarbij de meest ervarene het moet afleggen. Daarom
verkies ik de _jeugdige_ opvoedster voor het _jeugdige_ kind.

--In een groot gezin, vullen de oudere kinderen gewoonlijk het te kort van
de Moeder voor de jongere aan--

Laat ik u mijn bewering met een voorbeeld uit mijn praktijk toelichten.

Onze Cor was zeer slordig. Sedert het kind op zesjarigen leeftijd
zichzelf dagelijks lichamelijk moest verzorgen, viel er tooneel op
tooneel voor, tusschen vader en zoon, waarbij Moeder en ik Vader
steunden. De ernstigste straffen mochten niet baten. Jaren lang werd Cor
drie, vier maal terug gestuurd om zich beter te wasschen, voordat hij
mede aan tafel mocht zitten. Hij was reeds elf jaar, toen Vader op een
middag wanhopig uitriep, "de jongen _krijgt_ de handen niet meer schoon,
het vuil is in zijn huid gegrift!"

Kort daarop ging Cor naar het gymnasium. Hij had voor dien tijd een
derde klasse school bezocht. Tot onze verbazing werd Cor binnen een half
jaar "het Heertje". Hij had voortaan geen enkele aanmoediging noodig.
Hoe meer wij het leven ervoeren, hoe meer het ons berouwde, dat we het
den jongen zoo lastig hadden gemaakt.

Het acht jaar jongere broertje bleek even slordig als Cor. We
behandelden hem echter anders. Nu eens vermaanden we Bert, dan weer
spoorden we hem vriendelijk aan een nette jongen te zijn, maar meestal
verzorgden we hem zelf. We rekenden op het leven, dat stellig
verbetering zou brengen. Bert ging ook naar het gymnasium. Hij is nu
vijftien jaar en...... nog even slordig als op zesjarigen leeftijd.

We behandelen hem nu op dezelfde wijze als we Cor gedaan hebben. We zijn
er echter lang niet van overtuigd te slagen. In het eerste geval, is het
zaad, dat we gestrooid hebben en jarenlang hebben verzorgd, door
gunstige omstandigheden tot vollen wasdom gekomen. We hebben bij hem
echter verzuim gepleegd. Dergelijke fouten door vele oudere
opvoedsters(ders) begaan zijn zelden weer goed te maken.

"Hebben wij ouderen dan minder waarde bij de opvoeding van _jeugdige_
kinderen?" vroeg Mevr. R. teleurgesteld.

"Welneen," troostte ik. "We hebben alleen ieder ons afgebakend terrein."

"De _Jeugdige_ opvoedster(der) de practische uitvoering."

"De oudere opvoedster(der) haar theoretische kennis en ervaring."

"De bejaarde opvoedster(der) haar onbegrensde liefde, geduld en
troost."




II HAAR NATUURKINDJE *


"Pop is een natuurkindje? Een kind _moet_ zich uitleven! Ik hoor het van
alle kanten. De tijdschriften en couranten staan er vol van. Jammer dat
ik het niet eerder geweten heb. Nu ja, de ouderen zijn wel flinke lieve
kinderen geworden, maar ze hebben toch niet zoo'n prettige jeugd gehad.
Ik heb ze opgevoed met het drilsysteem, dat me van Ouder tot Ouder is
bijgebracht geworden. Het nakomstertje is zoo vroolijk. Pop leeft zoo
heerlijk zonder dwang!"

Moeder bazuinde het uit voor elk gewillig oor. Dat mij "de lof harer
zotheid" niet bespaard bleef is natuurlijk. Sinds eenige jaren gaf ik
den ouderen kinderen pianoles en had gelegenheid op te merken, dat haar
onmacht tegenover Pop, Moeder steeds zwaarder ging drukken. Van vele
kanten hoorde ik, dat het waarlijk schattige, pientere kindje de schrik
was voor allen, die met haar in aanraking kwamen. Suus kende geen
gehoorzaamheid. Ze gaf aan elke opwelling gehoor zonder eenige rekening
te houden met de gevolgen voor anderen. Ze vernielde wat haar lustte.
Pop was, juist geoordeeld, een halve wilde. Als vreemde mocht ik niet
ingrijpen. Deze bekrompen liefhebbende Moeder zou het trouwens niet
geduld hebben. Met hare roerende liefde verdroeg ze in hoofdzaak alleen
de moeite en lasten van haar schat. Ze liet haar zelden aan een ander
over.

Toen Mijnheer, zijn reeds dikwijls verworpen plan--om met Mevrouw en de
oudere kinderen een reisje door Nederland te doen--eindelijk wilde
doorzetten, werd het Moeder bang om het harte voor haar "Natuurkindje".
De bijna driejarige Suus moest dan voor vier weken bij familie gaan
logeeren. Terecht vreesde Moeder, dat dit veel verdriet voor Pop zou
meebrengen. De ontstemmingen, die het kind bij anderen gewoonlijk
teweegbracht waren Moeder maar al te zeer bewust geworden.

Ze kon niet besluiten.

"Neen, vast niet bij tante Lies, ze is zoo overdreven precies."

"Bij oom Henk nog minder. Hij heeft zulke dolle driftbuiën."

In haar Moederlijke bezorgdheid waagde ze het mijn hulp in te roepen. Ze
kende me in den omgang met vele kinderen. Ik woonde toen bij een
familie, die een jongen en een meisje in den leeftijd van Suus hadden.

Dankbaar aanvaardde ik de vereerende, doch moeilijke taak.

Het zou de Moeder na jaren van inspanning eens wat rust geven en ik
hoopte tegelijk bij de lieve Suus wat te kunnen goed maken.

Ik begon met mijn kleine patiënte eenige dagen waar te nemen, voordat ik
ernstig ging ingrijpen.

Haar pretenties waren schering en inslag.

"_Ik_ hoef niet te gaan slapen terwijl onze broer 's morgens een uurtje
naar bed moet om te rusten."

"_Ik_ mag naast tante E. aan tafel zitten." Jet en Han waren dit gewend.

"_Ik_ moet tante E. op straat een arm geven," een voorrecht, dat zus en
broer noode afstonden.

"Waarom _jij_?" vroeg ik al gauw, haar hoogst verbaasd aanziende.

......Nou...e, nou......

Voor mijn blik, sloeg ze de oogjes deemoedig neêr. Het was de eerste
keer in haar leven.

"_Jij_ gaat 's morgens ook naar bed," omdat _alle_ kindertjes van nog
geen drie jaar 's morgens wat gaan rusten.

"_Jij_ moogt evenveel beurten hebben als de andere kinderen om op straat
aan mijn arm te loopen."

Na eenige dagen liet ze elke aanmatiging varen. Meer en meer paste ze
zich kalm aan. Ten slotte leefde ze de gewoonten van de andere kinderen
volledig mede.

                   *       *       *       *       *

Moeder had me een vinger gegeven, ik wilde nu de geheele hand hebben.

Ik nam voortaan het recht de leefwijze van onze Suus mede te bedisselen.

Het werd Moeder langzamerhand wel duidelijk, dat ze het beginsel "het
Kind moet zich uitleven" op een verkeerde wijze had toegepast. Ze was me
heel dankbaar. Haar kind werd stipt gehoorzaam. Het genoot niettemin een
veel prettiger jeugd dan de oudere kinderen. Suus had meer vrijheid.

                   *       *       *       *       *

We moeten met onze paedagogische voorlichtingen in de populaire bladen,
_heel_ voorzichtig zijn tegenover het leekenpubliek, meer en meer zien
te bereiken, dat door een deskundige uitsluitend persoonlijke
voorlichting wordt gegeven aan minder ontwikkelde, minder ervaren
Moeders. Paedagogische voorlichtingen kan het gros van het publiek nog
niet verwerken.

                   *       *       *       *       *

=Naschrift.= Ik geloof niet, dat er in "Het Kind" ooit voorlichtingen
hebben gestaan, die tegen bovenstaand lesje indruischten. _Red._




III NIET "PREEKEN" *


Volgaarne had ik voor de familie mijn vrijen tijd beschikbaar gesteld,
om bij ontstentenis der Moeder door een of andere bijzondere
omstandigheid, haar bij de kinderen te vervangen. Ik was nu ter
geruststelling van de Moeder, reeds vier weken bij Fred gelogeerd,
voordat het nieuwe zusje arriveerde. Zoo lang hield ik me in hoofdzaak
met de oudere kinderen bezig, regelde hun huiswerk en ging met ze
wandelen. Moeder bracht me intusschen op de hoogte van de nooden der
kleintjes.

Onze vierjarige Fred was een echte slokop. Na de beste voorzorgen,
gebeurde het toch vaak, dat zijn maag van streek was. Wanneer Moeder 's
morgens om het hoekje van de deur der kinderkamer keek, zag ze 't
dadelijk, als het mis was met den kleinen Fred. Dan lag hij, met blauwe
kringen onder de oogen en vaal bleek gezicht, futloos in het bedje ter
neer. Op dokters voorschrift moest ze hem dan laten liggen tot hij zelf
verlangde op te staan en wanneer hij lust had hem een kopje thee en een
droge beschuit geven.

Toen ik op een morgen op het portaal naar de kinderkamer liep, hoorde ik
een druk, opgewekt leven.

"Hoep, fort, klap ..."

Ik keek, zooals moeder gewoon was te doen, om het hoekje der deur. Onze
Fred zat, als Hollandsch welvaren, zijn denkbeeldig paard, wiens
werkelijke leidsels hij om de spijlen van zijn bed had gehaald, op te
zweepen.

Zoodra hij mij ontwaarde, wierp hij zich als door een electrischen
schok getroffen op het kussen neer en zette een beklagenswaardig
gezicht, den besten comediant tot eer.

"Hè--héë--." Hij zuchtte al dieper.

Ik ging bij zijn bedje zitten en vroeg belangstellend, "wat is er
ventje? wat scheelt er aan?"

"Hè--hèe--ik geloof, dat mijn maag weer van streek is. Laat u mij nog
wat in bed blijven en geef u mij a. u. b. een kopje thee met een droge
beschuit. Moeder doet dat _ook_ altijd," onderrichtte de kleine
deugniet.

(Hij wilde zoo gaarne nog wat paardje blijven rijden).

Ik bleef hem even conscientieus waarnemen en zei toen op zijn eigen
beklagenswaardigen toon.

"Jammer, erg jammer."

--Een paar belangstellende, levendige oogen blikten me toe.--

"Jammer toch. Mevrouw Paula heeft zooeven laten vragen of je heel vroeg
bij Frieda, (zijn liefste vriendinnetje), komt spelen."

Met een zelfden electrischen schok sprong hij overeind. "Bi, ba, boe,"
danste hij in bed rond, de dwaaste grimassen makende, de wildste
geluiden uitstootende. "Lekker! lèëker! Lekker gefopt! Ik ben niet ziek!
Ik maakte maar een grapje .... Leuk hè, tante?" waagde de slimmerd er
nog aan toe te voegen.

"Ja, _heel_ leuk, erg leuk! Zoo toevallig. Ik heb jou ook lekker gefopt.
Mevrouw Paula heeft je niet op bezoek laten vragen ... leuk hè? Ik
maakte ook maar een grapje."

In heftig schreien brak hij uit.

Toen hij van de eerste teleurstelling bekomen was, begon hij onder het
snikken opeens te lachen en overwoog luid .... "en _toch_ is het leuk van
tante, _heel_ leuk."

Zijn kinderlijk rechtvaardigheidsgevoel deed hem beseffen, dat hij met
te bedriegen, eerlijk verdiend had, bedrogen te worden. De straf zelf
deed hem zijn vergrijp helder inzien. Even later keek de oolijkerd me
zóó leuk aan, dat we elkaar in opwelling omhelsden.

We deden dien morgen een heerlijke wandeling. We genoten van elkaârs
samenzijn. Van tijd tot tijd lachte hij mij nog even guitig toe, waarna
hij zich inniger tegen mij aandrukte.

Fred heeft sedert geen ziek zijn meer geveinsd.

                   *       *       *       *       *

Nooit heb ik ondervonden of bij anderen waargenomen, dat "_preeken_"
tegen kinderen een goed resultaat had; tenminste geen blijvend.

Het kind het kwaad laten ondergaan, dat uit zijn eigen handeling
voortspruit, doet hem altijd tot het ware besef van zijn verkeerde daad
komen. Deze behandeling is niet _altijd_ aan te wenden om de gevaarlijke
gevolgen.

De goede opvoedster(der) moet ze weten te schiften.




IV HET RECHT VAN STRAFFEN EN VERMANEN *


Ik was een kleuter van een jaar of zeven, toen ik met Moeder op een
wandeling, een blinden man op twee krukken ontmoette. Hij droeg den
bekenden bak vol snuisterijen aan een riem om den hals. Met trillende,
hartroerende stem herhaalde hij steeds zijn smeekbede:

"Gedenk den lammen, blinden man, die geheel verlaten is."

Een kaart, waarop dit klaaglied met vette letters gedrukt stond, was
tegen den voorwand van den bak bevestigd.

Moeder zag dat het treurige lot van den hulpeloozen stakkerd me
aangreep.

Ik mocht hem een dubbeltje geven, daarna zei Moeder: "De man _is_ niet
verlaten, hij _zou_ verlaten zijn als de menschen hem niet telkens weer
wat afstonden. Hij heeft voor het geld, dat hem geschonken wordt, nu wel
een goede verzorging".

Zoo troostte ze me.

Toch bleef het medelijden nog bij mij nawerken. Het jammeren van den
ongelukkige wilde maar niet uit mijn gedachte.

Den volgenden namiddag speelde ik alleen in de woonkamer. De Fransche
leeraar, die mijn broer conversatieles kwam geven, en wat te vroeg was,
moest even bij mij wachten. Juist sleepte ik me met twee stokjes onder
de armen en met bijna dichtgeknepen oogen voort, het treurig refrein
reciteerende: Gedenk den lammen, blinden man enz., toen Mijnheer N.
ongemerkt binnentrad en me verraderlijk een klap om de ooren gaf, "Je
_moogt_ geen gebrekkige menschen nadoen, dat is slecht," voegde hij er
driftig aan toe.

Heel opgewonden liep ik naar Moeder en vertelde haar, wat me overkomen
was en hoe ik juist zoo prettig speelde. Ik was, om beurten me zelf
voorstellende en den blinden man, de beschuitjes, die ik van moeder
gekregen had, op de étagère gaan deponeeren, en de goede gave dankbaar
in ontvangst gaan nemen. De vierde maal, dat ik dit spelletje
herhaalde--ik oefende me feitelijk in weldoen--had de nijdas paedagoog
me zoo wreed miskend.

Moeder suste: "ga maar met mij naar beneden, ik zal het mijnheer wel
uitleggen, dat je niet zoo slecht gedaan hebt, als Mijnheer N. dacht."

"Ja maar .... maar _Maatje_ .... en die _klap_ dan?" snikte ik.

Moeder schoot in een lach en nam me knusjes aan de hand.

Ik herinner me heel goed, dat ik het knuste vond, dat Moeder Mijnheer N.
een welverdienden--psychischen--klap ging brengen, al gooide ze het
tegenover mij over een anderen boeg.

Nooit heeft iemand het recht, _vreemde_ kinderen straffen of berispingen
toe te dienen. Hij mag slechts, of liever hij moet, alleen wanneer door
de handeling van het onbewaakte kind, gevaar voor hem of voor de
omgeving dreigt, die handeling keeren. Bij het straffen en beschuldigen
moeten we er toch voor alles rekening mede houden, dat het kind de
dingen soms, neen dikwijls geheel anders ziet, geheel anders toepast dan
wij ouderen meenen. We moeten het kind terdege rekenschap vragen van de
motieven, die hem tot de een of andere handeling geleid hebben. Alleen
de opvoeder(ster), die de ziel van het kind door en door kent, zal hem
zeker recht doen geschieden, juist behandelen.

Een schip kan slechts goed bestuurd worden, door zijn eigen Vader, zijn
Kapitein, die met de geheele inrichting daarvan bekend is. Het wordt
daarom geen ander toevertrouwd.

                   *       *       *       *       *

Ik heb helaas vele kinderen waargenomen bij wie het langen tijd, soms
onherstelbaar in de oogen weerspiegelde:

"Maar .... maar _Maatje_ .... en die _klap_ dan?" Het was in hun hart
gebrand.

Dat leed moet, die "het kind" lief heeft helpen voorkomen.




V HET STERKEN VAN DEN WIL *


Onze negenjarige Robert is een zachte, makkelijk te leiden jongen.
Ernstige moeilijkheden hebben we tot nu toe niet met hem gehad.

Hij is wel bijzonder eerzuchtig en zeer gesteld op eten en drinken.

Zijn school en die zijner kleine zusjes, zes en zeven jaar oud, zijn
naast elkaar gelegen.

Zonder eenigen tegenstand ging hij trouw op de bepaalde uren met Juf en
de kleine meisjes heen en weer naar school.

"Hou je juffie goed aan het handje?"--dat, nog maar goedig plagen van
zijn beste vriendje--krenkt zijn trots en doet eensklaps in hem opwellen
niet meer met de anderen samen te willen gaan. Bij zijn thuiskomst maakt
hij Vader (medicus) zijn verlangen kenbaar. "Ik ben toch nu al negen
jaar" en smalend voegt hij er aan toe, na drie jaar zijn weg wel te
weten.

Vader voelt met hem mede en staat zijn verzoek, om verder alleen naar
school te gaan toe op voorwaarde, dat Rob nooit één oogenblik over den
bepaalden tijd thuis komt.

--Vader vertrouwt hem heel goed en wil de zelfstandigheid van het kind
voor niets ter wereld verzwakken.--Rob is wel nog wat jong en hij moet
een druk stadsgedeelte door. Moeder zou heel bezorgd zijn, wanneer hij
te laat zou komen.

Het gaat vele maanden goed. Vol enthousiasme vertelt Rob herhaaldelijk
van de aandachttrekkende gebeurtenissen, die hij op zijn weg ontmoet
heeft als: een paard, dat gevallen was en o zoo moeielijk op de pooten
te krijgen was, of van een dronken man, die zich hevig verzette, terwijl
hij naar het politiebureau gebracht werd, maar Rob zorgde er voor, het
oponthoud door een aanloopje telkens weer in te halen.

Het voorjaar kwam echter met zijn geijkten knikkertijd. Tegen zulk een
groote verleiding blijkt Rob niet bestand te zijn. Vader heeft hem
toegestaan 's middags een half uur met zijn vriendjes op het plein voor
de school te knikkeren, doch Rob komt steeds later thuis.

Vader waarschuwt Rob, daartegen afdoende maatregelen te nemen.

"Rob moet zeker anders weêr met Juf meêgaan?" vraagt Moeder bezorgd.

"Neen", zegt Vader streng. "Rob _moet_ alleen op tijd thuis komen!"

Die ernstige waarschuwing is weer voor eenige dagen bij het kind
doorgedrongen. Daarna vergeet hij op een middag zijn tijd zóó ver, dat
de soep al op is, als Rob berouwhebbend verschijnt.

--Vader, die van zijn leidzaamheid overtuigd is, ziet wel heel goed waar
de schoen hem wringt. Rob wil wel, maar hij kan eenvoudig niet
gehoorzamen. Het ontbreekt hem aan de noodige kracht daartoe.

Vader vermaant Rob ernstig en zegt hem, dat hij elken middag, wanneer
hij één oogenblik over zijn tijd komt, onmiddellijk zijn huiswerk maken
moet en daarna zonder eten naar bed moet.

En acht dagen later, het was de eerste keer, toen hij twee minuten te
laat kwam, handhaafde Vader die straf, hoe wanhopig Rob ook was.

Nadat hij elke kans op vergiffenis had opgegeven, berustte hij kalm. Men
hoorde geen geluid meer van hem.

Moeder, innerlijk ongerust, gaat om negen uur toch nog even kijken of de
jongen slaapt. Ze vindt hem wakker en op haar vraag: "En heb je nu geen
vreeselijken honger?" antwoordt Rob snikkende: "wel vreeselijken honger,
maar geen geeuwhonger", want Nan--zijn driejarig zusje--was hem al de
kruimeltjes komen brengen, die voor de vogeltjes op den vensterpost
waren gelegd. Het had zoo erg geregend, dat de vogeltjes niet gekomen
waren om ze op te pikken.

--De arme zindelijke Rob moet er wel heel erg aan toe zijn geweest, toen
hij die knoeierij verorberde.--

Rob is daarna nooit meer te laat gekomen.

                   *       *       *       *       *

Na den knikkertijd wandelden we eens samen en spraken over verschillende
spelen. "Hè tante", zegt hij opeens triomfantelijk, "ik ben blij dat de
knikkertijd voorbij is en dat ik altijd overwonnen heb, maar wat heeft
dat een moeite gekost in het begin. Ik heb dien avond toch zulk een
vreeselijken honger gehad en daar dacht ik altijd maar aan."

                   *       *       *       *       *

Geen menschelijke straf kan ooit te streng zijn om het kind tot
zelfoefening in wilskracht aan te sporen.[1] Het sterken van den wil
toch is de gewichtigste taak van de opvoeding. Slechts met een sterken
wil kan men voldoen aan de hooge bestemming "=Mensch te zijn=".

  [1] menschelijk = humaan.




VI EERBIED VOOR DE MEENINGEN VAN ONS KIND *


De Moeder is streng geloovig, de Vader atheïst.

Bij de opvoeding der kinderen werd Moeder wat het godsdienstige gedeelte
betreft geheel vrij gelaten. Vader meende, dat de kinderen eenmaal
volwassen, toch zelf hun weg zouden bepalen.

Volgens geloofsgebruik moesten de kinderen beneden dertien jaar op
"Grooten Verzoendag" een halven dag vasten, daarna schrijft de wet een
heelen dag voor.

--Het vasten is voor _kleine_ kinderen een pretje evenals elke afwijking
van het gewone, ze voelen zelden bezwaren.--

Meta, juist zeventien jaar geworden, had Moeder verklaard zich nu niet
meer aan den "Grooten Verzoendag" te willen houden. Ze geloofde niet en
wilde niet langer huichelen.

Moeder antwoordde, dat ze Meta's overtuiging niet rekende. Tot ze
meerderjarig was, beval ze haar naar de kerk te gaan en te vasten.
Daarna kon ze doen zooals ze zelf verkoos.

Dat was het eerste ernstige conflict tusschen Moeder en dochter.

Meta gaf oogenschijnlijk toe.

Ze kocht echter de noodige broodjes en at ze heimelijk op.

's Avonds viel het Moeder op, dat Meta in tegenstelling van andere
jaren, er bijzonder blozend en welvarend uitzag.

"Je hebt gegeten Meta," zei Moeder op beslisten toon.

"Ja Moeder", gaf het meisje eerlijk ten antwoord. "Ik zou voor u liever
gewild hebben, dat u het niet gemerkt hadt, maar nu wil ik u toch niet
langer bedriegen."

Na die vermetele bekentenis begon tusschen Mevrouw en Meta een
verhouding te bestaan, die allerdroevigst werd.

Moeder verlangde bij de minste kleinigheid haar gezag gehandhaafd te
zien, Meta wilde haar zelfstandigheid op geen enkel punt prijs geven.

Het geheele gezin leed onder de wederkeerige plagerijen en opgewonden
stemmingen. Moeder en dochter gaven elkaâr geen enkel bewijs van liefde
meer.

Meta zou ten slotte de dupe geworden zijn van Moeders verkeerde
paedagogische inzichten. Vader overwoog, dat die toestand niet langer
mocht voortduren, ze moesten van elkaar.

Meta vermagerde bij den dag. Vader besloot het meisje naar een
kostschool in België te sturen.

Juist bracht ik Mevr. B., mijn naaste buurvrouw, in deze dagen een
bezoek.

Ze zat in zak en asch.

Toen ik binnenkwam brak ze in snikken uit.

Op mij was haar hoop gevestigd, "de verloren dochter te doen terug
keeren", zei de wanhopige Moeder.

Het viel me heel gemakkelijk de Moeder tot andere gedachten te brengen,
nadat ik de juiste toedracht van de oneenigheid vernomen had.

Ik legde haar uit, dat de wet alleen den meerderjarige verantwoordelijk
acht voor zijne daden, maar dat het toch zeer vaak voorkwam, dat iemand
van zeventien jaar meer competent was tot juist oordeelen en handelen
dan iemand van vier en twintig. Dat nu hing geheel van de
persoonlijkheid af.

Ik betoogde, dat haar moederplicht gebood, _dit_ kind in dezen zelf te
laten beslissen.

Geloof is een gevoel, dat geen zelfstandig mensch mag opgedrongen
worden. Het meisje had de ware opvoeding tot het geloof genoten, de
moeder was dus geheel vrij van alle schuld, nu het geloof zich bij Meta
niet ontwikkeld had, zooals Moeder het verlangd had. Ze kon dat
betreuren, maar in geen geval mocht ze een dergelijk meisje dwingen tot
welke overtuiging ook! We moeten voorkomen, dat onze kinderen lijden
onder opgedrongen meeningen.

Een hartelijke omhelzing tusschen Moeder en dochter was de kroon op mijn
leering.




VII DE JUISTE STRAF *


"Kees is als bijzonder hartstochtelijke jongen geboren", luidt Moeder's
uitspraak. Wie zou hem beter hebben leeren kennen dan juist zij?

Deze vrouw bezit een genialen tact om haar kind te leiden. Zij heeft hem
zelfs zoo weten te hervormen, dat buiten hare omgeving evenmin heftige
scènes met het kind plaats hebben.

Ik wil u haar laatste opvoedkundige prestatie mededeelen.

Onze dertienjarige snaak dan, heeft een zwak voor eieren, hij is er
verzot op en moet ze nu als een groote oorlogsontbering missen.

De idee ze niet te _kunnen_ verkrijgen is voldoende om zijn hartstocht
er voor tot het uiterste te prikkelen.

De huisgenooten, er zijn er vijf, die hun jongsten lieveling aanbidden,
beloven Kees, nu de eieren voor den handel weer vrij gekomen zijn,
ieder, op hunne beurt, hem op een ei te tracteeren, als .... hij een
goed rapport van de handelsschool heeft meêgebracht, hij gedurende een
bepaalden tijd altijd netjes aan tafel is gekomen, op tijd naar bed is
gegaan, kortom als hij vele moeilijkheden heeft overwonnen.

Kees' zinnenprikkel helpt hem aan de hem gestelde eischen te voldoen.

Nadat hij met het verlangde rapport van school is gekomen, vindt hij in
het koffieuur een versierd ei op zijn waschtafel liggen. Een verrassing
van zijn oudsten broer.

Overgelukkig ijlt hij naar Moeder en vraagt haar het ei meteen te bakken
voor bij zijn boterham.

"Ach kom, grappenmaker", sust Moeder, "je weet immers wel, dat er nu geen
gas is. Ik zal het ei bij het avondeten heerlijk voor je klaar maken."

"Er is _wel_ gas", betoogt Kees klemmend. "Bakt u het voor éénen keer op
het medisch komfoor van Jan."

Moeder weigert en voegt gedecideerd er aan toe "dat stelletje mag
uitsluitend gebruikt worden wanneer Jan het voor zijn patiënten noodig
heeft."

Onmiddellijk daarna wordt Moeder voor een gewichtig gesprek aan de
telephoon geroepen. De lust van Kees is onweerstaanbaar. Hij zou den
hemel willen bestormen om het gebakken ei te bekomen. Hij waagt het, na
bij het keukenmeisje de noodige ingrediënten te hebben veroverd, het ei
zelf te gaan bakken op het verboden toestelletje.

Opgewonden door het sterk begeeren doet hij op zijn onhandigst.

Voor dat het ei in het pannetje is, vat een gordijntje in de nabijheid
vlam; hij had den nog half brandenden lucifer er tegen geworpen. In zijn
agitatie gooit Kees een spiritusstelletje om en in een oogenblik staat
de omgeving in lichte laaie.

Een vervaarlijk geschreeuw: "brand! brand! Moeder help!", doet Mevrouw X.
doodelijk verschrikt naar beneden snellen.

Het gelukt haar het vuurtje spoedig te blusschen.

Daarna stuurt ze Kees naar zijn kamer.

Geheel ontdaan, ontmoedigd, met neêrgebogen hoofd sluipt hij weg.

Bijna elke moeder zou in haar drift en ontsteltenis haar kind
oogenblikkelijk het ei afgenomen hebben.

(Vele moeders, wien ik dit vertelde, lieten zich ook spontaan in dien
geest uit.)

Deze moeder strafte op de rechte manier.

Ze overwoog, volgens haar gewoonte, de straf eerst, toen ze geheel kalm
was.

Kees had in hartstocht gehandeld, een verzachtende omstandigheid voor
het begane misdrijf.

Zijn aangeboren hartstochtelijke natuur te hervormen is een werk van
jaren: Ze was reeds veel gevorderd met hem en schreef dien terugval toe,
aan den moeilijken leeftijd, waarop Kees was gekomen en aan de
buitengewone tijdsomstandigheden. Door te strenge straf zou ze den
jongen verbitteren en veel invloed verliezen. (Zou het toeval geholpen
hebben en de jongen had in zijn angst het ei laten vallen, dan zou de
jongen het gemis, op de juiste wijze gevoeld hebben.) Hem het ei weg te
nemen, waarnaar hij zoo zinnelijk verlangd had en dat hij met veel
inspanning had verdiend, was een veel te hard, ja een wreed ingrijpen.

Het overigens normaal gehoorzame kind, mocht ook niet in verhouding
gestraft worden tot de ongehoorzaamheid, die hij had begaan. De
hartstocht had de waardebepaling voor een deel in het bewustzijn
weggedrongen. Hij heeft niet kunnen beseffen, hoe ondeugend hij
gehandeld had.

Mevrouw X. strafte hem toch streng.

Hij mocht gedurende vier weken niet naar de club gaan, hij moest een
poos een half uur vroeger naar bed dan hij gewend was, kortom ze strafte
hem op een wijze, waaruit ze hem liet voelen, dat hij voor vele dingen,
die Moeder hem toegestaan had nog te klein was. Voordat Moeder hem weer
in eere herstelde moest hij toonen, zich als een flinke jongen van zijn
leeftijd te kunnen gedragen en geen onhandigheden meer te begaan, die
gevaar voor hem zelf of anderen konden opleveren.

En dat Moeder juist gestraft had, bewees Kees' reactie, toen ze hem 's
avonds experimenteerde.

Moeder hield Kees, als gewoonlijk, gezelschap toen hij het nu smakelijk
gebakken ei bij de avondboterham genoot.

"Eigenlijk had je het ei niet moeten hebben", zei moeder, terwijl hij
juist een lekker hapje nam.

Met een gezicht, vuurrood van opwinding, stootte hij hijgend uit, "als u
mij het ei hadt weggenomen, dan was ik weggeloopen en zou ik me
verdronken hebben."

"Weggeloopen?... van _mij_?" vroeg Moeder met die liefde in haar blik en
die teerheid in de stem, waarmede de liefhebbende moeder het
onweerlegbaar bewijs gaf, dat zij haar jongen, noch Kees haar kon
missen.

Als reflex slaat Kees de armen om moeders hals, kust haar innig en
breekt in snikken uit.

Zijn straf draagt hij met gelatenheid.

                   *       *       *       *       *

Wat Moeder zoo bij intuïtie gevoeld heeft, kunnen Ouders en
opvoeders(sters) tot op zekere hoogte aanleeren: slechts te straffen na
kalme overweging en de straf zoo te bepalen, dat ze aan het doel, het
zwak van het kind te verbeteren, beantwoordt, dus in juiste verhouding
tot het begane feit en in verband met den aard van het kind.




VIII EEN TOEKOMSTBEELD *


De ouders van den pittigen Jacques--ze woonden in de ghettobuurt--waren
door onverwachte omstandigheden in goeden doen gekomen.

Jacques leerde goed: Meester prees hem altijd. Ze wilden nu voor alles
van hun eenig kind wat maken.

In overleg met den onderwijzer zou de jongen examen doen voor het
gymnasium.

"Er waren wel bezwaren, maar Jacques zou ze overwinnen", oordeelde
Mijnheer V.

Jacques slaagde, kreeg zelfs bijzonderen lof bij de toespraak van den
curator.

Dat sterkte hem, den spot van zijn medescholieren te verdragen.--Door
zijn opvoeding en erfelijkheid week Jacques in zijn, doen, en denken wel
eenigszins van hen af.--

Zoo kwam hij bijv. des Zaterdags op school, maar hij mocht geen
schriftelijk werk meedoen. Bovendien verlangde Vader, der traditie
getrouw, dat de arme jongen dan in het veelkleurig, haast bonte
Sabbatpak zou verschijnen.

Jacques protesteerde even, maar als goed geaard kind, gaf hij, gedachtig
aan het gebod: "men moet zijn ouders eeren", toch dadelijk toe. Met
loome schreden ging hij naar school.

                   *       *       *       *       *

Bij zijn komst in de klasse werd het kind met hoongelach en lorre,
kopjekrauwen, klontjesdief begroet en de leeraar .... lachte.

De arme Jacques leed.

Geheel ontdaan kwam hij thuis en snikte het uit.

Van den _leeraar_ had hij het niet kunnen dragen.

                   *       *       *       *       *

De leeraar werd daarover onderhouden en bood zijn verontschuldiging aan
door te zeggen: "Nu ja, de jongen had er zóó potsierlijk uitgezien."

"Men is toch _maar_ Mensch."

Reeds toen, het is een tijd geleden, overwoog ik,--steeds met meer hoop
voor de toekomst--dat eens de leeraar (Paedagoog) bij dergelijke
voorvallen zoo zou handelen, dat hij gerust zou kunnen verklaren:

"Men is toch _gelukkig_ Mensch."




IX DE SINAASAPPELMETHODE VAN JAN LIGTHART *

     Motto: Wanneer wij de menschen slechts nemen zooals ze zijn, dan
     maken wij ze slechter, doch wanneer wij ze behandelen als waren zij
     dat wat zij _moesten_ zijn, zoo brengen wij hen daarheen, waarheen
     zij gebracht moeten worden.
                                         (Goethe. W. Meisters Lehrjare.)


Zeker! Ik stem met den wensch van Jan Ligthart in, "dat op een algemeene
vergadering van Paedagogen de motie worde voorgesteld en bij acclamatie
aangenomen, dat de sinaasappelmethode[2] van Jan Ligthart de
voortreffelijkste is," mits... ze uitsluitend worde toegepast door "'n
Jan Ligthart".

  [2] De sinaasappelmethode van J. L. beoogt alleen door liefde en
  zachtheid het goede in het kind op te wekken.

We kunnen ons echter in 't bezit van slechts weinige "Jan Ligtharts"
verheugen.

De methode toch is, evenals vele opvoedkundige methoden, gevaarlijk in
verkeerde handen.

(Feit is, dat in den loop der tijden de sinaasappelmethode door vele
opvoeders(sters) onbewust gebruikt wordt, vooral door Moeders).

Ik heb de toepassing dezer methode bijna altijd tot even groot nadeel
voor den opvoeder(ster) als voor het kind zien leiden. Tot bespotting
van den eerste, tot met geweld moeten ingrijpen bij het laatste. En
telkens weêr overdacht ik met weemoed "ware dit kind maar dadelijk
minder ideaal behandeld."

Persoonlijk heb ik de sinaasappelmethode het meest aangewend in den
vorm van een heel mooie vergulde bittere pil.

Ik laat hier een van de gevallen volgen.

Het gebeurde in een Pension te Zandvoort, waar ik in de vacantiemaanden
verblijf hield.

Niet minder dan twintig kinderen en hun respectieve Ouders of Moeders
hadden mede hunne tenten bij Mevrouw M. opgeslagen.--Onze hospita was
vermaard door haar groote welwillendheid en door de liefde, waarmede ze
haar gasten verzorgde.

Ook een heel zwakke oude juffrouw woonde sinds vele jaren in ditzelfde
pension.

Het was noodweêr den eersten dag van ons samenzijn. Een hevig onweêr
deed allen in de conversatiezaal bijeenkruipen. Vele kinderen waren
onrustig.

De vierenzestigjarige Juffr. Bruin, hyperouderwetsch zoowel in hare
manieren als in hare kleeding--een Dickensplaatje--werd voor de kinderen
de gewenschte afleiding.

Ze bekeken de stakkerd van 't hoofd tot de voeten en na haar voldoende
te hebben opgenomen, verwekte de negenjarige Frans, de belhamel van het
troepje, door een luide opsomming van haren lijfelijken inventaris
uitbundige hilariteit.

"Het succes rechtvaardigt de daad."

Zoo ook voelde het Frans.

(Een haast vergoelijkende vermaning, hé Frans! van zijn Moeder, liet hij
onopgemerkt voorbijgaan).

Het kind werd steeds baldadiger.

Hij amuseerde nu het gezelschap door op een stoel te gaan staan en de
verschillende "Beilagen" van 't toilet van Juffr. B., haar reticule,
brillehuisje, pepermuntdoosje, waaier enz. enz. als projectielen uit
zijn vermeende vliegmachine de zaal in te werpen.

Juffr. Bruin, hoewel zeer angstig bij dit weer in haar eentje, wilde
naar haar kamer vluchten.

Ik vroeg haar, liever bij mij te komen zitten: ik zou haar beschermen.

Het ongelukkige oudje, vertelde me, dat het al den tweeden zomer was,
dat die kleine bengel de kinderen zoo tegen haar ophitste.

"Waarom ze dan niet in een ander pension ging?"

"Ze had het hier zóó goed, ze wilde zoo gaarne blijven. De dokter had
haar een voortdurend rustig verblijf aan zee voorgeschreven."

Eindelijk vertrouwde ze me onder droevig snikken toe, dat ze in de
vacantiemaanden, in elk pension van de kinderen hetzelfde te duchten zou
hebben.

Nuchter verklaarde ze--wie kent ooit zichzelve--niet te begrijpen
waaraan ze die kwelling te wijten had. Ze had nooit in haar leven één
kind onvriendelijk bejegend.

Ze verzette zich heelemaal niet.

Waarom zou ze opkomen tegen iets, wat toch niet te veranderen was?

Ik stelde den kinderen, ook Frans voor, wat met me te gaan spelen.

Frans bleek een pittige, kranige jongen te zijn, een half-bloed, een
hartstochtelijke, onbeheerschte natuur.

De jongen was zoo behendig en slim, dat hij bijna elken prijs won, dien
ik op de verschillende spelletjes had gezet. Toch keek Frans bedrukt.
Tijdens het spel stelde ik alle liefde en gunsten beschikbaar voor de
andere kinderen. Ik merkte, dat hij, wanneer ik zijn kant uitkwam,
beefde van verlangen en hoop. Ik negeerde hem geheel. Den volgenden dag
nam ik allen mede naar het strand. Toen Frans me bij den arm pakte,
drong ik hem zachtjes weg en nam een anderen jongen in de plaats.

Zijn gelaat betrok, pijnlijk.

Hij, Frans, weggeduwd, vernederd, zijn affectie versmaad, hem toewijding
geweigerd? Dat was voor den kleinen koning niet te dragen.

Hij tobde er over, waarom het juist hem niet gelukte, de aandacht te
trekken.

De verdachte vraag bleef dan ook niet uit.

"Juffr. A., waar ... waaròm bent u nooit lief voor mij?"

"Omdat je niet lief bent voor anderen!"

"Wat doe ik dan?" vroeg hij met lippen trillende van hartstocht.

"Nu je weet immers wel, dat je het die beste juffr. Bruin op schandelijke
wijze lastig maakt, dat je haar kwelt. Voor zulk een jongen kan ik geen
liefde voelen", zei ik op minachtenden toon.

Schreiend wierp hij zich om mijn hals en riep vol gloed uit: "Ik zal
Juffr. Bruin _nooit_ meer plagen en haar verder aardig behandelen."

--Ik merkte, dat mijn waardeering op dit oogenblik zijn hoogste goed
uitmaakte, zooals gewoonlijk datgene, wat onbereikbaar is. Frans voelde
nu wel, dat hij mijn vriendschap niet waard was.--

Ik maakte me weer zachtjes van hem los, zeggende "Neen, dit alleen is
niet voldoende om in mijn gunst te komen. Je hebt nog meer misdreven. Je
hebt de andere kinderen tegen J. B. opgehitst. Eerst wanneer je ook hen
er toe gebracht hebt, zich goed te gedragen tegenover Juffr. Bruin, kan
ik van je houden."

En òf Frans ijverde.

Hij bracht voor Juffrouw Bruin reeds denzelfden middag beeldige bloemen
mede, gekocht van zijn eigen spaarpenningen, schikte ze in een vaas en
bracht ze haar zelf.

Een hulde, welke de arme juffr. Bruin, die nooit eenige kinderliefde had
ondervonden, overgelukkig maakte.

Nu begon voor de gasten een recht genoegelijk samenzijn. We vormden ééne
groote familie.

"Elk normaal kind is tot op zekere hoogte tot het goede te leiden",
besloot onze hospita.

Haar kleine gasten zouden het Juffr. Bruin niet meer lastig maken. Ze
zou hen op mijne wijze behandelen.

"Ik heb wel altijd diep medelijden met Juffr. Bruin gehad, ik wist
alleen maar niet den jongen juist aan te pakken", verontschuldigde ze
zich. Ze had het ten slotte als een onverbeterlijken trek van de jeugd
aanvaard.

                   *       *       *       *       *

Deze jongen zou, wanneer ik hem met de oorspronkelijke
sinaasappelmethode tot het goede had willen brengen, van kwaad tot erger
zijn vervallen. Het was reeds door de zachtheid van de pensionhoudster,
die hem met suikertjes en lieve woordjes had willen lokken, dien kant
uit gegaan.

                   *       *       *       *       *

Frans en ik sloten een hechte vriendschap. Dat mijn _bittere_ pil den
jongen goed bekomen is, bewijzen nog de hartelijke brieven, die ik van
tijd tot tijd van hem ontvang.

                   *       *       *       *       *

=Naschrift.= En toch was het de sinaasappelmethode. Want deze bedoelt, het
kind niet te beoordeelen en te behandelen naar de ongunstige kanten, die
hij naar buiten keert, maar naar het betere innerlijke gehalte, dat men
in hem onderstelt. Zij is een toepassing van het wijze paedagogische
woord van Goethe, dat wij als motto boven dit nummer plaatsen.




X HOE DEZE PAEDAGOOG ER OVER DACHT *


Kitty ....!

We spraken _haar_ naam zachter, teederder uit dan van elk ander
klasgenootje. Als van een heilige.

Kitty met haar groote, zachte, staalblauwe oogen, haar tenger, smal
gezichtje, de dunne als gepenseelde lippen, die de goed onderhouden
tanden zoo op het voordeeligst deden uitkomen.

Kitty, _onze_ Joconde, met hare slanke, mooi gevormde handen, en door
ieder bewonderde lange kastanjebruine haren.

Kitty was van zooveel edeler ras dan wij. Zoo gracieus van houding en in
manieren.

Hoe bekoorlijk trof ons haar teer gestel, haar zachte, vleiende stem.

"Dank je vriendelijk, Eetje"--smeekte ze haast om vergiffenis voor hare
weigering--een pepermuntje was _veel_ te scherp voor haar keel. Een
ander maal: "O, neen Bets, ik kan heusch geen koekjes verdragen, mijn
maag is er dadelijk door van streek, dank je hartelijk schat!"

Kitty was en had alles bijzonder.

Ze was een Amerikaansche van geboorte. De ouders hadden met het kind in
vele landen gezworven, vandaar, dat Kitty nog op twaalfjarigen leeftijd,
bij ons negenjarigen in de klas was geplaatst. De familie had zich een
half jaar geleden, juist met het oog op het leeren van hun éénig kind,
blijvend te Amsterdam gevestigd.

Kitty was lang niet dom.

Er was iets, dat wij kinderen wel vreemd vonden:

Ze was volstrekt niet de uitverkorene van onze klasse-onderwijzeres,
_onze_ betooverende Kitty.

Kinderen gissen niet, stellen vast zonder bewijsgronden.

De juffrouw is jaloersch op Kitty's bekoorlijke verschijning, was ons
aller opinie.

Op een middag, we waren in het koffiehalfuurtje juist zoo gezellig in
gesprek met den hoofdonderwijzer--die nu eens hier, dan daar een kijkje
ging nemen--kwam Lena, een van onze vriendinnetjes heel opgewonden,
schreiende binnenstormen.

Ze vertelde, dat ze, zich even was gaan overtuigen of haar beursje met
geld nog in haar mantelzak zat--de kleeren hingen aan kapstokken in de
gang--en dat ze haar beursje ledig gevonden had. "De gulden was er vast
uit gestolen", snikte ze hartstochtelijk.

Het kind was wanhopig.

Arme Lena, het dienstmeisje zou haar 's middags van school komen halen
en samen zouden ze een flesch eau-de-cologne koopen voor Lena's Moeder,
die den volgenden dag haar verjaardag zou vieren.

Het kind had maanden lang gespaard, om hare moeder bij die gelegenheid
te kunnen verrassen.

Ons hoofd vroeg dadelijk, of er nog andere kinderen waren, die geld in
den mantelzak hadden. De een had drie centen, een ander een kwartje, een
derde 'n cent enz. enz.; de meesten echter hadden evenals Kitty, niets.

De hoofdonderwijzer kwam spoedig dood kalm terug: "Hier Lena, daar is
het verloren schaap weêr," zei hij tot het overgelukkige kind, terwijl
hij haar den gulden overhandigde.

"Je moet verder maar eerst goed zoeken en je niet dadelijk zoo
opwinden," vermaande hij. "Je zou anders den gulden dadelijk gevonden
hebben. Hij lag _haast_ voor het grijpen. Vermoedelijk heeft de
werkvrouw, toen ze vanmorgen de kapstokken schoonmaakte, en ze den
mantel verhing, het beursje uit den mantelzak laten vallen. Ze zal niet
bemerkt hebben, dat het was opengegaan en dat de gulden er uit gerold
is."

Argeloos namen we dit allen voor goede munt aan.

                   *       *       *       *       *

Tien jaar later,--ik zat juist met Vader in de huiskamer, beiden
verdiept in de courant,--las ik verbaasd, de volgende advertentie luid
voor:

     "Gelieve mijn huisvrouw Kitty .... geen geld of goederen af te
     geven, daar deze niet door mij zullen worden gehonoreerd."
                                                               N.N.

Ik _kon_ het haast niet gelooven, onze heilige, edele, poëtische Kitty!

Vader--haar dokter--vertelde me toen eerst, dat de hoofdonderwijzer dien
bewusten middag den gulden bij Kitty in den mantelzak had gevonden.

De ouders hebben daarna mèt den onderwijzer veel moeite gedaan om het
kind tot beter gedrag op te voeden. Voorloopig was hun dat wel gelukt.
Maar later was de oude praalzucht, die Kitty reeds vroeg tot
oneerlijkheid had gedreven, weer boven gekomen. Ze leidde een slecht
leven.

Kitty is na het gebeurde nog twee jaar met ons samen op school gegaan.
Niemand van haar klasgenooten had iets van haar vergrijp gemerkt. Ze was
dezelfde beminde, onfeilbare Kitty voor ons gebleven. De onderwijzer had
dien middag, toen hij met den gulden terugkwam, niet naar Kitty gekeken,
door niets onze aandacht op Kitty gevestigd. Indien het meisje zich
later verbeterd zou hebben, dan zou haar vroeger leelijk gedrag, door
onze onbekendheid daarmede, voor goed uitgewischt zijn.

Was dat niet zeer juist gehandeld van onzen goeden "Paedagoog"?




XI ONS HUMEUR *


Mevrouw X. was 's middags even bij ons ingeloopen om te informeeren naar
de verschillende zieken. Juist kwamen de kinderen van school, ze liepen
op de teenen, fluisterend, de woonkamer binnen, begroetten me op hunne
eigen hartelijke wijze en vroegen dadelijk, of ik me nu wat prettiger
voelde dan vanmorgen. "U ziet toch nog heel bleek", oordeelde de oudste
kleuter meêwarig.

Daarna beloofden ze ongevraagd, zich frisch op te knappen en gingen
meteen naar boven. Hun voorbeeldig gedrag had Mevr. X. ten zeerste
getroffen.

Ze beklaagde zich er over, dat haar kinderen, wanneer ze ongesteld en
tegen de vele moeilijkheden minder opgewassen is, lastiger zijn dan
ooit.

"Toch heb ik ook een moeilijken morgen met hen doorgebracht. Denkt u één
oogenblik in, met vrij erge hoofdpijn om half zeven 's morgens te staan
voor een doktersgezin, bestaande uit een zieke moeder met haar jong
geboren kindje, vier schoolgaande kleuters van zes tot tien, een
bijzonder hulpbehoevend meisje van vier jaar, een kinderjuffrouw aan
influenza lijdende te bed en het pas ontvangen bericht, dat de werkvrouw
en het dagmeisje, beiden door ongesteldheid verhinderd zijn te komen
helpen."

"Het is om wanhopig te worden", besliste Mevr. X. na mijn benauwende
opsomming.

"Dat werd ik nu juist niet. Uwe reactie daartegen is de meestal
onbewuste fout, die vele moeders, opvoedsters(ders) begaan".

"Maar mijn humeur is bij de minste ongesteldheid van streek en dat
werkt natuurlijk terug op de kinderen", verontschuldigde ze zich.

Ik zie daar het natuurlijke allerminst van in. Het is wel waar, men kan
de geestelijke reactie op het lichamelijk onwel bevinden niet keeren,
maar men kan en moet wel degelijk zijn stemmingen tegenover anderen
beheerschen, onder elken tegenslag. Dat is de opvoedster(der) verplicht
tegenover het kind, dat nog minder dan de volwassene het grillig humeur
verdraagt van anderen, omdat het niet in staat is rekening te houden met
verontschuldigende overwegingen. We mogen van onze kinderen geen
overmatige inschikkelijkheden eischen. We moeten er tegen waken--de
Franschman drukt het zoo aardig uit, de faire sortir notre âme de son
assiette--onze ziel te verliezen, door te beletten, dat het ongeduld
tegenover onze kinderen ons onder welke omstandigheid ook, ontsnapt.

Dat geduld is een weinig algemeene deugd.

Het is even moeielijk als noodig voor de opvoedster(der) zich daarin te
oefenen.

Slechts door onveranderlijkheid van humeur onder moeilijke
omstandigheden te doen blijken, zullen we de vrijwillige medewerking van
het kind oproepen. Door humeurig en lastig te zijn bewerken we het
tegendeel, maken we het ons en den kinderen des te moeilijker.

De opvoeder(ster) die gewaarschuwd is, zal, ik ben er van overtuigd, met
de kracht der liefde voor haar kinderen daartegen strijden.




XII DE FABEL *


Ik liet den vierjarigen Wim even in de achterkamer van de woonsuite
alleen, om in de voorkamer den pianostemmer eenige inlichtingen te
geven. Wim wist niet, dat ik hem in het oog hield. Even te voren had het
dienstmeisje een mandje met appelen binnengebracht. Wim had me een
gevraagd. Ik had hem gezegd, dat Moeder wilde, dat de appelen bewaard
bleven.

Nauwelijks was ik de kamer uit of Wim sloop naar het mandje, nam een hap
uit een appel en verborg den appel daarna netjes onder de andere. Een
poosje later, het verteluurtje van elken morgen, kwam Wim als gewoonlijk
op mijn schoot zitten. Hij sloeg zijn armpjes knusjes om mijn hals, om
als het ware, het verhaaltje uit mijn oogen te lezen. Ik was kort
geleden begonnen met hem fabels te vertellen. Hij vond het heerlijk.
Vaak improviseerde ik er een in verband met iets, dat met Wim was
voorgevallen. Zoo ook nu.

Meer beducht voor critiek dan bij Wim, zal ik hier den inhoud van de
fabel, die Wim te hooren kreeg, slechts in proza laten volgen.

Ik vertelde hem van een vierjarig berenzoontje, dat zoo flink was, dat
hij, wanneer Moeder Berin boodschappen deed, op zich zelf en op alles
kon passen. _Berenzoontje_ zorgde er wel voor, dat de hond niet van het
vleesch, de poes niet van de melk en het zusje niet van de appelen
snoepte, (Wims oogen sloegen neder) Moeder en Vader hielden heel veel
van het berenzoontje, omdat hij een brave flinke jongen was, waar ze zoo
goed op konden vertrouwen.

Het berenzoontje ....

Verder liet Wim me niet gaan. Onder tranen kwam reeds de bekentenis.

Hij smeekte me het gebeurde nooit aan een ander te vertellen. Hij had nu
zoo goed gevoeld, hoe slecht hij zich gedragen had.

Hij wilde flink en braaf worden als het berenzoontje. Onder die belofte,
legde ik een gaven appel in de plaats.

                   *       *       *       *       *

Men leze de goede fabel op elken leeftijd. Ze verschaft altijd genot,
doch verschillend. Bovendien lijkt ze mij voor het kind nuttig. Het is
zelden, zooals bij Wim, de zedeles, die het kind treft, noch het
voorbeeld tot navolging, maar het kind stelt belang in de eigenschappen
en de karakters der dieren. De kinderen herkennen daarin de zeden van
den hond, dien ze liefhebben, van de kat, die ze verkeerd waardeeren,
van de muis waar ze bang voor zijn, van de geheele dierenwereld, waarin
ze zich meer amuseeren dan op school.

Ze vinden er den wolf, die de ondeugende kinderen bedreigt, den vos, die
om het kippenhok sluipt, den leeuw, wiens moed geprezen wordt. Ze
genieten buitengewoon van de toestanden waarin deze dieren optreden. Ze
trekken partij voor den zwakke tegen den sterke, voor den bescheidene
tegen den trotsche, voor den onschuldige tegen den schuldige. Een eerste
besef van rechtvaardigheid wordt hen onbewust bijgebracht. De begaafden
voor wie men niets ongestraft zegt, gaan nog verder. Ze maken
vergelijkingen tusschen de karakters der menschen en dieren. Er zijn
zelfs kinderen, die meenen, dat sommige fabels in hun ouderlijk huis
zijn afgespeeld.

De zin tot vergelijken vormt zich onmerkbaar in hun hersenen. Ze leeren
in de fabel hun eigen verworven indrukken kennen, hunne herinneringen
ophalen. Wanneer ze levendig geschilderd zijn, oefenen ze zich levendig
te voelen. Ze gaan beter rondzien en met meer belangstelling dan
vroeger.

Al deze te bewijzen voordeelen, meen ik voldoende te vinden, om de goed
gekozen fabel en het juiste sprookje voor het kind te mogen aanbevelen.

                   *       *       *       *       *

=Naschrift.= Met groot genoegen plaats en onderschrijf ik deze
aanprijzing van de fabel. Ik heb het altijd een der aantrekkelijkste
zijden der duitsche opvoeding gevonden, waarmede ik, gelijk mijn lezers
weten, waarlijk niet zonder voorbehoud dweep, dat de fabel daar,
in gezin, school en onderwijs, een zoo belangrijk geëerde en vaste
plaats inneemt. Het is wel aardig hiernaast te leggen de echte
spijkers-op-laag-water-zoekende critiek, die Rousseau in den Emile,
boek III, op Lafontaine uitoefent, daarbij opzettelijk vergetende, dat
als men fabels uit een paedagogisch oogpunt uitzoekt of maakt, men
natuurlijk anders te werk gaat als die looze verteller La Fontaine.

Overigens is bovenstaand schetsje, waarop de schrijfster ons reeds
vroeger gewezen heeft[3], een voortreffelijk staaltje van de goede
manier om kinderen indirecte zedelessen uit te deelen door verhalen
_omtrent anderen_, die wel op hen toepasselijk zijn, maar zonder dat wij
eenigszins laten merken, dat _wij_ die toepasselijkheid weten, en nog
veel minder, dat wij daarvoor gezorgd hebben.

  [3] Zie Jeugdh. XIV, Metamorphose.




XIII OPRECHTHEID *


We logeerden eenige zomers na elkaâr in hetzelfde hotel. Lien en ik.

Als gevolg daarvan moest ik den St. Nicolaastijd bij mijn vriendinnetje
doorbrengen.

Ik verwerkte dan haar heele verlanglijst, die quantitatief enorm, maar
qualitatief heel gemakkelijk te vervullen was.

Lien is een kleine vleister. Ze maakt het soms _te_ bont. Het ontaardt
dan tot een onoprechtheid, die zeer onaangenaam aandoet en nog tot
mindere karaktertrekken kan leiden.

Ze is reeds tien jaar. Lien is overigens een leuke guit. Weken voor St.
Nicolaas hebben we het beiden altijd heel druk.

De vooruitzichten tot de feestviering waren het eerste oorlogsjaar
echter niet gunstig. De prijzen stegen enorm, zelfs van kleinigheden.
Daarom waarschuwde ik Lien, dit jaar er niet zooveel voor te kunnen doen
als andere jaren.

"O, dat hindert niets, dan geeft u mij maar één cadeautje of niets."

"Nu, één cadeautje wil ik wel vast beloven. Maak dan maar een lijstje
van boeken. Ik kan er dan wel een uit kiezen. Vallen de omstandigheden
mede, dan krijg je er wel een chocoladeletter bij."

"Heerlijk!" Zij sprong in de hoogte.

Hoe meer ik het betreurde haar niet zóó te kunnen verrassen, hoe
opgewekter Lien bij de mededeeling werd. Ze liet echter geen dag voorbij
gaan of ze noemde iets, dat ze zoo _heel_ graag gehad zou hebben, als
die nare oorlog niet was gekomen.

Eenige dagen voor strooiavond kwam Lien uit school vroolijk bij mij
binnen springen, uitroepende: "De andere kinderen op school vieren
gewoon St. Nicolaas als vroeger."

Met een ernst, waaraan niet te twijfelen viel, zei ik: "_Jij_ bent een
verstandig meisje. Je hebt het goed gevonden, dit jaar enkel een boek te
krijgen. Een volgend jaar dan dubbel, hè Lien?"

Dikke tranen rolden eensklaps over haar wangen.

"Wat is er Lien? Je doet me schrikken!"

"Ik heb het niet _echt_ gemeend", snikte ze, "en heb het daarom maar
goed gevonden."

"Dat is heel erg jammer. Die teleurstelling heb je je zelf te wijten. Ik
kan nu niets meer verzorgen. Misschien kan mijn zuster nog wat lekkers
uit Amsterdam sturen. Ik zal het haar schrijven. Breng den brief dan
maar dadelijk op de post." (Hij bevatte heel andere berichten.)

Ze vloog er mede weg.

(Ik deed dit, om het kind eenigszins uit haar waarlijk diep droevige
stemming te halen.)

St. Nicolaas ontving ze haar geheele mondeling opgestelde lijst.

Lien was nu nog dankbaarder, nog meer verrast, nog gelukkiger bij elk
pakje, dat ze ontvouwde. Bij de apothéose, het hoofdcadeau pakte ze me
hartelijk en zei: "Het ware zulke nare dagen, de laatste, maar ik heb de
straf wel verdiend. Ik zal voortaan oprecht zijn."

Lien heeft woord gehouden.

Ze is nu werkelijk een allerliefst meisje geworden.




XIV OVERBLUFFEN *


Lies is een pittig ding met een frisch gezichtje, ronde en roode
wangetjes. Prachtige, leuke ondeugende oogen. Een kind dat boeit.

Ze is het jongste van de drie kleine meisjes in het gezin, kinderen van
tien, negen en twee en een half jaar oud. Moeder zegt, dat ze met de
oudste kinderen nooit eenige moeite heeft gehad, met Lies des te meer.

Het geval interesseert me.

"Lies lijkt me toch een aardig meisje, echt beminnelijk."

"Dat is ze ook, maar of het uit haar aard voortkomt of dat het
langzamerhand een gewoonte is geworden, ik weet het niet. Wanneer haar
stemming door 't een of ander maar even verstoord wordt, begint ze te
huilen en blijft daarna uren lang drenzen. We staan daar machteloos
tegenover. Alles hebben we geprobeerd. Door hardheid raakt ze
angstwekkend overstuur. Zachtheid helpt evenmin. Ze wordt steeds
moeilijker op dit punt".

"Toe, gaat u eens in de vacantie met de kinderen meê uit. U zult het
ondervinden".

Gaarne aanvaard ik de invitatie, om te trachten het drensprobleem op te
lossen.

Het was een schoone Juli-morgen, toen we om negen uur op stap gingen,
beladen met alles wat kinderharte-wenschen in vervulling kan brengen.
Nog wel naar een speeltuin, waarachter een groot weiland. Een eind
buiten de stad zijnde, stevenden we arm in arm, vroolijk zingende op ons
doel aan. Op eens, wee ons, bemerkt de kleine Lies, dat haar poppenkind
een schoentje heeft verloren. Angst op aller gelaat.

--Het spreekt van zelf, dat ik niet ingreep. Ik wilde eerst de familie
in actie zien.--

Als gefascineerd door het uitbundig geschrei van Liesje, gaan allen aan
het zoeken. De zusjes loopen een heel eind terug. Het is vergeefsch. Het
schoentje wordt verloren verklaard. Daarna vangt Liesje aan met het
waarlijk ondraaglijke drenzen.

"Ehe...... èhe...... het poppenschoentje...... èhe."

"Je moogt _mijn_ pop hebben als we thuis komen", aldus het zachte oudste
zusje.

"Moeder zal net zoo een paar nieuwe schoentjes morgen voor Liesje's pop
koopen", tracht Moeder te kalmeeren.

"Er is zooveel ander leuk speelgoed in den tuin," troost het tweede
meisje.

Niets, niets brengt maar eenige verandering.

Liesje blijft onbedaarlijk drenzen. Ehe...... èhe...... het
poppenschoentje...... èhe......

Na een kwartier landden we bij de uitspanning. Zoodra we aan een
tafeltje zitten om de lunch voor te bereiden, gaat Liesje vlak voor ons
in het gras liggen...... drenzen. "Ehe...... èhe...... het schoentje."

De een brengt haar chocolade. De ander suikertjes. Moeder zoete
woordjes. Ze neemt alles aan en in zich op, maar...... blijft drenzen.

Liesje wordt in haar idealen bakschommel gezet en er weer drenzend
uitgedragen. Naar de caroussel gebracht en er weer drenzend vandaan
gehaald.

Moeder zegt, dat ze een voorbeeld aan de andere kinderen moet nemen, die
zoo lief zijn. Dat ondervindt ze, maar zelf blijkt ze er geen trek in te
hebben.

Ze blijft liggen drenzen. Ehe...... éhe...... het schoentje......

Nu weet ik er genoeg van. Heel kalm sta ik op, en ga even kalm naar
Lies. Ik zet haar overeind, leg haar pop in haar rechterarm, neem haar
linkerhandje en breng haar een heel eind verder. Ze was te overmand om
tot het besef van verweer te komen. Ik leg haar meteen achter de
gelagkamer in het gras. Ze kon ons van daar niet zien zitten. Ik zeg op
deelnemenden toon: "ik vind het heel erg naar, dat je zoo'n verdriet
hebt Lies. We kunnen je vandaag het schoentje niet weergeven. Wanneer je
weer vroolijk bent, kom dan maar weêr bij ons terug."

Lies was overbluft, door zulk een onverwachten tegenstand. Ze was aan
zulk een wijze van behandelen niet gewend. Ze verroerde zich niet, zei
niets tegen. Bij het heengaan knikte ik haar goedig vriendelijk toe. Het
kind wist niet, dat ik haar uit de gelagkamer kon waarnemen en zoo
noodig haar dadelijk kon bereiken. Na tien minuten scheen ze van den
schrik bekomen te zijn. Daarna zette ze haar ondeugende stemming van
verdriet in vermaak om. Niemand troostte haar meer of nam nog eenige
notitie van haar. De grootste prikkel tot het drenzen was weg. Ze was om
te stelen.

Ondeugendheid werkt zoo sympathisch. Ze is voor een flinken opvoeder een
kracht, om _alles_ voor het moeielijke kind te willen doen, zijn zware
taak te verlichten. Helaas, dat diezelfde kracht bij de zwakke moeder
tot verwennen leidt.

Lies doet haar eigen laag schoentje uit en bindt het met haar haarlintje
om het ontbloote voetje van de pop. Daarna gaat ze hinkepinken in het
grasveld en laat haar popje deftig naast haar wandelen. Alles met een
triomfantelijk gezicht. Ze heeft haar zin. Popje heeft twee schoentjes
aan. Haar vroolijkheid, mede tengevolge van de heerlijke opwekkende
landelijke omgeving stijgt ten top. Ze gaat grasbloempjes plukken, tooit
haar pop en zichzelve er mede. Ik had moeite niet op haar toe te loopen
en haar in mijn armen te troetelen, die kleine zomerfee.

Na een kwartiertje schijnt ze honger te krijgen. Ze begint haar popje
te voeren. Telkens loopt ze naar het einde van de gelagkamer, waar ze om
een hoekje het gezelschap kan zien zitten.

Nu ga ik naar haar toe.

"Zoo, je kijkt weer vroolijk! Nu gaan we een boterham eten en gezellig
samen spelen."

Ik maakte haar haren weer in orde en trok Liesje het schoentje weer aan,
uit vrees voor een spontane verheerlijking van Moeder en de zusjes, die
weer heel wat had kunnen bederven.

We bleven tot 's middags zes uur in den tuin, zonder eenig drensincident
meer te beleven.

Op weg naar huis riepen de oudste meisjes enthousiast: "Moeder zulk een
heerlijk dagje hebben we met Lies buiten nog nooit gehad."

Lies liet zich gedurende de terugreis het plaatsje aan mijn hand niet
ontnemen.

Zoo trok ik nog vele vacantiedagen met het gezelschapje de stad uit.

Moeder verklaarde me: wanneer Lies nog eens een enkelen keer dreigde in
haar oude kwaal te vervallen, heb ik maar te vragen: "zal ik het Juffr.
E. schrijven?" om het kind tot de orde te roepen.

Niet er op rekenen, zooals de moeder hoopte, dat ze, als ze ouder werd,
wel anders zal worden, maar zorgen, dat ze ouder geworden, veranderd is.
Daarheen moeten we het toch bij het opvoeden leiden.

                   *       *       *       *       *

=Naschrift.= Het voorvalletje toont duidelijk, hoe verkeerd het
zoogenaamde "afleiden" is. In heel enkele gevallen, bij heel kleine
kinderen, en als hoog uitzonderingsgeval, kan het er mee door, soms
zelfs een redmiddel zijn, maar als 't zóó dikwijls aangewend wordt,
dat het kind het merkt--en dat is _zeer_ spoedig het geval--dan is
het spel verloren. Het behoort tot een genre maatregelen, die ik als
"omkoopings-paedagogiek" pleeg te karakteriseeren: deze nu is het ware
middel om bedorven kinderen te kweeken. Daarentegen is overbluffen, door
het kind plotseling te stellen voor de natuurlijke, maar ongewenschte
consequenties van zijn gedrag, een uitstekend middel. Slechts vergete
men nooit, dat er in de opvoeding geen middelen zijn, die altijd en
overal helpen.

Overigens herinnert dit schetsje mij zoo levendig aan de wijze waarop
Rousseau den verwenden en onhandelbaren jongen Chenonceaux tot rede
bracht, dat ik mij voorgenomen heb dat aardige verhaal eerlang voor ons
blad te vertalen.




XV VOORZICHTIG INGRIJPEN *


Driejarige Han is een kleine strooper. Waar het hem bij het volvoeren
van zijn plan dienstig is, ontziet hij een anders eigendom niet. En hij
_maakt_ plannen! Telkens andere. Vooral onverwachte.

Hij zit bijv. een half uur rustig bij je op den grond met zijn auto te
spelen. Opeens krijgt hij den inval dat zijn machine over een berg moet,
en dan is de mooiste bibelot op de naastbijzijnde console niet meer
veilig voor hem.

Men vindt hem een lastigen jongen.

Ik meen, dat hij alle qualiteiten bezit, om een practisch degelijk
mensch te worden. Iemand met moed, ijver en doorzettingsvermogen.

Zijn onbesuisdheid vind ik op dien leeftijd natuurlijk, vooral voor een
kind van zijn aanleg. Als elk kind onderzoekt Han alles wat hij in
handen krijgt, maar met nog meer durf om het uit elkaar te halen.

Geen enkele spoortrein, overigens zijn lievelingsspeelgoed, houdt het
langer dan hoogstens vier dagen bij hem uit, 't zij hij van hout, van
blik of van ijzer gemaakt is.

Een uitkomst. Perry kondigt als reclame, den zwaren onbreekbaren
spoortrein aan. Gegarandeerd. Hij is wel kostbaar, maar moeder schaft er
toch een aan. Ze redeneert: duurkoop, goedkoop.

Han bevestigt den regel door de uitzondering. Na twee dagen hebben de
spiegel en het behang het reeds moeten ontgelden. En uit gegronde vrees
voor de kleine zusjes laat moeder de "tank" verwijderen.

Eenig beeld van mijn neef Han, zult u hoop ik wel gekregen hebben. Han
en ik zijn hartsvrienden.

Zijn vader moet er eens uit. Dokter heeft een drukke influenzapraktijk
achter den rug. Het ouderpaar besluit tot een vierweeksch reisje naar
Zwitserland. Juf en de twee kleine meisjes worden bij grootvader
gestald, zooals grootvader het betitelde. Ik krijg het vereerend
verzoek, zoolang de ouderlijke plichten bij Han waar te nemen.
Verschillende moeders hebben hem liever niet. Vader heeft mij als
medicus zoo vaak uit den nood geholpen; dat ik me gaarne bereid
verklaar.

Zijn oom Jan, van moeders zijde, een nog jonge man, houdt dol veel van
den kleinen woesteling. Hij snoeft er niet weinig op, dat hij zoo goed
met het vrindje kan omgaan. Hij verwent hem echter onzinnig. Dat moet
spaak loopen. Uren mag hij bij hem op zijn kantoor komen spelen. Han
vindt daar alles van zijn gading. Klosjes, pennetjes, gespen, knoopjes,
kistjes enz. enz. Hij heeft daar ook zijn volledig ingericht magazijn.
Oom vraagt me, of ik tijdens de afwezigheid van de ouders 's morgens
maar dikwijls met hem op 't kantoor wil komen spelen. Hij is toch meest
in zijn particulier kantoor.

Den eersten morgen dwingt Han reeds om er heen te gaan. Hij is al gauw
geïnstalleerd. Bedrijvig loopt hij in zijn speelhoek heen en weer,
terwijl oom mij een geheel nieuwe machine, zoo juist aangekomen,
verklaart.

Drie, viermaal wordt onderwijl kort na elkaâr van de fabriek boven, door
de spreekbuis gefloten.

"Ja, als het goed maar om tien uur beneden is om ingepakt te worden".
Een ander maal "driehonderd leesten tegelijk". Zoo wisselen de
antwoorden af.

Opeens loopt Han naar de buis. Een noodgefluit blaast hij. De
meesterknecht komt aangesneld en krijgt natuurlijk een verward antwoord
op zijn vraag "en wie". "Dertien leest gauw ja!" Han doet de fluit er
weer op. Even later informeert de meesterknecht wat dat beteekent. Oom
antwoordt lachend "een opdracht van onzen driejarigen bezoeker". Meteen
verbiedt hij Han, weer te fluiten. Han zwijgt: in gedachten verzonken
keert hij naar zijn magazijn terug.

Een paar minuten later, hetzelfde tooneeltje.

De meesterknecht verzoekt nu dringend er voor te zorgen, dat het kind
het fluiten laat. Het stoort hem in zijn werk. Oom, reeds eenigszins
opgewonden, zegt Han, dat hij niet meer naar de spreekbuis mag gaan.

Haast op hetzelfde oogenblik holt Han opnieuw naar de fluit, maar
voordat hij ze te pakken heeft, loopt Oom driftig op hem toe en geeft
hem een flinken klap in het gezicht.

Ik weet niet wie meer verontwaardigd was, Han of ik. Hij trapte, beet.
Ik riep hem dadelijk tot me, nam het schreiende kind in mijn armen.
Daarna bracht ik hem gauw tot kalmte.

"Maar ventje", berisp ik nu, "Oom had toch gezegd dat je niet meer
fluiten mocht."

"Maar, maar," snikt hij nog, "ik _heb_ niet gefloten."

"Je _hebt_ niet gefloten?"

"Nee......e, ik was toch immers _Oom_, ik speelde toch magazijntje!"

Oom heeft diep berouw over zijn onrechtvaardig ingrijpen. Hij heeft het
kind hartelijk lief. Hij wil hem met weldaden overladen om zijn fout
weêr goed te maken.

Han wil niets meer van hem weten.

Het kind wilde niet langer blijven en was ook later niet meer te bewegen
er heen te gaan.

Han bleef Oom haten[4].

  [4] Wanneer dit woord niet te sterk is gekleurd, dan pleit het niet
  voor Han.--=Red.=

Deze had de liefde van het kind verspeeld.




XVI SCHAAMTE IS EEN MACHTIGE HULP TOT VERBETERING *


Reeds een paar jaar lang geef ik Riekje Zondagmorgen van elf tot twaalf
pianoles. Op verlangen van de beide kinderen, mijn leerlingetje van tien
jaar en een driesten knaap van ruim zeven, blijf ik dan bij hen
koffiedrinken. Daarna gaan we "en familie" naar Artis. Dat vinden we
allemaal echt genoegelijk. Vader is een ingewijde. Hij leert ons de
belangrijkste kleinigheden omtrent de daar aanwezige dieren en planten.
En op zoo een gezellige wijze. Het eene dienstmeisje, dat dan niet haar
vrijen dag heeft, mag toch 's middags een paar uren uitgaan. De familie
eet maar wat later dan gewoonlijk en meestal eenvoudig. Een kind met
"thuis blijven" te straffen is dus niet mogelijk, zonder een ander
eveneens te treffen. Dat doorvoelt ons baasje heel goed. Hij vreest dien
dag niets en neemt het waar. Hij doet heelemaal zijn best niet.

Huug is een robbedoes. Wanneer het weer het maar eenigszins toelaat, is
hij 's morgens in den tuin. Hij leeft daar geheel vrij. Hij klimt in den
boom, spit, wroet, harkt in zijn tuintje, en is dan geen goede kleeren
nut.

Voor de koffie frischt Moeder hem zóóver op, dat hij daarna nog zelf op
zijn kamer andere kousen en schoenen heeft aan te doen en zich in het
wandel-matrozenpak moet steken, werk, dat een flinke jongen als hij,
keurig in tien minuten verrichten kan.

Ik ben nu reeds zes Zondagen getuige geweest van de moeite, die de
jongen den ouders veroorzaakt.

Allen staan gelaarsd en gespoord bij de voordeur als Huug gewoonlijk
nog bezig is met zijn toilet.

Dreigen, straffen, niets heeft geholpen.

"Ik kàn heusch niet gauwer", verdedigt hij zich met een overtuiging, die
een ander kan doen gelooven, dat het hem nooit zou lukken.

Moeder zegt nu voor het eerst, dat hij bij Johanna thuis moet blijven,
wanneer hij niet binnen vijf minuten klaar is.

Huug gelooft er blijkbaar niets van. Hij gaat zich quasi haasten, maar
schiet niet op.

Ik ben op Moeder's verzoek in de kamer bij hem gebleven. Ze hoopt, dat
ik het op eene of andere manier met hem zal klaar spelen.

"Arme jongen! Je moet je zoo haasten. Ik geloof wel, dat je je werkelijk
niet gauwer kùnt aankleeden. Weet je in _hoeveel_ tijd ònze Nol zich
verkleedt na de koffie?" vraag ik.

Hij, nieuwsgierig: "nu?"

"Zonder te wasschen, in vijf minuten. Maar Nol is ook al _acht_. Jij
bent nog maar zeven en een half. Jij bent nog maar een kleine jongen.
Neen, je _kunt_ het nog niet."

"In hòèveel", vraagt hij verachtelijk, "in _vijf_ minuten? Peuh! _Ik_
kan het wel in vier."

Na vier minuten geniet ik het voorrecht Huug, "tiré à quatre épingles",
Moeder en Vader bij de voordeur te presenteeren.

Daarna houdt Huug aan mijn arm, onderweg een kleine nabetrachting.

"Acht, en zeven en een half is eigenlijk even groot niet waar, net
eendere jongens?"

"Ja, dat heb ik vandaag nu ook gemerkt. Den vorigen Zondag geloofde ik
het nog niet. Ik hield je nog voor klein."

"Dat vond ik zóó naar, want ik kòn het toch wel. Het was alleen maar
vervelend je zoo te haasten."

Ook door zijn verdere vragen en opmerkingen kreeg ik de stellige
overtuiging, dat zijn _eigen_ minderwaardigheidsgevoel, gewekt door mijn
verontschuldigend medelijden, Huug veel dieper getroffen had, dan de
_verwijten_ en _straffen_ door anderen hem toebedeeld.

Hij voelde zich gekleineerd, iets wat een flinke jongen niet dulden
_kan_.

We hebben daarna geen enkelen Zondag meer last met hem gehad.

Schaamte is een machtige hulp tot moreele verbetering.

                   *       *       *       *       *

De opvoeder zij er voor gewaarschuwd, dat, voor het toepassen van de
bovengenoemde behandeling noodig is, dat het kind beschikt over de
kracht, tot het uitvoeren van de hem opgelegde taak en het niet-voldoen
er aan, uitsluitend op onwil, ongehoorzaamheid, wilszwakte, kortom op
zijn onmacht berust. Anders zou het kind, door op zijn minderwaardigheid
te worden gewezen, zich ontmoedigd kunnen gaan voelen dat tot mindere
inspanning leidt, of het zou door de zucht om net zoo te zijn als de
geprezene, tot naijver kunnen geprikkeld worden en zich daarom
bovenmatig gaan inspannen. Het middel zou dan erger zijn dan de kwaal.




XVII DE GENOEGENS VOOR HET KIND *


Vierjarig Truusje noemt het gewoon weg "taartjesdag".

Ze geniet hem of beter gezegd, ze ondergaat hem, behoudens buitengewone
gevallen, gemiddeld eens per week. De verjaardagen van de Grootouders,
ooms en tantes, alsmede de herdenking van hunne trouwdagen, de
verjaardagen van nichtjes en neefjes, van Moeders intiemste vriendin,
van het getrouwde dienstmeisje van Grootmoeder, het factotum in de
familie, de verjaardagen en den trouwdag van het eigen gezin. Want
Moeder neemt Truusje alle dagen mede op hare wandelingen en bezoeken.
Truusje is toch bij niemand zoo veilig, meent ze. Iets, dat ik niet
gaarne onderschrijf. Moeder laat het kind _hare_ leefwijze volgen,
terwijl ze juist in hoofdzaak rekening moest houden met de belangen en
de behoeften van 't kind, die geheel verschillend zijn.

Ieder op zijn beurt vindt, dat Truusje bij zoo een bijzondere
gelegenheid wel een taartje extra mag hebben. Ik ben aan de familie
verwant en daardoor van tijd tot tijd in de gelegenheid Truusje op zoo
een receptie waar te nemen. Ze gedraagt zich zeer bescheiden. Meestal in
een crapaud gedoken zet ze een gezicht alsof ze overdenkt, dat ze de
taartjes wel heel lekker vindt, maar de menschen toch erg vervelend.

Vanmiddag bracht het kind zelf, de Moeder van hare dwaze behandeling
terug.

Het dienstmeisje van Grootmoeder, dat zeer veel van kinderen houdt en
waarschijnlijk geen critiek van haar jeugdige gast verwachtte, loopt,
terwijl nog aller oogen ter begroeting op Truusje gevestigd zijn, als
_hare_ hulde, met een glaasje limonade, waaronder een klein badje,
onmiddellijk op het kind af.

Met een afkeurenden zijwaartschen blik, vergezeld van een wegwijzend
handgebaar, stuurt Truusje haar terug, zonder een woord te zeggen.

Haar mimiek, zoo goed uitgevoerd, doet Moeder in een lach schieten. Zij
alleen begrijpt de oorzaak van deze weigering, die ze het gezelschap nu
verklaart.

Moeder heeft kort geleden een nieuw dienstmeisje gekregen, wier netheid
bij het bedienen nog vaak te wenschen overlaat. Ze heeft haar reeds
eenige malen, wanneer er bezoek was, op dezelfde wijze als Truus nu, met
een kopje of glaasje teruggestuurd. Nadat het bezoek vertrokken was, had
ze het meisje haar fout onder het oog gebracht. Truusje is daar meestal
bij tegenwoordig geweest.

Het kind had de handeling van Moeder zoo volleerd nagebootst; dat ze die
maar al te goed gevat moet hebben. Ze moet er zich op getraind hebben om
haar bij de eerst voorkomende gelegenheid toe te passen, zoo natuurlijk
was haar vergoelijkende, berispende uitdrukking bij de terugwijzing.

Men merkt daaruit ook weer, hoe verkeerd het is, kleine tekortkomingen
van ondergeschikten in het bijzijn van kinderen te releveeren. We moeten
het kind slechts op het goede in zijn huisgenooten wijzen. Het zal
daardoor welwillend jegens hen worden en hen _achten_.

Dat is ook _noodzakelijk_ voor het kind tegenover de oudere, die, in
welke betrekking hij ook tot hem staat, altijd zijn meerdere is, die
gehoorzaamd moet worden.

Truusje werd verlegen onder het algemeen gelach, dat op Moeders
uitlegging volgde. Ze huilde bijna. Om zich een houding te geven, zette
ze haar pop op den schoot rechtop voor zich en gaf haar den troostkus,
waaraan ze zelve behoefte had.

Je bent een flink lief meisje, suste ik haar en leidde haar af door met
haar te gaan spelen.

Truusje verschijnt voorloopig niet op de recepties. Moeder en ik hebben
een poosje samen gesproken. Moeder heeft een ontwikkeld, liefhebbend
meisje van zeventien jaar bij Truus tot gezelschap genomen. Het kind is
sedert dien tijd veel normaler, veel vroolijker geworden, en minder
critisch.

Dergelijke genietingen, als recepties, mogen een heel enkele maal plaats
hebben. Het gewone eigen doen is een eisch voor het kind. Bovendien
moeten de genoegens voor het kind onverdeeld zijn. Dat kunnen ze niet,
wanneer ze voor groote menschen èn kinderen tegelijk bestemd zijn. Deze
hebben verschillende eischen. Ze zullen het kind zeker nadeel
toebrengen. Het kind wordt, eigenwijs, veeleischend, onvoldaan, kortom
het gaat in elk opzicht physiek en moreel achteruit.




XVIII OP HET KLEINE KIND VALT NIMMER TE REKENEN *


Het is met groote Hansen lastig kersen eten, maar met kleine kinderen
niet minder.

Corrie is bijna drie jaar, een slimmerdje. Ik ben bij het kleine meisje
gelogeerd.

Volgens Moeder leert ze alles met een merkwaardig gemak.

"Corrie kan dit jaar nu wel zonder hulp kersen eten, ik doe er de pitten
niet meer voor haar uit."

Theoretisch zoo mooi.

Ze leert haar: Steeltje in de hand nemen, daarna de kers in den mond
brengen, voorzichtig de helft der vrucht van de pit eten, de kers uit
den mond halen, het steeltje er uit doen en op het schoteltje leggen, de
ontvleeschde pit in het handje nemen en de rest oppeuzelen. Moeder
_doet_ het eenige malen voor en Corrie _zegt_ het keurig na.

--Moeder is blijkbaar nog niet doordrongen van het groote onderscheid
tusschen _kennen_ en _kunnen_. Ze schijnt ook niet te weten dat het een
verkeerd en dus ongeoorloofd middel is, kinderen door bang maken, tot
een juiste handeling te brengen, anders zou ze stellig haar volgend
commentaar achterwege hebben gelaten.--

"Je moogt de pit nooit in den mond hebben zonder ze vast te houden en
ook niet afzuigen, nadat je de vrucht ervan hebt gegeten, want ze kan
naar binnen glijden en dan gaat er een kerseboom in je buikje groeien",
plaagt ze.

Corrie zet een onverschillig en tegelijk ernstig gezicht. Ze gelooft er
niet zoo heel veel van, maar...... Moeder zei het zoo rustig......
Moedertje weet het altijd wel, dat had ze ervaren.

"En _groote_ menschen dan, Moedertje, die doen toch ook de kers in den
mond zonder haar vast te houden."

"Als je _groot_ bent, dan kun je dat ook!"

--Moeder liet haar eenige kersen eten, ging weer aan het werk in de
kamer en liet Corrie zich oefenen, in wat Moeder haar reeds eigen
dacht.--

En...... Corrie probeerde...... de hartstochtelijke begeerte van "het
kind" te bevredigen: _ook groot_ te zijn, met het haast natuurlijke
gevolg, dat de pit, den slokdarm binnenvloog.

Ze schreeuwde het uit, doodsangst beving het kind, ze wilde wegvluchten,
maar werd door Moeder tegengehouden.

Het was aangrijpend het kind in die hevige opwinding te zien, die Moeder
niet tot bedaren wist te brengen. Ze had het immers zelf verklaard "er
zou een kerseboom in haar buikje groeien."

Bij ingeving liep ik op het kind toe met een kers in de hand, slikte die
in één oogenblik _met_ de pit naar binnen, uitroepende "lekker gefopt,
dom kind, lekker gefopt!!" en begon uitbundig te lachen.

Mijn comediespel bracht plotseling de gewenschte reactie. Corrie lachte
zenuwachtig mede.

Daarna bracht ik het kind, door het af te leiden, spoedig tot geheele
kalmte.

Laten opvoeders(sters) altijd bedenken, dat ze zelfs op het meest
intelligente _kleine_ kind in _ernstige_ zaken nooit _rekenen_ mogen
vanwege het ongelijkmatige, het onverwachte, het impulsieve, dat _elk_
kind in meerdere of mindere mate eigen is.

We moeten het kind bewaken van oogenblik tot oogenblik en bovenstaande
leering, waar we dit kunnen, vooral de Moeders "uit het volk" trachten
bij te brengen. Vele ongelukken, in onbewaakte oogenblikken, zouden niet
meer plaats vinden, wanneer het bovenstaande door haar bedacht werd,
door deze Moeders, die het kind als alle Moeders liefhebben.

                   *       *       *       *       *

=Naschrift.= Ik vind in dit schetsje het schrikaanjagen en dan nog wel met
zoo'n ouderwetsch middel, het ergste. Een kersepit doorslikken is zoo
verschrikkelijk niet. De kinderen altijd en overal bewaken, _kunnen_ we
eenvoudig niet. Maar wie het kind wat leeren wil, moet altijd iets
_wagen_. Taak van den opvoeder is, te weten wat hij (zij) waagt en of
dat niet te veel is.

Voorts komt het mij voor dat moeders misrekening vooral daarin school,
dat zij niet genoeg rekening had gehouden met de natuurlijke zucht van
het kind om "groot" te worden en al vast "groot te doen", en niet
begrepen had, dat zij door haar domme vermaning die zucht juist opwekte
en prikkelde.




XIX WAT HIELP *


Op zijn zesde jaar kreeg onze Tom de eerste pet van zijn Moeder en op
zijn dertiende, de tweede. Daartusschen, heeft hij alle, en het waren er
vele, als zondeboeten uit zijn spaarpot moeten betalen.

Pet I, was in de gracht gewaaid. Pet II was onder het woeste vechten,
door den vijand verscheurd. No. 3, had hij, gebukt over het portier van
den trein, die in volle vaart reed, laten vallen enz. enz.

En wat had hij niet al meer moeten vergoeden! Het repareeren van de
pendule, nadat hij om den verplichten tijd van het pianostudeeren wat te
bekorten, den grooten wijzer een te fikschen draai had gegeven, een
gegoten paraplustandaard, dien hij voor zijn acrobatentoeren had
misbruikt enz., te veel om op te noemen. Bij elken verjaardag en voor
een goed schoolrapport, werd zijn spaarpot wel weer wat aangevuld, maar
deze werd allengs voelbaar lichter. Om de illusie voorloopig gaande te
houden, verhielp hij dit gebrek, door het zilvergeld te verkoperen. Zoo
rammelde zijn spaarpot zelfs nog meer dan die van de andere kinderen,
hoewel arme Tom met zijn scherp ontwikkelde zintuigen, het klankverschil
daarbij pijnlijk opmerkte. Edoch, terecht overdacht Tom hier, zoolang er
leven is, is er hoop. Nog meer optimistisch tegenover de toekomst dan
het doorsnee-kind, vergat Tom na elke uitbetaling heel gauw, dat zijn
bezit kwijnde. Hij bekommerde zich slechts om den spaarpot op het
oogenblik, dat er een schadebetaling plaats had. Ze waren werkelijk
droeve momenten voor Tom, vol spijt en goede voornemens.

Luchthartige naturen als hij, moeten ter genezing van hun defect, tot
meer intense gevoelens gewekt worden door de straf.

Na zes jaar kreeg Vader ten slotte die aanwijzing.

Moeders veertigste verjaardag was op handen. Reeds een maand tevoren
vergaderden de kinderen van zes, acht, negen en onze elfjarige Tom elk
vrij oogenblik, om dien dag extra te vieren. Ze waren vol ideeën. Ze
wisten zoo goed, waarmede ze hun lief Moedertje blij zouden maken. Tom,
de aanvoerder, had de meest royale voorstellen. Hij wilde bloemen èn een
cadeautje geven. Ze mochten van Vader alles zelf bedisselen. Op een
middag, toen Moeder was uitgegaan, trokken ze gezamenlijk naar Vader om
voorschot en de geheele financieele questie met hem te regelen, want de
plannen stonden nu vast.

Stelt u Tom's grooten schrik voor, toen hij na alle krachten beproefd te
hebben op het door hem in opwinding ten slotte ontzielde varken, daaruit
slechts dertien en een halven cent vermocht te putten, terwijl de zusjes
en het broertje maar hadden te grasduinen in hun overvloed.

Vader maakte van dit voorval gebruik.

Hij vond het van zelfsprekend, dat Tom Moeder op geenerlei wijze kon
verrassen. De zusjes mochten hem niet bijstaan. Trouwens onze fiere Tom,
zou dat niet geduld hebben. Moeder een cadeautje geven van een andermans
geld. Hij liep eenige dagen in zak en asch rond en kon geen uitkomst
vinden.

(Moeder was door Vader inmiddels ingewijd). Op een avond, toen Tom reeds
op bed lag, riep hij Vader bij zich. Onder heete tranen vroeg hij hem om
raad.

"Je kunt het alleen nog door een groot offer goed maken," opperde vader.
"Over veertien dagen moet ik f 2.50 betalen voor een kwartaal
lidmaatschap van de korfbalclub. Ontzeg je dat genoegen en geef Moeder
van dat geld een cadeautje. Zeg den jongens, dat ik het geschikter
vind, dat je een poos niet medespeelt." Het was een offer zoo groot,
haast niet om te dragen voor een jongen van elf jaar en sportliefhebber
als onze Tom. Zonder te aarzelen nam hij het voorstel echter aan. Na
dien tijd is er een ernstige verbetering ingetreden in zijn onbesuisd
gedrag. De spaarpot wordt nog maar alleen aangesproken voor zijn
genoegens.

We mogen nooit laksheid bij de opvoeding betrachten. Vinden we niet
spoedig het juiste pad, laten we verschillende bewandelen en geen
sleurgangetje gaan.

Die zoekt, die vindt.

                   *       *       *       *       *

=Naschrift.= Dit laatste is zeer waar. Intusschen zou ik wel gaarne het
oordeel van anderen over het hier geschetste opvoedingssysteem vernemen,
dat mij, zoo oppervlakkig beschouwd, niet vrij schijnt te zijn van een
zeker mercantilisme. Alhoewel het mij toch ook herinnerde aan het
volgend voorval uit mijn eigen leven. Mijn twee bengels van 11 en 12
jaar, met wie ik, destijds weduwnaar, de slaapkamer deelde, hadden de
gewoonte hun schoenen altijd zoo slordig buiten de deur te zetten, dat
ik er iederen avond over struikelde. Vermaningen noch straffen hielpen,
zelfs niet het in den slaap wekken en uit hun bed halen van de beide
boosdoeners. Totdat ik mij op een dag in een bui van gemelijkheid liet
ontvallen: "als het nu nog eens gebeurt, zal ik inhouden van je
weekgeld" (dat niet meer dan eenige centen bedroeg!). Het was mij geheel
ondoordacht ontvallen, maar het merkwaardige feit was, dat het euvel
plotseling en voor goed ophield. Tot op den huidigen dag heb ik niet
begrepen, wat eigenlijk die miraculeuze werking veroorzaakt heeft.
(Sedert ik dit schreef, verzekerde mij een ervaren opvoeder, dat 't geld
inderdaad vaak een merkwaardigen, haast mysterieuzen indruk op kinderen
maakt, en dat hij ook in zijn eigen huis met zeer kleine boeten
wonderbare resultaten bereikt. Hebben meer lezers ervaringen op dit
gebied?)




XX TWEE VLIEGEN IN ÉÉN KLAP *


"Twee vliegen in één klap!"

Juffie is eigenlijk nog maar een groot kind. Waarschijnlijk juist daarom
zoo geschikt voor onze kleine peuters. Met ons schattig, tweejarig
vrouwtje kan ze het best vinden. Zus en ziekelijk broertje, kinderen van
vijf en zeven, aanbidden haar. Maar aan onzen oersterken Ab heeft ze een
broertje dood. Ze zijn dan ook twee contrasten. Juf teer, kalm,
zwaartillend, het knaapje beweeglijk, impulsief, luchthartig. De eenige
eigenschap, die ze gemeen hebben is: heerschzucht. Dat is jammer. Juf
_kan_ zijn rechtmatige kinderlijke vrijheid niet respecteeren. Met alle
kracht, waarover Ab beschikt, komt de kleine geweldenaar steeds daar
tegen op. Juf ziet ook niet in, dat ze het kind wel offers moet brengen,
die lijnrecht met haar gevoelens in strijd zijn.

Tot Ab's voordeel is Juf physiek heelemaal niet tegen hem opgewassen.
Toch loopt het nog vaak spaak tusschen hen beiden. We willen, dat Ab in
zijn vrijen tijd met het broertje en de zusjes samen speelt. Dat achten
we om vele redenen goed voor den jongen. Het geeft telkens heftige
scènes tusschen Juf en Ab, die we, als we thuis zijn dadelijk vermogen
te keeren. Moeder en ik durven echter nooit tegelijk van huis gaan en Ab
bij Juf achter laten. Dat is heel lastig. Wat nu? Juf wegsturen, de arme
achttienjarige wees, met hare vele goede eigenschappen? We kunnen er
niet toe besluiten. Ab brengen, waar we hem hebben willen is een werk
van langen tijd. Dus moeten we Juf trachten om te vormen. Ze voelt zich
thuis bij ons en is ons innig genegen. Twee flinke hulpmiddelen bij de
opvoeding van een pupil.

We beginnen met nog eens ernstig na te gaan, waar de zieltjes in
conflict komen, om daarna te pogen voorloopig den onmiddellijken vrede
te verzekeren, wanneer ze samen zijn.

Het gaat in hoofdzaak om de volgende verschillen. Ab, een jongen uit één
stuk, _wil_ absoluut zijn (rechtvaardige) afhankelijkheid van ons
dragen, maar hij _kan_ ze in het minst niet van Juf ondergaan. Juf wil
_ons_ in alles volgen, maar _kan_ zich op geen enkel punt van Ab de wet
laten stellen, zooals zij het noemt. (Wij verklaarden dit boven anders.)
Welnu. We dienen het dus zoo te regelen, dat beiden niets in te brengen
hebben. Hun omgang wordt tot in de kleinste détails volgens vaste
wetten, van hoogerhand, door Moeder in overleg met mij bepaald. Er moet
een macht regeeren, die boven hun rechtstreeksch afzonderlijk willen
uitgaat. Ze gehoorzamen nu direct ons, die hun beider belangen zoo goed
mogelijk hebben vereenigd. We leeren tegelijk Juf, Ab's kinderlijke
persoonlijkheid eerbiedigen en Ab zich onderwerpen aan degene, die boven
hem gesteld is. Het was een moeilijke taak, waarbij de omstandigheden
ons hielpen. Alle te voorziene questies zijn door ons behandeld, als: Ab
moet in de kinderkamer spelen, Juf wil hem dit altijd toestaan, maar hij
zal streng gestraft worden, wanneer hij het (volgens ons althans) Juf
lastig maakt. Juf zal hem toestaan elk spel voor den dag te halen,
waarmede hij wil spelen. Ab is verplicht vóór zijn vertrek weer alles
keurig op zijn plaats te bergen enz. enz. We hebben Juf duidelijk
gemaakt, dat ze op den duur niet bij ons zal kunnen blijven, wanneer ze
zich niet met Ab verdragen kan. Ab kent ook zijn boeten.

Het gaat een tijdlang bijzonder goed. Ze scharrelen rond zonder ooit
onze inmenging te verlangen.

Moeder en ik wagen het hoe langer hoe meer samen afwezig te zijn. We
gaan nu zelfs heen, zonder een enkele waarschuwing te geven.

Op een middag bij onze thuiskomst is echter weer "Holland in last".

De deur wordt haastig opengedaan door het keukenmeisje, die Ab
doodsbleek met gezwollen oogleden aan den arm heeft hangen.

Jufs behandeling had den jongen zoo overstuur gemaakt, dat het kind tot
vandalisme was overgegaan.

We waren nauwelijks vertrokken, toen de impulsieve Ab, gesuggereerd door
het zien van een plaat in "De Prins", opeens in het hoofd kreeg een
"Stadion" te formeeren. De beide zusjes, met wie Juf zoo rustig kralen
zat te rijgen, werden door hem opgeëischt en opgewonden. Alle stoelen,
de tafel, de naaimachine--wat is er niet noodig om een "grootsch"
stadion te bouwen, gereed voor den a. s. wielerwedstrijd!--werden
overhoop gehaald. Zelfs zijn fiets van den zolder. Dat was voor de
kalme, ordelijke Juf opeens _te_ veel. Ze ontsteekt in drift, en op het
oogenblik, dat Ab voor de deur staat, grijpt ze hem onverwachts beet en
sluit hem buiten.

In blinde woede bombardeert Ab de deur en schreeuwt. Zonder resultaat.
Het keukenmeisje, afgekomen op het tumult, vleit Juf, belooft haar hulp,
smeekt Juf den jongen toe te laten.

Juf blijft onverbiddelijk.

Om haar onrechtmatige overmacht te wreken, haalt hij een nieuw, voor
haar kostbaar, blousje uit de kast, sleurt het door de modderige goot en
werpt het voor de deur van de kinderkamer. Ze ontdekt het bij onze
thuiskomst, als ze de deur ontsluit.

Juf verlangde een schadevergoeding uit Ab's spaarpot. We meenden zulks
niet te moeten toestaan.

Het verlies van de blouse, was het gevolg van haar eigen
onverantwoordelijk handelen. De jongen was haar in onze afwezigheid
speciaal toevertrouwd. Ze wist heel goed op welke wijze ze Ab tot rede
had kunnen brengen. Haar was geleerd hem af te leiden door zelf mede te
spelen. Ze had den laatsten tijd steeds ervaren, dat ze hem dan tot haar
vrijwilligen medewerker van het goede kreeg. Maar in een minder
evenwichtig, wilszwak oogenblik had ze _haar_ oude methode gevolgd en Ab
geheel bebaasd. Dat was haar onmogelijk gebleken. Ab voelde dat als een
onrecht. Ab moest er geleidelijk toe komen haar te gehoorzamen. Dat
waren we overeengekomen.

Ze kreeg geen schadevergoeding. Haar werd de keuze gelaten "daar zonder"
te blijven of er mede op tijd te vertrekken. Ze besloot tot het eerste
voorstel.

Ab moest voorloopig zijn eigen kamertje missen. Dat was een groot
verlies voor hem. Zoodra wij er zeker van waren, dat hij waardevolle
zaken wist te ontzien en een anders bezit te respecteeren, zou hij het
weer mogen betrekken.

Om te voorkomen, dat Ab wrok tegen Juf ging koesteren, lieten we haar,
ze had het wel noodig na de verwikkelingen, dien avond na het eten naar
bed gaan. We zeiden, dat Juf vanmiddag al heel ziek was geweest. Ze zou
hem vast nooit meer buiten de kamer zetten. Ze zou ons liever zeggen,
wanneer ze zich minder goed voelde, dan mocht ze rust gaan nemen.

Ab zag, toen hij kalm was, heel goed in, welke wandaad hij begaan had,
door in woede eigen rechter te spelen.

Het ging daarna best tusschen hen.

Ze hadden beiden ter waarschuwing van het geweten een verlies te
overdenken.

Ze waren door "schade" wijs geworden.




XXI EENTONIGE ARBEID *


Vader, die zijn minder bedeelde patiënten meestal slechts kon bereiken,
langs steile, vettige, afgesleten trappen, had zich in het hoofd gezet,
niet anders te moeten dragen, dan witte katoenen kousen. "Ik wil _zien_,
of ze besmeurd zijn", was zijn verontschuldiging. Want elke groote wasch
die thuiskwam, verschrikte Moeder en de kinderen, door haar
onbeschaamden stapel gehavende kousvoeten. Ze vertegenwoordigden voor
ons, kleine meisjes, zoowat "de plak". Ik geloof nu nog, dat mijn
Moeder, naarmate de waschuitkomst op kousengebied grooter was, onbewust
overging, tot spoediger en veelvuldiger straffen met: "Je breit morgen
maar eens een halven of heelen voet aan, vóór je moogt gaan spelen". Of
zou ze bij intuïtie gevoeld hebben, de nuttige les, die ik er later uit
mocht trekken, dat men het kind reeds jong moet wennen aan vervelenden
arbeid, dien nu eenmaal elke levensloopbaan met zich brengt? Nog heden
valt me het meest eentonige werk licht, vergeleken bij den onmetelijken
witten voet, die mij, door mijn aard, meer dan den anderen zusjes ter
reparatie deelachtig is geworden. Stelt u voor, de zon hoog, de bloemen
in ons tuintje, in hare sobere steedsche pracht, terwijl de uitgelatenheid
der zusjes weergalmde, met aangeboren blijden levenslust, op achtjarigen
leeftijd te moeten zitten in het kajuitlage strafkamertje, met die
gemelijke, zeurderige, centimeterslange .... En of ik maar steeds losser
breidde en mijn werk met alle macht in de lengte rekte, Moeder wist,
door het monster een andere richting in te sturen, me telkens weer
aanschouwelijk te maken, dat de voet in werkelijken zin, nog maar "even
breed als lang" was en me met klem te overtuigen, dat het opgegeven
aantal naadjes de juiste maat inhield. Niet zoodra was de taak volbracht
of ik spoedde me naar buiten en speelde uitgelaten vroolijk met de
kinderen mede. Pennen en naadjes waren vergeten.

Daarom juist kunnen we het kind met een gerust geweten aan het
vervelendste werk zetten. Het laat geen deprimeerende sporen achter.
Maar toch blijft er iets voor latere jaren "de herinnering", die je
eerst diep doet beseffen, het vroeger doorgestane leed. Je ervaart, dat
het je voor je leven sterker heeft gemaakt. Ik geef u in overweging het
bij uwe opvoedelingen toe te passen. Laten we hopen, met dezelfde goede
resultaten.




XXII GEEN WIJZE REDENEERINGEN *


Ik was ongeveer acht jaar oud, toen Moeder met een harer zusters over
"borgstelling" sprak.

"Een _borg_stelling? Wat is dat Maatje," vroeg ik als elk weetgierig
kind.

En diepzinnig door redeneerende bij hare verklaring, kwamen we tot de
juiste beteekenis van het borgen zelf, waarbij Moeder mij de noodige
moralistische waarschuwingen gaf, die allerminst tot mij doordrongen. De
onmiddellijke idee "borgen" had me toch zóó verrukt. Het trof mij, die
daar vroeger nooit van gehoord had, als een uiterst prettige en
practische schikking bij een voorkomende gelegenheid.

Je koopt maar, neen, je borgt maar, wat je wenscht te bezitten. Je kunt
het toch immers later wel betalen. De wereld behoorde mij! Ik had het
altijd zoo bindend, zelfs drukkend gevonden, van Vrijdagmiddag tot
Zondagmorgen niets te kunnen koopen. Juist op den vrijen dag, wanneer je
de Luilekkerlandswinkeltjes zoo eens op je gemak kon raadplegen om
"rouwkoop" te beletten. Zaterdag was mijn kooplust het sterkst. Dat ligt
voor de hand. De dief _vindt_ een gelegenheid.

Mijn jongste zusje, wat te zwak om geregeld de lagere school te
bezoeken, werd op haar vijfde jaar op een voorbereidend schooltje van de
dames Kroon geplaatst. Vader kon nu speciaal rekening houden met de
gezondheid van het kind. Ze mocht daar op tijden gebracht en gehaald
worden, die Vader goed dacht en...... als Moeder haar personeel kon
missen. Dit laatste was niet officieel overeengekomen. Ik kreeg in
opdracht Vrijdagsmiddags, wanneer ik van de Joodsche lagere school om
twee uur vrij had, en Moeder niet in de gelegenheid was met ons uit te
gaan, het twee jaar jongere zusje uit school te halen. De scholen lagen
vlak bij elkaar. Ik mocht dan, tot het schooltje uitging, bij de dames
Kroon het onderwijs blijven volgen of het spel der kinderen medespelen.

"Heerlijk bij die schattige kindertjes!" En Moeder wist haar kinderen
daar goed verzorgd.

Het was nog maar kort na mijn inwijding in de borgwetenschap, dat ik bij
het verlaten van de dames Kroon, vol blijden moed en met de meest
eerlijke beginselen in het hart, gemagnetiseerd werd door het
fonkelnieuw, hel opgeschilderde buurwinkeltje, met zijn bijzonder
prikkelende kleur- en geurrijke étalage.

"Wat een héérlijke, roode appeltjes", riep het kleine teere Jetje
opgetogen uit. "Ik heb wel geld in mijn portemonneetje, vier centen.
Maar we mogen niet meer koopen, hè Eetje? Van onzen lieven Heer niet,"
lispelde het kleine slangetje schuchter en verleidelijk...... _Niet_
koopen, maar wel _borgen_ flitste plots door mijn brein, en als een ware
Eva bezweek ik. Uit instinctmatige vrees, dat ik aan mijn kordate
uitspraak zou gaan tornen, sleepte ik Jetje, die ik braaf aan de hand
hield, meteen het winkeltje binnen.

--We waren voor de eigenares goede bekenden; we kochten er dikwijls drop
voor het kleine verkouden zusje.--

Bevende voerde ik het woord.--De daad toch is eerst de voltrekking van
het voornemen. Zij beslist.

"Juffrouw wilt u ons voor vier centen wat _borgen_? vroeg ik geheel
buiten mezelve. _Koopen_ mogen we niet op Zaterdag. Maandagochtend voor
den schooltijd zal zus het u komen betalen."

--Nooit heb ik in mijn later leven scherper accent op twee
tegenstellingen gelegd.--

"Zoek maar uit lieve kinderen!"

"Als de Nederlandsche bank", uitdrukking die ik eerst later begreep,
wenkte ze haar vraagblikkenden echtgenoot toe.

Buiten het winkeltje werd ik ontnuchterd. Toen ik nog bovendien tot de
ontdekking kwam, dat ik, overstuur door den angst, een gevolg van mijn
slecht geweten, het verkeerde lekkers had gekozen, en dat Jetje maar
drie in plaats van vier centen in haar portemonneetje had, overviel me
een diepe weemoed.

Straks de plechtige inwijding van den Sabbat te vieren, Vaders zegen en
Moeders hartelijken kus te ontvangen, met een schuldig geweten,--dat was
voor mij niet te dragen. Op een drafje holde ik naar huis en nauwelijks
binnengekomen, bekende ik Moeder mijn stoutmoedige, stoute daad.

"Je _krijgt_ den cent niet, die je tekort hebt, een agent komt je straks
halen", plaagde de een. "Van borgen komt stelen", vernielde een andere
paedagoog me. Als een gevallen menschje stond ik benepen in een hoekje
van de kamer te snikken.

Een moeder kan haar kind niet lang in zulke droevige omstandigheden
laten.--Bovendien zag mijn verstandige, flinke Moeder dadelijk in, dat
ze te wijs met me had geredeneerd dezen keer. Dat leidt onvermijdelijk
tot verkeerde gevolgtrekkingen bij het kleine kind. Het is niet vatbaar
voor een diepzinnige beschouwing van de zedenwet of voor welke
beschouwing ook.

"Je moogt _nooit_ meer iets koopen zonder het onmiddellijk te betalen,
anders krijg je geen geld meer om er zelf over te beschikken. Wees nu
maar weer vroolijk. Aaltje zal het Maandagmorgen wel betalen. Wat
_borgen_ is kunt je eigenlijk eerst goed begrijpen, wanneer je grooter
bent."

Dat had mijn lieve Moeder eerder moeten hebben ingezien.




XXIII DE GEVOELENS VAN HET KIND *


Ik had een eigen kastje gekregen. Wel heel caduc en leelijk maar......,
met dat zalige sleuteltje kon ik ieder beletten in mijn heiligdom te
komen.

Natuurlijk niet Ma, Pa en Aal! Nu ja, die deden toch altijd alles, wat
lief en goed voor ons was. Zij zouden geen misbruik maken.--Wanneer een
kind aldus voelt, is de opvoeder "oppermachtig" in zijn rijk.

Ik had nu rechten, onbetwistbare rechten...... als ik het sleuteltje
maar op zak hield.

In Januari leerde ik op school haken. Ik kende 't gauw en kreeg opeens
den inval, voor Moeder van eenvoudige sterren een sprei te maken, als
St.-Nicolaascadeau. Dat wil wat zeggen voor 'n klein zevenjarig meisje.

"Daar ben je nog te jong voor," zei de handwerkjuffrouw na mijn
gewichtige mededeeling. "Hoe zul je aan al die katoen komen?"

"Van ons kindermeisje."

"En waar zul je werken om de sprei klaar te krijgen, zonder dat Ma het
merkt?"

"Op Aal's kamertje, Aaltje wil ons _altijd_ helpen."

"Je kunt in elk geval beginnen."

Einde Augustus had ik van de zestig sterren dertien aan elkaâr. Een
ongeluksgetal.

"Zóó zul je er niet komen", spoorde de juffrouw aan, die het toch wel
een aardig succes zou vinden.

En nu eerst werd ik met een ongelooflijken ijver bezield. Ik haakte vóór
schooltijd, in het tusschenuur, na schooltijd. Zelfs op mijn wandelingen
langs stille wegen. Het stapeltje in mijn kast verborgen beloofde
steeds meer den goeden uitslag.

Einde October moesten er nog dertig klaar gestoomd worden. Daar zag ik
geen kans toe. En ik liet me bepraten door Aaltje. Zij zou medehelpen.
"Zelfs wanneer het uit zou komen, dan zou Ma het nog vlijtig vinden en
heel blij zijn met zulk een verrassing." Wat beteekent nu vijftien
sterren op de zestig? De sprei kon best vijf en veertig sterren groot
zijn. Ik stond toe, dat het kindermeisje er vijftien met een gedeelte
van den kant voor hare rekening nam. Ze kreeg mijn sleuteltje.

De avond van St. Nicolaas kwam.

Het verging me als Blauwbaard's vrouw.

Moeder was aangedaan, verrast, ze kuste me hartelijk, toen juist het
keukenmeisje--dat wegens brutaliteit tegen haar zin was opgezegd--met
een pakje binnenkwam.

Onze intimiteit met het andere meisje ziende, ontbrandde ze in jaloezie
en stootte eensklaps venijnig uit: "Kind laat je maar niets wijs maken;
je Ma heeft de sterren en den kant _zelf_ gehaakt!" En...... Moeder
moest bekennen, dat het meisje waarheid had gesproken.

Ik was verslagen, en kon dien avond niet meer vroolijk worden. Ma
vermocht me niet te troosten. Een ondraaglijke desillusie, die lang
nawerkte.

Toch heeft Moeder hier terecht kunnen aanvoeren, dat ze _onwaar_ was
geweest uit hartelijke liefde en goedheid voor haar kind. Het was niet
te verwachten dat het dienstmeisje zich op deze wijze zou wreken. Aaltje
had den tijd niet de ontbrekende sterren af te maken. Moeder begreep,
welk een teleurstelling het voor me zijn zou, haar die groote
verrassing, waarvoor ik zoo lang geijverd had, niet te kunnen bereiden.
Ze had reeds den tweeden dag bemerkt, dat ik met de sprei bezig was.
Voor moeder, die haar kinderen zoo goed waarnam, kón het geheim niet
verborgen blijven. Overtuigd zijnde, dat het toch nooit zou uitkomen,
vond ze het dus niet bezwaarlijk, het restje voor Aaltje te werken.

We moeten het met de kinderlijke gevoelens _heel_ nauw nemen. Ze zijn
heilig, als de onze. We mogen nimmer onwaar tegen kinderen zijn, al is
het nog zoo goed bedoeld. Alles komt uit, vaak onverhoeds. Het geloof in
den opvoeder kan hevig geschokt worden. En het gevoelige kind daar zeer
onder lijden.




XXIV DE RECHTEN VAN HET KIND *


"Dus je wilt het wel voor me doen? Ik zal het heerlijk vinden. Het geeft
me rust tijdens de reis, te weten, dat je voor hem zorgt. O, hij is
heelemaal niet lastig. Maar "het kind" te begrijpen is voor een ander
dan de Moeder zoo moeilijk. 's Morgens bijv. laat hij me na half zes
niet één oogenblik meer slapen, tot hij om zeven uur door het meisje
weggehaald wordt. Het mooiste speelgoed kan hem niet bekoren. Hij eischt
me geheel. Dat is zijn recht."

"Oho Mevrouwtje!"

                   *       *       *       *       *

"Kukelekuku!... Kukelekuku!... Ik is het haantje van de buren!...
Kukelekuku!... Ku-ke-le-ku-ku!... Kukelekuuuuuuu...
KukelekuuuuuuUW!......"

Als gehypnotiseerd lag ik tegenover hem.

Bob bracht nu zijn ééne beentje over den dicht geknipten neerslag van
zijn ledikant, hield zich met de mollige knuistjes om den rand stevig
vast en hoonde "...Kijk us, ik klim... ik gao faole... Je moet toch op
me passe... Eetje..."

Niet één willekeurige spier van mijn lichaam bewoog zich. Behalve één
oog lichtelijk om hem te kunnen volgen. Ik overtrof me zelf bij dien
leuken snuiter.

"Plots" ligt hij op de mollige vacht. Onder hevig angstgeschrei had hij
zich voorzichtig laten afglijden en kermde nu of hij zoowat al zijn
ledematen had gebroken.

"En werd u niet boos?"

"Boos? Welneen. Hij was in zijn recht, juist! Want ik moest hem toch
eerst _leeren_, dat wij, die ons met veel opoffering en liefde aan onze
kinderen wijden, ook het recht hebben op de noodige rust, zonder welke
we trouwens onze taak bij hen niet behoorlijk kunnen vervullen. Ook, dat
in het leven zijn recht eens niet geteld zou kunnen noch moeten worden,
waar de meer belangrijke rechten van anderen in het spel waren."

Na zich een poosje vergeefs vermoeid te hebben, nam hij een stoel, klom
zeer behoedzaam in zijn bedje en ging liggen uitrusten van zijn
krijgsverrichtingen.

Allerlei verschillende geluiden, als van den spoortrein, de auto, de
stoomboot, de vliegmachine, liet hij verder van tijd tot tijd met
grooter tusschenpoozen en al mindere krachtsverheffing hooren.

Om zes uur genoot Bob den gezonden slaap, waaraan hij tot zeven uur nog
behoefte scheen te hebben. Den volgenden morgen probeerde hij het nog
met verschillende korte dialogen, als: "Ik ben zoet, jij Eetje is een
slaapmuts."

De latere dagen merkende, dat mijn standvastigheid grooter was dan zijn
hardleerschheid, bleef hij doorslapen of rustig liggen tot het appèl.

Het was na drie weken een teeder afscheid tusschen den driejarigen Bob
en mij. Daarom beloofde ik, als Moeder 's morgens vroeg tevreden over
hem was, ik hem nog eenige malen Zaterdagmorgen om twaalf uur van de
fröbelschool zou komen halen en dat hij dan tot Maandagochtend bij mij
mocht logeeren.

Moeder verklaarde me dankbaar, dat ze nog nimmer een zóó afdoend succes
met eene of andere behandeling bij hare kinderen had ondervonden.




XXV MUZIEK LEEREN *


Keesje wil graag leeren pianospelen. Als kindje van anderhalf jaar
luisterde hij reeds met gespannen aandacht naar de liedjes, die ik voor
hem zong en speelde. En, hij houdt veel van mij, zijn muziekonderwijzeres,
want al kan hij mij niet als zijn suikertante waardeeren, toch wel
als zijn suikertjestante, daar ik gewoonlijk de feesten, als, zijn
verjaardag, St. Nicolaas, vacantiepretjes onder mijn presidium heb.

Mijn taak lijkt gemakkelijk.

Keesje _wil_ graag leeren pianospelen. Maar kan de stakkerd het helpen,
dat Moeder genoodzaakt is, de piano, zoover mogelijk verwijderd van
Vaders kantoor, te plaatsen, juist aan de zijde van zijn paradijs?

Zijn paradijs! Een zeldzaam groote stadstuin, waarvan het voorgedeelte
door de volle zon beschenen, den aanblik levert eener keur van bloemen
en planten. Daarin een afgescheiden tuintje voor Keesje. Het einde van
de laan, zoo mag ik waarlijk den langen tuin noemen, een lommerrijk
plekje onder de eeuwenoude kastanje-, eike- en vruchtboomen. En last not
least ... het duivenpaleis, dat een woning biedt aan verschillende
soorten, wel dertig. Dààr is voor Keesje het "al". Ieder der beestjes,
heeft naar aard en uiterlijk een naam van hem gekregen. Hij laat ze in
zijn fantasie heel wat beleven. Geestdriftige verhalen krijg ik steeds
te hooren over zijn uitverkorenen.

Maar Keesje _wil_ graag leeren pianospelen. En daar gaat het dan toch
maar, vol moed. Eéne, tweéë, driéë, éene, tweéë, driéë, dat al gauw in
een lijzig, verveeld accent overslaat. Eìne, twèie, drèie, èìne, twèie,
drèie......

Plots wordt mijn hals half omgedraaid, onder den uitroep: "kijk us,
tàntetje, grijs doffertje is alleen uitgevlogen!"

"Gedeelde vreugde is dubbele vreugde". Ik heb Doffertjes behouden
Heimkehr medegenoten.

Langzaam, hem vriendelijk toelachend, draai ik mijn Keesje, door middel
van de pianokruk weêr op zijn plaats.

Na een diepen zucht voor het doffertje en een hartelijken kus aan mij,
hoor ik weêr gauw "Eéne, tweéë, driéë, éene, tweéë, driéë......"

"Leelijk beest!" "Fort!" "Weg!" Rood van opwinding en met gebalde
vuistjes is Keesje naar het andere venster gestormd, toen hij het
schrikbarende tumult hoorde. Aan zijn kant had ik reeds geprobeerd het
gordijn neer te laten. Verbeeldt u toch, daar staat buurpoes met
gekromden rug uit alle macht te blazen, tegen de angstig kirrende
jongen, die door hare moeder in de til waren achtergelaten. Buurmans
waakhond versterkt het orkest.

Ik stel Keesje gerust, door hem er aan te herinneren, dat de til zoo
geplaatst is, dat de duifjes onmogelijk door een hond of een poes te
bereiken zijn.

Nog grimmende onder den indruk van zijn pas ondervonden woede, laat het
kind toe, dat ik hem, met mijn arm om zijn lijfje geslagen, op de kruk
terugbreng.

Meteen zeg ik bij ingeving: "Nu benoem ik jou tot hoofdofficier". Gauw
hebben we de vingers naar mindere grootte, in afdalende rangen
ingedeeld. Het wordt nu voor Keesje een eerezaak, dat niemand deserteert
of zelfs uit den pas gaat. Binnen korten tijd hebben de vingertjes onder
zijn, door mij beïnvloed commando, de verplichte houding aangenomen. En
na eenige weken speelt Keesje "die Wacht am Rhein"--stukje uit een
Liederkrans voor pasbeginnenden--zonder fout, met alleraardigste
voordracht, uit het hoofd. Door het voortdurend inspecteeren van zijn
troep, gingen de oogen maar steeds van het blad op de vingertjes. Zoo
oefende hij zich in 't van het blad lezen, en uit het hoofd spelen.

De lessen werden voor Keesje een verheugenis. Kort daarop haalde ik hem
van een partijtje bij een zijner vriendjes. "Wat speelde Keesje
vanmiddag kranig het Duitsche volkslied. Zoo heelemaal zonder fout uit
het hoofd!" De gastvrouw kwam me reeds in de gang tegemoet om haar
opgetogenheid te uiten.

"Dat moet u Jan ook eens trachten te leeren. Hij is vandaag zeven jaar
geworden en wil nu ook graag beginnen met muziekles te nemen." Ik
beloofde het de Moeder. Ik kon dat met goed vertrouwen doen.

                   *       *       *       *       *

Kees is een concertliefhebber.

Ik heb uit den aard der zaak van niet vele leerlingen "een pianist(e)"
kunnen maken. Maar ik heb ze toch alle, behalve een paar abnormale
uitzonderingen, muzikaal ontwikkeld. Dat is de opvoeder(ster) verplicht
tegenover zijn (haar) pupil, om te voorkomen, dat deze, ouder geworden
zijnde, een levensgenot zou missen, een tijdpasseering, die hem voor
geestelijke en moreele afdwalingen zal kunnen behoeden.

Bij het onderricht geven is het noodig, dat men bij het kind
belangstelling wekt voor de onvermijdelijke, vaak eentonige oefeningen.
En daartoe is hèt middel, gebeurtenissen aanknoopen aan hunne
persoonlijke waarnemingen en idealen.




XXVI IETS MOETEN DOEN EN IETS WILLEN DOEN *


Kleine Milly liet zich van aanleg als bijzonder zacht en volgzaam
kennen. Plotseling, ze is nu twee en een half jaar, uit zich haar eerste
ernstig verzet.

Milly wil 's morgens niet meer slapen gaan. Moeder geeft voorloopig toe.
Telkens blijkt weer, dat het kind wel degelijk behoefte heeft aan een
ochtenddutje. Wanneer ze 's middags met haar op de wandeling even
stilstaat voor een winkel, dommelt de kleine vaak onverwachts in. Maar
is er 's morgens sprake van het bedje, dan windt Milly zich zóó op, dat
het geheele gezin er bij te pas komt en daarna is aan slapen geen denken
meer. Moeder begint er de laatste dagen niet over, want het kind raakt
er door van streek en is den geheelen dag voor niemand en niets meer
toegankelijk. Op mijn raad wil ze toch nog maar eens een poging wagen en
ik laat Milly's tegenstribbelingen eenige dagen onbemerkt langs me gaan.
Den derden morgen stel ik de hummel voor, samen "huisje" te gaan spelen,
in de groote kamer, waar bij dag haar ledikantje gezet wordt. Deze kamer
is rustig gelegen. We halen zoowat haar geheelen speelinboedel voor den
dag en het vrije gedeelte van den vloer wordt als huis ingedeeld. Een
keurig salonameublementje is dadelijk in het centrum smaakvol
gearrangeerd. Poppenbadje krijgt zijn plaats in de gefingeerde badkamer,
waar geen onderdeel, al is het maar van papier geknutseld, gemist wordt.
Een comfortabel ingerichte slaapkamer mag toch in geen enkele woning
ontbreken, zou ik meenen. De aanwezige Indische stoel gauw maar tot
mijn, respectievelijk Moeders bed gemetamorphoseerd en we hebben
Milly's ledikantje vooral ook niet vergeten. Wat een werken en zorgen!
Hè... We zuchten er beiden van. Alleen al de dagelijksche beurt, die
Mina gewoon is te geven, heeft zooveel in. _Kan_ het anders dan dat we
moe worden, _heel_ moe. Pseudomoedertje wel zóó erg, dat ze om half elf
reeds naar bed verlangt. Nu wil het kleine "aapje" ook zoo _graag_ gaan
slapen. Zonder te mopperen, laat ze zich uitkleeden en in haar eigen
bedje leggen. Ik haast me op de sofa. Ze koekeloert nog een poosje door
de spijltjes naar me en valt in een rustigen slaap, waaruit ze na
anderhalf uur wakker wordt, verkwikt voor den geheelen dag. Al korter
duurt de volgende dagen mijn medespelen. Ten slotte voert Milly de
komedie op haar eigen houtje op en gaat nog maanden daarna, op tijd, vol
animo haar nuttig slaapje "spelen".

                   *       *       *       *       *

Iets "moeten" doen en iets "willen" doen, kan dezelfde bezigheid tot een
hel en een hemel maken. Zeker voor het kleine kind, dat nog geen
plichtsbesef kent, de voor- of nadeelen van een handeling niet weet te
overwegen en dat slechts rekening houdt met de lust- en onlustgevoelens,
die door een of andere opdracht gewekt worden. De taak, die ons redelijk
en gewoon toeschijnt, kan voor het kind soms onoverkomelijk zijn. Onze
waardebepaling staat vaak lijnrecht tegenover elkaâr.

Wanneer we bij het normale kind een plotseling ernstig verzet, door
verzet trachten te breken, bereiken we het tegendeel. We verbitteren
onzen kleinen opstandeling, hij voelt zich miskend, onrechtvaardig
behandeld en stelt zijn slechtst humeur er tegenover. Laten we hem, door
geduld en liefde leeren de opgegeven taak te _willen_ volvoeren. Met een
beetje tact lukt het elke opvoeder(ster). Bij het abnormale absoluut
onhandelbare kind, rest ons helaas vaak niet anders, dan het verzet,
door het verzet te compenseeren. Doch ook bij hen slechts, mogen we
daartoe overgaan, nadat we alle zachtere middelen vergeefs hebben
beproefd. Deze gevallen zijn gelukkig "de uitzonderingen" voor mijn
overweging.

                   *       *       *       *       *

=Naschrift.= Dit is een staaltje van de paedagogiek van "met een zoet
lijntje", onderdeel der omkoopings-paedagogiek, die ik voor mij--in het
algemeen gesproken--voor een gevaarlijk falsifikaat houd.




XXVII DE KUNST VAN BEVELEN *


Mevr. X. deelde eenige dagen mijn kamer in plaats van twee kleine
nichtjes van acht en tien jaar.

"Hoe is het mogelijk!" riep ze verbaasd uit, toen we 's avonds van een
concert thuiskwamen.

Er lag op mijn nachtkastje van ieder kind een briefje, met een trouw
verslag van hun doen en laten dien avond. Ze hadden er zelfs een stukje
van haar avondlekkers ingerold. Die billets-doux deponeerden de kinderen
vaker, ofschoon ik ze daar nooit om gevraagd had. Ik copieer het briefje
van de kleinste:

     "Lieve Tant! Om zeven uur mijn lesje gekend. Tot half acht met Mies
     geknikkerd. Bij Truitje in het kuiltje van de keuken. Even
     krijgertje gespeeld in de gang. Niet met Truitje. Uitgegleden. Knie
     een pukkebeetje geschaafd. Geeneens gehuild. Acht uur in bed.
     Hartelijk gekust. Melk _op_gedronken! Nan."

Hoe besefte dit kind warm, waarmede ze me voldoen kon. Eerst het werk
maken, daarna spelen, flink zijn bij een kleinen tegenslag, op tijd naar
bed gaan, kortom haar plicht. Haar gehoorzaamheid kwam voort uit eigen
energie, uit innerlijke kracht.

"Hoe is het mogelijk!", herhaalde Mevr. X. nog steeds.

"Zou ik dat mijn kinderen eens kunnen leeren!"

"Ik heb in mijn aanwezigheid al zooveel moeite om ze tot hun plicht te
dwingen. Wanneer ik uit wil gaan, moet ik zorgen, dat het schoolwerk
voor dien tijd in orde is. Ik reken er dan maar op, dat niet één van de
kinderen op tijd naar bed gaat, dat... ja eigenlijk, zoowat alles in het
honderd loopt."

Ik, die Mevr. X. in den omgang met haar kinderen kende, zou niet anders
verwacht hebben. Ze was een goedhartige, doch wilszwakke persoonlijkheid.
Ze wist niet te bevelen. Ze miste den sterken wil voor het _onmerkbare_
inwerken op hare omgeving. Ze had dien wil ook nimmer geoefend, als
verwend, eenig kind. Haar optreden was niet in staat de vrijwillige
gehoorzaamheid van de kinderen te wekken. Ze bracht nu vaak uit onmacht
"den dril" in praktijk, waarbij het innerlijke van den opvoedeling niets
wint. Ze soebatte, commandeerde, dreigde, strafte. Het laatste zelden,
maar meest onredelijk. Wanneer ze "au bout de son latin" kwam, ze door
haar onmacht het meest noodige voor het kind, niet wist gedaan te
krijgen. Dan was ze door de opgewondenheid, te hard en onredelijk,
waarom de kinderen, met hun aangeboren zin voor rechtvaardigheid, haar
minder liefhadden. In hare aanwezigheid kreeg ze daarmede wel wat
gedaan, maar dra was de folterstoel veilig achter slot, of alles vloog
uit den band.

Ze verlangde, dat ik haar leerde, hare kinderen even ver te brengen als
de onze, die ons liefhadden, vertrouwden, die voelden, dat hun geluk,
ons geluk was. Dat mijn ziel en hart in hun opging. Wat bij Moeder X.
werkelijk evenzeer het geval was.

Ik raadde haar vóór alles, den wil te sterken. Slechts met een sterken
wil kan men anderen bevelen = inwerken op hun wil.

Ze zou zelf 's middags stipt op tijd thuiskomen van de wandeling, geen
voorgenomen werk noodeloos uitstellen, op tijd opstaan, in alles
ongeëvenaarde stiptheid betrachten. Nimmer schreeuwen of heftig worden.
Haar opdracht slechts éénmaal geven en kalm. Daarvoor heeft het kind
respect. Het was voor haar een zeer moeielijke raad om op te volgen. Ik
werd nog dikwijls geroepen om bij te springen. Maar mocht tot mijn
groote voldoening al weer gauw constateeren: "Waar een wil is, is een
weg."




XXVIII HUN ALTRUÏSME *


Mijnheer Frackers plotseling overleden! Het geheele gezin loopt samen op
het schokkende bericht en is verslagen. Eén roep hooren we, van wat hij
voor ons allen geweest is, de trouwe, eerlijke, hartelijke vriend.

Wat een zuchten, wat een klagen, wat een loftuitingen van alle kanten,
ook van het personeel, waarvoor hij altijd zoo gul en minzaam was. Zelfs
ons vijfjarig jongste baasje is er stil van. Dat treft ons. We oordeelen
hem gevoelig, aanhankelijk.

Hij wordt geknuffeld, getroost.

Na het eten komt de kleine Remy als gewoonlijk een half uur bij mij
spelen voor dat hij naar bed gaat.

"Huilt U omdat Mijnheer Frackers dood is?" vraagt hij belangstellend.

"Dat _moet_ U niet doen, broertje vindt het zoo naar", zegt hij op een
ontstemden toon.

Ik herstel me spoedig en ga hem opgewekte verhaaltjes vertellen.

--Het kind is nog te jong, om onder den indruk te mogen blijven van een
diep zieleleed.--

Op tijd komt Juf hem halen.

Bij het afscheid pakt hij mij nog eens innig en zegt dankbaar: "Nacht,
_zoete_, _lieve_ tante... ga nou maar weer huilen", animeert Remy,
terwijl hij van mijn schoot springt.

                   *       *       *       *       *

We mogen niet te gauw "victorie kraaien" bij het beoordeelen van de
karaktertrekken onzer kleine kinderen en zeker nooit in hun bijzijn. Wat
maar al te vaak gedaan wordt. Geef het kind _slechts_ wat het toekomt.
Waar noodig, eer minder dan meer. Hun altruïstische neigingen zijn meest
in dienst van hun egoïsme.

We zouden door niet diep genoeg in hun wezen te dringen, het egoïsme
bevorderen. We willen het tegendeel.




XXIX HET KORTE WOORD *


Een fiere jongen, onze oudste... 'n "Baasje" eigenlijk. Het is de
eenige bijzondere aanmerking, die we op het kind maken. Misschien tilt
Moeder hem wel wat over het paard, door hem reeds in vele ernstige zaken
in te wijden.

Piet is heel verstandig, maar toch pas tien jaar. Hij spreekt zijn
meestal goed oordeel te beslist uit en Moeder hecht er veel waarde aan.
Wat hij merkt.

Rrrrrrrrrt...... gaat de bel, zoolang tot er opengedaan wordt. Een
opgewonden troepje stormt binnen.

"En een penkalapotlood van Rob, een fleschje kleurinkt van Bert, een pak
chocolade van..." alle kinderen schreeuwen door elkaar. Op een verjaardag
wordt door ons veel getolereerd. De twee prentbriefkaarten, die hij van
zijn onderwijzer gekregen heeft zijn voor Piet wel het meest waardevolle
geschenk. Hij ziet er gemeenlijk niet naar om, maar deze kaarten
streelen zijn eigenwaarde.

"Nu komt nog de _lekkerste_ verrassing", grapt Moeder in haar
vreugderoes. Het maakt de kinderen gulzig. Ze vallen haast aan, op het
groote stuk taart, dat de ledige boterhammetjes, tot een koningsmaal
verhoogt. "Zie toch eerst eens hoe leuk", zegt Moeder argeloos en nadat
Piet het opschrift van de taart gelezen heeft--Aan den jarigen zoon van
mijn Dokter, uit dankbaarheid, Bakker N., in sierlijke suikerletters als
gecalligrapheerd op het plateau--is hij doodsbleek en roept gekrenkt
uit:

"Maar _ik_ had ze zelf mogen deelen, de taart is van mij!"

Moeder, uit het veld geslagen, verweert zich (zeer onhandig) met "van
_jou_ is niets, _ik_ heb over alles te beschikken."

Piet loopt weg met tranen in de oogen, nog driftig uitstootende "ik wil
niets van de taart eten!"

Hij spoedt zich naar zijn kamertje.

Moeder, wij allen, zijn ontdaan.

--Toen Vader vanmorgen bij een zijner patiënten binnenkwam, liep het
jarige kind met een feeststrik op den schouder rond. Het ventje was pas
hersteld van een ernstige ziekte. Hé, vertelt de dokter, mijn oudste
jongen viert vandaag ook zijn geboortedag. De Vader van het patiëntje
grijpt blijde de gelegenheid aan om zijn dokter te verrassen.--

"Ga jij eens met hem spreken. Je kunt hem wel kalmeeren", stelt Moeder
me voor.

"Nu liever niet! Met een opgewonden kind is niet te praten. Hij kan best
een maaltje overslaan. Piet gaat stellig op tijd naar school. Daar zal
hij kalm worden. Ik zal hem vanmiddag aan de deur opwachten."

"Dag tante", zegt Piet gemaakt vroolijk, als hij 's middags uit school
komt. "Is er al bezoek in de huiskamer?"

"De tantes zijn er en Mevr. X."...... Hij aarzelt......

"Je kunt het toch wel zacht tot Moeder zeggen, dat het vanzelf sprak,
dat zij de taart zou verdeelen. Dat is _haar_ taak!" Wanneer ik als
huisgenoote een taart krijg, zou ik ze immers ook door Moeder laten
deelen.

"Maar hij is tòch van mij", streeft hij tegen.

"Nu ja... krijg jij een geschenk van iemand die je heelemaal niet
kent?... Waarvoor is bakker N. je zoo dankbaar?... het was een attentie
aan Vader bewezen, het gezin ter eere van je verjaardag te tracteeren,
dat voel je nu wel. Zoo vatte Moeder het op."

Als uit een droom ontwaakt, kijkt Piet me met opengesperde oogen
verhelderd aan.

"Maar Moeder zei dan toch, dat zij altijd over alles beschikken mocht en
ik nooit zelf iets mocht bezitten."

"Je deedt Moeder onrecht en daarnaar antwoordde ze. Heb je ooit ervaren,
dat Moeder iets van je weggenomen heeft! Je moogt de chocolade, die je
krijgt, toch altijd zelf deelen. Heeft Moeder ooit zonder je toestemming
een ander kind met je speelgoed laten spelen?"

Verruimd vliegt Piet naar Moeder en maakt het voorgevallene op zijn
eigen innemende wijze bij haar goed.

Het was treffend, 's middags aan tafel, terwijl hij het bijzondere
portie taart zat te smullen, Piet te hooren uitroepen: "Lekker Moes!"...
"dank U vriendelijk!"... "fijn Moes!"...

Allen waren heel tevreden en opgewekt. Moeder, Vader, Piet, de zusjes en
broertjes en... ik niet het minst.

                   *       *       *       *       *

Geen lange redeneeringen, waarbij het kind altijd wel iets vindt, om
zijn inzicht te verdedigen. Met het korte woord, dat aansluit aan zijn
innerlijke ervaring heb ik altijd mijn opvoedelingen tot een juist
inzicht weten te brengen. Dat woord moet slechts aangebracht worden
wanneer het kind kalm is.

                   *       *       *       *       *

=Naschrift.= De geachte inzendster schrijft mij hierbij nog het volgende:
"Ik heb het geval als "beschreven" behandeld. Daarna debatteerden we er
nog met velen over, w.o. medici en juristen. De moraal verlangt
natuurlijk, dat we aan de waarheid niets toevoegen of veranderen om voor
haar te getuigen. Wat ik tot het kind zeg omtrent den bezitter van de
taart is wel juist, maar _juridisch_ is de taart zeker van het kind. In
dat geval had Moeder wel kunnen wachten tot het kind thuis is en dan
zeggen: "Nu, je vindt het zeker wel goed, dat ik ze verdeel" of zoo
iets. Bij mijn redeneering tot het kind laat ik weg, dat de taart van
hem is. Ik zeg wel: "nu ja..." waarmede ik bedoel: "de taart is wel van
jou, maar eigenlijk van Vader". Is mijn redeneering, die hier succes
had, uit een paedagogisch-moraal oogpunt juist?" En dan vraagt zij mij,
hoe ik er over denk en wat ik c.q. zou gezegd hebben.

Mijn antwoord is: als ik iets op dit verhaaltje aan te merken heb, dan
is het zeker niet op de redeneering, waarmede Piet overwonnen werd. Want
die acht ik volkomen juist. Eerder zou ik twijfel kunnen koesteren of
Piet's gedrag wel volkomen historisch juist is voorgesteld. Want een zoo
sterk _juridisch_ begrip van eigendom is bij kinderen zeldzaam. Zij
hebben wel _een zeker_ begrip van eigendom, maar juridisch getint is het
niet. Het is veel naiever, veel ruimer, hoe zal ik zeggen? veel
vloeiender. Ook al gebruiken zij, bij gebrek aan andere, daarvoor
dezelfde woorden, die wij voor den juridischen eigendom gebruiken. "Dat
hoort van mij" beteekent in hun mond zoo iets als: "daarop heb ik een
bijzondere betrekking, meer dan iemand anders. Daarover heb ik dus ook
meer te zeggen dan iemand anders." Wanneer er op een verjaardag een
taart op tafel komt, dan gevoelt de jarige al heel licht daarop zulk een
bijzondere betrekking, ook al staat er geen opdracht aan hem op. Een
betrekking van juridischen eigendom is dat echter niet; mogelijk
evenwel, dat het feit, dat er een opdracht op staat, er een ietwat meer
juridischen tint aangeeft, vooral bij een kind, dat daarvoor aanleg en
temperament heeft. Maar, de hoofdzaak is toch altijd, dat de taart in
nauwere betrekking staat tot hem dan tot één van de anderen. Aan dat
gevoel zal in de meeste gevallen voldaan zijn, wanneer bij de verdeeling
de jarige het eerste stuk krijgt, wat geloof ik iedereen van zelf zal
doen, zoo natuurlijk is het. Voor zelf-uitdeelen komt een taart uit den
aard der zaak niet in aanmerking. Dat is goed voor een doos flikjes of
confituren, die het kind op zijn verjaardag krijgt. Die is inderdaad
"van hem" en daarvan deelt hij dan uit; dat is een deel--en als het goed
is, niet het kleinste deel--van het genot, dat hij ervan heeft. Maar een
taart in stukken deelen behoort niet tot de functies van een kind, en
bovendien, wat belangrijker is: een taart is _per se_ bestemd om te
dienen als een tractatie voor de gansche familie. Dat weet ieder kind
heel goed en daarom kan er ook geen sprake zijn van een juridisch
eigendoms- en verdeelingsrecht over een taart, ook al staat er
honderdmaal een opdracht op, en een kind, dat daarop aanspraak maakt,
heeft m.i. ongelijk. In het onderhavige geval kwam er bij, dat de taart
feitelijk een dankbetuiging was aan den vader, zooals dan ook zeer
terecht Piet onder het oog wordt gebracht.

Dat alles neemt niet weg, dat Piet, in den bovenbedoelden zin, een
zekere bijzondere betrekking had op de taart, en _in zooverre_ is
ongetwijfeld,--indien werkelijk (het verhaal is op dit punt niet
overmatig duidelijk) de taart nog vóór dat die bijzondere betrekking tot
haar recht was gekomen, reeds door moeder was in stukken gedeeld--een
inbreuk gemaakt op het kinderlijk gevoel. Niet echter op het
eigendomsgevoel (ook al gebruikte Piet zulke uitdrukkingen) maar op het
gevoel, dat bij kinderen, gelijk Mej. Asscher ook weet, bijzonder sterk
ontwikkeld is en altijd met verstand ontzien moet worden: het gevoel van
recht en gerechtigheid.

Er is dan zeker een fout begaan, die verergerd werd door Moeders
onhandig antwoord (als ook dit historisch is). Maar dat gaf Piet
natuurlijk niet het recht om op te spelen. Nu hij het toch deed, moest
hij terecht gebracht worden. Hoe? Wel, daarvoor zou ik geen betere
manier weten dan de hier geschilderde, die m. i. in de slotopmerking ook
volkomen juist wordt gemotiveerd.




XXX SNOEPEN *


Vermicellitaart was nu eenmaal een zwak van Prop en hij mocht er maar
weinig van hebben, omdat de jongen te zwaar werd.

Waar de hartstocht spreekt, zwijgt het weinige verstand van het kind.
Het handelt verkeerd.

Als regel is bij ons de provisiekast niet gesloten. We hebben
betrouwbare dienstmeisjes, die reeds vele jaren bij ons in betrekking
zijn. Nooit werd nog iets vermist.

Toen de vermicellitaart voor den tweeden middag op tafel kwam, vertoonde
ze duidelijke sporen van sabotage. Moeder schrikte er van.

Prop's hevig protest, terwijl niemand hem beschuldigde, was voor allen
een duidelijke aanwijzing, dat hij het delict gepleegd had. Met klem
herhaalde hij steeds: "_ik_ heb de taart sedert gisteren niet gezien!"

Daar we er kat noch hond op na houden, beslis ik, met den blik van
verstandhouding, die gezinsleden onderling zoo goed verstaan, "Moeder,
de muizen hebben stellig ervan gesnoept, gooi de taart maar weg"; en
terwijl ik doe alsof ik de daad bij het woord wil voegen, grijpt Prop
mijn arm en roept schreiend uit: "_Ik_ ben er aan geweest, en ik zal het
nooit, _nooit_ weer doen!"

--De begeerte naar de taart, had het schaamtegevoel verdrongen.--

"Ik zal de taart toch maar tot morgen wegzetten, nu heeft er zeker
niemand lust in", stelde ik voor, ten einde tijd te winnen om te
overdenken, hoe Prop moest aangepakt worden.

                   *       *       *       *       *

We waren nauwelijks met ons beiden alleen of het jonge moedertje riep
wanhopig uit: "maar die ontdekking is vreeselijk, Prop oneerlijk!"

"Ze is heelemaal niet vreeselijk", stel ik gerust. "Prop is pas zes
jaar. Hij heeft zich niet beheerscht. We zullen hem nog moeten leeren
weerstand te bieden aan een dergelijke verzoeking. Zijn leugen was een
gevolg van de vrees niets meer van de heerlijke taart te krijgen, als
zijn vergrijp ontdekt werd. Dat bleek toen hij bekende."

"Maar _ik_ heb als kind toch niet gesnoept", jammert Moeder voort.

"Misschien herinner je je het niet meer."

"O vast niet, ik werd er zelfs om geprezen."

"Zie je wel, dat het _niet_ snoepen bij een klein kind als bijzonder
wordt aangemerkt."

"Hij mag nu van de taart niets meer hebben."

"Ik zou hem wel wat geven. Het kind heeft beterschap beloofd, laten we
hem vertrouwen."

"En dan voortaan alles angstvallig te moeten afsluiten."

"Juist alles openlaten, als vroeger. Je taak is toch niet het kind het
snoepen te beletten, maar hem er toe te brengen, het snoepen te laten.
Ik geloof sterk in de macht van het vertrouwen. Door hem het vertrouwen
te ontzeggen, vervalt hij van kwaad tot erger. Dat leert de ervaring."

Ik kreeg het patiëntje in behandeling.

Eenige dagen later zitten we samen gemoedelijk zijn "Humpty Dumpty" te
spelen.

Niet zoo gauw valt de domme August van zijn paard, of een clown rijdt er
op weg.

"Hier", beveelt Prop. "Ik zal je wel helpen", troost Prop August en wipt
hem meteen weêr op zijn eigendom, terwijl hij den dief in het zand doet
tuimelen.

"Mag de clown ook niet eens rijden?"

"Ja-e, maar niet op August zijn paard!"

"Maar Pierre heeft er geen."

"Dan moet hij August _vragen_ of hij mag."

Zijn overtuigd oordeel is zeer aanmoedigend voor mijn voorgenomen
experiment.

                   *       *       *       *       *

"Wat hoest je", merkt Prop op.

"Jammer, dat ik mijn witte dropjes heb vergeten mede te nemen".--Prop
versmaadt ze lang niet.--Ik aarzel... "Wil jij het doosje misschien voor
me uit mijn kast halen? Zou je het kunnen? Maar breng vooral den sleutel
weêr mede, en draag het doosje heel voorzichtig, dat de dropjes niet op
den grond rollen. Je bent nu wel groot genoeg om zoo iets klaar te
spelen."

Met majestueuze langzaamheid, het sleutelbosje voor zich uit houdende,
stapt hij weg.

"De kast is goed gesloten. Ik heb het doosje stevig dichtgedrukt en er
nog een papier om heengedaan", stelt Prop me gerust.

Als een slotvoogd aan zijn "Heer en Meester", zoo plechtig overhandigt
Prop me de sleutels weer. Wij blijven allen in Prop bijzonder vertrouwen
stellen. Juist hem worden de gewichtige postjes opgedragen. Hij heeft
zich sedert vier jaar niet vergrepen.

Prop zal later, even als zijn Moeder, kunnen uitroepen: "Men heeft mij
er zelfs om geprezen!"




XXXI WAAGHALZERIJ


Des middags ging ik dikwijls een kleinen neef tegemoet, die bij den heer
S. op de Reguliersgracht school ging. Een ander neefje, ruim zes jaar,
hij zat in de tweede klas, vertrouwde zijn Moeder gewoonlijk toe aan een
dienstmeisje. Het gebeurde wel dat dit meisje te laat kwam, dan holde
Dirk maar vast naar buiten. Eens bemerkte ik bij mijn komst een heele
opschudding dicht bij de school. Een vrouw uit het volk werd besprongen
door een kleinen woesteling, die haar uit alle macht sloeg en schopte,
tot leedvermaak van zijn vriendjes en de omstanders. Zij allen toch
vonden dat het kind onrecht aangedaan werd. Zoodra Dirk mij in het oog
kreeg, vloog hij op me af, klampte zich aan mijn rokken vast en brak in
snikken uit. Daarop vertelde mij de vrouw, nog geheel overstuur, de
oorzaak van zijn driftaanval.

De arme Moeder, diep bewogen bij het ophalen van hare pas geleden groote
smart, overtuigde me, werkelijk haar plicht gedaan te hebben.

Drie maanden geleden was haar eenig kind, een jongen in den leeftijd van
Dirk, dood thuis gebracht. Spelende langs het smalle, blauwe randje van
de kade, was hij in de gracht gegleden en jammerlijk verdronken. Bij het
plotseling ontwaren van Dirks waaghalzerij, had ze in moederlijke
opwelling, den jongen naar het midden van de kade gesleept en hem een
klap gegeven.

Ik kalmeerde Dirk door hem te doen begrijpen, waaròm die vreemde vrouw
hem aldus behandeld had. Hij voelde nu wel, dat het hier geen
machtsmisbruik was. Ik liet het kind de vrouw beloven, dat hij nooit
meer op het kantje van de kade zou spelen.

Ook Dirk had niets misdaan.

Bestaat er één echte jongen, die niet telkens weer de moeilijkheden en
het gevaar zoekt?

Het is zijn natuurlijke oefening in zelfvertrouwen, moed,
zelfbeheersching, in zedelijke krachten.

Maar _ik_ wil er voor waken, dat hij de juiste grens niet overschrijdt,
n' en déplaise Jan Ligthart, die het begaan van elke gekozen
waaghalzerij, een onmisbare factor acht voor het winnen in willen en
kunnen.

Ik raad u, uw kleine jongens niet toe te staan langs de leuning van de
trappen naar beneden te glijden, waar de afgrond gaapt, langs de dakgoot
te wandelen of op het randje van de kade te balanceeren.

Evenals ik onzen achtjarigen Jo, die met een stalen gezicht zijn
lepeltje chinine slikt--terwijl hij tegen zijn zusjes er op snoeft, dat
ze zoo lekker smaakt--_belet_, de geheele flesch te ledigen.

Hij beweerde het gaarne te willen.




XXXII DE KLEINE KUNSTENAAR *


Johnney, aardig ventje, met lange dikke, blonde krullen is meest in het
artistieke fluweelen pakje gestoken, waarop de antieke kanten kraag. Hij
wordt in de wandeling "de kleine Lord" genoemd. Daarbij zingt hij mooi.
Zelfs exploiteerde men hem onlangs op een weldadigheidsmatinée en moest
het kind, na het zingen van een sentimenteel liedje, een ommegang doen
voor de uitgehongerde oorlogskinderen.

Ik zou dat niet toegestaan hebben, maar het was mijn zaak niet. Wat wel
mijn zaak was en er mede verband houdt, is het volgende.

Ik ben bij mijn neefje in Den Haag gelogeerd.

John weet, dat ik veel van muziek houd. En elken morgen ontplooit nu
het nachtegaaltje, zonder éénige aankondiging, om half vijf, in mijn
"nächste Nähe", zijn stem. Meegesleept door zijn enthousiasme en in
navolging van zijn groote zus, werpt hij zich op de meest vermetele
modulaties, volgt de nieuwste en populairste liedjes, het zijn cadenzen
om er den adem bij te verliezen. Opeens hoor ik de klanken dalen en in
het diepst van zijn keel murmelen, als het stroomen van een beekje. Wat
me hoop geeft op ons beider weer indommelen. Eilacie, even spoedig hoor
ik zijn stem zich weer verheffen, meer en meer zwellen en ze is voor
goed in mijn gehoorsfeer. Ze zingt opvolgend zacht, helder, schitterend,
aandoenlijk, maar welk karakter ze ook weêrgeeft, de zang prikkelt me
ondraaglijk na mijn vermoeiende dagreisjes. Daar moet ik een stokje voor
steken, 't koste wat het wil.

Reeds aan het ontbijt stel ik zijn Moeder smeekend voor: "Zou U
misschien willen zorgen, dat John 's morgens wat later begint te zingen,
om zeven uur is wel vroeg genoeg en......"

"Ik zou het niet durven", valt ze me angstig in de rede, "hij is er zoo
trotsch op. Dat zou juist iets voor jou zijn om het hem te vragen. Ik
stel het elken dag uit."

Na veel en ernstig nadenken zet ik 's avonds eer hij naar bed gaat, met
mijn liefste accent in, als wijlen La Fontaine's vos: "John, wat zing je
's morgens toch beeldig mooi!"--zijn borstje zwelt.--"Maar John, ik ben
elken morgen nog zoo moe. Begin wat later en zing dan wat langer, dan
heb ik er meer aan."

Hoogst beleedigd, verontwaardigd slingert hij me nasaal terug: "Maar
Nicht, dan kùnt u nog niet uit logeeren gaan, _ik_ zing 's morgens
vroeg."

                   *       *       *       *       *

Dat komt er van als je kleine jongens als volwassen menschen waardeert.
Op hun talenten valt nog allerminst te rekenen. Meestal worden bij zulk
een behandeling dergelijke kinderen in hun later leven teleurgesteld.




XXXIII HET SPRAK VANZELF *


Willy zit met haar popje te spelen.

Tot mijn groote verbazing, doet het zachtaardige Moedertje niet anders
dan haar kindje bestraffen. Maar popje is vandaag ook heel
lastig.--Althans op de wijze zooals kinderen ook meestal lastig zijn,
wanneer je het onmogelijke van ze verlangt.--Popje weigert haar dikke
beentjes in de te nauwe kousjes te schieten, ze wil met haar te slappen
lendenen absoluut niet rechtop blijven zitten, ze wil zelfs door een
defect aan het mechaniek, niet meer "Mámá, Pápá" roepen, welke moeite
Willy zich er ook voor geeft.

"Je bent een echte nare pop," daarmede sluit Wil haar onwaardige séance
en gooit vernederend haar telg in een hoek.

"Ja zeker, nu wil ik een poosje met Zusje spelen", zeg ik. Ze zet zich
lievig op mijn schoot.

"Oef! Weg! Je bent veel te zwaar", vinnig ik en ik zet haar meteen op den
grond.

"Dat kan ik toch niet helpen", zegt ze pruilend.

"Maar Wil, Popje kon het ook niet helpen, dat haar beentjes te dik waren
voor de kousjes, dat haar ruggetje niet sterk genoeg was, om zich recht
op te houden enz. enz."

"Nu doe ik nog liever met jou, dan jij met je eigen kindje deedt, want
ik gooi je niet in een hoek!"

"O ja maar dat is nog al duidelijk, _U_ bent ook _tante E._ en _ik_
speelde, ik was _juf_."




XXXIV LIEFDE *


"Ik heb Nicht Tina vanmorgen beloofd, dat je Lotje voorloopig elken
Zaterdagmiddag komt halen om met haar te wandelen. Ze mag dan bij ons
blijven eten." "Goed Ma," antwoordde ik uit de volheid van mijn hart.

Lotje was het oudste, kreupele dochtertje van Tina, Moeders petekind,
dat in de week van haar geboorte ouderloos geworden was. Moeder had zich
als jonge tante, ze was zelve toen nog maar dertien jaar, het lot van
het weesje bijzonder aangetrokken.

Na haar huwelijk was Tina in Den Haag gaan wonen en twaalf jaar later
kwam zij zich in Amsterdam vestigen.

Haar elfjarig dochtertje Lotje, een meisje van mijn leeftijd, was dus
voor ons een vreemde.

"We krijgen morgen weer een nieuwertje in ons clubje, een achternichtje
van me," zoo kondigde ik Lotje 's middags bij mijn vriendinnetjes aan.

"Een leukerd?" vroeg bazige Ro dadelijk.

Eerst toen werd me de moeilijkheid bewust van mijn instemming met
Moeders belofte.

Geprikkeld kaatste ik terug: "Ze is mank, maar ze wordt tòch lid."

"Kan ze dan een verre wandeling doen? En meê krijgertje spelen en
stuivertje wisselen?" Spelletjes die we gewoonlijk als halve wilden
uitvoerden.

"Dan doen we eens wat kortere wandelingen. In Artis kan ze op een bank
zitten terwijl wij om haar heen spelen. Dat is gezellig voor het kind."

"O, voor _haar_, maar _ik_ vind het suf door zulk een stumperd aan
banden gelegd te worden. Hoeft ze dan lid van een club te zijn?... Wat
gaat jou dat vreemde kind aan?... Je _moet_ haar toch niet meênemen van
je Ma?... Bespòttelijk!"

Ro's woorden wonden me steeds meer op.

Meer suggestibel dan een ander kind, begon ik nu toch ook wel iets
onrechtvaardigs te vinden in Moeders eisch: een dergelijke opoffering
voor een dartel kind.

Heel ontstemd ging ik naar huis, onderweg steeds nijdiger repeteerende:
Ik heb Nicht beloofd... _ik_ heb nicht beloofd... IK heb nicht beloofd...
Zou _Ma_ gaarne met Lotje wandelen?, vroeg ik me heftig af. Mijn opstand
werd al wilder tegen Moeder's afspraak tot... ik bij het binnentreden
van onze huiskamer plotseling door een gevoel van wijding werd bevangen.

De sabbathlichten brandden, de ceremonieën waren voorbereid en Moeder
trad me in de met bloemen versierde feestkamer als Gods beeld van liefde
en zachtheid tegemoet. Met een van blijde aandoening trillende stem,
fluisterde ze me als een zoet geheimpje toe. "Jij moogt dit mooie
naaikistje zelf aan Lotje brengen morgen, ze is geslaagd voor de
industrieschool."

Heerlijk! Die arme Nicht Tina heeft de hulp van de kinderen zoo noodig,
nu haar man ziekelijk is.

Mijn opstand was overwonnen. Ik zou niet één woord van ontheiliging in
die liefdevolle zaak, niet één woord van tegenspraak, niet één woord
ter verdediging van eigen belang meer hebben kunnen te berde brengen,
omdat... de gedachten er aan eenvoudig uit mijn hart verbannen waren.
Na eenige malen bedekte spotzucht en onwil bij Ro tegenover de arme
Lotje te hebben bemerkt, sloot ik als Presidente met algemeen
goedvinden, Ro buiten ons clubje "Om der vriendschaps wille". En sedert
dien tijd nam ik het zachte Lotje in het slot van mijn Nachtgebed op:

"Dat wensch ik Ma, Pa, Aal, broer, de zusjes, Lotje..." en ik bleef mijn
woord in daad getrouw. Het kreupele kind mocht nog meer in mijn liefde
deelen, dan ze ooit zonder mijn vuurproef zou hebben gedaan.

                   *       *       *       *       *

We kunnen niet iedereen helpen. Maar wanneer het lot ons met misdeelden
tezamen brengt en een wensch tot steunen in ons harte opwelt, mogen we
niet versagen, welken tegenstand we ook te overwinnen hebben. Dat moet
ook het kind leeren.

Waar het beeld der broederschap wordt verlevendigd als in Moeders gezin,
_zal_ het kind nimmer versagen.

Elke Moeder wil haar kinderen die kracht bijbrengen.




XXXV EERLIJKHEID *


Het is een eenig figuurtje onder de andere kinderen, mooi en gracieus.
Er gaat een bekoorlijke invloed van het kleine meisje uit, die
aanstekelijk werkt. Waar Til verschijnt is animo. Daarom wordt ze veel
op kinderpartijtjes uitgenoodigd. Ze speelt mooi piano, draagt parmantig
voor en bij de moeilijkste spelletjes gaat ze met het prijsje strijken.
Til wordt er niet om benijd, maar gefêteerd, het popje.

Vreemd lijkt 't mij, dat dit kind, ondanks haar onhandigheid--ze is wat
spierzwak--ook bij de verschillende behendigheidsspelletjes steeds no. 1
is.

Stel u mijn ontstemming voor, als ik op een middag, toen ik wat te vroeg
voor de pianoles kwam, zie, dat onze tienjarige Tilly bezig is, zich te
oefenen in de verschillende kunsttoeren als: een lepel waarop rollende
aardappelen, met een flinken pas veilig naar den overkant brengen, of
een boordevol glas water zonder morsen vlug op een andere plaats zetten.

"Maar kìndje!" roep ik teleurgesteld uit.

Begrijpend, bloost ze hevig en ze verontschuldigt zich met: "Een
voetballer oefent zich toch ook. Dat doet elke sportsman. Wanneer hij
het beste speelt verdient hij den eersten prijs."

"Maar dan _weten_ de mededingers, dat hij zich geoefend heeft", werp ik
tegen.

"Ieder kind heeft er toch het recht toe," houdt ze nog aarzelend aan.

"Maar Til, ze denken er niet aan. Bovendien is de verdienste hier te
beschouwen als die, van de oplossing van een raadsel, de berekening van
een som uit het hoofd, dus "_het meten van den aangeboren aanleg_". De
een is sierlijk, een ander is slim, een derde behendig. Zoo heeft elk
mensch een of andere gave, die hem voordeel aanbrengt."

Ze fronst het voorhoofd.

"Hoe zou je het vinden, wanneer je vanmiddag voor Moeder, een beeldig
bloemvaasje, in een winkel duur betaalde. Je merkt echter onderweg dat
er een barst in is en je hoort later, dat de winkelier dat geweten
heeft, toen hij het je verkocht. Jij geeft toch ook niet de werkelijke
waarde voor den prijs."

"Zul je noòit aan iemand vertellen, dat ik geoefend heb," smeekt ze
opeens bleek van hartstocht.

--De dwaling die erkend wordt, is op den weg der waarheid.--

Haar plotselinge hevige angst gaf me de overtuiging, dat eerst nu het
verkeerde van hare handeling bij haar was doorgedrongen.

"Ik wil er over nadenken, wat we verder doen zullen, Til."

--Dat was niet gemakkelijk, daar het kind al goed geoefend was in de
spelletjes. Haar te zeggen "doe maar eens niet je best", dat was olie in
het vuur werpen. Ze moest _eerlijk_ handelen. Haar te laten bekennen aan
de kinderen, dat ze zich geoefend had, dat was te veel verlangd van haar
gevoel van eigenwaarde.--

We spraken af, met Til's volkomen instemming dat ze haar best zou doen
als vroeger en de eventueel behaalde prijsjes bestemmen zou voor het St.
Nicolaas-schoolfeest.

"Ik had bij het voornemen, me te oefenen, hier wel iets naars gevoeld,"
ze wees op haar hart, "maar toen U zoo opeens zei "Maar _kindje_!" kreeg
ik een pijnlijken steek," biechtte ze.

"Ik zal voortaan voorzichtig nadenken over elke lichte waarschuwing,"
beloofde ze uit eigen beweging.

Onze kinderen zondigen vaak ernstig, terwijl ze de portée van hun daad
niet juist kennen.

De opvoeder hoede zich er voor, hier met heftige verwijten in te
grijpen. Waar je het kind, het vergrijp in haar wezen, liefdevol doet
inzien, lijdt de correctie zelden échec en opvoeder en kind winnen
slechts.

De opvoeder(ster) mag het kind niet het goede opdringen, maar moet
trachten hem er toe te inspireeren.




XXXVI RECHTVAARDIGHEID *


Elsje is een aardig, guitig meisje van negen jaar, doch teer van gestel.
De onderwijzeres van de derde klas, waarin Elsje nu zit, is de eerste,
die opmerkt, dat het kind veel meer intellectueel dan physiek ontwikkeld
is. Elsje is onhandig.

Ze vertelt Mej. N., met wie zij evenals _elk_ kind vertrouwelijk is, dat
ze op vijfjarigen leeftijd aan spierrheumatiek geleden heeft, dat ze
toen eenige maanden met koorts te bed had gelegen en dat sedert dien
tijd de stijfheid in hare handen en voeten maar niet wilde verdwijnen.
"Moeder vreesde, dat ik gebrekkig zou blijven. Langzamerhand is het
beter gegaan. Toch ben ik nog altijd gauw moe." Juffrouw N. zag toen,
dat haar oordeel omtrent de gezondheid van het kind juist was geweest.
Ze hield daarmede rekening in de handwerkles. Ze stelde aan Elsje
mindere eischen dan aan de andere kinderen.

Drie weken voor St. Nicolaas, terwijl de kinderen de laatste hand legden
aan den merklap, die op den 1sten December ingeleverd moest worden,
maakte Juffrouw N. de kinderen blij door te zeggen, dat ze tot St.
Nicolaas in de handwerkles op school haar geschenkjes voor de
huisgenooten mochten afmaken. Elsje was in de wolken. Die handwerkjes,
hoe eenvoudig ook, hadden haar dwars gezeten. Er moest geknipt, geplakt,
gestreken worden. Nu was ze uit haar zorgen. Ze vloog in opwelling
Juffrouw N. om den hals.

Even later kwam het hoofd der school binnen.

Ze wilde de merklappen inspecteeren, voordat ze ingeleverd werden. Bij
Elsje gekomen zegt ze scherp: "wat een broddellap"! Die merklap moet
overgemerkt worden.

"Ik _kan_ ze zoo niet inleveren."

Smeekend verzoekt Elsje het toch te probeeren. Ze zou voortaan meer haar
best doen.

Onverbiddelijk klinkt het: "De merklap moet voor 1 December klaar zijn.
Dan moet Elsje in de handwerklessen merken en 's avonds, het gedeelte,
dat ze dien dag niet klaar heeft gekregen, afmaken."

De klasse-onderwijzeres is bleek van opwinding, doch beheerscht zich.

Het verdriet van het kind is onmetelijk. Elsje is geheel uit haar
evenwicht. Ze snikt nog terwijl ze de school verlaat. De klasgenootjes
hebben allen diep medelijden met haar.

Den volgenden morgen komt Elsje treurig en bleek het schoollokaal
binnen.

Ze had den vorigen avond nog een uur gemerkt, maar ze was weinig
gevorderd.

Bij het openen van haar lessenaar, vindt Elsje een pakje met het
opschrift: Aan het lieve Elsje van St. Nicolaas. Het bevat een geheel
bewerkte merklap, die Elsje zoo maar heeft in te leveren. De Juffrouw
had den vorigen avond daar eenige uren aan opgeofferd.

Ja waarlijk, Mej. N. beging eene groote theoretische fout, eene
ergerlijke fout.

Toch is ze de meest beminde onderwijzeres op school, die bijzonder goed
orde heeft in haar klas.

De kinderen hebben op school de zaak geheim gehouden. Ze voelden
instinctief, dat dit voor hare beminde onderwijzeres, het geschiktste
was.

Ze hebben, ook onze kinderen, thuis het gebeurde verteld.

Ze waren in aanbidding voor Juffrouw N.

Mejuffrouw N. geeft in elk opzicht blijk van een goede "paedagoge" te
zijn.

                   *       *       *       *       *

=Naschrift.= Dit geval heeft eenige overeenkomst met het veelbesproken
door Edw. Peeters aan de orde gesteld geval, waar hij zich uit een
paedagogische impasse had gered door een onwaarheid, waarvan hij zijn
leerlingen medeplichtigen had gemaakt. Ook hier is een zeker complot van
kinderen en onderwijzeres, gericht tegen een ander, met een edel doel.
Maar dit geval staat m.i. veel hooger en zuiverder dan dat van Edw.
Peeters en laat zich veel beter rechtvaardigen. Toch is er iets in wat
onbevredigd laat, en dat is weer hetzelfde als bij Peeters. Men kan nl.
de vraag niet onderdrukken: Was er geen andere--en openhartiger--uitweg?
In dit geval: Was dat hoofd zoo'n barribal, zoo'n paedagogische nul, dat
de onderwijzeres niet de zaak met haar bespreken en in het reine had
kunnen brengen?




XXXVII ZELFVERBETERING *


Midden in den strengen winter voor een poos naar een gehucht te
verhuizen,--ik zag er eigenlijk niet veel in. Ik was kouwelijk, en er
was niet veel comfort. Tante moest een poosje wat rustiger leven hebben.
Ze was afgemat. Ze kon haar zeven verwende deugnieten niet meer aan. Ik
gaf dus toch maar aan haar smeekbede gehoor om een week of zes haar
moederlijke zorgen over te nemen.

--De tijd, dien ik in het gezin heb doorgebracht heugt mij als een der
heerlijkste vacanties, die ik beleefd heb.

Het was een leven vol belangstelling, vol huiselijkheid, vol blijheid,
vrede en geluk, in 't kort, vol waarde.--

Ik mocht de kinderen nu niet verwennen.

Eerlijk moet ik bekennen, het was een heele toer. De kinderen waren zoo
goedhartig, zoo pienter, zoo guitig, zoo vroolijk. Van het oudste van
veertien tot het jongste van anderhalf, waren ze alle even bekoorlijk.

Helaas, daardoor juist niet goed opgevoed, door de moeder, die een
zwakkelinge was.

De vijfjarige Frits, een rekeltje, was nimmer tevreden met hetgeen hij
kreeg.

In het gezin kwam er wekelijks een taart of pudding op tafel, die voor
Vrijdag- en Zaterdagmiddag moest dienen, als nagerecht.

Den eersten Vrijdagavond hoorde ik reeds van Frits: "wat klein" nog eer
hij zijn portie voor zich had.

"Die ontevreden opmerking maakt hij nu al elken Vrijdagavond van dat
hij spreken kan," vertelde de moeder. "Zou het daar nog maar bij
blijven? Meestal drenst hij zoo lang, totdat ik er nog wat bij doe."

"Maar =waar=om," wendde Frits zich tot mij, "waar=om= moeten we dan
altijd twee dagen haast niets hebben? Groote menschen krijgen veel meer,
zooveel ze lusten. Laat Moeder ons dan liever één keer een _heel_ groot
stuk geven en dan Zaterdag niets."

"O, dat wil Moeder best," zoo nam ik al vast den teugel in handen. "Dan
zul je de volgende week één dag wat rijst na hebben en den anderen dag
een dubbel stuk taart."

We gaven er elkaar de hand op.

Toen ik den volgenden Vrijdagavond de taart ging deelen, werd er een vol
bordje met rijst binnengebracht voor Frits.

Ik heb zelden een onoprechte verklaring zoo vastberaden hooren
uitspreken als het "_juist tante_" van den kleinen deugniet.

--De stakkerd had, toen ik het voorstel deed, geen nota genomen van mijn
rangschikking omtrent de taart en de rijst.--

Zijn gezichtje sprak zijn instemming zoo hopeloos tegen. Hij was
vuurrood geworden, woede straalde uit zijn oogjes over de schaamte van
er zoo te zijn ingeloopen. Tegen heug en meug werkte hij kordaat de
rijst naar binnen en zei nog "lekker hè, nu heb ik morgen nog een groot
stuk taart", tot de kinderen, die hem spotlachend aankeken.

Wat had ik hem gaarne een extra stukje gegeven maar...... ik wilde, ik
_moest_ flink zijn.

Van minuut tot minuut werd hij liever tegen me. Hij heeft het niet tot
Vrijdag uitgehouden. Reeds Dinsdagmiddag wenkte hij mij naar een andere
kamer en onder vier oogen verzocht hij deemoedig: "Tamp, wilt u mij
a. u. b. Vrijdag- èn Zaterdagmiddag een stukje taart geven als aan de
andere kinderen?... Het staat anders zoo gek. Ik zal ook verder altijd
tevreden zijn."

We pakten elkaâr eens lekker.

Zoo er daarna in den beginne nog eenige sprake van verwende lastigheid
is geweest bij een van de andere kinderen, Frits gedroeg zich bij mij,
als een flinke, heerlijke jongen.

Er is soms zoo heel weinig toe noodig om ernstige fouten van onze
kinderen te verbeteren. De liefde en daaraan gepaarden eerbied, behoudt
de opvoeder(ster) het stelligst, wanneer ze door indirecte vermaningen
of het indirect toebrengen van leed oorzaak is, dat de kinderen hunne
fouten van zelf verbeteren.

                   *       *       *       *       *

=Naschrift.= Dit aardige verhaaltje kan ook dienen als illustratie van de
leer, die ik practisch zoowel als theoretisch van mijn Moeder gekend
heb, dat men een kind soms het beste straft door...... hem zijn zin te
geven.




XXXVIII EERBIED


Het is zijn eenige lieveling, de jolige spring-in-het-veld.

Vader en Beppie zijn zeer "ami".

Ventje, jij en jou zijn niet van de lucht. Ik waarschuw vader daar
steeds tegen.

Op een namiddag zit ik voor het open venster te kijken naar het
tennissen van Beppie. Ze doet het buitengewoon goed. Althans voor een
negenjarig meisje. Ze steekt juf de loef af. Ik moet de punten
aanteekenen. Onderwijl komt vader van kantoor huiswaarts, het avondblad
steekt in zijn jaszak, en hij loopt, bij het zien van zijn schat, op
Beppie toe.

Volgt een stoeien en pretmaken, dat beiden opwindt. "Nu is het genoeg,
het is _genoeg_," waarschuwt vader eindelijk en op het oogenblik, dat
hij naar binnen wil gaan, haalt Bep grappend de courant uit zijn zak en
holt er mede weg. Vader begeesterd, haar achterna. Er volgt een nieuwe
stoeipartij. Ten slotte doodop, beveelt vader "terug". Het kind in haar
brooddronkenheid gaat weer aan den haal. Geen vermaning, geen bedreiging
helpt hier. Hij is immers haar speelkameraadje.

Bep vaardig en vlug wint het krijgertjesspel maar steeds van den
bedaagden vader.

Plotseling zie ik hem vuurrood van toorn worden en op hetzelfde
oogenblik, waarin Bep uitdagend met de courant voor hem staat, grijpt
hij het kind beet en geeft haar den eersten gevoeligen tik.

Ontsteld breekt Beppie in hartstochtelijk snikken uit.

Het kind is daarna eenige dagen zeer gedeprimeerd gebleven,
niettegenstaande vader al het mogelijke deed om zijn misgreep goed te
maken.

Ik acht het noodzakelijk, dat tusschen het kind en ouders en
opvoeders(sters) een zeker respect bestaat, waarvan de grens niet mag
worden overschreden. Die grens sluit nimmer de hoogste liefde en
vertrouwelijkheid uit. Integendeel.




XXXIX VEELEISCHENDHEID


Treesje, goedhartig kindje, heeft een moeielijke karaktereigenschap. Ze
is veeleischend. Ik durf beweren, dat die trek door haast elke Moeder
verkeerd behandeld wordt. Deels om in het gezin den vrede te bewaren,
deels ter geruststelling van het kind zelf, deels uit gemakzucht, in
hoofdzaak echter uit slapheid. Ik heb de veeleischendheid meest tot
droeve gevolgen zien leiden. Een mijner vriendjes moest op
vijftienjarigen leeftijd in een andere omgeving geplaatst worden om door
een ijzeren, doch liefdevolle hand, geschikt te worden gemaakt voor zijn
eigen thuis. Dat had kunnen voorkomen worden.

Wanneer we Treesje nauwkeurig waarnemen, is haar veeleischendheid in al
haar handelingen merkbaar.

--Vader Medicus vindt niet goed, dat de kinderen als regel brood bij het
middagmaal eten, daarom wordt het niet op tafel gezet. Is er nog wat
brood over; dan mogen ze bij de soep nog wel eens een stukje hebben.
Treesje is er dol op. Maar wordt het toegestaan, dan wacht ze altijd,
totdat ze Karel ziet gaan, om het te halen en roept hem dan haastig toe:
"voor mij ook een boterhammetje a. u. b."

De kinderen zullen met Juf naar een speeltuin gaan. Herbert pakt
allerlei dingen in zijn tasch. Treesje vraagt roerend lieftallig, "mijn
springtouw en bal mogen er ook wel in, Heppie?" Dan behoeft zij weer
niets te dragen. Wanneer de zusjes en broertjes reeds beneden zijn om
naar school te gaan, vindt Moeder het toch beter, dat ze jas en mantel
aantrekken. Het weer valt niet mee. "Kareltje breng je mijn mantel ook
mede", hooren we dadelijk. Het zijn kleinigheden, ja! Maar begint het
daarmede niet bijna altijd? Heftige verontwaardiging van Treesje,
wanneer een van de anderen in een korzelige bui, het eens waagt haar
fleemend bevel te negeeren. Dan springt Moeder dadelijk bij en sust:
"het zou je toch ook niets gehinderd hebben, je ging toch naar boven."
Ze overreedt soms zoover, dat Treesje's gezant--heel onrechtvaardig
trouwens--het werk nog eens gaat doen. Ik zie het kind steeds
verergeren. Ze heeft het beste plaatsje aan tafel, wordt het eerst door
Juf 's morgens geholpen, palmt elk jaar den mooisten kalender in, die
Vader toegezonden wordt, haar bedje staat vlak voor het raam, het
gezelligste plaatsje in de kamer, ze pikt altijd den mooisten boezelaar
uit het waschje enz. enz. Treesje is lang niet gelukkig. De volksmond
zegt: Doet de een er wat bij, dan doet een ander er wat af.
Verschillende huisgenooten en bekenden houden niet van Treesje om haar
voorrechten. Moeder begint nu wel in te zien, dat haar schipperen, voor
Treesje even onrechtvaardig is als voor de anderen. Om het kind geen
ingrijpend verdriet te doen, nemen we ons voor, wanneer Treesje niet
gewoon medegaat, voorloopig den zak in plaats van het ezeltje te slaan.

We zitten aan tafel.

--Moeder heeft er voor gezorgd, dat er nog maar een boterhammetje in de
trommel is.

Het gewone tooneeltje volgt.

Karel hoeft bij zijn terugkeer niet te deelen.

Het is zoo dun.

Zoodra Treesje wil gaan huilen, hoort ze: "Ja, kindje, die het eerste
komt, het eerst maalt. Moet je verder zorgen, dat je er bij bent."

Ze weet niets tegen te werpen.

Den volgenden middag verschijnen ze tegelijk met hun boterhammetje aan
tafel.

Zus Molly, haar hartediefje, is wat verkouden. Wanneer Treesje 's
middags uit school komt, ziet ze haar bed verplaatst. En dat blijft zoo,
zegt Moeder gedecideerd. Vader vindt het beter, dat Molly voorloopig aan
den zonnekant slaapt. Treesje zou zich wel schamen, daartegen te
pruttelen.

Zoo worden alle reeds begane fouten handig hersteld en nieuwe met beleid
voorkomen. Het kind voelt de strengheid van de opvoedster niet. Dat is
voor beiden, de meest prettige wijze van correctie.

Treesje uit haar veeleischendheid niet meer, omdat ze geen gelegenheid
heeft, ze ingewilligd te krijgen. Zoo heeft ze er langzamerhand routine
in gekregen hare bovenmatige verlangens weg te cijferen.

Dat is noodzakelijk, wijl de maatschappij later ook geen rekening houdt
met des vreemden hinderlijke fouten. Ze zou als "outsider" een treurig
lot moeten lijden.

We mogen reeds bij "het kleine kind" geen slapheid toonen.

Het kind, dat van natuur te veel eischt, moet reeds vroeg de rechten van
anderen leeren billijken, vooral ook zich leeren schikken in het
terzijde stellen van zijn eischen ten opzichte van de omstandigheden,
waarin het geplaatst is.




XL JALOERSCHHEID


Kleine Jenny is jaloersch! Treurige eigenschap, die streng veroordeeld
wordt, doordat ze dikwijls tot onbeminnelijke, ja zelfs tot
onmenschelijke daden voert. De jaloersche wordt veracht. Is er
pijnlijker reactie denkbaar?

Jaloerschheid is niet een eigenschap, die den mensch is aangeboren. We
mogen dit afleiden uit de ervaring, die leert, dat dezelfde persoon,
onder verschillende omstandigheden, die eigenschap meer of minder, al of
niet bezit.--Zoo vertoont het mismaakte kind, dat de _ware_ liefde in
zijn omgeving ondervindt, die gehate eigenschap zelden tegenover zijn
zooveel beter bedeelde zusjes en broertjes.--

Daarom is het mogelijk, dat we reeds bij het jonge kind de kiem er van,
door een juiste behandeling uitroeien.

Arme Jen. Ze heeft _schijnbaar_ wel redenen om jaloersch te zijn. Ze is
minder aanvallig dan het één jaar jonger zusje en ziet er ook niet zoo
lief uit. Jen is wat slap en rustig, Lous zoo een echte hupsche mol.
Maar Jen is bijzonder pienter en heeft een heel gevoelig hartje.
Voorwaar toch goede gaven om in het leven tevreden te kunnen zijn.

Haar leeftijd leidt er echter toe, dat haar gemis haar duidelijker wordt
gemaakt, dan haar bezit. Troetelen de ooms en tantes dan niet altijd
Lous en nooit eens haar? Wordt Lous door de vreemde kinderen niet
gevraagd om mede te spelen, terwijl ze haar passeeren?

"Zijn jullie _zusjes_?" wordt zoo beteekenisvol verbaasd, het kind
telkens toegevoegd.

Jen krijgt weêr denzelfden smartelijken trek om het mondje. Dan voel ik
me 't hart toenijpen.

Zesjarige Jen leeft onder een druk.

We nemen ons ernstig voor, dat leed van het lieve kind af te wenden.
Aanvankelijk door een te veel, om tot den juisten middenweg te komen.

Bij Loutje wordt, voor zoover haar belang het meebrengt, voldaan aan
elken eisch, dien ze als kind stellen mag; maar Jenny krijgt van ons,
huisgenooten, een opmerkelijk surplus.

"Waarom mag Jen nu altijd naast Paatje zitten?"

"Jij zit toch immers naast Moeder?"

"Nu heeft _Jen_ weer dat mooie potlood van Maatje gekregen!"

"_Jij_ kreeg toch gisteren een potloodje van Els!"

"Waarom mag _Jen_ nu weer met Pa mede naar de zieke menschen rijden?"

"Vader kan toch maar één kindje tegelijk meenemen. Een volgend keer ben
jij aan de beurt."

Loutje gelooft in ons en is uit haar eigen persoontje zóó stralend
gelukkig dat ze niet dieper doordringt, terwijl de tobberige Jenny zich
hoe langer hoe meer, door ons begint "uitverkoren" te voelen. Dat geeft
haar kracht. Ze vindt eigenlijk dat ze verwend wordt door ons, die haar
zooveel waard zijn; en ze voelt zich door de wreede andere menschen
onbillijk behandeld. Ze wijt haar achterstelling niet meer aan zichzelf.
Daarheen wilden we het leiden.

Het is meestal het gemis aan eigenwaarde, wat een mensch op anderen,
bevoorrechten, jaloersch doet zijn. Het eenige redmiddel is dan, zijn
eigenwaarde te versterken, op welke wijze ook. Het doel heiligt de
middelen. Jen gaat zich voelen. Ze wordt wat laatdunkend. Dat opent
_haar_ den weg tot begeerd worden.

We hebben die behandeling lang moeten volhouden. Zoolang tot haar
verstand gerijpt was en ze zelve het leven, juister wist te benaderen.
Ze is ons dankbaar. Ze uitte het nog deze week, het jonge vrouwtje, in
den brief, die ze me na haar huwelijksreis schreef.




XLI EENKENNIG


Als het kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin.

_Heel_ prettig voor "het kindje" en voor het huisgezin. Maar uit mijn
intuïtieve rangschikking van "het kindje" en "het huisgezin" blijkt
reeds, dat die uitbundige begroeting vaak bedenkelijk kan zijn, vooral
voor het nakomertje.

Van mijn idee uitgaande, dat bijna elk kind tot een normaal
maatschappelijk mensch kan opgevoed worden in het juiste milieu, zoo
meen ik het "nakomertje" even in bescherming te moeten nemen.

Onze kleine, een kindje van veertien maanden, is een beauty. Daarover is
ieder het eens. Jammer dat ze eenkennig is. Of jammer, Moeder constateert
het eigenlijk op een toon vol trots, want haar kindje is er des te
bekoorlijker om. 's Middags komen de tantes, kennissen, vriendinnetjes
en vriendjes van de grootere zussen en broers op het theeuurtje samen,
om de kleine Emma haar betooverende kunstjes te zien uitvoeren. De
medespelers zijn ook uitgenoodigd of beter gezegd besteld.--De hulde is
het kind nog wel onbewust, maar haar kunsten......?

Ik merk al gauw waar het ondeugende schoentje haar wringt.

Emmaatje is schuw voor... personen die het kind niet lijken. Een tanige
oude juffrouw, een oude man met een langen baard, die zich eveneens elke
opoffering, als een groote pop, of een heerlijke doos chocolade
getroosten om een beetje wederliefde bij de kleine te wekken.

Voor wie haar bevalt, is Emma een aanhalig poezelig dotje. Maar komt er
iemand van boven genoemd kaliber in haar flank, dan knijpt ze
onmiddellijk haar groote oogen stijf dicht en vouwt de handjes op den
rug samen. Zoo is ze tegen een mogelijken geestelijken en lichamelijken
aanval gewapend.

"Kijk tante nu eens even aan." "Geef oom dan eens een handje." Het wordt
doovemans oortjes gevraagd. Maar zegt de te licht bevonden tante
onverwachts: "Kijk eens wat een mooie pop ik meegebracht heb voor het
lieve kindje," dan steekt Emma, met één luikje nauwelijks open, haar
grijphandjes uit en palmt het lokaas vlug in. En zoodra tante een quasi
beweging tot vertrek maakt, of het nest hoort, nu Mevrouw ik ga maar
eens, spert Emma de oogen wijd open om nog de zalige vreugde van den
aftocht te genieten.

Ik moet het toegeven, die oogopslag is een filmplaatje waardig en een
verrukking voor de kinderliefhebster. Als kinderkenster tevens,
waarschuw ik de Moeder toch dit spelletje te staken.

Het werkelijk eenkennige kind is onomkoopbaar. Het verzet zich tegen
elke mogelijke tegemoetkoming. Zijn onwelwillendheid komt voort uit
angst. Waar echter zijn onvriendelijkheid willekeur insluit, dient ze
gefnuikt te worden. "Zijn naasten liefhebben, al wat ademt en leeft een
goed hart toedragen," moet het kind reeds jong bijgebracht worden. Het
kind mag dier noch plant bij zijn koesterende liefde uitsluiten.

Emma _zal_ dus iedereen vriendelijk begroeten. Reeds bij het
eerstvolgende délict, weer ik streng af: "Neen tante, Emma mag de pop
niet hebben, alvorens ze U vriendelijk aangekeken en lief een handje
gegeven heeft."

Emma blijft als verstijfd zitten.

Maar, als tante bij haar heengaan, op mijn aanraden de pop medeneemt,
slaan Emma's oogjes even plotseling op, doch nu deemoedig en met een
"da-a, da-a," steekt ze haar handje uit tot afscheidsgroet.

We hadden het pleit voor goed gewonnen.




XLII DE KLEINE PAEDAGOOG


Ik logeerde in een mijner vacanties in een van de voormalige landhuizen,
thans als hotel ingericht, zoo prachtig te midden der Betuwe gelegen.
Bosschen omgaven het vroegere landgoed. De tuinbaas met zijn talrijk
gezin, bestaande uit vrouw en elf kinderen, bewoonde een schamel huisje
vlak bij het hotel. Het was een vroom katholiek gezin, waarin vrede en
opgewektheid heerschten; een kolfje naar mijn hand.

De kinderen kregen een goede opvoeding. Ik voelde me dadelijk bijzonder
tot de kleuters aangetrokken. Binnen de woning,--ik werd reeds den
tweeden morgen op de koffie genoodigd--had ik het gevoel me te gedragen
als een burgerjuffrouw, die voor 't eerst aan het hof verschijnt. Ik
vreesde, uit onbekendheid, elk oogenblik inbreuk te maken op _hun_
etiquette. Bij zulke kinderen ben je echter gauw thuis. Na eenige dagen
noemden ze me reeds "tante", een onderscheiding, die volgens Moeder, nog
nimmer eenigen gast ten deel was gevallen. Ik was er trotsch op en
gelukkig in het vooruitzicht van een heerlijke vacantie.

Elken morgen, voordat ik mijn lui reisgezelschap mede op weg kreeg,
sloot ik me bij de kinderen aan, die vol ijver Vader bij zijn tuinarbeid
hielpen. De kleinste kinderen, van twee, drie en vijf, speelden om ons
heen. Ook deze kinderen waren ongedisciplineerd als alle kleine
kinderen. Ik bemerkte gauw den invloed, dien mijn liefde hier had. Ik
gebruikte dien invloed om den kinderen het een en ander bij te brengen.
Tevens leerde ik van hen. Ze gaven me veel te denken. Zoo eens Wim.

De tuinen, die langs de veranda om ons hotel lagen, liepen terrasgewijze
af naar een dal, dat, aan de achterzijde van ons huis, leidde naar een
fontein, omgeven door wilgen. Daar begon het bosch.

Op dat heerlijke plekje ging ik elken middag na de lunch me in het
belangrijkste nieuws van den dag verdiepen.

Op een keer, nauwelijks daar gezeten, hoorde ik een droevig
kindergeschrei. Ik zag den vijfjarigen Wim, met den twee en een
halfjarigen Jacob aan de hand, die naderbij kwamen. Wim bekommerde zich
heelemaal niet om het hartsverdriet van het lieve broertje.

Hij floot er een deuntje bij.

Bij ondervraging verneem ik, dat ze samen een paar uur kastanjes geraapt
hadden. Jacob had de zijne in zijn petje geborgen. Toen ze bij het naar
huis gaan langs den vijver liepen, had Jacob, zijn voor hem te zwaren
pet, laten vallen en de vruchten--in werkelijken zin--van zijn moeizamen
arbeid waren jammerlijk verdronken.

Ik poogde Jacob te troosten, maar zijn verdriet bleek _te_ groot. Daarom
verzocht ik Wim vriendelijk wat van zijn kastanjes aan het broertje af
te staan.

Wim weigert koppig.

"Waarom dan niet, ventje? Dat is toch niet lief van je," tracht ik te
overreden.

"Hie hat daorveur moete oppassen... Jaop had se bèter in de haande motte
draoge... 't Bosch leet er vol van. Hie kan aandere haole, as wie
strakkies verom gaon," paedagogiseert Wim wijselijk.

Ik vraag beteekenisvol: "Heb jij nooit eens, (het was juist dien morgen
gebeurd) per ongeluk een kopje koffie over het tafelzeil laten vallen.
Heeft Moeder je dan voor dezen eenen keer niet het kopje opnieuw gevuld,
op je belofte, dat je voortaan voorzichtiger zoudt zijn?"

"Jao-e, mar--mar 't kupke koffie was van Moeke, mar de kastanjes zain
van m'n eige," verdedigt hij zich uit de eerlijkheid van zijn hart.

Het was de kleine, nog ongevormde paedagoog, die rechtte.

En gaat het dan zeer vele Opvoeders niet als onzen kleinen Wim? Zoodra
eigenbelang in het spel komt, laten ze elke juiste theorie varen, en
wegen lang niet voldoende de belangen van hunne pupillen. Het instinct
verdringt de rede.

De kinderen zullen daar in mindere of meerdere mate onder lijden.

Laten we ons bij de behandeling onzer pupillen het zielsverdriet van den
kleinen Jacob voor oogen houden. Het zijn juist deze schijnbare
kleinigheden in het leven, die een kind zooveel leed kunnen berokkenen.




XLIII WEELDE


Vacantie, moeder! Vacantie! riepen de kinderen opgewonden, terwijl ze
naar binnen stormden. Toch was er niet _die_ vreugde in hun blik, _die_
zaligheid van andere jaren. Ze wisten, dat ze, in tegenstelling met
gewoonlijk, 's middags niet naar Zandvoort zouden vertrekken.
Grootmoeder, die bij ons inwoonde, kon wegens zwakte het bed niet meer
verlaten en mocht ook niet vervoerd worden. We wilden nu bij haar
blijven. De kinderen hadden waarlijk vol liefde elke opoffering voor
haar over, maar _dit_ offer viel hun toch _heel_ zwaar. "Jammer!"
zuchtte Hans--onze tienjarige oudste--"niet naar Zandvoort." "Ja, heel,
_heel_ erg jammer! Grootmoeder had er zich kort geleden nog zoo op
verheugd en nu zal ze maar altijd ziek te bed moeten liggen," hernam ik
droevig. Hans kleurde sterk, dat merkten zelfs zijn kleine zusjes. Allen
probeerden nu opgewekt te doen en onverschillig voor het gemis te lijken
en dat werden ze daardoor ook in werkelijkheid al heel gauw. Ze juichten
het plan toe, dat ik voorstelde. Ik rekende op hun kinderlijke fantasie,
waarin ik zou trachten innig meê te leven en zoo bestemde ik het
opgehoogde gedeelte--terrein Zuid--tot ons "Zandvoort". "Ja, moeder!"
gaven de kinderen dadelijk vroolijk toe. "Daar kan het _ook_ zoo lekker
waaien!" Na eenige oogenblikken waren ze als altijd reeds enthousiast
bezig met het pakken van de zaken, die elken morgen om negen uur door de
drie oudste jongens naar het strand zouden gekruid worden. De twee
jongsten, meisjes van vier en vijf jaar, aangeboren Montessoriaantjes,
beloofden de huishoudelijke zorgen binnen de mooie Perrytent voor hare
rekening te nemen. We stelden ons voor elken middag tot zes uur daar te
blijven. Juf en ik zouden om beurten Grootmoeder verzorgen. "En gaan we
daar dan echt _lunchen_, net als in het "Pension" in Zandvoort, van het
porceleinen ontbijt-serviesje van Greetje en melk uit glazen? Met
vleesch en koek en jam?" Die vragen, van onzen achtjarigen Bob--waarin
een zekere zucht tot weelde niet te ontkennen viel, deden me minder
prettig aan. Den volgenden morgen zochten we op het strand de meest
afgelegen plek uit en in minder dan geen tijd prijkte onze tent met
vlaggen en wimpels in volle glorie. We waren nog niet lang daar, toen
een troepje havelooze jongens van vijf tot elf jaar--zestien in
getal--zich dicht bij ons nederplantten. Ook de Jordanertjes stelden hun
tent op. Wel niet op zoo grootsche wijze, maar zeer zeker op grootere
wijze dan onze kinderen waardoor de arme jongens al dadelijk hunne
militaire overmacht--hun hoogste verlangen voor den geheelen dag--danig
voelden. Vijf ruwe houten latten, voor een gedeelte met oude lakens en
voor de rest met een bijna versleten vloerkleed bespannen, vormden hun
heiligdom. Toch maakte hun kamp, bewaaid door de daarop aangebrachte
oranjewimpels en vlaggen--relequiën van de onafhankelijkheidsviering--een
zeer aardig effect. De oorlogsmaterialen waren hun door ouders en buren
zoo gaarne afgestaan, bij de gedachte, dat ook zij--ondanks bittere
armoede--in staat waren, de kinderen in de frissche buitenlucht, hun
kampleven te laten spelen. De moeders wisten bij ervaring, dat de
stumperds, gesterkt door de weelde, die ze nu zoo volop genoten, de
ontbering, die hun thuis wachtte, minder zwaar viel te dragen. Zij zijn
straks geen "Lunch zooals in het pension" te wachten in hun tent, maar
de oorlogsboterhammen uit de zelf vervaardigde ransels en het water uit
het blikken werkmanskruikje als veldflesch doen het voor hen niet
minder. Vandaag is elke ontbering eene vreugde, die hun de fantasie van
het kampleven als werkelijkheid doet beleven. Zij _willen_ geen koekjes,
geen jam hebben. Het is oorlog! Het zijn echte Hildebrandtsche
Hollandsche jongens... ze zijn zalig. De oude kolenschop is niet in
staat hun werklust te verflauwen bij het uitgraven van het hol, waaruit
ze straks den vijand zullen beschieten, evenmin als de afgetrapte
schoenen een beletsel zijn om in stormloop op den vijand aan te rennen.
De houten stokken tot degens gefatsoeneerd, doen hen den stoot bij den
aanval niet minder ernstig overwegen. Ze blazen in den ingedeukten
fietshoorn met het meeste entrain de verschillende signalen en de
papieren uniformen doen hun de verplichting tot het stipt nakomen der
bevelen van den aanvoerder niet minder sterk gevoelen. De guitige Jan
Hemert heeft thuis zulk een schitterend plan de campagne opgesteld. Aan
een spannend auditorium wordt door hem alles tot de minste bijzonderheid
verklaard en ieder zijn taak aangewezen. Er heerscht een gewilde
volgzaamheid, die door een verplichte aan een werkelijken
opperbevelhebber niet _kan_ worden overtroffen. De opmarsch geschiedt
dan ook in eene orde, het best gedisciplineerde bataljon waardig.
Eenigen van den troep brengen onvermoeid in de houten kistjes op
wieltjes--als ammunitiewagens--de gevonden steenen, lompen enz. aan,
om ze straks tot barricaden op te werpen. Onweerstaanbaar boeit onzen
kinderen hun spel. Ze volgen vol smeekend verlangen om mede te doen, de
Jordanertjes in al hun bewegingen. Met heilig ontzag blikken ze op tot
den kranigen aanvoerder. Moeder's roepen is vergeefsch, ze zijn er voor
niet één oogenblik vandaan te krijgen. En... geheel verlaten staat op
twintig passen afstand onze mooie Perrytent met "de lunch van het
Pension", het porceleinen ontbijt-servies van Greetje, de doozen met
prachtig afgewerkte soldaten van vele nationaliteiten en al het andere
schitterende oorlogsspeelgoed, hun bij verschillende gelegenheden
geschonken door familieleden en kennissen. De kinderen zouden hun
geheele bezit hebben willen geven om in de vreugde van de Jordanertjes
te mogen deelen. Moeder had weêr een les gekregen. Ze benutte het juiste
oogenblik, de les zou de kinderen nu in het hart grijpen--om hen er van
te doordringen, dat men met het meest eenvoudige verheugd kan zijn en
dat weelde geen vereischte is voor geluk. Dat het leven was, zooals je
het van uit je binnenste zelf inrichtte. De pas beleefde ervaring
spoorde moeder aan, de kinderen op nog eenvoudiger wijze te laten leven,
dan ze het tot nu toe gewoon was geweest.




XLIV DOORZETTEN


Onze zesjarige Nan is een wildebras. Het meisje is te zorgeloos. De
stemming in het gezin lijdt er evenzeer onder als het kind. Nan is
altijd een nummer op het programma van onze ernstige overwegingen.

Nu is zorgeloosheid wel een trek der kinderen eigen, die langzamerhand
terecht komt. Maar is een of andere eigenschap meer dan gewoon bij onze
opvoedeling aanwezig, dan dienen we daartegen bijzondere maatregelen te
nemen.

Bij Nan uit zich de zorgeloosheid in schier al haar handelingen. In een
wip is de eerste boterham met al het lekkers opgesmuld. Daarna zit ze
vol spijt de leege boterhammetjes te kieskauwen. Ze werpt pardoes haar
wassen popje in het heete bad, voor haarzelf bestemd. Tot haar groot
verdriet smelten onmiddellijk de trekken uit het aangebeden gezichtje en
verdwijnen de roode wangetjes. In een plotselinge liefdesopwelling beurt
ze poes van den stoel, die, zijn zonnekoestering verkiezende, het kind
snoode krabt. Gaan er van het zusje hoogstens drie boezelaars per week
in de wasch, Nan lukt het met veel moeite, ze tot zeven te beperken.

"Maar kijk toch eerst uit," "denk toch eerst na," dit is schering en
inslag. Ze ondervindt wel vaak de nadeelige gevolgen van haar verkeerd
gedrag. Maar haar diepgaande zorgeloosheid doet haar elk leed weer gauw
vergeten. De strijd is zoo moeilijk voor een kind. Toch moet ze
veranderen.

Invroolijk trekt het gezin 's morgens naar het pension in Baarn. Voor,
een prachtige tuin aan een rustigen weg. Ideaal voor onze wildzangen.
We kunnen gemakkelijk het oog op hen houden. We zijn nauwelijks
aangekomen of ons vijftal is in frisch buiten-ornaat aan het stoeien.
Levendige Nan niet het minst.

"Pats," daar ligt ze in den eenigen modderplas, dien er te bespeuren
valt.--Een verstopt gootje, zijwaarts het huis, had haar dat
onheilsplekje bezorgd.--

"Dat kan ik nu toch heusch niet helpen," jammert ze, angstwekkend.

Om Vaders vacantie-stemming niet dadelijk te bederven, trek ik haar
schoone kleertjes aan. Dat was 's morgens halftien.

"Daar is de slager! Daar is de slager!" galmt ze even later door den
tuin.

"Geef mij maar de mand om naar de juffrouw te brengen." Vol smerige
vlekken van het bloederige, vette hengsel, dat ze tegen zich aan had
gedrukt, betreurt ze al gauw haar gedienstigheid.

Er volgt een ernstige vermaning van Vader, en... de tweede schoone jurk.

Daarna gaat ze met den knecht kersen schudden.

Ze klimt argeloos tegen den boom op en komt van onder tot boven met
vochtig mos besmeurd naar beneden. De onvermijdelijke schoone jurk No. 3
wordt haar aangetrokken.

Op het punt van vertrek voor onze groote middagwandeling, ziet ze er zoo
schandalig uit, dat ze gewoon belachelijk was.--Ze had Broer zijn fiets
helpen schoonmaken met olie en pommade.--

"En zoo gaat ze mede," zegt Vader streng. Wanhopig snikt het kind het
uit.

Doorzetten! Het valt Opvoeders vaak moeilijk. Vooral Moeders. Deze
behandeling is Vader, met zijn teeder hart, volkomen toevertrouwd. Hij
zorgt er wel voor, een eenzamen weg te kiezen, waar we geen kans hebben
iemand te ontmoeten. We mogen het kind niet tegenover vreemden
vernederen, als we 't willen opheffen.

De overige kinderen zijn keurig gekleed.

Den geheelen middag loopt de gemerkte met neergebogen hoofd slenterend
achter ons aan. Ze is daarna veel verbeterd. Ze is zelfs minder
onbezonnen dan de andere kinderen.

"Ik houd er stellig voor," zegt het lieve nog zeer jonge meisje, dat
juist bij mij op bezoek is, "dat ik mijn tegenwoordige gewichtige
betrekking aan die behandeling te danken heb."

Ze is chef in een belangrijke zaak.

Het boven beschrevene is haar als een levendige herinnering
bijgebleven.





End of Project Gutenberg's Paedagogische Overwegingen, by E. W. Asscher

*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAEDAGOGISCHE OVERWEGINGEN ***

***** This file should be named 27833-8.txt or 27833-8.zip *****
This and all associated files of various formats will be found in:
        https://www.gutenberg.org/2/7/8/3/27833/

Produced by Jeroen van Luin, Ginirover and the Online
Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net


Updated editions will replace the previous one--the old editions
will be renamed.

Creating the works from public domain print editions means that no
one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
(and you!) can copy and distribute it in the United States without
permission and without paying copyright royalties.  Special rules,
set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark.  Project
Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
charge for the eBooks, unless you receive specific permission.  If you
do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
rules is very easy.  You may use this eBook for nearly any purpose
such as creation of derivative works, reports, performances and
research.  They may be modified and printed and given away--you may do
practically ANYTHING with public domain eBooks.  Redistribution is
subject to the trademark license, especially commercial
redistribution.



*** START: FULL LICENSE ***

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase "Project
Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg-tm License (available with this file or online at
https://gutenberg.org/license).


Section 1.  General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
electronic works

1.A.  By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement.  If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B.  "Project Gutenberg" is a registered trademark.  It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement.  There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
even without complying with the full terms of this agreement.  See
paragraph 1.C below.  There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
works.  See paragraph 1.E below.

1.C.  The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
Gutenberg-tm electronic works.  Nearly all the individual works in the
collection are in the public domain in the United States.  If an
individual work is in the public domain in the United States and you are
located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
are removed.  Of course, we hope that you will support the Project
Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
the work.  You can easily comply with the terms of this agreement by
keeping this work in the same format with its attached full Project
Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.

1.D.  The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work.  Copyright laws in most countries are in
a constant state of change.  If you are outside the United States, check
the laws of your country in addition to the terms of this agreement
before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
creating derivative works based on this work or any other Project
Gutenberg-tm work.  The Foundation makes no representations concerning
the copyright status of any work in any country outside the United
States.

1.E.  Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1.  The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
copied or distributed:

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org

1.E.2.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
and distributed to anyone in the United States without paying any fees
or charges.  If you are redistributing or providing access to a work
with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
1.E.9.

1.E.3.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
terms imposed by the copyright holder.  Additional terms will be linked
to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
permission of the copyright holder found at the beginning of this work.

1.E.4.  Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.

1.E.5.  Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg-tm License.

1.E.6.  You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
word processing or hypertext form.  However, if you provide access to or
distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
form.  Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7.  Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8.  You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
that

- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
     the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
     you already use to calculate your applicable taxes.  The fee is
     owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
     has agreed to donate royalties under this paragraph to the
     Project Gutenberg Literary Archive Foundation.  Royalty payments
     must be paid within 60 days following each date on which you
     prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
     returns.  Royalty payments should be clearly marked as such and
     sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
     address specified in Section 4, "Information about donations to
     the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."

- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
     you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
     does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
     License.  You must require such a user to return or
     destroy all copies of the works possessed in a physical medium
     and discontinue all use of and all access to other copies of
     Project Gutenberg-tm works.

- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
     money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
     electronic work is discovered and reported to you within 90 days
     of receipt of the work.

- You comply with all other terms of this agreement for free
     distribution of Project Gutenberg-tm works.

1.E.9.  If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
electronic work or group of works on different terms than are set
forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark.  Contact the
Foundation as set forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1.  Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
collection.  Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
works, and the medium on which they may be stored, may contain
"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
your equipment.

1.F.2.  LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees.  YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH F3.  YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3.  LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from.  If you
received the work on a physical medium, you must return the medium with
your written explanation.  The person or entity that provided you with
the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
refund.  If you received the work electronically, the person or entity
providing it to you may choose to give you a second opportunity to
receive the work electronically in lieu of a refund.  If the second copy
is also defective, you may demand a refund in writing without further
opportunities to fix the problem.

1.F.4.  Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5.  Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law.  The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.

1.F.6.  INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
with this agreement, and any volunteers associated with the production,
promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
that arise directly or indirectly from any of the following which you do
or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.


Section  2.  Information about the Mission of Project Gutenberg-tm

Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of computers
including obsolete, old, middle-aged and new computers.  It exists
because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
remain freely available for generations to come.  In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.


Section 3.  Information about the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service.  The Foundation's EIN or federal tax identification
number is 64-6221541.  Its 501(c)(3) letter is posted at
https://pglaf.org/fundraising.  Contributions to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
permitted by U.S. federal laws and your state's laws.

The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
throughout numerous locations.  Its business office is located at
809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
[email protected].  Email contact links and up to date contact
information can be found at the Foundation's web site and official
page at https://pglaf.org

For additional contact information:
     Dr. Gregory B. Newby
     Chief Executive and Director
     [email protected]


Section 4.  Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
spread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment.  Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States.  Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements.  We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance.  To
SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
particular state visit https://pglaf.org

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States.  U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
methods and addresses.  Donations are accepted in a number of other
ways including including checks, online payments and credit card
donations.  To donate, please visit: https://pglaf.org/donate


Section 5.  General Information About Project Gutenberg-tm electronic
works.

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone.  For thirty years, he produced and distributed Project
Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.


Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
unless a copyright notice is included.  Thus, we do not necessarily
keep eBooks in compliance with any particular paper edition.


Most people start at our Web site which has the main PG search facility:

     https://www.gutenberg.org

This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.