The Project Gutenberg eBook of Toon van 't Veer
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Toon van 't Veer
Author: Arie Cornelis Bos
Illustrator: Jan Rinke
Release date: October 4, 2026 [eBook #79719]
Language: Dutch
Original publication: Gouda: G.B. van Goor Zonen
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79719
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TOON VAN 'T VEER ***
TOON VAN ’T VEER
DOOR
A. C. BOS.
MET VIER ILLUSTRATIËN
VAN
J. F. RINKE.
EEN ZEILTOCHTJE.
Vier vroolijke kinderen, een meisje en drie jongens marcheerden met
gezwinden pas van het kleine dorpje Eethen naar het niet veel grootere
Drongelen.
Blijkbaar hadden ze het een of andere pretje in ’t vooruitzicht. Hunne
aangezichten vertoonden blijde trekken en hun gang werd steeds vlugger.
Waarlijk geen wonder. De vier kinderen waren Stans en Roelof van den
burgemeester en Pieter en Hendrik, zoons van het hoofd der school.
Den vorigen dag, des Zondags, waren ze met hunne ouders naar het
Drongelsche veer gewandeld en met hunne toestemming hadden ze met hun
vriend Anton Groen afgesproken om den volgenden dag na schooltijd een
roeitochtje te maken. Ze verheugden zich bij voorbaat over het
genoegen, dat ze zouden smaken.
Het Drongelsche veer was de meest geliefkoosde uitspanningsplaats uit
den omtrek. Vooral voor de jongelui had het veerhuis veel
aantrekkelijks. De familie Van den Hoven waren vriendelijke en prettige
menschen. De oude veerknecht, Thijs Groen, had vroeger jaren alle zeeën
bevaren en kon heerlijke vertellingen doen, en zijn kleinzoon Anton was
de vriend van oud en jong. Hij was een flinke jongen, waar ook de
jeugdige lezers en lezeressen naar ik hoop, spoedig evenveel van zullen
houden als het viertal, dat we zooeven op den weg naar het veer
ontmoetten.
Anton heeft niet stilgezeten in de morgenuren. Terwijl zijne vrienden
te Eethen hun Fransche les hadden,—die ze slechts matigjes kenden—was
hij bezig geweest om met behulp van zijn grootvader de kleine schouw in
het Maasje te brengen. Het was een net, groen en wit geschilderd bootje
met 3 zitbanken.
Het vaartuig werd zeilrêe gemaakt. Zeilrêe zeg ik, want Anton had zijn
kameraads eene verrassing bereid. De wind was zeer gunstig om terug te
zeilen en Anton had de toestemming van den baas en van zijn grootvader
weten te verkrijgen, om de schouw op te tuigen. De goede jongen
verheugde zich reeds over de blijde gezichten van Stans en van zijne
vrienden. Bovendien, de eene dienst was de andere waard. De kinderen
van den burgemeester en die van den meester hielpen hem met toestemming
hunner ouders vaak aan leesboeken en studiewerkjes. Leerde Toon dan zoo
gaarne? Ja en neen! Op school deed hij goed zijn best. Hij zat reeds in
de hoogste klasse. Maar behalve dat, werkte hij thuis zeer dikwijls of
las boeken uit de schoolbibliotheek en van zijne kennissen. Nu geloof
ik wel, dat hij veel liever met de boot op ’t water was, dan dat hij
sommen maakte, maar alles heeft zijn tijd. Met het grootste genoegen
hielp hij zijn grootvader een paar uur met overzetten, maar met
evenveel genoegen kon hij dan weder den tijd tot hij naar bed ging bij
zijn atlas en boeken doorbrengen. Dagelijksch hield zijn grootvader hem
voor, dat men zeer knap moest wezen om op zee vooruit te komen.
Eerzucht aan de eene zijde en liefde tot zijn trouwen grootvader aan
den anderen kant, prikkelde hem tot studie en deed hem goede
vorderingen maken.
Eén ding echter bezwaarde hem. Hij wilde Fransch leeren. Fransch gold
bij de dorpelingen voor de hoogste geleerdheid. Was het wonder, dat de
eenvoudige schippersjongen er ook het meeste heil van verwachtte.
Toen nu om 4 uur de school uitging, spoedde hij zich naar huis en vond
zijne opgetogen makkers reeds bij de boot.
„Hé, Toon, wat is dat lief van je,” zei Stans, terwijl ze hem een hand
gaf en hartelijk voor zijne goede zorgen bedankte.
Op het veerhuis wachtte hen echter nog eene welkome verrassing.
De jongelui uit Eethen waren reeds ruim te 3 uur uit school gegaan.
Meester had hen een vroegertje gegeven. Spoedig waren allen bij den
burgemeester. Natuurlijk was er niet van gekomen om eene boterham te
eten.
Mevrouw Van den Oever, die als eene liefhebbende, zorgzame moeder er
steeds op uit was om hare kinderen een genoegen te bereiden, had zich
den middag onledig gehouden met een grooten korf vol met broodjes en
andere lekkernijen te pakken en had den korf door Janus den knecht naar
het veerhuis laten brengen. Het is te begrijpen, welke vroolijke
uitroepen het zien van den korf met haar inhoud den jongelui deed
slaken.
Spoedig waren allen aan boord. Thijs maande zijn kleinzoon nog eens tot
voorzichtigheid aan en voort ging het. Toon greep een riem en Pieter
den anderen. Stans had plaats genomen bij het roer.
De boot ging aanvankelijk slechts langzaam vooruit. Indien Anton het
alleen had kunnen doen, zou de snelheid er niet op verminderd zijn.
De mast stond echter juist in het midden van de roeibank. De krachten
der roeiers waren verre van gelijk. Hoe wel het Pieter’s eerste keer
niet was, dat hij de riemen voerde, kon hij zich niet meten met den
ervaren schippersjongen. Langzamerhand echter raakte hij er mee op
dreef, en vorderde het beter.
Nog niet lang waren zij op weg, toen de opmerking gemaakt werd, dat op
elk vaartuig een gezagvoerder hoort. Thijs zeide immers altijd: „er is
maar een groote mast op een schip.” Men ging aldus over tot de
benoeming van een kapitein en Anton werd gekozen.
Hij nam de benoeming echter niet aan.
Eensdeels vreesde hij den naijver van Roelof, anderdeels bleef hij in
het terugkeeren liever geheel baas van het zeil en ten slotte hoopte
hij op de instemming van Constans, die niet weinig trotsch was op haar
flinken, grooten broer, al speelde hij ook wat graag den baas. Zij
gunde hem tenminste gaarne den voorrang. Misschien was dit laatste wel
de voornaamste reden, want het lag overigens niet in Toon’s aard om
zich door anderen te laten overheerschen.—„Neen, dat gaat niet,” sprak
hij. „Wie heeft er ooit van gehoord, dat de kapitein de riemen had,
terwijl twee zijner matrozen rustig sigaretten zitten te rooken? Laat
Roelof kapitein wezen, dan zal ik als zijn stuurman dienst doen. Hij is
toch de oudste.”
Zijn voorstel ontmoette bij de beide andere jongens eenige
tegenkanting. Zij erkenden op het water Anton voor hun meester, maar op
Roelof, die gaarne iedereen naar zijn hand wilde zetten, waren ze wel
een beetje jaloersch. Hij was echter de oudste, bovendien had hij een
heel doosje sigaretten in den zak en dat gaf den doorslag. De keuze
werd dus goedgevonden.
Sigaretten was verboden waar voor onze jongens, maar Roelof, die nog al
ruim van zakgeld voorzien was, wist zich altijd een goeden voorraad te
verschaffen, wanneer de knecht Vrijdags met boter en eieren ter markt
ging. Hij zorgde wel, dat het niet ontdekt werd en zijn zusje verklapte
hem nooit. Veel nadeel deed deze gewoonte hem en zijne makkers, die hij
steeds ruimschoots mede deelde, niet. Toch was het jammer. Het waren
alle vier zulke flinke levenslustige knapen, en rooken kan niet anders
dan welopgevoede jongens ontsieren. Ook Anton paste het stukje papier
met tabak kwalijk bij zijn jolig gelaat en echt jongensachtige
vroolijkheid. Hij was even opgehouden met roeien en zat aan
stuurboord—dat is de rechterzijde; de andere kant heet bakboord.—Onder
het rooken noemde hij de deelen van het tuig.
De mast was bevestigd aan den bodem van de boot en aan de roeibank.
Twee dwarsstokken, waarvan de onderste de langste is, kunnen om den
mast draaien met een ring, die zich aan het einde ervan bevindt. De
giek, dat is de stok beneden, is zoo hoog boven boord geplaatst, dat
hij vrij kan bewegen en de gaffel is bijna boven aan den mast
bevestigd. Aan deze beide stokken en aan den mast is het zeil
vastgebonden, dat dus om den mast kan draaien, naarmate de wind en de
koers het vereischt. De gaffel wordt omhoog gehouden door een lijn of
touw, dat door een katrol loopt, welke hoog in den mast is bevestigd.
Met deze lijn kan het zeil geheschen worden.
De mast is dus het eene steunpunt voor het zeil. Maar dit moet ook nog
aan den anderen kant worden vastgehouden, om wind te kunnen vangen.
Hiervoor dient nu de schoot, een stevig touw, dat aan den beneden hoek
van het zeil, aan de giek, is vastgemaakt. Met de schoot kan men het
zeil naar zich toe halen of van zich af laten; men kan de schoot
aanhalen of vieren. Nu echter is het zeil gestreken, want om tegen wind
in te zeilen is het Maasje te smal.
Aan een groot vaartuig—een volgetuigd schip, zou Thijs zeggen,—zijn
natuurlijk nog wel 100 verschillende deelen, maar die boezemen ons nu
geen belang in.
Onder vroolijke scherts gaat de tijd snel voorbij en de jongelui zijn
te Gansoijen eer zij het weten. In dit gehucht zullen ze uitstappen.
Behalve een brugwachter woonden hier slechts een 3-tal huisgezinnen. In
vroeger tijden stond er ook een kasteel, doch op dit oogenblik wees
eenig puin nog slechts de plek aan, waar een 20-tal jaren vroeger zich
een oude, wankele toren bevond. Op deze plaats, die wat hooger gelegen,
en van struiken en heesters omgeven was, werd alles voor eene gezellige
pic-nic in gereedheid gebracht. De hengselmand werd geopend en de
inhoud op een servet uitgespreid.
Wat kwam er al niet uit dien korf te voorschijn? Er leek geen einde aan
te komen. Broodjes met rookvleesch, boterhammen met koek,
krentenbollen, een ketel met melk, heerlijke appels, suikerperen en ten
slotte nog een half fleschje frambozenlimonade.
„’t Is een maaltijd, die de ridders van voorheen uit dit kasteel ons
zouden benijd hebben,” sprak Stans.
De jongelui sleten aangename oogenblikken op de fondamenten van het
kasteel.
Ze bemerkten onder den maaltijd, gepaard met scherts en gezang, niet,
dat de tijd ongemerkt voortging en dat ook de lucht betrok. Dreigende
wolkenmassa’s pakten zich samen. Een dof gerommel in de verte doet
allen opschrikken. Spoedig is het kamp opgebroken en zijn zij op weg
naar de boot. De bui drijft gelukkig af, zoodat de vroolijkheid er niet
door verstoord wordt. Toch zet Anton zijne metgezellen tot spoed aan,
want het weêr blijkt niet te vertrouwen.
Terwijl Constans nog op den wal staat, geeft de kapitein zijne bevelen.
De jongens maken de touwen los, waarmede gaffel en giek en daartusschen
het zeil, zijn bijeen gebonden.
Het zeil wordt geheschen en ook het meisje stapt in de boot.
De wind waait uit het Zuid-Oosten en is aanmerkelijk sterker, dan voor
eenige uren.
Het kleine vaartuig neemt spoedig een flinke vaart. Anton heeft plaats
genomen bij het roer en wijst het voorstel van den kapitein, die zelf
wilde sturen, beslist van de hand. De jongen is zijne verantwoording
ten volle bewust. Had Thijs geweten, dat de wind zou opsteken, de mast
had nu niet op de boot gestaan.
De stuurman neemt weinig deel aan de luidruchtige gesprekken zijner
kameraads, die opgetogen zijn over de gemakkelijkheid, waarmede de boot
over het water schiet.
Zacht wiegt het ranke vaartuig op de baren en alles lokt tot zingen
uit. Weldra klinkt een lustig lied uit volle borst over de watervlakte,
en als alles goed gaat, stemt ook de schipper van harte mee in.
Toch verliest hij Pieter, die de schoot heeft, geen oogenblik uit het
oog. Hij neemt dien bij elke kronkeling der rivier van hem over. De
wind steekt inmiddels meer en meer op en doet het zeil sterker spannen.
De bemanning vindt natuurlijk de snelle vaart overheerlijk en ook Anton
verheugt zich over de voorspoedige reis. Reeds is het veerhuis in het
gezicht, toen er iets gebeurt, dat hun noodzaakt te stoppen. Door de
kracht van den wind raakte het touw los, waarmede de katrol boven aan
den mast vastgemaakt was. Spoedig zou de katrol en daarmede het zeil
naar beneden rollen, indien de knoop niet wat sterker aangehaald werd.
Anton stelde voor verder naar huis te roeien, maar dit voorstel
ontmoette de heftigste tegenkanting van alle zijden. De jongens hadden
er zoo op gehoopt om met flinke vaart te Drongelen aan te komen, dat ze
zich het genoegen niet wilden ontzeggen om zich door de daar verzamelde
jeugd te laten bewonderen. Ook Constans trekt een pruilend lipje en dit
doet Anton ten slotte toegeven. Of de kapitein al beval om de schade te
herstellen, legde weinig gewicht in de schaal. Deze, altijd haantje de
voorste, wilde reeds dadelijk in den mast klimmen, doch Toon weerhield
hem. Eerst het zeil strijken en de boot met den kop in den wind leggen.
Spoedig was hij bij de katrol en trachtte hij den knoop vaster aan te
halen. Met ééne hand ging dat echter niet gemakkelijk.
Aller blikken waren omhoog gericht en daardoor ontging het den jongens
en ook Anton, die Roelof aanwijzingen gaf, dat het bootje met het getij
afdreef. Op eens kreeg het een hevigen schok en met schrik bemerkte
Toon, dat het vaartuig dwars in den wind gedreven was.
„Er uit, er uit!” riep hij Roelof toe, doch eer deze tijd had het
gevaar te beseffen en vóór Anton het roer kon grijpen, deed een hevige
rukwind het bootje kantelen, dat door den toplast van Roelof zeer
wankel op het water lag.
Allen vielen in het water.
Anton, die de beste zwemmer was, kwam het eerst boven. Het bootje lag
overzij en gevaar, dat er iemand onderlag, was er niet.
Weldra klemden ook de andere jongen zich vast aan de kiel van het
vaartuig. Roelof was een eind ver weggeslingerd, maar daar hij ook wat
zwemmen kon, zat hij spoedig met de anderen buiten adem op de
gekantelde boot.
„Waar is Stans?”—
Deze vraag gelijktijdig geuit, deed de doodelijk verschrikte jongens
nog meer ontstellen.
„O hemel, waar is Stans?”—
Roelof duizelde en Pieter moest hem ondersteunen, opdat hij niet
achterover in ’t water zoude slaan.
Eer iemand er op verdacht kon zijn, was Toon reeds te water gesprongen.
Het meisje, dat niet zwemmen kon, zat vóór in de boot. Zeker zou ze met
het tij reeds een eind ver afgedreven zijn.
De moedige zwemmer begreep spoedig, waarheen hij zich wenden moest.
Reeds tweemaal was hij gedoken, toen hem toegeroepen werd: „vooruit,
recht vooruit, daar is ze even boven geweest.” Werkelijk verscheen ze
het volgende oogenblik weer. De dappere jongen verdubbelde zijne
slagen. Nog 2 krachtige stooten, even duiken, hoera! daar had hij het
meisje vast.
Een vreugdekreet weerklonk van de boot.
Spoedig evenwel verstomde dat geluid.
„O God, ze is dood!” riep Roelof. De andere jongens moesten hem met
geweld weerhouden, anders ware hij te water gesprongen, waar hij alleen
met moeite zich zelve redden kon.
Anton had intusschen het meisje vóór zich genomen en met korte stootjes
duwde hij de drenkelinge voor zich uit. Het kostte hem de grootste
krachtsinspanning met haar boven te blijven. Om vrijer te zijn in zijne
bewegingen hield hij haar niet vast, maar gaf haar telkens een duwtje.
Hij zelve ging door den stoot onder water, maar met één slag was hij
weer boven, waarna hij dan dezelfde beweging herhaalde.
Zelfs voor iemand, die niet zwemmen kan, is het gemakkelijk te
begrijpen, dat deze herhaalde beweging uiterst vermoeiend is, al is het
ook de veiligste manier. Immers, wanneer de drenkeling zich aan den
redder vastklemt, zijn beiden verloren.
Op de boot zat men onderwijl niet stil.
De schoot werd losgesneden en aan een riem bevestigd. Deze werd naar
Anton geduwd, die zoo goed als niets vooruit kwam. Het leek zelfs of
hij afdreef.
De lijn en het hout waren echter te kort en een tweede stuk touw werd
er aan vastgeknoopt, maar het was te laat. Redder en drenkeling
verdwenen in de diepte.
Nu was het Piet’s beurt om te handelen. In het water springen en zich
ijlings aan den riem vast grijpen, was het werk van een oogenblik.
Toon, die het meisje nog vast had, kwam boven en werd door Piet bij de
haren en daarna bij zijn arm gegrepen. In weinige oogenblikken waren nu
allen op het wrak getrokken.
Constans gaf geen teeken van leven meer.
De wanhoopskreten der jongens werden afgewisseld door knetterende
donderslagen. Schelle bliksemflitsen doorkliefden de lucht.
Toon, altijd de flinkste, hing buiten adem over den mast. Hij was meer
dood dan levend.
Dikke druppels vielen neer en de lucht was donker, maar donkerder nog
was het in de harten der jongens. Ze waren de wanhoop nabij.
Moest het meisje nu sterven bij gebrek aan hulp! „O Stans, o mama!”
kreet Roelof.
Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij. Overstelpt door
schrik en angst hadden de jongens niet bemerkt, dat de veerboot snel
naderde. Reeds van verre had Thijs, die op den uitkijk stond, het zeil
bemerkt. Toen hij het plotseling zag verdwijnen, had hij alles in den
steek gelaten en was zoo snel zijne stramme leden het toelieten, naar
de plaats des onheus geroeid. Juist toen hij even opkeek, had hij het
tweetal in het water zien liggen en hij repte zich met
bovenmenschelijke kracht. Het zweet liep hem tappelings langs het
gelaat en doorweekte zijn boezeroen. In minder dan geen tijd lag hij
langs het wrak. Spoedig waren allen in de boot. Thijs gaf de riemen aan
zijn kleinzoon, die weer wat hersteld was van zijn vermoeienis en
maande hem tot dubbele spoed aan. Hij zelf nam het meisje en trachtte
de levensgeesten weder op te wekken. Eerst scheen het of ze niet weder
herstellen zou, doch ten laatste, nadat de oude er alles mee beproefd
had, voorover houden en achterover liggen, kwam er eindelijk een golf
water uit haar mond. Zij zuchtte en de ademhaling was weder merkbaar.
Toch bleef ze bewusteloos.
Nu kwam het er maar op aan zoo spoedig mogelijk thuis te wezen. Thijs
nam zelf weder de riemen en in weinige minuten waren ze aan den
veerdam, waar ze door de ontstelde menigte werden opgewacht.
Reeds van verre had men bespeurd, dat er iets gebeurd was. Alleen de
burgemeester en mijnheer Den Bosch, die de kinderen zouden afhalen,
vermoedden het ergste en liepen hevig ontsteld langs den waterkant. De
laatste had het eerst weder zijne zinnen bij elkaar, toen hij den
toestand overzien had.
Constans werd onmiddellijk binnengebracht, ontkleed en tusschen wollen
dekens en warme kruiken op bed gebracht. Eerst toen de vader zijn kind
de oogen zag opslaan kwam hij wat tot bedaren. De goede man zag bleek
als een doode en beefde als een riet. Van den Hoven gaf hem een glas
water en toen nu inmiddels de anderen verkleed, en eveneens van den
schrik bekomen waren, was hij genoegzaam hersteld om het verhaal van
het ongeluk aan te hooren.
Trillend van opgewondenheid vertelde Roelof in levendige kleuren den
moed, de zelfopoffering en het beleid van Toon, en de dankbare vader
drukte den flinken jongen aan de borst. Zijn gemoed was te vol om te
kunnen spreken. Alle omstanders drukten den moedigen knaap de hand en
prezen om ’t zeerst zijn gedrag. De grootvader was inmiddels verdwenen
en bevond zich weder op de pont.
Constans was in een rustigen slaap gevallen.
De heer Den Bosch wist den burgemeester te overreden om naar huis te
gaan. Het was beter, dat hij zelf aan zijne vrouw de eerste tijding
bracht. Een ander zou natuurlijk het bericht, zooals het gewoonlijk
gaat, vreeselijk overdreven overbrengen en mevrouw zou doodelijk
ontstellen.
De burgemeester zag dan ook het verstandige van den raad in en begaf
zich op weg. Hij zou ook juffrouw Den Bosch met het geval in kennis
stellen, en zijn rijtuig naar het veer sturen om allen af te halen.
Toen dit aankwam was het lieve meisje weder genoegzaam hersteld om
vervoerd te kunnen worden. Goed ingepakt werd ze achter in den
tentwagen geplaatst en weldra waren allen thuis.
De moeder sloot haar kind in de armen en overdekte haar met duizend
kussen. Tranen van aandoening en dankbaarheid rolden over haar
vriendelijk gelaat. Constans werd weder te bed gebracht en mevrouw
bleef den ganschen nacht bij hare lieveling.
Den volgenden dag is het rijtuig van den burgemeester reeds vroeg aan
het Drongelsche veer. De morgenschooltijd is nauwelijks geëindigd, als
mevrouw Van den Oever uitstapt en zich in de zijkamer van het veerhuis
begeeft. Ge begrijpt zeker allen, waarom.
Toon wordt bij haar gebracht en nauwelijks heeft de beminnelijke dame
den redder van haar kind bij zich in de kamer, of ze sluit den verlegen
knaap aan de borst. Door aandoening overmeesterd dankt ze hem met
afgebroken zinnen en kust hem op het voorhoofd.
Mijn lieve, beste jongen, roept ze telkens uit, dappere redder van mijn
kind.
Toon kan zich niet langer goedhouden. Ook bij hem komen de waterlanders
voor den dag en hij is hartelijk blijde, als hij ’s middags weer goed
en wel in school zit.
VREDERUST EN ZIJNE BEWONERS.
De schoone heerenhofstede Vrederust is op eenigen afstand van den
Provincialen weg gelegen en door eene mooie laan met iepenboomen ermede
verbonden. Eene groote poort scheidt het erf van den doodloopenden
dorpsweg en deze wordt meestal gebruikt als uitgang voor karren en
boerenwagens, in één woord voor alles, wat betrekking heeft op de
boerderij. Van deze zijde, dus van den dorpskant gezien, komt de
huizinge niet op zijn voordeeligst uit. Men ziet hier slechts de
achterzijde. Het woonhuis vindt men aan den anderen kant, dus van den
weg, en de ramen hebben een schoon uitzicht over den tuin en de velden,
die voor een groot deel bij het goed behooren. De ruime en geriefelijke
woning is geheel omgeven door een prachtigen tuin, ruim voorzien van de
fijnste vruchtboomen. Deels bloemhof, deels moestuin, zijn de
sierheesters, treurboomen en rozestruiken naast bessen- en kruisbessen
boompjes, frambozen, appel- en pereboomen, perziken en abrikozen
geplaatst, doch zóó, dat het geheel toch fraai is. Leiboomen ziet men
tegen de schutting en den muur van het koetshuis. Het schoonste punt is
echter de groote kastanjeboom voor de woonkamer en daaronder de ruime
plaats met vaste banken en tuinmeubelen.
Het is in den namiddag en mooi weder. De familie is juist aan de
theetafel. Ongaarne zouden ouders en kinderen dit gezellige uurtje na
schooltijd willen missen. De burgemeester is rustig in een
gemakkelijken leunstoel gezeten. Hij heeft eene Goudsche pijp in den
mond en blaast met welgevallen kleine rookwolkjes in kringetjes naar
boven.
Het ongeluk voor eenige dagen heeft geene sporen bij Constans
achtergelaten. Misschien is ze nog wat bleek, maar dat heeft niets te
beteekenen. De dokter heeft haar den avond van het ongeluk reeds geheel
buiten gevaar verklaard. Had ze denzelfden tijd in eene Amsterdamsche
gracht gelegen, er zou geen of zeer weinig hoop op herstel geweest
zijn. Het helder stroomend water evenwel zal haar geen kwaad doen,
zeide hij.
„Zou Toon nog hier komen, Roel,” alzoo leidt Constans het gesprek in,
„hij komt immers gewoonlijk ’s Woensdags op ’t dorp.”
„Ik zou het niet denken,” antwoordt deze, „anders was hij wel hier
geweest.”—
„Welneen, mijn kind,” zegt mevrouw, terwijl ze van haar naaiwerk op
ziet. „De jongen is veel te bescheiden om zich te durven vertoonen; die
goede, beste Toon! Wat houd ik veel van hem! Wist ik maar, hoe ik hem
voor zijn kloeke, edelmoedige daad beloonen kon.” En zij nam haar
dochtertje in de armen, als vreesde ze haar nog te moeten beschermen
tegen het gevaar van eergister.
„Een flinke jongen is hij,” sprak nu de burgemeester, die tot nu toe
slechts geluisterd en met kleine teugjes zijn thee gedronken had. „Er
zit pit in dien knaap. Jammer alleen, dat hij zich zoo doldriftig kan
maken. ’t Schijnt een familiekwaal, tenminste Thijs is er zeer bang
voor.”
„Kom, Pa, zoo erg is het toch niet. Toon is de goedheid zelve. Alleen
als hij getergd wordt, dan is hij om bang van te worden.”—
„Nu ja, erg of niet erg, dat doet hier eigenlijk niets ter zake. Wij
zijn hem ten hoogste verplicht en we dienen hem schitterend te
beloonen.”—
„En onze belooning zal aan geen onwaardige besteed zijn,” zoo vervolgt
mevrouw, terwijl mijnheer met aandacht zijn thee omroert. „Van het
oogenblik, dat ik den jongen zag, gevoelde ik me tot hem aangetrokken.—
„Pa en ik hebben nu iets voor hem bedacht, dat hem bepaald veel
genoegen zal doen en we hebben tevens een middel gevonden om u allen
schadeloos te stellen voor het minder prettige zeiltochtje. Me dunkt,
we kunnen Anton geen grooter vreugde bereiden, zoo nu als in de
toekomst, dan om zijne opvoeding ter harte te nemen. Zijn grootvader
meent het wel heel goed met hem, maar èn kennis èn geld ontbreekt hem.
Alleen wat de vorming van het hart betreft, zou de oude zeeman menig
geleerde een lesje kunnen geven. Toon moet zeeman worden, ten minste,
dat staat bij beiden vast. Wie weet, wat er nog van hem bij goede
leiding, groeien kan. We zullen hem voorloopig door de heeren Den Bosch
en Zwart lessen doen geven en dan ondertusschen in overleg met deze
plannen maken voor de toekomst.—
„Hoe vinden jelui dit plannetje?”—
„O, heerlijk moe, prachtig, wat zal Toon blij wezen, en Thijs niet
minder!”—
„Maar nu het andere. Hoe zou je er over denken om Zaterdag eens een
flinke kinderpartij te geven? ’s Morgens een rijtoer met den
bolderwagen, b.v. naar Neder-Hemert, ’s middags laat eten, dan spelen
en vervolgens ’s avonds chocolade met wafels.”
„Lieve, beste moe, wat weet u toch goed, wat wij graag willen,” vleide
Stans en ze kuste haar moeder, dat het klapte.
De burgemeester stond op. „Is je werk al af, kinderen?”
„Natuurlijk niet, pa, we komen immers pas uit school.”
„Ja, dat is waar ook. Ik meende je mee te nemen naar Drongelen, maar
het werk gaat voor.”—
„En ’t is morgen geen school, pa. ’t Is immers onderwijzersvergadering.
U zou er zelf nog wel heen om eene lezing te hooren.”—
„Jongen, ja, dat had ik vergeten. Nu, moeder, maak dan maar vlug een
paar boterhammen voor de kinderen. Ik moet nog even op ’t raadhuis te
Drongelen wezen en dan kunnen ze meteen hunne vriendjes daar vragen.
Maar nog niets zeggen van de studie, begrepen! Dat moet eene verrassing
blijven.”—
Terwijl de burgemeester in zijn kantoor gaat en een paar boeken in een
portefeuille doet, eten Roelof en Stans vlug hunne boterhammen. Weldra
zijn allen klaar en vroolijk stappen de kinderen met hun vader mee.
HET FEEST.
De Zaterdagmorgen beloofde niet veel goeds.
’s Morgens om 5 uur was Roelof reeds uit het bed om naar ’t weêr te
zien. Het regende dikke droppels en de lucht was zwaar bewolkt. Met een
onbehagelijk gevoel kroop hij weer onder de wol. De zon stond reeds
hoog aan den hemel toen hij gewekt werd.
„Jongen wat slaap je lang, zus is al gekleed.” Met een sprong was hij
het bed uit. „Dat valt mee, moe,” zegt hij terwijl hij naar het raam
loopt en de zon vroolijk ziet schijnen. „Van morgen vroeg was het niet
pluis. Hoe laat is het?”
„Half acht, vent! Janus heeft Bles al uit het land gehaald. ’t Is hoog
tijd; om acht uur komen de gasten.”—
Roelof is in een oogenblik gewasschen en gekleed en treedt spoedig de
huiskamer binnen, waar zijn zusje hem reeds wacht met het ontbijt.
Geen kwartier later zijn beiden op de laan en zien uit, of hunne
vriendjes reeds in aantocht zijn.
Werkelijk naderen Anton met de beide jongens Zwart reeds in de verte en
eer deze Vrederust bereikt hebben, zijn ook de Eethensche jongens en de
twee vriendinnetjes van Stans reeds aangekomen.
De jeugdige gasten worden in de huiskamer gelaten, waar ze door mevrouw
hartelijk verwelkomd worden; Anton niet het minst. De burgemeester
wilde hem al dadelijk in een armstoel doen plaats nemen, als de held
van den dag. Met veel takt wist mevrouw echter dit gevaar voor Toon af
te leiden. De vriendelijke dame begreep zeer goed, dat dit niet de
manier was om den jongen op zijn gemak te zetten.
Roelof gaat even naar boven om zijn pet te halen. Als hij terugkomt,
geeft Stans hem een knipoogje, wijst ongemerkt naar zijn opgevulde
binnenzak en geeft hem de pet, die aan den knop van zijn stoel hing.
Hij wil nu maar dadelijk vertrekken, want met een zak vol cigaretten
acht hij het bij pa en moe niet erg vertrouwd. Juist brengt de meid een
groote kan versche melk met glazen. Zijn geduld wordt echter op geen
zware proef gesteld, want Janus tikt met de zweep tegen de ruiten.
Het vroolijke troepje stormt naar buiten en neemt plaats op den
bolderwagen.
Heel gemakkelijk rijdt zoo’n wagen op lage wieltjes en zonder veeren
wel niet, maar dat is niet erg; er kunnen er veel op.
Janus, de oude knecht stond brommende den halster om den nek van het
paard te binden. Toch zag hij er niet onprettig uit. Zijn pet zit hem
diep over het voorhoofd. Een grijs ringbaardje verbreedt het toch niet
smalle aangezicht nog meer. De klompen heeft hij voor deze gelegenheid
met lederen pantoffels verwisseld; een zwarte das is tweemaal om zijn
hals gewonden; op de klepbroek bengelt een koperen kettinkje met twee
horlogesleuteltjes.
Janus is al meer dan veertig jaren in dienst van de familie Van den
Oever. Oorspronkelijk was hij bouwknecht. Hij is reeds getuige geweest
van veel lief en leed van de familie en reed den tegenwoordigen
burgemeester als jongen op zijn knie.
Voor geen geld zou de burgemeester den trouwen knecht missen. Voor de
kinderen is hij bezorgd als eene moeder, al bromt hij er den ganschen
dag op. Niemand weet beter dan hij, wanneer de groenten gezaaid, de
aardappelen gepoot, of de wingerd gesnoeid moeten worden. Geen, die
beter de eieren kan vinden, welke kippen en eenden wegstoppen in de
groote schuur of buiten op het erf. Verder is hij boodschaplooper voor
mijnheer en mevrouw en koetsier. Ten slotte brengt hij Vrijdags boter
ter markt en drijft den handel in eieren en jonge hanen. In één woord,
hij is onmisbaar op Vrederust.
Eene rare gewoonte heeft hij en die maakt hem juist zoo vermakelijk.
Dat is zijn brommen. Hij bromt altijd. Geen kip is voor hem veilig, en
toch meent hij er niets van.
„Als hij bromt,” zegt Roelof, „dan kun je alles met hem doen, maar o
wee, als hij ophoudt. Dan is ’t geraden om zijn zin te doen.”
De kinderen zoeken op den rolwagen elk een plaatsje.
„Nog niet klaar? Zit dan stil. Geen oogenblik bedaard. Net jonge
schapen. Vort Bles, vort! Heb jij ook al haast! Niet te hard. Loop dan
door! De klap weer van de zweep! Lastige jongens, overal aanzitten!”
Zoo bromt onze Janus maar zonder ophouden door.—Dan is zijn pijpje
verstopt, dan weer deugt de tabak niet of kan hij zijn lucifers niet
vinden. ’t Is hem nooit goed.
Roel geeft hem een sigaar. Hij heeft er 6 gekocht, voor een dubbeltje,
allemaal voor Janus, want de kinderen houden toch veel van hem.
„Weer sigaren gekocht,” bromt Janus, „kan niet op, verboden waar,
trekken slecht;” zoo gaat het verder, onder het vroolijk gejuich van
knapen en meisjes, die het uitgieren van lachen, als Janus ten laatste
zijne hooge ontevredenheid te kennen geeft zelfs over de plasjes op den
weg, de boomen die geen schaduw geven, de hoed van een voorbijgaande
dame, en eindelijk over den bolderwagen, die misschien droog zal
loopen, wijl hij zelf het smeren verzuimd heeft.
Toon zit bij den voerman. In de verte zeult een vrouwtje met een
grooten korf. „Mee laten rijden nietwaar Roei?”
„Ja, zeker, wie is het?”—
„Ik geloof waarlijk de moeder van den Rooie.”—
„Dan kan ze wel loopen, hoor. Die mag onze vreugde niet bederven.”—
„Hé, Roel, dat staatje niet mooi,” zegt Anton; „kan die ouwe ziel het
helpen? Ze heeft er misschien genoeg verdriet van, dat Dirk zoo is.”
Janus houdt Bles in. Hij bromt over te veel volk in den wagen en later
over den korf, die hem te groot is. Toch riep hij al ho tegen het
paard, eer de jongens het hem vroegen.
Toon maakte een praatje met de vrouw, een pittig, helder, klein wijfje
van ruim vijftig jaar. Ze had eene neepjes muts op en een blauwe
boezelaar voor.
„Moet je nog naar Heusden, vrouw Oudkoop?”—
„Ja, jongen, dat moet ik. Ik moet eieren weg brengen, zie je. D’r
bennen er 110 in en ze gelden wel 4 en een halve cent, kijk eens aan.
Ik verkoop ze langs de deur en de minse hebben ze graag zie je. Van m’n
zoon, een bovenste beste jongen, hoor, daar willen ze niet van koopen.
Hij is zoo niet bekend met de minse, zie je, anders een beste jongen.”
„Een beste jongen,” grinnikt Roelof, en Janus bromt: „galgenaas, zeg
ik, beste jongen, bovenst ja, hoogste galg, mooie beste jongen, deugt
nergens voor.”—
Toon wil het vrouwtje hare illusie echter niet ontnemen. Toch wil hij
er meer van weten en het oudje schijnt wel niets liever dan van haar
jongen te vertellen.
Haar man, aldus deelt ze met veel „zie je’s” met hare radde tong mede,
was zoo veul als een dronkaard. Dirk evenwel paste goed op. Van zijn
weekgeld gaf hij altijd trouw de helft af. Dat hij zoo weinig
verdiende, kwam van den slappen tijd. Nu ging ze de eieren verkoopen,
want d’r jongen moest voor den winter eene nieuwe jas hebben. Ze had
nog wat geld bespaard en voor negen gulden wist ze een kostelijke jas
te krijgen. Hij was toch zoo’n goeie jongen, hij had haar laatst nog
eene nieuwe muts gekocht; eens had hij drie nachten bij haar gewaakt,
toen zij ziek was.—Zoo vertelde ze nog heel wat deugden van haar zoon.
Toen ze te Heusden waren, bedankte het moedertje met een stroom van
woorden, natuurlijk weder tegen Janus zin.
„Die Rooie is toch nog zoo kwaad niet, als ik dacht,” zegt Roelof, toen
ze weg was.
„Neen waarachtig,” antwoordt Toon. „Ik had eerst medelijden met den
sukkel, maar nu valt hij me toch nog mee. Al heb ik nog zoo’n hekel aan
Dirk, ik moet toch zeggen, dat er ook iets goeds in hem zit.”
De jongelui stapten onderwijl ook uit. Met den bolderwagen door de stad
rijden, zou wat al te veel gevergd zijn van den samenhang van spieren
en gebeente.
Bovendien had ieder zijne boodschappen. Roelof moest vliegertouw
koopen, Stans bitterkoekjes en flikjes, voor onderweg, Pieter moest
koffie en suiker bestellen voor zijne moeder en een der twee
boerinnetjes een drankje bij den veearts halen.
Anton moest een horloge laten maken. ’t Was van zijn grootvaders vader
geweest en nu voor hem bestemd.
„Een aardig knolletje,” merkt Piet op, en zijn broer voegt er bij, „die
van Janus kan er wel grootvader tegen zeggen.” „Weet je wat, Toon,”
zegt Roei, „laat het werk er uitnemen en gebruik het voor tabaksdoos.”
„Neen voor turf hok,” grinnikt Hendrik weder en allen lachen hartelijk
mee.
„Goed,” zei Toon, insgelijks lachend, „maar dan moet je mij om het hok
te sluiten de ketting leenen, die je Zondags draagt. Je 10 centime stuk
kan je wel in de voering van je vestzak laten naaien, als je bang bent,
dat het weg zal loopen.” Hendrik zweeg, maar zijn kameraads proestten
het uit. Inderdaad droeg Hendrik nu en dan een horlogeketting met een
Fransche geldstuk voor uurwerk er aan.
Janus stond al geruimen tijd aan de Herptsche poort te wachten. „Bromt
ie nog,” vroeg Piet aan Roel, die den voerman zijn 3e sigaar gaf. „Hij
heeft het over muggen en vliegen, maar stijg nu vlug in, anders zwijgt
Janus,” is het antwoord.
Janus is echter in te goede luim om zijn brommen te laten en neemt met
welgevallen zijn sigaar onder handen. „Hij weet er vlug weg mee,” zegt
Piet.
„Geen wonder,” roept Toon naar achter, „hij rookt de eene, en kauwt de
andere helft.”
Onder dergelijke scherts rijden ze naar het eiland. Janus schijnt niet
te hooren, dat hij het mikpunt der grappen is. Dat is zoo zijne
gewoonte. Hij schijnt nooit iets op te merken. Toch begrijpt hij alles.
Toon spant zijne krachten in, om Janus aan ’t praten te krijgen, maar
hoe meer hij zijn best doet, hoe harder zijn buurman bromt.
Roei heeft onderwijl zijne metgezellen in den bak een wenk gegeven.
Allen verlaten heimelijk den wagen, wat zeer gemakkelijk gaat bij een
rolwagen. Ze kruipen achter het geboomte en proesten het uit, want Toon
noch Janus schijnen het te merken. Plotseling houdt de wagen op.
„Mot je d’er ook af,” vraagt de brompot. „Niet? Ook goed. Vort Bles,
houd je staart stil, knol. Nare vliegen!” en zoo gaat het maar door.
Lachend kijkt Toon om, maar wie beschrijft zijn verbazing, nu hij den
wagen ledig ziet. Met één sprong staat hij ook op den grond, Janus doet
of hij ’t niet merkt. Hij rijdt en bromt door.
Ze komen wel, denkt Toon terwijl hij voetje voor voetje door het gras
langs den weg loopt en ijverig zoekt.
„Wat zoek je Toon?” roept het heele gezelschap, dat hem uit de verte
gadeslaat en ten slotte nieuwsgierig naar hem toestuift.
„Jelui,” is het laconiek antwoord, waarop allen in een hartelijk gelach
uitbarsten.
Het zal onze lezers en lezeressen wellicht verwonderen, dat men zoo
zonder varen op een eiland kwam.
Nederhemert, ook wel het Eiland genoemd, is alleen ’s winters geheel
door water omgeven. Dan loopt het Heusdensche Gat, zoo heet de doode
rivierarm, die tot even voorbij Heusden strekt, door, tot het in een
halven cirkel weder de Maas ontmoet. De linker Maasdijk loopt geheel om
het Eiland heen, dat niet eens door zomerkaden beschermd wordt. Daarom
staat dit bij hoogen waterstand steeds onder water, behoudens enkele
deelen, die hooger gelegen zijn en waarop zich ook het schoone kasteel
bevindt. De barones van het kasteel is ook eigenares van het geheele
eiland, van het hooiland—de waarden—en de schoone bosschen. Het
gezelschap dwaalt spoedig onder de hooge boomen, waar de wandeling in
naam voor het publiek gesloten is, maar toch steeds oogluikend wordt
toegelaten. Het kasteel wordt natuurlijk eerst van alle zijden bekeken.
Het is inderdaad een schoon gebouw. Aan den voorkant gelijkt het
volkomen op eene prachtige villa. Overigens doet het met den wal en de
gracht, die het gebouw en den tuin omringen, nog denken aan een
middeleeuwschen burcht. Toch geven hoektorens en wallen het al heel
weinig het aanzien van eene versterkte plaats. De wal is een mooie met
boomen beplante wandelweg. Vrucht- en treurboomen van grooten omvang
hangen over in de gracht. Al dwalende in de bosschen en daarna op de
waarden, spreken allen over het kasteel en scheppen droombeelden over
het geval, dat zij er eens de heerschers van waren.
Janus is intusschen in de uitspanning van het dorp en vermaakt zich
met.... wel natuurlijk, met brommen, en wel voornamelijk op de
onhebbelijkheid der walvisschen, om zulke groote ribben te bezitten.
Boven de deur der dorpsherberg hangt eene walvischrib uit, moet ge
weten.
De jongelui doen zich te goed aan heerlijke zure room. Janus lust die
niet. „’s Morgens pap”—bromt hij—„nooit van gehoord—zure
pap—varkensvoer—eet pap als je naar bed gaat, zoo hoort het.”
Roelof zou gaarne over Heusden terug; Janus met den wagen achter om en
zij over het veer. Van ’t eiland naar de wallen van Heusden is een
roeibootveer. Ook den jongens lokt dit aan.
Stans heeft weinig zin, maar Janus nog minder. „Mag niet roeien,” bromt
deze.
„’t Is immers geen roeien, we worden maar over gezet,” zegt Roelof.
„Niet roeien”—klinkt Janus’ bromgeluid—„Mooi zoo—pollepelen dan,” maar
op eens kijkt hij effen. „’t Gebeurt niet,” zegt hij kalm en steekt
terwijl een reusachtig stuk brood met spek in den mond, „ik houd me aan
’t voorschrift.”
„Laten we dan maar gaan,” herneemt Roelof, nu hij ziet, dat er toch
niets aan te doen is.
Het paard wordt ingespannen en over Aalburg, waar een pontveer is,
rijden ze huiswaarts, waar zij in eene opgeruimde stemming aankomen. Ze
hebben flinken honger. Een enkel bordje room beteekent immers niets
voor gezonde magen.
Het eten is spoedig op tafel. De knapen en meisjes laten zich het
heerlijke rundvleesch, en aardappelen met snijboontjes goed smaken. De
schotel met pannekoeken is ook weldra verdwenen, zoodat nieuwe aanvoer
uit de keuken noodig is. Maar ook jongensmagen zijn eindelijk verzadigd
en na gedankt te hebben, stormen allen den tuin in om te zien of er ook
rijpe peren en appels hangen. Ook mevrouw gaat mede tot aller vreugde
en ieder moest getuigen nog nooit zoo’n heerlijken middag te hebben
doorgebracht als toen in burgemeesters tuin.
We zullen echter de luidjes verder alleen laten en liever straks nog
eens terug komen.
DE BELOONING.
Nu de lamp is aangestoken, treden we de huiskamer van Vrederust weder
binnen. Een vroolijk geruisch van stemmen klinkt ons tegen. De kinderen
lijken wel onvermoeid en.... niet te verzadigen; op de tafel staat een
groote schotel met wafels. Daarnaast prijkt eene mand met sappige
peren, terwijl bordjes en kopjes overal verspreid zijn. De tafel is op
zijde geschoven en het heele gezelschap bevindt zich op den vloer. Toon
zal, op eene liggende flesch gezeten, met een brandenden lucifer in de
eene hand een zwavel in de andere aansteken, maar telkens rolt hij
onder schaterend gelach omver. Een oogenblik later worden Roelof de
handen saâmgebonden met een zakdoek. Nu moet hij trachten de beide
beenen tusschen de handen door te steken. Hij laat zich duchtig
beetnemen, want als hem de toer is gelukt, ligt hij geheel weerloos. De
meisjes trekken hem links en rechts; de jongens kittelen hem en eerst
als de kopjes weder gevuld worden, mag hij los.
De andere gasten zijn in de voorkamer bijeen, waar het er recht
huiselijk en gezellig uitziet.
We vinden hier de heeren Den Bosch en Zwart met hunne echtgenooten en
Thijs Groen. De laatste is op dringend verzoek van den heer en mevrouw
Van den Oever mede gekomen. Hij zelf had liever thuis gebleven. Mevrouw
had hem echter zoo hartelijk ontvangen, dat zijne verlegenheid spoedig
verdween, en hij zich na korten tijd volkomen thuis gevoelde.
De vooravond werd doorgebracht in gezelligen kout. Onder het genot van
een heerlijk kopje chocolade met banket vloog de tijd om en het was
negen uur eer men het wist.
De burgemeester zag op zijn horloge en keek zijne vrouw aan. „Zullen we
de jongelui nu maar binnen laten komen?” Na toestemmend antwoord
schelde hij de meid en vroeg deze, de kinderen te willen roepen.
Het vroolijk gedruisch in de achterkamer verstomde weldra en de jongens
en meisjes, hunne kleederen goed trekkende en de haren opstrijkende,
traden binnen. Er stonden nog stoelen langs den wand en schuifelend
zouden de jongelui op eene rij achter af hebben plaats genomen, indien
niet mevrouw ware opgestaan, om het werk van haren echtvriend over te
nemen.
„Kom, kom, het lijkt hier wel een 1e en 2e rang. Anton, schuif je stoel
eens bij en kom eens naast me zitten. Hier zusje, aan mijne andere
zijde, naast juffrouw Zwart. Zeker, Roelof, zet je maar naast Groen
neer. De kinderen zoeken u altijd, niet waar Thijs?”—
„Och, mevrouw, dat is steeds al zoo geweest. Als ik bij den kapitein
kom, is het net zoo, dat wil zeggen vroeger. De jongste is nu ook al
haast volwassen.”—
„Toe, jongens, schuif wat bij. Niet te veel bij elkaar,” zegt mevrouw
lachend, „we moeten eene bonte rij hebben, dat is gezellig.”
„En nu eene aanspraak, hoor pa, eene sierlijke, dan trekken we allen
een deftig gezicht, niet waar Toon?”—
Allen lachen hartelijk met mevrouw mede en het ijs is gebroken. De
gedwongenheid van zoo even heeft plaats gemaakt voor gezellige
gesprekken, en zelfs de boerenmeisjes hebben hunne verlegenheid al
spoedig afgelegd.
De burgemeester tikt met zijn lepeltje tegen zijn chocoladekop en staat
op.
„Waarde vrienden!” zoo begint hij, „we hebben getracht, mijne vrouw en
ik, om dezen dag tot een feestdag te maken voor onze jeugdige gasten.
Wanneer ik het jolige troepje overzie, geloof ik wel reden tot
voldoening te mogen hebben.
„Om nu aan ons feestje meer luister bij te zetten, hebben we de geachte
dames en heeren hier tegenwoordig, uitgenoodigd, getuige te zijn van
onze vreugde. En waarlijk, onze blijdschap is groot. Onze lieve dochter
is van een bijna wissen dood gered door de kloeke en cordate houding
van onzen jongen vriend Anton. Ik weet geen woorden te vinden, beste
jongen, om u onze dankbaarheid te toonen, maar ook, we kunnen niet
genoeg bewonderen uwen moed en zelfopoffering. Zonder u waren we nu in
diepen rouw. Toch zou uwe edele daad misschien nog vruchteloos geweest
zijn, indien niet uw brave grootvader, ons aller vriend, te rechter
tijd gekomen ware om door welgeslaagde middelen de levensgeesten onzer
lieveling weder op te wekken.
„Wanneer we nu u beloonen willen voor de redding van Stans, dan moet je
niet denken, en u ook niet Thijs, dat we onze dankbaarheid beschouwen
als eene schuld, die we zoo gauw mogelijk willen afdoen. Integendeel,
steeds zullen we blijven gevoelen, wat ge voor ons deedt en we zullen
uwe vriendschap op den hoogsten prijs stellen.
„We weten, beste jongen, dat ge gaarne werkt en studeert om vooruit te
komen in de wereld en daarom kunnen we u en uw grootvader misschien van
dienst wezen, door u te helpen in uw arbeid voor de toekomst. Met uw
grootvader, die vader en moeder beiden voor u is, willen we samenwerken
om een flink man van u te maken. Uwe vlijt en oppassendheid tot heden
geven reden om te verwachten, dat ge op den ingeslagen weg zult
voortgaan en hem tot eer zult strekken.
„Zooals ge reeds meermalen aan uwe kameraden hebt te kennen gegeven,
wilt ge naar zee. Nu, daar is carrière genoeg te maken met studie en
flinke leiding. Vindt ge nu goed, dat we de volgende regeling treffen,
die ik met de heeren hier al afgesproken heb?
„Mijnheer Den Bosch zal u les geven in Nederlandsche taal en Wiskunde
en mijnheer Zwart in de vreemde talen. De overige vakken krijg je op de
school wel. Ge ontvangt dan les tegelijk met onze kinderen en die van
de beide heeren. Wat we verder zullen doen, hangt over één of twee
jaren af van uwe keuze. Ge kunt bijvoorbeeld bij de marine komen, bij
de groote vaart, de kleine vaart of misschien machinist worden. Enfin,
dat is van later zorg. Zeg nu maar of ge ’t goed vindt.”—
Hakkelend en stootend gaf de anders zoo vrijmoedige jongen antwoord.
„Ik dank u wel. Ik zal—mijn best doen, burgemeester, mevrouw,” zeide
hij, terwijl hij beiden beurtelings de hand gaf.
„Beste Toon,” zeide mevrouw, met eene van aandoening trillende stem,
„wat hoop ik innig, dat ge gelukkig moogt worden.” En tot Groen: „God
geve het, Thijs.”—„Amen,” zeide deze.
Eenige oogenblikken heerschte eene doodsche stilte in de kamer. Daarop
ging de burgemeester verder.
„De studieboeken, welke ge voorloopig noodig hebt, zijn in dit pak. Ook
zijn er een paar dictionnaires bij en een Nederlandsch woordenboek. De
heeren hier hebben me zoodanige titels van deze opgegeven, dat ge ze
later ook kunt gebruiken. En nu geluk er mee, vent.”—
„Maar nu hebt ge nog geen bewijs van mijne erkentelijkheid, Anton,”
hernam mevrouw, die opstond, uit eene lade een étui te voorschijn
haalde en dit den verlegen jongen ter hand stelde. „Doe het maar open,
vent.”
De jongen deed het. Een prachtig, nieuw, zilveren horloge blonk hem
tegen.
Mevrouw gaf haar dochtertje een wenk. Deze nam insgelijks een doosje
uit dezelfde lade, opende het, en een mooien ketting van het zelfde
metaal hield ze in de hand. „Dit is van mij, Toon. Ik heb het zelf
gekozen,” en zij hing den overbluften jongen den ketting om den hals en
bevestigde er het uurwerk aan.
Hiertegen waren Anton’s zenuwen niet meer bestand. Tranen van
aandoening en dankbaarheid druppelden hem langs de wangen. Zijne
dankbetuigingen waren nauwelijks hoorbaar.
Ook het gemoed van mevrouw schoot vol en Thijs trok met telkens grooter
kracht aan zijne sigaar, om zijne aandoening op deze wijze te
verbergen. Toch kon ook hij de waterlanders niet keeren, die opwelden
in zijne trouwe oogen.
Het geheele gezelschap raakte nog meer onder den indruk, toen de oude
man op stond en met bewogen stem dankte. „Hij is alles, wat ik nog over
heb. Vrouw en kinderen zijn me ontnomen en de jongen is mijn leven,
mijne eenige hoop in de toekomst. Wat gij nu voor me doet, zal u door
God vergolden worden,” zeide de oude man.
Roelof zat al eenigen tijd te wippen op zijn stoel. Nu hij het
geschikte oogenblik gekomen achtte, sprong hij op en riep uit: „Lang
leve de zeelui, hoera voor Thijs en Anton, hiep, hiep, hoera!”
En allen uitten hunne zenuwachtige opgewondenheid in een luid hoera. De
jongelui namen beiden in hun midden en dansten en zongen tot ze buiten
adem waren. Hossend gingen ze met Toon de woonkamer weder binnen, waar
de vreugde voortduurde tot over tienen. Toen gingen allen huiswaarts,
de jongelui blijde en voldaan over het prettige feest, en Toon van de
beste voornemens bezield, om zijne beschermers tot eer te strekken.
DE OVERLAAT WERKT.
Het is druk op het Drongelsche veer. Alle handen reppen zich. Thijs
brengt met zijn kleinzoon de pont in veiligheid, die stevig vast
gesjord wordt, alsof zij den eersten tijd niet gebruikt zal worden. De
anderen bergen alles op, wat zich in de omgeving van het veerhuis
bevindt en zelfs sommige hekken worden van de palen genomen en in de
schuur geborgen.
Er schijnt iets bijzonders op til. Zie maar eens naar het Oude Maasje.
Het water staat hoog tegen den wal. Gelukkig, dat het huis en de stal
hoog en droog op een heuvel staan, anders liepen beiden gewis onder. In
de verte zien we het water reeds over de zomerkade stroomen, eerst
langzaam, vervolgens met meer kracht. Er ontstaat eene geul, spoedig is
het een gat geworden. De brokken land worden meegesleurd en weldra
stroomt het water over het vlakke land. Treedt de rivier dan buiten
hare oevers? Welneen, zoover is het gelukkig niet. Aan beide zijden van
het Oude Maasje liggen, evenals bij de meeste rivieren, lage dijkjes:
de zomerkaden. De dijken zelve liggen verder weg. Aan den Noordkant
loopt de dijk langs het dorp, dat is nog geen 200 M. van het riviertje
af. Aan de andere zijde echter is de dijk slechts even te zien. Geen
wonder trouwens, want die loopt vlak langs Waalwijk, bijna drie
kilometer Zuidwaarts. En zal nu al dat land tusschen die dijken
overstroomen? Zeer zeker. Gister reeds is de polder van Waalwijk onder
geloopen, aan de overzijde van de haven, die deze plaats met het Maasje
verbindt. Reeds vroeg in den morgen was er een Baardwijksche boer over
het veer gekomen met de tijding, dat het water nog steeds wies en dat
de overlaat werkte met eene overstorting van ruim 3 d.M. Het water
overstroomt bij eene middelbare overstorting, zooals nu, van 3 tot 4
d.M., al het land tusschen de beide dijken van het Maasje tot aan de
Kapelsche haven. Wast het water nog meer, dan loopen ook de
buitenpolders onder tot aan den Keizersweg, dat is de straatweg van
Breda naar Gorinchem, die indertijd door Napoleon tot beter vervoer
zijner troepen is aangelegd.
Het is wel te begrijpen, waarom er nu aan het veerhuis zulk eene drukte
en beweging heerschte en welk eene verandering spoedig de omgeving
onderging. Weldra stak het huis en een deel van de werf als een eiland
uit boven den uitgestrekten waterplas van Drongelen tot de Langstraat
en naar Oost en West, zoover men zien kon.
Tegen den middag was alles in veiligheid en Van den Hoven en de zijnen
konden met een gerust gemoed de toekomst afwachten. Zelfs al kwam het
water in huis, dan nog liep het vee in de stallen geen gevaar.
Bovendien was het heele gebouw bij ijsgang voldoende beschermd door
boschjes van zware boomen vóór en achter het huis.
De jeugdige lezers en lezeressen zullen misschien vragen: waar kwam
toch al dat water vandaan?
Ik zal trachten het u duidelijk te maken, maar dan moet ge uw atlas te
voorschijn halen en trouw alles opzoeken, wat ik u opnoem.
In ver vervlogen tijden waren er geene dijken. Als het water in de
rivieren hooger en hooger steeg, trad het weldra buiten hare bedding en
overstroomde het lage land. Daarom woonden reeds de Batavieren en
andere oude bewoners op hoogten of terpen, die men in het land van
Heusden en Altena nog overal aantreft.
De Romeinen waren al begonnen om dijken aan te leggen, doch dat ging
slechts uiterst langzaam en eerst 1200 jaren later werd de linkeroever
van de Maas van een dijk voorzien en wel tot aan de hooge gronden van
Oefelt, een dorpje, dat ruim een uur gaans boven Kuyk ligt. De
rivierloop is echter van hier tot aan de Merwede zoo kronkelend, dat
men terecht vreesde voor overstroomingen bij elken hoogen waterstand.
Daarom werd van Grave tot Kuyk zoo goed als geen dijk aangelegd, zoodat
het water daar vrij over het veld kan stroomen. Zoo is het tot nu toe
gebleven, hoewel er door de vergraving van het Oude Maasje tot een
breeden rivierarm weldra een einde aan gemaakt zal worden. Dan stroomt
het Maaswater langs Geertruidenberg voortaan in de Amer en het
Waalwater door de Merwede. De Maas ontvangt niet meer het overtollige
Waalwater bij fort St. Andries door de Heerenwaardsche Overlaat en dit
water belet bij hoogen stand het Maaswater niet meer de uitloozing bij
Slot Loevestein.
In den tijd, waarvan we nu spreken, was de waterstand in de Maas hoog,
maar in de Waal nog hooger en niet alleen, dat de eerste rivier niet
geregeld in de Merwede kon afvoeren, maar het moest bij genoemd fort
nog een deel van het Waalwater overnemen.
Al dat water van de Maas en soms van de Waal overstroomt dus geheel
Noord-Brabant? Wel neen, dat weet ge wel beter. Deze provincie bestaat
voor een groot deel uit hooge zandgronden, dat kunt ge op uw atlas wel
zien, en daarom overstroomt de Beersche Maas (zoo heet de aldus
gevormde rivier) slechts het lage land langs den linker Maasoever en
het Bossche Veld. Behalve deze laatste uitgestrekte lage landstreek is
de Beersche Maas nergens meer dan een uur gaans breed, want vlak langs
de Maas zijn nog verscheidene ingedijkte stukken land, polders genoemd,
die vrij van water blijven.
Het water van deze nieuwe rivier stroomt echter niet altijd door de
bedding van het oude Maasje naar de Amer. Wanneer dit gebeurt, moet er
reeds een tamelijk groote aanvoer wezen. Eerst stroomt het door sluizen
in de Dieze, als deze het niet meer verzwelgen kunnen, stroomt het over
den Overlaat in den rechter Dieze-dijk, d.i. weder eene verlaging van
een deel van dien dijk.
Het gebeurt echter meermalen, dat de Dommel, de Aa en andere riviertjes
zooveel water in de Dieze afvoeren, dat de Beersche Maas ook hier niet
loozen kan; deze stroomt dus verder, om de wallen van de stad ’s
Hertogenbosch heen, langs de dorpen Vlijmen, Nieuwkuyk en Drunen, die
door een dijk beschermd zijn. Aan de andere zijde bij Kromvoort zijn
het de hooge gronden, die het water tegen houden. Dan komt er van de
Maas bij Bokhoven over een overlaat aldaar vaak nog water binnen, doch
zoodra de peilschaal in de Maas lager stand aanwijst, werkt die
overlaat omgekeerd. Al dat water nu stroomt tusschen twee dijken door
bij Baardwijk in de traverse van het oude Maasje. Maar tusschen die
beide dijken bij Baardwijk is een lage dwarsdijk—een overlaat weder—en
die is 4,12 M. boven Amsterdamsch Peil. Wanneer nu de peilschaal aldaar
meer dan 4,12 M. aanwijst, dan stroomt het water over den
Baardwijkschen Overlaat en het wordt een toestand, zooals we nu te
Drongelen zagen.
Nu begrijpt ge misschien beter, hoe het Oude Maasje soms aan zooveel
water komt. Niet altijd is het echter even hoog. Alleen een enkele keer
echter is het gebeurd, dat het verbazend hoog water was. Dat was o. a.
in het jaar 1799. Niet alleen ontving de Beersche Maas water door de
Beersche en Bokhovensche overlaten en van de riviertjes, die in de
Dieze uitmonden, maar door den onrustbarend grooten aanvoer van
Maaswater, gepaard met ijsverstoppingen in deze rivier, brak de dijk
tusschen Grave en ’s Hertogenbosch op verschillende plaatsen door. Al
dat water kwam er dus bij. De Baardwijksche overlaat werkte toen met
1,20 M. overstorting, de hoogste waterstand, dien men van dezen vindt
opgeteekend. Als we nu weten, dat de Besoyensche polder 0,20 M. boven
A.P. ligt, en genoemde overlaat 4,12 M., dan kunnen we gemakkelijk
berekenen, dat het land tusschen Drongelen en de Langstraat 4,12 M. +
1,20 M. - 0,20 M. = 5,12 M. diep onder water stond.
Er zijn geene huizen, maar indien er een tamelijk burgerhuis met eene
verdieping en een dak had gestaan in dien polder, dan zou er den 18den
Februari 1799 zelfs de schoorsteen niet van te zien zijn geweest.
HOOG WATER.
We zijn in den winter en de Kerstvacantie is aangebroken. De jongens
hebben den zomer en herfst doorgebracht met ijverig studeeren. Goed
voorgaan doet goed volgen, zegt het spreekwoord en dit werd ook hier
weder bewaarheid. De lust en de ijver, waarmede Anton de studie had
aangepakt, oefenden een gunstigen invloed uit op den werklust zijner
kameraads.
De jongens Den Bosch zitten in de school. Ze hebben hun vacantiewerk
verder afgemaakt, ze hebben gekibbeld, een vlieger geplakt en een paar
appels gegeten. Nu geeuwen zij.
Toch is het nog vroeg, tien uur in den morgen. Buiten spelen kunnen ze
niet. Het regent dikop. Toen ze om zeven uur opstonden, regende het al,
het bleef regenen en het regent nog. Dikke droppels vallen van het dak.
Tik, tik, gaat het op de steenen. De goot voert het water over de volle
regenton. Tik tik klinkt het op het open tuimelraam; tik tik in het
schoolportaal door een gebroken dakpan. De jongens turen naar buiten en
vervelen zich. Ze gapen en gapen nog eens. Alleen poes zit bij de
kachel en snort welbehagelijk.
„Kwam er maar iemand. Kwam Anton maar. Hij zou mijn themaboek brengen,
doch wie komt er met zoo’n weêr van Drongelen?”—
„Heeft hij het gezegd,” vraagt Pieter.
„Zeker, hij zou het van morgen terugbrengen. Ik moet mijne Engelsche
vertaling immers nog maken.”—
„Dan komt hij stellig.”—
„Zou je denken?”—
„Stellig, wat Toon belooft, doet hij.”—
Het gesprek is weder uit en de jongens leunen met de ellebogen op een
venster.
Daar wordt gescheld. Ze vliegen overeind.
„’t Zal de post zijn,” zegt Piet, en herneemt zijne vorige houding.
„Zijn de jongens thuis,” klinkt eene stem door den gang. Verheugd
springen deze overeind.
„Hoezee! ’t Is Anton.” De jongens stormen den gang in. Druipnat schudt
de nieuw aangekomene de paraplu buiten uit en slaat de pet af. In
triomf wordt hij de school binnengebracht.
„Ik had je niet verwacht, Toon! Piet wel.”—
„Belofte maakt schuld, niet waar, en eene regenbui is geen reden om
zijn woord te breken.”—
„Hoe is ’t thuis?”—
„Vervelend natuurlijk. ’t Water staat tot aan den drempel van ’t
veerhuis en ’t wast nog voortdurend. De koeien in den stal zijn al op
een vloer van horden, hekken en planken geplaatst en staan hoog genoeg.
We wonen al in de opkamer; die is een voet of anderhalf hooger dan de
herberg.”—
„En wat weet je van den waterstand?”—
„Van morgen hoorden we, dat de peilschaal in Den Bosch 6,10 M. wees en
te Vlijmen 6 M. De dijklegering is ingetreden, dat weet je zeker.”—
„O ja, al van den 16en af. Toen is de burgemeester reeds naar Heusden
vertrokken. Vandaag zou hij even thuis komen voor gemeentezaken, als
het ten minste kan.”—
De heer Van den Oever is heemraad, moet ge weten en toen den 16
December de peilschaal te Heusden 4,70 meter boven A.P. wees, nam het
dijkbestuur volgens reglement zitting. Burgemeester Van den Oever was
te Heusden gestationneerd met nog een heemraad en den dijkgraaf. Het
dijkbestuur, waarvan hier sprake is, had het toezicht over „den Hoogen
Maasdijk van Stad en Lande van Heusden, met den Doeverschen en
Drongelschen Zeedijk.”
„Nu,” vroeg Hendrik verder, „zou er nog gevaar van doorbraak bestaan?
Gister middag hoorden we er bij den smid over spreken.”
„Voorloopig niet. Ten minste, dat meent de baas en die weet van die
zaken veel af.”—
De jongens waren in druk gesprek over het water, toen op eens Roelof
door de schooldeur kwam binnenstormen, de kraag omhoog en de broek
opgestroopt tot half weg de knieën.
„Ga je mee, jongens? Janus moet met den tentwagen naar Heusden om pa te
halen. Moe vraagt of je mee rijdt. Stans blijft thuis, dus er is voor
jouw ook nog een plaatsje, Toon.”
„Hoe laat?”—
„Half 1, direct na ’t eten; wij eten heel vroeg. Ga je ook mee Toon?”—
„Ze weten er thuis niets van. Ik geloof anders wel, dat ik zal mogen;
ik heb niets meer te doen vandaag.”—
„O, dat is niets,” antwoordt Piet. „Straks komt de brievenbesteller en
hij wil wel een briefje meenemen. Daar hoor ik hem al. Ik zal vragen of
hij even wacht. Schrijf maar, hier is pen en papier.”
Sijmen is gaarne bereid de boodschap te doen en allen zijn in de wolken
over het plan. De moeder van Piet en Hendrik zal haar best doen om nog
vóór 12 uur het eten klaar te hebben en Toon is natuurlijk dien middag
haar gast.
Roelof heeft nog eenig nieuws over den waterstand en de jongens zijn
spoedig vol vuur aan ’t redeneeren over de mogelijkheid van doorbraak
en wat ze in dat geval zouden doen.
„We spraken zooeven over het dijkbestuur, Roel! Weet jij ons ook te
zeggen, hoe de leden daarvan benoemd of gekozen worden.”—
„O, ja wel. Luister maar:
„Wat een polderbestuur is, weet je wel. Nu zijn er twee soorten in deze
streek. Er zijn waterschappen, die geene en er zijn er, die wel rivier-
en zeewaterkeerende dijken onder beheer hebben. De besturen van de
binnenpolders—zoo heeten de eersten—hebben alleen te zorgen voor de
behoorlijke in- en uit watering der landerijen en het onderhoud der
polderwegen.
„De andere echter hebben een gewichtiger werkkring. Zij hebben de
verantwoording over de dijken.
„De leden van het dijkbestuur heeten heemraden en worden door de
ingelanden gekozen; dit zijn personen, die bezittingen in den polder
hebben en eene vaste som aan polderbelasting betalen.” Eigenlijk is dit
niet geheel waar, de ingelanden kiezen eene voordracht van 3 personen,
doch na advies van Gedeputeerde Staten wordt door den koning No. 1
gekozen. De voorzitter van dat bestuur heet de dijkgraaf. Dan zijn er
ook nog noodheemraden. Zij worden door het bestuur benoemd, telkens
voor een jaar en zij moeten in tijd van nood de heemraden aflossen en
in alles bijstand verleenen. Voor het geregelde dagelijksche toezicht
is er een opzichter-bode. De stads-architect te Heusden vervult
tegenwoordig die betrekking. Maar met dat al is het half twaalf
geworden.—Roelof zet de kraag weder op, trekt de pet over de ooren en
zet het op een loopen, om niet doornat thuis te komen.
„Tot straks hoor,” roept hij, „je komt maar zoo gauw mogelijk.”
„Het onderhoud der dijken kost nog al wat,” merkt Hendrik op. „Wie zou
dat betalen?”
„Ik denk het Rijk,” antwoordt Piet, „wat jij, Toon?”—„Dat weet ik ook
niet. Misschien het Rijk en de Provincie samen, want er worden van
Rijkswege hier en daar ingenieurs gestationeerd, wanneer de dijken
gevaar loopen. Bovendien moet de voordracht voor een lid van het
dijkbestuur goedgekeurd worden door de Gedeputeerde Staten.”—
De jongens worden weldra geroepen om te komen eten, en als ze het maal
op hebben, verwisselen zij zich vlug van kleeren en begeven zich naar
Vrederust.
Het rijtuig is al ingespannen: Janus de brommer is weder voerman.
Zoodra hij de jongens ziet, laat hij het weder en de modder met rust en
geeft zijne ontevredenheid te kennen over zooveel passagiers. „’t Lijkt
wel eene landverhuizing,—laat ze thuis blijven—veel te zwaar voor ’t
paard,” zijn uitroepen, die hij steeds herhaalt.
Mevrouw vraagt, of Janus wil zorgen voor ’t donker—als ’t kan—terug te
wezen en het rijtuig vertrekt. De regen klettert nog wel tegen de kap,
maar de jongens hebben er nu geen hinder van, zooals des morgens.
Integendeel, ze vinden ’t wel leuk, om met zoo’n weêr in een gesloten
rijtuig te zitten.
„Zou je pa mee komen,” vragen de jongens aan hun kameraad.
„Ik vrees van neen,” is het antwoord. „Moe gelooft het ook niet, want
de berichten worden steeds onrustbarender.”
„Weet je ook Roel, wie de kosten draagt of dragen van het onderhoud der
dijken? Doet dat het Rijk niet?—”
„Zeker niet. Dat doen de ingelanden zelve. Het dijkbestuur trekt zijne
inkomsten van de in zijn kring gelegen waterschappen. Elke polder heeft
zijn vast aantal quota, waarnaar hij heeft bij te dragen.”—
Als de jongens na bijna een uur rijdens langs doorweekte wegen te
Heusden aangekomen zijn, begeven zij zich dadelijk naar het station van
het dijkbestuur. De heer Van den Oever heeft de wacht en is dus
aanwezig. Roelof treedt binnen. Nauwelijks heeft de burgemeester de
stemmen der anderen, die buiten wachten, gehoord, of hij roept ook deze
in de wachtkamer. Roelof vraagt zijn pa of deze nu mee terug rijdt. Dit
is echter onmogelijk. De berichten van gevaar voor doorbraak waren wel
is waar zeer overdreven, maar de toestand was toch van dien aard, dat
niemand zijn post verlaten mocht. Het meeste gevaar dreigde van de
dijken, die de polders van Drunen, Nieuwkuyk, Vlijmen, Hedikhuizen enz.
tegen het water van de Beersche Maas moesten beschermen. De Heidijk van
Drunen tot Vlijmen leverde geen gevaar op. Deze dijk heeft een zeer
flauw hellende buitentalud en eene kruinsbreedte van 5 tot 10 M. Anders
was het met den dijk tusschen Vlijmen en Hedikhuizen. Deze liet
voortdurend veel water door en elken avond brachten de boeren in dien
omtrek hun vee naar de noodstallen op den dijk en op den Konijnenberg.
Er was zelfs afslag van grond waargenomen. De toenemende was van het
water gaf aldaar ernstige reden tot bezorgdheid.
(Spoedig zullen we zien, hoe deskundigen zich kunnen vergissen en hoe
zij het gevaar zagen, waar het niet was.—)
„Ge begrijpt dus wel,” aldus spreekt de heer Van den Oever, „dat ik den
Zondag niet thuis kan doorbrengen, hoe graag ik ook wilde. Dit nu zal
zich voor een keer wel schikken, maar ik zit met de
gemeente-administratie duchtig verlegen. Er is heel wat werk, dat
noodig afdoening vereischt. Hier heb ik weinig tijd en thuis is
niemand, die het doen kan.”—
De lezer en lezeressen moeten weten, dat de heer Van den Oever niet
alleen burgemeester, maar ook secretaris van twee gemeenten was en
bijgevolg geregeld veel administratie had.
„Kan ik U niet helpen, pa? Als U maar zegt waar ik de stukken vinden
kan.”—
„Neen, mijn jongen, dat is het juist. De stukken, en boeken zou ik U
wel kunnen aanwijzen, maar ik kan U van alles niet zeggen, hoe gij moet
invullen, staten opmaken enz. enz. Als ge met de stukken eenige dagen
hier kondet komen en onder mijn toezicht mij helpen, zou het iets
anders wezen. Ik durf U echter niet van huis te halen. Dan zit moeder
immers geheel zonder mannelijke hulp.”—Allen schieten bij dat woord
„mannelijke hulp” in een lach. Het was eene eigenaardigheid van den
ruim 14 jarigen jongen, dat hij zich zoo gaarne voor man liet aanzien,
terwijl de dartele joligheid hem op het gelaat stond te lezen.—
„Neen, het is een gek geval,” hernam de burgemeester ernstig. „Ik weet
er nog geen raad op.”
„Kan ik misschien helpen, mijnheer!” aldus mengde Anton zich beleefd in
het gesprek. „Ik heb eene duidelijke hand van schrijven, mijn
vacantiewerk is af en thuis kunnen ze mij wel eenige dagen missen.”—
„Jongen, dat zou een idee wezen, maar.... neen, dat gaat toch niet.”—
„Als u een briefje meegeeft aan mevrouw, waar alles op staat, wat u
noodig hebt, dan kan ik het meebrengen. Toe, mijnheer, laat ik maar, ik
zou zoo graag iets voor u willen doen, al is het nog zoo weinig.”—
„Weet je, wat we doen zullen, Toon. Ik zal Janus zeggen, dat hij over
Drongelen terug rijdt. Vraag dan even aan grootvader of hij het goed
vindt. Roelof hoort daar wel van u den uitslag en bij goedvinden kunnen
ze thuis morgen alles bij elkaar zoeken. Als ge dan Maandagmorgen naar
Vrederust wilt komen, vindt ge alles gereed en kan Janus u naar hier
brengen. Zorg echter voor een dubbel stel kleeren en enkele paren
kousen. Ik zou u eens mee kunnen nemen naar Vlijmen of Nieuwkuyk en dan
heb je wel verschoongoed noodig.
„Afgesproken dus?”—
„Ja mijnheer, heel graag, er zal niets aan mankeeren.”—
„Goed, ga dan eerst een kop chocolade drinken, en koop er wat lekkers
bij. Hier is een gulden, dien mag je samen opmaken en hoe eerder je me
dan goedendag komt zeggen, hoe beter. Moe is stellig ongerust, als je
in ’t donker terug komt.”—Het duurt geen half uur of de jongens zijn
terug. In dien tijd hebben ze chocolade en elk een paar taartjes
gebruikt, en zijn ze nog even op den dijk geweest om zelve op de
peilschaal de hoogte van het water af te lezen. Spoedig rijden ze weg.
Janus bromt over de drukte, die er over de dijken gemaakt wordt.
„Da’s alle jaar zoo en er komt toch niets van.”
„Je kon je wel eens vergissen, Janus!”
„Wat ben jij een geluksvogel, Toon,” roepen allen uit één mond, als ze
de poort uit zijn. „Ik zou ook wel eens een paar dagen in Heusden
willen doorbrengen,” zegt Piet. „Natuurlijk lekker eten en drinken en
nu en dan eens uit rijden.”
„Had het dan zelf voorgesteld,” antwoordt Toon. „Over eten en rijden
heb ik echter niet gedacht, dat kan ik eerlijk bekennen. Van die
rijtoertjes, zooals ge het gelieft te noemen, stel ik me niets voor,
dan met kaplaarzen aan door de modder baden.
„In ieder geval, het is bepaald en ik doe het graag. Niet voor een
pretje, maar omdat ik niets liever wil, dan den burgemeester van dienst
te wezen.”—
Toon krijgt van zijn grootvader gaarne toestemming. Hij blijft nu thuis
en het rijtuig gaat met zijne kameraads huiswaarts.
„Dag Toon, veel genoegen de volgende week!”—
„Dankje, slaap allen wel. Tot Maandag Roel!”—
„Tot Maandag hoor! Slaap wel.”—
TOON TE HEUSDEN.
Als Toon op Maandagmorgen bij den heer Van den Oever aankomt, heeft
deze reeds schikkingen omtrent logies en voedsel getroffen. De jongen
zal slapen in een kamertje, in de onmiddellijke nabijheid van het
station van het dijkbestuur. Ledikant en toebehooren zijn door een
medelid van het dijkbestuur welwillend verschaft.
Anton werkte ijverig; wat hij deed zal u, zoomin als mij, belang
inboezemen. Het zij ons genoeg te vermelden, dat reeds in één dag, de
gewillige en beleefde jongen zich in de genegenheid mocht verheugen van
allen, die hem bij den heer Van den Oever aantroffen.
Op den avond van den tweeden dag was Anton reeds een goed eind
gevorderd met zijn arbeid. Dit was goed ook, want er zou spoedig van
staten invullen geen sprake meer wezen, ten minste in de eerste weken.
Op den 28sten December bracht een renbode te Heusden het bericht, dat
ten noorden van Nieuwkuyk eene wel in den dijk ontdekt was. Renboden
waren buitengewone boodschappers. Zoodra de dijklegering is ingetreden
loopen van post tot post—zoo onder andere van Heusden op Vlijmen en
omgekeerd—geregeld boden heen en weer. Deze moeten toezien of er ook
ergens gevaar is en tevens aan de verschillende peilschalen den
waterstand opnemen. Die waterstanden worden door de heemraden op een
briefje genoteerd tot waterberichten. Deze worden in blikken bussen
gedaan en door de boden aan de op post zittende heemraden vertoond, die
er ook hunne aanteekeningen bij schrijven. Zoo weet men van oogenblik
tot oogenblik, hoe het langs den dijk gesteld is.—
Het bericht van de wel veroorzaakte te Heusden weinig ontsteltenis. De
dijk was immers sterk genoeg en er werd blijkbaar niet aan gedacht, dat
deze bestond uit zand en „fles,” eene grondstof, die veenachtig is en
bij aanraking met het water spoedig in eene brij veranderd.
Op verzoek van een der heemraden, reed Toon op den bok mede naar
Nieuwkuyk. Behalve den loco-dijkgraaf en een heemraad, bevond zich ook
de heer Bleckman, een ingenieur van den waterstaat, in het rijtuig.
Omringd door tal van personen begon de heer Bleckman zijn onderzoek.
Met stukjes hout bepaalde hij de snelheid van het uit de wel vloeiende
water. Hij mat de diepte, de breedte enz. De wel gaf helder water en er
was bijgevolg geen gevaar. Toch werd het werk van den burgemeester van
Vlijmen voortgezet, om het binnentalud van den dijk te verzwaren.
Den 29sten December kwamen er geruststellende berichten van het
bedreigde punt en er werd bevel gegeven om den arbeid aan den dijk te
staken. De ingenieur zond denzelfden avond nog een telegram aan den
heer Commissaris des Konings, waarin hij meldde, dat de stand der
dijken gunstig was en dat er geen gevaar dreigde.—
Het was in den nacht hierop volgende. Toon sliep zeer onrustig. De
angst en bezorgdheid der bewoners langs den dijk had hem aangegrepen.
Hij droomde de vreeselijkste visioenen van overstrooming en doorbraak.
De heer Van den Oever had de wacht met den dijk-opzichter, den
stads-architect. Op een gegeven oogenblik hoorde Toon den vluggen stap
van twee mannen en daarna geruisch van stemmen. Dadelijk springt hij
het bed uit en is een, twee, drie gekleed. Hij hoort den opzichter een
bericht voorlezen van dezen inhoud: „Heden heb ik vernomen, dat er
gevaar bestaat aan de Peperstraat. Kom dus spoedig over.” De beide
mannen kunnen geene nadere inlichtingen verschaffen; zij zijn niet aan
den dijk geweest. Wel vertellen ze, dat de bevolking zeer onrustig is
en dat verscheidene boeren hun vee in veiligheid brengen.
Onmiddellijk moet de heemraad, de heer Verhoeven, gewekt en een rijtuig
ingespannen worden. „Doe dus vlug ieder een boodschap, mannen, en stuur
me iemand, om den heer Van Bokhoven, den loco-dijkgraaf, te
waarschuwen,” besliste de heer Van den Oever.
„Wien moeten we wekken om naar Herpt te zenden,” vraagt een der mannen.
„Wien, ja wien,” zegt de opzichter. „Wie is er vlug genoeg gereed. Van
jelui kunnen we niets meer vergen.”
„Ik,” klinkt een stem; een deur wordt geopend en Anton treedt binnen.
„Flink zoo,” zegt de heer Van Tuijl, „weet je mijnheer Van Bokhoven te
wonen?”
„Ja mijnheer, ik heb gister nog een boodschap bij hem gedaan.”—
„En durf je door de duisternis de stad uit. Ja? Best, kranig. Geef
mijnheer dan dit briefje en loop zoo vlug je kunt.”—
„Mag ik straks mee rijden, mijnheer? Ik kan misschien de heeren nog van
dienst zijn.”—
„Jawel,” antwoordt de burgemeester hem, „maar trek je duffelsche jas
aan en blijf vooral uit het gevaar.”—
Dit laatste hoort Toon niet meer. Spoedig is hij de straat op, de poort
uit en is hij den weg naar Herpt over gevlogen, in welke plaats hij de
heeren van het Dijkbestuur opwacht.
Betrekkelijk korten tijd later waren de loco-dijkgraaf, de heemraad en
de opzichter in een rijtuig met twee paarden bespannen op weg naar
Nieuwkuyk. Toon zat bij den koetsier op den bok. Onderweg moest een der
heeren, de opzichter, uitstappen, daar hij plotseling ongesteld werd.
Eenigen tijd reden zij verder, toen een eigenaardig geklots tegen den
bok zich deed hooren en weldra ontdekte men, dat het door de
paardenhoeven opspattende water niet van de plassen kwam, maar dat de
weg blank stond.
„Rijden wat je halen kan,” klonk het bevel van binnen en voort ging
het, zoo snel de paarden loopen konden. Het duurde echter niet lang of
een zware boom dreef voor de pooten der dieren, zij sprongen er over,
maar het rijtuig bleef er voor. Andere hindernissen dreven aan en de
heeren met Toon en den koetsier mochten zich gelukkig prijzen in een
nabijgelegen huis opgenomen te kunnen worden. Toen de koetsier en Toon
de paarden uitspanden, stonden deze reeds tot den buik in het water.
De dijk was dus bezweken, er was geen twijfel meer aan.—
Daar zaten ze nu, gevangen op de Haarsteeg, terwijl ze brandden van
verlangen om op de plaats des onheils te zijn. Eerst om 11 uur in den
voormiddag werden zij verlost door een voorbijvarend schuitje. De
heeren spoedden zich verder en Toon met hen. Een van hen moest te
Vlijmen blijven, uitgeput van vermoeienis. De heemraad zette zijn tocht
voort en ontmoette op de plaats van het ongeluk den heer Commissaris
des Konings, die reeds was aangekomen.
DE RAMP VAN NIEUWKUYK. [1]
„De wel, de wel, allemaal zand,” klonk het dof en angstig door de
woning van den noodheemraad Van de Wiel en de hevige slagen op de deur
gaven duidelijk de vrees van den boodschapper en den ernst van het
oogenblik te kennen.
Het is in den nacht van den 29sten op den 30sten December 1880.
In minder dan een oogenblik is de heer Van de Wiel gekleed en stapt hij
met gezwinden pas de deur uit in de richting van de Peperstraat. Het is
stik donker; de storm huilt en met moeite houdt hij zich staande.
Weldra is hij op den straatweg in de richting van de laan van
Onzenoord. Het is omstreeks 2 uur. Eene zwarte gestalte snelt hem
voorbij en roept hem toe, dat er geen oogenblikkelijk gevaar is. Geen
gevaar! Maar wat is dan het geluid, dat zijne ooren treft. Is het de
stormwind, die door de takken giert, of is het ’t geruisch van golven
in de verte. Een suizend geluid doet hem omlaag zien en hem bukken naar
den slootkant. Het water staat tot aan den rand van den weg en vliegt
snel door de takken van struiken en laag houtgewas. Dwars door de
akkers spoedt hij zich verder. De angst slaat hem om het hart en zich
zijne verantwoordelijkheid bewust, haast hij zich zoo snel mogelijk om
het bedreigde punt te bereiken. Op eens stapt de heemraad tot de knieën
in ’t water en in een oogenblik is het tot zijn middel gestegen. Een
donderend geluid van woest rollende golven treft zijne ooren. Loeiend
en brullend stort een ontzagwekkende stroom zich over de landerijen. In
de schier ondoordringbare duisternis ziet hij slechts de lichte koppen
der neerstortende golven.
Een oogenblik staat hij stil, gedachteloos van schrik. Maar plotseling
schiet hem bliksemsnel de gedachte door den geest, dat het onheil
onherroepelijk is geschied, de dijk is bezweken. De dijk is bezweken!
Rauw klinkt de kreet door de lucht en als de torenklok zijne
onheilspellende tonen doet klinken, is weldra heel Nieuwkuyk in de weer
om het veege lijf te redden.
Het geloei van het vee, het angstgeschrei der ongelukkigen, overstemt
den stormwind.
Ontwortelde boomen, hooibergen en houtstapels worden meegesleurd door
den alles vernielenden vloed; huizen storten in, en balken en planken
stooten met donderend geweld tegen waggelende muren.
Enkelen weten zich te redden op den dijk en voeren hun vee voor zich
uit. Anderen kunnen alleen de arme beesten los snijden en de deuren
openen. Velen echter kunnen nauwelijks eigen leven redden en moeten
hunne koeien, paarden en ander vee jammerlijk laten omkomen in de
stallen.
Het was duister in de woning van de weduwe N., maar donkerder nog in
het hart der arme vrouw, toen zij, opgeschrikt door de noodklok, het
bed uitsprong en plassende door het water in allerijl hare vier
kinderen wekte.
De doodschrik sloeg haar om het hart, toen ze het geloei der golven
hoorde, dat ieder oogenblik heviger werd. De beide jongste kinderen nam
ze onder de armen en droeg hen de steile zoldertrap op, de anderen
volgden. Terwijl de oudste jongen voor de kleine kinderen zorgde, liep
zij weder terug om wat kleeren en beddegoed naar boven te sleepen.
Daar werd hevig op de deur geklopt en een geroep: „doe open, om
Godswil, doe open,” trof haar oor. Ze schoof de grendels van de
voordeur en een oude buurman en diens vrouw traden binnen; een golf
water ging hun voor. Met moeite maakten ze gezamenlijk de deur toe en
ijlden, reeds tot de knieën in ’t water, naar den zolder. De vloed
steeg met het oogenblik. Bange uren bracht het zevental door op den
zolder van het kleine boerenhuis. De kinderen waren verkleumd van
koude, onder de meegebrachte dekens en eenige zakken gekropen. De ouden
hurkten angstig bijeen en staarden door het kleine zoldervenster naar
den steeds toenemenden stroom en het hooger en hooger stijgende water.
Woest rolden de golven langs den voorkant van het huis, over tuin en
akker heen. Donkere voorwerpen vlogen pijlsnel voorbij, gedragen door
het schuimende water. Het huis trilde op zijne grondvesten. Boomen en
planken stootten dreunend tegen den waggelenden voormuur. Zwemmende,
half verdronken beesten, brullend in hun doodstrijd, schoten voorbij.
Daar stort eensklaps met donderend geraas de bedreigde muur in het
kokende sop en een eindeloos gezicht van woest rollende golven vertoont
zich grimmig aan de van schrik bestorven ongelukkigen. De kinderen
staren wezenloos door de open ruimte naar het losgebroken element.
Reeds schudt de zoldering, misschien is onder hen de grondslag reeds
ondermijnd. De toestand is hopeloos. Langer te wachten, kan aller
ondergang wezen. Er moet gehandeld worden. De oude man grijpt een bijl,
die gelukkig aanwezig is en met alle kracht slaat hij een gat in den
binnenmuur. Vlugger, vlugger nog klinken de slagen. De muur brokkelt
af. Ze kunnen er door. IJlings vluchten allen op den stalzolder. Langer
talmen is de dood. Het achterhuis met zijn stevige binten kan het
misschien houden tot er hulp daagt. De koeien en het paard in den stal
strijden hun laatsten strijd. Woest klinken hunne jammerkreten den
ongelukkigen in de ooren. Eindelijk zijn de dieren uit hun lijden
verlost. Alles heeft de arme weduwe verloren. Als ze nu hare kinderen
nog maar behouden mag. Nog hooger stijgt de nood. Het water doorweekt
het hooi en spoelt de losse takken weg, waar het is opgestapeld en als
de middag aanbreekt zonder dat hulp genaakt, moeten de rampzaligen een
laatsten toevlucht zoeken op het rieten dak.—
Reeds in den vroegen morgen hebben uit alle omliggende plaatsen, tot
uit Den Bosch, booten met redders zich naar de plaats des onheils
begeven. Wonderen van moed en zelfopoffering zijn verricht. Ook de nood
der weduwe bleef niet onopgemerkt. Maar wie zal hier redden? Er heen
varen is zoo goed als onmogelijk. Enkele booten hebben het getracht,
maar pijlsnel zijn ze langs het waggelende huis heen geschoten. De
stroom is daar op zijn sterkst en en wie recht op het huis zou
aanvaren, kon zeker zijn van zijn ondergang.
Twee schippers waarvan reeds één in de boot zit, zijn op het gespaarde
dijkvak in levendige woordenwisseling.
„Eén moedige varensgezel en we zullen trachten hen te redden.”—
„Onmogelijk,” zegt de andere en moedeloos schudt hij het hoofd. „Daar
kan geen boot zich wagen. Bij God, dat is den dood zoeken.”—
Niemand beantwoordt den kreet van den eersten. Niemand heeft lust om
bijna zeker het leven te verliezen.
Niemand? Geen man, ja, maar toch wel één. Een jongen, een stoere knaap,
wringt zich door de menigte en springt in de boot. „Aan ’t roer of aan
de riemen?” vraagt hij.—Het is Toon.
„Nergens” en een krachtige hand weerhoudt hem. „’t Kan niet, hoe graag
ook ik zou willen.” ’t Is de twijfelaar van zoo even, die hem uit de
boot zet. De jongen laat zich den geheelen toestand uiteen zetten, door
een schipper, die er langs is gevaren. Daarna zet hij ’t op een loopen.
„Hij heeft er genoeg van,” zegt dezelfde varensgezel. „Hij heeft
gelijk, en toch—het spijt me van hem—’t scheen zoo’n echte, flinke
waterrot.”
Toon vlucht echter niet. Integendeel. Hij wist in de nabijheid een
lang, dik touw—een wagen- of kartouw genoemd—te verkrijgen. Met dit op
den rug keert hij terug bij de verbaasde menigte. Het anker van de boot
heeft hij weldra aan het eene eind vastgeknoopt, terwijl zijn plan
vertellende. „Waarachtig, de jongen heeft gelijk,” roepen beide
schippers. „We werpen het anker in den dikken boom, die een 20 pas vóór
het huis staat. Mislukt het, dan hebben we net nog tijd te wenden en
rechts langs de schuur te schieten.” Een kreet van bewondering ontsnapt
aan allen, daar tegenwoordig.
Een oogenblik later steekt de boot van wal.
Slechts een tiental krachtige slagen en het ranke vaartuig is in de
draaiende, vliegende stroom. De boot schiet recht vooruit. Een misgreep
aan het roer zou haar gewis doen omslaan, maar ze wordt bestuurd door
een vaste, bekwame hand, al is het die van een knaap.
Weldra zijn ze op de plaats des verderfs. Terwijl Toon, doodsgevaar
tartende, de broze hulk rakelings langs den stevigen ouden boomstam
stuurt, werpt een der anderen met een behendigen zwaai het anker
tusschen twee zware, evenwijdige takken.
De toeleg is gelukt. Het bootje dobbert op den stroom, door de stevige
lijn gestut in zijn vaart. Het touw wordt gevierd en na eenige
moeilijke oogenblikken ligt het aan de achterzijde van het dak.
In angst en vreeze hebben de ongelukkigen daar de pogingen der redders
aanschouwd. Een zucht van verlichting ontsnapt aan de bange borst, als
allen goed en wel op den bodem van het vaartuig zijn neder gezeten. Het
touw wordt losgelaten en voort gaat het, tusschen drijvende
houtgevaarten, losgerukte boomen en allerlei hindernissen, voorbij
huizen en bouwvallen, door struikgewas en door stroo en hooi.
Eindelijk, na een moeilijken en gevaarvollen tocht, landen allen
behouden aan den Konijnenberg. Het schokkend lichaam der gemartelde
moeder knielt neder bij den jongen redder en overdekt zijne handen met
kussen. De anderen zijn sprakeloos. Liefdevolle handen nemen de
verzorging der geredden over en het moedige drietal verwijdert zich.
Toon laat zich afzetten op den oostelijken dijk, waar hij alleen verder
gaat. De beide schippers schudden hem hartelijk de hand en keeren
daarop terug naar het bedreigde dorp.
Toon durft niet langer te blijven. Reeds begint de avond te vallen en
de weg naar Heusden is ver. Te Vlijmen, aan het station van het
dijkbestuur gekomen, verneemt hij, dat de heeren reeds geruimen tijd
vertrokken zijn. Hij spoedt zich verder langs den drassigen dijk van
Vlijmen naar Hedikhuizen om van daar langs den Maasdijk Heusden te
bereiken. De burgemeester wacht misschien reeds in angstige spanning.
Het was zoo. De heer Van den Oever maakte zich ernstig ongerust over
den knaap. Zijne collega’s wisten niets aangaande hun metgezel in den
nacht mede te deelen. Een van hen had een boot van wal zien steken met
een jongen aan ’t roer. „Dat is hij, dat is hij stellig, Toon is moedig
als een leeuw en zelfopofferend als een held,” riep de burgemeester.
Hij verweet zich zoo slecht voor den knaap te hebben gezorgd en bracht
angstige uren door.
Tegen half 8 in den avond—de aanwezige leden van het dijkbestuur waren
in het station bij elkander om tal van zaken te overleggen—werd er
zacht aan de deur geklopt. Mijnheer Van den Oever springt overeind.
„Gelukkig, ’t is Toon,” roept hij. Eer Anton zich verkleeden ging,
wilde hij even zijn beschermer waarschuwen.
De heeren riepen den verkleumden knaap bij de kachel en terwijl hij
zich te goed deed aan een warm kop koffie en een stevig maal, dat
inmiddels voor hem was gereed gezet, moest hij zijn wedervaren
vertellen. Van de redding zweeg hij. Medelijden, oprechte deelneming,
waren zijne drijfveeren geweest, geen hoop op dank. De ware held waagt
zijn leven voor zijne medemenschen, doch niet voor eene belooning.
Een uur later lag hij in een verkwikkenden slaap en den volgenden
morgen vertrok hij uit Heusden. Eene boot met levensmiddelen zette hem
te Doeveren aan den dijk af en met vlugge schreden liep hij verder
huiswaarts.
HAAST U, REP U.
In den morgen van den beruchten 30sten December doet niets in het
dorpje Eethen vermoeden, dat de bewoners aan den vooravond staan van
een langen en bangen winter.
De jongens Den Bosch zijn reeds vóór half 8 op het aanplakbord wezen
zien, wat waterbericht het bulletin aangeeft. Waterstand te ’s Bosch
6,25 M. boven A.P., Vlijmen 6,15 M. Van Nieuwkuyk nog geen bericht
dus.—Het zou spoedig komen.
Voor het huis van den meester hield deze met eenige buren een praatje
over het onderwerp van den dag. Nieuwsgierig stonden de jongens in den
kring. Verschillende mogelijkheden werden overwogen, toen—omstreeks
kwart over 9—een man te paard in galop over de laan van den
burgemeester naar Vrederust reed. Om half 9 was deze particuliere bode
door den secretaris-penningmeester van het dijkbestuur—burgemeester
„Van den Oever” van Eethen—naar zijne woonplaats gezonden met het
volgende bericht: „Gerucht doorbraak bij Nieuwkuyk. Ik geloof het.
Zekerheid ontbreekt mij.”
Nauwelijks was de mare in het dorp verspreid, of het was overal „haast
u, rep u.” Onmiddellijk gevaar dreigde er niet. Er zouden eenige uren
verloopen, eer het verwoestende element in Eethen zijn sloopingswerk
zou beginnen. De bewoners maakten zich dien kostbaren tijd ten nutte,
om in veiligheid te brengen, wat te bergen was. Overal liepen loeiende
kudden koeien en ander vee; wagens reden door het dorp en de laagst
gelegen huizen werden geheel ontruimd. Velen droegen alles op zolder en
richtten zoo goed en zoo kwaad het ging de naakte ruimte tot
woonvertrek in.
Ook bij den meester waren allen druk in de weer. De beide jongens
sleepten en sjouwden de aardappels uit den kelder met mandjes en
zakken. Boven in eene groote kast nabij den schoorsteen werd alles
opgeborgen: aardappels, de vleesch- en spekkuip, groentepotten en
allerlei provisie, die een huisgezin gewoonlijk buiten voor den winter
opslaat. Vader, moeder en kinderen, allen werkten om het hardst. Toen
de mondvoorraad voldoende in veiligheid gebracht was, kwam de beurt aan
de steenkolen. In de schuur, nabij het huis, lag eene groote
hoeveelheid van die brandstof, gedeeltelijk voor eigen, gedeeltelijk
voor schoolgebruik en beide hoopen minderden gaandeweg. De jongens
wisselden elkander af, de een opscheppen, de andere dragen. In eene
niet gebruikte bedstede achter op den zolder, werden de steenkolen
neergestort. Het ruimen en opbergen gaf weldra zulk eene
aantrekkelijkheid aan de beide knapen, dat ze spoedig het hoogste lied
zongen. Toen vader van zijn werk in huis even achter kwam kijken, vond
hij de jongens zingend en jubelend groote takkenbossen en ander hout
uit de schuur slepende, om alles boven op te stapelen.
„’t Lijkt wel of jelui er een feest van maken,” roept hij.
„Welnu, pa, hebt u dan wel eens een watersnood gezien,” roepen beiden.
„Wanneer zou ’t water hier zijn?”
„Voor eerst nog niet, hoor, levenmakers. Ik ga weer naar moe. Werk je
niet te veel in ’t zweet en denk om bijl, hamer, zaag, nijptang enz.”—
„O ja, pa. We brengen alles boven, wat we denken, dat gebruikt kan
worden en de konijnen ook.”—
„Ben je mal, jongens, die stinkende dieren.”—
„Moeten die dan verdrinken, pa?”—
„Wel neen, laat ze los. Om de kerk ligt hooi en koren in overvloed,
daar zullen ze met de kippen hun weg wel vinden.”—
„Waar is Annie toch, pa?”—
„Wel, drommels, die zouden we geheel vergeten. Piet, loop vlug naar den
Kleiberg. Even vóór de tijding kwam, is ze door de meid van de familie
Van der Wal gehaald.”—
Piet vliegt heen of het water hem op de hielen zit. Gelukkig voor boer
Van der Wal, dat Piet kwam. Op de eenzame boerderij hadden de bewoners
nog niets van het gerucht vernomen en ijlings begonnen ze ook hier have
en vee in veiligheid te brengen. De klok had nog niet geluid. De
officiëele tijding was nog niet gekomen. Eerst geruimen tijd daarna
verkondigde het bom-bam der torenklok, dat geen twijfel mogelijk was.
Bij geene enkele gelegenheid mocht de klok in die dagen anders luiden
dan bij doorbraak, zoodat nu allen waren gewaarschuwd.
Toen Piet weder thuiskwam, was alles opgeruimd.
De kerk staat te Eethen op een heuvel, tegen welks helling ook school
en schoolhuis gebouwd zijn. Dat het water in de kerk komen zou, was zoo
goed als onmogelijk; ook de woning van den meester, hoewel aanmerkelijk
lager staande, leverde geen direct gevaar op voor de bewoners. Een
vreemd schouwspel bood de omgeving van de kerk aan. Op de speelplaats
stonden groote hoeveelheden ongedorscht koren, hooi en strooi. In het
z.g. koor—eene groote bergplaats, een deel van de oude kerk—waren meer
dan vijftig koeien gestald. Het was er een af- en aandragen, een rijden
en sjouwen, als bij eene groote verhuizing.
Bij den meester werd in plaats van middageten koffie en brood met
vleesch gebruikt. Daarna vlogen de jongens weder de deur uit, vol
verlangen naar de dingen, die komen zouden. „’t Is, of ze er een feest
van maken,” had vader dien morgen gezegd en het leek er werkelijk veel
op. Onbezorgd en niet denkende aan de rampen en onheilen, die uit den
watersnood zouden voortvloeien, aan ongelukken, die reeds geschied
waren, stelden de knapen zich allerlei pret en eene aangename
afwisseling van de overstrooming voor. Indien ze echter dachten overal
vrij rond te kunnen loopen, hadden ze het mis. „Bij huis of bij vader
blijven,” luidde het strenge bevel. Gelukkig, dat ook deze nieuwsgierig
was en aldus liepen ze in den namiddag gezamenlijk den weg op ten
Oosten van het dorp. De slooten waren reeds tot den rand gevuld en
pijlsnel vloot het water onder de bruggen door. Toen ook de landerijen
overstroomden, kwam al het gedierte des velds voor het water uit en
beklom de nog droog liggende wegen. Ratten, muizen, mollen en hazen
kwamen bij tien- en honderdtallen aanzetten. Wezels en zelfs bunzings
trof men onder de vluchtende dieren aan, die allerwege een goed
heenkomen zochten. Een paar jongens stortten zich op een haas. Het dier
ontsnapte, doch de knapen spartelden kopje onder in de sloot. Met een
haak werden ze aan wal getrokken. In de verte liepen Roelof en Stans,
maar daar ook deze hetzelfde consigne hadden als Piet en Hendrik,
moesten de jongelui zich het genoegen van elkanders gezelschap
ontzeggen.
De weg liep reeds onder. Als de branding der zee kwamen de golven
aanrollen over het veld. Steeds meer dieren zwommen en renden voor den
vloed uit. Vader ging naar huis en noode volgden hem zijne zoons.
De avond begon reeds te vallen en het water rees zienderoog. Mannen met
hooge laarzen plasten voorbij het huis.
De weg naar de kerk stond reeds blank, toen de meester met zijne zoons
omstreeks 6 uur aldaar een kijkje gingen nemen, en een pad zochten
langs den muur van het kerkhof.
Het geloop en gedraaf der gelaarsden ging voort, paarden voor karren
met voer plasten door het nat. Het geheel werd door lantaarns hier en
ginds fantastisch verlicht.
Het inwendige van het bedehuis leverde een eigenaardig schouwspel op.
Een paard stond vastgebonden aan den voorzangerslessenaar; rustig vrat
het dier hooi en was er volkomen op zijn gemak. Kalvers lagen in de
banken en het geblaat van schapen klonk door het kerkruim. En de
jongens.... Ze schaterden het uit, zoodra ze weer iets nieuws
ontdekten. Het was voor hen een onvergetelijke dag.
Den volgenden morgen waren ze reeds vroeg uit de veeren. Uit het
zolderraam keken ze over de wijde watervlakte. Tuinen en boomgaarden,
veld en weiden, alles was water, zoover ze konden zien. Met een gevoel
van ontevredenheid echter bemerkten zij, dat moeder rustig in de
woonkamer het ontbijt gereed zette. Het water kwam nauwelijks tot aan
de stoep voor de deur, terwijl het bij andere huizen tot aan het dak
reikte.
Liever hadden ze gezien, dat ook zij in de bovenkamer en op zolder
moesten bivakkeeren.
In een oogenblik had ieder zijne boterhammen genuttigd en waren ze
buiten. Van wegloopen was geen sprake meer. De kerkhoven aan
weerszijden der kerk en de speelplaats vormden een eiland, vol leven en
bedrijvigheid. Bootjes voeren af en aan, boerenarbeiders verzorgden met
hunne bazen het vee. De koeien werden gemolken. De post kwam weldra
aan, kortom het was voor de jongelui eene eindelooze afwisseling. Ook
kwam er ieder oogenblik bezoek. Heeren kwamen om hun vader te spreken
over eene commissie van bedeeling en nieuwsgierigen voeren op vlotten
en in voerbakken naar het eiland, dat het middelpunt vormde van het
dorp en weldra het eiland heette.
TOON TE EETHEN.
De voorspelling van een oude van dagen was bewaarheid geworden. Het
wassende water bereikte den dorpel van het schoolhuis, maar kwam niet
binnen. Het bleek veel hooger te staan, dan iedereen dacht; op korten
afstand stond een huisje, oogenschijnlijk weinig lager gebouwd, bijna
tot den nok in ’t water.
De voorkamer van den heer Den Bosch had veel van een winkel. Er stonden
balen met rijst, gort, meel, kistjes met suiker en busjes met koffie.
Wel 200 brooden lagen opgestapeld naast kazen en zijden spek. Tonnen
met erwten en boonen vonden een plaats naast vaatjes margarine, wollen
dekens en omslagdoeken. De meest verschillende zaken stonden en lagen
hier broederlijk naast elkaar. Eene geïmproviseerde toonbank was
opgeslagen en daarop stonden maten en gewichten.
Deze kamer was het terrein van werkzaamheid van de commissie van
bedeeling, bestaande uit den heer Den Bosch met nog 2 heeren. Hier werd
elken morgen gratis voedsel verstrekt aan allen, die het behoefden en
dat waren er velen.
Om tot goed begrip van de werkzaamheid dezer commissie te komen is het
noodig, dat we ons nog eenige oogenblikken naar Heusden verplaatsen.
Nauwelijks was de doorbraak van den Heidijk in Heusden bekend of de
ijverige burgemeester van deze plaats, gesteund door vele weldenkende
ingezetenen, zon op middelen om den nood te lenigen. Duizenden menschen
waren dien dag broodeloos geworden en om nu allerwege in de geteisterde
gewesten, voedsel, kleeding en brandstof te verschaffen, werd onder
voorzitterschap van genoemden heer Honcoop eene commissie van 20 leden
gevormd, waaraan later wegens groote verdienste nog zes leden werden
toegevoegd. Van Z. E. den minister van Oorlog werd de vrije beschikking
verkregen over de ledigstaande rijksgebouwen. Reeds direct wendde het
ijverige comité pogingen aan om den nood te lenigen en trad inmiddels
in overleg met de Algemeene Watersnoodcommissie te Amsterdam en die te
’s Hertogenbosch.
Voor de bedeeling in de verschillende plaatsen zelve, werden
subcomité’s benoemd, waarvan de respectieve burgemeesters ambtshalve
voorzitter waren. Ook de heer Van den Oever was aldus president van de
commissie te Eethen, maar door zijne betrekking als heemraad moest hij
aan zijne 3 medeleden den arbeid overlaten.
De Districts-Commissie te Heusden, die weldra van alle zijden krachtig
gesteund werd, had de zorg over 17 dorpen, de Algemeene Commissie te ’s
Hertogenbosch voorzag de plaatsen Vlijmen en Nieuwkuyk van het noodige
en aan de inmiddels op den 3den Januari 1881 opgerichte
Districts-Commissie te Werkendam werden de overige plaatsen in het
benedenland toevertrouwd. Het comité te Heusden alleen had op den 6den
Januari volgens de opgaven te zorgen voor ongeveer 5000 personen,
waarvan te Eethen 130.
We zullen ons verder niet bezig houden met de blijken van
edelmoedigheid en menschlievendheid, door de geteisterde landstreek
ontvangen uit alle oorden van ons vaderland, hoe zeer ook ons hart
klopt van vreugde bij de gedachte, dat in Nederland mannen en vrouwen
met oprecht medegevoel, nog overvloedig te vinden zijn. Liever nemen
wij den draad van ons verhaal weder op.
De commissie kweet zich ijverig van hare taak. Dagelijks werden groote
hoeveelheden van allerlei voedsel afgewogen en uitgedeeld; oude
menschen, zieken en kleine kinderen ontvingen bovendien ook suiker,
beschuit, chocolade, koffie en andere luxe-artikelen, die de gezonden
natuurlijk niet kregen. Daarenboven werden wollen kleederen, dekens en
brandstoffen voldoende verschaft, zoodat niemand—in Eethen
tenminste—gebrek en koude behoefde te lijden.
„En dan waren al die menschen zeker in de wolken van vreugde en
dankbaarheid,” zult ge vragen.
Waarde lezers en lezeressen, daar spreek ik liever niet van. Alleen wil
ik u doen opmerken, dat iedere goede daad, die met het oog op dank
verricht wordt, feitelijk geene edelmoedigheid meer is, maar winstbejag
wordt. Bovendien raad ik u allen aan, als ge wilt wel doen, om niet te
rekenen op den dank der menschen, want ge zult wreed teleurgesteld
worden. „Doe wel,” maar, „zie niet om.”—
Al de goederen nu, werden uit Heusden aangevoerd met de boot, die ter
beschikking der commissie gesteld en met twee ervaren schippers bemand
was.
En wie denkt ge, was een van deze?
Thijs! Thijs van ’t Veer.
Ge kunt nagaan, hoe verheugd de jongens waren, toen ze zoo dagelijks
hun ouden vriend in hunne nabijheid hadden. Nog grooter echter werd
hunne blijdschap, toen op den vierden morgen ook Toon met eene boot uit
Drongelen meekwam om bij grootvader in de consistoriekamer zijn intrek
te nemen.
Toen Toon er was, kwam de ware pret eerst aan. Toon wist altijd iets
nieuws en... met Toon kregen ze zelfs toestemming tot varen. Met Toon
zouden zij geen ongeluk krijgen. Dit ging echter niet op. Nog
dienzelfden dag zouden de jongens turven gaan visschen, die in den
kelder ronddreven. Deze waren tegen de muren opgestapeld geweest om de
aardappels tegen den vorst te beschutten. Een paar oude deuren, die het
hok hadden gevormd, dreven eveneens rond en dienden den jongens voor
vlot. Met de grootste pret haalden zij achtereenvolgens alle turven op
het droge. Door hunne drukte en beweging kantelde echter het vaartuig
en allen lagen kopje onder. Met veel moeite wist Piet zich tegen de
steenen trap op te werken, waar hij vervolgens met een drooglat uit de
keuken de anderen meer dood dan levend naar boven haalde. Uit was nu de
pret. Moeder kwam op de kreten haastig aanloopen en stuurde hare zoons
naar bed. Anton ontving deze straf niet, zijn grootvader was met de
heeren naar Heusden, maar hij verveelde zich het verdere van den dag
deerlijk.
DE PASTORIE.
Zoolang het weder goed bleef en dat duurde tot den avond van den 7den
Januari, was er op het eiland—voor de jongens wel te verstaan—eene
gezellige afwisseling. Roelof bracht er met goedkeuren zijner moeder
langdurige bezoeken en mocht zelfs eens een heelen avond blijven.
De jongens dwaalden in en om de kerk, keken uit naar de booten, die bij
de speelplaats eene geschikte aanlegplaats vonden en vischten allerlei
hout op, dat aan de andere zijde van de school door den tuin kwam
aandrijven en door eene haag bij het bleekveld gestuit werd.
Verschillende voorwerpen voerde de stroom daarheen.
Bij de bedeeling waren ze steeds tegenwoordig en ze verleenden vaak
hulp bij het wegen en het meten. Eene groote vreugde was het uitpakken
van de kisten en tonnen met kleedingstukken. Wat daar uit te voorschijn
kwam, is moeilijk te beschrijven. Het is wel te begrijpen, dat bij den
overstelpenden arbeid van de allerwege opgerichte
Watersnood-Commissies, van sorteeren geen sprake kon zijn. De
kleedingstukken en velerlei goederen, die alom in den lande werden
ingezameld, schenen wel in groote bakken of kisten te zijn opgehaald
langs de huizen om daarna voor den voet op ingepakt en weggezonden te
worden. Het is me later gebleken, dat dit op verscheidene plaatsen
werkelijk het geval is geweest.
Hoe het zij, genoemde goederen waren eene bron van pret voor de jongens
en ook voor Stans, die een enkelen keer kleine Anna een bezoek bracht.
Wat vermakelijks er in die uitpakking gelegen was, zal ik u zeggen, of
liever, ik zal u opnoemen, wat er uit de kisten te voorschijn kwam:
witte overhemden naast wollen dassen, warme jekkers en witte
doopjurken, bouffanten en kanten sjaals, geborduurde kinderslabbetjes
naast moffen en kousen, wollen dekens tusschen baljapons en
wandelcostuums, half versleten tafelkleeden bij nieuwe dikke
overjassen, lichte dameshoeden en ruige petten met oorlappen, broeken
en katoenen clowns hansoppen, en zoo verder. Er is geen gekker
mengelmoes van wollen, linnen en katoenen goederen bijeen te denken,
dan er uit die kisten vaak te voorschijn kwam. Eens zelfs werd tot
algemeene hilariteit een compleet hansworstenpakje, tot de muts met
belletjes toe, uit den chaos te voorschijn gehaald, waarmede, om de
vreugde ten top te brengen, Hendrik allerpotsierlijkst werd uitgedost.
In triomf werd hij door zijne kameraads naar buiten en naar de pastorie
gebracht en den geheelen dag bleef hij er mee rondloopen.
Wanneer misschien een der gevers uit dien tijd mij een verwijt wil
maken over het den draak steken met de voorwerpen van liefde en
weldadigheid, dan moet ik er mij mede verontschuldigen, dat het toch
werkelijk zoo echt grappig was.
We zullen de jongens volgen naar de pastorie.
Ze willen dus den predikant wat opvroolijken in zijne eenzaamheid? Dat
zeker niet, want door den dood van dominee, een paar jaar geleden, is
de gemeente zonder herder. Toch is het groote heerenhuis bewoond,
bevolkt, mocht ik liever zeggen. Tusschen de kerk en de pastorie is
slechts eene ruimte van nog geen 50 meters, waarvan slechts de helft
onder water staat. Tusschen deze beide gebouwen of beter, tusschen
beide eilanden wordt een gratis veerdienst onderhouden met twee aan
elkaar gespijkerde voerbakken. Oud en jong, ieder is op zijne beurt
schipper, al naar de gelegenheid zich voor doet. De bakken zijn publiek
eigendom en een der vele middelen van vervoer door de dorpelingen in
gebruik, om heen en weer te varen en elkander bij goed weder een bezoek
te brengen.
„Hei—daar, o—ver”, roepen de jongens met luide stem en weldra zijn een
paar knapen uit de pastorie, gewapend met droogstokken, in het
vaartuig, om de welkome gasten over te halen. Eerst gaat het door de
achterdeur naar de groote keuken, waar de vroegere baker der 3
Eethensche jongens, haar man, zoon en dochter, het uitschateren van
lachen bij het zien van Hendrik.
„’t Is een Indiaan,” roept de een; „welneen, hij komt van Carré,” roept
een ander.
Hendrik schudt het hoofd heen en weer, dat de belletjes rinkelen. In
triomf wordt hij in de aangrenzende kamer gevoerd, het voormalige
studeervertrek van den ouden predikant en nu het verblijf van den
dorpsbarbier, tevens daglooner, doch alleen, wat zijne eerste
betrekking aangaat, in functie. De stoet groeit aan en gaat verder,
begroet en achtervolgd door een aanhoudend gelach. In elk der zes
benedenvertrekken woont een huisgezin en in bijna elk gezin zijn
kinderen. Het heele gebouw davert van toejuichingen. Aangemoedigd door
het succes, put Hein zich uit in grappen en grimassen. De tocht gaat
verder, de breede trap op en de algemeene slaapzaal binnen, dat is de
uitgestrekte afgeschoten zolder van het hoofdgebouw. Hier vinden
kinderen en jongelui hun beddeke op den vloer gespreid. Twee rijen, één
en twee persoons matrassen liggen met een gang in ’t midden, over de
ruimte en bijna 20 personen slapen er ’s nachts. Echtparen met
zuigelingen hebben de bovenkamers in gebruik genomen en jonge meisjes
slapen op de vliering. Het groote gebouw lijkt wel eene volksplanting,
waar, naast meer dan 35 personen, nog honden, katten, duiven,
kanarievogels een onderkomen hebben gevonden. Dag aan dag is het er
kermis; buurvrouwen hebben ruzie over hunne kinderen en razen en
schelden nog als het twistende kroost reeds lang vredig en wel hun spel
hervat heeft. Wanneer de ouders weder verzoend zijn en elkander
bebabbelen, krijgen de kinderen het opnieuw te kwaad en zoo komen zij
allen den tijd door. Werken doet haast niemand. Als het niet was om een
onsje koffie of een pakje tabak te verdienen, vrouw noch man zou eene
hand uitsteken.—
DE VERJAARDAG.
In den tijd, toen we als kleine jongens bij onzen ouden dominée vragen
opzegden, hadden we weinig kunnen denken, eens in hetzelfde lokaal
zooveel genoegen te zullen smaken met Thijs Groen als gastheer. De kale
consistoriekamer met koude, witte muren en met ramen, uitziende op het
kerkhof, was voor ons doorloopend het allergezelligste oord, wanneer we
zuidwester en oliejas aan den wand zagen hangen en den ouden matroos
bezig vonden om bij de kachel zijn vetleeren laarzen onder ’t smeer te
zetten. Deze werkzaamheid, met de grootste zorg verricht, bracht den
gemoedelijken veerschipper steeds in eene aangename stemming en we
konden dan ook vast op eene anecdote of korte vertelling rekenen, die
hij bij andere bezigheden nooit ten beste geven wou. Reeds vroeg in den
morgen van den verjaardag van den schipper waren we met Roelof en Stans
bijeen om onzen ouden vriend met een klein geschenk bestaande uit een
kistje sigaren en eene houten tabakspijp te vereeren. Stans deed op
eene allerliefste manier het woord en gaf hem na de overreiking van ons
gezamenlijk cadeau namens hare ouders eene zilveren tabaksdoos.—
Thijs was zeer gevoelig voor de blijken van toegenegenheid en beloofde
zijn best te zullen doen, allen een aangenamen middag te verschaffen.
Allen moesten om drie uur bij hem komen theedrinken en als ze mochten
van hunne ouders ook den avond bij hem doorbrengen. Nu echter kon hij
de jongelui niet langer hebben. De andere schipper zou direct komen en
dan moesten ze nog even voor de heeren met de boot uit.
Prettig gestemd verlieten de jongelui het vertrek en scharrelden
tusschen de koeien door om op het eiland eenige afleiding te zoeken.
Niets beters te doen wetende, vroegen ze in de voorkamer van het
schoolhuis te mogen komen, waar de commissie uitdeeling hield. Toen ze
binnentraden was juist Rooie Dirk aan de beurt.
Dirk Oudkoop, in de wandeling Rooie Dirk genoemd, was een opgeschoten
jongen van 16 of 17 jaar. Hij was de eenige zoon van het vrouwtje, dat
we hebben leeren kennen op weg naar Heusden, toen de jongens haar op
den bolderwagen lieten mede rijden.
Dirk had een ongunstig uiterlijk en was innerlijk niet veel beter.
Wegens slecht oppassen, luiheid en kleine diefstallen, was hij bij den
burgemeester als daglooner weggejaagd. De jongens mochten hem nooit
graag lijden en na de ontdekking van den eieren- en appelendiefstal was
de verhouding er niet op verbeterd.
Met zijne moeder woonde hij aan het andere eind van het dorp op den
zolder van hun huis, vanwaar hij elken morgen op een vlot naar het
eiland kwam om zijn rantsoen te halen. Veel vrienden had hij daar niet,
dat weten we reeds. Bovendien had hij veel ontzag voor den meester,
zoodat hij zich liever niet ophield in de omgeving van het schoolhuis.
Beter beviel het hem in de herberg nabij zijn moeders huis, waar hij de
spaarduiten der arme vrouw opmaakte, die haar eenigen zoon niets kon
weigeren.
Of hij dan niets om het oude mensch gaf? Jawel, zeker, dat ondervonden
we reeds vroeger. De goede ziel was onuitputtelijk in lof over haar
„goeden” jongen en blind voor zijne ondeugden. Hij, van zijn kant, was
zeer gehecht aan zijne moeder, maar had haar op zijne wijze lief. Al
vroeg had hij geleerd, en dit was waarlijk zijne schuld niet, dat zijne
moeder voor hem en niet hij voor zijne moeder was.
Bewees hij haar een dienst, dan was het eene gunst.
„Heb je nog iets,” vroeg de meester den wachtenden jongen.
„Ja meester, mag ik alsjeblieft wat suiker en koffie, want moeder is
ziek en ze heeft er zoo’n trek in.”
Ge moet weten, dat overal de zieke menschen uit den grond verrezen.
Geen wonder, door het water en de natte huizen, niet waar! Nu ja, er
waren vele zieken, maar meer nog waren er, die zich ziek hielden, om op
die manier zich iets extra’s te verschaffen. Dirk stond bekend als de
grootste leugenaar, die op twee beenen rondliep, en geen der drie
heeren kwam het in de gedachten, deze artikelen aan Dirk te
verschaffen. Een oogenblik liet deze, half ter neer geslagen, half
beschaamd, daar zijne woorden niet geloofd werden, het hoofd hangen.
Spoedig echter, met een vloek tusschen de tanden, verwijderde hij
zich.—
We zullen ons niet bezighouden, hoe Thijs zijne gasten dien middag
trakteerde op thee en beschuiten met boter en suiker, maar liever met
hen luisteren naar wat de oude matroos eerst in het rustige middaguur
hun en daarna verder in den avond aan de steeds aangroeiende bezoekers
vertelde. We geven dus verder het woord aan Thijs.
—„Ik ken geen schooner en eervoller beroep dan dat van zeeman, maar ook
geen moeilijker.
„Nauwelijks heeft men voet aan boord gezet, of men begint te begrijpen,
dat het leven daar heel iets anders is dan thuis bij moeders pappot;
doch ook, men begint reeds het zelfde oogenblik zijn schip en de zee
lief te hebben.
„De scheepsjongen, die voor het eerst het dek betreedt, wordt
gewoonlijk met heel weinig liefde ontvangen. Niet alleen is hij weinig
in tel, maar de zeeman moet eerst zien, wat er in hem zit, eer hij
eenige blijken van toegenegenheid zal geven, waar hij toch al karig
genoeg mee is.
„Te Nieuwediep kwam ik voor ’t eerst aan boord van een
Oost-Indiëvaarder.
„Den kapitein zag ik eerst den volgenden dag. De 1e stuurman ontving
me, al was het niet heel deftig. Hij vroeg mijn naam en vertelde me
daarop, dat het schip, de Zeemeeuw, voortaan mijne heele wereld zou
zijn, waar ik hard moest werken, maar niet het minste te zeggen had. Ik
moest vliegen op elk commando en moest nu maar gauw naar den drommel
loopen, dat wil zeggen, naar het logies. Scheepsjongen te zijn is een
hondenbaantje. Je wordt gecommandeerd door iedereen, van den bootsman
af tot den minsten lichtmatroos toe. Is de kapitein uit zijn humeur,
dan moeten de scheepsjongens het ontgelden. Niet onmiddellijk
natuurlijk, maar trapje voor trapje omlaag. Door de matrozen wordt je
uitgescholden bij het minste vergrijp en als een matroos zelf iets
onaangenaams van zijn meerdere ondervindt, moet de jongen, die hem het
eerst tegen komt, er meestal voor opdraaien. Hoeveel scheldwoorden,
stompen en slagen mijn deel geweest zijn, zal ik maar niet vertellen;
dat is nu eenmaal met iederen jongen het geval. De zeelui beschouwden
dat, ten minste in mijn tijd, als een noodzakelijk deel van onze
opvoeding.
„Hoewel ik meer dan eens in een hoekje heete tranen gestort heb, als ik
terug dacht aan ons vriendelijk, armoedig huisje in ’t duin, kon ik me
er vrij spoedig in schikken. Thuis was ik niet veel gewend, liefde had
moeder wel voor ons jongens, maar eten gewoonlijk niet. Mijn vader was
als visscher verdronken, toen ik nog geen tien jaren oud was. Wat ik
echter steeds van mijn jongenstijd aan boord heb overgehouden, is dit
geweest, dat ik later als matroos nooit een scheepsjongen noodeloos
verdriet aangedaan heb.
„Erger was het lot der jongens, die uit den beschaafden stand kwamen,
te meer nog, daar verscheidene matrozen zich er een feest van maakten,
om hen dubbel te plagen. Het waren de adspirant-officieren op een
koopvaardijschip en als zoodanig moesten die belhamels van matrozen
zich nu al wreken over wat de jongens, eenmaal zelf superieur, hun en
hunnen kameraden zouden aandoen.
„Van een dergelijken jongen wil ik u een en ander vertellen.
„Ik was reeds vol matroos, toen Eduard aan boord kwam. We hadden met de
Antilope eene lading stukgoederen ingenomen, bestemd voor Batavia, toen
hij, een dag voor de uitreis, aan boord kwam. Zijn vader bracht hem. Al
dadelijk merkten we aan hem en aan zijn oude, dat hij uit eene heele
andere omgeving kwam, dan allen, die op het voordek hun verblijf
hadden. Hij had eene beschaafde uitspraak, nette manieren en was
drommels geleerd. Lezen, schrijven, rekenen, brieven opstellen, van
alles kon ons heertje en menigeen van ons is hij van dienst geweest,
als wij met onze kromme vingers geen letter op papier konden krijgen.
Toch was hij geen verwende fat. Ik zie hem nog voor me met zijne open,
heldere oogen, flinke, eenigszins breede gestalte en kalme, soms
brutaal uittartende houding. In weinige dagen was hij aller vriend
geworden en wel vooral door het volgende feit:
„Pas enkele dagen waren we onder zeil, toen Jim, een Engelschman van
geboorte en een goed, doch zeer ruw matroos, den reeds meermalen
geplaagden scheepsjongen toevoegde.
„„Laat eens zien of je de zeemansvloeken al kent, fijne meneer.”—
„De jongen keek hem brutaal aan en zei: „Die zal jij me nooit leeren.”
„„Pats,” klonk het en Jim gaf hem onder de hevigste verwenschingen een
klap tegen ’t aangezicht, dat mond en neus in een oogenblik een
driedubbelen omvang kregen. Bloedend en half bewusteloos bleef hij
liggen. Toen we hem ophelpen wilden, rees hij zelf overeind, duwde ons
op zijde en waschte zonder iets te zeggen het bloed weg.
„Nu wil het ongeluk, dat juist de kapitein eene inspectiereis op ’t
voordek maakte en den jongen in ’t oog kreeg.
„„Wat is er met jouw gebeurd, jongen?”—
„„Gevallen mijnheer,” zei hij en dat was immers zoo.
„„Hoe kwam dat?”—
„„Weet ik niet mijnheer.”—
„„Wat, satansche jongen, weet jij dat niet?”—
„„Neen mijnheer!”—
„Op nog een paar dergelijke vragen van den ouwe, gaf hij hetzelfde
antwoord.
„Wij hoorden alles aan en toen de kapitein weg was, gaf de ruwe Jim hem
eene hand met de woorden: „Je bent een flinke kerel; jammer, dat je de
zeemanstaal niet kent.” „Jammer, dat jij ze wel kent,” was het antwoord
en daarmede was de vriendschap gesloten.
„Eén was er echter aan boord, die Eduard maar niet mocht lijden. Dat
was de 2de stuurman, ook een goed zeeman, maar iemand met een laag
karakter. Daarbij kwam, dat hij gaarne voor een heer doorging. Hij was
van afkomst ook een visschersjongen en langzamerhand stuurman geworden.
Bij het volk was hij niet in tel en bij de passagiers evenmin; die
schenen hem er nog al eens tusschen te nemen, maar daar merkten wij
matrozen natuurlijk weinig van. Van Eduard kon hij maar niet verdragen,
dat deze hem, tot groot vermaak der andere officieren en der
passagiers, zonder eenige vrees en steeds met dezelfde koude
beleefdheid te woord stond.
„Een zekeren keer riep hij hem bij zich.
„„Scheepsjongen Eduard, kom hier.”—
„„Present mijnheer.”—
„„Maak dat bindsel eens vast in het boven-bramrazeil.”—
„Eduard zei niets, salueerde en klom niet te vlug en niet te langzaam
naar boven.
„„Nog iets mijnheer?” en weer salueerde hij.
„De stuurman gaf hem achtereenvolgens eenige steeds moeilijker op te
volgen bevelen, die echter met dezelfde kalmte vervuld werden, zonder
dat iemand der aanwezigen slechts den minsten weerzin konden bemerken
in het gedrag van den jongen. De stuurman moest dus eindelijk zijne
klaarblijkelijke plagerijen staken, die op den jongen geen vat schenen
te hebben, tot zijne verbeten woede, maar tot stille hilariteit van den
bootsman, den opperstuurman en twee passagiers, die er bij tegenwoordig
waren. Hij beet hem toe: „Ruk nu maar op.”
„„Dank u, mijnheer,” salueerde en ging regelrecht naar het logies, waar
hij stikkend van lachen ons zijn wedervaren verhaalde. Zoo werd hij
door dezen op alle manieren geplaagd en Eduard betaalde hem zeer
onderdanig met dezelfde munt.
„Dienzelfden jongen heb ik nog gekend als kapitein.
„Na een paar reizen had ik hem uit het oog verloren en niet meer
ontmoet, toen ik op een mooien dag te Rotterdam mijn naam hoorde
roepen. Ik had me laten afmonsteren na een reis met een hond van een
kapitein en zocht eene andere „steê”. Met dat ik nu omkijk, staat
Eduard voor me. Ge kunt nagaan, welk eene hartelijke begroeting nu
volgde. Hij vroeg me of ik al een schip had en of ik geen lust
gevoelde, weer met hem op denzelfden bodem te varen. Het lokte mij wel
aan en we gingen dus samen naar de Boompjes, waar hij me voorging naar
de achterkajuit van een schip, weder bestemd naar Oost-Indië.
„„Hoor je al achter thuis, drommels, dan ben je al officier?”—
„„Dat ben ik, maar dat doet aan onze vriendschap niets af.” Toen hij
echter mijn naam enz. ging opteekenen, kreeg ik er lucht van met wien
ik te doen had. „Ben je, is u dan?....”
„„Ja zeker,” vervolgde hij lachend, „ik ben de kapitein.”
„Ik heb er nooit spijt van gehad bij hem aan boord te zijn gekomen.
Integendeel, de jaren, die ik bij hem gevaren heb, behooren tot de
gelukkigste mijns levens. Hij was bemind door oud en jong en de
matrozen vlogen voor hem door ’t vuur. Het is ééne gebeurtenis, die er
veel toe bijgedragen heeft om hem in onze oogen tot een soort van
halfgod te verheffen.
„We waren van Makassar op weg naar Sidney. Toen we de Torresstraat
gepasseerd waren, raakten we door een noodlottig verzuim van den
opperstuurman te midden van rotsachtige eilandjes en koraalriffen. Nu
wil het ongeluk, dat een storm losbreekt in de onmiddellijke nabijheid
van die hoogst gevaarlijke klippen, waarheen een hevige stroom ons in
’t verderf trachtte te slepen. Wij wisten van dat alles niets en zaten
voor ’t meerendeel in ’t logies. De meesten gaven luide hunne afkeuring
te kennen over het feit, dat de kapitein met zulk noodweer liet lenzen,
dat is, met stormweer met weinig zeil voor den wind wegloopen. Met
razenden spoed sneed ons vaartuig de golven en alles knarste en kraakte
van de vaart.
„„Hij voert ons naar de haaien,” zei de bootsmansmaat. „Straks slaat
alle tuig over boord en dan kunnen we mekaar wel genacht zeggen.”
„Ook ik was er bang voor, moet ik eerlijk bekennen, al trachtte ik de
anderen zooveel mogelijk neer te zetten.
„„Hij moet laten bijdraaien,” riep eindelijk zelfs de bootsman uit,
toen we inmiddels weder op ’t dek waren. „Zoo gaan we den grond in,
daar helpt niets aan.” Ten slotte werd de bootsman afgevaardigd om den
oude te verzoeken bij te draaien en te zeggen, dat we ’t anders zelf
zouden doen. ’t Was geen gemakkelijke taak; niemand anders had
tenminste lust. Een van ons, een groote Deen, die het hardst had
opgespeeld, gevoelde weinig trek om den kat de bel aan te binden en
bijna was het me zelfs gelukt de lui over te halen maar op den ouwe te
vertrouwen. De kapitein stond op de verschansing en alles brulde en
kookte en kraakte om hem heen. Recht op, met den ernst op ’t gelaat,
kalm en vastbesloten, stond hij daar en gaf zijne bevelen. Doodsbleek,
half wezenloos en versuft, stond de opperstuurman naast hem. De
toestand was schier hopeloos, dat was voor ieder ervaren zeeman te
zien.
„De bootsman naderde hem.
„„Mijnheer, we gaan den grond in,” begon deze aarzelend.
„Geen antwoord.
„„Mijnheer, ’t kan zoo niet blijven.”—
„Feitelijk beging de bootsman insubordinatie en in angstige spanning
wachtten wij af. Verzet en oproer lag in ’t vooruitzicht.
„„Mijnheer, we moeten bijdraaien,” hervatte hij, voor de derde maal.
„De kapitein zag hem kalm aan en op den eenvoudigsten toon ter wereld,
zonder de minste verheffing van stem, klonk het uit den mond van dezen:
„„Nog iets, bootsman, dan kunt u gaan!”—
„Hij nam geen notitie meer van onzen afgevaardigde, die, als een hond
met den staart tusschen de beenen, afdroop.
„Niemand had lust zich aan een dergelijk onthaal te wagen en we
wachtten dus af. Ruim een uur later, liet de ouwe werkelijk bijdraaien.
„De bootsman werd geroepen. Met looden schoenen ging hij heen.
„„Bootsman fluit het volk voor een extra oorlam. We zijn bijna door den
hevigen stroom op de riffen gedreven, maar gelukkig hebben we ’t gevaar
ontzeild.”—
„Met deze boodschap kwam hij bij ons terug. Eerst was het doodstil, we
waren allen onder den indruk. Toen stond de Deen op, sloeg met de vuist
op tafel en riep: „Hij heeft meer verstand in zijn duim dan wij
allemaal samen. Dat kan hij me niet meer commandeeren of ik doe het.
Leve de ouwe, hij weet alles ’t beste! Hoera!”
„Nooit heb ik met zooveel vuur, „hoera!” hooren roepen, als toen in ’t
logies.
„Ook tegen den opperstuurman heeft de kapitein nooit een woord gerept
over ’t heele geval en deze was er toch feitelijk de schuld van.
„Van dat oogenblik hadden we een blind vertrouwen op onzen kapitein.”
Onder het verhaal was het langzamerhand donker geworden. De jongelui en
Thijs zaten gezellig om de rood gloeiende kachel en verscheidene andere
bezoekers hadden plaats genomen op de beide banken en een paar stoelen
in het vertrek. Niemand lette op de binnenkomenden; ’t konden slechts
goede bekenden zijn. Niemand lette onder de vertelling ook op den
vreemdeling, die ongemerkt binnen trad en op een stoel dicht bij een
raam plaats nam.
„Heb je lang bij dien kapitein gevaren?” vroeg Roelof.
„Ja jongen, nog verscheidene jaren, totdat een schipbreuk aan de
Fransche kust al mijne makkers het leven kostte.”—
„Toe Thijs, vertel dat eens.”—
„Neen jongens, we gaan eerst eene boterham eten, jelui thuis, en ik
hier. Die schipbreuk was buiten iemands schuld en zonder den kapitein,
was ik eveneens verdronken.”—
„Die kapitein had ik wel eens willen zien. Hoe heette hij wel?”—
„Rondhout, jongens, maar gelooft de helft niet, wat die ouwe je op den
mouw spelt. Rondhout, en hier is hij;” zoo klonk eene stem van het
raam.
Verbaasd vliegen allen overeind; Thijs het meest. „Hemelsche goedheid,
hij is ’t zelf!”
„In levende lijve,” herneemt de vreemdeling, terwijl hij eerst Thijs en
daarna Anton hartelijk de hand schudt.
„Ik was nog geen dag te Rotterdam binnen, toen ik hoorde, dat jelui
hier tot de keel in ’t water zat. Van alles heb ik al beleefd en in
alle zeeën heb ik gevaren, doch nooit op een ondergeloopen polder. Mijn
oudje is op ’t oogenblik bij mijn schoonzoon; die is, zoo je misschien
weet, ontvanger te Heusden. In dat nest kon ik het geen twee dagen
uithouden en ik dacht, weet je wat, ik ga Thijs eens opzoeken, en nu
ben ik hier. Maar zeg eens, heb je niet een paar mannetjes om mijn kist
binnen te slepen.”—
Wel 6 personen vlogen tegelijk naar buiten om aan het verzoek te
voldoen.
„Ga nu maar gauw eten, jongens,” hernam Thijs. „Om half 7 verwacht ik
je weer hier.” Ook de andere bezoekers vertrokken en Thijs bleef met
zijn gast en zijn kleinzoon over.
De jongelui vlogen weg en het behoeft wel niet gezegd te worden, dat ze
binnen den kortst mogelijken tijd weer bijeen waren om met ongeduld te
wachten tot de klok half 7 wees.
„Welkom binnen, jongelui, welkom binnen,” riep de kapitein den jongens
toe, toen ze precies op tijd binnenstormden. „Zeg me eerst allen uwe
namen eens en breng me dan een hamer en een nijptang om deze kist open
te maken, als je wilt.”
Nu, dat wilden ze graag genoeg, want allen waren al even nieuwsgierig
naar den inhoud van den grooten koffer.
„Toen ik in Rotterdam van het ongeluk hoorde, dat de bewoners van deze
streek getroffen had, maakte ik al direct plan om je hier op te zoeken,
te meer daar ik toch naar Heusden moest. Om je de waarheid te
zeggen”—aldus redeneerde de kapitein, terwijl hij met hamer en nijptang
het deksel van de kist losmaakte—„om je de waarheid te zeggen,
verwachtte ik je half uitgehongerd aan te treffen. In Rotterdam werden
overal giften en kleederen ingezameld voor de noodlijdenden en in
Heusden werd ik in mijne meening nog versterkt, doordat er handen te
kort kwamen om alle booten te vullen, die er levensmiddelen en
brandstoffen kwamen halen. Om kort te gaan, ik heb in Rotterdam dezen
koffer voor een goed deel laten vullen en te Heusden heb ik hem zelf
verder vol gedaan. „Thijs en zijn jongen zijn bij hun vrienden,” dacht
ik,—want toevallig sprak ik uw burgemeester in het Wapen van
Amsterdam,—en we zullen zorgen, dat ze aan een ongenooden gast geene
schade hebben. ’t Is van mij intusschen eigenbelang, want ik zou hier
graag een paar dagen rondkijken en je weet, aan heel of half
hongerlijden heb ik vreeselijk het land. Zie zoo, heb je nu hier een
kast of zoo iets, dan zullen we ’t wel redden. O ja, die in den hoek
daar is groot genoeg.—
„Hier heb ik eerst een paar potten met vleesch. Er is samen ongeveer 50
pond in. Wat je niet versch gebruiken kunt, moet je maar met dezen zak
zout in de pekel zetten. Hier Toon, berg jij dat brood eens op. Dit is
een trommel met groot brood en dit met kadetjes en krentenbroodjes en
deze hier is met beschuit. Kunt ge dezen zak ook een plaatsje geven. ’t
Is wat snoeperij voor de jongelui om je verjaardag te vieren, Thijs!
Die flesschen wijn zijn er ook voor en deze zijn voor ’s middags bij ’t
eten, want mijn glas wijn kan ik bij ’t middagmaal niet missen.
Kolossaal, wat is die Leidsche kaas zwaar. De Edammer kaasjes zijn wat
oud. Neemt eens aan: twaalf bussen zalm, 24 sardines, 12 kreeft en 12
flesschen haring in ’t zuur. Groenten en vruchten zitten in deze bussen
en hier heb ik nog gecondenceerde melk ook, maar dat is zeker
overbodig, want je breekt je hals over de koebeesten als je binnenkomt.
Zijn er ook kistjes voor gort en rijst? Anders laat je het maar in de
zakken staan. Dan hebben we nog een kistje met gerookte paling, een met
sinaasappelen en een met noten en kastanjes. Ziezoo, nu zijn wij bijna
aan ’t eind. De gaten zijn volgestopt met scheepsbeschuit. Wacht, hier
is nog wat: koffie, suiker, thee en tabak. Als je soms geen pijpen
hebt, die zijn hier en sigaren zijn in deze blikken trommel. Een bed
heb ik maar niet meegebracht, met deze twee dekens zal ik me wel
redden.”—
„Neem me niet kwalijk, kapitein,” zei Thijs, die met verbazing alle
artikelen uit de kist te voorschijn had zien komen, „heeft u soms ook
een huis en meubelen bij u, dan is alles compleet om 3 maanden in ’t
ijs te zitten.”—
„Of om eene belegering te doorstaan op het eiland,” lachte Roelof en
allen deden hartelijk mee. Kapitein Rondhout schudde van pleizier, toen
hij de halve kamer gevuld zag en met welgevallen zag hij het vroolijke
troepje jongelui aan.
„Nu het laatste,” riep hij schaterend uit. „Ik wist wel, dat Thijs
altijd een troep ondeugende bengels om zich heen had en daar heb ik ook
voor gezorgd. Eerst jou verjaardag Thijs, die zit in deze doos; ’t is
allemaal rookgerij, iets anders wist ik niet voor je uit te denken. En
dan hier, maar weet je wat, deel jelui dat maar samen. Hoe meer je er
om vecht, hoe liever ik het heb.”
De jongens vonden in een kistje vier gelijke inktstellen, 4 mooie
penhouders en 4 verschillende boeken met gelijken band. Van vechten was
dus weinig sprake; het bleek, dat de gever zich goed had laten
inlichten. Zelfs om Stans had hij gedacht en voor haar was een keurig
album en een byouterie kistje in de doos.
Eer de jongens hun dank konden betuigen, nam de kapitein weder het
woord.
„Ik hoorde zoo even, dat er meer gasten komen. ’t Is hoog tijd om den
boel op te ruimen. We moeten er eens een waar feest van maken, ouwe,”
en hij klopte Thijs op den schouder. „Vertoon nu je kunst eens om een
tafel klaar te maken, even als toen we samen om de Kaap op den
verjaardag van den kolonel voor kellner moesten spelen. Waar blijft de
tijd. Tegenwoordig heb je geen passagiers meer op een zeilschip.”
In een oogwenk was alles opgeruimd en terwijl de jongens allerlei
dingen als trommeltjes, glazen, blaadjes en kopjes uit het huis van den
meester haalden, zorgden Thijs, de kapitein en Stans voor eene keurig
aangerichte tafel, waaraan alleen de bloemen ontbraken. ’t Was een
gejubel en een gelach in de consistoriekamer zonder eind. Het vertrek
geleek een feestzaal, toen de heer en juffrouw Den Bosch en mevrouw Van
den Oever binnentraden en met verbazing alles aanzagen. De kennis was
spoedig gemaakt en weldra zaten allen gezellig en prettig in het lekker
warme vertrek. Kleine Anna zat weldra vertrouwelijk op des zeemans
schoot en schaterde het uit, wanneer het gezelschap hartelijk lachte om
de snaaksche invallen van den kapitein. Zij at koekjes, taartjes en
ulevellen tot hare moeder eindelijk vond, dat het genoeg was.
„U moest ons nu eens vertellen, mijnheer,” sprak Roelof, die naast den
zeeman zat, „waarom u bij ’t binnenkomen van middag zei, dat van wat
Thijs vertelde de helft waar was. We hebben hem nooit hooren liegen en
wien moeien we nu gelooven?”
„Daar heb ik grondige redenen voor, mijn jongen. Thijs liegt nooit, dat
weet ik wel, maar ik evenmin. Liegen doen alle lage karakters en
lafaards. Het is een laffe ondeugd, waar iemand, die eenig gevoel van
eigenwaarde bezit, zich nooit aan bezondigd. Maar ’t is wat anders.
Thijs stelt verschillende dingen voor als deugden, wat niets anders dan
plicht is. Wie b.v. zijn volk als kapitein niet eerlijk en rechtvaardig
behandelt, is een schurk en wie het wel doet, doet alleen, wat hij moet
doen. En wat het geval van die schipbreuk betreft, ja, dat is goed
beschouwd maar half waar. Als Thijs mij op ’t laatst niet gered had,
zou het weinig gegeven hebben, dat ik de lekke schuit op ’t strand had
weten te krijgen.”—
„En als u niet met meesterlijk talent het schip nagenoeg tegen wind en
stroom in op de kust had gestuurd, waren we allemaal als ratten
verdronken en nu zijn er nog 2 van over,” voegde Thijs hem toe.
„Ik zal u zeggen, hoe dat gegaan is,” riep de zeeman uit. „We zaten op
de Fransche kust vast en alleen aan bakboord konden hij en ik ons nog
vastklemmen, de rest van schip en volk was al naar de haaien. Thijs
springt in zee en ik blijf natuurlijk ’t laatst, dat is de plicht van
elken gezagvoerder. Hoe hij door de branding heen geworsteld is, mag
Joost weten, maar hij kwam er. Nu was er wel eene reddingboot op ’t
lage strand, maar die was al meer dan eens terug geslagen. Thijs
sprong, nauwelijks aan wal, en half dood, zooals men mij later
vertelde, zelf in de boot en vuurde de lui daar zoo aan tot de uiterste
krachtsinspanning, dat ze door de branding kwamen en mij half dood in
de boot haalden. Ze legden me naast den inmiddels van vermoeiing en
ontbering bewusteloos geraakten matroos neder en eerst in een hospitaal
te Duinkerken kwam ik weer tot bewustzijn. Thijs was intusschen al naar
Holland gereisd om mijne vrouw gerust te stellen.”
„En hoe kwam het toch,” vroeg de meester, „dat alle anderen van de
bemanning reeds weg waren?”
„Doodeenvoudig, mijnheer, omdat Thijs en ik alleen nuchter waren en de
overigen, zooals het gewoonlijk bij schipbreuk gaat, dronken.”—
Ondertusschen was het al half 10 geworden en de dames spraken van naar
huis gaan.
Daar kwam de kapitein echter tegenop. „Eerst zullen we een glas wijn
drinken,” sprak hij. „De chocoladeketel zullen we nu maar aan de
jongelui overlaten.” Deze lieten zich dan ook niet onbetuigd en dronken
naar hartelust, terwijl ze om de kachel noten kraakten en kastanjes
aten.
Nog geruimen tijd bleef het gezelschap prettig bijeen en het sloeg 11
uur, eer iemand er aan dacht. Toen stonden allen tegelijk op. Anna lag
reeds op een deken in een hoek te slapen.
„Waar logeert u, mijnheer Rondhout,” vroeg mevrouw Van den Oever.
„Hier mevrouw, mijne dekens heb ik mee gebracht.”—
„Gaat u dan alsjeblieft met ons mee. De logeerkamer is klaar en hier
slapen—och kom, hoe kan dat nu.”—
„Zeelui weten zich te behelpen, mevrouw. Uw aanbod is echter wel wat
aanlokkelijker en ik wind er geen doekjes om, dat ik het verre verkies
boven het verblijf hier in de kerk.”—
„Afgesproken dus, u vaart mee over. Anton logeert de laatste dagen ook
bij ons, omdat de andere schipper bij Thijs zijn intrek genomen heeft.
We gaan dus met een heel gezelschap huiswaarts.”—
Na een hartelijk afscheid roeide Thijs de gasten van Vrederust naar
huis en bracht zijn kameraad mede terug. Deze had Janus en de meiden
aldaar gezelschap gehouden en verlangde hartelijk naar kooi.
EEN AFGELUISTERD GESPREK EN EEN ONGEWENSCHT BEZOEK.
Op denzelfden avond, dat Thijs en zijne vrienden gezellig feest
vierden, zouden we in een der herbergen van het dorp twee personen
hebben kunnen vinden, die blijkbaar weinig goeds in hun schild voerden.
Een van deze is voor ons een oude bekende, het is Rooie Dirk. Kon deze
al niet roemen op een gunstig uiterlijk, de andere nog veel minder. Wie
hij was, weten we niet. Hij had den heelen dag gezworven in en om de
herberg en scheen eindelijk in Dirk den gewenschten man gevonden te
hebben. Hem precies te beschrijven, achten we overbodig. Genoeg, dat
hij er tamelijk verloopen uitzag en omstreeks 30 jaar oud was. Hoewel
het gesprek fluisterend gevoerd werd en niemand iets verstaan kon,
bevielen aan het eene sujet blijkbaar de wantrouwende blikken van den
kastelein niet, tenminste na eene korte beraadslaging betaalde hij en
beiden vertrokken.
Met het vlotje van den Rooie voeren ze achter het huis van dezen om en
beklommen door een luik den zolder van den kleinen stal, die echter
sinds verscheidene jaren als zoodanig geen andere dienst gedaan had dan
om een geit en kippen te herbergen. De landlooper haalde een eindje
kaars te voorschijn, stak het aan en plaatste het op een balk. Toen
zette hij het gesprek voort.
„Ge ziet, ik heb mijne maatregelen goed genomen. De burgemeester is in
Heusden en op Vrederust is geen mannelijk persoon dan een oude knecht.
De brandkast staat in het kantoor en gij weet den weg door het heele
huis. Als we den buit binnen hebben, deelen we eerlijk, jij gaat naar
bed en ik verberg me eerst een dag hier op den stalzolder; morgen nacht
zoek ik met mijn bootje een goed heenkomen. Daar de burgemeester den
sleutel, dien ik hem in zijn logement ontstolen heb, wel niet missen
zal, blijft de diefstal de eerste week zeker geheim. Ik ga nu dadelijk
terug naar de kroeg, drink me schijnbaar dronken en kruip dan net als
gister op den hooizolder. Op jou valt dus niet de minste verdenking.
Doe je nu mee of niet?”—
Vrees, hebzucht en misschien nog een klein sprankje beter gevoel
streden bij Dirk om den voorrang. Eerst scheen het of hij wilde
weigeren. De behandeling bij de bedeeling gaf eindelijk den doorslag.
Hij stemde toe.
„Om half 1 kom ik je met het schuitje afhalen. Kan het vannacht in de
schuur geborgen worden?”—
„Jawel, alles komt in orde hoor, vertrouw maar op mij.”—
„Neen wacht even, ik heb nog iets,” riep de Rooie den andere na. „In
het kantoor moet, naar ik hoor, een schippersjongen slapen.”
„Is ’t anders niet. Koord en een doek heb ik bij me. Je zult eens zien
hoe gauw of ik dien rekel klaar heb. Maar dan moet ik vannacht al
maken, dat ik weg kom.”—
Toon werd dien nacht zeer onzacht wakker geschud uit zijn rustigen
slaap. Eer hij echter om hulp kon schreeuwen, had hij een prop in den
mond, was hij geblinddoekt en waren hem handen en voeten met sterke
koorden gebonden, zoodat hij zich niet bewegen kon, welke wanhopige
pogingen hij in ’t werk stelde.
De dieven, die door het raam binnengekomen waren, konden nu ongestoord
hun slag slaan. De brandkast ging zonder gerucht open en nadat een
groote doek op den grond was uitgespreid, begonnen zij behoedzaam de
kast te ledigen.
Indien de booswichten echter dachten, dat niemand iets hoorde,
vergisten zij zich zeer. Naast het kantoor was de logeerkamer, waar
kapitein Rondhout lag. Deze sliep altijd zeer onrustig, een gevolg van
zijne verantwoordelijke betrekking. Het geluid van het opschuiven van
een raam, had hem wakker gemaakt. Eerst dacht hij zich vergist te
hebben, maar toen hij eenige oogenblikken later iets hoorde vallen,
achtte hij het raadzaam eens te gaan zien. In den gang gekomen zag hij
licht in ’t kantoor. Hij opende de deur en in nachtcostuum stond hij
voor de hevig verschrikte inbrekers. De een was echter bekwaam in het
vak. „Jij van achter en ik van voren,” beet hij den ander toe;
tegelijk vlogen beiden op den kapitein toe. Zij hadden zich echter in
dezen deerlijk misrekend. De landlooper kreeg, eer hij er erg in had,
een vuistslag, dat hij aan de andere zijde van het vertrek tegen het
raam vloog. Dirk voelde zich, terwijl zijn kameraad het hazenpad koos,
door een ijzeren vuist bij de keel gegrepen. De kapitein zag heel
spoedig, hoe het met Toon gesteld was en terwijl hij den booswicht als
een trillend schoothondje op den grond smeet met de belofte hem bij de
minste beweging tegen den muur te plakken, verloste hij Toon van zijne
knellende banden. Dirk werd met dezelfde koorden gekneveld, dat hem de
banden door ’t vleesch sneden.
„De tweede is er van door, maar ik heb hem op zijn oogen een kenteeken
bezorgd, dat hij de eerste week niet kwijt is. Wat moeten we met hem
doen. Zouden we mevrouw waarschuwen of niet, wat dunkt je?”—
„Ik zou eerst Roelof roepen en het aan hem overlaten, vindt u dat
goed?”—
„Wel zeker, dat lijkt me een flinke knaap. Weet je zijn slaapkamer?
Goed. Roep hem dan, maar voorzichtig.”—
In een oogenblik was deze gekleed en beneden, waar nu krijgsraad
gehouden werd. Op voorstel van den zoon des huizes zouden ze wachten
tot den volgenden morgen om het aan iemand te vertellen. Zijne moeder
was flink genoeg, maar Stans zou vreeselijk schrikken. Hij en Toon,
zouden met de boot, die achter het huis lag, naar de pastorie roeien,
waar de veldwachter zijne tijdelijke woonplaats had, en deze kon, daar
het reeds bij drieën was, tot den morgen op den gevangene passen.
De kapitein bleef dus bij den dief; de jongens, staken eene lantaarn op
en gingen op weg.
„Durf je het wel aan,” vroeg de zeeman. „De andere kan nog wel hier of
daar zitten.”
„Geen nood, mijnheer,” antwoordde Toon, die plezier begon te krijgen in
het nachtelijk avontuur. „Op de werf is u in de nabijheid en op ’t
water moet hij een kerel wezen om me de baas te zijn.”
Roelof vond, toen hij zich den toestand goed ingedacht had, het geval
niet onaardig en moedig roeiden de knapen tusschen de boomen door een
weiland over en de poort van het groote huis binnen. Het bericht
verwekte hier groote ontroering, want den veldwachter wekken zonder het
meerendeel der bewoners wakker te maken, ging niet. Deze was spoedig
gereed en daar hij zoo verstandig was om ook de voerbakken op sleeptouw
te nemen, hadden ze voor ongewenschte nieuwsgierigen niet te vreezen.
In het kantoor van den burgemeester zat de kapitein op zijn gemak eene
pijp te rooken. Zijn gevangene stond in eene deerniswekkende houding
voor hem. Zijn knieën knikten, zijn gelaat was doodsbleek en duidelijk
waren de rillingen te zien, welke hem over ’t lichaam liepen. Toen hij
den dienaar van den heiligen Hermandad zag binnentreden, op militaire
wijze den kapitein groetende, zakte hij van schrik en overspanning
ineen.
„Ik heb den knaap de boeien maar weer afgenomen, jongens,” zei de
zeeman, na eerst den veldwachter gegroet te hebben. „Gij zult me
verplichten, Baars, zoo is immers uw naam, om er nota van te nemen, hoe
gij hier alles gevonden hebt. Als gij ’t gezien hebt, kan de zoon van
den burgemeester de stukken en het geld weder opbergen en de kast
sluiten. Dezen veelbelovenden jongen vond ik bezig met inpakken; de
andere, die er van door is, was met zijn lange vingers aan ’t uithalen.
We hebben hem hier, zooals ik zooeven zeide, gebonden met dezelfde
touwtjes, waar ik Anton mee vond, maar toen ik alleen met den jeugdigen
booswicht was, schaamde ik me een beetje over mijne hardhandigheid en
bovendien, ik mag de justitie het werk niet uit de handen nemen. Nu is
hij tot uwe beschikking.”
„Wat dunkt u, mijnheer, zouden we nog moeite doen om nummer 2 te
vangen. Als Toon en ik samen roeien zullen we hem wel inhalen.”—
„Om u de waarheid te zeggen, Baars, dan zag ik liever de jongens niet
meegaan. Wat u betreft, daarover mag ik niet oordeelen. Daargelaten,
dat ge hem in de duisternis moeilijk zult krijgen, daar hij al een uur
voorsprong heeft, ligt er voor mijn gevoel iets stuitends in om jongens
te gebruiken voor eene dergelijke jacht. Geloof niet, dat ik iets
onteerends vind in uwe betrekking. Integendeel, ik heb veel respect
voor uw stand. Ik zie er echter dit in. Als de jongelui met u meegaan
(en ze zullen het gaarne doen), wekt de jacht bij hen onedele
hartstochten op. Gij zult uw best doen om de maatschappij te verlossen
van een schadelijk individu. Die man is in zekeren zin een
ziekteverschijnsel en de politie met de justitie is de geneesheer. De
jongens echter zien in hem een vijand en eenmaal op weg, wordt hij
gaandeweg meer het voorwerp hunner wraak. Deze jeugdige booswicht hier,
wekt bij mij slechts een gevoel van medelijden. Ik bejammer het in
zoo’n gezonden, flinken knaap zoo’n verdorven karakter te ontdekken.”—
Tot Dirk vervolgde de zeeman:
„Hebt ge ouders? Zoo, eene moeder! In plaats van haar, die u zeer zeker
lief heeft, tot zegen en steun te wezen, strekt ge haar tot schande.
Wat zal zij gevoelen, als ze hoort van uwe snoode daad? Zal zij, die
geheel onschuldig is, die nu misschien bidt voor uw welzijn, nog met
opgeheven hoofd over straat durven gaan?”—
Onderwijl de kapitein sprak, had de Rooie getracht, zijne
onverschillige houding weder aan te nemen. Het gelukte hem echter niet,
zoo zeer had de angst hem bevangen. Toen hij echter zijne moeder hoorde
noemen, kon hij zich niet meer inhouden. Tranen van spijt en berouw
kwamen hem in de oogen. „Moeder! o, moeder!” kreunde hij.
De veldwachter zag hem streng aan. Den kapitein evenwel scheen deze
uitroep te verrassen. „Ge hebt dus nog gevoel,” vervolgde deze. „Wie
nog met eerbied aan zijne moeder denkt, is nog niet totaal verdorven.
Jammer, dat ge niet eerder aan haar dacht.”
„O, spaar het haar tot ze beter is. Mijnheer, laat me even spreken, om
te doen zien, dat ik niet zoo slecht ben, als gij denkt. Wat een ander
van me zegt, is me onverschillig, maar wees u alsjeblieft billijk voor
me. Mijne moeder is ziek, erg ziek, en ik vroeg gister om eenige
versnaperingen aan de Commissie. Ze gaven me niets en scholden me voor
een leugenaar. Niemand gelooft me, al spreek ik ook nog zoo dikwijls
waarheid. Iedereen heeft een hekel aan me. Nu kwam gister die ander me
vragen om ... dit ... hier te doen.”—Snikkend ging hij verder.—„Tot
vijf maal heb ik geweigerd en eindelijk heb ik toegestemd. „„Men plaagt
jou,”” zeide hij, „„welnu plaag ze weer. Een ander krijgt, wat hij
vraagt voor eene zieke en jou wordt het geweigerd. Neem, wat ze niet
geven willen.”” Nu is hij vrij en ik moet in de gevangenis.”—Eene
rilling beving hem bij dit woord.—„Mijne moeder zal vast sterven,
niemand ziet naar haar om. O!” Hij verborg zijn aangezicht achter zijne
handen.
De kapitein, die een zeer gevoelig hart bezat, was zichtbaar aangedaan.
„Wat ge zegt,” sprak hij, „verhoogt mijn medelijden. ’t Is weer het
gewone verhaal van den leugenaar, die zich ergert als men hem niet
gelooft, den enkelen keer als hij waarheid spreekt. De waarheidlievende
alleen gelooft men op zijn woord. Wanneer ik morgen op mijn schip tegen
de jongens vertel, dat de koning mijn grootvader is, dan zullen ze ’t
allen voor waar aannemen. En waarom? Omdat ze weten, dat ik zulk eene
ongerijmdheid, zoo min als iets anders, zal vertellen, als het niet zoo
is.
„Hoe graag ik het echter voor mijn persoon nog eens zou wagen met u los
te laten, mag ik het niet doen. Ik ben jegens den burgemeester, jegens
de maatschappij verplicht, om u over te geven aan de politie, zooals ik
trouwens reeds gedaan heb. Wel wil ik u beloven, dat ik eens naar uwe
moeder zal zien. Laat het u echter eene les zijn voor het vervolg en
kunt ge dan hier in de streek uw goeden naam niet meer terug krijgen,
kom dan bij kapitein Rondhout op de Alblasserdam en hij zal je helpen
om een goed zeeman te worden.”—
De woorden van den zeeman hadden grooten indruk gemaakt ook op de
andere jeugdige toehoorders. Toon noch Roelof hadden langer leedvermaak
in den erbarmelijken toestand van hun ouden vijand.
„Je hebt het wel gezegd, Toon,” zei Roelof, „je weet nog wel toen we op
den bolderwagen naar Heusden reden. „„Hij is zoo slecht niet als we
dachten,”” zeide jij immers, toen zijne moeder met ons meereed en
zooveel van hem vertelde.”
Verwonderd keek de gevangene beurtelings Toon en Roelof aan. Hoe Toon
zoo iets had kunnen zeggen, was voor hem een raadsel, dezelfde Toon,
dien hij altijd zóó geplaagd had.
Hij kon er zich niet lang in verdiepen, want de veldwachter nam hem mee
naar de keuken. Janus werd geroepen om vuur aan te leggen en de
overigen gingen weder te bed.
Zoodra het licht werd, zou Baars zijn gevangene naar Heusden brengen en
daar den burgemeester raadplegen.
„Had ik u slechts eerder ontmoet, kapitein,” kreet de ongelukkige onder
het heengaan.
STORMACHTIGE DAGEN.
De bewoners der hooggelegen huizen, zooals ook Vrederust, mochten in de
stormachtige dagen van 7 en 8 Januari van geluk spreken. Wie op zolders
van meer of minder diep onder water staande woningen verblijf moesten
houden, hebben toen in het overstroomde land van Heusden en Altena
angstige oogenblikken doorgebracht. De steeds heviger wordende wind
zweepte het water op tegen muren en daken. De vereende kracht van storm
en golven verbrijzelde hier eene schutting, elders een muur en deed
ginds een heel huis kraken in zijne binten en nederstorten in het
schuimende nat, dat woest draaiende het losgerukte hout mede voerde,
als zoovele overwinningsteekenen. De doorweekte leemen muren der
arbeiderswoningen konden weinig of geen weerstand bieden aan den
hevigen stroom van het wegvloeiende water en de losgerukte balken deden
het dak instorten, dat menigmaal als een eiland voortdreef tot het
tegen boomen stootte of op hoogere punten aan den grond raakte.
Was het de eerste dagen Nieuwkuyk, dat van het losgebroken element het
meest te verduren had, nu was het benedenland de plaats van verderf en
vernieling. Het eerst kalm door de hulpgaten wegvloeiende water vloog
nu kokend en bruisend over de lage of afgegraven dijkvakken. Het is te
begrijpen, dat, zoo spoedig men van den eersten schrik der doorbraak
was bekomen, alle middelen in ’t werk gesteld werden om het water weder
te lossen. Hiertoe dienen de hulpgaten, die ten getale van 16 in het
land van Heusden en Altena voorkomen. Het zijn verlaagde dijkvakken,
die in de kleidijken met zand gevuld zijn om ze in korten tijd te
kunnen openen. Ze hebben eene lengte, die afwisselt van 30 tot 150 M.;
zeven zijn 100 M. lang. Zij lossen op het Oude Maasje of op de
Bakkerskil en heeten dan buiten-hulpgaten. Andere gaten in grintwegen
of binnendijkjes heeten binnen-hulpgaten; zoo heeft men er in den
grintweg van Dussen op Werkendam alleen al 6. Deze dienen om het water
uit hoogere polders naar lagere te voeren. Polders toch loozen hun
water elk afzonderlijk door sluizen, maar staan onderling niet in
gemeenschap. Alleen hulpgaten kunnen hoogere polders van water
verlossen, ten koste van de lagere. Deze gaten zijn echter, evenals die
in de buitendijken, alleen daar aangelegd, waar de grond de minste
waarde heeft. De hulpgaten no. 5 lossende op de Amer en no. 8 lossende
op de Bakkerskil waren reeds dadelijk geopend, toen het water daar
verscheen, en andere werden spoedig in werking gesteld. Die te
Oud-Heusden en Doeveren in den dijk van ’t Oude Maasje konden de eerste
dagen geen dienst doen, omdat het water buiten nog 1 M. hooger stond
dan binnen.
Het behoeft ons nu niet te verwonderen, dat eene sterke strooming was
waar te nemen van de doorbraak naar den Biesbosch in welks omtrek de
meeste hulpgaten liggen. Deze trekking bemoeilijkte echter het werk der
beringing, d.w.z. het leggen in een halven cirkel van een nieuw dijkvak
om den doorbraak, in geene geringe mate.
We zullen echter niet verder afdwalen in bijzonderheden over de
werkzaamheden tijdens de overstrooming, maar liever tot Vrederust
terugkeeren. Wat echter hierboven verteld is, kunnen we straks tot goed
begrip van ons verhaal, niet missen.
Het duurde lang, eerdat den morgen van den 7den Januari de gasten aan
de ontbijttafel verschenen. Reeds een uur hadden mevrouw en Constans
zitten wachten en nog kwam niemand opdagen. Ten laatste duurde het
Stans toch te lang en opstaande zeide ze, „ik zal Roel er eens uit gaan
kloppen.”
„Zacht wat, op de trap,” riep hare moeder haar na.
„Wel neen moe, hoe harder hoe beter, dan worden de anderen meteen
wakker.”—
Roel was spoedig door een paar bonzen op de deur gewekt. Toen hij
beneden kwam, waren de kapitein met Toon juist binnen gekomen. De
eerste maakte op voorzichtige wijze mevrouw bekend met het nachtelijk
avontuur. Het trof hem echter, dat zij, hoewel ten hoogste verbaasd,
maar weinig scheen te verschrikken.—
„O moe, als nu de kapitein er eens niet geweest was, dan waren we arm
gestolen,” riep Stans uit. „Waarom heeft u Bello niet evenals anders in
huis gelaten?”
„Kom, kom meid, zoo erg zou ’t niet geweest zijn. Veel geld was er niet
in de kast, en wat Bello betreft, die kunnen we toch niet in Toon’s
slaapkamer laten. Anders laat ik de deur van het kantoor open staan,”
vervolgde de gastvrouw tot den kapitein, „dan kan het beest vrij
rondloopen. Nu hebben we in u echter den besten wachter gehad, dien we
konden wenschen. Ik weet geen woorden te vinden om u mijne dankbaarheid
te toonen.”
„Dat behoeft ook niet mevrouw. Wat ik deed zou ieder in mijn geval
gedaan hebben en dank mag ik er niet voor aannemen. Integendeel, uwe
gastvrijheid heeft me in de gelegenheid gesteld de dieven te verrassen,
zoodat ten slotte u zelve de oorzaak is van het verijdelen van den
diefstal. Heeft u een goeden waakhond, mevrouw?”—
„Een beste, mijnheer, een grooten Ulmerdog, die zijn man wel staat.”—
„O, dan behoeft u geen vrees te hebben. Trouwens, deze zullen wel niet
terug komen. Ik was echter bang, dat u in ’t vervolg geen gerusten
nacht meer hebben zou en tot mijne blijdschap ontdek ik, daaromtrent
onbezorgd te kunnen wezen. Het doet me intusschen genoegen, dat de
veldwachter en de bedienden hebben kunnen zwijgen. Is die oude knecht
ook thuis? Van hem kunnen we misschien hooren, hoe laat Baars
vertrokken is.”—
„Nu zal je Janus eens hooren brommen,” grinnikten de jongens en ze
hadden waarlijk geen ongelijk.
„Goeien morgen en smakelijk eten,” mompelde de oude, toen hij
binnentrad.
„Hoe heb je het verder gemaakt van nacht, Janus?” vroeg Roelof.
„Gemaakt—hm—gewaakt hebben we, met den rakker—koffie gezet voor den
diender en toen is hij in een hoek in slaap gevallen—den Rooie, bedoel
ik. Opsluiten moeten ze hem—6 jaar geven.”—
„En hoe laat is Baars met hem vertrokken?” vroeg de kapitein.
„Wel, om half 8, toen ’t licht werd. We hebben hem naar ’t eiland
gebracht, den Roodkop met zijn „sivieligheid,” hij zal nou z’n lange
vingers branden. Thijs en de diender zullen hem wegbrengen,—naar ’t
spinhuis,—daar kan die nou dievigheid uithalen. De burgemeester moet
hem levenslang laten geven. Een fatsoenlijk mensch om 3 uur uit zijn
bed halen en dat in den winter,—ze moeten hem hangen.”—
„Janus, ga nu eens zien of de kippen al gelegd hebben,” aldus brak
mevrouw zijn woordenstroom af, „en vraag Mina of ze komt afnemen.”
Nog een uurtje blijft de kapitein bij zijne gastvrouw praten.
„Hoe denk je er over, jongelui, om het dorp eens door te roeien?”
vraagt hij.
„Heel graag, mijnheer,” antwoorden beide jongens en Stans, „we mogen
dan zeker Piet en Hendrik van den meester ook wel aanhalen.”
„Zou het niet te hard waaien voor Stans?”—
„Er is een stevige wind, mevrouw, maar nu is er misschien nog wat te
zien.”—
„Toe moe, laat me maar mee. Mijnheer is er immers bij.”—
Slechts aarzelend krijgt het meisje toestemming. Alleen het bijzijn van
den zeeman stelt hare moeder eenigszins gerust. De jongens trekken
hunne overjassen aan, Stans wordt warm ingepakt en weldra zitten allen
in de boot. Toon neemt de riemen. Hij is er trotsch op zijne handigheid
te toonen en de kapitein maakt hem er dan ook spoedig een compliment
over. Heel gemakkelijk is het echter niet. Er loopt een sterke stroom
en het stormt geducht. De jongelui zien geen gevaar, wat er trouwens
niet is met een flinken schipper aan boord, en ze hebben veel schik in
het tochtje. Ook den zeeman boeit het gezicht van wankele, half onder
water staande huizen zeer. De meeste woningen hebben het reeds zwaar te
verantwoorden. Van sommige zijn de muren aan de oostzijde ingestort;
bij andere hangt het dak aan den eenen kant diep in ’t water. Het zijn
vooral de arbeidershuizen, die het meest te lijden hebben en die
natuurlijk allen onbewoond zijn. Het gezelschap roeit, na de beide
andere jongens te hebben afgehaald, het dorp aan den oostkant om en is
spoedig aan de kleine boerderij van Dirks moeder gekomen, die ze
volgens belofte zullen opzoeken.
„Hoe moeten we die ark binnen komen?” vraagt de kapitein. „Nu kunt ge
uwe krachten eens toonen, Anton; er loopt hier veel stroom. Wil ik je
helpen?”
„Dat behoeft niet mijnheer, ik zal het wel klaar spelen. Aan den
anderen kant van het huis is de voorgevel, daar zal wel gelegenheid
wezen om aan te leggen.”—
Met veel behendigheid roeide Toon tusschen de boomen door en legde voor
een der beide zolderramen aan, bij een waarvan een trapje uithing. Het
raam was er uit genomen en eene deur hiervoor in de plaats gebracht.
Deze gaf toegang tot een portaaltje, dat van ruwe planken en een oud
karpet was samengesteld. De geheele zolder diende voor woonvertrek.
Deze was wel groot, maar had behalve de ruimte geene enkele verdienste.
„Ben je daar, Dirk,” klonk eene zwakke stem uit een ledikant achter den
schoorsteen.
„Neen, vrouw Oudkoop,” antwoordde Roelof, terwijl hij nader trad en
vroeg of zij mochten binnen komen. „Ik ben het met Stans en nog een
paar anderen. We komen eens zien hoe het met u gaat.” Stans ging naar
de zieke en de anderen volgden haar.
„Hoe is het met u, vrouwtje?” vroeg de kapitein.
„Zwakjes, mijnheer, zwakjes en een beetje koortsig. God zegen u, voor
uwe komst. Ik ben al bijna vier en twintig uur alleen. Van morgen heb
ik getracht op te staan, maar ik kon het niet volbrengen.”—
„Hebt ge ook ergens trek in, vrouw Oudkoop?” vroeg Stans medelijdend.
„Drinken, mijn kind, ik heb zoo’n dorst. Ik heb niets dan water en dat
is troebel.”—
„Wilt u wat thee of liever koffie? We hebben het beide meegebracht.”
„Koffie, o, als ’t u blieft,” en de blik der arme zieke verhelderde bij
dat woord.
„Nu, even geduld en dan zullen we u een lekker kopje brengen,” zei het
meisje. „Blijf maar gerust liggen, wacht, laat ik even uw kussen
opschudden. Zie zoo en nu gauw den boel wat opgeruimd.”
Terwijl de zeeman met de zieke vrouw een praatje maakte en haar wat
opvroolijkte, legden Toon en Roelof de kachel aan. Deze stond aan de
raamzijde van den schoorsteen, waarin door het uitbreken van een paar
steenen ruimte voor de kachelpijp was gemaakt. Stans ruimde intusschen
de tafel af, waschte de kopjes en had in korten tijd de plaats tusschen
schoorsteen, raam en portaal een huiselijk aanzien gegeven. Dit
gedeelte van den zolder was feitelijk de woonkamer, hier stonden tafel,
stoelen, kachel en wat er verder in noodig was. Langs het dak en aan de
achterzijde vonden verschillende dingen eene plaats, die op elken
boerenzolder te vinden zijn: maten, tonnen, zakken, eene weegschaal,
een paar oude koperen kannen, een paar zeven enz.
Het duurde niet lang of het water kookte. Verlangend snoof de zieke den
geur der koffie op en heerlijk smaakte haar het kopje, dat het lieve
meisje haar bracht. Ook de koekjes, die Stans op het schoteltje gelegd
had, schenen haar wel te smaken.
Stans pakte nu verder het mandje uit, dat op aanwijzing van den
kapitein uit diens voorraad was gevuld. De zakken met thee, koffie en
suiker, het busje melk en tal van andere zaken waren voor de weduwe een
heele schat. Van het meegebrachte vleesch zette de kleine keukenmeid
een gedeelte in een pannetje op de kachel om er bouillon van te
trekken. Allen hadden er schik in om de zieke vrouw zooveel mogelijk te
gerieven.
„Hebt ge niet eene kennis of vriendin, die u kan komen oppassen?” vroeg
de zeeman.
„Dat behoeft niet, mijnheer, mijn jongen past me goed op. Waar hij toch
mag zitten. Die goeie Dirk. Hij tracht zeker wat te verdienen om mij
eene versnapering te verschaffen. Kwam hij maar thuis. Als hem maar
geen ongeluk is overkomen.”—
„Stel u daaromtrent maar gerust,” hernam de kapitein. „We hebben hem
pas nog gezien, maar nu moeten we noodig vertrekken. Dag vrouw Oudkoop,
beterschap hoor. Morgen komen we u nog eens bezoeken. We moeten dus
niemand zenden?”
„Neen heusch niet mijnheer, ik kan me nog wel wat redden. Dag mijnheer,
dankbaar hoor, ten hoogste dankbaar, God zegene u. Dag kinderen, dankje
wel, dat je een oud mensch helpt.”—
„Dag vrouw Oudkoop, beterschap.”—
Vlug zijn allen het portaaltje door, de trap af en de boot in. Nu de
vrouw over haar zoon begint te spreken, hebben allen evenveel haast.
„Ik wist waarachtig niet wat te antwoorden, toen het mensch over haar
lieven jongen begon,” zei de kapitein. „Ze moest eens weten, waar hij
nu is; ik geloof, ze zou ’t besterven.”
„We dienen haar langzaam voor te bereiden en het dan zeggen,” zei
Stans. „Ze moet het toch eens weten en ’t is beter, dat wij het haar
vertellen, dan dat een ander het doet.”
„Dat is zoo,” hernam de kapitein, „als ik het dan maar niet behoef te
doen. Zulke zaakjes laat ik liever een ander opknappen. Misschien weet
uwe mama er wel raad op.”
Het duurde niet lang of het gezelschap landde behouden en wel aan de
burgemeesterswoning, trots wind en stroom, die vooral op ’t laatst
schenen samen te spannen om het te beletten.
In spanning wachtte mevrouw hare gasten op. Een zucht ging haar van het
hart, toen ze de boot naderen zag. Ze had de koffietafel klaar. Toen
allen aan tafel zaten, haalde ze een brief te voorschijn.
„Een brief van pa,” riep Stans, „ik zie het aan de enveloppe. Mag ik
hem lezen moe?”
„Ik zal u wel zeggen wat er in staat. Vanmiddag of van avond komt pa
thuis.”—
„Hoera! Pa komt thuis,” riepen beide kinderen verheugd. „Hoe lang
blijft hij?”—
„Tot morgen of overmorgen, dat wist hij nog niet. Hij komt met de
commissieboot mee. Het verheugt me zeer, dat mijn man het genoegen zal
hebben, met u kennis te maken, mijnheer Rondhout!”—
„In dat geval is het genoegen wederkeerig,” antwoordde de kapitein, „u
zal wel blijde zijn, evenals de kinderen. Hoelang is mijnheer reeds
afwezig?”
„Met Kerstmis is hij voor ’t laatst thuis geweest, het is dus nog niet
lang geleden. Door al de gebeurtenissen schijnt het echter wel
maanden.”—
„Ik ben nieuwsgierig, hoe het met het werk van de beringing staat,”
sprak Roelof. „Pa weet er alles van, misschien is hij er gister pas
geweest.”
„Ik ook,” zei Toon, „ik zou nog wel eens een kijkje te Nieuwkuyk willen
nemen.”
„Ik ook, jongen,” zei de kapitein. „Wanneer mij tijd overschiet, zal ik
er stellig nog heen gaan, eer ik weer den grooten plas ga bevaren. Hoe
denken de jongens erover om eens op het eiland te gaan zien? Goed? Nu,
dan moesten we maar vertrekken.”
„U komt den avond bij ons doorbrengen, niet waar, kapitein? Breng Thijs
ook mee, als hij tijd heeft, Toon.”
„Heel graag, mevrouw. We zullen tegen donker weerkomen, dan kan
mijnheer eerst wat uitrusten van de vermoeienissen. ’t Is een heele
reis met dit stormweer.”—
„Dat is het wel. Ik hoop maar, dat ze geen ongeluk krijgen. Er loopt
immers zoo’n hevigen stroom?”—
„Kom, kom, mevrouw. Thijs is een goed zeeman en als hij op overstroomde
polders zoo goed bevaren is als zijn kleinzoon, zal hem niet licht iets
overkomen.”—
Al sprekende geleidt mevrouw het drietal naar buiten, waar ze na hun
vertrek nog geruimen tijd blijft turen over het water, of ze in de
verte ook eene boot ziet naderen. De bezorgde echtgenoote wacht niet te
vergeefs. Aan den gezichtseinder vertoont zich een stip, die na eenige
minuten de commissieboot blijkt te zijn met den burgemeester aan boord.
Deze is hartelijk blijde, vrouw en kinderen, huis en erf weder te zien.
Roelof had zich met de bakken van de pastorie weder terug laten
brengen, zoodra hij de boot uit Heusden had bemerkt, zoodat het geheele
gezin bijeen was. Voor het eerst na de doorbraak gebruikte hij weder
thuis het middagmaal. Het speet hem alleen, dat de kapitein niet
tegenwoordig was; deze had beslist geweigerd om aan den maaltijd deel
te nemen. „In de eerste plaats zou de burgemeester liever alleen zijn
in zijn familiekring,” aldus redeneerde hij, „en in de tweede plaats
verlangde hij naar het bijzijn van zijn ouden vriend Thijs.”
De burgemeester had de geschiedenis van de inbraak van den veldwachter
vernomen. Dirk was voorloopig te Heusden in verzekerde bewaring
gebracht en zou ’s middags naar ’s Hertogenbosch vervoerd worden. Hij
was vreeselijk ter neer geslagen en een beeld der wanhoop gelijk. Hij
had honderd maal vergiffenis en beterschap beloofd. „Als het feit niet
te ernstig geweest ware, had ik hem weer meegebracht,” zei de heer Van
den Oever. „Nu echter moest ik het recht zijn loop laten en we kunnen
alleen zijn moeders lot dragelijk trachten te maken.”
De avond ging op Vrederust zeer genoeglijk voorbij. Toon wachtte er nog
eene verrassing.
„Ik moet u eene boodschap overbrengen, Anton, van een mijnheer uit Den
Bosch.”—
„Aan mij, mijnheer, ik ken niemand in die stad.”—
„De mijnheer, van wien ik spreek, kent u ook niet persoonlijk, maar hij
heeft gehoord van uwe moedige daad te Nieuwkuyk. Ik moet u namens Zijn
Excellentie den Commissaris des Konings de betuiging zijner
tevredenheid overbrengen over uw moedig gedrag op den 30sten December.
Reeds den volgenden dag woonde Zijne Excellentie onze vergadering bij,
vergezeld van twee hoofdingenieurs. Zooals gij allen misschien reeds
weet, werd, als gevolg van het op die en de vorige vergadering genomen
besluit, reeds drie dagen na de doorbraak begonnen aan het werk van
beringing. Eerst is in het water eene kade gelegd van rijshout en
steenen aan de buitenzijde van den dijk. Daarbinnen wordt in een halven
cirkel de nieuwe dijk opgeworpen. Nu het water vallende is, zal het
werk beter gaan vlotten. Tot nu toe is het dijkbestuur niet erg
voorspoedig geweest met het werk, dat het zelve wil verrichten. Er zijn
tal van schier onoverkomelijke bezwaren, waarmede wij te kampen hebben
gehad. Alleen de aanvoer van materiaal ging vrij gemakkelijk, de
schuiten met steenen en rijshout werden door eene stoomboot over het
Bossche Veld naar den doorbraak gevoerd. Met een lager waterstand zal
dit moeilijker gaan. Als de werkzaamheden zoo voortgaan, ligt de dijk
de eerste maanden nog niet en nu reeds komen van verschillende kanten
klachten over den weinigen voortgang.
„De menschen, die door jou gered zijn, Anton, hebben een onderkomen
gevonden op den konijnenberg. In een gat in den grond, waarvan de
wanden met dennentakken bekleed zijn en takken met stroo het nauwelijks
waterdichte dak vormen, zijn moeder en kinderen gehuisvest. ’s Nachts
slapen allen met nog vele anderen in de tenten van het garnizoen van
Den Bosch en overdag warmen zij zich bij het vuur in het hol. Vele
menschen leven op die manier. Hout groeit er op den heuvel genoeg en
daarvan zijn ook noodstallen opgericht voor het geredde vee. Ge kunt
begrijpen, hoe treurig het er uitziet. Als de vorst invalt is de
ellende niet te overzien. Gelukkig, dat het detachement infanterie
alles doet om hulp en bijstand te verschaffen.”—
„De huizen zijn nabij den doorbraak zeker allen onbruikbaar?” vroeg de
kapitein.
„Zoo goed als allen, mijnheer. De bewoners hebben elders een onderkomen
moeten zoeken. Een deel ervan worden liefderijk verpleegd in ’s
Hertogenbosch en andere naburige plaatsen, die van het water gespaard
bleven.
„Anderen bivakkeeren behalve op den nu dichtbevolkten Konijnenberg, in
de tenten van het leger op het drooggebleven kerkhof, op den dijk en op
het naburige fort aan de Hedikhuizensche Sassluis.”—
We behoeven den avond niet verder te beschrijven om te weten, dat hij
prettig en aangenaam werd doorgebracht. Behalve Thijs, kwam ook de heer
Den Bosch een bezoek brengen op Vrederust en eerst bij twaalven ging
het gezelschap uiteen. De kapitein en Toon bleven er weder logeeren,
doch hadden nu een rustigen nacht, en werden niet meer door inbrekers
gestoord.
EEN GEVAARVOLLE TOCHT.
Het is stil geworden op Vrederust. De heer Van den Oever is gister met
den kapitein naar Heusden vertrokken. Met leede oogen zagen de jongens
beiden weggaan. Den vorigen dag hebben allen nog een bezoek gebracht
aan Dirks moeder. Mevrouw was ook medegegaan en voorzichtig had deze de
arme moeder in kennis gesteld met het tegenwoordige verblijf van haar
zoon. De burgemeester had beloofd alles in ’t werk te zullen stellen om
Dirks straftijd te verkorten. Vrouw Oudkoop was ontroostbaar over het
ongeluk en verweet zich zoo zwak te zijn geweest jegens haar eenig
kind. Hij had een meegaand karakter, zeide ze, maar slecht was hij
heusch niet. Alleen liet hij zich spoedig door iemand inpalmen en dat
was zijn ongeluk. Van gezelschap en oppassing wilde ze nu heelemaal
niet hooren. Ze kon de blikken van nieuwsgierige dorpelingen niet
verdragen en wilde liever alleen zijn, dan over haar zoon te hooren
spreken. Wanneer de jongens een enkelen keer bij haar kwamen, zou ze er
hoogst dankbaar voor wezen, maar anders had ze liever niemand bij zich.
Deze gevoelden zich nu eenzaam na het vertrek van den reeds beminden
zeeman. Roelof en Toon waren steeds samen. Hunne makkers Piet en
Hendrik moesten voortdurend thuis blijven om hunne moeder te helpen en
op te passen. Deze was ook ziek geworden en nu moesten de jongens bij
gebrek aan vrouwelijke hulp het huishouden doen.
Niet wetende wat te doen, lieten de beide knapen zich met de bakken
overzetten naar de pastorie. Daar gekomen, vroegen zij het primitieve
vaartuig een uurtje te mogen gebruiken. Dit werd hun gereedelijk
toegestaan, daar er toch nog een bootje aanwezig was voor wie er
gebruik van wilde maken. Ze vormden nu het plan om vrouw Oudkoop een
bezoek te brengen en haar zoo noodig met een en ander te helpen. Anton
wilde eerst nog een tweeden stok gaan halen, want dien ze hadden scheen
niet sterk te zijn. Roelof vond het echter minder noodig. Op de
pastorie was waarschijnlijk geen lang stuk hout te vinden en ze konden
immers om beurten het vlot voortduwen. De tocht ging aanvankelijk vrij
voorspoedig, tenminste voor zoo ver dat mogelijk is in een vlot van
twee voerbakken met twee korte balken er onder en een drooglat tot
riem. Ze stuurden aan de westzijde het dorp om. Nauwelijks waren ze een
eindje op de vlakte, of het kostte door den hevigen stroom heel wat
moeite om de bakken in de goede richting te houden. Met een boot voelde
men de kracht van het water niet zoo erg als nu op het vlot, anders
waren de jongens gewis niet met één stok op reis gegaan. Daarbij kwam,
dat een dichte mist het water bedekte, die op het vlakke veld
ondoordringbaar scheen. Nog niet lang waren ze op weg of de droogstok
brak en de jongens waren aan de willekeur van het water overgeleverd.
Ze hadden er door den nevel geen erg in gehad, dat ze reeds een eind
van het dorp waren afgedreven. Nu ze hulpeloos rondzwalkten, zagen
beiden spoedig het gevaar, waarin ze verkeerden. Roepen baatte niets,
hoezeer ze hunne kelen inspanden en niemand kon hen zien. Ze waren
zeker al een heel stuk afgedwaald en zelfs al had men hun geroep
gehoord, stond het nog te bezien of er eene boot bij de hand was om hen
terug te halen. Hoe het ook zij, er kwam niemand en de jongens hielden
op met hun noodeloos geschreeuw, om te beraadslagen, wat hun te doen
stond. Hunne hoop was nog op een ding gevestigd, namelijk, dat ze de
boomen langs den weg zouden kunnen grijpen om daarlangs met behulp van
een paar afgesneden takken terug te keeren. Op het veld was dit
onmogelijk, want daar stond te veel water om met korte latten grond te
kunnen bereiken. Fortuin was hun echter niet gunstig. Op eene plaats,
waar een paar boomen ontbraken, staken ze onwillens en onmachtig het te
voorkomen den weg over en dreven al verder en verder de wijde
watervlakte op, waar zelfs bij helder weder huis noch boom te zien zou
zijn geweest. Moedeloos hurkten de arme jongens elk in een bak op den
bodem van het lekkende vaartuig. Ze zetten de kragen op om zich voor
den guren wind en den natten mist te beschutten. Waren ze jonger en
minder flink geweest, ze zouden zeker in schreien uitgebarsten zijn. Nu
teekende de doffe, starende blik genoeg hunne wanhoop.
„Zouden de bakken het uithouden,” aldus verbrak Roelof de drukkende
stilte. „Verbeeld je, dat we hier eens zinken, er staat wel twee meter
water. Had ik maar niet zoo onvoorzichtig geweest en naar jou raad
geluisterd. Met nog een stok waren we gered.”
„De bakken zullen het wel uithouden,” zoo stelde Toon zijn makker
gerust. „Ze lekken niet noemenswaard en bovendien liggen er een paar
dikke balken onder. In het ongunstigste geval zullen we tot onze knieën
in ’t water staan. Het ergste is, dat we voorbij geen enkel huis komen.
De stroom gaat in de richting van de hulpgaten nabij Dussen in den
Almkerkschen weg. Deze zal wel een eind onder staan, maar verreweg het
meeste water vloeit door de vier hulpgaten nabij eerstgenoemd dorp. Ook
trekt het water naar de Bakkerskil, zoodat naar mijne berekening wij
juist tusschen Meeuwen en Babeloniënbroek door drijven en misschien aan
den Dussenschen dijk uit zullen komen. We vorderen echter langzaam hier
op de vlakte en hebben uren en uren voor den boeg. Waarschijnlijk zijn
we den heelen nacht op dit wrak. Als we ergens landen, zullen we
minstens verstijfd, misschien bezwijmd aankomen.”
Eene rilling loopt de beide jongens door de leden. Het vooruitzicht is
zoo donker mogelijk. Verbeeld u met een paar aan elkaar gespijkerde,
lekke bakken meegesleurd te worden over diep onder water staande
velden, met het vooruitzicht er den heelen nacht in nevel en koude op
door te brengen, zonder eenige beschutting, dan die hunner kleeren.
Eene heele poos zwijgen beiden onder den indruk van Toon’s
voorspelling. Ze zijn troosteloos. Nu en dan kijken zij even omhoog,
maar niets treft hun oog dan nevel en nevel. Zelfs geen struik steekt
boven de eindelooze zee uit.
Geruimen tijd zitten de ongelukkigen weder stil. Het water dringt
steeds meer in het vaartuig. Druppel voor druppel komt het binnen, maar
langzaam gaat zeker en de jongens zitten reeds tot de enkels in het
nat. Eindelijk rijst Toon vermoeid op en rekt zich de stijve leden.
„Hoe laat is het Roel?”—
„’t Is bij vieren, aanstonds wordt het donker.”—
„Zou er ook maanlicht zijn?” vraagt Toon weer.
„Ja, zeker het is volle maan of ’t scheelt niet veel!” roept Roelof
uit, terwijl hij bijna verheugd opspringt. „Gelukkig, want nu zal de
mist wel spoedig optrekken en dan kunnen we tenminste zien.”
„’t Mocht wat,” bromde Toon. „Licht of donker, we moeten maar willoos
voortdrijven met geen ander vooruitzicht dan den nacht in de bakken
door te brengen. Ik word er koud van, als ik me den toestand goed
indenk. Hu!”
„Er valt ons niets te doen dan te berusten en.... moed te houden. Ik
ben tenminste nog liever hier, dan in het lands-logement van den
Rooie.”—
„Wat een wonder!” zegt Toon. „Ik wou dat de ongelukkige stakker hier
was.”
„Ik niet hoor. Dat gezelschap is me niet bijzonder aangenaam. Wie weet,
wat kool hij ons zou trachten te stoven.”
„De Rooie is zoo slecht niet als we wel denken,” herneemt Toon, wien
het gevaar zeer verzachtend stemt jegens zijn aartsvijand. „Ik geloof
eer, dat hij bedorven is door zijne moeder, die hem in alles zijn zin
heeft gegeven. Van haar houdt hij veel, dat is zeker. Ik hoop, dat het
geval van voor drie dagen hem eens genezen zal. Weet je, wat we doen
moesten Roel! We zullen hem bij zijne terugkomst niet hard vallen en
trachten zijn vertrouwen te winnen. Als hij ziet, dat we ’t goed
meenen, sluit hij zich misschien wat bij ons aan.”
„Ik vind het plan heel aardig,” zegt de ander, „maar ik heb weinig lust
me met een dief af te geven.”
„Als we er zóó over denken,” antwoordt Toon, „handelen we evenals de
heele wereld doen zal, en er schiet voor Dirk niets over dan het
gezelschap te zoeken van zulke personen, als zijn verleider voor den
diefstal. Gerust Roel, we moesten hem wat helpen, al is het dan maar
voor zijne arme moeder. We behoeven daarom zijn makker nog niet te
worden. Wat ons te doen staat, zullen we over laten aan de
omstandigheden. Kom Roel, geef me je hand erop, dat je mee doet. Je pa
en je moe zullen ons stellig behulpzaam zijn en je zusje ook.”
„Je bent een beste jongen Toon. Hier is mijn hand. Ik ben je man
hoor!”—
Zoo werd op het water door de jongens, die zelve in groot gevaar
verkeerden, een edel verbond gesloten om een rampzalig mensch op den
goeden weg te brengen, om een vijand te vergeven. En de opkomende maan
wierp hare bleeke stralen over het tweetal, als wilde zij hun edel
voornemen bezegelen.
„De maan is er!” riepen beiden plotseling uit.
Zelden werd de nachtvorstin met zooveel vreugde begroet als door de
beide knapen. Met verlangen wierpen zij hunne blikken nu onbelemmerd in
’t rond. De maan had het mistkleed opgetrokken en in de verte ontdekten
ze bij het zwakke licht eene donkere stip aan den westelijken horizon.
„Zeker een groepje boomen,” zei Toon, „we drijven er rechtstreeks op
aan.”
„Neen!” roept Roel met blijdschap uit, „neen ’t zijn geen boomen. ’t Is
de Hengmensche molen. Dat we daar niet aan gedacht hebben, de molen
ligt juist in onze richting.”
In de grootste spanning brachten de jongens de daarop volgende
oogenblikken door. Zouden ze den molen kunnen bereiken of tenminste den
grooten boom rechts ervan of zou de stroom hen er dicht langs voeren,
zonder dat ze hem konden naderen?
De donkere groep deed zich werkelijk kennen als de bedoelde molen met
den alleenstaanden boom er bij. De bakken dreven langzaam voort juist
in de goede richting. Duidelijk konden ze weldra de wieken
onderscheiden, waarvan een geheel was afgebroken en eene andere
ongeveer half. Het luik boven in stond open en een eind touw hing er
uit naar beneden.
Een kreet van vreugde ontsnapte beiden knapen, toen Anton
voorovergebogen een tak van den boom had vastgegrepen. Met vereende
krachten gaven ze nu hun vaartuig een fikschen duw, zoodat het tegen
den molen aandreef. Hier werd het aan een der balken achteraan
vastgemaakt met een touw, dat Anton in zijn zak had. Terwijl Roelof
voor alle zekerheid het vlot stevig vasthield, klom zijn makker als een
kat tegen de balken op. Hij nam het touw in de hand en met behulp van
dit was hij in een oogenblik naar boven geklauterd en door het kleine
venster gekropen.
„Voorzichtig!” riep Roelof hem toe. „Verzet geen voet, eer ge steun
hebt. Je kunt gemakkelijk door een luik naar beneden vallen.”
„Steun heb ik al,” klonk het van boven. „Maar ik kan geen hand voor
oogen zien. ’t Is hier binnen stik donker. Hebt ge soms lucifers?”—
„Ja, nog een vol doosje.”—
„Goddank, kom nu maar vlug omhoog.”—
Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het houtwerk was nat en
glad van den mist en Roelof muntte niet uit in klimmen, zooals Toon.
Toen hij op den rand van een der bakken ging staan om zich naar boven
te werken, tapte hij het touw stuk en terwijl hij tot de knieën in ’t
water gleed, dreef het vaartuig langzaam af. Daar zat hij nu en goede
raad was duur. Met moeite klemde hij zich vast. Gelukkig was zijn
makker beter klauteraar dan hij. In een oogenblik was deze bij hem en
bond zijn zakdoek stevig om den balk. Hieraan had Roelof steun en toen
Toon den zakdoek van zijn kameraad nog eens hooger vastgemaakt had,
kwam de eerste eindelijk aan het touw. Hierdoor gesteund kwam hij ten
slotte bovenaan en klom, geholpen door Anton, het luik binnen. De
lucifers waren gelukkig droog gebleven. De jongens maakten licht en
zagen nu dicht bij hunne voeten in eene opening van den zolder eene
ladder staan. Deze klommen ze af en nu waren ze op een ruimeren zolder
dan boven, waar ze telkens gevaar liepen zich het hoofd te stooten
tegen de as van den molen en andere zware balken. Ook hier vonden ze
een trapgat, maar bij het licht van een lucifer bemerkten zij, dat de
daarop volgende zolder onder water stond.
„Hier dienen we ons in te richten,” sprak Anton. „Als ik me niet vergis
liggen op dezen zolder verscheidene voorwerpen, die ons van grooten
dienst kunnen zijn.”
„Ja, dat dient wel,” antwoordde Roelof. „De bakken zijn afgedreven en
we moeten wel blijven tot we verlost worden. We hebben nu veel van
Robinson Crusoë op het afgelegen eiland; alleen zullen hier wel geen
wilden komen.”
„Is het vlot dan weg?” vroeg Toon verschrikt.
„Ja, ik heb het touw losgetrapt en had genoeg te doen om me zelve vast
te houden.”—
„Dan kunnen we niet beter doen, dan geduldig wachten. We loopen geen
gevaar van verdrinken en eer we verhongeren zal wel eene boot voorbij
komen. Het eerste, wat ons te doen staat, is een stok zoeken en hem met
een zakdoek er aan bij wijze van eene vlag op den molen plaatsen. Steek
eens een lucifer aan, dan zullen we zien, wat er te vinden is.”—
De jongens waren niet ongelukkig. De watermolenaar had zijn huisraad op
deze verdieping in veiligheid gebracht. Zooals wel meer gebeurt, woonde
de molenaar met zijn gezin in het dorp. Daar hij echter bij hoogen
waterstand in den polder dagen lang en soms nachten in den molen moest
wezen, had hij eenige onmisbare voorwerpen bij zich, die nu hier
opgeborgen waren. Het eerste, wat ze vonden, was eene lantaarn. Ze
schommelden er mede; er was warempel olie in. De lantaarn werd
allereerst aangestoken en nu ging het zoeken in den rommelhoop
gemakkelijker. Eene flesch halfvol met petroleum werd voorzichtig in
een hoek gezet. Daarna haalden zij eene oude potkachel te voorschijn
met een paar stukken pijp. Vervolgens wat bossen stroo, eene bijl, eene
zaag en twee half versleten dekens. Gij kunt u voorstellen met welk
eene vreugde deze voorwerpen begroet werden door de verkleumde jongens,
wier beenen tot aan de knieën nat, en ijskoud waren. De kachel, hoe
roestig en oud ook, was gelukkig compleet en er was zelfs een elleboog
bij. Nu was er in het rieten dak van den molen een raampje met één
ruit. Deze werd stuk geslagen en de kachelpijp zoo goed en zoo kwaad
het ging er doorgestoken. Toen de kachel nu stond, ruimden ze eerst
alle brandbare voorwerpen op en begonnen daarna uit alle macht blokjes
hout te zagen en te hakken van eindjes balken en planken, die er in
overvloed te vinden waren. Met behulp van een bosje stroo werd er vuur
gemaakt en spoedig brandde de kachel, dat het een lust was. Toon klom
naar boven om te zien of er ook brandgevaar was. Zijn onderzoek was
zeer bevredigend. De pijp stak een heel eind buiten het dak, dat
trouwens doornat was en bijgevolg niet ontvlambaar. Het luikje,
waardoor de pijp stak, was van ijzer en leverde dus evenmin gevaar op.
Nu was het eerste werk eene seinvlag te plaatsen bovenop den molen en
toen dit was gebeurd met behulp van een stok en Roelofs zakdoek, konden
de afgetobde jongens eindelijk rust nemen. Het luik boven en dat op den
zolder, waar ze verbleven, werd met planken toegemaakt en weldra
verspreidde zich eene weldadige warmte over de ruimte. Eer ze echter
voor goed hun gemak konden nemen, moest er nog een en ander werk
verricht worden. Bij een tweeden ontdekkingstocht, vonden ze een
tonnetje halfvol steenkool. Die kwam goed te pas, daar de houtblokken
onrustbarend veel vlam gaven.
Van het stroo en de dekens werd in een hoek een leger gespreid. Toen
dit gebeurd was, ruimden de jongens nog eens alles op om te zien of er
nog iets van hunne gading was. De verschillende vondsten hadden hun
moed gegeven en opgeruimd en blij door den betrekkelijk gunstigen
afloop deden ze hun werk, onder druk gesprek over het avontuur en over
hun gezellig kamertje. Het was een geluk voor de jongens, dat de
molenaar door den haast alles had moeten achterlaten. Uit de wild op
elkaar geworpen hoop haalden ze nog iets anders dan brandstof. Roelof
vond bij het zwakke licht van den lantaarn een ijzeren pot zonder oor
en Anton een zakje aardappelen en in een kistje, met een verroest mes,
eene vork, en een stukje vet spek. Met gejuich werd alles begroet.
Anton ging naar beneden om water te halen en Roelof schilde onderwijl
eenige handenvol aardappelen.
„Hadden we nu maar zout,” zei de eerste, „dat is in ieder geval
smakelijker; hoewel, ik zal ze toch wel lusten, want ik rammel van
honger.”
„Geen nood,” zei Anton, „laat mij maar begaan, en ik maak een maal
klaar zoo lekker, dat we er van smullen.”
Toen eindelijk de pot met aardappels kookte, goot de jonge kok het
water er af en sneed reepjes spek, waarmede hij ze verder opstoofde.
Een lekkere geur van warm eten prikkelden de reukorganen der
uitgehongerde jongens. De pot deed dienst voor bord en schotel beide en
stond op een tonnetje. Toon en Roelof zaten er om heen, de een op een
vaatje, de ander op een boomstronk. Zij smulden van het eten en aten
alles schoon op, doch toen waren ze ook verzadigd. Nu eerst dachten ze
eraan, dat het water hun nog in de schoenen stond. Terwijl zij rustig
om de gloeiende kachel zaten, trokken ze kousen en schoenen uit, hingen
de eerste te drogen en zetten de andere op den voet der kachel. Na alle
moeite en gevaar gevoelden ze zich nu welbehagelijk te moede. Ze
dachten weinig aan den onrust, waaraan ze thuis ten prooi zouden zijn.
Roelof bracht dit onderwerp nog even ter sprake, doch hem werd spoedig
door zijn kameraad het zwijgen opgelegd. „We hebben genoeg met ons
zelven te doen gehad,” zeide deze, „om ons nog te vermoeien met de
ongerustheid van anderen. Grootvader zal ons morgen ochtend stellig
zoeken en men zal wel begrijpen, dat we niet verongelukt zijn.”
Geruimen tijd bleven ze nog bij de helder brandende kachel zitten.
Eindelijk doofde het vuur, ze bliezen de lantaarn uit en kropen
onbezorgd onder de dekens op hun strooleger.
Zoo gemakkelijk als Toon er over redeneerde, dachten ze te Eethen niet
over het verdwijnen der beide jongens. Ongeveer etenstijd, om half 5,
kwam er van Vrederust eene boodschap op het eiland, of Roelof er nog
was. Roelof en Anton waren samen naar de pastorie, maar daar ook Thijs
nog niet thuis was, dacht niemand er meer over. Een uur later kwam
mevrouw zelve en de jongens niet op het eiland vindende, maakte zij
zich ernstig ongerust. Thijs, die inmiddels thuis gekomen was, verborg
zijne eigen vrees en trachtte de burgemeestersvrouw gerust te stellen.
„Ze zijn bepaald weder op de pastorie teruggekeerd,” merkte hij op,
toen men hem vertelde, dat de jongens vandaar met de bakken vertrokken
waren.
Spoedig was een bode daarheen gestuurd. Deze kwam terug met de tijding,
dat de jongens noch de bakken sedert het begin van den middag daar
gezien waren.
„Misschien zijn ze wel naar vrouw Oudkoop gevaren. Het mensch is zeker
erger geworden en nu zullen Roelof en Anton haar wat helpen en
gezelschap houden. Wacht, ik roei er zelf even heen,” zei de oude.
Thijs vond het bij vrouw Oudkoop donker en koud. De weduwe lag
hulpeloos te bed en rilde van de koorts. Van de jongens was geen spoor
te vinden. De veerman bezat een medelijdend hart. Nu echter maakte
zijne eigen ongerustheid hem ongevoelig voor een anders leed. De oude
man gunde zich geen oogenblik om de zieke een vertroostend woord toe te
spreken en roeide snel terug met eene flauwe hoop, dat de jongens
inmiddels weergekeerd zouden zijn. Hij vond ze natuurlijk niet. Mevrouw
Van den Oever was doodelijk ontsteld en liep handenwringend rond. Ook
Thijs kon zich niet langer goed houden. Groote tranen biggelden hem
over de wangen. Beiden verdiepten zich in gissingen en stelden zich het
ergste voor. Hopeloos begaven zij zich naar den meester of die
misschien raad wist te schaffen. Deze liet beiden eerst bedaard
uitspreken, greep vervolgens zijn pet en jas en vroeg Thijs hem over te
zetten naar de pastorie. „Zet voor mevrouw een sterk kop koffie, dat
doet de zenuwen wat bedaren,” zeide hij tot zijne vrouw. „Ik zie nog
volstrekt geen gevaar. Ze zullen door den mist afgedreven zijn en nu
den terugweg niet kunnen vinden. De bakken zijn sterk en van omslaan is
met die dingen geen sprake. Stel u dus gerust. Hoogstens zijn ze wat
verkleumd van de kou. Ik zal op de pastorie eens gaan hooren. Toon en
Roelof zijn sterke en vlugge jongens, die zich wel zullen redden. Al
kwamen ze den heelen nacht niet terecht, dan bestond er nog geene
ernstige reden tot ongerustheid.”
De meester had spoedig voldoende gegevens verzameld om eene
gevolgtrekking te kunnen maken. Hij had alle bewoners van de pastorie
gesproken, die hem iets omtrent de jongens konden vertellen en zelfs op
het geringste acht geslagen. Hij wist nu, dat ze op weg waren gegaan
naar vrouw Oudkoop, dat ze Westwaarts omgevaren waren, juist waar de
grondslag zeer laag was en dat slechts één stok in de bakken lag. Een
kleine jongen vertelde, dat Toon een tweede stuk hout had willen
zoeken, doch dat Roelof één voldoende vond, en een grootere knaap
deelde mede, dat de droogstok dien morgen bij het over zetten half door
gebroken was.
Met deze kennis toegerust keerde de heer Den Bosch huiswaarts en gaf
aan de angstige moeder zijne zienswijze ten beste.
„Terwijl de jongens het dorp om voeren,” aldus onderstelde hij, „zullen
ze op de lage weiden veel moeite gehad hebben om met de bakken tegen
den stroom in te komen. Deze is op dat punt zeer sterk, de stok is bij
hunne pogingen gebroken en toen zijn ze met den stroom westwaarts
afgedreven. Door den mist zijn ze door niemand gezien en waarschijnlijk
waren ze te ver van de huizen, dat hun roepen gehoord is.”
„Dan zullen we zoeken, zoolang we ze hebben,” zeide Thijs.
„Dat zal noodelooze moeite wezen,” merkte de meester op. „Daar ze
minstens 5 of 6 uur op weg zijn, bevinden ze zich waarschijnlijk al in
den Dussenschenpolder. Het kan ook, dat ze onderweg opgepikt zijn en
mede genomen naar Meeuwen, Babeloniënbroek of Dussen, en dan worden ze
stellig niet vóór morgen thuis gebracht. Neen, het zoeken kan niet
anders dan vruchteloos wezen. Het eenige, wat we kunnen doen, is nog
eens het dorp om varen en vragen aan de menschen, die er wonen, of ze
ook iets hebben gehoord. We moeten echter voortmaken, ’t is al over
negenen. Willen we u eerst thuis brengen, mevrouw Van den Oever? Mijne
vrouw zal u straks, als ik weder thuis ben, gezelschap komen houden en
kan desnoods vannacht bij u blijven.”
Dit voorstel werd in dank aanvaard en mijnheer Den Bosch met Thijs
gingen op weg om nadere gegevens te verzamelen. Bij twee huizen kwamen
ze aan, waar men niets gehoord had. Een man echter, dien ze uit het bed
klopten, riep hun toe, dat hij vroeg in den middag om hulp had hooren
roepen. „Help, help,” werd er geschreeuwd, „we drijven af!” Hij had er
geen acht op geslagen, omdat kwajongens wel eens meer die grap
uithaalden; bovendien had hij geene boot bij de hand om te onderzoeken,
wat er waar was van het hulpgeroep.
De meester wist nu genoeg. Zijne onderstelling bleek steekhoudend. Met
moeite wist hij den ouden man te bewegen naar huis te varen om morgen
bij het krieken van den dag den onderzoekingstocht voort te zetten.
De bewoners van het eiland en van Vrederust gingen een treurigen nacht
tegemoet. De meester bracht zijne pas herstelde vrouw naar het huis van
den burgemeester en keerde zelve met Thijs huiswaarts. Geen van allen
deed een oog toe. De meester zelve, hoezeer hij de anderen ook moed
insprak, was niet gerust. De vrouwen gingen den heelen nacht niet te
bed en toen Thijs, thuis geen rust kunnende vinden, te middernacht nog
eens naar Vrederust roeide, vond hij de dames schreiende bijeen zitten.
Wij laten het drietal verder alleen in hun verdriet en keeren tot de
schipbreukelingen op den molen terug.
De ongewone omgeving en het stekelige stroo, dat voor matras diende,
deden de jongens reeds vroeg ontwaken. Een half uurtje bleven ze zich
koesteren onder de dekens. Toen het eerste licht door het kleine
dakvenster scheen, stonden zij op. Het was nog voor achten. Hun eerste
werk was de kachel aan te maken. Deze brandde weder lustig op.
Vervolgens klom Anton met de ijzeren pot naar beneden om water te
scheppen. Hij waschte zich frisch en gebruikte zijn zakdoek om zich af
te drogen. Zijn kameraad deed hetzelfde. Daarna werd de pot
omgewasschen en half vol water op de kachel gezet. Bij het daglicht
konden zij hun onderzoekingstocht voortzetten. Alles ruimden ze nog
eens van den eenen naar den anderen hoek, hopende, nog wat mondvoorraad
te vinden. „Als we niets vinden, doen we ons maal weer met aardappelen
en spek,” zeide Anton.
„Wacht eens,” antwoordde Roelof, „ik heb nog wat. In mijn binnenzak,
geloof ik, zit nog eene scheepsbeschuit. Warempel, hier is ze.” Hoe de
jongens ook zochten, ze vonden geen eten meer; alleen ontdekten ze in
een kistje met spijkers en allerlei vreemdsoortige artikelen, nog een
busje met gemalen koffie. Of ze hiermede in hun schik waren. De koffie
werd in het kokende water geworpen, de pot van het vuur genomen en op
het blad van de kachel gezet om te trekken. Een heerlijke lucht
vervulde den molenzolder. Anton wist nog een gescheurd kopje op te
schommelen en hiermede schepten ze om beurten van den verkwikkenden
drank. Hun ontbijt bestond uit eene scheepsbeschuit met de laatste
helft van het spek. Nu hadden ze niets meer over dan een handjevol
aardappelen, doch dat was niets. Ze zouden dien dag wel gered worden,
meenden zij. Die hoop werd echter minder levendig, toen ze boven op den
molen klommen en den dichten nevel bemerkten, die weder de watervlakte
bedekte. De mist maakte de kans op redding heel gering. Slechts een
toeval zou hun nu kunnen verlossen en dat kwam niet. Ze wachtten en
wachtten. Het eene uur na het andere verstreek, doch geene boot
vertoonde zich. De opgewektheid der tegen wil en dank gevangenen was
reeds lang verdwenen en had plaats gemaakt voor moedeloosheid. Ze
dachten aan huis, aan de gezellige huiskamer in Vrederust, aan de
consistoriekamer, waar ze luisterden naar de vertellingen van Anton’s
grootvader. Ze dachten aan hunne betrekkingen en vrienden. Roelofs
bezorgdheid over zijne moeder en zijn zusje, en Anton’s vrees voor de
ongerustheid van zijn grootvader verdrongen hunne eigen rampen, totdat
op eens weder het schrikbeeld van den hongerdood in hunne verbeelding
verscheen. Het werd middag en de arme jongens waren radeloos. De honger
deed zich eveneens gevoelen, want de weinige aardappelen hadden hun
maag niet kunnen bevredigen. Troosteloos zaten ze boven op den molen
voor het geopende luik. De koude voelden zij niet. Opeens scherpten
beiden hunne ooren. Ze hoorden gerucht. Een oogenblik later hoorden ze
duidelijk verwijderd hondengeblaf. Verheugd sprongen ze overeind en
riepen als uit één mond: „Goddank, ’t is Jemmy, ’t is ons hondje, nu is
er redding nabij.” Zoo hard ze konden, begonnen nu de jongens te roepen
en te schreeuwen. Het hondengeblaf werd duidelijker en het volgende
oogenblik hoorden ze Thijs roepen. Nog eenige seconden later kwam de
boot met Thijs en mijnheer Den Bosch erin, uit den nevel te voorschijn.
Groot was de blijdschap der jongens, maar grooter nog die van den ouden
man. In minder dan geen tijd waren de gevangenen uit den molen
geklommen en in de boot. De jongens namen de riemen en de zeer
vermoeide veerschipper nam plaats aan het roer. Met grooten spoed
roeiden ze huiswaarts en vertelden onderwijl hun avontuur, waarna ook
Thijs en de meester van hunne tochten verhaalden. Dien morgen waren ze
al vroeg naar de naburige dorpen en eindelijk naar Dussen geroeid, maar
nergens hadden ze eenig spoor gevonden. Op den terugweg vonden ze de
bakken in de takken van een knotwilg verward. Dit gaf hun eenigen reden
te vermoeden, dat de jongens gered waren door eene voorbijvarende boot.
In den molen hadden ze echter heel geen erg gehad en hem trouwens ook
niet gezien. Opeens was Jemmy, die ze op aanraden van Stans hadden
meegenomen, hevig beginnen te blaffen. Kort daarop hadden ze het
hulpgeroep gehoord zonder nochtans aan den molen te denken. Zij wisten
niet, vanwaar het roepen tot hun kwam. Eerst bij het naderen hadden ze
hem ontdekt. Jemmy was hier feitelijk de redder geweest.—
De scherpe Oostenwind floot over de vlakte, maar ze voelden koude noch
vermoeidheid. Binnen een uur landden ze behouden en wel aan het
burgemeestershuis, waar de jongens met uitbundige vreugde ontvangen
werden. Mevrouw Van den Oever lachte en schreide tegelijk, toen ze haar
zoon in de armen sloot. Roelof kuste zijne moeder op de roodgeweende
oogen. Nu eerst kon hij zich den angst voorstellen, dien ze voor hem
had moeten doorstaan.
EENE MOEDIGE DAAD.
Het oude rijmpje: „Mist, heeft vorst in de kist,” werd ook nu weder
bewaarheid. Op den dag, dat Roelof en Anton verlost werden uit den
molen, was de vorst ingevallen en wel met zulk eene strengheid, dat in
korten tijd de watervlakte met een dikken ijsvloer was bedekt. In hoe
weinig tijd het zoo sterk had gevroren, dat de vaart gestremd was en de
gemeenschap der dorpen onderling te voet kon geschieden, kan ik me niet
goed meer herinneren. We kunnen het echter vrij nauwkeurig bepalen. We
lezen immers, dat met den storm van den 7den en 8sten Januari het water
schuimend en bruisend door de hulpgaten zich een weg baande.
Een droevig feit op den 18den Januari—de herinnering er aan is me nog
levendig bijgebleven—geeft ons de wetenschap, dat toen reeds door
reizigers den weg van Vlijmen over het Bossche Veld naar ’s
Hertogenbosch te voet werd afgelegd. De bedoelde noodlottige
gebeurtenis, hoewel die tot ons verhaal in geen enkel verband staat,
wil ik toch in korte woorden vertellen.
De heer J. A. Vesters, verslaggever van „het Huisgezin” en vader van
zeven jonge kinderen, keerde op dien datum tegen den avond van het
terrein der doorbraak huiswaarts. Verscheidene lieden hadden hem den
tocht over de uitgestrekte ijsvlakte afgeraden. Plichtsbesef weerhield
hem te blijven; bovendien wachtte zijne vrouw hem stellig en hij wilde
haar niet in ongerustheid laten. Het was vreeselijk weêr. De
sneeuwjacht joeg hem in ’t gelaat, de wind gierde over de vlakte en de
koude ging hem door merg en been. Toch schreed de tengere man moedig
voorwaarts, hoe zwaar het hem ook viel. Onderweg kwam hem de postbode
van Den Bosch op Heusden tegen,—M. van Grondelle—die hem met klem
trachtte te bewegen met hem terug te keeren. Hij liet zich niet
overreden, helaas! Na zich nog eene poos te hebben voortgesleept, deed
zich bij Vesters de vermoeidheid met het oogenblik sterker gevoelen.
Zijne ledematen verstijfden, het bloed kwam hem uit den neus. Eindelijk
zonk hij neder.
Den volgenden middag werd zijn lijk gevonden in de houding van iemand,
die uitgeput in slaap gevallen is. Het was half bedolven onder de
sneeuw.—
Omstreeks denzelfden tijd, dat de heer Vesters op zoo droevige wijze om
het leven kwam, begaven zich de jongens Roelof en Anton op weg naar
vrouw Oudkoop. Het was niet de eerste keer na hunne gevangenschap.
Reeds den dag van hunne verlossing hadden ze met Roelofs moeder en
Thijs de zieke bezocht en haar in een erbarmelijken toestand
aangetroffen. Door de krachtige hulp van mevrouw Van den Oever was zij
wel weer een weinig opgekwikt, maar beterschap kwam er niet.
Integendeel, de zieke vrouw werd gaandeweg erger. Iederen dag werd ze
nu door de jongens bezocht, soms meer dan eens. Deze maakten de kachel
voor haar aan, brachten haar het zoo begeerde kopje koffie en heerlijke
soep.
Eens per dag ook kwam de meid van den burgemeester mede om
werkzaamheden te verrichten, die de jongens niet doen konden. Mevrouw
zelve kwam niet meer. Eene hevige verkoudheid belette haar uit te gaan.
Ook nu, we weten in welk weder, begaven zich de jongens naar de zieke
en brachten het potje soep mede. Ze traden binnen en vonden de arme
weduwe in eene ijlende koorts. Het was verschrikkelijk, het lijden der
vrouw aan te zien. Eenige oogenblikken stonden de knapen als aan den
grond genageld. Zoo iets hadden ze nooit bijgewoond. Eindelijk hield
het verwarde spreken op. De strakke trekken ontspanden zich en de
starende oogen vielen dicht. Behoedzaam slopen de jongens nader. Eerst
meenden ze, dat de ongelukkige dood was. Dit vermoeden bleek gelukkig
onjuist. Er was nog leven, maar hoelang zou het duren? Nog één hevige
aanval van koorts en ’t was gedaan, dat beseften ze zeer goed. Wat te
doen?—
„We moeten om den dokter. Als er vandaag geen hulp komt, moet ze
sterven,” meende Roelof.
„Een dokter moet er komen, dat is zeker,” sprak Anton, „maar wie zal er
om gaan in dit weder? Was grootvader maar thuis of de meester. Ze zijn
van morgen naar Heusden vertrokken om voeding en brandstof en komen
stellig niet voor den avond thuis.”
„Laat ons samen gaan,” hernam Roelof.
„Neen, dat in geen geval,” gaf Toon ten antwoord. „Uwe moeder zou het u
nooit toestaan. Weet je wat. Ik ga naar Drongelen en als ik daar ben,
zal ik wel verder raad schaffen. Ga jij intusschen naar huis en vraag
je moeder om raad.”
Zoo gebeurde het ook. Roelof maakte eerst wel tegenwerpingen, maar
moest zwichten voor de redeneering van zijn vriend. Wanneer ze eerst
naar huis gingen, zou mevrouw nooit toestaan den tocht over het ijs te
wagen. Eer er een ander gevonden was, zou het te laat zijn om een
dokter mee te krijgen.
Roelof ging huiswaarts en Anton maakte zich reisvaardig. Hij zette den
kraag van zijne duffelsche jas op, deed eene groote wollen das om, trok
de muts over de ooren en deed de broek in de laarzen. Gewapend met een
ijshaak toog hij moedig op weg. Jemmy volgde hem. Gaarne had hij het
arme dier teruggebracht, maar hij gunde er zich geen tijd voor. De
tocht viel hem niet mee. Wel had hij gerekend op groote bezwaren, zóó
moeilijk echter als de werkelijkheid zich deed kennen, had hij het zich
niet voorgesteld. De oostenwind zwiepte de scherpe sneeuw tegen zijn
gelaat; het kostte hem groote moeite om op de been te blijven. Nu eens
gleed hij uit over de spiegelgladde vlakte, dan weder waadde hij tot de
knieën door de opgehoopte sneeuw, een volgend oogenblik stond hij voor
een wak of open watervlak en moest hij een omweg maken om verder te
kunnen. Eer hij half weg was, had eene doodelijke vermoeidheid hem
overvallen. Toch sleepte hij zich moedig voort, aangemoedigd door zijn
hondje, dat blaffende tegen hem opsprong. Het gladde ijs, de
sneeuwheuvels waren lastig, maar oneindig meer last gaf hem de scherpe
sneeuwjacht. Alleen wie zelve in een sneeuwstorm is geweest, kan zich
het gevaar voor stellen, waarin de moedige knaap verkeerde.
Een slaperig gevoel kwam over hem, dat hij met moeite bestreed. Hij was
reeds dicht bij Drongelen. Daar struikelt hij over een sneeuwberg. Te
vermoeid om op te staan, zinkt hij neder op de witte vlokken, die,
scherp in het aangezicht, zooveel te zachter zijn om op te liggen. Zal
hij inslapen om niet meer te ontwaken? Neen, daarvoor zorgt Jemmy. Het
beest beseft het gevaar, waarin zijn baas verkeert. Het springt over
hem heen, likt hem het aangezicht, blaft hevig, en bijt hem ten laatste
zacht in de handen. Verschrikt ziet Anton op. Hij doorziet zijn
toestand en springt overeind; hij is gered.
Voorwaarts gaat het weder. De ijshaak dient hem tot steun. Eindelijk is
hij in het dorp en, beschut voor den storm, is hij weldra aan het Veer,
waar hij met blijdschap wordt ontvangen en waar hij als een gezonde en
sterke jongen spoedig van de vermoeienissen bekomen is.
Baas van den Hoven wil hem niet alleen laten gaan. Het gevaar is te
groot en al is de Zomerdijk droog en de weg dus niet zoo vermoeiend als
over het ijs, de sneeuwstorm is er even sterk. Een ander, bereid om
voor Dirk’s moeder een gewaagden en misschien nutteloozen tocht te
ondernemen, is niet te vinden en Toon is niet van zijn plan af te
brengen.
„Laat ons dan samen gaan, vader!” vraagt de oudste zoon des huizes. Van
den Hoven stemt nu toe en vlug spoeden de jongens zich voort.
Het is reeds laat in den middag als zij te Waalwijk aankomen. De
dokter, waar ze aanschellen, heeft geen trek den moeilijken tocht te
ondernemen. Anton smeekt hem om mede te gaan. De geneesheer laat den
dapperen knaap van de zieke en van zijne reis vertellen. Toen hij
hoorde van het levensgevaar, waaraan de flinke jongen door zijn hondje
ontsnapt is, roept hij uit: „Jongen, ik ga met je mee. Ik zou me altijd
voor je moeten schamen, als ik het niet deed.” Fluks wordt nu een
rijtuig met twee paarden ingespannen en als de dokter in de apotheek
een en ander heeft klaar gemaakt om mede te nemen, stijgt het drietal
in. Aan het veer worden de paarden op stal gezet en nu wordt de ijsvlet
in gereedheid gebracht, een bootje, dat van onder als slede is
ingericht. De geneesheer met Toon nemen er in plaats en een viertal
krachtige mannen met hooge laarzen duwen het vlet voort. Kwamen ze aan
een open watervlak, dan konden de mannen zich in de boot redden en
verder roeien tot het ijs weder sterk genoeg was, om het als slede
ingerichte vaartuig te dragen. Gelukkig konden ze telkens bijtijds een
wak ontdekken en behoefden ze er dus niet over te varen. Er omheen ging
natuurlijk veel sneller. Spoedig was de dokter bij de zieke. Zijne
komst was zeer noodig, den volgenden dag zou hij te laat gekomen zijn,
zeide hij. Hij deed eene keus uit de geneesmiddelen, welke van te voren
gereed gemaakt waren en begaf zich toen naar Vrederust, waar hij
huisdokter was. In overleg met mevrouw werden de noodige maatregelen
getroffen. Eene vertrouwde vrouw werd gevonden, om de zieke op te
passen en na de noodige wenken en voorschriften aan deze en ten
overvloede aan mevrouw te hebben gegeven, vertrok de geneesheer. Anton
was, zooals wel te begrijpen is, uitgeput van vermoeienis. Zoodra hij
thuis kwam, ging hij te bed en sliep weldra in. Hij had de heerlijke
voldoening een mensch het leven te hebben gered.
De moed en zelfopoffering van den knaap werden alom geprezen. Constans
wachtte den volgenden morgen met bewondering haar vriend en redder van
weleer op, om hem het eerst te kunnen geluk wenschen. Met bewondering
zeg ik, want het meisje zag tegen hem op als een held.
IN SNEEUW EN IJS.
Op het tijdstip, dat Anton zijn levensgevaarlijken tocht om den dokter
deed, was het water reeds aanzienlijk gevallen. Elken dag werd het
lager en het duurde nog slechts weinige weken of de meeste wegen waren
vrij van water en alleen nog bedekt met eene ontzaggelijke ijskorst.
Voor we ons verhaal verder voortzetten, komt het me wenschelijk voor,
nog eens voor ’t laatst een blik naar Nieuwkuyk te werpen.
Het werk der beringing of met andere woorden het leggen van eene
ringkade om de doorbraak aan de buitenzijde van den dijk, waar binnen
het nieuwe dijkvak zou worden aangelegd, was omstreeks half Januari
voltooid. Den 17den Januari werd te Vlijmen het leggen van den dijk
aanbesteed. De laagste inschrijvers waren de heeren Van Haaren (van
Utrecht en van Kerkdriel), en de heeren De Vries van Rossum. Aan deze
beide laagste inschrijvers werd het werk gegund. Dat zij heel wat
aandurfden, bleek duidelijk uit de biljetten van de overige zes
mededingers. De hoogste inschrijver toch vroeg voor het werk meer dan
100,000 gulden. De verwachtingen, die het dijkbestuur in tegenstelling
van vele anderen koesterden van de voortvarendheid der genoemde heeren,
werd niet gelogenstraft. Reeds denzelfden avond begonnen ze de richting
uit te bakenen trots koude en sneeuwjacht, en den volgenden dag kon met
het reuzenwerk een aanvang worden gemaakt. Een reuzenwerk zeg ik en met
recht. Het was niet zoozeer den omvang, dan wel de groote moeilijkheden
er aan verbonden, die het dien naam waardig maakte. Niet alleen was de
grond bedekt met eene dikke ijslaag, maar de bodem zelfs was tot
decimeters diep bevroren. Op vijf punten werd de arbeid begonnen en met
den grootsten spoed, met taaie volharding voortgezet. Eerst werd het
ijs weggeruimd, daarop de steenharde grond losgebroken en eerst toen
kon met het leggen van den dijk worden aangevangen.
De arbeid vorderde snel en de pogingen der heeren aannemers schenen met
gunstigen uitslag bekroond te worden. Er gebeurde echter iets, dat
aller arbeid tevergeefsch dreigde te doen zijn. Plotseling viel de dooi
in, een hevige, onrustbarende dooi. Het ijs op de rivieren raakte los,
het water wies met het oogenblik en de dijk was in lange niet gereed en
verre van sterk genoeg, om de watermassa te weerstaan. Ieder oogenblik
kon de ijsvloer over het Bossche Veld losscheuren en konden de
ontzaglijke, opeen geschoven, opgestapelde schollen den zwakken, hier
en daar nog uiterst lagen dam verwoesten. Eene tweede, maar nu veel
wreeder overstrooming stond voor de deur. Waar zou het einde zijn, als
de verwoestende golven nu ook de alles meesleurende ijsschollen zouden
landwaarts voeren en huizen, neen, heele dorpen wegmaaien!
Slapeloos lag een der aannemers op zijne legerstede, terwijl drie der
andere heeren in de directiekeet zaten. Daar schiet hem plotseling de
gedachte door het hoofd, dat een houten teen met eene behoorlijke
verzwaring den dijk misschien redden kan. Terwijl hij zich naar de keet
spoedt, werkt hij zijn plan verder uit. Het wordt zonder veel beraad
door de andere heeren goedgekeurd en den volgenden morgen reeds werd
eene vergadering van het dijkbestuur te Heusden belegd om het plan te
bespreken. Ook hier werd het met vreugde begroet en werden de
voorwaarden voor overwerk op billijke wijze geregeld. Aan den C. van
Haaren is voorzeker voor een goed deel het behoud van den dijk te
danken.
Er dreigde echter nog meer gevaar.
Eenige kwaadwilligen trachtten den 27sten Januari de ringkade door te
steken. Hun toeleg werd gelukkig bijtijds verijdeld.
Een anderen keer werd eene wel ontdekt in den nieuwen dijkaanleg. Eerst
laat werd het gat gevonden en slechts 14 mannen hadden de wacht; de
anderen waren op grooten afstand in keeten en hutten gehuisvest. Het
water stroomde reeds bruisend en kokend door de steeds grooter wordende
opening. De aannemers waren bijna radeloos, al behielden ze hunne
tegenwoordigheid van geest.
Hadden ze voldoende manschappen onder hunne bevelen, dan kon het gat
nog gestopt en het gevaar afgewend worden.
Het heele detachement infanterie, in Nieuwkuyk gelegerd, onder bevel
van sergeant Jhr. van Panhuis, bood zijne diensten aan. Met deze
welwillende hulp en nog andere toegesnelde personen werd de strijd
tegen het water aangegord. De wakkere aannemers stonden zelve half het
lichaam in ’t water, gaven hunne bevelen en vuurden allen tot de
grootste krachtsinspanning aan. De overwinning was het heerlijke loon.
Het steeds wassende water en de voortdurende dooi bemoeilijkten den
arbeid zeer, maar door een nog grooter aantal arbeiders, veel meer
karren en door te arbeiden, dag en nacht werd eindelijk het werk met
den schitterendsten uitslag bekroond. Den 17en Februari werd na slechts
30 dagen arbeid, het dijkvak opgeleverd. De aannemers ontvingen den
persoonlijken dank van de ministers van Waterstaat en Binnenlandsche
zaken, die enkele dagen van te voren het werk bezichtigd hadden. Eene
som van 8000 gulden aan premie werd hun uitbetaald wegens het 10 dagen
vóór den tijd gereed zijn en feestelijk werden ze met de stoomboot naar
’s Hertogenbosch gebracht.
Keeren we echter tot den held van het verhaal terug. De dijk was dicht
en zooals we in het begin van dit hoofdstuk zeiden: de wegen waren
weldra vrij van water. Ze waren echter nog lang niet vrij van ijs. Had
de dooi aangehouden, het ijs zou spoedig verdwenen zijn, maar dit was
niet zoo. Eensdeels was het nog maar gelukkig. Honderden werklieden
vonden arbeid in het opruimen van de verbazend dikke schollen, die als
een boog alle wegen overdekten. De arbeiders, die met houweel, bijl en
spade het werk verrichtten, kregen elk een gulden daags. Dit was hunne
eerste verdienste na den bangen winter. Zonder dit zouden ze nu toch
wel geleefd hebben, maar het is voor een eerlijk huisvader veel
opwekkender zelf zijn brood weder te verdienen, dan nog langer te
moeten leven van de publieke liefdadigheid, hoeveel lof deze ook
toekwam in die donkere dagen.
Anton was nog te Eethen. Zijn grootvader bevond zich reeds op het
veerhuis en zijn kleinzoon zou hem spoedig volgen. De eerste weken
bleef hij op dringende uitnoodiging van mevrouw Van den Oever nog op
Vrederust. De jongens waren evenals Pieter en Hendrik den Bosch met
frisschen moed aan ’t werk gegaan. De examens stonden voor de deur en
studeeren was de boodschap. De schade moest ingehaald worden en het
moet gezegd worden, ze werd ook ingehaald. Allen werkten om ’t hardst.
Dit nam niet weg, dat ze geregeld bezoeken aan vrouw Oudkoop bleven
brengen. De oude vrouw was hun lief geworden en deze van haar kant wist
geen woorden te vinden om hare dankbaarheid te uiten. Sinds het bezoek
van den dokter, die nog een paar malen terug was gekomen, nam ze
gaandeweg in beterschap toe en nu reeds mocht ze een enkelen keer
buiten komen. Ook woonde ze niet meer op den zolder. Met behulp van
Janus, den brompot, en de meid van den burgemeester was het huis weder
in orde gebracht.
Om den jongens een genoegen te bereiden, had de inmiddels voor goed
thuis gekomen burgemeester de ar van den stalzolder laten halen. Een
paard met rinkelend bellentuig werd er voor gespannen en voort ging
het. Vele plaatsen en ook Nieuwkuyk werden bezocht. Tal van arresleden
kwamen ze overal tegen. De wegen waren uitstekend geschikt voor een
sledevaart en vele gegoeden maakten er ook gebruik van. Nieuwkuyk bood
een toonbeeld van ellende en verwoesting aan. De beschrijving besparen
we onzen lezers maar. Ze hebben al genoeg kennis gemaakt met de rampen
van den watervloed.
Toon vertrok eindelijk voor goed naar huis en met leede oogen zagen
Stans, Roelof en de jongens Den Bosch hun trouwen makker vertrekken. De
studie werd nu op den ouden voet voortgezet en Anton toonde dag aan dag
meer, dat hij ook nog iets anders kon dan roeien en ijsloopen.
Vrouw Oudkoop was spoedig geheel hersteld en kon haar eerste bezoek
afleggen bij haar ongelukkigen jongen. Ze sprak hem bij deze en vele
volgende gelegenheden van de liefde der jongens, van Stans en de heele
burgemeestersfamilie en vooral van de zelfopoffering van Anton. Hare
woorden en hare liefde hadden eene goede uitwerking. Bij Dirk vertoonde
zich iederen keer meer eene merkbare verbetering en ten slotte beloofde
hij zijne liefhebbende moeder met tranen in de oogen een beter mensch
te zullen worden, en deze, gelukkig als ze was, sloeg de armen om den
hals van den beminden zoon. In de gevangenis deed hij zijn best het
vertrouwen der wachters te winnen en zijne oppassendheid gaf hem vele
voordeelen te genieten, die hem anders ontzegd zouden zijn. Het
grootste genot was zeer zeker, dat hij er dikwijls zijne moeder
ontvangen mocht.
DE EERSTE STAP.
We verplaatsen ons in gedachten eenige maanden later. Het is in den
nazomer. Van de rampen, die de dorpen in het land van Heusden
geteisterd hebben, zijn alle sporen verdwenen. De huizen zijn hersteld
of weder opgebouwd. De velden prijken met een goed gewas en zullen
stellig een overvloedigen oogst opleveren. Deze vergoedt misschien den
landbouwers voor een deel de schade, aan het winterkoren geleden.
Ook het huis van vrouw Oudkoop vertoont een heel ander aanzien, dan
gedurende den watervloed. Wel was de schade vrij aanzienlijk, doch op
kiesche wijze is de weduwe door den burgemeester en door kapitein
Rondhout geholpen. Zij zelve is weder de oude van vroeger. Rustig leeft
ze voort van de opbrengst van het eenig overgebleven stukje weiland,
van den boomgaard en hare kippen. Haar zoon is nog gevangen, doch ze
kan hem iederen dag verwachten. Zijn tijd is bijna om.
Op het Drongelsche veer is alles, zooals voorheen. Thijs zet over met
pont en boot. Anton studeert hard, maar hij krijgt nu alleen les. De
gezellige tijd van vroeger is verdwenen. Roelof is te Gorinchem op het
Gymnasium; Stans is op eene kostschool nabij Arnhem en de vier
onderwijzerszoons gaan op de Rijksnormaallessen te Heusden, de beide
oudsten zijn geslaagd voor de eerste, en de anderen voor de
voorbereidende klasse. Zij hebben, als ze niet in Heusden op de les
zijn, druk hun werk, en alleen op Zondag kan men hen nog vaak op het
Drongelsche veer aantreffen. Toon is dus alleen over, maar ook zijn dag
van vertrek nadert. Het zal niet lang meer duren of het prettige
troepje jongens is uit elkander. Loopen hunne levenspaden echter in
verschillende richting, hunne vriendschap houdt hen bijeen.—
De genegenheid tusschen vrouw Oudkoop en haar jeugdigen oppasser en
redder in de bange winterdagen is zoo mogelijk nog sterker geworden. De
jongen zal nooit te Eethen komen of hij brengt haar een bezoek. Met
verlangen verbeidt de weduwe den Maandagmiddag, als haar jonge vriend
bij mijnheer Den Bosch les haalt. Zij brengt hare eieren niet meer te
Heusden ter markt; ze heeft hare afnemers gezocht en gevonden te
Waalwijk, waarheen de weg langs het Veer leidt.
Het is weder Maandag en Anton pakt na afloop der les zijne boeken
bijeen. Hij slaat den weg in naar de bekende kleine boerderij. Vrouw
Oudkoop staat reeds op den uitkijk en begroet den jongen hartelijk.
„Kom je nog een oogenblik met de oude vrouw praten, beste vent? Daar
doe je wel aan. Ik heb een lekker kopje warme melk voor je klaar.” Ze
gaat hem voor in het ruime, eenvoudige ingerichte vertrek.
„Ik ben zoo blij, dat je gekomen bent Toon, ge kunt niet denken, hoe
verheugd ik ben. Van avond komt mijn jongen thuis en ik had er zoo vast
op gerekend je hier te hebben, als hij weder voor ’t eerst voet in huis
zet. Ik zou zoo gaarne hebben, dat gij tegenwoordig waart bij het
weerzien en dat gij hem ook met een handdruk wildet verwelkomen. Ik
weet wel, dat ge het mij wel tienmaal verzekerd hebt, maar toch durfde
ik u niet te vragen. Nu het zoo treft, dat ge uit u zelve hier zijt,
had ik zoo innig graag, dat ge met mij op Dirk wachttet. Zoudt ge dat
willen? Zeg het maar gerust, jongen. Maar neen, hoe kan ik het vragen.
Gij zijt altijd zoo eerlijk en Dirk is....”
„Kom, kom, vrouw Oudkoop, geen praatjes hoor. Je weet heel goed, dat
het ook mijn wensch is met je zoon goede vrienden te worden. Het zal me
een genoegen zijn hem de hand te reiken.”—
„Goeie, beste Toon. Als alle menschen zoo maar waren, dan zou er nog
wel een beter mensch van hem groeien. Ik ben altijd zoo bang voor de
gevolgen, als ieder de handen van hem aftrekt. Zou hij nog wel ooit
ergens werk krijgen? Of zouden allen zeggen: ga heen, een.... een....
kunnen we niet gebruiken.”—Het woord dief wilde de moeder niet van de
lippen.
Eene donkere schaduw glijdt langs het raam; het tweetal bemerkt den
nieuwaangekomene niet, die aarzelend door de op een kier staande deur
kijkt.
—„Dat is al in orde, vrouw Oudkoop. Roelof heeft er reeds bijtijds voor
gezorgd. Zoodra Dirk thuis is, mag hij weer bij den burgemeester in
dienst komen. Na al, wat gij van hem verteld hebt, gelooven ze op
Vrederust stellig, aan zijne beterschap. Later, als hij liever hier
vandaan wil, is er nog iemand, die hem gaarne zal voorthelpen. Met
goeden wil kan hij zeer zeker een degelijk mensch worden.”
„En die iemand is Toon Groen, niet waar?”—
„Hoe zou dat nu kunnen, vrouw Oudkoop, hoe zal ik iemand kunnen helpen,
die zelf nog niets ben. Neen hoor, ’t is een ander, maar dat is van
later zorg.”—
„En zult ge u ook niet schamen met Dirk samen te zijn?”—
„Ik wil dadelijk met hem gaan wandelen, ’t heele dorp door; wat ik zeg,
meen ik, dat weet u wel.”—
Aarzelend wordt de buitendeur geopend.
„Daar is Dirk”, roept de vrouw verheugd uit, terwijl ze hem tegemoet
snelt.
„Moeder!” is het antwoord en de verloren zoon valt haar snikkend om den
hals.
Anton is verlegen met zijne houding. Gaarne had hij moeder en zoon
alleen gelaten, maar zijn plicht gebood hem te blijven.
Eindelijk maakt de moeder zich los uit de armen van haar zoon, die
onthutst en beteuterd voor zich uit ziet. De aanwezigheid van een
vreemde maakt hem beschaamd.
Toon treedt nu naar voren en met de woorden: „dag Dirk, welkom thuis,”
steekt hij hem de hand toe.
De ontslagen gevangene grijpt die gretig aan. „Je wilt me dus nog
kennen, Toon,” vraagt hij, zonder de oogen op te slaan. Maar op
hetzelfde oogenblik laat hij angstig de aangeboden hand los en
bedremmeld klimt hij de zoldertrap op om alleen te zijn. Het gezelschap
benauwt hem. De woorden van vergeving, zooeven aan de deur overdacht,
willen hem nog niet over de lippen.
Anton staat op om te vertrekken.
„Ik kom eens gauw terug, vrouw Oudkoop. Nu moet ik heen. Als Dirk lust
heeft, komt hij me maar eens opzoeken.” En zacht fluistert hij haar in
’t oor: „Zorg, dat hij morgen op Vrederust vergeving gaat vragen”—
„Dag beste jongen. God zegen je!” zegt de dankbare moeder, terwijl ze
hem uitlaat.
HET EXAMEN.
Toon heeft nu voor goed zijn beroep gekozen. Hij zal opgeleid worden
voor stuurman bij de groote vaart en, zoo het hem mag gelukken, hoopt
hij eenmaal als zoodanig geplaatst te worden op eene der groote
passagiersbooten naar Oost-Indië of Amerika.
Het toelatingsexamen voor de zeevaartschool zal in de maand Juni worden
afgenomen en die tijd nadert snel. De laatste weken werkt hij met
verdubbelden ijver, want hij zou gaarne in alle vakken een voldoend
cijfer behalen. De adspiranten, die in alle vakken een goed examen
afleggen, hebben de voorkeur om in het gesticht te worden opgenomen, en
het is bekend, dat het aantal mededingers vaak meer dan het dubbele
bedraagt van het aantal beschikbare plaatsen.
Toon was in alle vakken goed onderlegd, behalve in Fransch en Engelsch,
waarin hij nog maar kort had les gehad. Gelukkig werd de kennis van de
Engelsche Taal niet vereischt.
Op den dag van het examen gevoelde Anton zich niet erg op zijn gemak.
Trouwens geen wonder. De jongen had geheel alleen de reis naar
Amsterdam gemaakt. Hij moest vroeg zelfstandigheid leeren, was de leus
van kapitein Rondhout en diens woord was voor grootvader Thijs eene
wet.
Het examen zelf viel den knaap echter niet tegen. Reken-, stel- en
meetkunde ging hem zeer gemakkelijk af, evenals Nederlandsche Taal,
Geschiedenis en Aardrijkskunde. De vragen en opgaven waren veel
gemakkelijker, dan hij zich had voorgesteld.
Al ging het nu met de Fransche Taal wat minder goed, hij maakte over ’t
geheel een goed figuur.
Anton Groen kwam met no. 12 op de ranglijst en werd toegelaten op de
kweekschool voor Zeevaart.
Tegen het einde van de maand Augustus, dus kort na de thuiskomst van
Dirk uit de gevangenis, brak voor Anton een nieuw levenstijdperk aan.
Het leven in de groote stad Amsterdam en de nieuwe omgeving deden de
eerste weken bij den dorpsjongen heimwee ontstaan. Lang duurde dit
niet. Spoedig had hij vele vrienden onder zijne medescholieren en
eveneens onder zijne superieuren.
Reeds het tweede jaar van zijn verblijf op de kweekschool deed hij
zijne eerste reis op een koopvaardijschip naar de Levant en weinige
jaren later was hij 3e stuurman op eene der booten van de maatschappij
Nederland, die door het Suez-kanaal een geregelden dienst op
Nederlandsch Oost-Indië onderhouden.
DE VERZOENING.
Het verblijf in de gevangenis had bij Dirk Oudkoop eene heele
verandering te weeg gebracht. Hij was geen jongen meer. Hoewel
nauwelijks 19 jaren oud, was er reeds een zekere ernst over hem
gekomen, die kwalijk paste bij zijn leeftijd. Aan het spel zijner
vroegere kameraden nam hij geen deel meer; hij hield zich steeds op den
achtergrond. Aan alles kon men merken, dat het vonnis hem drukte. Of
het eene verandering ten goede was, zou de tijd moeten leeren. Zijn
gesloten karakter deed weinig dankbaarheid merken jegens degenen,
waaraan hij en zijne moeder verplicht waren, maar evenmin haat jegens
zijne vele vijanden. De dorpelingen vergaten zijn diefstal nog minder
dan hij zelve en lieten niet na hem dit te doen gevoelen.
De burgemeester had hem op verzoek van zijne vrouw en kinderen, van
Toon en kapitein Rondhout, weder in dienst genomen. Hij had geen reden
om er berouw over te hebben, doch ook niet om zich te verheugen. Dirk
deed trouw zijn werk, stoorde zich niet aan de spottende blikken en
vaak kwetsende woorden zijner medearbeiders en ging zwijgend zijn gang.
Van genegenheid jegens zijne weldoeners echter geen spoor.
Evenzoo was hij tegenover Anton, zijn ouden vijand, de redder zijner
moeder. De weinige dagen voor diens vertrek was hij hem steeds uit den
weg gegaan. Of hij zijn best deed den ouden haat tegen den nu nog meer
dan vroeger algemeen beminden jongen te onderdrukken, dan wel of hij
poogde de dankbaarheid te verbergen, die hij jegens den vriend zijner
moeder koesterde, het was niemand duidelijk. Toch scheen het een of het
ander waar te wezen. Anton van zijn kant had geen pogingen tot
verzoening meer in ’t werk gesteld en Roelof evenmin. Het gesprek in de
bakken op het mistige watervlak was reeds lang uit het geheugen
gewischt. „Indien Dirk de aangeboden hulp versmaadde, moest hij het
zelf weten,” redeneerden de jongens. „Zij hadden hun plicht gedaan.”
De herfst ging voorbij en het werd winter. In de Kerstdagen waren alle
vrienden weder bij elkander en vooral Anton, die het verst weg was en
slechts zelden kon thuis komen, smaakte veel genoegen weder te midden
zijner oude kameraads te zijn. De weinige dagen van zijn verlof waren
voor allen feestdagen. De avonden werden doorgebracht in den
familiekring van den burgemeester, op het veer en bij den meester. De
korte dagen waren zij voor een goed deel op het ijs. De lage weilanden
aan de Noord en Noord-Oostzijde van Eethen stonden over eene groote
uitgestrektheid onder water en een ijsvloer er over leverde den
schaatsenrijders prachtige banen. Heel sterk was het ijs wel niet, dat
voor een deel uit bevroren, natte sneeuw bestond en sneeuwijs genoemd
werd, maar het ondergeloopen land leverde ook weinig gevaar op. Er werd
dan ook druk gereden. Van alle kanten kwamen de schaatsenrijders
opdagen en de ijsbaan wemelde van schaatsenrijders en toeschouwers,
groot en klein. De vlaggen op de tentjes wapperden en de eigenaars
maakten goede zaken.
In een dezer tenten of liever achter een scherm op eene bank,—meer
waren die tenten niet,—hadden Anton met zijne kameraads en Stans plaats
genomen om uit te rusten en een kop chocolade te gebruiken. Toevallig
was ook Dirk Oudkoop in de nabijheid. Hij was evenals de anderen op
schaatsen en vermaakte zich alleen, tenminste hij reed en bekommerde
zich niet om de anderen. Het deerde hem blijkbaar niet, dat hier en
daar de uitroep zijne ooren trof: „de Rooie is op ’t ijs! Hoe durft hij
zich te vertoonen!” Terwijl de jongens op de bank zaten, had weder
iemand den treurigen moed om Dirk uit de verte eenige schimpwoorden toe
te roepen. Anton stond op en verzocht den jongeling, dat te laten. Deze
reed een eindje door, draaide zich om en zeide, „dieven en diefjesmaats
hooren niet hier.”
Dat was te veel voor Toon. Hij kon de plotseling opkomende drift niet
meester blijven en vliegt overeind om den belager te achterhalen. Deze
vlucht ijlings over de vlakte, achtervolgd door Anton, ziedend van
toorn. Dirk, die de woordenwisseling niet heeft bemerkt, ziet alleen,
hoe Toon den ander nazit en hoe de drie jongens op de bank evensnel hun
kameraad achteraan rijden. Zij hebben hem in langen tijd zoo driftig
niet gezien. De Rooie kijkt onverschillig toe.
De vluchteling was reeds een heel eind vooruit en daar hij minstens
even goed rijder was als zijn achtervolger, trachtte hij in een grooten
boog de ijsbaan weder te bereiken om zich tusschen de menigte in
veiligheid te stellen. Toon doorziet de taktiek en neemt eene schuine
richting om hem den weg af te snijden. De toorn gaf vleugelen aan zijne
voeten, maar deed hem het gevaar niet zien, waarin hij zich bevond.
Boven eene wetering is eene uitgestrektheid open water, waar hij recht
op af rijdt. Plotseling bemerkt hij het wak, doch het is reeds te laat.
Op hetzelfde oogenblik, dat hij zijne vaart met kracht wil stoppen,
ligt hij kopje onder in het ijskoude water. Hij tracht zich met zwemmen
te redden, doch het broze ijs brokkelt telkens af, als hij zich
vastgrijpt. Neus en mond stoot hij in doodsangst stuk tegen de
ijsbrokken. Zijne inmiddels toegeschoten vrienden zijn onmachtig hem te
helpen. Wel probeeren ze het, maar het mag niet baten. De
schaatsenrijders, die op het geschreeuw van alle kanten komen
aanzetten, beletten hen noodeloos hun leven te wagen. In allerijl
worden middelen beproefd, hier jassen uitgetrokken, daar dassen,
touwtjes en zakdoeken, aaneen geknoopt, doch geen der middelen is
proefhoudend. De krachten beginnen den armen jongen te begeven, een
oogenblik later is hij machteloos. Zijne vrienden zijn wanhopig. Roelof
wil te water maar wordt tegen gehouden.
„Uit den weg, plaats!” klinkt het uit de verte en met een razende
snelheid nadert een jongeling, met een touw om het middel en eene
lange, sterke lijn achter zich aansleepende. „Grijpt het touw,” roept
hij uit, en terwijl eenige toeschouwers hieraan voldoen, vliegt hij
over het broze ijs, plons, juist op de plaats, waar Anton verdwenen is.
Hij komt boven met den drenkeling in de armen. De houders van het touw
trekken aan en zoo blijft de redder met zijn last tegen het ijs gedrukt
boven water. „Niet trekken,” roept hij uit, „de bank! de bank! komen ze
al?” Allen zien om en bemerken twee schaatsenrijders, die vlug naderen
met eene lange bank op de schouders. Deze wordt over het ijs geschoven
naar de drenkelingen, nadat een touw aan een der pooten is vastgemaakt.
De redder brengt met groote moeite den bewusteloozen Toon op de
onderstboven gekeerde bank en deze wordt nu gemakkelijk over het ijs op
het sterkere gedeelte gebracht. Nogmaals wordt de bank half in het wak
geschoven en nu klimt de redder er zelf op.
Toon wordt met een weinig brandewijn bij kennis gebracht en in eene
slede van den eigenaar eener tent zoo spoedig mogelijk naar de
dichtstbijzijnde woning vervoerd. Toen men naar den redder omkeek, was
deze reeds verdwenen.—
„’t Is de Rooie,” roept de door Toon achtervolgde.
„Die zooeven nog door jou werd beschimpt,” voegde Roelof er aan toe. De
andere druipt hierop beschaamd af en Roelof volgt met de beide andere
kameraads zijn vriend.—
Rooie Dirk had Anton gered. In de verte had hij gezien, dat Toon in het
water verdween. IJlings was hij naar de naastbijzijnde tent gereden.
Een paar lijnen los snijden was het werk van een oogenblik. Nog even
keert hij om en roept den eigenaar toe, eene bank te brengen. Deze had
ook reeds van verre het ongeluk aanschouwd en haastte zich de langste
der beide banken aan een paar vlugge rijders te geven, die, zooals we
reeds weten, den voortvliegenden Dirk op den voet volgden.
Zoodra Dirk weder vast ijs onder de voeten had, haastte hij zich uit de
menigte te ontsnappen en naar huis te rijden. Zijne moeder schreide van
vreugde bij het hooren van zijn flink optreden.
Anton was reeds den volgenden dag geheel hersteld. Hij had den nacht op
Vrederust doorgebracht en zoodra des morgens het ontbijt was
afgeloopen, begaf hij zich naar zijn redder.
Vele gewaarwordingen bestormden den Rooie, toen Toon hem met warmte de
hand drukte en dankte voor zijn moed en opoffering. „Laat ons vrienden
zijn, Dirk,” zeide hij, „laat mij u helpen en steunen zoo ge wilt. O,
zeg mij toch, wat kan ik voor u doen?”
„Gij, voor me doen!” antwoordde Dirk, „ge hebt reeds veel meer voor me
gedaan, dan ik ooit zal kunnen vergelden. Mijne moeder hebt ge het
leven gered. Mij hebt ge doen stilstaan op het slechte pad en nu, nu
kan ik misschien terugkeeren en voor goed een ander mensch worden.
„Wilt ge heusch een vriend worden van Rooie Dirk, die u....”
—„Zwijg Dirk, het verledene is vergeten, de toekomst ligt voor ons. Van
nu af zijn we vrienden, voor altijd.”
Den volgenden dag vertrok Anton. Zijn verloftijd was om. Eén vriend
liet hij meer achter, dan hij bij zijne komst had gevonden.
Twee jaren bleef Dirk nog in het dorp, waar hij zich niet meer op zijn
gemak gevoelde. Toen had hij het ongeluk zijne moeder te verliezen.
Weinige dagen na de begrafenis werd huis en erf en het stukje weiland
verkocht. De opbrengst belegde hij in overleg met den burgemeester in
solide fondsen en hij wendde zich tot Anton, die zijn vriend was
gebleven, om raad en steun. Deze deed zijn best hem aan boord van het
schip geplaatst te krijgen, waarop hij zelve voer. Gemakkelijk viel
Toon dit niet, al heeft hij het Dirk nooit verteld. Een mooi
getuigschrift van den heer Van den Oever en de voorspraak van kapitein
Rondhout gaven den doorslag.
Van dit oogenblik af begon voor hem een ander leven. In het dorpje,
waar iedereen hem en zijn verleden kende, gevoelde Dirk zich te veel
onder den druk van het ondergane vonnis om zich vrij te kunnen
ontwikkelen.
Hij werd een flink zeeman en boven al, een trouw vriend voor Anton, die
nu zijn chef was.
BESLUIT.
In de laatste twaalf jaren is er eene heele verandering gekomen in de
landstreek, welke we beschreven hebben. De ontworpen spoorweg van ’s
Hertogenbosch naar Lage Zwaluwe is reeds kort na den watersnood
voltooid. Oorspronkelijk reden de treinen niet verder dan Waalwijk,
maar nu de bruggen gereed zijn gekomen over den Baardwijkschen Overlaat
en over het Bossche Veld, is ook de verbinding van de nijvere
schoenmakersplaats met Noord-Brabants hoofdstad tot stand gekomen.
Het is op een mooien zomeravond ruim 12 jaren, nadat Anton en Dirk zich
voor goed verzoend hebben.
Aan het station te Waalwijk is juist de trein van Lage Zwaluwe
aangekomen. Uit een coupé tweede klasse wipt vlug een jonge man van
omstreeks 28 jaren, misschien iets jonger, en kijkt rond of hij ook
kennissen ontmoet. Hij schijnt eenigszins teleurgesteld, doch slechts
even. „Hoe kon ik ook zoo dwaas zijn,” mompelt hij, „niemand weet
precies den dag van mijne komst.”
„Zal ik een rijtuig voor u bestellen, mijnheer?” vraagt een persoon,
komende uit de derde klasse, die blijkbaar den koffer van den
aangesprokene draagt.
„Laat maar, Dirk,” is het antwoord, „’t is mooi weder en ik loop
liever. Den koffer kunt ge wel hier laten staan.”
We zien spoedig, dat beiden zeelui zijn. De eerste met zijne kranige
uniform en lange sleepsabel met verguld gevest is blijkbaar een
stuurman van eene der groote Suez-booten. De andere doet in houding en
kleeding duidelijk den zeeman kennen, die eene ondergeschikte
betrekking aan boord bekleedt. Het is een bootsman en de eerste is aan
boord van hetzelfde vaartuig 1e stuurman. Zij slaan den weg naar
Drongelen in en spreken, hoewel zeer verschillend in rang, vrij
kameraadschappelijk.
„Die verandering kan me nog steeds niet bekoren,” zegt de stuurman.
„Het is me als ontsieren die ontzaggelijke dijken deze streek en die
nieuwe woningen, gelijk van grootte en van bouworde hebben voor mijn
gevoel iets van kleine kazernes. Wat een verschil met vroeger. Nu alles
water, waar toen het vriendelijke veerhuis stond; nu een machinist op
de stoompont, terwijl men vroeger zonder dat eeuwige kettinggerammel
werd overgezet met de zacht glijdende veerpont; nu een zwijgende, zij
het ook beleefde beambte, en vroeger een prettige veerman, die voor
ieder een oude kennis was. Het graven van de Nieuwe Maas moge al eene
groote verbetering wezen, voor mij is het eene verstoring van prettige
herinneringen uit mijne jeugd.”
„Ik heb niet zooveel reden om het verleden met genoegen te herdenken,”
zegt de andere, „en toch doen die veranderingen ook mij pijnlijk aan.
Ik wil gelooven, dat zij, die dit breede water en die dijken langzaam
zagen ontstaan, er niet zooveel gevoel voor hebben als wij
vreemdelingen, het is voor hen ook zoo onbekend niet.”
„Zoo is het,” herneemt de eerste. „Wij willen gaarne alles terugvinden,
zooals we het verlieten, vandaar de teleurstelling.
„Zie, ginds hebben we Stans haast levenloos uit het water gehaald. Waar
zou ze nu zijn, zou ze me al wachten?”
„Stellig wel,” antwoordt de bootsman, „ginds bij den meester zit ze
onder de waranda.”
De stuurman snelt zijn reisgezel vooruit en is weldra aan het
Drongelsche schoolhuis. Zijne aanstaande snelt hem tegemoet.
De lezers twijfelen zeker niet meer aan de namen der onbekenden. Het
zijn Anton Groen en Dirk Oudkoop. Nauwelijks was het stoomschip aan den
wal of beiden hebben zich gehaast hunne oude woonplaatsen te bereiken.
En waarlijk geen wonder. Weldra zal het huwelijk voltrokken worden
tusschen Anton Groen en Constans van den Oever.
Er heerscht vreugde over de komst van den knappen, stoeren zeeman op
Vrederust en in het geheele dorp. Anton en Stans, de laatste niet meer
een meisje, maar eene bevallige dame, worden om strijd gevierd.
Bovendien zijn er feesten op til, groote feesten voor oud en jong. Er
zal een eereboog gemaakt worden, de muziek van een fanfarecorps zal
klinken door het stille dorpje; de jeugd zal zakloopen, mastklimmen en
turfrapen en allen zullen rijkelijk worden onthaald.
De dag van het feest overtreft de werkelijk reeds gespannen
verwachtingen. De dorpelingen vieren feest, als ze nog nooit gedaan
hadden; de hoera’s weerklinken door de lucht en het „lang zullen ze
leven” weergalmt langs de straten. Groote tafels zijn aangericht op den
ruimen dorschvloer en als bruid en bruidegom komen om de gelukwenschen
te ontvangen, schijnt er aan het gejubel geen einde te komen.
Ook binnen is het feest in vollen gang. Mr. Roelof van den Oever put
zich uit in de vroolijkste toosten. „Of hij spreken kan! Nu, daar is
hij advocaat voor,” zegt Janus, die in een gemakkelijken stoel op den
dorschvloer zit te brommen, tot groot vermaak der aanwezigen. Janus
leeft nog, maar de kleinkinderen van den burgemeester zal hij wel niet
meer vergezellen. De andere oude man in de voorkamer, die tusschen den
advocaat en mevrouw van den Oever is geplaatst, ziet er nog krasser
uit. Het is Thijs, de gelukkige grootvader van den bruidegom. De heer
en mevrouw Van den Oever zijn weinig veranderd. De burgemeester is
alleen wat gezetter geworden en bij zijne echtgenoote beginnen zachtjes
aan zilveren draden zich door de haren te weven. Ook zij hebben reden
tot vroolijkheid en zijn niet minder gelukkig, dan de oude
veerschipper.
„Dit is de schoonste dag van mijn leven,” herhaalt de burgemeester
telkens en zijne vrouw beaamt dit ten volle.
Nog andere oude kennissen treffen we aan tusschen de vele gasten aan
den feestdisch. De heeren Den Bosch en Zwart met hunne vrouwen en nog
vier andere onderwijzers, we weten wel wie die zijn, treffen we hier
aan.
Wie echter het meest bijdraagt tot de algemeene vroolijkheid is de
ronde zeeman aan het raam, het is kapitein Rondhout.
Na de voltrekking van het huwelijk vestigt het jonge paar zich
metterwoon te Rotterdam. De telkens wederkeerende afwezigheid van haar
man is voor de jonge vrouw eene schaduw op haar geluk. Het wederzien na
de scheiding is evenwel weder te aangenamer en gezelschap heeft ze
steeds. Haar oude vriend, nu haar grootvader, woont bij haar in en ik
weet niet, wie het meest wordt vertroeteld, de oude man of de jonge
vrouw. Dit is zeker, dat ze de meest oprechte genegenheid voor elkander
koesteren.
Thijs Groen had dus wel een gelukkigen ouden dag. De zorgen en de
liefde, aan zijn kleinzoon besteed, werden hem ruimschoots vergolden en
hij heeft den dag mogen beleven, dat deze als kapitein van eene der
Suez-booten den Waterweg afvoer.
Dirk Oudkoop is ook reeds gehuwd en verdient als bootsman ruim zijn
brood. Hooger in rang is hij niet gestegen, daarvoor had hij zijne
schooljaren te veel verwaarloosd. Ook kapitein Rondhout is nog in leven
en woont stil op een lief, klein buitentje te Kralingen. Verder het
land in, al is er het leven misschien goedkooper, wil hij niet. Hij kan
de scheepslucht niet missen en menige wandeling maakt hij met zijn
vriend Thijs langs de Boompjes.
EINDE.
INHOUD.
Bladz.
EEN ZEILTOCHTJE 1
VREDERUST EN ZIJNE BEWONERS 19
HET FEEST 24
DE BELOONING 37
DE OVERLAAT WERKT 45
HOOG WATER 52
TOON TE HEUSDEN 64
DE RAMP VAN NIEUWKUYK 70
HAAST U, REP U 80
TOON TE EETHEN 88
DE PASTORIE 94
DE VERJAARDAG 99
EEN AFGELUISTERD GESPREK EN EEN ONGEWENSCHT BEZOEK 123
STORMACHTIGE DAGEN 134
EEN GEVAARVOLLE TOCHT 152
EENE MOEDIGE DAAD 177
IN SNEEUW EN IJS 186
DE EERSTE STAP 194
HET EXAMEN 200
DE VERZOENING 203
BESLUIT 212
AANTEEKENING
[1] Vergelijk, ook wat betreft het vorige hoofdstuk: „Chappuis, De Ramp
van Nieuwkuyk,” waaruit ik vele gegevens putte voor deze hoofdstukken.
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TOON VAN 'T VEER ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representat