De oudheidkenner

By Walter Scott

The Project Gutenberg eBook of De oudheidkenner
    
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this ebook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De oudheidkenner

Author: Walter Scott

Translator: M. P. Lindo

Release date: January 12, 2026 [eBook #77684]

Language: Dutch

Original publication: Leiden: S.C. van Doesburgh, 1873

Credits: Nico Winkel and Jeroen Hellingman for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OUDHEIDKENNER ***



                             WALTER SCOTT.


                           DE OUDHEIDKENNER.


                   UIT HET ENGELSCH OP NIEUW BEWERKT
                                  DOOR
                            Dr. M. P. Lindo.


                        LEIDEN,          ’S-GRAVENHAGE,
                  B. C. VAN DOESBURGH.    JOH. IJKEMA.

                                 1873.








DE OUDHEIDKENNER

EERSTE HOOFDSTUK


            Bespreek een koets, men ga een koets bespreken,
            En spreke, als spreker, aan hem die ze gaat bespreken,
            Hij moge, in ’t bespreken, van en niets anders spreken,
            Dan koets! koets! koets! Ach Goden! eene koets.

                                                  Chrononhotonthologos.


Op een vroegen morgen van een schoonen zomerdag, op het einde van de
achttiende eeuw, besprak een jonkman van zeer fatsoenlijk voorkomen,
die naar het noordoosten van Schotland reizen moest, een plaats in een
dier postkoetsen, welke heen en terug rijden van Edinburg naar
Queensferry, waar, zoo als de naam van deze plaats te kennen geeft, en
alle Schotsche lezers weten, een veer is, om de Forth over te steken.
De koets was berekend voor zes vaste plaatsen behalve de voetgangers,
die de voerman onderweg mocht willen opnemen en aan de passagiers
opdringen. De plaatsbriefjes voor dit weinig gemakkelijke rijtuig,
werden uitgedeeld door een scherp uitziende oude vrouw, die op haar
mageren, spitsen neus een grooten bril droeg. Zij bewoonde een soort
van kelder, die met een steilen, smallen trap in de Hoogstraat uitkwam,
en waarin zij lint, garen, naalden, wol, grof linnen, en andere
vrouwelijke behoeften verkocht aan hen, die moed en behendigheid genoeg
bezaten, om in de diepte van haar woning af te dalen, zonder hals over
kop naar beneden te storten, of eenige der talrijke artikelen omver te
werpen, die, aan beide zijden van den trap opgehoopt, het beroep van de
kelderbewoonster aantoonden.

De geschreven aankondiging, die op een uithangbord aangeplakt was, en
te kennen gaf, dat de Queensferry-postkoets, met klokslag twaalf, op
Donderdag, den 15 Julij 17–, zou afrijden, om aan de reizigers de
gelegenheid te geven met den vloed de Forth over te steken, loog
ditmaal even erg als een dagblad want, ofschoon het twaalf uur op den
Sint Aegidius kerktoren, en bij herhaling op de overige klokken,
geslagen had, verscheen er toch geen postkoets. Er waren dan ook maar
twee plaatsen besproken, en wellicht was het een afspraak tusschen de
bewoonster van het onderaardsch verblijf en haar wagenmenner, om in
dergelijke gevallen, een weinig te wachten in de hoop van de ledige
plaatsen aan te vullen: misschien ook had de man een lijkstatie moeten
bijwonen, en was hij opgehouden door de noodzakelijkheid, om het
rijtuig van zijn sombere bekleedselen te ontdoen; of vertoefde hij om
nog een slokje met zijn ouden kennis den stalknecht te nemen, – of, –
maar met een woord, hij verscheen niet.

De jonkman, die eenigzins ongeduldig werd, kreeg nu een deelgenoot in
zijn ongeluk, een der kleine rampen van het menschelijk leven. Het was
de bespreker van de tweede plaats. Gewoonlijk is de man die zich voor
de reis uitgerust heeft zeer licht van zijne medeburgers te
onderscheiden. De zware laarzen, de overrok, het regenscherm, het pakje
in de hand, de diep in de oogen gedrukte hoed, de vaste stap, de
haastige beantwoording van alle groetenden, zijn al de teekens, waaraan
een ervaren reiziger met postwagen of diligence, op een afstand, zijn
aanstaanden reisgenoot onderscheiden kan, als hij op de plaats van het
vertrek komt aanstuiven. De eerstgekomene haast zich dan gewoonlijk,
om, vóór de aankomst van zijn mededinger, de beste plaats in den wagen
in bezit te nemen, en zijn goed zoo gemakkelijk mogelijk te bergen.
Onze jongeling die over het algemeen weinig ondervinding had, en zich
daarenboven, door het uitblijven der koets, buiten de mogelijkheid
bevond om zijn voorrechten te doen gelden, vermaakte zich daarentegen
met gissingen over het beroep en het karakter van den persoon, die nu
aan het kantoor gekomen was.

Het was een man van zestig, of misschien meer jaren, die er zeer goed
uitzag, en wiens gezonde kleur en vaste gang duidelijk bewezen, dat
zijn krachten of gezondheid niets door den ouderdom geleden hadden. Hij
had een echt Schotsch gezicht, sterk geteekende, en bijna harde
gelaatstrekken, met een slim, doordringend oog, en een uitdrukking van
ernst, verlevendigd door een trek van spotachtigen luim. Zijn kleeding
was eenvoudig en van een kleur, die aan zijn jaren en zijn deftigheid
paste; de net opgemaakte en gepoederde pruik en de breedgerande hoed,
die ze bedekte, schenen een man uit den geleerden stand aan te duiden.
Wellicht was hij een geestelijke; maar hij had in zijn voorkomen meer
van een wereldman dan men bij de Schotsche predikanten placht aan te
treffen, en zijn eerste uitroep deed hieromtrent allen twijfel
ophouden.

Hij kwam met een verhaasten stap, wierp een onrustigen blik op den
uur-wijzer van den kerktoren, en toen, terwijl hij naar de plaats zag,
waar de koets staan moest, riep hij uit: „De drommel is in het spel! –
Ik kom te laat!”

De jonge man stelde hem gerust door de verzekering, dat de koets nog
niet verschenen was, en de oude heer, bewust dat hij zelf niet al te
nauwkeurig op den tijd gelet had, gevoelde in den beginne geen moed, om
op het verzuim van den voerman te schimpen. Hij nam van een kleinen
jongen, die hem volgde, een pak, dat een grooten foliant scheen te
bevatten, tikte hem vriendelijk op het hoofd, en beval hem terug te
gaan bij den heer B–, en hem te zeggen, dat, als hij geweten had, dat
hem nog zooveel tijd overbleef, hij den koop niet zoo spoedig zou
gesloten hebben; – voorts beval hij den jongen goed op te passen, en
voorspelde hem dat hij de knapste kerel zou worden, die ooit het stof
van een duodecimo uitgeslagen had. De jongen draalde, wellicht in de
hoop van een stuiver, om knikkers te koopen; maar daarvan kwam niets.
De reiziger legde nu zijn pakje op een der palen boven aan den trap, en
wachtte, terwijl hij den eerstgekomen reiziger aanbleefzien, vijf
minuten lang de koets in stilte af.

Eindelijk, na een paar ongeduldige blikken op de vorderingen van den
minuutwijzer der klok geworpen, en dien met zijn eigen uurwerk, een
groot ouderwetsch repetitiehorlogie vergeleken en eenige scheeve
gezichten getrokken te hebben, om zijn misnoegde uitvallen behoorlijken
nadruk bij te zetten, riep hij de oude spelonkbewoonster toe:
„Vrouwtje! – hoe d–l heet ze? vrouw Macleuchar!”

Jufvrouw Macleuchar, bevreesd, dat ze zich tegen een aanval zou te
verdedigen hebben, was geenszins verlangend, om, door dadelijk een
antwoord te geven, den strijd te bespoedigen.

„Vrouw Macleuchar!” riep hij, de stem verheffende, „oude heks!”
mompelde hij, „zij is doof als een kwartel! Vrouw Macleuchar, zeg ik!”

„Ik ben juist bezig met een klant te helpen,” klonk het nu van onder
uit den kelder: „Waarlijk kind! het kan geen duit minder dan ik u zeg!”

„Vrouw,” hernam de reiziger, „denkt gij, dat wij hier den ganschen dag
kunnen blijven staan tot gij die arme dienstmeid van haar halfjaars
loon en fooien beroofd hebt?”

„Beroofd!” antwoordde vrouw Macleuchar, die gretig de gelegenheid
aangreep, om met grond te kunnen twisten; „ik veracht uw woorden,
mijnheer! gij zijt zeer onbeleefd, en ik verzoek u mij daar niet langer
op mijn eigen trap te staan uitschelden!”

„Die vrouw,” zei de oude heer, met een spottenden glimlach, tegen zijn
aanstaanden reisgenoot, „verstaat niet de woorden der drift! – vrouw,”
riep hij nu weder naar den kelder gewend, „ik laster uw karakter niet;
maar ik wensch te weten, wat er van uw koets geworden is?”

„Wat belieft?” antwoordde vrouw Macleuchar, die nu weêr doof geworden
was.

„Jufvrouw!” zei de jongere vreemdeling, „wij hebben plaatsen genomen in
uw wagen naar Queensferry.”

„En konden reeds half weg zijn,” vervolgde de oudere, maar minder
geduldige reiziger, met steeds toenemende gramschap; „en nu zullen wij
naar alle waarschijnlijkheid den vloed missen, en ik heb gewichtige
zaken aan de overzijde, – en uw verwenschte koets –”

„De koets? God bewaar ons, mijn heeren! is die er dan nog niet?”
antwoordde de oude vrouw, terwijl de scherpe toon van haar stem in een
soort van verontschuldigend jammeren overging: „is het op de koets, dat
gij hebt staan wachten?”

„Waarom anders zouden wij ons hier naast den goot in de zon laten
branden, bedriegelijk wijf? Hé!”

Vrouw Macleuchar klom nu den steenen trap op, tot haar neus zich op
gelijke hoogte bevond met de straat; waarop zij haar brilglazen
afveegde, om te zoeken naar hetgeen zij wel wist, dat niet te vinden
was, en met goed geveinsde verwondering uitriep: „Mijn hemel! – zag men
ooit iets dergelijks!”

„Ja, oude heks!” riep de reiziger uit, „velen hebben iets dergelijks
gezien, en allen zullen iets dergelijks zien, die iets te maken hebben
met uw lichtzinnig geslacht!” en hij stapte met groote verontwaardiging
op en neder voor de deur van den kelderwinkel, en loste, gelijk een
oorlogsschip, dat bij het voorbijzeilen van een vijandelijke
verschansing de volle laag geeft, telkens in het voorbijgaan zijn
klachten, bedreigingen en verwijtingen op de verlegene jufvrouw
Macleuchar. Hij zou een postrijtuig nemen, – hij zou een huurkoets
ontbieden; – hij zou vier paarden nemen, – hij moest, – hij wilde
vandaag aan den noordkant van de rivier zijn, – en al de onkosten van
de reis, met al de schade, rechtstreeks uit het oponthoud ontstaande,
zouden gezamenlijk op het verwenschte hoofd van jufvrouw Macleuchar
nederkomen.

Er was iets zoo grappigs in de wijze, waarop hij zijn grillig misnoegen
uitte, dat de jonge reiziger, die niet zulk een dringende haast had,
niet nalaten kon zich daarover te verlustigen, voornamelijk omdat het
duidelijk bleek, dat de oude heer zelf, ofschoon zeer verstoord, nu en
dan lachen moest over zijn eigene drift. Maar, zoodra jufvrouw
Macleuchar ook mede begon te lachen, maakte hij een einde aan haar
ontijdige vroolijkheid.

„Vrouw!” zei hij, terwijl hij haar een gekneuterd stuk gedrukt papier
voorhield; „staat hierop niet aangekondigd, dat, zoo het God behaagt,
gelijk gij u huichelend uitdrukt, de Queensferry koets heden te twaalf
uur zou afrijden? en is het, schepsel! nu niet reeds kwart over twaalf,
en is er iets van de koets te zien? Weet gij welke gevolgen het heeft,
als men de menschen door valsche berichten misleid? Kent gij de wet,
die op deze misdaad toe te passen is? Antwoord! en antwoord éénmaal in
uw lang, nutteloos en slecht leven, oprecht en naar waarheid; – hebt
gij zulk een koets? Is ze in rerum natura? Of is deze ellendige
aankondiging slechts een aanslag op den onvoorzichtige, om hem van zijn
tijd, zijn geduld, en drie Engelsche schellingen baar geld te berooven?
Hebt gij, zeg ik, zulk een koets? Ja, dan heen?”

„O ja, best heer! de buren kennen de koets zeer goed, groen met rood,
drie gele wielen en één zwart!”

„Vrouw! uw nauwkeurige beschrijving zal u niet helpen; – het kan best
een leugen zijn, met een bijkomende gelogen omstandigheid!”

„Och, mensch, mensch!” riep de wanhopige jufvrouw Macleuchar, geheel
van haar stuk gebracht door de onophoudelijke aanvallen van zijn
welsprekendheid, „neem uw drie schellingen terug, als ik u maar kwijt
raak!”

„Niet zoo gauw, niet zoo gauw, vrouw! – Zullen drie schellingen mij,
overeenkomstig uw verraderlijke aankondiging, naar Queensferry brengen?
Of zullen ze de schade vergoeden, die ik bij het verzuim mijner zaken
lijden zal, of de onkosten betalen, die ik maken moet, als het missen
van den vloed mij noodzaakt één geheelen dag aan de South Ferry te
vertoeven? – Kan ik, vraag ik, er een boot voor huren, die alleen vijf
schellingen kost, – wat de vaste prijs is!”

Hier werden zijn redeneeringen afgebroken door een rammelend geluid dat
het naderen van het verwachte rijtuig aankondigde, en dat dan ook kwam
opdagen met al den spoed, waartoe de dampige knollen, die het trokken,
bij mogelijkheid konden aangedreven worden. – Met onuitsprekelijk
genoegen zag jufvrouw Macleuchar den brompot op de lederen kussens der
koets plaats nemen; maar ook nog toen die afreed, stak hij het hoofd
uit het portier, en herinnerde haar, met woorden, die onder het
gerammel der wielen verloren gingen, dat, wanneer de koets niet tijdig
genoeg den Ferry bereikte om gebruik van den vloed te kunnen maken,
zij, jufvrouw Macleuchar, verantwoordelijk bleef voor al de gevolgen,
die er uit ontstaan konden.

De koets was reeds een paar mijlen verder gekomen, eer de oude heer
geheel en al tot bedaren kwam, zoo als bleek uit de klachten, die hem
van tijd tot tijd ontvielen over de al te groote waarschijnlijkheid, ja
zelfs de zekerheid, dat hij het getij missen zou. Langzamerhand
verminderde echter zijn gramschap; hij wreef zich het voorhoofd,
ontfronsde de wenkbrauwen, en, na het pak dat hij in de hand hield
geopend te hebben, bracht hij zijn foliant te voorschijn, waarop hij
van tijd tot tijd met den ervaren blik van een kenner staarde. Hij
bewonderde de grootte en den goeden staat van het exemplaar, en
verzekerde zich, door het nauwkeurig van blad tot blad na te zien, dat
het boekdeel ongeschonden en compleet was, van het titelblad tot aan
het einde.

De jonge man nam de vrijheid, naar het onderwerp der studiën van zijn
medereiziger te vragen. Deze keek hem eenigszins spotachtig aan, alsof
hij veronderstelde, dat zijn antwoord den jeugdigen vrager niet
bevallen, althans dat hij het niet verstaan zou, en verklaarde dat het
boek was Alexander Gordon’s Intinerarium Septentrionale, een boek ter
opheldering van de Romeinsche oudheden in Schotland. De vrager schrikte
niet op het hooren van dezen geleerden titel, en voegde er nog
verscheidene andere vragen bij, die bewezen, dat hij een goed gebruik
van een goede opvoeding gemaakt had, en dat hij, hoewel onervaren in de
bijzonderheden der oudheidkunde, nochtans genoeg met de klassieke
schrijvers bekend was, om een belangstellende en verstandige toehoorder
te zijn en daarover te kunnen spreken. Met genoegen merkte de oude heer
op, dat zijn reisgenoot in staat was hem te verstaan en te antwoorden,
en verdiepte zich in een zee van verhandelingen over lijkbussen, vazen,
wijaltaren, Romeinsche legerplaatsen, en de regels waarnaar men kampen
aanlegde.

Dit aangenaam gesprek werkte zoo bedarend op hem, dat, ofschoon er
tweemaal een oponthoud voorviel, dat veel langer duurde dan dat,
hetwelk zijn toorn tegen de ongelukkige jufvrouw Macleuchar opgewekt
had, onze Oudheidkenner nochtans het eerste slechts met een teeken van
misnoegen vereerde, die eerder nog het afbreken van zijn betoogen, dan
de vertraging der reis schenen te gelden.

De eerstemaal werd het oponthoud veroorzaakt door het breken van een
veêr, die een half uur arbeids ter nauwernood herstelde. Tot de laatste
vertraging werkte de oudheidkenner zelf mede, of liever, hij was er de
voornaamste oorzaak van; want toen hij bespeurde, dat een der paarden
een voorhoefsijzer verloren had, deed hij den voerman dit gewichtig
gebrek opmerken.

„Jakob Martingale,” antwoordde deze, „heeft het leveren der paarden en
het onderhoud er van op zich genomen, en ik ben niet bevoegd mij op te
houden of bij dergelijke toevallen eenige schade te lijden.”

„En, als gij gaat naar de, – ik meen, schelm, naar de plaats waar gij
verdient heen te komen, – wie denkt gij, zal het aannemen u te
onderhouden? Als gij niet dadelijk stilhoudt, en het arme dier naar de
naaste smederij brengt, zal ik u doen straffen, zoo er een vrederechter
in geheel Mid-Lothian te vinden is!” Terzelfder tijd opende hij het
portier van de koets en sprong er uit, terwijl de voerman gehoorzaamde;
in zich zelf mompelende dat, „als de heeren nu te laat kwamen, ze niets
anders zouden kunnen zeggen, dan dat het hun eigen schuld was; hij was
bereid om door te rijden.”

Ik ben zoo weinig geneigd, om de ingewikkelde oorzaken van onze
handelingen te ontleden, dat ik het niet wagen zal te beslissen, of het
mededoogen van den oudheidkenner met het arme paard niet eenigermate
vermeerderd werd door het verlangen, om zijn reismakker een legerplaats
der Picten te laten zien; een onderwerp, waarover hij breedvoerig
uitgeweid had, en er bestond, zoo als hij zei, „een voorwaar zeer
belangrijk en volmaakt specimen van” op ongeveer tien roeden afstands
van de plaats, waar het oponthoud voorviel. Maar werd ik gedwongen, om
de beweegredenen na te sporen van mijn waardigen vriend, (want dat was
de oude heer met de donkere kleeding en de gepoederde pruik,) dan zou
ik zeggen, dat ofschoon hij zeker in geen geval den voerman veroorloofd
zou hebben, zijn weg te vervolgen; zoo lang het paard kreupel liep en
waarschijnlijk nog meer zou lijden door het voortdrijven, de voerman
nochtans aan eenige vervaarlijke scheldwoorden en verwijtingen ontkwam
door de aangename wijze, waarop de reiziger hoopte den tijd van het
oponthoud door te brengen.

Intusschen werd er door deze vertragingen zoo veel tijd verspild, dat,
toen onze reizigers van den heuvel aan dezen kant der Hawes (zoo heet
de herberg ten zuiden van Queensferry), nederdaalden, het ervaren oog
van den oudheidkenner, aan de uitgestrektheid van het natte zand, en de
menigte van zwarte met zeegras bedekte steenen en rotsen, die langs het
strand zichtbaar waren, dadelijk merkte, dat de vloed voorbij was. De
jonge reiziger verwachtte een uitval van verontwaardiging; maar, het
zij dat, zoo als Croaker in het Blijspel: „de goedaardige man,” zegt,
onze held uitgeput was door het klagen over te wachten
wederwaardigheden, zoodat hij ze niet gevoelde wanneer ze wezenlijk
bestonden; het zij, dat hij het gezelschap, waarin hij zich bevond, te
zeer naar zijn smaak vond, om over iets te klagen dat zijn reis
vertraagde; althans hij onderwierp zich vrij gelaten aan zijn lot.

„De duivel hale den snelwagen en de oude heks er bij!” barstte hij
eindelijk los. „Snelwagen, zeg ik? men moest lui-wagen zeggen. „De
vlieg!” noemt zij het ding? ja, omdat het zich beweegt als een vlieg in
een strooppot, zooals de Ier zegt. Maar tijd en getij wachten op
niemand; en dus, mijn jonge vriend, zullen wij hier aan de Hawes iets
gebruiken; het is een zeer ordentlijke herberg, en ik zal het geluk
hebben, het verhaal te eindigen, dat ik u deed van het onderscheid
tusschen de wijzen van zich te verschansen in castra stativa en castra
aestiva, die door zoo vele van onze historieschrijvers verward worden.
Gelukkig ware het geweest als zij de moeite genomen hadden, uit eigen
oogen te zien, in plaats van elkaar blindelings na te volgen! –
Intusschen zullen wij het vrij goed in de Hawes hebben; in elk geval
moeten wij toch ook ergens het middagmaal gebruiken, en het zal nog
aangenamer zijn met de eb en in de avondkoelte over te varen.”

In deze Christelijke gemoedsstemming, die alle zaken van de beste zijde
beschouwt, stapten onze reizigers aan de Hawes af.








TWEEDE HOOFDSTUK


      Hier deze streek Mijnheer! doet schande aan mijn naam!
      Gebraden schapenvleesch, droog om geraspt te worden,
      Drijft men met botermelk en bier, gemengd te zaam,
      Den lijve daaglijks in, als half beschaafde horden.
      Dit ’s strijdig met mijn recht, mijn erfgoed en mijn leen.
      Wijn is het woord, dat ’t hart in ’t lijf doet vroolijk springen.
      Een wijnhuis is mijn huis: deez’ tros zegt: Spaansche wijn!
      Drink vroolijk en zijt vroolijk, zal dan de leenspreuk zijn.

                                          Ben Johnson’s Nieuwe Herberg.


Toen de oudste der reizigers aan de herberg de onveilige treden der
postkoets afklom, werd hij door den zwaarlijvigen, jichtigen,
aâmborstigen waard begroet, met die vermenging van gemeenzaamheid en
eerbied, waarvan zich de Schotsche logementhouders van de oude school
jegens hun geachtste klanten plegen te bedienen. „Lieve Hemel!
Monkbarns!” (hij noemde hem bij den naam van zijn landgoed, wat den
Schot steeds aangenaam in de ooren klinkt), „weinig dacht ik u hier te
zien vóór de sluiting der zomerzittingen van het hof.”

„Wel domme, oude duivel!” antwoordde Monkbarns, met een Schotschen
tongval, waarin hij verviel, zoodra hij driftig werd, maar die anders
weinig hoorbaar was: „wel domme oude duivel! wat heb ik te doen met de
zittingen of met de ganzen, die er naar toestroomen, of met de haviken,
die haar de veêren uitplukken!”

„Ja, dat is waar,” zei de waard, die inderdaad slechts volgens een
flauwe herinnering aan de eerste opvoeding van zijn gast gesproken had,
maar niet gaarne wilde verondersteld worden, onnauwkeurig bekend te
zijn met den stand en het beroep van één zijner bezoekers, – „dat is
zeer waar; maar ik dacht, dat gij daar een eigen zaak te behartigen
hadt. – Ik zelf heb er éen, – een proces, dat mijn vader mij naliet,
die het van zijn vader erfde. Het is over een achtertuin, – wellicht
hebt gij er van hooren spreken in het Parlementshuis. Hutchinson tegen
Mackitchinson! – het is een welbekend proces; – viermaal diende het
voor de rechters, – en zoo waar ik leef, de wijste van hen kon er niets
van maken, dan om het weêr te verschuiven naar eene andere zitting. O,
het is een schoone zaak te zien, hoe langzaam en hoe voorzichtig men
het recht in dit land uitdeelt”

„Zwijg, oude gek!” zei de reiziger, maar in zeer goeden luim, „en zeg
ons, wat gij dezen heer en mij te eten kunt geven?”

„O, daar is visch, dat spreekt; – forellen, of schelvisch,” zei
Mackitchinson, terwijl hij zijn servet in de hand draaide; „en gij zult
een schaapscotelet hebben, en er zijn ook frambozentaartjes, zeer
lekker, en – met één woord alles, wat gij verlangt.”

„Dat wil zeggen, er is niets anders hoegenaamd? Goed, goed! de visch,
het schapenvleesch en de taartjes zijn voldoende. Maar aap het
voorzichtige dralen niet na, dat gij in de gerechtshoven prijst. Geen
verzending van de eene zitting naar de andere, hoor je?”

„Neen, neen!” antwoordde Mackitchinson, die door het lang en zorgvuldig
bestudeeren van geheele boekdeelen van verslagen van rechtszaken, met
eenige geleerde uitdrukkingen was bekend geworden. „Men zal het eten
opdragen quam primum, en dat wel instanter.” En met den vleienden lach
van een veel belovenden waard, liet hij zijn gasten in de met zand
bestrooide gelagkamer, die behangen was met prenten van de Vier
Jaargetijden.

Intusschen waren, in weêrwil van zijn verzekering, de roemrijke
uitstellen der wet niet zonder weerga in de keuken der herberg, en dit
gaf onzen jongen reiziger gelegenheid, naar buiten te gaan, en bij de
lieden van het huis eenige navorschingen te doen omtrent den rang en
stand van zijn medgezel. De berichten, die hij kreeg, hoewel van
algemeenen aard en niet geheel en al juist, maakten hem genoegzaam
bekend met den naam, de geschiedenis en de omstandigheden van den ouden
heer, dien wij nu kortelijk trachten zullen den lezer nauwkeuriger af
te schilderen.

Jonathan Oldenbuck, of Oldinbuck, bij samentrekking Oldbuck, van
Monkbarns was de tweede zoon van een landedelman, wiens kleine
bezittingen in de nabijheid lagen van een handeldrijvende zeestad, aan
de noordoostkust van Schotland, welke wij, om verscheidene redenen,
Fairport zullen noemen. Sedert vele geslachten waren de heeren
Oldenbuck als landeigenaren in het graafschap gevestigd, en in vele
graafschappen van Engeland zou men aan hun geslacht eenig aanzien
hebben toegekend. Maar dit graafschap telde zeer veel edellieden van
veel oudere afkomst en van veel grooter vermogen. De meeste heeren uit
de buurt waren ook in de laatste tijden den huize der Stuarts toegedaan
geweest; terwijl de eigenaren van Monkbarns, even als de burgers der
stad, in welker nabijheid ze woonden, standvastige voorstanders van de
Protestantsche troonsopvolging bleven. Ze hadden nochtans een eigen
stamboom, waarop ze zich niet minder verhoovaardigden, dan zij, die hen
verachtten, zich op hun onderscheidene Saksische, Normandische en
Celtische geslachtslijsten beroemden.

De eerste Oldenbuck, die zich kort na de Hervorming in Schotland
neêrzette, stamde, naar hun verzekering, af van een der eerste Duitsche
boekdrukkers, en had zijn land verlaten, wegens de vervolgingen,
waaraan de belijders van den hervormden godsdienst blootgesteld waren.
In de stad, in welker nabijheid nu zijn nageslacht woonde, had hij des
te gemakkelijker plaats gevonden als martelaar voor de zaak der
Protestanten, omdat hij geld genoeg medebracht, om het kleine landgoed
Monkbarns te koopen, dat hem toen werd aangeboden door een te grond
gerichten edelman, aan wiens vader men het, benevens andere kerkelijke
goederen, gegeven had, bij de opheffing van het groote en rijke
klooster, waartoe het behoord had.

De Oldenbucks betoonden zich dus getrouwe onderdanen bij alle oproeren;
en, daar ze in goede verstandhouding met de stedelingen leefden, werd
een der heeren van Monkbarns, in het noodlottige jaar 1745, provoost
der stad. Hij trok ook vurig partij voor Koning George, en deed daarbij
uitgaven, die hem, overeenkomstig het mild gedrag van het toenmalige
Gouvernement jegens zijn vrienden, nimmer vergoed werden. Met veel
moeite verkreeg hij echter een plaats bij de ontvangsten der in- en
uitgaande rechten, en daar hij een zuinig en oppassend man was, gelukte
het hem, zijn vaderlijk vermogen aanzienlijk te vermeerderen.

Hij had slechts twee zonen, van wie, zoo als wij te kennen gaven, de
tegenwoordige heer van Monkbarns de jongste was, en twee dochters, van
welke de oudste nog steeds ongehuwd leefde, terwijl de andere, veel
jeugdiger, uit genegenheid een kapitein van het twee-en-veertigste
regiment trouwde, die niets bezat dan zijn officiers-patent en een
Hooglandschen stamboom. De armoede verbitterde een huwelijk, dat de
liefde anders gelukkig zou gemaakt hebben; en kapitein M’Intyre had
zich, om den wille van vrouw en kinderen, verplicht gevoeld, zijn geluk
in Oost-Indië te zoeken. In een tocht tegen Hyder Ali werd de
afdeeling, waartoe hij behoorde, afgesneden, en zijn ongelukkige vrouw
kreeg nimmer de zekerheid, of hij in den slag gebleven, dan wel in de
gevangenis vermoord was, of steeds nog in een gevangenschap
versmachtte, welke de gewoonten van de Indische dwingelandij hopeloos
maakten. Ze bezweek onder de dubbele kwelling van smart en onzekerheid,
en liet één zoon en één dochter na, ten laste van den tegenwoordigen
heer van Monkbarns.

De geschiedenis van dezen heer zelven is kort. Daar hij, zoo als wij
zeiden, een tweede zoon was, bestemde hem zijn vader tot deelgenoot in
een handelszaak, van een zijner naastbestaanden van moederszijde
gedreven. Hiervan had Jonathan een onoverwinnelijken afkeer; en hij
werd daarom als leerling geplaatst, om tot het beroep van notaris of
procureur opgeleid te worden, en slaagde daarin zoo goed, dat hij zich
alle leenheerlijke formaliteiten eigen maakte, en vond er zulk een
vermaak in, om de bronnen daarvan op te sporen en haar oorsprong na te
gaan, dat zijn meester in hem een bekwamen practizijn te gemoet zag.
Maar hij bleef op den drempel der wetenschap staan; en ofschoon hij
eenige kennis verwierf van den oorsprong en het stelsel der wetten van
zijn land, kon men hem toch nooit overhalen, om die, als een bron van
winst voor zich zelven te beoefenen. Niet, dat hij door zijn
verblinding voor de voordeelen van het geld zijn meester te leur
stelde. „Ware hij onnadenkend, of lichtzinnig, of rei suae prodigus,”
zei zijn onderwijzer, „ik zou wel weten, wat van hem te maken. Maar hij
geeft nooit één stuiver uit, zonder zorgvuldig de kans te berekenen, om
van zijn duitje meer partij te trekken dan een andere jongen van een
daalder, en hij zal liever dagen lang over een oude, met gothische
letter gedrukte kopij eener parlements-akte peinzen, dan éénmaal naar
de kolfbaan of de kroeg gaan; en toch wil hij geen enkele dier vrije
dagen aan eene kleine practijk besteden, die hem een aardigen winst in
den zak zou jagen; hij is een zonderlinge mengeling van zuinigheid, van
vlijt en slordige onverschilligheid; – ik weet niet, wat ik er van
maken moet.”

Maar, met den tijd kreeg zijn leerling de middelen, om te doen wat hij
zelf verkoos; want zijn vader stierf, en de oudste zoon overleefde hem
niet lang. De laatste, een aartsvisscher en jager, scheidde van dit
leven ten gevolge van een verkoudheid, bij het jagen op eendvogels in
het Kittlefitting-moeras opgedaan; hoewel hij nog den nacht voor zijn
dood een geheele flesch brandewijn gedronken had, om de koude uit zijn
maag te houden. Jonathan erfde dus de landerijen, en daarmede de
middelen van bestaan, zonder dat hij den gehaten arbeid van een
practizijn op zich behoefde te nemen. Zijn wenschen waren zeer matig;
en daar de inkomsten van zijn kleine bezittingen met de verbetering van
het land vermeerderden, gingen die weldra zijn behoeften en uitgaven
ver te boven; en hoewel hij te onverschillig was om geld te verdienen,
was hij echter geenszins ongevoelig voor het genot om zijn vermogen
door spaarzaamheid te vermeerderen.

De burgers der stad, in welker nabijheid hij leefde, beschouwden hem
met een soort van afgunst, als iemand, die hun maatschappelijken omgang
verzaakte, en wiens studiën en vermaken hun onbegrijpelijk voorkwamen.
Maar zekere ongeërfde hoogachting, die zij de heeren van Monkbarns
toedroegen, verhoogd door de bewustheid, dat de tegenwoordige heer een
bemiddeld man was, die alles baar betaalde, hield hem in aanzien bij
deze klasse zijner buren. De landedellieden waren over het algemeen,
wat rijkdom betreft, zijn meerderen; maar aan verstand en kennis zijn
minderen, en gingen, enkelen uitgezonderd, met wie hij gemeenzaam en
vertrouwelijk verkeerde, weinig met den heer Oldbuck van Monkbarns om.
Intusschen bleef hem de gewone toevlucht over; het gezelschap van den
predikant en van den geneesheer, als hij het goed vond hen bij zich te
verzoeken; en dan ook had hij zijn eigen studiën en tijdkortingen daar
hij in briefwisseling stond met de meeste geleerden van zijn tijd, die,
gelijk hij, vervallene verschansingen en verwoeste kasteelen opnamen,
onleesbare opschriften ontcijferden, en verhandelingen schreven over
penningen, in de evenredigheid van twaalf bladzijden voor elke letter
van het opschrift. Hij was uit gewoonte eenigzins driftig en
opvliegend, gedeeltelijk, zoo als men in de stad Fairport zei, ten
gevolge van een vroegere ongelukkige liefde; waarmede zijn vrouwenhaat,
gelijk hij het noemde, begonnen was; maar veel meer nog door de
nederige onderdanigheid zijner ongehuwde zuster en ouderlooze nicht,
die gewoon waren hem voor den grootsten man ter wereld te houden, en
van wie hij placht te roemen, dat zij de eenige vrouwen waren, die hij
ooit goed afgericht en aan gehoorzaamheid gewend, ontmoet had; ofschoon
men bekennen moet, dat mejufvrouw Grizelda Oldbuck wel eens geneigd was
te steigeren, als hij de teugels te straf aantrok. De overige
bijzonderheden van zijn karakter moeten opgemaakt worden uit het
vervolg onzer geschiedenis, en wij ontslaan ons gaarne van de lastige
taak der herhaling.

De heer Oldbuck, gedreven door dezelfde nieuwsgierigheid, die zijn
reisgenoot te zijnen opzichte gevoeld had, deed onder den maaltijd,
eenige pogingen, welke hem zijn ouderdom en stand meer rechtstreeks
veroorloofden, om met den naam, de bestemming en den rang van zijn
jongen reisgezel bekend te worden.

Zijn naam, zei die heer, was Lovel.

„Hoe! „de kat, de rot en Lovel, onze hond?” – Kent gij het oude
gezegde? stamt gij af van koning Richard’s gunsteling?”

„Hij maakte geen aanspraak”, zei hij, „om zich een afstammeling van dat
geslacht te noemen. Zijn vader was in het noorden van Engeland te huis.
Hij reisde thans naar Fairport”, (de plaats, in welker nabijheid
Monkbarns gelegen was,) „en indien hem de stad beviel, zou hij er
misschien eenige weken vertoeven.”

„Was de heer Lovel’s uitstap enkel tot vermaak?”

„Niet geheel en al.”

„Misschien om zaken met eenige der kooplieden te Fairport?”

„Het was gedeeltelijk om zaken, maar die geen betrekking hadden tot den
handel.”

Hier zweeg hij; en daar de heer Oldbuck zoo ver gegaan was met zijn
navorschingen, als de wellevendheid gedoogde, vond hij zich verplicht
het gesprek te veranderen. De oudheidkenner, ofschoon geenszins een
vijand van goede sier, had echter, op reis, een bepaalden afkeer van
alle onnoodige verteringen, en hing, toen zijn reisgenoot van een
flesch Portwijn sprak, een verschrikkelijk tafereel op van het
ellendige mengsel, dat gewoonlijk onder dien naam verkocht werd, en
verzekerende, dat een glas punch zuiverder was en beter te pas kwam in
dien tijd van het jaar, legde hij de hand aan de schel, om het
benoodigde daarvan te bestellen. Maar Mackitchinson had zelf anders
bepaald, en verscheen, met een buitengewoon groote dubbele flesch, of
magnum, zoo als men die in Schotland noemt, bedekt met zaagsel en
spinnewebben, die van oudheid getuigden.

„Punch!” zei hij, toen hij het aangename woord bij het binnentreden der
kamer opving, „de drommel weet, dat gij hier geen droppel punch krijgt
vandaag, Monkbarns! Daar kunt gij staat op maken!”

„Wat bedoelt gij, onbeschaamde schelm?”

„Ei, ei, dat komt er niet op aan; – maar heugt u de poets, die gij mij
de laatstemaal, dat gij hier waart, gespeeld hebt?”

„Ik u eene poets gespeeld?”

„Wel ja, gij zelf, Monkbarns! De Heer van Tamlowrie, Sir Gilbert
Grizzlecleugh, de oude Rossballoh en de Baljuw waren toen juist hier,
om den namiddag door te brengen; en gij, met een uwer historiën uit de
oude wereld, waartegen niemand bestand is, hebt hen ik weet niet
waarheen weggesleept, om de oude Romeinsche legerplaats te zien. – Och,
mijnheer!” zich naar Lovel wendende, „Hij zou de vogels uit de boomen
lokken met hetgeen hij van de oude volken, verhaalt, – en verloor ik er
niet het gelag bij van zes flesschen goeden wijn? Want de drommel weet,
dat zij geen van allen opgestaan zouden zijn, voor zij ten minste zoo
veel gedronken hadden!”

„Gij zijt een onbeschaamde bedrieger!” riep Monkbarns, al lachende;
„wel nu, gij kunt ons een flesch Port zenden.”

„Port, neen, neen! Port en punch moogt gij voor ons geringe lui
overlaten; de Fransche wijn is het, die u, heeren, voegt; en ik durf
zeggen dat geen der volken, waarvan gij zoo veel spreekt, ooit hiervan
geproefd heeft.”

„Hoort gij hoe beslissend de schelm spreekt? Welnu, mijn jonge vriend!
dan moeten wij vooral het Falernum boven het vile Sabinum verkiezen.”

De dienstvaardige waard had dadelijk de flesch ontkurkt, goot den wijn
zorgvuldig over, en betuigende, dat de geheele kamer er door
geparfumeerd was, liet hij zijn gasten alleen, om den kostelijken drank
te genieten.

Mackitchinson’s wijn was inderdaad goed, en werkte zoo op den geest van
den oudsten gast, dat hij eenige lustige historiën vertelde, ettelijke
kwinkslagen uitte, en eindelijk in een geleerde uitweiding trad over de
oude tooneelschrijvers, – een punt waarop hij zijn nieuwen vriend zoo
sterk vond, dat hij eindelijk begon te vermoeden, dat zijn reisgenoot
wellicht het tooneel tot zijn beroep gekozen had. „Een reiziger
gedeeltelijk voor zaken, gedeeltelijk voor vermaak? Wel nu, het tooneel
levert het een en ander op; het is een bezigheid voor de spelers, en
vermaakt, of wil ten minste de toeschouwers vermaken. In manieren en
rang schijnt hij wel verheven boven de meeste jonge lieden, welke dien
weg inslaan; maar ik herinner mij gehoord te hebben, dat bij de opening
van den kleinen schouwburg van Fairport, een welopgevoed jonkman van
goeden huize optreden zou. Als hij het ware! Lovel? – Ja! Lovel, of
Belville, zijn juist de namen, die eerstbeginnenden bij zulke
gelegenheden plegen aan te nemen. – Inderdaad, het spijt mij om den
jongen!”

De heer Oldbuck was uit gewoonte spaarzaam, maar geenszins karig; zijn
eerste gedachte was dus, om zijn reisgenoot een gedeelte te besparen
van de gemaakte verteringen, die hij veronderstelde, dat hem in zijn
omstandigheden meer of minder ongelegen moesten komen. Hij nam alzoo
een gelegenheid waar, om afzonderlijk met den heer Mackitchinson af te
rekenen. De jonge reiziger verzette zich bescheiden tegen deze
mildheid, en verklaarde ten laatste alleen daarin te zullen berusten
uit eerbied voor de jaren en achtbaarheid van den ouden heer.

Het genoegen, dat zij in elkanders gezelschap vonden, deed den heer
Oldbuck voorstellen, en Lovel dadelijk goedvinden, dat zij verder den
weg te zamen zouden afleggen. De heer Oldbuck wenschte twee derden te
betalen van de huur van een postwagen, zeggende, dat hij voor zijn
gemak een geëvenredigde groote ruimte noodig had; maar dit sloeg de
heer Lovel stellig af. Zij reisden dus op gelijke kosten, uitgezonderd
dat Lovel tusschenbeide een schelling in de hand van een morrenden
postiljon liet glijden; want Oldbuck, die zich aan zijn oude gewoonte
hield, wilde nooit zijn drinkgeld boven de achttien stuivers voor elk
station brengen. Dus vervolgden zij hun weg, tot zij den volgenden dag
tegen twee uur te Fairport aankwamen.

Lovel verwachtte waarschijnlijk, dat zijn reisgenoot hem, bij hun
aankomst, ten eten zou genoodigd hebben, maar de bewustheid, dat men
bij hem op onverwachte gasten niet voorbereid was, en misschien nog
eenige andere redenen, beletten Oldbuck hem deze beleefdheid te
bewijzen. Hij verzocht hem alleen, zoodra hij het schikken kon, hem ’s
voormiddags te komen bezoeken, beval hem een weduwe aan, die kamers
verhuurde, en iemand, die een fatsoenlijke tafel hield. Deze beide
waarschuwde hij echter afzonderlijk, dat hij den heer Lovel slechts
kende als een aangenaam reisgenoot, en geenszins wilde aangemerkt
worden als aansprakelijk te zijn voor eenige schuld, die hij gedurende
zijn verblijf te Fairport zou maken. Het voorkomen en de manieren van
den heer Lovel echter, om niet te spreken van een welgevulden koffer
die weldra over zee aan zijn adres te Fairport besteld werd, deden
misschien meer af tot zijn voordeel, dan de halve aanbeveling van zijn
reismakker.








DERDE HOOFDSTUK


                                Hij had een’ hoop vermolmd gebeent,
                                En ongediert met stof vereend,
                                En oude scherven, zoo men meent,
                                        Uit alle hoeken;
                                En roestig tuig, en vreemd gesteent,
                                        En oude boeken.

                                                                 Burns.


Toen de heer Lovel zijn woning te Fairport betrokken en in orde
gebracht had, besloot hij bij zijn reisgenoot het beloofde bezoek te
gaan afleggen. Hij had dit niet eerder gedaan, omdat hij, in weêrwil
van de vriendelijkheid en behulpzaamheid van den ouden heer, van tijd
tot tijd, in diens gesprekken en manieren jegens hem, een veel grootere
aanmatiging van meerderheid bespeurd had, dan waartoe het onderscheid
der jaren recht gaf. Lovel wachtte dus de aankomst van zijn zaken uit
Edinburg af, ten einde zich naar den smaak te kunnen kleeden, en zijn
voorkomen te doen overeenkomen met den rang, welke hij meende, of
gevoelde, dat hem in de samenleving toekwam.

Vijf dagen waren alzoo verstreken, toen hij, na de noodige berichten
omtrent den weg ingewonnen te hebben, zich naar Monkbarns begaf, om er
zijn opwachting te maken. Een voetpad, dat over een met hei begroeiden
heuvel en door een paar weiden ging, bracht hem naar het huis, dat aan
den anderen kant van den heuvel lag, en een fraai uitzicht had op den
zeeboezem en de schepen. Afgescheiden van de stad door de hoogten,
welke haar tevens tegen den noordwesten wind dekte, scheen de woning
eenzaam en toch aangenaam gelegen te zijn. Uitwendig beloofde ze
overigens weinig. Het was een onregelmatig, ouderwetsch gebouw, waarvan
één gedeelte tot een afzonderlijke pachterswoning behoord had, die tot
verblijf strekte van den rentmeester, toen het landgoed nog in het
bezit der monniken was. Hier pleegden dezen vroeger het koren op te
stapelen, dat zij in plaats van huur van hun pachters ontvingen; met
een eigenaardige voorzichtigheid lieten zij al hun inkomsten in
voortbrengselen van den grond betalen; en vandaar, zoo als de
tegenwoordige eigenaar gaarne verhaalde, de naam van Monkbarns of
„Monniksschuur”. De latere, wereldlijke bezitters hadden de
overblijfselen van de voormalige rentmeesters-woning langzamerhand
vergroot, naar mate de inrichting hunner huishoudingen dit medebracht;
en daar deze achtereenvolgende bijvoegsels met even weinig achting voor
de bouwkunde, wat het uiterlijke, als voor het gemak, wat het inwendige
van het huis betrof, gemaakt waren, leverde het natuurlijk een
zonderling, onregelmatig, bont geheel op, dat geleek op een gehucht,
welks huizen, door de tooverklanken van een Amphion of een Orpheus
plotseling aan het dansen geraakt, op eens vast aan elkander waren
blijven staan. Het was omgeven door hooge, geschoren heggen van ijpen-
en hulstboomen, waarvan er eenige nog van de bedrevenheid van den
Topiarischen kunstenaar getuigden [1], en wonderlijke leuningstoelen,
torens in de gedaanten van St. Joris en den draak voorstelden. De smaak
van den heer Oldbuck bracht mede, om deze overblijfsels van een thans
vergeten kunst te bewaren, waartoe hij zich te meer geneigd voelde,
daar het zeker den ouden tuinman het hart zou gebroken hebben, als men
ze vernietigd had. Een groote, dichte hulstboom was intusschen aan de
snoeischaar ontgaan, en het was onder diens schaduw, dat Lovel zijn
ouden vriend vond, gezeten op een bank, met den bril op den neus en het
brillenhuisje naast zich, aandachtig de Londensche courant lezende,
terwijl het zomerkoeltje door de ruischende takken speelde, en men in
de verte het bruischen der golven hoorde die op het strand braken.

De heer Oldbuck stond dadelijk op, en ging zijn reisgenoot te gemoet,
om hem met een hartelijken handdruk te begroeten. „Op mijn woord”, zei
hij, „ik begon te gelooven, dat gij uw voornemen vergeten, en het
volkje van Fairport te onbeduidend gevonden hadt, om het met uw
talenten te vereeren, en dus met de stille trom vertrokken waart, zoo
als mijn oude vriend en mede-oudheidkenner Mac-Cribb deed, die met een
mijner Syrische penningen verdween.”

„Ik hoop toch, waarde heer, tot zulke vermoedens geen aanleiding
gegeven te hebben.”

„Het zou toch even erg geweest zijn, dat moet ik u zeggen, als gij
verdwenen waart, zonder mij het genoegen te geven van u nog eenmaal te
zien. De ontvreemding van mijn koperen Otto zelven zou mij niet meer
gegriefd hebben. Maar kom, laat ik u den weg wijzen, naar mijn sanctum
sanctorum, – mijn allerheiligste, – mijn cel, mag ik u zeggen; want,
behalve een paar onnutte wijven”, (met deze verachtelijke uitdrukking,
overgenomen van zijn mede-oudheidkenner Anthonius Wood, placht de heer
Oldbuck de schoone sekse in het algemeen, en zijn zuster en nicht, in
het bijzonder, te bestempelen), „die onder een ijdel voorwendsel van
verwantschap, in mijn woning ingedrongen zijn, leef ik even eenzaam,
als Jan van Girnell, wiens graf ik u straks toonen zal.”

Met deze woorden geleidde de oude heer, Lovel door een lage deur; maar
toen hij op het punt stond om binnen te treden, hield hij eensklaps
stil en wees hem eenige sporen van hetgeen hij „een inscriptie” noemde,
en verklaarde met een hoofdschudden dat die geheel onleesbaar was.
„Ach, mijnheer Lovel! als ge wist den tijd en de moeite, die mij deze
vermolmde sporen van letters gekost hebben! Geen moeder in barensnood
leed ooit zoo veel; – en alles te vergeefs; hoewel ik bijna zeker ben,
dat deze twee laatste strepen de letters, of cijfers L. V. voorstellen,
en wij daaruit de juiste en bepaalde oudheid van het gebouw, opmaken
kunnen, daar het van elders bekend is, dat het gesticht werd door den
abt Waldimir, omstreeks het midden der veertiende eeuw. Ook geloof ik
zeker, dat betere oogen dan de mijne, misschien zouden kunnen
ontdekken, wat het versiersel in het midden voorstelt.

„Ik denk”, antwoordde Lovel, geneigd om den ouden heer te believen,
„dat het iets heeft van een bisschopshoed.”

„Waarlijk, gij hebt gelijk! gij hebt volkomen gelijk! Dat is mij nooit
ingevallen! – nu ziet men, wat een geluk het is jonge oogen te hebben!
Een bisschopshoed! ja, het heeft alles van een bisschopshoed!”

Het geleek er intusschen niet veel meer op, dan de wolk van Polonius,
in Shakespeare’s Hamlet, op een walvisch of een wezel; het denkbeeld
was nochtans voldoende, om de verbeeldingskracht van den oudheidkenner
op te wekken. „Een bisschopshoed, waarde heer!” vervolgde hij, terwijl
hij hem den weg door een doolhof van ongemakkelijke en duistere gangen
wees, en zijn aanmerkingen van tijd tot tijd door eenige noodige
waarschuwingen afbrak, „een bisschopshoed, waarde heer, zal onzen abt
even zoo goed passen, als aan een bisschop; hij had het recht om er een
te dragen en stond boven aan de rol, – neem u in acht voor deze drie
treden! – Ik weet wel, Mac-Cribb ontkent het; het is echter zoo zeker,
als dat hij mijn Antigonus mede genomen heeft zonder het mij te vragen.
– Gij zult den naam van den abt, van Trotcosey, Abbas Trottocosiensis,
vinden aan het hoofd der parlementsrollen van de veertiende en
vijftiende eeuwen. – Er is hier weinig licht, en dat verwenschte
vrouwvolk laat altijd haar emmers in den weg staan, – wees voorzichtig
daar bij den hoek, nu deze twaalf treden nog, en gij zijt veilig!”

De heer Oldbuck had intusschen den top van een wenteltrap bereikt, die
naar zijn eigen vertrek leidde; en de deur openende, terwijl hij een
stuk tapijt, dat die bedekte, ter zijde schoof, was zijn eerste
uitroep: „Wat voert gij hier uit, gij sletten?” – Een morsige
barrevoetsche meid betrapt op het wanbedrijf van het sanctum sanctorum
in orde te brengen, wierp haar stoffer weg, en vluchtte door een andere
deur uit het gezicht van haar vergramden meester. Een fatsoenlijk
gekleed jong meisje, dat het toezicht over het werk voerde, bleef
eenigzins beschroomd staan.

„Waarlijk, oom,” zei zij, „uw kamer was niet om te zien, en ik kwam
juist om te zorgen, dat Jenny alles weêr neêrlegde, juist dáár waar zij
het gevonden had.”

„En hoe durft gij, of Jenny u verstouten, om u met mijn bijzondere
zaken te bemoeien? Ga naar uw naaiwerk, kind! en dat ik u hier niet
weêr vinde, zoo gij uw ooren liefhebt! – Ik verzeker u, mijnheer Lovel,
dat de laatste inval van deze zoogenaamde vriendinnen der reinheid
bijna even noodlottig voor mijn verzameling was, als het bezoek van
Hudibras [2] voor die van Sidrophel:


            „Mijn almanak, mijn kopren platen,
            En meer, waar ’k mij op kon verlaten,
              Een maanhorloge, en Napier’s been,
              En meer dan één geleerde steen;
              Mijn kever, vloo en ook mijn luis
              Zijn zoek geraakt door dat gespuis,”


zoo als de oude Butler schrijft.”

De jonge dame had deze gelegenheid te baat genomen, en was na Lovel
beleefd gegroet te hebben, onder het opsommen van deze verliezen
ontsnapt. „Gij zult nu hier stikken in de stofwolken,” vervolgde de
oudheidkenner; „maar ik verzeker u, het stof was zeer oud, en voor
ongeveer een uur nog een zeer vreedzaam en rustig stof, en zou het nog
een eeuw lang gebleven zijn, als deze heksen het niet gestoord hadden,
zoo als zij ook alles ter wereld in rep en roer brengen.”

Er verliep, inderdaad, eenigen tijd, eer Lovel door den dikken
dampkring onderscheiden kon, welk soort van hol zijn vriend tot zijn
verblijf had uitgekozen. Het was een kamer met een hooge verdieping en
van middelbare grootte, slechts verlicht door hooge en nauwe
tralievensters. Het eene einde daarvan was geheel bezet met
boekenkasten, veel te klein voor het aantal der daarin geplaatste
boekdeelen, die daarom in twee en drie rijen achter elkander gedrongen
stonden, terwijl ontelbare anderen over den vloer en op de tafels,
tusschen een mengelmoes van landkaarten, teekeningen, perkamentsnippers
bundels papier, stukken van oude wapenrustingen, zwaarden, dolken,
helmen en Hooglandsche schilden verstrooid lagen. Achter den zetel van
den heer Oldbuck (een oude met leder overtrokken armstoel, tamelijk
afgesleten door lang gebruik,) stond een ongemeen groot eikenhouten
kabinet, op welks hoeken Hollandsche cherubijnen met groote hoofden en
scheeve troniën tusschen twee kleine, uitgespreide eendenvleugeltjes,
pronkten. De bovenste kap was versierd met borstbeelden, Romeinsche
lampen en offerschalen, waaronder ook een paar bronzen beelden
prijkten. De muren van het vertrek waren gedeeltelijk behangen met
afzichtelijke, oude tapijten, die het beroemde bruiloftsfeest van den
Ridder Gaweine [3] voorstelden, en waarbij men de leelijkheid van de
bruid [4] volkomen recht had laten wedervaren; ofschoon de Ridder, naar
zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, wat het gebrek aan schoonheid
der dame betreft, minder reden tot klagen had, dan hem de dichter
schijnt toegekend te hebben. Het overige gedeelte der kamer was
beschoten met zwart eikenhout, waartegen twee of drie mannen-portretten
in volle wapenrusting hingen, – Oldbuck’s lievelingshelden uit de
Geschiedenis van Schotland, – en even zoo vele starende gezichten met
pruiken en gegalonneerde rokken van zijn eigen voorouders. Een groote,
ouderwetsche tafel was bedekt met een menigte papieren, perkamenten,
boeken en allerhande kleinigheden, die zich door niets schenen aan te
bevelen, dan door den roest en de oudheid, welke ze kenmerkte. Te
midden dezer verwarde mengeling van oude boeken en gereedschappen, zat,
ernstig als Marius op de puinhoopen van Karthago, een groote zwarte
kat, die in het oog van een bijgeloovig mensch zeer goed den genius
loci, den beschermgeest van het vertrek zou hebben kunnen voorstellen.
De vloer, zoo wel als de tafel en alle stoelen was door hetzelfde mare
magnum van oude vodden overstroomd, waaronder het even onmogelijk zou
geweest zijn, eenig benoodigd artikel te vinden, als om het te
gebruiken, wanneer men het gevonden had.

Het viel dus niet gemakkelijk, door dezen verwarden boel den weg naar
een stoel te vinden, zonder over een foliant te struikelen, of nog meer
gevaar te loopen van het een en ander stuk Romeinsch, of oud Engelsch
aardewerk omver te werpen. En als men eindelijk den stoel bereikt had,
moest men dien nog voorzichtig ontlasten van plaatwerken, die licht te
beschadigen waren, en van oude sporen en gespen, die den
onvoorzichtigen bezoeker zelven beschadigd zouden hebben. De
oudheidkenner maakte den heer Lovel vooral hierop opmerkzaam, er
bijvoegende, dat zijn vriend, de heer Professor Zwaar-op-de-hand, uit
de Nederlanden, zich eens ernstig bezeerd had, door zich
onvoorzichtiglijk neder te zetten op drie oude scherpe ijzeren angels,
uit het moeras bij Bannockburn opgedolven, die Robert Bruce gebruikt
had, om over den grond te strooien, en de paarden der Engelsche
ruiterij dus kreupel te maken, en op boven beschreven wijze ook
voorbestemd waren om een geleerden Utrechtschen professor gevoelig te
kwetsen.

Lovel kwam eindelijk te recht, en veilig op zijn stoel gezeten,
betoonde hij zich niet minder begeerig, om de vreemde voorwerpen die
hem omringden nader te leeren kennen, dan zijn gastheer, om ze hem te
verklaren. Hij toonde hem eerst een groote knots, van onderen met een
ijzeren pen voorzien, welke voor eenigen tijd gevonden was op het goed
van Monkbarns, nabij een oude begraafplaats. Deze knots geleek
bijzonder veel op een van die knuppels, waarvan zich de Hooglandsche
maaiers, bij hun jaarlijksche tochten uit hun bergen, bedienen. Maar de
heer Oldbuck was zeer geneigd te gelooven, daar ze een eenigszins
vreemden vorm had, dat ze een dier knotsen was, waarmede de monniken
hun boeren, in plaats van met andere wapenen, plachten uit te rusten;
om welke reden merkte hij aan, men die lieden colve carles of
kolf-kerels, dat is, clavigeri, noemde. Ter staving hiervan, haalde hij
de Kronijk aan van Antwerpen en van St. Martijn, waartegen Lovel niets
in te brengen had, daar hij die werken thans voor het eerst hoorde
noemen.

De heer Oldbuck vertoonde vervolgens eenige duimschroeven, die men in
vroegere dagen ter bestraffing der Covenanters gebruikt had, als ook
een halsband met den naam van een roover er op, dien men tot straf,
zooals het opschrift luidde, in eigendom toegekend had aan een
naburigen edelman. „Een andere wijze van straffen,” zei de heer
Oldbuck, „dan die van onze hedendaagsche Schotsche wet, welke
dergelijke schelmen het land uit zendt, om Engeland door hun arbeid, en
zich zelven door hun behendigheid te verrijken.” Veelvuldig en
verscheiden waren de zeldzaamheden, die hij verder liet zien; maar
vooral was hij trotsch op zijn boeken, en zijn gast naar de volgepropte
en stoffige boekenkasten geleidende, zei hij met een zeker welgevallen
de verzen van den ouden Chaucer op:


            „Want hij verkoos bij ’t bed veeleer
            Een twintig zwarte of roode banden
            Van Aristot’les leer voorhanden,
            Dan psalter, lier of rijke kleêr’.”


De maat van deze schoone regels, gaf hij door een beweging van het
hoofd aan, en hij sprak alle keelletters met den echt Angelsaksischen
tongval uit, die nu in het zuidelijke gedeelte van Schotland bijna
verloren gegaan is.

De verzameling was inderdaad zeldzaam, en geschikt om den nijd van een
liefhebber op te wekken. Nochtans was die niet aangekocht tegen de
ongehoorde prijzen der hedendaagsche tijden, die den vurigsten zoo wel
als den eersten der bibliomanen afgeschrikt zouden hebben van wie wij
ooit hoorden, – namelijk niemand anders dan den beroemde Don Quichot de
la Mancha, van wien zijn geloofwaardige geschiedschrijver, Cid Hamet
Benengelie, onder andere blijken van zijn krankzinnigheid, aanvoert,
dat hij landerijen en pachthoeven tegen ridderboeken in folio en kwarto
verruilde. In deze heldendaden wordt de goede dolende ridder door onze
hedendaagsche baronnen en graven nagevolgd: ofschoon wij nog niet
vernomen hebben, dat iemand hunner een herberg voor een kasteel aanzag,
of zijn lans tegen een windmolen richtte.

De heer Oldbuck nam deze kunstverzamelaars en hun buitensporige
uitgaven niet tot voorbeeld; maar daar hij vermaak in den arbeid vond
zelf zijn boeken te zoeken, spaarde hij zijn beurs ten koste van tijd
en moeite. Hij was geenszins een aanmoediger van die doortrapte,
peripatetische bemiddelaars, die zich als makelaars tusschen den
onbekenden boekhandelaar en den gretigen liefhebber opwerpen, en ter
zelfder tijd hun voordeel vinden bij de onwetendheid van den één, en de
duur verkregen kunde en den smaak van den ander. Als men van dergelijke
lieden in zijn bijzijn sprak, toonde hij gewoonlijk aan, hoe
noodzakelijk het was, de voorwerpen zijner begeerte bij de eerste
ontdekking in beslag te nemen, en verhaalde dan zijn
lievelingsgeschiedenis van den Snuifneus-David en Caxton’s Schaakspel.
– „David Wilson,” – „David Wilson,” zei hij, „in de wandeling genaamde
Snuifneus-David, wegens zijn verslaafdheid aan zwarte rappé, won het
allen af in het doorsnuffelen van donkere holen, kelders en stalletjes,
waar zeldzame boeken te vinden waren. Hij had den neus van een
speurhond, mijnheer, en was vasthoudend als een bulhond. Hij kon een
oude ballade, in Gothische letter, uit een drom staatspapieren halen,
en een editio princeps onder het masker van een schoolboek ontdekken.
Snuifneus-David kocht het Schaakspel, 1474, – het eerste boek, dat in
Engeland gedrukt werd, – in een Hollandsch winkeltje voor ongeveer drie
stuivers. Hij verkocht het aan Osborn voor twintig pond sterling, en
deze deed het weder aan Dr. Askew over voor zestig guinjes. Maar op de
verkooping van Dr. Askew’s bibliotheek,” vervolgde de oude heer met
steeds toenemend vuur, „blonk dit onschatbaar kleinood in zijn vollen
luister uit, en werd door een koninklijken liefhebber zelven voor
honderd-zeventig pond gekocht! Deed er zich nu slechts een exemplaar
op!” riep hij, met een diepen zucht en gevouwen handen, uit: „God
alleen weet, wat het gelden zou, en nochtans kreeg men het
oorspronkelijke door kennis en navorsching, voor de geringe waarde van
nog geen dubbeltje in handen! Gelukkige, dikwerf gelukkige
Snuifneus-David! en gezegend de tijd, toen uw vlijt zoo mocht beloond
worden!” [5]

„Ik zelf, mijnheer,” ging hij voort, „hoewel ver beneden dien grooten
man in vlijt, doorzicht en tegenwoordigheid van geest, kan u eenige
weinige, zeer weinige voorwerpen toonen, waarmede ik mijn verzameling
verrijkte, niet door kracht van geld, zoo als sommige vermogenden doen,
– die, naar het zeggen van mijn vriend Lucianus, dikwijls slechts hun
goudstukken wegwerpen, om hun onwetendheid aan den dag te leggen; –
maar verkregen op een wijze, die u zal doen zien, dat ik op dit stuk
ook niet onervaren ben. Beschouw dezen bundel Balladen, waarvan niet
één van lateren tijd is dan 1700, en ettelijke er van honderd jaren
ouder zijn. Ik heb ze uit de handen eener oude vrouw gekregen, die ze
liever had, dan haar psalmboek. Wat rook- en snuiftabak, mijnheer! en
het werkje: „de Volmaakte Sireen,” waren de koopprijs! – Om dit weinig
verminkte exemplaar van „de Klachte van Schotland” meester te worden,
heb ik twee dozijn flesschen sterke ale gedronken met den laatsten
geleerden eigenaar er van, die het mij, uit erkentelijkheid, bij
uitersten wil vermaakte. – Deze twee Elzeviers zijn de gedenkteekens en
trofeën van menige wandeling ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat door
het Cowgate, het Canongate en het Bow, door St. Mary’s Wynd, in ’t
kort, overal, waar ik maar gissen kon, dat uitdragers en kooplieden in
’t klein in allerlei zeldzame en belangrijke dingen, te vinden waren.
Hoe dikwijls heb ik niet een stuivertje staan afdingen, – uit vrees
dat, door een te snel berusten in den gevraagden prijs, de koopman de
waarde vermoeden zou, die ik aan het voorwerp hechtte! – hoe heb ik
niet gesidderd bij de gedachte, dat de een of ander voorbijganger
binnenkomen en mij overbieden zou! In elken armen student in de
godgeleerdheid, die stil hield, om de uitgekraamde boeken te bekijken,
geloofde ik een mededingenden liefhebber, of verkleeden, hebzuchtigen
boekhandelaar te zien. – En dan, mijnheer Lovel, het stille genoegen,
waarmede men het bedongene betaalt, en de gekochte zeldzaamheid,
schijnbaar onverschillig, in den zak steekt, terwijl de hand van
blijdschap beeft! – Ook om het oog van onze rijkere en ijverzuchtige
mededingers te verblinden, wanneer men hun zulk een schat als dezen,
(„een klein zwart berookt boekje, ter grootte ongeveer van een
spaboekje, opnemende”) laat zien, – wanneer men hun verwondering en
afgunst beschouwt, terwijl men onder den sluier der geheimzinnigheid
zijn eigene meerdere kennis en behendigheid verbergt, – dit, mijn jonge
vriend, dit zijn de zalige oogenblikken des levens, die den arbeid, de
moeite en de onafgebroken oplettendheid vergoeden, welke ons beroep,
meer dan eenig ander, zoo bijzonder eischt!”

Lovel schiep er niet weinig vermaak in den ouden heer dus te hooren
doordraven, en, hoewel onbekwaam, om de geheele waarde van hetgeen hij
zag te erkennen, bewonderde hij nochtans, boven verwachting, de
onderscheidene schatten, die Oldbuck hem aanwees. Hier stonden
uitgaven, hoog geschat omdat ze de eerste, – daar anderen, weinig
minder in aanzien, omdat ze de laatste en beste waren. Hier had een
boek waarde, omdat het de laatste verbeteringen van den schrijver
bevatte; daar was een ander (zonderling genoeg) gezocht, omdat die er
aan ontbraken. Het één was kostbaar als foliant, het andere als
duodecimo; eenige boekdeelen hadden bijzondere waarde, omdat zij lang,
anderen, omdat zij kort waren. Van het één bestond de verdienste in de
titelplaat, van het tweede in de letters, waarmede het woord Finis
gedrukt was. Er was, naar het scheen, geen bijzonderheid, hoe gering en
nietsbeduidend ook, welke het boek geen waarde bijzette, mits het
slechts het onvermijdelijk vereischte bezat van „zeldzaam” of
„schaarsch” te zijn.

Aantrekkelijk vooral was het oorspronkelijk geschriftje: „De laatste
Woorden, de Bloedige Moord, of het Wondervolste Wonder der Wonderen,”
den oorspronkelijken, gehavenden omslag, zoo als het door de straten
gevent en voor den goedkoopen en geringen prijs van een stuiver
verkocht werd, ofschoon het thans tegen goud opwoog. Over deze en
soortgelijke werken weidde de oudheidkenner met geestdrift uit, en las,
vol verrukking, de uitvoerige titels voor, die even veel overeenkomst
hadden met den inhoud, als de geschilderde afbeeldsels vóór een
beestenspel met de dieren, die er binnen vertoond worden. De heer
Oldbuck was bijzonder ingenomen met het bezit van een boekje, dat hij
eenig in zijn soort noemde, en waarvan de titel luidde: „Seldsaem ende
miraculeus Beright uit Shipping-Morton, in het Graefschap Oxfort, van
zeekere verschrickelijcke apparitiën, die daer in de lucht gezien zijn
op den 26 Julij A.D. 1610, des middags te half tien ueren, ende
voortgheduert hebben tot elf ueren, in welken tussenteit men gesien
heeft meinighte vlammende swaerden, vremde bewegingen in den boven
Atmospheer, met ongewone fonkelingen der sterren, ende verdere
verschrickelijke gevolgen: alsmede een verhael van het openen des
hemels ende der vremde verschijnselen, die sich daer in vertoont
hebben, met vele andere prodigieuse circumstantiën, nooit gesien ofte
gehoort, tot groote verbasinghe der toeschouwers, so als het beschreven
staat in een epistel aen seeckeren heer Colley, wonende in
West-Smithfield, ende veroircond wordt door Thomas Brown, Elizabeth
Greenaway, ende Anna Gutheridge, die ooggetuighen geweest sijn van deze
verschrickelijcke apparitiën, – ende indien iemant sich verder soude
willen overtuighen van de waerheit van dit verhael, die kan sich
vervoeghen ten huise van den heere Nightingal, in de herberg de Beer,
in West-Smithfield, waar hij volkomen gecontenteerd sal worden.”  [6]

„Gij lacht hierom,” zei de eigenaar der verzameling, na het eindigen
van dezen ellenlangen titel; „maar ik vergeef het u. Ik beken, dat de
bekoorlijkheden, waarop wij verliefd zijn, de jeugd niet zoo zeer in de
oogen vallen, als die van een schoone dame; maar gij zult wijzer worden
en juister leeren zien, als gij een bril draagt. – Maar wacht een
oogenblik: ik heb nog één gedenkstuk der oudheid, dat gij misschien
beter zult weten te waardeeren!”

Met deze woorden, opende de heer Oldbuck een schuiflade, en nam er een
bos sleutels uit: vervolgens schoof hij een stuk tapijt weg, dat de
deur van een kast in den muur bedekte, waarin hij langs vier steenen
trappen neêrdaalde, en bracht, na eenigen tijd tusschen flesschen en
kannen gerammeld te hebben, twee hooge wijnroemers te voorschijn, zoo
als men die op de stukken van Teniers ziet, en een kleine flesch met
hetgeen hij echten, besten Canarie-sec noemde, benevens een stukje koek
op een klein zilveren presenteerblad van zeer oud en buitengemeen fraai
maaksel. „Ik zal niet spreken van het blaadje,” zei hij, „ofschoon men
zegt, dat het door dien dollen ouden Florentijner, Benvenuto Cellini,
gemaakt is. Maar, mijnheer Lovel, onze voorouders dronken Canarie-sec,
– gij, die een bewonderaar zijt van de tooneelkunst, zult weten, waar
dat geschreven staat. Nu, op het welslagen uwer ondernemingen te
Fairport!”

„En u, mijnheer, wensch ik een rijke vermeerdering van uw schat, met
slechts zoo veel moeite van uw kant, als noodig is om uw aanwinsten
waarde bij te zetten.”

Na deze versterking, die geheel strookte met het genoten vermaak, stond
Lovel op, om afscheid te nemen, en de heer Oldbuck maakte zich gereed,
om hem een eind op zijn wandeling naar Fairport te vergezellen, en hem
onderweg iets merkwaardigs te toonen.








VIERDE HOOFDSTUK


                      De listige Karel kwam me over de weide
                      Met buigende groeten eerbiedig ter zijde
                      En sprak: beste heer! och wees toch zoo goed,
                      En huisvest eenen armen, ouden bloed.

                                                      De oude bedelaar.


Onze beide vrienden gingen langzaam door een kleinen boomgaard, welks
oude, rijk beladen appelboomen bewezen, wat men in de nabijheid der
meeste kloosters gewoonlijk opmerken kan, namelijk dat de monniken hun
tijd niet altijd in ledigheid doorbrachten, maar dikwerf ook aan boom-
en tuinteelt toewijdden. De heer Oldbuck verzuimde niet Lovel te doen
opmerken, hoe de toenmalige planters het hedendaagsch geheim bezaten,
om door het plaatsen van steenen onder den boom, hem te beletten te
diep wortels in den grond te schieten, en ze dus te dwingen, een
zijdelingsche richting te nemen. „Deze oude boom,” zei hij, „die
verleden zomer omver woei, en nog, ofschoon half ter aarde gebogen, met
vruchten bedekt is, heeft, zoo als gij ziet, zulk een steenlaag er
onder. Van dezen anderen boom verhaalt men eene geschiedenis: de vrucht
er van heet de abtsappel, waarin de echtgenoote van een naburigen baron
zoo veel smaak vond, dat ze dikwijls Monkbarns bezocht, om het genoegen
te smaken zelve van die vrucht te plukken. De baron, waarschijnlijk een
ijverzuchtig man, vermoedde, dat een smaak, die zoo veel overeenkomst,
had met dien van moeder Eva, ook een dergelijken val voorspelde. Maar,
de eer van een adellijk geslacht is er in betrokken; en ik zal er dus
niets meer van zeggen, dan dat de goederen van Lochard en Cringlecut
nog jaarlijks een bepaalde schatting in gerst moeten opbrengen, om de
misdaad van hun roekeloozen eigenaar te boeten, die den abt en zijn
biechtdochter met zijn wereldsche vermoedens en hartstochten durfde
lastig vallen. Het kleine klokkenhuisje, dat zich boven het gindsche
met klimop bedekte portaal verheft, verdient uw opmerking; – er was
hier een hospitium, hospitale, of hospitamentum, (want het komt in de
oude geschriften en akten dus verschillend geschreven voor), waarin de
monniken de pelgrims plachten op te nemen. – Ik weet wel, onze dominé
zegt, in zijn „Statistiek bericht,” dat het hospitium gelegen was op de
landerijen van Haltweary, of op die van Halfstarvet; maar dat is niet
juist, want, – maar dit is de poort, die nog steeds de Pelgrimspoort
genoemd wordt, en mijn tuinman vond, toen hij den grond voor de
winterselderij omspitte, nog vele gehouwen steenen, waarvan ik eenige
als proeven gezonden heb aan mijn geleerde vrienden, en aan de
verschillende oudheidkundige genootschappen, van welke ik een onwaardig
lid ben. Maar ik wil daar nu niet verder over uitweiden, ik bewaar iets
voor een volgend bezoek, en wij naderen hier een voorwerp, dat
wezenlijk belangrijk is!”

Terwijl hij dus sprak, gingen ze door een paar schoone weiden naar een
open heidevlakte, en vandaar kwamen zij op den top van een geringe
hoogte. „Dit,” zei hij, „mijnheer Lovel, is een waarlijk merkwaardige
plek.”

„Ze levert een schoon gezicht op, antwoordde zijn makker, in het rond
ziende.

„Dat is zoo: maar daarom was het niet, dat ik u hier heen bracht; ziet
gij niets anders opmerkingswaardigs? – Niets op de oppervlakte van den
grond?”

„Wel ja! ik zie iets, dat half en half op een gracht gelijkt.”

„Half en half! – Vergeef mij, mijnheer, dat moet aan uw oogen liggen, –
niets kan duidelijker zijn! – een echte agger of vallum, met de gracht,
of fossa. Onduidelijk! wel, mijn hemel! die deerne, mijn nicht, zulk
een lichtzinnig gansje als maar alleen onder het vrouwenvolk te vinden
is, heeft dadelijk de sporen der gracht herkend! Onduidelijk! Ja, de
groote legerplaats te Ardoch, of die te Burnswark in Annandale kan men
zonder twijfel duidelijker zien, omdat ze vaste verschansingen zijn,
terwijl deze legerplaats hier slechts tijdelijk was. Onduidelijk! maar
gij dient te begrijpen, dat dwazen, boeren en domkoppen het land
omgeploegd, en als stomme dieren en onbeschaafde wilden twee zijden van
den vierhoek verbroken, en de derde zijde voor een groot gedeelte
beschadigd hebben; maar de vierde zijde, zoo als gij zelf ziet, is nog
volkomen in haar geheel!”

Lovel trachtte zich te verontschuldigen en zijn eerste gezegde goed te
maken, door gebrek aan ondervinding voor te wenden. Maar hij slaagde
niet dadelijk. Zijn eerste antwoord was te gul en te natuurlijk
geweest, om den oudheidkenner niet te verontrusten, en deze kon niet
zoo spoedig den indruk vergeten, dien het op hem gemaakt had.

„Mijn waarde heer!” vervolgde hij, „uw oogen ontbreekt het niet aan
ondervinding; gij kunt, veronderstel ik, een gracht wel van een vlakte
onderscheiden? Onduidelijk! wel, het gemeene volk, zelfs de kleinste
jongen, die een koe kan hoeden, noemt de plaats Kaim van Kinprunes, en
als Kaim niet kamp beteekent, weet ik het niet.”

Daar Lovel dit toestemde, en eindelijk slaagde om de opgewekte en
achterdochtige ijdelheid van den oudheidkenner in slaap te wiegen,
vatte deze weder zijn taak van Cicerone op. „Onze Schotsche
oudheidkundigen,” zei hij, „moet gij weten, zijn zeer verdeeld geweest
omtrent de plaats van den laatsten veldslag tusschen Agricola en de
Caledoniërs; – eenigen noemen Ardoch in Strathallan, eenigen
Innerpeffrey, eenigen de Raedijken in Mearns, en eenigen brengen het
krijgstooneel zoo ver noordwaarts als Blair, in Athole. En nu, na al
dat onderzoek,” vervolgde de oude heer, terwijl hij een zijner slimste
en meest zelftevreden blikken op Lovel wierp, „wat zoudt gij er van
denken, mijnheer Lovel, – ik zeg, zoudt gij er van denken, – als deze
gedenkwaardige slag voorgevalen ware hier, op deze zelfde plek, het
kamp van Kinprunes genaamd, op de landerijen van den onbekenden,
geringen persoon, die nu tot u spreekt?”

Hij zweeg een oogenblik, om zijn gast gelegenheid te geven, deze
mededeeling in al haar gewicht te beseffen, en vervolgde dan, zijn stem
verheffende: „Ja, mijn goede vriend, ik vergis mij zeer, als deze
plaats niet overeenstemt met al de beschrijvingen van dat beroemde
krijgstooneel. Het was nabij de Grampian-bergen; – eilieve! zie, hoe ze
zich ginds aan den gezichteinder in de wolken verliezen! – het was in
conspectu classis, in het gezicht van de Romeinsche vloot; en kon eenig
vlootvoogd, Romein of Brit, een schoonere baai vinden, om er in te
stevenen, dan die dáár, aan uw rechterhand? Men moet zich verwonderen,
dat wij, oudheidkenners van beroep, soms zoo blind zijn. Sir Robert
Sibbald, Saunders Gorden, de Generaal Roy, Dr. Stukely, wel nu, – het
ontging hun allen! – Ik wilde er geen woord van reppen, vóór ik mij van
den grond verzekerd had; want die behoorde aan den ouden pachter Jan
Howie, hier in de buurt, en het heeft lang geduurd, eer wij het eens
konden worden. Eindelijk, – ik schaam mij haast het te zeggen, –
besloot ik, om akker tegen akker van mijn bouwland voor zijn dorre plek
te geven. Maar het was een nationaal belang; en toen het tooneel van
zulk een beroemde gebeurtenis mijn eigendom werd, was ik meer dan
genoeg betaald. – Wiens vaderlandsliefde, zegt de oude Johnson, zou
niet blaken op de vlakte van Marathon? Ik liet aanvankelijk den grond
omspitten; en den derden dag mijnheer Lovel, vonden wij een steen, dien
ik naar Monkbarns heb laten overbrengen, om er in gips een afgietsel
van te maken. Men ziet er een offervaas op met de letters A. D. L. L.,
die zonder ver te zoeken, beteekenen: Agricola Dicavit Libens Lubens.”

„Gewis, mijnheer, want de Nederlandsche oudheidkenners verklaren
Caligula voor den stichter van een vuurtoren, enkel op het gezag der
letters C. C. P. F., welke zij uitleggen: Cajus Caligula Pharum Fecit.

„Zeer juist, en men heeft het altijd voor de juiste uitlegging
gehouden. Ik zie wel dat wij iets van u zullen maken, zelfs eer ge nog
een bril draagt ofschoon gij de sporen van het schoone kamp, op het
eerste gezicht eenigzins onduidelijk vondt.”

„Door den tijd, mijnheer, en met goed onderricht. –”

„Zult gij leeren? – Daar twijfel ik niet aan. Bij uw eerst volgende
bezoek op Monkbarns, zal ik u iets ter lezing geven; mijn kleine
verhandeling „over de Kunst van Legerplaatsen aan te leggen,” met
eenige bijzondere „Aanmerkingen over de sporen van oude Verschansingen,
onlangs door den Schrijver ontdekt in het kamp van Kinprunes. Ik geloof
den onmiskenbaren toetssteen daarin aangewezen te hebben van hetgene
men voor oudheden houdt. Ik stel vooraf eenige algemeene regels over
den aard, van wat men in dergelijke gevallen als beslissend kan
aannemen. Gelieve intusschen, bij voorbeeld, op te merken, dat ik mij
zou kunnen bedienen van den beroemden dichtregel van Claudianus.


          „Ille Caledoniis posuit qui castra pruinis.”


Want pruinis, ofschoon uitgelegd als rijp te bedoelen, waaraan ik
beken, dat wij op deze noordoostelijke zeekust eenigzins onderhevig
zijn, kan eveneens een plaatselijke benaming wezen, te weten; prunes;
het castra Pruinis positum zou dan zijn het kamp van Kinprunes. Maar ik
laat dat daar, uit vrees, dat de woordenvitters daarin gelegenheid
mochten vinden, om mijn Castra te doen neêrdalen tot den zoo veel
lateren tijd van Theodosius, die eerst in 367, of daar omstreeks, door
Valentinianus naar Brittanië gezonden werd. Neen, mijn lieve vriend, ik
beroep mij op het oog der menschen; – is hier niet de Decumaansche
poort? en daar zou, zonder de verwoesting van den noodlottigen ploeg,
zoo als mijn geleerde vriend het uitdrukt, de Praetoriaansche poort
zijn. – Aan uw linker hand kunt gij eenige sporen van de porta sinistra
zien, en aan de rechter, één zijde van de porta dextra, bijna
onverminkt! – Hier dan zullen wij ons plaatsen, op dezen tumulus, die
de grondslagen bevat van verstoorde gebouwen, – het middelpunt, –
zonder twijfel, het Praetorium van het kamp. Van deze plaats, nu
slechts van het overige der verschansing te onderscheiden door haar
geringe verhevenheid en groenere zoden, mogen wij veronderstellen, dat
Agricola het onmetelijke leger der Caledoniërs heeft aanschouwd, dat de
helling van genen tegenoverliggenden heuvel bezette, terwijl het
voetvolk, op de hoogte verschijnende, in rijen achter elkander, hun
slagorde op het voordeeligste uitbreidde, volgens het terrein, en het
paardevolk en de covinnarrii, waardoor ik versta die in de strijdwagens
waren, een geheel andere soort van menschen dan de hedendaagsche
Britsche Wagenmenners met hun vier paarden, – zich in de vlakte aan den
voet van den berg bevonden.


                – Zie dan, Lovel, – zie –
        Zie, hoe die heerdrom ginds komt van ’t gebergte zinken!
        De gulden rustingen als drakenschelpen blinken;
        Hun tocht schijnt donderstorm, die alles stelt ter neêr –
        Zie en aanschouw, en dan zie Rome nimmer weêr! –


„Ja, waarde vriend, van deze standplaats is het waarschijnlijk, – zelfs
bijna zeker, – dat Agrippa gadesloeg, hetgeen onze Beaumont [7] zoo
voortreffelijk schildert! – Van dit zelfde Praetorium. –”

Een stem achter hem, brak eensklaps deze hoogdravende beschrijving af.
– „Praetorium hier, Praetorium daar: mij heugt, dat men er aan werkte!”

Beiden keken te gelijk om, Lovel niet zonder verwondering, en Oldbuck
met een mengeling van verrassing en verontwaardiging over zulk een
onbeleefde stoornis. Een toehoorder was, ongezien en ongehoord,
genaderd, terwijl de oudheidkenner in het midden zijner vurige
beschrijving was, en Lovel beleefd en oplettend toeluisterde. Hij had
het uiterlijk van een bedelaar; – een in de oogen gedrukten hoed met
breeden rand; een langen witten baard, die zich met zijn grijze haren
vereenigde; door den ouderdom sterk geteekende, maar krachtige en
sprekende gelaatstrekken, die door weêr en wind donker bruin geverwd
waren; een langen blauwen rok, met een blikken plaatje op den rechter
arm; een paar zakken, dwars over den schouder geslagen, om de
onderscheidene etenswaren te bergen, als hij liefdegiften ontving van
hen, die weinig rijker dan hij zelf waren, – dit alles kondigde
dadelijk den bedelaar van beroep aan, en een van die bevoorrechte
klasse, welke men in Schotland „’s Konings genadelieden,” of wel eens
Blauwrokken noemt.

„Wat zegt gij; Adam?” vroeg Oldbuck, in de hoop dat hem zijn ooren
bedrogen hadden: „waar spreekt gij van?”

„Van dit werk, mijnheer!” antwoordde de onverschrokken Adam; „mij
heugt, dat het aangelegd werd.”

„Dat het aangelegd werd? Oude gek! het was al klaar eer gij geboren
waart, en het zal er wezen nadat gij gehangen zijt, man!”

„Gehangen of verzopen, hier of daar, levend of dood, – mij heugt, dat
het aangelegd werd.”

„Gij, – gij,” – stamelde de oudheidkenner, even verlegen als vergramd,
„gij zwervende landlooper, wat duivel weet gij er van?”

„Wel, ik weet er dit van, Monkbarns; en waarom zou ik u een leugen
vertellen? – Ik weet er juist dit van, dat voor ongeveer twintig jaren,
ik en een paar andere vlugge kerels en de metselaarsknechts, die den
langen dijk dáár aanlegden, en een stuk of wat koeherders, ons aan het
werk zetten, en dat kleine ding hier maakten, dat gij het, – het
Praetorium noemt, en wel voor een feest bij de bruiloft van den ouden
Aiken Drum, – en een lief werkje was het bij guur en regenachtig weêr!
En ik weet er nog dit van; als gij den omtrek opgraaft, zoo als het
schijnt, dat gij reeds begonnen zijt te doen, zult gij een steen
vinden, als gij hem niet al gevonden hebt, waarop een der
metselaarsgezellen een lepel sneed, en om den ouden bruidegom te
plagen, zette hij er vier letters op: A. D. L. L., dat is Aiken Drum’s
Lange Lepel, want Aiken kwam uit Fife en was een baas in het eten.”

Lovel waagde het heimelijk een blik op onzen oudheidkenner te werpen;
maar wendde dien snel af, met een gevoel van diep medelijden. Want, zoo
iemand onzer lezers ooit een jong meisje van zestien jaren gadesloeg,
wier droomen van trouwe liefde, bij een onverwachte ontdekking, in
duigen vallen, of een knaapje, dat zijn kaartenhuisje door een
kwaadwilligen makker ziet omver blazen, – wij kunnen hem gerust
verzekeren, dat Jonathan Oldbuck van Monkbarns, zich even onnoozel
voordeed, en niet minder verslagen daar stond.

„Er heeft hier een misverstand plaats,” zei hij, terwijl hij zich
ijlings van den bedelaar afwendde.

„Volstrekt niet van mijn kant,” antwoordde de stugge bedelaar; „ik
handel nooit in misverstanden; want die geven misrekeningen. – Nu,
Monkbarns, deze jonge heer, – met uw verlof, bekommert zich weinig om
een kerel als ik, en evenwel wed ik, dat ik hem zeggen zal, waar hij
gisteren avond tusschen licht en donker geweest is, of hij moest liever
niet hebben, dat ik in gezelschap van anderen daar over spreek.”

Het bloed vloog Lovel naar het gezicht, en hij bloosde als een
jongeling van twee en twintig jaren.

„Stoor u niet aan den ouden schelm,” zei Oldbuck; „geloof niet, dat ik
slechte gedachten van u heb, uithoofde van uw beroep; het zijn alleen
vooringenomene dwazen en lafbekken, die daaraan onderhevig zijn. Gij
herinnert u wat de oude Cicero, in zijn redevoering pro Archia poeta,
van een uwer broederschap zeide. „Quis nostrum tam animo agresti acduro
fuit, – ut – ut –” het latijn is mij ontschoten, ziehier, waar het op
neêrkomt „wie onzer was zoo woest en onbeschaafd, dat hij niet
aangedaan werd bij den dood van den grooten Roscius, wiens gevorderde
leeftijd, ver van ons op zijn afsterven voor te bereiden, veeleer deed
hopen, dat een zoo bevallige, zoo voortreffelijke man in zijn kunst van
het algemeene lot der sterfelijken bevrijd zou blijven.” Dus sprak de
Vorst der Redenaren van het tooneel en van hen, die het beoefenen.”

De woorden van den ouden heer troffen Lovels oor zonder eenigen
bepaalden indruk op zijn geest te maken, daar hem de gedachte bezig
hield, hoe of de oude bedelaar, die hem steeds met een tergende houding
en een doordringend oog bleef aanzien, iets van hetgeen hem betrof, was
te weten gekomen. Hij stak de hand in den zak, als het gereedste
middel, om hem zijn verlangen te kennen te geven dat hij zwijgen moest,
en terwijl hij hem een aalmoes gaf, eerder afgeperst door vrees dan
door liefdadigheid, keek hij hem nadrukkelijk aan; hetgeen de bedelaar,
die van beroep een gelaatkundige was, zeer goed scheen te verstaan.

„Zijt onbezorgd, mijnheer! ik ben geen praatjesmaker; maar er zijn meer
oogen in de wereld, dan de mijne,” zei hij, terwijl hij Lovels gift in
den zak stak, met zulk een zachte stem dat hij alleen het hooren kon,
en met een blik die duidelijk te kennen gaf wat hij verder verzweeg.
Toen zich naar Oldbuck wendende: – „Ik ga naar de pastorij, mijnheer.
Heeft mijnheer daar iets te bestellen, of aan sir Arthur, want ik ga
ook tegen den avond naar het kasteel van Knockwinnock?”

Oldbuck ontwaakte als uit een droom, en zei, terwijl hij zijn aalmoes
in Adams slappen, smerigen en gehavenden hoed legde, op een toon waarin
hij zijn misnoegen trachtte te verbergen: „Ga, ga naar Monkbarns – laat
men u daar iets te eten geven, – of wacht, – als gij naar de pastorij,
of naar Knockwinnock gaat, behoeft gij niet te spreken van uw malle
historie!”

„Hoe, ik? – God beware mij daarvoor, mijnheer! niemand zal daarvan iets
uit mijn mond hooren, niet meer, dan of de kleine wal daar sedert
Noachs zondvloed gestaan had. Maar, mijnheer, men zegt, dat gij aan Jan
Howie akker tegen akker van uw best bouwland voor dit lapje heigrond
gegeven hebt! Nu, als hij u wezenlijk het walletje voor een oud werk
aangepraat heeft, dan geloof ik nooit, dat de koop gehandhaafd zal
worden, als gij het voor den rechter wilt brengen, en zeggen dat hij u
om den tuin geleid heeft.”

„Tergende schurk!” mompelde de verontwaardigde oudheidkenner in zich
zelven, „ik wilde, dat ge onder beulshanden waart, dat uw rug er voor
boette!” – en dan op zachteren toon, – „praat er niet meer van, Adam! –
het is alles een misverstand!”

„Waarlijk, dat geloof ik ook,” vervolgde zijn plaaggeest, die vermaak
scheen te scheppen om de smartelijke wonde meer en meer te vergrooten,
„waarlijk, dat geloof ik ook, en niet lang geleden nog zei ik tegen de
oude Gemmels: geloof nooit, vrouwtje, zei ik, dat Monkbarns zulk een
domme streek zou begaan hebben, om een grond, die wel vijftig shillings
den bunder waard is, voor iets te geven, dat geen halve shilling gelden
zou. Neen, neen, zei ik, reken er op, dat de heer van Monkbarns gefopt
is door dien schelm van een Jan Howie. „Maar, goede hemel, hoe kan dat
wezen,” zei zij, „daar de heer van Monkbarns zoo geleerd in de boeken
is, dat hij zijns gelijken niet in den omtrek heeft, en Jan Howie
nauwelijks verstand genoeg heeft, om zijn koeien uit zijn moestuin te
houden?” – Wel, zei ik, gij zult zien, dat hij misleid is door het een
of ander van zijn oude vertelsels; – want gij weet wel, mijnheer,
verleden nog met dat koperen Schotsche muntje, dat ge voor een ouden
penning hieldt. –”

„Loop naar den duivel!” riep Oldbuck; maar voegde er toen, als iemand,
die bewust is dat hij zich in de macht van zijn vijand bevindt,
vriendelijk bij: „pak je weg naar Monkbarns; en als ik terug kom, zal
ik u een flesch bier in de keuken zenden.”

„De Hemel beloone u, edele heer!” antwoordde Adam met de echte,
nederige, klagende stem van een bedelaar, en terwijl hij zijn stok
weder opnam, sloeg hij den weg in naar Monkbarns, maar zich omkeerende,
zei hij: „Hebt gij ooit het geld weêrgekregen, dat gij den marskramer
voor dat driestuiversstukje gaaft?”

„Verwenschte kerel! pak je weg!”

„Wel, wel, heer! God zegen ons! – Ik hoop, dat gij het ook van Jan
Howie winnen zult, en dat ik het nog beleven en zien mag!” Met deze
woorden verwijderde zich de oude bedelaar, den heer Oldbuck van
herinneringen bevrijdende, die hem niets minder dan aangenaam waren.

„Wie is die praatzieke oude?” vroeg Lovel, zoodra de bedelaar hen niet
meer hooren kon.

„O, een der plagen van het land. – Ik ben altijd tegen armgestichten en
werkhuizen geweest; – ik geloof echter, dat ik er nu vóór zal stemmen,
om dezen schurk opgesloten te krijgen. O, zulk een oude bedelaar leert
u even goed kennen, als zijn tafel, – wordt zoo gemeenzaam als zeker
beestje, dat, volgens Shakespeare, liefde beteekent [8], – waarmede
zijn beroep hem wel eens in aanraking brengt. Wie hij is? – wel, hij is
overal te huis; – hij is soldaat, liedjeszanger, en reizende
ketellapper geweest, en nu is hij bedelaar. Ons dwaas volkje in de
buurt bedierf hem, door om zijn grappen te lachen en steeds de
kwinkslagen van Adam Ochiltree in den mond te hebben.”

„Hij is zonder twijfel zeer vrijmoedig, en dat is toch de ziel van de
geestigheid.”

„O ja, vrijmoedig genoeg; hij bedenkt altijd de een of ander
verwenschte, onwaarschijnlijke leugen, om iemand te sarren, zoo als die
wartaal, welke hij zoo even uitsloeg; – niet, dat ik mijn verhandeling
in het licht zal geven, eer ik de zaak grondig onderzocht heb.”

„In Engeland,” zei Lovel, „zou men zulk een bedelaar weldra den mond
stoppen.”

„Ja, uw diakens en dienders met hun geesel, zouden weinig
toegeeflijkheid voor zijn luimen toonen. Maar hier, waarachtig, is hij
een soort van bevoorrechte kwelgeest; een der laatste staaltjes van den
voormaligen Schotschen bedelaar, die zich tot een bepaalde streek
beperkte, en de nieuwskramer, de liedjeszanger, en soms de
geschiedkundige van het land was. Die schelm daar, kent meer oude
balladen en overleveringen, dan eenig ander mensch in dit of de vier
omliggende gemeenten. En, alles samengenomen,” vervolgde hij,
bedarende, bij de opsomming van Adams goede eigenschappen, „de kerel
heeft toch ook iets goeds. Hij droeg zijn hard lot steeds met frisschen
moed, en het zou wreed zijn hem den troost te misgunnen van zich over
zijn meer gelukkige medemenschen vroolijk te maken. Het genoegen om mij
voor het lapje gehouden te hebben, zoo als gij jonge heeren het noemen
zoudt, zal voor hem een paar dagen lang zoo goed als spijs en drank
zijn. Maar ik moet terugkeeren, om hem op te zoeken, of hij zal zijn
vervloekte praatjes het halve land door verspreiden.”

Met dit gezegde namen de twee vrienden afscheid van elkander; de heer
Oldbuck ging naar zijn hospitium te Monkbarns, en Lovel vervolgde zijn
weg naar Fairport, waar hij, zonder eenige verdere ontmoeting, aankwam.








VIJFDE HOOFDSTUK


        Launcelot Gobbo. Geef acht! Nu zal ik een storm opwekken.

                                                De koopman van Venetië.


De voorstellingen in den schouwburg te Fairport waren begonnen; maar er
verscheen geen Lovel op het tooneel; ook was er eigenlijk niets in de
kleeding of in het gedrag van den jongen heer van dien naam, dat den
heer Oldbuck recht gaf te gissen, dat zijn reisgenoot als tooneelspeler
om de volksgunst dingen wilde. De oudheidkenner ondervroeg geregeld een
ouden barbier, die de eenige pruiken, welke nog, in weêrwil van de
belastingen [9] en den heerschenden smaak, in het stadje gekruld en
gepoederd werden, opmaakte, en tot dat einde zijn tijd tusschen de drie
klanten verdeelde, die de mode hem overgelaten had; – geregeld, zeg ik,
vroeg de heer Oldbuck dezen man, wat nieuws het tooneel van Fairport
opleverde? dagelijks verwachtende, dat hij de aanstaande optreding van
den heer Lovel vernemen zou, als wanneer hij besloten had, zich, ter
eere van zijn jongen vriend, op onkosten te jagen, en niet alleen zelf
naar den schouwburg te gaan, maar er zijn zuster en nicht ook heen te
brengen. Doch de oude Jacob Caxon meldde hem niets, wat hem tot den
gewichtigen stap van plaatsen te bespreken, kon verleiden.

Hij berichtte integendeel, dat er zich te Fairport een man ophield, die
een raadsel was voor de gansche stad (waardoor hij de ledigloopers
verstond, die, bij gebrek van eigen bezigheden, zich met die van
anderen bemoeien). Hij zocht geen omgang, maar vermeed veeleer dien,
welke hem, wegens zijn goede manieren, en wellicht ook uit
nieuwsgierigheid, aangeboden werd.

Niets kon geregelder zijn, of geleek minder op een fortuinzoeker, dan
zijn wijze van leven, die zoo eenvoudig, maar tevens zoo geregeld was,
dat allen, met wie hij te doen had, hem als uit één mond prezen.

„Dit zijn geen deugden van een tooneelheld,” dacht Oldbuck bij zich
zelven, en hoewel door gewoonte hardnekkig in zijn eenmaal opgevatte
gevoelens, had hij ze nochtans in dit geval moeten laten varen, zoo
niet Caxon, onder anderen gezegd had dat: „men soms den jongen heer in
zijn eenzaamheid hardop hoorde spreken, en in zijn kamer rondstappen,
juist alsof hij tot den troep behoorde.”

Deze éénige omstandigheid echter uitgezonderd, was er niets, dat den
heer Oldbuck in zijn gevoelen bevestigen kon; en het bleef steeds een
hoogstbelangrijke en raadselachtige vraag, wat een welopgevoed jonkman,
zonder vrienden, zonder betrekkingen, en zonder eenige
beroepsbezigheden, te Fairport te doen had. Hij scheen even weinig
smaak te vinden in het drinken van Portwijn, als in het whist-spelen.
Hij bedankte er voor, aan de tafel der afdeeling vrijwilligers, die
onlangs opgericht was, te eten, en hij weigerde de feesten bij te wonen
der beide partijen, die toen het stadje Fairport, gelijk andere meer
voorname plaatsen, verdeelden. Hij was te weinig aristocraat, om zich
bij het genootschap der Koninklijke Echtblauwen te voegen, en niet
democraat genoeg, om zich met de vereeniging der zich noemende Vrienden
van het Volk te verbroederen, die de stad insgelijks het geluk had in
haar midden te bezitten. Van de koffijhuizen had hij een bepaalden
afkeer, en, ik zeg het met leedwezen, voor de theegezelschappen
gevoelde hij geen grootere sympathie. In het kort: sedert de naam van
Lovel in romans en schouwspelen gebruikt werd, en dit is reeds lang, is
er nooit een heer Lovel geweest, van wien men zoo weinig stelligs wist,
en die zoo algemeen alleen door negatieve hoedanigheden uitmuntte.

Maar er was één zeer gewichtige negatieve hoedanigheid onder: niemand
wist iets ten nadeele van den heer Lovel; want had er het minste
bestaan, dan was het weldra ruchtbaar geworden, daar de natuurlijke
zucht, om kwaad van zijn buren te spreken, in dit geval, niet zou
gematigd zijn geworden door eenig medelijden met zulk een ongezellig
schepsel als hij was. Één omstandigheid maakte hem echter eenigzins
verdacht. Bij zijn eenzame wandelingen werd zijn potlood veel gebruikt,
en uit meer dan één gezichtspunt had hij de haven van Fairport met den
seintoren, ja zelfs met de batterij van vier stukken er bij
afgeteekend, wat van eenige kwaadwilligen het gerucht hadden doen
uitgaan, dat de geheimzinnige vreemdeling zeker een Fransche spion was.
De Sheriff maakte dus bij den heer Lovel zijn opwachting; maar na dit
bezoek scheen deze alle vermoedens bij den overheidspersoon te hebben
doen verdwijnen, daar deze hem niet alleen verder ongestoord liet, maar
ook, zoo als geloofwaardige berichten meldden, tweemaal aan zijn tafel
noodigde, waarvoor Lovel echter telkens beleefd bedankte. Den aard
nochtans van het gehouden gesprek hield de magistraatspersoon geheim,
zoowel voor het publiek in het algemeen, als voor zijn substituut, zijn
klerk, zijn vrouw en zijn twee dochters, die anders zijn geheime raad
uitmaakten in alle zaken, die tot zijn ambt behoorden.

Daar al deze bijzonderheden door Caxon getrouw aan zijn patroon
overgebracht werden, rees Lovel in de achting van zijn voormaligen
reisgenoot. „Een bescheiden, verstandig jongmensch,” zei hij bij
zichzelven, „die het beneden zich acht in de dwaasheden en
ongerijmdheden van het volkje van Fairport te deelen. Ik moet iets voor
hem doen, – ik moet hem ten eten noodigen. – Ik zal Sir Arthur
schrijven op Monkbarns te komen, om kennis met hem te maken; ik moet
dit evenwel met mijn vrouwenvolk overleggen.”

Na gehouden raadsvergadering, werd er een bijzondere bode, namelijk
niemand anders dan Caxon zelf besteld, om naar het Kasteel van
Knockwinnock te gaan, met een brief „voor den Hoogwelgeboren Heer
Arthur Wardour van Knockwinnock, Baronet.” De inhoud daarvan luidde
aldus:



„Mijn waarde Sir Arthur!

„Dinsdag den 17den dezer, s. n. houd ik een Caenobitisch symposion op
Monkbarns, en ik verzoek u, met klokslag van vier, daarbij tegenwoordig
te wezen. Kan en wil mijn schoone vijandin, Freule Isabella, ons de eer
aandoen van u te vergezellen, zoo zal mijn vrouwenvolk maar al te
trotsch zijn op de hulp van zulk een bondgenoote in zaken van weêrstand
tegen wettige tucht en rechtmatig oppergezag. Zoo niet, zend ik mijn
vrouwen dien dag naar de pastorij. Ik heb een jongen vriend, dien ik u
wenschte voor te stellen, wiens aard boven de lichtzinnigheid van dezen
tijd verheven is, – die ouderen van dagen eerbiedigt, en tamelijk wel
bekend is met de klassieke schrijvers. – En daar zulk een jongeling een
natuurlijken afkeer van het volkje te Fairport hebben moet, wenschte ik
hem in eenig niet minder verstandig dan vereerend gezelschap te
brengen. Ik ben, waarde Sir Arthur; enz. enz. enz.”

„Haast u met dezen brief, Caxon!” zei de oude heer, terwijl hij hem het
stuk signatum atque sigillatum voorhield; „spoed u naar Knockwinnock,
en breng antwoord terug. Ga zoo snel, alsof de vergaderde Stads-Raad op
den Provoost, en de Provoost op u en zijn versch gepoederde pruik zat
te wachten.”

„Och, mijnheer,” antwoordde de bode, met een diepen zucht, „die tijden
zijn lang voorbij. Geen Provoost van Fairport heeft een pruik gedragen
na den tijd van den ouden Provoost Jervie, – en die had nog een heks
van een meid, die de pruik opmaakte met behulp van een eindje kaars en
wat meel. Maar mij heugen de dagen, Monkbarns, dat de Stedelijke-Raad
van Fairport veel liever hun stadsschrijver, of hun slokje brandewijn
na de zittingen zou gemist hebben, dan elk hunner een bepoederde, goed
gekrulde eerbiedwaardige pruik op zijn hoofd! Och, mijnheer, geen
wonder, dat de gemeente ontevreden is en zich tegen de wet verzet, als
men de Raadslieden de Baljuwen, de Dekens en de Rechters zelven, met
hoofden ziet, zoo naakt en kaal als mijn pruikebol.”

„En van binnen even goed voorzien, Caxon! Maar pak je weg; – gij
doorziet de openbare aangelegenheden zeer goed, en hebt zeker de
oorzaak van onze volksonlusten even juist gevat als de Provoost zelf
het zou kunnen doen. Maar pak je nu weg, Caxon!”

En Caxon vertrok, en begon zijn tocht van ongeveer een uur gaans.


            „Hij hompelde – maar ’t hart was koen:
            Hij deed zijn best, – kon hij meer doen?”


Terwijl hij den heen- en terugtocht aflegt, zal het niet ongepast zijn,
dat wij den lezer eenigzins bekend maken met den voornamen heer, bij
wien hij als afgezant geaccrediteerd was.

Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat de heer Oldbuck weinig omging met
de edellieden uit den omtrek, één enkel slechts uitgezonderd. Deze was
Sir Artur Wardour, een Baronet van zeer oude afkomst, en van een groot,
maar bezwaard vermogen. Zijn vader, Sir Anthonius, was den huize Stuart
toegedaan, anders gezegd, een Jacobiet geweest, en had de meeste
geestdrift voor die partij aan den dag gelegd, zoo lang deze maar met
woorden te dienen was. Niemand kon een Oranjeappel met zulke
veelbeteekenende gebaren uitpersen, [10] of behendiger een gevaarlijken
toast instellen, zonder vat op zich te geven voor een openlijke
aanklacht, en vooral dronk er niemand met langer en smakelijker teugen
op het welgelukken van de goede zaak. Maar, bij het naderen van het
Hooglandsche leger, in het jaar 1715, scheen het, dat de ijver van den
waardigen Baronet eenigzins begon te bedaren, juist toen zijn vuur zijn
partij het meest te baat zou zijn gekomen. Hij sprak inderdaad zeer
veel van te veld te trekken voor de rechten van Schotland en van Karel
Stuart; maar zijn ruiters zadel paste slechts op één zijner paarden, en
dat paard was bij geen mogelijkheid in het vuur te krijgen. Wellicht
deelde zijn edele meester den angst van het sluwe ros, en begon hij te
bedenken, dat hetgeen het paard zóó afschrikte, den ruiter zeer slecht
zou kunnen bekomen. Hoe het zij, terwijl Sir Anthonius Wardour pochte,
dronk en aarzelde, trok de dappere Provoost van Fairport, (die, zoo als
wij reeds vermeld hebben, de vader van onzen oudheidkenner was,) aan
het hoofd eener bende Whigsgezinde burgers, uit het oude stadje op het
onverwachts op, en maakte zich eensklaps, in naam van Koning George II,
meester van het Kasteel van Knockwinnock, van de zich aldaar bevindende
vier koetspaarden en van den eigenaar zelven. Sir Anthonius werd kort
daarop, benevens zijn zoon Arthur, toen nog een jongeling, op
schriftelijk bevel van het ministerie, naar den Tower te Londen
vervoerd. Vader en zoon herkregen nochtans weldra hun vrijheid, want
niets deed zich tegen hen voor, dat naar een openlijke daad van
hoogverraad geleek, en beiden keerden naar hun Kasteel van Knockwinnock
terug, waar ze op nieuw toasten met volle bekers dronken, en verder den
mond vol hadden van hun lijden voor de koninklijke zaak. Dit werd zulk
een stokpaard van Sir Arthur, dat zelfs, na den dood van zijn vader, de
onbeëedigde [11] huiskapelaan geregeld placht te bidden voor het
herstel van den rechtmatigen souverein, voor den val van den
overweldiger, en voor de verlossing van hun wreede en bloeddorstige
vijanden, hoewel zelfs het denkbeeld van eenig verzet tegen het Huis
van Hannover reeds lang verdwenen was, en dit verraderlijke formulier
eerder uit gewoonte gebezigd werd, dan dat men er eenig bepaald
denkbeeld aan hechtte. Dit was zoo stellig het geval, dat de edele
ridder, omstreeks het jaar 1770, ter gelegenheid van een betwiste
verkiezing in het graafschap, plechtig den eed van getrouwheid aan de
nieuwe dynastie aflegde, om een vriend, waarvoor hij zich in de bres
stelde, te dienen; – verzakende dus den vorst, wiens herstelling hij
wekelijks van den Hemel vroeg, en den overweldiger erkennende, om wiens
onttrooning hij nooit nagelaten had eveneens te smeeken. En om ons dit
droevig voorbeeld van menschelijke omstandigheid nog treffender te
maken, ging Sir Arthur voort met voor het huis van Stuart te bidden,
zelfs nadat het geslacht uitgestorven was, en terwijl hij, hoezeer hij
het in zijn theoretische koningstrouw als nog aanwezig beschouwde, zich
overigens in al zijn daden en bedrijven wezenlijk een allerijverigst en
toegenegen onderdaan van George III betoonde.

In andere opzichten leefde Sir Arthur, zoo als de meeste landedellieden
in Schotland; – hij jaagde en vischte, – gaf en bezocht maaltijden, –
woonde wedrennen en kiesverzamelingen bij, – was vice-gouverneur van de
graafschap en koninklijke commissaris voor de straatwegen. Maar toen
hij, bij toenemende jaren, te traag of te onbehendig werd voor de jacht
en andere dergelijke vermaken, verving hij die door nu en dan in de
Schotsche geschiedenis te lezen, en na langzamerhand eenigen smaak voor
oudheden verkregen te hebben, die echter niet zeer gevormd, noch zeer
fijn was, werd hij gemeenzaam met den heer Oldbuck van Monkbarns, en
diens medehelper in zijn oudheidkundige navorschingen.

Er bestonden nochtans tusschen deze twee zonderlingen eenige punten van
verschil die soms aanleiding gaven tot oneenigheden. Het geloof van Sir
Arthur, als oudheidkundige, was onbegrensd, terwijl de heer Oldbuck (in
weêrwil van het geval het Praetorium in het kamp van Kinprunes), veel
huiveriger was om oude overleveringen voor echte, gangbare munt aan te
nemen. Sir Arthur zou zich schuldig gevoeld hebben aan de misdaad van
hoogverraad, als hij het bestaan wezenlijk betwijfeld had van één der
honderd en vier koningen van Schotland, wier beeltenissen noch steeds
in de galerij van Holyrood grimmig van de muren staren en welke de
geduchte lijst vullen, (door Boethius aangenomen en door Buchanan
klassiek gemaakt,) waarop Jacobus VI de aanspraak grondde, om over zijn
aloud koningrijk te heerschen. Oldbuck echter, een slim en
achterdochtig man, en geenzins een eerbiediger van het goddelijke
erfrecht, was geneigd om op die gewijde lijst te vitten, en te
verzekeren, dat de optocht van het nageslacht van Fergus in de
Schotsche geschiedrol even onecht en verdicht was, als de reeks van
Banquo’s nakomelingen, die in den heksenspelonk, in Macbeth optreden.

Een ander teeder punt was de goede naam van Maria Stuart welken de
baronet op het ridderlijkst handhaafde, terwijl de heer Oldbuck dien,
in weêrwil van Maria’s schoonheid en wederwaardigheden, hevig bestreed.
En kwamen ze ongelukkig op de gebeurtenissen van nog latere tijden, dan
leverde bijna elk blad der geschiedenis stof op tot oneenigheid.
Oldbuck was, uit grondbeginsel, een echte Presbyteriaan, een ouderling
van de kerk, de beginselen der omwenteling en der protestantsche
erfopvolging genegen; Sir Arthur, daarentegen, juist het
tegenovergestelde. Zij stemden, wel is waar, overeen, in plichtmatige
liefde en trouw voor den souverein, die nu den troon bekleedde; maar
dit was ook het eenige punt van overeenstemming. Er ontstond dus
dikwijls een woordenstrijd tusschen de heeren, en dan kon Oldbuck niet
altijd zijn scherpen, spotachtigen luim bedwingen; terwijl het den
baronet soms toescheen, dat de afstammeling van een Duitschen
boekdrukker, wiens voorouders verachtelijken omgang met geringe burgers
hadden, te ver ging, en zich te veel vrijheid in het redetwisten
veroorloofde tegenover iemand van zijn rang en van zijne afkomst. Dit
en de vroeger gepleegde vijandelijkheden met de koetspaarden, en het
gewelddadig innemen van zijne residentie en burg, door den vader van
den heer Oldbuck kwamen wel eens bij hem op, en deden ter zelfder tijd
zijne wangen en sluitredenen gloeien. De heer Oldbuck eindelijk,
beschouwde zijn waardigen vriend en makker, in sommige opzichten, als
niet veel beter dan een dwaas, en gaf hem deze ongunstige gedachte wel
eens duidelijker te kennen, dan de regels der hedendaagsche beleefdheid
gedoogen. Bij zulke gelegenheden, scheidden zij dikwijls hevig
verbitterd, en met het besluit, om voortaan elkanders omgang te mijden:


        „Maar de morgendauw bracht kalmte in de ziel;”


en daar beiden gevoelden, dat het gezelschap van den andere, door
gewoonte hem onmisbaar was geworden, herstelde zich de vrede weldra. In
zulke gevallen toonde Oldbuck, die de ontevredenheid van den Baronet
even als het pruttelen van een kind opnam, gewoonlijk zijn meerder
gezond verstand, en deed mededoogend de eerste stappen ter verzoening.
Maar een paar maal was het gebeurd, dat de aristocratische trots van
den oudadellijken ridder het eergevoel van des boekdrukkers naneef diep
beleedigd had; en toen zou misschien de vredebreuk tusschen deze twee
zonderlingen onherstelbaar geworden zijn, zonder de vriendelijke
pogingen en de tusschenkomst van des Baronets dochter, Isabella
Wardour, die, benevens een zoon, thans buitenslands in krijgsdienst, de
eenige overblijvende spruiten van zijn geslacht waren. Zij wist zeer
goed, hoe onmisbaar de heer Oldbuck voor haren vader was, en zelden
mislukten hare pogingen, als hare tusschenkomst noodzakelijk geworden
was door de spottende schalkachtigheid van den een, en de aangematigde
meerderheid van den andere. Onder Isabella’s zachten invloed, werd het
onrecht Koningin Maria aangedaan, door haren vader vergeten, en de heer
Oldbuck vergat de lastertaal, die de nagedachtenis van Koning Willem
beleedigde. Maar daar zij bij dergelijke geschillen steeds lachende de
partij van haren vader nam, placht de heer Oldbuck Isabella zijne
„schoone vijandin” te noemen; ofschoon hij inderdaad meer werk van haar
maakte, dan van iemand anders van hare sekse, die, zoo als wij zagen,
hij niet uitermate vereerde.

Nog eene andere betrekking vereenigde en verwijderde beurtelings de
vrienden. Sir Arthur wenschte altijd geld op te nemen; de heer Oldbuck
was niet altijd geneigd te leen te geven. De heer Oldbuck, daarentegen,
wenschte steeds geregeld betaald te worden; Sir Arthur was niet altijd,
en zelfs niet dikwijls, in staat, om aan dit rechtmatig verlangen te
voldoen; en bij het regelen van zulke verschillende belangen,
ontstonden er nu en dan kleine twisten. Over het geheel nochtans,
heerschte er tusschen hen een geest van onderlinge verdraagzaamheid, en
zij gingen hun weg, even als gekoppelde honden, eenigzins lastig, soms
knorrende, maar zonder tot een bepaalden stilstand te komen, of
elkander te worgen.

Een klein misverstand van dezen aard, aan geldzaken of staatkundige
twisten toe te schrijven, had juist tusschen de geslachten van
Knockwinnock en Monkbarns plaats gehad, toen de bode van den
laatstgemelde aankwam, om zijn last op Knockwinnock te volbrengen.
Hier, in zijne oude Gothische huiskamer, welker vensters aan den eenen
kant op den golvenden oceaan, en aan den anderen op de lange, rechte
laan van het kasteel uitzagen, zat de Baronet, nu eens in een foliant
te bladeren, en dan eens droevig de zonnestralen waar te nemen,
schitterende op het loof en de stammen der breedgetakte lindebomen,
waarmede de weg bepoot was; toen hij eindelijk, tot zijne vreugde, een
levend wezen ontdekte, dat tot de gewone vragen noopte „Wie is dat? en
wat mag hij te doen hebben?” – De oude, witachtig grijze rok, de
strompelende gang, de half in de oogen gedrukte schuinstaande hoed,
kondigden den eenigen pruikmaker aan, en liet slechts de tweede vraag
ter beantwoording over. Deze werd dan ook weldra opgelost door een
knecht, die de kamer binnentrad met de woorden: „Een brief van
Monkbarns, mijnheer!”

Sir Arthur nam den brief met gemaakte deftigheid aan.

„Breng den ouden man in de keuken en geef hem eenige verfrissching,”
zei Isabella, wier deelnemend oog reeds het grijze haar en den
vermoeiden gang opgemerkt had.

„De heer Oldbuck, mijne lieve, verzoekt ons te eten, op Dinsdag den
17den,” zei de Baronet na een kort stilzwijgen; – „waarlijk! hij
schijnt te vergeten, dat hij zich laatst niet zoo beleefd jegens mij
gedragen heeft, als men wel zou hebben mogen verwachten.”

„Gij hebt, lieve vader,” antwoordde zijne dochter, „zoo veel vooruit op
den goeden heer Oldbuck, dat het niet te verwonderen is, zoo het hem
tusschenbeiden eenigzins verdrietig maakt; maar ik weet, dat hij uw
persoon en uw omgang zeer hoog schat; niets zou hem meer grieven, dan
wanneer hij in wezenlijke beleefdheid ten uwen opzichte te kort
schoot.”

„Dat is waar, Isabella, en men moet toegeeflijk zijn wegens zijne
afkomst. Er stroomt nog steeds in zijn bloed iets van de Duitsche
lompheid; iets van van de Whigsche, stijfhoofdige tegenkanting tegen
erfelijken stand en voorrechten. Gij zult opgemerkt hebben, dat hij, in
onze twisten, nooit eenig voordeel op mij behaalt, dan wanneer hij zich
bedient van zijne nietsbeduidende kennis van dagteekeningen, namen en
beuzelachtige daadzaken; een vervelend, ijdel, kleingeestig en
werktuigelijk geheugenwerk, enkel de vrucht van zijne gemeene afkomst!”

„Hij moet ze toch zeker nuttig vinden in zijne historische
navorschingen, vader!”

„Het brengt hem tot eene onbeleefde en beslissende wijze van
redetwisten, en niets komt mij onredelijker voor, dan hem zelfs
Bellenden’s kostelijke overzetting van Hector Boecius, die ik bezit, –
een foliant met Gothische letter van zeer groote waarde, te hooren
afkeuren, op het gezag van een oud perkament, dat hij onttrok aan zijne
bestemming, toen het tot een kleêrmakers maat stukgesneden zou worden.
En, buitendien, die lastige nauwkeurigheid in kleinigheden geeft hem de
gewoonte, om alle zaken op zijn koopmans te behandelen, wat beneden de
waardigheid is van een landeigenaar, wiens familie reeds sedert twee of
drie geslachten hier gevestigd is. – Ik twijfel zeer, of er wel één
winkelier te Fairport is, die beter eene interestrekening kan opmaken,
dan Monkbarns.”

„Maar gij zult zijne uitnoodiging toch aannemen, vader?”

„Wel ja – ja! wij hebben toch nergens anders ons woord gegeven, voor
zoo ver ik weet. Maar wie kan die jonkman zijn, van wien hij spreekt?
Hij maakt zelden nieuwe kennissen: en ik hoorde nooit, dat hij eenige
bloedverwanten had.”

„Waarschijnlijk een naastbestaande van zijn zwager, kapitein Mac
Intyre.”

„Zeer mogelijk! Ja, wij zullen de uitnoodiging aannemen; de Mac Intyres
zijn van een zeer oud Hooglandsch geslacht. Gij kunt de uitnoodiging
aannemen, Isabella! Ik zelf heb geen tijd, om „waarde vriend enz.” te
schrijven.”

Deze gewichtige zaak dus geregeld zijnde, berichtte Freule Wardour, met
hare eigene en Sir Arthurs groeten, dat zij de eer zouden hebben den
heer Oldbuck volgens zijne uitnoodiging te bezoeken. Zij voegde er
schertsende, bij, dat zij zich van deze gelegenheid zou bedienen, om
hare vijandelijkheden met den heer Oldbuck te hervatten, uithoofde
zijner lange afwezigheid van Knockwinnock, waar zijne bezoeken zoo
aangenaam waren. Met dit placebo besloot zij haar briefje, en de oude
Caxon, thans uitgerust en verkwikt, begon daarmede zijn terugtocht naar
het Hospitium van den oudheidkenner.








ZESDE HOOFDSTUK


                            Bij Wodan, bij der Saksen God,
                Van waar de Woensdag komt, – dat is de Wodansdag, –
                  Trouw is een deugd, die ’k altijd aan zal kleven
                Tot aan den laatsten dag, dat ik ten grave daal! –

                                                            Cartwright.


Onze jonge vriend Lovel, die eene dergelijke uitnoodiging ontvangen
had, nam het bepaalde uur nauwkeurig in acht en kwam den 17den Juli
ongeveer vijf minuten voor vier, te Monkbarns aan. Het was zeer zoel in
de lucht, en van tijd tot tijd waren er groote regendruppels gevallen,
ofschoon het dreigende onweder thans overgetrokken was.

De heer Oldbuck ontving hem bij de Palmerspoort, in zijne bruin
lakensche kleeding, grijze zijden kousen, en eene gepoederde pruik,
waaraan de oude Caxon, die het middagmaal geroken had, al zijne
behendigheid had besteed, terwijl hij wel zorg gedragen had om zijne
taak niet te voleindigen, eer het etensuur gekomen was.

„Welkom in mijn huis, mijnheer Lovel! Laat ik u nu mijne Clogdogdo’s,
zoo als Thomas Otter haar noemt, mijn ongelukkig en tot niets nuttig
vrouwvolkje voorstellen, – maliae bestiae, mijnheer Lovel!”

„Ik zal zeer teleurgesteld zijn, mijnheer, als ik niet bevind, dat de
dames uwe spotredenen niet verdienen.”

„Praatjes, mijnheer Lovel, praatjes zeg ik; geene beleefdheden! Gij
zult haar slechts zeer alledaagsche vrouwen vinden. – Maar hier zijn
zij, mijnheer Lovel! Ik stel u dus, in behoorlijken vorm, mijne zeer
bescheidene zuster Grizelda voor, die de eenvoudigheid zoowel als het
geduld versmaadt, welke deugden anders met den goeden naam van Grizelda
gepaard gaan; en mijne zeer voortreffelijke nicht Maria, – wier moeder
Mary, soms ook Molly genaamd werd.”

De oudste dame ruischte in zijden en satijnen stoffen, en droeg op het
hoofd een maaksel, naar het fatsoen van het modejournaal van het jaar
1770, – een prachtstuk der bouwkunst, – niet veel kleiner dan een
hedendaagsch Gothisch kasteel, terwijl de haarlokken de torens, de
zwarte haarspelden de Chevaux de Frise, en de strooken de banieren
voorstellen konden. Haar gezicht, even als dat van de oude Vestabeelden
met torens bekroond, was breed en lang, met spitsen neus en kin, en
geleek overigens zoo sterk op de gelaatstrekken van den heer Jonathan
Oldbuck, dat Lovel, als zij niet even als Sebastiaan en Viola, in het
laatste tooneel van Shakespeare’s „Twelfth Night” beide te gelijk
verschenen waren, wellicht de gedaante, die hij zag voor zijn vriend in
vrouwenkleederen zou gehouden hebben. Een ouderwetsch gebloemd zijden
kleedje versierde de gestalte van het zonderling wezen, dat den
hoofdtooi droeg, die, naar het gevoelen van haren broeder, eerder
geschikt was tot tulband voor een Mahomedaan, dan om door een redelijk
schepsel, of eene fatsoenlijke Christenvrouw gedragen te worden. Twee
lange, schrale armen waren op de hoogte der ellebogen door driedubbele
kanten randen omgeven, en geleken, kruislings over elkander geslagen,
en met lange schitterend vermiljoenkleurige handschoenen uitgedost,
eenigzins op een paar zeekreeften. Schoenen met hooge hakken, en een
kort zijden manteltje, losjes, over hare schouders geslagen, voltooiden
het uiterlijk van mejufvrouw Grizelda Oldbuck.

Hare nicht, dezelfde die Lovel bij zijn eerste bezoek in het
voorbijgaan, gezien had, was een mooi jong meisje, bevallig naar den
smaak van den dag gekleed; zij had iets schalkachtigs in den blik, dat
haar zeer goed stond, en misschien zijn oorsprong ontleende aan de
spotachtige luim, die het geslacht van haren oom bijzonder eigen, maar
bij overgang, in haar getemperd was.

De heer Lovel maakte zijn compliment bij de dames, en werd door de
oudste beantwoord met de langdradige en statige hoffelijkheid van het
jaar 1760, het rechtschapen tijdperk,


            „Toen ’t volkje een half uur lang
            Met bidden zich verheugde,
            Eer de vrijdagsche kapoen
            Vermeerderde ieders vreugde,”


door de jongste met eene buiging naar den nieuwen smaak, die, zoo
tafelgebed der hedendaagsche geestelijken, veel korter duurde.

Onder dit weêrkeerig groeten, verscheen de Baronet, die zijn rijtuig
weggezonden had, met zijne schoone dochter onder den arm, aan de
tuinpoort, en begroette de dames plechtig.

„Sir Arthur;” riep de oudheidkenner, „en gij mijne schoone vijandin,
vergunt mij, dat ik u bekend make met mijn jongen vriend, den heer
Lovel, een jongen heer, die bij de besmettelijke scharlakenkoorts,
welke thans in ons eiland heerscht, den moed en de bescheidenheid
heeft, om in een rok van deftige kleur te verschijnen. Maar de
modeverw, die gij in de kleeding mist, ziet gij daarentegen op zijne
wangen. Sir Arthur, vergun mij, dat ik u een jongen heer voorstelle,
dien gij, bij nadere kennismaking, zult bevinden ernstig, verstandig,
beleefd te zijn; een vriend der geleerdheid, zeer fatsoenlijk, door en
door belezen, grondig bekend met al de verborgene geheimen der
coulisses en van het tooneel, van David Lindsay’s tijden af, tot die
van Dibdin; – hij bloost op nieuw, wat mijn gezegde staaft!”

„Mijn broeder,” zeide mejufvrouw Grizelda, zich tot den heer Lovel
wendende, „heeft eene luimige wijze van zich uit te drukken, mijnheer!
niemand gelooft iets van hetgeen Monkbarns zegt; – dus bid ik u, niet
verlegen te wezen over zijne ongerijmdheden. Maar gij zult het zeer
warm gehad hebben bij deze brandende zonnehitte, – zult gij niets
gebruiken? – een enkel glaasje bessenwijn?”

Nog eer Lovel antwoorden kon, kwam de oudheidkenner tusschenbeide: „Pak
u weg, heks! wilt gij mijne gasten vergeven met uwe helsche kooksels?
Herinnert gij u niet, hoe het dien geestelijke ging, dien gij verleidde
om dezen bedriegelijken drank te proeven?”

„O foei, foei, broeder! – Sir Arthur, hebt gij ooit iets dergelijks
gehoord? – Alles moet naar zijn zin gaan, of hij bedenkt zulke
histories! – Maar daar begint Jenny aan de oude klok te trekken, om ons
te waarschuwen, dat het eten op tafel is.”

De heer Oldbuck, die zeer zuinig in zijne huishouding was, had geene
mannelijke dienstboden. Dit verontschuldigde hij onder het voorwendsel,
dat het mannelijke geslacht te edel was, om gebezigd te worden tot
dergelijke werken van persoonlijke dienstbaarheid. „Waarom,” zeide hij
gewoonlijk, „plunderde de jonge Thomas Rintherout, – dien ik, op den
wijzen raad van mijne zuster, even wijs als zij zelve, op de proef nam,
– waarom plunderde hij de appelboomen, en waarom haalde hij vogelnesten
uit, brak hij glazen, en stal hij eindelijk mijn bril, dan omdat hij de
edele eerzucht gevoelde, die in ’t hart van het mannelijk geslacht
gloeit, – die hem, het geweer op schouder, naar Vlaanderen deed
trekken, en buiten twijfel hem tot den roemrijken hellebaard van den
sergeant, of wel aan de galg zal brengen? En waarom verricht die
deerne, zijne eigene zuster, hetzelfde werk met behoedzamen en
bedaarden tred, – geschoeid of barrevoets, – zacht als de stappen van
eene kat, en daarbij volgzaam als een jachthond; – waarom? Alleen omdat
zij hare bestemming volgt. Dat zij ons dan bediene, Sir Arthur! – Laat
de vrouwen dienen, zeg ik; – het is het eenigste, waartoe zij geschikt
zijn. Alle oude wetgevers, van Lycurgus af tot Mohammed, bij
verbastering Mahomet genoemd, komen overeen, om haar in dien
eigenaardigen en ondergeschikten rang te plaatsen, en het zijn slechts
de verwarde hersens onzer ridderlijke voorvaderen geweest, die hunne
Dulcinea’s tot den rang van despotieke meesteressen verhieven.”

Freule Wardour verzette zich luide tegen deze onhoffelijke leer; maar
nu riep de klok tot den maaltijd.

„Laat mij al de plichten der hoffelijkheid vervullen jegens zulk eene
schoone tegenpartij,” zei de oude heer, haar den arm aanbiedende. „Ik
herinner mij, Freule Wardour, dat Mohammed (gemeenlijk Mahomet)
eenigzins aarzelde omtrent de wijze, om zijne volgelingen tot het gebed
op te roepen. Hij verwierp de klokken, omdat de Christenen er zich van
bedienden, de trompetten, als het sein gevende aan de Perzische
Guebres, en bepaalde zich eindelijk tot de menschelijke stem. Ik heb
eveneens rijp nagedacht over mijne oproeping ter maaltijd. De horens,
nu werkelijk in gebruik, schenen mij eene nieuwigheid en van heidensche
uitvinding, en de stem van het vrouwvolkje verwierp ik, als te scherp
en wanluidend; ik heb mij dus, in tegenoverstelling van gezegden
Mohammed, of Mahomet, weêr tot de klok bepaald. Zij is plaatselijk
eigenaardig, daar zij het kloosterteeken gaf te dekken in de
spijskamer, en zij heeft dit vooruit boven de tong van den eersten
minister mijner zuster, Jenny, dat het gelui, ofschoon minder schel en
scherp, ophoudt, zoodra men het touw loslaat; terwijl wij bij droevige
ondervinding weten, dat elke poging, om Jenny te doen zwijgen, slechts
het overeenstemmend klokkenspel van Mejufvrouw Oldbuck en van Mary Mac
Intyre in beweging brengt, om zich daarmede te vereenigen.”

Met deze woorden geleidde hij het gezelschap in de eetkamer, welke
Lovel nog niet gezien had. Ze was met hout beschoten, en versierd door
eenige zeldzame schilderijen. De tafel werd door Jenny bediend; maar
eene oude huishoudster, eene soort van hofmeesteres, stond aan de
schenktafel, en moest menige scherpe berisping van den heer Oldbuck, en
niet minder bijtende woorden van zijne zuster verduren.

Het middagmaal was zoo als het een oudheidkenner van beroep voegde, en
leverde menig hartelijk gerecht der oude Schotsche tafel op, dat thans
in onbruik is bij diegenen, die op grootere weelde aanspraak maken. Men
vond er de smakelijke Solangans, zoo sterkriekend, dat men die nimmer
binnenshuis toebereidt. Deze werd niet eens half gaar op tafel gezet,
zoodat Oldbuck dreigde, den vetten vogel naar het hoofd der nalatige
huishoudster te werpen, die als bedienende priesteres optrad, om het
geurige offer aan te bieden. Maar, gelukkig was de hutspot beter
uitgevallen, en werd eenparig voor overheerlijk verklaard. „Hierin,”
zeide Oldbuck verrukt, „wist ik, dat wij slagen zouden; want David
Dibble, de tuinman (een oude vrijer even als ik), draagt zorg, dat de
schelmsche vrouwen onze groenten in eer houden. En hier is visch en
saus, en groenten; ik beken, dat ons vrouwvolkje in dien schotel
uitmunt. Die geeft haar het vermaak van tweemaal ’s weeks een half uur
lang met Maggie Mucklebackit, ons vischwijf, te kijven. – De
kippenpastei, mijnheer Lovel, is naar een recept vervaardigd, dat mijne
overleden grootmoeder mij naliet. – En als gij het wagen wilt, een glas
wijn te nemen, zult gij dien den man waardig vinden, die den stelregel
van Koning Alfonso van Kastilië naleeft: „oud hout om te branden, –
oude boeken om te lezen, – oude wijn om te drinken, – en oude vrienden,
Sir Arthur, – (Ei ja, mijnheer Lovel; en jonge vrienden er bij,) om meê
te verkeeren!””

„En wat nieuws brengt gij mede uit Edinburg, Monkbarns?” zeide Sir
Arthur, „hoe maken het de menschen in de oude stad?”

„Zij zijn dol, Sir Arthur, dol, – onherstelbaar waanzinnig; – noch
zeebaden, noch kruinscheren, noch nieskruid zou hen helpen. De ergste
soort van waanzin, een krijgszuchtige waanzin heeft mannen, vrouwen en
kinderen aangetast.”

„En te rechter tijd, dunkt me,” zeide Isabella Wardour, „daar wij met
inval van buiten en opstand van binnen bedreigd worden.”

„O, daar twijfelde ik niet aan, dat gij u met de roodrokken tegen mij
vereenigen zoudt. Vrouwen en kalkoenen laten zich altijd door een rood
lapje vangen! – Maar wat zegt Sir Arthur, die van staande legers en
Duitsche onderdrukking droomt?”

„Wel, ik zeg, mijnheer Oldbuck, dat, voor zoo ver ik in staat ben er
over te oordeelen, wij ons verzetten moeten cum toto corpore regni, –
zoo als het heet, als ik niet al mijn Latijn vergeten heb, – tegen een
vijand, die ons eene soort van Whig-bestuur, een republikeinsch stelsel
wil opdringen, en die geholpen en aangezet wordt door dweepers van den
ergsten aard in ons eigen vaderland. Ik heb eenige maatregelen genomen,
dat beloof ik u, zoo als die aan mijn rang in de maatschappij voegen;
ik heb de dienders bevolen, den schelmschen ouden bedelaar, Adam
Ochiltree aan te houden, omdat hij door de geheele gemeente misnoegen
tegen kerk en staat verspreidt. Hij zeide ronduit tegen den ouden
Caxon, dat de Schotsche pet van William Howie meer gezond verstand
bedekte, dan de drie pruiken in de plaats, bij elkander! – Die
toespeling is gemakkelijk te begrijpen! – Maar men zal den schelm
betere manieren leeren.”

„O neen, lieve vader!” riep Isabella, „niet den ouden Adam, dien wij
zoo lang gekend hebben! – Ik verzeker u, dat ik het den diender nooit
vergeven zal, die zulk een bevel uitvoert.”

„Ei! daar hebt gij ’t,” zei de oudheidkenner: „gij, Sir Arthur, een
onverzettelijke Tory, hebt eene fraaie spruit der Whigs in uw boezem
opgekweekt. – Wel uwe dochter is alleen in staat, om eene geheele
rechtbank werk te geven! Ja, zij is eene Boadicea, – eene Amazone –
eene Zenobia!”

„En toch, met al mijn moed, mijnheer Oldbuck, ben ik blijde te
vernemen, dat het volk naar de wapens grijpt.”

„Naar de wapens – de Heere zij u genadig! Hebt gij nooit de
geschiedenis van zuster Margaretha gelezen, die uit een hoofd
voortvloeide, dat ofschoon nu oud en grijs, meer gezond verstand en
wereldkennis bevat, dan men heden ten dage in eene geheele Synode
aantreft? Heugt u, uit dat uitnemend werk, de droom der min, dien zij
met zulken doodsangst aan Hubble-Bubble verhaalt? – Wanneer zij in den
droom een stuk linnen aanraakte, goede God! dan gaf het een slag als
een kanonschot. Wanneer zij de hand aan den haspel bracht, richtte die
zich tegen haar op in de gedaante van een pistool. Het ging mij te
Edinburg, ten naasten bij, even zoo. – Ik liet mij bij een
rechtsgeleerde aanmelden; ik vond hem in dragonders uniform, met helm
en sabel, gelaarsd en gespoord, op het punt van zijn strijdros te
bestijgen, dat zijn klerk (als scherpschutter gekleed) heen en weêr
leidde voor de huisdeur. – Ik ging naar mijn zaakwaarnemer om hem te
vragen, waarom hij mij bij een waanzinnigen rechtsgeleerde om raad
gezonden had; hij had de veder, die in stillere dagen tusschen zijne
vingers speelde, op den hoed gestoken en vertoonde zich als
artillerie-officier. – Mijn lakenkooper stond met de piek in de hand,
als moest ze hem tot el dienen. De bankiersklerk, die mij een wissel
uitbetalen moest, telde het geld tot driemaal toe verkeerd, daar hij
slechts om de tempo’s-tellingen van de morgenexercitie dacht. Ik werd
ziek, en zond om een heelmeester:


        „Hij kwam, – maar was omgord met een zoo groot rapier,
          Hij zag zoo barsch, en had een’ blik zoo grimmig fier,
                Dat ik den wondarts gansch vergat,
                En nedrig om mijn leven bad!”


„Ik nam mijne toevlugt tot den geneesheer; maar ook deze scheen eene
grootscher manier van doodslaan te willen uitoefenen, dan die waartoe
zijn eigenlijk beroep hem den weg opende. En nu, sedert ik terug ben,
zijn onze wijze buren te Fairport even dapper geworden. Ik haat een
snaphaan, even als een aangeschoten eendvogel, en de trom als een
Kwaker; – en ze donderen en ratelen ginds op de gemeenteheide, dat mij
ieder schot en elke roffel aan het hart gaan.”

„Lieve broeder, spreek toch zoo niet van de heeren vrijwilligers! – De
uniform, die zij dragen, staat hun zeer goed. Ik wil wedden, dat zij
verleden week tweemaal tot op het lijf toe nat zijn geweest; – ik zag
hen binnentrekken onder een verschrikkelijken stortregen, en er waren
er onder, die een leelijken hoest hadden. – En de moeite, die zij zich
geven, eischt onze dankbaarheid.”

„En ik weet zeker,” zeide Mary, „dat mijn oom twintig guinjes zond, om
hen te helpen uitrusten.”

„Dat was om drop en kandijsuiker te koopen,” antwoordde de Cynicus, „om
den handel van Fairport te bevorderen, en om de keelen der officieren
te verfrisschen, die zich schor geschreeuwd hadden in den dienst van
het vaderland.”

„Pas op, Monkbarns!” viel de Baronet hem in de rede, „dat wij u niet
onder de verdachten plaatsen.”

„Neen, Sir Arthur, ik doe niets dan knorren. Ik eisch alleen het recht
om hier in mijn eigen hoek te kwaken, zonder mijne stem te voegen bij
het groote koor der broeders in het moeras. – Ni quito Rey, ni pongo
Rey. – „Ik maak, noch benadeel Koningen,” zoo als Sancho zegt, maar bid
hartelijk voor onzen Souverein, betaal mijne belastingen, en knor op de
commiezen. – Maar de schapenkaas komt daar juist van pas; ze is beter
voor de spijsvertering, dan de staatkunde.”

Toen het eten gedaan was en de wijnflesschen op tafel geplaatst waren,
stelde de heer Oldbuck voor een beker op het welzijn van den Koning te
ledigen, wat èn Lovel èn de Baronet gaarne deden, – daar de oppositie
van den laatste nog slechts in zijne verbeelding bestond, – en
inderdaad niets meer was, dan de schim van eene schim.

Nadat de dames zich verwijderd hadden, traden de gastheer en Sir Arthur
in onderscheidene hevige discussiën, – navorschingen, waaraan de
jongere gast, het zij om de diepe geleerdheid, die ze vereischten, of
om eenige andere reden, slechts zeer weinig deel nam, zoodat hij ten
laatste als uit een diepen droom plotseling opgewekt werd door een
onverwacht beroep op zijn oordeel.

„Ik laat het aan de beslissing van den heer Lovel over; hij werd in het
noorden van Engeland geboren, en kent wellicht de plaats zelve.”

Sir Arthur geloofde niet, dat zulk een jong heer zich veel met
dergelijke dingen zou hebben bemoeid.

„Ik ben van het tegendeel overtuigd,” zeide Oldbuck. – „Wat zegt gij er
van, mijnheer Lovel? Spreek op, man, voor uw eigene eer!”

Lovel was in het moeielijk geval van te moeten bekennen, dat hij
volstrekt niet wist, over welk onderwerp het gesprek en verschil liep,
dat de heeren reeds een uur bezig gehouden had.

„God help den jongen! Hij heeft het hoofd vol muizennesten! – Hoe zou
het ook anders kunnen zijn, als het vrouwvolkje toegelaten wordt? – Het
duurt wel zes uren lang eer een jongen in staat is een verstandig woord
te spreken! Wel man! er was eens een volk, genaamd de Piks –”

„Juister Picten,” viel de Baronet in.

„Ik zeg de Pikar, Pihar, Piochtar, Piaghter of Peugtar,” schreeuwde
Oldbuck; „zij gebruikten een Gothischen tongval.”

„Echt Celtisch,” hervatte de Baronet.

„Gothisch! Gothisch! daar wil ik op sterven!” hield Monkbarns vol.

„Ik begrijp, mijne heeren,” zei Lovel, „dat dit verschil gemakkelijk
door de taalkenners te beslissen is, als er maar eenige sporen van die
taal over zijn.”

„Er is slechts één woord overgebleven,” zei de Baronet; „dat echter, in
weêrwil van de stijfhoofdigheid van den heer Oldbuck, het geschil
beslist.”

„Ja, in mijn voordeel!” riep Oldbuck; „gij, mijnheer Lovel, zult
uitspraak doen. – Ik heb den geleerden Pinkerton op mijne zijde!”

„Ik, den onvermoeiden en geleerden Chalmers, op de mijne.”

„Gordon kleeft mijn gevoelen aan!”

„Sir Robert Sibbald het mijne!”

„Innes is met mij!” schreeuwde Oldbuck.

„Ritson voelt geen twijfel!” juichte de Baronet.

„Inderdaad, mijne heeren, eer gij uwe krachten monstert, en mij met
aanhalingen overlaadt, wenschte ik het betwistte woord te kennen.”

„Benval,” luidde het ter zelfder tijd uit beider mond.

„Dat heet caput valli,” zei de Baronet.

„De kruin van den wal,” vertolkte Monkbarns.

Nu zweeg men stil. –

„Het is voorwaar een kleine grondslag, om er een stelsel op te bouwen!”
merkte de scheidsman aan.

„Volstrekt niet,” zeide Oldbuck; „men vecht het best in een nauw
strijdperk; – een van een duim breed is zoo goed als een van eene mijl,
om een gezonden steek in toe te brengen!”

„Het is stellig Celtisch,” zei de Baronet; „de namen van alle heuvels
in de Hooglanden beginnen met Ben.”

„Maar wat zegt gij van Val, Sir Arthur? is dat niet stellig het
Saksische Wall?”

„Het is het Romeinsche Vallum,” antwoordde Sir Arthur; „de Picten namen
dat gedeelte van het woord over!”

„Neen, waarachtig niet! Als zij iets overnamen, moet het uw Ben geweest
zijn, dat zij van hunne buren, de Britten van Strath-Cluyd, kunnen
overgenomen hebben.”

„De Piks, of Picten,” zeide Lovel, „moeten eene zeer armoedige taal
gehad hebben, daar er slechts één woord, van niet meer dan twee
lettergrepen overig is, zoo als van weerskanten toegestaan wordt, en
daarvan hebben zij nog ééne lettergreep uit eene andere taal moeten
ontleenen. Het komt mij, mijne heeren, met eerbied gezegd, voor, dat
het geschil zeer veel heeft van dat der twee ridders, die om het schild
streden, waarvan de eene zijde wit, en de andere zwart was. Ieder uwer
maakt aanspraak op de ééne helft van het woord, en schijnt de andere op
te geven. Maar, hetgeen mij het meest bevreemdt, is de armoede van de
taal, die zulke geringe sporen naliet!”

„Gij vergist u,” zeide Sir Arthur; „het was eene rijke taal, en zij
waren een groot en machtig volk; – zij bouwden twee torens; één te
Brechin, en één te Abernethy. De Pictische maagden uit het koninklijk
geslacht werden bewaard in het Kasteel van Edinburg, van daar nog het
Castrum Puellarum genaamd.”

„Eene kinderachtige uitlegging!” hernam Oldbuck, „en alleen
uitgevonden, om dat onnoozele vrouwvolkje eenig gewicht bij te zetten!
Het droeg den naam van Maagdenkasteel, quasi lucus a non lucendo, omdat
het alle aanvallen weêrstond, en de vrouwen dat nooit doen.”

„Er bestaat eene naamlijst der Pictische Koningen,” zei Sir Arthur,
„die voor echt erkend is, van Chrentheminachryme, (van wiens regeering
de dagteekening eenigzins onzeker is) àf, tot Drusterstone, met wiens
dood het geslacht eindigt. De helft er van hebben het Celtische
patronymicon Mac, voor hunne namen – Mac, – id est filius; – wat
antwoordt gij hier op, mijnheer Oldbuck? Er is Drust Macmorachin,
Trynel Maclachlin (de eerste van dien ouden stam, naar men gelooft,) en
Gormach Macdonald, Alpin Mackmetegus, Drust Mactallargam,” – (hier
overviel hem eene hoestbui,) „oegh, oegh, oegh! – Golarge Macchan, –
oegh, oegh, Macchanan – oegh Macchananail – Kenneth – oegh, oegh, –
Macferedith, Eachan Macfungus, – en twintig andere Celtische namen, die
ik u zou kunnen opnoemen, als die verwenschte hoest het mij niet
belette!”

„Neem een glas wijn, Sir Arthur, en spoel die lijst van tandenbrekende
namen af, die den duivel zelven, in de keel zou blijven steken! – Wel,
die laatste vent, dien gij opnoemdet, heeft den éénigen verstaanbaren
naam. – Zij zijn allen van het geslacht van Macfungus – Paddestoelen!
ontstaan uit den mest van bedrog, dwaasheid en valschheid, die in de
hersenpan gistte van den een of anderen waanzinnigen Hooglandschen
zanger!”

„Het verwondert mij, mijnheer Oldbuck, u dat te hooren zeggen! Gij
weet, of dient te weten, dat de lijst van deze souvereinen afgeschreven
werd door Hendrik Maule van Melgum, uit de kronijken van Loch-Leven en
van St. Andrews, en geplaatst werd vóor zijne korte, maar duidelijke
historie der Picten, door Robert Freebairn te Edinburg gedrukt, en
verkocht in zijn winkel bij het Parlementshuis, in het jaar
zeventienhonderd en vijf, of zes, – welk van beiden weet ik niet zeker;
– maar ik heb er een exemplaar van te huis, dat naast mijne duodecimo
uitgave der Schotsche Parlementsacten staat, en in dezelfde rij
daarmede zeer goed voldoet. Wat zegt gij daarop, mijnheer Oldbuck?”

„Wel ik lach om Hendrik Maule en zijne historie,” antwoordde Oldbuck,
„en voldoe daarbij aan zijn verzoek, om die naar verdiensten te
behandelen.”

„Lach niet om een man, die beter is, dan gij zelf zijt!” antwoordde Sir
Arthur, eenigzins minachtend.

„Ik zie niet in, dat ik dat doe, Sir Arthur, als ik om hem of zijn boek
lach.”

„Hendrik Maule van Melgum was een edelman, mijnheer Oldbuck!”

„Ik begrijp, dat die omstandigheid geen voordeel op mij geeft,” hernam
de oudheidkenner eenigzins bits.

„Met uw verlof, mijnheer Oldbuck! – hij was een edelman uit een zeer
aanzienlijk geslacht en van oude herkomst, en dus –”

„Moet de afstammeling van een Westfaalschen boekdrukker met eerbied van
hem spreken? – Dit is wellicht uw gevoelen, Sir Arthur; – maar het
mijne niet. – Ik begrijp, dat mijne afkomst van dien arbeidzamen,
vlijtigen boekdrukker, Wolf brand Oldenbuck, die in de maand December
1498, onder het patronaat van Sebaldus Scheyter en Sebastian
Kammermeister, zoo als het slot ons meldt, den druk voltooide van de
groote Neurenbergsche kronijk, – ik begrijp, zeg ik, dat mijne afkomst
van dien grooten hersteller der geleerdheid voor mij, als man van
letteren, veel eervoller is, dan wanneer ik op mijn stamboom al de
pochende, stijfhoofdige, Oud-Gotische Barons sedert de dagen van
Crentheminachcryme telde, van wie er, geloof ik, geen één zijn eigen
naam schrijven kon!”

„Als gij met uwe aanmerking den spot wilt drijven met mijne
voorouders,” zei de Baronet op een toon van deftige waardigheid en
meerderheid, „zoo heb ik het genoegen u te berichten, dat de naam van
mijn voorvader, Gamelyn de Guardover, Miles, wel degelijk met zijne
eigene hand in het eerste afschrift van de Ragmanrol geschreven staat.”

„Wat slechts dient, om aan te toonen, dat hij een van de eersten was,
die het verachtelijke voorbeeld gaf van zich aan Koning Eduard I te
onderwerpen. Wat hebt gij in te brengen ten voordeele der vlekkelooze
koningstrouw van uw geslacht, Sir Arthur, na zulk een afval als deze?”

„Genoeg, mijnheer!” zei Sir Arthur, terwijl hij woedend opsprong, en
zijn stoel terugschoof, „ik zal in het vervolg wel vermijden iemand met
mijn gezelschap te vereeren, die zich zoo ondankbaar voor mijne
vriendelijkheid betoont.”

„Hierin moogt gij te werk gaan naar uwe eigene verkiezing, Sir Arthur!
Ik hoop, dat, daar ik niet bekend was met de verplichting, die gij mij
oplegdet door mijn gering huis te bezoeken, die gij verschoonen zult,
dat ik mijne dankbaarheid niet op eene slaafsche wijze heb geuit!”

„Allerbest! – Allerbest, mijnheer Oldbuck! – ik wensch u goeden avond;
– mijnheer a–a–a–Schovel! – ik wensch u goeden avond!”

En zoo stoof de vergramde Sir Arthur de eetzaal uit, alsof de geest van
de geheele Tafel Ronde hem ontvlamde, en doorkruiste met groote stappen
den doolhof van gangen, die naar de huiskamer voerde.

„Zaagt gij ooit zulk een kwaadaardigen ouden ezel?” zeide Oldbuck, het
woord tot Lovel richtende; „maar ik moet hem toch in deze dolle
stemming niet laten heen gaan.” Dit zeggende, liep hij den Baronet na,
wiens spoor hij volgde op het geluid van het toeslaan van
onderscheidene deuren, die deze opende, om naar de huiskamer te zoeken,
en die hij bij elke mistasting met geweld achter zich toesloeg.

„Gij zult een ongeluk krijgen!” schreeuwde de oudheidkenner; „qui
ambulat in tenebris nescit quo vadit: – die in het duister wandelt,
weet niet, waarheen hij gaat; – gij valt nog van den achtertrap!”

De duisternis zelve, welker bedarende kracht op eigenzinnige kinderen,
maar al te bekend is, had intusschen de schreden van den vertoornden
Baronet doen bedaren, zoo ze al niet zijne gramschap verminderde, en de
heer Oldbuck, beter bekend met de plaats, haalde in, juist toen hij de
kruk van de deur der huiskamer in de hand had. „Wacht een oogenblik,
Sir Arthur!” zeide Oldbuck, terwijl hij hem tegenhield; „niet zoo
driftig, mijn goede, oude vriend! – ik tastte u, in onzen strijd, over
Sir Gamelyn wat hard aan; – wel, man, hij is een mijner oude kennissen,
en mijn lieveling; – hij was de wapenbroeder van Bruce en Wallace; – ik
geloof, en wil het op een Bijbel met Gotische letters gedrukt,
bezweren, dat hij de Ragmanrol, alleen onderteekende met het eerlijke
en prijzenswaardige oogmerk, om den valschen Engelschman in zijne
strikken te lokken. Het was eene opoffering, – eene echt Schotsche
list, mijn waarde Baronet! – honderden deden hetzelfde! kom, kom,
vergeet en vergeef! – Niet waar? wij gaven dien jongen heer daar het
recht, om ons voor een paar knorrige oude dwazen te houden!”

„Spreek voor u zelven, mijnheer Jonathan Oldbuck!” zeide Sir Arthur met
groote deftigheid.

„Wel, wel – den eigenzinnigen man moet men zijn zin geven!”

En dit zeggende opende hij de kamerdeur en de lange magere gestalte van
Sir Arthur trad binnen, gevolgd door Lovel en den heer Oldbuck, alle
drie een weinig onthutst.

„Ik heb op u gewacht, lieve vader!” zeide Isabella Wardour, „om u voor
te slaan, het rijtuig te gemoet te wandelen, daar het zulk een mooie
avond is.”

Sir Arthur stemde gereedelijk in een voorslag toe, die zoo zeer
strookte met de knorrige stemming, waarin hij zich bevond; en na
beleefd voor de thee en koffij bedankt te hebben, volgens zijne
aangenomen gewoonte, als hij driftig was, nam hij zijne dochter onder
den arm, waarna hij, met een plechtig afscheid van de dames, en een
zeer droog woordje tegen den heer Oldbuck, vertrok.

„Ik geloof,” zeide jufvrouw Oldbuck, „dat Sir Arthur weêr kwaad is!”

„Kwaad! – de drommel! hij is nog gekker dan het vrouwvolk! – Wat zegt
gij, Lovel? – Hoe? de jongen is ook weg?”

„Hij nam afscheid, oom, terwijl Isabella Wardour zich gereed maakte;
maar ik geloof niet, dat gij het gemerkt hebt.”

„De duivel steekt in het volk! Dat is alles, wat men wint met zich af
te tobben en zich van stuk te brengen, met maaltijden te geven, –
zonder van de kosten te spreken. – O Seged, Keizer van Ethiopië!” riep
hij, met de eene hand een kop thee en met de andere een deel van The
Rambler [12] opnemende; want het was zijne vaste gewoonte, onder het
eten of drinken, in tegenwoordigheid van zijne zuster te lezen,
waardoor hij terzelfder tijd zijne minachting te kennen gaf voor
vrouwelijk gezelschap, en zijn besluit volvoerde, om geen oogenblik
ongebruikt te laten voorbij gaan; – „o Seged, Keizer van Ethiopië! hoe
waar zijn uwe woorden: – „Niemand wage het te zeggen: dit zal een
gelukkige dag zijn!””

Oldbuck zette zijne studiën bijna een uur voort, zonder door de dames
gestoord te worden, die, in diep stilzwijgen, eenig vrouwelijk handwerk
verrichtten. Eindelijk hoorde men een zachten, zedigen tik aan de
kamerdeur. „Zijt gij het, Caxon: kom binnen!”

De oude man opende eventjes de deur; en zijn mager gezicht, omringd
door eenige dunne grijze haarlokken, benevens eene der mouwen van zijn
grijze jas in de kamer stekende, zeide hij op onderdanigen en
geheimzinnigen toon: „ik wilde u eventjes spreken, mijnheer!”

„Kom binnen dan, oude gek! en zeg wat gij te zeggen hebt.”

„Ik ben bang, dat de dames schrikken zullen.”

„Schrikken! wat zou dat? – bekommer u niet om de dames. Hebt gij weêr
een spook gezien?”

„Neen, mijnheer, ditmaal is het geen spook; – maar ik heb geen rust.”

„Hebt gij ooit van iemand gehoord die rust had?” antwoordde Oldbuck;
„waarom zou een oude versleten poederkwast als gij, meer rust hebben,
dan alle overige menschen?”

„Het is niet om mij zelven, mijnheer, maar ik vrees, dat het een
verschrikkelijk weêr zal worden, en Sir Arthur en Freule Wardour, dat
arme meisje –”

„Wel, man! die moeten het rijtuig aan het einde der laan, of daar
omstreeks, ontmoet hebben, en reeds lang te huis zijn!”

„Neen, mijnheer, zij zijn niet door het hek gegaan, maar sloegen den
weg in naar het strand.”

Dit woord was een donderslag in de ooren van Oldbuck. „Naar het strand!
onmogelijk!”

„Ja, mijnheer, dat zei ik ook tegen den tuinman; maar hij zeide, dat
hij hen bij de Mosselklip had zien omkeeren – ja, zei ik tegen hem, als
dat zoo is, David, dan vrees ik –”

„Een almanak! een almanak!” riep Oldbuck, in groote verwarring
opstaande. – „Neen, dat ding niet!” een kleinen zakalmanak, dien hem
zijne nicht aanbood, wegwerpende. – „Groote God! mijne arme, lieve
Isabella! – haal mij dadelijk een grooten almanak!” Deze werd gebracht,
geraadpleegd, en vermeerderde zeer zijne ontroering. „Ik zal zelf gaan;
– roep den tuinman en zijn knecht; – laat hen touwen en ladders
brengen; – en onderweg meer hulp zoeken; – klimt op de toppen der
rotsen en roept hun toe; – ik zal zelf gaan!”

„Wat is er te doen?” vroegen zijne zuster en nicht.

„De vloed! de vloed!” antwoordde de verschrikte oudheidkenner.

„Was het niet beter, dat Jenny – maar neen, ik zal zelve gaan,” zei de
jongste der dames, even verschrikt als haar oom; – „ik zal zelve naar
Saunders Mucklebackit loopen, en hem de boot doen uitzetten.”

„Dank, mijne lieve! dat is het verstandigste woord, dat er nog
gesproken is; – loop! loop! – Langs het strand te gaan!” terwijl hij
zijn hoed en stok greep; „heeft men ooit iets dollers gehoord!”








ZEVENDE HOOFDSTUK


                            Een tijdlang schepten zij behagen
                              Aan d’oever van den oceaan;
                            De wat’ren weken, en zij zagen
                              Den weg verbreeden om te gaan;
                            Totdat het vloedgetij genaakte
                              En ’t pad al smal en smaller maakte.

                                                                Crabbe.


Het bericht van David Dibble, dat te Monkbarns zooveel onrust verspreid
had, bleek volkomen juist te zijn. Sir Arthur en zijne dochter waren
vertrokken, om, overeenkomstig hun eerste voornemen, langs den
straatweg naar Knockwinnock terug te keeren; maar, aan het einde der
groote laan gekomen, die eene soort van allée naar het huis van
Monkbarns vormde, zagen zij Lovel vóór hen uitgaan, die zijne schreden
scheen te vertragen, om hun gelegenheid te geven om hem in te halen.
Isabella Wardour sloeg haren vader dadelijk voor van richting te
veranderen, en daar het weder zeer fraai was, langs het strand te
wandelen, voorbij eene schilderachtige keten van rotsen, die bijna
altijd een veel aangenamer pad tusschen Knockwinnock en Monkbarns, dan
de straatweg opleverde.

Sir Arthur was dadelijk daartoe gereed. „Het zou onaangenaam zijn,”
zeide hij, „door dien jongen, met wien de heer Oldbuck de vrijheid
genomen heeft ons bekend te maken, aangesproken te worden.”

Zijne ouderwetsche beleefdheid had niets van het ongedwongene, waarmede
men heden ten dage iemand, dien men al eene week lang kent, als geheel,
vreemd onopgemerkt laat voorbijgaan, zoodra men zich in omstandigheden
bevindt, of vooronderstelt, welke die onaangenaam maken, hem te
herkennen. Sir Arthur bedong slechts, dat een kleine bedeljongen, wien
hij een stuiver gaf, het rijtuig zou te gemoet loopen, en het naar
Knockwinnock doen terug keeren.

Toen dit beschikt, en de bode vertrokken was, verlieten de Baronet en
zijne dochter den straatweg, en kwamen weldra, langs een kronkelend
voetpad, over zandachtige heuvels, gedeeltelijk heigrond, gedeeltelijk
met lang gras begroeid, aan den oever der zee. Het getij was op verre
na zoo laag niet, als zij berekend hadden; maar dit baardde geene zorg:
zelden toch gebeurde het tien maal in het jaar, dat het water zoo dicht
bij de rotsen kwam, dat men er niet meer voorbij kon. Bij springvloed
echter, of als hevige winden de golven voortstuwden, werd ook deze weg
door de zee bedolven; en men kende bij overlevering verscheidene
noodlottige voorvallen, daaraan toe te schrijven. Maar dergelijke
gevaren beschouwde men als lang geleden en onwaarschijnlijk, en hetgeen
men elkander daarvan verhaalde, diende, even als andere oude
vertelsels, eerder tot tijdkorting in het hoekje van den haard, dan om
iemand af te schrikken, den weg tusschen Knockwinnock en Monkbarns
langs het strand af te leggen. Terwijl nu Sir Arthur en zijne dochter
de aangename wandeling over het koele, zachte, vaste zand genoten, kon
Isabella niet nalaten op te merken, dat de laatste vloed boven het
gewone watermerk gekomen was. Ook Sir Arthur viel dit op; maar geen van
beiden kwam het in de gedachte, om daarover in het minst ongerust te
worden. De zon, tot aan de kim gedaald, toonde nu hare groote schijf
boven de oppervlakte der stille zee en vergulde de opeengestapelde
wolken, waardoor zij den geheelen dag hare baan afgelegd had, en die
thans van alle kanten verzameld waren even als de ongelukken en
rampspoeden van een te grond gaand rijk en van een ongelukkigen vorst.
Voor het laatst nog deelde haar verminderde glans aan de opeengehoopte
massa’s eene sombere pracht mede, en tooverde uit de duistere schimmen
gedaanten van burchten en rotsen, torens en pyramiden, sommigen met
goud omzoomd, anderen met purper, eenigen van eene felle, donker-roode
kleur. In de verte lag de zee onder dezen afwisselenden en trotschen
troonhemel, in onheil voorspellende stilte, en kaatste ter zelfder tijd
de schitterende en schuinsche stralen der dalende zon, en de prachtige
kleuren der wolken, in welker midden zij rustte, terug. Meer van nabij
ruischte de vloed met fonkelende zilveren golven, die ongevoelig maar
snel op het strand inbreuk maakten.

In stille bewondering van dit schilderachtig en grootsch tooneel, of
wellicht in minder kalme overpeinzingen, zette Isabella haren weg
zwijgende aan de zijde van haren vader voort, wien het diep besef
zijner kort te voren gekrenkte waardigheid niet toeliet, om eenig
gesprek te beginnen. De kronkelingen van den oever volgende, trokken
zij de eene vooruitstekende rotspunt na de andere voorbij, en bevonden
zich eindelijk onder eene lange, onafgebroken reeks dier steilten,
welke de kust op de meeste plaatsen, als met een ijzeren gordel,
verdedigen. Lange rotsketenen, zich onder het water uitstrekkende, en
slechts kenbaar aan de dorre kruinen, welke zij hier en daar verhieven,
of aan de branding, die over de gedeeltelijk bedekte rotsen schuimend
brak, maakten de Knockwinnocks-baai bij stuurlieden en loodsen geducht.
De klippen, die tusschen den oever en het vaste land, ter hoogte van
twee- of driehonderd voet verrezen, boden, in hare kloven, eene
schuilplaats aan een groot aantal zeevogels, daar de duizelingwekkende
hoogte hen vrij goed verzekerde tegen de roofzucht der menschen. Vele
dezer wilde zwermen, gedreven door het instinct, dat hen het land doet
zoeken eer de storm losbreekt, vlogen nu naar hunne nesten met het
schor en krassend geluid van onrust en vrees. De zonneschijf werd bijna
geheel verdonkerd eer ze nog volledig onder den gezichteinder gedaald
was, en eene vroegtijdige, akelige duisternis verving de helle
schemering van den zomeravond. Straks begon zich de wind te verheffen;
maar zijn woest en klagend gehuil werd eenigen tijd vroeger gehoord,
dan men zijne uitwerking op de oppervlakte der zee bespeurde, of het
waaien op het vaste land voelde. De wateren, nu duister en dreigend,
begonnen in breedere golven te stijgen, en in diepere voren te zinken,
en vormden baren, die hoog schuimend tegen de branding stuwden, of op
het strand braken, met een geluid als dat van een onweder in de verte.

Verschrikt door deze plotselinge verandering van het weder, hield
Isabella zich zoo dicht mogelijk bij haren vader en klemde zich aan
zijn arm. „Ik wenschte,” zeide zij ten laatste, maar bijna fluisterend,
en als schaamde zij zich haren toenemenden angst te uiten, „ik wenschte
wel, dat wij onzen eersten weg vervolgd, of te Monkbarns het rijtuig
afgewacht hadden.”

Sir Arthur keek rond, maar zag niet of wilde geene voorteekens van de
uitbarsting van den storm erkennen. Zij zouden Knockwinnock bereiken,
zeide hij, lang eer het onweder losbrak. Maar den haastigen tred,
waarmede hij voortwandelde, en dien Isabella bezwaarlijk bij kon
houden, toonde hoezeer hij zelf gevoelde, dat er eenige inspanning
noodig was, om deze troostrijke voorzegging te vervullen. Zij bevonden
zich nu nabij het middelpunt van eene diepe maar smalle baai, of inham,
gevormd door twee vooruitstekende, hooge en ongenaakbare rotsen, welker
uiteinden, of kapen, in zee staken, als de twee horens eener wassende
maan; en geen der beide wandelaars durfde den anderen de bezorgdheid
mededeelen, die zij begonnen te koesteren, dat wellicht de buitengewone
vorderingen van den vloed hun de mogelijkheid benemen zouden, om rondom
de kaap, die vóór hen lag, te komen, of langs den weg, welke hen
derwaarts gevoerd had, terug te keeren.

Terwijl zij dus voortijlden, en verlangden om de lichte kronkeling van
den weg, welke de bochten der baai hen noodzaakten te volgen, tegen een
rechter en korter, hoewel minder aangenaam pad te verwisselen, bemerkte
Sir Arthur eene menschelijke gedaante aan den oever, die op hen aan
kwam loopen. „God dank!” riep hij uit, „wij zullen rondom Halket-head
komen! Die mensch moet er voorbij gegaan zijn,” dus gaf hij lucht aan
zijn gevoel van hoop, ofschoon hij dat der vrees onderdrukt had.

„Ja waarlijk, God dank!” herhaalde zijne dochter half luid, half bij
zich zelve, met de uitdrukking eener diep gevoelde dankbaarheid.

De gedaante, die naar hen toekwam, maakte vele teekens, welke de
betrokken dampkring, thans door wind en stofregen ontroerd, hen belette
duidelijk te onderscheiden; en het was eerst op het oogenblik, dat zij
elkander zouden ontmoeten, dat Sir Arthur den ouden blauwrok, den
bedelaar Adam Ochiltree herkende. Men zegt, dat zelfs de stomme dieren
in het oogenblik van algemeen gevaar hunne vijandschap en afkeer
vergeten. Het strand bij Halket-head, welks breedte door een alles
overweldigenden springvloed en noordwesten wind schielijk afnam, werd
dus een onzijdig gebied, waarop zelfs een vrederechter en een zwervende
bedelaar elkander zonder gevaar naderen konden.

„Terug! Terug!” riep de oude man; „waarom keerdet gij niet om, toen ik
wenkte?”

„Wij dachten,” hernam Sir Arthur in grooten angst, „wij dachten, dat
wij om Halket-head komen konden!”

„Halket-head! De vloed zal er op dit oogenblik als een waterval tegen
aan stormen! Ter nauwer nood kon ik er twintig minuten geleden voorbij!
Drie voet hoog stuwde het op. Misschien kunnen wij nog terug langs
Bally-burg Ness-kaap! God helpe ons! Het is de eenige kans. Wij moeten
die wagen!”

„Mijn God! mijn kind!” „Mijn vader! mijn lieve vader!” riepen vader en
dochter, terwijl de vrees hunne krachten en den spoed verdubbelde,
waarmede zij terugkeerden en de kaap weder trachtten te bereiken, die
den zuidelijken uithoek der baai vormde.

„Ik hoorde van den jongen, dien gij het rijtuig te gemoet zondt, dat
gij hier waart,” zeide de bedelaar, terwijl hij een paar schreden
achter Isabella wakker doorstapte, „en ik kon het gevaar niet vergeten,
waarin zich de lieve jonge dame bevond, die altijd zoo goed is voor
iedere ongelukkige ziel, die haar nadert. Dus keek ik zóó lang, naar
het opkomen en de hoogte van den vloed, tot ik besloot, dat, als ik
maar tijdig genoeg naar beneden kon komen om u te waarschuwen, ik u nog
redden zou. Maar wie zag ooit zulk een vloed als deze? Zie, ginds de
Rattons-klip; – zoo lang ik leef hield die den neus boven water; – maar
nu is hij er onder geraakt!”

Sir Arthur wierp een blik in de richting, in welke de oude man wees.
Eene ongemeen groote rots, die gewoonlijk, zelfs bij springvloeden,
eene gestalte vertoonde als de kiel van een groot schip, was nu geheel
onder water, en de plaats er van was slechts kenbaar aan de branding en
het opstuwen der golven, welke op de ondergeloopene rotsen braken.

„Haast u, haast u,” vervolgde de grijsaard, „haast u, en misschien
halen wij het nog. Neem mijn arm, – nu oud en zwak, maar die zich meer
dan eens uit een even groot gevaar gered heeft! Ziet gij ginds eene
zwarte plek tusschen de schuimende baren? Heden morgen was die zoo
hoog, als de mast van een brik, – nu is ze klein genoeg; – maar, zoo
lang ik slechts zoo veel zwart zie, als de kruin van mijn hoed, twijfel
ik niet, of wij zullen nog om de Ballyburg-kaap komen eer de vloed zoo
ver gestegen is!”

Isabella nam stilzwijgend van den ouden man de hulp aan, die Sir Arthur
haar nu minder goed geven kon. De golven hadden thans reeds zoo veel
van den oever bedekt, dat men het vaste en het effene voetpad, tot nu
toe gehouden, tegen een ruweren weg verwisselen moest, die dicht langs
den voet der rotsen ging, en zelfs op sommige plaatsen over den
ondersten rand daarvan liep. Onmogelijk hadden Sir Arthur Wardour of
zijne dochter den weg langs dit pad kunnen vinden zonder de leiding en
aanmoediging van den bedelaar, die hier vroeger bij hooge vloeden
geweest was, ofschoon nooit, zoo als hij zeide, „in zulk een
verschrikkelijken nacht, als dezen!”

Het was werkelijk ontzagwekkend weder. Het huilen van den stormwind,
waaronder zich het geschreeuw der zeevogels mengde, klonk als een
doodsklok voor de drie ongelukkigen, die ingesloten waren tusschen de
twee prachtigste, maar tevens twee ontzettendste voorwerpen der natuur
– een woedenden vloed en onbeklimbare hoogten; terwijl zij met veel
moeite zich een weg baanden langs een moeielijk en gevaarlijk pad, en
dikwijls bespat werden door het schuim der reusachtige baren, die, al
hooger en hooger klimmende op den oever braken. Elk oogenblik won hun
vijand zichtbaar veld op hen. In de vrees echter, om de laatste
levenshoop op te geven, hielden zij de oogen steeds gevestigd op de
zwarte rots, door Ochiltree aangewezen. Deze was nog duidelijk te
onderscheiden in de branding, en bleef voor hen zichtbaar, tot zij op
hun kronkelend pad eene wending namen, toen eene vooruitspringende rots
ze aan hunne oogen onttrok. Dus verstoken van het gezicht der baak,
waarop zij al hun vertrouwen stelden, ondervonden zij nu bij den
zielkwellenden angst tevens de pijnlijkste onzekerheid. Zij haastten
zich echter zoo veel mogelijk om verder te komen; maar toen zij de
plaats bereikt hadden, van waar zij de rots hadden moeten zien, was
deze niet meer zichtbaar. Het teeken hunner redding was onder duizende
witte baren verdwenen, die, aan de spits van het voorgebergte, in
onmetelijke hoogte het sneeuwwitte schuim tegen de donkere rotsen
slingerden.

De oude man ontstelde zichtbaar. Isabella gaf een zachten gil, en het
„God erbarme zich onzer!” dat hun gids plechtig uitte, herhaalde Sir
Arthur weemoedig, – met de bijvoeging, „Mijn kind! mijn kind! – zulk
een dood te sterven!”

„Mijn vader! mijn lieve vader!” riep zijne dochter uit, terwijl zij
zich aan hem vasthield; – „en ook gij, die uw leven opoffert, om het
onze te willen redden!”

„Het is niet de moeite waard, daarvan te spreken,” zei de grijsaard;
„ik heb lang genoeg geleefd, om het leven moede te zijn; – en hier of
ginds, – achter een dijk, in eene sneeuwvlaag, of in de golven, wat
licht er aan gelegen, hoe de oude bedelaar sterft?”

„Mijn goede man!” riep Sir Arthur, „kunt gij niets bedenken? – niets,
dat helpen kan? – ik zal u rijk maken; – ik zal u eene pachthoeve
geven, – ik zal –”

„Onze rijkdommen,” antwoordde de bedelaar, „zullen weldra gelijk zijn,”
– naar de schuimende golven ziende, – „ze zijn het ook nu reeds; want
ik heb niets, en gij zoudt gaarne al uwe schoone goederen en uwe
baronie daarbij geven voor één plekje kale rots, dat twaalf uren
watervrij was!”

Onder deze woorden bleven zij op den hoogsten rotsrand staan, dien zij
bereiken konden; want het scheen, dat elke poging, om verder te komen,
slechts hun verschrikkelijk lot verhaasten moest. Hier dan bevonden zij
zich ten naastebij in den toestand der martelaren uit de eerste tijden
der Christen Kerk, die, door heidensche dwingelanden veroordeeld om
door wilde dieren verscheurd te worden, genoodzaakt waren een tijdlang
het ongeduld en de woede aan te zien, waarmede deze het teeken
afwachtten ter opening der hokken, eer zij op hunne slachtoffers
aanvallen konden.

Maar juist dit vreeselijk uitstel gaf Isabella den tijd, om al hare
geestvermogens, die van natuur krachtig en moedig waren, te verzamelen,
en in deze verschrikkelijke omstandigheden vereenigd te laten werken.
„Moeten wij dan,” zeide zij, „ons leven vaarwel zeggen, zonder eenige
poging, om het te redden? Is er geen pad, hoe ijselijk ook, waarlangs
wij misschien de rots zouden kunnen beklimmen, of ten minste eenige
hoogte boven den vloed bereiken, waarop wij tot den morgen kunnen
blijven, of tot er hulp opdaagt? Men moet onzen toestand raden, en de
menschen zullen zich haasten, ons ter hulp te komen!”

Sir Arthur, die de vraag van zijne dochter hoorde, maar nauwelijks in
staat was ze te verstaan, wendde zich nochtans onwillekeurig naar den
grijsaard, alsof hun leven in zijne handen ware. Ochiltree zweeg een
tijd lang, eer hij antwoordde. „Ik was,” zeide hij, „eens een stoute
klimmer, en heb menig nest op deze zwarte rotsen uitgehaald; maar het
is lang, lang geleden, en niemand kan ze bestijgen zonder touw, – en al
had ik er een, mijne oogen, voeten en handen zijn reeds lang niet meer,
wat zij waren; – en dan, hoe zou ik u helpen kunnen? – Maar er was hier
eens een pad, – en toch geloof ik, als wij het zien konden, dat gij
verkiezen zoudt te blijven, waar wij zijn! – God zegene hem!” riep hij
eensklaps, „daar komt juist iemand de rots afklimmen!”

Daarop de stem verheffende, gaf hij den stouten waaghals schreeuwende
de aanwijzingen, welke hem zijne vroegere oefening en de herinnering
der plaatselijke omstandigheden oogenblikkelijk te binnen brachten. –
„Goed zoo! – goed zoo! – dien weg, dien weg! – maak het touw vast om de
Crummikpunt, om dien grooten zwarten steen! – leg twee slagen, – zoo, –
ja zoo, – nu richt u wat oostwaarts, – nog wat meer, – naar die andere
rots, wij noemden die de Kattebel; – dáár was vroeger de wortel van een
ouden eik, – dat zal gaan! voorzichtig nu, jongen! – houd moed! – neem
wat tijd! – God zegene u! neem wat tijd! – Zeer goed! – Nu moet gij
gaan naar Lijsjes Schoot, – dat is de breede, vlakke steen, – en dan
denk ik, dat wij met uwe hulp en met die van het touw, de jonge dame en
Sir Arthur naar boven zullen krijgen!”

De waaghals, de aanwijzingen van den ouden Adam volgende, smeet hem het
eind van het touw toe, dat deze zorgvuldig om het lijf van Isabella
bond, na haar vooraf in zijn eigen blauwen rok gewikkeld te hebben, om
haar zoo veel mogelijk te beveiligen. Toen, zelf het touw grijpende,
dat boven vastgemaakt was, begon hij tegen de steile rots op te
klouteren, – eene zeer gewaagde, duizelingwekkende onderneming, in
welke hij nochtans, na twee gevaarlijke oogenblikken, slaagde, en
behouden op den breeden, vlakken steen naast onzen vriend Lovel plaats
nam. Hunne vereenigde krachten stelden hen ook dadelijk in staat,
Isabella in veiligheid naar boven te trekken. Daarop liet Lovel zich
naar beneden, om Sir Arthur bij te staan, wond het touw onder zijne
schouders, en toen naar hunne wijkplaats terug klimmende, haalde hij,
met den bijstand van den ouden Ochiltree, en zulke hulp als Sir Arthur
zelf verleenen kon, ook dezen buiten het bereik der baren.

De bewustheid van een naderenden en oogenschijnlijk onvermijdelijken
dood verlost te zijn, had de gewone uitwerking. Vader en dochter
wierpen zich elkaâr in de armen, kusten elkander en weenden van
vreugde, ofschoon hunne bevrijding verbonden was met het vooruitzicht
van een stormachtigen nacht door te brengen op eene steile rots,
nauwelijks breed genoeg voor de vier rillende wezens, die, gelijk de
zeevogels om hen heen, zich daar te zamen drongen, in de hoop van
eenige bescherming te vinden tegen het verslindend element, dat onder
hen woedde. Het schuim der baren, die, steeds elkander vervangende, den
voet der steilte bereikten, terwijl zij het strand overstroomden, waar
zij nog zoo kortelings stonden, vloog tot aan hunne tegenwoordige
wijkplaats; en het bedwelmend geluid, waarmede zij onder tegen de
rotsen sloegen, scheen nog altijd met eene donderende stem de
gevluchten, als eene rechtmatige prooi terug te eischen. Het was, wel
is waar een zomernacht, maar nochtans weinig waarschijnlijk, dat een
gestel zoo tenger als dat van Isabella, tot aan den morgen zulk een
grooten angst zou kunnen doorstaan; en de stortregens, die nu met
geweld losbraken, vergezeld van lange, hevige windvlagen, vermeerderden
hun nood en gevaar.

„Die lieve jonge dame, dat arme meisje!” zei de oude man; „menigen
nacht van dien aard heb ik in en buiten mijn vaderland onder den
blooten hemel doorgebracht; maar, God help ons, – hoe zal zij het
uithouden?”

Met halve woorden gaf hij zijne bezorgdheid aan Lovel te kennen; want
met die eigenaardige vlugheid, waarmede stoute en moedige zielen
elkander in oogenblikken van gevaar dadelijk verstaan en herkennen,
bestond er reeds een onderling vertrouwen tusschen hen. – „Ik zal de
rots weêr opklimmen,” zeide Lovel; „er is eene schemering genoeg, om te
zien waar ik den voet zet; ik zal weêr naar boven klimmen en hulp
halen.”

„Doe dat, doe dat, om ’s Hemels wil!” riep Sir Arthur gretig.

„Zijt gij razend?” zei de bedelaar. „Frans van Fowlsheugh (en hij was
de stoutste en beste klimmer, die ooit geleefd heeft; – hij brak dan
ook den hals op de Dunbuyrotsen,) zou het op de Halket-head klippen na
zonsondergang niet gewaagd hebben. – Het is door Gods goedheid alleen,
en een groot wonder er bij, dat gij niet in ’t midden van de holle zee
daar onder ons ligt, na hetgeen gij reeds gedaan hebt! Ik dacht niet,
dat er één man leefde, die de klippen zou kunnen afkomen, zoo als gij
dat gedaan hebt. Ik zelf, geloof ik, zou het niet klaar gespeeld hebben
op dit uur en in dit weêr, toen ik nog jong en sterk was. Maar om het
nog eens te wagen – dat is te veel, dat is de Voorzienigheid tarten!”

„Ik heb dienaangaande geene vrees,” zeide Lovel; „ik nam alles goed op,
toen ik naar beneden kwam, en het is nog licht genoeg, om alles te
onderscheiden; – ik ben zeker, dat ik het zonder gevaar doen kan. Blijf
hier, mijn goede vriend, bij Sir Arthur en de jonge dame!”

„Dan zal mij de duivel terughouden,” antwoordde de bedelaar kortaf;
„als gij gaat, ga ik meê; want zijn we met ons beiden, dan zal het ons
toch zwaar genoeg vallen om den top der hoogte te bereiken!”

„Neen, neen! – blijf hier, en pas op de jonge dame; – gij ziet, dat Sir
Arthur bijna uitgeput is!”

„Blijf gij zelf dan, en ik zal gaan,” hernam de oude man; „laat de dood
het groene koren sparen en het rijpe nemen.”

„Blijft beiden hier, ik beveel het u!” sprak Isabella met zwakke stem.
„Ik ben wèl, en kan den nacht zeer goed hier doorbrengen; – ik gevoel
mij geheel hersteld” en met deze woorden begaf haar de stem; zij zeeg
neêr, en zou van de klip gevallen zijn, als Lovel en Ochiltree haar
niet ondersteund hadden. Zij plaatsten haar half zittende, half
achterover liggende, naast haar vader, die, uitgeput door de overgroote
en ongewone inspanning van geest en lichaam, zich reeds in een half
wezenloozen toestand neêrgezet had op den steen.

„Wij kunnen hen onmogelijk aan zich zelven overlaten,” zeide Lovel; –
„Wat nu te doen? – Maar stil! stil! ik hoor roepen?”

„Het geschreeuw van een zeevogel!” antwoordde Ochiltree, „ik ken het
geluid zeer goed.”

„Neen, bij den hemel!” hernam Lovel, „het was eene menschelijke stem!”
Het roepen werd in de verte herhaald, en het geluid was duidelijk te
onderscheiden van dat der twistende elementen, en der in de nabijheid
krijschende zeemeeuwen. De bedelaar en Lovel verhieven nu hunne stemmen
terwijl de eerste den zakdoek van Isabella aan het einde van zijn stok
zwaaide, om van boven de aandacht te trekken. Ofschoon het roepen
herhaald werd, duurde het echter eenigen tijd, eer het in antwoord op
hunne stemmen was, en de ongelukkige lijders bleven zoolang in het
onzekere, of zij, bij de duistere schemering en bij het toenemen van
den storm, de lieden, die waarschijnlijk de toppen der steilten
overtrokken om hun hulp toe te brengen, de plaats zouden kunnen kenbaar
maken, waar zij eene toevlucht gevonden hadden. Eindelijk werden hunne
„Holla’s!” geregeld en duidelijk beantwoord, en hun moed werd gesterkt
door de zekerheid, dat zij zich binnen het gehoor, zoo al niet binnen
het bereik van menschlijken bijstand bevonden.








ACHTSTE HOOFDSTUK


                       Er is een klip, wier hoog gebogen top
                     Verschriklijk hangt naar den afgrond beneden;
                       Breng mij slechts tot den rand daar op,
                     Voor al uw lijden stel ik u tevreden.

                                             Shakespeare’s Koning Lear.


Het geluid der stemmen boven hunne hoofden nam weldra toe, en het licht
der fakkels vereenigde zich met de avondschemering, die nog steeds door
de duisternis van den storm flikkerde. De menschen op de hoogte, en de
lijders in de diepte, nog altijd tot hunne gevaarlijke wijkplaats
beperkt, deden eenige pogingen, om zich te doen verstaan; maar het
gehuil der winden maakte het weêrkeerig geroep even onduidelijk en
verward, als het geschreeuw, dat de gevleugelde rotsbewoners,
verschrikt door de herhaalde klanken der menschenstemmen, waaraan zij
weinig gewoon waren, gezamenlijk aanhieven.

Op de kruin der rots had zich nu eene met angst vervulde groep
verzameld. Oldbuck was de eerste en driftigste; hij ijlde met zeldzamen
moed vooruit, tot op den uitersten rand van den afgrond, en keek (met
zijn hoed en pruik onder de kin met een zakdoek vastgebonden,) zoo
onverschrokken van de bedwelmende hoogte naar beneden, dat het de
minder moedige omstanders deed beven.

„Neem u in acht, neem u in acht, Monkbarns!” riep Caxon, terwijl hij
zijn patroon bij de panden van den rok greep, en, zoo veel het zijne
krachten toelieten, van het gevaar terughield; – „in Gods naam, pas op!
– Sir Arthur is reeds verdronken, en als gij mij ook afvalt, dan blijft
er nog maar ééne pruik in de buurt over, en dat is die van den Dominé!”

„Let op de rotspunt daar!” riep Mucklebackit, een oude visscher en
smokkelaar. „Denk aan de spits, Steven! – Steven Wilks! breng het
touwwerk naar boven. Ik sta er reeds voor in, Monkbarns, wij zullen hen
spoedig aan boord hijschen, als gij maar uit den weg wilt gaan!”

„Ik zie hen!” riep Oldbuck, „ik zie hen daar beneden op dien platten
steen! Holla! – Holla hé! – holla hé!”

„Ik zie hen best,” zeide Mucklebackit, „zij zitten daar beneden, als
kraaien in de mot; maar denkt gij hen te helpen met krassen, als eene
oude meeuw voor een slagregen? Steven, jongen, breng den mast naar
boven! Ik haal hen op, even als vroeger de jenever- en
brandewijnsvaten! Breng het houweel; – maak een gat voor den mast; –
bind den stoel aan den ketting vast! – hecht en stevig!”

De schippers hadden den mast uit eene boot mede gebracht, en daar thans
bijna al de jonge borsten uit den omtrek, deels uit belangstelling,
deels uit nieuwsgierigheid verschenen waren, stond de mast weldra vast
in den grond. Eene ra, dwars tegen den rechtop staanden mast, en eene
lijn, door katrollen gaande, vormde eene soort van kraan, waarmede men
een welverzorgden en vastgemaakten leuningstoel naar de rots kon laten
zakken, waarop zich de ongelukkigen bevonden. Maar de vreugde, die
dezen bij het ontwaren der toebereidselen ter hunner verlossing
gevoelden, werd merkelijk getemperd, toen zij het gevaarlijke middel
zagen, dat hen naar boven brengen moest. De stoel zwaaide eenige voeten
van de plaats, waar zij zich bevonden, in de ledige luchtruimte, door
den storm in alle richtingen geslingerd, slechts door eene lijn
gehouden, welke de toenemende duisternis bijna onzichtbaar maakte. En
was het gewaagd, op zulk wrak tuig naar boven te stijgen, men liep
daarbij het verschrikkelijke gevaar, van door den wind, of door de
slingeringen van het touw tegen de scherpe rotspunten geslagen te
worden. Maar om dit gevaar zoo veel mogelijk te verminderen, had de
ervaren zeeman tegelijk met den stoel eene andere lijn naar beneden
gelaten, die daaraan vastgemaakt, en beneden vast gehouden, zou kunnen
dienen om de beweging van den stoel eenigzins vaster en meer geregeld
te maken. Evenwel werd er een moed vereischt, dien de wanhoop alleen
geven kon, om zich, onder het gehuil der stormwinden en regenvlagen,
met overhangende steilten boven het hoofd, en een onpeilbaren afgrond
onder de voeten, aan zulk een gevaarte toe te vertrouwen. Hoe
verschrikkelijk groot intusschen het gevaar zich overal aan oog en oor
voordeed; hoe bedenkelijk en gewaagd het middel om zich te redden ook
scheen, besloten nochtans Lovel en de oude bedelaar, na een oogenblik
beraads, om er zich van te bedienen, en, nadat Lovel, niet zonder groot
gevaar, de voldoende sterkte van de lijn beproefd had, vonden zij het
raadzaam Isabella in den stoel te plaatsen, en het aan de
voorzichtigheid en zorg van hunne vrienden toe te vertrouwen om haar
behouden naar de kruin der rots op te hijschen.

„Laat mijn vader eerst gaan!” riep Isabella uit, „om Gods wil, mijne
vrienden, brengt hem eerst in veiligheid!”

„Dat kan niet,” zeide Lovel; „uw leven moet het eerst gered worden; –
de lijn, tegen uw gewicht bestand, zou kunnen –”

„Neen, neen, neen! ik wil naar zulk eene zelfzuchtige reden niet
hooren.”

„Maar gij moet er naar hooren, schoone dame;” sprak Ochiltree; „want
het leven van ons allen hangt er van af. Daarbij, als gij daar op den
top der hoogte gekomen zijt, kunt gij hun een duidelijk bericht geven,
hoe het hier op ons Patmos gesteld is; – en Sir Arthur is niet in staat
om dat te doen, naar het mij voorkomt.”

Getroffen door de juistheid van deze redeneering, riep, Isabella uit:
„Dat is waar – zeer waar! ik ben bereid, om de eerste kans te wagen.
Wat moet ik onze vrienden daar boven zeggen?”

„Goed toe te zien, dat het touw niet tegen de zijden der steilte
wrijft, en dat zij den stoel voorzichtig aflaten en ophalen. – Wij
zullen roepen, als wij klaar zijn!”

Met de zorgvuldige oplettendheid van een vader voor zijn kind, bond
Lovel Isabella, door middel van zijn zakdoek, das en des bedelaars
lederen riem, vast aan den rug en de leuningen van den armstoel,
nauwkeurig de hechtheid van elken knoop beproevende, terwijl Ochiltree
Sir Arthur gerust stelde.

„Wat begint gij met mijne dochter? – Wat voert gij uit? – Men zal haar
niet van mij scheiden. – Isabella! blijf bij mij, ik beveel het u!”

„Om Gods wil, Sir Arthur, houd u stil, en dank den hemel, dat er
wijzere lieden zijn dan gij, om het werk te doen,” riep de bedelaar,
eindelijk door het onredelijk geschreeuw van den armen Baronet
uitgeput.

„Vaarwel, vader!” stamelde Isabella, – „vaarwel mijne – mijne
vrienden!” en de oogen sluitende volgens den raad van den ervaren
Adams, gaf zij het teeken aan Lovel, en deze aan hen die boven waren.
Zij werd naar boven getrokken, terwijl Lovel den stoel in de richting
hield, door de lijn die hij beneden greep. Met een kloppend hart
staarde hij de zwevende, witte gestalte na, tot de stoel den bovensten
rand der steilte bereikt had.

„Moed nu, jongens! moed nu!” riep de oude Mucklebackit, die als
kapitein handelde; „draait de ra een weinig. – Nu, zoo, – daar zit zij
op het drooge!”

Een luid hoezee! kondigde den gelukkigen uitslag aan hare vrienden
beneden, die ook dadelijk met een hartelijk hoezee! antwoordden. In
zijne verrukking, ontdeed Monkbarns zich van zijn overrok, om er de
jonge dame in te hullen, en zou daarbij mede zijn jas en vest
uitgetrokken hebben, als hem de zorgvuldige Caxon niet weêrhouden had.
„Voorzichtig! voorzichtig, mijnheer! Gij zult u een doodelijke hoest op
den hals halen! – in veertien dagen zijt gij de koû niet kwijt, die gij
van nacht opdoet, – en dat zou ons slecht aanstaan. – Neen, neen! –
daar staat het rijtuig dicht bij; laten twee van ons de jonge dame daar
naar toe brengen!”

„Gij hebt gelijk,” zei de oudheidkenner, terwijl hij de mouwen en de
kraag van zijn rok weêr toemaakte; „gij hebt gelijk, Caxon, dit is een
ellendige nacht, om in te zwemmen! – Isabella, sta toe, dat ik u naar
het rijtuig geleide!”

„Om alles ter wereld niet, eer ik mijn vader in veiligheid zie!”

Met weinige, duidelijke woorden, die te kennen gaven, hoezeer haar moed
de natuurlijke vrees bij zulk een ontzettend gevaar overwonnen had,
beschreef zij hoe het beneden gesteld was, en welke de wenschen van
Lovel en Ochiltree waren.

„Gij hebt gelijk, – groot gelijk! – ik zou zelf den zoon van Gamelyn
van Guardover op droog land willen zien. Mij dunkt, hij zou den eed van
afzwering onderteekenen, en de Ragmanrol op den koop toe, en erkennen,
dat Koningin Maria niet beter was dan zij behoorde te zijn, om bij
mijne flesch ouden Portwijn te zitten, die hij versmaadde eer ze half
leêg was. – Maar hij is nu behouden, en daar komt hij aan,” – (want de
stoel was weêr naar beneden gelaten, en Sir Arthur, zich zelven haast
onbewust, daarin vastgemaakt,) „daar komt hij; – haalt op, jongens! –
voorzichtig! – een stamboom met honderd takken hangt aan een
tienstuivers touw; – de geheele baronie van Knockwinnock aan drie
slagen hennep; – respice finem, respice finem; – zie naar het einde; –
zie naar het touweinde! – Welkom, welkom, mijn goede oude vriend, op
vast land, ofschoon ik niet zeggen kan op warm en droog land!”

Terwijl Oldbuck naar gewoonte verder doordraafde, bevond zich Sir
Arthur behouden in de armen zijner dochter, die zich met de teederste
aandoening aan hem vasthield en daarna, zich een gezag aanmatigende,
dat de omstandigheden schenen te vorderen, aan eenigen der omstanders
opdroeg, om hem naar het rijtuig te brengen, terwijl zij beloofde
weldra zelve te volgen. Aan den arm van een ouden landman, begaf zij
zich toen weêr naar den rand der rots, waarschijnlijk om ooggetuige te
zijn van het behoud van hen, die het gevaar met haar gedeeld hadden.

„Wie komt daar aan?” zeide Oldbuck, toen de stoel nog eenmaal naar
boven steeg. „Wat drommel is dat voor een zeevisch?” En toen de fakkels
de ruwe gelaatstrekken en de grijze haren van den ouden Ochiltree
verlichtten, – „hoe! zijt gij het? – Kom, oude spotboef, ik moet, of ik
wil of niet, vriend met u zijn; – maar wie duivel is uw makker daar
beneden?”

„Iemand, die alléén wel twee van ons waard is, Monkbarns! Het is de
jonge vreemdeling, dien men Lovel noemt, – en hij gedroeg zich heden
nacht, alsof hij tien levens te verliezen had en die allen op het spel
wilde zetten, liever dan dat iemand anders gevaar zou loopen! –
Voorzichtig, heeren! als gij hebben wilt, dat een oude man u zegene; –
denkt, dat er niemand beneden is, om den stoel te bestieren! – Past op
den hoek van de Kattebel! – let op den Crummicks-hoorn!”

„Ja, ja, voorzichtig!” herhaalde Oldbuck; „het is mijn rara avis – mijn
zwarte zwaan! – mijn phenix der medereizigers; – draag zorg voor hem,
Mucklebackit!”

„Zoo veel alsof hij een anker brandewijn was, meer kan ik niet doen! –
Ho! ho, vrienden! naar boven met hem!”

Lovel liep inderdaad veel meer gevaar, dan zijne voorgangers. Hij woog
niet zwaar genoeg, om zijn opstijgen te midden van zulk een stormwind
veilig te maken, en de slingerende beweging bracht hem telkens in het
doodsgevaar van tegen de rotsen verpletterd te worden. Maar hij was
jong, stout, en vlug, en slaagde, met behulp van des bedelaars stevigen
met ijzer beslagen staf, dien hij volgens den raad van den eigenaar bij
zich gehouden had, om zich voor de zijden der steilten en van de nog
veel gevaarlijker rotspunten te beveiligen, welke hem telkens
bedreigden. Als eene lichte veder in de ledige ruimte gedreven, met
eene beweging, die tegelijk de hersenen met schrik vervulde en
bedwelmde, behield hij nochtans zijn moed, zijne behendigheid en
tegenwoordigheid van geest, en eerst toen hij behouden op de kruin der
klip aangeland was, gevoelde hij zich een oogenblik ontsteld. Toen hij
uit eene soort van onmacht bijkwam, keek hij angstig in het rond. Het
voorwerp, dat hij het meeste wenschte te zien, was reeds in de verte.
Nog even kon hij de witte kleeding van Isabella onderscheiden, terwijl
zij het pad volgde, dat haar vader gegaan was. Zij had getoefd, tot zij
den laatste van het gezelschap buiten gevaar gezien en door de schorre
stem van Mucklebackit de verzekering bekomen had, dat „de klant er met
heele beenderen afgekomen, en alleen wat van streek was.” Maar Lovel
wist niet, dat zij te zijnen opzichte eene deelnemende belangstelling
getoond had, die hij, hoezeer ze niets meer te kennen gaf dan wat zij
een vreemdeling, die in zulk een tijdstip van nood haar hulp verleend
had, verschuldigd was, nochtans blijmoedig gekocht zou hebben, door het
trotseeren van nog veel grootere gevaren, dan die waaraan hij dien
avond was blootgesteld geweest. Den bedelaar had zij reeds gevraagd, om
den nacht op Knockwinnock te komen doorbrengen. Hij verontschuldigde
zich. – „Dan moet ik u morgen bij mij zien!”

De oude man beloofde te gehoorzamen. – Oldbuck stopte hem iets in de
hand. Ochiltree bekeek het bij het fakkellicht, en gaf het terug.
„Neen, neen! ik neem nooit goud aan; – en behalve dat, Monkbarns, zoudt
gij er morgen vroeg berouw over hebben. Toen zich naar de groep
visschers en boeren wendende: „Nu, heeren! wie wil mij een avondmaal
geven en wat zuiver stroo om op te liggen?”

„Ik!” „en ik!” „en ik!” antwoordden vele vriendelijke stemmen.

„Wel, nu ik dat zie, en ik maar in één schuur te gelijk slapen kan, wil
ik mij bij Saunders Mucklebackit neêrleggen. Hij heeft altijd een
droppeltje van iets versterkends in huis, – en, kinderen, ik hoop het
te beleven om u allen te herinneren, dat gij mij huisvesting en een
aalmoes beloofd hebt!” – Dit zeggende, vertrok hij met den visscher.

Oldbuck maakte zich meester van Lovel. – „Geene schrede verder van
nacht naar Fairport! – gij moet met mij huiswaarts, naar Monkbarns.
Wel, man! gij zijt een held geweest, – een volmaakte Sir William
Wallace, in alle opzichten! Kom, mijn goede jongen! neem mijn arm; – ik
ben niet al te vast ter been in zulk een wind; maar Caxon zal ons
helpen. Hier, gij oude suffert! Kom aan de andere zijde! – En hoe
drommel kwaamt gij daaronder op die helsche Lijsje’s Schoot, zoo als ze
het noemen? Lijs, zeggen zij, – vervloekte heks! – Zij spreidt haar
voddig vaandeltje of vrouwenbanier uit, gelijk al de overigen van hare
sekse, om hare aanbidders in dood en verderf te storten.”

„Ik ben tamelijk aan het klimmen gewend, en heb lang de vogelaars
nagegaan, hoe zij het maken bij het bestijgen der klippen.”

„Maar hoe kwaamt gij er toe, in Gods naam, om het gevaar van den
knorrigen Baronet en van zijne veel beminnelijker dochter te
ontdekken?”

„Ik zag hen van den rand der steilte.”

„Van den rand! – ei zoo! – en wat dreef u dumosa pendere procul de
rupe? – ofschoon dumosa niet de gepaste benaming is; – wat duivel lokte
u naar den rand van de klip?”

„Wel! – ik zie gaarne het samenpakken van een opkomenden storm; – of,
om in uwe klassieke taal te spreken, mijnheer Oldbuck, suave est mari
magno, en zoo voorts; – maar hier zijn wij aan den weg naar Fairport.
Ik moet u goeden nacht wenschen!”

„Geene schrede verder, geen voet, geen duim en, als Antiquarius
gesproken, geene shathmont, over de beteekenis van welk woord menigeen,
die tot ons vak wil behooren, zich het hoofd heeft gebroken. Het is mij
duidelijk, dat men lezen moet salmont’s-lengte, in plaats van
shatmont’s-lengte. Gij weet, dat de ruimte die men voor den doortocht
van een zalm door eene sluis, een dijk of een vijver laten moet,
volgens de wet, de lengte is, binnen welke een volwassen varken zich
kan omkeeren; – nu heb ik plan, te bewijzen, dat, daar men op het land
levende wezens dus gebruikte, om de maat onder water te bepalen, men
ook veronderstellen kan, dat de waterbewoners gebruikt werden als
maatstaf om de uitgestrektheid van het land te meten, shathmont, –
salmont; [13] – gij ziet de nauwe overeenstemming der klanken; twee hh
en eene t weggelaten, en eene l aangenomen, dat maakt al het verschil!
Gave God, dat geene oudheidkundige afleiding ooit grootere afwijkingen
gevorderd had!”

„Maar, mijn goede heer, ik moet waarlijk naar huis gaan, ik ben door en
door nat.”

„Gij zult mijn kamerjapon hebben, man! en mijne pantoffels, en u de
antiquarische koorts op den hals halen, zoo als men de pest krijgt,
door het dragen van besmette kleederen; – maar ik weet, waaraan het
hapert; – gij vreest den ouden vrijer lastig te vallen. Maar zijn er
niet de overgeschotene brokken van die kostelijke kippenpastei, die,
meo arbitrio, beter koud is dan warm; – en die flesch van mijn ouden
Port, waarvan de malle, waanzinnige Baronet (wien ik het niet vergeven
kan, nu hij den hals niet gebroken heeft,) juist één glaasje gebruikt
had, toen zijn zwak brein op hol gebracht werd door Gamelyn van
Guardover?”

Met deze woorden, sleepte hij Lovel voort, tot zij binnen de
Pelgrimspoort te Monkbarns kwamen. Nimmer, misschien, trokken er twee
voetgangers door, die meer de rust behoefden; want de uitgestane
vermoeienissen waren voor Monkbarns rechtstreeks in strijd met zijne
dagelijksche gewoonten; en zijn jonger en sterker metgezel had dien
avond zielsaandoeningen ondergaan, die hem veel meer geschokt en
afgemat hadden, dan de buitengewone inspanning zijner lichaamskrachten.








NEGENDE HOOFDSTUK


      „Zijt ge onversaagd, sprak zij, zoo kunt gij hier vernachten:
        Ons best vertrek was steeds het spookvertrek, helaas!
      Maar kan uw wakk’re moed gerust het spel verwachten
        Van rammelend gordijn- en ketenengeraas;
      Behoudt uw kloeke tong dan nog de macht van spreken,
        Als een ontzettend spook zich aan uw bed vertoont;
      Vraagt gij ’t dan stout: waarom ’t is aan zijn graf ontweken,
        Welaan, zoo wijs ik u de kamer, waar het woont!”

                                                Eene ware geschiedenis.


Zij bereikten de kamer, waar zij gegeten hadden, en werden hartelijk
door mejufvrouw Oldbuck verwelkomd.

„Waar is het jongere vrouwmensch?” vroeg de oudheidkenner.

„Inderdaad, broeder, te midden van de verwarring, wilde Mary niet naar
mij luisteren; zij stoof weg naar het Halket-head –het is vreemd, dat
gij haar dáár niet gezien hebt!”

„Hoe! – wat, – wat zegt gij, zuster? – is de deern in een nacht als
deze uitgeloopen naar de Halket-head rotsen? Goede Hemel! de ellende
van dezen nacht is nog niet voorbij!”

„Maar gij wilt mij niet aanhooren, Monkbarns, gij zijt zoo driftig en
ongeduldig?”

„Gekheid, vrouw!” hernam de onstuimige en ontroerde oudheidkenner „waar
is mijne lieve Mary?”

„Juist, waar gij zelf moest zijn, Monkbarns! – boven, en in een warm
bed.”

„Dat had ik willen zweren,” zeide Oldbuck lachende, maar merkelijk
verlicht, „ik had het willen zweren; – de luie aap zou zich er niet om
bekommeren, al waren wij allen verdronken! waarom zeidet gij, dat zij
uitgegaan was?”

„Maar gij liet mij niet uitspreken, Monkbarns! Zij ging uit, en kwam
terug met den tuinman, zoodra zij zag, dat niemand van de klip gestort,
en Isabella Wardour behouden in het rijtuig was. Zij is nu een kwartier
tehuis; want het slaat nu tien uur; – het arme kind was door en door
nat, en ik deed een glas Xeres in haar gortnat.”

„Recht zoo, Grizel! recht zoo; – dat vrouwvolkje vertroetelt elkander
altijd! Maar hoor, mijne eerwaardige zuster! – het woord eerwaardig
verschrikke u niet: het geeft vele prijzenswaardige hoedanigheden te
kennen, behalve die van den ouderdom; en ook deze is eervol, ofschoon
het de laatste hoedanigheid is, waarmede de vrouwen zich gaarne gevleid
zien! Maar overweeg mijne woorden: laat Lovel en mij dadelijk het
overschot hebben van de kippenpastei en de rest van den portwijn.”

„De kippenpastei, – de portwijn, – wel, broeder! – er waren slechts een
paar beentjes over, en nauwelijks een droppel wijn meer!”

Het gelaat van den oudheidkenner betrok, ofschoon hij te goed opgevoed
was, om in tegenwoordigheid van een vreemdeling lucht te geven aan
zijne ontevredenheid en verwondering over het verdwijnen van de
spijzen, waarop hij zeker gerekend had. Maar zijne zuster kende deze
teekens van gramschap. „O, lieve Monkbarns, is het de moeite waard, om
daar zoo veel leven om te maken?”

„Ik maak geen leven, zoo als gij het noemt, vrouw!”

„Maar is het de moeite waard, zoo zuur te kijken om een paar beentjes?
– En gij zult de waarheid hooren: gij moet weten, de dominé kwam, de
waardige man, – hij was geheel en al van streek, dat spreekt, over uw
deerniswaardig lot, zoo als hij het noemde, (want gij weet, hoe keurig
hij in zijne woorden is,) en hij wilde hier wachten, tot hij vernemen
kon, hoe het waarschijnlijk met u allen zou afloopen. Veel heerlijks
zeide hij van de verplichting, om zich aan den wil der Voorzienigheid
te onderwerpen, de waardige man! – ja, dat deed hij!”

„De waardige man!” hervatte Oldbuck op denzelfden toon: „Het zou hem
niet spijten als Monkbarns weldra aan eene vrouwelijke erfgename kwam,
dat geloof ik – en, terwijl hij zich bezig hield met den Christenplicht
van vertroosting tegen dreigend onheil, veronderstel ik dat de
kippenpastei en mijn goede portwijn verdwenen!”

„Waarde broeder! hoe kunt gij van zulke kleinigheden spreken, na zoo
gelukkig aan den dood ontsnapt te zijn?”

„Beter, dan mijn avondmaal aan den dominé ontsnapt is, Grizel! – Er is
zeker niets meer van over, veronderstel ik?”

„Wel, Monkbarns! gij spreekt, alsof er geen ander vleesch in huis was!
Het zou u niet bevallen hebben, als ik den beleefden man niet eenige
geringe verversching aangeboden had, nadat hij van de pastorie was
komen wandelen.”

Oldbuck neuriede en bromde half en half het einde van het oude
Schotsche liedje:


            „Eerst aten zij de witte poddings,
                En dan de zwarten, o!
            Toen dacht de man zoo bij zich zelv’
                De duivel huist daar, o!”


Zijne zuster haastte zich zijn misnoegen te doen bedaren, door hem
eenige overblijfsels van het middagmaal voor te zetten. Hij sprak van
eene andere flesch wijn; maar beval bij voorkeur een glas brandewijn
aan, die inderdaad voortreffelijk was. Daar Lovel niet kon overgehaald
worden, zich in de fluweelen slaapmuts en den gebloemden kamerjapon van
zijn gastheer uit te dossen, drong Oldbuck, die vermeende eenige kennis
van de geneeskunde te hebben, er op aan, dat hij zich zoodra mogelijk
naar bed zou begeven, en sloeg voor ’s morgens vroeg een bode (den
onvermoeiden Caxon) naar Fairport te zenden, om andere kleederen te
halen.

Dit was de eerste wenk voor jufvrouw Oldbuck, dat de jonge vreemdeling
dien nacht haar gast zou zijn; en zij ontstelde daarover zoo zeer, dat,
als het bovenstuk van haar hoofdtooisel, dat wij reeds beschreven
hebben, minder zwaar geweest ware, de grijze haarlokken overeind zouden
gerezen zijn en het van zijne plaats verdrongen hebben.

„Heere beware ons!” riep de ontstelde dame uit.

„Wat is er, Grizel?”

„Als ik u eventjes spreken kon, Monkbarns!”

„Spreken! – Waarover? – Ik verlang naar bed; – en deze arme jongen ook;
– laat maar dadelijk een bed voor hem gereed maken.”

„Een bed? – De hemel beware me!” steunde weder Grizelda.

„Wel, wat scheelt er aan? Zijn er geene bedden en kamers genoeg in
huis? Was het niet vroeger een oud hospitium, waarin men, zoo als ik op
goede gronden zeggen kan, alle nachten bedden spreidde voor een
twintigtal pelgrims?”

„O, waarde Monkbarns, wie kan zeggen, wat men in die oude tijden deed?
– maar in onzen tijd! – bedden! – ja wel, er zijn bedden genoeg en ook
kamers genoeg, maar gij weet zelf, dat de bedden niet beslapen, en de
kamers niet gelucht zijn, sedert de Hemel weet hoe lang. – Als ik het
geweten had, hadden Mary en ik van nacht naar de pastorie kunnen gaan;
Rebekka is zeer verlangend om ons te zien, (en de dominé ook, broeder!)
maar nu, – wel! wel!”

„Hebben wij niet de groene kamer, Grizel?”

„Ja, die hebben wij, en die is behoorlijk in orde, ofschoon er niemand
in sliep sedert Dr. Heavysterne, en –”

„En wat?”

„En wat? Gij weet zelf zeer goed, hoe hij den nacht daar doorbracht.
Gij zult den jongen heer aan zoo iets niet willen blootstellen, niet
waar?”

Lovel, dezen woordentwist aanhoorende, kwam tusschenbeide, en betuigde,
dat hij veel liever naar huis wilde wandelen, dan hun de minste
ongelegenheid veroorzaken, – dat de beweging hem goed zoude doen, – dat
hij, even goed ’s nachts, als over dag, den weg naar Fairport vinden
kon, – dat de storm bedaard was, en zoo voorts; terwijl hij er
bijvoegde al wat de beleefdheid aan de hand kon geven als aanleiding,
om van eene gastvrijheid ontslagen te worden, die de lieden van het
huis veel lastiger scheen te wezen, dan hij bij mogelijkheid had kunnen
veronderstellen. Maar het gehuil van den wind en het kletteren van den
regen tegen de vensters, gevoegd bij de herinnering aan de doorgestane
vermoeienissen, zouden Oldbuck, ook wanneer hij minder achting voor
zijn jongen vriend had gevoeld dan wezenlijk het geval was, belet
hebben zijn vertrek te gedoogen. Daarbij was zijne eer er mede gemoeid,
dat hij zich vrij en onafhankelijk van het vrouwvolkje toonde. – „Neem
plaats, ga zitten; – ga zitten, man!” herhaalde hij: „en gij zoudt zoo
vertrekken? Veel liever ontkurkte ik nooit van mijn leven eene enkele
flesch meer, en hier komt er eene puik puik, met sterke ale – geen
namaaksels, afkooksels, – maar gebrouwd van Monkbarnsche gerst. Jan van
Girnell trok er nooit eene betere open, om een zwervenden minnezanger,
of pelgrim, over het laatste nieuws uit Palestina uit te vragen. En om
u den lust te benemen van te vertrekken, weet, dat bijaldien gij het
doet, uw roem als wakkere ridder voor altijd verloren is. Wel, man, het
is een avontuur, in de groene kamer te Monkbarns te slapen! – Zuster,
ik verzoek u te zorgen, dat die in orde komt! En, ofschoon de dappere
Heavysterne veel leed en angst doorstond in dat bekoorlijk vertrek, is
dit geen reden, waarom een moedige ridder als gij, bijna tweemaal zoo
lang, en minder dan half zoo zwaar als hij, de betoovering niet zou te
gemoet gaan en verijdelen!”

„Hoe? een spook, veronderstel ik?”

„Wel zeker, wel zeker; – ieder huis in dit land, dat eenigzins oud is,
heeft zijne geesten en zijne spookkamer, en gij moet onze woning voor
niet minder aanzien, dan die van onze buren. De spoken zijn wel wat uit
de mode geraakt; maar ik heb den tijd gekend, dat gij, met het aanwezen
van den geest in eenig heerenhuis te betwijfelen, gevaar zoudt geloopen
hebben om zelf tot een geest gemaakt te worden, zoo als Hamlet zegt.
Ja, als gij aan het bestaan van Roodkapje in het kasteel van
Glenstryrim getwijfeld hadt, zou de oude Sir Peter Pepperbrand u op
zijn kasteelplein hebben uitgedaagd, en indien gij uw wapen niet zeer
behendig wist te voeren, zou hij u als een kikkert op zijn eigen erf
aangeregen hebben. Ik zelf ontsnapte eens ter nauwernood aan zulk een
gevecht; maar ik verontschuldigde mij ootmoedig, en erkende Roodkapje;
want zelfs in mijne jeugd was ik geen vriend van de monomachia, of
tweestrijd, en ging liever met den geleerde, dan met den krijgsman om,
– en het kan mij weinig schelen wie daarom mijn moed betwijfelt. God
dank! nu ben ik oud, en kan mijne drift bot vieren, zonder in de
noodzakelijkheid te zijn, om die met het blanke staal te verdedigen.”

Hier trad Mejufvrouw Oldbuck weder in de kamer met een bijzonder deftig
gelaat. „Mijnheer Lovel’s bed is gereed, broeder! Schoone lakens, –
goed gelucht, – wat vuur in den haard, – zeker, mijnheer Lovel, het was
niet om de moeite, – en ik wensch u wel te rusten; maar, –”

„Gij hebt besloten, om dat zoo veel mogelijk te beletten.”

„Ik? – Dat heb ik zeker niet gezegd, Monkbarns!”

„Mijne lieve jufvrouw,” zeide Lovel; „vergun mij te vragen, wat toch
die vleiende ongerustheid omtrent mijn welzijn beteekent?”

„Monkbarns hoort er niet gaarne van spreken; maar hij weet zelf, dat de
kamer een slechten naam heeft. Men weet zeer goed dat het dáár was, dat
de oude Robert Tull, de stadsschrijver sliep, toen hij die
wonderbaarlijke inlichtingen kreeg omtrent het groote proces tusschen
ons en de heeren van Mosselklip. Het heeft honderden gekost, mijnheer
Lovel, want de processen werden lang geleden, evenmin als tegenwoordig,
zonder geld gevoerd, – en de Monkbarns van dien tijd, onze grootvader,
mijnheer Lovel, zoo als ik te voren zeide, – stond op het punt, om
veroordeeld te worden, bij gebrek van één papier. Monkbarns weet wel,
wat voor een papier het was: maar ik ben zeker, dat hij mij niet zal
helpen met mijne historie; – maar het was een papier van groot belang
bij het proces, en wij moesten het verliezen, omdat wij het stuk niet
hadden. Welnu, – de zaak moest dienen voor de zitting van het hof op
een bepaalden dag, en de oude Robert Tull, de stadsschrijver kwam over,
om nog een laatst onderzoek te doen naar het stuk, dat ontbrak, eer
onze grootvader naar Edinburg ging, om bij de behandeling van de zaak
tegenwoordig te zijn: dus was er niet veel tijd te verliezen. Het was
maar een onwetende suffert, die Robert, zoo als ik gehoord heb; maar
hij was toen stadsschrijver te Fairport, en de Monkbarns gebruikten hem
in hunne rechtszaken, wegens hunne betrekking tot de stad, zoo als gij
weet, –”

„Zuster Grizel, dit is onuitstaanbaar!” viel Oldbuck haar in de rede.
„Bij den Hemel! gij zoudt de geesten van alle abten van Trotcosey
sedert de dagen van Waldemar uit hunne graven hebben kunnen doen
verrijzen, in den tijd, dien gij tot de bezwering van één enkel spook
besteed hebt. Leer beknopt te zijn in uwe verhalen. Volg den korten
stijl na van den ouden Aubrey, een ervaren geestbezweerder, die zijne
aanteekeningen over deze onderwerpen op eene korte, zaakrijke wijze
maakte; exempli gratia: „Te Cirencester, 5 Maart 1670, was er eene
verschijning; – gevraagd zijnde, of een goede, of een kwade geest?
antwoordde hij niet, maar verdween oogenblikkelijk, met een
zonderlingen geur en een welluidenden klank.” Vide zijne
Mengelschriften, blz. achttien, en, zoo veel ik mij herinneren kan,
omtrent het midden van de pagina.”

„O, Monkbarns, mensch! denkt gij, dat iedereen zoo geleerd is als gij?
– maar gij houdt er van de menschen voor den gek te houden; – gij doet
dat met Sir Arthur, ja zelfs met den dominé!”

„De natuur is mij vóor geweest, Grizel, ten opzichte van deze beiden,
en nog in éen ander geval, waarvan ik niet spreken zal; – maar neem een
glas ale, Grizel, en ga voort met uw verhaal; want het wordt laat.”

„Jenny is bezig met uw bed te warmen, Monkbarns, en gij moet toch
wachten totdat zij klaar is. – Wel, ik was juist tot het onderzoek
gekomen, door onzen grootvader Monkbarns met den ouden Robert Tull
ingesteld; maar wat zij deden, zij konden niets vinden, om hen te
helpen; en zie, – nadat zij eene menigte lederen zakken met papieren
leêg geschud en doorsnuffeld hadden, kreeg de stadsschrijver zijn
glaasje punch; – maar niet meer dan noodig was, om de stof uit zijne
keel te spoelen: want wij waren hier nooit groote drinkers, mijnheer
Lovel; – maar die man had zich zoo gewend aan het drinken en klinken
met de schouten en schepenen, als zij over de gemeente zaken
vergaderden, (en dat was bijna alle avonden,) dat hij zonder dat niet
slapen kon. Nu, hij kreeg dan zijn glaasje punch en ging naar bed –
maar midden in den nacht werd hij verschrikt wakker! – na dien tijd is
hij nooit meer recht bij zijn stuk geweest, en juist vier jaren daarna,
kreeg hij op denzelfden datum eene beroerte. Het kwam hem voor,
mijnheer Lovel, alsof hij de gordijnen van het bed hoorde rammelen, en
hij stak er het hoofd uit, denkende, die goede man! dat het de kat was;
– maar hij zag, – de Hemel sta ons bij! – ik ril er van, ofschoon ik de
historie wel twintigmaal verhaald heb, – hij zag een welvarenden ouden
heer, in den maneschijn, naast zijn bed staan, met een ouderwetschen
rok vol knoopen en lissen, en dat gedeelte van zijne kleeding, waarover
het eene dame niet past te spreken, was heel breed en wijd, met vele
plooien, als dat van een Hamburgschen schipper; – daarbij had hij een
baard, en op de bovenlip een ontzettend langen knevel, die opwaarts
krulde; en er waren nog vele andere bijzonderheden, daar Robert Tull
van vertelde, maar die nu vergeten zijn: want het is eene oude
historie. Wel nu, Robert was een eerlijk man voor een stadsschrijver,
en was minder bang, dan men had mogen verwachten. Hij vroeg den geest,
wat hij in vredes naam wilde? – En de geest antwoordde in eene
onbekende taal. Toen, zeide Robert, beproefde hij ’t met het Celtisch;
want hij kwam, in zijne jeugd, uit de Hooglanden van Glenlivat, maar
dat wilde niet lukken. Wel nu, in zijne vrees, vielen hem een paar
woorden Latijn te binnen, die hij in zijne stukken placht te gebruiken,
– en nauwelijks had hij den geest daarmede aangesproken, of deze wierp
hem zooveel Latijn naar het hoofd, dat de arme Robert Tull, die
volstrekt geen geleerde was, er geheel van verpletterd stond. Hij vatte
nochtans moed en herinnerde zich den Latijnschen naam van het stuk, dat
hij zocht. Het was eene soort van kaart, naar ik mij verbeeld; want de
geest schreeuwde maar: Carter, Carter!”.

„Carta, gij taalschendster!” riep Oldbuck; „als mijn voorvader geene
betere taal geleerd had in de andere wereld, zal hij toch ook niet zijn
Latijn vergeten hebben, dat hem zoo beroemd op deze aarde maakte.”

„Wel, wel, zoo zij het; Carta dan; maar zij, die mij de historie
vertelden, zeiden Carter; – hij schreeuwde dus Carta, als het Carta
wezen moet, en gaf aan Robert een teeken om hem te volgen. Tull vatte
moed als een Hooglander, sprong uit het bed, nam van zijne kleederen
meê, wat hem het eerste voor de hand kwam, en volgde het spook, trap
op, trap af, naar de plaats, die wij de hooge duiventil noemen, – een
kleine toren aan den hoek van het huis, waar een stapel oude kisten en
koffers stonden, – en daar gaf de geest Robert met één voet een stoot,
en schopte hem met den anderen tegen dat oude, Oostindische gevaarte
van een kabinet, dat mijn broeder nu naast zijne schrijftafel heeft
staan; waarna hij als een tabakswolkje verdween, en Robert in een zeer
beklagenswaardigen toestand achterliet.”

„Tenues secessit in auras, zeide Oldbuck, „et mansit odor, – mijnheer!
Maar zeker is het, dat het stuk gevonden werd in eene lade van dit
vergeten repositorium, hetwelk vele andere belangrijke papieren
bevatte, die nu behoorlijk schoon gemaakt en geschikt zijn, en welke
aan mijne voorzaten, de eerste bezitters van Monkbarns, schijnen te
hebben toebehoord. Hetgeen men dus op eene vreemde wijze terugvond, was
het oorspronkelijke Charter, de Abdij, met de daarbij behoorende landen
van Trotcosey, Monkbarns en anderen, tot eene leenheerlijkheid
verheffende, ten behoeve van den eersten Graaf van Glengibber, een
gunsteling van Jakob VI. Het is door den Koning onderteekend te
Westminster, den zeventienden Januari van het jaar onzes Heeren duizend
zes honderd en twaalf – dertien. Overigens is het de moeite niet waard
om de namen der getuigen te noemen.”

„Ik wenschte liever,” zeide Lovel, „uw gevoelen te vernemen over de
wijze, hoe men die ontdekking deed.”

„Had ik eene autoriteit noodig, om de overlevering omtrent het oude
huis Monkbarns te staven, ik zou u niemand minder dan den heiligen
Augustinus noemen kunnen, die ons de geschiedenis verhaalt van een
afgestorvene, die aan zijn zoon verscheen, dien men wegens eene reeds
betaalde schuld vervolgde, en hem de plaats aanwees, waar de kwitantie
te vinden was [14]. Maar ik kleef veeleer het gevoelen aan van Lord
Bacon, die zegt, dat de verbeeldingskracht in een zeer nauw verband
staat met het geloof aan wonderwerken. Van oudsher bestond er een
ongerijmd verhaal, dat in die kamer de geest spookte van mijn voorvader
Oldobrand Oldenbuck; – hij was een vreemdeling, en droeg zijne
volkskleeding, waarvan men bij overlevering eene nauwkeurige
beschrijving heeft; en er bestaat inderdaad een portret van hem, – naar
men veronderstelt door Reginald Elstracke, – en waarop hij voorgesteld
wordt op de drukkerij, met eigen hand aan de pers werkende, bij het
afdrukken van zijne zeldzaam gewordene uitgave der Augsburgsche
Geloofsbelijdenis. Hij was een even goed schei- als werktuigkundige, en
eene van deze twee hoedanigheden was te dien tijd in dit land genoeg,
om er ten minste een tooversprookje van te maken. De bijgeloovige oude
schrijver Robert had dit alles gehoord, en geloofde het zeer
waarschijnlijk, en in den slaap brachten hem de plaats en de
herinnering aan mijn voorvader op dat van zijn kabinet terug, dat met
de dankbare oplettendheid, die de oudheden en de nagedachtenis onzer
voorouders veelal ten deel valt, in het duivenhok geduwd was, om het
uit den weg te hebben. – Voeg er nu eene genoegzame hoeveelheid
overdrijving bij, dan hebt gij den sleutel tot het geheim.”

„O, broêr, broêr! Maar Dr. Heavysterne, broêr! – wiens slaap zoo akelig
gestoord werd, – die verklaarde, voor geheel, Monkbarns, geen tweeden
nacht in de groene kamer te willen doorbrengen, zoodat Mary en ik
genoodzaakt waren, de onze af te staan.”

„Nu ja, Grizel, de dokter is een goede eerlijke Duitscher, die vele
verdiensten heeft, op zijne wijze; maar, even als velen zijner
landslieden, is hij een liefhebber van het geheimzinnige. Den geheelen
avond bracht gij te zamen over spoken sprekende door, terwijl hij u
vertelsels opdischte van Mesmer, Shröpfer, Cagliostro en andere
hedendaagsche voorstanders van de kunst, om geesten te doen verrijzen,
schatten te ontdekken, en zoo voorts, in ruil tegen uwe vertelsels van
de groene slaapkamer. En daarbij overwegende, dat de Illustrissimus
anderhalf pond Schotsche schapenribbetjes gebruikte voor zijn
avondmaal, zes pijpen rookte, en ale en brandewijn naar verhouding
dronk, dan verwondert het mij niet, dat hij een aanval van nachtmerrie
kreeg. – Vergun mij nu, mijnheer Lovel, u vóor te lichten naar uw
vertrek. Gij hebt zeker rust noodig, – en ik vertrouw, dat mijn
voorzaat te veel besef zal hebben van de plichten der gastvrijheid, om
u in eene nachtrust te storen, die gij door uw manhaftig en ridderlijk
gedrag zoo goed verdiend hebt.”

Met deze woorden nam de oudheidkenner een grooten kandelaar op van
zwaar zilver en ouderwetschen vorm, waarvan hij deed opmerken, dat die
gemaakt was van zilver in het Hartzgebergte gevonden, en het eigendom
was geweest van den persoon zelven, die dezen avond de stof tot het
gesprek geleverd had. En nu wees hij den weg door eene menigte donkere
en tochtige gangen, nu eens klimmende, dan weêr dalende, tot zij het
vertrek bereikten, dat voor zijn jongen gast bestemd was.








TIENDE HOOFDSTUK


        Wanneer de middernacht bij eene donk’re maan,
        Het zwarte rouwkleed spreidt, en mensch en dieren zwijgen;
        Wanneer de klokken ’t uur eentoonig langzaam slaan,
        Waarop de dooden stil uit hunne graven stijgen;
        Zoo zie ik wel geen schim mij volgen op den hiel,
        Geen’ ontevred’nen geest mijn legerstede nad’ren;
        Maar ak’lig spookt het dan in ’t diepste mijner ziel: –
        Ik zie verdwenen hoop, en ’t bloed stolt in mijne ad’ren.

                                                         W. R. Spencer.


Toen zij in de zoogenaamde groene kamer gekomen waren, plaatste Oldbuck
den kandelaar op eene toilettafel, vóor een zeer grooten spiegel met
een zwart Chineesch verlakten rand, omgeven van toiletdoosjes in
denzelfden smaak, en keek eenigszins ontroerd rond. „Zelden,” zeide
hij, „kom ik in dit vertrek, en nooit, zonder mij aan eene sombere
droefgeestigheid over te geven; – niet opgewekt door de kinderachtige
ongerijmdheden, waarvan Grizel u vertelde; maar voortspruitende uit
eene vroegere ongelukkige neiging. – Het is in oogenblikken als deze,
mijnheer Lovel, dat wij de veranderingen, door den tijd veroorzaakt,
gevoelen. Wij hebben dezelfde voorwerpen vóór ons; – deze onbezielde
dingen, waarop wij als eigenzinnige kinderen, als onstuimige
jongelingen, als nadenkende en bedaarde mannen staarden, zijn en waren
onveranderlijk; maar, wanneer wij ze in onzen kouden, gevoelloozen
ouderdom aanschouwen, kunnen wij dan, – veranderd in onzen gemoedsaard,
in onze neigingen, en in onze gewaarwordingen, – veranderd in onze
gestalte, in ons uiterlijk, in onze krachten, – kunnen wij dan nog wel
dezelfden genoemd worden? Of zien wij niet eerder met een soort van
verwondering op ons vorig bestaan terug, als op dat van een ander
wezen, onderscheiden van hetgeen wij nu werkelijk zijn? De wijsgeer,
die zich van den beschonken Filippus op den nuchteren Filippus beriep,
koos geen zoo verschillenden rechter, als wanneer hij zich van Filippus
den jongeling op Filippus den grijsaard beroepen had. Onwillekeurig
overmeestert mij de gewaarwording, zoo heerlijk uitgedrukt in een
dichtstuk, dat ik heb hooren voorlezen: [15]


            „Een kindsche traan mijn oog bevocht,
              Weemoedig wordt mijn hart;
            Den klank toch, dien ’k toen hooren mocht,
              Hoor ik nog onverward.
            Zoo gaat het in den grijzen staat;
              Nog treurt de wijze man
            Meer om hetgeen de tijd hem laat,
              Dan wat de tijd hem nam.”


„Wel nu, de tijd geneest iedere wonde, en ofschoon het litteeken
overblijft en soms pijnigt, gevoelt men echter niet meer de smarte van
het eerste oogenblik, toen ze ons toegebracht werd.” – Met deze
woorden, drukte hij Lovel hartelijk de hand, wenschte hem goeden nacht,
en vertrok.

Stap voor stap kon Lovel zijn gastheer zich hooren verwijderen door de
verschillende gangen van het huis, en elke deur, die deze achter zich
toedeed, klonk al doffer en doffer. Lovel, thans van de wereld
afgescheiden, nam den kandelaar op, en onderzocht zijn slaapvertrek.
Het vuur brandde helder. Mejufvrouw Grizel had de oplettendheid gehad
om er een voorraad hout bij te laten, als hij verkiezen mocht door te
stoken, en het vertrek had een aangenaam, hoewel geen vroolijk
voorkomen. Het was behangen met een tapijt uit de fabrieken van Arras,
in de zestiende eeuw geweven, dat de geleerde boekdrukker, van wien wij
zoo dikwijls gewaagden, mede gebracht had, als een kunstwerk van het
vasteland. Het stelde eene jacht voor: en daar de takken der boomen
zich over het behangsel verspreidden, en het groen dus de heerschende
kleur was, had het vertrek de benaming van de groene kamer gekregen.
Stijve figuren, in oude Vlaamsche kleederdracht, met bonte wambuizen,
bezet met linten, korte manteltjes en wijde broeken, waren bezig met
hunne verschillende soorten van hazewinden, of jachthonden, gekoppeld
vast te houden, of dreven ze op het wild aan. Anderen vielen met
hartsvangers, zwaarden en ouderwetsche snaphanen, herten en everzwijnen
aan, die tot staan gebracht waren. Op de takken der geweven boomen
zaten vogels van verschillenden aard, elk met zijne eigenaardige bonte
vederen. Het scheen alsof de vruchtbare verbeelding van den ouden
Chaucer den Vlaamschen kunstenaar bezield had; en Oldbuck had dan ook
de volgende dichtregels van dien voortreffelijken ouden dichter, met
Gothische letter, op een soort van rand doen borduren, en onder aan het
tapijt laten zetten:


        „Zie! hoe die groete eycken zich heffen in accoert,
          Ende onder ’t malsche gras preyckt als koerenaeren,
        Negen voet van elkaer ghene sin naebuer stoert,
          Met breide tacken rick vol van nuewe blaeren,
        Ontsproenghen in die sonne sein
          Gulden roed ende glinstrend gruen.”


Op een ander vak bevond zich het volgende oude vers:


        „Ende viele harten ende seer viele hinden,
          Waeren voer mi ende achter mi te vinden;
        Van paeuwen van cudden crioelde ’t wout,
          Boucken ende geyten doorgraesden ’t hout;
        Enbe hoeg in die boemen en Eyckhoerns zaeten,
          Die sproenghen of cloemmen of noeten aeten.”


Het bekleedsel van het ledekant was verschoten donker groen, in
overeenstemming met het behangsel, maar van latere dagteekening en van
een minder bekwamen meester. De zware, breede stoelen met gevulde
zittingen en zwart ebbenhouten ruggen, waren in denzelfden smaak
geborduurd, en boven den ouderwetschen schoorsteenmantel hing een
groote spiegel, waarvan de lijst met de versiersels van de toilettafel
overeenkwam.

„Ik heb wel eens gehoord,” mompelde Lovel, terwijl hij een vluchtiger
blik wierp op de kamer en hare stoffering, „dat de spoken dikwijls het
beste vertrek in het huis kiezen voor hun oponthoud, en ik kan den
smaak van wijlen den drukker der Augsburgsche Geloofsbelijdenis niet
afkeuren.” Maar hij vond het zoo moeielijk, om zijne gedachten te
vestigen op de verhalen, die men hem gedaan had van een vertrek, dat er
zoo bijzonder voor geschikt scheen, dat het hem bijna speet, de
onrustige gewaarwordingen, gedeeltelijk van vrees, gedeeltelijk van
nieuwsgierigheid, niet te gevoelen, die met de oude ontzag en
verwondering verwekkende overleveringen strookten, en waarvan hem de
droevige zekerheid van zijne eigene hopelooze liefde thans geheel
bevrijdde. Want hij gevoelde alleen, wat de volgende regels uitdrukken:


        „Ach, liefdeloos meisje! hoe deedt gij veranderen
                De stemming van mijn hart!
        Dat hart, onverschillig omtrent alle anderen,
                Wordt als het uwe hard!”


Hij poogde evenwel eenigszins de gewaarwordingen bij zich op te wekken,
welke, onder andere omstandigheden, eigen aan zijn toestand zouden
geweest zijn; maar hij was te zeer met andere gedachten vervuld, om aan
zijne verbeeldingskracht vrij spel te laten. De herinnering, dat
Isabella Wardour hem niet had willen herkennen, toen zij genoodzaakt
geweest was zijn gezelschap te dulden, terwijl zij duidelijk deed
blijken, dat zij hem opzettelijk vermeden had, zou reeds alleen genoeg
zijn geweest om hem geheel bezig te houden. Maar hierbij voegden zich
nog andere herinneringen, die, hoewel ze hare aangename zijde hadden,
hem evenwel meer ontroerden, – hare redding van den rand des afgronds,
– de gelukkige bijstand, dien hij haar had kunnen verleenen, – en, –
wat was zijne belooning? – Zij verliet de klip, terwijl zijn lot nog
onbeslist was, – terwijl het nog onzeker was, of haar redder, die zijn
leven zoo roekeloos voor haar gewaagd had, dat leven er niet bij had
ingeschoten. De dankbaarheid vorderde ten minste eenige belangstelling
in zijn lot. – Maar neen! zij kon niet zelfzuchtig en onrechtvaardig
zijn; – dit kon niet met haren aard strooken. Zij wilde slechts de hoop
voor altijd uitblusschen en dat juist uit medelijden met hem, om eene
neiging te smoren, waaraan zij niet beantwoorden kon.

Maar ook deze verliefde redenering scheen niet geschikt, om hem met
zijn lot te verzoenen; hoe beminnelijker toch hij zich Isabella Wardour
voorstelde, des te ongelukkiger was het voor hem, als hij alle hoop
moest opgeven. Hij was zich wel bewust hare vooroordeelen over eenige
punten uit den weg te kunnen ruimen; maar, ook in het uiterste besloot
hij, bij zijn eerst opgevatte voornemen te volharden, om zich te
overtuigen, dat zij opheldering wenschte, eer hij die opdrong. En hoe
hij ook de zaak beschouwde, hij vond volstrekt geene reden, om ze als
hopeloos te beschouwen. Zij scheen eenigzins verlegen, zoowel als zeer
verwonderd, toen Oldbuck hem aan haar voorstelde, en wellicht diende
haar ernst alleen om hare verlegenheid te verbergen. Dus wilde hij
geene uitzichten opgeven, die hem reeds zoo veel smart veroorzaakt
hadden. Ontwerpen, avontuurlijk als het brein, dat ze smeedde,
vervingen elkander, en zweefden door elkaâr in zijn hoofd, verward, als
de stofdeeltjes in den zonneschijn, en bleven hem, lang nadat hij zich
neêrgelegd had, de rust benemen, die hij zoo zeer behoefde. Eindelijk,
mismoedig over de onzekerheid en moeielijkheden, die elk plan schenen
te belemmeren, bepaalde hij zich tot het voornemen eener krachtige
poging, om zijne liefde „als dauwdroppels van ’s leeuwen manen” af te
schudden, en daartoe die studiën en den levensloop te hervatten, welke
zijne onvergolden liefde zoo lang gestoord had. In dit besluit trachtte
hij zich nu te versterken, door alles wat hem de trots zoowel als de
rede kon ingeven. „Zij moet zich niet verbeelden,” zeide hij, „dat ik
van een toevalliger dienst, aan haar of haren vader bewezen, misbruik
wil maken, om mij aan haar op te dringen, terwijl zij mij, buiten dat,
geen recht daartoe toekent. Ik wil haar niet meer zien. Ik wil naar een
land terug keeren, waar, zoo geene schoonere, althans menige even
schoone en minder hoogmoedige vrouwen zijn dan Isabella Wardour. Morgen
neem ik van deze noordsche kusten afscheid, en tevens van haar, die
even koud en ondankbaar is, als de luchtstreek.” – Na zich eenigen tijd
in deze bittere overpeinzingen verdiept te hebben, kreeg de natuur
eindelijk de overhand, en hij viel, in weêrwil van zijn toorn, zijne
twijfeling en zijne gejaagdheid, in den slaap.

Zelden is, na hevige ontroeringen, de slaap gezond of verkwikkelijk.
Die van Lovel werd gestoord door eene menigte zonderling verwarde
droombeelden. Hij was een vogel, – hij was een visch, – of hij vloog
als de een, en zwom als de ander, – hoedanigheden, die hem weinige uren
te voren zeer te pas zouden gekomen zijn. Dan was Isabella Wardour eene
Sireen of een paradijsvogel, haar vader een Triton of eene zeemeeuw, en
Oldbuck beurtelings een bruinvisch of eene waterraaf. Deze aangename
verbeeldingen gingen afwisselend gepaard met al de gewone verwarde
voorstellingen van een koortsachtigen droom: de lucht wilde hem niet
dragen; het water scheen hem te branden; – de rotsen waren zacht als
donzen kussens, zoodra hij er tegen geslingerd werd; – wat hij ook
ondernam, mislukte op eene wonderbare en onverwachte wijze, – en wat
hij ook zag, verdween als hij het nader wilde gadeslaan of aanraken,
soms onder de wonderlijkste gedaanteverwisselingen; terwijl hij
gedurende al dien tijd eenigszins bewust bleef van de begoocheling, en
er zich te vergeefs van poogde te bevrijden door wakker te willen
worden. Dit zijn alle koortsachtige kenteekens, maar al te goed bekend
aan hen die met de nachtmerrie, door de geleerden Ephialtis genoemd,
vervolgd worden. Ten laatste schikten zich deze dolle droombeelden tot
een eenigszins meer geregeld geheel, zoo inderdaad niet Lovel’s
verbeeldingskracht; (eene der levendigste zijner gaven), hem
langzamerhand op eene meer geregelde wijze het tooneel voorstelde, dat
de slaap hem minder duidelijk geschetst had. Ook kan het wezen, dat
zijn koortsachtige toestand iets bijdroeg tot de schepping der
verschijning.

Dit mogen de geleerden beslissen; wij zullen alleen zeggen, dat, na
eene reeks van de verwarde droombeelden, welke wij beschreven hebben,
onze held, – want voor zoodanig moeten wij hem erkennen, – in zoo verre
zijne bewustheid terugkreeg, dat hij zich kon herinneren waar hij was,
en dat de geheele stoffeering der groene kamer zich aan zijne
sluimerende oogen vertoonde. – En hier zij het mij vergund, nog eenmaal
op het plechtigste te betuigen, dat, als er nog ouderwetsch geloof
genoeg onder het tegenwoordig spotachtig en twijfelziek geslacht mocht
bestaan, om te veronderstellen dat hetgeen volgt veeleer de indruk was
door de oogen, dan door de verbeeldingskracht ontvangen, wij die leer
niet bestrijden. Lovel was dan, – of verbeeldde zich te zijn, – geheel
wakker in de groene kamer, starende op de flikkerende vlammen, welke de
nog onverbrande overblijfsels der takkebossen opzonden, als ze éen voor
éen in de gloeiende kolen vielen, waarin het voornaamste gedeelte van
den stapel, waartoe ze behoord hadden, reeds veranderd was.
Onwillekeurig verrees het oude vertelsel van Odobrand Oldenbuck, en
zijne geheimzinnige bezoeken aan de bewoners der groene kamer voor zijn
geest, en ter zelfder tijd, zoo als wij dikwijls in droomen ontwaren,
gevoelde hij eene angstige en benauwde verwachting, die zelden mist om
ons dadelijk de denkbeeldige voorwerpen onzer vrees duidelijk voor te
stellen. De vlammen in den schoorsteen werden hoe langer hoe helderder,
en zoo schitterend, dat ze de geheele kamer verlichtten. Het tapijt
golfde onstuimig aan den wand, tot de donkere gestalten er op begonnen
te leven. De jagers stieten in den horen; – het hert scheen te
vluchten, het everzwijn zich te verweren, en de honden het eene te
vervolgen en het andere aan te vallen: het gebrul der dieren, door de
honden verscheurd, het geschreeuw der jagers, en het gekletter van de
hoefslagen der paarden werd van alle kanten gehoord; terwijl iedere
groep, in de volle drift der jacht, de bezigheden verrichtte, die de
kunstenaar afgebeeld had.

Lovel beschouwde deze vreemde vertooning zonder verwondering, – waaraan
de verbeeldingskracht in den slaap zelden onderhevig is; – maar met een
benauwd gevoel van huivering en schrik. Eindelijk verliet een der
geweven jagers, terwijl Lovel meer bepaaldelijk op hem staarde, het
tapijt en naderde het bed van den slaper. Nader gekomen, scheen de
gestalte te veranderen. Zijn jachthoren werd een groot boek met bronzen
sloten, zijn jachtmes veranderde in een van die bonten barets, welke de
Burgemeesters van Rembrandt dragen; zijne kleeding bleef onveranderd,
maar zijne gelaatstrekken, niet langer bewogen door de drift der jacht,
werden ontzagwekkend en streng, zoo als best voegde aan den eersten
bezitter van Monkbarns, volgens de beschrijving die zijne
afstammelingen den vorigen avond van hem gegeven hadden.

Met deze gedaanteverandering bedaarde het gejoel en rumoer onder de
overige personages op het tapijt, en de verbeelding van den droomende
werd nu uitsluitend gevestigd op de ééne gestalte, welke voor hem
stond. Lovel poogde dezen ontzagwekkenden persoon met eene soort van
bezwering, naar den aard der omstandigheden, aan te spreken; maar zijne
tong, zoo als bij de meeste verschrikkelijke droomen plaats heeft,
weigerde haren dienst, kleefde aan zijn verhemelte. Aldobrand hield den
vinger omhoog, als om den gast, die zich in zijn vertrek bevond, het
stilzwijgen op te leggen, en ving toen bedaard aan het oude boek, dat
hij in de linkerhand hield, te ontsluiten. Toen het opengeslagen was,
doorbladerde hij het een oogenblik haastig, en zich daarna oprichtende,
en het boek in de linkerhand opgeheven houdende, wees hij op de
bladzijde, welke hij opgeslagen had. Ofschoon onze droomer de taal niet
verstond, werden nochtans zijne oogen en aandacht sterk getroffen door
den regel, welken de gedaante hem scheen te willen inprenten; de
woorden er van vlamden als met een bovennatuurlijk licht, en bleven
diep in zijn geheugen gegrift. Het spook sloeg nu het boek dicht, en
oogenblikkelijk werd de kamer vervuld met de klanken eener bekoorlijke
muziek. – Lovel sprong in zijn bed op, en ontwaakte thans geheel en al.
De muziek bleef echter steeds nog in zijne ooren, en hield niet op,
voordat hij duidelijk de wijs van eene oude Schotsche ballade
onderscheiden kon.

Hij zat overeind in zijn bed, en trachtte zich van de droombeelden te
bevrijden, die den geheelen nacht door zijne hersens vervuld, en zijne
rust zoo zeer gestoord hadden. De stralen der morgenzon vielen door de
half geslotene blinden, en verlichtten het vertrek. Hij keek rond naar
het behangsel; maar de bonte groepen van zijden en geweven jagers
stonden vast aan de muren gehaakt; slechts de morgenkoelte, die zich
een weg door het eventjes openstaande vensterraam had gebaand en over
het behangsel streek, deed het zacht trillen. Lovel sprong uit het bed,
en eene kamerjapon omwerpende, die men met de meeste oplettendheid voor
hem klaar gelegd had, begaf hij zich naar het venster, dat het uitzicht
over de zee had, die nog steeds, zoo als het geloei der baren
aankondigde, ontroerd bleef door den storm van den vorigen avond,
hoewel de morgen schoon en helder straalde. Het venster van een toren,
die in een rechten hoek met den kamermuur vooruitstak, en dus zeer
nabij Lovels vertrek was, stond half open, en van daar hoorde hij nu
weêr dezelfde muziek, waardoor zeer waarschijnlijk zijn droom gestoord
werd. De klanken hadden tegelijk met het bovennatuurlijke tevens veel
van hunne bekoorlijkheid verloren; – thans hoorde hij niets meer dan
eene wijs, vrij goed op de klavecimbel uitgevoerd; zoo sterk werkt de
verbeelding ten opzichte der kunstwerken. Eene vrouwenstem zong, niet
zonder smaak en met groote eenvoudigheid, eene soort van lied of
lofzang, van den volgenden inhoud:


            „Wat zit gij, grijsaard, droef en stom,
            Bij dien bemosten bouwval neêr?
            Wenscht gij die vroegre pracht weêrom,
            Denkt ge aan dien luister van weleer?

            „Kent gij mij niet,” zoo vangt hij aan,
            „Zoo vaak misbruikt, zoo vaak belacht,
            En beurtelings in trotschen waan
            Begeerd, beschuldigd en veracht?

            „Ik blaas als over brandend vlas
            Mijn adem over ’t menschdom heen.
            Wat gistren rijk en bloeiend was,
            Stort morgen als dit puin ineen.

            De tijd is kort, zie in dit glas,
            Hoe ’t zand zich spoedt met snellen val;
            Denk dat er eens – wie weet hoe ras! –
            Voor u geen tijd meer wezen zal.”


Terwijl het gezang voortduurde, had Lovel zich weêr naar bed begeven.
De denkbeelden, die het opwekte, waren aangenaam en romantisch, zoodat
hij er een groot behagen in schepte, en thans zeer gaarne de moeielijke
taak, om zijn toekomstig gedrag te bepalen tot later op den dag
uitstelde, en zich overgevende aan den zoeten sluimer, waarin hem de
muziek wiegde; viel hij in een gezonden en verkwikkelijken slaap,
waaruit hij eerst laat door den ouden Caxon gewekt werd, die in zijne
kamer sloop, om bij hem de diensten van kamerdienaar te verrichten.

„Ik heb uw rok uitgeborsteld, mijnheer,” zei de oude man, toen hij
bemerkte, dat Lovel wakker was, „de knecht bracht hem heden morgen van
Fairport; want die, welken gij gisteren aanhad, is nog niet droog,
hoewel hij den geheelen nacht in de keuken bij het vuur gehangen heeft;
– en ik heb uwe schoenen gepoetst. Ik geloof niet, dat gij mij noodig
zult hebben, om uwe haren op te binden; want” (met eene kleine zucht)
„al de jonge heeren dragen ze tegenwoordig kort; – maar ik heb de
krultang meêgebracht, om ze, als gij het goedvindt, een beetje om het
voorhoofd te krullen, eer gij naar beneden gaat bij de dames.”

Lovel, die intusschen weêr opgestaan was, wees de dienst van den ouden
man van de hand, maar vergezelde de weigering met een douceur, welke
Caxon’s teleurstelling geheel en al vergoedde.

„Het is jammer, dat hij de haren niet opgebonden en gepoederd draagt,”
zei de oude kapper, toen hij in de keuken kwam, waar hij, onder het een
of ander voorwendsel, driekwart van zijn ledigen tijd, dat wil zeggen
den geheelen dag doorbracht; – „het is wel jammer van zulk een schoon
jong mensch.”

„Loop heen, oude gek!” antwoordde Jenny Rintherout, „wildet ge dat
mooie bruine haar met uw vet insmeren, en het dan met meel poeieren,
als de oude pruik van den dominé? – Ge komt om je ontbijt, veronderstel
ik? – hier, daar is soep, – het zal beter zijn, dat ge daaraan en aan
de karnemelk slobbert, dan je met het hoofd van mijnheer Lovel te
bemoeien; – ge zoudt het mooiste en heerlijkste haar bederven, dat er
in geheel Fairport, stad en graafschap, te vinden is.”

De arme barbier zuchtte over de minachting, waarin zijne kunst zoo
algemeen gevallen was; maar Jenny was eene te gewichtige persoon, om
haar door tegenspreken te beleedigen. Vreedzaam alzoo in de keuken
gezeten, slikte hij terzelfder tijd zijne vernedering, en den inhoud
van eene schaal, die eene Schotsche kan krachtige havermeelsoep
bevatte.








ELFDE HOOFDSTUK


                Dan dacht hij, de verschijning kwam van Hooger hand,
                Die deed de beelden staan of stijgen aan den wand;
                Dan weêr, dat alles slechts in de verbeelding lag,
                Los overblijfsel, slechts herinnering van den dag.


Wij moeten nu de lezers verzoeken, zich te verplaatsen in het
ontbijtvertrek van den heer Oldbuck, die met verachting van de
hedendaagsche thee en koffij, zich more majorum, krachtiger onthaalde
op een stuk koud rundvleesch, en eene soort van sterk bier, mum
genaamd, gebrouwd van weit en bittere kruiden, welks naam echter nu
slechts nog gevonden wordt in de accijns-wetten onder de meer bekende
namen van appelwijn en andere belastbare dranken. Lovel, die zich liet
overhalen, om het te proeven, stond op het punt van het afschuwelijk te
noemen; maar hij hield zich in, toen hij bedacht, dat dit zijn gastheer
ten hoogste beleedigen zou, die den drank jaarlijks met bijzondere zorg
liet toebereiden, volgens een aloud recept, dat hij van den reeds meer
gemelden Aldobrand Oldenbuck gevonden had. De gastvrijheid der dames
verschafte Lovel een ontbijt meer naar den hedendaagschen smaak, en
terwijl hij het met haar deelde, werd hij door zijdelingsche
navorschingen geplaagd over de wijze, hoe hij den nacht had
doorgebracht.

„Broêr! wij kunnen den heer Lovel heden morgen geen compliment maken,
dat hij er bijzonder goed uitziet; – maar hij wil volstrekt niet
bekennen, dat het aan eenige storing zijner nachtrust toe te schrijven
is. Het is zeker, dat hij er zeer bleek uitziet, en toen hij hier kwam,
was hij bloeiend als eene roos.”

„Maar, zuster, bedenk, dat die roos gisteren avond door zee en wind
heen en weêr geslingerd is als een hoop zeegras, en hoe drommel zoudt
gij willen, dat ze heden nog hare kleur behield?”

„Ik gevoel mij zeker nog eenigszins vermoeid,” zeide Lovel, „in weêrwil
van de heerlijke verkwikkingen, waarmede mij uwe gastvrijheid voorzien
heeft.”

„Och mijnheer!” antwoordde jufvrouw Oldbuck, terwijl zij hem met een
glimlach aanzag, die te kennen geven moest, dat zij harer zaak zeker
was, „gij wilt uit beleefdheid voor ons niet bekennen, dat men u
gestoord heeft.”

„Wezenlijk, ik ben in het geheel niet verontrust geweest; want zoo iets
kan ik van de muziek niet zeggen, waarmede mij de eene of andere
vriendelijke toovergodin verrast heeft.”

„Ik dacht wel, dat Mary u met haar gerammel wakker zou maken; zij wist
niet, dat ik een reet van uw venster opengelaten had; want, van den
geest niet te spreken, moest de groene kamer bij hoogen wind eens
gelucht worden. – Maar ik geloof, dat gij meer gehoord hebt, dan het
gerammel van Mary heden morgen. – Wel nu, de mannen zijn stoute
schepsels; zij durven maar alles aan; zeker, als ik iets van dien aard
had moeten uitstaan, – ik meen iets dat bovennatuurlijk is, ik zou het
in eens hebben uitgeschreeuwd en het geheele huis op de been gebracht
hebben, wat er ook van gekomen ware; – en de dominé, durf ik zeggen,
zou het ook gedaan hebben, en dat heb ik hem ook wel gezegd. Ik ken
niemand, dan mijn broêr, Monkbarns zelven, die er zoo zou hebben door
heen getast, behalve u, mijnheer Lovel!”

„Zulk een geleerd man, als mijnheer Oldbuck, zou niet blootgesteld
wezen aan de verlegenheid, waarin zich de heer, van wien gij gisteren
spraakt, zich bevond.”

„Ei! ei! gij weet nu ook, waaraan het hapert: – aan de taal. Hij heeft
middelen op zijne eigene hand, om alle soorten van spoken, God weet
waarheen, te verbannen; maar men zou niet gaarne onbeleefd zijn jegens
een zijner voorouders, al spookte hij nog zoozeer. – Zeker, broêr, als
ooit iemand weêr in de kamer slapen moet, wil ik het recept beproeven,
dat gij mij in een boek hebt laten zien; ofschoon het christelijker
ware, dunkt mij, dat gij de mattenkamer in orde liet brengen. Het is er
wel wat vochtig en somber, dat is zeker; maar wij hebben zelden eene
logeerkamer noodig.”

„Neen, neen, zuster, vochtigheid en duisternis zijn erger dan spoken;
de onzen zijn geesten des lichts: – gij moest liever zelve het
tooverrniddel beproeven.”

„Dat zou ik gaarne doen, Monkbarns, als ik de bestanddeelen er van maar
had, zoo als die in mijn kookboek opgenoemd zijn. Daar is ijzerkruid en
anijskruid in, – dat heugt mij; – onze David Dibble zal er wel
uitkomen, al geeft hij er geen Latijnsche namen aan, – en peperkorrels;
nu die hebben wij genoeg want –”

„Hypericon, malloot! schreeuwde Oldbuck; „Waaraan denkt gij? of gelooft
gij, dat de geesten, ofschoon uit lucht bestaande, door een recept
tegen een windje te verdrijven zijn? – Deze wijze Grizel, mijnheer
Lovel, herinnert zich (hoe nauwkeurig, moogt gij zelf oordeelen,) een
toovermiddel, waarvan ik haar eens sprak, en dat haar bijgeloovig brein
zoo zeer schijnt getroffen te hebben, dat zij het veel beter onthouden
heeft, dan al de degelijke dingen, die ik in de laatste tien jaren
vertelde. – Maar menig ander oud wijf –”

„Oud wijf, Monkbarns!” riep mejufvrouw Oldbuck, haren gewonen
onderworpen toon eenigszins vergetende, „gij zijt waarlijk niet al te
beleefd!”

„Ik blijf echter rechtvaardig, Grizel! Ik begrijp onder dezelfde
benaming menigen beroemden naam, van Jamblichus af, tot Aubrey toe, die
hun tijd verspild hebben met denkbeeldige middelen uit te vinden tegen
niet bestaande kwalen. – Maar ik hoop, mijn jonge vriend, dat gij, met
of zonder betoovering, – versterkt door de kracht der Hypericon,


            „Met anijs- en met ijzerkruid,
            Dat ’t spel van heks en spoken stuit,”


of ongewapend en weêrloos tegen de aanvallen der onzichtbare wereld,
nog wel een tweeden nacht zult wagen aan de verschrikkingen van het
spookvertrek, en een anderen dag schenken aan uwe getrouwe vrienden.”

„Ik wenschte hartelijk, dat ik het kon; maar –”

„Spreek mij van geen maar; – ik ben er zeer op gesteld!”

„Ik ben u ten hoogste verplicht, waarde heer, maar –”

„Nu hoor eens, – alweêr maar! – ik haat dat maar; – maar is mij een
veel afgrijsselijker klank, dan neen zelf. Neen is een stugge, eerlijke
vent, die ruw en rond zijn gevoelen zegt; – maar is een kruipend,
draaiend koppelwoord, dat den beker wegrukt, op het oogenblik dat men
hem aan de lippen brengt.”


            „Maar neemt het vorig goede weg;
              Weg dan met dat ja, maar!
            Ja, maar is als een stokkenknecht,
              Op zondaars wachtend na ’t gerecht.


„Wel,” antwoordde Lovel, wiens voornemens op dit oogenblik wezenlijk
nog wankelend waren, „de herinnering aan mij zal zich bij u niet met
zulk een ellendig woord verbinden. Ik vrees, dat ik weldra Fairport zal
moeten verlaten, – en ik wil, daar gij zoo goed zijt het te wenschen,
van deze gelegenheid gebruik maken, om nog één dag hier door te
brengen.”

„En het zal u vergolden worden, mijn jonge vriend! Ten eerste zal ik u
het graf laten zien van Jan van Girnell, en dan zullen wij langzaam
langs het strand wandelen, na ons eerst van de hoogte van het water
verzekerd te hebben, (want wij willen geene avonturen, geen klim- en
hijschwerk meer,) tot aan het kasteel van Knockwinnock, en vragen, hoe
de oude ridder en mijne schoone vijandin het maken; – wat niets meer is
dan de beleefdheid vordert; en verder, –”

„Vergeef mij, waarde heer, maar wellicht ware het beter, dat gij uw
bezoek tot morgen uitsteldet; – ik ben een vreemdeling, zoo als gij
weet. –”

„En zijt daarom te meer gehouden, om uwe beleefdheid te toonen, zou ik
denken. Maar vergeef mij, een woord genoemd te hebben, dat wellicht bij
den oudheidkenner alleen te huis behoort; – ik ben nog van de oude
school.


            „Wanneer men mijlen galoppeerde
              Naar zijne schoone van het bal,
            Te hooren of geen koû haar deerde.”


„Wel, als – als, – als gij denkt, dat men erop rekent; – maar ik
geloof, dat ik beter deed met weg te blijven.”

„Neen, neen, vriend; ik ben niet ouderwetsch genoeg, om u te dringen
tot hetgeen u onaangenaam is, – volstrekt niet! – Het is mij genoeg,
dat ik eenige remora, eenige reden tot uitstel, eenig beletsel ontdek,
waarnaar ik het recht niet heb te vragen. Wellicht zijt gij ook nog
eenigszins vermoeid; – ik verzeker u, dat ik middelen zal vinden, om
uwe geestvermogens te onderhouden, zonder uwe ledematen af te matten.
Ik ben zelf geen vriend van al te sterke beweging. – Eenmaal daags eene
wandeling in den tuin is beweging genoeg voor een denkend wezen, men
moet een dwaas of een vossenjager zijn, om meer te verlangen. Wel, waar
zullen wij meê beginnen? – met mijne verhandeling over de kunst van
kampen aan te leggen? – maar deze hou ik in petto, als eene
hartsterking na het eten. Ik zal u den pennestrijd laten zien tusschen
Mac-Cribb en mij over Ossian’s Gedichten; ik ben het eens met den
scherpzinnigen eilandbewoner; – hij met de voorstanders der echtheid.
Die strijd begon met zachte, honigzoete, maagdelijke beleefdheid; maar
is al doende scherper en heviger geworden; – het geschrift heeft reeds
iets gekregen van den stijl van den ouden Scaliger. – Ik hoop maar
niet, dat de schelm iets van Ochiltree’s verhaal zal te weten komen;
maar, in het ergste geval, zou ik hem geducht kunnen havenen over den
gestolen Antigonus. Ik zal u zijn laatsten brief eens geven en het blad
met mijn antwoord: – het is nog al raak!”

Dit zeggende, trok de oudheidkenner eene lade open, en begon eene
menigte oude en nieuwe geschriften te doorschommelen. Maar het ongeluk
wilde, dat deze geleerde heer zich meermalen in het geval van zeer vele
andere geleerden en ongeleerden bevond, en leed onder hetgeen Harlequin
l’embarras des richesses noemt; – met andere woorden, de rijkdom van
zijne verzamelingen belette hem dikwijls het voorwerp te vinden,
waarnaar hij zocht. „Verwenschte papieren! – Ik geloof,” zei Oldbuck,
terwijl hij alles ten onderste boven keerde, – „ik geloof, dat zij zich
als de sprinkhanen vleugels maken, en wegvliegen. Maar zie hier,
beschouw intusschen dezen kleinen schat!”

Met deze woorden gaf hij Lovel een eiken kistje over, aan de hoeken met
zilveren rosetten en knopjes voorzien. – „Druk, bid ik u, op dat
knopje,” zeide hij, toen hij merkte, dat Lovel aan het slot werkte.
Lovel deed het; het deksel vloog open, en vertoonde een dun boekje, in
kwarto formaat, keurig in zwart leder gebonden. „Daar mijnheer Lovel,
daar is het werk, waarvan ik u gisteren avond sprak; – de zeldzame
kwarto uitgave van de Augsburgsche Geloofsbelijdenis, de grondslag en
tevens het bolwerk der Hervorming, opgesteld door den geleerden en
eerbiedwaardigen Melanchthon, verdedigd door den Keurvorst van Saksen
en andere kloekmoedige mannen, die voor hun geloof zelfs tegen een
machtigen en overwinnenden Keizer opstonden, – en gedrukt door den
weinig minder eerbied- en prijzenswaardigen Aldobrand Oldenbuck, mijn
gelukkigen voorvader, in weêrwil van de despotieke pogingen van Filips
II, om terzelfder tijd de burgerlijke en godsdienstige vrijheid te
vernietigen. Ja, mijnheer! wegens het drukken van dit werk, werd deze
uitstekende man door zijn ondankbaar vaderland verdreven, en
genoodzaakt, zijne huisgoden hier, te Monkbarns, te midden der
puinhoopen van bijgeloof en heerschzucht, over te brengen. Aanschouw
zijn eerwaardige beeldtenis, mijnheer Lovel, en eerbiedig de eervolle
bezigheid, waarin hij voorgesteld wordt, als persoonlijk aan de pers
werkende, ter verspreiding van christelijke en staatkundige kennis. En
ziehier zijn lievelingsspreuk, het onafhankelijke zelfvertrouwen
uitdrukkende, dat niets aan de bescherming van anderen wil verschuldigd
zijn, dan hetgeen door verdiensten verkregen wordt, – dus die vastheid
van gemoed, die onverzettelijke volharding te kennen gevende, door
Horatius aanbevolen. Hij was inderdaad een man, die, te midden van de
vernieling zijner drukkerij, zijner persen, vormen en letters,
onverzettelijk zou zijn gebleven. Lees, zeg ik, zijne leuze: want elke
drukker had er ééne, toen deze heerlijke kunst het eerst beoefend werd.
Die van mijn voorzaat was, zoo als gij ziet, de Hoogduitsche spreuk:
„Kunst macht Gunst,” – dat is, verstand of voorzichtigheid, in het
aanwenden van onze natuurlijke talenten en goede gaven, zal ons
genegenheid en bescherming verwerven, ook als vooroordeel of onkunde
ons tegenwerken.”

„En dat,” zeide Lovel, na een oogenblik in gepeins gezwegen te hebben
„dat is dus de beteekenis van deze Duitsche woorden?”

„Zonder twijfel; – gij ziet, hoe toepasselijk ze zijn op de bewustheid
van innerlijke waarde, en voortreffelijkheid in eene nuttige en
vereerenswaardige kunst. Ieder drukker, zoo als ik u reeds gezegd heb,
had in die dagen zijne leuze, zijn motto, zijne spreuk, als ik het zoo
noemen mag, zoo goed als de dappere ridders, die zich met vechten en
steekspelen ophielden. Mijn voorzaat was zoo trotsch op de zijne, alsof
hij het op het slagveld had aangenomen; ofschoon het eerder de
uitbreiding der kennis, dan het bloedvergieten gold. En niettemin is er
eene familie-overlevering, dat eene omstandigheid, die vrij romanesk
was, hem deze spreuk deed aannemen.”

„En welke omstandigheid, waarde heer, is dat geweest?”

„Ze vermindert wel eenigzins den roem van mijn voorvader, ten aanzien
van voorzichtigheid en wijsheid; – sed semel insanivimus omnes; – wie
is er, die niet eenmaal in zijn leven eene dwaasheid beging? Men zegt,
dat mijn voorvader gedurende zijne leerjaren bij den afstammeling van
den ouden Faust, dien het volkssprookje onder den naam van Faustus aan
den duivel overlevert, zich liet begoochelen door een nietig
schepseltje, – de dochter van zijn meester, Bertha genoemd. Zij
wisselden ringen met elkander, of voerden, zoo als het gebruik toen
was, de eene of andere niets beteekenende plechtigheid uit om elkaar
onderlinge liefde te verzekeren, en Aldobrand ving zijne reis door
Duitschland aan, gelijk het een eerlijken ambachtsman betaamde, – en
zoo als te dien tijd de gewoonte vorderde; want ieder werkman maakte
zijn toer door het Rijk, en beoefende zijn beroep in al de voornaamste
steden, eer hij zich ergens bepaald vestigde. Dit was eene wijze
gewoonte; want daar dergelijke reizigers in iedere stad bij die van hun
ambacht als broeders opgenomen werden, waren zij altijd zeker om
kundigheden te verkrijgen, of mede te deelen. – Mijn voorzaat, te
Neurenberg teruggekeerd, vernam, dat zijn oude meester onlangs
gestorven was, en dat twee of drie mededingers, waaronder zelfs een
paar half verhongerde adellijke spruiten, zich opdeden, die mejufvrouw
Bertha het hof maakten, van wie verteld werd, dat zij door haars vaders
dood, in het bezit was geraakt van een vermogen, dat zeer goed tegen
zestien adellijke kwartieren opwegen kon. Maar Bertha, die voor eene
vrouw nog al verstand bezat, had de gelofte gedaan van geen man te
zullen trouwen, dan die met haar vaders drukpers wist te werken. Die
kunst was in dien tijd zeldzaam en bewonderenswaardig; de uitvlucht
verloste haar dan ook niet alleen dadelijk van hare adellijke
aanbidders, die even gaarne met een tooverroede, als met de zethaak van
den drukker zouden hebben willen omgaan; maar ook eenige der gewone
drukkers ondernamen de proef te vergeefs, daar geen hunner genoegzaam
meester van de kunst was; – maar ik verveel u?”

„Volstrekt niet. Ik bid u, mijnheer Oldbuck, ga voort; ik luister met
buitengewone belangstelling.”

„Wel – het is inderdaad niets dan gekheid, – maar hoe het zij,
Aldobrand kwam te Neurenberg aan, in de gewone kleeding, zoo als wij
het noemen zouden, van een drukkersknecht, – dezelfde, waarin hij
Duitschland doorreisd, en met Luther, Melanchthon, Erasmus en andere
geleerde mannen verkeerd had, die zijne kunde, en de macht, die hij
bezat om die te verspreiden, niet verachtten, hoewel beide onder zulk
een nederig uiterlijk verborgen waren. Maar wat in de oogen van de
wijsheid, van den godsdienst, van de geleerdheid en de wijsbegeerte
eerbiedwaardig was, scheen gering en verachtelijk in de oogen van een
onnoozel en verwend meisje; en Bertha weigerde haren vorigen minnaar in
het gescheurde wambuis, met eene lederen muts, schoenen met spijkers,
en het schootsvel van een reizenden handwerksman, te herkennen. Hij
eischte echter het recht om tot de proef toegelaten te worden; en toen
de overige mededingers, òf den wedstrijd geweigerd, òf wel het werk zoo
slecht ten uitvoer hadden gebracht, dat de duivel zelf het niet zou
hebben kunnen lezen, al had zijne zaligmaking er van afgehangen, waren
alle oogen op den vreemdeling gevestigd. Aldobrand trad bevallig voor,
zette een stuk, zonder eene enkele letter, scheiteeken of komma te
vergeten, bracht het over zonder dat zich iets in het minste
verplaatste, en trok eene eerste proef zoo netjes en vrij van
drukfeilen, alsof die eene persrevisie geweest ware! Allen juichten den
waardigen opvolger van den onsterfelijken Faust toe; – het blozende
meisje erkende hare dwaling, dat zij eerder op het oog, dan op het
verstand vertrouwd had, en de gelukkige bruidegom koos dadelijk tot
zijne leus de toepasselijke woorden: „Kunst macht Gunst.” – Maar wat
scheelt u? – gij zijt in diep gepeins? Wel, – ik heb u immers gezegd,
dat dit geen onderwerp was voor den denkenden man; – daar vind ik juist
den Ossiaanschen tweestrijd onder mijne vingers!”

„Vergeef mij, mijnheer Oldbuck,” zeide Lovel; „gij zult mij wellicht
zeer kinderachtig en wispelturig vinden; maar gij scheent te
vooronderstellen, dat Sir Arthur, volgens alle regels der beleefdheid,
op een bezoek van mij rekent?”

„Kom, kom! ik kan u verontschuldigen; en wanneer gij ons zoo gauw moet
verlaten, als gij zegt, wat is er aan gelegen, hoe hoog gij in zijner
gunst staat? – En ik waarschuw u, dat mijne verhandeling over de wijze
van kampen aan te leggen, eenigszins uitvoerig is, en ons al den tijd,
dien wij heden middag kunnen uitwinnen, zal bezig houden, zoodat gij
den Ossiaanschen pennestrijd zult moeten missen, als wij er den morgen
niet aan toewijden. Wij zullen ons naar mijn groen priëel, naar mijn
heiligen hulstboom ginds begeven, en het dáár fronde super viridi
hebben.


        „Een hoezee! een hoezee! zij dien boom gewijd;
          Is vriendschap oprechtheid? is liefde beleid?”


„Maar, wezenlijk!” vervolgde de oude heer, „nu ik u zoo aanzie, begin
ik te gelooven dat gij wel van eene andere meening zoudt kunnen zijn.
Amen! van ganscher harte! – Ik laster niemands stokpaardje als hij het
slechts niet tegen het mijne aanrijdt; richt hij zijne lans op die
wijze, dan moet hij op zijne oogen passen. – Wat antwoordt gij, – in de
taal der wereld of der lage wereldlingen, als gij u tot dien bekrompen
sfeer vernederen kunt, – zullen wij blijven of gaan?”

„Wel dan, in de taal der zelfzucht, die de heerschende taal der wereld
is, – laat ons maar gaan.”

„Amen, amen! sprak de Graaf Maarschalk,” [16] antwoordde Oldbuck,
terwijl hij zijne pantoffels ruilde tegen een paar stevige
wandelschoenen met slopkousen, van zwart laken. Hij verlengde slechts
de wandeling door eene kleine afwijking naar het graf van Jan Girnell,
den laatsten kloostervoogd, die op Monkbarns gewoond had. Op een
heuvel, liefelijk naar het zuiden hellende, en over twee of drie
heerlijke plaatsen in de verte, het gezicht op de zee en de Mosselklip
aanbiedende, lag onder een ouden eikenboom een met mos begroeide steen,
die ter nagedachtenis van den beroemden man een opschrift droeg welks
vermolmde letters, naar de verzekering van den heer Oldbuck, die echter
door velen betwijfeld werd, in dezer voege konden ontcijferd worden:


        Hier Daen van de Girnelt lit,
        Haeve ende gued en hat hi nit.
        In sine tyd elcks wijfs henne eiere lei,
        Ende hat elcks goeds mans haert kiendekes er by;
        Hi veilde ’t schepel in parte vyve,
        Vier voer die heilighe Kercke ende ein voer die
                        arme wyve.


„Gij ziet,” zeide hij, „hoe bescheiden de vervaardiger van dit
grafschrift in zijne aanbeveling is; hij verhaalt ons, dat de eerlijke
Jan vijf kwart uit het schepel kon maken, dat hij het vijfde deel aan
de vrouwen van het kerspel gaf, en de overige vier aan den abt en het
kapittel verrekende, – dat in zijn tijd de hennen der boerinnen altijd
eieren legden, (dat dank hun de drommel, als zij een vijfde gedeelte
van des abts koren kregen,) en dat de woning van elken braven man met
kinderen gezegend was, – een wonderwerk, dat zij, even als ik, als
geheel onverklaarbaar hebben moeten beschouwen! – Maar wij zullen Jan
van Girnell verder ongemoeid laten rusten, en ons naar het gele zand
begeven, waar de zee zich, thans als een verslagen vijand, van den
grond verwijdert, waarop hij ons gisteren avond slag leverde.”

Dit zeggende, sloeg hij den weg in naar het strand. Op de duinen zag
men vier of vijf hutten door visschers bewoond, wier booten, hoog op
het strand gehaald, de welriekende geuren verspreidden van pik,
smeltende onder eene brandende zon, vermengd met die der vischgraten en
andere vuiligheden, waarvan de Schotsche hutten gewoonlijk omgeven
zijn. Ongehinderd door deze verfoeielijke reuken, zat eene vrouw van
middelbare jaren, met een gelaat, dat duizend stormen getrotseerd kon
hebben, een net te verstellen aan de deur van eene der hutten. Een
zakdoek, vast om haar hoofd gebonden, en een soort van buis, dat
vroeger aan een man toebehoord had, gaven haar een mannelijk voorkomen,
hetwelk vermeerderd werd door hare sterke, buitengemeen groote gestalte
en schorre stem.

„Wat hebt gij vandaag noodig, edele heer?” sprak of liever schreeuwde
zij Oldbuck toe, „frissche schelvisschen van allerlei grootte en
heerlijke tarbot?”

„Hoe veel voor de tarbot en schelvisch?” vroeg de oudheidkenner.

„Vier blanke shillings en zes stuivers,” antwoordde de waternimf.

„Vier groote duivels en zes kleine!” hernam de oudheidkenner; „denkt
gij, dat ik gek ben, Maggie?”

„En denkt gij,” hervatte het vischwijf, de armen in de zijde zettende,
„dat mijn man en mijne jongens naar zee zullen gaan in een weêr, als
gisteren en vandaag, – zulk eene zee, als nu nog, – en niets voor hun
visch krijgen, en nog op den koop toe uitgescholden worden, Monkbarns?
Het is geen visch, dat gij koopt, – het zijn menschenlevens.”

„Wel, Maggie, ik zal u een goed bod doen; – ik bied u een shilling voor
de tarbot en de schelvisch, of zes stuivers voor elk afzonderlijk, – en
indien al uw visch zoo goed betaald wordt, zullen, denk ik, uw man en
uwe zonen eene goede reis gemaakt hebben.”

„Ik wilde liever, dat de boot op de Bell-rots stuk geslagen ware! Een
shilling, – twaalf stuivers, – voor die twee schoone visschen! dat is
me een bod!”

„Wel dan, oude heks! breng uw visch naar Monkbarns, en zie, wat mijne
zuster er voor geven wil?”

„Neen, neen, Monkbarns, de drommel ook! – ik heb liever met u zelven te
doen; want ofschoon gij hard genoeg zijt, jufvrouw Grizel is toch nog
vasthoudender.” (Op zachteren toon.) „Ik zal ze u laten voor drie
shillings en zes stuivers.”

„Achttien stuivers, of niets!”

„Achttien stuivers!” (luidkeels, – vol verbazing, langzaam overgaande
in eene soort van droevig geween.) – „Gij wilt ze dan niet hebben?” (en
luider toen zij zag, dat hij heenging:) – „ik zal ze u geven, – en, –
en, – en een half dozijn krabben toe, om de saus te maken, voor drie
shillings en een borrel!”

„Een daalder dan, Maggie, en een borrel!”

„Wel dan, mijnheer, gij moet uw zin hebben; maar een borrel is geld
waard, nu de stokerijen stilstaan!”

„En ik hoop, dat ze nooit weêr in werking zullen komen,” zei Oldbuck.

„Ei ja! – dat valt u en uws gelijken, groote lui, gemakkelijk te
zeggen, die overvloed aan alles, vuur en brand, eten en kleeding hebt,
en droog en vergenoegd bij den haard zit; – maar als gij geen vuur,
geen eten, geene droge kleederen hadt, en van koû vergingt, en met een
beklemd hart zat, wat nog het ergste van alles is, met juist één
dubbeltje op zak, – zoudt ge niet blij zijn om er een borrel voor te
koopen, die voor brand en kleeding en avondmaal en hartversterking op
den koop toe dienen zou tot den volgenden morgen toe?”

„Dat is waar, – zeer waar, Maggie! – is uw man op zee? – al heden
morgen vertrokken, na zijne vermoeienis van gisteren?”

„Wel zeker is hij op zee, Monkbarns! hij vertrok heden morgen om vier
uur, terwijl het nog al spookte op zee, na den wind van gisteren, en
onze boot danste op het water als een kurk.”

„Wel, hij is een werkzaam mensch. Breng den visch naar Monkbarns.”

„Dat zal ik doen, – of ik zal liever de kleine Jenny sturen; zij zal
harder loopen; maar om den borrel zal ik zelve bij Jufvrouw Grizel
aangaan, en zeggen, dat gij me gezonden hebt.”

Een allervreemdst uitziend schepsel, dat voor eene soort van meermin,
had kunnen doorgaan, en in eene plas tusschen de rotsen aan het waden
was, werd door de heesche stem harer moeder uit het water geroepen; en
nadat deze het kind eerst wat netjes gemaakt had, zoo als zij het
noemde, door het éénige kleedingstuk, dat het bedekte, en dat
nauwelijks tot aan de knieën reikte, met een soort van rooden mantel te
omhangen, werd het met den visch in een mand, weggezonden en met een
verzoek van Monkbarns er bij om dien voor ’t middagmaal gereed te
maken. – „Het zou lang geduurd hebben,” zeide Oldbuck met zeer veel
zelfbehagen, „eer mijn vrouwvolkje zulk een redelijken koop met de oude
heks getroffen had; ofschoon zij dikwijls een uur lang, onder het
venster van mijne studeerkamer, met haar vieren staan te kibbelen, en
schreeuwen en vechten als meeuwen in een stormwind. – Maar, kom, laten
wij onzen weg naar Knockwinnock vervolgen.”








TWAALFDE HOOFDSTUK


             Bedelaars? – De eenigste vrijen in uwen staat;
             Vrijer dan schattingvrij, die geene wetten erkennen,
             Geen landvoogd dienen, noch band van godsdienst kennen,
             Dan welken zij afleiden uit hunne oude gewoonten,
             Of zich zelven geven, – toch zijn het geene muiters.

                                                                 Brome.


Met verlof van onze lezers, zullen wij nu de langzame, hoewel krachtige
schreden van den oudheidkenner vooruitloopen, wiens gedurig stilhouden,
als hij zich omkeerde, om Lovel iets merkwaardigs in den omtrek te
wijzen, of eenige geliefde stelling met meer klem te betoogen dan de
beweging der wandeling toeliet, hunne vorderingen zeer vertraagde.

De vermoeienissen en gevaren van den vorigen avond beletten Isabella
Wardour niet, op haar gewoon uur op te staan, en aan hare dagelijksche
bezigheden te gaan, zoodra zij zich gerust gesteld had omtrent de
gezondheid van haren vader. Sir Arthur leed slechts nog aan de gevolgen
der groote ontroering en buitengewone vermoeienis; maar deze waren
genoeg, om hem op zijne kamer te doen blijven.

Alleronaangenaamst voor Isabella was de terugblik op de gebeurtenissen
van den vorigen dag. Zij was haar leven en dat van haren vader
verschuldigd aan hem, wien zij boven alle anderen, het minst wenschte
iets verplicht te zijn, omdat zij ook juist hem bezwaarlijk de
geringste dankbaarheid kon betuigen, zonder eene hoop aan te moedigen,
die wellicht voor beiden noodlottige gevolgen zou kunnen hebben.
„Waarom toch moest ik zulke diensten, met zoo veel persoonlijk gevaar
bewezen, van iemand ontvangen, wiens romantische liefde ik zoo
onophoudelijk heb trachten tegen te gaan? Waarom moest het toeval hem
nu dit voordeel op mij geven? En waarom, – och, waarom, moet ook thans
een half gesmoord gevoel in mijn eigen hart, in weêrwil van mijn
verstand, bijna juichen, dat hem die kans te beurt viel?”

Terwijl Isabella zich dus zelve van wispelturigheid en grillen
beschuldigde; zag zij aan het einde der laan, niet haren jongeren en
meer geduchten redder naderen, maar den ouden bedelaar, die zulk eene
hoofdrol in het melo-drama van den vorigen avond gespeeld had.

Zij schelde om hare meid. „Laat den ouden man boven komen!”

De meid keerde binnen weinige minuten terug. – „Hij wil volstrekt niet
boven komen, freule! – hij zegt, dat zijne schoenen met spijkers nog
nooit op een tapijt geweest zijn, en dat, met ’s hemels zegen, ze er
nooit op zullen komen. Zal ik hem in de dienstboden-kamer brengen?”

„Neen, – ik moet hem spreken. Waar is hij?” Want zij had hem uit het
gezicht verloren, toen hij het huis naderde.

„Hij zit in de zon op de steenen bank, op het plein, naast het venster
van de huiskamer.”

„Zeg hem, daar te blijven; – ik zal beneden komen en uit het venster
met hem spreken.”

Zij ging dadelijk naar beneden, en vond den bedelaar, half zittende
half leunende op de bank naast het venster. Adam Ochiltree, oud en
bedelaar als hij was, had waarschijnlijk toch eenige bewustheid van den
gunstigen indruk, welken zijne groote gestalte, gebiedende
gelaatstrekken, en zijn lange witte baard en haar maakten. Men had van
hem de opmerking gemaakt, dat hij zelden in eene houding gezien werd,
die deze persoonlijke voorrechten niet op het voordeeligst deden
uitkomen. Zoo als hij thans lag, half achterover, met zijne gerimpelde,
hooggekleurde wang, en zijn helder grijs oog naar den hemel gericht,
met zijn staf en zak naast zich, en eene eenvoudige wijsheid in zijn
blik met een spottend lachje op het gelaat, terwijl hij een oogenblik
op het plein rondkeek, en dan weder het oog omhoog sloeg, zou hem een
kunstenaar tot het model hebben kunnen nemen van een ouden wijsgeer der
Cynische school, peinzende over de ijdelheid der wereldsche dingen, en
het onzekere der menschelijke bezittingen, en hemelwaarts ziende naar
die bron, vanwaar alleen iets duurzaam goeds kan verwacht worden.
Isabella, nu met hare rijzige en bevallige gestalte aan het open
venster verschijnende, dat van het plein slechts gescheiden was door de
traliën, waarmede men, in oude tijden, de benedenvensters van een
kasteel verzekerde, wekte eene belangstelling van anderen aard, en had
eene romantische verbeeldingskracht kunnen herinneren aan eene gevangen
jonkvrouw, die haar lijden aan een pelgrim verhaalde, opdat hij de
dapperheid van elken ridder, dien hij ontmoette, mocht inroepen, om
haar uit de harde gevangenschap te verlossen.

Nadat Isabella haren dank in bewoordingen betuigd had, die zij dacht,
dat het aangenaamst zijn zouden, en welke de bedelaar verklaarde zijne
verdiensten verre te boven te gaan, begon zij zich op eene wijze uit te
drukken, die zij veronderstelde, dat meer ingang vinden zou. „Zij wist
niet,” zeide zij, „wat haar vader voornemens was voor hun redder te
doen; maar zeker zou het iets zijn, dat hem, zijn leven lang, rustige
en gemakkelijke dagen verschaffen zou; – indien hij zijn intrek op het
kasteel wilde nemen, zou zij bevel geven, –”

De oude man lachte en schudde het hoofd. „Ik zou uwe deftige
dienstboden tot last en schande zijn, dame, en ik ben tot dusver
niemand tot schande geweest, dat ik weet.”

„Sir Arthur zou strenge bevelen geven.”

„Gij zijt zeer goed; – ik twijfel er niet aan; – ja, ik twijfel er niet
aan; maar er zijn dingen, die een meester kan gebieden, en ook anderen,
die hij niet gebieden kan. Ik geloof wel, dat hij hun bevelen zou de
handen van mijn lijf af te houden – (en ik geloof ook, dat zij dat
buitendien zouden doen), en hij zou ook wel zorgen, dat zij mij mijne
soep en een stukje vleesch gaven; – maar gelooft gij, dat Sir Arthur
het spottend woord en den minachtenden blik zou kunnen beletten; of
maken, dat zij mij het eten met dien vriendelijken oogopslag gaven, die
het zoo smakelijk maakt; of dat hij hun het geheime spotten en de
kleine steken zou kunnen verbieden, die meer leed doen, dan het ergste
schelden? – Ik ben ook de luiste oude vent die er ooit leefde; en, om u
de ronde waarheid te zeggen, ik zou een zeer slecht voorbeeld geven in
eene geregelde huishouding.”

„Nu dan, Adam, wat dunkt u van een net huisje met een tuin, en den
dagelijkschen middagkost, en niets te doen, dan wat in den tuin te
spitten, als gij er lust in hadt?”

„En hoe dikwijls denkt gij, dat ik er lust in zou hebben, Freule?
Misschien één- of tweemaal tusschen Lichtmis en Kermis. En al ging
alles naar mijn zin, alsof ik Sir Arthur zelf was, dan zou ik het toch
niet uithouden, altijd op dezelfde plaats te zijn, en nacht op nacht
dezelfde balken en dwarshouten boven mijn hoofd te zien. En dan heb ik
zoo wat mijne eigene grillen, die in een rondzwervenden bedelaar niet
hinderen, die zich aan niemands luimen behoeft te storen; maar weet ge
– Sir Arthur heeft ook de zijne; – en ik zou die bespotten of er om
lachen, en gij zoudt kwaad worden, en dan was ik in staat, mij te
verhangen!”

„O, gij zijt een bevoorrecht mensch, Adam! – wij zullen u alle
mogelijke vrijheid geven. Dus laat u raden, – en denk aan uw ouden
dag!”

„Maar ik ben nog niet zoo heel oud, – toen ik eens aan den gang kwam
was ik gisteren nog los genoeg, en buigzaam als een aal. – En dan, wat
zouden de menschen in den omtrek doen, als zij den ouden Adam Ochiltree
missen moesten, die het nieuws en de kwinkslagen van de eene woning in
de andere brengt, met peperkoek voor de meisjes, – en de jongens hunne
netten helpt verstellen, en de vrouwen hare ketels lapt, en de kinderen
hunne rieten sabels en grenadiersmutsen maakt, en vliegenklappen voor
de heeren en dan nog op den koop toe meer oude gezangen en vertelsels
kent, dan iemand in het geheele graafschap, en iedereen lachen doet,
bij wien hij komt? – Waarlijk, Freule! ik kan mijn beroep niet
neêrleggen, het zou een algemeen verlies zijn!”

„Wel nu, Adam, als gij denkt, dat gij zoo onmisbaar zijt, en zelfs het
vooruitzicht van onafhankelijkheid u niet kan doen wankelen, –”

„Neen, neen, Freule! – het is juist omdat ik onafhankelijker blijf, zoo
als ik ben. Ik vraag in elk huis niet meer dan één maal, of wellicht
maar een mondvol; – weigert men het hier, ik krijg het dáár; – zie, men
kan niet zeggen, dat ik van iemand in het bijzonder afhang, maar van de
geheele landstreek over het algemeen.”

„Nu dan, beloof mij slechts, dat gij mij het zult laten weten, als gij,
op uw ouden dag, niet meer in staat, om uw gewonen gang te gaan,
verlangt eene vaste woonplaats te kiezen; – en neem inmiddels dit aan!”

„Neen, neen, ik neem niet veel geld te gelijk aan, dat is tegen den
regel; – en, – ofschoon het niet beleefd schijnt, zoo iets te zeggen; –
men zegt, dat het geld bij Sir Arthur zelven schaarsch wordt, en dat
hij zich ten gronde richt met zijn spitten en graven naar lood en koper
daar ginds!”

Hoezeer Isabella reeds een voorgevoel had van hetgeen Ochiltree zeide,
hoorde zij nochtans niet zonder ontroering, dat haar vaders
verlegenheid reeds zoo algemeen bepraat werd: alsof de laster zich ooit
een zoo aangenamen buit liet ontglippen, als het struikelen der braven,
den val der machtigen, en het verarmen der rijken. – Zij zuchtte diep.
– „Wel, Adam! laat de menschen maar praten wat zij willen, wij hebben
genoeg, om onze schulden te betalen, – en om u onzen dank te betuigen
is eene der eersten; – ik bid u dus dringend, dit geld aan te nemen!”

„Om den een of anderen nacht tusschen stad en dorp beroofd en vermoord
te worden, – of, wat even erg is, in aanhoudende vrees te leven? Ik ben
niet,” – (de stem latende dalen, tot een gefluister, en scherp in het
rond ziende:) „ik ben niet geheel van alles ontbloot; en al kom ik ook
in een sloot te sterven, zullen zij nog genoeg in dezen ouden blauwen
rok vinden, om mij als Christen-mensch te begraven, en daarbij de
jongens en meisjes nog iets voor het lijkbewaken te geven. Zie, zoo is
er gezorgd voor de uitvaart van den ouden bedelaar, en meer is er niet
noodig! – Zoo iemand van mijns gelijken ooit eene banknoot wilde
wisselen, wie denkt gij, zou zoo dwaas zijn, hem ooit meer eene
liefdegift te geven? Als een loopend vuur zou het weldra door het
geheele land verspreid zijn, dat de oude Adam zoo iets gedaan had, en
dan, verzeker ik u, – al klaagde ik mij dood, – geen mensch zou mij een
mondvol vleesch of een stuiver meer geven.”

„Is er dan niets, dat ik voor u doen kan?”

„O ja; – ik zal als naar gewoonte om mijn aalmoes komen, en nu en dan
wil ik wel wat snuif hebben, – en gij zoudt den veldwachter kunnen
verzoeken, mij niet te plagen, en een goed woord doen bij Sander
Netherstanes, den molenaar, dat hij zijn grooten hond aan de ketting
legt; – ik zou niet willen dat hij het arme dier kwaad deed; want het
is juist zijn plicht om de bedelaars, zoo als ik ben, aan te blaffen. –
En dan is er noch iets; maar gij zult het zeer onbeschaamd van iemand
als ik ben vinden, om er van te spreken.”

„Wat is het, Adam? – zoo het u betreft, zal het geschieden, als het in
mijn vermogen is.”

„Het gaat u zelve aan, en het is in uwe macht, en het moet er uit! Gij
zijt eene schoone jonge dame, en goed, en waarschijnlijk ook rijk; –
maar wees nooit meer zoo hard tegen dien jongen Lovel, als gij eenigen
tijd geleden waart, op eene wandeling langs de Briery-heuvels, toen ik
u beiden zag en hoorde, ofschoon gij mij niet zien kondet. – Wees
verstandig met den jongen; want hij houdt veel van u, en hij was het,
en niet ik, die Sir Arthur en u gisteren redde.”

Hij sprak deze woorden zacht, maar duidelijk, en ging daarop, zonder
een antwoord af te wachten, naar eene deur, die naar de vertrekken der
dienstboden leidde, en trad zoo het huis binnen.

Isabella Wardour bleef eenige oogenblikken in dezelfde houding staan,
waarin zij deze zonderlinge toespraak had aangehoord, leunende, tegen
de traliën van het venster, en zij kon niet besluiten, een enkel woord
over zulk een teeder onderwerp te uiten, voordat de bedelaar uit het
gezicht was. Moeielijk viel het, voorwaar, te bepalen wat zij doen
moest. Dat hare zamenkomst en haar gesprek met dezen jongen en
onbekenden vreemdeling een geheim was, in het bezit van iemand uit de
allerlaagste klasse, waaruit eene jonge dame een vertrouweling zoeken
zou, en dat zij dus in de macht was van iemand, die van beroep de
algemeene nieuwskramer was van de geheele buurt, trof haar pijnlijk.
Zij had wel geen reden, te veronderstellen, dat de oude man opzettelijk
iets doen zou, om haar te grieven, veelmin om haar te beleedigen; maar
de vrijheid, die hij nam, om haar over zulk een teeder onderwerp te
onderhouden, toonde, zoo als men had mogen verwachten, een volslagen
gebrek aan kieschheid; en wat hij ook bij de eerste gelegenheid in het
hoofd zou krijgen te zeggen of te doen, het was vrij zeker, dat zulk
een verklaarde bewonderaar der vrijheid niet aarzelen zou, het zonder
den minsten schroom te vertellen, of ten uitvoer te brengen. Dit
denkbeeld was haar zoo pijnlijk, en kwelde haar zoo zeer, dat zij half
wenschte, den bijstand van Ochiltree en Lovel den vorigen avond te
hebben gemist.

Terwijl zij dus ontroerd bleef staan, zag zij eensklaps Oldbuck en
Lovel het plein opkomen. Zij keerde zich oogenblikkelijk ver genoeg van
het venster af, om, zonder gezien te zijn, te kunnen opmerken, hoe de
oudheidkenner voor den gevel van het huis bleef stilstaan, en, naar de
verschillende wapenschilden van de voormalige eigenaren wijzende, bezig
scheen met Lovel zeer veel belangrijke en geleerde uitleggingen te
geven, die Isabella, uit de afgetrokken houding van zijn toehoorder,
gissen kon, dat geheel en al voor hem verloren gingen. Het werd
dringend noodzakelijk, oogenblikkelijk een besluit te nemen; zij
schelde dus om een dienstbode, en beval hem de heeren binnen te laten,
terwijl zij zich, langs een anderen trap, naar haar eigen vertrek
begaf, om vóór zij zich vertoonde, te overleggen hoe zij zich gedragen
zou. De bezoekers werden, overeenkomstig haar bevel, in de zaal
gebracht, waar men gewoon was gezelschap te ontvangen.








DERTIENDE HOOFDSTUK


                      – Er was een tijd, dat ik u haatte,
                      En nog is ’t niet, dat ik u liefde draag’,
                      Uw bijzijn, dat ’k als onbescheiden laakte,
                      Gedoog ik nu; –
                      Maar denk geenzins aan verdere belooning.

                                                  Zoo als ’t u belieft.


Het rood op de wangen van Isabella Wardour was aanmerkelijk verhoogd,
toen zij, na den noodigen tijd, om hare denkbeelden te regelen, in de
kamer trad.

„Het verheugt me, dat gij gekomen zijt, mijne schoone vijandin!” zei de
oudheidkenner, haar zeer vriendelijk groetende; „want ik heb een zeer
weêrspannigen, of ten minste een zeer onoplettenden toehoorder gehad in
mijn jongen vriend hier, terwijl ik hem trachtte bekend te maken met de
geschiedenis van het kasteel van Knockwinnock. Ik geloof, dat het
gevaar van gisteren nacht den armen jongen versuft heeft. Maar gij!
Wel, gij ziet er uit alsof het vliegen door de nachtlucht uwe
natuurlijkste en meest geschikte bezigheid ware. Uwe kleur is nog beter
zelfs, dan toen gij gisteren mijn hospitium met uw bezoek vereerdet. En
Sir Arthur, – hoe maakt het mijn goede, oude vriend?”

„Tamelijk wel, mijnheer Oldbuck, maar ik vrees, niet geheel in staat,
om uwe gelukwenschen te ontvangen, of om den heer Lovel voor zijn
voorbeeldeloozen moed te danken.”

„Ik wil het wel gelooven,” hernam Oldbuck; „een zacht donzen kussen is
voor zijn waardig grijs hoofd veel beter, dan die vervloekte Lijsje’s
schoot, – zoo als de rotsen heeten.”

„Ik was niet voornemens mij op te dringen,” zei Lovel, aarzelend en met
slecht onderdrukte ontroering; „ik was niet, – ik was niet voornemens
aan Sir Arthur of aan zijne dochter de tegenwoordigheid van iemand op
te dringen, die, – die noodzakelijk onaangenaam zijn moet, – daar hij
hen aan een ongelukkig oogenblik moet herinneren.”

„Geloof niet, dat mijn vader zoo onrechtvaardig en ondankbaar is,”
antwoordde Isabella. „Ik durf zeggen,” vervolgde zij, terwijl zij
Lovel’s verlegenheid deelde, – „ik durf zeggen, – ik ben zeker, dat
mijn vader zich gelukkig achten zou zijne dankbaarheid te betoonen, –
op iedere wijze, – die, – die mijnheer Lovel zelf geschikt zou kunnen
oordeelen.”

„Wat drommel!” viel Oldbuck in, „wat is dat voor eene bepaling? – Op
mijne eer, ze herinnert mij aan onzen dominé, die, als een uitgemaakte
oude gek, eenmaal den inval kreeg, om op de inclinatie van mijne zuster
Grizel te drinken, en het noodig oordeelde, er de heilzame clausule bij
te voegen: wanneer – die deugdzaam is, mejufvrouw! – Kom, laat ons dien
onzin vergeten. Sir Arthur zal ons bij eene volgende gelegenheid wel
welkom heeten. – En wat nieuws is er uit het koninkrijk der
onderaardsche duisternis en luchtige hoop? – wat zegt de zwarte geest
der mijnen? – Heeft Sir Arthur iets goeds van zijne laatste onderneming
in Glen-Withershins gehoord?”

Isabella schudde het hoofd; – „slechts zeer weinig goeds, vrees ik,
mijnheer Oldbuck, maar daar liggen eenige stukken erts, die onlangs
gezonden zijn.”

„Och, mijn arme, lieve honderd pond sterling, die Sir Arthur mij
overreedde, als aandeel in die hopelooze speculatie te geven! ze zouden
mij eene kar vol mineraliën opgebracht hebben; – maar laat ik ze eens
zien!”

En dit zeggende, plaatste hij zich aan de tafel in den hoek, waarop de
voortbrengselen der mijnen lagen, en ving aan, ze één voor één te
onderzoeken, morrende bij elk stuk, dat hij opnam en ter zijde legde.

Intusschen werd Lovel als het ware gedwongen tot eene soort van
tête-à-tête met Isabella Wardour, en hij nam deze gelegenheid waar, om
haar met eene zachte en ontroerde stem toe te voegen: „Ik vertrouw, dat
zeer onverwachte omstandigheden de onbescheidenheid van iemand zullen
verontschuldigen, die reden heeft, zich een ongewenschten gast te
achten.”

„Mijnheer Lovel,” antwoordde Isabella Wardour, op denzelfden
voorzichtigen toon; „ik vertrouw, dat gij niet zult, – ik ben zeker,
dat gij niet in staat zijt, om het voordeel te misbruiken, dat de
diensten u geven, welke gij ons bewezen hebt, en welke, daar zij mijn
vader aangaan, – nooit genoeg erkend of vergolden kunnen worden. Kon
mijnheer Lovel mij zien, zonder dat het zijne rust stoorde, – kon hij
mij als eene vriendin, – als eene zuster zien, – zoo zou ons niemand, –
en, naar al hetgene ik van mijnheer Lovel gehoord heb, moest ook
niemand ons meer welkom zijn dan hij; maar, –”

Oldbuck’s verwensching van het voegwoordje maar, weêrklonk in Lovel’s
hart. – „Vergeef mij, Freule Wardour, dat ik u in de rede val: – gij,
behoeft niet te vreezen, dat ik u verder lastig zal vallen over een
onderwerp, waaromtrent ik reeds zoo onverbiddelijk afgewezen werd; maar
voeg niet bij de strengheid, waarmede gij mijne liefde verwerpt, de
wreedheid van te eischen, dat ik ze verloochenen zou.”

„Ik ben zeer verlegen, mijnheer Lovel, over uwe – ik wenschte niet een
hard woord te bezigen, – over uwe romaneske en hopelooze volharding.
Het is voor u zelven, dat ik spreek, hopende, dat gij niet het recht
zult vergeten, dat het vaderland op uwe talenten heeft; – dat gij niet
in de ijdele vruchtelooze vervolging eener verkeerd geplaatste
voorkeur, den tijd moogt opofferen, die uwe pogingen beloonende, den
grondslag leggen zou tot uwen toekomstigen roem. Laat ik u bidden, een
moedig besluit te nemen!”

„Genoeg, Freule Wardour! ik begrijp volkomen, dat –”

„Gij zijt beleedigd, mijnheer Lovel, en, geloof mij, ik deel in de
smart die ik u veroorzaak; – maar kan ik, rechtvaardig jegens mij
zelve, en billijk omtrent u, anders doen? – Zonder de toestemming van
mijn vader, zal ik nooit aan het aanzoek van wien het ook zij, gehoor
geven, en hoe geheel onmogelijk het is, dat hij de voorkeur, waarmede
gij mij vereert, met een gunstig oog zou aanzien, daarvan zijt gij ten
volle overtuigd, – en inderdaad, –”

„Neen, neen! ga niet voort. Is het niet genoeg, alle hoop in mijn
tegenwoordigen toestand te verijdelen! Zeg niets verder: – waarom er
bij voegen, wat gij ook doen zoudt, als Sir Arthur’s zwarigheden uit
den weg konden worden geruimd?”

„Dat zou ook inderdaad onnoodig zijn, mijnheer Lovel, omdat het
onmogelijk is die uit den weg te ruimen, en ik wenschte alleen als uwe
vriendin, en als iemand, die u haar eigen en haar vaders leven te
danken heeft, u te bidden die ongelukkige neiging te onderdrukken, – om
een land vaarwel te zeggen, dat geen gelegenheid voor uwe talenten
aanbiedt, – en het eervolle beroep te hervatten, dat gij schijnt
verlaten te hebben.”

„Wel, uwe wenschen zullen vervuld worden: – heb slechts eene kleine
maand geduld, en als ik in dien tijd u geene voldoende gronden kan
aantoonen, om mijn verblijf te Fairport te verlengen, – gronden, die
gij zelve zult moeten goedkeuren, – dan zal ik deze streken vaarwel
zeggen, en tevens aan al mijne hoop op geluk!”

„Dat niet, mijnheer Lovel, vele, vele jaren van wel verdiend geluk, op
een vaster grond steunende, dan uwe tegenwoordige wenschen beloofden,
hebt gij, naar ik vertrouw, te wachten; – maar het is hoog tijd, om dit
gesprek te eindigen. Ik kan u niet noodzaken, mijn raad te volgen; – ik
kan mijn vaders huis niet ontzeggen aan den redder van zijn en mijn
leven; maar hoe eerder de heer Lovel zich overwinnen kan, en zich
onderwerpt aan de onvermijdelijke teleurstelling van wenschen, die zoo
onbedachtzaam gekoesterd werden, des te hooger zal hij in mijne achting
rijzen. Intusschen moet hij het mij ten goede houden, dat ik, zoo wel
om hem zelven, als om mij, eenige verdere woorden over een zoo
smartelijk onderwerp vermijd.”

Op dit oogenblik kwam een bediende melden, dat Sir Arthur den heer
Oldbuck wenschte te spreken op zijne kamer.

„Ik zal u den weg wijzen,” zeide Isabella, die waarschijnlijk voor een
langer tête-à-tête met Lovel beducht was; en zij geleidde dan ook den
oudheidkenner naar het vertrek van haren vader.

Sir Arthur lag, de beenen in flanel gewikkeld, op eene sofa. „Welkom,
mijnheer Oldbuck!” zeide hij, „ik vertrouw, dat u de koude van gisteren
avond beter bekomen is, dan mij?”

„Wel zeker, Sir Arthur, ik was er niet zoo zeer aan blootgesteld; – ik
bleef op terra firma; – gij gaaft u aan de koude avondlucht over, in de
ruimste beteekenis van het woord. Maar zulke waagstukken betamen een
dapperen ridder beter dan een nederigen landman: te rijden op de
vleugels van den nachtwind, te dalen in de ingewanden der aarde! – Wat
nieuws van onze onderaardsche Goede Hoop, de terra incognita van
Glen-Withershins?”

„Vooralsnog niets goeds,” zei de Baronet, zich haastig omkeerende,
alsof de jicht hem juist pijnigde; „maar Dousterswivel wanhoopt niet!”

„Niet?” zei Oldbuck, „nu dan doe ik het, met zijn verlof. – Wel! de
oude Dr. H–n [17] zeide mij, toen ik te Edinburg was, dat, naar de
proeven te oordeelen, die ik hem liet zien, de man nooit koper genoeg
zou vinden, om een paar zes stuivers broekgespen van te maken, – en ik
zie niet, dat die stukken op de tafel beneden, veel van de anderen
verschillen.”

„De geleerde doctor is toch niet onfeilbaar, naar ik veronderstel.”

„Neen! maar hij is een van onze eerste scheikundigen; en uw
peripatetische wijsgeer is, vrees ik, een van die geleerde gelukzoekers
door Kircher beschreven; artem habent sine arte, partem sine parte,
quorum medium est mentiri, vita eorum mendicatum ire; dat wil zeggen,
Freule Isabella, –”

„Het is niet noodig, het te vertalen,” zeide Isabella; „ik begrijp zoo
wat uwe meening; – maar ik hoop, dat de heer Dousterswivel een beter
karakter aan den dag zal leggen!”

„Daaraan twijfel ik zeer,” antwoordde de oudheidkenner, „en wij zijn al
mooi door hem gefopt, als wij de ader niet ontdekken, die hij ons al
twee jaren lang voorspeld heeft.”

„Gij hebt geen heel groot belang bij de zaak, mijnheer Oldbuck!” zei de
Baronet.

„En toch te veel; en toch te veel, Sir Arthur! – Evenwel zou ik, om den
wille van deze mijne schoone vijandin hier, alles gaarne kwijt zijn,
als gij er niet meer bij op het spel had!”

Er volgde een pijnlijk stilzwijgen van eenige oogenblikken; want Sir
Arthur was te trotsch, om het verijdelen zijner gouden droomen te
erkennen; ofschoon hij zich zelven niet langer verbergen kon, dat de
onderneming zeer waarschijnlijk daarmede eindigen zou. „Ik hoor,” zeide
hij ten laatste „dat de jonge heer, aan wiens moed en tegenwoordigheid
van geest wij gisteren nacht zoo veel verschuldigd waren, mij met een
bezoek vereerd heeft. Het spijt mij, dat ik hem niet ontvangen kan, en
inderdaad niemand hoegenaamd, dan een ouden vriend zoo als gij,
mijnheer Oldbuck!”

Eene buiging van des oudheidkenners stijve ruggegraat erkende dit
voorrecht.

„Gij hebt veronderstel ik te Edinburg met dezen jongen heer kennis
gemaakt?”

Oldbuck verhaalde de omstandigheden, door welke zij elkander hadden
leeren kennen.

„Wel, dan is mijne dochter eene oudere kennis van den heer Lovel dan
gij.”

„Inderdaad! nu dat wist ik niet.”

„Ik ontmoette mijnheer Lovel,” zeide Isabella, eenigszins blozende
„toen ik verleden lente bij tante Wilmot logeerde.”

„In Yorkshire? – en welken rang bekleedde hij of wat deed hij toen?”
vroeg de heer Oldbuck; „en waarom herkendet gij hem niet, toen ik hem
aan u voorstelde?”

Isabella beantwoordde de minst moeielijke vraag, en ontweek de andere.
„Hij was officier bij het leger, en had, geloof ik, met roem gediend:
hij was zeer gezien en geacht als een beminnelijk en veelbelovend
jongeling.”

„En, eilieve!” hernam de oudheidkenner, die niet de man was, om zich
met één antwoord op twee verschillende vragen tevreden te stellen, „als
dat zoo is, waarom spraakt gij den jongen niet dadelijk aan, toen gij
hem bij mij ontmoettet? – Ik dacht niet, dat gij zoo veel van dien
kleingeestigen vrouwentrots bezat!”

„Daarvoor was eene reden,” zeide Sir Arthur deftig. „Gij kent de
begrippen, – vooroordeelen, zult gij ze misschien noemen, – van ons
huis, omtrent de zuiverheid der geboorte; deze jongeling schijnt de
onechte zoon te zijn van een man van aanzien; mijne dochter verkoos
niet de kennis te hernieuwen, eer zij wist of ik het goedkeurde, dat
zij hem kende.”

„Indien het zijne moeder geweest ware, in plaats van hem zelven, zou ik
het best kunnen begrijpen. De arme jongen! Dat was dus de reden, waarom
hij zoo afgetrokken en verlegen scheen, toen ik hem de beteekenis
uitlegde van den bastaardsbalk op het schild ginds op den hoektoren.”

„Juist!” zei de Baronet met veel zelfbehagen; „het is het schild van
Malcolm den Overweldiger, zoo als men hem noemt. De toren, dien hij
bouwde, heet naar hem de Malcolm’s toren, bij verbastering de Misticots
toren. Op den Latijnschen stamboom van ons geslacht komt hij voor onder
den naam van Miscolumbus Nothus; en zijne tijdelijke overweldiging van
onzen eigendom, en zijne hoogst onrechtvaardige poging om zijn
bastaard-geslacht op ons erfgoed Knockwinnock te vestigen, berokkende
zoo vele vijandelijkheden onder en ongelukken aan ons geslacht, dat ze
ons zeer stijfden in den afkeer en tegenzin, welken ik van mijne
geëerbiedigde voorouders overerfde, voor bastaardbloed en onechte
kinderen.”

„Ik ken die geschiedenis,” zelde Oldbuck, „en ik verhaalde die zoo even
aan Lovel, met eenige der wijze grondregels en vaste grondbeginsels,
welke ze uw geslacht ingeprent had. De arme jongen! Het moet hem zeer
getroffen hebben; ik hield zijne afgetrokkenheid voor onachtzaamheid,
en was er eenigzins knorrig over, en het blijkt slechts een overmaat
van gevoel geweest te zijn! Ik hoop echter, Sir Arthur, dat gij uw
leven niet te minder achten zult, omdat het door zulk een bijstand
behouden werd?”

„En mijn redder ook niet,” antwoordde de Baronet; „mijn huis en mijn
tafel zullen even goed voor hem openstaan, alsof hij van het
roemrijkste geslacht afstamde.”

„Kom, dat verheugt mij; – hij weet dus, waar een maaltijd te zoeken,
als hij er een noodig heeft. – Maar wat kan hij in dezen omtrek te doen
hebben? Ik moet hem daarover ondervragen; en als ik vind, dat hij het
noodig heeft, – en zelfs in elk geval, – zal hij mijn besten raad
hebben.” – Met deze edelmoedige belofte, nam hij van Isabella en haren
vader afscheid, vol ijver om Lovel onder handen te nemen. Hij zeide hem
kortaf, dat Isabella zich liet verontschuldigen, – dat zij moest
blijven, om haren vader op te passen, nam hem onder den arm, en bracht
hem buiten het kasteel.

Knockwinnock behield nog steeds in vele opzichten het uiterlijk van het
kasteel eener oude heerlijkheid. Het had zijne ophaalbrug, ofschoon die
niet meer opgetrokken werd, en droge grachten, welker hellingen met
groene struiken bepoot waren. Daarboven verrees het oude gebouw,
gedeeltelijk uit grondvesten in de roode rotsen gehouwen, die tot de
klippen van het strand neêrdaalden, en gedeeltelijk loodrecht op de
groene kanten der gracht. De boomen van de groote laan zijn reeds
beschreven en vele anderen verhieven zich in het rond, hoog en zwaar,
als om het vooroordeel te weêrleggen, dat men geen timmerhout in de
nabijheid van den oceaan kan laten groeien. Onze wandelaars hielden
stil en zagen naar het kasteel terug, zoodra zij den top van eene
kleine hoogte bereikt hadden, waarover hun weg huiswaarts ging; want
het spreekt, dat zij de gevaren van het getij niet wilden wagen, door
langs het strand terug te keeren. Het gebouw spreidde zijne breede
schaduw over het dichte lommer der heesters onder het gebouw; terwijl
vóór, aan den gevel, de vensterruiten in de zon glinsteren. Onze
vrienden beschouwden ze met zeer verschillende gewaarwordingen. Lovel,
met de oogen van den verliefde, die zich voedt en leeft van de lucht,
zooals men zegt, dat de kameleon doet, of van de onzichtbare
schepseltjes, die ze bevat, terwijl hij trachtte te gissen, welke der
tallooze vensters tot het vertrek behoorden, op dat oogenblik
verheerlijkt door de tegenwoordigheid van Isabella. De overpeinzingen
van den oudheidkenner waren van veel treuriger aard, en werden
gedeeltelijk uitgedrukt door den uitroep van „Cito peritura!” toen hij
zich van de beschouwing van het kasteel afwendde. Lovel, uit zijne
mijmering ontwaakt, keek hem aan, als om de beteekenis van deze
onheilspellende woorden te vragen. De oude man schudde het hoofd. „Ja
mijn jonge vriend!” zeide hij, „ik vrees zeer, – en het snijdt mij door
de ziel, terwijl ik het zeg, – dat dit oud geslacht langzamerhand te
gronde gaat!”

„Inderdaad!” antwoordde Lovel, „gij verrast mij zeer!”

„Het is te vergeefs, dat wij ons verharden,” ging de oudheidkenner
voort, terwijl hij de reeks zijner eigene gedachten volgde, – „het is
te vergeefs, dat wij ons verharden, om met die onverschilligheid, die
zij verdienen, de wisselvalligheden van deze bedriegelijke,
onbestendige wereld te aanschouwen. Te vergeefs streven wij om die
onafhankelijke, onkwetsbare wezens, de teres atque rotundus van den
dichter, te zijn. De Stoïcijnsche hoogte, waarop de wijsbegeerte
voorgeeft ons boven de rampen en ongelukken van het menschelijk leven
te plaatsen, is even hersenschimmig, als de toestand van denkbeeldige
rust en volmaaktheid, waarnaar eenige ijdele dweepers streven.”

„En de Hemel verhoede, dat het anders zijn zou,” riep Lovel met drift.
„De Hemel verhoede, dat eenige vorderingen der wijsbegeerte ons ooit in
staat stelden, ons gevoel zoo stomp en verhard te maken, dat het zich
door niets bewegen liet, dan door hetgene dadelijk en onmiddellijk uit
ons eigen baatzuchtig belang voortsproot! Ik zou even gaarne eene hand
hard als horen hebben, om ze voor eenige toevallige snede of kneuzing
beveiligd te zien, als dat ik het Stoïcisme najagen zou, dat mijn hart
hard als een rotssteen maakte!”

De oudheidkenner keek zijn jeugdiger begeleider aan, met een half
medelijdenden, half goedkeurenden blik, en haalde de schouders op,
terwijl hij antwoordde: „Wacht, eens, jong mensch! wacht, tot uwe
levensschuit zestig jaren lang door den storm der aardsche
wisselvalligheden geslingerd is; – in dien tusschentijd zult gij de
zeilen leeren bijhalen en aan den storm nageven; – of, in de taal der
wereld, gij zult wederwaardigheden genoeg verduurd hebben en te
verduren vinden, om uw gevoel en uwe edelmoedigheid in aanspraak te
nemen, zonder u meer met het lot van anderen te bemoeien! dan hoogst
noodzakelijk is.”

„Wel, mijnheer Oldbuck, zoo zij het, maar vooralsnog gelijk ik meer op
u in uw doen, dan in uw stelsel, want ik kan niet nalaten diep
getroffen te zijn door het lot van de familie, die wij juist verlaten
hebben.”

„En dit moogt gij wel,” antwoordde Oldbuck; „de nood van Sir Arthur is
binnen kort zoo dringend geworden, dat het mij verwondert, dat die u
nog niet bekend was. En dan zijne ongerijmde en kostbare ondernemingen,
met dien Hoogduitschen landlooper, Dousterswivel!”

„Ik geloof dien heer gezien te hebben, toen ik mij, bij toeval, in het
koffijhuis te Fairport bevond; – een lange, sombere, onhebbelijke man,
met zware wenkbrauwen, – die zich over wetenschappelijke onderwerpen,
zoo als het mij in mijne onwetendheid ten minste toescheen, eerder
stout dan geleerd uitliet, zeer eigendunkelijk was in het voordragen en
handhaven zijner gevoelens, en de kunsttermen op eene zonderlinge,
geheimzinnige wijze, met zijne wartaal vermengde. Een eenvoudig jong
mensch fluisterde mij in, dat hij een illuminé was, en omgang had met
de onzichtbare wereld.”

„O, dezelfde, – dezelfde! – hij heeft juist kennis genoeg, om geleerd
en verstandig te spreken met lieden, wier verstand hij vreest; en, om
de waarheid te zeggen, deze hoedanigheid, gevoegd bij zijne
voorbeeldelooze onbeschaamdheid, heeft mij een tijdlang misleid, toen
ik hem voor het eerst leerde kennen. Maar sedert heb ik vernomen, dat
hij zich bij gekken en vrouwen als een volmaakte kwakzalver gedraagt, –
van het magisterium, – van sympathiën, – van de cabala, – van de
tooverroede spreekt, en al de bedriegerijen in het werk stelt, waarmede
de rozenkruisers eene minder verlichte eeuw begoochelden, en die, tot
onze eeuwige schande, in de onze eenigszins herleven. Mijn vriend
Heavysterne had dezen mensch buiten ’s lands gekend, en gaf mij, zonder
het te willen, – want hij is, moet gij weten, zelf een der geloovigen,
– den sleutel tot zijn karakter. Och! ware ik slechts voor één enkelen
dag Kalif, zoo als de eerlijke Abu Hassan wenschte te zijn, ik zou deze
goochelaars met schorpioen-roeden de wereld uit geeselen! Zij brengen
het hoofd der eenvoudigen en lichtgeloovigen met hun geheimzinnig
gemaal even zeker op hol, alsof zij hunne hersens door brandewijn
verhit hadden, en ledigen hen dan even gemakkelijk de zakken. En nu
heeft deze avontuurlijke kwakzalver den laatsten slag toegebracht, om
een oud en achtingswaardig geslacht te gronde te richten!”

„Maar hoe heeft hij Sir Arthur kunnen verleiden tot eenige gevaarlijke
ondernemingen?”

„Wel, ik weet het zelf niet. Sir Arthur is een goede, brave man; – maar
heeft, zoo als gij uit zijne verwarde begrippen omtrent de Pictische
taal zult gemerkt hebben, niet al te veel doorzicht. Zijne goederen
blijven in de familie, en hij is altijd in geldverlegenheid geweest.
Deze zakkenroller beloofde gouden bergen, en men vond eene Engelsche
compagnie, die groote sommen voorschieten wilde: – naar ik vrees op Sir
Arthur’s naam. Eenige heeren, – en ik was dom genoeg er onder te zijn,
– namen kleine aandeelen in de onderneming, en Sir Arthur zelf deed
groote voorschotten: wij werden meêgesleept door den schoonen schijn,
en nog meer door schoone leugens, en nu ontwaken wij en zien, dat het
een droom geweest is!”

„Het verwondert mij, mijnheer Oldbuck, dat gij Sir Arthur door uw
voorbeeld aangemoedigd hebt.”

„Wel,” zeide Oldbuck, de zware, grijze wenkbrauwen fronsende, „ik ben
er zelf eenigszins verwonderd en beschaamd over; het was geene
winstzucht; – niemand geeft minder om geld, (ofschoon ik zeer
voorzichtig ben,) dan ik; – maar mij dacht, ik kon een sommetje wagen.
Men verwacht, (ofschoon ik zeker niet inzien kan waarom,) dat ik iets
geven zal aan den een of anderen, die goed genoeg zal zijn, om mij van
dat schepseltje, mijne nicht, Mary M’Intyre, te verlossen; en misschien
denkt men, dat ik iets doen zal, om dien jongen kwast, haren broeder,
die bij het leger is, voort te helpen. In beide gevallen zou het
verdriedubbelen van het gewaagde mij geholpen hebben. En daarbij had ik
eenig vermoeden, dat de Phoeniciërs, in vroegere tijden, juist op die
plaats koper gegraven hadden. De doortrapte schurk, Dousterswivel,
ontdekte mijne zwakke zijde, en dischte mij vreemde vertelsels op (die
vervloekte vent!) van oude schachten en sporen van bergwerken, geheel
anders aangelegd en bearbeid, dan die van latere tijden; en – met één
woord, – ik was een gek, en daarmeê is het uit! Mijn verlies is niet
zoo groot, dat het de moeite waard is, er van te spreken; maar Sir
Arthur heeft zich, naar ik begrijp, zeer diep ingelaten, en mijn hart
bloedt voor hem en voor het arme jonge meisje, dat zijne armoede deelen
moet.”

Hier volgde een stilzwijgen, tot het gesprek, zoo als het in het
volgend hoofdstuk beschreven wordt, hervat werd.








VEERTIENDE HOOFDSTUK


                    Als ik het sluim’rend oog vertrouwen mag,
                    Dan duidt mijn droom eenig vreugdevol nieuws:
                    Mijn hart zit zacht op zijnen troon,
                    En den geheelen dag voerde een luchtige geest
                    Mij boven de aarde met blijde gedachten.

                                          Shakespeare’s Romeo en Julia.


Het verhaal van Sir Arthur’s ongelukkige omstandigheden had Oldbuck
eenigszins afgeleid van zijn voornemen, om Lovel te ondervragen over de
oorzaak van zijn verblijf te Fairport. Nu echter besloot hij, om een
begin te maken. „Gij waart reeds vroeger met Isabella Wardour bekend,
vertelde zij mij, mijnheer Lovel!”

„Ik had het genoegen gehad,” antwoordde Lovel, „om haar bij mevrouw
Wilmot, in Yorkshire, te ontmoeten.”

„Zoo! dat hebt gij mij nooit gezegd; en gij spraakt haar niet aan als
eene oude kennis?”

„Ik, – ik wist niet, dat het dezelfde dame was eer wij elkander
ontmoetten,” zei Lovel, zeer verlegen, „en toen was het mijn plicht te
wachten, tot zij mij verkoos te herkennen.”

„Ik begrijp uwe kieschheid. De Baronet is een kleingeestige,
eigenzinnige, oude gek; maar zijne dochter, – deze, beloof ik u, is
boven alle ongerijmde plichtplegingen en vooroordeelen verheven. En nu,
daar gij hier een nieuw stel vrienden gevonden hebt, mag ik vragen, of
gij Fairport nog zoo spoedig denkt te verlaten, als gij voornemens
waart?”

„En als ik uwe vraag door eene andere beantwoordde,” hernam Lovel, „en
vroeg, wat gij van droomen denkt?”

„Droomen, malle jongen! – wel, waar voor zou ik die anders houden, dan
voor de begoocheling der verbeelding, als de rede de teugels laat
vallen? – Ik ken tusschen droomen en de hallucinatiën van den waanzin
geen verschil. De woeste paarden slepen het rijtuig in beide gevallen,
waarheen ze willen; in het eene geval is echter de voerman dronken, en
in het andere slaapt hij. Wat zegt ons Marcus Tullius; – „Si insanorum
visis fides non est habenda, cur credatur somnientium visis, quae multa
etiam perturbatiora sunt non intelligo.” Indien men aan de
verbeeldingen der waanzinnigen geen geloof moet hechten, begrijp ik
niet, waarom men de verbeeldingen der droomenden gelooven zou, die nog
veel verwarder zijn.”

„Juist, mijnheer; maar Cicero doet ons ook opmerken, dat, even als
iemand, die den ganschen dag de werpspies slingert, soms het doel
treft, er evenzoo tusschen de menigte nachtelijke droomen één kan
voorkomen, welke met toekomstige gebeurtenissen overeenstemt.”

„Ei, – dat wil zeggen, dat gij, naar uw wijs oordeel, het wit getroffen
hebt? Goede hemel! wat zijn de menschen toch dwaas! Wel nu, ik wil voor
dezen keer de wetenschap der droomuitlegging niet verwerpen; – ik zal
gelooven, dat ze te verklaren zijn, en zeggen, dat er een Daniël
verrezen is, om ze uit te leggen, als gij mij bewijzen kunt, dat uw
droom u eene wijze gedragslijn aangewezen heeft.”

„Zeg mij dan,” antwoordde Lovel, „waarom ik, terwijl ik in twijfel
stond, of ik eene onderneming op zou geven, waartoe ik misschien te
voorbarig besloot, gisteren nacht in mijn droom uw voorzaat zien moest,
die mij, op eene spreuk wees, welke mij tot volharding aanmoedigde? –
Waarom moest ik aan woorden denken, die ik mij niet herinneren kon ooit
te voren gehoord te hebben, die in eene mij onbekende taal dáár
stonden, en die ik echter, toen ze mij vertaald werden, zoo volmaakt
goed op mijne eigene omstandigheden kon toepassen?”

De oudheidkenner barstte uit in een schaterenden lach. „Verschoon mij,
mijn jonge vriend, maar zoo is het, dat wij onnoozele stervelingen ons
zelven bedriegen, en buiten ons om naar beweeggronden zoeken, die in
onze eigene grillen te vinden zijn. Ik geloof, dat ik u uit de
verlegenheid helpen kan, ten aanzien van uw vizioen. Gij waart gisteren
na tafel zoo verdiept in gepeins, dat gij weinig acht gaaft op het
gesprek tusschen Sir Arthur en mij, tot wij op het geschilpunt kwamen
betreffende de Picten, dat zoo onverwacht afgebroken werd; maar ik
herinner mij, dat ik aan Sir Arthur een boek toonde, door mijn voorzaat
gedrukt, en hem het motto liet zien; uwe gedachten waren elders, maar
uw oor heeft werktuigelijk de klanken opgevangen en behouden, en uwe
levendige verbeelding, aangezet door Grizels sprookje, heeft, naar ik
veronderstel, u in den droom deze Hoogduitsche woorden weder
voorgesteld. Wat de wakende wijsheid betreft, die zich van zulk eene
beuzelachtige omstandigheid gretig bedient, om haar volharden in
eenigen maatregel te verschoonen, voor welken zij geene betere
rechtvaardiging vinden kan, – dat is juist eene dier looze streken, die
de wijsten van ons zich nu en dan zelven spelen, om hunne neiging, ten
koste van hun verstand, te volgen.”

„Ik beken het,” zei Lovel, blozende, – „ik geloof, mijnheer Oldbuck,
dat gij gelijk hebt; en ik moet, vrees ik, in uwe achting dalen, daar
ik een oogenblik gewicht aan zulke nietigheden heb kunnen hechten; maar
ik werd geslingerd door tegenstrijdige wenschen en besluiten, en gij
weet, welk een dun lijntje men noodig heeft, om de boot te slepen,
wanneer ze vlot op de baren is, ofschoon een kabeltouw haar nauwelijks
in beweging zou brengen, als ze hoog en droog op het strand ligt.”

„Goed zoo, goed zoo!” – riep de oudheidkenner: „In mijne achting dalen?
Waarachtig niet? Ik houd te meer van u, man! wel, wij hebben over en
weêr historie tegen historie, en ik kan, nu zonder beschaamd te zijn,
er over nadenken, hoe ik mij zelven blootgesteld heb met dat vervloekte
Praetorium; ofschoon ik nog altijd overtuigd ben, dat Agricola’s kamp
ergens in dezen omtrek moet geweest zijn. – En nu, Lovel, mijn goede
jongen, wees oprecht met mij. – Wat doet gij uit Wittemberg? – zoo als
Hamlet zegt; – waarom verliet gij uw vaderland en uw beroep, om u te
Fairport met niets doen op te houden? Uit lust tot lediggang, vrees
ik?”

„Juist,” antwoordde Lovel, zich aan eene onvermijdelijke ondervraging
onderwerpende, – „nu ben ik van alle menschen los, en ik heb er zoo
weinigen, in wie ik belang stel, of die zich aan mij laten gelegen
liggen, dat het verzaken van mijn beroep mij onafhankelijk maakt. De
man, wiens voor- of tegenspoed niemand aangaat, is het best bevoegd, om
zijn geluk op zijne eigene wijze te zoeken.”

„Vergeef mij, longman!” zei Oldbuck, hem de hand vriendelijk op den
schouder leggende, en plotseling blijvende stilstaan, – „sufflamina: –
een oogenblik geduld, als ’t u belieft; – ik wil veronderstellen, dat
gij geene vrienden hebt, die in uw voorspoed deelen, of er zich over
verheugen, – dat gij zelfs niet terug kunt zien op iemand, wien gij
dankbaarheid verschuldigd zijt, of hopen op hen, die van u afhangen
moesten; het is echter niet minder uw plicht, om rustig het pad der
deugd te blijven bewandelen: want uw werkzaam streven behoort niet
slechts aan de samenleving, maar in nederige dankbaarheid aan het
Opperwezen, dat er u een lid van maakte, en met voldoende krachten
uitrustte, om u zelven en anderen van nut te zijn.”

„Maar ik weet niet, dat ik zulke krachten bezit,” hernam Lovel,
eenigszins ongeduldig; „ik vraag niets van de samenleving, dan de
vergunning, om ongestoord mijn levensweg te bewandelen, zonder anderen
te hinderen, of te moeten dulden, dat ik door anderen gehinderd worde;
– ik ben niemand iets schuldig; – ik heb de middelen, om geheel
onafhankelijk te leven, en mijne wenschen zijn te dien opzichte zoo
matig, dat die middelen, hoe beperkt ook; eerder overvloedig dan
ontoereikende zijn.”

„Dan voorwaar,” zei Oldbuck, de hand terug trekkende en weêr
voortwandelende, „als gij zulk een echte wijsgeer zijt, dat gij gelooft
geld genoeg te hebben, valt er niets meer te zeggen. – Ik heb geen
recht om u raad te geven; – gij hebt de akmé – het toppunt der
volmaaktheid bereikt. En waarom is Fairport de uitverkoren
verblijfplaats geworden van zulk eene verhevene wijsbegeerte? – het is,
alsof een vereerder van den waren Godsdienst zich bij voorkeur vestigde
te midden der afgodendienaren in het land van Egypte. Er is geen mensch
in Fairport, of hij aanbidt het gouden kalf, – den mammon der
ongerechtigheid; – wel, ik zelf ben zoo besmet met hunne ondeugd, dat
ik soms geneigd ben, een afgodendienaar te worden.”

„Daar mijn lievelingsvak de letterkunde is, en omstandigheden, die ik
niet wel mededeelen kan, mij, ten minste voor een tijd, den
krijgsdienst deden verlaten, heb ik Fairport uitgezocht, als eene
plaats, waar ik mij aan mijne bezigheden kon overgeven, zonder eenige
dier verzoekingen tot afleiding, welke een meer deftige kring mij
wellicht zou hebben aangeboden.”

„Zoo! zoo!” zei Oldbuck, met een veelbeteekenenden blik. – „Ik begin
uwe toepassing van de spreuk van mijn voorvader te begrijpen; gij dingt
naar de gunst van het publiek, ofschoon niet langs den weg, dien ik
eerst vermoedde. – Gij wenscht als schrijver bekend te worden, en gij
hoopt de volksgunst door vlijt en volharding te verwerven.”

Lovel, die eenigszins door het scherp ondervragen van den ouden heer in
het nauw gebracht was, begreep, dat hij niet beter kon doen, dan hem in
het denkbeeld te laten, dat hij zelf had gelieven op te vatten.

„Ik ben wel eens,” antwoordde hij, „dwaas genoeg geweest aan zoo iets
te denken.”

„Och, mijn arme jongen, niets kan treuriger zijn; of gij moest, zoo als
jonge lieden wel eens zijn, verliefd zijn op eenig nietig vrouwelijk
schepseltje, wat zoo als Shakespeare naar waarheid zegt, zoo veel is,
als terzelfder tijd dood gedrukt, gegeeseld en gehangen te worden.”

Hij ging nu met zijne vragen voort, die hij soms vriendelijk genoeg was
van zelf te beantwoorden. Want deze goede oude heer had, bij zijne
oudheidkundige navorschingen, langzamerhand smaak gekregen in het
opmaken van besluiten uit veronderstellingen, die dikwijls zeer ver
waren van gegrond te zijn; en daar hij, zoo als de lezer reeds zal
hebben opgemerkt, vrij stijfhoofdig was, liet hij zich niet licht
afleiden, of te recht wijzen, omtrent daadzaken of meeningen, – zelfs
niet door diegenen, welke het grootste belang hadden bij de
onderwerpen, waarover hij redeneerde. Hij ging dus voort met Lovel’s
letterkundige loopbaan voor hem te schetsen.

„En waarmede denkt gij uwe loopbaan als man van letteren te openen? –
Maar ik kan het gissen; – de poëzie, – de poëzie, – de geliefde
verleidster der jeugd! Ja! ik merk een zedige, verlegene toestemming in
uwe oogen en manieren. – En van welken aard is uwe dichterlijke ader? –
Zijt gij geneigd naar de hoogere streken van den Parnassus te streven,
of zult gij slechts beneden om den voet van den berg heen fladderen?”

„Tot dus ver ondernam ik niets dan eenige kleine lierdichten.”

„Juist zoo als ik dacht! – Uwe vleugels beproefd, van tak tot tak
gehuppeld! Maar ik vertrouw, dat gij eene stoutere vlucht zult nemen. –
Merk wel op, dat ik u in geenen deele aanraad, om op deze onvoordeelige
loopbaan te volharden; – maar gij beweert geheel en al onafhankelijk te
zijn van het publiek?”

„Geheel en al,” hernam Lovel.

„En dat gij besloten hebt, geene andere loopbaan voor het oogenblik te
kiezen?”

„Voor het oogenblik is dat mijn besluit,” antwoordde Lovel.

„Wel, dan blijft er niets ander voor mij over, dan dat ik u in uw
voornemen raad geef. Ik heb zelf twee Verhandelingen in het Magazijn
der Oudheidkunde uitgegeven, en ben dus een schrijver van ondervinding.
Het waren mijne Aanmerkingen over Hearne’s uitgave van Robert van
Gloucester, geteekend Scrutator; en de andere, geteekend Indagator, was
over eene plaats in Tacitus. – Ik zou er iets kunnen bijvoegen, dat, in
zijn tijd, veel opgang maakte, namelijk mijn stuk, in het
Heeren-Magazijn, over de inscriptie van Oelia Lelia, hetwelk ik Oedipus
onderteekende. – Dus ziet gij, dat ik geen nieuweling ben in de
geheimen van den schrijver, en noodzakelijk bekend moet wezen met den
smaak en den geest des tijds. – En nu nog eens, waarmede denkt gij te
beginnen?”

„Ik ben niet van voornemen, om dadelijk iets uit te geven.”

„O! dat gaat nooit; in al uwe ondernemingen moet gij de vrees voor het
publiek voor oogen hebben. Laat ons eens zien. – Eene verzameling van
vluchtige stukken; – maar neen, – uwe vluchtige poëzie zou wellicht
paalvast bij den boekverkooper blijven. – Het moet iets zijn, dat
tevens degelijk en aantrekkelijk is. – Geene romances of bespottelijke
vertelseltjes. – Ik wilde dat gij terstond eene hoogere vlucht naamt. –
Laat zien – wat dunkt u van een echt heldendicht? – in den grootschen
ouderwetschen, geschiedkundigen trant, – behoorlijk en deftig in
twaalf, of vierentwintig boeken? Zie zoo! – ik zal u het onderwerp aan
de hand geven: de Slag tusschen de Caledoniërs en de Romeinen. De
Caledoniade, of de verijdelde inval, – zoo moet het heeten! Dat zal met
den hedendaagschen smaak overeenkomen, en gij kunt er hier en daar iets
toepasselijk op deze tijden invlechten.”

„Maar de inval van Agricola werd niet afgeweerd.”

„Neen; maar gij zijt een dichter; – een vrij man, en even zoo weinig
aan waarheid, of waarschijnlijkheid gebonden, als Virgilius zelf. – Gij
moogt de Romeinen verslaan, ondanks Tacitus.”

„En Agricola’s kamp verplaatsen naar het kamp van – hoe noemt gij het,
in weêrwil van Adam Ochiltree?”

„Niets meer daarvan, als gij mij liefhebt! – En toch geloof ik wel, dat
gij, zonder het te willen, in beide gevallen de juiste waarheid
vertellen zoudt, in weêrwil van de toga van den geschiedschrijver, en
van den blauwen kiel van den bedelaar.”

„Dat is eene stoute bewering! – Wel, ik zal mijn best doen; – gij zult
mij wel bijstaan met plaatselijke ophelderingen?”

„Zou ik niet, man? – wel, ik zal de historische en kritische
aanmerkingen bij ieder gezang voegen, en het plan van het gedicht zelf
ontwerpen. Ik maak aanspraak op eenig dichterlijk genie, mijnheer
Lovel, hoewel ik nooit verzen maken kon.”

„Het is jammer, mijnheer, dat gij te kort moest komen in eene
hoedanigheid, die eenigszins een hoofdvereischte van de kunst genoemd
mag worden.”

„Eene hoofdvereischte? – volstrekt niet; – het is slechts het
werktuigelijke gedeelte! – Een mensch kan dichter zijn, zonder spondeën
en dactylen te tellen als de ouden, of de einden der verzen in rijm te
doen klinken, gelijk de hedendaagschen, – even als men een bekwaam
bouwmeester zijn kan, zonder als een metselaar te kunnen werken.
Gelooft gij, dat Palladius of Vitruvius ooit een kalkbak, hebben
gedragen?”

„Dan moesten er twee schrijvers voor elk dichtstuk zijn; de ééne om het
plan te ontwerpen, en de andere om het uit te voeren.”

„Wel, dat zou zoo kwaad niet zijn; in elk geval zullen wij dat
beproeven; niet dat ik met mijn naam wenschte te prijken voor het
publiek; gij zoudt in de voorrede van den bijstand van een geleerden
vriend kunnen spreken, met zoo veel ophef als gij verkiest. – De
ijdelheid van den schrijver is mij geheel vreemd!”

Lovel vermaakte zich zeer over eene verklaring, zoo weinig strokende
met de gretigheid, waarmede zijn vriend de gelegenheid scheen aan te
grijpen, om voor het publiek op te treden, hoewel op eene wijze, meer
gelijkende naar het klimmen achter op een rijtuig, dan het daarin
plaats nemen. De oudheidkenner was inderdaad buitengemeen verheugd;
want hij had, even als vele andere mannen, die hun leven in onbekende
letterkundige navorschingen doorbrengen, eene geheime zucht, om in druk
te verschijnen, die door vlagen van huiverigen angst, van vrees voor de
kritiek, en door de gewoonten van traagheid en uitstel tegengehouden
werd. „Maar,” dacht hij, „ik kan, als een tweede Trojaan, mijne pijlen
slingeren van achter het schild van een vriend; en verondersteld, dat
hij geen dichter van den eersten rang bleek te zijn, zoo ben ik in
geenen deele verantwoordelijk voor zijne gebreken, en de degelijke
aanteekeningen zullen waarschijnlijk den zwakken tekst verhelpen! –
Maar hij is, – hij moet een goed dichter zijn; – hij heeft al de
afgetrokkenheid van den bezoeker van den Parnassus; – hij beantwoordt
zelden eene vraag eer men die tweemaal herhaald heeft; hij drinkt zijn
thee kokend heet, en eet, zonder te weten wat hij in den mond steekt.
Dit is de eigenlijke aestus, de divinus afflatus, de goddelijke adem,
waardoor de dichter boven dit ondermaansche verheven is. – Ook zijne
visioenen hebben vele kenmerken van dichterlijke razernij. – Ik moet
niet vergeten Caxon heden avond naar zijne kamer te zenden, om te zien,
of hij het licht uitdoet. Dichters en geestenzieners zijn daaromtrent
soms wat nalatig.” Toen zich naar Lovel wendende, en zijne verdere
gedachten hardop uitdrukkende, zeide hij:

„Ja, mijn waarde Lovel, gij zult noten in overvloed hebben, en ik
geloof, wezenlijk, dat wij de geheele Verhandeling over de kunst van
kampen aan te leggen in het aanhangsel opnemen kunnen; – dat zou het
werk eene groote waarde bijzetten! Daarenboven zullen wij de goede oude
vormen weêr invoeren, die men in de hedendaagsche tijden zoo zeer
verwaarloost. Gij zult de Zanggodin inroepen, – en zeker moet zij een
schrijver gunstig zijn, die in eene eeuw van algemeenen afval, met het
geloof van een Abdiel, den ouden vorm van aanbidding getrouw blijft! –
Dan moeten wij ook eene verschijning hebben, waarin de Genius van
Caledonië zich aan Galgacus vertoont, en hem de deftige reeks der echt
Schotsche Koningen laat zien; – en over Boethius zal ik loskomen in de
noten; – neen, ik moet dat punt niet aanraken, nu Sir Arthur
waarschijnlijk buitendien ergernissen genoeg zal hebben; – maar Ossian,
Macpherson en Mac-Cribb zal ik vernielen!”

„Maar wij moeten aan de kosten van het drukken denken,” zeide Lovel,
die beproeven wilde of deze wenk ook als koud water vallen zou op den
blakenden ijver van zijn zelfbenoemden medewerker.

„Kosten!” zei de heer Oldbuck, terwijl hij werktuigelijk in den zak
tastte, – „dat is zoo! – ik zou gaarne iets doen! – Maar zoudt gij het
werk niet bij inteekening willen uitgeven?”

„Volstrekt niet!” antwoordde Lovel.

„Neen! neen!” hernam de oudheidkenner, blijmoedig toestemmende, „dat is
niet fatsoenlijk. – Wil ik u wat zeggen; ik ken een boekverkooper, die
eenig vertrouwen in mijn oordeel stelt, en het papier en drukwerk er
aan wagen zal, en ik zal zoo vele exemplaren voor u zoeken te plaatsen,
als ik maar kan.”

„O, ik ben geen broodschrijver! ik wenschte slechts geen nadeel te
lijden.”

„Stil! stil! – ik zal er wel voor zorgen: – het alles op de uitgevers
schuiven. Ik ben verlangend, u aan het werk te zien. Gij zult
ongetwijfeld rijmlooze verzen kiezen? – Die zijn grootscher en deftiger
voor een geschiedkundig onderwerp; en, voor wat u betreft, mijn vriend,
laten die zich, geloof ik, gemakkelijker schrijven.”

Dit gesprek bracht hen op Monkbarns, waar de oudheidkenner een scherpen
uitval van zijne zuster verduren moest, die, zonder tot de wijsgeeren
te behooren, in het voorportaal stond te wachten, om hem de les te
lezen. „Bewaar ons, Monkbarns, is alles niet reeds duur genoeg, dat gij
tot den visch toe moet opjagen, door aan dat oude wijf, Luckie
Mucklebackit, juist te geven, wat zij goedvindt te vragen?”

„Wel, Grizel, ik dacht, dat ik een koopje had!”

„Een mooi koopje, als gij haar ruim de helft geeft van hetgeen zij
vraagt! – Als gij u met de huishouding bemoeien wilt, en visch koopen
op uwe eigene hand, moet gij nooit veel meer bieden, dan een vierde! En
de onbeschaamde slet durfde nog een borrel komen vragen; – maar wij
hebben haar de waarheid gezegd, Jenny en ik.”

„Waarlijk,” zei Oldbuck met een schelmschen blik tot zijn metgezel,
„ons geluk, dunkt mij, was groot, dat ons buiten het gehoor van dien
twist hield! – Wel, wel, Grizel! eens in mijn leven was ik dan ultra
crepidam, – buiten mijn beroep – dat stem ik gaarne toe! Maar wat de
kosten aangaat, – de zorg is doodelijk! – en wij zullen den visch eten,
wat het ook koste! En nu, Lovel, moet gij weten dat ik te eerder
aanhield, dat gij vandaag zoudt blijven, omdat onze maaltijd beter zal
zijn, dan naar gewoonte; – de overblijfsels van een feest zijn mij
aangenamer nog, dan het feest zelf! Ik vind smaak in de analecta, de
collectanea, zoo als men die zou kunnen noemen, van den vorigen dag,
die bij zulke gelegenheden op tafel gezet worden. En zie, daar gaat
Jenny de etensklok luiden!”








VIJFTIENDE HOOFDSTUK


        Men bezorge dezen brief met spoed – spoed – spoed!
        Rijd, rijd! – om uw leven! – om uw leven! – om uw leven!

                                  Oud opschrift op brieven van gewicht.


Terwijl de heer Oldbuck en zijn vriend hun duur gekochten visch
nuttigen, verplaatsen wij ons met den lezer in de achterkamer van den
postmeester te Fairport, waar de vrouw, bij afwezigheid van haren man,
bezig was met de brieven uit te zoeken, die de post uit Edinburg had
gebracht. In kleine landsteden, is dit zeer dikwijls, het tijdstip van
den dag, dat nieuwsgierige praatzusters het bijzonder aangenaam vinden,
om den postmeester of zijne vrouw te bezoeken, om uit het buitenste der
brieven, en, zoo men haar niet belastert, bij gelegenheid ook het
binnenste er van, berichten in te winnen, of gissingen te maken omtrent
de briefwisselingen en zaken harer buren. Twee vrouwen van dezen aard
hielpen, of belemmerden dan ook nu jufvrouw Mailsetter in hare
ambtsverrichtingen.

„Wel hemel!” riep de slagers vrouw, „daar zijn tien, elf – twaalf
brieven voor Tennant en Comp. – die menschen doen meer zaken, dan de
geheele stad bij elkaâr!”

„Ja; maar zie je, mensch!” antwoordde de bakkersvrouw, „twee er van
zijn heel vierkant en op de beide kanten toegelakt: – daar zullen wel
geprotesteerde wissels in zitten!”

„Kwam er nog geen brief voor Jenny Caxon? – de luitenant is al drie
weken weg.”

„Ja zij heeft er een gekregen Dinsdag voor acht dagen.”

„Met scheepsgelegenheid?”

„Wel zeker!”

„Dan is hij van den luitenant,” zei de bakkersvrouw eenigszins
teleurgesteld; „ik had nooit gedacht, dat hij meer naar haar zou
omzien.”

„Ei kijk, daar is er nog één,” zei jufvrouw Mailsetter, „ook een
scheepsbrief, – postmerk Sunderland!” – Allen vlogen op, om hem te
grijpen. – „Neen, neen, dames!” zei jufvrouw Mailsetter; „niets meer
van dat werk! – Weet gij, dat Mailsetter een geduchte vermaning
gekregen heeft van den secretaris te Edinburg, wegens een klacht over
den brief aan Aily Bisset, dien gij opengemaakt hebt, jufvrouw
Shortcake?”

„Ik!” schreeuwde de echtgenoote van den eersten bakker uit Fairport;
„gij weet zelve, dat die open ging, toen ik hem in de handen kreeg; –
’t was mijne schuld niet; – de menschen moesten beter lak gebruiken.”

„Nou, dat is waar,” zei jufvrouw Mailsetter, die ook een komenijswinkel
hield, „en wij hebben wat gekregen, dat ik als extra goed kan
recommandeeren, als gij soms iemand kent, die lak noodig heeft. – Maar
het einde van de grap zal zijn, dat wij onze broodwinning verliezen,
als er ooit weêr dergelijke klachten komen.”

„Ei ja! dat zal de Provoost wel beletten.”

„Neen – neen; ik vertrouw Provoost, noch baljuw: – maar ik wil wel
beleefd en als goede buurvrouw met u handelen, en ik heb er niets
tegen, dat gij het buitenste van een brief bekijkt. – Zie, er staat een
anker op het lak; – hij zal, een van zijne knoopen gebruikt hebben!”

„Laat zien! laat zien!” riepen de vrouwen van den slager en den bakker,
terwijl zij zich met dezelfde nieuwsgierige drift, en weinig minder
kwaadwilligheid, op den veronderstelden minnebrief wierpen, als de
zuster-heksen in Macbeth op den duim van den stuurman. Jufvrouw
Heukbane was eene lange vrouw, en hield den brief tusschen hare oogen
en het licht. Jufvrouw Shortcake, eene kleine dikke vrouw, rekte zich
uit en stond op de teenen om ook deel aan het onderzoek te hebben.

„’t Is van hem, dat is zeker! – ik zie duidelijk Richard Taffril onder
in den hoek; het is aan alle kanten vol geschreven.”

„Houd het papier wat lager!” riep jufvrouw Shortcake, op een toon, die
veel hooger was, dan de voorzichtigheid bij hare bezigheid eischte –
„houd het wat lager; – denkt gij, dat niemand schrift kan lezen, dan
gij alleen?”

„Stil, stil, dames! in ’s hemels naam!” zei jufvrouw Mailsetter; „er is
iemand in den winkel.” – toen overluid: „Zie eens wie er is, Baby!”

Baby antwoordde van buiten op een gillenden toon: „Er is niemand, dan
Jenny Caxon, juffer, om te vragen, of er ook een brief voor haar is?”

„Zeg haar,” zei de eerlijke postmeesteres, tegen hare vriendinnen
knipoogende, „dat zij morgen om tien uur weêrkomen moet, dan zal ik het
haar zeggen. Wij hebben nog geen tijd gehad, om de brieven uit te
zoeken; – zij heeft altijd zoo veel haast, alsof aan hare brieven meer
gelegen was, dan aan die van de eerste kooplieden der stad.”

De arme Jenny, een buitengewoon schoon en bescheiden meisje, trok haren
mantel om zich heen, zocht den zucht te smoren, dien de teleurstelling
haar afperste, en ging stil naar huis, om nog één nacht het leed te
verduren, door de onzekerheid veroorzaakt.

„Daar staat iets in van eene naald en eene pool!” zei jufvrouw
Shortcake, aan wie hare langere mededingster eindelijk ook een kijkje
vergund had naar het voorwerp harer nieuwsgierigheid.

„Nu, dat is door het onbeschaamde heen!” zeide jufvrouw Heukbane; „een
arme onnoozele deern voor den gek te houden, na er zoo lang meê
verkeerd en haar ongelukkig te hebben gemaakt, zoo als ik niet twijfel,
dat hij gedaan heeft!”

„Dat is maar al te waarschijnlijk,” steunde jufvrouw Shortcake; – „haar
te verwijten, dat haar vader een barbier is, en hij een pruikestok voor
de deur heeft, en dat zij zelve slechts eene naaister is! Foei, dat is
schandelijk!”

„Bedaard, – bedaard, dames!” riep jufvrouw Mailsetter, „gij hebt het
glad mis; – het is een regel uit een van zijne zeemansliedjes, die ik
hem heb hooren zingen; – iets over „getrouw zijn, als de naald aan de
pool.””

„Wel, wel, we willen hopen, dat het zoo is! Maar het staat eene jonge
deern als haar slecht, om briefwisseling te houden met een van ’s
Konings officieren!”

„Dat ontken ik niet,” zei jufvrouw Mailsetter; „Maar die minnebrieven
brengen een boel op bij het postkantoor. – Zie hier! vijf of zes
brieven aan Sir Arthur Wardour; – velen er van zijn met ouwels
toegemaakt en niet ééns niet lak! het gaat hem niet best, gelooft mij!”

„Ei ja, dat zullen brieven over zaken zijn, en niet van zijne groote
vrienden, die ze met hunne wapens toelakken, zoo als ze die dingen
noemen,” zei jufvrouw Heukbane: „Hoogmoed komt voor den val! Hij heeft
al in geen jaar met mijn man afgerekend: – het is een wrakke boel,
geloof ik!”

„Met ons ook, in geen zes maanden!” zuchtte jufvrouw Shortcake; – „het
is mis met hem: daar kunt ge staat op maken!”

„Dáár is een brief,” viel de getrouwe postmeesteres in de rede, „van
zijn zoon den kapitein, denk ik; – op het zegel staan dezelfde dingen
als op het rijtuig van Knockwinnock. Hij zal wel te huis komen, om te
zien wat hij uit den brand redden kan!”

Op den Baronet volgde de heer Oldbuck. – „Twee brieven voor Monkbarns:
– die komen van eenige zijner geleerde vrienden; zie, hoe dicht ineen
gekrabbeld tot aan het lak toe; – om de dubbele vracht te vermijden:
dat is naar Monkbarns zijn zin. Als hij een brief franco afzendt, vult
hij hem juist op tot het gewicht van één ons, zoodat één korreltje de
schaal zou doen overhellen: – maar ze zijn ook nooit een korrel te
zwaar. Wel, ik zou bankroet gaan, als ik hun, die peper en zwavel en
dergelijke dingen koopen, zulk gewicht gaf.”

„Het is een schriel heer, die Monkbarns,” zei jufvrouw Heukbane. „In
Augustus zal hij weêr meer drukte maken over het koopen van een
vierendeeltje lam, dan een ander over een halve os! – Laat ons nog een
glaasje kaneelwater proeven, jufvrouw Mailsetter, mijne lieve! – Och,
menschen! als gij zijn broeder gekend hadt, zoo als ik! – menigmaal
kwam hij hier inloopen, om mij te zien, met een paar wilde eendvogels
in zijn zak, als mijn eerste man naar Falkirk was. – Wel, wel, – ik zou
u daarvan het een en ander kunnen vertellen!”

„Ik zal niets ten nadeele van dezen Monkbarns zeggen,” zei jufvrouw
Shortcake; „zijn broeder heeft mij nooit wilde eendvogels gebracht, en
deze is een vriendelijk, braaf mensch. Hij neemt het brood voor zijn
geheele huisgezin van ons, en hij rekent elke week met ons af; – eens
echter was hij erg in de weer, toen wij hem een boekje, in plaats van
den kerfstok zonden [18], wat, zeide hij, de echte, ouderwetsche wijze
was om af te rekenen, tusschen de winkeliers en hunne klanten; en dat
is waar ook!”

„Maar zie eens hier!” riep jufvrouw Mailsetter, „hier is iets, om zich
blind op te kijken! – Wat zoudt gij niet geven, om het binnenste van
dien brief te zien? – dat is wat nieuws; – nooit zag ik iets
dergelijks: „Aan den heer William Lovel, ten huize van Mejufvrouw
Hadoway, Hoogstraat, Fairport, bij Edinburg.” Dit is de tweede brief,
dien hij gehad heeft, sedert hij hier is.”

„In vredes naam, laat zien! In ’s Hemels naam, laat zien! – dat is hij,
van wien de geheele stad niets weet, – het is een flinke jongen; – laat
– laat zien!” riepen de twee waardige dochters van moeder Eva.

„Neen, neen, dames!” riep jufvrouw Mailsetter; „blijft er af, – blijft
er af, zeg ik! – dit is geene van uwe vierstuivers waar, waarvan wij
het bedrag voor het postkantoor onder ons kunnen vergoeden, als er een
ongeluk aan komt. De vracht is vijfentwintig shillings, – en hier is de
orde, om den brief aan den heer met eene expresse te verzenden, in
geval hij niet te huis is! Neen, neen, hiermeê valt niet te spotten!”

„Maar laat het ons dan eventjes van buiten zien, mensch!”

Niets kon men daaruit opmaken, dan eenige aanmerkingen over de
bijzondere eigenschappen, die de wijsgeeren aan de stof toeschrijven:
lengte, breedte, diepte en zwaarte. Het couvert bestond uit sterk, dik
papier, ondoordringbaar voor de nieuwsgierige oogen, welke er op
staarden, als of ze uit hunne holen springen wilden. Het zegel toonde
een afdruk van een wapen, en trotseerde alle pogingen om den inhoud in
te zien, zonder het open te breken.

„Jongens!” zei jufvrouw Shortcake, terwijl zij het pakje in de hand
woog, en, zeer waarschijnlijk, hoopte dat het al te sterke lak van zelf
smelten en zich ontbinden zou; „ik zou wel eens willen weten, wat er in
zit; want die Lovel is de vreemdste mensch, die ooit te Fairport
geweest is. Niemand weet wat van hem te maken!”

„Wel, wel, dames!” hernam de postmeesteres, „wij zullen gaan zitten, en
er eens over keuvelen. Baby, breng theewater binnen! – Zeer verplicht
voor uwe koekjes, mejufvrouw Shortcake! – en dan zullen wij den winkel
sluiten, en Baby binnen roepen, en een partijtje maken, tot de man te
huis komt, – en dan zullen wij de heerlijke kalfszwezerikken proeven,
die gij zoo goed geweest zijt mij te zenden, jufvrouw Heukbane!”

„Maar wilt gij niet eerst den brief aan den heer Lovel verzenden?”
vroeg jufvrouw Heukbane.

„Waarlijk, ik weet niet wien er meê te sturen eer mijn man te huis
komt; want de oude Caxon vertelde mij, dat de heer Lovel den geheelen
dag op Monkbarns bleef; – hij heeft er de koorts gekregen door dien
heer en Sir Arthur uit zee te halen.”

„Die malle, oude kerels!” zei jufvrouw Shortcake; „wat bewoog hen, om
in een nacht, als dien van gisteren uit te gaan.”

„Men had mij gezegd, dat het de oude Adam was, die hen redde,” zeide
jufvrouw Heukbane, „Adam Ochiltree, de Blauwrok, weet ge, – en dat hij
hen alle drie uit het water haalde; want Monkbarns had hen bepraat, om
er in te gaan, om de werken van de oude monniken te zoeken.”

„Wel neen, – gekheid!” antwoordde de postmeesteres; „ik zal het u
vertellen zoo als Caxon het mij verteld heeft. Zie je, Sir Arthur en
zijne dochter en de heer Lovel hadden op Monkbarns zullen eten.”

„Maar, jufvrouw Mailsetter!” viel haar jufvrouw Heukbane op nieuw in de
rede, „zult gij niet trachten, dezen brief met eene expresse te
verzenden? – Onze hit en onze jongen, hebben al vroeger depèches voor
het postkantoor overgebracht, en de hit heeft heden nog geene dertig
mijlen afgelegd; – Jan was bezig met hem te poetsen, toen ik hier naar
toe kwam.”

„Wel, jufvrouw Heukbane!” zei de brievenvrouw, op de lippen bijtende,
„gij weet, dat mijn man zelf gaarne als expresse rijdt. Wij moeten
onzen afval aan onze eigene honden geven; – het brengt hem telkens eene
halve guinje in den zak, zoo dikwijls, hij zijne merrie bestijgt; en
hij zal weldra hier zijn, – of het zal er wel niet veel toe doen, of
die heer den brief heden nacht, of morgen vroeg krijgt.”

„Alleen maar dat de heer Lovel te huis zal zijn, eer de expresse
vertrokken is,” zeide jufvrouw Heukbane, „en wat dan? – maar gij weet
zelve het best wat te doen!”

„Wel, wel, jufvrouw Heukbane!” antwoordde hare vriendin, eenigszins
verdrietig en zelfs verlegen; „ik ben gaarne wèl met mijne buren; –
leven en laten leven, zoo als men zegt, is mijn grondbeginsel, – en
daar ik zoo mal was van de order te laten zien, – moet men zeker
daaraan gehoorzamen; – maar ik heb uw knecht niet noodig; – hartelijk
dank; – ik zal den kleinen David op uw hit zenden, en dat zal juist
vijf shillings en drie stuivers voor ieder van ons zijn.”

„David! Wel Heere! die jongen is nog geen tien jaar oud: en, om rond
met u te werk te gaan, onze hit is koppig, en de weg is niet best, en
niemand kan hem rijden, dan onze Jan.”

„Dat spijt mij,” antwoordde de postmeesteres deftig; „dan moeten wij
maar wachten, tot de man te huis komt, – want ik zou niet gaarne de
verantwoordelijkheid op mij nemen van den brief aan zulk een klant als
uw Jan te hebben toevertrouwd; – onze David behoort zoowat tot de
posterijen.”

„Wel, wel, jufvrouw Mailsetter, ik zie, waar gij heen wilt; – maar hebt
gij lust, om er den jongen aan te wagen, ik waag er het beest aan!”

Men gaf dus de noodige bevelen. Het onwillige paard werd van zijn bos
stroo afgenomen, en op nieuw voor den dienst uitgerust. David, een
lederen brievenzak dwars over zijne schouders, werd in den zadel
geplaatst, met een traan in het oog en een zweep in de hand. Jan leidde
vriendelijk het dier tot buiten de stad, en dwong het door het klappen
van zijn zweep en het geschreeuw zijner welbekende stem, om den weg
naar Monkbarns in te slaan.

De buurjufvrouwen maakten intusschen, even als de Sybillen, nadat zij
hare tafels geraadpleegd hadden, het nieuws van den avond op, dat den
volgenden morgen, langs honderden kanalen en met even zoo vele
veranderingen, door de wereld van Fairport verspreid werd. Talrijk,
vreemd en onzamenhangend waren de geruchten, die hare berichten en
gissingen deden ontstaan. Eenigen zeiden, dat Tennant en Comp. bankroet
waren, en dat al hunne wissels met protest terug gekomen waren; –
anderen, dat zij eene groote bestelling voor het Gouvernement gekregen
hadden, en brieven van de voornaamste kooplieden te Glasgow, die er,
tegen eene premie, aandeelen in verlangden. Het eene bericht meldde,
dat de Luitenant Taffril bekend had, in het geheim met Jenny Caxon
getrouwd te zijn, – een ander, dat hij haar een brief gezonden had, vol
verwijtingen over hare lage geboorte en slechte opvoeding en waarin hij
haar voor eeuwig vaarwel zeide. Algemeen verhaalde men, dat de zaken
van Sir Arthur hopeloos verward waren; en dit gerucht werd door de
verstandigen slechts betwijfeld; omdat men nagaan kon, dat het uit den
winkel van jufvrouw Mailsetter kwam, en deze bron meer beroemd was
wegens het veelvuldige, dan wel wegens het nauwkeurige nieuws, dat zij
opleverde. Maar allen kwamen overeen, dat er een pakje van het
ministerie gekomen was aan het adres van den heer Lovel, en dat het uit
het hoofdkwartier te Edinburg gezonden werd door een
ordonans-dragonder, die Fairport door gegaloppeerd was, zonder zich op
te houden, dan alleen om naar den weg naar Monkbarns te vragen. Men
legde de reden tot zulk eene buitengewone zending aan een zeer stil en
afgezonderd levend man verschillend uit. Eenigen zeiden, dat Lovel een
geëmigreerd edelman was, die opgeroepen werd, om zich aan het hoofd van
een opstand te plaatsen, die in de Vendée uitgebroken was, – anderen,
dat men hem voor een spion hield, – anderen, dat hij een generaal was,
die in het geheim de kusten opnam; – anderen, dat hij een prins was,
die incognito reisde.

Intusschen was de tocht van het pakje, dat tot zoo vele gissingen
aanleiding gegeven had, op weg naar den eigenaar, te Monkbarns,
gevaarlijk en niet onafgebroken geweest. De overbrenger, David
Mailsetter, geleek, zoo als men zich verbeelden kan, weinig op een
moedigen dragonder, en werd alleen verder naar zijne bestemming
gevoerd, zoolang het dier zich het geklap der zweep en het geschreeuw
van den slagersknecht herinnerde. Maar zoodra het gevoelde, hoe David,
wiens beentjes niet lang genoeg waren, om hem in evenwicht te houden,
op zijn rug heen en weêr zwaaide, begon het paard de ontvangen
aanwijzingen te verachten. Eerst zette de hit zich langzamerhand in den
stap. Dit maakte geen punt van twist uit tusschen hem en zijn ruiter,
die zeer onthutst was geweest door de snelheid der eerste beweging, en
nu de gelegenheid van den langzamen gang waarnam, om op een stuk
peperkoek te kauwen, dat hem zijne moeder in de hand gestopt had, om
den jeugdigen zendeling van het postkantoor tevreden te stellen en tot
het kwijten van zijn plicht aan te moedigen. Langzamerhand maakte het
paard gebruik van dit gebrek aan kracht, om de teugels uit Davids
handen te rukken, en zich langs de laan aan het grazen te zetten. Zeer
verschrikt door deze teekens van koppigen weêrstand, en even bevreesd,
om te blijven zitten, als te vallen, verhief de arme David de stem en
begon bitter te weenen. De hit, dit gedruisch boven zijn kop hoorende,
begon waarschijnlijk te denken, dat het beter voor hem en voor David
ware, terug te keeren vanwaar zij kwamen, en maakte dus ook
rechtsomkeerd naar Fairport. Maar, even als de meeste terugtochten in
eene vlucht ontaarden, begon ook het ros, – verschrikt door het
schreeuwen van het knaapje, en het slaan der teugels, die langs zijne
beenen slingerden, – daar het toch eenmaal in de richting naar Fairport
was, – zoo door te draven dat, indien ten minste David in den zadel
gebleven ware (wat zeer te betwijfelen stond), het hem weldra voor
Heukbane’s staldeur zou gebracht hebben; toen, op een draai van den
weg, een bondgenoot in de gestalte van Adam Ochiltree, tusschenbeide
kwam, die den toom greep en het paard tegenhield.

„Wat scheelt er aan kleine? wat! is dat een jongen om te rijden?”

„Ik kan ’t niet helpen! – zij heeten mij kleinen David.”

„En waar ga je naar toe?”

„Ik ga naar Monkbarns.”

„Wel! dit is de weg niet naar Monkbarns.”

Maar David kon slechts met snikken en tranen antwoorden.

De oude Adam was gauw tot medelijden bewogen, als het kinderen gold.
„Ik ging dien kant niet uit,” dacht hij; „maar dat is het voordeel van
mijne levenswijze, dat ik nooit verkeerd kan gaan. Zij zullen mij wel
te Monkbarns laten overnachten, en ik zal met het kind daarheen
sukkelen; want het paard zal hem de hersens nog inslaan, als er niemand
bij is, om het te leiden. – Dus hebt gij een brief, kind? – Wilt gij
mij dien laten zien?”

„Ik mag den brief aan niemand laten zien,” stamelde de jongen, „tot ik
hem aan den heer Lovel gegeven heb; want ik ben een trouwe dienaar van
het postkantoor, als het maar niet om den hit ware.”

„Goed zoo, kleine man!” zei Ochiltree, den kop van het weêrspannige
paard naar Monkbarns wendende; „maar wij zullen den hit met ons beiden
den weg wijzen, als hij niet al te halsstarrig is.”

Juist op de hoogte van Kinprunes, waar Monkbarns Lovel na tafel
uitgenoodigd had, was de oudheidkenner (weder verzoend met de vroeger
in waarde gedaalde plek), bezig met de plaats op te nemen, die een
geschikt tooneel opleverde voor eene beschrijving van Agricola’s kamp
bij het aanbreken van den dag, toen zijn blik getroffen werd door de
verschijning van den bedelaar met zijn beschermeling.

„Wat drommel! – daar komt, geloof ik, de oude Adam aan met pak en zak.”

De bedelaar verklaarde de reden van zijne komst, en David, die er op
stond, om zijn last letterlijk uit te voeren en tot het huis van
Monkbarns te gaan, werd met moeite overgehaald om het pakje aan den
eigenaar zelven af te staan, hoezeer hij hem eene mijl dichterbij
aantrof, dan de plaats, waarheen hij gezonden was. – „Maar moeder zei,
ik moest vijfentwintig shillings port ontvangen, en tien shillings en
zes stuivers voor de expresse: – daar is het papiertje.”

„Laat zien, – laat zien!” zei Oldbuck, den bril opzettende en het
gekneuterde afschrift der post-reglementen onderzoekende, waarop David
zich beriep. „Expresse, één dag met man en paard, niet boven de tien
shillings en zes stuivers. – Een dag? wel, het is nog geen uur; – man
en paard? wel, het is een aap op eene half doode kat!”

„Vader zou zelf gekomen zijn,” zeide David, „op de groote bruine
merrie, als gij tot morgen avond hadt willen wachten.”

„Vierentwintig uur na den bepaalden tijd der bestelling! – Gij schelm!
begint gij zoo vroeg met bedriegen?”

„Wel, Monkbarns, vaar niet uit tegen een kind,” zei de bedelaar; „denk
er aan, dat de slager zijn beest, en de moeder haar zoontje er aan
waagde, en ik ben zeker, dat tien shillings en zes stuivers niet te
veel is. Gij hebt het ook zoo nauw niet genomen met Jan Howie, toen –”

Lovel, die, op het veronderstelde praetorium gezeten, den inhoud van
het pakje doorloopen had, maakte een einde aan den twist, door aan
Davids eisch te voldoen; keerde zich daarop zeer ontroerd naar den heer
Oldbuck, en verschoonde zich, dat hij dien avond niet niet hem naar
Monkbarns kon terugkeeren. „Ik moet dadelijk naar Fairport, en
misschien die stad op het eerste bericht, dat elk oogenblik komen kan,
verlaten. Ik zal nooit uwe goedheid vergeten, mijnheer Oldbuck.”

„Geen slecht nieuws, hoop ik?” zei de oudheidkenner.

„Van zeer gemengden aard,” antwoordde zijn vriend. „Vaarwel! in voor of
tegenspoed, zal ik nooit uwe vriendschap vergeten.”

„Neen, neen, – blijf, blijf nog één oogenblik. Indien, – indien, –”
(met veel inspanning) „indien gij wat geld noodig hebt, – ik heb
vijftig, – of honderd guinjes tot uwe beschikking – tot – tot
Pinksteren, – of inderdaad, zoolang gij verkiest.”

„Ik ben u zeer verplicht, mijnheer Oldbuck, maar ik ben van geld
voorzien,” zeide zijn geheimzinnige jonge vriend. „Verschoon mij; – ik
kan wezenlijk nu niets verder zeggen! Ik schrijf, of zie u, eer ik
Fairport verlaat, – dat is, als ik genoodzaakt word, die plaats te
verlaten.” Dit zeggende drukte hij den oudheidkenner hartelijk de hand,
wendde zich van hem af, en ging snel stadwaarts, zonder op verdere
vragen te wachten.

„Vreemd, zeer vreemd, voorwaar!” zeide Oldbuck; „maar er is iets aan
dien jongen, dat ik niet doorgronden kan; en toch kan ik geen kwaad van
hem denken. Ik moet naar huis gaan, en het vuur in de groene kamer
uitdoen; want geene van mijn vrouwvolkje zou zich er na de schemering
in wagen!”

„En hoe zal ik weêr naar huis komen?” stamelde de ongelukkige expresse.

„Het is een mooie avond,” zei de blauwrok, naar den hemel ziende; „ik
kan even goed naar de stad gaan, en voor het kind zorgen.”

„Doe dat, doe dat, Adam, en,” voegde de oudheidkenner er bij, terwijl
hij een oogenblik in zijn grooten vestzak schommelde, tot hij het
voorwerp, dat hij zocht, gevonden had, „daar heb je een shilling, om
snuif te koopen!”








ZESTIENDE HOOFDSTUK


                Ik ben betooverd door des schelms omgang. Zoo de
                schurk mij geene toovermiddelen gaf, dat ik hem
                genegen werd, laat ik mij hangen! Het kan wel niet
                anders; hij heeft toovermiddelen gebruikt!

                                      Shakespeare’s Hendrik IV, 2de DL.


Veertien dagen lang ondervroeg de oudheidkenner geregeld den ouden
Caxon, of hij niet gehoord had, waarmede de heer Lovel zich bezig
hield? en geregeld gaf deze ten antwoord, „dat men in de stad niets
hoegenaamd van hem te weten kon krijgen, dan dat hij een stuk of wat
dikke brieven uit het zuiden gekregen had, en dat men hem nooit op
straat zag.”

„Hoe leeft hij, Caxon?”

„Wel, jufvrouw Hadoway zet hem een beefsteak voor, of eene lamskotelet,
of een kip, of iets waarvan zij zelve houdt, en hij eet het in de
kleine roode huiskamer naast zijne slaapplaats. Zij kan niet eens van
hem te weten komen, waarvan hij het meest houdt; en ’s morgens zet zij
thee voor hem, en hij rekent elke week trouw met haar af.”

„Maar gaat hij nooit uit?”

„Hij heeft het wandelen glad opgegeven, en hij brengt den dag door op
zijne kamer met lezen en schrijven. Hij schreef ook een heel pak
brieven; maar hij wilde die niet eens op ons postkantoor doen, ofschoon
jufvrouw Hadoway aanbood, om ze zelve te brengen; maar zond ze onder
couvert aan den Sheriff, en jufvrouw Mailsetter gelooft, dat deze zijn
knecht stuurde, om ze op het postkantoor te Tannonburgh te bezorgen;
het is mijn bescheiden meening, dat hij het doorsnuffelen van zijne
brieven te Fairport vreesde; – en dat mocht wel; want mijne arme
dochter Jenny, –”

„Plaag mij nu niet met uw vrouwvolkje Caxon! – Wat den armen jongen
betreft; – schrijft hij niets anders dan brieven?”

„O ja! – heele vellen vol andere dingen, zegt jufvrouw Hadoway. Zij had
zoo gaarne, dat men hem kon overhalen, om eens te gaan wandelen: zij
vindt, dat hij er slecht uitziet, en zijn eetlust is glad weg; maar hij
wil niet hooren van een voet over den drempel te zetten: – hij, die
vroeger zoo veel placht te wandelen.”

„Dat is verkeerd, ik weet ten naaste bij, waar hij meê bezig is; maar
hij moet ook niet te hard werken. Ik zal hem vandaag nog gaan bezoeken;
– hij is zeker in de Caledoniade verdiept.”

Na het nemen van dit kloek besluit, rustte zich de heer Oldbuck tot den
tocht uit; dat is, hij trok zijne dikke wandelschoenen aan, nam zijne
rotting met gouden knop in de hand, en begaf zich op weg, onder het
mompelen van Falstaff’s woorden, die wij tot motto van dit hoofdstuk
verkozen hebben; want de oudheidkenner was zelf verwonderd, dat hij
zich zoo sterk door dezen vreemdeling aangetrokken gevoelde.

Eene wandeling naar Fairport was voor den heer Oldbuck eene onderneming
geworden, waartoe hij zelden geneigd was. Hij haatte het groeten op
straat, en er waren over het algemeen lediggangers genoeg, die hem
vervolgden, òf met het nieuws van den dag, òf met de eene of andere
nietige zaak. Zoo had hij, bij deze gelegenheid, den voet nauwelijks in
de straten van Fairport gezet, of het heette: „Goeden morgen, mijnheer
Oldbuck, – het is een trefje, als men u te zien krijgt! – Wat denkt gij
van het nieuws in de courant van vandaag? binnen veertien dagen, zegt
men zal de inval plaats hebben.”

„Ik wenschte, bij God, dat die gedaan en voorbij was, en dat ik er niet
meer van hoorde spreken.”

„Monkbarns, uw dienaar,” zei de bloemkweeker, „ik hoop, dat de planten
voldaan hebben? en als gij eenige bloembollen, nieuwe uit Holland, of,”
(dit zachter) „een anker of wat echt Keulsche jenever noodig hebt, een
van onze brikken kwam gisteren binnen.”

„Dank je, dank je, – voor het oogenblik niets, mijnheer Crabtree!”
antwoordde de oudheidkenner, fiks doorstappende.

„Mijnheer Oldbuck,” zei de stadsschrijver, (een gewichtige persoon, die
op hem aankwam, en het waagde den ouden heer staande te houden.) „De
burgemeester, vernomen hebbende dat gij in de stad waart, verzoekt u
haar in geen geval te verlaten, zonder hem bezocht te hebben; hij moet
u noodzakelijk spreken over een ontwerp, om het water van de
Fairwell-bronnen door een gedeelte van uwe landerijen te brengen.”

„Wat drommel! – hebben zij geen ander land dan het mijne, om er aan te
knoeien en te kerven? – ik geef mijne toestemming niet; – zeg hun dat!
–”

„En de burgemeester en de raad,” vervolgde de stadsschrijver, „hebben
er niet tegen, dat gij de oude steenen van de Donagild’s kapel, om
welke gij gevraagd hebt, wegneemt.”

„Ei? – zoo! zoo! dat is wat anders. – Wel, ik zal bij den burgemeester
aankomen, en wij zullen er over spreken.”

„Maar gij moet u dadelijk verklaren, Monkbarns, als gij de steenen
noodig hebt; want de Deken Harlewalls oordeelt, dat men de
gebeeldhouwde steenen zeer goed in den gevel van het nieuwe stadhuis
zou kunnen te pas brengen; – dat is, de twee figuren, met gekruiste
beenen, die de menschen in de wandeling Robin en Bobbin noemen; aan
weerskanten van de deur, en den anderen steen, dien zij Ailie Dalie
noemen, boven de deur. Het zal zeer netjes zijn, zegt de Deken; en
juist in den nieuw-Gothischen stijl.”

„De Heer verlosse ons van dit Gothisch geslacht! – Een gedenkteeken van
een tempelridder aan weerskanten van eene Grieksche poort, en eene
Madonna er boven! – O crimini! – Wel, zeg den burgemeester, dat ik de
steenen hebben wil, en wij geen geschil zullen hebben over den
waterloop. Het is gelukkig, dat ik juist vandaag dezen kant uitkwam.”

Zij scheidden over en weêr tevreden; maar de slimme schrijver had
groote reden, om zich over zijne behendigheid te verheugen; want het
geheele voorstel eener ruiling van de gedenkteekens, (die de raad
besloten had, als onnut puin te laten opruimen, omdat ze drie voet van
het wandelpad innamen,) tegen het voorrecht, om het water naar de stad
over het erf van Monkbarns te leiden, was een denkbeeld, dat bij hem
zelven in den drang van het oogenblik ontstaan was.

Door deze verschillende beletselen baande zich Monkbarns (om den titel
te bezigen, waarbij hij in de landstreek bekend was), eindelijk den weg
naar het huis van jufvrouw Hadoway. Deze goede vrouw was de weduwe van
een der geestelijken te Fairport, en verkeerde, door het vroegtijdig
afsterven van haren man, in die bekrompen en benauwde omstandigheden,
waarin men de weduwen der geestelijken in Schotland zoo dikwijls
aantreft. De woning, die zij gehuurd had, en de meubels, welke zij
bezat, verschaften haar de middelen, om een gedeelte van haar huis te
verhuren; en daar Lovel een rustig, geregeld en voordeelig inwoner was,
en den onderlingen, onvermijdelijken omgang met zeer veel beleefdheid
en hoffelijkheid paarde, had dit jufvrouw Hadoway, die wellicht niet
gewoon was aan zulk eene vriendelijke bejegening, eene zeer groote
genegenheid voor haren huurder doen opvatten, zoodat zij geene van die
kleine oplettendheden verzuimde, welke de omstandigheden haar toelieten
hem te bewijzen. Iets beters dan gewoonlijk voor „het middagmaal van
den armen jongen heer” te bereiden; zich te beijveren, om bij hen die
zich haren echtgenoot nog herinnerden, of haar om haar eigen wil
liefhadden, eenige schaarsche groenten te krijgen, of iets anders,
hetwelk zij in hare eenvoudigheid veronderstelde, dat den eetlust van
haren kamerbewoner kon opwekken, was een werk, waarin zij vermaak
schepte, ofschoon zij het zorgvuldig verborg voor den persoon, die er
het voorwerp van was. Zij hield hare welwillendheid echter niet geheim,
om den spot te ontgaan van hen, die zouden kunnen veronderstellen, dat
een rond gezichtje niet donkere oogen en eene gezonde gelaatskleur, ook
zelfs bij eene vrouw van vijfenveertig jaren, en daarbij in de nauw
sluitende weduwenmuts gehuld, streven kon naar het maken van
overwinningen; want, om de waarheid te zeggen, daar zulk eene
belachelijke gedachte nooit bij haar zelve opkwam, kon zij ook niet
denken, dat die bij anderen zou ontstaan. Maar zij verborg hare
oplettendheden slechts uit kieschheid voor haren gast, aan wiens
vermogen, om ze te vergelden, zij evenzeer twijfelde, als zij geloofde,
dat hij er toe geneigd was en pijnlijk gegriefd zou zijn, als hij de
geringste van hare beleefdheden onbeloond moest laten. – Nu opende zij
de deur voor den heer Oldbuck, en de verrassing van hem te zien, bracht
haar tranen in de oogen, die zij nauwelijks weêrhouden kon.

„Ik ben blij u te zien, mijnheer! – ik ben zeer blij u te zien! Mijn
arme jonge heer is, vrees ik, niet wel; en o, mijnheer Oldbuck, hij wil
noch dokter, noch dominé, noch notaris spreken! en hoe zou het gaan,
indien, zoo als mijn arme man placht te zeggen, iemand kwam te sterven,
zonder den bijstand der drie geleerde faculteiten?”

„Veel beter dan met haar bijstand,” bromde de cynische oudheidkenner,
„Ik zeg u, jufvrouw Hadoway! de geestelijken leven van onze zonden, de
dokters van onze ziekten, en de rechtsgeleerden van onze rampen.”

„O foei, Monkbarns, zoo iets van u te hooren! – Maar wilt gij naar
boven gaan en den armen jongen zien? – och, mijnheer, zoo jong en
krachtig – en dagelijks eet hij al minder en minder, en nu raakt hij
bijna niets meer aan; voor het fatsoen, neemt hij slechts één hapje uit
den schotel, en zijne arme wangen worden bij den dag magerder en
bleeker, zoodat hij er nu wezenlijk zoo oud uitziet, als ik, die zijne
moeder kon zijn, – niet dat ik juist zóó oud ben, maar toch nagenoeg!”

„Waarom neemt hij niet wat beweging?” vroeg Oldbuck.

„Ik geloof dat wij hem daartoe overgehaald hebben; want hij heeft een
paard gekocht van Gibbie Golightly, den stalknecht. Gibbie zeide, dat
mijnheer een paardenkenner was; want hij bood hem een paard aan, dat
hij dacht, hem lijken zou, omdat hij maar een geleerde is; maar
mijnheer Lovel wilde het niet eens aankijken, en nam er een, dat een
vliegenden dragonder zou kunnen dienen; – het staat op stal in de
herberg aan den overkant van de straat, en hij ging gisteren en heden
morgen vóor het ontbijt uit. – Maar wilt gij niet naar boven gaan?”

„Dadelijk, dadelijk; – is er ook iemand bij hem?”

„O, mijn lieve mijnheer Oldbuck! geen mensch; hij wilde niemand
ontvangen, toen hij frisch en gezond was, hoe zou het dus mogelijk
zijn, dat iemand uit Fairport, nu naar hem om zou zien?”

„Ja, ja, zeer waar! Het zou vreemd zijn, als het anders ware. – Kom,
wijs mij den weg jufvrouw Hadoway, opdat ik mij niet vergis, en ergens
heen kom, waar ik niet wezen moet.”

De goede jufvrouw wees den heer Oldbuck den smallen trap, geleidde en
waarschuwde hem voor elke wending, terwijl zij hem aanhoudend
beklaagde, dat hij genoodzaakt was, om zoo hoog te klimmen. Eindelijk
tikte zij zachtjes aan de deur van Lovel’s zitkamer. „Binnen!” riep
deze, en jufvrouw Hadoway liet den heer van Monkbarns binnen.

De kleine kamer was net en zindelijk en betamelijk gestoffeerd, en
daarbij versierd met die overblijfsels van mejufvrouw Hadoway’s jeugdig
borduurwerk, welke zij nog bewaard had, maar het vertrek was klein en
benauwd, en, zoo als het den heer Oldbuck toescheen, een zeer ongezond
verblijf voor een jong mensch, wiens gezondheid verzwakt was, eene
opmerking, die hem in een ontwerp versterkte, dat reeds lang ten
opzichte van Lovel bij hem opgekomen was. Deze zat aan eene
schrijftafel met eene menigte boeken en papieren, op eene sofa, in
zijne kamerjapon en muilen. Oldbuck schrikte over de verandering, die
hij in hem opmerkte. Wangen en voorhoofd waren doodsbleek, uitgezonderd
daar, waar eene schitterende roode plek sterk en pijnlijk in het oog
viel, als zeer verschillend van de gezonde, heldere kleur, die vroeger
zijn gelaat overdekte en eenigszins blozend maakte. Oldbuck merkte op,
dat de kleeding, die hij aanhad, zoo wel als de rok, die naast hem over
een stoel hing, zwaren rouw aanwezen. Zoodra de oudheidkenner
binnentrad, stond Lovel van de sofa op en kwam hem te gemoet, om hem te
verwelkomen.

„Dit is zeer vriendelijk,” zeide hij, terwijl hij hem de hand drukte en
hartelijk dankte voor zijn bezoek; „dit is zeer vriendelijk, – en
daarbij voorkomt gij mij, daar ik voornemens was u eerstdaags te komen
zien; – gij moet weten, ik heb mij onlangs een paard aangeschaft.”

„Dat hoor ik van jufvrouw Hadoway: – ik hoop maar, mijn goede jonge
vriend, dat gij gelukkig geslaagd zijt met een mak paard te vinden. Ik
had ook eens de onvoorzichtigheid een paard van denzelfden Gibbie
Golightly te koopen; dat dier rende met mij op zijn rug twee mijlen de
jachthonden achter na, waarmeê ik zoo weinig te maken had, als met de
sneeuw van laatstleden winter, en, nadat ik, zoo als ik veronderstel,
veel toegebracht had tot het vermaak der jachtpartij, was het
vriendelijk genoeg, mij in eene drooge sloot er af te smijten. Het uwe,
hoop ik, zal een vreedzamer beest zijn?”

„Ik hoop ten minste, dat wij meer eensgezind zullen zijn op onze
tochten.”

„Dat is te zeggen, gij verbeeldt u een goed ruiter te zijn?”

„Ik zou mij niet gaarne voor een zeer slecht ruiter houden.”

„Neen, gij jonge lieden gelooft u dadelijk meesters in de kunst te
moeten noemen. Maar, hebt gij er ooit ondervinding van gehad? Want,
crede experto, met een driftig paard is geen gekscheren!”

„Wel, ik zou het niet wagen mij een groot ruiter te noemen; maar toen
ik, verleden jaar, in het gevecht te .... als adjudant van Sir ....
dienst deed, zag ik menigen beteren ruiter dan ik uit den zadel
gelicht!”

„O! gij hebt den verschrikkelijken God des oorlogs in de oogen gezien;
– gij zijt bekend met de vertoornde blikken van den krijgshaftigen
Mars? – Die ondervinding volmaakt uwe bekwaamheden voor het
heldendicht! – Maar de Britten, zult gij u herinneren, vochten in
wagens, – covinarii zegt Tacitus; – gij herinnert u de schoone
beschrijving van de slachting daardoor onder het Romeinsche voetvolk
aangericht, ofschoon de geschiedschrijver ons verhaalt, dat de ruwe,
ongelijke bodem weinig geschikt was voor paarden. En waarlijk, over het
geheel, welke soort van wagens men ergens anders in Schotland heeft
kunnen gebruiken dan op de straatwegen, is altijd voor mij een raadsel
geweest. – En nu, – heeft de Zanggodin u bezocht? – Hebt gij iets
afgemaakt om mij te laten zien?”

„De tijd,” zeide Lovel, een blik op zijne zwarte kleeding werpende, „is
minder aangenaam door mij besteed geworden.”

„De dood van een vriend?”

„Ja, mijnheer Oldbuck, van bijna den eenigen vriend, dien ik mij ooit
beroemen kon te bezitten.

„Inderdaad? – Wel, jonkman wees getroost,” zei de oudheidkenner op een
ernstigen toon, die zeer verschilde van zijne gewone, gemaakte
deftigheid. „Een vriend door den dood verloren te hebben, terwijl de
onderlinge achting nog warm en onverkoeld was, – terwijl de traan nog
vloeien kan, onverbitterd door eenige pijnlijke herinnering aan
verkoeling, of wantrouwen, of verraad, is misschien een gelukkig
ontsnappen aan eene zwaardere bezoeking. Zie rond, – hoe weinigen ziet
gij oud worden, omringd door hen, die hunne eerste vrienden waren! –
Onze bronnen van gemeenschappelijk genoegen drogen langzamerhand op,
naarmate wij voorttrekken door het dal van Bacha, en wij graven ons
nieuwe putten, van welke de eerste deelgenooten van onzen tocht
verstooten blijven. Afgunst, naijver, nijd komen tusschenbeide, en
verwijderen anderen van onze zijde, tot ons niemand meer overblijft,
dan diegenen, met welke wij eerder door gewoonte, dan door voorkeur
verbonden zijn, of die, nader in bloedverwantschap dan in neigingen,
den ouden man bij zijn leven gezelschap houden, om niet vergeten te
worden bij zijn dood – Haec data poena diu viventibus! – O, Lovel, als
het uw lot wordt, om den kouden, nevelachtigen, eenzamen avond van het
leven te bereiken, zult gij aan de smarten uwer jeugd terugdenken, als
aan de lichte wolkjes, die voor een oogenblik de stralen van de nog
opkomende zon verduisteren. – Maar mijne woorden dringen in uwe ooren
door, zonder uw hart te bereiken.”

„Ik ben zeer gevoelig voor uwe deelneming,” antwoordde de jongeling;
„maar de pas toegebrachte wond moet altijd hevig pijn doen, en – houd
het mij ten goede, – het zou mij weinig troosten in mijne tegenwoordige
droefheid om overtuigd te zijn, dat het leven mij verder niets
opleveren zou, dan eene reeks van teleurstellingen. En vergun mij er
bij te voegen: gij, mijnheer Oldbuck, hebt minder redenen, dan vele
andere menschen, om het leven uit zulk een somber oogpunt te
beschouwen. Gij bezit een voldoend en zelfs ruim vermogen, – zijt
algemeen geacht en geëerd, – kunt, naar uwe eigene uitdrukking, vacare
musis, en in uwe studiën uw smaak vrij volgen; – buiten ’s huis kunt
gij uw eigen vriendenkring vormen, en daar binnen geniet gij de
liefderijkste en onvermoeidste verpleging uwer dierbare
naastbestaanden.”

„Wel ja! mijn vrouwvolkje is voor vrouwen, – dank zij mijne strenge
tucht, – nog al beleefd en handelbaar; zij storen mijne morgenstudiën
niet, – sluipen langs den vloer met den stillen tred eener kat, als ik
lust heb, na tafel, of na de thee, in mijn leuningstoel een dutje te
doen. Dat is alles goed en wel; maar ik mis iemand, aan wien ik mijne
gedachten kan meêdeelen, – iemand om meê te praten!”

„Waarom verzoekt gij dan niet uw neef, den kapitein M’Intyre, om bij u
te komen? Hij staat voor een geestig jong mensch bekend.”

„Hoe! mijn neef Hector? – dien heethoofd? – Hoe! – De hemel beware mij;
ik zou even graag eene brandende toorts op mijne hooizolders brengen. –
Hij is een Almanzor, een Chamont, – heeft een Hooglandschen stamboom
even lang als zijn zwaard, en een zwaard zoo lang als de Hoogstraat te
Fairport, dat hij tegen den heelmeester aldaar trok, toen hij er de
laatste maal was. Ik verwacht hem eerstdaags hier; maar ik zal hem op
een afstand houden, dat beloof ik u! – Hij, een vaste bewoner van mijn
huis! om mijne stoelen en tafels van zijne drift te zien beven! – Neen!
neen! ik wil geen Hector M’Intyre. – Maar hoor, Lovel, gij zijt een
stil, zachtaardig jong mensch; zoudt gij niet goed doen met u een paar
maanden te Monkbarns te vestigen; want ik begrijp, dat gij niet
dadelijk voornemens zijt deze streek te verlaten? – Ik zal eene deur
uit uwe kamer naar den tuin laten maken; – dat zou slechts eene
kleinigheid kosten, – er is al eene oude deur daar, die lang geleden
toegemetseld werd; door deze deur kunt gij de groene kamer uit- en
ingaan naar verkiezing, zoodat gij niets met den ouden man, noch hij
met u, zal te doen hebben. Wat den kost betreft, jufvrouw Hadoway zegt
me, dat gij, zoo als zij het noemt, zeer matig in het eten zijt: dus
zult gij u met mijn eenvoudigen disch wel vergenoegen. Uw linnen, –”

„Ik bid u, waarde heer Oldbuck,” viel hem Lovel, met een glimlach in de
rede, welken hij niet bedwingen kon; „eer uwe gastvrijheid mijne
leefwijze regelt, vergun mij u welmeenend te danken voor zulk een
vriendelijk aanbod. Thans is het mij onmogelijk, er gebruik van te
maken; maar zeer waarschijnlijk zal ik, eer ik Schotland vaarwel zeg,
gelegenheid vinden om u een bezoek van eenigen duur te geven.”

De heer Oldbuck was eenigszins uit het veld geslagen. „Wel, ik dacht
iets gevonden te hebben, dat ons beiden lijken zou; en wie weet, wat er
met den tijd gebeurde, en of wij ooit weder scheiden zouden? Wel ik ben
heer en meester over mijne landerijen! – dat is het voordeel van af te
stammen van een mensch, die meer gezond verstand dan hoogmoed had. Men
kan mij niet noodzaken, mijne landerijen, have en goed aan iemand
anders te vermaken, dan ik wil. Er bestaat geen band, om menschen tot
erfgenamen te benoemen, die zoo onbeduidend en nietig zijn als de
papiertjes onder aan den staart van een vlieger, om de vlucht van mijne
neigingen te belemmeren! – Wel, ik zie, dat u dit voor het oogenblik
niet verleidt; – maar de Caledoniade gaat toch door, hoop ik?”

„O zeker,” zeide Lovel; „ik kan er niet aan denken, om een plan te
laten varen, dat zoo veel belooft!”

„Dat doet het wezenlijk,” zei de oudheidkenner met een plechtigen blik;
want ofschoon hij verstand en doorzicht genoeg bezat, om de plannen te
beoordeelen, die door anderen ontworpen werden, was hij nochtans,
natuurlijk, overdreven ingenomen met degenen, welke hij zelf gesmeed
had. – „Het is wezenlijk een ontwerp dat, indien volbracht in den geest
waarin het gevormd werd, de letterkunde van het tegenwoordige geslacht
zal helpen zuiveren van den blaam van lichtzinnigheid!”

Hier werden zij gestoord door een tikken aan de kamerdeur, en een
briefje voor den heer Lovel werd binnengebracht. De knecht wachtte, op
antwoord, zei jufvrouw Hadoway. – „Dit betreft u mede, mijnheer
Oldbuck,” zeide Lovel, het briefje, na het eventjes ingezien te hebben,
aan den oudheidkenner overhandigende.

Het was een schrijven van Sir Arthur Wardour, in de beleefdste
bewoordingen, waarmede hij zijn leedwezen te kennen gaf, dat een aanval
van jicht hem tot nog toe belet had den heer Lovel de beleefdheden te
bewijzen, waarop hem zijn gedrag in een oogenblik van groot gevaar zoo
zeer het recht gaf, – en zich verontschuldigende, dat hij niet in
persoon zijne opwachting kwam maken, (in de hoop, dat de heer Lovel hem
van deze plechtigheid wel zou willen verschoonen), noodigde hij hem uit
om deel te nemen aan eene kleine partij, welke hij tegen den volgenden
dag voorsloeg naar de bouwvallen van het klooster van St. Ruth, om
daarna op het kasteel Knockwinnock het middagmaal te gebruiken en den
avond door te brengen. Sir Arthur eindigde met te zeggen, dat hij
insgelijks de familie Monkbarns verzocht had. De plaats van vereeniging
was bepaald bij een slagboom, die zich ongeveer op een gelijken afstand
bevond van de onderscheidene punten, van welke het gezelschap samen
moest komen.

„Wat zullen wij doen?” vroeg Lovel, den oudheidkenner aanziende: maar
tamelijk vast bepaald omtrent hetgene hij zelf voornemens was.

„Gaan, man! – gaan in elk geval, ofschoon het mij ook een wagen kosten
zal, die u en mij en Mary Mac Intyre zeer goed bevatten zal; en het
andere vrouwelijk schepsel kan naar de pastorie gaan, en gij kunt met
den wagen naar Monkbarns komen, daar ik hem voor den ganschen dag nemen
zal.”

„Maar mij dunkt, dat ik beter deed van te paard te gaan.”

„Juist! ik vergat uw Bucephaal. Maar gij zijt, in het voorbijgaan
gezegd, een malle jongen; gij zoudt beter gedaan hebben met achttien
stuivers per rid voor het beest te betalen, dan het dier te koopen, –
als gij toch meer vertrouwen in zijne beenen, dan in uwe eigen
ledematen hebt.”

„Wel, daar de paarden het voordeel opleveren van hunne beenen veel
sneller te bewegen, en, behalve dat, vier beenen in plaats van twee
hebben, beken ik over te hellen –”

„Genoeg –genoeg! – volg uw eigen zin! Dan zal ik Grizel of den dominé
meêbrengen; want ik geniet gaarne de volle waarde voor mijn geld, – en
wij ontmoeten elkander aan den Tirlingen-slagboom, Vrijdag, klokslag
twaalf.” – En met deze afspraak scheidden de vrienden.








ZEVENTIENDE HOOFDSTUK


      Men spreekt van kloosters, waar bij ’t scheem’rend toortsenlicht,
      Te midden van den nacht, de paters biddend zingen:
      Hier vindt de bange ziel een schuilplaats, die haar sticht,
      Waar ze eig’ne driften doodt, geene and’re komen dingen.
      Der godsvrucht vrome plicht stilt de gewetenssmart,
      En de gebogen trots boet tranen van het hart.

                                                         Crabbe’s Burg.


De Vrijdag morgen was helder en schoon, alsof geene buitenpartij ware
bepaald geweest; wat iets zeldzaams is, zoo wel in het werkelijke leven
als in de romans. Lovel, op wien het weder den natuurlijken invloed
uitoefende, en die zich verheugde in het vooruitzicht van Isabella
Wardour weder te ontmoeten, draafde naar de plaats der vereeniging, in
eene veel opgeruimder stemming, dan hij sedert lang geweest was. De
toekomst scheen, in vele opzichten, voor hem op te helderen, en de
hoop, gelijk de morgenzon door wolken en slagregens heenbrekende,
straalde vroolijk op zijn weg. Hij was, zoo als men uit deze
gemoedsstemming begrijpen zal, de eerste op de plaats der bijeenkomst,
en, als men ook begrijpen kan, zijne blikken waren uitsluitend gericht
op den weg van het kasteel van het Knockwinnock, zoodat hij de aankomst
van de partij van Monkbarns slechts gewaar werd door het schreeuwen van
den voerman, toen het zware rijtuig den berg achter hem oprolde. In dit
rijtuig bevonden zich opgesloten: vooreerst, de deftige gestalte van
den heer Oldbuck zelven; ten tweede, de weinig minder deftige persoon
van den eerwaardigen heer Blattergowl, predikant te Trotcosey, tot welk
kerspel Monkbarns en Knockwinnock behoorden. Zijn eerwaarde was
uitgedoscht met eene kleine krulpruik, waarop een gelijkzijdige
driekantige hoed prijkte. De zijne was de schoonste der drie pruiken,
die zich nog in het kerspel bevonden, en welke, zoo als Monkbarns
gewoonlijk aanmerkte, onderling verschilden als de drie trappen van
vergelijking; zijnde die van Sir Arthur de stellige, zijne eigene de
vergelijkende trap, terwijl de in het oog vallende grijze pruik van den
eerwaarden geestelijke de overtreffende trap voorstelde. De oude Caxon,
die belast was met de zorg voor deze ouderwetsche sieraden,
begrijpende, of voorwendende te begrijpen, dat hij niet wel afwezig kon
zijn bij eene gelegenheid, waarop alle drie vereenigd waren, had achter
op het rijtuig plaats genomen, „om bij de hand te wezen, ingeval de
heeren zijn bijstand behoefden, eer zij aan tafel gingen.” Tusschen de
twee deftige figuren van Monkbarns en den geestelijken heer gedrongen,
zat de tengere gestalte van Mary M’Intyre; daar hare tante een bezoek
in de pastorie, en een gezellig praatje met Rebekka Blattergowl, boven
het onderzoek der bouwvallen van het klooster van St. Ruth verkozen
had.

Juist toen het gezelschap van Monkbarns en Lovel elkander welkom
heetten, kwam des Baronets rijtuig, eene opene kales, aanstuiven,
terwijl de dampende paarden, de vlugge postiljons, de met wapens
prijkende paneelen, en een paar knechts te paard, een sterke
tegenstelling opleverden met het gehavend rijtuig en de dampige
huurpaarden, die den oudheidkenner en de zijnen vervoerden. De
voornaamste plaatsen waren door Sir Arthur en zijne dochter bezet. Bij
den eersten blik, welken Isabella Wardour en Lovel op elkander wierpen,
verhoogde zich haar blos merkelijk; maar zij had zich waarschijnlijk
voorgenomen, hem als een vriend, en slechts als zoodanig, te ontvangen,
en zij beantwoordde zijn verlegen groet met evenveel beleefdheid als
bedaardheid. Sir Arthur deed de kales stilstaan, om zijn redder
vriendelijk de hand te drukken, en hem het genoegen te kennen te geven,
dat hij nu in de gelegenheid was, om hem persoonlijk zijn dank te
betuigen, en zeide daarop, als om hem eventjes voor te stellen:
„Mijnheer Dousterswivel, mijnheer Lovel”

Lovel bewees daarop de noodige beleefdheid aan den Hoogduitschen
goudzoeker, die gezeten was op de voorste bank van het rijtuig, waar
men gewoonlijk de onderhoorigen of minderen plaatst. De onderdanige,
gemaakt vriendelijke buiging, waarmede de vreemdeling Lovel’s
vluchtigen groet beantwoordde, vermeerderde den inwendigen afkeer,
welken deze reeds voor hem opgevat had: en het bleek duidelijk aan het
fronsen van des oudheidkenners zware wenkbrauwen, dat ook hij deze
vermeerdering van het gezelschap met misnoegen aanzag. Overigens was er
geene gelegenheid tot iets meer dan eenige vriendschappelijke groeten
onder de leden van het gezelschap, tot eindelijk de rijtuigen, ongeveer
drie Engelsche mijlen verder dan de plaats der ontmoeting voortgerold
waren en stil hielden voor eene kleine herberg, de Vier Hoefijzers,
waar Caxon nederig het portier van de chais opende en de trede
neêrliet, terwijl de reizigers in de kales door hunne meer deftige
dienaren uit het rijtuig geholpen werden.

Hier werden de onderlinge begroetingen herhaald; de jonge dames gaven
elkander de hand, en Oldbuck, geheel en al in zijn element, plaatste
zich als leidsman en cicerone aan het hoofd der partij, die zich nu
naar het eigenlijke doel van den tocht begaf. Hij droeg zorg, om Lovel
dicht aan zijne zijde te houden, als den besten toehoorder van het
gezelschap, en wendde zich nu en dan met een paar woorden tot Isabella
Wardour en Mary M’Intyre, die achter hem waren, om haar iets uit te
leggen of te leeren. Den Baronet en den geestelijke vermeed hij
eenigszins, daar hij wel wist, dat zij beiden dachten, niet minder,
maar zelfs meer van de zaak te verstaan dan hij zelf; en Dousterswivel
beschouwde hij niet alleen als een kwakzalver, maar ook geheel als de
oorzaak van zijn gevreesd verlies in de fondsen van ’t mijngenootschap,
zoodat hij hem niet verduren kon. Deze beide heeren werden dus
trawanten van Sir Arthur, bij wien zij zich buitendien natuurlijk
voegden, omdat hij de voornaamste persoon van het gezelschap was.

Niet zelden liggen de schoonste oorden van Schotland in eenig
afgezonderd dal verborgen, zoodat men de geheele landstreek in alle
richtingen zou kunnen doorkruisen, zonder te gissen, dat men zich in de
nabijheid van iets merkwaardigs bevond, als men niet, voorbedachtelijk
of bij toeval, op de plaats zelve gebracht werd. Dit is meer bepaald
het geval met de landstreek rondom Fairport, die, over het algemeen,
open, vlak en kaal is. Maar hier en daar vormen de beddingen van beken
en kleine rivieren diepe valleien, in Schotland onder den naam van dens
bekend, op welker steile en rotsachtige zijden boomen en struiken van
allerlei aard eene schuilplaats vinden, en in weelderige pracht
opgroeien; wat des te aangenamer is, daar het een onverwachte
tegenstelling oplevert met de geheele landstreek. Vooral was dit het
geval met den weg naar de bouwvallen van St. Ruth, die een tijdlang
niets anders was, dan eene schapendrift langs een steilen en naakten
heuvel. Langzamerhand zag men, naarmate het pad naar de laagte ging en
langs den heuvel kronkelde, boomen verschijnen, eerst enkele, mismaakte
en afgeknotte stammen, waaraan de wolvlokken der schapen nog hechtten,
en welker wortels holten opleverden, schuilplaatsen, waarin de lammeren
zich zoo gaarne neêrleggen, een gezicht overigens, aangenamer voor den
beminnaar van het schilderachtige, dan voor den planter en boomkweeker.
Langzamerhand vormden de boomen groepen met overhangende kruinen, en
tusschen de stammen groeiden hazelnooten en doornstruiken; en eindelijk
stonden deze groepen zoo dicht bij elkander, dat, ofschoon zich hier en
daar eene open plaats onder de takken bevond, of eene kleine plek
moeras of hei gezien werd, die onvruchtbaar gebleven was voor het zaad,
dat ze in het rond verspreidden, men echter, over het geheel, de streek
niet anders dan boschrijk noemen kon. De hellingen der vallei naderden
elkander meer en meer; men hoorde het ruischen der beek in de diepte;
en door de openingen, welke het bosch opleverde, zag men de wateren
helder en snel vlieten onder de groene takken.

Oldbuck matigde zich nu in alle opzichten het gezag van een cicerone
aan, en waarschuwde het gezelschap zorgvuldig zich geen voet breed van
het pad te verwijderen, dat hij aanwees, als men het volle genot wilde
smaken van hetgeen men ging bezoeken. „Gij zijt gelukkig mij tot gids
te hebben, Isabella,” riep de oude heer, en dreunde, – de versmaat met
hand en hoofd aangevende, met geestdrift de volgende regels op:


        „Ik ken elk pad, en elke groene laan,
        Elke vallei, en fraai begroeide diepte,
        Elke priëel in deze schuilplaats der Natuur.


„Och! de drommel haal ze! – die braamstruiken hebben al den arbeid van
Caxon vernietigd, en mijne pruik bijna in de beek gewipt, – dat heeft
men van aanhalingen hors de propos!”

„Dat moet u niet verontrusten, waarde heer Oldbuck” zeide Isabella
Wardour; „gij hebt uwen trouwen dienaar bij de hand, om dergelijke
rampen te herstellen; en, als gij met uw hoofdsieraad weder in den
vorigen luister verschijnt, zal ik u ook met eene aanhaling ontvangen:


        „Zoo zinkt de zonneschijf in d’Oceaan ter neder,
        En beurt zij ’t zinkend hoofd nog eens voor ’t laatst omhoog,
        Dan prijkt met nieuwen gloed de gouden straalkrans weder,
               Die om haar voorhoofd vlamt –”


„O genoeg, genoeg!” antwoordde Oldbuck; „ik had moeten weten, wat het
is u eenig voordeel op mij te geven. – Maar hier is een voorwerp, dat
uwe spotader stuiten zal, want ik weet, dat gij eene bewonderaarster
der natuur zijt!” Inderdaad, toen het gezelschap hem door een gat in
een ouden, vervallen muur gevolgd was, openbaarde zich een tooneel, dat
even onverwacht als treffend was.

Zij stonden vrij hoog op de helling der vallei, die zich eensklaps
geopend had en eene soort van amphitheater vormde, en die ruimte
verschafte aan een helder en diep meer van een paar bunders in
oppervlak, omgeven door eene ruime vlakte. Daarachter verhieven zich de
hoogten van alle kanten steil, op sommige plaatsen afgewisseld door
rotsen, op andere bedekt met struiken, die de hellingen licht en
onregelmatig stoffeerden, en het eentoonige van het groene weiland
braken. Beneden ontlastte zich het meer in de ruischende beek, die hen
vergezeld had van het oogenblik, dat zij de vallei binnen traden. Op
het punt, waar deze uit het moedermeer stroomde, stonden de bouwvallen,
die men ging bezoeken. Zij waren niet zeer uitgestrekt maar de
bijzondere schoonheid er van, zoowel als de woestheid en de
afgelegenheid der plaats, waar zij zich bevonden, gaven ze eene
meerdere bekoorlijkheid dan de overblijfselen van een grootsch gebouw
bezitten, die nabij gewone huizen geplaatst, en door minder romantische
schoonheden omgeven zijn. De oostelijke vensters der kerk waren nog in
hun geheel, met alle versierselen en beeldwerk, en de zijden,
ondersteund door lichte bogen, die, van den muur, waartegen zij
geplaatst waren, afgeweken, en met kroon en snijwerk versierd,
afwisseling en licht in het gebouw brachten. Het dak en het westelijk
gedeelte der kerk waren geheel vervallen; maar de laatste scheen ééne
zijde te hebben daargesteld van een vierkant, waarvan de bouwvallen der
kloostervertrekken de twee anderen, en de tuin de vierde uitmaakten.
Die zijde van de gebouwen, welke over de beek hingen, was gedeeltelijk
op eene steile rots opgericht; want de plaats was bij vroegere
gelegenheden tot krijgshaftige doeleinden aangewend, en met veel
bloedvergieten in den tijd van Montrose ingenomen. De grond, die
eertijds tot tuin gediend had, onderscheidde zich nog door eenige
weinige vruchtboomen. Op een grooteren afstand van de gebouwen, stonden
enkele verspreide eiken-, olmen- en kastanjeboomen, die eene
aanmerkelijke hoogte bereikt hadden. Het overige der ruimte tusschen de
bouwvallen en den heuvel, bestond uit eene groene vlakte, met kort gras
bedekt, welke de dagelijksche bezoeken der schapen in veel fraaier orde
hielden, dan indien zij aan de zeis en den bezem ware onderworpen
geweest. Het geheele tooneel had iets rustigs, dat bedarend en treffend
was, zonder eentonig te zijn. De donkere, diepe kom, waarin het helder
blauwe meer rustte, dat de waterleliën terugkaatste, die op de
oppervlakte van het water groeiden, en de boomen, die hier en daar
hunne takken van de steile rotsen uitspreidden, dit alles leverde een
schoon kontrast op met de onrust der woelende wateren van de beek,
welke door de opening, als uit een kerker, losbrak, en verder door de
vallei stroomde, rondom den voet der rotsen, waarop de bouwvallen
stonden, kronkelende en tegen iedere hoogte of elken steen, die haren
loop belemmerde, schuimend aanbruischende. Een even groot kontrast
leverde de vlakke groene weide, waarin de bouwvallen gelegen waren, en
de oude zware boomen, die er verspreid stonden, vergeleken met de
steile hellingen, gedeeltelijk van onderen gestoffeerd met licht en
luchtig struikgewas, gedeeltelijk zich verliezende in steile klippen,
bekleed met purperen heideplanten, en gedeeltelijk afgebroken en breede
kruinen van grauwe rots vertoonende, geschakeerd met klimop en die
krachtige planten, welke zelfs in de dorste rotskloven wortel vatten.

„Hier was de wijkplaats der geleerdheid in de dagen der duisternis,
mijnheer Lovel!” zeide Oldbuck, om wien zich het geheele gezelschap nu
verzameld had, terwijl men het onverwachte gezicht van de romantische
plek bewonderde; „daar plachten de wijzen uit te rusten die, deze
wereld moede, zich toewijdden aan de toekomst en aan de welvaart der
geslachten, die hen zouden opvolgen. – Ik zal u dadelijk de boekerij
toonen. Ziet gij dien muur met vierkante, van boven spits toeloopende
vensterramen? daar stond zij, gevuld, zoo als een oud handschrift, dat
ik bezit, mij verzekert, met vijf duizend boekdeelen; – en hier mocht
ik wel het klaaglied aanheffen van den geleerden Leland, die het
tegrondgaan der kloosterboekerijen betreurende (even als Rachel, hare
kinderen) uitroept: dat, bijaldien de pauselijke breven, decreten,
decretalen, en andere dergelijke duivelsche uitvindingen, ja, indien de
sophismen van Heytesburg, de Universaliën van Porphyrius, de logica van
Aristoteles, er de godgeleerdheid van Dunce, en dergelijke (verschoon
mij, Freule Wardour!) luizige listen en vruchten van den bodemloozen
afgrond, uit onze boekerijen geroofd waren, ten gerieve der
kruidenierswinkels, kaarsenmakers, zeepverkoopers en andere bezitters
van het aardsche, wij ons daarover zouden hebben kunnen troosten; –
maar om onze oude kronieken, onze edele historiën, onze geleerde
commentariën en oorspronkelijke oorkonden tot zulke verachtelijke
doeleinden te gebruiken, – dat heeft onze natie verlaagd, en moet ons
onteeren in de oogen van het laatste nageslacht. O schandelijke
onachtzaamheid, voor ons land!”

„En o, John Knox!” zei de Baronet, „door wiens invloed, en onder wiens
opzicht, deze vaderlandslievende taak verricht werd!”

De oudheidkenner, eenigermate in den toestand van eene houtsnip, die in
een strik gevangen is, draaide zich om en hoestte, om een lichten blos
te verbergen, terwijl hij zich op een antwoord bedacht. – „Wat den
Apostel der Schotsche Reformatie, –”

Maar Isabella Wardour viel hem in de rede, ten einde zulk een
gevaarlijk gesprek af te breken. „Mag ik vragen, wie de schrijver was,
dien gij aanhaaldet, mijnheer Oldbuck?”

„De geleerde Leland, die tot waanzin verviel door het vernielen der
kloosterboekerijen in zijn tijd.”

„Nu, zijn ongeluk mag misschien het verstand gered hebben van menigen
hedendaagschen oudheidkenner, die zeker zou verdronken zijn, als zulk
eene uitgestrekte zee van geleerdheid niet door eenige afleiding ware
verminderd geworden.”

„Wel, dank zij den Hemel, dat gevaar is voorbij; – zij hebben ons
nauwelijks een lepel vol overgelaten.”

Dit zeggende, bracht hij het gezelschap van de helling, langs een
steil, maar veilig pad, dat op de groene weide leidde, waar de
bouwvallen stonden. „Daar leefden zij,” vervolgde de oudheidkenner,
„zonder iets te doen te hebben, dan hun tijd door te brengen met het
nasporen van de geheimen der meest verwijderde oudheid, met het
overschrijven van manuscripten, en het samenstellen van nieuwe werken
ter onderrichting van het nageslacht.”

„En,” voegde de Baronet er bij, „met het uitoefenen hunner
godsdienstplichten, op eene het priesterschap waardige, prachtige en
plechtige wijze.”

„En met Sir Arthur’s verlof” zei de heer Dousterswivel met eene diepe
buiging, en in zijn gebroken dialect: „die monniken kunnen ook zeer
mooie proeven, in derzelver laboratoria, genomen hebben in de
scheikunde en de magia naturalis”

„Ik verbeeld mij,” zei de geestelijke, „dat zij genoeg te doen hadden
met het inzamelen van de tienden voor de pastorie en voor den vicaris
over drie rijke kerspelen.”

„En alles,” voegde Isabella Wardour er bij, terwijl zij den
oudheidkenner toeknikte, „zonder eenige stoornis van den kant der
vrouwen!”

„Juist zoo, mijne schoone vijandin!” antwoordde Oldbuck, „dit was een
Paradijs, waar geen Eva toegelaten werd; en des te meer moeten wij ons
verwonderen, dat de goede vaders het kwamen te verliezen.”

Met zulke aanmerkingen over de bezigheden van hen, die vroeger de
bouwvallen bewoond hadden, wandelden zij een tijdlang van het eene met
mos begroeide overblijfsel naar het andere, onder geleide van Oldbuck,
die met veel genot den platten grond van het gebouw uitlegde, en het
gezelschap de verscheidene vermolmde opschriften voorlas en verklaarde,
welker sporen men nog kon nagaan op de grafsteenen der dooden, of onder
de ledige nissen der heilige beelden. „Wat is de reden,” vroeg
eindelijk Isabella Wardour den oudheidkenner, „dat de overlevering ons
zulke schrale berichten bewaard heeft omtrent de bewoners van deze
deftige gebouwen, met zoo veel moeite en met zoo veel smaak opgericht,
en welker eigenaren in hun tijd zulk een groot gezag en algemeenen
invloed bezaten? De minste toren van een roofzieken baron of
landjonker, die van zijne lans en zijn breed zwaard leefde, heeft zijne
eigene oude overlevering, en de schaapherder zal u nauwkeurig de namen
en daden opnoemen van de bewoners; maar ondervraagt men een landman
over deze schoone en uitgebreide overblijfsels, – deze torens, deze
bogen en zuilen, en spitse vensterramen, met zulke kosten voltooid, dan
luidt zijn antwoord in drie woorden: „Ze werden lang geleden door de
monniken gebouwd.””

De vraag was eenigszins lastig. Sir Arthur keek opwaarts, als hoopte
hij, dat hem eenig antwoord mocht worden ingegeven; – Oldbuck schoof
ongeduldig zijne pruik naar achteren; – de geestelijke was van
gevoelen, dat de leden zijner gemeente te diep doordrongen waren van de
rechtzinnige leer der Presbyteriaansche kerk, om eenige overleveringen
te bewaren van de Paapsche puinhoopen van het land, welke takken waren
van den alles overschaduwenden boom der ongerechtigheid, welks wortels
in de ingewanden stonden van de zeven heuvelen der zonde. – Lovel
dacht, dat zich de vraag het best liet oplossen door in aanmerking te
nemen, welke voorvallen de diepste indrukken nalaten in de gemoederen
van het volk. „Dit,” beweerde hij, „zijn niet zulke gebeurtenissen,
welke op de trapsgewijze vorderingen van eene vruchtbaar makende rivier
gelijken, maar de zoodanige, die de toomelooze woede eener
overstrooming in hare werking evenaren. De tijdstippen, volgens welke
het volk den tijd berekent, zijn altijd die van vrees en ontroering, en
het begint te rekenen na een storm, of na eene aardbeving, of na het
uitbarsten van een burgeroorlog. En als dit de daadzaken zijn, die het
meest in het geheugen van het gemeen bewaard worden, kunnen wij ons
niet verwonderen,” eindigde hij, „dat de woeste krijgsman in de
herinnering blijft, terwijl de vreedzame kloosterling aan de
vergetelheid overgeleverd wordt.”

„Met uw verlof, mijne Herren en Damen, en met de uwe, Sir Arthur en ook
met de uwe, Freule Wardour, en met goedvinden van den eerwaarden heer
prediker, en van mijn goeden vriend den heer Oldenbuck, die mijn
landsman is, en van den goeden jongen heer Lovel ook, ik denke, het
komt alles van de hand der eere.”

„Wat voor eene hand?” riep Oldbuck.

„De – eerehand, mijn goede heer Oldenbuck! dat is een zeer groot en
verschrikkelijk geheim, – dat de monniken gebruikten, om hunne schatten
te verbergen, als ze uit hun klooster verdreven werden, door hetgeen
gij de Reformation noemt.”

„Zoo, waarlijk! geef ons daar eenige beschrijving van,” zeide Oldbuck;
„want dat is iets, dat men wel zou willen weten.”

„Wel, mijn goede heer Oldenbuck! Gij zult zeker gelieven mij uit te
lachen. – Maar die eerehand is zeer wel bekend in die landstreken, waar
Uwé’s voorouders woonden, – en het is die hand, die men van een dood
mensch, die wegens moord gehangen is, heeft afgesneden en zuiver in den
rook van jeneverhout heeft drogen laten, en als Uwé een beetje van wat
men taxis noemt daarbij voegt, zoo is het niet beter, – dat is, het zal
geen kwaad, – dan neemt Uwé een weinig vet van een beer, en van een
das, en van een wild zwijn, en van een zuigend kind, dat echter nog
niet gedoopt is (want dat is eene hoofdzaak), en Uwé maakt van dat
alles eene kaars, en steekt die in de hand der eere op het juiste uur
en de minuut, en met de daarbij behoorende ceremoniën, en hij die naar
schatten zoekt, zal er geene vinden, wie hij ook zijn moge.”

„Dit resultaat zou ik gerust durven bezweren,” zei de oudheidkenner;
„en placht men, mijnheer Dousterswivel, zich in Westfalen van dit
elegant candelabrum te bedienen?”

„Gewis, heer Oldenbuck! zoodra men niet gaarne had, dat van wat men
deed gesproken werd; – en de monniken plachten het te doen, als zij het
zilver en de groote kelken, en de ringen met zeer precieuse steenen en
juweelen verbergen wilden.”

„En toch hebt gij, heeren ridders van het Rozenkruis, zonder twijfel,
middelen om het tooverspel te breken, en datgene te ontdekken, hetwelk
de arme monniken zich zoo vele moeite gaven, om te verbergen?”

„Ach! lieve heer Oldenbuck!” hernam de goudzoeker met een
veelbeteekenend hoofdschudden, „Uwé is zwaar van geloof; doch als Uwé
die groote stukken gezien hadt, zoo massief, Sir Arthur! – zoo curieus
fatsoeneert, Freule Wardour! – en het zilveren kruis dat wij,
(Schroepfer [19] en ik,) voor den heer Freigraaf, das heisst, den Baron
van Blunderhausen, vonden, dan geloof ik, heer Oldenbuck, zou Uwé ook
wel geloofd hebben.”

„Voorwaar zien, is gelooven. – Maar waarin bestond uwe kunst; – wat was
uw geheim, Mijnheer Dousterswivel?”

„Aha! dat is ja mijn klein geheim, mijn goede heer Oldenbuck! – Uwé
excuseert, dat ik dat voor mij houd; – doch wil ik Uwé wel zeggen, dat
er vele middelen toe zijn, – als bij voorbeeld de droom, welken men
driemaal gehad heeft, dat is een zeer goed middel.”

„Dat verheugt mij,” zeide Oldbuck; „ik heb een vriend,” (van ter zijde
een blik op Lovel werpende) „die bijzonder begunstigd is met de
bezoeken van de koningin Mab [20].”

„Dan hebben wij nog de sympathiën, en de antipathiën, en de vreemde
eigenschappen en natuurlijke krachten van verscheidene kruiden, en de
kleine tooverroede.”

„Ik zou veel liever eenige van die wonderen zien, dan er van hooren,
zeide Isabella Wardour.”

„Maar zeer vereerde jonge dame, om dat groote wonder te doen, en om al
het zilver en de schatten te vinden, daartoe ontbreekt het ons aan de
benoodigdheden in dit oogenblik; toch om Uwé te obligeeren en Sir
Arthur, mijn genadigen patroon, en den eerwaarden geestelijken heer, en
den goeden heer Oldenbuck, en den jongen heer Lovel, die ook een zeer
goede jonge heer is, wil ik Uwé zien laten, dat het mogelijk, zeer
mogelijk is, de wellen en de kleine beekjes, die in den grond verborgen
zijn, zonder eenige schop of spade te ontdekken.”

„Hm!” zeide de oudheidkenner, „ik heb van dat raadseltje gehoord. In
ons land zal het niet veel opbrengen; – gij moest er meê naar Spanje en
Portugal gaan, en er partij van trekken.”

„Ja toch, mijn beste heer Oldenbuck, daar is de Inquisition, en het
Auto-da-fé; – daar kon ik, die slechts een filosoof ben, als een
toovenaar verbrand worden!”

„Dan zouden zij altoos nog hunne kolen verspillen,” zeide Oldbuck. –
„Maar,” vervolgde hij fluisterend tegen Lovel, „indien zij hem te pronk
stelden als den meest onbeschaamden schurk, die ooit de tong roerde,
zouden zij hem meer naar verdienste straffen. – Ik geloof waarachtig,
dat hij ons een van zijne goochelkunstjes gaat vertoonen!”

De goudzoeker had zich werkelijk naar een klein bosch kreupelhout, op
eenigen afstand van de bouwvallen begeven, waar hij zich druk bezig
hield met te zoeken naar hetgeen hij tot zijn geheimzinnig oogmerk
behoefde; en, na verscheidene takjes afgesneden, onderzocht en
verworpen te hebben, koos hij eindelijk een hazeltakje met eene vork
aan het einde, hetwelk hij verklaarde, dat de vereischte kracht bezat,
om er de proef, die hij voorhad, mede te doen. En nu, met de twee
einden van de vork, elk tusschen den vinger en duim, en dus den stok
overeind houdende, trok hij, stapvoets, door de vervallen gangen der
kloostergebouwen, door de overige nieuwsgierige leden van het
gezelschap gevolgd.

„Ik geloof werkelijk, dat er hier geen water was,” zei de goudzoeker,
na verscheidene gedeelten van het gebouw te hebben rondgewandeld,
zonder eenige van die teekens op te merken, welke hij voorgaf te
wachten. „Ik geloof, dat deze Schotsche monniken het water te koud
vonden voor het klimaat, en dronken altijd den goeden Rhein-wein; –
maar, aha! – zie daar!” – De oogen der omstanders vestigden zich nu
allen op de roede, en zij zagen, dat die tusschen zijne vingers
draaide, ofschoon hij verzekerde, dat hij die zeer stevig vasthield. –
„Hier in den omtrek is water,” – en zich heen en weêr wendende, zoo als
de bewegingen der tooverroede schenen te eischen, trad hij eindelijk in
eene ledige ruimte der bouwvallen, waar de keuken van het klooster
geweest was, toen de roede zich zoodanig keerde, dat ze bijna loodrecht
naar den grond wees. „Hier is de plek,” zei de goudzoeker, „en als Uwé
hier geen water vindt, zoo mag Uwé mij vrij een onbeschaamden bedrieger
noemen!”

„Die vrijheid zal ik toch nemen,” fluisterde de oudheidkenner Lovel
toe, „of wij water vinden, of niet.”

Een knecht, die met eene mand vol ververschingen gekomen was, werd nu
naar de hut van een naburiger boschwachter gezonden, om eene spade en
een houweel te halen. Nadat de steenen en het puin van de plaats, door
den heer Dousterswivel aangewezen, opgeruimd waren, kwam men weldra tot
de zijden van een gemetselden put; en toen men verder, met behulp van
den boschwachter en zijn zoon, eenige voet puin opgeruimd had, begon
het water snel op te borrelen, tot groot genoegen van den wijsgeer, tot
verwondering van de dames, van den heer Blattergowl en van Sir Arthur,
tot verrassing van Lovel, en tot beschaming van den ongeloovigen
oudheidkenner. Hij liet echter niet na, om Lovel zijn protest tegen het
wonderwerk in het oor te blazen. „Dit is slechts eene list, en anders
niets,” zeide hij; „de schurk heeft door het een of ander toeval
geweten, dat deze oude put hier was, eer hij met zijn goochelkunstje
voor den dag kwam. Let op hetgene hij er van zal opsnijden! Ik vergis
mij zeer, zoo dit stukje niet op erger bedrog doelt. Zie, hoe de schurk
pocht op het gelukken zijner proef, en hoe de arme Sir Arthur zich laat
overstelpen door den vloed van wartaal, die hij staat uit te kramen,
als de grondbeginselen zijner geheime wetenschappen!”

„Uwé ziet, mijn goede patroon! Uwé ziet, mijne schoone dames, Uwé ziet,
eerwaarde heer Blattergowl, en zelfs heer Lovel en heer Oldenbuck
kunnen zien, als zij gelieven willen te zien, dat de kunst geen anderen
vijand heeft dan de onwetendheid. Bezie dit stokje van eene
hazelstruik; – het is tot niets goed, dan om een klein kind te
straffen, – („Daartoe is ’t slechts te misbruiken; maar voor u wenschte
ik eene fiksche geesel,” mompelde Oldbuck), – „en neemt het een
filosoof in de hand – paf! zoo maakt het de grootste ontdekking. Maar
dat is niets Sir Arthur! – niets, – in het geheel niets, eerwaarde heer
Blattergowl! niets, dames! – volstrekt niets, jonge heer Lovel en goede
heer Oldenbuck, bij wat de kunst doen kan. Ah! als iemand hoofd en hart
had, ik zou hem wel andere dingen, dan de waterbronnen zien laten – ik
zou hem –”

„En er zou maar weinig geld daartoe noodig zijn, niet waar?” vroeg de
oudheidkenner.

„Bah! eene kleinigheid, dat niet waard is over te spreken,” antwoordde
de goudzoeker.

„Dat dacht ik wel!” hernam de oudheidkenner; „en ik zal u intusschen,
zonder eenige tooverroede, eene heerlijke pastei van wildbraad, en eene
flesch echte Madera toonen, en ik geloof, dat dit ruim opwegen zal
tegen alles, wat de kunst van mijnheer Dousterswivel in staat is te
doen verschijnen!”

Het maal werd, naar de uitdrukking van den heer Oldbuck, aangericht
fronde super viridi, onder een zwaren ouden boom, „des abts eik”
genaamd, en het gezelschap, in het rond plaats nemende, bewees alle eer
aan den inhoud van de mand.








ACHTTIENDE HOOFDSTUK


                    Als een Griffoen, die door de wildernis,
                    Gevleugeld snel, over berg, moeras en dal,
                    Den Armaspier najaagt, die ter sluiks
                    Aan zijn te waakzaam oog het goed bewaarde goud
                    Ontrooven wil: zoo woedend viel de Satan.....

                                         Milton, Het verloren Paradijs.


Na het gebruik der ververschingen, hervatte Sir Arthur het gesprek over
de geheimzinnige tooverroede, als een onderwerp, waarover hij reeds
vroeger met Dousterswivel gesproken had. „Mijn vriend, de heer Oldbuck,
zal nu voorbereid zijn, mijnheer Dousterswivel, om met meer ontzag het
bericht aan te hooren, dat gij ons gegeven hebt van de laatste
ontdekkingen, door de broeders van uw genootschap in Duitschland
gedaan.”

„Och, Sir Arthur, het zijn slechts kleinigheden om deze heeren er over
te spreken; want zij zijn niet lichtgeloovig; – das heisst, het
ontbreekt hun, – zoo als men hier zegt, – aan geloof en dat verijdelt
de grootste onderneming.”

„Laat dan ten minste mijne dochter u het verhaal voorlezen, dat zij van
de geschiedenis van Marten Waldeck op het papier bracht.

„O! dat is eene ware historie; – maar Freule Wardour is zoo fijn en
geestig, dat zij zeker wel een roman daarvan gemaakt heeft, – even goed
als Goethe of Wieland het doen konden, op mijn woord van eer!”

„Om u de waarheid te zeggen, mijnheer Dousterswivel,” antwoordde
Isabella Wardour, „het romaneske had zoo zeer de overhand boven het
waarschijnlijke in de oude overlevering, dat eene liefhebster van het
tooverland, zoo als ik, niet nalaten kon om ze hier en daar een weinig
op te sieren, ten einde ze in hare soort te volmaken. – Maar hier is
ze, en indien gij niet geneigd zijt, om dezen lommer te verlaten voor
dat de hitte van den dag eenigszins verminderd is, en gij u tevreden
wilt stellen met mijn slechten arbeid, zal wellicht Sir Arthur, of heer
Oldbuck, ons het verhaal voorlezen.”

„Ik niet,” zeide Sir Arthur; „ik hield er nooit van, om hardop te
lezen.”

„Ik ook niet,” zeide Oldbuck; „en ik heb mijn bril vergeten; – maar
daar is Lovel, met scherpziende oogen en eene goede stem; want de heer
Blattergowl, dat weet ik, leest nooit iets, uit vrees dat men denken
mocht, dat hij ook zijne preeken leest!”

De taak werd dus aan Lovel opgedragen, die met eenige ontroering het
manuscript aannam, dat Isabella Wardour hem eenigszins verlegen
overhandigde: – het bevatte toch de regels door die schoone hand
geschreven, welker bezit hij heimelijk begeerde als den grootsten
zegen, dien hem de aarde kon opleveren. Maar het was noodzakelijk deze
gewaarwordingen te onderdrukken, en na het handschrift doorloopen te
hebben, als om zich met het karakter er van bekend te maken, las hij
het gezelschap het volgende verhaal voor:



            DE LOTGEVALLEN VAN MARTEN WALDECK. [21]

De eenzame oorden van het Hartzwoud in Duitschland, maar voornamelijk
het gebergte, bekend onder den naam van Blocksberg, of liever de
Brocken, zijn geliefkoosde tooneelen voor de verhalen van toovenaars en
heksen, geesten en verschijningen. De leefwijze der landlieden, die òf
mijnwerkers òf jagers zijn, is van dien aard, dat ze hen bijzonder
bijgeloovig maakt; en dikwijls schrijven zij de natuurverschijnselen,
die zij bij het beoefenen van hun eenzaam, of onderaardsch werk
ontwaren, aan de tusschenkomst van eenigen geest, of aan
bovennatuurlijke krachten toe. Onder de verschillende oude vertelsels,
welke in die woeste landstreek in omloop zijn, is er één zeer algemeen,
namelijk: dat de Hartz bewoond is door eene soort van beschermgeest, in
de gedaante van een wilden man van reusachtige gestalte, het hoofd
bekransd met eikenbladeren, en zijn midden op dezelfde wijze versierd,
terwijl hij in de hand een omgekeerden denneboom, met de wortels naar
boven, draagt. Het is zeker, dat zeer vele menschen verklaren hem in
deze gestalte gezien te hebben, met verbazende schreden over den top
van den tegenoverliggenden berg gaande, terwijl slechts eene smalle
vallei die hoogten van diegene waarop de reiziger zich bevond,
scheidde; en de echtheid der verschijning is inderdaad zoo algemeen
erkend, dat de hedendaagsche vrijgeesten zich alleen hebben weten te
redden, door ze toe te schrijven aan een optisch bedrog. [22]

In vroegere tijden was de omgang van den geest met de inwoners
gemeenzamer, en volgens de overleveringen van den Hartz, placht hij,
met de wispelturigheid, veelal aan dergelijke onderaardsche machten
toegeschreven, zich met de zaken der stervelingen, dan eens tot hun
welzijn, dan eens tot hun ongeluk, te bemoeien. Maar men had opgemerkt,
dat op den langen duur zijne giften noodlottig werden voor hen, die ze
ontvingen, en niet zelden hielden de geestelijke leeraars lange preeken
aan hunne toehoorders, die neêrkwamen op eene waarschuwing, om geen
gemeenschap te hebben met den geest van den Hartz. De ongelukkige
lotgevallen van Marten Waldeck werden dikwijls door de ouders tot een
voorbeeld aangehaald, wanneer zij hunne lichtzinnige kinderen hoorden
lachen om een gevaar, dat zij voor denkbeeldig hielden.

Een reizende Kapucijner monnik had zich in het bezit van den preekstoel
gesteld in de kerk van een klein gehucht, in het Hartzgebergte,
Morgenbrodt genaamd, en voer hevig uit tegen de goddeloosheid der
inwoners, hunne gemeenschap met booze geesten, toovenaars en heksen,
en, in het bijzonder, met den boozen geest van den Hartz. De
leerstellingen van Luther hadden reeds begonnen zich te verspreiden
onder de landlieden; – want ons verhaal speelt onder de regeering van
Karel V, – en zij bespotten den ijver, waarmede de waardige man zijne
leer verkondigde. Maar zijne hevigheid vermeerderde met de
tegenkanting, en hunne tegenkanting nam in evenredigheid tot zijne
hevigheid toe. De inwoners hoorden ongaarne een gemeenzaam geworden en
rustigen geest, die den Brocken zoo vele eeuwen bewoond had, kortaf met
Baalpeor, Astaroth en Beëlzebub zelven vergelijken en, rechtstreeks tot
den bodemloozen Tophet veroordeelen. De vrees, dat de geest zich op
hen, wegens het luisteren naar zulk een onmeêdoogend vonnis, wreken
mocht, verhoogde het volksgevoel dat voor hem pleitte. Een reizende
monnik, zeiden zij, die vandaag komt en morgen gaat, kan zeggen wat hem
goeddunkt; maar wij zijn het, wij, de oude en vaste ingezetenen van de
landstreek, die aan de willekeur van den beleedigden geest blijven
overgelaten, en natuurlijk voor alles boeten moeten. – Aangevuurd door
deze bedenkingen, gingen de boeren van scheldwoorden tot steenen over,
en den priester vrij mild daarop onthaald hebbende, verdreven zij hem
uit het dorp, om ergens anders tegen de geesten te gaan preken.

Drie jonge lieden, die hierbij tegenwoordig en werkzaam geweest waren,
keerden naar de hut terug, waar zij, met den vermoeienden arbeid van
houtskolen voor de smeltovens te bereiden, den schralen kost
verdienden. Onderweg kwam het gesprek natuurlijk op den geest van het
Hartzgebergte, en de leer van den Kapucijner. Max en George Waldeck, de
twee oudste broeders, stemden toe, dat de taal van den Kapucijner
onbescheiden en berispenswaardig geweest was, daar hij zoo vermetel
over het eigenlijk karakter en het verblijf van den geest gesproken
had, maar zij begrepen nochtans, dat het in den hoogsten graad
gevaarlijk was, om geschenken van hem aan te nemen, of eenige
gemeenschap met hem te hebben. Hij was, wel is waar, zeer machtig,
zeiden zij, maar ongemakkelijk en luimig, en hun, die zich met hem
afgaven, ging het zelden goed. Gaf hij niet den dapperen ridder, Egbert
van Rabenwald, het beroemde zwarte ros, waarmede hij al de ridders op
het groote steekspel te Bremen overwon? En stortte daarna niet
hetzelfde ros met zijn ruiter in zulk een diepen en verschrikkelijken
afgrond, dat man en paard voor altijd verdwenen? Gaf hij ook niet aan
vrouw Truitje Trodden een toovermiddel om boter te maken? en werd zij
niet, bij vonnis van het keurvorstelijk crimineel-gerecht, wegens
tooverij verbrand, omdat zij zich op deze gift beroemd had? – Maar deze
en vele andere voorbeelden, die zij aanhaalden van ongelukken en
wederwaardigheden, welke eindelijk met de veelbelovende giften van den
Hartzgeest gepaard gingen, maakten geen indruk op Marten Waldeck, den
jongsten der broeders.

Marten was jeugdig, voortvarend en driftig; hij muntte uit in alle
oefeningen, die de bergbewoners onderscheiden, en was dapper en
onverschrokken geworden door dagelijksche gemeenzaamheid met de
gevaren, welke hem omringden. Hij lachte om de schroomvalligheid van
zijne broeders. „Spreekt mij niet van dergelijke gekheden,” zeide hij;
„de geest is een goede geest; – hij leeft onder ons, alsof hij een boer
was, gelijk wij zijn; – hij bezoekt de eenzame kloven en schuilplaatsen
der bergen, als een jager en geitenherder, – en hij, die het Hartzwoud
en zijne woeste tooneelen bemint, kan niet onverschillig zijn omtrent
het lot der wakkere kinderen van het land. Maar zelfs, indien ook de
geest zoo kwaadaardig was, als gij zegt, hoe zou hij dan nog macht
kunnen uitoefenen over stervelingen, die zich slechts van zijne
geschenken bedienen, zonder zich aan zijn wil te onderwerpen? Wanneer
gij uwe houtskool naar den smeltoven brengt, is dan het geld, dat u de
godslasteraar Blaize, de oude, rampzalige opzichter betaalt, niet even
gangbaar, alsof gij het van den pastoor zelven ontvingt? Het zijn dus
niet de geschenken van den geest, die gevaarlijk zijn; het gevaar hangt
alleen af van het gebruik, dat men er van maakt. En zoo mij de geest op
dit oogenblik verscheen, en mij eene goud- of zilvermijn aanwees, ik
zou aan het delven gaan, zelfs eer hij mij den rug toegekeerd had, en
ik zou mij onder de bescherming achten van een veel Grootere dan hij,
zoolang ik een goed gebruik maakte van den rijkdom, dien hij mij
aanwees.”

Hierop antwoordde de oudste broeder, dat slecht verkregen rijkdom
zelden goed besteed werd; terwijl Marten stoutweg hernam, dat al de
schatten van den Hartz niet de minste verandering zouden brengen in
zijne gewoonten en grondbeginselen, of in zijn karakter.

Zijne broeders verzochten Marten minder roekeloos hierover te spreken,
en slaagden met moeite, om zijne gedachten af te leiden, door ze op
eene op handen zijnde everzwijnenjacht te vestigen. Dit gesprek bracht
hen aan hunne hut, een ellendig verblijf, gelegen op den rand van eene
woeste, romantische vallei in eene der eenzaamste schuilhoeken van den
Brocken. Zij losten hunne zuster af bij het passen op de verbranding
van de houtskool, wat aanhoudende oplettendheid vereischt, en
verdeelden de nachtwacht onderling, overeenkomstig hunne gewoonte,
volgens welke altijd één der broeders waakte, terwijl de anderen
sliepen.

Max Waldeck, de oudste, waakte gedurende de twee eerste uren van den
nacht, en schrikte zeer toen hij, op de tegenovergelegene helling der
vallei, een ontzachlijk groot vuur zag, omgeven door eenige gedaanten,
die met wonderlijke gebaren daarom heen schenen te dansen. Max kwam
aanvankelijk in verzoeking, om zijne broeders op te roepen; maar zich
den roekeloozen aard van den jongsten herinnerende, en het onmogelijk
achtende, om den oudsten te wekken, zonder den eerstgenoemde te storen,
– en tevens denkende, dat, hetgeen hij zag, eene begoocheling was van
den geest, uitgelokt misschien, door de gewaagde uitdrukkingen, door
Marten den avond te voren gebezigd, oordeelde hij het best, om zich toe
te vertrouwen aan de bescherming der gebeden, die hij van buiten kende,
en sloeg verder in grooten schrik en angst deze vreemde en treffende
verschijning gade. Nadat het vuur eenigen tijd gevlamd had, verdween
het, langzamerhand verflauwend, in de duisternis, en het overige
gedeelte van de nachtwacht van Max werd slechts verontrust door de
herinnering aan den doorgestanen schrik.

George trad nu in de plaats van Max, die zich ter rust begeven had. Het
verschijnsel van een verbazend groot vlammend vuur, op den top van de
tegenovergelegene helling, vertoonde zich op nieuw aan het oog van den
waker. Het was, als te voren, omgeven door donkere gestalten, tusschen
den waarnemer en het heldere licht van het vuur te onderscheiden, die
er om heen dansten en zweefden, alsof zij bezig waren met het
verrichten van eenige geheimzinnige plechtigheid. George, ofschoon even
voorzichtig als Max, was van ondernemender aard. Hij besloot het
voorwerp zijner verwondering meer van nabij te beschouwen, en beklom
dus, na het riviertje, dat door de diepe vallei vloeide, overgestoken
te zijn, de tegenoverliggende hoogte, en naderde tot binnen een korten
afstand het vuur, dat klaarblijkelijk met dezelfde woede brandde, als
toen hij het uit de verte had gadegeslagen.

Het voorkomen van hen, die het omgaven, geleek naar dat der spoken,
welke men in akelige droomen ziet, en bevestigde hem dadelijk in zijn
eerste denkbeeld, dat zij niet tot deze wereld behoorden. Onder deze
bovennatuurlijke gedaanten, onderscheidde Waldeck die van een
verbazenden reus, in zijne hand, met den wortel naar boven, een
denneboom houdende, waarmede hij van tijd tot tijd het vlammende vuur
scheen aan te stoken, en met geene andere kleeding, dan een krans van
eikenloof om hoofd en lendenen. George ontzonk de moed, toen hij in
deze verschijning den Hartzgeest herkende, zoo als die hem dikwijls
beschreven was geworden door de oude schaapherders en jagers, die hem
over de bergen hadden zien stappen. Hij keerde zich om, en was op het
punt van te vluchten; maar, bij nadere overweging, schaamde hij zich
over zijne angst, zeide in zich zelven het vers van den gewijden
zanger: „Alle goede geesten loven den Heere!” wat in dat land voor een
krachtig formulier gehouden wordt om geesten te bezweren, en wendde
zich nog eenmaal om naar de plaats, waar hij het vuur gezien had. Maar
het was niet meer zichtbaar.

Slechts de bleeke maan verlichte de helling der vallei, en toen George
met bevende schreden, met angstzweet op het voorhoofd, en haren, die
onder zijne kolenbrandersmuts overeind rezen, op de plaats kwam, waar
het vuur nog onlangs zichtbaar was, en die hij aan een ouden,
verwelkten eikenboom herkennen kon, vond hij op de hoogte geen spoor
meer van al wat hij gezien had. Het mos en de wilde bloemen waren
onverzengd, en de takken van den ouden eik, die zoo straks nog door
vlammen en rook omhuld scheen, waren met den zwaren middernachtsdauw
bedekt.

George keerde met bevende schreden terug naar zijne hut, en in den
geest van zijn oudsten broeder, besloot hij, niets te zeggen van
hetgeen hem overkomen was, uit vrees van bij Marten die roekelooze
nieuwsgierigheid op te wekken, welke hij bijna als goddeloos
beschouwde.

Het was nu de beurt van Marten, om te waken. De haan had reeds
gekraaid, en de nacht liep ten einde. Toen hij naar den toestand van
het vuur keek, waarin het hout lag, dat tot kolen moest verbrand
worden, was hij verwonderd te zien, dat men den brand niet goed
onderhouden had; want George had, bij zijn uitstapje en de gevolgen er
van, het hoofddoel van zijn waken vergeten. Martens eerste gedachte
was, om zijne broeders op te roepen; maar ontwarende, dat zij
buitengemeen vast en zwaar sliepen, eerbiedigde hij hunne rust, en
begon zelf het vuur van het noodige brandhout te voorzien. Hetgeen hij
er op legde, scheen nat en niet goed te zijn; want het vuur verflauwde
eerder, dan dat het weder opflikkerde. Marten ging dus eenige takken
van een houtstapel halen, zorgvuldig tot dat doel gehakt en gedroogd;
maar bij zijne terugkomst, vond hij het vuur geheel uitgebluscht. Dit
was een ernstig ongeluk, en dreigde hun, voor meer dan één dag, hun
onderhoud te kosten. De geplaagde en verdrietige kolenbrander wilde nu
vuur slaan, om het hout weêr aan te steken; maar het tondel was nat, en
ook hierin slaagde hij niet. Hij wilde nu zijne broeders gaan roepen, –
want de omstandigheden schenen dringend, – toen op eenmaal de
flikkeringen van een glinsterend licht, dat niet alleen door het
venster, maar ook door elke opening van de ruwe hut schitterde, hem op
dezelfde verschijning opmerkzaam maakte, die te voren de nachtwaken van
zijne beide broeders verontrust had. Zijne eerste gedachte was, dat de
Muhlhausers, hunne mededingers in den handel, en met wie zij menigen
twist hadden gehad, zich over de grenzen gewaagd hadden, om in hun
bosch te stroopen, en hij besloot, zijne broeders te wekken, en de
stoutmoedigheid der roovers te bestraffen. Maar, na een oogenblik
nagedacht, en de gebaren en bewegingen van hen, die bij het vuur waren,
gadegeslagen te hebben, veranderde hij van gevoelen, en, hoewel anders
een twijfelaar aan dergelijke zaken, besloot hij nu, dat hij eene
bovennatuurlijke verschijning zag. „Maar het mogen menschen of booze
geesten zijn,” zei de onverschrokken kolenbrander, „die ginds met zulke
vreemde gebaren rondspringen, ik zal naar hen toegaan, en een licht
vragen, om mijn vuur weêr aan te steken.” Hij gaf terzelfder tijd het
denkbeeld op, van zijne broeders te wekken; want er heerschte een
bijgeloovig begrip, dat dergelijke ondernemingen, als hij voorhad,
slechts door één persoon volbracht konden worden. Hij vreesde ook, dat
zijne broeders, met hunne angstige schroomvalligheid, hem verhinderen
mochten de navorschingen te doen, waartoe hij besloten had. Dus greep
hij zijne jachtspies van den muur, en de onverschrokken Marten Waldeck
ging alleen op zijn gewaagden tocht uit.

Met geen minder voorspoed dan zijn broeder George, maar met vrij wat
meer moed, trok Marten over het riviertje, beklom den berg, en naderde
de geesten zoo dicht, dat hij de gedaante en het uiterlijk van den
Hartzgeest dadelijk herkende. Eene koude rilling overviel hem voor het
eerst van zijn leven; maar de herinnering, dat hij op een afstand de
ontmoeting, welke hij nu had, niet gevreesd, maar zelfs gewenscht had,
versterkte zijnen wankelenden moed, en zijn trots hem verder
aanprikkelend, ging hij tamelijk bedaard naar het vuur, terwijl de
gedaanten, die het omgaven, hoe langer hoe wilder, spookachtiger en
bovennatuurlijk schenen, naarmate hij naderde. Hij werd met een luiden,
wanklinkenden, onnatuurlijken lach ontvangen, wat in zijne verbaasde
ooren ontzettender luidde dan het noodlottigste en droefgeestigste
gehuil, dat men zich verbeelden kan. „Wie zijt gij?” vroeg de reus, met
eene soort van gemaakte deftigheid op zijne woeste gelaatstrekken, die
tusschenbeide stuipachtig vertrokken door den lach, welken hij scheen
te onderdrukken.

„Marten Waldeck, de kolenbrander,” antwoordde de stoutmoedige
jongeling; „en wie zijt gij?”

„De Koning van de Woestenij en van de Mijn,” antwoordde het spook. –
„En waarom waagt gij het, mijne geheimen te bespieden?”

„Ik kom een kool halen, om mijn vuur weêr aan te maken,” antwoordde
Marten stout, en vroeg daarop vrijmoedig: „Wat zijn dat voor geheimen,
die gij hier viert?”

„Wij vieren,” antwoordde de beleefde geest, „het huwelijk van Hermes
met den Zwarten Draak. – Maar neem het vuur, dat gij kwaamt zoeken, en
vertrek! – Geen sterveling kan ons lang aanschouwen en blijven leven.”

De boer stak de punt van zijne speer in een groot stuk vlammend hout,
dat hij slechts met eenige moeite oplichten kon, en keerde daarop naar
zijne hut terug, terwijl de lachende stemmen met driedubbeld geweld
door de smalle vallei weêrklonken. Toen Marten zijne hut weêr bereikt
had, legde hij, hoezeer ook verwonderd over hetgeen hij gezien had,
dadelijk zorgvuldig de gloeiende kool tusschen het hout, op eene wijze,
die het best geschikt was, om het vuur spoedig te doen branden; maar,
na menige poging en het vergeefsche gebruik van blaasbalk en vuurtang,
doofde de kool, die hij van het vuur van den geest gekregen had, geheel
en al uit. Hij keerde zich om, en zag het vuur steeds nog op den berg
vlammen, hoewel zij, welke het omgeven hadden, verdwenen waren. Daar
hij begreep, dat het spook den spot met hem gedreven had, prikkelde dit
zijn ondernemenden geest, en hij besloot dus de zaak door te zetten, en
begaf zich andermaal naar het vuur, vanwaar hij, ongedeerd door den
geest, op dezelfde wijze een vlammend stuk houtskool medebracht; maar
steeds zonder te slagen in het aanmaken van zijn vuur. Zijne
ongestrafte poging vermeerderde zijne roekeloosheid; hij ondernam eene
derde reis, en bereikte als te voren het vuur; maar toen hij zich op
nieuw van een brandend stuk hout voorzien had, en zich omkeerde om te
vertrekken, hoorde hij de schorre en bovennatuurlijke stem, die hem
vroeger toegesproken had, deze woorden uiten: „Waag het niet ten
vierdemaal terug te keeren!”

Daar de poging, om het vuur met deze laatste kool aan te maken, even
vruchteloos als de vorige bleef, gaf Marten wanhopig de onderneming op,
en wierp zich op een stapel drooge bladeren, besloten, om de
mededeeling van zijn vreemd avontuur aan zijne broeders tot den
volgenden morgen uit te stellen. Hij werd uit een diepen slaap, waarin
de vermoeienis van zijn lichaam en de ontroering van zijn geest hem
dompelden, gewekt door luide kreten van verrassing en vreugde. Zijne
broeders, verwonderd dat zij bij hun ontwaken het vuur uitgebluscht
vonden, hadden het willen opstoken, en toen zij het brandhout
verschikken wilden, vonden zij in de asch drie zeer zware stukken
metaal, welke zij, met die mineralogische kennis, die de meeste boeren
uit den Hartz bezitten, dadelijk voor zuiver goud herkenden.

De onderlinge vreugde en gelukwenschingen werden eenigszins verminderd,
toen zij van Marten de wijze vernamen, waarop zich de zaak toegedragen
had, waaraan zij, na de ondervinding, die zij zelve van de nachtelijke
verschijning hadden, volledig geloof sloegen. Maar zij konden de
verzoeking niet weêrstaan om zijne schatten met hem te deelen. Marten
Waldeck begon nu, als hoofd van het huis, den grooten heer te spelen:
hij kocht landerijen en bosschen, bouwde een kasteel, verkreeg een
adelbrief, en werd, tot groote verontwaardiging van de aanzienlijken
uit de buurt, met al de voorrechten van een man van hooge afkomst
bekleed. Zijn moed in den oorlog, zoowel als in bijzondere veten,
gevoegd bij het groot aantal onderhoorigen, die hij bezoldigde, hielden
hem een tijdlang staande tegen den haat, welken zijne plotselinge
verheffing, zijn overmoed en zijne aanmatigingen verwekten. En nu zag
men, in het voorbeeld van Marten Waldeck, wat men bij zoo veel anderen
heeft opgemerkt; hoe weinig de stervelingen de uitwerking voorzien
kunnen, welke onverwachte voorspoed op hun karakter hebben zal. De
booze driften, welke de armoede onderdrukt en verborgen had, werden nu
rijp, en droegen heillooze vruchten onder den invloed der verzoeking en
der macht om daaraan te voldoen. Even als de eene golf de andere
opvolgt, zoo verwekt de eene slechte drift de andere; – de booze geest
der gierigheid wekte dien van den trots op, en de trots werd
ondersteund door wreedheid en onderdrukking. Waldeck’s karakter, –
altijd stout en ondernemend, – hard en aanmatigend geworden door den
voorspoed, maakte hem niet slechts gehaat bij den adel, maar evenzeer
bij de lagere standen, die met dubbele ontevredenheid de drukkende
macht van den leenheer zoo gewetenloos uitgeoefend zagen door iemand
zelf uit den laagsten stand van het volk verrezen. Zijn avontuur, hoe
zorgvuldig ook geheim gehouden, begon insgelijks onder de menschen
bekend te worden, en de geestelijken brandmerkten reeds als een
toovenaar en medeplichtige van booze geesten den vrek, die na op zulk
eene vreemde wijze een ontelbaren schat verkregen te hebben, dien niet
had zoeken te heiligen, door er een aanmerkelijk gedeelte van aan de
kerk te schenken. Omringd door openbare en geheime vijanden, door
duizenderlei hatelijkheden getergd, en door de kerk met een banvloek
bedreigd, betreurde Marten Waldeck, of, zoo als wij hem nu noemen
moeten, de Baron van Waldeck, dikwijls oprecht het harde werk en de
onschuldige genoegens van zijne vroegere onbenijde armoede. Maar zijn
moed begaf hem niet onder al deze kwellingen, en scheen eerder toe te
nemen met de gevaren, die hem als dreigende onweêrswolken omgaven,
totdat ééne omstandigheid zijn val verhaastte.

De regeerende Hertog van Brunswijk had al de Duitsche edellieden van
hooge en roemrijke afkomst openlijk doen uitnoodigen op een plechtig
steekspel; en Marten Waldeck had de onbeschaamdheid, om, schitterend
gewapend, vergezeld door zijne twee broeders en een prachtig uitgerust
gevolg, onder de ridderschap der provincie te verschijnen, en te vragen
om tot het strijdperk toegelaten te worden. Dit beschouwde men als het
toppunt van verwaandheid. Duizend stemmen deden zich hooren: „Wij
willen geen kolenbrander in onze ridderspelen!” Razend geworden,
ontblootte Marten het zwaard, en velde den wapenheraut ter neder, die,
aan het algemeen verlangen toegevende, hem het binnentreden in het
strijdperk beletten wilde. Dadelijk zag men een honderdtal zwaarden
ontbloot, om eene misdaad te wreken, die men te dien tijde slechts als
iets minder dan heiligschennis en koningsmoord beschouwde. Waldeck, na
zich als een leeuw verdedigd te hebben, werd gegrepen, staandsvoets
door de scheidsrechters ondervraagd, en veroordeeld, omdat hij den
landvrede van zijn vorst verbroken en geweld gepleegd had aan de
heilige persoon van een wapenheraut, de rechterhand te verliezen,
voorts uit den adelstand, dien hij onwaardig was, ontzet en uit de stad
verdreven te worden. Nadat men hem zijne wapenrusting afgerukt, en hij
de verminking volgens het wreede vonnis ondergaan had, gaf men het
ongelukkig slachtoffer der eerzucht aan het gemeen prijs, dat hem met
bedreigingen en scheldwoorden vervolgde, – beurtelings tegen den
heksenmeester en onderdrukker, zoo als men hem noemde, uitvoer, tot men
eindelijk tot gewelddadigheden overging. Zijne broeders (want zijn
gevolg was gevlucht en verstrooid), slaagden ten laatste, om hem uit de
handen van het gemeen te redden, toen het, na zijne wreedheid verzadigd
te hebben, hem half dood door bloedverlies en de geleden mishandelingen
had laten liggen. Het werd hun nochtans niet vergund, zoo groot was de
wreedheid van hunne vijanden, om zich van eenig ander vervoermiddel
voor den ongelukkige te bedienen, dan juist van eene van die
kolenbranderskarren, welke zij vroeger zelven plachten te gebruiken:
daarin plaatsten zij dus hun broeder op een bos stroo, nauwelijks
hopende dat zij eenige schuilplaats vinden zouden, eer de dood hem van
zijne ellende bevrijd had.

Toen de Waldeck’s op deze rampzalige wijze voorttrekkende, hun
geboorteland genaderd waren, zagen zij, in een hollen weg tusschen twee
bergen, eene gestalte op hen toekomen, die op het eerste gezicht op een
ouden man geleek. Maar, naar mate de gedaante naderde, werden de
ledematen en de gestalte grooter, de mantel viel van de schouders, de
pelgrimsstaf werd een omgekeerde pijnboom, en de reusachtige gestalte
van den Hartzgeest vertoonde zich in al zijne verschrikkelijkheden.
Tegenover de kar gekomen, waarop zich de ongelukkige Waldeck bevond,
vertrokken zich zijne ontzagwekkende gelaatstrekken tot eene grijns van
onbeschrijfelijke verachting en boosaardigheid, terwijl hij den lijder
vroeg: „Hoe vindt gij het vuur, dat mijne kolen aangestookt hebben?” De
geestkracht, die met den schrik zijne twee broeders verlaten had,
scheen Marten zelven op nieuw te bezielen. Hij verhief zich op de kar,
fronste de wenkbrauwen, en, de vuist ballende, schudde hij die tegen
het spook, met een afzichtelijken blik van haat en tergende bedreiging.
Het spook verdween, naar zijne gewoonte, met een ijselijken en
minachtender lach, en liet Waldeck uitgeput door de laatste poging der
bezwijkende natuur.

De verschrikte broeders wendden de kar naar de torens van een klooster,
dat in een dennebosch naast den weg verrees. Zij werden liefderijk door
een barrevoetschen, langgebaarden kapucijner ontvangen, en Marten
leefde slechts lang genoeg, om zijne eerste biecht te doen sedert den
dag van zijnen onverwachten voorspoed, en absolutie te bekomen van
denzelfden priester, dien hij, juist op dien dag drie jaren te voren,
uit het gehucht Morgenbrodt had helpen verdrijven. De drie jaren van
zijn schijnbaren voorspoed beschouwde men als in geheimzinnig verband
met het getal zijner gangen naar het vuur op den heuvel.

Het lichaam van Marten Waldeck werd in het klooster ter aarde besteld,
waar hij den geest had gegeven, en in hetwelk zijne broeders, na het
ordekleed aangenomen te hebben, leefden en stierven, onder het
uitoefenen van liefdadige en vrome plichten. Zijne landerijen, waarop
niemand eenige aanspraak maakte, bleven onbebouwd liggen, tot zij door
den Keizer, als een vervallen leen, opgeëischt werden; en de bouwvallen
van het kasteel, dat Waldeck naar zijn eigen naam genoemd had, worden
nog steeds door de mijnwerkers en kolenbranders gemeden, als de
woonplaats van booze geesten. Aldus zag men de ellende, welke
plotseling verkregen en slecht besteede rijkdommen aankleeft, levendig
voor oogen gesteld in de lotgevallen van Marten Waldeck.








NEGENTIENDE HOOFDSTUK


            Hier had eene onstuimige ontmoeting plaats,
              Tusschen mijn neef den kapitein, en dezen krijgsman,
            Over ik weet niet wat! een niets voorvaar;
              Mededinging, rang en vergelijkingen
                   Van krijgsroem! –

                                                    Een eerlijke twist.


De aandachtige toehoorders bedankten de schoone schrijfster van
bovenstaand volksverhaal met de de noodige beleefdheid. Oldbuck alleen
haalde den neus op, en merkte op, dat de behendigheid van Freule
Wardour eenigszins geleek op die der goudzoekers, daar het haar gelukt
was, om eene nuttige zedeles te trekken uit een zeer ijdel en
belachelijk sprookje. – Men zegt, dat het de mode is dergelijke
ongerijmde verdichtsels te bewonderen, – maar


              – mij is een Engelsch hart verleend:
        Het schrikt voor spook, noch rammelend gebeent!”


„Met uw verlof, mijn goeden heer Oldenbuck!” zeide de heer
Dousterswivel, „Freule Wardour heeft deze geschiedenis, even als alles,
wat het haar behaagt in handen te nemen, zeer verfraaid; maar de
geheele historie van den Hartzgeest, en hoe hij over de woeste bergen
gaat met een grooten denneboom tot wandelstok, en met groote groene
kransen om hoofd en lijf, – dat is even waar, als dat ik een eerlijk
man ben!”

„Eene stelling, die zoo gewaarborgd wordt, is niet te betwisten,”
antwoordde de oudheidkenner droogjes. Maar hier werd het gesprek
gestoord door de aankomst van een vreemdeling.

Deze was een schoon jonkman van ongeveer vijfentwintig jaren, als
militair gekleed, en die in zijn blik en zijne manieren zeer veel van
den krijgsman had; zelfs wellicht iets meer dan den volmaakt
fatsoenlijken man geheel en al betaamt, in wiens manieren zijn beroep
nooit doorstralen moet. Hij werd door het grootste gedeelte van het
gezelschap begroet. „Mijn waarde Hector!” riep Mary M’Intire, terwijl
zij opstond om hem de hand te geven.

„Hector, zoon van Priamus! van waar komt gij?” vroeg de oudheidkenner.

„Van Fife, mijn leenheer!” antwoordde lachende de jonge krijgsman, en
vervolgde, na het overige van ’t gezelschap en vooral Sir Arthur en
zijne dochter beleefd gegroet te hebben: „ik vernam van één uwer
bedienden, terwijl ik naar Monkbarns reed, om u mijne opwachting te
maken, dat ik het gezelschap hier zou vinden, en ik nam deze
gelegenheid waar, om aan zoo vele vrienden tegelijk mijne hulde te
brengen.”

„En tevens aan een nieuwen, mijn Trojaan!” zeide Oldbuck. „Mijnheer
Lovel, zie hier mijn neef de kapitein M’Intyre. – Hector, ik beveel
mijnheer Lovel in uwe vriendschap aan.”

De jonge krijgsman vestigde nu zijn scherp oog op Lovel, en groette hem
eerder met terughouding, dan met hartelijkheid; en daar onze vriend die
terughouding bijna aanmatigend vond, was hij even koud en stijf in
zijne beantwoording van den groet, en dus scheen er, zelfs bij de
eerste kennismaking, iets vijandigs tusschen hen te bestaan.

De opmerkingen, welke Lovel gedurende het overige gedeelte van den dag
maakte, waren niet geschikt, om hem met deze vermeerdering van het
gezelschap te verzoenen. Kapitein M’Intyre betoonde zich, met de
beleefdheid, die men van zijne jaren, en van zijn beroep verwachten
mocht, zeer opmerkzaam jegens Isabella Wardour, en had voor haar bij
elke gelegenheid die oplettendheden, welke Lovel, met opoffering van
zijn leven, zou hebben willen bewijzen, en die alleen de vrees van haar
te mishagen hem belette haar te betoonen. Beurtelings met wanhopige
neêrslachtigheid, en met scherp geprikkelde gevoeligheid, zag hij den
schoonen jongen krijgsman al de voorrechten uitoefenen van een
cavalier servente. Hij overhandigde Isabella Wardour de handschoenen,
hielp haar bij het omdoen van haar doek, begeleidde haar op de
wandeling, had eene hand gereed, om elke hindernis van haar pad te
weren, en een arm, om haar te ondersteunen, waar het pad ruw of
moeielijk was; zijne woorden waren tot haar gericht, en telkens als de
omstandigheden toelieten, tot haar alleen. – Lovel wist zeer goed, dat
dit alles slechts die soort van zelfzuchtige hoffelijkheid kon zijn,
waarop sommige jonge lieden zich heden ten dage toeleggen, om de
opmerkzaamheid van de schoonste vrouw in het gezelschap uitsluitend op
zich te vestigen, alsof anderen haar blik niet waardig zijn. Maar hij
meende in het gedrag van kapitein M’Intyre eene genegenheid te
bespeuren, die geschikt was, om de ijverzucht van een minnaar gaande te
maken. Isabella Wardour liet zich ook zijne oplettendheid welgevallen,
en ofschoon Lovel bekennen moest, dat de aard er van niet toeliet, om
die zonder eenigen schijn van gemaaktheid af te wijzen, zoo verbitterde
het hem toch, dat zij het niet deed.

Het hartverscheurende gevoel, door deze gewaarwordingen opgewekt,
maakte hem zeer onverschillig voor de drooge oudheidkundige betoogen,
waarmede Oldbuck, die op zijne bijzondere aandacht aanspraak maakte,
hem onophoudelijk vervolgde, en hij verduurde met een ongeduld, dat
bijna op walging geleek, eene reeks van verhandelingen over
klooster-gebouwen, van allerlei aard, in den deftig Saksischen, of den
sierlijk Gothischen bouwtrant opgericht, of soms zelfs in den gemengden
en zamengestelden stijl van de tijden van Jacobus I, toen, volgens
Oldbuck, alle bouwordes verward, en zuilen van onderscheidene soorten
naast elkander geplaatst of opeen gehoopt werden, als ware alle
symmetrie en verhouding tusschen de onderdeelen en het geheel vergeten,
en de eerste grondbeginselen der kunst tot de oorspronkelijke
verwarring teruggebracht moesten worden. „Wat kan hartverscheurender
zijn, dan het gezicht van onheilen,” zeide Oldbuck met geestdrift, „die
wij genoodzaakt zijn te aanschouwen, zonder de middelen te hebben, om
ze te verhelpen?” – Lovel antwoordde met een onwillekeurigen zucht. –
„Ik zie, mijn waarde jonge vriend in u een alleszins met mij nauw
verwanten geest, en dat gij deze ijselijkheden even diep gevoelt als
ik. Hebt gij die ooit kunnen aanschouwen, zonder dat de wensch bij u
opkwam, om al wat zoo, onteerend is, te verscheuren en te vernielen?”

„Onteerend!” herhaalde Lovel, „in welk opzicht onteerend?”

„Ik meen schandelijk voor de kunst.”

„Waar? Hoe?”

„Op het Portico, bij voorbeeld, van de Hoogeschool te Oxford, waar de
barbaarsche, grillige en onwetende bouwmeester, met onmetelijke
onkosten, verkozen heeft, al de vijf ordes der bouwkunst in den gevel
van één gebouw te vereenigen!”

Met zulke aanvallen, noodzaakte Oldbuck, onbewust hoezeer hij hem
kwelde, Lovel om eenigszins op hem te letten, – even als de behendige
visscher met de hengelroede door middel van de lijn zijne gekwelde
prooi houdt, en zijne macht, in weêrwil van hare wanhopigste pogingen
doet gevoelen.

Zij waren nu op den terugweg naar de plaats, waar zij de rijtuigen
gelaten hadden; en het is moeielijk te begrijpen, hoe dikwijls
gedurende die korte wandeling Lovel, uitgeput door het onophoudelijk
gebabbel van zijn waardigen medgezel, heimelijk wenschte, dat een
gedienstige geest hem verlossen mocht van al de ordes en al de wanorde
der bouwkunst, ooit uitgevonden of bedacht sedert het stichten van
Salomo’s tempel. Eéne kleine omstandigheid nochtans stortte eenige
lavende droppels geduld over zijne koortsachtige onrust uit.

Isabella Wardour en haar zelfbenoemde ridder gingen de anderen in het
nauwe pad vooruit, toen de jonge dame, waarschijnlijk wenschende zich
met het overige gezelschap te vereenigen, en haar tête-à-tête met den
jongen officier af te breken, plotseling bleef stilstaan, tot de heer
Oldbuck haar inhaalde. „Ik wenschte u eene vraag te doen, mijnheer
Oldbuck, omtrent de dagteekening van deze belangrijke bouwvallen.”

Men zou te kort doen aan het savoir faire van Isabella Wardour, met te
veronderstellen, dat zij niet begreep, hoe op deze vraag een antwoord
van onmetelijke lengte volgen moest. De oudheidkenner, opgewekt als het
strijdros door het geluid van de trompet, verdiepte zich dadelijk in de
verschillende bewijsgronden vóór en tegen de dagteekening van 1273, die
men aan het klooster van St. Ruth, in een onlangs verschenen werk over
de Bouwkundige Oudheden van Schotland had toegekend. Hij noemde de
namen op van al de abten, die het gesticht bestuurd hadden, van al de
edelen, van wie zij goederen gekregen hadden, en van de koningen, die
in de vervallen kerk eene laatste rustplaats gevonden hadden. Even als
een hoeveelheid buskruid, die vuur vat, niet nalaat eene andere in de
nabijheid in brand te steken, begon de Baronet, (den naam van één
zijner voorouders, door Oldbuck genoemd, opvangende), een verhaal van
diens oorlogen, overwinningen en zegepralen; en de waardige Dr.
Blattergowl werd, door de melding van eene gift in landerijen, cum
decimis inclusis, tam vicariis quam garbalibus, et nunquam antea
separatis, bewogen, om eene lange verklaring te beginnen van de
uitlegging, door het Tiendgerecht aan eene dergelijke clausule gegeven,
bij gelegenheid van een rechtsgeding over de laatste vermeerdering
zijner bezoldiging. De redenaars streefden, gelijk drie wedrenners, elk
naar zijn doel, zonder zich veel te bekommeren, hoe de een den ander in
den weg liep en hinderde. De heer Oldbuck harangueerde, de Baronet
declameerde, de heer Blattergowl betoogde en verklaarde de wet, terwijl
Latijnsche phrases, uit middeleeuwsche officiële stukken, vermengd
werden met de vreemdklinkende uitdrukkingen der heraldiek en de nog
barbaarscher taal van het Schotsche Tiend-gerecht. „Hij was,” riep
Oldbuck uit, sprekende van den abt Aldemar, „voorwaar een voorbeeldig
prelaat; en wegens de nauwgezetheid van zijne zeden, de stipte naleving
der boetregels, gevoegd bij zijn liefderijken gemoedsaard en de
ongesteldheden, waaraan hij door zijne hooge jaren en vroome
kloosteroefeningen leed, –”

Hier moest hij toevallig hoesten, en Sir Arthur viel in, of liever
vervolgde, – „werd gemeenlijk de Geharnaste Duivel genoemd; hij voerde
een rood schild met een zwarten dwarsbalk, wat wij sedert afgelegd
hebben, en viel in den veldslag van Verneuil in Frankrijk, nadat hij
zes Engelschen met eigen hand gedood had. –”

„Dekreet tot aanvoering van bewijs,” vervolgde de geestelijke op dien
dralenden, bedaarden betoogtrant, welke, hoewel in het begin door de
heftigheid van zijne mededingers overschreeuwd, nochtans op de lange
baan, in deze soort van wedstrijd, de overhand behaalt; „dekreet tot
aanvoering van bewijs gepronuntiëerd zijnde, en partijen daarvan
gediend hebbende, scheen de quaestie uitgemaakt te zijn, toen hun
zaakwaarnemer, in plaats van verder te renuntiëren, integendeel daarop
aanhield, tot grond aanvoerende, dat hij getuigen had, om te bewijzen,
dat zij altijd de lammerentiend van het tiendvrije land geheven hadden,
wat echter slechts eene uitvlucht was; want, –”

Maar, de Baronet en de heer Oldbuck, weêr tot adem gekomen, begonnen
hier hunne verscheidene redevoeringen te vervolgen, en de drie draden,
zoo als men ze naar touwslagers stijl zou kunnen noemen, werden op
nieuw in eene onoplosbare streng van verwarring samen gehaspeld.

Maar, hoe nietig deze wartaal ook schijnen moge, was het nochtans
klaarblijkelijk Isabella’s voornemen om er naar te luisteren, liever
dan den kapitein M’Intyre gelegenheid te geven om hun gesprek te
hernieuwen; zoodat hij, na een korten tijd gewacht te hebben met een
ongeduld, dat zijne fiere gelaatstrekken slecht verbergen konden, haar
overliet aan het gesprek, dat zij den slechten smaak had boven het
zijne te verkiezen, en zijne zuster onder den arm nemende, leidde hij
haar op een kleinen afstand van het overige gezelschap.

„Naar ik bemerk, Mary, is de buurt noch levendiger, noch minder geleerd
geworden gedurende mijne afwezigheid.”

„Wij hebben uw geduld en uwe wijsheid gemist; om ons te onderrichten,
Hector!”

„Wel verplicht, waarde zuster! Maar gij hebt een wijzer, zoo al geen
levendiger man ter vermeerdering van uw gezelschap gekregen, dan uw
onwaardigen broeder. Zeg me toch wie is deze heer Lovel, dien onze oude
oom zoo dadelijk lief voor zich gewonnen heeft? – hij placht niet zoo
genaakbaar te zijn voor vreemdelingen.”

„De heer Lovel, Hector, schijnt een zeer fatsoenlijk jonkman te zijn.”

„Zoo? dat wil zeggen: hij maakt eene buiging als hij in de kamer komt,
en draagt een rok, die gaaf aan de ellebogen is?”

„Neen, broeder, het beteekent vrij wat meer. Het beteekent, dat zijne
manieren en woorden de gevoelens en opvoeding der hoogere klassen
uitdrukken.”

„Maar ik wenschte te weten, wat zijne geboorte en de rang is, dien hij
in de maatschappij bekleedt, en welke aanspraak hij heeft om in den
kring te verschijnen, waarin ik hem gemeenzaam opgenomen vind?”

„Indien gij bedoelt, hoe hij op Monkbarns gekomen is, dan moet gij dat
aan oom vragen, die waarschijnlijk zal antwoorden, dat hij in zijn
eigen huis zulk gezelschap verzoekt, als hem goeddunkt en als gij met
uwe vraag Sir Arthur bedoelt, moet gij weten, dat mijnheer Lovel aan
hem en aan Isabella Wardour een zeer gewichtigen dienst bewezen heeft.”

„Hoe! die romantische geschiedenis is dus waar? – En eilieve! dingt de
dappere ridder, volgens de aangenomen gewoonte, naar de hand van de
jonge dame, die hij uit het gevaar verloste? – Ik weet, dat zoo iets in
alle opzichten naar de regels van een roman is; en ik vond haar
buitengewoon droog toen wij samen wandelden, en zij scheen van tijd tot
tijd als bezorgd, om haren dapperen ridder geen aanstoot te geven.”

„Mijn waarde Hector, indien gij nog wezenlijk eenige genegenheid voor
Isabella Wardour koestert, –”

„Indien, Mary? wat beteekent indien?”

„Ik beken, dat ik uwe volharding als hopeloos beschouw.”

„En waarom hopeloos, mijne wijze zuster?” vroeg kapitein M’Intyre;
„Freule Wardour kan, zoo als haar vaders zaken staan, geen aanspraak
maken op een groot vermogen; en, wat geboorte betreft, geloof ik dat de
naam van M’Intyre niet minder, –”

„Maar, Hector,” vervolgde zijne zuster, „Sir Arthur beschouwt ons nog
altijd als leden van de familie Monkbarns.”

„Sir Arthur mag ons beschouwen uit welk oogpunt hem goeddunkt; maar
iedereen, die zijn gezond verstand bezit, zal weten; dat de vrouw den
rang aanneemt van haren man, en dat mijns vaders stamboom van vijftien
kwartieren, waarop niets te zeggen valt, mijne moeder geadeld moet
hebben, al stroomde er niets anders dan boekdrukkersinkt door hare
aderen.”

„Om Gods wil, Hector, neem u in acht! – Eene enkele uitdrukking als
deze, door eenigen onbescheiden of baatzuchtigen luisteraar aan mijn
oom overgebracht, zou u voor altijd zijne gunst doen verliezen, en de
kans vernietigen van hem ooit in zijne bezittingen op te volgen.”

„Ook goed! Ik heb een beroep gekozen, dat onmisbaar is, en ook nog, ten
minste voor de eerste halve eeuw, onmisbaar zal blijven; en mijn goede
oude oom mag, als het hem belieft, zijne erfenis en zijn burgerlijken
naam aan uw boezelaar hangen, Mary, en gij kunt, als het u belieft,
dezen zijn nieuwen gunsteling trouwen, en dan kunt gij beiden gerust,
vreedzaam en geregeld leven, als het den Hemel behaagt! Mijn besluit is
genomen, – ik zal niemand om een erfenis vleien, die mij door
geboorterecht toekomt!”

Mary M’Intyre legde de hand op den arm van haren broeder, en bad hem
zijn drift te beteugelen. „Wie anders,” zeide zij, „beleedigt u, of
zoekt u te beleedigen, dan uwe eigene onstuimigheid? – Welke gevaren
tart gij, dan die, waaraan gij u zelf verkiest bloot te stellen? – Onze
oom was tot nog toe altijd goedig en vaderlijk in zijn gedrag jegens
ons, en waarom zouden wij veronderstellen, dat hij in de toekomst
anders zou zijn, dan hij altijd geweest is, sedert wij als weezen aan
zijne zorgen overgelaten werden?”

„Hij is, dat moet ik bekennen, een voortreffelijke oude heer,” hernam
M’Intyre, „en ik word woedend op mij zelven, als ik hem soms beleedig;
maar zijne eeuwige redeneeringen over dingen, die geen duit waard zijn;
– zijne navorschingen over potten en pannen en onbruikbare
pijpenkrabbers; – dit alles put mijn geduld uit. Ik ben, ik moet het
bekennen, wat driftig van aard, zuster!”

„Maar al te driftig, lieve broeder! In hoe veel gevaren – en, vergeef
mij dat ik het zeg, eenige daarvan weinig eervol van aard, – heeft deze
opvliegende en geweldige drift u niet gebracht! Laat zulke wolken de
oogenblikken niet bederven, die gij in ons midden zult doorbrengen;
laat liever onzen ouden weldoener zijn bloedverwant zien zoo als hij
is: – edelmoedig, vriendelijk en levendig, zonder woest, stijfhoofdig
of driftig te zijn.”

„Wel,” antwoordde kapitein M’Intyre, „ge hebt me nu de les gelezen; –
de beleefdheid zal mijn streven zijn! Ik zal mij beleefd jegens uw
nieuwen vriend gedragen; ik zal den heer Lovel aanspreken.”

Met dit besluit, dat voor het oogenblik zeer oprecht was, voegde hij
zich weêr bij de partij, die vóór hen uitwandelde. De driedubbele
verhandeling was nu geëindigd, en Sir Arthur sprak over het
buitenlandsch nieuws en den staatkundigen toestand van het land;
onderwerpen, waarover iedereen zich bevoegd acht zijn gevoelen mede te
deelen. Toen men bij toeval sprak over een gevecht, het vorige jaar
voorgevallen, gaf Lovel, die zich toevallig in het gesprek mengde,
eenig bericht dienaangaande, van welks nauwkeurigheid kapitein M’Intyre
niet scheen overtuigd te zijn, hoezeer hij zijne twijfelingen zeer
beleefd te kennen gaf.

„Ditmaal, Hector, moet gij bekennen ongelijk te hebben,” zeide zijn
oom, „ofschoon ik weet, dat niemand dat zoo ongaarne doet als gij; maar
gij waart te dien tijde in Engeland, en mijnheer Lovel was zeer
waarschijnlijk in de zaak betrokken.”

„Ik spreek dus tot een militair,” zeide M’Intyre; „mag ik vragen, tot
welk regiment de heer Lovel behoort?” – De heer Lovel gaf hem den naam
op van het regiment. – „Het is vreemd, dat wij elkander nooit te voren
ontmoet hebben, mijnheer Lovel. Ik ken uw regiment zeer goed, en heb er
op verschillende plaatsen, lang mede gediend.”

Een blos bedekte voor een oogenblik Lovel’s gezicht. „Ik ben een tijd
lang niet bij mijn regiment geweest,” antwoordde hij, „ik was in den
laatsten veldtocht bij de staf van den Generaal –”

„Wel! dat is nog vreemder; want ofschoon ik niet onder den Generaal –
diende, had ik nochtans gelegenheid, om de namen der officieren van
zijn staf te kennen, en kan mij dien van Lovel niet herinneren.”

Bij deze opmerking bloosde Lovel op nieuw, zoo sterk, dat hij de
aandacht van het geheele gezelschap tot zich trok, terwijl een
spottende lach de zegepraal van kapitein M’Intyre bekrachtigde. „Daar
is iets vreemds in,” zeide Oldbuck bij zich zelven; „maar ik zal niet
licht mijn fenix der reismakkers opgeven, – al zijne daden en woorden
en zijn geheele gedrag zijn die van een fatsoenlijk man!”

Lovel had intusschen zijn zakboek genomen, en na er een brief
uitgezocht te hebben, nam hij dien uit het couvert en gaf hij het
schrijven aan M’Intyre over. „Gij kent naar alle waarschijnlijkheid de
hand van den Generaal; – ik beken, ik moest die overdreven
uitdrukkingen van onderscheiding en achting, waarmede hij mij vereert,
niet toonen.” De brief bevatte zeer verplichtende en hoffelijke
uitdrukkingen van den bedoelden Generaal, wegens onlangs verrichtte
krijgsdiensten. Kapitein M’Intyre, kon toen hij hem doorzien had, niet
ontkennen, dat hij door den Generaal geschreven was; maar merkte
droogjes aan, terwijl hij hem terug gaf, dat het adres ontbrak. „Het
adres, kapitein M’Intyre,” antwoordde Lovel op denzelfden toon, „zal te
allen tijde tot uw dienst zijn, als gij verkiest, er naar te komen
vragen.”

„Ik zal zeker niet in gebreke blijven om dat te doen,” antwoordde de
jonge krijgsman.

„Kom, kom!” riep Oldbuck uit, „wat moet dat alles beteekenen? – Is
Hiras onder ons verschenen? – Wij verlangen hier geen zwetsen, jonge
heeren! Zijt gij uit den oorlog gekomen, om in ons vreedzaam land
huiselijken twist te stoken? Wilt gij als de jonge bulhonden, wanneer
de stier weggevoerd is, elkander aanvallen, verscheuren, en de brave
lieden, die er bij staan, in de beenen bijten?”

Sir Arthur vertrouwde, zoo hij zeide, dat de heeren zich zelven niet
zoo zeer vergeten zouden, om in twist te geraken over zulk een nietig
voorwerp als de omslag van een brief!

De beide twistenden loochenden eenig voornemen van dien aard, en
verzekerden, met eene kleur als vuur en fonkelende oogen, dat zij nooit
in hun leven bedaarder geweest waren, dan op dat oogenblik. Maar er was
eene blijkbare verlegenheid onder het gezelschap ontstaan; het gesprek
was verder te zeer afgepast, om gezellig te zijn, en Lovel, voelende
dat hij door het overige gezelschap met een koel en wantrouwend oog
beschouwd werd, en dat hij, door zijne onduidelijke antwoorden, het
recht gegeven had tot zonderlinge vermoedens te zijnen opzichte, nam
het kloekmoedig besluit om het geluk op te offeren, dat hij zich
voorgesteld had door den dag op Knockwinnock door te brengen.

Hij klaagde dus over erge hoofdpijn, veroorzaakt door de hitte van het
weder, waaraan hij, sedert zijne laatste onpasselijkheid, niet was
blootgesteld geweest, en verschoonde zich beleefd bij Sir Arthur, die,
eerder gehoor gevende aan zijne tegenwoordige verdenkingen, dan aan de
dankbaarheid voor vroegere diensten verschuldigd, niet meer bij hem
aandrong, om zijn gegeven woord te houden, dan de stijfste
wellevendheid vereischte.

Toen Lovel afscheid van de dames nam, scheen Isabella Wardour
ongeruster, dan hij tot nog toe had opgemerkt. Zij gaf hem de oorzaak
daarvan te kennen door een blik, alleen voor hem verstaanbaar, dien zij
op kapitein M’Intyre wierp, en hoopte, met eene stem, die veel
aandoenlijker klonk dan anders, dat het geene minder aangename partij
was, die hen allen van het vermaak van Lovels gezelschap beroofde. „Er
was volstrekt niets,” verzekerde hij haar, „tusschenbeide gekomen; het
was slechts een nieuwe aanval eener ongesteldheid, waaraan hij sedert
eenigen tijd onderhevig was.”

„De voorzichtigheid is zeker in zulke gevallen het beste middel, en ik,
– en elke vriend van den heer Lovel zal gaarne zien, dat hij die in
acht neemt.”

Lovel boog diep en met een hoogen blos, en Isabella Wardour, alsof zij
gevoelde, dat zij te veel gezegd had, keerde zich om, en ging naar het
rijtuig. Lovel was nu gereed om afscheid te nemen van Oldbuck, die
intusschen met behulp van Caxon, zijne gehavende pruik had hersteld, en
den rok afgeborsteld, die eenige teekens droeg van het ruwe pad, waar
langs zij gegaan waren. „Hoe, man!” zeide Oldbuck, „gij gaat ons toch
niet verlaten wegens de dwaze, onbescheidene nieuwsgierigheid en drift
van Hector? – Wel! hij is een onbezonnen jongen, – altijd een baloorig
kind geweest, sedert hij in de armen zijner min was; – hij smeet mij
zijne bel en koralen naar het hoofd, omdat ik hem wat suiker weigerde,
– en gij hebt te veel verstand, om u aan dien twistzieken jongen te
storen; æquam servare mentem is de spreuk van onzen vriend Horatius. Ik
zal Hector straks de les oplezen, en alles terecht brengen.” Maar Lovel
volhardde in zijn voornemen, om naar Fairport terug te keeren.

De oudheidkenner nam nu een ernstiger toon aan. „Jonkman! pas op uwe
tegenwoordige gevoelens. Het leven is u tot nuttige en waardige
doeleinden gegeven, en moet bewaard blijven, om de letterkunde op te
luisteren, als gij niet opgeroepen wordt, het ter verdediging van het
vaderland, of ter redding der onschuld te wagen. Het tweegevecht, een
gebruik bij de beschaafde ouden onbekend, is van al de ongerijmdheden,
die ons de Gothische horden aanbrachtten, de grootste, de meest
goddelooze en de wreedste! Laat mij niets meer van deze ongerijmde
twisten hooren, en ik zal u het vertoog tegen het tweegevecht laten
zien, dat ik opstelde, toen de stadsklerk en de rechter Mucklewame zich
het voorrecht aanmatigden elkander uit te dagen. Ik wilde mijne
verhandeling, die ik Pacificator onderteekende, laten drukken; maar het
was niet noodig, daar de stedelijke raad zich de zaak aantrok!”

„Maar ik verzeker u, waarde heer, dat er tusschen kapitein M’Intyre en
mij niets is, dat zulk eene eerbiedwaardige tusschenkomst noodzakelijk
zou maken.”

„Het zij zoo! want anders zal ik beide partijen tot secondant dienen.”

Dit zeggende, klom de oude heer in den wagen, waarnaast Mary M’Intyre
haren broeder aan de praat hield, uit het beginsel, dat den eigenaar
van een twistzoekenden hond hem aan zijne zijde doet houden, om hem te
beletten op iemand anders aan te vallen. Maar het gelukte Hector, aan
hare voorzorg te ontsnappen; want, daar hij te paard zat, draafde hij
achter de rijtuigen, tot zij werkelijk den weg ingeslagen hadden naar
Knockwinnock, en toen, rechtsomkeerd makende, gaf hij zijn ros de
sporen in de tegenovergestelde richting.

Weinige minuten brachten hem bij Lovel, die, wellicht zijn oogmerk
gissende, stapvoets voortreed, tot de hoefslagen achter hem kapitein
M’Intyre aankondigden. De jonge krijgsman, wiens natuurlijke drift door
de snelheid der beweging nog meer opgewekt was, hield zijn paard
plotselijk en met geweld stil naast Lovel’s zijde, en vroeg toen, even
den hoed aanrakende, op een zeer hoogen toon: „Wat moet ik begrijpen,
mijnheer, uit uw gezegde, dat uw adres tot mijn dienst was?”

„Eenvoudig, mijnheer, dat mijn naam Lovel, en dat mijn verblijf voor
het oogenblik te Fairport is, – zoo als gij zien zult op dit kaartje.”

„En dit zijn al de inlichtingen, welke gij geneigd zijt mij te geven.”

„Ik zie niet, dat gij het recht hebt, meer te vragen.”

„Ik vind u, mijnheer, in gezelschap van mijne zuster, en ik heb het
recht, te weten, wie in het bijzijn mijner zuster toegelaten werd.”

„Ik zal de vrijheid nemen, u dat recht te betwisten. Gij vindt mij in
een gezelschap, dat tevreden is met de inlichtingen, die ik voegzaam
oordeelde ten aanzien mijner zaken te geven, en gij, geheel vreemd,
hebt geen recht, om meer te vragen.”

„Mijnheer Lovel, indien gij gediend hebt, zoo als gij gezegd hebt, –”

„Indien!” antwoordde Lovel. – „Indien ik gediend heb, zoo als ik gezegd
heb?”

„Juist, mijnheer, dat zijn mijne woorden, – indien gij gediend hebt,
moet gij weten, dat gij mij satisfactie verschuldigd zijt, op de eene
of op de andere wijze.”

„Als gij het zoo begrijpt, zal ik niet nalaten u die te geven, kapitein
M’Intyre, op de wijze, waarop dat woord gewoonlijk onder fatsoenlijke
lieden gebezigd wordt.”

„Zeer wel, mijnheer!” hervatte Hector, en, zijn paard omkeerende,
galoppeerde hij weg om zijne vrienden weêr in te halen.

Zijne afwezigheid had hen reeds verontrust, en zijne zuster, die het
rijtuig had laten stilstaan, lag met het hoofd uit het portier, om te
zien waar hij bleef.

„Wat nu te doen?” zei de oudheidkenner, „gij rijdt heen en weêr, alsof
uw nek er meê gemoeid was? – waarom blijft gij niet bij het rijtuig?”

„Ik had mijne handschoenen vergeten,” zeide Hector.

„Uwe handschoenen vergeten! – Gij wilt, veronderstel ik, zeggen, dat
gij gingt om den handschoen neder te werpen; – maar ik zal maatregelen
omtrent u nemen, jonge heer! – gij zult heden avond met mij naar
Monkbarns terugkeeren!” Dit zeggende, beval hij den voerman door te
rijden.








TWINTIGSTE HOOFDSTUK


                            – Indien gij de eer veracht,
                    Vermeet u niet haar verder dan te dienen;
                      Roem niet meer op onbevlekte wapenen;
                    En de eervolle naam van wakker krijgsman
                      Ontvalt u, als der eere lauwerkrans,
                    Dond’rend van een onwaardig hoofd geslagen!

                                                    Een eerlijke twist.


In den vroegen morgen van den volgenden dag liet zich een heer
aanmelden bij den heer Lovel, die op en gereed was, om hem te
ontvangen. Het was een officier, een vriend van kapitein M’Intyre, voor
het oogenblik te Fairport om rekruten te werven. Lovel kende hem
eenigermate. „Ik veronderstel, mijnheer,” zei de heer Lesley, (want zoo
heette zijn bezoeker), „dat gij de reden gissen zult, waarom ik u zoo
vroeg kom lastig vallen.”

„Eene boodschap, zoo als ik veronderstel, van kapitein M’Intyre?”

„Juist: – hij houdt zich beleedigd door de wijze, waarop gij gisteren
geweigerd hebt eenige vragen te beantwoorden, tot welke hij zich
gerechtigd oordeelt ten aanzien van iemand, dien hij in gezelschap met
zijne naastbestaanden vond.”

„Mag ik u vragen, mijnheer Lesley, of gij u zoudt geneigd gevoeld
hebben, om vragen te beantwoorden, die u op zulk een hoogen en
onbeleefden toon gedaan werden?”

„Misschien niet; en daarom, daar ik de drift van mijn vriend M’Intyre
bij dergelijke gelegenheden ken, wenschte ik zeer als vredestichter op
te treden. Daar de heer Lovel alleszins het voorkomen heeft van een
fatsoenlijk man, zou het iedereen natuurlijk alleraangenaamst zijn, als
hij die soort van dubbelzinnigen schijn wilde vermijden, welke degene
pleegt te volgen, van wien men niet volledig weet, wie hij is. Indien
hij mij dus, als aan een gemeenschappelijken vriend wilde veroorloven,
zijn wezenlijken naam aan kapitein M’Intyre mede te deelen; – want wij
moeten opmaken, dat die van Lovel aangenomen is, –”

„Vergeef mij, mijnheer! ik kan die gevolgtrekking niet goedkeuren.”

„Of ten minste,” zeide Lesley voortgaande, „dat het niet de naam is,
onder welken de heer Lovel zich altijd onderscheiden heeft. Als de heer
Lovel de goedheid wilde hebben, om deze omstandigheid op te helderen,
wat hij, ook naar mijn gevoelen, behoorde te doen ter rechtvaardiging
van zijn eigen karakter, zoo neem ik de vereffening van deze
onaangename zaak op mij.”

„Dat wil zeggen, mijnheer Lesley, dat, wanneer ik toestem, om op vragen
te antwoorden, die men geen recht heeft mij te doen, en welke nu
geopperd worden, op straf van kapitein M’Intyre’s ongenoegen, kapitein
M’Intyre zoo goed zal zijn, om voldaan te zijn? – Mijnheer Lesley, ik
heb maar één woord over dit onderwerp te zeggen: ik twijfel niet, of
mijn geheim, indien ik er een had, zou veilig aan uwe eer kunnen
toevertrouwd worden maar ik gevoel mij niet geneigd, om de
nieuwsgierigheid te voldoen van wien het ook zij. Kapitein M’Intyre
ontmoette mij in een gezelschap, dat reeds op zich zelf mij bij
iedereen, en vooral bij hem, als fatsoenlijk man moest aanbevelen. Hij
heeft, naar mijn begrip, geen recht, om verder te gaan, of naar den
stamboom, den rang of de omstandigheden van een vreemdeling te vragen,
die, zonder eenige nauwere betrekking tot hem of de zijnen te zoeken,
toevallig bij zijn oom komt eten, of met zijne zuster gaat wandelen.”

„In dat geval, verzoekt kapitein M’Intyre u in aanmerking te nemen, dat
uwe verdere bezoeken op Monkbarns zoo wel als alle omgang met jufvrouw
M’Intyre moeten gestaakt worden, daar die hem onaangenaam zijn.”

„Ik zal zeer zeker,” zeide Lovel, „mijnheer Oldbuck gaan bezoeken, zoo
dikwerf het mij gelegen komt, zonder in het minst acht te slaan op de
bedreigingen en de gevoeligheid van zijn neef. Ik eerbiedig den naam
van de jonge dame te zeer (hoe weinig ik haar ook ken), om dien in een
dergelijken twist te mengen.”

„In dat geval, verzoekt kapitein M’Intyre, dat de heer Lovel, als hij
niet wenscht te worden bekend gemaakt als iemand op wien zeer
ergerlijke verdenkingen rusten, hem te willen begunstigen met eene
ontmoeting heden avond, tegen zeven ure, bij den doornboom in het
kleine dal, dicht bij de bouwvallen van St. Ruth.”

„Ik zal hem zeker opwachten. Er is slechts ééne zwarigheid: – ik moet
een vriend vinden, om mij te vergezellen, en waar er een te zoeken
binnen deze korte tijdruimte, daar ik geene kennissen te Fairport heb,
weet ik niet; – ik zal mij echter op de plaats bevinden, kapitein
M’Intyre kan er op rekenen.”

Lesley had den hoed genomen, en was reeds aan de deur van het vertrek,
toen hij, als getroffen door de eigenaardigheid van Lovel’s toestand,
terugkeerde, en hem weder aansprak: „mijnheer Lovel, er is in dit alles
iets zoo zonderlings, dat ik niet over mij verkrijgen kan, niet nog
ééns op de zaak terug te komen. Gij moet zelf op dit oogenblik
gevoelen, hoe lastig het voor u is om uw incognito te bewaren, voor
hetwelk ik overtuigd ben, dat geen onteerende reden bestaan kan.
Intusschen maakt deze geheimzinnigheid het moeielijk voor u, den
bijstand te verkrijgen van een vriend op een beslissend oogenblik,
waarop die zoo noodzakelijk is; – ja, vergun mij er bij te voegen, dat
zeer velen het zelfs als een blijk van overdreven eergevoel in M’Intyre
zullen aanmerken, dat hij u eene ontmoeting geeft, terwijl uw karakter
en uwe omstandigheden zoo raadselachtig schijnen.”

„Ik begrijp, waar gij heen wilt, mijnheer Lesley,” hervatte Lovel; „en
ofschoon ik mij zou kunnen beleedigd achten door uwe
veronderstellingen; ben ik het echter niet, omdat ze welgemeend zijn.
Maar, naar mijn oordeel, kan diegene aanspraak maken op al de
voorrechten van een fatsoenlijk man, wien men, zoolang men hem kent,
niets onbetamelijks of onfatsoenlijks kan te laste leggen. Wat een
vriend betreft, ik hoop, dat ik den een of ander vinden zal, om mij den
gevorderden dienst te bewijzen; en indien hij al minder ondervinding
van dergelijke zaken moge hebben, dan wenschelijk is, zoo ben ik altoos
verzekerd, dat ik door die omstandigheid niet verliezen zal als gij u
op de strijdplaats, al is het ook aan de zijde van mijn tegenstanders,
bevindt.”

„Dat vertrouw ik ook,” zeide Lesley; „maar daar ik voor mij zelven
wenschen moet, zulk eene zware verantwoordelijkheid met een anderen
bekwamen vriend te deelen, zoo vergun mij te zeggen, dat de oorlogsbrik
van den luitenant Taffril op de reede aangekomen is, en dat hij zelf
zich bij den ouden Caxon bevindt, waar hij logeert. Ik geloof, dat gij
hem ongeveer zoo veel kent, als mij; en daar ik ongetwijfeld u
denzelfden dienst gaarne zou bewezen hebben, als ik niet voor de andere
partij in de zaak betrokken was, ben ik zeker, dat ook hij op uw eerste
verzoek gereed zal zijn.”

„Dus bij den doornboom, mijnheer Lesley, heden avond te zeven ure: – de
wapens, veronderstel ik, zijn pistolen?”

„Juist! M’Intyre heeft dit uur verkozen, omdat hij dan het best van
Monkbarns ontsnappen kan. Hij was heden morgen om vijf uur bij mij, om
terug te keeren en tegenwoordig te zijn eer zijn oom opstond. Ik wensch
u goeden morgen, mijnheer Lovel” – en Lesley verliet het vertrek.

Lovel was zoo moedig als een mensch maar zijn kan; maar niemand kan bij
zich zelven over zulk een beslissend oogenblik, als thans op handen
was, nadenken, zonder een gevoel van ontzagwekkenden ernst. Binnen
weinige uren kon hij in eene andere wereld zijn, om rekenschap te geven
van eene daad, welke, bij bedaard nadenken, uit een godsdienstig
oogpunt niet te rechtvaardigen was; of hij kon op aarde ronddolen als
een Kaïn, met het teeken van den broedermoord op het voorhoofd. En dit
alles kon hij voorkomen door het spreken van één enkel woord. Maar dan
fluisterde de trots hem in, dat men, als hij dit woord nu uitsprak, dat
aan eene beweegreden zou toeschrijven, die hem meer zou verlagen, dan
de meest beleedigende verdenking, tot welke zijn stilzwijgen aanleiding
kon geven. Iedereen, Isabella Wardour zelve, moest hem dan ook, dacht
hij, voor een lagen en onteerden lafaard houden, die, door de vrees
voor eene ontmoeting met kapitein M’Intyre gedreven, de opheldering
gaf, welke hij aan de bedaarde en beleefde verzoeken van den heer
Lesley geweigerd had. M’Intyre’s onbeschoft gedrag tegen hemzelven, de
aanmatigende manieren, die hij zich omtrent Isabella Wardour
veroorloofd had, en de alles te bovengaande onbillijkheid en
onbeleefdheid zijner vragen omtrent iemand, die hem geheel vreemd was,
schenen Lovel te rechtvaardigen in zijne weigering om aan zijne
onrechtvaardige eischen te voldoen. In ’t kort, hij nam het besluit,
dat men van zulk een jongen man kon verwachten, om, namelijk, de oogen
zijner meer bedaarde rede te sluiten, en de ingeving van zijn
beleedigden trots te volgen. Met dit voornemen zocht hij den luitenant
Taffril op.

De luitenant ontving hem met al de beleefdheid van een fatsoenlijk man
een al de rondborstigheid van den zeeman, en hoorde, niet zonder
verwondering, de bijzonderheden aan, welke Lovels verzoek voorafgingen,
dat hij hem bijstaan wilde bij zijne ontmoeting met kapitein M’Intyre.
Toen hij geëindigd had, stond Taffril op; en wandelde een paar maal in
het vertrek op en neêr.

„Dit is eene zonderlinge zaak,” zeide hij, „en inderdaad, –”

„Ik begrijp, mijnheer Taffril, hoe weinig ik gerechtigd ben tot het
doen van mijn tegenwoordig verzoek; maar de drang der omstandigheden
laat mij bijna geene keuze over.”

„Sta mij eene vraag toe,” zeide de zeeman; „is er iets, waarover gij u
schaamt, in de omstandigheden, welke gij weigert mede te deelen?”

„Op mijn woord van eer, neen! er is niets in, dan wat ik vertrouw, dat
ik binnen zeer korten tijd aan de geheele wereld zal kunnen openbaren.”

„Ik hoop, dat uwe geheimhouding niet ontstaat uit valsche schaamte over
den nederigen stand van uwe vrienden, of betrekkingen?”

„Neen, op mijn woord!” hernam Lovel.

„Ik kan mij in zulke dwaasheden niet wel voegen,” zeide Taffril
„inderdaad, men zou die bij mij niet veronderstellen kunnen, want ik
ben, wat mijne afkomst betreft, zoo te spreken, van vóór den mast
gekomen, en denk weldra eene verbintenis aan te gaan, die de wereld
vernederend genoeg vinden zal, met een zeer beminnelijk meisje, dat ik
leerde kennen toen wij buren waren, op een tijdstip, dat ik weinig
dacht aan het geluk, dat mij in den dienst voorthielp.”

„Ik verzeker u, mijnheer Taffril, dat, welke ook de stand mijner ouders
ware, ik nimmer er aan denken zou, om dien uit kleingeestigen trots te
verbergen. Maar mijn toestand is van dien aard, dat ik de vrijheid niet
heb, vooralsnog van mijne familie te spreken.”

„Dat is meer dan genoeg,” zei de eerlijke zeeman; „geef mij de hand; ik
zal trachten u door deze zaak te helpen, zoo goed ik kan, ofschoon het
altijd een zeer onaangenaam iets is – maar wat doet dat er toe? Onze
eigen eer is ons, na die van ons land, het naaste; – gij zijt een
flinke jongen, en ik beken, dat de heer Hector M’Intyre, met zijn
langen stamboom en zijn familietrots, mij voorkomt zeer veel van een
kwast te hebben. Zijn vader was een arme krijgsman, even als ik; – hij
zelf, geloof ik, is weinig meer, als zijn oom hem niet voort helpt, –
en of iemand het geluk ter zee of te land volgt, daarin, zou ik denken,
is weinig onderscheid!”

„Volstrekt geen!” antwoordde Lovel.

„Kom,” zei zijn nieuwe bondgenoot, „wij zullen samen eten en het
noodige voor de ontmoeting beramen. Ik hoop, dat gij u goed van het
pistool weet te bedienen?”

„Niet bijzonder,” antwoordde Lovel.

„Dat doet mij leed, – M’Intyre, zegt men, schiet scherp.”

„Dat spijt mij,” zeide Lovel, „zoowel voor hem, als voor mij; – ik moet
dus uit zelfverdediging mijn best doen.”

„Wel,” voegde er Taffril bij, „ik zal onzen chirurgijn medenemen; – het
is een goede, knappe jongen om eene wond te kalefateren. Ik zal Lesley,
die voor een soldaat een ronde vent is, doen weten, dat de dokter beide
partijen ten dienste staat. – Is er nog iets, dat ik voor u doen kan,
in geval van een ongeluk?”

„Ik heb slechts weinig, waarmede ik u lastig zal vallen,” zeide Lovel;
„dit kleine briefje bevat den sleutel van mijne schrijftafel, en van
mijn geheim; – er is één brief in de schrijftafel,” eene onwillekeurige
opwelling onderdrukkende, „dien ik u verzoek de goedheid te willen
hebben, eigenhandig af te geven.”

„Ik begrijp u,” zei de zeeman; „neen, vriend, schaam u daarover niet –
een liefderijk hart mag voor een oogenblik overloopen, als het schip
voor den slag gereed is; – en verlaat u op mij, wat ook uw wensch zijn
moge, Taffril zal dien beschouwen als den laatsten wil van een
stervenden broeder. Maar dit is alles onzin: – wij zullen de wapens
behoorlijk in orde brengen en gij eet om vier uur met mij en mijn
kleinen chirurgijn in de herberg hier over de deur.”

„Afgesproken!” zeide Lovel.

„Afgesproken!” zeide Taffril; en de zaak was afgedaan.

Het was een schoone zomeravond, en de schaduw van den eenzamen
doornboom verlengde zich op de groene oppervlakte der smalle vallei,
die door de wouden omgeven was, waar binnen zich de bouwvallen van St.
Ruth bevonden.

Lovel en de luitenant Taffril, met den wondarts, betraden de plaats met
een doel, welks aard zeer in strijd was met de rust en den vrede, die
er, vooral op dezen tijd van den dag, heerschte. De schapen, welke,
gedurende de brandende hitte, in de kloven en diepten der rotsachtige
hoogten, of onder de wortels der oude holle bomen, geschuild hadden,
waren nu verspreid op de hellingen der bergen, om hun avondvoedsel te
zoeken, en blaatten elkander toe met dat eentonig treurig geluid, dat
te gelijk aan het landschap leven geeft, en de eenzaamheid doet
gevoelen. Taffril en Lovel vervolgden, in een ernstig gesprek
gewikkeld, hun weg, daar zij, uit vrees van ontdekt te worden, hunne
paarden, met den knecht van den luitenant, naar de stad terug gezonden
hadden. Hunne tegenpartij was nog niet op de kampplaats verschenen.
Maar, toen zij er kwamen, zat er, op den wortel van den ouden boom, een
man, zoo krachtig in zijne grijsheid, als de met mos begroeide, maar
sterke en knoestige takken, die zich boven hem uitstrekten. Het was de
oude Ochiltree. „Dit is lastig genoeg,” zeide Lovel „hoe komen wij van
den ouden man af?”

„Hier, vader Adam!” riep Taffril, die den bedelaar van ouds herkende;
„hier is een daalder voor u; – gij moet ginds naar de Vier Hoefijzers
gaan, – de kleine herberg, die gij kent, en vragen naar den knecht met
blauw en gele liverei. Als hij nog niet gekomen is, moet gij op hem
wachten en hem zeggen, dat wij binnen een uur bij zijn meester zullen
zijn. In elk geval blijft gij daar, tot wij terug zijn, – en nu pak op!
– Kom, kom ligt je anker!”

„Dank voor uwe aalmoes,” zeide Ochiltree, het geldstuk in den zak
stekende; „maar vergeef het mij, mijnheer Taffril, ik kan op dit
oogenblik uwe boodschap niet doen.”

„Waarom niet man? Wat zou u beletten?”

„Ik wilde een woord met den jongen heer Lovel spreken.”

„Met mij?” vroeg Lovel; „wat hebt gij mij te zeggen. Kom, spreek maar
op, en maak het kort!”

De bedelaar leidde hem eenige weinige schreden ter zijde. „Zijt gij aan
Monkbarns iets schuldig?”

„Schuldig! – Wel neen! – Wat beteekent dat? – hoe komt gij op die
gedachte?”

„Gij moet weten, dat ik vandaag aan het huis van den Sheriff was; want,
de hemel helpe mij! ik dwaal langs den weg als een onrustige geest, –
en wie denkt gij, dat daar aan kwam rijden in een wagen? Wel, Monkbarns
geheel alleen! nu is het geene kleinigheid, die mijnheer Oldbuck een
wagen en postpaarden doet nemen, twee dagen achter elkander!”

„Goed, goed; maar wat gaat mij dat alles aan?”

„O, gij zult het hooren, dadelijk hooren. – Wel, Monkbarns ging
afzonderlijk met den Sheriff; al wat arm volk was, moest buiten
blijven; – gij weet toch, hoe beleefd de groote heeren altijd onder
elkander zijn –”

„Om ’s Hemels wil, mijn oude vriend!”

„Waarom zegt gij niet liever ronduit loop naar den drommel! mijnheer
Lovel. Dat zou meer gepast zijn, dan op die ongeduldige wijze van den
hemel te spreken.”

„Maar ik heb hier dringende zaken met den luitenant Taffril af te
doen.”

„Wel, wel, alles op zijn tijd, – ik mag een weinig vrijheid nemen met
mijnheer Daniel Taffril; ik heb lang geleden veel houten dingen voor
hem gemaakt; want ik arbeidde in hout en was ook ketellapper er bij.”

„Gij zijt gek, Adam, of zoekt mij dol te maken.”

„Geen van beide,” zeide Adam, eensklaps zijne slepende bedelaars dreun
in een korten en beslissenden toon veranderende; „de Sheriff zond om
zijn klerk, en daar de jongen vrij los van tong is, vernam ik, dat het
was ter uitvaardiging van een bevelschrift, om u te vatten; – ik dacht
wegens schulden; want iedereen weet, die heer laat niemand gaarne de
hand in zijn zak steken. – Maar nu mag ik wel zwijgen; want ik zie den
jongen M’Intyre en mijnheer Lesley aankomen, en ik gis, dat Monkbarns
oogmerk goed was, en dat het uwe veel slechter is, dan het behoorde te
zijn.”

De partijen naderden thans, en groetten elkander met de ernstige
beleefdheid, die de omstandigheden eischten. „Wat doet deze oude knaap
hier?” vroeg M’Intyre.

„Ik ben wel een oude knaap,” antwoordde Adam; „maar ik ben ook een oud
soldaat van uw vader; – want ik diende met hem bij het 42ste regiment.”

„Gij moogt gediend hebben waar gij wilt, gij hebt geen recht om u hier
op te dringen,” hernam M’Intyre, „of” – en hij hief den stok op om hem
te verschrikken, ofschoon zonder het oogmerk, om den ouden man aan te
raken. Maar Ochiltree’s moed was door de beleediging gaande gemaakt.
„Houd uw stokje maar voor u, kapitein M’Intyre! Ik ben een oud soldaat,
zoo als ik u zeide, en ik zal veel van uw vaders zoon verdragen; maar
raak mij niet aan met uw rotting zoo lang mijn eigen stok heel is!”

„Wel, wel, ik had ongelijk; – ik had ongelijk,” zeide M’Intyre; „hier
is een daalder voor u, ga maar weg – maar wat is er nu te doen?”

De oude man verhief zich tot zijne volle buitengewone lengte, en
geleek, in weêrwil van zijne kleeding, die inderdaad meer had van die
eens pelgrims, dan van een gewonen bedelaar, door zijne gestalte,
manieren, en de waardigheid zijner stem en gebaren, veeleer op een
grijzen monnik, of preekenden kluizenaar en raadgever der jonge lieden,
die in het rond stonden, dan wel op een voorwerp van hunne
liefdadigheid. Zijne taal was, wel is waar, ongekunsteld en eenvoudig
als zijne kleeding; maar even stout en vrijmoedig, als zijne houding
deftig en vol waardigheid was. „Jongelingen! waarom kwaamt hij hier?”
sprak hij, zich tot de verwonderde toehoorders wendende; „zijt gij
gekomen te midden van de liefelijkste werken van God, om daar zijne
wetten te schenden? – Hebt gij daarom de werken der menschen verlaten,
de huizen en steden, die slechts klei en stof zijn, gelijk zij, die ze
oprichtten; en zijt gij hier gekomen te midden der vreedzame bergen, en
bij de rustige wateren, – die duren zullen zoo lang het aardsche
bestaat, – om elkander het leven te benemen, dat in den loop der natuur
toch zoo kort duurt, om er eene lange rekenschap van te geven, als het
eenmaal uitgebluscht is?”

„O, heeren! hebt gij broeders, zusters, vaders, die u verzorgden, en
moeders, die voor u hebben geleden, – vrienden, die u als een stuk van
hun eigen hart beschouwen? En is dit de weg, dien gij inslaat, om hen
kinderloos en broederloos te maken, en hen van hunne vrienden te
berooven? – Och! het is een slechte strijd, waarin hij, die overwint,
de ongelukkigste is. Bedenkt dit, kinderen! – Ik ben een arme man; –
maar ik ben ook een oud man, en wat mijne armoede aan het gewicht van
mijn raad beneemt, wordt twintigmaal vergoed door grijze haren en een
oprecht u toegenegen hart. – Gaat naar huis, gaat naar huis! – De
Franschen zullen eerstdaags komen, om ons uit te plunderen, en gij zult
genoeg te vechten hebben; en misschien sukkelt de oude Adam zelf nog
meê, als hij eenig geschikt steunpunt kan vinden, om er zijn geweerloop
over te leggen, – en moge hij het dan nog beleven, te verhalen, wie van
u zich het best gekweten heeft, als het eene goede zaak gold.”

Er was iets in de onverschrokken en onafhankelijke wijze van handelen,
in de stoute gevoelens en manhaftige, ruwe welbespraaktheid van den
grijsaard, dat diepen indruk op de partijen maakte, en voornamelijk op
de secondanten, die niet door hun trots aangespoord waren, om den twist
tot eene bloedige beslissing te brengen, en die integendeel, hartelijk
naar eene gelegenheid verlangden, om op eene verzoening aan te dringen.

„Op mijn woord, mijnheer Lesley,” zeide Taffril, „de oude Adam spreekt
als een orakel. – Onze vrienden hier waren gisteren zeer driftig, en
dus natuurlijk zeer dwaas. – Vandaag behoorden zij koelbloedig te
wezen, of wij, ten minste, moesten het voor hen zijn. Mij dunkt, alles
moest van weêrszijden vergeven en vergeten wezen; wij zullen elkander
allen de hand geven, onze schoten in de lucht doen, en naar huis gaan,
om samen in de herberg te soupeeren.”

„Dat raad ik ook aan,” zeide Lesley; „want, met zeer veel drift en
knorrigheid van weerskanten, beken ik mij niet in staat, eenigen
redelijken grond van twist te ontdekken.”

„Heeren!” zeide M’Intyre, zeer koel, „dit alles had men van te voren
moeten bedenken. Naar mijn begrip, zouden menschen, die eene zaak van
dezen aard zoo ver doorgedreven hebben als wij, en dan uit elkander
gingen zonder ze verder door te zetten, zeer vroolijk in de herberg
kunnen gaan eten; maar den volgenden morgen zouden zij met een naam
opstaan, even gehavend als de kleeding van onzen vriend hier, die ons
verplicht heeft met eene vrij onnoodige tentoonspreiding van zijne
welsprekendheid. Ik spreek voor mij zelven, maar ik gevoel mij
gedrongen, u te verzoeken, zonder langer verwijl een einde aan de zaak
te maken.”

„En,” zeide Lovel, „daar ik nooit eenig uitstel gewenscht heb, moet ik
ook deze heeren verzoeken, de noodige schikkingen zoodra mogelijk te
maken.”

„Kinderen, kinderen!” riep de oude Ochiltree; maar merkende, dat men
niet langer naar hem luisterde, – „dolkoppen, moest ik zeggen, – maar
uw bloed kome op uwe eigene hoofden!” – En de oude man verwijderde zich
van den grond, die nu door de secondanten afgemeten werd, en ging voort
bij zich zelven te pruttelen en zijne verontwaardiging en angst te
uiten, die met een diep gevoel van pijnlijke nieuwsgierigheid vermengd
waren. Zonder verder op zijne tegenwoordigheid en vertoogen acht te
slaan, maakten de heer Lesley en de Luitenant de noodige beschikkingen
voor het tweegevecht, en men kwam overeen, dat beide partijen vuur
zouden geven, zoodra de heer Lesley zijn zakdoek liet vallen.

Het noodlottige teeken werd gegeven, en beide vuurden bijna op
hetzelfde oogenblik. De kogel van den kapitein M’Intyre vloog dicht
langs de zijde van zijne tegenpartij, maar zonder hem te raken. Die van
Lovel ging juister naar het doel; M’Intyre wankelde en viel. Terwijl
hij zich op den arm verhief, was zijn eerste uitroep: „Het is niets; –
het is niets; – geeft ons de andere pistolen!” Maar op hetzelfde
oogenblik zeide hij op zachteren toon „Ik geloof dat ik genoeg heb, en
wat nog erger is, ik vrees dat ik het verdien. Mijnheer Lovel, of hoe
uw naam ook zij, vlucht, en red u; – getuigt gij allen, dat ik de
aanleiding gaf tot alles.” Toen op nieuw op zijn arm steunende, voegde
hij er bij: „Geef mij de hand, Lovel! – ik houd u voor een fatsoenlijk
man, – vergeef mijne lompheid, en ik vergeef u mijn dood. – Mijne arme
zuster!”

De wondarts kwam, om zijne rol in het treurspel te verrichten, en Lovel
stond met een ontroerd en verwilderd oog te staren op de ellende,
waarvan hij de werkdadige, hoewel de onwillige oorzaak geweest was.
Eindelijk werd hij uit zijne verbijstering gerukt door den bedelaar,
die hem bij den arm pakte. – „Waarom staat gij te gapen op hetgeen
gedaan is? – Wat beslist is, is beslist! – Gedane zaken hebben geen
keer! Maar weg, weg met u, indien gij uw jong bloed van een
schandelijken dood wilt redden. – Ik zie de lieden ginds, die te laat
komen, om u te scheiden; – maar toch, meer dan vroeg genoeg, om u in de
gevangenis te sleepen!”

„Hij heeft gelijk! – hij heeft gelijk!” riep Taffril; „gij moet niet
beproeven den straatweg te houden; – blijf tot van nacht in het bosch.
Mijn brik zal tegen dien tijd onder zeil zijn, en om drie uren in den
morgenstond, als het getij gunstig is, zal ik de boot bij de Mosselklip
zenden, om u te wachten.”

„O ja, vlucht, vlucht!” herhaalde de gewonde, terwijl stuipachtige
snikken zijne woorden belemmerden.

„Kom met mij,” zei de bedelaar, Lovel meêsleepende; „het plan van den
kapitein is het beste; – ik zal u naar eene plaats brengen, waar gij
inmiddels veilig zoudt zijn, al zochten zij u met speurhonden.”

„Ga, ga!” herhaalde de luitenant Taffril dringend; „hier te blijven zou
loutere dwaasheid zijn.”

„Het was erger dan dwaasheid, hier te komen,” zeide Lovel, hem de hand
drukkende. – „Maar vaarwel!” en hij volgde Ochiltree in het dichtste
van het bosch.








EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK


                     – De heer Abt heeft een’ geest,
                 Scherpzoekend, slim, doordringend gelijk vuur!
                   Diep als de hel daalt hij langs toovertrappen,
                 En, heeft de duivel goud in zijn bezit,
                   Hij haalt er iets van af; – het licht in holen,
                     Die niemand kent, dan ik. –

                                         Het wonder van een koninkrijk.


Lovel volgde bijna werktuigelijk den bedelaar, die met haastigen maar
vasten stap den weg insloeg door bosch en braamstruiken, terwijl hij de
gebaande paden vermeed, en zich dikwijls omkeerde, om te luisteren, of
er ook eenig teeken van vervolging achter hem te hooren was. Soms
daalden zij tot in het bed zelf van de beek, soms hielden zij een nauw
en gevaarlijk pad, dat de schapen (die, met de groote onachtzaamheid,
welke in Schotland algemeen omtrent eigendommen van deze soort
heerscht, in het kreupelhout omzwerven mochten) op den uitersten rand
van de overhangende steilten gemaakt hadden. Van tijd tot tijd, wierp
Lovel een blik op het pad, dat hij den vorigen dag, in gezelschap van
Sir Arthur, den oudheidkenner, en de jonge dames bewandeld had.
Neêrslachtig, verlegen, en door duizenderlei zorgen geplaagd, als hij
toen was, wat zou hij thans niet gegeven hebben, om het gevoel van
onschuld terug te krijgen, dat alléén tegen duizend rampen opwegen kan?
„Zelfs toen,” zoo waren zijne vluchtige en onwillekeurige gedachten,
„zelfs toen, onschuldig en geëerd door allen die mij omgaven, gevoelde
ik mij ongelukkig. Wat ben ik nu, bezoedeld met het bloed van dezen
jongen man? – Het gevoel van trots, dat mij tot deze daad dreef, is
geweken, even als men zegt, dat ook de booze geest dengenen verlaat,
die hij in het verderf stortte.” Zelfs zijne genegenheid voor Isabella
Wardour bezweek in dit oogenblik onder de knaging van fijn geweten, en
hij zou, naar het hem scheen, al de zielskwellingen eener versmade
liefde kunnen te gemoet gaan, om, vrij van bloedschuld, zijne zielerust
terug te hebben.

Deze smartelijke beschouwingen werden niet afgebroken door eenig
gesprek met zijn leidsman, die het kreupelhout vóór hem wegruimde,
terwijl hij nu eens de takken terughield om zijn pad gemakkelijk te
maken, hem dan eens vermaande, zich te haasten, dan weêr bij zich
zelven sprak, volgens de gewoonte van den eenzamen grijsaard, woorden,
die wellicht aan Lovel zouden ontsnapt zijn, ook als hij er naar
geluisterd had, of die, opgevangen en onthouden, te afgebroken waren,
om eenige samenhangende gedachte te geven, – iets dat dikwijls eigen is
aan oude en praatzieke lieden.

Toen eindelijk Lovel, verzwakt door zijne vroegere ongesteldheid, en
uitgeput, zoowel door de hartverscheurende gevoelens, die hem
ontroerden, als door de inspanning om zijn gids te volgen, reeds begon
te dralen en achter te blijven, brachten hem een paar zeer gevaarlijke
schreden op den rand van een afgrond, met struiken en hakhout behangen.
Hier duidde eene kleine opening in de rots, bedekt door de
vooruitstekende takken van een ouden eikenboom, die met zijne dikke en
knoestige wortels in het bovenste gedeelte der rotsen groeide, een hol
aan, bij den ingang niet breeder dan een vossengat, en dat, dus
verborgen, de opmerking zelfs van hem had kunnen ontgaan, die er vlak
bijstond. In dit uiterlijk weinig verleidelijk verblijf, begaf zich nu
de bedelaar. Maar inwendig was de spelonk hooger en ruimer, in twee
afgezonderde gangen verdeeld, die, elkander in rechte hoeken snijdende,
het zinnebeeld van het kruis vormden, en de voormalige schuilplaats van
een kluizenaar uit oude tijden aanwezen. Men vindt vele dergelijke
grotten in verschillende deelen van Schotland. Ik behoef slechts die
van Gorton bij Roslin te noemen, eene plek, zeer bekend bij de
bewonderaars der romantische natuur.

Het licht in het hol was slechts eene duistere schemering bij den
ingang, en ontbrak geheel en al van binnen. „Er zijn er maar weinigen,
die deze plaats kennen,” zei de oude man, „naar mijn weten slechts twee
buiten mij, namelijk, de Klinkende Jan en de Lange Linker. Ik heb
dikwijls zoo bij mij zelven gedacht: wanneer ik eenmaal oud en
afgeleefd ben, en Gods gezegende lucht niet langer genieten kan, wil ik
mij hier naar toe slepen met wat havermeel in mijn zak, en zie, daar is
nog eene schoone bron, die zomer en winter water geeft; – en mij hier
neêrleggen als eene oude hond, die in een bosch of hol sterven gaat,
waar de menschen zijn lijk niet vinden kunnen. – En dan, als de honden
van eene eenzame pachthoeve blaften, zou de huisvrouw roepen: „Stil!
hoor, het is zeker de oude Adam!” en de kinderen zouden naar de deur
loopen, om den ouden Blauwrok wat in den zak te stoppen; – Maar de oude
Adam zou er niet zijn, en men zou nooit meer iets van hem hooren!”

Toen bracht hij Lovel, die hem gewillig volgde, in een der gangen van
de spelonk. „Hier,” zeide hij, „is een trap, die naar de vervallen kerk
boven ons voert. Sommigen zeggen, dat deze plaats in oude tijden door
de monniken uitgehouwen werd, om er hunne schatten in te verbergen, en
anderen zeggen, dat zij die gebruikten, om langs dezen weg bij nacht
dingen in het klooster te brengen, die zij er niet goed onder de oogen
der menschen, en bij dag in konden brengen; – en anderen zeggen, dat
een van hen een heilige werd, (of ten minste daarvoor wilde gehouden
worden,) en zijn intrek nam in de cel van St. Ruth, zoo als men het in
oude tijden noemde, en dat hij dezen trap heeft laten maken, om er mede
naar de kerk te gaan, als er dienst was. De heer van Monkbarns zou u
daar veel van weten te zeggen, even als van meer andere dingen, als hij
de plaats maar kende. Maar ze mag ten dienste van menschen of van God
gemaakt zijn, ik heb er in mijne dagen meer dan te veel kwaad in zien
begaan, waaraan ik ook meer deel had dan behoorde, – ja ja, in deze
zelfde donkere schuilplaats. Menige huismoeder is verwonderd geweest,
dat zij haren rooden haan ’s morgens niet had hooren kraaien, als de
arme vogel reeds hier, in dit donkere hol, gebraden was. – En, och! dat
dit en dergelijke kleinigheden het ergste ware! Als gij het geraas
gehoord hadt, dat wij in de ingewanden der aarde maakten, toen Sanders
Aikwood, die boschwachter was, (hij is de vader van Ringan, die het nu
is,) de bosschen afliep, om op het wild te passen, – en soms het licht
uit den ingang van het hol zag flikkeren op de hazelstruiken aan de
tegenoverliggende hoogte, – en dan wat hij uitkraamde van heksen en
spoken, die zich ’s avonds in de oude bouwvallen ophielden, en van de
lichten, die hij gezien had, en het geschreeuw, dat hij gehoord had,
als allen sliepen, behalve hij alleen; en – och! als hij dat steeds van
voren af aan, ’s avonds bij het vuur, aan mij en mijns gelijken
verhaalde, en als ik den ouden mallen vent woord om woord, en vertelsel
om vertelsel terug gaf, hoewel ik veel meer van de zaak afwist, dan
hij. Ei, ei! – dat waren dolle dagen, die – maar ze waren ijdel en
slecht, en het is billijk, dat hij, die een lichtzinnig en los leven
geleid heeft en de liefdadigheid misbruikte, toen hij jong was, ze
misschien missen zou, als hij oud wordt.”

Terwijl Ochiltree dus zijne daden en streken van vroegere dagen
verhaalde, op een toon, waarin beurtelings vroolijkheid en berouw
heerschte had zijn ongelukkige toehoorder zich neêrgezet op de
kluizenaars bank, die in de rots uitgehouwen was, en zich aan die
uitputting van ziel en lichaam overgegeven, welke gewoonlijk op eene
reeks van gebeurtenissen, die beide ontroeren, volgt. – „De arme
jongen!” zei de oude Adam, „en hij slaapt in dit vochtig hol; hij wordt
misschien nooit weêr wakker, of krijgt eene gevaarlijke ziekte; het is
niet met hem als met ons gelijken, die ons gerust overal kunnen
neêrleggen. Sta maar op, mijnheer Lovel! het zal wel schikken met den
kapitein; – en in elk geval zijt gij de eerste niet, wien dat ongeluk
overkomen is: ik heb menig man zien dooden, en zelf helpen dooden,
ofschoon wij te zamen geen twist hadden, – en als het geen kwaad is,
menschen te dooden, met wie men geen twist heeft, alleen omdat zij eene
andere kokarde dragen en eene vreemde taal spreken, kan ik niet
begrijpen, dat de man niet te verontschuldigen is, die zijn vijand
doodt, die opzettelijk gewapend komt, om hem te dooden. Ik wil niet
zeggen, dat het goed is! – of dat het geene zonde is, dat te ontnemen,
wat men niet weêr kan geven, zoo als de adem van den mensch, – maar ik
zeg, dat het eene zonde is, die vergiffenis vinden kan, als men er
berouw over heeft. Zondige menschen zijn wij allen; maar, als gij een
ouden grijzen zondaar gelooven wilt, die het slechte van zijne
levenswijze heeft leeren inzien, dan bevatten de bladzijden van den
Bijbel beloften genoeg, om den slechtsten van ons allen zalig te maken,
als wij er maar aan gelooven willen.”

Met dergelijke troostgronden en blijken zijner godgeleerdheid ging de
bedelaar voort, de aandacht van Lovel bezig te houden, tot de
schemering van den ingang in de duisternis verdwenen was! „Nu,” zeide
Ochiltree, „zal ik u naar eene meer geschikte plaats geleiden, waar ik
menigmaal gezeten heb, om het krassen van den nachtuil te hooren, en
het maanlicht door de oude vensterramen der bouwvallen te zien vallen.
Op dezen tijd van den nacht kan niemand hier komen; en als de laffe
gerechtsdienaren eenige vervolging beproefden, staakten zij die gewis
reeds lang geleden. Geloof mij, zij zijn niet moediger dan anderen, met
al hunne bevelschriften en machtspreuken. Ik heb hen, in mijn tijd,
meermalen een schrik aangejaagd, als zij mij te nabij kwamen. – Maar,
God dank! zij kunnen mij nu niet meer van eenig ander wanbedrijf
betichten, dan dat ik een oud man en een bedelaar ben, en dan nog is
Freule Wardour een krachtige steun, zoo als gij wel weet.” – (Lovel
zuchtte) „kom, wees niet neêrslachtig – het zal wel eens weêr te recht
komen, – geef de dame maar tijd om zich te bedenken: zij is de
schoonste van het land en mijne goede vriendin. – Ik trek nu zoo gerust
voorbij het tuchthuis, als Zondags naar de kerk; – ik geloof voor den
drommel niet, dat iemand het nu wagen zou, om den ouden Adam slechts
een haar te krenken. Ik loop langs ’s heeren straatweg, als ik naar de
stad ga, en ik geef even weinig om een schout, als om een das!”

Terwijl de bedelaar dus sprak, hield hij zich bezig met de losse
steenen in een hoek van het hol weg te ruimen, die den ingang van den
trap, waarvan hij gesproken had, verborgen. „Er is hier frissche lucht
genoeg,” zei de oude man, „de monniken zorgden daarvoor; want zij waren
kort van adem. Zij hebben hier en daar openingen aangebracht, die
frissche lucht genoeg binnen laten.”

Lovel vond den trap hoewel nauw, zeer luchtig, en noch vervallen, noch
laag. Zij kwamen dus weldra in eene nauwe galerij, loopende langs den
zijmuur van het koor, waaruit zij lucht en licht kregen door openingen,
die behendig gemaskerd waren door de rijke versierselen der Gothische
bouwkunst.

„Deze geheime gang,” – zei de bedelaar – „liep eens rondom een groot
gedeelte van het gebouw naar de plaats, die ik Monkbarns het
Refractorium,” (waarschijnlijk wilde hij Refectorium zeggen,) „heb
hooren noemen, en zoo verder tot aan de woning van den Prior zelven. –
Het is waarschijnlijk, dat hij er gebruik van kon maken, om te
luisteren naar wat de monniken vertelden, als zij aan het eten waren,
en dan kon hij ook hier komen en zien, of zij zich daar ginds beneden
bezig hielden met hunne psalmen te schreeuwen, – en dan, als alles goed
verzorgd was, kon hij aftrekken en daar beneden in het hol een mooi
meisje binnen laten; want zij waren wonderlijke heiligen de monniken, –
of men moet veel leugens van hen verteld hebben. Maar wij gaven ons
jaren geleden veel moeite, om dezen gang op sommige plaatsen op te
vullen, en om anderen af te breken, uit vrees, dat de een of ander
onbekende er inkomen, en den weg naar beneden, naar de spelonk, vinden
mocht; – dat zou een noodlottige slag geweest zijn, die, zoo als ik
zeker weet, aan eenige van de onzen den nek had doen jeuken!”

Zij kwamen nu aan eene plaats, waar de galerij uitgebouwd was in een
halfrond, groot genoeg, om eene steenen bank te bevatten. Eene nis,
vlak daarvoor aangebracht, stak vooruit in het koor, en daar de zijden
van opengewerkte steen waren, kon men daar door heen, van de bank, het
geheele koor in alle richtingen overzien. Waarschijnlijk was deze
plaats, zoo als Adam giste, gemaakt, om den Prior tot een geschikten
schuilhoek te verstrekken, waaruit hij het gedrag der monniken kon
gadeslaan, en zich met eigene oogen overtuigen omtrent het nauwgezet
waarnemen der godsdienstige plechtigheden, waaraan hij, uit hoofde van
zijn rang, geen deel behoefde te nemen. Deze nis was eene van de reeks,
welke zich langs den muur van het koor uitstrekte, en, daar ze van
beneden gezien in geenen deele van de anderen verschilde, kon men de
geheime zitplaats, die nog bovendien gemaskerd was door het steenen
beeld van St. Michiel en den draak, en door het rijk versierde
metselwerk rondom de nis, volstrekt niet ontdekken. De galerij, tot
hare eerste breedte teruggebracht, had zich oorspronkelijk verder
uitgestrekt; maar de landloopers, die het hol van St. Ruth bezochten,
hadden ze, uit voorzorg, met de omliggende steenen toegemetseld.

„Wij zullen hier beter zijn, dan dáár beneden,” zeide Adam, zich
neêrzettende op de steenen bank en de slip van zijn blauwen rok er over
uitspreidende, terwijl hij Lovel uitnoodigde, naast hem te gaan zitten,
– „wij zullen hier beter zijn dan daar beneden; de lucht is zuiver en
zacht, en de geur der muurbloemen en der struikgewassen, die op de
bouwvallen staan, is vrij wat verkwikkelijker, dan de vochtige muffe
reuk daar beneden. Zij rieken het aangenaamst bij nacht, die bloemen,
en men vindt ze het meest op vervallen gebouwen; – welnu, mijnheer
Lovel, kan een van uwe geleerden eene goede reden daarvoor geven?”

Lovel antwoordde ontkennend. „Ik denk,” hernam de bedelaar, „dat ze
gelijk zijn aan de liefdegiften van vele menschen, die, in tegenspoed
gegeven, de grootste waarde hebben; – of wellicht is het een parabel,
om ons te leeren, hen niet te verachten, die zich in de duisternis der
zonde bevinden, of door tegenspoed ter neêrgeslagen zijn, daar God
geuren zendt, om het donkerste uur te verfrisschen, en bloemen en
liefelijke planten, om het vervallen gebouw weder op te sieren. En nu
wilde ik, dat een wijs man mij vertelde, of de Heer het meeste behagen
schept in den aanblik, welken wij nu genieten, – de zilveren en rustige
stralen van het maanlicht, die daar zoo stil over den vloer van deze
oude kerk spelen, en tusschen de groote pilaren en het vensterwerk
doorschijnen en schitteren op de bladeren van het donkere klimop, als
de wind ze beweegt, – ik zou willen weten, zeg ik, of dit aangenamer
voor den Heere is, dan wanneer deze kerk verlicht en verheerlijkt was
door lampen en kandelaren, en toortsen, en myrrhe en wierook, waarvan
de Heilige Schrift spreekt, en met bazuinen, en mannen- en
vrouwenstemmen en muziekinstrumenten. Ik zou willen weten, of die allen
stichtelijk waren, dan of het van die grootsche, weidsche pracht en
heerlijkheid is, dat de Heilige Schrift zegt: zij zijn verfoeielijk! –
Ik denk, mijnheer Lovel, dat bijaldien twee arme ter neêrgedrukte
harten, als het uwe en het mijne, de gave kregen van te bidden, –”

Hier legde Lovel plotseling de hand op des bedelaars arm, en zeide:
„Stil! ik hoor iemand spreken!”

„Ik ben eenigszins hardhoorig,” antwoordde Adam fluisterend; „maar wij
zijn hier veilig; – vanwaar kwam het geluid?”

Lovel wees naar de deur van het koor, die, rijk versierd, aan het
westelijk einde van het gebouw stond onder een gothisch venster, door
hetwelk het volle maanlicht in de kerk viel.

„Het kan niemand van ons volk zijn,” zeide Adam op denzelfden zachten
en voorzichtigen toon; „slechts twee van hen kennen deze plaats, en zij
zijn vele mijlen van hier, als zij nog steeds hun moeielijken levensweg
bewandelen. Ik kan niet denken, dat politie-agenten op dit uur van den
nacht zich hier zouden wagen. Ik sla geen geloof aan de
oudewijvenvertelsels van spoken, ofschoon deze plaats wel voor hen zou
geschikt zijn. Maar menschen of geesten, daar komen zij aan; – twee
mannen met een licht!”

En inderdaad, terwijl de bedelaar sprak, verduisterden twee
menschelijke gedaanten met hare schaduwen, den ingang van het koor,
door welks opening men te voren in het verschiet de door de maan
verlichte weide zien kon, en de kleine lantaren, welke een van hen
droeg, glinsterde bleek in de heldere en krachtige stralen der maan,
gelijk de avondster bij het licht van den vallenden avond. De eerste en
natuurlijkste gedachte was, dat, in weêrwil van de verzekeringen van
Adam Ochiltree, de personen, die op zulk een ongewoon uur de bouwvallen
naderden, dienaren der justitie moesten zijn, om Lovel te zoeken. Maar
zij deden niets, om dit vermoeden te bevestigen. De oude man stiet
Lovel aan, en waarschuwde hem fluisterend, dat het beste was om rustig
te blijven, en uit hunne tegenwoordige schuilplaats de bewegingen der
indringers gade te slaan. Deed er zich iets voor, dat hun aftocht
noodzakelijk maakte, dan hadden zij den geheimen trap en het hol achter
zich, waardoor zij in het bosch zouden kunnen ontsnappen, voor dat zij
eenig gevaar liepen van achterhaald te worden. Zij hielden zich dus zoo
stil mogelijk, en namen met ongeduldige en angstige nieuwsgierigheid
elk geluid en elke beweging van hunne rustverstoorders waar.

Na eenigen tijd zacht te zamen gesproken te hebben, naderden de twee
gedaanten tot in het midden van het koor, en eene stem, welke Lovel
dadelijk aan toon en tongval voor die van Dousterswivel herkende, sprak
hoorbaar, hoewel steeds gedempt:

„Waarlijk, mijn goede heer, daar kan geene betere gelegenheid en stonde
zijn voor deze groote onderneming. Uwé zal zien, dat het louter onzin
is, wat de heer Oldenbuck zegt, en dat hij niet meer verstaat van wat
hij spreekt, als een klein kind. Bij mijne ziel! hij verwacht zoo rijk
te worden als een jood, voor zijne ellendige honderd pond, waaruit ik
mij, op mijn eerewoord, zoo veel maak als uit honderd stuivers. Maar
aan Uwé, mijn grootmoedige patroon! aan Uwé’s Genade wil ik alle
geheimen der kunst zien laten, – ja, zelfs het geheim van den grooten
Pymander.”

„Die ander daar,” fluisterde Adam; „zal waarschijnlijk Sir Arthur zijn.
Ik ken niemand dan hem, die hier op dit uur zou willen komen, en wel
met dien vreemden landlooper. Men zou zeggen, dat hij door hem behekst
is; – hij doet hem nog gelooven, dat kalk kaas is; – maar laten wij
zien wat zij doen.”

Deze stoornis en de zachte toon, waarop Sir Arthur sprak, maakten, dat
het geheele antwoord van dezen aan den goudzoeker voor Lovel verloren
ging, uitgezonderd de drie laatste woorden, die met nadruk uitgesproken
werden: „Zeer groote onkosten;” – waarop Dousterswivel dadelijk hernam:
„Onkosten! – gewis ja! – daar moeten groote onkosten gemaakt worden! –
Men kan toch niet oogsten zonder zaaien; – de onkosten zijn het zaad –
de rijkdommen en de mijnen van edele metalen, en dan de groote, dikke
kisten met zilver zijn de oogst – en ja, een zeer goede oogst op mijn
woord! Nu, Sir Arthur, heeft Uwé heden nacht een weinig zaad van tien
guinjes gestrooid; zooveel als een snuifje – en zoo Uwé niet een
grooten oogst krijgt – dat is een groote oogst voor een beetje zaad;
want alles moet in proportie zijn, zoo als Uwé weet, dan noem Herman
Dousterswivel nimmer meer een eerlijk man! Nu ziet Uwé, mijn geëerde
patroon! – want voor Uwé wil ik niets geheim houden – Uwé ziet deze
kleine zilveren plaat. – Uwé weet, dat de maan in achtentwintig dagen
het gansche Dierenriem omwandelt; – elk kind weet dat. – Welnu, als zij
in de vijftiende station, das heisst aan het hoofd van Libra is, neem
ik de plaat, en graveer op den eenen kant de woorden Schedharschemoth
schartachan, – das heisst, de Intelligencies der Intelligencies van de
maan, en ik teeken de figuur daarvan als eene vliegende slang met het
hoofd van een kalkoen – zoo! – Dan maak ik op dezen kant de tafel van
de maan, das heisst, een quadraat van negen, vermenigvuldigd met zich
zelf, met eenentachtig getallen op alle kanten, en diameter negen – dat
is het zeer goed! – Nu zal ik mij daarvan bedienen bij ieder quartier
der maan, dat ik vinden zal in dezelfde proporties van onkosten, die ik
aan suffumigationen maak, als negen staat tot het produkt van negen
gemultipliceerd met zich zelf. – Heden nacht zal ik niet meer vinden
dan twee of driemaal negen, wegens eene vijandige macht, die zich in
het huis der ascensie bevindt.”

„Maar, Dousterswivel!” zeide de onnoozele Baronet, „gelijkt dat niet op
tooverij? Ik ben een getrouwe, hoewel onwaardige zoon der Episcopale
kerk, en ik wil niets te doen hebben met den boozen geest.”

„Bah! Bah! – niets van tooverij! – niets daar van! – Het is alles
gegrond op den planetarischen invloed en de sympathie en kracht der
getallen. – Ik zal Uwé nog wel iets geheel anders zien laten. – Ik zeg
niet, dat geen geest daarbij is; wegens de suffumigation; maar als Uwé
niet bang is, zal hij niet onzichtbaar zijn.”

„Ik ben in het geheel niet verlangend, om hem te zien,” zeide de
Baronet, wiens moed, naar eene zekere trilling zijner stem te
oordeelen, aan een aanval van koorts scheen te lijden.

„Dat is jammer,” zeide Dousterswivel; „ik had Uwé gaarne den geest
laten zien, die dezen schat als een grimmige wachthond bewaart. – Doch
ik weet met hem om te gaan! – Uwé is dus niet nieuwsgierig om den geest
te zien?”

„In het geheel niet,” antwoordde de Baronet, als op onverschilligen
toon; „ik geloof, dat wij niet veel tijd over hebben.”

„Excuseer, mijn patroon! het is nog geen twaalf, en twaalf is juist het
planetarische uur; en ik kon Uwé intusschen den geest zien laten,
alleen tot genoegen. Zie, ik zou maar een vijfhoek in een kring
trekken, wat heel makkelijk is, en in het midden maakte ik mijne
suffumigation, en daar waren wij als in eene sterke burcht, en Uwé
zoudt het zwaard houden, terwijl ik de noodige woorden sprak. Dan zou
Uwé den vasten muur open zien gaan als de poort eener stad; en dan, –
wacht eens – ja, – dan zou Uwé eerst zien een hert, door drie
jachthonden vervolgd, die het nederwerpen als op de groote jacht van
den keurvorst, – en dan zou een leelijke, kleine, vuile, zwarte neger
verschijnen en de honden het hert afnemen, – en paf, – alles
verdwijnen! – Dan zou Uwé horens blazen hooren, dat al de ruïnen zouden
weêrgalmen, – ja, op mijn woord, zeer aardige jachtstukken zouden ze
spelen, zoo goed als de heer Fischer op zijne hoboe. – Recht zoo! – Dan
kwam een heraut, dien wij Ehrenhold noemen, die op de trompet blaast, –
en dan kwam de groote Peolphan, de Machtige Jager van het Noorden
genoemd, op zijn zwarten hengst; – maar Uwé verlangt niet, dit alles te
zien?”

„Wel, ik ben niet bang,” antwoordde de arme Baronet; „maar, – er
gebeuren soms wel groote ongelukken bij zulke gelegenheden?”

„Bah! – ongelukken? neen! bij gelegenheid, ja, als de kring niet zuiver
rond is, of de helpende toeschouwer bang wordt, en het zwaard niet vast
en recht op den grooten jager houdt, maakt deze er gebruik van, om hem
uit den kring te halen, en hem te worgen, – anders niet!”

„Nu dan, Dousterswivel, met het meeste vertrouwen in mijn eigen moed en
in uwe bekwaamheid, zullen wij ons van deze verschijning verschoonen en
tot onze bezigheid overgaan.”

„Van ganscher harte; mij kan het niet schelen; en de tijd is ook dáár.
– Belieft Uwé het zwaard te houden, tot ik het vuurtje heb aangelegd.”

„Dousterswivel stak hierop een klein hoopje spanen in brand, die
toebereid waren met eene harsachtige stof, om ze hevig te doen vlammen,
en toen het vuur op het helderste brandde, en voor een korten tijd met
zijn glans al de bouwvallen in het rond verlichtte, wierp de goudzoeker
er een handvol kruiden in, die een sterken en prikkelenden reuk
verspreidden. De bezweerder en zijn leerling werden er zoo zeer door
aangedaan, dat zij sterk hoesten en niezen moesten, en daar de dampen
zich tusschen de pilaren van het gebouw verspreidden, en door al de
reten drongen, hadden ze dezelfde uitwerking op den bedelaar en Lovel.

„Wat is dat voor een echo?” riep de Baronet, verwonderd over het
niezen, dat van boven weêrgalmde; „of,” – zich aan den goudzoeker
vasthoudende, – „kan het de geest ook zijn, van wien gij spraakt, die
onze onderneming tegen zijne verborgen schatten bespot?”

„N–n – neen,” stamelde de goudzoeker, die den schrik van zijn leerling
begon te deelen, „ik hoop van neen!”

Op het zelfde oogenblik bracht eene geweldige niesbui, die de bedelaar
niet weêrhouden kon, en welke bij geene mogelijkheid voor eene echo te
houden was, vergezeld van een hollen half onderdrukten hoest, de beide
schatgravers geheel en al van streek. „God sta ons bij!” riep de
Baronet.

„Alle guten Geister loben den Herrn!” gilde de verschrikte goudzoeker
uit. – „Ik denk,” vervolgde hij, na een oogenblik van stilzwijgen, „dat
het beter zou zijn dit bij daglicht te doen; – het beste ware, dat wij
van hier weggingen!”

„Lage bedrieger!” riep de Baronet, bij wien deze uitdrukkingen een
vermoeden deden ontstaan, dat zijn schrik overwon, daar het zich
vereenigde met het gevoel van wanhoop bij het gevaar van geheel en al
te gronde gericht te zijn; „bedriegelijke kwakzalver! dit is een uwer
streken, om u te ontslaan van het houden uwer belofte, zoo als gij dat
reeds zoo dikwijls gedaan hebt. Maar, bij den hemel! heden nacht wil ik
weten, waarop ik vertrouwde, toen ik mij tot mijn ongeluk met u inliet!
– ga dan voort! – en komen er duivelen of heksen, gij zult mij den
schat laten zien, of zelf bekennen een schurk en bedrieger te zijn, of,
bij het woord van een wanhopend en te gronde gericht man, ik zend u
naar een plaats, waar gij geesten genoeg zult zien!”

De schatgraver, evenzeer bevangen door den angst voor de
bovennatuurlijke wezens, door welke hij zich omringd geloofde, als voor
het verlies van zijn leven, dat in de macht stond van een wanhopig
geworden man, kon slechts uitbrengen: „Mijn patroon! dit is niet eene
allerbeste behandeling. – Bedenk, mijn geëerde heer Baron, dat die
geesten, –”

Hier liet Adam! die deel begon te nemen aan het kluchtige van het
tooneel, een akelig gehuil hooren, eene overdrijving en verlenging van
den weemoedigen klaagtoon, waarop hij gewoon was aalmoezen te vragen. –
Dousterswivel wierp zich op de knieën en steunde: „Beste Sir Arthur,
laat ons gaan, of laat mij gaan!”

„Neen, bedriegelijke schurk!” riep de Baronet, het zwaard, dat hij voor
de bezwering had medegebracht, uit de schede trekkende, „deze uitvlucht
zal u niet helpen! – Monkbarns waarschuwde mij reeds lang voor uwe
schelmsche streken; – ik wil den schat zien, eer gij deze plaats
verlaat, of gij zult u zelven een bedrieger verklaren, en doet gij dat
niet, waarlijk ik jaag u dit zwaard door het lijf, al zouden alle
geesten uit de hel rondom ons verrijzen!”

„In ’s hemels naam! heb geduld, mijn geëerde patroon! en Uwé zal al de
schatten hebben, die ik ken; ja – ja, voorwaar, Uwé zal ze hebben; –
maar spreek niet van de geesten, dat maakt hen boos!”

Adam Ochiltree maakte zich nu gereed, om een nieuw gehuil aan te
heffen, maar werd teruggehouden door Lovel, die meer belangstelling in
de zaak begon te gevoelen, toen hij het ernstige en bijna wanhopige
gedrag van Sir Arthur gadesloeg. Dousterswivel, terzelfder tijd bezield
met de vrees voor den boozen geest en voor het geweld van Sir Arthur,
speelde zijne rol van bezweerder buitengemeen slecht, daar hij de
genoegzame mate van kalm zelfvertrouwen niet durfde toonen, die noodig
was om den laatste te bedriegen. Hij rolde nochtans de oogen, mompelde
en stotterde vreemde bezweringen, verdraaide de gelaatstrekken en
ledematen, meer met wezenlijken angst, dan met overleg, en ging
eindelijk naar een hoek van het gebouw, waar een platte steen lag, met
de daarop uitgehouwen beeldtenis van een gewapenden krijgsman in
liggende houding. „Mijn patroon!” mompelde hij tegen Sir Arthur, –
„hier is het – God helpe ons!”

Sir Arthur, die, nadat het eerste oogenblik van bijgeloovige vrees
voorbij was, al zijne vermogens scheen te hebben opgewonden tot het
uiterste besluit, om het waagstuk door te zetten, verleende den
goudzoeker zijn bijstand, om den steen om te wentelen, wat zij met
vereenigde krachten, door middel van een hefboom, waarvan de goudzoeker
voorzien was, met moeite volbrachten. Geen bovennatuurlijk licht steeg
uit den grond op, om de onderaardsche schatten aan te wijzen, noch had
er eenige verschijning van geesten, aardsche of helsche, plaats. Maar
toen Dousterswivel, hevig bevende, een paar slagen met een houweel
gedaan, en in de haast een paar schoppen aarde uitgeworpen had, (want
de noodige werktuigen ter opdelving waren door hem medegebracht,)
hoorde men den klank van vallende stukken metaal; en Dousterswivel,
snel grijpende naar het voorwerp, dat dus geklonken had, en met de
schop uit de aarde was uitgeworpen, riep uit: „O, mijn beste, waardige
patroon! dit is alles – voorwaar! – ik meen alles, dat wij heden nacht
doen kunnen!” – En hij keek rond met een schichtigen blik, als om te
zien, uit welken hoek de wreker van zijn bedrog verrijzen zou.

„Laat zien,” zeide Sir Arthur; en herhaalde daarop met steeds
toenemenden, strengen ernst: „ik wil voldaan zijn: – ik zal met eigene
oogen zien en oordeelen!” Hij hield dan ook het voorwerp bij het licht
der lantaren. Het was een klein kistje, – maar Lovel kon uit de verte
niet duidelijk den vorm onderscheiden, – hetwelk hij, volgens de
uitroepingen van den Baronet, bij het opendoen, besloot, dat opgevuld
was met munten. „Ei zoo!” zeide de Baronet, „dit is inderdaad gelukkig,
en indien het een geëvenredigd goed geluk op grootere ondernemingen
voorspelt, zal het waagstuk geschieden. Die zeshonderd pond, die ik
opgenomen heb, gevoegd bij mijne andere schulden, moeten mij voorwaar
te gronde richten. – Gelooft gij, dat wij dit kunnen voorkomen door de
proef te hervatten, – bij de eerstvolgende verandering van maan, bij
voorbeeld, – dan zal ik het noodige voorschot wagen, hoe ik er ook aan
kome!”

„O mijn goede patroon!” antwoordde Dousterswivel „laat ons van dat
alles nu niet spreken; maar help mij den steen weder op zijn plaats
leggen, en dan zullen wij weg gaan.” – Dienovereenkomstig bracht hij,
zoodra zij met den steen klaar waren, Sir Arthur, die zich nu op nieuw
door hem liet leiden, van de plaats weg, waar een kwaad geweten en
bijgeloovige vrees den goudzoeker achter elken pilaar spoken deden
veronderstellen, loerende met het oogmerk, om hem voor zijn verraad te
straffen.

„Zag men ooit iets dergelijks?” zeide Adam, toen beiden gelijk schimmen
verdwenen waren door dezelfde poort, waardoor zij binnen gekomen waren;
– „zag men ooit iets dergelijks? – Maar wat kunnen wij doen voor dien
armen, dommen Baronet? – Toch toonde hij veel meer moed, dan ik bij hem
verwacht had; – ik dacht, dat hij den vreemden landlooper het koude
staal door het lijf gejaagd zou hebben. Sir Arthur was niet half zoo
moedig op Lijsjes Schoot; maar toen was zijn bloed niet warm, en dat
maakt een machtig onderscheid. Ik heb menig man gezien, die een ander
in drift zou overhoop gestoken hebben, en niet veel lust zou gehad
hebben, tegen het Crummie’s-hoorn op te klimmen. Maar wat zullen wij
voor hem doen?”

„Ik veronderstel,” zeide Lovel, „dat zijn vertrouwen op dezen kerel
weêr volkomen hersteld zal zijn door dit bedrog, dat zeer zeker te
voren beraamd was.”

„Wat! – het geld? – Ei ja, – geloof dat vrij! – Zij, die verbergen,
weten het best waar te vinden; – hij wacht maar, tot hij hem voor zijne
laatste guinje opgelicht heeft, om zich weg te pakken naar het land,
waar hij te huis behoort, die landlooper! Ik had grooten lust, om zoo
net van pas te komen en hem een klapje met mijn dikken stok te geven;
hij zou dat voor eene benedictie van den een of anderen der vorige
abten gehouden hebben. – Maar het is beter niet onvoorzichtig te zijn;
– langzaam gaat zeker; – vroeger of later vind ik hem!”

„Wat dunkt u er van, om den heer Oldbuck in te lichten?” zeide Lovel.

„Ja! dat weet ik niet! – Monkbarns en Sir Arthur gelijken elkander, en
toch gelijken zij elkander niet. Monkbarns heeft soms invloed op hem,
en soms bekreunt zich Sir Arthur even weinig om hem, als om mij.
Monkbarns is ook zelf in eenige dingen niet al te wijs. – Hij zou een
oud tweestuivers-stuk voor eene Romeinsche munt aannemen, zoo als hij
ze noemt, of eene gracht voor eene legerplaats houden, alleen op een
leugen, die er de leêgloopers van verzinnen. Ik zelf, God vergeve het
mij! heb hem menig fijn uitgedacht vertelsel voor goede munt
aangepraat. Maar met dat al, is hij zeer weinig toegeeflijk jegens
anderen; en hij is vlug en hard genoeg, om hen hunne dwaasheden te
verwijten, – alsof hij er zelf geene had! Hij zal u den geheelen dag
aanhooren, als gij hem vertelt van Wallace, en den blinden Hendrik, en
David Lindsay; maar gij moet hem niet spreken van spoken en heksen, of
geesten, die op de aarde rondwaren, of iets dergelijks. Hij heeft den
ouden Caxon bijna uit het venster gesmeten, (en hij had even goed hem
zijne beste pruik achterna kunnen smijten,) omdat hij hem vertelde, dat
hij een geest gezien had op den humlock-berg. En als hij het nu in dien
zin opnam, zou hij wellicht driftig worden en meer kwaad dan goed doen;
– dat is al een paar maal het geval geweest wat die mijnen betreft; –
het was, alsof Sir Arthur genoegen schepte om er zich dieper in te
steken, naarmate Monkbarns hem daartegen waarschuwde.”

„Hoe zoudt gij het dan vinden,” zeide Lovel, „indien, wij de zaken ter
kennis van Freule Wardour brachten!”

„Och, het arme kind! hoe zou zij haren vader beletten zijn zin te doen?
– En dan, wat zou het helpen? – Men spreekt reeds onder de menschen
over de zeshonderd pond, en een van de procureurs te Edinburg heeft Sir
Arthur reeds de sporen van de wet in de zijde gedrukt om hem te doen
betalen, en als hij het niet kan, moet hij òf in de gijzeling, òf het
land ruimen. Hij is wanhopig geworden, en grijpt naar deze kans, als
het eenige wat hem van den ondergang kan redden. Waartoe zou het dus
dienen, het arme meisje te plagen met iets, dat niet te verhelpen is? –
En buitendien, om de waarheid te zeggen zou ik niet gaarne het geheim
van deze plaats ontdekken. Het komt altijd te pas, zoo als gij zelf nu
ziet, om eene schuilplaats op eigen hand te hebben, en ofschoon ik er
nu geene meer noodig heb, en den hemel bid, dat ik niets doen zal, om
er weêr eene te behoeven, zoo kan toch niemand weten, aan welke
verzoeking hij blootgesteld zal worden. En, om kort te gaan, ik kan de
gedachte niet uitstaan, dat iemand iets van deze plaats zou weten. Men
zegt: bewaar een ding zeven jaren, en het zal u te pas komen; – en het
kan gebeuren, dat ik het hol noodig heb voor mij zelven, of iemand
anders.”

Deze reden, waarbij Adam Ochiltree, in weêrwil van zijne zedelessen en
vroome woorden, bijzonder gehecht scheen te zijn, zoowel uit gewoonte
als uit eigenbelang, kon niet goed door Lovel bestreden worden, die op
dat oogenblik het voordeel genoot van het geheim, over welks bewaring
de oude man zich zoo ongerust toonde.

Intusschen was dit avontuur voor Lovel van grooten dienst geweest, want
het had zijn geest afgeleid van de ongelukkige gebeurtenis van den
avond, en merkelijk de veerkracht zijner ziel hersteld, die hem bij het
eerste gezicht van zijn ongeluk verlaten had. Hij bedacht zich, dat het
geenszins noodzakelijk volgde, dat eene gevaarlijke wonde doodelijk
was; – dat men hem van de plaats weggebracht had, zelfs eer de wondarts
een woord over den toestand van Kapitein M’Intyre gezegd had, – en dat
ook, als het ergste gebeurde, hem plichten op aarde te vervullen
bleven, die, zoo zij de zielskalmte, of het gevoel der onschuld al niet
konden herstellen, altijd een beweeggrond zouden opleveren, om zijn
leven te verduren, en het ter zelfder tijd aan de meest werkzame
weldadigheid toe te wijden.

Zoo waren de gevoelens van Lovel, toen het uur naderde, waarop, volgens
de berekening van Adam Ochiltree, die ten gevolge van zijne opmerkingen
aangaande den loop der sterren, den bijstand van uurwerk of een anderen
tijdmeter niet behoefde, het zaak was, om hunne schuilplaats te
verlaten, en zich naar het strand te begeven, om de boot van Luitenant
Taffril, overeenkomstig de afspraak, te ontmoeten.

Zij keerden langs denzelfden gang terug, die hen tot de geheime
zitplaats der voormalige abten gebracht had; en toen zij uit de grot in
het bosch kwamen, kondigde het geluid, en zelfs het gezang der vogelen
den reeds naderenden dageraad aan. Hierin werden zij bevestigd door de
licht gele wolken, welke zich over de zee vertoonden, zoodra zij, toen
zij het bosch achter zich hadden, een vrij gezicht op den horizon
kregen. Het morgenuur, hetwelk men zegt dat de zanggodinnen gunstig is,
heeft waarschijnlijk deze eigenschap verkregen door zijne uitwerking op
de verbeeldingskracht en de gevoelens der menschen. Zelfs voor hen,
die, gelijk Lovel, een slapeloozen en angstigen nacht hebben
doorgebracht, is de morgenkoelte eene versterking en verkwikking voor
geest en lichaam. Met nieuwe krachten bezield, stapte dus Lovel,
aangevoerd door den trouwen bedelaar, wakker en opgeruimd, door den
dauw over de duinen, welke de Den of het woud van St. Ruth, zoo als de
bosschen, die de bouwvallen omgeven, algemeen genoemd werden, van het
zeestrand scheidden.

Toen hare schitterende schijf uit den Oceaan begon te verrijzen, vielen
de eerste stralen der zon op den kleinen oorlogsbrik, die op de reê
lag. Aan het strand bevond zich de wachtende boot reeds, en Taffril
zelf, in zijn mantel gehuld, zat aan het roer. Hij sprong uit de boot,
zoodra hij den bedelaar met Lovel zag naderen, en den laatste hartelijk
de hand schuddende, verzocht hij hem niet neêrslachtig te zijn.
„M’Intyre’s wond,” – zeide hij, – „was bedenkelijk, maar waarschijnlijk
niet doodelijk.” – Hij had zorg gedragen om het goed van Lovel in
stilte aan boord van den brik te doen brengen; en hij vertrouwde, dat,
als Lovel op het schip verkoos te blijven, de straf van een klein
tochtje het eenige onaangename gevolg van deze ontmoeting zou zijn. Wat
hem zelven betrof, zijn tijd en zijne bewegingen waren grootendeels
vrij, uitgezonderd de noodzakelijke verplichting van op zijn station te
blijven.

„Wij zullen over onze verdere bewegingen spreken,” zeide Lovel, „zoodra
wij aan boord zijn.”

Daarop zich naar Adam wendende, trachtte hij hem wat geld in de hand te
drukken. „Ik geloof,” zeide Adam, terwijl hij het terug wilde geven,
„dat alle menschen hier gek zijn geworden, of dat zij mijn ambacht te
gronde richten willen, even als men zegt, dat te veel water den
molenaar verdrinkt. Men heeft mij in deze laatste paar weken meer goud
aangeboden, dan ik ooit vroeger in mijn leven gezien heb. Bewaar uw
geld, jongeling! gij zult het noodig hebben, geloof mij, en ik behoef
het niet. Voor mijne kleederen heb ik niet veel noodig, en ik krijg
alle jaar een blauwen rok, en juist zoo veel zilveren
vierstuivers-stukken, als de Koning, God zegene hem, jaren oud is! Gij
en ik dienen denzelfden heer, zoo als gij weet, Kapitein Taffril! Wij
krijgen onze uitrusting, – en eten en drinken heb ik voor het vragen
als ik rondga, of, is er iets buitengewoons te doen, dan kan ik er een
paar dagen buiten; want mijn regel is, om nooit te betalen: – zoodat al
het geld, dat ik noodig heb, alleen dient om tabak en snuif te koopen,
en soms een slokje bij koud weêr, ofschoon ik geen jeneverdrinker ben,
al ben ik een oude bedelaar. Dus neem uwe goudstukken terug, en geef
mij een blanken schelling.”

Van deze eigenzinnige begrippen, die zoo als Adam zich verbeeldde, ten
nauwste in verband stonden met de eer van zijn beroep, was hij niet af
te brengen en was noch door drangredenen noch door bidden daartoe te
bewegen, en Lovel was dus verplicht, zijne gift weêr op te steken, en
een vriendelijk afscheid van den bedelaar te nemen; hij gaf hem dus de
hand en betuigde hem zijn hartelijken dank voor den gewichtigen dienst,
welken hij hem bewezen had; terwijl hij hem ter zelfder tijd
geheimhouding aanbeval van hetgeen zij dien nacht gezien hadden. –
„Twijfel daar niet aan,” zeide Ochiltree; „nooit in mijn leven vertelde
ik iets uit gindsch hol, ofschoon ik er menig aardig stukje in beleefd
heb.”

De boot stak nu in zee. De oude man bleef haar nakijken, terwijl zij
snel naar den brik vloog, door de riemen van zes wakkere roeiers
gedreven, en Lovel zag hem op nieuw zijne blauwe muts zwaaien tot
teeken van afscheid eer hij zich omwendde en zijn weg langzaam langs
het strand vervolgde, als om zijne dagelijksche rondzwervingen te
hervatten.








TWEEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK


          Raimond neemt proef op proef, en wijkt niet van ’t fornuis,
          Lacht wat met het gevaar, dat ondermijnt zijn huis,
          En ziet gerust zijn land in gulden rook verdwijnen.
          Een tweede proef mislukt, toch raakt hij niet aan ’t kwijnen;
          Een derde geeft nog hoop, die maakt hem moedig, stout,
          En doet hem pot en pan toewijden aan het goud. [23]


Ongeveer eene week na de voorvallen, die wij in het laatste hoofdstuk
mededeelden, merkte de heer Oldbuck, toen hij naar zijne ontbijtkamer
beneden kwam, dat zijn vrouwvolkje haren plicht niet vervuld had: zijn
geroosterd brood was niet gereed, en de zilveren kan, voor zijn bier
bestemd, was niet behoorlijk verwarmd.

„Die verwenschte, heethoofdige jongen!” – zeide hij bij zich zelven,
„nu dat hij buiten gevaar begint te zijn, kan ik deze wijze van leven
niet langer verduren! – Hij brengt alles in de war! Het is, alsof de
Saturnalia in mijne vreedzame en geregelde huishouding gevierd werden.
– Ik vraag naar mijne zuster; – geen antwoord; ik roep, ik schreeuw, –
ik bezweer mijne huisgenooten bij meer namen, dan de Romeinen aan hunne
godheden gaven: – eindelijk verwaardigt zich Jenny, wier schelle stem
ik reeds een half uur in het onderaardsch verblijf der keuken heb
gehoord, om mij te woord te staan; maar zonder naar boven te komen,
zoodat het gesprek ten koste van mijne longen moet worden voortgezet.”
– Hier verhief hij de stem op nieuw: „Jenny! waar is jufvrouw Oldbuck?”

„De jufvrouw is in de kamer van den kapitein.”

„Dacht ik het niet! – en waar is mijne nicht?”

„Jufvrouw Mary zet thee voor den kapitein!”

„Zoo! ook dat kon ik raden; – en waar is Caxon?”

„Naar de stad, om mijnheers geweer en jachthond te halen!”

„En wie drommel zal mij de pruik opmaken, onnoozel schepsel? – gij weet
wel, dat Sir Arthur en freule Wardour dadelijk na het ontbijt komen en
hoe kondet gij Caxon op zulk eene dollemans boodschap zenden?”

„Ik! hoe zou ik het beletten? Mijnheer zou toch niet willen, dat ik
juist nu den kapitein zou tegenspreken, en de oorzaak van zijn dood
zijn?”

„Dood!” riep de verschrikte oudheidkenner, – „hoe – wat? is hij dan
erger geworden?”

„Neen, erger is hij niet, dat ik weet!” [24]

„Dan moet hij beter zijn; – en waartoe zouden hier een hond en een
geweer dienen? – de een, om al mijn huisraad te vernielen, de
vleeschkast te bestelen, en misschien de kat te plagen, en het ander,
om dezen of genen ongelukkige door het hoofd te schieten? – Hij is
reeds zóó door geweren en pistolen toegetakeld, dat hij, dunkt mij, het
er een tijdlang meê doen kan!”

Hier trad jufvrouw Oldbuck in de kamer, aan welker deur Oldbuck het
gesprek voerde, – hij brullende naar de diepte toe, en Jenny hare
antwoorden opwaarts krijschende. „Waarde broeder!” zei de oude dame,
„gij zult u zoo schor maken als een raaf! – schreeuwt men ook zóó, als
er een, zieke in huis is!”

„Op mijn woord, de zieke schijnt het geheele huis in bezit te hebben.
Ik heb geen ontbijt gehad, en het laat zich aanzien, dat ik ook zonder
pruik moet blijven; en ik durf niet zeggen, dat ik honger en koude
voel, uit vrees van den zieken jongen heer te storen, die zich toch wel
genoeg bevindt, om zijn hond en zijn geweer te laten halen, ofschoon
hij weet, dat ik zulke dingen altijd verfoeid heb, sedert onze oudste
broeder, de arme Williewald, deze aarde verliet met een paar natte
voeten, die hij in de Kittlefitting-moeras haalde. Maar dat beteekent
alles niets; – men verwacht, naar ik veronderstel, dat ik straks de
hand zal leenen, om den heer Hector op een draagstoel naar buiten te
helpen dragen, om hem in de gelegenheid te stellen, zijne liefde voor
de jacht bot te vieren, met mijne duiven en kalkoenen dood te schieten;
– de ferae naturae zullen, denk ik, een tijdlang van hem bevrijd
blijven.”

Mary M’Intyre trad nu binnen, en begon hare gewone morgentaak, het
ontbijt voor haren oom in orde te brengen, met de vlugheid van iemand,
die te laat aan het werk gaat en zich spoedt, om den verloren tijd in
te halen. Maar dit hielp haar niet. „Wees voorzichtig, onnoozele deern!
– het bier is te dicht bij het vuur; – de flesch zal springen, – en ik
veronderstel, dat gij het geroosterd brood tot eene kool wilt laten
verbranden, als een zoenoffer voor Juno, – of met welken heidenschen
naam gij die teef daar noemt, – welke uw wijze broeder, in zijne eerste
oogenblikken van rijp nadenken, laat halen als een geschikt lid van
mijn huisgezin, (ik bedank hem zeer!) en een geschikt gezelschap, voor
het overige vrouwvolkje hier, in het dagelijksch gesprek en den omgang
met hem!”

„Lieve oom, wees niet knorrig op het arme dier; het lag geketend in
mijn broeders kamer te Fairport, en is tweemaal losgebroken, en hier
naar toe komen loopen, om hem op te zoeken; en gij zoudt toch niet
willen dat wij het trouwe beest wegjoegen; – het jankt, alsof het eenig
besef van Hectors ongeluk had, en is nauwelijks van zijne kamerdeur weg
te krijgen.”

„Wel! zij zeiden, dat Caxon naar Fairport gegaan was om den hond en het
geweer te halen!”

„O neen, waarde oom, het was om een nieuw verband te halen, en Hector
verlangde alleen, dat, nu hij toch ging, hij zijn geweer mede zou
brengen.”

„Wel, dan is, alles samengenomen, de boodschap zoo ongerijmd niet,
aangezien een pak vrouwen zich daarmede bemoeid hebben; verband, zegt
gij? – en wie zal mijne pruik opmaken? – maar ik veronderstel, dat
Jenny dat ondernemen zal,” vervolgde de oude heer, terwijl hij zich in
den spiegel bekeek. – „En nu laat ons ontbijten, zoo goed wij kunnen. –
Wel mag ik tot Hector zeggen, wat Sir Isaäk Newton tegen zijn hond
Diamant zeide toen het dier (ik heb een afkeer van honden), het licht
omver wierp op berekeningen, die den wijsgeer twintig jaren arbeids
gekost hadden, en ze allen verbrandde: „Diamant, Diamant! gij beseft
weinig de schade, die gij veroorzaakt hebt!””

„Ik verzeker u, oom, dat het mijn broeder zeer spijt zoo driftig te
zijn geweest, en hij bekent, dat de heer Lovel zich zeer goed gedragen
heeft.”

„En dat zal veel helpen, nadat hij den jongen van schrik het land heeft
doen ruimen! – Ik zeg u, Mary, Hector’s verstand, en veel minder nog
dat van eenig vrouwelijk wezen, is in staat om de grootte van het
verlies te beseffen, dat hij het tegenwoordige geslacht en de geheele
nakomelingschap heeft toegebracht; – aureum quidem opus, – een
dichtstuk over zulk een onderwerp! – met ophelderende noten betreffende
alles wat klaar en alles wat duister, en alles wat noch duister noch
klaar is, maar in de donkere schemering der Caledonische oudheden
zweeft! Ik zou de Celtische lofredenaars voorzichtigheid geleerd
hebben! – Fingal, zoo als zij stijfhoofdig Fin-Mac-Coul noemen, zou
voor mijne navorschingen verdwenen zijn, en zich, als de geest van Loda
[25], in zijne wolk gehuld hebben. Zulk eene gelegenheid biedt zich
zelden ten tweeden male aan een ouden man aan, – en die te verliezen
door de dollemans drift van een heethoofdigen jongen! – maar ik
onderwerp mij; – ’s Hemels wil geschiede!”

Dus ging de oudheidkenner onder het ontbijt steeds voort met pruttelen,
zoo als zijne zuster het noemde; terwijl zijne aanmerkingen, in weêrwil
van de suiker en den honig en al de konfijten van eene Schotsche
ontbijttafel, het genot daarvan voor al de aanwezigen verbitterde. Maar
zij kenden zijn hart. „Monkbarns,” zeide Grizelda Oldbuck, in een
vertrouwelijk gesprek met jufvrouw Rebekka Blattergowl, „blaft
vinniger, dan hij bijt.”

Hij had zeer veel geleden, zoolang zijn neef zich werkelijk in gevaar
bevond, en nu, dat deze begon te herstellen, gevoelde hij zich in
staat, om lucht aan zijne klachten te geven over de onrust, die men hem
veroorzaakt had, en het storen zijner oudheidkundige bezigheden. Met
een eerbiedig stilzwijgen door zijne nicht en zuster aangehoord, uitte
hij dan ook zijn misnoegen, knorrende en morrende, zoo als wij
beschreven hebben, met menige steek tegen de vrouwen, soldaten, honden
en geweren, welke geraasmakende werktuigen van tweedracht en oproer,
zoo als hij die noemde, hij verklaarde zoo veel mogelijk te verfoeien.

Het rollen van een rijtuig vóór de deur maakte plotseling een einde aan
deze uitboezemingen, en Oldbuck vergat zijne kwade luim, om vlug trap
af trap op te loopen, want beide was noodig, eer hij Isabella Wardour
en haren vader aan de voordeur kon ontvangen.

Men begroette elkander over en weêr hartelijk; en Sir Arthur, sprekende
van de vorige berichten, die hij schriftelijk en mondelings omtrent de
gezondheid van Kapitein M’Intyre ingewonnen had, verzocht nader te
mogen vernemen, hoe deze zich bevond.

„Beter, dan hij verdient,” was het antwoord; „beter, dan hij verdient,
na ons verontrust te hebben met zijne krakeelen en de wetten van God en
den koning geschonden te hebben.”

„De jonge man,” zeide Sir Arthur, „is onvoorzichtig geweest; maar wij
zijn hem, naar ik verneem, dank schuldig, omdat hij het verdachte
karakter van den jongen Lovel ontdekt heeft.”

„Niet meer verdacht, dan het zijne; – de jonge heer was een weinig
dwaas en stijfhoofdig, en weigerde op de beleedigende vragen van Hector
te antwoorden; – dat is alles! Lovel, Sir Arthur, weet zijne
vertrouwelingen beter te kiezen; – ja, freule Wardour, gij poogt mij
aankijken zooveel gij wilt, – het is nochtans de zuivere waarheid! Aan
mij vertrouwde hij de geheime reden van zijn verblijf te Fairport, en
van mijne zijde zal ik niets onbeproefd laten om hem in de onderneming,
waaraan hij zich toewijdde, te ondersteunen.”

Toen Isabella Wardour deze stoute verklaring van den oudheidkenner
hoorde, veranderde zij meer dan eens van kleur en kon nauwelijks hare
ooren gelooven; want van alle menschen, die men tot vertrouweling in
eene liefdezaak zoude kunnen kiezen, – en zij moest natuurlijk
veronderstellen, dat het medegedeelde van dezen aard geweest was, –
scheen haar (na Adam Ochiltree) Oldbuck de minst kiesche en de meest
zonderlinge. Ook was zij evenzeer verwonderd en gekweld door den
vreemden samenloop van omstandigheden, die dus een geheim van zoo
teederen aard in de macht van menschen brachten, zoo weinig geschikt,
om er mede bekend te wezen. Zij had daarbij de wijze te duchten, waarop
Oldbuck de zaak aan haren vader zou openbaren; want zij twijfelde
geenszins, of dit was zijn voornemen. Zij wist zeer goed, dat de
eerlijke oude heer, ofschoon bijzonder ingenomen met zijne eigene
begrippen, nochtans weinig toegeeflijk was omtrent die van anderen; en
zij voorzag een zeer onaangenaam tooneel, als het tusschen de beide
heeren tot eene verklaring kwam. Het was dus niet zonder grooten angst,
dat zij haren vader om een afzonderlijk gesprek hoorde verzoeken, en
Oldbuck vlug zag opstaan en hem den weg naar zijn studeervertrek
wijzen. Zij bleef achter en trachtte zich met de dames van Monkbarns te
onderhouden; maar met de verstrooide, gejaagde gewaarwordingen van
Shakespeare’s Macbeth, als hij, om zijn boos geweten te verbergen,
genoodzaakt is, naar de aanwezige hovelingen te luisteren, en hunne
aanmerkingen over den storm van den vorigen nacht aan te hooren,
terwijl hij met zijne gansche ziel aan den moordkreet hangt, welken hij
weet, dat oogenblikkelijk aangeheven zal worden door hen, die zich naar
het slaapvertrek van Duncan begeven. – Maar het gesprek van de twee
geleerde heeren bepaalde zich tot een geheel ander onderwerp, dan
Isabella Wardour gevreesd had.

„Mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, zoodra zij, na behoorlijke
weêrkeerige plichtplegingen, deftig in het sanctum sanctorum van den
oudheidkenner plaats genomen hadden, – „gij weet zoo veel van mijne
huiselijke aangelegenheden, dat gij waarschijnlijk verwonderd zult zijn
over de vraag, die ik ga doen.”

„Inderdaad, Sir Arthur, indien het geldzaken betreft, doet het mij zeer
veel leed; maar, –”

„Het betreft geldzaken, mijnheer Oldbuck!”

„Waarlijk dan, Sir Arthur,” vervolgde de oudheidkenner, „in den
tegenwoordigen staat van de geldmarkt, en daar de fondsen zoo laag
staan, –”

„Gij begrijpt mij verkeerd, mijnheer Oldbuck,” zeide de Baronet; „ik
wenschte raad, hoe eene groote som gelds op voordeelige wijze te
beleggen.”

„De drommel!” riep de oudheidkenner uit; maar tevens gevoelende, dat
dit onwillekeurig blijk van verwondering niet al te beleefd was,
rechtvaardigde hij het, door zijne vreugde te kennen te geven, dat Sir
Arthur eene som gelds te beleggen had op een oogenblik, dat het geld
zoo schaarsch was. „En wat de wijze betreft, hoe het te besteden,”
vervolgde hij, een oogenblik zwijgende, „de fondsen zijn tegenwoordig
laag, zoo als ik reeds zeide, en men kan zeer goede koopjes in
landerijen doen. Maar deedt gij niet beter, Sir Arthur, als gij begont
met hetgeen gij opgenomen hebt, af te doen? – Daar is eerst uwe
schuldbekentenis, – en dan de drie uitgestelde wissels,” – vervolgde
hij, terwijl hij uit de lade, aan de rechterhand van zijn kabinet,
zekeren rooden portefeuille nam, welks gezicht Sir Arthur, door de
ondervinding van vroegere veelvuldige beroepen er op, niet meer
verdragen kon, „met de interesten, bedragende te zamen, – laat zien, –”

„Ongeveer duizend pond,” zeide Sir Arthur haastig; „gij gaaft mij
onlangs het bedrag op.”

„Maar er is sedert dien tijd een nieuw termijn van de interesten
verschenen, Sir Arthur, en het bedraagt (abuizen uitgezonderd), elf
honderd en dertig pond, zeven schellingen, en drie vierde stuivers
sterling; – maar, zie zelf de optelling na!”

„Ik geloof wel, dat gij volkomen gelijk hebt, waarde heer!” zei de
Baronet het boek met de hand wegschuivende, zoo als iemand de
ouderwetsche beleefdheid afwijst, die hem iets blijft opdringen, nadat
hij meer dan genoeg gebruikt heeft; – „volmaakt gelijk en na verloop
van drie dagen, of eerder, zult gij de volle som hebben; – dat is,
indien gij die verkiest aan te nemen in ongemunt metaal.”

„Ongemunt metaal! ik veronderstel, dat gij lood bedoelt. Wat drommel!
hebben wij dan eindelijk de aâr getroffen? – Maar wat zou ik met
duizend pond waarde, en meer, aan lood doen? De voormalige abten van
Trotcosey hadden er wellicht hunne kerk en klooster meê belegd; – maar
voor mij, –”

„Door metaal” – viel hem de Baronet in de rede, „bedoel ik de edele
metalen: – goud en zilver.”

„Zoo waarlijk? – En welk Eldorado zal die schatten opleveren?”

„Een, dat niet ver van hier is,” antwoordde Sir Arthur met veel
beteekenis, „en nu ik er aan denk, zult gij de gansche toedracht der
zaak vernemen, onder ééne geringe voorwaarde.”

„En die is?” vroeg de oudheidkenner.

„Wel, gij zult mij uw vriendelijken bijstand verleenen, door één
honderd pond, of daaromtrent, voor te schieten.”

De heer Oldbuck, die reeds meende het geld in handen te hebben,
hoofdsom en al renten van eene schuld, die hij meer dan half opgegeven
had, was zoo zeer verwonderd om de kaart dus onverwacht tegen hem
gekeerd te zien, dat hij slechts op een toon van teleurstelling en
verwondering de woorden herhalen kon: „Honderd pond voorschieten!”

„Ja, mijn waarde heer!” vervolgde Sir Arthur; „maar met de stellige
verzekering van binnen twee of drie dagen uw geld terug te ontvangen!”

Er heerschte een oogenblik van stilzwijgen, – hetzij dat Oldbuck nog
niet genoegzaam hersteld was om een weigerend antwoord uit te brengen,
of dat hem de nieuwsgierigheid deed zwijgen.

„Ik zou u niet voorslaan,” vervolgde Sir Arthur, „om mij dus te
verplichten, indien ik niet werkelijk de bewijzen in handen had van de
vervulling der verwachtingen, die ik u thans mededeel. En ik verzeker
u, mijnheer Oldbuck, dat ik u die alleen mededeel als een bewijs van
mijn vertrouwen, en om u te toonen hoe diep ik de goedheid besef, die
gij bij zoo vele vroegere gelegenheden gehad hebt.”

De heer Oldbuck gaf zijne verplichting te kennen; maar vermeed
zorgvuldig, zich door eenige belofte tot verderen bijstand te
verbinden.

„De heer Dousterswivel,” ging sir Arthur voort, „ontdekt hebbende, –”

Hier viel Oldbuck hem in de rede, terwijl zijne oogen van
verontwaardiging fonkelden. „Sir Arthur, ik heb u zoo dikwijls voor
dien bedriegelijken kwakzalver gewaarschuwd, dat ik waarlijk verwonderd
ben, u hem in mijn bijzijn te hooren noemen.”

„Maar luister eens, – luister eens,” riep Sir Arthur op zijne beurt,
„dat kan u geen kwaad! Met één woord: Dousterswivel overreedde mij,
eene proef bij te wonen, die hij nemen wilde in de bouwvallen van St.
Ruth, – een wat denkt gij, dat wij vonden?”

„Een anderen waterput, veronderstel ik, van welks ligging de schurk
zich te voren zorgvuldig verzekerd had.”

„Neen, neen! – een kistje met gouden en zilveren munten! – hier zijn
ze!”

Ter zelfder tijd haalde Sir Arthur een grooten ramshoren met koperen
deksel uit zijn zak, dat een aanmerkelijk aantal muntstukken bevatte,
vooral zilveren, maar ook eenige gouden. De oogen van den oudheidkenner
glinsterden, terwijl hij ze ongeduldig over de tafel verspreidden.

„Op mijn woord, – Schotsche, Engelsche en vreemde munten van de
vijftiende en zestiende eeuw, en eenige er van rari, – et rariores, –
etiam rarissimi – Hier is een stuk van Jakob V, – de eenhoren van Jakob
II, – ei! en de gouden penning van Koningin Maria, met haar hoofd en
dat van den Dauphin. – En deze werden in de bouwvallen van St. Ruth
gevonden?”

„Wel zeker! – ik heb het met eigen oogen gezien.”

„Wel,” hernam Oldbuck, „maar gij moet mij mededeelen het wanneer, het
wáár, – het hoe, –”

„Het wanneer –” antwoordde Sir Arthur – „was te middernacht bij de
laatste volle maan; – het wáár, zoo als ik u gezegd heb, in de
bouwvallen van St. Ruth, – het hoe, was door eene nachtelijke proef van
Dousterswivel, alleen door mij bijgewoond.”

„Inderdaad!” riep Oldbuck, „en welke middelen ter ontdekking hebt gij
gebezigd?”

„Slechts eene eenvoudige berooking,” zeide de Baronet, „die van kracht
was, omdat wij ons van het juiste planeetuur bedienden.”

„Eenvoudige berooking? eenvoudige ongerijmdheid! – planeetuur?
planeetonzin! – sapiens dominabitur astris. – Mijn waarde Sir Arthur,
die vent heeft een uil van u gemaakt boven den grond en onder den
grond, en hij zou ook nog een uil van u gemaakt hebben in de lucht, als
hij er bij geweest ware, toen gij opgeheeschen werd te Halket-head; –
toen ware de verandering bijzonder à propos geweest!”

„Wel, mijnheer Oldbuck, ik ben u zeer verplicht voor de vleiende
gedachte, die gij van mijn doorzicht hebt; maar gij zult, denk ik,
gelooven dat ik gezien heb, wat ik beweer dat ik zag!”

„Zonder twijfel, Sir Arthur!” zei de oudheidkenner, „in zoo verre ten
minste, dat ik zeer wel weet, dat Sir Arthur Wardour niet zal zeggen
iets gezien te hebben, dat hij zich niet verbeeld heeft te zien.”

„Nu dan,” antwoordde de Baronet, „zoo zeker, als er een hemel boven ons
is, mijnheer Oldbuck, zag ik met eigen oogen deze munten opdelven te
middernacht, in het koor van St. Ruths kerk. – En wat Dousterswivel
betreft, ofschoon de ontdekking aan zijne wetenschap te danken is, zoo
geloof ik echter, om u de waarheid te zeggen, dat hij den moed niet zou
gehad hebben, om ze door te zetten, als ik niet bij hem geweest ware!”

„Zoo! inderdaad!” zeide Oldbuck, op den toon van iemand, die het einde
van een verhaal wenscht te hooren, eer hij eenige aanmerking daarover
maakt.

„Ja, waarlijk,” vervolgde Sir Arthur, „ik verzeker u, dat ik op mijne
hoede was; – wij hoorden ook eenige zeer vreemde geluiden van tusschen
de bouwvallen.”

„O, zoo?” zeide Oldbuck, „zeker een van zijne makkers daaronder
verstopt?”

„Volstrekt niet,” zei de Baronet; „de klanken, ofschoon van
schrikbarenden en bovennatuurlijken aard, geleken veeleer op het geluid
van iemand, die hard niest, dan op iets anders; – daarbij hoorde ik nog
duidelijk een diepen zucht, – en Dousterswivel verzekerde mij, dat hij
den geest Peolphan, den grooten jager van het Noorden, zag, (sla over
hem uw Nicolaus Remigius, of uw Petrus Thyracus na, mijnheer Oldbuck),
die deed alsof hij een snuifje nam, en toen niesde.”

„Deze geluiden, hoe zonderling ook, bij zulk een wezen, schijnen zeer á
propos geweest te zijn,” zei de oudheidkenner; „want gij ziet, dat het
kistje, waarin zich de munten bevinden, het voorkomen heeft van eene
oude Schotsche snuifdoos. Maar gij hield vol, in weêrwil van de
verschrikkelijkheden van dit niezend spook?”

„Wel, ik geloof dat iemand van minder verstand of karakter zich zou
hebben laten afschrikken; maar ik wilde mij niet laten bedriegen; ik
ben het aan mijn naam verschuldigd, om in alle omstandigheden moed te
behouden, en dus noodzaakte ik Dousterswivel wel, door ernstige en
hevige bedreigingen, om voort te gaan met hetgeen hij verrichtte; en,
mijnheer, hij gaf blijken van zijne bekwaamheid en eerlijkheid door het
ontdekken van deze gouden en zilveren stukken, waaruit ik u verzoek die
munten te kiezen, welke u het best in uwe verzameling te pas komen.”

„Wel, Sir Arthur, daar gij zoo goed zijt, en onder voorwaarde, dat gij
mij vergunt, er de waarde van, volgens Pinkerton’s opgave en
waardeering, tegen uwe rekening in mijn rood boekje aan te teekenen,
zal ik gaarne, –”

„Neen!” zeide Sir Arthur Wardour, „ik wenschte, dat gij ze niet anders
beschouwdet, dan als een blijk mijner vriendschap, en het minst van
alles zou ik mij willen houden aan de waardeering van uw vriend
Pinkerton, die het gezag bestreden heeft der oudste en geloofwaardigste
schrijvers, op wie, als op eerbiedwaardige en met mos begroeide zuilen,
het aanzien van onze Schotsche oudheden rust.”

„Zoo, zoo,” hernam Oldbuck, „gij bedoelt waarschijnlijk Maire en Boece,
den Jachin en den Boas, niet der geschiedenis, maar van de vervalsching
en van het bedrog. En niettegenstaande al wat gij mij verhaald hebt,
beschouw ik uw vriend Dousterswivel als even weinig geloofwaardig als
één van hen.”

„Wel nu, mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, „om geene oude twisten op
te rakelen, gij denkt, naar ik veronderstellen moet, dat het mij,
dewijl ik aan de oude geschiedenis van mijn vaderland geloof, aan oogen
en ooren ontbreekt, om zeker te zijn van de gebeurtenissen, die onder
mijne oogen voorvallen?”

„Vergeef, mij, Sir Arthur!” antwoordde de oudheidkenner; „maar ik
beschouw al de blijken van schrik, welke deze waardige heer, uw
collaborator, verkoos voor te wenden, slechts als een gedeelte van
zijne rol. En, wat de gouden en zilveren munten betreft, deze leveren
zulk een mengelmoes op van verschillende landen en dagteekening, dat ik
die onmogelijk voor een verborgen schat houden kan, maar veeleer
veronderstel, dat ze gelijk zijn aan de beurzen op de tafel van
Hudibras’ pleitbezorger:


        „Geld ten toon gespreid, als eieren in een nest,
            Om cliënten aan te halen
            En valschen raad te doen betalen.”


„Dergelijke kunstjes zijn in ieder beroep bekend, waarde Sir Arthur!
Maar, mag ik u vragen, hoeveel kost deze ontdekking?”

„Ongeveer tien guinjes.”

„En gij hebt de wezenlijke waarde gekregen van twintig guinjes in
ongangbare munten, en zoo veel meer nog, als ze daarenboven waard mogen
zijn voor zulke dwazen als wij, die de zeldzaamheid er van betalen.
Dit, moet ik veronderstellen, was een lokaas, om er bij de eerste
gelegenheid partij van te trekken. En wat stelt hij u nu voor te
wagen?”

„Honderdenvijftig pond; ik heb hem een derde gedeelte van het geld
gegeven, en met het overige, dacht ik, zoudt gij mij kunnen bijstaan.”

„Dit dunkt mij kan de laatste slag niet wezen; – het is te weinig en
niet beduidend genoeg; waarschijnlijk laat hij ons ook nog dezen keer
winnen, zoo als fijne spelers soms met een onervarene doen. – Sir
Arthur, gij gelooft, hoop ik, dat ik u gaarne van dienst zou zijn?”

„Zeker, mijnheer Oldbuck, ik verbeeld mij, dat mijn vertrouwen in u bij
deze gelegenheid daaromtrent geen twijfel over laat.”

„Nu dan, sta mij toe, dat ik met Dousterswivel spreek. Indien het geld
tot uw nut en voordeel kan worden voorgeschoten, zult gij er als oude
buurman, niet om verlegen blijven; maar indien ik, zoo als ik me
verbeeld, den schat voor u ontdekken kan zonder een dergelijk
voorschot, zult gij, veronderstel ik, er niets tegen hebben?”

„Dat is aan geen bedenking onderhevig; ik kan er niets hoegenaamd tegen
hebben!”

„Nu dan! Waar is Dousterswivel?” vervolgde de oudheidkenner.

„Om u de waarheid te zeggen, hij is in mijn rijtuig, voor de deur; maar
daar ik wist, dat gij tegen hem ingenomen waart, –”

„Dank zij den Hemel! ik ben tegen niemand ingenomen, Sir Arthur!
Stelsels, en geene bijzondere personen zijn het, die ik bestrijd.”

Hij schelde. „Jenny, Sir Arthur en ik zenden onze complimenten aan
mijnheer Dousterswivel, den heer in Sir Arthur’s rijtuig, en verzoeken
om het genoegen van zijn gezelschap.”

Jenny vertrok en bracht de boodschap over. Het was geenszins het plan
van Dousterswivel geweest den heer Oldbuck tot deelgenoot van zijn
voorgewend geheim te maken. Hij had gerekend, dat Sir Arthur de noodige
bijdrage zou kunnen krijgen, zonder eenigen uitleg over de wijze,
waarop die besteed zou worden, en hij wachtte beneden slechts met het
oogmerk, om zich zoodra mogelijk in het bezit van geld te stellen, daar
hij wel voorzag, dat zijne rol ten einde liep. Nu echter uitgenoodigd,
om in de tegenwoordigheid van Sir Arthur en van den heer Oldbuck te
verschijnen, besloot hij kloekmoedig zich op de kracht zijner
onbeschaamdheid te verlaten, waarmede de lezer zal hebben opgemerkt,
dat hem de natuur zeer mild bedeeld had.








DRIEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK


                – En deze doctor,
                Uw vuile en berookte medgezel, hij
                Zal u een’ pot vullen met goud,
                En straks tegen het andere verwisselen,
                Met vluchtig kwik, dat het in de hitte barsten zal
                En verdwijnen in fumo.....

                                                          De alchimist.


„Hoe bevindt zich de goede heer Oldenbuck? en ik hoop dat Uwé’s jonge
heer, de Kapitein M’Intyre, weder beter is? – Ach! het is geene goede
zaak, als jonge heeren zich looden kogels in het lijf jagen!”

„Alle soorten van ondernemingen in lood zijn zeer gewaagd, mijnheer
Dousterswivel! maar het is een geluk voor mij,” vervolgde de
oudheidkenner, „van mijn vriend, Sir Arthur, te vernemen, dat gij een
beter beroep bij de hand genomen hebt, en een goudontdekker geworden
zijt.”

„Ach, mijnheer Oldenbuck! mijn goede en geëerde patroon moest van deze
kleine zaak niet één woord gesproken hebben; want hoewel ik alle
mogelijke vertrouwen op des goeden heeren Oldenbuck’s voorzichtigheid
en discretie heb, en op zijne groote vriendschap voor Sir Arthur
Wardour, toch, mijn hemel! het is een groot en zwaar geheim!”

„Zwaarder, dan één der metalen, die wij er door ontdekken zullen, vrees
ik,” antwoordde Oldbuck.

„Dat hangt alleen af van Uwé’s geloof en geduld bij het groot
experiment. – Als Uwé zich vereenigt met Sir Arthur, en als hij honderd
en vijftig pond er aan waagt, – zie hier een ellendige Fairport
banknoot, voor vijftig pond; – als Uwé, zeg ik nog honderdvijftig pond
in ellendige banknoten er bij legt, zal Uwé zuiver goud en zilver
hebben; – en hoeveel kan ik niet zeggen.”

„En niemand anders ook, geloof ik,” zei de oudheidkenner. „Maar hoor
eens, mijnheer Dousterswivel, verondersteld, dat wij, zonder dien
niezenden geest verder door eenige berookingen te storen, gezamenlijk,
onder begunstiging van het helder daglicht en ons goed geweten, met
geene andere werktuigen ter bezwering dan goede, stevige houweelen en
schoppen, naar de bouwvallen van St. Ruth gingen, en de oppervlakte van
het koor ter dege, van het eene einde tot het andere omspitten, en ons
alzoo omtrent het bestaan van den veronderstelden schat verzekerden,
zonder eenige verder onkosten te maken; – de bouwvallen behooren aan
Sir Arthur zelven toe, dus kan dit geene zwarigheid opleveren: – wat
dunkt u? Zouden wij slagen, als wij de zaak op die wijze behandelen?”

„Bah! geen koperen vingerhoed zal Uwé vinden! Maar Sir Arthur kan doen
wat hem goed dunkt; – ik heb hem laten zien, hoe het mogelijk is een
groot kapitaal te verkrijgen; – belieft het hem dat niet te gelooven,
dat kan Herman Dousterswivel niet schelen; Sir Arthur verliest alleen
het geld, en het goud en het zilver, – meer niet!”

Sir Arthur wierp een benauwden blik op Oldbuck, die, als hij
tegenwoordig was, een meer dan gewonen invloed op hem uitoefende, hoe
dikwijls beiden ook van gevoelen verschilden. De Baronet wist
inderdaad, wat hij echter niet gaarne zou hebben toegestemd, dat zijn
verstand te kort schoot bij dat van den oudheidkenner. Hij had ontzag
voor diens redelijken, scherpen, spotachtigen geest; hij vreesde zijn
bijtenden scherts, en had ook vertrouwen op zijn algemeen gezond
oordeel. Hij keek hem dus aan, als om zijne toestemming te vragen, om
aan zijne eigene lichtgeloovigheid gehoor te geven. Dousterswivel
ontwaarde, dat de onnoozele Baronet op het punt stond van hem te
ontsnappen, en trachtte dus op zijn raadsman te werken.

„Ik weet, mijn goede heer Oldenbuck, dat het te vergeefsch is, met Uwé
over geesten en spoken te redeneeren. Doch bezie slechts dezen
curieuzen horen; ik weet, dat Uwé die curiositeiten van alle landen
kent, en u herinnert hoe de groote Oldenburgsche horen, die nog in het
Museum te Kopenhagen bewaard wordt, aan den Hertog van Oldenburg door
een vrouwelijken geest gegeven werd; zoodat ik, zelfs als ik het wilde,
Uwé niet zou bedriegen kunnen, – Uwé, die alle curiositeiten zoo wel
kent; en daar is het horen vol munten; – ware het eene doos, een
kistje, ik had geen woord meer daarover te zeggen.”

„Dat het een horen is,” zeide Oldbuck, „zet voorwaar uw gezegde kracht
bij. Hij was reeds door de natuur gefatsoeneerd, en daarom zeer veel in
gebruik bij onbeschaafde volkeren, ofschoon misschien de horen in een
overdrachtelijken zin meer in de mode kwam, naarmate de beschaving
vorderingen maakte. En deze horen hier,” vervolgde hij, terwijl hij
dien op zijne mouw wreef, „is een zeldzaam en eerbiedwaardig
overblijfsel der oudheid, en zonder twijfel bestemd, voor den een of
ander een cornu-copia, of horen van overvloed te worden; maar, òf voor
den goudzoeker, òf voor zijn patroon, daaromtrent mag men recht
twijfelen.”

„Wel, mijnheer Oldenbuck! ik vind Uwé nog immer zwaar van geloof. –
Doch die monniken, dat kan ik Uwé verzekeren, kenden het Magisterium.”

„Laat ons van het Magisterium liever zwijgen, mijnheer Dousterswivel,
en een weinig aan den Magistraat denken. Weet gij, dat deze uwe
bezigheid strijdig is met de wetten van Schotland, en dat wij beiden,
Sir Arthur en ik, vrederechters zijn?”

„Mijn hemel! en wat doet dat er toe, als ik de heeren alleen van dienst
wil wezen?”

„Hoe! gij moet weten, dat, toen de wetgeving de wreede wetten tegen de
tooverij afschafte, zij zich geenszins vleide met de hoop om de
bijgeloovige gevoelens der menschheid te vernietigen, waarop dergelijke
hersenschimmen gegrond waren! – en om te voorkomen, dat listige
bedriegers misbruik van dergelijke gevoelens zouden maken, is er, in
het negende jaar van de regeering van George II, Hoofdst. 5 zijner
wetten, bepaald, dat al wie voorgeven zal, door zijne bedrevenheid in
eenige geheime wetenschap, verloren, gestolen, of verborgen goed te
ontdekken, met tepronkstelling en gevangenis, als een gemeene oplichter
en bedrieger, zal gestraft worden.”

„En spreekt zóó de wet?” vroeg Dousterswivel met eenige ontroering.

„Gij zult die zelf zien!” antwoordde de oudheidkenner.

„Dan, mijne heeren, wil ik afscheid van u nemen; ik verlang niet te
pronken zoo als Uwé het bedoelt, – dat is eene zeer onaangename wijze
om een luchtje te scheppen, naar ik mij verbeeld; en in Uwé’s
gevangenis heb ik nog veel minder zin; want daarin kan men in het
geheel geene lucht krijgen.”

„Als gij dat gevoelt, mijnheer Dousterswivel, raad ik u te blijven,
waar gij zijt; want ik kan u niet laten gaan, dan in het gezelschap van
een agent van policie; en, daarenboven, verwacht ik, dat gij ons nu
zult vergezellen naar de bouwvallen van St. Ruth, en ons de plaats
aanwijzen, waar gij u verbeeld dien schat te vinden.”

„Mijn hemel! mijnheer Oldenbuck! zoo maakt men het toch niet met een
ouden vriend, en ik zeg Uwé ronduit, dat, wanneer Uwé nu daarheen gaat,
Uwé niet eens een zesstuiversstuk zult vinden.”

„Ik zal toch de proef nemen, en gij zult behandeld worden, naar dat ze
uitvalt; – altijd met Sir Arthurs verlof!”

Sir Arthur had gedurende dit onderzoek zeer verlegen gestaan. Oldbuck’s
hardnekkig ongeloof deed hem het bedrog van Dousterswivel sterk
vermoeden, en de goudzoeker had zijne zaak lang niet zoo bedaard en
dapper verdedigd, als hij verwacht had. Evenwel verzaakte hij hem niet
geheel.

„Mijnheer Oldbuck,” zei de Baronet, „gij zijt niet geheel rechtvaardig
omtrent den heer Dousterswivel. Hij heeft aangenomen, om de ontdekking
te doen met behulp van zijne kunst, en door gebruik te maken van den
bijstand der onzichtbare wezens, die gesteld zijn over het planeetuur,
waarin de proef moet ondernomen worden; en gij vergt van hem, onder
bedreiging van straf, dat hij die nu zal doen, zonder hem eenig gebruik
der middelen te vergunnen, die hij er voor noodig acht om te slagen.”

„Dit zeide ik juist niet; – ik verlang slechts van hem, dat hij
tegenwoordig zij, als wij het onderzoek doen, en dat hij ons intusschen
niet verlate. Ik vrees, dat hij eenige verstandhouding heeft met de
wezens waarvan gij spreekt, en dat hetgeen nu te St. Ruth mocht
verborgen zijn, verdwijnen kon, eer wij er heen komen.”

„Wel, mijne heeren!” zei Dousterswivel verdrietig, „ik wil zonder
zwarigheid met u gaan; doch ik zeg het u te voren, Uwé zult niets
vinden, om uwe moeite te beloonen.”

„Wij willen er de proef van nemen,” zei de oudheidkenner; en men gaf
bevel om het rijtuig van den Baronet in te spannen, terwijl Isabella
Wardour van haren vader de boodschap kreeg, te Monkbarns te toeven, tot
hij van zijn uitstap zou zijn terug gekeerd. De jonge dame gaf zich
eenige vergeefsche moeite, om deze beschikking met het gesprek overeen
te brengen, dat, naar zij veronderstelde, tusschen Sir Arthur en den
oudheidkenner moest plaats gehad hebben, maar zag zich voor het
oogenblik genoodzaakt, in onzekerheid achter te blijven.

Overigens was de rid der schatgravers droefgeestig genoeg.
Dousterswivel bewaarde een somber stilzwijgen, daar zijne gedachten
vervuld waren met zijne teleurgestelde verwachting en de straf, die hem
dreigde; – Sir Arthur, wiens gouden droomen langzamerhand verdwenen
waren, dacht, in somber gepeins verdiept, over naderende ongelukken na;
en Oldbuck, die begreep, dat eene zoo krachtdadige bemoeiing met de
zaken van zijn buurman dezen het recht gaf, om eenigen bijstand van hem
te verwachten, overlegde in hoe ver hij genoodzaakt zou wezen, zijne
beurs te openen.

Terwijl zij dus alle drie in onaangename beschouwingen verzonken waren,
werd er ter nauwernood een woord gewisseld, tot zij bij de herberg van
de Vier Hoefijzers aankwamen. Hier voorzagen zij zich van de noodige
hulp en werktuigen voor hunne opdelvingen, en terwijl zij met deze
toebereidselen bezig waren, voegde zich de oude bedelaar Ochiltree
onverwachts bij hen.

„Zoo! – God zegene u, edele heeren, en schenke u een lang leven! – ik
ben blij te hooren, dat de jonge Kapitein M’Intyre weldra weêr op de
been zal zijn. – Gedenkt heden den armen grijsaard!”

„Wel, oude vriend,” zei Oldbuck, „gij zijt niet meer te Monkbarns
gekomen, sedert uwe gevaren tusschen land en water: – hier is iets voor
u om snuif te koopen;” – en, terwijl hij naar de beurs tastte, trok hij
ter zelfder tijd den horen uit den zak, waarin zich de munten bevonden.

„Ei! en daar is iets, om de snuif in te doen,” zei de bedelaar den
ramshoren ziende; – „dat stuk is een oude kennis van mij. Met eede zou
ik die snuifdoos onder een duizendtal herkennen; – menig jaar heb ik
die bij mij gedragen, tot ik ze tegen deze blikken doos met den ouden
George Glen, den mijnwerker, verruilde, toen hij er te Glen-Withershins
zin in kreeg.”

„Zoo! inderdaad?” zeide Oldbuck; – „dus hebt gij dien met een
mijnwerker verruild! maar ik veronderstel, dat gij hem nooit te voren
zóó gevuld hebt gezien?” – ter zelfder tijd opende hij den horen en
toonde hem de munten.

„Dat is waar, Monkbarns! – toen die mij toebehoorde, heb ik er nooit
meer, dan voor de waarde van zes stuivers zwarte rappé te gelijk in
gehad; maar gij zult er eene oudheid van maken, zoo als gij van zoo
veel andere dingen gedaan hebt, die tot niets anders goed zijn. Ik
wilde wel dat de een of ander ook eene oudheid van mij maakte; maar
menigeen stelt meer belang in oude stukken koper, en horen en erts, dan
in een ouden kerel uit zijn eigen land en volk.”

„Gij kunt nu gissen,” zeide Oldbuck, zich tot Sir Arthur wendende, „aan
wien gij verleden nacht verplichting hadt. Het nasporen van deze cornu
copia tot in de handen van een mijnwerker, brengt het tamelijk dichtbij
die van onzen vriend; – ik hoop, dat wij heden morgen even gelukkig
slagen zullen, zonder er iets voor te betalen.”

„En waarheen gaan vandaag de heeren,” vroeg de bedelaar, „met de
houweelen en schoppen? – Dat is zeker weêr een zet van u, Monkbarns!
gij zijt er op uit, om eenige van die oude monniken daar uit hunne
graven op te halen vóór den dag der opstanding; – maar ik zal u in elk
geval volgen, en zien wat gij er van maakt.”

Het gezelschap kwam weldra bij de bouwvallen van de abdij aan, en hield
in het koor stil, om te overleggen, in welke richting men beginnen zou.
De oudheidkenner wendde zich intusschen tot den goudzoeker.

„Mag ik vragen, mijnheer Dousterswivel, hoe gij er over denkt? – zullen
wij, naar alle waarschijnlijkheid, het best slagen met van het westen
naar het oosten, of wel van het oosten naar het westen te graven? – of
wilt gij ons bijstaan met uw driehoekig fleschje met meidauw, of met
uwe tooverroede? of zult gij de goedheid hebben van ons te voorzien met
eenige hoogdravende, bulderende kunsttermen, die, als ze bij de
tegenwoordige verrichtingen niet baten, toch noch van dienst kunnen
zijn voor degenen onder ons, die het geluk niet hebben van ongetrouwd
te wezen, om hunne schreeuwende kinderen daarmede stil te maken?”

„Mijnheer Oldenbuck!” zeide Dousterswivel gemelijk, „Ik heb het reeds
gezegd, Uwé zult niets goed doen, en voor uwe complimenten zal ik wel
een middel vinden, om u later te bedanken – ja, dat zal ik!”

„Als de heeren voornemens zijn, den grond op te graven,” zei de oude
Adam, „en den raad van eene arme ziel willen aannemen, zou ik met dien
grooten steen beginnen, waarop een liggende man afgebeeld is.”

„Ik heb zelf eenige reden, om goede gedachten van dat plan te hebben,”
zei de Baronet.

„En ik,” – zeide Oldbuck, – „heb er niets tegen in te brengen: het was
niet ongewoon, de schatten in de graven der afgestorvenen te verbergen:
– men zou vele voorbeelden daarvan kunnen aanhalen, uit Bartholinus en
anderen.”

De grafzerk, dezelfde, waaronder de munten door Sir Arthur en den
goudzoeker gevonden waren, werd weder opgelicht, en de grond week
gemakkelijk voor de spade.

„Het is nieuw bewerkte grond,” zeide Adam, „en gemakkelijk om hem om te
spitten: – dat weet ik wel; want ik werkte eens een zomer bij den ouden
Willem Winnet, den doodgraver, en heb meer dan één graf in mijn tijd
gemaakt; maar ik verliet hem ’s winters; want het was zeer koud werk;
en toen kregen wij eene groene kersmis, en het volk stierf als de
muizen; – want gij weet, eene groene kersmis maakt een vet kerkhof; –
en ik was nooit, mijn leven lang, tegen harden arbeid bestand; – dus
trok ik af en liet Willem zijne laatste woningen alleen graven.”

De spitters waren nu ver genoeg met hun arbeid gevorderd, om te
ontdekken, dat de zijden van het graf, hetwelk zij opruimden,
aanvankelijk voorzien waren geweest met vier muren van ruwen steen, een
langwerpig vierkant vormende, waarschijnlijk ter opname van de
doodkist.

„Het is de moeite waard met onzen arbeid voort te gaan,” zei de
oudheidkenner, „al ware het alleen uit nieuwsgierigheid. Het zal mij
benieuwen te zien, aan wiens graf men zoo buitengewoon veel moeite
heeft besteed.”

„Het wapen en het schild,” zeide Sir Arthur met een zucht, „zijn
dezelfde als die op Misticot’s toren, welke men veronderstelt dat door
Malcolm den overweldiger gebouwd werd. Niemand weet, waar hij begraven
is, en er bestaat nog eene oude voorspelling in onze familie, die ons
niets goeds belooft, als men zijn graf ontdekt.”

„Ik weet het,” zei de bedelaar, „ik heb het dikwijls gehoord, toen ik
nog een kind was:


        „Coemt Malcolm Misticot syn graft oyt aen de sonne,
        Is ’t lant van Knockwinnock verlore ende ghewonne.”


Oldbuck lag reeds met den bril op den neus op de grafzerk geknield, en
trachtte, gedeeltelijk met het oog, gedeeltelijk met den vinger, het
vermolmde wapenschild na te gaan, dat bij de beeldtenis van den
afgestorven krijgsman uitgehouwen was. „Het is zeker genoeg,” riep hij
uit, „het wapen der Knockwinnock’s, met dat der Wardour’s er bij.”

„Richard, bijgenaamd Wardour met de roode hand,” zeide Sir Arthur,
„huwde met Sybilla Knockwinnock, de erfgename van het Saksische
geslacht, en door deze verbintenis gingen het kasteel en de landerijen
over op de Wardours, in het jaar 1150.”

„Juist, Sir Arthur! en hier is de noodlottige balk, het teeken van
onechtheid, dwars over de beide wapens. Waar zijn onze oogen geweest,
dat wij dit belangrijke gedenkstuk niet al lang geleden ontdekt
hebben?”

„Ei ja! waar lag liever de grafsteen, dat hij ons niet vroeger onder de
oogen gekomen is?” zei Ochiltree; „want ik heb deze oude kerk, als man
en kind, reeds meer dan zestig jaren gekend, en ik heb de zerk nooit te
voren gezien, en ze is toch zoo klein niet, dat men ze licht
voorbijgaan zou.”

De omstanders werden dus op den vroegeren toestand der bouwvallen in
dien hoek van het koor opmerkzaam gemaakt, en allen kwamen overeen, dat
zij zich een grooten puinhoop herinnerden, welken men had moeten
wegruimen, om den grafsteen zichtbaar te maken. Sir Arthur had zich,
wel is waar, hebben kunnen te binnen brengen, het gedenkstuk bij de
vorige gelegenheid gezien te hebben; waar hij was te zeer ontroerd
geweest, om zich die omstandigheid te herinneren.

Terwijl men zich dus bezig hield met deze herinneringen en
redeneeringen, gingen de werklieden niet hun arbeid voort, en daar het
uitwerpen der aarde hoe langer zoo moeielijker werd, begon hun de taak
ten laatste te vervelen.

„Wij zijn nu tot op den grond,” zei een hunner, „en er is noch kist,
noch iets anders hier; – deze of gene slimme vogel zal ons vóór geweest
zijn;” en de arbeider klom uit het graf.

„Kom, jongen!” zeide Adam, terwijl hij in zijne plaats in het graf
klom; „laat ik eens zien, wat een oude doodgraver kan: – gij kunt goed
zoeken, maar slecht vinden.”

Zoodra hij in het graf was, stiet hij zijn staf zoo diep hij kon in den
grond benedenwaarts: – hij vond weêrstand, en de bedelaar riep, even
als een schooljongen, als hij wat vindt: „Deelen doe ik niet: – alles
mijn! Half part doe ik niet!”

Een ieder, van den ter neêrgeslagen Baronet af, tot den misnoegden
goudzoeker toe, werd nu door den geest van nieuwsgierigheid bezield;
allen verdrongen zich rondom het graf en zouden er in gesprongen zijn,
als het ruim genoeg geweest ware, om hen gezamenlijk te bevatten. De
werklieden, die in hun vervelenden en waarschijnlijk hopeloozen arbeid
begonnen waren te verflauwen! grepen weder naar hunne gereedschappen,
en gebruikten ze met den meesten ijver. Hunne schoppen stieten weldra
op eene harde houten oppervlakte, die, toen de aarde er van opgeruimd
was, den duidelijken vorm aannam van eene kist, welke echter veel
kleiner was dan eene doodkist. Dadelijk waren allen in de weer, om ze
uit het graf te lichten, en terwijl ze opgeheven werd, verhieven zich
alle stemmen over de zwaarte, en voorspelden de waarde er van. Zij
hadden zich niet vergist.

Zoodra de kist op den grond geplaatst en het deksel door een houweel er
afgebroken was, vond men eerst een omhulsel van grof linnen, dan eene
groote hoeveelheid werk, en daaronder eene menigte zilveren staven. Een
algemeene vreugdekreet begroette eene zoo verrassende en gewenschte
ontdekking. De Baronet hief handen en oogen ten hemel, met de stille
verrukking van iemand, die zich van eene onuitsprekelijke kwelling des
geestes bevrijd vindt. Oldbuck, die nauwelijks zijne oogen gelooven
kon, ligtte het eene stuk zilver na het andere op. Er was geen
opschrift op te vinden, noch eenig merk, behalve slechts op één, dat
Spaansch scheen te zijn. Aan de echtheid en groote waarde van den
schat, die vóór hem lag, kon hij niet meer twijfelen; evenwel legde hij
stuk voor stuk ter zijde, en vergeleek de lagen met elkander,
verwachtende, dat de onderste van mindere waarde zouden zijn; maar ook
te dezen opzichte kon hij geen onderscheid vinden, en hij moest
eindelijk bekennen, dat Sir Arthur nu in het bezit was van staven, ter
waarde van ten minste duizend pond sterling. Sir Arthur beloofde nu
eene ruime belooning aan de werklieden voor hunne moeite, en begon
reeds met zijn vriend te overleggen, hoe dezen rijken buit naar het
kasteel van Knockwinnock over te brengen, toen de goudzoeker, van zijne
verwondering, welke niet minder dan die van al de overige leden van het
gezelschap geweest was, eindelijk hersteld, Sir Arthur zachtjes aan de
mouw trok, hem zijne nederige gelukwenschingen bracht, en zich dadelijk
daarop met een zegevierenden blik tot Oldbuck wendde.

„Ik zeide Uwé, mijn goede vriend, heer Oldenbuck, dat ik gelegenheid
zoeken wilde, om Uwé voor Uwé’s hoffelijkheid te bedanken; nu, dunkt
het Uwé niet, dat ik daartoe een goed middel gevonden heb?”

„Hoe! gij, mijnheer Dousterswivel? Gij verbeeldt u iets tot onzen
voorspoed bijgedragen te hebben! – Gij vergeet, dat gij ons den
bijstand van uwe wetenschap weigerdet, man! En gij zijt ook hier zonder
de wapens, die de overwinning verzekeren moesten, welke gij nu
voorgeeft, te hebben behaald. Gij hebt noch tooverij, noch talisman,
noch bezwering, noch kristal, noch geheimzinnige figuren gebruikt. Waar
zijn uwe Abraxas en Abrakadabra’s? [26]


        „Uw pad, uw kraai, uw draak, en uw panter,
        Uw zon, uw maan, firmament, dierenkring,
        Uw Lato, Azoch, Zernich, Chibrit, Heautarit,
        Uw kooksels en toestel, met tooverroede en ring,
        Te talrijk om hier op te noemen? –


„O, voortreffelijke Ben Jonson! lang moge uwe asch in vrede rusten; gij
geesel der kwakzalvers van uwe dagen! – wie had kunnen denken hen weêr
te zien opstaan in de onze?”

Het antwoord van den goudzoeker op dezen uitval van den oudheidkenner
moeten wij tot ons volgend hoofdstuk bewaren.








VIERENTWINTIGSTE HOOFDSTUK


      Claude. Nu zult gij den Koning kennen van ’s bedelaars schat; –
      Ja – eer ’t morgen is, zult ge hier een toevlucht vinden, –
      Stel mij niet te leur; want, leef ik, dan vergelde ik het u!

                                                    ’s Bedelaars bosch.


De goudzoeker, besloten, naar het scheen, van het voordeel gebruik te
maken, dat de ontdekking hem opgeleverd had, antwoordde met veel trots
en deftigheid op den aanval van den oudheidkenner: „Mijnheer Oldenbuck!
dat alles mag zeer geestig en aardig zijn; maar ik zeg niets, – in het
geheel niets, – aan menschen, die niet gelooven willen, wat zij zelfs
met eigene oogen zien. Het is zeer waar, dat ik geen hulpmiddel der
kunst bij mij heb; dit echter maakt het wonder nog veel grooter. Maar
Uwé, mijn geëerde, en groote, en edelmoedige patroon! – Uwé bid ik de
hand in den rechter vestzak te steken, en mij zien te laten, wat Uwé
daarin vinden zal!”

Sir Arthur deed wat hem gevraagd werd, en trok er een klein zilveren
plaatje uit, waarvan hij zich, bij de vorige gelegenheid met den
goudzoeker, bediend had. „Het is waar,” zei Sir Arthur, den
oudheidkenner ernstig aanziende; „dit is de schaal van graden en
berekeningen, waarnaar de heer Dousterswivel en ik onze eerste
ontdekking regelden.”

„Bah! bah! waarde vriend!” riep Oldbuck, „gij zijt te verstandig, om
aan den invloed te gelooven van een platgeslagen kroondaalder, met eene
menigte wonderlijke krassen er op! Ik zeg u, Sir Arthur, dat, als
Dousterswivel geweten had waar dien schat te vinden, gij zelf niet van
het geringste gedeelte er van eigenaar zoudt zijn.”

„Met verlof van de heeren,” zeide Adam, die bij iedere gelegenheid een
woord in te brengen had, „mij dunkt, waarlijk, dat, daar mijnheer
Dousterswivel zoo veel bijgedragen heeft tot het ontdekken van den
schat, gij niet minder kunt doen, dan hem voor zijne moeite dat te
geven, wat er nog overgebleven is; want hij, die zooveel heeft weten te
vinden, zal, zonder twijfel, ook meer weten te ontdekken.”

Dousterswivel keek zeer zuur toen hij dit voorstel hoorde, om hem, naar
de uitdrukking van Ochiltree, aan zijne „eigene ontdekkingen” over te
laten; maar de bedelaar, nam hem ter zijde, en fluisterde hem een paar
woorden in het oor, waarnaar hij aandachtig scheen te luisteren.

„Intusschen,” zei Sir Arthur, wiens hart verzacht was door zijn geluk,
„stoor u niet, mijnheer Dousterswivel, aan onzen vriend Monkbarns; maar
kom morgen op het kasteel, en ik zal u overtuigen, dat ik niet
ondankbaar ben voor de wenken, die gij mij in deze zaak gegeven hebt,
en de vijftig pond aan ellendige banknoten, zoo als gij ze noemt, zijn
gaarne tot uw dienst. – Komt, jongens, maakt het deksel weêr vast op
deze kostbare kist!”

Maar het deksel was in de verwarring ter zijde onder het puin gevallen,
of onder de losse aarde, welke men uit het graf opgeworpen had; – in
het kort, het was niet meer te vinden.

„Dat doet er niet toe, jongens! Dekt het met het linnen toe, en brengt
de kist naar het rijtuig. – Monkbarns, wilt gij gaan? ik moet met u
terug, om Isabella af te halen.”

„En ik hoop, om ook uw middagmaal bij ons te gebruiken, Sir Arthur, en
een glas wijn te drinken op den gelukkigen uitslag van onze
onderneming. Daarbij dient gij over de zaak aan het ministerie te
schrijven; men kon er zich wellicht van wege de kroon mede bemoeien. In
dat geval zal echter niet veel moeite kosten, om een akte van donatie
te krijgen; – maar wij moeten nader daarover spreken.”

„En ik beveel in het bijzonder het stilzwijgen allen aan, die hier
tegenwoordig zijn,” zeide Sir Arthur, in het rond ziende. Allen bogen
diep, en verklaarden stom als het graf te zijn.

„Wat dat betreft,” zeide Monkbarns; „geheimhouding aan te bevelen, waar
een twaalftal menschen met de omstandigheden bekend zijn, die men
verbergen wil, is slechts de waarheid in maskerade te doen optreden;
want de historie zal rondloopen onder twintig verschillende gedaanten.
Maar bekommer u daarover niet; wij zullen de waarheid bij het
ministerie bekend maken, en meer is niet noodig.”

„Ik ben voornemens van nacht eene expresse te zenden,” zei de Baronet.

„Ik kan mijnheer er eene aan de hand doen,” zei Ochiltree; „den kleinen
David Mailsetter, op des slagers hitje.”

„Wij zullen over de zaak spreken, op weg naar Monkbarns,” zeide Sir
Arthur. – (Tot het werkvolk): „Jongens, komt met mij naar de Vier
Hoefijzers; daar zal ik al uwe namen opschrijven. – Dousterswivel, ik
zal u niet vragen, meê naar Monkbarns te gaan, daar die heer en gij zoo
zeer in gevoelens verschillen; maar vergeet niet, mij morgen te komen
zien.”

Dousterswivel mompelde een antwoord, waarvan men alleen de woorden
„plicht,” – „mijn geëerde patroon” en „Sir Arthur opwachten,” –
onderscheiden kon; en nadat de Baronet en zijn vriend de bouwvallen
verlaten hadden, gevolgd door de dienaren en werklieden, die in de hoop
op eene ruime belooning, vol vreugde waren, bleef de goudzoeker in
somber gepeins aan den rand van het open graf.

„Wer hätte das vermuthen können!” riep hij zonder het te weten uit:
„Meine Heiligkeit! Ik heb veel van dergelijke dingen gehoord, en veel
over zulke dingen verteld. – Aber, sapperment! nooit dacht ik, dat ik
zoo iets beleven zou! En had ik maar een voet of drie dieper gegraven,
– mijn hemel! het ware alles mijn geweest; en vrij wat meer, dat ik
ooit van dien ouden gek had kunnen krijgen!”

Hier eindigde de goudzoeker zijne alleenspraak; want, de oogen
opslaande, ontmoette hij die van Adam Ochiltree die het overige
gezelschap niet gevolgd was, maar, naar gewoonte op zijn stok rustende,
aan de andere zijde van het graf stond. De gelaatstrekken van den ouden
man, altijd slim en sprekend, zelfs bijna listig, schenen op dit
oogenblik zoo veel bewustheid uit te drukken van hetgeen hij gehoord
had, dat zelfs de onbeschaamdheid van den gelukzoeker Dousterswivel
daarvoor bezweek. Maar hij zag de noodzakelijkheid eener opheldering
in, en, moed scheppende, begon hij dadelijk den bedelaar te polsen over
hetgeen gebeurd was. „Goede heer Adam Ochiltree, –”

„Adam Ochiltree, geen heer – uw en ’s konings arme bedelaar!”
antwoordde de Blauwrok.

„Nu dan, goede Adam, wat dunkt u van dit alles?”

„Ik dacht juist, dat het zeer beleefd was (want ik durf niet zeggen
zeer onnoozel), van u, om aan twee rijke heeren, die landen en
eigendommen en geld hebben zonder einde, dezen verborgen schat te
geven, (driemaal in het vuur gelouterd, zoo als de Heilige Schrift
zegt), die u en nog een paar eerlijke menschen daarbij zoo gelukkig en
tevreden zou gemaakt hebben, als de dag lang is!”

„Jawel, Adam, mijn beste vriend! dat is alles zeer waar; maar ik wist
niet, das heisst, ik was niet zeker waar ik het geld vinden zou.”

„Hoe! was het dan niet op uw raad, dat Monkbarns en de heer van
Knockwinnock hierheen kwamen?”

„Aha! – ja, – juist; maar toch niet. Ik wist niet, dat zij den schat
geheel en al zouden vinden, vriend, hoewel ik, aan het hoesten en
proesten en kuchen en zuchten, dat ik op zekeren nacht hier onder de
geesten hoorde, dacht, dat hier in de buurt schatten en goudstaven zijn
moesten. Ach, mijn hemel! de geest zal jammeren en steunen over het
geld, als een Hollandsche Burgemeester, die na een feestmaal op het
stadhuis, zijne daalders telt.”

„En gelooft gij waarlijk aan zoo iets, mijnheer Dousterswivel? – zulk
een verstandig man, als gij – foei, foei!”

„Mijn vriend! ik geloofde er niet meer aan, dan gij, of wie ook, tot ik
verleden nacht het spektakel hoorde en weder de oorzaak er van zag, das
heisst, eene groote kist vol Mexikaansch zilver – en wat verlangt gij
nu, dat ik denken zou?”

„En wat zoudt gij hem geven, die u aan eene tweede kist zilver hielp?”

„Geven? – mijn hemel! – een groot zwaar vierde deel daarvan.”

„Nu, als het mijn geheim was,” zei de bedelaar, „zou ik op de helft
staan; want gij begrijpt, dat, ofschoon ik een bedelaars rok draag, en
geen goud of zilver kan rondventen, uit vrees van opgepakt te worden,
ik er nochtans meer dan één zou kunnen vinden, die het voor mij met
grooter voordeel aan den man zou willen brengen, dan gij mij aanbiedt.”

„Ach hemel! Mijn goede vriend! wat zeide ik? – Gij zult drie kwart voor
uwe helft, en ik een kwart voor mijn billijk aandeel hebben.”

„Neen, neen, mijnheer Dousterswivel! wij zullen gelijk op deelen; alles
wat wij vinden, als broeders. Nu, bezie die plank eens, die ik in den
donkeren hoek smeet, terwijl Monkbarns op het zilver stond te staren.
Hij is een slimme vent, die Monkbarns. Ik was blij, het voor hem te
verbergen. Gij zult de letters beter kunnen lezen, dan ik; – ik ben
geen geleerde, ten minste, ik heb niet veel oefening meer.”

Met deze zedige bekentenis van zijne onkunde, bracht Ochiltree van
achter een pilaar het deksel der kist te voorschijn, hetwelk men van de
hengsels afgebroken had, en in de driftige nieuwsgierigheid, om te
weten wat het bedekte, achteloos ter zijde geworpen, en dat naderhand
naar het schijnt door den bedelaar verborgen werd. Er stond één enkel
woord en één getal op, en de bedelaar maakte het eene en andere
duidelijker, door zijn gescheurden blauwen zakdoek te bevochtigen, en
er de klei, welke het opschrift bedekte af te wrijven. Het was in de
gewone Gothische letter.

„Kunt gij er wijs uit worden?” vroeg Adam aan den goudzoeker.

„S,” zeide de wijsgeer, als een kind, dat zijne les in het schoolboek
spelt, „S, T, A, R, C, H, – starch (stijfsel) – dat is, wat de
waschvrouwen in de halsdoeken en in de kragen doen.”

„Starch!” herhaalde Ochiltree; „neen, neen, mijnheer Duisterduivel! gij
zijt een beter bezweerder, dan geleerde: – het is search, man! search,
– dat is zoek! – ziedaar is de e, nu klaar en duidelijk!”

„Aha! – Nu zie ik het. – Het is search; – No. 1! – Mijn hemel! dan moet
er ook een nommer twee zijn; want search is, wat de Engelschen zoeken
en graven heeten, en dit is eerst nommer een! – Op mijn woord, daar is
een groote zware prijs voor ons in het rad, goede heer Ochiltree!”

„Wel, dat mag zijn! – maar wij kunnen nu niet spitten: – wij hebben
geene schoppen; want zij hebben die meêgenomen; – en het is
waarschijnlijk, dat een van hen terug komen zal, om de aarde in het gat
te werpen, en alles weêr in orde te brengen. Maar als gij een oogenblik
bij mij in het bosch wilt komen zitten, zal ik u overtuigen, dat gij
juist den eenigen man in het land ontdekt hebt, die u van Malcolm
Misticot en zijne verborgen schatten bericht kan geven. – Maar eerst
zullen wij de letters op de plank uitschrappen, uit vrees dat zij
klappen!”

En met behulp van zijn mes schraapte de bedelaar de letters zoo uit,
dat ze volstrekt niet meer te onderscheiden waren; daarna besmeerde hij
de plank met klei, zoodat alle sporen van zijn werk verdwenen.

Dousterswivel staarde op hem in een weifelend stilzwijgen verdiept. Er
vertoonde zich in alles wat de oude man deed, zooveel doorzicht en
vlugheid, dat ze hem kenmerkten als iemand, dien men niet licht zou
kunnen bedriegen; en evenwel (want de schurken zelven zijn eerzuchtig)
gevoelde de goudzoeker de vernedering van eene tweede rol te spelen, en
het voordeel met zulk een geringen makker te deelen. Zijne winstzucht
was nochtans sterk genoeg, om zijn beleedigden trots te onderdrukken,
en hoewel eerder een bedrieger, dan een bedrogene, was hij echter zelf
niet geheel vrij van eenig geloof aan de domme kunstjes, waarmede hij
anderen soms fopte. Intusschen, gewoon, om bij zulke gelegenheden als
aanvoerder te handelen, gevoelde hij zich vernederd bij de beschouwing,
dat hij zich in den toestand bevond van een gier, die onder bevel van
een raaf op buit uittrekt. – „Ik zal echter zijne historie ten einde
hooren,” dacht Dousterswivel, „en het zal hard houden, als ik er geene
betere rekening bij maak, dan de heer Adam Ochiltree zich voorstelt!”

De goudzoeker, dus van een onderwijzer in een leerling der
geheimzinnige kunst herschapen, volgde Ochiltree lijdelijk naar den
Prior’s Eik – eene plaats, zoo als de lezer zich wellicht herinneren
zal, op korten afstand van de bouwvallen, – waar hij naast den ouden
man plaats nam, en stilzwijgend afwachtte, wat deze hem zou mededeelen.

„Mijnheer Duisterduivel,” begon de bedelaar, „het is al lang geleden,
sedert ik over deze zaak heb hooren spreken; want noch de heeren van
Knockwinnock, noch Sir Arthur, noch zijn vader, noch zijn grootvader, –
en ik herinner mij heel wat van hen, – hoorde er gaarne van spreken, –
en nog hooren zij het niet graag; maar dat doet er niet toe; gij kunt
verzekerd zijn, dat men er over praatte in de keuken, gelijk over alle
andere zaken, in groote huizen, ofschoon in de huisvertrekken verboden,
– en zoo heb ik de omstandigheden hooren verhalen door oude dienstboden
in de familie; en in deze dagen, dat men de dingen van die soort niet
meer ophaalt, zoo als men vroeger placht te doen, twijfel ik, of er
iemand in het land is, die van de historie afweet, dan ik, – behalve de
heer zelf; want er is een perkamenten boek van, zoo als ik gehoord heb,
in de bibliotheek op het kasteel van Knockwinnock.”

„Goed! – dat is alles zeer goed; – maar ga voort met uwe historie, mijn
goede vriend!” zeide Dousterswivel.

„Wel nu, ziet gij,” vervolgde de bedelaar, „dit is eene zaak, die in de
oude tijden voorviel, in de tijden, dat men het geheele land door
roofde en plunderde, toen het heette ieder voor zich zelven, en God
voor ons allen; toen het niemand aan iets ontbrak, als hij de macht
had, om het te nemen, en hij ook niet langer zijn eigendom behield, dan
hij de macht had, om het te verdedigen. Het ging juist zoo: nu boven,
dan er onder, wie het sterkste was; en zoo ging het hier in het oosten
van ons land, en buiten twijfel in het overige gedeelte van Schotland
juist op dezelfde wijze!”

„Nu: in deze dagen kwam Sir Richard Wardour in deze streken, en deze
was de eerste van den naam, die ooit in dit land was. – Sedert zijn
tijd zijn er vele geweest, en de meesten, even als hij dien men Hel in
’t Harnas noemde, slapen ginds onder de bouwvallen. Het was een trotsch
en hard slag van menschen, maar vol moed, en zij streden voor het best
van het land; – God zegene hen allen! – Men noemde hen de Normandische
Wardours, ofschoon zij uit het zuiden in dit land kwamen. Dus maakte
Sir Richard, dien zij de Roodhandige noemden; kennis niet den ouden
Knockwinnock van dien tijd; – want toen heetten zij Knockwinnock, naar
het goed, of, zoo gij wilt, de Knockwinnocks van Knockwinnock, – en hij
wenschte diens eenige dochter te trouwen, om het kasteel en het land er
bij te krijgen. Ongaarne, zeer ongaarne, wilde het meisje, – zij werd
Sybille Knockwinnock genoemd, zoo als zij zeiden, die mij de historie
vertelden, – het huwelijk aangaan; want zij was reeds al te zeer
ingenomen met een neef van haar, tegen wien de vader iets had opgevat;
en zoo kwam het, dat zij pas vier maanden met Sir Richard getrouwd was,
– want trouwen moest zij hem, – of zij verrastte hem met een kindje, en
wel met een frisschen jongen. – Dat gaf toen een spel, zoo als men er
nooit een zag; en: „zij moet verbrand, en het kind vermoord worden,”
waren de zachtste woorden, die men vernam. Maar het werd op de eene of
andere wijze bijgelegd, en men zond het kind naar de Hooglanden, waar
men het opvoedde; en het groeide op tot een wakkeren knaap, gelijk
menig ander, die op eene verkeerde wijze in de wereld komt, en Sir
Richard met de Roode Hand had een deugdelijken spruit van zijn eigen,
en alles bleef bedaard en rustig, tot hij onder den grond lag. Maar
toen kwam Malcolm Misticot – (Sir Arthur zegt, dat het Misbegot moet
zijn; maar zij hebben hem Misticot genoemd, al lang geleden,) nu deze
Malcolm kwam aanzetten, met eene bende langbeenige Hooglanders uit
Glen-Isla, die altijd gereed zijn om kwaad te doen, en hij beweerde,
dat het kasteel en de landerijen hem toekwamen, als den oudsten zoon
van zijne moeder, en hij dreef er de Wardours uit, naar de bergen. En
er kwam eene soort van gevecht, of bloedige vete uit voort; want de
edelen kozen verschillende partijen; maar Malcolm behield langen tijd
de overhand, en nam het kasteel van Knockwinnock in bezit, en bouwde
dien grooten toren, welken zij tot op den huidigen dag Misticot’s toren
noemen.”

„Mijn goede vriend, oude heer Adam Ochiltree!” viel hem Dousterswivel
in de rede, „dit is alles niets anders, dan eene van die lange
histories van kale baronnen met zestien kwartieren in mijn eigen land;
maar ik zou liever van het zilver en het goud hooren.”

„Wel, zie je, deze Malcolm werd bijgestaan door een oom, een broeder
van zijn vader, die Prior was, hier van St. Ruth, en zij verzamelden
met elkander groote schatten, om de opvolging van hun huis in de
goederen der Knockwinnock’s te verzekeren. – Het volk zegt, dat de
monniken in die dagen de kunst hadden, om de edele metalen te
vermenigvuldigen; – in elk geval, zij waren zeer rijk. Ten laatste kwam
het zoover, dat de jonge Wardour, die de zoon was van den Roodhandige,
Misticot uitdaagde, om met hem te vechten in het strijdperk, – een
afgesloten ding, dat men voor hen oprichtte, om als twee kemphanen te
vechten. Wel nu, Misticot werd overwonnen, en was in de handen van zijn
halfbroeder. Maar deze wilde hem het leven niet benemen, om het bloed
van Knockwinnock, dat in zijne aderen vloeide: dus werd Malcolm
genoodzaakt om monnik te worden, en hij stierf kort daarna in de
priorij, enkel van spijt en verdriet. Niemand weet, waar zijn oom, de
abt, hem liet begraven, of wat hij deed met zijn goud en zilver; want
hij stond op de rechten van de kerk, en wilde er niemand rekenschap van
geven. Maar het sprookje is in het land verspreid, dat, als men ooit
het graf van Misticot ontdekt, het goed van Knockwinnock verloren en
gewonnen zal worden.”

„Ach, en dat is zeer mogelijk, mijn goede oude vriend, heer Adam! als
Sir Arthur met zijne goede vrienden twist wil maken, om den heer
Oldbuck te believen. En alzoo denkt gij, dat dit goud en zilver aan den
goeden heer Malcolm Mishdigot toebehoort?”

„Wel zeker denk ik dat, mijnheer Duisterduivel!”

„En gij gelooft, dat er nog meer van te vinden is?”

„Zeer zeker, geloof ik dat! – Hoe zou het anders zijn: – Search – No.
1. – Dat is even zoo veel gezegd, als: zoek en gij zult nommer twee
vinden! Bovendien, die kist bevat slechts zilver, en ik heb gehoord,
dat Misticot’s verborgen rijkdom uit veel geel goud bestaat.”

„Nu dan, mijn goede vriend!” zei de goudzoeker, haastig opspringende,
„waarom niet dadelijk onzen kleinen arbeid verricht?”

„Om twee goede redenen,” antwoordde de bedelaar, die in dezelfde
houding bedaard bleef zitten; „vooreerst, omdat, zoo als ik u reeds
zeide, wij niets hebben, om meê te graven; – want zij namen de
houweelen en schoppen mede; en ten tweede, omdat er eene menigte
leêgloopers komen zullen, om op het gat te staroogen, zoolang de zon
aan den hemel is, en wellicht zend de heer iemand, om het toe te
smijten. Maar als ge mij hier, op deze plaats, om twaalf uur van nacht,
met eene dievenlantaaren wilt komen zoeken, zal ik gereedschap bij de
hand hebben, en wij zullen met ons beiden het werk verrichten, zonder
dat iemand er iets van weet.”

„Maar, – doch, – maar, mijn goede vriend!” zei Dousterswivel, die zijn
nachtelijk avontuur nog niet geheel vergeten kon, zelfs niet in de
schitterende hoop, die het verhaal van Adam bij hem opgewekt had, „het
is niet zoo heel veilig en sekuur bij het graf van den goeden heer
Mishdigot ’s nachts; – gij hebt vergeten, dat ik u zeide, dat de
geesten daar jankten en spookten. Gewis het spookt dáár!”

„Als gij bang zijt voor geesten,” antwoordde de bedelaar koeltjes, „zal
ik de taak zelf verrichten, en u uw aandeel van den schat brengen, op
welke plaats gij verkiest te bepalen!”

„Neen, – neen, – mijn voortreffelijke oude heer Adam! – dat is al te
veel moeite; – dat wil ik niet vergen: – ik zal zelf komen, – en dat
zal ook beter zijn; want, mijn oude vriend, ik, Herman Dousterswivel,
was het, die het graf van Mishdigot vond, toen ik eene plaats zocht, om
er eenige munten in te verbergen, waarmede ik mijn vriend Sir Arthur
eene poets wilde spelen, alleen voor de aardigheid en tot tijdverdrijf.
Daar nam ik iets van het puin weg, en vond het graf van den heer
Mishdigot. – Het is alsof hij wilde, dat ik zijn erfgenaam zou zijn! –
en het zou dus onbeleefd van mij wezen, als ik niet zelf de erfenis
kwam halen.”

„Om twaalf uur dus,” zei de bedelaar, „zien wij elkander weêr onder
dezen boom. – Ik zal een tijd lang oppassen, dat niemand zich met het
graf bemoeie: – ik heb maar te zeggen, dat de heer het verboden heeft;
– dan ga ik mijn avondmaal halen bij Ringan, en vraag hem, in zijne
schuur te mogen slapen, en ik zal er van nacht uit gaan, en niet gemist
worden.”

„Doe dat; mijn goede heer Adam! en ik zal hier op deze plek zijn, al
mochten ook alle geesten hoesten en zich de hersens uitproesten!”

Met deze woorden gaf hij den ouden man de hand, en beide, wederkeerig
de belofte gedaan hebbende van getrouw te zijn aan de afspraak,
scheidden voor het oogenblik.








VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK


                    – Ziet ge de zakken liggen
                      Van gierige kloosterlingen? Gevangene munten
                    Moet gij verlossen: –
                      Schel, boek en toorts drijven mij niet weg,
                    Waar goud en zilver wenken mij te nad’ren –

                                                          Koning Johan.


De nacht was onstuimig, met wind en regenvlagen. „Eilieve” zei de oude
bedelaar, toen hij zich aan den droogen kant van den grooten eikenboom
neêrzette, om op zijn makker te wachten – „de menschelijke natuur is
toch een koppig, eigenzinnig iets! – De geldzucht alleen, drijft dien
Duisterduivel door een weêr als dit, te middernacht, naar deze woeste,
akelige streken! – en ben ik zelf geen grooter gek, dat ik hem hier zit
te wachten?”

Na deze wijze bedenkingen, wikkelde hij zich dicht in zijn mantel, en
keek naar de maan, die zich tusschen de stormachtige en donkere wolken
vertoonde, die de wind voor zich uitdreef. Het spookachtige en
ongestadige licht viel tusschen de voorbijtrekkende schaduwen op de
gebarsten bogen en spitse vensterramen van het oude gebouw: deze werden
dus voor een oogenblik duidelijk zichtbaar; en dan weêr een duistere
massa waarvan men niets kon onderscheiden. Het kleine meer was ook
verlicht door de flikkerende lichtstralen, en vertoonde zijne wateren,
ontroerd onder den storm, golvend en bruischend, echter, als de wolken
over de maan joegen, slechts te onderscheiden door hun dof ruischen
tegen de oevers. Het boschrijke dal weêrgalmde met elke windvlaag, die
er achtereenvolgens door heen vloog; van het gekraak en gesteun,
waarmede de boomen den storm beantwoordden, en het geluid ging over,
als de vlaag voorbij was, in een ontzagwekkend en steeds afnemend
gekerm, gelijkende op de laatste zuchten van een zieltogenden
misdadiger, als de eerste pijnen van zijne foltering voorbij zijn. Het
bijgeloof zou in deze geluiden voedsel genoeg gevonden hebben voor die
rillingen, welke het vreest en toch tevens zoekt. Maar dergelijke
gevoelens waren aan Ochiltree vreemd. Zijn geest keerde terug naar de
tooneelen zijner jeugd.

„Ik heb,” – sprak hij tot zich zelven, – „in menigen ergeren nacht dan
deze op schildwacht gestaan, op de voorposten in Duitschland en
Amerika, terwijl ik wist, dat een twaalftal schutters in de struiken op
mij loerden. Maar ik was altijd wakker op mijn post: – geen mensch vond
ooit den ouden Adam in den dut.”

Terwijl hij dus bij zich zelven prevelde, nam hij, zonder er aan te
denken, zijn getrouwen stok op schouder en de houding van eene
schildwacht aan, en riep, toen hij een voetstap in de nabijheid van den
boom hoorde, op een toon, die beter met zijne krijgshaftige
herinneringen, dan met zijn tegenwoordigen toestand strookte: „halt! –
wie daar?”

„De duivel, goede Adam!” antwoordde Dousterswivel; „waarom roept gij
zoo hard als een grenadier op de wacht, – of wat gij een dienstdoende
noemt, ik meen eene schildwacht? –”

„Juist omdat ik in dit oogenblik mij verbeeldde eene schildwacht te
zijn. – Dit is een verschrikkelijke nacht: – hebt gij eene lantaren en
een zak voor het geld meêgebracht?”

„Wel ja! – ja – mijn goede vriend! daar zijn ze: – een paar
mantelzakken; – de eene kant is voor u, de andere voor mij; en daar gij
een oude man zijt, wil ik de zakken op mijn paard nemen, om u die
moeite te sparen.”

„Hebt gij dus een paard hier?”

„O ja, mijn vriend! daar aan het hek gebonden.”

„Wel, ik heb slechts één woord te zeggen: – er zal niets van mijn goed
op den rug van uw beest komen.”

„Hoe! waar zijt gij bang voor?”

„Eenvoudig van paard, man en geld tegelijk uit het oog te verliezen.”

„Weet gij, dat gij van een fatsoenlijk man een grooten schurk maakt?”

„Menig fatsoenlijk man,” – antwoordde Ochiltree – „maakt dat van
zichzelven; – maar, waarom twisten? – Wilt gij, zoo als ik wil, kom dan
meê; – wilt gij niet, dan keer ik naar het drooge stroo in de schuur
van Ringen Aikwood terug, dat ik ongaarne genoeg verliet, en breng het
houweel en de schop weêr op de plaats, vanwaar ik ze genomen heb.”

Dousterswivel overlegde een oogenblik, of hij, door Adam te laten
vertrekken, niet wellicht bezit van den ganschen schat zou kunnen
nemen. Maar het gebrek aan de noodige gereedschappen, de onzekerheid,
of hij ook, wanneer hij die had, zonder hulp het graf diep genoeg zou
kunnen opruimen, en, vooral, de tegenzin dien hij gevoelde, om, na de
ondervinding van den vorigen nacht, alleen de verschrikkelijkheden van
Misticot’s graf te torschen: – dit alles overtuigde hem dat de
onderneming eenigszins gewaagd zou zijn. Hij poogde dus, hoezeer
innerlijk vergramd, zijn gewonen vleienden toon aan te nemen, en
verzocht „zijn goeden vriend, mijnheer Adam Ochiltree, vóór te gaan, en
verzekerde, dat hij zich in alles voegen wilde, wat zulk een
voortreffelijke vriend mocht voorstellen.”

„Wel nu dan,” zeide Adam, „pas op uwe voeten tusschen het lange gras en
de losse steenen. – Ik hoop, dat wij vooreerst het licht zullen kunnen
aanhouden bij dezen verschrikkelijken wind; – maar tusschenbeide
schemeren de stralen van de maan toch door.”

Met deze woorden sloeg de oude Adam, vergezeld van den goudzoeker, die
hem zoo dicht mogelijk op zijde ging, den weg in naar de bouwvallen;
maar bleef plotseling vlak daarvoor staan. „Gij zijt een geleerd man,
mijnheer Duisterduivel, en weet zeer veel van de wonderen der natuur; –
nu wilde ik u iets vragen: gelooft gij aan geesten en spoken, die op de
aarde rondwaren? ja! of neen?”

„Hoe! mijn goede heer Adam! is dit nu de tijd en de plaats voor zulk
eene vraag?”

„Wel zeker mijnheer Duisterduivel! want ik moet u ronduit zeggen: men
wil, dat de oude Misticot hier spookt. Nu zou dit juist geen gelukkige
nacht zijn, om hem te ontmoeten; en wie weet, of hij wel bovenmate in
zijn schik zou zijn met ons voornemen, om zijn graf te bezoeken?”

„Alle guten Geister!” – mompelde de goudzoeker, terwijl het overige van
zijne bezwering door zijne bevende stem onhoorbaar werd. „Spreek toch
niet zoo, mijn goede heer Adam, want uit alles wat ik gisteren nacht
hoorde, geloof ik wel –”

„Wat mij betreft,” – zeide Ochiltree, het koor binnen tredende, met
eene uittartende beweging van de hand, „hij zou mij geen knip voor den
neus waard zijn, al verscheen hij op dit oogenblik zelf! – hij is
slechts een geest zonder lichaam, en wij beide hebben lichamen en
geesten er bij!”

„Om ’s hemels wil!” zeide Dousterswivel, „zeg toch niets van de geesten
met of zonder lichamen!”

„Wel nu,” zei de bedelaar, de lantaren openende, „hier is de steen; en
geest of geen geest, ik zal wat dieper in zijn graf kijken,” – en hij
sprong in het gat, waarin men ’s morgens de kostbare kist had gevonden.
Na eenige slagen gedaan te hebben, werd hij moede, of wendde voor moede
te worden, en zeide tegen zijn makker: „Ik ben nu oud en zwak, en kan
het niet volhouden. – Ieder zijne beurt is recht van ’t spel, buurman!
– nu moet gij er in, en de schop ter hand nemen, en de losse aarde
uitwerpen, en dan zal ik u weêr aflossen.”

Dousterswivel nam dus de plaats in, die de bedelaar verlaten had, en
werkte met al den ijver, welken de ontwaakte geldzucht, gepaard met den
beangstigenden wensch, om de onderneming te eindigen en de plaats zoo
spoedig mogelijk te verlaten, iemand kon inboezemen, die te gelijker
tijd winstzuchtig, achterdochtig en vreesachtig was.

Adam, stond zeer op zijn gemak naast het gat en vergenoegde zich met
zijn deelgenoot te vermanen, om wat harder te werken. „Op mijn woord!
daar zullen er niet veel zijn, die voor zulk een goed dagloon gewerkt
hebben, en laat het slechts het tiende gedeelte zoo groot zijn als de
kist No. 1., dan zal het toch nog eens zoo veel waard wezen, daar ze
met goud in plaats van met zilver gevuld is. – Wel, gij werkt alsof gij
bij houweel en schop waart groot gebracht: – gij zoudt ridderlijk uw
halven daalder daags verdienen kunnen. Berg uwe teenen voor dezen
steen!” Terzelfder tijd stootte Adam, als bij ongeluk, een zeer zwaren
steen, dien de goudzoeker met groote moeite naar boven getild had, ten
koste van diens schenen, naar beneden terug.

Dousterswivel, dus aangevuurd door den bedelaar, sloofde zich af
tusschen de steenen en den vasten kleigrond, terwijl hij zoo hard hij
kon werkte, en tusschen de tanden vloekte. Maar, zoodra hem eene
verwensching ontviel, veranderde Adam van batterij.

„O, vloek niet, vloek niet! – men kan niet weten, wie er naar luistert!
– Hoe! God helpe ons! wat staat daar? – O! het is maar een tak van een
klimop, die zich in den wind beweegt; toen er de maan op scheen, geleek
het volmaakt op den arm van een dood mensch, met eene kaars; ik dacht,
dat het Misticot zelf was! Maar stoor u er niet aan; werk maar door: –
smijt de aarde flink buiten het gat; – op mijn woord, gij zoudt even
netjes een graf kunnen maken als Willem Winnet zelf! Wat doet u nu
ophouden? – Gij zijt juist op de diepte, waar het geld zijn zal!”

„Ophouden!” herhaalde de goudzoeker, op den vergramden toon van iemand,
die zich teleurgesteld vindt; „ik ben ja op den steengrond zelven,
waarop die verdoemde ruïnen (God vergeef het me!) gebouwd zijn.”

„Wel,” zei de bedelaar, „gij zijt juist op de rechte plaats: – het zal
slechts eene groote grafzerk zijn, die men er ingelegd heeft, om het
goud te bedekken; neem het houweel, en zet er meer kracht bij, man! –
één flinke slag, van boven aangebracht, zal den steen doen barsten, ik
verzeker het u! – Ja, zoo, – dat zal helpen; – waarachtig, gij slaat er
fiks op!”

De goudzoeker, door Adam aangespoord, deed inderdaad een paar wanhopige
slagen, en het gelukte hem ook, om te breken – niet juist datgene,
waarop hij sloeg, dat, zoo als hij reeds gegist had, de vaste rots
zelve was, – maar het gereedschap, dat hij hanteerde, terwijl de kracht
der slagen, door den tegenstand welken ze ontmoetten vergroot, hem tot
aan de schouderbladeren door de armen trokken en zeer deden.

„Jongens, jongens! – daar gaat Ringan’s houweel naar de maan!” riep
Adam; „het is schande van het volk te Fairport, zulk slechte waar te
verkoopen. Neem de schop nog eens ter hand, mijnheer Duisterduivel!”

De goudzoeker, klouterde zonder te antwoorden, nu uit het gat, dat zes
voet diep was, en wendde zich tot zijn deelgenoot met eene stem, die
van gramschap beefde. „Kent ge, mijnheer Adam Ochiltree den man,
waarmede gij u lustig maakt?”

„Zeer goed, mijnheer Duisterduivel! – zeer goed, en dat heb ik reeds
lang gedaan; maar gekheid komt hier niet te pas: want ik verlang onze
schatten te zien. Wij moesten de beide kanten van den mantelzak nu
reeds gevuld hebben: – ik hoop, dat die ruim genoeg zal zijn, om alles
te bergen.”

„Pas op, gij leelijke oude kerel! nog ééne aardigheid, en ik sla u het
hoofd met deze schop stuk!”

„En waar zouden mijne handen en mijn stok op dat oogenblik zijn? – Wel,
mijnheer Duisterduivel! ik ben ook zoo lang niet in de wereld geweest,
om er nu op die wijze uit te raken. Wat deert u, man! om zoo nijdig op
uwe vrienden te wezen? Ik wed, dat ik den schat dadelijk vind!” en hij
sprong in het gat, en nam de schop op.

„Als ge mij eene slimme streek speelt,” zei de goudzoeker, wiens
verdenkingen nu ontwaakt waren, „zal ik u een fiksch pak slagen geven,
heer Adam, dat zweer ik u!”

„Hoor hem nu eens!” zeide Ochiltree; „hij weet, hoe men de menschen
schatten kan doen vinden! – Inderdaad, ik geloof haast, dat hij zelf
eens op die wijze gedrild is geweest.”

Op dit gezegde, dat klaarblijkelijk zinspeelde op wat vroeger tusschen
Dousterswivel en Sir Arthur had plaats gehad, verloor de wijsgeer het
weinige geduld dat hem nog was overgebleven, en ligtte in zijne drift
het dikke einde van het gebroken houweel op, om er het hoofd van den
ouden man meê in te slaan. De slag zou, naar alle waarschijnlijkheid,
noodlottig geweest zijn, zoo hij, tegen wien die gericht was, niet met
eene ernstige en vaste stem uitgeroepen had: „Schaam u, man! – Gelooft
gij, dat hemel en aarde dulden zullen, dat gij een ouden man doodt, die
uw vader zijn kon? – kijk om, man!”

Dousterswivel keerde zich onwillekeurig om en zag, tot zijne uiterste
verbazing, een lange, zwarte gestalte achter hem staan, die hem geen
tijd gaf, tot bezweringen of iets anders zijne toevlucht te nemen,
maar, rechtstreeks tot dadelijkheden overgaande, drie- of viermaal de
maat van zijne schouders met zulke geduchte slagen nam, dat hij er
onder bezweek en eenige minuten lang tusschen vrees en schrik
bewusteloos bleef liggen. – Toen hij weêr tot zich zelven kwam, was hij
alleen in het koor, waar de losse en vochtige aarde, die men uit het
graf van Misticot had opgeworpen, hem tot rustbed diende. Hij richtte
zich op met een gemengd gevoel van gramschap, smart en schrik; en niet
dan na eenige minuten overeind gezeten te hebben, kon hij zijne
gedachten genoegzaam bijeen krijgen, om zich te herinneren, hoe, en met
welk doel hij daarheen gekomen was. Naarmate hij zich alles herinnerde,
bleef hem weinig twijfel meer over, of de moeite, die Ochiltree zich
gegeven had om hem op die eenzame plaats te brengen, de spotternijen,
waarmede deze hem tot een twist gedreven had, en de hulp, welke hij
gevonden had, om aan dien twist een voor hem gewenschten uitslag te
geven, alle onderdeelen waren van een overlegd plan, om Herman
Dousterswivel in het verderf te lokken. Hij kon moeilijk
veronderstellen, dat hij zijn vermoeiend werk, den angst en de slagen,
welke hij ontvangen had, alleen aan de kwaadaardigheid van Adam
Ochiltree te danken had; maar hij besloot, dat de bedelaar eene rol
gespeeld had, hem door eenig persoon van meer gewicht opgelegd. Zijne
verdenkingen waren verdeeld tusschen Oldbuck en Sir Arthur Wardour. De
eerste had zich geene moeite gegeven, om den afkeer, dien hij van hem
had, te verbergen; – maar den laatste had hij zwaar beleedigd; en
ofschoon hij begreep, dat Sir Arthur niet wist, in hoe ver hij tegen
hem gezondigd had, kon hij toch licht veronderstellen, dat hij er
genoeg van besefte, om de gelegenheid te zoeken, om zich te wreken.
Ochiltree had ten minste op ééne omstandigheid gezinspeeld, die de
goudzoeker zich verbeeldde, dat aan niemand dan aan Sir Arthur en hem
zelven bekend was, en alzoo hem door den Baronet moest medegedeeld
zijn. Daarbij voerde Oldbuck eene taal, die duidelijk bewees, dat hij
Dousterswivel voor een schurk hield, en Sir Arthur hoorde die aan,
zonder hem met vuur te verdedigen. Eindelijk, kwam de wijze, waarop
Dousterswivel dacht, dat de Baronet zijne wraak uitgeoefend had, zeer
goed overeen met die, welke de gelukzoeker in andere landen had leeren
kennen, waar hij meer te huis was, dan in Schotland. Bij hem, even als
bij vele slechte menschen, waren het vermoeden van eene beleediging, en
het voornemen om die te wreken, gelijktijdig in zijn hart opgekomen. En
eer Dousterswivel opgestaan was, had hij het verderf gezworen van zijn
weldoener, dat hij, ongelukkig genoeg, maar al te goed bewerken kon.

Maar, hoezeer ook het denkbeeld van wraak, zijn geest vervulde, was het
echter geenszins het oogenblik, om zich nu daarmede op te houden. Het
uur, de plaats, zijn eigen toestand, en wellicht de tegenwoordigheid,
of de nabijheid van zijne aanvallers, maakten zelfbehoud tot het eerste
voorwerp van zijne zorgen. De lantaren was in de verwarring omver
gesmeten en uitgebluscht. De wind, die vroeger door de bouwvallen
loeide, was nu gaan liggen, en er viel een zeer dichte regen. De maan
was dus geheel verduisterd; en ofschoon Dousterswivel eenige kennis van
de bouwvallen had en wist, dat hij trachten moest, om de oostelijke
deur van het koor te bereiken, waren echter zijne gedachten zoo
verward, dat hij eenigen tijd stond te twijfelen, in welke richting hij
die zoeken moest. In deze verlegenheid, begon het bijgeloof, door de
duisternis en zijn slecht geweten aangewakkerd, levendig op zijne
ontroerde verbeelding te werken. „Maar, bah!” sprak hij moedig bij zich
zelven, „het is alles gekheid: niets anders dan het gevolg van de
verwenschte streek, die men mij gespeeld heeft! De drommel zal mij
halen, als een domme Schotsche Baronet, dien ik vijf jaren lang bij den
neus heb gehad, nu eindelijk Herman Dousterswivel foppen zou!”

Toen hij tot dit besluit gekomen was, gebeurde er iets, dat zeer
strekte, om de gronden te doen wankelen, waarop het steunde. Te midden
van het zuchten van den afnemenden wind en het kletteren der
regendroppels op bladeren en steenen, verhief zich, op geringen
afstand, een weemoedig en plechtig gezang, alsof de geesten der
afgestorvene monniken, die eenmaal deze nu verlatene bouwvallen
bewoonden, de eenzaamheid en verwoesting betreurden, waaraan hunne
vroegere heilige verblijfplaats overgeleverd was. Dousterswivel, die
thans, langs de muren van het koor rondtastende, den weg zocht, bleef
onbewegelijk staan. Zijne geheele ziel scheen op dit oogenblik enkel
gehoor te zijn en hij overtuigde zich weldra, dat het slepende,
plechtstatige gezang, dat hij nu hoorde, eene lijkdienst der Roomsche
kerk was. Maar waarom het in deze eenzaamheid, en door welke
koorzangers het uitgevoerd werd, waren vraagstukken, welke de
verschrikte verbeelding van den goudzoeker, – vervuld met het geloof
aan heksen, weerwolven, spoken en geesten, – het niet waagde, op te
lossen.

Een ander van zijne zintuigen werd weldra in de zaak betrokken. Aan het
einde van een vleugel der kerk, een paar steenen trappen af, was eene
kleine deur, met ijzeren traliën, die, voor zoo ver hij zich herinneren
kon, in een laag gewelf, of eene sakristij, uitkwam. Terwijl hij in de
richting van het geluid keek, zag hij een lichtstraal schemeren door
deze traliën en op de trappen. Dousterswivel wist een oogenblik niet,
wat te doen; maar eensklaps een wanhopig besluit nemende, kroop hij
langs den muur naar de plaats, waaruit het licht straalde.

Gesterkt door het teeken van het kruis, en al de bezweringen, welke hij
zich kon te binnen brengen zocht hij de deur te bereiken, waardoor hij,
ongezien, alles kon gadeslaan, wat er binnen het gewelf voorviel.
Terwijl hij dus, met wankelende schreden, schroomvallig naderde,
eindigde het droevig gezang, en een diep stilzwijgen volgde. Zoodra hij
de deur bereikt had, bood deze hem een zonderling schouwspel aan in het
binnenste der sakristij. Een open graf, met vier groote fakkels, elk
zes voet lang, geplaatst aan de vier hoeken, – eene doodkist, en een
lijk in doodsgewaad, de armen over de borst gekruist, rustte op den
rand, van het graf, als gereed, om daarin te worden nedergelaten; – een
priester, in zijn gewonen tooi, hield een opengeslagen boek in de hand;
– een ander geestelijke, mede in priesterlijk gewaad, hield de
wijkwast, en twee jongens, in witte koorhemden, zwaaiden wierookvaten:
– een man van eene gestalte, die vroeger forsch en gebiedend moest
geweest zijn, maar nu door de jaren of lichaamsgebreken gebogen was,
stond alleen bij het lijk, in diepe smart gedompeld. Dit waren de
voornaamste figuren van de groep. Op een kleinen afstand bevonden zich
een paar menschen van beiderlei kunne, met groote rouwhoeden en
mantels; en vijf of zes anderen, in hetzelfde treurgewaad, stonden nog
meer verwijderd, langs de muren van het gewelf in orde geschaard, elk
met eene zware toorts van zwart was in de hand. Het walmend licht van
zoo vele flambouwen, gevoegd bij den rooden, somberen glans, welken zij
verspreidden, gaf een onduidelijk, onbepaald en, als het ware,
spookachtig voorkomen aan deze zonderlinge verschijning. De stem van
den priester – helder, duidelijk en welluidend, hief nu uit het
gebedenboek, dat hij in de hand hield, de plechtige woorden aan,
waarmede, volgens de gebruiken der Roomsch-Katholieke kerk, het stof
aan het stof wedergegeven wordt.

Intusschen bleef Dousterswivel, wegens het uur, de plaats en het
verrassende van het tooneel, steeds onzeker, of hetgeen hij zag,
wezenlijk bestond, dan of het eene bovennatuurlijke voorstelling was
van die plechtigheden, welke, in vroegere tijden, binnen deze muren
menigvuldig, maar thans zelden in Protestantsche landen, en bijna nooit
in Schotland, plaats vonden. Hij wist nog niet, of hij tot het einde
toe zou blijven, of trachten om weêr in het koor te komen, toen hij,
van houding veranderende, door de traliën, voor een der rouwenden
zichtbaar werd. De persoon, die hem het eerst opmerkte, gaf zijne
ontdekking aan den man, die alleen naast de kist stond, door een wenk
te kennen; en op een anderen wenk, welken deze tot antwoord gaf,
zonderden zich twee van de groep af, met zachte treden, als vreesden
zij den dienst te storen, en ontsloten en openden de traliëndeur, die
hen van den goudzoeker scheidde. Zij namen hem elk bij een arm, en een
geweld gebruikende, waaraan hij niet zou hebben kunnen weêrstaan, ook
wanneer hem de vrees veroorloofd had, eenige poging daartoe te
beproeven, plaatsten zij hem op den grond in het koor, en zich zelven
aan weerskanten, als om hem in bewaring te houden. Overtuigd dat hij
zich in de macht van stervelingen bevond, wilde de goudzoeker hun
eenige vragen doen; maar, terwijl de één naar het gewelf wees, waaruit
men de stem van den priester duidelijk hooren kon, legde hem de ander
den vinger op den mond, tot teeken dat hij zwijgen moest, en de
goudzoeker achtte het voorzichtig aan dien wenk te gehoorzamen. In
dezen toestand hielden zij hem, tot een luid Hallelujah, door de
eenzame bouwvallen van St. Ruth weêrgalmde, en de zonderlinge
plechtigheid besloot, die hij aanschouwd had.

Zoodra de lofzang met al zijne echo’s uitgestorven was, zei een der
zwartgekleeden, onder wiens bewaring de goudzoeker gebleven was, op
gemeenzamen toon: „Mijn tijd, mijnheer Dousterswivel, zijt gij het?
kondt gij het ons niet hebben laten weten, dat gij bij de plechtigheid
wildet zijn? – Milord zou het wellicht kwalijk kunnen nemen, dat gij
ons zoo kwaamt bespieden.”

„In den naam van alle goedheid, zeg mij, wie ge zijt?” hernam de
goudzoeker op zijne beurt.

„Wie ik ben? wel, wie zou ik anders zijn, dan Ringan Aikwood, van
Knockwinnock. – En wat doet gij hier op dit uur van den nacht, zoo gij
niet kwaamt om de begrafenis van de dame bij te wonen?”

„Ik verklaar u, mijn goede Aikwood,” zei Dousterswivel, opstaande, „dat
ik heden nacht vermoord, beroofd en in doodsangst geweest ben!”

„Beroofd! wie zou zoo iets hier doen? – Vermoord! wel, gij spreekt vlug
genoeg voor een vermoorde! – Verschrikt geweest! wat verschrikt u hier,
mijnheer Dousterswivel?”

„Ik zal het u zeggen, meester Ringan Aikwood! juist die oude
ongeloovige hond, die blauwrok, dien gij Adam Ochiltree noemt.”

„Dat geloof ik nooit!” antwoordde Ringan. „Ik en mijn vader vóór mij
hebben Adam altijd gekend als een eerlijk, rechtschapen, goed mensch;
en wat meer is, hij slaapt nu ginds in onze schuur, en is sedert tien
uur van avond dáár geweest. – Zie je, wie u ook aangevallen heeft,
mijnheer Dousterswivel, als dat iemand gedaan heeft, ben ik zeker, dat
Adam er niet bij is geweest.”

„Meester Ringan Aikwood, ik weet niet, wat gij er niet bij zijn noemt;
maar hij mag zoo goed zijn als hij wil, ik zeg u, dat ik heden nacht
van vijftig pond beroofd werd, door uw ouden, goeden vriend, Adam
Ochiltree; hij is niet meer in uwe schuur, dan ik in het koninkrijk des
hemels komen zal.”

„Wel, mijnheer, als gij met mij gaan wilt, zoodra de lijkvolgers naar
huis gaan, zullen wij u bij ons een bed geven, en wij zullen zien, of
Adam zich in de schuur bevindt. Toen wij hier naar toe kwamen met het
lijk, waren er twee kerels, die er vreemd uitzagen, aan den linker kant
van de oude kerk, dat is zeker, en de priester, die ongaarne heeft dat
de ketters onze plechtigheden begluren, zond twee knechts te paard op
hen af, – zie je, wij zullen er wel van hooren.”

Dit zeggende, ontdeed zich de vriendelijke schim, met behulp van zijn
zwijgenden makker, die zijn zoon was, van den rouwmantel, en maakte
zich gereed, om Dousterswivel te begeleiden naar de rustplaats, die hij
zoo zeer behoefde.

„Ik zal mij morgen tot den magistraat wenden,” zei de goudzoeker; „en
ik wil de wet tegen het geheele volk inroepen!”

Terwijl hij dus wraak zwoer over de beleediging hem aangedaan, wankelde
hij van tusschen de bouwvallen uit, leunende op Ringan en zijn zoon,
wier bijstand in zijn zwakken toestand hoogst noodzakelijk was.

Zoodra zij uit de abdij gekomen waren, en de kleine weide bereikt
hadden, waarin ze stond, kon Dousterswivel de toortsen zien, die hem
zoo zeer verontrust hadden, in ongeregelde orde uit de bouwvallen te
voorschijn komen en hare stralen als dwaallichtjes over de oevers van
het meer verspreiden. Na een tijdlang met eene golvende en
onregelmatige beweging langs het pad gezweefd te hebben, werden zij
eensklaps uitgedoofd.

„Wij blusschen altijd onze flambouwen in de bron van het heilige kruis
uit, bij zulke gelegenheden,” zei de boschwachter tot zijn gast; en
Dousterswivel zag dan ook verder geene zichtbare teekens van den
optocht, ofschoon zijn oor den verwijderden klank van hoefslagen kon
opvangen in de richting, welke de rouwdragers volgden.








ZESENTWINTIGSTE HOOFDSTUK


                            Het ga u goed, o visschers pink!
                              Vlieg spoedig heen en weêr!
                            Het ga u goed, o visschers pink!
                              Kom, voed ons, als weleer!
                            ’t Zijn menschenvrienden, die gij draagt,
                              God! sta den visscher bij!
                            Maak hem, die stout zijn leven waagt,
                              Het leven lustig, blij!

                                                          Oude ballade.


Wij moeten nu den lezer brengen in het binnenste der visschershut, die
wij in een vorig hoofdstuk van deze stichtelijke geschiedenis uiterlijk
leerden kennen. Ik wenschte te kunnen zeggen, dat die inwendig
ordelijk, van net huisraad voorzien, en tamelijk zindelijk was. Maar ik
vind mij in tegendeel genoodzaakt te erkennen, dat er wanorde, – dat er
verval heerschte, en – dat men er eene aanmerkelijke hoeveelheid stof
vond. Met dat al vertoonde zich bij de huisgenooten, Luckie
Mucklebackit en haar gezin, een schijn van welvaart, van overvloed en
van levensgenot, die hun eigen walgelijk spreekwoord, „hoe morsiger,
hoe warmer!” scheen te bevestigen. Een groot vuur brandde in den haard,
ofschoon men midden in den zomer was en diende ter zelfder tijd, om
licht, warmte en middelen voor de toebereiding der spijzen te
verschaffen. De vischvangst was voordeelig geweest, en het huisgezin
had zich, met de gewone zorgeloosheid omtrent de toekomst, sedert de
ontscheping der vracht, onafgebroken bezig gehouden met het bakken en
braden van dat gedeelte der opbrengst, hetwelk voor het huiselijk
gebruik bewaard werd; en de graten en overblijfselen lagen op houten
borden, onder stukken van overgebleven havermeelkoek, en afgewisseld
door half uitgedronken kannetjes bier. De forsche en groote gestalte
van Maggie zelve, zich werende onder een hoop half volwassen meisjes en
jongere kinderen, van welke zij de eene hier, de andere daarheen stiet,
nu en dan met den uitroep: „Uit den weg, lastig ding!” stak bijzonder
af, bij den lijdelijken en half wezenloozen blik en toestand van haar
mans moeder, eene vrouw van hoogen ouderdom, die in haren leuningstoel
bij het vuur zat, welks warmte zij zocht, maar nauwelijks scheen te
gevoelen; nu eens bij zich zelve mompelende, dan eens, bij
tusschenpoozen, de kinderen flauw toelachende, als zij aan de banden
van hare muts trokken, of met haar blauw geruiten voorschoot speelden.
Het spinrokken in den boezem, en de klos in de hand, werkte zij traag
en wezenloos, naar de oud-Schotsche wijze, aan hare oud-Schotsche taak.
De kleinste kinderen, die tusschen de beenen van de grooteren door
kropen, letten er op, hoe grootmoe’s klos grooter werd, en waagden het
nu en dan, hem tegen te houden, als hij heen en weêr op den vloer
danste met eene onregelmatigheid, welke, bij de tegenwoordig beter
ingerichte spinnewielen zoo goed belet wordt, dat zelfs de verwenschte
prinses uit het tooversprookje geheel Schotland zou kunnen doortrekken,
zonder gevaar te loopen van hare hand aan de klos van een spinnewiel te
wonden en aan die wond te sterven.

Hoe laat het ook wezen mocht (want het was reeds lang na middernacht),
bevond zich echter het gansche huisgezin nog op de been, en dacht er
niet aan, om naar bed te gaan. De huisvrouw was nog druk bezig met eene
soort van koeken (bij de visschers in Schotland onder den naam van
carcakes bekend), en de oudste dochter, de half naakte meermin, van wie
wij elders gewaagden, bereidde een grooten schotel schellevisch, boven
groen hout gerookt, om bij deze smakelijke koeken genuttigd te worden.

Terwijl zij dus bezig waren, kondigde een zacht tikken op de deur,
gepaard met de vraag: „Zijt ge nog op?” een bezoeker aan. Het antwoord
„Ja, ja, – ga je gang; kom binnen!” deed de klink oplichten, en Jenny
Rintherout, de meid van onzen oudheidkenner, verscheen in het vertrek.

„Ei, ei!” riep de vrouw van het huis uit, – „hoe! zijt gij het, Jenny,
het is een gelukje, meid, als men u eens te zien krijgt.”

„O, mensch! wij hebben het altijd zoo druk gehad met de wond van
Kapitein Hector, dat ik in geen veertien dagen den voet buiten de deur
gezet heb; maar, hij is nu beter, en de oude Caxon slaapt in zijne
kamer, in geval hij wat noodig heeft. Dus, zoodra ons volk naar bed
was, bond ik mijn haar wat op, en liet de huisdeur op de klink, als er
iemand uit of in moest terwijl ik er niet was, en ik kom hier eens
aanloopen, om te hooren, of er wat nieuws onder ulieden was.”

„Ei, ei!” antwoordde Luckie Mucklebackit; „ik zie gij hebt u
opgeschikt; – gij zoekt Steven; – maar hij is van nacht niet te huis, –
en gij lijkent Steven niet, meid! – zulk een onnoozel ding als gij, is
niet in staat, om een man te onderhouden.”

„Steven zou mij niet lijkenen!” antwoordde Jenny met eene beweging van
het hoofd, die eene dame van hoogere geboorte goed gestaan zou hebben,
– „ik moet een man hebben, die zijne vrouw onderhouden kan.”

„O, ja – zoo denkt gij landlieden en stedelingen! Waarlijk! de
visschersvrouwen weten het beter; – zij bestieren den man, en bestieren
het huis, en bestieren het geld er bij, meid!”

„Gij zijt niets dan ongelukkige, arme sloffen,” antwoordde de landnimf
aan de nimf der zee. – „Zoodra de kiel van een visschers pink grond
raakt, weigert de luie visscher, eene hand meer uit te steken; maar de
vrouwen moeten haar kleed opbinden, en naar boord waden, om den visch
aan strand te halen. En dan legt de man het natte pak af, en doet er
een droog aan, en zet zich met zijne pijp en zijne jeneverflesch in den
hoek van den haard, als eene oude baker, en wil geen voet verzetten,
tot de pink weêr vlot is! – En de vrouw – zij moet de mand op den rug
nemen, en weg met den visch naar de naastgelegen stad, en keffen en
vloeken met elk wijf, dat met haar keffen en vloeken wil, tot zij hare
vracht verkocht heeft, – en dat is het vroolijke leven der
visschersvrouwen, ellendige slavinnen!”

„Slavinnen? loop heen, meid! – kan ’t hoofd van het huis eene slavin
zijn? gij weet er weinig van, meid! – Noem mij één woord, dat mijn
Saunders durft spreken, of toon mij één stap, dien hij in huis mag
zetten, als het niet juist is, om zijn eten, en zijn drinken, en zijn
uitspanning te nemen, – juist als een kind. Hij heeft te veel verstand,
om iets in het geheele huis het zijne te noemen, van den dakspar af,
tot een gebroken houten schotel op het rek. Hij weet best wie hem voedt
en hem kleedt, en alles hecht en dicht houdt, als zijne pink op de
golven danst, de arme vent! Neen, neen, meid! – zij, die de waar
verkoopen, bestieren de beurs, – zij, die de beurs bestieren, bestieren
het huis, – toon mij één van de geringste uwer boeren, die hunne
vrouwen de vruchten naar de markt zouden laten brengen, en het geld
ophalen, dat zij in te vorderen hebben! Neen, neen!” [27]

„Wel, wel, Maggie! elk land heeft zijne eigene gewoonten; – maar waar
is Steven van nacht? wanneer kwam hij te huis en waarom ging hij uit?
en waar is uw man?”

„Ik heb mijn man naar bed gezonden; – want hij was zeer afgetobd; en
Steven is uit, op een pretje, met den ouden Blauwrok, Adam Ochiltree: –
zij zullen weldra weêr komen, en gij kunt zoo lang gaan zitten.”

„Inderdaad, moeder!” (een stoel nemende), „ik heb niet lang tijd, om te
blijven: – maar ik moet u wat nieuws vertellen. Gij zult gehoord hebben
van de groote kist met goud, die Sir Arthur hier dichtbij, te St. Ruth,
gevonden heeft? – Hij zal nu trotscher dan ooit te voren zijn; – hij
zal het hoofd niet kunnen buigen om te niezen, uit vrees van zijne
schoenen te zien!”

„O ja! – de geheele buurt is er vol van; maar de oude Adam zegt, dat
zij er tienmaal meer van maken, dan het is, en dat hij de kist heeft
zien opdelven. Inderdaad, eene arme ziel, die het noodig heeft, zou
lang kunnen wachten, eer hem zulk een geluk ten deel viel!”

„Ja, dat is zeker! – en gij zult gehoord hebben, dat de Gravin van
Glenallan dood is, en op een prachtbed ligt, en heden nacht te St. Ruth
zal begraven worden met flambouwen; en al de Roomsche bedienden, en
Ringan Aikwood, die ook Roomsch is, zullen er bij zijn, en het zal zulk
eene heerlijke vertooning wezen, als men er ooit eene gezien heeft!”

„Ei, voorwaar,” antwoordde de waternimf, „als er slechts Katholieken
bij verzocht worden, kan de vertooning niet zoo heerlijk zijn; want de
oude bedriegster zoo als de eerwaarde heer Blattergowl de Roomsche Kerk
noemt, heeft weinig aanhangers hier; maar waarom begraven zij het oude
wijf, (het was een kras mensch) ’s nachts – ik ben zeker, dat moeder
dat weet!”

Hier verhief zij de stem, en riep een paar maal: „Moeder! moeder!” maar
verzonken in de bewusteloosheid der jaren en der doofheid, ging de oude
vrouw, tot wie zij zich wendde, met spinnen voort, zonder haar te
hooren.

„Spreek gij tegen grootmoe, Jenny! – ik zou liever de pink op eene
halve mijl afstands toeroepen, met een noordwesten wind mij vlak in de
tanden!”

„Grootmoe!” riep de kleine meermin op een toon, waaraan de oude vrouw
beter gewend was, „moeder wilde weten, waarom de menschen van Glenallan
hunne dooden altijd bij nacht, en met flambouwen te St. Ruth begraven?”

De oude vrouw hield een oogenblik op met hare klos te draaien, keerde
zich tot de aanwezigen, legde de dorre, bevende, magere hand op het
bleeke, gerimpelde aangezicht, dat de levendige beweging van twee
lichtblauwe oogen hoofdzakelijk van het gelaat eens dooden
onderscheidde, en, als was zij blijde, om eenig aanrakingspunt te
vinden met de levende wereld, antwoordde zij: „Waarom de Glenallan’s de
dooden bij toortslicht begraven? – Is er dan nu een Glenallan
gestorven?”

„Wij konden allen dood en begraven zijn,” zei Maggie, „zonder dat gij
er iets van weten zoudt;” en toen de stem verheffende zoodat hare
schoonmoeder haar hooren kon, voegde zij er bij: „Het is de oude
Gravin, grootmoe!”

„En is zij dan eindelijk heengegaan!” zei de oude vrouw met eene stem,
die van meer gevoel beefde, dan haar buitengewoon hooge ouderdom, en de
algemeene onverschilligheid en wezenloosheid van hare natuur
medebrachten; – „is zij dan eindelijk opgeroepen om rekenschap te geven
van hare lange loopbaan van overmoed en hoogheid? – De Heere zij haar
genadig!”

„Maar moeder vroeg u,” hernam Jenny, „waarom de Glenallans hunne dooden
bij toortslicht begraven?”

„Zij hebben dat altijd gedaan,” hernam de grootmoeder, „sedert den
tijd, dat de groote Graaf in den bloedigen slag bij Harlaw viel, toen
men zegt, dat de lijkzang aangeheven werd van de monding van de Tay tot
aan den berg Cabrach, zoodat men overal niets hoorde, dan dat
treurgekerm over de menigte groote lui, die gevallen waren in het
gevecht tegen Donald van de eilanden. Maar de moeder van den grooten
Graaf leefde, – zij behoorden tot een moedig en fier ras, de vrouwen
van het huis van Glenallan, – en zij wilde niet, dat men den lijkzang
aanhief voor haren zoon, maar liet hem in de stilte van den middernacht
begraven, zonder den rouwbeker te vullen, of den treurzang aan te
heffen. – Zij zeide, dat hij den dag van zijn eigen dood genoeg
Hooglanders had neêrgeveld, zoodat hunne weduwen en dochters den
lijkzang mochten zingen over degenen, die zij verloren hadden, en
tevens over haar zoon, en zoo legde zij hem in het graf, met droge
oogen, en zonder zuchten of tranen. – En dit werd in de familie als een
waardig woord beschouwd; en zij zijn er bij gebleven; – en meer nog in
latere tijden, omdat zij in den nacht meer vrijheid hadden, om hunne
Roomsche plechtigheden bij duisternis en in het geheim te verrichten,
dan bij daglicht, – ten minste dat was het geval in mijn tijd; zij
zouden anders over dag verontrust zijn geworden door het gerecht en het
gemeen van Fairport; – zij mogen nu meer vrijheid hebben; – de wereld
is veranderd. – Ik weet soms nauwelijks meer, of ik sta, dan of ik zit,
of ik leef, dan of ik dood ben!”

En in het vuur starende, in den staat van wezenloosheid, waarover zij
klaagde, verviel de oude Elspeth weder tot hare gewone en
werktuigelijke bezigheid bij het spinnewiel.

„Wel!” zei Jenny Rintherout, binnensmonds, tegen Maggie, „het is
verschrikkelijk, uwe schoonmoeder zoo te hooren uitvallen; – het is
alsof de dood tot de levenden sprak!”

„Gij hebt het zoo ver niet mis, meid! zij onthoudt niets van al wat er
in den loop van den dag gebeurt; maar breng haar op oude histories, dan
kan zij spreken als een gedrukt boek. Zij weet meer van de familie
Glenallan, dan de meeste menschen; – mijn mans vader was langen tijd
hun vischverkooper. Gij moet weten, dat de Roomschen veel visch
gebruiken, en voor ons ten minste is te dien opzichte hun godsdienst
goed, hoe die ook overigens is. Ik kon altijd den besten visch tegen
den hoogsten prijs voor de tafel van de Gravin kwijt raken – zij ruste
in vrede! voornamelijk op een Vrijdag. – Maar zie eens, hoe moeders
handen en lippen gaan, – nu werkt het in haar hoofd als gist: – zij zal
van nacht genoeg praten; – anders spreekt zij geen woord in de geheele
week, of het moest tegen de kleine kinderen zijn.”

„Zeker, vrouw Mucklebackit, het is een mensch om bang voor te wezen: –
maar denkt gij, dat zij geheel en al bij haar verstand is? – Men zegt,
dat zij niet in de kerk gaat, of met den dominé spreekt, en dat zij
vroeger Roomsch was; maar sedert haar mans dood weet niemand wat zij
is; – gelooft gij zelve, dat zij geheel bij haar verstand is?”

„Bij haar verstand, onnoozele meid! denkt gij, dat eene oude vrouw
minder verstandig is, dan eene andere, of het moest Alison Breck zijn!
– Ik zou inderdaad niet voor haar willen instaan. – Ik heb de doozen
gezien die zij met kreeften vulde, toen –”

„Stil, stil, Maggie; uwe schoonmoeder gaat weêr spreken!”

„Was er niet iemand van u, die zeide,” vroeg de oude Sybille, „of
droomde ik het, of is het mij geopenbaard, dat Joscelinde, gravin van
Glenallan, dood en heden nacht begraven is?”

„Ja, moeder!” schreeuwde de schoondochter, „zoo is het!”

„En zoo zij het!” zei de oude Elspeth; „in haar leven maakte zij menig
hart bedroefd, zelfs dat van haren zoon; – leeft hij nog?”

„Ja, hij leeft nog; – maar evenwel – hoe lang hij nog leven zal! –
heugt u niet, dat hij in de lente naar u is komen zien en geld voor u
achterliet?”

„Het kan zijn, Maggie! – ik herinner het mij niet; – maar hij was een
braaf heer, en zijn vader vóór hem. Och! als zijn vader geleefd had,
hadden het gelukkige menschen kunnen wezen! – maar hij was er niet
meer, en de dame dreef het te ver met haren zoon, en deed hem iets
gelooven, dat hij nooit had moeten gelooven, en iets doen, waarover hij
zijn gansche leven berouw heeft gehad, en altijd berouw hebben zal, al
was zijn leven zoo lang, als mijn eigen lang en verdrietig leven.”

„O, wat was dat, grootmoe?” en „wat was het, moeder?” en „wat was het
Lukie Elspeth?” vroegen de kinderen, de moeder, en de bezoekster, in
één adem.

„Vraagt nooit, wat het was; maar bidt God, dat gij niet overgeleverd
moogt worden aan den hoogmoed en de boosheid van uwe eigene harten! Die
kunnen even machtig werken in eene hut, als in een kasteel; – ik kan er
eene droevige getuigenis van afleggen. – O, die ongelukkige en
verschrikkelijke nacht! zal die mij nooit uit het hoofd gaan? – Och!
haar op den vloer te zien liggen, met hare lange haren druipende van
het zoute water! – De Hemel zal het wreken op degenen, die er meê te
doen hadden. – Is mijn zoon in dezen stormachtigen nacht uit met de
pink?”

„Neen, neen, moeder! – geene pink kan zee houden bij dezen wind; – hij
slaapt in zijn bed ginds, achter in de kamer.”

„Is Steven dan op zee?”

„Neen, grootmoe! – Steven is uit met den ouden Adam Ochiltree, den
blauwrok – mogelijk zijn zij gegaan, om de begrafenis te zien.”

„Dat kan niet zijn,” zei de moeder van het gezin, „wij wisten er niets
van, tot dat Jan Rand kwam, en ons vertelde, dat de Aikwood’s
gewaarschuwd waren, om er bij te zijn. Zij houden alles zeer geheim, en
zij wilden het lijk den geheelen weg van het kasteel, tien mijlen ver,
in de duisternis van den nacht brengen. Zij heeft op een praalbed
gelegen, tien dagen lang, op het kasteel van Glenallan, in eene groote
kamer met zwart behangen, en met waskaarsen verlicht.”

„God vergeve haar!” riep de oude Elspeth uit, in wier hoofd, zoo het
scheen, de dood der Gravin steeds nog spookte. – „Zij was eene harde
vrouw; maar zij is heen gegaan, om er rekenschap van te geven, en Zijne
goedertierenheid is oneindig! – God geve dat zij dat ondervinde!” – En
zij verviel weder tot een stilzwijgen, dat zij gedurende het overige
gedeelte van den nacht niet meer verbrak.

„Ik begrijp niet, wat de oude, dolle bedelaar en onze zoon Steven
uitvoeren in een nacht als deze,” zeide Maggie Mucklebackit, en hare
uitroeping van verwondering werd door hare bezoekster herhaald. „Ga,
een van u, ginds op den top van de klip, en roep hen toe, als zij u
hooren kunnen; – de koeken zullen tot kool verbranden.”

De kleine bode vertrok, maar kwam na weinige minuten weêr binnen
stuiven met een luiden uitroep: „Hé, moeder! hé, grootmoe! daar is een
wit spook, dat twee zwarten de klip af najaagt.”

Het geluid van voetstappen volgde op deze zonderlinge aankondiging, en
de jonge Steven Mucklebackit, op de hielen gevolgd door Adam Ochiltree,
vloog de hut binnen. Zij hijgden en waren buiten adem. Het eerste, wat
Steven deed, was naar den boom van de deur te zien, maar die was in den
harden winter, voor drie jaren, tot brandhout gemaakt: „want waartoe,
zeide zijne moeder, „zouden boomen dienen, voor ons gelijken?”

„Er is niemand, die ons nazet,” zei de bedelaar; „wij geleken zoo even
op de boosdoeners, die vluchten, ook wanneer zij niet vervolgd worden.”

„Wij werden wel degelijk vervolgd,” zeide Steven, „door een spook of
iets, dat niet veel beter was.”

„Het was een man in ’t wit, te paard,” zeide Adam; „want de losse
grond, die het beest niet dragen kon, deed hem heen en weêr slingeren;
– ik wist dat wel; maar ik had niet gedacht; dat mijne oude beenen mij
er zoo gauw zouden hebben afgebracht; ik liep bijna zoo hard, alsof ik
bij Prestonpans geweest ware.”

„Zwijgt, malle schepsels!” zeide Luckie Mucklebackit, „het zal een der
dienaren bij de begrafenis van de Gravin geweest zijn.”

„Hoe!” zeide Adam, „is de oude Gravin heden nacht te St Ruth begraven;
– „Zóó? dat waren dus de lichten en het geraas, die ons van schrik
deden vluchten. Ik wilde dat ik het geweten had; – ik had ze gestaan en
den kerel ginds niet laten liggen; – maar zij zullen wel voor hem
zorgen. Gij sloegt wat te hard, Steven! – wie weet, of gij den schurk
niet dood sloegt!”

„Wel neen,” zeide Steven lachende; „hij heeft goede breede schouders,
en ik nam er met mijn stok de maat van. – Inderdaad, als ik het niet
kort met hem gemaakt had, zou hij u de oude hersens uit het hoofd
geslagen hebben, vriend!”

„Wel, als ik van deze grap goed afkom,” zeide Adam, „zal ik de
Voorzienigheid niet meer tergen. Maar ik kan niet denken, dat het zonde
is, eene kleine poets te spelen aan zulk een landlooper en schurk, die
leeft van de streken, waarmede hij eerlijke lieden oplicht.”

„Maar wat deed hij hiermede?” zeide Steven, een zakboek voor den dag
halende.

„God helpe ons, man!” zeide Adam, met groote ontroering, „wat deed u
die waar aanraken? een enkel blad van dat zakboek zou genoeg zijn, om
ons beide op te hangen!”

„Ik wist het niet,” zeide Steven; „het boek, geloof ik, is hem uit den
zak gevallen; want ik vond het tusschen mijne voeten, toen ik
rondtastte, om hem weêr op de been te zetten, en stak het in mijn zak,
om het te bewaren; en toen kwam dat paardengetrappel, en gij riept:
loopt! loopt! en ik dacht niet meer om het boekje.”

„Wij moeten het aan den eigenaar terug bezorgen, op de eene of andere
wijze; het beste zou zijn, denk ik, dat gij het zelf, met het aanbreken
van den dag, bij Ringan Aikwood bracht. Ik wou voor geen honderd pond,
dat men het in onze handen vond!”

Steven nam op zich, om te doen, zoo als men hem aanbevolen had.

„Gij hebt den nacht op eene schoone wijze doorgebracht,” zeide Jenny
Rintherout, die, ongeduldig van zoo lang onopgemerkt te blijven, zich
nu zelve aan den jongen visscher voorstelde; – „gij hebt den nacht op
eene schoone wijze doorgebracht, met rondloopen met oude bedelaars, en
u weerwolven op den hals te halen, terwijl gij in uw bed had moeten
liggen slapen, gelijk de brave man, uw vader.”

Deze aanval gaf aanleiding tot een gepast antwoord van den plaagzieken
jongen visscher. Een algemeene aanval, op de koeken en den gerookten
visch ving nu aan, en werd met groote volharding voortgezet, onder den
bijstand van een paar bekers bier en eene flesch jenever. De bedelaar
trok zich daarop terug naar het stroo, in een nabij gelegen schuurtje;
– de kinderen waren, het één voor het ander na, in hun nest gekropen;
de oude grootmoeder werd op haar bed gelegd; – Steven, zonder om zijne
reeds uitgestane vermoeienis te denken, had de hoffelijkheid, om Jenny
Rintherout naar huis te geleiden, en de geschiedenis vermeldt niet hoe
laat hij terugkeerde, en de moeder des huisgezins, na het vuur
opgepord, en alles in orde gebracht te hebben, begaf zich het laatst
van de huisgenooten ter rust.








ZEVENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK


                        – Menige groote kon missen
                        Zijn halve goed, had hij de kunst en gunst
                        Van bedelen op hoogen trant.

                                                    Het bedelaarsbosch.


De oude Adam was met den leeuwerik op, en zijne eerste vraag was naar
Steven en het zakboek. De jonge visscher had zijn vader reeds vóór den
dageraad moeten vergezellen, om den vloed niet te verzuimen; maar hij
had beloofd, dat hij, dadelijk na zijne terugkomst, het zakboek, met
alles wat er in was, zorgvuldig in een stuk zeildoek gepakt, aan Ringan
Aikwood zou ter hand stellen voor Dousterswivel, den eigenaar.

De moeder had het morgenmaal voor het huisgezin klaar gemaakt, en begaf
zich, met hare vischmand op den schouder, met krachtige schreden op weg
naar Fairport. De kinderen liepen buiten het huis; want het was een
schoone dag, en zonneschijn. De oude grootmoeder, weêr op haren matten
stoel gezeten, had haar eeuwige spinrokken hervat, en bleef
onbeweeglijk, bij het gejoel en geschreeuw der kinderen, en het kijven
der moeder, dat het verspreiden van ’t huisgezin was vooraf gegaan.
Adam had zijne zakken in orde gebracht, en stond uitgerust, om op nieuw
zijn zwervend leven te beginnen, maar naderde eerst met behoorlijke
beleefdheid de oude vrouw, om afscheid van haar te nemen.

„Goeden dag, vrouwtje, en de hemel schenke u er vele van. Ik zal in het
begin van den herfst weêrkomen, en ik hoop u gezond en wel te vinden.”

„Bid, dat ge mij in mijn stil graf moogt vinden,” zei de oude vrouw,
met eene holle stem, maar zonder eenige uitdrukking op haar gelaat.

„Ge zijt oud, moeder! en dat ben ik ook; maar wij moeten wachten. Zijn
wil! – wij zullen op onzen tijd niet vergeten worden!”

„En onze daden ook niet,” antwoordde de oude; „wat in het lichaam
gedaan is, moet in den geest verantwoord worden!”

„Ik weet, dat het zoo is; en ik mag dat gezegde wel onthouden, daar ik
een los en zwervend leven geleid heb. Maar gij waart altijd eene brave
vrouw! Wij zijn allen zwak; – maar gij kunt toch zoo veel niet hebben,
om er onder gebukt te gaan.”

„Minder dan ik had kunnen doen, maar meer, o veel meer dan genoeg, om
den grootsten brik, die ooit uit de haven van Fairport zeilde, te doen
zinken! – Zei er gisteren niet iemand, – ten minste zoo staat het mij
voor, – maar oude lieden hebben vreemde verbeeldingen, – zei niet
iemand, dat de Gravin van Glenallan gestorven was?”

„Wie het ook zeide, heeft de waarheid gesproken,” antwoordde de
bedelaar; „zij werd gisteren bij toortslicht te St. Ruth begraven, en
ik, als een gek, ik kreeg een schrik, toen ik de lichten en de ruiters
zag.”

„Het was hunne manier sedert de dagen van den grooten Graaf, die bij
Harlaw gedood werd; – zij doen het, om te toonen, dat zij niet willen
sterven en begraven worden als andere menschen. – De vrouwen van het
huis van Glenallan rouwden niet over hare mannen, noch de zuster over
den broeder, – maar is zij dan werkelijk opgeroepen tot rekenschap?”

„Zoo zeker,” antwoordde Adam, „als dat ons beiden dat te wachten
staat!”

„Dan wil ik mijn hart luchten, wat er ook van kome!”

Deze woorden sprak zij met meer levendigheid, dan gewoonlijk hare
uitdrukkingen vergezelde, en voegde er een gebaar met de hand bij,
alsof zij iets van zich afweerde. Toen verhief zij zich in hare volle
grootte, – zij was eens lang geweest, zoo als men nog zien kon,
ofschoon thans gebukt door ouderdom en ziekte, – en stond vóór den
bedelaar als eene mummie, welke voor een oogenblik door een zwervenden
geest bezield wordt. Hare lichtblauwe oogen rolden heen en weêr, alsof
zij dan eens vergat en zich dan weêr te binnenbracht het doel, waarom
hare lange, dorre hand de verscheidene voorwerpen doorzocht, welk zich
in een grooten, ouderwetschen zak bevonden. Eindelijk trok zij er een
klein spanen doosje uit, en na het geopend te hebben, nam zij er een
fraaien ring uit, die haar bevatte van twee verschillende kleuren,
donker- en lichtbruin, tezamen gevlochten, en omgeven met
edelgesteenten van zeer groote waarde.

„Oude man!” zeide zij tegen Ochiltree, „als gij ooit op genade hoopt,
moet gij eene boodschap voor mij doen op het kasteel Glenallan, en naar
den Graaf vragen.”

„Naar den Graaf van Glenallan, oude! hoe? hij wil geen van de
edellieden uit de buurt zien, en zou hij dan den ouden bedelaar willen
ontvangen?”

„Ga maar en beproef het; – en zeg hem, dat Elspeth van Craigburnfoot; –
hij zal mij het best bij dien naam kennen, – hem zien moet, eer zij
hare lange levensreis geëindigd heeft, en dat zij hem dien ring zendt,
als eene herinnering aan de zaak, waarover zij hem spreken wil!”

Ochiltree bekeek den ring met eenige verwondering over de schijnbare
waarde er van, en na hem weêr zorgvuldig in het doosje gelegd, en dit
in een ouden, gescheurden zakdoek gewikkeld te hebben, stak hij het in
zijne borst.

„Wel, oude!” zeide hij, „ik zal doen, wat gij verzoekt, of het zal
mijne schuld niet zijn. – Maar zeker werd er nooit te voren zulk een
fraai ding als dit aan een Graaf uit naam van een oud vischwijf door
een ouden bedelaar gezonden.”

Met deze aanmerking nam Adam zijn stok, zette den breedgeranden hoed
op, en vertrok om zijn tocht te ondernemen. De oude vrouw bleef eenigen
tijd onbewegelijk in dezelfde houding staan, de oogen naar de deur
gericht, waaruit haar afgezant vertrokken was. De schijn van
opgewektheid, welke het gesprek veroorzaakt had, verdween langzamerhand
van hare gelaatstrekken; – zij zonk neêr op haren stoel, en hervatte
haren werktuigelijken arbeid met haar gewoon gevoelloos uiterlijk.

Adam Ochiltree vervolgde zijn weg – de afstand van Glenallan was
omtrent drie uren gaans, een marsch, welken de oude soldaat in ongeveer
vier uren aflegde. Met eene nieuwsgierigheid, aan zijn beroep en de
levendigheid van zijn karakter eigen, pijnigde hij zich den geheelen
weg over, met te gissen, wat het doel zijn kon van de geheimzinnige
boodschap, die hem was toevertrouwd, of welk belang de hoogmoedige,
rijke en machtige Graaf van Glenallan in de misdaden, of het berouw
stellen kon van eene oude, versufte vrouw, wier rang in de samenleving
niet veel boven dien van haren bode verheven was. Hij trachtte zich
alles weêr te herinneren, wat hij ooit van de familie Glenallan geweten
of gehoord had; maar bleef buiten staat, om eenige gissing omtrent het
onderwerp zijner zending te maken. Hij wist, dat al de uitgestrekte
goederen van dit oud en machtig geslacht aan de onlangs afgestorvene
Gravin gekomen waren, die, in zeer aanmerkelijke mate, het gestrenge,
harde, willekeurige karakter bezat, dat het huis van Glenallan
onderscheidde sedert de eerste melding, die er in de Schotsche
geschiedenis van gemaakt wordt. Even als de overigen van hare
voorouders, was zij het Roomsch-Katholieke geloof oprecht toegedaan, en
gehuwd geweest met een Engelschen edelman van denzelfden godsdienst, en
van een zeer groot vermogen, die deze verbintenis geene twee jaren
overleefde. De Gravin bleef dus vroeg weduwe, met het onbeperkt beheer
over de groote bezittingen van hare twee zonen. De oudste, lord
Geraldin, die in den titel en het vermogen van Glenallan opvolgde, was
gedurende haar leven geheel en al afhankelijk van zijne moeder. De
jongere, tot jaren gekomen zijnde, nam den naam en het wapen van zijn
vader aan, en trad in het bezit van zijne goederen, overeenkomstig de
bepalingen, bij de huwelijks-voorwaarden gemaakt. Sedert dien tijd,
hield hij zich grootendeels op in Engeland, en legde slechts zeer
weinige en korte bezoeken af bij zijne moeder en zijn broeder; en deze
bleven er ten laatste geheel van bevrijd, toen hij tot den hervormden
godsdienst overging.

Maar, ook vóór dat hij zijne moeder dus ernstig beleedigde, had het
verblijf te Glenallan weinig aanlokkelijks voor een vroolijken jongen
man, gelijk Eduard Geraldin Nelville, ofschoon het sombere en de
afzondering der plaats scheen te strooken met den eenzamen en
droefgeestigen aard van zijn oudsten broeder. Lord Geraldin, bij zijne
intrede in de wereld, had zich voorgedaan als een kundig en veel
belovend jonkman. Degenen die hem op zijne reizen leerden kennen,
hadden de grootste verwachting van zijne toekomstige loopbaan. Maar
zulke fraaie dageraden ziet men dikwijls reeds in den morgen door
wolken verduisterd. De jonge edelman keerde naar Schotland terug, en,
na ongeveer een jaar in het gezelschap zijner moeder op het huis
Glenallan te hebben doorgebracht, scheen hij al het gestrenge, sombere
en droefgeestige van haar karakter te hebben aangenomen. Uitgesloten
van staatsambten door onbevoegdheid, uithoofde van zijn godsdienst, en
van andere bezigheden door eigene keuze, bracht lord Geraldin het leven
in de strengste afzondering door. Zijn gewoon gezelschap bestond uit
den geestelijke van zijne gemeente, die hem van tijd tot tijd bezocht;
en zeer zeldzaam, bij bepaalde gelegenheden, op hooge feestdagen,
werden een paar familiën, die nog den Roomsch-Katholieken godsdienst
beleden, plechtstatig op het huis Glenallan onthaald. Maar dat was ook
alles; – hunne Hervormde naburen wisten van de familie niets
hoegenaamd, en de Katholieken zelven zagen weinig meer, dan het deftig
onthaal en de pracht, welke men bij die gelegenheden ten toon spreidde,
en allen keerden terug, zonder te weten, of zij zich meer verwonderen
moesten over de ernstige en fiere houding der Gravin, of over de diepe
en sombere neêrslachtigheid, die altijd op de gelaatstrekken van den
zoon rustte. Het laatste sterfgeval had hem in het bezit van zijn
vermogen en zijn titel gesteld, en men begon reeds gissingen te maken,
of de opgeruimdheid met de onafhankelijkheid zou terugkeeren, toen zij,
die eenige kennis van den toestand der familie hadden, het gerucht
verspreidden, dat de gezondheid van den graaf ondermijnd was door
godsdienstige kastijdingen, en dat hij, naar alle waarschijnlijkheid,
weldra zijne moeder in het graf zou volgen. Dit was te
waarschijnlijker, daar zijn broeder mede aan eene kwijnende ziekte
overleden was, die in de laatste jaren van zijn leven, lichaam en ziel
terzelfder tijd had aangetast: zoodat de wapen- en geslachtkundigen
reeds hunne registers opsloegen, om den erfgenaam van deze ongelukkige
familie te ontdekken, en de rechtsgeleerden met een genoegelijk
voorgevoel spraken over de waarschijnlijkheid van een „langdurig proces
over de goederen der familie Glenallan.”

Toen Adam Ochiltree den voorgevel van het kasteel Glenallan naderde, –
een oud en uitgestrekt gebouw, van hetwelk het nieuwste gedeelte door
den beroemden Inigo Jones ontworpen werd, – begon hij te overleggen, op
welke wijze hij best slagen zou, om toegang te verkrijgen, ten einde
zijne boodschap te verrichten; en hij besloot, na lange overweging, om
het doosje met den ring door een der dienstboden aan den Graaf te
zenden. Met dit oogmerk, begaf hij zich naar eene kleine woning, waar
hij de benoodigdheden verkreeg, om den ring in een verzegeld pak te
sluiten, dat hij als een bedelbrief adresseerde: Aan den hooggeboren
Graaf van Glenallan. – Deze! Maar wetende, dat brieven aan deuren van
groote huizen, door zijns gelijken afgegeven, niet altijd hunne
bestemming bereiken, nam Adam, als oud soldaat, het besluit, om het
terrein op te nemen, eer hij den beslissenden aanval deed.
Dienovereenkomstig, het portiershuisje naderende, ontdekte hij aan het
getal armen, daarvoor geschaard, – van welken er eenigen behoeftigen
uit de buurt, en anderen zwervers van zijn eigen beroep waren, – dat er
eene algemeene uitdeeling geschiedde.

„Een goede dienst,” – zeide Adam bij zich zelven, – „blijft nooit
onvergolden: – ik krijg hier wellicht eene goede aalmoes, die ik gemist
zou hebben, als ik niet voor de oude vrouw op het pad was!”

Hij rangschikte zich dus onder de havelooze bende, en drong zoo dicht
mogelijk vóor in het eerste gelid, – eene onderscheiding, die hij
begreep, dat zijn blauwen rok en zak, niet minder dan zijne jaren en
ondervinding, toekwam; maar hij merkte weldra, dat men den voorrang in
deze vergadering volgens een ander beginsel schonk, waaraan hij niet
gedacht had.

„Zijt ge Roomsch, vriend, dat gij u zoo stout naar voren dringt? – Ik
geloof het niet; want er zijn geene Katholieken, die den blauwen rok
dragen.”

„Neen, neen! ik ben geen Roomsche!” zeide Adam.

„Dan pak u weg naar de Episcopalen of Presbyterianen ginds; – ’t is
schande, een ketter zulk een langen, witten baard te zien dragen, die
een kluizenaar eer zou aandoen!”

Ochiltree, dus uit het genootschap der Katholieke bedelaars verstooten,
of van diegenen, welke zich dus noemden, ging zich plaatsen bij de
armen van de gemeente der kerk van Engeland, aan welken de edele gever
eene dubbele bedeeling van zijne liefdegiften toelegde. Maar nooit werd
een ongelukkige afvallige ruwer door de hooge Kerkvergadering
behandeld, zelfs niet ten tijde dat men de zaak met hartstocht
behandelde, – in de dagen van Koningin Anna.

„Ziet hem met zijn zak!” zeiden zij; „hij hoort des morgens van elken
koning’s verjaardag, een van de Presbyteriaansche kapelanen eene preek
opdisschen, en nu zou hij zich voor een van de Episcopaalsche kerk
willen uitgeven! Neen, neen! daar zullen wij voor zorgen!”

Adam, dus door Roomschen en Episcopalen verstooten, was genoodzaakt,
zich onder het gelach zijner makkers te verschuilen bij de kleine groep
Presbyterianen, die hunne godsdienstige gevoelens voor eene ruimere
bedeeling niet hadden willen verzaken, of misschien wisten, dat zij het
bedrog niet konden beproeven, zonder zeker te zijn van ontdekt te
worden.

Ook in de wijze, waarop men de liefdegiften, bestaande uit brood,
rundvleesch, en een stuk geld, aan elken persoon van alle drie klassen
uitdeelde, werd dezelfde graad van voorrang in acht genomen. De
aalmoezenier, een geestelijke, deftig van voorkomen en manieren,
bestierde in persoon de verzorging der Katholieke bedelaren, stelde bij
de uitreiking der gift aan ieder een paar vragen, en beval in hunne
gebeden de ziel aan van Joscelinde, laatste Gravin van Glenallan,
moeder van hun weldoener. De portier, kenbaar aan zijn langen staf, van
boven met zilver beslagen, en aan zijn zwarten tabbaard, omzoomd met
kant van dezelfde kleur, welke hij als rouw droeg, had het toezicht
over de uitdeeling aan de Episcopalen. De lieden der minst begunstigde
kerkgemeente waren overgelaten aan de zorg van een bejaarden
dienstbode.

Terwijl deze laatste over eenig verschilpunt met den portier sprak,
troffen zijn naam, die bij toeval genoemd werd, en zijne gelaatstrekken
Ochiltree, en wekten bij hem herinneringen op aan vroegere tijden. De
laatsten der verzamelde menigte waren nu aftrekkende, toen de knecht,
weêr de plaats naderde, waar Adam nog bleef dralen, en met een sterken
Hooglandschen tongval zeide: „Wat scheelt den ouden, dat hij niet weg
kan gaan, nu hij zijn vleesch en geld gekregen heeft?”

„Frans Macraw!” antwoordde Adam Ochiltree, „heugt u Fontenoy niet meer,
en het „houdt u gesloten! sluit de gelederen?”

„Oho, oho!” riep Frans, met een echt hooglandschen gil van herkenning,
„niemand kan die woorden gezegd hebben, dan mijn oude voorman van het
eerste gelid, Adam Ochiltree – Maar het spijt mij, man! dat ik u in
zulk een toestand zie.”

„Niet zoo slecht, als gij denken zoudt, Frans! Maar ik zou niet gaarne
deze plaats verlaten, zonder eens met u te praten, en ik weet niet,
wanneer ik u weêr te zien zal krijgen; want de Protestanten zijn bij uw
volk niet recht welkom, en dat is de reden, waarom ik vroeger nooit
hier geweest ben.”

„Foei, foei!” zeide Frans, „laat dat dáár, – als de modder droog is,
laat hij zich afwrijven – kom maar met mij, en ik zal u wat beters
geven, man, dan dat runderbot!”

Daarop, na den portier iets ingefluisterd te hebben (waarschijnlijk, om
zijne toestemming te verzoeken), en na gewacht te hebben tot de
aalmoezenier met langzame en statige schreden in het huis was terug
gekeerd, bracht Frans Macraw zijn ouden kameraad op het plein van het
kasteel Glenallan, boven welks sombere poort zich een groot wapenschild
bevond, waarop, als gewoonlijk, de zinnebeelden van menschelijken trots
en menschelijke nietigheid vereenigd voorgesteld waren: het
geslachtswapen van de Gravin, met al de ontelbare kwartieren, in een
ruit afgebeeld, en omgeven door de bijzondere schilden van hare
vaderlijke en moederlijke voorouders, – en verder door zeisen,
zandloopers, doodshoofden en andere zinnebeelden der sterfelijkheid,
welke alle onderscheidingen tot de oorspronkelijke gelijkheid
terugbrengt. Zijn vriend zoo spoedig mogelijk over de breede plaats
geleidende, bracht Macraw hem door eene zijdeur in een klein vertrekje
naast de dienstbodenkamer, dat hij, omdat hij den Graaf van Glenallan
persoonlijk bediende, het zijne noemde. Koud gebraad van allerlei aard,
sterk bier en zelfs een glas likeur te voorschijn te brengen, leverde
geene zwarigheid op voor zulk een gewichtigen persoon als Frans, die,
bij het gevoel van zijne waardigheid, de slimme Hooglandsche voorzorg
niet had vergeten, welke hem eene goede verstandhouding met den
hofmeester voorschreef. Onze bedelaar dronk zijn glaasje bier, en sprak
over oude tijden met zijn kameraad, tot hij, geene stof meer voor een
gesprek kunnende bedenken, besloot, om het onderwerp van zijn
gezantschap aan te roeren, dat hem eenige oogenblikken lang uit het
geheugen gegaan was.

„Hij had den Graaf,” zeide hij, „een verzoekschrift aan te bieden;” –
want hij oordeelde het voorzichtig, om niets van den ring te zeggen,
daar hij niet wist, zoo als hij naderhand opmerkte, in hoe ver de
eerlijkheid van een oud soldaat in den dienst van een grooten heer,
ongeschonden was gebleven.

„Hoe! wat, man!” zeide Frans; „de Graaf wil zich met geene
verzoekschriften bemoeien; – maar ik kan het den aalmoezenier geven!”

„Maar het heeft betrekking tot een geheim, zoodat de graaf het wellicht
liever zelf zou willen zien.”

„Dit is juist eene reden, waarom de aalmoezenier het eerst, en het
allereerste van allen, zou willen zien.”

„Maar ik ben hierheen gekomen, om het zelf over te geven, Frans, en
waarlijk gij moet er mij meê helpen!”

„Nu dan, het ga mij nooit weder goed, als ik het niet doe,” antwoordde
de Hooglander. „Zij mogen zoo kwaad zijn, als zij willen, zij kunnen
mij toch slechts wegjagen, en ik was reeds zoo wat van plan, om mijn
ontslag te nemen, en mijne dagen te Inverary te gaan eindigen.”

„Met dit stout besluit, om zijn vriend in elk geval te dienen, daar hij
in deze omstandigheden toch niets onaangenaams te vreezen had, verliet
Frans Macraw het vertrek. Het duurde lang eer hij terugkeerde, en toen
hij weêr binnen trad kondigde zijn gelaat verwondering en ontroering
aan.

„Ik ben nu niet zeker, of gij Adam Ochiltree zijt van Carrick’s
compagnie van het twee-en-veertigste, of wel de duivel in persoon!”

„En wat doet u dat denken, man?” vroeg de verwonderde bedelaar.

„Omdat de graaf zoo aangedaan en zoo verwonderd geweest is, als ik
nooit iemand in mijn leven zag. Maar hij wil u zien; – ik gaf hem dat
ingebakerd ding, en hij was eenige minuten glad van zijn stuk; ik
dacht, dat hij in onmacht vallen zou; – en toen hij weêr tot zichzelven
kwam, vroeg hij, wie het pakje gebracht had, – en wat denkt gij, dat ik
zei?”

„Een oud soldaat!” antwoordde Adam; „dat doet het meeste af aan de deur
der grooten; – aan den boer is het beter te zeggen, dat men een oude
ketellapper is, als men een kwartier zoekt; want de vrouw kan iets te
maken hebben.”

„Maar ik heb geen van beiden gezegd,” hernam Frans; „de graaf geeft zoo
weinig om den een als om den anderen; – maar hij houdt het meest van
hen, die de zonden repareeren kunnen. Zie je, ik heb gezegd, dat het
papier gebracht werd door een ouden man met een langen, witten baard; –
het kon wel een Kapucijner zijn, voor zoover ik wist; want hij was
gekleed als een oude pelgrim. Dus zal hij u laten ontbieden, zoodra hij
zich sterk genoeg gevoelt, om u te zien.”

„Ik wenschte, dat ik die taak al achter den rug had,” dacht Adam bij
zich zelven; „velen denken; dat de graaf niet juist bij zinnen is, en
wie zal zeggen, hoe ver hij in zijne drift gaan kan, omdat ik deze zaak
op mij nam?”

Maar het was nu te laat om terug te treden. – Er klonk eene bel uit een
verwijderd gedeelte van het huis, en Macraw zeide met eene benauwde
stem, alsof hij reeds in de tegenwoordigheid van zijn heer was: „dat is
de bel van den graaf! – volg mij, vlug en bedaard, Adam!”

Adam volgde zijn gids, die scheen te stappen, alsof hij bang was om
gehoord te worden, door een langen gang een achtertrap op, waardoor zij
in de familievertrekken kwamen. Deze waren hoog en ruim, en de kostbare
stoffeering getuigde van het aanzien en den ouden luister der familie.
Maar al de versierselen waren in den smaak van een vroeger tijdperk, en
men zou zich bijna hebben kunnen verbeelden, door de zalen te trekken
van een Schotschen edelman van vóór den tijd van de vereeniging der
kronen. De laatste gravin had, gedeeltelijk uit diepe minachting voor
de tijden, waarin zij leefde, gedeeltelijk uit een gevoel van
familietrots, niet gewild, dat men de meubels veranderen, of den
hedendaagschen smaak huldigen zou gedurende haar verblijf op het
kasteel Glenallan. Het prachtigste gedeelte der versierselen bestond
uit eene verzameling schilderijen van de beste meesters, die echter,
wat de zware lijsten betrof, eenigszins door den tijd geleden hadden.
Er hingen eenige fraaie familieportretten van Van Dijk en andere
uitstekende schilders; maar de verzameling was het rijkste in de
Heiligen en Martelingen van Domenichino, Velasquez en Murillo, en
andere onderwerpen van denzelfden aard, die men bij voorkeur boven
landschappen en historiestukken gekozen had. De wijze, waarop deze
godsdienstige, en soms pijnlijke onderwerpen waren voorgesteld,
strookte met den somberen aard der vertrekken; eene omstandigheid,
welke den ouden man niet geheel en al ontging, terwijl hij er, onder
geleide van zijn voormaligen krijgsmakker, doorheen stapte. Hij wilde
er een paar woorden over zeggen; maar Frans gaf hem een teeken om te
zwijgen, en eene deur, aan het einde der lange galerij met
schilderijen, openende, liet hij hem in een klein, zwart behangen
woonvertrek. Hier vonden zij den aalmoezenier, met het oor tegen eene
deur gekeerd, vlak over degene welke zij binnenkwamen, in de houding
van iemand, die aandachtig luistert, maar terzelfder tijd vreest om op
de daad betrapt te worden.

De oude dienstbode en de geestelijke ontstelden toen zij elkander
zagen; maar de aalmoezenier bedaarde het eerst, en zeide, op Macraw
toetredende, op onderdrukten maar gebiedenden toon: „Hoe durft gij het
vertrek van den graaf naderen zonder u te melden? en wie is die
vreemdeling, en wat heeft hij hier te doen? – Ga terug naar de galerij,
en wacht mij daar!”

„Het is onmogelijk, op dit oogenblik Uw Eerwaarde te gehoorzamen,”
antwoordde Macraw, zijne stem verheffende, zoodat hij in de nabijzijnde
kamer kon gehoord worden, wel wetende dat de monnik den woordentwist
binnen het gehoor van zijn beschermheer niet zou volhouden; – „de graaf
heeft om mij gescheld.”

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er werd op nieuw
gescheld, met veel grooter geweld dan te voren; en de geestelijke,
bemerkende dat het onmogelijk was verder te volharden, hief, terwijl
hij het vertrek verliet, den vinger tegen Macraw op, met een dreigend
gebaar.

„Heb ik het u niet gezegd?” zeide Frans fluisterende tegen Adam, en
opende daarop de deur, bij welke zij den luisterenden kapelaan gevonden
hadden.








ACHTENTWINTIGSTE HOOFDSTUK


                – Deez ring, –
                Deez kleine ring, met zwarte tooverkracht,
                Deed den geest van ’t geluk verrijzen in mijn hart,
                Bezwoer ’t gevoel van eer en liefde, beiden,
                Zoodat ik bang ben voor mij zelven, .....

                                               Het noodlottig huwelijk.


De oude rouwgebruiken werden in het Kasteel Glenallan nageleefd, in
weêrwil van de volharding, waarmede men algemeen geloofde, dat de
familie weigerde, om de dooden, op de gebruikelijke wijze, te beweenen.
Men had bij de Gravin, toen zij den noodlottigen brief, die den dood
van haren tweeden en eenmaal, zoo als men dacht, haren meest geliefden
zoon meldde, ontving, niet de minste beving van de hand, noch siddering
van het ooglid, noch eenige andere gewaarwording bespeurd, dan wanneer
zij een gewonen brief over alledaagsche zaken las. De hemel alleen
weet, of het onderdrukken der moederlijke smart, dat haar trots gebood,
niet eenigermate medewerkte om haren dood te verhaasten. Ten minste
werd het algemeen geloofd, dat de aanval van beroerte, welke kort
daarna een einde aan haar leven maakte als het ware de wraakoefening
der beleedigde natuur was voor het geweld, dat zij haar gevoel had
aangedaan. Maar, ofschoon Lady Glenallan de gewone uitwendige teekens
van smart versmaadde, had zij nochtans verscheidene vertrekken, onder
anderen haar eigen en dat van den graaf, met de gebruikelijke
rouwteekens laten inrichten.

De graaf van Glenallan zat dus in een vertrek met zwart laken behangen,
dat in donkere plooien langs de hooge muren golfde. Een scherm,
eveneens met zwart laken bedekt, aan den kant van het hooge en nauwe
venster geplaatst, benam zeer veel van het gebroken licht, hetwelk zich
een weg door het beschilderde glas baande, dat, met de kunst van de
veertiende eeuw, het leven en het lijden van den Profeet Jeremias
voorstelde. De tafel, waaraan de graaf zat, was verlicht door twee
zilveren lampen, met dat onaangenaam en twijfelachtig licht, dat
ontstaat door de vereeniging van kunstlicht met dat van den dag. Op de
tafel lagen een crucifix en een paar perkamenten boeken met zware
sloten. Eene groote, heerlijke schilderij, door Spagnoletto, stelde het
lijden van den heiligen Stefanus voor, en was het éénigste sieraad van
het vertrek.

De bewoner en heer van deze sombere kamer was een man nog in zijne
beste jaren, echter zoo terneêrgeslagen door ziekte en zielskwelling,
dat hij nauwelijks meer op een menschelijk wezen geleek; en toen hij
haastig opstond en op zijn bezoeker toeging, scheen zijn verzwakt
gestel bijna onder die poging te bezwijken. Toen zij elkander te midden
van het vertrek ontmoetten, leverden zij eene zeer treffende
tegenstelling op. De gezonde kleur, de vaste stap, de opgerichte
gestalte en de onverschrokken, opgewekte houding van den ouden bedelaar
getuigden van geduld en vergenoegen in den hoogen ouderdom, en in den
laagsten stand, waartoe de mensch vervallen kan; terwijl de
diepliggende oogen, de bleeke wangen en de wankelende gestalte van den
edelman, die tegenover hem stond, toonden, hoe zeer rijkdom, macht en
zelfs de voorrechten der jeugd niets gemeen hebben met datgene, wat
rust aan den geest en sterkte aan het gestel geeft.

De graaf ontmoette den ouden man te midden van het vertrek, en na zijn
dienaar bevolen te hebben, zich naar de galerij te begeven, en niemand
in de voorkamer te laten eer hij de bel hoorde, wachtte hij met gejaagd
en angstig ongeduld, tot hij eerst de deur van zijn vertrek en
vervolgens die der voorkamer had hooren sluiten. Zoodra hij dus
verzekerd was van niet beluisterd te zullen worden, trad Lord Glenallan
dicht bij den bedelaar, dien hij waarschijnlijk voor een verkleeden
geestelijke aanzag, en zeide driftig, hoewel met eene bevende stem: „In
den naam van al wat onzen Godsdienst het heiligste is, zeg mij,
eerwaarde vader, wat ik te verwachten heb van eene mededeeling,
voorafgegaan door een teeken, waarmede zulke verschrikkelijke
herinneringen verbonden zijn?”

De oude man, aangesproken op eene wijze zoo zeer verschillende van die,
welke hij van den trotschen en machtigen edelman verwacht had, wist
niet wat te antwoorden en hoe hem uit den waan te brengen. – „Zeg mij,”
vervolgde de graaf op een toon van toenemenden schrik en doodsangst, –
„zeg mij, komt gij om mij te verklaren dat alles, wat tot nog toe
gedaan is, om zulk eene verschrikkelijke misdaad te boeten, te weinig
is, te gering voor de schuld, en om nieuwe en strengere boete voor te
schrijven? – Ik zal er mij niet aan onttrekken, vader! – Laat mij de
straf van mijne misdaad hier in ’t lichaam lijden, liever dan hier
namaals in de ziel!”

Adam was nu genoegzaam bedaard, om te bemerken dat, indien hij de
openhartigheid van Lord Glenallan niet voorkwam, hij waarschijnlijk de
vertrouweling zou worden van meer, dan het voor hem veilig zijn zou te
weten. – „Milord vergist zich; – ik ben niet van uw geloof, noch een
geestelijke, maar, – met allen eerbied, – slechts de arme Adam
Ochiltree, ’s Konings bedelaar en uw onderdanige dienaar!”

Deze opheldering was gepaard met eene diepe buiging naar zijne wijze,
en toen zich weêr oprichtende, legde hij de arm op zijn staf, schoof
zijn lang wit haar terug, en vestigde zijn oog op den graaf, als
wachtte hij op een antwoord.

„En gij zijt dus,” zeide lord Glenallan, na van verwondering eenigen
tijd gezwegen te hebben, „gij zijt dus geen Katholieke priester?”

„God behoede!” zeide Adam, in zijne verlegenheid vergetende tot wien
hij sprak; „ik ben slechts ’s Konings bedelaar en uw dienaar, zoo als
ik reeds gezegd heb.”

De graaf keerde zich haastig om, stapte een paar maal in de kamer op en
neêr, als om te herstellen van de uitwerkselen zijner misvatting, en
toen, dicht bij den bedelaar komende, vroeg hij hem, op strengen en
hoogen toon, wat hij bedoelde met zich dus op eigen gezag in te
dringen, en van wien hij den ring gekregen had, welken hij had
goedgevonden hem te zenden? Adam, een man van zeer veel verstand, was
minder verschrikt over deze wijze van ondervragen, dan hij verlegen
geweest was over den vertrouwelijken toon, waarop de graaf het gesprek
begonnen had. Op de herhaalde vraag, van wien hij den ring gekregen
had, antwoordde hij bedaard „Van iemand die de graaf beter kende, dan
hij.”

„Die ik beter ken, mensch!” zeide lord Glenallan. „Wat wilt gij zeggen?
Verklaar u op het oogenblik, of gij zult de gevolgen ondervinden van u
hier in te dringen op een oogenblik als dit!”

„Het was de oude Elspeth Mucklebackit, die mij hier heen zond,”
antwoordde de bedelaar, „om te zeggen, –”

„Gij raaskalt, oude man!” zeide de graaf; – „maar dit verschrikkelijk
teeken brengt mij te binnen –”

„Ik herinner mij nu, Milord,” hernam Ochiltree; „dat ze mij zeide, dat
gij haar beter zoudt kennen, indien ik haar noemde Elspeth van
Graigburnfoot. Zij droeg dezen naam, toen zij op uwe goederen woonde,
dat is op die van uwe overleden moeder, – zij ruste in vrede!”

„Ja,” zei de ontstelde edelman, terwijl zijne gelaatstrekken
stuipachtig vertrokken en zijne wang verbleekte, „die naam staat
voorwaar geschreven op het treurigste blad van eene beklagenswaardige
geschiedenis! – Maar wat kan zij van mij verlangen? Leeft zij, of is
zij dood?”

„Zij leeft, Milord, en smeekt u te mogen zien eer zij sterft; want zij
heeft u iets te berichten, dat haar op de ziel drukt, en zij zegt, dat
zij niet in vrede sterven kan, zonder u te zien.”

„Zonder mij te zien! – wat kan dat beteekenen? – maar zij is versuft
van ouderdom en zwakte. – Ik zeg u, vriend, dat ik zelf aan hare woning
geweest ben, geen twaalf maanden geleden, op het bericht dat zij in
armoede verkeerde, en zij herkende zelfs mijn aangezicht of mijne stem
niet.”

„Indien het mij veroorloofd is,” zeide Adam, wien de duur van het
gesprek een gedeelte der vrijmoedigheid van zijn beroep en van zijn
aangeboren praatzucht teruggegeven had, – „indien het mij veroorloofd
is, zou ik, onder verbetering, zeggen, dat de oude Elspeth gelijk is
aan een van die oude vervallen sterkten en kasteelen, welke men
tusschen de bergen ziet. Er zijn vele deelen van haren geest, die nu,
zoo te zeggen, verspreid en verstrooid schijnen te liggen; maar dan
zijn er deelen, welke zich des te steviger, en des te sterker, en des
te grootscher vertoonen, omdat zij zich verheffen juist als
overgebleven tusschen de bouwvallen der overige. Zij is eene
schrikbarende vrouw!”

„Dat is zij altijd geweest,” zei de graaf, bijna zonder het te weten de
aanmerking van den bedelaar herhalende; „zij was steeds anders, dan
andere vrouwen. – In haren gemoedsaard en aanleg kwam zij misschien het
meest overeen met degene, welke nu niet meer hier is. Zij wenscht mij
dus te zien?”

„Eer zij sterft,” zeide Adam, „smeekt zij dringend om dat geluk.”

„Het zal voor geen van ons beiden een geluk zijn,” zei de graaf
ernstig, „maar zij zal haar zin hebben. Zij woont, geloof ik, op het
strand, ten zuiden van Fairport?”

„Juist, tusschen Monkbarns en het kasteel Knockwinnock, maar dichter
bij Monkbarns. Milord kent buiten twijfel den heer en Sir Arthur?”

Een blik, alsof hij de vraag niet begreep, was het antwoord van lord
Glenallan. Adam zag dat hij om iets anders dacht, en waagde het niet
eene vraag te herhalen, die zoo weinig ter zaak deed.

„Zijt gij Katholiek, oude man?” vroeg de graaf.

„Neen, Milord!” antwoordde Ochiltree stoutmoedig; want op dat oogenblik
kwam hem het onderscheid bij de uitdeeling voor den geest; „dank zij
den Hemel, ik ben goed Protestant.”

„Hij, die zich in gemoede goed kan noemen, heeft inderdaad reden, om
den Hemel te danken, tot welke sekte van het Christendom hij ook
behoore! Maar wie is er, die dat van zichzelven durft beweren?”

„Ik niet,” zeide Adam; „ik hoop bewaard te blijven voor zondigen
hoogmoed.”

„Wat was uw beroep in uwe jeugd?” vervolgde de graaf.

„Soldaat, Milord, en ik heb menigen warmen dag en guren nacht
doorgestaan. Ik was op het punt van sergeant te worden; maar –”

„Soldaat! Dus hebt gij gedood, en verbrand, en geplunderd, en geroofd?”

„Ik wil niet zeggen,” antwoordde Adam, „dat ik beter ben geweest dan
mijne buren; – het is een woest leven, – de oorlog is aanlokkelijk voor
degenen, die er geen ondervinding van hebben.”

„En gij zijt nu oud en ellendig, en moet van de grillige liefdadigheid
het voedsel bedelen, dat gij in uwe jeugd aan de handen van den armen
boer ontruktet?”

„Ik ben een bedelaar, dat is waar, Milord, maar ik ben juist daarom
niet zoo ellendig. – Wat mijne zonden betreft, ik heb de genade
gekregen om er berouw over te hebben, indien ik het zoo zeggen mag, en
van ze dáár neêr te leggen, waar zij beter kunnen gedragen worden dan
door mij; – en wat mijn voedsel betreft, niemand weigert een ouden man
een stuk brood en eene teug water. – Dus leef ik zoo goed ik kan, en
ben bereid om te sterven, als ik opgeroepen word.”

„En dus met weinig waarop ge terug kunt zien, dat aangenaam of
prijzenswaardig is in uw vorig leven, – met nog minder dat ge
verwachten kunt aan dezen kant van het graf, slijt gij in tevredenheid
het overige van uw leven! – Ga nu henen; en met uwe jaren en armoede en
ellende, benijd nooit den heer van zulk een verblijf als dit, noch in
de oogenblikken van zijn slaap, noch van zijn waken! – Hier is iets
voor u.”

De graaf legde vijf of zes guinjes in de hand van den ouden man. Adam
zou misschien, even als bij andere gelegenheden, zijne bedenkingen
hebben ingebracht over het bedrag der weldaad; maar de toon van Lord
Glenallan was te beslissend, om antwoord of tegenkanting te gedoogen.
De graaf riep toen zijn dienaar. – „Zie toe, dat deze oude man veilig
uit het kasteel kome, – dat niemand hem eenige vragen doe, – en gij,
vriend, ga nu, en vergeet den weg naar mijn huis.”

„Dat zou zeer moeielijk voor mij zijn,” zeide Adam, op het goud ziende,
dat hij nog steeds in de hand hield; – „dat zou zeer moeielijk zijn,
nadat gij mij zooveel reden gegeven hebt om er aan te denken.”

Lord Glenallan keek hem verwonderd aan, daar hij zich bezwaarlijk een
begrip kon vormen van de stoutmoedigheid, waarmede de oude man hem te
woord stond, en gaf hem met de hand een teeken om te vertrekken,
waaraan de bedelaar oogenblikkelijk gehoorzaamde.








NEGENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK


                     Want hij was steeds bij al hun tijdverdrijf
                     En regelde, als Vorst, hun spel en hun gekijf;
                     Den taaien boog, en den vliegender bal,
                     En kegel en kogel, hij maakte het al.

                                                         Crabbe’s Dorp.


Frans Macraw vergezelde, volgens de bevelen van zijn meester, den
bedelaar, om hem van het landgoed te verwijderen, zonder te gedoogen
dat hij eenig gesprek of gemeenschap hield met iemand van de
onderhoorigen of dienstboden. Maar zeer wijselijk in aanmerking
nemende, dat die bepaling zich niet tot hem zelven uitstrekte, die de
persoon was, aan wien het geleide toevertrouwd werd, wendde hij alle
mogelijke middelen aan, om van Adam den aard van zijn vertrouwelijk en
geheim gesprek met lord Glenallan te vernemen. Maar Adam had in zijn
tijd op menige strikvraag moeten antwoorden, en wist zich gemakkelijk
te redden uit die van zijn voormaligen kameraad. „De geheimen der
grooten,” – zeide Ochiltree bij zich zelven, – „zijn juist als de wilde
beesten, die in kooien opgesloten zitten. Houd ze vast en stevig achter
de traliën, dan gaat het goed; maar laat ze los, zij keeren zich om en
verscheuren den mensch. Het heugt mij, hoe slecht het Dugald Gunn
bekwam, dat hij gebabbeld had over des majoors vrouw en kapitein
Bandilier.”

Frans werd dus afgeslagen in zijne aanvallen op de getrouwheid van den
bedelaar, en even als een slecht schaakspeler, gaf hij zich bij iederen
mislukten zet hoe langer hoe meer aan zijne tegenpartij bloot.

„Dus gij houdt vol, dat gij mijn meester over niets te spreken hadt dan
over uwe eigen zaken?”

„Wel ja, – en over de kleinigheden, die ik van buiten ’s lands
meêgebracht had. Ik wist, dat gij Katholieken bijzonder gesteld zijt op
reliquiën, die ver van hier, van kerken en dergelijke plaatsen gehaald
zijn.”

„Inderdaad; – en de graaf moet geheel van zijn stuk geweest zijn, om
zich zoo in de weer te stellen over iets, dat gij hem brengen kondet,
Adam!”

„Ik twijfel niet, of gij hebt in de hoofdzaak gelijk kameraad! – maar
misschien heeft hij in zijne jeugd eenig ongeluk gehad, en dat
verbittert den mensch –”

„Inderdaad, Adam! zeg dat vrij; – en daar gij waarschijnlijk nooit meer
hier komen zult, en, indien gij het doet, mij er niet meer zult vinden,
kan ik u zeggen, dat zijn hart in zijn jongen tijd deerlijk gegriefd
werd, en men mag er zich over verwonderen, dat het niet al lang
gebroken is.”

„Dacht ik het niet!” zeide Ochiltree; „daar moet eene vrouw in het spel
geweest zijn!”

„Juist! gij hebt het getroffen, – eene van zijne nichtjes – Eveline
Neville, zoo als zij heette. Men praatte er over onder de menschen;
maar het werd gesust, omdat de grooten er meê gemoeid waren; – het is
meer dan twintig jaren geleden, – ja, het zal drieëntwintig jaar zijn.”

„Zoo? – Toen was ik in Amerika,” zei de bedelaar, „en niet in de
gelegenheid om de praatjes van den dag te hooren.”

„Er viel niet zwaar over te praten, man!” hernam Macraw; „hij was
verliefd op de jonge dame en zou haar getrouwd hebben; maar zijne
moeder kwam er achter, en daar was de duivel in het spel. Althans, het
arme meisje wierp zich van de rots bij Craigburnfoot in zee, en daar
was het meê uit.”

„Uit voor de arme dame; maar zeker niet uit voor den armen graaf!”

„Neen, niet uit, zoolang hij leeft,” antwoordde de Hooglander.

„Maar waarom verbood de oude gravin het huwelijk?” vervolgde de
onvermoeide vrager.

„Waarom? – Dat zal zij misschien zelve wel niet recht geweten hebben;
maar alles moest naar haar zin zijn, goed of kwaad. – Maar men wist,
dat de jonge dame het oor leende aan de ketters in het land; – en te
meer noch, omdat zij den graaf nader verwant was, dan onze kerk
toelaat. – Zie je, de dame werd gedreven tot de wanhopige daad, en de
graaf heeft sedert dien tijd nooit weêr het hoofd opgericht.”

„Wel!” hernam Ochiltree; „het is toch wonder, dat ik tot heden nooit
iets van de zaak gehoord heb.”

„Het is zelfs een wonder, dat gij er nu van hoort; want ik ben des
duivels, als een van de dienstboden er van zou hebben durven spreken
bij het leven van de oude gravin. Hé, man, zij kon er door heen slaan;
– het zou menig man moeielijk gevallen zijn, om haar te staan! – Maar
zij ligt in het graf, en wij kunnen nu een woordje praten, als wij een
vriend ontmoeten. – Maar, vaarwel Adam! ik moet terug naar den
avonddienst. – En als gij wellicht over een maand of wat te Inverary
komt, vergeet niet, naar uw vriend Frans Macraw te vragen.”

Adam beloofde aan den wensch van zijn vriend te voldoen, en beiden
scheidden dus met alle mogelijke betuigingen van weêrkeerige achting.
De bediende van Lord Glenallan nam zijn weg terug naar het kasteel van
zijn meester, en liet Ochiltree aan zich zelven over, om zijn gewoon
slenterleven te hervatten.

Het was een schoone zomeravond, en de wereld, dat is de kleine kring,
welke alles in alles was voor den persoon, die hem bewandelde, lag voor
Adam Ochiltree open, om er een nachtleger te kiezen. Zoodra hij buiten
het ongastvrije grondgebied van Glenallan gekomen was, had hij zoo vele
plaatsen, waar hij zijn intrek dien avond kon nemen, dat hij
besluiteloos, ja, zelfs moeielijk was in zijne keuze. De herberg van
Ailie Sims lag aan den weg, ongeveer eene mijl vóór hem; maar dáár zou
veel jong volk zijn met den Zaterdag avond, en dat was lastig bij het
voeren van eenig geregeld gesprek. Andere pachters en hunne vrouwen
deden zich achtereenvolgens aan zijne verbeelding op; maar de een was
doof, en kon hem niet hooren; de ander had geene tanden, en kon hem
niets laten hooren; een derde was slecht van humeur, en een vierde had
een kwaadaardigen huishond. Te Monkbarns en Knockwinnock was hij zeker
van een goed en gastvrij onthaal; maar die plaatsen waren te ver
afgelegen, om er zich dien avond vroeg genoeg te kunnen aanmelden.

„Ik weet niet, hoe het komt,” zei de oude man; „maar ik ben heden avond
moeielijker omtrent mijn kwartier, dan ik mij herinner ooit van mijn
leven geweest te zijn. Ik geloof dat ik, na het zien van al de pracht
ginds, en na de ontdekking dat men zonder die gelukkig kan zijn,
trotsch geworden ben op mijn eigen lot. – Zoo het mij maar niet
opbreekt; want hoogmoed komt voor den val. In elk geval zal de
slechtste schuur, waarin ooit een mensch sliep, een aangenamer verblijf
zijn, dan het huis van Glenallan, met al die schilderijen en het zwarte
laken en het fraaie zilverwerk, dat er bij behoort. Dus zal ik het maar
in eens bepalen, en bij Ailie Sims intrekken.”

Toen de oude man den berg afging, die zich boven het kleine gehucht
verhief, waarheen hij zijne schreden richtte, had de ondergaande zon de
bewoners der streek hun arbeid doen staken, en de jonge lui, zich den
fraaien avond te nutte makende, waren bezig met kegelen op het gras,
terwijl de vrouwen en ouders toezagen. Het geschreeuw, het gelach, de
luide stemmen der winners en verliezers waren hoorbaar op het pad,
langs hetwelk Ochiltree neêrdaalde, en deden bij hem de herinnering der
dagen ontwaken, waarin hij zelf een bekwaam mededinger en meer dan eens
de overwinnaar was in spelen, waarbij sterkte en vlugheid van lichaam
vereischt werden. Deze herinneringen laten zelden na een zucht te
verwekken, zelfs dan, wanneer de avond van het leven door schitterender
vooruitzichten vervroolijkt wordt, dan die van onzen armen bedelaar.
„Op dien tijd van den dag,” – was zijne natuurlijke opmerking, „zou ik
mij even weinig bekommerd hebben om een ouden pelgrim, die van den
heuvel van Kinblythemont kwam nederdalen, als eenige van deze fiksche
jonge knapen zich thans om Adam Ochiltree bekommeren.”

Hij werd echter dadelijk in eene vroolijker stemming gebracht, toen hij
bevond, dat men meer belang in zijne komst stelde, dan zijne zedigheid
had durven verwachten. Er was namelijk een betwiste worp gedaan door
een der spelers, en daar de kommies de eene partij, en de schoolmeester
de andere partij toegedaan was, mag men wel zeggen, dat de zaak door de
hoogere autoriteiten in handen genomen werd. De molenaar en de smid
hadden even eens verschillende partijen gekozen, en de hevigheid van
twee zulke twistenden in aanmerking genomen, mocht men met reden
twijfelen, of de strijd in der minne eindigen zou. Maar de eerste der
aanwezenden, die een blik op den bedelaar wierp, riep uit: „Ha! daar
komt de oude Adam aan, die de regels van het spel beter kent dan
iemand, die ooit hier speelde; – laat ons niet kibbelen, jongens! – Wij
zullen ons aan de uitspraak van Adam houden!”

Adam werd dus welkom geheeten en tot scheidsrechter benoemd, met een
luiden, algemeenen kreet van gelukwensching. Met al de zedigheid van
een bisschop, die zijne benoeming aanneemt, of van een spreker, die
voor het eerst den kansel beklimt, praatte de oude man van het groot
vertrouwen, dat men in hem stelde, en van de groote
verantwoordelijkheid, die men hem wilde opleggen, en had, ter belooning
van zijne zelfverloochening en nederigheid, het genoegen, de herhaalde
verzekeringen van jong en oud te ontvangen, dat hij stellig en zeker de
bekwaamste en meest bevoegde persoon was voor scheidsrechter, „in de
geheele landstreek!”

Dus aangemoedigd, ging hij deftig over tot het vervullen van zijn ambt,
en verbood bepaaldelijk alle beleedigende uitdrukkingen van
weerskanten; hij hoorde den smid en den ijker aan de eene, den molenaar
en den schoolmeester aan de andere zijde. Adam had echter bij zich
zelven de zaak beslist, vóór dat de pleidooien begonnen, gelijk vele
rechters, die desniettemin alle vormen bewaren, en tot het einde toe de
welsprekendheid en de betoogen der advocaten verduren moeten. Zoodra
dus alles van weerskanten gezegd, en veel daarvan meer dan eens gezegd
was, sprak onze rechter, na goed en rijp overleg, het verzoenend en
heilzame vonnis uit, dat de worp moest overgedaan, en dus voor geene
der partijen gerekend worden. Deze wijze beslissing herstelde de
eendracht onder de spelers; zij begonnen op nieuw de kegels op te
zetten en hunne weddingschappen te maken, met al de luidruchtigheid,
welke dergelijke landelijke vermakelijkheden gewoonlijk vergezelt, en
de driftigsten trokken reeds hunne buizen uit en gaven die, met hunne
gekleurde zakdoeken, ter bewaring over aan hunne vrouwen, zusters, of
liefsten. Maar de vreugde werd op eene zonderlinge wijze gestoord.

Aan den buitenkant van de groep spelers verhief zich een geluid, zeer
verschillend van de stem der vroolijkheid; – men hoorde verward die
soort van onderdrukte zuchten, waarmede het eerste nieuws van een groot
ongeluk ontvangen wordt. Er ontstond eenige beweging onder de vrouwen,
en men herhaalde de woorden: „Och! zoo jong en zoo plotseling
opgeroepen!” – Weldra verspreidde zich de droevige mare onder de mannen
en het vreugdegeschreeuw verstomde. Allen begrepen dadelijk, dat een
groot ongeluk gebeurd was, en iedereen vroeg zijn buurman naar de
tijdingen; maar deze wist er even weinig van als de vrager. Eindelijk
bereikte het gerucht duidelijk de ooren van Adam Ochiltree, die zich
geheel in het midden der vergadering bevond. De boot van Mucklebackit,
den visscher, van wien wij meermalen gewaagd hebben, was op zee
omgeslagen, en vier menschen waren er bij omgekomen, onder anderen
Mucklebackit en zijn zoon. Het gerucht had nochtans ook nu de waarheid
overschreden. De boot was inderdaad omgeslagen, maar Steven
Mucklebackit alleen was verdronken. Ofschoon zijne woonplaats en zijne
wijze van leven hem verwijderd hadden van het gezelschap der
landlieden, lieten zij echter niet na, om hun landelijk spel te staken
en in het onverwachte ongeluk die deelneming te toonen, welke het in
treffende gevallen meestal opwekt. Ochiltree, in het bijzonder, werd
door dit nieuws als door een donderslag getroffen, te meer, daar hij
dezen jongen mensch nog zoo onlangs overgehaald had, om hem bij eene
zaak behulpzaam te zijn, die, ofschoon ze geen groot nadeel of verlies
aan den goudzoeker toebrengen zou, toch juist niet tot die bezigheden
behoorde, waaraan men de laatste uren van zijn leven besteden moet.

Een ongeluk komt zelden alleen. Terwijl Ochiltree, in diep nadenken op
zijn staf leunende, zijne smart met die der gehuchtbewoners vereenigde,
welke den plotselijken dood van den jongen visscher betreurden, en hij
zich inwendig berispte wegens de overtreding der wet, waarin hij hem
zoo onlangs gewikkeld had, werd de oude man bij den kraag gepakt door
een dienaar van het gerecht, die zijn stok met zijne rechterhand in de
hoogte hief, en uitriep: „In ’s konings naam!”

De kommies en de schoolmeester vereenigden hunne welsprekendheid, om
den diender en zijn gezel te overtuigen, dat hij geen recht had, om des
konings bedelaar aan te houden als een landlooper; en de stomme
welbespraaktheid van den molenaar en den smid, die zich in hunne stevig
geslotene vuisten vertoonde, was gereed, om op zijn Hooglandsch borg
voor hun scheidsman te geven: „zijn blauwe rok,” zeiden zij ook, „was
zijn vrijbrief, om het land ongemoeid door te trekken.”

„Maar zijn blauwe rok,” antwoordde de gerechtsdienaar, „beschermt hem
niet wegens gewelddadigen aanval, roof en moord; en ik moet hem wegens
deze misdaden aanhouden.”

„Moord!” zeide Adam, „wien zou ik vermoord hebben?”

„Den heer Dousterswivel, den bestuurder van de mijnen te
Glen-Withershins.”

„Duisterduivel vermoord! – hij leeft! hij is springlevend, man!”

„Dat heeft hij u niet te danken; hij heeft een harden strijd gehad voor
zijn leven, als het waar is, wat hij zegt, en gij moet u daaromtrent
verantwoorden.”

De verdedigers van den bedelaar schrikten op het hooren van de
gruwelijke beschuldiging tegen hem ingebracht; maar meer dan eene
vriendelijke hand stak Adam vleesch en brood en geld toe tot zijn
onderhoud in de gevangenis, werwaarts hem de gerechtsdienaar wilde
brengen.

„Dank u! – God zegene u kinderen! – ik ben aan menigen strik ontkomen,
toen ik het minder verdiende dan nu. Ik zal als de vogel uit de knip
vrijkomen. Speelt uw spel maar uit, en bekommert u niet om mij. – Ik
heb meer verdriet over den armen jongen, dan over alles, wat zij mij
kunnen aandoen.”

De gevangene werd dus zonder tegenstand weggevoerd, terwijl hij
werktuigelijk de aalmoezen, die men hem van alle kanten toereikte,
ontving en in den zak stopte, en eer hij het gehucht verliet, was hij
beladen als een marskramer. De moeite, om deze vracht te dragen, werd
hem nochtans verlicht, daar de gerechtsdienaar kar en paard bezorgde,
om den ouden man voor een overheidspersoon te brengen, om ondervraagd
te worden eer hij naar de gevangenis ging.

Het ongeluk van Steven en het gevangennemen van Adam hadden een einde
gemaakt aan het spel der dorpelingen, die begonnen na te denken over de
wisselvalligheden der wereldsche dingen, welke zoo plotseling een van
hunne makkers naar het graf, en den bestuurder van hun spel in gevaar
gebracht hadden van gehangen te worden. Het karakter van Dousterswivel,
dat vrij algemeen bekend was, wat, in zijn geval, zeggen wil, vrij
algemeen gehaat was, gaf aanleiding tot vele gissingen over de
mogelijkheid, dat de beschuldiging boosaardiglijk verzonnen was. Maar
allen kwamen daarin overeen, dat, indien Adam Ochiltree bij de uitkomst
dezer zaak eenig leed moest ondergaan, het ten zeerste te betreuren
was, dat hij zijn lot niet beter verdiend had door Dousterswivel
werkelijk dood te slaan.








DERTIGSTE HOOFDSTUK


            Wie is hij? – Een, die, bij gebrek aan land,
            Moet vechten op ’t water. – Hij daagde eens uit
            Den grooten walvisch, en bij zijne titels
            Van Leviathan, Behemoth, en zoo voorts,
            Schermutselde hij met een zwaardvisch. – Maar, heer!
            ’t Zeemonster won het; – dit verbittert
            Nog steeds onzen kampioen.

                                                       Oud tooneelspel.


„En die arme jongen, Steven Mucklebackit, zal heden morgen begraven
worden,” zei onze waardige vriend de oudheidkenner, terwijl hij zijne
geborduurde kamerjapon tegen een ouderwetschen zwarten rok in plaats
van het snuifkleurig kleed, dat hij gewoonlijk droeg, verwisselde, „en
men verwacht, veronderstel ik, dat ik de lijkstatie zal bijwonen”

„O! ja!” antwoordde de oude Caxon, gedienstig de witte draden en
vlokken van zijn patroons rok afborstelende; „het lijk was zoo
verpletterd tegen de rotsen, dat zij zich haasten moeten met het te
begraven. De zee is een bedriegelijk iets, zeg ik tegen mijne dochter,
als zij troost noodig heeft, dat arme ding, – de zee, zeg ik Jenny, is
eene onzekere kostwinning, –

„Gelijk de kostwinning van een ouden pruikenmaker, van zijn brood
beroofd door het dragen van eigen haar en de belasting op het poeder.
Caxon, uwe troostgronden zijn even slecht gekozen, als ze bij ons
tegenwoordig gesprek weinig te pas komen. Quid mihi cum foemina? Wat
heb ik met uw vrouwvolkje te doen, die last genoeg van het mijne heb? –
Ik vraag u nog eens: verwachten deze arme lieden dat ik de begrafenis
van hun zoon zal bijwonen?”

„O, zonder twijfel wacht men mijnheer,” antwoordde Caxon; „ik ben
zeker, dat men u wacht. Gij weet, hoezeer men er in dit land op gesteld
is, dat de heer de beleefdheid heeft, om het lijk op zijn eigen grond
te volgen. – Gij behoeft niet verder te gaan, dan tot aan het begin der
laan; – men verwacht niet, dat mijnheer zijn eigen land verlaten zou; –
het is slechts eene kelso-begrafenis, zoo als men zegt, anderhalve stap
over den deurdrempel.”

„Eene kelso-begrafenis!” herhaalde de nieuwsgierige oudheidkenner: „en
wat is dat, – eene kelso-begrafenis?”

„Wel, mijnheer!” antwoordde Caxon, „hoe zou ik het weten? dat is
slechts zoo bij manier van spreken.”

„Caxon,” hernam Oldbuck, „gij zijt niets dan een pruikenmaker! – Had ik
Ochiltree de vraag gedaan, hij zou mij dadelijk met eene oude
overlevering gediend hebben.”

„Mijn werk” – antwoordde Caxon, met meer vuur dan hij gemeenlijk
toonde, „bepaalt zich tot den buitenkant van uw hoofd, zoo als mijnheer
altijd zelfs zegt.”

„Dat is waar, Caxon, zeer waar! en men kan het den leidekker niet
kwalijk nemen, dat hij geen behanger is!”

Hij haalde nu zijn zakboekje voor den dag en schreef op:
„kelso-begrafenis – anderhalve stap over den deurdrempel. Gezag –
Caxon. Quaere? – waarvan stamt het af? Mem. Over het onderwerp aan Dr.
Graysteel schrijven.”

Na dit geboekt te hebben, hernam hij: „En voorwaar, deze gewoonte van
den heer, om het lijk van den boer te begeleiden, keur ik goed, Caxon!
Ze stamt van oude tijden af, en was gegrond op de begrippen van
onderlingen bijstand en afhankelijkheid tusschen den heer en den
bebouwer van zijn land. En hierin, moet ik zeggen (even als ten aanzien
der hoffelijkheid jegens de vrouwen, welke zij overdreven) – hierin,
zeg ik, temperden en matigden de leenheerlijke gebruiken de strengheid
der klassieke tijden. Niemand, Caxon, hoorde ooit, dat een Spartaan de
begrafenis van een Heloot volgde. – Daarentegen durf ik zweren, dat Jan
van Girnell, – gij hebt wel eens van hem gehoord, Caxon?”

„Ja, ja, mijnheer!” antwoordde Caxon; „niemand kan lang in uw
gezelschap geweest zijn, zonder van dien heer gehoord te hebben.”

„Wel,” vervolgde de oudheidkenner, „ik zou eene kleinigheid willen
verwedden, dat er niet één kolbkerl of slaaf, of boer, ascriptus
glebae, op het grondgebied der monniken hier stierf, of Jan van Girnell
zag hem ordelijk en betamelijk begraven!”

„Ei, ja; maar met goedvinden van mijnheer, men zegt, dat hij meer te
maken had met de geboorten dan met de begrafenissen. Ha! ha! ha!”
schuddende van het lachen.

„Goed, Caxon! zeer goed! wèl! het is van morgen helder weder bij u.”

„En daarenboven” – voegde Caxon, aangemoedigd door de goedkeuring van
zijn patroon, er slim bij, „zegt men ook nog, dat de priesters er in
die tijden een duitje aan verdienden, met naar de begrafenissen te
gaan.”

„Recht zoo, Caxon, recht als mijn handschoen! – in het voorbijgaan
gezegd; ik geloof dat deze spreekwijze komt van de gewoonte, om een
handschoen tot pand te geven als teeken van onverbrekelijke trouw; –
recht, zeg ik, als mijn handschoen, Caxon! – maar thans is het
verdienstelijker voor ons, voor niets dien plicht te vervullen, die
zeer veel kostte in den tijd des bijgeloofs, hetwelk Spenser, Caxon, in
zijne allegorische regels noemt:


            – De dochter van die blinde vrouw,
            Abessa, dochter van Corecca –


Maar waarom spreek ik over deze dingen met u? – Mijn arme Lovel heeft
mij bedorven, en mij geleerd om hardop te spreken, als men bijna even
goed is, als alleen. – Waar is mijn neef Hector M’Intyre?”

„Hij is in de zaal, mijnheer, bij de dames.”

„Goed,” zeide de oudheidkenner; „ik zal er heen gaan.”

„Nu, Monkbarns!” zeide zijne zuster, toen hij in de kamer trad, „gij
moet niet boos zijn.”

„Waarde oom!” begon Mary M’Intyre.

„Wat moet dat beteekenen?” zeide Oldbuck, eenig kwaad nieuws
verwachtende, gelijk eene bezetting reeds bezorgd wordt voor een aanval
bij het eerste trompetgeschal, dat de opeisching aankondigt. „Wat is
er? waarom roept gij mijn geduld in?”

„Voor iets van geen groot belang, wil ik hopen, oom!” zeide Hector, die
met den arm in een draagband aan de ontbijttafel zat; „wat het echter
ook zij, ik ben er verantwoordelijk voor, zoo als ik het steeds blijf
voor zoo veel overlast, dien ik u veroorzaak, en waarvoor ik weinig
meer dan mijn dank kan aanbieden.”

„Neen, neen! hartelijk welkom, hartelijk welkom! – alleen laat u het
eene waarschuwing zijn tegen uwe aanvallen van gramschap, die eene
korte razernij is, – Ira furor brevis; – maar waarin bestaat nu dit
nieuwe ongeluk?”

„Mijn hond, oom, heeft ongelukkig iets naar beneden gesmeten, –”

„In ’s Hemels naam! ik hoop toch niet het tranenfleschje van
Clochnaben!” viel hem Oldbuck in de rede.

„Inderdaad, oom,” zeide Mary, „ik vrees, dat het juist dàt was, hetwelk
op het buffet stond; het arme dier wilde slechts bij de versche boter
komen.”

„Waarin het arme dier volkomen geslaagd is, veronderstel ik; want die
op tafel, zie ik, is winterboter. Maar dat is niets! – mijne
tranenflesch, de steunpilaar van mijn stelsel, waarop ik vertrouwde,
ondanks de onnoozele stijfhoofdigheid van Mac-Cribb, om te bewijzen dat
de Romeinen deze bergengten doorgetrokken waren en sporen achtergelaten
hebben van hunne kunsten en wapenen, – vernietigd, – verbrijzeld als
een gebroken – bloempot!”


            – Hector! ik heb u lief;
            Maar dien mij nimmer meer!”


„Wel, oom, ik vrees inderdaad, dat ik eene slechte vertooning zou maken
bij een regiment van uwe werving.”

„Ten minste, Hector, zou ik willen, dat gij u ontdeedt van uwe
volgelingen, of dat gij op marsch gingt expeditus, dat is relictis
impedimentis. Gij kunt niet begrijpen, hoe zeer mij uw hond verveelt; –
het dier is ook schuldig aan inbraak, geloof ik; want ik hoorde het
beschuldigen van in de keuken te zijn ingebroken, nadat de deuren
gesloten waren, en van een schapenbout te hebben opgegeten.” – (Onze
lezers, als zij zich bij toeval de voorzorg van Jenny Rintherout
herinneren, om de deur open te laten, toen zij naar de visschershut
ging, zullen waarschijnlijk de arme Juno vrijspreken van deze
verzwarende omstandigheden, die de rechtsgeleerden claustrum fregit
noemen, wat het verschil uitmaakt tusschen diefstal met inbraak begaan,
en enkel stelen).

„Het spijt mij inderdaad, oom,” zeide Hector, „dat Juno zoo veel
wanorde heeft aangericht; maar Jan Muirhead, de hondenafrichter, heeft
mij gezegd, dat hij Juno nooit onder appèl had kunnen brengen. Zij is
verder geweest, dan eenige hond, dien ik kende; maar, –”

„Dan, Hector, wenschte ik, dat uw hond ook uit mijn huis verder ging.”

„Wij zullen ons beide verwijderen, morgen of vandaag; maar ik zou niet
gaarne van den broeder mijner moeder in onmin scheiden om een
ellendigen aarden pot.”

„O broeder, broeder!” riep Mary M’Intyre in de uiterste wanhoop uit
over deze minachtende benaming.

„Wèl, hoe zal ik het noemen?” vervolgde Hector; „het was juist zulk een
ding, als waarvan wij ons in Egypte bedienden, om den wijn, of de
sorbet, of het water in af te koelen; – ik bracht er een paar van mede;
ik had er even goed twintig kunnen meêbrengen.”

„Hoe!” zeide Oldbuck, „van denzelfden vorm als die, welken uw hond ter
neêrsmeet?”

„Ja, oom! juist zulk een soort van aarden vaas, als die, welke op het
buffet stond. Ze staan in mijne kamer te Fairport; wij brachten er
eenige van mede, om er onzen wijn in af te koelen op den overtocht; –
dat ging ook best. – Als ik denken kon, dat ze eenigermate uw verlies
konden vergoeden, of liever, dat zij u aangenaam zouden zijn, verzeker
ik u, dat gij mij zeer vereeren zoudt met ze aan te nemen.”

„Inderdaad, mijn lieve jongen, ik zou mij zeer verheugen, ze te
bezitten. De betrekkingen der volkeren na te gaan uit hunne gebruiken
en de overeenkomst der gereedschappen, waarvan zij zich bedienden, is
lang mijne geliefkoosde studie geweest. Alles, wat dergelijke
betrekkingen kan ophelderen, is mij zeer veel waard!”

„Wel, oom, ik zal mij zeer verplicht gevoelen, als gij ze aannemen
wilt, en eenige andere kleinigheden van denzelfden aard. – En nu, mag
ik hopen, dat gij mij vergeven hebt?”

„O, mijn lieve jongen! gij zijt alleen maar gedachteloos en
lichtzinnig.”

„Maar Juno, – zij is ook slechts lichtzinnig, dat kan ik u verzekeren;
– Muirhead zeide, dat zij geen ander gebrek had, en volstrekt niet
koppig was.”

„Wel, ook Juno heeft mijne vergiffenis, – mits gij haar navolgt in het
vermijden van alle gebreken en stijfhoofdigheid, en dat zij zich
voortaan van de woonkamers verwijderd houdt.”

„Wel dan, waarde oom,” riep de krijgsman, „het zou mij spijten, en ik
zou mij geschaamd hebben, om u iets tot boete mijner zonden of van die
van mijn hond aan te bieden, hetwelk ik dacht, dat eenige wezenlijke
waarde had; maar nu alles vergeven is, zult gij den ouderloozen neef,
voor wien gij een vader geweest zijt, vergunnen, u eene kleinigheid aan
te bieden, die ik zeker weet, dat eene zeldzaamheid is, en welke mijne
wond mij alleen belet heeft, om u eerder ter hand te stellen. Ik kreeg
het van een Franschen geleerde, wien ik eenige diensten bewezen had, na
de gevechten bij Alexandrië.”

De kapitein gaf met deze woorden den oudheidkenner een klein doosje
over, dat een antieken ring van zuiver goud bevatte, met een zeer
schoone camee, het hoofd van Cleopatra voorstellende. De oudheidkenner
geraakte in de grootste verrukking, schudde hem hartelijk de hand,
bedankte hem wel honderdmaal, en toonde den ring aan zijne zuster en
nicht, welke laatste slim genoeg was, dien uitermate te bewonderen;
maar Grizelda (ofschoon zij haren neef dezelfde genegenheid toedroeg),
was niet behendig genoeg om hem bij te staan.

„Het is een aardig ding,” zeide zij, „Monkbarns, en, zeker van waarde;
– maar het is boven mijne kennis; gij weet, ik begrijp niets van
dergelijke zaken.”

„Daar hoort men geheel Fairport in eene stem!” riep Oldbuck uit; „het
is de echte geest van de stad, die ons allen besmet heeft: mij dunkt,
ik heb er den rook van gemerkt deze twee dagen, daar de wind, gelijk
eene remora, in het noordoosten is blijven hangen, – en de
vooroordeelen vliegen verder dan de dampen. Geloof mij, mijn waarde
Hector, – als ik de Hoogstraat van Fairport opwandelde, en dezen
onwaardeerbaren schat aan iedereen dien ik ontmoette ten toon spreidde,
geen sterveling, van den burgemeester af tot den scheepsomroeper toe,
zou blijven staan, om mij naar de geschiedenis er van te vragen. Maar,
als ik een stuk linnen onder den arm droeg, zou ik de paardenmarkt niet
bereiken kunnen, zonder met vragen overstelpt te zijn omtrent het
weefsel en den prijs. O! men zou hunne onwetendheid in de woorden van
Gray kunnen parodiëeren


            „Weef de schering en weef ’t getouw,
              De zweetlap van vernuft en rede;
            De doek wordt voor u doek van rouw,
              En ’t geld alleen geeft heil en vrede.”


Hoe aangenaam echter dit zoenoffer was, bleek eerst op dit oogenblik;
want terwijl de oudheidkenner dus declameerde, had Juno, die hem ontzag
met dat opmerkingswaardig instinct, waarmede de honden dadelijk
diegenen ontdekken, die hun genegen of afkeerig zijn, herhaaldelijk den
neus in de kamer gestoken, en niets afschrikkends ontwarende, zich
eindelijk verstout om er geheel in te komen, en door straffeloosheid
aangemoedigd, had zij werkelijk het geroosterd brood van Oldbuck
opgevreten, terwijl deze, nu den een, dan den ander van zijne
toehoorders aanziende, met veel zelfbehagen herhaalde


            „Weef de schering en weef ’t getouw, –”


„Gij herinnert u de plaats in de Noodlottige Zusters, die, in ’t
voorbijgaan gezegd, niet zoo schoon is, als in het oorspronkelijke! –
Maar, heidaar! mijn geroosterd brood is verdwenen! – ik zie al
waarheen. Ah! gij type der vrouwen! geen wonder, dat uw geslachtsnaam
eene beleediging is!” (Dit zeggende, hief hij de vuist dreigend tegen
Juno op, die uit de spreekkamer stoof). – „Evenwel, daar Jupiter,
volgens Homerus, Juno in den hemel niet temmen kon, en daar Muirhead,
volgens Hector M’Intyre, er op aarde even weinig in geslaagd is,
veronderstel ik, dat men haar zal moeten laten begaan!” En deze zachte
berisping beschouwden broeder en zuster met recht als eene volledige
vergiffenis van Juno’s overtredingen, en gebruikten nu vergenoegd het
morgenmaal.

Na het ontbijt sloeg de oudheidkenner aan zijn neef voor, met hem naar
de begrafenis te gaan. De krijgsman verontschuldigde zich, omdat hij
geen rouwkleed had.

„O! dat doet er niet toe; – uwe tegenwoordigheid is alles, wat
vereischt wordt. Ik verzeker u, gij zult iets zien, dat u vermaken, –
neen, dat is de juiste uitdrukking niet, – dat u belang inboezemen zal
door de gelijkenis, die ik u zal doen opmerken tusschen de gebruiken
bij ons bij zulke gelegenheden, en die der ouden.”

„De Hemel vergeve het mij!” dacht M’Intyre; „ik zal zeker iets
verkeerds doen, en de genade verspelen, die ik zoo even bij toeval
verworven heb.”

Toen zij vertrokken, nam de krijgsman, door de waarschuwende en
smeekende blikken van zijne zuster onderricht, het vaste besluit, om
geen aanstoot te geven door eenig blijk van onoplettendheid of
ongeduld. Maar onze beste voornemens zijn te vergeefsch, zoodra ze
strijden met onze heerschende neigingen. Onze oudheidkenner, om niets
onuitgelegd te laten, was begonnen met de begrafenisplechtigheden der
oude Scandinaviërs, toen zijn neef hem te midden eener uitweiding over
den „ouderdom der heuvelen,” in de rede viel met op te merken, dat eene
groote zeemeeuw, die om hen heen vloog, tweemaal binnen schot gekomen
was. Deze misslag erkend en vergeven zijnde, ging Oldbuck met zijne
verhandeling voort.

„Dit zijn omstandigheden, welke uwe opmerking verdienen en u genoegzaam
bekend moeten zijn, waarde Hector; want in den zonderlingen loop van
den tegenwoordigen oorlog, die alles in Europa in beweging brengt, is
het niet mogelijk te weten, waar gij eens zoudt kunnen geroepen worden
te dienen. Zoo het bij voorbeeld in Noorwegen ware, of in Denemarken,
of in eenig gedeelte van het oude Scania, of, zoo als wij het noemen,
Scandinavië, wat zou dan nuttiger zijn, dan op uw duimpje de
geschiedenis en oudheden te kennen van dat oude land, de officina
gentium, de moeder van het hedendaagsche Europa, de bakermat van die
helden,


        Stout in ’t besluiten, paalvast in ’t verduren,
        Glimlachende in den dood! –


„Hoe bemoedigend, bij voorbeeld, zou het wezen, na een vermoeienden
marsch, u in de nabijheid van een gedenkteeken der Runen te bevinden,
en te ontdekken, dat gij uwe tent opgeslagen hadt naast de
begraafplaats van een held!”

„Ik geloof, oom, dat onze tafel beter voorzien zou worden, als wij ons
in de nabijheid van eene flinke boerderij bevonden.”

„Het spijt mij, u zoo te hooren spreken! – Geen wonder dat de dagen van
Crécy en Agincourt voorbij zijn, als de eerbied voor de oude dapperheid
in het hart van den Britschen soldaat uitgedoofd is.”

„In geenen deele, oom! – volstrekt niet! maar ik verbeeld mij dat
Eduard en Hendrik en alle overige helden om hun eten dachten, eer zij
zich de moeite gaven, om een ouden grafsteen te onderzoeken. Maar ik
verzeker u, wij zijn geenszins ongevoelig voor de herinnering aan den
roem onzer voorvaderen; ik placht ’s avonds dikwijls den ouden Rory
M’Aldin te laten komen, om ons gezangen van Ossian over de gevechten
van Fingal en Lamon Mor, en Magnus, en den geest van Muirartach, voor
te zingen.”

„En gelooft gij,” vroeg de driftige oudheidkenner, „gelooft gij
inderdaad, dat het lapwerk van Macpherson wezenlijk oud is, gij
onnoozele jongen?”

„Gelooven, oom? – hoe kon ik anders doen dan het gelooven, daar ik die
gezangen heb hooren zingen van kindsbeen af?”

„Maar niet die van Macpherson’s Engelschen Ossian; – gij zijt, hoop ik,
niet dwaas genoeg om dat te zeggen?” zei de oudheidkenner, terwijl zich
zijne wenkbrauwen van gramschap samentrokken.

Maar Hector wachtte den storm moedig af. Gelijk menige wakkere Celt,
oordeelde hij, dat de eer van zijn land en van zijne moedertaal eischte
om het gezag van deze volksliederen te handhaven; en hij zou eerder
lijf en goed in den steek hebben gelaten, dan er één enkelen regel van
op te geven. Hij hield dus onverschrokken vol, dat Rory M’Alpin het
geheele boek van begin tot einde kon opzeggen; en het was slechts, na
vragen en wedervragen, dat hij het algemeene van dat gezegde bepaalde,
door er bij te voegen: „ten minste, als men hem brandewijn genoeg gaf,
kon hij er zoo lang mede volhouden, als er iemand was, die naar hem
luisteren wilde.”

„Zoo, zoo!” zei de oudheidkenner, „en dat, veronderstel ik, zal niet
zeer lang geweest zijn.”

„Wel, oom, wij hadden onzen dienst te doen, en konden niet den geheelen
nacht zitten luisteren naar een ouden pijper.”

„Maar herinnert gij u nu nog,” zeide Oldbuck, door de geslotene tanden,
en zonder ze te openen, wat zijne gewoonte was, als men hem tegensprak,
– „herinnert gij u eenige van die verzen, welke gij zoo schoon en
belangwekkend vondt; – gij, die zonder twijfel een bevoegd beoordeelaar
van dergelijke dingen zijt?”

„Ik maak geene aanspraak op veel verstand, oom! maar het is niet zeer
redelijk om knorrig op mij te wezen, omdat ik de oudheden van mijn
eigen land meer bewonder, dan die der Harolds, Harfagers en Haco’s,
waarmede gij zoo veel op hebt!”

„Wel, deze machtige en onverwonnene Gothen waren uwe voorouders! De
broekelooze Celten die zij onderwierpen, en in het leven lieten, als
een vreesachtig volk, in de holen der rotsen, waren slechts hunne
Mancipia”

Hector fronste op zijne beurt de wenkbrauwen. „Oom, ik versta de
beteekenis niet van Mancipia; maar ik begrijp, dat dergelijke namen
zeer verkeerd aan Hooglanders gegeven worden. Niemand anders dan de
broeder mijner moeder zou zulk eene taal in mijne tegenwoordigheid
durven voeren; en ik verzoek u te bedenken, dat zoo iets noch gastvrij,
noch beleefd, noch vriendschappelijk, noch edelmoedig is omtrent uw
gast en uw bloedverwant. Mijne voorouders oom, –”

„Waren groote en moedige helden, ik wil het wel gelooven, Hector! en ik
meende waarlijk niet, u eene zoo groote beleediging aan te doen door
over een oudheidkundig onderwerp te spreken, waarbij ik zelf altijd
koelbloedig, nadenkend en zonder drift blijf. Maar gij zijt vurig en
opvliegend, alsof gij Hector en Achilles en Agamemnon tegelijk waart!”

„Het spijt mij, dat ik mij zoo driftig uitdrukte, voornamelijk tegen u,
die zoo edelmoedig en goed zijt. – Maar mijne voorouders, –”

„Niets meer daarvan, jongen! ik wilde hen niet beleedigen; – geen van
allen.”

„Dat verheugt mij, oom, want het geslacht van M’Intyre, –”

„Vrede zij met hen allen!” riep de oudheidkenner. „Maar om tot ons
onderwerp terug te keeren, – herinnert gij u, zeg ik, eenige van die
gedichten, die u zoo veel vermaak verschaften?”

„Het is zeer hard,” dacht M’Intyre, „dat hij met zoo veel genoegen over
alles spreekt, wat oud is, uitgezonderd mijn geslacht.” – Hij deed toen
eenige pogingen om iets te bedenken, en voegde er hardop bij: „Ja, oom,
ik geloof dat ik mij eenige regels herinner; maar gij verstaat geen
Gaëlisch!”

„En wil gaarne verschoond blijven van het te hooren. Maar kunt gij mij
eenig denkbeeld van den zin, in onze moedertaal geven?”

„Ik zal een ellendig vertaler wezen,” zeide M’Intyre; daarop zeide hij
het oorspronkelijke, dat vol was van aghes, aughs en oughs en
dergelijke keelklanken, snel op, en hoestte en kuchte toen, alsof de
vertaling hem in de keel bleef. Eindelijk, na vooraf aangemerkt te
hebben, dat het dichtstuk ene samenspraak was tusschen den dichter
Oisin of Ossian, en Patrick, den Beschermheilige van Ierland, en dat
het moeielijk, zoo niet onmogelijk was, de uitgezochte schoonheid der
twee of drie eerste regels even gelukkig over te brengen, zeide hij,
dat de zin hier op neêr kwam:


                  „Patrick de psalmzinger!
        Daar gij niet wilt luist’ren naar een van mijn vertelsels,
              Ofschoon gij die nimmer tot nu toe gehoord hebt,
                Smart het mij u te zeggen
          Dat gij weinig meer zijt dan een ezel. –”


„Goed! goed!” riep de oudheidkenner uit; „maar ga voort! Wel, dit is,
in elk geval, kostelijk! Ik geloof wel, dat de dichter gelijk had. Wat
zegt de Heilige?”

„Hij spreekt in zijn karakter,” antwoordde M’Intyre; „maar gij moest
M’Alpin het oorspronkelijke hooren zingen. De woorden van Ossian zijn
voor eene zware, lage basstem gezet; – die van Patrick voor een tenor.”

„Gelijk M’Alpin’s groote en kleine fluitjes, veronderstel ik,” zeide
Oldbuck; „ik bid u, ga voort!”

„Nu dan, Patrick geeft aan Ossian ten antwoord:


              „Op mijn woord, Fingal’s zoon!
              Terwijl ik psalmen zing,
        Stoort het geschreeuw uwer oudwijven sprookjes
              De oefeningen van mijne aandacht.”


„Voortreffelijk! – Wel, het gaat hoe langer hoe beter. Ik hoop, dat de
Heilige Patrick beter zal gezongen hebben dan Blattergowl’s voorlezer.
Maar wat ik bewonder, is de onderlinge beleefdheid van deze twee hooge
personages. Het is jammer, dat daarvan geen woord in Macpherson’s
overzetting staat.”

„Indien gij daar zeker van zijt,” zeide M’Intyre deftig, „dan moet hij
zich eigendunkelijk zeer veel vrijheid veroorloofd hebben met het
oorspronkelijke.”

„Het zou gevaarlijk zijn, dat zoo kortaf te beslissen; – maar ik bid u
– ga voort.”

„Nu,” zeide M’Intyre, „zie hier het antwoord van Ossian:


            „Durft gij uwe psalmen vergelijken,
        Gij, zoon van eene –”


„Zoon van eene – wat?” riep Oldbuck.

„Het beteekent, geloof ik,” antwoordde Hector met eenigen weêrzin,
„zoon van eene teef!”


                „Durft gij uwe psalmen vergelijken
        Met ’t verhaal van den Fenier met bloote armen?”


„Weet ge zeker dat ge de twee laatste woorden nauwkeurig vertaalt,
Hector?”

„Zeer zeker, oom,” antwoordde Hector verdrietig.

„Omdat ik gedacht zou hebben, dat wellicht de naaktheid van een ander
gedeelte van het lichaam vermeld moest zijn.”

Hector verwaardigde zich niet hierop te antwoorden, en ging voort met
zijn gedicht:


                „Ik zou er weinig om geven,
        Om u het kale hoofd te wringen van de schouders,


„Maar wat is dat ginds?” riep Hector afbrekende.

„Eén uit de kudde van Proteus,” antwoordde de oudheidkenner – „een
Phoca of zeehond, die op het strand ligt te slapen.”

Hierop vergat M’Intyre, met al de drift van een jongen jager, geheel en
al Ossian, Patrick, zijn oom en zijne wond, en uitroepende: „ik zal hem
krijgen! ik zal hem krijgen!” greep hij den wandelstok uit de hand van
den verwonderden oudheidkenner, met eenig gevaar van hem omver te
werpen, en stoof weg zoo hard hij kon, om zich bij tijds te plaatsen
tusschen de zee en het dier, dat verschrikt in het water zocht te
vluchten.

Sancho Pancha, toen zijn meester het verhaal van de bestrijders van
Pentapolin met den naakten arm afbrak, om persoonlijk op de kudde
schapen aan te vallen, stond niet meer verbaasd dan Oldbuck, bij deze
onverwachte vlaag van zijn neef.

„Is hij bezeten!” was zijn eerste uitroep, „om het stomme dier, dat
niet om hem dacht, te gaan verontrusten?” – Toen de stem verheffende:
„Hector, – neef, – dwaas! – laat de Phoca met vrede! – laat de Phoca
met vrede! – Ze bijten woedend, zeg ik u! – Hij bekreunt zich niet meer
om mij, dan om een boonenstaak; – daar, – daar hebben ze elkander beet!
– Hemel! de Phoca heeft de overhand. Dat mag ik zien!” zeide hij
verbitterd, ofschoon wezenlijk verontrust over zijn neef, „dat verheugt
mij van ganscher harte!”

Inderdaad, toen de zeehond den terugtocht afgesneden zag door den
vluggen soldaat, bood hij hem dapper tegenstand, en zonder letsel
bekomen te hebben, fronste hij, naar de gewoonte dezer dieren als zij
vertoornd zijn, de wenkbrauwen, en, ter zelfder tijd gebruik makende
van een zijner lompe, maar sterke voorpooten, rukte hij het wapen uit
de hand van den aanvaller, smeet hem omver in het zand, en pakte zich
weg in zee, zonder hem eenig verder leed aan te doen. Kapitein
M’Intyre, vrij wat onthutst door den uitslag van zijn gevecht, stond
juist bij tijds op, om de spotachtige gelukwenschen van zijn oom te
ontvangen over een tweegevecht, waardig door Ossian zelven bezongen te
worden, „daar” – zei de oudheidkenner, „uwe grootmoedige tegenpartij
gevlucht is (ofschoon niet op arendsvleugelen) voor den vijand, die
gevallen was. – Ei, het dier stoof weg met al den trots van een
overwinnaar, en heeft dan ook mijn stok als spolia opima meê genomen!”

M’Intyre kon weinig meer te zijner verantwoording zeggen, dan dat een
Hooglander nimmer een hert, een zeehond, of een zalm kon voorbijgaan,
als er eenige mogelijkheid was om er bij te komen, en dat hij vergeten
had, dat hij één arm in een draagband had. Hij gebruikte verder zijn
val tot verontschuldiging, om naar Monkbarns terug te keeren, en
ontsnapte dus aan de verdere spotternijen van zijn oom, zoowel als aan
zijne klaagliederen over het verlies van zijn wandelstok.

„Ik sneed hem,” – zeide hij, „in de klassieke bosschen van Hawthornden,
toen ik niet dacht altijd ongetrouwd te blijven! – ik zou hem voor geen
oceaan vol zeehonden gegeven hebben! – O Hector, Hector, uw naamgenoot
werd geboren om een steun van Troje te wezen, en gij, om de plaag van
Monkbarns te zijn!”








EENENDERTIGSTE HOOFDSTUK


            Spreek m’ er niet van, vriend! – wanneer de deugd weent,
            Zijn hare tranen lauwe schuim: – uit onze oude oogen
            Vloeit de smart als hagel uit het Noorden,
            Die de voren onzer wangen doet bevriezen,
            Koud als onze hoop, verhard als ons gevoel.
            In het vallen verdwijnen de hare; – de onze
            En alles voor ons, wordt tot kil ijs.

                                                       Oud tooneelspel.


De oudheidkenner, thans alleen, verhaastte zijne schreden, die
vertraagd waren geweest door de verschillende twistredenen en de
gebeurtenis, welke er een einde aan maakte, en bereikte weldra het
zestal hutten bij de Mosselklip. Deze hadden nu, behalve haar gewoon
smerig en ellendig voorkomen, tevens al de treurige kenteekens van den
rouw. De schuiten lagen op het strand getrokken, en ofschoon het weder
fraai en het jaargetij gunstig was, hoorde men noch het gezang der
visschers op zee, noch het lachen der kinderen, noch het schelle gezang
der moeders, als zij aan de deur zitten om hare netten te verstellen.
Eenige buren, sommigen in ouderwetsche en welbewaarde zwarte rokken,
anderen in hunne gewone kleederdracht, maar allen met eene uitdrukking
op hun gelaat van het diepste medelijden met een ongeluk, dat hun zoo
plotseling en onverwacht overkomen was, stonden voor de deur van
Mucklebackit’s hut te wachten tot het lijk weggedragen zou worden. Toen
de heer van Monkbarns naderde, maakten zij plaats voor hem om binnen te
gaan, terwijl zij, met eene soort van droefgeestige beleefdheid, de
hoeden en petten afnamen, en hij beantwoordde hunne groeten op dezelfde
wijze.

Binnen in de hut was er een tooneel, dat onze Wilkie alleen zou hebben
kunnen schilderen met dat uitgezochte gevoel, dat zijne verrukkelijke
voortbrengselen kenmerkt.

Het lijk lag in de kist, in de houten bedstede, waarin de jonge
visscher bij zijn leven geslapen had. Op kleinen afstand stond de
vader, wiens ruw en mager aangezicht, beschaduwd door het bijna grijze
haar, menigen nachtelijken storm en pikdonkeren dag getrotseerd had.
Hij scheen aan zijn verlies te denken met dat diep gevoel van pijnlijke
smart, aan harde en ruwe karakters bijzonder eigen, dat hen bijna de
geheele wereld en al wat die nog oplevert doet haten, als zij van het
voorwerp hunner liefde beroofd zijn. De oude man had de wanhopendste
pogingen aangewend, om zijn zoon te redden, en was alleen door geweld
verhinderd geworden om ze te hernieuwen op het oogenblik, waarop hij,
zonder in de mogelijkheid te zijn om den lijder te helpen, zelf zou
hebben moeten omkomen. De kwellende herinnering aan dit alles vervulde
blijkbaar zijn geest. Zijne blikken waren van ter zijde gericht op de
doodkist, als op een voorwerp, dat hij niet rechtstreeks kon
aanschouwen, en waarvan hij echter de oogen niet kon afwenden. Zijne
antwoorden op de noodzakelijke vragen, die men hem soms doen moest,
waren kort, knorrig en soms ruw. Geen lid van het huisgezin had hem tot
dusver één woord durven toespreken over gemeenschappelijk lijden, of
van gemeenschappelijke vertroosting. Zijne kloeke vrouw, hoe
onverschrokken ook, en ofschoon onbepaalde meesteres van het huis,
waarop zij zich, met recht, bij elke gewone gelegenheid beroemde, was,
bij dit groot verlies, door den schrik tot zwijgen gebracht en
genoodzaakt, voor haren man de uitbarstingen harer moederlijke smart te
verbergen. Daar hij van het oogenblik af, dat hem de ongelukkige slag
getroffen had, niets had willen nuttigen, en zij hem zelve niet durfde
naderen, had zij dien morgen, met liefderijke list, het jongste en
meest beminde kind gezonden, om zijn vader eenig voedsel aan te bieden.
Zijne eerste opwelling was geweest, om het kind van zich af te weren
met eene heftigheid, die den jongen verschrikte; maar in hetzelfde
oogenblik greep hij hem op, en hem als het ware met kussen bedekkende,
zeide hij: „Gij zult een brave jongen worden, als gij ons gespaard
wordt, Patie! – maar nooit zult gij, – nooit kunt gij worden – wat hij
voor mij was. Sedert zijn tiende jaar ging hij met mij mede, en geen
één was er tusschen hier en Buchannes, die zóó met het net wist om te
gaan als hij. – De menschen zeggen, men moet zich onderwerpen; – ik zal
mijn best doen!”

En van dat oogenblik af had hij niet meer gesproken, als hij niet
genoodzaakt was te antwoorden op de onvermijdelijke vragen, waarvan wij
reeds melding maakten. Zoodanig was de troostelooze toestand van den
vader.

In een anderen hoek der hut zat de moeder, het aangezicht bedekt met
haar voorschoot; maar de aard van hare smart was duidelijk te zien in
het wringen der handen en in het krampachtige snikken, dat zij niet
onderdrukken kon. Twee buurvrouwen, die haar gedienstig allerlei
dagelijksche woorden van onderwerping aan onherstelbare rampen in de
ooren fluisterden, schenen te streven om de smart, die zij niet konden
verzachten, ten minste te bedwelmen.

De droefheid der kinderen was vermengd met verwondering over die
toebereidselen, die zij om zich heen zagen, en de ongewone
tentoonspreiding van wittebrood en wijn, welk een en ander de armste
boer of visscher aan zijne gasten bij dergelijke rouwgelegenheden
aanbiedt; en dus loste zich hunne droefenis over den dood van hun
broeder weldra bijna geheel op in hunne bewondering van de pracht
zijner uitvaart.

Maar de houding der grootmoeder was het meest opvallend van de geheele
treurende groep. Gezeten op haren gewonen stoel, steeds met dezelfde
stompheid en hetzelfde gebrek aan belangstelling in alles wat haar
omgaf, scheen zij elk oogenblik werktuigelijk de bewegingen te
hervatten van iemand die spint, – en op hare borst naar het spinrokken
te zien, ofschoon men het een en ander had weggelegd. Dan sloeg zij de
blikken in het rond, als verwonderd hare gewone gereedschappen te
missen, en scheen getroffen over de zwarte kleur van het kleed, dat men
haar aangedaan had, en verbaasd over het aantal menschen, door wie zij
omringd was; – dan, eindelijk, richtte zij het spookachtig gelaat op,
en vestigde de oogen op het bed, waarin de doodkist van haren kleinzoon
stond, alsof zij eensklaps, en voor de eerste maal, besefte welk
onuitsprekelijk onheil gebeurd was. Deze afwisselende gewaarwordingen
van verlegenheid, verwondering en smart vertoonden zich meer dan eens
op hare strakke gelaatstrekken. Maar zij sprak geen woord en had geen
traan gestort; niemand van het huisgezin kon uit hare blikken of
bewegingen opmaken, in hoe ver zij begreep, wat de buitengemeene drukte
om haar heen beteekende. Zoo zat zij onder de vergaderde rouwenden als
een schakel tusschen de overlevenden en het lijk, dat zij beweenden; –
een wezen, waarbij het licht des levens reeds verduisterd werd door de
steeds toenemende schaduwen des doods.

Toen Oldbuck het sterfhuis binnentrad, begroette men hem stilzwijgend
met eene buiging, en er werd, volgens het Schotsche gebruik bij zulke
gelegenheden, den gasten in het rond wijn en sterke dranken aangeboden.
Toen dit geschiedde, verschrikte Elspeth het gezelschap, daar zij den
persoon, die rondging, een wenk gaf om stil te staan, en, terwijl de
glimlach der verkindschdheid op hare gerimpelde gelaatstrekken speelde,
hem met eene holle en bevende stem zeide: „Uw aller gezondheid,
vrienden, en mogen wij elkander nog dikwijls zoo vroolijk ontmoeten!”

Allen schrikten over deze onheilspellende woorden en zetten de glazen
onaangeroerd neder, wat niemand verwonderen zal, die weet hoeveel
bijgeloof er nog bij zulke gelegenheden onder het Schotsche volk
heerscht. Maar toen de oude vrouw den drank proefde, riep zij eensklaps
met een kleinen schrik uit: „Wat is dat? – wijn! – hoe zou er wijn in
mijns zoons huis zijn? – Ja,” vervolgde zij, met een onderdrukten
zucht, „ik herinner mij nu de droevige reden” en het glas uit de hand
latende vallen, stond zij een oogenblik op het bed te staren, waarop de
doodkist van haren kleinzoon rustte, en toen langzamerhand op haren
stoel zijgende, bedekte zij oogen en voorhoofd met de dorre, magere
hand.

Op dit oogenblik trad de geestelijke in de hut. De heer Blattergowl,
ofschoon een langdradig redenaar, in het bijzonder over het onderwerp
van kerkelijke wetten, tienden, en de Vergadering der Algemeene Synode,
waarin hij, ongelukkig genoeg voor zijne toehoorders, eens het woord
had gevoerd, was desniettemin „een goed mensch.” Geen geestelijke was
ooit onvermoeider in het bezoeken van zieken en bedrukten, in het
onderwijzen der jeugd, in het onderrichten van de onwetenden; en in het
vermanen van de dwalenden; en dus had onze oudheidkenner, in weêrwil
van zijn ongeduld over dominé’s langdradigheid en zijne vooroordeelen,
en niettegenstaande een zekere minachting voor zijne kennis,
voornamelijk in zaken van vernuft en goeden smaak, waarover Blattergowl
zeer geneigd was uit te weiden in de hoop om zich vroeger of later den
weg te banen tot een leerstoel van rhetorica en fraaie letteren, – om
deze redenen, zeg ik, had onze vriend, de oudheidkenner, in weêrwil van
al de vooroordeelen door de vermelde omstandigheden bij hem ontstaan,
groote achting en veel eerbied voor genoemden Blattergowl; ofschoon ik
bekennen moet, dat hij zelden, niettegenstaande al zijn gevoel van
betamelijkheid en al de vermaningen der dames, de deur uitgejaagd kon
worden, zoo als hij het noemde, om hem te hooren preeken. Maar hij
verklaarde geregeld dat hij zich over zijne afwezigheid schaamde,
telkens als Blattergowl te Monkbarns kwam eten, waartoe hij altijd des
Zondags genoodigd werd; eene wijze van zijn eerbied te betuigen, welke
de oudheidkenner even aangenaam oordeelde voor den geestelijke, en die
tevens veel beter strookte met zijne eigene gewoonten.

Om van deze uitweiding terug te keeren, – die alleen dienen kan, om den
lezer met den eerlijken geestelijke wat beter bekend te maken, – de
heer Blattergowl was nauwelijks in de hut getreden, waar hij de stomme
en treurige groeten van het gezelschap ontving, of hij begaf zich naar
den ongelukkigen vader, en scheen te pogen, om eenige weinige woorden
van rouwbeklag en vertroosting bij hem ingang te doen vinden. Maar de
oude man was voor geen van beide vatbaar; hij knikte echter eventjes,
en stak den geestelijke de hand toe uit erkentelijkheid voor zijne
goede bedoelingen; maar hij was buiten staat, of onwillig, om iets te
antwoorden.

De geestelijke ging toen naar de moeder, terwijl hij zich zoo zacht,
zoo stil en zoo langzaam over den vloer bewoog, alsof hij bang geweest
ware, dat de grond, als broos ijs, onder zijne voeten instorten mocht,
of dat de eerste klank van een voetstap de betoovering zou breken, en
de hut, met al die er zich in bevonden, in een onderaardschen afgrond
storten. Den inhoud van wat hij de arme vrouw influisterde kon men
slechts opmaken uit hare gezegden, toen zij met woorden, half gesmoord
door snikken, en haar gelaat steeds achter haar voorschoot bedekt
houdende, telkens, als hij een oogenblik ophield, weemoedig antwoordde:
„Ja, mijnheer! ja, – ja, gij zijt zeer goed, – gij zijt zeer goed! –
Zonder twijfel, zonder twijfel! – Wij moeten ons onderwerpen! – Maar, o
lieve! mijn arme Steven! de trots van mijn hart, die zoo knap, zoo
hupsch was, en de steun van zijne familie, en een troost voor ons
allen, en de vreugde van iedereen, die hem kende! – O mijn kind, mijn
kind, mijn kind! waarom ligt gij daar, en och! waarom leef ik nog, om u
te beweenen!”

Het was niet mogelijk, zich bij deze uitbarsting van smart en
moederlijke liefde goed te houden. Oldbuck nam herhaaldelijk toevlucht
tot zijne snuifdoos om de tranen te verbergen, die, in weêrwil van
zijne verstandige en cynische zelfbeheersching, bij dergelijke
gelegenheden hem wel eens ontvielen. De vrouwen klaagden mede; de
mannen hielden de petten vóór het gezicht en spraken zacht met
elkander. De predikant wendde zich nu met zijne troostredenen tot de
oude grootmoeder. In het begin luisterde zij, of scheen zij te
luisteren, naar hetgeen hij zeide, met hare gewone ongevoeligheid. Maar
toen hij, op zijn onderwerp aandringende, zoo dicht bij haar oor kwam,
dat de zin zijner woorden voor haar verstaanbaar werd, ofschoon de meer
verwijderde omstanders ze niet hoorden, nam haar gelaat eensklaps die
strenge en veelbeteekenende uitdrukking aan, welke tusschenbeide haar
eigen was. Zij richtte hoofd en lichaam op, schudde het hoofd op eene
wijze, die ten minste ongeduld over, zoo niet verachting van zijn raad
te kennen gaf, en bewoog de hand zenuwachtig heen en weêr, maar op zulk
eene nadrukkelijke wijze, dat het aan allen, die het zagen, duidelijk
was, dat zij den geestelijken troost versmaadde, dien hij haar aanbood.
De afgewezen predikant trad terug, en zachtkens de hand opheffende en
weêr latende vallen, scheen hij tegelijk verbazing, smart en medelijden
aan den dag te leggen over den onrustbarenden toestand van haar gemoed.
De overigen van het gezelschap deelden zijn gevoelen, en een onderdrukt
gefluister, dat in het rond gehoord werd, gaf te kennen, hoe zeer hare
wanhopige en ongewillige houding allen met verbazing, ja zelfs met
schrik, vervulde.

Intusschen werd het gezelschap vermeerderd en aangevuld door de weinige
nog ontbrekende personen, die men uit Fairport verwachtte. De wijn en
sterke drank gingen nog eens rond, en nog eenmaal begroette men
elkander, over en weder zwijgende. De grootmoeder nam andermaal een
glas wijn op, dronk het leêg en riep uit met een harden lach: „Ha! ha!
ik heb tweemaal op één dag wijn gedronken, – wanneer heb ik dat voor
den laatsten keer gedaan, denkt ge, vrienden? – Nooit sedert –”

En de vluchtige opgewektheid verdween van haar gelaat; zij zette het
glas weg, en zeeg neêr op den stoel, waarvan zij opgestaan was, om het
te grijpen.

Toen de algemeene verbazing bedaard was, meende de heer Oldbuck, wien
het hart bloedde om hetgeen hij voor de afdwaling hield van een
verzwakt denkvermogen, kampende met ouderdom en gebrek, den geestelijke
te moeten doen opmerken dat het tijd was, tot de plechtigheid over te
gaan. De vader was buiten staat om iets te doen; maar de naaste
bloedverwanten gaven den timmerman een teeken. Het gekras der schroeven
kondigde dadelijk aan, dat het deksel van de laatste verblijfplaats der
sterfelijkheid werkelijk boven hem, die er in lag, gesloten werd. Het
laatste bedrijf, dat ons voor altijd scheidt, zelfs van de sterfelijke
overblijfsels van hem, dien wij ten grave brengen, werkt gewoonlijk op
de onverschilligste, zelfzuchtigste en hardvochtigste harten. Met een
geest van tegenspraak, dien wij aan eene bekrompene denkwijze moeten
toeschrijven, en in zoover vergeven kunnen, verwierpen de vaders der
Schotsche kerk, zelfs bij deze allerplechtigste gelegenheid, den vorm
van eene aanspraak aan de Godheid, uit vrees dat zij aan de gebruiken
van Rome en Engeland iets mochten toegeven. Met een vrij betere, meer
liberale gezindheid, plegen de meeste Schotsche geestelijken thans van
deze gelegenheid gebruik te maken, om een gebed te doen en eene
indrukwekkende vermaning te richten tot de levenden, terwijl zij zich
nog in de tegenwoordigheid der overblijfsels bevinden van hem, wien zij
nog zoo onlangs in denzelfden toestand zagen als die, waarin zij zelven
verkeeren, en die nu daarhenen gaat, waarheen zij, op hun tijd, hem
zelven moeten volgen. Maar dit betamelijk en prijzenswaardig gebruik
bestond nog niet in de dagen waarvan ik spreek, of, ten minste, de heer
Blattergowl handelde niet dienovereenkomstig, en de plechtigheid had
plaats zonder eenige godsdienstoefening.

De doodkist, met een doodskleed overdekt en door de naaste
bloedverwanten gedragen, wachtte slechts op den vader, om, zoo als het
de gewoonte meebrengt, het hoofdeinde te dragen. Twee of drie der
bevoorrechte personen spraken hem aan; maar hij antwoordde slechts met
een hoofdschudden en eene afwijzende beweging der hand. Met meer gevoel
dan verstand zouden de vrienden, die dat als een plicht voor den
levende en als een blijk van eerbied voor den afgestorvene beschouwden,
volhard hebben, indien Oldbuck zich niet geplaatst had tusschen den
ongelukkigen vader en zijne welmeenende kwellers, en hen onderricht
had, dat hij, als landeigenaar en heer van de plaats, „zelf het hoofd
van den overledene in het graf wilde leggen.” In weêrwil van de
droevige gelegenheid, liep het hart der naastbestaanden bij zulk eene
uitstekende onderscheiding van den kant van den heer over, en de oude
Alison Breek, die onder de vischvrouwen tegenwoordig was, zwoer bijna
overluid: „dat Monkbarns nooit zijn dozijntje oesters missen zou in het
saizoen,” (men wist, dat hij er veel van hield), „al moest zij zelve op
zee gaan om er naar te visschen in den hardsten wind, die er ooit
woei!” En zoo is de aard van het Schotsche volk, dat de heer Oldbuck,
door dit bewijs van zijn eerbied voor hunne gebruiken en van zijne
achting voor hunne personen, zich meer bemind maakte, dan door al de
sommen, die hij jaarlijks in de streek besteedde aan bijzondere en
algemeene liefdadige doeleinden.

De treurige optocht bewoog zich nu langzaam voort, voorafgegaan door de
boden met hunne stokken, – oude mannen van een ellendig voorkomen,
wankelend, alsof zij zelven op den rand van het graf stonden, waarheen
zij een ander brachten, en, naar de Schotsche wijze, uitgedost in
versletene zwarte rokken en jagersmutsen met smerig floers versierd.
Monkbarns zou waarschijnlijk bedenkingen ingebracht hebben tegen deze
overtollige uitgaven indien men hem geraadpleegd had; maar, dan zou hij
meer aanstoot gegeven hebben, dan hij liefde won door zijne
welwillendheid om de plaats van den eersten rouwdrager goed te
bekleeden. Dit wist hij zelf, en hij onthield zich wijselijk van alle
vermaning, waar hij begreep, dat vermaning en raad even nutteloos
zouden geweest zijn. Inderdaad, de Schotsche boerenstand is werkelijk
nog bezield met die woede voor begrafenisplechtigheden, welke eenmaal
de grooten van het koninkrijk zoodanig onderscheidde, dat eene wet door
het parlement van Schotland gemaakt werd om ze tegen te gaan; en ik heb
vele menschen van de laagste klasse gekend, die zich niet slechts de
gemakken, maar zelfs bijna de noodwendigste behoeften van het leven
onthielden, ten einde eene genoegzame som bijeen te brengen, om hunne
overblijvende vrienden in staat te stellen hen „als Christenen,” zoo
als zij het noemen, te begraven, noch konden de getrouwe
overblijvenden, hoe behoeftig ook het van zich verkrijgen, om tot het
gebruik en onderhoud der levenden het geld aan te wenden, dat nutteloos
op de begrafenis der dooden verspild werd.

De optocht naar het kerkhof, op ongeveer eene halve mijl afstands,
geschiedde met al de plechtigheid, bij dergelijke gelegenheden
gebruikelijk; – het lijk werd aan de moeder-aarde overgegeven, – en
toen de doodgravers het graf gevuld en het met nieuwe zoden bedekt
hadden, groette de heer Oldbuck, den hoed afnemende, de dragers, die
een somber stilzwijgen bewaard hadden, en met dien groet liet hij hen
uiteengaan.

De geestelijke sloeg onzen oudheidkenner voor, met hem naar huis te
wandelen; maar de heer Oldbuck was zoo getroffen geweest door het
gedrag van den visscher en zijne moeder, dat hij, bewogen door
medelijden, en misschien ook eenigermate door de nieuwsgierigheid, die
ons zelfs datgene doet zoeken, wat ons pijnlijk valt te aanschouwen, de
voorkeur gaf aan eene eenzame wandeling langs de kust, met oogmerk om
in het voorbijgaan de visschershut weder te bezoeken.








TWEEËNDERTIGSTE HOOFDSTUK


                Welke is deze zonde, – dit verzwegen geheim,
                Die geen kunst ontdekken, geen boete zuiv’ren kan?
                – In de spieren, geene verandering!
                Noch geroerd, verbleekt, noch strak,
                Geen vluchtige blos, geen bevende lip.

                                               De geheimzinnige moeder.


De doodkist was weggedragen van de plaats, waar zij gestaan had. De
gasten waren, de een na den anderen, volgens hun rang en hunne
verwantschap met den overledene, gevolgd; de stoet had de hut verlaten,
terwijl de kleine kinderen bij de hand werden medegevoerd, om achter de
baar van hun broeder te trippelen, en met verwondering eene
plechtigheid bij te wonen, waarvan zij zich moeielijk een begrip konden
maken. Nu ook maakten zich de vrouwen gereed om te vertrekken, en
namen, wegens den toestand der ouders, de meisjes mede, om het
ongelukkige paar gelegenheid te geven, ongestoord hunne harten te
openen en hun leed door mededeeling te verlichten. Maar het liefderijke
doel werd niet bereikt. De laatste der bezoekers had, bij het uitgaan,
den ingang der hut nauwelijks verduisterd en de deur zachtjes achter
zich toegetrokken, toen de vader, zich eerst door een haastigen blik
verzekerende dat er niemand vreemds meer tegenwoordig was, opvloog,
zijne handen woest boven het hoofd ineen sloeg, een luiden gil gaf, en
zich half wierp, half voorover viel op het bed, waarop de kist was
geplaatst geweest, en, het hoofd tusschen de kussens verbergende, lucht
gaf aan zijne smart. Het was te vergeefs dat de ongelukkige moeder,
verschrikt over de hevige droefheid van haren man, – eene droefheid te
vreeselijker in een mensch van zijn ruwen aard en sterk lichaamsgestel,
– haar eigen snikken en hare tranen onderdrukte, en hem, terwijl zij
hem bij de panden van den rok trok, bad om op te staan en zich te
herinneren, dat, ofschoon hem één kind ontnomen was, hij nog altoos
eene vrouw en kinderen had, die troost en hulp behoefden. De vermaning
kwam te vroeg, en werd niet gehoord; hij bleef liggen, en toonde door
zijn snikken, zoo bitter en geweldig, dat het bed en het beschot,
waartegen het lag, er van schudden, door met zijne handen, die het
beddelaken gegrepen hadden te wringen, en door de geweldige en
stuipachtige beweging zijner voeten, hoe diep en hoe verschrikkelijk de
benauwdheid der vaderlijke smart was.

„O, welk een dag is deze!” riep de arme moeder, wier vrouwelijke smart
reeds door snikken en tranen uitgeput, nu vergeten was door den schrik
over den toestand, waarin zij haren man zag; „o welk een uur is dit! en
niemand is hier, om eene arme verlatene vrouw te helpen! – O, grootmoe!
kondet gij hem maar een woord toespreken! – kondet gij hem maar wat
troost geven!”

Tot hare verwondering, en zelfs tot vermeerdering van haren angst,
hoorde en antwoordde hare schoonmoeder. Deze stond op en ging zonder
ondersteuning, zonder merkbare zwakte, door de kamer, en, bij het bed
staande, waarop haar zoon zich uitgestrekt had, zeide zij: „Sta op,
mijn zoon, en treur niet over hem, die boven zonde en kommer en
verzoeking is! De kommer is voor hen, die in dit aardsche dal van
rampen en duisternis achterblijven! – Ik, die geen verdriet heb en geen
verdriet kan hebben over iemand, heb het meeste noodig, dat gij over
mij treurt!”

De stem van zijne moeder, sedert jaren niet meer gehoord als deelende
in iets dat voorviel, bleef niet zonder uitwerking. Haar zoon richtte
zich op aan den kant van de bedstede, en zijn voorkomen, zijne houding
en gebaren toonden nu in plaats van bittere wanhoop, slechts diepe
smart en neêrslachtigheid. De grootmoeder keerde naar haren stoel
terug, de moeder nam werktuigelijk haren verscheurden bijbel ter hand
en scheen te lezen, ofschoon hare oogen in tranen zwommen.

Zoo waren zij nog bezig, toen men een hard kloppen op de deur hoorde.

„Hé!” zei de arme moeder, „wie kan daar nu aankomen? – Het is zeker
iemand, die niets van ons ongeluk gehoord heeft.”

Daar het kloppen herhaald werd, stond zij op, verdrietig zeggende „Wat
is dat voor een doen, om dus een sterfhuis te verontrusten?”

Een lang man, in het zwart gekleed, stond voor haar, in wien zij
dadelijk lord Glenallan herkende.

„Woont er niet,” vroeg hij, „in deze, of in eene der andere naburige
hutten, eene oude vrouw, genaamd Elspeth, die lang geleefd heeft op
Craigburnfoot, te Glenallan?”

„Dat is mijne schoonmoeder, Milord!” zeide Margaretha: „maar zij kan nu
niemand zien. – O! wij hebben een bitter lot gehad; – wij gaan onder
eene zware bezoeking gebukt!”

„De hemel weet,” zeide lord Glenallan, „dat ik om geene kleinigheid u
in uwe droefheid zou willen storen! – maar mijne dagen zijn geteld; –
uwe schoonmoeder is zeer bejaard, en als ik haar vandaag niet zie,
zullen wij elkander misschien nooit weêr in dit leven ontmoeten.”

„En wat zoudt gij er aan hebben om eene oude vrouw te zien, die versuft
is onder jaren en kommer en hartzeer? – Voornaam of gering, niemand zal
binnen mijne deur komen op den dag, dat mijn kind er uitgedragen is als
lijk,” zei de bedroefde moeder.

Terwijl zij dus sprak, en aan de drift lucht gaf, aan hare natuur en
haar beroep eigen en die zich eenigszins met hare smart begon te
vereenigen, nadat de eerste hevigste uitbarstingen voorbij waren, hield
zij de deur ongeveer voor een derde gedeelte open, en plaatste zich in
de tusschenruimte, als om den bezoeker het binnentreden onmogelijk te
maken. Maar de stem van haren man liet zich uit het binnenste der
woning hooren: „Wat is er, Maggie? Waarom sluit gij de menschen uit? –
laat hem binnen; – het kan mij niets schelen, wie voortaan dit huis in
of uit gaat!”

De vrouw trad, op bevel van haren man, ter zijde, en veroorloofde lord
Glenallan de hut binnen te treden.

De neêrslachtigheid, die zich nu in zijn ontzenuwd lichaam en
uitgeteerd gelaat vertoonde, stak zeer af bij de smart, zoo als die
zich op het ruw en door wind en weder verhard gezicht van den visscher,
en de grove gelaatstrekken van zijne vrouw vertoonde. Hij naderde de
oude grootmoeder, die op haren stoel zat, en vroeg haar op een toon,
zoo hoorbaar als zijne stem het toeliet: „Zijt gij Elspeth van
Craigburnfoot, van Glenallan?”

„Wie vraagt naar het ellendige verblijf van die slechte vrouw?” was het
antwoord op zijne vraag.

„De ongelukkige graaf van Glenallan.”

„Graaf – graaf van Glenallan!”

„Hij, dien men noemde Willem, lord Geraldin,” hernam de graaf; „en wien
de dood van zijne moeder tot graaf van Glenallan gemaakt heeft.”

„Open het vensterluik!” zei de oude vrouw op vasten en driftigen toon
tot hare schoondochter, „open het luik, gauw! dat ik zien kan, of dit
de echte lord Geraldin, de zoon van mijne meesteres is; hij, dien ik in
de armen kreeg zoodra hij geboren werd; – hij, die reden heeft om mij
te vloeken, omdat ik hem op dat oogenblik niet smoorde.”

Het venster, dat gesloten geweest was om eene duistere schemering over
de plechtige begrafenis-bijeenkomst te verspreiden, werd,
overeenkomstig haar bevel, geopend, en verspreidde dadelijk een helder
licht door de berookte en met walm vervulde hut. Daar de sterkste
stralen op den schoorsteen vielen, verlichtten ze op eene wijze, die
Rembrandt zou bekoord hebben, de gelaatstrekken van den ongelukkigen
edelman en van de oude vrouw, die nu opstond, en hem bij de hand
houdende, nieuwsgierig op zijne gelaatstrekken met hare lichtblauwe
oogen tuurde, en haren langen, mageren vinger op een kleinen afstand
van zijn gelaat houdende, dien langzaam bewoog, als om de omtrekken na
te gaan en datgene, wat zij zich herinnerde, in overeenstemming te
brengen met wat zij nu aanschouwde. Nadat zij hare navorsching
geëindigd had, zeide zij met een diepen zucht: „Het is bitter, – bitter
veranderd! – en wiens schuld is dat? – maar dat staat opgeschreven,
waar het eens verantwoord zal worden; – het is op bronzen tafels met
een stalen griffel geschreven, daar waar alles geboekt staat, wat in
den vleesche gedaan wordt! – En wat,” zeide zij, na een oogenblik van
stilzwijgen, „wat zoekt lord Glenallan bij een arm, oud schepsel zoo
als ik ben, dat reeds dood is, en alleen in zoover tot de levenden
behoort, dat zij nog niet in het graf ligt?”

„Maar,” antwoordde lord Glenallan, „in ’s Hemels naam! waarom hebt gij
zoo dringend verzocht om mij te zien? en waarom ondersteundet gij uw
verzoek door mij een teeken te zenden, waaraan gij wel wist, dat ik
gehoorzamen zou?”

Dit zeggende, nam hij uit zijne beurs den ring, welken Adam Ochiltree
hem op het kasteel Glenallan had overhandigd. Het gezicht van dit
teeken had eene vreemde en oogenblikkelijke werking op de oude vrouw.
Het beven der vrees voegde zich oogenblikkelijk bij dat van den
ouderdom, en zij begon dadelijk met eene angstige en gejaagde
ontroering hare zakken te doorzoeken, als iemand, die voor het eerst
beseft, dat zij iets van groot gewicht verloren heeft; – daarop, als
overtuigd dat hare vrees gegrond was, keerde zij zich naar den graaf,
en vroeg: „En, hoe kwaamt gij er aan? – ik meende het zoo veilig
bewaard te hebben; wat zal de gravin zeggen?”

„Gij weet,” antwoordde de graaf, „ten minste gij moet gehoord hebben,
dat mijne moeder dood is!”

„Dood! bedriegt gij mij niet? – Heeft zij eindelijk geld en goed,
pracht en weelde moeten verlaten?”

„Alles, alles!” zei de graaf, „zoo als stervelingen alle menschelijke
ijdelheden moeten verlaten!”

„Ik herinner mij nu,” antwoordde Elspeth, „er van gehoord te hebben;
maar er is sedert zoo veel droefheid in ons huis geweest, en mijn
geheugen is zoo verzwakt; – – maar zijt gij zeker dat uwe moeder, de
gravin, overleden is?”

De graaf verzekerde haar op nieuw, dat hare voormalige meesteres niet
meer was.

„Dan,” zeide Elspeth, „zal het niet langer op mijn geweten drukken! –
Toen zij leefde, durfden wij niet spreken van wat zij niet verkoos dat
onder de menschen zou komen. – Maar zij is weg; – en ik zal alles
bekennen!”

Toen, zich tot haren zoon en hare schoondochter wendende, beval zij hun
op gebiedenden toon weg te gaan, en lord Geraldin (want zoo noemde zij
hem nog) alléen met haar te laten. Maar Maggie Mucklebackit, nadat hare
eerste opwelling van smart voorbij was, gevoelde zich geenszins
geneigd, om in haar eigen huis eene onbepaalde gehoorzaamheid aan de
bevelen van hare schoonmoeder te bewijzen, een gezag, voor lieden uit
haren stand altijd bijzonder onaangenaam, en hetwelk zij te meer
verwonderd was te zien herleven, daar het reeds zoo lang scheen
nedergelegd en vergeten te zijn.

„Het is iets vreemds,” zeide zij op knorrigen toon, – want de rang van
lord Glenallan hield haar eenigszins in bedwang, – „het is iets vreemds
eene moeder te gelasten, om haar eigen huis te verlaten, met de tranen
nog in haar oogen, op het oogenblik, dat haar oudste zoon als een lijk
de deur uitgedragen wordt!”

De visscher voegde er ter zelfder tijd barsch en kortaf bij: „Dit is
geen dag voor uwe oude historiën, moeder! – De graaf, als hij een graaf
is, kan op een anderen dag wederkomen, – of hij kan zeggen, wat hij te
zeggen heeft, als het hem belieft; er is niemand hier, die zich de
moeite zal geven, naar hem of naar u te luisteren. Maar, heer of
knecht, voornaam of gering, voor niemand ter wereld verlaat ik mijn
eigen huis op den dag zelven, dat mijn arme, –”

Hier begaf hem de stem en hij kon niet voortgaan; maar, daar hij
opgestaan was toen lord Glenallan binnentrad, en was blijven staan,
wierp hij zich nu op een stoel, en bleef in de houding zitten van
iemand, die vast besloten heeft om woord te houden.

Maar de oude vrouw, die in het beslissend oogenblik weêr in het bezit
scheen te geraken van al die geestvermogens, waarmede zij eens zoo rijk
begaafd was, verhief zich, en op hem toegaande, zeide zij op plechtigen
toon: „Mijn zoon, als gij het verhaal van de schande uwer moeder niet
hooren wilt; als gij niet opzettelijk getuige wilt zijn van hare
schuld; – als gij haren zegen verdienen en haren vloek ontgaan wilt,
beveel ik u, ik, die u onder mijn hart droeg en voedde, om mij de
vrijheid te laten met lord Geraldin over iets te spreken, dat geen
sterfelijk oor dan het zijne vernemen mag. Gehoorzaam aan mijne
bevelen, opdat, wanneer gij mij in het graf legt, (en o, dat die dag
gekomen ware!) gij u dit uur herinneren moogt zonder het verwijt, dat
gij ongehoorzaam zijt geweest aan het laatste bevel, dat uwe moeder u
op deze aarde gaf!”

Deze plechtige woorden wekten in het hart van den visscher de
werktuigelijke gehoorzaamheid op, waarin zijne moeder hem had groot
gebracht, en waaraan hij zich blindelings onderworpen had, zoolang zij
nog in staat was geweest, ze van hem te vorderen. Deze herinnering
verbond zich dus met de heerschende gedachte in zijn hart; want, een
blik op het bed werpende, waarop het lijk was geplaatst geweest,
mompelde hij binnensmonds: „Hij was nooit ongehoorzaam, of ik gelijk of
ongelijk had; en waarom zou ik haar kwellen?” Daarop zijne weêrspannige
vrouw onder den arm nemende, bracht hij haar zachtjes buiten de hut en
trok de deur achter zich toe.

Terwijl de ongelukkige ouders zich verwijderden, drong lord Glenallan,
om te voorkomen, dat de oude vrouw weder in haren wezenloozen staat
verviel, op nieuw bij haar aan, om de mededeeling te ontvangen, die zij
voornemens was hem te doen.

„Gij zult het spoedig genoeg weten,” antwoordde zij; „mijn geest is nu
helder genoeg, en er is niets, – ik geloof niets, – dat ik vergeten zal
van al wat ik u te zeggen heb. Mijne woning te Craigburnfoot staat mij
voor de oogen, alsof ze er nog was: – de groene zodenbank, juist waar
de beek en de zee elkander ontmoeten; – de twee kleine pinken, met
gereefde zeilen, in de bocht; – de hooge klip, die haar met de
lusttuinen van het kasteel van Glenallan vereenigt, en loodrecht over
den stroom hangt. – Och, ja! ik zou kunnen vergeten, dat ik een man had
en hem verloren heb, – dat slechts nog één van onze vier zonen in leven
is; – dat ongeluk op ongeluk onze slecht verkregen rijkdommen
verslonden heeft; – dat men het lijk van mijns zoons oudsten zoon heden
morgen uit dit huis droeg; – maar nooit kan ik de dagen vergeten, die
ik op het schoone Craigburnfoot doorbracht!”

„Gij waart de lieveling mijner moeder,” zeide lord Glenallan, om haar
terug te brengen op het punt, waarvan zij afweek.

„Dat was ik, dat was ik; – gij behoeft het mij niet te herinneren! –
Zij gaf mij eene opvoeding boven mijn stand, en ik leerde meer dan
mijne kennissen; maar, even als de eerste verleider, leerde zij mij,
tegelijk met de kennis van het goede, ook de kennis van het slechte.”

„Om Gods wil, Elspeth!” zei de verwonderde graaf, „ga over, zoo gij
kunt, tot de opheldering van de verschrikkelijke wenken, die gij mij
geeft. – Ik weet wel, dat gij bekend zijt met een verschrikkelijk
geheim, dat genoeg is om dit huis boven ons te doen instorten; – maar
ga voort!”

„Dat zal ik doen,” zeide zij, – „dat zal ik doen! heb slechts een
weinig geduld met mij!” – en zij scheen op nieuw verdiept in hare
herinneringen, die echter niet meer gepaard waren met verkindschdheid
en wezenloosheid. Zij was nu op het punt om eene omstandigheid aan te
roeren, die lang haar geweten bezwaard had, en welke, ongetwijfeld,
dikwijls hare geheele ziel vervuld had in tijdstippen, dat zij dood
scheen voor alles, wat haar omgaf. En ik kan er als eene
opmerkingswaardige daadzaak bijvoegen, dat de veerkrachtige werking van
den geest op hare lichamelijke krachten en haar zenuwgestel zoo groot
was, dat in weêrwil van haar zwak gehoor, elk woord, dat lord Glenallan
gedurende dit merkwaardig gesprek zeide, ofschoon op den zachtsten toon
van schrik en ontroering gesproken, Elspeth zoo helder en duidelijk in
de ooren klonk, als het ooit in eenig tijdperk van haar leven had
kunnen doen. Zij zelve ook sprak klaar, duidelijk en langzaam, als
bezorgd, om het bericht, dat zij mededeelde, volledig te doen verstaan,
ter zelfder tijde beknopt, en zonder eenige der praatzieke of
wijdloopige bijvoegingen, welke aan lieden van haar geslacht en haren
stand anders eigen zijn. In het kort, hare taal getuigde van eene goede
opvoeding, zoo wel als van een buitengemeen sterken en vasten geest, en
van een van die karakters, van welke men natuurlijk groote deugden of
groote misdaden verwachten kan. De inhoud van hare mededeeling wordt in
het volgende hoofdstuk vermeld.








DRIEËNDERTIGSTE HOOFDSTUK


                    Gewetenswroeging! – die verzaakt ons nooit!
                    Als een spoorhond volgt ze onze snelste vlucht
                    Door den woesten doolhof der jeugdige drift;
                    Soms ongehoord tot aan den ouden dag;
                    Maar op ons rustbed door den tijd verlamd,
                    Onze hoop vernield op strijden of op vlieden,
                    Hooren we haar hol geblaf; dan luist’ren wij
                    Sidderend, en leven voor de toekomst.

                                                       Oud tooneelspel.


„Ik behoef u niet te zeggen,” sprak de oude vrouw, zich tot den graaf
van Glenallan wendende, „dat ik eene getrouwe dienares was van
Joscelinde, gravin van Glenallan, die God vergeve!” (hier maakte zij
een kruis) „en gij zult, denk ik, ook niet vergeten hebben, dat ik
jaren lang hare gunst genoot. Ik beantwoordde die met de meest oprechte
verkleefdheid; – maar ik viel in ongenade, wegens eene geringe
ongehoorzaamheid, die aan uwe moeder werd overgebracht door iemand, die
dacht, – en zij had geen ongelijk, – dat ik hare en uwe daden
bespiedde.”

„Ik beveel u, vrouw!” zei de graaf met eene stem, die van drift beefde,
„noem haren, naam niet in mijne tegenwoordigheid!”

„Ik moet het doen,” hernam de oude vrouw vast en bedaard; „hoe zoudt
gij mij anders begrijpen?”

De graaf, leunende op een der houten stoelen van de hut, trok den hoed
diep in de oogen, wrong de handen en sloot de tanden als iemand, die al
zijn moed verzamelt om eene pijnlijke operatie te ondergaan, en gaf
haar een teeken om voort te gaan.

„Ik zeg dan,” hernam zij, „dat mijne ongenade bij mijne meesteres
hoofdzakelijk veroorzaakt werd door Eveline Neville, die op het kasteel
van Glenallan groot gebracht werd, als de dochter van een vollen neef
van uw vader, die overleden was. Er was veel geheimzinnigs in hare
geschiedenis; maar wij durfden er niet meer naar vragen dan de gravin
goedvond te vertellen. – Allen op het kasteel hadden Eveline Neville
lief; – allen, op twee na: – uwe moeder en ik; – wij haatten haar!”

„God! om welke reden? Nimmer heeft zulk een zachtzinnig, lief wezen,
zoo geschikt om genegenheid te verwekken, deze ongelukkige aarde
betreden!”

„Dat kan zijn,” antwoordde Elspeth; „maar uwe moeder haatte allen die
van uws vaders geslacht waren; allen, hem alleen uitgezonderd! Wat de
aanleiding tot dien haat betreft, die weldra na haar huwelijk ontstond,
die behoort tot bijzonderheden, die niets ter zake afdoen. Maar o! zeer
zeker haatte zij Eveline Neville, toen zij merkte, dat er eene
genegenheid tusschen u en die ongelukkige jonge dame ontstond. Gij zult
u herinneren, dat de afkeer der gravin in den beginne niet verder ging,
dan dat zij haar met koelheid behandelde; maar op den duur brak die met
zooveel hevigheid uit, dat Eveline Neville genoodzaakt was, eene
wijkplaats te zoeken op het kasteel Knockwinnock, bij Sir Arthurs
vrouw, die (God zegene haar!) toen nog leefde.”

„Gij verscheurt mij het hart met deze bijzonderheden op te halen; –
maar ga voort, en moge mijn tegenwoordig lijden aangenomen worden als
eene vermeerderde boete voor de onwillekeurige misdaad!”

„Zij was eenige maanden afwezig geweest,” vervolgde Elspeth, „toen ik
op zekeren nacht in mijne hut de terugkomst afwachtte van mijn man, die
uit visschen was, en in mijne eenzaamheid bittere tranen stortte, welke
mijn trotsch hart mij afperste, zoo dikwijls ik aan mijne ongenade
dacht. De klink werd opgelicht, en de gravin trad mijne woning binnen.
Ik meende eerst een spook te zien; want dit was eene eer, die zij mij,
zelfs toen ik in de grootste gunst stond, nooit had aangedaan, en zij
zag er zoo doodelijk bleek uit, alsof zij uit het graf verrezen was.
Zij ging zitten en droogde zich de haren en den mantel af, want er viel
een fijne stofregen, en zij had door het plantsoen moeten gaan, dat van
vochtigheid droop. Ik vertel dit alles alleen, om u te doen inzien, hoe
levendig die nacht mij nog in het geheugen is, – en dat mag wel! Ik was
verwonderd haar te zien, maar ik durfde in het begin niet meer spreken,
dan alsof ik een schim gezien had; – neen, ik durfde niet, Milord! ik,
die veel verschrikkelijks gezien heb en er nooit voor beefde. – Dus, na
een kort stilzwijgen, zeide zij: „Elspeth Cheyne,” (want zij noemde mij
altijd bij mijn familienaam), „zijt gij niet de dochter van dien
Reginald Cheyne, die stierf, om zijn heer, lord Glenallan te redden op
het slagveld van Sherifmuir?” – En ik antwoordde haar, bijna zoo
trotsch als zij zelve: „Zoo zeker als gij de dochter van dien graaf van
Glenallan zijt, welken mijn vader dien dag redde door zijn eigen
dood.””

Hier zweeg zij weder.

„En hoe ging het verder? – hoe ging het verder? – om ’s hemels wil,
goede vrouw! – Maar waarom zou ik dat woord gebruiken? – Evenveel, goed
of kwaad, ik beveel u mij alles te verhalen!”

„En ik zou mij aan een aardsch bevel weinig storen,” antwoordde
Elspeth, „als geene stem tot mij gesproken had, die mij slapende en
wakende aanspoort, om deze droevige gebeurtenis te verhalen. – Wel,
Milord, – de gravin zeide tot mij: „Mijn zoon bemint Eveline Neville; –
zij zijn het eens; – zij zijn verloofd! – krijgen zij een zoon, dan
vervalt mijn recht op Glenallan, – en ik word, op dat zelfde oogenblik,
in plaats van gravin, eene ellendige, eene jaargeldtrekkende weduwe! –
Ik, die mijn man landerijen en leenmannen, oud adellijk bloed en
voorouderlijken roem aanbracht, moet ophouden meesteres te zijn, zoodra
mijn zoon een mannelijken erfgenaam krijgt. Doch dit deert mij niet: –
had hij iedere andere getrouwd, dan eene der gehate Nevilles, ik zou
het verdragen hebben; – maar zij, – dat hare afstammelingen de rechten
en waardigheden van mijne voorouders genieten zouden, is mij een
dolksteek in het hart! En dit meisje, – ik verfoei haar!” – En ik
antwoordde, – want mijn hart gloeide bij hare woorden, „dat mijn haat
niet geringer was dan de hare.”

„Ellendige!” riep de graaf uit, in weêrwil van zijn besluit om haar
niet in de reden te vallen; – „ellendige vrouw! welke reden tot haat
kon u zulk een onschuldig en beminnelijk schepsel gegeven hebben?”

„Ik haatte al wat mijne meesteres haatte, zoo als de vazallen van het
huis van Glenallan gewoon waren te doen; want ofschoon ik, Milord,
beneden mijn stand gehuwd ben, zoo ging nochtans geen van uwe
voorouders op het slagveld, of een voorzaat van deze zwakke, versufte,
oude, nuttelooze, ellendige vrouw droeg zijn schild voor hem uit. –
Maar dat was niet alles,” vervolgde de oude, wier aardsche en booze
driften weêr ontwaakten in het vuur van haar verhaal, „dat was niet
alles: – ik haatte Eveline om haar zelve! Ik bracht haar uit Engeland
over, en op de geheele reis spotte en lachte zij om mijn Noordschen
tongval en mijne kleeding, even als hare Engelsche juffers en kameraden
gedaan hadden op de kostschool, zoo als men het noemt.” (En, hoe vreemd
het ook schijnen moge, zij sprak van eene beleediging, haar door een
argeloos schoolmeisje zonder kwaad opzet aangedaan, met een gevoel van
wrok, hetwelk eene doodelijke beleediging, na zulk een langen tijd, in
elk welgestemd gemoed noch gewettigd, noch verwekt zou hebben). – „Ja,
zij beschimpte mij en dreef den spot met mij; – maar zij, die het plaid
beschimpen, mogen den dolk vreezen!”

Zij zweeg een oogenblik, en vervolgde toen: „Maar ik ontken niet, dat
ik haar meer haatte, dan zij verdiende. – Mijne meesteres, de gravin,
ging voort en zeide: „Elspeth Cheyne, deze moedwillige jongen wil zich
met het valsche Engelsche bloed verbinden. Waren wij nog in de dagen
van vroegere eeuwen, dan zou ik haar in den kerker van Glenallan kunnen
werpen, en hem in den toren van Strathbonnel. Maar die tijden zijn
voorbij, en het gezag, dat de edelen van het land uitoefenen moesten,
is overgegaan aan haarklovende pleitbezorgers en hunne nog
verachtelijker afhangelingen. Hoor mij aan, Elspeth Cheyne! als gij uws
vaders dochter zijt, zoo als ik die van den mijnen ben, zal ik een
middel vinden, om hun huwelijk te beletten. – Zij wandelt dikwijls naar
die klip, welke over uwe woning hangt, om naar de boot van haren
beminde te zien; – (gij zult u herinneren, dat gij toen dikwijls uit
zeilen gingt, Milord). Laat haar een paar honderd voet lager vinden,
dan hij verwacht! – Ja, gij moogt staroogen en de wenkbrauwen fronsen
en de handen wringen; maar, zoo zeker als ik voor den rechterstoel moet
komen van het eenige Wezen, dat ik ooit gevreesd heb – en och! had ik
Hem meer gevreesd! – dit waren uw moeders woorden: – wat zou het mij
ook baten om u te bedriegen? – Maar ik wilde mijne handen niet met
bloed bevlekken. – Toen zeide zij: „Volgens de leer van onze heilige
kerk, zijn zij elkander te na; maar ik verwacht niet minder, dan dat
zij beiden ketters zullen worden, zoowel als ongehoorzame
verworpelingen;” – dat voegde zij er nog bij. – En toen, daar de booze
geest altijd meer dan te veel werkt op hersens als de mijne, die meer
ontwikkeld zijn dan zij behoeven en hun stand medebrengt, kreeg ik
ongelukkig in het hoofd, om er bij te voegen: maar men zou hen kunnen
doen gelooven, dat zij elkander zóó na bestonden, dat geene
Christelijke wet hun huwelijk gedoogen zou!” Hier herhaalde de graaf
van Glenallan hare woorden met zulk een luiden gil, dat de hut er van
weêrgalmde: – „dus was Eveline Neville niet de– de –”

„De dochter, meent gij, van uw vader?” vervolgde Elspeth. „Neen! – het
mag u tot kwelling of tot troost strekken; – verneem de waarheid! zij
was niet meer de dochter van uw vader, dan ik ben!”

„Vrouw! bedrieg mij niet, – doe mij niet de gedachtenis van eene moeder
vloeken, die ik zoo onlangs in het graf gelegd heb; maak niet, dat ik
haar verwensch, omdat zij de wreede, de helsche list goedkeurde!”

„Bedenk u, Milord Geraldin, eer gij de nagedachtenis van eene
afgestorvene moeder vervloekt! – Leeft er niet één van het bloed van
Glenallan, die aanleiding gegeven heeft tot de droevige uitkomst?”

„Meent gij mijn broeder? – Ook hij is dood!” zei de graaf.

„Neen!” antwoordde de oude, „ik meen u zelven, Lord Geraldin. Hadt gij
niet uw plicht als zoon overtreden, door met Eveline Neville in het
geheim te trouwen, terwijl zij op Knockwinnock woonde, ons plan zou u
wellicht een tijdlang van uwe beminde gescheiden hebben, maar nooit uwe
smart door de knagingen van uw geweten verbitterd hebben. Maar uw eigen
gedrag heeft den dolk vergiftigd, waarmede wij u troffen, en het heeft
u te dieper doorboord, omdat gij u er op wierpt! Indien uw huwelijk was
afgekondigd en bekend geweest, zou ons plan, om een hinderpaal in den
weg te leggen die onoverkomelijk was, niet ten uitvoer zijn gebracht.”

„Groote Hemel!” riep de ongelukkige edelman; „het is alsof er een
sluier van mijne verblinde oogen valt! – Ja, ik begrijp nu de
dubbelzinnige wenken van mijne ongelukkige moeder, strekkende om
zijdelings mij de zekerheid te benemen van de ijselijkheden, waaraan
hare kunstgrepen mij hadden doen gelooven!”

„Zij kon niet duidelijker spreken,” antwoordde Elspeth, „zonder haar
eigen bedrog te belijden; en zij zou zich liever door wilde paarden
hebben laten vaneen scheuren, dan iets te ontdekken, wat zij gedaan
had; en, als zij nog leefde, zou ik hetzelfde om harentwil doen! Het
ras van Glenallan, mannen en vrouwen, was een trotsch ras, en dat waren
allen, die in den ouden tijd de leuze voerden: Clachnaben! „schouder
aan schouder!” – Geen één van hen verliet ooit zijn aanvoerder om geld
of winst, om recht of onrecht. – De tijden zijn, hoor ik, nu
veranderd!”

De ongelukkige edelman was te zeer in zijne verwarde gedachten en
kwellende herinneringen verdiept, om de hartstochtelijke uitdrukkingen
van getrouwheid op te merken, waarin de ongelukkige bewerkster van
zijne rampen, zelfs in de laatste uren van haar leven, troost scheen te
vinden.

„Groote Hemel!” riep hij uit. „Ik ben dus vrij van eene schuld, de
grootste, waarmede een mensch kan bezoedeld zijn, en waarvan het
bewustzijn, hoe onwillekeurig ze ook begaan was, mijne zielerust
verstoord, mijne gezondheid ondermijnd, en mij tot een vroegtijdigen
dood bestemd heeft! Ontvang,” voegde hij er geroerd bij, de oogen ten
hemel opslaande, „ontvang mijne nederigste dankbetuigingen! – Is mijn
leven ellendig, ik zal ten minste niet sterven, bezoedeld met die
onnatuurlijke schuld! – En gij, – ga voort, als gij meer te zeggen
hebt! – ga voort, terwijl gij nog stem hebt om te spreken, en ik
krachten om te luisteren.”

„Ja,” antwoordde de oude, „de tijd, waarop gij zult hooren en ik zal
spreken, snelt voorwaar ras voorbij! De dood heeft uw voorhoofd met
zijn vinger gemerkt, en ik voel zijne koude hand met iederen dag
dichter bij mijn hart. – Stoor mij nu niet meer met uwe uitroepingen;
maar hoor mijn verhaal ten einde! en dan, – als gij inderdaad zulk een
graaf van Glenallan zijt, als die van welken ik vroeger gehoord heb, –
laat uwe vazallen de doornen en de distelen en de groene hulst
opstapelen, zoo hoog als het dak van het huis, en verbrand, – verbrand,
– verbrand de oude tooverheks Elspeth, en alles wat u herinneren kan,
dat zulk, een schepsel ooit geleefd heeft!”

„Ga voort,” zei de graaf, „ga voort; ik zal u niet meer storen!”

Hij sprak met eene half gesmoorde, maar vaste stem, besloten zich door
geene drift van de gelegenheid te berooven, om bewijzen te verkrijgen
van de verrassende ontdekking, die hij gedaan had. Maar Elspeth was
uitgeput geworden door een geregeld verhaal van zulk eene ongewone
lengte; het volgende gedeelte van hare geschiedenis was meer
afgebroken, en, ofschoon nog in de meeste opzichten verstaanbaar, droeg
het niet de kenteekens van een helder zelfbewustzijn, welke het eerste
gedeelte van haar verhaal zoo treffend gekenmerkt hadden. Lord
Glenallan vond het noodzakelijk, toen zij eenige vruchtelooze pogingen
om voort te gaan, gedaan had, om haar geheugen op te wekken door de
vraag: welke bewijzen zij kon aanvoeren, om de waarheid te staven van
een verhaal, dat zoo zeer verschilde van al hetgeen zij vroeger
volgehouden had?

„De bewijzen,” antwoordde zij, „van Eveline Neville’s wezenlijke
geboorte waren in het bezit der gravin; er waren redenen, om die voor
eenigen tijd geheim te houden. Zij zouden wellicht gevonden worden, als
zij ze niet, vernietigd had, in de linkerlade van het ebbenhouten
kabinet, dat in de kamer stond, waar de gravin zich placht te kleeden.
– Zij wilde die zoo lang achterhouden, tot gij op nieuw buiten ’s lands
zoudt zijn gegaan, wanneer zij rekende, om vóór uwe terugkomst Eveline
Neville naar haar eigen land terug te zenden, of uit te huwen.”

„Maar liet gij mij geene brieven zien van mijn vader, die, zoo mij niet
mijn verstand op dat verschrikkelijk oogenblik bedrogen heeft, zijne
nauwe bloedverwantschap scheen te erkennen met – met de ongelukkige?”

„Dat is zoo; en, met mijne getuigenis, hoe kondet gij of zij, een van
beiden, aan het geval twijfelen? – Maar wij verzwegen de ware
uitlegging van deze brieven, en die was, dat uw vader het voorzichtig
oordeelde om de jonge dame een tijdlang voor zijne dochter te laten
doorgaan, uit hoofde van zekere familiebelangen.”

„Maar waarom bleeft gij volharden in deze list, na dat gij onze
vereeniging vernomen hadt?”

„Het was niet,” antwoordde zij, „dan na dit valsch bericht te hebben
medegedeeld, dat de gravin het vermoeden kreeg, dat gij werkelijk een
huwelijk hadt aangegaan; – en zelfs toen wildet gij geene opheldering
geven, of de plechtigheid inderdaad had plaats gehad of niet. – Maar
gij herinnert u wel, – o, gij kunt niet anders, dan u wel herinneren,
al wat er bij die verschrikkelijke samenkomst voorviel!”

„Vrouw! gij bezwoert op den Bijbel de daadzaken, die gij nu ontkent!”

„Ik deed dat, en ik zou er nog tien plechtige eeden meer op gedaan
hebben, als het noodig ware geweest; – ik zou noch het bloed van mijn
lichaam, noch de rust mijner ziel gespaard hebben, om het huis van
Glenallan te dienen!”

„Ellendige! noemt gij dien verschrikkelijken meineed, met nog
verschrikkelijker gevolgen gepaard, – noemt gij dat een dienst aan het
huis uwer weldoeners bewezen?”

„Ik diende haar, die toen het hoofd van het huis van Glenallan was,
toen zij mij opeischte om haar te dienen. De reden waarom, was tusschen
God en haar geweten; – de wijze hoe, tusschen God en het mijne! – Zij
is opgeroepen om zich te verantwoorden, en ik moet volgen; – heb ik
genoeg gezegd?”

„Neen!” antwoordde lord Glenallan; „gij hebt mij nog meer te zeggen. –
Gij moet mij zeggen of de dood van de engelin, die door uw meineed tot
wanhoop gedreven werd, omdat zij zich bezoedeld geloofde door eene zoo
verschrikkelijke misdaad, – spreek nu de waarheid! – was dat ontzettend
– was dat verschrikkelijk voorval,” – hij kon nauwelijks de woorden
uitbrengen, – „was het, zóó als men het verhaald heeft, of was het door
nog verdere, ofschoon niet gruwelijker wreedheid van anderen
veroorzaakt?”

„Ik begrijp u,” zeide Elspeth; „maar het gerucht heeft waarheid
gesproken. Onze valsche getuigenis was wezenlijk de oorzaak; maar de
daad was haar eigen wanhopig bedrijf. Na die verschrikkelijke
ontdekking, toen gij uit de tegenwoordigheid van de gravin vluchttet,
en uw paard naamt, en het kasteel in wanhoop verliet, had de gravin uw
geheim huwelijk nog niet ontdekt; zij wist niet dat de vereeniging, die
zij door deze schrikbarende geschiedenis wilde beletten, reeds gesloten
was. Gij waart uit het huis gevlucht, alsof het vuur van den Hemel u
dreigde te treffen en Eveline Neville, half waanzinnig, werd onder
zekere bewaring gesteld. Maar de bewakers sliepen en de gevangene bleef
wakker; – het venster stond open; de weg lag voor haar; – dáár was de
klip en dáár was de zee! – O, wanneer zal ik dat vergeten!”

„En dus stierf zij,” vroeg de graaf, „juist zóó als men verhaald
heeft?”

„Neen, Milord! Ik was uitgegaan naar het strand; – de vloed kwam op, en
die sloeg, zoo als gij u zult herinneren, tegen den voet van die klip;
– het was een groot gemak voor mijn man, – doch waar dwaal ik heen? –
Ik zag een wit voorwerp van den top der klip schieten, gelijk eene
zeemeeuw door den mist, en toen begreep ik uit het klotsen en spatten
van het water dat het een menschelijk wezen moest zijn, dat in de
golven gevallen was. Ik snelde heen en greep haar kleed; ik trok haar
er uit, en droeg haar op mijne schouders weg, – ik had toen twee zulke
schepsels kunnen dragen – droeg haar naar mijne hut en legde haar op
mijn bed. Er kwamen buren om te helpen; – maar de woorden, die zij in
haar ijlen stamelde, toen zij begon bij te komen, waren zoodanig, dat
ik het goed vond om hen weg te zenden, en om bevelen te gaan vragen op
het kasteel Glenallan. De gravin zond hare Spaansche meid Therese; –
als er ooit een booze geest in menschelijke gedaante op aarde
verscheen, was die vrouw er een! – zij en ik moesten op de ongelukkige
dame passen en niemand haar laten naderen. God weet, wat de taak van
Therese zou geweest zijn; – zij zeide het mij niet; maar de Hemel zelf
nam het overige op zich! – De arme dame! zij kreeg de barensweeën vóór
den tijd, bracht een mannelijk kind ter wereld, en stierf in de armen
van mij, – van hare doodelijke vijandin! Ei, gij weent, – het was ook
een droevig iets om te zien; – maar denkt gij, dat ik, die haar toen
niet betreurde, haar nu betreuren kan? Neen, neen! – Ik liet Therese
bij het lijk en het pas geboren kind, terwijl ik de bevelen van de
gravin ging halen. Hoe laat het ook was, ik wekte haar, en zij beval
mij, uw broeder te roepen, –”

„Mijn broeder?”

„Ja, Lord Geraldin, uw broeder zelven, dien zij, zoo als sommigen
zeiden, altijd tot erfgenaam wenschte te hebben. In elk geval had hij
het meeste belang bij de zaak, als erfgenaam van het huis van
Glenallan.”

„En is het dan mogelijk te gelooven dat mijn broeder, uit zucht om
mijne erfgoederen te bezitten, zich vernederd zou hebben tot zulk eene
lage en verschrikkelijke misdaad?”

„Uwe moeder geloofde dat hij het doen zou,” zeide de oude met een
duivelschen lach; „ik had er niets mede te maken; – maar wat zij deden
of spraken zal ik niet zeggen, omdat ik het niet weet. Lang en druk
raadpleegden zij te zamen in de zwarte met hout beschoten kleedkamer
der gravin, en toen uw broeder door de kamer kwam, waar ik wachtte,
scheen het mij toe, (en ik heb het sedert dikwijls gedacht,) dat helsch
vuur op zijne wangen en in zijne oogen schitterde. Maar hij had er, in
elk geval, iets van bij zijne moeder achtergelaten. Zij trad de kamer
binnen als een razend mensch, en de eerste woorden die zij sprak,
waren: „Elspeth Cheyne, hebt gij ooit eene pas ontloken bloem geplukt?”
– Ik antwoordde, zoo als gij denken kunt, dat ik dat dikwijls gedaan
had. – „Dan,” zeide zij, „zult gij te beter weten, hoe den onechten en
ketterschen telg te vernielen, die dezen nacht tot schande van het
edele huis van mijn vader geboren is! – zie hier – (en zij gaf mij eene
gouden naald) – niets dan goud moet het bloed van Glenallan doen
stroomen! Dit kind is reeds een kind des doods, en daar gij en Therese
alléén weet, dat het leeft, ga er meê te werk, zoo als ik verlang!” –
en zij ging weg in hare woede en liet mij met de naald in de hand. Hier
is ze; deze en de ring van Eveline Neville zijn alles, wat ik van mijn
slecht gewonnen goed bewaard heb; want het was veel, dat ik kreeg! En
ik heb ook het geheim goed bewaard; maar niet om het goud of het
voordeel!”

Hare lange, magere hand hield nu aan lord Glenallan eene gouden naald
voor, die hij, in zijne verbeelding, besmet zag met het bloed van zijn
kind.

„Ellendige! hadt gij het hart, –”

„Ik weet niet of ik het zou gehad hebben of niet. Ik keerde naar mijne
hut terug, zonder den grond te voelen dien ik betrad; maar Therese en
het kind waren weg; – al wat leven had was weg; – niets was er meer dan
het ontzielde lijk.”

„En hebt gij nooit iets vernomen van het lot van mijn kind?”

„Ik kon slechts gissen. Ik heb u het voornemen verhaald van uwe moeder,
en ik weet, dat Therese een duivelin was. Men zag haar nooit weêr in
Schotland, en ik heb gehoord dat zij naar haar eigen land teruggekeerd
was. Een duistere sluier is over het verledene gevallen, en de
weinigen, die er een gedeelte van zagen, kunnen slechts iets gissen van
verleiding en zelfmoord. Gij, gij zelf, –”

„Ik weet het, – ik weet alles!” antwoordde de graaf.

„Gij weet inderdaad nu alles, wat ik zeggen kan. – En nu, erfgenaam van
Glenallan! kunt gij mij vergeven?”

„Vraag vergiffenis van God, en niet van de menschen!” hernam de graaf,
zich afwendende.

„En hoe zal ik van den reine en onbevlekte datgene vragen, wat mij
geweigerd wordt door een zondaar, even als ik ben? – Indien ik
gezondigd heb, zoo heb ik ook geleden. – Heb ik één dag vrede of één
uur rust gehad, sedert die lange, natte haarlokken op mijn kussen te
Craigburnfoot lagen? – Is mijn huis niet afgebrand, met mijn kind in de
wieg? – Zijn mijne booten niet vergaan, terwijl de andere den storm
trotseerden? – Heeft niet alles, wat mij dierbaar en waard was, voor
mijne zonden geboet? – Heeft niet het vuur er zijn deel, – hebben de
winden niet hun deel, – heeft de zee niet haar deel er van gehad? – En
och!” voegde zij er met een zucht bij, eerst opwaarts naar den Hemel
ziende en dan hare oogen op den grond vestigende – „och! dat de aarde
haar deel wilde nemen, dat lang, lang zucht, om er mede vereenigd te
worden!”

Lord Glenallan had de deur der hut bereikt; maar zijn edelmoedige aard
liet niet toe, om de ongelukkige vrouw in dezen staat van wanhopige
zelfveroordeeling te verlaten. „Moge God u, ellendige vrouw! zoo
oprecht vergeven als ik het doe! – Wend u tot Hem om genade, en mogen
uwe gebeden verhoord worden, alsof die mijne eigene waren! – Ik zal u
een geestelijke zenden.”

„Neen, neen, geen priester!” riep zij uit; – op dat oogenblik ging de
deur van de hut open, en zij werd verhinderd om voort te gaan.








VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK


                Steeds in zijn doode hand blijven de snaren,
                Die ’s vaders hart doen trillen; – gelijk het lid,
                Dat, afgekapt en in ’t graf, zoo als men zegt,
                Gemeenschap behoudt met den verminkten stomp,
                Wiens zenuwen nog altijd pijnlijk trekken.

                                                       Oud tooneelspel.


De oudheidkenner, zoo als wij den lezer op het einde van het
voorlaatste hoofdstuk berichtten, was het gezelschap van den waardigen
heer Blattergowl ontsnapt, niettegenstaande het aanbod van dezen om hem
een kort verslag te geven van de schoonste pleitrede, die er ooit, voor
zoo ver hij wist, voor een tiendgerecht gehouden werd, uitgesproken
door den procureur voor de kerk, in zake van de gemeente Gatherem. Deze
verzoeking weêrstaande, sloeg onze vriend een eenzamen weg in, die hem
op nieuw bij de woning van Mucklebackit bracht. Toen hij voor de
visschershut kwam, ontwaarde hij een man, druk bezig, naar het scheen,
met het kalefateren van eene schuit die op het strand lag, en, op hem
toegaande, was hij niet weinig verrast Mucklebackit zelven te zien. „Ik
ben blij,” zeide hij op deelnemenden toon, „ik ben blij, Saunders, –
dat gij u in staat bevindt om uw werk te verrichten.”

„En wat zoudt gij willen dat ik deed,” antwoordde de visscher kortaf;
„als ik niet vier kinderen van honger zou willen zien sterven, omdat er
één verdronken is? Dat is goed voor u, heeren, die, als gij een vriend
verliest, te huis kunt blijven zitten met den zakdoek voor de oogen;
maar lieden van ons slag moeten weêr aan het werk, al klopt ons het
hart als een hamer.”

Zonder zich verder om Oldbuck te bekommeren, ging hij met zijn arbeid
voort, en de oudheidkenner, wien de uitwerking der menschelijke natuur
onder den invloed van ontroerende driften nooit onverschillig was,
stond naast hem, stil en opmerkzaam, alsof hij de vorderingen van het
werk gadesloeg. Hij merkte meer dan eens op, hoe ’s mans harde
gelaatstrekken zich als door de kracht der gewoonte vertrokken, als om
den klank van de zaag en den hamer met zijn welbekend neuriën of
fluiten te vergezellen, en hoe dikwijls eene krampachtige, pijnlijke
uitdrukking toonde, dat, eer de klanken geuit waren, eene opkomende
gedachte ze onderdrukte. Eindelijk, toen hij één groot gat dicht
gemaakt had en een ander begon te kalefateren, scheen hem zijn gevoel
geheel en al van de noodige aandacht bij zijn werk te berooven. Het
stuk hout, dat hij er op spijkeren moest, was eerst te lang; toen
zaagde hij het te kort af, en koos toen weêr een ander, dat even weinig
tot het doel geschikt was. Eindelijk wierp hij het hout gramstorig weg,
en riep, na zijn beneveld oog met de bevende hand te hebben afgeveegd,
half wanhopig uit: „Er rust een vloek op mij, of op deze oude, zwarte
boot, die ik al zoo menig jaar op het strand heb gehaald en dicht
gemaakt en gekalefaterd, om haar eindelijk mijn armen Steven in zee te
zien werpen. Ik geef den brui van de heks!” en hij smeet den hamer
tegen de schuit, alsof deze de boosaardige bewerkster van zijn ongeluk
geweest ware. Toen weêr bedarende, voegde hij er bij: „En toch, wat
helpt het boos op haar te zijn, die ziel noch gevoel heeft! – ofschoon
ik zelf niet veel beter ben. Ze is slechts een klomp oude, verrotte
planken te zamen gespijkerd, en door wind en zee gebeukt, – en ik ben
een stijve kerel, zoo lang door stormen ter zee en te land geteisterd,
dat ik even gevoelloos ben als de planken. Ze moet evenwel weêr dicht
zijn tegen den morgenvloed; – dat is volstrekt noodzakelijk.”

Dit zeggende, ging hij zijn gereedschap bijeen zoeken, om zoo mogelijk
zijn arbeid te hervatten; maar Oldbuck nam hem vriendelijk bij den arm.
„Kom, kom,” zeide hij, „Saunders, dat is heden geen werk voor u! Ik zal
Shavings, den timmerman, naar het strand zenden om de boot te
herstellen, en hij kan zijn dagloon op mijne rekening zetten, – en gij
zoudt beter doen met morgen niet uit te gaan, maar te huis te blijven,
om uw huisgezin te troosten onder deze bezoeking, en de tuinman zal u
wat groenten en meel van Monkbarns brengen.”

„Ik dank u, Monkbarns!” antwoordde de arme visscher; „ik ben een
eenvoudig man en niet vlug in het praten. Ik had lang geleden iets meer
kunnen leeren van mijne moeder; maar ik zag nooit, dat zijzelve er veel
aan had; ik dank u echter. Gij waart altijd beleefd, vriendelijk en
behulpzaam voor uwe buren, wat men ook zeggen mag van uwe zuinigheid;
en ik heb dikwijls gezegd, in den tijd dat men het volk tegen de
grooten ophitste, – ik heb dikwijls gezegd: „nooit zal iemand Monkbarns
een haar krenken, zoo lang Steven en ik een vinger kunnen verroeren” –
en dat zei Steven ook. En, Monkbarns, toen gij zijn hoofd in het graf
legdet, (en hartelijk dank ik u voor die eer), zaagt gij den grond
dicht werpen over een braven jongen, die u wel mocht lijden, ofschoon
hij er niet veel praats van maakte.”

Oldbuck, wiens cynische trots bezweken was, zou niet gaarne gehoord
hebben dat iemand op dat oogenblik zijne geliefkoosde grondbeginsels
der Stoïcijnsche wijsbegeerte had aangehaald. De heete tranen stonden
in zijne oogen, terwijl hij den vader, die nu overweldigd was door de
herinnering aan de kordaatheid en de edelmoedige gevoelens van zijn
zoon, dringend bad, om toch eene droefheid te matigen, die nergens toe
dienen kon; terwijl hij hem bij den arm terug leidde naar zijne eigene
woning, waar onzen oudheidkenner eene nieuwe ontmoeting wachtte. – Want
toen hij binnentrad, was de eerste persoon, dien hij zag, lord
Glenallan.

Wederzijdsche verwondering was op beider gelaat te lezen, toen zij
elkander groetten, met stijve terughouding van de zijde van den heer
Oldbuck, en met veel verlegenheid van die van den graaf.

„Milord Glenallan, geloof ik?” zeide Oldbuck.

„Ja, – veel veranderd sedert den tijd, toen hij u kende, mijnheer
Oldbuck!”

„Mijn oogmerk is niet,” zei de oudheidkenner, „u lastig te vallen. Ik
kwam alleen, om dit ongelukkig huisgezin te bezoeken.”

„En gij hebt iemand gevonden, mijnheer, die nog grooter aanspraak op uw
medelijden heeft!”

„Medelijden van mij? Lord Glenallan kan mijn medelijden niet behoeven!
Als Lord Glenallan dat behoefde, geloof ik, dat hij er niet licht om
vragen zou!”

„Onze vroegere kennis –,” zei de graaf –

„Is van zulke oude dagteekening, Milord, – was van zoo korten duur, en
ging met zulke pijnlijke omstandigheden gepaard, dat wij ons, geloof
ik, kunnen verschoonen van die nu te vernieuwen!”

Met deze woorden wendde de oudheidkenner zich af en verliet de hut;
maar lord Glenallan volgde hem in de vrije lucht, en, niettegenstaande
een haastig, „goeden morgen, Milord!” verzocht hij hem om een kort
onderhoud, en om zijn raad in eene gewichtige zaak.

„Gij zult velen vinden, die beter in staat zijn dan ik om u raad te
geven, Milord, en die er zich meê zullen vereerd vinden. Ik, voor mij,
ben vreemd aan alle zaken, en niet zeer geneigd om vroegere
gebeurtenissen uit mijn nutteloos leven weêr op te halen; en, vergeef
mij, als ik er bijvoeg, het grieft mij zeer herinnerd te worden aan een
tijdstip, toen ik handelde als een dwaas, en gij, Milord, als een, –”
hij brak af.

„Als een schurk, wildet gij zeggen,” voegde lord Glenallan er bij:
„want in dat licht heb ik u moeten voorkomen.”

„Milord! Milord! ik begeer niet om uwe biecht aan te hooren!” riep de
oudheidkenner.

„Maar, mijnheer, als ik u bewijzen kan, dat men meer tegen mij
gezondigd heeft, dan dat ik zelf zondigde; – dat ik een ongelukkig
mensch, boven alle beschrijving ongelukkig geweest ben, en dat ik nu op
een vroegtijdig graf zie, als op eene rustplaats, zult gij u niet
langer aan eene mededeeling onttrekken, die, – uwe verschijning in dit
beslissend oogenblik voor een wenk van den hemel houdende, – ik het
wagen moet u op te dringen!”

„Milord, ik zal nu niet meer de voortzetting van deze verrassende
samenkomst vermijden.”

„Ik moet u dus aan onze toevallige ontmoetingen herinneren, ongeveer
twintig jaren geleden, op het kasteel van Knockwinnock, en ik behoef u
niet te herinneren aan eene dame, die toen een lid van dat huisgezin
was.”

„De ongelukkige Eveline Neville, Milord! – ik herinner mij haar wel.”

„Wie gij gevoelens toedroegt, –”

„Zeer verschillende van die, waarmede ik vroeger en later hare sekse
aanschouwd heb. Hare zachtheid, hare leerzaamheid, haar smaak in die
studiën, waarop ik hare aandacht vestigde, maakten mij haar meer
genegen, dan met mijne jaren, ofschoon ik toen nog niet al te oud was,
en met den ernst van mijn karakter overeenkwam. Maar ik behoef u niet
te herinneren aan al de gelegenheden, waarop gij uw lachlust botvierdet
ten koste van een onhandigen, in de eenzaamheid levende geleerde, die
verlegen was in het uitdrukken van gevoelens, welke hem zoo nieuw
waren; en ik twijfel niet, of de jonge dame nam deel aan den
welverdienden spot: – dit is zoo vrouwenaard. Ik heb de pijnlijke
omstandigheden van mijn aanzoek en de verwerping er van aangeroerd,
opdat gij u overtuigen zult, dat mij alles nog duidelijk in het
geheugen ligt, en dat gij uwe geschiedenis, wat mij aangaat, zonder
schroom of onnoodige achterhouding kunt verhalen.”

„Dat zal ik ook doen,” zeide lord Glenallan; „maar vergun mij eerst te,
zeggen, dat gij onrecht doet aan de nagedachtenis van de zachtste,
beminnelijkste en ongelukkigste der vrouwen, door te veronderstellen
dat zij met de oprechte toegenegenheid van een man als gij zou hebben
kunnen spotten! Zeer dikwijls berispte zij mij, mijnheer Oldbuck, als
ik mijne lichtzinnigheid ten uwen koste botvierde. – Mag ik mij nu
vleien, dat gij den jeugdigen overmoed, die u toen aanstoot gaf,
vergeven zult? – Mijn zielstoestand heeft mij sedert nooit in de
noodzakelijkheid gebracht om mij te verontschuldigen over de
onbedachtzaamheden aan een opgeruimd en gelukkig mensch eigen.”

„Milord, gij hebt mijne vergiffenis,” zei de heer Oldbuck; „gij zult u
herinneren dat ik, evenmin als iemand anders, in dien tijd wist dat ik
mij tot uw mededinger opwierp, en ik begreep dat Eveline in eene
afhankelijkheid leefde, die haar een redelijk vermogen en de hand van
een eerlijk man als iets wenschelijks moest doen voorkomen. – Maar ik
verspil den tijd: – ik wenschte te kunnen gelooven, dat de oogmerken,
die anderen omtrent haar koesterden, even rechtschapen en eerlijk waren
als de mijne!”

„Mijnheer Oldbuck, gij velt een hard oordeel!”

„Niet zonder reden, Milord! Toen ik alleen, van al de overheidspersonen
in de streek, die noch de eer had, gelijk sommigen hunner, in
betrekking te staan met uw machtig geslacht, noch gelijk anderen, de
laagheid had om het te vreezen, – toen ik eenig onderzoek instelde naar
de wijze van Eveline Neville’s dood, – gij schrikt Milord, maar ik moet
oprecht zijn, – vond ik reden te gelooven, dat men haar slecht
behandeld had, en dat zij òf bedrogen was geweest door een
schijn-huwelijk, òf dat men zeer ongeoorloofde middelen had gebezigd,
om het bewijs van een wezenlijk bestaand huwelijk te verduisteren en te
vernietigen. En ik kan bij mij zelven niet twijfelen, of deze wreedheid
van uwen kant, Milord, hetzij die uit uw vrijen wil voortgesproten, of
wel door den invloed der overleden gravin veroorzaakt werd, dreef de
ongelukkige jonge dame tot de wanhopige daad, die een einde aan haar
leven maakte.”

„Uwe besluiten, mijnheer Oldbuck, zijn niet juist, ofschoon ze
natuurlijk uit de omstandigheden voortvloeien moesten. Geloof mij, ik
eerbiedigde u, toen ik het meest gekweld werd door uwe werkzame
pogingen om onze familiewederwaardigheden te onderzoeken. Gij toondet u
Eveline Neville waardiger dan ik, door den ijver, waarmede gij
volhieldt, om hare eer, zelfs na haren dood, te handhaven. Maar het
vaste geloof, dat uwe welgemeende pogingen alleen dienen konden om een
verschrikkelijk geheim aan het licht te brengen, bewoog mij, om mijne
moeder in hare plannen bij te staan en de bewijzen te vernietigen van
de wettige vereeniging, die er tusschen Eveline en mij had plaats
gevonden. En nu, laten wij hier op deze hoogte plaats nemen, want ik
gevoel mij buiten staat om langer te blijven staan, en heb de goedheid,
te luisteren naar de wonderbaarlijke ontdekking, die ik heden gedaan
heb.”

Zij gingen zitten, en lord Glenallan verhaalde kortelijk zijne
ongelukkige familiegeschiedenis, zijn geheim huwelijk, en het
verschrikkelijke verzinsel, waardoor zijne moeder gehoopt had die
vereeniging, welke reeds voltrokken was, onmogelijk te maken. Hij
verklaarde de kunstgrepen, waarmede de gravin, met al de bewijsstukken
van Eveline Neville’s geboorte in handen, alleen diegene had doen zien,
welke betrekking hadden tot een tijd, gedurende welken zijn vader om
familieredenen ingestemd had, die jonge dame als zijne natuurlijke
dochter te erkennen, en toonde, hoe onmogelijk het voor hem zelven was,
om het bedrog te vermoeden of te ontdekken, waardoor hem zijne moeder
misleidde, en dat door Therese en Elspeth gestaafd werd. „Ik verliet
mijn vaderlijk huis,” voegde hij er ten slotte bij, „als gejaagd door
alle geesten uit de hel, en reisde met eene waanzinnige snelheid, ik
weet niet waarheen. Ook had ik niet de minste herinnering van hetgeen
ik deed of waarheen ik ging, tot ik door mijn broeder ontdekt werd. Ik
zal u niet lastig vallen met eene beschrijving van mijn ziekbed en
herstel, en hoe lang het duurde eer ik waagde naar de deelgenoote van
mijn ongeluk te vragen, en vernam, dat hare wanhoop een verschrikkelijk
geneesmiddel gevonden had tegen al de kwalen van het leven. Het eerste,
wat mij weêr tot denken bracht, was het bericht van uwe navorschingen
in deze rampzalige zaak, en gij zult niet meer verwonderd zijn dat, in
den waan waarin ik verkeerde, ik die middelen om uwe navorschingen te
stuiten, welke mijne moeder en mijn broeder goedkeurden, ook van mijn
kant beaamde. De inlichtingen, die ik hun gaf omtrent de omstandigheden
en getuigen van ons geheim huwelijk, stelden hen in staat, om uw ijver
te verijdelen. De geestelijke en getuigen, als lieden, die slechts
gehandeld hadden om den machtigen erfgenaam van Glenallan te believen,
waren dan ook vatbaar voor zijne beloften en bedreigingen, en ontvingen
zulke ruime belooningen, dat zij er niets tegen hadden om dit land te
verlaten. Wat mijzelven aangaat, mijnheer Oldbuck,” vervolgde de
ongelukkige graaf, „ik beschouwde mij van dat oogenblik af als niet
meer onder de levenden, en ik wilde ook niets meer te doen hebben met
deze wereld. Mijne moeder beproefde mij weêr met het leven te verzoenen
door alle mogelijke kunstgrepen; – zelfs door wenken, die ik mij nu
verklaren kan, als geschikt, om twijfel te doen ontstaan omtrent het
verschrikkelijke verhaal, dat zij zelve verdicht had. Maar ik
beschouwde al wat zij zeide als uitvluchten der moederlijke
toegenegenheid. Ik zal mij van elk verwijt onthouden, – zij is niet
meer, – en, naar het zeggen van hare ellendige vertrouweling, wist zij
niet, hoe vergiftigd de werpspies was, en hoe diep die treffen moest,
toen zij die slingerde. Maar, mijnheer Oldbuck, als er ooit in deze
laatste twintig jaren een levend wezen op aarde leefde, dat uw
medelijden verdiende, ben ik het geweest. Mijne spijzen hebben mij niet
gevoed, – de slaap heeft mij niet verkwikt, – mijne godsdienstige
oefeningen hebben mij niet getroost; – al wat den mensch waard en
onmisbaar is, heeft zich voor mij in vergif veranderd. De geringe en
beperkte omgang, dien ik met anderen had, is mij gehaat geweest. Het
was mij, alsof ik de besmetting van eene onnatuurlijke en
onuitsprekelijke misdaad onder de vroolijken en onschuldigen bracht. Er
zijn oogenblikken geweest, dat ik gedachten had van anderen aard: – om
mij in de gevaren van den krijg te werpen, of de avonturen te
trotseeren van den reiziger in vreemde en woeste landen; – om mij in
staatskuiperijen te mengen, of mij terug te trekken in de strenge
afzondering van den kluizenaar. Dit alles is beurtelings bij mij
opgekomen; maar tot elk dezer voornemens werd eene veerkracht
vereischt, welke ik niet meer bezat na den slag, die mij verlamd had.
Ik kwijnde voort op dezelfde plek, terwijl verbeelding, gevoel, oordeel
en gezondheid afnamen, even als bij een boom, wiens schors vernield is,
eerst de bloesem verwelkt, dan de takken, tot de dorre en stervende
stam overblijft, die thans voor u staat! – Beklaagt en vergeeft gij mij
nu?”

„Milord,” antwoordde de oudheidkenner zeer aangedaan, „mijn medelijden,
– mijne vergiffenis behoeft gij niet te vragen, want uwe ongelukkige
geschiedenis is op zich zelve niet alleen eene voldoende
verontschuldiging voor alles, wat geheimzinnig scheen in uw gedrag;
maar ook een verhaal, dat uwe ergste vijanden (en ik, Milord was er
nooit onder), tot tranen en deelneming bewegen zou. Maar veroorloof mij
te vragen wat gij nu doen wilt, en waarom gij mij, wiens gevoelen van
zeer weinig belang voor u kan wezen, met uw vertrouwen bij deze
gelegenheid vereerd hebt?”

„Mijnheer Oldbuck,” antwoordde de graaf, „daar ik nooit den aard van de
bekentenis kon voorzien, welke ik heden aangehoord heb, behoef ik u
niet te zeggen, dat ik geen bepaald plan had, om u of iemand anders
over zaken te raadplegen, welker bestaan ik niet eens had kunnen
vermoeden. Maar ik ben zonder vrienden, ongeschikt om te handelen, en,
door lange afzondering, eveneens onbekend met de wetten van het land en
de gewoonten van het levend geslacht; en daar ik mij nu op het
alleronverwachtst gedompeld vind in zaken, waarvan ik weinig besef,
grijp ik, als een drenkeling, naar den eersten steun, die zich
aanbiedt. Gij zijt die steun, mijnheer Oldbuck! Ik heb u altijd hooren
noemen als een man van verstand en doorzicht, – ik zelf heb u gekend
als een man van een onbevreesden en onafhankelijken geest, – en er is
ééne omstandigheid, welke ons eenigszins vereenigen moet, – die van
onze gemeenschappelijke hulde aan de deugden der arme Eveline! Gij
boodt u zelven aan in mijn nood, en gij waart reeds bekend met het
begin van mijne ongelukken; – het is dus tot u, dat ik nu mijne
toevlucht neem, om raad, om deelneming en om ondersteuning!”

„Gij zult dat niet te vergeefs bij mij zoeken, Milord!” zeide Oldbuck,
„voor zoover mijne geringe krachten toereiken, en ik ben vereerd door
uw vertrouwen, hetzij ik het aan de keuze of aan het toeval
verschuldigd ben; maar dit is eene zaak, die rijpelijk overlegd moet
worden. Mag ik vragen wat uwe eerste bedoelingen zijn?”

„Om van het lot van mijn kind verzekerd te worden,” zei de graaf, „wat
er van kome, en om recht te doen aan de eer van Eveline, die ik slechts
aan verdenking blootgesteld heb om de ontdekking te voorkomen van eene
nog verschrikkelijker schande, die zij, naar ik mij verbeeldde, zou
hebben moeten verduren.”

„En de nagedachtenis van uwe moeder?”

„Moet den last harer zonden dragen,” antwoordde de graaf met een zucht;
„het is beter dat zij rechtmatig overtuigd worde van bedrog, als dat
noodzakelijk mocht wezen, dan dat anderen onrechtvaardig zouden
beschuldigd worden van nog veel verschrikkelijker misdaden!”

„Dan, Milord,” zeide Oldbuck, „moet onze eerste zorg zijn, om de
bekentenis van de oude Elspeth in een geregelden en wettigen vorm te
verkrijgen.”

„Dat,” antwoordde lord Glenallan, „zal voor het oogenblik, vrees ik,
onmogelijk zijn. – Zij is uitgeput, en omringd door het ongelukkig
huisgezin. Morgen, misschien, als zij alleen is, en dan nog twijfel ik,
naar de onvolmaakte begrippen die zij van recht en onrecht heeft, of
zij in tegenwoordigheid van een derde zal willen spreken. – Ook ik ben
zeer vermoeid.”

„Dan, Milord,” zei de oudheidkenner, dien het belang van het oogenblik
boven het denkbeeld van onkosten en ongemak verhief, wat anders zwaar
bij hem woog, „wilde ik u voorslaan om, in plaats van, vermoeid zoo als
gij nu zijt, naar Glenallan terug te keeren, of anders uw intrek in
eene slechte herberg te Fairport te nemen en de ledigloopers van de
stad in het oog te loopen, – om heden mijn gast op Monkbarns te zijn. –
Morgen zullen deze arme lieden hunne bezigheden buiten ’s huis hervat
hebben, – want bij hen brengt de smart geene verlichting van den arbeid
aan, – en wij zullen de oude Elspeth alleen bezoeken en hare bekentenis
behoorlijk opteekenen.”

Na zich verontschuldigd te hebben wegens den last, dien hij
veroorzaakte, stemde lord Glenallan er in toe om met hem te gaan, en
luisterde, onder de wandeling naar huis, naar de geheele geschiedenis
van Jan van Girnell, eene overlevering, welke men niet weet, dat de
heer Oldbuck ooit kwijtschold aan iemand, die den voet over zijn
drempel zette.

De aankomst van een vreemdeling van zoo veel aanzien, met twee
rijpaarden en een knecht in het zwart, welke knecht holsters op zijn
zadel had en eene kroon op de holsters, bracht te Monkbarns alles in
beweging. Jenny Rintherout, nauwelijks hersteld van de zenuwtoevallen,
die haar overvielen bij het vernemen van Steven’s ongeluk, maakte jacht
op kalkoenen en gevogelte, gilde het uit en schreeuwde bijna harder dan
de vogels, en eindigde met er een half dozijn te veel te slachten.
Grizelda maakte menige wijze aanmerking over de driftige onbezonnenheid
van haren broeder, die zulk eene verwoesting veroorzaakt had, door zoo
onverwacht den Roomschen edelman meê te brengen; en zij waagde het, den
heer Blattergowl een wenk te doen geworden omtrent de buitengewone
slachting, die er in de basse-cour had plaats gehad, wat dezen
eerlijken geestelijke bewoog, om te komen vernemen hoe zijn vriend
Monkbarns het maakte, en of hij zich wèl bevond na zijn gang naar de
begrafenis, – zoo kort voor het luiden der etensklok, dat de
oudheidkenner niet anders kon, dan hem verzoeken om te blijven en het
gebed aan tafel te doen. Mary M’Intyre was van haren kant eenigszins
nieuwsgierig, om den machtigen Pair te zien, van wien allen hadden
hooren spreken, even als de Oostersche onderdanen van hun Kalif of
Sultan hooren; maar was tevens toch beschroomd, om een man te
ontmoeten, van wiens wonderlijke gewoonten en strenge leefwijze zoo
veel verteld werd, dat hare vrees eindelijk hare nieuwsgierigheid
evenaarde. De oude huishoudster was niet minder onthutst en gejaagd bij
het gehoorzamen van de talrijke en tegenstrijdige bevelen van hare
meesteres aangaande konfijten, gebakken, vruchten, de wijze van de
tafel te dekken en het eten op te doen, de noodzakelijkheid om Juno, –
die, ofschoon formeel uit de zaal gebannen, echter niet naliet in den
omtrek op roof uit te gaan, – toch vooral uit de keuken te houden.

De eenigste huisgenoot van Monkbarns, die geheel onverschillig bleef
bij deze gewichtige gelegenheid, was Hector M’Intyre, die zich niet
meer om een graaf bekommerde dan om een burgerman, en hij gevoelde
slechts in zoover belang bij zijn bezoek, als het hem eenigszins dekken
zou tegen het ongenoegen van zijn oom, waar hij aanleiding toe gegeven
had door de begrafenis niet bij te wonen, en het hem nog bovendien
tegen alle spotternijen over zijn dapper, hoewel ongelukkig tweegevecht
met de Phoca, of zeehond, beveiligen zou.

Aan de leden van zijn huisgezin stelde Oldbuck den graaf van Glenallan
voor, die gedwee en onderworpen beleefd de lang gerekte aanspraken
verduurde van den eerlijken geestelijke en de breedvoerige
verontschuldigingen van Grizelda, welke haar broeder te vergeefs poogde
te voorkomen. Vóór het eten verzocht lord Glenallan zich een oogenblik
naar zijne kamer te mogen begeven. De heer Oldbuck begeleide zijn gast
naar de groene kamer, welke men in de haast voor zijne ontvangst had
gereed gemaakt. Hij keek dáár als met eene pijnlijke herinnering rond.

„Ik geloof,” merkte hij eindelijk op, „ik geloof, mijnheer Oldbuck, dat
ik nog eens in dit vertrek geweest ben?”

„Ja, Milord,” antwoordde Oldbuck, „bij gelegenheid van een uitstap
hierheen van Knockwinnock; – en nu wij eenmaal op dit treurig onderwerp
zijn, zult gij u misschien ook nog herinneren, wie mij deze regels van
Chaucer aan de hand gaf, die nu het behangsel versieren.”

„Ik kan het wel raden,” zei de graaf, „ofschoon ik het mij niet
herinneren kan. Zij overtrof mij in letterkundigen smaak en in kennis,
en het is eene geheimzinnige beschikking der Voorzienigheid geweest,
dat een wezen, zoo rijk begaafd naar geest en lichaam, op zulk eene
ellendige wijze moest omkomen, alleen omdat zij eene noodlottige
genegenheid opgevat had voor een ellendeling als ik ben!”

De heer Oldbuck beproefde niet, iets te antwoorden op deze uitbarsting
van de smart, die het hart van zijn gast vervulde; maar de hand van
lord Glenallan drukkende, en met de andere hand de tranen afwisschende,
die zijn gezicht benevelden, liet hij den graaf ongestoord tot men aan
tafel ging.








VIJFENDERTIGSTE HOOFDSTUK


                    – Het leven bij u
                    Gloeit in de hersens en danst in uwe aderen;
                    Het is als goede wijn, vroolijk gedronken,
                    Die het hart verheugt, de verbeelding opwekt. –
                    Het mijne is ’s bekers sober overschot,
                    Vervlogen, flauw en smakeloos, welks droesem
                    Het vat bezoedelt, waarin het rust.

                                                       Oud tooneelspel.


„Nu, oordeel zelf eens, mijnheer Blattergowl, wat soort van mensch mijn
broeder is, met al zijne wijsheid en geleerdheid; daar brengt hij nu
zóó maar dezen graaf in huis, zonder er eenige levende ziel een enkel
woord van te zeggen! – En daarbij komt dat ongeluk van de
Mucklebackits; – wij kunnen geen stukje visch krijgen; – en er is geen
tijd om naar Fairport om rundvleesch te zenden, en het schapenvleesch
is te versch geslacht, en die zottin, Jenny Rintherout, heeft het op de
zenuwen gekregen, en lacht en schreeuwt sedert twee dagen onophoudelijk
– en nu moeten wij dien vreemden knecht achter de tafel hebben, die zoo
grootsch en deftig is als de graaf zelf! En ik kan niet in de keuken
komen om naar iets te zien; want hij staat daar bij het vuur een
schotel voor Milord te koken; want die eet niet als een ander mensch. –
En wat te doen met dien vreemden knecht onder etenstijd? – Ik verzeker
u, mijnheer Blattergowl, het gaat alles mijn verstand te boven!”

„Ja, jufvrouw Grizelda!” antwoordde de heer Blattergowl, „het was wel
onvoorzichtig van Monkbarns! Hij had een dag van te voren moeten
vaststellen, ten gerieve der belanghebbenden, zoo als gedaan wordt in
alle kerkelijke zaken van belang. – Maar de groote man zou in geen huis
van dit kerspel onverwacht hebben kunnen komen, dat beter van
levensmiddelen is voorzien, – dat moet ik zeggen; – de geur uit de
keuken kittelt mijn verhemelte reeds, – en, als gij eenige
huishoudelijke bezigheden te verrichten hebt, jufvrouw Grizelda, maak
toch vooral geene plichtplegingen met mij: – ik kan mij intusschen
bezig houden met deze groote uitgaaf van Erskinels Instituten.”

En dezen vermakelijken foliant (de Schotsche Coke over Littleton), van
de vensterbank nemende, sloeg hij het boek als door instinct op bij het
tiende hoofdstuk van het tweede boek „over de tienden,” en was weldra
verdiept in eene geleerde verhandeling over de wettelijke inkomsten van
geestelijke goederen.

Het gastmaal, waarover Grizelda Oldbuck zich zoo ongerust maakte, werd
eindelijk opgedaan, en de graaf van Glenallan zat voor het eerst,
sedert den dag van zijn ongeluk, aan eene vreemde tafel, door vreemden
omgeven. Hij gevoelde zich als iemand die droomt, of die nog niet ten
volle hersteld is van de uitwerking van een bedwelmend vergif. Verlost,
zoo als hij dien morgen geworden was, van het schuldbesef, dat zoo lang
op zijn hart gerust had, was zijne smart wel verlicht en dragelijker
geworden, maar hij bleef nog steeds buiten staat om eenig deel te nemen
aan het algemeen gesprek. En het verschilde ook, inderdaad, zeer van
den omgang, waaraan hij gewoon was geworden. De zorgelooze
vrijmoedigheid van Oldbuck, de herhaalde en langdradige
verontschuldigingen van zijne zuster, de deftige gemaaktheid van den
geestelijke, en de levendigheid van den jongen krijgsman, welke eer het
kenmerk van het leger dan van het hof droeg, was alles even nieuw voor
een edelman, die zoo lange jaren in afzondering en neêrslachtigheid
verkeerd had, dat de manieren van de wereld hem even vreemd als
onaangenaam voorkwamen. Mary M’Intyre alleen scheen, door hare
natuurlijke beleefdheid en ongekunstelde eenvoudigheid, tot die klasse
van menschen te behooren, waaraan hij in vroegere en gelukkiger dagen
gewoon was geweest.

Maar ook het gedrag van lord Glenallan wekte geene mindere verwondering
bij het gezelschap op. Ofschoon men voor een eenvoudig maar
voortreffelijk maal gezorgd had, (want, zoo als de heer Blattergowl te
recht opgemerkt had, was het niet mogelijk om Grizelda te overvallen op
een oogenblik, dat hare provisiekamer leêg was), en ofschoon de
oudheidkenner zijn besten portwijn aanprees en met den Falernerwijn van
Horatius vergeleek, bleef lord Glenallan nochtans tegen de verleidingen
van beiden bestand. Zijn knecht plaatste een kleinen schotel met
groenten vóór hem, – over welks toebereiding Grizelda zich zoo
verontrust had, – opgedaan met de grootste en zorgvuldigste
zindelijkheid. Hiervan at hij zeer spaarzaam, en een glas zuiver water
besloot zijn maaltijd. Zoo, zei de knecht, was de leefregel van den
graaf geweest sedert zeer vele jaren, uitgezonderd op hooge feestdagen
van de kerk, of als er gezelschap van den hoogsten rang op het kasteel
van Glenallan onthaald werd, wanneer hij een weinig van de strengheid
zijner leefwijze afweek en zich een paar glazen wijn veroorloofde. Maar
te Monkbarns zou geen kluizenaar een eenvoudiger en schraler maal
hebben kunnen doen.

De oudheidkenner was, zoo als wij gezien hebben, even kiesch als iemand
ter wereld, maar rond en ongedwongen in den omgang, omdat hij altijd
met personen verkeerde, die hij in niets behoefde te ontzien. Hij viel
dus dadelijk zijnen hoogadellijken gast aan over de strengheid van zijn
dieet.

„Een beetje halfkoude groenten en aardappels! – een glas ijskoud water!
– daarvoor levert de oudheid geen gezag op, Milord! Dit huis placht
gehouden te worden voor een hospitium, eene wijkplaats voor Christenen;
maar uw leefregel is die van een Heidenschen Pythagoreër of Indischen
Bramin, – ja, strenger dan een van beiden, als gij weigert deze schoone
appels te proeven.”

„Ik ben Katholiek, zoo als gij weet,” zeide lord Glenallan, wenschende
den redetwist te ontgaan, „en het is u bekend, dat onze kerk –”

„Vele regels voorschrijft ter kastijding van den vleesche; maar ik heb
nooit gehoord, dat men die zoo streng naleefde. Getuige mijn voorganger
Jan van Girnell en de vroolijke abt, die zijn naam aan dezen appel gaf,
Milord!”

En terwijl hij de fruit schilde, in weêrwil van het „Foei, Monkbarns!
van zijne zuster en het herhaalde hoesten van dominé Blattergowl,
gepaard met het schudden van zijne groote pruik, ging de oudheidkenner
voort met het avontuur, dat den abtsappel beroemd gemaakt had,
uitvoeriger en nauwkeuriger te verhalen dan in elk geval noodig was.
Maar zijne aardigheid (zoo als men licht begrijpen kan) nam niet op;
want zijn vertelsel van den minnehandel riep niet eens den flauwsten
schijn van een glimlach op het gelaat van den graaf op. Oldbuck nam nu
zijne toevlucht tot Ossian, Macpherson en Mac-Cribb; maar lord
Glenallan had zelfs nooit iets van een dezer heeren gehoord, zoo weinig
was hij in de hedendaagsche letterkunde bedreven. Het gesprek was nu
bijna uitgeput, of zou in de handen van den heer Blattergowl gevallen
zijn, die juist het verschrikkelijke woord „tiendvrij” uitgesproken
had, toen het onderwerp der Fransche omwenteling aangeroerd werd; eene
staatkundige gebeurtenis, welke lord Glenallan met al den
bevooroordeelden afkeer van een bijgeloovigen Katholiek en een echten
aristocraat beschouwde. Oldbuck was lang niet zoo hevig in het
veroordeelen der grondbeginselen er van.

„Er waren,” zeide hij, „in de eerste constitueerende vergadering zeer
vele mannen, die gezonde Whigsche grondbeginselen aankleefden, en eene
staatsregeling zochten, waarbij behoorlijk gezorgd werd voor de
vrijheden van het volk. En bevonden er zich nu vele dolzinnige
heethoofden aan het roer van den Staat, dit was wat men dikwijls bij
groote staatsomwentelingen zag, als in de gisting van het oogenblik
buitengewone maatregelen genomen worden, en de Staat op een geschokten
slinger gelijkt, die een tijdlang onrustig heen en weêr slaat, eer hij
weder tot zijne geregelde beweging overgaat. Of men kon het vergelijken
bij een storm, of orkaan, die, over eene landstreek heen trekkende, op
zijn doortocht groot nadeel veroorzaakt, maar toch de vuile,
stilstaande en ongezonde dampen wegvoert, en door latere vermeerderde
gezondheid en vruchtbaarheid de eerste onheilen en verwoestingen
vergoedt.”

De graaf schudde het hoofd, maar had moed noch lust hem te wederleggen,
en liet dus zijne argumenten onbetwist doorgaan.

Hector M’Intyre vond daarentegen aanleiding, om van zijne ervaring als
krijgsman te gewagen, en hij sprak van de bedrijven, waaraan hij deel
genomen had, met zedigheid en ter zelfder tijd met een vuur en
geestdrift, waarin de graaf behagen schepte, die, even als de andere
leden van zijn huis, opgevoed werd in het denkbeeld, dat het beroep van
den krijgsman het eervolste is voor den mensch, en geloofde dat het
strijden tegen de Franschen eene soort van heiligen oorlog was.

„Wat zou ik er voor geven,” zeide hij ter zijde tegen Oldbuck, toen zij
opstonden om zich bij de dames in de zaal te vervoegen, „wat zou ik er
voor geven, om zulk een zoon te hebben! – Er ontbreekt slechts in zijne
wijze van zich voor te doen en in zijne manieren een zweem van die
fijne beschaving, die hem de omgang met de groote wereld weldra geven
zou; – maar met hoeveel vuur en hoe levendig drukt hij zich uit; met
hoeveel vooringenomenheid met zijn beroep – met hoeveel geestdrift als
hij anderen prijst, – en hoe zedig spreekt hij over zich zelven!”

„Hector is u zeer verplicht, Milord! ik geloof oprecht, dat niemand
ooit te voren half zoo veel goeds van hem zeide, uitgezonderd misschien
de sergeant van zijne kompagnie, als hij een Hooglandschen boer wil
overhalen om zich te laten werven. Hij is echter een goede jongen,
ofschoon hij niet juist de held is, waarvoor gij hem houdt, en hoewel
mijn lof eerder zijne welwillendheid dan de levendigheid van zijn
karakter geldt. Ik kan u verzekeren, dat zijne bezieling eene soort van
drift is, die bij alles werkt, wat hij voorheeft, en dikwijls zeer
lastig is voor zijne vrienden. Ik zag hem vandaag in een zeer hevigen
strijd met eene phoca, die wij seal of zeehond noemen (ons volk zegt
juister sealgh, met behoud van den Gothischen keelklank gh), met een
moed bezield, alsof hij tegen Dumouriez zelven vocht. – Maar, Milord,
de phoca overwon, even als Dumouriez. En hij zal met dezelfde, zoo niet
met grootere verrukking over een jachthond spreken, als over het plan
van een veldtocht.”

„Hij kan verlof krijgen, op mijne landerijen te jagen,” zei de graaf,
„zooveel hij wil, als hij zulk een liefhebber van de jacht is.”

„Gij zult hem met lijf en ziel aan u verbinden, Milord! Vergun hem zijn
jachtgeweer op eene ongelukkige vlucht patrijzen of kor-hoenders af te
schieten, en hij is de uwe voor altijd! – Dit bericht zal hem in
verrukking brengen. Maar, o Milord, als gij mijn fenix Lovel gezien
hadt, – den edelsten en besten der jeugd van deze eeuw; en ook niet
ontbloot van moed! – Ik beloof het u, hij gaf mijn onstuimigen neef een
quid pro quo, – een Roeland voor zijn Olivier, zoo als het gemeen zegt,
zinspelende op de twee beroemde Paladijns van Karel den Groote.”

Na de koffie verzocht lord Glenallan om een afzonderlijk gesprek met
den oudheidkenner, en werd in zijne studeerkamer geleid.

„Ik moet u aan uwe beminnelijke familie onttrekken,” zeide hij, „om u
in de aangelegenheden te wikkelen van een ongelukkig mensch. Gij zijt
bekend met de wereld, waaruit ik sedert lang gebannen ben; want het
kasteel van Glenallan is voor mij eerder eene gevangenis geweest dan
eene woning, hoewel eene gevangenis, die ik moed noch lust had te
verlaten.”

„Mag ik vooraf vragen, wat uwe eigene wenschen en bedoelingen zijn in
deze zaak?”

„In de allereerste plaats, wenschte ik mijn huwelijk openbaar te maken
en de nagedachtenis van de ongelukkige Eveline te zuiveren, dat is,
indien gij dat mogelijk acht, zonder het gedrag van mijne moeder
ruchtbaar te maken.”

„Suum cuique tribuito!” zei de oudheidkenner, „ieder het zijne! De
nagedachtenis van die ongelukkige heeft reeds te lang geleden, en wat
gij wenscht kan, denkelijk, geschieden zonder uwe moeder verder daarin
te halen, dan dat men in het algemeen te verstaan kan geven, dat zij
het huwelijk zeer afkeurde en zich ernstig daartegen verzette. Allen, –
vergeef mij, Milord, – die ooit iets van de gravin van Glenallan
hoorden, zullen dat zonder verwondering vernemen.”

„Maar gij vergeet ééne verschrikkelijke omstandigheid, mijnheer
Oldbuck!”

„En die is?”

„Het lot van het kind, – zijn verdwijnen met de vertrouwelinge mijner
moeder, en de verschrikkelijke gevolgtrekkingen, die uit mijn gesprek
met Elspeth zouden kunnen gemaakt worden.”

„Als gij, Milord, mijn onbewimpeld gevoelen wilt hooren, en daaraan
niet te voorbarig wilt hechten als aan eene stellige hoop, dan moet ik
u zeggen, dat het mij zeer mogelijk voorkomt, dat uw kind nog in leven
zou zijn. Want zoo veel ben ik, door mijne vroegere navorschingen
omtrent de gebeurtenissen van dien ongelukkigen avond met zekerheid te
weten gekomen, dat er een kind en eene vrouw dien nacht uit de hut te
Craigburnfoot, in een rijtuig met vier paarden vervoerd werden door uw
broeder Edward Geraldin Neville, wiens reis naar Engeland in dit
gezelschap ik verscheidene stations ver heb nagespoord. Ik geloofde
toen dat het een gedeelte van het plan was, om het kind, dat gij
voornemens waart als onecht te brandmerken, uit dit land daarheen te
brengen, waar het wellicht bescherming en bewijzen van zijne rechten
zou gevonden hebben; maar ik denk nu dat uw broeder, even als gij,
reden had om het kind met eene schande bevlekt te gelooven, die nog
minder uit te wisschen was, en het medegenomen heeft, gedeeltelijk om
de eer van zijn eigen huis, gedeeltelijk om het aan het gevaar te
onttrekken, waaraan het misschien zou zijn blootgesteld geweest in de
nabijheid van lady Glenallan.”

Bij deze woorden werd de graaf van Glenallan doodsbleek, en zeeg bijna
van zijn stoel. De beangste oudheidkenner liep heen en weêr, om het een
of ander hulpmiddel te zoeken; maar zijn museum, ofschoon overvloedig
voorzien van eene menigte nuttelooze voorwerpen, leverde niets op, dat
in dit of eenig ander geval van dien aard van dienst kon zijn. Toen hij
uit de kamer stoof, om het reukfleschje van zijne zuster te halen, kon
hij niet nalaten om op zijne eigene wijze zijn verdriet en verwondering
te uiten over de verschillende gebeurtenissen, die zijn huis eerst in
een hospitaal voor een gewonden krijgsman, en nu in een toevluchts-oord
voor een stervenden edelman veranderd hadden. „En evenwel,” zeide hij,
„heb ik mij altijd op een afstand gehouden van het militairwezen en van
den adel. Mijn Coenobitium behoeft nu nog maar in een hospitaal voor
kraamvrouwen herschapen te worden, en dan, geloof ik, zal de
verandering volkomen zijn.”

Toen hij met zijn hulpmiddel terugkeerde, bevond zich lord Glenallan
reeds veel beter. Het nieuwe licht, dat de heer Oldbuck over de
droevige geschiedenis van zijn familie verspreid had, had hem bijna
overweldigd. „Gij denkt dus, mijnheer Oldbuck, – want gij zijt in staat
om te denken, wat ik niet kan, – gij denkt dus, dat het mogelijk is, –
dat is, dat het niet onmogelijk is, – dat mijn kind nog leeft?”

„Ik geloof,” zei de oudheidkenner, „dat het onmogelijk eenig geweld
aangedaan is door toedoen van uw broeder. Hij was bekend als een
lichtzinnig en zelfs losbandig mensch; maar hij was geenszins wreed of
onedel. – Ook is het niet mogelijk, dat hij, als hij eenige slechte
oogmerken had, zooveel zorg voor het kind zou gedragen hebben, als ik u
bewijzen zal dat hij deed.”

Met deze woorden opende hij eene lade van het kabinet van zijn voorzaat
Aldobrand, en bracht een bundel papieren te voorschijn, toegebonden met
een zwart lint en ten opschrift hebbende: Informatiën, enz. door
Jonathan Oldbuck genomen, den 10 Februari 17–; – een weinig lager
stond, kleiner geschreven: Eheu Evelina! De heete tranen liepen langs
de wangen van den graaf, terwijl hij te vergeefs poogde den knoop los
te maken, die de papieren te zamen hield.

„Gij zoudt beter doen, Milord,” – zeide Oldbuck, „met deze stukken op
dit oogenblik niet te lezen, ontroerd als gij zijt, en daar gij nog
veel te doen hebt, moet gij uwe krachten niet uitputten. Uws broeders
nalatenschap is nu, veronderstel ik, de uwe, en gij zult zonder veel
moeite onder de dienstboden navorschingen kunnen doen, om te vernemen
waar het kind is, indien het, bij geluk, nog leven mocht.”

„Dat durf ik haast niet hopen; – waarom zou mijn broeder het voor mij
verzwegen hebben?”

„Wel, Milord! waarom zou hij u het bestaan hebben medegedeeld van een
wezen, dat gij voor het kind hadt moeten veronderstellen van –”

„Volkomen waar! – Dat is eene zeer voegzame en natuurlijke reden voor
zijn zwijgen. Indien er inderdaad iets was, dat de ijselijkheid zou
hebben kunnen vermeerderen van den akeligen droom, die mijn geheel
leven verpest heeft, had het de kennis moeten zijn, dat zulk een kind
der zonde bestond.”

„Dus, – ofschoon het voorbarig zou zijn, om na een tijdsverloop van
meer dan twintig jaren te besluiten, dat uw zoon zeker nog moet leven,
omdat hij in zijne kindschheid niet vermoord werd, oordeel ik, dat gij
dadelijk uwe navorschingen moet beginnen.”.

„Dat zal ook geschieden,” antwoordde lord Glenallan; – „ik zal aan een
getrouwen rentmeester van mijn vader schrijven, die in dezelfde
hoedanigheid bij mijn broeder Neville was. – Maar, mijnheer Oldbuck, ik
ben mijns broeders erfgenaam niet.”

„Inderdaad! dat spijt mij zeer, Milord! – het is een aanzienlijk goed,
en alleen de bouwvallen van het oude kasteel van Neville’s Burg, die de
schoonste overblijfsels zijn van de Anglo-Normandische bouwkunst in dat
gedeelte van het land, zijn eene allerwenschelijkste bezitting! Ik
dacht, dat uw vader geen anderen zoon of betrekkingen had.”

„Die had hij ook niet, mijnheer Oldbuck,” antwoordde lord Glenallan;
„maar mijn broeder omhelsde staatkundige grondbeginselen en een
godsdienst, die verschilde van die van ons geslacht. Wij hadden sedert
lang verschillende neigingen, en mijne ongelukkige moeder vond niet,
dat hij haar met genoegzamen eerbied behandelde. In het kort, er had
een familietwist plaats, en mijn broeder, die vrij over zijn eigendom
beschikken kon, gebruikte zijne macht, om een vreemde tot zijn
erfgenaam te benoemen. Dit heeft mij niet in het minst getroffen; want
als wereldsche goederen ellende verzachten konden, dan heb ik zelf
genoeg. Maar nu zal ik het betreuren, indien het onze navorschingen
moeielijker mocht maken, – en ik bedenk, dat dit wel het geval kan
zijn; want, als ik zelf een wettigen zoon heb, daar mijn broeder zonder
wettige erfgenamen kwam te overlijden, moeten de voorvaderlijke
goederen op mijn zoon overgaan. Het is dus niet waarschijnlijk dat de
tegenwoordige erfgenaam, wie het ook zij, ons zijn bijstand zal
verleenen om eene ontdekking te doen, die voor hem zoo nadeelig zou
zijn.”

„En naar alle waarschijnlijkheid is de rentmeester, van wien gij
gewaagt, mede in zijn dienst?”

„Allerwaarschijnlijkst; en daar hij een Protestant is, mag men wel
vragen in hoever men hem in dit geval veilig zou kunnen vertrouwen?”

„Ik zou hopen, Milord,” zei ernstig de oudheidkenner, „dat een
Protestant evenveel vertrouwen verdiende als een Katholiek. Ik stel
dubbel belang in het Protestantsche geloof, Milord! Mijn voorzaat,
Aldobrand Oldenbuck, drukte de beroemde Augsburgsche Geloofsbelijdenis,
zoo als ik bewijzen kan uit de oorspronkelijke uitgaaf, hier in dit
huis.”

„Ik twijfel er in het minste niet aan, mijnheer Oldbuck! Ook spreek ik
niet uit bijgeloovigheid of onverdraagzaamheid; maar zeer
waarschijnlijk zal de Protestantsche rentmeester eerder den
Protestantschen dan den Katholieken erfgenaam genegen zijn, – indien
ten minste mijn zoon in zijns vaders godsdienst is groot gebracht, –
of, helaas, indien hij nog leeft.”

„Wij moeten alles nauwkeurig onderzoeken,” zeide Oldbuck, „eer wij ons
in iets bloot geven. Ik heb een letterkundigen vriend te York, met wien
ik langen tijd in briefwisseling geweest ben over den Saksischen hoorn,
die in de kerk aldaar bewaard wordt. Ik zal dadelijk aan dien heer, Dr.
Dryasdust, schrijven, en in het bijzonder naar het karakter enz. van
uws broeders erfgenaam en van zijn rentmeester vernemen, en naar alles,
wat onze navorschingen bevorderen kan. Intusschen zult gij, Milord, de
bewijzen van het huwelijk zoeken, die ik hoop, dat men nog zal kunnen
bijeenkrijgen.”

„Zonder twijfel; – de getuigen, welke men te voren aan uw onderzoek
onttrok, leven nog. De geestelijke, mijn leermeester, door wien het
huwelijk voltrokken werd, verkreeg eene hooge kerkelijke waardigheid in
Frankrijk, vanwaar hij onlangs in dit land terugkeerde onder de
uitgewekenen, als een slachtoffer van zijn ijver voor den koning, de
legitimiteit en den godsdienst.”

„Dat is één gelukkig gevolg van de Fransche omwenteling, Milord! – dit
ten minste moet gij toestaan; – maar scherts ter zijde; ik zal even
oprecht voor uwe belangen zorgen, alsof wij beiden van één geloof in
staatkunde en godsdienst waren. En, neem mijn raad aan: – wilt gij eene
zaak van belang goed behandeld hebben, geef die in handen van een
oudheidkundige; want, daar zoo iemand altijd zijn vernuft scherpt en
zijn geest van navorsching op kleinigheden oefent, kan hij onmogelijk
in zaken van gewicht feilen. – De oefening volmaakt, en het korps, dat
het meest op de parade gedrild wordt, zal het vlugste in zijne
krijgsverrichtingen zijn in den veldslag. – En, nu ik over dit
onderwerp spreek, wenschte ik wel u iets voor te lezen, om u den tijd
te korten tot aan het avondmaal, –”

„Laat mij, bid ik u, geene stoornis brengen in uwe huishoudelijke
gebruiken,” zeide lord Glenallan; „maar ik, voor mij, gebruik nooit
iets na zonsondergang.”

„Ook ik niet, Milord, ofschoon men zegt dat zulks niet de gewoonte der
ouden was. – Maar mijn middagmaal verschilt van het uwe, en ik kan
daarom te beter die spijzen ontberen, welke mijn vrouwvolkje (dat is,
mijne zuster en mijne nicht, Milord!) op tafel plaatsen, eerder om haar
huishoudelijk talent aan den dag te leggen, dan om in onze behoeften te
voorzien. – Evenwel, een stukje vleesch of visch, of een oestertje, of
een stuk spek hier in huis gerookt, – of iets dergelijks met een
glaasje bier of wijn, om de maagholte te sluiten eer men naar bed gaat,
zijn niet begrepen onder hetgeen ik weiger, en ik hoop, dat gij dat ook
niet bedoelt.”

„Mijn niets gebruiken is letterlijk gemeend, mijnheer Oldbuck; maar ik
zal met genoegen aan uwe tafel mede aanzitten.”

„Wel, Milord, dan zal ik ten minste trachten uwe ooren te vergasten,
daar ik het uwe maag niet kan. Hetgeen ik u ga voorlezen, heeft
betrekking tot de Hooglandsche valleien en bergengten.”

Ofschoon lord Glenallan liever zou zijn teruggekomen op het onderwelf
van zijne eigene belangen, was hij genoodzaakt, hoe ongaarne ook, met
de meeste beleefdheid dezen wensch van den oudheidkenner in te
willigen.

Deze haalde dus zijne portefeuille vol losse bladen voor den dag, en na
vooraf te hebben aangemerkt, dat de plaatselijke bijzonderheden, hier
opgeteekend, bestemd waren ter opheldering van eene verhandeling over
de kunst van legerplaatsen aan te leggen, welke voorlezing met veel
goedkeuring in verscheidene genootschappen van oudheidkenners was
aangehoord, begon hij op de volgende wijze: „Het onderwerp, Milord, is
de bergsterkte van Quickensbog, welker ligging u zonder twijfel zeer
goed bekend moet zijn; het is op uwe pachthoeve van Mantanner, in de
Baronie van Clochnaben.

„Ik heb, geloof ik, de namen van die plaatsen wel gehoord,” zei de
graaf, in antwoord op de opmerking van den oudheidkenner.

„De namen gehoord! – en de hoeve brengt hem zeshonderd pond ’s jaars
op! – mijn hemel!”

Dus luidde de ter nauwernood onderdrukte uitroeping van den
oudheidkenner. Maar zijne gastvrijheid overwon ditmaal zijne
verwondering en hij ging voort met de lezing van zijne verhandeling,
met eene opgeruimde stem, verblijd, zich een geduldigen en, zoo als hij
hoopte, een belangstellenden toehoorder verzekerd te hebben.

„Quickensbog kan, bij den eersten oogopslag, den naam schijnen te
ontleenen aan de plant Quicken, waaronder wij, Scoticé, eene soort van
gras, of het Tricticum repens van Linnaeus verstaan, en van het bekend
Engelsch woord bog, waarmede wij, in de volkstaal, een poel of moeras,
in het Latijn palus, bestempelen. Maar de al te voorbarige voorstanders
der gemakkelijke woordafleidingen zullen met verbazing hooren, dat het
gras, of, om juister te spreken, het Tricticum repens van Linnaeus niet
groeit binnen een vierde mijl van dit castrum of fort, welks wallen
eenparig bekleed zijn met kort groen gras, en dat wij een moeras (bog,
of palus) op nog grooteren afstand zoeken moeten, zijnde het
naastbijgelegene dat van Gird-the-mear, eene goede halve mijl van daar.
De laatste lettergreep bog, in Quickensbog, is dus klaarblijkelijk eene
loutere verbastering van het Saksische woord Burgh, Burrow, Brough,
Bruff, Buff, en Boff, welk laatste zeer veel overeenkomst heeft met den
bedoelden klank bog. – Immers, verondersteld dat het woord
oorspronkelijk Borgh is geweest, volgens de zuivere Saksische spelling,
zoo zal eene geringe verandering, zoo als men heden bij het uitspreken
van oude klanken dikwijls maakt, eerst Bogh vormen, en dan, de h
afkappende, of wel de keelletter, overeenkomstig het algemeen gebruik,
latende wegsmelten, heeft men Boff of Bog, zoo als het valt, in plaats
van het oorspronkelijke Borgh. Het woord Quickens in Quickensbog (nu
reeds hersteld tot Quickensborgh), moet eveneens veranderd worden, –
verbasterd zoo als het is, – en tot zijn oorspronkelijken en zuiveren
klank worden teruggebracht, eer wij er de eigenlijke meening van kunnen
onderscheiden. Door de gewone verwisseling van de Qu in Wh, bekend aan
den onbedrevensten leerling, die ooit een Schotsch dichtwerk opensloeg,
verkrijgen wij den naam: Whilkens, of Wichensborgh – zoo als men
veronderstellen mag, in den vorm van eene vraag, – alsof degeen, die
den naam gaf, getroffen door de buitengemeene oudheid van de plaats,
zulks uitgedrukt had door de vraag: „Wiens borgh wiens sterkte is
deze?” – Of het zou ook kunnen zijn Whackensburgh, van het Saksische
Whacken, met de hand slaan, daar ongetwijfeld de schermutselingen,
nabij eene plaats van zulk groot aanbelang, eene dergelijke
naamsafleiding zouden gewettigd hebben,” enz. enz. enz.

Ik zal barmhartiger voor mijne lezers zijn, dan Oldbuck het jegens zijn
gast was; want daar de gelegenheid, om de geduldige aandacht te
verwerven van een zoo gewichtigen persoon als lord Glenallan, niet
dikwijls voorkwam, maakte hij, zoo veel in zijne macht lag, er gebruik
of liever misbruik van.








ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK


                                         Ouderdom en jeugd
                                         Leven slecht te zamen. –
                                         Jeugd is vol van lust,
                                         Ouderdom vol zorgen;
                                         Jeugd is zomermorgen,
                                         Ouderdom is winterweêr.
                                         Gene als de zomer kloek,
                                         Deze als de winter bar.

                                                           Shakespeare.


Den volgenden morgen werd de oudheidkenner, die er van hield om
tamelijk lang te slapen, een goed uur vroeger dan gewoonlijk door Caxon
gewekt.

„Wat is er nu te doen?” riep hij geeuwende uit, terwijl hij de hand
naar het dikke repetitie-horlogie uitstrekte, dat op een Oostindisch
zijden zakdoek veilig bij zijn hoofdkussen lag. – „Wat is er nu te doen
Caxon? – het kan nog geen acht uur zijn!”

„Neen, mijnheer, – maar de bediende van Milord zocht mij op; want hij
gelooft, dat ik uw valle-de-sham ben, – en dat ben ik ook buiten
twijfel, de kamerdienaar van u en van den dominé; – ten minste, zooveel
ik weet, hebt gij er geen ander, – en dan help ik ook Sir Arthur; maar
dat is eerder als kapper.”

„Wel, wel, laat dat maar dáár! – gelukkig hij, die zijn eigen
kamerdienaar is; – maar waarom stoort gij mijne morgenrust?”

„O mijnheer, de heer graaf is sedert het aanbreken van den dag op en
heeft naar de stad gezonden om eene expresse, die zijn rijtuig is gaan
bestellen, en het zal weldra hier zijn, en hij wenschte u te zien eer
hij vertrekt.”

„Wel, wel! de groote heeren maken zich meester van iemands huis en
tijd, alsof ze hun eigendom waren! Welnu, het is maar voor één keer! Is
Jenny weêr bij haar verstand, Caxon?”

„Ja, mijnheer, dat is maar zoo wat. – Zij was heden morgen deerlijk van
haar stuk met de chocolade, en had in hare verlegenheid bijna alles in
de spoelkom gegoten en zelve opgedronken, – maar zij is het te boven
gekomen met behulp van jufvrouw M’Intyre.”

„Zoo? – dus is al mijn vrouwvolkje op de been en in de weer, en ik moet
niet langer in mijn rustig bed blijven, als ik een geregeld huis wil
hebben. – Geef mij mijn kamerjapon! – En wat nieuws is er te Fairport?”

„Wel, mijnheer! waarvan zou men anders spreken dan van het groote
nieuws van Milord! – die, zeggen ze, sedert twintig jaren niet over den
drempel geweest is, – van het groote nieuws, dat hij u is komen
bezoeken!”

„Aha!” zeide Monkbarns; „en wat zegt men daarvan, Caxon?”

„Wel, mijnheer, er wordt verschillend over gesproken. Die kerels, welke
zich Democraten noemen, die tegen den koning en de wet en het
haarpoeier zijn, – een hoop schelmen, – zeggen dat hij gekomen is om
met u te spreken over een plan, om met zijn Bergschotten en
Hooglandsche vazallen de bijeenkomsten der vrienden van het volk te
beletten; en toen ik zeide, dat mijnheer zich nooit met dingen
bemoeide, die den schijn hadden van vechten en bloedstorten, zeiden
zij, dat, als gij het niet deedt, uw neef het wel deed, en dat hij
genoeg bekend was als een koningsgezinde, en dat gij het hoofd en hij
de hand was, en dat de graaf de manschappen en het geld zou leveren.”

„Kom aan, ik ben blijde dat mij de oorlog niets dan mijn goeden raad
kosten zal.”

„Neen, neen, niemand gelooft dat mijnheer zelf zou willen vechten of
eenig geld geven aan een der beide partijen!”

„Zoo! – Wel, dat is het gevoelen der Democraten, zoo als gij ze noemt;
– en wat zeggen de andere menschen te Fairport?”

„Inderdaad,” antwoordde de trouwe berichtgever, „ik kan niet zeggen,
dat dat veel beter is. Kapitein Coquet van de vrijwilligers, – dat is
hij, die ontvanger moet worden, – en eenige andere heeren van de Blauwe
klubs zeggen: het is niet goed dat Roomschgezinden, die zoo vele
Fransche vrienden hebben als de graaf van Glenallan, het land
doortrekken, en – maar mijnheer zou het kwalijk kunnen nemen!”

„Ik niet, Caxon! – geef vuur, alsof gij het geheele peloton van
kapitein Coquet zelf waart, – ik ben er tegen bestand.”

„Wel dan, mijnheer, zij zeggen dat, daar gij het verzoekschrift ten
aanzien van den vrede en der nieuwe belastingen niet hebt willen
ondersteunen, en daar gij er tegen geweest zijt, om de schutterijen
tegen het gemeen te laten gebruiken, en het volk alleen door de policie
in orde wilt houden; – zij zeggen, dat gij ons bestuur niet genegen
zijt, en dat die soorten van samenkomsten van zulk een schatrijk man
als de graaf, met zulk een wijs man als gij, – nu ja – zij zeggen dat
er een onderzoek naar moest ingesteld worden, en sommigen zeggen dat
men u beiden naar Edinburg op het kasteel moest brengen.”

„Op mijn woord,” zei de oudheidkenner, „ik ben mijne buren zeer
verplicht voor de gunstige meening, die zij van mij koesteren! En dus
word ik, die mij nooit met hunne geschillen bemoeid heb dan om bedaarde
en gematigde maatregelen aan te bevelen, door beide partijen opgegeven
als een man, die zeer waarschijnlijk hoogverraad pleegt tegen den
koning of het volk? Geef mij mijn rok, Caxon, geef mij mijn rok! Het is
gelukkig, dat ik onafhankelijk van hunne meening leef. – Hebt gij iets
gehoord van Taffril en zijn schip?”

Het gelaat van Caxon betrok. „Neen mijnheer, en het heeft woedend
gewaaid, en deze kust is verschrikkelijk om er op te kruisen bij
oostenwind; – de klippen strekken zich zoo ver in zee uit, dat een
schip weg kan zijn in den tijd dat ik een scheermes slijp; en dan is er
haven, noch wijkplaats op die kust vol rotsen en brandingen. Een schip,
dat bij ons grond raakt, vliegt uiteen gelijk de poeier uit mijne
kwast, als ik er aan begin te schudden, en is even moeielijk om weêr
bijeen te krijgen. – Ik heb dat alles aan mijne dochter gezegd, toen
zij ongeduldig werd naar een brief van luitenant Taffril. Het is toch
altoos eene verontschuldiging voor hem. – Gij moet het hem niet kwalijk
nemen, zei ik, Jenny, want gij weet niet, wat er wellicht gebeurd is!”

„Ei, ei, Caxon, gij zijt een even goed raadsman als kamerdienaar. –
Geef mij eene witte stropdas, man! Gelooft gij dat ik hiermede naar
beneden kan gaan, als ik gezelschap heb?”

„Wel mijnheer! de kapitein zegt dat een halsdoek de eerste mode is, en
die stijve dassen goed zijn voor u en mij, die van den ouden tijd zijn.
– Houd het ten goede, dat ik u en mij te gelijk noem; maar dat waren
zijne woorden.”

„De kapitein is een kwast, en gij zijt een dwaas, Caxon!”

„Dat is best mogelijk,” hernam de beleefde kapper, „mijnheer zal het
wel weten!”

Vóór het ontbijt ging lord Glenallan, die opgewekter scheen dan den
vorigen avond, de verschillende omstandigheden na, welke de vroegere
navorschingen van Oldbuck opleverden; en hij gaf, met aanwijzing der
middelen, die hij bezat om zijn huwelijk te bewijzen, zijn voornemen te
kennen, om dadelijk de pijnlijke taak te beginnen van de bewijsstukken
te verzamelen en in orde te brengen van de geboorte van Eveline
Neville, welke Elspeth gezegd had, dat zich in het bezit van zijne
moeder bevonden hadden.

„En toch, mijnheer Oldbuck,” zeide hij, „gevoel ik mij als een man, die
eene gewichtige tijding ontvangt, eer hij nog geheel wakker is, en
twijfelt, of die werkelijk echt is dan wel slechts een vervolg van zijn
droom. – Deze vrouw, – deze Elspeth, – zij is aan het einde van haar
leven, en in vele opzichten bijna verkindscht. – Heb ik niet te
overhaast hare tegenwoordige verklaring geloofd, na diegene, welke zij
mij vroeger gaf, en die van eene zeer – zeer verschillende strekking
was?”

De heer Oldbuck zweeg een oogenblik en antwoordde toen met vastheid:
„Neen, Milord! ik kan niet denken dat gij eenige reden hebt, aan de
waarheid te twijfelen van hetgeen zij u het laatst verhaald heeft,
klaarblijkelijk zonder eenigen anderen aandrang, dan dien van het
geweten. Hare bekentenis was vrijwillig, belangeloos, duidelijk,
afdoende in de bijzonderheden, en overeenkomende met al de andere
omstandigheden, die van de zaak bekend zijn. Ik zou echter niet dralen
met de andere bewijsstukken, waarvan zij gewaagde, te onderzoeken en in
orde te brengen, en ik geloof ook dat men, zoo mogelijk, hare
verklaring in wettigen vorm behoorde in te winnen. Wij waren voornemens
om gezamenlijk werk daarvan te maken; maar het zal eene verlichting
voor u zijn, en daarenboven een onpartijdiger voorkomen hebben, als ik
alleen het onderzoek, in mijne hoedanigheid van vrederechter, op mij
neem. Dit zal ik doen, ten minste ik zal het beproeven, zoodra ik haar
in een gunstigen toestand vind om ondervraagd te worden.”

Lord Glenallan drukte hem de hand ten teeken van zijne dankbare
toestemming. „Ik kan u niet zeggen,” voegde hij er bij, „mijnheer
Oldbuck, hoe zeer uwe ondersteuning en medewerking in deze duistere en
droevige zaak mij verlicht en aanmoedigt. Ik kan mij niet genoeg
verheugen, dat ik aan mijne eerste opwelling toegaf, die mij dreef, om
u, als het ware, mijn vertrouwen op te dringen, en die ontsproot uit de
ondervinding, welke ik reeds had van uwe vastheid in het volvoeren van
uw plicht als ambtenaar en als vroegere vriend der ongelukkige. – Wat
ook de uitkomst van dit alles zijn moge, – en ik ben geneigd te hopen,
dat er een lichtstraal over de rampen van mijn huis opgaat, ofschoon ik
het niet beleven zal om zijn vollen glans te genieten; – maar wat ook
de uitkomst zij, gij hebt mij en mijn geheel geslacht eene gewichtige
verplichting opgelegd.”

„Milord,” antwoordde de oudheidkenner, „ik moet noodwendig den
grootsten eerbied koesteren voor uw geslacht, hetwelk ik zeer wel weet,
dat een der oudste is in Schotland, daar het zeker afstamt van Aymer de
Geraldin, die in het parlement zat te Perth, onder de regeering van
Alexander II, en die volgens de wel onzekere maar toch zeer
aannemelijke overlevering gezegd wordt af te stammen van den heer van
Clochnaben. – Maar, met allen eerbied voor uwe oude afkomst, moet ik
bekennen, dat ik mij nog meer verbonden reken, om uzelven zoo veel
bijstand te verleenen als in mijn zwak vermogen ligt, uit oprechte
deelneming in uwe smart en afkeer van het bedrog dat men zoo roekeloos
tegen u gepleegd heeft. – Maar, Milord, het ontbijt, zie ik, is gereed;
– vergun mij, dat ik u den weg wijs door mijn coenobitium, dat eerder
eene reeks van cellen is, op eene wonderlijke wijze aaneengevoegd en op
elkander gestapeld, dan een huis. – Ik vertrouw, dat gij eenige
vergoeding zult zoeken voor den soberen kost van gisteren.”

Maar dit behoorde in geenen deele tot het aangenomen stelsel van lord
Glenallan. Na het gezelschap met de ernstige en droefgeestige
beleefdheid gegroet te hebben, die hem eigen was, plaatste zijn knecht
eene snede geroosterd brood en een glas schoon water vóór hem; het
dagelijksch ontbijt van den graaf. – Terwijl de jonge krijgsman en de
grijze oudheidkenner op eene vrij wat degelijker wijze hun eetlust
stilden, hoorde men het geraas van wielen.

„Uw rijtuig, Milord, geloof ik,” zeide Oldbuck naar het venster gaande.
„Op mijn woord, eene fraaie Quadriga! want dit was, volgens het beste
scholium het vox signata der Romeinen voor een rijtuig, hetwelk, als
het uwe, door vier paarden getrokken werd.”

„En ik durf volhouden,” riep Hector met geestdrift, uit het venster
kijkende, „dat er nooit vier fraaier of beter loopende bruinen
ingespannen werden! – Welke schoone voorhanden! Het zouden uitmuntende
strijdrossen zijn! Mag ik vragen, Milord, zijn ze uit uwe eigene
fokkerij?”

„Ik – ik – geloof het haast,” zeide lord Glenallan; „maar ik ben zoo
nalatig geweest omtrent mijne huiselijke aangelegenheden, dat ik mij
wezenlijk op Calvert beroepen moet;” (den knecht aanziende).

„Zij zijn allen, Milord, uit uwe eigene fokkerij,” zeide Calvert;
„afstammelingen van Mad Tom, en van Jemima en Yarico, de twee merries.”

„Zijn er meer van het ras?” vroeg lord Glenallan.

„Twee, Milord, – het eene pas vier, het andere pas vijf jaren oud,
beiden zeer schoon.”

„Laat Dawkins die dan morgen hier brengen, naar Monkbarns. – Ik hoop,
dat kapitein M’Intyre ze zal willen aannemen, als zij eenigermate
geschikt zijn voor den dienst.”

De oogen van kapitein M’Intyre fonkelden, en hij was onuitputtelijk in
zijne dankbetuigingen; terwijl Oldbuck, van den anderen kant, den graaf
bij de mouw trekkende, een geschenk poogde te voorkomen, dat zijne
haverkist en zijn hooizolder zoo duur zou te staan komen.

„Milord! – Milord! – zeer verplicht, – zeer verplicht! – Maar Hector
dient te voet en bestijgt nooit een paard in het gevecht. Hij is een
Hooglandsch soldaat, en zijne kleeding is ook niet geschikt voor de
ruiterdienst. Macpherson zelf liet zijne voorouders nooit te paard
zitten, ofschoon hij de onbeschaamdheid heeft van te zeggen dat zij den
strijdwagen bestegen, en dat is het, Milord, wat Hector in het hoofd
spookt; het is de oefening met den wagen en niet te paard, waarnaar hij
begeerig is: –

„Sunt quos curriculo pulverem Olympicum

„Collegisse juvat.”

„ – Wat hem het hoofd warm maakt, is het denkbeeld van een wagen, dien
hij noch geld heeft om te koopen, noch verstand om te mennen; – ik
verzeker u, dat het bezit van twee zulke viervoetige dieren grooter
onheilen zou te weeg brengen, dan zijne tweegevechten, hetzij met een
menschelijken vijand of met mijne vriendin, de phoca.”

„Gij voert thans het bevel over ons allen, mijnheer Oldbuck,” zei de
graaf beleefd; „maar ik hoop dat gij mij niet geheel en al beletten
zult, om mijn jongen vriend te verplichten op eenige andere wijze, die
hem genoegen geeft.”

„Met alles, wat hem nuttig zijn kan, Milord! maar geen curriculum! Ik
betuig u, hij zou even goed kunnen voorslaan, om in eens eene quadriga
te houden. – En, nu ik er aan denk, wat doet die oude postchais hier,
die daar van Fairport komt aanrammelen? – Ik heb er geene besteld.”

„Dat deed ik, oom!” zeide Hector eenigszins gemelijk; want hij was niet
zeer in zijn schik, dat zijn oom den graaf in zijne edelmoedige
voornemens gedwarsboomd had, en was weinig geneigd, zich te vreden te
stellen òf met de minachting, die hij voor zijn beleid als wagenmenner
betoond had, òf met zijne vernederende zinspeling op zijn ongeluk in
het tweegevecht en in den strijd tegen den zeehond.

„Gij, jongen?” herhaalde de oudheidkenner in antwoord: „en mag men
vragen wat gij met dien wagen wilt uitvoeren? – Moet dit schitterende
rijtuig, – deze biga, zoo als ik het zou kunnen noemen, – tot inleiding
dienen van eene quadriga of een curriculum?”

„Wezenlijk, oom, als het noodig is om u opheldering te geven, ik ga
naar Fairport, om eene kleine zaak te verrichten.”

„En wilt gij mij veroorloven naar den aard van uwe bezigheden te
vragen, Hector? Ik zou veronderstellen, dat al de zaken van het
regiment konden volbracht worden door uw waardigen vertegenwoordiger,
den sergeant, – een hupsch heer, die zoo goed is om Monkbarns tot zijn
t’huis te maken, sedert zijne aankomst onder ons; – ik zou, zeg ik,
veronderstellen dat hij al uwe zaken kon verrichten, zonder u een dag
traktement te kosten voor twee bonken van paarden, en zulk eene kast
van verrot hout, gebarsten glas en oud leer, – zulk een geraamte van
een wagen, als die voor de deur!”

„Het zijn geene zaken van het regiment, oom, die mij roepen; en daar
gij er op aandringt om te weten wat het is, moet ik u zeggen, dat Caxon
heden morgen is komen vertellen dat de oude Ochiltree de bedelaar
vandaag verhoord zal worden; en ik ga om toe te zien, dat de arme oude
kerel niet onbillijk behandeld worde, – anders niets.”

„Zoo? – Ik wist er iets van, maar ik kon niet denken dat het ernst was.
En, zeg mij nu eens, kapitein Hector! Gij die zoo gereed zijt, iedereen
bij te staan in elken twist, burgerlijk of militair, te land, water en
op het zeestrand, welk bijzonder belang stelt gij in den ouden Adam
Ochiltree?”

„Hij was soldaat bij de compagnie van mijn vader, oom, en daarbij kwam
hij eens, toen ik eene dwaasheid wilde doen, tusschenbeide, om het mij
te beletten, en gaf mij bijna even zoo veel goeden raad, als gij zelf
hadt kunnen doen.”

„En met evenveel gevolg, zou ik durven zweren, – niet waar, Hector? –
Kom, beken het, de goede raad was verspild.”

„Dat is waar, oom! – maar ik zie geene reden, waarom mijne dwaasheid
mij minder dankbaar voor zijne welgemeende vriendschap zou maken.”

„Bravo, Hector! dat is het verstandigst woord, dat ik ooit van u
hoorde; – maar deel mij altoos uwe voornemens zonder terughouding mede.
– Wel, ik zal zelf met u meêgaan, jongen! – Ik ben zeker dat de oude
man niet schuldig is, en ik zal hem in eene dergelijke zaak
krachtdadiger bijstand verleenen, dan gij het doen kunt. Buitendien zal
ik u de halve guinje besparen, mijn goede jongen, eene omstandigheid,
welke ik u vriendelijk verzoek in het oog te houden.”

Lord Glenallan had zich uit beleefdheid afgewend en zich tot de dames
gericht, zoodra de woordenwisseling tusschen oom en neef heviger
dreigde te worden dan geschikt was om door een vreemdeling aangehoord
te worden; maar toen de toon van den oudheidkenner verzacht scheen,
mengde hij zich op nieuw in het gesprek. Na een kort bericht ingewonnen
te hebben omtrent den bedelaar, en de tegen hem ingebrachte
beschuldiging, welke de oudheidkenner zonder bedenking aan de
kwaadwilligheid van Dousterswivel toeschreef, vroeg lord Glenallan of
de bedoelde persoon niet vroeger soldaat was geweest? Het antwoord
luidde bevestigend.

„Draagt hij niet,” vervolgde de graaf, „een groven blauwen rok, of
kiel? – Is het niet een lang, schranderuitziend oud man met grijze
haren en baard, die zijn lichaam bijzonder recht houdt, en eene
ongedwongene en vrije wijze van spreken heeft, die zeer in
tegenstelling is met zijn beroep?”

„Dit is juist de man,” antwoordde Oldbuck.

„Nu dan,” vervolgde lord Glenallan, „ofschoon ik vrees, dat ik hem in
zijn tegenwoordigen toestand van geen dienst zal kunnen zijn, ben ik
hem echter een bewijs mijner dankbaarheid schuldig, omdat hij de eerste
geweest is, die mij eene tijding van het uiterste gewicht bracht. Ik
zou hem gaarne eene geschikte huisvesting aanbieden, zoodra hij uit de
verlegenheid gered is, waarin hij zich thans bevindt.”

„Ik vrees, Milord,” zeide Oldbuck, „dat het hem moeielijk zou vallen,
om zijne zwervende gewoonten met het aannemen van uw aanbod te
vereenigen, ten minste ik weet, dat men het al vruchteloos met hem
beproefd heeft. Van iedereen in het algemeen te bedelen, beschouwt hij
als afhankelijkheid, vergeleken met de verplichting om zijn onderstand
aan de mildheid van één enkelen persoon te moeten danken. Hij is in
zoover een echt wijsgeer, dat hij niets geeft om de gewone regeling van
uur en tijd. Als hij honger heeft, eet hij; als hij dorst heeft, drinkt
hij; als hij moede is, slaapt hij, en met zoo veel onverschilligheid
ten aanzien van de middelen en gemakken, waarover wij ons bekommeren,
dat hij, veronderstel ik, nog nooit slecht gegeten of slecht geslapen
heeft. Daarbij is hij, in zekeren graad, het orakel van de streek, die
hij bezoekt; – hij is de geslachtkundige, de nieuwskramer, de
bestierder der vermaken, de geneesheer in den nood, of zelfs de
godgeleerde. – Ik beloof het u, hij heeft te veel te doen en is te
werkzaam, dan dat hij zich licht van zijn beroep zou laten afschrikken.
Maar het zou mij hartelijk leed doen, als zij den armen, opgeruimden
man voor eenige weken naar de gevangenis zonden. Ik ben overtuigd, dat
hem de opsluiting het hart zou breken.”

Dus eindigde het gesprek. Na afscheid van de dames genomen te hebben,
hernieuwde Lord Glenallan aan den kapitein M’Intyre zijn aanbod van
vrijheid tot jagen op zijne gronden, wat met blijdschap aangenomen
werd.

„Ik kan er slechts bijvoegen,” zeide hij, „dat, indien uwe
opgeruimdheid tegen een somber gezelschap bestand is, het huis
Glenallan ten allen tijde voor u openstaat. – Twee dagen in de week,
Vrijdags en Zaterdags, blijf ik op mijne kamer, wat voor u eerder eene
verlichting dan eene ontbering zal zijn, daar gij alsdan ongestoord het
gezelschap van mijn aalmoezenier, den heer Gladsmoor, zult kunnen
genieten, die tegelijk een geleerde en een man van de wereld is.”

Hector, wiens hart klopte bij de gedachte aan de uitgestrekte
jachtvelden van het huis Glenallan en van de wildrijke vlakten van
Clochnaben, uitte zijne oprechte dankbetuigingen voor de eer die hem
aangedaan werd. De heer Oldbuck wist de oplettendheid van den graaf
voor zijn neef te waardeeren; Mary M’Intyre was vergenoegd, omdat zij
haren broeder tevreden zag, en Grizelda wierp in hare verbeelding een
zegevierenden blik op de zakken vol korhoenders, watersnippen en al het
wild dat in de keuken zou aanlanden, en waarvan de heer Blattergowl een
verklaarde liefhebber was. Dus, wat altijd het geval is, als een man
van rang een burger-huisgezin verlaat, waar hij zich opzettelijk
vriendelijk betoont – waren allen gereed, om den lof van den graaf te
verkondigen, zoodra hij afscheid genomen had en wegrolde in zijn
rijtuig door de vier bewonderde bruinen getrokken. Maar hunne
lofspraken werden afgebroken; want Oldbuck en zijn neef namen plaats in
de huurkoets, die, met het ééne paard dat draafde, en het andere in een
soort van handgalop, kraakte, rammelde en rolde naar die beroemde
zeestad, op eene wijze, die zeer veel verschilde van de vlugheid,
waarmede lord Glenallan’s rijtuig verdwenen was.








ZEVENENDERTIGSTE HOOFDSTUK


                De Gerechtigheid is mij waard, als u; –
                Dan, daar de vrouw blind is, zal zij verschoonen
                Dat ik, naar tijd en reden, mij stom houd; –
                Het woord, dat ik nu spreek, moet mij niet
                Den dood berokkenen in de toekomst.

                                                       Oud tooneelspel.


Door de liefdadigheid der stedelingen en met behulp van de vracht
levensmiddelen, welke Adam Ochiltree met zich in de gevangenis bracht,
had hij een paar dagen lang zijne opsluiting zonder groot ongeduld
verduurd, en betreurde hij het gemis zijner vrijheid te minder, omdat
het weêr slecht en regenachtig was.

„De gevangenis,” zeide hij, „is zoo verschrikkelijk niet, als, men wel
zegt. Men heeft er altoos een goed dak boven het hoofd, om het slechte
weêr af te keeren; en zijn er geene glazen in de vensterramen, des te
luchtiger en aangenamer is het er ’s zomers. En er is volk genoeg om
meê te praten en brood genoeg om te eten, en waarom zou men zich om
iets anders bekommeren?”

De moed van onzen wijsgeerigen bedelaar begon hem echter te verlaten,
zoodra de zonnestralen helder schenen op de verroeste staven van zijn
getralied verblijf, en een ongelukkige vink, wiens kooi de een of
andere arme schuldenaar de vergunning gekregen had, om aan het venster
te hangen, ze met zijn gezang begon te begroeten.

„Gij zijt opgeruimder dan ik,” zeide Adam tot den vogel; „want ik kan
fluiten, noch zingen, als ik denk aan de schoone oevers der rivier en
de groene boschjes, waar ik drentelen zou bij zulk weêr als dit. – Wel,
wel, – daar hebt gij een paar kruimeltjes, omdat gij zoo vroolijk zijt;
maar, waarlijk, gij hebt ook reden om te zingen; want het is niet uwe
eigene schuld dat gij in de kooi zit, en ik heb het mij zelven te
danken, dat ik in deze droevige plaats opgesloten ben.”

Ochiltree’s alleenspraak werd nu gestoord door een bode van het
vredegerecht, die kwam om hem voor den rechter te brengen. Dus trok hij
op, in plechtigen optocht, tusschen twee oude mannen, die geen van
beiden half zoo krachtig waren als hij, om onder het oog van de
nieuwsgierige gerechtigheid gebracht te worden. Toen de oude gevangene
tusschen zijne afgeleefde wachters werd weggevoerd, riep het volk
elkander toe: „Ei, ziet, den grijsaard die op ’s Heeren wegen, met één
voet in het graf, gaat rooven!” – en de kinderen wenschten de dienders
Puggie Orrock en Jock Ormston, beurtelings de voorwerpen van hunne
vrees en van hun spot, geluk, dat zij een misdadiger gevonden hadden,
zoo oud als zij zelven.

Onder dit geleide werd Adam (volstrekt niet voor de eerste maal) voor
den Baljuw Littlejohn gebracht, die, weinig in overeenkomst met zijn
naam (kleine Jan), een lang, deftig man was, aan wien de zorg voor de
gemeente niet vruchteloos was opgedragen. Hij was een ijverig
Koningsgezinde van dat hartstochtelijk tijdperk, eenigszins streng en
koppig in de uitvoering van zijn plicht, bezield met het gevoel van
zijne eigene macht en gewicht, overigens echter een eerlijk, welmeenend
en nuttig burger.

„Brengt hem naar binnen, brengt hem naar binnen!” riep hij uit. „Op
mijn woord, het zijn verschrikkelijke en onnatuurlijke tijden, – de
bedelaars zelven van zijne Majesteit zijn de eersten, om zijne wetten
te schenden! Hier hebben wij al een blauwrok, die roof begaan heeft! ik
verbeeld mij, dat de eerstvolgende de koninklijke liefdadigheid, die
hem rok, brood en vrijheid tot bedelen geeft, door verraad, of ten
minste door oproer, beloonen zal! – Maar breng hem binnen!”

Adam maakte zijne buiging en stond toen, als gewoonlijk, vast en recht,
met zijn gelaat een weinig schuins naar boven gekeerd, als om elk
woord, dat de magistraat hem toesprak, op te vangen. De eerste
algemeene vragen, die alleen betrekking hadden tot zijn naam en beroep,
beantwoordde de bedelaar snel en nauwkeurig; maar toen de vrederechter
zijn schrijver bevolen had, om deze bijzonderheden op te teekenen, en
begon te vragen, waar de bedelaar den nacht van Dousterswivel’s ongeluk
geweest was, begon Adam zwarigheden te opperen. „Kunt gij mij nu
zeggen, Baljuw, gij, die de wet verstaat, wat het mij helpen zou, om op
uwe vragen te antwoorden?”

„Helpen? neen, – helpen voorzeker niet, vriend, als ge mij door een
getrouw verhaal te geven van wat ge gedaan hebt, niet bewijzen kunt dat
gij onschuldig zijt, en mij dus in staat stelt om u vrij te laten.”

„Maar het komt mij redelijker voor, dat gij, Baljuw, of wie ook iets
tegen mij te zeggen heeft, mijne schuld zoudt bewijzen, dan mij
gelasten om mijne onschuld te bewijzen.”

„Ik zit hier niet,” antwoordde de rechter, „om met u over rechtspunten
te twisten. Ik vraag u slechts: verkiest gij te antwoorden op mijne
vraag: of gij in de woning van Ringan Aikwood den boschwachter waart,
op den dag welken ik u genoemd heb?”

„Wezenlijk, mijnheer, ik gevoel mij niet geroepen, om het mij te
herinneren.”

„En of gij, in den loop van dien dag of nacht, Steven Mucklebackit
gezien hebt? – gij hebt hem gekend, veronderstel ik?”

„O, zeker kende ik Steven, den armen jongen! – maar ik kan niet juist
het oogenblik bepalen, dat ik hem voor het laatst zag.”

„Waart gij dien avond in de bouwvallen van St. Ruth?”

„Baljuw Littlejohn!” zei de bedelaar, „als het u behaagt, zal ik een
lang verhaal kort maken, en u juist zeggen, dat ik niet voornemens ben
om op ééne vraag te antwoorden. – Ik ben al te oud geworden om mij door
mijne praatjes in ongelegenheid te brengen.”

„Schrijf op,” zei de vrederechter, „dat hij weigert te antwoorden op
alle vragen, omdat hij, door de waarheid te zeggen, in ongelegenheid
zou kunnen geraken.”

„Neen, neen!” zei de bedelaar „ik wil dat niet als mijn antwoord
opgeschreven hebben; – ik wilde maar zeggen dat ik, na al wat ik mij
herinner ondervonden te hebben, nooit iets goeds zag voortkomen uit het
beantwoorden van onnoodige vragen.”

„Schrijf dan dat de declarant, door ondervinding bekend met
gerechtelijke onderzoekingen, en het nadeel ondervonden hebbende van de
vragen te beantwoorden, die hem gedaan werden, weigert, –”

„Neen, neen, Baljuw!” herhaalde Adam, „op die wijs komt ge mij ook niet
aan het lijf!”

„Geef dan uw antwoord zelf, vriend!” zei de rechter, „en de griffier
zal het uit uw eigen mond opschrijven.”

„Ja, ja,” zeide Adam, „dat is zoo als het behoort; dat zal ik zonder
tijdverlies doen! – Zoo, buurman! nu kunt gij opschrijven dat Adam
Ochiltree, de declarant, de vrijheid ophoudt, – neen, dat moet gij niet
zeggen, – ik ben geen voorstander van de vrijheid, – ik heb er tegen
gevochten in de oproeren te Dublin, – daarenboven heb ik lang ’s
Konings brood gegeten. – Wacht, laat zien! – ja – schrijf, dat Adam
Ochiltree, de Blauwrok, een voorstander is van het prerogatief – (zie
toe, dat gij dat woord goed spelt – het is lang) – van het prerogatief
van de onderdanen van dit land, en niet één enkel woord wil antwoorden,
dat hem heden zal gevraagd worden, of hij moet er reden voor zien. –
Schrijf dat maar op, jonge heer!”

„Dan, Adam, als ge mij niets wilt zeggen, moet ik u terug zenden naar
de gevangenis, tot gij behoorlijk voor de assises komt.”

„Wel, mijnheer, als het de wil van den Hemel en van u is, moet ik mij
ongetwijfeld onderwerpen. Ik heb niet veel tegen de gevangenis in te
brengen, dan alleen, dat men er in moet blijven; en indien het u,
Baljuw, geliefde daarmede tevreden te zijn, zou ik u mijn woord geven
om voor het Landgericht, of eenig ander Hof dat u behaagt, te
verschijnen op den dag dien gij zult goedvinden te bepalen.

„Ik geloof, vriend, dat uw woord een slechte waarborg zou zijn, als uw
hals in gevaar is. Ik ben geneigd te denken, dat gij u troosten zoudt,
als de borg niet deugde. – Als ge mij echter goede borgen kunt
bezorgen, inderdaad, –”

Op dit oogenblik traden de oudheidkenner en kapitein M’Intyre het
vertrek binnen. – „Goeden morgen, mijne heeren!” zei de vrederechter;
„gij vindt mij werkzaam in mijn gewoon beroep; – onderzoekende de
ongerechtigheden van het volk, – werkzaam voor de res publica, mijnheer
Oldbuck, – den koning onzen heer dienende, kapitein M’Intyre, – want
gij weet, veronderstel ik, dat ik het zwaard heb aangegord?”

„Het is ongetwijfeld een van de zinnebeelden der gerechtigheid,”
antwoordde de oudheidkenner; „maar ik zou gedacht hebben, dat de
schalen u beter zouden voegen, Baljuw, voornamelijk daar gij ze bij de
hand hebt in het pakhuis.”

„Zeer goed, Monkbarns! – voortreffelijk; maar ik heb het zwaard niet
opgevat als magistraat, maar als krijgsman, – inderdaad, ik moest
liever zeggen het geweer en de bajonet, – daar staan zij bij mijn
stoel; want ik ben thans nauwelijks geschikt voor de wapenoefening, –
een lichte aanval van mijn oude vijandin, het podagra; – ik kan mij
nochtans op de been houden, als de sergeant mij de handgrepen leert. Ik
wenschte wel te weten, kapitein M’Intyre, of hij de handgrepen goed
leert; – het presenteeren gaat, dunkt mij, maar half goed.” En hij
hompelde naar zijn wapen, om zijne twijfelingen en vorderingen te doen
zien.

„Ik verheug mij over zulke ijverige verdedigers van het vaderland,
Baljuw,” hernam Oldbuck, „en ik geloof wel, dat het Hector aangenaam
zal zijn u zijne gedachten over uwe vorderingen in dit nieuw beroep
mede te deelen. Gij zijt gelijk de Hekate der ouden, mijn waarde heer!
– een koopman op de markt, een magistraat op het stadhuis, een soldaat
in het veld, – quid non pro patria? Maar mijne zaken betreffen de
Gerechtigheid; dus laat dan den koophandel en den oorlog voor een
oogenblik ter zijde.”

„Wel, mijn waarde heer!” zei de Baljuw, „en welke bevelen hebt gij voor
mij?”

„Wel hier is een van mijne oude kennissen, genaamd Adam Ochiltree, dien
eenige van uwe handlangers in de gevangenis gesleept hebben, uit hoofde
van een hem te last gelegden aanval op dien Dousterswivel, van wiens
beschuldiging ik geen enkel woord geloof.”

De magistraat nam hier een air van gewicht aan. „Gij moet vernomen
hebben, dat hij zoo wel van roof als van aanranding beschuldigd is:
voorwaar eene zeer ernstige zaak; – het gebeurt niet dikwijls, dat ik
zulke misdadigers in het verhoor krijg.”

„En,” hernam Oldbuck, „gij neemt de gelegenheid waar, om van degenen,
die zich opdoen, de meeste partij te trekken. Maar is het geval van
dezen armen ouden man inderdaad zoo ernstig?”

„Het is eigenlijk niet in den regel” zei de Baljuw; „maar daar gij er u
meê bemoeit, Monkbarns, maak ik geene zwarigheid, om u de verklaring
van Dousterswivel en de overige stukken van het voorloopig onderzoek te
toonen.” En hij gaf de papieren over aan den oudheidkenner, die zijn
bril nam en zich in een hoek terugtrok, om ze te doorloopen.

De boden van het vredegerecht kregen intusschen bevel, om hun gevangene
in een ander vertrek te brengen; maar eer zij het doen konden, nam
M’Intyre de gelegenheid waar, om den ouden Adam te groeten en hem
heimelijk eene guinje in de hand te drukken.

„God zegene u!” riep de oude man; „het is de gift van een jongen
soldaat, en zij zal zekerlijk een ouden te pas komen. Ik sla die niet
af, ofschoon ze boven de taks is; – want als zij mij hier opsluiten, is
het waarschijnlijk genoeg, dat mijne vrienden mij vergeten zullen; –
uit het oog uit het hart, is een waar spreekwoord. – En het zou voor
mij, die een konings bedelaar ben, en gerechtigd om van huis tot huis
te bedelen, niet passen, dat ik uit het venster van de gevangenis naar
halve stuivertjes stond te hengelen met den voet van eene kous aan een
langen draad.”

Terwijl hij deze aanmerking maakte, werd hij uit de kamer gebracht.

De verklaring van den heer Dousterswivel bevatte een overdreven verhaal
van de aanranding en het verlies, dat hij geleden had.

„Maar ik zou hem hebben willen vragen,” zeide Monkbarns, „welk
voornemen hij kon gehad hebben met de bouwvallen van St. Ruth te
bezoeken, zulk eene eenzame plaats, en op zulk een uur, en met zulk een
medgezel als Adam Ochiltree. Er gaat geen weg dien kant uit, en ik
geloof niet, dat alleen liefde voor het schilderachtige Herman
Dousterswivel daarheen gevoerd zal hebben op zulk een stormachtigen en
winderigen nacht. Wees verzekerd, dat hij op eenig schelmstuk
uitgeweest, en, naar alle waarschijnlijkheid, in een strik gevallen is,
door hem zelven gelegd. – Nec lex justitior ulla, –”

De magistraat bekende, dat er iets geheimzinnigs in die omstandigheid
was, en verontschuldigde zich, dat hij Dousterswivel geene opheldering
daarvan gevraagd had, door te zeggen, dat zijne verklaring vrijwillig
afgelegd was. Maar, ter schraging van de hoofdbeschuldiging, toonde hij
de verklaring van de Aikwood’s omtrent den toestand, waarin
Dousterswivel gevonden werd, de gewichtige daadzaak bevestigende, dat
de bedelaar de schuur, waarin hij opgenomen was, verlaten had, en niet
daarheen was teruggekeerd. Twee lieden van den begrafenisbezorger te
Fairport, welke dien nacht bij de ter aarde bestelling van lady
Glenallan waren tegenwoordig geweest, hadden ook verklaard, dat zij,
uitgezonden om twee verdachte personen te vervolgen, die de bouwvallen
van St. Ruth verlieten toen de lijkstaatsie aankwam, en die, zoo als
men veronderstelde, voornemens waren om eenige der versierselen, voor
de plechtigheid bestemd, te stelen, die menschen meer dan eens uit het
gezicht verloren en weêr te zien gekregen hadden, wat toe te schrijven
was aan den aard van het terrein, dat weinig geschikt was voor paarden;
maar dat eindelijk de twee vluchtelingen hun intrek genomen hadden in
de hut van Mucklebackit. En een der declaranten voegde er bij, dat
„hij, van zijn paard gestegen zijnde, en zich naar het venster van de
hut begeven hebbende, den ouden Blauwrok en den jongen Steven
Mucklebackit gezien had, met anderen etende en drinkende binnen in de
hut, en dat hij ook opgemerkt had, dat genoemde Steven Mucklebackit een
zakboek aan de anderen toonde; en de declarant twijfelde geenszins, of
Ochiltree en Steven Mucklebackit de personen waren, die hij en zijn
kameraad vervolgd hadden, zoo als hij boven verklaard had. En, gevraagd
zijnde, waarom hij niet in de hut gegaan was, verklaart, „dat hij geen
recht had, om dat te doen, en dat Mucklebackit en zijn huisgezin bekend
staande als ruwe menschen, hij, declarant, geen lust gevoelde, om zich
met hunne zaken te bemoeien. Causa scientiae patet. Al hetwelk hij
verklaarde overeenkomstig de zuivere waarheid, enz.”

„Wat zegt gij van al die bewijsstukken tegen uw vriend?” vroeg de
magistraat, zoodra hij opgemerkt had, dat de oudheidkenner het laatste
blad omsloeg.

„Wel, als de zaak iemand anders betrof, zou ik zeggen dat het, prima
facie, er niet best uitziet; maar ik kan niet toestemmen dat iemand
ongelijk heeft, omdat hij Dousterswivel een pak slagen geeft. – Ware ik
slechts wat jonger geweest, of had ik maar ééne enkele vonk van uw
krijgshaftigen geest, Baljuw, ik zou het reeds lang zelf gedaan hebben.
Hij is nebulo nebulonum, een onbeschaamde, bedriegelijke, leugenachtige
kwakzalver, die mij honderd pond gekost heeft met zijne schelmsche
streken, en mijn buurman Sir Arthur, de hemel weet hoeveel. – En
daarbij, Baljuw, ik houd hem niet voor een oprechten vriend van het
Gouvernement.”

„Zoo!” zei de Baljuw, „als ik dat dacht, zou het de zaak merkelijk
veranderen.”

„Wel zeker! want door hem te slaan, moet de Blauwrok zijne dankbaarheid
aan den koning betoond hebben, daar hij zijn vijand trof; en door hem
te berooven, zou hij slechts een Heiden geplunderd hebben, dien men
wettig zijn rijkdom ontneemt. En, gesteld, dat deze samenkomst in de
bouwvallen van St. Ruth betrekking had op staatszaken, – en deze
verborgene schatten, en wat niet al meer, een geschenk waren van den
overkant van het Kanaal, ter omkooping van eenig groot man, of het
fonds, bestemd om eene oproerige club meê te stichten?”

„Mijnheer, gij spreekt, alsof gij in mijne ziel gelezen hadt! Hoe
gelukkig zou ik zijn, indien ik het nederige werktuig mocht wezen om
dat kwaad met den wortel uit te roeien! – Oordeelt gij, dat ik goed zou
doen met de vrijwilligers onder het geweer te brengen, en hen dadelijk
in dienst te stellen?”

„Op dit oogenblik niet, daar het podagra hun korps van een onmisbaar
lid berooven zou. – Maar wilt gij mij vergunnen Ochiltree te
ondervragen?”

„Dat spreekt van zelf; maar gij zult niets uit hem, krijgen. Hij gaf
mij duidelijk te verstaan, dat hij wist, hoe gevaarlijk het voor een
beschuldigde was, om eene gerechtelijke verklaring af te leggen, wat,
om de waarheid te zeggen, menig eerlijker man, dan hij, aan de galg
heeft gebracht.”

„Wel! dus, Baljuw!” vervolgde Oldbuck, „gij hebt er niets tegen dat ik
hem pols?”

„Niets ter wereld, Monkbarns! – Ik hoor den sergeant beneden; – ik zal
intusschen de handgrepen eens doorloopen. – Betje, breng mijn geweer en
bajonet naar beneden; – het maakt er minder gedruisch, als wij het
geweer bij den voet brengen.” – En zoo ging de krijgshaftige magistraat
de kamer uit met zijne meid, die de wapens droeg, achter zich.

„Een goede schildknaap voor een jichtigen kampvechter!” merkte Oldbuck
op. – „Hector, jongenlief, houd hem vast, houd hem vast! – Ga met hem;
houd hem bezig, man! voor een half uurtje, of zoo; – streel hem met
eenige krijgshaftige loftuitingen; roem, zijne houding en zijne
behendigheid.”

Kapitein M’Intyre, die, gelijk velen van zijn beroep, met diepe
verachting op die burgersoldaten neêrzag, welke de wapens aangegord
hadden zonder te weten hoe ze te dragen, stond met grooten weêrzin op,
terwijl hij verklaarde, dat hij niet wist, wat hij den heer Littlejohn
moest zeggen; en dat het al te belachelijk was, om een ouden, jichtigen
winkelier de oefeningen en den dienst van een soldaat in zijn eigen
huis op zich te zien nemen.

„Dat kan zijn, Hector,” zei de oudheidkenner, die het zelden dadelijk
met iemand eens was omtrent het hoofdpunt van eenige kwestie, – „dat
kan wellicht in dit en eenige andere gevallen waar zijn, maar thans
gelijkt ons land aan de eischers, die voor de rechtbank zelven hunne
zaak bepleiten, bij gebrek aan geld om de geregelde helden van de balie
te betalen. Ik ben verzekerd dat wij, in het eene geval, nimmer het
gemis van de scherpzinnigheid en welsprekendheid der heeren advocaten
betreuren; en dus, hoop ik, zullen wij, in het andere, onze toevlucht
tot onze harten en geweren nemen, ofschoon wij uwe strengere
tuchtmeesters ontberen moeten.”

„Ik, oom, heb er voorwaar niets tegen dat de geheele wereld vocht, als
men er vermaak in schept; mits men mij slechts vergunne rustig te
blijven,” antwoordde Hector gemelijk.

„Ja, gij zijt inderdaad een zeer rustig mensch! Iemand, wiens lust tot
krakeelen zelfs geene arme phoca, die op het strand slaapt, ongestoord
kan laten.”

Maar Hector, die de wending van het gesprek merkte en een schrik had
voor alle zinspelingen op de nederlaag, welke hij ondergaan had,
ontsnapte, eer de oudheidkenner uitgesproken had.








ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK


                    Wel, ’t is noch diefstal noch valschmunten;
                    Gesteld, ik wist al wat gij mij opdringt:
                    Ofschoon ook het graf andermaal baarde,
                    En den schat hem gaf, die er niets van wist –
                    Nooit toch was deugdelijke ruiling roof,
                    Veel minder loutere mildheid. –

                                                       Oud tooneelspel.


De oudheidkenner, zich de gelegenheid willende ten nutte maken, om den
beschuldigde te ondervragen, verkoos naar het vertrek te gaan waarin
Ochiltree gevangen zat, liever dan aan het onderzoek een plechtig
voorkomen te geven door hem in de raadkamer te laten terugbrengen. Hij
vond den ouden man bij het venster zitten, dat op zee uitzag, en
terwijl hij daarop staarde, kwamen hem, zijns ondanks, heete tranen in
de oogen, die over zijne wangen en zijn witten baard vloeiden. Zijne
gelaatstrekken waren niettemin kalm en rustig, en zijne geheele houding
getuigde van geduld en gelatenheid. Oldbuck was hem genaderd zonder
opgemerkt te worden, en wekte hem uit zijne overpeinzingen op, door hem
vriendelijk te zeggen: „Het spijt mij, Adam, u zoo neêrslachtig te zien
over deze zaak.”

De bedelaar schrikte, droogde zich de oogen af met de mouw van zijn
rok, trachtte zijn gewonen onverschilligen en spottenden toon aan te
nemen, en antwoordde, maar met eene stem, die meer dan anders beefde:
„Ik had het wel kunnen gissen, Monkbarns, dat gij het waart, of uws
gelijken, die mij kwaamt storen; – want het is een groot voorrecht van
de gevangenissen en gerechtshoven, dat men zich de oogen kan uitweenen
als men wil, zonder dat iemand, die er bij hoort, ooit vragen zal
waarom?”

„Wel, Adam,” hernam Oldbuck, „ik hoop dat de tegenwoordige oorzaak van
uw verdriet niet zoo groot is, of ze zal nog wel uit den weg te ruimen
zijn.”

„En ik had gehoopt, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar op verwijtenden
toon, „dat gij mij te goed zoudt gekend hebben, om te gelooven dat deze
nietsbeteekenende kleinigheid tranen zou brengen in mijne oude oogen,
die vrij grooter leed gezien hebben. – Neen, neen! – Maar het arme
meisje, de dochter van Caxon, is hier geweest om troost te zoeken, en
heeft er maar weinig gevonden. Men heeft niets van Taffril’s brik
vernomen sedert den laatsten storm, en de menschen op de kaai
vertellen, dat er een koningsschip op de rotsen van Rattray geslagen en
met man en muis vergaan is. – God verhoede dat! want zoo zeker als gij
leeft, Monkbarns, moet dan de arme Lovel, dien gij zoo gaarne lijden
moogt, mede omgekomen zijn!”

„Ja, God verhoede het!” herhaalde de oudheidkenner. – „Ik zag liever
geheel Monkbarns in brand staan. Mijn arme, beste vriend en medewerker!
– Ik ga dadelijk naar de kade.”

„Ik ben zeker, dat gij er niets meer vernemen zult, dan ik u verteld
heb mijnheer,” hernam Ochiltree; „want de dienders hier waren zeer
beleefd (dat is op hunne wijze), en lazen al hunne brieven en berichten
na, en konden er geen licht in vinden.”

„Het kan niet waar zijn; – het zal niet waar zijn!” riep de
oudheidkenner, „en ik wil het niet gelooven, al is het waar. – Taffril
is een voortreffelijk zeeman, en Lovel (mijn arme Lovel!) heeft al de
hoedanigheden van een voorzichtigen en aangenamen metgezel te land en
ter zee; – iemand, Adam, dien ik om de eerlijkheid van zijn aard
uitzoeken zou, als ik ooit eene zeereis maakte (wat ik nooit doe, dan
alleen om het veer over te steken), fragilem mecum solvere phaselum, om
den metgezel van mijne onderneming te zijn, als iemand, tegen wien de
elementen geen wrok koesteren kunnen. – Het is een verdichtsel van die
leugenachtige snapster, die ik wenschte dat gehangen was, met hare
trompet om den hals, welker nachtuilstonen slechts brave lieden schrik
aanjagen en van streek brengen. – Zeg mij nu, hoe het met uwe zaak
staat?”

„Vraagt gij mij als magistraat, Monkbarns, of is het alleen uit
belangstelling?”

„Alleen uit belangstelling,” antwoordde de oudheidkenner.

„Zoo! – dan steek uw zakboek en potlood op; want ik spreek niet ronduit
tegen u, zoolang gij uw schrijfgereedschap in handen hebt; – dat is
iets afschrikkends voor onwetende menschen als ik. – Inderdaad, een van
de klerken hier is in staat zooveel wit op zwart te zetten, als genoeg
is om een man te hangen, eer hij weet wat hij zegt.”

Monkbarns gaf den ouden man zijn zin, en stak zijn zakboekje op.

Adam doorliep nu met groote rondborstigheid dat gedeelte der
geschiedenis dat den lezer reeds bekend is, beschreef den oudheidkenner
het tooneel, dat hij bijgewoond had tusschen Dousterswivel en zijn
patroon, in de bouwvallen van St. Ruth, en bekende openhartig, dat hij
de gelegenheid niet had kunnen laten voorbijgaan, om den goudzoeker nog
eenmaal naar het graf van Misticot te lokken, met oogmerk om hem eene
kleine bestraffing te geven voor zijne kwakzalverij. Het had hem weinig
moeite gekost, om Steven, die een ondernemende, onnadenkende jongen
was, over te halen, om hem op dien gang te vergezellen, en de grap was
onverwachts verder gedreven dan men bedoeld had. Hij beschreef wat het
zakboek betrof, de verwondering en de smart die hij aan den dag gelegd
had, zoodra hem gebleken was, dat het zoo onvoorzichtig meêgenomen was;
en dat Steven openlijk, voor al de bewoners der hut, op zich genomen
had, om het den volgenden dag terug te bezorgen, en daarin alleen door
den dood was belet geworden.

De oudheidkenner dacht een oogenblik na, en zeide toen: „Uw verhaal
komt mij zeer waarschijnlijk voor, Adam, naar hetgeen mij van de
partijen bekend is; – maar het komt mij mede waarschijnlijk voor, dat
gij meer weet van die schatontdekking, dan gij goedgevonden hebt mij te
verhalen. – Ik vermoed, dat gij eenigszins de rol van den Lar
familiaris in Plautus gespeeld hebt, – eene soort van beschermgeest of
toovenaar, Adam, die over verborgen schatten waakt. Ik herinner mij dat
gij de eerste persoon waart dien wij ontmoetten, toen Sir Arthur zijn
gelukkigen aanval op Misticot’s graf deed, en ook dat, toen de
arbeiders den moed opgaven, gij, Adam, weêr de eerste waart, die in de
opening sprongt, en ook nog de ontdekking van den schat deedt. Dit
alles nu moet gij mij verklaren, als gij niet wilt dat ik u zoo
ongemakkelijk behandel als Euclio Staphyla behandelt in de Aulularia
van Plautus.”

„Om ’s Hemels wil, mijnheer! wat weet ik van Howlularia? – dat gelijkt
meer op honden- dan op menschentaal.”

„Gij wist toch, dat de kist met den schat dáár was?” vervolgde Oldbuck.

„Mijn goede heer! hoe zou dat waarschijnlijk zijn? Gelooft gij, dat
zulk een arm oud schepsel als ik, van iets dergelijks weten zou zonder
er gebruik van te maken? – en gij weet wel, dat ik niets zocht en niets
kreeg. Hoe zou ik er van weten?”

„Dat is het juist, wat ik van u verlang te vernemen; want ik blijf er
stellig bij, gij wist dat het er was!”

„Mijnheer spreekt stellig, – en – voor een stellig sprekenden man moet
ik bekennen, dat gij dikwijls gelijk hebt.”

„Gij stemt dus toe, dat mijn vermoeden gegrond is?”

Adam knikte van ja.

„Wees dan zoo goed mij de geheele zaak te ontvouwen van het begin tot
het einde,” zei de oudheidkenner.

„Als het mijn eigen geheim was, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar,
„zoudt gij het mij niet tweemaal vragen; want ik heb het achter uw rug
gezegd, dat gij, in weêrwil van de ongerijmdheden, waarmede gij soms
vervuld zijt, de verstandigste en beste van onze heeren hier zijt. Maar
ik zal openhartig met u zijn, en zeggen, dat dit het geheim is van een
vriend, en dat men mij met wilde paarden zou kunnen vaneenscheuren, of
in tweeën zagen, zoo als zij de kinderen Ammons deden, zonder dat ik
één woord meer zeggen zou, dan dit: dat er niets kwaads meê bedoeld
werd, maar zeer veel goeds; en het oogmerk was, om degenen te dienen,
die tweehonderd maal meer waard zijn dan ik. Maar er is geen wet,
geloof ik, die het tot eene zonde maakt te weten waar het geld van
anderen is, als wij er onze handen van afhouden!”

Oldbuck wandelde een paar maal de kamer op en neder, om, zoo mogelijk,
eenige waarschijnlijke reden te ontdekken voor zulke geheimzinnige
handelingen; maar zijne scherpzinnigheid schoot hier te kort. Daarop
plaatste hij zich weêr voor den gevangene.

„Deze uwe historie, vriend Adam, is mij een volslagen raadsel, en er
zou een tweede Oedipus moeten komen, om het op te lossen; – wie Oedipus
was, zal ik u een andermaal vertellen, als gij er mij aan herinnert. –
Intusschen, hetzij dan uit verstand, of uit de grilligheid die ge mij
toekent, ben ik zeer geneigd te gelooven dat gij de waarheid gesproken
hebt; te meer, omdat gij geen dier beroepen op hoogere machten gebezigd
hebt, waarvan ik merk, dat gij en uwe makkers u altijd bedient, als gij
de menschen bedriegen wilt.” (Hier kon Adam een glimlach niet
bedwingen). „Indien gij mij dus ééne vraag wilt beantwoorden, dan zal
ik trachten uwe in vrijheidstelling te bewerken.”

„Als gij mij de vraag eerst laat hooren,” zeide Adam, met de
voorzichtigheid van een doortrapten Schot, „zal ik zeggen, of ik die
beantwoorden wil of niet.”

„Het is eenvoudig dit,” zeide de oudheidkenner: „Wist Dousterswivel
iets van het verbergen van de kist met staven?”

„Hij, de leelijke schelm!” antwoordde Adam; „er zou weinig van te recht
zijn gekomen, als Dousterswivel geweten had dat het dáár was; – het zou
weggesmolten zijn als boter voor het vuur!”

„Dat dacht ik ook,” zeide Oldbuck. „Wel, Adam, indien ik u in vrijheid
stel, moet gij woord houden, en op den bepaalden dag opkomen om mijn
borgtocht te zuiveren: want het zijn geene tijden voor een voorzichtig
man, om verbeurdverklaringen te ondergaan, tenzij gij een ander aulam
auri plenam quadrilibrem, een ander „Zoek No. 1,” aanwijzen kunt!”

„Och!” zei de bedelaar, het hoofd schuddende, „ik geloof dat de vogel
gevlogen is, die de gouden eieren legde; – ik wil hem geene gans
noemen, ofschoon hij zoo heet in de kinderboekjes. – Maar ik zal woord
houden, Monkbarns! gij zult door mij geen stuiver te kort komen. – En,
wezenlijk ik wil er graag uit, nu het weêr goed is, en dan heb ik de
beste kans, om het eerste nieuws van mijne vrienden te hooren.”

„Wel, Adam, daar het bonsen en stampen beneden opgehouden heeft,
veronderstel ik dat de Baljuw Littlejohn zijn onderwijzer in de
krijgskunst heeft weggezonden, en van den dienst van Mars tot dien van
Themis is teruggekeerd; ik zal hem eens gaan spreken. – Maar ik kan,
noch wil iets gelooven van het ongelukkig nieuws dat gij mij verteld
hebt.”

„God geve, dat gij gelijk hebt!” zei de bedelaar, terwijl Oldbuck de
kamer verliet.

De oudheidkenner vond den magistraat, afgemat door de vermoeienissen
der wapenoefening, in zijn leuningstoel gezeten, het deuntje neuriënde:
„Hoe vroolijk leeft de krijgsman, en tusschen elke maat zijn troost
zoekende in een lepel vol schildpadsoep. Hij bestelde eene dergelijke
verkwikking voor Oldbuck, die het van de hand wees met de aanmerking,
dat hij, geen soldaat zijnde, niet geneigd was van zijne gewoonte af te
gaan van op geregelde uren te spijzigen. – „Soldaten als gij, Baljuw,”
zeide hij, „moeten hun voedsel nemen, als zij er tijd en middel toe
vinden. – Maar het spijt mij ongelukkig nieuws te hooren van de brik
van den jongen Taffril.”

„Och, de arme jongen! – hij was eene eer voor de stad, – en
onderscheidde zich zoo op den eersten Juni.”

„Maar,” zeide Oldbuck, „het doet mij leed, dat gij van hem in den
verleden tijd spreekt!”

„Ja, ik vrees dat er maar al te veel reden voor is, Monkbarns, en
evenwel, laat ons het beste hopen. Het ongeluk, zegt men, moet plaats
gehad hebben tusschen de rotsen van Rattray, ongeveer twintig mijlen
noordwaarts van hier, nabij Dirtenalan-baai. Ik heb iemand gezonden, om
er onderzoek naar te doen, – en uw neef vloog zelf weg, als om het
bericht van eene overwinning te halen.”

Hier trad Hector binnen, uitroepende: „Ik geloof dat het alles een
vervloekte leugen is; – ik kan er niet den minsten grond voor vinden,
dan een algemeen gerucht.”

„En, ik bid u, mijnheer Hector,” zeide zijn oom, „als het blijkt waar
te zijn, wiens schuld is het dat Lovel aan boord was?”

„Zeer zeker de mijne niet,” antwoordde Hector; „het zou alleen mijn
ongeluk geweest zijn.”

„Inderdaad!” hernam zijn oom, „daar had ik niet aan gedacht.”

„Wel, oom, met al uw lust om mij in het ongelijk te stellen, zult gij
denkelijk moeten toestemmen, dat mijn oogmerk in dit geval niet te
laken was. Ik deed mijn best om Lovel te raken, en, als het mij gelukt
was, zou klaarblijkelijk mijn lot het zijne, en zijn lot het mijne
geweest zijn.”

„En wien of wat bedoelt gij nu te raken, daar gij dat pakje met u
sleept, geteekend: Buskruit?”

„Ik moet gereed zijn voor de jacht bij lord Glenallan op den twaalfden,
oom!” zeide M’Intyre.

„Och, Hector! uwe groote chasse, zoo als de Franschen het noemen, zou
het best geschieden


            „Omne cum Proteus pecus egit altos
            Visere montes, –”


kondet gij u slechts met een phoca meten in plaats van met een
vreedzamen trekvogel.”

„De drommel hale den zeehond, oom, of de phoca, zoo als gij hem
verkiest te noemen; – het is hard, dat men nooit het laatst kan hooren
van eene kleine dwaasheid!”

„Wel, wel,” zeide Oldbuck, „ik ben blijde dat gij verstand genoeg hebt
u er over te schamen. – Daar ik het geheele geslacht der Nimrods
verfoei, wenschte ik dat allen zoo te pas kwamen. – Schrik niet voor
eene grap, jongen! – Ik heb gedaan met de phoca, – ofschoon ik durf
zeggen, dat de Baljuw ons juist nu de waarde van de zeehondsvellen zou
kunnen zeggen.”

„Zij zijn opgeslagen,” antwoordde de magistraat; „zij zijn ter deeg
opgeslagen; – de visscherij is de laatste reizen mislukt.”

„Dat kunnen wij getuigen,” hernam de spotzieke oudheidkenner, die zich
verheugde over de soort van meerderheid, welke dit toeval hem over den
jongen jager gegeven had; „nog één woord, Hector! en


        „Een zeehondsvel bedekke dan de uitgeteerde leden!”


„Wel, jongen! – denk er niet meer om; ik ga aan het werk! – Baljuw! een
woord met u; – ik stel borgtocht, – een redelijken borgtocht, – versta
mij wel, – voor de verschijning van den ouden Ochiltree.”

„Gij weet niet wat gij vraagt,” antwoordde de Baljuw; „de misdaad is
aanranding en roof.”

„Stil! geen woord daarvan!” zei de oudheidkenner. „Ik gaf u reeds een
wenk; – ik zal u later nadere inlichtingen geven. – Ik verzeker u, daar
is een geheim bij.”

„Maar, mijnheer Oldbuck, als de Staat er meê gemoeid is, heb ik, die
hier al het werk doe, het recht om er in gekend te worden, en zoo niet,
–”

„Stil! stil!” hernam de oudheidkenner, hem een knipoogje toewerpende en
den vinger aan den neus brengende, „gij zult het volledigste vertrouwen
hebben; – de geheele behandeling er van, als de zaak rijp is; maar het
is een stijfhoofdige oude kerel, die er niet van hooren wil, dat
vooralsnog twee menschen zijn geheim zouden kennen, en hij heeft mij
nog niet alles verteld van Dousterswivel’s schandelijke oogmerken.”

„Aha! dus moeten wij de wet omtrent de vreemdelingen op den goudzoeker
toepassen, veronderstel ik?”

„Om de waarheid te zeggen, ik wilde wel dat gij dat deedt.”

„Geen woord meer!” zei de magistraat, „het zal dadelijk geschieden; hij
zal verwijderd worden, tanquam suspect; – naar ik meen is dit eene van
uwe eigene uitdrukkingen, Monkbarns!”

„Het is klassiek, Baljuw! – Gij maakt vorderingen.”

„Wel, de openbare aangelegenheden hebben mij onlangs zoo veel drukte
gemaakt, dat ik mijn winkelknecht tot deelgenoot in mijne zaken heb
moeten nemen. – Ik heb twee verschillende briefwisselingen gehad met
den Onder-Secretaris van Staat: – de eene over de voorgestelde
belasting op Rigasch hennepzaad, en de andere over het sluiten der
politieke clubs. Dus kunt gij mij zeer goed vertrouwen en zoo veel als
gij weet vertellen van de ontdekking, door dezen ouden kerel gedaan,
van eene samenzwering tegen den Staat.”

„Ik zal het dadelijk doen, zoodra ik daartoe in staat ben. – Ik houd er
niet van mij met dergelijke zaken zelf te bemoeien. Herinner u
nochtans, dat ik niet stellig sprak van eene samenzwering tegen den
Staat; ik hoop maar door middel van den bedelaar eene verraderlijke
samenspanning te ontdekken.”

„Als er eenige samenspanning is, moet er verraad, of ten minste oproer,
onder schuilen. – Wilt gij een borgtocht voor hem stellen van
vierhonderd merk [28]?”

„Vierhonderd merk voor een ouden Blauwrok! – Denk aan de akte van 1701
op de Borgtochten! – Veeg één nul uit; ik wil wel een borgtocht voor
hem stellen van veertig merk.”

„Wel, mijnheer Oldbuck, iedereen in Fairport staat u gaarne ten dienst
– en daarbij weet ik, dat gij een voorzichtig man zijt en iemand, die
even ongaarne veertig als vierhonderd merk zou verliezen. Ik zal dus uw
borgtocht aannemen, meo periculo; – wat zegt gij van deze tweede
rechtsgeleerde uitdrukking? – Ik heb die van een advocaat: – „Ik sta er
voor in, Milord,” zeide hij, „meo periculo””

„En ik wil, eveneens meo periculo instaan voor Adam Ochiltree,” zeide
Oldbuck; „laat dus uw klerk de akte van borgtocht opmaken, en ik zal ze
onderteekenen.”

Zoodra deze plechtigheid volbracht was, deelde de oudheidkenner aan
Adam de blijde tijding mede dat hij weêr in vrijheid was, en gelastte
hem, zich naar het huis Monkbarns te spoeden, werwaarts hij zelf met
zijn neef, na het verrichten van dit goede werk terugkeerde.








NEGENENDERTIGSTE HOOFDSTUK


                  Vol van wijze taal en hedendaagsche voorbeelden.

                                                           Shakespeare.


„Om ’s Hemels wil, Hector!” zei de oudheidkenner, den volgenden morgen
na het ontbijt, „ik wenschte dat gij onze zenuwen spaardet, en met het
afketsen van uw jachtgeweer wildet uitscheiden!”

„Wel oom, het spijt mij u verontrust te hebben; maar het is een mooi
geweer: het is een stuk van Manton, en kost veertig guinjes.”

„Een dwaas en zijn geld zijn weldra gescheiden, neef! Ik ben verheugd,
dat gij zoo vele guinjes weg te werpen hebt.”

„Iedereen naar zijn smaak, oom! – de uwe valt op boeken.”

„Ja, Hector, en als mijne verzameling de uwe was, zoudt gij die weldra
naar den geweermaker, de paardenmarkt en den hondenkramer brengen, –
coëmptos undique nobiles libros – mutare loricis Iberis.”

„Ik zou uwe boeken niet kunnen gebruiken, waarde oom, dat is waar: en
gij zult goed doen met te zorgen, dat ze in betere handen geraken dan
de mijne; maar reken de gebreken van mijn hoofd mijn hart niet toe. –
Ik zou van een olifant, die aan een ouden vriend toebehoord had, niet
scheiden willen om een stel paarden te bekomen gelijk dat van lord
Glenallan.”

„Ik geloof wel, mijn jongen, dat gij het niet zoudt doen; ik geloof het
wel! – Ik plaag u soms een weinig; het onderhoudt den geest van tucht
en ondergeschiktheid. – Gij zult hier uw tijd gelukkig doorbrengen,
daar gij mij bij u zult hebben om u te kommandeeren, in plaats van
kapitein of kolonel, of dapperen ridder, zoo als bij Milton staat, en
in plaats van de Franschen te bevechten hebt gij Gens humida ponti –
want zoo als Virgilius zegt:


            „Sternunt se somno diversae in littore phocae.”


wat men zou kunnen overbrengen:


            „Hier rusten phocae op het strand,
            Binnen ’t bereik van Hector’s hand.”


„Neen, als gij kwaad wordt, schei ik er uit. – Ook zie ik Adam op de
plaats, met wien ik iets te doen heb. Dag, Hector! – Heugt het u nog,
hoe zij in de zee plaste gelijk haar God, Proteus, et se jactu dedit
aequor in altum?”

M’Intyre, hoewel wachtende tot zijn oom de deur achter zich had
toegetrokken, gaf zich toen ongestoord over aan zijne drift.

„Mijn oom is de beste mensch van de wereld, en op zijne wijze de
vriendelijkste; maar liever dan iets meer van die vervloekte phoca te
hooren, zoo als hij ze verkiest te noemen, zou ik dienst nemen naar
West-Indië, en hem nooit weêr zien!”

Mary M’Intyre, door dankbaarheid aan haren oom gehecht, en haren
broeder met geestdrift beminnende, trad bij dergelijke gelegenheden als
bemiddelaarster op. Zij haastte zich, haren oom bij zijnen terugkeer te
gemoet te gaan, eer hij in de zaal kwam.

„Welnu, Mary, vrouwmensch! wat beteekent dat smeekend gelaat? – heeft
Juno weêr iets misdaan?”

„Neen, oom, maar Juno’s meester is bang voor uwe spotternijen over den
zeehond. Ik verzeker u, hij voelt het meer dan gij wenschen zoudt; –
het is dwaas van hem, dat is zeker; maar gij weet ook iedereen zoo
belachelijk te maken!”

„Wel, kindlief, ik zal mijn spotlust beteugelen, en, zoo mogelijk,
nooit meer van de phoca spreken. Ik ben geenszins monitoribus asper,
maar de Hemel weet het, de zachtste, vreedzaamste en gemakkelijkste der
menschen, dien zuster, nicht en neef naar welbehagen bestieren.”

Met deze kleine lofrede op zijne eigene lijdzaamheid trad de heer
Oldbuck de zaal binnen, en stelde zijnen neef eene wandeling voor naar
de Mosselklip. „Ik heb eenige vragen te doen aan eene vrouw in de hut
van Mucklebackit,” voegde hij er bij, „en ik had er gaarne een
verstandigen getuige bij; – dus, bij gebrek aan beteren, Hector, moet
ik mij met u behelpen.”

„Daar is de oude Adam, oom, of Caxon: – zouden die niet beter zijn dan
ik?”

„Op mijn woord, jonkman, gij verwijst mij naar zeer fraai gezelschap,
en ik ben allergevoeligst voor uwe beleefdheid. Neen, jongen, mijn
oogmerk is, dat de oude Blauwrok met mij gaan zal, – niet als getuige,
want hij is nu, zoo als onze vriend de Baljuw Littlejohn zegt, (God
zegene zijne geleerdheid!) tanquam suspectus, en gij zijt suspicione
major, zoo als onze wet zegt.”

„Ik wenschte dat ik majoor was, oom!” zeide Hector, die slechts het
laatste der Latijnsche woorden opving, als den meesten indruk makende
op het oor van een soldaat; „maar zonder geld en protectie is er weinig
kans voor mij, om het zoo ver te brengen.”

„Wel, wel, zeer dappere zoon van Priamus!” zei de oudheidkenner; „laat
u door uwe vrienden raden, en gij weet niet, wat er gebeuren kan. – Kom
met mij, en gij zult iets zien, dat u van nut kan zijn, als gij eens in
een krijgsraad zit.”

„Ik heb vele regiments-krijgsraden bijgewoond, oom!” antwoordde
M’Intyre. – „Maar hier is een nieuwe stok voor u.”

„Zeer verplicht, zeer verplicht!”

„Ik kocht hem van onzen tamboermajoor, die tot ons regiment kwam uit
het Bengaalsche leger, toen het de Roode Zee kwam afzakken. De stok
werd op de oevers van den Indus gesneden, dat verzeker ik u.”

„Op mijn woord, het is een schoone rotting, en vergoedt dien, welke de
pho – Bah! wat wilde ik zeggen?”

Het gezelschap, bestaande uit den oudheidkenner, zijn neef en den ouden
bedelaar, begaf zich nu op weg naar de Mosselklip, – de eerste, met den
grootsten lust bezield, om zijne wijsheid uit te kramen, en de anderen,
met het gevoel van vorige verplichtingen en eenige hoop op toekomende
gunsten, bescheiden en oplettend om hem aan te hooren. De oom en de
neef wandelden naast elkander, de bedelaar ongeveer anderhalve stap
achter hen, juist zoo dicht bij zijn beschermer, dat deze tot hem
spreken kon met eene lichte wending van het hoofd, zonder de moeite te
nemen van zich om te keeren. Petri, in zijne verhandeling over eene
goede opvoeding, opgedragen aan de magistraten van Edinburg, beveelt,
naar zijne eigene ondervinding als opvoeder in een aanzienlijk huis
verkregen, aan alle minderen van stand, huisonderwijzers en
afhankelijke lieden van elken aard, deze houding aan.

Dus begeleid, trok de oudheidkenner, met zijne geleerdheid bezield, op,
– gelijk een trotsch oorlogschip, zich elk oogenblik dan naar bakboord
en dan naar stuurboord wendende, om eene laag te lossen op degenen, die
hem, volgden.

„En gij denkt dus,” zeide hij tegen den bedelaar, „dat dit gelukje, –
deze arca auri, zoo als Plautus zegt, Sir Arthur niet veel helpen zal
in zijn nood?”

„Of hij zou tienmaal zoo veel moeten vinden!” antwoordde de bedelaar,
„en daaraan twijfel ik zeer. – Ik hoorde Puggie Orrock en den anderen
bode van het gerecht samen spreken, – en het moet er slecht uitzien,
als zulk volkje zoo plomp weg over de zaken van een groot heer spreekt.
Ik geloof, dat Sir Arthur voor zijne schulden geplakt zal worden, als
er niet spoedig een zekere hulp opdaagt.”

„Gij spreekt als een gek,” zei de oudheidkenner. – „Neef! het is iets
merkwaardigs, dat in dit gelukkig land niemand wettig voor schulden kan
gezet worden.”

„Inderdaad, oom!” antwoordde M’Intyre, „dat heb ik nooit te voren,
geweten. – Dit gedeelte van onze wet zou eenigen van mijn regiment goed
te pas komen.”

„En als zij niet voor schulden mogen opgesloten worden,” zeide
Ochiltree, „wat doen dan zoo vele arme schepsels in de gevangenis
ginds, te Fairport? Men zegt, dat zij gezet zijn door hunne
schuldeischers. – Inderdaad! zij moeten er meer van houden dan ik, als
zij het uit vrijen wil doen.”

„Eene zeer natuurlijke opmerking, Adam! – en menig wijzer man dan gij
zou ze maken; maar ze is geheel en al gegrond op onkunde van het
leenstelsel. Hector, wees zoo goed van op te letten, als gij niet
omziet naar eene andere – hm!” (Hector deed zich op dezen wenk geweld
aan om oplettend te zijn). „En u, Adam, zal het ook tot nut kunnen
strekken, rerum cognoscere causas. De aard en oorsprong van een bevel
tot arrestatie is iets haud alienum a Scaevolae studiis. Gij moet dan
weten, dat niemand in Schotland voor schulden in hechtenis kan genomen
worden.”

„Daaraan ligt mij niet veel gelegen, Monkbarns!” zei de oude man; „want
niemand zal ooit een duit aan een ouden bedelaar toevertrouwen.”

„Ik bid u zwijg! – Als een dwangmiddel, derhalve tot betaling, – iets,
waartoe geen schuldenaar zich geneigd voelt, zoo als ik getuigen kan
uit eigene ondervinding, – hadden wij in het eerst de brieven in vier
vormen, eene soort van beleefde uitnoodiging, waardoor onze Souvereine
Heer, de Koning, zich als Vorst latende gelegen liggen aan het regelen
van de bijzondere zaken zijner onderdanen, eerst bij zachte vermaning,
en daarna bij brieven van meer krachtigen aard, – wat kijkt gij naar
dien vogel, Hector? – het is eene zeemeeuw.”

„Het is eene zeezwaluw,” zeide Adam.

„En wat dan, – wat doet dat ter zaak? – Maar ik zie, dat gij ongeduldig
zijt; ik zal dus de brieven van vier vormen overslaan, en komen tot de
hedendaagsche manier van procedeeren. – Gij veronderstelt nu, dat een
man naar de gevangenis gezonden wordt, omdat hij zijne schulden niet
betalen kan? Geenszins! de waarheid is, dat de Koning de goedheid
heeft, op een verzoekschrift van den schuldeischer tusschenbeide te
komen, en den schuldenaar zijn koninklijk bevel te zenden, om binnen
zekeren tijd zijne schuld te voldoen, – vijftien, of zestien dagen,
naardat de zaak is. Nu, de schuldenaar verzet zich en is ongehoorzaam;
– wat is er het gevolg van? Wel, dat hij wettig en naar alle vormen
weêrspannig verklaard wordt tegen onzen genadigen Souverein (aan wiens
bevelen hij ongehoorzaam geweest is), met trompetgeschal op de markt te
Edinburg, de hoofdstad van Schotland. En hij wordt dan wettiglijk in de
gevangenis gezet, niet uithoofde van eene burgerlijke schuld, maar
omdat hij het koninklijk bevel heeft geschonden. Wat zegt gij hiervan,
Hector? – Dat is iets, dat gij nog niet wist.”

„Neen, oom, maar ik beken, dat als ik geld noodig had om mijne schulden
te betalen, ik den Koning veel dankbaarder zou zijn, als hij mij wat
zond, dan wanneer hij mij weêrspannig verklaarde, omdat ik niet deed,
wat ik niet doen kon.”

„Uwe opvoeding heeft u voor diergelijke zaken niet vatbaar gemaakt,”
hernam zijn oom; „gij zijt niet in staat, om de schoonheid van deze
vinding te waardeeren, en de wijze, waarop ze die strengheid, welke
men, ter bescherming van den koophandel, noodig gevonden heeft tot de
halsstarrige schuldenaren uit te strekken, vereenigt met de meeste
bezorgdheid voor de vrijheid van den onderdaan.”

„Ik weet het niet, oom! maar als iemand zijne schulden moet betalen of
naar de gevangenis gaan, maakt het weinig onderscheid, of hij als
weêrspannig aan de wet of als schuldenaar er in gaat, zou ik denken.
Maar gij zegt, dit bevel van den Koning geeft een uitstel van zoo en
zoo vele dagen; nu, inderdaad, als ik in den nood ware, zou ik met
stille trom vertrekken en den Koning en de schuldenaar de zaak onder
elkander laten vereffenen, eer zij tot dwangmaatregelen overgingen.”

„Dat zou ik ook doen,” zeide Adam; „ik zou stilletjes optrekken.”

„Juist; maar omtrent degenen, welke de wet verdacht houdt van niet
voornemens te zijn haar plechtig bezoek af te wachten, gaat zij korter
en met minder omslag te werk, dan met lieden, aan wie geduld en
toegeeflijkheid geheel en al verspild zouden wezen.”

„Ja,” zeide Ochiltree, „met bevelschriften voor het aanhouden van
vluchtelingen: – ik heb er eenige ondervinding van. – In Zuid-Schotland
hebben zij er nog andere kunstjes bij, – die dadelijk en streng werken.
Ik werd op die wijze eens op de Sint-Jacobs kermis aangehouden en een
heelen dag en nacht in de oude kerk te Kelso bewaard; en dat was eene
sombere en akelige plaats, dat verzeker ik u. – Maar wie is die vrouw
met hare mand, op den rug? Het is, geloof ik, de arme Maggie zelve.”

Zij was het. De smart van de arme vrouw, ofschoon niet verminderd, was
evenwel bedaarder geworden door de noodzakelijkheid, om in het
onderhoud van haar huisgezin te voorzien; en de groet, dien zij Oldbuck
toebracht, was eene vermenging van haren gewonen spreektrant, waarmede
zij hare klanten zocht te lokken, en van den klagenden toon over haar
pas geleden verlies.

„Hoe gaat het vandaag, Monkbarns? – Ik heb u nog niet kunnen bedanken
voor de eer, die gij den armen Steven bewezen hebt, door zijn hoofd in
een vroegtijdig graf te leggen, den armen jongen!” Hier steunde zij en
veegde zich de oogen af met het puntje van haar blauwe voorschoot. –
„Maar de vischvangst gaat zoo slecht niet, ofschoon mijn man het hart
niet gehad heeft, om zelf naar zee te gaan. Wel zou ik hem graag
zeggen, dat het hem goed zou doen, de hand aan het werk te slaan; –
maar ik schrik er van, om hem toe te spreken, en het is ook niet goed,
dat eene vrouw zoo spreekt van haar man. – Maar ik heb toch eenige
lekkere schelvisschen, en ze kosten maar drie schelling het dozijn;
want ik heb nu geen lust om lang te kibbelen, en moet juist nemen wat
een Christenmensch geven wil, met weinig woorden en zonder omwegen.”

„Wat zullen wij doen, Hector?” zeide Oldbuck stilstaande. „Ik haalde
mij eens het ongenoegen van mijn vrouwvolkje op den hals, omdat ik een
slechten koop met haar had aangegaan. Deze zeedieren, Hector, brengen
ongeluk over ons geslacht.”

„Hoe, oom! wat gij doen moet? – De arme Maggie geven wat zij vraagt, of
mij vergunnen, een schotel visch naar Monkbarns te zenden.”

En hij reikte haar het geld toe; maar Maggie trok de hand terug. „Neen,
neen, kapitein! gij zijt te jong en te los met uw geld. – Gij moet eene
vischvrouw nooit haren eersten eisch geven; en wellicht ook sluit ik
een koopje met de oude huishoudster op Monkbarns, of met jufvrouw
Grizelda. – En ik moet zien, hoe die malle Jenny het maakt; – zij
zeggen, dat zij niet wel geweest is; – zij zal over Steven getobd
hebben, de onnoozele meid, alsof hij ooit naar haars gelijke zou hebben
willen omzien! – Wel, Monkbarns! het zijn schoone, versche
schelvisschen, en zij behoeven mij maar weinig aan uw huis te bieden,
als gij vandaag visch noodig hebt.”

En zoo stapte zij verder met haren last, terwijl smart, dankbaarheid
voor de deelneming van hare meerderen, en de gewone zucht tot handel en
winst zich in hare gedachten verdrongen.

„En nu, daar wij voor de hut zijn,” zeide Ochiltree, „wenschte ik wel
te weten, Monkbarns, wat u bewogen heeft, u dezen geheelen weg over met
mij te kwellen? Ik zeg u oprecht, ik heb geen lust om daar binnen te
gaan. Ik mag er niet aan denken, hoe de jongen allen wegsterven, en mij
als een onnutten, ouden stam achtergelaten hebben met nauwelijks één
groen blad meer over.”

„De oude vrouw zond u met eene boodschap naar den graaf van Glenallan,
niet waar?”

„Ja!” antwoordde de verwonderde bedelaar; „hoe weet gij dat?”

„Lord Glenallan verhaalde het mij zelf, dus is er geene verklikkerij, –
geene schennis van vertrouwen van uw kant, – en daar hij wenscht, dat
ik hare getuigenis zou afnemen over eenige gewichtige familiezaken,
koos ik u uit om mede te gaan, omdat het, in haren toestand, die
tusschen verkindschdheid en bewusteloosheid zweeft, mogelijk is, dat
uwe verschijning herinneringen opwekken zal, waartoe ik buiten staat
zou zijn. – De menschelijke geest, – wat doet gij, Hector?”

„Ik floot mijn hond slechts, oom! die loopt altijd te ver af. – Ik
vreesde al, dat ik u hinderen zou.”

„In het geheel niet, in het geheel niet!” zeide Oldbuck den draad
hervattende. – „De menschelijke geest behoort behandeld te worden als
eene streng verwarde zijde, waarvan men eerst voorzichtig een einde
moet zien te vatten, eer men eenige vorderingen kan maken met ze te
winden.”

„Daar heb ik geen verstand van,” zei de bedelaar; „maar als de oude
niet zeer veranderd is, kan het gebeuren, dat zij ons wat vreemd zal
doen opkijken. Het is verschrikkelijk, haar te zien en te hooren, als
zij zoo met de armen zwaait en haar zuiver Engelsch praat, en als een
gedrukt boek spreekt, – ofschoon zij maar een oud vischwijf is. Maar
zij kreeg, inderdaad, eene voorname opvoeding, en was zeer gezocht, eer
zij een weinig beneden haren stand trouwde. Zij is een tiental jaren
ouder dan ik; – maar het heugt mij nog goed, dat men even veel sprak
over haar huwelijk met Simon Mucklebackit, den vader van dezen
Saunders, alsof zij een meisje van hoogen stand geweest was. Maar zij
was eerst eene gunstelinge van de gravin, en dan was zij het weêr niet,
zoo als ik haar zoon heb hooren vertellen, toen hij nog zeer jong was;
en toen kregen zij veel geld, en verlieten het land van de gravin, en
kwamen hier wonen. Maar het ging hun toch nooit goed. Maar zij is eene
vrouw, die wat geleerd heeft, en als zij aan haar Engelsch gaat, zoo
als ik haar eens op een goeden dag heb gehoord, zal zij ons misschien
nog allen vast zetten.”








VEERTIGSTE HOOFDSTUK


            Van zulken ouderdom wijkt het leven ongevoelig
            En stil, als eene eb, wanneer de golfslag
            Geheel en al het gestrande schip verlaat.
            Eerst deed de minste wind of golf het zachtjes wiegen;
            Maar nu raakt de kiel het diepe, zware zand;
            Straks maken mast en kim een hoek, die niet verandert.
            Elke wijkende baar schokt de boot al minder en minder,
            Tot zij, gemetseld in ’t zand, blijft liggen
            Onbruikbaar en bewegingloos.

                                                       Oud tooneelspel.


Toen de oudheidkenner de klink van de deur der hut oplichtte, was hij
verwonderd, de bevende, krassende stem van Elspeth eene oude ballade te
hooren zingen in den smaak van een onregelmatig, klagend recitatief:


            De haring mint het zachte licht der maan,
              En de makreel den stormwind in den nacht;
            Den oester trekt het lied des visschers aan,
              Want zij is van een adellijk geslacht.


Als een vlijtig verzamelaar van dergelijke brokken van oude
dichtstukken, bleef Oldbuck luisterend staan, en zijne hand wapende
zich onwillekeurig met potlood en aanteekenboekje. Van tijd tot tijd
sprak de oude vrouw als tegen de kinderen: „Stil kleinen, stil! en ik
zal er nog een mooier zingen dan dat:


            Zwijgt stil en luistert, vrouw en man,
              Naar ’t geen mijn lied u meldt;
            Ik zing u van Glenallan’s graaf
              En Harlaw’s bloedig veld.

            De lijkzang klaagt in Bennachie
              En jammert om den held,
            En Hoog- en Laagland dragen rouw
              Om Harlaw’s bloedig veld. –


„Ik herinner mij het volgend vers niet goed; – mijn geheugen is weg, en
daar overvallen mij nare gedachten. – De Heer brenge ons niet in
verzoeking!”

Hier ging hare stem in een onduidelijk gemompel over.

„Het is eene geschiedkundige ballade!” zeide Oldbuck met geestdrift; –
„een oorspronkelijk en echt fragment uit den tijd der minnezangers! –
Percy zou de eenvoudigheid daarvan bewonderen, – Ritson de echtheid er
van niet kunnen betwisten!”

„Het kan zijn; maar het is bedroevend,” zeide Ochiltree, „het
menschelijk gevoel in deze vrouw zoo verdoofd te zien, dat zij oude
liedjes gaat krassen, na een verlies als het hare!”

„Stil, stil!” zei de oudheidkenner, – „zij heeft den draad van de
ballade hervat!” – En terwijl hij sprak, zong zij:


            Twee honderd rossen toomden ze op,
              Gedost in blinkend staal,
            Op ’t fiere hoofd de strijdkaproen,
              Een ridder in den zaâl.


„Strijdkaproen!” riep de oudheidkenner uit, – „dat woord komt zelden
voor! – het is goud waard!” – en dadelijk stond het in zijn zakboekje.


            Zij snelden weg en reden voort
              En de aarde dreunde er van;
            Daar rukte Donald ’t heîveld op
              Met twintig duizend man.

            Hun mantels wuifden; zwaard bij zwaard
              Blonk schittrend overal,
            En oorverdoovend klonk ’t geraas
              Van ’t dondrend krijgsgeschal.

            De graaf verheft zich in den zaâl,
              Bij ’t nadren van dien stoet;
            „Op, wakkre ridders!” roept hij, „op!
              Toont hier uw heldenmoed.”

            „Welaan mijn schildknaap, die zoo fier
              Aan mijne zijde rijdt,
            Verbeeld u dat ’k uw schildknaap ben,
              En gij Glenallan zijt.”

            „Te blijven is hier doodsgevaar;
              Te keeren – ons onwaard!
            Wat zoudt gij, Roeland Cheyne, doen?
              Als gij Glenallan waart?”


„Gij moet weten, kinderen! dat deze Roeland Cheyne, zoo arm en oud ik
hier in den hoek van den haard zit, mijn voorvader, en dien dag een
dapper man was in het gevecht; maar vooral nadat de graaf gevallen was:
want hij verweet zich zelven, dat hij den graaf aangeraden had om te
vechten, eer Mar opdaagde met Mearns en Aberdeen en Angus.”

Zij verhief de stem en werd hoe langer hoe meer bezield, terwijl zij de
oorlogzuchtige raadgevingen van haren voorvader beschreef:


            „O, dat ik graaf Glenallan waar,
              En gij mijn schildknaap, gij!
            Mijn teugels op den hals van ’t paard!
              Mijn sporen in zijn zij!

            „En overtreft hun aantal ook
              Het onze honderdmaal;
            Hen dekt slechts ’t lichte mantelkleed,
              Ons ’t ondoordringbaar staal.

            „Mijn ros zal rennen door hun heir,
              Als door het heidegras;
            Geen eed’le Noorman wijkt er ooit
              Voor ’t Hooglandsch slavenras!”


„Hoort gij dat neef?” zeide Oldbuck. „Gij merkt, dat uwe Gaëlische
voorouders voormaals niet veel geteld werden door de krijgslieden uit
het zuidelijk gedeelte van Schotland.”

„Ik hoor,” zeide Hector, „eene onnoozele oude vrouw een onnoozel liedje
zingen. Ik verwonder mij, oom, dat gij, die niet luisteren wilt naar
Ossian’s gezangen van Selma, behagen kunt scheppen in zulken onzin! Ik
beweer, dat ik nooit ellendiger straatdeuntje gehoord heb: ik geloof
niet, dat gij een soortgelijk bij eenigen liedjeskramer meer in het
geheele land zult vinden! Ik zou mij schamen, als ik dacht, dat de eer
der Hooglanders door zulke rijmelarij kon besmet worden!” – Met deze
laatste woorden richtte hij het hoofd trotsch op, en keek met
verontwaardiging rond.

Waarschijnlijk hoorde de oude vrouw het geluid van hunne stemmen, want
zij hield op met zingen en riep: „Kom binnen, kom binnen! – die het wel
meent, blijft niet aan den drempel staan!”

Zij traden binnen en vonden, tot hunne groote verwondering, Elspeth
alleen, „als een spook aan den haard zittende,” gelijk de geest van den
Ouderdom in het jagerslied van den Uil [29], „gerimpeld, haveloos,
morsig, met troebele oogen en verkleumd.”

„Zij zijn allen uit,” zeide zij, toen Oldbuck binnentrad: „maar als gij
een oogenblik wilt gaan zitten, zal er wel iemand komen. Als gij zaken
hebt met mijne schoondochter of mijn zoon, zullen zij weldra hier zijn,
geloof ik. Ik spreek nooit over zaken. – Kinderen, geeft stoelen! – de
kinderen zijn ook uit, geloof ik,” – om zich heen ziende. – „Ik zong
hun straks wat voor, om hen stil te houden; maar zij zijn toch weg! –
Gaat zitten, heeren! zij zullen weldra te huis zijn, geloof ik;” en zij
liet de klos uit de hand vallen op den grond, en begon te spinnen, en
scheen weldra uitsluitend bezig met het regelen van de bewegingen van
het spinnewiel, en even onbewust van de tegenwoordigheid der
vreemdelingen, als zij onverschillig was omtrent hun rang of hetgeen
zij daar te verrichten hadden.

„Ik wenschte,” zeide Oldbuck, „dat zij dat gezang of die ballade
hervatten wilde. – Ik heb altijd vermoed, dat er eenige schermutseling
van ruitervolk heeft plaats gehad vóór den hoofdslag van Harlaw [30].”

„Met verlof,” zeide Adam, „zou het niet beter zijn als mijnheer tot de
zaak overging, die ons hier bracht? Ik kan het liedje altijd van haar
krijgen.”

„Ik geloof dat gij gelijk hebt, Adam! – Do manus – ik onderwerp mij.
Maar hoe zullen wij het aanleggen? Zij zit daar als de
verpersoonlijking der verkindschdheid. – Spreek haar aan, Adam, – zie,
of gij haar te binnen brengen kunt, dat zij u naar het kasteel
Glenallan zond.”

Adam stond op, en, haar naderende, plaatste hij zich in dezelfde
houding, die hij in zijn vroeger gesprek met haar gehad had. „Ik ben
blij u zoo wel te zien, oude! te meer, daar u een ongeluk getroffen
heeft sedert ik onder uw dak was.”

„Ja,” zeide Elspeth; maar veel eerder met een algemeen denkbeeld van
ongeluk, dan uit eenige duidelijke herinnering van hetgeen er plaats
had; – „wij hebben onlangs veel verdriet gehad. Ik weet niet, hoe het
jonge volk dat verdragen kan. – Ik verdraag het slecht. Ik kan den wind
niet loeien, en de zee niet bruischen hooren, of ik zie, dunkt mij, de
boot met de kiel naar boven, en één van hen in de golven dobberen. –
Och, heeren! zulke nare droomen als men heeft tusschen het slapen en
het waken in, eer men den langen en gerusten slaap gevat heeft! Ik
verbeeld me soms dat mijn zoon, of Steven, mijn kleinzoon, dood is, en
dat ik de begrafenis gezien heb. Is dat geen nare droom voor eene
dwaze, oude vrouw? Waarom zou een van hen vóór mij sterven? – Het is
tegen den loop der natuur, zoo, als gij weet.”

„Ik geloof, dat gij met deze onnoozele oude vrouw weinig uitrichten
zult,” zeide Hector, bij wien misschien nog eenigszins de afkeer
werkte, welken de verachtelijke melding van zijne landslieden in haar
gezang bij hem verwekt had; – „ik geloof dat gij met haar weinig
uitrichten zult, oom, en het is tijd verspillen met hier te zitten
luisteren naar hare wartaal.”

„Hector,” zei de oudheidkenner met verontwaardiging, „als gij haar
ongeluk niet eerbiedigt, eerbiedig ten minste haren hoogen ouderdom en
hare grijze haren; – dit is het laatste bedrijf van het menschelijk
leven, zoo fraai geschilderd door den Latijnschen dichter:


                      – Omni
            Membrorum damno major dementia, quae nec
            Nomina servorum, nec vultus agnoscit amici,
            Cum quo praeterita coenavit nocte, nec illos
            Quos genuit, quos eduxit, –” [31]


„Dat is Latijn!” zeide Elspeth, zich oprichtende alsof zij naar de
regels luisterde, welke de oudheidkenner met grooten nadruk opdreunde,
– „dat is Latijn!” en zij wierp een woesten blik in het rond. – „Heeft
mij dan eindelijk een priester ontdekt?”

„Gij ziet, neef, zij verstaat even veel van deze schoone plaats als
gij!”

„Gij zult, hoop ik, gelooven, oom, dat ik, even goed als zij, wist, dat
het Latijn was?”

„Ja, wat dat aangaat; – maar wacht, zij wil verder spreken.”

„Ik wil geen priester hebben! – volstrekt niet!” zei de oude vrouw, met
onmachtige hevigheid; – „zoo als ik leefde, wil ik sterven; – niemand
zal zeggen, dat ik mijne meesteres verried, al ware het om mijne ziel
te redden!”

„Dat getuigt van een slecht geweten,” zei de bedelaar; „ik wilde, dat,
zij haar hart lucht gaf, al ware het slechts om haar eigen wil;” en hij
sprak haar op nieuw aan.

„Wel, moeder! ik heb uwe boodschap aan den graaf overgebracht.”

„Aan welken graaf? ik ken geen graaf; – ik kende eens eene gravin; –
gave de Hemel, dat ik haar nooit gekend had! want door die kennis,
buurman, kwam er –” en zij telde op hare dorre vingers, terwijl zij
sprak, – „eerst hoogmoed, dan kwaadwilligheid, dan wraak, dan valsche
getuigenis; en moord klopte aan de deur, zoo hij al niet binnen kwam; –
en waren dat geene aangename gasten, om te nestelen in een vrouwenhart?
Dat was gezelschap genoeg, geloof ik!”

„Maar, oude, het was niet de gravin van Glenallan, die ik meende, maar
haren zoon, hem, dien men lord Geraldin heet.”

„Ik herinner het mij nu,” zeide zij; „ik zag hem niet lang geleden, en
wij hadden een lang gesprek te zamen. – Och, heeren, de knappe jonge
lord is zoo oud en zwak geworden als ik zelve; – zoo werken smart en
hartzeer en teleurstelling in de liefde dikwijls op het jonge bloed! –
Maar moest zijne moeder niet zelve daarop gepast hebben? Wij
volbrachten slechts hare bevelen, zoo als gij weet; – ik ben zeker, dat
mij niemand laken kan; – hij was mijn zoon niet, en zij was mijne
meesteres. – Gij weet, hoe het liedje gaat; – ik ben het zingen haast
vergeten, de wijs weet ik niet meer:


            „Hij draaide hem heen en weêr, en zei:
            Geen’ spot met moeder, broeder!
            Overal vind ik minnarij,
            Nergens een andere moeder.”


„En dan was hij slechts van het halve bloed, zoo als gij weet, en zij
was eene echte Glenallan! Neen, neen! ik moet nooit klagen over hetgeen
ik voor de Gravin Joscelinde deed; – nooit zal ik er over klagen.”

En daarop het vlas van het spinrokken opwindende met den starren blik
van iemand, die besloten heeft niets te bekennen, hervatte zij haar
gestaakt werk.

„Ik heb gehoord,” zei de bedelaar, aanleiding nemende uit hetgeen
Oldbuck hem van de familiegeschiedenis verhaald had; – „ik heb gehoord,
oude, dat er eenige kwaadsprekers tusschen den graaf, dat is tusschen
lord Geraldin en zijne jonge bruid gekomen zijn?”

„Kwaadsprekers?” riep zij, driftig en ontroerd; „en waarom zou zij
lastertaal vreezen? – Zij was goed en schoon genoeg; – ten minste
iedereen zeide dat. Maar had zij zelve omtrent andere menschen
gezwegen, dan had zij misschien nog heden geleefd, – in weêrwil van al
wat men tegen haar ondernam!”

„Maar ik hoorde zeggen, moeder, dat het praatje ging, dat haar man en
zij te na aan elkander bestonden, toen zij samen trouwden?”

„Wie durft daarvan spreken?” riep de oude vrouw driftig; „wie durft
zeggen, dat zij getrouwd waren? – Wie weet daarvan? – Ik niet! – Als
zij in het geheim trouwden, werden zij in het geheim gescheiden. – Zij
ledigden den kelk van hun eigen bedrog!”

„Neen, ellendige!” riep Oldbuck uit, die niet langer zwijgen kon, „zij
dronken het vergif, dat gij en uwe goddelooze meesteres haar
bereidden!”

„Ha! ha!” hernam zij, „ik heb wel gedacht, dat het daartoe komen zou; –
ik heb slechts stil te zitten en te zwijgen, als zij mij ondervragen; –
er is geene pijnbank meer in onze dagen; – en als er een ware, dan
konden ze mij verscheuren! – De mond van een vazal mag hem niet
verraden, die hem voedt!”

„Spreek maar tot haar, Adam!” zei de oudheidkenner; „zij kent uwe stem,
en antwoordt u het best.”

„Wij zullen er niets meer uit krijgen,” zeide Ochiltree. „Als zij zoo
gaat zitten en de armen gevouwen heeft, zegt men, dat zij weken
achtereen geen woord spreken wil. En daarbij is, naar het mij voorkomt,
haar gelaat zeer veranderd, sedert wij hier zijn. Evenwel zal ik haar
nog eens polsen, als gij het wenscht. – Welnu, oude, kunt gij u niet
meer herinneren, dat uwe oude meesteres, de gravin Joscelinde,
overleden is?”

„Overleden!” riep zij uit; want dit woord maakte altijd een diepen
indruk op haar; „dan moeten wij volgen. Allen moeten te paard, als zij
in den zadel zit; – zeg hun, dat zij lord Glenallan doen weten, dat wij
reeds vooruit zijn. – Breng mijn hoed en mijn sjerp; gij wilt toch niet
dat ik in deze kleeding met mevrouw uitga, en met mijn haar, zoo als
het nu is?”

Zij hief de dorre armen op, en scheen bezig met haren mantel om te doen
om uit te gaan, en liet de armen dan weêr langzaam zakken; en hetzelfde
denkbeeld van een tocht waarschijnlijk steeds in het hoofd, ging zij
gejaagd en afgebroken voort: „Roep Eveline Neville! – Wat bedoelt gij
met lady Geraldin? Ik zeide: Eveline Neville, – niet lady Geraldin; –
er is geene lady Geraldin! – zeg haar dit, en dat zij haar nat kleed
moet uittrekken, en niet zoo bleek zien. – Kind! wat zou zij met een
kind doen? – Meisjes hebben geene kinderen, denk ik! – Therese! –
Therese! – de gravin roept ons! – Breng licht, de groote trap is donker
als de middernacht. – Wij komen, mevrouw!” Met deze woorden zonk zij
terug op den stoel, en zeeg languit op den grond [32].

Adam snelde toe, om haar op te helpen; maar nauwelijks had hij haar in
de armen genomen, of hij zeide: „Het is voorbij; – zij is overleden;
dat was haar laatste woord!”

„Onmogelijk!” zeide Oldbuck, haastig toetredende met zijn neef. Maar
niets was zekerder. Zij had den geest gegeven bij het uitspreken der
laatste woorden, en zij zagen niets meer voor zich, dan de sterfelijke
overblijfsels van het wezen, dat zoo lang geworsteld had met een
inwendig gevoel van verborgen schuld, gevoegd bij de ellende van
ouderdom en armoede.

„God geve, dat zij naar betere gewesten heengegaan is!” zeide Adam,
terwijl hij het levenlooze lichaam aanschouwde. „Maar, och, er was
iets, dat haar zwaar op het hart lag. Ik heb menigeen zien sterven op
het slagveld en op een bos stroo in huis; maar ik zou hen allen veel
liever op nieuw zien sterven, dan zulk een dood als de hare weêr
bijwonen!”

„Wij moeten de buren roepen,” zeide Oldbuck, zoodra hij eenigszins
herstelde van zijn schrik en zijne verrassing, „en hun dit ongeluk
bekend maken. – Ik wenschte, dat men haar iets had kunnen doen
bekennen. En, ofschoon het van veel minder gewicht is, zou ik gewenscht
hebben dat fragment van een lied over te schrijven. Maar ’s Hemels wil
geschiede!”

Zij verlieten de hut, en brachten het gehucht in rep en roer. De
matronen verzamelden zich dadelijk, om het lijk te verzorgen van haar,
die men als de gemeenschappelijke moeder, naar leeftijd, van al de
dorpelingen beschouwde. Oldbuck beloofde zijn onderstand voor de
begrafenis.

„Mijnheer” zeide Alison Breek, die na de overledene de oudste was,
„moest ons iets zenden, om ons hart op te beuren bij het bewaken van
het lijk; want al de jenever van den armen Saunders werd bij de
begrafenis van Steven opgedronken, en wij zullen er niet veel aan
hebben, om met droge lippen bij het lijk te zitten. Elspeth was zeer
knap in hare jonge dagen, zoo als ik mij herinner; maar er liep altijd
een praatje, dat zij niet gelukkig was. Van de dooden moet men geen
kwaad spreken, – en veel minder nog van zijne kameraden en buren; –
maar er werden vreemde dingen verteld van eene dame en haar kind, eer
zij Craigburnfoot verliet. En dus, wezenlijk, het zal een bedroefde
lijkbewaking [33] zijn, als mijnheer ons niets zendt, om ons aan de
praat te houden.”

„Gij zult wat jenever hebben,” antwoordde Oldbuck, „te meer, omdat gij
het eigenlijke woord voor het oude gebruik van het lijk te bewaken
behouden hebt. Let op, Hector, dat lijkbewaking oorspronkelijk
Teutonisch is, van het Gothische Leichnam, een lijk. Het is geheel
verkeerd, dat men het de laatste wacht noemt, ofschoon Brand die
hedendaagsche verbastering en afleiding voorstaat.”

„Ik geloof,” zeide Hector bij zichzelven, „dat mijn oom geheel
Monkbarns zou geven, als iemand het hem in het echte oud-Angel-Saksisch
kwam vragen! Geen droppel zouden deze oude schepsels gekregen hebben,
als het wijf het gevraagd had, om bij de laatste wacht te gebruiken!”

Terwijl Oldbuck eenige verdere beschikkingen maakte en bijstand
beloofde, kwam een bediende van Sir Arthur in vollen ren langs het
strand rijden, en hield stil, toen hij den oudheidkenner zag. „Er was
iets,” (hij kon of wilde niet verklaren wat), „en Freule Wardour had
hem oogenblikkelijk naar Monkbarns gezonden, om mijnheer Oldbuck te
verzoeken zonder tijdverlies bij hen te komen.”

„Ik vrees,” zei de oudheidkenner, „ook zijn loop snelt ten einde; – wat
kan ik doen?”

„Doen, oom?” riep Hector uit met zijne gewone hevigheid, – „te paard
stijgen, het dier omkeeren, – en in tien minuten zijt gij te
Knockwinnock!”

„Het is een best paard,” zei de knecht, terwijl hij afsteeg om de
singels en stijgbeugels na te zien; „het is slechts wat hard in den
bek, als het een bangen ruiter op zijn rug voelt.”

„Ik geloof, dat het mij weldra tot een zandruiter zou maken, vriend!”
zei de oudheidkenner. „Wat drommel, neef! zijt ge mij moede? of denkt
gij, dat ik mijn leven moede ben, om op den rug van zulk een Bucephaal
als dezen te gaan zitten? – Neen, neen, vriend! als ik vandaag te
Knockwinnock moet komen, zal het geschieden door bedaard op mijne
eigene voeten daarheen te wandelen, wat ik ook zoo spoedig mogelijk zal
doen. Kapitein M’Intyre mag dat dier zelf bestijgen, als het hem
behaagt.”

„Ik heb weinig hoop, oom, dat ik van eenigen dienst zal kunnen zijn;
maar ik kan aan hun gebrek aan hulp niet denken, zonder te wenschen ten
minste mijne deelneming te toonen: – ik zal dus vooruitrijden, en uwe
aankomst melden. – Ik moet u om uwe sporen verzoeken, vriend!”

„Mijnheer zal ze niet noodig hebben,” zei de man, ze echter afdoende en
den kapitein aangespende; „het paard heeft vuur genoeg.”

Oldbuck stond verstomd over deze laatste roekeloosheid. „Zijt gij
waanzinnig, Hector? of hebt gij vergeten wat er in Quintus Curtius, die
u, als soldaat, bekend moet zijn, staat: nobilis equus umbra quidem
virgae regitur; ignavus ne calcari quidem excitari potest, hetgeen
duidelijk aantoont, dat de sporen altijd nutteloos, en, ik zou er
kunnen bijvoegen, dat zij meestal gevaarlijk zijn.”

Maar Hector, die zich weinig stoorde aan het gevoelen van Quintus
Curtius, of van den oudheidkenner, in dergelijke zaken, antwoordde
slechts met een luchtig: „Wees niet bezorgd, wees niet bezorgd, oom!”


        „Daarmeê gaf hij den teugel aan ’t moedig ros,
          Boog zich voorwaarts, en stiet den spoor
        In de hijgende ribben van het dier
        Tot over der rad’ren kop; dus voortvliegend
        Verslond hij als het ware in den ren den weg,
          En stond niet langer hem te woord.”


„Daar gaan ze heen! – een schoon paar!” zeide Oldbuck, hen nakijkende
terwijl zij verdwenen, – „een dol paard en een wilde jongen, de twee
lastigste schepsels in het Christendom; en dat alles, om een half uur
vroeger daar aan te komen, waar niemand hen noodig heeft. Want ik denk,
dat Sir Arthur’s ongeluk door onzen lichthoofdigen ruiter niet zal te
verhelpen zijn. Het is buiten twijfel het uitwerksel van
Dousterswivel’s schurkenstreken, voor wien Sir Arthur zoo veel gedaan
heeft; want ik kan niet ontkennen, dat bij sommige karakters het
gezegde van Tacitus steek houdt: Beneficia eo usque laeta sunt dum
videntur exsolvi posse; ubi multum antevenere, pro gratig odium
redditur, – waaruit een verstandig man kan leeren voorzichtig te zijn,
en niemand verder te verplichten, dan hij verwachten mag door hem te
zien vergelden, uit vrees van zijn bankroet te maken aan dankbaarheid.”

Onder het opprevelen van dergelijke brokken van Cynische wijsbegeerte,
stapte onze oudheidkenner over het strand naar Knockwinnock, maar wij
moeten hem voorbijsnellen, ten einde de reden te ontwikkelen, waarom
hij zoo dringend opontboden werd.








EENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK


                Zoo rooft de knaap, naar ’t geen de fabel schoeit,
                Terwijl de gans haar gouden ei’ren broeit,
                Onduurzaam, wreed, met uitgestrekte hand,
                Den vogel weg uit het goud eierland; –
                Uit geldzucht wordt de kleine roover stout,
                En doodt den vogel om het gele goud!

                                                          Oude ballade.


Sedert den tijd, dat Sir Arthur bezitter geworden was van den schat uit
Misticot’s graf, scheen hij eerder krankzinnig, dan bij zijn gezond
verstand te wezen. Zijne dochter was, inderdaad, ernstig bezorgd voor
zijne verstandelijke vermogens; want hij twijfelde geenszins, of hij
bezat het geheim om zich onnoemelijke schatten te verwerven, en sprak
en gedroeg zich als iemand, die den steen der wijzen gevonden had. Hij
wilde alle omliggende landerijen opkoopen, en, naar de taal die hij
voerde, wilde hij voortgaan tot hij aan den anderen kant van het eiland
gekomen was, alsof hij besloten had, geen anderen buurman te gedoogen
dan de zee. Hij had een beroemden bouwkundige geschreven over een plan,
om den zetel zijner voorvaderen te vernieuwen op eene zoo groote schaal
en in zulken prachtigen stijl, dat zijn verblijf het kasteel van
Windsor zou hebben kunnen evenaren, en met daaraan geëvenredigde
lusttuinen. Benden van livereibedienden doorkruisten reeds in zijne
verbeelding de zalen, en – waartoe konden zulke onmetelijke rijkdommen
den bezitter niet berechtigen? – de kroon van een markies, wellicht
zelfs van een hertog, schitterde voor zijne oogen. – En zijne dochter –
op welke aanzienlijke partijen mocht zij niet rekenen? – ja, eene
verbintenis met het koninklijk huis ging zijne verwachting niet te
boven. – Zijn zoon was reeds generaal, – en hij zelf al wat de eerzucht
in hare buitensporige vlucht droomen kon.

Beproefde het iemand, om Sir Arthur uit dezen gemoedstoestand tot het
dagelijksch leven terug te brengen, zijne antwoorden waren in den smaak
van den ouden Pistol bij Shakespeare:


        „’k Lach om den grooten hoop en ’t laag gemeen;
        Ik spreek van Afrika en gulden vreugd!”


De lezer zal zich de verwondering kunnen voorstellen van Isabella
Wardour, toen zij, in plaats van ondervraagd te worden omtrent de
oogmerken van Lovel, zoo als zij na het lange gesprek tusschen haren
vader en Oldbuck den morgen waarop men den schat ontdekte, verwacht
had, Sir Arthur hoorde praten als iemand, wiens verbeelding verhit was
door de hoop van de onmetelijkste schatten te bezitten. Maar zij werd
ernstig ongerust, toen Dousterswivel op het kasteel ontboden werd, –
zich met haren vader opsloot, over zijn ongeluk getroost werd, zijn
aandeel ontving, en zijn verlies vergoed kreeg. – Al de vermoedens, die
zij lang tegen dezen man opgevat had, herleefden en vermeerderden,
zoodra zij opmerkte hoe hij zich beijverde om de gouden droomen van
haren vader aan te moedigen, en zich onder verschillende voorwendsels
zoo veel mogelijk toeëigende van het geld, dat op zulk eene zonderlinge
wijze Sir Arthur was ten deel gevallen.

Andere slechte voorteekens begonnen zich voor te doen, en volgden
elkander snel op. Elken postdag kwamen er brieven, die Sir Arthur,
zoodra hij het adres gelezen had, in het vuur wierp, zonder zich de
moeite te geven van ze te openen. Isabella Wardour kon het vermoeden
niet weêrstaan, dat deze brieven, welker inhoud aan haren vader door
eene soort van ingeving scheen bekend te zijn, van dringende
schuldeischers kwamen. Intusschen verminderde de tijdelijke hulp, die
hij van den schat ontvangen had, snel. Het grootste gedeelte was
verzwolgen door de noodzakelijkheid, om de schuldbekentenis voor
zeshonderd pond te betalen, die Sir Arthur met eene oogenblikkelijke
vervolging bedreigd had. Van het overige was een gedeelte aan den
goudzoeker gegeven, een gedeelte aan buitensporigheden verkwist,
waartoe zich de arme Baronet ten volle gerechtigd gevoelde uithoofde
van zijne groote verwachtingen, – en een gedeelte werd er gebruikt, om
voor een tijd die dringende schuldeischers den mond te stoppen, welke,
met Harpagon, begrepen hadden, dat het noodig was iets van meer
stoffelijken aard, dan bloote beloften, te verkrijgen. Eindelijk werd
het maar al te duidelijk, dat alles binnen twee of drie dagen na de
ontdekking was uitgegeven, en dat er geen vooruitzicht bestond op
nieuwe hulp. Sir Arthur, ongeduldig van aard, verweet nu Dousterswivel
op nieuw de schennis van zijne beloften, waardoor hij gehoopt had al
zijn lood in goud te zien veranderen. Maar deze eerzame heer had nu
zijn buit gehaald; en daar hij bescheiden genoeg was, om liefst den val
niet bij te wonen van het huis, dat hij ondermijnd had, trachtte hij
Sir Arthur met eenige kunsttermen te bevredigen, opdat deze, ten minste
niet vóór zijn tijd, ongerust mocht worden. Hij nam afscheid van hem
met de verzekering, dat hij den volgenden morgen op Knockwinnock zou
terugkeeren, en berichten medebrengen, die Sir Arthur zeer zeker uit
zijne verlegenheid helpen zouden.

„Want zoo lang ik over zulke zaken geraadpleegd ben,” zeide hij, „was
ik nooit zoo nabij het arcanum, het groote geheim – de Panchresta – de
Polychnesta. Ik weet er zoo veel van als Pelaso de Taranta, of
Basilius, – en ik breng Uwé in twee of drie dagen Numero II van den
heer Misticot, of Uwé zal mij een schurk noemen, en Herman
Dousterswivel nooit weder zien.”

De goudzoeker vertrok met deze verzekering, vast besloten om het
laatste gedeelte van zijne belofte te houden, en nooit weêr voor zijn
beleedigden patroon te verschijnen. Sir Arthur bleef in eene
twijfelende en beangstigde stemming terug. De stellige verzekering van
den wijsgeer, met de harde woorden Panchresta, Basilius, en zoo voorts,
hadden eenigen indruk op hem gemaakt. Maar hij was te dikwijls door
dergelijke wartaal misleid geworden om geheel en al van zijn twijfel
bevrijd te zijn, en hij begaf zich vóór den avond naar zijne
boekenkamer in den verschrikkelijken toestand van iemand, die, zonder
middelen om terug te keeren, op eene steilte boven een afgrond staat,
en opmerkt dat de rots, waarop hij zich bevindt, zich al meer en meer
van het overige afscheurt en op het punt is van met hem in de diepte te
storten.

De droombeelden der hoop verdwenen; doch naar evenredigheid
vermeerderde dat koortsachtig, beangstigend voorgevoel, waarmede een
man, groot gebracht in het denkbeeld van zijn eigen gewicht en aanzien,
en bezield met de zucht naar rijkdommen, – de stamhouder van een oud
geslacht en de vader van twee veelbelovende kinderen, – het uur zag
naderen, waarop hij van al den glans, welken de gewoonte hem eigen en
noodzakelijk gemaakt had, beroofd en in de wereld gestooten zou worden,
om er met armoede, hebzucht en verachting te kampen. Onder deze
voorboden werd hij, reeds door vergeefsche hoop verzwakt, gemelijk en
lichtgeraakt, en zijne woorden en daden drukten soms eene wanhopige
onverschilligheid uit, die Isabella Wardour buitengemeen verontrustte.
Wij hebben bij eene vorige gelegenheid gezien, dat Sir Arthur, in
weêrwil van de zwakheid van zijn karakter, in andere opzichten
prikkelbaar en hevig was; hij was niet gewoon tegengesproken te worden,
en, indien hij tot hiertoe over het algemeen opgeruimd en goed
gehumeurd was geweest, was dat waarschijnlijk, omdat zijn levensloop
geene genoegzame aanleiding opgeleverd had, om zijne zwartgalligheid op
te wekken.

Den derden dag na het vertrek van Dousterswivel, legde de bediende,
naar gewoonte, de nieuwspapieren en de brieven van den dag op de
ontbijttafel. Isabella Wardour nam de couranten in de hand, om zich te
onttrekken aan de gestadige kwade luim van haren vader, die zich
allerdriftigst gemaakt had, omdat het geroosterde brood te bruin was.

„Ik zie hoe het gesteld is,” dus besloot hij zijne rede over dit
belangrijk onderwerp; – „mijne bedienden, die hun aandeel in mijn geluk
gehad hebben, beginnen te denken, dat er in het vervolg weinig meer van
mij te halen zal zijn. Maar zoo lang ik heer en meester van de schurken
ben, zal ik het ook toonen, en geene onachtzaamheid gedoogen, – neen!
geen haarbreed zullen zij van den eerbied afwijken, dien ik het recht
heb van hen te eischen.”

„Ik ben bereid om op dit oogenblik mijnheers dienst te verlaten,” zei
de knecht, wien men de schuld gegeven had, „als mijn loon maar betaald
is.”

Sir Arthur, als had hem een slang gestoken, stak de hand in den zak, en
trok er dadelijk al het geld uit, dat er in was, maar niet genoeg om
den man te voldoen. „Hoeveel geld hebt gij bij u, Isabella?” vroeg hij
schijnbaar bedaard, maar met verborgene, hevige ontroering.

Zijne dochter gaf hem hare beurs; hij trachtte de banknoten te tellen,
die er in waren, maar hij kon het niet doen. Na een paar vergeefsche
pogingen, smeet hij het zijner dochter toe, en zeide op gestrengen
toon: „Betaal den schelm, en laat hem dadelijk de deur uitzetten!”
hiermede stapte hij de kamer uit.

De meesteres en de dienstbode stonden beiden evenzeer verwonderd over
de ontroering en de hevigheid van zijn gedrag.

„Zeker, Freule, als ik gedacht had in het minste schuld te hebben, zou
ik niet één enkel woord hebben geantwoord, toen Sir Arthur mij
berispte. – Ik ben lang in zijn dienst geweest, en hij is een goed heer
voor mij geweest, en gij, Freule, eene goede meesteres, en het zou mij
leed doen, als gij dacht, dat ik om een enkel driftig woord zou willen
vertrekken. Het was zeker verkeerd van mij gedaan, van mijn loon tegen
mijnheer te spreken, als hij iets heeft, dat hem kwelt. Ik had niet
gedacht, op deze wijze het huis te moeten verlaten.”

„Ga naar beneden, Robert!” zeide zijne meesteres; „er is iets gebeurd,
dat mijn vader hindert; – ga naar beneden, en laat Alick op de bel
passen.”

Zoodra de knecht de kamer verliet, kwam Sir Arthur weêr binnen, alsof
hij op zijn vertrek gewacht had. „Wat beteekent dit,” zeide hij
driftig, toen hij zag dat de banknoten nog op tafel lagen, – „is hij
niet vertrokken? Zal men mij niet meer gehoorzamen als heer, of als
vader?”

„Hij is gegaan, vader, om hetgeen hem toekomt aan de huishoudster op te
geven. – Ik dacht niet, dat er zoo veel haast bij was.”

„Er is haast, Isabella!” antwoordde haar vader, haar in de rede
vallende, – „wat ik voortaan in het huis mijner voorvaderen doen wil,
moet dadelijk gedaan worden, of nooit!”

Hij ging toen zitten en nam met eene bevende hand de kop thee, die voor
hem was gereed gemaakt, en rekte het drinken er van zoo lang hij kon,
als om het openen der brieven te verschuiven, die vóór hem op de tafel
lagen, en waarnaar hij van tijd tot tijd keek, alsof het een nest met
adders geweest ware, die gereed waren om er uit te komen en op hem toe
te schieten.

„Het zal u aangenaam zijn te hooren,” zeide Isabella Wardour, om haren
vader af te leiden van de sombere overpeinzingen, waarin hij verzonken
scheen te zijn, „het zal u aangenaam wezen te vernemen, vader, dat de
brik van luitenant Taffril behouden op de reede van Leith is
aangekomen. – Ik zie, dat er eenige vrees geweest is voor zijn behoud.
Ik ben blij, dat wij er niets van wisten.”

„En wat raakt mij Taffrils brik?”

„Vader!” zeide Isabella Wardour met verwondering; want Sir Arthur, in
zijne gewone stemming, gevoelde eene soort van rustelooze
belangstelling in al de praatjes van den dag en van het land.

„Ik zeg,” herhaalde hij op hevigen en steeds ongeduldiger toon, „wat
ligt mij er aan gelegen, wie behouden en wie omgekomen is? – Dat raakt
mij niet, veronderstel ik.”

„Ik wist niet, dat gij bezig waart, vader, en ik dacht dat, daar de
heer Taffril een braaf man en uit onze eigene streek is, het u
aangenaam zou zijn, te hooren, –”

„O, het is mij aangenaam! – het maakt mij zoo gelukkig mogelijk, – en
om er u gelukkig bij te maken, zult gij op uwe beurt iets van mijne
goede tijdingen vernemen!” En hij nam een brief op. „Het is
onverschillig, welken ik eerst openbreek; – zij zijn allen van
denzelfden aard.”

Hij brak haastig het lak, doorliep den brief, en wierp hem zijne
dochter toe. – „Ja! ik had het niet gelukkiger kunnen treffen: – deze
is afdoende!”

Isabella Wardour zweeg verschrikt en nam den brief. „Lees maar, lees
maar hardop!” zei haar vader; „gij kunt het niet te dikwijls lezen; het
zal u in eens gewennen aan verdere tijdingen van denzelfden aard.”

Zij begon te lezen met bevende stem:

„Waarde Heer!”

„Hij noemt mij zijn waarde, zoo als gij ziet, – die onbeschaamde
pennelikker, die twaalf maanden geleden niet goed genoeg was om aan
mijne tafel te zitten; – langzamerhand, veronderstel ik, zal het kortaf
waarde Baronet! heeten.”

„Waarde Heer!” – hernam Isabella; „maar,” brak zij af – „het zal u
slechts hinderen als ik hardop lees.”

„Indien gij mij vergunnen wilt mijn eigen zin te volgen, Isabella, zoo
verzoek ik u voort te gaan! Mij dunkt, ik zou u de moeite niet geven,
als ik dacht dat het onnoodig ware!”

„Onlangs als deelgenoot opgenomen,” vervolgde Isabella Wardour, den
brief lezende, „door den heer Gilbert Greenhorn, den zoon van uw
vorigen correspondent en agent, den heer Girnigo Greenhorn, procureur
alhier, wiens zaken ik als klerk vele jaren lang bestierd heb, wat in
het vervolg onder de firma van Greenhorn en Grinderson geschieden zal
(hetgeen tot uw gouverno diene, bij het adresseeren van uwe verdere
brieven), en onlangs ontvangen hebbende uw geacht schrijven,
geadresseerd aan mijn voormelden compagnon, den heer Gilbert Greenhorn,
en ten gevolge van zijne afwezigheid wegens de wedrennen te Lamberton,
heb ik de eer, uw brief te beantwoorden.”

„Gij ziet, mijn vriend gaat stelselmatig te werk, en begint met mij de
redenen te ontwikkelen, welke mij zulk een bescheiden en aangenamen
correspondent verschaft hebben. – Ga voort, – ik ben er tegen bestand!”

En hij lachte met dien bitteren lach, welke wellicht de
verschrikkelijkste uitdrukking is van het lijden der ziel. Vreezende om
te vervolgen, en nochtans niet wagende om ongehoorzaam te zijn, ging
Isabella Wardour voort met lezen: „Het doet mij, voor mijzelven en mijn
compagnon, leed, dat wij niet kunnen verplichten met naar de door u
gemelde sommen om te zien, of met uitstel te vragen in zake van
Goldiebird’s vorderingen, wat te moeielijker zou zijn, daar wij
gebezigd zijn, om als zaakwaarnemers en gevolmachtigden van genoemden
Goldiebird te handelen, in welke hoedanigheid wij een lastbrief tot
betaling tegen u verkregen hebben, zoo als gij vernomen zult hebben uit
de dagvaarding, voor de som van vierduizend zevenhonderd zesenvijftig
pond, vijf shilling, zes en een vierde stuiver sterling, welke som, met
een jaar interesten en onkosten, wij veronderstellen, dat onmiddellijk
zal vereffend worden, ter voorkoming van verdere ongelegenheden. Ik
gevoel mij genoodzaakt te doen opmerken, dat onze eigene
schuldvordering, ten bedrage van zevenhonderd negenenzestig pond, tien
shilling en zes stuivers, mede verschenen is, en de vereffening daarvan
ons aangenaam zou zijn; maar, alzoo wij uwe obligatiën, bewijzen van
eigendom, en hypotheken bezitten, zullen wij er niets tegen hebben, om
een redelijk uitstel te verleenen, – bij voorbeeld tot den
eerstvolgenden vervaldag. – Ik moet, voor mijzelven en voor mijn
compagnon, er bijvoegen, dat de last van den heer Goldiebird ons
gebiedt, om peremptoir en sine mora te procedeeren, waarvan ik het
genoegen heb u te adviseeren ter voorkoming van abuizen, ons
reserveerende om verder te ageeren, als gezegd. Ik ben, voor mijzelven
en mijn compagnon, Waarde Heer, uw verplichte en dienstwillige dienaar,
Gabriel Grinderson, voor de firma Greenhorn en Grinderson.”

„De ondankbare schelm!” riep Isabella Wardour.

„Wel neen! het is de gewone wijze van handelen, veronderstel ik; om
zwaar te treffen, moest deze hand den slag geven; – het is alles zoo
als het behoort,” antwoordde de arme Baronet, terwijl zijne bevende lip
en zijne ongedurige blikken zijne gemaakte bedaardheid weêrspraken. –
„Maar hier is een naschrift, dat ik niet gezien had, – kom, lees den
brief maar uit!”

„Ik heb er nog bij te voegen (niet voor mijzelven maar voor mijn
compagnon), dat de heer Greenhorn u ten dienste wil zijn, door uw
tafelzilver en de bruine paarden, bijaldien deze geene gebreken hebben,
tegen schatting en in gedeeltelijke betaling van uw rekening over te
nemen.”

„De duivel hale hem!” riep Sir Arthur, buiten zich zelven bij dit
beleefde aanbod. „Zijn grootvader besloeg mijns vaders paarden, en deze
afstammeling van een ellendigen hoefsmid stelt mij voor, om mij de
mijne af te troggelen! Maar ik zal hem antwoorden, zoo als hij
verdient!”

En hij ging zitten en begon met groote drift te schrijven, brak dan af,
en las hard op: „Mijnheer Gilbert Greenhorn! In antwoord op mijne twee
laatste brieven ontving ik een brief van iemand, zich noemende
Grinderson, en uw compagnon. Als ik aan iemand schrijf, ben ik niet
gewoon dat men mij door de derde hand antwoordt. – Ik geloof, dat ik uw
vader van dienst geweest ben, en vriendelijk en beleefd jegens u, en
daarom verwondert het mij nu,” – „Maar” zeide hij, eensklaps
ophoudende, „waarom zou ik mij daarover of over wat anders verwonderen,
– of waarom zou ik mijn tijd verspillen met aan zulk een jakhals te
schrijven? – Ik zal niet altijd in de gevangenis blijven, veronderstel
ik, en dien kerel de beenderen te breken, zal het eerste zijn wat ik
doe, zoodra ik er uit kom!”

„De gevangenis, vader?” vroeg Isabella Wardour met eene bevende stem.

„Wel ja, – wel zeker, – in de gevangenis, kunt gij daar een oogenblik
aan twijfelen? – Wel! de fraaie brief van dien, – hoe heet hij, voor
zich zelven en compagnon, schijnt gij vergeten te hebben, of gij moet
vierduizend en zoo veel honderd pond, met het juiste aantal shillings,
stuivers en halve stuivers hebben, om „bovenstaande som,” zoo als hij
ze noemt, te betalen!”

„Ik, vader! – O, als ik de middelen had! – Maar waar is mijn broeder? –
Waarom komt hij niet? Hij is juist al zóó lang in Schotland? Wellicht
zou hij iets kunnen doen, om ons te helpen.”

„Wie, Reginald? – Ik veronderstel dat hij met den heer Gilbert
Greenhorn, of den een of anderen zeer aanzienlijken man, naar de
wedrennen te Lamberton gegaan is. – Ik heb hem verleden week gewacht;
maar ik behoef mij niet te verwonderen, dat mijne kinderen mij
verontachtzamen, even als alle andere menschen. – Maar ik moet u
verschooning vragen, mijn kind, – neen, nooit in uw leven hebt gij mij
veronachtzaamd of beleedigd.”

En hare wang kussende, terwijl zij hare armen om zijn hals sloeg,
ondervond hij dien troost, welken een vader, zelfs in den wanhopigsten
toestand, vindt in de zekerheid van een kind te bezitten, dat hem
liefheeft.

Isabella Wardour trachtte zich deze opwelling van gevoel ten nutte te
maken, om haren vader tot bedaren te brengen. Zij herinnerde hem, dat
hij vele vrienden had.

„Ik had er eens velen!” zeide Sir Arthur; „maar, de goedheid van
eenigen heb ik uitgeput door mijne dolle ondernemingen; – anderen zijn
buiten staat, om mij bij te staan; – anderen zijn onwillig; – het is
met mij gedaan. – Ik hoop maar, dat Reginald een voorbeeld zal nemen
aan mijne dwaasheid!”

„Zou ik niet goed doen met naar Monkbarns te zenden, vader?” zeide
zijne dochter.

„Waartoe? Hij kan mij zulk een som niet leenen, en zou het niet willen
doen, al kon hij het; want hij weet, dat ik nog andere schulden heb, en
hij zou mij alleen vervelende menschenhatende phrases en fraaie brokken
Latijn naar het hoofd werpen.”

„Maar hij is verstandig en goed, en in zaken grootgebracht, en ik ben
zeker, dat hij onze familie altijd hartelijk toegedaan was.”

„Ja, ik geloof dat hij het was. – Wij hebben het ver gebracht, dat de
genegenheid van een Oldbuck van gewicht wordt voor een Wardour! – Maar
als de zaak tot het uiterste komt, zoo als ik veronderstel dat spoedig
het geval zal wezen, – zal het misschien niet kwaad zijn, om hem te
ontbieden. – En nu, ga uwe wandeling doen, kindlief! – Ik ben thans
bedaarder, dan toen ik u deze vervloekte ontdekking doen moest. – Gij
weet nu het ergste, en kunt het met elken dag en elk uur te gemoet
zien. Ga uwe wandeling doen! – Ik wenschte een oogenblik alleen te
zijn.”

Toen Isabella Wardour het vertrek verlaten had, was haar eerste zorg,
om, overeenkomstig de halve vergunning door haren vader gegeven, een
bode naar Monkbarns te zenden, die, zoo als wij reeds gezien hebben,
den, oudheidkenner met zijn neef op het strand ontmoette.

Zonder te denken, en inderdaad haast zonder te weten waarheen zij ging
sloeg zij toevallig de wandeling in langs den zoogenaamden Rozenheuvel.
Eene beek, die in vroegere dagen de gracht van het kasteel van water
voorzien had, liep hier naar beneden door eene nauwe vallei, waarin
Isabella Wardour een pad had doen aanleggen, dat netjes onderhouden
werd, zonder het voorkomen te hebben van door kunst gemaakt en gebaand
te zijn. Het strookte alleszins met het karakter van het kleine dal,
dat overschaduwd was door bomen en struikgewas, hoofdzakelijk
laurierboomen en hazelstruiken, met de gewone afwisseling van den doorn
en de wilde roos. Op deze wandeling had de verklaring tusschen Isabella
Wardour en Lovel plaats gehad, welke door den ouden Adam Ochiltree
gehoord was. Met een hart, diep bedroefd over de naderende ellende
harer familie, bracht zich Isabella nu elk woord, elke spreekwijze te
binnen, door Lovel gebezigd, om zijn aanzoek te ondersteunen, en zij
moest zich zelve bekennen, dat het niet weinig vleiend was voor haar,
het voorwerp van zulk eene ernstige en belangelooze genegenheid te
zijn. Dat Lovel een beroep zou verlaten hebben, waarin hij, gelijk men
zeide, snelle vorderingen maakte, om zich in eene stille plaats als
Fairport te gaan begraven en eene onbeantwoorde liefde te koesteren,
zou door anderen als overdreven hebben kunnen bespot worden, maar werd
licht als eene overmaat van genegenheid vergeven door diegene, die zich
daardoor gestreeld gevoelde. Als hij een onafhankelijk bestaan, hoe
matig ook, gehad, of bewijzen gegeven had van onbetwistbare aanspraken
op den rang in de samenleving, welken hij zoo zeer geschikt was te
bekleeden, dan zou zij nu wellicht in staat geweest zijn, om haren
vader, in zijn tegenspoed, eene schuilplaats aan te bieden. Deze
gedachten, zoo gunstig voor den afwezige, kwamen nu bij haar op, met
zulk eene nauwkeurige herinnering aan zijne woorden, blikken en
gebaren, dat zij maar al te diep gevoelde, hoe hare voormalige
afwijzing eerder de uitspraak was geweest van plichtbesef, dan van haar
hart. Isabella peinsde beurtelings over dit onderwerp en het ongeluk
van haren vader na, toen zij, het pad volgende, dat rondom een kleinen,
met struiken bedekten heuvel kronkelde, eensklaps den ouden Blauwrok
ontmoette.

Op eene wijze, alsof hij iets gewichtigs en geheims mede te deelen had,
nam hij de pet af, en den voorzichtigen stap en de zachte stem aan van
iemand, die niet gaarne door vreemden wil gehoord zijn. „Ik heb zeer
gewenscht, u te ontmoeten, Freule, want gij weet, ik durf niet aan huis
komen wegens Dousterswivel.”

„Ik heb inderdaad gehoord,” zeide Isabella Wardour, eene aalmoes in
zijne pet leggende, „ik heb gehoord, dat gij een zeer dwaas, zoo al
niet een zeer slecht iets begaan hebt, Adam, en het deed mij leed dat
te hooren.”

„Zachtjes, schoone dame! – dwaas? – De geheele wereld is dwaas, – en
hoe zou de oude Adam Ochiltree altijd wijs zijn? – En wat het kwaad
aanbelangt, – laat diegenen zeggen, die ooit met Dousterswivel te doen
hebben gehad, of hij één greintje meer gekregen heeft, dan hij
verdient.”

„Dat kan waar zijn, Adam, en toch,” antwoordde Isabella Wardour, „kunt
gij groot ongelijk gehad hebben!”

„Wel, wel! wij zullen dat juist nu niet beslissen; – het is over u
zelve, dat ik gekomen ben om te spreken. – Weet gij, wat het huis van
Knockwinnock boven het hoofd hangt?”

„Een groot ongeluk, vrees ik, Adam!” antwoordde Isabella; „maar ik ben
verwonderd, dat het reeds ruchtbaar is!”

„Ruchtbaar! – Sweepclean, de deurwaarder, zal er vandaag zijn met al
zijne kerels. Ik weet het van een der dienders, die gewaarschuwd is, om
hem hier te ontmoeten, en zij zullen ruw te werk gaan, geloof ik. –
Waar zij knippen, daar is geen kam noodig; – zij scheren kaal genoeg!”

„Zijt gij zeker, Adam, dat dit ongelukkig uur reeds zoo nabij is? – Dat
het komen zal, weet ik!”

„Het is juist zoo als ik zeg! maar wees niet neêrslachtig: – er is een
hemel boven uw hoofd, even goed heden, als in dien verschrikkelijken
nacht tusschen Bally-Burghness en Halket-head. Gelooft gij niet, dat
Hij, die toen de wateren keerde, u tegen kwaadwilligheid der menschen
beschermen kan, al zijn zij met het gezag der wetten gewapend?”

„De hemel is inderdaad nu onze eenige hoop.”

„Gij weet het niet; – gij weet het niet; – als de nacht het donkerst
is, is de dageraad het meest nabij. Als ik een goed paard had, of er op
rijden kon als ik er een had, – geloof ik, dat ik u nog helpen kon. –
Ik dacht een stuk wegs met de brievenpost af te leggen; maar de koets
viel ginds bij Kittlebrig om. Er zat een jonge heer op den bok, en hij
wilde mennen; en Tom Sang, die wijzer had moeten wezen, liet het hem
doen, en de dolle jongen kon den draai niet nemen bij den hoek van de
brug, en daar rijdt hij tegen den hoeksteen en werpt den wagen ten
onderste boven, – even als een legen beker; – het was een geluk, dat ik
er niet boven op zat. – Dus kwam ik hier naar toe, tusschen hoop en
vrees in, om te zien of gij mij zoudt willen verder helpen.”

„En, Adam, – waarheen wildet gij gaan?”

„Naar Tannonburgh,” (het eerste station van Fairport, maar veel nader
bij Knockwinnock), „en dat zonder uitstel; – het is om uw eigen best!”

„Ons eigen best, Adam? Helaas! ik heb geen den minsten twijfel aan uwe
goede bedoeling; maar, –”

„Geene maars, Freule! want ik moet weg!”

„Maar wat wilt gij te Tannonburgh doen? – of hoe kunt gij mijn vader
daar van nut zijn?”

„Inderdaad, schoone dame, gij moet dit kleine geheim aan het grijze
hoofd van den ouden Adam toevertrouwen en er niet naar vragen. – Als ik
op zekeren nacht mijn leven voor u waagde, zal ik nu wel geene reden
hebben, om u te bedriegen in het uur van tegenspoed!”

„Wel, volg mij maar, Adam!” zeide Isabella Wardour; „en ik zal trachten
u naar Tannonburgh te doen brengen.”

„Haast u dan, haast u dan, om alles ter wereld!” en hij bleef er op
aandringen, tot zij het kasteel bereikt hadden.








TWEEËNVEERTIGSTE HOOFDSTUK


                    Mag het zien wie wil; – ik verlang het niet; –
                    Want, was hij al een slaaf van rang en pracht
                    En al den klinkklank, waarvan hem ’t noodlot
                    Nu onverbiddelijk streng doet scheiden;
                    Altijd grieft de blik van ’t ontsteld gelaat,
                    Waar de ijdelheid onder haar nietig floers
                    De rimpels sluiert van berouw en angst.

                                                       Oud tooneelspel.


Toen Isabella Wardour op de plaats van het kasteel kwam, merkte zij
dadelijk, dat de gerechtsdienaren er reeds waren. Er heerschte
verwarring en neêrslachtigheid, verdriet en nieuwsgierigheid onder de
dienstboden, terwijl de gerechtspersonen van de eene plaats naar de
andere gingen en al de goederen opschreven, die volgens de wet in
beslag genomen werden. Kapitein M’Intyre vloog naar haar toe, toen zij,
bij de droevige overtuiging van haars vaders ongeluk, sprakeloos aan de
poort bleef staan.

„Waarde Freule,” zeide hij, „maak u niet ongerust; mijn oom komt
oogenblikkelijk, en ik ben zeker, dat hij eenig middel zal vinden, om
het huis van deze schurken te zuiveren.”

„Helaas, kapitein M’Intyre, ik vrees dat het te laat zal zijn!”

„Neen!” antwoordde Adam ongeduldig. – „Kon ik slechts naar Tannonburgh
komen! In ’s hemels naam, kapitein, tracht op de eene of andere wijze
mij er naar toe te krijgen, en gij zult deze ongelukkige, te grond
gerichte familie den besten dienst doen, die haar sedert de dagen van
de Roodhand bewezen is; – want, zoo zeker als er ooit eene oude
voorspelling uitkwam, zullen het huis en de goederen van Knockwinnock
heden verloren en gewonnen worden.”

„Wat zoudt gij kunnen doen, oude man?” vroeg Hector.

Maar Robert, de oude knecht, op wien Sir Arthur des morgens zoo
ontevreden was geweest, trad, alsof hij wachtte op eene gelegenheid om
zijn ijver aan den dag te leggen, dadelijk vóór, en zeide tot zijne
meesteres: „Met uw verlof, Freule, deze oude Ochiltree is zeer slim en
heeft ondervinding van vele dingen, als het genezen van koeien en
paarden en dergelijke, en ik ben zeker, dat hij niet zonder reden
verlangt vandaag te Tannonburgh te zijn, daar hij er zoo op staat, en
als het u belieft, zal ik hem met de kar er naar toe brengen binnen één
uur tijds! – Ik wilde zoo gaarne van eenigen dienst zijn. – Ik zou mij
de tong kunnen afbijten, als ik aan heden morgen denk.”

„Ik ben u verplicht, Robert!” antwoordde Isabella Wardour; „en als gij
wezenlijk denkt dat het de minste kans oplevert, –”

„In Gods naam!” zei de bedelaar, „span de kar maar in, Robert, en als
ik niet van dienst ben, kunt gij mij over de Kittlebrig werpen als gij
terug komt! – Maar, haast u, man, want de tijd is heden kostbaar!”

Robert zag zijne meesteres aan, terwijl zij zich naar huis begaf, en
ziende dat men het hem niet verbood, vloog hij naar de stallen, welke
aan het plein grensden, om de kar in te spannen; want, ofschoon een
oude bedelaar geen geschikt persoon scheen om, in gevallen van
geldnood, krachtdadige hulp te verleenen, heerschte er nochtans onder
de menschen van Adams kring een groot denkbeeld van zijne
voorzichtigheid en doorzicht, wat Robert’s oordeel rechtvaardigde, dat
hij niet zoo ernstig op zijn tocht zou aangedrongen hebben, indien hij
niet overtuigd geweest ware van de noodzakelijkheid er van. – Maar,
zoodra de knecht de hand aan een paard sloeg, om het voor de kar te
spannen, tikte een gerechtsdienaar hem op den schouder: „Vriend! gij
moet van dat beest afblijven; het staat opgeschreven!”

„Hoe!” zeide Robert; „mag ik mijns meesters paard niet nemen om eene
boodschap voor hem te doen?”

„Gij moogt niets van hier wegnemen,” antwoordde de gerechtsdienaar, „of
gij zult verantwoordelijk zijn voor al de gevolgen.”

„Wat drommel!” riep Hector, die gevolgd was om Ochiltree nader te
ondervragen over den aard van zijne hoop en verwachtingen, en reeds
driftig begon te worden, even als de dashond van zijne vaderlandsche
bergen de haren opsteekt en een voegelijk voorwendsel zoekt, om zijn
ongenoegen lucht te geven, „hebt gij de onbeschaamdheid, om den knecht
van eene jongedame te beletten aan hare bevelen te gehoorzamen?”

Er was iets in de houding en stem van den jongen krijgsman, dat scheen
aan te duiden dat zijne tusschenkomst zich niet tot bloote woorden
bepalen zou; en dat, indien het al bij den uitslag de voordeelen eener
schadevergoeding voor gewelddadigen aanval en weêrstand opleverde,
zeker beginnen zou met de onaangename omstandigheden, die noodig waren
om zulk eene klacht gegrond te maken. De dienaar der wet, die zich dus
tegenover den krijgsknecht gesteld zag, greep met eene onzekere hand
zijn smerigen stok, die strekte om zijn gezag kracht bij te zetten, en
toonde met de andere het kleine stafje, dat hij als gerechtsbode droeg,
met zilver beslagen, en boven van een lossen ring voorzien. – „Kapitein
M’Intyre, – mijnheer! – ik wil geen twist met u; – maar als gij mij in
het uitvoeren van mijn dienst verhindert, zal ik den staf breken, en
mij gewelddadig aangerand verklaren.”

„En wie drommel geeft er wat om,” riep Hector, „of gij u gewelddadig of
weldadig verklaart? – En wat het breken van uw staf, of van den vrede,
of hoe gij het noemt, betreft, alles wat ik er van weet is, dat ik u de
ribben zal breken, als gij den knecht belet de kar in te spannen, om
aan de bevelen van zijne meesteres te gehoorzamen.”

„Ik neem allen, die hier staan, tot getuigen,” zei de gerechtsbode,
„dat ik hem mijn staf toonde en mijn ambt openbaarde; – des menschen
zin is des menschen leven.” – En hij liet zijn raadselachtigen ring van
het eene einde van den staf naar het andere glijden, tot teeken dat hij
gewelddadig belet was in het volvoeren van zijn plicht.

De eerlijke Hector, eerder gewoon aan het slagveld dan aan de vormen
der wet, zag deze geheimzinnige plechtigheid zeer onverschillig aan, en
hij verontrustte zich evenmin, toen de bode ging zitten, om het
procesverbaal van zijne gewelddadige aanranding op te maken. Maar op
dit oogenblik kwam, om den welmeenenden, heethoofdigen Hooglander aan
het gevaar eener zware geldboete te onttrekken, de oudheidkenner
hijgend aanblazen, met zijn zakdoek in zijn hoed en zijne pruik op de
punt van zijn stok.

„Wat drommel is hier te doen?” riep hij uit, haastig zijn hoofdtooi in
orde brengende. „Ik ben u gevolgd, in de vrees van uw leêg, dol hoofd
tegen de eene of andere rots verbrijzeld te vinden, en nu vind ik u
hier, gescheiden van uw Bucephaal, en twistende met Sweepclean! Een
gerechtsbode, Hector, is een erger vijand dan eene Phoca, hetzij het
eene Phoca barbata, of de Phoca vitulina is van uw laatsten
tweestrijd.”

„De drommel hale de Phoca, oom!” antwoordde Hector, „van welk ras ook!
– Ik zeg, de drommel hale alle beide. – Gij zoudt, denk ik, niet willen
hebben, dat ik hier rustig bleef staan en aanzag, hoe een schurk als
deze, omdat hij zich ’s konings bode noemt (de koning heeft, hoop ik,
er menigen beteren voor zijne geringste boodschappen), eene jonge dame
van aanzien en stand, gelijk Freule Wardour, beleedigde?”

„Goed geredeneerd, Hector! maar de koning heeft, gelijk andere lieden,
nu en dan gemeene boodschappen te doen, en (onder ons gezegd), moet hij
ook gemeene kerels hebben om die te verrichten. Maar, verondersteld
ook, dat gij onbekend zijt met de statuten van Koning Willem den Leeuw,
waar capite quarto, versu quinto, deze misdaad van gewelddadigen
weêrstand genoemd wordt despectus domini Regis, eene minachting,
namelijk, van den koning, in wiens naam alle wettelijke vervolgingen
geschieden, kondet gij dan niet uit hetgeen ik mij zooveel moeite gaf u
vandaag in te prenten, begrijpen, dat diegenen, welke gerechtspersonen
storen, die brieven van gevangenneming ten uitvoer brengen, tanquam
participes criminis rebellionis zijn, daar hij, die den weêrspannige
helpt, zelf quodammodo een medeweêrspannige is; – maar ik zal u uit de
klem helpen.”

Hij sprak toen met den bode, die, bij zijne aankomst, alle gedachten op
een buitenkansje wegens gewelddadige aanranding had laten varen, en
zich tevreden stelde met de verzekering van den heer Oldbuck, dat de
kar en het paard binnen den tijd van twee of drie uren behouden terug
zouden zijn.

„Goed,” zei de oudheidkenner, „daar gij wel zoo beleefd wilt zijn, zult
gij eene andere opdracht hebben, die u allerbest voegt, – eene kleine
staatsaangelegenheid; – eene misdaad, strafbaar per legem Juliam,
mijnheer Sweepclean, – hoor eens!”

Na ongeveer vijf minuten met hem afzonderlijk gesproken te hebben, gaf
hij hem een stukje papier over, bij het aannemen waarvan de bode zijn
paard besteeg, en, met een van zijne makkers, op snellen draf wegreed.
De man, die achterbleef, scheen nu zijne werkzaamheden met opzet te
vertragen, ging zeer langzaam met het verrichten van zijne
ambtsbezigheden voort, en met de voorzichtigheid en nauwkeurigheid van
iemand, die gevoelt dat hij nagegaan wordt door een kundigen en
strengen opzichter.

Terzelfder tijd bracht Oldbuck zijn neef, dien hij onder den arm nam,
in huis bij Sir Arthur Wardour, die, wankelend tusschen gekwetsten
trots, angst, en ijdele pogingen om beide onder eene vertooning van
onverschilligheid te verbergen, een belangwekkend maar pijnlijk
onderwerp voor den deelnemenden toeschouwer opleverde.

„Blijde u te zien, mijnheer Oldbuck! – altijd blijde om mijne vrienden
te zien, bij goed of slecht weder,” zei de arme baronet, trachtende
bedaard te schijnen, terwijl zijne gemaakte opgeruimdheid zeer streed
met de zenuwachtige en driftige wijze, waarop hij zijne vrienden de
hand drukte, en met de ontroering, zichtbaar in zijne geheele houding.
– „Ik ben blijde u te zien. – Gij zijt komen rijden, zie ik; ik hoop
dat men, in deze verwarring, goed voor uwe paarden zal gezorgd hebben:
– ik ben er altijd op, gesteld, dat men de paarden van mijne vrienden
goed oppast. – Maar zij zullen het nu wel gedaan hebben; want gij ziet
dat zij mij waarschijnlijk geen van mijne eigene paarden zullen laten,
– ha! ha! ha! mijnheer Oldbuck!”

Deze poging om te lachen ging vergezeld van een krampachtig gegrijns
dat de arme Sir Arthur meende te doen doorgaan voor een onverschilligen
glimlach.

„Gij weet, Sir Arthur, dat ik nooit te paard rijd,” antwoordde de
oudheidkenner.

„Vergeef mij; maar ik ben zeker, dat ik uw neef te paard zag aankomen,
– niet lang geleden. Voor officierspaarden moet men zorg dragen, en het
zijne was zulk een fraaie schimmel, als ik er ooit een gezien heb.”

Sir Arthur ging aan de bel trekken, toen de heer Oldbuck zeide: „Mijn
neef is op uw eigen schimmel gekomen, Sir Arthur!”

„De mijne!” antwoordde de baronet; „was ’t de mijne? dan moet mij de
zon in de oogen geschenen hebben. – Wel, ik ben niet waard een paard te
hebben, nu ik mijn eigen dier niet meer ken als ik het zie.”

„Goede Hemel!” dacht Oldbuck bij zich zelven, „hoe zeer is deze man
veranderd wat de deftigheid van zijne gewone manieren betreft! – hij
wordt dartel in den tegenspoed – sed pereunti mille figurae!” – Hij
zeide daarop: „Sir Arthur, wij moeten noodwendig eens over zaken
spreken.”

„Wel zeker,” zeide Sir Arthur; – „maar het was toch aardig, dat ik het
paard niet herkende, dat ik vijf jaren lang gereden heb, – ha! ha! ha!”

„Sir Arthur,” hernam de oudheidkenner, „laat ons geen tijd verliezen
die zoo kostbaar is; wij zullen, hoop ik, menige betere gelegenheid
vinden om te lachen; – desipere in loco, is de regel van Horatius. – Ik
vrees maar al te zeer, dat al het onheil hier door de schelmstreken van
Dousterswivel bewerkt is.”

„Noem hem niet, mijnheer!” riep Sir Arthur, en zijne gemaakte
vroolijkheid veranderde in razende woede; – zijne oogen vonkelden, zijn
mond schuimde, zijne handen waren krampachtig gesloten; „noem zijn naam
niet, mijnheer!” barstte hij hevig uit, „zoo gij mij niet wilt zien
razen in uwe tegenwoordigheid! Dat ik zulk een ellendige dwaas was, –
zulk een stijfhoofdige nar; – zulk een dier, ja, driemaal stommer dan
een dier, om mij te laten leiden, en drijven, en aansporen door zulk
een schurk, en onder zulke belachelijke voorwendsels – mijnheer
Oldbuck! ik zou mij zelven kunnen verscheuren, als ik er aan denk.”

„Ik wilde slechts zeggen,” antwoordde Oldbuck, „dat deze kerel
waarschijnlijk zijne belooning ontvangen zal; en ik geloof zeker, dat
wij hem uit vrees iets zullen doen bekennen, dat u van dienst kan zijn.
– Hij heeft zeker eenige ongeoorloofde verstandhouding gehad aan den
overkant van het Kanaal.”

„Heeft hij? – Heeft hij dat? – Heeft hij dat inderdaad gehad? – dan,
weg met de meubels, paarden en den geheelen rommel! – Ik ga als een
gelukkig man in de gevangenis, mijnheer Oldbuck! Ik hoop, bij den
Hemel, dat er eenige kans is om hem te zien hangen!”

„Wel, kans genoeg,” antwoordde Oldbuck, die deze afleiding wilde te
baat nemen, om, zoo mogelijk, de hevigheid der gewaarwordingen te
temperen, welke den armen man van zijn verstand schenen te berooven;
„er zijn eerlijker lieden dan hij aan de galg gekomen, of de
gerechtigheid is deerlijk gefopt! – Maar deze uwe ongelukkige zaak – is
er niets te doen? Laat mij de stukken zien!”

Hij nam de papieren, en, terwijl hij ze doorlas, betrok zijn gelaat hoe
langer hoe meer. Isabella Wardour was op dat oogenblik de kamer binnen
getreden, en hare oogen op den heer Oldbuck vestigende, als wilde zij
haar noodlot op zijn gelaat lezen, merkte zij weldra aan de
neêrslachtigheid zijner blikken en aan het zakken van zijne onderlip,
hoe weinig hoop er nog was.

„Wij zijn dus onherstelbaar te grond gericht, mijnheer Oldbuck?”

„Onherstelbaar? – ik hoop van neen; – maar de tegenwoordige
schuldvordering is zeer groot, en waarschijnlijk zullen er nog andere
opdagen?”

„Ja, twijfel daar niet aan, Monkbarns!” zei Sir Arthur; „waar eene
slachting is, daar verzamelen zich de roofvogels. – Ik ben gelijk aan
een schaap, dat in een afgrond gestort, of ziek neêrgevallen is; al is
er veertien dagen lang geen enkele raaf of kraai te zien geweest, zal
het echter geene tien minuten op de heide gelegen hebben, of een half
dozijn van die vogels zijn bezig met hem de oogen uit te pikken,” (en
hij veegde met de hand over zijne eigene oogen), „en om hem het hart
uit het lijf te scheuren, eer de arme drommel den tijd heeft gehad om
te sterven. Maar die verwenschte gier, die zoo lang om mij heen
gevlogen heeft; – gij hebt hem, hoop ik, vast?”

„Vast genoeg!” antwoordde de oudheidkenner. „Die heer wenschte zich van
de vleugels van Aurora te bedienen en nam plaats in (hoe noemt gij de
koets)? – met vier paarden; maar hij zou strikken gereed gevonden
hebben te Edinburg. Hoe het zij, hij kwam zoo ver niet; want de koets
sloeg om, – en hoe kon het goed gaan met zulk een Jonas er in? – Hij
heeft een zwaren val gedaan, is in eene hut bij Kittlebrig gebracht,
en, om alle mogelijkheid van te ontsnappen te voorkomen, heb ik uw
vriend Sweepclean gezonden, om hem, in nomine regis, naar Fairport
terug te brengen, of hem te Kittlebrig tot oppasser te dienen, naar het
uitkomt. – En nu, Sir Arthur, vergun mij een paar woorden over den
tegenwoordigen ongelukkigen toestand van uwe zaken, om te overwegen wat
er gedaan kan worden om dien te verbeteren.” En de oudheidkenner ging
vooruit naar de boekenkamer van den baronet, door den ongelukkigen
edelman gevolgd.

Zij waren ongeveer twee uren te zamen gebleven, toen Isabella Wardour
hen kwam storen, met haren mantel omgeslagen, als gereed om op reis te
gaan. Haar gelaat was bleek, maar drukte nochtans die kalmte van ziel
uit, welke haar eigen was.

„De bode is terug, mijnheer Oldbuck!”

„Wat drommel! hij heeft den kerel toch niet laten ontsnappen?”

„Neen! – hij zegt dat hij hem in hechtenis genomen heeft; en nu is hij
teruggekeerd, om mijn vader te vergezellen, en zegt, dat hij niet
langer wachten kan.”

Op hetzelfde oogenblik werd er een luide woordentwist op de trap
gehoord, waarbij de stem van Hector zich onderscheidde: „Gij, een
gerechtsdienaar! en deze landloopers uw volk! op zijn best een hoop
kleêrmakersknechts! – Dringt niet zoo op elkander, en wij zullen uwe
wezenlijke sterkte kunnen zien!”

De knorrige stem van den gerechtsdienaar hoorde men nu een onduidelijk
antwoord mompelen, waarop Hector hernam: „Kom, kom, dat gaat niet; pak
u weg met uw volk, zoo als gij hen noemt, dadelijk de deur uit, of ik
zal u en hen, staande voets, daarheen zenden, waar gij te huis
behoort!”

„De drommel hale Hector!” riep de oudheidkenner, zich naar de plaats
van den strijd spoedende: „zijn Hooglandsch bloed is weêr aan het
koken, en wij zullen hem nog in een tweegevecht gewikkeld zien met den
deurwaarder. – Kom, mijnheer Sweepclean, gij moet ons een oogenblikje
vergunnen; – ik weet, dat gij Sir Arthur niet zoudt willen
overhaasten.”

„Geenszins, mijnheer!” hernam de deurwaarder, den hoed afnemende,
welken hij opgezet had, om te toonen dat hij de bedreigingen van
kapitein M’Intyre trotseerde; „maar uw neef, mijnheer, voert eene zeer
onbeleefde taal; ik heb het reeds lang genoeg verduurd, en ik ben niet
bevoegd, om mijn gevangene langer hier te laten, volgens de
instructiën, die ik ontvangen heb, tenzij ik betaling ontvang van de
sommen, die hier vermeld staan.” – En hij haalde het bevel ter
inhechtenisneming te voorschijn, met den ontzagwekkenden staf, dien hij
in de rechterhand hield, de verschrikkelijke reeks van cijfers
aanwijzende, die achter op het stuk geschreven stonden.

Hector, van zijn kant, zweeg uit eerbied voor zijn oom, maar
beantwoordde die aanwijzing door zijne vuist tegen den deurwaarder te
schudden met een blik, die zijne echt Hooglandsche woede uitdrukte.

„Dwaze jongen! houd u stil!” zeide Oldbuck, „en kom met mij in de
kamer; – de man doet zijn ellendigen plicht, en gij zult de zaak
slechts erger maken door u te verzetten. – Ik vrees, Sir Arthur, dat
gij dezen man tot Fairport zult moeten vergezellen; dit is vooreerst
niet te verhinderen. Ik zal met u gaan, om te overleggen, wat er verder
kan gedaan worden. Mijn neef zal uwe dochter naar Monkbarns geleiden,
waar ik hoop, dat zij haar verblijf zal willen nemen, tot deze
onaangename zaken geregeld zijn.”

„Ik ga met mijn vader mede, mijnheer Oldbuck! Ik heb zijne kleederen en
de mijne gereed gelegd. – Ik veronderstel, dat wij gebruik van het
rijtuig kunnen maken?”

„Alles wat redelijk is, Freule!” zei de deurwaarder; „ik heb het
besteld, en het staat voor de deur; – ik zal bij den koetsier op den
bok gaan zitten, – ik verlang geenszins om mij op te dringen; maar twee
van het volk moeten ons te paard vergezellen.”

„En ik zal u ook vergezellen,” zeide Hector, en hij snelde naar beneden
om zich een paard te verschaffen.

„Dan moeten wij maar gaan,” zei de oudheidkenner.

„Naar de gevangenis!” zei de baronet, onwillekeurig zuchtende; „en wat
beteekent dat?” hernam hij met gemaakte vroolijkheid; – „het is, in elk
geval, niets meer dan een huis, waaruit men niet komen kan; –
verondersteld dat ik een aanval van jicht had, dan zou Knockwinnock
niets anders zijn. – Wel ja, Monkbarns, wij zullen het een aanval van
jicht noemen, zonder de verwenschte pijnen!”

Maar de tranen kwamen hem in de oogen, terwijl hij sprak, en zijne
stamelende stem toonde genoeg, hoe veel hem deze inspanning kostte. De
oudheidkenner drukte hem de hand, en gelijk de Oost-Indische Banianen,
die door teekens eene gewichtige overeenkomst sluiten, terwijl zij over
onverschillige zaken schijnen te spreken, gaf Sir Arthur zijn vriend,
door het krampachtig beantwoorden van zijn handdruk, zijne dankbaarheid
en zijn wezenlijk zielelijden te kennen. Zij gingen langzaam de
prachtige trap af; – elk overbekend voorwerp deed zich aan den
ongelukkigen vader en zijne dochter nu levendiger en duidelijker voor
dan naar gewoonte, als om zich voor de laatste maal te dieper in hun
geheugen te prenten.

Op het eerste bordes bleef Sir Arthur diep ontroerd staan, en toen hij
opmerkte dat de oudheidkenner hem angstig aanzag, zeide hij met eene
zekere waardigheid: „Ja, mijnheer Oldbuck, men mag het den afstammeling
van een oud geslacht, – den vertegenwoordiger van Richard Roodhand en
van Gamelyn de Guardover, vergeven, dat hij een zucht loost, als hij
het kasteel zijner voorvaderen onder zulk geleide verlaat! Toen ik, in
het jaar 1745, met mijn vader naar den Tower gezonden werd, geschiedde
het ten gevolge van eene beschuldiging, die aan onze geboorte geene
schande aandeed: – het was wegens hoogverraad, mijnheer Oldbuck! – Wij
werden van Highgate af door een detachement van de garde begeleid, en
op bevel van den minister zelven naar de gevangenis gevoerd; en zie mij
nu hier, op mijn ouden dag uit mijne woning gesleept door een ellendig
schepsel als dat!” (wijzende op den bode), „en voor eenige armzalige
ponden, schellingen en stuivers!”

„Ten minste,” zeide Oldbuck, „hebt gij nu het gezelschap van eene
geliefde en minnende dochter, en van een oprechten vriend, als ik mij
zoo noemen mag; en dit mag u tot eenigen troost strekken, behalve de
zekerheid dat er, in dit geval, geen hangen, doodschieten of
vierendeelen te pas kan komen. – Maar ik hoor dien driftigen jongen
weêr zoo luidruchtig aan den gang! Ik hoop, om God’s wil, dat hij zich
niet op nieuw in moeielijkheden zal gewikkeld hebben! – Het was een
verwenscht toeval, dat hem hier bracht!”

Inderdaad, een plotseling geschreeuw, waarbij de harde stem met den
eenigszins Noordschen tongval van Hector zich weêr boven alles verhief,
brak dit gesprek af. De oorzaak er van zullen wij in het volgende
hoofdstuk mededeelen.








DRIEËNVEERTIGSTE HOOFDSTUK


        De fortuin, zegt ge, ontvliedt ons. – Zij draait slechts,
        Gelijk de zeevogel om ’s vogelaars boot, –
        Straks verloren in den mist, straks daarop
        Rakende ’t witte zeil met lichte vleugels,
        Trotseerende het schot. – De ondervinding waakt,
        En houdt haar op het draaiend rad. –

                                                       Oud tooneelstuk.


De triomfkreet was in Hector’s oorlogzuchtigen toon niet licht te
onderscheiden van dien van den aanval. Maar toen hij de trap op kwam
stuiven met een pak in de hand, uitroepende: „Leve een oud soldaat!
hier komt Adam met een heelen zak vol goed nieuws!” werd het duidelijk,
dat de tegenwoordige oorzaak van het rumoer van aangenamen aard was.
Hij gaf den brief over aan Oldbuck, schudde Sir Arthur hartelijk de
hand, en wenschte Isabella Wardour geluk met al de hartelijkheid van
een Hooglander. De deurwaarder, die eene soort van natuurlijken schrik
voor kapitein M’Intyre had, voegde zich bij zijn gevangene, en sloeg
met bezorgdheid al de bewegingen van den krijgsman gade.

„Verbeeld u niet, ellendeling, dat ik mij met u bemoeien zal!” riep
deze „daar is eene guinje voor den schrik, dien ik u aangejaagd heb; en
hier komt een oud soldaat van het 42ste regiment aan, die eene
geschikter partij voor u is, dan ik.”

De gerechtsbode (een van die honden, welke ook den vuilsten brok gretig
inslokken) ving de guinje op, die Hector hem toewierp, en wachtte
voorzichtig en bezorgd den keer af, welken de zaken nu namen. Alle
stemmen waren intusschen luide in vragen, waarop niemand zich haastte
te antwoorden.

„Wat is er te doen, kapitein M’Intyre?” vroeg Sir Arthur.

„Vraag het den ouden Adam,” antwoordde Hector; „ik weet alleen, dat
alles weder in orde is.”

„Wat beteekent dit, Adam?” vroeg Isabella Wardour aan den bedelaar.

„Gij moet het Monkbarns vragen, Freule; want hij heeft de brieven.

„Leve de Koning!” riep de oudheidkenner uit, na den inhoud van het
pakje eventjes ingezien te hebben, en hij smeet, in zijne
opgewondenheid zijn gevoel van betamelijkheid, zijne wijsbegeerte en
zijn phlegma vergetende, zijn opgetoomden hoed in de lucht, waaruit hij
niet terugkeerde, daar hij in den val aan een arm van een kandelaar
bleef hangen. Daarna, vroolijk rondziende, greep hij zijne pruik, die
waarschijnlijk den hoed zou zijn nagezonden, als Adam zijne hand niet
tegengehouden had, uitroepende: „Om ’s hemels wil! hij is gek geworden!
– Bedenk dat Caxon niet hier is, om de schade te herstellen!”

Iedereen drong er nu bij den oudheidkenner op aan, om de oorzaak te
weten van zulk een schielijken overgang, toen hij, eenigszins beschaamd
over zijne verrukking, kortaf, gelijk een vos op het geblaf der
jachthonden, rechtsomkeert maakte en de trap, twee treden tegelijk
opklimmende, naar het bovenste bordes week, waar hij zich omkeerde, en
de verwonderde toehoorders aldus aansprak:

„Mijne vrienden! favete linguis! – Om u bericht te geven, moet ik
volgens de regels der logica, het eerst zelf gekregen hebben en dus zal
ik mij, met uw verlof, in de boekenkamer begeven, om deze papieren te
onderzoeken. – Sir Arthur en Freule Wardour zullen de goedheid hebben
van in de zaal te gaan. – Mijnheer Sweepclean, secede paulisper! of, in
uwe eigene taal: vergun ons een uitstel van vijf minuten. – Hector,
trek af met uwe macht, en laat uwe krijgstrompet elders weêrgalmen. –
En, eindelijk, zijt allen goedsmoeds tot ik terugkom, wat instanter zal
zijn.”

De inhoud van het pakje was inderdaad zoo verrassend, dat men den
oudheidkenner zoowel zijne verrukking als zijne begeerte vergeven mag,
om de mededeeling van alles uit te stellen tot hij het zelf behoorlijk
nagegaan en begrepen had.

In het couvert was een brief, gericht aan den Heer Jonathan Oldbuck,
van Monkbarns, luidende als volgt:



„Waarde Heer! – Aan u, als aan een beproefden en waardigen vriend van
mijn vader, waag ik het mij te wenden, daar ik door dienstzaken, welke
geen uitstel lijden, niet van hier kan. Gij moet thans bekend zijn met
den ongelukkigen toestand van onze zaken; en gij zult, dat weet ik
zeker, met genoegen vernemen, dat ik mij gelukkig en zeer onverwacht in
de gelegenheid gesteld zie, om alles te verhelpen. Ik verneem dat Sir
Arthur strenge maatregelen te duchten heeft, welke lieden, die vroeger
zijne zaakgelastigden geweest zijn, tegen hem genomen hebben; en, op
den raad van een zeer geachten zaakwaarnemer hier, heb ik mij voorzien
van inliggend schrijven, hetwelk ik vertrouw, de procedures staken zal,
tot alle schuldvorderingen wettelijk zullen onderzocht en tot de
wezenlijke waarde teruggebracht zijn. Ik sluit hierbij tevens eenige
banknoten in, te zamen ter waarde van duizend pond sterling, om in de
dringendste vorderingen te voorzien, en verzoek u, als vriend, om ze
daartoe, naar uw oordeel, aan te wenden. Gij zult verwonderd zijn, dat
ik deze moeite van u verg, en het zou u natuurlijker schijnen, dat ik
aan mijn vader over zijne eigene zaken schreef. Maar ik heb tot nog toe
de zekerheid niet verkregen, dat zijne oogen geopend zijn omtrent het
karakter van zekeren persoon, voor wien ik weet, dat gij hem dikwijls
gewaarschuwd hebt, en wiens noodlottige invloed de oorzaak is van de
tegenwoordige rampen. En, daar ik de middelen om Sir Arthur te redden
verschuldigd ben aan de edelmoedigheid van een onvergelijkelijken
vriend, is het mijn plicht, om de zekerste maatregelen te nemen tot
bereiking van het oogmerk, waartoe ze bestemd zijn, en ik ben
overtuigd, dat uw doorzicht en uwe vriendschap daarvoor zorgen zullen.
Mijn vriend, die u hoog schat, wenscht u zijne eigene gevoelens in den
ingesloten brief te ontvouwen. Daar de staat van het postwezen te
Fairport algemeen bekend is, moet ik dezen op Tannonburgh richten; maar
de oude Ochiltree, dien bijzondere omstandigheden als
vertrouwenswaardig aanbevelen, heeft tijding ontvangen, wanneer dit
pakje op laatstgenoemde plaats zal aankomen, en zal voor de verdere,
spoedige terhandstelling zorgen. Ik verwacht weldra in de gelegenheid
te zijn, om mij in persoon te verontschuldigen wegens de moeite, die ik
u veroorzaak, en heb de eer te zijn uw zeer toegenegen dienaar en
vriend, – Reginald Gamelyn Wardour. Edinburg den 6den Augustus 179–.”



De oudheidkenner verbrak haastig het lak van het ingeslotene, welks
inhoud hem evenzeer verraste en verheugde. Zoodra hij zich eenigermate
hersteld had na het lezen van de onverwachte tijdingen, onderzocht hij
zorgvuldig de overige papieren, welke alle betrekking hadden op zaken;
– hij stak de banknoten en brieven in zijn zakboek, en schreef eene
korte kwitantie, om met omgaande post verzonden te worden, – want hij
was buitengemeen ordelijk in geldzaken, – en eindelijk, uitgerust met
al het gewicht zijner tijdingen, ging hij de trap af naar de zaal.

„Sweepclean!” zeide hij, toen hij in de kamer trad, tot dien ambtenaar,
die eerbiedig aan de deur stond, „Sweepclean! gij moet u uit het
kasteel Knockwinnock wegpakken met al uw gevolg, zak en pak! Ziet gij
dit papier, man?”

„Een bevel ter opschorting van verdere proceduren,” zei de deurwaarder
met een teleurgesteld gelaat; „ik dacht wel dat het moeielijk zou gaan,
het tot het uiterste te drijven met zulk een heer als Sir Arthur. Wel,
mijnheer, ik zal met mijn volk optrekken. – En wie zal mij betalen?”

„Zij, die u hierheen zonden,” antwoordde Oldbuck, „zoo als gij zeer wel
weet. – Maar zie hier eene andere expresse; dit is, dunkt mij, een dag
van verrassingen!”

Het was de heer Mailsetter op zijne merrie, van Fairport komende met
een brief voor Sir Arthur, en een anderen voor den deurwaarder, welke
beide brieven, zoo als hij zeide, dadelijk besteld moesten worden. De
deurwaarder opende den zijnen, met de aanmerking dat Greenhorn en
Grinderson goed waren voor zijne onkosten, en dat het een brief van hen
was, waarbij hij verzocht werd, om alle vervolgingen te staken.
Dienovereenkomstig verliet hij dadelijk het vertrek, en vertoefde niet
langer dan noodig was om zijn volk bijeen te brengen, waarna hij,
volgens de uitdrukking van Hector, die zijn vertrek gadesloeg, even als
een knorrende bulhond den aftocht van een afgewezen bedelaar waarneemt,
het bezette land ontruimde.

De brief aan Sir Arthur was van den heer Greenhorn, en eene
zeldzaamheid in zijne soort. Wij deelen dien mede, met de aanmerkingen
van den waardigen baronet.



„Mijnheer! – (o! ik heet niet meer waarde heer; men is de heeren
Greenhorn en Grinderson alleen waard, als men in tegenspoed is), –
Mijnheer, het spijt mij zeer te vernemen bij mijne terugkomst van
buiten, waarheen mij zaken van belang geroepen hadden,” (waarschijnlijk
de wedrennen) „dat mijn compagnon de lompheid heeft gehad, om, in mijne
afwezigheid, de belangen van de heeren Goldiebird te behartigen bij
voorkeur boven de uwe, en u op eene onbetamelijke wijze daarover te
schrijven. Ik verzoek u mijne nederigste verontschuldigingen aan te
nemen, zoo wel als die van den heer Grinderson” – (kom, ik zie dat hij
ook schrijven kan voor zich zelven en voor zijn compagnon), – „en ik
vertrouw, dat gij mij niet zult kunnen in staat achten te vergeten, of
met ondankbaarheid te vergelden de bescherming, welke mijne familie”
(zijne familie! die vervloekte kwast!) „altijd genoten heeft van die
van Knockwinnock. Het doet mij leed, uit een gesprek, hetwelk ik dezer
dagen met den heer Wardour had, te vernemen, dat hij zeer gebelgd is,
en ik moet bekennen, met eenigen schijn van recht. Maar ten einde, zoo
veel als in mijne macht is, het misverstand te herstellen, waarover hij
klaagt,” (een fraai misverstand, om zijn beschermer in de gevangenis te
stoppen!) „heb ik deze expresse afgezonden om alle procedures te
staken, en tegelijk mijne meest eerbiedige verontschuldigingen over te
brengen. Ik heb er alleen nog bij te voegen, dat de heer Grinderson van
gevoelen is, dat, als hij in uw vertrouwen hersteld is, hij
omstandigheden zou kunnen opgeven, die betrekking hebben op de
tegenwoordige schuldvordering van de heeren Goldiebird, en welke het
bedrag daarvan zeer verminderen zouden,” (zoo! zoo! bereid, om den
schurk van weerskanten te spelen!) „en dat er volstrekt geene haast bij
is, om het saldo der rekening met ons te sluiten; terwijl ik ben, zoo
wel voor den heer G. als voor mij zelven, Waarde Heer! (o ja, al
schrijvende is hij gemeenzaam geworden!), „uw zeer verplichte en zeer
nederige dienaar, Gilbert Greenhorn.



„Goed geschreven, mijnheer Gilbert Greenhorn!” zei Monkbarns. „Ik zie
nu dat het zijn nut heeft, twee zaakwaarnemers in ééne firma te hebben.
Hunne bewegingen gelijken op die van het mannetje en het vrouwtje in
een poppenhuisje. Als het fraai weêr is bij degenen, welke zij
bedienen, draait de heer compagnon vooruit om te kwispelstaarten als
een schoothondje; is het weêr slecht, fluks verschijnt de kwaadaardige
broeder, om aan te vallen als een bulhond. – Wel, ik dank den hemel,
dat mijn zaakwaarnemer steeds een opgetoomden hoed draagt, een huis in
de oude stad heeft, zoo bang voor een paard is als ik zelf ben,
Zaterdags in de kolfbaan gaat, Zondags naar de kerk, en, geen compagnon
hebbende, slechts zijne eigene dwaasheden behoeft goed te maken.”

„Men vindt toch eenige pennelikkers, die zeer brave kerels zijn,” zeide
Hector; „ik zou wel eens iemand willen hooren zeggen dat mijn neef,
Donald M’Intyre, de zevende zoon van Strathtudlem, (de andere zes zijn
in dienst), geen eerlijke kerel was!”

„Zonder twijfel, zonder twijfel, Hector! dat zijn al de M’Intyres; –
zij hebben dat bij ingeving, man! Maar, ik wilde zeggen dat in een
beroep, waarmede noodwendig een onbegrensd vertrouwen gepaard gaat, het
niet te verwonderen is, dat er dwazen zijn, die het in hunne
lichtzinnigheid verwaarloozen, en bedriegers, die het in hunne
slechtheid misbruiken. – Maar des te grooter eer is het voor degenen,
en ik wil er voor menigeen instaan, die rechtschapen eerlijkheid met
kunde vereenigen, en eerlijk en kordaat hunne zaken verrichten, terwijl
er zoo vele strikken en struikelbokken zijn voor mannen van een minder
vast karakter. Aan de eerstgemelden mogen hunne medeburgers veilig de
zorg en bescherming van hunne rechten toevertrouwen, en hun vaderland
de meer heilige bewaking van zijne wetten en voorrechten.”

„Zij zijn er nochtans het beste aan toe, die er het minste meê te doen
hebben,” zeide Ochiltree, die het hoofd om de deur gestoken had; want,
in de algemeene verwarring van het huisgezin waren de dienstboden,
gelijk de golven als de orkaan voorbij is, nog niet binnen de juiste
palen teruggekeerd, maar doorkruisten het huis in alle richtingen.

„Aha, getrouwe! zijt gij daar?” zei de oudheidkenner. „Sir Arthur!
vergun mij dat ik den geluksbode binnen brenge, ofschoon hij slechts
een lamme bode is. Gij spraakt van de roofvogels, die den slag van
verre ruiken; maar hier is eene blauwe duif, (wel van de oudste en
taaiste, dat beken ik), die het goede nieuws zes of zeven mijlen ver
bespeurde, in de kar daarheen vloog, en met den olijftak terugkeerde.”

„Gij hebt dat den armen Robert te danken, die mij reed, – de arme
schelm!” zei de bedelaar; „hij vreest, dat hij in ongenade bij de
Freule en Sir Arthur is.”

Men zag het berouwvol en verlegen gelaat van Robert over den schouder
van den bedelaar.

„In ongenade bij mij?” vroeg Sir Arthur; – „hoe zoo?” – want hij was
reeds lang vergeten, hoe hij zich over het geroosterd brood driftig
gemaakt had. – „O, nu herinner ik mij – Robert! ik had mij boos
gemaakt, en gij hadt ongelijk; – ga naar uw werk, en antwoord nooit een
meester, die in drift tot u spreekt.”

„En evenmin iemand anders,” zei de oudheidkenner; „want een zacht
antwoord verdrijft de gramschap.”

„En zeg uwe moeder, die zoo met de jicht geplaagd is, dat zij morgen
bij de huishoudster moet komen,” zeide Isabella Wardour, „en wij zullen
zien, wat er voor haar gedaan kan worden.”

„God zegene u,” zei de arme Robert, „en Sir Arthur, en den jongen heer,
en het huis van Knockwinnock in al zijne vertakkingen; – het is altijd
een goed huis voor de armen geweest, – al vele honderd jaren lang.”

„Daar!” zei de oudheidkenner tegen Sir Arthur, – „wij willen geen twist
maken; – maar daar ziet gij, hoe de dankbaarheid van de arme lieden
zich natuurlijk wendt tot de burgerlijke deugden van uw geslacht. Gij
hoort hen niet spreken van Roodhand of van Hel in het Harnas. Ik voor
mij, ik moet zeggen: Odi accipitrem qui semper vivit in armis, – laat
ons dus in vrede eten en drinken en vroolijk zijn, heer ridder!”

Weldra was er eene tafel in de zaal gedekt, waaraan het opgeruimd
gezelschap plaats nam, om eenige ververschingen te gebruiken. Op het
verzoek van Oldbuck werd aan Ochiltree vergund, bij het buffet te
zitten op een grooten, lederen stoel, gedeeltelijk achter een scherm
verborgen.

„Ik sta dit te gereeder toe,” zeide Sir Arthur, „omdat ik mij herinner,
dat in de dagen van mijn vader deze stoel toebehoorde aan Ailshie
Courlay, die, voor zoo ver ik weet, de laatste nar was, die bij eenige
aanzienlijke familie in Schotland gehouden werd.”

„Wel, Sir Arthur,” antwoordde de bedelaar, die nooit een oogenblik
aarzelde tusschen zijn vriend en zijne scherts, „menig verstandig man
zit nu op den stoel van een dwaas, en menige dwaas op dien van een
verstandig man, vooral in familiën van aanzien.”

Isabella Wardour, vreezende voor de uitwerking, welke dit gezegde
(hoezeer ook Ailshie Courlay of iederen anderen bevoorrechten nar
waardig) zou kunnen hebben op het zenuwgestel van haren vader, haastte
zich te vragen, of men geen bier en rundvleesch zou uitdeelen aan de
dienstboden en aan het volk, dat het nieuws om het kasteel verzameld
had.

„Zeker, mijn lieve!” zeide haar vader; „wanneer ging men ooit anders in
ons geslacht te werk, na het opheffen van een beleg?”

„Ja, een beleg, ondernomen door Saunders Sweepclean den deurwaarder, en
opgebroken door Adam Ochiltree den ouden bedelaar: – par nobile
fratrum!” zeide Oldbuck, „en wel geschikt voor elkander ten aanzien van
stand! Maar bekommer u daar niet om, Sir Arthur! – dat zijn van die
belegeringen en ontzetten, welke onze tijden medebrengen; – en onze
verlossing is daarom niet minder waard om gevierd te worden met een
glas van dezen voortreffelijken wijn. Op mijn woord, het is Bourgonje,
geloof ik.”

„Als er iets beters in den kelder ware,” zeide Isabella Wardour, „zou
het toch te gering zijn om u te onthalen, na uwe vriendelijke
bemoeiingen.”

„Zegt gij dat?” zei de oudheidkenner. – „Welaan dan, eene teug van
dankzegging zij u toegebracht, mijne schoone vijandin! en dat gij
weldra moogt belegerd worden op de wijze, die de dames het liefst
hebben, en dat gij de capitulatie moogt teekenen in de kapel van
Sint-Winnox.”

Isabella Wardour bloosde, Hector ook, en werd daarop bleek.

Sir Arthur antwoordde: „Mijne dochter is u zeer verplicht, Monkbarns,
maar, tenzij gij haar zelf wilt nemen, weet ik inderdaad niet, hoe de
dochter van een armen baronet een man zou vinden in deze baatzuchtige
tijden.”

„Ik, Sir Arthur? – Neen, ik niet; ik wil het voorrecht inroepen van het
tweegevecht, en, als zelf onbekwaam zijnde om mijne schoone tegenpartij
te ontmoeten, zal ik door een kampvechter verschijnen; – maar hierover
een andermaal! – Wat vindt gij in die nieuwspapieren, Hector, dat gij
er met uw hoofd op ligt, alsof uw neus bloedde?”

„Niets bijzonders, oom, dan dat ik, daar mijn arm nu bijna geheel
hersteld is, u binnen een dag of twee van mijn gezelschap denk te
verlossen en naar Edinburg te gaan. Ik zie, Majoor Neville is daar
aangekomen; – ik wilde hem gaarne ontmoeten.”

„De majoor – wie?”

„De majoor Neville, oom!”

„En wie drommel is de majoor Neville?”

„O, mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, „gij moet u herinneren zijn
naam dikwijls in de dagbladen gelezen te hebben; – een zeer uitmuntend
jong officier. Maar het is mij een genoegen te kunnen zeggen, dat de
heer M’Intyre Monkbarns niet behoeft te verlaten om hem te zien; want
mijn zoon schrijft mij dat de majoor met hem op Knockwinnock zal komen,
en ik behoef er niet bij te voegen, hoe gelukkig ik mij achten zal, de
heeren met elkander bekend te maken, bijaldien zij elkander niet reeds
kennen.”

„Neen, persoonlijk niet,” antwoordde Hector; „maar ik ben in de
gelegenheid geweest zeer veel van hem te hooren, en wij hebben vele
gemeenschappelijke vrienden, van wie uw zoon er één is. – Maar ik moet
gaan, want ik zie dat mijn oom mij begint moede te worden, en ik ben
bang, –”

„Dat gij zelf hem moede zult worden?” viel Oldbuck in. – „Ik vrees, dat
er geen bidden meer helpen zal. Maar gij hebt vergeten dat de heerlijke
twaalfde Augustus nadert, en dat gij afgesproken hebt, om één van Lord
Glenallans jachtopzieners, de hemel weet waar, te ontmoeten, ten einde
de vreedzame vogels te vervolgen.”

„Dat is zoo, dat is zoo, oom! – ik dacht er niet om,” riep de
lichtzinnige Hector. – „Maar gij zeidet daar juist iets, dat mij alles
deed vergeten.”

„En, met verlof van de heeren,” zei de oude Adam, zijn grijs hoofd van
achter het scherm uitstekende, waar hij zich volop met bier en koud
vleesch te goed gedaan had, – „en, met verlof van de heeren, ik kan u
iets vertellen, wat den kapitein bij ons zal houden, evenzeer als de
jacht. – Hebt gij niet gehoord dat de Franschen komen?”

„De Franschen, domkop?” antwoordde Oldbuck, „bah!”

„Ik heb den tijd niet gehad,” zeide Sir Arthur Wardour, „om mijne
officiëele briefwisseling deze week in te zien. – Inderdaad, over het
algemeen heb ik mij tot regel gemaakt, om die alleen ’s Woensdags te
lezen, uitgezonderd in dringende gevallen, want ik doe alles
stelselmatig; – maar met een enkelen blik dien ik in mijne brieven
sloeg, merkte ik, dat er eenige ongerustheid daaromtrent gekoesterd
werd.”

„Ongerustheid?” zeide Adam, – „zeker is er ongerustheid; want de
provoost heeft bevolen, dat de brandstoffen tot het alarmvuur op het
Halket-head, (die reeds voor een halfjaar hadden moeten gereed zijn,)
in aller ijl zouden worden klaar gemaakt, en de Raad heeft niemand
anders dan den ouden Caxon zelven benoemd om er het opzicht over te
hebben. Sommigen zeggen dat deze benoeming geschied is uit beleefdheid
jegens den Luitenant Taffril; want het is zeker, dat hij met Jenny
Caxon trouwen zal; – sommigen zeggen dat het is, om u en Monkbarns te
behagen, die zijne pruiken dragen, – en sommigen zeggen dat er een oud
historietje bij is van eene pruik, welke een van de raadsleden heeft
laten maken, en die nooit betaald is geworden. – Hoe het zij, daar zit
hij nu als een vogel op den top van de klip, om te krassen als er
slecht weêr opkomt.”

„Op mijn woord, een fraaie wachter!” zeide Monkbarns; „en wat zal er in
al dien tusschentijd van mijne pruik worden?”

„Ik heb Caxon dezelfde vraag gedaan,” antwoordde Ochiltree, „en hij
zeide mij, dat hij er elken morgen naar kon komen zien en ze eventjes
opmaken, vóórdat hij naar bed ging, want er is iemand anders, om over
dag de wacht te houden; en Caxon zegt, dat hij de pruik van mijnheer
even goed slapende als wakende opmaken kan.”

Dit nieuws gaf eene andere wending aan het gesprek, dat nu liep over de
nationale verdediging en den plicht om voor het land te strijden,
waarin men woont; dit duurde tot het tijd werd om te scheiden. De
oudheidkenner en zijn neef begonnen hunne wandeling huiswaarts, nadat
zij afscheid genomen hadden van de bewoners van Knockwinnock met de
hartelijkste uitdrukkingen van wederkeerige achting, en met de afspraak
om elkander zoodra mogelijk weêr te zien.








VIERENVEERTIGSTE HOOFDSTUK


                Neen, zoo zij mij niet bemint, verlang ik haar niet;
                Zal ik wegkwijnen, omdat zij weelderig bloeit?
                Zuchten omdat zij lacht, – glimlacht tegen anderen?
                Ik niet, bij den Hemel! Mijn rust is mij te waard,
                    Om die, gelijk de pluimen op haar hoofd,
                    Te laten verstoren door hare grillen.

                                                       Oud tooneelspel.


„Hector!” zeide zijn oom tegen kapitein M’Intyre op hunne wandeling,
huiswaarts, „ik betrap me somtijds op het vermoeden, dat gij, in één
opzicht, een dwaas zijt.”

„Als gij dit slechts in één opzicht gelooft, oom, ben ik zeker dat gij
mij genadiger behandelt, dan ik verwachtte of verdiende.”

„Ik meen in ééne bijzonderheid, par excellence,” hernam de
oudheidkenner; „ik verbeeld me soms, dat gij een oog hebt laten vallen
op Isabella Wardour.”

„Wel, oom!”

„Wel, nu! De drommel hale hem, de knaap antwoordt mij, alsof het de
verstandigste zaak ter wereld was, dat hij, een kapitein bij het leger
en anders niets, de dochter van een baronet zou willen trouwen!”

„Ik heb de verwaandheid te gelooven, oom, dat het freule Wardour niet
vernederen zou, wat de familie betreft.”

„De Hemel beware ons van op dit stuk te komen! – neen, neen, beiden
gelijk; beiden op den top van den berg van Heidenschen adeldom, en
gerechtigd om uit de hoogte neder te zien op elken roturier in
Schotland!”

„En in vermogen zijn wij ook tamelijk gelijk, daar wij geen van beiden
iets hebben,” vervolgde Hector. „Het is mogelijk dat ik dwaal; maar van
verwaandheid mag ik niet beschuldigd worden.”

„Daarin dan bestaat uwe dwaling, dewijl gij het zoo noemt,” antwoordde
zijn oom, „dat zij u niet hebben wil, Hector!”

„Inderdaad niet, oom?”

„Zeer zeker, Hector! en om het dubbel zeker te maken, moet ik u zeggen
dat zij iemand anders bemint. Zij begreep eens eenige woorden, die ik
haar zeide, verkeerd, en sedert heb ik den zin kunnen gissen, dien zij
er aan gaf. Op het oogenblik zelf kon ik mij geene reden geven van hare
ontroering en haar blozen; maar nu, mijn arme Hector, duidt het mij den
dood aan van uw wenschen en hopen. – Ik raad u dus, om den aftocht te
blazen en met al uwe strijdkrachten af te trekken; want de sterkte is
te goed bemand, dan dat gij die zoudt kunnen bestormen.”

„Ik ben niet in de noodzakelijkheid, oom, van een aftocht te blazen,”
zeide Hector, zich zeer recht houdende, en met eene soort van misnoegde
en beleedigde deftigheid voortstappende; „de man, die nooit voorwaarts
rukte, behoeft zich ook niet terug te trekken. Er zijn vrouwen genoeg
in Schotland van goede familie, behalve freule Wardour –”

„En van beteren smaak ook,” zeide zijn oom; „zonder twijfel zijn er
die, Hector; en, ofschoon ik niet anders zeggen kan dan dat zij eene
van de liefste en verstandigste meisjes is, die ik ooit gezien heb,
geloof ik echter, dat vele van hare verdiensten aan u zouden verspild
zijn. Eene in het oog vallende figuur, met twee bonte pluimen op het
hoofd, – de eene groen de andere blauw; die een rijkleed zou willen
dragen van de kleuren van het regiment, den éénen dag een rijtuig
mennen en den volgenden dag het regiment in oogenschouw nemen op den
grijzen, dampigen hit, welke de wagen trok, hoc erat in votis. – Dit
zijn de hoedanigheden, die u treffen zouden voornamelijk als zij
eenigen smaak in de natuurlijke historie had, en van eene phoca hield!”

„Het is wel hard, oom, dat ik bij elke gelegenheid dien verwenschten
zeehond naar mijne ooren moet krijgen; – maar ik geef er niet om, – en
ik zal niet treuren om Freule Wardour. Zij kan kiezen, wien zij wil, en
ik wensch haar alle mogelijk geluk!”

„Grootmoedig besloten, gij steun van Troje! Wel Hector! ik zag een
tooneel te gemoet; – uwe zuster zeide mij, dat gij op Isabella Wardour
wanhopig verliefd waart!”

„Oom! gij zoudt mij niet wanhopig verliefd willen zien op een meisje,
dat mij niet hebben wil?”

„Wel, neef!” zei de oudheidkenner ernstiger; „er is zeer veel gezond
verstand in hetgeen gij zegt; en ik zou voor twintig of vijf-en-twintig
jaren, heel wat gegeven hebben, om zoo te kunnen denken als gij nu
doet.”

„Een ieder, veronderstel ik, kan over dergelijke onderwerpen denken zoo
als hem goeddunkt,” antwoordde Hector.

„Niet volgens de leer der oude school,” zeide Oldbuck; „maar, zoo als
ik u te voren zeide, de hedendaagsche handelwijze schijnt in dit geval
de voorzichtigste, ofschoon, dunkt mij, niet juist de meest
belangwekkende. – Maar zeg mij nu uwe gedachten over het gerucht van
een inval. – Men wil nog steeds, dat zij komen?”

Hector, den spijt verkroppende, dien hij, uit vrees voor den spot van
zijn oom, zoo zorgvuldig mogelijk trachtte te verbergen, liet zich
gereedelijk in een gesprek in, dat de gedachten van den oudheidkenner
van Isabella Wardour en den zeehond afleidde. Dus bereikten zij
Monkbarns, en daar werd ook het teedere onderwerp vergeten bij het
verhaal, dat men aan de dames te doen had, van hetgeen er op het
kasteel was voorgevallen, en het tegenbericht, dat men moest aanhooren,
van hoe lang het vrouwvolkje gewacht had, eer zij, in de afwezigheid
van den oudheidkenner, het gewaagd hadden aan tafel te gaan.

Den volgenden morgen stond Oldbuck vroegtijdig op, en daar Caxon nog
niet verschenen was, begon hij innerlijk het gemis te voelen van het
nieuws en de loopende praatjes, waarvan de oude kapper een getrouwe
overbrenger was, en die hem door gewoonte even noodzakelijk geworden
waren als het snuifje, dat hij van tijd tot tijd nam, ofschoon hij
volhield, dat hij aan beide evenveel, en niet meer waarde dan ze
verdienden, toekende. Het onaangenaam gevoel der leêgte bij eene
dergelijke ontbering natuurlijk, werd verlicht door de verschijning van
Adam Ochiltree, die langs de geschorene iepenboomen en palmheggen
slenterde, als iemand, die geheel en al op Monkbarns te huis behoorde.
En zoo gemeenzaam was hij inderdaad in de laatste dagen geworden, dat
Juno zelfs hem niet aanblafte, maar zich vergenoegde met hem nauwkeurig
en waakzaam in het oog te houden. Onze oudheidkenner stapte in zijne
kamerjapon naar buiten en ontving en beantwoordde dadelijk zijn groet.

„Zij komen nu in goeden ernst, Monkbarns! – Ik kom van Fairport om u
dit nieuws te brengen, en ga dan weer terug. – De Search is op de ree,
en de Fransche vloot, zeggen ze, heeft jacht op haar gemaakt.”

„De Search?” zeide Oldbuck, zich een oogenblik bedenkende. „Zoo!”

„Ja, ja, kapitein Taffril’s brik, de Search.”

„Wat! is die verwant met Search N°. 2?” riep de oudheidkenner, zich den
naam op het deksel van de geheimzinnige kist vol zilver herinnerende.

De bedelaar hield, gelijk iemand die op eene snakerij betrapt wordt, de
pet voor het gezicht, maar kon zich niet weêrhouden van hartelijk te
lachen. „Gij zijt maar al te slim, Monkbarns! men behoeft u niet te
vertellen dat twee maal twee vier is. – Wie had kunnen denken, dat gij
dit en dat zoudt hebben kunnen rijmen? – Daar ben ik er nu ingeloopen!”

„Ik zie het alles,” zeide Oldbuck, „zoo duidelijk, als het randschrift
van een goed bewaard muntstuk! – De kist, waarin de zilveren staven
gevonden werden, behoorde aan de oorlogsbrik, en de schat aan mijn
feniks?” (Adam knikte van ja.) – „En werd daar begraven met het doel om
Sir Arthur uit zijne verlegenheid te redden?”

„Door mij,” zeide Adam, „en twee matrozen van de brik; – maar zij
wisten niet wat er in de kist zat, en zij dachten dat het eene kleine
smokkelpartij was waarbij de kapitein belang had. Ik waakte dag en
nacht, tot ik het in de rechte handen zag; en toen ik daarop dien
drommelschen landlooper naar het deksel zag staren, als een hond naar
de plaats waar het wild gelegen heeft, gaf mij, denk ik, de duivel in,
om hem ginds die poets te spelen. – Nu ziet gij dat, als ik iets meer
of minder aan den Baljuw Littlejohn gezegd had, de geheele historie zou
hebben moeten uitlekken; en dat zou den heer Lovel gespeten hebben, –
en daarom dacht ik, wil ik veel liever alles afwachten, wat er van
kome.”

„Ik moet zeggen dat zijne keuze van een vertrouweling goed, ofschoon
eenigszins vreemd was.”

„Ik kan van mij zelven verklaren, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar,
„dat ik de geschiktste man ben in het geheele land, om geld aan toe te
vertrouwen; want ik behoef het niet, en verlang het niet, en zou het
niet kunnen gebruiken als ik het had. Maar de jongen had niet veel
keus; want hij dacht dat hij het land voor altijd ging verlaten, (ik
hoop, dat hij zich vergist heeft,) en het was reeds nacht, toen wij,
door een vreemd toeval, de verlegenheid van Sir Arthur vernamen, en
Lovel moest met den dageraad aan boord zijn. Maar vijf nachten daarna
liep de brik weêr binnen, en ik ontmoette de boot volgens afspraak, en
wij begroeven den schat, waar gij hem gevonden hebt.”

„Het was een zeer romantisch en dwaas stuk!” hernam Oldbuck „Waarom mij
niet, of eenigen anderen vriend in zijn vertrouwen genomen?”

„Het bloed van uw zusters zoon lag op zijn geweten, en misschien zijn
dood; – hoe weinig tijd had hij om raad in te winnen? – of hoe kon hij
hem van u vragen – en door wien?”

„Gij hebt gelijk. – Maar hoe, als Dousterswivel u vóór geweest ware?”

„Er was weinig vrees, dat hij zonder Sir Arthur komen zou; – hij had
den vorigen nacht een geduchten schrik gehad, en zou de plaats nooit
meer genaderd zijn, zoo hij er niet toe was genoodzaakt. Hij wist zeer
goed dat, wat de eerste maal gevonden werd, door hemzelven daar
verstopt was, en hoe kon hij verwachten op dezelfde plaats iets meer te
vinden? Hij had het maar gedaan om Sir Arthur nog meer te plukken.”

„Maar hoe,” zeide Oldbuck, „zou Sir Arthur anders daarheen gekomen
zijn, als de goudzoeker hem er niet gebracht had?”

„O!” antwoordde Adam droogjes, „ik had eene historie omtrent Misticot,
die hem, of u, veertig mijlen ver zou gebracht hebben. Daarbij was het
te denken, dat hij zich de moeite zou geven, om de plaats te
onderzoeken, waar hij het geld gevonden had; – hij wist het fijne van
dat stukje niet. In ’t kort, daar het zilver in staven, Sir Arthur in
de uiterste verlegenheid was, en Lovel besloten had dat hij nooit de
hand zou kennen, die hem hielp, – want daar stond hij op, – konden wij
geen beter middel bedenken, om hem den schat in handen te spelen, hoe
wij er ook over tobden. En, als door eenig toeval Dousterswivel zijne
klauwen er aan geslagen had, zou ik dadelijk u of den Sheriff van de
geheele historie kennis hebben gegeven.”

„Wel, in weêrwil van al deze wijze voorzorgen, geloof ik, Adam, dat uw
plan beter gelukt is dan het verdiende. Maar hoe drommel kwam Lovel aan
zulk eene menigte zilveren staven?”

„Dat is juist, wat ik niet zeggen kan; – maar zij werden waarschijnlijk
met zijne goederen te Fairport aan boord gebracht, en wij deden ze in
eene der ammunitiekisten van de brik, om ze te verbergen en om ze
gemakkelijk te vervoeren.”

„Goede hemel!” zeide Oldbuck, zijne eerste kennismaking met Lovel
herdenkende, „en voor dezen jongen, die dus honderden te verspillen
heeft, moest ik de vertering van het veer betalen! Nooit meer betaal ik
de vertering voor iemand, wie het ook zij; – dat is uitgemaakt! – En
gij waart steeds in briefwisseling met Lovel, veronderstel ik?”

„Ik kreeg juist één stukje papier van hem, om te zeggen, dat er
gisteren een pakje te Tannonburgh zou zijn met brieven van groot
gewicht voor de familie van Knockwinnock; want zij vreesden het openen
der brieven te Fairport. – En dat was goed, want ik hoor dat jufvrouw
Mailsetter haar post kwijt raakt, omdat zij de zaken van anderen
bespiedt en hare eigene verwaarloost.”

„En wat verwacht gij nu, Adam, voor uwe hulp als raadsman en bode, als
wachter en vertrouweling in al deze bedrijven?”

„Wel, wat zou ik verwachten? – uitgezonderd dat al de heeren op de
begrafenis van den ouden bedelaar zullen komen; – en mogelijk wel,
Monkbarns, zult gij zelf mijn hoofd in het graf willen leggen, zoo als
gij dat deedt voor den armen Steven Mucklebackit. – Wat ik gedaan heb,
kostte mij geene moeite; ik was toch altijd op het pad. – O, maar ik
was toch blij, toen ik uit de gevangenis kwam; want, dacht ik bij mij
zelven, hoe zal het gaan, als die ongelukkige brief komt, terwijl ik
hier opgesloten zit als eene oester, en alles ten onderste boven gaat,
omdat zij hem niet krijgen; en dan dacht ik, moest ik mijn hart lucht
geven en er u van vertellen; maar dan weêr kon ik het niet goed doen,
zonder tegen het stellige bevel van den heer Lovel te handelen, en ik
rekende dat hij nog iemand te Edinburg zien moest, eer hij doen kon,
wat hij doen wilde voor Sir Arthur en zijne familie.”

„Wel, – en nu uw staatkundig nieuws, Adam? – De Franschen komen nog
altijd, – niet waar?”

„Ja, dat zegt men, mijnheer, en er zijn stellige bevelen gekomen voor
de krijgsmacht en de vrijwilligers om zich gereed te houden; en er moet
ook nog een dappere jonge officier komen, om onze verdedigingsmiddelen
op te nemen. – En ik zag de meid van den Baljuw zijne bandelieren en
leêren broek poetsen; – ik hielp haar een handje, want gij kunt wel
denken dat het haar niet te best afging, en zoo kreeg ik al het nieuws
voor mijne moeite.”

„En wat denkt gij er van, als oud soldaat?”

„Inderdaad, ik weet niet; – indien er zoo veel komen, als men zegt,
zullen wij de handen vol hebben. – Maar er zijn vele flinke jongens
onder de vrijwilligers; en ik moet niet veel zeggen van hen, die niet
zoo flink en vlug meer zijn, omdat ik zelf daaronder behoor. – Maar wij
zullen ons best doen.”

„Hoe, Adam! uw krijgsmansgeest ontwaakt weêr? Het oude vuur gloeit nog
in de asch! Ik zou niet gedacht hebben, Adam, dat gij veel hadt om voor
te vechten?”

„Ik niet veel om voor te vechten, mijnheer? – Kan ik dan niet voor het
land vechten, en voor de mooie beekjes, waar langs ik zoo dikwijls
slenter, en voor het vee der huismoeders, die mij mijn stuk brood
geven, en voor de kindertjes, die aan komen huppelen om met mij te
spelen, als ik in de buurt kom? – Ik ben des duivels, mijnheer!”
vervolgde hij, met groote hevigheid zijn staf grijpende, „als mijne
krachten ten minste even goed als mijn wil zijn, en ik voor eene goede
zaak strijd, als ik hun niet wat te doen geef!”

„Bravo, bravo, Adam! het vaderland is nog niet in het uiterste gevaar,
als de bedelaar even gereed is voor zijn stuk brood te vechten, als de
landeigenaar voor zijn grond!”

Hun gesprek kwam nu terug op de bijzonderheden van den nacht, dien de
bedelaar en Lovel in de bouwvallen van St. Ruth doorbrachten en waarvan
de beschrijving den oudheidkenner ten hoogste vermaakte.

„Ik zou eene guinje willen gegeven hebben,” zeide hij, „om dien
bedriegelijken landlooper in den doodsangst te zien, welken zijne
kwakzalverij soms bij anderen doet ontstaan, en hem beurtelings te zien
beven voor de woede van zijn patroon en voor de vrees van de
verschijning van een spook.”

„Werkelijk,” zei de bedelaar, „waren er oogenblikken voor hem om bang
te zijn; want gij zoudt gedacht hebben, dat de geest van Hel in ’t
Harnas Sir Arthur bezielde. – Maar wat zal er van dien landlooper
worden?”

„Ik heb heden morgen een brief ontvangen, waaruit ik verneem dat hij u
vrijspreekt van de beschuldigingen, die hij tegen u inbracht, en
aanbiedt om ontdekkingen te doen, die de vereffening van Sir Arthur’s
zaken veel gemakkelijker zullen maken, dan wij dachten. – Zoo schrijft
de Sheriff, en voegt er bij, dat hij iets van groot gewicht aan het
Gouvernement medegedeeld had, om welke reden men hem vrij zal laten
gaan, om den schurk in zijn eigen land te spelen.”

„En de fraaie werktuigen, en raderen, en de holen en gangen ginds te
Glenwithershins, wat zal daarvan worden?”

„Van hun knoeituig zullen, hoop ik, de werklieden, eer zij uiteen gaan,
een groot vuur stoken, even als een leger zijn geschut vernagelt, als
het een beleg moet opbreken. En wat de holen betreft, Adam, deze laat
ik als rattenvallen ten behoeve van den eersten wijzen man, die,
hetgeen hij heeft, verkiest te laten vallen om naar eene schaduw te
grijpen!”

„Wel, mijnheer! God beware ons! de werktuigen verbranden? Dat zou
groote verkwisting zijn. Zou het niet beter zijn dat gij, uit den
verkoop van den voorraad, een gedeelte van uwe honderd pond zaagt terug
te krijgen?” vervolgde hij op den toon van geveinsde deelneming.

„Geen duit!” riep de oudheidkenner gramstorig, terwijl hij zich van hem
afwendde en een paar schreden ver ging. Toen keerde hij terug, en half
glimlachende over zijne eigene lichtgeraaktheid, voegde hij er bij: „Ga
in huis, Adam, en volg mijn raad: spreek nooit tegen mij van de
mijnwerken, of tegen mijn neef Hector van eene Phoca, dat is van een
zeehond, zoo als gij dien noemt!”

„Ik moet nu naar Fairport terug gaan,” zei de bedelaar; „ik moet
hooren, wat men daar van den inval vertelt; – maar ik zal onthouden wat
gij mij gezegd hebt, en niet tegen u spreken van een zeehond, of tegen
den kapitein van de honderd pond, die gij aan Douster –”

„Verwenschte schelm! – ik verzocht u daar niet van te reppen tegen
mij!”

„Mijn lieve!” zeide Adam met gemaakte verwondering, „ik dacht dat er
niets was, dat u aanstoot kon geven in een vriendschappelijk gesprek,
dan alleen dat, wat betrekking had tot het Praetorium ginds, of tot het
driestuiversstuk, dat u de kramer voor eene oude munt verkocht?”

„Onzin! onzin!” zei de oudheidkenner, terwijl hij zich haastig van hem
afwendde en naar huis terugkeerde.

De bedelaar keek hem een oogenblik na, en betrad weder met een
schaterenden lach, als dien, welken een ekster of papegaai na het
volvoeren van eenigen streek laat hooren, den weg naar Fairport. De
gewoonte had hem eene soort van ongedurigheid gegeven, die zeer
vermeerderd werd door het vermaak, dat hij er in schepte, om nieuws te
verzamelen; en in korten tijd had hij de stad bereikt, die hij in den
morgenstond verlaten had, om geene andere hem bekende reden, dan juist
„om een praatje te maken met Monkbarns.”








VIJFENVEERTIGSTE HOOFDSTUK


                                    Een vuurbaak zag hij op Pownell,
                                      Drie op Skiddaw in gloed;
                                    Door berg en dal weêrklonken
                                      De horens hem te gemoet.

                                                             James Hogg


De wachter, die post hield op den heuvel en het oog naar Birman gericht
had, moet waarschijnlijk gedacht hebben dat hij droomde, toen hij de
eerste beweging van ’t noodlottig boschje gadesloeg, dat tegen Dunsiane
begon op te rukken [34]. Even zoo ging het den ouden Caxon, toen hij,
op de rotspunt in zijne hut gezeten, zijne gedachten liet gaan over het
naderend huwelijk van zijne dochter, en over de eer van den schoonvader
van den luitenant Taffril te worden, en dus niet weinig verwonderd was,
toen hij, toevallig een blik slaande op de baak waarnaar hij de zijne
regelen moest, een licht in die richting ontdekte. Hij wreef zich de
oogen, keek op nieuw, en regelde zijne waarneming naar een kruisstok,
die op het eigenlijke punt gericht was. Nu vergrootte zich het licht
voor zijne oogen, gelijk eene komeet voor die van den sterrekundige, en
hij zag het „met vrees voor de ontroering der volkeren.”

„De Heere beware ons!” zeide Caxon, „wat nu gedaan? – Maar er zullen
wijzere hoofden zijn dan het mijne, om daarvoor te zorgen; ik zal het
baakvuur maar aansteken.”

Hij stak de baak in vlam, die een langen golvenden lichtstroom ten
hemel zond, welke de zeevogels uit hunne nesten dreef en teruggekaatst
werd door de golven. De ambtgenooten van Caxon, even waakzaam als hij,
zagen en beantwoordden het gegeven teeken. Het licht schitterde op
voorgebergten, rotsen en binnenlandsche heuvels, en het geheele
distrikt werd verontrust door het alarmteeken van den inval [35].

Onze oudheidkenner, het hoofd gehuld in twee dubbele slaapmutsen,
genoot vreedzaam zijne rust, toen die eensklaps gestoord werd door het
schreeuwen van zijne zuster, van zijne nicht en van de twee meiden.

„Wat drommel is er te doen?” vroeg hij, zich in het bed oprichtende; –
„vrouwvolk in mijne kamer op dit uur van den nacht! – zijt gij allen
dol?”

„De baak, oom!” riep Mary M’Intyre.

„De Franschen, die ons komen vermoorden!” schreeuwde Grizelda.

„De baak, de baak! – de Franschen, de Franschen! – moord, moord – en
erger dan moord!” gilden de twee meiden, als het koor in eene opera.

„De Franschen!” riep Oldbuck, opspringende, – „gaat de kamer uit,
vrouwvolk daar gij zijt, tot ik mijne plunje aangedaan heb, – en, hoor
je, brengt mij mijn zwaard!”

„Welk zwaard, Monkbarns?” riep zijne zuster, hem een kort Romeinsch
zwaard van geel koper met de eene hand, en met de andere eene kling van
Andrea Ferrara zonder gevest aanbiedende.

„Het langste, het langste!” schreeuwde Jenny Rintherout, een slagzwaard
uit de twaalfde eeuw binnen slepende.

„Vrouwen!” zeide Oldbuck zelf zeer ontroerend, „blijft bedaard, en
geeft u niet over aan ijdelen schrik! – Zijt gij zeker, dat zij komen?”

„Zeker! – zeker!” riep Jenny uit; – „maar al te zeker! – De zeemacht en
de landmacht, de vrijwilligers en de landstorm zijn op de been en
haasten zich naar Fairport, zoo hard als man en paard maar loopen
kunnen, – en de oude Mucklebackit is ook meê; – hij zal veel helpen! –
O! hij zal gemist worden, die arme Steven, die koning en land zoo goed
zou gediend hebben!”

„Geef mij,” zeide Oldbuck, „den degen, dien mijn vader in het jaar
vijfenveertig droeg; – er is geen draagband of bandelier meer aan; maar
wij zullen er wat op vinden.”

Met deze woorden stak hij het wapen door de klep van zijn rokzak. Op
dit oogenblik trad Hector binnen, die op de naburige hoogten was gaan
onderzoeken of het alarmteeken wezenlijk gegeven was.

„Waar zijn uwe wapens, neef?” riep hem Oldbuck toe. – „Waar is uw
jachtgeweer met de twee loopen, dat nooit uit uwe handen was, zoolang
men diergelijke dingen niet noodig had?”

„Bah, bah, oom!” antwoordde Hector, „wie nam ooit een jachtgeweer meê
in het gevecht? – Gij ziet, ik heb mijn uniform aangetrokken. – Ik hoop
dat ik van meer nut zal zijn, als men mij een commando geven wil, dan
ik met tien dubbele loopen zou kunnen wezen. – En gij, oom, moet naar
Fairport gaan om bevelen te geven voor de inkwartiering en het
onderhoud der manschappen en paarden, ten einde alle verwarring te
voorkomen.”

„Gij hebt gelijk, Hector! – ik geloof, dat ik ook wel zoo veel met mijn
hoofd als met mijn arm zal doen. – Maar daar komt Sir Arthur Wardour,
die, onder ons gezegd, niet geschikt is, om op eenige wijze veel te
verrichten.”

Sir Arthur was waarschijnlijk van een ander gevoelen, want hij was mede
op weg naar Fairport, uitgedost in zijn officieel kostuum, en meldde
zich, in het voorbijrijden, bij den heer Oldbuck aan, om hem af te
halen, daar de gebeurtenissen der laatste dagen hem bevestigd hadden in
zijne meening omtrent diens doorzicht. En, niettegenstaande het bidden
der vrouwen dat de oudheidkenner tot hare bescherming op Monkbarns zou
blijven, nam de heer Oldbuck, met zijn neef, het verzoek van Sir Arthur
dadelijk aan.

Alleen zij, die dergelijke tooneelen hebben bijgewoond, kunnen zich een
denkbeeld maken van de verwarring, die te Fairport heerschte. De
vensters schitterden met honderden lichten, die, nu eens schijnende en
dan weêr snel verdwijnende, de drukte binnen in huis aanduidden. De
vrouwen der lagere volksklasse verzamelden zich schreeuwende op de
straat. De mannen van den landstorm, die uit hunne verschillende
woonplaatsen aankwamen snellen, galoppeerden door de straten, òf
alleen, òf in troepjes van vijf of zes, zoo als zij elkander op weg
ontmoet hadden. De trommels en fluiten der vrijwilligers werden
afgewisseld door de stemmen der officieren, den klank der horens, en
het gelui der klokken van de kerktorens. De schepen in de haven waren
verlicht, en de booten der gewapende vaartuigen vermeerderden de drukte
door het landen van manschappen en geweren, om de plaats te helpen
verdedigen. Taffril bestierde ijverig dit gedeelte der toebereidselen.
Twee of drie der kleinere vaartuigen hadden reeds het anker gelicht en
staken in zee, om den naderenden vijand te bespieden.

Zoodanig was de algemeene verwarring, toen Sir Arthur Wardour, Oldbuck
en Hector zich met moeite een weg baanden naar het plein, waarop het
stadhuis zich bevond. Het was verlicht, en de raad en vele der naburige
landedellieden waren vergaderd. En ook nu, even als bij andere
soortgelijke gelegenheden in Schotland, bleek ten duidelijkste, hoezeer
het gezond verstand en het vaste karakter van het volk het gebrek aan
ondervinding vergoedden. De regeeringsleden waren omgeven van de
kwartiermeesters der onderscheidene korpsen, die biljetten voor hunne
manschappen en paarden verlangden.

„Laten wij,” zei de Baljuw Littlejohn, „de paarden in onze magazijnen
en de manschappen in onze huiskamers opnemen, – onzen maaltijd met de
manschappen, en onze fourage met de paarden deelen. Wij zijn rijk
geworden onder een vrij en vaderlijk bestuur, en nu is het tijd te
toonen, dat wij het naar waarde weten te schatten.”

Luid en blijmoedig stemden alle aanwezigen hiermede in, en het vermogen
der rijken, zoowel als de persoonlijke diensten van allen werden
eenparig ter verdediging van het vaderland aangeboden.

Kapitein M’Intyre strekte bij deze gelegenheid het voorzittend
regeeringslid tot krijgskundigen raadsman en adjudant, en legde eene
tegenwoordigheid van geest en eene kennis van zaken aan den dag, waarop
zijn oom volstrekt niet gerekend had, en die, zich zijne gewone
insouciance en drift herinnerende, hem van tijd tot tijd met
verwondering aankeek, toen hij de kalme en bedaarde wijze opmerkte,
waarop zijn neef de verschillende maatregelen van voorzorg ontwikkelde,
die hem zijne ondervinding aan de hand bood, terwijl hij de bevelen gaf
om ze in gereedheid te brengen. Hij vond de verschillende korpsen,
hunne vreemdsoortige bestanddeelen in aanmerking genomen, in goede
orde, zeer talrijk, vol zelfvertrouwen en met den meesten moed bezield.
En de krijgskunde had, in dit oogenblik, zoodanig het overwicht op alle
andere aanspraken ter onderscheiding, dat zelfs de oude Adam, wel verre
van als Diogenes te Sinope aan het rollen van zijne ton overgelaten te
blijven, terwijl allen om hem heen zich ter verdediging voorbereidden,
last kreeg, om het uitdeelen van de ammunitie te bestieren, wat hij ook
met veel oordeel deed.

Men zag nu nog met het meeste ongeduld twee zeer gewichtige
gebeurtenissen te gemoet, – namelijk het opkomen van de Glenallansche
vrijwilligers, welke, uit aanmerking van het aanzien dier familie, een
afzonderlijk korps uitmaakten, – en de aankomst van den aangekondigden
officier, aan wien de maatregelen ter verdediging van deze kust door
den opperbevelhebber waren toevertrouwd, en die alzoo bevoegd zou zijn,
om het bevel over de gewapende macht op zich te nemen.

Weldra hoorde men het horenmuziek van de Glenallansche vrijwilligers,
en de graaf zelf verscheen, tot groote verwondering van allen, die
zijne gewoonten en den staat van zijne gezondheid kenden, in uniform
aan hun hoofd. Het was een zeer schoon en goed bereden eskadron, geheel
samengesteld uit pachters uit de Laaglanden, en zij werden gevolgd door
een bataljon van vijfhonderd man, die hij uit de valleien der
Hooglanden had samengebracht, volkomen op de Bergschotsche krijgswijze
uitgerust, onder het geluid hunner doedelzakken aanrukkende. De flinke
en krijgshaftige houding van deze leenmannen trok de bewondering van
Kapitein M’Intyre tot zich; maar zijn oom was nog meer getroffen door
de wijze, waarop, in dit hachelijke oogenblik, de oude krijgsmansgeest
van het huis Glenallan den graaf, hun aanvoerder, scheen te bezielen,
en aan zijn verzwakt gestel nieuwe kracht te geven. Hij verzocht en
verkreeg voor zich en zijne volgelingen den post, die naar alle
waarschijnlijkheid het eerst bedreigd zou worden, legde eene groote
vlugheid aan den dag in het nemen van de noodige beschikkingen, en
betoonde geen minder doorzicht in het beramen der middelen, die nog
genomen moesten worden. Onder deze krijgstoerustingen brak de
morgenstond te Fairport aan, terwijl allen steeds ijverig bezig waren
met de noodige voorzorgen voor de verdediging.

Eindelijk ging er een kreet onder het volk op: „Daar komt de dappere
Majoor Neville aan, met nog een anderen officier!” en een reiswagen,
met vier paarden bespannen, kwam het stadhuisplein oprijden te midden
van de hoezee’s der vrijwilligers en inwoners. De overheidspersonen,
met de assessoren, snelden naar de deur van het stadhuis, om hen te
ontvangen; maar hoe groot was de verwondering van allen, en vooral van
den oudheidkenner, toen zij, onder de rijke uniform en den
krijgsmanshoed, den persoon en de gelaatstrekken van den vreedzamen
Lovel bespeurden! Eene hartelijke omhelzing en een warme handdruk
moesten hem verzekeren, dat hij zich niet vergist had. Sir Arthur was
niet minder verwonderd om zijn zoon, den kapitein Wardour, te herkennen
in Lovel’s of liever in Majoor Neville’s gezelschap. De eerste woorden
der jonge officieren waren eene stellige verzekering aan alle
aanwezigen, dat de moed en de ijver, die zij aan den dag gelegd hadden,
geheel overtollig geweest waren, en dat ze slechts dienden, om een
bewijs op te leveren van hunne vaderlandsliefde en waakzaamheid.

„De wachter op Halket-head,” zeide Majoor Neville, „was, zoo als wij
bij nader onderzoek op onzen weg herwaarts ontdekt hebben, zeer
natuurlijk misleid geweest door een vreugdevuur, dat eenige leêgloopers
op den heuvel boven Glenwithershins aangestoken hadden, juist in de
lijn van de baak, waarmede de zijne in verband stond.”

Oldbuck gaf Sir Arthur een verlegen wenk, welken deze met een
dergelijken blik en een schouderophalen beantwoordde.

„Het moeten de werktuigen geweest zijn, die wij in onze gramschap tot
de vlammen veroordeelden,” zei de oudheidkenner, moed vattende,
ofschoon een weinig beschaamd, dat hij zoo veel onrust veroorzaakt had.
– „De duivel hale Dousterswivel! ik geloof, dat hij ons een legaat van
domme streken en onheil vermaakt heeft, en dat hij bij zijn afscheid
nog een vuurwerk afgestoken heeft. – Het zal mij benieuwen, welke
voetzoeker ons nu tusschen de beenen zal losgaan. – Maar daar komt de
voorzichtige Caxon. – Houd het hoofd op, ezel! uwe meerderen moeten uwe
schande dragen. – En hier, neem dit ding, – hoe noemt gij het?” – (hem
zijn degen gevende) – „ik weet niet, wat ik gisteren zou geantwoord
hebben, als mij iemand gezegd had, dat ik zoo iets zou aangorden!”

Op dit oogenblik gevoelde hij zich zacht bij den arm getrokken door
Lord Glenallan, die hem in een afzonderlijk vertrek bracht. „Om Gods
wil! wie is die jonge man, die zoo volmaakt gelijkt, –”

„Op de ongelukkige Eveline!” viel hem Oldbuck in de rede. „Mijn hart
voelde zich tot hem aangetrokken op het eerste oogenblik, en gij brengt
mij nu op de ware reden.”

„Maar wie, – wie is hij?” vervolgde Lord Glenallan, den oudheidkenner
krampachtig bij den arm houdende.

„Vroeger zoude ik hem Lovel genoemd hebben; maar nu komt het uit, dat
hij de Majoor Neville is.”

„Dien mijn broeder grootbracht als zijn natuurlijken zoon, – dien hij
tot zijn erfgenaam maakte. – Goede Hemel! het kind van mijne Eveline!”

„Bedaard, Milord! – bedaard!” zeide Oldbuck, „geef u niet te voorbarig
aan dit vermoeden over; – welke waarschijnlijkheid is daarvoor?”

„Waarschijnlijkheid? neen! er is zekerheid! stellige zekerheid! De
rentmeester, van wien ik u sprak, schreef mij de geheele geschiedenis.
– Gisteren ontving ik den brief; – niet eerder. – Breng hem, om Gods
wil, bij mij, opdat het oog van een vader hem zegene, eer ik deze
wereld verlaat!”

„Ik zal het doen; maar om uw en zijnentwil, vergun hem eenige weinige
minuten ter voorbereiding.”

En besloten, om de zaak nog nader te onderzoeken eer hij ze als zeker
aannam, zocht hij den Majoor Neville op, en vond hem bezig met het
nemen der noodige maatregelen, om de verzamelde krijgsmacht uiteen te
doen gaan.

„Als ik u verzoeken mag, Majoor Neville, laat dit werk een oogenblik
over aan kapitein Wardour en aan Hector, met wien ik hoop, dat gij
geheel en al verzoend zijt,” (Neville lachte en de heeren gaven
elkander de hand) „en vergun mij een oogenblik gehoor!”

„Gij hebt recht op mij, mijnheer Oldbuck, al waren mijne bezigheden nog
veel dringender dan ze zijn,” antwoordde Neville, „daar ik uw huis
onder een vreemden naam bezocht, en uwe gastvrijheid beloonde met uw
neef te beleedigen.”

„Gij hebt hem behandeld zoo als hij verdiende,” zeide Oldbuck,
„ofschoon hij heden even veel gezond verstand als moed aan den dag
gelegd heeft. Wel! als hij terug wilde komen op hetgeen hij geleerd
heeft, en Caesar en Polybius en de Stratagemata Polyaeni lezen, geloof
ik, dat hij in den dienst vooruit zou komen, en ik zou hem zeker een
handje helpen.”

„Hij verdient dat in alle opzichten,” antwoordde Neville; „en ik ben
verheugd, dat gij mij vergeeft, – wat gij te gereeder zult doen, als ik
u zeg, dat ik het ongeluk heb van niet meer recht te hebben op den naam
van Neville, onder welken ik algemeen bekend ben, dan op dien van
Lovel, waaronder gij mij leerdet kennen.”

„Inderdaad! dan vertrouw ik, dat wij er een zullen vinden, waarop gij
een vast en wettig recht hebt.”

„Mijnheer, ik vertrouw, dat gij het ongeluk van mijne geboorte voor
geen geschikt onderwerp –”

„Volstrekt niet,” antwoordde de oudheidkenner, hem in de rede vallende,
– „ik geloof dat ik meer van uwe geboorte weet, dan gij zelf, – en, om
er u van te overtuigen, gij werdt opgevoed en waart bekend als de
natuurlijke zoon van Geraldin Neville van Neville’s-burg in Yorkshire,
en ik veronderstel, als zijn erfgenaam?”

„Vergeef mij, – dergelijke oogmerken had men met mij niet; ik werd goed
opgevoed en in den dienst voortgeholpen door geld en protectie; maar ik
geloof, dat mijn veronderstelde vader langen tijd het denkbeeld
koesterde van te trouwen, ofschoon hij het niet ten uitvoer bracht.”

„Gij zegt uw veronderstelde vader? – Wat doet u denken, dat de heer
Geraldin Neville niet uw vader was?”

„Ik weet, mijnheer Oldbuck, dat gij mij deze vragen omtrent zulk een
teeder onderwerp niet doen zoudt om alleen uwe nieuwsgierigheid te
voldoen; ik zal u dus ronduit vertellen, dat ik verleden jaar, toen wij
in eene kleine stad van Fransch-Vlaanderen lagen, in een klooster, in
welks nabijheid ik ingekwartierd was, eene vrouw vond, die tamelijk
goed Engelsch sprak. – Zij was eene Spaansche, – haar naam Therese
D’Acunha. Verder met haar bekend geworden, ontdekte zij mij, wie ik
was, en zich zelve als de persoon, die belast was geweest met de zorg
mijner eerste kindsheid. Zij gaf mij meer dan één wenk, dat ik op
hoogen rang aanspraak had, en dat mij onrecht aangedaan was, en
beloofde mij eene vollediger ontdekking na den dood van eene dame van
aanzien in Schotland, daar zij besloten had, zoo lang deze leefde, het
geheim te bewaren. Zij gaf ook te verstaan, dat de heer Geraldin
Neville mijn vader niet was. Wij werden door den vijand aangevallen,
uit de stad verdreven, en deze werd door de Republikeinen geplunderd.
De godsdienstige orden waren in het bijzonder het voorwerp van hun haat
en hunne vervolging. Het klooster werd verbrand en zeer vele nonnen
kwamen om, – onder anderen Therese, en met haar ging alle hoop verloren
op de beloofde geschiedenis van mijne geboorte. – Die moet tragisch
geweest zijn, naar hetgeen ik er van begrijp.”

„Raro antecedenten scelestum, of, zoo als ik hier zeggen mag,
scelestam,” zeide Oldbuck, „deseruit poena; – zelfs de Epicuristen
stemden dat toe, en – wat deedt gij toen?”

„Ik schreef er over aan den heer Neville; – maar te vergeefs. Ik kreeg
toen verlof, en ging mij aan zijne voeten werpen, en bezwoer hem de
ontdekking te voltooien, die Therese begonnen had. Hij weigerde, en
verweet mij, op mijn onafgebroken aandringen, met verontwaardiging de
gunsten, die hij mij reeds bewezen had. Ik begreep, dat hij het recht
van een weldoener misbruikte, nu hij genoodzaakt was te erkennen dat
hij geene aanspraak had op dat van een vader, en wij scheidden van
elkander, weêrkeerig misnoegd. Ik gaf den naam van Neville op, en nam
dien aan, waaronder gij mij gekend hebt. – Het was in dezen tijd, dat
ik, gelogeerd bij een vriend in het noorden van Engeland, die mijne
naamsverandering goedkeurde, kennis maakte met Freule Wardour, en
romantisch genoeg was om haar naar Schotland te volgen. Mijne gedachten
wankelden omtrent verscheidene ontwerpen voor de toekomst, toen ik
besloot, om mij nog eenmaal tot den heer Neville te wenden, en hem om
eene verklaring van het geheim mijner geboorte te smeeken. Het duurde
lang eer ik antwoord kreeg; gij waart er bij, toen het mij ter hand
werd gesteld. Hij berichtte mij den slechten toestand van zijne
gezondheid, en bezwoer mij, om mijn eigen wil, geen verder onderzoek te
doen naar den aard van zijne betrekking tot mij, maar te berusten bij
zijne verklaring. „Zij is,” schreef hij, „zoodanig en zoo nauw, dat ik
voornemens ben, u tot mijn erfgenaam te benoemen.” Terwijl ik mij
gereed maakte om Fairport te verlaten, bracht mij eene tweede expresse
het bericht van zijn dood. Het bezit van groote rijkdommen kon het
grievende leed niet verdooven, waarmede ik nu dacht aan mijn gedrag
jegens mijn weldoener, en daar zich eenige wenken in zijn brief
bevonden, die schenen aan te duiden, dat er een grootere smet dan die
van gewone onechtheid op mijne geboorte lag, herinnerde ik mij zekere
vooroordeelen van Sir Arthur, –”

„En gij koesterdet sombere gedachten tot gij ziek werdt, in plaats van
bij mij te komen om raad, en mij uwe geheele historie te verhalen?”
zeide Oldbuck.

„Juist! daarna kwam mijn ongelukkige twist met kapitein M’Intyre, die
mij noodzaakte, om Fairport en de omstreken te verlaten.”

„De liefde en de dichtkunst, – Isabella Wardour en de Caledoniade!”

„Het is maar al te waar!”

„En sedert dien tijd waart gij, veronderstel ik, bezig met ontwerpen
ter redding van Sir Arthur?”

„Ja, met behulp van kapitein Wardour, te Edinburg.”

„En Adam Ochiltree hier; – gij ziet, ik weet alles. Maar hoe kwaamt gij
aan dezen schat?”

„Het was een servies tafelzilver, dat mijn weldoener toebehoord had, en
bij iemand te Fairport in bewaring gebleven was. Eenigen tijd vóór zijn
dood had hij bevel gezonden om het op te smelten. Wellicht wilde hij
niet, dat ik er het wapen van Glenallan op zou zien.”

„Wel, majoor Neville! of – laat ik liever zeggen – Lovel! want in dien
naam schep ik het meeste behagen; – gij moet, geloof ik, beide
verwisselen voor den naam en den titel van Willem, Lord Geraldin.”

De oudheidkenner doorliep nu de vreemde en treurige omstandigheden van
den dood van Neville’s moeder.

„Ik twijfel geenszins,” zeide hij, „of uw oom wenschte te doen
gelooven, dat het kind van dit ongelukkig huwelijk niet meer bestond; –
misschien had hij zelf wel een oog op de erfenis van zijn broeder; –
hij was toen een lichtzinnig, los jonkman. – Maar van alle slechte
bedoelingen tegen uw persoon pleiten hem, wat ook het booze geweten van
Elspeth haar deed vermoeden uit zijne ontroering, de geschiedenis van
Therese en uw eigen verhaal volkomen vrij. En nu, mijn waarde heer,
laat ik het genoegen smaken van een zoon bij zijn vader te brengen!”

Wij wagen het niet, om zulk eene ontmoeting te beschrijven. Alle
bewijzen werden overtuigend bevonden; want de heer Neville had een
duidelijk bericht van het geheele voorval aan zijn vertrouwden
rentmeester nagelaten in een verzegeld pak, dat niet moest geopend
worden, dan na den dood der oude Gravin: eene voorzorg, die scheen
ontstaan te zijn uit vrees voor de uitwerking, welke eene ontdekking,
met zoo veel schande verbonden, op haar hoogmoedig en hartstochtelijk
karakter zou kunnen hebben.

In den avond van denzelfden dag dronken de manschappen van de
vrijwilligers van Glenallan de gezondheid van hun jongen Landheer.
Binnen eene maand daarna was Lord Geraldin in het huwelijk getreden met
Freule Wardour, en de oudheidkenner bood de jonge bruid een trouwring
van antiek fatsoen, met de spreuk van Aldobrand Oldenbuck „Kunst macht
Gunst,” er op gegraveerd, aan.

De oude Adam, de gewichtigste blauwrok die ooit geleefd heeft, doet
zijne ronde van het eene vriendenhuis naar het andere, en beroemt zich
er op, dat hij nooit op weg is, dan wanneer de zon schijnt. Hij heeft,
inderdaad, sedert eenigen tijd teekens gegeven van rustiger te worden,
daar men hem dikwijls gevonden heeft in den hoek van een aardig
boerenhuisje tusschen Monkbarns en Knockwinnock, dat Caxon na het
huwelijk van zijne dochter betrok, om nabij de drie pruiken van het
kerspel te zijn, welke hij steeds, hoewel thans slechts uit
liefhebberij, getrouw friseert. Men heeft Adam hooren zeggen „Dit is
eene lieve, dichte plaats, en het is aangenaam zulk een hoek te hebben,
om er bij slecht weêr in te zitten.”

Men gelooft, dat, als hem het loopen moeielijker begint te worden, hij
eindigen zal met hier zijn intrek te nemen.

De welwillendheid van zulke vermogende beschermers als Lord en Lady
Geraldin is onbegrensd voor jufvrouw Hadoway en de Mucklebackits. De
eerste maakt er een gepast gebruik van; de laatsten verkwisten hetgeen
hun geschonken wordt. Zij blijven het echter nog altijd genieten, maar
onder het bestier van Adam Ochiltree; en zij ontvangen het nooit zonder
te morren over het kanaal, langs hetwelk het hen bereikt.

Hector maakt snelle vorderingen in den dienst, is meer dan eens met lof
vermeld geworden en klimt, naar evenredigheid, in de gunst van zijn
oom. En, wat den jongen krijgsman bijna evenzeer verheugt, hij heeft
daarbij twee zeehonden geschoten, en dus een einde gemaakt aan het
gedurig terugkomen van den oudheidkenner op de historie van de Phoca.

Men spreekt van een huwelijk tusschen Mary M’Intyre en kapitein
Wardour; maar dit gerucht eischt nadere bevestiging.

De oudheidkenner bezoekt zeer dikwijls de huizen van Knockwinnock en
Glenallan, klaarblijkelijk ter voltooiing van twee verhandelingen, de
eene over het harnas van den Grooten Graaf, en de andere over den
linker ijzeren handschoen van Hel in ’t Harnas. Hij vraagt geregeld, of
Lord Geraldin de Caledoniade begonnen heeft, en schudt het hoofd over
de antwoorden, die hij ontvangt. Nochtans voltooit hij, en attendant,
zijne noten, die wij gelooven dat ten dienste zullen zijn van iedereen,
die ze verkiezen mocht in het licht te geven, zonder gevaar en onkosten
voor DEN OUDHEIDKENNER.


                                  EINDE.








NOTEN VAN DEN SCHRIJVER [36]


Noot A. Het verhaal van Grizelda Oldbuck.

De legende, door Grizelda Oldbuck verhaald, is gedeeltelijk ontleend
aan de berichten van eene merkwaardige gebeurtenis, welke omstreeks
zeventig jaren geleden in het zuiden van Schotland voorviel, en volgens
welke zeker landeigenaar, in proces gewikkeld over het tiendrecht,
ongeveer op dezelfde wijze, als in den tekst beschreven is, een
gewichtig stuk terugvond, waarvan de beslissing van het rechtsgeding
afhing.

Opmerkelijk is het, dat deze gebeurtenis ongelukkige gevolgen had voor
den heer R–d, den persoon van wien sprake is; want hij gevoelde zich
sedert dien tijd zoodanig verplicht, om altijd op zijne droomen te
letten, dat zijne gezondheid en verstandelijke vermogens daardoor zeer
verzwakt werden.



Noot B. Over de wijze om met de bakkers af te rekenen.

Oudtijds gebruikte men daartoe een stokje, waarop men telkens eene
kleine insnijding maakte. Elke familie had een bijzonderen kerfstok, en
bij de rekenkamer in Engeland werden zekere rekeningen op dezelfde
wijze gehouden.



Noot C. De bezweringen van Dousterswivel.

Veel onzin van denzelfden aard als die, welke door den Hoogduitschen
alchymist aan den dag gebracht werd, is te vinden bij Reginald Scott,
in zijn werk Discovery of Witchcraft, 3de editie, Londen 1665.



Noot D. Over de vischrouwen.

In de visschersdorpen aan de Forth en de Tay, regeeren de vrouwen als
in den tekst beschreven staat. Bij gelegenheid, dat de kusten van
Schotland gedurende den laatsten oorlog met Frankrijk door de
verschijning van eenige vreemde schepen verontrust werden, scheepten
zich al de visschers onmiddellijk in aan boord van de kanonneersloepen,
om den veronderstelden vijand tegen te gaan. De schepen bleken aan de
Russen te behooren, en de schrik was onnoodig geweest; maar de
landlieden van Mid-Lothian waren zoo tevreden over den ijver door de
visschers aan den dag gelegd, dat zij hun een prachtigen zilveren
Punch-bowl vereerden. De vrouwen echter kwamen er tegen op, dat men
vergeten had haar eenige eer aan te doen voor de toestemming, welke zij
gegeven hadden, dat de mannen zich inschepen zouden, wat zonder hare
goedkeuring niet zou gebeurd zijn. Deze eisch werd als geldig beschouwd
en de dames ontvingen eene kostbare speld, om bij feestelijke
gelegenheden door de koningin-vischvrouw te worden gedragen. Er
heerscht ook eene strenge etikette onder deze zeenimfen, en men hoorde
eene ervarene dame er onder over eene jongere klagen, „dat het een arm,
onnoozel schepseltje was, dat nooit iets beters dan mossels te koop zou
bieden.”



Noot E. Gevangenzetting voor schulden.

Hoe vreemd het ook klinke, is toch de theorie van Oldbuck over het
gevangenzetten voor schulden juist die, welke bij het hoogste
gerechtshof in Schotland in eene zaak, welke op 5 Dec. 1828 behandeld
is, aangenomen werd.



Noot F. De slag bij Harlaw.

De groote slag bij Harlaw mag gezegd worden beslist te hebben, of het
Gaëlische of het Saksische ras in Schotland de overhand zou behouden.
De slag viel voor op 24 Julij 1411, tusschen Donald, Lord of the Isles,
en zijne Hooglandsche troepen, en den graaf van Mar aan het hoofd der
edellieden van Saksische en Normandische afkomst. Donald, die in de
Laaglanden ingevallen was, werd genoodzaakt zich terug te trekken, en
later zich aan den regent te onderwerpen.



Noot G. Over Elspeths dood.

Het sterven van een getrouwen knecht van den hertog van Roxburghe,
heeft den schrijver de laatste woorden van Elspeth ingegeven. De arme
man lag zieltogend aan eene leverkwaal, toen hij de bel hoorde, die hem
vroeger naar de kamer van den pas overleden hertog riep. „Ik kom, ik
kom!” stamelde hij, – en stierf.



Noot H. Schrik voor den inval der Franschen.

De omstandigheden van het valsch alarm, in den tekst beschreven, zijn
naar daadzaken geschetst. Op den 2den Febr. 1804 viel eene dergelijke
vergissing met een vuurbaak voor, en een gedeelte van het land werd in
rep en roer gebracht.








AANTEEKENINGEN


[1] Een Latijnsch dichtstuk, getiteld: Ars Topiaria, beschrijft zeer
uitvoerig de kunst om ijpen heggen en bomen te kappen. W. S.

[2] Een Engelsch spotgedicht van Samuel Butler (1612–1680).

[3] Een beroemd Ridder van den fabelachtiger Koning Arthur. De
Schrijver ziet hier op de Ballade, „The marriage of sir Gawaine” in
Percy’s Relicks of Ancient English Poetry. Vert.

[4] In het 24ste vers dier Ballade zegt men van deze schoone:

            Krom was haar neus, gewipt omhoog,
              Zij had een scheeve kin;
            Waar men het mondje zoeken zou,
              Daar vond men, – wat? – haar oog?

[5] Deze anecdote is letterlijk waar, en David Wilson is geen verdicht
persoon. W. S.

[6] Van dit allerzeldzaamst boekje bezit de schrijver wezenlijk een
exemplaar. W. S.

[7] Een Engelsch Tooneeldichter (geb. 1585, gest. 1615). Vert.

[8] Zie „Merry Wives of Windsor,” 1ste tooneel.

[9] Onder de meest impopulaire belastingen van dien tijd in Engeland,
was die op het haarpoeder. M. P. L.

[10] Een wijze van hun afkeer voor de dynastie van Oranje uit te
drukken, welke de aanhangers der Stuarts bij alle gelegenheden zochten
aan den dag te leggen. M. P. L.

[11] De Jacobieten, of aanhangers van den in 1688 verdreven Koning
Jacob III, weigerden den eed aan de nieuwe Koningen, en zonderden zich
af, ten einde niet voor hen te bidden, tot aan den dood van den
laatsten Pretendent in 1788.

[12] Een Tijdschrift 1750–52 te Londen uitgegeven.

[13] Salmont – Zalm.

[14] Zie noot A aan het einde van het werk.

[15] Uit de Lyrische Gedichten van Wordsworth.

[16] In de oude Schotsche Ballade Queen Eleanor’s Confession, – de
biecht van Koningin Eleonore.

[17] Waarschijnlijk Dr. Hutton, de bekende Geoloog. – W. S.

[18] Zie noot B aan het einde van het werk.

[19] Deze befaamde geestenbezweerder moet zich in 1774 in het Rozendal,
bij Leipzig, hebben van kant gemaakt.

[20] Eene toovergodin, ook uit Spenser’s Fairy queen, – bij
Shakespeare; zie zijn Romeo en Juliet, I. 4. Tooneel.

[21] Dit verhaal is in de hoofdomstandigheden naar het Hoogduitsch,
hoewel ik op het oogenblik niet meer weet, in welke verzameling van
volkslegenden het oorspronkelijke te vinden is. W. S.

[22] De schaduw van hem, die de verschijning ziet, op eene wolk
weêrgekaatst, gelijk het beeld uit eene tooverlantaren op een wit
laken, schijnt aanleiding tot de schepping van dit spook te hebben
gegeven. W. S.

[23] De schrijver herinnert zich niet meer waar hij deze regels gelezen
heeft; misschien in de satiren van Bisschop Hall. W. S.

[24] Het schijnt eene gewetenszaak onder de lagere standen in
Schotland, om ooit te bekennen, dat een patiënt beter wordt. Het
meeste, dat zij ooit toegeven, is, dat „hij niet erger is!” W. S.

[25] Loda (Odin), onder de eerstgemelde benaming dikwijls voorkomende
in de gedichten van Fingal en Ossian.

[26] Beide oude tooverformulieren van dezelfde waarde; de letters van
Abraxas moeten het getal 365 bevatten, volgens Vos, 1802. Over
Abrakadabra zie Stephanus Woordenb. &c.

[27] Zie noot D. over de vischvrouwen.

[28] Merk – eene Schotsche munt van geringe waarde.

[29] Zie de overzetting uit het Gaëlisch bij mevr. Grant, on the
Highland superstitions (over de Hooglandsche bijgeloovigheden), vol.
II. p. 260.

[30] Zie noot F. de slag van Harlaw.

[31]  Schrikkelijker nog, dan het verlies der leden, is de waanzin,
      Die de namen niet kent der slaven, noch ’t gezicht des vriends,
      Met wien hij den avond te voren den maaltijd hield, noch degenen,
      Aan wie hij ’t leven gaf en welke hij opvoedde.

[32] Zie noot G. Elspeth’s dood

[33] Like-wake eene vrij algemeene gewoonte in Schotland. Vert.

[34] Shakespeare’s Macbeth.

[35] Zie noot H over het alarm van den inval.

[36] In de eerste vertaling waren deze noten weggelaten: ik heb ze hier
zeer verkort bijgevoegd, daar ze in het oorspronkelijke veel bevatten,
dat van geen belang kon wezen voor den Hollandschen lezer. M. P. L.











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OUDHEIDKENNER ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg™ License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg™.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg™ License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg™ website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™

Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg™ and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West,
Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg™,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.