Regen en zonneschijn : Drie verhalen

By Tine van Berken

The Project Gutenberg eBook of Regen en zonneschijn
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Regen en zonneschijn
        Drie verhalen

Author: Tine van Berken


        
Release date: June 28, 2026 [eBook #78971]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: H. J. W. Becht, 1898

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78971

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REGEN EN ZONNESCHIJN ***





                          REGEN EN ZONNESCHIJN

                             DRIE VERHALEN


                                  DOOR
                            TINE VAN BERKEN

                       MET ZES GEKLEURDE PLAATJES


                               AMSTERDAM
                             H. J. W. BECHT










LACHEBEKJE.


I.

OM EEN AAPJE.


Lachebekje stond in den hoek en—lachte. Wat had ze anders moeten doen?
Huilen?—Kom!—Ja, het was vervelend om in den hoek te moeten staan, ’t
was eigenlijk een schande, ze had niet graag gewild, dat haar Pa of Moe
het geweten hadden, en voor sommige andere meisjes was het een bittere
straf, een pijnlijke vernedering. Nu, zoo erg kon Lachebekje het niet
vinden. Het was niet prettig, natuurlijk. Maar om van te huilen was het
nu ook niet. Lachebekje vond het heel dom, om te huilen, zoolang er nog
iets was, waarom je lachen kon. En er was altijd wel iets, waarom je
lachen moest. Als ze alleen maar dacht aan wat er zooeven gebeurd was,
dan moest ze het al uitschateren.

Verbeeld je, Lizette Lubbers—wat een belachelijke naam, hè?—de meisjes
noemden haar ook altijd Lijsje—Lijsje had een peluchen aapje mee naar
school gebracht, een koddig klein dingetje, rood, met een oranje
krulstaartje, blauwe kralenoogjes en vier grappige, lange armen, waarin
ijzerdraadjes zaten, zoodat je ze net zoo zetten kon als je ze hebben
wou.

Alleen door het idee had Lachebekje al niet stil kunnen zitten van
plezier. Den heelen morgen had ze naar Lijsje zitten kijken, maar die
hield zich doodstil, en liet het aapje rustig in haar zak.

Maar het tweede uur, onder het rekenen, terwijl Lachebekje het aapje
heelemaal vergeten was, en diepzinnig zat te peinzen over een moeilijke
som, die ze bezig was uit te rekenen,—daar had ze, in gedachten
opkijkend, opeens het aapje over Lijsje’s zwarte lei zien dansen.
Lijsje had de lei zoo’n beetje opgewipt, zoodat de onderwijzeres er
niets van zien kon.

Lachebekje had Dora Beyma aangestooten, en ze hadden met haar beitjes
een pret gehad van belang.

Lijsje deed ook zoo grappig met dien aap. Dán zat hij in de plooien van
haar wijde mouw, soms op het randje van haar kastje, eens geheel vrij
op den inktpot, zoodat het een wonder was, dat de juffrouw het niet
merkte; maar het aardigst van alles was geweest, toen Lijsje den aap
met een vlugge beweging op het haar van Rika Obbes had geplaatst. Die
stijve Rika Obbes, die daar zoo onschuldig zat te cijferen, en haar
hoofd soms bewoog zonder eenig vermoeden van de kunsten, die het roode
aapje bij de geringste hoofdbuiging maakte. Als een klit hing hij Rika
in de zwarte, stijve krullen. Soms dook hij heelemaal in de golvingen
weg. Het was om je dood te lachen.

En toen kwam het mooiste van alles, toen Rika, die haar sommen af
scheen te hebben, zich met een flinken schok rechtop in haar bank zette
en haar haren schudde als een paard zijn manen.

Op dat oogenblik had Lachebekje het niet meer kunnen uithouden, maar
was in een hoog gillend lachen uitgebarsten.

Verschrikt had Lijsje zich gauw weer van het aapje meester gemaakt en
het in de diepe duisternis van haar zak weggestopt.

„Wat is er te lachen?” had de onderwijzeres gevraagd.

„Hi, hi, ho, ho, ho!” Lachebekje had er niet uit kunnen komen. Vóór
alles wou ze Lijsje niet verklappen.

„Hi, hi, ha, ha.... die— —die haren!”

De onderwijzeres werd boos en ongeduldig. Er was niets te zien aan de
haren van Rika Obbes, waarop Lachebekje in haar verlegenheid wees; Rika
Obbes was er heelemaal het meisje niet naar om grapjes uit te halen of
een ander aan het lachen te maken.

Zoo kwam het, dat Lachebekje in den hoek werd gezet. Heel veel kon het
haar niet schelen. Er was toch prettigs genoeg altijd. Als ze dat aapje
maar in den geest voor zich zag, sprongen de tranen haar al in de oogen
van het lachen.

Met zijn oranje—ha, ha!—met zijn omgekruld oranje staartje had hij ten
slotte heelemaal aan den ondersten dunnen krul van Rika’s haar
geslingerd. Lachebekje was er zeker van, dat zijn neus in den inktpot
gehangen had. En niet denkend aan den hoek, waarin ze stond voor straf,
noch aan de onderwijzeres, noch aan de mogelijkheid, dat ze zich een
zwaarder straf op den hals kon halen, barstte ze opnieuw in lachen uit.
Die aap!!

De juffrouw voor de klasse schudde het hoofd; dat was toch waarlijk al
te erg. En Lachebekje kreeg een uur schoolblijven op den koop toe.








II.

TOEN EVELINE DOROTHEA MARGARETA WILDEVANK NOG EEN KLEIN MEISJE WAS.


De baker had gezegd, toen Eveline Dorothea Margareta Wildevank tien
dagen oud was, dat ze een klein, lekker, vroolijk lachebekje was.
Andere kinderen lachten eerst veel later, die deden in het begin bijna
niet anders dan schreien. Maar Evi lag met klare, blauwe, open oogjes
in haar wieg met een gezichtje, of ze het erg prettig vond, daar zoo te
liggen op het zachte veeren kussen onder de warme wollen dekens. Haar
kleine knuistjes grepen naar de stofjes, die als goud glansden in den
zonneschijn, en ze lachte. „Wat is de wereld vol prettige mooie
dingetjes,” scheen ze te denken, „ik ben blij, dat ik er ben.”

Toen ze drie jaar was, scheen niemand zich meer te herinneren, dat ze
drie lange deftige namen had, want iedereen noemde haar Lachebekje,
sommigen zeiden enkel Bekje, dat klonk zoo vroolijk en prettig, dat
Lachebekje altijd blij opkeek, als haar naam genoemd werd.

Op school was het natuurlijk dwaas om te zeggen: „Ik heet Lachebekje of
Bekje,” toen werden de lange, plechtige namen weer voor den dag gehaald
en gerepeteerd, dat Lachebekje zich niet vergissen zou.

En toen ze den eersten morgen al lachend het grappige, hooge gebouw
instapte en de vele aardige kindertjes zag, stapte ze naar de eerste de
beste juffrouw die ze zag, stak de armpjes op om haar goedendag te
kussen en zei: „Ik heet Eveline Dorothea Margareta Wildevank, maar
eigenlijk heet ik Lachebekje.”

Toen ze thuis kwam, wat had ze toen niet te vertellen!

De school was zoo raar en aardig. Daar waren allemaal banken, net als
in het Vondelpark, maar kleiner, en daar mocht je met zijn tweeën op
zitten. ’t Was heel prettig.

Maar je mocht nooit eens van je plaats afloopen om naar een ander
kindje te gaan. En praten mocht je ook niet. Je mondje moest heelemaal
dicht zijn: zóó. En je handjes moest je zóó houden.

Ze had erg moeten lachen om het spelletje. Maar de juffrouw had gezegd
dat het geen spelletje was. Het was om te leeren; als je zóó zat, dan
kon je mooi leeren, alles wat je wou. Lachen mocht je ook niet, dan kón
je niet leeren, had de juffrouw gezegd.

„Maar ik moest tóch lachen, Moe,” had Lachebekje haar verhaal besloten,
„ik moest wat hard lachen, ik kon het heusch niet helpen. En toen zei
de juffrouw: „Je moet niet lachen, Eva; als je lacht zou je school
moeten blijven, zou je dat graag willen?”. En toen zei ik: „Ja
juffrouw, alsjeblieft,” want ik vond het wel prettig in de school; maar
toen zag ik, dat de juffrouw niet goed op me was, en ik héb niet mogen
schoolblijven.”

Het duurde niet lang, dat Lachebekje dat zeggen kon. Ze mócht al heel
gauw nablijven; en toen ze het eenmaal gedaan had, en het lang zoo
prettig niet gevonden had, als ze zich had voorgesteld, moest ze het
later toch weer en nog heel dikwijls. Want ze vond het zoo vreemd, ze
kon het nooit onthouden, dat ze niets zeggen mocht tegen haar
buurmeisje, waarvan ze zooveel hield; ze mocht niet eens stilletjes
fluisteren, al hinderde het de juffrouw ook heelemaal niet, al kon die
het bijna niet hooren.

Toch hield ze van de juffrouw, ze kon zoo mooi vertellen, en ze was
niet naar, alleen maar streng; en de juffrouw hield van Evelientje
Wildevank ook, al was ze ook nog zoo’n ongedurige kleine pretmaakster.








III.

TRANEN.


Toen Lachebekje ruim een uur later dan gewoonlijk thuis kwam, lachte
ze. ’t Was ook aardig, ’t sneeuwde voor het eerst. Ze had een sneeuwbal
net langs haar neus gekregen.

Vroolijk schudde ze haar bonten mutsje op het portaal uit, zoodat de
losse sneeuw er afviel. Haar manteltje klopte ze ook uit, de grond werd
er heelemaal nat van. Ze veegde nog eens goed haar voeten, voor ze de
kamer intrad.

„Dag Pa, dag Moes,” zei ze opgewekt, „wat heerlijk, dat het sneeuwt!”

„Dag kind,” zei haar moeder, „wat ben je laat.”

„Dag Eva,” zei haar vader ernstig; „kom je nog thuis vandaag?”

Lachebekje was nooit erg op haar gemak als haar vader haar zoo deftig
Eva noemde.

„Ja, Pa,” zei ze deemoedig.

„Zeker weer school moeten blijven, hè?”

„Ja, Pa.”

Lachebekje zuchtte. Het speet haar, dat haar vader zoo’n uurtje blijven
zoo ernstig opnam.

„En waarom?”

Lachebekje antwoordde eerst niet. Opeens viel het haar in, dat ze nog
geen week geleden haar vader plechtig beloofd had, dat ze niet meer
zooveel pret zou maken op school, dat ze haar best zou doen om zich als
een flink en degelijk meisje te gedragen, en niet om elke
kinderachtigheid te lachen.

„Nu, waarom?”

„Ik heb gelachen, Pa,” zei Lachebekje met een gezicht, dat nu in het
geheel niet vroolijk stond. „Ik moest zoo lachen, Lijsje had een aapje,
en....”

Verschrikt hield ze op, mijnheer Wildevank sloeg met de hand op de
tafel. „Maar kindje, hoe is het mogelijk, hoe is het nu mogelijk, dat
je je door iedereen en door alles laat afleiden. Moest je naar dat
aapje kijken? Hadt je niets anders te doen? Bemoei je er niet mee als
een ander speelt. Denk toch aan je werk! Ik denk, dat je gedragboekje
weer alles behalve mooi zal zijn.”

Evi kreeg een kleur. Ze voelde altijd een vreemde beklemdheid, als ze
aan haar gedragboekje dacht.

Och, waarom waren er toch scholen, en waarom moest je toch altijd
leeren in de wereld, waarom kon je maar niet altijd lachen en blij en
vroolijk zijn?

„We moesten nu maar beginnen met eten,” zei mevrouw Wildevank zacht;
„probeer het nu toch eens, kind, om ernstig te worden. Je bent niet op
school om te spelen. Je moet er goed leeren, zoodat je later wat worden
kan.”

Evi had erge spijt. Ze dacht er nu niet meer aan, dat er in de wereld
altijd wel iets was, waar je om lachen moest. Ze kon het eten niet door
haar keel krijgen. Ze had heelemaal geen trek. Een groote traan viel
neer op den witten rand van haar bord.

„Weest u maar weer goed op me!” snikte ze.

Mevrouw Wildevank zag haar man aan, maar Mijnheer haalde ontevreden
zijn schouders op.

„’t Is lachen of huilen,” zei hij, „maar van ernstig zijn en leeren en
je best doen komt nooit iets!”

Als haar vader zóó sprak, was het Evi of haar hartje brak. „’k Zal nu
heusch mijn best doen,” beloofde ze, terwijl haar borst schokte van het
heftige snikken.

„Nu, kom dan maar hier en geef me er een zoen op,” zei haar vader.

Evi kon het nog niet eens doen; ze ging op zijn knie zitten en verborg
het gezicht tegen zijn schouder. Maar langzamerhand bedaarde ze, ze
pakte haar vader, gaf hem een paar flinke, klinkende zoenen, kuste haar
moeder ook, en nam zich voor in het vervolg altijd ernstig en flink te
zijn en niet zoo kinderachtig.

Het eten smaakte haar; toen haar voor den tweeden keer werd opgeschept,
lachte ze alweer. Wat was de bloemkool heerlijk en wat was de jus
lekker bruin.—Pa moest eens kijken of het nog sneeuwde. Ze hoopte maar
dat het den heelen avond en nacht zou blijven sneeuwen. Het was zoo
prettig om elkaar met ballen te gooien.

De wereld lachte Evi weer toe, en Evi lachte ook.








IV.

IN SPANNING.


Het was de dag, die de groote vacantie voorafging. Een heerlijke
dag—aan één kant.—’t Was ook de dag van de verhooging. ’t Kon dus een
dubbel prettige dag zijn,—áls je verhoogd werd. Maar voor wie zitten
bleef, zou hij alles behalve pleizierig zijn.

Lachebekje had dat ook al overdacht.

O, als ze eens verhoogd werd! Als ze eens het gróóte geluk had, over te
gaan naar de zesde klas, de hoogste! Wat zou dat heerlijk zijn, bijna
te heerlijk!

Zenuwachtig trok ze haar hagelwit schortje recht. Ze zat flink rechtop
in haar bank met den rug tegen de leuning.

De les was al begonnen, nog twee uur en dan zouden ze den uitslag
vernemen. Twee uur! ’t Leek haar een eeuwigheid.

Ze hadden lezen, anders een prettige les. Ze kreeg graag een beurt, ze
had een aardig helder stemmetje, en las vrij goed.

Er werd een stukje behandeld, dat ze al eens meer gehad hadden.
Lachebekje kon er haar gedachten niet bijhouden.

„Zou ik verhoogd worden, zou er nog kans zijn?”

Haar hart klopte blij, als ze aan de heerlijke mogelijkheid dacht.

Als het groote geluk haar te beurt viel, dan zou alles mooi en heerlijk
zijn. Pa en Moe zouden zoo blij zijn. Pa was zoo trotsch op zijn
dochtertje, als ze flink leerde.

Hád ze flink geleerd?—Een diepe zucht steeg op uit Lachebekje’s
geprangd hart. Was het maar waar, dan zou ze nu niet zoo in angst
zitten.

Al de uren, die ze verspeeld had met het les- of rekenboek vóór zich—en
dat waren er vele—kwamen haar nu voor den geest.

Hoe was het toch mogelijk, dat ze zoo zorgeloos en onnadenkend had
kunnen zijn! Ze had het toch geweten, dat slecht gekende lessen ook
slechte cijfers geven op het rapport, en dat slechte rapporten
verhooging onmogelijk maken.

„Eva!” klonk het opeens.

Evi zag verschrikt op. Het duurde een oogenblik voor ze begreep, dat
het haar beurt was. Gelukkig moest ze met een nieuw stukje, een versje,
beginnen, anders had ze ook nog niet geweten, waar de les was.

Ze las, maar haar stem klonk een beetje heesch en vreemd, en ze
hakkelde een paar maal, zoodat ze het coupletje over moest lezen.

Ze begon opnieuw maar verslikte zich al in den eersten regel.

„Nog niet mooi,” zei de juffrouw, toen Eva’s beurt voorbij was, „veel
te haastig gelezen, je kunt het beter.—Maar er is zoo veel, dat Eva
beter kan, en dat ze toch niet doet.”

Met groote, verschrikte oogen zag Lachebekje op. Zei de juffrouw dat,
omdat ze niet verhoogd zou worden? Was het haar vonnis?—

Maar de onderwijzeres lette niet meer op Eva, ze was weer geheel bezig
met de les, en Lachebekje kon niets op haar gezicht lezen.

Het volgende uur was er schrijven. De schriften en pennenhouders werden
uitgedeeld.

„Zorgt vooral, dat het laatste schrift, dat je in deze klas maakt, goed
wordt,” zei de juffrouw.

Een nieuwe zucht ontglipte Eva’s borst. Zou het werkelijk het laatste
schrift zijn, dat ze in die klas maakte, of zou ze nog een jaarlang
dezelfde schrijfvoorbeelden moeten volgen?

Ze deed haar uiterste best. Ze schreef altijd wel aardig, maar vaak te
gauw. Ze behoorde tot die meisjes, die steeds het eerst den regel
afhebben. Het was zoo gezellig, vond ze, om dan nog eens stil te zitten
en anderen te zien werken. Het spreekt vanzelf, dat er dan ook bijna
altijd wát aan haar werk mankeerde. Ze vergat de punt op een i of den
streep door de t’s of een letter uit een woord, zorgeloosheden, die Evi
zelf al heel licht telde, maar die haar meestal een laag cijfer voor
haar schrift bezorgden.

Nu was ze niet het eerst met haar regel klaar. Integendeel, ze schreef
met pijnlijke langzaamheid en angstige nauwgezetheid. Ze teekende de
letters één voor één, maakte de neerhalen dik, de ophalen dun. Haar
hand beefde van de inspanning, aan enkele letters was het duidelijk te
zien, die schenen zelf te trillen als je er lang naar keek.

Toen ze aan den derden regel was, en de juffrouw eens langs kwam, tikte
ze Evi bemoedigend op den schouder.

„Keurig,” zei ze, „dat gaat goed zoo.”

Evi kleurde en zuchtte van plezier, en opeens kwam de hoop weer met
kracht terug.

Ze keek door het raam. Enkel zonneschijn was het buiten. Zou het ook
straks voor haar enkel zonneschijn zijn?

Toen ze den vierden regel af had, en die nog beter geslaagd was dan de
vorige, lachten haar oogen weer.

Als ze verhoogd werd, dan zou ze veertien dagen naar tante Wolfers in
Den Haag gaan, om bij Coba en Hanna, haar nichtjes, te logeeren. Ze
verlangde zoo naar Den Haag. Ze was er al eens geweest, en het was er
zoo heerlijk, in het Bosch, en dan Scheveningen en de mooie, blauwe,
wijde zee, en de heerlijke frissche zeelucht.

Ze hoorde niet eens, dat ze aan den vijfden regel beginnen moest. Ze
was met haar gedachten aan het strand, het blonde duin met het
lichtgroene helm lag achter haar. Hanna en zij waren er juist komen
afrennen, en haar bloote voetjes waren heet geworden door het zand, dat
in den zonneschijn stoofde. Het deerde haar weinig. Rrsch! Daar kwamen
met een vaart de koele golfjes aanruischen, spoelden over haar voeten
heen, opspattend tegen haar beenen; en weg gleden ze weer, om een
oogenblik later terug te komen. Het was of ze een aanloop namen....

„Schrijf jij niet, Eva?”

Lachebekje doopte haastig den pennenhouder in den inktpot. Ze had
gedroomd. Het is altijd pijnlijk om uit een prettigen droom te
ontwaken.—Ze liep niet aan het strand, maar zat op school. Zou ze wel
eens naar Den Haag gaan?—

Een inktmop viel op haar schrift. Al haar mooie werk was nu bedorven,
en haar hoop was ook vervlogen, heelemaal.








V.

VERHOOGING.


Een modelklas.

Doodsche stilte.

Vóór de klas, statig, de hoofdonderwijzeres, een groot, opengeslagen
boek in de hand.

Twintig gezichtjes zien in spanning naar haar op.

Rika Obbes snuit haar neus, wat haar door de anderen bijna kwalijk
genomen wordt. Dat geluid is storend, het is oneerbiedig, het maakt,
dat juffrouw Van Looveren, de hoofdonderwijzeres, met spreken wacht;
maar Rika kan het niet helpen, ze is verkouden. Nog eens niest ze, het
is schandelijk.

Eindelijk begint juffrouw Van Looveren te spreken: „Het doet me
genoegen,” zegt ze, „dat in deze klas zeventien meisjes met goed gevolg
den cursus hebben doorloopen. Ik zal de namen opnoemen.—Je hebt allen
je lei en je tasch en je eigen boeltje bij je?”

Gretig knikken allen; ze verlangen niets anders dan haar have en goed
mee te nemen en er mee naar de zesde klas te wandelen.

„De boeken, die in deze klas hooren, laat jelui op de bank liggen. Wie
haar naam hoort noemen, gaat op de teenen naar de zesde klas—en vraagt
daar aan juffrouw Zandheuvel een plaatsje.”

Weer knikken allen. En nu begint—„eindelijk,” vinden de meisjes—de
opsomming der gelukkigen.

Rika Obbes is nummer een, die verhoogd wordt. Al niezend verlaat ze de
klas, nageoogd door de negentien anderen, die niets liever willen, dan
haar volgen.

Nummer twee, drie en vier zijn ook al genoemd. Dan volgt Saartje
Willems, Evi’s buurmeisje. Lachebekje knikt haar vriendelijk toe, als
Saartje haar blij verrast aanziet. Ze is blij voor Saartje. Dan komt
Lizette Lubbers. Dan nummer zes, zeven, acht, tot dertien toe, dan
veertien, vijftien en zestien....

Lachebekje wordt bleek tot de lippen toe. Al haar hoop is verdwenen. Ze
kan nauwelijks luisteren naar den naam van nummer zeventien. Die wordt
niet dadelijk genoemd.

„Nummer zeventien staat zóó zóó,” zegt juffrouw Van Looveren. „Ze heeft
meer gespeeld en gelachen met haar buurmeisje dan goed voor haar was.”

Lachebekje is nu vuurrood geworden. Het hart klopt haar wild in de
keel. Zou ze dan toch....

„Kom eens hier, Dora Beyma,” gaat de hoofdonderwijzeres voort, „zou je
denken, dat je in de volgende klas wat meer je best zult doen?”

Lachebekje hoorde niet meer Dora’s haastige belofte. Met treurige oogen
keek ze rond in het bijna geheel ledige lokaal, waar ze overbleef met
de twee domsten, toen schoten haar oogen vol tranen en, met het hoofdje
op de tafel, barstte ze in snikken uit.—

Ada Blommers en Nette Waldstra hadden niet anders verwacht, dan dat ze
zouden blijven zitten; ze waren lui en dom én onverschillig geweest. Ze
huilden niet eens. Ze bogen alleen het hoofd onder de vermaning, die
juffrouw Van Looveren haar gaf.

„Met jou moet ik eens een woordje spreken,” zei de hoofdonderwijzeres,
met iets dat naar medelijden zweemde neerziend op het krullige blonde
hoofdje vóór haar op de bank.

Lachebekje hief zich met moeite op, over haar vuurroode, natte
wangetjes stroomden heete tranen. Ze zag er heelemaal niet als een
lachebekje uit.

„Zou je graag nog een kans hebben om in de hoogste klas te komen, Evi?”
klonk het niet onvriendelijk.

Zenuwachtig lachte Evi, terwijl een trillende zucht uit haar borst
opsteeg. De zonnetjes in haar blauwe oogen braken door, ze glinsterden
door haar tranen heen.

„Of denk je,” ging juffrouw Van Looveren nu weer ernstig voort, „dat
het toch niet helpen zal? Dat je, zoodra je eenmaal verhoogd bent, weer
den ouden weg zult opgaan, en lachen en spelen en zorgeloos je werk af
roffelen?”

Heel ernstig schudde Evi het hoofd; áls ze verhoogd werd, zou ze zéker
haar best doen.

„Ik weet niet, of ik goed op je belofte aan kan; heb je je niet al
dikwijls voorgenomen je best te doen, en wat is er dan van gekomen?”

Lachebekje had beschaamd het hoofd gebogen.

„Enfin, ik wil het eens drie maanden met je probeeren. Blijkt het, dat
je een flink meisje kunt zijn, dat begrijpt, dat ze leeren moet,—dan
kan je er blijven en dan zal het je ook zeker niet moeilijk vallen met
de anderen gelijk op te leeren, want dom ben je niet. Maar doe je niet
uitstekend je best, ga je met een luchtig hartje je ouden gang,—dan
wordt je onvoorwaardelijk verlaagd.—Geef me nu een hand, Evi, en beloof
me, dat je een ferme meid zult zijn.”

Lachebekje gaf de juffrouw een hand, ze had haar wel een kus willen
geven, zoo blij was ze, dat ze nog kans had!








VI.

„IK GEEF NIETS OM DIE KANS.”


Haar vader was niet zoo blij. „Ik geef niets om die kans,” zei hij.
„Dan moest je een ander meisje zijn. Ik geloof er niets van, dat je nu
je best zult doen. Het zal natuurlijk gaan als altijd. Eerst heel mooi
beginnen, een halven dag, een dag lang misschien. Dan denk je:
Gelukkig, ik heb me zoo ingespannen, ik hoef me nu niet langer zoo uit
te sloven. En je gaat lachend je ouden weg.

„Neen, voor mij is het precies hetzelfde, alsof je niet verhoogd was.
Ik hecht niemendal aan die kans, want je maakt er toch geen gebruik
van. Het is over drie maanden een teleurstelling te meer.”

Evi dorst niets te zeggen; ze zat aan tafel met een bleek gezichtje. Ze
vond het vreeselijk, dat haar vader geen geloof meer in haar had. Ze
meende het zoo ernstig, dat ze haar best zou doen.

Haar moeder pleitte voor haar.

„Kom,” zei ze goedig, „ik geloof, dat Evi het nu wel meent.”

„Ze heeft het altijd gemeend, als ze iets beloofde, en toch heeft ze
haar woord niet gehouden. Ze méént het, ja, voor een oogenblik; morgen
is ze het weer vergeten.

„Hebben we niet jaar aan jaar dezelfde geschiedenis gehad, was haar
rapport ooit zoo goed als het wezen kon?—Ze is vroeger overgegaan, maar
hoe? Altijd was het bij het kantje af.—Heb ik haar niet gewaarschuwd
van het jaar? Heb ik niet herhaaldelijk gezegd, dat het verkeerd ging,
dat het zoo spaak moest loopen?—Hoeveel tranen heeft ze om het laatste
rapport niet geschreid, hoeveel goede plannen had ze toen niet voor de
laatste twee maanden! Ze zou zich beteren en ijverig zijn en ernstig.
En wat is het slot ervan? Dat haar cijfers nog verminderd zijn.”

Het was alles zoo waar, wat haar vader zei. Evi liet het hoofd nog
dieper zinken, om de tranen te verbergen, die haar vader nog meer
zouden hinderen. Ze moest hem gelijk geven; het scheen waarlijk, dat ze
onverbeterlijk was.

„Alle hoop is toch nog niet verloren,” zei mevrouw Wildevank zacht.
„Misschien is dit nu voor altijd een les voor haar. Als ze eenmaal
geleerd heeft met ernst te werken, zal het haar later makkelijk vallen.
Ze moet nu maar eens niets beloven, dezen keer, en ons door daden
toonen, dat ze het ernstig meent. Ze is er toe in de gelegenheid, want
de juffrouw van haar klas heeft haar heel wat huiswerk opgegeven om
zich te oefenen, en het achterstallige zooveel mogelijk in te halen.”

Lachebekje knikte, ze zag haar moeder dankbaar aan.

„Jij moet het weten, of je nog vertrouwen in haar wilt stellen,” klonk
het koeltjes terug. „Het is mij onverschillig. Ze kan voor mijn part
naar Den Haag gaan en met Hanna spelen zooveel als ze wil. Ze zal haar
verdriet gauw vergeten.

„Het beste zal zijn, dat we ons plan maar opgeven om haar onderwijzeres
te laten worden. Haar verstand is goed genoeg, maar dat alleen is niet
voldoende. Daar moet goede wil en standvastigheid bijkomen.

„Nu, maak het samen maar uit, mij is alles hetzelfde.”

Mijnheer Wildevank vertrok diep teleurgesteld. Evi stond voor het raam
en zag hem na. Hij keek niet zooals anders nog eens naar boven, toen
hij aan den overkant was, hij liep voort met een ernstig, misnoegd
gezicht, zijn stap lang niet zoo opgewekt en veerkrachtig als
gewoonlijk.

Zooveel leed had Lachebekje in haar leven nog niet gekend. Haar vader
vertrouwde niet meer op haar, hij geloofde haar niet langer!

Toen hij den hoek was omgeslagen zonder nog eens, als was het ook maar
even, naar haar op te zien, om haar goedendag te knikken, had ze een
gevoel of alle vreugd voor altijd voor haar verloren was.

Ze huilde niet. Stil sloop ze naar boven naar haar klein kamertje. Met
een hart, zwaar van droefheid zette ze zich aan haar werktafeltje neer.
Ze begon het pakje boeken los te maken, dat ze van school had
meegebracht.

Vijf en twintig sommen moest ze in de vacantie uitrekenen. Maar daaraan
kon ze niet beginnen. Haar hoofd voelde zoo leeg en raar.

Ze had ook nog thema’s te maken, die zouden beter gaan, als ze het
langzaam aan deed, en telkens als ze twijfelde, de spraakkunstregels
opsloeg.

Ze zuchtte van zenuwachtigheid. Ze wou haar vader dan toch toonen, dat
ze niet enkel een speelsch, onbeduidend ding was, dat ze niet altijd
even klein en kinderachtig bleef.

Ze had het thema opgeslagen en ze las: „De schuldigen zijn veroordeeld
tot gevangenisstraf.” Ze vertaalde meteen: „Les coupables ont été...”
de woorden „veroordeeld” en „gevangenisstraf” moest ze beide opzoeken.
Ze vond opzoeken iets vreeselijks. Meestal liet ze de woorden, die ze
niet wist, oningevuld. Ze ging dan stilletjes met haar schrift naar
Saartje Willems, die een verdieping hooger woonde, en bij haar schreef
ze de woorden even bij.

Nu bladerde ze haastig in de dikke dictionnaire en zocht en vond ze.

Toen begon ze aan den tweeden zin, waarvan ze het eerste woord het
beste al niet kende.

Langzaam tobbend, worstelend met de moeilijkheden, die ze vroeger
vermeden of veronachtzaamd had, vorderde ze zin voor zin.

Ze hield niet op met werken, toen het mooie orgel voor de deur
stilhield, met de dansende poppen, dat ze anders zoo graag zag; ze keek
zelfs niet op, toen de hardlooper voorbij kwam draven en den hoogen
zijden hoed op zijn neus liet balanceeren. Ze was dof in het hoofd en
haar oogen voelden moe. ’t Kwam doordat ze zoo verdrietig was, omdat ze
haar vader leed had gedaan.

Na een half uur kwam mevrouw Wildevank eens kijken, wat Evi deed.

Met een bleek gezichtje zat Lachebekje ingespannen te werken.

Mevrouw Wildevank knikte: „Juist, zoo is het goed, kind. Blijf nu
ijverig je best doen, dat je toch verhoogd wordt, hè? Wat zal Pa dan
blij zijn.”

„Ik wou—dat Pa weer van me ging houden,” snikte Lachebekje opeens,
terwijl ze in haar droefheid de pen uit de hand liet vallen, die een
groote klad op haar werk maakte.

Arm Lachebekje! Dat de wereld ook zoo hard is, en de onderwijzeressen
zoo streng zijn!








VII.

UIT LOGEEREN.


„Ga je ook niet mee?” vroeg Lachebekje, „kijk daar heb je het zonnetje
alweer.”

„Welja, ga mee, Koos,” drong mijnheer Wolfers ook.

„Neen, Pa, heusch niet, ik blijf werkelijk liever thuis. Daar drijven
zulke vrééselijk donkere wolken.”

„Die drijven voorbij, Coba; ’t wordt zeker nog mooi weer.”

„Hè, neen, Ma,” klonk het bijna huilend, „ik zou toch met mijn oude
jurk ook niet willen gaan, dan heb ik er echt geen aardigheid in, en op
mijn nieuwe zou ik niet graag een bui hebben.”

„Nou, zeur maar niet langer,” klonk opeens een jongensstem, „’t is
best, hoor!”

„’k Zou voor jou toch ook niet meegegaan zijn,” klonk het onvriendelijk
terug.

Hanna luisterde niet eens meer naar haar zuster, maar draafde achter
Lachebekje aan, de trappen af.

„Hola, Hans!” riep haar vader haar terug, „als het weer goed blijft, ga
dan naar Scheveningen, hier heb je wat voor de tram en een kleine
vertering.”

„Dank u, Pa!” zei Hanna salueerend, toen sprong ze uitgelaten naar
beneden.

„Naar de tram, voorwaarts, marsch!” riep ze, zoodra ze op straat stond.

„Kijk die lucht eens!” zei Lachebekje opgetogen, „zoo blauw als— —”

„Een vergeet-mij-nietje,” zei Hanna, gemaakt haar grooten mond wringend
tot een heel kleinen. „Maar het is een heerlijk meevallertje, ik had
het vanmorgen niet gedacht, hoor!”

„Wat een prachtige laan is dit toch,” zei Lachebekje toen ze boven op
de tram zaten, „net een groene poort, als je in de verte kijkt.—Zie nu
het zonnetje eens, heelemaal doorgebroken. Wat jammer toch voor Coba,
dat ze niet is meegegaan.”

„Och, Coba is altijd mal,” zei Hanna norsch.

Evi lachte. „Jelui bent niet erg vriendelijk tegen elkaar,” zei ze.

„Als ze ook altijd zoo gek is! Altijd heeft ze wat bijzonders. Hoe
vondt je het vanmorgen, toen mijn strengel haar weer niet mooi genoeg
was?”

„Nu, héél mooi zat hij niet,” zei Lachebekje zacht, „er staken veel
sprieten uit.”

„Maar de drukte, die ze toen maakte, toen ik mijn haar even in de kamer
losmaakte.”

Lachebekje begon opeens te schateren, niet om Coba’s „drukte”, maar
omdat ze aan de woeste manier terugdacht, waarop Hanna in eens,
roef-roef, haar strengel losgemaakt, en haar hoofd met een ruk heen en
weer gezwaaid had, zoodat de haren gefladderd hadden, als de manen van
een paard, dat zijn kop in den nek gooit.

„Coba is liefst een dametje,” zei Hanna, „heb je wel gemerkt, dat ze
het altijd heel naar vindt, als Pa haar Koos noemt? Ik doe het ook wel
eens om haar te plagen,—en ik ben liefst een jongen. Ik zou graag echt
Hans heeten.—Meisjes geven altijd om zulke flauwe dingen. Wat maal ik
er om of mijn scheiding recht of scheef zit, of ik een roode jurk
aanheb met een hoed met blauw lint, of mijn rok te kort is, of dat mijn
kousen eens afzakken. Ik bind ze eenvoudig weer op, dat is al. Coba wil
niet met me loopen, alleen omdat ze zegt, dat mijn kousen me altijd op
de hielen hangen. En ik trek ze wel honderdmaal op een dag op, en doe
den band zoo stijf, dat het me altijd pijn doet; ik kan mijn beenen
toch niet afbinden voor haar plezier!”

Evi lachte om de inspanning, waarmee Hanna op datzelfde oogenblik bezig
was het riempje om haar kous vaster aan te halen.

Vijf minuten later stonden ze op het strand en was Hanna alle grieven,
die ze tegen Koos had, vergeten.

Hè, wat was het daar heerlijk! Evi genoot. Ze begonnen met een flinke
wandeling te doen, zóó dicht langs de kust, dat het water meer dan eens
over haar lage schoentjes spoelde.

„We moesten maar dadelijk een glas limonade nemen, hè?” zei Hanna.

Evi vond het uitstekend. „Of als we terugkomen?” vroeg ze.

„Ik mocht het geld eens verliezen,” zei Hanna voorzichtig. „Ik heb hier
aan het strand al zooveel verloren, een portemonnaie, een mesje, een
nécessairetje, een armband—enfin, dat is mijn eigen schuld, zulke
dingen moest ik dan ook maar niet aandoen.”

„Hoe is het mogelijk!” riep Lachebekje, terwijl ze haastig naar haar
zak tastte, waarin haar beursje gelukkig nog aanwezig was.

„Ik begrijp het zelf niet,” zei Hanna, „maar toch is het zoo. Een mooi
bloedkoralen halssnoer ben ik ook kwijtgeraakt, en hoopen
haarlinten—maar die verlies ik overal,—eens zelfs een pelerine van een
splinternieuwe jurk. Die had ik nogal afgedaan om ze te sparen. ’t Was
een beeldige, met zij gevoerd. Uren heb ik er naar loopen zoeken, maar
mis, hoor! en Pa’s reistasch, een splinternieuwe, zoo’n bruinleeren
city-bag, die ik mee had genomen en die vol was gepropt met broodjes
met vleesch en krentenbroodjes. Een pond kersen zat er ook in, en zelfs
een bibliotheekboek. We zouden met een paar schoolmeisjes een heelen
dag in Scheveningen doorbrengen. Maar er kwam niets van in. We moesten
naar huis, de honger joeg ons.—Op een gegeven oogenblik, daar was de
heele tasch weg. Verdwenen, spoorloos! Al ons zoeken vergeefs. Heele
duinen hebben we omgegraven.

„Wat ik daarover heb moeten hooren! Er moest een nieuw bibliotheekboek
worden gekocht. Pa schoot het voor, één gulden vijf en twintig kostte
het. Maar ik heb er weken lang mijn stuiver zakgeld voor gemist.—Wat
een geluk nog, dat het geen boek in twee of drie deelen was, hè?”

Hanna en Evi namen op de stoeltjes bij de limonadetent plaats en
verkwikten zich aan een kwast, die ze bij kleine teugen uit rietjes
opzogen. Het was zoo’n heerlijk koel drinken, een flink stuk helder ijs
dreef er in.

„Je hebt er lekker lang aan, met zoo’n rietje, hè!” zei Hanna tusschen
twee trekjes in.

„O, ja!” Maar Lachebekje was afgetrokken. Oude, bijna vergeten
sprookjes kwamen haar voor den geest. Hoe kwam het toch, dat Hanna aan
het strand zooveel verloren had? Waarden er duingeesten rond, of doken
de meerminnen, voor stervelingen onzichtbaar, uit de golven op om de
menschenkinderen te berooven?—Ze had wel eens van drijfzand gehoord,
maar daarin verdwenen de menschen en geheel en al, en niet alleen hun
kostbaarheden.

Al haar spookachtige gedachten gingen op de vlucht bij het zien van de
grimmassen, die Hanna maakte toen ze het stuk ijs in haar mond had.

Evi moest er zóó om lachen, dat de limonade links en rechts over haar
glas heenspatte. „Je hadt niet dwazer kunnen kijken als je een kokend
heeten aardappel in je mond gehad hadt,” zei ze.

„’t Was ook net of ik me brandde van de kou,” zei Hanna, haar tong zoo
ver mogelijk uitstekend, om het laatste spoor te kunnen zien van het
wegsmeltend stukje ijs.

„Je kunt je wel branden van de kou,” zei ze met een gezicht of Eva haar
had tegengesproken. „Heb je nooit gehoord van zeelui, die zich bij
fellen vorst branden bij de aanraking van metalen voorwerpen? Heb je
nooit gehoord, dat wielrijders in een strengen winter zoo moeten
oppassen, dat ze niet met de bloote hand den stalen stuurstang
omvatten?”

Evi was overbluft.

„O, zoo!” zei Hanna op de manier van een straatjongen, die een ander
„getroefd” heeft. Toen blies ze met kracht het rietje ver voor zich
uit, keerde haar glas om, zoodat de laatste druppels in het zand
verzonken, met een beweging, die ze wel eens gezien had van een
koetsier, vóór hij zijn bierglas aan den kellner teruggeeft,—en
betaalde.

Lachebekje had erg veel schik in Hanna’s kwajongensgrappen. Ze was
vooraf een beetje bang geweest voor al te hoofsche manieren. Ze had
gedacht, dat alle Hagenaarstertjes verfijnde nuffen waren. En ze had
vooral gevreesd, dat ze erg bij Hanna zou afsteken, omdat die van haar
leeftijd was, en het verschil in vormen dus des te meer zou uitkomen.

„We moeten eerst nog maar een goed eind loopen,” stelde Hanna voor,
„dat we een beetje uit de menschen komen.”

Lachebekje vond het best, het was zoo aardig om ver van de anderen met
je tweeën te staan op het strand, en de groote zee te zien. Het leek
dan net of de zon en de zee, alleen voor je beitjes waren.

„We konden net zoo goed draven, als loopen,” zei Hanna, „er zijn zoo
akelig veel menschen, we komen hun anders nooit voorbij.”

Lachebekje gaf alleen antwoord, door Hanna hard voorbij te hollen. Ze
kon loopen als een kievit, en toch zoo netjes, dat niemand aan haar
zien kon, hoe ze draafde.

Hanna, met haar lange beenen en te korte rokken, die op school den naam
had van de steltloopster, en bijna alle meisjes van haar klas bij een
wedloop achter zich liet, was er verbaasd over. En het prikkelde haar
tegelijk. Zoo’n klein ding! Daar wou ze zich toch niet den loef door
laten afsteken. Ze deed haar uiterste best om Evi in te halen, en liep
met zoo’n vaart, dat de hielen haar van achteren tegen de rokken
sloegen. Aan Hanna was het des te meer te zien, dat ze rende. Het waren
niet alleen haar beenen, waarmee ze, zooals Coba zei „maaide”, maar
alles aan haar scheen mee te rennen. Haar armen zwaaide ze als
molenwieken, haar vuurrood gezicht stak vooruit als de kop van een
vogel in zijn vlucht, het krullende haar waaide om haar slapen heen, de
hoed danste haar in den nek, de vlecht, waarvan ze dadelijk lint en
band verloren had, zwiepte als een vlossen paardestaart op haar rug en
speelde hopsa-janneke bij iederen stap.

Ze hijgde, lachte, riep, veranderde eindelijk van koers en liet zich
amechtig neervallen, tegen de zachte helling van een duin.

Lachebekje had zich ook omgekeerd en zette zich een oogenblik later
naast haar neer.

„Je bent moe, hè, Han?” zei ze.

„Jij niet, hè?” zei Hanna met een tikje spot.

„Niet erg,” zei Evi naar waarheid; ze zag er niet eens heel warm uit.

„Ik ben doodaf,” zuchtte Hanna, „maar jij loopt ook als de wind, ik kón
je niet krijgen en ik verzeker je, dat ik in den letterlijken zin
poot-an heb gespeeld.”

Lachebekje zette haar hoedje af en schaterde het opeens uit. „Maar jij
loopt ook met je heele lichaam,” zei ze, „ik heb eens omgekeken, en ik
zag je aankomen, net een....”

„Net een....?” vroeg Hanna. „Spreek je hartje maar uit, kind, ik houd
wel van beeldspraak en bloemrijke taal.”

„Net een groote glazenmaker met zes pooten, die alle zes tegelijk in
beweging zijn!”

Het was de muziek van Evi’s helderen schaterlach, die Hanna mee deed
lachen, en tegelijk haar vermoeidheid scheen weg te blazen, want ze
sprong op, snelde naar den top van het duin, waartegen ze gerust had,
en liet zich, met een waarschuwend: „Van onderen!”, naar beneden
rollen.

Evi sprong opzij, om niet bestoven te worden door het opgewoelde zand.
Het was een bespottelijk gezicht, een gefladder van rokken en haren,
een lawine van zand. Hanna’s gezicht met de dichtgeknepen oogen, was
als een roode kool, haar lichaam met de gestrekte armen, een stijve,
onbeweeglijke massa, een zuil, rollend naar omlaag met steeds grooter
snelheid, verdringend en meesleepend het zand, dat haar in den weg lag.

Toen ze aan den voet gekomen was, stond Hanna op; ze was zwaar van het
zand; als blonde beekjes stroomde het haar aan alle kanten uit de
kleeren, het kriebelde haar in den nek en in het haar.

„Je moest mijn rug eens voelen,” zei ze, „daar zit een half duin in, en
mijn hoofd, ik voel me als een tol, alles draait om me heen, ik zie de
zon net als een groot vuurwerk, waaruit duizenden vonken spatten; maar
het is heerlijk om zoo te rollen, het is zoo’n eenig, wonderlijk
gevoel, ’s nachts droom ik er nog dikwijls van.”

„Ik geloof graag, dat het een wonderlijk gevoel is,” zei Evi, „maar ik
denk niet, dat ik het erg prettig zou vinden.” Ze zag op de helft van
het duin een klein rood puntje uitsteken, en ging eens kijken wat het
wezen mocht.

Zegevierend kwam ze een paar tellen later bij Hanna terug, in de ééne
hand Hanna’s rood zijden strik, in de andere haar zakdoek.

„Die hadt je in den val verloren,” zei ze, „ik begrijp nu ook best, wie
de duingeesten zijn, die jou van je sieraden en bezittingen berooven.”

Hanna sprong op, haar duizeligheid was voorbij; met een gezicht, dat
straalde van blijde verrassing begroette ze haar verloren schatten. „O,
wat ben jij een engel, om dat voor me te vinden.—’t Is de mooiste
strik, dien ik heb,—het elastieken lusje is er nu van gebroken,—en mijn
zakdoek ook, een geborduurde nog wel! Je moet weten, dat ik altijd na
een wandeling gefouilleerd word, en wee mij, als er wat aan den
inventaris ontbreekt!”

„Hoe is het mogelijk, hè,” zei Hanna nog eens, terwijl ze lint en
zakdoek met teedere bezorgdheid in den zak stak, die zwaar van zand
was, „wat zou je toch gauw iets kunnen kwijt zijn.”

„Zullen we nu eens een voetbad gaan nemen?” vroeg Evi. „Mijn beenen
zijn gestoofd.”

„En de mijne,” riep Hanna, haar lage schoentjes uitschoppend, die met
zand gevuld waren; het was verwonderlijk, hoe er, behalve voor Hanna’s
voeten, in die schoentjes plaats was geweest voor zóóveel zand.

„Dat is het allerprettigst,” zei Evi, met de rose mollige voetjes
dapper het water wegtrappend, zoodat het hoog opspatte tegen haar
beenen.

Ja, dat wás het prettigst. Onder de groote zonnehoeden liepen de
meisjes, de kustlijn volgend, naar Scheveningen terug, steeds plassend
in het heerlijke frissche water. De aanrollende golven klotsten haar
stoeiend tegen de beenen en wierpen haar een regen van druppels tegen
de knieën.

Hanna had een zeer vernuftige manier uitgedacht om kousen en schoenen
mee te voeren zonder er last van te hebben. De kousen had ze namelijk
aan elkaar om het middel gebonden, en de schoentjes er met de veters
aan vastgemaakt, zoodat die haar op den rug bungelden. Het was prettig,
dat ze zoo de handen vrij hadden.

„Wat heerlijk is het hier, hè?” riep Lachebekje, omziend met een
stralend gezichtje.

Als stadskindje genoot ze dubbel van al het natuurschoon. Het kwam haar
voor, of ze de zon nog nooit zoo mooi gezien had, een gouden oog in den
wijden blauwen hemel; en de woelige zee, dat levende water met zijn
duizenden tinten, wisselend van diep hemelsblauw tot smaragdgroen en
zilver; enkel vloeiend, schitterend zilver, waar de zon er zich in
spiegelde. De vroolijke golfjes met hun eindeloos gespeel, die met een
blijden lach kwamen aanruischen, en dan weer hard wegliepen als
dartelende kinderen, deden Lachebekje schateren van plezier. ’s Avonds
in bed hoorde ze nog vaak den eentonigen zang van de zee, als ’t geluid
van den wind, die ritselt door breede boomkruinen heel in de verte. En
dan kwamen haar ook voor den geest brokstukken van wat ze gezien had:
zacht glooiend blank duin, wit in den zonneschijn, hier en daar
begroeid met glanzige helmsprieten, en boven de golvende duinenlijn,
mooi blauw de klare lucht, waarin ijle zilveren wolkjes zweven als
ragfijne sluiers. Dan zag ze de kinderen aan het strand, met hun bloote
voetjes, rozerood als de zeeschelpjes, en hun door de zon gebruinde
armen. Ze hoorde hen joelen en lachen, hun stemmetjes schenen weg te
waaien, de wind nam ze mee. Hun blonde krullen fladderden, terwijl ze
zich bukten om kanalen en grachten te graven, kleine kabouters met
gezonde wangen, rood van inspanning, frisch van de koele zeelucht.—

Of ze lag weer heerlijk lui tegen het duin, in een bed van zand,
blozend, warm, het zonlicht nog voelend door de dichte oogleden heen,
en liet zich in slaap zingen door het wiegelied der deinende golven.








VIII.

HERINNERINGEN.


’t Was met een hart vol dankbaarheid, dat Lachebekje op een zonnigen
Zaterdagmiddag weer in den trein stapte om naar Amsterdam terug te
keeren. Ze werd weggebracht, door Tante, Coba en Hanna.

„’t Spijt me erg, dat je weggaat,” zei Hanna hartelijk.

„Mij ook,” zei Coba, die Lachebekje graag lijden mocht en in die eene
week al wat van haar nuffigheid had afgelegd, omdat die zoo dwaas
afstak bij Evi’s natuurlijkheid. Het voorbeeld van Hanna, die met haar
woestheid weer aan den anderen kant overdreef, hielp haar nooit, ze
werd er juist nog damesachtiger en gemaakter door.

Ook op Hanna had Lachebekje een gunstigen invloed gehad, omdat Evi
zonder een „verwaand, ijdel, neuswijs spook” te zijn, toch
meisjesachtig was, zoodat Hanna zich in haar tegenwoordigheid, zooals
ze zelf zei, een „linkschen, slungelachtigen boerenjongen” voelde.

Mevrouw Wolfers zag Evi ook ongaarne vertrekken; ze had heel goed
opgemerkt, dat de tegenwoordigheid van het vroolijke logéetje op haar
beide meisjes een uitstekende uitwerking had.

„Dag tante, ik dank u nog eens hartelijk voor alles,” zei Lachebekje,
de hand uit het portier stekend, „dag Coba, dag Han’! Tot Kersttijd,
hoor, vergeet niet, dat je dan allebei eens bij ons komt.”

Met een schok zette de trein zich in beweging, Lachebekje knikte nog
wel tienmaal heel vriendelijk, wuivend met haar zakdoek; toen, nadat ze
zelfs de groote ronde schijf van Hanna’s breeden zonnehoed niet meer
zien kon, zette ze zich in haar prettige hoekplaats neer, en tuurde met
een blij gezichtje het raampje uit.

Ze lette niet op de dingen, die ze voorbijstoomde, ze zat maar rustig
al het prettigs te overdenken, dat er in de laatste weken gebeurd was.
Ze had niet gedacht, dat haar na de eerste donkere vacantiedagen, zoo’n
gelukkige tijd wachtte.

Ja, die eerste week, wat was die treurig en somber geweest. Lachebekje
zuchtte weer, als ze er aan terugdacht. Ze had gemeend, dat haar vader
voor altijd boos op haar bleef. Of neen, boos niet, dat was het juist.
Als hij werkelijk kwaad geweest was, zou de ijver, dien ze in den
eersten tijd aan den dag legde, hem wel zachter gestemd hebben. Hij was
alleen nooit meer aardig of vriendelijk tegen haar. Hij scheen niet te
kunnen gelooven, dat die ijver duren zou. Elken avond, als ze hem
goedennacht kwam zeggen, nadat ze den heelen dag flink gewerkt had, was
hij zoo koel tegen haar. Zoo, alsof hij dacht: „Je hebt je vandaag eens
uitgesloofd, maar ik zal je er niet voor prijzen, want ik weet, dat het
morgen toch weer mis is, en één dag hard werken kan de schade van een
heel jaar niet goedmaken.”

Als Lachebekje dan in bed lag, nadat haar vader haar koeltjes een
nachtzoen had gegeven, had ze dikwijls gesnikt van verdriet. Ze meende
het zoo goed, het was zoo in ernst haar bedoeling, haar uiterste best
te doen, en het kostte haar zooveel moeite,—waarom geloofde haar vader
dan niet, dat ze zich inspande, dat ze alles doen wou, om maar weer te
maken, dat hij van haar hield?

Ze vond de nachten zoo lang en donker, dikwijls kon ze niet in slaap
komen van verdriet.

Ze had het haar vader zoo graag willen zeggen: „Wees u toch weer goed
op me, vertrouw me weer, alstublieft, ik wil vooruitkomen, ik zal
zorgen dat al mijn huiswerk in orde is, en dat ik in de hoogste klas
kan blijven, als ik er eenmaal in ben.”

Maar ze zweeg; haar vader zou die praatjes maar kinderachtig gevonden
hebben; haar moeder had wel gelijk: door daden moest ze toonen, dat
haar bedoeling goed was.

Maar het is zoo moeilijk om vol te houden, als je niet eens
aangemoedigd wordt door een vriendelijk woord. De sommen waren lastig,
ze had er zich vroeger zoo veel „eventjes” door Saartje Willems laten
uitleggen en bij de taalstukjes moest ze telkens weer de regels
opzoeken en die eerst leeren. Vroeger had ze er maar wat naar geraden.

Op een avond, dat Lachebekje met een kleur van het werken van haar
schrift opkeek, had haar moeder haar toegeknikt en vriendelijk gezegd:
„Ze doet nu flink haar best, als ze nu zoo maar blijft voortgaan, dan
komt alles nog wel terecht.”

Mijnheer Wildevank had niet opgekeken van de krant waarin hij zat te
lezen. „Ja, als ze zoo voortgaat,” had hij geantwoord,—„vleugjes van
ijver hebben we genoeg gezien, maar het heeft nooit lang geduurd.”

Lachebekje had bijna niet voort kunnen gaan met schrijven, haar hand
beefde en er was een floers voor haar oogen gekomen. Stilletjes had ze
de tranen weggewischt, en ze had eens geslikt, want het was of haar
iets in de keel zat. Ze wou niet huilen, flink wou ze zijn, en haar
werk heelemaal afmaken. Zou haar vader dan niet weer goed op haar zijn?

Toen de eerste vacantieweek om was, was Lachebekje met alles klaar
geweest. Het was een pak van haar hart, en het deed haar plezier, dat
haar moeder zoo blij was, maar gerust was ze niet.—Zou haar vader nu
weer vertrouwen in haar stellen, of nóg niet? Zou hij zeggen: „Het valt
me mee, dat je het een heele week hebt volgehouden, maar een week is
nog niets in vergelijking van drie maanden.”

O, als hij dat eens zei. Hij zou gelijk hebben. Drie maanden is een
lange proeftijd, en Lachebekje kende zichzelf niet genoeg, om te weten
of ze de proef zou kunnen doorstaan.—Maar als haar vader geen geloof in
haar had, dan zou ze het zeker niet uithouden....

Zenuwachtig had ze gewacht, den heelen middag. Het had haar bijna
gespeten, dat ze klaar was, dat ze nu niets meer doen kon om haar ijver
te toonen. Ze had het werk nog eens nagelezen, hier en daar een
verbetering gemaakt en een slordige bladzij overgeschreven. Heel op het
eind had ze ontdekt, dat twee sommen totaal fout waren, en ze had ze
overgerekend zoo gauw ze kon; zou ze nu toch niet klaar zijn, als haar
vader kwam?

Ze had door het werken zijn stap op de trap niet gehoord. Opeens had ze
haar vader in haar kamertje zien komen, vroolijk, opgewekt zooals hij
altijd was, vroeger.

„Lachebekje,” zei hij, terwijl hij zich over haar heen bukte om haar
een hartelijken zoen te geven, „je bent een beste meid. Ik vind het
kranig van je, hoor, dat je deze week zoo goed hebt aangepakt. Nu ben
ik niet bang meer. Je zult de proef doorstaan.”

Die domme Lachebekje, ze was gaan huilen! Maar mijnheer Wildevank had
de tranen weggewischt met zijn grooten zakdoek, een beetje onhandig,
want Evi’s verdriet bracht hem in de war.

„Dwaze meid,” zei hij, „moet je nú huilen? Kijk liever eens wat ik voor
je heb meegebracht.”

Met vingers, die nog een beetje beefden, maakte Lachebekje het pakje
open. Wat moest het anders zijn, dan een boek, dacht ze, maar ze dorst
het bijna niet te denken, dat het een boek zou zijn.

Het was er een, een in een beeldig reseda-kleurig bandje. „Alles komt
terecht” stond er in mooie gouden letters op.

Sprakeloos van vreugd had Evi naar haar vader opgezien.

Mijnheer Wildevank had gelachen. „Zorg jij maar, dat alles terechtkomt,
hoor, Lachebekje.”

Binnenin op het schutblad had haar vader geschreven: „Aan mijn Evi bij
haar verhooging.”

Ja, haar vader had het vertrouwen in zijn dochtertje herwonnen; zóó
zeker scheen hij er van, dat ze den proeftijd met goed gevolg zou
doormaken, dat het Evi eer beangstigde.

Als ze nu eens niet slaagde?—„Wie wil, die kan,” had mijnheer Wildevank
ernstig gezegd, „voorloopig moet je nu niet meer aan werken denken.
Geniet nu maar van je vacantie. Deze week moet je maar met Saartje
doorbrengen, en de laatste twee weken ben je bij tante Wolfers, ik heb
haar vanmiddag geschreven, dat je van haar vriendelijke uitnoodiging
gebruik mag maken.”

Zoo was na die eene week van ernstig werken, de eene heerlijkheid de
andere opgevolgd.

Evi zat dat alles in den trein te overdenken.

Een gelukkigen tijd had ze gehad, en ze kwam terug, verfrischt naar
lichaam en geest, met roode wangen en koffiebruine handjes. De koele
zeelucht had haar goedgedaan, de geur der bosschen bracht ze in haar
kleeren mee naar huis. Haar kleine reistasch was, zoover de ruimte het
toeliet, gevuld met beuke- en hazelnootjes, met mos en boomschors, met
rose en lichtgekleurde schelpen, met zeehoorntjes waarin je de zee kon
hooren ruischen, als je ze voor de ooren hieldt. Haar hoofd was vol
prettige herinneringen en mooie voorstellingen van al wat ze gezien
had; en haar goed, vroolijk hartje was vol dankbaarheid voor alles, wat
ze in die heerlijke vacantie had genoten.








IX.

EEN SAMENZWERING TEGEN LIJSJE LUBBERS.


Het wás gemeen van Lijsje Lubbers, daar was iedereen het over eens.
Maar wat was er aan te doen? Lachebekje had de straf al beet.

„Wat er aan te doen is?” Sara Willems bruine oogen fonkelden. „Een
heeleboel is er aan te doen, de juffrouw moet het weten.”

„Vertel jij het dan,” zei Rika Obbes, „je hebt gelijk, het is
onbillijk.”

„Klikken doe ik niet,” riep Sara, „dank je wel.”

„Maar hoe zal de juffrouw het dán te weten komen, als niemand klikt,”
vroeg Doortje Beyma nu ook, „want jij wil het niet zeggen, maar een
ander ook niet.”

„Eén moet het zeggen!” zei Sara beslist.

„Moeten we er om loten?” vroeg Rika.

Sara schudde het hoofd. „Lizette zelf moet het vertellen,” zei ze,
„háár plicht is het.”

„Lijsje Lubbers!” Er ontstond een verward gemompel. Lijsje! Die zou
niet willen. Ze zou er nooit toe te bewegen zijn.

„Ze moet er toe bewogen worden,” klonk Sara’s stem, „wij moeten er haar
toe dwingen.”

Er volgde een korte stilte. De meisjes dachten na. Sara kon wel eens
wat erg vurig zijn. Het gebeurde meer, dat ze in geestdrift was voor
een of ander plan, dat later onuitvoerbaar bleek.—Maar ditmaal sloeg
het aan.

Rika, de bezadigde, was er voor gewonnen. „Ja,” zei ze met meer klem,
dan waarmee ze gewoonlijk sprak, „zoo moet het gaan. Wij moeten met
Lijsje spreken en ze moet zichzelf aanbrengen.”

„Als wij er geen werk van maakten, zou het ónze schuld zijn, als
Lachebekje weer verlaagd werd.” zei Saartje weer.

„Verlaagd zal ze toch niet worden,” dacht Dora.

„Ja zeker, natuurlijk. Wat had het anders te beduiden, dat juffrouw
Zandheuvel zei: „Dat zal je spijten, Eva Wildevank. De drie maanden
zijn nog niet om! Kinderen die zonder reden onophoudelijk zitten te
lachen, kunnen we hier niet gebruiken.”

„Evi werd heelemaal wit,” zei Rika medelijdend.

Saartje Willems knikte. Zij zag vuurrood, zoo had ze zich opgewonden om
Lachebekje te verdedigen.

„Maar hoe kunnen wij Lizette dwingen?” vroeg Anna. „Het zal haar niet
kunnen schelen, wat wij er van zeggen.”

„Als ze het niet doet, moet niemand van ons meer een woord tegen haar
spreken,” zei Rika.

„Ons heelemaal niet met haar bemoeien!” riep Saartje.

„Waar is Lijsje?” vroeg Dora, die met een donkeren blik om zich heen
zag, als daagde ze Lizette al uit.

„Als ze me goedendag zegt, steek ik mijn tong tegen haar uit!” Sara
deed het nu al, alsof ze zich oefenen wou.

„Matig je,” zei Rika lachend, „het is immers niet gezegd, dat ze het
niet doen wil.”

„Ik zou niet graag in haar plaats zijn,” zei Dora huiverend, „verbeeld
je, dat je naar de juffrouw gaat en zegt: „Juffrouw, ik zou u even
willen spreken.” En juffrouw Zandheuvel, stijf: „Wel?” En dan:
„Juffrouw, ik kom u even zeggen, dat Eva Wildevank om mij gelachen
heeft. Ik had u uitgeteekend met een grooten puntkraag om, een bril op
den neus, een pennenhouder achter het oor en een groote liniaal in de
hand; en uit uw mond kwam een wolk en daarin heb ik geschreven:
„Stilte, meisjes!”—En door uw hoofd heb ik een draadje gehaald, en zoo
liet ik u dansen, en daarom moest Eva Wildevank nu aldoor zoo lachen.””

Dora Beyma zweeg, geheel ademloos door het lange verhaal.

„Ja, ’t is wel vreeselijk om zulke dingen te moeten zeggen,” zei een
van de meisjes met een ernstig gezicht en op een toon van beklag.

Sara Willems kwam gauw tusschenbeide: „Nog véél vreeselijker is het om
zulke dingen te doen,” zei ze, „en het ergst van alles is, dat ze er
altijd een ander laat inloopen. Hoe dikwijls hebben wij voor haar niet
al straf gehad! Ik tenminste. Maar Evi nog meer, die lacht altijd zoo.
Ze kan zich nooit goedhouden.”

„Ja, wat lachte ze,” zei een van het groepje, „ik zat naast haar, ik
hield mijn hart vast van angst dat ik ook mee zou moeten lachen. Ze kón
zich niet inhouden. Eerst werd ze vuurrood, bijna paars, ik was bang,
dat ze stikken zou, en toen, opeens, proestte ze het uit, de bank
schudde er van.”

„Eerst moest ik ook lachen,” zei Dora, „maar zoodra ik Evi hoorde,
verstomde ik.”

„Ik werd er ook naar van,” en Sara trok een diepen rimpel in haar
voorhoofd, „en het was des te pijnlijker, omdat de juffrouw in den
beginne zoo geduldig was. Ze was heelemaal niet boos en wachtte tot Evi
had uitgelachen, maar nauwelijks was ze weer bedaard met lessen
voortgegaan, of daar begon het lachen weer.”

„En als de juffrouw tenminste nog maar geweten had waaróm ze lachte,”
zei Rika, „ik zou het verteld hebben in haar plaats.”

„En ik!” riep Sara, met een levendigen knik.

Een paar meisjes maakten zich uit het groepje los om naar huis te gaan,
ze hadden al zoo lang voor de school staan praten.

„Vanmiddag vroeg komen,” riep Sara haar toe, „en dan allemaal tegelijk
op Lijsje af.”

„Ze zal denken, dat we haar willen verslinden,” lachte Dora, „neen, we
moeten een van ons afvaardigen.”

„Rika Obbes!” riep Sara.

Dat werd goedgevonden; Rika zelf had er niets tegen. Zij zou het
Lizette kalm aan het verstand brengen.

„Natuurlijk hoeft ze niet in bijzonderheden te treden,” zei Rika, „als
ze maar zegt, dat zij Evi aan het lachen gemaakt heeft, dan is het
voldoende.”

Saartje knikte weer; dan zal de juffrouw haar zelf wel verder
uithooren, dacht ze, en het speet haar niets, dat Lizette hoogst
waarschijnlijk een flinke straf te wachten had.








X.

OVERBLIJVEN.


Ondertusschen zat Lachebekje op school, bitter bedroefd. Ze moest
overblijven.

Het was vreeselijk; ze had nog nooit over hoeven te blijven, zoolang ze
op school was. En nu, in haar proeftijd, gebeurde het.

Wat zouden haar vader en moeder wel van haar denken, haar vader vooral!

Het was niet voor het eerst, dat ze straf kreeg in die drie maanden, de
vierde keer was het al.

Evi zuchtte, en nu was de straf zoo streng.

Haar vader had niets gezegd, toen ze drie weken geleden eerst om vijf
uur was thuis gekomen. Hij had alleen gevraagd: „Heb je school moeten
blijven?”

En ze had „ja” moeten zeggen; hoe vernederend was dat geweest!

„Het zal nooit weer gebeuren,” dat had ze zich zoo stellig voorgenomen;
maar jawel, twee dagen later was het alweer zoo. Toen had ze, de les
geheel vergetend, een heelen tijd met een lint van haar jurk zitten
spelen, telkens en telkens had ze het weer overgestrikt, tot ze, opeens
opziend, de oogen van juffrouw Zandheuvel ontmoet had.

„Herhaal jij die berekening eens?” had de juffrouw gevraagd, maar Evi
had niet eens geweten, welke som er bedoeld werd.

Den derden keer had ze moeten blijven, twee dagen geleden, omdat ze
half dansend van pret uit de gymnastiek terug was gekomen. Toen was ze
er met een kwartiertje afgekomen.

Maar nu!

Lachebekje zuchtte diep.

Ze keek eens op. Ze zat heel alleen in het lokaal, mét juffrouw
Zandheuvel, die een stapel schriften corrigeerde.

Evi had niets te doen, niets dan „uit te lachen”, zooals de juffrouw
gezegd had.

Maar Lachebekje lachte niet. Ze was heelemaal „uitgelachen”. Haar
groote, blauwe oogen staarden droevig naar de bank vóór haar, of
richtten zich naar de vensters met een verlangenden blik.

Arm gevangen vogeltje! Ze had weg willen vliegen. Het weer was zoo
mooi.

Honger bad ze ook. Eerst om halftwee zou Sara Willems komen met haar
boterham. Evi geeuwde. Juffrouw Zandheuvel had haar broodjes al op en
schonk zich uit een blikken kannetje nog een glas melk in.

Evi deed haar best er niet naar te kijken, omdat haar trek er nog maar
te grooter door werd.

Maar het was niet alleen, omdat ze haar vrijheid miste en omdat ze
honger had, dat Lachebekje zoo triestig was. Het meest griefde haar de
gedachte aan huis. Wat zou haar vader wel zeggen?

Ze zag telkens voor zich het mooie reseda boek met den gulden titel:
Alles komt terecht, en het inschrift: „Aan mijn Evi, bij haar
verhooging.”

Het was of die woorden haar brandden. Ze voelde, dat ze het vertrouwen
van haar vader, waarnaar ze zoozeer verlangd had, beschaamd had
gemaakt.

Bij haar verhooging!—Het zag er werkelijk niet naar uit, dat ze
verhoogd zou worden!

Wat was ze toch zwak en kinderachtig. Waarom kon ze zich niet tot ernst
dwingen? Waarom had ze ook naar dat poppetje gekeken, dat Lijsje
geteekend had; flauw kind, dat ze was!

Het hielp niet meer, dat ze zichzelf nu beschuldigde, ze had de straf
moeten voorkomen. Of ze zich nu al voornam in het vervolg haar best te
doen,—wat zou het baten?

Wat was het leven toch treurig. Of liever, wat máákte ze het zichzelve
toch tot een last.

Ze was zoo gedrukt, zoo terneergeslagen. Hoe naar ze het ook vond een
heelen dag achtereen op school te zitten, ze verlangde er volstrekt
niet naar, naar huis te gaan. Het bezwaarde haar, dat ze thuis zou
moeten komen, en het dan vertellen, dat ze weer zoo dwaas gelachen had.

Twee tranen gleden langs Lachebekje’s bedrukt gezichtje. Och, had ze
dat boek toch maar niet gekregen, ze verdiende het immers niet. Haar
vader had gelijk gehad. Het zou beter geweest zijn, als ze maar
dadelijk was blijven zitten....

„Kom eens bij me, Eva,” klonk juffrouw Zandheuvel’s stem.

Lachebekje schrikte op uit haar gedroom; op de teenen, omdat haar
stappen zoo hol klonken in het leege lokaal, ging ze naar het podium.

„Ik heb hier juist je werk nagezien,” begon de onderwijzeres, „het is
uitstekend. Er mankeert niets aan. Je bent, wat je werk betreft, flink
vooruitgegaan den laatsten tijd. Waarom ben je dan zoo kinderachtig, om
telkens te spelen en om niemendal te lachen?—Vertel me nu eens, waarom
lachte je toch vanmorgen?”

Lachebekje kon geen antwoord geven. Ze had een kleur gekregen van
blijde verrassing, toen de juffrouw haar werk prees. Maar ze was
verlegen. Wát moest ze nu zeggen? Zou ze toch Lijsje Lubbers
verklappen?—Klikken was zoo laag en verachtelijk.

Evi zuchtte, en keek naar den grond.

De juffrouw moest wel denken, dat ze naar uitvluchten zocht. Dát maakte
het Evi des te lastiger om te zwijgen, dat juffrouw Zandheuvel zoo goed
en gemoedelijk was.

Evi wenschte bijna, dat zijzelf een grap had gemaakt, zeker zou ze het
dan zeggen en om vergeving vragen.

„Nu, Eva, kun je het me niet zeggen, waarom je lachte, of wil je niet?”

Het plafond, waarnaar Lachebekje de oogen in wanhoop opsloeg, bracht
haar geen raad, en haar witte schortje evenmin.

„Ga dan maar weer naar je plaats, als je niets te zeggen hebt,” klonk
het ongeduldig en gemelijk.

Lachebekje ging, de afstand leek haar groot van het podium naar haar
bank. „Zal ik het nog zeggen?” dacht ze onder het loopen, „wat moet
Lijsje me ook telkens aan het lachen maken?”

Maar ze zei toch niets, en troosteloos zette ze zich weer neer in de
vale bank. Ze keek nog eens op naar de onderwijzeres, doch die nam geen
notitie meer van haar.

Ze hoorde, hoe er aan de voordeur gescheld werd, ’t zou Sara zijn met
haar boterham. Evi gaf er niet om, haar trek was over.

’t Was Sara, met hoed en mantel kwam ze de klas in.

„Juffrouw, hier is een boterham voor Evi Wildevank. Mag ik haar die
even geven?”

Juffrouw Zandheuvel knikte.

Sara had nog iets op het hart. „Lizette Lubbers is er ook,” zei ze met
schitterende oogen, „ze wou u graag wat zeggen.”

„Laat haar maar binnenkomen,” zei de onderwijzeres.

Lachebekje kon haar oogen niet gelooven, toen ze Lizette daar zag
aankomen met een kleur van verlegenheid.

„Ik heb Eva aan het lachen gemaakt,” stamelde Lijsje, „’k had een
poppetje geteekend en dat liet ik dansen.”

Ze zei er maar niet bij, dat het poppetje juffrouw Zandheuvel zelf
moest voorstellen.








XI.

ALLES IS TERECHTGEKOMEN!


Evi Wildevank gaat naar huis, meer springend dan loopend. Ze lacht, de
blauwe oogen stralen, de witte tanden lachen vroolijk tusschen het
heldere rood van haar lippen. Het blonde krullende haar danst haar op
den rug.

Ze loopt gearmd met Saartje, die ze af en toe in den arm knijpt van
plezier. Voor een winkel blijven ze staan. Maar ze kijken niet naar de
met zorg uitgestalde stoffen. Lachebekje heeft haar rapport geopend om
nog eens weer met Sara de mooie cijfers na te gaan.

„Ik kan haast niet gelooven, dat het mijn boekje is,” zegt Lachebekje,
„’k heb nog nooit zoo’n goede gedraglijst gehad. En wat heerlijk, hè,
dat ik nu mag blijven in de klas, ’k had het nooit gedacht, jij?”

„Zeker wel,” zegt Sara, „in den laatsten tijd wel.”

’t Lijkt Lachebekje toe, dat de heele wereld vol geluk is. De kou, de
hard bevroren straten, de rosse lichten achter de winkelramen, alles is
even prettig. En ’t is zoo heerlijk, dat Sara Willems ook zoo blij is.

Lachebekje drukt Saartje’s arm nog steviger. „Zullen we niet een klein
beetje aanloopen?” vraagt ze.

Ze verlangt zoo naar huis. Ze kan het haast niet begrijpen, dat haar
vader het groote nieuws nog niet weet. En haar Moe zal ook zoo blij
zijn.

„We draven al,” zegt Saartje buiten adem, maar ze versnelt toch nog
haar pas.

„’k Hoop, dat er maar ijs komt,” zegt ze na een oogenblik, „een
Kerstvacantie zonder ijs is niet prettig.”

Evi lacht. „Het zal wel blijven vriezen! Kijk, de bloemen staan op de
ruiten.” Evi is in een stemming om van alles het beste te hopen.

Ze is ook zoo gelukkig. Ze heeft Kerstvacantie, Hanna en Sara komen
beiden bij haar logeeren. Ze zullen uitgaan, schaatsenrijden misschien.

Maar wat haar hartje het meest verblijdt, wat haar doet huppelen van
plezier, dat is haar goede rapport en de zekerheid, dat ze in de
hoogste klas kan blijven.

Ze voelt zich als een veertje zoo licht, als ze de trappen opspringt.

Ze vergeet te groeten, als ze de kamer inkomt. Met een gezichtje, dat
door zijn warmen gloed haar blijdschap verraadt, geeft ze haar vader
het rapport over.

Haar oogen stralen als zonnetjes.

Ze is weer het oude vroolijke Lachebekje,—„mijn flink meisje,” zegt
haar vader, terwijl hij haar een zoen geeft op de warme wangetjes.










ONS TROEPJE.


I.

OVER KOORDDANSEN EN KUNSTEN MAKEN.


We vormden een jolig, gezellig troepje toen we nog kinderen waren. Nu
zijn we groot, we hebben ieder ons eigen werk, we gaan ieder onzen
eigen weg, en kleine Emmie, de jongste, is aan influenza gestorven,
even voor haar twaalfde jaar.

Maar toen was het anders. We waren na schooltijd haast altijd bij
elkaar, meestal in dezelfde kamer, en maakten zooveel pret als ons
huiswerk, Moe’s zenuwen en de buren het toelieten.

Wij hadden heelemaal geen „zenuwen”; het kon me niemendal schelen, als
Jaapje tot in het oneindige zijn trompet liet schallen, als we kermisje
speelden, of als Toon, die clown was, met een ouden trommelstok op een
ijzeren potdeksel sloeg, dat hij een cimbaal noemde; als ik dan ook
maar het recht had, met fladderende haren in mijn gebreid rood wollen
onderrokje al zingende rond te dansen, met een oude, afgedankte voile
in de hand en een ouderwetsche tafelschel om mijn hals gebonden, die
bij de minste beweging vroolijk en luid rinkelde. Ik kwam mezelf dan
voor als een bovenaardsch bekoorlijk wezen, een toovergodin uit een
sprookje of een balletdanseres, en ik verzuimde nooit bij zoo’n
gelegenheid een hemelsch lichtblauw satijnen lint om mijn krullende,
blonde haren te binden, of de vier snoeren bonte kraaltjes, die Emmie
voor me geregen had, om mijn hals te winden.

Zulke spelletjes deden we in den regel even voor we naar bed gingen,
als Toon en Jaapje hun witte hansoppen aanhadden, die hen altijd veel
te groot waren, omdat Moe ze op den groei had gemaakt. Het spreekwoord
zegt: de kleeren maken den man, en in dit geval ging het heelemaal op,
want die hansoppen maakten de jongens iederen avond weer tot dartele
clowns vol onuitputtelijke grappen. Ze begonnen meestal met
gymnastische toeren. Jaapje dacht, dat hij gelukkig zijn zou, als hij
driemaal achter elkaar, zonder tusschenpoozen, over zijn hoofd kon
duikelen, zooals Toon hem dat zoo meesterlijk voordeed. Daarom oefende
hij zich elken avond in die kunst. Maar, of het kwam, doordat hij te
dik en te zwaar was, het mocht hem nooit gelukken zelfs maar één keer
zooals hij het noemde: koppeltje te duikelen. Hij viel telkens schuin
neer naar rechts of naar links en bleef dan liggen, ineengerold,
terwijl zijn voeten zijn hoofd bijna raakten, als een dikke worst,
waarvan de uiteinden bijeen zijn gebonden.

Ik voelde me, als mijn jurk en bovenrokken uit waren, zoo vrij en
luchtig en licht, dat ik altijd dansen moest, en het me wel eens
verwonderde, dat ik niet opsteeg als een luchtballon, of zweven kon als
een bloemblad, gedragen door den wind.

Op zekeren dag heeft me dat bedrieglijk gevoel van onstoffelijk te zijn
en vederlicht, nog eens leelijke parten gespeeld.

Moe had het druk, ze was in de keuken en stond met gloeiende wangen in
de onmiddellijke nabijheid van het fornuis mijn witte jurk te strijken.
Die jurk—ik ging naar een partij—was van fijn neteldoek, vol beeldige
plooisels en mooie kant. Ze moest met de meeste zorg behandeld worden,
en Moe vertrouwde ze het dienstmeisje niet toe, en streek ze dus zelf
op een avond, dat Katrien uit was.

Pa was uit en Moe had ons op het hart gedrukt, vooral ordelijk te zijn,
want ze had geen tijd telkens van haar werk af te loopen om naar ons te
zien.

Nu, we wáren ordelijk. Huiswerk had ik niet dien avond, maar wel een
prachtig boek, dat een vriendinnetje me geleend had; de sprookjes van
Grimm, met mooie gekleurde platen.

Den heelen avond had Moe geen last van me. Ik wil er me niet op laten
voorstaan, want het lag eer aan Grimm dan aan mij, dat ik zoo stil en
zoet lezen bleef, maar het was toch zoo.

Om acht uur stak Moe haar warm hoofd door de deur: „Jelui moet vroeg
naar bed gaan, vanavond,” zei ze, „morgenavond ga je uit, dus dan wordt
het héél laat. Gaat maar gauw naar je mandje.”

Ik had nog maar vier regels te lezen voor het verhaal, waaraan ik bezig
was, uit was. Ik las ze dus gauw door, en sloeg toen het boek dicht
zonder zelfs te letten op den naam van het volgende sprookje. Het mocht
me eens door den titel verlokken het tóch te lezen, en ik wou vóór
alles gehoorzaam zijn.

De moeite, die Moe zich voor mijn jurk getroostte, stemde me zeer
dankbaar, en het vooruitzicht van de partij maakte me gelukkig. Ik
ontkleedde me dus in de opgewektste stemming—anders was naar bed gaan
altijd een straf voor me, waarvoor ik zoolang mogelijk uitstel zocht—en
hoorde Toon en Jaapje in de alkoof naast me hetzelfde doen. Emmie lag
al in bed en sliep als een roos.

Ik was juist aan mijn roode rokje toe—het kostte me altijd verbazend
veel om daarvan te scheiden—toen ik Toon en Jaap gehansopt weer in de
kamer zag komen. Jaapje begon zich weer zwijgend te oefenen in het
duikelen. Uit voorzorg had hij het trijpen deurkleedje midden op den
grond neergelegd, het moest dienen als matras en om het geluid te
temperen.

Ernstig kwam ik tusschenbeide, Jaapje vermanend dien avond geen leven
te maken, Moe had het immers zoo druk, en we hadden beloofd haar niet
te hinderen.

Jaap liet zich gezeggen, en schoof met zijn voeten het deurkleedje
terecht. We maakten dus geen leven, maar bleven heel stil nog even
praten. Ongelukkig was het onderwerp van ons gesprek slecht gekozen.
Toon vertelde een „waar” verhaal van een zekeren koorddanser, Blondin.
Die had geloopen over een koord, dat over de Niagara gespannen was.
Toon kon prachtig vertellen, als zijn hart van iets vervuld was, en hij
beschreef den toestand in kleuren en geuren. Op het vele meters lange,
dunne koord Blondin, middenop, den balanceerstok in de hand, ver
verwijderd van den vasten grond. Onder hem de woest bruisende stroom,
de waterval, die zich met duizelingwekkende snelheid naar omlaag
stortte met heftig geklater. Eén aarzeling, één misstap, één ondeelbaar
oogenblik van onbedachtzaamheid, één onwillekeurige beweging, en hij
verloor zijn evenwicht, wankelde—en stortte met steeds sneller vaart
naar beneden,—meegesleurd door de reuzenkracht van het water, dat hem
verminkte, verbrijzelde.

„Maar hij is toch niet verpletterd, wel?” vroeg ik, na ademloos
geluisterd te hebben.

Toon schudde verachtelijk het hoofd; welneen, hij niet. Hij verstond de
kunst, vele keeren heeft hij den tocht gemaakt, eens zelfs met een
ander op zijn rug.

Een grenzenlooze eerbied voor zooveel vaardigheid en stoutmoedigheid
vervulde onze ziel. Koorddanser of koorddanseres te zijn, leek me een
verheven beroep, en ik verlangde niets liever, dan me er voor te
bekwamen.

„We moesten ook ergens een touw kunnen spannen, waarop we het konden
leeren,” zei Toon.

Ik bedacht me. „Op den zolder hangen drooglijnen,” zei ik, maar terwijl
ik dat zei, voelde ik mijn lust al verflauwen.

Toon, die toen negen was, een jaar ouder dan ik, was gelukkig
verstandiger.

„Dat zou heelemaal niet gaan,” zei hij, „ten eerste zijn de touwen veel
te hoog, en dan zijn ze ook te dun. Ze zouden ons niet kunnen
dragen.—Neen, we moesten een flink, stevig koord hebben, en dat
spannen, laag bij den grond, een half el er van af ongeveer, zoo hoog,
als de boegsprieten op de gymnastiek zoowat. Op die manier zouden we
het kunnen leeren. En dan telkens natuurlijk het touw weer wat hooger
spannen.”

Toen Toon het woord boegspriet gebruikte, herinnerde ik me met schrik,
hoe moeilijk ik het vond, zelfs op dien vrij breeden balk het evenwicht
niet te verliezen. Maar dat bracht me niet van de wijs. Het zou best
kunnen, dat een touw veel makkelijker bleek in het gebruik. Het was net
zooals Toon zei, zoo’n touw ging mee, daar zat beweging in, dat zette
zich naar je voet.

Omdat we wel begrepen, dat Moe er iets tegen zou hebben, dat we dien
avond nog met koorddansen begonnen, spraken we af, dat we het tot den
dag van de partij zouden uitstellen. Toon kon dan op zijn gemak op den
zolder zoeken naar een stevig touw en krammen, Pa’s bamboesrotting zou
een uitnemende balanceerstok zijn.

Ik had ook wat moois op dat gebied te vertellen. Ik had eens een
kunstenmaakster gezien, die stond met haar grooten teen op een
vergulden bol. Terwijl de muziek speelde—het was op Koninginnedag op
het Museumterrein, dat ik het wonder had zien gebeuren—keerde de
danseres zich langzaam en sierlijk om en om, in dezelfde mooie houding
staan blijvend, terwijl de gouden bol onder haar voeten voortrolde. Ik
raakte zóó in vuur door mijn verhaal, dat ik onwillekeurig zelf die
mooie houding aangenomen had, één arm over het hoofd gebogen, en met
den anderen losjes wuivende. Maar dat was me nog niet genoeg, ik had
behoefte nóg aanschouwelijker te zijn. Ik was niet meer Christien
Koevoorden, maar „Prinses Liliane, de bekoorlijke elfe, eerste danseres
aan het Specialiteitentheater”.

Ik zag rond of ook ergens een gouden bol in de nabijheid was. Ik vond
alleen den doofpot, die met zijn glimmend koperen deksel een
uitstekende plaatsvervanger was. Hij stond op zijn drie blinkende
koperen voetjes ook oneindig vaster dan een bol. Op het balletje, dat
tot knop diende, zou mijn groote teen bevallig rusten.

Ik begrijp nu niet, hoe ik ooit in staat was, zulke dwaze dingen te
doen. Het moet zeker dat roode rokje geweest zijn, dat me betooverd
heeft. Ik trok den doofpot naar het midden van de kamer, plaatste de
punt van mijn pantoffeltje op den knop, zette me met de hand aan den
rand van de tafel een weinig af, en verhief me voor een oogenblik in
mijn volle lengte. Voor één luttel oogenblik maar—te kort, vrees ik, om
een blijvende herinnering na te laten bij Toon en Jaap, die me vol
verwachting aanstaarden—toen viel ik, en, naar het me eerst toescheen,
de heele wereld, met me.

Ik lag op den grond, naar mijn gevoel te oordeelen zwaar gekneusd. Ik
weet dat ik in mijn groote ontsteltenis niets deed dan angstig gillen,
ik moest verwond, gebroken zijn, voor altijd ongelukkig waarschijnlijk.
Ik voelde dat mijn hoofd in een plas lag,—wat kon het anders zijn dan
bloed? Bloed stroomde ook uit mijn kin, en het verwonderde me nog, dat
niet alle tanden mij uit den mond vielen, toen ik dien opende, zooveel
pijn deden nu mijn kaken.

Toen de eerste verschrikkelijke verwarring voorbij was, en ik,
doodsbleek nog, met verbonden kin in den leunstoel zat en beschaamd en
bedroefd luisterde naar Moe’s verwijtende stem, kreeg ik een flauw idee
van wat er gebeurd was. Ik was dadelijk, nog vóór ik recht stond
misschien, omgevallen, en de doofpot met mij; die lag daar nog, gedeukt
en misvormd. In mijn poging, me aan de tafel vast te klemmen, had ik er
het kleed afgetrokken en een kopje lauwe thee op mijn hoofd gekregen.
Die thee was het bloed geweest, waarin ik waande te baden. Waaraan ik
mijn kin zoo bezeerd heb, ben ik nooit te weten gekomen, evenmin hoe
mijn linkerheup zoo stijf kwam, dat ik drie dagen niet loopen kon,
terwijl ik mij toch verbeeldde op mijn rechterzij te zijn neergekomen;
maar dat weet ik wel, dat ik een paar dagen lang op vele plaatsen een
zeer pijnlijk gevoel had, dat ik de kinderpartij, waarvan ik me zooveel
had voorgesteld, niet heb kunnen bijwonen, en dien heelen avond,
terwijl de jongens uit waren en genoten, op een ruststoel heb gelegen,
heete tranen schreiend van spijt en berouw.

Van onze plannen om op den zolder een koord te spannen, is nooit iets
gekomen. Toon sprak er gelukkig niet van, en ik begon er ook maar niet
over toen ik weer beter was.








II.

ONZE MARKT.


Niet altijd, gelukkig, waren onze spelen van zulk een gevaarlijken
aard; maar voor Moe waren ze heel dikwijls lastig, hoewel we het niet
kwaad meenden, en ons altijd voornamen goed op te passen. Ik herinner
me nog een middag, dat we ook eens „goed zouden oppassen” en geen wilde
spelen doen.

Het was een regenachtige Woensdagmiddag, zoodat we niet uit konden
gaan. Moe moest een visite maken bij tante Annie, die jarig was, de
liefste tante die we hadden, en we gaven allen onze beste wenschen mee.
Katrien was in de keuken aan het wasschen en wij waren aan onszelf
overgelaten.

Moe had ons, voor ze heenging, allerlei wenken en vermaningen gegeven.
We mochten niet naar de voorkamer gaan, onder geen voorwendsel het huis
verlaten, geen leven maken (om de buren), niet aan de kachel komen, en
geen wilde of gevaarlijke spelletjes doen.

„Speelt vader-en-moedertje of schooltje,” zei Moe, „maar denkt er aan,
dat onderwijzers niet slaan.” Dit zei Moe met het oog op Toon, die,
toen hij eens meester was, Jaapje een flinken klap om zijn oor had
gegeven. Mij heeft hij ook wel eens bij zoo’n gelegenheid hard geduwd,
hoewel ik er nooit over gesproken heb.

We beloofden alles, bezield met het ernstige voornemen, Moe ditmaal nu
eens niet teleur te stellen; en Moe vertrok, schijnbaar gerust.

Nu schijnt het iets wonderlijks, maar het was toch bijna altijd zoo: we
hadden nooit zin in een spel, dat een ander—al was die ander ook Pa of
Moe—voor ons bedacht had.

Toen Moe dan ook weg was en Toon vroeg: „Nu, wat zullen we spelen:
vader-en-moeder of schooltje?” kreeg hij geen antwoord.

„Zullen we zakloopen?” vroeg Jaapje, die juist met een grauwen
aardappelzak uit de keuken kwam.

„Neen zeker niet,” zei ik beslist en met waardigheid, „dat zou juist
iets zijn om een ongeluk te krijgen.”

Katrien kwam Jaap al achterna, om den zak terug te halen, het bleek dat
er al heel wat gedroogde klei en zand uit den zak op het vloerkleed
gevallen was. Katrien veegde het gauw op en vertrok met den zak, de
deur achter zich sluitend, wat harder dan noodig was. Er was ook altijd
wát met die kinderen!

„Nu, wat zullen we dan gaan doen?” vroeg Toon met een gezicht, dat van
lust en genoegen glansde. Ik geloof dat hij het liefst zevenmaal zeven
keer over zijn hoofd gebuiteld was.

Emmie kwam aanloopen met haar monsterachtige poppen. Ze had een mooie,
maar die was zóó mooi, dat ze alleen op Zon- en feestdagen en bij heel
plechtige gelegenheden werd gehaald uit de doos waarin ze geborgen was
en die achter slot in de linnenkast stond. De andere leken wel
havelooze, gebrekkige kinderen, zóó zagen ze er uit, want Emmie had een
manier om met haar poppen om te gaan, die ver van moederlijk of
liefderijk was. „Dokter spelen,” riep ze, „drankje ingieten, kiezen
trekken.”

Emmie’s poppen hadden het ongeluk altijd in de pottenbank te zijn.
Voortdurend moesten ze bittere medicijnen gebruiken, die door Jaap
bereid werden van thee en inkt of van azijn waarin een stukje roode
verf uit zijn verfdoos geweekt was. Heel dikwijls werd ook de
heelmeester bij haar kleintjes geroepen. Soms moest er een been
aangenaaid, dan een oog rechtgezet, tweemaal moest er een speld uit het
lichaam van een harer lievelingen gehaald worden.

„Wat mankeert je, kindje?” vroeg Toon, den stijven steenen arm van een
der poppen beetnemend om den pols te voelen.

„Ze is altijd koud,” klaagde Emmie, het ijzige poppewangetje tegen het
hare drukkend. „Ze heeft altijd koude voeten en koorts en rheumatiek.
En kribbig is ze!”

„Zoo,” zei Toon, „is ze kribbig ook? Dat moet uit zijn! Eerst een koud
voetbad en dan naar bed, geen een deken meer dan anders, niets geen
snoeperijen, vooral geen chocolaad, en haar maar laten liggen. Geen
notitie nemen van haar schreeuwen. Stil laten uithuilen, dan zal ze dat
dwingen wel afleeren.”

Terwijl Emmie de porseleinen voetjes van haar pop een bad gaf in het
zeepbakje van de waschtafel, maar half tevreden dat er geen operatie
noodig was, had Jaapje zich achter de poppetafel neergezet en riep:


    „Och wat benne ze dik en fijn!
    „Voor bokkings mot je bij Japie zijn.”


Dat was een idee; marktje spelen! Daar moesten stalletjes gemaakt,
tenten opgeslagen, waren uitgestald worden!

De groote vierkante middentafel was als vanzelf een tent. Ze werd
alleen naar een hoek verplaatst, zoodat de twee wanden van de kamer de
muren vormden. Als derde wand deed het tafelkleed dienst, dat naar
beneden afhing, van boven vastgehouden door een paar zware boeken. Van
voren was de tent open.

Emmie moest er op een stoof in plaats nemen. Zij zou met eenig beleid
haar hoofd niet stooten. Ze kreeg haar kapertje op, en moest haar
wantjes aantrekken. Alles wat aan planten en bloemen, echte of
gemaakte, in de kamer was, werd in de tent geschoven, zoodat ze er zelf
niet meer uit kon. Haar kindertjes mocht ze allemaal bij zich hebben,
behalve de zieke, want de wieg kon niet meer in de tent, die bleef dus
midden op de markt staan. Emmie had er erg veel pleizier in, wat wel
wonder was, want ze zat ver van gemakkelijk met het blad van de tafel
vlak boven haar hoofd, en de waaierpalm vlak voor haar, waarvan de
bladen haar bij de minste beweging in het gezicht kriebelden. Maar ze
was gelukkig en lette dus niet op die kleinigheden. Ze vermaakte zich
met de bladen van haar planten één voor één af te sponsen, met de spons
van Jaaps lei en het badwater van pops voetjes.

Toon, Jaap en ik deden verder ons best de kamer zooveel mogelijk het
aanzien van een markt te geven. Ik had de gordijnen zóó hoog opgehaald,
dat ze bijna niet meer te zien waren. Terwijl Katrien naar beneden was
gegaan om open te doen, had Jaap de groote strijkplank uit de
keukenkast gehaald, een heerlijke plank op schragen, die, met wat
uitgespreide kranten er overheen, een prachtig stalletje vormde.

Dat was Toon’s afdeeling. Hij stapelde het vol boeken, oude en nieuwe.
Het speet ons, dat Pa zijn boekenkast niet had opengelaten, want we
hadden de boeken zoo heerlijk kunnen gebruiken, en we pasten er wel op,
dat er niets aankwam. Het waren meest schoolboeken, die Toon op zijn
stalletje had. Eén opengeslagen atlas was er onder, die een prachtig
effect maakte.

„Ze zijn eigenlijk veel te net,” zei hij, „ik moest meer een
rommelzooitje hebben.”

„En ik ben een oud-roestman,” zei Jaap; hij had de deurkleedjes
omgekeerd naast elkaar neergelegd en daarop uitgestald een pook, een
tang, een asschop, den doofpot met het gedeukte deksel los er naast,
een paar oude sponsedoozen, een lucifersstandertje; maar ook zijn
tentoonstelling was nog niet zoo volledig of schilderachtig, als hij
wel wenschte.

„Ik ga naar den zolder,” zei Toon opeens, „daar zijn oude boeken
genoeg.”

Jaaps oogen schitterden: „Neen, naar de vliering moet je gaan,” zei
hij, „daar zijn de echte.”

Ze sprongen beiden de kamer uit en de trap op. Eerst wou ik ook
meegaan, maar ik was bezig mijn eigen stalletje zoo smaakvol mogelijk
te garneeren. Het theetafeltje had ik leeggemaakt en er de artikelen
uit Moe’s naaidoos en werkmandje op neergelegd. Ik had nog een
collectie afgedankte haarlinten en oude strikjes, die zeer fleurig
stonden tusschen de garenklossen en kluwen haakkatoen. Ik verkocht wol,
haarnaalden en spelden, zeep ook (gebruikte), en borstels (ook
gebruikte). Alle antimacassars en kleedjes, die in ons huis te vinden
waren, lagen op mijn tafeltje te koop. De stoelen hadden we alle uit de
kamer gebracht en in de alkoof gezet. Ik zat op een omgekeerde
theestoof, wat wel zoo natuurlijk was.

De jongens kwamen beneden, met buit beladen. Toon had een mangelbak vol
vuile, gescheurde, stoffige boeken meegebracht, en Jaap een emmer vol
antiquiteiten.

Nu werd het eerst goed!

De oud-roestbaas zat nu midden in den rommel; roestige spijkers, een
trommeltje zonder deksel, een ketel zonder tuit, een stuk gebarsten
spiegelglas, een halve soeplepel, een bijna bodemlooze strijkpan,
enkele dekseltjes, die nergens op pasten, een gieter zonder oor en een
paar rollen oud behangselpapier moesten voorzien in alle behoeften van
redelijke koopers.

„We moeten zorgen, dat vóór Moe thuis komt, alles weer is opgeborgen,”
zei ik met een bezorgden blik op de verschillende rariteiten.

Jaapje trok een lipje, zijn lach maakte heel gauw plaats voor een
traan, maar tot huilen kwam het gelukkig niet.

Toon, die juist bezig was op een vernuftige wijze aan de strijkplank
een uitgespannen paraplu te bevestigen, hield midden in zijn werk op.

„Neen,” zei hij, en zijn groote oogen zagen me verwijtend aan, „we
moeten het juist zoo laten, Moe zal er om lachen. Het is zoo’n aardig
gezicht voor iemand die binnenkomt!”








III.

EEN VERRASSING.


Moe kwam later thuis, dan we gedacht hadden. Bijna was ons het
spelletje gaan vervelen. Emmie had opeens uit haar tent gewild. „Neen,
dat kan niet,” had Toon gezegd, „alle planten staan er voor, dat is te
lastig.”

Maar Emmie had aangedrongen: „Ik ben zoo warm en heet, laat me er
alsjeblieft uit.”

Toon kreeg medelijden met haar. Hij hief het tafelkleed op, en liet
haar vrij.

Om halfvijf ging de schel.

„Daar heb je Moe,” riep Toon, en hij keek eens in het rond of onze
markt wel geheel in orde was.

„Allemaal schreeuwen, als Moe binnenkomt!” riep ik in zenuwachtige
haast terug.

Jaap zat met een verkleurd rood parasolletje boven zijn hoofd, in
elkaar gedoken op den grond, en zong voortdurend op een eentonig
deuntje:


    „Och, wat is alles fijn!
    „Je moet maar bij Japie zijn!”


Toon schreeuwde met een gemaakt heesche stem: „Nou kan je lezen,
menschen! Gaat hier niet voorbij!”

Kleine Emmie deed niets dan dansen en lachen.

Ik zat met een rood-en-zwart tafelkleedje over mijn hoofd op de
omgekeerde theestoof en riep: „Kom nou, kom nou, neem wat van de
koopvrouw!”

De deur ging open, en—tante Suzanna kwam binnen, gevolgd door Moe, die
zeer rood zag, en ons verlegen en boos aankeek.

Tante Suzanna!

In mijn eerste ontroering deed ik vergeefsche pogingen, me van het
tafelkleed te ontdoen, maar ik had het zoo stevig met
veiligheidsspelden bevestigd, dat het mijn zenuwachtigen vingers niet
gelukte het los te krijgen. Ik had mijn stalletje wel weg willen
kijken.

We waren allen in ons hart bang voor tante Suzanna, hoewel ze het toch
goed met ons meende. Ze was een oude, waardige dame, die zelf geen
kinderen had, en alleen die kinderen lijden mocht, die zoet en
ordentelijk waren.

Tante Suzanna! We wisten, hoe Moe ons altijd dubbel aanspoorde om zoet
en ordelijk te zijn als tante Suzanna er was. Ons speelgoed mocht dán
vooral nooit slingeren. Fluitjes, trompetten, trommels, glazen piano’s
en alle levenmakende instrumenten werden dan weggesloten. Ik kreeg
tweemaal op een dag een schoon boezelaartje voor, moest viermaal mijn
haar overmaken, en minstens tienmaal mijn handen wasschen. Katrien
kreeg ook bijzondere vermaningen tegen dat tante Suzanna verwacht werd.
Want tante woonde geheel alleen en was alles zoo keurig en in de
puntjes gewend, dat een druk huishouden als het onze haar toch altijd
onordelijk en ongeregeld moest lijken.

Maar nu! Wat moest tante nu wel zeggen!

Ik zag, dat Jaap zijn parasolletje had dichtgedaan, en stilletjes weg
wou sluipen achter tante om.

Maar tante Suzanna hield hem met haar paraplu terug.

„Je wou me zeker goedendag komen zeggen, hè?” vroeg ze.

„Neen, tante,” zei Jaap, „ik—ik—wou eventjes op gaan ruimen.”

Eventjes!

Emmie was de eenige, die eenvoudig naar tante toe was gegaan, om haar
een kus te geven.

„Ik vind het heel leelijk,” begon Moe, en haar stem klonk zeer ernstig,
„ik vind het heel leelijk, dat jelui zoo slecht je woord houdt.—Ik had
gedacht, dat ik beter op mijn kinderen vertrouwen kon.”

Ik kreeg een kleur en vouwde beschaamd het tafelkleed op.

Toon verdedigde zich: „We hebben geen leven gemaakt, Moe, heusch niet.”

Tante hief haar oogen met een veelzeggende uitdrukking ten hemel.

„Niet voor u kwam,” zei Toon verward, „we deden het alleen, toen we u
hoorden aankomen, om u te—te verrassen.”

„Een lieve verrassing,” zei tante Suzanna droog.

„Waar zit jij op, Tine?” vroeg Moe, met een blik op mijn zetel.

Ik stond verschrikt op.

Tante Suzanna gaf in mijn plaats antwoord. „Op de theestoof, Marie, die
ik je met je trouwen gegeven heb.—Die zal je wel gedeukt hebben, hè
meisje?”

Gelukkig bleek dit niet het geval te zijn.

Toon kwam uit de alkoof aandragen met twee stoelen, die we op elkaar
gezet hadden.

„Als ’t u blieft, tante,” zei hij, terwijl hij er een voor haar bij de
kachel schoof.

„Niet bij de kachel, ik ben niet verkleumd,” merkte tante aan, terwijl
ze stokstijf staan bleef.

Toen Toon den stoel verzet had, nam ze plaats met veel waardigheid.

„Als je zoo goed wilt zijn, even te blijven zitten,” zei Moe, „zal ik
in de voorkamer wat vuur laten aanleggen.”

„Dank je, Marie, ’t was me maar te doen om uit te rusten en de bui af
te wachten. Ik geloof, dat het droog is. Dan neem ik meteen de paraplu
mee, die ik gisteren bij je heb laten staan.”

Ik ging naar het raam en keek naar buiten, vurig hopend, dat het
kurkdroog zou zijn, maar het gietregende.

We trachtten ondertusschen zoo goed we konden de kamer weer op orde te
brengen, wat geen gemakkelijk werkje was. We hadden zooveel tijd
besteed aan het in elkaar zetten van den boel, dat het maar niet in een
tooverslag weer te veranderen was. Wat me vooral hinderde, waren
tante’s oogen, die ons voortdurend op de handen zagen. Ik liet de
gordijnen neer en Moe stak de lamp aan. Och, wat zagen toen onze
halfafgetakelde kraampjes en stalletjes er uit!

Toon, die de boeken in aller ijl op den mangelbak gestapeld had en
dezen, om er van af te zijn, zoolang in de gang had neergezet,
beijverde zich nu om de planten en bloemen onder de tafel vandaan te
halen, en alles op zijn plaats te zetten.

„Is dat het mooie haarlint, dat je Moe je pas gegeven heeft?” vroeg
tante, toen ik bezig was, een gekreukeld lint in elkaar gefrommeld in
een doosje te bergen, om maar gauw klaar te zijn.

Uit den hoek van het bloemententje klonk op dat oogenblik een luid
gerinkel, dat me gelukkig het antwoord bespaarde.

„Daar gaat je beste waaierpalm!” zei tante Suzanna hoofdschuddend.

Werkelijk kwam Toon met een vuurrood gezicht onder de tafel uit, de
mooie waaierpalm in de hand; maar die was gelukkig geheel ongeschonden
gebleven. Het was het zeepbakje—de poppebadkuip—dat onder zijn voet
geraakt en gebroken was.

Kleine Emmie hielp ook mee zooveel ze kon, ze bracht een bloemenmandje
te voorschijn vol gele, rose en roode rozen.

„Tante gemaakt!” zei ze met een blij gezichtje. Werkelijk had tante
Suzanna die bloemen gemaakt en ze in het vergulde mandje geschikt.

„Tante gemaakt,” zei Emmie weer, toen de oude dame geen acht op haar
sloeg, „ikke afgesponst.”

Nu werd Tante Suzanna opmerkzaam.

„Kom eens hier, liefje,” zei ze.

Emmie kwam, en nu bleek het, dat over de gele rozen roode tinten
liepen, en dat de roode geheel verbleekt waren. Emmie had, natuur- en
kunstplanten over één kam scherend, ze alle met haar sponsje gereinigd.

Tante Suzanna zei niets; ze zuchtte alleen.

„Het is droog, tante,” zei Jaapje, die het gordijn had opgelicht om
naar buiten te zien.

Moe kreeg een kleur.

„Raap die roestige spijkers op, Jaapje,” zei ze. En toen tegen tante:
„Wat wil je gebruiken, Suzanna; mag ik wat voor je klaarmaken?”

„Ik drink niets,” zei tante, „je weet, dat ik bij Annie ook niets
gebruikt heb.”

„Laat me je een kop chocolaad geven, je eet toch zoo laat,” drong Moe
nog aan.

Maar tante was al opgestaan.

„Dan zal ik je paraplu even halen,” zei Moe, naar de gang loopend om in
den stander te kijken.

„Doe geen moeite,” zei tante Suzanna, „Toon heeft haar daar op zijn
stalletje.”

Het was vreeselijk, dat alles ons zóó tegenliep. Ik had bepaald
medelijden met Moe, want ik kon heel goed zien, hoe de zaak haar
verdroot. Ik deed al mijn best, Toon te helpen de paraplu los te maken,
maar die was met zooveel vernuft bevestigd, dat het bijna onmogelijk
was, ze weer vrij te krijgen. Eerst was ze met koorden en touwtjes aan
een wandelstok gebonden, en die was weer vastgemaakt aan de schraag van
de strijkplank.

Eindelijk, toen ook Moe er bij kwam, om ons te helpen, gelukte het,
haar te bevrijden.

„Tot ziens,” zei Moe, toen tante heenging, „het spijt me, dat je het
zoo getroffen hebt; ik hoop, dat ik je een volgenden keer beter
ontvangen kan.”

Toen tante weg was, nadat ze eerst over den mangelbak met boeken, die
in de gang stond, gestruikeld was,—wat Toon een nieuwe berisping op den
hals haalde,—zagen we elkaar aan, ver van opgeruimd. Wat zou Moe wel
zeggen? Hoe hadden we ons woord gehouden!

Maar Moe zei niets; ze was alleen stil.

Dien avond namen we ons vast en stellig voor, Moe in het vervolg geen
aanleiding tot ontevredenheid meer te geven. En, de eerste week,
hielden we trouw ons woord.

We hebben later nooit meer marktje gespeeld, maar er wel nog dikwijls
om gelachen, want het bleek, dat Moe, toen tante Suzanna een
kwartiertje weg was, de zaak toch niet zoo heel erg vond.

Maar we mochten het toch niet weer doen.








IV.

JAAPJE WIL GEEN TWEEDE BORDJE!


Ziekte hebben we in ons kinderleven bijna niet gekend. Emmie was
voortdurend wat zwakjes, maar ze sukkelde niet. Ik heb nooit andere
pijn gehad dan van builen of schrammen, als ik me door woestheid
gestooten of gekrabd had. Eéns ben ik—omdat ik de slechte gewoonte had,
als ik op school een boek uit de bibliotheek kreeg, daaraan op straat
alvast te beginnen—met mijn hoofd tegen een lantarenpaal geloopen, wat
me een dikken blauwen bult midden op het voorhoofd bezorgde. Ik trof
het niet, want ik moest dien middag juist bij een vriendinnetje op
visite; maar een ongeluk komt nooit alleen, dus ik kon niet anders
verwachten.

Toon was altijd gezond; ik geloof zelfs, dat builen of schrammen hem
niet deerden. En Jaapje was alleen ziek als hij te veel gegeten had,
wat, dank zij Moe’s waakzaamheid, gelukkig niet dikwijls gebeurde.

Toch is er ook in ons huis op zekeren tijd een ziekte binnengeslopen,
die bijna geen huis, waar kinderen zijn, spaart,—de mazelen.

Aanvankelijk waren wij er niet erg door verschrikt, we vonden het
alleen vervelend. Toch had die overigens vrij onschadelijke ziekte,
door mijn onvoorzichtigheid, wel eens heel leelijke gevolgen kunnen
hebben.

Ik herinner me nog goed het heele verloop.

Het was op een Vrijdag—ongelukken gebeuren altijd op een Vrijdag, zei
onze oude naaister—dat met Jaapje de ziekte binnenkwam.

We hadden rijstebrij gegeten, rijstebrij met suiker en kaneel, omdat
Moe het zoo druk had, maar Jaapje had na het tweede bordje bedankt.

Dat was het eerste ziekteverschijnsel geweest.

Want Jaapje hield dol van alle mogelijke eten, en van rijstebrij zou
hij „wel twintig borden” op kunnen, meende hij, als Moe er hem toe in
de gelegenheid stelde; maar dat had ze, zoolang hem heugde, nog nooit
gedaan.

Geen wonder dat ieder er over inzat.

„Wat, eet je niet meer?”

„Jaapje, een lekker bordje rijstebrij, probeer maar eens. Het mondje is
een schalkje, het zal er wel ingaan.”

Moe had nog gelokt en gevraagd; maar Pa zei, dat, als Jaap zelf meende
genoeg te hebben, het zeker wel zoo zijn zou. Daar moest Moe maar niet
over tobben.

Na het eten had Jaapje geklaagd, dat hij zoo dik was. Hij wou niet
meespelen met Toon, die hem inviteerde om paard te zijn. Hij wou zelfs
niet eens mee kruiwagentje doen, dat is op de handen voortloopen,
terwijl Toon zijn beenen vasthield. En toen Moe een zuren appel voor
den dag haalde, dien ze van de groentevrouw gekregen had—zoo’n lekkere
bellefleur met roode wangetjes—bleef Jaapje uiterst kalm bij de
verdeeling. Hij nam zijn stukje wel aan, maar na er zóó lang mee
gezeurd te hebben, dat het roodbruine vlekjes had gekregen en er erg
onsmakelijk uitzag, gaf hij het terug. „Voor de musschen,” zei hij.

Nu was het uitgemaakt, dat Jaapje ziek was.

„Kom eens hier, ventje,” zei Pa.

En Jaapje kwam bij Pa staan en liet zich tegen zijn knie aanleunen.

„Wat scheelt er aan, kereltje, heb je hoofdpijn?”

Jaapje bedacht zich. „Ja, Pa.”

„Hij is van dat hij thuis kwam af al hangerig en landerig geweest,” zei
Moe toen, „maar ik dacht, dat hij honger had, en dat het met eten wel
over zou gaan.”

„Je hebt toch geen snoepgoed gehad?” zette Pa het onderzoek voort. „Een
onrijpen appel of zoo?”

„Neen, Pa.”

„Bedenk je eens goed, Jaapje. Heb je niets gehad van het jongetje, dat
naast je zit?”

„Die is niet school geweest, Pa, omdat hij zoo erg de roode mazelen
heeft. Gisteren had hij ze al, hij zag heelemaal rood, en toen is hij
door den meester naar huis gestuurd. Ik had nog een griffel voor een
knikker met hem gedaan. Hij zou hem voor mij meebrengen, en nu is hij
geen eens school geweest.”

Jaapje leunde nog sterker tegen Pa aan, legde het hoofdje op zijn knie
en gaapte.

„Roode mazelen.” Pa had Moe eens aangezien, en Moe had erg verschrikt
gekeken.

Pa had Jaaps mouwtjes opgestroopt en zijn polsen bekeken; Moe had hem
uitgekleed, maar vóór ze hem te bed bracht, onderzocht Pa zijn borstje
even, en wreef er op, of er ook roode vlekjes op kwamen. Toen legde Moe
hem in zijn bed, waar hij, als een echt ziek kindje, het zware hoofdje
diep in het kussen drukte en de oogen onmiddellijk sloot.

„Je kunt er nog niets van zeggen,” troostte Pa, toen Moe binnenkwam.
„Ik zou me maar niet al te ongerust maken; als hij morgen niet beter
is, zullen we den dokter halen.”

„Het zal toch wel mazelen worden. Wat kan het anders zijn? Het kind is
nooit ziek,” en met een zucht stak Moe een draad in de naald, om
Jaapje’s broekje te gaan verstellen, waarmee hij, bij het overklimmen
van een hekje, in de ijzeren pinnen was blijven haken.

„In allen gevalle,” zei Pa weer, „is het geen gevaarlijke ziekte, als
je het jong krijgt ten minste. Ik heb het als kind drie keer gehad,
maar ik ben er nooit ziek van geweest. Het is zoo iets als tanden
krijgen; ieder kind moet er doorheen.”

Toon en ik, we maakten ons werk en zeiden niet veel. Het was zoo iets
bijzonders, als er bij ons thuis iemand ziek was.

Toon zat te leeren, de graven van Holland: Dirk I, Dirk II, Arnout,
Dirk III, enz. Telkens van voren af aan op een dreuntje.

Ik maakte sommen. Tien moeilijke vraagstukken had ik opgekregen; in een
half uur tijds had ik er drie van af. De andere kende ik niet. Ik las
ze over, één voor één, zonder te begrijpen, lusteloos, slaperig.

Emmie zat op een stoof aan Moe’s knie in een geïllustreerde
prijscourant te bladeren. „Wat is dit?” vroeg ze, „en ditte, en dat?”
En ze wees, ze wees ze aan, met haar vingertjes, in het oneindige
vragende, zonder naar het antwoord te luisteren. En Moe legde uit,
fluisterend, met gedempte stem, om ons niet te storen.

Emmie werd naar bed gebracht. In Pa en Moe’s bed mocht ze slapen. Toon
zou in het hare gaan, omdat Jaapje alleen moest liggen.

„Hoe vindt je dat?” vroeg Moe.

„Lekker,” zei ze, en ze klakte met haar tongetje.

Moe droeg haar op haar arm rond, en we gaven haar allen een nachtzoen
op haar slaperig, rozig snoetje.

Toen werd het nog stiller. Moe ging eens naar de andere alkoof—we
hadden er twee vlak naast elkaar, of eigenlijk één, die in het midden
door een schot in tweeën was verdeeld. Jaapje sliep; hij haalde wat
zwaar adem, vond Moe, maar hij sliep toch rustig.

Moe nam het broekje weer op. Pa schreef voor kantoor. Toon leerde nog
uitentreuren.

Ik verveelde me. De sommen vlotten niet. Ik probeerde ze van achteren
naar voren—want ik had een lijstje met antwoorden—maar ook dat ging
niet.

Ik zou vast school moeten blijven, den volgenden dag. Ik had het land.

Moe kon er zelf niets van, en ik hield er niet van het aan Pa te
vragen. Ten eerste omdat hij me voor een bijzonder schrander meisje
hield, op wie hij altijd trotsch was geweest, en dan—hij werkte ze
altijd op een andere manier uit, dan wij op school gewoon waren. Later
heb ik het erg natuurlijk gevonden, dat hij niet zoo precies op de
hoogte was van onze manier, maar toen speet het me toch.

Van hulp kon dus geen sprake zijn. Met een wanhopig gevoel begon ik
voor den zooveelsten keer een som op een nieuw blaadje.

Daar schoot me opeens iets door het hoofd. Als Jaapje mazelen kreeg,
zouden Toon en ik morgen thuis moeten blijven.

Als Jaapje toch ziek wordt, dacht ik toen, hoop ik maar, dat het de
mazelen zijn. Het is immers volstrekt niet gevaarlijk, had Pa gezegd.

Later heb ik nog dikwijls met schaamte aan dien wensch teruggedacht.








V.

MAZELEN.


Den volgenden morgen kwam Pa ons roepen. Of we ons vooral zacht wilden
aankleeden, want Jaapje was erger. Hij had den heelen nacht slecht
geslapen en erg gehoest en geniesd; zijn keeltje was een beetje
ontstoken.

Misschien waren het mazelen. Pa wist het nog niet. Straks zou de dokter
komen; we moesten maar heel stil zijn en mochten volstrekt niet bij
hem.

„We mogen toch wel naar school?” vroeg Toon.

Dat vond ik gemeen van hem. Wat een aanstellerij! Omdat hij nu bij
toeval zijn les had geleerd,—dat gebeurde hem ook niet alle dagen!

„Neen, in geen geval; je zoudt de besmetting kunnen overbrengen.”

„O, neen, Pa?” vroeg ik toen ook, en ik hoopte, dat het teleurgesteld
klinken mocht, maar ik was er wel bang voor.

Toon en ik werden na het ontbijt naar het kamertje verbannen, waar we
bij een petroleumkacheltje gingen dammen.

Emmie stond bij ons voor het raam en greep met de kleine handjes naar
de sneeuwvlokken, die langzaam neerdaalden. Soms sloeg ze zich de
vingertjes zeer tegen de ruiten, als er een heel dicht langs gleed, om
die te pakken.

Om tien uur kwam de dokter. Hij vond Jaapje bezig een boterhammetje met
suiker, in dobbelsteentjes gesneden, smakelijk op te peuzelen.

„Hoe is het, mannetje?” had de dokter gevraagd.

En Jaapje had zich den tijd niet gegund met eten op te houden.
Eindelijk, tusschen twee hapjes in, toen zijn mondje leeg was, had hij,
vol medelijden met zichzelf, geantwoord: „Ik heb zoo’n ergen honger,
mijnheer,” en toen verteld, dat zijn buik heelemaal leeg was, want dat
hij gisteren maar twee bordjes rijstebrij had gegeten.

„Het zal wel gaan met onzen patiënt,” meende de dokter. „Maar goed warm
houden, dat de mazelen flink uitkomen.”

„Dus toch mazelen?”

„Ja, ja,—kijkt u maar eens bij het licht. Het begint al; zijn oogen
staan flets, en hij hoest een beetje. Maar hij is tierig en opgewekt.
Het zal best gaan, als hij maar warm blijft; vooral geen tocht.”

„Ik zal er voor zorgen, dokter. En de anderen?”

„Hoe bedoelt u?”

„Moet ik de andere kinderen van hem vandaan houden?”

„Hebben ze het nog niet?”

„Neen,” had Moe verwonderd gezegd.

„Nog niet gehad ook?”

„Neen, dokter.”

„Nu, dan kunt u doen zooals u wilt;—ze zullen het toch wel krijgen.”

Het was een dwaas zeggen voor een dokter, vond Moe, en ze hield ons
buiten Jaapje’s alkoof.

Maar we kregen het toch, de een na den ander, behalve Emmie; die bleef
het langst gespaard.

Binnen een week lagen we alle drie te bed. Op en top een hospitaal.

Moe had het druk, maar we waren geen lastige zieken, ten minste niet in
den gewonen zin van het woord. We waren bijna geen zieken, maar we
waren wel druk en maakten spektakel, ten minste de jongens.

Dát was mijn groot verdriet, dat we niet bij elkaar lagen. Het
prettigst van alles zou ik een groot ledikant hebben gevonden, waar we
met zijn drietjes in konden. Maar op zijn minst had ik toch in hun
alkoof willen slapen. Maar dat ging niet. Daar lagen de jongens samen
in één bed, en hadden een pleizier voor zes,—en ik lag troosteloos in
mijn eentje in de andere alkoof en verveelde me.—

Toen ik pas ongesteld werd, vond ik het geraden, me voor niet minder
ziek uit te geven dan ik was. Ik antwoordde met flauwe, matte stem en
halfdichte oogen, bedankte voor een sneetje brood, maar liet me een
stukje pudding, een partje sinaasappel en nu en dan een kop bouillon
opdringen.

Toen de dokter kwam, om naar me te zien, toonde ik me lijdend. Maar
toen ik vier, vijf keer achtereen mijn mond wijd open moest doen en
a-a-a zeggen, dat hij mijn keel zou kunnen zien, moest ik zóó lachen om
de malle manoeuvres, die ik zelf met mijn tong maakte, dat het hem
volslagen onmogelijk was iets te zien, zoodat hij wel merkte hoe het
met mijn ziekte stond.

Mijn keel was een beetje ontstoken en moest dagelijks met een penseel
gesmeerd worden, wat vreeselijk prikkelde en kriebelde en mij telkens
als een mager varken deed schreeuwen. Een en ander maakte, dat ik er
erger aan toe meende te zijn dan de jongens. Ik bleef dus stil in bed
liggen, telde de bloemen van het behangsel, wreef mijn handen wit en
liet ze dan weer langs het ledikant naar beneden afhangen, zoodat ze
als vuur zoo rood werden,—ik maakte schaduwbeelden met mijn vingers,
wat ook heel prettig is,—tooverde poppetjes van mijn zakdoek, en
probeerde uit te rekenen hoeveel strafregels ik wel iederen dag zou
kunnen schrijven, als ik in bed de pen hanteeren kon,—en of het aantal
voldoende zou zijn voor mijn volgend schoolleven.

Op een mooien dag bracht Pa voor mij een boek mee: Twintig duizend
mijlen onder zee, van Jules Verne. Het was eigenlijk een jongensboek,
maar Pa wist wel, dat ik die het liefste las, dikwijls kreeg ik ook de
boeken van Toon; dat was nog het eenige, dat ik van hem gebruiken kon.

De jongens waren al dien tijd tot stilzijn aangemaand, omdat Moe dacht,
dat ik veel erger was. Maar zoodra ik het boek had, scheen mijn ziekte
genezen; ik las en las en dacht niet aan klagen; het speet me alleen
maar, dat het zoo vroeg donker werd, en bij lamplicht kon ik niet lang
zien, dan gingen mijn oogen pijn doen.

Overdag stonden de voorkamerdeuren open, maar de deuren van de
huiskamer, waar Emmie was, bleven altijd dicht.

Emmie tikte dagelijks aan de deur.

„Hoe gaat het nogal, Tine?”

„Dank je, Emmie, vrij goed.”

„Lufflouw Lora vraagt ook hoe het nogal gaat.”

Lufflouw Lora was de pop, die Emmie van een zekere juffrouw Flora
gekregen had.

„Wilt u Lufflouw Lora wel bedanken; het gaat heel best.”

„Zijn de roode mazeltjes er nog?”

„Ja, Emmie.”

„Mag ik ze eens zien?”

„Neen, ze zijn wat leelijk; ze doen zeer.”

„Bijten ze?”

„Ja.”

„Mag ik ze asjeblieft niet even zien?”

„Neen, Emmie, dat kan niet.”

„Lufflouw Lora ook niet?”

„Neen.”

„O!”—Het klonk altijd teleurgesteld. Emmie stelde zich de mazelen,
geloof ik, voor als kleine, roode insecten, die door de alkoof vlogen.

Dikwijls dreigde ze er de pop mee; ze zou ze roepen. Als Lufflouw Lora
niet heel zoet was, dan zou ze—in eens—de deur van de alkoof
opendoen—en dan sprongen de mazeltjes er uit, pang! in Lufflouw Lora’s
gezicht en op haar armpjes en in haar halsje.

Een anderen keer smeekte ze weer, door het sleutelgat, om één mazeltje
te zien, ééntje maar—tot het beet.

Maar het mocht niet.








VI.

MIJN ONVOORZICHTIGHEID.


Toen mijn boek uit was en de maalstroom de luitjes veilig en wel op een
der Loffoden-eilanden geworpen en zoodoende een einde gemaakt had aan
hun belangwekkende onderzeesche reis—zocht ik verstrooiing.

Op een goeden morgen hief ik van mijn bed uit een lied aan, weinig
toepasselijk wel is waar, maar zeker uit volle borst gezongen—en
bijzonder gloedrijk.

„O, hoe schoon is mij deez’ avond, mij deez’ avond, mij deez’ avond!”
klonk het, verheugd en blij, en een oogenblik later jubelden ze mee uit
de andere alkoof—in zooverre min of meer heesche mazelenkelen jubelen
kunnen. En een heerlijke canon klonk hoog op, een luidruchtige,
driestemmige beurtzang, die zoo lang aanhield, tot Moe kwam, om het
schreeuwen te verbieden, en Emmie door het sleutelgat informeerde of de
mazeltjes waren weggevlogen.

Het zingen had me heelemaal opgevroolijkt; ik voelde me zoo opgewekt en
verfrischt en zoo vol leven, dat ik met een ruk de dekens van me
afgooide tot het voeteneind, de kussens flink hoog opschudde, mij er in
liet zakken, en dat spelletje telkens weer deed,—opschudden,
inzakken,—opschudden, inzakken, tot ik moe en afgemat voorgoed
neerviel, de dekens weer over me heentrok en juist netjes lag, toen Moe
met een kop thee en een beschuitje de alkoof inkwam.

Ik dronk mijn thee, genietend met kleine teugjes, en at het beschuitje
met smaak; toen ging ik weer wat rusten, met een prettig gevoel van
weelde, dat ik bediend en verzorgd werd.

Maar niets maakt je zoo loom en moe op den duur als rust. Ik was ook
veel te ongedurig om stil te blijven liggen; ik verzon een heerlijk
werkje, dat ik dadelijk ten uitvoer bracht. Ik ging de kussens aan het
voeteneinde leggen en stopte de dekens aan het hoofdeinde in; nu kon ik
prettig liggen kijken naar de vallende sneeuwvlokken voor het raam van
de voorkamer. Dat was aardig. Dat leefde ten minste. Ik had plezier.

Maar het hield op met sneeuwen, en ik verveelde me weer.

Toen dacht ik aan het muizengaatje onder in het schot, dat de alkoven
scheidde. In een wip was ik uit bed en stond ik op het zeil. Had ik nu
maar iets! Wacht, daar lag de kous, waar Moe gisteren voor mijn bed aan
had zitten breien. Een pen trok ik er uit; die zou ik er straks wel
weer indoen. Geprobeerd!

Ja, zij kon door het gaatje. Prik! Prik! De jongens zagen het niet. Nog
eens. Tik, tik! op den grond. Ze merkten het. Dat was aardig. Dat was
een kostelijk verzinsel. Daar moesten we plezier van hebben.

Stil, daar kwam Moe aan; wip, in bed.

Ik was koud geworden, erg koud, en kroop recht behaaglijk onder dek.

’s Avonds, als Emmie sliep, mochten we opstaan. Dan gloeide de kachel
lekker, dan trokken we kousen en slofjes aan, dan sloeg Moe ons een
deken om, den jongens een wollen en mij een reisdeken,—en dan zaten we
met zijn drietjes op de canapé, potsierlijk en wel, net of we bij den
barbier waren en geschoren moesten worden. Eerst konden we niet goed
tegen het licht; het was zoo schel en zoo rood,—maar Moe maakte een kap
aan de lamp, en toen ging het. Wat hadden we een pret met zijn
drietjes! Pa vertelde dan meest en Moe maakte de bedden in orde. En als
de bedden klaar waren, heerlijk geschud en frisch, zoodat het weer een
plezier was er in te gaan liggen, en we er weer in konden zakken, en
ons wenden en keeren naar hartelust, zonder bang te zijn voor
prikkelende beschuitkruimels,—dan kregen we ieder een lepel van het
lauw-flauwe drankje, en dan werden we weer naar onze slaapplaatsen
gebracht. Waggelend als dronken ijsbeertjes in onze wollen dekens,
liepen we nog even in de kamer rond, alleen maar voor de grap en om het
belachelijke gezicht. We konden wel niet goed meer loopen, door het
vele in bed liggen,—maar we overdreven ook een beetje.

Anders dan om verbed te worden, mochten we nooit opstaan, en dan was
alles met veel zorg verwarmd. Maar ik bekommerde er me niet veel om, en
toen Moe weg was, schreef ik met potlood een klein briefje:


    „Lieve Toon!

    Hoe maak je het? Begin je al te vervellen? Liggen er veel
    beschuitkrummels in je bed? Schrijf me eens wat jullie aan het doen
    bent. Ik heb mijn bed zóó overgemaakt, dat ik net in de voorkamer
    kan zien.

        Je liefhebbende Zuster
            Christien.”


Toen het af was, rolde ik het papier heel fijn op en schoof het door
het gaatje heen. Een oogenblik later hoorde ik een bons—Toon, die uit
bed sprong—en een dof plakkend geluid van bloote voeten op het zeil.

Naar mijn idee duurde het heel lang voor ik een kreukelig, in elkaar
gewrongen rolletje door het gaatje zag te voorschijn komen. Als een
haas sprong ik uit bed, ontvouwde het papier, streek het zooveel
mogelijk glad en las:


    „Waarde Zuster!

    Daar wij tot het edele ras der Roodhuiden behooren, kan ik uw
    onbeduidende vraag omtrent de beschuitkrummels niet beantwoorden.

    Jaap Vuurhart, de gevreesde Eetwolf, scherpt zijn twintig tanden op
    een pijp drop, die onze kleine blanke zuster Emma hem heeft
    gezonden.

    Ik zegen het knaagdier, dat ons den tunnel heeft gegraven tot
    middel van gemeenschap.

    Die zinspeling op het vervellen begrijp ik niet. Ik hoop, als
    volbloed Indiaan, mijn huid, rood als het zonnegoud, te bewaren.

    Hebt ge nog een flikje over voor

        Uwen broeder
            Koperrood?”


Ik had er erg veel schik in en haastte mij een tweeden brief in
denzelfden geest te vervaardigen. Ik dacht er over om het gaatje wat
dieper uit te graven, maar daar was geen beginnen aan. Toen stond ik
op, tegen Moe’s verbod in, en liep door de voorkamer naar de alkoof van
de jongens, om ze een paar flikjes te brengen.

Het was lekker weer geworden; het zonnetje blonk en schitterde op de
sneeuw. Voor was het prettig en licht. Op straat speelde een orgel „De
Maliebaan”. Ik vond het een verrukkelijke wijs en begon voor het bed
van de jongens op de onzinnigste manier in mijn ponnetje rond te dansen
met dwaze armbewegingen: „Wij zijn gegaan,” enz., met gedempte stem,
uitgelaten vroolijk van het deuntje en het licht; de jongens schudden
in hun bed van het lachen.

Opeens kreeg ik een inval. In een wip was ik bij het raam en schoof het
op—even, heel even maar, en streek met de hand eensklaps de sneeuw uit
de vensterbank in een hoopje bij elkaar. Een koude wind kwam me te
gemoet. Ik rilde. Het raam viel dicht,—ik zou den jongens de ooren eens
wasschen.

Toen ik me omkeerde, stond Moe in de deur, hoog opgericht. Het gezicht
ernstig, strak, bleek, de oogen wijd open,—zonder te spreken.

Daar kwam de kleur terug, opeens. Donkerrood werd ze van drift; haar
lippen beefden.

„Kind, ben je dwaas? Ben je dwaas? Naar bed, gauw! Ben je doof,—naar
bed, zeg ik!”

Ik lag er al in, het gezicht naar den muur, zoo ver mogelijk in den
hoek—de knieën opgetrokken, den rug wat gekromd, in elkaar gedoken—of
ik bang was, geslagen te worden. Nooit, nooit van mijn leven had ik Moe
zóó gezien, zoo driftig, zoo ontsteld.

Ik voelde mij toestoppen in mijn hals, in mijn lenden, ruw, met een
harde hand, die ik niet kende. Nog meer dek kreeg ik,—plof! zwaar boven
op me.

Toch rilde ik onder den drukkenden last van dekens, nog eens en nog
eens, of ik de koorts had, dat het bed er van schudde.

Daar hoorde ik Moe snikken, nokkend, woest, hartstochtelijk.—Ik schrok
er van en keerde mij om.

„Moe, Moeke!”

„Stil, blijf liggen, blijf onder dek. Neen, geef me geen zoen. Tine,
Tine, hoe kón je het doen?”

Moe ging heen en deed de deur halfdicht. ’t Werd donker in de alkoof,
somber en stil.

„Moe, Moe!” riep ik, tot mijn keel zeer deed. Maar Moe hoorde het niet.
Ik had er zoo’n spijt van, en ik was zoo koud. Ik klappertandde en
rilde, telkens, telkens weer.

„Moe, Moe!” huilde ik, zacht, als een klein, dwingend kind, terwijl
mijn oogleden brandden en pijn deden van de tranen. Toen opeens was ik
stil en luisterde, maar ik hoorde niets.

Eindelijk kwam Moe. Ze had een glaasje warmen, rooden wijn met citroen
voor me meegebracht; dat moest ik opdrinken.

„Is u nog boos, Moeke?” En ik keek naar Moe op en zocht in haar oogen
het antwoord.

Zij zag me aan met een langen, onderzoekenden, angstigen blik. Haar
oogen schenen grooter te worden, haar neusvleugels trilden.

„Tine, kind!” klonk het eindelijk, zoo bang en geprangd, dat ik er van
ontstelde.

De mazelen waren naar binnen geslagen.



De dokter deed wat hij kon om me beter te maken.

Warme thee, omslagen aan de voeten, groote hitte, flanellen kleeren en
wollen dekens, herhaalde aanleggingen van zuurdeeg op verschillende
plaatsen, brachten de teruggetreden mazelen in betrekkelijk korten tijd
te voorschijn. Een paar maanden behield ik nog een drogen, pijnlijken
kramphoest en wat heeschheid in de keel.

Toen de dokter me voor hersteld verklaarde, werd het geheele huis
ontsmet. Op een goeden morgen mocht kleine Emmie de lang verboden
terreinen weer betreden. Vlug wipte ze de alkoof binnen en bekeek alles
terdege van alle kanten.

De mazelen waren weg, zei ze, met een teleurgesteld gezichtje;
maar—terwijl ze de carbolgeuren opsnoof, met een glimpje van plezier en
voldoening in haar oogen—ze kon ze toch nog wel ruiken!








VII.

OVER KIBBELARIJEN EN PRETJES.


Veel ruzie hebben we gelukkig nooit met elkaar gehad. En daar ben ik
maar blij om ook, want als we eens ernstig boos op elkaar waren,
voelden we ons zelf ook ver van gelukkig. En later scheen ons de reden,
waarom we zoo verschrikkelijk kwaad geworden waren, meestal erg
onbeduidend.

Al was de vrede ook gauw weer geteekend, kibbelen deden we dikwijls.

Twee grieven had ik tegen Toon, die me erg hinderden, die ik eerst veel
later te boven ben gekomen, en waaraan hij—na alles—héélemaal geen
schuld had: ten eerste, dat hij ongeveer een jaar vóór mij op de wereld
had durven komen, en ten tweede, dat hij een jongen was.

Ik had zelf graag een jongen willen zijn en liefst de oudste.

Waarom had Toon die twee voorrechten boven mij? Ik vond het heel
onbillijk.

Ik herinner me nog, dat dit me al tegen hem verbitterde, toen ik vier
jaar was; hij was toen toevallig ook nog vier. Ik was jarig, en mijn
grootste blijdschap bestond hierin, dat ik nu even oud was als Toon,
dat ik hem ingehaald had.

„Nu ben ik ook de oudste!” riep ik triomfantelijk.

Maar Toon was niet van plan een koning naast zich te dulden.

„Niet waar!” riep hij.

En ik: „Wél waar, vraag het maar aan Moe.”

„Het is toch niet waar,” riep Toon terug, „nog tien dagen, en dan ben
ik vijf. Ik blijf altijd ouder dan jij, altijd, altijd! Maar jij bent
ook al oud, hoor Tine!”

Dat laatste zei hij met oog op mijn onderlip, die geheel omgekruld was
van verdriet; hij wou me op mijn verjaardag niet aan het huilen maken.

Maar zelfs de erkenning dat ik „ook al oud” was, kon me niet meer
troosten, en ik barstte uit in een droevig snikken, zoo hevig, dat de
zes flikjes, die Pa me in iedere hand stopte, nog niet voldoende waren
om mijn tranen te drogen.

Pa had medelijden met mijn ongeluk, waarvoor geen genezing bestond, en
legde nog een taartje voor me neer, een taartje met room en amandelen,
dat me heerlijk smaakte, maar toch mijn verdriet niet geheel verdreef.

Het verschil in leeftijd tusschen Toon en mij ben ik nooit te boven
gekomen. Altijd moest ik het verdragen, dat Toon op school een klas
hooger zat dan ik, dat hij aan tafel zich het eerst bedienen mocht; hij
was het, die een jaar vóór mij naar dansles ging, die het eerst van ons
allen eens mee mocht naar den schouwburg. Hij wist alles beter dan ik.
Toen ik aan het Fransch begon, verbaasde hij de tantes al door er
versjes in op te zeggen. Als ik aan de decimalen begin, is hij al aan
de repeteerende breuken. Hij kreeg een jaar eer een horloge dan ik.

Ik verbeeld me, dat ik altijd mijn best gedaan heb, niet jaloersch op
hem te zijn, maar ik geloof niet, dat ik er altijd in geslaagd ben.

Was ik tenminste nog maar een jongen geweest! Dan—zoo dacht ik toen—had
ik mijn eerste grief gemakkelijk overwonnen. Dan was ik ook vrij
geweest om te springen en te draven, als ik er lust in had. Dan had ik
mee kunnen doen, als hij met zijn makkers voetbal ging spelen op het
veld achter het Rijksmuseum; zelfs Jaapje, die zooveel jonger was,
mocht wel mee, al was het ook maar om te kijken. Dan had ik ook mee
mogen doen aan de wedloopen, die ze onder elkaar hielden, dan had ik
misschien tegen hem op gekund, als we samen worstelden—want dat deden
we wel eens, alleen om ons te oefenen.—Ik geloof dat veel van onze
kibbelarijen alleen ontstonden doordat ik jaloersch op hem was.

Bijvoorbeeld. Ik kom thuis uit school. Ik heb voor het eerst les in
natuurkunde gehad, en ik verbeeld me, dat het iets bijzonders is, een
wetenschap, die alleen aan onze onderwijzeres bekend is. Ik ben dus
trotsch en vertel het thuis; ik weet wat ondoordringbaarheid beteekent,
en dat Toon niet op dezelfde plaats kan staan, die ik inneem. Het
schijnt me, dat ik die algemeene eigenschap der lichamen nooit recht
gekend heb. Nu weet ik eerst terdege, hoe het komt, dat ik het gewaar
word, als ik in het donker tegen de kachel aanloop. De kachel neemt een
zekere ruimte in, waarover ik niet te gelijker tijd beschikken kan. Het
is me of mijn oogen voor veel zaken zijn geopend, die me vroeger
ontgingen. Ik voel me wijzer geworden.

Het moet aan me te zien zijn, als ik thuis kom, want Moe zegt dadelijk:
„Is er wat bijzonders?”

En ik: „Ja, Moe, we hebben natuurkunde gehad,” en ik kijk Toon aan, om
te zien of hij zich nu eindelijk getroffen voelt, of hij nu eindelijk
eens respect voor me zal krijgen. Maar Toons gelaat blijft volkomen
rustig. Dat kan ik niet goed velen.

„Heb jij ook wel eens natuurkunde gehad?” vraag ik.

Hij knikte. „Beginnen jullie daar nú pas mee?” vraagt hij, „bij ons op
school leerden we het al een klas eerder.”

Natuurlijk, ’t zou wel wonder zijn, als op zijn school niet alles veel
beter was dan op de mijne!

Nog één kans blijft me over om hem te overbluffen; als hij al twee jaar
geleden aan dat vak begon, zal hij nu de eerste lessen weer vergeten
zijn.

„Weet jij wat ondoordringbaarheid is?” vraag ik.

„Natuurlijk,” klinkt het droog.

„Niets natuurlijk!” ik lach een beetje schamper. „Geef dan eens
antwoord, als het zoo natuurlijk is!”

„Dank je!” zegt Toon terug op hooghartigen toon.

Maar ik doorzie hem. „Omdat je het niet weet, daarom doe je of je het
niet zeggen wil!” roep ik sarrend.

„Neen, jij alleen hebt alle wijsheid in pacht!” Toon keert me den rug
toe.

„Zeg het dan, als je het weet!” Ik wil het laatste woord hebben.

Toon mompelt iets, dat veel heeft van: „Loop naar de maan,” wat me nog
boozer maakt.

Dan spreken we niet meer tegen elkaar. Het duurt een halven avond, voor
ik inzie, dat Toon het mogelijk toch geweten heeft, en dat hij
geprikkeld is geworden door mijn twijfel, en eindelijk woedend om mijn
plagen. De andere helft van den avond verloopt voor ik er toe komen
kan, iets te zeggen waaruit blijkt, dat het wezen kán, dat ik óók
schuld heb. Eerst als we op het punt zijn naar bed te gaan, roep ik,
terwijl ik in mijn eigen alkoof ben, door het schot heen: „Ik geloof
wel, dat jij het ook wist, van de ondoordringbaarheid, hoor!”

„Goed zoo!” zegt Toon alleen, en de vrede is geteekend.

Ik ben blij, dat Emmie zoo’n goed en zacht hartje had, zoodat het
bepaald moeilijk was met haar te kibbelen. Het zou me zoo gespeten
hebben, vooral omdat ze gestorven is, als ik ooit lang boos op haar
geweest was, of haar slecht behandeld had. Ik heb toch spijt van de
enkele keeren, dat ik driftig tegen haar geworden ben, te meer omdat
het heelemaal mijn eigen schuld is geweest.

Van één keer weet ik het nog goed. Ik stond op het punt uit te gaan
naar een partijtje, dat de dansmeester gaf.

Ik was dertien jaar, oud genoeg om mooi te willen zijn als ik uitging;
of er aan mijn daagsche jurk een knoop mankeerde, of dat mijn haar op
school vaak slordig zat, of mijn vingers met inkt, kon me minder
schelen.

Ik kreeg een stijf gestreken rose katoenen jurk aan, die ik prachtig
vond. Ze hing over den stoel naast de waschtafel, en ik moest er
telkens naar kijken, terwijl ik bezig was mij te wasschen. De kaarsen
langs den spiegel brandden, Moe maakte mijn haar op. Met een
friseertang, die boven een spirituslichtje was heet gemaakt, deed Moe
het hier en daar nog wat meer krullen.

Ik zat, vol ongeduld, op mijn stoel te wachten, dol verlangend om te
weten, hoe het werd. Ik was niet groot genoeg om zittend in den spiegel
te kunnen zien.

Emmie stond tegenover me, met een gezichtje vol bewondering, Moe’s werk
gade te slaan. Op bed lagen mijn witte zijden handschoenen klaar. Ze
liep er naar toe om ze te bekijken. Ik kon haar niet volgen met de
oogen, omdat ik recht moest blijven zitten, wou ik niet gebrand worden,
maar ik was erg bang, dat ze er vuile vingertjes aan zou maken, en ik
riep: „Afblijven, hoor Emmie.”

Emmie ging weer op haar oud plaatsje staan, op de teenen, om het doosje
te zien waarin mijn bleek bloedkoralen halssnoer en armbandje lagen.

Voorzichtig nam ze het doosje op. „Toe, blijf er nu af, Emmie!” riep ik
ongeduldig.

Ik was zoo prikkelbaar, dat ik zelfs niet velen kon, dat ze aan den
zakdoek rook, die voor me klaargelegd was, en waarop ik overvloedig
eau-de-cologne, en een klein tikje boschviooltjes gedaan had.

Toen ik haar weer verboden had, liep ze achteruit terug, net tegen den
stoel aan waarover mijn mooie rose jurk hing. De stoel viel om en de
jurk op den grond. Ik was opgesprongen; ik kon me niet langer inhouden,
mijn prachtige jurk zou heelemaal bedorven zijn, ik wist, dat ik met
wasschen erg gespat had, mijn jurk zou heelemaal nat en vuil zijn.

„Vervelend kind!” riep ik, buiten mijzelve van drift, „kun je dan
nergens afblijven!”

Ik geloof, dat ik haar had kunnen slaan; ik ben maar blij, dat ik het
niet gedaan heb. Toen ik de jurk had opgeraapt, bleek het, dat ze
geheel ongeschonden was. Ik had dadelijk spijt van mijn drift, en gaf
Emmie eau-de-cologne en boschviooltjes. Emmie bleef niet lang huilen,
maar ze was toch een beetje bang voor me, en toen ik gekleed en gereed
stond, het haar gekapt, de witte handschoenen aan, frisch en fleurig in
de rose jurk, was ze zoo schuw van al mijn moois, dat ze me haast niet
goedendag dorst kussen.

Een anderen keer heb ik haar echt door elkaar geschud, omdat ze het
dekseltje van mijn nieuwste naaidoosje zoo hard dicht had laten vallen,
dat het spiegelglas, dat er binnen inzat, er door brak.

Arme kleine Emmie, ik heb nu spijt van het minste leed, dat ik je
gedaan heb. Ik begrijp niet, dat ik tegen zoo’n lieve kleine prul, als
jij was, ooit onaardig of hard heb kunnen zijn.

Ik ben blij, dat we ondanks onze kleine kibbelarijen toch altijd van
elkaar gehouden hebben.

We klikten nooit en trokken tegenover vreemden altijd partij voor
elkaar. Ik weet nog hoe dankbaar ik Toon was voor het pak slaag, dat
hij een straatjongen toediende, omdat die mij gegooid had met een
sneeuwbal, waarin een steentje zat. Hij „kreeg” zelf ook, zóó, dat zijn
oor bloedde, en ik voelde mijn eigen pijn niet meer, zoo ging me de
zijne aan het hart. Want het mooiste van het heele geval was, dat Toon
nogal boos op me was één oogenblik vóór de bal aankwam.

Behalve bij kleine verdrietjes of bij werkelijke smart (want bij
Emmie’s ziekbed bleek het eerst recht hoeveel we van elkaar hielden),
voelden we ook den band, die ons allen vereenigde, bij pretjes of
feestelijkheden.

Moe moest maar eens jarig zijn of Pa! Dan waren we allen één van ziel
en zin om dien dag tot een heel plezierigen te maken! We legden het
geld bijeen, dat we opgespaard hadden, en beraadslaagden in alle
stilte, hoe we het het best gebruiken zouden. Toon en ik gingen er
samen op uit om de cadeaux te koopen, Jaapje en Emmie moesten de
versjes opzeggen, die wij hun van te voren in het geheim geleerd
hadden. Toen op een keer Toon alleen eens geld had en ik toch ook zoo
graag wat geven wou, vond hij het heel goed, dat ik voor zijn geld een
theekleedje kocht, hoewel hijzelf Moe liever met een bloempot verrast
had. Maar ik was blij, dat ik het merken kon, en zoo tenminste ook mijn
goeden wil kon toonen.

Verjaardagen waren altijd heerlijke feestdagen voor ons allemaal, maar
ze beteekenden toch nog niets in vergelijking met dien éénen avond, die
boven alle de kroon spande—den Sint-Nicolaasavond.

Dan kwam er geen visite, dan waren we heelemaal onder elkaar. Allemaal
stralende, vroolijke gezichten zaten er dan om de tafel. De schel
klingelde bijna voortdurend, zoo vroolijk en vol goede beloften, dat
ons hart er sneller van kloppen ging.

Beurtelings hadden we in de keuken of op den zolder geheimzinnige
apartjes met Katrien. Ik weet nu bijna niet, wát prettiger was, als we
zelf een pakje kregen, of als het pakje werd binnengebracht en geopend,
dat we voor anderen hadden klaargemaakt.

Het onnoozele en van-niets-wetende gezicht, dat we dan trachtten te
zetten, en dat ons juist dadelijk als den Sinterklaas verried!

En dan de aandoeningen als Sinterklaas binnenkwam, de echte! Of liever
niet de echte, want Toon en ik wisten wel, dat het niemand anders was
dan Pa, maar Jaapje twijfelde, en was wel degelijk angstig, geloof ik,
als hij aan sommige appels dacht, die hij zonder te vragen, uit de mand
in de keuken had weggenomen.—Emmie zou ons zelfs niet geloofd hebben,
als we het haar verteld hadden, dat Pa voor Sinterklaas speelde. We
vonden het veel te aardig, de schuchtere manier te zien, waarop ze
Sinterklaas haar klein wit handje gaf, tóch vertrouwelijk ondanks haar
schuwheid.

Op zulke avonden zullen de arme buren wat van ons te lijden hebben
gehad, want het komt me nu voor, dat we dan niet anders deden dan
zingen en springen en ravotten en over den grond buitelen van
plezier.—’t Is me, nu ik er aan denk, of ik nog Toons flinke stem hoor,
waarmee hij boven ons allen uitzong.—Ik zie Jaapje nog, den kleinen
dikkerd, zooals hij, met een gezicht, rood van inspanning, „koppeltje”
trachtte te duikelen over den vloer, om Sinterklaas een goed idee van
zijn spierkracht en behendigheid te geven; ik zie onze kleine Emmie
nog, terwijl ze met een snoetje, blozend van angst, de lipjes drukte op
het baardige gezicht van den goeden ouden Sint.

Ja, we hebben echt prettige, blijde dagen gehad in onze jeugd, en we
vormden een recht gezellig troepje!










LAURA’S OPSTEL.


I.

BIJ HET UITGAAN DER SCHOOL.


Betsy Hove, Annetje Leffelaar, Mariëtta Albeni en Nelly Gerling liepen
gearmd, de tasschen in de hand. Ze vormden een rij, die bijna de
geheele breedte van het grachtje in beslag nam. Ze hadden pret, zooals
bijna alle kinderen, die, na een langen dag zitten, uit school komen.

Annetje Leffelaar, die een dwaas, hoog stemmetje had, dat vaak
oversloeg, vertelde, hoe ze in angst had gezeten onder de
aardrijkskundeles.

„Ik werd immers aan het bord geroepen, ik wist totaal niet waarom. Ik
moest iets aanwijzen, de Lek of de Linge of een dorp of een stad, ik
had het heelemaal niet gehoord. En ik dorst het niet te zeggen ook, dat
ik de vraag niet verstaan had.—Wat had ik een gevoel, toen ik voor ’t
bord kwam! Ik nam den stok, en ik wees maar op goed geluk. Ik keek
voortdurend naar Lautje op, die me met de oogen beduidde, waar ik wezen
moest.”

Annetje schaterde het opeens uit. „Het was net een spelletje,” zei ze.
„Als ik er dicht bij was, knikte Lautje, en als ik den verkeerden kant
opging, trok ze de wenkbrauwen hoog op. Vroeger speelden we wel eens
zoo iets, dan moest de een wat zoeken, en de ander „heet!” of „koud!”
roepen, naarmate wie zocht er dicht bij, of ver er van af was. Als
Lautje de wenkbrauwen fronste”—Annetje stikte bijna in haar woorden van
het lachen—„dan was het me of ze riep: „IJskoud, je bevriest,” en als
ze zóó knikte, dan leek het of ze zei: „Heet, heet, je brandt
je!”—Eindelijk, toen mijn stok bij een dikke, witte punt kwam, knikte
Laura zoo geweldig, dat ik begreep: „Nu ben je terecht,” en de juffrouw
zei: „Heel goed Annetje, daar ligt Vianen, ga maar naar je plaats.”—Ik
begrijp nog niet, dat ik geen straf kreeg, en dat de juffrouw niets van
mijn scharrelen gemerkt heeft!”

„Dat is nogal duidelijk,” zei Betsy Hove, een beetje droog, „de
juffrouw zat aldoor naar Lautje Dorper te kijken, en die heeft toen ook
straf gekregen.”

„Waar blijft Laura toch?” vroeg Nelly opeens, terwijl ze staan bleef en
omkeek, „we hebben heel niet op haar gewacht.”

Mariëtta Albeni trok even haar fijne neusje op. „Laat dat kind toch
loopen,” zei ze, „we zijn toch al met ons vieren, de rij is groot
genoeg.”

„Ze zal het zoo naar vinden,” pleitte Nelly goedig.

Annetje Leffelaar keek naar Mariëtta. Ze zag de mooie donkere oogen
ongeduldig flikkeren. En Annetje, prat op Mariëtta’s gunst, zei: „We
moeten nú toch maar niet langer wachten; waarom zorgt Laura dan niet,
dat ze op tijd klaar is? Ze moet zeker weer zoeken naar een of ander
boek.”

Betsy Hove, die geen vriendin van Laura was, omdat ze—zelf een heel net
meisje—Laura een echt slonsje vond, koos toch haar partij.

„Jij moest Laura Dorper niet afvallen, Annetje,” zei ze. „Nog geen
kwartier geleden heeft ze, door jou te helpen, straf opgeloopen!”

Annetje kleurde, ze ontweek den blik van Betsy’s koele grijze oogen. Ze
voelde zich heel verlegen, omdat haar zoo zonder erbarmen de waarheid
gezegd werd.

„Ik heb haar toch niet gevraagd me voor te zeggen,” zei ze, maar zacht
en onwillig, want zelf zag ze wel in hoe flauw en kinderachtig die
verdediging was.

„Daar komt Lautje!” riep Nelly opeens.

Ze stonden nu allen stil en zagen naar de donkere figuur, die in de
verte kwam aandraven, met open mantel, waarvan de slippen wijd
uitwoeien, als uitgespreide vleugels.

Mariëtta Albeni trok bijna onmerkbaar haar neusvleugels op.

„Kijk ze er weer eens uitzien,” zei ze, „wie loopt er nu zóó weg met
lossen mantel en zonder handschoenen, en haar tasch bengelt aan een
hengsel, en—neen, maar dat is te sterk—de strook van haar jurk is
afgetrapt!—Ik ga door, hoor, ik loop niet met haar!”

Mariëtta keerde zich om met een snelle beweging, Annetje Leffelaar
volgde haar dadelijk.

Betsy Hove bleef nog even wachten, omdat Lautje zoo vlak bij was. „Je
strook is afgetrapt,” zei ze, „die mag je wel opspelden, wij gaan
vooruit, we hebben al zoo lang gewacht.” Met een paar vlugge passen
voegde ze zich bij Mariëtta en Annetje, het aan Nelly Gerling
overlatend, Laura te helpen.

„Waarom loopen de anderen door?” vroeg Laura, zoodra ze in zoover van
het harde loopen bekomen was, dat ze geluid kon geven.

Nelly bukte zich, om met een paar spelden de strook aan den rok te
hechten.

„Ik weet het niet,” zei ze, te goedig om de waarheid te zeggen.

„’t Is vreeselijk flauw”—op Laura’s gezichtje kwam een ontevreden
uitdrukking—„’t is erg kinderachtig om niet even op me te wachten!”

„Wat moest je dan nog doen?” vroeg Nelly, die als een moedertje Laura’s
zwarte krullige vlecht, die geheel onder den mantel verborgen was, over
het kraagje heen optrok, met groote voorzichtigheid, om Laura niet te
bezeeren. Zelfs het bovenste haakje van den mantel maakte ze dicht.

„Och, allerlei,” zei Lautje, de schouders optrekkend, „mijn boeltje
pakken. Eerst was de sponsedoos weg, toen kon ik mijn potlood niet
vinden, je weet wel, dat nieuwe in het nikkelen houdertje,—’t is
trouwens nóg zoek. Ik hoop maar, dat Moe er niet naar vraagt, want dan
ben ik verloren.”

„Heb je aan je rekenboekje gedacht?” vroeg Nelly.

Laura lachte. „Mijn sommen heb ik al af,” zei ze, „die liggen thuis
klaar. Ik moet alleen nog het opstel.”

Nelly zuchtte: „Ik ook,” zei ze, „maar dat vind ik afschuwelijk. Wat
moet je nu schrijven?”

„Och, het is wel een prettig onderwerp,” zei Laura als
verontschuldigend.

Nelly Gerling zag er niet uit of zij het onderwerp ook prettig vond.
„Ik ben er al aan begonnen,” zei ze, „ik heb een paar zinnen op klad,
maar meer weet ik ook niet. Ik heb er bijna een heelen avond over
gedaan. Ik zal je het kladje eens laten zien!”

’t Was ver in den herfst en het begon op straat al donker te worden,
maar Laura kon het klad nog heel goed lezen, het zag er ook volstrekt
niet als kladwerk uit, maar scheen eer geteekend, zooveel zorg was er
aan besteed.

Lautje had moeite niet even te lachen, toen ze het volgende onder de
oogen kreeg:


                            „De Lente.

    „De lente is het eerste jaargetijde van het jaar.

    „Er zijn vier jaargetijden, namelijk: de lente, de zomer, de herfst
    en de winter.

    „De lente begint den een-en-twintigsten Maart en duurt tot en met
    den twintigsten Mei. De lente is een mooi jaargetijde, maar de
    lente kan ook wel guur zijn.

    „In de lente begint alles te groeien en te bloeien.

    „In de lente komen de zwaluwen en de andere trekvogels weer in ons
    land....”


Laura moest tóch lachen; ze kon het niet helpen. Nelly kreeg een kleur,
ze had er spijt van, dat ze Laura het kladje had laten lezen.

„Is het fout?” vroeg ze nederig, wel wetend, dat ze zelf dom was, en
dat Laura bij de knappen behoorde.

Laura werd getroffen door Nelly’s grooten eenvoud. „Welneen, fout is
het niet, het is heelemaal goed; maar je moet niet zoo dikwijls achter
elkaar zeggen: „De lente” en „In de lente,” dat klinkt niet aardig,
hè?”

„Wat moet ik dan schrijven?” klonk het naïef, „het is toch een opstel
over de lente. Kun je me niet een beetje helpen?”

Het is makkelijker iets af te keuren, dan te verbeteren, dat ondervond
Lautje ook. Maar ze deed toch haar best en gaf Nelly een paar wenken.
„Je kunt beginnen met te vertellen, hoe het in den winter is,” zei ze,
een beetje in de war, door het ongewone schooljuffrouw-spelen, „en dan
kun je zeggen, hoe alles in de lente verandert.”

Ze gaf er nog een paar treffende voorbeelden bij, die Nelly verstomd
deden staan. „Wat zul jij een mooi opstel maken,” zei ze met een
bewondering in haar groote oogen, die Laura streelde, al wou ze het
niet laten merken.

„Kom!” zei ze, staan blijvend, omdat ze Nelly’s huis bereikt hadden,
„dat denk je maar.”

Ze groette Nelly en stapte met flinke passen voort, in blijde stemming.
Het lachte haar toe, dat opstel. Het was juist een werkje, waarmee ze
ophad. Haar hoofdje was vol vage plannen, vol heerlijke zinnetjes en
brokken van zinnen, die ze mooi vond en trachtte te onthouden. Enkele
beelden, die ze, ze wist zelf niet meer in welk boek, gelezen had,
speelden haar voor den geest. Die zou ze gebruiken. Den westenwind zou
ze noemen „den heraut van het voorjaar”. Ze moest in zichzelf lachen,
toen ze bedacht, hoe Nelly zou ophooren, als ze dat las. Nelly zou
waarschijnlijk niet eens weten wat een heraut was!

Laura verdiepte zich hoe langer hoe meer in het opstel. Ze zou de aarde
in den winter voorstellen als een kind, dat ligt te slapen onder een
witte sprei (de sneeuw), overhuifd door een donker wiegekleed (de
wolken). Maar in de lente, dan kwam moeder (de zon), die schoof het
wolkenkleed weg, die lichtte de sprei op en lachte tegen het kind,
eerst eventjes, dan met een blijden, gullen lach, die het kind deed
wakker worden. Dan zou de zon de aarde koesteren, de boomen zouden
knoppen krijgen, de bloemetjes ontluiken, en kleine vogels zouden
blijde liedjes zingen, terwijl ze zich behaaglijk wiegden op ranke
rijzen van zilveren berken, waaraan het jonge groen begon te
schemeren....

Zóó wond Laura zich op bij de gedachte aan de mooie dingen, die ze zou
schrijven, dat ze in het geheel niet lette op de vuile straten. Ze
stapte door dik en dun, langs rijtuigen, die de modder hoog op deden
spatten.

Ze merkte het ook niet, dat de spelden weer hadden losgelaten, en dat
de strook van haar barège rokje haar achternasleepte.

Ze kwam thuis, vervuld van heerlijke gedachten. Als het opstel goed
uitviel, zou de onderwijzeres weer een beter idee van haar krijgen. En
dat zou haar zelf moed geven, om ook in andere dingen haar best te gaan
doen.

Lachend en vergenoegd liep ze de trappen op, Leentje had opengedaan.








II.

EEN ONGELUK.


Ze was nog niet halverwegen, toen een ontevreden stem van boven riep:
„Kijk, nou heb je weer je voeten niet geveegd, jongejuffrouw. En de
straten zijn nogal zoo vuil en de trappen heb ik pas gedaan.”

„Och, Leentje, ik heb er heel niet aan gedacht!” Laura sloeg niet heel
veel acht op het mopperen van de oude meid.

„’t Zou wel wonder wezen, als die weer niet wat had aan te merken,”
dacht ze; maar het speet haar toch, toen ze, even omziend, morsige
afdrukken van haar schoenen op het heldere zeil van den looper zag. Het
was nog een geluk, dat ze omkijkend, ook de losse strook ontdekte, die
ze nu gauw nog even aanspeldde, voor ze haar moeder onder de oogen
kwam.

Ze hoefde niet te vragen, of het kamerdag geweest was, de geur van was
kwam haar tegemoet en alles blonk haar tegen. Met een gevoel van
eerbied bijna bleef ze even staan aan den ingang van de kamer. Ze kon
zich best begrijpen, dat Leentje met een gezicht als een inktlap (van
het potlooden) en een stofdoekenmandje en een waspotje de kamer uit
kwam stuiven, om haar vooral op het hart te drukken, eerst de laarzen
uit te doen.

Alles was ook zóó keurig, zoo echt „gedaan”.

Het zeil blonk als een spiegel en zag er zoo glad en glanzig uit als
een gewreven parketvloer, en het nieuwe karpet met zijn roode en groene
strepen leek wel een land met tulpenbedden en frischgroene graszoden.
De lamp was al op; zij spiegelde zich welgevallig in het groene meer
van het tafelzeiltje en deed de kleine vlammetjes in den mahoniehouten
rand grappig opflikkeren.

De kachel, die pas was aangemaakt, glom ook van plezier; nu en dan
vielen er kleine lichtende vonkjes in den leegen bak, met een
knettering van leven. Even bleven ze nog branden, als kleine
vreugdevuurtjes, dan doofden ze uit, maar er kwamen altoos weer nieuwe.

Laura deed haar natte laarzen uit en verwisselde ze voor lekker warme
vilten pantoffeltjes, die haast bij iederen stap uitgleden op het zeil.

Wat hingen die overgordijnen netjes, en wat glommen de stoelen, en wat
rook alles lekker en frisch naar terpentijn!

Lautje kreeg ook een net gevoel over zich, ze streek de haren glad
achter de ooren, nam de natte tasch, die scheef op een stoel lag, en
hing ze op in de kleerkast. Toevallig zag ze zichzelf in den spiegel,
een slordig schoolkind, den bovensten knoop van haar mantel, de haren
woest en verwaaid, en vochtig van den regen, en hier en daar, waar het
weggestreken was, op het hoofd geplakt. Het lintje hing heel onderaan
aan het puntje van de vlecht; het was een wonder, dat ze het niet al
lang verloren had. Groote pieken haar sproten als wilde grassen aan
alle kanten uit den strengel.

Er was niets aan te doen; ze ging naar de alkoof, om het over te maken.
Ze waschte zich frisch en pijnigde zichzelf, door het haar zoo strak en
stijf te vlechten als een touwtje.

Ze keerde haar boezelaar om, met den nog schoonen kant naar buiten, en
begon tot haar moeders groote verwondering uit eigen beweging de tafel
te dekken. Jan en Henk waren ook thuis gekomen. In een oogenblik hadden
ze hun laarzen uit—ze konden het makkelijk doen, want ze hadden van die
heerlijke, met stiftjes—en waren naar binnen gegaan. Wat maakten ze een
spektakel! Het leek wel, of ze den boel af braken. Hoe was het
mogelijk, terwijl alles zoo netjes was!

Met het gevoel van een kleinen Farizeër, nam Laura den stapel borden en
ging naar binnen. Welja, daar speelden ze „prikje” en sulden met het
deurkleedje over het zeil.

„Je moest je wel schamen,” zei ze, „zoo’n rommel te maken, als de boel
pas gedaan is. Houdt er dadelijk mee op!” Met een smak zette ze den
messenbak op tafel, dat het rinkinkelde, wat haar veel plezier deed,
want ze vond, dat het een ongemeene kracht aan haar woorden bijzette.

„Asjeblieft!” riep Jan en prikte voort met verdubbelde woede, zich
telkens met een ruk afzettend op de palm van de hand. Henk keek naar
Jan en sulde op een matje achter hem aan.

Laura werd warm, maar wou toch kalm blijven. Ze had dikwijls ruzie met
de jongens. Ze was de oudste en moederde graag; Jan en Hendrik vond ze
kinderen, waarover zij den baas wou spelen. Ze spande zichzelf in en
dacht na. De borden stonden, de vorken en lepels lagen op de tafel,
drie om op te scheppen in het midden, een mes voor Pa, voor Moe, voor
Leentje en voor haar—de jongens waren nog te klein—en de juslepel naast
Moe’s bord.

Nu nog het olie- en azijnstelletje; ze zou het gaan halen. Ze hield
zich of ze de jongens niet zag; misschien hielden ze wel op als ze weg
was; dat gebeurde wel meer.

Toen Laura weer binnenkwam, was het kleed aan drie kanten omgeslagen en
voeren Jan en Henk lustig op de ruime baan.

Ze voelde het bloed naar het hoofd stijgen. Ze had het ongeluk over het
omgeslagen kleed te struikelen, zoodat ze vrij hard tegen de tafel
aanviel en haar arm schaafde. Zout en peper stoven over het tafelkleed.
Woedend keerde ze zich om.

„Zùl je het laten?”

„Voor jou, zeker voor jou, hè!”

„Ja, net voor mij, net voor mij!” en pats, pats, daar had hij twee
klappen om zijn ooren.

Ze had nog juist den tijd te zien, hoe Henk als een haas met zijn matje
naar de deur scharrelde en in aller ijl het kleed begon goed te leggen.
Ze werd naar beneden getrokken, op den grond, aan haar rokken, aan haar
boezelaar, dat scheurde.

„Valscherd, valscherd! Je zult me niet slaan; ik wil het niet, ik wil
het niet!”

Laura lag onder, op den grond, met Jans heet gezicht, rood van drift,
vlak op haar en zijn vingers om haar bovenarm geklemd.

„En jij zult doen wat ik zeg, hoor je, hoor je!” Vergeefs probeerde ze
zich op te richten; telkens viel ze weer terug, het hoofd op den grond.

Jan lachte. „Zie maar, dat je opkomt, als je kunt. Maar dat kan je
niet, dat kan je niet!”

Laura beet zich in de wang van machtelooze woede, en lachte even, dom,
onzinnig. Daar voelde ze iets hards aan haar voeten,—de kachel. Ze
zette zich af met kracht. Op zou ze, óp wou ze,—de palmen van de hand
op den grond, nu één forschen ruk,—ze wás op. Maar Jan lag achterover,
met het hoofd tegen de kachel, doodsbleek. En het bloed gudste uit zijn
achterhoofd.

Half verwezen zag Laura de kamer rond, als in een droom. Het tafelkleed
hing haast op den grond; de borden stonden op het kantje. Zout en peper
vormden grauwachtige plekken op het witte laken.

De stoelen stonden dooreen; het kleed lag nog omgeslagen. Henk
schreeuwde uit alle macht.

En voor haar op den grond lag Jan, het blonde haar geplakt van bloed.
Groote druppels vielen langzaam op de geschuurde plaat, als roode
bolletjes, die samenvloeiden, traag, heel traag, tot een klein, helrood
meertje. Opeens kwam ze tot bezinning. Leentje stoof de kamer binnen,
met het deksel van den ijzeren pot in de hand, waarvan de wasem als een
dichte damp afsloeg.

„Moe, Moe!” gilde het meisje wanhopig, en werktuiglijk drukte ze haar
losgerukt boezelaar tegen de wond.

„Uw Moe is boven op zolder,” en Leentje liep weg om Mevrouw te halen.

Mevrouw Dorper kwam, en de buren kwamen, en er was een geloop en
gedraaf, en een sterke lucht van azijn, en een druk gevraag: „Hoe kwam
dat? Wie deed het? Hoe is het gekomen? Heb jij het gedaan, jij?”

En Laura schudde van ja, twee-, driemaal. Ja, ja, ja! „Ik, ik, ik!”

„Gegooid?”—En weer knikte ze ja, sterk en welsprekend, en het
verwonderde haar niet, dat de juffrouw van boven het hoofd schudde.

Ze huilde niet eens; ze zag maar toe, hoe haar moeder Jan te bed
bracht. De dokter kwam, er moest licht zijn in de alkoof, en de brander
werd uit den hanger genomen. En de menschen liepen om watten en carbol,
en de dokter naaide de wond.

Het duurde zoo lang, zoo lang, en ze hoorde Jan gillen, en Henk zat ook
te huilen in zijn hoekje bij de kachel, en hij keek haar aan met een
paar groote, verschrikte oogen, of hij bang voor haar was.

Mijnheer Dorper kwam thuis, en de dikke juffrouw van boven lichtte hem
in, wijdloopig, fluisterend, en ze wees naar Laura. Het meisje stond
maar naar haar te kijken, naar haar dwaze gebaren, naar haar dikken
wijsvinger.

Mijnheer luisterde niet; hij gooide zijn jas op een stoel en liep de
alkoof in. Even ging de deur open, maar Laura zag niets dan een hel
licht en een gewarrel van menschen; toen werd alles weer donker.

De dikke juffrouw kwam naar haar toe. Laura hoorde het; ze zag de
groote, logge gedaante vlak voor zich. Ze liep achteruit, dicht, dicht
tegen het raam aan. De juffrouw boog zich over haar heen: „Als het kind
doodgaat, is het jou schuld.”

En weg ging ze, naar boven. Ze kon hier niet aldoor blijven; ze moest
naar haar aardappelen zien.








III.

HOE HET AFLIEP.


Laura was bang geworden, o, zoo bang. Ze begreep niet, dat er geen
menschen kwamen, om haar naar de gevangenis te brengen, in een heel
donker hok.

Dat zou wel gebeuren, dacht ze, straks of morgen, en het maakte haar
gerust. Ze hoopte maar, dat het erg donker zijn zou, en dat ze er heel,
heel alleen zou zitten. En dat er nooit menschen zouden komen, niet de
juffrouw van boven en niet de anderen, niemand.—Misschien zou ze er ook
wel gauw doodgaan. Ze zou nooit iets eten, geen brood, niets. En als ze
dan heel erg ziek was,—heel erg, als ze zeker wist, dat ze dood moest
gaan, dan zou ze vragen om haar vader en moeder nog eenmaal te zien.
Menschen, die opgehangen worden of doodgaan in de gevangenis, mogen
immers altijd één vraag doen, die vervuld wordt!

En dan zou haar vader komen, en hij zou er bleek en droevig uitzien.
Hij zou een rouwband hebben om zijn hoed, en haar moeder zou heelemaal
in het zwart zijn, met een gezicht zoo wit als een lelie en oogen moe
van het huilen. Henk zou niet mee willen komen en in den deurpost
blijven staan.

En ze zou stil liggen op het stroo en alleen vragen of het weer over
was. Pa zou haar zoenen en Moe ook; zij zouden medelijden hebben met
haar berouw. En Henk zou haar eindelijk ook vergeven, dat ze altijd zoo
naar was geweest en dat ze zijn broertje vermoord had. En dan zou ze
doodgaan.— — — —



Daar werd het weer licht, alles licht en leven.

Haar vader lachte en zette den brander in de hanglamp, en de dokter
lachte ook, en zijn heele gezicht lachte, en zijn kaal hoofd met den
krans van grijze krulletjes in den nek glom en lachte ook. Hij hield
den hoed in de hand, een hoogen zijden, die ook al glom en glansde en
lachte in het licht met vroolijke plekken.

„Een ferm kereltje,—heeft zich goed gehouden, uitstekend, uitstekend!”

„Nietwaar, ’t is een flinke vent.” Mevrouw liep af en aan van de alkoof
naar de keuken.

„Kijk Laura eens wit zien,” zei Mijnheer opeens. „Zij zal ook geschrikt
zijn. Hoe is het, moet de dokter jou ook onderhanden nemen?”

Hoe was het mogelijk, dat Pa nog tegen haar lachte! Zeker wist hij het
niet. Zou ze het niet zeggen?

Och, het moest immers toch uitkomen!

Allen moed bijeenschrapend, kwam ze naderbij.

„Ik heb hem gegooid, Pa.”

„Ja, ik weet het. Jan heeft het gezegd. Je hebt gevochten. Ik wist
niet, dat ik zulke vechtersbazen in mijn huis had. Zorg maar, dat het
gauw weer goed wordt tusschen jullie beiden.”

Jan lag met het gezicht naar den muur; Laura zag alleen den witten doek
om het achterhoofd.

„Jan,—Jantje!” Ze durfde niet opzien.

Jan keerde zich om. Hij zag nog bleek, alleen een heel flauw, teer
kleurtje midden op de wang.

„Ben je nog boos op me?”

„Nee, Lautje. Je kon het niet helpen, dat weet ik wel. Maar,—je moet me
niet meer slaan. Dat—dat is niet prettig—voor een jongen, begrijp
je.—Niet omdat het zeer deed—want je slaat flink, dat het tintelt—maar
dat is niets. Al was het nog zoo zacht, dat blijft hetzelfde.”

Ja, Laura begreep het.

„Maar het is mijn schuld,—ik had je niet moeten treiteren, ik heb je
gesard.”

Lautje haalde ruimer adem: „Ben je nu weer goed, Jan,—als ik je nooit,
nooit van mijn leven weer slaan zal?”

„Och, ik ben in het geheel niet kwaad; dan had ik je immers maar niet
moeten treiteren.”—Lautje gaf haar broer een kus, en toen was alles
weer goed. Jan ging stil liggen. Het duurde niet lang, of hij was
ingeslapen.

Pa en Moe, ze waren allebei goed op Laura, en Henk ook, ze speelden na
den eten samen moedertje, maar heel zachtjes, dat Jan niet wakker werd.








IV.

MOE EN MOEDELOOS.


Laura verwonderde er zich over, dat één dag soms zoo lang kon duren. Ze
had ten pleziere van Henk een tijdje met hem gespeeld, en was toen aan
haar opstel begonnen.

„Heb ik het goed gezien, Lautje, is de strook van je jurk los?” vroeg
haar moeder opeens.

O ja, dat was waar ook, en er was ook een knoop van haar mantel.

„Heb je veel huiswerk?” vroeg mevrouw Dorper.

„Een opstel, Moe.” Van de drie werkwoorden „voorzeggen” sprak ze maar
niet.

„Doe dan een andere jurk aan, dan zal ik de strook voor dezen keer wel
naaien,” klonk het goedig.

Dat beviel Laura, ze liep vlug naar den zolder om zich in haar koud
slaapkamertje te verkleeden.

„Alstublieft, Moe,” zei ze, de jurk over haar moeders stoel hangend; ze
had ook den mantel meegebracht in de stille hoop, dat de ontbrekende
knoop er wel meteen zou worden aangezet.

Ze was weer gaan zitten, het potlood in de hand, gereed om aan het
kladje voort te gaan.

Opeens klonk de stem van haar moeder verontwaardigd: „Maar, kind, wat
is dat nu! Kijk die jurk eens, een en al modder, kletsnat nog!”

Laura bezag met schaamte de strook van haar mooie barège jurk; grauw
van slijk was ze, en werkelijk nog nat ook.

Beschaamd opziend, ontmoette ze den blik van haar vader, die ernstig
het hoofd schudde.

Laura zuchtte, het eene kwam bij het andere, haar vader had wel reden
tot misnoegdheid, er was ook altijd wat met haar.

„De jurk kan ik zoo niet naaien, ze moet eerst goed droog zijn, morgen
moet je je oude grijze maar aandoen.”

Laura knikte. Ze vond de „oude grijze”, waarin ze zulke lange armen en
beenen had, afschuwelijk, maar er was niets aan te veranderen, ze zou
wel verplicht zijn te doen wat haar moeder zei.

„Wat moet er aan dien mantel gebeuren?” vroeg mevrouw Dorper.

„Er is een knoop af, Moe,” zei Lautje, blij, dat die er tenminste zou
worden aangezet.

„Waar is die knoop?” klonk het tamelijk droog.

Laura schrikte. Ja, waar was die? Verloren natuurlijk!

Ze gaf geen antwoord, ze kreeg alleen een kleur en herinnerde zich
ontsteld, hoe ze den knoop ’s middags op school aan de losgeraakte
draadjes had zien bengelen.

„Ik begrijp je niet,” zei haar moeder, „je weet, dat het zulke mooie,
dure knoopen zijn, je moet het toch zien, als er een losgaat, kun je
dien dan niet bij je steken?—Breng er morgen als je uit school komt een
mee, dan zal ik nu den ondersten bovenaan zetten.”

Met een knikje bukte Laura zich weer over haar opstel. Ze voelde wel,
dat het zoo toch niet vlotten zou. Haar hoofd was vol van het gebeurde.

Af en toe stond ze op, om eens naar de alkoof te gaan, en te zien, hoe
Jan het maakte. Hij sliep, en hoewel hij volmaakt rustig ademhaalde,
vertrouwde Laura het niet recht.

„Ik zal blij zijn als hij wakker wordt,” dacht ze, „dan kan hij zeggen
of hij nog pijn heeft.—Als hij maar geen wondkoorts krijgt.”

Ze zette zich weer aan tafel, schreef een paar zinnen aan haar opstel,
maar legde toen het potlood neer. Haar gedachten waren er niet bij. Ze
zou den volgenden morgen vroeg opstaan, en nu maar de werkwoorden
maken.

Eigenlijk vond ze het wel naar, waar haar vader en moeder bij waren,
aan haar strafwerk te beginnen, maar het kon niet anders. Ze dacht aan
Mariëtta Albeni, die een eigen kamertje had waarin ze ’s avonds altijd
zat te werken; ze benijdde haar. Wat moest dat heerlijk zijn!

Ze keek eens over de tafel naar vader en moeder. Moeder naaide, van
haar vader kon ze alleen een lok haar zien, die boven de krant uitkwam.
Ze stelde zich verdekt op achter de openstaande naaidoos en een pakje
boeken, zocht toen een blaadje los papier en begon te vervoegen. Maar
toen ze aan den voltooid verleden toekomenden tijd van de aantoonende
wijs begon en neerschreef: „Ik zou voorgezegd hebben, hij....” tikte
haar vader haar losjes op den schouder.

Mijnheer Dorper had geen andere bedoeling, dan Laura om de lucifers te
vragen, maar haar onthutst gezichtje en haar plotselinge blos gaven hem
een kwaad vermoeden.

„Wat ben je aan het doen?” vroeg hij, zelf opstaand om het verlangde te
krijgen, daar Laura hem heel niet verstaan had.

Zwijgend liet Lautje hem haar werk zien.

„Dom kind!” zei mijnheer Dorper, zijn meisje over het kroezige kopje
strijkend, „hoe dikwijls ben je met strafwerk bezig? Het is zoo
nutteloos, waarom voorkom je het niet?”

Die woorden, met goedheid en ernst uitgesproken, deden opeens heete
tranen in Lautje’s oogen opwellen. Haar vader had gelijk, waarom
voorkwam ze al dat onaangenaams niet? Zoo vaak kreeg ze straf op
school, en was het niet meestal haar eigen schuld? En thuis, daar waren
ook dikwijls klachten over haar. Een eigen kamertje om in te leeren had
ze niet, maar wel een slaapkamertje op zolder. Daar hingen achter een
groen gordijn haar jurken en boezelaars, daar lagen in een afgedankt
penantkastje al haar kostbaarheden, haar boeken en schoolschriften.

Wat was me dat soms een boeltje! Ze herinnerde zich hoe ze zich eens
voor Mariëtta geschaamd had, toen die een oud cahier met aanteekeningen
van haar kwam leenen.

Zonder aan haar rommeltje te denken, had Laura Mariëtta boven gebracht,
en onder haar oogen begon ze naar het schrift te zoeken. Wat had ze een
spijt, zoodra ze de kastdeuren opende! Het scheen, dat ze zelf toen pas
goed de wanorde zag. Ze haalde er achtereenvolgens een oude pop met een
warpruik, een leeg dropfleschje, een begonnen handwerkje, een doosje
met haarlinten (die in bonte slingers uit de doos neerhingen), De
Kleine Lord in prachtband, een schoteltje van een oud serviesje, een
paar kladcahiers, een los deksel van een naaidoosje, een pakje boeken,
en haar naaidoosje zelf uit. Toen ze met dat alles in den schoot op de
hurken zat, was het haar opeens ingevallen, dat het gezochte cahier een
paar weken te voren door haarzelf verscheurd was, nadat ze er het
nachtlampje met patentolie over had laten vallen. Mariëtta was alles
behalve in haar schik geweest, en heengegaan met het vaste voornemen
nooit meer bij Laura aan te kloppen om iets te leenen.

Toen Laura dien avond slapen ging, had ze een gevoel van groote
moeheid. ’t Scheen haar toe, dat er dagen verloopen waren sinds dien
morgen.

Wat was er ook veel gebeurd!—Het speet haar, dat Jan nog niet wakker
was geworden. Ze had nog altijd een geheimen angst, dat het ergste nog
niet geleden was.

Haar moeder had haar beloofd, haar vroeg te roepen. De werkwoorden had
Laura afgemaakt, maar aan het opstel moest ze nog beginnen.

Waar waren al de mooie zinnen, die ze uit school komend vooruit bedacht
had? Weg, allemaal weg. Ze wist niets meer van de lente, ze had geen
enkel ideetje meer. Ze wist alleen dit, dat ze, behalve de gewone
gebreken van de meeste meisjes, nog deze twee in hooge mate bezat:
wildheid en slordigheid. En ze twijfelde er aan of ze die wel ooit zou
kunnen afleggen.








V.

HET OPSTEL.


Met een gloeienden blos kwam Laura op school, ten hoogste verbaasd, dat
er nog zoo weinig meisjes waren; zelfs de onderwijzeres, die anders
iedereen vóór was, was nog niet aanwezig.

„Hoe kom je zoo vroeg?” was Nelly Gerling’s eerste woord, zoodra ze
Laura zag. Nelly behoorde tot die meisjes, die vóór het opengaan der
schooldeur al bedaard heen en weer stappen. Van Laura was ze gewend,
dat ze altijd op het laatste oogenblik kwam, of zelfs nóg later, als de
les al begonnen was.

„Ik weet het niet,” zei Laura schouderophalend; het klonk bijna als een
verontschuldiging, dat ze voor ditmaal van haar gewoonte afweek.
„Vanmorgen moest ik mijn opstel nog maken, je begrijpt dus wel, hoe
gejaagd ik was, en in dezelfde stemming ben ik naar school gedraafd.”

„O, dat opstel!” zei Nelly, die zich met schaamte het hare herinnerde.

„Ja, wat heb jullie er van gemaakt?” vroeg Mariëtta, die haar
schooltasch aan het uitpakken was. „Ik kon niet meer bij elkaar
verzinnen dan anderhalve bladzij. Hoe lang is dat van jou, Laura?”

Laura, die zich met het oog op haar te korte grijze jurk op den
achtergrond had gehouden, en stilletjes in haar bank was gaan zitten,
zei: „Ik heb vier zijtjes, nogal veel, hè?”

Vier zijtjes! Hoe was dat mogelijk! Nelly Gerling deed den mond open,
alsof ze naar iets hapte, en sloot hem toen weer plotseling, verstomd
van verbazing.

Mariëtta zei: „Dat is veel!” maar in stilte dacht ze: „’t Kan er naar
zijn, beter anderhalve bladzij goed dan vier slecht.”

„Hè, laat eens lezen, je werk,” zei Betsy Hove, die ook naderbij kwam,
„mijn opstel is zoo droog als gort.”

Nu was er al, heel diep in Laura’s hartje, van het begin af aan de
wensch geweest, dat toch een van allen haar opstel ter lezing zou
vragen. Ze was er van overtuigd, dat het, trots alle haast, die ze
gemaakt had, vrij goed geslaagd was. Maar natuurlijk wou ze er niet mee
te koop loopen. Zelfs nu de gelegenheid zich voordeed, maakte ze er
niet dadelijk gebruik van.

„Het is zoo slecht geschreven,” verontschuldigde ze zich, „ik heb het
vanmorgen nog opgekrabbeld, je zult het niet eens kunnen lezen.”

„Laat je nu niet bidden,” zei Mariëtta. Ze was naderbij gekomen en stak
de hand naar het schrift uit.

Laura liet haar begaan; maar ze voelde zich weinig op haar gemak, toen
ze de gezichten van Betsy en Mariëtta over haar werk gebogen zag. Hoe
zouden ze haar opstel vinden? Ze had het zoo haastig gemaakt. Opeens
kwam het haar voor, dat het een en al onzin moest zijn. Ze kon zich
hoegenaamd niet meer herinneren wat ze geschreven had. Ze had ’s
morgens maar wat samengeflanst van hetgeen haar bijgebleven was van den
vorigen dag.

Ze had nu spijt, dat ze haar werk liet lezen.

Bijna met angst in haar oogen keek ze naar Betsy en Mariëtta.

Het griefde haar, toen Mariëtta van het werk opzag, om een
binnentredende te begroeten. En ze werd in ernst ongeduldig, toen
Mariëtta doodbedaard met Annetje Leffelaar een praatje ging maken. Kon
ze tenminste niet wachten tot ze het opstel gelezen had?

Wat er ook in Lautje Dorper omging, ze liet niets blijken en wachtte
schijnbaar kalm.

Betsy Hove was nog niet aan de vierde bladzij begonnen, toen ze, zonder
de lezing te staken, zei: „Ik vind het heel mooi.”

Lautje Dorper kon er niets aan doen, dat ze een kleur kreeg. Ze hechtte
aan Betsy’s oordeel. De rustige toon van waardeering deed haar goed.

Het wachten viel haar nu licht. De laatste bladzij zou gauw gelezen
zijn, en, Laura wist het: die was niet de minste.

„O, Laura, wat kun jij mooie opstellen maken! Jullie moet het lezen,
het is prachtig!”

Gloeiend rood nu van verlegenheid zag Lautje naar Mariëtta op met een
gevoel van dankbaarheid en toegenegenheid.

Mariëtta was een van die meisjes, die lief en beminnelijk kunnen zijn,
zoodra ze maar willen, en wien het maar weinig kost de harten voor zich
in te nemen. Zooals ze nu Lautje prees in alle oprechtheid, met
glinsterende oogen en een blos van opwinding, moest iedereen wel van
haar houden.

„Zeg, mogen ze je opstel lezen?” vroeg Mariëtta een beetje vleiend, met
een vriendelijk, zonnig lachje.

„O, natuurlijk,” zei Laura, „maar het is de moeite niet waard.” Ze deed
haar best er zoo onverschillig mogelijk uit te zien, maar in haar hart
jubelde ze.

„Zeg jij het nu eens, Betsy,” zei Mariëtta, die geen tegenspraak kon
dulden, „is het mooi of niet, jij bent zoo bezadigd, jou moeten ze
gelooven!”

„Ik vind het heel mooi,” zei Betsy tot Mariëtta’s blijdschap. Alle
veinzerijen, waarover Lautje beschikken kon, vermochten niet den
gelukkigen glans te verbergen, die haar gezichtje van dat oogenblik af
aan verhelderde.

„Ik begrijp niet, dat de juffrouw er nog niet is,” zei Annetje
Leffelaar, „het moet bij negenen zijn.”

„Ik wou, dat ze altijd zoo laat kwam,” zei Nelly Gerling, „we kunnen
zoo prettig met elkaar staan babbelen.”

„Ik wou, dat Dikkerdje vandaag heelemaal niet kwam,” zei Mariëtta,
„want ik heb mijn rekenschrift vergeten, en ik heb heelemaal geen zin
om met dit mooie weer een uur school te blijven.”

Drie meisjes hadden zich intusschen van Lautje’s schrift meester
gemaakt, en een vierde trachtte tevergeefs haar hoofd tusschen die der
anderen te steken en mee te lezen. Het was nog een wonder, dat het
schrift heel bleef.

„Zeg,” riep opeens Annetje Leffelaar, die nieuwsgierig geworden was,
„laat een het voorlezen, dan hebben we er allemaal wat aan.”

„Doe jij het, Laura,” zei Betsy Hove, maar Laura bedankte in allen
ernst.

„Vraag het aan Lucie Froger, daar is ze net!”

Nelly Gerling had de woorden nauwelijks uitgesproken, of een lang,
mager meisje kwam met groote stappen op haar af.

„Wat is er, wat wil je van Lucie Froger?” zei ze met zoo iets scherps
in haar toon, en zoo iets vijandigs in de manier waarop ze op Nelly af
stoof, dat het meisje onwillekeurig achteruitdeinsde, tot groote pret
van Lucie, die het juist aardig vond, dat ieder bang voor haar was.

„Zeg, Lau,” vroeg ze opeens heel verbaasd, „ben jij hier al? Sinds
wanneer heb je opgehouden tot de orde der laatkomers te behooren?—En
zeg me een van allen: waar is Dikkerdje?”

De meisjes hadden geen geduld Lucie’s vragen te beantwoorden. Ze
vertelden haar heel gauw, dat de juffrouw—die door de meisjes om
gegronde redenen Dikkerdje werd genoemd—er nog niet was, dat Laura
zoo’n mooi opstel had gemaakt, en dat zij, Lucie, het voor moest lezen.

Lucie boog gelaten het hoofd. Want hoewel ze door haar spierkracht en
haar jongensachtigheid een zeker gezag onder haar zwakkere zusters had,
was ze toch, gelijk ze zichzelve noemde, „aller nederige en gehoorzame
dienares”, vooral wanneer het er op aankwam een grap uit te halen, of
iets te doen, dat tegen de regels van de school was.

Ze nam dan ook zonder aarzelen het cahier, sloeg het dicht, schoof het
onder den arm en begaf zich met kleine, waardige passen naar het
podium, een verhooging waarop de onderwijzeres haar stoel en tafeltje
had.

Ieder begreep wat Lucie in den zin had. Ze was niet langer Lucie
Froger, ze was juffrouw Bodengrave, de onderwijzeres. Ze was Dikkerdje!

Allen lachten, toen Lucie tweemaal bescheiden kuchte, met de hand voor
den mond, uit het laatje van de tafel vóór zich een zeer lang potlood
nam, en met het boveneind er van, als in gedachten, tweemaal langs haar
neus streek.

Een luid gejubel steeg op. Dikkerdje! Op en top Dikkerdje’s manieren,
Dikkerdje’s gebaren, en dat—wat juist het grappigst was—met de magere
talhouten armen van Lucie Froger!

Lucie’s gezicht werd zeer ernstig, terwijl ze met het potlood driemaal
met waardigheid op de tafel tikte: „Allen klaar?”

Lucie stoorde zich niet aan het lachen van de meisjes. Even trok ze de
wenkbrauwen op, op de manier van juffrouw Bodengrave, toen begon ze
zonder aarzelen te lezen.

De meisjes hoorden Lucie graag voorlezen; als ze las, was ze een ander,
had ze een andere stem, was haar jongensachtigheid weg.








VI.

HOE HET OPSTEL ONDER DEN VOET RAAKTE.


De eerste alinea was nog niet ten einde, of allen luisterden met
aandacht, Lautje Dorper met een rood en verlegen gezichtje; over het
geheel vond ze het pijnlijk haar eigen geschrijf te hooren, toch was ze
gestreeld, als ze af en toe een blik van bewondering opving.

Lucie sloeg juist een bladzij om, en schepte even adem om met een
frissche, opgewekte stem voort te gaan, toen de deur geopend werd....

Wat er toen gebeurde, scheen niemand recht goed te weten. Lucie Froger
sprong op, met zoo’n woestheid, dat de stoel achteroversloeg, wat ze
niet merkte. In de haast om op haar plaats te komen, liep ze den
verkeerden kant uit, zoodat het tafeltje verschoof, een poot buiten het
podium raakte en haar jurk scheurde aan de punt van het tafelblad. De
meisjes stoven ook naar haar plaatsen, ze hadden maar een beetje in
clubjes bij elkaar gezeten en op en over elkaar heengehangen in
schilderachtige wanorde. Ze dorsten bijna niet opzien, toen ze
eindelijk gezeten waren; Lautje’s hart klopte bang. Waar was haar
schrift? Wat had Lucie met haar opstel uitgevoerd?

Plotseling zag ze het op haar tafeltje neervallen, de meisjes hadden
het doorgegeven, en ten slotte was het Mariëtta Albeni, die vóór haar
zat en het over den rug van haar stoel heen had laten glijden op
Laura’s bank.

Lautje had nog niet durven opzien. Ze verwachtte half, dat haar schrift
door de hoofdonderwijzeres—want niemand anders kon de binnentredende
zijn—zou worden opgevorderd.

Opeens voelde ze een duw in de zij, het was Annetje Leffelaar, die haar
den vriendschappelijken stoot had gegeven, en haar nu in het oor
fluisterde: „Kijk toch, daar heb je juffrouw Wijbrand, de kweekeling!”

Dat was een verademing! Dat viel den meisjes mee, die op een strenge
berisping hadden gerekend.

Lautje zag niets dan lachende gezichten, toen ze om zich heen keek.
Lucie, die al over haar schrik heen was, toonde haar de scheur in haar
jurk; Nelly Gerling, die vooraan zat, zette het tafeltje recht.
Mariëtta keerde zich naar Laura om en zei: „Wat heerlijk; het doet er
nu niet toe, dat ik mijn rekenschrift vergeten heb.”

Maar dat was toch een vergissing, want juffrouw Wijbrand’s eerste werk
was, de cahiers op te halen. Juffrouw Bodengrave, die met een
verstuikten voet thuis lag, zou ze daar wel nazien.

„We moeten pret maken,” zei Annetje Leffelaar, „durf jij hi-ha te
zeggen, hardop?”

Annetje Leffelaar’s streven was het altijd, anderen er in te laten
loopen.

Juffrouw Wijbrand had een vraagstuk opgegeven, dat de meisjes uit het
hoofd moesten uitrekenen.

Laura deed haar best, ze was niet heel sterk in rekenen; ze beging
altijd vergissingen. Als ze geen last had met de oplossing, maakte ze
toch meest fouten in de becijfering.

„Wat zeg je?” fluisterde ze zacht terug.

„Durf jij hi-ha zeggen?” vroeg Annetje weer.

Laura trok de schouders op, ze had Annetje nog niet verstaan.

„Wat is jou antwoord, Laura Dorper, of heb jij de som nog niet
uitgerekend?” klonk opeens de stem van juffrouw Wijbrand.

Lautje keek verward vóór zich; het scheen haar toe, dat Annetje
Leffelaar haar wou voorzeggen; ze nijgde dus het hoofd naar dien kant
en luisterde. Ze dacht er niet aan, dat Annetje nog slechter was in
rekenen dan zijzelf. Gretig leende ze het oor, gereed om Annetje’s
woorden te herhalen.

„Nu?” zei juffrouw Wijbrand weer, „wat is de uitkomst?”

Met een gebaar van hulpeloosheid, wendde Laura zich tot haar
buurmeisje. Ja, ze had wel goed gezien, Annetje’s lippen bewogen zich.
Wat zeiden ze?

„Hi-ha, hi-ha!”

Lautje kon het niet helpen, dat ze in lachen uitbarstte.

Het geduld van juffrouw Wijbrand was uitgeput. „Laura Dorper, ga voor
het bord staan en luister goed. Na schooltijd moet je de sommen maken,
die we nu behandelen, en thuis schrijf je honderdmaal: „Ik ben op
school om te leeren en niet om te lachen.””

Toen Lautje boos en beschaamd van haar bank opstond en met trage
schreden naar voren trad, zag ze Annetje Leffelaar, die zich achter
Lucie Froger’s breeden rug verborgen had. Ze voelde zich blijkbaar heel
veilig, want haar oogen lachten en haar mond maakte nog dezelfde
beweging: „Hi-ha, hi-ha!”

„’t Is een valsch nest,” dacht Laura bij zichzelf. Toen ze voor het
bord stond met den rug naar de klas, waren er rimpels in haar voorhoofd
en haar lippen waren toegeknepen. „’t Is een valsch nest en ik zal me
nooit meer met haar bemoeien!”

Er waren tranen in haar oogen gekomen, ze zag noch hoorde iets, van wat
er om haar heen gebeurde. „Nu heb ik weer straf, en ik kan het niet
helpen,” dacht ze, „maar Pa en Moe zullen denken, dat het wel mijn
schuld is,” en dat maakte haar heel verdrietig.

Het rekenuur was afgeloopen. De meisjes gingen naar beneden, naar het
gymnastieklokaal, Laura mocht ook mee.

Bij de gymnastiek fleurde ze weer een beetje op. Ze was sterk en flink;
ze hield van oefeningen aan de werktuigen; ze was bijna zoo krachtig
als Lucie Froger, maar vlugger en kwieker. Na zoo lang te hebben
stilgestaan, was het haar een genot zich weer eens te kunnen bewegen.
Ze klauterde in de klimstokken naar boven als een jonge aap en vergat
al haar verdriet, toen ze, al lachend, van haar hoog standpunt op de
hoofden der anderen neerzag.

Het was haar ook een troost, dat Annetje Leffelaar niet bij haar was.
Annetje deed nooit mee aan de gymnastieklessen, omdat ze een jaar
geleden op het ijs haar been had gebroken en zich nog altijd ontzien
moest.

En alle meisjes waren op Laura’s hand. Ze vonden het min van Annetje,
dat ze altijd anderen liet boeten voor haar grappen. Laura herkreeg
geheel haar goed humeur. Af en toe dacht ze ook in stilte aan haar
opstel. Lucie Froger had er haar nog pas een complimentje over gemaakt.
Zou juffrouw Wijbrand het nazien, of zou ze die schriften ook ophalen
voor juffrouw Bodengrave? Lautje was benieuwd, wat die er van zeggen
zou. Ze twijfelde nu niet meer aan haar werk, zooals ze ’s morgens
gedaan had. Als de heele klas het mooi vond, moest het immers wel goed
zijn?—Het deed haar zoo’n plezier. Ze was in zooveel vakken zwak op
school, in sommige slecht. Het kwam haar dus te pas, dat ze voor taal
tenminste een goed cijfer kreeg. Iedere week, had de juffrouw gezegd,
zouden ze in het vervolg een opstel opkrijgen. Lautje jubelde in haar
hart, als ze er aan dacht....

Boven, alleen in het lokaal, zat Annetje Leffelaar, die niet mee mocht
doen aan de gymnastieklessen. Ze vond het heerlijk, dat juffrouw
Wijbrand heengegaan was, juffrouw Bodengrave bleef altijd bij haar en
dan moest ze helpen om boeken of schriften te kaften, of inktkokers
vullen. Als er niets te doen was, hielp de juffrouw haar soms met
rekenen, omdat Annetje daar zoo achterlijk in was, maar dat vond het
meisje nog naarder.

Ze was blij en dacht van haar vrijheid te genieten, maar toch was ze
niet zoo blij, als ze zichzelf wel trachtte te verbeelden. Ze moest er
telkens aan denken, dat Laura Dorper opzettelijk vermeden had haar aan
te zien, toen ze met een meisje de klas uitging en dat ze gedaan had,
of ze haar niet hoorde, toen Annetje haar had aangesproken. Wat flauw
van dat kind om een grapje zoo hoog op te nemen!

En Lucie Froger had haar ook met minachting behandeld,—neen, Annetje
was eigenlijk lang niet in haar schik. Ze trok een lipje en nam, om wat
te doen te hebben, Laura Dorper’s opstellenschrift uit het kastje. Ze
wou het eens lezen, ze had er nog maar één bladzij van gehoord. „Wat
ziet dat schrift er uit!” dacht ze, „je kan wel zien, dat het van een
slordig kind is!”

De manier waarop Annetje het cahier beetpakte bij één punt, was zeker
niet geschikt, om het uiterlijk er van te verbeteren, of de kreukels er
uit te maken, die er door het vele hanteeren waren ingekomen. Annetje
sloeg het open. „En wat slordig is het geschreven; ze krijgt bepaald
een twee voor het schrift, als het geen één is. En daar staat een fout
ook, en daar nog een. Juni zonder hoofdletter, en heraut met ou, en
hier staat van bloemen hun geuren en het moet hare zijn, en er staat
bijna geen enkel teeken in het heele opstel, alleen punten, alle
komma’s zijn vergeten.”

Het viel Annetje Leffelaar niet in, ook maar één der fouten te
verbeteren. Toen ze het opstel had uitgelezen, telde ze het aantal
fouten en vergissingen. Zeventien had ze er gevonden, en misschien
waren er nog wel meer. Haar lichtblauwe oogjes straalden van plezier en
welgemoed wilde ze het schrift wegbergen; ze hoorde de klasse alweer
terugkomen, ze moest zich nog haasten, in Laura’s kastje lag zooveel
rommel, ze kon het er bijna niet inkrijgen. Toen het halverwegen was,
trok ze haar hand terug en wachtte met een onschuldig gezichtje de
komst der anderen af. Het cahier gleed het kastje weer uit, het viel en
bleef op de voetenplank liggen.

Annetje Leffelaar hield zich, of ze het niet zag; zelfs toen Laura, die
in de bank kwam zitten, er met haar laars bovenop trad, bemoeide ze er
zich niet mee. Wat kon haar het schrift van dat slordige kind schelen?








VII.

BESPREKING DER OPSTELLEN.


Het is een week later. Juffrouw Bodengrave’s voet is genezen. Ze is
weer terug op school en heeft de gecorrigeerde schriften meegebracht.

De meisjes zijn allen min of meer in spanning. Ze verlangen er naar,
haar cijfers voor het opstel te hooren oplezen. Het is haar eerste
opstel, niemand weet eigenlijk wat haar werk waard is. Over één ding
zijn ze het echter allen eens, Lautje Dorper heeft het mooiste opstel.
Dat zal zeker worden voorgelezen.

Het hart van Lautje klopt met snelle slagen. Zij ook vindt haar opstel
goed, maar gerust is ze toch niet. Juffrouw Wijbrand schijnt bij
juffrouw Bodengrave over haar te hebben geklaagd, juffrouw Bodengrave
wist tenminste, dat ze strafwerk gehad had en ze was ver van
vriendelijk tegen haar geweest.

De onderwijzeres zat voor de klas, den stapel schriften vóór haar op
het tafeltje, een lang potlood in de hand.

„Voor ik tot het bespreken van de opstellen overga, wil ik jelui dit in
het algemeen zeggen: het werk is me, op een enkele uitzondering na, erg
tegengevallen.”

Juffrouw Bodengrave zweeg even, ze opende de lijst en bleef
hoofdschuddend op de cijfers staren.

Lautje Dorper verschikte zich eens in haar bank en deed haar best een
heel nederig gezicht te zetten; ook probeerde ze, zich geen illusies te
maken. Maar het baatte niet. In stilte bleef ze hopen, dat zij tot die
enkele gunstige uitzonderingen zou behooren.

Ze schrikte opeens uit haar gemijmer op, door de stem van de
onderwijzeres, die vervolgde: „’t Is over het geheel onnauwkeurig
gemaakt, slordig gesteld en veel te haastig opgeschreven. De meeste
schriften wemelen van fouten; fouten, die ik zeker weet, dat jelui in
een dictee of taalstukje niet zoudt gemaakt hebben. Over de opstellen
wil ik nog niet eens veel zeggen, het is voor het eerst, dat jelui er
een maakt; daar zijn er uit de heele klas maar vier of vijf, die
blijken geven behoorlijk vooruit overdacht te zijn, de andere zijn maar
neergeschreven, onordelijk het eene idee aan het andere geregen, zonder
verband.”

Deze voorrede werkte al een beetje als een stortbad; ieder die nogal
verwachting van haar opstel gehad had, liet minstens de helft varen.
Lautje had het zichzelf niet durven bekennen, welk cijfer ze hoopte te
krijgen. Een vijf was het hoogste, dat behaald kon worden. Nu, ze had
dien nacht gedroomd, dat ze een vijf voor haar opstel had. Een vijf!
Nog nooit had ze één vijf op haar rapport gehad. Lautje wist het:
droomen zijn bedrog. Maar—een vier.... dat was wat anders. Daarop had
ze wel durven rekenen,—tot het oogenblik, waarop de juffrouw over het
werk begon te spreken.

„’t Zal wel een drietje worden,” dacht Laura met een zucht,—een drie,
dat beteekende redelijk; redelijk, en Lautje had gehoopt, dat het goed
zou zijn!

„Hier,” zei juffrouw Bodengrave, „hier heb ik het werk van Annetje
Leffelaar. Het is knap geschreven en het heeft één deugd: het is bijna
zonder taalfouten. Blijkbaar is het met zorg nagezien. Maar waarom is
het ook niet met zorg overdacht? Annetje schrijft: „De lente is een
zeer schoon jaargetijde. Alles bloeit en groeit. De lammeren huppelen
op de hei. De vogelen zingen”.... Best. Tot zoover is het heel goed.
Annetje wil ons vertellen, hoe het er buiten in de lente uitziet. Maar
dan gaat ze voort: „Het ijs uit de grachten smelt en de sneeuw in de
straten is ontdooit.” Maar Annetje, is dat nu een overgang? Eerst
spreek je over de hei, over de natuur buiten, dan over grachten en
straten. Eerst zeg je: „alles groeit en bloeit, de lammeren huppelen,”
dan ga je voort: „het ijs smelt, de sneeuw ontdooit.”—Gebeurt dat zoo,
begint alles eerst te groeien en te bloeien, komen éérst de schapen
buiten, en gaat dán pas het ijs ontdooien? Dus is het al lang lente en
gaat dan pas de winter heen?—Als je een oogenblik hadt nagedacht voor
je begon te schrijven, hadt je me zulke dingen niet onder de oogen
gebracht.”

De heele klas was min of meer onder den indruk geraakt. Ieder zocht
zich haar eigen opstel voor den geest te halen en probeerde na te gaan
of daarin ook dergelijke fouten schuilden. Maar ze werden wakker
geschud uit haar overpeinzingen, want een ander cahier werd onder
handen genomen.

Lautje keek of het haar schrift was, ze vreesde en hoopte tegelijk,
maar het was haar een teleurstelling toen het bleek, dat ze nog niet
aan de beurt was.

„Het werk van Lucie Froger,” zoo begon juffrouw Bodengrave, „schikt
vrij wel,—tot de helft van de derde bladzijde.—Lucie begint te
vertellen hoe de aarde er ’s winters uitziet en wat de invloed is van
de lentezon. Dan gaat ze voort, geleidelijk. „De sneeuw is weg, de
beekjes zwellen. De lucht wordt zoel. De boomen zetten knoppen. Teere
grassprietjes schieten uit den grond.”—Alles uitstekend, alleen bestaan
er geen gras-prietjes, het woord heeft twee s, zooals Lucie ook heel
wel weet.—Dan gaat ze voort: „De boomen krijgen bloesems, de trekvogels
komen terug, de stedelingen gaan eens een dagje naar buiten om te
genieten van de mooie natuur.” Dat alles is goed en geregeld
beschreven. Maar dan opeens schijnt Lucie te merken, dat ze al twee en
een halve bladzij heeft, dus voldoende. Toch wil ze nog een paar dingen
zeggen. Dat doet ze ook en ze vertelt, dat de boeren het druk hebben in
de lente, dat de huisvrouwen, als in de natuur alles mooi en nieuw
wordt, haar huis ook gaan schoonmaken en opknappen. Een heel aardig
idee, maar slordig neergeschreven. En dan begint Lucie er nog iets bij
te flansen van de grillen van April, en hoe onvoorzichtig het is, vroeg
de winterkleeren uit te laten. En ze eindigt met de mededeeling, dat in
de lente de dagen langer worden en dat de winteravond-spelletjes plaats
maken voor hoepels, springtouwen en tollen.”

Lucie Froger keek naar het plafond en toen naar den vloer. Ze vond haar
toestand allesbehalve benijdenswaard. Ze had weg willen zijn, op
straat, in den regen, maar er was geen ontkomen aan, ze moest blijven
en luisteren—en de juffrouw gelijk geven op den koop toe!

„Het slot,” zei juffrouw Bodengrave, „bederft alles. Zooals het hier
is, maakt het opstel den indruk van een doosje dominosteenen, door een
klein kind netjes ingepakt. De steenen liggen naar volgorde op rijtjes
gestapeld. Maar enkele steenen, een stuk of zes, zijn vergeten. Het
kind wordt boos, het heeft geen lust alles over te pakken, het neemt de
steenen, werpt ze boven op de andere, en zet dan het doosje weg,—het is
ingepakt.”

Op dit oogenblik kwam er uit een lagere klasse een klein meisje het
schoollokaal binnen om juffrouw Bodengrave wat te vragen. De
onderwijzeres stond op, ging naar de kast en haalde er een groote
zwarte inktflesch uit. „Voorzichtig, kleintje, voorzichtig,” zei ze.

Het meisje knikte, pakte de flesch in de beide mollige handjes; en, de
oogen stijf op haar last gericht, stapte ze met kleine passen weg.

Het potlood tikte weer op de tafel, de juffrouw vroeg aandacht. Sommige
blikken werden met moeite van het kindje afgetrokken.

Opeens klonk een rinkelende slag, als van veel brekend glas, gevolgd
door een wild, angstig schreien. Het kleine meisje, geheel oog voor de
flesch, had het podium niet gezien, was misgestapt en gestruikeld.

Doodsbleek, bang, dat ze zich gekwetst had, tilde de juffrouw het
gillende meisje op, en er was een zachte klank in haar stem, toen ze
bezorgd vroeg: „Heb je je zeer gedaan?”

Het kindje schudde het hoofd, en bij die beweging vielen twee groote
tranen haar over de ronde wangetjes, op haar door inkt overstroomd
schortje.

„Ga jij eens met haar mee, Betsy Hove. Doe haar boezelaartje af, breng
haar naar beneden en vertel wat er gebeurd is. Zeg dat zij het niet
helpen kan,” voegde de juffrouw er bij, met een bemoedigenden blik naar
het meisje, dat met angstige oogen de straf voor haar vergrijp stond af
te wachten. Zoodra was niet de deur achter de meisjes dicht, of de
stemming van de onderwijzeres veranderde. Met samengetrokken
wenkbrauwen beschouwde ze het breede zwarte inktmeer, waaruit langs de
vloernaden kanaaltjes wegstroomden en waarin de scherven dreven als
wrakken van schepen.

En juffrouw Bodengrave was nogal zoo gesteld op een netten vloer! Wee
degene in wier nabijheid gebroken pennen, draadjes of papiersnippers
gevonden werden, maar driemaal wee het kind, dat roekeloos inkt gespat
had op den grond!

En nu daar zoo’n plas! Jaren zouden er moeten verloopen voor de moet
door veelvuldig schuren was verdwenen.

Geen wonder dat de stemming van juffrouw Bodengrave er niet op
verbeterd was. Twee meisjes werden aangewezen om met oude lappen den
inkt op te nemen en de scherven te verwijderen. Ondertusschen vervolgde
de onderwijzeres met lessen, scherp toeziend, dat niemand zich verder
liet afleiden.

Het schrift van Lucie Froger werd met een ernstige vermaning
teruggegeven. Gelukkig was nu de beurt aan Betsy Hove. Háár opstel was
goed, flink en degelijk, ’t was het eerste, dat geroemd werd. Dat van
Mariëtta Albeni was weer veel minder; dat van Nelly Gerling, waarvan
niemand eenige verwachting had, was bevredigend. De onderwijzeres bleef
er nog even bij stilstaan om het te prijzen. Het was eenvoudig, maar
met zorg gemaakt, ordelijk gedacht, zonder taalfouten en tot het
laatste woord keurig geschreven. Nelly Gerling’s werk bewees, dat er
volstrekt geen bijzondere gave noodig was om een redelijk opstel te
maken.

Nelly Gerling was blij. Met een dankbaren blos zag ze even terzij naar
Laura Dorper, die haar geholpen had. Lautje glimlachte bijna onmerkbaar
en knipte met de oogen ten teeken, dat ze haar begreep, zij was ook
blij. Ze kreeg weer moed opeens. Het was of een vogeltje in haar hart
begon te zingen. Als Nelly’s opstel goed was, waaraan zij haar geholpen
had, moest dan het hare niet nog beter zijn? Ze ging flink rechtop in
haar bank zitten en wachtte van dat oogenblik af aan, zonder
ongerustheid, tot de beurt aan haar was.

Ze moest lang wachten, want haar opstel was het allerlaatste.








VIII.

TROOST.


Jan en Henk waren alleen thuis. Ze waren al een kwartier uit school en
hadden honger. Henk ging nog eens naar de keuken om te hooren wat de
beschikkingen waren, die zijn moeder gemaakt had.

„Je Moe komt vooreerst niet thuis,” zei Leentje, „en ik kan de keuken
niet uit met mijn potloodhanden. Je Moe heeft gezegd, dat Laura wel
brood zal snijden, de koffie is gezet.”

Teleurgesteld liep Henk de kamer weer in. De koffieboel stond al klaar,
het brood lag op de broodplank, het mes er naast.

„Zullen wij maar brood snijden?” vroeg hij; maar Jan, de oudste, hield
zich groot.

„We kunnen wel even wachten,” zei hij, „Laura zal dadelijk komen, ’t is
al halfeen.”

„Laura zal juist niet komen, ze moet vast schoolblijven,” voorspelde
Henk somber, „ze moet zoo dikwijls schoolblijven en wij moeten er maar
voor lijden.”

Jan lachte, hoewel ook zijn maag jeukte. „Gelukkig, dat Moe maar eens
in de week naar het ziekenhuis gaat,” zei hij.

„’k Wou, dat tante Marie weer beter was,” klaagde Henk. Maar hij hield
toch op met zeuren. Hij vergenoegde zich met de wijzers van de klok te
bespieden, af en toe monden vol lucht te happen en die met een slikkend
geluid te verzwelgen. Jan had een boek genomen en zat, met zijn maag
tegen de tafel geleund, te lezen.

Kwart voor eenen was het, toen Henk de oogen naar het plafond opsloeg
en met de hand op de maag verklaarde dat hij uitgehongerd was.

Jan, wien de kwellingen van zijn broer, zonderling genoeg, een beetje
moed schenen te geven, zei kalm niet te hopen, dat Laura honderd regels
had opgekregen.

In doffe wanhoop wierp Henk zich neer op den grond en bleef eenigen
tijd roerloos liggen op de buik, de beide voeten met de handen boven
den rug vasthoudend.

Deze houding, die hij „het zwaantje” noemde, scheen hem goed te doen,
in elk geval hij gaf geen kik.

Jan was de eerste die begon te spreken.


    „De honger woelt in de ingewanden,
    De leden trillen, de oogen branden”


reciteerde hij, maar nog bleef Henk zwijgen, in stilte lijdend. Maar
toen de klok één geslagen had, en de galm plechtig had uitgetrild,
verhief zich opeens een geschreeuw als van wilde beesten, een
krijschend gehuil van uitgehongerde wolven, van tot riffen vermagerde
hyena’s!

Het was met het zwartselpotje nog in de hand, dat Leentje, bleek van
schrik, de kamer binnenstormde.

„Wat gebeurt hier?” vroeg ze met bevende lippen.

Doodsche stilte.

Jan zag op uit zijn boek. „Niets,” klonk het kalm, „Henk zei, geloof
ik, dat hij zoo’n honger had.”

Leentje liep boos heen, maar nog voor ze de kamer uit was, barstten Jan
en Henk uit in zoo’n hartelijken lach, dat ze wel mee moest doen, of ze
wilde of niet.

„Maar nu zonder gekheid,” zei Jan met een ernstigen blik naar den
grooten wijzer, die op twee minuten over eenen wees, „ik hoop, dat
Laura gauw komt, we kunnen toch onze gezondheid niet opofferen aan onze
beleefdheid.”

Leentje was bijna opnieuw geschrikt, want op woeste wijs luidde de bel.
Ze behoefde niet de moeite te doen om open te maken, want Jan en Henk
waren haar voor. Ze waren naar het portaal gestoven en trokken om
strijd aan het deurtouw. In stilte waren ze nu maar blij, dat ze
gewacht hadden, want daar was waarlijk Laura.

De jongens bleven haar niet in staatsie opwachten, maar haastten zich
weer naar binnen, waar ze op hun plaatsen achter de tafel gingen zitten
en van de leege bordjes vóór hen tuurden naar het brood en de kaas, met
een smachtend en blik.

Laura scheen zich niet te haasten. Ze bleef naar het oordeel van Henk
„uren” met haar mantel bezig.

„Kom je gauw?” riep Jan.

„Wat ben je laat,” zei Henk, met een klank van verwijt in zijn stem.

„Zoo,” zei Lautje droog.

„We hebben haast een uur gewacht,” begon Jan.

Laura gaf geen antwoord, ze keek niet eens naar de klok, zooals ze
anders gedaan zou hebben, om te zien of er op dat „uur” niet nog een
paar minuten af te dingen waren.

„Moe is naar het ziekenhuis,” zei Jan, „Moe heeft gevraagd of jij brood
wou snijden.”

Laura zei nog niets. Ze ging alleen naar de alkoof, waar ze water in de
kom schonk om haar handen te wasschen.

Henk zag Jan aan met een veelbeteekenenden blik: Laura had gehuild: ze
hadden het beiden gezien aan haar roode, gezwollen oogen. Jan schudde
met het hoofd, Henk moest maar doen of hij niets zag, wat Henk ook
beloofde met een welsprekend gebaar.

Toen Laura weer in de kamer kwam met gewasschen handen—het was
duidelijk te zien, dat ze ook haar oogen en wangen had opgefrischt, wat
Henk haar kwalijk nam om het oponthoud—begon ze, nog altijd sprakeloos,
te snijden.

Henk zuchtte hoorbaar, toen de eerste boterham, gesmeerd en wel, op
zijn bordje werd gelegd.

„Leentje heeft haar boterham al op,” zei Jan, „die heeft met Moe vooraf
koffie gedronken.”

„O,” klonk het, toen kliefde weer het mes met forschen zwaai het brood,
en Jan had al berekend, dat het een flinke, dikke boterham zou
worden,—tot opeens het mes halverwegen steken bleef, en Laura hardop
snikkend de kamer uitliep, de deur achter zich dichttrekkend.

Henk werd nu echt moedeloos, het scheen dus wel, dat ze nooit aan het
eten toe zouden komen. Jan ging na een oogenblik eens kijken.
Voorzichtig opende hij de deur van Lautje’s kamer. Hij zag zijn zusje
zitten met den rug naar hem toe, maar die rug schokte verraderlijk.

„Lautje....” zei hij.

Het duurde een poosje, eer Laura met een verwonderd gezicht omkeek en
met goed geveinsde opgewektheid, maar helaas met een heesche, door
tranen verstikte stem zei: „Roep je me? O, ja, ik kom dadelijk, ga
jullie maar vast eten.”

„’t Zal alleen zijn, omdat ze school heeft moeten blijven,” dacht Jan,
die het eigenlijk een beetje kinderachtig vond, dat zijn oudere zuster
zich dat zoo aantrok. Hij ging dus maar weer naar beneden, sneed er nog
een goede hoeveelheid boterhammen bij, en na vijf minuten was het hem
gelukt zijn eersten honger te stillen.

Toen ze geheel verzadigd waren, groeide in hun harten weer het
medelijden met Laura.

„Ze heeft nog niets gegeten,” zei Henk meewarig.

Jan ging weer eens zien, maar voor hij de trap op was, riep Laura hem
al te gemoet: „Ik kom dadelijk, hoor!” zoo vroolijk, dat het Jan geheel
geruststelde.

Maar toen Jan weg was, ging Lautje weer zitten op den stoel, ze zag er
heelemaal niet vroolijk uit.

Langzaam sloeg ze het ongeluksschrift, dat ze in de handen had, open.
Daar stonden de cijfers: één, één. Een één voor het opstel en een één
voor het schrift. En vol dikke roode onderstrepingen was het, het
gloeide er van. Laura leken ze vurige vlammen, al die streepjes onder
de fouten. Och, wat had ze er veel gemaakt! Bijna alle waren
onoplettendheden, vergissingen, ontstaan door achteloosheid.

Haar lippen begonnen weer te trillen, en haar bevende vingers
verknoeiden de punten der gecorrigeerde bladzijden.

Wat was ze doorgehaald door de juffrouw! Eerst om het schrijfboek zelf,
dat er zoo schandelijk slordig uitzag, toen om de taalfouten, die ze
alle had kunnen vermijden, en eindelijk om het schrift.

Woord voor woord kwam haar de verontwaardigde toespraak van de
onderwijzeres weer in de gedachte. Een kleur van schaamte brandde op
haar gezicht. Over het opstel zelf was niet gesproken. Juffrouw
Bodengrave had het niet willen lezen. Alleen op de eerste bladzijde
waren de fouten ook maar aangestreept. „Je opstel,” had de juffrouw
gezegd, „is als een kind, dat je ongewasschen en met een hoofd als een
ragebol naar me toestuurt. Ik wil er zoo niets van weten....”

Weer druppelden heete tranen Lautje over de wangen.

„Kindje, wat is er?” klonk het opeens achter haar. Ditmaal was het
mevrouw Dorper, die haar dochter zoeken kwam.

„Ik kom beneden, Moe,” zei Laura, maar ze kon zich niet goedhouden.
Snikkend vertelde ze heel het verhaal. Dat ze half en half gehoopt had,
dat haar opstel goed zou zijn, dat de meisjes het allen mooi hadden
gevonden, en dat ze er nu een één voor had.

„De meisjes zeggen.... dat het valsch is,” eindigde ze.

„En zeg jij dat ook?” vroeg haar moeder.

Met afgewend hoofd keek Laura het raam uit. Zeker, ze vond haar werk
ook slordig geschreven, maar... Zonder te zien, merkte ze toch, hoe
haar moeder het opstel ter hand nam, en in gedachte zag ze weer de
vele, domme fouten met de felle roode strepen er onder. En nu gaf ze
het ook toe in haar hart: ze had niet meer verdiend dan een één.

’t Was of dit haar nog bedroefder maakte. Zij kon ook nooit iets goed
doen; wat ze anders nog zou kunnen, bedierf ze door haar slordigheid.

„Hoe heb je zóó je werk kunnen maken?” vroeg haar moeder met zacht
verwijt.

Laura vertelde nu, dat ze het den morgen na dien noodlottigen Vrijdag
in dolle haast had opgekrabbeld. En opeens, onder het spreken, werd het
haar duidelijk, dat alles, van het begin tot het eind, haar eigen
schuld was. Door haar woestheid had ze Jan een ongeluk bezorgd, zoodat
ze dien avond niet aan het opstel had kunnen werken, toen had ze het ’s
morgens gejaagd opgeschreven, terwijl ze toch feitelijk tijd genoeg had
gehad, en het best eens had kunnen overlezen.

„Lautje,” zei mevrouw Dorper, terwijl ze met een troostende beweging
haar dochtertje over het hoofd streek, „als je je fout inziet en je wil
goed is, kan er nog veel veranderen. Geef den moed niet op, kind. Doe
in het vervolg je best, en besteed zorg aan je werk. Ik zal je
helpen.—Ik zal je een nieuw schrift geven, schrijf daarin je opstel
over, en zorg, dat het nu met nette kleertjes en wél opgemaakte haren
voor den dag komt.—Geef me een zoen, meid. En begin van voren af aan.”

Lautje kuste haar moeder met tranen in de oogen, het vuile schrift
gleed van haar schoot; ze scheen eerst van plan het maar te laten
liggen op den grond, maar met een verschrikt gebaar raapte ze het op.
Ze wilde tenminste beginnen haar moeders raad op te volgen en ordelijk
en netjes te zijn. Het deed haar goed, dat ze straks op een schoon
blaadje kon beginnen!











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REGEN EN ZONNESCHIJN ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.