The Project Gutenberg eBook of Nederlandsche Insecten
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Nederlandsche Insecten
Author: P. Teunissen
Release date: June 26, 2026 [eBook #78959]
Language: Dutch
Original publication: Alkmaar: J. C. Baan & Co., 1915
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78959
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE INSECTEN ***
NEDERLANDSCHE
INSECTEN
door
P. TEUNISSEN,
Redacteur van Land- en Tuinbouw van „Het Nieuws van den Dag.”
Uitgave van
J. C. BAAN & CO TE ALKMAAR
Eerste Nederl. Electrische Inrichting tot het
geheel machinaal bewerken en verpakken van
THEE EN KOFFIE
VOORWOORD.
Ik ben recht verheugd, dat ik dit Album heb mogen gereedmaken, omdat ik
daardoor gelegenheid kreeg een gedachte, waarmede ik al jaren rondliep,
in een daad te kunnen omzetten; n.l. een populair boek te schrijven
over Nederlandsche Insecten, dat geïllustreerd zou zijn met gekleurde
afbeeldingen en dat wegens zijn goedkoopte onder ieders bereik zou
kunnen komen.
Zoo’n boek wil dit Album zijn.
De commercieele opzet is dan ook van dien aard, dat letterlijk iedereen
dit werk in zijn bezit kan krijgen en juist dit was voor mij een groote
aantrekkelijkheid.
Ik wilde een nuttig boek schrijven.
Maar tevens moest het opwekken tot blijvende belangstelling in onze
interessante insectenwereld, die bewondering wekt en eerbied en ontzag
inboezemt voor de natuur.
Moge ik niet al te ver van mijn doel verwijderd zijn gebleven.
Voor wie het Album bestemd is?
De schooljeugd zal door middel van de plaatjes den naam kunnen vinden
van de insecten, die zij zoo gewoonlijk tegenkomt en haar aandacht
trekken door vorm, kleur, teekening en bedrijvigheid; tevens kan zij
iets over de levensgeschiedenis van elk dier insecten lezen. De
leerlingen van normaal-, kweek- en burgerscholen zullen dit Album als
een beknopt biologisch leesboek kunnen gebruiken, waardoor het een
aanvulling kan zijn van de gewone leerboeken over dierkunde.
De land-, tuin- en boschbouwers en ook de particulieren, die in huis of
tuin bloemen, groenten en fruit kweeken, zullen er wat practische
kennis uit kunnen halen, die leidt tot een verstandigen kijk op de
velerlei insecten, die op en bij onze kultuurplanten leven. De
huismoeders vinden er iets in over de lastige keuken- en huisinsecten
en over de middelen om deze ongenoode gasten te verdrijven; ook op het
gevaar, dat sommige insecten voor onze gezondheid opleveren, is
gewezen.
Ik bedoelde met dit Album velen aan te sporen tot een meer gezette
natuurstudie, die een bron is van groot genot, dat voor allen
bereikbaar is. Ouders zullen met hun kinderen dit Album kunnen lezen en
naar ik hoop er door opgewekt worden tot excursies in de vrije natuur
om waar te nemen, wat beschreven werd. Deze excursies geven dan vanzelf
aanleiding tot opkweeking en bestudeering der insecten in huis, wat een
aangename, prettige bezigheid is.
En als veel bereikt wordt van wat ik mij heb voorgesteld, dan is dat
uitsluitend te danken aan de meer dan royale wijze waarop de firma J.
C. Baan & Co. te Alkmaar mij de vrije hand liet in het samenstellen van
dit Album.
Zonder zoo’n ondernemende firma had dit Album nooit kunnen verschijnen.
Moge ’t publiek dit weten te waardeeren.
P. Teunissen.
Amsterdam 1915.
INHOUD
Algemeen Gedeelte Blz. 1–19
Bijzonder Gedeelte ,, 20–80
Plaat I No. 1– 12 Larven en Poppen
,, II ,, 13– 24 Rupsen en Poppen
,, III ,, 25– 36 Kevers
,, IV ,, 37– 48 Kevers
,, V ,, 49– 60 Kevers
,, VI ,, 61– 72 Kevers
,, VII ,, 73– 84 Franjestaarten, Oorwormen, Haften,
Waternimfen, Kakkerlakken
,, VIII ,, 85– 96 Sprinkhanen, Knagers, Wantsen
,, IX ,, 97–108 Wantsen, Luizen, Netvleugeligen,
Kokerjuffers
,, X ,, 109–120 Dag-Vlinders
,, XI ,, 121–132 Vlinders
,, XII ,, 133–144 Vlinders
,, XIII ,, 145–156 Muggen, Vliegen
,, XIV ,, 157–168 Vliegen, Bladwespen, Sluipwespen
,, XV ,, 169–180 Mieren, Graafwespen, Wespen, Bijen,
Hommels.
ALGEMEEN GEDEELTE.
I. INLEIDING.
De geschiedenis van het Koolwitje.
Het komt ons het meest gewenscht voor, de tekst van dit Album te
beginnen met een beschrijving van de geschiedenis van het Koolwitje.
Iedereen kent het Koolwitje; van April en Mei tot September en soms nog
later vliegen de witjes overal rond. Wie ze noodig heeft voor de studie
kan ze overal vangen. Behalve op wilde planten zijn de koolrupsen
vooral in Augustus en September overal in groententuinen te vinden. Wie
de rupsen wil opkweeken, kan dus in elken tuin materiaal vinden. Het
voer is gemakkelijk te verkrijgen ook voor hen, die in de stad wonen;
de groentenboer heeft altijd kool op den wagen.
Iedereen kan dus rupsen opfokken en de vlinders komen dan vanzelf.
Zoodoende kan men aan de levende dieren waarnemen, wat wij nu gaan
vertellen. De Koolwitjes vliegen in het geheele land, dus iedereen kan
deze diertjes bestudeeren. Wij zullen, terwijl wij over het Koolwitje
schrijven tegelijk wat termen leeren en eenige algemeene dingen over de
insecten zeggen. Tevens bedoelen wij met deze beschrijving een
voorbeeld te geven, hoe men een insect moet bestudeeren en waarnemen.
Wie insecten wil leeren kennen moet beproeven van hen een
levensbeschrijving te maken, naar aanleiding van de waarnemingen, die
men aan de dieren doet; dat is de goede methode. En nu beginnen wij.
DE EERSTE KOOLWITJES. ’s Winters vliegen er geen Koolwitjes; de eerste
komen in April en Mei. Waar hebben ze voor dien tijd gezeten? Waar en
hoe hebben ze den winter doorgebracht? Dit is een belangrijke vraag en
we moeten zorgen, dat we van alle insecten te weten komen, waar zij in
den winter en in het vroege voorjaar hebben gezeten. Dit is vooral van
belang als we te doen hebben met schadelijke insecten. Als we weten,
waar ze ’s winters zitten, dan kunnen wij ze daar doodmaken, tenminste
als we er bij kunnen komen. En wat dan in den winter wordt vernietigd,
zal in het voorjaar en de volgende maanden ons geen last veroorzaken in
den tuin of op den akker. De meeste menschen beginnen moord en brand te
schreeuwen als de insecten in grooten getale hun planten beschadigen;
en geen wonder, want de planten worden dan danig gehavend; maar waarom
hebben ze niet vroeger ingegrepen?
De beste manier om van de insecten geen last te hebben, is, zoo vroeg
mogelijk den strijd tegen hen aan te binden. De mensch moet het winnen,
als hij tenminste vroeg bij de pinken is.
Waar komen nu de eerste Koolwitjes in April en Mei vandaan? Die hebben
het geheele najaar, den winter en ook de eerste voorjaarsweken hier of
daar tegen een boom, tegen een schutting of muur gezeten; ook wel in
schuren en stallen. Maar toen waren het nog geen vlinders, doch poppen.
Wij zeggen daarom dat het koolwitje als pop overwintert. Sommige
vlinders blijven als vlinder over, b.v. de kleine vos (112) en van weer
anderen blijft de rups ’s winters over, b.v. de beerrups (125). Van den
ringelrupsvlinder (134) blijven de eieren ’s winters over. Er is dus
nog al verschil.
WAT GAAN DE EERSTE KOOLWITJES DOEN? Als we de insecten willen leeren
kennen, moeten we trachten hun heele „doen en laten” te volgen, want
alleen hieruit leeren we welke plaats deze dieren in de huishouding der
natuur innemen. Kijk, daar vliegt het Koolwitje naar een bloem. Het
gaat rechtop zitten, de vleugels naar boven toegeslagen, zoodat wij
alleen de onderzijde hiervan zien. Het werpt nu zijn roltong uit en
brengt die in de bloem. Met die roltong zuigt het honing uit de bloem.
Die honing is voedsel voor het witje. Iets anders gebruikt het beestje
niet. Het eet dus geen bladeren, geen stuifmeel, alleen maar honing, er
hiervan nog niet eens veel.
Het Koolwitje behoeft ook niet meer te groeien. Alle volwassen
insecten: vlinders, kevers, libellen, enz. groeien niet meer. Zij eten
om niet te sterven.
Hoe wist het Koolwitje, dat in de bloem honing zat? Er zijn ook
bloemen, die geen honing leveren. Het witje ruikt den honing. Op zijn
kop staan 2 lange sprieten en daarmede kan het ruiken. Wij kunnen den
honing niet ruiken op een afstand, doch het witje en de andere vlinders
wel. De insecten hebben dus een veel sterker reukvermogen dan de
mensch. Honden kunnen ook goed ruiken: jachthonden, politiehonden.
Zoo vliegt het witje van bloem tot bloem en al snoepende brengt het ’t
stuifmeel, dat aan de roltong en den kop kleeft van de eene bloem naar
de andere, waardoor flinke zaden in die bloem ontstaan. Men zegt: het
Koolwitje bevordert de Kruisbestuiving van de bloemen. Zoo hebben de
bloemen nog voordeel van het insectenbezoek; de honing brengt dus zijn
geld wel op. Bloemen en insecten helpen elkaar. Dit is een der mooiste
verhoudingen in de natuur, waarover we nog meer hebben te vertellen als
we wat verder zijn.
En doet het witje nog meer dan honing snoepen?
Zie, daar vliegt het weg en gaat op het herderstaschje zitten, een
bekend wild plantje, dat overal voorkomt. Hier gaat het niet snoepen,
doch zet aan de onderzijde van een blad zijn eitjes af.
HET EIERLEGGEN. De voorjaars-Koolwitjes leggen hun eieren meestal aan
wilde Kruisbloemigen, ook wel aan reseda en O. I. kers; wij vinden ze
ook wel aan judaspenning, die in April zoo mooi staat te bloeien. Het
Koolwitje legt de gele eitjes netjes naast elkaar aan de onderzijde der
bladeren; daar zitten ze goed beschermd tegen regen, tegen de felle zon
en tegen eierpikkers. Toch leggen sommige witjes ze weleens op de
bovenzijde; dat is dan een vergissing. Zoo’n schooltje vlindereitjes
bestaat wel uit een 100 à 150 stuks. Dat belooft dus een mooi regiment
rupsen te worden.
Wie nu geen vriend van rupsen is, en ze liever niet in zijn tuin ziet,
kan door het dooddrukken der eieren honderd en meer rupsen om zeep
brengen. Dat doen dan ook de groententelers. Die zeggen, dat het
gemakkelijker is 100 rupseneieren tegelijk te dooden dan 100 rupsen te
vangen en zoo is het ook. Niet alle vlindersoorten leggen haar eieren
in schooltjes; de atalanta en de pijlstaarten leggen ze afzonderlijk.
Sommige vlinders bedekken de eieren met haren van het achterlijf.
WAT DOET HET WITJE NA HET EIERLEGGEN? Ja, wat zal het gaan doen? Er is
een spreekwoord, dat zegt: „Aan alle lofzangen komt een eind” en dat
geldt ook voor het witje. Als het de eieren heeft afgezet, heeft het
zijn taak volbracht en gaat sterven. Dat is het gewone verschijnsel bij
de insecten; na het eierleggen sterven de dieren. En zoo komt er een
tijd, dat er in Mei haast geen Koolwitjes meer zijn; ze zijn allen
dood. Intusschen zijn uit de eieren kleine rupsjes gekropen, die
terstond aan hun boterham beginnen. Dat is altijd een voordeel voor de
rupsen: zoodra ze op de wereld komen, staat haar boterham klaar; ze
worden daarop geboren.
Het was dus heel verstandig van het Koolwitje, dat het zijn eieren op
een herderstaschje afzette. Of de Koolwitjes dan die planten alle
kennen? Iedere plant heeft een eigen geur en die geur wijst den
vlinders den weg. Een vlinder zal nooit de eieren leggen op een plant,
die de rupsen niet lusten. De jonge rupsen doen goed haar best en na
eenige weken zijn ze volwassen. Dan gaan ze zich verpoppen, en na een
kleine veertien dagen komen hieruit weer Koolwitjes. Dat is dan het
tweede of het zomergeslacht en in Juli en begin Augustus vliegt het
Koolwitje weer overal rond.
HET ZOMERGESLACHT OF DE ZOMERGENERATIE. In Juli en Augustus vliegen er
veel meer Koolwitjes dan in het voorjaar. En wat gaan deze nu weer
doen? Eerst wat honing snoepen en dan weer eieren leggen. In onze
groententuinen en bij de groentenboeren staan in Juli en Augustus
honderden en duizenden koolplanten van allerlei soort. En hierheen gaan
nu de vlinders; op de bladeren leggen ze eieren en dan vertrekken ze
weer. Hebben ze alle eieren afgezet, dan gaan ze net als de eerste
generatie, dood.
EEN RUPSENPLAAG TREEDT OP. We zeiden al, dat de tweede generatie
vlinders veel talrijker is dan de eerste. Daardoor konden er nu ook
zooveel eieren op de koolplanten worden afgezet. En als het tegen half
Augustus of begin September loopt, dan merkt de groentenboer met
schrik, dat duizenden en duizenden rupsen zijn kool aan het vernielen
zijn. Sommige planten staan er dan vreeslijk gehavend bij. Is het
aantal rupsen zeer groot, dan zegt men, dat een rupsenplaag heerscht.
HET BESTRIJDEN VAN EEN KOOLRUPSENPLAAG. In de vrije natuur komen ook
wel plagen voor, doch na verloop van langer of korter tijd komen die
vanzelf tot staan, omdat er dan geen voedsel voor de dieren meer is.
Bovendien treden dan ook dikwijls ziekten op onder de dieren. Hoe kan
men nu een koolrupsenplaag bestrijden? Het beste is een plaag te
voorkomen, door zooveel mogelijk de eierhoopjes op te zoeken en die
ineen te drukken. Maar is dit niet geschied, zijn de rupsen „heer en
meester” geworden, dan zit er niet veel anders op, dan de rupsen op te
zoeken. In een groententuintje gaat dit wel, maar als een geheele akker
vol zit, dan is dat niet te doen. Men kan de kippen er wel in jagen,
doch die beginnen al gauw aan de kool ook te pikken en dan zijn we nog
verder van huis.
Bovendien krijgen de kippen spoedig genoeg van de rupsen; ze gaan haar
tegen staan en dan geeft het ook niet. Eigenlijk kunnen wij er niet
veel aan doen als onze culturen wat uitgebreid zijn. Gelukkig leven er
in de natuur nog verschillende vijanden van de koolrupsen, die ons
helpen in den strijd tegen deze kooleters.
VIJANDEN VAN DE KOOLRUPSEN EN KOOLWITJES. Er is wel geen enkel dier,
dat geen vijanden heeft. De een loert op den ander. Een vogel loert op
een rups, en een kat tracht dien vogel naar binnen te werken. Een
kikker snapt levende insecten op en de ooievaar pakt den kikker en
brengt hem naar de jongen op het nest. Zoo gaat het overal en in de
heele natuur. De een peuzelt den ander op. En zoo hebben de koolrupsen
en de koolwitjes ook hun vijanden. Die vijanden zijn: vogels, libellen
(77–79), sluipwespen (168) terwijl in den zomer gewoonlijk nog ziekten
onder de rupsen optreden. Op deze wijze worden de koolrupsen niet
heelemaal baas, doch wordt haar aantal geregeld sterk gedund.
In het algemeen eten de vogels weinig koolrupsen, alleen de koekoek
houdt er wel van. Wel snappen de vogels van tijd tot tijd een
koolwitje; men kan wel eens zien, dat zij de koolwitjes nazitten,
snappen en het lichaam opeten. De vleugels gaan niet naar binnen;
musschen lusten wel een koolwitje. De groene sabelsprinkhaan (87) pakt
ook wel eens een koolwitje, dat tegen een grasplant zit te rusten. De
libellen, die men wel eens de „zwaluwen onder de insecten” noemt, omdat
zij al vliegend andere insecten vangen net als de zwaluwen, pikken ook
nog al eens een koolwitje op; menigmaal hebben wij dit gezien. Soms
wordt het koolwitje overvallen, maar het komt ook voor, dat het eerst
wordt nagezeten. Maar de ergste vijanden—en daardoor juist onze beste
vrienden—dat zijn de sluipwespen. Er is een klein sluipwespje, het heet
Apanteles glomeratus en is afgebeeld op plaatje 168, dat op een rups
gaat zitten en dan zijn legboor door de huid steekt en tegelijk door de
legboor een 40 of 50 eitjes schuift. Dan vliegt het diertje snel weg.
Uit die eitjes komen heel gauw maden zonder pooten en zonder oogen,
doch die goed kunnen eten. De rups heeft dus een veertig of vijftig
kostgangsters en om die allen te eten te geven, moet de rups zelf eten
als een paard, anders bezwijkt ze. Die maden eten natuurlijk de heele
rups uit en als zij volwassen zijn, is de rups zoowat geheel op. De
maden kruipen dan de rupsen uit, zij boren door de huid van de rupsen
heen en gaan direct verpoppen. Misschien heeft men wel eens een doode
rups gevonden, waarbij aan de beide zijden van het lichaam een hoopje
gele, ovale, zeer kleine coconnetjes lagen, net eitjes. Nu, die gele
dingetjes waren de popjes van de sluipwespmaden. Na 10 à 14 dagen komen
uit deze popjes zeer kleine wespjes, een paar millimeter lang.
De rups zelve is dood; gewoonlijk leeft ze na het uitkruipen der maden
nog een of een paar dagen, maar het einde is toch de dood. Het kleine
sluipwespje heeft dus èèn rups gedood en bovendien zijn er weer 40 of
50 nieuwe sluipwespjes geboren, die weer andere rupsen kunnen gaan
aanvallen. Het aantal sluipwespen wordt dus steeds grooter en daardoor
vallen er hoe langer hoe meer koolrupsen. Wij mogen die sluipwespen dus
wel in eere houden en als wij hier of daar die gele coconnetjes zien
zitten, laten wij ze ongemoeid.
Wie met deze kleine nuttige diertjes eens wil kennis maken, moet maar
eens wat koolrupsen uit den tuin halen, tegen den tijd, dat zij
volwassen zijn; licht zijn er eenige aangetaste rupsen bij.
Er is nog een andere sluipwesp, die ons ook helpt, maar die legt haar
eieren niet in de rups. Op het oogenblik, dat een gezonde rups haar
huid afstroopt en de pop voor den dag komt, is de pophuid nog zacht en
week. Dan komt een sluipwesp Pteromalus puparum, steekt haar legboor
door de zachte pophuid en schuift er zoo haar eieren in. De maden, die
hier uit komen, eten de pop uit en verlaten haar later. Ook dit is dus
een nuttig beestje.
Soms worden de rupsen ook aangetast door een soort schimmelziekte; de
rupsen worden bruin en slap en sterven. De ziekte schijnt zich snel
onder de rupsen te verspreiden. Wanneer nu veel rupsen zijn aangetast
en er komt een flinke regenbui, dan spoelen zij allen van de
koolbladeren af en na de bui lijkt het, of de rupsen zijn weggeregend.
De koolteler is dan blij, maar die vreugde beteekent niet veel, want de
dieren waren binnen enkele dagen toch gestorven. Gezonde koolrupsen
regenen niet weg. Kleine sluipwespen en kleine schimmelplanten blijken
dus onze grootste vrienden te zijn. En hoe meer wij de natuur
bestudeeren, des te grooter wordt onze bewondering voor al het
geschapene en voor het onderlinge verband, dat er tusschen de levende
wezens bestaat.
WAAR GAAN DE GEZONDE RUPSEN IN SEPTEMBER HEEN? De rupsen, die den dans
nog ontspringen, gaan zich in September gereed maken om te verpoppen.
Dat doen zij nooit aan lage planten, doch zoeken liefst op boomen,
schuttingen, muren, stokken, in één woord die plaatsen, waar zij hoog
boven den grond zich kunnen neerzetten. Als het mogelijk is zoeken zij
een afdakje, waaronder ze droog zitten; dat merkt men goed aan houten
schuttingen. Is er in de buurt geen goede gelegenheid, b.v. als de
rupsen op een koolveld zijn groot geworden, dat wat ver het land in
lag, dan marcheeren zij met elkaar op en gaan een goede gelegenheid
zoeken. Dan ondernemen zij soms heele tochten. Het is een aardig en
vreemd gezicht, zoo’n troep „landverhuizers” tegen te komen. Hebben ze
een geschikte plaats gevonden, dan gaan ze verpoppen en blijven daar
den geheelen winter zitten. Het is een interessant gezicht hoe dat
verpoppen geschiedt, want de rups spint eerst een gordel, waarin de pop
komt te hangen. Men kan dat heel gemakkelijk zien, als men de rupsen
thuis opkweekt. Uit deze winterpoppen komen nu in het voorjaar weer de
eerste koolwitjes en dan begint het lieve leventje opnieuw. Er komen
per jaar dus twee geslachten of generaties voor; als het weer zeer
gunstig is, kunnen er in 2 jaar wel eens 5 generaties ontstaan.
Merkwaardig is het, dat de zomervorm wat grooter is, aan de onderzijde
der vleugels wat lichter geel en ook minder zwart. Dat komt bij
insecten meer voor, dat twee opeenvolgende geslachten niet precies
gelijk zijn. Het weer, de temperatuur en ook het voedsel, schijnen
hierop invloed te hebben.
DE BETEEKENIS VAN DE KOOLWITJES VOOR DEN MENSCH. Na al het voorgaande
zal iedereen daarover zijn oordeel wel kunnen zeggen en dat oordeel zal
wel eensluidend zijn. De koolrupsen zijn voor den mensch schadelijk. En
dat alleen omdat zij dezelfde neiging hebben als de mensch: ze lusten
ook graag kool. Dat kunnen de koolrupsen niet helpen, maar zij zullen
het ons dan ook niet kwalijk nemen, dat wij haar daarom bestrijden.
En hoe mooi de koolwitjes ook zijn, ’t zijn inderdaad lieve dieren—we
moeten ze bestrijden, omdat zij in haar jeugd, een rups is immers een
jonge vlinder, onze culturen in de war sturen. En hoe gaarne we met
alle dieren in vrede leven, met de koolrupsen gaat dat niet.
DE BETEEKENIS VAN DE KOOLWITJES IN DE VRIJE NATUUR. Nu kunnen wij wat
goeds vertellen. Zooals wij zagen, halen de vlinders honing uit de
bloemen en brengen dan tegelijk stuifmeel van de eene bloem naar de
andere waardoor een goede zaadvorming wordt ingeleid. Voor de zaadteelt
zijn zij dus wel nuttig, net als de bijen en hommels. En de rupsen?
Zoolang het wilde planten betreft, doen zij ook eenig nut. Zij zorgen
er voor, dat er niet te veel kruisbloemigen komen, want zij eten er
vele op. Zoodoende bewaren zij min of meer het evenwicht onder de
planten.
Het doet ons genoegen, dat wij ten slotte toch nog iets goeds van de
koolrupsen hebben kunnen zeggen.
Uit het medegedeelde kunnen wij nu het volgende vastleggen:
1º Een vlinder doorloopt 4 stadiën of toestanden; hij is eerst een
ei, hieruit komt een larve, die rups heet, als deze voldoende is
gegroeid trekt zij de rupshuid voor de laatste maal uit en wordt
een pop; in dezen toestand wordt geen voedsel opgenomen; ten
slotte komt uit de pop een vlinder. Men zegt, dat een vlinder een
gedaanteverwisseling doorloopt.
2º Een volwassen insect, een kever, een vlinder, een bij, enz.
noemt men een imago.
3º Het jonge dier, dat uit een insectenei komt, noemt men een
larve. Soms hebben die larven nog speciale namen, als: rups, made,
enz.
4º Insecten eten in hun jeugd soms heel andere stoffen dan als
imago; een koolrups eet koolbladeren, een koolwitje honing.
5º Insecten hebben ook vijanden, n.l. vogels en ook andere
insecten.
6º Sommige insecten eten andere insecten gedurende hun leven geheel
uit, zooals de maden van een sluipwesp de koolrups uiteten; die
uiteters noemt men parasieten.
7º Vlinders kunnen goed ruiken; dat kunnen trouwens alle insecten
goed.
8º Vlinders leven meestal maar kort; als ze eieren hebben gelegd,
gaan ze dood.
9º Voor het eierleggen zoeken de vlinders planten uit, die door de
rupsen gaarne gegeten worden.
10º ’s Winters is er geen enkel koolwitje te vinden; alleen zijn er
dan poppen.
II. LICHAAMSBOUW DER INSECTEN.
a) UITWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM.
Hoe verschillend de insecten er ook mogen uitzien, denk b.v. aan een
mier en een vlinder, zij zijn allen volgens hetzelfde beginsel gebouwd.
En dat beginsel is dit: het lichaam bestaat uit 3 goed te onderscheiden
deelen:
1º de kop, 2º het borststuk en 3º het achterlijf.
Elk van deze deelen heeft zijn eigen werk te doen, heeft een bepaalde
functie. Met den kop neemt het dier voedsel op en neemt het zijn
omgeving waar; het kan zich oriënteeren. Door middel van de organen,
die aan het borststuk zitten, de pooten en de vleugels, kan het zich
verplaatsen. In het achterlijf zijn opgeborgen de ademhalings- en
spijsverteringsorganen; als deze organen werken blijft het dier in
leven.
De indeeling van het lichaam berust dus op een verdeeling van arbeid;
ieder deel heeft zijn eigen werk.
I. DE KOP.
Aan den kop treffen wij de volgende organen aan: 1º de sprieten, 2º de
oogen, 3º de monddeelen.
DE SPRIETEN. Ieder insect heeft 2 sprieten. Vroeger noemde men die
voelhorens, omdat men meende, dat de insecten hiermede zouden kunnen
voelen. Het is wel mogelijk, dat de insecten er mede voelen kunnen,
maar zeker is het, dat ze er mede ruiken. De sprieten zijn dus de
neuzen. Als men in een rupsen- of vlinderhuis, waarin levende vlinders
zijn, een schoteltje honing zet, komen oogenblikkelijk de sprieten in
beweging, en gaan de vlinders op den honing af. Had men vooruit van
enkele vlinders de sprieten afgeknipt, dan zou men bemerken, dat de
sprietloozen niet naar den honing gingen, omdat zij dien nu niet ruiken
kunnen.
Zoowel de larven als de volwassen dieren hebben sprieten; die van de
larven zijn meestal klein, b.v. bij de rupsen. Zeer groote sprieten
hebben de boktorren; soms zijn die eenige malen langer dan het lichaam.
Hoe grooter de oogen zijn, hoe kleiner de sprieten; dat zien wij goed
bij de glazenmakers. Het aantal vormen der sprieten is zeer groot; ze
kunnen zijn: draad-, snoer-, haar-, en spoelvormig; ook: geknopt,
gezaagd, gekamd, bladvormig. Meestal hebben de mannetjes grootere en
meer ontwikkelde sprieten dan de wijfjes.
DE OOGEN. De insecten bezitten twee soorten van oogen: enkelvoudige en
samengestelde. Een rups heeft aan iedere zijde van den kop 6
enkelvoudige of kleine oogen; in ’t geheel dus 12. De samengestelde
oogen vertoonen aan de buitenzijde een groot aantal zeshoekige vlakjes;
soms eenige duizenden. De meeste volwassen insecten bezitten zoowel
enkelvoudige als samengestelde oogen; de kevers evenwel hebben haast
alleen slechts samengestelde oogen. Een groot aantal insecten is blind.
Het zijn dieren, die in holen, onder steenen of in hout leven. Ook
onder de mierengasten (31) komen blinden voor. Nog meer dan bij de
volwassen insecten vinden wij blinden onder de larven, b.v. de
vliegenmaden; de larven van bijen, mieren, wespen, sluipwespen en
boktorren zijn ook blind. Zij worden geboren midden in haar voedsel en
hebben dus geen oogen noodig; overal, waarheen zij zich wenden of
keeren, vinden zij haar boterham. Oogen dienen vooral om voedsel op te
zoeken. Verschillende blinde insecten zijn toch wel gevoelig voor
licht.
DE MONDDEELEN. De mond is een zeer belangrijk orgaan omdat hiermede het
voedsel wordt gegrepen en verkleind. Evenals bij de gewervelde dieren
de tanden verschillen al naar het voedsel, dat het dier gebruikt:
graseters, vruchteneters, vleescheters, vischeters, insecteneters, zoo
staat de vorm der monddeelen van een insect ook in verband met het
voedsel, dat het nuttigt. Van een insect geldt ook: „Laat mij je
monddeelen zien, en ik zal zeggen wat je eet”.
De monddeelen kunnen we in de volgende groepen verdeelen:
één bovenlip
twee bovenkaken
twee onderkaken
één onderlip;
dus totaal 6 deelen. De bovenlip, die een soort luifel is, hoort er
eigenlijk niet bij, maar gewoonlijk wordt zij er bij gerekend en daarom
zullen wij het ook maar doen.
Aan de onderkaken en aan de onderlip zitten vaak nog allerlei
aanhangsels, die men tasters noemt; hiermede schijnen de dieren het
voedsel te inspecteeren voor zij het naar binnen werken. Het voedsel
dat de insecten opnemen is vast of vloeibaar. Het vaste voedsel:
bladeren, stengels, wortels, vleesch, moet worden fijngeknipt; de kaken
werken dan als een schaar in horizontale richting, dus van links naar
rechts. Op deze wijze eten de kevers. Men zegt dat ze kauwen. Is het
voedsel vloeibaar, dan moet dit worden opgelikt of opgezogen. Zoo
likken de bijen en hommels den honing uit de bloemen, dat gemakkelijk
gaat omdat de honing aan de oppervlakte ligt. Ligt de honing evenwel
zeer diep, dan wordt hij door een buis naar boven gezogen; die buis is
dan gevormd door de twee onderkaken, die zeer in de lengte zijn
uitgegroeid, en met de holle zijde aan elkaar sluiten. Die lange buis,
die oprolbaar is, heet roltong. Bij een koolwitje kan men met een speld
of dun sprietje deze roltong heel gemakkelijk afrollen en uittrekken.
Soms zit het vloeibare voedsel, dat de insecten zullen verorberen, nog
achter weefsels verborgen, die dus doorboord moeten worden. Zulk
voedsel is b.v. menschenbloed en plantenvocht. Als een steekmug ons
bloed wil aftappen, geeft zij ons eerst een prik, zoo diep, dat zij bij
het bloed is; dan zuigt zij het bloed op. Haar monddeelen zijn dus een
soort zuigpomp die in ons lichaam wordt gezet. Daarom zijn de
monddeelen van een steekmug zeer in de lengte uitgegroeid. Dat is ook
het geval met de monddeelen van een bladluis. Die steekt haar snuit in
den stengel of in het blad en zuigt dan zoo de sappen uit; stengel en
blad worden leeggepompt, en als een blad nu aan één zijde met
bladluizen is bezet, de onderzijde, dan begint het om te krullen;
omgekrulde bladen wijzen op bladluizen of op mijten, die precies leven
als de bladluizen.
De bovenkaken werken, zooals wij zagen, van links naar rechts en niet
van boven naar beneden. Zij dienen:
1º om te kauwen en te bijten; men vindt die bij oorwormen,
glazenmakers, sprinkhanen, kevers; wespen, bijen; een rups knipt de
bladeren af.
2º om prooi te vangen; dat ziet men goed bij de roofinsecten (32).
3º als verdedigingsmiddel; dit is goed te zien bij de mannetjes van
het vliegend hert (48); die groote geweivormige kaken zijn de
bovenkaken en daarmede schijnen de mannetjes elkaar wel eens te
lijf te gaan.
4º als steekwerktuigen bij de wantsen.
Soms zijn de bovenkaken geheel verdwenen of rudimentair; dat komt voor
bij vlinders en de meeste tweevleugeligen.
De onderkaken dienen slechts zelden tot kauwen; meestal zijn die
gewijzigd tot steek- en zuigorganen.
De onderlip heeft ook geen vasten vorm; soms is zij een grijporgaan
geworden en dan weer doet zij dienst als een koker om de onder- en
bovenkaken te bergen.
II. HET BORSTSTUK.
Aan het borststuk treffen wij de organen aan, waarmede de insecten zich
kunnen verplaatsen: de pooten en de vleugels. Als wij een borststuk
netjes uit elkaar halen, dan blijkt, dat het uit drie deelen bestaat:
1º ’t voor-, 2º ’t midden- en 3º ’t achterborststuk. Elk van deze
deelen draagt één paar pooten, terwijl het midden- en achterborststuk
ieder één paar vleugels dragen. Het voorborststuk draagt nooit
vleugels. Bij de vliegen en muggen is het tweede paar vleugels
gewijzigd en vinden wij daarvoor in de plaats de z.g. kolfjes.
DE VLEUGELS. De vleugels dienen om te vliegen. Bij de kevers zijn de
voorste vleugels hard en dienen tot bescherming van de achtervleugels,
die in rust onder de dekschilden liggen opgevouwen. De oorspronkelijke
beteekenis der voorste vleugels is dus gewijzigd. Een kever vliegt
alzoo alleen met zijn achtervleugels. Bij de vliegen en muggen zijn de
achtervleugels zooals wij zagen gewijzigd tot kolfjes; daarmede kunnen
zij niet vliegen, dat doen zij dus met de voorvleugels.
De voor- en achtervleugels zijn vaak verbonden, zooals dat voorkomt bij
sommige avondvlinders en bijen en wespen; dat zijn daarom goede
vliegers. Gewoonlijk verschillen de voor- en achtervleugels in vorm,
teekening en grootte; bij vele libellen (77–79) zijn ze tamelijk wel
gelijk.
Mannetjes en wijfjes zijn vaak te herkennen aan de vleugels. Het komt
ook voor, dat de wijfjes de vleugels missen; dat vinden wij bij enkele
wintervlinders (139), den witvlakvlinder (143), de glimwormen (43) en
bij de schildluizen. Soms zijn van de vleugels nog kleine stompjes
over. Er zijn ook gevallen, dat mannetjes en wijfjes de vleugels
missen; dan kunnen ze vaak hard loopen of springen: de vloo en sommige
sprinkhanen. Sommige blijvende parasieten missen ook in beide
geslachten de vleugels; aan verplaatsing zouden zij ook weinig hebben;
waar ze zijn, vinden ze voedsel genoeg, We denken aan de
hoofdparasieten bij kinderen. Er zijn ook gevallen, dat gevleugelde en
ongevleugelde geslachten elkaar opvolgen: bladluizen.
DE POOTEN. Het normale aantal pooten bij de volwassen insecten bedraagt
6; daarom heeten ze wel hexapoden of zespootigen. Spinnen hebben 8
pooten.
De larven hebben soms meer dan 6 pooten, b.v. de rupsen, die meestal
nog 10 buikpooten er bij hebben; sommige bastaardrupsen hebben zelfs 16
buikpooten. De buikpooten en de eigenlijke of borstpooten verschillen
in vorm.
Elke borstpoot bestaat uit 5 deelen: heup, dijring, dij, scheen en
voet. In de dij zitten goede spieren. Aan het uiteinde van den voet
zitten 1 of 2 klauwtjes; daartusschen zitten vaak nog hechtlapjes o.a.
bij de vliegen. Door verlenging, verkorting, verbreeding, sterkere
beharing van een of meer der 5 deelen waaruit een poot bestaat,
ontstaan allerlei pootvormen, die aan de insecten speciale diensten
kunnen bewijzen.
Daardoor kunnen wij onderscheiden:
1. looppooten; die hebben de meeste insecten,
2. roofpooten; bij de waterschorpioen,
3. graafpooten; bij de veenmol en de mestkevers,
4. springpooten: bij de sprinkhanen,
5. verzamelpooten; bij de bijen en hommels,
6. zwempooten; bij de waterkevers en de waterwantsen.
Soms zijn de voorpooten in meerdere of mindere mate verkommerd; dan
spreekt men van poetspooten. Die komen voor bij de volgende vlinders:
vanessa’s, paarlemoervlinders en zandoogjes. Larven zonder pooten noemt
men maden (vliegen).
III. HET ACHTERLIJF.
Het achterlijf draagt geen organen, wel aanhangsels, als: staart,
legboor, angel. In den larvetoestand vinden wij soms buikpooten aan het
achterlijf, zooals bij rupsen en bastaardrupsen. Een belangrijk
aanhangsel in de legboor, die o.a. voorkomt bij sprinkhanen,
waterjuffers, sluipwespen, bladwespen. De legboor dient om eieren in
den grond of op andere verscholen plaatsen af te zetten. Bij de wijfjes
van de bijen en hommels doet de legboor ook dienst als wapen en heet
dan angel. In dien angel vloeit het vocht uit een giftklier.
Op de segmenten van het achterlijf zijn goed waarneembaar kleine
openingen, stigma’s, die het begin zijn van de ademhalingsbuizen.
Sommige insecten, zooals de bijen, scheiden uit het achterlijf was af;
dat zweeten zij uit aan de buikzijde.
In verband met de meerdere of mindere ontwikkeling van de vleugels en
pooten zou men de insecten aldus kunnen indeelen:
1. Loopers; hebben goede pooten en vliegen weinig; oorwormen en
kevers. Hiertoe behooren ook de springers.
2. Vliegers; hebben meestal zwakke pooten, zooals vlinders, bijen.
3. Stilzitters; dit zijn meestal parasieten, die goed ontwikkelde
pooten hebben om zich vast te houden, b.v. schildluizen, luizen.
De huid van de insecten bestaat uit een laag chitine, waaronder levende
cellen. Deze cellen scheiden de chitine af. Chitine bezit een groot
weerstandsvermogen, het is oplosbaar in kokend geconcentreerd
salpeterzuur. Op de huid nemen wij haren en schubben waar. Deze
ontstaan uit de laag levende cellen onder de chitinelaag. De beteekenis
der haren is zeer verschillend; sommige brengen indrukken of prikkels
van buiten over, dat zijn zintuigharen; de bijen hebben verzamelharen,
waartusschen het stuifmeel blijft zitten; processierupsen bezitten
giftharen. Bij verschillende waterinsecten wordt de ademhalingslucht
door de haren vastgehouden. Niet zoo algemeen verbreid als de haren
zijn de schubben; toch komen zij bij veel insecten voor, bij de
kokerjuffers, bij vlinders, bij eenige kevers, tweevleugeligen en
anderen. Schubben zijn kleiner dan haren. Sommige schubben geuren; men
noemt ze riekschubben. Er zijn ook vlinders zonder schubben: sesia’s
(123).
b) INWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM.
Insecten hebben geen geraamte zooals de gewervelde dieren, bij wie de
spieren aan de beenderen vastzitten. Wel bezitten de insecten ook
spieren, doch die zijn bevestigd aan de huid, die door de chitine
stevig is. Daarom zegt men ook wel dat de insecten hebben een
huid-skelet. Dat stevige huidskelet maakt, dat de insecten niet in
elkaar zakken. Alle hoofdorganen, die de hoogere dieren bezitten,
treffen wij ook bij de insecten aan, n.l. spijsverteringskanaal,
ademhalingsorganen, een hart, dat de bloedsomloop regelt, een
zenuwstelsel, dat alle spieren bestuurt, en ook uitloopers naar de
zintuigen zendt; verder verschillende klieren, die vochten naar binnen
of naar buiten afscheiden.
SPIJSVERTERING. De planteneters hebben een veel langer darmkanaal dan
de vleescheters, net als bij de hoogere dieren. Insecten, die honing
naar huis moeten dragen, doen dat in hun maag, zooals de bijen en
hommels. Als men een gevulde honingbij, die naar den korf vliegt, vangt
en wat drukt, komt de honing door den mond naar buiten. In de
honingmaag ondergaat de honing al eenige wijziging; o.a. is hij zoo
waterrijk niet als hij in de bloemen was. Komt een bij in den korf
terug, dan werkt zij den honing door den mond weer naar buiten.
Veel insecten eten in den larvetoestand zeer veel, b.v. rupsen. Dan
leggen zij tegelijk wat reservevoedsel aan, dat zij als pop verwerken.
Gewoonlijk eten de larven het meest.
Sommige volwassen insecten eten in het geheel niet en andere gebruiken
zeer weinig. Het wijfje van den witvlakvlinder en de haften eten niets;
zij leven ook maar kort; de eerste een paar dagen en de laatste soms
maar een paar uur of nog korter. Larven die veel eten, zooals de
rupsen, produceeren heel wat uitwerpselen. Wie wel eens rupsen heeft
opgekweekt weet dat, en zorgt er voor, dat dagelijks het rupsenhuis
wordt gereinigd.
ADEMHALING. Alle insecten hebben lucht noodig; toch niet zooveel als
men gewoonlijk denkt. Landinsecten, die men onder water brengt, houden
het vaak nog eenige dagen vol; dat bewijst, dat zij niet veel versche
lucht noodig hebben. De meeste insecten hebben 10 paar luchtbuizen,
tracheeën; 2 of 3 paar in het borststuk, de rest in het achterlijf.
Zoo’n luchtbuis gelijkt een boom, die tot in zijn fijnste vertakkingen
geheel is uitgehold; ’t dikke ondereinde staat met de buitenlucht in
verbinding, door een zeefvormig traliewerk. De lucht kan er wel door,
doch het stof wordt tegengehouden. Al die boomvormige luchtbuizen staan
in het lichaam van een insect met elkaar in verbinding. De stigma’s
zelf, zoo heet dat zeefvormig traliewerk, kan men gemakkelijk aan de
zijkanten van het achterlijf zien.
Soms zijn er nog aanhangsels aan de luchtbuizen; dat zijn dan
luchtzakken, die het insect volpompt voor het gaat vliegen. Bij de
meikevers kennen wij dit wel en noemen het „geldtellen”.
Hoe halen nu de waterinsecten adem?
1º Sommige komen van tijd tot tijd aan de oppervlakte om lucht te
halen, b.v. de gerande watertor (28) en de zwarte watertor (25). De
gerande watertor komt met het achterlijf naar boven. De zwarte of
spinnende watertor komt met den kop naar boven en gebruikt zijn
korte, verbreede en sterk behaarde sprieten om daarmede de lucht op
te nemen, die langs den fijn behaarden buik naar de stigma’s wordt
gevoerd. De larve van den zwarten heeft aan het achterlijf 2
stigma’s zitten en komt hiermede van tijd tot tijd naar boven. Dat
doen meer larven.
2º Andere larven van waterinsecten halen adem door kieuwen, die
huiduitstulpingen zijn. De uitwisseling der gassen heeft dan door
de huid heen plaats.
BLOEDSOMLOOP. Het hart van de insecten ligt aan de rugzijde. Evenals
bij de hoogere dieren is het hart de motor, die het bloed door het
lichaam drijft. Een bloedvatenstelsel ontbreekt; men spreekt in zoo’n
geval van open bloedsomloop. Toch is de strooming wel min of meer
geregeld. Het bloed komt aan de achterzijde van het hart in beweging en
gaat aan de voorzijde er weer uit. De beweging van het bloed wordt
veroorzaakt door het kloppen (samentrekken) van het hart; soms klopt
het 40 tot 50 maal en na het vliegen soms maar dan 100 maal per minuut.
Bij een pop klopt het hart zeer langzaam. De hoogere dieren hebben in
hun bloed roode en witte bloedlichaampjes; de roode zijn dan de
ademhalingscellen, die de zuurstof door het lichaam vervoeren. Omdat
bij een insect de lucht het geheele lichaam doortrekt, hebben deze
dieren geen roode bloedlichaampjes noodig. Een enkele uitzondering is
evenwel waargenomen. De bloedvloeistof of het serum is kleurloos of
gekleurd en in dit laatste geval geel-, rood- of bruinachtig. Soms
groen, doch dit komt dan van het eten van bladgroen.
ZENUWSTELSEL. Het zenuwstelsel bestaat uit een dubbele streng, waarin
verschillende verdikkingen worden gezien. Die verdikkingen heeten
zenuwknoopen. De eerste zenuwknoop ligt boven in den kop, alle andere
liggen aan de buikzijde. De eerste en tweede zenuwknoop zijn door
strengen verbonden en daar tusschen loopt de slokdarm. Dit gedeelte van
het zenuwstelsel noemt men den slokdarmring.
Van den bovensten kopzenuwknoop gaan zenuwen naar de oogen en naar de
sprieten; van den tweeden knoop naar de monddeelen, de speekselklieren.
De andere zenuwknoopen zenden zenuwen naar de pooten, vleugels en alle
inwendige organen.
DE ZINTUIGEN. De insecten bezitten dezelfde zintuigen als de hoogere
dieren: het gezicht, het gehoor, het gevoel, den smaak en den reuk. De
reuk is ongetwijfeld het sterkst ontwikkeld, en sterker, dan wij ons
zelfs kunnen voorstellen. Laten wij over de zintuigen nog iets naders
vertellen.
HET GEZICHT. Bij verschillende insecten hebben de mannetjes betere
oogen dan de wijfjes. Bij de tweevleugeligen zien wij twee soorten van
vlakjes of facetten in de oogen: groote en kleine. Dit verschil moet
van groot voordeel zijn bij het waarnemen van bewegingen. Op afstanden
nemen de insecten al bewegingen waar en vliegen dan op; dat weet ieder
die beproeft insecten te vangen. Bij de haften is die verdeeling zoo
ver gegaan, dat ieder oog der mannetjes in 2 oogen is verdeeld;
zoodoende hebben deze dieren feitelijk 4 oogen.
In verband met het gezicht staat ook het lichtgevend vermogen van
sommige avond- of nachtdieren. Wij kennen dit vermogen vooral bij de
glimwormen (42–43). Van onze gewone glimwormen is het mannetje
gevleugeld en wijfje ongevleugeld. Zoo’n wijfje lijkt daardoor veel op
een larve. Het meeste licht geeft het wijfje. De lichtgevende cellen
zijn veranderde cellen van het vetlichaam; hierdoor loopen sterk
vertakte luchtbuizen.
Eigenaardig is het, dat het lichtgevendvermogen onafhankelijk van het
dier zelf is; na den dood lichten ze nog.
DE REUK. De reuk is wel ongemeen sterk ontwikkeld. Veel meer dan het
gezicht helpt de reuk de insecten om hun voedsel te vinden. Den geur
der bloemen kunnen de insecten op grooten afstand waarnemen. Wanneer
hier of daar een stuk vleesch wordt neergelegd, dan is dit in een
minimum van tijd bezet met vleeschvliegen, die daarop haar eieren komen
leggen. Zoo gaat het ook met dierenlijken in de vrije natuur. De
doodgravers (kevers) (30) ruiken de lijken en komen er op af, evenals
de aasvliegen en in weinige dagen is er al veel weggewerkt. Besmeert
men boomstammen met honing, of met bier, stroop, rum en appelaether,
dan komen daarop in de schemeringuren allerlei vlinders af, die dan
gemakkelijk zijn te vangen. Deze vangmethode noemt men „stroopen” d.i.
met stroop werken.
Avondvlinders ruiken ook de boomen, op wier bladeren zij eieren
afzetten. Den geur van vele boombladeren kunnen wij nauwelijks
waarnemen, doch voor de vlinders gaat dit zonder bezwaar.
Van het sterke reukvermogen der mannetjes kan men juist profiteeren om
hen te vangen. Van af midden Juli vliegt als een razende door de lucht,
het mannetje van den witvlakvlinder (143); het wijfje van dezen vlinder
is ongevleugeld en kan zich niet verplaatsen. Heeft men nu een wijfje
en zet men dit in een sigarenkistje buiten, dan komen de mannetjes
hierop af en gaan op het sigarenkistje zitten. Zet men het
sigarenkistje in huis voor een gesloten raam, ook dan nog komen de
mannetjes er op af en zetten zich tegen het raam neer. Dat is wel een
bewijs, hoe goed de mannetjes ruiken kunnen. Bij een andere
vlindersoort is het gelukt op deze wijze in één avond meer dan 100
mannetjes te vangen. Zooals wij reeds vermeldden, staat hiermede in
verband, dat de mannetjes grootere en meer vertakte sprieten hebben,
waardoor zij beter kunnen ruiken. Sommige mannetjes van de vlinders
geuren zelf ook; zij bezitten daartoe speciale riekschubben, die deze
geuren verspreiden. Het zijn meestal aangename geuren: ananas, citroen,
heliotroop.
HET GEHOOR. Dat de insecten een gehoor bezitten, kunnen wij reeds
hieruit opmaken, dat vele insecten geluid voortbrengen. Dat moet
natuurlijk dienen om de aandacht van andere soortgenooten te trekken.
Een keukenkakkerlak houdt met loopen op, zoodra een vioolsnaar wordt
aangestreken, en de rugzwemmers (97) en de duikerwantsen (98) snellen
wild door elkaar als op een viool d' wordt aangestreken.
Vroeger dacht men, dat het gehoororgaan in de voelhorens zat—men
vergeleek die met de ooren van een mensch—doch thans weten wij, dat de
ooren der insecten op verschillende plaatsen van het lichaam zitten: in
de beenen, in de vleugels, in ’t achterlijf en soms ook in de sprieten.
Evenals in de plaatsing is er ook groote verscheidenheid in den bouw
der gehoororganen. Het voortbrengen van geluid komt vooral voor bij de
rechtvleugeligen: de veldsprinkhaan, de sabelsprinkhaan en de krekel.
Het beginsel bij het voortbrengen van geluid bij deze dieren is dit,
dat over een rasp een chitinelijst wordt gestreken. Als wij over een
kam strijken ontstaat ook geluid.
Bij de veldsprinkhanen zit de kam aan de dikke dij van den achterpoot
en de lijst aan den voorvleugel. Bij de sabelsprinkhanen ligt de rasp
aan de onderzijde van den linkervleugel en de lijst aan de bovenzijde
van den rechtervleugel. Bij de lijst bevindt zich tevens een
resoneerplaat, waardoor het geluid versterkt wordt.
Deze organen worden alleen bij de mannetjes waargenomen. De wijfjes der
sprinkhanen bezitten ook een soort geluidsorgaan, dat zijn eigen bouw
heeft; het zit vaak op een andere plaats.
Op de heide bij ons komt een sprinkhaan voor, het huphaantje,
Ephippigera vitium, dat gereduceerde voorvleugels heeft; de
achtervleugels ontbreken.
Hier maken mannetjes en wijfjes muziek, doch de ligging der organen is
verschillend; bij het mannetje is de linkervleugel kam en de
rechtervleugel lijst; bij wijfje is het precies andersom.
De wijfjes komen op de sjilpende mannetjes af.
De groote treksprinkhanen hebben maar zeer kleine geluidsorganen; ze
zijn altijd in grooten getale bij elkaar, zoodat ze feitelijk geen
loktonen noodig hebben.
Bij de krekels is het als bij de sabelsprinkhanen. In Artis in
Amsterdam zijn in het insectarium van tijd tot tijd veldkrekels. Daar
kan men hen geluid zien en hooren maken.
Indien dit voortbrengen van het geluid een doel heeft, dan moeten er
ook gehoororganen zijn om dit op te vangen. En die zijn er ook. Bij de
veldsprinkhanen zit het gehoororgaan aan den basis van het achterlijf
en bij de sabelsprinkhanen en de krekels aan de scheen van den
voorpoot. Bekend is ook het geluidsorgaan van de cicaden, doch daar is
het van een geheel andere constructie. Het grootste deel van het
achterlijf der mannetjes is geluidstrommel. Deze dieren maken soms een
vreeselijk geluid, dat op verren afstand te hooren is; zij komen in ons
land evenwel niet voor. Sommige insecten maken geluid door hun kop
tegen een voorwerp aan te slaan; dat doet o.a. het doodskloppertje
(50). Door deze loktonen komen deze kevers tot elkaar.
Bekend is het, dat verschillende insecten onder en door het vliegen
geluid maken. Door den snellen vleugelslag begint de lucht te trillen:
vliegen, muggen, bijen, hommels, pijlstaartvlinders. Wij kunnen de
vliegtonen nog waarnemen als de vleugels zich minstens 20 maal per
seconde bewegen. Langzame vliegers, zooals de dagvlinders, zij
fladderen, vliegen geruischloos; een koolwitje doet maar 9 slagen in de
seconde. Pijlstaarten maken 70 tot 80 vleugelslagen, bijen ongeveer 180
en kamervliegen 330 slagen per seconde. Ook kevers, o.a. de
doodgravers, boktorren en mestkevers, enkele wantsen, mieren en zelfs
de doodshoofdvlinder maakt geluid, o.a. als men hem aan den kop plaagt.
DE SMAAK. De organen voor den smaak zetelen voornamelijk aan den kop;
als zoodanig doen zich voor allerlei aanhangsels, tasters, aan de
onderkaken en onderlip. Sommige insecten bepalen zich tot één soort
voedsel; zij sterven liever, dan iets anders tot zich te nemen. Het
onderzoek naar den aard van het voedsel geschiedt nu door de tasters.
Wellicht zijn nog andere organen daarbij werkzaam.
HET GEVOEL. Dat zetelt in de huidzintuigorganen, waarvan er vele op het
lichaam van het insect worden aangetroffen. Wij kunnen hierop niet
verder ingaan, maar dit staat wel vast, dat de insecten op velerlei
manieren de buitenwereld kunnen waarnemen.
DE KLIEREN. Een klier is een groep cellen, (soms ook maar één cel), die
een bepaalde stof afscheiden. Bekend zijn de speekselklieren, de
maagklieren, die in verband staan met de spijsvertering. Behalve deze
klieren bezitten de verschillende insecten er nog andere, die eveneens
voor de dieren van groote beteekenis zijn. Men kan die klieren tot de
volgende groepen brengen: verdedigingsklieren, giftklieren, spin- en
lijmklieren, wasklieren.
VERDEDIGINGSKLIEREN. Deze produceeren alle een onaangenaam riekende
stof. Wantsen, kakkerlakken, geven bekende luchten af. Oorwormen
bezitten ook stinkklieren. Verschillende kevers brengen onaangename
stoffen naar buiten. Bij den bombardeerkever verdampt het naar buiten
gebrachte vocht terstond tot een blauwachtig wolkje.
Sommige rupsen brengen uitstulpbare klieren naar buiten.
GIFTKLIEREN. Komen voor bij bijen en hommels; ook mieren bezitten nog
deze klieren. Het speeksel van muggen, steekvliegen, vlooien en wantsen
bezit eveneens scherpe eigenschappen.
SPINKLIEREN. Zijn zeer belangrijk voor de insecten; bij de rupsen
monden zij uit aan de onderlip. De spinstof is taai en verhardt aan de
lucht. Technisch is de spindraad van de zijderups van beteekenis.
LIJMKLIEREN. Komen voor o.a. bij verschillende vlinders; met de
lijmstof worden de eieren vastgehecht.
WASKLIEREN vinden wij bij de bijen en bladluizen; ook nog bij andere
insecten. De wasklieren der bijen zijn geheel andere organen dan die
van de blad- en schildluizen.
III. VAN EI TOT IMAGO.
Alle insecten ontstaan uit eieren. Vroeger meende men, dat de insecten
uit vuil konden ontstaan; dat is onjuist. Wel is het waar, dat vele
insecten in vuil hun eieren leggen en dat daaruit dan nieuwe insecten
ontstaan, maar als er geen eieren worden gelegd komen er ook geen
insecten. Sommige huismoeders denken dat de hoofdparasieten bij de
kinderen vanzelf ontstaan; ook dat is niet waar. Als de oude parasieten
geregeld door wasschen en kammen worden verwijderd, houdt men de
hoofden rein. Wel loopen de ongedierten van het eene kind naar het
andere.
Er zijn timmerlieden, die meenen, dat in den zaagselhoop van zelf
vlooien ontstaan. De waarheid is, dat de vlooien in die hoopen gaarne
haar eieren leggen en dat uit die eieren dan weer nieuwe vlooien komen.
Van tuinlieden hoort men wel, dat door tocht bladluizen ontstaan. Ook
dat kan niet. Wel worden door den wind, door tocht, gevleugelde
bladluizen medegevoerd van de eene plant naar de andere. Insecten
ontstaan dus alleen uit eieren, die door de oude insecten worden
gelegd.
HOE DIKWIJLS LEGGEN DE INSECTEN EIEREN? De meeste insecten leggen maar
eenmaal eieren en sterven dan. Loopkevers en ook wel snuittorren en
schorskevers leggen de eieren met groote tusschenpoozen. Die dieren
leven als imago dan ook 2 tot 3 jaar. Een bijenkoningin legt gedurende
4 à 5 jaar eieren en de wijfjes der mieren en termieten doen dat wel
tot 15 jaar; dat worden dus heel oude dieren.
HET AANTAL EIEREN. Een vloo legt maar een dozijn eieren; een doodgraver
een 30, een zijdevlinder 500, de groote beervlinder een 1600. De
sociale wespen, dat zijn die, welke in kolonies leven, kunnen wel van
20 tot 30000 eieren leggen, en een bijenkoningin kan het gedurende haar
leven wel brengen tot 60000. Termieten leggen eenige millioenen eieren.
WAAR WORDEN DE EIEREN GELEGD? De meeste eieren worden op of in het
voedsel gelegd, dat de larve zal eten. Vlinders leggen hun eieren op
planten, vleeschvliegen op vleesch en lijken; eten de larven wortels
van planten, dan worden de eieren in den grond gelegd, zooals de
meikever dat doet.
Soms wordt bij het ei voedsel gelegd; dat doen graafwespen. En bij
sociale wespen worden de larven geregeld gevoederd.
HOE WORDEN DE EIEREN AFGEZET? 1º Sommige insecten, zooals de wandelende
takken, die wij wel in Artis kunnen zien, laten hun eieren maar gewoon
vallen; deze eieren gelijken veel op zaden. De eieren van de wandelende
bladen lijken nog meer op zaden en wel op die van de schermbloemigen.
Zou dit een soort bescherming, mimicry, zijn? 2º Ook worden de eieren
wel in groepen of schooltjes gelegd; ze worden dan aan een onderlaag
vastgekleefd: de ringelrupsvlinder legt ze in een ringetje om een
takje, de plakker bedekt de eieren, de witvlakvlinder legt ze op zijn
cocon en het koolwitje aan de onderzijde der koolbladeren. 3º De
gaasvliegen (106) leggen gesteelde eieren. Dat gaat zoo. Eerst wordt
kleefstof op een blad aangebracht en daarmede het ei in aanraking
gebracht, dat nu opgetrokken wordt; de steel ontstaat uit de kleefstof.
4º Eieren worden ook in kapsels gelegd; die kapsels ontstaan uit
klierstoffen; wij zien dit bij sprinkhanen, die er ook nog zand bij
mengen en bij kakkerlakken. 5º Kokerjuffers leggen haar eieren in
structuurlooze kapsels; de eieren zijn dan omgeven door gelei.
BESCHERMING DER EIEREN. Hoe beter de eieren beschermd zijn, des te meer
kans bestaat, dat de insecten niet zullen uitsterven. Daarom worden de
vijanden zooveel mogelijk van de eieren afgehouden. Het wijfje legt
daartoe de eieren in reten en scheuren van boomstammen, aan de
onderzijde der bladeren. De zwarte, spinnende watertor (25) spint voor
de eieren een groot kapsel, het bekende bootje. Vaak worden de eieren
met haren bedekt. Bij de schildluizen zit de moeder op de eieren. De
keukenkakkerlak draagt de eieren bij zich. De oorwormen houden onder
steenen de wacht bij de eieren, en verdedigen ze tegen andere insecten.
De veenmol legt ze in een nest en bewaakt dat. Bij de sociale insecten,
(mieren, wespen,) worden de eieren beschermd door de strijdlustige
arbeidsters en soldaten, en zoo noodig verplaatst. Als een bijzondere
bescherming van de eieren en jongen is het te beschouwen, als de eieren
en larven in het lichaam van het oude insect worden bewaard. Dat
verschijnsel heet vivipari.
VIVIPARI. Hieronder verstaat men het verschijnsel, dat de eieren niet
worden gelegd, doch in het lichaam worden uitgebroed. Deze insecten
brengen dus larven voort, meer of minder ontwikkeld. Er is maar één
geval bekend, dat zoo’n larve het zelfs tot imago brengt, voor zij ter
wereld komt. Bij hoogere dieren komt vivipari ook wel voor. Haaien
broeden de eieren in de lichaamsholte uit; ook bij ringslangen komt dit
wel voor.
Vivipari treedt in alle orden der insecten op. Bekend zijn vooral de
bladluizen en schildluizen, bij wie het veel voorkomt. Bij de
tweevleugeligen (vliegen) komt het in verschillende trappen voor. Van
parasietvliegen is het bekend, dat uit de eieren, die op de rupsen
worden gelegd, direct de larven voor den dag komen.
GERMINOGONIE. Dit is een heel bijzondere manier van voortplanting; uit
één ei komen dan honderden insecten. Dit is omstreeks 1900 ontdekt. Zoo
heeft men in één rups 1000 en meer sluipwespen gevonden, die uit zulke
uiteengevallen eieren waren ontstaan. Bij hoogere dieren komt dit ook
wel voor; bij de aardwormen komen uit één ei twee jongen en bij de
gordeldieren komen uit één ei 4 jongen.
PARTHENOGENESE. Het verschijnsel, dat er veel meer wijfjes optreden dan
mannetjes, zelfs, dat er in het geheel geen mannetjes ontstaan of
bekend zijn, noemt men parthenogenese.
In het algemeen komen er in de dierenwereld meer mannetjes dan wijfjes
voor. Bij de hoenders worden er meer hennen dan haantjes geboren.
Daarentegen zijn er bij de spinnen 8 maal zooveel mannetjes als
wijfjes.
Parthenogenese komt in alle insectenorden voor. In mierennesten leeft
o.a. een soort krekel, Myrmecophila acervorum, waarvan onlangs voor het
eerst een mannetje is waargenomen. Ook van sommige soorten wandelende
takken zijn nooit mannetjes gezien. Onder de heel groote soorten, die
wij wel in Artis in Amsterdam zien, komen maar zelden mannetjes voor.
Bij de kommaschildluis vinden wij ook geen mannetjes. Van vele
vachtluizen zijn de mannetjes onbekend of komen zelden voor. Bij de
bladwespen komt parthenogenese veel voor. Als men deze dieren in huis
kweekt, krijgt men daarentegen vaak alleen mannetjes. Ook bij
sluipwespen neemt men dit waar.
Bekend is het, dat uit de eieren van de werksters van de bijen alleen
mannetjes komen. Ook bij vlinders is parthenogenese waargenomen,
evenals bij enkele keversoorten.
HETEROGONIE. Men spreekt van heterogonie of cyclische voortplanting,
als een generatie van mannetjes en wijfjes afwisselt met een of meer
geslachten van uitsluitend wijfjes. Tusschen deze beide generaties
bestaan dan niet zelden zeer groote verschillen in vorm, waardoor deze
dieren vroeger verschillende namen hebben gekregen. Heterogonie komt
voor bij galwespen (166) en bij bladluizen. Van de bladluizen is het
bekend, dat op één geslacht van mannetjes en wijfjes vele geslachten
van uitsluitend wijfjes volgen; in één zomer soms wel 10 tot 16.
Wanneer in den zomer onze planten vol luis zitten, zijn dit uitsluitend
wijfjes.
GEDAANTEVERWISSELING. Alle insecten ontwikkelen zich uit eieren; de
jonge insecten, die uit de eieren komen, noemt men larven. Lijken de
jonge insecten, de larven, nu ook al op de ouden, zooals b.v. een jong
kuikentje al op een kip of haan gelijkt? Soms wel, soms niet. Zoo lijkt
de larve, die uit een sprinkhanenei is gekropen, al aardig op een
grooten sprinkhaan; ze is wel veel kleiner, ook de organen zijn niet
geheel uitgegroeid en de vleugels ontbreken nog geheel, maar men kan
toch wel zien, dat het een sprinkhaan zal worden. De larve, die uit een
vlinderei komt—een rups—lijkt in ’t geheel niet op een vlinder; toch
wordt de rups eenmaal een vlinder. Zoo lijkt de larve van een
meikever—een engerling (5)—ook niet op een meikever.
Uit de eieren van suikergasten (73), van ongevleugelde dierluizen en
vachtluizen komen jongen, die geheel op de ouden gelijken, doch alleen
veel kleiner zijn. Er is dus nog al eenig onderscheid in de
verschillende groepen.
We kunnen dus 3 gevallen onderscheiden:
1º de jongen zijn geheel gelijk aan de ouden, doch veel kleiner; ze
gebruiken hetzelfde voedsel als de ouden;
2º de jongen gelijken wel op de ouden, doch hebben geen vleugels en
ook andere organen zijn nog niet geheel uitgegroeid; ook deze
larven leven meestal op dezelfde wijze als de ouden;
3º de jongen gelijken heelemaal niet op de ouden; ze gebruiken
meestal geheel ander voedsel dan de ouden en leven ook op een
andere manier; een rups leeft van bladeren en een vlinder van
honing.
Maar hoe wordt een rups nu een vlinder? Al groeit zij nog zoo hard en
al eet zij nog zooveel, een rups blijft een rups, en toch moet er een
vlinder van worden.
Er moet dus een heele verandering in de rups plaatsgrijpen, een
verandering, die zoo groot is, dat wij ons daarvan haast geen
voorstelling kunnen maken. Om die verandering tot stand te brengen,
gaat de rups over in een toestand van uitwendige rust, om alle krachten
te kunnen wijden aan haar vormverandering. De rups gaat, voor zij
vlinder wordt, in den poptoestand over.
Zoo’n poptoestand komt ook voor bij de kevers, bij de vliegen, bij de
bijen, hommels en bij meer andere insecten.
Na verloop van langer of korter tijd scheurt de pophuid open en komt de
volwassen vlinder, kever, vlieg, wesp of bij er uit. Van deze insecten,
die in hun ontwikkeling een poptoestand doormaken, zegt men, dat zij
hebben een volkomen gedaanteverwisseling, dus eerst ei, dan larve,
daarna pop en ten slotte imago.
Bij andere insecten nemen wij geen poptoestand waar, die is daar ook
niet noodig, want al groeiende en vervellende begint de larve op de
ouden te gelijken en bij de laatste vervelling is zij een imago
geworden. Wij kennen hier dus maar 3 sterk van elkaar verschillende
toestanden: ei, larve en imago. In tegenstelling met de vorige groep
insecten, zegt men van deze, dat zij hebben een onvolkomen
gedaanteverwisseling. Dat woord „onvolkomen” zou ons doen denken, dat
er iets aan de gedaanteverwisseling hapert. Dit is niet het geval. Men
gebruikt nu eenmaal dit woord en daarom zullen wij het ook maar doen,
doch mooi en correct is het niet.
Als wij nu nog eens samenvatten, wat wij hierboven vertelden, dan
kunnen wij omtrent de gedaanteverwisseling het volgende zeggen:
1º er zijn insecten zonder gedaanteverwisseling: suikergasten,
luizen;
2º een onvolkomen gedaanteverwisseling nemen wij waar bij de
rechtvleugeligen (krekels, kakkerlakken, sprinkhanen, veenmol,
wandelende takken en bladen), bij de oorwormen en bij libellen of
waterjuffers; bij deze laatste heeft nog iets bijzonders plaats,
waarop wij nog terugkomen;
3º een volkomen gedaanteverwisseling treffen we aan bij de
vlinders, de kevers, de bijen, de mieren en andere.
Al deze gevallen hebben betrekking op de verandering van de dieren, als
zij eenmaal uit het ei zijn gekropen. In het ei zelve heeft evenwel de
grootste vormverandering plaats gehad; daar is uit één cel een heel
dier gegroeid. Men noemt dit wel de embryonale gedaanteverwisseling.
Over de larven spreken wij nog nader bij Plaat I en over de poppen bij
Plaat II.
IV. HOE LANG LEEFT EEN INSECT?
In het algemeen kunnen wij zeggen, dat de meerderheid der insecten voor
hun ontwikkeling van ei tot imago één jaar noodig hebben. Komen er
meerdere geslachten in één jaar voor, dan duurt de ontwikkeling
natuurlijk korter. Meestal duurt de ontwikkeling van de wintergeneratie
dan langer. Van de eieren, die de witvlakvlinder in Augustus legt,
komen eerst in April of Mei vlinders; dat duurt 9 à 10 maanden. De
zomergeneratie daarentegen ontwikkelt zich in 2, 2½ of 3 maanden.
Er zijn evenwel insecten, die langer tijd noodig hebben om zich tot
imago te ontwikkelen; dan hebben vooral de larven langer tijd noodig.
Van vele houtkevers duurt de ontwikkeling 2 jaar, de meikever heeft 3–4
jaar noodig, en een Amerikaansche cicade zelfs 17 jaar. Invloed op den
duur der ontwikkeling hebben de warmte en de vochtigheid van de lucht.
Er schijnen nog andere invloeden werkzaam te zijn, die men nog niet
kent. Het komt voor, dat b.v. vlinders, die in ’t begin van den zomer
uit de pop moesten komen, daarmede nog 1 of meer jaren wachten, zelfs
5, 6, ja 8 jaren.
Of deze poppen, die dan toch leven en daardoor voedsel verbruiken, ten
slotte niet uitgeput raken? Het schijnt van niet. Volgens een bekende
insectenkundige, gravin von Linden, zouden de poppen net als de planten
koolzuur uit de lucht opnemen en hiervan de koolstof vasthouden; ook
zouden zij stikstof uit de lucht kunnen opnemen, zooals de bacteriën
aan de wortels van de vlinderbloemigen doen. Intusschen wordt deze
opvatting door anderen weer bestreden. Maar het feit van de „verjaring”
der poppen staat vast. Wie vlinders opkweekt en soms tevergeefs wacht
op het uitkomen der poppen, moet zijn poppen dus nog niet wegdoen.
Sommige imago’s leven maar enkele uren, b.v. het oeveraas (75);
verschillende vlinders verscheidene maanden, vooral die, welke als
imago overwinteren, ’t citroentje (109). Sommige kevers leven meerdere
jaren, o.a. schorskevers, de poppenroover (33) en andere
schallebijters. De langste levensduur hebben de wijfjes of koninginnen
van de sociale insecten. Een bijenkoningin wordt 5 jaar, die uit een
mierenkolonie tot 12 en een termietenkoningin zelfs tot 15 jaar. In al
dien tijd behouden zij de geschiktheid eieren te leggen.
V. HOE OVERWINTEREN DE INSECTEN?
Het spreekt vanzelf, dat een insect in den een of anderen toestand den
winter moet doorbrengen: als ei, larve, pop of imago. Nu zijn van elk
vele voorbeelden op te geven; we zullen er enkele opnoemen. Als ei
overwinteren de ringelrups, de witvlakvlinder, de plakker, de
bladluizen, de sprinkhanen. Veel meer insecten blijven als larve den
winter over: vele rupsen, de beerrups, de bastaardsatijnvlinder (in
nesten), larven van loopkevers, engerlingen, enz. Als pop blijven den
winter over: het koolwitje, de koninginne-page, de pijlstaarten, die
den grond in kruipen. Zeer veel dieren blijven als imago over: koningin
en werksters van de bijen, de hommel- en wespenkoninginnen,
goudhaantjes, Onze-Lieve-Heersbeestjes, atalanta, citroentje, kleine
vos, steekmuggen.
In het algemeen kunnen wij zeggen, dat de meeste groote vlinders als
rups overwinteren, een vierde deel als pop, en zeer weinigen als ei of
als vlinder. Er is dus ook hier weer groot verschil. Voor den land- en
tuinbouwer is het van het grootste belang, dat hij precies weet in
welken toestand de schadelijke insecten overwinteren; hij kan ze dan in
hun winterkwartieren opzoeken en verder onschadelijk maken.
Nu we weten, dat de insecten in verschillende toestanden overwinteren,
kunnen wij tegelijk de vraag beantwoorden: Waar komen de insecten in
het voorjaar vandaan? Insecten, die in het voorjaar uit de eieren
komen, doen niet dadelijk zooveel kwaad, als de rupsen, die overwinterd
hebben; deze vallen dadelijk aan. Als een insect overwintert als pop,
duurt het gewoonlijk nog al eenigen tijd voor de larve de planten gaat
aanvallen.
Steekmuggen blijven den winter als volwassen mug over, en daarvoor
zoeken zij kelders, gangen en waranda’s op; ook in stallen vindt men ze
dan. Als wij nu in ’t voorjaar geen last van deze muggen willen hebben,
kunnen wij ze in den winter dooden. De boomkweeker maakt in ’t vroege
voorjaar de stammen van de vruchtboomen schoon; verschillende kevers,
die in de naden zitten, worden dan verdreven of gedood. De kennis van
’t winterstadium van de insecten in dus van veel practisch belang.
Ook voor den insectenverzamelaar en den insectenkweeker is het van veel
belang, dat hij wete, hoe de insecten den winter doorbrengen. Hij kan
ze dan gemakkelijk verzamelen. Wij komen daarop nog wel terug.
VI. DIMORPHISME. MANNETJES EN WIJFJES.
Iedereen weet dadelijk een kip van een haan te onderscheiden: dat zien
we aan de kammen, aan de staarten; we hooren dat de een kraait, de
ander kakelt. Van zeer veel insecten kunnen wij de mannetjes en wijfjes
ook op het eerste gezicht onderscheiden: de verschillen zijn dan zeer
opvallend en men spreekt van dimorphisme of tweevormigheid. Wij zullen
enkele gevallen bespreken.
SPRIETEN. Bij de boktorren hebben de mannetjes soms zulke lange
sprieten, dat de lengte daarvan eenige malen die van het lichaam
bedraagt. Bij het wijfje zijn ze dan soms niet langer dan het lichaam.
De sprieten verschillen ook in vorm; bij den meikever en andere
bladsprietigen heeft het mannetje grootere bladen aan de sprieten dan
het wijfje; ook bestaat er verschil in aantal dezer bladen: 7 voor het
mannetje en 6 voor het wijfje. Bij de vlinders zijn de sprieten der
mannetjes veel grooter en meestal zeer vertakt: de mannetjes hebben dus
goede neuzen. Ook bestaan de sprieten wel uit meer leden bij de
mannetjes: een dar heeft 13 sprietleden, een koningin maar 12. Op
iederen spriet heeft een mannetjes-bij 15000 zintuigorganen en een
werkster maar 4000.
Aan de sprieten kan men gemakkelijk de mannetjes der steekmuggen
herkennen, zoo groot en vertakt zijn die.
OOGEN. Bij de Tweevleugelingen hebben de mannetjes 2 soorten facetten
in de oogen, bij bremsen zeer goed te zien. Dit verschil is van groot
belang bij ’t waarnemen van bewegingen. Op betrekkelijk groote
afstanden nemen de insecten al bewegingen waar; zij vliegen dan op. Men
weet, hoe moeilijk het is, b.v. kamervliegen te vangen.
Bij de Haften is het oog van het mannetje geheel verdeeld, zoodat zij
feitelijk vier oogen hebben.
MONDDEELEN. Sommige mannetjes zijn te herkennen aan de groote
bovenkaken, b.v. het vliegend hert (48); het verschil met het wijfje
(46) valt wel duidelijk op. Bij bloedzuigende insecten (steekmuggen)
missen de mannetjes de bovenkaken; die steken dan ook niet, dat doen
alleen de wijfjes.
POOTEN. Soms hebben de mannetjes aanhangsels aan de pooten; dit is een
soort pootversiering, die o.a. voorkomt bij den geranden waterkever
(28).
VLEUGELS. Deze vertoonen vaak groote verschillen in vorm, aantal en
kleur. Zoo zijn b.v. de vleugels van de mannelijke witjes iets spitser.
Vooral bij vlinders uit de tropen zien wij sterk sprekende verschillen.
Bij de wintervlinders (139) zijn de mannetjes flink gevleugeld, terwijl
de wijfjes slechts stompjes of geen vleugels hebben. Van de
keukenkakkerlak (83) is het mannetje gevleugeld, ’t wijfje
ongevleugeld. Datzelfde zien wij bij den witvlakvlinder (143); wie het
niet weet, ziet het wijfje heelemaal niet voor een vlinder aan.
De kleur en teekening der vleugels loopt nog al vaak uiteen bij de
vlinders en libellen. Van de meerjuffer (80) hebben de mannetjes
donkerblauwe vleugels en de wijfjes bruinachtige.
Het achterlijf vertoont minder verschillen. Toch is b.v. het achterlijf
van de groote glazenmakers meer blauw-zwart bedauwd, terwijl de wijfjes
een meer geel achterlijf hebben.
Het komt ook voor, dat de wijfjes organen bezitten, die de mannetjes
missen. Zoo hebben de koninginnen en werksters bij de hommels
verzamelkorfjes, waarin het stuifmeel mede naar de kolonie wordt
genomen; de mannetjes, de darren, verzamelen geen stuifmeel. De
genoemde wijfjes bezitten ook een angel, dien de mannetjes missen.
Zoo’n angel is een gewijzigde legboor. Zijn de wijfjes in het bezit van
een legboor, dan missen de mannetjes die; sprinkhanen, bladwespen.
Men ziet uit deze voorbeelden, die wij met honderden zouden kunnen
vermeerderen, dat het vaak op het eerste gezicht al te zien is of wij
met een mannetje of een wijfje te doen hebben.
VII. POLYMORPHISME. SOLITAIRE en SOCIALE INSECTEN.
Insecten, die in kolonies of staten leven, zooals wespen, bijen,
hommels, mieren, noemt men sociale insecten, omdat zij als het ware een
maatschappij vormen. De dieren zijn dan gezellen onder elkaar;
socius-gezel. Insecten, die alleen of eenzaam leven, noemt men
solitaire insecten.
Onder polymorphisme verstaan wij het verschijnsel, dat van één
diersoort drie of meer vormen optreden; polymorphisme beteekent
veelvormigheid. Deze veelvormigheid komt nu voor zoowel bij de
solitaire als bij de sociale insecten.
POLYMORPHISME BIJ SOLITAIRE INSECTEN. Hiervan geven wij de volgende
voorbeelden.
1. Bij den oranje-lucernvlinder, Colias edusa, komen 2 soorten
mannetjes voor en maar 1 wijfjessoort.
2. Van den geelgeranden waterroofkever kennen wij 2 wijfjesvormen;
de eene met geribde, de andere met gladde dekschilden.
3. Bij wantsen komen kort- en langvleugelige wijfjes voor.
4. Bij de kleine waterjuffers treden kleurverschillen bij de
wijfjes op; ’t achterlijf is daardoor niet constant van kleur.
5. Van het mannelijk vliegend hert kent men 4 verschillende vormen;
de verschillen zitten in de bovenkaken.
6. Acentropus niveus is een vlinder, die als rups in het water leeft.
Het mannetje is normaal; een deel der wijfjes is gevleugeld, een
ander deel heeft alleen stompjes van vleugels en verlaten het
water niet. Beide vormen komen bij ons voor. Merkwaardig dat in
Duitschland alleen kortvleugelige en in Zweden slechts
langvleugelige wijfjes voorkomen.
7. Van de oorwormen kennen we 2 mannelijke vormen; het verschil zit
in de tangen aan ’t achterlijf.
POLYMORPHISME BIJ DE SOCIALE INSECTEN. Deze veelvormigheid is het
langst bekend en wel bij de statenvormende bijen, hommels, mieren en
wespen.
HOMMELS. In ’t najaar sterft de heele hommelkolonie uit; alleen de
nieuwe, in den zomer geboren koninginnen overwinteren. Die kruipen hier
of daar weg en komen in het voorjaar te voorschijn. Op een klompje
stuifmeel met wat honing worden de eieren gelegd en daaruit komen
kleine werksters. Later worden wat grootere werksters geboren en
vervolgens ook mannetjes en wijfjes of koninginnen. Als een
hommelkolonie dus op volle kracht is treffen wij daarin aan: de oude
koningin, verschillende soorten werksters, mannetjes en nieuwe
koninginnen. De werksters zijn gewijzigde wijfjes.
HONINGBIJEN. In een bijenkorf treffen we drie soorten individuen aan:
een koningin, mannetjes of darren en werksters of gewijzigde wijfjes.
De werksters zorgen voor het halen van stuifmeel en honing, zij houden
den korf schoon en wat vooral van belang is, zij voeden de jongen.
Precies als bij de hommels; daar verzorgen de werksters ook de jongen.
De koningin legt eieren. Midden in den zomer worden alle mannetjes den
korf uit gejaagd, zoodat er in den winter alleen een koningin met
werksters over blijft.
WESPEN. Deze beginnen ook in het voorjaar met een overwinterde
koningin. Die vangt aan zelf een nest te bouwen en uit de eerste
eieren, die zij legt, komen werksters. Later komen er weer nieuwe
koninginnen en mannetjes. We hebben dus ook hier weer drie vormen.
MIEREN. Hier hebben wij ook drie kasten: mannetjes, wijfjes, en
werksters. Deze werksters worden gewoonlijk soldaten genoemd en kunnen
weer in groepen worden ingedeeld. De soldaten zijn ook hier gewijzigde
wijfjes.
Uit hetgeen wij nu vertelden over de hommels, de bijen, de wespen en de
mieren, is gebleken, dat er een groote groep van dieren in elk dier
kolonies leeft, die zich uitsluitend bezig houden met de verzorging der
jongen; dat zijn de werksters. Als wij deze dieren afzonderlijk
beschrijven komen wij hierop uitvoerig terug, maar dit kunnen wij
alvast opmerken, dat door de veelvormigheid der individuen in de
insectenkolonies de verdeeling van arbeid mogelijk is geworden.
VIII. Het PARASITISME.
Onder parasieten verstaan wij dieren, die geheel ten koste van andere
dieren leven en zich voeden met stoffen, die de gastheer voor zich zelf
had bestemd. Een parasiet verslindt zijn gastheer niet in eens, doch
eet hem van lieverlede toch geheel uit.
De insecten hebben vooral van twee soorten parasieten te lijden, die
zelf ook tot de insecten behooren n.l. de sluipwespen en de
sluipvliegen, die ook wel rupsvliegen worden genoemd. Tot de insecten,
die in of op warmbloedige dieren parasiteeren, behooren de horzels, de
luisvliegen en de luizen.
Uit een entomologisch oogpunt zijn vooral de sluipwespen en
sluipvliegen van belang. Met een sluipwesp hebben wij reeds bij de
koolrups kennis gemaakt. Dat was een kleine soort; we zullen nog
grootere leeren kennen.
De sluipwespen hebben allen een lange legboor en een lang gerekt
lichaam. Zij moeten goed snuffelen om een gastheer te vinden, waarin
zij haar eieren kunnen afzetten. Daarom hebben zij goede oogen en
vooral is haar reuk uitstekend; haar sprieten zijn dan ook lang en
altijd in beweging. Het ei wordt ook wel eens op den gastheer gelegd en
dan kruipt de larve, die hieruit komt, of den gastheer in, of zij
blijft op het dier. Is de larve volwassen, dan verpopt ze in of buiten
den gastheer.
Het komt ook voor, dat, als een rups in zich herbergt de larven van een
sluipwesp, dat dan weer een andere soort sluipwesp komt en haar eieren
legt in de larven van de eerste. Dan gaan de eerste sluipwespen er aan
en kunnen ze ons geen hulp meer verleenen. Men noemt zulke sluipwespen
parasieten van den tweeden graad. Er zijn zelfs parasieten van den
derden graad bekend. De beteekenis van de parasieten is zeer groot want
zij helpen ons in den strijd tegen verschillende plantenvernielsters.
Zij vermenigvuldigen zich zeer snel en omdat die vermenigvuldiging
gepaard gaat met het dooden van de rupsen, daarom vallen er zóóvele
schadelijke dieren, dat tenslotte de ergste rupsenplaag tot staan komt.
De sluipwespen vallen ook wel nuttige insecten aan, b.v. Onze
Lieve-Heersbeestjes, maar dit daargelaten, moeten de sluipwespen tot de
nuttigste dieren worden gerekend.
Behalve larven (rupsen), worden ook wel eieren, poppen en imago’s
geïnfecteerd.
Bij het opkweeken van insecten in huis kunnen wij herhaaldelijk kennis
maken met sluipwespen.
Eenzelfde rol als de sluipwespen spelen de sluipvliegen. Zij vertoonen
het echt vliegen-type en zijn in het bezit van groote stekelharen op de
segmenten van ’t achterlijf. Er zijn al meer dan 400 soorten bekend,
die in rupsen leven.
De sluipvliegen leggen haar eieren op de rupsen; de larven, die hieruit
komen, kruipen naar binnen. Soms worden de eieren in de stigma’s, de
ademhalingsopeningen, gelegd; er wordt ook wel eens gebruik gemaakt van
een legstekel.
De eigenaardigste manier van infecteeren is de volgende. De sluipvlieg
legt haar eieren op een plant; terwijl de rupsen nu deze bezette
bladeren eten, peuzelen zij tegelijk de eieren naar binnen, waaruit
zich dan in het lichaam van de rups de larven ontwikkelen. Deze
bijzondere infectie-methode is het eerst waargenomen door een Japanner
bij de Japansche zijderups. Later is dit ook in Europa waargenomen.
Bij het bestrijden van rupsenplagen bewijzen de sluip- of rupsenvliegen
ons groote diensten.
IX. Het WEER en de INSECTEN.
Dat het weer invloed op de insecten heeft, ligt voor de hand. Toch
hebben velen hiervan een verkeerde voorstelling. Dat rupseneieren wel
een koude van -30° C. kunnen verdragen, zal men niet gauw gelooven;
toch is dit juist. Koude schaadt niet—ten spijt van de algemeene
opinie—als ze maar komt in het overwinteringsstadium der insecten en
als de temperatuur voor de betreffende landstreek niet al te abnormaal
is, en als de koude geleidelijk intreedt.
Insecten kunnen goed tegen de kou.
Ja, zij hebben die zelfs noodig voor een normale ontwikkeling, omdat de
hoeveelheid reservevoedsel, waarmede zij den winter moeten doorkomen,
maar beperkt is. Bij stijging van temperatuur in de wintermaanden,
stijgt de ademhaling ten koste van het reservevoedsel; ook is de
uitdroging dan sterker. Zoodoende is het dier spoedig aan het einde van
zijn menu, terwijl aanvoer van nieuwen voorraad nog niet mogelijk is.
Wel is schadelijk de ontijdige kou in ’t late voorjaar of het vroege
najaar. En nu mogen de voorjaarsvorsten onzen planten een gevoeligen
tik geven, de land- en tuinbouwers weten niet hoeveel gevaarlijk
gedierte dan om zeep gaat.
Plotselinge koude in den zomer werkt storend op de voortplanting van de
koudbloedige insecten en dat scheelt soms wel eens één generatie of
meerdere in één jaar.
Zeer erg is natte koude.
Zoo zal een sterke dooi, die des nachts onderbroken wordt door daling
van de temperatuur, heel wat verwoesting onder de insecten aanrichten.
Zijn de bodem en de boomstammen eerst klets nat en zet de vorst het
water daarna in ijs om, dan hebben de insecten het hard te
verantwoorden.
Warmte daarentegen bevordert den groei en de ontwikkeling der
koudbloedige dieren; daarentegen is droge warmte doodend vooral voor
die insecten, die veel behoefte hebben aan lichaamsvocht, b.v.
bladluizen. Het is waargenomen, dat sterk met bladluizen bezette boomen
als bij tooverslag werden „ontluisd” toen de temperatuur steeg tot
38½°C.
Is het voorjaar reeds vergevorderd, dan kan in de maanden Mei, Juni en
Juli groote vochtigheid sterk vernietigend op het insectenleger
inwerken. In die maanden toch verkeeren veel insecten in den ei- of
larvetoestand, twee stadiën, waarin de dieren zeer gevoelig voor vocht
zijn. Dit weten vooral keververzamelaars zeer goed; een vochtige tijd
van Mei tot Juli geeft daarna een slecht keverjaar.
Ook een nat najaar verzuurt het insectenleven en dat aanhoudende zware
regens en sterke wind veel slachtoffers eischen ligt voor de hand.
„Slechte bijenjaren” b.v. ontstaan door deze klimatologische invloeden.
Het insectenleven gaat dus op en neer met het weer, en zoo is het niet
te verwonderen, dat het in groote massa optreden van bepaalde
insectengroepen in verschillende jaren zoozeer uiteen kan loopen.
X. De VIJANDEN der INSECTEN.
Er is wel geen enkel dier, dat ongestoord zijn weg kan gaan. Ieder
heeft zoo zijn vijanden, die hem naar het leven staan, en dat is maar
goed ook. De wereld zou anders spoedig te klein worden, zoo snel gaat
de voortplanting. Stel dat een vlinder 150 eieren legt, en dat 50
hiervan zich tot wijfjes ontwikkelen; het volgende jaar worden er dus
50 maal 150 = 7500 eieren gelegd. Groeit het derde deel weer uit tot
wijfjes, dan kunnen die 2500 maal 150 = 375000 eieren leggen. Dat is
dus de nakomelingschap van één vlinder in het tweede jaar.
Maar ook al is het voortplantingsvermogen gering, dan kunnen er na
enkele jaren vele nakomelingen zijn. Als een vogelsoort, die 5 jaar
leeft en in dien tijd 4 maal 4 jongen krijgt, dan heeft ze na 15 jaar .
. . . . 2000 millioen nakomelingen.
Het is dus wel gewenscht, dat geregeld een deel der verschillende
dieren wordt opgeruimd; en dat geschiedt dan ook.
Behalve door het weer, geschiedt de verdelging van veel insecten door:
1º dieren, 2º schimmels en 3º bacteriën.
Wat de dieren betreft, kunnen wij de insectenverdelgers in twee groepen
verdeelen, in parasieten en van roof levende dieren. Over de parasieten
hebben wij reeds gesproken. De dieren, die insecten aanvallen, en dan
tegelijk verslinden, zijn de volgende:
1º de vleermuizen;
2º insecteneters, als: mol, spitsmuis, egel;
3º wezel, hermelijn, vos;
4º zeer vele vogels;
5º tal van insecten, zooals: loopkevers, Onze Lieve-Heersbeestjes,
libellen, gaasvliegen, roofvliegen, wantsen, mieren, wespen;
6º duizendpooten en spinnen.
Al deze dieren helpen ons in den strijd tegen de vele planteneters. Hun
werk is daarom zoo te waardeeren, omdat zij er altijd op uit zijn
insecten in te rekenen. Daardoor voorkomen zij dikwijls het ontstaan
van insectenplagen. Men noemt ze daarom wel eens de „dierkundige
politie”.
Hoe groot b.v. de invloed der vogels op de insectenwereld is, blijkt
uit het volgende: 2 koolmeezen gebruikten van 6 uur ’s morgens tot 7
uur ’s avonds 187 vlinderpoppen en 3 blauwmeesjes en 3 dennenmeesjes
aten een tijdlang dagelijks ongeveer 10000 vlindereieren op. Natuurlijk
pikken de vogels ook wel nuttige insecten op, doch door elkaar
gerekend, zal het voordeel toch wel aan onze zijde zijn.
Over de van roof levende insecten spreken wij bij de afzonderlijke
groepen. Dat vele insecten ten offer vallen aan de spinnen is bekend.
Van groot belang zijn ook de schimmels en bacteriën, die de insecten
dooden. Velen zullen wel eens doode kamervliegen hebben zien zitten
omringd door een wit poeder. Hier was een schimmelziekte aan het werk
geweest. En bij de geschiedenis van het koolwitje hebben wij verhaald,
hoe de bacteriën vaak opruiming onder de rupsen houden.
Allerlei rupsen, kevers, en andere insecten, worden door schimmels en
bacteriën aangevallen, en menigmaal worden insectenplagen hierdoor tot
staan gebracht.
De imkers weten mede te praten over het vuilbroed, een bacterieziekte,
die de bijenkolonies teistert. Wij kunnen over deze „insectenziekten”
niet verder uitweiden, hoe belangrijk deze zaak ook is. Maar dit willen
wij nog wel even vastleggen, dat ook hieruit weer blijkt, over hoevele
middelen de natuur beschikt om te groote toename van de dierengroepen
te voorkomen. Al die ziekten toch zijn middelen om de getalverhouding
tusschen de dieren onderling binnen de gewenschte grenzen te houden.
Zoodra een dierengroep zich al te sterk heeft uitgebreid, vinden de
ziektekiemen, die er toch altijd zijn, een prachtige gelegenheid voor
haar ontwikkeling, en dan vallen de dieren als sneeuw voor de zon. Zoo
zorgt de natuur voor haar eigen behoud . . . . . . door vernietiging.
Uit het medegedeelde blijkt ten duidelijkste, dat de insecten door een
leger van vijanden worden aangevallen.
XI. De BETEEKENIS der INSECTEN voor de HUISHOUDING der NATUUR.
En welke plaats nemen de insecten nu in tusschen de andere dieren en
tusschen de planten? Dat zullen wij in het kort trachten na te gaan. In
’t algemeen zijn de insecten maar kleine diertjes en als hun rol in de
natuur toch nog belangrijk is, dan vindt dit zijn oorzaak in het groote
aantal, waarin zij optreden.
Het grootste insect, b.v. een vliegend hert (48) of de groote
glazenmaker (79) is nog betrekkelijk klein en als wij van de groote
vlinders de vleugels afnemen, blijkt het eigenlijke lichaam toch ook
maar klein te zijn.
Het aantal insectensoorten is zeer groot. Tot heden zijn er 250000
soorten in de wereld bekend, en vele streken zijn nog niet voldoende
onderzocht. In ons land zijn ruim 9000 soorten bekend, waaronder: ruim
3000 keversoorten, ruim 2000 vliegen en muggen, ruim 1800 bijen,
wespen, mieren, z.g. vliesvleugeligen, ruim 1700 soorten vlinders, 53
waternimfen, 29 sprinkhanen, krekels, verder groote aantallen
bladluissoorten, enz. enz.
Dat zijn getallen om eerbied voor te krijgen. Toch zijn die getallen
niet verontrustend, want van vele insectensoorten komen maar weinige
exemplaren voor. Maar wel verschrikkelijk is vaak de reusachtige
toename van sommige soorten; men denke aan de muggenzwermen in den
zomer ook in ons land en de sprinkhanenzwermen in de zuidelijker
landen. Marcheerende rupsen zijn soms in zoo groot aantal bijeen, dat
zij een spoortrein den weg versperren. Soms worden vlinderzwermen
waargenomen, die uit vele millioenen exemplaren bestaan.
De meeste insecten leven op het land en in de binnenwateren; op en in
de zee komen er maar weinigen voor. Het talrijkst zijn de
insectensoorten in de warme landen, in de tropen: het aantal neemt dan
ook geregeld van den evenaar tot den pool af. Die feitelijke inkrimping
houdt gelijken tred met de mindere ontwikkeling van de plantenwereld in
de koudere streken. Waar weinig plantengroei is, is ook weinig dierlijk
leven, omdat de dieren afhankelijk zijn van de planten.
Wat hun plaats in de levende natuur betreft, kunnen wij ’t volgende
opmerken:
1º Velen behooren tot de opruimers; doode dieren en planten
gebruiken zij of hun jongen tot voedsel en zoodoende zijn die
gestorven organismen spoedig weggewerkt: doodgravers, vliegen.
2º De plantenetende insecten vernietigen veel planten, waardoor er
een zeker evenwicht blijft bestaan. Dat geldt ook voor de
vleeschetende, die o.a. ook wel insecten verorberen: rupsen,
bladluizen, roofkevers, oorwormen.
3º Vele insecten zijn voedsel voor andere dieren, o.a. voor vogels,
kikkers; larven van muggen, die in ’t water leven, vormen een
heerlijk voer voor de visschen.
4º Tal van insecten bewerken bij de bloemen kruisbestuiving,
waardoor een goede zaadvorming wordt ingeleid; bijen, hommels,
vlinders.
5º Verschillende insecten zorgen voor de verbreiding van
plantenzaden; een belangrijke rol spelen hierbij de mieren.
6º De bodeminsecten nemen deel aan de bodembearbeiding.
Over de beteekenis der insecten als overbrengers van ziektekiemen
spreken wij nog nader. Laten wij over de 6 verschillende functies nog
iets meer zeggen, omdat wij hierdoor de beteekenis der insecten beter
leeren kennen.
DE OPRUIMERS. Het spreekt van zelf, dat de doode dieren en planten niet
kunnen blijven liggen; dan zou de natuur spoedig één mestvaalt zijn.
Het opruimen van dat vuil is een belangrijk werk en is opgedragen aan
verschillende kevers en vliegen, die eieren in die lijken leggen. De
larven werken de lijken dan weg.
Dat geldt ook voor den plantenafval. Vele insecten leven daarvan. Als
een mierenkolonie haar nest bouwt in een dooden boomstronk is hij
sneller weggewerkt dan wanneer hij vrij van insecten bleef. Wij vinden
zelden dierenlijken in de vrije natuur en dit komt, omdat de vliegen en
doodgravers er zoo snel bij zijn om daarin hun eieren te leggen. Ook
uitwerpselen van dieren worden spoedig weggewerkt door mestkevers en
door vliegenmaden. Als in een paardenstal veel vliegen zijn — en die
zijn er altijd — dan moeten wij dit als een welwillendheid van de
vliegen opvatten, die den stal willen zuiveren van paardenmest, want
daarin leggen zij eieren. De larven zijn mesteters.
De BEWAARDERS van het EVENWICHT. De eene dierengroep houdt de andere in
bedwang. Dat dit werkelijk zoo is, zien wij in landen, waarin, door
welke oorzaak dan ook, schadelijke insecten wel zijn ingevoerd, doch
niet de vijanden van deze schadelijke dieren. In Amerika zijn
verschillende van deze dieren uit Europa aangeland, doch hun vervolgers
en parasieten bleven in Europa. Het gevolg van een en ander is, dat die
dieren in Amerika zich snel vermenigvuldigen en daar zeer groote
verwoestingen aanrichten, b.v. de plakker en de bastaardsatijnvlinder,
wier rupsen daar nu al sedert jaren vreeslijk huishouden. In Europa
hebben deze rupsen verschillende vijanden, ook in ons land, en daarom
worden ze hier nooit zulke plagen als in Amerika. Men is dan ook in
Amerika bezig de verdelgers van genoemde rupsen uit Europa in te
voeren.
VOEDSEL voor andere DIEREN. De vogelwereld wordt voor een zeer groot
deel geheel gevoed door de insecten. Zelfs de zaadeters geven aan hun
jongen in het nest insecten te eten. In zooverre is dus de vogelwereld
afhankelijk van de insecten. Wanneer wij soms wat boos worden, als wij
zien hoe de insecten in onzen tuin en in onze boomen huishouden, dan
moeten wij toch weer bedenken, dat die insecten het voedsel zijn voor
zoovele vogels, die ons met hun gezang verrukken.
Steekmuggen—wie heeft er niet ’t land aan? Toch vormen de larven van
deze muggen, die in het water leven, een zeer smakelijk voedsel voor de
visschen, en dat wij een lekker vischje op tafel kunnen krijgen hebben
wij ten slotte te danken aan die leelijke steekmuggen. Zij voeren de
visschen en wij eten die. En nu moge de steekmug ons ’s nachts
hinderen, zij zorgt er toch ook voor, dat wij ’s middags een vischje op
tafel hebben.
BLOEMENBESTUIVERS: Het is bekend, dat een bloem, behalve uit kelk- en
bloembladen, bestaat uit meeldraden en een of meer stampers. De
kelkbladen beschutten de teere bloemdeelen in de knoppen; de gekleurde
bloembladen lokken de insecten; de meeldraden brengen stuifmeel voort,
dat op den top van den stamper wordt gebracht, daar buizen vormt, die
den stamper indringen en zoo bij de eitjes komen, waar dan een
samensmelting plaats heeft van den inhoud der stuifmeelbuizen met de
eitjes. Die samensmelting noemt men bevruchting en na de bevruchting
groeien de eitjes uit tot zaden. Zonder bevruchting der eitjes of
zaadknoppen brengt geen plant zaden voort; een enkele uitgezonderd. De
bevruchting is dus van veel belang, het is een levensvoorwaarde voor
het voortbestaan der plantensoorten.
Als het stuifmeel op den top—den stempel—van den stamper komt, dan zegt
men, dat er bestuiving plaats heeft; die bestuiving leidt dus de
bevruchting in. De bestuiving kunnen wij zien, de bevruchting niet: die
geschiedt in het inwendige van den stamper.
Hoewel rondom elken stamper vele meeldraden staan, die dus stuifmeel
genoeg voortbrengen om den eigen stamper te bestuiven, ligt het toch in
de natuur om vooral met stuifmeel uit andere bloemen—van dezelfde
soort—op den stamper te werken. Zeker, met eigen stuifmeel brengen de
meeste stampers ook wel zaden voort, doch als „vreemd” stuifmeel is
gebruikt, worden de zaden grooter, bezitten ze meer kiemkracht, en de
planten die hieruit ontstaan, zijn gewoonlijk sterker, forscher en
bezitten meer weerstandsvermogen. Wij kunnen daarom dit wel
vaststellen: de natuur wil werken met vreemd stuifmeel. Het stuifmeel
van bloem A gaat naar bloem B, en van B naar A; het kruist elkaar, en
deze bestuiving noemt men kruisbestuiving.
Maar hoe komt nu het stuifmeel van de eene bloem naar de andere? Wie
transporteert het? Dat kan op drie manieren geschieden: 1º door den
wind, 2º door het water en 3º door dieren. Elke plant wordt op een
dezer manieren bestoven; nooit op 2 manieren, want de aard, de
bekleeding van het stuifmeel, hangt weer samen met de manier waarop het
stuifmeel wordt vervoerd.
Bloemen, die door den wind worden bestoven, hebben weinig of geen kleur
en zijn meestal zeer beweeglijk: hazelaar, els, eik, beuk, berk, rogge,
grassen, maïs. Het stuifmeel is klein, glad, rond.
Door het water wordt niet veel stuifmeel vervoerd; als ’t gebeurt is
het stuifmeel omgeven door een laagje kurk. Kurk, al is ’t geen
eigenlijk vet, heeft vele eigenschappen van vet, houdt net als vet het
water tegen.
Het meeste stuifmeel wordt vervoerd door dieren; en al bewerken in de
warmere landen verschillende kleine vogeltjes en bij ons ook nog wel de
slakken soms bestuiving, wij kunnen die gerust buiten beschouwing
laten. De bloemenbestuivers zijn bij ons die insecten, en als wij nu
weten, dat meer dan 80% van alle bloemen door insecten worden bestoven,
dan wordt het ons duidelijk van welke groote beteekenis de insecten
voor de bloemenwereld zijn. Zonder insecten geen bloemen. En dat de
bloemen geheel ingericht zijn op insectenbezoek, bewijzen ons de
lokmiddelen, waardoor de insecten bewogen worden tot bezoek. De
insectenbloemen zijn kleurig, geuren en brengen meestal honing voort;
alles terwille van de insecten, die door kleur en geur gelokt worden.
Zoo ver is onderlinge afhankelijkheid reeds gegaan, dat b.v. de bijen-
en de hommelkolonies niet kunnen bestaan zonder bloemen, want die
leveren stuifmeel en honing, waarmede de larven der bijen en hommels
worden gevoed.
De insecten, die zich voornamelijk met de bestuiving belasten, zijn:
bijen, hommels, vlinders, vliegen en ook enkele kevers. De bijen en
hommels spelen de belangrijkste rol, omdat in de bloemen de geheele
voeding van de larven zit; zij moeten dus het geheele voorjaar en den
geheelen zomer er op uit.
Merkwaardig is, hoe de werksters van de bijen en de werksters en
Koninginnen van de hommels, aan haar achterpooten een
verzamelinrichting hebben, waarin het stuifmeel wordt vastgezet, dat
naar de kolonie wordt gedragen. Die verzamelinrichting, het z.g.
korfje, ontbreekt bij de bijenkoningin omdat zij toch nooit stuifmeel
gaat halen.
Bijen, hommels en bloemen behooren dus bij elkaar.
De bouw van de roltong van vele vlinders wijst er op, hoe ook deze
dieren tot taak hebben bloemen te bezoeken; wij hebben dit al gezien
bij het koolwitje. De insecten steken hun snuitje in de bloemen, zuigen
honing, en gelijktijdig worden zij met stuifmeel bepoederd. Vliegen zij
nu naar een andere bloem, dan stooten zij met hun bepoederden kop of
hun bepoederd lichaam tegen den stamper van die andere bloem, en geven
daar stuifmeel af. Dat is dan kruisbestuiving. Als een insect aan het
garen van honing of stuifmeel is, dan bepaalt het zich zooveel mogelijk
tot ééne soort; een volgende keer krijgt weer een andere soort een
beurt. Avondvlinders met lange roltong, zooals de ligusterpijlstaart
(13 geeft de rups te zien), halen ook honing uit bloemen en bestuiven
ook den stamper, doch bezoeken alleen bloemen die ’s avonds geuren,
zooals de kamperfoelie. Dan kan men deze vlinders wel eens zien „staan”
voor die bloemen.
Wij kunnen niet langer stilstaan bij dit belangrijke onderwerp;
intusschen zullen de lezers wel tot de overtuiging zijn gekomen, dat
genoemde insecten niet gemist kunnen worden in de natuur. En van
hoeveel nut b.v. de bijen zijn voor de vruchtzetting van bessen, appels
en peren, daar weten de fruitkweekers van. In verschillende streken van
ons land, o.a. in Z. Limburg, brachten verschillende kersenboomen geen
vruchten meer voort, hoewel zij toch bloeiden. Nadat men in de
boomgaarden bijenkorven had gezet, was de vruchtvorming weer
overvloedig. Verschillende planten toch brengen zonder vreemd stuifmeel
geen vruchten voort. Dit was ook het geval met eenige Limburgsche
kersen. In kassen met bloeiende perziken zet men ook dikwijls korven
met bijen.
VERBREIDERS van PLANTEN: In een bosch kunnen de zaden en vruchten der
hooge boomen gemakkelijk door den wind worden verplaatst en verstrooid.
De struiken, die veel lager groeien, en waarvan vele besvruchten
dragen, vinden in de vogels, die deze bessen eten, zeer bekwame
zaadverspreiders. Zij eten de bessen met zaden op, en na verloop van
een klein uurtje—ze kunnen dan reeds een heel eind verwijderd zijn van
de voederplaats—worden de ingeslikte zaden met de uitwerpselen uit het
lichaam verwijderd. Op deze wijze verspreiden de vogels de zaden. Als
men in een dakgoot of in een knotwilg b.v. een vlier ziet staan, dan is
die daar „gezaaid” door een vogel, een spreeuw of een lijster.
En hoe worden nu de zaden verspreid van de lagere boschplanten, die
weinig van den wind bewogen of door de vogels bezocht worden? Daar
zorgen de mieren voor. De zaden van die lage boschplanten, ’t
sneeuwklokje, ’t longenkruid, veronica, welriekend viooltje, zijn
voorzien van een zacht navelknobbeltje, dat rijk is aan olie en waarop
de mieren verlekkerd zijn. Zij sleepen de zaden daarom mede, bijten
onderweg het olieknobbeltje af, en laten de zaden dan achter; trots
deze „ontknobbeling” blijven de zaden kiemkrachtig. En zoo voeren de
mieren de zaden dan ver van de plaats waar zij ontstonden. Een Zweedsch
plantkundige, Sernander, heeft deze verspreidingswijze in de laatste
jaren uitvoerig bestudeerd. Een kolonie van de roode boschmier
(169–171) kan op deze wijze in één vegetatieperiode minstens 36000
zaden verspreiden.
De rijkste „mierenflora” vinden wij in de eiken- en beukenbosschen; de
armste in de dennen- en sparrenbosschen.
INSECTEN als BODEMBEWERKERS. Regenwormen spelen een belangrijke rol als
bewerkers van den bodem. Dat kunnen wij ook getuigen van de vele
insecten en larven, die in den bodem leven. Verschillende leven van
humus, die zij in hun lichaam omzetten en waarvan de uitwerpselen een
goeden mest vormen. Door hun woelen in den grond en het graven van
gangen en holen, maken zij den bodem meer doorlaatbaar, waardoor vocht
en lucht tot de benedenlagen kunnen doordringen, wat de omzetting der
humusstoffen en den groei der planten bevordert.
De insecten zijn dus in velerlei richting in de natuur werkzaam; hun
beteekenis voor de huishouding der natuur is dus zeer groot.
XII. NUTTIGE EN SCHADELIJKE INSECTEN.
In de vrije natuur kunnen wij moeilijk één dier aanwijzen, dat òf
absoluut nuttig, òf totaal schadelijk is. Ieder dier heeft daar zijn
plaats en tracht die plaats te behouden. ’t Resultaat is, dat de natuur
een wonderschoon geheel blijft. Zoodra de mensch evenwel de natuur gaat
beschouwen met egoïstische oogen, en alle planten en dieren indeelt
naar het voor- of nadeel dat hij er persoonlijk van heeft, dan krijgen
wij een indeeling in nuttige en schadelijke planten en dieren, hoe
wonderlijk en mooi die schadelijke individuen dan ook mogen zijn. Die
indeeling is dan een economische en geen natuurwetenschappelijke.
Nuttig noemt de mensch dan alles wat goed voor hem is, en dat hem helpt
bij zijn bezigheden; b.v. een koe (voeding), een paard (trekkracht). En
schadelijk is dan elk dier of elke plant, die hem op zeker oogenblik
nadeel aanbrengt. Maar meestal zijn vele dieren nu eens nuttig en dan
weer lastig. Veel vogels zijn in den tijd, dat zij jongen hebben, zeer
nuttig, doordat zij zooveel insecten naar ’t nest brengen; zijn later
de bessen, kersen en erwten rijp, dan worden ze weer lastig, omdat ze
deze vruchten ook lusten. Zoo is het b.v. zéér moeilijk te zeggen,
welke vogel eigenlijk schadelijk is; op ieders gedragboekje staan goed-
en afkeuringen.
Wat nu de insecten betreft ten opzichte van het nut, dat de mensch er
van heeft, kunnen wij ze in 2 groepen verdeelen; 1º direct nuttige, 2º
indirect nuttige. Van de eerste heeft de mensch zelf persoonlijk
voordeel, van de tweede langs een omweg.
DIRECT NUTTIGE INSECTEN: Hiertoe behooren b.v.: de verschillende
soorten zijderupsen, die zijde leveren, de galwespen, wier gallen
gebruikt worden bij de inktbereiding, de honingbijen, die ons honing en
was geven. De opbrengsten van deze insecten bedragen over de heele
wereld jaarlijks vele millioenen guldens. In Duitschland b.v. wordt
jaarlijks—’t eene jaar is beter dan ’t andere—ongeveer voor 15 millioen
gulden aan honing verzameld en was geproduceerd door de bijen.
INDIRECT NUTTIGE INSECTEN. Tot deze groep behooren de insecten, die ons
zijdelings voordeel aanbrengen: 1º de bloemenbestuivende insecten, 2º
de roofinsecten, 3º de parasieten. De eerste groep zorgt er voor, dat
wij vruchten kunnen oogsten; de roofinsecten verslinden vele andere
insecten, die onze kultuurgewassen aantasten: de poppenroover (33), die
rupsen eet, en de O. L. H. beestjes (72) die bladluizen oppeuzelen; de
parasieten eten als larven o.a. veel rupsen uit.
Een gelijke indeeling kunnen wij maken van de schadelijke insecten;
onder direct schadelijke verstaan wij dan die, welke ons persoonlijk,
ons lichaam, benadeelen; de indirect schadelijke veroorzaken ons nadeel
in ons bedrijf.
DIRECT SCHADELIJKE INSECTEN. Hiertoe behooren de overbrengers van
ziektekiemen en die, welke ons op andere wijze lichamelijk kwellen. Als
zoodanig staan met de zwarte kool aangeteekend: muggen, vliegen,
vlooien, wantsen en luizen. De malariamug brengt de malariakoorts over,
de kamervlieg verbreidt de tuberculose, de cholera, de typhus en is ook
oorzaak van de zomerdiarrhee bij jonge kinderen. Bij de afzonderlijke
behandeling dezer dieren (147–151) staat daarover meer te lezen.
Vlooien brengen in onze Oost de pest van de ratten op den mensch over.
De gele koorts wordt ook overgebracht door een steekmug en het miltvuur
door een steekvlieg.
INDIRECT SCHADELIJKE INSECTEN. Tot deze groep behooren:
1º die insecten, welke onze huisdieren aanvallen: b.v.
runderhorzel, schapenhorzel, paardenhorzel (156–157).
2º de huis- en magazijninsecten, die allerlei stoffen vernielen en
verontreinigen: mieren, kakkerlakken, suikergasten in de keuken; de
kleermotten in de kleeden, meubels, bont en kleeren; houtwormen in
meubels; boekenluizen en kevers in boekenkasten en meeltor),
insectenverzamelingen. In pakhuizen meelwormen (larven van de
Anobium paniceum in allerlei droge stoffen, Lasioderma laeve in
tabak, in magazijnen en pakhuizen. Hier treffen we vooral veel
„cosmopolieten” aan, die met de verschillende waren meekomen.
3º de beschadigers van onze kultuurgewassen; deze vormen een
reusachtig leger, dat geregeld door de land-, tuin- en boschbouwers
moet worden bestreden. Omdat de meeste insecten vegetariers of
planteneters zijn, is het aantal schadelijke insecten voor onze
kultuuren zeer groot: rupsen, bladluizen, schildluizen, kevers. Tot
deze groep behooren ook de larven van kevers en wespen, die in
boomstammen leven en daardoor de technische waarde van het hout
verminderen; boktorren, houtwespen.
XIII. DE AARD DER PLANTENBESCHADIGING.
Er is geen enkel plantendeel, dat door de insecten wordt verschoond;
ook worden onze kultuurplanten op iederen leeftijd aangevallen.
Insectenaanvallen op het kiembed belemmeren een flinken uitgroei en
veroorzaken vaak den dood van onze gewassen. Dat geldt ook voor de
wortelbeschadigingen, omdat door de wortels het voedsel uit den bodem
wordt opgenomen. Zeer ernstig zijn ook de aanvallen op de bladeren door
rupsen, bastaardrupsen en kevers. Hebben éénjarige gewassen zulke
aanvallen te verduren, dan gaan zij vaak geheel onder, omdat de
bladeren zoowel voedings- als ademhalingsorganen zijn. Boomen
herstellen zich het volgende jaar wel weer, doch dennen- en
sparrenbosschen, die kaal gevreten zijn, hebben 4 of 5 jaar noodig voor
zij weer hersteld zijn, omdat zij zoo langzaam groeien.
Soms worden de bloemen vernield en dan komt er van den oogst niets
terecht; een andermaal worden de vruchten uitgegeten en ook dan is de
oogst waardeloos. ’t Komt ook voor, dat b.v. bladgroenten zoo door luis
zijn bezet, dat ze ongenietbaar zijn, b.v. kropsla. De beschadiging van
bladluizen aan twijgen van boomen, wordt soms gevolgd door schimmel- of
zwamziekten. In de wonden, door deze luizen gemaakt, ontkiemen dan de
sporen van schimmels. Het knagen van keverlarven en rupsen in
boomstammen, geeft aanleiding tot inwateren en vermolmen. De
plantenbeschadiging door insecten is dus een veelzijdige.
XIV. HET ONTSTAAN VAN INSECTEN-PLAGEN.
Van tijd tot tijd ontstaan ook in ons land insectenplagen. De
nonvlinders, de emelten, de ringelrupsen, rupsen en bastaardrupsen in
de bessen, meikevers, eikenaardvlooien, vliegen, muggen, zij komen zoo
nu en dan in zoo’n groote massa voor, dat men spreekt van een plaag.
Waar komt nu die groote hoeveelheid dieren vandaan?
Plagen, en in het algemeen sterke uitbreiding van ’t insectenleger,
worden begunstigd door de volgende omstandigheden:
1º groote voedselvoorraad;
2º gunstige broedgelegenheid;
3º afwezigheid van vijanden;
4º gunstige weersinvloeden;
5º ongunstig weer voor de kultuurplanten;
6º overgang van insecten, die gewoonlijk op wilde planten leven,
naar kultuurplanten;
7º invoer van insecten uit andere landen en werelddeelen;
8º nalatigheid van den mensch.
Laten wij deze oorzaken even in ’t kort nader bekijken.
In de vrije natuur komen over ’t algemeen niet veel insectenplagen
voor. De oorzaak hiervan is, dat de meeste insecten een beperkt menu
hebben en er in de vrije natuur, waar de planten dooreen groeien,
zelden zooveel planten van één soort bijeen staan en bijeen blijven,
dat een insectensoort zich daar voor langen tijd nestelen kan omdat zij
er zooveel voedsel kan vinden. Veel insecten zijn op één of weinig
planten aangewezen; groeit zoo’n plant in milliarden exemplaren bij
elkaar, dan kunnen de insecten zich daar gemakkelijk vermeerderen; maar
zoo’n eenvormige plantenwereld wordt maar zelden in de vrije natuur
aangetroffen. Wat evenwel in de vrije natuur ontbreekt, hebben de
land-, tuin- en boschbouwers zelf in ’t leven geroepen. Zij bezaaien of
bepoten uitgestrekte gronden met een en hetzelfde gewas, zoodat er
millioenen en millioenen planten van dezelfde soort naast elkander
komen te staan, en daar soms jarenlang blijven staan (bosschen) of
ieder jaar weer worden gezaaid (granen en andere gewassen). Zoodoende
zorgt de mensch dus feitelijk voor een reusachtige restauratie voor de
insecten, en dat deze beestjes er een dankbaar gebruik van maken ligt
voor de hand; waar zij te eten hebben blijven ze en vermenigvuldigen
zij zich. Waarom zouden ze ook weggaan?
Door de eenvormige massa-kulturen schept de mensch dus zelf een der
hoofdoorzaken voor het ontstaan van insecten-plagen.
Een andere oorzaak ligt in de gunstige broedgelegenheid, een geschikte
plaats om de eieren af te zetten. Dit wordt zeer duidelijk
geïllustreerd door de geschiedenis van ’t Panama-Kanaal.
In 1881 werd een aanvang gemaakt met het graven van ’t Panama-Kanaal.
De gele koorts hield hevig huis onder de arbeiders. Meer dan de helft
stierf er aan. En telkens als een nieuw transport arbeiders werd
aangevoerd, ondergingen zij hetzelfde lot. Zoodoende vorderde het werk
niet. De ontwerper van het kanaalplan, De Lesseps, die ook voor het
Suez-Kanaal het ontwerp had gemaakt, had buiten de gele koorts
gerekend, in ieder geval haar onderschat. De ontwikkeling dezer ziekte
is aldus. Wordt een lijder aan gele koorts door een bepaalde soort mug,
Stegomyia fasciata, gestoken, dan is de mug ook besmet. Steekt deze
besmette mug nu een gezond mensch, dan brengt zij de koortsstof over en
de gestokene krijgt binnen enkele dagen de gele koorts.
Hieruit volgt, dat de gele koorts slechts op één manier afdoende kan
bestreden worden, en wel door de uitroeiing van de mug, die de
ziektestof overbrengt. En die uitroeiing kan niet geschieden door het
vangen van de muggen, maar door haar de gelegenheid te ontnemen de
eieren op een geschikte plaats af te zetten. De gelekoortsmug legt haar
eieren in poelen en plassen, ook wel in regentonnen. Het was dus noodig
de landstreek droog te leggen, waardoor de poelen en plassen verdwenen.
De muggen hadden nu geen broedgelegenheid meer, en de landstreek werd
tamelijk wel vrij van de gele koorts, waardoor zij voor den mensch
bewoonbaar werd. De doorgraving van het kanaal was hierdoor mogelijk
geworden.
In mesthoopen om boerderijen leggen veel vliegen haar eieren; daarom
heeft men op het platteland zooveel last van vliegen. Door het opruimen
der mesthoopen ontnemen wij aan de vliegen de broedgelegenheid en
verdwijnen ze vanzelf. Daarom heeft men in de steden veel minder last
van de vliegen dan op het platteland. Wie in de buurt van een
paardenstal woont heeft met de brutaliteit der vliegen kennis gemaakt.
Vliegen- en muggenplagen zijn alleen te bestrijden door aan deze dieren
geen gelegenheid te geven eieren af te zetten.
Als derde oorzaak voor het ontstaan van insectenplagen noemden wij de
afwezigheid van vijanden der schadelijke insecten. De waarheid hiervan
heeft men in Amerika ondervonden. In 1868 werd de Plakker-vlinder en in
1890 de Bastaard-satijn-vlinder in Amerika ingevoerd. De rupsen van den
Plakker ontsnapten uit een insectenkweekerij van een Amerikaan, die aan
het zoeken was naar een nieuw soort rupsen voor de zijdecultuur. De
Bastaardsatijnvlinder of diens rupsen zijn vermoedelijk met
boomkweekersartikelen uit Europa naar Amerika gekomen. Beide insecten
hebben in Europa veel vijanden; niet minder dan 27 sluipwespen en 25
parasietvliegen; daardoor hoort men bij ons nooit van plagen
veroorzaakt door de rupsen van deze vlinders; ook niet in andere landen
van Europa. Maar in N. Amerika zijn de rupsen van deze vlinders tot een
ongekende plaag geworden, zooals nergens is waargenomen. Millioenen
dollars zijn reeds uitgegeven om door bespuiting met giften de
rupsenplagen tot staan te brengen, doch het is tot heden niet gelukt.
In 1905 is men begonnen uit Europa in te voeren de Europeesche
parasieten van deze rupsen; bovendien werden er in dat jaar ingevoerd
50.000 poppenroovers (33 en 35). Van 1905–1910 werden totaal ingevoerd
2.000.000 sluipwespen en 70.000 sluipvliegen. Hoewel men met veel
moeilijkheden had te kampen, door mislukking bij de kweeking der
insecten en met ziekten bij de entomologen, is het voorloopig resultaat
toch bemoedigend, want op het oogenblik zijn 10 nuttige insecten uit
Europa in Amerika ingeburgerd.
In Amerika was door het internationaal verkeer een schildluis uit
Australië ingevoerd, die de geheele sinaasappelkultuur bijna ten onder
bracht. De schildluizenplaag kon zich zoo uitbreiden, omdat geen der
vijanden was medegevoerd. Toen na veel zoeken eindelijk in Australië
een O. L. Heersbeestje was gevonden, dat een erge vijand van deze
schildluizen is, werd dit naar Californië overgebracht, en het heeft de
schildluizenplaag volkomen tot staan gebracht. Uit deze voorbeelden
blijkt duidelijk, hoe door afwezigheid van hun vijanden, sommige
insecten een ware plaag voor den mensch kunnen worden.
Dat gunstige weersinvloeden insectenplagen bevorderen behoeft geen
nader betoog. Insecten zijn maar zwakke dieren, vooral in den
larvetoestand en zoodoende zeer gevoelig voor het weer.
Heerscht er ongunstig weer voor de kultuurplanten, dan schieten deze
niet op en wordt de schade, door insecten aangebracht, des te grooter.
Dit is vooral het geval in het voorjaar, als de planten nog jong zijn.
Aardvlooien vreten in een koud voorjaar, als er b.v. geen schot in de
erwten zit, geheele erwtenakkers kaal, die dan moeten worden omgeploegd
en opnieuw bezaaid. Daarom verdient het in ’t algemeen aanbeveling te
zorgen voor een zeer vruchtbaren bodem; dan groeien de kiemplanten wat
vlugger door.
Oorspronkelijk leven alle insecten op wilde planten. Het komt nu
herhaaldelijk voor, dat er een verplaatsing naar kultuurplanten
geschiedt. Een bekend voorbeeld is de Colorado-kever, die
oorspronkelijk op een wilde plant leefde, die behoort tot de familie
van den aardappel. Op een gegeven oogenblik ging deze kever over op de
aardappelplant en werd toen de schrik van Amerika en heel Europa. Tot
op dit oogenblik is hij de schrik gebleven, al hebben wij er nooit last
van gehad.
De walkanten of slootkanten van onze akkers dienen van alle wilde
planten gezuiverd te worden; dan bestaat er geen gevaar, dat de
insecten van daar uit naar onze kultuurplanten overgaan.
Dat de invoer van insecten uit andere landen en werelddeelen door
handel en verkeer lang niet denkbeeldig is, bewijzen de lange lijsten
van insecten, die op deze wijze verhuisd zijn. We hebben reeds een paar
vlinders genoemd, den plakker en den bastaardsatijnvlinder, die uit
Europa naar Amerika zijn verhuisd: De Duitsche kakkerlak (82) is uit
Duitschland bij ons ingevoerd, de keukenkakkerlak (83) uit Azië en de
Amerikaansche kakkerlak (84) uit Amerika. Met planten worden veel
insecten verplaatst; ook met land- en tuinbouwproducten. Verschillende
insecten zijn daardoor al echte cosmopolieten geworden.
Ten slotte worden insectenplagen bevorderd door de nalatigheid van den
mensch. Men grijpt dan niet in op het juiste oogenblik. Voor een groot
deel vindt deze nalatigheid haar oorzaak in de gebrekkige kennis, die
de meeste menschen hebben van de insectenwereld. Daarom kan dit Album
ook voor de practijk van het leven zijn waarde hebben. Als wij maar
eenmaal het leven der insecten kennen, dan leeren wij tevens de
perioden kennen, waarin wij kunnen ingrijpen. Wanneer wij b.v. in April
en Mei geregeld onze rozenstruiken nazien, en de weinige bladluizen
verwijderen, die er dan zijn, krijgen wij den heelen zomer geen luis in
de rozen.
Door het vangen van vogels en het verstoren der nesten berooft de domme
mensch zich van veel insectenverslinders.
XV. HET BESTRIJDEN VAN SCHADELIJKE INSECTEN.
Een van de belangrijkste vragen voor den land- en tuinbouw, voor de
gezondheid van den mensch, is deze: Hoe bestrijden wij de schadelijke
insecten? Dit moet geschieden volgens een wetenschappelijk plan, dat
rust op de kennis van de levensgeschiedenis van de insecten.
Er zijn 3 methoden van bestrijding:
1º Verandering van kulturen en kultuurmethoden en vruchtwisseling;
vroeger of later, dieper of ondieper zaaien, sterkere soorten
uitkiezen, enz.
2º Bevordering van de uitbreiding van het aantal natuurlijke
vijanden der insecten; dit noemt men de biologische methode.
3º Directe vernietiging der schadelijke insecten door mechanische
of chemische middelen; dit noemt men technische bestrijding.
Wat de eerste methode betreft, deze is zeker de meest werkzaamste. Men
heeft b.v. eenige akkers mosterdzaad, die door de mosterdkevers worden
kaalgevreten. Staakt men nu de mosterdkultuur en gaat men iets anders
verbouwen, b.v. een graangewas, dan sterven de mosterdkevers bij gebrek
aan voedsel. Het derde jaar kan men dan opnieuw mosterd gaan verbouwen.
Een doelmatige wisselbouw is dus een krachtig bestrijdingsmiddel.
Het bevorderen van de uitbreiding der natuurlijke vijanden is eveneens
een uitstekend middel, maar dit kan alleen toegepast worden, als men
veel kennis van het leven der insecten heeft.
In Amerika kweekt men tegenwoordig millioenen sluipwespen en
sluipvliegen, die men weer loslaat op de rupsen. Zijn ze eenmaal in de
vrije natuur, dan vermenigvuldigen zij zich daar wel. Ook in
Oost-Indië, in Deli, is men bezig hiermede proeven te nemen.
In de 12de eeuw verzamelden de Chineezen reeds mieren en lieten die los
in boomgaarden van sinaasappels en mandarijnen. Mieren verslinden
verschillende schadelijke kevers. Ook op Java verzamelt men
mierennesten en brengt die naar de vruchtboomen; het gaat hier tegen
snuitkevers. In 1807 liet men in Europa O. L. Heersbeestjes los op de
hopluizen, en behaalde hiermede succes. En in 1842 heeft men in
Frankrijk rupsendooders (kevers) (33) losgelaten op de rupsen van den
plakker en ook hier beantwoordde het resultaat aan het doel; wie in
zijn tuin weinig last wil hebben van bladluizen, verzamele O. L.
Heersbeestjes en late die in zijn tuin los. Een andere groep van
natuurlijke vijanden der insecten zijn de insectenetende vogels.
Behalve dat wij hen overal moeten sparen, behooren wij hen
broedplaatsen te verschaffen en in den winter voedsel en water. Wij
kunnen hierop niet verder ingaan, maar bevelen de vogels zeer aan in de
welwillendheid van den mensch.
Op welke wijze besmettelijke ziekten onder de insecten kunnen verspreid
worden, laten wij rusten; intusschen bezitten wij ook hierin een middel
om insecten te dooden, al is het resultaat tot heden nog van weinig
beteekenis. Van het meeste belang is voorloopig nog de derde methode,
de technische bestrijding van insecten. De bedoeling hiervan is de
insecten te dooden door hen lichamelijk letsel toe te brengen, door hen
te vergiftigen of door hen in vallen te lokken. Wat men ook aanwendt,
de bestrijdingsmiddelen moeten niet te duur zijn, niet te veel
arbeidskracht eischen, en vooral de planten, waarop de insecten leven,
niet of zoo weinig mogelijk beschadigen. Van belang is het verder de
schadelijke insecten te dooden voor zij volwassen zijn; dan voorkomen
wij het eierleggen. De insecten worden in verschillende stadiën van
ontwikkeling bestreden: de ringelrups bestrijdt men als ei, veel
vlinders als rups, terwijl b.v. de meikevers weer het best bestreden
worden door het vangen van de imago’s. In welke levensperiode een dier
het best bestreden wordt, leeren wij uit de levensgeschiedenis van het
dier. Het slagen van onze bestrijdingsmiddelen hangt geheel af van het
kiezen van het juiste oogenblik, en dat leeren wij vinden door het
bestudeeren van de dieren.
Wat nu de verschillende chemische middelen betreft, die kunnen in
groepen worden ingedeeld:
1º huidvergiften: tabaksstof, zwavelpoeder, versch gebluschte kalk,
heet en koud water, nicotine, insectenpoeder, Bordeauxsche en
Californische pap, petroleum, lysol, carbolineum, benzine, en
andere;
2º verstikkingsvergiften: onderwaterzetting van akkers en weilanden
(afsnijden van de lucht), insectenpoeder, tabaksdampen,
zwaveldampen, zwavelkoolstof, blauwzuur, chloroform en andere;
3º maagvergiften: arsenicum, Bordeauxsche en Californische pap,
nicotine.
Verschillende van deze middelen werken in meer dan één richting. Van
andere weet men niet precies te zeggen, hoe ze werken; alleen weet men,
dat de resultaten goed zijn.
Deze vergiften worden door speciale werktuigen over de dieren
uitgespreid; men noemt ze pulverisateurs, besproeiers, bestuivers. Bij
het gebruik van deze middelen dient gelet te worden op den toestand van
het weer en van de planten.
In den handel zijn een massa z.g. „bestrijdingsmiddelen”, die onder
allerlei vreemde namen worden aangeboden. Het publiek kan hieruit
natuurlijk niet kiezen en daarom raden wij ieder aan, bij deskundigen
inlichtingen in te winnen.
Verschillende van deze vergiften zijn óók weer voor den mensch
gevaarlijk, sommige zelfs levensgevaarlijk, b.v. arsenicum,
zwavelkoolstof, blauwzuur. Zwavelkoolstof is zeer vluchtig en zeer
brandbaar. ’t Is een goede stof om kleine ruimten als doozen en kisten
te ontsmetten; alle dieren, die er in zijn, worden gedood.
Zwaveldampen werken vernielend op onze slijmvliezen. Men zwavelt wel
kelders uit, die ’s winters vol muggen zitten.
Blauwzuur is een zeer zwaar vergift. Men ontwikkelt dit door zwavelzuur
op cyankalium te doen. In Amerika worden met dit gas van tijd tot tijd
„landverhuizershotels” ontsmet. In ons land wordt het gebruikt om in
plantenkassen de insecten op planten te dooden. De aanwending hiervan
moet volgens de wet onder deskundige leiding geschieden, juist omdat
het zoo gevaarlijk is. Bij de afzonderlijke beschrijving der insecten
komen de bestrijdingsmiddelen nog nader aan de orde.
Onder de mechanische middelen verstaan wij die, waardoor de dieren
lichamelijk letsel bekomen, in vallen worden gelokt of op een andere
wijze worden verzameld. Tot die middelen behooren de volgende:
1º het schudden van boomen en struiken; de insecten komen dan naar
omlaag en worden opgevangen of op den grond gedood. Op deze wijze
schudt men in de morgenuren de meikevers uit den boom en vangt ze
op lakens op of veegt ze bij elkaar.
2º het wegsnijden van bezette takken en het uitsnijden of
verbranden van rupsennesten; men snijdt deze takken af met een z.g.
rupsenschaar. Zoo haalt men ’s winters de rupsennesten van den
bastaardsatijnvlinder en het boomwitje uit den boom.
3º het gebruiken van een teerslede; dit is een met teer besmeerde
plank waarmede men in ’t voorjaar over de planten gaat, waardoor de
aardvlooien in beweging komen en op de teer vastraken.
4º vanglantaarns; de meeste schemer- en nachtdieren komen op licht
af; met speciaal daarvoor ingerichte lantaarns vangt men vele
dieren.
5º vangpotten; men graaft bloempotten in den grond tot aan den
rand; nachtinsecten, die wat haastig over den grond tippelen,
vallen naar beneden en kunnen niet meer naar boven.
6º vangplanten; men zaait tusschen de gewone kulturen planten, die
door bepaalde insecten gaarne worden gegeten; als ze deze planten
bezet hebben, worden ze met plant en al onschadelijk gemaakt.
7º vangbanden; door vangbanden om boomstammen te binden geeft men
den insecten gelegenheid een winterkwartier op te zoeken:
verwijdert men deze banden later, dan neemt men al de wintergasten
mede.
8º lijmbanden; dit zijn stukken bordpapier, waarop lijm is
gesmeerd; insecten, die naar boven of naar beneden willen om eieren
te gaan leggen of om te verpoppen, vinden in deze lijmbanden, die
om boomstammen worden gebonden, een versperring, waarop zij ten
slotte vastraken; deze lijmbanden dienen om kruipende insecten te
verschalken.
Wij zouden over dit onderwerp nog heel wat kunnen zeggen, doch moeten
ons beperken. Zoodra een of ander insect daartoe aanleiding geeft,
komen wij er bij de afzonderlijke bespreking nog wel op terug.
Bovendien komt ditzelfde onderwerp ook in het volgende hoofdstuk ter
sprake. Intusschen kunnen wij dit wel vaststellen, dat er vele middelen
bestaan, om de schadelijke insecten onschadelijk te maken.
XVI. HET VERZAMELEN VAN INSECTEN.
Wie bruikbare kennis wil opdoen van de insecten, moet beginnen met het
verzamelen en waarnemen in de vrije natuur. Uit boeken is natuurlijk
zeer veel te leeren, want daarin zijn de ervaringen van anderen
neergelegd; bovendien bevatten zij veel vingerwijzingen, die wij kunnen
opvolgen. Een echte insectenliefhebber zorgt dan ook voor een
uitgebreide bibliotheek. Maar, hoeveel wij ook uit boeken kunnen halen,
het meeste genot en pleizier hebben wij toch alleen als wij de dieren
buiten zelf zoeken en waarnemen. Dat moet dus altijd voorop staan: de
dieren in hun eigen omgeving waarnemen. Dan leeren wij hun
levensgeschiedenis; tevens maken wij dan kennis met andere dieren, die
met hen in vriendschap of vijandschap leven. Gelijktijdig maken wij
kennis met veel planten. Er zijn menschen, die alleen insecten
verzamelen, om ze, zooals de jongens zeggen „te hebben”. Dat moeten we
afraden. Als men van een opgeprikt insect niets anders weet te
vertellen dan zijn naam, dan is dat een kennis zonder beteekenis. Wij
moeten trachten te weten komen: hoe het dier zich voortplant, waar de
eieren worden gelegd, wat de larve eet en hoe oud die wordt, wanneer
die verpopt en waar, hoe het volwassen dier leeft, welke plaats het in
de natuur inneemt, in welke verhouding het tot den mensch staat, enz.
enz.
Wij kunnen aan elk dier tientallen van vragen stellen, die beantwoord
worden, als wij de insecten trouw en nauwkeurig waarnemen. En door veel
waarnemingen te doen, leeren wij de natuur bewonderen in haar
interessante samenstelling.
Wanneer wij dus de insectenkunde beoefenen, dan doen wij dit niet om
eenige doozen met opgeprikte dieren in ons bezit te krijgen, maar
alleen om de natuur te leeren begrijpen en waardeeren. En dat geeft ons
zoo’n genot en dat houdt ons zoo frisch, dat wie er eenmaal mede
begint, er niet mede eindigen kan. Er komt nog wat bij. Als wij op
„insectenjacht” gaan, leven wij in zekere aangename spanning; we weten
niet òf en wàt we vangen zullen. En als we wat gevangen hebben, dan
stijgt de vreugde en zijn wij blij alsof we een geschenk hebben
gekregen. We leeren ook goed uit de oogen zien, want de meeste insecten
zijn maar betrekkelijk klein. Een ander voordeel is, dat we veel in de
frissche lucht zijn, wat vooral voor de stedelingen van belang is. Dan
leeren wij wandelen met een bepaald doel. Bovendien is het wandelen in
de natuur des te aangenamer naarmate wij meer planten en dieren kennen.
Er is dus alles voor om aan het verzamelen te gaan. En als nu een
stedeling zegt: Maar in en bij de stad is zoo weinig te vangen, dan
antwoorden we: „een entomoloog weet overal wat te vinden, binnen en
buiten de stad, in huis en op straat, op alle denkbare plaatsen”.
Wil men met succes werkzaam zijn, dan moet men 1º goed gereedschap
hebben en 2º bekend zijn met de plaatsen, waar de insecten zich
ophouden.
Het gereedschap. Een vlindernet, een schepnet, een sleepnet, een
paraplu, een wiedijzertje, verschillende glazen en doozen, een pincet.
Men vrage eens een catalogus aan bij een handelaar in deze artikelen;
men zal dan zien, dat er nog veel meer gereedschap wordt aangeboden.
Met een vlindernet vangt men alles wat vliegt; met een schepnet halen
wij de waterinsecten en hun larven op den kant; een sleepnet wordt
langs de grasvelden gesleept, en men vangt er de insecten mede, die op
de lage planten leven. Als we een open paraplu onder een heester houden
en daarna de takken bewegen, vallen de insecten er in. Met een
wiedijzertje of wiedvorkje kan men den grond omwoelen en naar larven en
kevers zoeken. Met een pincet neemt men kleine dieren op.
De vindplaatsen. Zeer veel insecten leven op planten; wat op de lage
planten leeft laat ons het sleepnet zien. Bij hoogere planten gebruiken
wij een paraplu; de insecten worden dan afgeklopt. Veel schemer- en
nachtdieren vertoeven overdag onder steenen; men lichte deze dus op. In
den grond aan den voet der boomen huizen veel insecten; men woele de
aarde dus om. Ook in het zand leven er verscheidene. In dood hout is
ook altijd wat de vinden, evenals in den molm van boomen. Het water
levert ook heel wat op. Verschillende insecten leven in dierenlijken en
in afval. Op bloemen vertoeven heel wat dieren, die gemakkelijk met een
net zijn te vangen; vooral als de zon schijnt is het insectenbezoek
zeer druk. In onze huizen en magazijnen zijn vele blijvende en
toevallige insecten. Tegen gesloten ramen en onder waranda’s zitten ook
veel dieren. Men vergete ook niet den kelder. In nesten en
verblijfplaatsen van insecten en andere dieren vindt men ook altijd
z.g. „gasten”. Bekend zijn de „mieren-, bijen- en wespengasten”.
Lokmiddelen. Men kan insecten op verschillende manieren lokken.
Vooreerst door het licht. Men zette ’s avonds de ramen van een
verlichte kamer maar open: er komt van alles op ’t licht aan. Om
straatlantaarns zwermt het van avondinsecten. Er zijn ook speciale
vanglantaarns geconstrueerd. Men moet zorgen, dat de dieren niet met de
vlam in aanraking komen.
Het neerzetten van honing en suikerwater lokt veel insecten. Als men
boomstammen op bepaalde plekken met een lokmiddel bestrijkt, komen er
’s avonds insecten op af. Men maakt een mengsel van bier, stroop, rum
en appelaether. Ook kan men schijfjes van gedroogde appels in dit
mengsel dompelen en dan aan een snoer ophangen. Als het een geschikte
avond is, krijgen wij vaak veel bezoek.
Een aardig lokmiddel vormen de wijfjes van vele vlinders. Zet men die
in een gazen kooitje buiten, dan komen er mannetjes op af, zoo die
tenminste in de buurt zijn. Ten slotte zijn bloemen goede lokmiddelen.
Zet men b.v. crocusjes in Maart buiten, dan kunnen we zeker hommel- en
wespenkoninginnen verwachten.
XVII. HET KWEEKEN VAN INSECTEN.
Nu komen we aan het mooiste en leerzaamste werk: het in huis opkweeken
van insecten. Dat dit een aardig werk is, volgt o.a. ook hieruit, dat
het Insectarium in Artis te Amsterdam, waar men ook insecten kweekt,
door iedereen wordt bewonderd, en dat ieder er gaarne langen tijd
vertoeft. Er is ook geen beter middel om insecten te leeren kennen, dan
ze geregeld in huis, in school of op een open plaats dagelijks waar te
nemen. Natuurlijk moet men zorgen, dat de omgeving waarin men hen
plaatst, zooveel mogelijk overeenkomt met die, waarin zij buiten leven.
Het gemakkelijkst kweekt men rupsen op tot vlinders. Dat geschiedt dan
in rupsenkasten, rupsenhuizen of insectaria. Doozen en flesschen zijn
ongeschikt, omdat daar te weinig luchtverversching in is. Het best is
een bodem en een zolder van gaas; de bodem staat dan op pootjes, anders
heeft er geen trekking plaats. De vier zijwanden mogen gerust van glas
zijn, als er maar voor een gazen bodem en zolder is gezorgd. Natuurlijk
kan een der zijwanden ook van gaas zijn, desnoods wel twee. Maar een
paar moeten er minstens van glas wezen om waarnemingen te kunnen doen.
De insectaria, die in Artis staan, zijn al zeer geschikt; voor velen
zullen ze evenwel te duur zijn.
De rupsenkasten zijn daarom zoo bruikbaar, omdat er veel plaats is voor
voer. Bijna alle rupsen eten bladeren. Snijdt men nu eenige stengels of
takken met bladeren af en zet men die in een fleschje met water, dan
blijven ze frisch en vormen een goed voer voor de rupsen. Tegen den
tijd, dat de bladeren zijn opgegeten, wordt nieuw voer gehaald en in
een tweede fleschje geplaatst; dit zet men dan ook in het rupsenhuis.
Al heel gauw merken de rupsen dat er „versche groenten” zijn aangekomen
en zij kruipen daar heen. De oude takjes zijn nu verlaten en men neemt
het eerste fleschje weg. Op deze wijze behoeft men de rupsen niet aan
te raken, wat anders wel eens aanleiding kan geven tot kwetsing der
dieren. Het is geheel verkeerd het rupsenvoer zoo maar in het
rupsenhuis te werpen. In enkele uren zijn de bladeren verdroogd en niet
meer te genieten voor de rupsen. ’t Voer moet dus altijd frisch zijn.
Wil men takken en stengels lang frisch houden, dan knipt of snijdt men
ze even voor ze in het water gaan af, en geeft door het ondereinde een
flinke kruissnede van een c.M. of 5; dan trekt het water er goed in.
Goed voer is een eerste vereischte en wie hiervoor niet zorgen kan,
moet geen dieren opkweeken; ’t loopt dan toch op niets uit.
In de tweede plaats moet er gezorgd worden voor frissche lucht; als het
kan, zette men het rupsenhuis altijd voor een open raam. Waar veel
gegeten wordt, is de productie van uitwerpselen ook groot en omdat die
soms minder aangenaam rieken of gaan schimmelen, moet het rupsenhuis
dagelijks gereinigd worden. Men doet dit zeer gemakkelijk met een veer.
Houdt men hieraan de hand, dan loopt de kweekerij vanzelf goed van
stapel.
Op nog een ander punt dient gelet. Verschillende rupsen en
bastaardrupsen verpoppen in den grond. Ze doen het ook wel boven den
grond, als ze niet anders kunnen, maar voor het dier is het beter als
het wat aarde tot zijn beschikking heeft om daarin te kruipen. Men
zette dus in het rupsenhuis neer een laag bakje met aarde; de aarde
wordt een beetje vochtig gehouden. Het aardigst is te beginnen met een
kweekje van brandnetelrupsen, van de Kleine Vos. Men vindt in Mei en
begin Juni op brandnetel geheele kolonies van deze rupsen.
Wij moeten vooral aanraden de dieren zoo weinig mogelijk of eigenlijk
in ’t geheel niet aan te raken; de natuur helpt zichzelf wel. Dan
moeten wij aanraden met niet te veel soorten in eens te beginnen; dat
geeft maar verwarring en belemmert ons in het duidelijke waarnemen.
Want waarom gaan wij insecten kweeken in huis? Alleen om belangrijke
waarnemingen te doen, onze kennis te verrijken, om de natuur te leeren
bewonderen en in die bewondering te genieten. Dan is het kweeken in
huis het eenige middel om onbeschadigde volwassen vlinders te krijgen.
Met een vlindernet kunnen wij gemakkelijk vlinders vangen, doch bijna
altijd worden ze min of meer beschadigd. Kweeken wij ze evenwel uit
rupsen in ’t rupsenhuis op, dan krijgen we gave, onbeschadigde en ook
nietafgevlogen vlinders. Sommige vlinders overwinteren als pop, ’t zij
boven, ’t zij onder den grond. We moeten die dus ook thuis den winter
laten doorbrengen. Een goed plaatsje is een kamer, waar niet gestookt
wordt. Op den zolder is ook goed; men kan ze ook buiten zetten of in
een schuur. Tegen kou zijn ze voldoende bestand; men moet evenwel
zorgen dat ze geen last van regen of ander water hebben.
Behalve als poppen, overwinteren ook vele insecten als imago; b.v.
kleine vos, atalanta, citroentje, vele kevers, muggen, enz. Wie de
geschiedenis van deze insecten wil leeren kennen, dient hiervan wat
exemplaren te verzamelen vóór den winter.
In een rupsenhuis of insectarium kunnen wij ook de levensgeschiedenis
volgen van verschillende kevers, b.v. O. L. H. beestjes, het
goudhaantje (70) doodgravers en wat al niet meer. Als we maar zorgen,
dat zij het juiste voedsel hebben. O. L. H. beestjes lusten dolgraag
bladluizen, het goudhaantje leeft op de witte doovenetel. Zet men b.v.
in een bloempot met aarde een plant van witte doovenetel, dan kan men
verder in het insectarium eenige goudhaantjes doen, die dan op de
doovenetel eieren gaan leggen, waaruit larven komen, die aan de
bladeren gaan eten, ten slotte aan de bladeren verpoppen en eindelijk
als kever voor den dag komen.
Hoofdzaak is, dat de dieren een goed en passend voer hebben.
Wat de waterinsecten betreft, die moet men in een aquarium houden; men
lette er evenwel op, dat sommige roofinsecten zijn en andere meer
planteneters. De larven zijn meestal ook erge carnivoren, zoodat ons
aquarium dan met recht een jachtterrein wordt. Wie de steekmuggen wil
bestudeeren, moet de larven in het aquarium houden. Het verdient
aanbeveling de aquaria met een geperforeerde zinken plaat of met een
glasplaat te bedekken; dan kan geen enkel insect ontsnappen; sommige
waterkevers scheppen ’s avonds wel eens een luchtje en vliegen dan
rond. Onze waterinsecten moeten gevoerd worden. Stukjes vleesch,
daphnia’s, kleine vischjes, ze doen er hun maal mede. Er moet ook
gezorgd worden voor waterplanten en een flinken bodem.
Een insecten-aquarium is veel interessanter dan een gewoon
visch-aquarium, omdat er veel meer actie in het leven der insecten is;
bovendien is de gedaanteverwisseling zeer merkwaardig.
Wij kunnen al deze onderwerpen hier niet uitvoerig uitwerken, doch
zullen bij de afzonderlijke beschrijving der waterinsecten nog wel het
een en ander mededeelen.
Van belang is dat wij bij het vangen en kweeken van insecten, vooral
aanteekeningen maken van onze waarnemingen; ook vergete men niet de
datums te noteeren. Vaak kan het ook nuttig zijn, het uur te noteeren,
waarop iets wordt waargenomen. Wij weten nog lang niet alles van het
leven der waterinsecten, zoodat er vele nieuwe waarnemingen zijn te
doen. Wie zich met insecten bezighoudt, moet een dagboek aanleggen;
later hebben die aanteekeningen veel waarde.
XVIII. HET OPZETTEN VAN INSECTEN.
Zullen wij ook insecten gaan opzetten? En we zouden willen vragen:
Waarom niet? Als het alleen ons doel is om maar wat dieren opgeprikt te
hebben, dan zeggen we, neen, laat dat opzetten maar na. Doch is ’t ons
ernstig streven om het maaksel der dieren te leeren kennen, om hen
onderling te leeren vergelijken, om den vorm van verschillende organen
te bestudeeren, dan hebben wij materiaal noodig, en moeten wij
verschillende insecten opzetten.
Wie in dit opzetten iets wreeds ziet, vergist zich zeer, want de
insecten worden eerst bedwelmd en sterven dan, zonder pijn. Wij
gebruiken chloroform en dat bevalt ons uitstekend. Men kan het aldus
aanwenden. Men neemt een reageerbuisje van stevig glas; de wijdte
regelt zich naar de grootte van het dier. Op den bodem van het glas
brengt men een stukje watten, en giet daarop wat chloroform; het buisje
wordt met een kurk luchtdicht gesloten. Wenscht men nu een dier te
dooden, dan wordt het vlug in het buisje gebracht, dat direct weer
gesloten wordt. Binnen enkele seconden is het dier bedwelmd; bovendien
hangt dit af van de hoeveelheid chloroform, die op het watje is
gegoten. De chloroformdampen trekken door de luchtbuizen het lichaam in
en zonder pijn wordt het dier gedood.
Het dooden op deze wijze is dus in ’t geheel niet wreed. De gewone
manier waarop vlooien en andere parasieten, ook steekmuggen, worden
doodgedrukt of doodgeslagen, is inderdaad heel wat wreeder. Natuurlijk
heeft het altijd iets stootends een dier te dooden, maar daarover
moeten wij ons heenzetten. Bovendien is het nog de vraag, wat voor een
insect aangenamer is, met chloroform te worden bedwelmd of door een
ander dier met huid en haar levend te worden verslonden. Want op dit
laatste draait het gewoonlijk in de vrije natuur uit.
Zijn de dieren gedood, dan worden ze opgezet in doozen met een bodem
van turf. Die doozen zijn in den handel. Men kan ze ook zelf maken,
want turfplaten zijn voor enkele centen te koop. Dit neemt niet weg,
dat wij toch maar liever aanraden de doozen te koopen; die zijn keurig
afgewerkt en sluiten uitstekend. Een insectendoos moet goed sluiten,
anders gaan de dieren schimmelen.
De doode insecten worden met spelden vastgezet; hiervoor worden
speciale spelden in verschillende dikte gebruikt; men noemt ze
insectenspelden, welke bij de handelaars verkrijgbaar zijn. De gewone
huishoudspelden deugen niet; ze zijn te dik en er komt roest bij.
Kevers prikt men gewoonlijk in den bovenhoek van den rechtervleugel; de
andere insecten door het borststuk. Al naar de verzamelaar dat zelf
wenscht, kan hij de vleugels „spannen”, de pooten „strekken”. Bij
vlinders kan ook wel de roltong worden uitgezet.
Heel wat oefening is er noodig om de vleugels van vlinders, libellen,
sprinkhanen, netjes te spannen. Men gebruikt daarvoor spanborden; een
eenvoudige vorm is een blokje hout, waarin een gleufje is gezaagd. De
spanspelden zijn steviger dan de gewone. In het gleufje wordt het
lichaam van het insect geplaatst en de vleugels worden links en rechts
op het plankje uitgespreid, en vlak gehouden door reepjes papier, die
met spelden worden vastgezet. Alleen door veel oefening krijgt men
handigheid de vleugels vlak te spannen en niet te beschadigen. Men kan
deze dieren ook éénzijdig spannen, door slechts één voor-, en één
achtervleugel daarvoor te gebruiken.
Van belang is het, dat bij elk dier een etiket wordt geplaatst, waarop
vermeld staan de Hollandsche en Latijnsche naam, de tijd en de plaats,
waar het dier gevangen is. Meerdere bijzonderheden, b.v. omtrent het
aantal, de aangerichte schade, kunnen in een afzonderlijk schrift
worden vastgelegd.
Over het opzetten van insecten zouden we nog veel kunnen schrijven; ook
over de verschillende manieren om de dieren te dooden. Maar dan zouden
wij te uitvoerig worden. De beginner heeft aan ’t medegedeelde genoeg,
en al doende leert men.
XIX. DE INDEELING DER INSECTEN.
De indeeling der insecten is reeds van ouden datum; dat bewijst, dat
men zich al vroeg met deze dieren heeft beziggehouden. Trouwens, dit
kon ook niet anders, omdat er geen enkele groep dieren is, die den
mensch zoo omringt binnens- en buitenshuis als juist de insecten. Die
oude indeeling bracht de insecten in 7 of 9 groepen onder. De nadere
studie heeft evenwel aan ’t licht gebracht, dat veel wat bij elkaar was
gebracht toch niet bij elkaar hoorde. Zoodoende vielen enkele groepen
uit elkaar. Het zijn vooral Brauer, Handlirsch en anderen, die het
systeem hebben gewijzigd; wij kunnen ook daarop niet verder ingaan,
doch zullen het systeem mededeelen, dat Dr. J. Th. Oudemans in zijn
prachtig boek „De Nederlandsche Insecten” volgt. Volgens dit systeem
worden de insecten in de volgende 19 Orden ingedeeld:
Orde I. Franjestaarten (73).
Orde II. Springstaarten.
Orde III. Oorwormen (74).
Orde IV. Haften (75–76).
Orde V. Glazenmakers (77–81).
Orde VI. Perlariën.
Orde VII. Rechtvleugeligen (82–90).
Orde VIII. Pelsvreters, Houtluizen (91–92).
Orde IX. Blaaspooten.
Orde X. Plantluizen, Luizen, Wantsen (93–104).
Orde XI. Waaiervleugeligen.
Orde XII. Netvleugeligen (105–107).
Orde XIII. Schorpioenvliegen.
Orde XIV. Schietmotten, Kokerjuffers (108).
Orde XV. Vlinders (109–144).
Orde XVI. Vliegen en Muggen, tweevleugeligen (145–161).
Orde XVII. Vlooien (162).
Orde XVIII. Kevers (25–72).
Orde XIX. Vliesvleugeligen, Bijen, Wespen (163–180).
In de hierachter volgende beschrijvingen worden dus bijna alle orden
behandeld; een paar van minder beteekenis, waarmede het publiek zelden
of nooit in aanraking komt, hebben we weggelaten. Daarentegen zijn de
vlinders, kevers, vliegen en muggen, bijen, hommels, wespen, die wij
als het ware dagelijks om ons heen zien, tamelijk uitvoerig besproken.
We vertrouwen, dat dit Album daardoor meer aan zijn doel zal
beantwoorden.
Voor wie belang mogen stellen in de Latijnsche namen der Orden, geven
wij die hieronder:
I. Thysanura.
II. Collembola.
III. Dermaptera.
IV. Agnatha.
V. Odonata.
VI. Plecoptera.
VII. Orthoptera.
VIII. Corrodentia.
IX. Thysanoptera.
X. Rhynchota.
XI. Strepsiptera.
XII. Neuroptera.
XIII. Panorpata.
XIV. Trichoptera.
XV. Lepidoptera.
XVI. Diptera.
XVII. Siphonaptera.
XVIII. Coleoptera.
XIX. Hymenoptera.
XX. DE PLAATS DER INSECTEN IN HET DIERENRIJK.
Het geheele dierenrijk kan men gevoegelijk in 7 Hoofdafdeelingen
indeelen. In de laatste jaren is deze indeeling ook wel weer gewijzigd,
doch voor ons doel zullen wij ons houden aan de indeeling in 7 groepen.
Van de laagst georganiseerde tot de hooger ontwikkelde dieren
opklimmende, krijgen we dan de volgende groepen:
1. Protozoën of ééncellige dieren,
2. Holtedieren: polypen,
3. Stekelhuidigen: zeesterren,
4. Weekdieren: slakken, mossels,
5. Wormen,
6. Gelede dieren: kreeften, spinnen, duizendpooten, insecten,
7. Gewervelde dieren: vogels, zoogdieren.
De insecten behooren dus tot de 6e hoofdafdeeling, en deze afdeeling
wordt weer in 4 groepen ingedeeld:
1. schaaldieren,
2. duizendpooten,
3. insecten,
4. spinnen.
XXI. DE NAMEN DER INSECTEN.
In de Hollandsche namen der insecten ligt gewoonlijk de een of andere
eigenaardigheid der dieren opgesloten, die in verband staat met het
voedsel, met den tijd van het jaar, met de plaats, waar het dier leeft,
de wijze van voortbewegen, enz. enz.
Die volksnamen zijn vaak zeer sprekend.
De overgroote meerderheid der Nederlandsche insecten heeft evenwel geen
Hollandschen naam; de oorzaak hiervan ligt in de omstandigheid, dat de
spraakmakende menigte wel groote en algemeen voorkomende insecten ziet,
maar de kleinere niet.
De mannen der wetenschap evenwel hebben aan alle bekende insecten een
naam gegeven, die ontleend is aan ’t Latijn of ’t Grieksch. Die namen
gelden dan voor de heele wereld. Voor de wetenschap zijn deze namen een
groot gemak.
Een wetenschappelijke naam bestaat uit 2 deelen: een geslachts- of
familienaam en een soort- of voornaam. ’t Is evenwel de gewoonte den
voornaam achter den familienaam te zetten. Deze wijze van benoeming
danken wij aan Linnaeus, een groot natuurkenner, die leefde van 1707
tot 1778.
Een zelfde benoemingswijze treffen wij aan bij de planten; ook die is
te danken aan Linnaeus.
De gerande watertor (28) heet Dytiscus marginalis. De geslachts- of
familienaam Dytiscus beteekent, dat deze kever goed duiken kan;
marginalis, de soortnaam, beteekent „gerande”.
Van de Vanessa’s, die mooie dagvlinders, kennen we verschillende
soorten: Vanessa urticae (112), V. polychloros (114), V. Io (115), V.
antiopa (116), V. atalanta (117). Zij behooren allen tot de familie of
het geslacht Vanessa, welk woord fakkel of zon beteekent en er zeker op
wijst, dat deze vlinders alleen bij zonnig weer vliegen. Wat nu de
soortnamen betreft, zoo beteekent urticae (spreek uit: urtisee) dat
deze rups op brandnetel (urtica) leeft; polychloros beteekent:
„veelkleurige”, terwijl Io, antiopa en atalanta Grieksche meisjesnamen
zijn.
In den loop der tijden is het wel voorgekomen, dat nieuw ontdekte of
beschreven soorten verschillende namen kregen; daardoor ontstond dan
verwarring. Verschillende congressen van dierkundigen hebben al
beproefd eenheid in de benaming te krijgen en voor een groot deel is
dit ook wel gelukt, doch geheel zuiver is de toestand nog niet. Sommige
insecten hebben daardoor twee geslachtsnamen en ook wel twee
soortnamen; een oude en een nieuwe. Wij hebben die dan tusschen haakjes
geplaatst.
Achter den soortnaam wordt meestal ook de naam van den dierkundige
gezet (gewoonlijk afgekort), die het desbetreffende dier heeft
beschreven en benoemd. Een L. beteekent Linnaeus. Fab. of F. Fabricius,
enz.
Hoewel er reeds vele insecten bekend en beschreven zijn, worden er toch
telkens weer nieuwe ontdekt; die krijgen natuurlijk dan een nieuwen
naam. Er zijn nog vele streken van de aarde, die uit een entomologisch
oogpunt nog geheel braak liggen. Ook zijn wij nog niet geheel bekend
met de insecten, die in ons eigen land voorkomen, al zijn de meeste dan
ook wel beschreven. Op entomologisch gebied zijn dus inderdaad nog vele
nieuwe dingen te vinden; vooral de biologie, de leer van het leven in
de vrije natuur, vraagt nog vele beoefenaars. En ieder, wie hij ook
zij, en wat zijn maatschappelijke positie ook moge wezen, kan zich
verdienstelijk maken voor de wetenschap, door het doen van
stelselmatige, correcte, juist beschreven waarnemingen.
Thans gaan wij over tot de beschrijving der afzonderlijke dieren, die
op de plaatjes zijn afgebeeld.
BIJZONDER GEDEELTE.
PLAAT I.
LARVEN EN POPPEN.
Larven. Eigenlijk hooren Plaat I en Plaat II bij elkaar, omdat rupsen
ook larven zijn. We hebben ze evenwel afzonderlijk genomen, omdat de
larven op de eerste plaat in het algemeen minder bekend zijn. De rupsen
zijn zoo wat de eenige larven, die het publiek kent. Wel heeft iedereen
gehoord, dat uit de eieren van meikevers engerlingen komen, maar hoe
weinigen hebben een engerling gezien? O. L. Heersbeestjes kent zelfs
het kleinste kind; doch wie kent de larve? Toch moeten die er ook zijn,
want elke kever was eenmaal een larve. Wie heeft de larven van een
steekmug, van een kamervlieg, van een vloo wel eens gezien? Toch komen
er milliarden daarvan in ons land voor. Het kwam ons daarom nuttig voor
een plaat te geven, waarop verschillende soorten larven zijn afgebeeld.
Een larve is een jong insect, en de meerderheid der larven lijkt
heelemaal niet op de volwassen insecten. Uit een rups moet nog een
vlinder groeien, uit een engerling nog een meikever, uit een meelworm
nog een meeltor.
Naar haar vorm en verdere ontwikkeling kunnen wij de insectenlarven in
de volgende groepen indeelen:
Eerste groep: Primaire Larven.
I. De larve gelijkt volkomen op de imago’s, doch is alleen kleiner
en kan nog geen eieren leggen; de suikergast (73) en de
ongevleugelde dierluizen.
II. De larve gelijkt zoozeer op de gevleugelde imago’s, dat zelfs
de oningewijde haar dadelijk herkent. Ze heeft evenwel nog geen
vleugels, haar pooten zijn nog niet volkomen en ook de verhouding
der lichaamsdeelen is nog niet zooals bij de imago’s. Zulke larven
komen voor bij de rechtvleugeligen. Fig. 22 geeft een afbeelding
van een veenmollarve.
Tweede groep: Secundaire Larven.
III. De larve gelijkt eveneens zeer veel op de imago’s, heeft
evenwel ook geen vleugels, doch wel bijzondere organen, die bij de
imago’s ontbreken, b.v. trachee kieuwen, grijporganen enz. Deze
verschillen vinden haar oorzaak in de omstandigheid, dat de larven
in een andere middenstof leven dan de imago’s; zoo leeft de larve
van een glazenmaker (8) in ’t water en de imago vliegt rond in de
lucht. De organen, die noodig waren voor het leven in ’t water,
worden afgeworpen als het dier een landbewoner wordt.
Zooals reeds vroeger is opgemerkt, zegt men, dat de insecten, die
tot I behooren, geen gedaanteverwisseling hebben en die tot II en
III behooren hebben een onvolkomen gedaanteverwisseling. Het
karakter hiervan zit dus in de larve.
Derde groep: Tertiaire Larven.
IV. De larve lijkt heelemaal niet op het volwassen insect; dit komt
voor bij de rupsen, maden, keverlarven. Vóór deze larven imago’s
worden, maken ze een poptoestand door. Men zegt, dat ze hebben een
volkomen gedaanteverwisseling.
Deze larven kunnen aldus worden ingedeeld:
A. Larven zonder buikpooten.
a. met 6 goed gevormde borstpooten:
1. de larven hebben meestal een sterke chitinehuid; voorbeelden
zijn de larve van den mierenleeuw (4), van den zandkever (9),
van den poppenroover (10). Verder van waterroofkevers, O. L. H.
beestjes.
2. de larven hebben een weeke chitinehuid en zijn meest wit;
alleen de kop is krachtig gechitineerd en daardoor ook donker
van kleur. Meestal zijn deze, in tegenstelling met de vorige,
blind. Voorbeelden: engerling van meikever (5), ook die van het
vliegend hert, van mestkevers.
b. met zwakgevormde of rudimentaire borstpooten, die nauwelijks nog
tot voortbeweging kunnen dienen. Voorbeelden: larven van boktorren
(2) en houtwespen (164).
c. larven zonder borstpooten, dus geheel pootloos:
1. zij bezitten een goed te onderscheiden kop en kauwende
monddeelen; de meeste zijn weekhuidig, wit, en voeren een
verborgen leefwijze: de larven van schorskevers, bijen, wespen,
mieren, sluipwespen. Verschillende vrijlevende muggenlarven (3)
behooren ook hiertoe, en zijn in verband met deze leefwijze
sterker gechitineerd.
2. de larven bezitten geen goed te onderscheiden kop meer; de
monddeelen zijn sterk gewijzigd, teruggeloopen. Meestal
weekhuidig en wit. Hiertoe behooren de larven van vliegen, die
men ook maden noemt. Kamervlieg (1).
B. Larven met buikpooten.
Hiertoe behooren de rupsen en de bastaardrupsen. Deze zijn allen
langgerekt en meer of minder regelmatig gesegmenteerd, met duidelijk te
onderscheiden kop, die voorzien is van kauwende monddeelen; verder 3
paar borstpooten en eenige buikpooten. Rupsen vinden wij afgebeeld op
Plaat II en bastaardrupsen in fig. 6 en fig. 11. Voor oningewijden is
het moeilijk rupsen en bastaardrupsen van elkaar te onderscheiden; men
lette daarom op de volgende verschillen:
1. Een bastaardrups heeft maar 2 enkelvoudige of puntoogen, aan
iedere zijde één; een rups heeft aan iedere zijde 6 puntoogen, dus
totaal 12.
2. Een rups heeft 2 of 5 paar buikpooten; een bastaardrups heeft 6,
7 of 8 paar buikpooten. Op z’n hoogst heeft een rups dus totaal 16
pooten en een bastaardrups 22.
3. De buikpooten der rupsen bezitten een krans van chitinehaakjes;
de buikpooten der bastaardrupsen missen die.
Ten slotte houden we dit nog in ’t oog:
de rupsen groeien uit tot vlinders, de bastaardrupsen tot
bladwespen.
Poppen. Men noemt een pop den toestand, waarin een insect, dat een
volkomen gedaanteverwisseling ondergaat, verkeert, vóór het een imago
wordt. Een pop neemt geen voedsel tot zich. De poppen kunnen wij in 2
hoofdvormen onderscheiden:
1. vrije poppen; de ledematen zijn goed te zien en liggen vrij,
zooals bij den meikever (5); verder komen deze voor bij de andere
kevers, bij de vliesvleugeligen en netvleugeligen, en ook bij
enkele vliegen (7).
2. bedekte poppen of mummiepoppen; de ledematen zijn door een
kleefstof vast aan het lichaam gelijmd; daardoor zijn ze niet zoo
goed waarneembaar als bij de vrije poppen. De bedekte poppen vinden
wij de meeste vlinders en bij een deel der tweevleugeligen (1).
Dat een bedekte pop inderdaad ook dezelfde ledematen heeft als een
imago, kan ons de volgende proef leeren. Lukt het ons een rups waar te
nemen juist op het oogenblik, dat zij verpopt en wordt die pop dan
schielijk gedood door haar in kokend water te werpen, dan blijkt het,
dat alle ledematen nog vrij zijn en niet verkleefd.
Uit het voorgaande volgt, dat een pop eigenlijk een eerste
imago-stadium is en dus meer imago dan larve. Feitelijk is een pop al
een imago, ten minste uitwendig; inwendig moeten evenwel nog eenige
veranderingen plaats hebben.
Een pop kan zich niet meer verplaatsen; ook bezit zij geen enkel
verdedigingsmiddel. Daarom zorgt de larve er gewoonlijk voor, zich zoo
te verpoppen en op zulke plaatsen, dat de pop min of meer beschermd is.
Zoo verpoppen veel larven in den grond, in hout, onder steenen. De
kokerlarven verpoppen zich in kokertjes. Andere verpoppen in haar
uitwerpselen. Allerlei variaties treffen we aan. Zeer bekend zijn ook
de cocons, waarin b.v. rupsen zich verpoppen. Ook hier treden weer
allerlei vormen op. De cocons worden gevormd uit draden, die worden
voortgebracht door de spinklieren, die aan den kop zitten. Zoo’n draad
kan wel 1000 M. en meer lang zijn (zijderupsen). Het koolwitje en de
koninginnepage (14) zetten de pop met een gordel vast. De beerrups
maakt een los spinsel. Behalve de vlinders maken ook vele
vliesvleugeligen een cocon; die van mieren heeten foutief miereneieren.
Sommige rupsen geven door houtspaandertjes stevigheid aan de cocons.
Het verpoppen. Na langer of korter tijd in een rusttoestand te hebben
verkeerd, berst de pop op een gegeven oogenblik open; en voor elke
soort geschiedt dit op een bepaalde wijze. Het insect werkt zich dan
zelf de pophuid uit. Het dier is dan nog week en de vleugels zijn nog
samen gevouwen; deze beginnen zich spoedig te rekken door het inpompen
van lucht door middel van de tracheeën. De insecten, wier kleur niet
afhangt van schubben en haren, zijn eerst nog wat heller gekleurd, meer
geel-wit. Zij moeten eerst nog „uitkleuren” voor zij de goede kleur
hebben. Verder nemen we waar, dat zij na het verlaten van de pop een
druppel vloeistof kwijtraken; dat zijn de afgewerkte stoffen. Een
belangrijke vraag is hoe de insecten, die op een verborgen plaats
verpopten, die plaats kunnen verlaten. Ook hier heeft de natuur gezorgd
voor een geregelden loop van zaken. Dieren met kauwende monddeelen eten
zich een weg naar buiten. Soms heeft de rups al zoo’n weg gemaakt en
valt het dan den vlinder niet moeilijk naar buiten te komen. De pop van
de wilgenhoutrups (23) bezit doorns, die als voortbewegingsorganen
kunnen dienen; daardoor steekt de pop een eind buiten den boomstam en
kan de vlinder gemakkelijk naar buiten komen.
Hoe komt nu een vlinder door een cocon heen? Hij zondert een vloeistof
af, die het spinsel op een bepaalde plaats doorweekt of oplost, zoodat
de vlinder er gemakkelijk door kan. Andere vlinders hebben op het
voorhoofd „coconbrekers”, doorns of tandjes, waarmede de cocon zoo lang
doorpriemd wordt, tot er een opening is ontstaan. Zoo „perforeeren” ook
parasietische vliegen haar omhulsel. De vliegen, wier pop een z.g.
tonnetje is, bezitten op den kop een „kopblaas”, waarin bloed wordt
geperst door welke persing het tonnetje openspringt.
No. 1. Made en pop van Kamervlieg. (Musca domestica). De kamervlieg
legt viermaal eieren, telkens 120; totaal dus een kleine 500. Bij
voorkeur geschiedt dit in verschen paardenmest; daarom zitten
paardenstallen altijd vol vliegen. Na een paar dagen komen uit de
eieren larven, die men maden noemt. Ze hebben geen pooten, geen oogen
en maar 2 stigma’s. Van de sprieten is ook weinig meer overgebleven,
alleen een paar puntjes. Ook de kop is geheel gewijzigd; alleen een
paar haken herinneren nog aan kaken. Het diertje is van voren spits en
loopt naar achter breeder uit; ’t is slank en doorschijnend wit,
precies een wit wormpje. Alle verplaatsings- en waarnemingsorganen zijn
verdwenen. Het wordt geboren midden in het voedsel en heeft maar te
eten. ’t Is een zeer eentonig en primitief bestaan. Is er geen
paardenmest voorhanden, dan legt de kamervlieg haar eieren in andere
rottende stoffen. Afgescheiden van het groote gevaar, waaraan de
kamervlieg den mensch blootstelt, zijn de larven nuttige dieren omdat
zij den mest en anderen afval verwerken; ze behooren tot de opruimers
of vuilnismannen in de natuur. Binnen 14 dagen is de made volwassen en
is dan 9 m.M. lang; zij verpopt tot een tonnetje, waar in de vlieg zich
ontwikkelt, waarvoor 1 à 2 weken noodig zijn, al naar het weer is,
zoodat in 3 à 4 weken weer een nieuw geslacht vliegen voor den dag
komt. Wie deze larven in haar ontwikkeling wil bestudeeren, moet wat
verschen paardenmest in een flesch doen en daar kamervliegen bij
brengen. Vogels, die wel aan mest zitten te peuzelen, en kevers,
verslinden veel larven en poppen. Een Amerikaan, Howard, nam in 125
gram mest 160 larven en 146 poppen waar; dat is in 1 K.G. meer dan
2400. In één zomer kunnen 5 à 6 geslachten geboren worden, zoodat in
Augustus en September er milliarden vliegen zijn. Over de beteekenis
van de kamervlieg als overbrengster van besmettelijke ziekten spreken
wij bij No. 151.
No 2. Larve van Heldenbok. (Cerambyx cerdo). Dit is de grootste larve
van de bij ons voorkomende boktorren, hoewel ze toch zeldzaam zijn; de
larven worden tot 7 c.M. lang, terwijl de kever een lengte heeft van 3
tot 5 c.M. Deze larve is een „boorder” en leeft in eikenhout 3 à 4 jaar
voor ze verpopt. Ze komt ook wel eens voor in „bewerkt” eikenhout; ’t
is dan een vreemd gezicht als uit een meubelstuk een boktor naar buiten
marcheert.
De larve is min of meer rolrond, ovaal, en aan de voorzijde tamelijk
dik. Pooten ontbreken; men treft daarvoor enkele wratten in de plaats,
die de beweging kunnen bevorderen; daarvoor dienen ook de ruwe, veel
weerstand biedende schijven, die aan de bovenzijde zichtbaar zijn. Druk
heeft het dier zich niet te verplaatsen, want het is omringd door zijn
voedsel. Ook aan het achterlijf bezit het zulke schijven. De kop is
goed ontwikkeld en de kaken zijn stevig. Dat is een groot verschil met
de made van een kamervlieg; het hangt samen met den aard van het
voedsel. Het eikenhout moet gekauwd worden, paardenmest slechts
uitgezogen; ’t laatste is zacht voedsel. De harde kop is ingetrokken in
het voorborststuk. De larve vreet gangen in het hout dat daardoor
technisch minder waarde krijgt; de aangevallen boomen wateren
gemakkelijk in waardoor vermolming en rotting ontstaat. Op haar 3 of 4
jarigen tocht door den stam wordt van tijd tot tijd zaagsel uit de
gangen naar buiten geworpen; als men dit onder aan een boomstam vindt,
is ’t een bewijs, dat er boktorlarven in den stam zitten. Er leven ook
wel larven van houtwespen in het hout, en ook die graven gangen. Zij
werpen evenwel geen zaagsel, maar zaagselkorrels naar buiten. De kleur
der boktorlarven is wit en de huid is week; alleen de kop is harder en
meer donker. Die hardheid is noodig voor het bieden van weerstand bij
het knagen van gangen. De boktor zelf is afgebeeld onder No 62.
No 3. Larve en pop van Steekmug. (Culex pipiens). Deze larve leeft in
stilstaande wateren; zoodoende komt ze ook voor in regentonnen, in
allerlei potten, pannen en busjes of blikjes, waarin maar wat vuil
water staat. De larven van steekmuggen zijn gemakkelijk te herkennen;
zij bezitten 1º een vrijen kop, 2º bijtende monddeelen, 3º het
imago-oog is dikwijls al bij de larven te zien; dit zit in verband met
den korten poptijd, die soms maar enkele dagen duurt; 4º borstels op
het borststuk; zij staan in chitinekommetjes, 5º aan het achterlijf zit
een zijdelings geplaatste adembuis of sypho; dit is een zeer belangrijk
orgaan.
De larven zijn zwaarder dan water en toch kunnen ze aan de oppervlakte
van het water blijven hangen. Hoe kan dat? Aan ’t einde van den sypho
zit een vijflobbige plaat; worden deze lobben nu uitgeklapt, dan hangt
het dier op het water en kan tegelijk door den sypho lucht opnemen. Wil
de larve naar beneden, dan klapt ze de lobben weer dicht.
Er is ruimschoots voor gezorgd, dat het dier voldoende kan ademhalen;
het kan dit doen op 4 manieren: 1º door den sypho, 2º door 4
tracheeën-kieuwen, 3º door de teere huid en 4º door den darm. Zoo’n
larve is dus ruim voorzien.
De poppen zwemmen vrij rond; daarvoor bezitten zij aan het achterlijf
zwemlappen. Ze zijn lichter dan water en zeer beweeglijk. Aan de pop
zijn achterlijf en borststuk goed te onderscheiden; op het borststuk
zien we twee ademhalingstrechters. Door de huid schemeren de pooten al
door. De poptoestand loopt meestal binnen veertien dagen ten einde;
soms ook in korter tijd, ’t kan ook wel eens langer duren. De bijtende
monddeelen der larven wijzen erop, dat ze vaste stoffen nuttigen; voor
een deel nuttigen zij afval, ook wel kleinere diertjes. Heel kieskeurig
zijn ze niet. In polderwaters vormen zij een gewild voedsel voor de
visschen; uit dat oogpunt beschouwd zijn ze nuttig. Maar dit schijnt
ook de eenige lichtzijde voor ons aan haar bestaan te zijn. Uit de
poppen komen de geniepige steekmuggen, die ons ’s nachts uit den slaap
houden. Maar daarover vertellen we wat meer onder No. 146. Wil men de
steekmuggenlarven in de stilstaande wateren en plassen, op de platte
daken en al de vochtige plaatsen, waarvan het water toch niet als
drinkwater wordt gebruikt, dooden, dan giete men over het water
petroleum uit, dat doodend voor de larven is; bovendien belet dit voor
een deel de ademhaling. De meer afdoende bestrijdingswijzen van de
steekmuggen bespreken we later. Wil men de larven en poppen nader
bestudeeren, dan scheppe men wat slootwater en doe dit in een
wijdmondsflesch, glas of aquarium. Men kan de geheele ontwikkeling
nagaan; men ziet het vervellen, dat de larve eenige malen doet, het
verpoppen en ten slotte ook het ontpoppen, dat zeer eigenaardig
geschiedt. De larve bereikt een lengte van nog geen 9 m.M.; de pop is
nog korter.
No 4. Larve van Mierenleeuw. (Myrmeleon formicarius). Deze larve is een
der merkwaardigste dieren; zij leeft aan zonnige boschranden, in rul
zand aan wegkanten van zandige wegen. Op een vasten bodem wordt zij
nooit aangetroffen; dat staat, zooals wij zien zullen, in verband met
haar leefwijze. Zij ziet er zeer eigenaardig uit; haar lichaam is naar
achter kegelvormig toegespitst; in ’t midden is het ’t breedst om
daarna naar voren weer spits toe te loopen en te eindigen in een
breeden, platten kop. Aan dien kop treffen we twee zeer groote,
sabelvormige kaken aan. Deze kaken wijzen er op, dat de mierenleeuw een
kannibaal is. Zij grijpt haar prooi en zuigt de slachtoffers uit. Omdat
zij geen vast voedsel tot zich neemt en zich voedt met de beste sappen
van haar prooi, die zij direct zelf kan gebruiken voor haar groei,
heeft ze weinig „afval”, dat bij de andere dieren het lichaam wordt
uitgeworpen. Zij bewaart dien afval in haar lichaam; haar darmkanaal is
aan het achtereinde gesloten. Eerst als de imago uit de pop is gekomen
verlaten de „voedingsresten” het lichaam. Een roofdier of kannibaal
moet zijn slachtoffers achtervolgen, bespringen of in een val lokken.
Dit laatste nu doet de mierenleeuw. Zij graaft op een zeer handige
manier een trechter in den zandbodem; soms is die in een paar minuten
klaar en dan weer heeft ze er uren voor noodig. Stoot ze op een hard
voorwerp, op een grooten steen of boomwortel dan staakt ze haar werk en
begint ergens anders. Zoo’n trechter, door een volwassen larve
gegraven, is gemiddeld een 5 c.M. diep en 8 à 9 c.M. wijd. Is de
trechter klaar, dan plaatst de mierenleeuw zich onderin, verschuilt
zich in ’t zand en laat alleen de twee reuzenkaken naar buiten komen.
Ze is nu gereed haar prooi uit te zuigen, als die maar komen wil. Een
achteloos miertje komt aangetippeld, en nauwelijks is ’t aan den rand
van den trechter gekomen of ’t zand onder zijn voeten raakt los en hoe
harder het trapt om naar boven te komen, des te meer zand rolt er onder
zijn pooten weg en des te sneller gaat dit. Is het slachtoffer naar
beneden gevallen, dan wordt het dadelijk tusschen de twee tangen
genomen en verder bewerkt. Alleen ’t lichaamsvocht wordt opgezogen; de
harde, onverteerbare chitinehuid blijft liggen. Behalve mieren,
tippelen ook heel wat andere insecten „den kelder in”; ook spinnen
vinden daar haar graf.
Een mierenleeuw is eerst in haar tweede jaar volwassen; dan verpopt ze
en komt de imago voor den dag, die afgebeeld is op No. 115.
Het leven van een mierenleeuw is een bestaan vol risico, want komen er
geen insecten in de val, dan heeft ze ook niets te eten. Zoo kan het
gebeuren, dat ze weken en maanden vasten moeten, en dat kunnen ze goed.
Trouwens, als ze dit niet konden, waren alle mierenleeuwen al lang
uitgestorven. Alle roofdieren, die hun buit niet achtervolgen, doch
stil afwachten of er wat komt, bezitten een groot uithoudingsvermogen.
In zandstreken zijn de mierenleeuwen lang niet zeldzaam; en als men er
meer naar zocht, zou men er ook wel meer vinden. In Artis in Amsterdam
kunnen de bezoekers van het Insectarium wel eens mierenleeuwen aan ’t
werk zien.
No. 5. Larve (engerling) en pop van Meikever. (Melolontha vulgaris).
Zoo goed bekend de meikever is, zoo onbekend bij de meeste menschen is
de larve van dezen kever, de engerling. De oorzaak hiervan zit in de
verborgen leefwijze van de engerling; deze larve toch is een
grondbewoner, komt nooit aan ’t licht, en is daardoor bij ’t publiek
zoo goed als onbekend. De meikever legt de eieren in den grond. Na 3 à
4 weken komen daaruit de kleine engerlingen, die meestal gezellig het
eerste jaar bij elkaar blijven; dan zijn ze nog meer cylindervormig en
kunnen hard loopen. Later verliezen zij dit groote
verplaatsingsvermogen voor een belangrijk deel, door de sterke
ontwikkeling van het zakvormige achtereinde van het lichaam. Het dier
is witachtig, min of meer kaaskleurig, terwijl de ingewanden door het
zakvormig achtereinde leikleurig doorschemeren. De kop is roodgeel,
glanzig, fijn rimpelig; de bovenkaken zijn zwart, krachtig, en hiermede
kunnen zelfs harde wortels worden aangegrepen. Ze bezitten 6 pooten,
waarvan de voorste iets korter zijn dan de andere.
De engerlingen zijn vegetariërs. In haar jeugd leven ze van humus en
meststoffen; later van levende plantenwortels, waardoor ze tot de
gevaarlijkste kultuurvijanden behooren. Zij ontzien niets. Zachte
wortels genieten de voorkeur; zoo noodig grijpen ze alles aan. Ze
vreten dan de fijnere wortels van jonge boomen wel af, waardoor deze
bij den minsten druk omvallen.
Tegen den winter kruipen ze wat dieper den grond in; dat is een
beschutting tegen de koude. Bij ons duurt de ontwikkeling 3 jaar, in
Duitschland 4 jaar en in Oost-Pruisen 5 jaar. De ontwikkeling is
afhankelijk van plaatselijke omstandigheden en van het klimaat. In
Oost-Pruisen heerscht o.a. een vastlandklimaat, ’t is daar kouder; ook
duurt de winter daar langer.
De larven, die b.v. in 1912 in Juni uit het ei kropen, bleven in 1913
nog larven en in 1914 tot aan Juli; dan heeft de verpopping plaats. Een
meikeverpop is een vrije pop, zooals wij op het plaatje kunnen zien. In
Augustus 1914 kwamen uit de poppen reeds de meikevers te voorschijn,
doch deze kwamen nog niet aan de oppervlakte; dat geschiedde eerst in
Mei en Juni van 1915. Een meikever blijft dus wel een maand of negen
als kever in den grond. Van Augustus tot Mei kan men dus altijd levende
meikevers in den grond vinden, als men maar aan ’t spitten gaat. De
volwassen meikevers schijnen in den grond niets te eten. Merkwaardig is
het, dat de meikevers nooit te vroeg uit den grond komen; zij weten hun
tijd.
Eigenaardig is het, dat de groote engerlingen de kleine van het vorig
jaar gaarne oppeuzelen; daardoor brengt die jonge generatie het nooit
tot een sterke ontwikkeling. Intusschen komen er ieder jaar meikevers
uit, doch om de drie jaar komt de grootste massa.
Omdat de engerlingen tot onze kultuurvijanden behooren dienen wij ze te
bestrijden; dat gaat niet al te gemakkelijk, omdat zij verborgen in den
grond zitten. Men beproeft wel de volgende middelen:
1º Na een meikeverjaar kan men in ’t volgende jaar de engerlingen
uitgraven; dan zijn er duizenden te vangen.
2º Zijn graslanden hevig aangevallen, dan beproeft men de
landerijen onderwater te zetten; de larven verdrinken dan in den
grond. Het is voorgekomen, dat midden in den zomer de uiterwaarden
door stijging van het rivierwater geheel onder liepen en dat
daardoor alle engerlingen op de weilanden omkwamen. Dit geschiedde
o.a. in 1878 op de uiterwaarden van den Rijn in ons land. Hieruit
zien we, hoe snel de natuur kan werken; veel sneller dan de
menschen. In korten tijd slaat de natuur een heel leger dieren
neer. Het onder water zetten moet geschieden in den zomer omdat de
engerlingen dan dicht bij de oppervlakte zitten; ’s winters geeft
het niet, dan zitten ze veel te diep.
3º Zijn b.v. boomkweekerijen of boomgaarden door engerlingen
aangetast, dan kan men den grond moeilijk omwoelen, omdat men dan
de wortels beschadigt In zoo’n geval spuit men den grond dan in met
benzine of zwavelkoolstof; dit laatste werkt sterker, is een
heviger vergift; daarentegen verdampt benzine minder snel en houdt
haar uitwerking wat langer aan.
4º In de vrije natuur worden larven en kevers aangevallen door
schimmels, die hen dooden. Het zijn vooral de 2 draadzwammen Isaria
densa en Botrytis tenella, die heel wat opruiming onder de larven
en imago’s houden. In Frankrijk heeft men deze zwammen kunstmatig
gekweekt om daarmede de engerlingen te besmetten. Men deed dit als
volgt. Men haalt een honderd engerlingen uit den grond, legt ze op
een schotel en strooit de sporen der zwammen over de dieren uit.
Daarna legt men er wat vochtig mos over. De engerlingen zijn reeds
den volgenden dag voldoende besmet en geschikt voor verdere
verspreiding. Nu gaat men de aangetaste engerlingen „poten” in die
gronden, waar veel gezonde engerlingen huishouden; de gezonde komen
met de zieke in aanraking en worden zoodoende ook besmet. En
inderdaad heeft men ook resultaten gekregen, al had men ook meer
verwacht. Het is niet gemakkelijk onder dieren opzettelijk een
epidemie te verspreiden, omdat wij niet altijd de omstandigheden
meester zijn, waaronder zoo’n parasiet net beste gedijt. Zijn die
omstandigheden ons gunstig, dan krijgen we schitterende resultaten;
in ’t tegenovergestelde geval is ons werk van weinig invloed, en
faalt het.
Tot de natuurlijke vijanden van de engerlingen behooren de roeken
en de kraaien; die halen de engerlingen uit den grond. Dat mollen
engerlingen zouden eten is onjuist. De beschrijving van den
meikever vindt men onder No 37.
No 6. Larve (bastaardrups) en pop van Berkenbladwesp. (Cimbex
femorata). Deze larve zal wel dadelijk aangezien worden voor een rups;
zij lijkt daarop ook zooveel, dat dit niet te verwonderen is. ’t Is een
bastaardrups. Uit haar groot aantal pooten, 22, volgt al dadelijk, dat
het geen rups kan zijn, want die heeft hoogstens 16 pooten. De
berkenbladwesp behoort tot de grootste soorten. Tot haar verdediging,
als zij wordt aangeraakt, spuit de larve uit de zijden een vocht.
Vroeger dacht men, dat dit een klierproduct was; ’t is evenwel gewoon
bloed, dat door speciale openingen naar buiten komt. Deze openingen kan
de larve naar believen openen en sluiten. Alle leden van ’t geslacht
Cimbex bezitten dit vermogen. Er zijn bij ons 5 soorten inlandsch. De
larven spinnen stevige cocons, die met een dekseltje geopend worden. In
de beschrijving van Plaat XIV wordt uitvoerig gehandeld over
bladwespen. No 163 en 165 geven er afbeeldingen van. De
berkenbladwesprups voedt zich met berkenbladen en komt nooit in grooten
getale voor. Daarom heeft deze bastaardrups geen economische
beteekenis. Voor het leeren kennen van bladwespen is het een uitstekend
dier om op te kweeken.
No 7. Larve (made) en pop van Roofvlieg. (Asilus germanicus). Deze
larve is al even moorddadig als de vlieg zelve. Ze leeft in allerlei
houtmolm en ander vergaan hout, ook wel onder boomschors, en voedt zich
met allerlei insecten. Zij gaat daarbij tamelijk krachtig te werk en
boort zich zelfs in haar slachtoffer, om het des te beter te kunnen
uitzuigen. Als ze verpopt, wordt ze een mummiepop of vrije pop. Op de
afbeelding heeft deze pop iets spookachtigs. Zij heeft krachtige
haakjes aan het vooreinde en gordels van dorentjes om de
achterlijfsringen, boven en onder met haren vermengd. De laatste ring
heeft twee haakjes en meer andere uitwassen. Het is dus een heel
typische pop, zooals de afbeelding ook laat zien. De vlieg zelve heeft
krachtige pooten, en is een stoute roover. Zij valt allerlei insecten
in de vlucht aan, zet zich met haar prooi op den grond neer en zuigt
dan haar slachtoffer uit. Dat uitzuigen geschiedt met zooveel aandacht,
dat men haar dan goed kan bespieden. Jaagt men ze op, dan nemen ze haar
prooi mee. De gedaanteverwisseling is volkomen.
No 8. Larve van Glazenmaker. (Cordulea aenea). Deze larve, die een
waterdier is, staat op het punt voor de laatste maal te vervellen, en
dan een glazenmaker (78) te worden. Het dier doorloopt dus een
onvolkomen gedaanteverwisseling, want het kent geen poptoestand. Bij
deze gedaanteverwisseling doet zich nog de eigenaardigheid voor, dat de
larven door tracheekieuwen ademen en de imago door tracheeën. Bij de
laatste vervelling worden deze kieuwen afgestroopt en komen de
luchtbuizen in functie. De larven bezitten nog een ander orgaan, dat de
imago’s missen, n.l. een grijptang of vangtang; dit is de onderlip, die
uitgestrekt en weer toegeslagen kan worden. De onderlip van de imago is
wel op dezelfde wijze gebouwd, doch de onderdeelen zijn veel korter.
Deze grijptang is een machtig vangwerktuig, waarmede de prooi wordt
gegrepen. De larven behooren dan ook tot de geduchtste roovers in onze
wateren, evenals de larven van den geranden waterroofkever. In
vischvijvers zijn het gevreesde dieren, omdat zij de jonge vischjes
aanvallen. Het valt niet moeilijk met deze larven kennis te maken; met
het gewone schepnet kunnen wij ze bemachtigen. Over de glazenmakers
zelve vertellen wij in de beschrijving van Plaat VII.
No 9. Larve van Veld-Zandkever. (Cicindela campestris). Deze keverlarve
behoort evenals de kever, tot de „tijgers” onder de insecten. Ze hebben
een harden kop en scherpe kaken; als eigenaardigheid bezitten zij 2
verhevenheden op de rugzijde van het 8e segment; elke verhevenheid
eindigt in een voorwaarts gekromd haakje. Natuurlijk hebben deze dingen
haar beteekenis; ze komen haar dan ook goed te pas, om zich schrap te
zetten in haar schuilhol. De larve maakt in den bodem een verticale
gang, waarin zij op de loer gaat zitten. Door genoemde haken klemt ze
zich vast; laat zij de haken los, dan kan ze snel dalen. De gang is
niet veel wijder dan het dier dik is; bij ’t graven er van draagt zij
de aarde op den hollen kop naar boven. De larve, in haar hol
verscholen, verrast de insecten, die voorbij komen, trekt ze naar
binnen en zuigt ze uit. De resten en ook haar eigen uitwerpselen werpt
ze naar buiten. De verpopping geschiedt van half Augustus tot einde
September. Voor ze verpopt maakt de larve den bodem van de gang wat
ruimer en sluit dan de gang af. Een maand later komt de kever te
voorschijn, die spoedig zijn winterkwartier opzoekt. De kever, die al
even kannibalistisch is als de larve, is afgebeeld op No 32. Op
zandgronden komen ze algemeen voor.
No 10. Larve van Poppenroover. (Calosoma sycophanta). Deze larve doet
voor de vorige niet onder; alleen volgt zij een andere leefwijze: zij
gaat er op uit en valt haar prooi aan. Dat doet ook de kever. Omdat zij
bij voorkeur rupsen eet, en deze tot de schadelijke dieren voor onze
kulturen behooren, is de poppenroover een zeer nuttig insect.
Eigenaardig is het, dat deze larve zoo uitstekend klimmen kan. Zij gaat
de boomen in en pakt daar de rupsen aan. Daardoor is zij een groote
hulp bij het bestrijden van rupsenplagen. Jammer is het daarom, dat ze
bij ons niet wat meer voorkomt. In Duitschland komt ze veel voor en de
boschbouwers zien haar met genoegen aan ’t werk. Daarom heeft men
groote massa’s van deze kevers uit Duitschland verzonden naar Amerika,
om hen daar los te laten op de rupsen van den plakker en den
bastaardsatijnvlinder. In Amerika komen deze kevers niet voor. De tijd
moet nu leeren of ze daar willen inburgeren. Behalve rupsen peuzelen ze
ook poppen op. Vandaar hun naam. Ze worden ook wel „rupsenjagers”
genoemd. Het zou aanbeveling verdienen, dat ook in ons land beproefd
werd, wat van deze kevers in te voeren en los te laten in boomgaarden.
Misschien lukt het, misschien lukt het ook niet, want het zijn soms
geringe klimatologische verschillen, die over het leven van insecten
beslissen. Wij komen hierop nog terug als wij den kever beschrijven,
die op No 33 is afgebeeld. Een andere Calosoma, de kleine poppenroover,
is No 35.
No 11. Larve (bastaardrups) en pop van Dennenbladwesp. (Lophyrus pini).
Deze larve, die men ook wel dennenrups noemt, wat onjuist is, omdat het
een bastaardrups is, behoort tot de schadelijkste dieren, die onze
dennenbosschen aanvallen. De larve is kaal en bezit 22 pooten. De
bladwesp legt haar eieren in de naalden; zij maakt daarbij gebruik van
haar zaagvormige legboor, waarmede zij een gleuf in de naalden zaagt.
Uit de eieren komen de larven, die dadelijk aan het eten gaan; zij
beginnen bovenaan de naalden en laten de hoofdnerf staan. Er is nog een
ander geslacht bastaardrupsen: de z.g. „spinselbladwespen” die ook
naalden eten, doch die vreten stukken van de naalden af. Aan de
„vreterij” kan men dus al zien welke deugnieten aan ’t werk zijn; dat
is een groot gemak voor de boschbouwers. Er is nog een ander middel om
de booswichten, die soms hoog in de boomen zitten, te herkennen: aan
hun uitwerpselen, n.l. Die van deze bladwespen en de spinselbladwespen
verschillen zeer. In die van L. pini zijn nog zeer duidelijk de groene
stukjes der naalden te herkennen; die vormen als ’t ware dwarsstrepen.
Als wij naar rupsen zoeken in vrijstaande boomen, dan inspecteeren wij
eerst den grond onder die boomen. Vinden wij daar uitwerpselen, dan
kunnen wij daaraan ook de „boombewoners” herkennen. De kennis der
„vreetwijze” en van de „excrementen” der insecten is dus van veel
belang voor de herkenning der dieren.
Raken wij een dennenbladwesplarve aan, dan richt ze haar kop op, en er
treedt een harsachtige vloeistof uit den mond; dat is natuurlijk een
verweermiddel.
In Mei vliegen de bladwespen (zie No 165) en dan heeft de eerste
vreterij der larven nog in dezelfde maand plaats; ook in Juni
beschadigen zij de naalden nog. Dan gaan ze verpoppen en dat doen ze
dan aan de naalden, zooals op het plaatje is afgebeeld. Die poptoestand
duurt maar een paar weken en zoodoende vliegen er in Augustus weer
bladwespen, die direct eieren gaan leggen. Aldus hebben we in September
weer bastaardrupsen aan de naalden. Dat is dan de tweede generatie.
Zoodoende worden de dennen tweemaal per jaar aangevallen. De
Septemberlarven eten ook nog in October, maar dan gaan ze naar omlaag
en kruipen den grond in, waar ze een cocon spinnen om daarin den winter
door te brengen. Ligt er wat veel rommel op den grond, dan kruipen ze
niet eens den grond in, doch spinnen daarin dan een cocon. In April
verpoppen ze in dien cocon en in Mei komen de bladwespen voor den dag.
Het valt op, dat de larven van de eerste generatie net zooveel weken
leven als die van de tweede generatie maanden; deze laatste maken een
„vastentijd” van een maand 7 of 8 door. Het komt ook voor, dat sommige
larven en poppen een geheel jaar „overliggen”; daarop hebben wij
vroeger al gewezen. In koude streken komt maar één generatie per jaar
voor. De larven hebben vele vijanden, zijn zeer gevoelig voor
weersinvloeden, en worden ook wel door ziekten aangetast. Zoo kan het
gebeuren, dat er het eene jaar veel bastaardrupsen zijn en het volgende
jaar maar zeer weinig. De boschbouwer tracht op de volgende wijze deze
boombeschadigers te bestrijden:
1º In het najaar den rommel onder de boomen bijeenvegen op hoopen
en daarover ongebluschte kalk strooien. De kalk wordt gebluscht, en
door de warmte, die hierdoor ontstaat, gaan de larven in de cocons
dood.
2º Men bespuit de boomen met een petroleumoplossing; men doet er
zeep doorheen om er een emulsie van te maken, want petroleum
scheidt zich dadelijk van het water af.
Er is ook wel eens aangeraden varkens in het bosch te jagen, maar deze
„allesvreters” lusten de cocons toch niet, zoodat het niets uithaalt.
De schade door deze bastaardrupsen aan de dennen toegebracht is daarom
zoo groot, omdat deze boomen zoo langzaam groeien en zich dus moeielijk
herstellen kunnen.
No 12. Larve van Veenmol. (Gryllotalpa vulgaris). Hier hebben we te
doen met een larve, die men licht voor een imago zou aanzien; toch is
het dier nog niet volwassen. De veenmol—zijn naam zegt het al—leeft als
een mol in den grond en bij voorkeur in lossen grond, waar nog al wat
humus is., Daarin bouwt hij ook zijn nest, dat feitelijk niets anders
is dan een uitholling in den bodem. De eieren worden niet alle tegelijk
gelegd maar met tusschenpoozen, zoodat in het nest ook jongen van
verschillenden leeftijd worden aangetroffen. De larven en ook de
imago’s leven van dierlijk voedsel, terwijl ze sappige plantenwortels
ook niet versmaden. Veenmollen, die in Juni zijn geboren, vervellen in
October of November voor de derde maal. Het nieuwe pakje behouden ze
den ganschen winter, om in April of Mei voor de vierde maal te
vervellen. Een maand later heeft de laatste of vijfde vervelling plaats
en dan is de veenmol volwassen. In zijn ontwikkeling van ei tot imago
kent de veenmol dus geen poptoestand, alzoo een onvolkomen
gedaanteverwisseling. De larve behoort tot de primaire. Over den
volwassen veenmol wordt geschreven onder No 90.
PLAAT II.
RUPSEN EN POPPEN.
Rupsen zijn ook larven; daarom vormen Plaat I en II één geheel. Zagen
we op de eerste plaat larven van verschillende insectengroepen, de
rupsen vormen daarentegen maar één groep. Rupsen groeien uit tot
vlinders. Voor ze overgaan tot vlinders maken ze allen een poptoestand
door; daarom zegt men dat haar gedaanteverwisseling volkomen is. Rupsen
en vlinders vormen een zeer aantrekkelijke orde van de insecten: de
rupsen, omdat ze gemakkelijk te vangen zijn en de vlinders, omdat vele
zoo prachtig geteekend zijn. Laten we nu een en ander van de rupsen
gaan vertellen.
Lichaamsbouw. Een rups bestaat uit een kop, 3 borst- en 9
achterlijfsringen. De kop heeft een harde huid en is door een
gegaffelde lijn in twee helften verdeeld; daartusschen ligt het
driehoekige kopschild. Aan dit schild zit de beweegbare, platte
bovenlip. De verdere monddeelen zitten daaronder: 2 bovenkaken, 2
onderkaken en de onderlip. De bovenkaken zijn sterk en daarmede wordt
het voedsel afgeknipt; ze werken dus als een schaar. Men zegt wel eens,
dat een rups knaagt, doch dat is onjuist. Aan de onderkaken en onderlip
zitten de tasters; daarmede schijnt de rups haar voedsel te
inspecteeren, voor zij het naar binnenwerkt. Op de onderlip zijn een
paar tepeltjes of wratjes, waarin de twee spinklieren uitmonden. De
spinseldraad, waarvan de cocons worden gesponnen, komt dus hier uit.
Bij de spinnen zitten de spinklieren aan het achterlijf. Als een rups
aan een draad naar beneden komt, is de kop boven; een spin komt met den
kop naar omlaag.
Op de genoemde kophelften staan de oogen en de sprieten. Aan iedere
zijde staan 6 puntoogen; de sprieten zijn 3-ledig.
Het lichaam van de rupsen is week; men drukt ze gauw dood. De huid is
vaak bezet met allerlei wratjes en haren. Soms zijn die haren zeer
lang, zooals bij de beerrups. Die haren en wratjes geven teekening aan
het dier. Van sommige rupsen zijn de haren gevaarlijk, o.a. van de
processierups.
Verschillende rupsen bezitten uitstulpbare organen, die vermoedelijk òf
alleen dienen om zich vijanden van ’t lijf te houden òf bepaalde
stoffen uitscheiden, die prikkelend of doodend op de aanvallers werken.
De Papilio-rupsen (14) bezitten een uitstulpbaar orgaan aan het
voorborststuk, dat een doordringende lucht afgeeft. Bij de rups van den
Hermelijnvlinder (144) zien wij, als het dier verontrust wordt, twee
roode draden uit het einde van het achterlijf komen; tegelijk scheiden
zij dan uit een klier aan de onderzijde van het voorborststuk een
straal vocht af, dat veel mierenzuur bevat. Op de huid komen nog
allerlei doorns en uitsteeksels voor; de pijlstaartrupsen vertoonen
zoo’n uitsteeksel; het hoorntje kan door een spiertje bewogen worden.
De pooten van een rups zijn in 2 groepen in te deelen: borstpooten en
buikpooten. De 6 borstpooten zijn geleed; de buikpooten niet en min of
meer cylindrisch. Men noemt de buikpooten ook wel valsche pooten, omdat
ze bij de verpopping geheel verdwijnen. Het normale aantal buikpooten
bedraagt 10. Natuurlijk komen hierop weer uitzonderingen voor; die
vinden wij in de geheele levende natuur. Spanrupsen hebben maar 2 paar
buikpooten, op het 6e en 9e segment. De Eriocephala-rups heeft 8 paar
buikpooten en Micropteryx, die in bladeren leeft, heeft in ’t geheel
geen pooten. De ademhalingsopeningen zijn bij de rupsen goed te zien;
aan elke zijde zitten er 9; 1 op het voorborststuk en 8 op het
achterlijf.
Het vervellen. Evenals andere larven vervellen de rupsen gedurende haar
groei; ze doen dat drie of meermalen. Als een zeer harige rups vervelt,
dan zitten op de nieuwe huid ook al weer haren, doch die zijn eerst nog
wat nat en zitten tegen de huid; zijn ze opgedroogd, dan staan ze
rechtop. Bij het opkweeken van insecten vinden wij natuurlijk geregeld
afgestroopte huidjes in het rupsenhuis. Voor de vervelling begint, zit
de rups eenigen tijd stil en gebruikt dan geen voedsel.
Voedsel. De meeste rupsen zijn planteneters. Sommige houden zich strikt
aan één soort voedsel, b.v. de brandnetelrupsen; men noemt ze
monophaag. Andere hebben een rijker menu, b.v. beerrupsen; die eten
allerlei lage planten, riet en wilgen; men noemt ze polyphaag. De
levenskans voor de polyphagen is dus veel gunstiger; ze vinden haast
overal wat. Intusschen sterven de monophagen ook niet uit.
Er zijn ook verschillende gevallen bekend, dat rupsen zich zeer goed
ontwikkelen bij een gewijzigd menu.
Onder de rupsen zijn ook vleescheters, carnivoren. Rupsen van Erastria
peuzelen schildluizen op, die van Calymnia trapezina worden de
„hyena’s” genoemd, en verslinden o.a. spanrupsen.
De rups van de wasmot eet in bijenkorven was van de raten, en de
rupsjes van de kleeren- en tapijtmot eten de wollen haren in kleeren en
tapijten. Die leven dus van afval.
Meestal leven de rupsen op de planten; er zijn er ook die in de
stengels en bladeren leven; sommige maken gallen. Een paar rupsen leven
in ’t water.
Nut en schade. Het aantal voor den mensch nuttige rupsen is al zeer
gering. Allereerst zijn nuttig de zijderupsen. Behalve de gewone
zijderups zijn er nog andere rupsen, wier cocon voor zijdewinning wordt
gebruikt. Verder zijn de moordrupsen of hyena’s, die andere rupsen
verslinden, ook nuttig, evenals de bovengenoemde schildluisverslinders.
Maar de rest zijn planteneters, en die onze kultuurplanten aanvallen
zijn natuurlijk schadelijk als zij in groote massa optreden. Vele
rupsen leven evenwel op wilde planten en daartegenover staat de gewone
mensch onverschillig. Wij daarentegen, vinden onder deze rupsen de
schoonste exemplaren, waaruit de prachtigste vlinders komen; zoodoende
zijn wij voor deze rupsen in ’t geheel niet onverschillig, maar
behooren ze tot onze beste vrienden, omdat ze ons zooveel genot
verschaffen.
Behalve de kultuurplantenbeschadigers zijn nog lastig de rupsen van de
genoemde tapijt- en kleermotjes, de wasmotjes en de korenmotjes.
Vijanden van de rupsen. Dat de rupsen niet ongestoord door het leven
zouden gaan, was te verwachten. Welk dier heeft niet zijn vijanden? Tot
de meest gevreesde vijanden behooren wel de vogels, die vooral in den
tijd, dat ze jongen hebben, dagelijks enorme hoeveelheden rupsen
verslinden. Hoeveel rupsen zouden b.v. de Nederlandsche vogels
dagelijks wegwerken? Dat zal een reuzengetal wezen. De insectenetende
zoogdieren, mollen, egels, spitsmuizen, rekenen er ook nog al eentje
in. En dan de roofinsecten, de rupsenjagers (kevers), graafwespen en
andere. Vooral de sluipwespen en sluipvliegen zijn de oorzaak van den
dood van vele rupsen. Wat deze parasieten betreft, als wij rupsen
opkweeken, hebben wij herhaaldelijk gelegenheid, met deze dieren kennis
te maken.
Ziekten der rupsen. Ook hiervan blijven de rupsen niet gespaard. Wij
hebben reeds bij de koolrups met zoo’n ziekte kennis gemaakt. Ook
andere rupsen worden door schimmels en bacteriën aangetast. Merken wij
in onze rupsenkweekerij dat enkele zeer slap worden en ontijdig
sterven, dan moeten wij die snel verwijderen, om te voorkomen, dat ook
andere worden aangestoken. Ook de zijderups lijdt wel aan zoo’n ziekte,
en dan is dit voor de kweekers een enorme schade.
Het vangen van rupsen. Dat kan geschieden overdag en ’s nachts. Het
gemakkelijkst is het de rupsen op niet te lage planten en heesters te
vangen. Men ziet ze daar zitten en neemt ze er met het takje of een
blad af. Soms laten de rupsen gauw los als men de stengels wat stevig
beweegt; een beetje kalmte bij het vangen is dus wel aan te raden.
Omdat het inspecteeren van heesters nog al veel tijd kost, kan men die
ook afkloppen. Een geopende paraplu wordt daaronder gehouden, terwijl
de takken flink bewogen worden; de rupsen vallen dan. Veel groote
rupsen, die naar beneden komen om in den grond te verpoppen, kan men
verschalken als zij langs den stam naar beneden kruipen. Linden,
wilgen, populieren, iepen zijn daarvoor al zeer geschikte boomen; zij
leveren ons pijlstaartrupsen. Augustus en September zijn de
pijlstaartmaanden. Na een sterken wind of storm in Augustus en
September—en het kan er in die maanden soms spannen—zijn veel rupsen
naar beneden gevallen, ’s Nachts komen veel rupsen op de vlakte, die
zich overdag verschuilen; om deze te verschalken heeft men een goede
fietslantaarn noodig, en een geoefend oog. Doch aldoende leert. Wie pas
voor het eerst op de rupsenjacht gaat, vangt gewoonlijk weinig, omdat
hij zoo weinig ziet. Het rupsen-zien moet ook geleerd worden en men
leert dat alleen door te zoeken.
Het vangen van rupsen op lage planten in weilanden en langs wegen kan
ook geschieden met behulp van een sleepnet, dat over de planten wordt
getrokken. Omdat er haast geen planten zijn die niet door rupsen worden
aangevallen, zijn er dus overal rupsen te vangen. Wie op de rupsenjacht
gaat zorge voor een goede bergplaats; hij neme wat doosjes en busjes
mede en tevens een plantentrommel om voer voor zijn beestjes daarin te
doen.
Het overwinteren van rupsen. Een zeer groot deel van de rupsen
overwintert. Sommige kruipen den grond in, andere zoeken een
winterkwartier onder allerlei afval; er zijn er ook, die een spinsel
maken en daarin verblijven, terwijl enkele soorten in nesten bij elkaar
overwinteren. In ’t voorjaar, als de planten weer doorgroeien en het
weer milder wordt, de knoppen ontluiken en boomen en heesters in blad
komen, dan verlaten de rupsen haar winterverblijven. De rupsenvanger
kan dus al vroeg in ’t voorjaar aan ’t verzamelen gaan.
Hebben we in ons rupsenhuis rupsen, die moeten overwinteren, dan dienen
we te zorgen dat haar verblijf zoo goed mogelijk overeenkomt met dat in
de vrije natuur. Men zette ze buiten en geve haar gelegenheid zich goed
te verschuilen. Sommige rupsen moet men ingraven.
Poppen en verpoppen. Is de rups volwassen, dan maakt ze zich gereed te
verpoppen. Dat verpoppen geschiedt op verschillende manieren; men leert
die het best kennen door de dieren op te kweeken. Sommige blijven boven
den grond, anderen gaan den grond in. Het koolwitje en de
koninginnepagerups spinnen slechts een gordel, om daarin de pop te
laten rusten; andere, zooals de vanessa’s, hangen met den kop naar
beneden. Sommige maken een lossen, andere een dichten cocon. Die in den
grond kruipen maken soms ook nog een los spinsel (pijlstaarten). Wij
moeten iedereen aanraden te beproeven het verpoppen van rupsen te zien;
het spinnen is zeer eigenaardig. Met behulp van een loupje of gewoon
vergrootglas kan men het heel goed waarnemen. Zoo’n vergrootglas komt
ons ook goed te pas bij het bestudeeren van de poppen; trouwens, wie
wat aan insectenkunde doet kan geen vergrootglas missen. De meeste
rupsen worden mummiepoppen; er zijn er echter ook, die min of meer
vrije poppen worden, die wij bij de kevers aantreffen. Aan een
vlinderpop zijn vele organen van den toekomstigen vlinder al te zien;
elk dier organen zit in een afzonderlijke schede; alle scheden te zamen
zijn onderling verkleefd. De meeste poppen zijn beweeglijk; die
beweging zit dan in ring 5 en 6; die beginnen zich ook te strekken als
de vlinder voor den dag komt. Evenals de rups heeft de pop 9
ademhalingsopeningen (stigma’s); de laatste is evenwel rudimentair (min
of meer verschrompeld).
Aan de poppen is al te zien of daaruit een mannelijke of een
vrouwelijke vlinder zal komen. Die kennis kan soms van nut zijn.
De duur van den poptoestand is zeer verschillend. In den zomer duurt
hij 2 tot 6 weken, soms iets korter; poppen, die overwinteren, blijven
wat langer in dien toestand, dat loopt van 6 tot 9 maanden. Een
merkwaardig bestaan, zoovele maanden buiten alle actie. We hebben er
reeds op gewezen, dat sommige poppen één of meer jaren „overliggen”,
dat komt voor bij de pijlstaarten.
No. 13. Ligusterpijlstaartrups met pop. (Sphinx ligustri). Deze flinke
rups is een prachtig dier; in de maanden Augustus en September is ze
volwassen en men kan ze vinden op liguster, sering, esch, sneeuwbal,
radijsboompje (het boompje of heester met witte bessen, die klappen als
men er op trapt), spiraea. De rups is groen; zeer teekenend is deze
kleur onderbroken door zeven witte strepen, die van boven paars afgezet
zijn; ze loopen schuin naar boven, van ring 4 tot 10. De horen of het
pijltje is zwart. Als we deze rups op een heester zien zitten, is het
een interessante verschijning. Omdat ze groen is valt ze alleen op aan
hem, die wat geoefend is in het rupsenvangen. Willen wij onderzoeken of
ze in een struik zitten, dan kan men eerst den bodem daaronder
onderzoeken; liggen daar uitwerpselen van bepaalden vorm, dan is dit
een aanwijzing. Houden we ligusterpijlstaarten in een rupsenhuis, dan
merken we, dat ze voor de verpopping wat onrustig worden; ze zoeken een
plaatsje, waar ze den grond in kunnen. We hebben dus te zorgen voor een
bakje met aarde. Soms worden ze al wat donker op den rug voor ze den
grond in gaan. Het gebeurt wel dat ze, na eenige dagen in de aarde te
hebben gezeten, weer naar buiten komen. Het duurt dan niet lang meer of
ze gaan voor de tweede maal weg, en keeren dan niet weer terug. Men
laat het bakje met poppen rustig staan en zet het gedurende den winter
in een koele kamer. Wil men de poppen nader bekijken, dan kan men ze
gerust uit den grond halen, zoo teer zijn ze niet. Men kan aan het
kopeinde van de pop goed de schede zien, waarin de lange roltong zit.
De vlinder vliegt in Juni en Juli. Omdat het een schemer- of
avondvlinder is, ziet men hem zelden. De lange roltong is een zeer
doelmatig orgaan om honing uit bloemen met lange bloembuis te halen,
zooals de kamperfoelie. Die bloemen geuren ’s avonds. Dat is dus wel
een eigenaardig verband tusschen deze bloemen en de avondvlinders. Hij
heeft een vlucht van 95 tot 120 m.M. De vlinder is een goede vlieger en
prachtig geteekend. Als we hem opzetten kan ook gemakkelijk de roltong
worden uitgestrekt.
No. 14. Rups van Koninginnepage met pop. (Papilio machaon). Deze rups
is bij de tuinders en boeren bekend als de wortelrups. Deze naam wijst
er op, dat het dier veel gevonden wordt op wortelen (peen). Ze komt
intusschen ook voor op venkel, peterselie, zelfs wel op aardbeien. Men
treft deze rups vooral aan in het Oosten en ’t Zuiden van ons land; in
’t Westen minder. Een enkele maal hebben wij haar wel bij Amsterdam
gevonden.
Men vindt haar in Juni en in ’t najaar; dus 2 generaties per jaar. De
najaarsgeneratie overwintert als pop; deze zit met het ondereinde vast
en hangt verder in een gordel. De rups is dik; vleezig, in haar jeugd
zwart; op roode wratjes staan korte dorens; later is de rups groen of
blauwgroen met zwarte banden, waarop 6 of 8 roode of gele vlekken
staan. De rups heeft aan de rugzijde van het voorborststuk een
uitstulpbaar, gevorkt orgaan; het is oranjegeel van kleur en verspreidt
een sterke lucht. Het ligt voor de hand, dat dit orgaan tot verdediging
dient, tot afweer van vijanden. De mooie vlinder, onze grootste
dagvlinder, is afgebeeld op No. 110.
No. 15. Rups en pop van Dagpauwoog. (Vanessa Io). Deze rups komt in
geheel Nederland voor en leeft op brandnetel. Men kan haar vinden van
Mei tot Juli. Ze leven, evenals de rupsen van den kleinen vos, gezellig
bij elkaar. Zoodra wij op brandnetels spinsels zien zitten, die al van
verre in ’t oog vallen, dan zitten daar brandnetelrupsen. Men kan ze
dus gemakkelijk vinden. De rupsen zijn zwart met witte spikkels en
bezet met zeer lange dorens. Deze rups is zeer geschikt om haar in een
rupsenhuis op te kweeken. De poppen hangen met den kop naar beneden.
Hoewel de rups door heel ons land voorkomt, is zij toch niet wat men
noemt algemeen; men vindt ze wel, doch men moet er naar zoeken. In
sommige jaren zijn er zeer veel en dan weer is ze schaarsch; dat komt
bij meer insecten voor; de oorzaak hiervan kent men nog niet. De mooie
dagvlinder is afgebeeld op No. 115.
No. 16. Rups en pop van Wolfsmelkvlinder. (Deilephila euphorbiae). De
jonge rups is geelgroen met gele strepen; aan ieder segment, aan den
zijkant een witte vlek met zwarten rand. Een volwassen rups is
zwartgroen met gele vlekken bezet; een roode ruglijn en gele,
roodgevlekte zijlijn. Stigma’s geel. Het horentje is van onder rood,
van boven zwart. Zij eet wolfsmelk, maar lust ook bladeren van fuchsia.
Merkwaardig is het, dat de pop meerdere jaren, soms wel 5 blijft
„overliggen”. De rups komt wel voor op de uiterwaarden van onze groote
rivieren. De prachtige vlinder is afgebeeld op No. 122.
No. 17. Rups en pop van Dennenpijlstaart. (Sphinx pinastri). Deze rups
wordt 8 à 9 c.M. en is van Juli tot September te vinden op naaldhout.
Op den rug bruinachtig rood, lichtgroen op zijde en wit gestreept, met
zwarte dwarslijnen geringeld. Stigma’s hoogrood, zwart gerand. Kop
okergeel met twee bruine strepen. Als deze rups in groote hoeveelheden
voorkomt, wordt ze voor de kultuur schadelijk. In ons land is van zoo’n
optreden nog niets waargenomen. De vlinder is afgebeeld op No. 130.
No. 18. Rups en pop van Geaderd Witje. (Aporia crataegi). Deze rups
leeft aan meidoorn (Crataegus), appel, peer, mispel, kers, pruim,
abrikoos. Eieren der vlinders dooiergeel, in hoopjes van 20 tot 100 aan
de onderzijde der bladeren. Na het verlaten van het ei is de rups geel,
na eenige dagen donker, roodbruin met zwarten kop, lang behaard. Zij
spinnen kleine nesten, waarin zij ook overwinteren. Ze komen eerst in
den nazomer uit de eieren, want de vlinder vliegt pas in Juni of Juli.
Zoodoende zijn ze vóór den winter nog niet volwassen. Ze overwinteren
daarom in kleine rupsennesten en beginnen in ’t voorjaar opnieuw haar
vreterij. In Mei verpoppen ze. Merkwaardig is het, dat deze vlinder
soms voor jaren en jaren uit een streek verdwijnt en dan weer
plotseling in groote massa’s optreedt. De oorzaak van deze „inzinking”
is nog niet bekend. De naam van den vlinder is zeer juist omdat de
aderen sprekend aan den dag komen; ze zijn zwart. De vlinder heet ook
wel boomwitje.
No 19. Rups en pop van Doodshoofdvlinder. (Acherontia atropos). Deze
rups levert den grootsten vlinder, die in ons land voorkomt. De vlinder
heeft zijn naam te danken aan de heldergele doodshoofdteekening op het
borststuk. De rups is geel of groenachtiggeel; typisch zijn de
prachtige lijnen, die van de zijkanten schuin naar achteren loopen en
op den rug bij elkaar komen. Het horentje is ruw en geel. Er komen veel
kleurenvariaties voor. De rups leeft op aardappel, doornappel,
bitterzoet en nog andere nachtschaden. Ook wel op liguster, aardbeien,
jasmijn, hennep. Gewoonlijk vindt men bij ons de rupsen van half Juli
tot half Augustus; en dan zijn er in den herfst ook nog te vinden; de
laatste rupsen, die bij ons als pop overwinteren, brengen het nooit tot
vlinders; zij sterven. De rups is feitelijk niet inlandsch; de vlinders
komen in zoele nachten hierheen gevlogen uit het Zuiden. In ’t algemeen
behoort de rups tot de zeldzame; misschien komt zij meer voor dan men
weet, omdat er zoo weinig naar gezocht wordt: bovendien komt men van
half Juli tot half Augustus niet in de aardappelvelden, omdat de
struiken dan al te hoog zijn. Merkwaardig is ’t dat uit deze rups hier
nog nooit een sluipwesp is gekomen; ze schijnt hier geen vijanden te
hebben. Daaruit maakt men ook op, dat ze hier niet thuis hoort. Raakt
men de rups aan den kop, dan blaast ze. De vlinder is afgebeeld op No
126.
No 20. Rups en pop van Nachtpauwoog. (Saturnia pavonia). Dit is een der
rupsen, die wij op heidevelden aantreffen. Zij is eerst zwart, met
roode zijlijn; volwassen is zij groen, met rozenroode of gele wratten.
We vinden haar ’s zomers op heide, bramen, wilde rozen, eiken,
kruipwilg; ze heeft dus nog al een afwisselend menu. De rups verpopt in
den nazomer en doet dat in een stevigen bruinen cocon, die iets
fleschvormigs heeft. De afsluiting tusschen hals en buik is voor den
vlinder zeer gunstig. In April en Mei komen de vlinders voor den dag,
die ’s nachts vliegen. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes; de
eerste hebben een vlucht van 50 tot 55 m.M.; de tweede van 60 tot 70
m.M. Dit is dus een mooi voorbeeld van dimorphisme. Hun naam ontleenen
deze vlinders aan de eigenaardigheid, dat zij op iederen vleugel een
oogvlek, een „pauwoog” bezitten. Naast een nachtpauwoog, komen in ons
land nog voor een dagpauwoog (No 115) en een avondpauwoog (No 121).
No 21. Rups en pop van Nonvlinder. (Lymantria monacha). Over deze rups,
die een der gevaarlijkste vijanden van onze naaldbosschen is, schrijven
we uitvoerig onder No 140 Plaat XII, waar de vlinder is afgebeeld.
No 22. Berkenspanrups met pop. (Amphidasis betularia). Deze rups
behoort tot een groep, die den naam draagt van de „spanners” of
„landmeters”; dezen naam ontleenen zij aan de eigenaardige wijze,
waarop zij zich voortbewegen, en deze bijzondere voortbeweging staat
weer in verband met het geringe aantal buikpooten. Zij missen 3 paar
buikpooten; alleen de laatste 2 paren zijn aanwezig. Hierdoor kunnen
zij niet gewoon kruipen als andere rupsen. Zij trekken bij het loopen
de achterste ringen tot kort achter de borstpooten bij; de middelste,
pootlooze segmenten worden daardoor boogvormig in de hoogte verheven.
Vervolgens wordt het lichaam weer gestrekt en de voorpooten zoeken dan
een nieuw steunpunt. Hebben de voorpooten houvast, dan worden de
achterpooten los gelaten en het lichaam kromt zich weer boogvormig.
Er is nog een tweede eigenaardigheid. In rust staan deze rupsen soms
geheel rechtuit en rusten dan alleen op de achterpooten. Wie het niet
weet, ziet zoo’n rups voor een takje aan; het dier lijkt er dan ook
volkomen op. Men heeft hierin willen zien een bescherming tegen
vijanden, een soort vermomming, mimicry. Men meent n.l. dat de vogels
net zoo dom zullen zijn als wij om een berkenspanrups aan te zien voor
een takje. Natuurlijk weten wij hier niets van. Als het waar was, dat
de rups van die „takgelijkenis” zooveel voordeel had, dan moest de
wereld wel vol zitten met deze spanrupsen; en dat is toch niet zoo.
Intusschen is de gelijkenis tusschen takje en rups zóó groot, dat
iedere insectenkundige in elk takje een rups ziet; de leek ziet in elke
rups een takje. Men kan de rups vinden van Juli tot October op allerlei
loofboomen. Ze verpopt in den grond, overwintert daar, en levert van
einde Mei tot einde Juli de vlinders; zie afbeelding No 138. Deze rups
en ook andere spanrupsen leenen zich goed voor de kweekerij in huis.
Over den vlinder vertellen wij later nog iets bij genoemd plaatje.
No 23. Wilgenhoutrups met pop. (Cossus cossus). Dit is weer een heel
andere soort. De vlinder legt de eieren op den stam van wilgen en
populieren, doch ook wel op die van fruitboomen en andere loofboomen.
Op naaldhout niet. De jonge rupsjes vreten zich door de schors heen den
stam in, en leven daar van het hout. Zij graven gangen in de stammen,
die daardoor technisch hun waarde verliezen, omdat het doorgegraven
hout voor werkhout waardeloos is. Een ander nadeel, dat zij aan de
boomen toebrengen zit hierin, dat het hout inregent, vermolmt, en
daardoor de sapstroomen belemmerd worden; de boomen groeien daardoor
slecht en als er wat veel in één boom zitten, (men heeft er wel eens
200 in één stam aangetroffen) gaat zoo’n boom gauw dood. De
wilgenhoutrupsen behooren dus tot de ergste boombeschadigers. Voor een
zeer groot deel hebben zij ook de vernietiging van de knotwilgen op
haar rekening. Deze rupsen leven 3 à 4 jaar in het hout voor ze
verpoppen; ze kunnen dus heel wat aan. In dien tijd zijn ze uitgegroeid
tot groote dieren, die wel 8 c.M. lang zijn en dik als een pink. Tot
aan de laatste vervelling zijn ze rood als bessensap; kop zwart en
halsschild zwart gevlekt. Tegen den tijd, dat ze gaan verpoppen, zijn
de buik, de zijden en de insnijdingen tusschen de ringen geel, en ten
slotte neemt het geheele dier deze kleur aan.
Het dier riekt eenigszins naar azijnzuur of creosoot; eenzelfde geur is
waar te nemen aan de wortels van het herderstaschje. Wie een goeden
reuk heeft, kan de rupsen in den boom daaraan waarnemen. Zij verraden
zich ook door het knaagsel en de excrementen, die uit de gangen worden
geworpen.
De rups verpopt aan ’t uiteinde van een rupsengang, in een cocon met
veel houtknaagsel; ze zit dus goed beschermd. Tegen het uitkomen werkt
de pop zich den cocon uit, en schuift voor een gedeelte naar buiten;
zij zit dus al half den stam uit. In dezen toestand—in Mei—kan men de
poppen dan voorzichtig uitsnijden. Het is Dr. Oudemans gelukt eenige
cossus-rupsen op te kweeken met uitgedroogd brood.
De vlinder, die overdag tegen boomstammen zit, is afgebeeld op No 128.
No. 24. Rups van Dennenspinner met pop. (Dendrolimus pini). Deze rups,
die bij ons nooit in zoo groot getal optreedt, dat ze schadelijk wordt
aan het naaldhout, wordt dat wel in sommige deelen van Duitschland. De
kleur der rups is niet standvastig; ze is aschgrauw en bezet met roode
haren; bruine ruitvormige vlekken op den rug en bruine zijstrepen.
Blauwe dwarsvlekken op den tweeden en derden ring en op den
voorlaatsten een wrat. De vlinder legt in Juli 200 eieren in hoopjes
van 50 tegen de stammen van naaldboomen. In September en October begint
de eerste beschadiging, die duurt tot den herfst; dat noemt men de
herfstvreterij. Tegen den winter gaan ze naar omlaag en overwinteren
daar onder het strooisel. In ’t voorjaar komen ze weer voor den dag,
kruipen tegen de stammen op en dan begint de voorjaarsvreterij. Zij
laten niets van de naalden over. Daardoor kan de schade zeer groot
worden. Een middel om de voorjaarsvreterij tegen te gaan is de
boomstammen van lijmringen te voorzien. Deze rupsen hebben vele
vijanden; vooral lijden zij aan schimmelziekten, waardoor sterke
vermeerdering telkens wordt onderbroken.
PLAAT III.
KEVERS (1)
Nu komen we ongetwijfeld aan de groep insecten, die steeds in hooge
mate de aandacht van den mensch heeft getrokken; geen enkele groep
vertoont zoo’n vormenrijkdom, zoo’n schat van kleuren. Zij is ook het
talrijkst. In ons land komen ruim 3200 soorten voor en in Midden-Europa
6000. In de heele wereld zijn reeds verscheidene tienduizendtallen van
kevers bekend. Hun aantal is dus enorm. Dat ze, trots hun grooten
soortenrijkdom, niet overal de baas zijn, moet worden toegeschreven aan
verschillende omstandigheden. Vele soorten schijnen zwak te zijn,
anderen hebben geen groot voortplantingsvermogen, sommigen zijn weer
zeer gevoelig voor weersinvloeden, bovendien vallen velen als prooi
voor andere dieren.
Om het overzicht wat te vergemakkelijken zullen we eerst eenige
hoofdkenmerken van deze orde opgeven.
Algemeene kenmerken der kevers:
1. Kauwende monddeelen; ze zijn zeer eenvoudig gevormd, wat niet
wegneemt, dat ze zeer venijnig kunnen werken. Een schaar is ook
eenvoudig samengesteld, en toch is het een vinnig werktuig.
2. De sprieten bestaan bijna altijd uit elf leden.
3. Twee samengestelde oogen; zelden nog 1 of 2 puntoogen.
4. Het voorborststuk is altijd sterk ontwikkeld en het meest
zichtbare stuk.
5. De voorste vleugels zijn hard en stevig en dienen niet meer tot
vliegen, doch tot bedekking van ’t achterlijf en bescherming der
achtervleugels, die teerder en veel grooter zijn. In de
ondervleugels bevindt zich een gewricht, waardoor ze kunnen worden
opgevouwen. Soms worden de vleugels in drieën gevouwen. Ook de
oorwormen vouwen de vleugels.
6. Het achterlijf bestaat uit 5 tot 8 segmenten.
7. De voet bestaat uit 4 of 5 tarsleden, en eindigt in 1 of 2
klauwtjes. Vroeger waren de tarsleden een belangrijk systematisch
punt.
8. De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago.
9. Enkele goudhaantjes en ook eenige kortschildkevers zijn
vivipaar; de eieren worden bij hen reeds in ’t lichaam uitgebroed;
zij brengen dus levende larven ter wereld.
10. De larven hebben een goed ontwikkelden chitineuzen kop (bruin
of zwart) en meestal 6 pooten, die flink ontwikkeld zijn; zie
plaat I.
Er zijn ook pootlooze larven, die moeilijk te onderscheiden zijn
van de maden der vliesvleugeligen, die in gallen of in andere
dieren leven (sluipwespen); de larven van bijen en wespen zijn ook
pootloos. De huid van pootlooze keverlarven is doorgaans harder. De
verborgen levende larven zijn wit; ook die in aarde en humus leven.
Sommige larven zijn gekleurd, die voeren een vrij leven: zwart zijn
de larven der loopkevers, gekleurd de larven der goudhaantjes
(zwart of gespikkeld). Men kan een keverlarve gemakkelijk van een
rups onderscheiden; de eerste heeft alleen 6 borstpooten, de
laatste heeft er nog 4 of 10 buikpooten bij,
11. De poppen zijn z.g. vrije poppen; het achterlijf is zeer
beweeglijk. De vleugels zijn buitenwaarts gericht, zoodat de rug
onbedekt is. Meest wit, d.i. ongepigmenteerd. De niet verborgen
poppen zijn gekleurd en steviger. Soms wordt ook een cocon
gesponnen, ook wel wat houtvezels of aarde bijeengelijmd.
12. Het voedsel is zeer verschillend: vleescheters (carnivoren),
lijkenverslinders, humusverwerkers, planteneters, mestkevers,
houtkevers.
Enkele opmerkingen en aanwijzingen volgen nog hier.
De kevers zijn rijk aan oppervlaktekleuren, waaronder fraaie
metaalkleuren. Op de huid komen veel haren en schubben voor;
snuitkevers zijn dikwijls beschubd en de marmering van den Julikever
(41) bestaat geheel uit schubben.
Nergens komen zooveel verschillende vormen van sprieten voor; men denke
b.v. aan die van den meikever en de boktorren. Er zijn ook enkele
blinde kevers, o.a. No 31, een mierengast. Zeer belangrijke organen
zijn de boven- of voorkaken. Bij de roofkevers zijn het nijptangen en
bij het mannetje van ’t vliegend hert (48) zijn ze enorm ontwikkeld.
Van veel belang zijn de pooten, die den kevers veel diensten bewijzen.
De eenvoudigste pootvorm is de looppoot; meer gespecialiseerde pooten
zijn de springpooten, de graafpooten, de zwempooten.
In de groep der kevers komen vele goed waarneembare gevallen van
dimorphisme of tweevormigheid voor waardoor mannetjes en wijfjes direct
van elkaar zijn te onderscheiden. Die verschillen zitten dan in de
sprieten, in het gemis van de dekschilden, de sterke ontwikkeling der
bovenkaken, de horens op kop of borststuk, enz.
Veel roofkevers zijn nachtdieren; zandkevers opereeren daarentegen
juist als ’t zonnig is. Veel kevers leven altijd in donker of
verborgen. De leefwijze is zeer verschillend en daardoor vormen ze
juist zoo’n merkwaardige groep.
Jeugd- of eiverzorging komt niet veel voor; de zwarte waterkever (25)
maakt een eiernestje. In verband met het voedsel, dat vele planteneters
gebruiken, behooren er velen tot de schadelijke voor den land-, tuin-
en boschbouw; daarentegen zijn de carnivoren weer nuttig.
Indeeling der kevers.
Het schijnt ons nuttig toe, de groote kevergroep voor onze lezers in te
deelen; zoo’n overzicht is gemakkelijk, al kunnen wij daarmede de
kevers dan ook niet determineeren of op naam brengen. Dit laatste is
trouwens zeer moeilijk. Volgens de meer wetenschappelijke inzichten
worden de kevers tegenwoordig in 2 groepen verdeeld: de Adephagen, die
meest carnivoren zijn, en de Polyphagen, die meer planteneters zijn. De
verschillen zitten in de sprieten, in het halsschild, in de aan- of
afwezigheid van dwarsaderen in de achtervleugels, in het aantal
voetleden en vooral in den inwendigen bouw der voortplantingsorganen.
Die verschillen zijn zoo groot, dat men meent, dat deze twee groepen
van verschillenden oorsprong zijn. Intusschen ligt de oorsprong der
kevers nog in het duister. Wij kunnen op deze indeeling niet verder
ingaan.
Dr. Oudemans verdeelt de kevers in elf onderorden, die wij hier laten
volgen:
1. Roofkevers. (Caraboidea). Hiertoe behooren de zandkevers, de
looproofkevers, de waterroofkevers. Carnivoren.
2. Kortschildkevers. (Staphylinoidea). De meeste zijn ook echte
roofdieren. Hiertoe behooren ook de aaskevers, waaronder de
doodgravers.
3. Knotssprietigen. (Clavicornia). De sprieten zijn geknopt. Hier
hooren de O. L. H. beestjes thuis en ook het frambozenkevertje.
4. Kortledigen. (Brachymera). In deze onderorde worden allerlei
lastige huis-, keuken- en museumtorretjes ondergebracht.
5. Vochtliefhebbers. (Hygrophili). Een bekende vertegenwoordiger
van deze groep is de zwarte spinnende watertor.
6. Bladsprietigen. (Lamellicornia). Dit zijn echte bladeters; het
vliegend hert en de meikever hooren er onder.
7. Stekelbuikigen. (Sternoxia). Hier behooren de kniptorren thuis.
8. Weekschilden. (Malacodermata). Van velen zijn het chitinepantser
en de dekschilden week, maar niet van allen. Hiertoe behoort de
glimworm, doch ook de diefjes, die in huis lastig zijn.
9. Ongelijkledigen. (Heteromera). Deze naam wijst er op, dat de
voet der voor- en middenpooten bestaat uit 5 leden en die der
achterpooten uit 4. Meiwormen, blaartrekkers (spaansche vlieg).
10. Planteneters. (Phytophaga) Dit woord zegt niets, omdat onder de
vorige onder-orden ook vele planteneters zijn. Tot deze groep
behooren de erwtenkevers, boktorren, goudhaantjes.
11. Snuitdragers. (Rhynchophora). Tot deze onderorde behooren de
snuitkevers en de schorskevers.
Het is niet gemakkelijk voor al de 11 onderorden bepaalde kenmerken op
te geven. Bovendien vinden we kenmerken van de eene groep ook in de
andere. We gebruiken deze indeeling omdat ze niet te uitgebreid is en
daardoor een gemakkelijk overzicht geeft. Om technische redenen konden
de kevers niet precies volgens bovenstaande volgorde worden
gerangschikt. Aan de beschrijving doet dat natuurlijk geen afbreuk.
De vindplaatsen der kevers.
De beste tijd voor het vangen van kevers is het voorjaar en de
voorzomer; als ’t weer warm, vochtig en windstil is, lukt de vangst het
best. Prachtige vangsten doet men voor en na een onweer. ’s Morgens,
als het gras nog bedauwd is, vangt men zelden wat; als de zon hooger
staat gaat het beter, tot in den nacht toe. Kevers vinden we:
1. langs straten en wegen; vooral in ’t wagenspoor;
2. in mest vindt men mestkevers;
3. in doode dieren;
4. onder steenen;
5. in mieren- en wespennesten;
6. aan waterkanten, ook op ’t strand;
7. op den bodem van ’t bosch;
8. op bloemen;
9. op drassige weiden;
10. op bepaalde planten vindt men bepaalde soorten;
11. aan naaldhout;
12. op boomstammen;
13. in molm en holle boomen;
14. achter boomschors;
15. in meubels en oude balken en planken;
16. in kelders;
17. in provisiekasten;
18. in pakhuizen;
19. aan vensters;
20. in gaten in den bodem en ten slotte
21. in het water.
Aldoende leert men, en wie eenmaal begint, leert vanzelf de plekjes wel
kennen, waar wat te vangen is. Vooral willen wij er op wijzen, dat men
beproeven moet wat biologie der kevers te leeren, door larven op te
kweeken en volwassen kevers in een insectarium of een aquarium te
houden.
No. 25. Zwarte, spinnende Watertor. (Hydrophilus (Hydrous) piceus).
Deze kever is een der beste vrienden van de jongens. Wanneer ze in
April en Mei gaan visschen naar stekeltjes en salamanders, vangen ze
ook altijd deze watertorren. Gewoonlijk scheppen ze dan ook den
geranden waterroofkever, No. 28. Men moet deze twee nooit in één
aquarium doen, want als de gerande honger krijgt, en dat krijgt hij
gauw, pakt hij den spinnenden, ook al is die grooter, aan. Dat doet hij
zoo. Eerst bijt hij hem één achterpoot, een roeipoot, af; daardoor kan
de spinnende niet vlug meer uit de voeten, en is hij geheel in zijn
macht. Trouwens, de gerande is toch al een beter zwemmer. Is de
spinnende in de macht van den roover, dan gaat deze het achterlijf
bewerken, en eet daaruit de zachte, inwendige deelen weg. Zoo komt de
spinnende aan zijn einde. De spinnende watertor is om de volgende
eigenaardigheden bekend:
1º Hij haalt door middel van zijn sprieten adem, d.w.z., hij komt
met den kop naar boven en neemt dan tusschen zijn korte, verbreede,
sterke behaarde sprieten, lucht op, die op deze wijze in verbinding
komt met de luchtlaag, die zich aan de harige buikzijde bevindt.
Het koolzuur gaat naar buiten en de zuivere lucht komt daarvoor in
de plaats. Van de buikzijde gaat de lucht naar de onder de
dekschilden liggende ademhalingsopeningen.
De gerande waterroofkever komt altijd met het achterlijf aan de
oppervlakte van het water. De larve van den spinnenden waterkever
ademt door 2 stigma’s aan het achterlijf en komt hiermede naar
boven.
2º De spinnende maakt voor zijn eieren een drijvend nest, een
cocon, waarop een massieve mast wordt geplaatst; een eierbootje. In
Mei, soms in April, kan men deze nestjes al opvisschen. Het wijfje
gebruikt het achterlijf als mal en spint daarom het nest. De
spinklieren zitten aan het achterlijf, op den top. Voor den
geheelen nestbouw heeft het dier 4 à 5 uur noodig. Er zitten een 50
eieren in zoo’n bootje.
3º Al spoedig komen uit de eieren larfjes, die eerst nog wat in ’t
nest blijven, en in dien tusschentijd de eischalen oppeuzelen,
waaruit ze zijn gekropen. Dan gaan ze de wereld in. Deze larven
zijn echte roofdieren; ze lusten vooral slakken. De volwassen kever
leeft van planten. In het najaar zijn de larven volwassen, 6 c.M.
lang, en verpoppen dan buiten het water in de slootkanten. De pop
staat dan op haar kop, en rust op stekels. Wil men het leven van
dezen kever waarnemen, dan moet men zorgen voor een popgelegenheid.
De volwassen kever vliegt zelden; hij kruipt op den grond gewoon
voort. Hij behoort tot de 5e onderorde, en wordt 38–48 m.M. lang.
Overal in slooten en poelen.
No 26. Kortschildkever. (Staphylinus caesareus). Dit is een
vertegenwoordiger van een groote groep; bijna het 5e deel van onze
kevers, dus een 600 behooren tot deze groep. De dekschilden zijn kort.
Men kan deze kevers onder mos en steenen vinden; ze zijn 14 tot 18 m.M.
lang en leven van aas, mest en rottende plantenstoffen. Ze behooren dus
tot de opruimers in de natuur en nemen daardoor een belangrijke plaats
in. Ze behooren tot de 2e onderorde.
No 27. Bombardeerkever. (Brachynus crepitans). Deze kever is afgebeeld
omdat hij een merkwaardigheid is. Wordt hij achtervolgd, dan lijkt het
of hij op zijn achtervolgers schiet. Uit een paar achterlijfsklieren
vloeit een stof, die direct met een knal in damp overgaat; die knal is
voor ons hoorbaar. Het gevormde gas is zuur en riekt naar salpeterzuur.
Geschiedt de ontploffing in donker, dan heeft er ook lichtontwikkeling
plaats. De kever kan meerdere „schoten” achtereen lossen. Gelijktijdig
wordt ook de inhoud van den einddarm geledigd, zoodat de achtervolger
op niet veel smakelijks wordt onthaald. De kevers leven meestal onder
steenen bijeen, vooral op kalkgronden; bij ons gevonden langs
rivieroevers. Lengte 6½ tot 9½ m.M. Ze behooren tot de 1ste onderorde.
No 28. Gerande Waterroofkever. (Dytiscus marginalis). Over dezen roover
hebben we reeds gesproken bij No 25. Zoowel de larven als de imago’s
zijn echte carnivoren. Zij vallen alle levende dieren aan, die zij
tegenkomen; daarom zijn zij gevreesde bezoekers van de vischvijvers. Is
er gebrek aan levende prooi, dan zijn ze met aas tevreden; in een
aquarium kan men ze voeren met stukjes vleesch.
Moeten ze ademhalen, dan komen ze met het achterlijf loodrecht naar
boven en steken dit in de lucht; de dekschilden worden wat opgelicht,
de lucht komt er onder, die door de luchtbuizen kan worden opgezogen.
Als ze erg in ’t nauw worden gebracht, zonderen ze aan het halsschild
een melkachtige, onaangenaamriekende stof af; dat is dus hun
verweermiddel. De voortplanting geschiedt in den winter of in ’t
voorjaar. De wijfjes leggen de gele eieren aan stengels van
waterplanten, in een insnijding, die zij met haar hoornachtige legboor
maken. Na 12 dagen komen de larven voor den dag, die in het midden van
den zomer of tegen den herfst volwassen zijn.
Zij verpoppen in holen langs de oevers van het water. Sommige komen
vóór, andere na den winter uit. Men kan dus het geheele jaar door dezen
kever in ’t water vinden. ’s Avonds vliegen ze wel rond. Als hun sloot
’s zomers opdroogt, poetsen ze de plaat. Lengte 30–33 m.M. Eerste
onderorde.
No 29. Graanloopkever. (Zabrus tenebrioïdes). Hoewel deze kever tot de
roofkevers behoort, is hij toch een vegetariër, die den korenbouwers
zeer onaangenaam is. Hij eet bij voorkeur de melkrijpe zaden van tarwe,
rogge en gerst; haver laat bij ongemoeid. Gelukkig komt hij bij ons
niet veel voor; alleen op zandgrond wel. De kever klimt tegen de halmen
op, en zet zich zoo aan den maaltijd. Hij leeft van midden Juni tot in
den winter, soms tot in ’t voorjaar. Overdag houdt hij zich schuil, ’s
avonds gaat hij er op uit. In den herfst valt hij, evenals de larve,
het wintergraan aan. De eieren worden gelegd in de aarde. Als vijand
van dezen kever is een parasietvlieg waargenomen. Men bestrijdt dezen
kever 1º door vruchtwisseling, 2º door in ’t voorjaar de akkers met een
3% tabaksoplossing te besproeien of de larven met een
arsenicum-oplossing te bespuiten. De kever is 12 tot 15 m.M., de larve
20 tot 26 m.M.
No 30. Doodgraver. (Necrophorus vespillo). De rol, die door deze kevers
in de natuur wordt vervuld, is een zeer belangrijke. Aan hun is
opgedragen de lijken van kleine zoogdieren en vogels weg te werken, om
te zetten, zoodat de stof niet nutteloos blijft liggen. Als alle lijken
bleven liggen, zou de wereld spoedig één kerkhof zijn. Deze kevers zijn
in staat, als ze met een voldoend aantal zijn, lijken van mollen,
muizen, den grond in te graven. Met elkaar werpen zij den grond onder
het lijk weg, zij „ondermijnen” het lijk, dat daardoor dieper komt te
liggen. De wijfjes leggen in deze doode dieren hun eieren, waaruit
larven komen, die het „lekkere hapje” verder oppeuzelen. Deze larven
hebben 6 pooten en 12 oogen. Zij verpoppen in den grond.
Hoe de kevers de lijken vinden? Zij kunnen goed ruiken; bovendien zijn
het beste vliegers, die op aas uitgaan. In ons land komen 8 soorten
voor; 2 hiervan zijn zwart, dat zijn de grootste. De andere soorten
hebben oranjeroode dekschilden waarover 3 gegolfde zwarte dwarsbanden.
De kevers geven een sterken bokken- of muskusgeur af, die zeer lang aan
’t dier blijft hangen. De afgebeelde soort komt zeer algemeen voor.
Overal, waar men dierenlijken in de vrije natuur aantreft, bestaat kans
deze kevers te vinden. We vinden meermalen verschillende soorten te
gelijk in doode vogels. Lengte van 12 tot 23 m.M. Hij behoort tot de 2e
onder-orde. In Artis te Amsterdam zijn de kevers van tijd tot tijd te
zien.
No 31. Mierengast. (Claviger testaceus). Bij de mieren spreken we nader
over de „mierengasten”; dat zijn dieren, die in de mierennesten leven;
deze gasten worden òf vervolgd òf verzorgd door de mieren. Voor
sommigen zijn de mieren onverschillig. Maar daarover nader bij de
mieren. Deze Claviger is een der vele kortschildkevertjes, die in de
mierennesten leven. Het diertje is maar heel klein 2–2½ m.M. Het
beestje heeft geen oogen. Het scheidt uit de met gele borstelharen
bezette deelen van het lichaam een vocht af, dat de mieren gaarne
lusten en dus aflikken. Een soort „likeurfabriekje”. Maar zal dit
fabriekje kunnen blijven werken, dan moeten de kevertjes ook eten.
Welnu, daarvoor zorgen de mieren. Zij tikken de Clavigers op de
knotsvormige sprieten, en dan weten deze, dat zij zich kunnen gaan
voeden. Het voedsel wordt aangebracht. Dit is een zeer belangrijke vorm
van „samenwonen”: de een profiteert van den ander. Deze kever behoort
evenals de vorige tot de 2e onder-orde.
No 32. Zandkever. (Cicindela campestris). Op Plaat I No 9 staat de
larve van dezen kever afgebeeld; wij hebben haar ook beschreven. Even
roofzuchtig als de larve is de kever; ook die leeft van andere
insecten, die hij najaagt. Zijn scherpe bovenkaken wijzen reeds op zijn
karakter. De kever is een echt zonnedier, en zit altijd op den grond.
Wordt hij opgejaagd, dan vliegt hij voor ons uit, en zet zich weer
spoedig neer. Bij slecht weer en ’s nachts vertoeven ze in zelfgegraven
holletjes. Raakt men ze aan, dan verspreiden ze een eigenaardigen geur.
Deze kever is 11–14 m.M. lang, op de rugzijde fraai groen, op elk der
dekschilden met 5 witte zijvlekjes. Het is een prachtig dier en komt op
zandgronden veel voor. Men neemt veel afwijkingen in de teekening waar.
Er komen van de zandkevers 5 soorten in ons land voor. Zij behooren tot
de 1e onder-orde.
No 33. Poppenroover, Rupsenjager. (Calosoma sycophanta). Ook de larve
van dezen kever is afgebeeld op Plaat I, No 10 en daar beschreven.
Evenals de larve is ook de kever een echte roover, en juist hieraan
heeft hij zijn wereldreputatie te danken. We hebben reeds verteld, hoe
in Amerika twee rupsensoorten waren ingeslopen, de plakker en de
bastaardsatijnvlinder, die tot op den huidigen dag daar enorme schade
aanrichten. Deze rupsen waren uit Europa overgekomen. De sterke
vermeerdering der rupsen schrijft men toe aan de omstandigheid, dat wel
de rupsen, maar niet haar vijanden zijn ingevoerd. Daarom zijn de
Amerikanen begonnen met allerlei rupsenvijanden in te voeren, o.a. ook
de Calosoma. Zoowel de larven als de kevers klimmen de boomen in,
vallen de rupsen aan en verslinden die. Duizenden en duizenden van deze
kevers zijn naar Amerika gezonden. Het is een prachtige roofkever, een
zeer nuttig dier, dat 22–29 m.M. groot wordt; dus een flinke kever: de
dekschilden zijn goudgroen. Hij behoort tot de eerste onder-orde. In
Mei en Juni is de kever wel te vangen, hoewel hij in ons land helaas
maar zelden voorkomt. Misschien is hij te importeeren. Hij vliegt
overdag en riekt als hij gevangen wordt naar bittere amandelolie.
No 34. Oeverkever. (Elaphrus riparius). Dit is een mooi kevertje, dat
overal langs de randen van zoet water leeft; ’t is overdag in beweging.
Dekschilden aan de basis gerand, zonder stippellijnen, maar met 3 of 4
langsrijen van groote oogstippen. Bronskleurig tot smaragd-groen. Dit
kevertje is 5½ tot 7 m.M. lang en heeft metaal-groene tarsen.
No 35. Kleine Rupsenjager. (Calosoma inquisitor). Hij leeft op dezelfde
wijze als de groote jager C. sycophanta; hij is evenwel kleiner en
wordt maar 16–21 m.M. Hij lust gaarne de rupsen van den wintervlinder,
die in de boomgaarden zooveel schade doen. Ook de larve eet die rupsen.
Op zandgronden komt hij in eikenbosschen voor, en in Mei en Juni is hij
te vangen.
No 36. Tuinloopkever. (Carabus nemoralis). Deze kever behoort tot de
z.g. schallebijters; ze zijn zeer nuttig doordat zij allerlei
ongedierte uit den tuin en van den akker oppeuzelen. Jammer, dat zij
door den dommen mensch gewoonlijk worden doodgetrapt. De dekschilden
zijn meestal bruin-bronskleurig, al of niet met purperkleurigen
zijrand. Lengte 21–26 m.M. Men vindt hem vooral in tuinen op vochtige
plaatsen, onder steenen, en in bosschen onder mos en boomschors.
PLAAT IV.
KEVERS (2)
No 37. Meikever. (Melolontha vulgaris). Dit is zeker wel de meest
bekende kever in ons land, al komt hij dan ook lang niet overal voor;
maar op school wordt er van geleerd en hier en daar gebruiken de
kinderen hem als speelgoed. De meikever is een onzer grootste kevers en
wordt 24–30 m.M. lang. Het is een echte lobbes, waarvan wij niets te
vreezen hebben, omdat hij een bladeter is, en ons niet bijt of prikt.
Onder No 5 hebben wij zijn larve, de engerling, besproken; tevens
hebben wij toen verteld, dat de kever al in den nazomer ontpopt en dan
den geheelen herfst, winter en het voorjaar in den grond zit. Half
April en Mei komt hij naar boven; zijn pooten komen hem dan goed te
pas, waarmede de aarde op zij wordt gewerkt. Is hij eenmaal boven, dan
begint de aanval op de pas uitgeloopen knoppen; de bladeren zijn dan
nog sappig. Hij valt alle boomen aan, behalve de linde; het naaldhout
laat hij meestal met rust, alleen de Larix, die dan vol versche
naaldjes zit (die werpt in ’t najaar al zijn oude naalden af) havent
hij geducht. Omdat de meikever eigenlijk een schemer- en nachtdier is,
is hij overdag stil. ’s Morgens vroeg is hij suf en moe van al zijn
gevlieg, en zit dan slaperig op den boom. Van deze gelegenheid maakt
men gebruik om hem te bemachtigen. Onder de boomen, die soms stikvol
zitten, wordt een zeil of laken gelegd, en dan worden de takken met een
haak flink geschud. Het regent meikevers dan, die snel worden verzameld
en in een zak of ton opgeborgen. Zoo kan men er duizenden en duizenden
vangen, die dan gedood worden, en goed zijn voor bemesting van het
land. Men droogt ze ook wel en maakt ze daarna fijn, waarna men er
brood van bakt voor de varkens; ook de kippen pikken dan wel mee. Zoo
weet men nog een nuttig gebruik van dezen kever te maken.
De meikevers leggen hun eieren in den grond; het wijfje kruipt dan wel
2 tot 3 d. M. de aarde in. Na het eierleggen sterft de meikever, zoodat
in het laatst van Juni gewoonlijk geen meikever meer te zien is. De
sprieten van het mannetje bezitten 7 „blaadjes”, die van het wijfje 6;
die blaadjes zijn verbreede sprietleden. Aan deze eigenaardigheid dankt
de groep, waartoe deze kever behoort, haar naam van „bladsprietigen”.
No 38. Rozenkever. (Phyllopertha horticola). Een mooi kevertje, dat 8
tot 11 m.M. lang wordt. Het leeft precies als de meikever; de larve
verblijft in den grond, heet ook engerling, en beschadigt de wortels.
De kevers eten bladeren, ook die van rozen; daaraan hebben ze hun naam
te danken. Soms komt het diertje in grooten getale voor en dan wordt
het zeer schadelijk, maar gewoonlijk hoort men er zelden van. De
sprietbladen van het mannetje zijn grooter dan die van het wijfje. Men
kan de kevertjes vangen in Mei en Juni, vooral in duin- en heistreken,
op allerlei bloeiende planten.
No 39 en No 40. Neushoornkever. (Oryctes nasicornis). Mannetje en
wijfje. Deze kever heet wel „runkever” omdat hij nog al veel voorkomt
in run van de leerlooierijen, waarmede de larve zich voedt. In de vrije
natuur voedt de larve zich met molm van boomen. De kever wordt 28 tot
35 m.M. lang, is dus grooter dan de meikever; ook zijn larve is grooter
dan de meikeverlarve. De kever is kastanjebruin, glanzig, op de
bovenzijde glad; onderzijde en pooten zijn rossig behaard. Bij deze
kevers nemen we een eigenaardig dimorphisme waar; de kop van het
mannetje heeft een hoorn, die bij ’t wijfje gemist wordt; dit heeft op
die plaats maar een kegelvormig bultje. Als de kever uit de pop kruipt
groeit de hoorn nog langer uit; de pop bevindt zich evenals de larve in
run of in molm.
No 41. Julikever. (Polyphylla fullo). Deze kever is de grootste van
onze „meikeversoorten”. De dekschilden zijn gemarmerd; dit wordt
veroorzaakt door „schubben”. Zijn de schubben verwijderd, dan is de
grondkleur der schilden bruin tot zwart. Ook bij deze soort zijn de
mannetjes en wijfjes te herkennen aan het aantal „sprietbladen”; het
mannetje heeft 7 groote sprietbladen en het wijfje maar 5 kleinere. Het
verschil valt direct op. Ook deze kever en diens larve voeren een
leefwijze als de meikever. De larve leeft aan de wortels van planten en
de kever voedt zich met bladeren; de imago’s vliegen ’s avonds. De
kever komt veel voor in de duinstreken, en heet daarom ook wel
„duinkever”. De larve wordt daar schadelijk door het verwoesten van de
wortels der helmplanten, die het duinzand vasthouden. De kever is
grooter dan de meikever, 32–37 m.M., en verschijnt ook later, n.l. in
Juli. Hij komt ook in zandstreken voor aan onze oostelijke grenzen.
No 42 en No 43. Glimwormpje. (Lamprohiza (Phausis) splendidula).
Mannetje en wijfje. Van dezen kever zijn beide geslachten afgebeeld,
omdat ook hier weer een mooi voorbeeld van dimorphisme is waar te
nemen. Vooreerst is het mannetje grooter: 8½ tot 10 m.M., en het wijfje
slechts 6 tot 9 m.M. Dan is het mannetje gevleugeld en het wijfje
ongevleugeld; daardoor lijkt dit laatste veel op een larve. Over het
„lichten” is reeds vroeger gesproken. Het is een eigenaardigheid, die
de dieren ook na hun dood nog behouden. In de maanden Juni en Juli kan
men de wijfjes ’s avonds op den grond zien lichten; de mannetjes
vliegen dan rond. Ze schijnen overal voor te komen en worden dan ook in
verschillende provincies gevonden. Het is een zeer eigenaardig
verschijnsel als we plotseling die kleine lichtjes op de zwarte aarde
zien verschijnen. Merkwaardig is het, dat ook de eieren, larven en
poppen lichten. De larven voeden zich met levende slakken; wij dienen
ze dus in eere te houden. Zet men ze thuis in donker, dan lichten ze
daar ook. Zij behooren tot de 8ste onder-orde, tot de Weekschilden.
No 44. Mestkever. (Geotropus (Ceratophyus) typhaeus). De naam van dezen
kever wijst er op, dat dit dier op een of andere wijze met mest iets
heeft uit te staan. Mest is n.l. het voedsel voor de larven. De kever
graaft onder mesthoopen gangen in de aarde en legt daar de eieren; bij
elk ei wordt een hoeveelheid mest gebracht, die de larve zal
verorberen. Doordat die gangen nog al diep zijn, blijft de mest
vochtig. Men vindt vaak „koekoeken”, waarin aan de oppervlakte gaten;
dat is het werk van den mestkever, die naar binnen is gedrongen. Langs
zandwegen, in wagensporen, vindt men ze herhaaldelijk; vooral ook doode
mannetjes. De kever wordt 14½ tot 21 m.M. De grootte varieert dus nog
al. Er komen in ons land wel 7 soorten voor. ’s Avonds vliegen ze
brommend rond.
No 45. Kniptor. (Agriotes lineatus). Kniptorren zijn eigenaardige
dieren. Legt men ze op den rug, dan springen ze hoorbaar op; ze
knippen. Er komen bij ons wel meer dan 50 soorten kniptorren voor, dus
men is wel in de gelegenheid het knippen eens te zien. Verder zijn de
meeste van deze kevers van geen beteekenis, ook al, omdat ze niet zoo
lang leven. Des te erger staat het evenwel met de larven, die men
ritnaalden, koperwormen, hardwormen of draadwormen noemt. Ze maken
ritten door den grond en danken daaraan haar naam. Sommige larven leven
in boommolm, mesthoopen, en zijn dus van geen economische beteekenis.
Bij ons komen 10 à 12 soorten voor, die recht schadelijk zijn. De
larven toch beschadigen de wortels van allerlei kultuurgewassen, en
omdat ze wel 3 à 4 jaar in den grond blijven, kunnen ze heel wat
verwoesten. Tegen den winter gaan ze dieper den grond in. Meestal hoort
men van de ritnaaldenschade in ’t voor- en najaar, doch niet in den
zomer, omdat de planten dan flink aan den groei zijn. In den tuinbouw
hoort men er het heele jaar van, omdat men daar haast het heele jaar
door zaait.
Een afdoend middel om de ritnaalden te bestrijden is er niet. In tuinen
legt men aardappels en bieten in den grond; de ritnaalden kruipen
hierin, waarna men ze verwijderen kan. Men kan ook den grond inspuiten
met benzine of zwavelkoolstof. Als het met de vruchtwisseling zoo
uitkomt, moet men midden in den zomer de aangevallen akkers 15 c.M.
diep omploegen. Door de zonnehitte gaan de larven, die boven komen, dan
gauw dood. Ritnaalden lijken veel op meelwormen. De kevers leggen hun
eieren in den grond. De grootte der imago’s loopt van 8½ tot 10 m.M.
Zij behooren tot de 7de onder-orde.
No 46 en No 48. Vliegend Hert. (Lucanus cervus). Mannetje en wijfje.
Dit is nu de grootste kever, die bij ons voorkomt. De mannetjes hebben
geweivormige groote bovenkaken; die lijken wel het gewei van een hert;
vandaar ook hun naam. De wijfjes hebben ook wel bovenkaken doch die
vallen niet op. Wij hebben hier dus weer een mooi voorbeeld van
dimorphisme. De kevers voeden zich met sappen, die uit eiken en andere
boomen vloeien. De larven leven in boommolm, vooral van oude eiken. De
heele ontwikkeling van ei tot kever duurt wel 5 jaar. Het kan in dien
tijd best gebeuren, dat de larven perioden hebben, waarin zij niet
genoeg voedsel vinden, b.v. als er wat veel bij elkaar zijn. Dan
groeien ze toch wel uit tot kevers, doch die worden dan maar klein. De
grootte van de mannetjes varieert daarom van 27 tot 50 m.M. (zonder de
bovenkaken) en die van de wijfjes van 26 tot 41 m.M. Van half Juni tot
half Augustus kan men de kevers vinden. Men vindt ze verscholen onder
boomstammen, ook wel in holle wegen, waar de wortels der boomen uit den
grond komen. Tegen den avond vliegen ze. Meestal vindt men meer
mannetjes dan wijfjes. De kevers worden vooral gevonden in
eikenbosschen op zandgronden. Ze behooren tot de zelfde onder-orde als
de meikevers.
No 47. Gouden tor. (Cetonia aurata). Dit is weer een van die prachtige
torren, waarin de jongens handel drijven, net als in meikevers. De
dekschilden zijn metaalgroen met een koperkleurigen weerschijn. Men
vindt dezen kever in Mei, Juni of Juli op allerlei planten. Ze schijnen
van den honing te snoepen, eten stuifmeel en verwoesten soms de geheele
bloem. De larven lijken wel op die van den meikever, doch zijn veel
kleiner, en leven in boommolm, ook wel in bladaarde. Bij uitzondering
vindt men ze wel in mierennesten. De ontwikkeling van ei tot kever
duurt, evenals bij de andere genoemde bladsprietigen, weer zeer lang,
n.l. 3 à 4 jaar. Ze worden 15 tot 21 m.M. lang.
PLAAT V.
KEVERS (3)
No 49. Mierkever. (Clerus formicarius). Deze aardige kever, die 7 tot
10 m.M. lang wordt, heeft zijn naam te danken aan zijn mier-achtig
voorkomen. Men kan hem vaak aantreffen op boomstammen. De larven zijn
rozerood en leven in de gangen van bastkevers, vermoedelijk verslinden
zij deze. De kop van den kever is zwart, het halsschild rood en de
schilden zwart, die evenwel aan den wortel rood zijn. Over de schilden
loopen 2 witte, kortbehaarde dwarsbanden. Het achterlijf is weer rood
en de pooten zijn zwart. Het is een mooi diertje, dat we niet gaarne in
onze verzameling missen. De kever is nuttig doordat hij jacht maakt op
den dennenscheerder en diens larve.
No 50. Doodskloppertje. (Anobium striatum, A. domesticum). Dit kleine
kevertje, dat niet grooter wordt dan 2½ tot 4¾ m.M. is de schrik van de
huismoeders, want zijn larve is de gevreesde houtworm, die onze meubels
aantast en ten slotte geheel ondermijnt. De kevertjes leggen op onze
meubels een 40 à 50 eitjes; de larfjes, die hieruit komen, vreten zich
direct naar binnen, en beginnen aan het hout te knagen. Zij graven
gangen, en als zij volwassen zijn verpoppen ze; de kevers, die uit de
poppen komen maken grootere gaatjes en komen dan naar buiten; het
zaagsel valt dan op den grond. Als wij dus gaatjes in onze meubels
zien, is dit een bewijs, dat de kevertjes er uit zijn. Wil men de
kevertjes bestrijden, dan moet men hen trachten te vangen. Ze komen van
Mei tot Juni voor. Een ander middel is, in die maanden de meubels elken
dag met was te wrijven; dan drukt men de eitjes dood. Met petroleum of
benzine in de gaatjes spuiten geeft niet veel, want de oude kevers zijn
er al uit. Intusschen kan het geen kwaad, want dan trekt de olie in ’t
hout en petroleum is doodend voor alle insecten. Laat het hout het toe,
dan kan men het sterk verwarmen en dan gaan de larven ook dood. De
kevers hebben de gewoonte elkaar door tikken tegen ’t hout te lokken.
Hoort men dit tikken in den nacht, dan heeft dit iets geheimzinnigs, en
bijgeloovige menschen hooren hierin een „doodstijding”. Het spreekt
vanzelf, dat deze kevertjes geen opdracht hebben zulke tijdingen over
te brengen. In de vrije natuur leven deze diertjes in allerlei hout. De
larven hebben 6 pooten en zijn blind. Een andere soort, Anobium
paniceum, is een echte cosmopoliet, en leeft in magazijnen en schepen
in allerlei droge stoffen en eetwaren, scheepsbeschuit, enz.
No 51. Zwartlijf. (Blaps mucronata). Bijgeloovige menschen hebben aan
dezen kever den naam gegeven van „doodentor”; hij zou als bode van den
dood dienst doen. Deze functie heeft hij dan zeker te danken aan zijn
zwart uiterlijk en zijn nachtelijke leefwijze. Hij vertoeft op donkere,
vochtige plaatsen, in stallen, kelders, schuren, enz., en eet daar
beschimmelde planten- en dierenresten. Raakt men hem aan, dan scheidt
hij een vocht uit aan het achterlijf. De kevers worden 19½ tot 23 m.M.
lang.
No 52. Meeltor. (Tenebrio molitor). Iedereen, die wel eens
insectenetende vogels heeft gehouden, weet wat „meelwormen” zijn; men
kan ze koopen bij den handelaar in vogelvoeder. Deze meelwormen nu zijn
de larven van den meeltor. De handelaar kweekt ze op, maar wij kunnen
het ook wel. Men koopt wat meelwormen, een twintig, en doet die in een
leeg jampotje en doet er wat droog hard brood bij. En nu zet men het
maar ergens neer. De meelwormen ziet men vervellen en ten slotte ook
verpoppen. Die poppen liggen dan maar zoo tusschen het brood in.
Eindelijk komen uit de poppen de kevers, en dat zijn de meeltorren.
Laat men die torren in het potje, dan gaan ze eieren leggen en komen er
weer nieuwe meelwormen, en zoo gaat dat maar door, als men ten minste
zorgt, dat ze voer hebben. Veel hebben ze niet noodig. De geheele
ontwikkeling van ei tot imago duurt 2 jaar, soms korter. Wij kunnen
ieder aanraden eens zoo’n kweekerijtje van meelwormen te beginnen; ’t
is zeer eenvoudig en men leert de ontwikkeling kennen.
Komen de meelwormen in molens en bakkerijen voor, dan zijn ze
natuurlijk zeer schadelijk. In de vrije natuur vindt men de larven wel
in boommolm en in doode vogels. De kever is donkerbruin tot zwart en
wordt 14 tot 16 m.M. lang.
No 53. Oliekever of Meiworm. (Meloë proscarabaeus). Deze kever en ook
de volgende, behooren tot de „blaartrekkers”. Zij bevatten scherpe
vochten, die een blaartrekkend vermogen hebben. Gewoonlijk noemt men
dezen kever oliekever, omdat hij bij aanraking een geel, dik vocht
kwijt raakt; dit vocht is scherp en tast onze huid een weinig aan. Dit
vocht is bloed. Deze kever heeft een merkwaardige gedaanteverwisseling.
Wij kunnen daarop niet verder ingaan, omdat de meeste lezers er toch
nooit iets van zullen bemerken, doch wij willen er wel iets van zeggen.
De kever legt de eieren in den grond, en de larven, die hieruit komen,
kruipen tegen bloemstengels op en dan de bloemen in. Komen nu bepaalde
bijensoorten deze bloemen bezoeken, dan hechten de larven zich aan deze
bloemenbezoeksters, en trekken met haar mede naar het nest. Hier eten
ze eieren op en verder het voedsel, dat voor de bijenlarven was
neergelegd. Zijn ze hiermede klaar, dan nemen deze larven een andere
gedaante aan, worden ook poppen en ten slotte kevers. Het is een
ontwikkeling vol gevaren, zoodat velen omkomen. Dit is geen bezwaar,
want de oliekever legt 4000 eitjes, dus kan er eentje mislukken. Men
kan de oliekevers al vroeg in ’t jaar vinden, in April en Mei; daarom
heeten ze ook wel Meiwormen. De kever schijnt gaarne bladeren van de
boterbloem te eten.
No 54. Spaansche Vlieg. (Lytta vesicatoria). Deze vlieg is geen vlieg,
maar een kever. Hij behoort tot de blaartrekkers en wordt wel in de
geneeskunde gebruikt. Het werkzame deel heet cantharidine en de stof
zelve cantharis; het zit in het bloed en in klieren. De kever is
goudgroen, smaragdgroen, blauwgroen, of roodkoperkleurig-goudglanzig.
De dekschilden fijn en dicht rimpelig bestippeld. Lengte 10–19 m.M. Hij
komt in het oosten van ons land veel voor op bloeiende ligusters, en is
in Juni bij zonneschijn op die planten wel te vangen. In het zuiden van
Frankrijk wordt hij in het groot verzameld tot vervaardiging van de
Spaanschevlieg-pleister, want het blaartrekkend vermogen is van dezen
kever zeer groot.
No 55. Paalkever. (Nacerda melanura). Deze kever heeft een zeer
ongunstige reputatie, want zijn larven tasten de palen aan van de
zeeweringen, o.a. in Zeeland. Zij doorkruisen het hout in alle
richtingen. De larve leeft evenwel in dat gedeelte van het hout, dat
altijd droog blijft. Onze zeeweringen worden door 4 verschillende
dieren aangevallen. Vooreerst door genoemden paalkever, maar die blijft
altijd in ’t droge hout. De boorpissebed (Limnoria terebrans) en de
borende vlookreeft (Chelura terebrans), twee schaaldieren, leven in
hout, dat bij eb droog loopt. De paalworm (Teredo navalis), een
weekdier, vernielt het hout dat altijd onder water staat.
De lengte van den paalkever bedraagt 8–12 m.M. Deze kever komt ook wel
in balken in huizen voor. In Juli en Augustus kan men hem wel vangen op
schermbloemen.
No 56. Groote Dennensnuittor. (Curculio (Hylobius) abietis). Dit is een
groote snuittor en ze wordt 8 tot 14 m.M. lang. De kever is pekkleurig
bruin of zwart, korrelig ruw en heeft op elk schild tien langsstrepen.
De gele haartjes op de dekschilden geven hieraan eenige teekening. De
kever is een der gevaarlijkste vijanden van de dennenbosschen. De larve
is niet gevaarlijk, want die wordt meestal aangetroffen in oude
stompen; tusschen hout en bast heeft de kever daar eieren gelegd. De
kever boort in jonge, eenjarige dennen en takken en trekt lappen van de
schors, wat gevolgd wordt door een sterke harsafscheiding. Uit deze
leefwijze volgt al dadelijk, dat men een geveld bosch niet direct moet
inzaaien of inpoten. De kever verschijnt midden Mei, ook wel iets
vroeger.
Ter voorkoming van deze keverplaag worden dennenbosschen wel omgeven
door een mantel van loofboomen. Berken b.v. willen nog wel naast dennen
groeien. Verder worden wel vanggreppels aangelegd, waaruit men de
kevers een paar maal per dag laat opzoeken. De kevers worden wel gelokt
door op bepaalde plaatsen bundeltjes van dennentakjes neer te leggen;
dat doet men dan van half April tot half Juni. Hoe sterker de harslucht
is des te beter is de vangst. Ook worden wel stukken versche schors
neer gelegd. Ten slotte legt men kunstmatige broedplaatsen aan door
oude stompen te laten zitten tot den zomer en ze dan uit den grond te
halen. Dan zitten de eitjes er in of de larven. Hoe schadelijk deze
kever ook is, het dier zelf is een zeer mooie snuittor.—
No 57. Spitsmuisje. (Apion apricans). Dit is een klein snuittorretje,
dat maar 2? tot 2½ m.M. lang wordt en het behoort tot een uitgebreid
geslacht, waarvan wel 68 soorten bij ons voorkomen. De dekschilden zijn
eenigszins langwerpig-eirond en zwart. Pooten roodgeel of geel. Het
wijfje overwintert en legt de eieren in de bloemhoofdjes van klaver;
daar tusschen leven ook de larven. Dit kevertje is zeer algemeen.
No 58. Appelbloesemkever. (Anthonomus pomorum). Dit snuitkevertje kost
ons jaarlijks heel wat appels en soms ook peren. Het is maar 3½ m.M.
lang, de snuit niet mede gerekend; ’t is op de rugzijde bruin, aan kop
en buikzijde zwartachtig grijs behaard. Op de schilden ziet men één of
twee V-vormige figuren. In April begint het wijfje haar verwoesting.
Zij boort, of juister, zij bijt een gat door de knoppen, en schuift dan
een eitje naar binnen. Na 8 dagen komt uit dit eitje de larve, die de
meeldraden en stampers opeet. Natuurlijk komt er van de bloem dan niets
meer terecht; de kroonbladeren verschrompelen en het lijkt wel of de
bloemen bevroren zijn. Spoedig verpopt de larve en al heel gauw is de
nieuwe kever er. Deze verlaat de verschrompelde bloem en zwerft dan den
zomer rond, om zich al in Augustus op te bergen tot het volgende
voorjaar. Soms worden haast alle bloemen verwoest en geeft zoo’n boom
niet één vrucht. Wat is hiertegen nu te doen? Men kan in het vroege
voorjaar onder de vruchtboomen een laken leggen en dan de boomen
afkloppen; de kevers komen dan omlaag. Men moet dit doen vroeg in den
ochtend. Verder kan men in Juli om de stammen boombanden aanleggen. Men
neemt wat houtwol en bindt daarover een papierband. Hieronder kruipen
de kevers weg. Men maakt deze banden in November los en verbrandt ze.
Dan is men de kevers tegelijk kwijt.
No 59. Wilgensnuitkever. (Cryptorhynchus lapathi). Deze kever is goed
herkenbaar. Het dier is zwart; op de bovenzijde dicht, hier en daar
dakpansgewijze, bedekt met gedeeltelijk lichte, gedeeltelijk zwarte,
duidelijke schubjes. Sprieten roestkleurig. De snuit kan in een sleuf
tusschen de pooten tegen het lichaam worden aangedrukt. Men vindt dezen
kever, die 7 tot 9 m.M. lang is, van Juni tot September op wilgen,
berken, elzen en populieren. Het wijfje legt haar eieren aan jonge
scheuten; de larven vreten zich daarin. Zoo’n larvegang wordt geregeld
wijder, omdat de bewoonster groeit. Eigenaardig is het, dat behalve de
„vreetgang” nog een „luchtgang” aanwezig is. Die mondt hooger dan de
opening waardoor de larve naar binnen ging. Wordt de kever verontrust,
dan trekt hij snuit en pooten in, en valt daardoor minder op. De kever
komt overal voor.
No 60. Erwtenkever. (Bruchus pisi). Deze kever, die 4–4½ m.M. lang
wordt is gevaarlijk voor de erwtenteelt. Het wijfje legt de eieren in
de jonge peulen; de larve werkt zich in een erwt en vreet de zaadlobben
uit; de kiem laten ze zitten. Heeft de larve aan één erwt niet
voldoende, dan verhuist ze naar een tweede. In de erwt verpopt de larve
en ook de kever komt daarin tot ontwikkeling, doch die komt er
vooreerst niet uit. Zaait de boer in ’t voorjaar deze erwten weer uit,
dan kruipen de kevers op den akker uit de zaden en beginnen later hun
verwoestingen. Zoo bevordert de boer dan zijn eigen schade. Tegen den
erwtenkever kan men de volgende bestrijdingsmiddelen toepassen.
1º Láát zaaien; dan komen de kevers vóór het zaaien al uit de
zaden.
2º Men werpt de erwten in het water. Veel aangetaste drijven en men
schept die af.
3º Als men de erwten gedurende 4 à 5 minuten verhit tot 50° à
55° C., dan gaan de kevers dood en de gezonde erwten behouden haar
kiemkracht.
4º Men doet de erwten in een doofpot, die gesloten kan worden.
Vervolgens giet men over de erwten zwavelkoolstof en laat de dampen
10 minuten inwerken. Alle kevers zijn dan dood. Voor 1 H.L. erwten
heeft men ½ deci L. zwavelkoolstof noodig. We merken nog even op,
dat zwavelkoolstof een vergift is en de dampen zeer brandbaar zijn.
Men blijve dus met vuur uit de buurt.
PLAAT VI.
KEVERS (4)
No 61. Letterzetter. (Bostrichus (Tomicus) typographus). Deze kever, en
de iepenspintkever, No 63, behooren tot de schorskevers. Het is een
betrekkelijk klein dier, 4–5 m.M., en wordt aangetroffen in sparren.
Het wijfje boort en vreet zich door de schors heen, en is het tusschen
schors en hout gekomen, dan graaft het een gang naar boven. Links en
rechts van deze „moedergang” worden eieren gelegd. De larven, die
hieruit komen beginnen ook gangen te graven, die min of meer loodrecht
op de moedergang staan. Maar dat duurt niet lang of ze wijken uit. Deze
„kindergangen” worden hoe langer hoe wijder, omdat de larven geregeld
dikker worden. Zijn de larven volwassen, dan verpoppen ze aan het einde
van zoo’n gang in een „kinderwieg”, zooals men dat plaatsje daar noemt.
Uit die poppen komen later kevers, die op hun beurt weer gangen gaan
graven. Wanneer men stukken schors van aangevallen boomen wegneemt,
ziet men aan de binnenzijde van de schors de moeder- en kindergangen;
ook in het hout zijn die gangen uitgevreten. Het lijkt er dus wel wat
op, of dat hout kunstig door een houtbewerker is uitgesneden. Iedere
soort schorskever heeft zijn eigen „eetwegen”, of vraatfiguren, zoodat
men hieraan reeds zien kan, welke kever aan het werk is geweest. Vooral
op oude en zieke boomen kan men vele en mooie teekeningen zien. De
„Letterzetter” komt bij ons niet veel voor, wel in naburige landen.
No 62. Heldenbok. (Cerambyx cerdo) (heros). De larve van dezen boktor
hebben wij afgebeeld in No 2, Plaat I en daar een en ander verteld over
de beteekenis der larven, die „boorders” zijn en het hout minderwaardig
maken. De kever wordt 3 tot 5 c.M. De sprieten van het mannetje zijn
veel langer dan het lichaam. Men kan deze kevers in de maanden Juni tot
September tegen eikenstammen vinden, waarin de larven leven. ’s Avonds
vliegt hij wel rond. Hij is de grootste boktor, die in staand hout
leeft. Bij ons komt hij zelden voor, maar het gebeurt wel, dat hij uit
bewerkt hout (meubelen) te voorschijn komt.
No 63. Iepenspintkever. (Scolytus Geoffroyi). Deze kever leeft op
dezelfde wijze als de letterzetter (61). Alleen komt hij bij ons veel
meer voor en richt daardoor ook grooter schade aan. Hij heeft het
gemunt op iepen. Het schijnt, dat hij bij voorkeur iepen aanvalt alleen
in doode takken en dan verder werkt. Wij hebben in Amsterdam aan den
Haarlemmerweg en ook in de Linnaeusstraat tegenover de gasfabriek
geheele rijen iepen door dezen kever zien vernielen. Ook jonge boomen,
die in slechte conditie zijn, valt hij aan. De schors van de aangetaste
boomen is als doorpriemd; zooveel gaatjes zitten er in, waardoor de
kevers naar buiten kwamen. De kever, die 3 tot 5¼ m.M. lang wordt, is
glanzig, zwart; dekschilden eenkleurig roodbruin of donker gevlekt, ook
wel zwart. De kevers zwermen van einde Mei en in Juni.
No 64. Populierenbok. (Saperda carcharias). Dit is de grootste van onze
3 populierenboktorren; het dier wordt 20½ tot 28 m.M. lang, en in de
maanden Juni tot September kan men het tegen populieren en ook wel
tegen wilgen zien zitten. ’s Avonds vliegt de kever. De larve leeft in
genoemde boomen; de geheele ontwikkeling duurt 2 jaar. De kever is
zwart, doch met een dicht okergeel of meer grauw haarvilt bedekt. Kop
en halsschild, evenals de dekschilden, met kale stippels bezet. Het
mannetje is kleiner dan het wijfje. Het is een kever, die overal
voorkomt. Maar omdat zijn kleur nog al overeenkomt met die van de
boomstammen is hij niet gemakkelijk te zien. Evenwel, die veel insecten
zoekt, snapt hem ook wel.
No 65. Dennenboktor. (Acanthocinus aedilis). Als we deze boktor eenmaal
gezien hebben, vergeten wij het dier nooit. Het is bekend, dat de
boktorren haar naam ontleenen aan de gekromde sprieten, die doen denken
aan de horens van een bok. Welnu, het mannetje van de dennenboktor
heeft sprieten, die 4 à 5 maal, en het wijfje heeft sprieten, die 2 à 3
maal zoo lang zijn als het geheele lichaam, dat een lengte heeft van 11
tot 19 m.M. Het zijn dus reuzensprieten, die dit dier bezit, en
iedereen wil gaarne zoo’n exemplaar in zijn verzameling hebben. De
kever vliegt al vroeg in ’t voorjaar, en is overal in de dennenbosschen
gemeen. De larve leeft in geveld hout en in doode takken, zoodat zij
feitelijk geen kwaad doet aan het levende hout. Maar het gevelde hout
wordt technisch verwerkt, en zoo vinden wij dezen kever wel in
houtmagazijnen en in huizen. De kleur is grijs, met een flauwen,
donkeren dwarsband over de dekschilden; de grijze kleur wordt
veroorzaakt door een zeer korte beharing. De kever heet ook wel
„timmerbok”, en hij verlaat in Augustus en September de pop. Het is een
zeer interessant dier.
No 66. Wilgenbok. (Aromia moschata). Ook dit is een mooie boktor, die
men op oude wilgen veelvuldig kan aantreffen. Men noemt den kever ook
wel „rozenbok”, omdat hij geurt naar rozenolie; men kan in dien geur
evenwel ook muskus herkennen. De lengte van het dier bedraagt 20 tot 34
m.M., dus het is een flinke kever. Het lichaam is zeer gestrekt,
vlakgedrukt, op de bovenzijde kaal; metallisch groen, goudgroen,
purperachtig-roodkoperkleurig of blauwachtig. Sprieten staalblauw. De
dekschilden zijn minder glanzig dan het halsschild. De larve vreet
gangen in wilgenhout.
No 67. Tangbok. (Rhagium mordax). Dekschilden met een groote,
onbehaarde, zwarte vlek nabij het midden aan de zijden, tusschen de
twee roestkleurig-gele dwarsbanden. De sprieten zijn half zoo lang als
het lichaam, dat een lengte heeft van 13 tot 20 m.M. De larve leeft in
verschillende boomen, in eiken, ahorns, beuken, dennen en sparren. Soms
vindt men den kever op bloeienden meidoorn en sneeuwbal. In zandstreken
wordt hij wel gevonden.
Goudhaantjes.
De volgende 4 plaatjes, No 68 tot No 71, stellen kevertjes voor, die
allen behooren tot de goudhanen of Chrysomelidae. Ze hebben hun naam
gekregen naar den glans van de dekschilden. Zij leven allen van planten
en omdat het een zeer uitgebreide groep is, is hun beteekenis in de
huishouding der natuur zeer groot. Oorspronkelijk leven ze allen op
wilde planten, doch van lieverlede zijn ze overgegaan op de
kultuurgewassen, en dan worden ze natuurlijk lastig.
Ze leggen hun eieren op de planten; ze doen dat aan de onderzijde der
bladeren, dan zitten ze beschut tegen te felle zon, regen en tegen
eenige vijanden. De larven, die hieruit komen, zijn z.g. vrijlevende
larven; d.w.z. zij leven op de planten. De larven, die in de planten of
in den grond leven, zijn meestal wit; we hebben dat gezien bij de
verborgen levende larven van boktorren. De vrijlevende larven der
goudhaantjes evenwel zijn bont gekleurd, in ieder geval hebben ze een
donker aanzien. Omdat zij gekleurd zijn, lijken ze veel op rupsen. Men
kan ze hiervan evenwel dadelijk onderscheiden door het aantal pooten,
dat bij hen maar 6 bedraagt; buikpooten, zooals de rupsen, bezitten ze
niet. De larven zijn voor iedere keversoort zeer teekenend, zoodat men
daaraan al kan zien, welke kevers er uitkomen.
Leven de larven vrij, ook de poptoestand is meestal vrij, d.w.z. de
larven verpoppen aan de bladeren. De poppen hangen met den kop naar
beneden en het achterlichaam is door een kleefstof aan het blad
vastgemaakt. Deze poptoestand duurt maar kort, en de kevers, die
hieruit komen, overwinteren; de imago-toestand duurt dus heel wat
langer. Larve en imago hebben dezelfde leefwijze, ze eten de bladeren
van dezelfde plant. Maar de larven hebben zachtere monddeelen dan de
imago’s en daarom eten die aan de onderzijde der bladeren en laten de
bovenhuid zitten; die is wat harder dan de onderhuid. Een blad, dat
door de larven is opgepeuzeld, ziet er uit of het verdord is. De kevers
daarentegen eten het geheele blad op. De meeste van deze kevertjes zijn
maar klein, erg middelmatig. Op de plaatjes geven we wat grooter
afbeeldingen, dan zijn ze beter te herkennen.
De mannetjes zijn meestal kleiner dan de wijfjes. De diertjes zijn meer
ovaal, en verschillen dus hierin nog al wat met de meer slanke
boktorren. De pooten zijn niet bijzonder lang. Beharing ontbreekt
gewoonlijk en als die er is, dan alleen aan de onderzijde. ’t Is te
begrijpen, dat de metaalkleurige schilden onbehaard zijn, want anders
kwam de metaalkleur niet tot haar recht, en het vermoeden ligt toch wel
voor de hand, dat die kleur het dier van nut zal zijn.
Zooals wij zeiden, leven de larven op planten: een enkele leeft in het
water, o.a. die van de Donacia’s, prachtkevertjes, de wij langs de
waterkanten vangen. Ons bestek laat niet toe, alle kevers, die tot deze
groep behooren te behandelen, wij hebben er enkelen uitgekozen, die
iedereen vangen en bestudeeren kan. Tot de schadelijke voor de
cultuurplanten behooren o.a. het lelietorretje, het aspergekevertje,
het elzenhaantje, de aardvlooien, het mosterdtorretje en ook de
buitenlandsche coloradokever. Hoewel deze kever niet in dit album thuis
hoort, willen wij er toch iets over zeggen, omdat hij een 35 jaar
geleden ook ons land in opschudding bracht. Deze kever is een Amerikaan
en leefde tot 1859 op wilde planten, die tot de familie der aardappels
behooren. Maar in dat jaar vertoonde hij zich voor ’t eerst op de
aardappels en werd toen de schrik der Amerikanen, want in 1 jaar
ontstaan er wel 3 of meer generaties van dezen kever. De kever won hoe
langer hoe meer veld en werd een ware plaag. In Europa werd men ook
bevreesd voor hem, en vooral ook in ons land, waar zooveel aardappels
worden geteeld. Over het geheele land heeft men toen afbeeldingen van
den kever verspreid, opdat men hem dadelijk zou herkennen als hij soms
hier of daar voorkwam. Intusschen is hij bij ons nog niet waargenomen,
wel 2 maal in Duitschland en ook eenige keeren in Engeland. De kever
was dan met andere artikelen uit Amerika overgekomen. Nog onlangs heeft
men een paar kevers in Engeland gevonden in de dokken. En nu gaan wij
voort met de beschrijving der plaatjes.
No 68. Wilgenhaantje. (Phyllodecta vulgatissima). Op de wilgen leven
meerdere haantjes. Dit haantje is 4 tot 5 m.M. lang en men kan het van
Mei tot September op de wilgen vinden. De kleur van de dekschilden is
metaal-glanzig, groenachtig-blauw. Pooten donker gekleurd. De
verpopping heeft in den grond plaats. Een andere soort is Phyllodecta
vitellinae, iets kleiner, wat smaller; ze is 4 tot 4? m.M. Deze kever
is vooral berucht, omdat hij onze grienden dikwijls zwaar beschadigt.
Grienden zijn stukken laag land, die bepoot zijn met wilgen. De takken
van deze wilgen worden gebruikt voor mandenwerk, hoepels, enz. Komen er
nu veel van deze kevers in de grienden voor, dan worden de takken kaal
gevreten en houdt de groei der takken op. Dit wilgenhaantje komt in ’t
voorjaar uit zijn schuilhoek en gaat direct op de jonge wilgenblaadjes
af. Hij eet er van en legt daarop de eieren. De larven eten ook van de
bladeren, kruipen dan den grond in, verpoppen, en spoedig zijn er weer
nieuwe kevers. Die planten zich ook weer voort en in den nazomer
verschijnt voor de derde maal een leger kevers. Deze blijven den winter
over en komen in ’t voorjaar weer voor den dag. Er komen dus per jaar 2
generaties voor.
Wat zal men nu doen om deze kevers te bestrijden? Veel geld moet dit
niet kosten, want de opbrengst der teenen is ook niet zoo hoog. Het
eenvoudigste is in het voorjaar met een geteerde plank tusschen de
wilgen te gaan en dan tegen te takken te kloppen. De kevers springen
weg en zeer velen komen op de geteerde plank terecht. Men moet dit
eenige keeren herhalen en er vooral vroeg mede beginnen. Deze eerste
kevers zijn de grondleggers van de verdere familie. Men kan wat later
in den tijd de teenen ook wel bespuiten met een petroleum-emulsie om de
larven te dooden, doch die raakt men niet zoo gemakkelijk. In sommige
streken doet het wilgenhaantje veel schade, maar dat is meestal eigen
schuld, omdat men er weinig of niets tegen doet.
No 69. Populierenhaantje. (Melasoma populi). Dit is het grootste van
alle haantjes en wordt 9 tot 12 m.M. lang; ’t is blauwzwart, doch de
schilden zijn rood. Er komen wel 7 soorten hiervan in ons land voor,
doch deze is de grootste. Men vindt ze veel op lage populieren. De
eieren worden op de bladeren gelegd, waar ook de larven leven, die ook
op de bladeren verpoppen. Gewoonlijk vindt men eierhoopjes, larven,
poppen en kevers tegelijk op denzelfden boom. Het is een mooi dier. De
eieren zijn roodachtig. Raakt men de larven aan, dan komen er groote
vochtdruppels naar buiten, die sterk rieken. Dit vocht is een
verdedigingsmiddel. Is het gevaar geweken, dan trekt het vocht weer het
lichaam in. Het vocht bevat salicyl-aldehyd.
No 70. Goudhaantje. (Chrysomela fastuosa). Dit is het bekende mooie
torretje, dat we al in Mei op de witte doovenetel vinden. Het is een
prachtig diertje, dat veel kleurvariatie vertoont in zijn dekschilden.
De eitjes worden gelegd op de bladeren, waar ook de larven leven en de
verpopping geschiedt. Wie een terrarium of rupsenhuis bezit, moet eens
een doovenetelplant in een pot zetten en daarop wat goudhaantjes
brengen, dan kan men de geheele ontwikkeling van dit mooie diertje
zien. Het mannetje is iets kleiner dan het wijfje; de lengte loopt van
4? tot 6½ m.M.
No 71. Schildpadtorretje. (Cassida nebulosa). Van deze torretjes komen
er 17 soorten bij ons voor. Zij danken hun naam aan de sterke
ontwikkeling van het halsschild en de dekschilden, die als het ware te
groot zijn voor het dier. Daardoor heeft deze tor iets
schildpadachtigs. Deze kever wordt 5½ tot 7 m.M. lang en 3 tot 5 m.M.
breed. De larve leeft op melde, een wilde plant, doch gaat ook wel over
op de bieten, en wordt dan zeer schadelijk. Het beste is de kanten der
bietenakkers van onkruid te zuiveren, dus zwart te maken. De kevers
overwinteren. Soms heeft er een groote „keververhuizing” plaats. Zoo
werd er in September 1872 een groote zwerm van deze torren in Amsterdam
waargenomen. Dat ze in Amsterdam neerstreken was een vergissing, want
daar viel voor haar niets te eten. Wel belangrijk zou het zijn te
weten, wat deze dieren tot zoo’n verhuizing drijft.
No 72. Lieveheersbeestje. (Coccinella septempunctata). Het treft wel,
dat wij van den laatsten kever, dien wij hier bespreken, niets dan
goeds kunnen vertellen. En dat goeds zit dan hierin, dat het diertje
eigenlijk een echte kannibaal is, die blad- en schildluizen en mijten
eet, die onze kultuurplanten aanvallen. Van het uiterlijk der kevers
behoeven we eigenlijk geen beschrijving te geven, zoo bekend zijn deze
torretjes. De dekschilden van den „zevenpuntige” zijn helderrood met
zeven zwarte punten. Andere soorten zijn weer anders gekleurd en hebben
een ander aantal punten. In ’t geheel komen er van deze
Lieveheersbeestjes in ons land 22 soorten voor. In ’t najaar kan men ze
in grooten getale aantreffen, soms heele zwermen. Ze maken zich dan
gereed om te gaan overwinteren, waarvoor ze onder allerlei afval
wegkruipen. Als men ze in den herfst verzamelt en in een flesch doet,
waar wat verdroogde bladeren in zijn, dan kan men ze gemakkelijk den
winter overhouden, als de flesch op zolder wordt gezet. De overwinterde
kevers komen in April en Mei weer voor den dag en leggen dan hun eieren
op planten, waar reeds de eerste bladluizen aangekomen zijn. De larven,
die uit de eieren komen, kunnen dan dadelijk aan den maaltijd beginnen.
De verpopping geschiedt ook aan de planten, zoodat we de geheele
ontwikkeling boven den grond kunnen waarnemen. In den zomer ontstaat er
nog een tweede generatie. Omdat zoowel de larven als de kevers zeer
vraatzuchtig zijn, vernietigen ze veel blad- en schildluizen; ze
behooren tot onze beste vrienden. Zelf hebben ze niet veel vijanden.
Door vogels, die anders menig insect verslinden, worden de coccinella’s
weinig gegeten. Dit zit vermoedelijk hierin, dat de kevers bij
aanraking een geel vocht kwijtraken, dat zeer giftig is voor
warmbloedige dieren. Dit vocht komt uit de pooten, tusschen dij en
scheen. Vroeger meende men, dat het bloed was, doch dat is onjuist. Het
is ’t zelfde vocht, dat wordt afgescheiden door de galklieren. Ook de
larven scheiden zoo’n vocht af.
Zooals we reeds zeiden, zijn de Lieveheersbeestjes zeer belangrijk voor
onze kulturen van wege hun vraatzucht, die soms onder de larven zoo
groot is, dat zij haar eigen soortgenooten opeten. De omstandigheid,
dat men de kevers kunstmatig kan kweeken, heeft aanleiding gegeven, dat
men deze torretjes met succes in den tuinbouw heeft gebruikt en nog
gebruikt. Hoewel dit succes in ’t buitenland is behaald en de
mededeeling daarvan feitelijk buiten ons program valt, willen wij er
toch iets van mededeelen omdat het zoo interessant is, en duidelijk
illustreert wat wij onder de biologische bestrijdingsmethode van
insectenplagen hebben te verstaan.
In Californië werd de cultuur van sinaasappels, die aan boomen groeien,
geheel bedreigd door een schildluis, Icerya purchasi, die de boomen
totaal verwoestte. Wat men er ook tegen deed, men kon deze schildluis
geen baas worden. Vele boomgaarden had men al gerooid, want de boomen
brachten toch niets op. De insectenkundigen lieten het er evenwel niet
bij zitten. Er moesten toch vijanden van deze schildluis bestaan, en
het zou daarom de moeite loonen, die te gaan opsporen. De Amerikanen,
een ondernemend volk, zijn er op uitgegaan en hebben in Australië een
kever gevonden, die dienst zou kunnen doen. Die kever was een O. L.
Heersbeestje, en heet Novius cardinalis. Van dien kever heeft men er
vele verzameld, ze met bladluizen voortgekweekt en toen naar Amerika
gezonden.
Men heeft daar Novius op de schildluizen los gelaten en met welk
resultaat? De plaag is volkomen tot staan gebracht; Novius heeft een
opruiming onder de schildluizen gehouden van belang. En nog heden is
hij daarmede bezig. Het gevolg is, dat de cultuur van sinaasappels weer
mogelijk werd, en thans weer bloeit. Novius werd in 1889 in Amerika
ingevoerd.
Uit dit geval zien wij, dat het heel goed mogelijk is insectenplagen
door andere insecten te laten bestrijden, als men de vijanden maar weet
te vinden. Het mooie en practische van deze methode is, dat ze weinig
kost. Als de vijand er eenmaal is, vermeerdert hij er wel, en wij
hebben er niets meer aan te doen. Wij laten het de dieren onder elkaar
maar uitvechten, en de grootste roovers winnen het dan wel. Deze
bestrijdingswijze heet de biologische methode, omdat zij berust op de
kennis van de biologie of levensleer der dieren.
Nog een ander geval van een ander O. L. Heersbeestje. In de laagvlakten
van Californië wordt veel gedaan aan meloenenteelt; honderden H. A.
zijn daarvoor in gebruik. Deze éénzomerige plant heeft veel te lijden
van bladluizen, zoo erg, dat hierdoor jaarlijks enorme schade werd
geleden. Wat men ook deed, men kon de jaarlijks terugkeerende
bladluizenplaag niet tot staan brengen. En wat de mensch niet kon, kan
een O. L. H. beestje wel. Er leeft in Amerika zoo’n torretje, dat den
naam draagt van Hippodamia convergens. Als het najaar wordt gaat deze
kever overwinteren, net als onze kevertjes. Het eigenaardige is evenwel
dat de H. convergens naar de bergen trekt en daar met zijn
soortgenooten in groote hoopen bijeenkruipt. Dan zitten er
honderdduizenden op hoopen bij elkaar. Ze vallen daar in een
winterslaap en spoedig bedekt de sneeuw hen. Wat doet nu de Amerikaan?
Hij laat door speciale „keverjagers” deze torren in den winter
verzamelen, in groote zakken doen en zoo naar beneden brengen. Daar
worden ze opgeslagen in koelpakhuizen, om ze niet te doen ontwaken,
want warmte wekt hen. Is de meloenenteelt nu zoo ver gevorderd, dat de
bladluizen weer aan het werk gaan, dan krijgt iedere kweeker een
zending O. L. Heersbeestjes thuis. Voor 1 H. A. zijn noodig 7500
kevers, en omdat er 4000 H. A. voor deze kultuur in gebruik zijn, heeft
men totaal 30 millioen kevers noodig. En die worden dan ook gevangen.
Natuurlijk telt men de torren niet, doch men weegt ze. 30 millioen
torren wegen tusschen de 400 en 500 K.G.
Men ziet, wat een practisch gebruik de Amerikanen weten te maken van
deze torren. Maar ze zouden er nooit toe gekomen zijn, als niet eerst
die insectenkundigen het leven van deze kevers hadden bestudeerd. Uit
dit geval blijkt weer duidelijk hoeveel nut de studie der insecten voor
het practisch leven afwerpt.
Willen wij in het klein het voorbeeld der Amerikanen volgen, dan
verzamelen wij in het najaar O. L. Heersbeestjes en laten die in Mei op
onze rozen los, waar dan de eerste bladluizen al aan het werk zijn.
En hiermede nemen wij afscheid van deze nuttige kevertjes.
PLAAT VII.
FRANJESTAARTEN. OORWORMEN. HAFTEN. WATERNIMFEN. KAKKERLAKKEN.
Franjestaarten.
Dit is de 1ste Orde der insecten; zij zijn ’t minst gewijzigd. Zij
hebben geen gedaanteverwisseling en dus ook geen vleugels; hun
monddeelen zijn bijtend en hun sprieten bestaan uit vele leden en zijn
draadvormig. Het achterlijf bestaat uit 10 vrije segmenten, waarvan het
laatste draadvormige, gelede aanhangsels draagt, die men staarten noemt
en borstelig behaard zijn; vandaar dat ze franjestaarten heeten.
Bovendien dragen zij aan de buikschilden van het achterlijf ongelede
stiften, die bewogen kunnen worden en dienst doen bij de verplaatsing.
No 73. Suikergast. (Lepisma saccharina). Deze diertjes worden hoogstens
10 m.M. lang. Als ze uit het ei komen lijken ze al precies op de ouden;
door veelvuldige vervellingen worden het ten slotte imago’s. Omdat zij
zich zeer snel bewegen, noemt men ze ook wel schietmotten; deze naam is
hier evenwel onjuist, omdat daarmede de 14de Orde wordt aangeduid, de
kokerjuffers.
De suikergast heeft zeker zijn naam te danken aan zijn snoeplust. Hij
is een bekende gast in huis en in de magazijnen; overal, waar het niet
te droog is, vindt men hem. Heel veel voedsel gebruikt het beestje
niet. In bibliotheken voedt het zich gaarne met de stijfsel en gom
achter de banden; het vreet ook de lijm achter de etiketten weg. Men
noemt het beestje ook wel zilvervischje, vanwege de kleur van het
schubbenkleed: van boven glanzig loodgrauw, van onder wit. In
provisiekasten is het een onaangename verschijning en om hem te vangen
legt men toegevouwen lappen neer, waarin het diertje zich overdag
verschuilt. Ook strooit men wel insectenpoeder uit, en hoewel dit iets
geeft, werken de lappen beter. Hoe droger de kasten zijn, hoe minder
last men van het diertje heeft. In oude huizen en bibliotheken, waar de
zon weinig binnenkomt en weinig gelucht wordt, treft men ze veel aan.
Oorwormen.
De oorwormen of oorkruipers vormen de 3de Orde der insecten. Hun
gedaanteverwisseling heeft van lieverlede plaats zonder poptoestand; de
metamorphose is dus onvolkomen. De monddeelen zijn bijtend; de sprieten
draadvormig. Vier vleugels, waarvan de voorste (dekschilden) tot
vliegen ongeschikt zijn. De achtervleugels zijn halfcirkelvormig en
worden waaiervormig ineen geplooid en bovendien 2 maal in de lengte
toegeslagen. Daardoor kunnen zij als een pakket onder de dekschilden
worden opgeborgen. Aan het achterlijf bezitten zij twee harde staarten,
die beweegbaar zijn en samen een tang vormen. Tot afweer van vijanden
bezitten ze z.g. „stinkklieren”. Bij ons komen 3 soorten voor; over de
heele wereld zijn al meer dan 500 soorten bekend.
No 74. Oorworm of Oorkruiper. (Forficula auricularia). De lengte van
dit dier loopt, zonder tang, tot 15 m.M. Aan de tangen zijn de
geslachten te onderscheiden; die van het mannetje zijn meer gekromd en
aan de binnenzijde nog getand. Bij het wijfje loopen de binnenzijden
meer parallel, en alleen de topeinden zijn gekromd. De oorworm is een
nachtdier; overdag houden zij zich schuil in hoeken en gaten en onder
steenen en anderen rommel.
’s Nachts trekken ze eropuit. Ze eten zoowel plantaardig als dierlijk
voedsel; ze zijn polyphaag. Ze lusten graag vruchten en zijn ook
verlekkerd op bloemknoppen van de peer. Ze eten ook veel schadelijke
dieren op, al merken wij daarvan ’s nachts niets. Bladluizen en kleine
rupsen worden gaarne verorberd. Het wijfje legt de eieren in den grond
en bewaakt ze eenigen tijd; zoo’n moederlijke zorg komt zelden bij de
insecten voor; meestal ziet de moeder haar jongen nooit. Trots hun
goede zijde, om schadelijke insecten te verorberen, worden ze toch
bestreden wegens het nadeel dat ze aan het fruit toebrengen. Men
bestrijdt ze aldus:
1º men maakt ’s winters de schuttingen goed schoon, omdat in de
gaten daarvan de oorwormen overwinteren;
2º men vangt ze ’s zomers door het neerleggen van rolletjes papier,
rietstengeltjes, waarin ze wegkruipen; ook omgekeerde mandjes; men
vult kleine bloempotjes met mos en zet die omgekeerd op stokjes;
ook daarin kruipen ze dan weg. Men past dit eveneens toe om
oorwormen uit dahlia’s te houden.
Dat oorwormen een speciale voorliefde voor onze gehoorgangen zouden
hebben is een verzinsel; ook, dat zij met de tangen het gehoorvlies
zouden doorpriemen. Hoe men aan dit praatje gekomen is? Wanneer iemand
in ’t gras gaat slapen, kan het best gebeuren, dat een opgejaagde
oorworm een goed heenkomen zoekt en omdat hij overdag een holbewoner
is, kruipt hij de gehoorgang in, die voor hem een schuilplaats is. Maar
kwaad doet hij er niet. Tot de vijanden van de oorwormen behooren:
meezen en andere insectenetende vogels, kikkers, padden, roofkevers en
enkele sluipvliegen. Oorwormen zijn sterk; van ’t weer trekken ze zich
weinig aan.
Haften.
Zij vormen de 4de Orde der insecten. Men noemt ze ook wel ephemeriden
of ééndagsvliegen, vanwege hun korten levensduur als imago. Hun
gedaanteverwisseling is onvolkomen; ze bezitten bijtende monddeelen, en
korte sprieten; ze hebben 4 vleugels, vliezig en naakt, waarvan het
achterste paar klein is; aan het achterlijf 2 of 3 lange gelede
staarten. De larven leven in het water; in ons land komen 41 soorten
voor.
No 75. Oeveraas. (Palingenia longicauda). Deze haften verschijnen
gewoonlijk op vasten tijd in Juni; zoo om en bij St Jan (24. Juni) en
daarom noemt men ze wel St Jansvliegen. Ze komen dan tegen den avond,
om een uur of zeven uit het water opzetten; vooral uit groote rivieren
als de Maas, de Lek, de Waal. ’t Is een eigenaardig gezicht deze dieren
bij honderden en duizenden uit het water te zien opkomen. Maar nog
merkwaardiger is het, dat zij, éénmaal in de lucht zijnde, nog éénmaal
vervellen. Ze stroopen de huid af en laten die vallen. In onze jeugd
zeiden we, dat ze hun „hempje” uittrokken. Ze leven maar een paar uur.
In dien tijd zetten ze eieren op het water af, die dadelijk zinken. Dat
is maar goed ook, anders zouden ze spoedig door de visschen worden
opgegeten, die op de enkele „vliegavonden” toch al zoo druk in de weer
zijn om de imago’s te snappen, waarop ze verlekkerd zijn. Het oeveraas
is dan ook een lekker hapje voor de visschen; dat blijkt ook, als men
deze dieren aan den haak slaat om er mede te visschen; de visschen
bijten dan uitstekend. De visschers weten dat en daarom bewaren zij er
velen in olie, om er later ook nog mede te visschen.
Uit de eieren van het oeveraas komen larven, die zich dadelijk het
slijk van den bodem inwerken en daar leven van allerlei kleine dieren
en lage planten. De heele ontwikkeling duurt 3 jaar. Het mannetje van
het oeveraas wordt 24, het wijfje 28 m.M.; ’t mannetje is dus iets
kleiner. Daartegenover staat, dat het mannetje weer veel langer
staarten heeft; die worden tot 70 m.M. en van het wijfje maar 27 m.M.
No 76. Gewone Haft. (Ephemera vulgata). In Mei en Juni vliegen ze langs
vele rivieren; de larve leeft ook in slib. Ze zijn kleiner dan de
vorige. Lengte van 14 tot 22 m.M.; de drie staarten van het mannetje
zijn ruim 30, van het wijfje ruim 20 m.M. lang. Deze haft leeft langer
dan de vorige; het duurt wel 1 of 1½ dag voor ze het hempje uittrekt.
Soms bewegen deze dieren zich zeer ver van de rivieren het land in.
Waternimfen—Libellen.
Dit is een groep insecten, de 5de Orde, waarmede reeds de kinderen
vroeg kennis maken. Iedereen kent de mooie kleurige „juffertjes” die
langs het water vliegen en de groote libellen, die zich veel verder van
’t water begeven. Dat de groote soorten goed bekend zijn maken we op
uit de vele namen, die zij gekregen hebben. Men noemt ze: korenbouten,
rombouten, sparrebouten, glazenmakers, paardenbijters, bijenbijters,
puistenbijters, vileinenbijters, bleinenbijters, blazenbijters,
wrattenbijters, donderbolken, hengsten en vliegende garnalen. Dat ze
echte bijters genoemd worden, daarvan zullen we straks de reden hooren.
Hun gedaanteverwisseling is onvolkomen; een larve, die spoedig een
imago zal worden, is afgebeeld op Plaat I No 8. Men leze daar de
beschrijving nog eens na. De monddeelen zijn krachtig ontwikkeld; het
zijn bijters. Ze leven van insecten, die ze in de vlucht vangen; men
noemt ze wel de „zwaluwen” onder de insecten, omdat deze vogels ook op
die wijze insecten vangen. Zeer krachtig is ook de onderlip ontwikkeld,
die bij de larven vervormd is tot een vangtang, die uit- en ingetrokken
kan worden.
De sprieten zijn verdwijnend klein; zeer kort, haarvormig. De oogen
zijn bij de grootere soorten zeer groot; ze raken elkaar. Bij de
kleinere juffers staan ze een heel eind van elkaar af. Ze hebben
bovendien 3 puntoogen.
Ze bezitten allen 4 vleugels, die volgens hetzelfde type gebouwd zijn.
Bij de kleine juffers zijn ze alle gelijk, bij de grootere zijn de
achtervleugels aan het worteleinde wat breeder. De vleugels zijn
vliezig, naakt, netvormig geaderd. In ruststand worden ze niet
toegeslagen; de grootere soorten houden ze in rust vlak, de kleinere
soorten rechtop, achterwaarts gebogen. Vooral de grootere zijn beste
vliegers; trouwens, dit brengt hun roofdierkarakter mede; zij moeten
hun buit gaan opzoeken.
Het borststuk is kort, forsch; veel dikker dan het lange achterlijf.
Het midden- en achterborststuk staan schuin, waardoor de flinke slanke
pooten meer voorwaarts staan, en de vleugels meer naar achter. Met de
pooten kunnen zij hun prooi vangen en dan gemakkelijk naar den bek
brengen.
Het achterlijf is zeer lang en slank, en bestaat uit 10 segmenten; aan
het laatste segment zitten een paar ongelede aanhangsels.
Het voedsel is van dierlijken aard; zoowel de larven als de imago’s
zijn carnivoren.
De larven leven in het water. Zij halen adem door tracheekieuwen aan ’t
einde van ’t achterlijf, of door tracheekieuwen, die plooien zijn van
den endeldarm. De larven bewegen zich schoksgewijze; zij persen het
water uit den endeldarm en schieten dan tegelijk voort. De einddarm
werkt als zuigperspomp. Er zijn nog stigma’s om gassen uit te laten. Om
haar vraatzucht worden de larven zeer gevreesd in vischvijvers.
De geheele ontwikkeling van ei tot imago duurt één jaar. De eieren
worden in ’t water gelegd; de larven overwinteren.
Een eigenaardigheid van de nimfen is, dat zij soms in zulke groote
aantallen vliegen, dat zij ieders aandacht trekken. In 1900, 7 en 8
Juni, had zoo’n reusachtige trek plaats; de dieren vlogen vanuit het
westen en verplaatsten zich in oostelijke richting. Millioenen
exemplaren moeten dat geweest zijn, want er kwam aan de vlucht geen
einde. Zelf hebben wij ze toen in Amsterdam waargenomen; ze waren niet
gemakkelijk te vangen. Bij onderzoek bleek, dat de dieren niets in hun
maag hadden. De soort, die toen vloog, was Libellula quadrimaculata,
afgebeeld op No 78. Door heel Nederland werd de vlucht waargenomen. Ook
van andere waternimfen zijn zulke zwermen in ons land waargenomen; tot
heden is het nog niet gelukt dit zwermen te verklaren.
De libellen vertoonen schitterende kleuren, die bij opgezette
exemplaren niet altijd even mooi blijven. Er komen in ons land 53
soorten voor, zoodat wij hieruit kunnen opmaken, dat er in de slooten
en plassen heel wat strijd door deze carnivoren wordt gevoerd. Zoo’n
sloot is een permanente „slachtplaats”.
No 77. Gewone Platbuik. (Libellula depressa). De naam platbuik wijst op
het sterk afgeplatte en breede achterlijf, dat bij de mannetjes blauw
beslagen en bij de wijfjes geelbruin is. Aan den wortel der vleugels
een tamelijk groote, bruine vlek. Het dier is 47 m.M. lang, en de
voorvleugels ieder 36 m.M. In Mei komen de eerste, in Juli zijn er de
meeste en einde Augustus zijn ze weer voor goed weg. Ze komen veel
voor, alleen in veenstreken minder.
No 78. Glazenmaker. (Libellula quadrimaculata). Dit dier heeft in het
midden aan den bovenrand der vleugels een donkere vlek; daarom heet het
quadrimaculata. Deze libel is 45 m.M. lang en heeft een vlucht van 80
m.M. In Mei komen ze en in begin Juni zijn ze er volop; dan begint het
aantal af te nemen. Deze soort komt soms in ongelooflijke hoeveelheden
voor.
No 79. Groote Gordelglazenmaker. (Aeschna grandis). Deze glazenmaker is
op den tweeden ring van het achterlijf vernauwd; het lijkt of hij daar
een gordel om heeft; vandaar zijn naam. Het dier is te herkennen aan de
roestbruine kleur, ook van de vleugels en pooten. Bij elken
wortelvleugel op den rug een blauw vlekje. De mannetjes hebben blauwe,
de wijfjes gele vlekjes en stippen op het achterlijf. Het dier heeft
een lengte van 70 m.M. en een vlucht van 95 m.M.
No 80. Meerjuffer. (mannetje en wijfje). (Calopteryx virgo). Deze
waterinsecten zijn veel slanker en dragen daarom den naam van juffers.
Bij de meerjuffer treffen we een mooi voorbeeld van dimorphisme aan. De
vleugels van het mannetje zijn geheel donkerblauw, de wortel en de
spits uitgezonderd; het achterlijf is ook prachtig licht staalblauw. De
vleugels en het achterlijf van het wijfje zijn bruinachtig. Het zijn
mooie diertjes, die in stroomende beekjes in het oosten en zuiden van
ons land zich ontwikkelen. Wij vingen ze zelf wel in de Leuvenumsche
bosschen op de Veluwe. Lengte 47 m.M., vlucht 65 m.M.
No 81. Juffertje. (Agrion pulchellum). Dit is de meest bekende soort
van de kleinere juffertjes. Er komen hiervan verschillende soorten
voor, die allen mooi geteekend zijn. Ze zitten altijd aan de
waterkanten op oeverplanten of vliegen daar rond. Lieve diertjes.
Lengte 35 m.M.; vlucht 42 m.M.
Rechtvleugeligen.
Wij komen nu aan de 7de Orde der insecten, die der Rechtvleugeligen;
hiertoe behooren de dieren afgebeeld op No 82 tot en met No 90. In de
leerboeken over Insectenkunde worden de Rechtvleugeligen aldus
ingedeeld:
I. Cursoria of loopende rechtvleugeligen.
a. Blattiden of kakkerlakken.
b. Phasmiden of spooksprinkhanen.
c. Mantiden of roofsprinkhanen.
II. Saltatoria of springende rechtvleugeligen.
d. Acrididen of sprinkhanen.
e. Locustiden of sabelsprinkhanen.
f. Grylliden of krekels.
Groep b en c zijn niet inlandsch, maar tegenwoordig kunnen wij in Artis
in Amsterdam geregeld het heele jaar door de Phasmiden zien; die worden
daar gekweekt. Het zijn de wandelende takken en wandelende bladen.
Iedereen kan er dus kennis mede maken. Verder kweeken verschillende
menschen voor hun pleizier wandelende takken op in huis; dat is een
liefhebberij van de laatste jaren. Het opkweeken van zijderupsen is van
veel ouderen datum.
Er blijven dus vier inlandsche afdeelingen over: a, d, e, en f. Laten
we eerst iets in het algemeen over de Rechtvleugeligen zeggen.
Hun gedaanteverwisseling is onvolkomen; ze hebben dus geen poptoestand;
de larven gelijken al veel op de imago’s. Verder voeren de larven een
gelijke leefwijze als de imago’s; ze leven allen op het land en
gebruiken hetzelfde voedsel. De monddeelen zijn krachtig ontwikkeld,
waarmede ze goed kunnen bijten. De sprieten zijn draad- of haarvormig.
Ze bezitten 4 vleugels; de voorste zijn leerachtig en kunnen niet
opgevouwen worden; de achterste zijn vliezig, breeder en kunnen
waaiervormig worden opgevouwen. Aan het achterlijf komen meestal
aanhangsels voor, die soms zeer groot zijn. Men noemt deze orde
Rechtvleugeligen naar de wijze, waarop de achtervleugels in rust worden
geplooid. Bij de springende zijn vooral de achterpooten sterk
ontwikkeld. Het aantal inlandsche soorten bedraagt 29.
Kakkerlakken.
De kakkerlakken zijn onaangename gasten in onze huizen, bakkerijen,
branderijen, plantenkassen, enz. Eigenlijk zijn de drie soorten, die
wij hier behandelen, van huisuit geen „inlandsche”. Ze zijn door het
internationaal verkeer verplaatst en zoo ook bij ons gekomen. Een paar
soorten komen bij ons in de vrije natuur voor, doch zijn van weinig
beteekenis. Een eigenaardigheid van de kakkerlakken is dat ze hun
eieren in „pakketten” leggen, die min of meer den vorm hebben van een
handtaschje. Een zeker aantal eieren worden dan gezamenlijk omkleed
door een kapsel, dat uit een stof bestaat, die door klieren wordt
afgescheiden. Deze pakketten worden dan hier en daar neergelegd.
Kakkerlakken zijn nachtdieren en eten alles wat eetbaar is. Omdat alle
kakkerlakken tot de lastige en schadelijke dieren behooren, worden ze
bestreden en wel aldus:
1. Men zet een mengsel neer van arsenicum, meel en suiker; de
dieren, die hiervan eten gaan dood; inplaats van arsenicum neemt
men ook wel gips; borax met suiker is ook uitstekend. Men gebruikt
ook wel phosphorpillen, doch die zijn evenals arsenicum, gevaarlijk
ook voor den mensch.
2. Men zet een ondiep bord met bier neer; om het den kakkerlakken
gemakkelijk te maken bij het bier te komen legt men stokjes en
smalle plankjes tegen het bord, waarlangs de beestjes naar het bier
klauteren. Ze drinken hiervan, worden bedwelmd, en vallen ten
slotte in het bier en verdrinken.
3. Ook kan men lappen neerleggen, die met bier zijn gedrenkt.
4. Er bestaan „kakkerlakkenvallen”; ’t zijn holle blikken trommels,
die den vorm hebben van een afgeknotten kegel, waarvan het
mantelvlak geribd is, zoodat de dieren gemakkelijk naar boven
kunnen klauteren. Het bovenvlak kan draaien om een horizontale
spil; in ’t midden van dit vlak ligt ’t aas, zooals boven is
aangegeven. Zijn de kakkerlakken naar boven en willen ze naar ’t
aas, dan kantelt het vlak en het dier valt naar beneden.
5. Men zet bloempotten of kistjes neer, waarin stukjes brood,
waarover wat papiersnippers of houtwol. De dieren kruipen hierin en
kunnen gemakkelijk gevangen worden.
No 82. Duitsche Kakkerlak. (Phyllodromia germanica). Dit is de kleinste
van de drie soorten, 12 à 13 m.M. lang. De eierpakketten zijn soms zeer
groot, en bevatten wel 50 eieren. Zij komen veel voor in branderijen,
in hotels en ook in plantenkassen; ze komen met buitenlandsche planten
wel mee. Aan ’t achterlijf bezitten ze klieren, die een sterk riekend
vocht afscheiden. De kleur is geelbruin, naar ’t roodbruin loopend. Het
mannetje is iets platter dan het wijfje. Beiden hebben goed ontwikkelde
vleugels.
No 83. Bakkerstor. Keukenkakkerlak. (Periplaneta orientalis). De
Hollandsche namen wijzen er al op, dat dit dier in bakkerijen en in
huizen voorkomt. Oorspronkelijk komen ze uit Azië. Lengte 20 tot 24
m.M. De voorvleugels zijn iets korter dan ’t achterlijf. Het wijfje
heeft haast in ’t geheel geen vleugels; de voorvleugels lijken een paar
schubjes. De kleur van het dier is donker kastenjebruin, de pooten zijn
iets lichter. De dieren zijn in ’t bezit van stinkklieren. De naam tor
is onjuist.
No 84. Amerikaansche Kakkerlak. (Periplaneta americana). Dit is de
grootste van de drie; 28 tot 32 m.M. lang. Mannetje en wijfje hebben
beiden vleugels die langer dan het achterlijf zijn. Ze zijn iets
lichter gekleurd dan de vorige soort. Ze komen in onze huizen niet veel
voor, doch wel in dokken, pakhuizen, fabrieken, vooral in
suikerraffinaderijen; sommige schepen kunnen er mede „vergeven” zijn.
Evenals bij de vorige soort worden ook hier onaangenaam riekende
klierstoffen geproduceerd.
PLAAT VIII.
SPRINKHANEN. KNAGERS. WANTSEN.
Sprinkhanen.
Bij de beschrijving van Plaat VII hebben wij de sprinkhanen in drie
groepen ingedeeld, de Acrididen of gewone sprinkhanen, de Locustiden of
sabelsprinkhanen en de Grylliden of krekels. No 85 en 86
vertegenwoordigen de eerste groep, No 87 de tweede en No 88, 89 en 90
de derde groep.
De gewone sprinkhanen of Acrididen.
De sprieten zijn kort, draadvormig. De tarsen zijn drieledig. Het
gehoororgaan zit aan de basis van het achterlijf. Waar een gehoororgaan
is, moeten ook geluidsorganen zijn. Het geluid wordt voortgebracht door
de mannetjes. Zij bezitten een rasp (een reeks tanden) aan de dikke dij
van den achterpoot, die gewreven wordt tegen de aderen van den
voorvleugel. De wijfjes bezitten voor het eierleggen maar een zeer
korte legboor; eigenlijk mag het geen legboor heeten, zoo kort is ze.
De meeste soorten leven in zand, heide, veen, duinen; het zijn
dagdieren en ze houden veel van zon. Hiertoe behooren ook de
buitenlandsche sprinkhanen. Het zijn planteneters; ze lusten graag
graanplanten.
No 85. Gestreepte Grashupper. (Stenobothrus lineatus). Deze soort
behoort tot de kleine sprinkhanen, die overal voor ons uitspringen, als
we op de heide loopen. Er zijn een vijftal soorten van bekend. Het
achterlijf is groen, aan het einde rood bij het mannetje en geel bij
het wijfje. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes; de eersten zijn
19, de laatsten 22–24 m.M. lang. De kleur is niet steeds standvastig.
No 86. Europeesche Treksprinkhanen. (Pachytylus migratorius). Deze
sprinkhaan komt van tijd tot tijd bij ons voor, maar veel meer in het
oosten en zuidoosten van Europa. Intusschen komt hij ook voor in
Duitschland, Frankrijk en zelfs in Engeland. Om dit land te bereiken
moeten ze het Kanaal overtrekken. Het zijn dan ook goede vliegers; ze
bezitten „luchtzakken” aan de tracheeën, evenals de meikevers. Dat
volpompen der luchtzakken door de meikevers noemen de jongens
„geldtellen”. Deze sprinkhanen laten zich door den wind dragen. Zoo’n
sprinkhanentrek heeft dan plaats in Juni en Juli. Ook bij deze
sprinkhanen is het mannetje kleiner dan het wijfje; de eerste wordt tot
48 m.M., de tweede tot 55 m.M. lang. Een andere soort Europeesche
treksprinkhaan is de Pachytylus cinerascens; ook deze komt in ons land
voor en veroorzaakt soms beduidende schade; het mannetje wordt tot 36
m.M., en het wijfje tot 60 m.M. lang. Een grasveld, dat door jonge
larven is aangetast, kan men rollen of bespuiten met een oplossing van
500 L. water, 5 K.G. versch gebluschte kalk en 1 K.G. Parijsch groen.
Sabelsprinkhanen of Locustiden.
Deze groep sprinkhanen heeft lange sprieten, die haarvormig zijn en
meer dan 30 leden tellen. De tarsen zijn 4-ledig. Het gehoororgaan zit
aan de scheen van den voorpoot. Geluid wordt voortgebracht door de
vleugels. De linkervleugel bezit een verheven ader (rasp) aan de
onderzijde; de rechtervleugel een verheven lijst aan de bovenzijde.
Bovendien bezitten zij nog een resoneerapparaat, waardoor het geluid
versterkt wordt. Ook hier zijn de mannetjes de „levenmakers”. Deze
groep is verder gekenmerkt door het bezit van een groote legboor, een
„sabel”, waaraan de groep haar naam heeft te danken.
Een legboor moet niet verward worden met een legbuis. Een legbuis is
een telescopische buis aan het einde van het achterlijf; de ringen van
zoo’n buis komen alleen voor den dag bij het eierleggen, anders zijn ze
ingetrokken. Een legbuis vinden we bij veel vlinders en goudwespen.
Een legboor is een afzonderlijk orgaan, uit aanhangsels van het
achterlijf gevormd; aan de basis van de legboor ligt de opening,
waaruit de eieren komen. Bij de bijen, wespen en sommige mieren is de
legboor veranderd in een angel, die in rust is ingetrokken.
De Locustiden zitten veel meer op boomen en struiken, dan de gewone
veldsprinkhanen, die meer op de vlakte blijven. Het zijn dan ook beste
klimmers. Sommigen van deze versmaden een vleeschmaaltje ook niet.
Hoewel ze overdag ook wel in functie zijn, zijn ze toch ’s avonds het
drukst; dan zingen ze langer en krachtiger. Sterke achterpooten,
springpooten.
No 87. Groene Sabelsprinkhaan. (Locusta viridissima). Dit is een
prachtig dier, groot 28 tot 35 m.M.; de legboor wordt tot 25 m.M. lang,
en komt natuurlijk alleen bij het wijfje voor. Met die legboor worden
de eieren in den grond gelegd; eenige bij elkaar, tot een soort ruw
kapsel. Die eieren overwinteren en in het voorjaar komen de larven, die
in Juli en Augustus al volwassen zijn. Deze sprinkhanen maken ook jacht
op andere insecten; ze achtervolgen zelfs vlinders, die tegen het gras
komen rusten. Overdag kan men ze ook hooren „sjirpen”; ’s avonds is het
drukker. Men kan deze dieren, die grasgroen zijn, niet zoo gemakkelijk
zien, maar bij eenige oefening lukt het toch wel. Men vindt ze nogal op
wilgen, tusschen hoog gras, in moestuinen en op woeste plekken. Het
zijn aardige dieren in een terrarium; daarin kan men dan ook het
eierleggen zien. De vlucht van ’t dier gaat tot 10 c.M. Economische
beteekenis hebben deze sprinkhanen niet, want ze doen geen schade.
Krekels of Grylliden.
Deze insecten komen, wat de sprieten, de geluid- en gehoororganen
betreft, overeen met de vorige groep. De tarsen zijn evenwel 3-ledig.
No 88. Veldkrekel. (Gryllus campestris). Deze krekel komt niet zoo
algemeen voor als men wel denkt; toch is hij in droge streken lang geen
zeldzaamheid. Hij is zwart; bij ’t wijfje zijn de voorvleugels
grijsbruin, en bij het mannetje donkerbruin; achterdijen van onder
rood, verder zwart. Lengte 19–27 m.M.; de mannetjes iets korter dan de
wijfjes. Legboor 11 tot 14 m.M. Deze krekel is eigenlijk een
holbewoner. Zoodra hij verontrust wordt, schiet hij er weer in. Peutert
men met een grashalm, dan krijgt men hem er wel uit. Op den bodem van
dat holletje worden de eieren gelegd. Hoewel de krekel een vegetariër
is, verslindt hij met gemak een soortgenoot, waarmede hij in gevecht is
geweest.
Reeds in Mei kan men de krekels hooren. Dat zij er reeds zoo vroeg
zijn, komt doordat deze krekels als larven in de holletjes
overwinteren. In Artis heeft men deze krekels wel eens; men kan het
sjirpen dan „zien en hooren”.
No 89. Huiskrekel. (Gryllus domesticus). Deze krekel is lang geen
vriend van den mensch. Het nachtelijk, eentonig, melancholisch gesjirp,
houdt ons uit den slaap. Het beestje heet kriekske, hiempje, heempje,
iem, eimke en iemerke. Het is slanker dan de veldkrekel en stroogeel
van kleur. Lengte 15–21 m.M.; het mannetje weer iets kleiner dan het
wijfje. Het is een huisdiertje, dat uit zuidelijke streken is
ingevoerd; in de vrije natuur komt het bij ons niet voor. Deze krekel
vertoeft gaarne in die deelen van het huis, waar het warm is en hij
genoeg schuilplaatsen vindt om zich overdag te verbergen, dus in
keukens, op boerderijen bij de vuurplaat en in bakkerijen. Het geheele
jaar door is de huiskrekel te vinden, in alle stadiën van ontwikkeling.
Hij komt veel voor in gezelschap van kakkerlakken. Komt er onraad, dan
tippelt hij snel weg. Hij peuzelt aan allerlei voedsel, liefst aan
zoete stoffen. Omdat zijn aanwezigheid voor den mensch grooten last
veroorzaakt, wordt hij vervolgd. Men tracht hem te vangen door zoete
stoffen neer te zetten en daarover arsenicum (vergif) te strooien; ook
gebruikt men wel bier of een suikerhoudend vocht.
No 90. Veenmol. (Gryllotalpa vulgaris). Op Plaat I No 12 is een larve
van den veenmol afgebeeld en een en ander over de ontwikkeling van ei
tot imago gezegd. Ook hij is, evenals de veldkrekel, een „holbewoner”;
’t nest zit in den grond. Het wijfje beschermt de eieren; een soort
idyllische toestand, dien wij zelden bij de insecten aantreffen. ’t Is
jammer, dat het mooie van deze idylle verstoord wordt, doordat de oude
van tijd tot tijd enkele jongen oppeuzelt.
De veenmol heeft krachtige voorpooten, die geheel tot graven zijn
vervormd, net als bij den gewonen mol.
Het dier is 35 tot 50 m.M. lang, en heeft korte voorvleugels en groote,
zeer fraaie waaiervormige achtervleugels, die in rust aan het topeinde
draadvormig zijn ineengerold en benedenwaarts gekromd.
Kleur bruin, aan de onderzijde lichter, aan de bovenzijde meer naar het
zwart; kort, viltig behaard, hier en daar met lange haren.
Het mannetje kan met de voorvleugels een zwak geluid maken.
In ’t geheel worden er een 200 tot 300 eieren gelegd. Op het
onderaardsche hol loopen verschillende gangen uit, juist als bij den
gewonen mol. De veenmol is een alleseter, en ongetwijfeld meer
carnivoor dan vegetariër, en als zoodanig dus nuttig (hij eet ook
slakken), maar in onze moestuinen is hij lastig, ook schadelijk doordat
hij jonge worteltjes eet, en den grond onder de zaaibedden omwoelt,
waardoor de planten verdrogen. Hij dient dus bestreden te worden. Men
zoekt de nesten op; die zijn zoo groot als een vuist en zeer hard. Men
maakt greppels in de bedden en graaft daar bloempotten in; de
veenmollen vallen er bij hun tochten in. Wil men een bed vrij van
veenmollen houden, dan moet men het omgeven met planken, die minstens 1
d. M. in den grond zijn geslagen. Ook zinken platen kan men gebruiken.
Tot de natuurlijke vijanden van den veenmol behooren: spitsmuizen, de
gewone mol, (dat is wel zijn ergste vijand), vossen, varkens, kraaien,
uilen, spreeuwen. De rupsenjagers vallen de larven en imago’s aan en de
kortschildkevers peuzelen de eieren op. De veenmollen zijn zeer
gevoelig voor het weer, zoodat bij ongunstig weer—groote koude, veel
vocht, sterke hitte en droogte—er velen vallen.
De veenmol overwintert; legt men op de aangetaste bedden wat koe- of
paardenmest neer, dan kruipen ze daar gaarne onder en kan men ze
gemakkelijk vangen. Bij ons komt de veenmol voor in Z. Holland langs
den duinkant, in Zeeland aan den westkant, in den Achterhoek van
Gelderland, den oosthoek van Friesland, en in het westen van N.
Brabant.
Knagers.
Dezen naam geven wij aan de 8ste Orde der insecten. Hiertoe worden
gerekend de houtluizen, de vachtluizen en de termieten. De laatste
komen niet in ons land voor en vallen dus buiten onze bespreking.
De knagers zijn insecten met een onvolkomen gedaanteverwisseling; ook
zijn er, die in ’t geheel geen gedaanteverwisseling doorloopen. De
monddeelen zijn bijtend; de vleugels zijn vliezig, vier in aantal; ze
kunnen evenwel rudimentair zijn of geheel ontbreken.
No 91. Boekenluis. (Atropos divinatorius). Dit luisje is een bekend
diertje in onze bibliotheken en in de insectenverzamelingen. Vleugels
hebben ze niet meer; ze kunnen intusschen goed uit de voeten komen. Ze
leven van allerlei dierlijken en plantaardigen afval, ook van
schimmels. Ze behooren dus in de vrije natuur tot de opruimers en zijn
dus nuttig. Jammer is het, dat ze onze kostbare boeken en verzamelingen
ook als „oud vuil” beschouwen en die dus trachten te vernielen. Ook
onze eetwaren trachten ze weg te werken. Veel is er tegen dit kleine
goed niet te doen: veel luchten, de boeken geregeld uitkloppen.
Insectenverzamelingen worden van tijd tot tijd „ontluisd” door
zwavelkoolstof. Naphthaline verdrijft ze. Men moet de boeken- of
stofluisjes niet verwarren met de z. g, levende stof, waarvan soms
duizenden en duizenden exemplaren op onze meubels voorkomen. Deze
kleine diertjes zijn mijten, en bezitten, als ze volwassen zijn 8
pooten; het hout- of boekenluisje heeft er maar 6. Een ander
boekenluisje maakt geluid, door met den kop tegen ’t hout te tikken;
daarom noemen ze dit ook wel „doodskloppertje” net als het kevertje,
afgebeeld op Plaat V No 50. Lengte ongeveer 1 à 1½ m.M.
No 92. Duivenluis. (Lipeurus baculus). Deze luis is een vachtluis of
pelsvreter. Zij leeft, als bijna alle vachtluizen, op vogels; een
enkele soort op zoogdieren. De echte luizen leven wel op zoogdieren. In
ons land komen 59 soorten van pelsvreters voor. Gewoonlijk heeft het
woondier (gastheer) niet veel last van deze parasieten, want zij leven
van den afval van de huid, van de huidschilfers. Is het woondier jong,
of ziek en zwak, dan vermeerdert het aantal luizen zich zeer sterk en
gaan de dieren er wel eens aan dood. Kippen en musschen nemen graag
„zandbaden”; men meent dat ze zich dan ontdoen van de vachtluizen. Met
ditzelfde doel nemen de spreeuwen veel „waterbaden”. Vleugels
ontbreken. De eieren worden aan de veeren vastgekleefd. Van
verschillende soorten heeft men nog nooit de mannetjes waargenomen. Het
beste middel om de duiven vrij van luis te houden is den slag geregeld
te reinigen, uit te zwavelen en daarna met kalk te besmeren. Als men
hieraan de hand houdt, dan voorkomt men veel onheil. Men kan de huid
met wat glycerine bestrijken en er dan wat insectenpoeder tusschen
strooien. Men gebruikt ook wel insectenpoeder-tinctuur of penseelt de
huid met een 3% lysoloplossing.
Wantsen.
De wantsen behooren met de plantluizen en de dierluizen tot de 10de
Orde der insecten, tot de Rhynchota of halfvleugeligen. Deze laatste
naam is lang niet op allen toepasselijk, zoodat het beter is te spreken
van „gesnavelden”. Het is ook het hoofdkenmerk van deze orde, dat deze
dieren in het bezit zijn van een geleden snavel.
No 93. Roofwants. (Reduvius personatus). De naam wijst er weer op, dat
wij hier met een carnivoor te doen hebben. Zij vangen andere insecten
en zuigen die uit. Omdat ze maar langzaam loopen besluipen ze hun
prooi. Het zijn nachtdieren en als zoodanig vallen ze ook de weegluizen
of bedwantsen (No 94) aan, die den mensch last veroorzaken. Behalve
deze insecten, vallen ze nog andere schadelijke insecten in onze
woningen aan, zoodat wij ze in eere moeten houden, Het zijn echte
„insectenverdrijvers”. Intusschen ontzien ze ook den mensch niet; hun
steek is pijnlijk. Deze wants is voor een „huisinsect” tamelijk groot,
15 à 16 m.M. Het dier is bruinzwart, zacht en dicht behaard. Ook de
schilden zijn bruinzwart en behaard. De larve is ook een roover. Zij
weet zich met allerlei vuile stoffen te omhullen, zoodat zij
onherkenbaar is voor haar prooi. Op zolders, waar dikwijls stoffige,
rustige hoeken zijn, treft men deze roofwantsen wel aan.
No 94. Weegluis of Bedwants. (Cimex lectularius). Dit dier is zeker wel
de onaangenaamste gast in onze woningen, speciaal in onze slaapkamers.
Ze is licht bruinrood; ’t lichaam is zeer plat en zonder vleugels. Van
de voorvleugels zijn nog een paar resten over, grof gestippeld. ’t
Achterlijf is breeder dan ’t borststuk. Lengte 5 m.M. Het dier
doorloopt een onvolkomen gedaanteverwisseling. De eieren worden in
allerlei hoeken en naden afgezet.
De wants is een nachtdier. Ze komt ’s nachts te voorschijn en tracht
den mensch dan wat bloed af te tappen. Ze steekt haar snuit in de huid
en tegelijk vloeit er een vocht uit de speekselklieren, waardoor
zwelling en ontsteking volgt. Een snelle inwrijving met azijn stilt de
pijn. De wantsen kunnen maandenlang een hongerkuur ondergaan, wat haar
zeer te pas komt, want niet altijd hebben ze slachtoffers bij de hand.
Ze zijn een internationale plaag, en overal waar ze komen, stellen zij
de menschen in staat van beschuldiging, want alleen bij den minder
reinen mensch worden ze gevonden. Als de slaapkamers iedere week
„gedaan” worden, houdt men de wantsen wel weg. In de moderne woningen
treffen wij ze niet aan; wel in de oude, waar nog bedsteden zijn. In
logementen van „trekkende bedelaars” zijn het stamgasten. Ook in
„landverhuizershotels”. Zulke hotels worden van tijd tot tijd met
blauwzuur gezuiverd.
Betrekt men een oud huis, dan kan men dit voor alle zekerheid, ook op
deze wijze laten reinigen. Men maakt ’s nachts wel jacht op hen; bij
aanraking scheiden ze een onaangenaam vocht af; die wantsenlucht is
typisch. Men hangt in kamers, die niet zuiver zijn, aan de wanden
stukjes geribd pakpapier; de wantsen kruipen dan hieronder en kunnen
overdag vernietigd worden. De wantsen zijn over de heele wereld
verspreid en reeds van ouds bekend.
Op zwaluwen en duiven leven ook wantsen, die men wel in de vogelnesten
aantreft; zoo komen die ook wel in huis. Zij lijken heel veel op de
bedwants.
No 95. Waterscorpioen. (Nepa cinerea). Bij het visschen met het
schepnet vangen wij dit insect heel dikwijls, want het komt veel voor.
Aan het achterlijf hebben de dieren een lange adembuis, waardoor lucht
naar de stigma’s wordt gevoerd. De eieren zijn voorzien van 7
uitsteeksels.
Zonder adembuis is deze waterscorpioen 20 m.M. Het dier is donkerbruin.
Een aardig dier voor het aquarium; ’t is een echte roover, dus houdt
hem apart.
No 96. Lange Waterscorpioen. (Ranatra linearis). Dit is al een zeer
eigenaardig dier. ’t Lichaam is staafvormig. De adembuis is heel lang;
’t dier zelf wordt van 30 tot 40 m.M. ’t Komt niet zooveel voor als de
vorige soort, maar men kan het toch nog al eens vangen. Het dier
wandelt op den bodem van het water en vangt daar zijn prooi. De eieren,
die 2 stekels bezitten, worden in waterplanten afgezet. Het dier voedt
zich met daphnia’s (watervlooien).
PLAAT IX.
WANTSEN. LUIZEN. NETVLEUGELIGEN. KOKERJUFFERS.
No 97. Rugzwemmer, Bootsmannetje. (Notonecta glaucus). Het
bootsmannetje zwemt zeer goed en meestal op den rug. Dit staat in
verband met zijn voeding, want het leeft van insecten, die op het water
vallen. Ligt hij nu op den rug, dan kan hij het terrein goed overzien
en snelt direct weg als er wat voor hem te halen is. In het voorjaar
legt het wijfje de eieren aan waterplanten of op den bodem. De larven
zijn ook al echte roovers, zwerven den heelen dag in het water rond en
toch groeien zij niet hard. In ’t najaar zijn ze volwassen. Het
bootsmannetje roeit snel met de achterpooten en bemachtigt zijn prooi
met de voorpooten. Dan zwemt hij er mede weg en verwerkt het verder met
zijn krachtigen snavel.
Droogt ’s zomers de sloot op, waarin hij leeft, dan zoekt hij vliegend
een ander water. Houdt men hem in een aquarium, dan moet men dit
bedekken. Door vliegen op ’t water te werpen kan men hem voeden. Men
onthoude, dat hij ook den mensch gevoelig steken kan. Het diertje
overwintert in den modder. Het is langwerpig, van boven bol, van onder
vlak; dus precies een bootje; kleur bruingeel. Lengte 14 tot 15 m.M.
No 98. Duikerwants. (Corixa geoffroyi). Dit is ook een heel gewone
wants, 13 m.M. lang. Het lichaam is van boven en onder zwak gewelfd.
Van boven donker, groenachtig zwartbruin, sterk glimmend, van onder
bruingeel. Hij komt overal voor. Hij voedt zich voornamelijk met larven
van steekmuggen en andere dieren.
No 99. Schuimbeestje. (Philaenus spumarius). Wanneer wij ’s zomers
buiten loopen, zien wij vaak aan verschillende planten „speeksel”
zitten; ’t is of iemand er tegen gespuwd heeft. Bij nader onderzoek
blijkt, dat in dat speeksel—men noemt het koekoekspog—een klein beestje
zit. Dat beestje is de larve van het schuimbeestje. Het speeksel komt
niet uit den mond, doch uit klieren aan het achterlijf; door het
inpersen van lucht ontstaat dan het schuimachtig voorkomen. Vroeger
meende men dat het schuim uit vloeibare uitwerpselen bestond. Het
schuim schijnt voor het dier een beschutting te zijn. Na de laatste
vervelling verlaat het dier zijn schuimverblijf en vliegt rond. Het
legt eieren op de schors van boomen, waar die overwinteren. In ’t
voorjaar komen de larven daaruit. Het diertje is 5 tot 6 m.M. lang en
zeer algemeen. Hoewel het op verschillende cultuurplanten voorkomt,
doet het toch feitelijk nooit schade. Het is dus van geen economische
beteekenis.
Plantluizen. Bladluizen.
Nu komen wij aan een groep insecten, die van het grootste belang zijn
voor ieder; voor den land-, tuin- en boschbouwer en ook voor den
particulier, die wel eens bloemen of groenten kweekt. Bladluizen en
schildluizen komen overal voor. En wanneer wij in het voorjaar onze
planten bekijken, en zien hoe de bladluizen al aanwezig zijn, dan
vragen wij ons af: Waar komen de bladluizen in het voorjaar vandaan? Om
die vraag te kunnen beantwoorden, zullen wij in ’t kort en zeer in ’t
algemeen iets uit de biologie of levensleer van de bladluizen
vertellen. Wij zullen dat doen zeer in ’t algemeen, want er zijn
zooveel bijzonderheden van te vertellen, dat wij daarmede alleen wel
verschillende albums kunnen vullen. In 1885 waren er in Europa al 700
soorten bladluizen bekend en nu kennen wij er al over de 1000. Op den
populier leven 36, op den eik 30 soorten bladluizen. Het krioelt overal
van bladluizen. De ontwikkeling gaat aldus:
In den winter kunnen wij vinden wintereieren. Uit die wintereieren
komen in het voorjaar ongevleugelde wijfjes en die worden nu de
moeders, de stichtsters van de groote luizenkolonies; daarom noemt men
ze fundatrices. Zoo’n fundatrix brengt levende jongen voort, die in ’t
bezit zijn van vleugels; deze gevleugelde bladluizen zijn ook weer
allen wijfjes. Zij vliegen weg naar andere planten, ze gaan verhuizen,
en daarom noemt men ze migrantes, verhuizers. Deze migrantes ziet men
in April en Mei door de lucht vliegen. Zijn ze op de geschikte plant
beland, dan brengen deze gevleugelde bladluizen jongen voort, die
evenwel ongevleugeld zijn; bovendien zijn het allen weer wijfjes. Deze
ongevleugelde wijfjes, brengen op hun beurt weer andere ongevleugelde
wijfjes voort en zoo gaat dat in den zomer maar door, 6, 7, 8 en meer
geslachten achtereen; dan zitten de planten vol luis. Tegen den nazomer
ontstaan gevleugelde wijfjes, die weer terugvliegen naar de plant, waar
de fundatrix werd geboren. Deze terugvliegers noemt men remigrantes.
Zijn ze daar aangekomen, dan brengen ze op haar beurt jongen voort en
nu komen er voor het eerst mannetjes bij. Vervolgens leggen de wijfjes
eieren; die eitjes zijn de wintereieren, waaruit in ’t voorjaar weer de
fundatrices komen. Laten wij het nu nog eens in volgorde opschrijven,
1. een winterei; hieruit komt
2. een fundatrix, een ongevleugeld wijfje; dit brengt voort:
3. gevleugelde wijfjes, migrantes, die wegvliegen en op andere
planten gaan voortbrengen:
4. ongevleugelde wijfjes, die in eenige geslachten achtereen niet
anders doen dan ook ongevleugelde wijfjes voortbrengen:
dan komen er
5. gevleugelde wijfjes, die naar de oorspronkelijke plant vliegen
en brengen daar voort:
6. mannetjes en wijfjes; deze laatste gaan eieren leggen en dat
zijn de
7. wintereieren.
Dat is dus een geheele geschiedenis met de bladluizen en het heeft
jaren geduurd voor men er achter was.
Bladluizen, die voor haar ontwikkeling 2 planten noodig hebben, noemt
men 2-huizige bladluizen. Een voorbeeld hiervan is de bladluis, die op
sneeuwballen (Viburnum) leeft. In ’t voorjaar en wat later verhuizen
hiervan veel bladluizen naar de boonen, erwten, papaver, salade,
spinazie, peen, en in den nazomer keeren de gevleugelde wijfjes weer
terug naar de sneeuwballen. Deze bladluis heet Aphis rumicis (papaveris
of evonymi). Gewoonlijk blijven er nog vele exemplaren op de
sneeuwballen achter, zoodat die altijd in de luis zitten.
De meeste bladluizen zijn twee-huizig.
Van sommige bladluizen speelt de heele historie op één plantensoort af,
en dan noemt men ze één-huizig; hiertoe behoort de rozenbladluis, die
op plaatje No 100 is afgebeeld. Van deze bladluizen verhuizen er in ’t
voorjaar ook, maar altijd naar dezelfde soort plant als waarop zij
geboren werden.
Het merkwaardige in de ontwikkeling der bladluizen is dus dit, dat
alleen in het najaar mannetjes en wijfjes optreden en dat verder
uitsluitend wijfjes worden voortgebracht. Wij hebben deze voortplanting
reeds vroeger genoemd als heterogonie of cyclische voortplanting. Uit
het bovenstaande volgt, dat men de bladluizen al vroeg in ’t voorjaar
moet bestrijden. De heterogonie van de bladluis is in 1745 ontdekt; dat
gaf toen een heele opschudding in de wetenschappelijke wereld. Hoe
enorm de voortplanting der bladluizen is, moge hieruit blijken, dat als
1 wijfje 30 jongen voortbrengt, het aantal in de 5de generatie al is
aangegroeid tot ruim 24 millioen. Geen wonder, dat onze rozen ’s zomers
gauw „in de luis zitten”.
De uitwerpselen der bladluizen zijn zoetig; daarom worden zij beschermd
door de mieren, die dat zoet erg lekker vinden; zelfs kweeken zij de
bladluizen daarom. Op boomwortels zetten zij wel bladluizen neer, om
zoo haar „honingkoetjes” dicht bij huis te hebben.
Bladluizen hebben veel vijanden: oorwormen, mijten, de larven van
zweefvliegen, gaasvliegen, lieveheersbeestjes en vooral de kevertjes
zelf ook; dan nog sluipwespen. Ook worden sommige door schimmels
aangetast. Tot bescherming tegen deze vijanden bezitten de bladluizen
geen verweermiddelen. Zij bezitten op het achterlijf evenwel 2
„pijpjes” waardoor een kliervocht naar buiten komt. Met dit vocht
schijnen zij zich in te smeren als verweermiddel. Intusschen schijnen
ook de mieren dit kliervocht wel te lusten; zij brengen door trommeling
met de sprieten de klieren tot productie en nuttigen dan dit vocht.
No 100. Rozen-Bladluis. Ongevleugeld en gevleugeld wijfje.
(Siphonophora rosae). Dit diertje staat erg ongunstig bekend; het heeft
geen enkelen vriend. Met haar snuitje boort zij in de sappige steeltjes
en blaadjes en haalt zoo de sappen er uit, die bestemd waren voor de
rozen en bladeren, om daarvan te groeien. Ze belemmeren dus den groei,
ook voor het volgende jaar, want de geheele plant wordt minder
krachtig. Met haar uitwerpselen maken zij de plant vies en kleverig;
daardoor raken ook de poriën der bladeren dicht en blijft er allerlei
vuil op hangen. ’t Is alles misère, dat de bladluizen ons bieden. Hoe
kunnen wij ze nu bestrijden?
1. In het voorjaar, als wij de rozen snoeien, moeten wij alle
afgesneden takjes verbranden, omdat daarop de wintereieren zitten.
2. Zijn we wat verder en zijn de rozen al aardig aan het uitloopen,
dan bespuit men ze iedere week met de volgende oplossing: 10 L.
water, 1 ons zachte zeep en 1 maatje brandspiritus. Goed door
elkaar schudden. Het kost haast niets en het helpt prachtig. Houdt
men deze bespuiting vol, dan blijft men zonder luis.
In den handel zijn vele middelen, die onder allerlei vreemde namen
worden aangeboden, maar die zijn alle veel te duur. Zelfs een
geregelde bespuiting met koud water helpt vaak al voldoende.
3. De luizen met een veer afborstelen en opvangen op een vochtig
bord.
4. Vang zooveel mogelijk O. L. Heersbeestjes en zet die tusschen de
rozen; ze zullen de bladluizen wel inrekenen. In Augustus en
September zijn er velen te vangen; zet ze maar neer, ze helpen ons
het volgende jaar wel.
No 101. Bloedluis. (Schizoneura lanigera). Deze plantenluis is een
groote kwelling voor de vruchtenkweekers, want ze houdt den groei van
de takken tegen en beschadigt die, waardoor de boomkanker intreedt. Men
noemt het dier bloedluis, omdat men bij stukwrijving een bruinen
smeerboel krijgt. Men spreekt ook wel van wolluis, omdat het dier
omhuld is door een wollige wasmassa. Wanneer men op een appelboom wat
wit wolligs ziet, is dat de bloedluis. Zitten de jonge scheuten erg
vol, dan moet men die afknippen en verbranden. De bloedluis overwintert
aan de stammen en takken en ook aan de wortels. In deze periode is ze
nog het best te bestrijden, omdat men dan goed kan zien, waar ze zit.
Men neemt een niet te dikke schilderskwast, waarvan men de haren voor
een derde deel afknipt; wat overblijft is dan wat stijver. Nu doopt men
deze kwast in petroleum of brandspiritus en drukt daarna stevig op de
met luis bezette plaatsen. Voor een deel doorpriemt men de luizen en
voor een ander deel sterven ze door de petroleum en de spiritus. Als
men er geregeld de hand aan houdt, wordt men de bloedluis wel meester.
Omdat de gevleugelde luizen ook overvliegen, moet men altijd op zijn
hoede zijn.
No 102. Komma-Schildluis. (Mytilaspis pomorum). Een schildluis is een
plantenluis, die leeft onder een schildje of plaatje van was, dat ze
zelf vervaardigd heeft. Zij zuigt aan de planten en beschadigt deze op
dezelfde wijze als de bladluizen dat doen. In plaats van schildluizen
noemt men ze ook wel dopluizen. Zij planten zich voort door eieren; de
moeder bedekt die met haar lichaam tot de jongen uitkomen. Ook op
kamerplanten treft men wel schildluizen aan, b.v. op palmen. De
komma-schildluis, die ook wel de mosselvormige schildluis heet,—het
schildje lijkt wat op een mossel of komma—komt op allerlei planten,
boomen en heesters voor. Om haar te bestrijden reinigt men de stammen
en takken in den winter met een 10% oplossing van z.g. oplosbaar
carbolineum. De dunnere takken worden met deze oplossing bespoten.
Luizen op mensch en dier.
Deze dieren behooren tot de blijvende parasieten, die hun geheele
ontwikkeling op het woondier of op den mensch doormaken. Ze komen
alleen voor op zoogdieren en voeden zich met het bloed. Daartoe steken
ze haar snuit in de huid en brengen tegelijk een weinig vocht daarin,
om het bloed rijkelijk te doen toevloeien. De diertjes zijn maar zeer
klein, en de mannetjes zijn nog iets kleiner dan de wijfjes. Ze
ondergaan geen gedaanteverwisseling, zoodat we aantreffen kleine en
groote luizen van denzelfden vorm. De eieren worden gelegd aan de haren
van het woondier; men noemt die eieren neeten. Binnen één maand zijn de
luizen volwassen. Doordat de luizen van den eenen mensch op den anderen
overgaan, kunnen zij allerlei huidziekten overbrengen; ook inwendige
ziekten, omdat zij met het bloed der menschen in aanraking komen.
Onder het volk heerscht de meening, dat luizen zoo maar uit niets
kunnen ontstaan; dat is onjuist. Elke luis komt uit een ei, dat door
een volwassen luis is gelegd. Verder loopt onder het volk het
verhaaltje nog rond, dat ieder mensch een „luizenbos” bij zich heeft,
welke bos, ’t zij bij ’t leven, ’t zij bij den dood van den mensch,
losbreekt en zich over het lichaam verspreidt. Ook dit is onwaar.
Alleen menschen, die zich niet reinigen, komen in de luis. En waar die
luizen vandaan komen? Men doet ze op in openbare gebouwen, in trams, in
treinen, en op allerlei plaatsen waar ook minder zindelijke menschen
komen. Op school doet het eene kind ze van het andere op. Arme
menschen, landloopers, die zich weinig reinigen en hun kleeren niet
laten wasschen, zijn de kweekers en verspreiders van luizen.
Luizen komen ook voor op ratten, honden, konijnen, runderen, paarden,
enz.; dat zijn alle verschillende soorten.
No 103. Hoofdluis. (Pediculus capitis). De sprieten bestaan uit 5
leden, en het achterlijf heeft 7 of 8 duidelijke ringen. De wijfjes
zijn hoogstens 2,7 m.M. en de mannetjes hoogstens 1,8 m.M. lang. Dit
dier komt meer bij kinderen voor dan bij volwassenen. Geregeld de
hoofdjes der kinderen goed reinigen, iedere week, is het beste middel.
Zijn er diertjes waargenomen, dan doopt men de fijne kam eerst in
azijn, voor men er mede door de haren gaat. In den handel is een z.g.
„hoofd-eau de cologne”, die ook uitstekend werkt; niet als
voorbehoedmiddel, maar als bestrijdingsmiddel.
Is de huid van het kinderhoofdje ontstoken, dan moet men dubbel acht
geven, omdat de parasieten in het ontstoken gedeelte gaan huizen, en
daar hevige jeuk veroorzaken. Reinheid, reinheid; bij ontsteking den
dokter raadplegen, en voor schoolgaande kinderen: korte haren.
No 104. Kleerluis. (Pediculus vestimenti). Deze parasiet is grooter dan
de vorige. Het wijfje wordt tot 3,3 m.M. en het mannetje tot 3 m.M. Het
dier huist in de wollen onderkleeren en voedt zich met het bloed van
den mensch. Het kan op de menschelijke huid allerlei gezwellen en
ontstekingen veroorzaken. Vroeger, toen de reinheid onder de menschen
veel te wenschen over liet, veroorzaakte zij de z.g. „luisziekte”. Ze
komt alleen voor bij menschen, die niet geregeld van ondergoed
verwisselen. Daarom wordt van landloopers en andere menschen, die zeer
vervuild zijn, al het boven- en ondergoed verbrand als zij in een
ziekenhuis worden opgenomen. Zelf ondergaan ze een hygiënisch bad om de
parasieten, die op de huid zitten, te dooden of te verwijderen. Ook de
kleerluis is een overbrengster van besmettelijke ziekten.
Netvleugeligen.
Deze groep, die een 50-tal inlandsche soorten telt, is de 12de Orde der
insecten. Zij ontleent haar naam aan de 4 gelijkvormige, vliezige,
naakte vleugels, die netvormig geaderd zijn; de voorste vleugels zijn
gewoonlijk iets grooter. Intusschen zijn het geen beste vliegers.
De gedaanteverwisseling is volkomen; de monddeelen zijn bijtend en de
sprieten lang; geen staartdraden. De larven leven meestal op het land,
enkele in ’t water, ze vervaardigen geen woningen.
No 105. Mierenleeuw. (Myrmeleon formicales). Over de larve hebben wij
uitvoerig verteld bij No 5 Plaat I. Van de imago, die er zoo geheel
anders uitziet als de larve, valt alleen te vertellen, dat het een
nachtdier is en weinig gevangen wordt. Het komt wel eens op ’t licht
af. ’t Lichaam is grauwzwart; de vlucht 60 tot 70 m.M.
No 106. Gaasvlieg. (Chrysopa vulgaris). Dit is een mooi diertje; oogen
goudglanzig met groene aderen in de vleugels. De eieren zijn lang
gesteeld. De larven zijn hoogst nuttig, want zij bezitten zuigkaken,
waarmede zij bladluizen uitzuigen. Daarom noemt men deze larven ook wel
„bladluisleeuwen”. Deze gaasvlieg is zeer algemeen.
No 107. Watergaasvlieg. (Sialis lutaria). Deze gaasvlieg, die evenals
de vorige geen eigenlijke vlieg is, want die heeft maar 2 vleugels, kan
men van April tot Juni veel langs de waterkanten vinden. Ze zitten dan
meestal op de oeverplanten, want het zijn slechte vliegers. Het geheele
lichaam is donker bruinzwart; ’t dier is 10 tot 15 m.M. lang en heeft
een vlucht van 24 tot 36 m.M. Op de bladeren der oeverplanten worden de
eieren gelegd. De larve gaat te water en leeft op den bodem, waar zij
haar prooi bemachtigt. Is ze volwassen, dan komt de larve op het land
en gaat daar verpoppen.
Kokerjuffers of Schietmotten.
Dit is de 14de Orde der insecten en in ons waterrijk land komen niet
minder dan 115 soorten voor. De geheele groep schijnt een voorlooper
van de vlinders te zijn. De vleugels zijn bezet met breede haren, die
naar schubben wijzen. De gedaanteverwisseling is volkomen; monddeelen
meestal bijtend; zeer lange, dunne sprieten. De vier vliezige vleugels
met haarschubben; de voorste vleugels iets steviger, de achterste iets
breeder en gedeeltelijk plooibaar. De larven leven in ’t water en maken
voor het meerendeel een woning, een kokertje. In deze woning brengen ze
ook den poptoestand door.
Men zou de schietmotten kunnen verwarren met vlinders; ziehier de
verschillen. De schietmotten hebben geen roltong, doch kaken met groote
tasters; de voorvleugels steviger dan de achtervleugels en minder
doorschijnend. Ze bezitten lange pooten, een slanke gedaante en
sprieten, die in rust recht vooruit worden gestoken.
De eieren worden gelegd aan waterplanten of in het water.
De larven zijn zeer eigenaardige dieren, die in de bekende huisjes
leven. Is de larve volwassen, dan maakt zij haar huisje dicht met 2
zeefplaatjes of met een sleufvormige opening. Dan verpopt ze in ’t
huisje. Voor de pop evenwel een imago is, komt ze al uit haar huisje;
met haar scherpe kaken bijt zij het huisje open. Dan zwemt de pop vrij
rond, door middel van haar middenpooten, die aan de scheenen en tarsen
voorzien zijn van haren. De pop zoekt vervolgens een steunpunt en de
imago komt voor den dag. De ontwikkeling duurt meestal 1 jaar; de
overwintering geschiedt als larve. Als groote bijzonderheid kan worden
vermeld, dat in enkele larven sluipwespen zijn gevonden.
No 108. Geruite Kokerjuffer. (Limnophilus rhombicus). Men kan de
kokerlarven in allerlei wateren op den bodem vinden. Sommige huisjes
zijn typisch bekleed met schelpjes, stukjes hout, enz. De kokerjuffer
zelf is zeer algemeen. Op haar voorvleugels heeft ze 2 ruitvormige,
heldere vlekken; de vlucht bedraagt 31–42 m.M. Van Mei tot September te
vangen.
PLAAT X.
VLINDERS (1).
Bij de beschrijving van Plaat II hebben we uitvoerig gesproken over de
rupsen en de poppen. We mogen dus hiernaar verwijzen en zullen thans
nog alleen iets vertellen over de vlinders. Zij vormen een groote, goed
herkenbare groep, die trots de verscheidenheid in kleur en grootte,
toch min of meer eentonig is. In het leven der vlinders zit niet veel
actie. Roofdieren hebben wij er niet onder; het zijn allen—voor
zooverre zij eten—honing- en boomsapsnoepers. Er is maar één geslacht
dat stuifmeel eet: Eriocephala. Veel behendigheid om den honing te
bemachtigen behoeven zij niet aan den dag te leggen; ze gaan op een
bloem zitten en halen hem er uit.
Intusschen hebben de vlinders van af de vroegste tijden de aandacht van
den mensch getrokken, en wel voornamelijk door hun inderdaad
schitterende kleuren en vleugelteekeningen, die dan ook ongekend mooi
en interessant zijn. De vlinderpracht neemt toe naarmate we meer de
tropen naderen; ook de grootte. Dit neemt niet weg, dat we ook bij ons
prachtige soorten hebben.
Het aantal inlandsche vlindersoorten bedraagt 1713; hiervan behooren
764 tot de grootere en 949 tot de kleinere soorten. Het aantal
dagvlinders is betrekkelijk gering, slechts 79, dus 4,6% van het totale
aantal. Laten we nu iets in ’t algemeen over de vlinders zeggen.
1. De kop.
De sprieten zijn zeer belangrijke organen. Vooral bij de schemer- en
avondvlinders treffen wij allerlei vormen aan. Meestal hebben de
mannetjes sterker ontwikkelde sprieten dan de wijfjes.
De oogen zijn meestal groot; er komen ook nog stippeloogen voor, soms
ontbreken ze.
De roltong of zuiger. Dit is het belangrijkste orgaan met het oog op de
voeding, en wordt gevormd door de twee zeer in de lengte uitgegroeide
onderkaken, die aan de binnenzijde zijn uitgehold. Sluiten zij nu tegen
elkaar aan, dat door z.g. sluitkaken geschiedt, dan vormen zij een buis
of kanaal, waardoor vloeistoffen kunnen worden opgezogen. Wordt de
roltong niet gebruikt, dan is zij opgerold. Een zeer lange roltong
hebben pijlstaarten; ook het koolwitje heeft een flinke. Aan den top
van den zuiger zitten nog allerlei papillen, tastorganen, waarmede de
vlinder het voedsel kan inspecteeren.
2. Het borststuk.
Aan dit deel van het lichaam zijn de pooten en de vleugels bevestigd,
waarmede het dier zich verplaatsen kan; ’t is dus een belangrijk
lichaamsdeel.
De pooten zijn goed ontwikkeld; toch worden zij in ’t algemeen niet
zooveel gebruikt als bij de kevers. Bij de vanessa’s,
paarlemoervlinders en zandoogjes zijn de voorste pooten vervormd tot
poets-pooten; ze zijn sterk behaard. De poetspooten zijn verkort en
zonder klauwtjes. Het zullen dus reinigingsorganen zijn geworden.
De vleugels. Wie een ernstige vlinderstudie wil maken, komt telkens op
de vleugels terug. Groote verschillen worden waargenomen in het verloop
der aderen. Ons kort bestek laat niet toe daarop in te gaan. De
vleugels zijn beschubd; een schub is een vervormde, platte haar,
afgescheiden door één cel. De vleugels zijn doode aanhangsels, er zit
geen leven in. Al wordt een vleugel dus beschadigd, doet dit het dier
geen leed. Aan het ondereinde zitten spieren, waardoor de vleugels in
actie kunnen worden gebracht. Bij vele nachtvlinders komt een
vleugelhaakje voor aan den wortel van de achtervleugels. Bij de
mannetjes bestaat dit haakje uit eenige verkleefde haren; bij ’t wijfje
zijn het meer losse haren. ’t Eerste verband is steviger; daarom zijn
de mannetjes beter vliegers. Bij de dagvlinders komen geen
vleugelhaakjes voor. Daarom zijn de dagvlinders slechte vliegers, zij
„fladderen” meer. De pijlstaartvlinders daarentegen „snorren” ’s avonds
met kracht door de lucht. Teekenend voor de vlinders in de
vleugelhouding. In rust hebben de dagvlinders de vleugels opgericht met
het bovenvlak naar binnen; men ziet dan alleen de ondervlakte, die
anders van teekening is, in ieder geval veel minder opvallend, dus meer
beschuttend tegen vijanden. Als een Atalanta tegen den stam van een
wilg rust, is hij alleen door een geoefend oog waar te nemen. Spanners
houden de vleugels altijd uitgespreid en vlak. Bij de meeste andere
vlinders liggen de voorvleugels dicht aan ’t achterlijf aangesloten en
bedekken de achtervleugels geheel. De vleugelteekening munt uit door
groote verscheidenheid, óók in kleur. Men treft allerlei lijnen,
strepen, banden, maanvormige en ronde vlekken (z.g. oogen), enz., enz.,
aan. Daardoor ontstaat een rijkdom aan kleur en teekening, die wij in
geen enkele andere insectengroep aantreffen.
3. Het achterlijf. Ook hierin is veel variatie; het is dicht bedekt met
haren en schubben. Dat het achterlijf uit ringen of segmenten bestaat
is goed te zien. Bij het opzetten van vlinders met een zwaar achterlijf
dient men te zorgen, dat dit niet doorzakt.
Leefwijze.
De voeding hebben wij reeds besproken. Sommige vlinders, die maar
enkele dagen leven, eten niets; hun monddeelen zijn geheel
teruggeloopen, ze hebben ze ook niet meer noodig.
Vliegtijd.
Het is belangrijk hierop eens te letten. Wie vlinders verzamelen wil
moet trouwens den vliegtijd kennen om ze te kunnen verschalken. Overdag
vliegen de dagvlinders, de sesia’s, enkele uilen en kleine motjes. Die
houden dus van de zon. Gaat de zon weg, dan komen veel kleine motjes of
uiltjes. Is het schemer, dan komen de pijlstaarten; iedere soort komt
op een bepaald uur; ’t is of ze een horloge op zak hebben, zoo geregeld
gaat alles in de natuur. De lindepijlstaart vliegt tusschen 9 uur en
half tien, de populierenpijlstaart komt een uurtje later. Wordt het
nacht, dan komen de uilen, spanners en spinners. Wordt het nu weer wat
lichter, dan krijgen we dezelfde volgorde, doch nu in tegenovergestelde
richting. De vlinderwereld is dus den geheelen dag en nacht in actie;
telkens verschijnen andere groepen, maar de menschen zien de meeste
niet. Het is een interessant stuk dierenleven, dat zich ’s avonds en ’s
nachts afspeelt, ook bij andere diergroepen dan de insecten.
Levensduur.
Sommige vlinders leven maar kort, één of twee dagen; andere leven maar
enkele uren. Als het eierleggen is afgeloopen gaan ze heen.
Pijlstaarten en eenige uilen leven maar een paar weken. Kleine motjes
en uiltjes leven soms maanden. De Vanessa’s en de Citroentjes
overwinteren als vlinder; die leven dus van Augustus en September tot
April en Mei. Dat is een zeer lange tijd, waarin ze geen voedsel
gebruiken.
Generaties.
Van veel vlinders komt maar één generatie per jaar voor, b.v.
pijlstaarten, ringelrups. Van andere 2, soms 3 generaties, b.v. het
koolwitje.
Verspreiding der vlinders.
De verspreiding der vlinders hangt samen met de aanwezigheid van
voedselplanten voor de rupsen en met het klimaat. Hoe warmer het
klimaat, hoe meer vlinders. Omdat in ’t oosten en ’t zuiden van ons
land gewoonlijk meer warmte heerscht dan in ’t noorden en westen
(zeeklimaat), vinden wij aan de oost- en zuidgrens vaak vlinders, die
men elders bij ons tevergeefs zoekt. B. v. de koninginnepage, die in ’t
westen zelden, maar in ’t oosten veel voorkomt; en zoo zijn er meer.
INDEELING.
Een eenvoudige en voor ons doel bruikbare indeeling is de volgende; in
wetenschappelijke werken volgt men een veel meer uitgewerkt systeem. De
vlinders worden ingedeeld in 2 hoofdgroepen:
I. Dagvlinders. II. Nachtvlinders.
Tot de dagvlinders behooren:
1. Nymphaliden: Vanessa’s en Parelmoervlinders.
2. Satyriden: Zandoogjes.
3. Pieriden: Witjes.
4. Papilioniden: Koninginnepage.
5. Lycaeniden: Blauwtjes.
6. Hesperiden: Dikkopjes.
1 en 2 hebben poetspooten, de anderen niet.
Tot de nachtvlinders behooren:
1. Sphingiden of pijlstaarten; ze bezitten een vleugelhaakje; de
sprieten zijn in het midden verdikt; goede vliegers.
2. Bombyciden of spinners; geen vleugelhaakje, slechte vliegers.
Verschil tusschen mannetjes en wijfjes in de sprieten.
3. Lipariden met vleugelhaakjes.
4. Noctuiden of uilen; met draadvormige sprieten.
5. Geometriden of spanvlinders; die hebben vleugels als de
dagvlinders.
6. Microlepidopteren of motvlinders. Deze worden weer verdeeld in
bladrollers en motten; deze laatste hebben smalle vleugels met
franje.
Dagvlinders.
No 109. Citroentje. (Gonepteryx (Rhodocera) rhamni). Het mannetje is
citroengeel, van onder bleek; het wijfje groenachtig wit. Op elken
vleugel een oranje-stip, die van onder bruin is. Vlucht 49 tot 58 m.M.
De mooie vlinders vliegen tweemaal in ’t jaar; in ’t voorjaar en van
Juli tot het najaar. In Juli verschijnen de eerste van de nieuwe
generatie en deze blijven den geheelen zomer en verschuilen zich dan
gedurende den winter. Zij overwinteren dus als vlinder. In ’t voorjaar
worden de eieren gelegd op den vuilboom en kruisdoorn. De rups is dof
groen met een witten zijlijn. Komt in ’t geheele land voor. Geen
poetspooten. Eén generatie.
No 110. Koninginnepage. (Papilio machaon). Rups en pop zijn afgebeeld
op Plaat II. No 14. Onze prachtigste vlinder, daarop doelt ook zijn
naam. Grondkleur geel; verder met zwarte aderen, vlekken en banden. Een
in het midden blauwachtige band op de achtervleugels, die in een
oranjebruine oogvlek op den staarthoek eindigt. Twee generaties, in ’t
voor- en najaar; de pop overwintert. In ’t oosten en zuiden van ons
land. Vlucht 62 tot 88 m.M. Geen poetspooten.
No 111. Koolwitje. (Pieris brassicae). Voor de beschrijving verwijzen
wij naar het eerste hoofdstuk: „De Geschiedenis van het Koolwitje”.
No 112. Kleine Vos. (Vanessa urticae). De rups leeft gezellig in
troepjes op den brandnetel. Ze zijn te vinden in ’t laatst van Mei en
begin Juni. Ook later nog, doch dat is dan de tweede generatie in
Augustus. De pop hangt aan de bladeren. Ze zijn gemakkelijk in huis op
te kweeken. Rups donker met groen en gele langslijnen. Op den
voorvleugel verstrooide zwarte vlekken en één witte. Donkere
achterranden met blauwe vlekjes. Grondkleur oranje met geel. Vlucht 38
tot 49 m.M. Zeer algemeen. Komt op mooie dagen in Februari al uit zijn
schuilhoek.
No 113. Parelmoervlinder. (Argynnis paphia). De vleugels van de
parelmoervlinders zijn helder roodgeel met zwarte vlekken of teekening.
Onderzijde der vleugels met parelmoervlekken; de afgebeelde soort heeft
3 parelmoerstrepen. Vlucht 57–69 m.M. De rups leeft op viooltjes.
No 114. Groote Vos. (Vanessa polychloros). De rups leeft op allerlei
boomen, ook wel op vruchtboomen, en wordt in Juni en Juli daarop
aangetroffen. In Juli en Augustus vliegt dan de vlinder, die, zijn naam
zegt het reeds, veel gelijkt op den kleinen vos. Dof oranjebruin, met
geel gemengd: verstrooide zwarte vlekken op de vóór-, en één dergelijke
vlek op de achtervleugels. Onderzijde geel van grondkleur, geheel
donkerbruin gewaterd. Vlucht van 48 tot 60 m.M. Overwintert als
vlinder. Wordt soms op peren wel eens schadelijk.
No 115. Dagpauwoog. (Vanessa Io). De rups en pop zijn afgebeeld op
Plaat II No 15. De vlinder is paarsachtig roodbruin; op elken vleugel
een groote oogvlek, vandaar zijn naam. De onderzijde is geheel
donkerbruin, zwart gewaterd. Hij vliegt vooral in Augustus en
September; in tuinen zit hij dan, evenals alle Vanessa’s, gaarne op
dahlia’s, zonnebloemen en andere composieten. Vlucht 52 tot 60 m.M. Hij
overwintert als vlinder en komt weer vroeg voor den dag in het
voorjaar. Op heldere dagen vliegt hij al in Februari en Maart.
No 116. Koningsmantel. (Vanessa antiopa). Dit is een heel prachtige
vlinder; zijn naam wijst er op. De bovenzijde is koffie- of kersbruin
met gelen rand, en daarvoor paarse vlekken. De onderzijde is nog
zwarter dan bij Vanessa Io, met een meer witten rand tegenover den
gelen van de bovenzijde. Vlucht 58 tot 71 m.M. Hij vliegt in Augustus
en September, overwintert en komt in ’t voorjaar weer voor den dag en
legt eieren op wilgen, berken en populieren. De rups is zwart met roode
rugvlekken en witte haartjes. Vliegt wel overal en is toch zeldzaam.
No 117. Nummervlinder. (Vanessa (Pyrameis) atalanta). Deze vlinder is
een mooie verschijning op de bloemen. Van boven is hij zwart met een
helrooden schuinen band over de voorvleugels; zoo’n band zien we ook
aan den rand van de achtervleugels. Witte vlekken aan de bovenpunt der
voorvleugels. De onderzijde der achtervleugels is zeer woelig
geteekend; men ziet er het getal 18, 98 of 89 op. Hieraan dankt hij
zijn naam; hij heet ook wel schoenlapper of admiraal. Vlucht 52 tot 56
m.M. Hij vliegt in Augustus en September, overwintert, en komt in ’t
voorjaar weer voor den dag. De rups leeft op brandnetel, is evenwel
niet gemakkelijk te zien, want zij zit in saamgesponnen bladeren. Maar
heeft men er eenmaal een paar gevonden, dan herkent men de
rupsenverblijven gauw. Soms zitten er in de samengesponnen bladeren
spinnen of bladrollers. De poppen zijn met goud afgezet. Als het een
mooi najaar is vliegen de vlinders tot in ’t laatst van October, ja tot
in November. Het zijn prachtige rupsen om op te kweeken. Zij komen
overal voor.
No 118. Groote Weerschijnvlinder. (Apatura iris). Eveneens een
prachtige, groote vlinder met een vlucht van 64 tot 75 m.M. Van boven
bruinzwart, bij het mannetje met helder blauwen weerschijn. Op de
voorvleugels witte vlekken en op de achtervleugels een witten band. De
rups is groen met witte puntjes en gele lijnen en leeft op waterwilg.
De vlinder vliegt in Juli en wordt in het oosten en zuiden van ons land
waargenomen.
No 119. Het Goudvlindertje. Mannetje en wijfje. (Chrysophanus
(Polyommatus) virgaureae). Bij deze kleine vlindertjes,—de vlucht is
van 31 tot 33 m.M.—die ook wel vuurvlindertjes heeten, nemen wij een
zeer duidelijk dimorphisme in de vleugels waar. De bovenzijde van de
vleugels van het mannetje is roodachtig goud zonder weerschijn, bij het
wijfje goudgeel met 2 rijen zwarte vlekken op de voor- en 3 rijen op de
achtervleugels. De rups is groen met gele rug- en zijlijn; kop zwart.
Zij leeft op zuring en komt vooral op droge gronden voor. Het
vlindertje vliegt in Juli en Augustus.
No 120. Het Blauwtje. Mannetje en wijfje. (Lycaena icarus). Ook bij
deze vlindertjes zien wij een duidelijk dimorphisme. Het mannetje is
boven geheel licht paarsachtig hemelsblauw en het wijfje is donker
zwartbruin. De onderzijde van de vleugels van het mannetje is
lichtgrijs, bij het wijfje meer donker en bruinachtig grijs met vele
vlekken. Vlucht 27 tot 32 m.M.; 2 of 3 generaties per jaar. Op heide,
bloemrijke weiden. De rups leeft op vlinderbloemigen en is dofgroen.
Deze vlindertjes zijn een aangename verschijning en laten zich
gemakkelijk uit rupsen opkweeken. Dan leert men tegelijk de aardige
poppen kennen.
PLAAT XI.
VLINDERS (2).
No 121. Avondpauwoog. (Smerinthus ocellata). Evenals de andere
pijlstaarten en avondvlinders leeren wij den avondpauwoog het best
kennen door het opkweeken van de rupsen. Kunnen wij de dagvlinders nog
met het net „scheppen”, met de avondvlinders gaat dat niet. Intusschen
kan men ze wel eens op „de stroop” vangen. Doch mooie en ongeschonden
exemplaren van de vlinders krijgt men als men ze opkweekt uit rupsen;
bovendien leert men dan iets van hun leven. De rups van den
avondpauwoog leeft vooral op wilgen en populieren; zij is blauwachtig
groen, wit gestippeld, en heeft een witte streep aan de rugkanten; op
zijde witte schuine strepen. Het hoorntje is blauw; de pop donkerbruin
glanzig, met stekelige staartspits. De achtervleugels zijn rozenrood
met een groote, blauw en zwart gerande donkere oogvlek; vandaar zijn
naam. De rups is zeer algemeen en verpopt in den grond. Men zette in
het rupsenhuis dus een kistje met aarde. De rups vinden we in Augustus
en September; de vlinder komt uit de pop in Juni. Vlucht 75 tot 95 m.M.
De rups is 8–9 c.M. lang.
No 122. Wolfsmelkvlinder. (Deilephila euphorbiae). De rups is afgebeeld
op Plaat II. No 16 en wordt 8–9 c.M. lang. De vlinder is zeer mooi.
Grauwgeel met rozenroode en groote donker-olijfgroene vlekken op den
voorvleugel. De achtervleugels en onderzijde zijn rood. Sprieten zijn
geheel wit. Vlucht 60–87 m.M. De vlinder vliegt in Juni en Juli.
No 123. Bijvormige Sesia. (Trochilium apiforme). Deze vlinders gelijken
veel op wespen en deze sesia heeft veel gelijkenis met een groote wesp,
de hoornaar, Vespa crabro. Die gelijkenis ontstaat door het
grootendeels onbeschubd zijn der vleugels. De rups leeft in
populierenstammen, dicht bij den grond, en overwintert daar 2 maal.
Voor den tweeden winter spint zij een cocon van houtvezels; ’t volgende
voorjaar verpopt zij. De vlinder komt overal voor en heeft een vlucht
van 35 tot 50 m.M. Omdat de rups het ondereinde der boomstammen
ondermijnt, waaien deze bij storm wel om.
No 124. Avondrood. (Deilephila elpenor). De hoofdkleuren zijn
olijfgroen en rozenrood. De wortelhelft der achtervleugels is zwart.
Het achterlijf is olijfgroen met roode ruglijn en zijden. Vlucht 55 tot
62 m.M. De rups vinden we van Juli tot September op fuchsia, galium,
wilgenroosje, en wordt 7 tot 8 c.M. lang. Hoorntje kort, zwartbruin.
No 125. Beervlinder. (Arctia caja). De beerrups dankt haar naam aan de
ruige beharing; zij wordt 5 tot 7 c.M. lang en leeft op allerlei lage
planten; met brandnetel kunnen wij ze goed grootbrengen, ook met wilg
en notebladeren. Ze schijnen in haar menu niet kieskeurig. Men vindt de
rupsen zoowel in den nazomer als in ’t voorjaar. Dit komt omdat zij als
rups overwinteren onder allerlei rommel op den grond. In Juni of Juli
heeft de verpopping plaats in een los spinsel, waarbij wat verdorde
bladeren worden getrokken. De vlinders zijn buitengewoon mooi. De
voorvleugels zijn bruin, wit gemarmerd; achtervleugels en achterlijf
menierood, blauwzwart gevlekt. Sprieten van het mannetje gebaard.
Vlucht 55–70 m.M.
No 126. Doodshoofdvlinder. (Acherontia atropos). De rups is afgebeeld
op Plaat II No 19, en daar beschreven. De vlinder is onze grootste.
Zijn vlucht loopt van 100 tot 134 m.M. Kop en borststuk zwart; op dit
laatste de „doodshoofdteekening”. Voorvleugels zwartbruin, door haren
en blauwwitte schubben blauwig. Achtervleugels helder okergeel met 2
zwarte banden. Achterlijf ook okergeel, met staalblauwe rugbaan en
zwarte segmentgrenzen. Bij de wijfjes is het achterlijf dik en plomp.
Deze vlinder heeft de gewoonte om bijenkorven binnen te gaan. Daar
wordt hij door de bijen gedood en in de was (propolis) gezet.
No 127. Lindepijlstaart. (Smerinthus tiliae). De achterrand der
voorvleugels is duidelijk gehakkeld. Kleuren niet standvastig.
Voorvleugels wittig paars tot okerbruin, vaak groenachtig; in het
midden een paar groene vlekken. In rust bedekken de voorvleugels wel de
achtervleugels, doch niet het achterlijf. De rups is lichtgroen met 7
gele, van boven rood afgezette, schuine zijdestreepjes. Hoorn van voren
blauw. Voor de verpopping, die in den grond geschiedt, verkleurt de
rups. Pop is zwartbruin, dof, met een stekelige staartspits. Veel op
linden, iepen, ook op berken en elzen. De rups wordt 8 tot 9 c.M. lang
en is te vangen in Juli en Augustus. Pop overwintert in den grond.
Vlucht 60–80 m.M.
No 128. Wilgenhoutrupsvlinder. (Cossus cossus). De rups is uitvoerig
beschreven naar aanleiding van Plaat II. No 23. Wij verwijzen daarheen.
De vlinder is een plomp dier, met een vlucht van 60 tot 90 m.M. Men kan
hem vangen einde Mei en begin Juni, zittend tegen stammen van
knotwilgen. Voorvleugels zilverachtig grijs, gemengd met bruingrijs en
geteekend met zwarte dwarsstrepen; achtervleugels meer effen en donker.
Achterlijf grijs, de ringen licht gerand. De rups is zeer algemeen en
komt overal in wilgenhout voor.
No 129. Oleanderpijlstaart. (Deilephila nerii). Dit is een groote
prachtvlinder. Donkergroen met witte, rozenroode, paarse en gele
vlekken en strepen, zijn de voorvleugels; achtervleugels grijsachtig
paars. Het achterlijf groenig met witte segmentranden. Een mooi dier,
met een vlucht van 72 tot 112 m.M. De rups is zeer groot, van 12 tot 15
c.M. Het is jammer, dat deze rups weinig bij ons voorkomt. Als ze hier
is, zijn de vlinders uit zuidelijker streken komen overvliegen. De
rupsen leven op Oleander, een heester, die in kuipen wordt gekweekt. In
zuidelijker streken komt de Oleander veel voor aan waterkanten en wordt
daar zeer hoog. In den warmen zomer van 1911 bloeiden de Oleanders bij
ons zeer mooi.
No 130. Dennenpijlstaart. (Smerinthus (Sphinx) pinastri). Rups en pop
zijn afgebeeld op Plaat II. No 17. De vlinder heeft een vlucht van 75
tot 80 m.M. en is grijs van kleur; op het midden van elken voorvleugel
drie overlangsche, zwarte streepjes. Achtervleugels donkerder dan de
voorvleugels, effen donkergrijs. De vlinder is te vangen van Juni tot
Augustus in dennenbosschen.
No 131. Windepijlstaart. (Sphinx convolvuli). Dit is onze grootste
Sphinx met een vlucht van 95 tot 122 m.M. Kleur grijs, de voorvleugels
lichter en donker geteekend; op de achtervleugels donkere dwarsbanden.
De rups, die 12 tot 15 c.M. wordt, is geelbruin met donkere ruglijn;
donker afgezette, driehoekige schuine strepen op de achterlijfsringen.
Buik okergeel. Zij leeft op akkerwinde, dicht bij den grond. De pop is
licht roodbruin en te herkennen aan de gebogen zuigerschede, die niet
aan het lichaam aansluit. Soms komt deze rups in veel exemplaren voor.
No 132. Bloedvlekvlinder. (Zygaena trifolii). Op de voorvleugels zien
we vijf roode vlekken; vandaar den naam. Op de achtervleugels een
breeden zwarten zoom. Vlucht 30 tot 36 m.M. Rupsen geelgroen, zwart
gevlekt. Pop groenzwart in een geel, perkamentachtig, spoelvormig
spinsel, tegen een stengel. De rups eet vooral rolklaver en komt op
drassige weiden veel voor.
PLAAT XII.
VLINDERS (3).
No 133. Dennenspinner. (Gastropacha (Dendrolimus) pini). Van dezen
schadelijken vlinder is de rups afgebeeld op Plaat II No 24 en daar
beschreven. De voorvleugels van den vlinder hebben een gegolfden
achterrand; grondkleur chocoladebruin tot witachtig grijs; roodbruine
banden en in ’t midden een witte stip. De achtervleugels zijn donker
roodbruin. Vlucht 50–80 m.M. De vlinder vliegt van einde Juni tot
Augustus.
No 134. Ringelrupsvlinder. (Malacosoma (Bombyx) neustria). Deze vlinder
legt zijn eieren in een ringetje om een takje; vandaar zijn naam. De
eieren worden met een klierstof vastgekleefd. Zoo overwinteren zij aan
allerlei boomen, ook aan vruchtboomen. In ’t voorjaar komen hieruit
rupsen, die eerst nog eenigen tijd gezellig samenwonen, doch als er
gebrek aan eten komt, gaat ieder haar eigen weg. Ze zijn zeer
schadelijk. In Amsterdam worden langs de grachten soms groote
verwoestingen aangebracht. De rups is bruinig en dun behaard, blauw met
oranjezwarte afgezette langslijnen en witte ruglijn. Kop blauw met twee
zwarte voorhoofdsvlekken. De vlinder is okergeel of bruinrood met
dwarslijnen; de achtervleugels zijn lichter dan de voorvleugels. Het
mannetje heeft een vlucht van 25 tot 35 m.M., het wijfje 35 tot 43 m.M.
De vlinders vliegen ’s avonds wel om lantaarns.
Om deze zeer schadelijke rupsen te bestrijden, knipt men in den winter
de eierringetjes uit de boomen; dat is een heel werk, vooral in hooge
boomen. Toch doet men het zoo in Amsterdam. Als de rupsen er zijn, kan
men de brandspuit halen en ze den boom uitspuiten. De rupsen worden
aangevallen door parasietvliegen en sluipwespen, die vaak groote
opruiming onder haar houden. De rups komt helaas door heel Nederland
voor.
No 135. Blauwe Weeskind. (Catocala fraxini). Deze vlinder en de
volgende hebben hun naam te danken aan de uitmonstering der
achtervleugels. Weeskinderen dragen en droegen gewoonlijk een kleeding,
waardoor zij gemakkelijk te herkennen zijn; in Amsterdam o.a. rood en
zwarte kleeding de kleuren van het stadswapen. De achtervleugels van
het blauwe weeskind zijn zwart met één lichtblauwen dwarsband. Het zijn
nachtdieren, die overdag met vlak dakvormig gelegde vleugels tegen
stammen, muren en schuttingen zitten. Ze zijn dan niet te herkennen. De
rups leeft op eiken, wilgen en populieren. De eieren overwinteren. Deze
vlinder behoort tot de zeldzame in ons land. Vlucht 80 tot 95 m.M.
No 136. Roode Weeskind. (Catocala nupta). De achtervleugels zijn vuil
vermiljoenrood met een zwarten midden- en randband. De rups leeft op
wilg en populier en komt in het oosten en zuiden van ons land algemeen
voor. Vlucht 65 tot 75 m.M.
No 137. Bessenspanvlinder. Harlekijn. (Abraxas grossulariata). Dit is
een heel aardig vlindertje, dat om zijn bont uiterlijk harlekijn heet;
in Groningen noemen ze hem „krentenpannekoek.” Vlucht 40 tot 45 m.M.
Het lichaam is geel en zwart bepunt; vleugels wit, met zwarte vlekken
en gelen band. Ook aan de rups zien we witte, zwarte en gele kleuren;
kop zwart. De rupsjes zien we in het voorjaar op aal- en kruisbessen en
op gekweekte ribesheesters; ook wel op frambozen, pruimen en abrikozen.
In ’t begin van Juni verpoppen de rupsen in een zeer los spinseltje,
uit eenige draden bestaand, aan de bladeren; de pop is gitzwart met
gele banden. Men ziet haar in ’t spinsel zitten. In Juli en Augustus
komen hieruit de vlindertjes, die zeer slecht vliegen; zij leggen hun
eieren op genoemde planten. In September komen hieruit weer rupsjes,
die eerst wat eten en dan met de bladeren naar beneden komen, waar ze
op den bodem overwinteren. De rupsen zijn spanrupsen. In het voorjaar
komen ze onder den rommel vandaan en beginnen haar vreterij. Men kan
deze rupsjes kwijtraken door den rommel onder de bessen bijeen te
harken en te verbranden. De rupsen worden door verschillende
sluipwespen aangetast.
No 138. Berkenspanner. (Amphidasis betularia). De rups en pop zijn
afgebeeld op Plaat II. No 22. Deze vlinder heet ook wel „peper en
zoutvlinder”; dat ziet op de vleugelteekening. De vleugels toch zijn
krijtwit of helder grijswit, zwart bestoven, met zwarten middenvlek. Er
is van dezen vlinder een variatie bekend, die geheel zwart is.
No 139. Kleine Wintervlinder. (Cheimatobia boreata). Dit zijn lastige
maar toch merkwaardige dieren. Zij zijn gekenmerkt door een sterk
sprekend dimorphisme; de mannetjes zijn normaal gevleugeld en de
wijfjes ongevleugeld of alleen voorzien van vleugelstompjes, waarmede
ze toch niet vliegen kunnen. De kleine spanrupsjes zijn in ’t voorjaar
zeer schadelijk aan allerlei vrucht- en andere loofboomen; onze kersen,
appelen en peren lijden er veel van. Zijn ze volwassen, dan verpoppen
ze in den grond. Het merkwaardige is nu, dat reeds in November en
December en gedurende den geheelen winter, als de bodem niet bevroren
is, de kleine vlindertjes uit den grond komen. De mannetjes vliegen dan
rond. De wijfjes kunnen dat niet en kruipen tegen de stammen op om bij
de knoppen eieren te gaan leggen. Om dit nu te voorkomen bindt men om
de stammen banden, waarop men lijm smeert. Willen de wijfjes nu naar
boven, dan moeten zij over dien band heen en raken dus vast. Die
lijmbanden zijn een prachtige uitvinding. De rupsen worden 20 tot 25
m.M. lang.
No 140. Nonvlinder. (Lymantria (Liparis) monacha). Rups en pop zijn
afgebeeld op Plaat II. No 21. Deze rups is de ergste vijand van onze
dennenbosschen, omdat zij zoo vraatzuchtig is en vaak in groote massa’s
voorkomt. De vlinder heeft witte voorvleugels met zwarte vlekken en
onregelmatig zwarte zigzaglijnen; de achtervleugels zijn grauw. Vlucht
30 tot 55 m.M. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes. De kleur der
vlinders is soms donkerder, ook wel bij zwart af. De eieren worden
gelegd in schooltjes van 20 tot 50 in reten van de schors; ieder wijfje
legt er een 200. De rupsjes komen vroeg in ’t voorjaar uit en beginnen
dan aan de naalden te eten; in ’t laatst van Juni, begin Juli zijn ze
volwassen en spinnen zij zich in een lossen cocon aan takken en
tusschen naalden in. Twee à drie weken daarna komen de vlinders voor
den dag.
Omdat de rups zoo schadelijk is, wordt ze krachtig bestreden. Het ligt
buiten ons bestek hierop uitvoerig in te gaan, doch wie er meer van
weten wil kan hierover een gratis-brochure aanvragen bij de Inspectie
van het Staatsboschbeheer te Utrecht. Deze brochure bevat duidelijk
gekleurde platen.
No 141. Appelvlindertje. (Carpocapsa pomonella). Dit vlindertje is
oorzaak van de wormstekigheid onzer appels en peren. Dat zit zoo. In
Juni legt het wijfje de eitjes op de dan nog zeer kleine vruchtjes. Uit
die eitjes komen rupsjes, die zich naar binnen eten, en in het klokhuis
de zaden vernielen, want daarom is het hun te doen. De „worm” is dus
een rupsje. Is het rupsje volwassen, dan graaft het zich door de vrucht
heen, en zoekt, buiten gekomen, een schuilplaats om te overwinteren. In
’t voorjaar verpoppen ze en in Juni zijn er weer vlindertjes. Wat
kunnen wij hiertegen doen? Wij verschaffen aan de rupsjes kunstmatige
winterverblijven, door om de boomstammen wat houtwol te binden en
daarover een papier, een z.g. insectenband. De rupsjes kruipen
hieronder en als het November is geworden, verbrandt men den rommel.
Deze vangbanden worden half Juli aangelegd, anders komen we te laat.
Verder moeten alle aangestoken appels worden opgeraapt; men kan ze tot
jam verwerken. Het appelvlindertje is wel mooi, doch om het groote
nadeel, dat het aanricht, moet het streng bestreden worden.
No 142. Stippelmot. (Hyponomeuta evonymi). Zij heeten stippelmotten,
omdat zij bezitten witte of grijze voorvleugels met overlangsche rijen
van zwarte stippen; de achtervleugels zijn donkergrijs en ongestippeld.
De rupsjes leven in groote spinsels bijeen, en verwoesten soms geheele
boomen. Er komen 7 soorten bij ons voor; op den appelboom leeft er een,
die men trekmade noemt. Raakt men de spinsels aan, dan laten de rupsjes
zich aan draden naar beneden zakken. Het beste is ze dood te drukken
met de hand, gedekt door een handschoen van leer. Het afgebeelde
stippelmotje leeft op kardinaalsmuts.
No 143. Witvlakvlinder. (Orgyia antiqua). Mannetje en wijfje. Ook hier
hebben wij een sterk sprekend voorbeeld van dimorphisme. Het mannetje
is gevleugeld, het wijfje heeft slechts een paar heel kleine stompjes,
zoodat het absoluut niet vliegen kan; het lijkt op een dikke larve. Van
de orgyia’s komen bij ons 5 soorten voor, en de afgebeelde komt het
meest voor. Hij heet witvlakvlinder, omdat het mannetje op de
roestbruine vleugels een witte vlek heeft. De rups is hieraan te
herkennen, dat ze 5 haarpluimen en 4 haarkwasten op het lichaam heeft;
daarom noemt men haar ook wel borstelrups. Er komen twee generaties per
jaar voor en vooral in Augustus en September vliegen overdag zeer vele
mannetjes haastig rond. Geen enkel vlindertje vliegt overdag zóó wild
en woest. De rups spint een cocon aan takjes en als daaruit nu een
wijfje komt, dan zet dit zich op den cocon neer en legt daarop de
eitjes, netjes naast elkaar. Is dit geschied, dan sterft het diertje en
valt op den grond. Het heeft dan hoogstens 2 dagen geleefd en niets
gegeten; wel een armzalig vlinderbestaan.
Heeft men in een rupsenkast deze rupsen opgekweekt en zoodoende ook
wijfjes gekregen, dan kan men daarmede een aardige proef nemen. Men zet
zoo’n wijfje in een gesloten sigarenkistje buiten en ziet, dadelijk
komen er bruine mannetjes naar toe. Wij leeren hieruit, dat de wijfjes
sterk geuren en dat de mannetjes goed kunnen ruiken. De vlucht van het
mannetje is 28 tot 32 m.M. De eieren overwinteren. De rupsen worden ook
aangevallen door sluipwespen.
No 144. Hermelijnvlinder. (Harpyia vinula). Van dezen vlinder is vooral
de rups interessant, omdat die twee staarten bezit, waaruit bij
verontrusting twee roode draden worden gestoken. Door het bezit van
deze twee staarten heeten deze rupsen ook wel „tweestaartrupsen”.
Verder scheiden deze rupsen, als zij in angst zitten, uit een halsklier
vocht af, dat met kracht wordt uitgespoten. Dit vocht is mierenzuur. De
rups leeft op wilgen en populieren en zit in rust op de bovenzijde der
bladeren, met het voor- en achterlijf omhoog en den kop ingetrokken. De
rug is stomp opgeheven; de stompe verhevenheid verdeelt den rug in twee
deelen, die van boven donker gekleurd zijn. De rups is verder groen en
spint een cocon tegen boomstammen; zij holt dan eerst de schors wat uit
en voegt het knaagsel tusschen haar cocon, die daardoor zeer stevig
wordt en haast niet opvalt. Als de vlinder later dezen cocon zal
verbreken, zondert hij een vloeistof af, die kaliloog bevat, en het
weefsel verweekt. De vlinder heeft een vlucht van 60 tot 75 m.M.
Hiermede eindigen wij de korte beschrijving der vlinders. Wij willen er
nog op wijzen, dat het eenige middel om gave vlinders te krijgen is;
rupsen zoeken en opkweeken. Dat is bovendien een zeer onderhoudend en
leerrijk werkje.
PLAAT XIII.
MUGGEN. VLIEGEN.
Wij komen nu aan de zeer belangrijke groep der „Tweevleugeligen” of
Diptera, de 16de Orde der insecten, waarvan in ons land al meer dan
2200 soorten voorkomen; over de heele wereld zijn al meer dan 40000
soorten bekend. De Diptera tellen dus wel mee. Het verschil tusschen
muggen en vliegen zit voornamelijk hierin, dat de muggen slanker zijn
en meestal lange pooten bezitten; een vlieg is plomper en heeft korter
pooten. Het hoofdkenmerk van deze Orde zijn de vleugels, waarvan er
maar één paar aanwezig is. Op de plaats waar bij andere insecten het
tweede paar vleugels zit, hebben de vliegen en muggen 2 kolfjes, 2
geknopte steeltjes. Laten we de kenmerken in volgorde opschrijven; ze
zijn:
1. Volkomen gedaanteverwisseling: ei, larve, pop, imago;
2. zuigende monddeelen;
3. één paar vleugels met wijdmazig aderstelsel;
4. één paar kolfjes;
5. het borststuk tot één geheel vergroeid;
6. vijfledige tarsen aan de pooten;
7. larven zijn pootloos, heeten maden; haar leefwijze loopt zeer
uiteen;
8. poppen al of niet door larvehuid omsloten;
9. leggen eieren of brengen levende jongen voort.
Lichaamsbouw.
De oogen zijn groot; bij het mannetje meestal het grootst. Gewoonlijk
nog puntoogen.
De sprieten zijn drie- of veelledig; zeer belangrijk voor de
rangschikking dezer insecten.
De monddeelen zijn al zeer belangrijk. Een vast type is niet op te
geven, omdat er nog al verschillen bij optreden, die in verband staan
met de leefwijze. Het oorspronkelijke type is zuigend en dat vinden wij
nog het meest zuiver bij de steekmuggen en de dazen. Alle monddeelen te
zamen noemen wij den zuiger. Zonder illustraties is het niet duidelijk
te maken, hoe zoo’n zuiger is samengesteld. Vooral de bovenkaken zijn
stevig en hard bij de steekmuggen. Een huisvlieg heeft eenvoudiger
monddeelen. Zoodra met de monddeelen wonden worden gemaakt, werken
tegelijk de speekselklieren irriteerend daarop in.
De vleugels ontbreken soms; waarvoor de kolfjes eigenlijk dienen weet
men niet; wel is bekend, dat als men er één verwijdert, het
stuurvermogen wordt belemmerd.
In de pooten groote verschillen; een langpootmug laat gemakkelijk een
poot schieten, net als een sprinkhaan; dat is een middel om aan de
vijanden te ontkomen.
Bij veel larven kan men een reductie of achteruitgang in organen
waarnemen. Van den kop is gewoonlijk niet veel meer overgebleven dan
een paar haken bij de mondopening. Zoo’n made is dan ook zeer eenvoudig
gebouwd; zij heeft heelemaal het voorkomen van een dier verloren.
Wat de poppen betreft, die zijn in ’t algemeen half-vrije; gedeeltelijk
zijn waar te nemen de uiteinden der pooten en gedeelten der vleugels.
De laatste larvehuid wordt veel gebruikt om de pop te beschermen; deze
huid is zeer stevig. Het harde tonnetje van de huisvlieg is zoo’n
larvehuid.
Voeding der larven.
Deze is nog al verschillend:
1. vele larven, misschien de meeste, voeden zich met organischen
afval, zoowel uit het dieren- als plantenrijk; vele muggen en
vliegen worden geboren in vuilnis, mest, molm; kamervlieg,
vleeschvlieg.
2. andere larven leven van levende plantendeelen: de galvormers en
die in bladeren, stengels en bloemen leven; emelten, galmuggen,
mineervliegen.
3. parasitische larven leven van stoffen, die zij aan levende
dieren ontleenen: parasietvliegen, horzels.
4. larven van zweefvliegen zuigen bladluizen uit.
Voeding der imago’s.
Ook deze is zeer varieerend:
1. honingsnoepsters, die naar bloemen komen;
2. de snoepsters van vochten, die uit ontbonden stoffen vloeien,
zooals mest;
3. roofvliegen zuigen andere insecten uit;
4. steekmuggen en steekvliegen zuigen bloed van mensch en dier;
5. bloedzuigende uitwendige parasieten, zooals de luisvlieg.
De plaats der vliegen en muggen in de huishouding der natuur.
De plaats, die de tweevleugeligen innemen, hangt geheel af van het
voedsel, dat zij tot zich nemen, en de omstandigheden, waaronder dit
geschiedt:
1º Sommige brengen ziekten over; dat doen de steekmuggen en de
gewone kamervliegen: malaria, typhus, cholera, gele koorts en
andere ziekten.
2º Vele vliegen en muggen veroorzaken plantenziekten: koolvlieg,
Hessische mug, wortelvlieg.
3º De in- en uitwendige parasieten van zoogdieren, tappen dezen
dieren bloed en andere sappen af.
Tegenover deze onaangename dingen, staat ook heel wat goeds:
4º Zij ruimen veel vuil op, dat de larven „wegeten”: mest, lijken;
zij zijn uitstekende „opruimers” in de natuur, echte
„schoonmaaksters”.
5º De parasietvliegen dooden veel schadelijke rupsen.
6º Veel bloemen worden door de vliegen bestoven; sommige zelfs
uitsluitend door haar.
7º Veel larven en imago’s dienen tot voedsel voor vogels, amphibiën
en reptielen en visschen.
Uit het voorgaande blijkt, dat de plaats, die de tweevleugeligen in de
natuur innemen, een zeer belangrijke is.
INDEELING.
Het kan niet onze bedoeling zijn, hier een wetenschappelijke indeeling
te geven, maar op enkele groote groepen of families te wijzen, als:
galmuggen, steekmuggen, langpootmuggen, dazen, zweefvliegen,
kamervliegen, vleeschvliegen, parasietvliegen, horzels, luisvliegen en
kultuurplantenbeschadigsters.
Van al deze families zullen wij nu 1 of 2 vertegenwoordigsters
beschrijven.
No 145. Hessische Mug. (Mayetiola destructor). Deze mug is maar een
klein dier, 2½ à 3½ m.M. lang, doch de schade die zij in tarwe, rogge,
gerst aanricht, is zeer groot. Men noemt haar Hessische mug, omdat de
Amerikanen meenen, dat soldaten uit Hessen haar in 1779 met stroo naar
Amerika hebben overgebracht. Het wijfje legt de eieren op de bladeren
en de larven zakken dan omlaag naar de bladscheden. Hier zuigen ze aan
de cellen, wat ten gevolge kan hebben, dat de stengels omvallen. Waar
de larven leven, verpoppen zij ook. De heele ontwikkeling kan wel in 4
tot 6 weken afloopen, zoodat meerdere generaties in één jaar optreden.
Het weer heeft hierop evenwel veel invloed. De pop kan zeer goed tegen
uitdroging. Door de landbouwers worden allerlei middelen aangewend om
deze mug te bestrijden. Vruchtwisseling is zeer aan te bevelen, omdat
die het meest afdoende bestrijdingsmiddel is. In Amerika heeft men
reeds 4 soorten van sluipwespen ontdekt, die ons helpen in den strijd;
men zou kunnen beproeven deze parasieten kunstmatig te kweeken.
No 146. Steekmug. Mannetje en wijfje. (Culex pipiens). Op Plaat I No 3
zijn afgebeeld een larve en een pop van de steekmug. Men leze nog eens
over wat daarbij is geschreven, want dat staat in ’t nauwste verband
met de bestrijding van deze muggen. Over de heele wereld zijn 500
soorten van deze steekmuggen bekend, terwijl er in ons land 10 à 12
soorten voorkomen. De eieren worden alle in ’t water afgezet, soms
vereenigd tot een vlotje van een 200 stuks. Is ’t noodig, dat de
steekmuggen bloed zuigen? ’t Schijnt van niet, want er komen veel
steekmuggen voor op plaatsen, waar de mensch niet leeft, b.v. in
bosschen en ook in ’t hooge noorden. Poolexpedities moesten daar wel
terug om de vele muggen die daar leven op visch en rottende stoffen.
Van de steekmuggen is alleen het wijfje gevaarlijk; dat steekt zijn
snuit in de huid en zuigt dan het bloed op. Het mannetje is te
herkennen aan de fraai gepluimde sprieten; het steekt niet. Dat de
steekmuggen ons een beetje bloed aftappen, is nog zoo erg niet; ieder
mensch bezit een 4 of 5 L. bloed, dus er kan zonder gevaar wel een
beetje af. Maar het gevaar zit hierin, dat deze muggen ziekten
overbrengen. Zij steken zoowel gezonde als zieke menschen, en nu is het
te begrijpen, dat daardoor smetstoffen van den een op den ander worden
overgebracht. Straks, bij het volgende plaatje, zullen wij er iets meer
van vertellen. Men hoort zoo dikwijls zeggen: „de koorts is mij op het
lijf gevallen” en als men het verloop eens kon nagaan, zou menigmaal
blijken, dat de smetstof, die de koorts veroorzaakt, door muggen,
vlooien of andere parasieten is overgebracht.
De steekmuggen overwinteren als imago, en wel alleen de wijfjes, die
zich dan verschuilen in den kelder, in gangen, onder waranda’s en
andere donkere plaatsen. Als iemand dus in ’t voorjaar vraagt: „Waar
komen die muggen toch vandaan?” dan kunnen wij hem antwoorden: „Die
hebben den geheelen winter bij U in den kelder tegen den zolder en de
muren gelogeerd.” De kelders moet men ’s winters uitzwavelen of met een
brandenden flambouw bewerken. Ook kan men de muggen dooddrukken.
En als we ’s zomers de muggen in huis hebben? Men kan als
voorzorgsmaatregel horretjes plaatsen en tegen den avond de ramen
sluiten. Een gordijn van gaas over het ledikant. De muggen, die tegen
de muren zitten, kan men ’s avonds met een glas vangen, dat aan de
binnenzijde voor een deel met petroleum is besmeerd. Als men zoo’n glas
vlug over een zittende mug brengt, dan bedwelmt ze direct. Men vangt
zoo deze dieren zonder het behang te bemorsen. De ontwikkeling der
muggen gaat zeer snel. Van ei tot mug duurt tot 3 weken en dan begint
over 2 weken het eierleggen. Zoodoende krijgen we wel 5 generaties in
één jaar. Eén mug in ’t voorjaar kan in ’t najaar reeds 100 x 100 x 100
x 100 x 100 vrouwelijke nakomelingen hebben. Gelukkig dat er velen
verongelukken als larve. De wijfjes zijn 5 tot 6 m.M. lang.
No 147. Malaria-mug. Mannetje en wijfje. (Anopheles maculipennis). Deze
mug komt ook in ons land voor en de larven leven in meer grootere
wateren dan de vorige steekmug. Men kan de kleine zwarte larven daar
vinden aan de onderzijde van het kroos en het flap. De malaria-mug is
te herkennen aan de gevlekte vleugels en de ongevlekte pooten. Er zijn
nog meer kenmerken, doch die kunnen zonder teekening niet duidelijk
worden gemaakt. Een malaria-mug zit schuin tegen een muur, met het
achterlijf naar boven; een gewone steekmug zit evenwijdig aan den muur.
Hoe bezorgt ons deze mug nu de koorts? Zelf heeft deze mug de smetstof
niet, doch als zij eerst een malaria-lijder steekt en van hem de
smetstof opneemt en daarna een gezond mensch prikt, brengt ze de
ziektekiemen over op den gezonden mensch. De malaria-mug is dus de
overbrengster van de ziektestof. Als er geen malarialijder in de buurt
is, kan de mug, ook al steekt ze ons, geen malaria overbrengen. De
wijfjes zijn 6 tot 8 m.M. Over de malaria-mug is heel wat literatuur
verschenen, ook in ons land. In de warme landen worden de gele koorts
en andere koortsen ook door steekmuggen verspreid.
No 148. Langpootmug. (Tipula oleracea). De langpootmuggen zijn wel onze
grootste muggen, vooral door haar lange pooten. De kleur is aschgrauw
tot geelbruin. Ze komen overal voor en we kennen al meer dan 30 soorten
in ons land. De mug legt haar eieren in graslanden, waar dan de larven
(emelten) aan de wortels der grassen vreten. Ook in moestuinen komen ze
voor, en overal waar ze zijn, doen ze veel schade. Tegenwoordig doen de
emelten veel van zich spreken op de nieuwe ontginningen in het oosten
van ons land. Het schijnt, dat daar te weinig vogels zijn, want die
houden gewoonlijk een flinke opruiming onder hen. De emelten
verplaatsen zich ’s avonds over den grond. Als men leege bloempotten of
glazen tot den rand ingraaft, vallen ze daar wel in.
De langpootmuggen komen ’s avonds in verlichte kamers binnenvliegen en
zijn zelf geheel onschadelijk. Omdat de dieren groot zijn, kunnen wij
ze gemakkelijk eens bekijken; de kolfjes zijn zeer goed te zien.
No 149. Runderdaas of Brems. (Tabanus bovinus). De daas behoort tot de
groep der steekvliegen; het zijn ook hier weer de wijfjes, die aan de
dieren het bloed aftappen. De daas zelf is een der grootste vliegen en
22 tot 24 m.M. lang. Zij achtervolgt de runderen, die vreeslijk bang
voor haar zijn; als dol rennen de koeien door de weide. Van dit
geslacht zijn al een 1000 soorten bekend, zoodat ze heel wat
onaangenaams veroorzaken. Sommigen brengen ook ziekten over, wat van
deze bloedzuigers is te verwachten.
De daas legt de eieren op den grond, waar de larven verder in de weide
leven. De mannetjes, die geen bloed zuigen, voeden zich met honing of
met boomsappen; men vindt ze dikwijls tegen boomstammen, waar sap
uitvloeit. Dat alleen de wijfjes bloed zuigen staat hiermede in
verband, dat zij dit bloed noodig hebben voor de ontwikkeling der
eieren.
No 150. Zweefvlieg. (Syrphus ribesii). Het komt herhaaldelijk voor, dat
wij plotseling een vlieg in de lucht zien blijven „staan”; dat is dan
een „zweefvlieg” of „staande vlieg”. Men kan ze zoo herhaaldelijk boven
de bloemen zien staan. De afgebeelde is een zeer gewone; sprieten,
pooten en buik van het achterlijf rood geel; lengte 13 m.M. De eieren
worden gelegd op de bladeren; de larven zijn bekend als uitzuigsters
van bladluizen, behooren dus tot de nuttige dieren. Het valt niet
moeilijk deze larven aan het werk te zien. Larven van andere
zweefvliegen leven in modder en andere stoffen en behooren dus tot de
opruimers. Omdat de zweefvliegen gaarne honing snoepen, en dus veel de
bloemen bezoeken, bevorderen ze in hooge mate de kruisbestuiving.
No 151. Kamervlieg. (Musea domestica). De larve en de pop zijn
afgebeeld op Plaat I No 1. Daar hebben wij toen over het leven der
larven geschreven. Wij hebben toen opgemerkt, dat die larven nuttige
dieren zijn, omdat ze veel vuilnis verwerken en opruimen, vooral
paardenmest en ook anderen afval. Zoo nuttig de larve is, zoo lastig en
gevaarlijk is de vlieg. De kamervlieg is de overbrengster van typhus,
tuberculose, cholera en nog andere besmettelijke ziekten. De
zomerdiarrhee bij kleine kinderen verspreidt zij; ook o.a. huidziekten.
Hoe zij dat doet? Een vlieg is een snoepster en zit overal op; het
vuilste en smerigste bezoekt ze evengoed als een suikerpot; daardoor
brengt ze allerlei ziektekiemen over. Als het raam van de kamer, waarin
een choleralijder ligt, openstaat, komt de vlieg naar binnen en zet
zich b.v. neer op de bevuilde beddelakens of onderkleederen, en neemt
zoo de cholerabacillen mee. Ze vliegt vervolgens weg en zet zich in een
ander huis op het brood neer, dat nu met cholerabacillen wordt besmet
en slachtoffers maakt. Daarom moet met kracht de kamervlieg bestreden
worden. Ze is een echte cosmopoliet en komt overal voor. Steken doet ze
niet; daarvoor zijn haar monddeelen niet geschikt. Het beste middel om
haar te bestrijden is den mest op te ruimen, dan ontnemen wij haar de
broedgelegenheden. Over den mest kalk en creolin; daarmede ook de naden
der stalvloeren reinigen.
De kamervlieg wordt aangevallen door een schimmel; in ’t najaar ziet
men de vliegen zitten met uitgestrekte ledematen en gezwollen
achterlijf, omringd door een wit, fijn poeder. Dat is het werk van een
schimmel. De kamervliegen komen veel meer op het platteland dan in de
steden voor; in de steden ligt geen mest bij huis.
No 152. Steekvlieg. (Stomoxys calcitrans). Als we zoo in den zomer
plotseling door kousen en kleederen heen gevoelig worden gestoken, dan
is dat het werk van de steekvlieg. Behalve den mensch steekt zij ook
het vee. Mannetje en wijfje steken beiden; bij de steekmuggen en dazen
steken alleen de wijfjes. Vooral in paardenstallen komt de steekvlieg
voor, want de eieren worden in verschen paardenmest gelegd. In
September komt ze ook veel in de huizen. Men kan ze herkennen aan den
vrij langen, dunnen, hoornachtigen zuiger; ze lijkt anders veel op de
kamervlieg. De steekvlieg schijnt in verband te staan met de
verspreiding van de kinderverlamming. Deze vlieg komt ook veel voor op
Java en veroorzaakt in Britsch-Indië de soera-ziekte onder de runderen.
Juist omdat ze cosmopoliet is, is ze zoo gevaarlijk voor den mensch.
Steekvlieg en kamervlieg zijn evenlang, 6–7 m.M.
No 153. Brom- of Vleeschvlieg. (Calliphora erythrocephala). Deze
brommer is de schrik van de huismoeders, want die vlieg heeft de
gewoonte op vleesch haar eieren te leggen. Reeds den anderen dag komen
uit de eieren de maden, en dat is dan zoo’n vies gezicht, dat men het
vleesch wegdoet. Om deze aanvallen te voorkomen, zet men het vleesch in
een vliegenkast. In de vrije natuur is de bromvlieg anders zeer nuttig,
want zij legt haar eieren daar in allerlei vleeschafval, enz., die zij
netjes door haar larven laat opruimen. En dat zij nu onze biefstuk ook
voor een stuk van een dierenlijk aanziet, is haar niet kwalijk te
nemen; ze heeft immers gelijk? En zij kan het toch niet helpen dat de
mensch ook geworden is een „opruimer” van dierenvleesch? Zoodoende zijn
bromvlieg en de mensch „concurrenten”.
De bromvlieg is 11 à 12 m.M. lang, zwart, met een glanzig staalblauw
achterlijf.
No 154. Schaakbord. (Sarcophaga carnaria). Ook deze vlieg behoort als
de vorige, tot de opruimers. De eieren worden in ’t lichaam al
uitgebroed, zoodat deze vlieg een „larvelegster” is. Vooral op
dierenlijken, doode honden, katten, enz., legt zij haar larven, die
dadelijk aan den slag trekken. Ze zijn dus zeer nuttig. Men noemt deze
vlieg „schaakbord”, omdat het achterlijf „grijs en zwart geblokt” is,
zoodat het op een schaakbord gelijkt. In huis komt ze weinig. Oogen
helrood, pooten zwart. Lengte 8 tot 15 m.M.
No 155. Nonvlinder-Parasietvlieg. (Parasetigena segregata). Deze vlieg
is zeker wel de grootste vijand van de nonvlinder-rupsen, en daardoor
is het dier van groote waarde voor de boschkultuur. Toen wij vroeger
het parasitisme bespraken, hebben wij reeds op de beteekenis van de
parasietvliegen gewezen. Zij leggen haar eieren op de rupsen, en de
larven, die hieruit komen, werken zich naar binnen, en eten allengs de
geheele rups uit. Als zij in voldoend aantal aanwezig zijn, dan brengen
zij rupsenplagen tot staan. De parasietvliegen vertoonen het echte
vliegentype, hebben niet-behaarde sprieten, en groote stekelharen op
het achterlijf. Van deze vliegen zijn reeds honderden geslachten
bekend, zoodat zij jaarlijks zeer veel slachtoffers maken. Het zijn dus
ook „opruimers”, maar zij ruimen levende dieren op. Behalve rupsen
worden ook andere insecten, b.v. hommels, geïnfecteerd. Bij het
opkweeken van allerlei rupsen komen we herhaaldelijk in aanraking met
verschillende sluipvliegen.
No 156. Runderhorzel. (Hypoderma bovis). Dit is inderdaad een mooie
vlieg, die iets op een hommel gelijkt. Ze is 13 m.M., dus lang niet
klein. Maar hoe mooi ze ook is, ieder jaar brengt ze ons een schade toe
van een paar millioen gulden, en dat is geen kleinigheid. De zaak zit
zoo. De horzel zet haar eieren af op het lichaam van een koe; hoe dat
eigenlijk gaat, waar, wanneer, weet men nog niet precies. De zaak is
nog in onderzoek. In ieder geval uit de eieren komen larven, en die
larven vindt men na eenigen tijd in de koe vlak onder de huid. Die
larve doet zich daar te goed en groeit zoo flink, dat we op den rug van
de koe bultjes kunnen zien. Met eenige handigheid drukken wij de larven
door het gaatje heen, dat ze al zelf gemaakt heeft. Is de larve
volwassen, dan is ze 22 tot 28 m.M. lang en 11 tot 15 m.M. breed, dus
een groot dier. Het blijft niet onder de huid, doch het werkt zichzelf
naar buiten en valt dan op den grond; hier wordt het een pop, graaft
zich den grond wat in en na een week 3 of 4 komt de horzel voor den
dag. De wond, die de larve in de huid heeft gemaakt, geneest wel, doch
het gat blijft bestaan, en als van de huid nu leer wordt gemaakt,
krijgen we „leer met gaatjes”, dat veel minder handelswaarde heeft.
Afgescheiden van het nadeel, dat het rund van deze „kostgangsters”
heeft, maken ze het leer voor vele doeleinden ongeschikt.
Daarom beproeft men deze horzels te bestrijden. Dat gaat op deze
manier. Men haalt de larven met een pincet of een naald uit de huid en
doodt ze daarbij. Als men dit geregeld en overal toepast—maar zoover
hebben wij het nog niet—dan vermindert het aantal horzels zoo sterk,
dat ze weinig nadeel meer kunnen doen. In Nederland ziet men nog niet
overal het groote belang van deze zaak in.
PLAAT XIV.
VLIEGEN. VLOOIEN. BLADWESPEN. SLUIPWESPEN.
No 157. Schapenhorzel. (Oestrus ovis). De runderhorzel, op het vorige
plaatje afgebeeld, is een z.g. huidbewoner; er zijn ook horzels die in
de maag of darmen van zoogdieren leven, b.v. de paardenhorzel. Een
derde soort horzels worden holtebewoners genoemd en daartoe behoort de
schapenhorzel. In den zomer en nazomer vertoont de horzel zich. Als ze
vliegt in de nabijheid van de schapen worden deze dieren beangst en
trachten de neusgaten te verbergen; op alle mogelijke wijzen willen zij
de horzel ontgaan. Maar ’t baat niet. De horzel komt toch naderbij en
legt in de neusholte wat larven; de eieren waren in ’t horzel-lichaam
al uitgekomen. De larven werken zich naar boven en ook den
voorhoofdsboezem in. Hier leven ze van het slijm en andere stoffen van
den kop. Doordat zij de vliezen prikkelen heeft er een ruime
vochtafscheiding plaats. In ’t voorjaar, als de larven volwassen zijn,
verlaten ze de neusholten op tijdstippen, dat het schaap niest. Ze
komen dan tusschen het gras terecht en verpoppen daar. In Juli tot
September komen er dan weer nieuwe horzels. Het spreekt vanzelf, dat de
aanwezigheid van deze larven hoogst onaangenaam voor de schapen is. Zij
raken veel slijm kwijt, wrijven met den neus over den grond, loopen met
den kop te slingeren, worden duizelig. De schapen vermageren zichtbaar.
Zoodra men iets van de maden merkt, geeft men de schapen wel wat snuif
om ze sterk te laten niezen, waardoor de larven of maden naar buiten
komen. Men zegt van zulke aangetaste schapen dat ze lijden aan de
valsche draaiziekte.
No 158. Koolvlieg. (Chortophila brassicae). Dit 6 m.M. lange vliegje
heet ook wel Anthomyia antiqua, maar hoe klein het ook is, het
veroorzaakt heel wat schade. Daar weten de koolbouwers in Langendijk,
in de Streek en op andere plaatsen in N.-Holland en elders, van mee te
praten. Het vliegje is de oorzaak van de „vallende ziekte” in de
koolplanten. De ontwikkeling is aldus. Het vliegje overwintert op
allerlei plaatsen, waar het een beetje beschut zit. Zoodra nu op de
kiembedden of koolbanen de plantjes flink aan den groei zijn, komt het
koolvliegje en legt zijn eitjes vlak bij den jongen wortel. De larven
vreten zich verder naar boven den stengel in, soms in de bladstelen. De
koolplanten worden dus ondermijnd en als er nog een matige kool van
groeit, valt die gewoonlijk om; dat zijn dan de vallers. Behalve op de
kiembedden valt het vliegje de koolplanten ook op het veld aan. In één
jaar komen verscheidene generaties, zoodat het met recht een
vreeselijke plaag kan worden. Veelal gaan de aangetaste planten nog
kankeren ook; dan is er een zwam bij gekomen. Wat kan men nu tegen het
koolvliegje doen? Het eenige is te beletten, dat de eieren bij den
wortel worden gelegd en dit wordt voorkomen door om de planten op den
bodem een papieren kraag te leggen. Men knipt een rond of zeshoekig
stuk papier; daarna knipt men van den rand naar het midden de kraag
open en legt haar zoo om de plant. Dat middel schijnt goed te helpen.
In ieder geval weert men op deze wijze het vliegje af.
De koolvlieg valt ook de kool aan, die in de schuren wordt bewaard; ’t
is dus wel een boosdoenster. Eenige kevers, mijten en een sluipwesp
maken jacht op de larven. Ook heeft men waargenomen dat kraaien de
aangetaste planten uit den grond trokken om zoo de larven te
bemachtigen.
No 159. Kaasvlieg. (Piophila Casei). Dit vliegje, 4–5 m.M. lang, is
veel minder bekend dan zijn larven; dat zijn de z.g. „maaien” of
„kaasmaden”. ’t Is een zwart vliegje, zonder beharing, met vuilgele
pooten. De vleugels zijn glashelder. De eieren worden op kaas gelegd en
de maden, die hieruit komen, doen zich hieraan te goed; zoo’n kaas is
een luilekkerland voor haar. De maden worden 8 m.M. lang, zijn wit en
rolvormig. Raakt men haar aan, dan rollen zij zich cirkelvormig op en
springen dan plotseling weg door het lichaam te strekken. Dit komt bij
weinig larvensoorten voor. In kaaspakhuizen komen ze nog al eens voor;
de vliegjes zitten dan wel tegen de ramen. In één jaar komen
verscheidene generaties voor. Het eenige middel om zich te wapenen
tegen de kaasvlieg is de kaas b.v. door een blaas af te sluiten. Ook
papier is goed, want daarop legt de vlieg geen eitjes.
No 160. Wortelvlieg. (Psila rosae). Deze vlieg is de oorzaak van de
wormstekigheid van de peen en omdat deze kwaal nog al veel voorkomt en
niet allen de oorzaak en de bestrijding kennen, willen we deze vlieg
wat uitvoeriger bespreken. Wie peen teelt, kan er dan zijn voordeel
mede doen. Het vliegje is glanzend zwart, zeer klein, slechts 4½ m.M.
lang. Het diertje legt de eieren aan de wortels van peen, selderie,
peterselie en ook wel aan die van karwij. Uit de eieren komen maden en
die vreten gangen in de wortels. Hoe meer maden er zijn des te erger is
de verwoesting. Na drie of vier weken is de made volwassen en verpopt
zich even onder de oppervlakte van de aarde. Na 8 dagen komt hieruit
reeds het vliegje, dat weer eieren gaat leggen. Meerdere generaties
krijgen we zoodoende in één jaar. De allerlaatste generatie verpopt ook
in den grond, doch dan blijven de poppen den heelen winter in den grond
liggen en eerst in ’t voorjaar komen de vliegen voor den dag. De
deugnieten blijven dus den winter over in onze tuinen. Wat kunnen wij
hiertegen doen?
1. Omdat de vliegjes den grond inkruipen om aan de wortels eieren
te leggen, moeten wij zorgen, dat er zoo weinig mogelijk
scheurtjes, gleufjes of andere openingen in den grond zijn. Den
grond dus bedekken met zand, kalk, asch enz.
2. Na het dunnen de gaatjes aanvallen, zooals hiervoor is gezegd.
Uit een wortelbed geen wortels trekken, want dan maken wij gaten,
waardoor de vliegjes weer gemakkelijk bij de wortels kunnen komen.
3. Tusschen de planten zand, gedrenkt in petroleum, strooien; dat
houdt de vliegen weg, die niet op petroleum gesteld zijn.
4. Men maakt een petroleum-emulsie: 5 L. water, 1 L. petroleum en 1
K.G. groene zeep, worden goed dooreen gemengd. Hiermede begiet men
het zaadbed na het zaaien, na het opkomen en na het uitdunnen der
wortels.
5. Men tele eens geen wortelen, selderie of peterselie. De vlieg
blijft dan weg. (Maar misschien krijgen we ze het volgende jaar
weer uit buurmans tuin).
6. In den herfst den grond flink omspitten en gespit laten liggen;
de poppen die dan boven zijn gekomen, gaan in den winter misschien
dood. Is het voorjaar geworden, dan dezen grond diep omspitten,
zoodat de overgebleven poppen ook flink diep komen te liggen, en de
vliegjes die uit de poppen komen, niet door de dikke aardlaag naar
boven kunnen kruipen.
No 161. Schapenluisvlieg. (Melophagus ovinus). Dit is de laatste vlieg,
die wij beschrijven. Goeds valt er niets van te vertellen; ’t is een
uitwendige parasiet, die den dieren bloed aftapt. De groep, waartoe
deze vlieg behoort, noemt men luisvliegen. Andere soorten leven op
paarden, herten, reeën, en vogels. Men noemt ze wel „poppenleggers”
omdat men meende, dat zij poppen legden; dit is onjuist. Zij brengen
volwassen larven ter wereld, telkens één, die zich dadelijk gaat
verpoppen. Door de parasitische leefwijze is haar voorkomen geheel
veranderd. Ze hebben forsche pooten met krachtige klauwtjes, om zich
goed te kunnen vasthouden. Het lichaam is plat en de vleugels
ontbreken. Het dier is 5. m.M. lang, bruin van kleur, en vrij dicht,
kort en stekelig behaard. De zuiger is hoornig en binnenin zit nog een
hoornige stift.
Om deze luisvliegen te bestrijden gebruikt men verschillende
waschmiddelen. Intusschen verdient het ook aanbeveling de
schapenstallen goed te reinigen, want daarin huizen er ook
verscheidene, die op de een of andere manier van de schapen afraken.
Hiermede eindigen wij de beschrijving der muggen en vliegen. Uit ’t
medegedeelde is gebleken, dat deze insecten velerlei rol vervullen in
de huishouding der natuur.
Vlooien.
No 162. Menschenvloo. (Pulex irritans), 17de Orde der insecten. Er is
al geen onaangenamer parasiet dan de vloo. Zij plaagt ons dag en nacht,
en bij elke gelegenheid. Ons er volkomen tegen wapenen kunnen we niet,
want in trams, booten, spoor, openbare gebouwen, in vergaderzalen,
overal kunnen ze ons bespringen. Behalve de mensch, worden ook veel
dieren door vlooien gekweld; dat zijn dan andere soorten. Totaal zijn
er in ons land 16 soorten bekend. Laten we eerst iets over het lichaam
zeggen. De oogen zijn puntoogen; de facetoogen zijn verloren gegaan. Er
zijn vele vlooien zonder oogen. Sprieten zijn 3-ledig; het eerste lid
heeft 9 à 10 inkervingen.
De monddeelen zijn stekend-zuigend. Eerst wordt een wonde gemaakt,
(geprikt), dan vloeit het bloed er heen en wordt opgezogen. Om het
bloed rijkelijk te doen vloeien, brengt de vloo speeksel in de wonde.
Mannetje en wijfje steken beiden.
Op het borststuk komen 3 paar stigma’s voor; alle andere insecten
hebben daar maar 2 paar. Vleugels ontbreken. Als ze nog vleugels
hadden, waren ze in ’t geheel niet te vangen. Het aantal pooten is
normaal, dus 6; de voorste zijn de kleinste, de achterste zijn
springpooten met forsche dijen. Vlooien, die op vogels en vleermuizen
leven, springen in ’t geheel niet. Het achterlijf is groot, vooral bij
de wijfjes.
De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago. De eieren
zijn betrekkelijk groot, wit, glad, en ongeveer 20 in aantal. De larven
hebben geen pooten en geen oogen, en worden 5 m.M. lang. De larve spint
zich in een klein coconnetje, en daarin komt een pop met zichtbare
organen. De heele ontwikkeling van ei tot vloo duurt ongeveer één
maand. We kunnen dus heel gauw een leger vlooien in huis hebben.
Voedsel der larven. Hierover bestaat nog verschil van gevoelen. Men kan
de dieren niet gemakkelijk kweeken en daarom weinig of geen proeven met
hen nemen. Intusschen gebruiken ze de stikstofhoudende schilfers, die
van de menschelijke huid vallen, en terecht komen in de naden der
vloeren, vooral van slaapkamers. Ook in hooi leven wel larven. Als
larve leeft dus de menschenvloo niet op den mensch, doch op plaatsen,
zooals de naden van vloeren, waar veel afval terecht komt.
Hoe zullen wij nu de vlooien bestrijden? Door haar te vangen raken wij
ze toch niet kwijt, want uit de vloernaden komen telkens weer nieuwe.
Insectenpoeder geeft ook niet. We moeten de vlooien geen gelegenheid
geven eieren te leggen, en zoo dit toch is geschied, de larven dooden.
Daarom moeten wij de vloeren der slaapkamers en vooral de naden, met
kokend sodawater reinigen; dat doodt de eieren en de larven. De
vlooienbestrijding moet dus op den vloer plaats hebben.
In musea laat men mannen loopen met bloote beenen, waaromheen geteerd
papier; de vlooien springen hiertegen en blijven vastzitten. Ten slotte
willen wij er op wijzen, dat de vlooien zeer gevaarlijk zijn door het
overbrengen van ziekten, net als de steekmuggen. Zoo brengt de
rattenvloo de pest van de ratten over op den mensch. Deze vreeslijke
ziekte heerscht op het oogenblik op Java, en eischt dagelijks veel
slachtoffers. De pest is eigenlijk een rattenziekte, die de vlooien van
rat tot rat overbrengen. Wij dienen de vlooien dus overal krachtig te
bestrijden. Op allerlei dieren komen vlooien voor.
Uit het bovenstaande blijkt voldoende, dat het niet waar is, dat
vlooien zoo maar uit niets in vuil kunnen ontstaan. Iedere vloo is
ontstaan uit een vlooien-ei, dat door een oude vloo is gelegd.
Vliesvleugeligen.
Thans beginnen we met de laatste of 19de Orde der insecten, de
Vliesvleugeligen of Hymenoptera. Dit is de hoogst georganiseerde groep
en daarom dan ook zeer belangrijk. Hiertoe behooren: blad-, hout-,
gal-, sluip- en goudwespen, mieren, graafwespen, gewone wespen, bijen,
hommels. Er zijn al een paar duizend soorten bekend, maar zeker is het,
dat er nog een massa onbekend zijn. Vermoedelijk is deze orde de
talrijkste.
Algemeene beschrijving.
1. De gedaanteverwisseling is volkomen.
2. De volwassen dieren hebben een stevige, dikke chitinehuid, veel
dikker dan de vliegen.
3. Sprieten meestal eenvoudig; toch zijn het zeer belangrijke
organen.
4. Behalve de 2 oogen zijn er gewoonlijk 3 puntoogen op den
schedel.
5. De monddeelen zijn kauwend, dus eenvoudig gebouwd; alleen bij de
bijen en hommels zijn de onderkaken en onderlip gewijzigd tot een
zuig- of likorgaan. De bovenkaken zijn sikkelvormig en scherp
gepunt en meestal getand; het zijn dus organen waarmede arbeid kan
verricht worden. Die bovenkaken worden gebruikt:
a. voor het grijpen en kneuzen van het voedsel;
b. om den cocon open te bijten;
c. om zich te reinigen;
d. bij den woningbouw (wespen, bijen).
6. Vleugels. De voorvleugels zijn het grootst; voor- en
achtervleugels zijn verbonden door haakjes, net als bij de
bladluizen. Daardoor zijn het goede vliegers. Soms ontbreken de
vleugels. De werksters bij de mieren zijn ongevleugeld.
7. Pooten. Deze zijn vaak eigenaardig gebouwd; zoo bezitten sommige
stuifmeelverzamelende vliesvleugeligen korfjes aan de achterpooten.
Daarop komen we nog terug.
8. Achterlijf. Hier treffen we een legboor aan; soms is die legboor
gewijzigd tot een angel (bijen, wespen, hommels). Hommels zijn
dicht behaard, sluipwespen zijn kaal.
9. Larven. De hymenoptera-larven zijn in 2 groepen in te deelen:
a. rupsvormige (bastaardrupsen), b. madevormige, en zoo zijn de
meeste. Bastaardrupsen zijn de larven van bladwespen (No 6 en
No 11). De madevormige hebben geen pooten en leven in gallen
(galwespen), ook wel parasitisch (sluipwespen), worden ook wel
door de moeder van voedsel voorzien (graafwespen) of worden
door andere imago’s gevoerd (bijen, mieren, wespen).
10. Poppen. De poppen zijn altijd vrij, de vleugel-, de poot-, de
legscheden, ze zijn alle vrij van elkaar gebleven. Het heele dier
is aan de pop al te herkennen.
11. Verschillen tusschen de mannetjes en de wijfjes. De wijfjes
hebben een legboor of een angel; de mannetjes steken niet. Het
mannetje is meestal kleiner, teerder en slanker, maar het bezit
vaak langere sprieten.
Bijna alle vliesvleugeligen zijn zeer bedrijvige en rustelooze dieren;
zie de bijen, hommels en wespen maar eens bij haar bloemenbezoek. En
dan de mieren. „Ga tot de mieren, gij luiaard, en wordt wijs”. Alleen
blad- en galwespen zijn niet zoo vlug; daarom zien de leeken deze
dieren aan voor vliegen.
Zooals we reeds zeiden, zijn de vliesvleugeligen de hoogst ontwikkelde
insecten; dat blijkt uit haar technische vaardigheid en uit haar
staten-vorming (sociale insecten).
Achtereenvolgens zullen wij nu beschrijven:
1. bladwespen (No 163 en No 164),
2. houtwespen (No 165),
3. galwespen (No 166),
4. sluipwespen (No 167 en No 168),
5. mieren (No 169–No 171),
6. graafwespen (No 172 en No 173),
7. wespen (No 174),
8. bijen (No 175–No 177),
9. hommels (No 178–No 180).
De vier eerste groepen bezitten een legboor, de andere een angel.
Bladwespen.
Bladwespen zijn in ’t algemeen trage dieren; vaak kan men ze met de
hand van het blad nemen. De wijfjes hebben een zaagboor; daarmede zagen
zij een gleuf in een bepaald plantendeel, en leggen daarin haar eieren.
Sommige bladwespen leggen de eieren gewoon op de bladeren. De larven
heeten bastaardrupsen; zie Plaat I No 6 en No 11. Zij lijken veel op
rupsen; de meeste komen daarmede ook overeen in leefwijze, omdat ze op
planten leven. Een leek ziet een bastaardrups voor een rups aan. Reeds
vroeger hebben wij de verschillen opgenoemd: een bastaardrups heeft 2
puntoogen en een rups 12; bovendien heeft de eerste veel meer
buikpooten, n.l. 16.
Als een bastaardrups verontrust wordt, als er sluipwespen in de buurt
zijn, dan neemt zij een schrikstand aan, de S-houding. Andere
bastaardrupsen hullen zich in een laagje witte was of in een slijmlaag;
sommige spuiten vocht uit (No 6).
Bladwespen komen veel voor; men treft ze aan op: kruisbessen, roode en
witte aalbessen, berk, den, els, knollen, rapen, mosterd, ooftboomen,
roos, spar en wilg. Men kan ze dus overal vinden.
No 163. Kruisbessenbladwesp. (Pteronus ribesii of Nematus ventricosus).
De eerste is de nieuwe, de tweede de oude naam. Deze bladwesp is zeer
berucht in ons land, omdat de bastaardrupsen groote verwoestingen in de
bessenstruiken aanbrengen. Als men in Mei of Juni hoort van een
„rupsenplaag in de bessen”, dan is het altijd over deze bastaardrups.
De tuinders maken geen onderscheid tusschen rupsen en bastaardrupsen;
trouwens de meeste kennen het verschil ook niet. Vroeg in ’t voorjaar
komt de bladwesp uit den grond; ze is 8 m.M. lang; vlucht 16 à 17 m.M.
Roodachtig geel met zwarten kop; vleugels helder. Als deze wesp uit den
grond komt en zich op de bladeren zet om eieren te leggen, merken de
bessenkweekers dit niet; ’t dier lijkt precies een vlieg. Uit de eieren
komen de bastaardrupsen, die zich aan den rand der bladeren zetten en
deze zoo oppeuzelen. Ze zijn groen, met zwarte puntjes; achter den kop
en op het einde van het lichaam geel; kop glimmend zwart.
Einde Mei, begin Juni, zijn ze volwassen en dan 15 m.M. lang. Nu gaan
ze naar omlaag, kruipen den grond in, verpoppen daar, en na 3 à 4 weken
komen er weer bladwespen uit den grond. Deze gaan ook weer eieren
leggen en nu worden de bessenstruiken geteisterd door de tweede
bastaardrupsenplaag. Is het weer zeer gunstig, dan kan er een derde
generatie komen. Op deze wijze komt er van de bessen weinig terecht.
Hoe kan men deze dieren nu bestrijden? Het goedkoopste middel is de
struiken te bespuiten met koud water. Heeft men vooruit kranten onder
de struiken gelegd, dan rollen de bastaardrupsen daarop, en kan men ze
vernietigen. Verder zou men de struiken kunnen besproeien met de
volgende oplossing: 100 L. water en daarin 5 H.G. versch gebluschte
kalk en 1 H.G. uraniagroen (vergift). Deze besproeiing is de dood voor
de larven.
Heeft men maar een klein bessentuintje, dan kan men de bastaardrupsen
er in Mei afzoeken. De laatste generatie overwintert in den grond.
No 164. Dennenbladwesp. (Lophyrus pini). Op Plaat I No 11 is de
bastaardrups van deze wesp afgebeeld; uitvoerig is deze larve
beschreven. Van de wesp valt niet veel te vertellen. Het mannetje is
slanker dan het wijfje; de sprieten zijn bij de eerste gekamd, bij de
tweede gezaagd. Het mannetje is grootendeels zwart, het wijfje in den
regel ook zwart, met veel geel, roodgeel of geelachtig groen er
doorheen. De cocons zijn vast en leerachtig.
Houtwespen.
Deze leggen haar eieren meestal in zieke boomen, ook wel in geveld
hout. De larven vreten zich in het hout in en maken daarin
„vreetgangen”, die dicht opgevuld zijn met kleine spaanders en
excrementen. De gangen zijn cylindrisch. De larven hebben zeer korte
(rudimentaire) borstpooten en zeer kleine buikpooten (vleezige
knobbels); ze zijn blind en kleurloos. Op het einde van het lichaam een
zwarte hoornachtige punt; daaraan zijn ze te onderscheiden van de
boktorlarven, die ook in hout leven. De larven bederven het hout, dat
technisch minder waarde krijgt. Ze leven lang in het hout, gewoonlijk 2
jaar, maar ook wel langer. Ze komen nog wel uit het bewerkte hout, uit
meubelen, als wij die in huis hebben. De poptoestand duurt niet lang.
De wespen vreten zich naar buiten, zelfs door lood en blik heen.
No 165. Gewone Houtwesp. (Sirex juvencus). Het wijfje is 26 m.M. lang,
’t mannetje gewoonlijk maar de helft. De kleur van ’t wijfje is
staalblauw; de pooten zijn geelachtig rood en de vleugels geel. Het
mannetje heeft een breeden geelbruinen gordel om het achterlijf. Ze
leven meest in sparren, en komen nog al eens uit de meubels te
voorschijn.
Galwespen.
Dit zijn maar heel kleine dieren, hoogstens 5 m.M.; de kleur is meestal
zwart, ook wel bruin, rood of geel. Op de eiken komen veel gallen voor;
op de bladeren, katjes, eikels, wortels, en takken. Bij de galvorming
doet zich dikwijls generatiewisseling voor; één generatie overwintert
in de gallen, en dat zijn de wijfjes; de tweede generatie maakt andere
gallen, van korten duur; hieruit komen mannetjes en wijfjes. De studie
der gallen is zeer interessant, maar het onderwerp is wat te uitgebreid
om het hier te behandelen.
In verschillende gallen zit veel looistof, die gebruikt wordt bij het
looien van leer en het maken van inkt; voor andere doeleinden worden de
gallen ook nog gebruikt.
Er zijn enkele galwespen, die leven als parasiet in andere insecten;
dat zijn dus overgangen tot de sluipwespen.
No 166. Eikengalwesp met gal. (Cynips kollari). De gallen, die deze
galwesp maakt, zijn zeer bekend; ze zijn rond en hard. Tot voor korten
tijd waren alleen de vrouwelijke vormen bekend van de eene generatie.
Prof. Beyerink (Delft) heeft evenwel ook de tweede generatie, mannetjes
en wijfjes, ontdekt. Wanneer men de gallen opent, vindt men daarin de
larven. Het komt evenwel voor, dat deze larven weer zijn aangetast door
sluipwespen, zoodat men bij kweeking geen gal- maar sluipwespen krijgt.
Sluipwespen.
Deze wespen vormen een belangrijke groep, die een groote economische
beteekenis heeft, omdat de sluipwespen enorme massa’s rupsen dooden en
daardoor ten slotte ook rupsenplagen tot staan brengen, Zij gaan op de
rupsen af en door middel van een lange legboor doorpriemen zij de
rupsenhuiden, en schuiven tegelijk haar eieren in het lichaam van de
rups. De larven (maden) die uit deze eieren komen leven geheel ten
koste van haar gastheer, die dit bezoek met den dood moet bekoopen.
Als de sluipwesp naar rupsen gaat zoeken, komen haar goede oogen en
vooral haar goeden reuk haar goed te pas. Er zijn wel sluipwespen, die
door het hout heen haar legboor steken en zoo de larven infecteeren van
de houtwespen (No 165). Zij kunnen die larven niet zien, moeten ze dus
wel ruiken. De sprieten (reukorganen) der sluipwespen zijn dan ook lang
en altijd in beweging. Het komt bij sommige soorten voor, dat de eieren
op den gastheer worden gelegd. Als de larven volwassen zijn verpoppen
ze; dit gebeurt binnen, ook wel buiten den gastheer. In dit laatste
geval kruipen de larven eerst naar buiten. Behalve rupsen vallen de
sluipwespen ook wel vliegen, bladluizen en kevers aan.
De infectie geschiedt zoowel in het ei, als in de larve, de pop en de
imago. Ei-parasieten zijn er niet veel; larve-parasieten komen het
meest voor; dat poppen en imago’s geïnfecteerd worden komt ook niet zoo
druk voor. Bladluizen en O. L. Heersbeestjes worden intusschen wel
aangevallen.
De keuze van ’t voedingsdier is nog al afwisselend; sommigen houden
zich aan één soort gastheer; anderen hebben een ruimer keuze. Sommige
geslachten tasten zoo wat alles aan.
Hoeveel maden van een sluipwesp komen er nu wel voor? In sommige
geïnfecteerde eieren vindt men nog wel 12 sluipwespen; of die dan ook
klein zijn. Uit rupsen zijn wel 1000 tot 2500 wespen gekomen; er zijn
dan niet zooveel eieren gelegd, doch uit één ei komen dan vele wespen.
Het einde van den gastheer is, dat hij sterft; gewoonlijk is de rups
één dag na het uitkruipen der larven dood. Soms brengt de rups het nog
tot pop.
Omdat de sluipwespen bekend staan als uitstekende rupsendooders,
bezitten zij veel waarde voor onze kulturen. In Amerika heeft men
daarom de sluipwespen kunstmatig gekweekt, om ze daarna op de rupsen
los te laten. Ook in Deli (Sumatra) is men aan het werk om met
sluipwespen rupsen te bestrijden, die op tabak leven. Ten slotte nog
een curiositeit. Wanneer een rups inwendig bezet is met larven van een
sluipwesp, dan gebeurt het wel, dat een andere soort sluipwesp komt en
haar eieren legt in de larven van de eerste soort. Deze noemt men
sluipwespen van de 2de orde. Zij dooden dus de eerste maden door ze uit
te eten en daarom zijn de sluipwespen van de 2de orde schadelijk. Er
komen ook sluipwespen van de 3de orde voor; die zijn dan weer nuttig.
Men leert de sluipwespen het best kennen door allerlei insecten in huis
op te kweeken.
No 167. Pijlstaart-Sluipwesp. (Trogus lutorius). Dit is een van onze
grootste sluipwespen; ze is 27 m.M. en in hoofdzaak roodgeel; de borst
is zwart; geel zijn de sprieten bij ’t mannetje en de sprietspits bij
het wijfje; ook de pooten grootendeels. De vleugels zijn geelachtig.
Het is geheel toevallig als we met deze groote sluipwespen kennis
maken. Bij het opkweeken van pijlstaarten gebeurt het wel, dat enkele
poppen schijnbaar niet uitkomen. Doch dan zien we plotseling uit die
poppen zoo’n groote sluipwesp komen. Dat is dan een Trogus. De
pijlstaartrups heeft het dus nog tot verpoppen gebracht.
No 168. Koolsluipwesp. (Apanteles glomeratus). In de Inleiding over de
„Geschiedenis van het Koolwitje” hebben we over deze sluipwesp reeds
gesproken; wij mogen dus daarheen verwijzen. Als men in ’t najaar wat
koolrupsen opkweekt, krijgt men zeker daaruit ook wel sluipwespen. Het
zijn kleine diertjes van een paar m.M. lengte.
PLAAT XV.
MIEREN. GRAAFWESPEN. WESPEN. BIJEN. HOMMELS.
MIEREN.
We komen thans aan de meest intelligente insecten, aan de
statenvormers, die een soort samenleving, een maatschappij, vormen. Een
maatschappij, ook een mierenmaatschappij, berust op o.m. verdeeling van
arbeid. Maar die is alleen niet voldoende; er moet ook eensgezindheid
heerschen, hulpvaardigheid. En die nemen we bij de mieren in hooge mate
waar. Ze bewijzen elkaar vele „vriendendiensten”, o.a. verzorgen ze
elkaars toilet. Niettegenstaande de mieren altijd in en op de aarde
werken, voortdurend met stof bestoven worden, met allerlei zoete en
kleverige stoffen in aanraking komen, ook met dierlijken afval, zien ze
er toch altijd netjes en schoon uit. Ze poetsen elkaar in de nesten op!
Maar laten we eerst eens zien hoe een mierenstaat in elkaar zit.
Polymorphisme. Reeds vroeger (Algemeen gedeelte blz. 9.) hebben wij
gesproken over het polymorphisme of de veelvormigheid bij de insecten.
Daarmede wordt bedoeld, dat er naast de mannetjes en wijfjes nog andere
individuen voorkomen; die derde groep zijn de werksters. Deze werksters
zijn niet volledig ontwikkelde wijfjes. Die mindere ontwikkeling hebben
ze te danken aan de slechtere voeding.
In veel mierenkolonies nemen wij waar, dat de werksters weer in
verschillende groepen zijn ingedeeld, al naar haar functie is. Zoo zijn
er werksters met „groote koppen en groote kaken” die voor de
verdediging der kolonie hebben te zorgen; die noemt men de soldaten.
Zij houden de wacht aan de nestopeningen en moet er gevochten worden,
dan zijn ze er bij. Door de grooten kop zijn het echte monsters.
Aan de gewone werksters, die nooit vleugels hebben, is de zorg voor de
heele kolonie opgedragen. Zij bouwen het nest, verzorgen de jongen,
voeden die; in één woord, de werksters houden het huishouden gaande. De
wijfjes leggen alleen eieren, laten zich door de werksters voeden, en
zien verder naar niets om.
In een mierenkolonie zijn dus 3 kasten: mannetjes, wijfjes en
werksters. De mannetjes zijn maar heel kort in de kolonie, zoodat het
overgroote deel van het jaar een mierennest bezet is met één of meer
wijfjes en verder een groot aantal werksters. ’s Winters is de kolonie
op dezelfde wijze bezet. Net als bij de honingbijen overwinteren dus de
koningin (het wijfje) met de werksters. Bij de honingbijen is maar één
koningin in den korf, bij de mieren zijn er meestal meer in het nest.
Alle merkwaardigheden, die men van de mieren weet te vertellen, komen
dus hoofdzakelijk voor rekening van de werksters; de kolonie, dat zijn
de arbeidsters. De wijfjes zijn het grootst en evenals de mannetjes,
gevleugeld. Na de copulatie verliest het wijfje de vleugels.
Ontwikkeling.
De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago.
Als de eieren gelegd worden, zijn ze klein. Door een regelmatige
bevochtiging met speeksel van de werksters, worden de eieren grooter;
men zou kunnen zeggen: het ei eet. Als men de eieren droog bewaart
verschrompelen ze. Na eenige weken komt uit het ei een larve, zonder
pooten, zonder oogen; het is een made, die hulpeloos in ’t nest ligt.
Deze maden worden door de werksters gevoed met kliervochten. Maar bij
de voeding alleen laten zij het niet. Ze brengen de larven ook naar
buiten om lucht- en zonnebaden te genieten! Als de zon onder gaat,
worden de larven weer naar beneden gebracht.
Na langer of korter tijd wordt de larve een pop. Sommige spinnen een
stevigen cocon; zulke cocons noemt het publiek miereneieren, die een
gewild voedsel voor insectenetende kooivogels zijn.
Uit die cocons komen dan later de mieren, maar daarbij hebben zij hulp
noodig van de werksters; die bijten met haar scherpe bovenkaken de
cocons door.
Het eierleggen gaat maar geregeld door en soms vele jaren achtereen
blijft hetzelfde wijfje in het nest. Gewoonlijk kan men in een nest
tegelijk eieren, larven en poppen vinden.
Nestbouw. De nestbouw van de mieren staat lang zoo hoog niet als die
bij wespen en bijen. Een „mierenstad” is een doolhof van steegjes en
gangen, hier en daar onderbroken door grootere „hallen”. Een bepaalde
methode schijnen ze er ook niet op na te houden. Intusschen is er toch
nog al wat verschil. We kennen aardnesten, nesten onder steenen, nesten
in boomstammen, onder boomschors, in zolderbalken, nesten gedeeltelijk
in, gedeeltelijk boven den grond. Ook worden er nesten in holle boomen
gemaakt, door eenige verdiepingen op elkaar te zetten; het
bouwmateriaal bestaat dan uit gekauwd hout doorwerkt met kliervocht;
deze mieren noemt men cartonwerkers.
Sommige nesten staan met elkaar in verbinding, terwijl weer andere een
paar mierensoorten herbergen.
Kunstnesten. Het leven der mieren kan men niet alleen in de vrije
natuur, maar ook in huis, in school bestudeeren. Naast rupsenhuizen,
insectaria, terraria en aquaria zijn sedert eenige jaren in gebruik
formicaria of myrmicaria. Dat zijn kunstmatige mierennesten. Men kan
deze o.a. zien in het Insectarium in Artis. In deze formicaria kan men
veel van het mierenleven waarnemen, bovendien kan men verschillende
proeven met de mieren nemen.
Het ligt buiten ons bestek, deze nesten nader te beschrijven; alleen
willen wij nog mededeelen, dat er verschillende systemen van deze
nesten bestaan, n.l. van Lubbock, Janet, Wasmann, Viehmeyer, Dankler en
Wheeler. Zoo’n formicarium of myrmicarium is in den handel.
Mierengasten. In mierennesten worden allerlei gewilde en ongewilde
gasten gevonden. Tot de gewilde behooren o.a. de bladluizen en enkele
kevers, die zoete vochten afscheiden, waarop de mieren verlekkerd zijn.
Onder No 31 hebben we zoo’n mierengast, een kevertje, beschreven.
Er zijn ook indringers, die leven van den afval, van mierenlijken, van
mijten; ook rooven zij wel de voedingsstoffen op het oogenblik dat de
larven gevoederd worden. Het komt voor, dat eieren, larven en poppen
worden geroofd. Vooral veel kevers worden in de nesten aangetroffen.
Het gaat in zoo’n mierennest als in een groote stad: er huist van
alles.
Voeding. Mieren zijn snoepsters van zoete stoffen of vleescheters. Die
zoete stoffen halen ze uit de bloemen (honing) en verwoesten daarbij de
bloemen soms geheel, vooral als de honing wat diep zit. Een andere bron
van zoetigheid zijn de bladluizen. Wij hebben er reeds op gewezen, dat
de uitwerpselen van de bladluizen suikerhoudend zijn; dat behoeft ons
niet te verwonderen, want zij zuigen de beste sappen uit de planten en
in alle planten zit suiker. Om niet altijd zoo ver van huis te moeten
om suiker te halen, houden de mieren er bepaalde
„bladluizenkweekerijen” op na. Zoo zetten zij verschillende bladluizen
op wortels van planten, en als zij nu suiker noodig hebben, gaan zij
hun koetjes „melken”. Door het achterlijf der bladluizen met haar
sprieten te bewerken, brengen de mieren haar tot afscheiding.
Zij klimmen ook langs de met bladluizen bezette planten en boomen, en
gaan daar melken. Gelijktijdig vermoorden zij o.a. de larven van het O.
L. Heersbeestje, die vijanden van de bladluizen zijn, zooals wij bij No
72 hebben beschreven. De snoeplust der mieren is ons dus zeer nadeelig,
want daardoor wordt de bladluizenplaag bevorderd.
Andere mieren zijn vleescheters, b.v. de roode boschmier (No 169–171).
Deze eet vooral veel insecten en behoort dus tot de nuttige
„boschwachters”. Men heeft uitgerekend dat een roode-boschmierenkolonie
iedere minuut 28 insecten noodig heeft dat is per dag 100000 en in één
zomer meer dan 10 millioen. Daarom is het in Duitschland verboden, deze
mierennesten te verstoren of er de poppen (z.g. miereneieren) uit te
halen. In Stiermarken daarentegen laat men dit nog wel toe en worden er
jaarlijks 50 à 60 H.L. miereneieren verzameld, die een waarde hebben
van f. 6.— à f. 7.—per H.L. Voor dit luttele bedrag worden jaarlijks 96
tot 134 millioen mieren vernietigd. Een groote domheid. Bij ons is het
verzamelen van mierenpoppen ook niet verboden; maar onze boschkultuur
heeft ook niet dien omvang als elders. Intusschen zou het voor de
opvoeding van ons volk ook goed zijn, als het hier verboden werd. De
roode boschmier moet gespaard worden.
Verdedigingsmiddelen. Mieren hebben stevige bovenkaken en kunnen zich
daarmede goed verdedigen. In het nest zijn bovendien nog „soldaten”,
wier kaken nog grooter zijn. Verder bezitten alle mieren giftklieren in
het achterlijf, maar niet alle mieren hebben een angel. De roode
boschmier b.v. heeft er geen. De angeldragende mieren doorpriemen haar
vijand en spuiten tegelijk het gift er in. De andere mieren bijten
eerst een wonde en spuiten er dan gift in. De uitwerking is in beide
gevallen dezelfde. De mannelijke mieren steken niet en bezitten ook
geen giftklieren.
Economische beteekenis der mieren:
De mieren, die insecten eten, zijn nuttig. Alle anderen, die bij ons
voorkomen, zijn lastig of schadelijk. Door haar bladluizenkweekerij
worden ze indirect schadelijk; ook door het verwoesten van bloemen.
Verder zijn ze lastig door haar nestbouw; zij werpen hoopen op in
weilanden en gazons, waardoor het maaien wordt bemoeilijkt. De mieren,
die in boomstammen nestelen, maken het hout technisch onbruikbaar.
Verder zijn alle mieren lastig, die in huis op bezoek komen.
Buiten ons land komen allerlei nuttige mieren voor. Reizende mieren
bezoeken in grooten getale de woonhuizen, zuiveren die van alle
ongedierte en gaan dan verder. De theeplanten worden aangetast door een
wants; hierop laat men nu de mieren los, die de wantsen te lijf gaan.
Men noemt dit het „bemieren” van een theetuin. In Afrika leeft een
mierensoort, waarbij aan eenige werksters is opgedragen den honing voor
de kwade dagen te reserveeren. De honing wordt bewaard in de krop, die
zeer sterk opzwelt; het geheele achterlijf neemt reusachtig in omvang
toe. In Amerika (Mexico) worden deze mieren op de markt verkocht. Voor
1 K.G. honing heeft men wel een 1000 mieren noodig.
Het bestrijden van de mieren. Dit kan alleen afdoende geschieden door
het nest te verwoesten en de inwonenden te dooden. In ’t nest zitten de
wijfjes, liggen de eieren, larven en poppen, en als men dat alles niet
vernietigt, komen er telkens weer nieuwe werksters bij. Nesten, die
buitenshuis liggen, in den tuin of in ’t weiland kan men het
gemakkelijkst „uitmoorden”. Men werpt dan vergiften in ’t nest, doet de
mieren door giftige dampen stikken, of tracht ze door warmte te dooden.
Men giet kokend water in ’t nest. Gebruikt men zwavelkoolstof, dan
stikken ze. Men onthoude, dat de zwavelkoolstofdampen zeer giftig zijn.
Lost men 28 gram cyankali (een zeer zwaar vergift) op in 3¾ L. water,
en overgiet men hiermede het nest, dan gaan ze ook dood. Kan men flink
wat ongebluschte kalk in ’t nest brengen en dit met water overgieten,
dan ontstaat daarbij zooveel warmte, dat de dieren dood gaan.
En hoe bestrijdt men de mieren, die zich in huis vertoonen? Van
bestrijden is eigenlijk geen sprake, wel van wegvangen. Men zet lage
schoteltjes of borden neer met honing, stroop of sterk suikerwater en
doe er wat gist door; de beestjes, die er van gesmuld hebben komen niet
meer terug. Men legt een spons neer waarin wat suiker; de mieren komen
er op af en als ze in de spons zitten wordt deze in het water geworpen.
Maar afdoende is alleen het verstoren der nesten. In de steden kan men
die niet gemakkelijk vinden, omdat ze onder de huizen zitten. Soms
zitten de nesten 3, 4 of 5 huizen verder.
Voorkomen in Nederland. Er komen in ons land nog heel wat mierensoorten
voor. Een beruchte mier is de Pharaomier, uit warme landen
hierheengevoerd, die voor een 30 jaar het postkantoor te Leeuwarden
totaal onbewoonbaar heeft gemaakt. Het zijn kleine diertjes; de
werksters zijn niet grooter dan 1½ à 2 m.M. Verder komen er gele,
zwarte en roode mieren voor; een van deze laatsten zullen wij nu
bespreken.
No 169, No 170 en No 171. Roode Boschmier. (Formica rufa). Mannetje,
wijfje en werkster. Wij hebben deze drie laten afbeelden, om er nog
eens de aandacht op te vestigen, dat er 3 soorten individuen, 3 kasten,
in een mierennest voorkomen. Het mannetje is effen bruinzwart; het is
11 m.M. lang. Het wijfje is iets kleiner; het is glanzig zwartbruin of
zwart, terwijl het achterlijf bruinrood is. De werksters zijn nog
kleiner; het borststuk is bruinrood, het achterlijf zwartbruin. De
werksters zijn altijd ongevleugeld. Voor de wijfjes met eierleggen
beginnen, worden haar de vleugels uitgetrokken. De mannetjes, die
altijd gevleugeld zijn, leven maar kort.
In het nest van de roode boschmier komen gewoonlijk vele wijfjes voor;
zoodoende kunnen deze kolonies zeer volkrijk worden. De onderbouw van
het nest zit in den grond; de bovenbouw vertoont zich als koepel
daarop. Bij den nestbouw wordt allerlei plantenafval gebruikt. ’s
Avonds en bij regenachtig weer trekken de werksters het nest in; met
zonnig weer zijn ze zeer bedrijvig. De roode boschmier komt overal voor
en in onze bosschen zijn de mierennesten wel bekend. Omdat zij leven
van andere insecten, zijn ze zeer nuttig. De poppen van deze mier
worden uit de nesten gehaald en verhandeld als „miereneieren”. De roode
boschmier heeft geen angel. Het vocht uit de giftklieren kan zij
intusschen ver weg spuiten. ’s Winters wordt de kolonie niet
opgebroken, doch wijfjes en werksters blijven in de nesten. Dat is een
verschil met de wespen en hommels, die haar kolonies in den nazomer
opbreken.
Graafwespen.
Deze vormen een zeer eigenaardige groep. Het zijn dieren, die geen
kolonies of staten vormen, doch geheel alleen leven; ’t zijn solitaire
wespen, in tegenstelling met de gewone, statenvormende wespen, die
sociale wespen heeten. Iedere graafwesp heeft een eigen menu; er
bestaat dus voorkeur en daardoor beperking. Al deze dieren leven van
andere insecten. De oude wespen vangen het een of andere insect, en
door het eenige prikken met den angel te geven, wordt het dier wel
verlamd maar niet gedood. Het slachtoffer wordt geprikt in den
buikzenuwstreng. Nu komt voor de graafwesp het zwaarste werk; ’t
verlamde dier moet getransporteerd worden, want het slachtoffer moet
dienen tot voedsel voor de jonge graafwesp. Hier of daar is door de
graafwesp een holletje gemaakt, waarheen het slachtoffer wordt gesleept
of gedragen; in dat kuiltje of gangetje wordt het neergelegd. Is dit
geschied, dan legt de graafwesp op of bij het slachtoffer een ei, en
doet dan het kuiltje dicht. Verder kijkt de oude graafwesp er niet naar
om.
Intusschen komt uit het ei een larve, en die vindt haar boterham klaar,
ze kan aan het eten gaan. Het aangestoken, verlamde slachtoffer, leeft
gewoonlijk nog en is nog niet in rotting overgegaan. De larve zal het
nu gaan verwerken.
Deze vorm van voeding is eigenlijk een soort van parasitisme; de
graafwesplarve zuigt haar slachtoffer uit. Een enkele graafwesp valt
wel eens een nuttig insect aan. Zoo rooft Philanthus apivorus wel
honingbijen; die is dus schadelijk, maar de andere graafwespen zijn
nuttige dieren.
No 172. Rupsendooder. Graafwesp. (Ammophila sabulosa). Dit zijn bekende
dieren. Het achterlijf is lang gesteeld. Het achterste lid van dezen
steel en een gedeelte van ’t achterlijf zijn lichtrood; het andere deel
van het achterlijf is zwart. Het zeer beweeglijke dier varieert nog al
in grootte die wel van 15 tot 30 m.M. loopt. Hoe beter het dier in de
jeugd zich kon voeden, des te grooter wordt het. Men moet wel in ’t oog
houden, dat het zelf zijn voedsel als larve niet kan opzoeken. Daarvoor
zorgt de moeder, en nu valt het eene hapje wel eens wat grooter uit dan
het andere. Het is een zeer interessant gezicht deze sluipwesp te zien
sleepen met rupsen, die zij verlamd heeft. Het is vaak een heel werkje
voor haar ’t slachtoffer te vervoeren. Natuurlijk zijn het alleen de
wijfjes, die met de rupsen sleepen; de mannetjes bemoeien zich er niet
mede. Vooral op zandgronden. De mannetjes vindt men veel op bloeiende
braamstruiken.
No 173. Vliegendooder. Graafwesp. (Mellinus arvensis). Deze graafwesp
is zwart, geel geteekend met een zeer glanzig achterlijf. Het wijfje
heeft een lengte van 13 tot 15 m.M.; het mannetje is wel 4 m.M.
kleiner. Dit dier vangt vliegen, ook kamervliegen en bewerkt die op
dezelfde wijze als de vorige dat haar slachtoffer deed. Zij maakt nog
al diepe nesten in den grond, en men kan haar heel vaak ook in de
tuinen vinden.
Wespen.
Deze groep vliesvleugeligen behoort tot de „gevreesde afdeeling”; zij
zijn geangeld en als zoodanig moeten wij op onze hoede voor haar zijn.
Intusschen zijn wespen mooie dieren en is haar kolonieleven zeer
merkwaardig.
De monddeelen zijn kauwend of bijtend; zij eten allerlei insecten als
bladluizen, vliegen, ook wel bijen; maar grootendeels zijn het nuttige
dieren. Ze lusten ook wel zoete stoffen; men kan ze honing zien proeven
in de bloemen en ook zuigen, sabbelen en knagen zij aan vruchten, om
zoete stoffen machtig te worden. „Het zijn de slechtste vruchten niet
waaraan de wespen knagen”. De oogen zijn niervormig, met den inham naar
de binnenzijde. De vleugels kunnen in rust omgevouwen worden; ze toonen
dan kleiner dan ze zijn.
De kleur is bijna bij allen zwart en geel; zeldzamer ten deele
roodbruin.
De wespengroep is te verdeden in tweeën:
A. Solitaire en B. Sociale wespen. De laatste vormen kolonies of staten
en leven in nesten.
Sommige solitaire wespen leven als de graafwespen; bij andere worden de
jongen voortdurend gevoed door de moeders. De zorg is hier dus al
grooter dan bij de graafwespen.
In onze volgende beschouwing zullen wij ons uitsluitend bezig houden
met de sociale of statenvormende wespen.
Polymorphisme. Evenals bij de mieren treffen we bij de wespen ook 3
kasten aan: mannetjes, wijfjes en werksters. Men is gewoon de wijfjes
bij de wespen, bijen en hommels „koninginnen” te noemen. Deze
koninginnen overwinteren in allerlei schuilhoeken, ook onder afval. In
’t voorjaar komen ze voor den dag en beginnen dan met het bouwen van
een nest. Als zij een stukje van het nest klaar hebben, leggen zij
daarin eieren, waaruit larven komen, die de koninginnen zelf voeden.
Die eerste larven groeien uit tot werksters; deze zijn kleiner dan de
koningin. Die werksters zijn niet volledig ontwikkelde wijfjes.
Intusschen beginnen deze werksters mede te helpen. Zij halen voedsel en
voltooien het nest. De koningin komt nu niet meer naar buiten. De
eerste cellen in het wespennest zijn klein, de latere worden grooter.
De eerste maanden worden er uitsluitend werksters geboren. Midden in
den zomer komen er ook mannetjes en iets later verschijnen ook de
nieuwe koninginnen. Nu is de kolonie compleet: koninginnen, mannetjes
en werksters. Maar nu wordt de kolonie spoedig opgebroken.
Als het laatste broedsel verzorgd is, vliegt alles weg en niemand komt
weer terug in het nest; de heele familie is verstrooid. Nu vliegt het
buiten vol wespen. Maar de koude nachten komen, en allengs sterven alle
mannetjes en werksters; alleen de nieuwe koninginnen blijven den winter
over, in een of anderen schuilhoek, maar niet in het oude nest.
Nestbouw. De nestbouw van de wespen staat hooger dan die van de mieren;
een wespennest wordt volgens een vast plan opgebouwd. De grondstof, die
hiervoor wordt gebruikt is vermolmd hout, ook boomschors. Dit hout
wordt met kliervocht bewerkt tot een soort papier. Daardoor is het
heele nest brandbaar. De bijen maken haar raten van was, en die zijn
smeltbaar.
We kennen 2 soorten wespennesten: boomnesten en aardnesten. De eerste
worden gemaakt boven den grond en zijn de stevigste; de aardnesten
worden vervaardigd onder den grond en zijn de zwakste. De wespennesten
bestaan uit étages of verdiepingen, die door balken aan elkander
hangen. Onderaan is het vlieggat. Alle wespennesten hangen.
Wespengasten. Evenals in de mierennesten „mierengasten” voorkomen, zoo
is een wespennest ook met allerlei „wespengasten” bezet. Er leeft een
rups, die de larven opeet; verder een viertal kevers, 4 vliegen,
waaronder sluipvliegen, en ook sluipwespen. Waarom worden al deze
gasten geduld? ’t Is mogelijk, dat zij aangename stoffen afscheiden of
een aangename lucht afgeven; misschien ontsnappen ze door haar snelheid
of kleinheid aan het oog van de wespen, die slecht zien; ’t kan ook
zijn dat haar huid te hard is of dat ze, in den loop der tijden, een
beschermende nestlucht hebben aangenomen. Een bepaald antwoord is nog
niet te geven. Wat de wespengasten eten? Allereerst peuzelen enkelen
wat larven op; dan eten verschillende de schimmels, die zich in het
nest of op de excrementen der wespen ontwikkelen.
Uit een biologisch oogpunt is een wespennest dus wel belangrijk.
Economische beteekenis der wespen. Die hangt samen met het voedsel, dat
ze gebruiken, en de wijze, waarop ze dit halen; ook spreekt de
grondstof mede, waaruit zij de nesten bouwen. De wespen eten veel
andere insecten en zijn daarom nuttig. Zij kauwen de insecten uit, de
vloeibare sappen gaan naar binnen en het harde, chitineuse gedeelte,
werpen ze weg. Haar groote voorliefde voor zoete vruchten is haar
schadelijke zijde. De meeste wespen gebruiken vermolmd hout om daaruit
de cellen te maken; de hoornaar schilt ook de schors van jonge boompjes
en jonge takken af; die is dus schadelijk. De opgejaagde wespen steken
en veroorzaken soms bloedvergiftiging, omdat ze overal opzitten en
allerlei smetstoffen op deze wijze aan het lichaam kunnen krijgen. Zij
zitten ook graag op vruchten en jams en kunnen die op deze wijze ook
bevuilen. Uit hygiënisch oogpunt dienen wij ons dus in acht te nemen
voor de wespen.
Het vangen van wespen. Wespen worden in wespenglazen gevangen, waarin
wat zoete vloeistof is gedaan. Eenvoudiger en meer afdoende is het, de
wespennesten te vernietigen, ten minste als men die ontdekt heeft.
Boomnesten kan men met een brandende lap, op een stok gebonden, in
brand steken. Grondnesten vernietigt men door in de vlieggaten
zwavelkoolstof te gieten en dan de gaten dicht te trappen. Ook kan men
kokende teer nemen.
Zeer eenvoudig is het om in ’t voorjaar de koninginnen met een
vlindernet te vangen. Op gekweekte korenbloemen en andere bloemen, die
in Mei al bloeien, komen de koninginnen honing halen. Met een
vlindernet zijn ze dan gemakkelijk te vangen. En als men de koninginnen
in zijn buurt wegvangt, krijgt men daar geen wespennesten.
Het steken der wespen. Wespen hebben angels. Zijn we gestoken, dan
vermindert de pijn als wij de gewonde plaats met azijn of vliegenden
geest koel houden. Is de verwonding hevig, zoodat de huid sterk opzwelt
en zeer pijnlijk is, dan moet dadelijk hulp van een geneesheer worden
ingeroepen. Natte aarde of anderen rommel mag men er nooit op doen; dan
zouden we juist vergiftiging kunnen veroorzaken.
No 174. Gewone Wesp. (Vespa vulgaris). Van het geslacht Vespa komen bij
ons 8 soorten voor, en daarvan is „vulgaris” een der meest gewone. Zij
maakt groote nesten, waarin wel 3000 en wellicht meer individuen zich
ontwikkelen. Veelal worden de nesten in den grond gemaakt, doch als het
niet anders kan, nemen ze ook andere gelegenheden te baat. Deze soort
komt overal voor. De koningin is 13 à 14 m.M. lang en heeft een vlucht
van 35 m.M.; het mannetje 11 m.M. bij een vlucht van 31 à 32 m.M. en de
werksters zijn 9 à 10 m.M. lang en hebben een vlucht van 24 m.M.
Vijanden hebben de wespen weinig of geen; alleen in de nesten een paar
parasieten, zooals wij zagen.
Honingbijen.
Nu zijn we genaderd aan de insecten, waarvan niets dan goeds kan worden
verteld. Honingbijen leveren aan den mensch honing en was; of juister,
wij halen dat van de dieren weg. Bovendien zorgen zij voor de
bestuiving van veel bloemen, waardoor de oogst van veel gewassen weer
is verzekerd.
Onze honingbij komt niet meer in ’t wild voor. Vroeger schijnt zij in
’t wild in het zuiden van Europa geleefd te hebben, maar precies is het
toch niet meer aan te geven. Soms verwildert zij nog wel eens hier of
daar, maar dan is zij toch goed te herkennen.
Polymorphisme. Ook in een bijenstaat treffen we weer drie soorten
individuen aan, 3 kasten: mannetjes (darren), wijfjes (koninginnen) en
werksters. Allereerst verschillen zij in grootte. De mannetjes of
darren zijn 14 tot 15 m.M. lang; zij hebben groote facetoogen, waaraan
ze dadelijk te herkennen zijn. Ze zijn langer dan de werksters, ook
plomper. Zij bezitten geen angel en verzamelen geen stuifmeel.
De koningin is de grootste; haar lengte loopt van 15 tot 18 m.M. Haar
achterlijf is meer kegelvormig dan dat van de werksters. Zij is niet
strijdlustig, maar wel tegen andere koninginnen. Ze bezit wel een
angel, doch verzamelt geen stuifmeel. Zij gebruikt haar angel alleen
tegen andere koninginnen. De werksters zijn het kleinst en meer stomp
dan de koningin; ze worden 12 à 13 m.M. lang. Zij bezitten ook een
angel en verzamelen stuifmeel en honing. Het stuifmeel wordt verzameld
in het z.g. korfje; dat is een holte met haren aan den rand aan de
buitenvlakte van de scheen. Alleen de werksters bezitten een
stuifmeelkorfje en zij alleen halen dus stuifmeel. Behalve aan de
lichaamslengte zijn dus de werksters ook te herkennen aan ’t korfje,
dat alleen aan de twee achterpooten voorkomt.
Tevens bezitten de werksters aan het eerste tarslid, dat volgt op de
scheen, aan de binnenkant een kam-apparaat, dat bezet is met steviger,
dikker haren. Met dit kamapparaat wordt het stuifmeel dat aan de haren
van het lichaam is gekomen, bijeen geharkt. Ook dit apparaat komt
uitsluitend bij de werksters voor. De honing, dien de bijen uit de
bloemen oplikken, wordt verzameld in de krop of honingmaag. Is die vol,
dan keeren de werksters naar den korf en spuwen hem daar weer uit.
Zoo’n honingmaag is dus feitelijk een flesch, waarin de honing
tijdelijk wordt bewaard; in den korf wordt de flesch door de
mondopening weer geledigd. De honing wordt in de honingmaag waterarmer;
in de bloemen bevat hij nog 75% water, en als de maag geledigd wordt
nog maar 15 à 20% water. Bovendien is er in de honingmaag nog wat
mierenzuur bij gekomen om den honing te conserveeren, voor bederf te
bewaren. Dat mierenzuur zit ook in het bijengift.
De koningin haalt alzoo geen honing of stuifmeel, doch legt alleen
eieren. Verder is de regeling van het bijenhuis opgedragen aan de
werksters.
Lichaamsbouw. De monddeelen zijn zeer sterk gewijzigd in de onderkaken;
de tong is zeer aanzienlijk veranderd, wat in verband staat met het
opnemen van honing. De tong bereikt hier het maximum van lengte. De
roltong der vlinders is van een ander type, zooals wij daar hebben
aangegeven. Een bij likt, een vlinder zuigt.
Verder zijn van belang de haren; die zijn meestal, gevederd, wat in
verband staat met het opnemen en medenemen van stuifmeel, dat tusschen
de haren blijft zitten. De bijen zijn donkerder gekleurd dan de wespen
en ook langer behaard. Dat zit, zooals wij zagen, in verband met het
opnemen van stuifmeel, dat de wespen nooit doen. De wespen en bijen
voeden haar larven dan ook verschillend. De eersten geven aan haar
jongen dierlijk voedsel, de laatsten honing en stuifmeel.
Gedaanteverwisseling. Dit is volkomen: ei, larve, pop, imago. De
ontwikkeling van ei tot imago is verschillend; een koningin heeft
daarvoor noodig 21 dagen, een mannetje 24 dagen en een werkster 15
dagen. Dat zijn dus belangrijke verschillen. De werksterslarven krijgen
minder voedsel dan de koninginnenlarven.
Nestbouw. De wespen bouwen haar nesten op uit hout; de bijen gebruiken
daarvoor was. Waar halen zij de was vandaan? De was wordt door de bijen
zelf geproduceerd. Zij zweeten die uit aan de 4 laatste segmenten van
het lichaam. Zoo’n zweetplaat noemt men een „spiegel”; de chitinehuid
is daar dun en glad; daarover ligt het behaarde gedeelte van het vorige
segment. Onder den spiegel liggen de wasklieren. De was „zweet” door de
poriën heen en komt dan op den gladden spiegel te liggen; daar wordt
het een plaatje. Met den achterpoot wordt het weggehaald en afgeknipt.
Het hiervoor noodige knipapparaat wordt gevormd door den scheen en het
eerste tarslid. Vervolgens wordt de was met den mond gekauwd en verder
verwerkt. Om 1 K.G. was uit te zweeten hebben de bijen eerst 18 K.G.
honing moeten nuttigen; voor de beestjes is dat dus een dure
geschiedenis en ook voor de imkers. Daarom gebruikt men tegenwoordig
voor den onderbouw der raten „kunstraat”. Dat geeft aan de bijtjes
besparing van was, wat weer den honingvoorraad ten goede komt. Verder
kan men nu de bijen allerlei kleine raten laten maken, z.g. „secties”,
die een hooge handelswaarde hebben. En ten slotte kan de kunstraat
meermalen gebruikt worden.
De raten, dat zijn de cellenlagen, hangen verticaal naar beneden en de
cellen zitten horizontaal. Bij de wespen is dat juist andersom, zooals
wij gezien hebben. Daar hangen de raten of étages horizontaal en de
cellen verticaal.
De bijencellen zitten mooi naast elkaar; ze vormen een prachtig geheel.
Vroeger meende men, dat de bijen hier de oplossing hadden gevonden van
een moeilijk wiskundig vraagstuk. Zij zouden n.l. met een minimum van
stof (was) een maximum van cellen kunnen maken. Men heeft de zaak nog
eens opnieuw onderzocht, doch het bleek niet zoo mooi te zijn als men
zich vroeger had voorgesteld. De hoeken van de zeshoeken varieeren te
veel en zijn niet zuiver. Er wordt geen theoretisch minimum voor den
bouw bereikt.
Er zijn twee hoofdvormen van cellen: honingcellen en broedcellen. De
eerste zijn dunner en dienen voor de opberging van den honing. De
broedcellen zijn dikker, steviger en ook bruiner. Hierin worden de
eieren gelegd en de larven grootgebracht.
De broedcellen verschillen in grootte en vorm; de kleinste 6-hoekige
zijn voor de werksters, de wat grootere 6-hoekige voor de darren of
mannetjes, terwijl de veel grootere voor de koninginnen zijn. Deze
cellen zijn eenvoudiger gebouwd en hangen; de imkers noemen ze
„doppen”. Ten slotte zij nog opgemerkt, dat de bijen de binnenwanden
van haar korven besmeren met propolis, dat is een kleverige stof, die
zij van allerlei knoppen van boomen halen. Het is bekend, dat b.v. de
knoppen van een kastanjeboom erg kleverig zijn; die kleverige stof
beschermt de knoppen tegen regen. De bijen nu gebruiken propolis om
haar korven te dichten en te beschermen tegen regen en kou. En als er
vijanden in den korf komen, worden ze in de propolis „ingewikkeld”.
De voeding der larven. Omdat de vorm der cellen verschillend is, moeten
de bijen invloed hebben op de dieren, die geboren zullen worden. En dat
hebben ze ook. De mannetjes worden geboren uit onbevruchte eieren; de
koninginnen en werksters uit bevruchte eieren. Waarom blijven een deel
der eieren onbevrucht? Bij de overgroote meerderheid der dieren
ontstaan toch de mannetjes ook uit bevruchte eieren. De oplossing is
nog niet gevonden.
De koningin beslist wat ze leggen zal. Legt ze een ei in een
koninginnecel, dan wordt de larve opgekweekt tot een koningin; maar was
dit ei gelegd in een kleine, werksterscel, dan werd de larve opgekweekt
tot een werkster. Die opkweeking, voeding, gaat aldus. De eerste drie
dagen worden alle larven gevoed met vloeistoffen uit klieren, die in
den kop der werksters zitten. Er zijn 6 van zulke kopklieren, waarvan
sommige zoo groot zijn, dat ze nog in het borststuk overhangen.
Na deze 3 dagen krijgen de larven, die werksters moeten worden of
mannetjes, wat minder kliervloeistof en wat meer honing en stuifmeel,
en eindelijk houdt de heele voeding met kliervloeistof op.
De larven, die evenwel koninginnen moeten worden, worden voortdurend
gevoed met genoemde kliervloeistof; bovendien krijgen ze er ook nog wat
honing en stuifmeel bij.
Het verschil zit dus in de hoeveelheden kliervloeistof, dat een
geconcentreerd en gemakkelijk verteerbaar voedsel moet zijn. Wij kunnen
dus zeggen dat een werkster een in haar jeugd slecht gevoede koningin
is. En dat dit werkelijk zoo is, wordt hierdoor bewezen, dat een larve
in een werksterscel opgekweekt kan worden tot een koningin. Dat gebeurt
ook wel in den bijenkorf, maar dan wordt door de bijen eerst de
werksterscel uitgebroken, omdat die te klein is. Twee cellen worden tot
één vereenigd en bovendien nog wat uitgebouwd. Zulke koninginnecellen
vindt men dan op de raten. De normaal gebouwde koninginnecellen zitten
aan de randen der raten.
Deze „hulpdoppen” worden gemaakt als de koningin b.v. gebrekkig wordt
of te oud, zoodat het eierlegggen gaat ophouden. Komt de koningin
plotseling te sterven, dan zijn de werksters er direct bij om een
werksterslarve op te kweeken tot een nieuwe koningin.
Het is dus wel heel merkwaardig, dat het verschil tusschen werksters en
koninginnen uitsluitend ontstaan is door verschil in voeding.
Het aantal individuen in een bijenkorf kan wel 30.000 en meer bedragen;
hieronder zijn dan maar een paar honderd mannetjes. In één zomer legt
een koningin niet meer dan 4 of 5 eieren, waaruit nieuwe koninginnen
worden geboren.
Het zwermen der bijen. Het doel van ’t zwermen is overbevolking te
voorkomen. Wanneer toch alles maar bij elkaar bleef, zou ten slotte de
korf te klein worden. Bij het zwermen maakt de oude koningin plaats
voor de nieuwe. Tegen den tijd, dat een jonge koningin zal uitkomen,
begint het onrustig te worden in den korf; dat is een voorteeken van
het zwermen. De jonge koningin maakt, terwijl zij nog in de cel zit,
geluid: kwak-kwak, dat door de oude koningin wordt beantwoord met:
tuut-tuut. Eerst als dit laatste ophoudt, komt de jonge koningin uit
haar cel. Soms heeft er nog een vechten plaats tusschen de oude en
nieuwe koningin.
De eerste uittocht, de eerste zwerm, heet de voorzwerm; de latere
zwermen heeten nazwermen. De zwermen worden door de imkers
„opgeschept”, die daarmede nieuwe korven vullen. Bij het zwermen hebben
alweer de werksters de leiding.
Het einde van een bijenkolonie. Wij hebben gezien, dat er door het
zwermen telkens nieuwe kolonies werden gevormd, en dat er in de oude
korven geregeld nieuwe koninginnen komen, waardoor het oude volk meer
verdeeld wordt. De bijenwereld breidt zich uit en blijft in stand door
voortdurende splitsing. Een bijenkolonie wordt dus nooit opgeheven,
zooals een wespenkolonie. Vandaar dat in den winter in een bijenkorf
aanwezig zijn een koningin en een leger werksters. De mannetjes leven
maar kort; die zijn ’s winters nooit in den korf.
Vijanden en ziekten der bijen. De bijen worden door allerlei
insectenetende vogels aangevallen en opgepeuzeld: zwaluw, roodborstje,
koolmees. Verder maken de wespen (die allen van roof leven) het den
bijen ook lastig. De mieren komen honing snoepen, evenals de muizen,
die er geen bezwaar in zien, haar nest in een korf te maken. Ze zitten
dan warm en vlak bij de „restauratie”. De padden, dat anders zulke
beste dieren zijn, omdat ze veel schadelijke insecten vangen, pikken
ook menig bijtje op. In den korf brengt de wasmot veel schade, d.w.z.
het rupsje van de wasmot. Dat vreet uitsluitend was, en misschien nog
wat rommel, doch zij is ook wel opgekweekt met was alleen. Zij peuzelt
de raten op en spint er een spinsel overheen.
Een ander gevaarlijk dier is de bijenluis, Braula coeca; zij
parasiteert bij voorkeur op de koninginnen en is daardoor zoo
verderflijk. Zij leeft van het speeksel van de koninginnen en om dit te
verkrijgen, plaatst de luis zich tusschen de kaken van de koningin en
prikkelt zoo de speekselklieren tot grootere productie, waardoor de
koningin wordt ondermijnd. Dit is dan een der oorzaken, waardoor het
bijenvolk „moederloos” wordt. Tot de ziekten behooren „doorloop”,
„vuilhoed”, „bijenpest”. Wij gaan hierop niet verder in, maar wie bijen
wil houden, heeft er op te letten. Veel ziekten zijn „bacteriënziekten”
en als we deze niet rationeel bestrijden, gaat de eene korf na den
anderen er aan.
Economische beteekenis der bijen. De waarde van den honing, die door de
bijen wordt verzameld en door den mensch wordt weggehaald, is zeer
groot. Toch moet men hieruit nu niet opmaken, dat de bijenteelt in ons
land een bestaan kan geven. Bijenteelt is goed voor den boer en den
tuinder, als nevenbedrijfje, maar men kan er zijn kostje alleen niet
mede ophalen. Het is ook een heel aardig liefhebberij-bedrijf; ’t geeft
aangename bezigheid en men leert het insectenleven wat beter kennen.
De grootste beteekenis evenwel heeft de bijenteelt voor de bestuiving
der bloemen. Boomgaarden, waarin bijenkorven worden geplaatst, dragen
gewoonlijk rijkelijk vrucht. Daarom moet de bijenteelt overal bevorderd
worden. Behalve honing, leveren de bijen ons nog was, dat voor velerlei
doeleinden o.a. wrijfwas, wordt gebruikt.
Tegenwoordig wordt de bijenteelt in ons land veel beoefend. In 1850 was
er een daling ingetreden door de opkomst van de bietsuiker en
rietsuiker.
No 175, No 176, No 177. Honingbijen. Koningin, werkster, en mannetje
(dar). (Apis mellifera). Na het bovenstaande hebben we weinig meer bij
de plaatjes te zeggen. Wij hebben alle 3 soorten laten afbeelden, om
goed de verschillen te doen uitkomen en vooral om goed vast te leggen,
dat in een bijenkolonie 3 soorten individuen voorkomen: mannetjes,
wijfjes en onontwikkelde wijfjes. Uit den aard der zaak moesten wij in
onze beschouwing zeer kort zijn; daarom hebben wij alleen de aandacht
gevestigd op de hoofdzaken. Voor uitvoerige beschrijving moeten wij
verwijzen naar de speciale handboeken over bijenteelt.
Hommels.
Deze laatste groep insecten is een zeer aantrekkelijke. Iedereen kent
ze, want ze komen overal voor in grooten getale. Ze vliegen van het
vroege voorjaar tot het late najaar. Als het een gunstig najaar is,
zooals o.a. in 1913, zoodat ook de bloemenwereld lang en mooi getooid
blijft, dan gaan de hommels ook niet spoedig weg. We zien ze dan in
November nog op bloemenbezoek. Hommels worden heel vaak gewoonweg bijen
genoemd. Nu behooren ze wel tot de groote groep der bijen, maar als we
de plaatjes vergelijken waarop de honingbijen en de hommels zijn
afgebeeld, dan merken wij het verschil toch wel op. Hommels zijn
grooter, zwarter, meer donker gekleurd. Ze vallen ook meer op. Wie de
honingbijen niet goed kent, ziet de werksters voor een soort vliegen
aan. Dat een bij 4 vleugels heeft en een vlieg maar 2, valt niet zoo
dadelijk op. Maar wie eenmaal een hommel heeft gezien, zal zich nooit
weer met deze beestjes vergissen, hoeveel soorten er ook in ons land
voorkomen.
Gekleed in haar lief pelsje is de hommel de ziel van onze bloementuin,
maar ook van de bloeiende randen langs wegen en dijken. Altijd zijn ze
ijverig en driftig gonzen ze van bloem tot bloem. Haar leven is niet
zoo uitvoerig beschreven als dat van de honingbij—ze verschaft den
mensch ook geen honing en was, zooals de honingbij dat doet—maar wie de
hommels in haar doen en laten volgt, vindt dat niet minder interessant
dan dat van de honingbij. En sedert men ook kunstmatige hommelkolonies
heeft gemaakt, waardoor men de dieren beter bestudeeren kan, nu komen
ook vele belangrijke zaken aan het licht.
Hommels zijn sterker en ijveriger dan bijen; ze maken bovendien langer
arbeidsdag. De bij is teer en als er geen zon is, is de honingbij niet
in haar element. Maar ’s morgens vroeg, vóór de bijen uitgaan, haalt de
hommel al honing en stuifmeel. Betrekt de lucht, of begint ’t wat te
regenen of te waaien, de hommel trekt er zich niets van aan en gaat
maar stil door met haar werk. En als de avond begint te vallen en de
honingbijen reeds lang in den korf zijn, sleept de hommel nog haar
laatste vrachtje naar huis. Zoo’n ijverig, onvermoeid dier! Overal zijn
ze en den heelen dag kunnen wij ze aan ’t werk zien. Daarom raden wij
ieder aan met wat meer aandacht de hommels te bestudeeren; men zal dan
eens zien, wat een mooi stuk dierenleven daar afspeelt.
Hommels halen, precies als de bijen, honing en stuifmeel voor de
larven; zij vervullen dus dezelfde rol als de honingbijen en hebben
gelijke beteekenis voor de huishouding der natuur. Laten we haar nu wat
nader bezien.
Lichaamsbouw. Van het grootste belang zijn de monddeelen; haar tong is
zeer lang, zoodat zij den honing nog kunnen halen, die zeer diep in de
bloemen ligt. De langste tong wordt gevonden bij de tuinhommels (No
179); die ziet men dan ook b.v. op ridderspoor, waar de honing diep
zit. Andere hommels ziet men op deze bloemen zelden en als ze er komen,
merken ze gauw, dat ze aan een verkeerd kantoor zijn.
In verband met het naar de kolonie medenemen van stuifmeel, bezitten
zij, evenals de honingbijen, een verzamelinrichting aan de
achterpooten; men noemt die ook het korfje evenals bij de bijen. Het is
hier ook de scheen, die daarvoor wordt gebruikt. De buitenzijde is een
weinig hol, kaal en glimmend, terwijl langs de randen stevige haren
staan tot steun van het stuifmeelklompje. Dat klompje of kluitje
stuifmeel is door de hommel tot een kneedbare massa verwerkt, zoodat
het stevig blijft zitten. Als we er op letten, valt het niet moeilijk
hommels te zien, die aan de beide achterpooten zoo’n stuifmeelklompje
hebben. Vangt men ze voorzichtig met een net of verschalkt men ze met
het doodingsglas, dan blijven de kluitjes aan de pootjes zitten en kan
men de dieren zoo opzetten. Omdat de kleur van het stuifmeel nog al
verschillend is, zijn de kluitjes ook verschillend van kleur. Een goed
kenner ziet aan de stuifmeelklompjes welke bloemen bevlogen zijn. Bij
de honingbijen halen alleen de werksters stuifmeel; bij de hommels doen
het de werksters en de koninginnen; die zijn dus gekenmerkt door het
bezit van zoo’n korfje. Het is een mooi gezicht als een groote
hommelkoningin de beide korfjes vol stuifmeel heeft; maar niet minder
mooi is het als een klein werkstertje met haar last naar de kolonie
vliegt.
De chitinehuid is zwart, doch bezet met een dicht, tamelijk lang
haarkleed; sommige segmenten zijn anders gekleurd dan de overige, en
lijken daardoor meer op banden, die het geheel breken. Elke hommelsoort
heeft zoo haar eigen kleurpartij of kleurteekening, hoewel er nog al
eens afwijkingen voorkomen. Ook zijn er wel éénkleurige hommels.
Het aantal vleugels is 4; de voorvleugels zijn ’t grootst en evenals de
achtervleugels bruin-gelig aangeslagen; ze lijken min of meer berookt.
De koningin en de werksters bezitten tot verdediging een angel. De
mannetjes missen dien. Als men de hommels met chloroform doodt, dan
komt de angel gewoonlijk het lichaam uit. Anders blijft hij
ingetrokken. Hommels zijn lang zoo vechtlustig niet als sommige bijen,
al zijn ze dan ook grooter en brommen ze luider.
Polymorphisme. Evenals bij de wespen, mieren en bijen, treffen we ook
bij de hommels het polymorphisme aan. Er is één koningin, die eieren
legt; verder zijn er werksters van verschillende grootte, en in den
zomer komen er ook mannetjes of darren. Alweer dus 3 kasten:
moederhommels, mannetjes en werksters. De verdeeling van arbeid is
precies dezelfde als elders bij de statenvormende vliesvleugeligen.
Hoe zoo’n hommelkolonie is geordend, volgt nu.
Nestbouw en stichting der kolonie. Op een zonnigen dag in Maart, als de
crocussen, het kleine hoefblad en de wilgen bloeien, dan worden we
buiten al verrast door een eerste ontmoeting met de hommels. Dat zijn
dan de eerste boden, die het vroolijke leger aankondigen. Het valt ons
op, dat die eerste exemplaren bijzonder groot zijn. En geen wonder, ’t
zijn de koninginnen. Waar ze vandaan komen? Ze hebben het geheele
najaar, den geheelen winter, verborgen gezeten onder allerlei afval.
Dat was wel geen koninklijk verblijf voor de koninginnen, maar zij
zaten er toch schijnbaar veilig. Intusschen kan men haar toch aanzien,
dat ze niet zoo fijn gehuisvest waren, want ze zijn gewoonlijk bezet
met een betrekkelijk groot aantal mijten. Deze mijten zijn afvaldieren,
die van allerlei rommel leven, maar de hommels geen last veroorzaken.
Wat ze dan op de hommels doen? Ze gebruiken haar als „vliegmachines”
want deze mijten zijn blind en laten zich op goed geluk door de hommels
vervoeren. Deze mijt heet Parasitus carnivorus, maar een parasiet is ze
toch niet; dat dacht men vroeger wel toen het dier zijn naam kreeg.
Laten we nu onze hommelkoningin weer volgen. Ze snoept wat van den
honing en gaat nu een geschikt plaatsje zoeken om een kolonie te
stichten. Zooveel werk als de wespen en de bijen er van maken doet zij
niet; ze sticht ook zoo’n groote kolonie niet. Vele hommels bouwen haar
kolonie in den grond, anderen boven den grond, doch altijd zóó, dat het
geheel verscholen ligt. We hebben wel een hommelnest gevonden in een
verlaten nest van een winterkoninkje; dat is een geheel gesloten nest,
alleen met één vlieggat. Ook zagen we wel hommelnesten in
„nestkastjes”, die voor meezen waren opgehangen. Overal, waar een
donkere holte is, kan een hommelkoningin haar kolonie bouwen. Onder mos
vinden wij ze dikwijls.
Is de koningin gereed met de plaats, waar ze haar „paleis” zal
stichten, dan begint ze te zorgen voor de „bevolking”. Zij gaat eieren
leggen; doch omdat de larven zelf geen voedsel kunnen halen, moet de
koningin hier voor zorgen. Zij haalt zelf honing en stuifmeel en bij
elk ei, dat zij legt, wordt wat voedsel voor de larve neergelegd. Komt
die nu uit, dan gaat ze dadelijk aan ’t eten. De eerste larven hebben
het nooit erg „breed”; ze worden maar schraaltjes gevoed, wat ook
hieraan kan liggen, dat er nog niet zooveel buiten te halen is en de
koningin voor alles alleen moet zorgen. De larven spinnen zich ten
slotte een cocon, verpoppen, en dan komen de eerste werksters weldra
voor den dag. Die eerstelingen zijn gewoonlijk maar heel klein
vergeleken bij de andere werksters, die nu van lieverlede geboren
worden. Die kleine werksters komen direct in dienst van de kolonie; zij
moeten voedsel halen, het paleis ordenen, en tenslotte zorgen, dat de
komende jongen goed gevoerd worden.
In den eersten tijd vliegt de koningin nog mee uit, doch dit wordt van
lieverlede minder en eindelijk blijft ze geheel thuis en houdt zich dan
uitsluitend bezig met het eierleggen.
We zien dus een belangrijk verschil tusschen een bijenkoningin en een
hommelkoningin; de eerste haalt nooit honing of stuifmeel en bemoeit
zich in ’t geheel niet met de voeding der kolonisten; de laatste zet
zelf haar „hofhouding” op, haalt in den beginne zelf het voedsel, en
staakt hiermede niet voor zij voldoende hulp heeft.
Raten, dat zijn netjes geordende cellengroepen, worden door de hommels
niet gemaakt. De eerste larven maken cocons van spinsel, die later
worden gebruikt voor honingvaten. Zoodra er evenwel meer en grootere
werksters komen, worden er ook cellen van was gemaakt. In zoo’n cel
vinden we dan geregeld een paar eieren gelegd; iets later wordt dit
beperkt tot één ei. Deze cellen liggen niet geordend en zijn
ovaalvormig; den meer hoogeren zeshoekigen vorm als bij de bijen,
hebben ze nog niet bereikt.
Met het stijgen van de zonnewarmte wordt de kolonie volkrijker.
Eindelijk verschijnen ook de mannetjes en wat later komen ook de nieuwe
koninginnen. Nu heeft de kolonie haar toppunt bereikt en zooals dat
meer in de dierenwereld gaat, volgt nu spoedig een uiteenspatting. De
mannetjes en de nieuwe koninginnen verlaten de kolonie; er is voor hen
niets te doen. Zij vliegen naar de bloemen en zorgen nu voor haar eigen
voeding. De nieuwe koninginnen schijnen wat honingvooraad in haar maag
op te slaan en zoeken dan al spoedig een goed heenkomen om den winter
door te brengen. Lang voor de koude invalt bergen zij zich al op. Dat
zien we bij meer insecten, die gaan overwinteren, dat zij vroeg zich
verschuilen. Zeker is het, dat zij op deze wijze aan veel gevaren
ontsnappen, want hoe langer zij zwerven, hoe meer kans er bestaat, dat
zij door een of ander dier worden opgepikt. Het is dus een
veiligheidsmaatregel reeds zoo vroeg „van de vlakte” te verdwijnen.
De mannetjes doen het anders. Die weten, dat hun bestaan toch gauw
geëindigd is, dat zij toch den winter niet kunnen halen, en die blijven
dan ook maar zwerven. Op zonnebloemen, dahlia’s en andere nazomer- en
herfstbloemen kan men ze vinden; ’s morgens zijn ze geheel versuft en
kan men ze met de hand van de bloemen nemen; bovendien steken ze niet,
want ze hebben geen angel. En als nu het slechte weer komt, regen en
wind, dan sterven ze, vallen omlaag, en dienen ten slotte als mest voor
de planten voor het volgende jaar. ’t Was een kort bestaan voor die
mannetjes. Maar dit hebben ze gemeen met alle mannetjes bij de mieren,
wespen en bijen.
En nu er in de kolonie geen larven meer zijn te verzorgen, want de
koningin legt geen eieren meer, is er voor de werksters ook niets meer
te doen, zoodat deze uitvliegen en aan het zwerven raken om ten slotte
ook te sterven. De koningin heeft, na al haar eieren gelegd te hebben,
ook geen levensdoel meer en, oud als ze al is—ze is van den vorigen
zomer—verlaat ze ten slotte ook de kolonie en sterft spoedig.
Zoo is de heele kolonie opgebroken en het nest verlaten.
Maar het volgend voorjaar komen de nieuwe koninginnen uit haar
schuilhoeken, en dan begint de formatie opnieuw. Dat is de levenscyclus
van de hommels.
Als we nu nog even herinneren wat we vroeger over de andere
staten-vormende vliesvleugeligen hebben gezegd, dan blijkt ons: dat in
de mieren- en honingbijenkolonies veel werksters met haar koningin den
winter overblijven, doch dat de wespen en de hommels haar kolonies vóór
den winter opbreken, en dat alleen de koninginnen overwinteren buiten
de oude kolonie.
Wat er van die oude, verlaten nesten ten slotte wordt? Er leven, zooals
we vroeger reeds zagen, allerlei kleine „afvaldieren” in die nesten;
die hebben nu vrij spel, en breken de verlaten paleizen af. Zoo is
alles netjes in de natuur geregeld: de opbouw maar ook de afbraak. Het
is komen en gaan.
Hommelgasten. Evenals in de wespen- en mierennesten komen er ook in de
hommelnesten verschillende andere dieren voor, die daar hun kostje
ophalen. Zoo leven er een paar rupsjes, verwant aan de wasmot, die de
bijenraten verstoort, enkele kevertjes, die van afval leven, enkele
vliegenlarven, enz. Groote verwoestingen brengen ze evenwel niet aan.
Een bijzonder soort gasten zijn de koekoekshommels; daarover nu nog een
en ander.
Koekoekshommels. Het is bekend, dat een koekoek zijn eigen jongen niet
groot brengt. De vogel legt zijn eieren in nesten van andere vogels,
laat ze door deze uitbroeden en de jongen verzorgen. Van het eigen
broedsel dezer vogels komt gewoonlijk niets terecht. De vreemde
indringer wordt niet alleen geduld doch door zijn pleegouders goed
verzorgd. Dit is zeker een eigenaardig geval van „samenwonen”. Het
eigen kroost van de pleegouders komt om en de vreemde indringer wordt
verzorgd als een kind des huizes. Hoe zoo’n toestand is ontstaan,
kunnen wij niet nader bespreken, maar eigenaardig is het zeker wel.
Een soortgelijk geval doet zich ook onder de hommels voor. Er komen in
ons land een 5 tal soorten hommels voor, (in Midden-Europa 8) die
geheel leven op kosten van de andere nijvere hommels. Het zijn
commensaals of kostgangers, die hun kostje opdoen in de hommelkolonies
en voor haar eigen nakomelingen niet zorgen. Wij hebben gezien, dat het
in een hommelkolonie de werksters zijn, die voedsel halen en de jongen
voeden. Welnu, de koekoekhommels schijnen van de meening uit te gaan,
dat waar de andere hommels zooveel jongen groot brengen, zij best ook
nog de jongen van de koekoekshommel kunnen voeden.
Haar leven is aldus ingericht.
Als de gewone hommels reeds aan het werk zijn en de eerste werksters al
uit- en aanvliegen, komt de vrouwelijke koekoekshommel eindelijk ook
voor den dag. Zij heeft hier of daar onder rommel overwinterd, net als
de koninginnen der gewone hommels. Is haar winterdut uit, dan gaat ze
aan het zoeken naar een „kosthuis” naar een hommelkolonie. Is ze
geslaagd, dan gaat ze naar binnen en blijft daar. Merkwaardig is het,
dat ze geduld worden. Vermoedelijk heeft er een vergissing plaats van
de zijde der gewone hommels, die in de indringster een soortgenoot
zien. Ze eten van den honingvoorraad mede. Maar dit is nog niet genoeg.
Ze gaan eieren leggen en volgen de koningin trouw. Heeft die in de
broedcellen een ei gelegd, dan haalt de koekoekshommel dat er uit en
legt er zelf een ei in, dat nu door de werksters verzorgd wordt alsof
het van de eigen koningin ware. Het gevolg is, dat het eigen volk niet
talrijk wordt en soms wordt de heele kolonie ten slotte verwoest. Maar
voor het zoo ver is, zijn er een voldoend aantal nieuwe mannetjes en
wijfjes van den koekoekshommel geboren, die nu achtereenvolgens het
nest verlaten. Zij zwerven ook nog wat rond en vooral de mannetjes zijn
traag; men kan die soms wel zoo van de bloemen nemen. Ten slotte gaan
de mannetjes nog denzelfden zomer dood en blijven de wijfjes over, die
wegkruipen en in het voorjaar weer voor den dag komen.
Omdat zij in de kolonies leven van het voedsel dat de gewone werksters
halen, hebben zij zelf geen eigen werksters noodig; bij de
koekoekshommels komen dus alleen maar mannetjes en wijfjes voor. Deze
wijfjes halen, zooals we gezien hebben, geen stuifmeel en daarom missen
ze aan de achterpooten ook het korfje, dat wij bij de koninginnen en de
werksters der gewone hommels wel aantreffen.
Men ziet het, ook in de hommelmaatschappijen heeft men individuen, die
geheel ten koste van anderen leven.
De hommels als bloemenbestuivers. Doordat de hommels zooveel stuifmeel
noodig hebben voor haar larven, zijn zij van den morgen tot den avond
bezig met bezoeken van bloemen. Daardoor bewerken zij de
kruisbestuiving, die de vruchtzetting bevordert. Wie de hommels wel
eens bij haar bloemenbezoek heeft gadegeslagen, zal hebben opgemerkt,
dat zij maar niet in het wilde van de eene bloemensoort naar de andere
bloemensoort vliegen, maar dat zij zich op één tocht meestal bepalen
tot één soort. Daardoor is het uitgesloten, dat onwerkzaam stuifmeel op
de stempels wordt gebracht.
Omdat de tong nogal lang is, kunnen ze den honing diep uit de bloemen
halen. Soms zit die toch te diep, maar dan vinden zij er wel wat anders
op. Met haar bovenkaken bijten ze aan de buitenzijde van het ondereinde
der bloemkroon een gaatje, en zijn dan vlak bij den honing. Ze hebben
nu maar haar tong naar binnen te steken en ze zijn den honing meester.
Maar aan zoo’n bezoek heeft de bloem niets, omdat de hommel de
meeldraden niet passeerde en evenmin den stamper. Het bezoek is voor de
bloemen nutteloos. Men noemt deze handelwijze van de hommels „diefstal
met inbraak”.
Als we er op letten, dan kunnen wij de inbrekers geregeld aan het werk
zien bij het bezoeken van de bloemen van den smeerwortel en van de
groote boonen. Bijna altijd worden deze bloemen „aangevreten”.
Zeer druk worden door de hommels de composieten bevlogen, en alle
bloemen met klokvormige bloemkroon. In den nazomer zijn het vooral de
dahlia’s en de zonnebloemen, waarop zij gaarne vertoeven. Vooral de
zonnebloemen zijn zoo honingrijk.
Wie de hommels bestudeeren wil, dient verschillende exemplaren te
vangen. Dat gaat het gemakkelijkst met een vlindernet. Zitten ze er in,
dan brengt men de ontkurkte doodingsflesch in het net en zit de hommel
er spoedig in. Ze kruipt dan nog tegen het net, doch als men aan de
buitenzijde van het net dan de kurk op het glas plaatst—het net zit er
dan nog tusschen—dan is het dier dadelijk bedwelmd. Heeft men met
hommels met stuifmeelkluitjes aan de pooten te doen, dan moet men
voorzichtig te werk gaan, omdat die kluitjes gemakkelijk losraken.
Door de bestuiving van de bloemen behooren de hommels tot de nuttigste
insecten.
Vijanden der hommels. Het spreekt vanzelf, dat de hommels ook
achtervolgd worden. Allereerst worden er velen door de vogels opgepikt;
dan door de mollen en de muizen. Over de hommelgasten, waaronder
parasieten, spraken we reeds.
Hommelsoorten. In ons land komen 17 soorten voor, en in heel Europa
meer dan 40. Het is voor ons doel niet noodig op de soortverschillen
uitvoerig in te gaan. Bovendien is het lang niet gemakkelijk hommels te
determineeren, ook al, omdat de kleur der beharing aan zooveel variatie
onderhevig is. We geven 3 afbeeldingen van veel voorkomende hommels;
als men er op let kan men ze op de bloemen gemakkelijk onderscheiden.
No 178. Aardhommel. (Bombus terrestris). Deze is zeer algemeen, kleur
zwart; voorborststuk en 2de achterlijfsring geel; de top van het
achterlijf wit. De koningin is 20 tot 22 m.M. lang; de vlucht 40–42
m.M. De werksters zijn veel kleiner, en zooals we hebben opgemerkt, is
de grootte verschillend; lengte 10–17 m.M. De lengte der mannetjes
loopt van 14 tot 16 m.M., met een vlucht van 30–33 m.M.
No 179. Tuinhommel. (Bombus hortorum). Ook deze hommel is zeer gewoon.
Zij lijkt op het eerste gezicht veel op de vorige, omdat de
kleurteekening ongeveer dezelfde is. De hommel is zwart; voor- en
achterborststuk geel evenals de 1ste achterlijfsring; zij heeft dus 1
gelen band meer dan de aardhommel. De top van het achterlijf is wit,
net als bij de aardhommel. Deze hommels hebben de langste koppen en de
langste tongen. Daarom treft men haar ook juist aan in de bloemen met
zeer diep liggenden honing. Lengte van de koningin 17–20 m.M.; vlucht
35 tot 39 m.M. De werksters zijn 11–16 m.M. en de mannetjes 14–15 m.M.;
vlucht 29–32 m.M.
No 180. Steenhommel. (Bombus lapidarius). Een zwarte hommel, die
dadelijk te herkennen is aan den rooden top van het achterlijf. Het
mannetje heeft een gelen kop en een geel voorborststuk. De koningin is
20–22 m.M. lang; vlucht 37–40 m.M. De werksters zijn 11–16 m.M. en
gelijken geheel op de koningin. Ze verschillen alleen in grootte.
Mannetje 14–16 m.M. lang, vlucht 27–30 m.M.
Alle drie opgenoemde hommels maken haar nest in den grond.
LITERATUUR.
Voor wie nog nader met de insecten willen kennismaken kunnen wij de
volgende werken aanbevelen:
De Nederlandsche Insecten, door Dr. J. Th. Oudemans; met 38
steendrukplaten en 427 figuren in den tekst. Uitgave van W. J.
Thieme & Cie te Zutphen.
Coleoptera Neerlandica, de schildvleugelige insecten van Nederland
en het aangrenzend gebied, door Dr. Jhr E. Everts; 2 deelen met
supplement. Uitgave van Martinus Nijhoff te ’s Gravenhage.
Onze Vlinders, atlas met gekleurde platen, door D. Ter Haar.
Uitgave van W. J. Thieme & Cie te Zutphen.
Vlinderatlas met gekleurde platen door Dr. H. J. Calkoen. Uitgave
van A. W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij te Leiden.
Vlinderwereld. Honderd Nederlandsche vlinders en rupsen, met 100
gekleurde platen, door F. J. van Uildriks en Dr. Vitus Bruinsma.
Uitgave van W. Versluys te Amsterdam.
Ziekten en Beschadigingen der Landbouwgewassen. 2 Deeltjes door
Prof. Dr. J. Ritzema Bos. Uitgave van J. B. Wolters te Groningen.
Ziekten en Beschadigingen der Ooftboomen. 4 Deeltjes door Prof. Dr.
J. Ritzema Bos. Uitgave van J. B. Wolters te Groningen.
Handboek voor den Verzamelaar van Vlinders door D. Ter Haar.
Uitgave van W. Versluys te Amsterdam.
BENOODIGDHEDEN voor het VERZAMELEN.
Men vrage hiervoor aan bij de firma
Merkelbach & Co., Kalverstraat 30 te Amsterdam, Prijscourant No III.
Hierin worden alle hulpmiddelen bij het kweeken, vangen en opzetten van
insecten afgebeeld. De prijscourant wordt gratis toegezonden.
INSECTARIA.
Levende insecten zijn het geheele jaar door te zien in het Insectarium
in „Artis” te Amsterdam en in het Gebouw van de Nederlandsche
Heidemaatschappij te Arnhem. Tevens kunnen wij daar rijke collecties
insecten bezichtigen.
De voorwaarden, waarop Album No 1 verkrijgbaar is, staan vermeld op de
achterzijde van de plaatjes.
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE INSECTEN ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you
are not located in the United States, you will have to check the laws
of the country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
the use of Project Gutenberg works calculated using the method
you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
within 60 days following each date on which you prepare (or are
legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
payments should be clearly marked as such and sent to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
License. You must require such a user to return or destroy all
copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free
distribution of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.