Lord Lister No. 0352: De witte terreur

By Matull, Blankensee, and Hageman

The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0352: De witte terreur
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0352: De witte terreur

Author: Kurt Matull
        Theo von Blankensee
        Felix Hageman


        
Release date: September 19, 2026 [eBook #79611]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79611

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0352: DE WITTE TERREUR ***




                              LORD LISTER
                            GENAAMD RAFFLES
                          DE GROOTE ONBEKENDE.

                      NO. 352   DE WITTE TERREUR.








DE WITTE TERREUR.


HOOFDSTUK I.

VAN DEN OS OP DEN EZEL.


De zon stond op het punt onder te gaan, toen één der weinige treinen
die nog met tamelijke regelmaat liepen, het station van Temesvár
binnenreed, komende uit Boedapest.

Onder normale omstandigheden zou de trein over dien afstand zeker niet
langer gereden hebben dan een uur of vijf, maar thans was hij bijna den
geheelen dag onderweg geweest, want telkens had hij moeten ophouden, nu
eens, omdat het spoor volkomen versperd was door een rij, voor het
meerendeel ledige goederenwagens, dan weder, omdat het niet veilig zou
zijn door te rijden daar men volstrekt niet wist, of de Rooden een
kilometer verder het spoor niet hadden opgebroken.

Want er kon niet aan worden getwijfeld, sedert eenige weken en ondanks
het meedoogenloos optreden van de reactie, die in Hongarije weder aan
het roer wist te komen, dat de revolutie opnieuw het hoofd opstak en
dat in sommige gedeelten van het zwaar bezochte land de Rooden opnieuw
naar de wapens hadden gegrepen.

Want hoe zorgvuldig het land ook afgezocht was door de patrouilles der
Witten, toch hadden de revolutionairen blijkbaar nog vele duizenden
geweren, millioenen patronen en zelfs mitrailleurs weten te verbergen.

Van een georganiseerden opstand was wel geen sprake, maar toch waren op
heel wat punten tegelijkertijd opnieuw opstanden uitgebroken,
niettegenstaande het schrikbewind, door de reactie uitgeoefend en men
kon er niet aan twijfelen, of er moest hier gedacht worden aan
onderlinge afspraak.

Op enkele punten was deze poging der Communisten, om weder de macht in
handen te krijgen, in bloed gesmoord, maar elders hadden zij wanhopigen
tegenstand geboden en zelfs eenige voordeelen weten te behalen.

Ten Zuiden van Temesvár, ten tijde, waarop ons verhaal een aanvang
neemt, werd reeds eenige dagen hevig gevochten en ook de Rooden maakten
daar zelfs gebruik van kanonnen, waarvan zij zich bij verrassing hadden
weten meester te maken.

Zij hadden zich verschanst in het woeste gebergte en namen daar een
stelling in, waarvan de sterkte niet te miskennen viel.

Al deze troepen bestonden uit mannen, die een duren eed hadden
gezworen, dat zij liever zouden ten onder gaan, dan hunne stellingen
prijsgeven, en tegen soldaten, die bezield zijn met zulk een geest, is
het moeilijk vechten!

De Witten hadden reeds getracht met stikgassen, met bommen uit
vliegmachines en met andere middelen, de Rooden te verdrijven, maar het
gas had geen uitwerking, daar de stelling der revolutionairen zich op
een hoogte van bijna twee-honderd meter boven de vlakte bevond, waar de
Witten zich hadden moeten ingraven, zeer tot hun nadeel en de
bestuurders der vliegmachines moesten werkeloos blijven, want de
onderkomens der Rooden waren in de rotsen uitgehouwen en bij het minste
teeken van onraad konden zij daar binnen vluchten en de bommen hadden
op de rots weinig of geen uitwerking.

Aan een bestorming viel in het geheel niet te denken, want dan zouden
de Witten een halven kilometer ver geheel onbeschut over de vlakten
moeten voortstormen en zij zouden door het mitrailleurvuur zijn
weggemaaid, lang voor zij den voet van het gebergte zouden hebben
bereikt.

Alleen bij verrassing, door een omtrekkende beweging, zou de stelling
genomen kunnen worden, en dan nog slechts ten koste van groote en
bloedige offers.

Zoo stonden dus de zaken op een twintigtal kilometers ten Zuid-Oosten
van Temesvár, toen de trein uit Boedapest daar eindelijk binnenreed, na
een reis van bijna veertien uren.

Het was buitengewoon druk op het perron, waar het krioelde van
verschrikte vluchtelingen, die voor de zooveelste maal een goed
heenkomen trachtten te zoeken, opgejaagd door hun vrees voor het Roode
gevaar.

Men zag daar vertegenwoordigers van alle Balkanvolkeren, en niet alleen
inheemsche: Tsjechen, Galicische Joden, Roemeensche Boeren, Serviërs,
Turken en Armeniërs, Slowaken, bewoners van Moravië en van de andere
Hongaarsche grensgebieden, Grieken, Montenegrijnen, en dan
vertegenwoordigers van het oorspronkelijke Magyaarsche ras, met groote
vurige oogen en lange, gitzwarte, omlaag wijzende snorren.

En dat alles schreeuwde en tierde door elkander, belegerden den
wanhopigen stationschef, die eenvoudig geen raad wist en klommen als
bezeten in alle leegstaande wagons, welke er maar te vinden waren, in
de dwaze verwachting, dat die van zelf wel ergens heen zouden gaan
rijden.

Waar, dat kwam er niet op aan, als zij maar wegkwamen uit dit oord van
verschrikking, waar men nu en dan duidelijk het gebulder van het zware
geschut kon hooren.

Er zaten niet veel reizigers in den trein, en deze hadden de grootste
moeite zich uit hun coupé te werken, die nog vóór het stilstaan van den
trein bestormd werd door de wachtende menigte.

Onder deze reizigers waren drie mannen, van wie het op den eersten
aanblik ten zien was, dat zij in deze streek niet thuisbehoorden en
afkomstig waren uit Noordelijker landen, waar vaker mist en regen
heerschen, dan lieflijke zonneschijn.

Een van de drie mannen stak bijna een half hoofd uit boven den grootste
van de twee anderen, en die mocht toch werkelijk tot de groote mannen
gerekend worden.

Hij was bovendien gebouwd als de Hercules van Farnese en zijn
schouders, zijn armen, de wijze, waarop hij het hoofd droeg en zijn
voeten neerzette, wezen op een meer dan buitengewone spierkracht.

Hij had een breed, gevuld gelaat, waaruit twee donkerblauwe oogen
goedmoedig en vriendelijk de wereld inkeken.

De man droeg een paar zware valiezen met het grootste gemak voort.

De reiziger, die in lengte op hem volgde, was een man van een jaar of
veertig, met een lenig en door sport gespierd lichaam, doordringende
grijze oogen en een energiek gelaat, dat getuigenis aflegde van een
stalen wilskracht en een ondernemingslust, die voor niets terugdeinst.

Hij droeg het hoofd hoog opgericht, als een bewijs, dat hij gewend was,
te bevelen, en te zien, dat die bevelen werden opgevolgd.

Hij droeg een donkergrijs reiscostuum en een geruiten reispet en hield
een gummi regenjas over den arm.

De derde van het driemanschap was een nog jonge man, sierlijk gebouwd,
met vlugge bewegingen en een rond, blozend gelaat, waarin twee groote
blauwe oogen schitterden.

De drie mannen hadden zich een weg gebaand door de menigte, waarbij de
reus als het ware als ijsbreker fungeerde, hetgeen hem menig
scheldwoord op den hals haalde, wat hij echter met de grootste
blijmoedigheid verdroeg, daar hij er toch niets van begreep en
bereikten zoo den uitgang.

„Ik kan mij niet begrijpen, dat men op het Strand van drukte kan
spreken,” zeide de jonge man met de blauwe oogen, in het Engelsch. „Het
is hier waarachtig voller dan Zaterdags om één uur in den Underground!”

„Nog een paar minuten geduld, beste Charly en dan zullen wij het doel
wel bereikt hebben!”

„Als nu die man met dien onuitsprekelijken naam ons maar niet in den
steek laat en gekomen is!” zeide de jonge man zuchtend.

„Horváth de Palocza meen je,” zeide Raffles glimlachend. „Hij zal er
wel zijn, hij verdient tien millioen kronen aan ons, als alles in orde
komt en daar de man blijkbaar niets liever verlangt, dan dat geld zoo
spoedig mogelijk in zijn bezit te krijgen, zal hij er wel zijn!”

„Zeg eens eerlijk, Edward, zou je die reis ondernomen hebben, als je
bij voorbaat geweten had, wat ons hier te wachten staat?”

„Nu, ik geloof, dat ik mij dan nog wel eens bedacht zou hebben!”
antwoordde de aangesprokene. „Het reizen is hier toch al niet bijzonder
aangenaam en onder de gegeven omstandigheden is het bepaald een plaag!
Maar wij behoeven hier niet langer te blijven dan wij volstrekt
wenschen! Wij kunnen terugkeeren, zoodra wij het landgoed gezien en
betaald hebben!”

„Dat hoop ik, Edward, dat hoop ik!” riep de jonge man uit. „Het is
waar, tien millioen kronen is maar twaalf-duizend-vijf-honderd pond
sterling op het oogenblik, maar ik vind het volstrekt geen veilig
gevoel met een zoo groot bedrag aan contanten bij ons te loopen, nog
afgezien van onze reispenningen, terwijl wij bekneld zitten tusschen de
Rooden en de Witten en nog wel in een land als Hongarije! Op mijn
woord, hoe eerder wij hier weer vertrekken hoe liever het mij zal zijn.
Ik heb trouwens altijd iets gehad tegen een land waar eens de kellner
mij op de vraag, hoe hij heette, geantwoord heeft, dat zijn naam was
Darányi de Pusztaszentgyörgy! Neem mij niet kwalijk, maar dat is geen
Christelijke naam! Wat zeg jij er van Henderson?” zoo wendde hij zich
tot den reus, die zich onverstoorbaar een pad baande door de dringende
menigte.

„Ik zou het hier geen uur uithouden, mijnheer Brand,” antwoordde de
reus, zonder om te zien. „Als ik hier de menschen bij hun naam moest
aanspreken, dan zou ik binnen dien tijd mijn tong verstuikt hebben! Ze
zeggen, dat Chineesch een moeilijke taal is, maar het is niets,
vergeleken bij Hongaarsch!”

De drie reizigers hadden nu juist den uitgang bereikt en daar zagen zij
een man uitkijken, voor het tourniket staande en die dadelijk met zijn
zakdoek begon te wuiven, zoodra hij de drie vreemdelingen in het oog
kreeg.

En toen zij in het bereik van zijn stem waren gekomen, riep hij, in
tamelijk goed Engelsch:

„Heb ik het genoegen met graaf Grasham te spreken?”

„Die ben ik, baron!” antwoordde Raffles.

Het volgende oogenblik waren zij het tourniket gepasseerd en stonden nu
tegenover een man met een gebruinde gelaatskleur, bijna zoo groot als
de reus, die in hun gezelschap was, en eenvoudig gekleed.

Zijn gelaat was bleek en had een droevige uitdrukking.

„Eigenlijk verbaast het mij, dat gij gekomen zijt, graaf!” zeide hij.
„Natuurlijk zult gij nu wel kennis dragen van den toestand hier?”

„Ja, baron, maar toen ik tot die kennis kwam, was het reeds te laat om
terug te keeren, ik vond het althans de moeite niet meer waard!”

„Mijn rijtuig wacht buiten het station, zoudt gij mij willen volgen? Ik
waarschuw u echter, dat gij in mijn huis geen gul onthaal zult vinden,
graaf! Ik ben alleen, de Rooden hebben mijn vrouw en mijn twee kinderen
vermoord, toen zij op weg waren van mijn schoonouders naar mijn
landhuis, en nu weet gij ook de reden, waarom ik mij tot iederen prijs
wil ontdoen van mijn bezitting! Het is minder nog de vrees voor die
beesten, dan de onduldbare herinnering aan mijn vroeger geluk, die mij
uit mijn vaderland verdrijven. Ik wil trachten, naar Amerika over te
steken, misschien vergeet ik daar!”

„Uw voorbeeld staat niet alleen, baron,” zeide Raffles op ernstigen
toon. „Het is een vreeselijk denkbeeld, nu de wereldslachting gedaan
is, dat menschen van één stam en van één geslacht, elkander nog altijd
naar de keel vliegen, om een droombeeld, want de mensch zal altijd
mensch blijven en in den grond zal er niets veranderen, of iedereen
zelf een klein stukje land en wat geld heeft of niet!”

De drie mannen hadden nu het plein voor het station bereikt, waar een
paar schamele huurrijtuigen stonden, bespannen met schonkige paarden en
twee of drie automobielen, zoo wrak en verveloos, dat de drie reizigers
zich verbaasd afvroegen, hoe het mogelijk was, dal deze vehikels zich
konden voortbewegen.

Ook de gevel van het station zag er plekkerig, dik met stof bedekt en
smerig uit.

Het was duidelijk te zien, dat men zich hier bevond in een land, waar
men nog steeds aan heel andere dingen dacht, dan aan het onderhoud van
openbare gebouwen, en waar de verf nog steeds schrikbarend duur was.

Voor den hoofdingang van het station stond een soort jachtwagen op vier
dunne, hooge wielen, die wel eenigszins geleek op het voertuigje,
hetwelk door de Engelschen een „spin” wordt genoemd.

Het werd echter door twee paarden getrokken, vroeger zeker krachtige en
schoone dieren, maar die er thans ondervoed en haveloos uitzagen.

De koetsier, die op den bok zat, was zeker minstens zeventig jaar, krom
en spierwit, ongetwijfeld een van die bedienden, die een halve eeuw bij
het zelfde gezin in dienst geweest en vergrijsd zijn.

Hij nam eerbiedig zijn hoofddeksel af, toen hij zijn meester met de
drie vreemdelingen naar het rijtuigje zag komen en daarop klommen allen
in het wagentje.

„Nu wil ik u nog waarschuwen, graaf,” begon de baron Horváth de
Palocza, „dat onze rit misschien onderbroken kan worden! Toen mijn
trouwe bediende Marek en ik hierheen onderweg waren, om u af te halen,
hebben wij reeds herhaaldelijk in de verte geweervuur gehoord!”

Maar de kooper van het landgoed haalde de schouders op en sprak:

„Wij zijn nu eenmaal onderweg, baron, en wij zijn er niet de mannen
naar om een onderneming, eenmaal begonnen, weder prijs te geven, zelfs
al betreft het maar den aankoop van een landgoed in Hongarije!”

„Als gij er zoo over denkt, graaf,” hernam Palocza met een matten
glimlach, „dan heb ik natuurlijk niets tegen te werpen!”

„Ligt het landgoed hier ver van daan?”

„Vroeger kon ik het met mijn auto gemakkelijk in twintig minuten
rijden, maar ik heb geen auto meer, die is mij afgenomen en de paarden,
de arme dieren, doen er bijna een uur over! Het landgoed ligt niet ver
van de Boganis, een van de belangrijkste rivieren in dit gedeelte van
ons land. Misschien zult gij den prijs nog rijkelijk hoog vinden,
graaf, maar als gij het goed gezien hebt, zult gij met mij instemmen,
als ik zeg, dat het met tien millioen kronen niet te duur betaald is!”

„Ik ben overtuigd, dat gij niet overvragen zult, baron,” zeide de ander
eenvoudig.

Het rijtuigje was de stad nu uitgereden en volgde een tamelijk goeden
weg, goed voor Hongarije wel te verstaan, want hij was niet te
vergelijken met de prachtige wegen in Engeland.

De paarden liepen in een matigen draf voort, en hadden blijkbaar
moeite, het lichte rijtuig met de vijf mannen er in voort te trekken.

De Boganis kwam spoedig in het gezicht.

Men passeerde tal van villa’s, die echter voor het meerendeel door de
bewoners verlaten waren, voortgejaagd door de vrees voor de Rooden.

Het land lag daar zwijgend en somber, en toch was pas zooeven de zon
ondergegaan, en kon men nog op verren afstand de dingen onderscheiden.

De weg liep nu dwars door de Poeszta, de steppen van Hongarije, en
heinde en verre zag men niets dan het hoog opschietende gras, hier en
daar afgewisseld met kleine boschjes.

Hoog in de lucht cirkelde een groote vlucht zwarte vogels, en hun
aanwezigheid op deze plek voorspelde niet veel goeds.

Zij hadden zich bij groote troepen begeven naar de plaats, waar
duizenden menschen elkander naar het leven stonden, bezield door een
fellen haat, feller nog, dan die hun bezielde, toen zij tegen
onderdanen van een ander land streden.

Maar nu werd het landschap heuvelachtiger, het gebergte in het
Zuid-Oosten liet zich reeds raden.

Langzaam begon de duisternis te vallen.

Bijna een uur hadden de reizigers gereden en nog waren zij niemand
tegen gekomen.

Slechts tweemaal hadden zij een boer gezien, die in alle kalmte des
gemoeds zijn akker bewerkte, alsof er geen burgeroorlog bestond, en
alles pais en vrêe was.

De weg begon nu een weinig op te klimmen, en men kon een groot gedeelte
van de rivier overzien, die hier bijna een halven kilometer breed was,
gezwollen als zij was door de hevige regens van de laatste dagen.

Toen strekte baron Palocza de hand uit en zeide op gedempten toon:

„Daar, bij dat boschje begint mijn landgoed.”








HOOFDSTUK II.

DE AANVAL OP HET LANDGOED.


De plantengroei was reeds eenigen tijd weelderiger geworden, en de
Poeszta lag reeds ver achter de reizigers.

Zij reden voorbij wijnbergen, langs malsche weiden en voorbij
uitgestrekte akkers, waar het graan in vollen bloei stond.

Graaf Grasham liet zijn blikken over het landschap waren, en hij zag al
spoedig, dat de gevraagde prijs zeker niet te hoog was als men hem
omrekende in Engelsche ponden.

De akkers waren goed onderhouden, de wijnbergen leverden zeker een
voortreffelijken wijn op, en het landschap was blijkbaar zeer
uitgestrekt. En als het woonhuis nu ook goed was, dan zou hij zeker
niet aarzelen den gevraagden prijs te betalen, al lag het goed dan ook
in een gebied, waar het wonen alles behalve een genoegen kon worden
genoemd.

Maar wie was nu wel de zonderling, die er op stond, op dit tijdstip,
onder deze onzekere omstandigheden een landgoed in Hongarije te koopen?

Die zonderling was.... John Raffles.

De vreemdeling, die hier met zijn beide metgezellen gekomen was, om er
iets te doen, waarvoor de meeste zijner landgenooten hem zeker tot een
krankzinnige zouden bestempelen, was de groote vijand van
Scotland-Yard, het Londensche Hoofdbureau van politie, de man op wiens
aanhouding nog altijd een premie van niet minder dan duizend pond
sterling was gesteld, en die nog altijd verdiend moest worden.

Ja, de befaamde Gentleman-Inbreker, die nu den naam van graaf Grasham
had aangenomen, had er zijn zinnen opgezet ook in Hongarije een plaats
te bezitten, waarheen hij in geval van nood de wijk zou kunnen nemen,
of die hem tot een soort basis zou kunnen strekken, wanneer hij eens
naar Hongarije zou reizen, om daar een zijner stoutmoedige
ondernemingen op touw te zetten, ondernemingen, welke strijdig waren
met de geldende wetten, maar die voor Raffles de reden van zijn bestaan
vormden.

De twee mannen, die nu in zijn gezelschap reisden, waren Charly Brand,
die te Londen de taak van secretaris van Lord William Aberdeen
vervulde, onder welken naam John Raffles in een fraai huis in de
Regent-Street woonde, en Henderson, zijn chauffeur, wiens ongelooflijke
lichaamskracht reeds menigmaal een avontuur tot een gelukkige oplossing
had gebracht, dat in het nadeel van den Grooten Onbekende, zijn
meester, dreigde af te loopen.

Raffles had in een der groote bladen de advertentie gelezen, waarin
baron Horváth de Palocza zijn landgoed te koop aanbood, en daar de
prijs hem niet overdreven voorkwam, had hij dadelijk geseind, dat hij
het landgoed kocht, onder beding van voorafgaande bezichtiging.

Reeds een dag later had hij zich met zijn beide metgezellen op reis
begeven, maar de tocht was moeizaam, want door verschillende oorzaken,
als staking in Duitschland, versleten materiaal, slechte steenkolen en
anderszins, hadden de drie mannen bijna zes dagen gedaan over een reis,
welke onder normale omstandigheden niet langer zou geduurd hebben dan
ten hoogste anderhalve dag.

Zeker, Raffles had een dier voertuigen kunnen gebruiken, welke hij
bezat, zooals zijn wonderbaarlijke electrische vliegmachine, welke een
ongehoorde snelheid kon ontwikkelen, nog door geen enkel toestel
bereikt, dat met benzine werd voortbewogen, en men zou haar hier
trouwens niet dan met gevaar kunnen gebruiken, en het reizen met een
auto door Duitschland en Oostenrijk, om van Hongarije in het geheel
niet te spreken, ging met de grootste gevaren gepaard.

Maar nu had men dan toch de plek van bestemming bereikt, en als gevolg
van zijn eigen telegram had baron Palocza den kooper van zijn landgoed
van het station Temesvár afgehaald.

De oude koetsier had het rijtuig van den straatweg op een goeden
grintweg gebracht, die eveneens met een flauwe stijging opwaarts liep,
en aan het einde daarvan ontwaardden de reizigers de tinnen van een
fraai kasteel, die hoog oprezen boven het omringend geboomte.

Nog tien minuten en toen zwenkte het rijtuig een breeden oprijweg in,
en stond even later stil voor het terras van een heerenhuis, een
kasteel, dat volgens Charly Brand uit het begin van de achttiende eeuw
moest dateeren.

Palocza was het eerst van den wagen gesprongen en zeide, met een
droeven glimlach om de lippen:

„Nog geen twee jaaren geleden zouden twintig bedienden op het terras
hebben gestaan, om u te verwelkomen, graaf, thans is Marek de eenige,
die mij trouw is gebleven. Alle anderen zijn of gedood, of zij hebben
zich aangesloten bij de Roode troepen of zij hebben de vlucht genomen.
Wij beiden zijn de eenigen, die hier zijn achtergebleven. Ik ben
verplicht, volkomen eerlijk tegenover u te zijn, ik vrees, dat uw bezit
in den eersten tijd nog wel zeer onzeker en onveilig zal zijn!”

„Ik zal het zoo goed mogelijk trachten te verdedigen, baron, en ik denk
toch niet, dat de menschen zich zullen vergrijpen aan het eigendom van
een vreemdeling, een Engelschman!”

„Ik hoop het, maar ik zou het niet durven verzekeren, graaf!” hernam
Palocza.

Marek was intusschen niet zonder moeite van zijn hoogen bok geklommen,
en geleidde nu de paarden aan den toom naar den stal, die even door het
dichte gebladerte van den grooten tuin heenschemerde, die wel een park
mocht worden genoemd.

Het was volkomen duister tusschen de eeuwenoude boomen, maar in de gang
van het kasteel brandde een helder licht, dat door een ovaal venster
boven de deur naar buiten scheen.

Palocza opende deze deur met een zwaren sleutel, en liet de drie mannen
voorgaan.

Maar Henderson vroeg bedaard:

„Neem mij niet kwalijk, baron, ik behoor hier niet. Gij wilt mij zeker
wel toestaan, vriend Marek op te zoeken. Ik ben een jaar in Duitsche
krijgsgevangenschap geweest en ik brabbel een weinig Duitsch. Wij
zullen elkander dus heel goed kunnen verstaan.”

Palocza keek Raffles vragend aan, maar deze zeide:

„Deze man is meer voor mij dan een gewone bediende, baron. Maar ik heb
hem altijd zijn zin gegeven, als hij, zelfs midden in de woestijn, zijn
eigen weg verkoos te gaan!”

„Nu, als het zoo is, gij vindt mijn trouwen bediende in het achterhuis,
vriend!” zoo wendde hij zich tot den reus. „De deur staat meestal open
en anders behoeft gij slechts aan te kloppen.”

„In orde, baron!” zeide Henderson.

En daarop verdween hij in de duisternis.

De drie mannen gingen binnen, maar op het oogenblik, dat de baron de
deur weder zou sluiten, klonk heel in de verte een dof gerommel,
waarvan de aard niet te miskennen viel, het was kanongebulder.

Een oogenblik bleven de drie mannen zwijgend luisteren, en toen deed
Palocza zuchtend de deur dicht.

„Mijn arm, arm land!” zeide hij op zwaarmoedigen toon. „Verscheurd,
uiteengerukt, bloedend, arm en hongerig! Mijn God, wanneer zal er aan
dit alles een einde komen!”

„Dan pas, baron, wanneer de menschen zich hun menschenaard wat beter
zullen herinneren!” zeide Raffles op bitteren toon. „Slechts dan,
wanneer iedereen weder gaat inzien, welk onvergelijkelijk genot de
arbeid oplevert voor ieder gezond man. Slechts dan, wanneer broeders
van één stam niet langer elkanders bloed bij stroomen vergieten!”

Met gebogen hoofd, en schijnbaar zonder te luisteren, ging Palocza door
de ruime vestibule, opende een deur, draaide een schakelaar van het
electrische licht om, en zeide:

„Gij zijt natuurlijk hedenavond en van nacht mijn gasten; mijne heeren!
Trouwens het zou immers niet anders gaan. Mijn naaste buren wonen hier
een paar kilometers van daan! Gij zult het dus wel met een schamel maal
en onder dit dak voor lief moeten nemen! Morgen hoop ik u het landgoed
geheel te laten zien.”

Raffles boog zwijgend.

Zijn blikken rustten op een prachtig schilderij in een zware, vergulde
lijst, dat boven den monumentalen schoorsteenmantel hing, en dat een
vrouw in den vollen bloei van haar schoonheid voorstelde.

„Mijn lieve vrouw!” zeide Palocza als in antwoord op een onuitgesproken
vraag.

Raffles bekeek eenigen tijd met stille aandacht het schoon gelaat, en
zeide toen zacht:

„Ik begrijp nu, baron, waarom gij dit land wilt verlaten. Ik zou in uw
plaats waarschijnlijk hetzelfde gedaan hebben. Niets rest u hier meer
dan de herinnering aan vervlogen geluk. Gij hebt den besten weg
gekozen...”

De drie mannen gingen verder en traden nu een tweede vertrek binnen,
waar een groote tafel, gebeeldhouwde stoelen en een prachtig, zwaar
buffet stond.

De ramen van deze eetzaal zagen uit op het park, dat zich achter het
heerenhuis uitstrekte.

Thans waren zij door gordijnen gesloten, die in zware plooien
nederhingen.

Juist trad Marek binnen, om de tafel te dekken, maar hij was vergezeld
van Henderson, die hem volstrekt wilde helpen.

En alsof hij het reeds jaren gedaan had, begon de brave kerel de tafel
in orde te maken.

De drie heeren begaven zich naar een kleine rookkamer, die zich naast
de eetzaal bevond, en spoedig waren zij in een gesprek verdiept,
waarvan de beklagenswaardige toestand van het ongelukkige Hongarije het
voornaamste onderwerp vormde.

Een half uur later klonk de gong in de gang, ten teeken dat er was
opgediend.

Palocza glimlachte even, toen hij zeide:

„De goede Marek doet nog, alsof alles bij het oude is gebleven! Hij zou
ook op de gong slaan, al kon hij mij niets anders meer voor zetten dan
een paar knolrapen uit den moestuin.”

„Ik ben van oordeel, dat dit voor hem pleit, baron!” zeide Charly.
„Zulke bedienden vindt men niet veel meer.”

De drie mannen waren opgestaan en begaven zich naar de eetzaal, waar
een eenvoudige maaltijd was aangericht.

„Wat gij hier thans zult eten, mijne heeren, dat groeide of leefde
alles op mijn landgoed en ik heb het wild zelf moeten schieten! Er is
geen middel meer, om iets uit de naaste stad te laten komen. Men is
hier thans geheel op zich zelf aangewezen, en als gij het goed koopt,
dan zou ik u ten sterkste aanraden, goede krachten uit uw eigen land
hier te laten komen, om het land te bewerken, en al het andere noodige
te doen.”

„Dat was ik voornemens, baron!” zeide Raffles. „Bij ons zijn gelukkig
de Boljewistische beginselen nog niet doorgedrongen!”

„Mag ik u vragen of ge voornemens zijt het landgoed aanstonds te
betrekken, verondersteld natuurlijk dat gij het koopt?” ging Palocza
voort.

„Dat zal geheel en al van de omstandigheden afhangen, waarde baron!
Wanneer de Witte Regeering den toestand hier kan beheerschen, dan denk
ik wel hier eenigen tijd te blijven, maar gij zult mij toegeven, dat
een oponthoud hier minder aangenaam zou zijn, wanneer wij hier tusschen
twee vuren zouden geraken.”

„Dat kan ik mij voorstellen,” zeide baron Palocza zuchtend. „Indien ik
dit alles had kunnen voorzien, zou ik u natuurlijk eerst nog
gewaarschuwd hebben zoodat ge uw bezoek tot een latere gelegenheid had
kunnen uitstellen. Maar nu gij toch hier zijt, hoop ik slechts, dat gij
veilig weder ons land zult kunnen verlaten. Hebt gij niet zeer veel
moeilijkheden met uw passen ondervonden?”

„Dat was niet zoo erg, baron. Het is ten huidige dage moeilijker zijn
eigen land weder binnen te komen dan er uit te vertrekken.”

Henderson en Marek hadden intusschen den maaltijd opgediend, die
bestond uit een koolsoep, een reebout, groenten, gebak en eieren en een
meelspijs, eigen aan het land, benevens eenige heerlijke vruchten,
allen afkomstig van het landgoed van den baron.

Het diner naderde zijn einde, en Marek had juist een kistje fijne
sigaren binnengebracht, toen weder het kanongebulder klonk, maar thans
veel duidelijker.

Palocza hield midden in een zin op en zeide op gedempten toon:

„Het kanonvuur komt naderbij. Mijn hemel, de Witten zullen toch niet
retireeren?”

„Moeten zij dan dezen kant uitkomen?”

„Ja, graaf! Als zij terug moeten dan is het in de richting van
Temesvár.”

Geruimen tijd bleven de drie mannen luisteren naar het gebulder van het
kanon.

En eensklaps hield dit op, zoo onverhoeds dat het was, alsof een
geheimzinnige macht plotseling alle kanonniers had nedergeslagen.

Het bleef nu stil, en na eenigen tijd stonden de drie mannen van tafel
op en begaven zich naar de biljartkamer, die op een hooger gelegen
verdieping was gelegen.

Er werd onder het spelen weinig gesproken en Raffles en Charly begrepen
dat zij te doen hadden met een man, wiens geheele geest nog slechts
werd beheerscht door het verlangen de streek te verlaten, waar hij zoo
gelukkig en zoo nameloos rampzalig was geweest.

Het was omstreeks tien uur, toen er plotseling op de deur werd geklopt
en Marek met een bleek gelaat binnentrad.

„Wat is er?” vroeg de baron hem, terwijl hij zich van de Hongaarsche
taal bediende.

„Ik geloof dat daarginds de Witte troepen aankomen, heer,” antwoordde
de grijze bediende.

„De chauffeur van den graaf zegt, dat hij het gedaver van de stukken
duidelijk kan onderscheiden, hij is in den oorlog geweest, hij heeft er
verstand van.”

Dadelijk snelde de baron naar het venster, en wierp het open.

Raffles en Charly voegden zich bij hem, en allen luisterden met
aandacht.

Henderson had goed gehoord, heel in de verte klonk het onbestemde
gerommel van een aantal kanonnen en kruitwagens, die over den straatweg
naderden, welke in het licht van de maan, die zoo juist was opgekomen,
flauwtjes zichtbaar was op een afstand van tien minuten gaans.

Het gelaat van baron Palocza was bleek, en zijn trekken waren
verwrongen van wraakzucht en woede.

„Ja, zij retireeren!” riep hij op gesmoorden toon.

„En gij, blijft gij hier?” vroeg Raffles. „Zoudt gij niet aanstonds
vluchten?”

„Wat, voor de Roode bandieten?” riep de baron op woesten toon. „Nooit!
Liever liet ik mij dooden. Zij hebben mij het liefste ontroofd, wat ik
op de wereld bezat, en zij hebben mijn vrouw en mijn kinderen vermoord,
en ik weet niet wat mij nog aan het leven bindt. Neen, ik blijf hier,
al staken zij mijn kasteel boven mijn hoofd in brand. Maar als gij wilt
vertrekken, graaf, ik denk er natuurlijk niet aan om u terug te
houden.”

„Wij blijven!” zeide Raffles kalm. „Rooden of Witten, ik zou wel eens
willen zien, dat zij zich durfden vergrijpen aan Engelschen. En
trouwens, gij kent mij niet, als gij denkt, dat ik u aan uw lot zou
overlaten.”

„Ik dank u, graaf, dat is edel van u! Ik hoop dat zij zullen
standhouden, en al wilden zij mijn landgoed als steunpunt gebruiken, ik
zou hen laten begaan! En als het moest zou ik daarvoor gaarne als een
arm man de wereld ingaan.”

Het geraas van de naderende troepen werd intusschen hoe langer hoe
duidelijker hoorbaar, en nu klonk het doffe gedreun van de voetstappen
van een zeer groot aantal soldaten, die over den straatweg trokken.

Even later kwamen de eerste colonnes aan, en zij schenen volstrekt niet
van zins te zijn, zich bij het kasteel op te houden.

Integendeel, de drie mannen zagen hen haastig, als in een vlucht en in
ordelooze gelederen voorbijtrekken, naar het Noordwesten.

Op dezen afstand en met de heerschende duisternis was het onmogelijk,
hun regimentsnummer of een ander onderscheidingsteeken te herkennen,
maar dat het Witte troepen waren, dat was zeker, want men kon duidelijk
de volledige uniformen zien, welke alle soldaten droegen, in afwijking
van de Roode troepen, waarvan de manschappen een zonderling allegaartje
droegen, militaire pantalons met daarboven een colbert, of een
jockeypet, sandalen en een uniformjas.

Ongeveer een half uur lang bleven er onophoudelijk troepenafdeelingen
voorbijtrekken, en het was maar al te duidelijk, dat de Witten een
ernstige nederlaag hadden geleden en in volle vlucht waren.

Weer een kwartier later was er niets meer te hooren, dan het verre
gerucht van de duizenden voetstappen en het wegstervend gedreun van de
stukken.

Nog een oogenblik bleven de drie mannen aan het venster staan, maar
niemand hunner had lust om de partij biljard te gaan hervatten.

Iedereen begreep dat de gebeurtenissen een ernstige wending hadden
genomen en baron Palocza gaf uiting aan hetgeen allen bezielden, toen
hij zeide:

„De Rooden zullen hen wel achtervolgen, maar wie kan zeggen, of zij op
hun beurt mijn bezitting zullen voorbijgaan.”

Reeds een half uur later zou het antwoord op die vraag komen....

Weder naderden er voetstappen langs den straatweg, en uit dezelfde
richting, maar thans waren het geen soldaten van het witte leger, het
moesten Rooden zijn.

Een afdeeling marcheerde door, maar een tweede groep scheidde zich af,
en kwam den grintweg op.

Er waren er zeker onder den troep, die volkomen op de hoogte waren van
de plaatselijke gesteldheid, misschien wel voormalige bedienden van den
baron, want zij weifelden geen oogenblik, maar verspreidden zich
dadelijk in het park en stelden zich verdekt op achter de boomen, de
heggen en de terreinplooien.

En zonder eenige inleiding begonnen zij een geregeld vuur te openen op
het landhuis.

Snel traden de drie mannen terug van het venster waarvoor zij weder
hadden plaats genomen, ditmaal in de eetzaal, die gelijkvloers was
gelegen, waar de kogels reeds door het vertrek vlogen.

„Ik kan hun gedrag niet heldhaftig noemen,” zeide Raffles minachtend.
„Zij kunnen toch niet anders denken, of gij zijt heel alleen, en
slechts vergezeld van uw ouden bediende.”

„Dat kunnen zij heel goed weten graaf, want zij hebben mijn lieve vrouw
en kinderen gedood,” zeide de baron op woesten toon. „Zij kunnen ook
weten, dat al mijn bedienden gevlucht, vermoord of in de gelederen
getreden zijn.”

En hij snelde naar een wapenrek dat aan den wand hing en rukte er een
jachtgeweer af.

Hij ijlde weder naar het raam terug en wilde het opentrekken, toen
Raffles hem in den weg trad en op ernstigen toon vroeg:

„Wat wilt gij doen, baron?”

„Vraagt gij dat nog? Denkt gij, dat ik mij zonder verweer zal laten
dooden?”

„Maar gij kunt immers niets uitrichten tegen die overmacht,” zeide
Raffles overredend. „Er zijn minstens veertig of vijftig mannen in uw
park, nog voor het raam geopend is, voor gij een schot zult hebben
kunnen lossen, zullen zij u hebben neergelegd, want gij zult scherp
afteekenen tegen de hel verlichte kamer.”

„Maar wat wilt gij dan? Moet ik mijn huis laten vernielen door die
wilde beesten, en gij zelf, zult gij u niet verweren?”

„Pardon, baron, met ons is het iets anders,” antwoordde Raffles, „en
gij vergeet dat die lieden daarginds in het geheel niet weten, dat wij
hier zijn. Als gij het toestaat, zal ik hen daar even opmerkzaam op
maken, en op die wijze zal uw huis zeker gespaard blijven voor hun
woede.”

„Daar ben ik zoo zeker niet van, graaf. Zij zouden u ook wel eens
kunnen dooden.”

„Dat zullen zij niet doen!” antwoordde Raffles kalm. „Het is in
Boedapest en Temesvár bekend, dat wij hier heen zijn gegaan, en die
lieden zouden zich aan een groote straf blootstellen wanneer zij ons
een haar op het hoofd zouden krenken.

„En wij moeten het in ieder geval probeeren, want als zij eenmaal het
huis bestormen, dan zouden zij wel eens niet meer voor reden vatbaar
kunnen zijn, verblind door hun bloeddorst en woede.”

En zonder verder de toestemming van den baron af te wachten, trad
Raffles in de vestibule, opende de voordeur, haalde zijn zakdoek te
voorschijn en begon er mee te zwaaien.

Het electrisch licht in de vestibule verlichtte zijn gestalte duidelijk
en dadelijk hield het vuren op.

De Rooden schenen met elkander te beraadslagen, en een oogenblikje
later doemde er een groepje mannen op uit de duisternis van het park,
die langs het breede tuinpad kwamen aanloopen en met het geweer in den
aanslag de vestibule binnendrongen.

Zij bleven echter verbaasd stilstaan bij het zien van den vreemdeling,
die met een witten doek gezwaaid had, en een hunner vroeg in slecht
Duitsch:

„Wie zijt gij? Wat doet gij hier in het huis van den vervloekten
kapitalist?”

„Ik kom het koopen!” antwoordde Raffles lakoniek.








HOOFDSTUK III.

NOG EENS VAN DEN OS OP DEN EZEL.


Deze mededeeling verwekte niet weinig opschudding onder de vijftig
soldaten van het Roode leger, toen de man die Duitsch sprak het
antwoord van Raffles vertaald had.

„Zoo, zoo! Dus nog zulk een geldwolf!” hernam de aanvoerder op
grimmigen toon. „Komt gij het landgoed van dien bloedzuiger koopen?”

„Ja, en ik betaal contant,” antwoordde Raffles langs zijn neus.

De aanvoerder zette groote oogen op en deed een stap achteruit, waarop
hij uitriep:

„Gij betaalt het contant! Gij hebt dus dat geld bij u?”

Raffles zag aan de uitdrukking in de oogen van den man, dat hij een
onvoorzichtigheid begaan had, maar het was nu te laat om die ongedaan
te maken.

Alleen stoutmoedigheid zou hem nog kunnen redden.

Trouwens als hij ontkende, zouden de revolutionairen hem aan den lijve
onderzoeken, om zich te overtuigen, of hij de waarheid had gesproken.

En daarom klonk kalm zijn antwoord:

„Ja, ik heb het geld bij mij.”

„Hoeveel?”

„Tien millioen kronen.”

De omstandigheden waren er wel niet naar, maar het scheelde nu toch
weinig of de aanvoerder had een luchtsprong gemaakt, zoozeer verraste
hem de hoogte van dit bedrag.

Waarschijnlijk gaf hij er zich geen rekenschap van, dat dit bedrag in
Engelsch geld omgerekend, niet hooger was dan twaalfduizend pond.

Hij wisselde op zachten toon een paar woorden in de Hongaarsche taal
met zijn metgezel en daarop ging er een terug, om een oogenblik later
met tien van zijn makkers terug te keeren.

De aanvoerder, die geen oog van Raffles had afgehouden, trad nu weder
op hem toe en vroeg:

„Zijt gij hier alleen?”

„Met twee metgezellen!”

„Van welken landaard zijt gij?”

„Engelschen!”

Dat antwoord scheen den aanvoerder minder te bevallen, tenminste hij
bromde iets in zich zelf dat voor Raffles niet verstaanbaar was.

Toen hernam hij op dreigenden toon:

„Waar is die schurk van een Palocza?”

„Ik ken wel een baron van dien naam, maar het verbaast mij uit uw mond
te hooren dat hij een schurk is,” hernam Raffles op kouden toon.

„Wat weet gij daarvan?” vroeg de aanvoerder ruw. „Gij kent hem niet
zooals wij hem kennen.”

„Wat hebt gij dan tegen hem in te brengen? Waarop steunt uw
beschuldiging dat hij een schurk is?”

„Waarop? Op alles! Hij is schatrijk!”

„Ei zoo, en dat is volgens u een afdoend motief om iemand voor een
schurk uit te maken,” zeide Raffles ironisch.

„Hij is een dief, want hij bezit land!”

„Heeft hij dat dan gestolen?”

„Niet in den eigenlijken zin, maar hij heeft het ten geschenken
gekregen van zijn vader, die het weder van zijn vader had, en dat is
juist hetzelfde als diefstal! Heeft hij het soms met zijn zweet
verworven? Heeft hij er voor moeten strijden? Heeft hij niet honderd,
ja duizendmaal te veel! Hadden er niet honderd gezinnen gelukkig en
tevreden op zijn landgoed kunnen leven?”

„Dat alles mag zoo zijn, en voor een gedeelte kan ik uw gedachtengang
zelfs volgen,” hernam Raffles bedaard. „Maar dit alles is niet de
schuld van baron Palocza, het is krankzinnigheid, om hem voor dien
toestand persoonlijk verantwoordelijk te stellen, en het is een laffe,
beestachtige wreedheid, om zijn vrouw en zijn twee onschuldige kinderen
daarom te vermoorden.”

De aanvoerder klemde de tanden op elkander, en zeide toen op norschen
toon:

„Dat heeft onze afdeeling niet gedaan, dat is het werk van de zwervende
benden geweest. Wij kunnen niet overal tegelijk zijn, en als gij wist
wat het boerenvolk hier eeuwenlang te lijden heeft gehad, dan zoudt gij
zulk een daad, zoo niet verontschuldigen, dan toch in ieder geval
begrijpelijk achten. De menschen zijn hier verbitterd, en tot helsche
woede geprikkeld. Gij zijt een vreemdeling en weet van onze zaken niets
af. Gij leest in uw bladen van de Witte Terreur, maar gij kunt u geen
voorstelling vormen van wat het werkelijk beteekend heeft, en nog
altijd beteekent in streken, waar zij ons nog onder den duim hebben.
Duizenden socialisten en ook gewone burgers, die slechts verdacht
werden met de denkbeelden van Bela Kun te sympathiseeren, of die door
wraakzuchtige verklikkers waren verraden, hebben hun leven aan den galg
moeten eindigen. En nog eens dat aantal is versmacht van honger, dorst
en mishandeling in de vunzigste kerkerholen, holen, waarvan ge u in uw
beschaafd Engeland geen voorstelling kunt maken.”

De man had bevend en wit van drift gesproken, terwijl hij de kolf van
zijn geweer met een onbewust gebaar streelde.

Raffles had ernstig toegeluisterd en hernam nu:

„Ik veroordeel u niet, ik betreur het alleen, dat het niet anders kon
zijn. Gij weet niet wat gij doet, gij brengt uw land aan den rand van
den afgrond, gij zoowel als de aanhangers der reactie.”

Maar de aanvoerder der Roode afdeeling haalde de schouders op en
hernam:

„Als wij maar eens eerst aan het bewind komen, dan zal alles goed
gaan.”

Er lag een gloed van fanatisme in zijn oogen, toen hij dit uitriep.

Maar Raffles schudde het hoofd en zeide:

„Daar is geen sprake van! Gij zoudt juist hetzelfde doen, hetgeen gij
nu aan de Witten verwijt, en opnieuw zal het bloed in stroomen vloeien,
dan zullen de Witten u weder ten onder brengen, het schouwspel zal zich
opnieuw weder herhalen, en over een paar jaar zal de laatste Witte den
laatsten Rooden hebben doodgeslagen, of omgekeerd misschien. Maar nu
genoeg over deze dingen gepraat. Zeg mij nu wat gij wilt!”

„Wij willen Palocza!” antwoordde de ander ruw.

„Met welk doel?”

„Wij willen hem dooden! Hij verdient het dubbel en dwars!”

„Gij zijt gek!” hernam Raffles op kouden toon. „Gij zult hem geen haar
op zijn hoofd krenken, zoolang ik hier ben, en gij zult het niet wagen,
een Engelsch onderdaan een stroobreed in den weg te leggen.”

Raffles wist dat hij boud sprak, want de Rooden zouden zich zeer
waarschijnlijk al bitter weinig gelegen laten liggen aan een
schriftelijk protest, of zelfs een dreigende nota van de Engelsche
regeering.

Zij wisten maar al te goed, dat Londen op dit oogenblik toch weinig of
niets tegen hen kon uitrichten.

Maar de vastberadenheid, waarmede Raffles sprak, scheen toch indruk te
hebben gemaakt op den aanvoerder.

„Waarom springt gij voor dien man in de bres? Waarschijnlijk omdat hij
een soort collega van u is?” vroeg hij op schamperen toon.

„Neen, eenvoudig omdat ik het niet zou dulden, dat men in het bijzijn
van drie Engelschen een weerloos man laaghartig vermoord.”

„Gij durft veel zeggen, vreemdeling!”

„Dat is zoo mijn gewoonte!” hernam Raffles kortaf. „Gij doet mij dus
hier de plechtige toezegging, dat gij dien ongelukkigen man niet zult
deren, wiens vrouw en kinderen door uw gelijken zijn vermoord! Anders
sta ik niet voor de gevolgen in.”

„Maar wij moeten zijn huis hebben!” riep de aanvoerder. „Zijn huis, de
akkers en alles wat er bij behoort.”

„Pardon, dat alles is niet meer van hem, hij heeft het aan mij
verkocht.”

„Daarmede houd ik mij niet op,” ging de aanvoerder schouderophalend
voort. „Gij kunt het toch niet betalen!”

„Ik zeg u toch, dat ik de koopsom bij mij heb.”

„Nu nog, maar over een kwartier zult gij haar niet meer hebben!”

„Wat! Zoudt gij mij haar durven ontrooven?” riep Raffles uit.

„O, daar is niet veel moed toe noodig,” antwoordde de ander koeltjes.
„Wij zijn met vijfenveertig man, en gij zult wel zoo verstandig zijn,
geen tegenstand te bieden! Bedenk wel, dat wij in een wanhopige positie
zijn, dat wij ditmaal moeten winnen, en dat wij zeer veel geld noodig
hebben. Tien millioen kronen is voor ons een reusachtig bedrag en gij
kunt zelf de gevolgtrekking wel maken.”

„En als ik weiger u dat bedrag af te staan?”

„Dan zou ik genoodzaakt zijn geweld te gebruiken!” antwoordde de
aanvoerder der Roode troepen. „Gij zult zelf wel inzien, dat wij in
onze positie weinig consideratie kunnen gebruiken. Het is voor ons, er
op of er onder. Ik zou u ernstig in overweging willen geven, geen
verzet te plegen, want wij zijn tot alles in staat, tot alles, verstaat
gij?”

Een blik in de oogen van den man was voldoende, om hem te overtuigen,
dat hij geen looze bedreigingen uitte.

Hij meende blijkbaar wat hij zeide, en hij begreep dat zij groot gevaar
liepen, wanneer zij inderdaad zouden trachten tegenstand te bieden, nu
de Rooden eenmaal wisten, welk een kostbare buit hun zoo eensklaps in
den schoot was geworpen.

Charly, die het laatste gedeelte van het gesprek had gehoord, begreep
opeens aanstonds, dat er niet aan te denken viel, aan deze overmacht
van goed gewapende, tot alles in staat zijnde mannen het hoofd te
bieden.

Weigerden zij het geld af te staan, dan zou ook stellig de ongelukkige
Palocza het leven moeten laten.

Het was wel een hard gelag om zooveel geld te moeten afstaan, maar het
lag er nu eenmaal toe, en men zou het beste doen, de zaak van den
wijsgeerigen kant te beschouwen.

En het was maar goed, dat Henderson zich in het achterhuis bevond, want
de reus zou waarschijnlijk dadelijk alles bedorven hebben, door zich op
de vijf Revolutionairen te werpen.

„Wanneer ik u het geld geef, zult gij mij dan een vrijgeleide geven
voor mij, mijn metgezellen, en baron Palocza,” zoo wendde Raffles zich
opnieuw tot den aanvoerder.

Deze dacht even na, en antwoordde toen:

„Gij zoudt natuurlijk toch van hier moeten vertrekken, en ik wil wel
een vrijgeleide geven, maar ik waarschuw u, dat mijn macht hier niet
verder strekt, dan een tiental mijlen in het rond. Ik kan u dus
volstrekt niet waarborgen, dat een andere afdeeling der Roode Garde u
ongehinderd zal laten door gaan!”

Dat was zeker een minder aangenaam vooruitzicht, maar er viel niets aan
te doen, en hier zou men in geen geval kunnen blijven, want het was
duidelijk dat deze vijftig man nog slechts de voorhoede van een veel
grooter leger was, hetzelfde leger, dat de Witten dien dag een zware
nederlaag had toegebracht, en dus thans in een gevaarlijken
overwinningsroes zou zijn.

Zonder verder nog een woord te spreken, stak Raffles zijn hand in zijn
binnenzak, haalde er zijn portefeuille uit, en wilde er de Engelsche
banknoten uithalen.

Maar de aanvoerder trok hem de portefeuille eenvoudig uit de hand, en
zeide spottend:

„Geef u niet zooveel moeite. Het is volstrekt niet noodig, dat er nog
iets in achterblijft.”

„Gelooft gij?” kwam Raffles, zonder zijn kalmte een oogenblik te
verliezen, „misschien zoudt gij toch wel zoo goed willen zijn, mij
althans mijn passen en andere onmisbare papieren terug te geven?”

De aanvoerder bromde iets, opende de portefeuille, zocht er even in, en
overhandigde Raffles toen eenige documenten, waarna hij de dikke
portefeuille in zijn eigen zak liet glijden.

Met de woede in het hart had Charly dit gade geslagen, maar Raffles
scheen er zich niet al te veel van aan te trekken, en voor de
zooveelste maal bewonderde de jonge man de kalmte des gemoeds waarmede
de Groote Onbekende alle gebeurlijkheden des levens aanvaardde.

Baron Palocza was al dien tijd in het vertrek achtergebleven, en zat
daar met het hoofd in de handen en schijnbaar onbewust van alles wat er
om hem heen gebeurde.

Maar nu werd de deur geopend en Raffles trad binnen met den aanvoerder
der Roode Garde.

„Baron Palocza,” begon hij, „die man zal ons hier een vrijgeleide
geven, tot zoover zijn macht grenst. Gij ziet nu wel, dat wij allicht
beter hadden gedaan met het leger der Witten te retireeren.”

Palocza was opgestaan en kwam met gebalde vuisten en gebogen hoofd op
den aanvoerder toe.

Hij scheen niet eens te hebben gehoord, wat Raffles zeide en
schreeuwde: „Gij, gij hebt mijn vrouw en mijn kinderen vermoord. Wat
doet gij hier? Wilt gij mijn leven ook? Neem het dan maar! Ontroof mij
ook dat nog, het heeft voor mij toch geen waarde meer. O, hoe gaarne
zou ik u met deze handen wurgen, gij ondier!”

Met een paar passen was Raffles tusschen de twee mannen in en riep nu
met een bezwerend gebaar:

„Beheersch u baron! Gij kunt toch niet allen voor de daad van een
enkeling aansprakelijk stellen. Schik u in uw lot, gij zoudt ons hier
allen laten uitmoorden!”

Palocza wreef zich met de handen over het voorhoofd, alsof hij een
gedachte wilde verdrijven, die hem hinderde en hernam toen:

„Ik vraag u vergiffenis, graaf, dat ik u in dezen toestand heb
gebracht. Er is nu zeker geen sprake meer van, dat gij mijn landgoed
koopt?” voegde hij er op een toon van bitteren spot aan toe.

„Ik zou het niet meer kunnen koopen, baron, deze heeren zijn zoo goed
geweest mij van al mijn contanten te ontlasten.”

„En dat neemt gij zoo kalm op?”

„Waartoe zou het dienen, als ik mij driftig maakte?” vroeg Raffles
bedaard. „Het zou mij niets verder brengen nietwaar? Ik hoor daarginds
in de verte al de stappen van een groot aantal andere soldaten, en ik
heb menigmaal tegenover heete vuren gestaan, maar ik ben er ditmaal
niet op voorbereid, om den strijd tegen een paar regimenten op mij te
nemen. Beloof mij, op de spoedigste manier te vertrekken! Ga naar
Temesvár, wacht daar betere oogenblikken af, wie weet hoe spoedig de
kans weder keert.”

Raffles had dit laatste op fluisterenden toon gezegd, zoodat alleen de
landeigenaar hem kon verstaan, terwijl de aanvoerder der Roode Garde
zich aan een kleine schrijftafel had nedergezet, en daar met grove
letters een formulier invulde.

Hij onderteekende het, stelde het Raffles ter hand en zeide:

„En nu zou ik u aanraden, zoo spoedig mogelijk uw hielen te laten zien,
want anders zoudt gij wel eens tusschen twee vuren kunnen geraken en
van den regen in den drup.”

„Of van den os op den ezel,” voegde Raffles er laconiek aan toe.








HOOFDSTUK IV.

DE VLUCHT.


Een kwartier later was het geheele huis in handen van de Roode troepen.

Raffles bleef met opzet zoo dicht mogelijk in de nabijheid van den
grootgrondbezitter, daar hij vreesde, dat de ongelukkige in een vlaag
van wanhoop een daad zou begaan, die hun allen noodlottig zou kunnen
worden.

Maar het geleek wel, of de baron eensklaps versuft was geworden.

Nu hij inderdaad het landgoed ging verlaten, waar hij sedert zijn
kindsheid had gewoond, leek het wel, of alles hem volkomen
onverschillig was geworden.

Hij keek toe, hoe de trouwe Marek een paar valiezen pakte, zonder een
woord te spreken.

Raffles zette den ouden bediende met een paar vriendelijke woorden tot
spoed aan, want niemand kon zeggen, of de Rooden niet ter elfder ure
van idee zouden veranderen en hen allen om het leven brengen, teneinde
geen last te hebben van ongewenschte getuigen, als het later bekend
mocht worden, dat drie Engelschen van tien millioen kronen waren
bestolen.

Het wagentje was weder ingespannen, en de valiezen werden er in
geladen.

Buiten in den nacht klonk opnieuw het doffe gerommel van het geschut.

Naar het scheen hadden de Witten thans nieuwe stellingen betrokken, en
de strijd was weder met hernieuwde hevigheid ontbrand.

Onder deze omstandigheden viel er natuurlijk niet aan te denken, een
poging te ondernemen, teneinde zich onder bescherming van de Witten te
stellen.

Lang voor zij het front bereikt hadden, zouden zij opnieuw zijn
aangehouden door afdeelingen der Rooden, en deze mochten hen onder geen
omstandigheden „Niemandsland” laten oversteken, op gevaar af, dat de
vreemdelingen aan de Witten hunne stellingen zouden verraden, hun
getalsterkte, de wijze van bewapening en andere wetenswaardige zaken.

Raffles begreep dit zelf zeer goed en hij moest er zich in schikken,
dat hij niet alleen niet naar Temesvár zou kunnen terugkeeren,
tenminste niet, voordat de toestand zich volkomen gewijzigd had, maar
dat hij nog verder naar het Zuiden zou moeten gaan, dat wil zeggen, nog
dieper binnendringen in een streek waar het oproer opnieuw het hoofd
had opgestoken.

Hij had vreeselijke dingen hooren verluiden omtrent de Witte Terreur,
die geruimen tijd in Hongarije geheerscht had, maar in ieder geval zou
hij, als Engelsch graaf, die met een secretaris en met een bediende
reisde, niets te vreezen hebben van de Witten, terwijl hem integendeel
van den kant der Rooden alle denkbaren gevaren aangrijnsden.

Hij had echter geen keuze, de omstandigheden waren ditmaal sterker en
het zou krankzinnigheid zijn zich met geweld te willen verzetten tegen
een legermacht van eenige duizenden goedgewapende mannen, waaronder
bovendien talrijke elementen schuilden, die tot de uiterste woede
geprikkeld waren en zeker geen seconde zouden aarzelen.

Wat Charly betreft, de jonge man kookte letterlijk van drift en hij kon
zich volstrekt niet begrijpen, dat Raffles de zaak zoo kalm scheen op
te vatten.

En toch hadden de Rooden hem zooeven niet alleen den koopprijs van het
landgoed afgenomen, maar bovendien ook zijn reispenningen!

Zij hadden hun niets overgelaten dan de noodzakelijke papieren, passen
en andere documenten en het vrijgeleide, en dat strekte nog maar alleen
zoover als de macht reikte van den man, die het met een onleesbaren
naam onderteekend had.

Zeker, Charly had zelf wat geld in zijn zak, want hij was gewoon, alle
kleine uitgaven te betalen, wanneer hij met Raffles op reis was, en
deze de rol vervulde van Lord Aberdeen, of van een anderen graaf.

Maar die paar duizend kronen zouden hen zeker niet veel verder brengen
met het oog op de waanzinnig hooge prijzen, welke men in dit land zelfs
voor de eerste levensbehoeften zou moeten betalen.

De reizen met den spoorweg waren duur, maar zij waren in ieder geval
nog te betalen, maar met duizend kronen zou men niet veel uitrichten,
als men daar het logies voor drie mannen van wilde betalen in een
behoorlijk hotel.

Hij vroeg zich dan ook in vreeze af, op welke wijze zij uit dit
ongastvrije land zouden kunnen vertrekken, en hij zag de toekomst vrij
duister tegemoet.

Raffles daarentegen stond daar nog altijd glimlachend toe te zien, hoe
de valiezen in het rijtuigje werden geladen, terwijl hij tevens een
wakend oogje hield op Palocza.

Eindelijk was alles voor het vertrek gereed, en de oude Marek had weder
op den bok plaats genomen.

Zijn gelaat was droevig vertrokken, want ook hij ging de plek verlaten,
waar hij zijn geheele leven had doorgebracht, van zijn vroegste
kindsheid af, en wie zou kunnen zeggen wat het lot zou zijn van het
prachtige landgoed.

Misschien zou het wel in vlammen opgaan, zooals zoo vele andere
bezittingen van gegoeden in de omstreken.

Het was reeds ver over middernacht, toen het rijtuig zich eindelijk in
beweging stelde, uitgeleide gedaan door de Roode Gardisten die spottend
of dreigend, of lachend het rijtuigje nakeken, zooals het daar wegreed
over den breeden grindweg.

Een half uur verder waren zij buiten het bereik van het gros van het
Roode leger, maar in dien tijd hadden zij reeds driemaal hun
vrijgeleide moeten toonen aan kleine patrouilles en het bleek reeds
aanstonds, dat de Rooden een voortreffelijken bewakingsdienst hadden
georganiseerd en dat het zeer moeilijk zou vallen, door de mazen van
het net te ontsnappen.

De eenige hoop van de drie reizigers bestond hier in, dat de
krijgskansen opnieuw zouden keeren, maar dan bleef toch altijd het
gevaar bestaan, dat zij opnieuw tusschen twee vuren zouden geraken.

Echter bestond dan de mogelijkheid, dat de Witten zoo vlug zouden
oprukken dat de drie Engelschen en de ongelukkige grondbezitter zich
bij hen zouden kunnen voegen.

Maar voor het oogenblik was het nog lang zoo ver niet en Charly vroeg
zich in angst en vreeze af, wat het einde van deze reis zou zijn, die
onder zulke gelukkige omstandigheden begonnen was, maar zulk een
onverwachten en hoogst onaangenamen keer had genomen.

„Waar gaat deze weg ergens heen?” vroeg Raffles toen zij een half uur
gereden hadden, terwijl hij zich tot Palocza wendde, die naast hem zat.

„Naar Nagy Becskerek.”

„Is dat ver hier vandaan?”

„Ruim tachtig kilometer!”

„Drommels!” riep Raffles verschrikt uit. „Wij zullen met deze paarden
niet ver komen!”

„Wij slaan aanstonds een anderen weg in, graaf,” hernam Palocza, „want
het is ook niet mijn bedoeling, u naar de zooeven genoemde stad te
brengen! Ik wilde liever naar Versecz gaan, welke stad op nog geen
zestig kilometer van mijn landgoed is gelegen!”

„Is het een groote stad?”

„Ja!”

„In welke richting ligt zij?”

„In zuidelijke richting.”

„Intusschen is zestig kilometer nog veel te veel voor deze arme,
ondervoede paarden, baron. Zij kunnen ons onmogelijk langer dan een
paar uren trekken en vergeet ook niet, dat de dieren ons ook niet lang
geleden van het station hebben gehaald!”

„Wij zouden ook onmogelijk in één stuk door naar Versecz kunnen rijden,
graaf,” hernam Palocza. „Ja, als ik mijn auto’s nog maar had, ik ben
menigmaal in drie kwartier van mijn landgoed naar de stad gereden! En
ik deed het ook wel eens per rijtuig met deze zelfde paarden, toen zij
nog krachtig en vlug waren, en dan kon ik den afstand gemakkelijk in
drie uren afleggen, maar thans zouden wij er zeker een etmaal voor
noodig hebben!”

„Maar er moet toch een trein naar de stad loopen?” reep Charly uit.

„Wij zullen er maar niet op rekenen, mijnheer, dat er thans treinen
loopen,” gaf Palocza schouderophalend te kennen. „Natuurlijk hebben de
Rooden daar reeds beslag op gelegd, en van een geregelden dienst is
geen sprake meer, trouwens, ook onder normale omstandigheden liepen er
zoo laat in den nacht toch geen treinen. Wij zijn geheel aangewezen op
de paarden!”

„Maar zijn er hier nergens auto’s te huren?” ging Raffles voort.

„Misschien zijn er hier in de buurt nog wel auto’s en misschien kunt
gij ze ook wel huren, maar gij zoudt er een onzinnig hoogen prijs voor
moeten betalen, onder de tienduizend kronen zoudt gij zeker niet ver
komen, en de Rooden hebben u al uw geld ontstolen!”

„O, maar ik heb nog wel eenige zaken bij mij, die evenzeer van waarde
zijn,” hernam Raffles luchtig.

Hij bukte zich, reeg zijn schoen los, nam hem in de hand, en tot groote
verwondering van den baron schroefde hij een gedeelte van den hak los,
waardoor een holte te zien kwam, waarin een klein pakje lag.

Raffles nam het er uit, wikkelde het los, en daarna glansde in het
licht van de lantaarns een zestal buitengewoon fraaie diamanten,
volgens de waarde van het inheemsche geld zeker verscheidene millioenen
kronen waard!

„Gij zult het wellicht een weinig vreemd vinden, baron,” zeide Raffles,
„maar wanneer men zich naar Hongarije begeeft, dan neemt men eenige
voorzorgsmaatregelen. Het is een oude truc, maar ik ben verheugd, dat
ik haar heb toegepast!”

Charly zeide niets, maar nu begreep hij de kalmte van Raffles, toen hem
al zijn gereed geld werd afgenomen!

Maar toch, het zou moeilijk zijn, deze steenen te verkoopen in een land
waar het geld bijna geen waarde meer had en men waarschijnlijk wel aan
andere dingen zou denken, dan aan het koopen van juweelen!

Wanneer het in Boedapest geweest was, dan zou het nog wat anders
geweest zijn, maar Versecz was in ieder geval een stad van den tweeden
rang.

Er viel echter niet te aarzelen, men moest het wagen!

Palocza had de steenen vol aandacht en bewondering bekeken, en riep
toen uit:

„Die zes steenen zouden zelfs in Engeland een klein fortuin
vertegenwoordigen, graaf! Zij zijn van het zuiverste water en zeer
groot, terwijl zij bovendien onberispelijk geslepen zijn!”

„Denkt gij, dat ik er hier een paar millioen kronen voor zou krijgen?”

„Een paar millioen?” herhaalde de baron. „Veel meer, graaf! Deze
steenen zouden volgens de waarde van ons geld, wel ongeveer twintig
millioen moeten opbrengen!”

„Kom, kom, gij overdrijft!” hernam Raffles.

„Ik zeg u dat het zoo is, juist voor diamanten worden tegenwoordig in
ons land buitensporige prijzen betaald! En weet gij waarom? Omdat het
het eenigst bezit is, dat men met kans op welslagen kan verbergen en
dat steeds zijn waarde blijft behouden.”

„Deze steenen zouden ons dus uit den nood kunnen helpen?”

„Natuurlijk, voorzoover zij niet door de Rooden ontdekt worden,”
antwoordde Palocza.

„Dat zullen wij zoo lang mogelijk trachten te voorkomen!” hernam
Raffles, terwijl hij de diamanten weder in het vloeipapier wikkelde en
ze weder zorgvuldig in de holte van den hak verborg, waarop hij het
lederen deksel, dat met ijzer beslagen was, weder op zijn plaats
bevestigde.

Daarop vroeg de Groote Onbekende:

„Is er voor Versecz geen stad, of een groot dorp, waar wij kunnen
overnachten?”

„Het eerste plaatsje van eenige beteekenis is Sipec. Wanneer het niet
in de handen der Rooden is, of tenminste van lieden, die om ons
vrijgeleide niets geven, dan zouden wij daar wel kunnen overnachten!”

„Hoever is dat plaatsje hier van daan?”

„Nog bijna een uur rijden!”

„Laten wij dan onzen weg voortzetten, tot wij Sipec bereikt hebben. Het
dient tot niets, om ons zoo onzinnig te vermoeien, en mijn secretaris
zal nog wel genoeg geld bij zich hebben, om het logies in een eenvoudig
logement te betalen. Er valt natuurlijk niet aan te denken, om daar
mijn diamanten aan den man te brengen!”

„Daarin zoudt gij niet slagen, graaf, al hadt gij er slechts één en al
was hij zoo klein als een zandkorrel,” zeide Palocza. „Sipec is een
dorp en niets meer, met een boerenbevolking, en de versierselen, die
men daar draagt zijn hoogstens van goud. Mocht echter het geld van uw
secretaris niet toereiken, dan verkoopen wij het wagentje en de
paarden.”

„En hoe zouden wij dan verder moeten komen?” vroeg Charly, die nog
slechts dacht aan de beste wijze, om hier snel en veilig vandaan te
komen.

„Wij zouden een boerenwagen kunnen huren, mijnheer,” antwoordde
Palocza.

Intusschen had het rijtuig zijn weg vervolgd en de koetsier moest hier
wel goed bekend zijn, want wat de drie Engelschen betreft, zij konden
geen hand voor oogen zien, daar de maan weder achter de wolken was
verdwenen, en men thans te midden van een dicht bosch reed.

Maar de oude Marek vertrouwde op het instinct zijner paarden en daaraan
deed hij verstandig, want nog geen uur later reed het rijtuig het dorp
Sipec binnen, waar alles wonderlijk rustig was en waar niets scheen te
duiden op de aanwezigheid van Roode troepen.

En toch moesten zij er zijn, want nog geen vijf minuten vóór zij het
dorp binnenrukten, hadden de reizigers opnieuw hun vrijgeleide moeten
toonen.

Van den strijd echter, die nu op hevige wijze tusschen de Rooden en
Witten moest gevoerd worden, was hier niets te vernemen.

Alles was rustig en stil, alles sliep.

Bij het eerste logement liet Marek het rijtuig stilstaan en klom van
den bok.

Alles was daarbinnen donker, maar desniettemin klopte hij aan en sloeg,
toen er niet spoedig genoeg werd opengedaan, met het uiteinde van zijn
zweep op de deur.

Eindelijk werd er boven in het logement een raam geopend, een hoofd
kwam naar buiten steken, bedekt met verwarde haren en een schorre stem
vroeg in de landstaal:

„Wie klopt daar voor den duivel, als een dronkaard op mijn deur? Pak je
weg, of ik zal je toonen, dat ik een geweer hanteeren kan!”

„Ik kan niet zeggen, dat de ontvangst bijzonder vriendelijk is!” zeide
Raffles glimlachend.

Palocza verhief zijn stem en riep:

„Wij willen bij je overnachten, vriend Pusto! Ken je mij niet meer?”

„Zijt gij het baron?” liet de stem zich opnieuw hooren, maar met een
geheel veranderden klank. „Waarom hebt gij dat niet dadelijk gezegd! Ik
kom aanstonds bij u, maar met de Roode honden in de buurt moet men zich
in acht nemen.”

Het hoofd verdween en een paar minuten later werd de deur geopend en
kwam er een man naar buiten, die een groote kaarslantaarn droeg.

Hij hief haar in de hoogte en zeide:

„Hebt gij vrienden bij u, baron? Ik weet niet, of ik wel ruimte voor de
heeren heb.”

„O, wij zijn niet veeleischend, vriend Pusto!” antwoordde de baron.
„Wij zijn op de vlucht, en deze heeren, die mijn vrienden zijn, zullen
zeker geen hooge eischen stellen.”

Raffles, die den zin van het gevoerde gesprek wel had begrepen, zeide
nu, in het Duitsch:

„Wij kunnen met zijn drieën gemakkelijk in één kamer slapen, baron, als
gij wist, welke ontberingen wij wel eens doorstaan hebben op onze
reizen in vreemde landen, dan zoudt gij dit begrijpen.”

Reeds was Henderson uit het rijtuigje geklommen, en droeg nu de
valiezen naar binnen, het was duidelijk dat de brave reus in geen geval
genoegen zou hebben genomen met een weigering van den logementhouder om
hen op te nemen!

En oogenblik later was het rijtuig gestald, de paarden deden zich te
goed aan een weinig haver, door Pusto als voorzorgsmaatregel uit een
geheime bergplaats te voorschijn gehaald, en de vier reizigers
gebruikten het avondmaal in de holle gelagkamer, slechts door de
lantaarn verlicht, en in een niet bepaald opgewekte stemming.








HOOFDSTUK V.

DE TIEN MILLIOEN VERWISSELEN OPNIEUW VAN EIGENAAR.


Om twee uur begaven de vluchtelingen, want anders kon men hen niet
noemen, zich ter ruste, en om zes uur werden zij plotseling weder
gewekt door kanongebulder....

Raffles was de eerste, die de versleten deken van zich wierp en
opsprong uit het eenvoudige withouten bed, beter gezegd een soort krib,
die hem tot legerstede had gediend.

Hij zat een oogenblik aandachtig te luisteren, maar het was hem
onmogelijk met juistheid de richting te bepalen, waaruit het
kanongedonder klonk.

Nu ontwaakte ook Charly, die Raffles vragend aankeek, zich de oogen
uitwreef en met een slaperige stem riep:

„Ik droomde waarachtig, dat er alweer geschoten werd!”

„Dat droomde je niet, zij schieten inderdaad, Charly,” zeide Raffles
laconiek.

Charly was met een wip overeind, luisterde eenige oogenblikken en riep
toen:

„Ja, je hebt gelijk! Zij zijn alweer aan den gang! Het is hier een bij
uitstek lief land, en wanneer de heeren zijn uitgevochten, zal ik graag
nog eens terugkomen, maar op dit oogenblik zou ik niets liever
wenschen, dan met bekwamen spoed te vertrekken! Ik zou onwaarheid
spreken, als ik zeide, dat ik aangename herinneringen aan dit uitstapje
behoud! Het klinkt misschien een weinig onkiesch, maar ik leef
letterlijk van het ongedierte! Is dat met jou ook het geval?”

„Ik zie geen enkele reden, waarom de luizen van dit land speciaal voor
mij een uitzondering zouden maken!” antwoordde Raffles droogjes. „Wij
zullen aanstonds ergens een bad trachten te nemen, wij zullen onze
kleederen aan een nauwkeurige inspectie onderwerpen en dat is alles,
wat wij er tegen kunnen doen. Het spijt mij, dat ik het zeggen moet,
maar het ongedierte en de Balkanstaten schijnen nu eenmaal
onverbrekelijk met elkander verbonden te zijn!”

Charly ging dadelijk op onderzoek uit, maar in het geheele dorp was
niets wat op een badinrichting leek.

Sterker, men keek hem aan, alsof men meende, met een gek te doen te
hebben toen de jonge man zich van de gebarentaal bedienend, informeerde
naar de aanwezigheid van een badhuis.

Zeep was beter bekend, tenminste van vroegere tijden, maar daar een
klein stukje honderd zestig kronen kostte, speende men zich liever van
dit kostbare reinigingsmiddel!

Maar gelukkig liep er een helder stroompje langs het dorp en niet
zoodra had Charly dit ontdekt, of hij ging Raffles en Henderson
waarschuwen en in een ommezien hadden de drie mannen zich naar het
riviertje begeven en ontkleedden zich achter een dicht boschje, waarop
zij zich in het frissche nat stortten en met onzegbaar welbehagen in
het kristalheldere water rondspartelden, zoodat alle ongenoode gasten
van dien nacht het leven lieten.

Zij kleedden zich weder aan, na hun kleederen duchtig te hebben
uitgeschud en begaven zich naar het logement, waar zij baron Palocza
reeds in de gelagkamer aantroffen, bleek en ongerust en in gesprek
gewikkeld met Pusto, die zich thans vertoonde als een zwaar gebouwd
man, met het gelaat van een goedigen buldog en vuurrood haar.

Het schieten was juist een weinig bedaard, toen de drie mannen de
gelagkamer binnentraden.

Zij begroetten Palocza, den reisgenoot, met wien zij op zulk een
onverwachte wijze in aanraking waren gekomen, en deze vroeg aanstonds:

„Hebt gij het artillerievuur gehoord?”

„Wij zijn er door wakker geworden, baron,” antwoordde Raffles. „Wat is
er eigenlijk gaande?”

„Ik vermoed dat de Witten versterking hebben gekregen en tot een
tegenoffensief zijn overgegaan,” antwoordde Palocza. „De Rooden hebben
in geen geval zooveel artillerie en bovendien, het geluid wordt
sterker, een bewijs, dat de kanonnen in deze richting oprukken, en dat
kan niet anders het geval zijn, dan wanneer de Rooden wijken!”

Als om deze woorden te bevestigen, barstte opnieuw een hevig
geschutvuur los, en thans merkbaar dichter bij het dorp.

„Laten wij gaan zien, wat het is!” stelde Raffles voor. „Maar eerst
moeten wij ontbijten, wie kan zeggen, wanneer wij er weder toe in staat
zijn!”

Zoo snel mogelijk gebruikten de mannen het ontbijt, dat bestond uit
tamelijk goed brood, donker van kleur, schapenkaas, een soort melkspijs
en een klein stukje schapenvleesch.

De drank bestond uit Hongaarschen wijn, en hij was voortreffelijk.

Raffles en Charly stopten hun pijpen en daarop verlieten allen het
logement om zich te begeven naar een hoogen heuvel, die zich ten
Noorden van het dorp verhief en vanwaar men een zeer ver uitzicht had.

Toen zij daar aankwamen, vonden zij reeds bijna de geheele bevolking
van het kleine plaatsje op den heuveltop verzameld, maar er was ruimte
in overvloed om wel zesmaal het aantal inwoners te bergen, en zoo
hadden de vier mannen geen moeite, zich een goede plaats te veroveren,
zoodat zij de vlakte konden overzien.

Heel in de verte, op minstens drie kilometers afstand, zagen zij de
granaten in de stellingen der Rooden inslaan.

De projectielen ontploften met een soort gebrul en verwekten een zwarte
rookwolk, die echter spoedig door den vrij hevigen wind in flarden werd
uiteen gereten.

De Rooden bleken ook over eenige stukken te beschikken en
waarschijnlijk was het de klank van dit geschut, hetwelk de reizigers
hadden vernomen.

Het was een batterij van niet meer dan vier stukken veldgeschut, welke
stond opgesteld achter een boerderij, terzijde van de toeschouwers op
den heuvel, en ongeveer één kilometer naar voren gelegen. Men kon heel
duidelijk in de heldere morgenlucht zelfs met het bloote oog het
bewegen zien van de manschappen, die de stukken bedienden.

De Rooden schoten wat zij konden en het was duidelijk, dat zij tot het
uiterste zouden trachten stand te houden.

De strategische waarde van deze stelling was onmiskenbaar en als zij
haar verloren, zou wellicht hun geheele front aan het wankelen worden
gebracht.

Klaarblijkelijk zochten de Witte artilleristen naar de plek, waar de
Rooden hun geschut hadden opgesteld, zonder het aanstonds te kunnen
vinden.

Maar eensklaps verscheen er, hoog in de lucht, een vliegmachine.

Men behoefde er niet aan te twijfelen, dat zij van den kant der Witten
kwam, teneinde de vijandelijke stelling te verkennen.

Zij cirkelde eenigen tijd op een hoogte van bijna achthonderd meter
boven de loopgraven der Rooden, kwam toen dichterbij, en moest nu de
opstelling van de vier kanonnen reeds ontdekt hebben.

Er ploften snel achter elkander eenige zwarte rookwolkjes uit de
vliegmachine, zeker het afgesproken sein, want een paar seconden later
sloeg onder donderend gekraak, dat hier op den heuvel duidelijk
verneembaar was, een granaat van zwaar kaliber in de boerderij, waar
achter de vier stukken waren opgesteld.

„Dat is de hoeve van Matusec!” zeide een der dorpbewoners, op gedempten
toon. „Die arme Matusec, hij was pas een maand gelegen getrouwd en hij
had de hoeve gekocht van zijn spaarduitjes! Wij worden zwaar beproefd,
zwaar beproefd!”

Dadelijk stemden anderen met deze klacht in en allerwege werden
vervloekingen en heesche woorden van drift en woede vernomen.

En intusschen bleef het granaten hagelen op de ten ondergang gedoemde
hofstede.

Zij was niet groot, en na dertig treffers was zij met den grond gelijk
gemaakt.

Men moest den Rooden geven wat hun toekwam, zij vochten als leeuwen, en
zelfs toen hun artilleriestelling ontdekt en geheel ontbloot was,
bleven zij doorvuren, tot dat één voor één alle stukken waren vernield.

Toen had er een hevige ontploffing plaats, een granaat van de
tegenpartij was in een kleinen stapel projectielen geslagen, en toen
was alles stil.

De vliegmachine verscheen opnieuw, als een roofvogel boven de stelling
zwevend en scheen zich te overtuigen dat het werk goed gedaan was!

Weer seinde zij door het uitlaten van een paar zwarte rookwolkjes en
toen keerde zij terug.

Een dof gerommel werd nu hoorbaar, dat was het geschut van de andere
partij.

De granaten sloegen in voortdurend grooter aantal in de loopgraven der
Rooden in en toen kwam er, zonder dat men kon zien van waar, eensklaps
honderden en nog eens honderden kleine figuurtjes aanstormen, die weer
even plotseling als door de aarde werden verzwolgen.

„Dat is de aanval, Mylord!” zeide Henderson op ernstigen toon. „Ik
weet, wat het is, ik ken de verschrikkelijke gevechten in de
loopgraven!”

Ongeveer tien minuten verstreken en met gezichten, bleek van
aandoening, staarden de menschen op den heuveltop naar dit schouwspel.

De kanonniers van de Witten hadden hun vuur meer vooruitgebracht en
bestreken nu het terrein, dat achter de loopgraven van de tegenpartij
was gelegen.

Nu liet zich ook het razend snelle getik van de mitrailleurs hooren en
daar tusschen klonk het doffe gebonk van de werpmijnen, als zij
ontploften.

En plotseling werd het terrein, dat achter de loopgraven was gelegen,
levendig, een paniek had de Roode troepen eensklaps aangegrepen, een
wilde vlucht was begonnen.

De aanval was blijkbaar volkomen geslaagd, de Witten waren tot diep in
de stelling der Rooden doorgedrongen en de bezettingen van de meer
achterwaarts gelegen loopgraven hadden den schok niet durven afwachten,
wierpen hun wapens weg en trachtten door de vlucht het veege lijf te
redden.

Men zag hen, alleen, of groepsgewijze, over de vlakte snellen, en
telkens werden er achterhaald door de kogels uit de meedoogenlooze
mitrailleurs of door een ontploffende granaat, die hunne ledematen
uiteenrukte, en ze soms bij troepjes van vijf of acht man als een
wervelwind van de aarde vernietigde.

Een half uur later kwamen de eerste vluchtelingen door het dorp Sipec
snellen, aangegrepen door een wilde paniek, waanzinnig van ontzetting,
en niet langer in staat om weerstand te bieden.

Nu zij hun geschut kwijt waren, schenen de troepen eensklaps door
ontmoediging te zijn aangegrepen en de zaak als verloren te beschouwen.

Na de infanterie kwamen afdeelingen van den trein, die in woesten galop
door de straten joegen en waarvan de bestuurders als waanzinnig op de
paarden losranselden.

En nu werden ook eensklaps de bewoners van het dorp door verbijstering
en schrik aangegrepen!

Het zou niet lang duren, of de steeds dichterbij neervallende granaten
zouden hun woonplaats bereikt hebben!

Maar de Witten schenen te begrijpen, dat zij zooveel mogelijk de
plaatsen moesten sparen, waar lieden woonden, die hun zaak waren
toegedaan en daarom spaarden zij het dorp.

Hun cavalerie, ter sterkte van ongeveer een half regiment, zou de
vervolging op zich nemen en de gedemoraliseerde troepen geheel
uiteenslaan.

Reeds kwamen in snellen galop de ruiters aanrennen en hun sabels
blonken in het licht van de zon, die nog niet lang boven de kim stond.

Raffles en zijn drie metgezellen hadden hun observatie-post niet
verlaten, toen het geschutvuur begon te zwijgen, want zij wisten wel,
dat de Rooden er niet aan konden denken, onder deze omstandigheden
stand te houden!

Nog telkens kwamen er vluchtelingen voorbij en door zijn kijker kon
Raffles waarnemen, hoe de Rooden bij troepjes tegelijk werden gevangen
genomen, en zelfs meende hij te zien, hoewel hij het niet zeker durfde
zeggen, dat zij bij tientallen tegelijk op de plaats zelve werden
gefusilleerd.

Met bleek gelaat bleven de mannen toezien, toen zij zoo ongedacht
getuigen waren van een tooneel uit den vreeselijken burgeroorlog.

„God geve, dat ons land hiervoor gespaard blijve!” zeide Charly met
bevenden stem. „Het is afschuwelijk.”

„Ja Charly, dat is het!” zeide Raffles op ernstigen toon. „En het
ergste is, te bedenken, dat dit alles tot niets leidt, dat het geen nut
hoegenaamd heeft, omdat alles toch, in eenigzins gewijzigden vorm
misschien, bij het oude zal blijven!”

Daar kwam reeds de ruiterij der Witten voorbij stormen, die den weg
volgde, welke langs den voet van den hoogen heuvel liep en even later
was zij tusschen de huizen van het dorp verdwenen.

Maar een afdeeling infanterie rukte aan en begon den heuvel te
beklimmen vanwaar men het geheele dorp gemakkelijk kon overzien, en die
dus een voortreffelijk strategisch punt opleverde.

De afdeeling stond onder bevel van een luitenant en deze was niet
weinig verbaasd, toen hij daar op den heuveltop vier mannen aantrof,
waarvan er drie oogenschijnlijk vreemdelingen waren, die daar zoo
rustig stonden toe te zien, alsof zij getuigen waren van een
bioscoopopname in plaats van een gruwelijk gevecht!

De luitenant, een jonge man nog, met een fijn besneden gelaat, bleek
voortreffelijk Duitsch te kennen, en richtte zich tot Raffles met de
vraag:

„Wilt gij mij zeggen, hoe gij hier komt, mijnheer?”

„Met het grootste genoegen, luitenant,” antwoordde Raffles. „Maar ik
zou deze vraag liever richten tot dezen heer, Horváth de Palocza, want
hij is uit deze streek geboortig, ik ben slechts een vreemdeling en hij
zal u beter alles kunnen mededeelen, dan het mij mogelijk is!”

De jonge luitenant wendde zich met een vragende uitdrukking op zijn
gelaat tot zijn landgenoot en nu deelde Palocza hem mede, op welke
wijze hij in aanraking was gekomen met graaf Grasham, en wat er sedert
zijn komst geschied was.

Hij sloeg geen enkele bijzonderheid over, behalve die van den
uitgeholden schoenhak, want zijn taktgevoel zeide hem, dat de
Engelschman er volstrekt niet op gesteld zou zijn, dat deze
bijzonderheid nog aan anderen bekend werd.

De luitenant had met aandacht geluisterd en zeide nu:

„Dan moogt gij van geluk spreken, graaf! Ik geloof niet, dat alles zoo
goed zou zijn afgeloopen, wanneer onze aanval niet met succes bekroond
ware! Voor uw vrijgeleide geef ik geen heller! En nu kan ik u iets
mededeelen, wat u waarschijnlijk wel genoegen zal doen, tijdens den
aanval hebben wij een groote afdeeling der Rooden van het gros kunnen
afsnijden, die zich hadden geïnstalleerd op een groote buitenplaats bij
Berény.”

„Dat is de mijne, luitenant!” riep Palocza uit.

„Dat had ik wel kunnen vermoeden uit uwe mededeelingen, baron,” hernam
de jonge luitenant. „Welnu, wij vonden den aanvoerder van dien troep in
het bezit van ruim twaalfduizend pond in Engelsche bankbiljetten en
bovendien nog eenige tienduizenden kronen, alles in een geellederen
portefeuille, die van een grafelijk wapentje voorzien was, ongetwijfeld
de uwe!” zoo wendde hij zich tot Raffles.

„En mag ik weten, wat men met het geld gedaan heeft?” vroeg deze.

„Natuurlijk heeft de generaal het aanstonds in beslag genomen, graaf!”

„Het is dus weder tot mijn beschikking?”

„Dat is iets, waarop ik u tot mijn spijt niet kan antwoorden!” gaf de
luitenant te kennen. „Maar mij dunkt, dat gij het hem slechts te vragen
hebt, waarschijnlijk zal hij het u aanstonds teruggeven.”

Raffles had den jongen man aandachtig gade geslagen, toen hij dit zeide
en hij verbeeldde zich, een verlegen uitdrukking op het gezicht van den
luitenant te zien, alsof hij zelf niet heel zeker was van hetgeen hij
zeide.

Raffles kon zich echter volstrekt niet voorstellen, wat er in hem kon
omgaan.

Het sprak immers van zelf, dat men hem het geld weder zou moeten
teruggeven dat hem door de Rooden was afgenomen!

Maar nu vroeg baron Palocza:

„Hoe is de naam van uwen generaal, luitenant?”

„Esterházy, baron.”

„Hm!” was alles wat Palocza zeide.

Raffles trok zijn wenkbrauwen op, en keek van den een naar den ander.

Toen wendde hij zich tot zijn gastheer van den vorigen dag en vroeg:
„Ben ik onbescheiden, baron, wanneer ik u vraag naar de beteekenis van
dat korte tusschenwerpsel?”

„De zaak is, ik weet eigenlijk niet....” stamelde Palocza. „Gij zult
het zelf wel zien.”

„Neem mij niet kwalijk, dat ik aandring, baron,” hernam Raffles. „Gij
moet begrijpen, dat ik tot iederen prijs mijn geld terug wil hebben, nu
het een maal weder in handen is der partij, in welker midden wij ons nu
bevinden. Gij echter zoudt in mij het vermoeden wekken, dat er
moeilijkheden verbonden zouden zijn aan de terugvordering van mijn
eigendom, en ik zou gaarne weten, waarin die kunnen bestaan.”

Nog scheen de baron te aarzelen, en hij wierp een snellen blik op den
luitenant, die zwijgend terzijde stond, en op zijn fijnen, zwarten
knevel beet.

Toen vervolgde hij fluisterend:

„Ik kan het u niet zeggen, terwijl een luitenant van dien man er bij
is, hij is in ieder geval zijn meerdere, en hij zou niet behoeven te
dulden, dat in zijn tegenwoordigheid van dien meerdere kwaad werd
gesproken, al is het dan stellig wel verdiend!”

„Gij maakt mij nieuwsgierig, baron. Laten wij dan een weinig terzijde
gaan, en de gevoelens van dien jongen man sparen!”

De twee heeren verwijderden zich een weinig van de anderen, en daarop
begon Palocza, zoo zacht, dat de overigen hem onmogelijk zouden kunnen
verstaan:

„Ik ken dien Esterházy niet persoonlijk, en ik zou hem ook niet willen
kennen, maar wat ik van hem gehoord heb uit den mond van volkomen
geloofwaardige vrienden, dat is niet veel goeds! Ik sta uit den aard
der zaak aan den kant der Witten, maar ik wil hier onmiddellijk aan
toevoegen, dat zij zekere elementen in hun midden hebben, die geen
fatsoenlijk man tot zijn vrienden zou willen rekenen. En daarvan is die
Esterházy wel de ergste, de man is wreed als een tijger, onvermurwbaar
tegenover iederen Roode, die hem in handen valt, en hij rooft en steelt
als de ergste struikroover! Alles onder het voorwendsel, geld en
kostbaarheden voor de Rooden in veiligheid te brengen. De burgeroorlog
is nu voor hem niets anders dan een bloedige tijdpasseering, een soort
sport, die hij met even veel vermaak beoefent, als de jacht op herten
en wilde zwijnen.”

„Dat alles neem ik gaarne aan, baron,” zeide Raffles, die aandachtig
had toegeluisterd. „Maar ik kan niet inzien, waarom ik mij daarvan iets
zou aantrekken. Mijn geld bevindt zich thans in handen van generaal
Esterházy en ik zou wel eens willen zien, dat hij het zou wagen, het te
onthouden aan een Engelsch onderdaan!”

„Denk vooral niet, dat uw nationaliteit u zou beschermen, graaf!”
hernam Palocza hoofdschuddend. „Hij heeft niet lang geleden, toen de
opstand op zijn hevigst was, zelfs een Duitscher uitgeschud. Hij weet
heel goed, dat men te Berlijn, te Londen en te Parijs thans wel aan
andere dingen te denken heeft dan aan een strafexpeditie! Bovendien,
zoo zou men de Rooden immers in de kaart spelen!”

„Maar het is mij volkomen onbegrijpelijk, baron, dat men van dit alles
te Boedapest onkundig schijnt te zijn!”

„Men is daar niet onkundig van, graaf!” zeide Palocza rustig.

„Wat! Men weet het, en men laat het kalm toe?” riep Raffles uit, die
zijn ooren niet gelooven kon.

Maar de baron haalde weder de schouders op, een beweging, welke men
zich in dit land en in deze tijden al heel spoedig aanwendde en
antwoordde:

„Men doet alsof er niets gebeurt! Esterházy is een schurk, maar een
voortreffelijk veldheer, een der beste van het Hongaarsche leger, en
daarenboven heeft hij zeer grooten aanhang, ook op politiek gebied. Ja,
ik zie, dat gij ongeloovig de wenkbrauwen fronst, maar dat is alleen,
omdat gij uit een land als Engeland komt, waar dergelijke dingen
eenvoudig ondenkbaar zijn.”

„Inderdaad, ik moet zeggen, dat ik verstomd sta!” hernam Raffles. „Dat
het zoover moest komen met dit schoone land.”

„Men laat te Boedapest heel wat toe, ten einde den strijd tegen de
communisten tot iederen prijs te kunnen winnen!” hernam Palocza op
bitteren toon. „De hulp van Esterházy is onontbeerlijk, en daarom ziet
men van hem heel wat door de vingers.”

„En zou men het ook door de vingers zien, dat hij een Engelschman
berooft voor een bedrag, dat de 13,000 pond sterling te boven gaat?”
riep Raffles toornig uit.

Palocza zweeg, maar dit zwijgen was welsprekender dan woorden het
konden zijn.

Raffles keek hem een oogenblik strak aan, en zeide toen:

„Het is goed, baron, ik dank u voor uwe waardevolle inlichtingen, ik
weet nu, waaraan ik mij te houden heb! En ik weet tevens, dat ik geheel
op mij zelf aangewezen zal zijn, om mijn eigendom terug te krijgen!”

„Ik hoop van harte, dat gij er in zult mogen slagen, uw geld uit de
handen van dien schelm te krijgen, graaf!” hernam Palocza. „Maar als
gij hem zult kunnen overreden, dan zoudt gij waarschijnlijk de eerste
zijn!”

„O, er zijn nog wel andere middelen!” zeide Raffles koeltjes. „Als
overreden niet helpt, wel, dan zal ik dien mijnheer Esterházy eens
toonen, hoe een Engelschman zich weet te helpen!”








HOOFDSTUK VI.

DE KENNISMAKING MET GENERAAL ESTERHÁZY.


De beide heeren begaven zich langzaam weder terug naar het kleine
groepje dat zwijgend bijeen was blijven staan.

De luitenant, die natuurlijk zeer goed begreep, waarover het gesprek
had geloopen, en die er in het geheel niet naar uitzag, alsof hij de
zonderlinge methodes van zijn onmiddellijken chef goedkeurde, begon
aanstonds over andere dingen te spreken.

Hij wendde zich tot baron Palocza en zeide:

„Wanneer gij soms naar uw buitenverblijf mocht willen terugkeeren,
baron, staat niets in den weg. De Rooden zijn er gelukkig uit
verdreven, voor zij den tijd hadden kunnen vinden, iets te vernielen.”

„Ik zal er niet terugkeeren, luitenant!” zeide Palocza op ernstigen,
droeven toon. „Ik vertrek. Het landgoed is verkocht aan graaf Grasham,
dien gij hier voor u ziet. Tenminste,” zoo wendde hij zich tot Raffles,
„wanneer gij niet van gedachte zijt veranderd.”

„Geenszins, baron!” antwoordde Raffles. „Ik moet er u alleen opmerkzaam
op maken, dat.... ik geen geld heb, om u te betalen.”

„Laat u dat niet verontrusten!” zeide Palocza met een flauwen glimlach.
„Natuurlijk heb ik bij deze en gene van mijn Engelsche vrienden naar
den kooper, die op mijn advertentie antwoordde, geïnformeerd, en die
inlichtingen konden niet beter en gunstiger zijn! Ik weet, dat graaf
Grasham een onbeperkt crediet heeft op de Londensche bank, ik wil en
kan hier niet langer blijven, ik zou in staat zijn, mijn landgoed ten
geschenke te geven! Ik vertrek nu aanstonds naar Boedapest, en daar
zult gij mij nog veertien dagen kunnen vinden, want zoolang zal het wel
minstens duren, voor ik mijn passen en andere papieren in orde heb
gemaakt. Het spijt mij waarlijk, dat ik niet langer uw gastheer kan
zijn, maar gij zoudt toch bitter weinig aan mij hebben!”

„Ik wil u volstrekt niet ophouden, baron, en wij zullen dan afspreken,
dat wij elkander te Boedapest weder treffen. Geef mij slechts uw
adres.”

„Ik logeer in het hotel de La Promenade.”

„Uitstekend! Dan wensch ik u een goede reis, ofschoon wij nog wel
eenigen tijd bij elkander blijven, tot wij het hoofdkwartier van
generaal Esterházy hebben bereikt. Ik denk, dat daar onze wegen zich
wel kunnen scheiden!”

„Wanneer ik u van dienst kan zijn door u een paar manschappen mede te
geven, graaf, dan ben ik gaarne tot uwe beschikking!” kwam nu de jonge
luitenant, terwijl hij hoffelijk salueerde.

„Wij nemen uw aanbod gaarne aan, luitenant, en zeggen er u dank voor!”
antwoordde Raffles.

„Hebt gij soms een voertuig?” ging de luitenant voort.

„Ja, wij zijn hier met mijn rijtuig gekomen, het eenige, wat de Rooden
mij wel hebben willen laten!” zeide Palocza.

„Dan zou ik daar maar gebruik van maken,” hernam de luitenant. „De
afstand is vrij ver, en gij zoudt het niet kunnen loopen. Is er plaats
voor twee mannen meer?”

„Dat zal wel gaan,” antwoordde Palocza. „De paarden hebben een geheelen
nacht en een gedeelte van den morgen goed gerust, en een maal haver
gehad, een zeldzaamheid voor de arme dieren!”

„Dan kunt gij, als gij wilt, aanstonds vertrekken.”

De luitenant wees twee mannen aan, die zich bij de reizigers voegden,
en de terugtocht naar het dorp en het logement werd aanvaard, nadat de
luitenant snel een vrijgeleide voor de reizigers had geschreven.

Marek werd bij de paarden gevonden.

Die schenen hem wel zooveel belangstelling in te boezemen, dan de
zooeven in het voordeel der Witten besliste strijd!

De dieren werden weder voor het rijtuig gespannen, de waard werd
vorstelijk beloond, de reizigers drukten den vriendelijken luitenant de
hand, en de paarden trokken aan.

Het rijtuig reed het dorp weder uit, en volgde den weg, dien het een
dag te voren was afgereden, maar nu in tegenovergestelde richting.

Nu en dan gaven de soldaten aan Marek te kennen, welke richting hij
moest volgen.

Al spoedig kwamen de reizigers afdeelingen Witten tegen, en dan moesten
zij telkens hunne papieren toonen.

Palocza scheen echter algemeen bekend te zijn bij de officieren, want
hij werd allerwege hartelijk begroet, en zijn aanwezigheid was de
anderen van wezenlijk nut.

Maar ook reden de mannen in het wagentje langs tal van lijken,
meerendeels Rooden, langs stukgeschoten mitrailleurs en overblijfselen
van wagens die door een granaat waren getroffen.

De gansche gruwel van den oorlog ontvouwde zich hier voor de reizigers,
die stil en ontdaan door zooveel ellende neerzagen op deze wrakstukken
van den broederkrijg.

Een kwartier later begonnen de paarden eensklaps te snuiven.

Men reed juist langs een langen muur, die een grooten tuin omgaf.

En aan den voet van dien muur vlak naast elkander lagen een dertigtal
onbewegelijke lichamen.

Ter hoogte van een paar meter vertoonde de muur talrijke plekken, waar
kogels de steenen hadden getroffen.

„Gefusilleerd!” zeide Raffles zachtjes. „Ik had dus zooeven wel goed
gezien. De mannen hebben geen van allen een geweer, en zij zijn
gebonden!”

Hij wendde zich tot Palocza en vervolgde:

„Wij lezen altijd van de onnoemelijke gruwelen door de Rooden bedreven,
ik kan niet nagaan, in hoeverre die verhalen al of niet overdreven
zijn, maar hier zie ik met eigen oogen, hoe de Witten den strijd
voeren, baron!”

Palocza knikte eenige malen zwijgend, en mompelde:

„Allen, allen verdierlijken in dezen afschuwelijken strijd van Hongaar
tegen Hongaar! Deze worsteling kweekt monsters, meedoogenloozer dan de
oorlog het heeft kunnen doen!”

Zwijgend werd de tocht voortgezet.

De weg liep nu langs een reeks granaatkuilen en hier en daar was ook de
weg zelf opengereten door een granaat, en moest Marek met de grootste
voorzichtigheid de paarden besturen.

Maar nu werd de voormalige stelling van de Witten bereikt, en men
ontmoette de eerste voorposten, bij het hoofdkwartier behoorend.

Men bevond zich nu dicht bij het plaatsje Berény, en een der soldaten
van de Witte garde deelde mede, dat generaal Esterházy daar zijn staf
had gevestigd.

Nog een kwartier en toen reed het wagentje het stadje binnen, eigenlijk
niet veel meer dan een groot dorp.

Bij de eerste huizen liet Palocza het wagentje stilhouden.

Hij richtte zich tot Raffles en zeide op ernstigen toon:

„Hier scheiden zich onze wegen, graaf, tenminste voorloopig. Ik ben er
niet op gesteld, in aanraking te komen met dien man. En ik ben er van
overtuigd dat mijn woorden heel weinig gewicht in de schaal zullen
leggen. Ik zou niet eens onder eede kunnen getuigen, dat gij de koopsom
werkelijk aan de Rooden hebt afgestaan, want ik heb die som niet in uw
portefeuille gezien. En daarom ga ik aanstonds verder en tracht
Temesvár te bereiken, waar ik, naar ik hoop, een trein naar Boedapest
zal vinden.”

„Hoe denkt gij Temesvár te bereiken, baron?”

„Wel er zal hier wel ergens een wagen te krijgen zijn,” zeide baron
Palocza onzeker.

„Dat is niet zoo zeker, en daarom zou ik u wel willen voorstellen, om
met uw eigen rijtuig verder te gaan!” hernam Raffles.

„O neen! Het rijtuig en de paarden behooren bij den inboedel van het
kasteel. Dat is immers uitdrukkelijk bedongen?”

„Dat herinner ik mij niet zoo nauwkeurig, baron!” kwam Raffles. „Maar
ik weet wel, dat ik nooit zal toestaan, dat gij hier met uw ouden
bediende blijft zoeken naar een rijtuig, terwijl gij er hier kant en
klaar een hebt!

„Als gij dan volstrekt het paard en het rijtuig bij den inboedel wilt
rekenen, stal ze dan te Temesvár en laat het adres van den stalhouder
ergens voor mij achter. Later zal ik dan het rijtuig met de bespanning
wel terug laten halen.”

Palocza stak Raffles de hand toe en zeide:

„Ik dank u, graaf, ik neem uw aanbod aan, zonder veel omwegen, want ik
wil u wel erkennen, dat het niet zoo gemakkelijk zou vallen, hier een
rijtuig te krijgen.”

De baron drukte ook Charly Brand de hand, knikte Henderson toe en
verliet in galop het gezelschap, terwijl Raffles zich naar de
verblijfplaats van generaal Esterházy begaf, die zich met zijn staf had
gevestigd in een der groote huizen van het plaatsje.

Maar de brave Marek werd niet vergeten en Raffles drukte hem twee
biljetten van duizend kronen in de hand, die voor hem toch niet veel
meer waard waren dan twee pond sterling.

De beide soldaten brachten de drie mannen naar het einde van het dorp,
stonden daar stil op een tiental meters afstand van een groot huis, dat
er wel eenigzins uitzag als een raadhuis, en wezen er naar.

Zij zeiden geen woord, maar Raffles begreep natuurlijk dadelijk, dat
hij aan het doel van zijn tocht was gekomen.

„Een van u beiden moet mij vergezellen, en om de waarheid te zeggen,
waarde Henderson, zou ik liever mijnheer Charly Brand mede nemen, want
ik vrees, dat je je door je drift zou laten medesleepen en denk je eens
in onzen toestand wanneer je je zoudt laten verleiden, een Hongaarschen
generaal op een plak slaag te onthalen.”

„Maar waarom zou ik dat doen, Mylord?” vroeg Henderson verbaasd.

„Dat is waar ook, je kunt het nog niet weten!” hernam Raffles. „Het
gesprek is in het Duitsch gevoerd, en op verren afstand! Welnu dan
Henderson, mijn geld is in handen van den generaal, dien ik nu ga
bezoeken, en het schijnt, dat er moeilijkheden aan verbonden zullen
zijn, het weer uit die handen los te krijgen.”

„Dan kan ik niet anders zeggen, Mylord, dan dat gij groot gelijk hebt,
om mij maar liever hier te laten!” zeide de reus langs zijn neus weg.
„Want generaal of niet, ik zou dat heerschap eens hardhandig aan het
verstand hebben gebracht, hoe ik over hem denk.”

Raffles moest zich omwenden om den glimlach te verbergen, die bij deze
woorden om zijn lippen speelde.

Daar stond een man, die in talrijke avonturen den Grooten Onbekende
terzijde had gestaan, van wiens eigenaardig beroep hij toch uitstekend
op de hoogte was, en hij maakte zich driftig, omdat een ander het
waagde, een deel van dat zonderling verworven geld zich toe te eigenen!

Maar hij begreep het spoedig, hier sprak eenvoudig het instinct der
rechtvaardigheid bij den braven reus!

Hij kende de middelen en de doeleinden van zijn meester, aan wien hij
het leven en meer dan dat verschuldigd was, en de ander, hij mocht dan
generaal zijn of niet, was voor hem slechts een ordinaire dief!

Raffles had zich tot Charly gewend en zeide nu:

„Ga mede, jij zult wel getuigenis af moeten leggen, denk ik! Liever had
ik gehad, dat baron Palocza ook aanwezig geweest ware, maar ik heb niet
willen aandringen, zijn gemoedstoestand was van dien aard, dat hij wel
aan andere dingen te denken had, dan een vreemdeling bij te staan!”

De twee vrienden liepen op het groote huis toe, waarvoor een
schildwacht op en neer liep, die hen dadelijk aanhield en vroeg, wat
zij wenschten.

De vraag was in het Hongaarsch gesteld en de beteekenis was duidelijk.

Raffles antwoordde in het Duitsch.

„Wij wenschen onmiddellijk generaal Esterházy te spreken!”

„Ik weet niet, of dat zoo gemakkelijk zal gaan, mijnheer,” zeide de
schildwacht. „Want ik meen, dat de generaal nu aan het werk is. Maar ga
slechts naar binnen en laat u aandienen.”

Raffles en Charly gingen het huis binnen, dat inderdaad een
gemeentehuis bleek te zijn en liepen al spoedig een anderen militair
tegen het lijf, die aan zijn tressen kenbaar was als adjudant.

Ook deze officier bleek voortreffelijk Duitsch te spreken, want hij
antwoordde in die taal op de vraag van Raffles:

„Ik zal u bij den generaal brengen, tenminste wanneer gij inderdaad
iets van gewicht met hem te bespreken hebt!”

„Van zeer groot gewicht, mijnheer!” antwoordde Raffles.

„Wees dan zoo goed mij te volgen!”

De adjudant ging de beide Engelschen voor door een aantal breede en
holklinkende gangen, bracht hen toen naar een vertrek, waar nog eenige
andere officieren gezeten waren, stak dit vertrek in zijn geheele
lengte over en klopte op een deur, die waarschijnlijk toegang gaf tot
een ander lokaal.

Daarop opende hij de deur, sprak eenige woorden naar binnen, deelde den
naam van den vreemdeling mede, en toen hij zijn hoofd terug trok, lag
er een uitdrukking van verlegenheid en teleurstelling op zijn gezicht.

„Het spijt den generaal bijzonder, mijne heeren, maar hij heeft het te
druk, hij kan u onmogelijk te woord staan. Hij laat u verzoeken, over
eenige dagen nogmaals uw bezoek te herhalen!”

Maar toen gebeurde er iets, wat zeker uniek was in de annalen van het
Hongaarsche militarisme, want Raffles duwde den adjudant eenvoudig
beleefd, maar beslist terzijde, onder het uiten van de woorden:

„En mij spijt het, mijnheer adjudant, dat ik geen gevolg kan geven aan
deze uitnoodiging, omdat ik een weinig haast heb!”

En vóór de verblufte adjudant nog iets had kunnen zeggen, stonden
Raffles en Charly in het vertrek tegenover den generaal, die hen met
woedende blikken scheen te willen doorboren, een poging, die hij gerust
achterwege had kunnen laten, want zij had niet de minste uitwerking op
de beide Engelschen, die daar kalm en rustig midden in de kamer stonden
en hem onbevreesd aankeken.

Aan alles was te zien, dat het vertrek in allerijl was ingericht tot
slaapkamer, die tevens tot werkkamer kon dienen, want oorspronkelijk
was het oogenschijnlijk een archiefkamer geweest, daar het vol stond
met langs den wand geplaatste loketkasten.

In een der hoeken stond een fraai ledikant, dat waarschijnlijk door de
kwartiermakers ten behoeve van den generaal was opgevorderd bij een der
rijkste ingezetenen.

Dicht bij het raam stond een schrijftafel, die ook wel niet tot het
meubilair van het gemeentehuis zou hooren en dan stond er nog een
groote rustbank, benevens eenige gemakkelijke stoelen.

Generaal Esterházy zat achter de schrijftafel en had zoo juist de pen
neer geworpen.

Hij was een man van een jaar of vijftig, met een ruw, pokdalig gezicht,
gitzwarte oogen en een geweldige snor, die met haar twee afhangende
punten bijna tot op zijn borst neerviel.

Snor en hoofdhaar waren gitzwart, maar deze kleur had haar oorsprong
waarschijnlijk te danken aan het bemiddelend ingrijpen van den kapper.

Hij had groote gele tanden, als van een paard en kauwde daarmede op een
reusachtige sigaar, waarschijnlijk genomen uit een kistje, dat geopend
voor hem stond.

Op een hoek van de schrijftafel stond een blad, waarop een flesch port,
een glas water en een kurketrekker vreedzaam bijeen waren.

En voorts zwierven op deze tafel een spel kaarten, een dienstrevolver,
een sabel en een paar stafkaarten.

Generaal Esterházy had zich achterover in zijn stoel geworpen en keek
de beide bezoekers van onder zijn borstelige wenkbrauwen met een
kwaadaardigen blik aan.

„Hebt gij niet gehoord, mijne heeren, wat mijn adjudant u gezegd
heeft?”

„Er was geen enkele reden om het niet te hooren, generaal, uw adjudant
spreekt werkelijk heel goed Duitsch en wij zijn de taal ook een weinig
machtig.”

„En toch waagt gij het hier binnen te dringen?” ging de generaal voort.

„O, het was zulk een groot waagstuk niet,” ging Raffles kalmpjes voort.
„Waarom zou het ook? Wij komen slechts een kort gesprek met u voeren en
u iets terugvragen!”

„Zoo,” hernam Esterházy op grimmigen toon. „Zoo, zoo, zijt gij die
Engelschman?”

„Ja, ik ben graaf Grasham, en ik kom u de dertien duizend pond sterling
terugvragen, welke mij eerst door de Rooden zijn afgenomen en aan hen
weder door uwe troepen, die u het geld ter hand hebben gesteld.”

„Wel, wel! En hoe zijt gij aan die wijsheid gekomen?” vroeg de generaal
op spottenden toon, maar zijn oogen hadden een dreigende uitdrukking.

„Dat doet er minder toe, generaal,” antwoordde Raffles koeltjes. „De
hoofdzaak is, dat ik het zeer nauwkeurig weet. Wij zullen niet veel
woorden verspillen, ik verzoek u mij mijn geld terug te willen geven!”

„Gij schijnt in het geheel geen rekening te hebben gehouden met de
mogelijkheid, dat ik wel eens zou kunnen weigeren, of zou ontkennen,
het geld onder mijn berusting te hebben!”

„Gij hebt gelijk, generaal, ik heb er natuurlijk geen oogenblik aan
gedacht, dat een generaal, en zulk een hooggeplaatste, van het
Hongaarsche leger een schoft zou kunnen zijn!”

Esterházy stond halverwege uit zijn stoel op en maakte een
onwillekeurig gebaar in de richting van zijn revolver.

Hij wist zich echter te beheerschen en hernam:

„Gij durft nog al veel zeggen, graaf! Maar nu zult gij mij wel willen
veroorloven, op mijn beurt eenige opmerkingen te maken, nu gij toch
eenmaal hier zijt binnengedrongen! Wij strijden tegen een bende
bloeddorstige bandieten. En daarbij komt gij zoo plotseling uit de
lucht vallen, met zooiets van twaalf millioen kronen in uw zak en die
worden u hier afgenomen door de Rooden! Gij zult toch wel inzien, dat
het noodzakelijk zal zijn, dat alles een weinig aannemelijk te maken!”

Raffles deed dreigend een stap naar voren en vroeg op gesmoorden toon:

„Gij houdt mij dus voor een leugenaar?”

„Dat woord heb ik niet gebruikt! Maar gij zult het mij ten goede
houden, als ik nadere bewijzen vraag! Iedereen zou mij immers zulk een
verhaal kunnen opdisschen?”

„Ah zoo, waait de wind uit dien hoek?” zeide Raffles minachtend. „Wel,
ik zal u de volle maat geven! Luister dan naar het relaas van wat ons
hier wedervaren is!”

En nu deelde Raffles generaal Esterházy, die zenuwachtig met zijn
penhouder speelde en zijn sigaar voor de helft had opgekauwd, mede, wat
er geschied was van het oogenblik af, dat hij door baron Palocza met
zijn rijtuig van het station te Temesvár werd gehaald.

Generaal Esterházy had met klaarblijkelijk ongeduld toegeluisterd, maar
aan de uitdrukking van zijn gelaat kon Raffles zeer goed zien, dat hij
dit alles reeds wist.

Toen hij gereed was, besloot de Groote Onbekende:

„Ik geloof niet, dat ik hieraan nog iets behoef toe te voegen,
generaal! Het geld is mijn eigendom, ik wensch er over te beschikken,
geef het mij terug!”

„Een oogenblik, graaf!” riep de generaal uit. „Waar is baron Palocza op
dit oogenblik?”

„Op weg naar Temesvár!”

„Hij zou dus uw verklaring niet door zijn getuigenis kunnen
bevestigen?”

„Neen, die wordt alleen door mijn woord als edelman bevestigd en door
de getuigenis van mijn secretaris!” antwoordde Raffles.

„Komaan, en dat moet mij voldoende zijn, dunkt u?” riep generaal
Esterházy op sarrenden toon. „Laat mij u dan zeggen, dat het mij
volstrekt niet voldoende is! Gij zegt, dat de Rooden u uw geld ontnomen
hebben, en dat wil ik ook wel aannemen, ofschoon de hoogte van het
bedrag mij verdacht voorkomt! Maar het is een foute veronderstelling,
als gij meent, dat het daarna weder in andere handen is overgegaan!”

Raffles deed met gebalde vuisten een stap naar den schurk toe en zeide
op doffen toon:

„Gij weigert dus mij mijn eigendom terug te geven?”

„Ik moet wel weigeren, want ik bezit het niet!” antwoordde Esterházy.

„Hebt gij wel eens bedacht, generaal, dat dit voor u zeer ernstige
gevolgen zou kunnen hebben, dat ik mij zou kunnen wenden tot den
Engelschen zaakgelastigde te Boedapest?”

Esterházy haalde de schouders op, dat het bloed van Charly Brand aan
het koken bracht.

„De Engelsche zaakgelastigde zal ook wel begrijpen, dat hij er niets
aan kan doen! Vergeet niet, dat de streek in staat van beleg is, ik ben
hier almachtig! En als ik u een goeden raad mag geven, blijft dan niet
langer hier, dan volstrekt noodzakelijk is, maar keer zoo spoedig
mogelijk naar uw land terug! Als u wilt, zal ik u een vrijgeleide geven
tot Temesvár. Daar kunt gij den trein nemen, geloof mij, gij doet het
best, als gij u in uw verlies schikt.”

De generaal had dit alles op zoetsappigen toon gezegd, maar in zijn
zwarte oogen glinsterde een valsch licht.

Hij trommelde spelenderwijs met zijn vinger op het tafelblad, maar vlak
in de nabijheid van de electrische schel.

Raffles begreep, dat hij zich aan een zeer groot gevaar zou stellen
onder deze omstandigheden te trachten, zijn bezit met geweld in handen
te krijgen.

Bij de eerste verdachte beweging zou de generaal op de bel drukken of
schreeuwen, de officieren, tien in getal minstens, zouden komen
toestormen, en men zou hen waarschijnlijk onmiddellijk als gevaarlijke
indringers fusilleeren of op zijn best gevangen zetten.

Raffles bedwong zich dus en wisselde een snellen blik met Charly Brand,
die op het punt scheen te staan, zich op den generaal te werpen.

Zijn stem had haar gewonen klank behouden, toen hij op zakelijken toon
zeide:

„Dat alles klinkt zeer vriendelijk, generaal, maar ik hoor in uw
woorden een duidelijke bedreiging! Ik weet, waartoe gij in staat zijt,
en voor het oogenblik hebt gij aan het langste eind getrokken. Maar ik
begeef mij nu aanstonds naar Boedapest en ik zou wel eens willen zien,
of de zaakgelastigde van mijn land werkelijk niet in staat zou zijn,
het gestolen geld weder uit uw handen los te krijgen!”

En daarop maakten de beide Engelschen rechtsomkeert en verlieten het
vertrek weder, terwijl de generaal hen met een hatelijken grijns op de
dikke lippen nakeek.








HOOFDSTUK VII.

WIE HET LAATST LACHT......


Raffles en Charly verlieten haastig het gebouw en voegden zich weder
bij Henderson, die geduldig had staan wachten.

„Nu kunnen wij tenminste weer naar Londen terugreizen, Mylord!” zeide
de reus handen wrijvend. „Ik zal blij zijn, als ik weer eens een goed
warm bad kan nemen.”

„Je zult dat verlangen nog een tijdje moeten temperen, Henderson, want
wij bezitten geen rooden duit!” hernam Raffles.

„Wat is dat? Heeft de schobbejak geweigerd, u het geld terug te geven?”
riep Henderson uit. „O, wacht eens even, dat zal ik hem anders gaan
vertellen!”

Nog juist bijtijds grepen Raffles en Charly den reus ieder bij een arm
beet, om hem te weerhouden, zijn onzinnig plan ten uitvoer te brengen!

Inderdaad, het Raadhuis wemelde van officieren en soldaten en niemand
zou aarzelen van zijn wapens gebruik te maken, als men moest vreezen,
dat er een aanslag zou gepleegd worden op den generaal.

Esterházy was niet bepaald bemind onder zijn inferieuren, maar hij was
een uitmuntend legeraanvoerder, hij had zeer veel invloed, men moest
hem te vriend houden in deze tijden van onrust en bloedige woelingen.

„Luister eens, Henderson, bega geen dwaasheden!” zeide Raffles op
strengen toon. „Je moest begrijpen, dat het tot niets zou dienen,
wanneer je daar als een wildeman zou binnenstormen, om den fielt te
dwingen ons het afgenomen geld terug te geven. Je zoudt zijn
neergeschoten, vóór je tien stappen gedaan had!”

„Maar gij zijt toch niet van plan, Mylord, om het hierbij te laten?”
hernam de reus.

„Ik denk er niet aan, Henderson!” zeide Raffles. „Ik verlaat Hongarije
niet voor die bandiet mij mijn dertien duizend pond sterling weder
heeft terug gegeven, goedschiks of kwaadschiks en bovendien nog een
kleinigheid van het andere geld dat hij gestolen heeft, om mij
schadeloos te stellen voor mijn moeite! Maar, ik herhaal nogmaals, met
geweld bereiken wij niets, wij moeten list te baat nemen!”

Charly knikte nadrukkelijk eenige malen met het hoofd en zeide
overredend:

„Zoo is het, Henderson! Wij zouden hier met ruwe kracht niet veel
doen!”

Raffles had een blik op zijn horloge geworpen.

Het was nu vier uur in den middag.

Over een paar uren zou de zon ondergaan en als de duisternis gevallen
was, zou het drietal een poging kunnen wagen, weder in het bezit te
geraken van het geld.

Dat Esterházy het op het oogenblik in zijn bezit had, dat het geld zich
bevond in dezelfde kamer, waar hij zooeven geweest was, dat stond voor
hem als een paal boven water.

Maar ook begreep hij, dat hij zich in acht zou moeten nemen, die
Esterházy was een gevaarlijk man, en Raffles achtte hem er best toe in
staat, dat de schurk hem en zijn vrienden eenige soldaten achterna
zond, met de opdracht een gevecht uit te lokken en hen neer te
schieten, om aldus bevrijd te worden van een paar lastige getuigen.

Er zouden altijd wel een paar gewetenlooze schobbejakken te vinden
zijn, bereid om voor een bloedprijs dit werkje op te knappen.

Het zou dus zaak zijn, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, en
zich niet bloot te geven.

Voor alles besloot Raffles, dat de drie mannen zich zouden vermommen,
zoo goed als het ging, onder de gegeven omstandigheden.

In de valiezen, welke zij bij zich hadden, bevonden zich weliswaar de
noodige middelen, om hun gelaat te kunnen veranderen, maar de kleeren
hadden zij niet.

En zoo besloot Raffles, dat zij zich allereerst die kleeren zouden gaan
verschaffen.

De drie mannen namen hun valiezen op en gingen het dorp uit.

Maar zij waren nog niet tot de laatste huizen genaderd, of zij
bemerkten, dat zij van het gemeentehuis af gevolgd waren door drie
soldaten van de Witte garde, waarvan ieder politierapport ter wereld
met recht zou hebben kunnen getuigen, dat zij „een hoogst ongunstig
uiterlijk” hadden.

Zij droegen een volledige uniform, bijna nog nieuw, en alle
uitrustingsstukken, grijslederen koppels, de bajonet in de schede op
zijde en het geweer over den schouder.

De drie Engelschen hadden elkander al eens een blik vol beteekenis
toegeworpen en nu sprak Raffles:

„Voor iets dergelijks was ik al bevreesd. De ellendeling heeft ons een
paar gehuurde moordenaars achterna gezonden! Hij is dus een nog grooter
schurk dan ik eerst vermoed had!”

„Maar intusschen zou ik wel eens willen weten, hoe wij ons de kerels
van het lijf moeten houden, als wij op zoek zijn naar den een of
anderen inwoner, die ons aan de noodige kleeren kan helpen!” merkte
Charly op.

„Heel eenvoudig, mijnheer Brand! Ik zal hen tegen den grond slaan!”
zeide Henderson met zijn goedige basstem.

„Een prachtige inval, Henderson, maar om dat te doen, moet je bij hen
zijn, en voor je bij hen bent, zullen zij je waarschijnlijk een kogel
door de hersens hebben gezonden!”

„Daar had ik zoo gauw niet aan gedacht, mijnheer Brand, dan moet Mylord
het maar zeggen!” kwam Henderson verlegen.

„Mij dunkt, dat het beste is, wanneer wij doen, alsof wij hen niet
zien, en hen dan naar een of andere afgelegen plek lokken! Dan zou
Henderson zich van ons kunnen afscheiden en terwijl wij, schijnbaar
niets vermoedend, met de drie soldaten een gesprek beginnen, zou onze
brave reus hen onverhoeds kunnen overvallen en als het noodig is,
spreken onze revolvers dan ook nog een woordje mee!”

Aldus werd afgesproken en de drie mannen gingen het dorp uit.

De zon verdween juist achter de toppen der bergen in het Westen, toen
zij den zoom bereikten van een klein bosch, waardoor de straatweg zich
slingerde.

En hier was Henderson plotseling verdwenen, alsof hij door den grond
was gezonken.

Maar Raffles en Charly liepen kalm door en vervolgden langzaam hun weg.

De drie soldaten behoorden waarschijnlijk niet tot de snuggersten, want
zij doorzagen de hinderlaag volstrekt niet, of zij vertrouwden al te
zeer op hunne geweren, want zij liepen verder en verhaasten nu hun
schreden, om spoedig in het bosch te zijn, dat hun misdadig opzet zou
verbergen.

Maar nauwelijks waren zij de eerste boomen voorbij en een kromming van
den weg gepasseerd en hadden zij Charly en Raffles tot ongeveer vijftig
meter genaderd, toen Henderson eensklaps te voorschijn sprong uit het
boschje, waarin hij zich verscholen had, en het volgend oogenblik als
een bom midden tusschen de drie onthutste moordenaars viel.

Nog voor zij hun geweer in den aanslag hadden kunnen brengen, had
Henderson aan twee der mannen hun geweren ontrukt en met een van deze
wapens sloeg hij den derde, die juist den trekker wilde overhalen, zoo
hard op het hoofd, dat de man als een zoutzak neerviel, om nooit meer
op te staan.

De twee ellendelingen hadden hun bajonet getrokken en wierpen zich met
een gebrul als van wilde dieren op den reus, maar Henderson deed een
geweldigen sprong achteruit, zwaaide het geweer als een rietje rond en
trof er de beide aanvallers zoo hevig mede tegen het hoofd, dat zij
zonder een kreet te slaken neerstortten.

Nog vóór Raffles en Charly op de plaats van het gevecht waren
aangekomen, was alles reeds afgeloopen.

Henderson leunde op het geweer en zeide bedremmeld:

„Ik weet niet, of het de bedoeling was, Mylord, maar ik schijn hen wel
een weinig ruw te hebben aangepakt!”

„Min of meer!” zeide Raffles sarcastisch. „Zij zijn dood!”

„Is het erg, Mylord?” vroeg de reus, zich achter het oor krabbend.

„Volstrekt niet, Henderson,” antwoordde Raffles koeltjes. „Die gehuurde
moordenaars verdienden niet beter. En ik zeg je dank, dat je weder ons
leven hebt gered! Zonder het te weten, heeft Esterházy door ons deze
sluipmoordenaars op het dak te sturen in onze kaart gespeeld, want wij
wilden immers kleederen hebben? Welnu, daar zijn zij!”

„Waarachtig!” riep Charly uit. „Je hebt gelijk, het kon niet mooier! Er
is een heel groote kerel bij en misschien zal Henderson zijn uniform
wel kunnen aantrekken.”

In een ommezien waren de drie moordenaars van hunne uniform ontdaan en
de drie mannen begonnen ze aan te trekken.

Gelukkig was het bosch op dit uur van den dag geheel verlaten en de
invallende schemering was nog maar juist toereikend, om Raffles te
veroorloven de gelaatstrekken van zijn makkers en van zich zelf zoo
goed mogelijk op die van de drie verslagen moordenaars te doen
gelijken.

Daarop sleepten zij de drie lijken der nietswaardige ellendelingen in
een soort kuil terzijde van den weg, bedekten ze met bladeren, en
wachtten toen rustig af, tot dat de duisternis geheel zou zijn
gevallen.

Een uur later trokken zij weder in de richting van het dorp.

Maar alvorens nu daar binnen te treden, begaven zij zich naar een
groote hoeve, waar Raffles reeds twee uren geleden een boerenwagen en
een flink paard had zien staan.

Hij trof den boer op het erf aan en ofschoon de man geen woord Duitsch
verstond, was de zaak spoedig beklonken, en had Raffles paard en wagen
voor een zeer hoog bedrag gehuurd. De boer zou zijn eigendom zelf
besturen, en moest zich gereed houden, om half twaalf in den nacht te
kunnen wegrijden.

Raffles wist, dat dan alles in het hoofdkwartier reeds ter ruste zou
zijn, want de dag was zeer vermoeiend geweest.

Zij moesten nog eenige uren wachten en gingen toen het dorp binnen,
waar zij zich dadelijk naar het gemeentehuis wendden.

Hun vermomming scheen voortreffelijk geslaagd te zijn, want niemand
hield hen aan en eenige soldaten wuifden hen in het voorbijgaan toe.

Zij waren echter slechts zeer weinig in aantal, want alles sliep reeds
in het dorp.

Nog altijd liep een schildwacht voor de deur van het gemeentehuis op en
neer, het geweer op den schouder.

Raffles verzamelde al zijn kennis van de Hongaarsche taal, trad op den
man toe en zeide fluisterend: „De generaal, dadelijk!”

Zonder zich een oogenblik te bedenken opende de schildwacht de deur met
een grooten sleutel, dien hij uit zijn zak haalde en de drie mannen
gingen binnen, bestegen de trap, kwamen in het voorvertrek, waar twee
ordonnances zaten te knikkebollen, die slechts half wakker werden, en
werden door deze in het vertrek van den generaal gelaten, misschien
vermoedden zij wel eenigzins de taak van deze drie soldaten en meer dan
waarschijnlijk had Esterházy last gegeven, dat zij onmiddellijk bij hem
moesten toegelaten worden, zoodra zij zich aanmeldden.

De generaal zat achter zijn schrijftafel, in zijn hemdsmouwen, en met
een sigaar in den mond.

De flesch port was, op een klein restantje na, geledigd, hetgeen zeer
duidelijk te zien was aan de gelaatskleur van den bevelhebber.

Zoodra zij de deur waren binnengekomen, draaide Raffles den sleutel in
het slot om en zeide op zachten toon in het Engelsch een paar woorden
tot Henderson.

De generaal draaide zich op zijn stoel om, keek de drie gewaande
soldaten met onzekeren blik aan en vroeg toen in het Hongaarsch:

„Is alles goed gegaan, kindertjes?”

„Uitstekend, vadertje!” antwoordde Raffles spottend.

„Ik geloof waarachtig dat de kerel mij uitlacht!” kwam de generaal, die
zijn ooren niet scheen te kunnen gelooven.

„Dat doe ik ook, vadertje!” hernam Raffles, „en wie het laatst lacht,
die lacht het best!”

Hij knikte Henderson toe, die zich onmerkbaar wat dichterbij den
generaal had begeven en een seconde later zat de ijzerharde vuist van
den reus op de kin van den ongelukkige Esterházy, met het
onvermijdelijk gevolg, dat deze zonder een kreet te slaken in zijn
stoel achterover zakte en een zucht liet, als een speelgoed
ballonnetje, waarin men een speld geprikt heeft en dat plotseling
leegloopt.

De drie mannen lieten geen tijd verloren gaan.

In een oogwenk had Raffles schrijftafel, kisten en kasten doorzocht en
binnen vijf minuten had hij niet alleen zijn eigen portefeuille
teruggevonden met al het geld er in, maar bovendien nog een groot
bedrag aan Duitsch, Oostenrijksch en Fransch geld.

Hij stak alles bij zich en daarop aanvaardden de drie soldaten kalmpjes
den terugtocht, bromden iets tegen de alweder slapende ordonnancen en
stonden een oogenblik later weder op straat.

Zij snelden naar de hoeve, vonden daar den wagen reeds aangespannen en
daarop reden zij den donkeren nacht tegemoet, naar Temesvár, waar zij
veilig en buiten het bereik van generaal Esterházy zouden zijn....











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0352: DE WITTE TERREUR ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.