The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0350: De opiumschuiver
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Lord Lister No. 0350: De opiumschuiver
Author: Kurt Matull
Theo von Blankensee
Felix Hageman
Release date: August 22, 2026 [eBook #79422]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79422
Credits: The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0350: DE OPIUMSCHUIVER ***
LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 350 DE OPIUMSCHUIVERS.
DE OPIUMSCHUIVER.
DE OPIUMKIT.
Het was vrij vol in de groote conversatiezaal van de Windsor Club in de
Oxford Street op een warmen avond in het begin van den zomer.
De breede ramen, die op den drukken verkeersweg uitzagen, stonden wijd
open en daar door heen drong het geraas van de wereldstad naar binnen,
duidelijk verneembaar nog, ofschoon de conversatiezaal op de vierde
verdieping van het clubgebouw was gelegen en het reeds vrij laat in den
avond was.
Bij een dier ramen zaten twee heeren in een zacht gesprek met elkander
verdiept die in uiterlijk niet veel op elkander geleken.
De een kon ongeveer veertig jaar zijn en terzijde van het hoofd begon
het volle haar reeds te grijzen.
Zijn gelaat was krachtig geteekend, met energieke, scherpe trekken, de
mond met de dunne lippen getuigde van een onverschrokkenheid, die voor
niets terugdeinst, het hooge voorhoofd van een meer dan een gewoon
verstand en de doordringende grijze oogen waren een welsprekend bewijs,
dat hun bezitter een man was, die een onverzettelijke wilskracht paarde
aan een scherp vernuft.
De neus was flauw gebogen en bijzonder fraai besneden, het geheele
lichaam getuigde van spierkracht en een drukke beoefening van de
voornaamste takken der sport en de flauw afhellende schouders en de
lange armen bewezen, dat de bokssport tot de voornaamste uitspanning
behoorde van Lord William Aberdeen, de Vice-President van de Windsor
Club.
Hij had zijn lange gespierde beenen voor zich uitgestrekt en luisterde
nu naar hetgeen zijn secretaris Charly Brand, die tegenover hem zat, op
dit oogenblik zeide.
Deze kon nauwelijks vijf of zesentwintig jaar zijn, hoogstens zeven en
twintig, maar zijn gelaat was nog dat van een knaap, rond en blozend,
met schitterende blauwe oogen.
Natuurlijk waren de beide heeren in avondtoilet, zooals in Londensche
clubs als ongeschreven wet is gesteld voor iedereen, die aanspraak
maakt op den naam Gentleman.
Charly Brand had uitgesproken, Lord Aberdeen had antwoord gegeven en nu
keken de beide heeren een beetje lusteloos in het groote vertrek rond,
waar de leden zachtjes met elkander spraken, of een tijdschrift
doorbladerden.
Maar nu ging de breede deur open, die naar de gang leidde, en er trad
een nieuw lid binnen, die even als besluiteloos bleef staan en zich
toen langzaam naar de leestafel begaf, waar hij zich in een stoel liet
vallen, zoodat het licht van de groote electrische lampen vol op zijn
gelaat viel.
Hij was een man van een jaar of vijfenveertig, ofschoon zijn gebogen
gestalte en zijn ingevallen gelaat met de holle oogen hem heel wat
ouder deden schijnen.
Lord Aberdeen wendde zijn gelaat naar den man, die zooeven was
binnengekomen, keek hem eenige oogenblikken onderzoekend aan en zeide
toen op zachten toon tot zijn secretaris:
„Met den dag begint Jeffries Macmillan er slechter uit te zien!”
„Ja, het is waarlijk om van te schrikken. En nog geen jaar geleden was
hij blozend en opgewekt, een vriendelijk man, altijd goed gehumeurd. En
zie hem nu eens, een wandelend lijk. De wangen geel en ingevallen, de
oogen hol en met schitterenden glans, als van koorts, de schouders
gebogen en met een mond, die steeds half open staat. Het is
onbegrijpelijk, die verandering.”
„Hij ziet er uit als een morfinomaan, of als een die misbruik maakt van
cocaïne,” mompelde Lord Aberdeen, „en ik kan toch niet aannemen dat hij
dat doet.”
„Misschien knaagt er wel een geheim verdriet aan zijn ziel,” antwoordde
Charly Brand.
„Dan moet het wel zeer geheim zijn—de man heeft alles wat hij maar
verlangen kan—lieve kinderen, rijkdom, een fraai huis!”
„Hoe lang is zijn vrouw reeds dood?”
„O, minstens tien jaren. Neen, daarover kan hij nu natuurlijk niet
treuren, dat zou tegen de menschelijke natuur indruischen. Hij is ziek,
maar aan welke ziekte hij lijdt, dat zou ik je niet kunnen zeggen,
alvorens ik hem zelf eens onderzocht had.”
De beide heeren bleven nog even naar den man kijken, die daar bijna
onbewegelijk aan de leestafel zat, het hoofd in de hand gesteund, en
met trage bewegingen nu en dan een blad omslaande.
Toen Lord Aberdeen met een discreet gebaar de hand aan den mond bracht
om een geeuw te onderdrukken zeide hij:
„Kom Charly, laten wij iets anders gaan doen, deze zaal met haar
ledepoppen zou mij dooddrukken!”
Hij liet zijn stem tot een zacht gefluister dalen en vervolgde:
„Heb jij geen lust om wat mede aan de kade te zwerven?”
Het was zeker een zonderlinge uitnoodiging uit den mond van een Lord,
maar zij scheen toch niet ongewoon te klinken in de ooren van den
jongen secretaris, want hij antwoordde aanstonds even zachtjes:
„Ik ben gaarne tot je dienst, Edward, want ik bemerk, dat je weer een
weinig verstrooiing noodig hebt!”
„Laten wij dan spoedig naar huis gaan en ons verkleeden.”
De beide heeren stonden op, wandelden langzaam de conversatiezaal door,
daalden met de lift naar de vestibule af, lieten zich daar hun
overjassen en hoofddeksels geven en traden naar buiten.
Zij wachtten tot er een onbezette huurauto voorbijreed, wenkten den
chauffeur en stapten in, nadat Lord Aberdeen den man een adres had
opgegeven.
Na een rit van ongeveer drie kwartier stond de auto ongeveer halverwege
in de Victoria Street stil.
De beide heeren stapten uit, de secretaris betaalde den chauffeur en
daarop liepen zij de straat nog ongeveer honderd meter verder in,
sloegen een dwarsstraat in en traden toen door een zijdeur een oud huis
binnen.
De oudste der beide heeren had deze deur geopend met behulp van een
sleutel, welken hij in zijn binnenzak scheen te bewaren.
Charly Brand draaide den schakelaar van het electrische licht om en
beide heeren beklommen de trap naar de eerste verdieping, waar zij een
vrij ruim vertrek binnenkwamen.
Lord Aberdeen sloot de deur, wierp zijn overjas uit en zeide, terwijl
hij zijn armen rekte:
„Ziezoo, voor eenigen tijd werp ik het masker weer eens van mij af.
Lord Aberdeen kan naar den duivel loopen—hier staat Raffles, die op
avontuur uitgaat!”
Ja, daar in het midden van de kamer, zijn krachtige ledematen
uitstrekkend, stond de Groote Onbekende in eigen persoon, John Raffles,
de langgezochte vijand van Scotland Yard, de gentleman-inbreker, op
wiens aanhouding nog altijd een premie van Duizend Pond Sterling was
gesteld, maar die nog nooit opgevorderd had kunnen worden.
„Wat is eigenlijk je plan voor vanavond?” vroeg Charly Brand, zijn
trouwe vriend, die zich eveneens reeds van zijn bovengoed ontdaan had.
„Je weet wel, dat ik nooit een vast plan heb, wanneer ik zoo eensklaps
een van onze nachtelijke wandelingen ga ondernemen,” antwoordde
Raffles. „Wij zullen wel zien, waar het lot ons brengt. Wij kunnen wat
naar Hounsditch gaan of naar het East End, of naar de dokken, het kan
mij niet schelen, als ik maar eens wat anders te zien krijg dan de
vervelende, uitgestreken facies van mijn waarde medeleden van de
Windsor Club.”
Onder het spreken had hij snel zijn rok uitgeworpen, het witte satijnen
vest losgeknoopt en zijn boord afgedaan.
Charly Brand was intusschen op een stoel geklommen, welke hij voor den
schoorsteenmantel had gezet en drukte nu op een krul in den hoek van
een monumentalen spiegel die er boven hing.
Aanstonds draaide het gevaarte om een onzichtbare as en maakte aldus
den toegang vrij tot een soort kast, beter gezegd een klein vertrek,
waarvan de wanden in het middengedeelte letterlijk vol hingen met
honderden stellen kleeren en uniformen, die allen keurig waren
gerangschikt en genummerd.
Op de planken langs de wanden stonden groote kartonnen doozen, die
eveneens waren genummerd en die hoofddeksels, pruiken en andere
benoodigdheden bevatten.
„Wat moet het zijn?” vroeg Charly, met den voet reeds op den
schoorsteenmantel.
„Geef maar een of anderen arbeider. Een baliekluiver of zoo. Maar als
je juist toevallig je hand op een matroos of een schipper legt, is het
ook goed. Men kijkt daarginds zoo nauw niet!”
Charly was nu het eigenaardige insteekvertrekje binnengegaan, en met
behulp van een klein register, dat hij van een plank nam, had hij
spoedig genomen wat er noodig was.
Met eenige kleedingstukken over zijn eenen arm, en een doos onder den
anderen kwam hij het vertrekje uit, stapte op den stoel, en deed den
spiegel weder op zijn oude plaats terug draaien, door hem eenvoudig als
een deur dicht te duwen.
Raffles had zich reeds voor een soort kaptafel gezet, en begon nu zijn
gelaat een grondige verandering te laten ondergaan.
Met een dunne, bijna vloeibare zalf, veranderd hij de gedistingeerde
bleeke kleur van zijn gelaat in een steenrood, zooals lieden dat
vertoonen, die bijna hun geheele leven aan boord van een schip op de
zoute baren doorbrengen.
Onder de kin kwam een dun, haveloos baardje en de wenkbrauwen werden
ruig en dik.
Een pruim, voorgesteld door een groot stuk kauwgom, vulde de
rechterwang en het hoofdhaar verdween tenslotte onder een
voortreffelijk nagemaakte pruik.
Met een doezelaar, gedoopt in een kleurlooze stof, die echter dadelijk
een grijze tint verkreeg, zoodra zij aan de buitenlucht werd
blootgesteld, trok Raffles daarop de rimpels en lijnen op zijn gelaat
die er een geheel andere uitdrukking aan gaven.
En eindelijk werden de oogleden rood omrand en werd een der mondhoeken
omlaag getrokken door middel van een pleister, die daarna eveneens met
een kleurmiddel werd gekleurd.
Ook Charly had zich vermomd, en zijn dik, blond haar was nu geheel
onzichtbaar, daar het schuil ging onder een pruik van dik, zwart haar,
sluik en vet.
Lang geleden waren al deze pruiken voor Raffles gemaakt door een
Japanner, een werkelijk kunstenaar in zijn vak, en zij hadden slechts
weinig gemeen met de gewone tooneelpruiken, waarmede pas beginnende
detectives zich beginnen uit te dossen—vooral op de film!
Zij waren zoo uitstekend passend gemaakt en zoo natuurgetrouw, dat men
zelfs bij nauwkeurige beschouwing het bedrog niet kon ontdekken.
Slechts een zeer harde ruk aan het valsche haar zou dit aan het licht
hebben gebracht.
Nu waren de beide vrienden gereed, na ongeveer een half uur aan hun
kleeding te hebben besteed en wie hen zooeven had zien binnengaan, zou
nimmer hebben kunnen gelooven, dat die twee ruwe arbeiders dezelfde
personen waren, die een half uur geleden als deftige heeren waren
binnengetreden.
Het was omstreeks tien uur, toen Raffles en Charly, na hun eigen
kleederen zorgvuldig te hebben verborgen, het huis weder verlieten—maar
thans door een anderen uitgang.
Het was zoel buiten, de maan stond helder aan den hemel, en overgoot de
wereldstad met haar zilveren licht.
Raffles en Charly hadden spoedig een huurauto gevonden, die hen naar
den anderen oever van de Theems zou brengen, naar Rotherhithe, waar de
dokken zijn.
De chauffeur had eerst zijn passagiers eens aangekeken, en toen maakte
hij de even lakonieke als voor het uiterlijk van de beide mannen
vleiende opmerking:
„Centen en fooi vooruit!”
„Dat noem ik taal,” zeide Raffles met een echten zeemansvloek er
bovenop. „Hij laat zich tenminste de kaas niet van het brood eten. Maar
weet je nu wel precies, hoe lang de weg daarheen is, vadertje?”
„O ja! En als ik mij vergis, kan het alleen maar in jullie voordeel
zijn. En nu de centen!”
Raffles betaalde pruttelend, en gaf den man een shilling fooi, hetgeen
deze met een verachtelijk neus-ophalen begroette.
Het was goed, dat de afstand niet zeer groot, en het uur onvoordeelig
was, daar de schouwburgen pas over een uur zouden uitgaan, anders zou
de man de beide arbeiders eenvoudig hebben laten staan.
Nu nam hij hen in genade aan, en binnen twintig minuten stond de auto
stil aan het begin van Rotherhithe Wall.
Het bleek, dat hij den afstand op een honderd meter na nauwkeurig had
geschat.
De twee vrienden stapten uit, en de auto reed weder weg.
Raffles en Charly bevonden zich hier midden in het hartje van de
beruchte havenbuurt, waar het dag aan dag wemelt van matrozen uit alle
oorden der wereld—Grieken en Hollanders, Franschen en Italianen,
Spanjaarden en Chileenen, Japanners, Indiërs, Denen, Zweden,
Amerikanen, Argentijnen, Brazilianen.
Maar vooral de Chineezen schenen hier zeer talrijk vertegenwoordigd te
zijn, minder als matrozen dan wel als stokers, maar vooral als winkel-
en kroeghouders.
Het aantal drankhuizen in deze buurt was verbazend groot, en men kon
zonder vrees voor overdrijving zeggen, dat ieder derde huis een kroeg
was.
En de opschriften waren niet alleen in het Engelsch, maar men vond daar
bijna alle talen ter wereld vereenigd op de groezelige uithangborden.
Want het liefst togen de matrozen, die hier eenige dagen moesten
wachten op het lossen hunner schepen, in de kroegen, die door hun eigen
landslieden bij voorkeur werden bezocht en ook meestal bestuurd.
De drukte van den arbeid was nu geluwd en men hoorde niets meer van het
oorverdoovend geknars der reusachtige stoomlieren, het daveren der
rangeerlocomotieven over rails, het dreunend geweld van de ijzeren
staven, die uit de ruimen der vrachtschepen op de kade werden
neergelaten, het geschreeuw der sjouwers, het gegil der stoomfluiten,
en het geraas der talrijke stoommachines die de hijschkranen bedienden.
Maar daarvoor in de plaats was het getal der dronken matrozen, het
gekerm der harmonica’s, het getoeter der draaiorgels in de danshuizen,
het gegil der deernen in de verdachte huizen gekomen.
Charly en Raffles slenterden langzaam de breede kade af, die
Rotherhithe Wall heet.
Zij liepen tot Albion Road, sloegen die straat in, en drentelden langs
Depthforth Road, tot zij een groot stuk van de lus hadden afgesneden
die de Theems hier maakt, en nu weder de kade bereikten, op een geheel
ander punt, en na het gebied der dokken dwars te zijn overgestoken.
Het was hier zeer duister en stil, en slechts nu en dan ontwaarde men
een vage gedaante, of soms twee—een man en een vrouw—als aasgieren die
op een prooi loerden.
En Raffles en Charly hadden een gevoel van veiligheid, dat zij zich
goed gewapend en met zijn beiden wisten.
Het was bij twaalven, toen zij Commandants Dock Pier bereikten.
Hier begonnen de huizen en vooral de kroegen weer.
Maar zij stonden tamelijk ver uiteen, tenminste aan de kade zelve.
De twee vrienden sloegen de straat in, die recht op de pier aanloopt,
en stonden bij de eerste dwarsstraat even stil om elkander met een
veelzeggenden glimlach aan te kijken.
Het was de Thames Street, een armoedige straat, met lage huizen,
armoedig en vervallen.
„Hier was het, Charly!” zeide Raffles zachtjes. „Daar is de opiumkit,
het geheime hol, waar ongelukkige menschen zich overgeven aan de
ellendige gewoonte van het opiumschuiven!”
„Ja, hier hebben wij, jaren geleden, dat gevaarlijke avontuur gehad—en
als Henderson, je trouwe reus van een chauffeur, toen niet zoo krachtig
was opgetreden, dan stonden wij misschien nu niet hier!”
„Dat geloof ik ook. Men ziet in deze sombere buurt niet op een moord,
en als de Theems spreken kon, dan zou zij veel gruwelijke verhalen
kunnen doen!”
De twee mannen wilden reeds verder gaan, toen zij haastig moesten
terzijde springen voor een auto, die in snelle vaart de Thames Street
inzwenkte.
Het was een gewone huurauto, maar haar verschijning in deze ellendige
buurt mocht metterdaad verwondering baren.
Nu stond het voertuig stil, op nauwelijks twintig schreden afstand van
de beide mannen, die onwillekeurig waren blijven stilstaan op den hoek
van de dwarsstraat.
„Kijk, de auto staat juist voor de geheime opiumkit stil,” zeide
Raffles op zachten toon.
„Ja—en er stappen twee heeren uit—in avondtoilet.”
„En—en—wat is dat nu? Een van die heeren..”
Hij voltooide den zin niet, maar trok Charly snel in de schaduw van een
vooruitspringend stuk muur.
„Wie was het?” vroeg Charly nieuwsgierig.
„Jeffries Macmillan!”
„Kom, je moet je vergist hebben,” zeide Charly verschrikt.
„Ik zeg je, dat hij het was! Het licht van de lantaarn boven de deur
van de opiumkit viel juist op zijn gezicht. Laten wij naar binnen gaan.
Ik wil weten wat hier gebeurt. Helaas—nu weet ik, waarom het uiterlijk
van dien ongelukkige in den laatsten tijd zoo vreeselijk verminderd is.
Macmillan is een hartstochtelijke opiumschuiver.”
„Wie zou de andere man zijn?”
„Dien ken ik niet—misschien een vriend—maar zeker iemand, die al even
zeer aan de opium verslaafd is. Kom nu mede—en laten wij onze rol goed
spelen!”
„Zal de Chinees, die de kit houdt, ons wel toelaten?”
„Waarom zou hij niet, als wij hem geld geven?”
„Vooruit dan maar!”
DEMON OPIUM.
Raffles en Charly richtten hunne schreden naar het vervallen,
ongeloofelijk smerige huis, boven welks deur een lantaarn met gele
ruiten bengelde.
Naast het huis was een smalle gang—en daar waren de twee heeren zooeven
binnengegaan.
Het huis zelf was een kroeg, en daarbinnen klonken ruwe
dronkemansstemmen.
De twee gewaande kadewerkers gingen de gang binnen, maar zij hadden nog
geen tien stappen gedaan, of voor hen verrees geruischloos uit de
schaduw een gedaante die hun den weg scheen te versperren.
Het was een Chinees in de kleeding van zijn land, met een verbazend
langen staart, en een smal, aapachtig gelaat.
Hij vroeg in goed Engelsch:
„Wat verlangt gij hier?”
„Vraag je dat nog, gele aap?” was de op ruwen toon geuite wedervraag
van Raffles. „Ik ben op de hoogte hoor. Daar heb je een halve
souvereign—en breng ons nu maar eens gauw naar—je weet wel waar!”
De Chinees grijnsde op het hooren van deze woorden en liet het goudstuk
snel in zijn wijden zak glijden.
Hij boog handenwrijvend als een knipmes en zeide:
„Ga dan maar mede met uwen zoon, vreemdelingen. Hij zal u naar de plek
brengen, waar gij hemelsche genietingen zal smaken.”
De drie mannen liepen den smallen doorgang tusschen de twee huizen
geheel teneinde en bereikten nu een soort binnenplaats, flauw verlicht
door een lantaarn, die haar schijnsel wierp op een lage deur boven een
drietal treden.
Raffles en Charly wisten hier even goed den weg als in hun eigen huis,
maar zij moesten zich houden, alsof zij hier voor de eerste maal
kwamen, teneinde geen argwaan te wekken.
De Chinees klapte driemaal in de handen en daarop zei hij
grijnslachend:
„Nu is de deur open en gij kunt binnengaan, vreemdelingen! Li Hung
wenscht u een voorspoedige reis door het Onbekende!”
En dadelijk daarop was hij verdwenen alsof hij door den grond gezonken
was, om zijn post bij het begin van de gang weder te gaan betrekken.
Raffles en Charly traden binnen, na de deur te hebben opengestooten.
Zij stonden in een soort portaal, aan het einde daarvan bevond zich een
tweede deur.
Ook deze konden zij ongehinderd openen—en nu stonden zij in de
eigenlijke opiumkit.
Het was een groot vertrek maar de uiterste hoeken waren volkomen
duister, want er brandden slechts eenige kaarsen, die op verschillende
plaatsen waren neergezet.
Ook hingen er eenige gekleurde lampions aan de zoldering, maar deze
gaven zoo goed als geen licht.
Hier en daar stonden versleten sofa’s, walgelijk vet en smerig, en
daarop waren beweginglooze gedaanten uitgestrekt.
Dat waren de ongelukkige die reeds onder den invloed van het giftige
heulsap waren, en vertoefden in een hemelsch gebied, waarvan zij
verslapt, uitgeput en ontdaan zouden terugkeeren.
Langs de wanden stonden breede rustbanken, en daarboven was een tweede
rij van die banken aangebracht, op de wijze van kribben aan boord van
een schip.
Ook deze banken waren voor het grootste gedeelte bezet.
Een oude Chinees, met een gelaat, gerimpeld als oud perkament, liep
bedrijvig maar volkomen geruischloos door het vertrek, om de schuivers
hun pijpen aan te reiken.
Een andere Chinees, waarschijnlijk een bediende, liep met glazen
brandwijn en arak af en aan.
Er hing een weeë, zoetige lucht in het vertrek, en een blauwachtige
nevel vulde het, teweeggebracht door den rook uit de talrijke pijpen.
Maar ondanks de heerschende schemering in de kamer hadden Raffles en
Charly dadelijk Jeffries Macmillan ontdekt, die zich reeds op een
rustbank had uitgestrekt.
De andere heer zat op een lagen stoel naast hem en scheen geen
aanstalten te zullen maken, om ook te gaan schuiven.
Hij keek slechts toe, hoe de eigenaar der opiumkit, Pah Wung, alles
gereed maakte.
Hij plaatste een laag tafeltje naast de rustbank, en zette daarop een
klein comfoor, dat met een rustige blauwachtige vlam brandde.
Vervolgens bracht hij de opiumpijp, met den langen steel en den ronden
kop met het kleine ondiepe gat, bestemd om er opium op te leggen.
Daarop draaide hij een soort pil van het verfoeilijke kruid, dat hij in
een kleinen bak had meegebracht, en legde die op de opening van de
pijp, waarna hij het voorwerp in de hand van Macmillan legde.
Deze hief zich half op, bracht het balletje opium in aanraking met de
vlam van het comfoor, deed een paar krachtige halen, en liet zich toen
weder achterover vallen.
Nog driemaal moest de Chinees zijn pijp van een opiumballetje voorzien
en toen pas bleef de schuiver onbewegelijk liggen, met glasachtige
oogen, en den mond half geopend.
Raffles en Charly hadden van dit tooneeltje, dat slechts kort had
geduurd, niets gemist, ofschoon zij zich ook hadden gehouden, alsof zij
hun pijp hadden leeggerookt.
Zij lagen beide op dezelfde breede bank, en konden alles zien, wat er
daarginds voorviel.
De metgezel van Macmillan had niet zelf gerookt, en slechts een glas
whisky gedronken.
Zooals hij daar zat, juist onder een der lampions konden de twee
vrienden hem goed opnemen.
Hij kon ongeveer veertig jaar zijn, misschien iets ouder, ofschoon zijn
haar gitzwart was.
Hij had een smal en bleek gezicht, hetgeen de donkere holten van zijn
oogen nog meer deed uitkomen.
Merkwaardig waren zijn wenkbrauwen.
Zij waren buitengewoon lang, zeer zwart, en liepen van den neuswortel
langzaam omhoog, tot ver op de slapen.
Dit verleende aan zijn gelaat een zonderling sombere uitdrukking.
Hij zat doodstil en verroerde zich alleen maar even, om nu en dan zijn
glas aan zijn lippen te brengen.
Maar nu stond hij op en wisselde op fluisterenden toon eenige woorden
met den Chinees Pah Wung.
Daarop trok hij zijn regenmantel dicht om zich heen, wierp nog een blik
op den man, dien hij hierheen vergezeld had, en verliet het vertrek.
„Hem na, Charly,” fluisterde Raffles zachtjes. „Wij moeten zien, waar
die man met zijn Mephisto-kop blijft!”
En tot niet geringe verbazing van den Chinees sprongen de twee
schuivers van hun rustbank, blijkbaar zoo frisch als men maar verlangen
kon, en betaalden wat zij schuldig waren.
„Wij komen denkelijk nog terug,” zeide Raffles, terwijl hij den Chinees
een extra geldstuk in de hand drukte.
Even later stonden de twee vrienden weder in den smallen doorgang, waar
zij nog de voetstappen hoorden van den bleeken man, die zich
verwijderde.
Zijn auto scheen te hebben gewacht, want hij stapte dadelijk in den
wagen en reed weg.
Maar toch niet vlug genoeg of Raffles en Charly hadden kans gezien,
achter op de veeren te springen.
Snel reed de huurauto langs de kade, tot aan een der bruggen en stak
die over.
De ongelukkige houding op het achterstel van de auto vermoeide de
mannen niet weinig, maar zij hielden vol, en hun geduld werd eindelijk
beloond.
De auto hield stil voor een huis in de Cromwell Street, en Raffles en
Charly hadden maar juist even den tijd, van de veeren te springen en
zich te verbergen in een groot portiek.
De man met het bleeke gezicht stapte uit, betaalde den chauffeur, en
haalde een huissleutel uit zijn zak.
En terwijl de auto wegreed, zagen de beide vrienden, hoe de metgezel
van Macmillan het huis binnenging, waar hij klaarblijkelijk woonde.
Zoodra er eenige minuten verloopen waren, kwamen zij uit hun
schuilplaats te voorschijn en begaven zich naar de straatdeur, waardoor
zij den man met het bleeke gelaat hadden zien verdwijnen.
Maar een teleurstelling wachtte hun, want, er stonden verscheidene
namen op de deurpost.
Raffles noteerde ze echter alle, schreef ook het nummer van het huis
op—en daarop wachtten de beide vrienden geduldig, totdat een andere
huurauto zou komen opdagen, die hen weder naar de Thames Street zou
terugbrengen.
Het was bijna half vijf in den nacht, toen zij opnieuw de opiumkit
binnentraden.
Bijna alle opiumschuivers waren nog altijd aanwezig.
Men zag daar tremmers van groote transatlantische schepen, zoowel als
heeren in den rok, matrozen, maar vooral veel Chineezen.
Jeffries Macmillan lag nog altijd op de rustbank uitgestrekt,
onbewegelijk, met starre oogen, die naar de zoldering gericht schenen.
Maar juist toen Raffles en Charly waren binnengetreden, kwam er
beweging in hem.
Een rilling liep over zijn gelaat, er kwam meer glans in de schijnbaar
uitgedoofde oogen, de mond scheen naar lucht te snakken en toen richtte
de ongelukkige zich langzaam op, keek even wezenloos voor zich heen,
veegde zich met een half onbewust gebaar het klamme zweet van de slapen
en nam toen in zittende houding op de rustbank plaats.
„Als de man dat nog een paar maanden op dezelfde wijze volhoudt—dan zal
hij rijp zijn voor een sanatorium—om het woord gekkenhuis maar niet te
gebruiken!” zeide Raffles zachtjes. „Het is zeer wel mogelijk, dat hij
zelfs nu niet meer te redden is, want als eenmaal de opium haar
vernietigende uitwerking op lichaam en hersens heeft kunnen volbrengen,
dan blijft de aangetaste zijn geheele leven een sukkelend en
minderwaardig individu.”
Macmillan was nu wankelend opgestaan, zocht tastend naar zijn hoed, en
stak toen de hand in den zak, om zijn beurs te voorschijn te halen en
den Chinees te betalen.
„En te bedenken, dat die man twee dochters heeft, voor wie hij nog moet
zorgen, en die nauwelijks den huwbaren leeftijd hebben bereikt!” zeide
Charly hoofdschuddend.
„Ja, het is heel erg en ik zou wel eens willen weten wat die man met
zijn bleek gezicht bezielt, om Macmillan op de tochten te vergezellen,
terwijl hij toch zelf blijkbaar geen opiumschuiver is! Kom—wij zullen
hem eens volgen—of heb je slaap?”
„In het geheel niet, Edward—wij kunnen immers onze schade wel inhalen!”
Macmillan had de opiumkit verlaten en met wankelende schreden liep hij
nu door de straat, waar het daglicht reeds scheen.
Hij bereikte de kade, volgde deze, maar stond nu en dan stil, teneinde
zijn hoed af te nemen en zich zachtjes kreunend over het hoofd te
strijken, alsof hij iets wilde verwijderen dat hem drukte.
Het duurde wel een half uur, voor Macmillan tenslotte ter hoogte van de
Adam Street een huurauto aantrof.
Het scheen geruimen tijd te duren, alvorens Macmillan met den chauffeur
tot overeenstemming kon komen en daarvan hadden Raffles en Charly
gebruik gemaakt, op hun beurt een auto aan te roepen en den chauffeur
last te geven het andere voertuig te volgen.
De rit begon on bijna een uur later hield de huurauto, waarin Macmillan
had plaats genomen, stil voor een fraai huis in Portland-Place.
Raffles boog zich uit het portier, vanwaar hij het raampje had laten
zakken, en zag hoe Macmillan met zijn chauffeur afrekende en daarop het
huis binnenging.
„Hier woont hij immers?” vroeg Charly.
„Ja, Macmillan is zeer rijk en dit huis moet hem toebehooren. Maar wat
zal hij aan al dat geld hebben als hij doorgaat op deze wijze zijn
gezondheid onherstelbaar te schaden? Rijd nu naar de Regent Street,
chauffeur,” zoo wendde hij zich tot den man achter het stuurwiel, „en
houd stil op den hoek Beak-Street.”
Twintig minuten later stapten de beide vrienden uit, Raffles betaalde
den chauffeur en daarop liepen zij snel een honderdtal stappen verder,
gingen een zijstraat in, waar zich nooit een levende ziel vertoonde en
die aan eene zijde begrensd werd door den blinden muur van een groote
fabriek, en, aan de andere door den muur van den tuin achter het groote
huis van John Raffles. Zij gingen dezen tuin door een kleine deur
binnen en bevonden zich even later in de kleine eetzaal, waar Charly
handig een en ander gereed zette, want de beide vrienden hadden geen
gelegenheid gehad om iets te nuttigen, meegesleept als zij waren door
hun nieuwsgierigheid.
Wat brood en kaas, een paar vruchten en een glas wijn, waren echter
voldoende om hun honger te stillen.
„Ik gaf er heel wat voor, als ik wist, wie de man was met dien bleeken
saterkop,” begon Charly.
„Dat zullen wij spoedig genoeg vernemen, mijn jongen! In ieder geval is
hij zeker geen vriend van Jeffries Macmillan—want een vriend, die zelf
weerstand kan bieden aan de verleiding van de opiumkit, en die toch een
ander rustig zich laat bedwelmen, dat is een zeer zonderlinge vriend.
Maar hoe dan ook, ik wil alles in het werk stellen, om Macmillan weder
te bevrijden van den afschuwelijken hartstocht, die hem lang voor zijn
tijd ten grave zal slepen. Hoe is het mogelijk, dat zulk een bekwaam,
zulk een hoogstaand man, hiertoe kon vervallen!”
„Het zal de eerste pijp geweest zijn, half en half voor de grap
gerookt!” gaf Charly hoofdschuddend te kennen.
„Ja, en toen zal hij niet sterk genoeg geweest zijn weerstand te bieden
aan de verleiding om een tweede, een derde, steeds meer pijpen te gaan
rooken. Maar nu gaan wij slapen, Charly—het is meer dan tijd. Morgen
echter wil ik nagaan, welke betrekkingen er bestaan tusschen Macmillan
en dien man met zijn bleek satansgezicht, die hem hedennacht naar de
opiumkit vergezeld heeft en hem daar rustig aan zijn lot overliet om
kalm naar huis te gaan!”
OOM EN NEEF.
Het was ver over het lunchuur, toen Charly dien dag ontwaakte, snel een
bad nam en zich naar de eetkamer begaf—slechts om uit den mond van den
ouden Gaston, den kamerbediende van Lord Aberdeen te vernemen, dat deze
reeds een uur te voren was uitgegaan.
„Die man is van staal,” bromde Charly voor zich heen. „Hij kan
ternauwernood vier uur geslapen hebben. Ik geloof, dat hij niet weet,
wat vermoeienis is!”
Hij nam een blad van het stapeltje, hetwelk Gaston zooeven had
binnengebracht, legde het naast zijn bord en begon in eenzaamheid te
lunchen, terwijl hij zich den tijd kortte met het doorlezen van de
stadsberichten.
Juist toen hij gereed was, trad Raffles het vertrek binnen.
Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking.
„Neem mij niet kwalijk, Charly, dat ik je alleen heb laten lunchen—ik
werd vroeg wakker, kon den slaap niet meer vatten en ben toen maar
opgestaan, om eens op onderzoek uit te gaan.”
„En heeft je dat onderzoek iets opgeleverd?”
„In zekeren zin wel. Door een weinig handig te vragen, ben ik er achter
gekomen, wie de man is met het bleeke gezicht, die gisteren Macmillan
vergezelde. Hij heet George Spider, hij is een jaar of veertig,
misschien twee en veertig; hij is tamelijk welgesteld, ongehuwd, of
liever weduwnaar en hij woont pas een half jaar in dat huis, waar wij
hem gisteren zagen binnengaan—een duur pension. Een bepaalde bezigheid
schijnt hij er niet op na te houden—hij moet van een kleine lijfrente
leven, of van het geld, dat zijn vrouw hem heeft nagelaten.”
„Heb je hem zelf nog gezien?”
„Ja, hij ging net de deur uit, toen ik in de verte aankwam.”
„Heeft je dat alles nu veel verder gebracht?”
„Niet in het minst. Maar ik weet nu tenminste zijn naam—en dat zal
naderhand misschien van nut kunnen blijken te zijn.”
„Je schijnt veel belang te stellen in deze zaak?”
„Slechts in zooverre, dat ik gaarne Macmillan van zijn hartstocht zou
willen genezen—als het nog tijd is.”
„Alleen terwille van zijn beide lieve kinderen zou ik je graag daarin
terzijde willen staan Edward!” riep Charly uit. „Het is een vreeselijk
denkbeeld, dat die twee meisjes een opiumschuiver tot vader zouden
hebben—want ik geloof niet, dat zij behalve hem nog familie hebben,
tenminste geen naverwanten.”
„Wat wij er aan doen kunnen, dat zullen wij doen,” zeide Raffles
vastberaden. „Wij zullen beginnen hem te overtuigen van den ellendigen
invloed, die het opiummisbruik heeft.”
„Hij zal er natuurlijk niet voor uit durven komen, Edward!”
„Dat zal hij wel moeten, als wij zeggen, dat wij hem gezien hebben.”
„Maar dat kunnen wij toch niet!” riep Charly verschrikt uit. „Daardoor
zou toch immers dadelijk aan het licht komen, dat wij ons vermomd
moeten hebben. Het is toch niet aan te nemen, dat Lord Aberdeen zich
naar een opiumkit begeven zou?”
„Neen, maar hij kan het van anderen gehoord hebben,” hernam Raffles
kalm. „Nog hedenavond wil ik met Macmillan spreken, en kleed je nu
aan—ik heb lust om een rijtoer te maken.”
Een half uur later zaten de beide vrienden te paard, maakten een langen
toer en keerden weder naar het groote huis in de Regent Street terug,
om hun rijcostuum uit te trekken en zich te kleeden voor het diner.
Zij zouden dien avond in de club dineeren en vandaar naar een
schouwburg gaan om een paar bedrijven te zien van „De Koopman van
Venetië,” waarin een nieuwe veel belovende tooneelspeler zou
debuteeren.
Maar juist toen zij waren opgestaan en uit de restauratiezaal de
biljartkamer binnentraden, zagen zij daar Jeffries Macmillan staan, die
zich gereed maakte om met een ander lid van de Club een partij te gaan
spelen.
Zijn oogen stonden hol, er waren groote blauwe wallen onder, en zijn
houding scheen dieper gebukt te zijn dan ooit terwijl er een droge kuch
nu en dan naar zijn lippen drong.
Raffles bedacht zich geen oogenblik, maar trad op Macmillan toe, tikte
hem vriendschappelijk op den schouder en zeide op zachten toon:
„Zoudt gij om mijnentwille uw partij niet een half uurtje willen
uitstellen, waarde Macmillan? Ik zou u gaarne even willen spreken.”
De aangesprokene keek Raffles eenigszins verbaasd aan, maar hij zette
dadelijk zijn queue weg en antwoordde:
„Ik ben natuurlijk aanstonds tot uw dienst, Mylord!”
„Zoudt gij mij dan even naar mijn particulier spreekvertrek willen
vergezellen.”
„Het wordt dus een gewichtig gesprek onder vier oogen?” vroeg Macmillan
met een flauwen glimlach.
„Wel eenigszins, mijn waarde,” antwoordde Raffles terwijl hij de deur
voor den ander openhield en hem toen langs de breede gang voorging naar
het fraai gemeubelde vertrek, hetwelk hem als Vice-President van de
club ter beschikking was gesteld en waar hij vrienden kon ontvangen, of
zaken kon regelen.
Raffles sloot de deur, trok er het dikke fluweelen gordijn voor, dat
ieder geluid zou dempen en wees Macmillan zwijgend een gemakkelijken
stoel aan, waarop hij tegenover hem plaats nam en hem een oogenblik,
met het geoefende en het doordringende oog van den geneesheer,
aandachtig opnam.
En toen kwam het op ernstigen toon van zijn lippen:
„Gij moet dat werkelijk nalaten, Macmillan—het zal u den dood
berokkenen.”
De ander was half uit zijn stoel opgestaan en keek Raffles met groote
verschrikte oogen aan.
Toen stamelde hij:
„Wat meent gij, wat wilt gij zeggen, Mylord?”
„Gij weet het heel goed, gij moet het schuiven laten, en dat zeer
spoedig, anders zult gij niet lang meer leven. Het zal u wel bekend
zijn, dat ik geneesheer zou kunnen zijn, als ik verkoos en zou mogen
praktiseeren, en als geneesheer verklaar ik u op mijn woord, dat uw
gestel het schuiven niet lang meer zal kunnen verdragen. Ik bezweer u,
luister naar mijn raad. Tracht ook niet te ontkennen, ik weet van een
vriend, die mij nimmer zal bedriegen, dat gij een opiumkit in de Thames
Street bezoekt. En luister nu. Sommige gestellen zijn tamelijk goed
bestand tegen het opiumschuiven, ofschoon ook zij per slot van rekening
moeten ondergaan—maar het uwe zou niet lang weerstand kunnen bieden!”
Macmillan was zeer bleek geworden en daarop was een ziekelijke blos in
zijn wangen komen opstijgen.
En nu sloeg hij plotseling de magere handen voor het gelaat en zeide op
heeschen toon:
„Ik schaam mij, ik schaam mij diep. Maar—uw raadgeving zal te laat
komen, Mylord.”
„Neen, wanneer gij slechts ernstig u voorneemt haar op te volgen!” riep
Raffles met kracht uit. „Gij zijt immers een man! Acht gij u niet eens
in staat, een eenmaal genomen besluit ten uitvoer te brengen?”
„Neen, Mylord,” antwoordde Macmillan op doffen toon, terwijl hij
langzaam en treurig het hoofd schudde. „Waarom zou ik er om liegen—ik
heb die kracht niet meer. Het is te laat—het is te laat, een half jaar
geleden, drie maanden misschien zou ik nog in staat zijn geweest, om
een eenmaal genomen besluit ten uitvoer te brengen maar nu ben ik een
ellendige slappe willooze kerel geworden. Gelooft gij niet, dat ik er
zelf onder lijd? Denkt gij dat ik in heldere oogenblikken niet besef,
dat ik mijzelf, en daardoor ook mijn lieve kinderen ten gronde richt?
Denkt gij dat ik niet weet, dat ik een ellendeling ben?”
Macmillan had dit laatste op heeschen, hartstochtelijken toon
uitgeroepen, terwijl hij zich met beide handen op de borst sloeg en
Raffles herkende in het geheel niet meer den rustigen, gedistingeerden
man van vroeger, die geen enkel gebaar zou maken, als het niet strikt
noodzakelijk was.
„Gij weet dat—en toch kunt gij geen weerstand beiden?” riep Raffles
uit.
„Neen, ik kan niet. Ik zou u nu kunnen beloven, dat ik mijn vervloekte
gewoonte zal nalaten—en reeds, terwijl ik het beloofde, zou ik in mijn
hart overtuigd zijn, dat ik mijn woord niet zou houden,” ging Macmillan
op schorren toon voort. „Het is sterker dan ik, er is niet meer tegen
te vechten. Laten wij er dus niet meer over spreken, Mylord. Ik ben u
oprecht erkentelijk voor uw goeden wil—gij hebt gehandeld als een waar
vriend—maar ik ben verloren—aan mij is niets meer te redden! Soms houd
ik het vier dagen uit, nooit meer—en dan word ik met een
onweerstaanbare kracht naar—die verdoemde plek getrokken!”
Hij had het hoofd in de handen begraven en zat daar nu onbewegelijk,
een oud, gebroken man.
Raffles keek een oogenblik op hem neer met een blik, waarin medelijden
en minachting om den voorrang streden en hernam toen:
„Zeg mij eens—wilt gij mij niet eens mededeelen, hoe gij tot die
verderfelijke gewoonte gekomen zijt? Het is toch onmogelijk, dat gij
uit eigen beweging u die vreeselijke gewoonte hebt eigen gemaakt.”
„Neen, Mylord—iemand anders heeft mij overgehaald!”
„Die „iemand” heet George Spider, nietwaar?”
Macmillan schoof zijn stoel met een ruk achteruit en vroeg verschrikt:
„Hoe weet gij dat? Ik wil zeggen....”
„O, gij behoeft niet te trachten, mij om den tuin te leiden, of mijn
vraag te ontwijken,” zeide Raffles met een welsprekend handgebaar.
„Mijn zegsman is volkomen betrouwbaar, dat zweer ik U, ik weet dat hij
het was!”
„Welnu, ja, het is zoo,” kwam Macmillan plotseling. „Ik heb het zoo
lang mogelijk geheim willen houden—maar hiertoe moest het wel
komen—tenslotte heeft men ons wel samen moeten zien!”
„Is hij reeds lang een vriend van U?”
„Hij is mijn oom!”
Nu was het de beurt van Raffles om zich te verbazen.
„Uw oom? Zegt gij? Hoe is dat mogelijk!” riep hij uit. „Hij is
nauwelijks zoo oud als gij!”
„Hij is twee jaar jonger dan ik—George Spider is een broer van mijn
moeder—zij schelen bijna twintig jaar—mijn moeder huwde op zeer
jeugdigen leeftijd, toen zij nauwelijks achttien jaar oud was.”
„En uw eigen oom heeft u dus tot het opiumschuiven overgehaald.”
„Overhalen kan men het niet noemen, wij bezochten eens met een heel
clubje, louter uit de aardigheid, een opiumkit aan de haven, en daar
hebben wij toen allen een pijp gerookt—en in die kit, op dat tijdstip
is het begonnen!”
„Welzoo, welzoo, een aardigheid dus!” riep Raffles met een minachtend
lachje uit. „Een aardigheid, die u uw levensgeluk, uw gezondheid kan
kosten. Maar grap of niet—uw oom, George Spider, heeft u dan toch
daarna steeds vergezeld, nietwaar?”
„Niet altijd, vaak ging ik alleen!”
„Schuift uw oom zelf niet?”
„Ik heb het hem nooit zien doen.”
„Maar den eersten keer?”
„Toen wel, maar hij scheen er in het minst geen hinder van te hebben.”
Raffles was opgestaan en legde nu zijn hand op den mageren schouder van
Macmillan.
Zijn stem had een warmen klank, toen hij zich over hem heenboog en
zeide:
„Als vriend en als geneesheer—zeg ik u nogmaals, wend al uw wilskracht
die U nog rest, aan, om uw hartstocht te bestrijden. Het is geen looze
bedreiging, als ik zeg dat gij binnen een jaar dood en begraven zult
zijn, als gij er mee voorgaat! Gij behoort juist tot degenen, die door
het opiumschuiven het ergst worden aangegrepen. Ik heb u in den
laatsten tijd nauwkeurig gadegeslagen en ik vermoedde reeds half,
waardoor uw vreeselijke vermagering, uw slecht gezicht en uw trillende
handen werd teweeggebracht en als mijn goed gemeende raad niets
uitwerkt—denk dan toch in Gods naam om uw kinderen. Zij zijn nog zoo
jong, zij hebben niemand anders dan u—wat moet er van hen worden?”
Inplaats van te antwoorden, bedekte Macmillan opnieuw het gelaat met de
handen en barstte in een krampachtig snikken uit, dat zijn geheele
magere lichaam deed schokken.
Raffles liet hem rustig uithuilen en besloot toen:
„Denk nog eens over mijn woorden na—zij werden mij alleen ingegeven
door mijn waarachtige sympathie voor u zelf—maar misschien nog meer
voor uw beide dochters.”
Het was of Macmillan iets wilde zeggen, maar hij bedacht zich, bette
zijn brandende oogen, stak Raffles zijn trillende hand toe, schoof met
een onhandig gebaar het fluweelen gordijn terzijde, hetwelk voor de
deur hing en verliet haastig het vertrek.
Raffles keek hem hoofdschuddend na en bleef toen geruimen tijd in
gedachten verzonken staan.
Maar plotseling sprong hij op, mompelde iets onverstaanbaars voor zich
heen en verliet op zijn beurt het vertrek, om zich naar de biljartkamer
te begeven, waar hij Charly aantrof die een partij speelde met een der
clubleden.
Hij gaf den jongen man een wenk en deze zette dadelijk zijn queue weg,
verontschuldigde zich bij zijn partner en verliet met Raffles de
biljartzaal.
De twee vrienden begaven zich naar de conversatiezaal, waar zich op dat
oogenblik slechts weinig leden bevonden, want het seizoen was reeds
begonnen en de meeste hadden met hun gezin hun zomerverblijf reeds
betrokken.
Zij zochten een stil plekje op, bij een der groote vensters en daarop
vroeg Charly op zachten toon:
„Mag ik weten, wat je met hem besproken hebt?”
„Dat kun je je wel voorstellen, Charly. Ik heb hem onder het oog
gehouden, dat hij binnen een jaar niet meer tot de levenden behoort,
als hij niet ophoudt met schuiven.”
„Is dat werkelijk zoo?” vroeg Charly verschrikt.
„Het is zoo—ik zeide het hem als geneesheer!”
„En wat antwoordde hij?”
„Weinig anders, dan dat ik verwacht had van iemand, die al zoover heen
is—hij kon mij niets beloven!”
„Dat is vreeselijk!”
„En toch is er nog iets—dat erger is, Charly!”
„Wat kan dat wel zijn.”
„De man, die hem hiertoe overhaalde, is zijn eigen oom!”
„Wat, is die George Spider een oom van Macmillan?” vroeg Charly in de
grootste verbazing.
„Een volle oom, een broer van zijn moeder!”
„Dat is zeker ontzettend, Edward. Dat is een laagheid, door niets te
evenaren! Dan draagt die man zijn naam wel met eere?—Wat kan hem
daartoe wel bewogen hebben?”
„Daarover heb ik ook geruimen tijd nagedacht, nadat Macmillan mij
verlaten had en ik ben tot de volgende slotsom gekomen.”
Hij keek even uit het raam naar het drukke gewoel in de Oxford Street
en vervolgde toen:
„Je weet, dat de twee dochters van Macmillan buiten hun vader geen
naaste familie hebben. Hij zelf is zeer rijk. Natuurlijk beheert hij
zelf zijn groot vermogen. Maar wat zou er gebeuren, denk je, als hij
eens niet meer in staat was dat te doen?”
„Wel dan zou er natuurlijk een curator moeten worden aangesteld,”
antwoordde Charly verwonderd.
„Juist, dat heb je nog goed onthouden uit je studententijd! Er zou een
curator moeten worden aangesteld en die zou waarschijnlijk
tegelijkertijd voogd worden over de beide onmondige meisjes. In ons
land mag iemand die onder curateele gesteld wordt zijn eigen vermogen
niet langer beheeren. En wat is er natuurlijker dan dat men den oom van
Macmillan zou benoemen tot curator?”
Charly keek Raffles, toen deze de vraag gesteld had, geruimen tijd
zwijgend aan en eindelijk zeide hij:
„Dat zou wel ongeveer de gemeenste streek zijn, dien ik mij met
mogelijkheid kan voorstellen. Je denkt dus, dat de Spider met opzet
zijn neef aan het opiumschuiven gebracht zou hebben, met het doel en in
de hoop, dat hij zijn hersens en zijn lichaam zou kunnen vernielen
zoodat men hem onder curateele zou moeten stellen.”
„Dat acht ik tenminste volstrekt niet zoo onmogelijk,” antwoordde
Raffles de asch van zijn sigaar wegtikkend. „De menschelijke boosheid
heeft vele wegen en middelen, Charly; bedenk, als hij zijn neef doodt,
dan komt hij niet veel verder, want volgens onze wet zou zijn vermogen
dan eenvoudig verdeeld worden tusschen de beide dochters.”
„Maar die zijn nog minderjarig en dus zou hun vermogen toch beheerd
moeten worden,” merkte Charly op.
„Zonder twijfel, maar onder veel ongunstiger omstandigheden voor
Spider, want binnen een jaar of daaromtrent zou hij hun het fortuin
toch moeten uitkeeren, wat hij ook zou moeten doen, als zij huwden.”
„En hoe zou je het kunnen bewijzen wat je daar zegt?”
„Dat is natuurlijk volstrekt niet te bewijzen. Spider zou natuurlijk
eenvoudig de schouders ophalen, als men hem van zooiets beschuldigde.
Hij zou aanvoeren, dat zijn neef zich in gezelschap bevond toen hij
voor het eerst de opiumpijp aan de lippen bracht en verder zou hij zich
nergens iets van aantrekken. Trouwens geen enkele wet ter wereld zou
hem voor iets dergelijks kunnen straffen—en dat vind ik erg genoeg.
Naar mijn oordeel moest de man, die een ander overhaalt om te drinken,
opium te schuiven of cocaïne te gebruiken, levenslang worden
opgesloten!”
„En heb je in het geheel geen hoop dat Macmillan zijn ongelukkige
gewoonte zal afleggen?”
„Om je de waarheid te zeggen, bitter weinig, Charly. Hij is al te ver
heen, naar ik vrees.”
„Zouden zijn dochters er van weten?”
„Dat betwijfel ik sterk.”
„Maar als die arme meisjes eens op de hoogte werden gesteld—zouden zij
niet kunnen bereiken, waartoe jij niet bij machte bent?”
Raffles dacht even na en antwoordde toen:
„Misschien, het is een gewaagde proefneming. Wie weet, tot welke
wanhoopsdaad Macmillan zich laat verleiden, als hij weet dat zijn
dochters zijn geheimen hartstocht kennen. Want ik weet, dat hij zijn
kinderen verafgoodt!”
„Dus wij zouden volkomen machteloos staan?”
„Neen, Charly, neen, dat zal ik nimmer erkennen,” riep Raffles
vastberaden uit. „Wij zullen Macmillan redden—al was het ook tegen zijn
zin en als het niet met de gewone middelen gaat, welnu, dan zullen wij
een paardenmiddel toepassen.”
HET PAARDENMIDDEL.
Het bleek Raffles al spoedig, dat de „gewone middelen” zouden falen.
Een paar keeren had hij zich verdekt opgesteld in de buurt van Thames
Street en twee malen werd zijn geduld beloond—al had hij veel liever
gezien, dat hij daar voor niets had gestaan, Macmillan kwam de kit
bezoeken, eenmaal in gezelschap van Spider, eenmaal alleen.
Raffles had op het punt gestaan, den ongelukkige met geweld te
beletten, in dat hol van verderf binnen te treden, maar hij begreep,
dat hem dit niets verder zou brengen.
Hij zou slechts een scène verwekken—en een dag later zou de
opiumschuiver toch weder terugkomen.
Neen—hier moesten andere krassere middelen worden toegepast.
Raffles kende door en door alle verschijnselen van de
opiumvergiftiging.
Hij wist dat Macmillan slechts door een enkel middel te redden was:
volkomen, volstrekte onthouding en dat wel dadelijk.
Door de onthouding, zoo eensklaps ingetreden zou hij zonder twijfel
ziek worden, misschien zelfs zeer ernstig, maar indien hij bleef
doorgaan met schuiven, zou hij even zeker sterven—en dus moest men van
twee kwade wel het beste kiezen.
Raffles begreep voorts, dat deze onthouding onmogelijk zou zijn toe te
passen, wanneer Macmillan in de nabijheid van de bron van zijn lijden
bleef, dat wil zeggen, te Londen, of liever in Engeland, want immers
zou hij in iedere havenplaats van het Vereenigd Koninkrijk opium kunnen
krijgen, evengoed als Frankrijk of in welk ander land dan ook.
Hij zou pas kunnen genezen, als men hem volkomen verwijderd hield van
iedere verleiding, maar hoe zou dat mogelijk zijn, zonder hem geweld
aan te doen, zonder hem ergens gevangen te zetten?
Raffles dacht hierover na, toen hij opstond van de tafel in het
Carltonhotel, waar hij dien dag alleen geluncht had, daar Charly zich
des morgens naar een van Raffles’ Landgoederen in het Zuiden van
Schotland had begeven, om daar een en ander te regelen met een der
rentmeesters, in verband met den aanleg van een oefenbaan voor de
renpaarden.
En terwijl de kellner hem eerbiedig hielp bij het aantrekken van zijn
jas, schoot hem plotseling een denkbeeld te binnen.
„Ja, ik zal het doen, het is een uiterste redmiddel en daarbij moeten
zijn dochters mij behulpzaam zijn. Het gaat niet anders. En als die
duivel van een Spider hier werkelijk de hand in het spel heeft, als hij
dien ongelukkigen man tot een half kindschen grijsaard wil maken, om
zich van zijn fortuin te kunnen meester maken—dan zal hij zien, met
welke sterke tegenpartij hij te doen heeft.”
Voor het hotel stond de groote blauw gelakte limousine te wachten met
den reusachtigen Henderson achter het stuurwiel, maar Raffles zond hem
met enkele woorden weg.
Hij riep een huurauto aan, en gaf den chauffeur het adres op van zijn
huis in de Victoria Street, hetwelk hij een paar dagen tevoren reeds
had benut.
Hij zond daar den man weg en ging het huis in de zijstraat binnen.
Een half uur later verliet hij het weder door de voordeur in de
Victoria Street, en hij was geheel onkenbaar geworden.
Hij geleek in niets meer op den deftigen Lord Aberdeen, maar niettemin
moest hij iedereen vertrouwen inboezemen, met zijn eerwaardigen witten
haardos, zijn gouden bril, zijn lange gekleede jas, zijn ebbenhouten
wandelstok met ivoren knop.
Hij wachtte tot er een auto voorbijreed, en wenkte den chauffeur.
„Portland-Place!” beval hij den chauffeur, „houdt maar stil op den hoek
van de Mortimer Street.”
Twintig minuten later was hij ter bestemder plaats, en zond den
chauffeur weg.
Hij ging te voet verder, tot hij het huis van Macmillan in het oog
kreeg.
Hij trof het bijzonder want de heer des huizes verliet net zijn woning
en Raffles wenschte volstrekt hem niet tegen te komen.
Hij wachtte, tot Macmillan uit het gezicht was, en belde toen aan.
De deur werd hem geopend door een ouden bediende, een van de
ouderwetsche huisknechts, die oud en stram zijn geworden in dienst van
hetzelfde gezin.
„Wat is er van uw dienst, mijnheer?” vroeg de bediende met een zachte
omfloersde stem.
„Zijn de beide dames Macmillan thuis? Ik wenschte ze even te spreken
over een gewichtige zaak.”
„Uw naam?”
„Jerome Hatchock.”
„Ik zal de dames gaan vragen of zij u ontvangen kunnen, mijnheer. Wees
zoo goed binnen te komen.”
De bediende liet Raffles in een fraaie ontvangkamer en beklom daarna de
prachtige trap naar de eerste verdieping.
Een paar minuten later ging de deur opnieuw open en traden er twee
meisjes binnen, die zoo verbluffend op elkaar geleken, dat men hen met
elkaar verwisseld zou hebben, en toch waren zij geen tweelingen.
Zij waren beiden goudblond, beiden eerder klein dan groot, beiden even
sierlijk gevormd, beiden met dezelfde prachtige, groote blauwe oogen.
Maar Rose was een jaar ouder dan Ellen, en misschien een halven duim
grooter dan haar zuster.
De beide meisjes stonden den bezoeker even aan te kijken en kwamen toen
het vertrek binnen.
„Wel mijnheer,” begon Rose, terwijl zij den bezoeker met een
lieftallige beweging uitnoodigde, weder plaats te nemen, „wat kan het
wel voor gewichtigs zijn, waarover gij ons komt spreken.”
Alvorens te antwoorden, keek Raffles de beide meisjes, kinderen nog
haast, beurtelings onderzoekend aan.
En hij zag op hun lief gelaat een waas van droefheid, dat niet thuis
hoorde op de wezentrekken van twee schepseltjes, die alles hadden wat
het leven kan veraangenamen—een vader die hen verafgoodde, rijkdom en
gezondheid, jeugd en schoonheid, en die alleen de verwarmende liefde
van een moeder misten.
Hij begreep nu, waaraan die droefheid toe te schrijven—de meisjes leden
terwille van hun vader.
Hij kuchte eens en begon:
„Dames—ik heb zooeven uw vader het huis zien verlaten, en daarop heb ik
gewacht hier aan te bellen.”
„Wat zegt ge mijnheer?” vroeg Rose, de oudste van de beide meisjes, en
die omstreeks achttien jaar oud kon zijn. „Gij verbaast mij. Mijn vader
mocht het dus niet weten wat gij ons te zeggen hebt?”
„Hij mag er volstrekt niets van weten, miss,” antwoordde Raffles op
ernstigen toon.
„Maar—wat kan dat nu wel zijn?” vroeg Ellen ongerust. „Laat ons niet
lang in de onzekerheid, mijnheer. Het betreft dus onzen lieven vader?”
„Ja, miss, ik zal trachten kort te zijn—en ik moet u er bij vooruit
waarschuwen, dat ik u pijn zal moeten doen, veel pijn!”
Met hetzelfde aandoenlijke gebaar drukten de meisjes de hand op het
hart, en zij keken Raffles verbaasd en verschrikt aan.
Deze vervolgde:
„Gij hebt natuurlijk wel opgemerkt, dat uw vader er in den laatsten
tijd zeer slecht uitziet?”
Rose knikte zonder te antwoorden, en Ellen boog het hoofd en
verbleekte.
„Ik weet, wat de oorzaak van zijn lijden is,” ging Raffles voort. „Ik
ben zijn vriend, al kent hij mij in het geheel niet. Uwe arme vader,
meisjes, is het slachtoffer geworden van een treurige gewoonte, een
gewoonte, die hem naar het graf zal sleepen, als er niet spoedig met
zeer krachtige middelen wordt ingegrepen—uw vader is verslaafd aan
opium....”
Rose en Ellen slaakten een luiden kreet en barstten in hartstochtelijk
snikken uit.
Dadelijk was Raffles overeind, om de arme wezentjes vaderlijk over het
blonde haar te strijken.
Zijn stem had een ongewoon zachten klank, toen hij vervolgde:
„Ik heb gezegd dat ik u pijn moest doen—maar het ging niet anders. Ik
heb volstrekt uw hulp noodig om mijn plan ten uitvoer te brengen,
waardoor wij hem alleen nog maar kunnen redden.”
„O, gij bevestigt slechts mijn ergste vermoedens, mijnheer!” riep Rose
snikkend uit. „Ik heb gevoeld, ik heb het geweten. Opium of
morphine—dat moest het zijn. Gij verbaast u, dat ik dat vermoed heb,
maar in het laatste jaar van den oorlog heb ik mij aangemeld als
verpleegster en ik heb toen veel geleerd. Dus het is waar—o God—mijn
lieve, arme vader!”
Ellen kreunde nu zachtjes voor zich heen, met het hoofd op de armen.
Nu richtte zij zich op, en vroeg, met een door tranen verstikte stem:
„Hoe weet gij het mijnheer? Hebt gij hem daar, in een van die ellendige
huizen gezien?”
„Ja miss,” antwoordde Raffles eenvoudig.
„En hebt gij hem dan niet dadelijk aangesproken, hem voorgehouden, dat
hij zich zelf ten gronde richt?”
Raffles haalde de schouders op.
„Ik zeg u immers, dat hij mij in het geheel niet kent!” zeide hij. „En
al was dat wel het geval, wat zou dat dan nog gebaat hebben? Hij zou
mij terzijde hebben gestooten!”
„O, maar wat u niet gelukt is, wat gij niet kondet beproeven—daarin
zullen wij slagen!” riep Rose op hartstochtelijken toon. „Nu ik
zekerheid heb, nu zal ik mij voor hem op de knieën werpen en hem
smeeken, bij het geluk van zijn eenige kinderen, zich zelf niet te
gronde te richten. Hij zal naar mij luisteren, niet waar, mijnheer?”
Maar Raffles schudde mismoedig het hoofd, en antwoordde droevig:
„De hemel beware mij, dat ik U zou weerhouden, om die poging te doen,
miss—maar ik mag u niet met een valsche hoop vleien, uw arme vader is
reeds zoozeer verslaafd aan het gebruik van opium, dat hij zelfs de
duurste eeden zou schenden, als de verleiding te sterk werd. Hij kan er
niet meer tegen vechten, alle moreele kracht is uit hem weggegaan.”
„Maar hij moet naar ons luisteren,” riep Rose wanhopig uit. „Hij is
alles voor ons. Wat zou er van ons worden, als wij hem moesten missen.
O, dat het hiertoe komen moest, mijn lieve vader, die ons zoo lief had.
Wie kan hem daartoe hebben overgehaald.”
„Ik geloof, dat ik dat weet, miss,” zeide Raffles. „Maar ik meen nog
geen vrijheid te hebben, om u den naam van dien man te noemen, want ik
ben nog niet geheel zeker van mijn zaak. Wat uw voornemen betreft, om
uw vader te smeeken, om uwentwille van zijn hartstocht af te zien,
natuurlijk moet gij het beproeven en ik zal den hemel danken, als gij
er in slaagt, maar als hij u eens belooft, onder den eersten indruk van
het feit, dat gij nu alles weet, de opium te laten staan, en toch zijn
woord niet houdt?”
„Dat is te vreeselijk om aan te denken,” zeide Rose op doffen toon.
„Hij zou sterven, miss,” hernam Raffles op vasten toon. „Nog een half
jaar, en gij zoudt hem grafwaarts moeten dragen.”
„Maar kan dan niets hem redden,” kreet Ellen op hartverscheurenden
toon.
„Ja, miss,” antwoordde Raffles aanstonds. „Een ding kan hem helpen,
volkomen onthouding, een paar maanden streng doorgezet.”
„Maar gij zelf zegt, dat hij daartoe niet meer in staat zal zijn,
mijnheer,” riep Rose uit.
„Dat zal hij ook niet, als hij hier blijft,” hernam Raffles.
„Maar hij zal niet willen vertrekken, als zijn hartstocht werkelijk
reeds zoo diep wortel heeft geschoten,” zeide Ellen, zich de tranen van
de bleeke wangen drogend.
„Neen, goedschiks zeker niet,” kwam het kort over de lippen van den man
met het witte haar.
„Niet goedschiks?” herhaalde Rose langzaam. „Wat meent gij, mijnheer?
Wij kunnen onzen vader toch niet met geweld dwingen, Londen te
verlaten?”
„Londen te verlaten zou niet eens voldoende zijn, miss.”
„Welnu dan?”
„Uw vader moet niet alleen Engeland, hij moet Europa verlaten, hij moet
ergens worden heengevoerd, waar iedere kans om zich de opium te
verschaffen volkomen is buitengesloten, hij moet geheel alleen worden
gelaten, alleen met de genezende, de goedertierende Natuur, die hem
alleen kan redden.”
„Maar dat is immers onmogelijk, mijnheer,” riep Rose in de grootste
verbazing uit.
„Het is integendeel zeer goed mogelijk, Miss en het bewijs is, dat ik
hem zal wegbrengen, als gij toestemming geeft, wel te verstaan. Daartoe
juist kwam ik tot U.”
„Wat, gij wilt,....” stamelde Rose.
„Ik wil uw vader naar een geheel onbewoond eiland brengen, waarvan ik
alleen de juiste ligging weet,” vulde Raffles den zin aan. „Daar zou
hij dan twee maanden moeten blijven. Gij zelven zoudt hem mogen
wegbrengen, om u te overtuigen, dat ’t hem aan niets zal ontbreken. Ik
zelf zal om de drie dagen in het geheim gaan zien, of hij zich steeds
in goeden welstand bevindt. En als de twee maanden om zijn, dan zult
gij uw vader volkomen genezen in de armen kunnen sluiten. Ik....”
Maar een geraas in het aangrenzende vertrek deed hem ophouden.
Er viel een vaas of iets dergelijks.
Ellen sprong op en rukte de tusschendeur open.
Op den drempel stond de oude bediende.
Hij was zeer bleek en had tranen in de oogen.
„Ik vraag u duizend maal verschooning, Miss Ellen,” zeide hij met
bevende stem. „Ik was hier naast om stof af te nemen—en.... en gij hebt
zoo luid gesproken.... Ik heb alles verstaan. En.... en als mijnheer
Macmillan werkelijk van dien heer moet vertrekken—dan smeek ik om
verlof, bij hem te mogen blijven, om hem te verplegen, als hij ziek
mocht worden.”
Eenige oogenblikken bleef het doodstil in het vertrek.
Meer getroffen dan hij wilde laten merken, door dat aandoenlijk bewijs
van trouw en aanhankelijkheid, had Raffles zich half afgewend.
En toen vloog Ellen onstuimig op den ouden bediende af, en sloeg haar
armen om zijn hals.
„Jij lieve, oude Jerry!” riep ze weenend uit. „Zou je dat werkelijk
voor vader over hebben?”
„Het heeft niets te beteekenen Miss,” antwoordde Jerry eenvoudig.
„Mijnheer is altijd zoo goed voor mij geweest—in tijden van nood zal ik
hem niet verlaten. Als deze heer het goedvindt, vergezel ik mijn
meester!”
„Je bent een brave kerel, Jerry,” zeide Raffles ontroerd, „en ik heb er
zeker niets op tegen. Bedenk echter, dat ge twee maanden lang geheel
alleen met uw meester zult moeten zijn op een eiland, waar niemand
anders behalve gij woont, en dat geheel buiten de gewone route ligt,
zoodat iedere kans, dat er een vaartuig zal passeeren, vrijwel is
buitengesloten. Gij zult er geen van de gemakken der moderne
samenleving vinden, en slechts een planken hut om u te slapen te
leggen. Gij zult wat verduurzaamde levensmiddelen krijgen—en voorts
geweren en patronen, om in uw levensonderhoud te kunnen voorzien. En
dan—door de plotselinge onthouding, zal uw meester zeer waarschijnlijk
ziek worden en dan zal op u de taak rusten hem te verplegen.”
„Dat alles kan mij niet afschrikken, mijnheer!” hernam de bediende
eenvoudig. „Ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat mijnheer Macmillan
daar geheel alleen zou zijn.”
„Stil maar Jerry,” zeide Rose, terwijl zij hem de kleine hand op de
schouders legde. „Je zult meegaan en Ellen en ik zullen je ons geheele
leven dankbaar zijn.”
Daarop wendde zij zich tot Raffles en vervolgde:
„Maar mijnheer, nu weten wij nog in het geheel niet, wie gij zijt en
wat u wel bewogen kan hebben, ons uw hulp aan te bieden.”
„Luister eens Miss,” begon Raffles op ernstigen toon. „Ik wil uw vader
trachten te genezen van zijn vreeselijk gebrek, maar op deze stellige
voorwaarde: gij neemt er genoegen mee, dat gij mijn naam weet, Jerome
Hatchock. Het zal u duidelijk zijn, dat ik over buitengewone middelen
beschik, als ik u zeg dat ik u, uw vader, uw zuster en onzen braven
Jerry binnen anderhalven dag zal brengen naar een eiland, op het andere
halfrond gelegen.”
„Maar mijnheer, drijft gij den spot met ons?” riep Rose uit. „Dat is
immers volkomen onmogelijk.”
„Dat woord ken ik niet, Miss,” zeide Raffles droog. „Gij behoeft mij
niet aan te zien, als vreesdet gij met een gek te doen te hebben, ik
ben volkomen bij mijn verstand en ik herhaal u, dat gij binnen
anderhalven dag de reis voltooid zult hebben.”
„Maar dan moeten wij door de lucht reizen!”
„Dat zult gij ook doen, Miss!”
„Gij zijt een vreemde man,” zeide Rose peinzend. „Ik vraag mij
vruchteloos af, waarom gij juist mijn vader op zulk een edelmoedige
wijze tegen zich zelf wil beschermen.”
„De reden is zeer eenvoudig, Miss, hij is een braaf mensch, en dan—ik
wil den ellendeling straffen, die het op zijn fortuin heeft voorzien en
hem daarom in dezen toestand gebracht heeft. Later zult gij den naam
van dien man hooren. Ik weet het, dit alles komt u natuurlijk
zonderling voor, het zou meer te verbazen zijn als het niet zoo was en
toch vraag ik u: vertrouw mij slechts en gij zult u niet beklagen!”
„Dat willen wij, mijnheer, want welk belang zoudt gij er bij hebben,
ons ongelukkig te maken!” riep Ellen uit. „Gij ziet er ook heelemaal
niet uit als iemand, die kwaad zou kunnen doen.”
Raffles wendde het hoofd af, wat het meisje daar zeide trof hem
pijnlijk.
Maar hij herstelde zich spoedig en zeide:
„Ik wil alleen uw welzijn, Miss, dat zweer ik u! Gij kunt ook steeds
bij ons zijn, gij kunt u zelf overtuigen, waarheen ik uw vader breng,
alleen zult gij den naam en de ligging van het eiland niet mogen weten.
Maar ik kan sterven, voor de termijn is afgeloopen en in dit geval heb
ik maatregelen genomen, opdat een mijner vrienden u den naam van het
eiland kan mededeelen, waar uw vader zich bevindt. Ik heb mijn
geheimen, die mij dierbaar zijn en die mag ik tot geen prijs verraden!”
„Maar als wij op uw plan ingaan, mijnheer, hoe zouden wij dan mijn
vader moeten bewegen, zich aan boord van uw vliegmachine in te
schepen?”
„Daar is natuurlijk maar een middel toe, Miss,” gaf Raffles ten
antwoord. „Goedschiks, willens en wetens, zou uw vader zeker nooit
meegaan—wij moeten het doen, zonder dat hij het weet en dat kan
slechts, als hij onbewust is van hetgeen er met hem gebeurt, met andere
woorden, als hij in staat van bewusteloosheid verkeert.”
„Maar is dat niet zeer gevaarlijk, mijnheer?”
„In het geheel niet, Miss,” antwoordde Raffles met een geruststellend
gebaar. „Laat dat gerust aan mij over. Ik ben geneesheer en ik zal hem
een middel toedienen, waardoor hij zoolang bewusteloos zal blijven,
totdat ik hem met een tegenmiddel weder bij kennis zal hebben
gebracht.”
„Maar gij staat toch toe, mijnheer, dat wij eerst trachten mijn vader
tot betere gedachten te brengen?”
„Dat spreekt immers van zelf, Miss Rose,” antwoordde Raffles, die het
meisje zoo door haar zuster had hooren noemen. „Ik zal u vier volle
dagen geven—maar ik ken de menschelijke natuur helaas, en ik kan u nu
wel voorspellen, dat uw vader, ondanks zijn groote liefde voor u, thans
reeds te veel moreel verzwakt is, om nog weerstand te kunnen bieden aan
de verleiding. Laat hem geen eed zweren—hij zou hem breken en diep
rampzalig zijn!”
Met tranen in de oogen grepen de twee meisjes ieder een hand van
Raffles en drukte die met innige dankbaarheid.
Daarop sprak Rose:
„Wie gij ook zijn moogt, mijnheer, wij gevoelen dat gij een waar vriend
van mijn vader zijt en dus ook van ons. Wij vertrouwen ons aan u toe.”
„Ik geloof dat gij werkelijk niet beter doen kunt, Miss,” zeide Raffles
eenvoudig. „Het is nu Maandag—Vrijdagmorgen zal ik weder hier komen en
dan zal ik u naar eer en geweten mededeelen, of uw vader na dezen dag
nog de opiumkit heeft bezocht, waar ik hem tot mijn grooten schrik heb
aangetroffen, toen ik daar een van mijn Chineesche patiënten moest
bezoeken.”
Raffles was opgestaan en wendde zich nu tot Jerry, die met tranen in de
oogen terzijde stond.
„Houd je maar reisvaardig, oude vriend,” zeide hij op zachten toon.
„Als mijn kennis van het menschelijk gemoed mij niet bedriegt, dan zul
je de reis zeker maken.”
De loop der gebeurtenissen bewees, dat Raffles het maar al te goed
gezien had.
Vier dagen later, ’s morgens om zeven uur, hield er een huurauto stil
voor het huis in Portland-Place en Raffles stapte er uit, belde aan en
werd binnengelaten door Jerry, wiens bleek gelaat en dikke oogen maar
al te duidelijk aantoonden, dat hij den geheelen nacht niet naar bed
geweest was.
Raffles nam hem dadelijk mee naar de ontvangkamer en zeide tot den
trouwen bediende:
„De jonge meisjes zijn natuurlijk nog niet op?”
„Neen, mijnheer.”
„Je weet natuurlijk, dat je meester niet thuis is? Ik heb maar naar je
gezicht te zien, brave vriend—je hebt vannacht niet geslapen.”
„Zoo is het, mijnheer,” antwoordde de bediende op gedempten, nauwelijks
hoorbaren toon. „Ik was nu gewaarschuwd, en toen mijnheer om elf uur
uitging, was ik zoo ongerust, dat ik niet naar bed wilde gaan, omdat ik
wel wist, toch niet te zullen slapen.”
„Het is zoo als ik gevreesd had, arme Jerry—op het oogenblik ligt
mijnheer Macmillan op een der rustbanken in de opiumkit.”
De oude man barstte in snikken uit en Raffles liet hem stil begaan en
vroeg na eenigen tijd:
„Kun je mij zeggen of Miss Rose en Miss Ellen het verzoek aan hun vader
gedaan hebben, waarover wij Maandag spraken?”
„Nog dienzelfden middag, mijnheer, het gaf een tooneel—vreeselijk. Mijn
arme meester barstte in tranen uit, en een oogenblik vreesde ik, dat
hij een ongeluk aan zichzelf zou begaan. Hij trachtte eerst te
ontkennen, toen wilde hij weten, wie hun het noodlottig geheim onthuld
had. Maar de twee kleine engeltjes hielden voet bij stuk, mijnheer—en
zij lieten niets los. Zij zeiden alleen, dat men hem gezien had en dat
hij hen niet behoefde te bedriegen. Hij is er dus nu, mijnheer?”
„Hij is er nu, Jerry, en hij was er Dinsdagavond ook!”
De oude bediende kreunde zachtjes en steunde: „Mijn God, mijn God, wat
moet er van hem worden?”
„Verlies den moed niet, oude vriend—wij zullen hem redden tegen zijn
wil. Deel dadelijk zoodra zij op zijn, aan de meisjes mede, wat ik u
zooeven heb gezegd—maar doe het voorzichtig, ik denk wel, dat er nog
een uur zal voorbij gaan, voor hun vader thuiskomt—hij heeft vanavond
vier pijpen gerookt en die bewusteloosheid zal dus wel lang geduurd
hebben. Wek hen liever onmiddellijk, maar druk hen op het hart, dat zij
vooral niet aan hun vader mogen laten merken, dat hij toch zijn woord
niet gehouden heeft—hij is zoo verzwakt, dat hij misschien uit wanhoop
de hand aan zich zelf zou slaan!”
„Ik beloof het u, mijnheer!”
„Zeg hun dan verder, dat zij zich gereed moeten houden, om morgen de
reis te maken. Ik zal hun nog vanmiddag het middel komen brengen,
hetwelk zij des morgens in den drank van hun vader moeten doen, het is
een eenvoudig, wit poedertje, dat zeer snel oplost.”
„Ik zal het zeggen, Mylord,” herhaalde de oude man, nog diep onder den
indruk van hetgeen hem zoo even was medegedeeld.
„Dan ga ik nu heen en maak alles voor de reis in orde. En nogmaals,
laat vooral niets merken aan mijnheer Macmillan, want hij is natuurlijk
buitengewoon prikkelbaar en wie kan zeggen, wat er zou gebeuren, als
hij tegenover zijn dochters als een leugenaar en woordbreker zou
staan.”
„Gij kunt alles gerust aan mij over laten, mijnheer,” zeide Jerry,
„eerder zou ik mijn tong afbijten, dan mijn ongelukkigen meester
benadeelen.”
Raffles knikte hem nog eens toe en verliet daarop het vertrek, om zich
snel naar de villa te spoeden, waar hij Charly van een en ander op de
hoogte stelde en zich daarop ter ruste begaf, teneinde de noodige
krachten te verzamelen, voor de vermoeienissen, die hem te wachten
zouden staan.
Charly had de noodige instructies ontvangen en met Henderson, die
echter de reis niet zou mede maken, daar de vliegmachine van Raffles op
zulk een groot gewicht niet was ingericht, zou hij alles voor de reis
in orde maken.
Dienzelfden morgen vertrok Charly met den reusachtigen chauffeur naar
het vliegveld van Hendon, een paar mijlen ten Noorden van Londen
gelegen, waar de wonderbare vliegmachine veilig in een loods was
opgeborgen.
Daar stond de duivel der lucht, het fijngebouwde vliegtuig, ontsproten
aan het uitvindersgenie van den Gentleman-Inbreker en dat door
electriciteit bewogen werd.
Deze machine, die wel wat geleek op een sierlijke libel, kon een
snelheid van vijfhonderd kilometer per uur bereiken en onafgebroken
vier dagen in de lucht blijven, zonder dat het noodig was de
accumulatoren opnieuw te laten.
In normale omstandigheden bood de machine plaats voor vier personen,
maar men zou zoo weinig mogelijk vracht meevoeren en de daardoor
gespaarde ruimte zou gebruikt worden voor het overbrengen van nog twee
passagiers.
In de groote toerauto had Charly de noodige verduurzaamde
levensmiddelen, geweren, patronen, dekens, aluminium eetgerei en andere
onmisbare voorwerpen medegenomen, welke Jeffries Macmillan zou noodig
hebben op het onbewoonde eiland, alleen aan Raffles en zijn makkers
bekend, waarheen hij zijns ondanks, zou worden vervoerd.
De geheele voormiddag was gemoeid met het treffen van alle
toebereidselen, maar tegen het lunchuur konden Charly en Henderson met
voldoening op hun arbeid terugzien, wat hun betreft zou Raffles
dienzelfden middag de reis kunnen beginnen.
Henderson had de machine nog eens goed nagekeken, zorgvuldig de metalen
kap gesloten, welke het geheim van den motor verborg en daarop ook de
deuren van de houten loods weder gesloten.
De terugtocht naar Londen werd aanvaard, nadat de beide mannen in het
restaurant van het vliegveld hadden geluncht en om drie uur waren zij
weder in het groote huis aan de Regent Street terug.
Raffles was toen juist ontwaakt, had zijn bad genomen en gevoelde zich
nu zoo frisch en krachtig, alsof hij den geheelen nacht rustig geslapen
had, inplaats van maar enkele uren midden op den dag.
Hij nam Charly dadelijk mede naar de bibliotheek en vroeg:
„Is daar ginds alles in orde?”
„Alles Edward. Als je zou willen, zou je hedenavond kunnen opstijgen.”
„Dan informeer ik niet verder—ik weet wel, dat je niets vergeten zult
hebben.”
„Wil je mij toestaan, je een vraag te stellen?”
„Je weet wel, dat je mij alles kunt vragen, Charly!”
„Vindt je het niet wat gevaarlijk, om twee vreemdelingen toe te laten
op een eiland, waar je een deel van je schatten bewaart?”
„In het minst niet, Charly! Ten eerste zullen zij niet weten, waar dat
eiland ligt, tenminste niet op eenige honderden kilometers na; en ten
tweede ben ik overtuigd, dat onze schatten zoo goed zijn verborgen, dat
zij, zelfs al wisten zij iets van den oorsprong, maanden zouden noodig
hebben, om ze te ontdekken. Neen, daaromtrent ben ik volkomen gerust!”
Raffles was opgestaan, had een kaartenmap uit de lade van een
boekenkast gehaald en spreidde nu de kaart van Europa en Azië voor zich
uit.
Hij hield den vinger op een verzameling zeer kleine stipjes op de kaart
en zeide glimlachend:
„Hier ergens ligt het eiland, waaraan ik mijn naam heb
gegeven—Mysteria. Het maakt deel uit van de Salomon-Groep, maar het is
wel een paar honderd kilometers verwijderd van de bewoonde eilanden van
de groep.”
„Hoeveel bedraagt de afstand in rechte lijn ongeveer?”
„In rechte lijn zou de afstand omstreeks vijftienduizend kilometer
bedragen, maar natuurlijk vlieg ik zooveel mogelijk over land, in dit
geval over Nieuw Guinea en dat zal den afstand met ongeveer duizend
kilometer verlengen—ik reken dus op 16000 kilometer! Als wij gemiddeld
vijfhonderd kilometer per uur afleggen, zullen wij dus twee en dertig
uur over den afstand doen, dat is nog in anderhalf etmaal.”
„Ik heb zulke reizen reeds menigmaal met je gemaakt, Edward, en toch
klinkt het mij altijd even ongeloofelijk in de ooren!”
„Dat komt, omdat wij altijd zoo hoog hebben moeten vliegen, dat je
onmogelijk hebt kunnen waarnemen, wat een snelheid van vijfhonderd
kilometer eigenlijk beteekent,” zeide Raffles. „En ga nu mede naar het
laboratorium, dan zullen wij het poedertje voor vriend Macmillan eens
in gereedheid brengen.”
Een half uur later was het bedwelmende middel gereed en nadat Raffles
en Charly gedineerd hadden, begaf de eerste zich in een huurauto naar
het huis van Macmillan.
De oude bediende opende weder de deur voor hem en legde dadelijk den
vinger op den mond.
„Mijnheer is thuis!” zeide hij fluisterend.
„Zooveel te beter. Daarop heb ik gerekend. Ik heb het middel bij mij.
Zijt gij allen reisvaardig?”
„Wij zouden desnoods aanstonds kunnen meegaan, mijnheer. Ik zou alleen
mijn livrei moeten veranderen tegen mijn Zondagsche pak, want het zou
wel wat vreemd zijn, nietwaar, als ik op dat onbewoonde eiland in mijn
gestreept linnen jasje en in mijn kuitbroek rondliep!” voegde hij er
met een zwak glimlachje aan toe.
„Als dat zoo is, dan kunnen wij voorkomen, dat mijnheer Macmillan
hedenavond nogmaals naar de opiumkit gaat!” zeide Raffles op levendigen
toon. „Hier is de poeder. Geef ze aan Miss Rose, en laat deze ze in een
of anderen drank mengen. Alles is goed, behalve mineraalwateren. Wijn,
een rumgroc, een kop koffie, thee, alles kan dienen, het poeder is
volkomen smakeloos en het werkt reeds binnen enkele minuten. Zeg dat
aan de meisjes, opdat zij niet schrikken. Ik zal wachten in de
ontvangkamer, nadat ik een huurauto besteld heb—kom mij aanstonds
waarschuwen, wanneer het middel zijn uitwerking heeft gedaan. Wij
kunnen nog hedennacht vertrekken!”
Jerry nam met bevende hand de witte enveloppe met poeder aan en liet de
deur aanstaan, terwijl Raffles haastig een huurauto wenkte en den
chauffeur beval voor het huis te wachten.
Daarop ging hij weder binnen, trad de ontvangkamer binnen en zette zich
in een stoel.
Er verliepen twintig minuten, en toen kwamen de meisjes tegelijk
binnenstormen.
„Het middel heeft gewerkt, mijnheer! Vader is bewusteloos, kom spoedig
mede!”
Raffles volgde de beide meisjes naar een kamer op de eerste verdieping,
waar hij Macmillan in een gemakkelijken stoel vond zitten, den
geledigden kop thee voor zich.
Zijn gelaat was volkomen rustig, de oogen waren gesloten, het lichaam
was slap en gemakkelijk te hanteeren.
Raffles voelde hem even den pols, tilde de oogleden op, legde de hand
op de borst en knikte tevreden.
„Op een normaal persoon zou mijn middeltje niet den minsten invloed
hebben gehad, Miss Rose,” zoo wendde hij zich tot de oudste dochter van
Macmillan. „Maar op het door opium ondermijnde gestel van Uw vader
werkte het met bliksemsnelheid, zooals gij ziet!”
„Maar het kan immers geen kwaad, mijnheer Hatchock?”
„Niet in het minst, Miss, ik verzeker het u. Als ik uw vader het
tegenmiddel ingeef, zal er een half uur verloopen en dan zal hij
volstrekt geen onaangename nawerking bespeuren. En kleed u nu spoedig
voor de reis. Trek warme kleeren aan—wij vliegen zeer hoog en de koude
daarboven zal u sterk tegenvallen. Neem maar gerust een bontjas en een
paar dikke jekkers mede, een paar plaids en bouffantes. Voor andere
bagage behoeft gij in het geheel niet te zorgen.”
De beide meisjes ijlden weg en Jerry ging dikke overkleeren voor zijn
meester halen, een paar jachtlaarzen, zijn eigen geweer en nog wat
andere benodigdheden.
Dit alles werd naar de auto gebracht en daarna werd de bewustelooze
Macmillan niet zonder moeite door Raffles en zijn ouden bediende in de
auto gedragen.
Rose en Ellen kwamen aanloopen, namen zelf plaats, Raffles ging naast
den chauffeur zitten en de tocht naar Hendon begon, maar niet dan nadat
Raffles Charly telefonisch had gewaarschuwd, dat de reis door
bijzondere omstandigheden aanzienlijk vervroegd was.
BEHOUDEN AANKOMST.
Charly had gebruik gemaakt van de snelste auto en daar Henderson haar
bestuurd had, was de jonge man reeds een half uur op het vliegveld,
voordat daar de huurauto aankwam, bestuurd door een chauffeur, die
allesbehalve in zijn humeur was wegens den langen rit, maar wiens
stemming onmiddellijk omsloeg, toen Raffles hem twee souvereigns in de
hand stopte.
„Gij zijt immers niet bang, meisjes?” zoo wendde Raffles zich
glimlachend naar Rose en Ellen, toen zij naar de loods liepen, terwijl
Henderson en Charly bij den bewustelooze achterbleven, die voorzichtig
op een deken was neergelegd.
„Bang? In het geheel niet, mijnheer, wij zijn allen bijzonder
nieuwsgierig,” antwoordde Rose glimlachend. „Het komt ons nog altijd
voor als een verhaal uit een sprookjesboek, dat wij binnen anderhalf
etmaal het andere halfrond kunnen bereiken.”
„In twee en dertig uren, Miss,” verbeterde Raffles.
„Maar—wilt gij ons dan niet zeggen, welken weg gij volgt?” vroeg Ellen.
„Voor het allergrootste gedeelte is die weg geen geheim, Miss—wij
zullen vliegen over Nederland, dat wil zeggen de Friesche Wadden,
Sleeswijk Holstein, Wilna, Orenburg, op de grens van Siberië, over een
deel van Turkestan, dwars over heel China, over de Zuid-Chineesche zee,
over de Philippijnen en over Nieuw Guinea. Wat er dan komt—dat moet ik
tot mijn spijt geheim houden. Maar als dat laatste land achter den rug
is, dan hebben wij het doel van onze reis bijna bereikt.”
„Het is mij, alsof ik droom,” zeide Rose. „O, hoe heerlijk zou ik die
reis hebben gevonden, als wij haar onder andere omstandigheden
ondernamen.”
„Misschien zal dat nog wel eens geschieden, Miss—later.”
De loods werd geopend en nadat de twee meisjes bij het lichaam van hun
vader neergeknield waren en hem vol liefde aanstaarden, trokken Raffles
en Charly en Henderson de ranke vliegmachine uit de loods te
voorschijn.
Er was een waker van het veld komen toeloopen, met een lantaarn
gewapend, die niet veel begreep van dit nachtelijk gedoe, maar Raffles
zond den man met een goudstuk in de hand spoedig weer weg, onder
voorgeven, dat zij een vriend, die ernstig lijdende was, ten spoedigste
naar een specialiteit te Parijs moesten overbrengen.
De waker kende Charly Brand en Henderson, den Chauffeur van Lord
Aberdeen, heel goed en daarom maakte hij niet het minste bezwaar maar
verdween, zeer tevreden met zijn goudstuk.
Het geweer, de waterlaarzen, de dekens en wat er nog verder was
meegebracht, werd ingeladen, de meisjes klommen langs de smalle stalen
ladder aan boord van de vliegmachine, waarvan de aluminium romp zacht
glansde in het licht van de electrische booglamp, die dit gedeelte van
het terrein verlichtte, en daarna werd de bewustelooze voorzichtig aan
boord getild, gemakkelijk neergevlijd in een der zetels, waarvan de rug
bij wijze van ziekenstoel achterover geklapt kon worden en met dekens
en plaids warm ingestopt.
Charly wenkte Henderson een vaarwel toe, terwijl Raffles achter het
stuurwiel plaats nam, een hefboom werd overgehaald, de schroef begon te
draaien en pijlsnel schoot de vliegmachine over het veld, en steeg toen
bijna rechtstandig de lucht in.
Met eenige verwondering zagen de meisjes, hoe de grijsaard met zijn
spierwit haar met krachtige hand de vliegmachine bestuurde, alsof hij
een jonge man was niet ouder dan vijf en twintig jaar. Maar ondanks den
ernst van den toestand slaakten zij een kreet van bewondering bij het
wonderbare schouwspel, hetwelk het nachtelijke, helder verlichte
reusachtige Londen opleverde. Het was een verrukkelijke nacht, de maan
stond aan den hemel, de lucht was zeer helder en tot op tientallen
mijlen in het rond kon men de lichten van de wereldstad zien.
Maar reeds vijf minuten later was er van dit alles niets meer te
bespeuren en daaruit konden de luchtreizigers opmaken, dat zij
verbazend snel moesten vliegen.
En nu pas, nu zij over hun eerste zenuwachtigheid en hun eerste
verbazing heen waren, merkten de twee meisjes Charly Brand op, die, dik
in pelzen gewikkeld, naast den man met het witte haar zat.
Zij begrepen evenwel, dat hij een vriend moest zijn van den
geheimzinnigen helper, die zoo plotseling in hun leven was verschenen.
Op dit oogenblik draaide Charly zich juist om en beduidde hun met
vriendelijke gebaren, hoe zij de ruggen van hun zetels konden doen
omklappen en ze aldus veranderen in gemakkelijke rustbanken.
De meisjes waren vermoeid, het was nacht, zij zouden toch niets zien en
daarom kozen zij de wijste partij, volgen de aanwijzingen van Charly op
en wikkelden zich dicht in de warme dekens en plaids.
En intusschen snelde de „Duivel der lucht” met ontzaggelijke snelheid
door het luchtruim, en toen het in het Oosten begon te dagen, om vier
uur in den morgen, toen zweefde de vliegmachine boven de Russische
steppen, een twintigtal kilometers ten Zuid Oosten van Wilna, en op een
hoogte van meer dan drieduizend meter.
Charly wierp een blik achter zich nadat hij zelf eenige uren geslapen
had.
In de schemering zag hij de drie beweginglooze lichamen van de beide
meisjes en Jerry liggen.
Blijkbaar sliepen zij nog gerust.
Wat Jeffries Macmillan betreft—hij had evengoed dood kunnen zijn, want
hij lag nog altijd juist in dezelfde houding achter in het lange,
gemakkelijke schuitje, onder het schuine dak van aluminium en mica, dat
hem tegen de hevige koude beschermde, welke op deze hoogte heerschte.
Charly rekte zich eens goed uit, schudde als het ware de stijfheid van
zich af, die iedereen bevangt wanneer hij moet slapen in deze
ongunstige omstandigheden—op drieduizend meter hoogte en op een smalle,
nogal harde rustbank in de openlucht en bedacht daarna, dat het goed
zou zijn, voor een kop heete chocolade te zorgen, en dat een paar snede
geroosterd brood met kaas en een gekookt ei waarschijnlijk ook niet
onwelkom kon zijn.
Nu, dat alles te bereiden kostte niet veel moeite.
Daartoe behoefde Charly slechts achter zich en naast zich te reiken,
hier een lade open te trekken en daar het deurtje van een kleine
proviandkast te openen, waarop hij slechts een stopcontact had te
sluiten, om den kleinen electrischen oven in werking te brengen.
Met behulp daarvan kon hij water koken, en in dat water eenige eieren.
De electrische broodrooster zorgde voor een paar sneden heerlijk
knappend brood.
Toen dit alles gereed was, zette hij een en ander voor Raffles gereed,
na zelf snel wat te hebben gegeten, en nam hem daarna het stuurwiel uit
de hand met de in zijn oor schreeuwende woorden:
„Ga nu slapen, Edward. Het is mijn beurt. Ik zal ons wel dwars over
Rusland en Siberië heen brengen. Wij moeten onze krachten zooveel
mogelijk verdeelen.”
„Je hebt gelijk, slapen de kinderen nog?”
„Als rozen. De oude Jerry ook. Hij gedraagt zich, alsof hij zijn
geheele leven niet anders gedaan heeft, dan aan boord van een
vliegmachine te slapen.”
„Dat getuigt van zijn goed geweten,” zeide Raffles glimlachend, terwijl
hij den kop heete chocolade aan zijn lippen bracht en gretig in het
geroosterde en dik geboterde brood beet.
Toen hij gereed was met zijn maal, dat voor hem een souper zou zijn,
richtte hij zich weder tot Charly en zeide:
„Tracht zooveel mogelijk de route te volgen, welke wij gisteren op de
kaart hebben aangeduid, hoe eerder wij de plaats van bestemming hebben
bereikt, hoe beter het zal zijn voor de meisjes en ook voor den
bewustelooze. En nu ga ik eenige uren slapen. Denk er om, dat je mij
niet langer dan vier uur in slaap laat!”
Charly knikte Raffles toe en een oogenblik later had deze zich
uitgestrekt op zijn eigen rustbank, een dikke deken over zich
heengetrokken en eenige seconden later sliep hij even gerust, als
wanneer hij zich in zijn eigen bed in de fraaie slaapkamer in de Regent
Street had bevonden.
Charly had met vaste hand het stuurwiel gegrepen en bracht de
vliegmachine, die nog altijd met onverminderde vaart door de lucht
voortstoof met een onbegrijpelijke snelheid, waarvan echter hier op
deze hoogte niets te merken viel, daar de luchtreizigers geen
aanknoopingspunt hadden, en eenige uren later kwam Orenburg reeds in
het gezicht.
Juist toen de Duivel der lucht de grens passeerde, meende Charly eenige
beweging achter zich te vernemen. Hij wendde even het hoofd om en zag
dat Rose en Ellen overeind waren gaan zitten en hem glimlachend
toeknikten.
„Zij zijn gelukkig niet bang,” mompelde Charly voor zich heen. „Het
zijn flinke meisjes, dat is zeker.”
Hij wenkte Rose naast hem te komen en op de knieën kruipend, zich
vasthoudend aan de zijwanden van de soort van bak, waarin zij zich
bevonden, begaf het meisje zich naar den stuurstoel, zoodat Charly haar
kon toeschreeuwen:
„Daar is de electrische oven. In dat kastje zijn eieren, een paar
blikjes ham, brood en boter. Gij vindt er ook cacao en een keteltje om
water te warmen. Ziet gij nu kans om zelf het ontbijt klaar te maken!”
Rose knikte vroolijk en vroeg, de kleine handen om den mond stulpend:
„Zijn wij al ver?”
„In Siberië, Miss,” antwoordde Charly lakoniek.
„Lieve hemel, hoe laat is het dan wel?”
„Het is zooeven acht uur geweest, Miss!”
„Dus in acht uren tijds....”
„Zijn wij over Nederland, Denemarken, de Oostzee en Rusland gevlogen.”
„Dat is om bang van te worden,” kwam Rose.
„Het is niets dan een kwestie van gewoonte, Miss,” riep Charly terug,
„maar haast u nu met het ontbijt, want uw zuster en gij zult wel honger
hebben.”
En een oogenblik later was het jonge meisje bezig met de electrische
inrichting, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, en alsof zij
zich op den beganen grond bevond.
Men kon wel zien, te doen te hebben met een jong meisje, dat veel aan
picknicken deed en gewend was, zelf de handen uit de mouw te steken en
zich te behelpen als het noodig was.
Jerry was nu ook wakker geworden en het had maar een haar gescheeld, of
de goede oude man, die niet dadelijk wist waar hij was, had zijn been
over den rand van het schuitje geslagen, in de stellige overtuiging,
dat hij in zijn bed lag.
Maar Ellen trok hem bijtijds aan zijn mouw en schudde hem eens goed
heen en weer, en toen keek het drietal nieuwsgierig en vol
belangstelling naar beneden, naar de aarde, die zich op grooten afstand
onder hen uitbreidde.
Daar een ontdekking hier toch geen gevolgen na zich zou slepen, liet
Charly de machine tot op vijftien honderd meter dalen en nu waren de
meisjes verrukt over het mooie schouwspel, dat zich onder hen
vertoonde.
Het gebied van de Kirgiezen ontrolde zich onder de vliegmachine en
juist naderden zij de vruchtbare boorden van de Sarysu.
Maar nauwelijks waren zij over deze rivier gevlogen, of reeds doemde
aan het eind het meer van Balchasch op, van een verrukkelijk blauwe
kleur en omringd door groene bergen.
Maar nu moest de machine snel weder op groote hoogte stijgen, want daar
teekende zich reeds de kammen van „Het Hemelsche Gebergte” af, de Tien
Shan der Chineezen, welke Siberië van het ontzaggelijke Chineesche rijk
scheidt en dat zich op sommige plekken tot drie en vierduizend meter
verheft.
De koude nam snel toe, maar de beide meisjes merkten er weinig van,
zoozeer werden zij in beslag genomen door de aanschouwing van het
heerlijke schoone sneeuwlandschap, dat zich onder hen uitstrekte, want
zij waren reeds ver boven den sneeuwgordel en hier waren alle
bergtoppen met een rein witte wade bedekt, waarop de zon een
schitterend kleurenspel tooverde.
Maar hoe kort duurde het genieten van dit tafereel.
Met razende snelheid suisde de vliegmachine over het gebergte en nu pas
kon men inderdaad iets van die snelheid bemerken.
Maar niet zoodra had men het gebergte achter zich gelaten, of Charly
liet de machine opnieuw aanzienlijk dalen en opgetogen beschouwden de
luchtreizigers, die op zulk een onverwachte wijze door het lot hierheen
waren gevoerd, het landschap waarop zij den blik konden vestigen, op
een hoogte van iets meer dan 1000 meter, zoodat geen enkele
bijzonderheid hen ontging.
De Duivel der lucht vloog met ongestoorde snelheid over dorpen en
steden, over meren en rivieren, over drukke marktplaatsen, zoowel als
over uitgestrekte woestijnen en nu en dan moest Charly weder stijgen,
teneinde de vliegmachine veilig over de bergen te brengen, waarvan die
van Kwen-Lun de voornaamste waren.
Toen de vliegmachine het laatstgenoemde gebergte overvloog, was het
vier uur in den middag.
De Duivel der Lucht was dus zestien uur onderweg.
Raffles was natuurlijk reeds lang wakker en nu en dan had hij de beide
meisjes opmerkzaam gemaakt op sommige belangrijke punten, welke zij
bliksemsnel naderden en weder achter zich lieten.
Ook had hij eenmaal omgezien naar Macmillan, maar deze had zich zelfs
niet bewogen en alleen zijn rustige ademhaling bewees, dat hij tot de
levenden behoorde.
De duisternis begon te vallen, toen de vliegmachine het geweldige
gebergte achter den rug had, hetwelk het grootste deel van China’s
Oostkust overdekt en dat door tallooze rivieren doorsneden wordt.
En ten Noorden van het eiland Hai-Nan stevende zij onverschrokken de
Zuid-Chineesche Zee tegemoet.
Er was nu niets meer te zien, en iedereen, die zich niet met het sturen
had te bemoeien, in dat geval weder Raffles, begaf zich opnieuw ter
ruste.
De tocht over de Zuid-Chineesche Zee, de Philippijnen, de zee van
Celebes en van Nieuw Guinea werd volbracht, zonder dat iemand, behalve
Raffles, er iets van merkte.
Hijzelf had op het compas moeten sturen, maar hij was er zeker van, dat
hij zich geen tiende deel van een graad zou hebben vergist.
En weer onderging Raffles de zonderlinge gewaarwording, welke iedereen
moet gevoelen, die met ontzaggelijke snelheid het Oosten tegemoet
reist, met het gevolg, dat hij de dagen en dus ook de zon veel langer
ziet.
Het was, altijd volgens zijn horloge, hetwelk hij volstrekt niet verzet
had, zes uur in den morgen, toen de Duivel der Lucht boven de uiterste
Oostpunt van Nieuw Guinea zweefde, en toen was het op dit gedeelte van
de wereld juist een half etmaal later.
Maar met de maaltijden hadden de luchtreizigers hiermede geen rekening
gehouden, zij hadden gegeten wanneer zij honger hadden.
De beide meisjes werden op dit oogenblik wakker, wreven zich de oogen
uit en keken nieuwsgierig naar beneden.
Maar zij zagen niets dan water en nog eens water, van een heerlijke
diepblauwe kleur, zooals men zich altijd Italiaansche meren voorstelt.
Maar in de verte doemden kleine stippen en vlekken op, dat waren de
ontelbare eilanden, die hier als het ware in zee gestrooid lijken te
zijn door een reuzenhand.
Raffles liet nu de machine zeer aanzienlijk rijzen en nu was er niets
meer te zien, noch van de eilanden, noch van de zee, want een
wolkenbank breidde zich tusschen de machine en de aarde uit.
Anderhalf uur later daalde Raffles weder, de zee werd nu zichtbaar, hij
raadpleegde nauwkeurig de kaart, die voor hem was opgehangen, en nu
begon hij in groote kringen te dalen.
Daarginds aan den gezichtseinder, op ongeveer acht kilometer afstand,
doemden de vormen van een eenzaam eiland op.
Het geleek nu nog een stip, maar zienderoogen werd het grooter, van een
stip werd het een vlek, en toen verkreeg het een duidelijk te herkennen
vorm: langgerekt en eenigszins gebogen in den vorm van een boomerang.
En tien minuten later streek de machine neder in het midden van een
geurige weide, waardoor een vriendelijk klaterend beekje zich een weg
baande.
Aan het einde van dit weiland verhief zich een kleine houten hut,
stevig gebouwd en omringd door een soort tuintje.
Raffles had de machine tot stilstand gebracht, wipte snel op den grond
en hielp de meisjes bij het uitstappen.
Zij waren geheel verstijfd, maar een kwartier loopen zou den
bloedsomloop wel weder geheel herstellen.
Voorzichtig droegen Raffles, Charly en Jerry den bewusteloozen
Macmillan uit de vliegmachine over het weiland in de hut en legden hem
daar op een gemakkelijke rustbank.
En toen nam Raffles de beide meisjes weer mee naar buiten en begon,
terwijl hij met flinken pas met hen op en neer liep:
„Luister nu eens, Miss Rose en ook gij, Miss Ellen. Gij ziet, dat ik
dusverre mijn woord heb gehouden, en als alles goed gaat, dan kunt gij
over twee maanden uw goeden vader weder geheel genezen in de armen
sluiten.
„Ik zal een brief voor hem achter laten, dien Jerry hem ter hand moet
stellen, zoodra hij uit zijn bewusteloosheid ontwaakt is.”
„Maar mogen wij daar dan niet bij zijn, mijnheer?” vroeg Ellen op
smeekenden toon.
„Ik had de vraag wel verwacht, Miss, en ik moet er weigerend op
antwoorden, hoeveel leed het mij ook doet. Bedenk toch zelf eens,
hoezeer het uw vader zou smarten, als hij reeds nu onzen kleinen toeleg
doorzag. Hij zou niet van u willen scheiden, hij zou mede terug willen
en gij zoudt misschien de kracht missen om hem te weerstaan. Zeg eens
eerlijk—heb ik het niet bij het goede einde?”
Ellen boog het hoofd en haar stilzwijgen antwoordde voor haar.
„Ik zal uw vader, zoodra gij voldoende hersteld zijt van de
vermoeienissen van de reis en alles hier hebt opgenomen, het middel
toedienen, en gij belooft mij, dat gij u dan dadelijk met mij
inscheept. Ik van mijn kant doe u de toezegging, dat wij hier zullen
blijven rondvliegen, totdat Jerry door het wuiven met zijn zakdoek ons
te kennen heeft gegeven, dat uw vader ontwaakt is en zich in goeden
welstand bevindt. Hebt gij daar vrede mee?”
„Gij zijt een goed, een edel mensch, mijnheer,” riep Ellen uit, met een
spontane beweging sloeg zij den armen om den hals van den gewaanden
grijsaard en drukte hem een stevigen kus op de wang.
Raffles maakte de teedere armen om zijn hals zachtjes los en zeide op
eenigszins heeschen toon:
„Dat moet gij niet doen, Miss. Ik heb het werkelijk niet verdiend. Gij
weet immers niet eens, wie ik ben!”
„Dat weet ik wel,” riep Ellen levendig uit. „Ik heb het u zooeven reeds
gezegd, gij zijt een edelmoedig mensch en wij zijn u ons geluk
verschuldigd!”
„Loop niet op de gebeurtenissen vooruit, Miss—wij moeten nog afwachten,
of uw vader de ziekte zal doorstaan, die hem ongetwijfeld zal
overvallen, wanneer hij zich zoo plotseling van opium verstoken ziet.
En nu zullen wij alles eens gaan uitladen, wat hij en Jerry noodig
hebben.”
Charly en Jerry werden geroepen en nu werden de levensmiddelen,
lucifers, patronen, geweren, dekens, een paar spaden en andere
voorwerpen naar de hut gedragen.
Daar stonden reeds de onmisbare meubelen, een tafel en eenige stoelen,
een paar bedden, een kast met vaatwerk, en zoo voorts.
Toen dit alles zoo geschikt was, werd op het gras in de buitenlucht een
stevige maaltijd gebruikt, door Jerry en Charly bereid en daarna werd
een korte wandeling over het eiland gemaakt, want binnen een uur zou
het geheel duister zijn en dan moest de terugreis aanvaard zijn, maar
Raffles nam zich voor, dadelijk daarna op een ander eiland, waar ook
hij alleen meester was, opnieuw te dalen en de vermoeide meisjes in de
gelegenheid te stellen zich door een ongestoorde nachtrust voor te
bereiden op de bezwaren van de terugreis.
Rose en Ellen waren verrukt over de verblijfplaats, waar hun vader twee
maanden zou vertoeven—over het prachtige geboomte, de malsche weiden,
de heldere beekjes met hun kristalklaar water, de wilde geiten, de
boschvarkens, die zij zagen voorbij snellen, de schelkleurige
papegaaien en zelfs over den reuk van de cacaoplanten en de
tamarindebloesems.
Zoodra men was teruggekeerd, diende Raffles den bewusteloozen Macmillan
het tegenmiddel toe, de meisjes namen weenend afscheid van den trouwen
Jerry, die zelf zijn tranen niet kon bedwingen, Raffles wachtte nog een
kwartier en toen de eerste huiveringen over het onbewegelijke gelaat
van den bewusteloozen man begonnen te loopen, voerde hij Rose en Ellen
snel met zich mede, en eenige minuten later steeg de vliegmachine boven
het eiland.
Tien minuten bleef zij in groote kringen op een hoogte van driehonderd
meter rondcirkelen en toen kwam er een man uit de hut snellen, die met
een grooten witten zakdoek zwaaide....
HET EINDE VAN EEN SCHURK.
Een maand was verloopen, en Raffles en Charly hadden in dien tijd al
weder menig avontuur beleefd.
Zij waren in dien tijd in het geheel driemaal naar Mysteria geweest,
telkens met de vliegmachine en nu in gezelschap van Henderson, teneinde
zich te overtuigen dat alles in orde was.
Eenmaal hadden zij de kans gezien met Jerry te praten, die alleen in de
hut was, terwijl zijn meester ver weg aan het jagen was en deze had hun
met tranen van dankbaarheid in de oogen medegedeeld, dat Macmillan op
den weg naar een volkomen beterschap was, krachtiger, gezonder en
levenslustiger was geworden.
Hij was zeer ziek geweest, bijna een week lang, maar Jerry had hem
opgepast, hem de middelen toegediend welke Raffles bij hem had
achtergelaten en aan hem was de overwinning gebleven.
Sinds dien was Macmillan voortdurend vooruitgegaan, en hij had zelfs
reeds verzekerd, zich sterk genoeg te gevoelen, om nu reeds naar Londen
terug te keeren.
Maar Raffles wilde het zekere voor het onzekere nemen en de drie
reizigers waren gegaan, zooals zij gekomen waren.
Maar in Londen hadden de zaken een onverwachten keer gekregen.
Rose en Ellen hadden zich op dringend verzoek van Raffles volstrekt
niet uitgelaten over de zonderlinge reis, welke zij in gezelschap van
hun vader hadden gemaakt—en het natuurlijk gevolg was geweest, dat de
bladen veertien dagen na het vertrek van Jeffries Macmillan volstonden
met berichten over „De zonderlinge verdwijning van een schatrijken
stadgenoot.”
Er waren reeds vele reporters in het groote huis aan de Portland-Place
geweest en aan hen allen hadden de twee meisjes medegedeeld, dat hun
vader een verre reis maakte, hoewel zij niet wisten waarheen en dat zij
zich daarom volstrekt niet ongerust maakten.
Maar er was een man, die zich wel ongerust wilde maken, omdat nu
eenmaal zoo in zijn kraam te pas kwam en die man was George Spider.
Hij was advocaat geweest en hij kende de wet op een prik.
Hij wist, dat als de verdwijning een maand geduurd had, het fortuin van
den verdwenene van rechtswege beheerd zou moeten worden, ten bate van
de beide dochters van Macmillan en hij wist ook, dat zeer
waarschijnlijk, ja zeker, de rechtbank hem tot toeziend voogd en tot
curator zou aanstellen.
Er was dan ook geen dag verloopen, na afloop van den termijn, of Spider
meldde zich bij zijn nichtjes aan.
Hij werd in de groote ontvangkamer gelaten en begon daar voorzichtig,
met lijzige stem en zoetsappige manieren, zijn voornemens uiteen te
zetten, om als voogd van de twee meisjes op te treden.
Deze hadden zwijgend toegeluisterd en op haar gelaat was duidelijk de
afkeer te lezen, welken zij instinctmatig voor dien man met zijn bleek
gelaat en zijn saterkop gevoelden.
Toen Spider zweeg, zeide Rose eenvoudig:
„Wij danken u voor uw aanbod, oom George, maar wij zullen er geen
gebruik van maken. Wij wenschen iemand anders tot voogd.”
Een leelijke glimlach plooide de dunne lippen van Spider.
„Ik geloof, dat ik zijn naam wel kan raden. Het is zeker de oude gek
van een Hatchock, die hier tegenwoordig zoo vaak aan huis komt?”
„Daaromtrent behoef ik u niets mede te deelen,” hernam Rose koeltjes.
„Nu, gij kunt het probeeren, maar ik denk, dat gij aan het kortste eind
zult trekken, nichtje, de Rechtbank kiest altijd in de eerste plaats
den naasten bloedverwant. Denk er nog maar eens over na—gij zult wel
tot andere gedachten komen. Het geld van uw vader kan niet langer
onbeheerd blijven, zijn zaken loopen in de war!”
Rose haalde de schouders op en gaf geen antwoord.
En George Spider greep zijn hoed en verdween.
Hij zelf wist eigenlijk niet goed, wat hij van de verdwijning van
Macmillan moest denken.
Hij vermoedde echter, dat zijn neef in een aanval van wanhoop een eind
aan zijn leven had gemaakt door in de Theems te springen.
Maar daarvan was hij in het geheel niet zeker. Want Jerry was immers
ook verdwenen!
Het was zeer wel mogelijk, dat zijn neef inderdaad op reis was gegaan,
waarom zouden zijn nichtjes er ook om liegen?
Maar hoe dan ook, hij begreep, dat het van het grootste belang was,
zich nu aanstonds een warm plaatsje te verzekeren in het huis van zijn
neef, dicht bij zijn brandkast, want die oude bemoeial van een Hatchock
zou wel eens roet in het eten kunnen gooien.
George Spider wist, dat hij een hoog spel speelde—hij stond aan den
rand van den afgrond, met zijn geldmiddelen was het ellendig gesteld en
hij moest dezen slag winnen, anders was zijn bestaan ten gronde
gericht.
Hij begaf zich dan ook dienzelfden dag naar den President van de
Rechtbank welke over dergelijke zaken te beslissen had en vernam van
dezen magistraat, dat Rose inderdaad reeds tot hem het verzoek had
gericht, Jerome Hatchock tot toeziend voogd en curator te benoemen.
Spider schrok niet weinig, want hij begreep dat hij juist bijtijds was
gekomen.
Hij zette den Rechter de familieomstandigheden uiteen en toen deze
vernam, dat Spider de eenige naaste bloedverwant was, een eigen oom van
den verdwenene, toen mocht hij niet aarzelen, maar benoemde nog
dienzelfden dag den schurk tot curator en voogd.
En den volgenden morgen nam Spider zijn intrek in het huis van zijn
neef, liet diens secretaris zijn aanstelling zien, deed zich de
sleutels overhandigen, kortom hij installeerde zich als heer des
huizes.
Met angst en woede in het hart hadden de beide meisjes dit aangezien,
maar zij begrepen wel, dat zij tegen een besluit van de Rechtbank toch
niet zouden kunnen opkomen.
Maar zij deden iets beters—zij stelden dadelijk hun trouwen beschermer
op de hoogte en van dat oogenblik af werden zij nauwkeuriger bewaakt,
dan dat het door Scotland Yard had kunnen geschieden.
En Spider werd, zonder dat hij er het flauwste vermoeden van had,
nauwkeurig in het oog gehouden.
Al zijn gangen buitenshuis werden nagegaan en zijn transacties aan de
beurs waren Raffles evengoed bekend als zijn eigen ondernemingen.
Maar Spider scheen wel te begrijpen, dat er voorloopig niet aan te
denken viel, iets met het geld uit te richten, dat hem niet toekwam,
want men zou hem in den aanvang wel goed op de vingers zien.
Maar de ellendeling begon zich te gewennen aan de weelde, die hem
omringde, en het denkbeeld, dat hij het geld misschien ooit weder zou
moeten afstaan, was hem onverdragelijk.
Er waren nu nog twee weken voorbijgegaan en nog altijd was Macmillan
niet teruggekeerd, evenmin als de oude Jerry.
Hun lijken waren ook niet gevonden en toen maakte zich een schrikbeeld
meester van Spider, het schrikbeeld van een onverwachten terugkeer!
Misschien waren zij toch wel degelijk op reis, al had niemand daar iets
van geweten—en dan zouden zij wel eens terug kunnen keeren—hij zou zijn
gemakkelijken stoel in het weelderige werkvertrek weder moeten
prijsgeven, hij zou geen dure sigaren meer kunnen rooken, niet meer in
de prachtige auto van zijn neef kunnen rijden, in het kort, zijn rijk
zou uit zijn!
Maar nooit—nooit zou hij daarin toestemmen!
En zijn hersens peinsden over middelen, om dit te voorkomen.
Hij besefte vaag, dat er iets gebeurd moest zijn, dat zijn belangen
wederstreefde—dat Macmillan zich had weten te ontworstelen aan de greep
van de opium en als dat werkelijk het geval was, als hij weder een
normaal, krachtig mensch zou worden, dan zou hij, Spider, natuurlijk
verloren zijn!
Rusteloos dacht hij na—en tenslotte meende hij het te hebben gevonden.
Hij verbaasde er zich zelf over, dat dit denkbeeld niet eerder bij hem
had postgevat.
Rose was een week of drie geleden jarig geweest, zij was nu negentien
jaar—hij zou haar ten huwelijk vragen en alles was geregeld.
In geval Macmillan inderdaad terugkeerde zou hij hem als zijn
schoonzoon moeten aanvaarden en het geld zou voor hem niet verloren
zijn.
Spider was er de man niet naar om te treuzelen met de uitvoering van
een plan, hetwelk hij zich eenmaal in het hoofd had gehaald.
Van dien dag aan begon hij Rose met attenties overladen.
Nu eens bracht hij een fraaien ruiker voor haar mede, dan eens noodigde
hij haar uit, om hem naar den schouwburg te vergezellen, wat het jonge
meisje echter nooit anders deed dan in gezelschap van haar zuster, dan
weder nam hij haar mede op een autotochtje en eenmaal had hij haar
zelfs een fraaien armband ten geschenke gegeven.
Aanvankelijk begreep Rose niet goed, wat deze plotselinge verandering
in het tamelijk onvriendelijke gedrag van haar oom eigenlijk moest
beteekenen, maar het duurde niet lang, of zij doorgrondde de waarheid,
en toen deinsde zij daarvoor terug alsof zij op een adder getrapt had.
De dagen verliepen en steeds duidelijker trad het voornemen van Spider
aan het licht.
Rose had van dit alles echter niets durven mededeelen aan haar ouden
trouwen vriend Hatchock, want dat verbood haar vrouwelijke schroom.
Ja, als zij nog maar een moeder had gehad, dan zou zij aan haar wel
haar hart hebben uitgestort. Maar nu moest zij dit alles in haar
binnenste bewaren en slechts hopen op de spoedige terugkomst van haar
vader.
Het was nu juist twee maanden geleden sedert de vliegmachine met
Macmillan naar Mysteria vertrokken was en omstreeks vier uur in den
middag toen Spider zonder kloppen het vertrek binnenkwam, waar Rose
zich ophield, bezig met een handwerkje.
Het jonge meisje dacht aan haar vader en zij telde de uren, die hen nog
van zijn terugkomst zouden scheiden.
Het drukte haar zwaar, dat zij over zijn verblijfplaats moest zwijgen,
maar over een paar dagen, morgen misschien reeds, zou alles goed zijn.
Zij keek verschrikt op, toen Spider binnentrad, bleeker nog dan anders
en voor de deur bleef staan.
„Wat is er oom?” vroeg zij terwijl zij toornig de wenkbrauwen fronste.
„Sedert wanneer treedt men onaangediend mijn vertrek binnen?”
„Kom, kom, meisje, niet dat booze gezicht. Dat staat je niet. Ik ben
toch je oom, ik mag mij wel eenige vrijheden veroorloven—en je weet nu
toch wel, welke gevoelens mij tegenover je bezielen!”
„Ja, dat weet ik maar al te goed!” riep Rose schamper uit. „Ik zou wel
blind moeten zijn, als ik het niet gemerkt had.”
„Welnu, dan kunnen wij wel recht op het doel afgaan. Je weet, dat ik je
lief heb, Rose en ik kom nu je antwoord halen op mijn onuitgesproken
verzoek, wil je mijn vrouw worden?”
„Neen oom,” antwoordde Rose kortaf en zij boog zich weder over haar
werk.
„Neen?” herhaalde Spider langzaam, terwijl hij een stap achteruit deed
en de armen over de borst kruiste.
Er was een leelijke boosaardige glimlach op zijn gelaat verschenen.
„Neen?” herhaalde hij nog eens. „Kom, kom, dat antwoord kan toch niet
beslissend zijn.”
„Het is beslissend, oom,” antwoordde Rose vastberaden. „Praat hier
nooit meer over en laat mij nu alleen, wat ik u verzoeken mag!”
„Je alleen laten, mijn hartje? dat kun je niet meenen. Ik heb je lief
en ik laat mij niet zoo afschepen. Ik zeg je—je zult mijn vrouw
worden!”
Rose sprong toornig op, wierp haar borduurwerk weg en wees met een
gebiedend gebaar naar de deur.
„Verlaat nu onmiddellijk dit vertrek, mijnheer—uw aanwezigheid walgt
mij!”
„O, dat zal wel veranderen,” hernam Spider op sarrenden toon, terwijl
hij een stap naderbij kwam.
„Ga heen—of ik schel de bedienden!”
„Daarbij zoudt gij toch eerst bij het schellekoord moeten kunnen
komen!” hernam Spider.
„En zoudt gij mij dat beletten?”
„Wel zeker, ik zou geen oogenblik aarzelen. Trouwens, alle bedienden
zijn uit—ik heb hen met opzet weggezonden. En ook je zuster is er
niet!”
Rose verbleekte en stamelde:
„Wat heeft dat te beteekenen?”
„Dat beteekent, schoon kind, dan zal ik je dwingen mijn vrouw te zijn,
als je niet vrijwillig mij het jawoord geeft.”
Er lag nu zulk een afschuwelijke uitdrukking op het Satergezicht van
den ellendeling, dat Rose bleek en bevend op dezelfde plek bleef staan.
Het was haar, alsof zij in een diepen kuil zag, gevuld met de
afzichtelijkste slangen, die haar met hun oogen duivelachtig
aanstaarden.
„U—u zoudt durven—” stamelde zij eenige malen achtereen, nauwelijks
wetend wat zij zeide.
„O, ik durf alles!” hernam Spider met een hatelijk lachje.
Hij was met een paar stappen bij het jongemeisje en greep haar in zijn
armen.
Hij droeg haar half, sleepte haar half naar de sofa die tegen een der
wanden stond.
Rose streefde tegen, maar zij gevoelde dat haar krachten haar snel
begaven.
Het was haar, of een roode nevel voor haar oogen kwam.
Uit instinct verweerde zij zich zwakjes.
Spider had het machtelooze lichaam op de sofa geworpen.
Hij boog zich met een glans van duivelschen lust in zijn oogen over
haar heen en strekte de bevende hand naar haar boezem uit, toen
eensklaps een geluid in de gang hem onbewegelijk stil deed staan.
Hij sperde zijn oogen open, als zag hij een geestverschijning, en toen
kwam het rochelend van zijn lippen:
„Die stem—die vervloekte stem. Hij is dus teruggekomen. En zijn stem
klinkt luid en sterk. Hij is genezen. Verdoemd—hij is genezen!”
Met een gillenden lach was hij de kamer uit.
Hij snelde naar zijn eigen vertrek, rukte een lade open van zijn
schrijftafel, nam er een revolver uit, zette het wapen tegen zijn slaap
en drukte af....
Eenige minuten later drukten vader en dochter elkander weenend in de
armen.
Rose hield een volkomen gezonden, sterken, genezen man aan haar borst
geklemd.
En op den achtergrond stond Jerry, van vreugde en geluk weenend.
Maar van den man met het witte haar was in het geheel niets meer te
zien, evenmin als van zijn metgezellen.
En nimmer zou Jeffries Macmillan weten, wie eigenlijk Jerome Hatchock
geweest was—en of hij wel ooit bestaan had!
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0350: DE OPIUMSCHUIVER ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you
are not located in the United States, you will have to check the laws
of the country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
the use of Project Gutenberg works calculated using the method
you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
within 60 days following each date on which you prepare (or are
legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
payments should be clearly marked as such and sent to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
License. You must require such a user to return or destroy all
copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free
distribution of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.