Lord Lister No. 0345: De bankroovers

By Matull, Blankensee, and Hageman

The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0345: De bankroovers
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0345: De bankroovers

Author: Kurt Matull
        Theo von Blankensee
        Felix Hageman


        
Release date: May 14, 2026 [eBook #78683]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78683

Credits: The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0345: DE BANKROOVERS ***




                              LORD LISTER
                            GENAAMD RAFFLES
                          DE GROOTE ONBEKENDE.

                       NO. 345   DE BANKROOVERS.








DE BANKROOVERS.


HOOFDSTUK I.

HET GERUCHT ONDER DEN GROND.


Het was ongeveer twee uur in den middag toen twee heeren den grooten
tuin overstaken, die zich bevindt achter een der grootste huizen van de
Regent-Street, niet ver van Pall Mall.

Het huis behoorde toe aan Lord William Aberdeen, den bekenden
Londenschen philantroop.

De grootste van de beide heeren, die daar door den tuin liepen en hun
schreden richtten naar een groot tuinhuis, was Lord Aberdeen zelf, maar
de jonge man die bij hem was, Charly Brand geheeten, kende hem als John
Raffles, den Grooten Onbekende.

Zij hadden nu het tuinhuis bereikt, en gingen binnen.

Indien wellicht een buurman, ondanks het dichte geboomte de beide
heeren daar had zien binnentreden, dan zou hij zich toch niet verbaasd
hebben, want hij kon weten, dat Zijne Lordschap een zeer ontwikkeld man
was, die zich met zijn secretaris druk bezig hield met het nemen van
proeven op het gebied der chemie.

Maar wat hij niet wist of kon weten, dat was, dat men het voornaamste
gedeelte van het tuinhuis niet boven, maar onder den grond moest
zoeken.

Maar daar bevond zich de geheime werkplaats, daar was ook het
laboratorium, waar de Groote Onbekende eenige zijner meest verrassende
uitvindingen had gedaan, daar was het plan voor de electrische
vliegmachine ontstaan, welke zich met een snelheid van 500 kilometer
per uur door de lucht kon bewegen. Daar was ook het aanschijn gegeven
aan de plannen van de wonderbare duikboot, kleiner dan de kleinste
oorlogsduikboot, maar zeker drie maal zoo snel.

Het tuinhuis bevatte twee vertrekken, het eigenlijke chemische
laboratorium waar de beide onafscheidelijke vrienden ook zeer vaak
werkten, en een soort rookkamer, die tevens een kleine
wetenschappelijke boekerij bevatte.

En in deze rookkamer, ter hoogte van den monumentalen schoorsteen,
bevond zich de ingang naar de onderaardsche werkplaats.

Door het verdraaien van een der kleine krullen in de gebeeldhouwde
lijst van den spiegel, schoof een stuk van den schoorsteen terzijde en
men bevond zich dan in een zeer smallen gang, nauwelijks vier decimeter
breed, en waarin een zeer zwaarlijvig man zich zelfs niet had kunnen
bewegen.

De beide heeren waren zoo juist het vertrek binnengetreden, en nu begon
Raffles:

„Nu zal ik je eens zeggen, waarom ik je eigenlijk hier heb gebracht.”

„Ik ben er nieuwsgierig naar.”

„Je weet dat eergisteren in een winkel in de Grosvenor-Street een
allerhevigste ontploffing heeft plaats gehad.”

Charly Brand keek Raffles verbluft aan en zeide:

„Ja, ik meen zoo iets gelezen te hebben. Tot op een half uur gaans
waren de ruiten van de huizen gesprongen, en er zijn drie personen
zwaar gewond. Ik kan mij alleen met den besten wil van de wereld niet
voorstellen, op welke wijze dit in verband kan staan met je verzoek om
hier heen te gaan!”

„Maar wij blijven hier niet, wij gaan verder naar beneden!”

„Maar om wat te doen dan toch?”

„Heb je het nog niet begrepen? Luister dan. De onderaardsche tunnel van
dit huis naar mijn huis in de Victoria-Street loopt op slechts weinige
schreden afstands van de Grosvenor-Street en de gasontploffing heeft
plaats gehad in een grooten kelder. Het is dus niet onmogelijk, dat die
ontploffing schade aan onze tunnel heeft toegebracht, en ofschoon wij
haar in geruimen tijd niet gebruikt hebben, moeten wij haar toch steeds
in goeden staat houden, men kan nooit weten, hoe zij ons nog eens kan
dienen! Je weet, dat ik eenige jaren geleden het bestaan van dien
onderaardschen gang bij toeval ontdekte, en mij toen gehaast heb, haar
te verbeteren, en over een tiental meters door te trekken, totdat zij
uitliep op onze onderaardsche werkplaats.”

„Nu begrijp ik het!” riep Charly uit. „Je wilt dus een kleine
inspectie-reis ondernemen.”

„Zoo is het! Ik wil mij overtuigen, of de tunnel ergens is ingestort,
om nu maar dadelijk het grootste ongeluk te noemen, en dat de
spoorstaaf niet verbogen is, waarover ons twee wielig, electrisch
wagentje rijdt. Het is verder niet buitengesloten, dat de electrische
geleidingsdraad door den schok is gebroken, dat alles wil ik
onderzoeken.”

„Nu ik ben tot je dienst.”

Raffles trad nu op den spiegel toe, draaide aan de krul en geruischloos
schoof een stuk van den schoorsteen zoover terzijde, dat er een opening
ontstond bijna anderhalven meter hoog en omstreeks een halven meter
breed.

De beide mannen gingen er achtereenvolgens door, en door aan een
kleinen hefboom te trekken, liet Raffles den schoorsteen weder op zijn
plaats terug gaan.

De twee vrienden liepen een tiental passen door den smallen gang die
niet anders was dan de ruimte tusschen den buitenmuur van het tuinhuis
en den loozen muur van het vertrek en bereikten zoo een smalle ijzeren
trap, die naar het binnenste van de aarde scheen af te dalen.

Het werd spoedig zeer donker, en de beide vrienden ontstaken hun
electrische zaklantaarn.

De trap had dertig treden en eindigde in een soort kelderruimte.

Met een eigenaardig gevormden sleutel opende Raffles een stalen deur en
nu stonden de mannen in het laboratorium.

Raffles draaide een schakelaar van het licht om, en nu baadde het
vertrek in een zee van licht, uitgestraald door een viertal groote
booglampen.

Hier bevond zich een volmaakte inrichting voor het doen van proeven op
allerlei gebied, die menig professor of leeraar aan de Universiteit
Raffles zou hebben benijd.

Een tweede deur gaf toegang tot een ander vertrek, bijna even groot,
waar een paar werkbanken stonden, een kleine smidse, een electrische
smeltoven, een machine voor houtbewerking, waar Raffles zelf zijn
modellen vervaardigde, en een groot rek met de beste en fijnste
gereedschappen.

En hier ook begon de ingang van de tunnel, welke Raffles bij toeval
ontdekt had, en die waarschijnlijk dateerde uit de middeleeuwen, toen
Londen letterlijk onder den grond een doolhof van gangen en geheime
plaatsen had voor bijeenkomsten van verschillende secten, die toen
achtereenvolgens aan vervolging bloot stonden.

Op den vloer glinsterde iets, dat was de stalen spoorstaaf, waarover
een klein wagentje kon glijden, dat plaats bood voor drie personen, die
op een soort zadel konden gaan zitten.

Maar het wagentje was op het oogenblik aan het ander uiteinde van de
tunnel, die bijna vijf kilometer lang was.

Raffles haalde een stang over, die dicht naast den ingang aan de tunnel
aan den muur bevestigd was en de beide mannen wachtten.

Maar zij wachtten vruchteloos, er verscheen niets.

„Ik heb het wel gevreesd, er is iets niet in orde,” mompelde Raffles.
„Als de automatisch-electrische inrichting nog werkte, dan had het
wagentje reeds lang hier moeten zijn. Er is niets aan te doen, Charly,
wij zullen er te voet op uit moeten.”

De beide mannen hadden reeds hun grijze werkjassen over hun kleederen
aangetrokken en hingen nu hun krachtige electrische lantaarns aan een
haak voor hun borst.

Want het was gebleken, dat ook de electrische lichtleiding verbroken
was.

Het schijnsel van de beide lantaarns verlichtte nu het begin van de
tunnel.

Zij had bijna overal een zuiver ronde doorsnede, maar de vloer was vlak
gemaakt, om er des te steviger de enkele spoorstaaf op te kunnen
bevestigen, waarover het electrische gedreven wagentje liep, dat met
een snelheid van ruim honderd kilometer per uur door deze onderaardsche
gang snelde.

Naast deze spoorstaaf bevond zich een smal plankier, die juist ruimte
genoeg bood aan twee personen, om naast elkander voort te loopen.

De tunnel was bijna twee meter hoog en Raffles kon er met gemak rechtop
in loopen, zonder gevaar voor een ongewenschte aanraking met de
electrische draden, die langs den bovenkant van de tunnel liepen.

Na ongeveer een half uur te hebben voortgeloopen, stond Raffles, die
zijn blikken onafgewend op de electrische draden gevestigd had
gehouden, eensklaps stil.

Hij had een plek bereikt, waar de geleidingsdraad door den hevigen
schok der ontploffing was afgebroken.

Het uiteinde van den draad lag op den vloer van de tunnel.

De twee mannen hingen nu hun lantaarns aan een der steunijzers voor den
geleidingsdraad en ontpakten hun gereedschapstasch, teneinde den draad
aanstonds te herstellen.

Binnen een half uur waren zij hiermede gereed.

Maar het bleek, dat hier niet de eenige plaats was, waar de draad was
vernield.

Want toen Raffles een van de schakelaars omdraaide, waarvan er ook in
de tunnel een aantal te vinden waren, bleef het nog altijd duister, met
uitzondering van het licht der beide zaklantaarns.

Niet ver van de Grosvenor-Street vonden zij de tweede breuk.

Ook deze herstelden zij, en toen Raffles opnieuw een schakelaar
omzette, straalden een groot aantal gloeilampjes hun licht uit, die op
geregelde afstanden langs de bovenzijde van de tunnel waren
aangebracht.

Hier en daar was de kalk uit de voegen tusschen de eeuwen oude steenen
gevallen, en het smalle plankier was op enkele plaatsen ontzet.

Maar de stalen spoorstaaf was gelukkig in het minst niet verbogen, alle
bouten en moeren, waarmede zij op het plankier bevestigd was, bevonden
zich nog in den besten staat.

Maar ook de draad was gebroken, die aan beide zijde van de tunnel
uitliep op een klein toestel, hetwelk weder in verbinding stond met den
electromotor van het wagentje.

Wanneer men aan het eene uiteinde van de onderaardsche gang op een knop
drukte, of een kleinen hefboom overhaalde, dan werd de electrische
stroom gesloten, een kernspoel werd magnetisch en trok een weekijzeren
anker tot zich, waardoor een nok losschoot, welke den hefboom in
bedwang hield, die den motor en tevens de giroscoop van het electrische
wagentje in gang zette, hetwelk zich dan met groote snelheid in
beweging zette.

Ook deze verbindingsdraad was spoedig gelascht, en nu zetten de beide
mannen hun weg voort naar het andere einde van de tunnel.

Na nog bijna een uur loopens kwamen zij aan een plek, waar de tunnel
eensklaps veel breeder werd.

Het licht van de gloeilampjes weerkaatste op het staal en het koper van
een eigenaardig gevormd wagentje, niet veel grooter dan een groote
kruiwagen, voorzien van drie achter elkander geplaatste zadels, en van
een ondiepen bak, waarin men van alles kon mede nemen.

In het midden, beschermd door een metalen kap, bevond zich het zware
vliegwiel van de giroscoop, dat tijdens den rit uiterst snel
ronddraaide, als een tol werkte, en dus het wagentje op zijn twee
achter elkander loopende wielen even goed in evenwicht hield, alsof het
er vier had bezeten.

Onder ieder zadel waren een paar pedalen zichtbaar, zooals bij een
gewoon rijwiel, die ten doel hadden, het wagentje met menschelijke
spierkracht toch nog te kunnen voortbewegen, ingeval door een of ander
ongeluk de motor mocht weigeren.

Raffles en Charly traden op het wagentje toe, en onderzochten het
nauwkeurig.

Alles was in de beste orde, en het zou desnoods dadelijk gebruikt
kunnen worden.

„Wij zullen nu weder terug loopen, om ons te overtuigen, dat alles in
orde is en wij niets hebben overgeslagen, en dan aan den anderen kant
eens beproeven, of de startinrichting nu werkt!” zeide Raffles.

En zoo ondernamen de beide vrienden weder den terugweg door de tunnel,
die bijna vijf kilometer lang was.

Zij hadden reeds weder de plek bereikt, waar de herstelling had plaats
gehad, toen Raffles eensklaps stilstond, en met een gebaar Charly
dwong, hetzelfde te doen.

„Wat is er?” vroeg de jonge man verwonderd.

„Luister eens, hoor je niets?”

Charly luisterde ingespannen, en keek toen Raffles vragend aan.

„Wat zou dat zijn?” kwam hij toen. „Wat is dat voor een zonderling
gerucht?”

„Ik wilde je juist hetzelfde vragen!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik heb
de tunnel reeds lang in gebruik, maar het is voor het eerst, dat ik er
ooit eenig gerucht in vernam, dat weet ik zeker.”

De twee mannen stonden onbewegelijk en luisterden.

Een dof, zoemend, snorrend geluid drong tot hen door, sterk gedempt
door de dikke muren van de tunnel, maar toch duidelijk verneembaar.

Het klonk als het gonzen van een sterken motor, of van een
stoommachine.

Ook leek het, of de grond zeer snel trilde alsof er dichtbij een
exprestrein voorbij reed.

Wel een kwartier bleven Raffles en Charly in de zelfde houding staan,
zonder een woord te wisselen.

Toen richtte Raffles zich weder op, en zeide:

„Ik kan mij den aard van het geluid niet goed begrijpen. Nu eens zou ik
zeggen dat het eenigszins gelijkt op het geluid van een steenboor, die
met geweld door harde aarde wordt gedreven, dan weder doet het mij
denken aan een automobielmotor, die op den bok loopt, teneinde op proef
te draaien.”

„Waar zijn wij hier ergens?”

„Ik zou zeggen ter hoogte van de Grosvenor-Street, maar je weet, dat ik
een zeer nauwkeurig plan heb van alle straten, waaronder de tunnel
heenloopt, en ik kan dus de plek zeer nauwkeurig vaststellen, waar wij
het zonderlinge gonzen nu hooren en dat ben ik ook van plan, want een
man in mijn positie moet niets ondoorzocht laten!”








HOOFDSTUK II.

HET GELUID KOMT NADER.


Haastig gingen de beide vrienden terug naar de onderaardsche
werkplaats, en een half uur later stonden zij weder aan het uiteinde
van de tunnel.

Gedreven door een gevoel van achterdocht waaraan hij nog geen naam wist
te geven, zag Raffles er van af, het starttoestel te beproeven.

Hij wilde geen gerucht in de tunnel veroorzaken, al was het ook niet
luider dan dat hetwelk veroorzaakt werd door het rijden van het
electrische wagentje.

Raffles en Charly beklommen opnieuw de geheime trap, en traden door het
gat naast den schoorsteen weder in het paviljoen.

Door den tuin bereikten zij het huis en dadelijk begaven zij zich naar
de bibliotheek, waar Raffles uit een geheim vak van de groote
boekenkast een portefeuille nam, welke hij geopend voor zich op tafel
legde.

Hij zocht eenigen tijd tusschen de papieren, die er zich in bevonden,
nam er tenslotte een teekening uit, een soort plattegrond, met strepen,
namen en cijfers bedekt, en zeide:

„Op deze schets kunnen wij van meter tot meter nagaan, waar wij ons
ergens bevinden, als wij in de tunnel zijn afgedaald. De plek waar wij
het vreemde gerucht hoorden, moet zich bevinden omtrent den hoek van de
Grosvenor-Street en de Baker-Street. Nog heden zullen wij daar eens een
kijkje gaan nemen, want om je de waarheid te zeggen, bevalt mij dat
ondergrondsche geluid niet!”

„Zou de Gemeente misschien ergens bezig zijn met het leggen van
buizen?”

„Ik ontken het niet! Maar dan houdt de Gemeente er tegenwoordig
eigenaardige methodes op na. Tot dusverre werd eenvoudig een soort
loopgraaf gedelfd nadat men het asphalt had opgebroken en in dien kuil
werd de buis neder gelaten. Voor zoo ver ik weet, gaat het overal ter
wereld zoo toe!”

„Er wordt toch nergens een nieuwe lijn van de Underground aangelegd?”

„Niet bij mijn weten, maar het is niet geheel onmogelijk, en daarom
zullen wij het maar eens dadelijk gaan onderzoeken!”

Hij borg het papier weder in de map, schoof haar in het geheime vak, en
wendde zich weder tot Charly met de opmerking:

„Mij dunkt, dat wij, als er werkelijk een nieuwe tunnel werd geboord,
ten behoeve van den ondergrondschen spoorweg, de uiterlijke kenteekenen
daarvan hadden moeten zien want wij zijn in de laatste dagen dien kant
nog al eens uit gekomen. Wij zullen het echter spoedig weten.”

Raffles nam de huistelefoon ter hand en stelde zich in verbinding met
Henderson, den chauffeur, die op de hoogte was van menige onderneming
van zijn meester en aan tal van gevaarlijke avonturen een levendig
aandeel had genomen.

Vijf minuten later stond de groote, blauw gelakte auto van Zijne
Lordschap William Aberdeen voor de deur.

Raffles en Charly verlieten het huis en de eerste wendde zich tot
Henderson, een man van reusachtigen lichaamsbouw:

„Rijdt ons eens naar de Baker-Street, Henderson, maar vooral geen
spoed, als ik je verzoeken mag, het is ons er ditmaal eens niet om te
doen een wedstrijd met een sneltrein te houden!”

Henderson trok een bedrukt gezicht, want langzaam rijden met een auto,
die makkelijk honderd kilometer per uur kon halen, dat leek hem het
toppunt van dwaasheid.

Maar Mylord had het gezegd, en dat was voldoende.

Ongeveer een kwartier later reed de auto met een kalm gangetje door de
oude Baker-Street, na den hoek van de Grosvenor-Street te zijn
omgeslagen.

Maar nergens viel ook maar iets te bespeuren van den aanleg van een zoo
geweldig werk als de bouw van een tunnel voor den ondergrondschen
spoorweg is.

Het asphalt was overal ongeschonden en nergens viel een kuil te
ontwaren, zoo groot als een knikkerkuiltje!

Voor alle zekerheid reden de beide mannen nog door een aantal andere
straten in deze wijk, maar hun onderzoek was vruchteloos.

Toen zij weder terug reden, het was bijna halfzes, begon Raffles, die
eenigen tijd in gedachten tegen de kussens van de auto had geleund:

„Het wordt er aldus niet duidelijker op. Het gerucht bestond toch niet
alleen in onze verbeelding?”

„Aardschokken komen in Engeland wel niet veel voor, maar toch zijn zij
wel eens voorgekomen,” merkte Charly op. „Acht je het volkomen
ondenkbaar, dat hier van zulk een natuurverschijnsel sprake kan zijn?”

„Het zou mogelijk zijn, als het slechts honderd maal korter had
geduurd, mijn waarde! Aardschokken van een kwartier achter een zijn nog
nergens ter wereld voorgekomen, en zeker wel het allerminst in ons
land! Bovendien is de aard van zulk een schok een geheel andere. Het is
een bepaalde schok, geen trilling”

„Dan moet ik het opgeven!” riep Charly uit. „Tenzij er misschien vlak
boven ons hoofd een afdeeling zeer zware artillerie is
voorbijgetrokken!”

„Die uitlegging is althans heel wat aannemelijker!” kwam Raffles. „Ik
kan mij voorstellen, dat het dreunen van een groot aantal zware
kanonnen zich op groote diepte doet gevoelen. Maar toch, ik ben door
deze oplossing niet tevreden, en ik wil eens zien, of ik geen betere
kan vinden! Maar voor vandaag zullen wij ons maar niet langer met deze
aangelegenheid bezig houden, het wordt tijd voor het diner, en daarna
zouden wij naar de opera gaan, als ik mij niet vergis!”

En zoo spraken de beide vrienden dien avond geen woord meer over de
vreemde geluiden in de tunnel, die van het onderaardsche laboratorium
naar het huis in de Victoria-Street leidde.

Maar den volgenden morgen, toen Charly de kleine eetkamer binnentrad,
vond hij daar Raffles reeds zitten, met een zorglijke uitdrukking op
het gelaat.

De jonge man stak hem de hand toe en vroeg:

„Zoo vroeg reeds opgestaan? Een onaangename tijding gehad?”

„Geen onaangename tijding, maar een onaangename ontdekking, beste
Charly!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik ben zooeven in de tunnel
geweest, op de plek, waar wij gisteren het gerucht hoorden.”

„Welnu?” vroeg Charly vol spanning.

„Welnu, het geluid is sterker geworden sedert gisteren!”

„Wat!” riep Charly verwonderd uit. „Het duurde dus nog altijd voort?”

„Ja, en daarmede vervalt natuurlijk jou theorie van de voorbijrijdende
afdeeling zwaar geschut!”

„Ik moet erkennen dat die nu niet langer houdbaar is!” hernam Charly.
„Dus, het zonderlinge gerucht nadert onze tunnel?”

„Ja, en de aard laat zich nu ook reeds duidelijker en met meer
beslistheid vaststellen, het wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een
electrisch gedreven grondboor. Men gebruikt dergelijke toestellen wel
om den harden rotsgrond, dien men op vele punten onder de stad Londen
aantreft, aan te tasten en te vergruizelen alvorens hem met het houweel
en de spade verder te verwijderen.”

„Maar wat kan dit dan te beteekenen hebben?” riep Charly vol verbazing
uit.

„Dat is juist wat ik gaarne zou willen weten!” antwoordde Raffles
lakonisch. „Het staat nu wel vast, dat men een tunnel graaft, hier in
de buurt, en dat die tunnel gegraven wordt in een richting, die
volkomen of bijna rechtstandig op die van onze tunnel staat. De
gevolgen zal je zelf wel kunnen voorstellen, zonder dat ik je daar in
het bijzonder op wijs!”

„Natuurlijk! Op een goeden dag boren zij den wand van onze tunnel door
en vinden zij den weg naar je huis in de Victoria-Street zoowel als
hierheen! Het zou hoogst onaangenaam zijn!”

„Het verheugt mij dat je geen krasse termen gebruikt!” hernam Raffles
droogjes. „Inderdaad zou het buitengewoon onaangenaam zijn, zoo
onaangenaam, dat ik het in geen geval mag toestaan!”

„Maar hoe wil je het verhinderen?” kwam Charly, die nu ook begon in te
zien, dat de zaak ernstiger was dan hij oorspronkelijk vermoed had.

„Ik kan het niet verhinderen, of ik moet eerst volkomen zeker zijn van
de richting van de nieuwe tunnel, wie weet met welk doel gegraven, en
vooral van haar beginpunt!”

„Laten wij dat dan dadelijk grondig gaan onderzoeken!” riep Charly uit.

„Ik hoor uit den toon van je stem, dat je nu ook begint in te zien, dat
ons werkelijk een groot gevaar dreigt! Zeker, ik zou nu aanstonds het
eindpunt van onze tunnel kunnen vernielen, maar ten eerste zou ik aldus
een vol jaar arbeids te niet doen, en bovendien zou dat wel eens niet
voldoende kunnen zijn voor lieden die bijzonder nieuwsgierig zijn
uitgevallen! Zij zouden misschien er in slagen, het puin weg te ruimen
door de vernieling in de tunnel opgehoopt, en dan zouden zij op een
voor ons zeer noodlottigen dag toch wel eens in het tuinhuis, en verder
kunnen doordringen!”

„En je zoudt bezwaarlijk kunnen volhouden niets van het bestaan van
dien onderaardschen gang af te weten, vooral wanneer het vast stond,
dat jij zelf het begin er van verwoest had, teneinde ontdekking te
voorkomen!”

„Zeer juist geredeneerd en daarom is mij er zoo veel aan gelegen, dat
ik de plannen ken van die vreemde tunnelgravers, en voor alles het
punt, waar zij begonnen zijn.”

„Heb je eenig denkbeeld omtrent den aard van de menschen, die daar nu
in onze richting onder den grond aan het wroeten zijn?” vroeg Charly,
terwijl hij zich aan tafel zette en zich een kop thee inschonk.

„Ik wil mij niet knapper voordoen dan ik ben, ik weet er niets van en
ik vermoed ook niets, ik begrijp het alleen maar niet!”

„Op onze tunnel kan het toch onmogelijk gemunt zijn!”

„Dat lijkt mij het minst waarschijnlijk! Aan de tunnel zijn maar twee
uitgangen. Die van de Victoria-Street kan men niet binnengaan, zonder
dat een alarm in mijn slaapkamer uitkomend mij waarschuwt, en dat men
het andere einde onder den grond van onzen tuin zou hebben ontdekt dat
is volkomen buitengesloten.”

„Zou het kunnen dat een fabriek, die zich gaat uitbreiden, tusschen
haar kelders een gemeenschap wil maken?”

„Dan zouden die kelders door mijn tunnel van elkander gescheiden moeten
zijn, mijn waarde, en dat acht ik niet bijzonder aannemelijk!”

„Dan weet ik het ook niet!” riep Charly uit.

„Ontbijt maar spoedig, want ik wil geen tijd verliezen!” hernam
Raffles. „Die ganggravers maken nog al haast, zij zijn sedert gisteren
zeker wel een paar meters vooruit gekomen! In ieder geval werken zij
dus met geperfectioneerde graafwerktuigen.”

Charly repte zich zooveel hij kon, en daarop trokken de beide vrienden
hun overjassen aan en verlieten het huis, maar ditmaal zonder van de
diensten van Henderson gebruik te maken.

Te voet zouden zij wellicht iets meer kunnen ontdekken.

Zij reden per motorbus tot den hoek van Grosvenor-Street en
Baker-Street en begonnen daar hun onderzoekingstocht.

Zij liepen langzaam de straat teneinde, keerden op hun schreden terug,
stonden voor de meeste huizen, winkels en fabrieken even stil en
luisterden ingespannen.

En toch wisten zij wel, dat dit verloren moeite was, het straatrumoer
was hier zoo groot, dat het alle geluid onder den grond moest dempen,
en dat zeker als de avond nog lang niet gevallen was.

Zij doorliepen een aantal zijstraten en stegen, en daarop keerden zij
onverrichter zake, na een wandeling van bijna vier uur, weder naar het
groote huis in de Regent-Street terug.

Raffles was in een sombere stemming, want hij gevoelde, dat het gevaar
dreigend was.

Wie die geheimzinnige tunnelgravers ook mochten zijn, als zij den wand
van zijn eigen onderaardschen gang doorboorden, dan kwam een kostbaar
en tevens een gevaarlijk geheim van John Raffles alias Lord William
Aberdeen aan het licht!

Tot iederen prijs moest hij dit trachten te voorkomen!

De twee onafscheidelijke vrienden gebruikten de lunch in de kleine
eetzaal en al dien tijd spraken zij over weinig anders dan over het
vreemde graafwerk, zoo dicht in hunne nabijheid.

„Als ik maar zeer nauwkeurig de richting kende, waarin die nieuwe
tunnel op de mijne staat,” bromde Raffles, „dan zou ik ongeveer kunnen
nagaan, waarop die gravers het voorzien hebben, wat hun doel is en wie
zij zijn! Maar ik weet alleen, dat zij nader komen!”

Zoodra zij geluncht hadden, daalden de beide vrienden weder in de
tunnel af en begaven zich naar de plek, waar zij voor de eerste maal
het zonderlinge gerucht vernomen hadden.

En er kon niet aan getwijfeld worden, het geraas was veel duidelijker
verneembaar dan den vorigen dag.

Het was nu ook niet langer een onafgebroken dof gegrom, als van een
reusachtig spinnende kat, maar het werd telkens afgebroken door
hortende stooten alsof er met geweld een hard voorwerp in den grond
werd gedreven, ongeveer als bij het inheien van palen.

Wel bijna een half uur stonden de twee mannen zwijgend te luisteren.

Toen zeide Charly op zachten toon alsof hij vreesde dat men hem zou
kunnen hooren:

„Het is mij niet goed duidelijk, hoe het komt, dat men elders dit
gerucht ook niet gehoord heeft, bijvoorbeeld in de kelders van de
huizen, waaronder die vreemde tunnelgravers hun gang aanleggen!”

„Dat is heel eenvoudig, Charly! Onze eigen tunnel ligt op een diepte
van bijna twintig meters onder den grond, en geen enkele kelder in
geheel Londen ligt dieper dan hoogstens vijf meter.”

„Misschien bestaat er nog wel kans, dat zij boven of onder onze tunnel
doorgraven!”

„Ik hoop het, maar ik verwacht het niet! En daarenboven, als zij dat
werkelijk deden, dan moest de afstand tusschen de twee tunnels ook
groot zijn, anders zou onze vloer of dak of de hunne bezwijken! Als er
niet minstens twee meters aarde tusschen onze beide gangen is, dan
vrees ik het ergste!”

„Het is, als of zij hier recht op af komen!” kwam Charly, die zijn oor
tegen den wand had gedrukt.

„Ja, dien indruk heb ik ook gekregen. Misschien kan het nog een week
duren, maar misschien ook niet langer dan een dag! Men bedriegt zich
gemakkelijk over den afstand onder den grond.”

„En dat wij niet weten, waar die tunnel begint!” barstte Charly uit.
„Die lieden hebben natuurlijk weinig goeds in den zin en wij zouden het
volste recht hebben, hun de politie op het dak te zenden, die dan maar
eens moet nazien, waartoe die tunnel kan dienen!”

„Ik zou zeker geen seconde aarzelen, Charly!” gaf Raffles te kennen.
„Als ik wist, in welk huis of liever onder welk gebouw de nieuwe tunnel
een aanvang nam, dan waarschuwde ik één minuut later Scotland-Yard!”

„Maar zou die de tunnel niet verder doorgraven, om te zien, waar zij
heen leidt?”

„Dan zou zij volkomen overbodig werk doen. Dat kan iedere ingenieur
zien, als hij maar een maal de richting weet van de tunnel. Hij trekt
dan een lijn door, en die lijn zou wel blijken een groot bankgebouw te
snijden! Dat is waar ook!” zoo viel Raffles zichzelf eensklaps in de
rede. „Weet je wel, dat het gebouw van de Midland-Bank zich in de
Baker-Street bevindt?”

„Dat is waar! Dat was mij ontschoten!” riep Charly uit. „Dus je acht
het mogelijk, dat de tunnel daar heen voert?”

„Het is in ieder geval niet buitengesloten. Als wij het zeker wisten,
zou het terrein van onze nasporingen wederom aanzienlijk beperkt
worden. Want wij zouden dan kunnen volstaan, van dit punt uit een lijn
van de plek over het bankgebouw te trekken en die te verlengen. Dan
zouden wij in de buurt van die lijn moeten zoeken.”

„Maar laten wij dat dan aanstonds doen!” hernam Charly. „Ik heb het
gevoel, alsof zij zoo dicht bij zijn, dat zij onze stemmen kunnen
hooren!”

„Nu, zoover zal het nog wel niet zijn,” kwam Raffles. „Maar in ieder
geval zullen wij nog eens zien, hoever wij komen, als wij te werk gaan
volgens het plannetje, dat ik je zooeven uiteenzette.”

„Maar kunnen wij de tunnel nu wel geheel onbewaakt laten?”

„Neen, dat gaat niet. Wij zullen Henderson van alles op de hoogte
brengen, en hij moet hier zoo lang op post gaan staan, tot dat wij
zekerheid hebben.”

Raffles en Charly aanvaardden den terugweg, maar nog lang hoorden zij
het knarsende, stootende, borende geluid.

Zoodra zij het tuinhuis verlaten hadden, begaven zij zich naar de
groote garage, die tegen een zijmuur van den tuin was aangebouwd, en in
welks bovenverdieping Henderson zijn kamer had.

De reus was op dit oogenblik bezig met het schoonmaken van een zwaar
motorrijwiel, waarbij hij een vroolijk liedje neuriede.

Hij had de mouwen van zijn werkkiel opgestroopt en zijn geweldige
armen, met spieren als scheepskabels waren ontbloot.

Raffles legde hem de hand op den schouder en zeide ernstig:

„Luister eens, Henderson. Er valt op het oogenblik een onaangenaam
werkje voor je te doen, maar het is noodzakelijk!”

En nu deelde hij den reus mede in korte woorden, wat hij en Charly
Brand dien dag en den vorigen in de tunnel ontdekt hadden.

Henderson behoorde niet tot de domsten, en ook hij begreep aanstonds,
welk gevaar hier school.

Hij vertrok dan ook geen spier van zijn gelaat, toen hem de opdracht
werd gegeven, in de tunnel de wacht te houden, ofschoon men deze taak
waarlijk niet onder de aangename kon rangschikken.

En de reus daalde naar de tunnel af, gewapend met zijn onverstoorbaar
goed humeur, en met twee stevige knuisten, in staat om een ijzeren
staaf van een duim dik door midden te breken.








HOOFDSTUK III.

EEN GEVAARLIJKE VERWIKKELING.


Raffles en Charly gingen intusschen het huis weder binnen en begonnen
zich in hun slaapkamer zorgvuldig te vermommen.

Al zou het den geheelen dag moeten duren, zij moesten en zouden het
punt van uitgang ontdekken, er hing voor hun te veel van af.

Het verlies van de tunnel zou nog niet het meeste te beteekenen hebben,
ofschoon het nut menigmaal onmiskenbaar was gebleken, als Raffles zich
wat spoediger moest verwijderen dan waarop hij gerekend had, maar dat
men zou kunnen ontdekken, waarheen de tunnel leidde, dat was
ontoelaatbaar, want dan zou het dubbele leven van Lord William Aberdeen
aan den dag komen, en aldus zou aan den Grooten Onbekende een zijner
krachtigste wapens uit de hand worden geslagen.

Toen zij met hun vermomming gereed waren, zagen de beide mannen er uit
als provincialen die op hun gemak door de straten konden slenteren,
zonder daardoor achterdocht te wekken.

Zij verlieten nu het huis aan de tuinzijde, en traden door een kleine
deur een zijstraat binnen, waar zich nooit een levende ziel vertoonde.

De een zijde bestond uit den langen muur van hun eigen tuin, de andere
uit den blinden muur van een groote fabriek.

In de Regent-Street namen de beide vrienden een huurauto, welke hen
naar de Baker-Street bracht.

Hier stapten zij uit en zonden den chauffeur weg.

„En nu zullen wij onze taak eens verdeelen, zoodat wij de helft van den
tijd kunnen besparen,” zeide Raffles. „Ik zal den zuidelijken kant van
de straat nemen, en jij den noordelijken. Wij ontmoeten elkander weder
in het café op den hoek van de Grosvenor-Street, behalve natuurlijk
voor het geval, dat een onzer iets mocht hebben ontdekt, hetwelk hem
noodzaakt, dadelijk handelend op te treden. Indien noodig, halen wij er
dadelijk de politie bij! Maar in ieder geval moeten wij om het half uur
een van beiden het café binnen gaan, want ik heb Henderson last
gegeven, ons daar telefonisch te waarschuwen, in geval er in onze
afwezigheid zich iets van groot gewicht mocht voordoen. Hij moet dan
vragen naar een zekeren Johnson, en een goede fooi aan den kellner zal
wonderen uitwerken.”

En nu volgden de mannen ieder een kant van de straat, nauwkeurig acht
gevend op het voorkomen van de huizen, en nu en dan stil staande, in de
hoop, dat zij het geraas van de machine zouden hooren.

Zoo bereikte Raffles, die wist, dat hij nu een rechte lijn volgde, waar
hier of daar het beginpunt van de tunnel moest zijn, tenminste als de
gang in zuiver rechte richting was gegraven, na ongeveer twintig
minuten loopen een huis, in welks benedenverdieping een kleine
drukkerij gevestigd was.

De beide groote ruiten waren halverhoogte van matglas, maar daarboven
kon Raffles duidelijk een paar riemschijven zien, waarover eenige
breede riemen snel heen schoven.

Een oogenblik stond hij stil, in beraad, en toen trad hij vastberaden
den winkel binnen.

Hij bevond zich in een vrij groot vertrek, waar een drietal kleine
klappersen stonden, zooals men ze wel gebruikt voor het drukken van
visitekaartjes en ander klein drukwerk, en die met de hand zoowel als
mechanisch bewogen kunnen worden.

Alles blonk van nieuwheid, zooals Raffles met een enkelen oogopslag kon
waarnemen.

Het vertrek was aan de achterzijde afgesloten door een matglazen wand,
waarin schuifdeuren, eveneens met matglazen ruiten.

Alle drie de persen liepen dol, dat wil zeggen, dat de riemen wel over
de bovenste schijven snorden, maar dat de schijven van de persen waren
uitgeschakeld.

Nergens was iemand van het drukkerspersoneel te bespeuren.

„Een merkwaardige drukkerij!” mompelde Raffles voor zich heen. „Zij
schijnen het hier ook niet bijzonder druk te hebben!”

Juist had hij deze opmerking voor zich zelf gemaakt, toen een der
schuifdeuren openging, en er een kleine jongen verscheen, met geen al
te snugger gezicht, die met hoog opgetrokken wenkbrauwen even naar
Raffles bleef kijken en toen als het ware aarzelend een paar stappen
naar voren kwam.

Het openschuiven van de deur had maar even geduurd, maar toch lang
genoeg, om te kunnen zien, dat het aangrenzend vertrek zoo goed als
geen meubels had, en dat er een klein tafeltje stond, misschien bestemd
voor dit kantoorjongentje.

Eindelijk opende de knaap zijn groote mond, en vroeg:

„Wat is er van uw dienst, mijnheer?”

„Kan ik hier visitekaartjes laten drukken, en reclamekaarten voor mijn
zaak?”

„Dat zal wel gaan, mijnheer?” antwoordde de jongen met een onnoozel
lachje.

„Is je patroon er niet?”

„Die werkt in de schuur, achter in den tuin.”

„Zoo? Daar is zeker de zetterij?”

„Ja, mijnheer!”

„Kan ik den patroon niet zelf even spreken?”

„Dat zal niet gaan, mijnheer! Kunt u mij de boodschap niet geven?”

„Neen, jongen, nu is het mijn beurt om te zeggen, dat zal niet gaan!
Roep je baas maar eens even, maar een beetje vlug, ik heb niet veel
tijd!”

Raffles had dit met opzet gezegd, om te kunnen nagaan, of de jongen
lang wegbleef, en dus, of hij zijn patroon spoedig had kunnen vinden.

De jongen verdween weer door de schuifdeur, en Raffles nam plaats op
den eenigen stoel dien hij in het vertrek zag.

Zijn blikken vlogen snel door de werkplaats.

In een hoek stond een krachtige electromotor, die de beweegkracht
leverde voor de drie persen.

Maar Raffles scherp en geoefend oog merkte bovendien nog een riem op,
die niet naar de persen liep, maar buiten het vertrek werd geleid, door
een paar sleuven in den zijmuur.

Er was een extra riemschijf aan den motor bevestigd, die er
oorspronkelijk niet toebehoord had, want de as was nauwelijks lang
genoeg om de beide schijven naast elkander te bevatten.

Er werd dus nog ergens anders een machine door dezen motor in beweging
gebracht, maar waar zich die bevond, dat kon Raffles onmogelijk
waarnemen.

Hij stond even op, en trachtte over het matglazen gedeelte van de
schuifdeur heen te zien, maar dit gelukte hem niet, ofschoon hij toch
meer dan gewoon lang was.

Een blik op de drie persen overtuigde hem dat de machines splinternieuw
waren.

Er stond ergens een letterbak, maar de specie was blijkbaar nog
volkomen nieuw.

„Heel veel krijgen de menschen hier niet te doen, dat is zeker,”
mompelde Raffles. „In ieder geval een onderneming, welke pas begonnen
is! Maar dan mochten zij toch in ieder geval wel een paar man bij de
machines laten!”

Op dit oogenblik gingen de schuifdeuren weder open en er trad een man
van omstreeks veertig jaar binnen, met een glad geschoren gelaat,
kleine, doordringende oogen, en bijzonder zwart en glanzend haar.

Voor ieder ander was het zeker onopgemerkt gebleven, maar Raffles had
voor zulke dingen goede oogen en met een oogopslag had hij gezien, dat
de man een pruik droeg.

Hij was wat links opgestaan, maakte een onhandige buiging, en begon:

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, als ik u kom lastig vallen, maar ik
begin hier binnenkort een zaak in kaas en eieren en ik wilde wel een
paar duizend reclamekaarten gedrukt hebben, maar vooral visitekaartjes,
met er achter: „Handelaar in kaas en eieren en gros.” Begrijpt u? Ik
kon wel naar een groote zaak gaan, maar die zijn zoo duur, en ik hoop,
dat gij mij het vel niet over de ooren zult halen.”

„Dat zal wel losloopen,” kwam de man met de pruik. „Geef uw naam en
adres maar even op.”

„Price Johnson. Voor het oogenblik logeer ik in het Marlborough Hotel,
maar als ik het huis kan krijgen, dan kom ik te wonen in de
Victoria-Street, nummero 78. U levert immers goed en deugdelijk werk?”

„Wij zijn specialiteit in zulke dingen, maar ik kan u niet beloven dat
u de bestelling zoo spoedig krijgt afgeleverd! Wij worden overstelpt
met dergelijk werk!”

Raffles weerhield bijtijds de opmerking die hem naar de lippen drong,
toen hij dacht aan de verlaten persen.

Een drukker, jong nog, die een voortreffelijke pruik droeg, daarmede
moest men in ieder geval voorzichtig zijn, en zeker, als men John
Raffles heette.

„Ik hoop dat u zoo veel mogelijk spoed met de zaak zult maken,” hernam
hij kalm. „Als uw werk mij bevalt, blijf ik uw klant!”

Raffles meende een vaag spottend lachje om de dunne lippen van den man
te zien spelen, maar hij kon zich ook wel vergist hebben.

„Mag ik eens wat cartonsoorten en letters van u zien?” ging hij voort.

De patroon trad op een wandkast toe, en kwam terug met een monsterboek,
dat hij aan Raffles voorlegde.

Deze zocht voor de leus een lettersoort uit, koos een dik carton uit,
en zeide toen:

„Voorloopig zijn tweeduizend kaarten voldoende.”

„Wij zullen ons best doen, dat gij ze over een dag of vier hebt!”

„Het is wel heel lang, kan het niet wat vlugger?”

„Wij zullen ons best doen, mijnheer,” herhaalde de drukkerspatroon, een
weinig ongeduldig naar het scheen.

En reeds maakte hij een beweging naar de deur, als om zijn nieuwen
klant uit te laten.

„Ik kan niet zeggen, dat die heer er veel slag van heeft, om met zijn
klanten om te gaan,” mompelde Raffles voor zich heen, toen hij weder op
straat stond. „En dan noemt men ons in het buitenland nog wel „Een
Natie van Winkeliers!” Deze vriend scheen er niet bijzonder op gesteld
te zijn, mij tot zijn afnemers te mogen rekenen! Zijn keuze van papier
en letters was ook al bijster schraal! En dan die pruik, die drie
onbeheerde persen, die tweede riemschijf van den electromotor, waarvan
de riem op geheimzinnige wijze buiten het vertrek verdween, de lange
tocht van dat onnoozele jongentje, om zijn patroon te gaan waarschuwen!
John Raffles, ik weet het niet, maar ik geloof, dat er in deze
zoogenaamde drukkerij iets niet heelemaal pluis is! Die drukker had
niet het type van zijn beroep, hij zag er als iets heel anders
uit.......!”

Onder deze overdenkingen vervolgde Raffles zijn weg.

Weer lette hij nauwkeurig op alle huizen en winkels, maar nergens kon
hij iets verdachts opmerken.

Er waren groentewinkels, kruidenierszaken, boekwinkels, maar nergens
bromden machines, die konden dienen om het geraas van een ander toestel
te overstemmen.

En de huizen waren alle deftige gebouwen, rustig en stil.

Zoo bereikte Raffles de Midland-Bank.

Het was een nieuw gebouw, uit een onbekrompen beurs betaald, zooals uit
alles bleek.

Bedienden van effectenhandelaars en bankiers liepen bedrijvig in en uit
en Raffles kon hen de breede marmeren trappen naar de eerste verdieping
zien op en af gaan.

Een portier in een groene livrei stond met de handen op den rug naast
de monumentale voordeur.

Een reeks van vuistdikke tralies voorziene vensters wees even boven de
straat de plek aan, waar zich de safes moesten bevinden.

Raffles maakte snel een berekening:

„Van deze bank tot aan de drukkerij, dat was ongeveer honderd meter,
van de bank tot aan de tunnel was niet meer dan vijf-en-twintig meter,
de ganggravers hadden dus zeker bijna driekwart van den weg onder den
grond afgelegd, wel te verstaan als zijn wantrouwen tegen dezen
zonderlingen drukkerspatroon gegrond bleek te zijn.”

Even later trad hij het café binnen en hij was er nog geen vijf minuten
of ook Charly verscheen.

Er lag een uitdrukking van teleurstelling op zijn gelaat, die hij
vruchteloos trachtte te verbergen.

Hij had Raffles in zijn hoekje spoedig ontdekt, en trad op hem toe.

Zonder zelfs zijn vraag af te wachten, zeide hij moedeloos:

„Een vergeefsche tocht, Edward! Ik heb geen geluid gehoord, geen
verdacht huis gezien!”

„Dan ben ik gelukkiger geweest, mijn waarde,” kwam Raffles zacht.

En hij deelde Charly uitvoerig mede, wat hem in de drukkerszaak
wedervaren was.

Charly had aandachtig toegeluisterd, en zeide nu:

„Dat alles klinkt zeker tamelijk verdacht, maar laat je je nu niet al
te zeer beïnvloeden door je wantrouwen, dat je overal spoken op
klaarlichten dag doet zien?”

„Waarde Charly, een spook met een pruik op is en blijft een voorwerp,
waar tegenover ik terecht achterdocht koester! Als men in een straat
als de Baker-Street een nieuwe drukkerszaak gaat openen, dan pakt men
de zaak dadelijk grootscheeps aan, of tenminste zoo, dat men alle
eventueele klanten flink kan bedienen. Dat kon deze man, hij droeg een
pruik, niet doen, want hij liet zijn personeel uit wandelen gaan, hij
had geen letters genoeg, en ook geen voldoenden voorraad carton,
kortom, hij is niet in staat zelfs aan de bescheiden eischen te voldoen
van een buitenmannetje, zooals ik er een voorstelde.”

„Op zich zelf beschouwd is het zeker opvallend. Toch zou het zaak zijn,
nader op deze aangelegenheid in te gaan.”

„Dat ben ik dan ook van plan! Zoodra zich de gelegenheid voordoet,
zullen wij die zoogenaamde drukkerij eens nauwkeurig onderzoeken. En
het zou mij volstrekt niet verwonderen als daarbij aan het licht kwam,
dat zij iets heel anders verborg.

„De persen maken een groot lawaai, en dempen volkomen het geluid van
iedere andere machine die elders in het huis is opgesteld, bijvoorbeeld
in de schuur, waarover die onnoozele jongen het had. Ik denk, dat zij
met opzet een suffertje hebben genomen, om geen last te hebben van
brutale snuffelaars!”

Hij wierp een blik op de klok, die boven het buffet hing, en vervolgde:

„Het wordt nu tijd voor de lunch, Charly. Het onderzoek heeft mij
hongerig gemaakt! Het café hier lijkt mij wel voldoende! Willen wij
hier wat eten?”

„Ik vind het goed! Wij blijven dus hier in de buurt?”

„Ja. Ik zou er prijs op stellen als jij zelf ook eens een kijkje ging
nemen in de drukkerij van onze vriend met de pruik. Misschien merk je
nog wel iets anders en iets nieuws op.”

Raffles wenkte den kellner, en bestelde een eenvoudige lunch.

Juist toen de beide vrienden gereed waren met den maaltijd, trad de
kellner op hen toe, en vroeg:

„Is een van de heeren misschien mijnheer Johnson?”

„Die ben ik, vriend!” antwoordde Raffles.

„Daar is iemand voor mijnheer aan de telefoon!” vervolgde de kellner.
„Er is groote haast bij.”

Raffles wisselde een snellen blik met Charly en sprong op.

„Ik volg je!” zeide hij, zich tot den kellner wendende.

De telefoon hing in een klein hokje naast het buffet.

Raffles trad er binnen, sloot de deur, nam het toestel terhand, en
zeide:

„Hier Johnson! Met wien?”

„Met Henderson! Ik verzoek u, zoo spoedig mogelijk terug te komen?
Zooeven is er een gat in den wand van ..... den muur geslagen!”

               - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Zoodra Raffles en Charly het huis in de Regent-Street verlaten hadden,
begaf Henderson zich naar de tunnel.

Voor alle zekerheid had hij zich met zijn revolver gewapend, ofschoon
hij het wapen niet noodig dacht te hebben.

Ook had hij zich voorzien van zijn electrische zaklantaarn, ingeval het
licht in de tunnel door een of andere oorzaak mocht uitgaan.

Na een half uur te hebben geloopen, bereikte hij de plek, waar de
gasontploffing de draden vernield had.

Hij stond stil en luisterde.

Zijn scherp gehoor ving het zoemend geluid op, afgewisseld door
beukende slagen of stooten.

Hij legde zijn hand tegen den muur, en mompelde hoofdschuddend in zich
zelf:

„De wand trilt er waarachtig van! Zij werken hard, daar onder den
grond!”

De reus zette zich op den grond, juist tegenover de plek, van waar het
dof gerucht kwam, en hield den blik onafgewend op den tegenover
liggenden wand gevestigd.

Langzaam verstrekken de minuten, de kwartieren, de uren.

En telkens werd het geluid sterker.

Henderson stond nu en dan op, teneinde zijn hand tegen den wand te
leggen, en hij merkte op, dat het kloppend geluid steeds sterker werd.

Het was omstreeks een uur in den middag, toen Henderson eensklaps
opnieuw opsprong en naar den wand van de tunnel trad.

Het geluid was nu zoo dicht bij gekomen, dat hij meende, ieder
oogenblik den tunnelwand te zien bezwijken.

Nu werd het plotseling geheel stil en daarop dreunde de doffe slagen
van een houweel aan den anderen kant van den tunnelwand.

In gebogen houding bleef Henderson op dezelfde plek staan, de oogen
strak gevestigd op den muur.

De wand moest wel zeer dun geworden zijn, want bij iederen slag
knipoogden de electrische lampjes en toen gingen er eenige uit,
waarschijnlijk waren de platina draden gebroken.

En onverhoeds geschiedde er iets, waarop Henderson verdacht had moeten
zijn en dat hem toch ten zeerste verschrikte, met een luid gekraak en
het versplinteren van een steen drong het ijzer van een houweel door
den muur heen, bewoog even, en verdween toen weder.

Maar op hetzelfde oogenblik had Henderson den schakelaar van het
electrische licht reeds omgedraaid, zoodat de tunnel in volkomen
duisternis gehuld was.

De reus had begrepen, dat hij zoo lang mogelijk moest trachten te
voorkomen, dat de lieden, die daar hun tunnel aan het graven waren, het
bestaan van deze gang ontdekten, en dat zouden zij zeker onmiddellijk
doen, wanneer zij hier licht zagen, en het glinsteren van de spoorstaaf
op den grond konden waarnemen.

Voorloopig zouden zij waarschijnlijk vermoeden, dat zij nog altijd niet
diep genoeg hadden gegraven, en op een kelder waren gestuit.

Het was nu de vraag of zij aanstonds aan de tunnel een andere richting
zouden geven, dan wel of zij eerst zouden willen onderzoeken of zij
inderdaad bij een kelder terecht waren gekomen.

Henderson hield zelfs zijn adem in, uit vrees dat hij zijn
tegenwoordigheid zou verraden, en keek strak naar de kleine opening in
den wand, niet grooter dan eenige centimeters, waardoor een krachtig
lichtschijnsel in de tunnel doordrong.

Toen werd dit schijnsel een oogenblik verduisterd en Henderson begreep,
dat dit veroorzaakt werd doordat er aan den anderen kant van den muur
iemand zijn oog voor de kleine opening had gebracht.

En het volgende oogenblik klonken de slagen van het houweel opnieuw.

Toen begreep Henderson dat hij geen tijd meer te verliezen had en dat
hij Raffles aanstonds moest waarschuwen.

Hij ontstak zijn zaklantaarn, en dempte het licht zooveel mogelijk,
door er zijn zakdoek om te wikkelen, en zocht bij dit weinige licht
zijn weg naar den ingang van de tunnel.

Toen hij zeker wist dat men hem niet meer kon hooren of zien, begon hij
haastig voort te snellen en rustte niet vóór hij het tuinhuis bereikt
had waar zich een telefoon bevond en waar hij aanstonds aan Raffles
mededeelde wat den lezer reeds bekend is.

En toen ging hij haastig weder naar het onderaardsche laboratorium
terug.

Daar lagen, in een der hoeken, een aantal platen van nikkelstaal, bijna
een meter hoog, tachtig centimeter breed, en een duim dik, welke
Raffles noodig had voor het doen van eenige proeven.

Deze platen wogen bijna honderd dertig kilo, maar Henderson bedacht
zich niet, maar tilde er een op, en laadde ze op een soort duwwagentje,
zooals ze wel gebruikt worden door kruiers op het perron, om zware
koffers te vervoeren.

Zoo vlug hij kon, bracht hij de zware pantserplaat naar de plek van de
doorbraak.

En reeds op verren afstand zag hij tot zijn schrik, dat de slagen van
het houweel het gat in den wand nog vergroot hadden, en dat het thans
bijna een decimeter hoog en eenige centimeters breed was.

Er kon niet aan worden getwijfeld, de geheimzinnige tunnelgravers
moesten nu reeds lang de spoorstaaf gezien hebben, den houten vloer, en
de rij gloeilampjes tegen den wand van de tunnel.

Henderson reed de zware vracht tot vlak voor de opening, laadde daar de
plaat van het wagentje en schoof haar met geweldige inspanning zoodanig
langs den wand, dat zij juist de opening bedekte.

Natuurlijk begreep hij, dat men hem aan den anderen kant van den muur
had moeten hooren, maar daaraan was nu eenmaal niets te doen, en de
tunnelgravers zouden toch al wel begrepen hebben, dat zij een zeer
eigenaardige ontdekking hadden gedaan.

Ook zag hij wel in, dat de gravers van den gang, nieuwsgierig geworden,
zouden trachten dit beletsel weder uit den weg te ruimen, daarom
wentelde hij het duwwagentje op een kant en zette het schoor tusschen
den anderen wand en de pantserplaat, zoodat men deze laatste niet omver
zou kunnen duwen.

Aan den anderen kant werd woedend met het houweel tegen de plaat
geslagen, maar Henderson haalde glimlachend de schouders op en mompelde
in zich zelf:

„Beuk jullie maar raak, je bent knap, als je met een houweel die plaat
van nikkelstaal aan kunt tasten!”








HOOFDSTUK IV.

DE OVERVAL.


Er waren nog geen twintig minuten verstreken nadat Henderson de plaat
voor het gat had gezet, of hij hoorde haastige schreden van Raffles en
Charly die door de tunnel naderbij kwamen.

Ook zij hadden het licht van hun zaklantaarns zooveel mogelijk gedempt,
daar zij maar al te goed begrepen, aan welk gevaar zij zich anders
zouden blootstellen.

Wat Henderson betreft, hij had den schakelaar van het electrische licht
weder omgedraaid zoodra hij de naderende schreden hoorde.

Eenige seconden later stond Raffles voor hem, en vroeg op zachten toon:

„Wat is er gebeurd, Henderson?”

„Zij zijn door den muur heen, Mylord! Een uur geleden ongeveer sloeg
een van die menschen met zijn houweel glad door dien wand, en sindsdien
hebben zij het gat nog vergroot, het is nu achter die pantserplaat,
welke ik zoo vrij ben geweest uit het laboratorium te halen.”

„Dat is een voortreffelijke inval van je geweest, Henderson!” zeide
Raffles, terwijl hij den reus op den schouder klopte. „Het verheugt mij
nu, dat ik je hier op post heb gezet! Wij zullen aanstonds de andere
platen er ook voorzetten en de schoren wat steviger maken! Blijf jij
hier Charly, en let op, Henderson gaat met mij mee!”

Het wagentje op zijn lage wielen werd weder overeind gezet en vervangen
door een paar dwarsliggers, waarop de spoorstaaf rustte, en die in
allerijl werd losgemaakt.

En daarop vertrokken de twee mannen met het wagentje terwijl Charly
achterbleef om aanstonds alarm te kunnen geven als het noodig mocht
blijken.

Charly telde de seconden die er verliepen tusschen het vertrek en de
terugkomst van de twee mannen.

Het was op dit oogenblik stil achter de stalen plaat en het
geheimzinnige, zoemende gerucht had opgehouden, maar de jonge man
gevoelde zeer goed, dat het de stilte was, die den storm vooraf ging.

Oogenschijnlijk broeiden de dieven aan den anderen kant van de tunnel
op een plan, om de plaat te vernielen, en als zij zoo knap waren
geweest om op een diepte van ruim twintig meter en met zulk een
snelheid zoo’n groote tunnel te breken, dan zouden zij zeker ook
pienter genoeg zijn om zulk een belemmering als een stalen pantserplaat
uit den weg te ruimen.

Maar, daar kwamen Raffles en Henderson weder aan en thans hadden zij
twee pantserplaten medegebracht, die op het wagentje waren geladen,
hetwelk zij met inspanning van al hun krachten voortduwden.

„Ik ben blij, dat je er weer bent!” zeide Charly zachtjes. „De stilte
aan den anderen kant van de gang bevalt mij in het geheel niet.”

„Waarschijnlijk houden zij krijgsraad!” meende Raffles. „Laten wij maar
spoedig deze borstwering overeind zetten.”

Terwijl de drie mannen de eerste plaat van het wagentje tilden en tegen
het andere schild aanplaatsten, begon het gezoem en het vreemde gegons
aan den anderen kant van den muur opnieuw, maar nu was het toch van een
anderen aard, en het ging vergezeld van een knarsend geluid, zooals een
boor maakt, die metaal aantast.

„Zij probeeren er een gat in te boren!” zeide Raffles spottend. „Nu,
eer zij zoover zijn, voor zij door de drie platen heen zijn zullen er
wel een paar dagen zijn verstreken, want ik geloof niet dat er ter
wereld een stalen plaat is te vinden van deze dikte, die even glashard
is als deze schilden van chroomnikkelstaal! Zij zullen om het kwartier
een nieuwe boor moeten nemen!”

Hierin bleek Raffles goed te hebben gezien want de tweede plaat was nog
nauwelijks overeind gezet of het gonzen hield op. Blijkbaar zette men
eene nieuwe boor in het toestel.

Nu werd ook de derde plaat opgezet en aldus was een stalen wand
opgericht van bijna acht centimeter dikte, dus bijna even dik als de
dikste bepantsering van eenig Engelsch oorlogsschip.

Toen werd de spoorstaaf over vrij groote lengte losgemaakt, en met
behulp van de meegebrachte metaalzaag werden er vier stukken afgezaagd,
allen even groot, en die met geweld tusschen de pantserplaten en den
tegenovergestelden wand werden gedreven.

„Als zij nu geen dynamiet gebruiken, termiet, of een ander dergelijk
middel,” zeide Raffles glimlachend, „dan zullen er wel eenige dagen
verloopen, alvorens zij dezen hinderpaal hebben opgeruimd.”

„Maar zij kunnen het wel op een andere wijze probeeren,” zeide Charly
bedrukt.

„Hoe dan wel denk je?”

„Zij kunnen beginnen met den steenen wand, die nu zeker niet dikker is
dan op zijn hoogst een decimeter, en alleen maar uit metselsteen
bestaat, op verscheidene plaatsen aan te tasten, totdat zij op de
pantserplaat stuiten, en dan kunnen zij trachten die met behulp van
koevoeten van hun plaats te verschuiven.”

„Ik erken dat dit mogelijk is, maar ook daarmede gaat geruime tijd
heen, en voor er twee uren verloopen zijn zullen wij een bezoek hebben
gebracht aan die zoogenaamde drukkerij.”

„En als je je eens vergist hebt met die drukkerij en wij er niets
bijzonders ontdekken?”

„Dan, dan zou ik naar het laatste middel moeten grijpen, ik zou mijn
kostbare tunnel over een grooten afstand moeten laten instorten. Maar
je begrijpt dat ik slechts in het uiterste geval tot dit paardenmiddel
zal overgaan.”

Raffles raadpleegde zijn horloge.

Het was bijna zes uur geworden.

Zoolang had deze zware arbeid geduurd.

Hij overtuigde zich nog eens dat de stukken van de spoorstaven
onwrikbaar op hun plaats zaten, en wendde zich toen tot Henderson met
de woorden:

„Het is onpleizierig, beste vriend Henderson, maar het gaat niet
anders, wij zullen de tunnel voortdurend in het oog moeten houden, en
daarom ga jij nu eerst den maaltijd gebruiken, en je keert hier niet
voor negen uur terug, tenzij je het waarschuwingssein krijgt, want dan
moet je aanstonds hierheen komen!”

„Maar, Mylord? Gij zelf dan, en mijnheer Brand?” riep de chauffeur uit.

„Wij kunnen wel wat later eten, James, de zaak van de tunnel gaat op
dit oogenblik voor. Zoodra je hier terug bent gekeerd zullen wij je wel
nadere instructies geven!”

Henderson bood geen tegenstand meer, en begaf zich naar het uiteinde
van de tunnel en verder naar het bediendenvertrek, waar hij, in
gezelschap van den Italiaanschen kok, en van den ouden kamerbediende
Gaston, den eenvoudigen maaltijd gebruikte.

Raffles en Charly bleven nu alleen achter en geruimen tijd zaten zij
zwijgend naast elkander op het kleine wagentje waarmede de
pantserplaten waren aangevoerd.

Slechts vaag en onduidelijk klonk het gerucht van de boor, op geregelde
tijden onderbroken door een langdurige pauze, wanneer het bot geworden
ijzer door een nieuw moest worden vervangen.

En om acht uur hield het zoemen geheel en al op, toen waren zeker alle
voorradige boorijzers opgebruikt.

Maar een kwartier later klonk een geregeld geklop, hetwelk onafgebroken
zou voortduren; de lieden aan den anderen kant van den muur hadden den
steenen wand opnieuw met hun houweelen aangetast.

Waarschijnlijk waren zij op dit oogenblik bezig het oorspronkelijke gat
te vergrooten in de hoop, dat zij ten slotte wel de beide kanten van de
stalen belemmeringen vrij zouden krijgen, waardoor het mogelijk zou
worden, haar naar links of rechts te verschuiven, men hield aan den
anderen kant van den muur waarschijnlijk geen rekening met de vier
stukken spoorstaaf, die met zware hamerslagen waren vastgedreven.

„Dat kan lang duren!” begon Raffles. „Minstens tot morgenochtend, als
alles hun meeloopt, en voor dien tijd moeten we die menschen overvallen
hebben en weten wat zij doen en wie zij zijn!”

„Als je het mij vraagt, dan zou ik zeggen, dat wij met een gevaarlijk
volkje te doen krijgen!” zeide Charly hoofdschuddend.

„Ja dat lijdt geen twijfel! Wij moeten nu maar niet aannemen, dat men
deze tunnel met een wetenschappelijk doel graaft, bijvoorbeeld om den
aard van de gesteldheid van den bodem van Londen te onderzoeken! Neen,
wij mogen het wel bijna als zeker beschouwen, dat het voorzien is op de
Midland-Bank, het zou wel heel toevallig zijn, als de tunnel dien kant
uitliep, zonder dat men het op de bank begrepen had. Maar hoe het ook
zij, wij gaan zoo vroeg mogelijk aan den slag, zoodra het gedaan kan
worden zonder al te groot gevaar. Ik heb opgemerkt dat een paar huizen
van de drukkerij af een openbare school is, met een groote speelplaats
er achter. Wij kunnen misschien over een schutting klimmen en van daar
aan den achterkant die zoogenaamde drukkerij binnendringen.”

„Nemen wij Henderson mede?”

„Neen, die moet hier de wacht blijven houden.”

„Dat zal hem alles behalve aangenaam stemmen.”

„Dat is wel mogelijk, maar wij mogen de tunnel niet onbewaakt laten!
Stel je eens voor dat wij terug keeren en wij loopen in ons huis in de
Regent-Street in de uitgespreide armen van een bende bandieten!”

De beide vrienden spraken nog geruimen tijd door over de kans, dat het
geheim der tunnel bewaard zou blijven, of dat men althans haar lengte,
haar doel, en haar richting nooit zou uitvinden, toen precies om negen
uur Henderson weer verscheen.

„Luister nu eens, mijn vriend,” begon Raffles. „Ik verg veel van je
uithoudingsvermogen, maar het is volstrekt noodzakelijk, dat er hier
iemand blijft opdat wij er zeker van zijn, dat niemand ongezien in ons
huis in de Regent-Street kan binnendringen.”

„Als het moet dan moet het, Mylord!” gaf Henderson te kennen.

„Dat is een schoon beginsel, Henderson, en wij zullen verstandig doen
als wij ons daaraan houden, vooral in dit bijzondere geval. Mijnheer
Brand en ik gaan vannacht naar dat huis, waarin ik vermoed, dat de
tunnel een aanvang neemt.”

„Neem mij niet kwalijk, Mylord, maar ik zou gaarne weten waar dat huis
is!” hernam Henderson. „Men kan nooit weten, hoe die kennis naderhand
te pas kan komen! Ik weet gaarne steeds waar gij zijt, vooral in zaken
als deze!”

„Je hebt misschien gelijk, Henderson, het is beter als je het huis
kent, hetwelk ik op het oog heb! Het is in de Baker-Street, niet ver
van die Grosvenor-Street, een drukkerij, met twee voor de helft
matglazen winkelruiten, groengeschilderd houtwerk en een kleine
uitgangsdeur. Het is aan de rechterzijde van de straat als je van ons
huis komt. Ik geloof echter niet dat je gebruik behoeft te maken van
deze kennis, als wij die lieden verrassen, dan zijn wij een heel eind
op weg.”

„Maar Edward, als je je vermoedens nu toch eenvoudig aan de politie
mededeelde!” riep Charly eensklaps uit.

„Een prachtig plan!” kwam Raffles ironisch. „Zij dringen dan het huis
binnen, zij vinden dan eventueel de tunnel en aan het einde van het
groote gat, met geglans van de stalen pantserplaat daarachter, en denk
je dan dat ze hun nieuwsgierigheid bevredigd achten en hun onderzoek
niet verder zouden voortzetten? Daar zou ik maar niet al te vast op
rekenen. Neen, als ik het even kan vermijden, dan haal ik er de politie
niet in, zij helpt ons dan van den regen in den drop, en van den wal in
de sloot! Als het onmogelijk anders kan, dan zal het nog altijd tijd
genoeg zijn, om Scotland-Yard te waarschuwen. Maar als ik dat doe, dan
moet ik ook tevens mijn tunnel prijs geven, ik zou haar over grooten
afstand moeten vernielen. En nu genoeg gepraat, wij moeten nog veel
doen en in orde maken voor onze onderneming.”

Henderson kreeg zijn laatste instructies en Raffles en Charly verlieten
de tunnel, beklommen de smalle trap naar het laboratorium en voorzagen
zich daar van eenige voorwerpen door Raffles uitgevonden, en welke
verdedigingsmiddelen hun wellicht te pas konden komen.

Het was bij tienen, toen zij door den tuin, die nu in volkomen
duisternis gehuld was, naar de achterzijde van het groote huis gingen
en dit binnentraden door een van de achterdeuren.

Zij hadden zich nog den tijd niet gegund hun vermomming af te leggen,
en deze was nog zeer goed bruikbaar, want als zij bij hun onderneming
het onderspit moesten delven, dan kwam het er al zeer weinig op aan, of
de zoogenaamde drukkerspatroon in een van de nachtelijke indringers al
of niet zijn provinciaalschen klant herkende.

Maar, daar een revolver altijd een uitstekend wapen is, onverschillig
of het door een Londenaar of door een provinciaal wordt gebruikt, zoo
lieten de beide vrienden ieder van deze practische wapenen één in hun
zak glijden.

Een paar tasschen werden gevuld met de noodige inbrekerswerktuigen,
Raffles ging zich in zijn slaapkamer voorzien van een paar kleine
voorwerpen, welke hem misschien te pas zouden kunnen komen, en om elf
uur, nadat hij zich telefonisch bij Henderson had overtuigd, dat in de
tunnel alles nog bij het oude was, verlieten zij het vertrek en
vervolgens het huis.

Maar Raffles had Henderson moeten beloven, dat hij hem dadelijk op de
hoogte zou brengen als de zaak tot een goed einde was gebracht, en als
het later werd dan drie uur, dan mocht Henderson die maatregelen nemen,
welke hem het beste zouden toeschijnen, want dan zou het bewijs
geleverd zijn, dat in de Baker-Street niet alles voor den wind was
gegaan.

Het was een donkere avond, want de maan was achter de wolken verdwenen,
een gelukkige omstandigheid, die het gewaagde plan van de beide mannen
moest begunstigen.

En dan, het plasregende, en ook dat kwam hun te stade, want daardoor
was het aantal late wandelaars zeer verminderd.

Op een kwartier loopens van hun huis wisten zij niet zonder moeite, een
huurauto te veroveren, en den chauffeur, die eigenlijk liever naar huis
was gegaan, te bewegen, hen naar de Baker-Street te rijden.

Aan het begin van deze straat gekomen, dankten zij den chauffeur met
een goede fooi af, men moest het nooit verbruien voor anderen, zooals
Raffles het niet ten onrechte opmerkte.

Het was over twaalven, toen de beide vrienden, hun regenjassen met de
rechterhand dichthoudend, tegen den stijven bries opworstelden, die
door de straat stoof.

Een kwartier later hadden zij het schoolgebouw bereikt, na de
zoogenaamde drukkerij te zijn gepasseerd.

Daar was nu alles duister, ten minste van de straat af was nergens
eenig lichtschijnsel te bespeuren.

Ook het schoolgebouw lag natuurlijk in dichte duisternis gedompeld.

Raffles en Charly sloegen den hoek van de zijstraat om, waaraan de
school grensde, kwamen aan den steenen muur, die hier de speelplaats
van de straat afscheidde, en zaten er het volgende oogenblik bovenop.

Een jarenlange, geduldige oefening, die hun natuurlijke lenigheid nog
had vermeerderd, stelde hen in staat, zulke toeren te verrichten met
een verbazende vlugheid, en zonder ooit te falen.

Maar zij vonden den bovenkant van een smallen muur niet de aangewezen
plaats om er te blijven zitten, en daarom lieten zij zich zoo snel
mogelijk aan den anderen kant zakken.

Zij stonden nu op een ruime binnenplaats, waar eenige populieren
stonden, die een vrij armzalig bestaan leidden.

In een hoek tegenover den kant waar zij waren overgeklommen, bevond
zich een hoop zand, bestemd voor de kleintjes.

Raffles en Charly maakten ook van deze hoop zand gebruik, maar voor een
geheel ander doel.

Zij gebruikten haar eenvoudig om aldus de hoogte van den scheidingsmuur
te verkleinen.

Volgens hun gewoonte wachtten zij tot dat zij niets meer hoorden, en
toen pas slingerden zij zich op den muur, en lieten zich aan den
anderen kant vallen.

Zij kwamen terecht in de weeke aarde van een kleinen stadstuin, en
haastten zich, dezen over te steken, en over een schutting te klimmen.

En nu waren zij in den tuin van de drukkerij....

Maar op dat oogenblik geschiedde er iets waarop zij misschien wel
gerekend hadden, maar dat hen toch niet minder onaangenaam trof, een
paar huizen verder begon eensklaps een waakhond, die hen misschien
geroken had, woedend aan te slaan.

Zelfs hier konden zij het rammelen hooren van den ketting waaraan het
dier was vast gelegd.

„Vlug aan het werk, Charly! Als die schreeuwleelijk wordt losgemaakt,
zouden al de schuttingen, welke hem van ons scheiden wel eens een
peuleschil voor hem blijken, en dan konden wij evengoed regelrecht naar
Scotland-Yard wandelen, en ons aan den hoofdcommissaris presenteeren!”

„Waar is ergens die schuur?” vroeg Charly fluisterend. „Ik denk dat we
daar moeten zijn!”

„Ja, dat vermoed ik ook. Daar staat zij!”

Raffles wees naar een klein houten gebouwtje, een soort bergloods, dat
men ook een tuinhuis zou kunnen noemen, met een enkel klein venster, en
dat door een overdekten gang in verbinding stond met het huis.

Raffles trad haastig op de deur toe, en het duurde niet lang, of hij
had het slot met een zijner sleutels geopend.

En juist toen de beide vrienden binnendrongen, ging er eenige huizen
verder een deur open, en een barsche mannenstem scheen den nog altijd
woedend blaffenden hond te ondervragen en hem van den ketting los te
maken.

De beide vrienden verloren geen tijd, maar onderzochten snel de loods,
waar zij zich nu bevonden.

Zij bleken zich in een ruim vertrek te bevinden, zonder eenig
meubelstuk, als men tenminste dien naam niet wilde geven aan een paar
zetkasten die blijkbaar zeer weinig gebruikt werden, want de letters
waren nog volkomen blank, en werden waarschijnlijk zoo goed als nooit
gebruikt.

In een hoek was het begin zichtbaar van een trap, die waarschijnlijk
naar een kelder leidde.

Wel een kwartier bleven de beide vrienden volgens hun gewoonte op
dezelfde plek en gaven hun ooren goed den kost.

Toen achter alles stil bleef, besloten zij, de trap af te gaan, en te
zien waar die hen zou brengen.

Het was zeer donker in de loods, en daar zij nog geen licht durfden
maken, moesten zij hun weg vinden door langs den houten wand te tasten.

Zoo bereikten zij de trap en voorzichtig begonnen zij de houten treden
af te dalen.

Telkens stonden zij opnieuw stil, om te luisteren.

Zij waren reeds tien treden afgedaald, toen Raffles, die vooraan ging,
Charly waarschuwde door hem in het been te knijpen.

Zijn scherp, geoefend gehoor, had eenig gerucht opgevangen, waarvan hij
zich niet dadelijk den aard kon begrijpen.

Het was als het verzetten van een schakelaar van het electrische licht,
maar het kon ook evengoed het overhalen van den haan van een revolver
zijn.








HOOFDSTUK V.

IN DE HANDEN DER BANKROOVERS.


Raffles dacht er nog over na of hij licht zou maken, toen zich
plotseling weder een ander geluid liet hooren, ditmaal zeer dicht bij
hem, het was als het verschuiven van een zwaar voorwerp, bijvoorbeeld
van een kast over een houten vloer.

Terwijl de beide mannen er nog over nadachten wat dit zijn kon, begon
de trap, waarop zij stonden, zachtjes te slingeren, en zij moesten zich
aan de leuningen vast houden om er niet af te vallen.

„Voor den drommel, wat is dat nu?” fluisterde Charly voor zich heen.
„Wat mankeert dat ding? Ik heb een gevoel of ik op de kermis in een
reuzenschommel zit!”

Inderdaad, de trap begon hoe langer hoe erger te zwaaien en de beide
mannen moesten zich met alle kracht aan de wrakke leuning vastklampen
die verdacht kraakte, en die ieder oogenblik scheen te zullen afbreken.

De slingeringen werden voortdurend heviger en de geheele trap scheen nu
wel om een scharnier te draaien, dat zich ergens in de bovenste trede
moest bevinden.

Maar nu nam deze zonderlinge beweging gaande weg af, en na eenige
minuten was de trap tot rust gekomen.

Maar zij liep niet langer in een schuine richting omlaag, neen, zij
hing loodrecht naar beneden, en dus waren de bovenkanten der treden
niet meer horizontaal maar schuin.

Om er op te kunnen blijven staan, moesten Raffles en Charly zich aan de
leuning vasthouden.

Raffles, die onderaan stond, strekte voorzichtig een been uit, en
tastte naar de lager gelegen trede.

Zijn voet ontmoette echter geen tegenstand, er was geen trede meer!

Maar evenmin voelde hij den grond!

„Zullen wij niet liever licht maken?” vroeg Charly op fluisterenden
toon. „Er is iets niet in orde, dat is zeker! Wat doe je daar toch,
Edward?”

„Wat ik doe? Ik zoek naar den bodem!” antwoordde Raffles lakoniek.

„Wat is dat? Rust de trap dan niet op den vloer?”

„Ik kan er tenminste geen vinden. Wij zullen licht maken, wat er ook
gebeuren moge!”

Zich met een hand aan de leuning vastklampend, haalde Raffles met de
andere zijn zaklantaarn te voorschijn, en drukte op den knop.

Een helder schijnsel verlichtte nu de ruimte, waar de beide mannen zich
bevonden.

Het was een groote kelder, met wit gekalkte muren, en ongewoon diep.

Zoldering en vloer waren tenminste zes meter van elkander verwijderd.

De smalle trap, waarop de twee mannen zich bevonden, bleek uit twee
deelen te bestaan, het benedenste vast met het bovenste scharnierend.

Op welke wijze de trap zoo eensklaps haar oorspronkelijke gedaante had
verloren, viel moeilijk te zeggen, maar het was zeker, dat nu het
bovenste stuk loodrecht omlaag hing, en dat de onderste trede zich
ongeveer drie meter boven den grond bevond.

En men mocht het tevens voor verzekerd houden, dat dit niet van zelf
zoo was gekomen, maar dat de trap door menschenhanden in twee deelen
was gebroken!

En toch was er niemand in den kelder te zien.

Een deur was er ook niet, tenminste niet zichtbaar.

„Ik wil gevild worden als ik er iets van begrijp!” mompelde Charly, die
zich met handen en voeten aan de loshangende trap vastklemde.

„Ik geloof dat ik het maar al te goed begrijp, Charly,” kwam Raffles.
„Men heeft ons gehoord, dat staat als een paal boven water! Maar hoe
dan ook, ik heb weinig lust, hier als een rijpe pruim te blijven
hangen!”

„Waar wil je dan heen? Weer naar boven?”

„Neen. Wij zijn van boven gekomen en wij moeten verder!”

„Dat is gemakkelijk gezegd, maar wij zijn hier drie meter boven den
steenen vloer!”

„Dien afstand kunnen wij bekorten!”

En met die woorden hing Raffles zijn zaklantaarn aan een knoop van zijn
jas, hurkte als het ware op de onderste trede, bracht zijn handen
zoover mogelijk naar beneden, omvatte stevig de stijlen van de trap, en
strekte toen zijn lichaam, zoodat hij nu alleen aan zijn handen hing.

En daarop liet hij zich vallen.

Bijna tegelijker tijd schoof ergens in den kelder een luik of deur weg,
en drie mannen stormden binnen, allen gemaskerd, die zich op Raffles
wierpen, voor hij weder op de been kon zijn.

De strijd was kort, maar hevig.

Als Raffles op beide voeten had gestaan, had hij misschien wel weg
geweten met drie aanvallers, maar nu was hij in de minderheid.

Hij kon een paar malen zijn vuist tegen de kin van een vijand laten
neerkomen, maar toen werd hij zelf half verdoofd door een hevigen slag
tegen het hoofd, en toen hij zich daarvan hersteld had, waren zijn
armen reeds gebonden.

„Red je, Charly!” schreeuwde hij. „Ik beveel het je!”

Maar al had de jonge man dit bevel willen opvolgen, dan zou hij het
toch niet hebben kunnen doen.

Want boven, in de deuropening, verscheen een vierde man, met een
revolver in de vuist en er viel niet aan te denken, dat Charly, in de
positie waarin hij als het ware aan de trap vastkleefde, met eenige
kans van raken van zijn eigen wapen gebruik zou kunnen maken.

Lang voor hij het had kunnen grijpen, zou de ander hem hebben kunnen
neerschieten.

En daarom deed hij het verstandigst, wat er in de gegeven
omstandigheden te doen viel, hij liet zich op zijn beurt op den vloer
vallen, en werd evenals Raffles overmand.

De drie geheimzinnige mannen hadden hun gevangenen snel van hun wapens
beroofd, en dwongen hen nu, door de nauwe opening in een der muren te
gaan, waardoor zij zelven waren binnengekomen.

Nu bevonden zij zich in een tweeden kelder, maar veel lager en kleiner
dan de andere, en met onregelmatige wanden, hier en daar met sterke
eikenhouten balken gestut.

Dicht bij een der langste wanden stond een krachtige dynamo, en de
dikke draden daarvan verdwenen in de zoldering.

Behalve deze machine stond er nog een kleine keukentafel en een tweetal
stoelen.

Op de tafel lag een vel papier, bedekt met teekeningen en cijfers.

Zelfs in den toestand waarin hij zich thans bevond, was Raffles helder
genoeg van geest om dadelijk te zien, dat daar een keurig geteekend
plan van de tunnel voor hem lag.

Voor de tafel zat een breedgeschouderd man met kleine, opmerkelijk
glanzende zwarte oogen.

Raffles herkende hem op het eerste gezicht, het was de zoogenaamde
drukker.

De man scheen zich volstrekt niet bijzonder te verbazen over de komst
van de twee indringers, en keek ternauwernood op van het plan, in welks
beschouwing hij geheel verdiept was.

De kleine kelder was zeer helder verlicht door een booglamp, die aan
den zolder hing.

„Hier zijn de mannen, chef!” zeide een der drie kerels, die zich van de
twee vrienden hadden meester gemaakt.

Nu wendde de man met de glanzende oogen zich met een ruk op zijn stoel
om, en keek Raffles en Charly beurtelings onderzoekend aan.

„Zoo, dus mijn kleine val heeft goed gewerkt, en hedennacht is er,
geloof ik, kostbaar wild ingeloopen! Ik heb zeker het genoegen, met de
eigenaars van de tunnel te spreken, die rechtstandig op de mijne loopt,
ongeveer ter hoogte van de Baker-Street?”

„Het genoegen is geheel aan onze zijde, mijnheer de drukker!” kwam
Raffles minzaam. „Gij ziet, dat ik u herken, al hebt gij, daar het hier
tamelijk warm is, afstand gedaan van de fraaie pruik, welke u tooide,
toen ik voor de eerste maal tot u het woord mocht richten. Maar nu ik u
wat nader beschouw, meen ik u van vroegere gelegenheid te herkennen!
Indien mijn geheugen mij niet bedriegt, zijt gij lid van de Bende der
Wolven, en draagt gij den goed gekozen bijnaam „de Lynx” waarschijnlijk
wegens uw fonkelenden blik!”

De Lynx was langzaam opgestaan, en plaatste zich nu met de handen in de
zijde voor Raffles.

Zijn wenkbrauwen waren dreigend zamengetrokken.

„Die man uit de provincie, dat waart gij dus? Nu, laat ik tot mijn
eigen lof zeggen, dat ik u dadelijk gewantrouwd heb, al erken ik, dat
gij voortreffelijk waart in uw rol! Lieden als wij moeten steeds
wantrouwend zijn, begrijpt gij?”

„Volkomen!” antwoordde Raffles rustig. „Als men een aanslag wil plegen
op een instelling als de Midland-Bank,  dan is men allicht geneigd in
iederen vreemdeling een afgezant van de gevreesde politie te zien!”

„Gij zijt bijzonder goed op de hoogte,” bromde de Lynx tusschen de
tanden, en er verscheen een gevaarlijk licht in zijn gitzwarte oogen.
„Maar misschien zal u blijken, dat ook wij niet tot de domooren
behooren! Ik begin nu in te zien, hoe de zaak zich heeft toegedragen.
Gij hebt in uw eigen tunnel, welke gij zoo goed hebt weten te
verdedigen, het gerucht van ons graafwerk gehoord, en nieuwsgierig als
gij zijt uitgevallen, wellicht ook een weinig uit vrees, dat ons werk
uw tunnel wel eens in gevaar zou kunnen brengen, hebt gij onderzoek
gedaan naar het beginpunt van den nieuwen gang. Onze zoogenaamde
drukkerij boezemde uw belang in en gij hebt, als een schrander man, uw
gevolgtrekkingen gemaakt uit zekere zonderlinge zaken in die drukkerij!
Gij ziet, dat ik er niet aan denk, er doekjes om te winden! Het zal u
spoedig genoeg blijken, waarom ik zoo openhartig met u spreek.”

„Ik begrijp het nu al, met lieden, die in onze macht zijn, behoeven wij
geen schuilevinkje te spelen, denkt gij!” kwam Raffles bedaard.

„Gij geeft werkelijk blijk van een helder doorzicht!” riep de Lynx
sarcastisch uit. „Inderdaad zijt gij niet ver bezijden de waarheid! Ik
wil u wel zeggen, dat wij voor hedennacht uw onwelkom bezoek wachtende
waren. Toen wij het gat in uw tunnelwand geslagen hadden, en gij dat
gat afsloot met duivelsch harde staalplaten, toen begrepen wij, dat gij
er het grootste belang bij had, het geheim van uw eigen gang te
bewaren. Wij hebben door het gat eenige dingen gezien, die ons zeer
verbaasden, ik behoef zeker niet nader te verklaren, wat dat geweest
is. Gij moest er rekening mede houden, dat binnen niet al te langen
tijd uw stalen borstwering toch zou bezwijken, en daarom, zoo
redeneerden wij, kondet gij wel eens beproeven, hier een inval te doen!
Gij zult moeten toegeven, dat die redeneering niet zoo dom was!”

„Ik verklaar zelfs, dat zij uit een helderen kop afkomstig is!” kwam
Raffles hoffelijk.

De Lynx maakte een gebaar van ironische dankbetuiging, en vervolgde:

„Wie gij zijt weet ik niet, ofschoon ik wel zekere vermoedens koester,
welke ik echter voorloopig voor mij wensch te houden. Maar het doet er
ook weinig toe, wie gij zijt. Voor mij is het gewichtigste uw tunnel.”

Hij zweeg even, en wierp een loerenden blik op het gelaat van Raffles,
die onbewegelijk tegenover hem stond.

„Het moet wel een zeer bijzonder soort van tunnel zijn, daar gij haar
zoo hardnekkig verdedigt!” ging de Lynx voort. „En een man, die zoo
maar over een stel van de allerbeste staalplaten beschikt, die is zeker
niet de eerste de beste! De man laat mij koud, tenminste voor het
oogenblik, maar het geheim van de tunnel moet ik tot iederen prijs
doorgronden! Het kan mij en mijn vereeniging van het grootste nut
zijn....”

Hij keek Raffles onderzoekend aan, maar deze bleef zwijgen, en hij ging
voort:

„Wel, wat hebt gij hier op te antwoorden?”

„Wat zou ik er op moeten antwoorden?” vroeg Raffles koeltjes.
„Natuurlijk denk ik er geen seconde aan, u het geheim van een tunnel
mede te deelen, welke ik juist met zooveel inspanning tegen uw
onbescheiden blikken heb beschermd!”

„Ah, gij weigert?” ging de Lynx voort, met een valsch lichten in zijn
zwarte oogen. „Nu wij zullen wel zien.... Zeg mij eerst eens, waarom
gij niet dadelijk de politie gewaarschuwd hebt, toen gij moest vreezen,
dat wij dwars door uw tunnel zouden heengaan?”

„O, gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik dat dadelijk gedaan zou
hebben, als ik maar eerder geweten had, in welk huis ik moest zoeken om
het begin van uw tunnel te vinden!”

„Maar toen wij het gat door den wand hadden geboord, toen belette toch
niets u, de politie te gaan halen, haar in uw eigen tunnel te brengen,
haar het gat te laten verwijden, en langs dien kant onze gang te laten
binnendringen?”

„Ik had mijn bijzondere redenen, om dat juist niet te doen,” kwam
Raffles, steeds even rustig.

„Ah, daar heb ik u!” riep de Lynx triomfantelijk uit. „De politie moest
er tot iederen prijs buiten gehouden worden, niet waar? Ik had het dus
bij het goede eind, dat gij..... John Raffles waart!”

„Noem mij, zooals gij verkiest!” kwam Raffles schouderophalend.

„O, gij behoeft het niet te loochenen!” riep de Lynx toornig uit. „Er
is maar één man in geheel Londen in staat tot zulk een werk! Wij kennen
u, wij weten, wat gij waard zijt! Gij zijt wel is waar onze
doodsvijand, zoo goed als van de Bende der Raven, en van het geheele
Genootschap van den Gouden Sleutel, maar niemand onzer denkt er aan, uw
ongeloofelijke schranderheid en uw stoutmoedigheid te ontkennen. Wel,
hoe is het, wilt gij bekennen, dat gij Raffles zijt?”

„Ik zeg u nogmaals, mijnheer de Lynx, dat het mij volkomen
onverschillig is, welken naam gij mij verkiest te geven!” kwam Raffles
ongeduldig. „Kom terzake, wat ik u verzoeken mag! Ik denk, dat gij
binnenkort in de bank wilt inbreken, en mij zoolang wilt vasthouden
totdat het ontdekken van uw tunnel er niet meer op aankomt, niet waar?”

„Welzoo, denkt gij er werkelijk zoo gemakkelijk af te komen?” riep de
Lynx op woesten toon. „Neen, mijnheer Raffles. Dan hebt gij het mis!
Gij deelt ons dadelijk alles mede wat wij van uw tunnel willen weten,
en anders ondergaat gij de straf van alle, die een belangrijk geheim
van de Bende hebben doorgrond! Ik behoef zeker niet duidelijker te
zijn!”

„O neen, die moeite kunt gij u sparen,” zeide Raffles bedaard. „Ik ken
uwe methodes! Welnu, ik blijf bij mijn weigering!”

„Luister dan goed naar mij, John Raffles!” zeide de Lynx, en hij kwam
vlak voor Raffles staan, die geen stap terug week. „Ik geef u volle zes
uren om u te bedenken, wanneer die tijd verstreken is, en gij hebt mij
het geheim van uw tunnel niet medegedeeld, dan sterft gij!”








HOOFDSTUK VI.

BANGE UREN.


Raffles knipte zelfs niet met de oogen, toen hij deze vreeselijke
woorden hoorde.

Hij had immers niet anders verwacht....

Zijn stem klonk volkomen helder en onbewogen, toen hij hernam:

„Ik weiger! Maar, gij zult toch zeker niet zoo beestachtig wreed zijn,
mijn vriend voor mijn weigering te laten boeten?”

„Uw vriend zal uw lot deelen!” schreeuwde de Lynx, met een giftigen
blik in zijn koolzwarte oogen.

„Doe dan wat gij wilt, en ik hoop dat het u niet zal berouwen!” zeide
Raffles op ernstigen toon.

„Die verantwoording neem ik op mij!” zeide de Lynx hooghartig. „Het is
nu twee uur, wanneer gij om acht uur morgenochtend niet tot andere
gedachten zijt gekomen, dan wacht u de dood, en ik verzeker u dat wij
onverbiddelijk zullen zijn! Als gij werkelijk John Raffles zijt, en
daaraan twijfel ik geen oogenblik, dan zou de tegenwoordige chef van
het Genootschap van den Gouden Sleutel het mij zelfs zeer kwalijk
hebben kunnen nemen, dat ik u niet onmiddellijk een kogel door het
hoofd heb geschoten! Maar ik wil u een kans geven, omdat ik begrijp,
dat de kennis van het geheim van die tunnel voor ons van het grootste
gewicht is. Die gang zal wel naar een of andere huis loopen, waar gij
gewoonlijk verblijf houdt, en het zou voor ons van veel belang zijn,
als wij wisten, onder welken naam John Raffles de Londensche politie
zoo fijn om den tuin leidt.”

„Dat kan ik mij zeer goed voorstellen, maar daar ik van mijn kant zeer
bepaald er op sta, om het geheim van die tunnel voor mij zelf te
behouden, wie ik dan ook zijn moge, daarom zult gij het uit mijn mond
niet vernemen! Gij hebt gelijk als gij zegt dat het van gewicht is, ik
kon evengoed dadelijk een einde aan mijn leven maken, of mij gevangen
gaan geven op Scotland-Yard. Gij moet dus inzien dat uw wachten
vruchteloos is.”

„Wij zullen zien!” hernam de Lynx kortaf.

Hij wendde zich daarop tot de gemaskerde mannen, die zwijgend en met de
revolver in de hand op dezelfde plek waren blijven staan en zeide:

„Breng hem weder naar den grooten kelder, bindt hem goed, en laat een
uwer hem bewaken.”

„Neem mij niet kwalijk, chef,” zei een van de mannen, „ik zou er maar
twee van maken als ik u was.”

„En het werk in de tunnel dan?” vroeg de Lynx.

Niemand antwoordde.

De chef dacht nog even na en hernam toen:

„Misschien heb je ook wel gelijk, als hij Raffles is, dan hebben wij
met een gevaarlijken tegenstander te doen. Twee blijven dus hier om op
hem te passen en de anderen gaan weder naar de tunnel, naar het andere
einde, en stellen daar alles in het werk, om die stalen platen op te
ruimen. Is dat geschied voordat de zes uren om zijn, misschien kan dat
dezen man dan het leven redden, maar in het tegenovergestelde
geval.....”

De Lynx voltooide den zin niet, maar de dreigende blik in zijn oogen
sprak een duidelijke taal, die niet misverstaan kon worden.

Alles werd nu in gereedheid gebracht, om de beide gevangenen goed te
kunnen bewaken.

Er werden twee zware stoelen ergens uit het huis gehaald en daarop
werden de beide gevangenen vastgebonden, hun beenen tegen de sporten,
hun armen achter de leuning, en bovendien werden hun polsen nog te
samen gebonden, met het stevigste touw.

En daarop werden de stoelen midden in het vertrek gezet, zoodat de twee
bewakers voortdurend om de gevangenen heen konden loopen, teneinde zich
te overtuigen of de touwen nog stevig vast waren.

De Lynx had reeds al te veel gehoord van de buitengewone bekwaamheid
van John Raffles om zich van de sterkste boeien te bevrijden.

De chef kwam zich zelf overtuigen, dat de touwen stevig waren geknoopt,
en zeide toen, zich tot Raffles wendende:

„Zes uren, denk er om! Gij hebt het leven thans in uw eigen hand! In uw
eigen belang zou ik u raden, niet al te veel op onze goedhartigheid te
vertrouwen! In dergelijke zaken kennen wij geen medelijden, en ook al
waart gij niet de man voor wien ik u aanzie, dan zoudt gij toch sterven
als gij ons verlangen niet inwilligt!”

„Ik zeg u nog eens dat ik mijn geheim niet verraad, en als gij mij
beter kende, dan zoudt gij weten dat ik nimmer op een eenmaal genomen
besluit terug kom!”

De Lynx haalde de schouders op, en riep uit:

„Wij zullen eens zien of gij om acht uur even bout spreekt! Bedenk ook
wel dat gij niet alleen u zelf maar ook uw vriend en helper het leven
beneemt als gij weigert.”

Er kwam een sombere smartelijke uitdrukking op het gelaat van den
Grooten Onbekende, maar dadelijk liet de stem van Charly zich hooren,
die vastberaden uitriep:

„Bekommer je niet om mij, Edward! Ook ik denk er niet aan om ons geheim
te verraden en als jij sterft, welk doel zou mijn leven dan nog
hebben?”

„Zeer aandoenlijk!” zeide de Lynx op spottenden toon. „Wij zullen wel
eens zien of die broederlijke genegenheid stand houdt in het gezicht
van den dood.”

Hij stak beide handen in de zakken, riep den man die nog altijd met de
revolver in de hand boven aan de trap stond en wenkte een van de drie
kerels die Raffles en Charly overweldigd hadden.

Zij begaven zich naar den kleinen kelder waar de dynamo stond, en de
zware met ijzer beslagen deur viel dicht.

De beide gevangenen bleven alleen met hunne bewakers.

Een hunner had, voor de Lynx en de beide anderen zich verwijderden, een
schakelaar omgedraaid, zoodat de kelder nu in een helder electrisch
licht baadde, en vervolgens een hefboom overgehaald waardoor het
boveneinde van de trap langzaam weder in zijn oorspronkelijken toestand
kwam, waarin zij werd gehouden door een zware ijzeren bout, die er bij
wijze van deurgrendel voorgeschoven werd.

Raffles had het gevoel alsof hij nog nimmer zoo helder van hoofd was
geweest als op dit oogenblik in dezen kelder en in het aangezicht van
den dood, die hem toegrijnsde, als hij weigerde het kostbare geheim
prijs te geven, dat als het ware met zijn leven zelf was samengeweven.

Inderdaad, de tunnel zelve was zeker van minder belang, en haar verlies
bijvoorbeeld door een groote instorting, zou wel ernstig, maar
volstrekt niet onoverkomelijk zijn, maar zij leidde aan den eenen kant
naar het huis van Lord William Aberdeen en het zou zeker niet lang
duren of de bandieten zouden den geheimen toegang naar het tuinhuis
gevonden hebben.

Het leven van Lord Aberdeen zou bekend worden, al was het dan
voorloopig maar aan de bendeleden, en dit zou zulk een noodlottigen
invloed uitoefenen op al zijn ondernemingen, dat hij evengoed
regelrecht naar den hoofdcommissaris van politie zou kunnen loopen.

Als ooit werd uitgemaakt dat Lord Aberdeen en John Raffles een en
dezelfde persoon waren, dan zou het geheele bouwwerk van zijn
dubbelleven ineen storten en hij zou weder een geheel nieuw plan moeten
opstellen, hetgeen zeker met de grootste moeilijkheden gepaard zou
gaan.

Maar over dit alles dacht hij slechts kort.

Het stond voor hem vast dat hij het geheim niet zou verraden, en
daarover behoefde hij dus in het geheel niet na te denken.

Neen, zijn gedachten waren uitsluitend gericht op de kansen welke hij
had om zich te bevrijden alvorens de zes uren verstreken waren.

Hij begreep maar al te goed, dat deze kansen al bijzonder gering waren,
de kelder was daghelder verlicht, de stoelen stonden in het midden van
het vertrek, de touwen waren stevig en goed geknoopt, al had hij kans
gezien door tijdens het binden zijn spieren zooveel mogelijk te
spannen, zich een weinig speelruimte te verschaffen, de oppassers waren
krachtige kerels, klaar wakker en goed gewapend, en geen enkele
beweging hunner gevangenen zou hun ontgaan.

Maar Raffles was er de man niet naar, om iedere hoop te laten varen.

Integendeel, al waren de bezwaren reusachtig groot, toch was al zijn
denken nu gericht op de mogelijkheid hier te ontsnappen.

Charly scheen op zijn gelaat te lezen wat er in hem omging maar de
stemming van den jongen man was veel minder opgewekt als men het zoo
noemen mag, hij zag de toekomst zeer duister in, en hij vreesde dat
deze kelder wel hun laatste verblijf zou zijn.

Raffles liet met opzet een half uur voorbijgaan voor hij ook maar de
geringste beweging maakte.

Toen rekte hij zich eens uit, voor zoover dit mogelijk was, zoodat de
touwen kraakten, maar dadelijk kwam een der wakers voor hem staan, die
zich nu beiden van hun masker ontdaan hadden en zeide dreigend terwijl
hij zijn revolver ophief:

„Laat die grappen maar, het zou je kunnen berouwen!”

„Gij staat het mij dus niet toe dat ik mij uitrek en zoodoende den
slaap in mijn ledenmaten tegen ga?” vroeg Raffles op onderdanigen toon.

„Dat zal ik niet dulden, ik heb van je gehoord, man, ik ken je
duivelskunsten, je bent al ontelbare malen gesnapt.”

Hij liep om den stoel heen, betastte de touwen, als vreesde hij
waarlijk dat Raffles ze al had laten afknappen, en ging toen weder naar
zijn makker, die op dezelfde plek was blijven staan.

Nu bracht het beroep van Raffles mede dat hij een voortreffelijk
gelaatskenner was en op het gezicht van dezen tweeden man zoo duidelijk
als in een boek las, dat hij zooals men dat noemt, „liever lui dan moe”
was, en bovendien vast overtuigd, dat er aan de ontvluchting der beide
gevangenen niet te denken viel.

Hij en zijn makker immers waren gewapend, de beide gevangenen niet, en
bij de eerste poging om op te staan, zouden zij reeds een kogel in het
hoofd hebben.

Raffles glimlachte flauwtjes voor zich heen, en zeide in zich zelf:

„Zelfvertrouwen is goed, mijn vriend, maar men moet het toch nooit te
ver doordrijven!”

De Groote Onbekende wierp Charly een blik toe, een zeer snellen blik,
maar die den jongen man alles onthulde wat er op dit oogenblik in het
hoofd van zijn vriend omging. Raffles begon nu met het vertrek zeer
zorgvuldig te bestudeeren.

Wij zeiden reeds dat er een houten trap naar beneden leidde, die
ongeveer in het midden beweegbaar was.

Zij telde dertig tot twee en dertig treden en liep langs den gladden
zijwand van den kelder.

De deur bovenaan kwam dadelijk op de trap uit zonder portaal.

De hefboom, zooeven door een der bandieten overgehaald, bevond zich
niet ver van den voet van de trap, en de schakelaar van het electrische
licht was naast de stevige deur, geheel van ijzer vervaardigd, en in de
grijze kleur van de steenen geschilderd, waardoor Raffles en Charly
haar, toen zij op de trap stonden, niet aanstonds hadden kunnen zien.

De kelder was ongeveer vijf meter breed en bijna zeven meter lang, en
zooals gezegd, de beide stoelen stonden in het midden, ruim een meter
van elkander.

De bewakers liepen voortdurend heen en weder oogenschijnlijk om te
voorkomen dat zij in slaap zouden vallen.

Weer verliep een half uur en Raffles had reeds een paar keeren gegaapt.

„Neem mij niet kwalijk, mijne heeren,” zeide hij, „maar het is toch
zeker niet verboden om te rooken in dit vertrek? Er is niets zoo goed
als een voortreffelijk sigaret om zich den tijd een weinig te korten en
wakker te blijven.”

De twee bewakers schenen elkander met een blik te raadplegen en toen
antwoordde een hunner brommend:

„Als gij kans ziet om te rooken, gij kunt uw gang gaan, maar ik heb
geen sigaretten!”

„Het is ook de vraag of ik uw sigaretten wel zou lusten!” riep Raffles
spottend uit. „Wees zoo goed en haal mijn koker eens te voorschijn, hij
zit in mijn binnenzak, en het is vreemd, maar ik kan er zelf niet bij!”

De bewaker, dien Raffles in gedachten „De onverschillige” had genoemd
trad op hem toe, knoopte zijn jas open, stak de hand in den binnenzak,
en haalde er een fraaien, gouden sigarettenkoker uit.

Hij liet een zacht fluitend geluid van bewondering hooren, wierp het
kostbare voorwerp een paar malen omhoog, en zeide grinnikend:

„Ik geloof dat ik dat mooie dingetje maar confisceer! Het is zeker een
erfenis, niet waar?”

„Gij kunt doen wat gij verkiest, als gij mij maar eerst een sigaret
geeft!” antwoordde Raffles schouderophalend.

De bandiet opende het étui en wilde er een sigaret uitnemen, maar
Raffles zeide haastig:

„Blijf er liever af met je vingers, vriend! Ik wil volstrekt niets
afdingen op je zindelijkheid, maar de aroma van deze fijne sigaretten
heeft er onder te lijden als zij te veel worden aangevat! Houdt mij het
étui maar voor, ik zal er met de lippen wel een uitnemen!”

De bandiet, een weinig verbluft, gehoorzaamde, en hield Raffles het
étui zoo dicht mogelijk bij den mond, dat deze er met de lippen een
sigaret uit kon nemen.

„Nu een beetje vuur, als ik je verzoeken mag!” zeide hij.

De bandiet haalde een lucifersdoosje uit zijn zak, streek een lucifer
af, en hield die aan de sigaret.

Vol welbehagen deed Raffles een paar trekjes, en de bandiet, opgetogen
over de heerlijke lucht, riep uit:

„Bij mijn ziel, dat is eerst een sigaret! Kom, wij zullen er ook eens
den brand in steken!”

Hij nam een sigaret uit den koker en had haar het volgende ooogenblik
aangestoken.

Hij kwam nu met het étui naar zijn makker toe en hield het hem voor,
maar deze, die het geheele tooneeltje een weinig argwanend had
gadegeslagen riep uit:

„Ik rook de sigaretten van dien man niet!”

„Kom, kom, hij heeft er toch zelf ook een aangestoken!” riep „de
onverschillige”.

„Wel mogelijk, maar ik vertrouw hem niet! En als ik jou een raad mag
geven, Jim, dan gooi je dat ding dadelijk weer weg! Vooruit, doe wat ik
zeg! Ik heb het niet voorzien op sigaretten van iemand die John Raffles
heet, of kan zijn!”

De aangesprokene die naar den naam Jim luisterde scheen de autoriteit
van den ander te erkennen, want hij bromde binnensmonds een vloek, deed
nog snel een paar lange halen aan de sigaret, verdraaide zijn oogen van
genot, en wierp toen het rolletje tabak in den hoek, maar niet zonder
dat hij een verliefden blik op de smeulende sigaret liet rusten.

Daarop stak hij den gouden koker in zijn zak, en zeide tevreden:

„Die zijn dan in ieder geval goed voor een volgende gelegenheid!”

„Als ze je maar niet opbreken,” mompelde de tweede bandiet. „Ik zeg je
nog eens, sigaretten van John Raffles, daar pas ik voor!”








HOOFDSTUK VII.

WIE HET ONDERST UIT DE KAN WIL HEBBEN.....


Jim begon te lachen, een luide, rollende lach, maar die eensklaps werd
afgebroken, afgesneden als met een mes als het ware.

Hij bleef eensklaps als uit steen gehouwen en met starende oogen in
zijn lach steken, bracht toen met een vaag gebaar een trillende hand
aan het hoofd, rochelde eenige keeren alsof hij iets in de keel had dat
hij niet kon wegslikken, deed een paar wankelende stappen.... en zakte
toen in elkaar.

Een rilling doorliep zijn lichaam en toen lag hij onbewegelijk.

Zijn makker slaakte een waar gebrul en schreeuwde:

„Ik heb het je wel gezegd! Die verdoemde sigaretten!”

Hij vergat zelfs een oogenblik zijn gevangenen, knielde naast Jim
neder, schudde hem heen en weder, wierp een blik op het gelaat, waarin
de trekken eensklaps verstijfd schenen en op de glazige oogen, en
sprong toen met een woesten vloek weder overeind.

Een bijna bijgeloovige vrees had zich van hem meester gemaakt en hij
staarde Raffles, die hem glimlachend aankeek, met uitpuilende oogen
aan.

Toen barstte hij uit:

„Ik weet niet wat mij weerhoudt om er maar dadelijk een eind aan te
maken! Nu is het wel zeker dat je John Raffles bent! Het had maar een
haar gescheeld of ik had ook van je duivelsche sigaretten gerookt.”

„Wel, dat was de bedoeling!” zeide Raffles langs zijn neus.

De bandiet hief de vuist op, als om Raffles te treffen, en slechts met
moeite wist hij zich zelf te beheerschen.

Hij dacht een oogenblik na, bromde toen voor zich heen:

„Ik moet telefoneeren, zij moeten mij een ander zenden! Ik durf niet
alleen blijven met dien duivelskunstenaar!”

Hij vloog naar de trap, en begon haar zoo vlug hij kon te beklimmen.

Waarschijnlijk bevond de telefoon zich in een of ander vertrek van de
drukkerij, of in de schuur.

Raffles volgde hem met de oogen, en juist toen de bandiet de helft van
de trap bereikt had, strekte hij zijn beenen zoo ver mogelijk, tot zijn
teenen den grond raakten, en wierp zich met een enkelen sprong als die
van een kangoeroe met zijn volle gewicht vooruit, en tegen den hefboom
aan den voet van de trap......

Een kort gekraak liet zich hooren, het boveneinde van de trap zwaaide
terug en de bandiet, zoo plotseling van het evenwicht beroofd, stortte
van een hoogte van drie meter voorover op den steenen vloer van den
kelder.

De hoogte was niet groot genoeg om hem te dooden, maar hij moest toch
iets gebroken hebben want hij bleef half verdoofd liggen.

Zijn revolver was hem tijdens den val uit de hand gevlogen en lag ver
buiten zijn bereik.

Raffles verloor geen tijd maar beukte uit alle macht den stoel tegen
den muur, zoodat het niet lang duurde of de rug en de pooten waren
gebroken.

De dikke touwen hadden nu geen houvast meer, en vielen slap langs armen
en beenen neer.

In een oogwenk had Raffles zich bevrijd, en snelde nu op Charly toe,
die meende te droomen, en als versuft dit tooneeltje had gadegeslagen
dat zich met ongelooflijke snelheid had afgespeeld.

En het merkwaardige was dat de sigaret nog altijd tusschen de lippen
van den Grooten Onbekende zat geklemd en hij nog even rustig rookte,
alsof hij zich in de conversatiezaal van de Windsor-Club had bevonden.

Stotterend van verbazing vroeg Charly, toen hij armen en beenen weer
bewegen kon:

„Ik kan nog niet begrijpen dat het al werkelijk gebeurd is, heb je zelf
in het geheel geen last van die sigaret?”

„Het was de eenige goede die er bij was, mijn jongen!” antwoordde
Raffles glimlachend. „Het gouden mondstukje is een weinig korter dan
dat van de andere sigaretten en daaraan herken ik het terstond. Maar
daarom wilde ik ook volstrekt de sigaret zelf nemen. Maar laten wij nu
geen tijd verbeuzelen met babbelen, er valt ander werk te doen. Wij
zullen eerst onzen vriend eens verbinden maar zoo dat hij zich niet
bevrijden kan!”

Hij bukte zich over den man heen, die juist uit zijn verdooving
ontwaakte en zeide:

„Ik geloof niet dat hij iets gebroken heeft!”

„Vindt je wel dat het er veel toe doet?” vroeg Charly ironisch.

Raffles antwoordde niet, maar greep het touw waarmede hij zelf was
gebonden geweest en een oogenblik later was de bandiet zoodanig
gekneveld dat hij in den letterlijken zin van het woord geen lid kon
verroeren.

Hij werd naar een hoek van het vertrek gedragen en daar neergelegd.

De man was weder volkomen bij kennis en keek Raffles aan met twee oogen
die van haat en machteloos woede gloeiden.

„Ja vriend!” zeide Raffles op wijsgeerigen toon, „dat men den morgen
nooit moet prijzen voor den nacht, om een bekend spreekwoord naar
omstandigheden te wijzigen. Over je metgezel behoef je je niet ongerust
te maken, hij is springlevend en alleen maar bewusteloos en dat zal hij
de eerste twaalf uren wel blijven. Mijn sigaretten zijn zeer krachtig.
En nu zal ik je gedurende eenigen tijd tot mijn spijt moeten verlaten
want dringende bezigheden roepen mij elders!”

Hij ging de revolver opzoeken, onderzocht het wapen nauwkeurig en kwam
tot de ontdekking dat het gelukkig door den val niet geleden had.

Charly wapende zich met het automatische repeteerpistool van den
bewusteloozen bandiet, en keek Raffles vol afwachting aan.

„Nu maken wij zeker dadelijk dat wij wegkomen?”

„Ja, mijn jongen, wij gaan naar huis.”

Gelukkig riep Charly uit: „Ik had, eerlijk gezegd, gedacht, dat je het
avontuur nog verder had willen voortzetten.”

„Wel, ik ben ook niet anders van plan,” hernam Raffles droogjes. „Want
ik wil wel naar huis, maar langs een anderen weg dan dien wij gekomen
zijn.”

„Hoe dan wel?”

„Door de tunnel, welke de bandieten gegraven hebben.”

„Maar dat staat gelijk met zelfmoord!” riep Charly verschrikt uit. „Wie
weet hoeveel van die kerels wij daar wel vinden!”

„Het kunnen er zooveel niet zijn, want in een onderaardschen gang, zoo
als zij er een graven, kunnen onmogelijk meer dan vier man tegelijk
vertoeven, en waarschijnlijk vinden wij er niet meer dan drie. Maar al
waren het er zes, wij hebben het voordeel van de verrassing. Kom
spoedig mede!”

Raffles trad op de ijzeren deur toe, en het duurde niet lang, of hij
had de wijze ontdekt, waarop zij geopend moest worden.

Hij knikte nog eens naar den gebonden bandiet die onbeweeglijk en met
giftigen blik naar hem keek, en daarop traden de beide vrienden den
tweeden, kleinen kelder binnen, na zich eerst te hebben overtuigd dat
hun lantaarns nog goed werkten.

Een eenvoudige houten deur, van goede planken vervaardigd, bleek het
begin van de tunnel af te sluiten.

De gang had een ovalen vorm, en de grootste doorsnede was omstreeks één
meter tachtig, de kleinste één meter vijftig.

Op geregelde afstanden was de tunnel geschoord en op den eersten blik
zag Raffles dat hier een zeer kundig ingenieur aan het werk was
geweest.

De tunnel was volkomen recht, overal even hoog en breed en op zwakke
plaatsen met metselsteenen versterkt.

De schoren bestonden uit dikke palen van eikenhout, zoo dik als een
heipaal, en schuin gesteld, zoodat zij het gewicht van het verwulf
konden dragen.

En nauwelijks waren de twee vrienden een twintigtal meter in de tunnel
door gedrongen of zij zagen heel in de verte een flauw schijnsel.

Dadelijk doofden zij het licht van hun eigen lantaarns en gingen op den
tast verder.

Aan weerszijden van de tunnel liepen de electrische draden van de
boormachine, welke zich aan de uiteinden van de onderaardsche gang
moest bevinden, en waarmede de tunnelgravers den harden bodem hadden
aangetast, om dien vervolgens met schop en houweel verder te
verwijderen.

Waar de uitgegraven aarde gebleven was, begreep Raffles niet. Maar,
waarschijnlijk had men die in een andere schuur opgehoopt.

Bij iederen stap werd het schijnsel helderder, en na ongeveer vijftig
meter te zijn voortgegaan konden de beide mannen de vage gedaanten zien
van eenige lieden, die druk bezig waren aan het andere einde van de
tunnel.

Maar de boormachine zweeg, wier gonzend geluid hun het eerst op het
spoor van de tunnelgravers had gebracht.

Wel klonken de regelmatige slagen van twee of drie houweelen op den
harden grond.

Blijkbaar waren de bandieten bezig het gat te vergrooten in den
tusschenwand, teneinde des te gemakkelijker de stalen platen voor de
opening op zijde te kunnen schuiven.

Raffles en Charly hadden zich plat voorover geworpen en kropen voort,
de revolvers in de vuisten geklemd.

Charly trok het touw achter zich aan, waarmede hij gebonden was geweest
en dat men misschien aanstonds noodig zou kunnen hebben.

Nog een twintig meter, en toen konden Raffles en Charly reeds duidelijk
onderscheiden wat er daarginds geschiedde.

Er waren daar drie mannen, hoogstwaarschijnlijk de Lynx met de twee
bandieten, die hem vergezeld hadden.

Twee hunner waren bezig met houweelen uit alle macht de rotsharde aarde
aan te tasten, terwijl de derde het werk leidde, en een zeer groote
electrische lantaarn in de hand hield, waarmede hij de beide arbeiders
belichtte.

Zoo sterk was het licht, dat Raffles duidelijk kon zien, dat de opening
in den wand sedert dien morgen zeer veel grooter was geworden.

Zij was bijna vier decimeter hoog en zeven decimeter breed, en daar
achter was zeer duidelijk het zwakke geglim van het schild van
nikkelstaal te zien.

Links stond de boormachine, die thans buiten gebruik was gesteld, daar
zij de stalen schilden toch niet zou kunnen bewerken.

Het zou zeker geen uur meer duren, of de geheele opening zou vrij
gemaakt, en dan zou het zeker heel wat gemakkelijker vallen, de stalen
platen omver te werpen, of ter zijde te schuiven.

En als ook dit mislukte, zouden de bandieten wel eens kunnen pogen, de
staalschilden met behulp van een zuurstofvlam te vernielen, en zoo in
de tunnel door te dringen, die zoo zeer hun nieuwsgierigheid had gaande
gemaakt.

Maar voor het oogenblik was daar geen vrees voor.

Het werk vorderde langzaam en telkens vlogen er kleine stukjes van den
rotsharden grond.

Nu en dan liet de Lynx het werk ophouden, en beschouwde de opening en
de staalplaat daar achter.

En toen, voor Raffles en Charly er goed en wel op verdacht waren, spoot
er als het ware een verblindend witte straal tegen de staalplaat.

De bankroovers hadden hun zuurstofapparaat reeds in werking gebracht.

Zij droegen alle drie brillen met zwart gemaakte glazen, waardoor zij
ongestraft in het vreeselijke wit van de vlam konden kijken.

Maar Raffles en Charly hadden ongewapende oogen en konden zelfs op dien
afstand den helschen gloed ternauwernood verdragen.

Er viel ook niet aan te denken, behoorlijk te mikken tegen dit
verblindend licht in.

Zij kropen zoo snel zij konden weder een twintig meters achteruit, en
van deze plek konden zij nog zeer goed zien, wat er daarginds vooraan
in de tunnel voorviel, zonder gevaar te loopen, hun oogen
onherroepelijk te bederven.

Van de drie bandieten was nu niets meer te zien.

Zij hadden zich waarschijnlijk plat op den buik geworpen, om zoo weinig
mogelijk last te hebben van het schelwitte licht, van een witheid, door
niets te overtreffen, en waarbij zelfs de schittering van een sterke
electrische booglamp in het niet zonk.

Er verliepen bijna twee uren.

Het gat was nu zeker bijna zoo diep, dat alle drie de platen waren
doorgesmolten.

En toen geschiedde er iets, waarop de twee mannen ook al niet gerekend
hadden.

De Lynx zond een van zijn mannen terug, zeker om eens te gaan zien, of
de gevangenen zich nog niet bedacht hadden!

Als zij bleven waar zij waren, dan zouden zij zeker gezien worden, want
de tunnel bood hier volstrekt geen schuilplaats, en de man, die
terugkeerde was voorzien van een kleinen zaklantaarn.

Maar hier viel niet te aarzelen, zij moesten beginnen met te
retireeren, tot zij althans buiten het gehoor van de twee
achtergebleven bandieten waren.

Raffles en Charly kropen dus als bij onderlinge afspraak, zonder dat
het noodig was geweest, een enkel woord te wisselen, achteruit, op
handen en voeten, en nu en dan omziende om zich te overtuigen, dat zij
buiten het lichtschijnsel van de lantaarn bleven.

Zij waren den man minstens vijftig meter vooruit, en hij kon hen
onmogelijk zien.

En toen ontfermde het lot zich over hen, zij vonden een plek, waar de
tunnel eensklaps een weinig breeder werd, misschien had hier een
aardinstorting plaats gehad, of was deze soort nis met opzet gemaakt,
teneinde er gereedschappen of machineonderdeelen te kunnen bewaren.

Deze kleine uitholling was echter nauwelijks groot genoeg, om een enkel
persoon te kunnen bevatten.

Raffles boog zich naar Charly over en fluisterde hem in:

„Ga jij nog een tiental meters verder, ik blijf hier, en zal den kerel
ten val brengen, dan keer je dadelijk weer terug, en helpt hem
onschadelijk maken!”

Charly knikte en ging verder, terwijl Raffles zich zoo klein mogelijk
maakte, en zich tegen den achterwand van de nis drukte.

Vijf minuten later kwam de bankroover voorbij, of liever, hij wilde
voorbij gaan, want zoover kwam het niet.

Raffles had zich bliksemsnel gebukt en den kerel bij het onderbeen
gevat.

De man struikelde en had zelfs niet den tijd voor een vloek.

Want dadelijk wierp Raffles zich op hem, en toen ook Charly op het
gerucht van den val terug kwam ijlen, was zijn lot spoedig beslist.

Hij werd nu stevig gebonden, zoodat hij zich niet verroeren kon, en ook
geen geluid kon maken.

Dat was dus een derde van de vijandelijke legermacht verslagen.

De rest zou kinderspel zijn!

Juist op dat oogenblik hoorden de beide mannen een dof gekraak aan het
uiteinde van de tunnel.

Zij snelden terug zoo vlug zij konden en de gesteldheid van de tunnel
het hun veroorloofde.

Het verblindend witte licht was nu verdwenen.

Alleen de twee lantaarns verspreidden hun licht.

Blijkbaar was zooeven de arbeid met de steekvlam geëindigd.

Er was nog meer gebeurd.

Door de opening in de drie stalen schilden, ongeveer zuiver rond, en
bijna twee decimeter in doorsnede, hadden de twee bandieten de stukken
van de spoorstaaf met behulp van een ijzeren haak kunnen wegduwen.

En daarna hadden zij, uit alle macht zich inspannend, de stalen
schilden één voor één omver kunnen werpen.

De opening was nu vrij!

Een der bandieten stak er een arm gewapend met een lantaarn door, zeker
om de tunnel, die nu open voor hen lag, te belichten.

Dat was zijn ongeluk....

Want Raffles en Charly zagen op hetzelfde oogenblik iets eigenaardigs
gebeuren.

De man met de lantaarn verdween onder het slaken van een luiden vloek,
en zoo vlug, of hij door toovenaarshanden werd weggesleurd!

„Dat moet Henderson zijn!” kwam Raffles glimlachend, terwijl Charly
moeite had een schaterlach te onderdrukken, zoo snel en zonder omslag
was de bankroover uit het oog verdwenen.

„Kom vlug, Charly, voor mijnheer de Lynx zijn makker ter hulp kan
snellen!”

De twee vrienden ijlden naar de opening, en onder het loopen gaf
Raffles het waarschuwingssein, voor Henderson bestemd, die zooeven zoo
handig zijn tegenstander door de opening had getrokken, met niet meer
omslag dan men gebruikt om een sardiene uit het blikje te nemen.

Op het hooren van het sein keerde de Lynx zich om, en slaakte een
gebrul van woede, toen hij zijn gevangenen herkende.

Hij bracht de hand naar zijn zak, maar hij was wat te langzaam....
reeds was Raffles bij hem en sloeg hem door een op de goede plek
aangebrachten vuistslag neer.

In een handomdraaien was de schurk gebonden en machteloos gemaakt.

Hij kwam juist weer bij, toen dit geschied was.

„Ja, vriend Lynx, zoo gaat het nu eenmaal in de wereld,” zeide Raffles
glimlachend, „heden ik, morgen gij! Maar vandaag zijt gij het in ieder
geval, naar ik geloof!”

Henderson stak op dit oogenblik zijn groot hoofd door de opening, en
zeide leukweg:

„Alles all right, mijnheer! Bij u ook, hoop ik?”

„Alles in de beste orde, James!” antwoordde Charly lachend. „Steek dien
kerel maar weer door het gat, waar je hem zoo handig gevangen hebt!”

Even later kwam er een soort mummie door de opening, aangereikt door
den reus.

De man was zoo stijf gebonden, dat hij letterlijk geen vingerlid kon
verroeren.

„Zoo, daar hebben wij de verzameling compleet!” kwam Raffles tevreden.
„Nu nog het vrachtje naar het huis in de Baker-Street vervoerd, en
tijdelijk in den kelder neergelegd, in afwachting van de komst der
politie, maar voor dien tijd staat ons een zware arbeid te wachten,
vrienden!”

„Wat wil je doen?” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Vraag je dat nog? Natuurlijk wil ik de tunnel van die lieden voor de
grootste helft vernielen, en doen instorten! Want om zich te wreken
zullen zij natuurlijk verraden wat zij gevonden en gezien hebben en dan
was alle moeite toch vruchteloos geweest! En daarom zullen wij eerst
hun tunnel voor een deel vernielen, vervolgens zullen wij een laag
beton hier op deze plek aanbrengen, een vijftal meter dik, en tenslotte
zullen wij onze eigen tunnel een andere richting geven, op deze plek!
En al dien tijd zullen de heeren onze gasten zijn, wel bewaakt,
natuurlijk! De bankroof zullen zij mijnentwege later nog eens kunnen
beproeven, maar dan niet ten koste van John Raffles!”











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0345: DE BANKROOVERS ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.