Lord Lister No. 0055: Het onschatbare kleinood

By Matull and Blankensee

The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0055: Het onschatbare kleinood
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0055: Het onschatbare kleinood

Author: Kurt Matull
        Theo von Blankensee


        
Release date: September 13, 2026 [eBook #79568]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79568

Credits: the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0055: HET ONSCHATBARE KLEINOOD ***




                              LORD LISTER
                            GENAAMD RAFFLES
                          DE GROOTE ONBEKENDE.

                   NO. 55   HET ONSCHATBARE KLEINOOD.








HET ONSCHATBARE KLEINOOD.


EERSTE HOOFDSTUK.

DE SIGARETTENKOKER VAN KEIZER NERO.


„Zal ik je eens wat zeggen, beste Charly, Londen wordt vervelend”,
sprak de veelgezochte, wereldberoemde John C. Raffles tot zijn vriend
en secretaris Charly Brand, toen zij samen na het souper in de
weelderig ingerichte studeerkamer van den Lord zaten.

Dit vertrek was met allerlei kostbaarheden gevuld, welke John Raffles
daarin had verzameld als hartstochtelijk vereerder en verzamelaar van
kunstvoorwerpen.

Op dit oogenblik trad zijn oude, getrouwe kamerdienaar binnen en
overhandigde hem een visitekaartje.

„Deze heer wenscht u nog hedenavond te spreken”, meldde de bediende.

John Raffles las het kaartje, waarop in Latijnsche letters stond:

„Thomas Barring, handelaar in oudheden.”

„Een eigenaardige tijd van den dag om zaken te doen”, sprak hij tot
Charly Brand, „wat zou de man willen?”

Daarop wendde hij zich tot den wachtenden kamerdienaar en beval:

„Laat mijnheer binnenkomen.”

„Heel goed, uw Lordschap.”

Eenige oogenblikken later trad de handelaar in oudheden, een man van
zestigjarigen leeftijd, met een gezicht dat aan een kraai herinnerde,
de studeerkamer binnen, boog en sprak:

„Neem mij niet kwalijk, Lord Warrington, dat ik u nog zoo laat kom
lastig vallen. Ik dacht u in de club te zullen treffen, maar wachtte
daar te vergeefs op u.”

De groote onbekende bezocht sinds verscheidene maanden de voorname club
der „Citymen” onder den naam van Lord Warrington.

Niemand vermoedde daar, dat de elegante gentleman, die zulke
fijnbeschaafde manieren had en zulk een voornamen indruk maakte, en
Lord Edward Lister, alias John C. Raffles een en dezelfde persoon
waren.

„Gij kiest een eigenaardig uur uit,” sprak Raffles tot den
antiquiteitenhandelaar, „om mij op te zoeken.”

„Pardon,” antwoordde deze, „ik hoorde van een heer, die ook lid van uw
club is, dat gij een groot liefhebber van antiquiteiten zijt. Eveneens
vernam ik, dat gij waarschijnlijk morgen op reis zult gaan.

„Om die reden was ik zoo vrij, nog hedenavond bij u te komen om u
gelegenheid te geven, in het bezit te komen van een prachtigen gouden
sigarettenkoker, uit den tijd van den beruchten Romeinschen keizer
Nero.”

Raffles en Charly keken elkaar met een veelbetekenenden blik aan.

De Lord wist niet, waarover hij zich meer moest verbazen, over de
gewetenlooze brutaliteit van dezen handelaar in oudheden, die hem een
sigarettenkoker van keizer Nero wilde verkoopen of over de domheid van
dezen man om te veronderstellen, dat hij werkelijk zoo dom zou zijn, om
iets van deze oplichting te gelooven.

Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij hem in den nek zou pakken en
hem de trap afgooien of wel dat hij, om hem te ontmaskeren, zaken met
hem zou doen.

„Dat is zeer interessant”, sprak hij, „mag ik de doos zien?”

De antiquair haalde uit zijn zak een klein doosje te voorschijn, opende
het voorzichtig en nam er een in vloei gewikkeld voorwerp uit, dat hij
uitpakte en aan Raffles gaf met een gelaat, dat straalde van
bewondering.

Het was een gouden sigarettenkoker, waarop aan de voorzijde „Nero”
stond, gevormd door robijnen en smaragden.

De Lord opende het etui en bekeek het aandachtig.

„Jammer, Mr. Barring, er ontbreekt alleen de naam van de firma, die het
étui heeft gemaakt.”

Zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, antwoordde de
antiquair:

„Naar het werk te oordeelen is de koker afkomstig van den hofjuwelier
van een Perzisch vorst. Het is echter ook mogelijk, dat het Egyptisch
werk is en dat misschien Ramses, de groote Egyptische koning, het aan
keizer Nero ten geschenke heeft gegeven.”

Raffles wist niet, of hij moest vloeken of lachen, terwijl Charly Brand
met groote, verbaasde oogen zijn vriend en meester aanstaarde en dacht,
dat de vreemde bezoeker plotseling krankzinnig was geworden.

Want het was immers onmogelijk, dat een mensch met gezond verstand, aan
een sigarettenkoker van keizer Nero kon gelooven. En nog grooter was de
onzin, dat een koning Ramses, die verscheiden duizenden jaren vóór Nero
had geleefd, dezen het etui ten geschenke zou hebben gegeven.

De groote onbekende echter, wiens gelaat onverschilligheid uitdrukte,
zoodat de antiquair, die hem met scherpen blik opnam, niets van zijn
gedachten kon raden, sprak:

„De sigarettenkoker is inderdaad heel mooi, ik ben alleen bang, dat de
prijs te hoog zal zijn.”

„Maar ik bid u”, antwoordde Mr. Barring, „voor een dergelijke
kostbaarheid is geen prijs te hoog.

„Bedenk eens, welk een hoogst interessant bewijsstuk voor de
kunstgeschiedenis van het Romeinsche Rijk onder keizer Nero het bestaan
van dezen sigarettenkoker is.

„Tot dusverre was nog door niemand, die de Romeinsche geschiedenis
bestudeert, vermoed, dat men reeds onder de regeering van keizer Nero
sigaretten rookte. Dit alles wordt echter bewezen door het bestaan van
dit etui.”

„Hoor eens,” sprak Raffles nu, „er is een groote phantasie voor noodig
om te beweren, dat dit ding, dat in de een of andere Engelsche fabriek
gemaakt zou kunnen zijn, het eigendom moet zijn geweest van keizer
Nero.”

„Hoe bedoelt gij dat?” vroeg de antiquair, „gij ziet immers, dat de
naam Nero in robijnen en smaragden op de voorzijde is aangebracht.

„Dat is toch het beste bewijs, dat de koker het eigendom is geweest van
keizer Nero.

„En daarenboven moet gij eens bedenken, wanneer ik u de luiers te koop
aanbood, waarin de profeet der Turken, Mohammed, als kind heeft
gelegen, dan zoudt gij met hetzelfde recht kunnen beweren, dat die
luiers door mij misschien in den een of anderen Engelschen winkel
gekocht zouden zijn.

„En ik heb toch werkelijk luiers gekregen van een zakenvriend uit
Zürich, die van den profeet moeten zijn geweest en welke ik voor een
zeer hoog bedrag heb verkocht aan Sultan Abdulhamed, toen hij nog op
den troon zat.”

„Uitstekend!” sprak Raffles met een koelen blik, waaronder hij een
glimlach verborg, „de luiers hadden zeker nog de initialen van den
profeet?”

„Ja, dat hadden zij inderdaad”, antwoordde Mr. Barring, „de naam van
den profeet was met gouden letters in het midden geborduurd”.

„Zeg mij eens,” vervolgde Raffles met den grootsten ernst. „Gij
herinnert u misschien wel, dat Jacob van een ladder droomde, die naar
den hemel voerde. Kunt gij mij daarvan niet een sport bezorgen?”

„Waarom zou ik dat niet kunnen?” antwoordde de antiquair, „ik heb al
heel andere dingen in orde gekregen.

„Als er een ladder heeft bestaan, zal daarvan stellig nog wel een sport
voorhanden zijn. Ik zal er werk van maken. In mijn vak is alles
mogelijk”.

„Ik heb in het andere, dat gij mij hebt verteld, niet veel vertrouwen,
maar dit laatste geloof ik graag. Wie u een sigarettenkoker van keizer
Nero te koop aanbiedt, luiers van den profeet ontdekt en in staat is,
van de Jacobsladder een sport machtig te worden, die maakt het
alleronwaarschijnlijkste mogelijk.

„En nu wil ik u eens iets zeggen:

„Deze sigarettenkoker bevalt mij niet, dien geef ik u derhalve terug.
Ik dweep niet met keizer Nero. Maar ik wil u een goed zaakje aan de
hand doen. Hebt gij wel eens hooren spreken over Mr. Simson, den
biscuitfabrikant?”

„Jawel, ik heb wel van hem gehoord”, antwoordde de antiquair, „hij is
hofleverancier van Z. M. den koning.”

„All right,” sprak Raffles. „Die man heeft naar ik hoorde, een
minnares, Betsy genaamd, die aan het Hydepark woont en wier adres ik u
hier opschrijf.

„Gij behoeft de dame niet te vertellen, dat ik u heb gestuurd, maar ga
naar haar toe en geef haar den sigarettenkoker. Stel haar voor om het
etui door haar bemiddeling aan den biscuitfabrikant te koop aan te
bieden.”

„Denkt gij, dat de man zooiets zal koopen?” vroeg de antiquair met een
loerenden vossenblik.

„Die koopt het stellig,” antwoordde Raffles, „ik ken dien heer zeer
goed. Hij koopt u behalve het etui, ook de sport van de Jacobsladder
af.

„Hij is namelijk precies zoo’n ezel als gij dacht, dat ik zou zijn.”

„Pardon”, antwoordde Mr. Barring, „ik hield u niet voor een ezel, maar
voor een kunstliefhebber. Daar gij echter zoo openhartig met mij
spreekt, moet ik u eerlijk verklaren, dat eigenlijk alle
kunstvoorwerpen van antieke waarde slechts dat zijn, wat wij
veronderstellen, dat ze zouden kunnen zijn.”

„Dat klopt,” lachte John Raffles. „Hoe zoudt gij het vinden, als wij
eens samen die zaak opknapten?

„Ik heb nog verscheiden vrienden in Londen, waarop uw woorden van
toepassing zijn.

„Het zijn domkoppen van de eerste soort.

„Verkoop hun een haring, waarvan gij vertelt, dat het de eerste haring
is geweest, dien Adam in het Paradijs heeft gegeten om zijn
katterigheid te boven te komen, dan zult gij den visch tegen goud
kunnen inruilen.

„En ga nu naar het adres dat ik u heb opgegeven om met de dame dat
zaakje in orde te brengen.”

De antiquair nam het stuk papier, waarop John Raffles den naam van de
minnares van den biscuitfabrikant had geschreven en sprak:

„Hoeveel procent eischt gij bij deze zaak, Lord Warrington?”

„Niets,” antwoordde Raffles, „wel echter zal ik bij de verdere zaken,
welke wij samen zullen doen, eerlijk met u moeten deelen.”

Onder veel dankbetuigingen nam de antiquair afscheid.

Toen hij vertrokken was, lachte Raffles hardop:

„Zeg eens, Charly, ik geloof, dat dit een kolossale grap zal worden.
Voor zoover ik den biscuitfabrikant ken, koopt hij alle vodden, die hem
worden aangeboden en voor het verdere verloop van de zaak, om den ouden
bedrieger namelijk zijn oplichterij af te leeren, zal ik wel zorgen.”

„Hoe ken je de beminde van den biscuitfabrikant?” vroeg zijn
secretaris.

„Ik heb haar meermalen met hem op een rit in het Hydepark gezien en
informeerde, in welke verhouding zij tot hem staat.

„Het is een oude bekende van ons, je zult haar nog wel herinneren: het
is de Zwarte Betsy, die het weer eens gelukt is, het in haar
avontuurlijk leven zoover te brengen, dat zij de minnares is geworden
van den millionnair Simson, den biscuitfabrikant.

„Ik ben van plan, die slang eindelijk onschadelijk te maken en hoop,
dat de sigarettenkoker van keizer Nero mij daarbij zal helpen.”

„Ik ben werkelijk nieuwsgierig”, sprak Charly Brand, „hoe je dat weer
aan zult leggen.”

„Dat zul je wel zien,” antwoordde Raffles. „Ik kreeg zooeven een
schitterenden inval. Maak je gereed, ik wil den nacht niet ongebruikt
voorbij laten gaan, maar een bezoek brengen aan de zaak van Mr.
Barring.”

Eenige minuten later verlieten zij samen het huis en hadden zich, daar
het regenachtig en guur was, in grijze gummijassen gestoken, waarvan
zij de capuchons zoover over het gelaat hadden getrokken, dat zij door
niemand herkend konden worden.








TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN BEZOEK BIJ DEN ANTIQUAIR.


Raffles en Charly Brand bleven voor den winkel van den antiquair
Barring in de Essex-street staan en de eerste bekeek met scherpen blik
de constructie van het deurslot, voordat hij er zich mee ging
bezighouden.

Er was een schild aangebracht van den nachtveiligheidsdienst en daaruit
bleek, dat de winkel door beambten van deze instelling werd gesloten en
bewaakt.

Het uitstalvenster was, zooals dat gewoonlijk bij juweliers het geval
is, naar de buitenzijde met een ijzeren traliedeur afgesloten.

In de uitstalling bevonden zich allerlei kostbaarheden, juweelen,
gouden sieraden, kostbare porseleinen voorwerpen en brokaatstoffen,
terwijl op den achtergrond zeer kostbare oude Hollandsche schilderijen
waren tentoongesteld.

John Raffles had een bos kunstig bewerkte steeksleutels uit zijn zak te
voorschijn gehaald en, nadat hij met eenige ervan het slot had
onderzocht, vond hij eindelijk een die paste en waarmee hij de deur
opende.

Raffles had vermoed, dat een bel of wekker met deze deur in verbinding
zou staan, maar dit bleek niet het geval te zijn.

Snel trad Charly Brand achter hem binnen en zacht sloot de groote
onbekende de deur weer aan de binnenzijde.

Nu gingen zij verder en Raffles, die vreesde van de straat opgemerkt te
zullen worden, als hij licht maakte, begaf zich naar een kamer achter
den winkel, om die meer ongestoord te kunnen doorzoeken dan den winkel
zelf.

Toen hij de deur opende, bleef hij verschrikt staan.

Het vertrek was helder verlicht, in het midden stond een ezel met een
bijna voltooid schilderij erop en daarvoor zat, alsof hij geheel in
zijn werk verdiept was, een mensch, blijkbaar een schilder.

Hij scheen de binnenkomenden niet op te merken, want hij verroerde zich
niet.

Charly Brand haalde nauwelijks adem.

Als versteend bleef hij staan en het was hem, alsof zijn voeten hun
dienst weigerden.

Zijn vriend echter bekeek met koelen blik den schilder, van wien hij
slechts den rug zag en het lange zwarte haar.

Zachtjes sprak Raffles tot Charly Brand:

„Die man slaapt, maak zoo weinig geluid als mogelijk is, dan is er geen
gevaar voor ons.”

Onhoorbaar naderde hij den slapende, wiens hoofd diep op de borst hing,
terwijl penseel en palet op den grond lagen.

Onmiddellijk zag hij, dat het een kunstenaar was, die daar voor hem zat
en vol belangstelling bekeek hij het bijna voltooide schilderij op den
ezel.

Hij zou het voor een echten Rembrandt hebben gehouden, zoo prachtig was
de copie uitgevoerd. Het origineel stond er naast.

Met kennersblik ik bekeek de lord het meesterwerk.

Plotseling echter boog hij zich naar den rechterhoek van het schilderij
en liet een zacht gefluit hooren.

„Ik dacht het wel,” sprak hij fluisterend, tot Charly,—„dit schilderij
is niet alleen copie—het is vervalscht!”

De secretaris keek eveneens naar de plek, die zijne vriend aanwees:
precies zooals op het kleine origineel stond daar op het grootere in
verrassende gelijkenis de handteekening van Rembrandt.

„Dat wist ik,” vervolgde Raffles. „Ik wist, dat ik hier bij den
antiquair een bedriegershol van de ergste soort zou aantreffen.

„Om de geheimen van Barring nauwkeuriger te onderzoeken, zal ik een
gesprek aanknoopen met dezen schilder en hem voor dat doel wakker
maken.”

„Ik bid je,” sprak Charly Brand, „laat hem slapen, je kunt niet weten,
welke onaangenaamheden je uitlokt.”

„Pah!” lachte de groote onbekende, „daarvoor ben ik nooit bang.”

Voordat Charly Brand het kon beletten, ging hij naar den schilder toe,
legde hem de rechterhand op den schouder en schudde hem flink heen en
weer.

Met een verschrikte gelaatsuitdrukking staarde de man, die zoo
plotseling uit zijn slaap werd gewekt, Raffles aan.

Eindelijk sprong hij op en stamelde:

„Wie zijt gij, heeren? Wat wenscht gij van mij?”

„Stel u gerust,” sprak Raffles, „wij zijn geen moordenaars en wenschen
ook niets slechts, integendeel!

„Ik zie, dat gij daar een mooi schilderij hebt vervaardigd. Rembrandt
zelf had het niet beter kunnen schilderen. Gij zijt een genie!”

Het gelaat van den ongeveer twintigjarigen schilder, dat een
meisjesachtige, zachte uitdrukking had, werd bij de woorden van lof,
die Raffles tot hem sprak, donkerrood.

Hij scheen alle vrees voor de twee heeren, die zoo plotseling voor hem
stonden te hebben verloren en sprak met een bitteren lach:

„Wat geeft mij al mijn aanleg, Sir, als ik daarmee niet genoeg verdien
om mijn honger te stillen?”

„Wat?” vroeg Raffles verbaasd, „zooveel verdient gij nog niet?—Iemand
die zoo begaafd is als gij, zou rijk moeten zijn.”

„Gij vergist u,” antwoordde de schilder, terwijl hij met een somberen
blik naar het schilderij keek, „wie hier in Londen geen protectie
bezit, dien koopen de voorname lui geen enkel schilderij af.

„Hier bij ons wordt alleen hij betaald, die in de mode is”.

„Wel”, antwoordde de Lord, „dat kan zijn, ik wil dat niet ontkennen.
Maar zeg eens, wat krijgt gij van Mr. Barring voor dit werk?”

„Twee shilling per dag”, luidde het antwoord.

„Wat?” riep Raffles uit, meenende niet goed verstaan te hebben. „Krijgt
gij per dag twee shilling? Zooveel verdient immers een huisschilder in
een paar uur!”

„Ik ben niet geschikt om huisschilder te worden. Ik ben longlijder en
heb reeds een keer een bloedspuwing gehad.”

„Nu,” sprak Raffles, „als gij hier van den morgen tot den avond in dit
hol zit, zal uw gezondheid er ook niet beter op worden.”

„Ik heb geen andere keus”, antwoordde de schilder, „en ik dank den
hemel, dat ik dit werk nog heb. In vergelijking met verschillende van
mijn collega’s ben ik nog rijk te noemen. Zij hebben dikwijls nog niet
zooveel om zich elken dag een warmen maaltijd te kunnen veroorloven.”

„Hm,” sprak Raffles peinzend, „ik had toch gedacht, dat gij inplaats
van twee shilling per dag minstens twee pond sterling zoudt verdienen,
want”—hij zweeg veelbeteekenend en keek naar den rechterhoek van het
schilderij, waar de naam Rembrandt stond.

Met een schuwe gelaatsuitdrukking volgde de schilder zijn blik en
opnieuw kleurde een donkere blos zijn gelaat.

Daar hij niet antwoordde, vervolgde de Lord:

„Ik geloof, dat gij mij begrijpt, mijnheer.

„Wie een Rembrandt zoo handig copieert en zijn handteekening zoo
uitstekend namaakt, dat hij niet van de echte te onderscheiden is, die
verdiende toch eerlijk twee pond per dag”.

Hij zweeg een oogenblik en vervolgde daarna:

„Zeg eens, vriend, hoeveel van dergelijke schilderijen hebt gij reeds
gefabriceerd?”

De schilder was overbluft en wist niet wat te antwoorden.

Eindelijk sprak hij met moeite:

„Pardon Sir, ik weet niet, met welk recht gij mij dat vraagt.

„En—verder—mijnheer, ik weet in het geheel niet, hoe gij eigenlijk hier
zijt gekomen. De winkel werd toch, evenals altijd, door Mr. Barring
gesloten en zal niet voor morgenochtend geopend worden”.

Raffles gaf geen antwoord, sloeg de capuchon van zijn regenmantel, die
nog steeds zijn gelaat bedekte, een weinig terug, nam een der antieke
stoelen, die in het vertrek stonden, bekeek vluchtig het kunstige
snijwerk daarvan en ging erop zitten met de kalmte en het gemak van een
bezoeker, wien door den gastheer een stoel wordt aangeboden.

Hierop haalde hij zijn sigarettenetui te voorschijn, sloeg het eene
been over het andere, stak tamelijk langzaam en omslachtig een sigaret
aan en presenteerde daarop het van juweelen vonkelende etui aan Charly
Brand.

Daarop begon hij te rooken en eerst nu richtte hij zich weer tot den
schilder, die vol verbazing naar het eigenaardige optreden van den
grooten onbekende keek en sprak:

„Gij hebt zeer zeker reden om u te verbazen, hoe ik hier ben
binnengekomen, hoewel deze vraag eigenlijk geheel en al overbodig was.”

„In hoeverre overbodig?” antwoordde de schilder.

„Wel, in zooverre”, sprak Raffles, „dat gij zelf weet, dat de deur van
den winkel gesloten was en ik dus hier niet had kunnen binnenkomen,
zonder deze te openen!

„Daar ik nu toch hier ben, moet ik natuurlijk de deur hebben geopend.
En daar ik geen sleutel van Mr. Barring heb gekregen, heb ik dit met
mijn eigen gedaan. Ik ben hier dus, zooals men dat noemt, ingebroken.”

Het gelaat van den schilder werd bleek, vol ontzetting staarde hij naar
Raffles, die hem dit alles met de grootste kalmte, af en toe rookend,
vertelde.

„Om Gods wil,” antwoordde hij nu, „wat wilt gij hier? Gij maakt u
schuldig aan misdaad en als Mr. Barring kwam, zou hij de politie
roepen!”

De groote onbekende lachte hartelijk en rookte bedaard door.

Daarop sprak hij op afgemeten toon:

„Mr. Barring zal toch zeker de politie niet halen, opdat deze kan zien,
welke prachtige vervalschingen hier worden vervaardigd?”

„Gij hebt gelijk”, stamelde de schilder.

„Gij ziet dus,” vervolgde Raffles, „dat iemand, die bij Mr. Barring
inbreekt, geen gevaar te duchten heeft. Ik begrijp niet, hoe de man zoo
dom kan zijn om zijn winkel zoo af te sluiten tegen inbrekers.

„Werkelijk, als alles, wat zich in den winkel van dien heer bevindt,
zulke mooie vervalschingen zijn als de Rembrandt, die gij daar
copieert, dan moet het een domme inbreker zijn, die iets van Mr.
Barring steelt.

„Maar luister nu eens, jonge vriend.

„En van het oprechte, eerlijke antwoord, dat gij mij geeft, hangt
misschien veel voor u af.

„Ik vraag u nogmaals:

„Hoeveel van dergelijke vervalschte schilderijen hebt gij hier reeds
gemaakt?”

Met onzekeren blik keek de schilder Raffles aan.

Daarop stamelde hij:

„Ik kan het u niet zeggen.”

„Een dozijn?”

De schilder haalde de schouders op.

„Meerdere dozijnen?”

„Yes, Sir!”

„Heeft Mr. Barring ze alle verkocht?

„Voor een deel wel. Twee zelfs aan het museum alhier”.

„Wie bezit de andere?”

„Eenige kunsthandelaren in Berlijn, Parijs en Petersburg. De heeren
hebben een vereeniging opgericht om de schilderijen zoo goed mogelijk
te verkoopen.”

„En gij zijt de eenige fabrikant?”

„Ja, dat ben ik!”

„Man, gij verdient om in een koudwaterinrichting te worden opgenomen.
Gij zijt gek.

„Gij fabriceert voor duizenden aan waarde en zijt misschien niet eens
in staat om u een fatsoenlijk pak kleeren te koopen.”

„Daarin hebt gij volkomen gelijk,” antwoordde de schilder, „maar de
nood heeft mij hierheen gedreven en uit nood doe ik dit werk.”

„Zijn de meubelen en andere voorwerpen, die zich hier in den winkel
bevinden, ook op die manier vervaardigd als de Rembrandt op den ezel?”

„Yes, Sir! Doch slechts met dit verschil, dat uit een echte oude tafel
een kwart dozijn worden gemaakt.

„De drie stoelen bijvoorbeeld, die gij hier ziet, zijn van een enkelen
echten gemaakt, die uit elkaar werd gehaald.

„De ontbrekende deelen heeft een jong beeldhouwer vervaardigd, die zich
een half jaar geleden van kant heeft gemaakt.”

Raffles keek nadenkend naar de stoelen en zag daarop in een hoek van
het vertrek een brandkast staan.

Hij stond op, ging er naar toe en nadat hij er eenige minuten vol
aandacht naar gekeken had, haalde hij weer zijn steeksleutels te
voorschijn en begon ze op het slot der brandkast te probeeren.

„Om ’s Hemels wil, Sir!” riep de schilder uit, „maak uzelf en mij niet
ongelukkig en laat de brandkast onaangeroerd!”

„Wees onbezorgd”, antwoordde Raffles, „ik zal er niets uitnemen en stel
alleen belang in de oude constructie.

„Kom eens hier, Charly!” riep hij dezen toe, „deze kast moet een van de
oudste zijn, die er bestaan. Ze bezit slechts een eenvoudig draaislot
en twee grendels.

„Kinderwerk, om haar te openen.”

„Daar—”

Met zacht geluid sprong het slot terug en Raffles opende de deur der
brandkast.

„Ik bid u”, smeekte de schilder, „laat alles onaangeroerd. Mr. Barring
zal anders gelooven, dat ik de kast heb opengebroken.”

„Daarin vergist gij u”, sprak Raffles, „dat zou Mr. Barring denken, als
hij een ezel was. Daar hij echter een geslepen schurk is, zal hij zulk
een kunststuk niet van u verwachten.”

De Lord keek vol belangstelling in de brandkast en nam er plotseling
iets uit.

„Aha, hier heb ik, wat ik zocht”, sprak hij tot Charly Brand, „het
chequeboek van den heer Barring. En hier liggen ook brieven, die hij
onderteekend heeft, zoodat het voor den jongen kunstenaar daar een
kleinigheid zal zijn, mij volgens dit voorbeeld op een der cheques den
naam van zijn edelmoedigen werkgever te zetten.

„Luister eens”, sprak hij nu tot den schilder, „ik wil u eens iets
zeggen:

„Hebt gij zin om in de gevangenis te komen?”

„Neen, neen, om ’s Hemels wil, neen! Mijn oude moeder zou van schaamte
en verdriet sterven.”

„All right”, antwoordde Raffles, „ik laat u de keus. Hier ligt een
cheque, waarop gij den naam van Mr. Barring, precies zooals die op
dezen brief staat, moet copieeren.”

„Dat kan ik niet doen”, antwoordde de schilder op angstigen toon.

„All right”, antwoordde de vreemde heer, het chequeboek weer in de
brandkast terug leggend, „dan zal ik morgen de politie een wenk geven,
omtrent hetgeen gij hier met Mr. Barring uitvoert en dan kunt gij
jarenlang naar het tuchthuis gaan.”

Op het gelaat van den schilder stond hevige tweestrijd te lezen.

Raffles ging naar de deur, maar keerde zich nog eens om en sprak:

„Dus?”

Toen raapte de schilder al zijn moed te zamen, greep het chequeboek,
nam papier en pen en zonder den Grooten Onbekende meer aan te zien,
copieerde hij naar het voorbeeld van den brief den naam Barring en
zette dien op de cheque.

Toen hij ermee gereed was, stond het zweet hem in dikke droppels op het
voorhoofd.

„Hier hebt gij het verlangde”, sprak de schilder, terwijl hij Raffles,
die naast hem was komen staan, de cheque gaf.

Deze vergeleek de onderteekening nauwkeurig met die van den brief,
knikte tevreden en sprak:

„Zeer goed gedaan. En nu wil ik u eens wat zeggen, mijn jonge vriend.
De vervalsching van deze cheque is geen schande voor u. Want ik dwong u
tot deze misdaad. En nu wilt gij zeker wel zoo vriendelijk zijn, mij uw
adres te geven, dan hoop ik wel iets goeds voor u te kunnen doen.

„Zet uw naam op dit stuk papier.”

Nadat de schilder het had gedaan, stak de Lord het adres bij zich,
evenals de cheque en ging naar de brandkast. Hierin legde hij het
chequeboek en bracht alles weer zoo in orde, dat niemand iets van het
voorgevallene kon vermoeden.

Daarna sloot hij de kast, trok de capuchon van zijn regenjas weer over
het gelaat en sprak:

„Het zou beter zijn, als gij gingt slapen! Gij ziet er heel slecht uit,
jonge vriend en misschien hebt gij spoedig uw krachten voor een beter
doel noodig dan om voor Mr. Barring Rembrandt te vervalschen.”

Hij stak den schilder zijn hand toe, welke deze aarzelend aannam.

„Mag ik weten, wie gij zijt?” vroeg hij.

„Dat komt er voor u eigenlijk niet op aan”, antwoordde Raffles, „maar
ik zal u zeggen onder welken naam ik bij de Engelsche pers en het
Engelsche volk bekend sta:

„Ik ben de Groote Onbekende!”

Verschrikt staarde de schilder naar den sprookjesachtigen persoon, naar
den meesterdief, dien hij uit de kranten kende.

Het was hem, alsof er een sluier voor zijn oogen kwam, alsof de persoon
van John C. Raffles zich in een nevel had opgelost en nu plotseling was
verdwenen.

Als onder hypnose staarde hij nog steeds naar de plek, waar Raffles zoo
juist nog had gestaan en die nu leeg was.

Met een rilling van angst begaf de schilder zich met een licht naar den
winkel om zich ervan te overtuigen of de deur gesloten was.

Juist toen hij deze was genaderd, kwam van buiten een beambte van den
nachtveiligheidsdienst om te zien of het slot in goede orde was.

„Hallo, Sir Jonas”, riep de beambte den schilder toe door de gesloten
deur, „werkt gij tegenwoordig elken nacht? Dat is niet goed voor u, ga
liever slapen.”

De schilder hoestte en antwoordde:

„Ik zal weldra een tijdje verlof nemen. Zeg eens, nachtwacht, hebt gij
hier aan de winkeldeur een paar mannen in gummijassen gezien?”

„Neen”, antwoordde de nachtwacht, „hoezoo? Ik heb hier niemand gezien.
En aan de deur kan niemand geweest zijn. Alles is volkomen in orde!”

„Ik dank u”, antwoordde de schilder.

Daarop ging hij naar zijn werk terug, steunde het hoofd met beide
handen en, als hij niet den fijnen geur van Raffles’ sigaret had
geroken en de asch op den grond had zien liggen, dan zou hij inderdaad
aan een middernachtelijk spook hebben geloofd.








DERDE HOOFDSTUK.

DE BESCHUITFABRIKANT.


Inspecteur Baxter, de chef van het hoofdbureau van politie van Scotland
Yard, had zijn secretaris, detective Marholm, die gewoonlijk „de Vloo”
werd genoemd, weggestuurd, omdat hij een conferentie had met een dame.

„Het wordt steeds fraaier,” sprak de vloo tot zichzelf, toen hij in het
portaal stond en naar de gesloten deur van het heiligdom van zijn chef
keek, „nu laat hij de dames al in het hoofdbureau van politie komen en
daarbij toont hij een slechten smaak te bezitten, die meer dan erg is.
Ik heb zelden zulk een afschuwelijk vrouwspersoon gezien als die nu bij
mijn chef op bezoek is.”

Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij een pijpje zou stoppen om te
gaan rooken of dat het beter zou zijn om door het kijkgaatje te zien
wat er in de kamer van zijn chef voorviel.

Het kijkgaatje was een klein venstertje in de deur, voorzien van een
klein klepje van blik en dat iets grooter was dan een menschenoog.

De inspecteur van politie had het laten aanbrengen om zijn secretaris,
wanneer deze werkte, ongemerkt te kunnen bespieden.

De vloo besloot om gebruik te maken van het kijkgaatje. Hij sloop op de
teenen naar de deur en keek in de kamer.

Hij had iets anders verwacht dan hetgeen hij zag.

Inspecteur Baxter zat met over elkaar geslagen beenen aan zijn
schrijftafel en rookte, terwijl naast de schrijftafel de bezoekster had
plaats genomen. Zij had een notitieboekje en potlood in de hand.

De vloo kon alles wat er tusschen zijn chef en de vreemde meid werd
verhandeld, duidelijk hooren.

Juist sprak de inspecteur:

„Voor alles, miss Prince, mag niemand iets van onze overeenkomst weten.
Gij zijt de eerste persoon, aan wie ik beken, dat het mij niet gelukt
om Raffles te vangen.

„Daar ik van uw groot succes bij internationale misdadigers heb
gehoord, ben ik op het idee gekomen om door u Raffles eindelijk
onschadelijk te laten maken. Ik hoop, dat het u zal gelukken.”

„Twijfel daaraan niet, inspecteur,” antwoordde Miss Prince,—„het zal
mij ongetwijfeld gelukken, Raffles te vangen. Zoo lang gij de zaak in
handen hadt, had ik er geen belang bij, mij met den meesterdief bezig
te houden.

„Ik wilde u niet in de wielen rijden.

„Nu gij mij echter officieel opdracht er toe geeft, zeg ik u hiervoor
mijn dank en waarschijnlijk zal aan de vrouw gelukken, wat de mannen
tot dusverre niet hebben kunnen doen.”

De vloo glimlachte, en als de inspecteur van politie het grijnslachje
van zijn detective had kunnen zien, zou hij hem een van zijn ellenlange
vloeken naar het hoofd geslingerd hebben.

„Zooals ik zie, Miss Prince,” vervolgde hij, „ik heb er om
verschillende redenen persoonlijk belang bij, Raffles onschadelijk te
maken. Waar hij kan, speelt hij mij een poets.”

Miss Prince lachte vol zelfvertrouwen.

„Dat heerschap zal niet al te veel tijd meer hebben om zich in zijn
vrijheid te verheugen. Ik houd van vlug afwerken!”

„Ik wensch u het beste,” sprak Baxter.

„Hebt gij eenig vermoeden, waar de woonplaats of het tegenwoordige
verblijf van den grooten onbekende in Londen is?”

„Hij bezit altijd verscheidene woningen, dat wil zeggen, zoogenaamde
schuilhoeken, die hij tengevolge van zijn onmetelijk fortuin tegen
elkaar verwisselt als een gentleman zijn handschoenen.

„Bovendien moet hij onder een vreemden naam hier een paleis bewonen,
dat ik echter ook niet ken.

„Gij ziet, dat het niet gemakkelijk is, den meesterdief te pakken te
krijgen.”

Miss Prince knikte toestemmend.

„Misschien bezit gij een photographie van hem.”

„Ook dat niet,” antwoordde Baxter, „ik kan u zelfs geen nauwkeurige
beschrijving geven.

„Hij heeft telkens een andere vermomming.

„Ik zou u kunnen zeggen, dat hij gladgeschoren is, terwijl hij
misschien op hetzelfde oogenblik een witten baard draagt of een
Franschen Henry IV, misschien zelfs een snor als keizer Wilhelm.

„Misschien gaat hij op het oogenblik gekleed als een Engelsch
gentleman, of in uniform, zoo hij niet als een bedelaar in lompen is
gehuld.

„Ja, het zou best mogelijk kunnen zijn, dat gij hem op straat
tegenkwaamt en dacht dat ik het was.”

„Een merkwaardig mensch!”

„Duivels handig! Hij zou een acteur geworden zijn, zooals er geen
enkele op aarde bestaat.

„Een nieuwe Irving—een Kainz.

„Want elke vermomming geeft hij met onnavolgbare gelijkenis weer.

„Hoe dikwijls heb ik reeds de hand op hem gelegd, hoe vele malen heeft
hij tegenover mij gestaan en gewoonlijk vernam ik eerst een kwartier
later door de telefoon of door middel van zijn visitekaartje, dat hij
mij heel beleefd zond, dat hij het was geweest.

„Hij heeft mij reeds dermate tot wanhoop gebracht, dat ik op straat of
waar dan ook in iedereen, dien ik tegenkom, Raffles vermoed. Kort en
goed, ik kan hem niet krijgen en daarom vraag ik uw medewerking.”

„Geef mij het bevel tot inhechtenisneming.”

Met een ijver, welke Baxter anders niet kenmerkte, schreef hij het
bevel, onderteekende en stempelde het en overhandigde het aan Miss
Prince.

De vrouwelijke detective las het bevel tot inhechtenisneming door,
vouwde het zorgvuldig op en borg het in haar handtaschje.

„Gij zult weldra iets van mij vernemen,” sprak zij en stond op om heen
te gaan.

„Laat ons het beste hopen, Miss Prince, ik laat alles over aan uw
verstand en handigheid.”

Het tweetal gaf elkaar de hand, de vloo sprong van het kijkgaatje weg
en toen Miss Prince uit het bureau kwam, stond hij zich zichtbaar bij
het venster te vervelen en naar buiten te kijken.

Voordat Miss Prince echter het vertrek verliet, keerde Marholm zich met
een ruk om, om nogmaals haar gelaat te zien.

„Drommels,” sprak hij, „een monster van leelijkheid. Die past eerder in
manskleeren dan in een japon.”

Daarop ging hij naar zijn chef, die weer aan zijn schrijftafel zat en
juist van plan was, een versche sigaar op te steken.

„Dat bezoek heeft niet lang geduurd,” sprak de vloo en nam een bundel
acten op, die op zijn schrijftafel lagen om gecopieerd te worden.

„Stoor mij niet,” antwoordde Baxter kortaf. „Gij ziet, dat ik bezig
ben.”

Bij die woorden blies hij vol welbehagen een dikke rookwolk voor zich
uit.

„Ja, ja,” sprak de vloo, „daarvan een dozijn op een dag rooken, is een
moeilijk werk!”

„Bedoelt gij mij daarmee?” vroeg Baxter op scherpen toon.

„Ik bedoel alleen,” antwoordde de vloo, „dat ik u tot dusverre altijd
met veel knappere dames zag. Die lady van zooeven zou mijn keus niet
zijn.”

„Weet gij dan, wie die dame was?” vroeg Baxter.

Marholm lachte.

„Drommels, denkt gij dat ik alle oude wijven in Londen ken? Dat
genoegen laat ik graag aan u over.”

„Praat toch geen onzin,” antwoordde Baxter. „Het was geen gewoon
damesbezoek, zooals men dat anders ontvangt, deze dame kwam voor zaken
bij mij. Alleen voor zaken!

„Het is de beroemde Amerikaansche, Miss Prince!”

„Ha, ha, de vrouwelijke detective!”

„Ja”, riep Baxter, „en deze vrouw zal mij den geslepen Raffles
eindelijk in handen leveren.”

„Nu,” lachte de vloo, „wie weet, welk Trojaansch paard gij met die dame
weer naar binnen hebt gehaald.”

„Gij moet eindelijk uw aardigheden eens voor u houden, Marholm; ga maar
liever aan uw werk en bemoei u niet met dat, wat ik doe. Gij steekt
veel te dikwijls uw neus in mijn zaken.”

„Neem mij niet kwalijk,” antwoordde de vloo met een spottende buiging,
„de Hemel moge mij bewaren, want als ik mij met uw zaken bemoei dan zou
immers mijn naam naast die van u in de kranten worden genoemd.”

Baxter deed alsof hij deze woorden niet hoorde—hij wilde zich niet
ergeren.

De vloo echter vervolgde:

„Nu ontbreekt ons bij die vrouwelijke detective nog alleen maar een
vrouwelijke Raffles.”

Zich niet storende aan den woedenden blik, dien zijn chef hem toewierp,
nam hij aan zijn schrijftafel plaats, stopte, het voorbeeld van zijn
chef volgend, zijn tabakspijp en begon dikke rookwolken voor zich uit
te blazen.

Waarom zou hij werken als zijn chef het niet deed?

Zoodra de inspecteur van politie heenging, zou hij het copieerwerk op
de secretarie brengen, dan konden de heeren daar zien, hoe ze er mee
klaar kwamen.

Baxter had de gewoonte, nooit langer dan hoog noodig was, in het bureau
te blijven.

Weldra stond hij op, kleedde zich aan en, in de deur staand, sprak hij
tot zijn secretaris:

„Als er iets gewichtigs mocht gebeuren, moet gij maar naar mijn woning
telefoneeren. Bonjour!”

De vloo beantwoordde den groet van zijn chef slechts met een
onverstaanbaar gebrom.

Nauwelijks had de inspecteur de deur achter zich gesloten, of ook
Marholm stond op en nam zijn overjas, om het voorbeeld van zijn chef te
volgen.

Juist wilde hij heengaan toen hij een verbazend dikken heer tegen het
lijf liep. Hij riep uit:

„Duivels, uw buik vult de geheele deuropening, gij moet er zijwaarts
doorgaan.”

„Pardon,” antwoordde de ander, „ik zag niet, dat gij er uit wildet.”

„Ja, ja,” spotte de vloo, „Men kan moeilijk over zoo’n vetbuik
heenkijken.

„Maar luister eens, ken ik u niet?”

„Jawel,” antwoordde de dikkert met een zware stem, „ik ben de
hofleverancier van Zijne Majesteit den Koning, den biscuitfabrikant
Simson.

„Alle koningen van Europa, alle hertogen en andere allerhoogste
personen hebben mij voor mijn biscuit reeds bekroond en bovendien ben
ik in het bezit van alle onderscheidingen der Engelsche en
Amerikaansche hoogescholen.”

„Kolossaal!” sprak de vloo, „maar men kan ook wel aan u zien hoe
beroemd gij zijt. Gij zijt een persoon van gewicht.”

„Dat ben ik zeker! Ik weeg driehonderdvijftig pond! Ik durf beweren, op
een na de zwaarste man in de Vereenigde Koninkrijken te zijn.”

„Zeer aangenaam, kennis met u te maken; dat wil zeggen, ik kende u
immers al van de geschiedenis, welke gij met Raffles hebt gehad, waarin
gij ook een rol hebt gespeeld.

„Gij hielpt hem toen bij zijn vlucht, zonder te weten, met wien gij te
doen hadt”.

„Ja,” sprak de biscuitfabrikant, „dat was toen een allergekste
geschiedenis. Ik had er geen flauw vermoeden van, dat de voorname
gentleman, dien ik te Ostende leerde kennen en dien ik op mijn jacht
naar Londen bracht, de veelgezochte Raffles was.

„Dat zou me nu niet meer kunnen overkomen, nu zou ik den schurk
onmiddellijk bij den kraag pakken en hem als een hond naar het
hoofdbureau van politie sleepen.”

„Dan hadden wij hem eindelijk en dat zou te wenschen zijn,” antwoordde
de vloo. „Gij zoudt daarmee politieinspecteur Baxter den allergrootsten
dienst bewijzen.

„Mag ik u nu vragen, wat u eigenlijk tot ons voert?”

„Een eigenaardige zaak,” zuchtte de fabrikant, wien het spreken
tengevolge van zijn vetbuik en zwaarlijvigheid moeilijk viel.

„Een zeer eigenaardige zaak. Ik heb in een mijner huizen in Eastend in
een atelier, boven, op de vierde étage, iemand wonen, die beweert
modelleur te zijn. Door dien man leerde ik een antiquair kennen, een
zekeren Barring.

„Deze Barring nu bracht mij verleden week een met edelsteenen bezetten
sigarettenkoker, op wier deksel met juweelen—en robijnen—de naam van
keizer Nero stond”.

„Wat!” riep de vloo uit, de rechterhand aan zijn oor houdende om beter
te kunnen hooren. „De naam Nero op uw sigarettenkoker?”

„Ja,” antwoordde de biscuitfabrikant, „het is een sigarettenkoker, die
het eigendom is geweest van keizer Nero en de echtheid ervan is mij
door een document gewaarborgd, dat de antiquair mij bij den koop
overhandigde.

„Deze kostbare koker is mij gisteren ontstolen.

„Ik kom derhalve hier om den diefstal aan te geven.”

„Om u de waarheid te zeggen,” antwoordde de vloo, „ik laat mij niet
graag iets wijs maken. Een sigarettenkoker uit den tijd van Nero? Hoor
eens, dat is een beetje gek! En die zou door iemand gestolen zijn?
Zoo’n sigarettenkoker bestaat er immers niet!”

„Wat?” riep de biscuitfabrikant. „Bestaat die niet? Dat moet ik toch
beter weten, ik had dien immers zelfs in mijn bezit en het was nog wel
de grootste zeldzaamheid van mijn geheele verzameling!”

„Kostelijk!” lachte de vloo, „gij verkeert dus werkelijk in de meening,
dat keizer Nero al sigaretten heeft gerookt? Kent gij misschien ook de
firma, van welke hij ze betrok?”

„Jawel”, antwoordde de biscuitfabrikant, „ook de firma is mij bekend,
want het wonderlijkste aan het geheele étui was een Egyptische
sigarette, de laatste, die van de sigaretten van keizer Nero
overbleef”.

De vloo ging een stap achteruit om den biscuitfabrikant goed te kunnen
aankijken.

„Zeg eens, mijn waarde”, vroeg hij op eenigen afstand, „hebt gij al
eens delirium tremens of een dergelijke hersenziekte gehad?”

„Ik begrijp u niet,” antwoordde Mr. Simson, „ik heb tot dusverre nog
geen hoofd- of hersenziekten gehad. Ik ben zoo gezond als een visch in
het water en alleen als ik eraan denk, dat misschien een gemeene
vagebond, de eerste de beste gauwdief op dit oogenblik de laatste
sigaret van keizer Nero rookt, dan zou ik razend kunnen worden.”

„Om ’s Hemels wil!” weerde de vloo af, „doe dat als gij thuis zijt,
maar niet hier.

„Maar zeg eens, hoe heet de firma, waarvan die sigaret afkomstig is?”

„Aegyptos,” antwoordde de biscuitfabrikant in vollen ernst.
„Eenvoudigweg Aegyptos en de naam was met Grieksche letters op het
papieren omhulsel van de sigaret gedrukt.”

„Wat was hij?” lachte de vloo, „de naam was gedrukt? Sir, ik weet niet,
wat ik meer moet bewonderen, uw domheid of uw krankzinnigheid! Voor
zoover ik weet, bestond er in de tijden van Nero noch een drukkerij,
noch een firma, welke sigaretten fabriceerde. Uw verstand schijnt in uw
vetbuik gezakt te zijn!

„Mijnheer!” stoof de dikkert op, „houd uw beleedigingen voor u! Ik ben
niet hier gekomen om mij door u te laten uitschelden en bespotten.”

„En ik sta niet hier,” antwoordde de vloo, „om mij door u dergelijke
nonsens te laten vertellen.”

„Dat is geen nonsens,” riep de biscuitfabrikant met schrille stem,
„vraag den antiquair Barring en lees het document, dat ik in mijn zak
heb. Tenminste als gij Latijn kent.”

„Dat kan ik niet,” antwoordde de vloo, „maar het is mij voldoende, als
gij het kent.”

„Ik kan het helaas ook niet,” was het antwoord van Mr. Simson, „maar
Mr. Barring, door wiens tusschenkomst ik het sigarettenetui van keizer
Nero van een vroegere actrice, Miss Betsy Hartwig kocht, zal u den
inhoud van het document bevestigen.”

„Hoe heet de dame, van wie gij het etui hebt gekocht?”

„Miss Betsy Hartwig?”

„Hartwig?” lachte de vloo, „die dame heeft zwart haar, nietwaar?”

„Ja!”

„En een donker teint?”

„Ja!”

„Is ongeveer 35 jaar oud?”

„Ja,” antwoordde de biscuitfabrikant, „gij schijnt die dame te kennen,
waarom vraagt gij mij dat alles dus?”

„Wacht een oogenblikje, Sir!” sprak de vloo, „ik zal u even het portret
van die dame halen!”

Hij belde en beval den binnentredenden politieagent om uit de
misdadigersalbums photographie no. 3874 te halen.

De politieagent ging heen en de vloo, die de geheele zaak als een
kostelijke grap beschouwde, sprak tot den biscuitfabrikant:

„Gij schijnt een groot vriend van oudheden te zijn!”

„Ik ben daarvoor bekend,” antwoordde Dr. Simson. „Mijn huis is gevuld
met de kostbaarste schatten, die ik heb kunnen verkrijgen. Ik bezit
echte Rubens, Van Dijks, Rembrandt’s en Frans Hals’, kunstige
goudwerken, kostbare meubelen, tapijten, wapens en borduurwerken. Mijn
vermogen stelt mij in staat, mij deze weelde te veroorloven.”

„Uw biscuits moeten een onuitputtelijke bron van inkomsten vormen.”

„Dat doen zij ook,” sprak de fabrikant. „Er is geen hof in Europa en
geen familie, waar niet mijn fabrikaat gegeten wordt. Zij zijn licht
verteerbaar, goed van smaak en niet duur.”

„Kolossaal,” lachte de vloo, „het spijt mij werkelijk, dat ik niet ook
biscuitfabrikant ben geworden.”

Op dit oogenblik trad de politieagent binnen en overhandigde de vloo de
gevraagde photographie.

Nauwelijks had Mr. Simson een blik op het portret geworpen, of hij riep
op levendigen toon uit:

„Gij hebt gelijk, dat is zij. Hoe komt gij aan die photo?”

„Heel eenvoudig,” lachte de vloo, „die dame is hier op het hoofdbureau
van politie een der meest bekende persoonlijkheden. Zij is een
avonturierster van de gevaarlijkste soort en heeft ons al veel werk
veroorzaakt.

„Zij is zeer handig en weet op sluwe wijze aan de naspeuringen der
politie te ontsnappen.

„Slechts één enkel zwak heeft zij en dat is haar voorliefde voor den
naam Betsy. Op dien naam is zij zoo verliefd als gij op uw
antiquiteiten of als een jeugdig minnaar op zijn uitverkorene.

„Die naam schijnt een soort talisman voor haar te zijn. Den naam Betsy
legt zij nooit af.

„Ik hoop, Mr. Simson, dat de aanwezigheid van het portret dezer dame in
ons misdadigersalbum u voldoende zal zijn om u te overtuigen, dat gij
werkelijk bedrogen zijt door een oplichtster, met behulp van
medeplichtigen, waarvan de antiquair Barring er een is.

„Maar—ik wil u eerlijk toegeven, deze oplichterij is zoo vermakelijk en
zoo...... men zou bijna zeggen kunstig, dat niemand „Zwarte Betsy” een
verwijt zal maken over den sigarettenkoker van keizer Nero en de zich
daarin bevindende sigaret.

„Het zal het beste zijn, dat gij er over zwijgt, want anders moet gij
niet alleen de schade, maar ook de schande dragen.

„Iedereen die zijn gezond verstand heeft, zal zeggen, dat een
dergelijke sigarettenkoker en een dergelijke sigaret nooit hebben
bestaan.”

„Gij vergist u”, sprak de fabrikant, „al mijn vrienden, die bij mij aan
huis komen, bijvoorbeeld een onzer grootste kunstkenners, de hofslager
van Zijne Majesteit, Sir Muller, en andere goede kenners, hebben
absoluut niet getwijfeld aan de echtheid van het étui.”

„Ja, ja,” lachte de vloo, „er zijn meer ezels in het koninkrijk
Engeland, dan wij vermoeden.

„Gij wenscht dus, dat de zaak vervolgd wordt?”

„Ongetwijfeld,” antwoordde do bestolene. „Ik heb voor het étui
tweeduizend pond sterling betaald en voor de sigaret tweehonderdvijftig
pond sterling.

„Ik heb een belooning van vijfhonderd pond sterling uitgeloofd voor het
terugkrijgen der voorwerpen.”

„Nu, vooruit dan maar,” sprak de vloo.

„Ga dus even zitten en geef mij de noodige inlichtingen, daar ik een
acte van het geval moet opmaken.”

Het duurde bijna een half uur, voordat de vloo de voorgeschreven
formaliteiten was nagekomen en alles opgeschreven had.

Toen hij eindelijk gereed was, moest de biscuitfabrikant het protocol
onderteekenen. Daarna stond hij op en nam afscheid.

Toen hij reeds bij de deur stond en zijn dikken buik juist door de
opening wilde wringen, sprak de vloo:

„Luister nog eens, Mr. Simson, ik wil u een goeden raad geven: verwen
uw vetbuik niet zoo erg, want het gaat ten koste van uw hersens.”

„Houd uw flauwe aardigheden voor u,” antwoordde de biscuitfabrikant met
een beleedigd gezicht. „Gij hebt niets met mijn vetbuik te maken,
daarover heb ik alleen te beschikken.”

Hoewel hij onmiddellijk daarop de deur in het slot gooide, hoorde hij
toch het vroolijke lachen van de vloo achter zich weerklinken.

Van het hoofdbureau van politie begaf de biscuitfabrikant zich
regelrecht naar de woning van Zwarte Betsy.

Zij zag dadelijk aan zijn ernstig gelaat, dat hem iets onaangenaams
gepasseerd moest zijn.

„Wat is er, liefste?” vroeg zij, hem de vette wangen streelend.

„Men heeft mij mijn sigarettenkoker ontstolen,” antwoordde hij met
sombere stem. „Dat zeldzame voorwerp, waaraan ik met den hartstocht van
een kunstkenner gehecht was.”

„Och, nonsens,” lachte Zwarte Betsy, „dat heeft men je niet afgestolen.
Ik weet nauwkeurig, dat je het étui gisteravond in het linksche vak van
je schrijftafel hebt weggesloten.”

Over het gelaat van den biscuitfabrikant, dat glom alsof het opgewreven
was, vloog plotseling een verheugd lachje.

„Juist, juist,” riep hij, „dat had ik heelemaal vergeten. En ik,
stommerd, ben al naar de politie geweest om mede te deelen, dat mijn
zeldzaamheid gestolen is!”

Hij wreef zijn cylinder op en wilde heengaan.

Plotseling echter keerde hij zich nog eens om en sprak:

„Hoor eens, ik heb daar op het hoofdbureau van politie een ware
ontdekking gedaan, daaromtrent moet je mij eens opheldering geven.”

„Wat voor een ontdekking?”

De dikke heer kuchte eenige keeren verlegen, daar hij het pijnlijk
vond, zijn geliefde, van wie hij zeer veel hield, over het
voorgevallene te onderhouden.

„Wil je het mij niet zeggen?” vroeg zij opnieuw.

Na herhaald aandringen begon hij eindelijk:

„Toen ik met den secretaris op het bureau van politie over mijn
aangelegenheid sprak, vroeg hij, met wie ik goed bekend was.

„Ik noemde ook jouw naam.

„En wat denk je, wat hij zei? De zaak is pijnlijk,—de man liet mij je
portret zien dat zij op het hoofdbureau van politie bezitten en
beweerde, dat je een gevaarlijk persoon waart.”

Zwarte Betsy streelde opnieuw zijn vette wangen en sprak:

„Jij bent mijn groot, gouden schaap! Ik dacht, dat je mij heel wat te
vertellen had!

„Natuurlijk is mijn portret op het hoofdbureau van politie.

„De man, dien jij daar gesproken hebt, is een kleine dikkert,
nietwaar?”

„Ja,” antwoordde Mr. Simson, „je schijnt hem dus te kennen.”

„En of!” antwoordde Zwarte Betsy. „Ik ken hem zelfs zeer goed.

„Een heel jaar lang heeft hij mij met zijn liefdesverklaringen
achtervolgd en toen ik niet naar hem wilde luisteren, dreigde hij, mij
nog wel eens in ongelegenheid te zullen brengen.

„Hij schijnt zich nu op mij te willen wreken door het portret van mij,
dat ik hem eens heb gegeven, in het misdadigersalbum te steken.”

„Maar dat is een gemeen sujet!” riep de biscuitfabrikant, „dien kerel
moest men eens flink op zijn ribben geven!

„De duivel hale dien schurk! Ik zal hem dwingen, mij je portret terug
te geven!”

„Ik verzoek je,” vleide Zwarte Betsy, „om dien man ongemoeid te laten.
Dergelijke sujetten van de politie kunnen zich op allerlei manieren
wreken.”

„Neen, neen!” antwoordde hij woedend, „met dien schobbejak reken ik
af.”

Zonder verder naar haar te luisteren, snelde hij de kamer uit, nam op
straat een rijtuig en reed naar huis.

Nadat hij er zich daar eerst van had overtuigd, dat de sigarettenkoker
werkelijk op de door Zwarte Betsy aangeduide plaats lag, verliet hij
zijn huis opnieuw en reed weer naar het hoofdbureau van politie.

De Vloo was niet aanwezig, maar in zijn plaats inspecteur Baxter.

Baxter had zich juist na een overvloedig diner op de leeren sofa
uitgestrekt om een middagslaapje te doen en de wachthebbende
politie-agent, die den biscuitfabrikant had moeten aandienen, had
gebruik gemaakt van de goede gelegenheid en was op zijn stoel met het
hoofd op de borst ingedommeld.

„Dat is hier een mooie boel”, sprak Mr. Simson, toen hij den slapenden
politie-agent zag.

„Zoo iets moest men in de kranten bekend maken.”

Hij ging naar de deur van den inspecteur en toen hij geen antwoord
kreeg op zijn kloppen, opende hij de deur en ging naar binnen.

Een luid gesnurk van de leeren sofa verried hem, dat de inspecteur
hetzelfde deed als de agent.

„Nu, nu?” mompelde de biscuitfabrikant, „als de chefs slapen, waarom
zullen de ondergeschikten dan iets anders doen?

„Zoo iets kan alleen in Rijksdienst gebeuren; bij mij, in mijn fabriek,
komt iets dergelijks niet voor.”

Daarop zag hij op de schrijftafel van secretaris Marholm het portret
van Zwarte Betsy, dat de Vloo daar had laten liggen.

Zonder er een gewetenszaak van te maken, dat hij eigenlijk diefstal
pleegde, ging hij naar de schrijftafel en eigende zich de photo toe.

„Ziezoo”, sprak hij tot zichzelf, „dat is de beste gelegenheid om
zonder veel praatjes Betsy haar portret terug te bezorgen!

„Nu zal ik dien man eens met een flinken stoot in de ribben wakker
maken.”

De por, dien hij den snorkenden Baxter gaf, behoorde niet tot de
zachtste.

Verschrikt opende de inspecteur van politie zijn oogen, staarde den
zwaarlijvigen indringer aan en riep:

„Vervloekt, hoe zijt gij hier gekomen?”

„Door de deur”, antwoordde de dikkert kalm.

„Hoe durft gij het wagen om, zonder u te laten aandienen, bij mij
binnen te komen?”

„Vraag dat liever aan uw agent in de voorkamer, die slaapt even vast
als gij hier!

„En zal ik u eens wat zeggen? Ik denk er sterk over om hetgeen mij hier
overkomen is, in de kranten wereldkundig te maken!”

Met een ruk sprong de inspecteur op.

„Wat?” riep hij. „Slaapt die kerel in de voorkamer?”

In hetzelfde oogenblik trok hij de deur open, sprong woedend naar den
slapenden agent toe en gaf hem een klinkende oorvijg.

„Ik zal je toonen, wat het is om in dienst te slapen”, bulderde hij den
man toe.

„Gij weet immers, dat hij, die in dienst slapend wordt gevonden,
onmiddellijk ontslagen kan worden?”

„Wel, dan moet men met u beginnen,” mengde zich de biscuitfabrikant in
het gesprek.

Met een woedenden blik keek de inspecteur hem aan.

„Alle duivels, Sir, hoe durft gij u ermee bemoeien, als ik mijn
ondergeschikten bestraf?”

Daar hij echter vreesde, dat de fabrikant den agent op de hoogte van
het gebeurde zou brengen, ging hij met den dikken heer naar zijn bureau
terug en sprak:

„Wat wenscht gij van mij?”

„Ik wilde u alleen mededeelen, dat de sigarettenkoker van keizer Nero
teruggevonden is.”

„Wat is teruggevonden?” vroeg de inspecteur van politie, die het
protocol, dat Marholm op zijn schrijftafel had gelegd, nog niet had
gelezen.

„Ik was twee uur geleden hier,” verklaarde Mr. Simson, „en deed
aangifte, dat een mij toebehoorende, kostbare antiquiteit, een
sigarettenkoker van keizer Nero, mij ontstolen is. Deze is echter
gelukkig teruggevonden.”

„Zoo,” antwoordde de inspecteur van politie, „en daarom komt gij hier
en bezorgt ons noodeloos werk?

„Dat wordt hoe langer hoe fraaier! Als iedereen in Londen, die iets op
een andere plaats heeft gelegd, dadelijk naar het hoofdbureau van
politie loopt om er aangifte wegens diefstal van te doen, dan zouden
wij minstens 10.000 beambten aan het werk kunnen zetten.”

„Wel,” antwoordde de biscuitfabrikant, „ik ben blij, dat mijn kostbaar
eigendom weer terecht is en gij moogt blij zijn, dat gij geen dief
behoeft te vangen, want in de kranten staat, dat gij er toch geen kunt
krijgen!”

„Wat gaat u dat aan,” stoof de inspecteur op, „zijt gij mijn chef? of
wilt gij u schuldig maken aan het beleedigen van een beambte?”

„Dank u, dank u”, antwoordde Mr. Simson met een afwerend handgebaar,
nam zijn cylinder en verliet, zonder te groeten, de kamer.

Kort daarop trad de vloo binnen.

„Gij hebt visite gehad, nietwaar inspecteur?” vroeg hij, terwijl hij
zijn overjas aan den kapstok hing.

„Ja,” antwoordde zijn chef, „waarschijnlijk een ontoerekenbaar sujet.”

„Luister eens,” sprak de vloo, hem vertrouwelijk op den schouder
kloppend, „het is niet dikwijls het geval, dat wij beiden het eens
zijn. Maar dezen keer denk ik er precies zoo over als gij. Die man is
werkelijk ontoerekenbaar.”

Daarop nam de vloo aan de schrijftafel plaats en ontdekte onmiddellijk
het ontbreken van de photo.

„Zeg eens, inspecteur, hebt gij een photographie van mijn tafel
genomen?”

„Neen, ik roer niets aan wat op uw tafel ligt.”

„Wel duivels, van mijn schrijftafel is het mooie portret van Zwarte
Betsy verdwenen.”

„Laat dergelijke portretten dan niet open en bloot liggen!”

„Hebt gij niet opgemerkt, dat misschien uw bezoeker, die vetbuik, de
photo heeft weggenomen?”

„Wat?” schreeuwde Baxter, „denkt gij, dat het iemand mogelijk zou zijn
om in mijn tegenwoordigheid hier in het bureau iets te stelen?”

„Och,” antwoordde de vloo, „het zou mogelijk kunnen zijn, dat gij
geslapen hadt!”

Nauwelijks echter had hij deze woorden gesproken, of Baxter nam een
portefeuille met acten op en slingerde die zijn secretaris naar het
hoofd.

„Houdt uw cynische opmerkingen voor u! Gij spreekt tegen uw chef en gij
weet, evengoed als ik, dat het verboden is, in dienst te slapen.”

„Daarin hebt gij gelijk,” antwoordde de vloo, „slapen is in het
hoofdbureau van politie ten eenenmale verboden!”

Daarop boog hij zich over zijn werk heen en begon te schrijven.








VIERDE HOOFDSTUK.

KUNSTKENNERS.


In de prachtvolle villa van den hofleverancier van Zijne Majesteit, den
door zijn reclame wereldberoemden biscuitfabrikant Simson, was een
gezelschap bijeen.

Na het souper trokken de heeren zich vervolgens in het rooksalon terug,
om hier onder het genot van een sigaar en geestrijke dranken het
gesprek verder voort te zetten.

Het middelpunt van het gesprek was op dien avond niet een levend wezen,
maar—de sigarettenkoker van keizer Nero, die door den biscuitfabrikant
onlangs van den antiquair Barring was gekocht.

En het interessantste van het sigaretten-étui was een sigaret, die
eveneens nog het eigendom van keizer Nero moest zijn geweest en waarop
in Grieksche drukletters, het opschrift „Aegyptos” stond.

Behalve een enkele uit het gezelschap waren zij allen zoo dom, dat men
hun denkvermogen gerust bij een watermeloen kon vergelijken.

Slechts een der heeren maakte een uitzondering en dat was Lord Edward
Lister, alias Raffles, die onder den naam van een zekeren Lord
Warrington in het huis van den gastheer verkeerde.

De biscuitfabrikant vermoedde in de verste verte niet, dat de Lord
dezelfde persoon was, die eens als kamerheer van den koning van Servië
met hem in verbinding had gestaan.

Toenmaals, als kamerheer van den koning van Servië, droeg Raffles de
vermomming van een bejaard heer met lange, grijze bakkebaarden, terwijl
hij nu, zonder eenige maskeering met zijn baardeloos, fijnbesneden
gelaat het type van een echten Engelschman tusschen de dertig en
veertig jaar vertoonde.

Ook hij bewonderde naar het scheen den beroemden sigarettenkoker, maar
toen de biscuitfabrikant wilde beweren, dat dit de grootste
kostbaarheid in geheel Londen was, was Raffles zoo vrij, hem te
antwoorden, dat hij zich daarin wel zou vergissen.

„Neem mij niet kwalijk,” riep Mr. Simson uit, „dan ben ik toch
werkelijk nieuwsgierig, of gij iets meer interessants en van grooter
waarde bezit, dan deze zeldzaamheid.”

„Zeker!” antwoordde Raffles, „op mijn jarenlange reizen in het
buitenland, vooral in den Oriënt, heb ik zeer veel dingen verzameld,
die van veel meer waarde zijn dan deze sigarettenkoker uit den tijd van
keizer Nero.

„Ik bezit bijvoorbeeld een zonnescherm van keizerin Cleopatra van
Egypte, een tandenstoker van aartsvader Abraham en, als grootste
kostbaarheid, die er op aarde te vinden is, de eenig bestaande sport
van de bekende Jacobsladder.

„Ik hoop, mijne heeren, dat gij allen van de Jacobsladder in den bijbel
hebt gelezen!”

Hoewel alle aanwezigen als zeer bijbelsche mannen en steunpilaren der
kerk bekend stonden, konden zij zich slechts vaag uit hun schooljaren
een Jacobsladder herinneren.

„Deze ladder, mijne heeren,” vervolgde Lord Lister, „is de eenige, die
ooit van de aarde tot den hemel heeft gereikt. Zij is dus een reliquie
van onschatbare waarde.

„Ik hoop, dat gij mij zult toegeven, dat een dergelijke sport een veel
grooter zeldzaamheid is dan de sigarettenkoker van keizer Nero.”

Ondanks hun hersenloosheid moesten alle aanwezigen toegeven, dat Lord
Warrington den ander de loef had afgestoken.

Men kon duidelijk aan het vette gelaat van den hofleverancier zien, dat
hij zich ergerde, omdat de sport van de Jacobsladder, die Raffles
bezat, zijn sigarettenkoker in de schaduw stelde.

„Luister eens”, sprak hij tot Raffles, „ik heb er nu eenmaal mijn
zinnen op gezet om de voornaamste en meest bekende
antiquiteitenverzamelaar van Londen te zijn. Ik wil u een voorstel
doen. Wilt gij mij de sport van de ladder verkoopen?”

„Dat kan ik onmogelijk doen,” antwoordde Raffles. „Van een dergelijk
voorwerp kan ik uit piëteit niet op die manier afstand doen.

„Maar ik doe u een ander voorstel:

„Als het u aangenaam is, ruilen wij het in tegen een voorwerp uit uw
verzameling.”

„Dat neem ik dolgaarne aan,” antwoordde de biscuitfabrikant! „Behalve
de sigarettenkoker van keizer Nero moogt gij iets van mijn verzameling
uitzoeken, waarvoor gij de laddersport in ruil wilt geven.”

Raffles had reeds weken geleden in de woning van Mr. Simson een zeer
kostbaren Murillo ontdekt en bewonderd. Hij schatte het schilderij op
een waarde van minstens 20,000 pond sterling.

Terwijl hij met den vinger het schilderij, dat aan den muur hing,
aanwees, sprak hij:

„Het beste stuk uit uw collectie tegen het kostbaarste van de mijne. Ik
houd meer van schilderijen dan van antiquiteiten en ben bereid, u de
sport van de Jacobsladder tegen den Murillo in te ruilen.”

„Afgesproken!” riep de biscuitfabrikant en ongemerkt wreef hij zich in
de handen, want nu zou hij werkelijk een voorwerp in zijn verzameling
hebben, dat door niets kon worden overtroffen.

„Wanneer zal de ruil plaats hebben?” vroeg hij Raffles.

„Zendt mij het schilderij morgenochtend,” antwoordde Raffles, „of neen,
ik zal lui sturen om het schilderij af te halen en wil u persoonlijk de
in een gouden kast weggesloten laddersport overhandigen.”

Nadat het gesprek was afgeloopen, gingen de heeren naar het
muzieksalon, waar zich de dames bevonden om naar de liederen van een
beroemde zangeres te luisteren, die ook was uitgenoodigd.

Toen Raffles het muzieksalon binnentrad, bleef hij een oogenblik
verbaasd staan.

In een zachtrose zijden japon, een magnifique Parijsch avondtoilet, zat
Zwarte Betsy op eenigen afstand van den concertvleugel en keek met
scherpe blikken naar de binnenkomenden.

Zij was eerst in den loop van den avond gekomen en het was de eerste
keer, dat de biscuitfabrikant het waagde om zijn minnares onder den
naam van Lady Melvil bij zich te ontvangen.

Niemand, behalve Raffles wist, welke gevaarlijke avonturierster zich
onder de gasten bevond.

Niet ten onrechte noemde Zwarte Betsy zich de vrouwelijke Raffles.

En met dezelfde vijandschap die er tusschen kat en hond bestaat, haatte
zij den veel handigeren mannelijken collega en onophoudelijk dacht zij
erover na, op welke wijze zij hem, wiens concurrentie zij vreesde,
onschadelijk kon maken.

Indertijd in Ostende, toen de groote onbekende als kamerheer van den
koning van Servië den biscuitfabrikant waardelooze ordeteekens had
aangesmeerd, was zij eenvoudig kamermeisje in het hotel geweest, waar
de kamerheer had gelogeerd en het was haar bijna gelukt, hem te laten
gevangen nemen, maar hij had zich door een van zijn meesterlijke
streken weten te redden.

Inplaats daarvan zou zij zelf bijna in de gevangenis zijn gekomen!

Zij herkende hem onmiddellijk weer, toen hij binnenkwam.

Een oogenblik ontmoetten hun blikken elkaar en bleven tot elkaar
aangetrokken als magneten en een groote haat lag in de oogen van Zwarte
Betsy te lezen.

Zonder den blik neer te slaan, liet hij zich aan haar voorstellen als
Lord Warrington en geen der aanwezigen vermoedde, dat de voorname
demi-mondaine, die schijnbaar glimlachend met den Lord achter haar
waaier fluisterde, een heftige woordenwisseling met dezen voerde.

„Ah!” sprak zij, „Lord Edward! Eindelijk ontmoeten wij elkaar weer
eens. Ik had niet gedacht, dat gij het zoudt durven wagen om in het
huis van een uwer vroegere slachtoffers te verkeeren.”

„Neem mij niet kwalijk, Madam,” antwoordde Raffles, „ik weet niet,
waarover gij spreekt.”

„Och,” vervolgde Zwarte Betsy, „probeer maar niet mij te misleiden, of
wilt gij comedie tegenover mij spelen? Ik herkende u onmiddellijk,
Raffles, toen gij hier binnenkwaamt.”

„En ik jou, kleine Betsy,” spotte Raffles.

„Gij weet, dat ik gezworen heb om u onschadelijk te maken,” siste
Zwarte Betsy, „wij hebben nog heel wat met elkaar af te rekenen.

„Gij hebt mij herhaaldelijk in mijn plannen gedwarsboomd en mij en mijn
makkers groote schade veroorzaakt.

„Wat zoudt gij nu doen, als ik opstond en aan de gasten vertelde, dat
gij de alom gezochte John C. Raffles zijt?”

„Ik zou dwaas zijn, als ik u vertelde, wat ik in dat geval zou doen.
Maar, Madam, ik ben aan dergelijke toevalligheden in mijn beroep
gewend. Mijn sport brengt nu eenmaal mee, dat zulke kleinigheden af en
toe voorvallen.

„Ik denk, dat ik minder in verlegenheid zou geraken dan gij het zoudt
zijn, als ik opstond en zei: mijne heeren, de dame, die hier zit, is
een persoontje, dat zeer welkom zou zijn op het hoofdbureau van
politie.

„Haar photographie kunt gij daar onder no. 3874 in het misdadigersalbum
vinden.”

„Ellendeling!” siste Zwarte Betsy, „ik lach om uw dreigementen. Maar ik
zie in, dat ik u hier op het oogenblik niet onschadelijk kan maken. Er
zal zich wel een betere gelegenheid voordoen.”

„Ik hoop het,” antwoordde Raffles op onverschilligen toon, „het is
altijd goed, als personen van uw soort niet achter kanten gordijnen,
maar achter stevige ijzeren tralies zitten.”

Niemand vermoedde, dat het tweetal in een soort van wapenstilstand den
avond in hetzelfde gezelschap doorbracht.

Alleen de biscuitfabrikant werd onrustig en had met jaloersche blikken
naar het tweetal gekeken, dat zoo’n langdurig onderhoud samen had.

Laat in den nacht namen de gasten afscheid en toen Zwarte Betsy in de
auto plaats nam, die voor de deur wachtte, keek zij in het
glimlachende, ironische gelaat van Raffles, die beleefd zijn hoed afnam
en sprak:

„Tot weerziens, Madam; het was mij bijzonder aangenaam, u weer ontmoet
te hebben.”

Een blik vol woede trof hem uit de oogen van Zwarte Betsy; daarop reed
zij naar haar woning in het Hydepark, terwijl Raffles een cab nam en
zich ook huiswaarts begaf.








VIJFDE HOOFDSTUK.

DE SPORT VAN DE LADDER.


„Zeg eens, Edward, ben je werkelijk krankzinnig geworden?” sprak Charly
Brand, toen hij zijn vriend en meester reeds in het vroege ochtenduur
in den tuin van de villa vond in hemdsmouwen en tuinmansschort, druk
bezig een sport uit een houten ladder te zagen.

„Welneen, volstrekt niet,” lachte Raffles.

„Nu, zeg eens,” antwoordde Charly Brand, „welk verstandig mensch zaagt
een goede ladder stuk? Er ligt genoeg brandhout in den kelder, als wij
dat noodig mochten hebben.”

„Je ziet toch wel, mijn jongen, dat ik geen brandhout noodig heb, maar
alleen een sport van de ladder.”

„Een laddersport? Moet je een knuppel hebben?”

„Ja”, lachte Raffles, „ik heb een knuppel noodig, die 20,000 pond
sterling waard is.”

Met krachtige slagen maakte hij de sport los van de zijkanten der
ladder, terwijl Charly Brand met een ernstig gelaat toekeek.

„Ik maak mij werkelijk ongerust over je, Edward.”

„Dat is niet noodig, mijn lieve vriend; ik verzeker je,”—hij zwaaide de
laddersport als een bijl eenige keeren door de lucht, wierp ze in de
hoogte en ving haar weer op—„deze sport brengt mij 20,000 pond sterling
op.

„Kom, ik heb weinig tijd, je kunt met mij meegaan.”

Charly Brand, die in den loop der jaren aan veel vreemde dingen was
gewend, schudde dezen keer mismoedig het hoofd.

Hij kon met den besten wil van de wereld niet begrijpen hoe de geniale
Edward met de sport van de ladder 20,000 pond sterling zou kunnen
verdienen.

Een half uur later was Raffles gekleed, verliet met zijn secretaris het
huis en beiden begaven zich in een cab naar een goudsmid.

Hier kocht hij een langwerpig kistje van gewoon goudblik, waarin hij op
lichtblauw fluweel het stuk hout neerlegde.

Charly Brand keek stom van verbazing naar hetgeen zijn vriend deed.

Wat ter wereld moest dit waardelooze stuk hout, dat in een vergulde
kist op hemelsblauw fluweel werd geborgen, beteekenen?

Nu reed Raffles naar een maatschappij voor goederenvervoer, huurde daar
een rijtuig en twee werklieden.

Met deze lieden begaf hij zich naar de woning van den biscuitfabrikant,
die hem reeds met ongeduld wachtte en bang was, dat de Lord spijt van
zijn woorden had gekregen.

Met een vroolijk glimlachje ontving hij hem nu en na korte bespreking
konden de werklieden den Murillo afnemen en in het rijtuig, dat voor
het huis stond, laden.

Met eerbiedigen schroom bekeek hij de sport van de ladder en kon
nauwelijks zijn kalmte bewaren, zoo verrukt was hij over deze zeldzame
kostbaarheid.

Charly Brand woonde het geheele tooneel met open mond bij.

Nu werd het hem duidelijk, dat niet Raffles, maar de biscuitfabrikant
de krankzinnige was.

Toen zij weer in hun rijtuig zaten en naar den wereldberoemden
kunstkooper Ellionet reden, sprak hij:

„Zeg eens, Edward, die man schijnt aan ongeneeslijke hersensverweeking
te lijden.”

Raffles lachte:

„Zijn hersens bestaan, evenals zijn biscuits, uit meel en water.

„Want—iemand, die een sigarettenkoker van keizer Nero koopt, zoo
redeneer ik, is in staat om de onzinnigste dingen der wereld te koopen.
Weet je, wat ik hem zooeven heb verkocht in ruil voor een kostbaar
schilderij?”

„Neen”, antwoordde Charly, „ik kan met den besten wil niet begrijpen,
wat die laddersport moet beteekenen.”

En terwijl Raffles zijn gelaat in een ernstigen plooi trok, sprak hij
op zalvenden toon:

„In den Bijbel staat geschreven, toen Jacob op het veld lag en sliep,
droomde hij van een ladder, die tot den hemel reikte en waarlangs de
engelen op en neer klommen.

„Van deze ladder, mijn lieve Charly, heb ik de eenige sport, die er nog
van bestaat, aan den biscuit-idioot verkocht.”

Charly Brand barstte in een onbedaarlijk lachen uit en sprak:

„Ik had nooit gedacht, dat er zulke stommerikken bestaan!”

„Oho!” riep Raffles, „overschat de menschen om ’s Hemels wil niet, er
zijn altijd nog veel dommere, dan men denkt.”

Zij hadden het huis van den kunsthandelaar bereikt en Raffles liet het
schilderij naar binnen brengen.

Vol verrukking bekeek deze den wonderschoonen Murillo en sprak, toen
Raffles hem het schilderij te koop aanbood:

„Het is dezelfde Murillo, die mij indertijd op een veiling door den
biscuitfabrikant Simson afhandig is gemaakt. Maar zooveel als deze kan
ik er niet voor besteden.”

„Wel”, antwoordde Raffles, „zeg mij, welk bedrag gij wilt betalen. Ik
hoop, dat wij het over den koop eens zullen worden.”

Na eenig nadenken antwoordde de kunsthandelaar:

„Ik betaal u voor den Murillo 25.000 pond sterling.”

„All right”, sprak de Lord, „ik ga een groote reis naar het buitenland
maken en heb geld noodig. Ik wil daarom niet verder er over spreken en
verzoek u, mij een cheque te geven.”

Eenige minuten later was de koop gesloten en toen Raffles zich weer op
straat bevond om zich naar de Bank te begeven, sprak hij tot zijn
secretaris:

„Je ziet, jongenlief, wat men voor een stuk hout kan krijgen als men
slechts de kunst verstaat, het goed aan den man te brengen.”

Terzelfder tijd, toen Raffles op de Bank het geld in ontvangst nam en
tegelijk met de cheque van den kunsthandelaar een tweede aanbood, groot
8000 pond sterling, voorzien van de handteekening van den antiquair
Barring, welke hij eveneens uitbetaald kreeg, had Mr. Simson zich
ijlings met de laddersport naar Zwarte Betsy begeven om haar zijn
nieuwste eigendom, het sieraad van zijn verzameling, te laten zien.

Nauwelijks had deze het stuk hout gezien of zij barstte in een
schaterlach uit en riep:

„Ik moet werkelijk aan je verstand twijfelen, dat is immers een
doodgewone laddersport, een waardeloos stuk hout!”

De biscuitfabrikant sprak op beleedigden toon:

„Daarvan heb jij geen verstand en het spijt mij, dat ik je de sport van
de Jacobsladder heb laten zien.”

Zwarte Betsy dacht eenige oogenblikken na, of zij haar vriend en
beschermer opheldering zou geven omtrent den persoon van Lord
Warrington.

Maar zij was zoo verstandig om voorloopig nog te zwijgen.

Juist toen de hofleverancier van plan was, heen te gaan, bracht het
kamermeisje een visitekaartje binnen.

Nauwelijks had Zwarte Betsy een blik op het smalle kaartje geworpen, of
een lichte rilling beving haar en, als niet een dikke laag rood op haar
wangen had gelegen, zou de biscuitfabrikant hebben opgemerkt dat zij
vaalbleek was geworden!

„Miss Prince,” stond op het kaartje, anders niets.

Zwarte Betsy kende Miss Prince. Want meer dan eens had de beroemde
Amerikaansche detective haar plannen in duigen doen vallen en haar
zelfs tweemaal gevangen genomen.

Doch slechts heel kort duurde deze zwakte van het oogenblik; daarna
reikte zij met haar beminnelijk, verleidelijk glimlachje den door haar
betooverden dikken beminde de van kostbare brillanten voorziene hand
met de woorden:

„Je wilt zeker wel zoo goed zijn mij nu te verlaten om mij vanavond
voor het souper af te halen. Ik krijg daarjuist bezoek van een
vriendin, en je weet, dat wij vrouwen er niet van houden dat gij mannen
tegenwoordig zijt bij onze besprekingen van de mode en toiletgeheimen.”

De biscuitfabrikant kuste haar verliefd de hand, trachtte haar even te
omhelzen en verliet daarna het salon.

Hij wierp een nieuwsgierigen blik op de in het voorvertrek zittende
miss Prince. Doch nauwelijks had hij ontdekt hoe opvallend leelijk deze
was, of hij liep haastig, voor zoover zijn corpulentie dit toeliet,
naar de deur om langs de trap op straat te verdwijnen.

Er was niets dat hem meer afstiet dan een leelijke vrouw. Hij behoefde
op zulke vriendinnen van Betsy niet jaloersch te zijn.

Terwijl hij naar huis snelde was de dame het salon binnengetreden en
nam door haar lorgnet met een onverschillig spotlachje de kostbare
inrichting van het vertrek op.

Hierna richtte zij haar oogen op de bewoonster zelve en zei:

„Wat een prachtig toilet hebt gij aan, miss Betsy. Gij schijnt over een
ruime beurs te beschikken.”

De aangesprokene wierp vol trots het hoofd in den nek en antwoordde:

„De geldmiddelen, waarover ik tijdelijk beschik, kunnen u geheel
onverschillig laten, miss Prince, want deze sommen heb ik, zonder dat
de wet hiertegen iets kan doen, van mijn vriend cadeau gekregen.”

„Dat weet ik,” hernam miss Prince. „Ik ken uwe betrekkingen tot den
hofleverancier van Zijne Majesteit, den biscuitfabrikant Simson. Ik
weet, dat gij zijn beminde zijt, en men op ’t oogenblik niet van plan
is u opnieuw wegens oplichterij aan te klagen. Doch—”

Zij hield even op.

„Uw rekening van vroeger is echter nog altijd niet vereffend, en ik
geloof, dat men aan het hoofdbureau van politie blij zou zijn als ik u
daar aanbracht.

„Hoe zoudt gij het vinden, als ik tot u zei: „In naam der wet, miss
Betsy, volg mij.””

De Zwarte Betsy sidderde zoo hevig, dat zij moest gaan zitten.

De detective keek een paar seconden naar haar en ging toen verder:

„Stel u gerust, Betsy, ik kom niet tot u om u gevangen te nemen, doch
om zaken met u te doen.

„Ik wensch nl. een inlichting van u te hebben.

„Geeft gij mij deze inlichting en zijt gij mij behulpzaam bij de
uitvoering van mijn plan, dan verzeker ik u kwijtschelding van alle
straf, en de Engelsche politie zal zich niet meer met u bemoeien dan
nadat ge weer een nieuwe streek hebt uitgehaald.”

„Vraag gerust, miss Prince,” sprak Zwarte Betsy met zwakke stem, „ik
ben gaarne bereid u alle inlichtingen te geven.”

„Ge kunt misschien wel vermoeden, waarom ik bij u kom,” vervolgde haar
bezoekster en ging in een roodzijde fauteuil zitten.

„Dat zou ik heusch niet weten,” antwoordde Betsy.

„Welnu, ik zal u direct ophelderen waar het om gaat, het betreft
Raffles.”

„Zoo, zoo, Raffles,” herhaalde de avonturierster, inwendig blij.

„Hij is ons destijds in Ostende helaas ontsnapt.”

„Ja, helaas, in weerwil van alle voorzorgsmaatregelen was hij knapper
dan wij; dat wil zeggen,” vulde zij aan, „het is niet mijn schuld dat
hij ontkwam, doch die van den inspecteur van politie Baxter, die zijn
maatregelen te laat nam en zich liet beetnemen.”

„Ik zou nu van u graag willen vernemen, Betsy, of u het verblijf van
Raffles in Londen bekend is.”

„Neen, dat weet ik niet,” antwoordde Zwarte Betsy, zonder dat zij een
leugen uitsprak.

In weerwil van ijverige nasporingen was zij van den biscuitfabrikant
niet het adres van Lord Warrington te weten gekomen, daar deze het naar
hij zei zelf niet wist, doch het haar uit jaloezie verzweeg.

„Zoo,” antwoordde miss Prince, „gij kent zijn woonplaats dus niet?
Mogelijk hebt gij hem den laatsten tijd ergens ontmoet?”

„Dat heb ik wel,” antwoordde Betsy, „John Raffles komt onder den naam
van Lord Warrington ten huize van mijn beminde, Sir Simson.”

„Is dat inderdaad zoo?” vroeg miss Prince met doordringenden blik.

„Ja, dat is zoo. Ik sprak hem zelf eenige dagen geleden op een partij.”

„En hij herkende u?”

„Ja, wij herkenden elkaar, doch in een soort wapenstilstand verrieden
wij onze identiteit niet aan de gasten, wij moesten beiden, hij zoowel
als ik, zwijgen.”

„Waarom deedt ge daar tot heden geen aangifte van bij de politie? Gij
weet, dat op Raffles’ gevangenneming een prijs is uitgeloofd van 4000
pond sterling. Dat geld hadt ge toch kunnen verdienen.”

„Dat is zoo,” antwoordde Zwarte Betsy, „doch ik wilde een betere tijd
en gelegenheid afwachten om mij te wreken op Raffles, met wien ik nog
persoonlijk moet afrekenen.”

„Ik weet, dat gij hem haat, en daarom kom ik naar u om met uw hulp den
sluwen vos eindelijk te vangen.

„Kunt ge het niet zóó inrichten, dat ge mij per telefoon inlicht,
wanneer Raffles zich weer bij uw beminde bevindt?

„Ik zou dan dadelijk alle maatregelen lot zijn gevangenneming kunnen
treffen.”

„Dat zou ik kunnen doen,” antwoordde Betsy, „geef mij uw telefoonnummer
op en zorg, dat gij de eerstvolgende dagen in de avonduren thuis zijt.”

Miss Prince schreef voor Zwarte Betsy het telefoonnummer op, en nadat
zij haar nogmaals kwijtschelding van alle straf had verzekerd, wanneer
het met haar hulp mocht gelukken Raffles te vangen, nam zij afscheid
van de avonturierster.

Toen zij buiten kwam en een rijtuig nam, om naar den inspecteur van
politie Baxter te rijden, wreef zij zich vergenoegd de handen.

„Kolossaal,” zei zij in zichzelf, „dat zal de beste vangst zijn van
mijn heele leven, zeer zeker de kroon op mijn werk.”

In gedachten, zag zij zich al staan voor den grooten onbekende en hem
toeroepen: „In naam der wet neem ik u gevangen, John C. Raffles.”








ZESDE HOOFDSTUK.

GROOT ALARM.


„Wilt ge werkelijk vanavond naar de partij bij den biscuitfabrikant
gaan?” vroeg zijn vriend en secretaris, toen John Raffles zich in rok
had gestoken.

„Natuurlijk wil ik daar heen gaan. Zoo’n goeden klant mag men niet
verwaarloozen, en ik vermoed, dat ik bij hem nog meer dan 25,000 pond
sterling kan verdienen aan een eindje hout.

„Misschien verkoop ik hem daarna nog een klimopblad uit mijn tuin als
het oudste toiletartikel, dat de dames op deze wereld hebben gedragen.”

„Ik zie, dat je in een stemming bent om grappen uit te halen,” zei
Charly Brand, „doch ik weet het niet, het is mij vanavond vreemd te
moede. Ik heb een gevoel, alsof je daar in huis wat onaangenaams zal
overkomen.”

„Onzin,” antwoordde Raffles, „ik heb zoo’n gevoel niet, doch hoop
integendeel een zeer amusanten succesvollen avond te doorleven.

„Daar zijn nl. een massa heeren, wier beroep tot de meest winstgevende
van Londen behoort. Een der grootste slagers, een zaadhandelaar, een
fabrikant van de beste schoensmeer, en wat er verder nog voor
rijkmakende baantjes in Londen te vinden zijn.

„Deze heeren dragen zonder uitzondering de prachtigste briljanten en de
meest gevulde portefeuilles bij zich. Zij houden ervan, vooral op
dergelijke bijeenkomsten een hoog hazardspel te spelen, gaan in hun
overhemd—op echte arbeidersmanier—om de groene tafel zitten en bluffen
met hun bankbiljetten van 100 pond, alsof deze volstrekt geen waarde
bezaten.

„Het zou niet kwaad zijn om deze heeren eens een beetje bloed af te
tappen.

„Ook Zwarte Betsy is in het bezit van diamanten, welke de biscuitidioot
haar heeft gegeven en waarvoor geen koningin zich zou behoeven te
schamen.

„Het zou heel nuttig zijn om het geld, dat deze menschen zonder eenig
ander doel dan om ermee te pronken, met zich meesleepen, onder de armen
van Londen te verdeelen.”

Raffles zetten zijn modernen hoogen hoed op, schoof een kostbaren
juweelen ring aan den vinger en overtuigde zich ervan, of in den zak
van zijn rok het voorwerp aanwezig was, dat hij dien avond noodig had.

„Zoek je een revolver?” vroeg Charly Brand. „Ik geloof, dat je je wapen
op de schrijftafel hebt laten liggen.”

Glimlachend antwoordde Raffles:

„Mijn lieve jongen, een revolver is soms een kwaad ding en het is
dikwijls gevaarlijker er een bij zich te hebben dan er zonder te zijn.

„Als mijn verstand mij niet de middelen aan de hand doet, welke ik
noodig heb om aan te vallen of om mij te verdedigen, dan helpt een
revolver mij ook niet.

„Bovendien maakt het knallen van een schot zenuwachtig.

„Voor mij behoeven dergelijke wapens niet te bestaan.

„Er zijn betere dingen in de wereld dan zoo’n schietinstrument.”

„Wel, dat moet je zelf weten. Ik wensch je het allerbeste voor vanavond
en zal blij zijn, als je weer thuis bent om mij vannacht bij een kop
thee te vertellen, wat je vanavond hebt beleefd.”

Hij hielp zijn vriend de met zijde gevoerde, elegante ulster
aantrekken. Daarop wierp Raffles nog een vluchtigen blik in een grooten
spiegel, gaf Charly een hand en ging heen.

Ongeveer op denzelfden tijd, toen Lord Warrington zich voor de soiree
kleedde, verliet miss Prince in avondtoilet haar hotel, waar zij
gedurende haar verblijf in Londen haar intrek had genomen.

Ongeveer een half uur geleden had zij van Zwarte Betsy bericht
gekregen, dat Raffles, de lang gezochte, dien avond op de partij van
den biscuitfabrikant aanwezig zou zijn en onmiddellijk begaf zij zich
naar inspecteur Baxter, dien zij reeds door de telefoon had gesproken.

Beiden besloten nu, zonder de hulp van verdere politiemacht, de
arrestatie van den grooten onbekende persoonlijk in handen te nemen,
opdat hun alleen de eer zou toekomen eindelijk den gevreesden Raffles,
den schrik van Londen, onschadelijk te hebben gemaakt.

Inspecteur Baxter was het niet geheel eens met het plan van miss
Prince.

Hij kende uit tal van gebeurtenissen de behendigheid van John Raffles
maar al te goed en wist, hoe moeilijk het was, hem in handen te
krijgen.

Het liefst zou hij het huis van den biscuitfabrikant met een dubbel
cordon politie-agenten hebben omsingeld, zoodat vluchten onmogelijk zou
zijn.

Miss Prince had hem echter overreed en getracht, hem duidelijk te
maken, dat zij het beter klaar zouden spelen zonder de hulp van agenten
en detectives.

Toen zij nu de particuliere woning van den inspecteur van politie had
bereikt, kwam deze haar reeds in visitetoilet tegemoet en op tevreden
toon riep zij hem toe:

„Gij hebt u uitstekend gemaskeerd, inspecteur, gij ziet er uit als een
echte oude Engelsche baronet.”

Baxter boog bij het hooren van dit compliment en antwoordde: „Men zegt
algemeen, dat ik uitstekend de kunst versta om mij te vermommen. Maar
om u een complimentje terug te geven, ook ik zou u niet hebben
herkend.”

„Dat geloof ik gaarne”, lachte Miss Prince, „maar ik heb ook gebruik
gemaakt van mijn beste schmink en toiletgeheimen om niet door den
sluwen Raffles te worden herkend. En luister nu eens naar mijn plan.”

De vrouwelijke detective vervolgde:

„Wij rijden nu naar de woning van Zwarte Betsy, die ons als goede
kennis vanavond bij den biscuitfabrikant zal introduceeren.

„Niemand mag weten, welk beroep wij uitoefenen en wat wij daar komen
doen. Het zou anders mogelijk zijn, dat Raffles door den een of ander
werd gewaarschuwd of wantrouwen kreeg.”

„En dan zou de vos ons weer ontsnappen.

„Wanneer en hoe denkt gij hem gevangen te nemen?”

„Ik denk, dat wij na afloop der partij wel gelegenheid zullen hebben om
door bemiddeling van den gastheer of Zwarte Betsy een onderhoud met hem
te hebben in de studeerkamer van Mr. Simson. Daar zullen wij dan de
hand op hem leggen en hem gevangen nemen.”

„Ik weet niet”, sprak inspecteur Baxter, „of uw plan werkelijk goed is.
Maar zooals gij het wenscht, zal het gebeuren. Ik wil u volkomen
vertrouwen.

„Excuseer mij nog een oogenblik, ik ga nog even mijn witte handschoenen
uit de slaapkamer halen en dan ben ik bereid, u te volgen.”

Het halen der witte handschoenen was echter slechts een voorwendsel om
zich even te kunnen verwijderen.

Inderdaad had hij een geheel ander plan gemaakt. Hij vond het lang niet
zeker, dat het Miss Prince en hem zou gelukken om John Raffles gevangen
te nemen.

Daarom besloot hij om in elk geval het hoofdbureau van politie mobiel
te maken, ten einde de villa van den biscuitfabrikant, die tamelijk
afgezonderd, midden in een park lag, door een dubbele haag van
politieagenten zoodanig te laten omsingelen, dat het niemand zou
gelukken zich uit het huis te verwijderen.

Zoodra hij in de slaapkamer was, nam hij de telefoon op, die hem
verbinding gaf met het hoofdbureau van politie en riep zijn secretaris
Marholm, de vroolijke Vloo, zooals zijn collega’s hem in den laatsten
tijd noemden, door de telefoon toe:

„Ben je daar, Marholm?”

De Vloo, die door het bellen van de telefoon in een heerlijk avonddutje
werd gestoord, nam verdrietig de telefoon op en riep:

„Voor den duivel, wie is daar? Dat is een lawaai, alsof er ergens een
moord was gepleegd!”

„Ge hebt zeker weer geslapen, nietwaar?”

Marholm herkende dadelijk de stem van zijn chef en dacht:

„Ha, die heeft weer het een of andere plan!”

Met luide stem riep hij door de telefoon:

„Wat gaat het u aan, of ik slaap of niet! Ga zelf liever slapen en laat
mij hier met rust, ik heb geen zin om mij door u te laten storen.”

„Wel vervloekt, Sir!” schreeuwde de inspecteur woedend, „gij wordt met
den dag brutaler!”

„Wat?” antwoordde Marholm slagvaardig, „wat valt u in, om mij hier door
de telefoon te durven beleedigen. Jammer, dat ik u niet in
werkelijkheid voor mij heb! En nu adieu!”

Bij die woorden hing hij de telefoon aan den haak en keek met een
guitig lachje naar de bel van het toestel, die nu zonder ophouden door
Baxter in beweging werd gezet.

„Wacht maar,” lachte de vloo, „je zult eerst bellen, tot je pols moe
is!”

Nadat er bijna een minuut was voorbijgegaan, welke Baxter een
eeuwigheid scheen, nam de vloo de telefoon op en riep:

„Verduivelde ezel, wil je eindelijk eens ophouden zoo’n lawaai te
maken?”

„Ik ben hier,— —ik— —.”

„Dat hoor ik, idioot, maar ik weet altijd nog niet, wie „ik” is— — —
—!”

Duidelijk zag hij het paarsroode gelaat van Baxter voor zich, nu deze
op woedenden toon riep:

„Maar mijn Hemel, Marholm, herken je mij dan niet aan mijn stem?”

„Neen,” antwoordde Marholm, „de eene os brult in Engeland precies zoo
als de andere. Zoolang gij mij uw naam niet noemt, weet ik niet welke
ezel gij zijt!”

„Baxter!” klonk het woedend terug. „Hier Baxter!”

„O, dat heb ik wel gedacht,” antwoordde de vloo doodkalm, „een ander
zou het niet durven wagen, zoo door de telefoon te razen en te tieren!”

„Gij gedraagt u netjes, Marholm, om mij zoo te beleedigen, als je mij
aan mijn stem had herkend.”

„Pardon,” riep de vloo terug, „ik had u niet aan uw stem herkend.
Maar—wat wenscht gij van mij?”

„Maak onmiddellijk alarm, Marholm, laat twee wagens met agenten en
detectives bezetten en omsingel het huis van den biscuitfabrikant
Simson!”

„Is dat alles?” vroeg de vloo.

„Dat is alles!” antwoordde Baxter. „Haast u zooveel mogelijk, want ik
heb daar uw hulp noodig bij een arrestatie! Vooruit!”

De inspecteur verbrak de verbinding en de vloo, die de telefoon ook
weer aan den haak hing, mompelde:

„Ik durf er mijn hoofd op verwedden, dat dit groote alarm weer mijn
besten vriend John C. Raffles geldt. Inspecteur Baxter heeft zich in
langen tijd niet belachelijk gemaakt. Nu, wien het jeukt, die moet zich
maar krabben!”

Met vrij veel omhaal, zonder bijzondere haast aan den dag te leggen,
gaf hij den dienstdoenden agent, die lui in het wachtlokaal zat, bevel,
de manschappen van het hoofdbureau mobiel te maken.

Dadelijk zette de beambte het alarmsignaal voor de verschillende
vertrekken der manschappen in werking en spoedig dreunden de steenen
vloeren onder de zware treden der welgedane Engelsche politie-beambten.

De wagens werden bezet door vijftig man en Marholm leidde zelf zijn
troepen naar de villa van den biscuitfabrikant.

Gedurende den rit zaten de dienstdoende sergeants naast Marholm en
vroegen hem welke maatregelen ter arrestatie zij moesten nemen.

„Hm,” meende de vloo, „het bevel luidt, dat wij de woning van Mr.
Simson moeten omsingelen en ik denk dat dit beteekent, dat er geen
enkele persoon in of uit mag.”

In de nabijheid van het huis verlieten de politiebeambten de wagens en
begaven zich in twee troepen naar de villa, waar het feest reeds in
vollen gang was.

In een dichte rij omsingelden zij onder leiding van Marholm het huis en
juist hadden zij een stevige haag gevormd, toen de auto, waarin Zwarte
Betsy, inspecteur Baxter en miss Prince zaten, de villa naderde.

„Wat beteekent dat?” vroeg de vrouwelijke detective den inspecteur,
toen zij de uniformen der agenten zag.

Baxter glimlachte verlegen en antwoordde:

„Ik vond het toch noodzakelijk om hulptroepen te laten komen.”

Bij die woorden ging hij naar de vloo toe en sprak:

„Laat ons er door!”

„Ik denk er niet aan”, antwoordde de vloo, „hier komt niemand meer
binnen.”

„Ben je krankzinnig, Marholm?” stoof Baxter op, „herken je mij niet?”

„Ja”, antwoordde de vloo, „uw onbeschofte manier van spreken in
aanmerking genomen, zoudt gij inspecteur Baxter wel kunnen zijn. Maar
die ziet er heel anders uit dan gij, vriend!”

„Ik heb mij vermomd”, sprak Baxter, „en heb daarvoor mijn redenen. Hier
is mijn ambtspenning.”

Hij sloeg zijn jas open en de vloo zag het gouden schild, dat Baxter op
zijn borst had gespeld.

„In orde, inspecteur”, antwoordde de vloo daarop, „nu kunt gij
passeeren!”

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...

Een enkel zacht licht scheen van het plafond neer en hulde het vertrek
in een sprookjesachtig halfdonker.

In het midden van het vertrek stond een marmeren tafel, waarop een
eigenaardig gouden kistje stond, dat de voornaamste kostbaarheid van de
wereld bevatte,—de zeldzame, zoo kostbare „sport van de Jacobsladder!”—

Reeds gedurenden den maaltijd had de biscuitfabrikant zijn gasten
verteld van de eigenaardige antiquiteit, die hij pas had verkregen en
met groote haast deden de gasten hun best, een einde aan het souper te
maken, opdat zij hun nieuwsgierigheid zouden kunnen bevredigen.

De eenige, die deze belangstelling niet deelde, was Lord Warrington,
die met den smaak van een fijnproever zich te goed deed aan de
voortreffelijk toebereide spijzen, die op tafel stonden.

Slechts even keek hij van zijn bord op, en wel toen Zwarte Betsy met
miss Prince en inspecteur Baxter binnenkwamen.

Hij merkte op, dat Betsy zich bij den gastheer over haar late komen
verontschuldigde. Tegelijkertijd stelde zij het tweetal, dat met haar
was gekomen, voor als een haar bekend echtpaar en sprak:

„Ik ben zoo vrij geweest, deze kennissen van mij, die mij vanavond
wilden bezoeken, mede te brengen en hoop, Mr. Simson, dat gij mij deze
vrijheid niet kwalijk zult nemen.

„De naam van mijn vriend en diens vrouw zal u wel bekend zijn. Het is
de Schotsche baronet Smithfield.”

„Jawel”, knikte de biscuitfabrikant, die grooten eerbied had voor alle
mogelijke titels, „ik heb den naam van dezen baronet wel eens gehoord
en het verheugt mij, dezen heer en zijn echtgenoote in mijn huis te
mogen begroeten.”

Hij stak den vermomden politie-inspecteur en de dame zijn hand toe en
stelde ze aan de overige gasten voor.

Ook Raffles werd hun genoemd als „Lord Warrington”.

En zonder in het minst te verraden, dat hij hen bij hun binnentreden
onmiddellijk had herkend, boog hij hoffelijk voor het echtpaar en ging
daarna kalm door, van de fazant te eten, die hem juist geserveerd was.

„Hij heeft ons nog niet herkend”, fluisterde Miss Prince den inspecteur
toe, toen zij op eenigen afstand van Raffles aan de tafel plaats namen.

Men bediende hun van eenige schotels, terwijl de andere gasten reeds
aan het dessert waren en uit beleefdheid moesten wachten, totdat de
laatkomers ook klaar waren met hun souper.

„Gij treft ons in een verklaarbare opgewondenheid”, sprak de
biscuitfabrikant tot den vermeenden baronet Smithfield. „Ik ben in
Londen de meest bekende antiquiteitenverzamelaar, en heb onlangs door
vriendelijke bemiddeling van Lord Warrington een antiquiteit gekregen,
die wel de zeldzaamste is, die er op de wereld bestaat.

„Het is een sport, een heilige sport van de bekende Jacobsladder!”

Miss Prince meende haar ooren niet te kunnen gelooven.

„Pardon”, antwoordde zij, „ik vrees niet goed verstaan te hebben. Bezit
gij een sport van de Jacobsladder uit den Bijbel?”

„Ja”, knikte de fabrikant, „en ik heb er een vertrek voor laten
inrichten, als een tempel, opdat dit kostbare voorwerp een waardige
omgeving vindt.

„Want bedenkt eens, mijne vrienden, deze antiquiteit is geen profaan
stuk, maar behoort tot de heilige reliquieën.”

Miss Prince veronderstelde, dat de gastheer haar voor den gek wilde
houden.

De inspecteur van politie echter dacht er anders over.

Hij herinnerde zich nog vaag uit zijn schooljaren, dat er in den Bijbel
van een Jacobsladder werd gesproken en hij meende werkelijk, dat het
hier ging om de sport van een dergelijke antieke ladder van hooge
waarde.

Toen het souper eindelijk was afgeloopen, stonden de gasten op en
terwijl een beroemd pianist eenige klassieke nummers ten gehoore gaf,
begaven de gasten zich, voorafgegaan door den biscuitfabrikant, naar de
met donkerblauw fluweel en gouden sterren versierde kamer.

Behalve Miss Prince, Lord Warrington en Zwarte Betsy, stonden de
idioten in eerbiedige bewondering voor het gouden kistje en staarden
naar het stuk hout, dat niets anders was dan een laddersport uit den
tuin van Raffles.

„Dit hier, mijn hooggeachte vrienden”, zoo begon de gastheer op fieren
toon, „dit is de heilige sport”.

„Moet dat een grap verbeelden?” fluisterde de vrouwelijke detective
Zwarte Betsy in het oor.

„Welneen”, antwoordde deze op denzelfden toon, „mijn beminde heeft voor
deze laddersport, die volgens mijn meening ook niets meer dan een
gewoon stuk hout is, Lord Warrington een zeer kostbaar schilderij in
ruil gegeven, een echten Murillo, die een museumwaarde heeft van 25,000
tot 30,000 pond sterling”.

„Maar dat is niet te gelooven”, antwoordde Miss Prince, maar
tegelijkertijd bekeek zij, om geen argwaan te wekken, evenals de andere
gasten het stuk hout door haar lorgnet.

Nadat het gezelschap eenigen tijd in het vertrek was gebleven, leidde
Mr. Simson zijn gasten ook door de andere kamers om hun de andere
kostbaarheden zijner verzameling te toonen.

Toen hij den sigarettenkoker van keizer Nero te voorschijn haalde en
deze van hand tot hand ging om met de gewone uitroepen van verbazing
bewonderd te worden, sprak miss Prince tot Zwarte Betsy:

„Komt deze koker ook van Raffles?”

„Neen, deze sigarettenkoker niet”, antwoordde zij, „die heeft een
andere antiquair, Barring genaamd, mijn beminde aangepraat, maar ik
vermoed, dat die ouwe vos door Raffles hierheen gestuurd werd.
Waarschijnlijk werken zij samen.”

„Luister eens,” sprak Miss Prince, „neem mij niet kwalijk, maar uw
beminde is een volslagen idioot”.

„Zooals waarschijnlijk elke verzamelaar”, antwoordde Zwarte Betsy
lachend, „die menschen zijn zoo dwaas, dat zij soms alle nonsens
gelooven”.

Lord Warrington was intusschen, zonder dat iemand het had gemerkt, naar
het venster gegaan en had een vluchtigen blik naar buiten geworpen.

Duidelijk zag hij tusschen de struiken de glinsterende uniformknoopen
der politie-agenten en nu begreep hij ook het verschijnen van den
vermomden inspecteur van politie en de vrouwelijke detective.

Het was om hem te doen en het huis was door politiebeambten omsingeld,
opdat hij niet zou kunnen ontsnappen.

Met het onverschilligste gezicht van de wereld, zijn voornaam
glimlachje om den mond, trad hij nu naar den biscuitfabrikant toe en
sprak tot dezen:

„Ik zal zoo vrij zijn u vanavond nog een kostbaarheid te laten zien,
welke ik bezit. Een snuifdoos van Napoleon I, den grooten Corsicaan,
zooals hij door de wereld wordt genoemd.

„Deze snuifdoos heeft onze beroemde Engelsche generaal Wellington hem
eigenhandig afgenomen.”

„Wel,” antwoordde de biscuitfabrikant, „er zijn meer dergelijke
doozen.”

„Dat wel,” antwoordde de Lord, „maar in deze, die ik bezit, bevindt
zich een uitstekend soort tabak, die Napoleon gebruikte en die een
voortreffelijken invloed moet uitoefenen op het denkvermogen van den
mensch.

„Napoleon had de gewoonte, vóór elken veldslag een snuifje van deze
geheimzinnige, wonderdadige denktabak te nemen en behaalde daardoor
bijna al zijn overwinningen.”

„Drommels,” riep de biscuitfabrikant, „daar ben ik werkelijk
nieuwsgierig naar. Kan men die tabak niet eens zelf probeeren?”

„Natuurlijk,” antwoordde Raffles. „Gij zult onmiddellijk na het gebruik
een buitengewone vrijheid van denken, een bijna bovenmenschelijk
vernuft bespeuren en ik ben zoo vrij om u en de geachte gasten van de
waarheid mijner woorden te overtuigen, u een snuifje ervan aan te
bieden.”

„Wij hebben nog nooit een snuifje genomen,” antwoordden de dames.

„O, dat hindert niet,” sprak de Lord op beminnenlijken toon, „ik zal u
precies wijzen hoe men dat doet.

„Kijk eens hier, dames, ik zal een klein beetje op uw hand schudden en
gij moet dan de tabak door den neus opsnuiven, alsof gij ademhaalt. Dat
is verbazend eenvoudig.”

Lachend begonnen de dames te snuiven.

Toen Miss Prince aan de beurt kwam, weigerde zij op energieken toon, er
ook van te nemen. Maar de andere dames, die reeds een zacht geprikkel
in den neus voelden, drongen lachend om haar heen en of zij wilde of
niet, zij moest eveneens meesnuiven.

„Haal flink op,” sprak Lord Warrington, „geneer u niet.”

En toen hij zag, dat Miss Prince de tabak niet voldoende had
opgesnoven, gaf hij haar een tweede portie en sprak:

„Neen, neen, gij moet ook de weldadige uitwerking van deze tabak
ondervinden. Neem er nog eens van. Denk eens, welk een eer het is, te
mogen snuiven van de tabak van den grooten Napoleon.”

„Ik ben niets op die eer gesteld,” antwoordde Miss Prince op scherpen
toon, „ik maak niet graag van mijn neus een schoorsteen, ik ben een
vijandin van tabak in elken vorm.”

„Wel,” lachte Raffles, „misschien zult gij er nu een aanhangster van
worden.”

Nu wendde hij zich tot de heeren, die er reeds vol ongeduld op
wachtten, de snuiftabak van Napoleon den Groote te probeeren en te
ondervinden, welke buitengewone uitwerking deze op de hersens had.

„Zoo,” sprak de elegante gentleman, toen allen ervan hadden genomen,
„nu moet gij allen plaats nemen en de uitwerking der tabak afwachten.
Het zal verscheiden minuten duren, voordat gij de gevolgen ervan
ondervindt.”

Hij haalde zijn met juweelen afgezet horloge te voorschijn en terwijl
de aanwezigen zwijgend en in gespannen verwachting naar hem keken,
begon hij zacht de seconden te tellen.

„Ik vind,” sprak Mr. Simson, „dat de snuif van Keizer Napoleon
verbazend zwak is, ik voel nauwelijks eenige prikkeling in den neus.”

„Stel u gerust,” antwoordde Raffles, „het zal wel meer gaan werken.
Maar het is een geheel andere soort snuiftabak dan die gij gewend
zijt.”

Verscheiden dames begonnen plotseling te geeuwen en vermoeid de oogen
te sluiten en Zwarte Betsy sprak:

„Ik voel mij doodmoe, ik geloof, dat het hier veel te warm is.”

Ook de vrouwelijke detective had hetzelfde gevoel. Raffles had haar een
bijzonder sterke dosis gegeven en zij voelde haar ledematen zoo zwaar
worden als lood.

De heeren begonnen luide te gapen en zich behaaglijk in de fauteuils
uit te strekken.

En nu—het was zeer eigenaardig—maakte zich een niet te bedwingen
slaperigheid van alle gasten meester. Het was hun, alsof de electrische
lichten in het vertrek steeds verder terugweken en machteloos moesten
zij de oogen sluiten.

De eene na den andere geraakte in een diepe verdooving.

Alleen Raffles stond met zijn kalmen glimlach midden in den kring, en
toen de laatste der gasten de oogen had gesloten, stak hij zijn horloge
weer bij zich en sprak tot zichzelf:

„De snuif, die ik als verdoovingsmiddel had klaar gemaakt, heeft haar
uitwerking gedaan. Binnen een kwartier wordt geen der gasten weer
wakker.”

Met de grootste gemoedsrust nam hij den slapenden gasten hun horloges,
juweelen, diamanten en portefeuilles af en stopte al zijn zakken er mee
vol.

Daarop ging hij naar de donkerblauwe kamer, haalde het stuk hout en
legde het in de handen der slapende Miss Prince. (Zie het titelblad.)

Daarna begaf hij zich naar de schrijftafel van den biscuitfabrikant en
schreef een briefje van den volgenden inhoud:


    „Geachte Miss Prince

    Ik beloofde u, door mijn Napoleonssnuif het denkvermogen der hier
    verzamelde idioten op te frisschen. Als gij een goed werk wilt
    doen, neem dan den Jacobsknuppel, dien ik u in de hand heb gegeven
    en die afkomstig is van een ladder uit mijn tuin en bewerk daarmee
    zoo krachtig de huid der aanwezigen, dat zij eindelijk zwart en wit
    van elkaar leeren onderscheiden.

    Maar ik ben bang, dat zelfs deze Jacobsknuppel dat wonder niet zal
    kunnen teweeg brengen!”


Daarna nam hij een tweede vel papier en schreef daarop:


    Geachte, heer Inspecteur van Politie.

    Tegenover u zit onder den naam van Lady Melvil de door u lang
    gezochte Zwarte Betsy. Ik wensch u geluk, met dit geniaal
    detective-stukje en met den prachtigen Sherlock Holmes-tocht,
    dien gij hebt ondernomen om de avonturierster eindelijk
    onschadelijk te maken.

        Als steeds gegroet door
            JOHN C. RAFFLES.


Deze papieren hechtte hij zoowel den inspecteur van politie Baxter als
miss Prince op de borst, nam toen den inspecteur van politie zijn baard
af en sierde zichzelf ermee.

Met wat pasta en schmink maakte hij zijn gezicht gelijkend op dat van
den inspecteur en verliet het gezelschap.

Toen hij voor het huis op den wachtenden vloo toetrad, zei hij
hetzelfde, wat hij boven reeds aan de bedienden in de villa had
meegedeeld, dat zij over tien minuten de gasten moesten opzoeken; tot
zoolang wenschten deze niet gestoord te worden.

„En waar wilt ge naar toe?” vroeg de vloo met een verdacht lachje. „Gij
wilt u zeker in veiligheid brengen, nietwaar?”

„Ik kom dadelijk terug”, antwoordde Raffles, „houd goed de wacht”.

„Dat zal ik doen”, hernam de vloo, „hoewel ik geloof, dat het nu niet
meer noodig is”.

Hij had in weerwil van de verkleeding John Raffles herkend, doch uit
vreugde over diens grappen, en als onfeilbaar middel, om zijn chef het
leven te vergallen, liet hij Raffles door een kring van politieagenten
heen en was nieuwsgierig, hoe zich het verdere verloop zou afwikkelen.

De geniale Lord echter was naar het naastbijzijnde telefoonkantoor
gesneld, en had daar verscheidene groote bladen opgescheld, om hun mee
te deelen, dat ten huize van den biscuitfabrikant Simson zich de Groote
Onbekende ophield, en de inspecteur van politie Baxter hem aanstonds
zou gevangen nemen.

In minder dan geen tijd kwam een half dozijn automobielen van de
nachtredacties naar de villa van Simson, doch de reporters deden
vergeefsche moeite om door den vloo in het huis te worden toegelaten.

De vloo had het horloge in de hand en zei:

„Nog drie minuten, eerder mag ik met mijn manschappen het huis niet
betreden”.

Toen de drie minuten voorbij waren, gaf de vloo een teeken aan de
politieagenten en liep met hen in versnelden pas naar het gebouw.

Tegelijkertijd klonk van boven de signaalfluit van den inspecteur van
politie en dringend geroep om hulp.

Een raam werd opengetrokken en de schelle stem van Zwarte Betsy riep in
het nachtelijk donker:

„Pak Raffles, laat hem niet door, menschen!”

„Het mocht wat”, lachte de vloo, „die schijnt jullie daar boven te
hebben gehouden en nog wel ten spot van iedereen”.

Toen de journalisten met de agenten de werkkamer van den
biscuitfabrikant binnenstormden, vertoonde zich een vermakelijk
schouwspel.

Met slaapdronken gezichten staarden de gasten naar de binnentredenden
en de vloo, die dadelijk den toestand overzag, bleef met een der
verslaggevers bij Miss Prince, die nog steeds sliep, staan en las den
inhoud van het briefje, dat op haar borst was gespeld.

Toen zij den inhoud daarvan hadden vernomen, barstten de reporters uit
in een uitbundig lachen.

Daarop wendden zij zich tot inspecteur Baxter, lazen diens briefje en
lachten weer.

Met een domme gelaatsuitdrukking stamelde de biscuitfabrikant:

„Ik... ik weet niet, wat gij hier komt doen, heeren!”

Daarop keek hij het vertrek rond en riep:

„Waar is Lord Warrington?”

Alle anderen keken ook om zich heen.

Maar van Lord Warrington was geen spoor te ontdekken.

„Dien zult gij wel tevergeefs zoeken”, sprak de vloo, „want Lord
Warrington, die u in dezen eigenaardigen toestand heeft gebracht, is
niemand anders geweest dan Raffles en ik geloof niet, dat gij hem ooit
zult weerzien.”

Nauwelijks was de naam van den Grooten Onbekende genoemd, of een groote
vrees maakte zich van de gasten meester en als door een panischen
schrik aangegrepen, wilden allen vluchten.

Als bezetenen liepen zij door elkaar en riepen om de bedienden, om hun
mantels en hoeden.

Eerst nu bemerkten eenige van hen, dat hun briljanten en portefeuilles
weg waren.

„Wij zijn bestolen!” schreeuwden zij woest door elkaar.

„Mijn sigarettenkoker, de sigarettenkoker van keizer Nero is weg!”
kermde de gastheer.

Dadelijk snelden de vertegenwoordigers der pers naar hem toe en lieten
zich door hem vertellen, welke bijzonderheden er aan den
sigarettenkoker van keizer Nero verbonden waren.

Het kostte hun moeite, om bij het verhaal van den biscuitfabrikant
ernstig te blijven.

Nog had hij zijn verhaal niet geëindigd, of hij sprong met een luiden
kreet op, want hij ontdekte zijn kostbare antiquiteit, de sport van de
Jacobsladder, in de handen van Miss Prince.

„Om ’s Hemels wil!” schreeuwde hij, „hoe komt de sport van de
Jacobsladder in de handen van die dame?”

Als krankzinnig snelde hij naar Miss Prince en ontrukte haar zijn
schat.

Met verbaasde gezichten keken de verslaggevers naar zijn handelwijze en
nauwelijks had hij het stuk hout gegrepen, of zij verzochten hem nadere
opheldering omtrent de laddersport.

Nog had hij niet uitgesproken, of zoowel de vertegenwoordigers der
kranten als de politiebeambten begonnen uitbundig te lachen.

De tranen liepen hun over de wangen en zij huilden letterlijk van pret.

De biscuitfabrikant wist niet, wat hij van dit alles moest denken.

Te midden van het gelach klonk plotseling de luide stem van den
inspecteur van politie.

„Waar is Raffles? Waar is Raffles?”

„Ja, mijn waarde”, zei een der verslaggevers, hem op den schouder
kloppende, „dat zouden wij ook graag willen weten.”

Nu ontwaakte ook Miss Prince, de vrouwelijke detective.

„Waar is de schurk?” riep zij uit, „hij heeft mij verdoofd!”

Met zoekende blikken keek zij om zich heen en toen zij niets dan domme
of lachende gezichten om zich heen zag, bleef zij verlegen staan en
wist niet, wat dit alles te beteekenen had.

Een der verslaggevers sprak tot haar:

„Lees het briefje eens, dat de geniale Raffles u op de borst heeft
gehecht!”

Het scherpe gelaat van Miss Prince werd steeds langer, toen zij de
woorden las, die Raffles op het stukje papier had geschreven.

Nu had ook Baxter zijn brief opgemerkt.

En om niet geheel onverrichterzake van het tooneel zijner blamage te
verdwijnen, greep hij Zwarte Betsy beet en riep:

„In naam der wet neem ik u gevangen!”

„Laat mij los!” schreeuwde deze. „Gij hebt het recht niet om mij
gevangen te nemen. Mij is vrijheid van straf beloofd!”

„Zijt gij gek?” riep nu de biscuitfabrikant, „hoe durft gij mijn
geliefde aan te raken? Dat is een lady!”

„Een mooie lady!” vloekte Baxter. „Een gewetenlooze avonturierster is
zij en ik koester het vermoeden, dat zij heden met Raffles gemeene zaak
heeft gemaakt om mij op deze wijze te blameeren.”

„Zeg eens,” vroeg een der reporters, „op welke manier zijt gij
verdoofd?”

„Wij namen een snuifje van Napoleon den Groote!” antwoordde de
biscuitfabrikant.

„Kinderen!” riep de verslaggever zijn collega’s toe, „nu komt er weer
wat nieuws. Die kranige Raffles heeft hier een heele massa geestige
verrassingen achtergelaten.”

„Neem mij niet kwalijk,” sprak Mr. Simson op beleedigden toon, „wilt
gij soms beweren, dat het geen snuiftabak van den grooten Napoleon is
geweest?”

„Neen, mijn waarde,” antwoordde de journalist, „ik spreek u niets
tegen, want— —” en hij fluisterde zijn collega’s toe: „die man is
krankzinnig en het is gevaarlijk om gekken tegen te spreken!”

De verslaggevers namen nu afscheid en keerden terug naar hun redacties,
om het laatste nieuwtje van den Grooten Onbekende nog in den nacht voor
de ochtendbladen gereed te maken.

Den volgenden morgen lachte heel Londen om de snuiftabak van den
grooten Napoleon, de sport der Jacobsladder en den sigarettenkoker van
keizer Nero.

Geheel Londen lachte—en Raffles, de geniale Lord en Groote Onbekende,
was weer de held van den dag.










DE BAJADERE.


Giovanni Ravigno behoorde tot de meest bekende verschijningen van den
kunstkring te Rome.

Nog maar een paar jaar geleden is het museum te Rome met een groot
schilderij van hem verrijkt.

Inderdaad behoorde de jonge schilder, die nauwelijks dertig jaar oud
was, tot de meest op den voorgrond tredende kunstenaars van Italië en
deed zeer veel van zich verwachten.

Op zekeren dag bezocht ik hem in zijn villa. Ravigno’s mooi atelier lag
buiten tusschen bloeiende oranjeboomen.

Daar de bediende van den schilder toevallig niet aanwezig was, deed hij
mij zelf de deur open.

„Och, ben jij het!” zei hij, nadat hij mij even had opgenomen.

„Ik dacht, dat je nog altijd in Amerika zat. In hoelang hebben we
elkaar niet gezien!”

„In geen vijf jaar!” antwoordde ik, eenigszins verbaasd over de koele
ontvangst, die mij bereid werd.

Ik kon zien, dat Giovanni juist aan een portret had geschilderd. Hij
had het evenwel met een doek bedekt.

„Zou je me niet in je laatste werken willen inwijden?” vroeg ik, nadat
we een tijdlang over ditjes en datjes hadden gepraat.

„Je weet, dat ik altijd oprecht belang stel in je kunst, ik zou graag
een paar woorden voor mijn blad over je willen schrijven!”

Hij aarzelde.

„Het is iets geheel nieuws,” hernam hij eindelijk. „Iets fabelachtigs
wat ik daar maak! Ik weet nog niet hoe men het zal opnemen!”

„Een groote compositie?”

„O, neen! Slechts een bajadere!”

„Een bajadere? Hoe kom je op dat thema? Dus een soort studie of
portret?”

Hij schudde het hoofd.

„Hoe kun je zoo praten!

„Kan een bajadere ook geen groote compositie zijn? Doch wat praat ik
ook. Je kent haar immers niet! Wat weet jij van Iluma! De wereld kan
zoo’n wezen geen tweemaal hebben voortgebracht!

„Zij is het heerlijkste, schoonste, wat ik ooit gezien heb! Een vrouw,
zóó vurig en hartstochtelijk, dat het bijna onmogelijk is haar gestalte
met het oog vast te houden.

„En toch heb ik het beproefd, en wanneer het mij gelukt, Iluma’s dans
te schilderen, zooals ik hem zie, heb ik in ieder geval het
fabelachtigste gewrocht, wat de „salon” te Rome ooit heeft ten toon
gesteld.”

Ik was na deze inleiding natuurlijk in groote spanning om Iluma’s
portret te zien.

Giovanni stemde toe en sloeg het doek weg.

Inderdaad, het was moeilijk, het beeld van Iluma te beschrijven.
Giovanni had een wolk van gloed en hartstocht geschilderd, een dans,
saamgesteld uit gratie, onstuimigen hartstocht en zonde, een dans, die
zich niet liet beschrijven, doch dien men zelf moest zien.

„Vanwaar ken jij Iluma?” vroeg ik na eenigen tijd.

„Ze is de vrouw van den Engelschen gezant X,” antwoordde Giovanni. „Hij
heeft haar bij een verblijf in Indië leeren kennen en getrouwd.

„Die Engelsche gek dacht, dat Iluma, die voorheen bajadere was, wel zou
aarden in de Westeuropeesche landen; hij weet niet met haar om te gaan,
ja, hij was zelfs zoo dwaas om toe te staan, dat zij zich bij mij als
bajadere liet schilderen.

„Ik heb hem een eenvoudige schets gezonden, waarop zich van Iluma niets
anders bevindt dan de smalle gloeiende lippen. Hij was daarmee
tevreden,—doch sedert komt Iluma bijna iederen nacht om te dansen—en nu
schilder ik haar, zooals ik haar zie, zooals ze inderdaad is,—doch
misschien begrijp je mij niet?”

Of ik hem begreep! Ik begreep, dat deze vroeger zoo koele jonge man
zich met Iluma overgaf aan een dolheid, die de voorbode was van een
catastrophe.

Toen wij elkaar het laatst in New-York hadden ontmoet, had hij mij een
mooi jong meisje als zijn bruid voorgesteld.

Op de kast stond haar portret en onwillekeurig nam ik het op om er naar
te kijken.

Bijna brutaal rukte Giovanni het uit mijn hand en slingerde het in een
hoek.

„Laat dat!”

De wijze, waarop hij met het portret der jonge dame omging, ergerde
mij.

„Wat beduidt dat?” vroeg ik op scherpen toon. „Wat heeft zij je
misdaan, dat je haar voor de oogen van een vreemdeling beleedigt?”

Hij maakte een beweging van walging.

„Niets heeft zij mij misdaan! Zij houdt nog altijd van mij! Doch ik
haat haar, verafschuw haar, sedert ik Iluma liefheb!”

De atmosfeer in het atelier benauwde mij en maakte mij ongerust. Ik
raapte het portret van het mooie, blonde jonge meisje op, zette het
weer op zijn plaats en nam afscheid van Giovanni, die zoozeer in blijde
afwachting stond, ongetwijfeld van Iluma’s komst, dat hij mij
nauwelijks de hand reikte ten afscheid.—

Giovanni Ravigno liep onrustig in zijn atelier heen en weer, nadat ik
hem had verlaten. Hij leefde in een zenuwkoorts, in een voortdurenden
roes, sedert hij Iluma kende.

Hij telde de minuten, de oogenblikken, die hem nog van haar scheidden.

Wanneer zij ’s morgens van hem wegging, in een dichten sluier gehuld,
om door een achterdeur in het paleis van haar man terug te keeren,
stond hij met bleeke lippen aan het raam, kon niet in slaap komen en
liep den heelen dag als een waanzinnige rond, totdat eindelijk de avond
aanbrak.

Eerst dan vond hij rust en kracht tot werken, totdat het uur naderde,
waarop zij moest komen. Dan begon hij te sidderen en te beven tot zij
eindelijk kwam en danste.

Niet op Iluma was hij verliefd, doch op haar dans, op den dans der
bajadere, die voor den Europeaan niet te beschrijven is.

Op dien avond werd er vroeger gebeld dan anders. Hij snelde naar
buiten, rukte de deur wijd open, doch schrok terug en vloog naar het
andere eind van het atelier.

„Maria!” riep hij uit, „jij waagt het, hier te komen?”

Het was een mooie, blonde jonge dame, dezelfde van het portret, dat
Giovanni in mijn tegenwoordigheid in een hoek had geworpen.

„Waarom zou ik het niet wagen, Giovanni?” sprak zij met haar zachte,
buigzame stem. „Waarvoor zou ik bang zijn? Heb je het recht, mij te
verachten?”

„Neen, neen!” riep hij uit, „ik veracht je niet, maar ik bemin je niet
meer. Ik haat je. Weg! Ga weg!”

Maria Bonmartini was de dochter van een deftige Italiaansche familie.
Zij had glanzend blond haar en donkere oogen, hetgeen haar een
bijzondere, droefgeestige bekoring verleende. Haar huid was blank als
albast en het prachtige kleed deed haar vormen wondermooi uitkomen.

Zij was zoo schoon, dat het bijna onbegrijpelijk leek, dat een man aan
wien zij haar hart had geschonken, zoo tot haar kon spreken. Zij was
blijkbaar gekomen om het tusschen haar en Giovanni, die haar sedert
weken ontweek en beleedigde, tot klaarheid te brengen.

De wijze, waarop hij haar nu behandelde, bracht de zachtmoedige Maria
buiten zichzelf van woede.

Op verontwaardigden toon antwoordde zij:

„Hoe kom je er toe, Giovanni, zoo tegen mij op te treden? Heb je mij
niet met een eed je liefde bezworen? Herinner je de uren en dagen, dat
je aan mijn voeten hebt gezeten en mij hebt aangebeden! Vanwaar die
plotselinge ommekeer? En hoe kun je denken, dat ik je beleedigingen
kalm zal aanhooren? Ik laat mij dat niet welgevallen. Heel Rome weet,
dat ik je vrouw zal worden,—waag je het werkelijk, mij prijs te geven
aan de spot van alle mannen, die ik om jouwentwille heb afgewezen?”

Giovanni zat zwijgend in den hoek.

„Je prikkelt me met je klachten!” antwoordde hij ongeduldig. „Ga heen!”

Doch Maria ging niet en Giovanni, die ieder oogenblik vreesde, dat
Iluma zou binnentreden, werd razend van woede.

Toen het hem niet gelukte, Maria te verwijderen, sprong hij plotseling
op haar toe en trachtte haar met geweld naar buiten te dringen.

Maria Bonmartini echter was een Italiaansche; zij had warm bloed in
haar aderen.

Zij trok een dolk.

Giovanni evenwel, sneller, behendiger en krachtiger dan zij ontwrong
haar het wapen en stiet het haar in het hart.

Maria stortte neer. Zij ademde nog even, toen was zij een lijk.

Giovanni keek op zijn horloge. Door ontzetting aangegrepen vloog hij
van den eenen hoek van het atelier naar den anderen.

Daar lag de doode en over vijf minuten, misschien al eerder, zou Iluma
komen.

Te vergeefs pijnigde hij zijn hersens met de vraag wat hij moest
beginnen.

Bevangen door den roes, die hem had aangegrepen, vonden het berouw en
de wroeging ternauwernood een plaats in zijn hart. Slechts dit ééne
hield hem bezig: waarheen zou hij Maria’s lijk brengen, opdat de moord
niet uitkwam?

Hij besloot, de ongelukkige voorloopig naar een kamertje te sleepen,
dat gewoonlijk diende tot bewaring van tinnen en verf.

Daar sloot hij het lijk op, reinigde den vloer van bloedsporen, wiesch
zichzelf en was juist met dit alles klaar, toen Iluma binnentrad.

Zij droeg onder den wijden mantel en den kostbaren witten sluier, die
haar geheel bedekten, het doorzichtige kleed der bajadere. Zij danste
en Giovanni werkte.

Terwijl haar lichaam zich met draaiende bewegingen door het atelier
bewoog, dat door rood licht werd beschenen, stond Giovanni voor zijn
ezel en schilderde.

Zoo ging het elken nacht, totdat het begon te dagen.

Iluma stiet plotseling een luiden kreet uit en wierp zich op den grond.
Zij hield een langen, zwarten vrouwenhandschoen in haar handen en
snelde naar Giovanni toe, die verbleekend terugweek.

„Ellendeling! Verrader! Wie was er bij je? Je bemint een vrouw behalve
mij? Kom, zeg op, aan wie deze handschoen toebehoort!”

Giovanni begon te liegen, vond allerlei uitvluchten en schijnbaar
gelukte het hem, Iluma gerust te stellen.

Doch inwendig werkte de jaloezie en zij was vast besloten, achter het
geheim te komen en zich op vreeselijke wijze op Giovanni te wreken.

Nadat zij hem had verlaten zon Giovanni na over een middel om het lijk
van Maria ongemerkt te verwijderen.

Intusschen werd Maria door haar ouders gezocht, die de politie te Rome
hadden gealarmeerd. Doch haar lijk werd niet gevonden.

Vele weken verliepen, totdat de dag aanbrak der tentoonstelling in de
Salon te Rome. Giovanni zond twee kunstwerken in, waar van het eene een
portret, getiteld: de bajadere.

Geheel Rome was onder den indruk van dit kunstwerk en de jury wees
Giovanni eenstemmig de gouden medaille toe.

Ook voor zijn tweede inzending, een beeldhouwwerk, kreeg hij een prijs.
In de gelaatstrekken van de vrouwenfiguur, die het voorstelde, meende
menigeen Maria Bonmartini te herkennen.

Op zekeren dag gebeurde er iets vreeselijks.

Iluma had Giovanni niet meer bezocht en hij verging van verlangen naar
haar.

Eindelijk gelukte het hem, haar toestemming te krijgen tot een
samenkomst in het Salon. Zij verscheen zwaar gesluierd en verlangde met
heftige woorden opheldering over het ontstaan van die vrouwenfiguur,
waarin zij van af den eersten dag de overeenkomst had gezien met het
portret, dat reeds lang al haar jaloezie had opgewekt.

Iluma werd steeds opgewondener en voordat Giovanni het kon verhinderen,
haalde zij een kleinen zilveren hamer uit haar ceintuur te voorschijn,
wierp zich op het beeld en sloeg het in stukken.

Wat er toen gebeurde was niet te beschrijven.

Tusschen de overblijfselen van het beeldhouwwerk lag het met bloed
bedekte lijk van Maria Bonmartini.

De bezoekers van den Salon vluchtten als door een paniek aangegrepen
door alle deuren weg.

Iluma evenwel keerde zich met den blik van een krankzinnige naar
Giovanni.

Wellicht had zij tusschen haar sluier reeds den dolk verborgen
gehouden, waarmee zij Giovanni doodstak.

Toen eindelijk de politie zich door de verschrikte menschenmenigte een
weg kon banen, vond zij Iluma als een krankzinnige tusschen de beide
lijken.

Zij lachte, toen zij gevangen werd genomen en bracht den tijd in de
gevangenis door met hartstochtelijke dansen.











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0055: HET ONSCHATBARE KLEINOOD ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.