Lord Lister No. 0056: De motorboot „Dolfijn"

By Kurt Matull and Theo von Blankensee

The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0056: De motorboot „Dolfijn"
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0056: De motorboot „Dolfijn"

Author: Kurt Matull
        Theo von Blankensee


        
Release date: October 17, 2026 [eBook #79814]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79814

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0056: DE MOTORBOOT „DOLFIJN" ***




                              LORD LISTER
                            GENAAMD RAFFLES
                          DE GROOTE ONBEKENDE.

                    NO. 56   DE MOTORBOOT „DOLFIJN”.








DE MOTORBOOT „DOLFIJN”


EERSTE HOOFDSTUK.

GEHEIMZINNIGE VOORBEREIDINGEN.


In hun, op naam van den Amerikaanschen nabob, Mr. Iwaw, gehuurde
buitenplaats in het Westend te Londen, zaten Lord Lister en zijn jonge
vriend en secretaris Charly Brand aan de morgenkoffie.

Lister, die achter de uitgespreide reuzenbladen der „Times” zijn
sigaret rookte, verbrak het stilzwijgen en sprak tot zijn vriend:

„Hoor eens, Charly, wat ik hier in de „Times” lees! Hoe denkt ge
daarover? Dat schijnt mij een belangwekkend geval te zijn!”

„Hm,” kuchte Charly en spitste opmerkzaam de ooren.


                        „Portsmouth, 28 Augustus 1909. (Bijzonder 
                              telegram van onzen X-correspondent.)

    „De tijding omtrent het vergaan van de vrachtboot „Matchless” van
    de reedersfirma Spotson en Zoon te Londen, die, met zijden stoffen
    geladen, een waarde van 50,000 pond sterling vertegenwoordigde en
    op weg van Marseille naar Sheerness, door het noodweer van den 26en
    op de klippen van Cardiff strandde en met man en lading verging,
    wordt helaas bevestigd.

    „Kapitein en stuurman konden zich alleen in een kleine boot redden,
    werden door de Hollandsche stoomboot „Annetje van Steen” opgenomen
    en kwamen zoo juist te Portsmouth binnen. Het verlies der firma
    moet zeer aanzienlijk zijn, daar slechts een gedeelte der kostbare
    lading verzekerd was.”


„Een scheepsongeluk, dat voor ons van geen belang is!” bromde Charly
teleurgesteld.

„Maar Charly! Komt het je niet wonderlijk voor, dat het schip met man
en muis en de kostbare lading vergaan is en dat alleen de kapitein en
stuurman zich hebben gered?

„Juist deze twee zijn immers verplicht, tot het laatste toe op het
zinkende schip te blijven, om bij de paniek zooveel mogelijk de orde te
bewaren. Juist zij behouden bij een schipbreuk zelden het leven.
Wanneer echter een schip op de klippen strandt, zooals hier het geval
is, dan volgt het vergaan zoo spoedig, dat juist voor deze eerste
officieren redding onmogelijk is, wanneer— — —”

Charly luisterde aandachtig naar Lister.

„Wanneer— —spreek!— —Wat bedoelt ge?”

„Welnu, wanneer zij het vergaan niet vooruit wisten, alles in het
geheim hadden voorbereid en zich nog bijtijds konden redden!”

„Drommels, Edward! Ge kondt wel eens gelijk hebben! Dat zou dan een
vreeselijke misdaad zijn—!”

„Een reusachtige moord!” viel Lister hem in de rede. „Dat is ook mijn
meening. Buitendien komt het mij verdacht voor, dat de heeren reeders
het zoo dadelijk aan de groote klok hangen, dat zij niet genoeg zouden
verzekerd zijn.”

„Het oogmerk om iedere verdenking, als zou het met het stranden van den
„Matchless” geen zuiver spel zijn, den kop in te drukken, ligt zoo voor
de hand, dat juist deze bijzondere voorzorg er aanleiding toe geeft om
argwaan te koesteren!”

„Zoo’n gemeene gauwdievenbende!” riep Charly verontwaardigd uit. „Doch
wie kan dat bewijzen, nu scheepsvolk en passagiers op den bodem der zee
rusten?”

„Ik, of wanneer ge het verkiest, wij, mijn waarde Charly”, sprak Lord
Lister ernstig en op energischen toon, terwijl hij het bericht uit de
„Times” knipte en zorgvuldig in zijn zakboek legde. „Ik denk namelijk,
dat wij ons dit geval ter harte zullen nemen en zien wat er aan te doen
is! Doet ge mee?”

„Nu of ik! Met hart en ziel! Doch het is bijna niet te gelooven, dat er
zulke schurken in ons geliefd Engeland bestaan, wien honderd
menschenlevens nog geen penny waard zijn.”

„Ge hebt gelijk, Charly! Het zijn gelukkig uitzonderingen. Zulke
schurken echter onschadelijk te maken, dat is juist mijn levensdoel!”

„En ook het mijne, beste Edward!” riep Charly vol geestdrift uit.

„Nu, ben je nu weer beter geluimd, ouwe jongen?” vroeg Lister op
spottenden toon, „je hebt mij in den laatsten tijd onvriendelijk
behandeld, mijn waarde!”

„Heb ik?—Inderdaad?—Ach, Edward, wees niet boos op mij, doch ik kan je
onuitstaanbare geheimzinnigheid niet verdragen! Neem het mij niet
kwalijk, doch dat gaat boven mijn krachten! Wanneer ik moest denken,
dat ik je vertrouwen heb verloren, dat ge mij niet meer, zooals
vroeger, je plannen wildet vertellen....”

Lister was intusschen opgestaan en had een nieuwe sigaret aangestoken.
Daarna ging hij naar Charly toe en trok hem aan zijn oor:

„Wat een weerspannige kerel!” sprak hij. „Je moest mij toch, nu wij
reeds zoo langen tijd te zamen zijn, wel zoo goed kennen om te weten,
dat ik niets zonder oogmerk doe. Zooals nu, wanneer mijn geheim geen
ander doel heeft dan jou een prettige verrassing te bezorgen?!—Ik moet
mij over je weinig vertrouwen beklagen, niet jij! Voor straf moet je
nog een paar dagen geduld hebbes, ouwe jongen! Dan zal echter het
geheim onthuld worden, en dan zult ge mij, ik ben ervan overtuigd, om
je verschrikkelijk wantrouwen vergiffenis vragen!”

Charly Brand hief met grappige gebaren zijn gevouwen handen omhoog en
riep:

„Een verrassing en een nieuw avontuur? Hiep, hiep, hoera! Ik ben reeds
weer goed gehumeurd, Lister! Ik neem je niets meer kwalijk!”

„Bijzonder edelmoedig, mijn waarde! Ik zal je dan dezen keer nog maar
vergiffenis schenken! Doch, Charly, beter je!”

„Maar jij ook met je geheimzinnigheden! Wanneer komt er een einde aan?”

„Afwachten en thee drinken! Dat zal spoedig genoeg komen!”

Lister groette zijn vriend en ging naar zijn slaapkamer.

Charly viel schouderophalend in zijn stoel neer, want Lister—was weer
zeer achterhoudend. Doch er was nu geen reden voor Charly om opnieuw
uit zijn humeur te geraken, want eenigen tijd later werd er aan de deur
geklopt, die naar de gang voerde.

Op zijn „Binnen!” werd de deur geopend, en met een linksche buiging
trad een sjofel gekleed man op den drempel, die verlegen een
ouderwetschen cylinder gladstreek, wat deze zeer noodig had, want hij
was ruig als het steil overeind staande vel van een zwarten kater.

Over zijn verkreukten ouderwetschen kraag hingen lange, grijze krullen,
en zijn vermagerd gelaat wekte onmiddellijk zooveel medelijden op, dat
men hem spoedig iets te eten zou geven, om hem nog op het laatste
oogenblik van den hongerdood te redden. De versleten overjas was
blijkbaar afkomstig van een uitdrager en hing hem slap om zijn magere
leden.

Charly sprong op.

„Wat wenscht gij? Hoe komt gij hier, Sir? Dat is een groote
brutaliteit! Men schelt toch eerst aan!”

Doch het medelijden kreeg op Charly’s goed hart de overhand. Hij tastte
in zijn vestzak en gaf den, armen bedelaar—want daarvoor beschouwde hij
den mageren man—een shilling.

„Hier, neem dat, oude heer en sluit de deur!”

De oude bekeek het geldstuk verbluft en bijna ontroerd.

Plotseling begon hij echter zoo hartelijk en op zoo bekende wijze te
lachen, dat Charly op zijn beurt verbaasd opkeek.

„Wat—jij—Edward?— —Ik heb je toch reeds in verschillende vermommingen
gezien! Doch—in mijn leven had ik je in deze kleeding niet herkend!—Dat
is je fijnste masker—totaal onherkenbaar!”

Lister drukte den kalen cylinder op zijn schilderachtige, grijze
krullen.

„Charly, beste jongen! De drommel moge mij halen, wanneer ik die
shilling van jou niet in goud laat zetten, en als breloque aan mijn
horlogeketting hang.—

„Doch, laat ik mij aan je voorstellen: Mr. Grandison, werktuigkundige
en electrotechnisch uitvinder, medelid der Technische Academie van
Arizona, correspondent van verscheidene geleerde maatschappijen, op weg
naar de reedersfirma Spotson en Zoon, om deze zijn hulp aan te bieden
in de betreurenswaardige stranding van de „Matchless”.”

Lister nam beleefd zijn versleten cylinder af, boog met goed gespeelde
deftigheid en verdween.

Charly stak lachend een versche pijp aan en wachtte in een uitstekend
humeur de dingen af, die volgens Lister’s mededeelingen zouden volgen.








TWEEDE HOOFDSTUK.

HET REEDERSKANTOOR VAN DE „MATCHLESS” EN DE SLAG VAN EEN GRIJSAARD.


Op de kantoren der groote reederij van de firma Spotson en Zoon in de
Strandstreet te Londen was men des namiddags nog altijd druk aan den
arbeid.

Het eentonige geluid der klapperende schrijfmachines en van de over het
papier krassende pennen, dat door vier dames en negen klerken werd
veroorzaakt, terwijl de procuratiehouder van tijd tot tijd van zijn
„Times” opkeek, om een gebiedenden blik op zijn ondergeschikten te
werpen, werd plotseling op een aangename wijze gestoord.

In de voordeur verscheen namelijk zulk een vreemde gestalte, dat opeens
alle pennen ophielden met schrijven en de ernstige gelaatstrekken der
gezamenlijke klerken in een lachje overgingen, terwijl de jongste, de
zondebok van den waardigen procuratiehouder, zijn lachbui in een luid
niezen uitte.

„Natuurlijk weer Pickleby! Die heeft toch altijd een reden om te
lachen, voor den duivel!” mompelde de kaalhoofdige kantoorregeerder.
Doch ook zijn gelaatstrekken ondergingen een aanmerkelijke verandering
en men bemerkte op zijn gelaat een stijgende vroolijkheid.

Een magere gestalte in een versleten overjas trad met een vriendelijken
grijnslach op zijn ingevallen gelaat, met drie diepe buigingen nader,
streek zijn kalen cylinder met den elleboog glad en keek,
oogenschijnlijk door de vele menschen in de war gebracht, verlegen om
zich heen.

De procuratiehouder verborg zoo goed mogelijk zijn inwendige
vroolijkheid, stond op en ontving met zijn gewone koelbloedigheid deze
komieke figuur zeer vriendelijk.

Door veeljarige ondervinding had hij deze manier van optreden tegenover
het publiek geleerd.

„Wat is uw verlangen, mijnheer?” vroeg hij.

„Ik heb zeker de eer, met den heer Spotson persoonlijk te spreken!”
informeerde de vreemde verschijning schroomvallig.

„Neen, ik ben de procuratiehouder!” beantwoordde deze minzaam deze voor
hem zoo vleiende vraag.

„Wenscht u den heer chef persoonlijk te spreken? Kan ik misschien uw
wenschen vernemen? De chef heeft het juist nu na het treurige ongeluk
met de „Matchless” zeer volhandig.”

„O, mijnheer! Wanneer u mij zoudt willen aanhooren, zal ik u zeer
dankbaar zijn. U ziet in mij een ongelukkige technicus en uitvinder,
voornamelijk op het gebied van scheepsbouwtechniek. Mijn naam is
Grandison! Verscheidene van mijn uitvindingen, die ik helaas niet
vooruit kan patenteeren, u begrijpt wel—uit gebrek aan het
noodige—werden mij schandelijk ontstolen!

„Nu heb ik echter iets geheel nieuws en juist het betreurenswaardige
ongeluk is de oorzaak, waarop ik tot u kom!

„Ik wilde den heer Spotson een werktuigkundige combinatie voorstellen,
opdat het onmogelijk wordt, dat zulk een ongeluk voor den tweeden keer
gebeurt en waardoor het verlies van reusachtige kapitalen voorkomen
wordt!—Na een proef ben ik er zeker van, dat Mr. Spotson niet in
gebreke zal blijven om zich mijn wereldberoemde uitvinding aan te
schaffen!

„Ik verzoek u mitsdien om uw welwillende voorspraak, ik durf wel
zeggen, in het belang van de firma!”

Lister had zijn rol zoo natuurlijk gespeeld, dat een tooneelspeler hem
zijn talent had kunnen benijden.

De procuratiehouder krabde zich eenigszins bedenkelijk in het haar.

„Ik kan u in de tegenwoordige omstandigheden niet veel hoop geven, Mr.
Grandison. Ik wil echter zien, of u den chef te spreken kunt krijgen!”

„Ik verzoek er u ten zeerste om, en zal u daarvoor bijzonder dankbaar
zijn!”

De procuratiehouder ging naar de telefoon, en nadat hij den wensch van
den bezoeker had medegedeeld, kreeg hij ten antwoord:

„Zend den kerel maar hierheen!”

Lister had den eersten stap in de Matchless-zaak gedaan, toen hij zich
na eenige minuten in het privaatkantoor der reedersfirma bevond, om
zijn argwaan al of niet te zien bevestigd.

Hij zag met een oogopslag in de gemakkelijk ingerichte kamer aan een
ronde tafel twee heeren, die tegenover elkander zaten. Het groote
ongeluk scheen hen niet te verhinderen, van het leven te genieten, want
op de tafel stond een champagnekoeler met een aangebroken en een volle
flesch en de beide heeren rookten, volgens Lister’s reukorgaan,
uitstekende sigaren.

Een van hen had een met goud geborduurde kapiteinspet diep in den nek
geschoven en gebruikte juist, daar de champagne hem zeker te licht was,
een sterke whisky.

De tegenover hem zittende elegant gekleede heer met donker haar en
bakkebaarden had een opvallend bleek gelaat en dunne, bloedlooze
lippen. Zijn oogen waren half gesloten, hetgeen hun een loerende
uitdrukking gaf. Hij stak met zijn rechterhand, waaraan verscheidene
kostbare ringen met brillanten fonkelden, zijn sigaret in zijn mond.

Lister trad in zijn rol als Grandison beschroomd een stap nader, boog
verscheidene keeren en draaide zijn ouderwetschen cylinder rond.

„Drommels, Spotson, kijk toch eens aan! Ik wil vervloekt zijn, wanneer
ik nog ooit zulk een bespottelijk figuur zag!” riep de zeeman, zonder
de minste plichtpleging en sloeg met de vuist op tafel, zoodat de
glazen rammelden. Vervolgens begon hij luidkeels te lachen.

De reeder wierp onder zijn nu wat wijder geopende oogleden een
loerenden blik op den vreemden bezoeker en sprak:

„Mr. Grandison, heb ik goed gehoord? U hebt een uitvinding op het
gebied van den scheepsbouw gedaan, die u voor belangrijk houdt?”

„O, geachte heer Spotson! Dat is zij, dat is zij!—Zij is het sieraad
van mijn scheppingen. Verscheidene uitvindingen heeft men mij
ontvreemd, want het geld voor een patent ontbrak mij!—Op deze echter
vestig ik al mijn hoop. Uw verschrikkelijk ongeluk had kunnen vermeden
worden, wanneer u van mijn uitvinding had gebruik gemaakt!”

„Dat had ons te pas kunnen komen, niet waar, Spotson?” viel de kapitein
hem lachend in de rede.

„Dat zou ik denken!” antwoordde de reeder. „Het zal mij en kapitein
Underwood, die de „Matchless” helaas niet kon redden, bijzonder veel
belang inboezemen, wat meer er van te hooren.”

De zoogenaamde heer Grandison maakte voor den kapitein een diepe
buiging.

„Mijn oprechte deelneming, kapitein! Ik ben namelijk werktuigkundige en
electrotechnisch uitvinder, medelid der Technische Hoogeschool van
Arizona en correspondent van verscheidene technische maatschappijen van
het Continent.

„Juist om een dergelijk ongeluk, zooals uw stoomboot „Matchless”
getroffen heeft, te voorkomen en eenvoudig onmogelijk te maken, ben ik
hier gekomen; ik wensch u mijn nieuwste auto-mechanische antilek
werktuig aan te bieden!”

„Hohohoho!” lachte de kapitein. „Wat voor een ding?—Hohoho! een
antilekste inrichting?—Mensch, ik geloof, dat ge stapelgek zijt!”

De zoogenaamde Grandison richtte zich in zijn volle lengte op.

„Ik verzoek u, deze onbeschaamde beleediging onmiddellijk in te
trekken, heer kapitein! In de geheele wereld wordt de naam van den
uitvinder Grandison met eerbied genoemd! U schijnt te veel gedronken te
hebben!”

Kapitein Underwood kreeg een vuurrood hoofd. Hij sprong snel overeind.

„Wat heeft hij gezegd, Spotson? Onbeschaamd—te veel gedronken?—ik zal
je onmiddellijk een gat in je kalen schedel slaan, jou vindingrijke
vogelverschrikker! Dan kan je je wonderbare antilek-uitvinding eerst
bij je zelf beproeven, oud kameel!”

„Houd je gemak, Underwood, geen twist! Ik moet echter ook zeggen, Mr.
Grandison, dat mij de uitvoering van uw plan, al is die misschien niet
onmogelijk, toch weinig duidelijk voorkomt. Ook verbiedt mij mijn
oogenblikkelijke toestand om groote uitgaven te doen!”

„All right! Punktum! Spaar ons verder met uw onzin en loop naar den
duivel!” riep de kapitein. „Hebt ge dat begrepen, jou hongerlap?”

„Ik ga reeds, heeren! En wanneer gij mij bergen gouds boodt, zou ik
mijn uitvinding en mij zelf niet zoo vernederen, om die aan lieden van
zulk een slechte opvoeding aan te bieden!—Wat echter mijn persoon
betreft, durf ik mij met u nog te meten, want een kapitein, die zijn
schip met man en muis in den steek laat, is zulk een kostbare
uitvinding niet waard!”

„Hel en duivel! Dat zal ik je betaald zetten, vervloekt geraamte!”

Kapitein Underwood gooide zijn stoel achteruit en wierp zich woedend op
den vermeenden uitvinder.

Lister wachtte het juiste oogenblik af en gaf hem toen onverwachts zulk
een slag op zijn hoofd, dat de kapitein van de „Matchless” als een
overwonnen stier bewusteloos over den omvergeworpen stoel heenrolde.

De reeder was stom van verbazing in zijn stoel neergevallen en hield
met zijn hand verschrikt de leuning vast.

„U hebt deze beleediging van den ruwen kapitein geduld, Mr. Spotson! Ik
zie er van af om u mijn antilek te verkoopen!—Goeden dag!”

Lister zette trotsch zijn valen hoed op zijn valsche grijze lokken,
groette nauwelijks bij zijn vertrek en stond het volgende oogenblik in
de gang.

Toen hij daar een andere deur gewaar werd, drukte hij op de klink en
opende haar geruischloos. Zonder zich lang te bedenken, ging hij naar
binnen. Hij bevond zich in een mooie gemeubileerde voorkamer.

Op een tafel lagen brochures, kaarten en reisboeken der reederij.

Lister keek het vertrek eens rond. De groene portière links verborg de
aangrenzende deur van het privaat-kantoor van Mr. Spotson. Hij ging
naar de waschtafel met spiegel en luisterde. Tegelijkertijd nam hij
zijn cylinder af, liet de grijze pruik met krullen in zijn zijzak
verdwijnen, waaruit hij eerst een elegante, te zamen gevouwen chapeau
claque had genomen, en vouwde nu den ouden hoed op. Koelbloedig ontdeed
hij zich met ongelooflijke vlugheid van zijn overjas en pantalon, en
stond nu daar in een onberispelijken, donkeren smoking en keurige
pantalon.

Met een handigheid, die men alleen door menigvuldige oefening krijgt,
was in een oogenblik het kostuum van Grandison omgekeerd, opgerold, zoo
klein mogelijk te zamen gevouwen en in een plaidriem vastgegespt.

Hij ontvouwde nu de chapeau claque en met een zakdoek, waarop hij eerst
eenige druppels eau de cologne deed, die hij uit een fleschje nam, dat
in zijn vestzak was geborgen, verwijderde hij van zijn gelaat ieder
spoor van blanketsel en toen hij in den toiletspiegel keek, was er niet
de minste gelijkenis meer over met de komische gestalte van den ouden
uitvinder Grandison.

Lister begon spottend te lachen, toen hij de monocle in zijn oog drukte
en een zijner dure sigaren aanstak; hij voltooide zijn elegant
uiterlijk door een paar fijne, grijze glacé handschoenen aan te
trekken.

Nadat deze gedaanteverwisseling, die slechts eenige minuten geduurd
had, klaar was, luisterde Lister aandachtig en nam toen met de grootste
kalmte in een stoel, die dicht bij de deur stond, plaats. Hij kon nu in
den spiegel zien, wanneer men hem mocht verrassen.

De pogingen, die Spotson aanwendde om den kapitein weer uit zijn
bewusteloosheid in het leven terug te roepen, schenen intusschen succes
te hebben gehad.

„Hier, drink dit glas champagne, Underwood, dat zal je goed doen!—Ik
heb verdriet van je, kapitein! Laat je je met jou reuzenkracht door
zoo’n zwakken, ouden kerel mishandelen?”

„Zwakke kerel? Vervloekt, wanneer dat een zwakke grijsaard was,
Spotson! Dat voel ik wel beter! Geef mij in plaats van je zoeten
damesdrank liever een goede oude whisky! Die zal mij eerder weer op de
been helpen.—

„Jij bent ook een mooie jongen, Spotson, je hebt geen hand uitgestoken.
Waar is de kerel nu?—Ik begrijp er niets van! Ik denk toch niet dat je
hem na deze handelwijze hebt laten loopen?”

„Ach, beste kapitein, ik had met jou mijn handen vol! Voordat ik met
jou klaar was, was het oude geraamte verdwenen! In het eerste oogenblik
was ik door het gebeurde zoo verschrikt— —”

„Wat—hel en duivel!—En jij hebt hem laten vluchten en blijft hier in je
grootvadersstoel zitten?—Vervloekt! Is dat vriendschap? Het mag een
wonder heeten, dat ik hier nog levend zit!”

„Beste Underwood, wat kon ik anders doen?”

„Hier is geen verontschuldiging voor, Spotson! Waarvoor hebt ge negen
personen en den procuratiehouder in je dienst? Waarom hebt ge geen
alarm gemaakt en hem vastgehouden, totdat je gedienstige geesten ter
hulp kwamen? Schande is het, man!—Ik lag hier bewusteloos! Wat denkt ge
wel, welke straf de kerel had gekregen.—Weg, weg, en we zullen hem
nimmer terugzien! Duivels! Dat veroorzaakt mij nog meer pijn dan mijn
hoofd!—

„Dat is de dank, dat ik je 50,000 pond baar geld bezorgde, dat ik mijn
leven dubbel en dwars voor jou op het spel zette! Weet je wat, Spotson,
voor jou stuur ik nog eens zoo’n oude kast naar de klippen van Cardiff!

„Ik help je nog eenmaal, om de heeren Mopkins en Chawl en hun ezels van
verzekerings-inspecteurs uit de Buxley-street voor gemeen zaklinnen
prima Lyonsche zijde in de maag te drukken! En het had geen haarbreed
gescheeld, of wij waren eveneens tegen de klippen verpletterd en met de
vloekende en jammerende lafaards naar de hel gegaan! Eenmaal en nooit
meer, Spotson!”

De kapitein sloeg met de vuist op tafel, dat de glazen en zelfs de
champagnekoeler dansten en schreeuwde op schorren toon:

„Ik wil niets meer met je te doen hebben, neen, dat wil ik niet! Ik wil
met zoo’n kerel, zoo’n lafaard, zoo’n valschen vriend, zoo’n
boosaardigen, geheimen vijand, die zich verheugt over het ongeluk van
zijn vriend, die hem 50,000 pond aanbracht, en dien hij daarvoor met
5000 pond afscheept, niets meer te doen hebben! Wat een ellendige
wereld, iedereen is valsch, iedereen is boosaardig en onuitstaanbaar!”

Lister had reeds langen tijd zijn zakboek voor den dag gehaald en van
het begin af alles wat de opgewonden kapitein uitschreeuwde, met een
ironisch lachje gestenographeerd.

Hij had nu niet alleen de bevestiging van zijn vermoeden, doch ook nog
het adres der verzekeringsfirma, die door de redactie der „Times” niet
was opgegeven.

Lachend stenografeerde hij verder, want eindelijk kwam nu de reeder aan
het woord:

„Mijn waarde kapitein!” begon hij. „Wees toch eerst wat kalm! Hetgeen
gij vooronderstelt, is niet waar!—Want ik had er mijn reden voor om den
kerel te laten ontvluchten!”

„Reden? Nu, daar ben ik nieuwsgierig naar, Spotson! Natuurlijk, niemand
is zoo dom, dat hij zich niet tracht te verontschuldigen en jij zeker
niet! Welke reden?”

„Ja, een reden en wel zoo gegrond, dat ook gij, wanneer je niet in
zwijm waart gevallen, haar had laten gelden.”

„Ik kan het nauwelijks gelooven, doch vertel verder!”

„Ten eerste kan ik je tegenover mijn personeel niet aan de kaak
stellen! Wat moesten zij denken, wanneer ge daar in zwijm laagt en zij
vernamen, dat jij voor dezen ouden zwakken man het onderspit had moeten
delven!”

„Mooi!” bromde de zeeman norsch. „Doch dat wil ik je wel vertellen,
wanneer hij werkelijk een oud man was, dan dank ik voor zulk een slag
van een jongeren!—

„Ge hadt hem ten minste kunnen vasthouden, of wanneer je dit niet was
gelukt, hem achtervolgen en de politie laten halen of er opmerkzaam op
maken!”

„Politie, kapitein? Spreek je van politie?—Dan moest ik een ezel
geweest zijn, brave zeeman!—En juist nu na onze Cardiff-zaak! Ik dacht,
dat het verstandiger was, dat de politie haar neus in andere zaken stak
dan in de onze, wanneer zij dit niet reeds heeft gedaan!”

„Spotson, wat bedoelt ge daarmede?” vroeg de kapitein, en Lister
onderscheidde duidelijk den angstigen toon waarop dit gevraagd werd.

„De zaak is namelijk deze, Underwood: deze zwakke en bejaarde uitvinder
staat mij niet aan!”

Lister richtte zich verbaasd op en luisterde gespannen.

„Waarde Spotson! Ik mag vervloekt zijn, wanneer ik een woord begrijp
van hetgeen gij bedoelt!” antwoordde de kapitein. „Ik wil onmiddellijk
met hem afrekenen! Waar kan ik hem vinden?”

„Nu, weet ge kapitein, waar ge hem kunt vinden?—Blijf rustig zitten,
oude vriend, want het is met een enkel woord gezegd!”

„Noem mij dan dit enkele woord, ik bezweer het je! Dat enkele woord!”

„Het heet Scotland Yard, Underwood!—Nu begrijpt ge wel waarom ik hem
liet loopen, waarom ik geen politie haalde, en waarom ik hem niet
achtervolgde!—Alles was een masker, om ons uit te hooren!

„Mopkins en Chawl, de verzekeringsfirma, vertrouwt dat zaakje van het
stranden van de „Matchless” niet. Het was een door hen betaalde
detective van Scotland Yard!”

„Hel en duivel! Die slag op het hoofd van den ouden kerel! Het komt
uit, Spotson, het was een slag van de politie, van een sterken
detective! Dat had ik onmiddellijk moeten begrijpen! Doch troost je,
Spotson!

„Ten eerste weet niemand, dat die vervloekte, vermolmde, oude kast, de
„Matchless”, niet bij de beruchte rots ligt aan het vaarwater, waar de
meeste schepen stranden, en waar iedereen nasporingen doet, doch aan
het derde en scherpste rotsblok, waar ik onmiddellijk liet stilhouden!—

„Onze kisten met zakkenlinnen liggen op den bodem der zee en komen niet
weer te voorschijn!—Daar zijn wij zeker van. Deze man van de geheime
politie schijnt echter niet tot de verstandigste te behooren, anders
had hij met ons geen strijd begonnen, doch had er liever naar gestreefd
om ons vertrouwen te winnen!”

„Ja,” antwoordde de reeder, „bepaald een domoor eerste klasse! Laten
wij blij zijn, dat hij weg is! Doch, beste Underwood, wees
voorzichtig!”

„Ik zal mij in acht nemen! Heb geen zorg, Spotson! Deze detective is
een baas in vechten en boksen, zoo als ik tot mijn schande moest
ondervinden, doch overigens schijnt hij mij tot het opsporen van
ingewikkelde zaken niet erg bekwaam te zijn! Ik geloof niet, dat wij
iets te vreezen hebben! Wie kan ons de oorzaak van de stranding der
„Matchless” bewijzen?”

„Ik, schurken!” fluisterde Lister in zich zelf.

Hij stak nu notitieboek en vulpen in den zak en nam zijn pakje ter
hand, om zich te verwijderen, daar hij genoeg bewijzen had, om zijn
vermoeden te bevestigen. Doch toen hij van zijn stoel opstond, waarop
hij plaats had genomen, om het gesprek der beide „mannen van eer” te
stenografeeren, schoof hij bij vergissing den stoel achteruit en dit
piepend geluid bleef in de zijkamer, waarvan de deur slechts op een
kier stond, niet onopgemerkt.








DERDE HOOFDSTUK.

SPOTSON’S INLICHTINGEN EN CHARLY’S GEDACHTE.


De beide schurken verbleekten. Zij wisselden met elkander een blik van
verstandhouding, op hetzelfde oogenblik had de kapitein reeds een groot
mes te voorschijn gehaald en was zoo snel mogelijk naar de deur gegaan,
waarvan hij nu op den drempel verscheen.

Lister had iets dergelijks verwacht en zat oogenschijnlijk in een
spoorboekje verdiept. Doch een blik in den spiegel tegenover de deur
toonde hem het door woede verwrongen, hoogroode gelaat van kapitein
Underwood en het flikkerende mes in zijn hand. Achter hem kwam het
loerende gelaat van den boosaardigen reeder te voorschijn.

Lister zag met een spotachtig lachje den ribbestoot, dien de reeder den
kapitein gaf, om hem op zijn vergissing te wijzen, waarop dan ook het
mes in den borstzak van den kapitein verdween en de reeder naderkwam.

Lister gaf zich het voorkomen, alsof hij zoodanig in zijn lectuur
verdiept was, dat hij van de komst der beide mannen niets bemerkte.

„Onzin!” fluisterde hij. „Dat is Rotterdam! Vandaar moet toch een
stoomboot direct van Eastend of Sheerness naar Hamburg gaan!”

De reeder wisselde met den kapitein een geruststellenden blik en gaf
hem een stomp waarop Underwood brommend vertrok en zijn vriend en
medeplichtige het veld ruimde.

„Ik vraag u verschooning!” ving de reeder op zoetsappigen toon aan,
waarop Lister als in gedachten verdiept opsprong, zich omkeerde en daar
hij schijnbaar eerst nu den reeder gewaar werd, zich zonder
overhaasting en met een lichte buiging tot den binnentredende wendde.

„Ha, mijnheer, het verheugt mij zeer, dat u mij de moeite van zoeken
bespaart! Spreek ik met den heer chef der firma?”

„Om u te dienen, sir! Spotson in eigen persoon! Ik hoop, dat ik u niet
lang heb laten wachten! Ik vraag u excuus, dat ik uw komst niet
hoorde!”

„Volstrekt niet, waarde Mr. Spotson! Integendeel! Ik zat pas in dezen
gemakkelijken stoel! Lord Blackmore— —!”

De reeder was buitengewoon voorkomend en kon bijna een zucht van
verlichting niet onderdrukken.

„En waarmede kan ik u dienen, mylord?”

„Wacht even! Ik zoek te vergeefs naar een stoomboot, die direct naar
Hamburg vaart. De zaak is, dat ik Vrijdag bij den roeiwedstrijd te Kiel
moet zijn, waar mijn zeiljacht „Seabird” reeds aangekomen is. Ik moet
bepaald bij de opening tegenwoordig zijn! Kan dat nog gebeuren? Ik kan
er niet uit wijs worden! Verschaf mij liever zelf de noodige
inlichting!”

„Met genoegen, mylord! Het is vandaag eerst Dinsdag! Het treft
uitstekend, dat morgen voormiddag om elf uur de voortreffelijke
passagiersboot eerste klasse „Neptunus” direct naar Hamburg vertrekt.
Mylord heeft dan nog genoeg tijd, om met een expresse Kiel op den
gewenschten tijd te bereiken!”

„Uitstekend, waarde Mr. Spotson! Kan ik bij u biljetten krijgen?”

„Dat niet, uw lordschap! Doch wanneer gij uw naam en het aantal
biljetten wilt opgeven ontvangt u tegen betaling van het bedrag de
biljetten op de boot na overlegging van onze kaart.”

Op het volgende oogenblik lag reeds het inteekenboek voor hem, en
Lister schreef als Lord Blackmore de twee biljetten voor zich en zijn
bediende in, waarop Mr. Spotson een kaart, die voor dat doel bestemd
was, invulde en hem ter hand stelde.

Lister nam nu afscheid van den eerbiedig buigenden Spotson, die door
een fluitje een aan den hoek der straat posteerende auto riep.

Lister nam in de auto plaats en viel met zeer veel behagen in de grijze
fluweelen kussens neer, na eerst met minzame groeten afscheid van den
reeder te hebben genomen. Hij vergat het pakje echter niet.

Mr. Spotson was, toen hij den motorwagen met den voornamen bezoeker
nakeek, evenals de kapitein, die uit nieuwsgierigheid naderbij was
gekomen, er ten volle van overtuigd, dat hij met een volkomen
ongevaarlijken, volbloed Lord te doen had gehad.

Nadat Lister hem verlaten had, had Charly weer spoedig zijn mismoedige
en vervelende stemming terug gekregen!

Verheugd en tegelijkertijd verbaasd keek hij op, toen Lister in zijn
gewone kleeding en niet meer in het vermakelijke costuum van den
uitvinder van de beroemde antilekmachine bij hem verscheen en zich
behagelijk in een der gemakkelijkste leuningstoelen tegenover Charly
liet neervallen.

„Waar heb je je eigenaardige Grandison gelaten, Edward?” vroeg Charly
vroolijk.

Lister tilde het pakje in de hoogte.

„Heeft mij voortreffelijke diensten bewezen, Charly. Heb de beide
schurken leeren kennen en vernomen, hetgeen ik wilde weten. Mijn
vermoeden is bevestigd.

„Zwart op wit hier in mijn zak!” Daarbij klopte Lister zich op de
borst.

„Daar ik echter niet in gebreke wilde blijven den eenen schurk voor
zijn onbeschoft optreden een klein aandenken te geven,—Jiu-Jitsu—gaf ik
er toch de voorkeur aan, mij in de zijkamer een weinig anders aan te
kleeden, waarbij ik tegelijkertijd naar hun stichtelijke bekentenissen
met aandacht heb kunnen luisteren.

„Natuurlijk meenden die twee duivels, dat zij den juisten weg hadden
gekozen om met het oog op de verzekering, het schip te laten stranden;
ik was zeer in mijn schik na mijn goed toegebrachten slag, waarbij deze
onbeschofte kapitein een salto mortale deed, als de beste circusclown
en nog extra over een omvergevallen stoel viel— —”.

„Nu, ik denk,” beweerde Charly, „dat die zijn deel heeft gekregen!”

„O, het beste, dat ik hun heb toegedacht, komt nog, onschuldige
jongeling! Doch wat ik zeggen wil, je valt mij gedurig in de rede,
Charly. Ja, het leukste is, dat zij door dien onschuldigen klap niet
meer aan den ouden heer uitvinder gelooven! En wat meent ge wel, wien
zij in den ouden man meenden te hebben ontdekt?”

„Bepaald een detective! O, dat is kostelijk!” riep Charly vergenoegd
uit.

„Bijna juist geraden!” sprak Lister, terwijl Charly hem een kop thee
inschonk. „En dit klopte zoo uitstekend, dat ik werkelijk vandaag mijn
vroegere rol met die van Sherlock Holmes verwisseld heb.

„Ik verzeker je, Charly, dat die beide sluikmoordenaars mij in het
costume van Grandison voor den een of anderen goeden vriend van
Scotland Yard hielden!”

„Hahaha,” lachte Charly hartelijk. „De vloo kon er nog mee door, hoewel
het costuum van Mr. Grandison te nauw voor hem is! Doch wanneer ik mij
den commissaris van politie Baxter voorstel—hahaha!— —Neen, Edward, dat
is om je dood te lachen!”

„En toch is het zoo,” knikte Lister, terwijl hij een kop thee dronk.

„Overigens zou hem de overjas zeer goed passen, daar hij mij rijkelijk
wijd is! In elk geval roken de ezels onder dit masker lont, waardoor
hun kwaad geweten aan het licht kwam.”

„En wat hebt ge verder besloten, wat is er te doen?” vroeg Charly in
afwachtende houding.

„Lieve jongen,” antwoordde Lister lachend, „voorloopig in het geheel
nog niets! Je moet geduld hebben. Doch, slechts tot overmorgen vroeg!
Dan zijn mijn toebereidselen gereed!”

„Altijd zoo geheimzinnig!” zuchtte Charly verdrietig. „En eerst
overmorgen! Dat is toch om wanhopig te worden!”

„Welnu, omdat je zoo jammert over mijn geheimzinnigheden, wil ik je een
tipje van het geheim oplichten,” antwoordde Lister lachend. „Ik heb een
prachtige kleine motorboot gekocht, Charly! Kan je dat niet vroolijk
stemmen, jij sportsman?”

„Drommels! Edward, dat is fijn! Zullen wij haar reeds overmorgen vroeg
in gebruik nemen?”

„Natuurlijk! Denkt ge, dat ik zulk duur speelgoed zonder reden koop?
Tot zoolang zijt ge vrij! Doe, wat ge wilt! Amuseer je, ga naar een
concert of variété, kortom verdrijf den tijd zoo prettig mogelijk. Doch
zorg er voor, dat je overmorgen ochtend goed bent uitgeslapen en al je
krachten bij elkander hebt. Je zult ze noodig hebben.—En daar je
vrijwel door je geld heen bent, heb je hier een paar banknoten van vijf
pond voor je en nu goeden dag!”

Hij schudde zijn getrouwen vriend krachtig de hand en ging toen frisch
en opgeruimd naar zijn kamer, die hij achter zich dichtsloot.

Charly had niet het minste vermoeden, dat Lister tien minuten later in
een donkerblauw zeemanspak met een kapiteinspet met gouden rand op het
hoofd en een mantel van grijs laken over den arm, daardoor zelfs voor
zijn vriend onkenbaar, het huis verliet, een rijtuig dat juist
voorbijreed aanhield, en den koetsier gebood, naar de aanlegplaats der
stoomboot aan het Strand W. C. te rijden.








VIERDE HOOFDSTUK.

CHARLY’S STREKEN IN ZIJN VRIJEN TIJD.


Charly had de banknoten met genoegen in zijn zak geborgen en een nieuwe
sigaret aangestoken.

Hij had niet veel lust om zich volgens Listers voorstel in zijn vrijen
tijd te amuseeren, hoewel hij zich vreeselijk verveelde. Doch zijn
zucht naar avonturen liet hem geen rust, en bij al de vereering voor
zijn vriend, dien hij verafgoodde, was hij toch aan den anderen kant in
alle onschuld niet weinig jaloersch op diens succes en hij verlangde er
vurig naar, om zijn heer en meester door een welgeslaagde onderneming
te verrassen en zijn waardeering te verdienen.

Hij liep nu onrustig het vertrek op en neer en plotseling begon hij
hardop te lachen en slaakte een vreugdekreet. Hij viel in zijn stoel
neer, sloeg op de tafel en stampte van pleizier op den grond, als een
Duitsch student, wanneer hij met een zijner professoren een bijzondere
grap wil uithalen.

„Hoe is het mogelijk! Dat iemand dat niet onmiddellijk invalt! En het
moet dadelijk ten uitvoer worden gebracht! Lister zal verwonderd zijn,
dat ik op zulk een idee ben gekomen!”

In een oogenblik had hij zijn haar in het midden gescheiden en met
pomade ingesmeerd en uit zijn kast een donker kostuum genomen, dat hem
het voorkomen gaf van een klerk, die vijf pond maandelijks verdient.
Hij streek met een penseel wat blanketsel op zijn wangen. Vervolgens
kreeg hij een fatsoenlijk uitziend vilt hoedje en legde het pak van
Lister in een zwarten koffer, die nog groot genoeg was voor verscheiden
dergelijke pakken.

Daarna sloot hij alles goed dicht en sloop met zijn koffer het huis
uit.

Ieder, die hem ontmoette, moest denken dat deze jonge man met zijn
fatsoenlijk uiterlijk een koffer met monsters bij zich had.

Hij stapte in een auto, hetgeen met zijn bescheiden uiterlijk niet goed
overeenkwam en betaalde vooruit. Na een korten rit was hij aan het
opgegeven adres Stephensonstreet W. C. aangekomen.

Voor een der smalle, hooge huizen prijkte het bijna onleesbare naambord
van den koopman in oude kleeren Peter Dirksen.

Charly scheen hier zeer goed bekend te zijn. Hij liep door een smalle
gang en klopte aan de achterste deur links.

Weldra werd een klepje opzij geschoven en voor de nu zichtbaar geworden
opening verscheen een oog, dat den bezoeker eerst nauwkeurig opnam.
Daar dit onderzoek naar wensch scheen te zijn uitgevallen, werd het
klepje weer gesloten, weldra werd de deur geopend en een gelaat als van
een roofvogel keek naar buiten.

Dit was Peter Dirksen in eigen persoon, die nu als een roofvogel
krijschte, want hij leed aan een erge in het hoofd.

Eerst nadat het eenige malen was herhaald kwam men tot de overtuiging,
dat dit wonderlijke gekrijsch eenige gelijkenis had met „kom binnen”.

Charly, die een goede klant van Mr. Dirksen was, scheen aan zijn stem
gewend te zijn, want hij antwoordde onmiddellijk: „zeer goed!” en ging
achter den koopman om in het magazijn, waar achter een zeer primitieve
toonbank aan kapstokken en spijkers een rijke keuze van gedragen
heerenkleederen van alle mogelijke soorten hing.

Charly glimlachte van pleizier, toen de oude, anders zeer scherpzinnige
koopman, hem als een nieuwen klant behandelde.

„Wat wenscht gij, mijn waarde heer?—De keuze bij den ouden Dirksen is
zoo als u ziet, ondanks de slechte tijden, zeer rijk! Ik ben er zeker
van, dat ik al uw wenschen naar genoegen kan vervullen!”

Charly lachte.

„Dat is nog de vraag, Mr. Dirksen. Ik heb namelijk een zeer bijzonderen
wensch.”

„Noem hem, als het u belieft, wat is het? U zult naar wensch en zeer
goedkoop bediend worden.”

„Welnu, Mr. Dirksen. Hoor mij eens aan. Wij hebben op onze club een
gemaskerd bal. Nu zou ik gaarne een echt landlooperscostuum willen
hebben! Kunt u mij dat verschaffen?”

Dirksen kneep het linkeroog dicht, wat hij altijd uit gewoonte deed
wanneer hij over iets nadacht.

„Wat is een landlooperscostuum? Dat kon men immers van iedere andere
kleeding maken! Doch hier heb ik juist het gewenschte, dat heeft men
reeds bij een dergelijk feest gedragen!”

Met groote behendigheid klauterde hij op een ladder en nam een doos van
een plank, die hij Charly voorlegde.

„Ik verzeker u, mijn beste jonge man, dat dit het mooiste costuum is,
dat ooit een landlooper heeft gedragen!”

Charly wreef zich in de handen en ontvouwde het kleedingstuk, dat vol
gaten en overal versteld was en waarbij ook kousen, versleten schoenen,
een gelapt hemd, roode halsdoek en een vilten hoed behoorden, die hij
nauwelijks durfde aanraken.

„Dat is juist wat ik verlangde!” riep Charly verrukt uit. „Wat kost dat
grapje, Mr. Dirksen?”

De koopman, die de tevredenheid van den nieuwen klant ook in rekening
bracht, krabde zich in zijn dik grijs haar en sprak:

„U kunt zelf wel begrijpen, wat een moeilijke zaak het was, dit echte
costuum machtig te worden! Betaal mij den schandelijk lagen prijs van
negen shilling en het is uw eigendom.”

„Duivels, zooveel, voor die vodden? Goeden dag, Mr. Dirksen! Wanneer ge
mij het vel over de ooren wilt trekken, ga ik eenvoudig naar uw
concurrent aan de overzij.”

„Dat zult u niet doen, jongmensch!

„Mijn hemel, dan was ik een geruïneerd man!

„Komaan, neem de rommel voor acht shilling!”

„Neen, Peter, dat betaal ik niet! De duivel zal mij halen, wanneer ik
meer dan vier shilling geef en dat is reeds veel!”

De koopman hield met beide handen zijn hoofd vast en jammerde en
schreeuwde verschrikkelijk. Toen hij echter zag, dat Charly daar niets
om gaf, doch onverbiddelijk bleef, riep hij op eens zeer vriendelijk
uit:

„Och, och, wat is de jonge heer een geslepen koopman!—neem het dan maar
voor vier shilling!”

„Kijk nu eens aan, Mr. Dirksen. Zoo bevalt ge mij!”

Hij betaalde de vier shilling, rolde den rommel zoo klein mogelijk te
zamen, en legde het in zijn koffer.

Toen stak hij de handen in de broekzakken en begon te lachen.

„Vertel mij eens, Mr. Dirksen, kunnen wij niet meer zaken doen? Ik heb
veel klanten! Hoeveel provisie wilt gij mij afstaan? Dan verkoop ik een
massa voor u!”

„Heb ik niet dadelijk gedacht, dat de jonge heer een koopman uit een
stuk is!—ik zal u 25 procent toestaan, wanneer u mij eerst een kleinen
borgtocht geeft.”

„Van 25 procent kan geen sprake zijn, Mr. Dirksen! Over een borgtocht
kunnen wij later spreken. Doch 33½ procent is het minste!”

Peter Dirksen was voor rede vatbaar.

Voorloopig werd echter overeengekomen, dat Charly, of liever Mr. Edgar
Smith, Mr. Dirksen persoonlijk de klanten zou aanwijzen, zoodat men van
een borgtocht zou afzien.

Charly pakte een pakje adreskaarten der firma Peter Dirksen in zijn
koffer en kreeg toen op naam van Edgar Smith een legitimatiekaart als
reiziger voor de firma.

De oude koopman stelde nu het grootste vertrouwen in zijn nieuwen
reiziger, zonder te vermoeden, dat hij voor de vier shilling van den
geslepen Charly er terdege was ingeloopen. Het was dezen alleen om het
legitimatiebewijs te doen geweest. Dirksen zag echter zijn reiziger Mr.
Smith nooit weer terug, hoewel hij nog dikwijls een bezoek van zijn
klant Charly Brand kreeg.

Nadat Charly den koopman in oude kleeren had verlaten, kocht hij nog in
een parfumeriezaak eenige stiften blanketsel en poeder, en in een
kapperswinkel verscheidene pruiken en baarden, die hij allen liet
inpakken. Nu had hij ten minste een tamelijk vollen koffer met monsters
bij zich.

Met het onschuldigste gelaat van de wereld liep nu de bescheiden jonge
reiziger door de straten, totdat hij een leeg rijtuig gewaar werd, dat
hij aanriep.

Spoedig werd hij het met den koetsier eens, te meer, daar hij vooruit
betaalde en zelfs nog een flinke fooi gaf. Toen Charly echter het doel
van zijn reis bekend maakte, keek de koetsier hem ter sluiks met een
wantrouwenden blik aan, sprong toen zoo snel mogelijk op den bok en
spoorde de paarden aan tot een buitengewone snelheid.

Charly reed nu, glimlachend om den ijver van den koetsier, snel heen.








VIJFDE HOOFDSTUK.

VERVELING TE SCOTLAND YARD.


In de vertrekken van Scotland Yard, het hoofdkwartier van de Londensche
politie, heerschte in dezen tijd een buitengewone kalmte en behaaglijke
rust.

Behalve eenige onbeduidende zaken en verscheidene kleine diefstallen,
die in een millioenenstad zooals Londen dagelijks voorkomen, had geen
zaak van diep ingrijpenden aard den speurzin der detectives van
Scotland Yard opgewekt.

De commissaris van politie Baxter en zijn ondergeschikten hadden zeer
gemakkelijke dagen gehad of hadden die ten minste kunnen hebben,
wanneer Baxter er niet op had aangedrongen om het kantoorwerk zooveel
mogelijk af te maken.

De commissaris van politie liep, met zijn pijpje in den mond,
behagelijk in zijn „heiligdom” op en neer, terwijl de detective
Marholm, de met recht beroemde „vloo”, met verbeten woede in de
documenten bladerde waaraan hij moest werken, en in het dagboek met een
krassende pen zijn nieuwe aanteekeningen opschreef.

„Hoor eens,” sprak Baxter, zonder zijn wandeling door de kamer te
staken, „vindt ge ook niet, Marholm, dat die vervloekte Raffles, die
ons vroeger ten minste eenmaal per dag handen vol werk gaf,
tegenwoordig zeer weinig van zich laat hooren?”

„Ja, kapitein, nu ge er zelf over begint, ben ik het volkomen met u
eens! Het is om wanhopig te worden van verveling, nu Raffles zich,
volgens alle waarschijnlijkheid, rustig houdt! Hopenlijk laat hij weer
recht spoedig iets van zich hooren!”

Baxter bleef voor zijn ondergeschikte staan.

De „vloo” trok de schouders op.

„Vervelend vindt ge dat, Marholm?” vroeg Baxter verwonderd.

„Ik voelde mij nog nimmer zoo behagelijk, zoo aangenaam te moede als
nu! Eindelijk heeft men dan toch eens rust van dien vervloekten kerel,
die het er bepaald op gemunt scheen te hebben om mij door zijn gemeene
streken, het eeuwigdurende telefoneeren en telegrafeeren mijn goeden
naam te doen verliezen!”

De vloo had zijn chef rustig aangehoord en begon nu hartelijk te
lachen.

„En daarbij gevoelt gij u behagelijk, kapitein?”

„Hoor eens, Marholm! Ge zoudt een zeer gezellig mensch zijn, wanneer ge
niet altijd zonder reden lachtet. Kunt ge u dat niet afwennen? Dat
maakt iemand uiterst zenuwachtig!”

„Ach mijn hemel, inspecteur, wanneer Londen eens wist, dat de chef van
den veiligheidsdienst zenuwen had! Dan zou er nog anders worden
gelachen, en zou het mijne als het gilletje van een bakvischje
klinken!”

De chef knikte minzaam bij dit zonderlinge vergelijk en luisterde in
een aangename stemming naar Marholms opmerking.

„Waarom zou ik mij niet behagelijk voelen, jij dikke vloo?” ging hij
voort en klopte Marholm vriendelijk op den rug. „Ik geloof namelijk,
dat ik mij niet vergis door te veronderstellen, dat wij voortaan
gespaard zullen blijven voor de onaangenaamheden, die ons deze
vervloekte Raffles heeft veroorzaakt!”

Marholm sprong achteruit alsof hij een electrischen schok voelde. Hij
schrok geweldig, en ontsteld keek hij zijn chef aan. Zou het mogelijk
zijn, dat hij Baxter toch te gering had geschat. Zou deze in stilte met
eigen hand Raffles onschadelijk hebben gemaakt?

De vloo kreeg een hartklopping alleen bij deze gedachte. Doch een blik
op het onbeduidende gelaat van den inspecteur van politie, die daar zoo
wel behagelijk en tevreden voor hem stond, deed hem weer tot zich zelf
komen. Hij zou Raffles hebben gevangen? Neen, dat kon Marholm niet
gelooven!

„U hebt mij een grooten schrik aangejaagd, inspecteur!—Hoe, u hebt
geheel alleen, achter mijn rug, onzen belangwekkenden vijand schaakmat
gezet? Alle achting, inspecteur! doch vriendschappelijk kan ik zoo’n
geheim van u niet vinden!”

„Schaakmat gezet? Wie zegt dat?” vroeg Baxter verwonderd.

„Op alle manier geloof ik, dat ik er het recht toe heb om te
veronderstellen, dat de stilzwijgendheid van John C. Raffles, alias
Lord Lister, van langen duur zal zijn. Na rijpelijk beraad ben ik tot
de overtuiging gekomen, dat de edele Lord eindelijk zijn strijd met
mij, waarvan de gevolgen vroeg of laat niet twijfelachtig konden zijn,
heeft opgegeven.

„Ik geloof, dat ik hem zijn verdere streken te Londen onmogelijk heb
gemaakt!

„Ik schrijf mij verder de verdienste toe, dezen gentleman-misdadiger
tot inkeer te hebben gebracht en Londen eindelijk de lang ontbeerde
rust te hebben teruggegeven, want gij zult zelf moeten toegeven, dat
John Raffles nog nimmer zoo’n langen tijd heeft laten verloopen, zonder
van zich te doen hooren.”

Zegevierend keek Baxter op zijn ondergeschikte neer. Deze was weer
volkomen van zijn schrik hersteld. Hij was er nu van overtuigd, dat er
voor de veronderstelling van den chef, die bijzonder met zich zelf was
ingenomen, niet de minste reden bestond. Ja, de illusie, die Baxter
zich schiep, verschafte hem een boosaardige vreugde.

„Zoo, zoo, inspecteur,” sprak hij spottend, „ik dacht reeds, dat gij
Raffles achter mijn rug in het geheim hadt overwonnen en schaakmat
gezet! Goddank, dat ik mij vergiste, want deze ontzettende verveling
die hier heerscht zal toch niet eeuwig duren, er zal zich toch wel
spoedig een belangwekkend geval voordoen, dat het de moeite waard maakt
om detective te zijn!

„Zooals de dagen nu voorbijgaan, is zoo vervelend mogelijk!”

„Marholm, wat wilt ge daarmede zeggen? Zijt ge het niet met mij eens,
dat ik Raffles den lust tot nieuwe streken heb benomen?”

De vloo wierp zijn pennehouder op zijn schrijftafel en rekte de armen
uit.

„Onzin, inspecteur! Uw geheele gevolgtrekking is valsch! Hoe langer
deze verdachte stilte duurt, des te zekerder zullen wij spoedig van een
vermetelen truc van Raffles te hooren krijgen. Dat was nog altijd bij
dezen genialen kerel het geval.

„Wij bevinden ons, wanneer ik eenigszins over Raffles’ daden nadenk, in
het laatste stadium van rust voor den storm, kapitein! Gelukkig, mag ik
wel zeggen, want deze verveling maakt mij gek!”

„Welnu, Marholm! Ik blijf bij mijn opinie! Ge hebt nu eenmaal een zwak
voor dezen man, dat weet ik reeds lang! Doch ge zult lang op verdere
streken van hem kunnen wachten en zult u met minder belangwekkende
detectivezaken moeten tevreden stellen!”

„Zooals nu: acten in het dagboek schrijven en zoo voorts!—Nu het is
goed, inspecteur, dat wij den langsten tijd van stil zitten achter den
rug hebben, want ik durf er zes flesschen Pommery onder te verwedden,
dat binnen acht dagen Raffles weder een van zijn streken zal uithalen.”

Baxter begon medelijdend te lachen.

„Wanneer ge mij volstrekt op tien flesschen wilt tracteeren Marholm,
zou ik een gek zijn, die niet aan te nemen!”

„Dus vandaag over acht dagen! Wat mij betreft; uitstekend!”

Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en op het „binnen” van
den chef verscheen de geheime politie-agent Teiler en overhandigde een
kaartje.

Baxter draaide het om en om en keek vragend naar de „vloo”.

„Hebt ge misschien geld noodig, Marholm?”

„Ten allen tijde!” was het haastige antwoord.

„Ach, voor den donder! Laat iemand toch uitspreken! Hebt ge misschien
een koopman besteld, om uw oude kleeren te verkoopen?”

De „vloo” grijnslachte.

„Besteld heb ik niemand, doch daar ik mijn weddenschap in elk geval
verlies, zou het niet kwaad zijn, tijdig maatregelen te nemen! Wanneer
iemand buiten is, laat hem dan maar binnen komen, kapitein! Dat is ten
minste nog een kleine afleiding!”

„Peter Dirksen, gedragen kleeren enz.”, las Baxter op het kaartje.

„Ha zoo, Dirksen, die oude kerel uit de Stephensonstreet! Dien ken ik!
Heeft ook costuums voor gemaskerde bals. Heeft al veel op zijn
kerfstok, doch is altijd voorkomend!”

„Teiler, laat den ouden Dirksen binnenkomen!”

„Maar het is een jonge man, inspecteur!”

„Dat hindert niets, Teiler! Laat hem maar binnenkomen! Ik wil hooren,
wat er van zijn dienst is!”

„Zeer goed, inspecteur!”

Teiler snelde naar buiten en liet spoedig Charly Brand binnen, die zich
door zijn blanketsel en ander kapsel zoo goed als onkenbaar had gemaakt
en die zijn koffer bij zich had.

Charly kwam vriendelijk lachend binnen, en boog onmiddellijk drie maal
voor den inspecteur, en twee keer voor de „vloo”.

„Smith, mijne heeren, Edgar Smith, van de beroemde firma Peter Dirksen
in koop en verkoop van tweedehands-kleeren, verkoop en verhuring van
maskerade- en karnaval-costuums met toebehooren uit alle tijdperken,
voor bijzonder lage prijzen!”

„Die heeft een aangename spraak, dat moet ik zeggen!” brak Baxter
Charly’s woordenvloed af. „Zijt gij reeds langen tijd bij Mr. Dirksen,
jongmensch?”

„Ach neen, mijnheer de inspecteur, eerst sedert vandaag! En daar dit
mijn eerste optreden in de nieuwe betrekking is, zoo verzoek ik zeer
vriendelijk om uw welwillende medewerking en voortdurende klandizie!”

Baxter begon te lachen.

„Kent gij mij?” vroeg hij.

Charly stak plechtig zijn rechterhand op alsof hij iets buitengewoon
gewichtigs wilde beweren.

„Welke Londenaar zou den beroemden inspecteur van politie Baxter niet
kennen, de ziel van den veiligheidsdienst van Londen?” riep hij vol
geestdrift uit.

„Een nette man, niet waar?” vroeg Baxter aan Marholm.

„Ja, Mr. Smith, ik zou wel gaarne met u zaken willen doen, doch ik weet
niet welke! U kunt met oude politieuniformen niets doen, en wat
tweedehands kleeren betreft, die kan ik, zooals gij wel kunt denken,
niet gebruiken!”

Charly toonde zich zeer verwonderd, hij kneep zijn rechteroog dicht en
lachte:

„Natuurlijk, natuurlijk, heer inspecteur! Ik begrijp volkomen, niemand
mag het weten, welk costuum gij voor uw geheime detective-gangen
uitkiest, waarvan men in Londen elkander de zonderbaarste verhalen
vertelt, als men van uw groot succes spreekt!

„Dat spreekt immers van zelf! Ik ben zoo stilzwijgend als het graf,
geheimhouding is een zaak van eer!”

Baxter was opgetogen van blijdschap. Zoo werd er dus over hem
gesproken. Zijn kunst om zich te vermommen werd besproken en daaraan
schreef men zijn succes toe!

„Geheimhouding stel ik natuurlijk op den voorgrond! Ook bij jou,
Marholm,” sprak Baxter met verheffing van stem.

„Hebt gij misschien juist iets eigenaardigs, dat gij mij kunt
voorleggen?—welke zaak is aan de orde, Marholm, waarvoor een vermomming
noodig zou kunnen zijn?”

„Wacht eens chef!” antwoordde de aangesprokene. „Er is niet veel anders
op het oogenblik. Misschien de nog altijd onopgehelderde stranding van
de „Matchless”; men zou de reeders misschien op den tand kunnen voelen,
zonder dat zij daar iets van bemerken!”

„Ik kan trouwens ook voor den moord in het „roode anker” voor
uitvorsching een versleten Rowdycostuum gebruiken!”

„O, gentlemen!” roep Charly verrukt en klapte in de handen. „Wat treft
dat! Ik heb u eigenlijk slechts monsters medegebracht, want onze
monsterkeuze in tweedehands kleeren is zoo ontzaglijk groot, dat u geen
bestelling kunt doen, die we niet onmiddellijk in staat zijn uit te
voeren. Doch het geluk wil, dat mijn keus juist op twee costuums
schijnt te zijn gevallen, zooals u ze wenschte!”

„Dat zou inderdaad prachtig zijn!” riep Baxter vergenoegd uit. Charly
had reeds zijn koffer op tafel gezet en geopend.

De beide detectives kwamen naderbij en bekeken den inhoud met veel
belangstelling.

„Hier heb ik namelijk een eigenaardig costuum, dat een eenigszins
excentrieken, ouden uitvinder voorstelt; wanneer gij een
cargadoorsfirma, zonder in verdenking te komen, wilt opzoeken, zou het
inderdaad zeer practisch zijn om er als uitvinder heen te gaan en de
firma een nieuw patent voor den scheepsbouw aan te bieden!”

Charly had gedurende dit, met groote welsprekendheid gedane verhaal
Listers pak voor den dag gehaald en open gemaakt.

Hij ontvouwde de oude grijze overjas en toonde hun beiden den daarbij
behoorenden cylinderhoed en de grijze krullen.

„Uitstekend, prachtig!” riep Baxter vol geestdrift uit. „Een fameus
idee! wat zegt gij er van Marholm? De overjas neem ik onvoorwaardelijk,
Mr. Smith! Die komt mij prachtig te pas!”

Charly straalde van vreugde.

„Het is mij een eer en een goed voorteeken, hooggeachte heer
inspecteur, om mijn eersten handel in mijn nieuwe betrekking met u te
doen. Ik zal u het geheele costuum met toebehoorende pruik, blanketsel,
in één woord alles, voor slechts twee pond geven!”

„En dat noemt gij goedkoop?”

„Op mijn eerewoord, zoo goedkoop mogelijk!” beweerde Charly. „Reeds de
grijze pruik alleen is meer waard, en alles past zoo goed bij elkander!
De overjas zal u trouwens uitstekend passen!”

„Nu hier, jongmensch!” sprak Baxter minzaam en gaf hem twee
goudstukken, die natuurlijk voor kosten van de politie kwamen.

„O, duizendmaal dank, mijnheer de inspecteur!” sprak Charly met een
eerbiedige buiging en stak het geld met inwendige vreugde in den zak,
natuurlijk niet om het geld, doch om het slagen van zijn plan.

Charly bracht het zoo ver, dat hij het costuum van een landlooper met
drie shilling winst aan den voorzichtigen „vloo” verkocht. Hij werd ook
nog daarenboven zijn gezamenlijke baarden en pruiken kwijt.

Hij wilde zich juist, innerlijk zeer tevreden en onder levendige
dankbetuigingen van de beide heeren van Scotland Yard verwijderen, toen
de achterhoudende „vloo” eensklaps uitriep:

„Wacht nog een oogenblik Mr. Smith!”

„Wat wilt ge dan nog, Marholm?” vroeg Baxter verwonderd.

„Wij veronderstellen, jongmensch, dat al deze voorwerpen, die wij
zooeven van u kochten, eerlijk in uw bezit kwamen, en dat ge niet zoo
brutaal zult zijn geweest op Scotland Yard met gestolen kleeren te
durven aankomen!”

„Ach, loop toch heen, Marholm!” viel Baxter hem in de rede. „Wat denk
je van dat jonge mensch! Zoo’n brutaliteit zou immers ongehoord zijn!”

„Och, laat mij mijn gang toch gaan, inspecteur!”

„Hier is immers de kaart met den naam van Peter Dirksen!” antwoordde
deze.

„Die krijgt elke kooper en verkooper. Dat bewijst niets, kapitein! Gij
weet dus absoluut niet, of deze jongeman de waarheid sprak of niet?”

„Nu ja, gij hebt gelijk! En— —”

„En, geachte chef, wij moeten toch werkelijk op onze hoede zijn, opdat
wij ons niet driedubbel blameeren! Denkt maar aan Raffles, kapitein. Of
wilt gij tot elken prijs uw weddenschap verliezen?”

„Drommels Marholm, gij hebt toch gelijk! Uw voorzichtigheid is zeer
gegrond, maar mijn meening kunt gij niet wijzigen! Gij hebt immers een
legitimatie, jonge man?”

„Natuurlijk, mijnheer de inspecteur!”

Charly greep in zijn borstzak en overhandigde den inspecteur van
politie de door Peter Dirksen onderteekende kaart.

Baxter las deze met een tevreden hoofdknikje en gaf ze ook aan de vloo
om er inzage van te nemen.

„Dat klopt dus!” bromde deze eenigszins teleurgesteld. „Zal ik
telefoneeren?”

„Och, dat is onnoodig, Marholm! Dus, Mr. Smith, laat u bij gelegenheid
eens weer zien, als gij iets geschikts hebt!”

Charly boog en verzocht om de gunst en om mededeeling van eventueele
wenschen, die hij steeds zoo snel mogelijk zou vervullen.

Toen hij buiten was en uit het gezicht van Scotland Yard, danste hij
van plezier, dat de zaak hem zoo uitstekend was gelukt.

Hij wenschte zichzelf geluk, op de gedachte te zijn gekomen, om zich
door Mr. Dirksen het legitimatiebewijs te hebben laten geven, want
anders had de zaak weleens slecht voor hem kunnen afloopen.








ZESDE HOOFDSTUK.

POLITIE-INSPECTEUR BAXTER OP HET OORLOGSPAD.


Charly was den volgenden morgen nog met zijn toilet bezig, waarbij hij
van zijn heerlijke mocca genoot, toen Lister, reeds in keurige,
elegante zeemanskleeding gestoken, bij hem binnentrad.

„Ik moet toch eens even naar je komen kijken, mijn jongen!—Goeden
morgen!” sprak hij, hem de hand drukkend.

„Ik moet echter dadelijk weer weg, daar ik nog een laatsten proeftocht
wil doen met mijn motorboot „Dolfijn”, voordat ik die goed en wel
overneem!—

„En jij, Charly? Nu, vertel eens, kerel, wat heb je gedurende mijn
afwezigheid gedaan?”

Charly zette een grappig verlegen gezicht, hoewel Lister’s op
schertsenden toon uitgesproken verdenking, een andere uitwerking had
dan de bedoeling was.

Maar Charly had een slecht geweten vanwege de poets, die hij op zijn
eigen houtje kapitein Baxter had gebakken.

Hij krabde zich tamelijk verlegen achter het oor.

„Het zou eigenlijk een verrassing voor je zijn, Lister,” begon hij
aarzelend.

„Ook gij, mijn zoon Brutus?” viel de Lord hem in de rede. „Twee zielen
en één gedachte!

„Nu, dan zal ik wachten, maar ik ben zeer nieuwsgierig, wat er voor den
dag zal komen.”

„Ja, ik weet zelf ook niet goed, wat er de gevolgen van zullen zijn en
vooral niet, wat jij ervan zult zeggen!

„Eigenlijk is het maar beter om je klaren wijn te schenken. Zeg,
Lister, ik heb je prachtig Grandisoncostuum aan den man gebracht!”

Lister was verbluft en dat gebeurde hem niet dikwijls.

Hij staarde zijn vriend Charly met open mond aan.

Daarop lachte hij hartelijk en greep den misdadiger bij het oor.

„Maar ik had je toch wel een klein zakgeld gegeven? Als je meer noodig
hebt, hadt je het immers maar voor het zeggen.”

Hij greep in zijn borstzak om zijn vriend opnieuw van geld te voorzien.

Maar Charly legde hem de hand op den arm.

„Wat denk je, Edward?—Ik heb het geld immers nog allemaal! Neen, ik
wilde ook eens zelf iets doen, want ik vergelijk mijzelf altijd bij het
vijfde rad aan den wagen, als je de wereld verbaasd doet staan door je
vernuft....

„Wien denk je wel, dat ik het origineele costuum heb verkocht?”

„Hoe kan ik dat weten, Charly! Er wonen hier in Londen tal van
personen, die iets dergelijks graag koopen! Misschien aan je specialen
handelsvriend Peter Dirksen, heet hij zoo niet?”

„Nu vergis je je toch!—Maar je zult niet boos zijn, Edward, wel?—Ik ben
bang, dat ik een domheid heb begaan en weet nog niet, wat de gevolgen
zullen zijn!”

„Nu, voor den dag er mee, Charly! Wij zullen het wel weer in orde
brengen. Ik heb geen flauw vermoeden, wie het kan zijn. Vertel eens!”

„Nu ja, je zoudt het niet gemakkelijk raden!—De gelukkige eigenaar van
je Grandisoncostuum is namelijk— — — —mijnheer de inspecteur van
politie Baxter in eigen persoon! De rest kan je wel denken!”

„Charly, een stoel!” riep Lister, „anders val ik flauw!”

Nadat de misdadiger het gewenschte had gegeven, liet Lister zich in den
stoel neervallen en sloeg de handen boven het hoofd samen.

„Charly! Charly!—Jij haalt werkelijk mooie dingen uit.—Als ik mij
Baxter voorstel in dat costuum met de grijze haren bij zijn dikke,
roode wangen en stierennek, dan— — —!”

Hij lachte hartelijk en vervolgde:

„Eigenlijk is je idee nog niet zoo slecht, al komt het nu ook een
beetje ongelegen...”

„O, Goddank!” riep Charly, hem in de rede vallend. „Ik was al op een
ellenlange boetpredicatie voorbereid.”

„Hoe je dat hebt klaargespeeld—ik wensch je intusschen geluk met het
welslagen der onderneming—kan je mij later vertellen! Wij hebben
namelijk geen tijd over, want wij moeten ervoor zorgen, dat Baxter
niets overkomt.

„Ik hoop, dat je hem niets hebt verteld van Spotson en Matchless! Want
als hij na mij bij die heeren kwam, zou hij een moeilijk kwartiertje
beleven. Die twee verstaan geen gekheid.”

„Hij begon echter zelf over deze zaak, of liever de vloo wees hem erop!
Hij zal bepaald heden den reeder zijn opwachting maken!”

„Daar hebben wij het geval, Charly, dat jij hebt uitgelokt.—Maar in
vollen ernst, wij mogen Baxter niet in den steek laten! Zonder hem zou
ons leven lang zoo prettig niet zijn. Als wij hem in verlegenheid
brengen, moeten wij er hem ook weer uithelpen, als wij tenminste als
gentlemen willen handelen!”

„Dat ben ik volkomen met je eens!” riep Charly vol vuur. „Ik zal je
helpen. Zeg mij maar, wat ik te doen heb!”

Lister stak een fijne sigaar op en gebood op grappige wijze met een
handbeweging stil te zwijgen.

Hij blies dikke, blauwe rookwolken voor zich uit en keek een poosje
naar het fraai beschilderde plafond van de kamer.

„Zoo zal het gaan.—Ik verkort de proefvaart zooveel mogelijk en blijf
vanaf twee uur stroomafwaarts, of ga voor anker liggen bij het
bootenstation aan het „Strand” bij Moultons bar.

„Jij trekt een sportcostuum aan, evenals ik, een jachtclubpakje,
daaroverheen een elegante groom-livrei, die je, zoo noodig, gemakkelijk
uit kunt trekken.

„Ik geef je twee brieven van een voorgewenden Lord Littleham met
informaties omtrent stoombootverbindingen.

„In den tweeden brief is de edele Lord op een ander idee gekomen.

„Terwijl jij telkens op antwoord wacht, kijk je rond, of Baxter er al
is en of hij in gevaar verkeert.

„Den eersten keer ga je niet naar voren in het kantoor, maar per abuis
naar achteren, opent eerst de laatste deur in het midden en biedt je
verontschuldigingen aan.

„Het venster hier kijkt uit op de Theems en op de dokken der firma.
Hier zal ik twee of drie jongens aanstellen, die daar voortdurend
rondkijken en die gaarne een paar stuivers willen verdienen.

„Daarna open je de volgende deur links evenzoo. Als men je ter
verantwoording roept, moet je zeggen, dat je Lord je op het hart heeft
gedrukt om den brief persoonlijk aan Mr. Spotson ter hand te stellen.

„Den volgenden keer doe je echter weer precies hetzelfde, want in die
kamer zal men den inspecteur van politie brengen.”

Lister nam onmiddellijk, terwijl Charly vol ijver aan het werk ging om
zich volgens voorschrift van zijn meester te kleeden, een paar vellen
papier met zijn initialen en schreef de weinige regels, die hij als
Lord Littleham onderteekende.

Daarna schoof hij ze in erbij passende, deftige couverts, die hij open
liet, nadat hij ze had voorzien van het adres aan de reeders.

„Uitstekend!” riep hij uit, toen Charly binnenkwam, in zijn
nauwsluitende, donkerbruine groom livrei, met het kleine bruine petje
op het hoofd.

„Men zou dien Lord Littleham zijn knappen groom bijna benijden!—

„Ik heb de brieven open gelaten, opdat je je niet vergist. Voordat je
ze afgeeft, sluit je ze natuurlijk.—Nu, doe je zaken goed en stuur mij
onmiddellijk bericht, als— —het noodig is!”

Voor de deur namen zij afscheid.

Charly sprong in een voorbijrijdende, leege cab. Lister snelde naar de
halte van de electrische tram en reed weg in tegenovergestelde
richting.



„Nu, Marholm, wat zeg je ervan? Hoe zie ik er uit?” vroeg dienzelfden
middag de inspecteur van politie, die, gekleed in het pas verkregen
Grandisoncostuum, het bureau binnentrad.

De vloo barstte in een luiden schaterlach uit.

„Neem mij niet kwalijk, inspecteur!” antwoordde hij. „Maar als gij er
niet uitziet als een grijsaard uit de tijden vóór den zondvloed, mag ik
Bob heeten! Als gij niet een beetje te dik waart, zoudt gij kunnen
doorgaan voor een verloopen uitvinder! Zoo echter gelijkt gij meer op
een welgedaan, oud professor, wien zijn broek een beetje te nauw is
geworden.”

„Dat hindert niets. Een uitvinder let niet op zijn uiterlijk, ook niet
al brengen zijn patenten hem tienduizenden op.—Hoe is het met de
schmink—kan men die zien? Ik wil er niet te rood uitzien!”

Marholm stond op en hielp met zijn zakdoek en eenige der gekochte
stiften verf, om het gelaat iets bleeker en holler te maken. Het was
hem echter niet mogelijk, den dikken Baxter magerder te doen schijnen.

„Zoo, ik denk, dat uw vermomming nu uitstekend is, kapitein! De duivel
moge u herkennen. Nu kunt gij den reeder getroost aan den tand voelen.”

„Dat zullen wij wel klaarspelen,” antwoordde Baxter, zich fier
oprichtend. „Ik zal hem het vuur aan de schenen leggen, voordat hij
eraan denkt. Als hij zich ook maar met een enkel woord verraadt,
arresteer ik hem op grond van massamoord en bedrog met voorbedachten
rade.”

„Maar wees voorzichtig, inspecteur! Wij verdenken nog maar alleen en
hebben geen enkel bewijs. De man kan ook onschuldig zijn.”

Baxter haalde de schouders op.

„Gij hebt in ’t geheel geen politieneus, Marholm. Zooiets moet men
ruiken. Onschuldig! Neen, man, dat kan je mij niet wijsmaken.”

„Best, inspecteur! Het gaat mij ook eigenlijk niet aan. Gij alleen
draagt de verantwoording. Maar, wat ik zeggen wilde, zult gij alleen
gaan? Wilt gij niet eenige beambten incognito in de buurt houden? Zal
ik niet zelf in den omtrek blijven om u in geval van nood bij te
springen?”

„Ik geloof, dat gij niet goed snik zijt, Marholm. Of is het een flauwe
aardigheid? Als een groot uitvinder, zooals ik, die met alle
Europeesche scheepstimmerwerven in verbinding staat, de firma Spotson
mijn nieuw patent aanbiedt, dan is dat een groote eer voor die firma!

„Ik zal den reeder de voordeelen van mijn nieuwe uitvinding
uiteenzetten—ik heb er gisternacht op zitten studeeren—en hij zal mij
zeggen, of hij er belang in stelt of niet.

„Daarbij zal ik dan over het ongeluk van de Matchless gaan spreken en
mijn gevolgtrekkingen maken.”

De vloo kneep zijn linkeroog dicht.

„Als dat maar zoo vredig in zijn werk gaat! Maar in allen ernst, uw
plan is overigens niet slecht, inspecteur. Hoe heet uw nieuwe patent,
hooggeachte uitvinder?”

„Ik heb mij letterlijk de hersens gebroken om een goed woord te vinden
en een groot vel papier volgekrabbeld. Het best leek mij nog de
benaming: „Antishipwreck-systeem.”

„Drommels! Dat klinkt geleerd, inspecteur, mijnheer de ingenieur, wou
ik zeggen. Met zulk een uitvinding moet gij binnen een jaar milliardair
zijn. Met kleinigheden houdt gij u, naar het schijnt, niet bezig.”.

„Hohohoho!” lachte de voorgewende uitvinder gevleid.

„Dank u voor uw gunstig oordeel, Sir! Wees ervan overtuigd, dat ik ook
u niet zal vergeten, als de zaak succes heeft. Dan kunt gij mijn
bureauchef worden.

„Zoudt gij met een maandelijksch inkomen van 100 pond tevreden zijn?”

De vloo lachte luidkeels. „Dat zou mij uitstekend te pas komen,
mijnheer de ingenieur! Eerst echter, hoop ik, als detective met hart en
ziel, dat mijn chef, de inspecteur van politie Baxter, mij een flinke
toelage zal bezorgen, wanneer hij de oneerlijke reeders in het nauw
heeft gebracht en zoodra hij tevens met John Raffles heeft afgerekend.
En dan blijf ik liever, waar ik ben.”

„Dat van Raffles, Marholm, dat hadt je niet moeten zeggen. Dat bederft
mijn stemming geheel en al en gij waart anders zoo aardig en geestig.

„Doch wacht maar, ik zal ook Raffles nog weleens een beentje lichten!”

„Daar wacht ik al lang genoeg op, inspecteur. Tot dusverre heeft hij u
nog altijd een beentje gelicht, om bij uw schoone beeldspraak te
blijven. En luister eens, ik vermoed zoo vaag, dat zich dit weleens
heel spoedig zou kunnen herhalen, daar zijn lang stilzwijgen mij
verdacht voorkomt.”

„Je bent krankzinnig, Marholm! Jou ontbreekt elke aanleg om logisch te
kunnen denken. Wat ter wereld heeft Raffles te maken met de
reedersfirma?”

„Dat weet ik niet,” antwoordde de vloo schouderophalend. „Het zou mij
echter verbazen, als hij zich niet juist voor dit geval interesseerde.
Het was maar een opkomende gedachte— —!”

„Natuurlijk! Ik begrijp het—alleen om mij te ergeren! Het komt er niets
op aan, Marholm! Over korter of langer tijd zal hij mij toch in handen
vallen!

„Maar wij praten hier veel te lang. Ik zal nu eens als hoofdingenieur
en uitvinder van het wereldberoemde „Antishipwreck-systeem” deze
nietswaardige reedersfirma uithooren. Bonjour, Marholm! Die kerels
zullen wij wel krijgen!”

„Dat hoop ik voor u, inspecteur! Maar misschien is de zaak bij Spotson
evenals bij Raffles, moeilijker voor u dan gij denkt.”

„Gij oude ongeluksprofeet! Gij zult u nog groen en geel ergeren over
mijn succes als detective, gij oude uil!—Uil moest men je noemen en
niet vloo! Begrepen?!”

Baxter lachte daverend om zijn geestigheid en wierp met een slag de
deur achter zich dicht.— — —

Toen Baxter een half uur later op het punt was, de stoep op te gaan
voor het huis der reedersfirma, gekleed in het Grandisoncostuum van
Lister, dat Charly hem op zoo sluwe wijze op den hals had geschoven,
vroeg een bedelaar in armzalige lompen gehuld, hem op deemoedigen toon
om een aalmoes.

Hij zou bepaald zeer verbaasd zijn geweest, als hij de woorden had
gehoord, waarmede deze de ontvangen geldstukjes in zijn zak stak

„Een mooie detective. De almachtige chef heeft mij niet eens herkend en
hij heeft er gisteren toch bijgestaan, toen ik deze bedelaarskleeren
kocht.”

Maar de beroemde uitvinder was het huis reeds binnengegaan, toen de
vloo deze woorden met een heimelijk lachje bij zichzelf mompelde.








ZEVENDE HOOFDSTUK.

ONGEHOORDE VERRASSINGEN IN HET LEVEN VAN EEN DETECTIVE.


Toen Baxter, geheel in zijn rol en vol waardigheid, de treden der stoep
was opgegaan en in de gang rondkeek, werd de kantoordeur geopend en een
jonge man, gekleed in de bruine livrei van een groom, met het daarbij
passende kleine mutsje op het hoofd, kwam met een brief in de hand naar
buiten.

Toen hij de indrukwekkende gestalte en het door grijze haren omringd
gelaat onder den ouden cylinder gewaar werd, speelde een bijna
onmerkbaar glimlachje om zijn mond. Daarop echter ging hij met een
bescheiden gelaatsuitdrukking voorbij, zooals dat den goed opgevoeden
groom uit een aristocratisch huis betaamt.

Maar de oude heer hield hem staande.

„Zeg eens, groom! Is dat daar het kantoor der heeren Spotson? Kan men
den chef der firma misschien te spreken krijgen? Weet gij ook of hij
aanwezig is?”

Charly—want hij was het—bleef beleefd staan en nam zijn bruin
jockeypetje af.

„All right, Sir!” antwoordde hij voorkomend, terwijl hij naar de deur
wees, waaruit hij gekomen was.

„Dat is het kantoor, zooals gij kunt lezen! Voor zoover ik weet, is de
chef aanwezig! Of hij u zal ontvangen, kan ik niet zeggen. Dat moet gij
zelf zien.”

„Wat? Jij onbeschaamde jonge vlegel?! Is dat de manier, waarop fijne
bedienden beleefde vragen beantwoorden?!”

Baxter hief zijn hand op om den brutalen groom een oorvijg te geven.
Voordat hij deze kastijding echter had kunnen toedienen, hoorde men een
klappend geluid en mijnheer de politie-inspecteur had in zijn drift
weer eens aan het kortste eind getrokken en hield zijn hand aan de
pijnlijke, onnatuurlijk roode wang.

De brutale booswicht echter was reeds lang verdwenen.

„Zoo’n schandelijke kwajongen! Het is bijna niet te gelooven! En dat
wil groom zijn in een voornaam huis! Als ik zijn meester kende, zou ik
eens een boekje over dien brutalen aap opendoen!”

Mopperend en zeer ontstemd wendde kapitein Baxter zich naar de deur,
waarop duidelijk het woord „kantoor” en daaronder de naam der
reedersfirma in kleinere letter te lezen stond.

Een vloek mompelend, klopte de groote uitvinder aan de deur.

„Binnen!”

Toen de welgedane gestalte in de oude kleeren den drempel overschreed,
hielden de ijverige pennen der negen klerken als op commando op te
krassen en de procuratiehouder zelf begroette hem met een gelaat waarop
vroolijkheid te lezen stond.

Hij stond op en nam den vreemdeling met onderzoekenden blik op. Op zijn
gelaat lag grenzenlooze verbazing te lezen.

Was het mogelijk, vergiste hij zich of speelde zijn geheugen hem
parten?

Kon deze vierkant gebouwde man met den stierennek een en dezelfde
persoon zijn de magere Mr. Grandison, wien hetzelfde costuum precies
had gepast?

Zijn oogen bleven met een starende uitdrukking op Baxter rusten.

Dat moest, ondanks alle gelijkenis, een bedrieger zijn, misschien zelfs
had hij den goeden, ouden man om het leven gebracht en zich diens
bezittingen toegeëigend!

De procuratiehouder besefte, welke verantwoordelijkheid hij droeg en
besloot, den aanwezigen chef van te voren in te lichten en hem aan te
raden, de politie te laten halen.

„Ah, zeer verheugd, Mr. Grandison, u weer te zien! Gij ziet er heden
uitstekend uit. Gij wenscht zeker, den chef te spreken?”

De kapitein keek den procuratiehouder met open mond aan. Hij was zoo
verrast en verbluft, hier in zijn vermomming reeds bekend te zijn en
zelfs te worden toegesproken met een hem onbekenden naam, dat hij
sprakeloos was en zijn zoo goed ingestudeerde les als groot uitvinder
geheel was vergeten.

Bijna had hij uitgeroepen: domkop, nonsens dat Grandison! Ik ben de
inspecteur van politie Baxter en kom hier om de Matchlesszaak te
onderzoeken.

Maar plotseling meende hij het grijnslachende gelaat van de vloo voor
zich te zien en zijn spottende woorden te hooren: Gij zijt verbazend
knap in de kunst om u te vermommen. Een prachtige detective, om zoo met
de deur in huis te vallen.

Deze gedachten en nog vele andere schoten in een oogenblik door zijn
brein en het was merkwaardig, maar de gedachte aan de vloo gaf hem zijn
vastberadenheid terug.

Onwillekeurig wreef hij met de mouw van zijn jas over zijn versleten
cylinder en daarbij overlegde hij, dat het toch maar het beste zou
zijn, als hij zich den naam, waarmee de procuratiehouder hem toesprak,
toeëigende, opdat deze hem bij den reeder kon aandienen.

Hij kon zijn masker dan naar eigen goedvinden elk oogenblik laten
vallen.

„Ik bied u mijn verontschuldiging aan, Sir! Een uitvinder zooals ik
ben, gaan zooveel gedachten door het hoofd en voor een zoo gewichtige
bespreking—gij begrijpt mij—!”

„Zeker, zeker! Dat hindert niets, Mr. Grandison, dat hindert niets!
Maar mag ik vragen, om welke zaak het handelt?”

„Waarom niet, waarde heer! De naam zal u verder niets van mijn
buitengewone uitvinding verraden dan dat zij een omwenteling beteekent
in de menschelijke cultuur.

„Het is mijn zeer belangrijk antishipwreck-systeem, dat ik Mr. Spotson
ter exploitatie wilde voorleggen!”

„Anti— —wat?—Drommels!”

De procuratiehouder was verbaasd en verscheiden der nieuwsgierige
klerken keken elkaar grijnslachend of met een veelbeteekenend knipoogje
aan.

De procuratiehouder vroeg zich zelf af, of hij misschien te doen had
met een waanzinnige en opnieuw kwam de gedachte bij hem op, dat de
arme, oude magere heer misschien beroofd en vermoord was.

Hij wist zijn tegenwoordigheid van geest echter te bewaren en besloot,
den chef deelgenoot te maken van zijn veronderstellingen.

„Een zeer merkwaardige, hoogst interessante uitvinding, die een groote
verandering zal brengen in den scheepsbouw, Mr. Grandison? Wacht een
oogenblik! Ik zal onmiddellijk gaan zien of gij den chef, die het heden
zeer druk heeft, kunt spreken!”

„Uitstekend, Sir! Doe dat als ’t u belieft! Ik zou dolgaarne een
conferentie willen hebben met den heer Spotson!”

De procuratiehouder boog en spoedde zich naar het particuliere kantoor
van zijn chef.

Baxter krabde zich op het hoofd. De zaak had een eigenaardige wending
genomen.

Hij overlegde ernstig met zichzelf, wat hij zou doen en zeggen en hoe
hij tot het eigenlijke doel van zijn bezoek, het heimelijk uitvorschen
der Matchlesszaak, zou kunnen geraken.

Inderdaad, onder deze omstandigheden was het spelen van zijn rol geen
kinderwerk!

Charly was vlug de trap afgesneld na zijn ontmoeting met den inspecteur
van politie en stak, buiten gekomen, den brief, dien hij in het kantoor
voor Lord Littleham had ontvangen, in zijn zak. Op dit oogenblik zag
hij op eenigen afstand een landlooper, die een vuil steenen pijpje
rookte.

De kleeding van den man viel hem op en zonder te laten blijken, dat de
man hem meer dan gewoon interesseerde, nam hij den bedelaar in lompen
met scherpen blik op.

Hij stak een sigaret aan, langzaam naderkomende en duidelijk merkte hij
op, dat het de kleeren waren, afkomstig van Peter Dirksen.

Dus was deze persoon vermoedelijk de vloo! En deze veronderstelling
werd zekerheid, toen hij op de gestalte van den bedelaar lette.

Hij liet echter niets merken en toen hij den vagebond voorbij liep,
rook hij, dat zijn conclusie juist was. Want de tabak, welke de man
rookte, paste niet bij zijn armzalige kleeren.

Met de verwaandheid van een grootelui’s bediende wierp hij den
bedelaar, met een nederbuigend knikje, een geldstuk toe en slenterde
met de handen in de broekzakken en de jockeypet in den nek, de sigaret
tusschen de lippen, de straat langs.

Hij sloeg de naaste zijstraat in, die naar het Strand en de Theems
leidt en begon nu zoo snel mogelijk te loopen. Hier, bij de hooge
stapels planken der reederij en bij de werven, waar juist de romp van
een Middellandsche zeeboot en eenige jachten op de helling lagen, lag
ook de witgeschilderde motorboot der reeders voor anker.

Toen hij langs de stapels planken kwam, begon hij langzamer te loopen
en wenkte. Eenige oogenblikken later kwamen drie jongens van 12 of 13
jaar uit hun schuilhoeken te voorschijn. Zij zagen er armoedig uit en
liepen op bloote voeten.

„Niets! Geen nieuws!” meldden zij alle drie als uit een mond.

„Wie is de vlugste van jullie?” vroeg Charly en toen de grootste van
hen dat bleek te zijn, koos hij dezen uit en overhandigde hem een
blaadje uit zijn zakboekje.

Hierop stond geschreven: „Vos B. in de val, vos M., bijgenaamd V.
ervoor. Spoedig nieuws. C.”

Met dit briefje zond hij den jongen naar Listers ankerplaats, vanwaar
hij antwoord mee zou brengen. Voor de boodschap zou hij een shilling
krijgen.

De jongen vloog weg als een pijl uit den boog.



„Wat wensch je, Jimmy? waarom kom je zelf? waarom telefoneer je niet?”
vroeg Spotson zijn procuratiehouder, toen deze met een geheimzinnig
gelaat diens heiligdom binnenkwam.

„Ik durfde niet telefoneeren, Mr. Spotson. Luister eens!”

„Zoo? Ik ben geheel oor, ouwe jongen!” antwoordde kapitein Underwood,
die ook op dezen dag tegenover den reeder zat.

De procuratiehouder keek den kapitein met een verwijtenden blik aan,
maar hij had geen lust, met dezen lomperd te gaan twisten.

„De oude heer Grandison is er weer—en zou u gaarne willen spreken—!”

Als een bom in de kamer ontploft was, had de uitwerking niet heviger
kunnen zijn.

„Wat zeg je? Die vervloekte—oude kerel—”

De kapitein was opgesprongen en stond met woedende blikken en in
boksershouding in de kamer.

De reeder was bleek geworden. Zijn gewoonlijk half gesloten oogen waren
wijd geopend, alsof hij de boodschap niet kon gelooven.

„Wat echter het vreemdste is”, vervolgde de procuratiehouder, „heeren,
dat is, dat deze Grandison er vandaag heel anders uitziet. De
grijsaard, die drie dagen geleden nog broodmager en zwak was—”

„Van zwakheid heb ik niets gemerkt, voor den duivel!” viel de kapitein
hem in de rede.

„De oude man is nu zoo welgedaan, dat hij nauwelijks meer in zijn
versleten kleeren kan!”

„Nonsens, Sir! Gij zijt gek geworden! Hoe zou hij in drie dagen dik en
vet zijn geworden, dat geraamte! Al mest hij zich ook als een os! Wat
zeg je van zulk een brutaliteit, Spotson?”

„Ongehoord, kapitein! Maar ik begrijp er niets van! Wij hebben hem er
immers uitgegooid! (Hij knipte met de oogen.) Wat kan hij willen?”

„Misschien heeft deze man den ouden man vermoord, zich al diens
eigendommen en plannen toegeëigend en bovendien zijn kleeren
aangetrokken!”

„Ach, nonsens!—Spotson, die zal mij zeer welkom zijn. Ik zal hem zijn
brutaliteit van eergisteren inpeperen. Hij komt als geroepen! Breng hem
hierheen! Zeg hem, dat wij het plan van zijn anti-lekinrichting hebben
bestudeerd.”

„Hij noemt het nu: anti-shipwreck-systeem—dus geheel anders!”

„Och, jij landrat! Dat is immers hetzelfde, ezel!”

„Dus laat hem hier komen! Wij willen nadere bijzonderheden vernemen, en
met hem confereeren! Zeg hem, dat kapitein Underwood als deskundige bij
mij is. Vertel hem, dat wij van plan zijn, zijn zeer gewichtige
uitvinding van hem aan te koopen”.

„Ik zal hem dadelijk bij u brengen! Maar moeten wij niet de politie—”

„Loop naar de hel met je politie! Als dat maar niet zelf een vermomde
politiespion is!” schreeuwde de kapitein.

„Politie kunnen wij hier juist gebruiken—jij...”

De procuratiehouder hield zijn beide ooren toe en verdween door de
deur, die naar de kantoren leidde.

„Spotson, gauw! Dat is een detective, zooals ik dadelijk vermoedde. Die
moet onschadelijk gemaakt worden! Anders zijn wij verloren!”

„O, beste kapitein! Gij weet, hoe ongaarne ik hier in Londen geweld
gebruik! Kan het niet zonder dat? Hebt gij geen ander idee?”

„Graag of niet! Hier is geen seconde te verliezen! Hebt gij touwen?
Voor den dag ermee—gereed houden!

„En dat hier! Haal ook uw revolver te voorschijn—voor den uitersten
nood!”

„Om ’s Hemels wil, kapitein! Gij wilt toch niet schieten?” jammerde
Spotson.

„Lafaard, die gij zijt en ezel meteen!” riep kapitein Underwood met
gedempte stem en ging met zijn buitengewoon groote en zware revolver
bij de deur staan, waardoor de vermeende Mr. Grandison zou verschijnen.

Spotson opende een lade en nam er een bos touw en zijn revolver uit.

Hij ging tegenover den kapitein staan, maar zwoer zichzelf, niet te
zullen schieten, doch alleen met zijn revolver te dreigen, opdat alles
zonder opzien te verwekken, zou afloopen.

Hij nam, evenals de kapitein, zijn revolver omgekeerd in de hand.

De toebereidselen voor de ontvangst waren gereed.

De beide vechtersbazen stonden met opgeheven revolver rechts en links
van de deur en de kapitein mompelde:

„Ik zal het hem inpeperen, dien spion! Wraak is zoet!”

Op dit oogenblik hoorden zij de stem van den procuratiehouder:

„De heeren zijn in deze kamer, Mr. Grandison. Wilt u maar binnengaan?”

Bij die woorden was de procuratiehouder weer teruggegaan, om zijn negen
klerken en type-juffrouwen niet zonder toezicht te laten.

Onmiddellijk daarop werd er geklopt.

„Kom binnen!” sprak de reeder op gedempten toon, om niet te verraden,
dat hij vlak bij de deur stond.

De deur werd geopend.

De brave Baxter had nauwelijks zijn voet over den drempel gezet, of de
revolver van den kapitein viel als een hamer op Baxters linkerslaap
neer en onmiddellijk daarop sloeg aan den anderen kant de reeder met
alle kracht toe.

De versleten cylinder rolde de kamer in en de inspecteur van politie
zakte bewusteloos in elkaar.








ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE TEGENSPOED VAN SCOTLAND YARD.


Snel als de bliksem waren de beide revolvers verdwenen. Kapitein
Underwood pakte met nijdig gebaar den bewusteloozen „Grandison” bij
zijn beenen en trok hem verder de kamer in.

De reeder keek even rond en luisterde een oogenblik, doch toen hij
niets verdachts bemerkte, sloot hij voorzichtig de deur en grendelde
haar.

De kapitein was ondertusschen neergeknield en greep brutaalweg in den
borstzak van de oude jas en haalde er een welvoorziene portefeuille uit
te voorschijn.

Triomfantelijk hield hij den reeder, die juist ook de deur naar de
voorkamer afsloot, een visitekaartje onder de oogen:

„Wat zegt ge nu, Spotson?”

De reeder had er nauwelijks een blik op geworpen, of hij werd vaalbleek
en was een flauwte nabij. Hij moest zich aan de tafel vasthouden.

„Inspecteur van politie Baxter!” stamelde hij. „Underwood, wij zijn
verloren! Als Scotland Yard ons op de hielen zit, zijn wij verloren.
Alles zou men ons eerder vergeven, dan dat wij ons aan den eersten
beambte van Scotland Yard hebben vergrepen!” sprak hij weeklagend. „Ik
zie geen uitkomst meer!”

„Loop naar den duivel! Gij lijkt wel een oud wijf, dat alleen maar
jammeren en klagen kan. Heb ik niet dadelijk gezegd, dat het een
detective was? Voelde ik niet dadelijk den sterken arm?—

„We zullen niet zoo dom zijn, om Scotland Yard aan den neus te hangen,
wat wij hebben gedaan.

„Buitendien, de Theems is diep en de zee dichtbij. Niemand zal
vermoeden, wat er met dezen ezel van een inspecteur van politie, die
bij ongeluk detective is geworden, is gebeurd. Kom, help mij liever om
hem vast te binden en te knevelen, wanneer hij eens eerder mocht
bijkomen dan ons lief is”.

Dit werkje was door Underwood’s geoefende zeemanshand spoedig
volbracht. De ongelukkige inspecteur van politie lag voor dood op de
canapé van den reeder uitgestrekt en was niet alleen goed gebonden,
doch had nog bovendien een in elkaar gedraaiden, witten zakdoek van den
reeder als knevel in den mond.

Voorloopig echter was hij nog volkomen bewusteloos, want de houw van
den robusten kapitein zou zelfs een stier hebben neergeslagen, dus zeer
zeker een mensch, al bezat hij een krachtig lichaam zooals Baxter.

„Wat moeten we doen, wat moeten we doen, Underwood?” riep Spotson,
handenwringend. „Is het niet beter, dat we met het verzekeringsgeld
over den grooten vijver verdwijnen en daar onder een anderen naam
opnieuw beginnen?”

„Hou nu toch eindelijk eens op met dat gelamenteer, oud wijf! Geef me
liever een goede oude Schotsche whisky en neem er zelf ook een. Dat zal
uwe zenuwen sterken, laffe kerel!”

Spotson haalde zuchtend een aangebroken flesch uit een buffet en schonk
twee wijnglazen vol.

Ze namen beiden een flinken slok.

Daarna onderzocht Underwood de portefeuille van den inspecteur van
politie wat nauwkeuriger en vond daarin diens zilveren penning, het
legitimatiebewijs van Scotland Yard, dat hij in koelen bloede in zijn
vestzak stopte.

Bovendien nam hij de bankbiljetten ten bedrage van ongeveer drieduizend
mark in verschillende waarden en gaf er 1500 van aan Spotson.

„Ik wil er niets van hebben, Underwood. Laat ze er toch in. Dat zou
immers roof zijn!”

„Ik wist niet, dat ge zoo’n nauwgezet geweten hadt, edele ziel! Doch
het helpt u niets. De helft ervan komt u toe. Mee geslagen, mee
gestolen!—ik sta er op!”

De reeder stak zuchtend de biljetten in zijn eigen portefeuille en
dronk zijn glas leeg.

„Nu zal ik u eens wat zeggen, Spotson. Ga dus zitten en luister!”

Spotson nam aarzelend plaats tegenover Underwood en fluisterde:

„Wat zullen we doen?—Geef eens raad, Underwood. Help ons uit het
moeras, waarin wij ons bevinden”.

„Natuurlijk,” riep de kapitein nijdig. „Wat zou ik dan anders! Hou uw
mond toch, Spotson, en bedwing uw zenuwen, die ge anders ook niet
bezit. Er is nog heelemaal geen reden om te wanhopen. Brutaal, zooals
we zijn begonnen, moeten we ook eindigen, anders kunnen we niet op
succes rekenen. Het zal gauw vier uur zijn en dan verlaten de arbeiders
de werven”.

„Over tien minuten, vier seconden”, bevestigde Spotson, die op zijn
chronometer had gekeken. „Hoor daar gaan juist de klerken. Wacht eens!
Ik zal de procuratiehouders ook dadelijk met een opdracht wat vroeger
wegsturen en ook de dokopzichters, opdat we vrije baan hebben naar de
Theems, want er zal wel niets anders overblijven”.

„All right! Daar Spotson! Nu ken ik u weer! Anders verlangde ik niets.
Het „hoe” bespreken we later.”

Spotson verliet stil de kamer. Kapitein Underwood stak een sigaar op en
liep met de armen over elkaar op en neer om zijn misdadige plannen te
smeden.



De armoedige schooier stond nog altijd met zijn eindje sigaar tegen den
hoek van Spotson’s huis geleund. Hij begon zich echter langzamerhand te
vervelen.

Toen hij ongemerkt op zijn horloge keek, merkwaardig bezit bij zoo’n
haveloozen bedelaar, zag hij de klerken uit het huis komen.

Om niet op te vallen, begon hij wat heen en weer te loopen.

Hij verveelde zich verschrikkelijk en werd al tamelijk ongerust bij de
gedachte aan Scotland Yard. Hij was zich bewust, hier zonder
toestemming te staan, daar Baxter hem op het bureau waande. Men kon hem
in hechtenis nemen vanwege de waardevolle acten, aanteekeningen,
photographieën en vingerafdrukken, die daar bewaard werden, en waarvan
het verlies niet zou zijn te herstellen; men zou hem ervoor
verantwoordelijk stellen, daar hij de plaats had moeten innemen van den
inspecteur van politie.

Hij haalde de schouders op.

Baxter moest zich maar alleen redden.

Na kort beraad liep Marholm op een draf weg en had spoedig Scotland
Yard bereikt.

Een knaap, die reeds langen tijd in de nabijheid van den Vloo had
rondgeslungeld, nam direct notitie van zijn aftocht en verdween
eveneens snel tusschen de werven, waar Charly reeds op hem wachtte.

Eindelijk kwam de kleine, sluwe knaap onhoorbaar naderbij geslopen.

„De bedelaar is weg!” meldde hij vergenoegd. „Die kan zijn beenen goed
bewegen!” fluisterde hij grijnslachend.

„Daar heb je drie shillings! Pas hier op, totdat ik terugkom. Ik zal
ginds eens even kijken!”

„Pst!” waarschuwde het geslepen ventje. „De menschen gaan weg! Het is
vier uur.”

Inderdaad passeerden de arbeiders in rijen de schuilplaats van Charly.
Het tweetal trok zich nu nog verder terug in de schaduw der
houtstapels.

De jongen loerde om den hoek en legde toen den vinger op zijn mond.

„De chef!” sprak hij zacht. „Hij praat met den opzichter.”

Charly beduidde den jongeling te blijven staan, want het scheen hem dan
tijd zich nader op de hoogte te stellen van Baxter’s verblijf.

Hij sloop daarom buiten om het plaatsje, nam onderweg den tweeden brief
van zijn voorgewenden Lord uit zijn zak en snelde om den hoek direct op
het huis af.

Ofschoon hij zich de eerste maal van de zijde van den reeder en den
kapitein een scherpe terechtwijzing op den hals had gehaald en naar het
kantoor was gestuurd, besloot hij ook nu brutaal aan de achterdeur zijn
geluk te beproeven.

Hij drukte voorzichtig op den deurknop.

De deur was gesloten of gegrendeld.

Doch hoe zacht het geluid ook was geweest, Underwood had het toch
vernomen.

„Is daar iemand?” vroeg hij op luiden toon. „Ben jij het, Spotson?”

„Ja, ik ben het!” antwoordde Charly met groote brutaliteit en ging zoo
staan, dat hij een blik in de kamer kon werpen, terwijl hij zich toch
met een sprong zou kunnen verwijderen.

Kapitein Underwood kwam vloekend naar de deur toe en ontgrendelde die.
Daarop draaide hij ook den sleutel om en opende haar.

„Wel voor den donder! Alweer die vervloekte spion van een bediende!
Brutale leugenaar! Hoe durf je zeggen, dat je Spotson bent. Wacht eens,
ik zal je een souvenir geven, mijn jongen, dat je zal heugen!”

Maar Charly had al genoeg gezien. Hij had duidelijk de bewegenlooze
gestalte ontdekt op de sofa en deze onmiddellijk aan de welbekende
kleeren herkend.

De kapitein van politie lag daar bewusteloos of misschien zelfs dood en
was in de macht van deze beide schurken, die niet voor deze nieuwe
misdaad terugdeinsden.

Charly had zich tijdig door een behendigen sprong buiten het bereik van
den kapitein weten te brengen.

„Dan geef ik den brief van Zijn Lordschap in geen geval af. Hij is ook
niet voor u. Vaarwel, mijnheer, en geloof gerust, dat ik zelf u een
souvenir zal geven, zoodra ik meer tijd heb dan heden.”

Underwood haalde met een vloek zijn revolver te voorschijn en zou zich
niet hebben ontzien om midden in Londen op klaarlichten dag op een
mensch te schieten.

Maar Charly was reeds met groote behendigheid verdwenen.

„Vervloekte spion!” mompelde Underwood en stak met een vuurrood gelaat
zijn wapen weer bij zich.

„Het krioelt van detectives!” riep hij woedend uit. „Ik kom ook tot
Spotson’s conclusie, dat het het beste is”, hierbij wees hij naar den
nog steeds bewusteloozen Baxter, „om over den grooten vijver te
verdwijnen, vooral, omdat het ons niet aan baar geld ontbreekt.”— —








NEGENDE HOOFDSTUK.

RAFFLES REDT DEN INSPECTEUR VAN POLITIE.


Charly was intusschen zoo snel mogelijk naar zijn post teruggekeerd.

De jongen berichtte hem, dat de opzichter was heengegaan en dat de
stuurman intusschen naar de witte motorboot was gegaan, waarmede hij
waarschijnlijk wilde afvaren.

Inderdaad begon de motor op dit oogenblik te snorren.

Charly begreep, dat het doelloos was om hier nog langer te wachten. Hij
verzocht den jongen, nog een half uur op deze plek te blijven en op te
passen.

Hij zou er bij gelegenheid nog een fooitje voor krijgen.

Daarop snelde hij zelf naar het ontmoetingspunt aan het Strand, dat hem
door Lister was opgegeven en was spoedig aangekomen op deze plaats, die
niet ver van de werven van Spotson verwijderd was.

Hier lag een statige, blauwgrijze motorboot aan de kaai gemeerd en
daarbij stonden twee heeren in zeemanskostuum, waarvan de een de met
goud geborduurde pet van den kapitein of eigenaar droeg.

Charly had zijn meester reeds van verre herkend.

„Ach, Charly”, sprak deze, toen hij zijn bediende zag, „je kent dezen
heer, ingenieur Burton, zeker niet meer? Mijn secretaris Charly Brand!”
stelde hij voor.

De beide heeren begroetten elkaar vriendelijk en drukten elkaar de
hand.

„Edward”, begon Charly nu te vertellen, „er is geen tijd te verliezen!
Ik kan mij vergissen, maar ik geloof, dat wij een misdaad moeten
voorkomen!”

Hij berichtte nu in korte woorden, wat hij had beleefd en gezien.

Lister dreigde hem met den vinger.

„Nu zie je eens, wat je hebt uitgericht, mijn beste jongen. Nu zit die
arme inspecteur van politie leelijk in de val!—Maar in ernst! Je hebt
gelijk met je veronderstelling! Zij zullen nu wel weten, wie in mijn
Grandisoncostuum steekt.

„Uit vrees voor ontdekking zullen zij nu zeker trachten, elk spoor van
hun misdaad uit te wisschen. Daartoe biedt hun een vaart in hun
motorboot de beste gelegenheid!

„Het is eigenlijk grappig, dat ik mijn aartsvijand te hulp kom! Ik doe
het echter, omdat ik jou een slecht geweten wil sparen, lieve Charly!”

„Ach, Lister, doe je maar niet slechter voor dan je bent. Je kunt het
immers niet laten om in te grijpen, als er een misdaad voorkomen moet
worden.

„Daar komt bij, dat het hard voor ons zou zijn om den braven inspecteur
van politie te verliezen, die ons zoo menig vroolijk uur bezorgt, al is
het ook tegen zijn zin! Maar haast je, Edward, anders komen wij te
laat!”

Lister wendde zich met een vragenden blik tot den ingenieur, die zich
gedurende het gesprek tusschen Lord Lister en Charly eenigszins had
verwijderd.

„Zouden wij het kunnen wagen?”

„Ongetwijfeld, Mylord, de motorboot „Dolfijn” van Uw Lordschap is
geheel te uwer beschikking”.

„Nu, vooruit dan, jongens, aan boord!”

De ingenieur en Charly gingen vooruit, terwijl Lister volgde.

„Ga mee naar beneden, Charly! Misschien kan je Burton bij den motor
helpen. Ik neem het commando op mij!”

Beide heeren verdwenen naar beneden, terwijl Lister boven bleef op de
plaats, die bestemd was voor den stuurman. Van hieruit kon hij de
geheele boot, die verder door een ovale overkapping was afgesloten,
overzien.

De motor begon te werken, doch bijna geruischloos, daar het een
electromotor was.

Zonder dat eenige beweging werd bespeurd, gleed het trotsche vaartuig
snel voorwaarts.

Lister hield zijn scherpen verrekijker voor de oogen.

Over de door de ondergaande zon donkerblauw en lila gekleurde Theems,
wier verre oevers waren bezaaid met huizen, villa’s, dokken en
scheepshellingen, naderde op grooten afstand een klein, wit
motorbootje, waarop zich twee mannen schenen te bevinden.

Lister stuurde het motorjacht zoo, dat hij volgens voorschrift het
bootje rechts moest voorbijvaren, om het later te kunnen volgen,
wanneer hij het vaartuigje als dat der reeders zou hebben herkend.

Op dit oogenblik echter herkende Lister door zijn scherpen kijker,
duidelijk de gezichten der hem zoo welbekende schurken Spotson en
Underwood.

Lister begon op dit oogenblik van opgewondenheid te beven, iets, wat
hem niet dikwijls overkwam en zijn oogen werden onnatuurlijk groot.

Hij zag, hoe de misdadigers zich bukten en daarna een menschelijke
gestalte, stijf als een doode, in de hoogte hieven. Door zijn kijker
kon hij zelfs de touwen onderscheiden, waarmee de ongelukkige gebonden
was.

Plotseling—een forsche zwaai—de geknevelde gestalte vloog over boord en
was in de golven der rivier verdwenen.

Nu echter geschiedde iets onverwachts!

Lister floot luid door de spreekbuis en drukte een hevel, die zich vlak
bij hem bevond, naar beneden.

Het platform, waarop hij stond, daalde en tegelijkertijd werd de
onoverdekte plaats, waar hij zich bevond, door een overkapping
afgesloten.

Op hetzelfde oogenblik snelde hij naar een eenigszins verhoogd punt op
het voorschip, waar hij door verschillende lenzen een uitstekend
uitzicht naar alle kanten had.

De motorboot van zijn Lordschap was namelijk, toen Lister had gefloten,
door de bekwame hand van ingenieur Burton onder de oppervlakte van de
Theems gedoken, want het was een onderzeesche boot, volgens Lister’s
ideeën met groote kundigheid door zijn vriend, ingenieur Burton,
gebouwd.

Lister had de leiding van het vaartuig op zich genomen en daar het zijn
eerste zelfstandige vaart was, waren zijn spanning en opgewondenheid
niet gering.

Hij had eerst door de spreekbuis bevolen: „Vierde snelheid!” waarna de
onderzeesche boot als een pijl onder water vooruit was geschoten. Nu
gaf hij het bevel: „tweede snelheid en stoppen!”

Daarop draaide hij langzaam den hevel om, om weer op te duiken.

Binnen eenige seconden bevond de prachtige boot zich weer aan de
oppervlakte.

„Terug naar de kade! All right!” riep Lister en snelde naar zijn
standplaats op het achterdek terug.

Hier drukte hij op een knopje. De overdekking schoof uiteen en
tegelijkertijd kwam, als een lift, de vloer weer naar boven.

Een blik vol zegepraal schoot uit Lister’s oogen.

Dwars op het voordek lag de bewegenlooze gestalte van den geknevelden
inspecteur van politie, die door de snelle manoeuvre van de
onderzeesche boot, welke Lister juist, toen zij zich onder het zinkende
lichaam bevond, had laten opduiken, van een zekeren dood in de golven
op het laatste oogenblik was gered.

Lister boog zich zoover hij kon voorover en trok met beide handen het
lichaam naar zich toe, totdat dit vlak bij hem lag.

Intusschen had de motorboot haar oude aanlegplaats aan de kade weer
bereikt en Lister beval door de spreekbuis:

„Stoppen en naar buiten komen!”

Hij wierp den schipper, die uit het bootwachtershuisje kwam den ketting
toe, welke door den man aan den aanlegpaal werd vastgemaakt.

Charly en Burton kwamen nu naar boven.

Charly was nog vol geestdrift over den tocht onder water, den eerste,
dien hij had meegemaakt.

Maar toch was er een zacht verwijt te lezen in den blik, dien hij zijn
vriend toewierp.

Hij dacht namelijk niet anders dan dat Lister tevergeefs had gevaren en
dat de beide misdadigers met hun slachtoffer niet te vinden waren
geweest.

Plotseling echter struikelde hij bijna over het lichaam van den
bewusteloozen inspecteur van politie, die in het druipnatte
Grandisoncostuum niet te herkennen was.

„Mijn Hemel, Lister, jij kunt alles! Maar leeft hij? Is hij niet
verdronken?”

„Prachtig, Mylord! Ik begrijp, hoe gij het hebt gedaan, uit uw
commando’s heb ik het opgemaakt!”

Bij die woorden nam Burton zijn pet vol eerbied af.

„Ik geloof, dat een dergelijk bewijs van bekwaamheid u zelfs bij het
Britsen Zeevaartkundig genootschap den titel van commandant der
onderzeesche booten had doen verwerven!”

„God weet dan ook, dat ik al mijn krachten heb ingespannen. En nu,
jongens, aangepakt! O wee, de arme inspecteur van politie heeft een
zakdoek in den mond. Dat is bedenkelijk! Eruit dat ding!”

Lister verwijderde voorzichtig de geïmproviseerde prop en nu vernam men
duidelijk de ademhaling.

Toen Lister zijn oor op Baxter’s borst legde, hoorde hij het hart zwak,
maar toch merkbaar kloppen.

„Die zakdoek zal misschien hebben belet, dat hij al te veel water naar
binnen kreeg”, meende de ingenieur. „Misschien ook heeft het koele
water verfrisschend gewerkt.”

Intusschen hadden met behulp van den schipper, Charly en Burton den
druipnatten Baxter opgenomen en in het bootenhuisje neergelegd.

Op eenigen afstand van hen stond een bedelaar in lompen gekleed, die
elk hunner bewegingen met verbazing en vol belangstelling volgde.

„Zullen wij hem op het hoofd zetten en pogingen doen om de
levensgeesten weer op te wekken?” vroeg Charly.

„Onnoodig! Het gaat hem, de omstandigheden in aanmerking genomen,
voortreffelijk! Hij zal spoedig weer tot bewustzijn komen.”

„Beckers, giet hem een beetje whisky in den mond, dat zal helpen! Wij
hebben hem zooeven uit de Theems opgevischt!” sprak Lister tot den
schipper.

Hij wierp dezen een geldstuk toe.

„Weet gij, wie het is?”

De schipper had met een bedankje het geldstuk in den zak gestoken en
zijn pruim in den anderen mondhoek geschoven.

„Ik heb er geen flauw vermoeden van, mijnheer!”

Lister legde zijn vinger op den mond en fluisterde:

„Onmiddellijk herkend, ondanks vermomming. Inspecteur van politie
Baxter van Scotland Yard!”

Beckers zette groote oogen op.

„Dat had ik nooit gedacht! Is dat een feit?”

„Het is, zooals ik zei, maar nu vaarwel. Wij moeten van avond nog
varen. Gentlemen, aan boord!”

Charly was zoo vol geestdrift over de daad van zijn vriend, dat hij
niet kon nalaten, uit te roepen:

„Hiep hiep, hiep, hoera voor de motorboot „Dolfijn” van den Lord!”

Lister dreigde hem glimlachend met den vinger.

Daarop gingen zij alle drie achter elkaar van boord.

Beckers maakte den ketting los van den paal en wierp ze Charly toe.

Geruischloos verwijderde het prachtige vaartuig zich steeds sneller en
sneller en stuurde Theems afwaarts.

De bedelaar op de kade keek de boot na en fluisterde verheugd:

„De motorboot „Dolfijn” van den Lord! Goed, dat ik den jongen hierheen
ben gevolgd! Mijn lieve John Raffles, alias Lord Lister, nu zijt gij
aan ons overgeleverd en geen macht ter aarde zal u nu aan onze vingers
doen ontsnappen!”

Marholm had in een der heeren, die zich aan boord begaven, dadelijk
John Raffles herkend, wiens uiterlijk door de zeemanskleeren weinig
veranderd was.

Met brandende oogen keek hij het fiere vaartuig na, zonder te
vermoeden, wat eigenlijk de voornaamste bijzonderheid der boot was.

Daarop begaf hij zich snel naar het bootenhuisje en wijdde al zijn
zorgen aan zijn chef, die daar binnen op een harde, houten rustbank lag
en die juist weer tot zichzelf begon te komen.

De groote ontdekking, welke hij had gedaan, dit wist Marholm wel, zou
het beste middel zijn om Baxter spoedig de doorgestane ellende te doen
vergeten.








TIENDE HOOFDSTUK.

DE GEHEIMEN VAN DEN BODEM DER ZEE.


De motorboot Dolfijn doorkliefde intusschen geruischloos de
donkergroene golven van de steeds breeder wordende Theems, aan wier
oevers langzamerhand, nu de avond viel, aan weerskanten lichten
opdoken, die hun schijnsel over het water wierpen.

Lister stond aan het stuur en keek naar een zeekaart, waarop het
vaarwater nauwkeurig was aangegeven.

Intusschen bevond Charly zich bij ingenieur Burton in het ruim, waar
honderden voorwerpen en tallooze toestellen langs de cirkelronde wanden
zijn bewondering opwekten.

De ingenieur der onderzeesche booten schepte behagen in de
weetgierigheid en geestdrift van Charly en beloofde hem, dat hij hem
les zou geven in deze technische wetenschap en hem op de hoogte brengen
van het besturen der onderzeesche booten.

Het was intusschen volkomen donker geworden.

Steeds verder weken de lichten der Theemsoevers van elkaar, Eastend en
Sheerness kwamen in het gezicht met hun vuurtorens en reeds beschreef
de Dolfijn, die nu de golven der Noordzee doorkliefde, een halven
cirkel om de Oostelijke klippen van Zuid-Engeland en nam onder Lister’s
bekwame hand koers naar het Kanaal.

Charly was intusschen naar den Grooten Onbekende gegaan en vroeg:

„Waarheen gaat de vaart?”

Lister glimlachte fijntjes.

„Je zult spoedig genoeg te zien krijgen, Charly, om je weetgierigheid
te stillen.

„Tot zoolang moet je echter geduld hebben. En nu naar beneden!”

Raffles liet zijn zoeklicht schijnen om zich te oriënteeren.

Toen Charly naar beneden was gegaan, floot Lister in de spreekbuis en
drukte de handel vóór hem neer. Weer daalde het platform, waarop hij
stond, als een lift en boven hem sloot zich als een koepel van stalen
platen de opening in het ovale bovendek.

Diepe stilte heerschte aan boord van de onderzeesche boot, die
onmiddellijk, nadat Lister had gefloten, was ondergedoken en die met
afnemende snelheid nog dieper onder het wateroppervlak zonk.

Nu waren alle geluiden, die men tot nu toe gedurende de vaart aan de
oppervlakte van den zeespiegel had vernomen, gedempt en zelfs het
zachte en bestendige snorren van den electrischen motor was niet in
staat om de stilte te verbreken.

Door een ventiel, dat op mechanische wijze werd geopend, toen de boot
onderdook, stroomde genoeg van de in stalen flesschen gecomprimeerde
lucht naar buiten om te zorgen, dat er in de boot een voldoende
hoeveelheid lucht voorhanden bleef.

Af en toe gaf Lister een kort bevel om dieper te gaan, waarop men
telkens de tanden der in elkaar grijpende stuurraderen hoorde
klapperen.

Lister riep een commando in de spreekbuis.

Men vernam het zachte rinkelen van een ketting en met een ruk bleef de
boot stilliggen, terwijl tegelijkertijd het snorren van den motor
ophield.

Met groote, glinsterende oogen over al deze nieuwe dingen had Charly
gedurende de vaart terneer gezeten, stom van verbazing en toch zoo
gelukkig als een kind, dat een blik mag slaan in een nieuwe,
schitterende wereld.

Nu kwam Lister naar hem toe.

„Kom met mij mee naar voren, Charly”, sprak hij, „je zult nu iets
wonderlijks te zien krijgen.”

Daarop draaide hij aan een rad en plaatste een sterk zoeklicht op den
bodem van de boot.

Charly keek verbaasd en zwijgend naar deze maatregelen.

Lister echter knielde op den bodem neer en keek onder zich.

Charly gaf een luiden gil!

Dat was de zee, de bodem der zee!

„Wij zijn verloren, Lister! De bodem splijt vaneen, het zeewater
stroomt naar binnen! O, kijk—dat—daar liggen lijken op den bodem der
zee!”

„Och, jij dwaze jongen! Als het zeewater naar binnen stroomde, dan zou
je den bodem der zee met al zijn verschrikkingen en wonderen niet meer
kunnen zien!

„Het is de doorzichtige bodem van de boot, die anders door stalen
platen is afgesloten, een onbreekbare glazen wand, waardoor je kijkt.

„Het is mijn vinding, en het gelukte ons pas na verscheiden proeven om
dit zoo te maken. Voor verschillende doeleinden heb ik deze inrichting
samengesteld.”

Lister keek met onderzoekenden blik naar beneden en begaf zich weer
naar het voorste gedeelte van de boot, die eveneens van electrische
zoeklichten was voorzien.

Hij gaf door de spreekbuis een bevel en de motor begon zacht te
snorren.

„Stop! Anker!” riep Lister en onmiddellijk daarop rinkelde de
ankerketting en de Dolfijn lag vast op den zeebodem.

„Kom eens hierheen, Charly!” riep Lister.

„Groote God! Wat is dat daar vlak voor ons?! Ach—ik zie—ik zie het—!”

„Dat is de gespleten romp van de stoomboot „Matchless”, die hier tegen
de rotsen liep en versplinterd werd!”

Inderdaad verhief zich vóór hen, als een zwarte en hooge massa, door
midden gesneden door de scherpe rotswanden, de romp van het gestrande
schip.

Reeds was het bezet door schelpdieren en zeekwallen en vreemdsoortige
visschen, slangachtige amphibieën en dikke roggen, plomp van vorm,
zwommen en krioelden er omheen en verdwenen door de versplinterde
planken en gebroken vensters der hutten naar binnen.

Maar reeds knielde Lister opnieuw op den bodem neer, waar het zoeklicht
alles in het rond daghelder bescheen.

En wat daar werd onthuld, wat anders diep onder de oppervlakte der zee
voor menschelijke blikken verborgen bleef, was ontzettend. Lister’s
hart klopte onstuimig van haat tegen de beide schurken, die uit vuile
hebzucht niet voor een dergelijke onmenschelijke daad waren
teruggedeinsd.

Opgezwollen lijken, aangevreten door het ongedierte der zee, klaagden
met verglaasde oogen de beide misdadigers aan. Vele hunner, vooral
onder de beter gekleede passagiers, hielden nog hun eigendommen in
koffers en tasschen in de verteerde hand, terwijl balen en kisten,
zooals zij uit den verbrijzelden scheepsromp waren gevallen, op den
bodem der zee verstrooid lagen.

„Ha! Eindelijk!” riep Lister vol inwendige ontroering. „Het bewijs! Het
bewijs!”

Bijna ademloos riep hij door de spreekbuis:

„Drie meter voorwaarts! Zes meter bakboord!”

De ankerketting ratelde. De motor snorde een oogenblik, daarop begon de
boot zich te bewegen.

Het anker was voor de tweede maal uitgeworpen.

Opnieuw begaf Lister zich naar den doorzichtigen bodem en terwijl hij
scherp naar beneden keek, draaide hij met de rechterhand een wiel rond,
dat zich in den rechterwand van de boot bevond.

„O, wat is dat?” riep Charly verschrikt uit. „Kijk eens! Daar beneden
wordt een der kisten als door twee vangarmen opgenomen! Is dat een
zeemonster?”

„Stel je gerust, Charly! Dat zijn de vangarmen van ons grijptoestel!
Wij zullen meteen naar boven gaan!”

Inderdaad gaf Lister nu het bevel om het anker te lichten en weer op te
duiken.

Duidelijk hoorde men de stuurraderen in elkaar grijpen en nadat Lister
op den daartoe bestemden knop had gedrukt, schoof geruischloos een
stalen plaat over het doorzichtige gedeelte.

Nu vernam men ook het zachte gesnor en had het gevoel alsof de
onderzeesche boot van ligging veranderde.

Binnen eenige minuten was het vaartuig aan de oppervlakte der zee
gekomen en het achterdek werd weer door Lister geopend.

Door een toestel, dat voorzien was van een net, een uitvinding van Lord
Lister, werd de kist uit de vangarmen van het grijpapparaat genomen en
in het ruim gebracht.

Het bewijs van de misdaad was nu voorhanden.

Op het deksel der kist stond, eenigszins verbleekt door het lange
verblijf in het zeewater, maar toch duidelijk leesbaar: „Lyonsche
zijde”; en daaronder: „Matchless No. 85”.

Snel had Lister met behulp van Charly het deksel verwijderd en nadat de
emballage was verwijderd, die uit een soort waterdicht taf bestond,
kwam de waardelooze inhoud voor den dag: paklinnen, inplaats van
kostbare zijde!

Charly sloot het deksel weer en dacht, dat nu het doel der vaart was
bereikt.

Maar Lister ging nogmaals duiken en het gelukte nog een tweede kist van
dezelfde soort, gemerkt no. 70 en tegelijkertijd een platten koffer te
grijpen, zooals die door de matrozen worden gebruikt.

De kist vertoonde denzelfden inhoud en de koffer, eveneens van het merk
„Matchless” voorzien en die met behulp van Lister’s steeksleutels werd
geopend, bevatte behalve de geringe eigendommen van den ongelukkigen
matroos, ook de doorweekte en nauwelijks leesbare brieven en
scheepspapieren van den verongelukte.

Nadat dit alles eveneens in veiligheid was gebracht, sloeg het vaartuig
zijn weg weer in langs de zuidkust van Engeland en had nog voor het
aanbreken van den dag Sheerness bereikt.








ELFDE HOOFDSTUK.

LORD LISTER ALS AMATEUR-DETECTIVE.


Reeds gedurende den tocht had Lister zijn plannen vastgesteld.

In een der bewuste zijdekisten der oneerlijke reeders had hij een brief
gelegd, waarop in reuzenletters stond vermeld:

„Monsters zijdewaren der firma Spotson and Sons, verzekerd voor 50,000
pond. Een bewijsstuk van den bodem der zee voor Scotland Yard!”

Het was vroeg in den morgen, toen zij landden.

Om geen tijd te verliezen, liet Lister de motorboot onder toezicht van
den ingenieur achter, nadat men haar tusschen grootere schepen, die
daar voor anker lagen, zoodanig had gemeerd, dat zij vanaf de Theems
niet gemakkelijk was te herkennen.

Charly had op bevel van zijn meester al twee automobielen besteld. In
de eene liet Lister de kisten zonder merk en den matrozenkoffer
brengen, terwijl de andere auto de tweede kist met de aanteekening voor
Scotland Yard opnam.

In de eerste nam Lister zelf, in de tweede Charly plaats, die zijn kist
tot dichtbij Scotland Yard zou brengen en vandaar door een aparten
kruier naar de geheime politie zou laten bezorgen, zonder zichzelf aan
gevaar bloot te stellen.

Lister reed ondertusschen met de beide andere stukken naar de
verzekeringsmaatschappij, die kapitein Underwood hem in een gesprek met
zijn medeplichtige, zonder aan een mede-hoorder te denken, had
verraden.

Hij kwam met een chauffeur, die hiertoe met het oog op de in uitzicht
gestelde flinke fooi direct bereid was, overeen, met hem van kleeding
te verwisselen, hetgeen op een stil punt van de landstraat in de
gesloten automobiel spoedig en ongemerkt was geschied.

Hierna nam Lister, als chauffeur totaal onherkenbaar, voorop naast den
als zeeman gekleeden autobestuurder plaats, en het voertuig had door
zijn groote snelheid spoedig de voorstad achter den rug en hield in de
in Oostelijk Londen gelegen Burleystreet stil voor het deftige huis der
verzekeringsmaatschappij van Mssrs. Mopkins and Chawl.

Toen Lister, die zich door middel van een zijner
phantasie-visitekaartjes als „Tom W. Murphy, particulier detective”,
had aangediend, aan de heeren zijn twijfel had kenbaar gemaakt, of bij
den ondergang van de Matchless alles wel eerlijk was toegegaan,
antwoordden deze bevestigend, doch haalden tevens de schouders op.

„Mijn hemel! Onze agenten hebben in Marseille alles gecontroleerd en
niets bevonden, en thans is eenig bewijs zeer zeker onmogelijk!” merkte
de oudste firmant, Mr. Mopkins, op.

„Die meening ben ik niet toegedaan!” antwoordde Lister lachend. „Mijn
voorstel is juist in uw voordeel. Wanneer ik u geen bewijs breng,
behoeft ge geen cent te betalen. Doch wanneer ik u een zoodanig bewijs
lever, dat gij beslag op uw verzekeringsbedrag kunt leggen (naar ik
meen: 50,000 pond sterling), maak ik aanspraak op een vijfde van het
bedrag, d.i. dus 10,000 pond, als honorarium! Gaat ge daarmee
accoord?”

De firmanten wisselden een hoopvollen blik, en zoowel Mr. Mopkins als
Mr. Chawl spraken hun goedkeuring uit.

Tegelijkertijd werd op verzoek van Lister een soort contract in duplo
opgemaakt en door de contractanten van weerszijden onderteekend.

Toen Lister dit contract in zijn zak had, zei hij:

„Met uw verlof, heeren!”

Hierna liep hij naar het raam, opende het en keek naar buiten. Hij
klapte driemaal hard in de handen. Daarop sloot hij het raam weer.

„Wat zoudt ge wel zeggen, als ik het overtuigend bewijs in handen had,
dat de heeren Spotson en kapitein Underwood, die op één kaart spelen,
uit winstbejag de Matchless op de klippen lieten loopen?”

„Dat is haast niet aan te nemen, Mr. Murphy!” riepen de beide eigenaren
der verzekeringsmaatschappij als uit één mond. „De verzekering dekt
immers ternauwernood de waarde der kostbare Lyonsche zijdewaren!”

„Ge zult spoedig een monster der kostbare zijdewaren uit Lyon te zien
krijgen!” antwoordde Lister met een ironisch glimlachje.

Hij liep naar de deur en opende deze, want hij had in de gang
voetstappen gehoord.

De als zeeman gekleede chauffeur, die zelf den koffer droeg, stond er
voor met twee kruiers.

Op een wenk van Lister kwam het drietal naar binnen en zette de
voorwerpen neer voor de verbaasde oogen der firmanten.

Lister verzocht den chauffeur beneden op hem te wachten en gaf den
kruiers een fooi. Daarna ging de deur dicht achter het drietal.

Men kan zich nauwelijks de verontwaardiging der heeren voorstellen over
dat snoode bedrog en over de onmenschelijke wreedheid, waarmee de beide
schurken zooveel menschenlevens hadden opgeofferd aan hun hebzucht.

Letters, nummers, grootte der kisten, alles klopte met die van de
„Matchless”. De brutaliteit, deze kisten met zeildoek en paklinnen te
vullen, deed de heeren verstomd staan.

Ten slotte werd men nog van de geloofwaardigheid van den zoogenaamden
Mr. Murphy overtuigd door den bescheiden platten koffer van den
matroos. Daarin toch bevond zich een boekje, waarin de nauwgezette
kerel dag voor dag tot het oogenblik van het vergaan korte
aanteekeningen had gemaakt.

Het scheelde niet veel, of de heeren Mopkins en Chawl hadden den
pseudo-chauffeur als hun redder omhelsd. Want na uitbetaling van deze
groote som, die gelukkig nog maar ter beschikking van de heeren Spotson
and Sons gesteld, doch door de bank der firma nog niet uitbetaald was,
zou de maatschappij groote moeite hebben gehad om zich boven water te
houden.

Op raad van Lister liet de firma, in afwachting van eene gerechtelijke
beslissing, hierop beslag leggen.

Tegelijkertijd evenwel gaf zij opdracht aan de Bank van Engeland om het
bedrag van 10,000 pond sterling voor den heer Murphy op het tegoed van
den heer Shaw uit Chicago over te schrijven.

Ook belde de firma dadelijk Scotland Yard op, om mede te deelen, dat de
heeren Spotson en Underwood ter wille van het verzekeringsbedrag het
stoomschip Matchless hadden laten stranden, en dat zij werden verdacht
te willen vluchten.

De heeren Mopkins en Chawl voelden zich gelukkig en drukten „Mr.
Murphy” telkens weer onder dankbetuigingen de hand.—

Toen de auto op Lister’s verlangen Scotland Yard was voorbijgesuisd,
daar hij gaarne de uitwerking wilde zien van zijne zending zijde en het
telefoongesprek, liet hij op een plein in de buurt stoppen en bleef,
schijnbaar in gesprek met den zeeman, bij den motor staan.

In werkelijkheid echter keek hij naar de beide ingangen door de
binnenplaats en aan den voorgevel.

Hij had nog geen tien minuten gewacht, of hij zag vier
dienst-automobielen met tal van manschappen der geheime afdeeling uit
de poort van het plein komen.

Buiten gekomen, verdeelden de beambten zich in twee groepen, om het
huis der firma Spotson te bezetten.

„All right!” fluisterde Lister glimlachend. „Dat treft prachtig. Alles
uitgevlogen. Dan kunnen wij wel een beetje rondsnuffelen in de
vertrekken van den braven inspecteur van politie!”

Hij gaf den chauffeur een wenk om te wachten en sloop naar binnen.

Tien minuten later trad een slanke politie-agent, wiens uniform nogal
op den groei was berekend, met een bundeltje uit het portaal van
Scotland Yard en liep regelrecht naar den chauffeur in zeemanskleedij.

„Hier, chauffeur, hebt gij uw autopakje terug!” zei hij lachend en
wierp hem het bundeltje toe. „Wees zoo goed het zeemanskostuum weer uit
te doen, opdat ik deze wijde en toch lastige politie-uniform kan kwijt
worden!”

De chauffeur was stom van verbazing; hij had zich echter spoedig
verkleed en even snel had Lister zich binnen in den wagen, die
ondertusschen met snelheid naar Sheerness terugreed, weer in zijn
elegante zeemansuniform gestoken.



Wanneer de politie-inspecteur Baxter het ironisch glimlachje had
gezien, dat om Lord Lister’s, alias John Raffles, mondhoek speelde, zou
hij niet met zooveel vertrouwen zijn tweeledig voornemen zijn begonnen.

Hoezeer het hem ook te moede was na de lotgevallen van den vorigen dag,
hij was vervuld van haat en wraakzucht. Hij had gezworen zoowel de
misdadige reeders in hechtenis te nemen, als eindelijk eens met John
Raffles, alias Lord Lister, af te rekenen, hoewel deze hem nog pas het
leven had gered.

Inderdaad had de inspecteur van politie, woedend en verontwaardigd over
zijne voortdurende nederlagen, bovendien geplaagd door hevige
hoofdpijn, zijn maatregelen voor beide gevallen zóó voorzichtig en
uitgebreid genomen, dat zelfs de Vloo verbaasd stond over zijn
omzichtigheid en energie en een succes in beide zaken voor
waarschijnlijk hield.

De kist met het kenteeken van de Matchless, die nog naar zeewater rook,
haar duidelijke inhoud en de oproep van de verzekeringsmaatschappij,
wier naam Baxter uit de couranten kende als solide, gaven hem volkomen
recht aldus op te treden.

Baxter had zichzelf gezworen John Raffles nog heden eene verrassing te
bereiden, waartegen zelfs deze geniale tegenstander niet opgewassen zou
zijn. Hij had zijn netten zoo fijn gesponnen, dat er niets anders
overbleef voor John Raffles, dien rustverstoorder in zijn ambtelijk
leven, dan zich over te geven.

Met gemengde gevoelens ging de Vloo hierbij de toekomst tegemoet. Het
deed hem leed om John Raffles, die hem zoo menig genoeglijk uurtje had
bezorgd. Gaarne had hij Raffles nog willen waarschuwen, doch hij zag
geen kans zich ongemerkt te verwijderen.

Baxter scheen bovendien iets dergelijks te vermoeden, daar hij
Marholm’s voorliefde voor Raffles kende. Hij was dus thans meer dan
wantrouwend en verloor de Vloo geen oogenblik uit het gezicht.

Inderdaad had Baxter juist gezien. Raffles had geen vermoeden, dat de
Vloo hem had herkend, en bovendien lag de landingsplaats zeer gunstig,
daar dichtbij de electrische tram voorbijging, die hem vrij snel naar
de door hem en Charly bewoonde villa bracht.

Toen hij na een snellen autotocht, die een paar uur had geduurd, zich
weer op de kade van Sheerness bevond, vond hij reeds Charly en
ingenieur Burton daar aanwezig.

Zij gingen in een fijn restaurant eten, bezochten een der café’s, waar
men een heerlijk uitzicht heeft op de Noordzee en slenterden daarna nog
eenigen tijd, een sigaar rookend, langs het strand.

Daarna meende Lister, dat het tijd werd om terug te keeren.

Zij namen weer plaats op de prachtige motorboot en de Dolfijn nam haar
koers naar Londen.

De avond brak aan en aan de beide Theemsoevers flikkerden reeds hier en
daar lichten, toen het snelle vaartuig het bootenhuisje van Beckers
naderde.

Op dit oogenblik kwam hun een stoombootje van de havenpolitie tegemoet,
zooals de vlag op den achtersteven aanduidde en, toen Lister naar
rechts wilde uitwijken, werd hem dit belet door een motorboot, die
eveneens de ambtsvlag voerde.

Lister glimlachte en floot door zijn tanden.

„Wij zijn toch vlugger!” mompelde hij.

Een bevel door de spreekbuis en de prachtige motorboot gehoorzaamde aan
het roer en was, voordat de beide regeeringsvaartuigen waren genaderd,
met een handigen draai van koers veranderd.

Maar tot zijn verbazing zag Lister, dat hij zich ook hier tegenover een
sterk bemande politieboot bevond en, om den kring te sluiten en elk
ontkomen onmogelijk te maken, kwamen zoowel van den rechter als van den
linkeroever nog twee roeibooten met tot aan de tanden gewapende
politieagenten opdagen.

Plotseling hoorde hij van de stoomboot vóór hem een bekende stem.

„Geef u over, John Raffles, alias Lord Lister! Gij zijt naar alle
kanten ingesloten, elke tegenstand is nutteloos. Gij ontsnapt mij niet
meer! Ik ben het, inspecteur Baxter! Geef u over en dwing ons niet, van
onze wapens gebruik te maken!”

Daarop sprak Baxter tot zijn manschappen:

„Niet schieten! Wij moeten hem levend hebben!”

En hij commandeerde:

„Gereed houden om te enteren!”

Lister glimlachte spottend.

„Mijn brave Baxter, nu heb ik u die mooie zaak van de Matchless in
handen gegeven. Toen gij in de Theems laagt, heb ik u eruit gevischt en
u het leven gered. En tot dank wilt gij mij arresteeren en zoo mogelijk
in verzekerde bewaring brengen! Eigenlijk zijt gij toch een ondankbare
kerel! Maar ga uw gang en pak mij.

„Waarom zullen wij wedden, Baxter, dat gij mij niet krijgt. Laten wij
zeggen om 500 pond sterling, dat is een bagatel!”

„Vijfhonderd pond?” riep Baxter hoonend uit. „Het is mij goed. Maar ik
zal ze incasseeren, als ik win, John Raffles en dat gebeurt!
Voorwaarts, mannen, maakt er een einde aan! In naam der wet, John
Raffles, gij zijt— — —!”

„Adieu, mijn brave, dankbare Baxter! Vergeet het niet! Gij zijt mij 500
pond schuldig!”

Terwijl hij deze woorden sprak, had Lister den handel neergedrukt. Een
kreet van verbazing weerklonk uit de monden der manschappen, want
plotseling dook de onderzeesche boot diep onder water en Lister liet
haar zoo diep duiken, dat zij onder de boot waarop Baxter zich bevond,
doorschoot en in snelle vaart onder water zulk een afstand aflegde, dat
vervolging onmogelijk was geworden.

„De motorboot is gezonken! John Raffles heeft zelfmoord gepleegd!” riep
de inspecteur teleurgesteld uit.

„Zal ik u eens wat zeggen, inspecteur?” sprak de havenmeester, die
naast Baxter stond: „— —onderzeesche boot— —!”

„Vertel toch geen nonsens, kapitein! Alsof de onderzeesche booten zoo
maar voor het grijpen waren! Daaraan behoeven we niet te denken!”

De Vloo schaterlachte om deze nieuwe grap van Lister en om de
teleurstelling van zijn chef en barstte opnieuw in een onbedaarlijke
lachbui uit, toen Baxter eenige uren later in Scotland Yard een
telegram ontving van den volgenden inhoud:


        „Mijn waarde Baxter!

    „Vergeet niet, dat gij mij 500 pond schuldig zijt en neem mij niet
    kwalijk, dat ik mij die voor het gemak zelf heb gehaald! Gij moest
    u in Scotland Yard echter beslist een betere brandkast aanschaffen,
    want deze is niet meer voldoende! Terwijl ik u den raad geef, om
    voortaan beter op te passen, als gij met mij wedt (waarom wedt gij,
    dat gij het altijd zult verliezen!) groet ik u.

                                    „Uw
                                        JOHN C. RAFFLES.”


Baxter was buiten zich zelf van woede en hij gaf Marholm zelfs een
oorvijg, toen deze zich niet kon bedwingen en in een luid gelach
uitbarstte.

Bij onderzoek bleek namelijk, dat uit de brandkast werkelijk 500 pond
waren ontvreemd maar ook geen penny meer.

Dit bedrag moest de inspecteur natuurlijk bijpassen.

Lister las in den trein tusschen Sheerness en Londen, dat de schipbreuk
van de Matchless gewroken was.

In deze zaak tenminste had Baxter succes gehad.

Kapitein Underwood was in een wanhopig gevecht doodgeschoten, de
reeder, de schurk Spotson, wachtte zijn veroordeeling af in de
gevangenis.











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0056: DE MOTORBOOT „DOLFIJN" ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.