The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0051: De veertig dieven
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Lord Lister No. 0051: De veertig dieven
Author: Kurt Matull
Theo von Blankensee
Release date: June 6, 2026 [eBook #78819]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78819
Credits: The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0051: DE VEERTIG DIEVEN ***
LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 51 DE VEERTIG DIEVEN.
DE VEERTIG DIEVEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE ZEE-ADELAAR.
In de haven van San Diego lag dichtbij het Mexicaansche fort de
trotsche, Amerikaansche kruiser „Florida”, commandant kapitein Dalton.
Het schip lag pas vier-en-twintig uur in de haven en de matrozen
hielden zich bezig met het dek te schrobben en alle sporen van de lange
zeereis uit te wisschen, die den zeeman even erg hinderen als een
vlekje in het linnengoed de nette huisvrouw.
Op het dek, achter de commandobrug, zat de commandant, kapitein Dalton.
Een jonge man, die naast hem in een gemakkelijk Japansch stoeltje zat,
was Charly Brand in tropenkleeding en op eenigen afstand van hen zaten
mevrouw Delma en haar dochter.
Af en toe namen zij hun verrekijkers op, om aan den horizont naar
schepen te zoeken.
„Binnen twee uur kan, volgens mijn berekening, de „Zee-adelaar”, hoewel
het het beste en snelste jacht is dat ooit de Atlantische Zee heeft
bevaren, niet hier zijn!” sprak commandant Dalton.
„Gij moet uw ongeduld bedwingen, dames!”
„Gij kunt niet gelooven, commandant,” antwoordde madame Delma, „hoe ik
er naar verlang Lord Lister terug te zien, om hem te danken voor alle
avonturen waarin hij zich voor ons heeft begeven.
„Deze man komt mij voor als een der helden uit de middeleeuwen, een van
die ridders, die zonder vrees of blaam den kamp met een draak wagen, om
onschuldigen tegen de woede van een dergelijk monster te beschermen.”
„Gij hebt gelijk,” antwoordde de commandant. „Lord Lister is een van de
merkwaardigste naturen, die misschien sinds eeuwen op deze wereld
hebben bestaan. Ik tel mij zelf tot zijn grootste bewonderaars.
„Ik moet eerlijk bekennen, hoewel ik zelf niet bang ben voor den
duivel, dat ik niet begrijp, waar Lord Lister den moed vandaan haalt om
al zijn waagstukken te ondernemen.”
„Het zijn niet eens allemaal waagstukken te noemen,” vervolgde mevrouw
Delma. „Ik geloof, dat wij er een beter woord voor kunnen gebruiken:
het zijn heldendaden!”
„Ik geef u gelijk,” sprak de commandant, „ik zelf heb oneindig veel aan
zijn heldenmoed te danken, dat wil zeggen, eigenlijk niet ik, maar mijn
moeder.”
De dames en Charly Brand keken vol aandacht naar den spreker.
„Mogen wij weten, wat voor een heldendaad het is geweest, waarvoor gij
Lord Lister dank verschuldigd zijt?”
„Het is verscheiden jaren geleden,” begon de commandant te vertellen,
„en ik lag met mijn schip in Boulogne-sur-Mer. Ik verwachtte mijn
moeder uit Londen en was tamelijk ongerust, daar een zeer hevige storm
op het Kanaal woedde.
„Het is veel veiliger om het Kanaal te passeeren in een mijner booten,
dan op zulk een oud, niet zeewaardig Fransch stoomschip.
„Kort en goed, als gij de haven Boulogne-sur-Mer kent, zult gij weten,
dat het voor stoombooten onmogelijk is daar binnen te loopen en dat zij
de passagiers per roeiboot aan wal moeten brengen.
„Met mijn stoomsloep voer ik naar den stoomer en kwam er juist op het
oogenblik, toen de kleine havenstoomboot, overladen met passagiers,
zich gereed maakte het stoomschip te verlaten, om naar de haven te
varen.
„Mijn moeder, die mij had gezien, wenkte mij met haar zakdoek.
„Op dit oogenblik werd het schip door een golf opzij geworpen......
„Een luid geschreeuw weerklonk uit veler mond—en juist daar, waar mijn
moeder had gestaan, had de golf verscheiden personen in de branding
geworpen.
„Met veel moeite verhinderden mijn dekofficieren en matrozen mij om in
het water te springen.
„Het stond gelijk met zelfmoord, om zonder zwemgordel, zich alleen
verlatende op zijn lichaamskracht, den strijd met de golven te durven
aanvaarden.
„Van boord der stoomboot werden reddingsgordels en kurken vesten naar
de drenkelingen geworpen, maar voordat zij deze konden bereiken, waren
de ongelukkigen door de sterke golven ver van het schip gedreven en
worstelden zij wanhopig met den dood.
„Daar zag ik plotseling tot mijn verbazing, hoe een man, met een kurken
vest in de hand, van de verschansing sprong.
„Een nieuwe kreet van ontzetting weerklonk....
„Met een stoomsloep trachtte ik de ongelukkigen te naderen en het
gelukte mij ook twee jonge mannen, even voordat zij zouden zinken, aan
de golven te ontrukken.
„Mijn moeder echter kon ik niet ontdekken.
„Zij was waarschijnlijk door den stroom reeds van het land weggedreven.
„Radeloos van smart trachtte ik nog eens mij in het water te storten.
„Tevergeefs.
„Mijn brave jongens hielden mij stevig vast en weigerden voor het eerst
in mijn leven om mij te gehoorzamen.
„Ja, een van hen, mijn oude bootsman, hief zelfs zijn vuist op en
schreeuwde:
„„Kapitein, voordat gij in het water springt en u nutteloos opoffert,
geef ik u een slag op den schedel, dat gij minstens een uur lang in uw
kajuit voor anker moet liggen. Voor mijn part laat gij mij daarna aan
een ketting leggen!”
„En weer klonk een kreet van boord van de stoomboot.
„Een van mijn officieren riep plotseling:
„„Hij heeft haar gegrepen!”
„En daarop telephoneerde hij naar de machinekamer: „Volle stoom!” en
den stuurman beval hij: „Koers Noordoosten, naar het havenhoofd!”
„Wat in de volgende seconden gebeurde, kan ik niet zeggen. Ik werd als
in schroeven vastgehouden door de stevige vuisten mijner matrozen, en
daarna— — —
„Als in een droom zag ik uit de ziedende golven mijn moeder opduiken en
vlak naast haar de gestalte van een man.
„Een oogenblik later hadden mijn matrozen het tweetal, dat om hun leven
vocht, gegrepen en weldra waren zij gered van den dood.
„Mijn moeder lag bewusteloos in mijn kajuit en ik deed mijn best om
haar levensgeesten weer op te wekken.
„Een kurken vest was om haar lichaam gedaan en had haar belet te
zinken.
„Eindelijk werd al onze moeite beloond. Mijn moeder opende de oogen en
wij omhelsden elkaar, vreugdetranen stortend.
„Ikzelf noch mijne officieren hadden erop gelet, dat zich als zwijgend
toeschouwer nog iemand in de kajuit bevond, die nu, nu de drenkelinge
weer bijgekomen was, even kuchte en sprak:
„„Pardon, commandant, maar ik zou u vriendelijk willen verzoeken, mij
aan droge kleeren te helpen. Ik druip, alsof ik pas uit het water was
gekomen.”
„Ik ben in mijn geheele leven nog nooit zoo geschrokken als op dat
oogenblik.
„Ik staarde naar den gentleman, die inderdaad zoo nat was, dat het
water nog steeds uit zijn kleeren stroomde.
„Eerst nu begreep ik, dat ik aan dezen man de redding mijner moeder te
danken had.
„En toen ik nu opstond en, waarschijnlijk ten gevolge van den schrik,
slechts in staat was om eenige verlegen dankbetuigingen te uiten,
maakte hij een buiging en sprak op een toon, alsof hij tegenover mij in
een balzaal stond:
„„Sta mij toe, dat ik mij aan u voorstel: Lord Edward Lister.”
„Ik geloof, dat ik een zeer verbaasd gezicht heb gezet, toen ik dezen
naam hoorde.
„Uit de kranten had ik herhaaldelijk den naam van den Lord gehoord, in
verband met vermetele avonturen en mij een voorstelling van hem gemaakt
als van een Rinaldo Rinaldini.
„Ik was zoo verbluft, dat ik niet in staat was, mijn naam te noemen,
maar weer de een of andere domheid mompelde.
„Kort en goed, vier-en-twintig uur later zat ik met Lord Lister en mijn
moeder samen in Parijs en voelde mij zeer aan hem verplicht, niet
alleen omdat hij de redder van mijn moeder was geworden, maar ook omdat
hij voor mij de meest sympathieke persoon was, dien ik ooit had
aangetroffen.
„Sinds dien tijd zijn Lord Lister en ik door de innigste vriendschap
verbonden en daarom heb ik mij, toen ik zijn brief had ontvangen,
toestemming verschaft van het ministerie van marine in Washington om
een oefeningsvaart in de Mexicaansche wateren te doen, ten einde onder
den dekmantel van deze zee-expeditie u en uwe belangen te kunnen
dienen.”
„Ik begrijp alleen niet”, mengde zich Charly Brand nu in het gesprek,
„hoe Lord Lister aan den „Zee-adelaar” is gekomen, waarvan gij vertelt,
commandant, dat het het snelste jacht is, dat er op het oogenblik
bestaat.”
„Heel eenvoudig”, glimlachte commandant Dalton, „ik kreeg een telegram
van hem in New-York, waarin hij mij verzocht, hem door mijn
tusschenkomst een goed zeiljacht, dat te koop was, te bezorgen.
„Toevalligerwijze heeft een van mijn vrienden, de zoon van den
katoenkoning May, genoeg van de zeilsport en zoodoende was het
zeiljacht te koop.
„Door een telegram kreeg ik toestemming om te beschikken over het
zeiljacht, dat eerst kort geleden was teruggekomen van een reis naar
Indië en nu in de haven van New-York lag.
„Ik liet door een agent manschappen aanwerven en zond die, zooals Lord
Lister dat wenschte, naar Vera Cruz.
„Ik deelde hem mee, dat wij de haven niet konden binnenloopen, zooals
het oorspronkelijke plan was, en dat het voor hem en voor ons beter zou
zijn, elkaar hier in San Diego aan de Pacific-kust te ontmoeten.”
„Hoe weet gij, commandant, dat het jacht binnen twee uur hier moet
zijn?”
„Doodeenvoudig”, antwoordde de commandant lachend, „dat kan ik naar de
snelheid der beide schepen nauwkeurig berekenen. Mijn kruiser maakt 14
knoop per uur en de „Zee-adelaar” zelfs 16, met volle zeilen.
„Bereken ik nu zijn snelheid evenals die van mijn kruiser, tegenwind en
dergelijke bij omstandigheden in aanmerking genomen, dan verkrijg ik na
aftrek der 24 uur, die wij als voorsprong hadden, het resultaat, dat
hij in den loop der volgende twee uur de haven van San Diego moet
bereiken.”
„Ik heb nog nooit gehoord”, sprak Madame Delma, „dat een zeiljacht een
grootere snelheid kan hebben dan een stoomboot.”
„Natuurlijk”, antwoordde de commandant, „maar het is ook een
uitzondering. Deze „Zee-adelaar” echter is van het beste mahoniehout
gebouwd, is een tweemaster en heeft een constructie van zeilen, zooals
men die niet vernuftiger uit zou kunnen denken.
„In Amerikaansche vakkringen noemen wij het jacht gewoonlijk „de
Vliegende Zwaan”.
„Gij zult zelden weer zulk een dergelijk vaartuig te zien krijgen als
de „Zee-adelaar”.”
Nu sprak Charly Brand:
„Daar Lord Lister een hartstochtelijk sportsman is en jaren lang zelf
een zeiljacht heeft bezeten, zal hij ongetwijfeld zelf de leiding op
zich hebben genomen.”
„Zeker”, antwoordde de commandant, „ik ken van eenige zeilwedstrijden
Lord Lister als een omzichtig en ervaren zeiler.
„Dat is hem als Engelschman aangeboren. Een zijner voorvaderen van
moederszijde was, naar ik hoorde, admiraal Nelson.”
Op dit oogenblik dreunde van de zijde der buitenhaven een schot, als
teeken, dat een schip de haven naderde.
„Let eens op, dames”, riep commandant Dalton uit en hij stond op om
zich naar de commandobrug te begeven, „dat zal onze vriend zijn.”
Daar de havenmond van de plek waar zij lagen, niet te zien was, moesten
zij nog even geduld hebben, totdat plotseling, als een reusachtige
witte vogel, met glinsterend witte zeilen, de „Zee-adelaar” inderdaad
de haven binnenkwam.
De verschijning van het schip wekte de levendige bewondering op van de
havenarbeiders en zeelieden.
Ieder legde het werk neer en bewonderde de sierlijkheid en de
prachtvolle manoeuvres, die het schip uitvoerde, toen het vlak bij den
Amerikaanschen kruiser voor anker ging liggen.
De wolken van wit linnen, die den „Zee-adelaar” omhulden en hem bijna
het uiterlijk gaven van een boven het water zwevenden luchtballon,
verdwenen en werden door de matrozen aan de ra’s bevestigd.
„Nu, dames,” sprak commandant Dalton, „heb ik u te veel van het schip
verteld?”
„Neen!” antwoordde madame Delma. „Ik heb nog nooit zulk een prachtig
zeiljacht gezien. Dat is werkelijk een vliegende zwaan en gij ziet, dat
alle zeelui, evenals ik; vol bewondering zijn voor het jacht.”
Op dit oogenblik werd een boot aan boord van het jacht losgemaakt en
duidelijk zagen commandant Dalton en zijn passagiers, hoe Lord Lister
met verscheiden matrozen in de boot sprong, om naar den kruiser te
roeien.
Na eenige minuten klauterde Lord Lister langs de valreep van den
kruiser naar boven en schudde den commandant vol vreugde de handen.
„Een voorspoedige reis gehad?” vroeg hij, „een wonderlijk schip, ik heb
bijna voortdurend vijftien knoopen gemaakt.”
Daarop wendde hij zich tot de dames en sprak:
„Wel, madame Delma, het doet mij genoegen u in Mexico te zien. Laat ons
hopen, dat het mij gelukt om nu dat te bereiken wat gij wenscht.”
Zij drukten elkaar de hand en mevrouw Delma sprak:
„Ik zegen dezen dag, die u bij mij heeft teruggebracht, mijn dappere,
trouwe ridder. Een anderen naam kan ik u niet geven.”
Nu kwam Charly Brand naar voren en vroeg:
„Ben je alleen op het jacht?”
Een sombere trek vertoonde zich op het gelaat van Raffles en hij
antwoordde:
„Ik ben alleen!”
„En waar is Carmen Marquez, je verloofde?”
„In Vera Cruz,” antwoordde Raffles.
„Gaat het haar goed?” vroeg nu madame Delma vol werkelijke
belangstelling, hoewel het de zuster van haar doodsvijand betrof.
„Ja,” antwoordde Raffles, „het gaat haar beter dan ons allen!
„De ontberingen en gruwelen der verre reis, die wij tot Vera Cruz
moesten maken, en een aanval van de gele koorts, hebben mijn zon, die
op zoo zeldzame wijze mijn levenspad was komen bestralen, vernietigd.
Carmen Marquez is vandaag vóór drie weken gestorven.”
Een angstige stilte maakte zich van de aanwezigen meester.
De machtige dood deed hun de hoofden buigen.
Na eenige oogenblikken echter trad madame Delma naar Raffles toe, greep
zijn handen en sprak op warmen, hartelijken toon:
„Gij arme, arme man!”
Maar Raffles wierp fier het hoofd in den nek, als wilde hij het
onverbiddelijke noodlot het hoofd bieden, en antwoordde met een harde
uitdrukking op het gelaat:
„Gij vergist u, madame, men moet van het leven niet meer verlangen dan
het kan geven. Ik ben zeer dankbaar, want ik heb aan de zijde van
Carmen Marquez de gelukkigste en onvergetelijkste dagen van mijn leven
genoten.
„De herinnering daaraan zal voor mij altijd het beste blijven wat de
wereld mij kon geven.
„Zoo, en nu verzoek ik u, niet meer van de dooden te spreken. Een
levende, uw echtgenoot, heeft onze hulp noodig!
„Laat ons samen overleggen, op welke wijze wij hem kunnen helpen.”
„Vóór alles,” vroeg commandant Dalton, „zijn uw scheepspapieren in
orde? De Mexicanen, die zelf schurken van de allerergste soort zijn,
vermoeden in elk vreemd schip een spion of smokkelaar.”
„Ik voorzag dit,” sprak Raffles, „en heb daarom voor mijn afreis
scheepspapieren van het Custom-House genomen, om langs de Pacific-kust
te mogen visschen en kruisen. Bovendien heb ik den naam van de boot
veranderd en noem deze „Carmenrita”.
„Ik deed dit, opdat Marquez of zijn vriend in Guaymas, gouverneur
Matteo, wanneer zij van den een of anderen spion inlichtingen omtrent
mij mochten verkrijgen, niets omtrent mijzelf of de boot te weten
zouden komen.
„Denk er dus aan, dat mijn boot voortaan heet „Carmenrita”.
„Ik denk, dat wij reeds vandaag de haven verlaten om naar Guaymas te
varen. Eerst daar kunnen wij met onze Mexicaansche operaties beginnen.”
„Allright,” antwoordde commandant Dalton, „en nu moet gij mij het
genoegen doen om mij mee te nemen aan boord van uw jacht, opdat ik
kennis kan maken met uw bemanning.”
Eenige minuten later riep de stuurwacht aan boord van het jacht in zijn
scheepsroeper:
„Boat coming from the men-o-war!” (oorlogsschip) en de zeilmeester
Tylar met stuurman en matrozen sprongen op dek en stelden zich in rij
en gelid.
Commandant Dalton monsterde met echten zeemansblik de manschappen en
toen hij met John Raffles in diens hut zat, sprak hij:
„Geen goed volk, dat gij aan boord hebt.”
„Dat weet ik, maar ik houd ze met ijzeren tucht in bedwang. Het is een
moeilijke tijd voor ons, zeilers”, vervolgde Raffles, „fatsoenlijke lui
willen geen dienst meer doen op een zeilschip, zij gaan op
stoomschepen.”
„Wel”, sprak commandant Dalton, „houd die jongens vooral in de gaten,
ik denk, dat gij nog last er mee krijgt.
„Zoodra de vloed opkomt, zal ik met mijn kruiser de haven verlaten, om
direct koers te nemen naar Kaap Lucas.”
„Ik zal u binnen eenige uren volgen.”
„Pardon”, antwoordde commandant Dalton, „het zou beter zijn, als gij
eerst eenige dagen in de haven bleeft om eerst dan naar Guaymas te
zeilen.”
Daarop verlieten beiden het jacht weer en begaven zich aan boord van
den kruiser, waar commandant Dalton een souper voor Raffles en zijn
officieren gaf.
Terwijl Raffles zich aan boord van den kruiser bevond, stond Tylar op
dek met een Zweed, Jurgens genaamd, een blauwoogig, breedgeschouderd
gezel. Zij rookten hun pijpje en de Zweed mompelde:
„Weet je, Charly, als je flink bent, dan stoor je je eindelijk eens aan
mij.
„Dit schip, waarop wij ons bevinden, is het eenige, dat een vaart zou
kunnen doen om opium te smokkelen. Ik verzeker je, Charly, de
gelegenheid zal zich niet zoo gauw weer aan ons voordoen en Wou-Wang
betaalt ons voor dit schip wel minstens 50,000 dollar contant, behalve
het geld, dat wij met meerdere opium reizen kunnen verdienen.
„Wij zullen als rijke lui naar huis terugkeeren.”
En Tylar, een Ier van geboorte, spuwde het bruine tabakssap in het
water en sprak:
„Ik durf best! Maar de duivel hale ons, als de zaak niet gelukt! Dan
zijn wij voor altijd onze scheepspapieren kwijt en worden wij misschien
aan den mast van een Engelsch of Fransch schip ter versiering
opgehangen. Het is een gemeene streek, die wij van plan zijn uit te
halen.”
„Jij bent een lafaard”, antwoordde Jurgens, „ieder van onze bootslui
heeft meer moed dan jij! Maar wij kunnen er nog wel eens weer over
spreken. Eerst zullen wij eens ziens, wat voor zaken onze baas hier in
Mexico te verhandelen heeft.
„Dat hij hier rondkruist om visschen te vangen, dat geloof ik niet! Wie
weet, wat voor visschen dat zijn.”
„Mij komt het er naar voor”, sprak Tylar, „alsof de Amerikaan de een of
andere afspraak heeft met onzen baas. Misschien moet er hier in Mexico
nog wel gevochten worden.”
Jurgens spuwde weer in het water en sprak:
„Des te beter voor ons. Ik ben er altijd bij als er wat te vechten
valt.”
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Eenige dagen later dreef het prachtige jacht als een vogel de haven van
Guaymas binnen, waarin ook de Amerikaansche kruiser lag.
Het was avond en de lichten schenen uit de geopende scheepsluiken.
John Raffles, die zich aan boord van zijn jacht bevond, keek vol
belangstelling naar de prachtige haven.
Daar lag dus alles voor hem.
De gestolen goudmijnen, de paarlenbanken, waarvoor hij dezen
avontuurlijken tocht had ondernomen.
Hij had de armen over de borst gekruist en keek met gefronst voorhoofd
naar de kust.
Zou het hem gelukken, den buit te ontrukken aan den geopenden muil van
den Mexicaanschen leeuw?
Het was werkelijk een moeilijker arbeid dan de brandkasten van de
Engelsche Bank te openen.
Daar lag de oude, historische stad, omgeven door woeste bergen, voor
hem.
Hier had eenmaal Fernando Cortez van gouden rotsen gedroomd, hier was
eenmaal de hoofdstad van Montezuma geweest!
Naar het Noorden verhieven zich hoog in de lucht de Tetas di Cabra en
hun blauwe, wazige toppen schenen met den hemel samen te vloeien.
Naar het Zuiden lag als een geweldig, reusachtig ondier Kaap Haro en
beschutte de haven tegen den woesten Oceaan.
Achter die kaap lag het land der Yaquis en de geroofde goudmijnen.
Dat wil zeggen, geroofd, zonder dat de bezitter er eenig voordeel van
kon hebben.
En ergens in dat groote, rotsachtige amphitheater bevond zich de
fabelachtige, groote schat aan goud, die door Delma uit de mijnen was
gehaald en op een geheime plek voor zijn doodsvijand was verborgen.
De ankers van het jacht werden neergelaten en de snelle oceaanvogel
moest gehoorzaam blijven liggen.
Terwijl Raffles naar het fiere, oude fort keek, in welks casematten de
ongelukkige Delma smachtte, riep de schildwacht:
„Een boot komt van de haven!” en aan dek kwam de havenofficier, om met
Raffles te spreken over de plaatsen van herkomst en bestemming van het
schip.
Binnen een half uur had hij de scheepspapieren gevisiteerd en waren de
formaliteiten afgeloopen.
Raffles begaf zich nu in zijn hut, om zich gereed te maken, daar hij
het schip wilde verlaten.
Toen hij weer op dek kwam, riep hij Tylar en beval dezen:
„Laat de boot in gereedheid brengen en zorg ervoor, dat geen uwer aan
land gaat, voordat ik het toesta!”
„Wel, kapitein!” antwoordde Tylar, „twee van mijn manschappen dachten,
omdat zij niets meer te doen hadden, dat zij aan land mochten gaan en
zijn met de boot van den havenofficier meegevaren.”
„Zeg hun, dat zij hun gage van mij kunnen halen en niet meer aan boord
mogen komen!”
Tylar zette een verlegen gezicht, maar antwoordde:
„Allright, kapitein!”
„Wie zijn de beide lieden?” vroeg Raffles verder.
„Diego en Tolkins.”
„Goed,” antwoordde Raffles, „gij weet, wat gij te doen hebt. Let er op,
dat de ankers goed vast moeten liggen, want hier is dikwijls
onbetrouwbare wind.”
Daarop begaf hij zich naar commandant Dalton.
Terwijl hij daar met de beide dames en Dalton hun verdere plannen
besprak, zat Diego, een Spaansche matroos, in het bureau van den
havencommandant en had een glas madeira voor zich staan.
Hij sprak tot den officier:
„De duivel moge mij halen, oude kameraad, als ik iets begrijp van dat
jacht en zijn vaart.
„Zoover ik gemerkt heb, wil de kapitein noch revolutie, noch spionnage,
noch zaken drijven!
„Maar—al die Yankees zijn vervloekte dieven en men moet oppassen!
„De gouverneur wenscht in elk geval eenige opheldering omtrent het
zonderlinge bezoek van den Amerikaanschen kruiser en nu weer van het
Amerikaansche jacht.
„Daar steekt iets achter!
„Jij moet mij dus, als je ook maar het minste opmerkt, onmiddellijk
bericht daarvan geven.
„Voorloopig betaalt de gouverneur Matteo je tien dollars voor je
diensten!”
De officier wierp den matroos tien dollars toe, welke deze met een
grijnslach in zijn zak liet glijden.
Daarop verliet hij het bureau, om zich weer aan boord te begeven.
Een half uur later trad hij met een luiden vloek weer naar den
havenofficier toe en sprak:
„De duivel moge mij halen, ik heb mijn ontslag gekregen en mag niet
weer aan boord terugkomen. Mijn kameraad Tolkins is het precies zoo
gegaan.”
De havenofficier reikte hem de hand en sprak:
„Trek je er niets van aan, Diego. Uit het feit, dat je niet meer aan
boord moogt terugkomen, is het mij nog duidelijker geworden, dat de
Amerikaan hier den een of anderen streek wil uithalen.
„Ik zal moeite voor je doen bij den gouverneur.”
Een uur later, nadat de havenofficier bij den gouverneur was geweest,
kregen de geheele havenwacht en de soldaten het bevel om dubbel scherp
dan zij tot dusverre hadden gedaan, acht te geven op de beide schepen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
IN DE CITADEL.
Het was laat in den avond van den tweeden dag, toen John Raffles in de
nabijheid van het fort, dat van de stad was gescheiden door velden van
maïs, boonen en tarwe en groote tabaksvelden, op de dames wachtte, om
met haar te zamen den ouden bisschop van Guaymas, den vriend van hun
echtgenoot en vader, op te zoeken.
De tropennacht was reeds neergedaald en boeren in wit linnen pakken, in
shawls gehulde vrouwen, ruiters op zwaarbeladen muilezels, wier
zilverheldere bellen door de stille lucht klonken, gingen langzaam
Raffles voorbij en verdwenen in de stad.
Van den kerktoren weerklonk het Ave-Maria en daarna maakte zich een
diepe rust meester van de oude, romantische stad, waar eens de
Spanjaarden in woeste rooftochten naar goud waren komen zoeken.
John Raffles dacht aan de wilde avonturiers onder Fernando Cortez en
plotseling kwam het hem voor, alsof hij zelf een van die dolle
waaghalzen was, alsof hij hier aan de kust stond om den Roodhuiden hun
gouden schatten af te nemen.
Terwijl hij nog in gedachten verdiept naar de velden keek onder den met
sterren bezaaiden nachtelijken hemel, doken plotseling twee zwaar
gesluierde gedaanten uit de duisternis op en groetten hem zacht.
Het was lady Delma, die heden voor het eerst na een jarenlange
afwezigheid den bodem van haar vaderland betrad. Zij had zich geheel in
shawls en sluiers gehuld, opdat geen der spionnen van den gouverneur
haar zou ontdekken.
Zwijgend begaven zij zich naar de stad, terwijl Madame Delma, die alle
straten en pleinen nauwkeurig kende, als gids diende.
Naast de oude, deftige poort lag het vroegere klooster der dominicanen,
waarin de bisschop van Guaymas resideerde.
Zacht liet Madame Delma den koperen klopper op de deur vallen, een
luikje werd geopend en het gelaat van een ouden man verscheen, die
vroeg, wat zij wenschten.
Madame Delma ging naar de deur en op fluisterenden toon sprak zij:
„Goeden avond, Alverade. Herkent gij mij?”
Een half gesmoorde kreet van verrassing weerklonk uit den mond van den
slotvoogd.
Daarop sloot hij het luikje weer en opende zoo gauw hij kon de zware
deur, nadat hij in groote haast de grendels had weggeschoven.
Zij traden nu binnen en nauwelijks bevonden zij zich in de hal, die
door een olielamp was verlicht, of de slotvoogd sloot even haastig de
deur weer.
Daarop wendde hij zich tot madame Delma.
„Waar komt gij in ’s Hemelsnaam vandaan? Weet gij, dat dat u het leven
kan kosten?”
„Dat weet ik,” antwoordde madame Delma, „maar ik ben aan boord van den
Amerikaanschen kruiser gekomen en sta onder zijn bescherming.
„Ik zou niet bang zijn om onder het bereik der Amerikaansche kanonnen
openlijk de stad te betreden, wanneer ik op die manier mijn plannen
niet onmogelijk zou maken.
„Ik wensch namelijk mijn echtgenoot te bevrijden.”
„Ik dacht het reeds”, antwoordde Alverade.
„Is de bisschop thuis?”
„Helaas neen!” sprak de slotvoogd. „Hij is tijdelijk afwezig en komt
eerst over twee dagen terug van zijn inspectiereis, die hij in het land
maakt.
„Maar als ik u van dienst kan zijn, Señora, hebt gij slechts over mij
te gebieden.”
„Goed, Alverade, hier is een trouw vriend van mij, die reeds in San
Antonio zijn leven heeft gewaagd om mijn echtgenoot en mij te helpen.
„Ik verzoek u, naar zijn wenschen te luisteren en dan te willen zeggen,
hoe gij erover denkt.”
De slootvoogd opende de deur naar zijn kamer en liet hen het
ouderwetsch ingerichte vertrek binnengaan.
Hij haalde uit een kast in den muur een flesch ouden, Californischen
wijn, een schaal met gebak, glazen en prachtige trossen druiven.
De gastvrijheid, die steeds in het klooster werd betracht, gaf hem geen
rust, voordat hij zijn gasten een glas wijn had ingeschonken en met hen
gedronken had.
Eerst toen wendde hij zich tot Raffles en sprak:
„Ik ben tot uw dienst, señor.”
De slotvoogd was John Raffles in elk opzicht sympathiek; hij had een
openhartig, eerlijk gelaat en Raffles begon daarom zonder aarzelen hem
zijn plannen mee te deelen.
„Ik wil,” sprak Raffles, „morgenmiddag den gouverneur, onder een
geleide en vermomd als priester, bezoeken.
„Mij dunkt, dat dit zonder eenig gevaar uit te voeren is.”
De slotvoogd knikte nadenkend en antwoordde:
„Dat kan zonder gevaar gebeuren, en wat denkt gij verder te doen,
señor?”
„Dat weet ik voorloopig zelf nog niet. Ik kan dat eerst zeggen, nadat
ik het fort heb leeren kennen en persoonlijk met de gevangenen heb
gesproken.”
„Kom morgenmiddag om 2 uur bij mij,” sprak de slotvoogd, „ik zal u
helpen zooveel in mijn macht is.”
Eerst nu sprak mevrouw Delma met den slotvoogd over het bevinden van
den gevangene.
De slotvoogd antwoordde:
„Sinds de laatste weken is uw echtgenoot ongesteld.
„Wanneer de bisschop door zijn invloed als geestelijke den gouverneur
niet van een moord had teruggehouden, leefde de gevangene nu niet meer.
„Het is goed, dat gij zijt gekomen.
„Want ik geloof niet, dat zelfs de bisschop de terechtstelling van den
ter dood veroordeelde nog lang zou kunnen doen uitstellen.
„Het is hoog tijd, dat er redding voor den ongelukkige komt opdagen.”
Het kostte Raffles moeite om de lady, die zich bij het hooren van dit
bericht zeer opwond, te kalmeeren en na een uur verliet hij met haar,
nadat zij zich ervan hadden overtuigd, dat er niemand op straat was,
het huis van den bisschop.
In de haven lag een boot van den Amerikaanschen kruiser op hen te
wachten. Op eenigen afstand daarvan stonden een paar Mexicaansche
havensoldaten naar hen te kijken.
„Sakramenta!” vloekte een havenofficier, een spion van den gouverneur,
die bij de soldaten stond, „ik zou weleens willen weten, wat die
vervloekte Amerikanen des nachts in de stad te zoeken hebben.”
De ontslagen Diego, die dichtbij hem stond, mompelde:
„Zij hebben een plan, maar welk, dat mag de duivel weten!”— — — —
Het was den volgenden dag tegen den bepaalden tijd, toen de slotvoogd
met een priester zich naar de poort van het fort begaf.
De wachthebbende soldaten groetten het tweetal vol eerbied.
Het kerkelijke gewaad was hier nog altijd machtiger dan de met goud
versierde uniformen der tyrannen.
Eenige minuten later trad Raffles het van zware ijzeren kettingen
voorziene verblijf van den gevangene binnen en keek vol belangstelling
naar den grijzen gebogen man, die, zonder op hem te letten, door de
traliën naar buiten keek.
Een stroomatras en een oude stoel waren de eenige meubelen in de cel.
Raffles stond reeds verscheiden seconden op den drempel, voordat de
gevangene zich naar hem toewendde en hem aankeek met oogen, wier
uitdrukking deed denken aan een gevangen roofdier.
„Wat wenscht gij, priester?” vroeg hij kortaf. „Is het alweer tijd om
te bidden? of wilt gij mij mijn laatsten gang gemakkelijk maken door uw
gebed?
„Ik ken u niet! Sinds wanneer zendt de bisschop mij vreemde priesters?”
De slotvoogd had de deur der cel achter Raffles gesloten.
Nu trad Raffles tot vlak bij den gevangene en sprak:
„Ik ben een vriend van u en kom om u te redden.”
Op het volgende oogenblik sprong de gevangene naar den stoel, greep
dezen, alsof hij hem als wapen wilde gebruiken en riep:
„Vervloekte leugenaars! Sinds wanneer zenden mijn vijanden, de
gouverneurs Marquez en Matteo, hun spionnen in priestergewaad?
„Is u zelfs het kleed van de dienaren Gods niet meer heilig om uw
duivelsch plan ten uitvoer te brengen?”
Raffles haalde van onder zijn soutane een gladden gouden ring te
voorschijn, welken hij, zonder een woord te zeggen, den gevangene
voorhield.
„Wat moet die ring?” vroeg Delma opnieuw.
„Lees de inscriptie, die er in gegraveerd is.”
Haastig las de gevangene, wat in den ring stond en hij zag nu, dat het
de trouwring zijner vrouw was, welken deze Raffles had meegegeven om
het vertrouwen van den gevangen Delma te winnen.
Maar nog steeds was diens wantrouwen niet overwonnen.
Plotseling lachte hij hoonend, schudde de vuisten en riep:
„Hebt gij, honden, mijn vrouw misschien vermoord? Is zij mij reeds
voorgegaan op den weg, dien ik weldra zal volgen?”
Nu trad Raffles naar het venster en sprak:
„Wij hebben erop gerekend, dat gij mij wellicht zoudt wantrouwen en
daarom heb ik met uw echtgenoote, welke zich daar op den Amerikaanschen
kruiser bevindt, dien gij van hier kunt zien, een teeken afgesproken.
„Daar op dek staat uw echtgenoote naar dit venster te kijken.
„Op het oogenblik, waarop wij een witten doek eenige keeren door de
tralies laten wapperen, zal men aan boord van het oorlogsschip een
signaalschot als antwoord geven.
„Is u dat voldoende om te gelooven, dat ik werkelijk door uw vrouw ben
gezonden?”
„Zeker,” antwoordde Delma, „dat zal mij voldoende zijn. Zijt gij
werkelijk een vriend, die mij uit dezen vreeselijken toestand wil
bevrijden? En bevindt mijn echtgenoote zich daar?”
John Raffles had zijn zakdoek te voorschijn gehaald en de gevangene
zag, hoe hij er meerdere malen mee voor de tralies heen en weer
zwaaide.
Daarop trok hij den zakdoek snel terug.
Na een korte pauze weerklonk daarbuiten in de haven het doffe geluid
van een signaalschot.
Nauwelijks was het geluid verstomd, of de gevangene snelde naar Raffles
toe, reikte hem beide handen en riep uit:
„Vergeef mij mijn wantrouwen, señor, maar gij zult dat in mijn toestand
begrijpelijk vinden.”
Daarop kuste hij met trillende lippen den trouwring zijner vrouw en
fluisterde:
„Mijn arme vrouw! Mijn lief, goed kind! O, was ik toch bij haar!”
Hij zonk op den stoel neer en snikte hartstochtelijk.
Raffles trad zacht naar hem toe, legde hem de hand op den schouder en
sprak:
„Houd goeden moed, mijn arme vriend. De redding is nabij! Stel
vertrouwen in mij!”
Delma sprong naar de tralies en wees naar het plein vóór het fort.
„Daar!” riep hij uit, „daar heeft Marquez mijn beste vrienden
doodgeschoten.
„Ik zelf moest toeschouwer zijn.
„De handen, waarmee ik mijn oogen bedekte, om het afschuwelijke niet te
zien, trok men weg.
„Nu nog hoor ik in mijn droomen de geweersalvo’s en de doodskreten
mijner arme vrienden.
„Elken dag verwachtte ik, als laatste slachtoffer van dezen tyran, op
het plein te worden gebracht om, zonder mijn vrouw en dochter ooit te
hebben weergezien, ter dood te worden gebracht.”
„Wees kalm!” verzocht Raffles hem. „Toon, dat ge een man zijt!”
Een straal van hoop gleed over het ingevallen, asch-vale gelaat van den
gevangene, zijn oogen kregen een blijden glans en nieuwe hoop drong
zijn hart binnen.
„Laat ons snel een besluit nemen!” sprak Raffles. „Een kleine tegenslag
kan het geheele plan doen mislukken. Dit is onze eenige gelegenheid om
het plan voor uw bevrijding te smeden.
„Wij vreemdelingen worden op de hielen gevolgd door de spionnen van den
gouverneur!”
De gevangene bukte zich naar zijn stroozak, tilde hem op en haalde een
vreemd amulet te voorschijn, zoo groot als een hand en den vorm
hebbende van een dier.
„Neem in de eerste plaats dit!” sprak hij tot Raffles. „Wie in het
bezit is van dit teeken, is heer der Yaquis. Bewaar het als een schat.
„Dit teeken is mijn verdrag met het opperhoofd der Yaquis en is hun zoo
heilig als de altaren hunner goden.
„Alle opperhoofden zwoeren mij onder dit teeken hun heiligsten eed.
Bisschop Pasquiras heeft het sinds mijn gevangenneming voor mij
bewaard. Ik bezwoer hem, dat ik het hier uit mijn venster in den stroom
zou werpen, voordat ik naar het plein zou worden gevoerd om
gefusilleerd te worden.
„Met dit teeken kunt gij alles van de Yaquis gedaan krijgen.
„Wie het hen vertoont, geldt als mijn erfgenaam en is eigenaar der
groote goudmijnen, koper- en zilverbergwerken, wier ligging in de
binnenlanden alleen de Yaquis kennen.
„Mijn vader kreeg het van het voornaamste opperhoofd der Yaquis, met
wien hij, voordat de Mexicaansche vlag hier woei, als met een broeder
leefde.
„Mijn moeder was een dochter van het voornaamste opperhoofd van dezen
stam.
„Dat is het geheim, hoe ik in het bezit ben gekomen van de fabelachtige
goudmijnen van het Yaquiland.
„Geef dit teeken aan mijn echtgenoote, als mijn redding mislukt en ik
gestorven ben. Alle opperhoofden der Yaquis en hun priesters zullen
haar helpen, haar eigendom terug te krijgen.
„Zweer mij bij uw moeder, dat gij het recht, dat hieraan verbonden is,
heilig zult houden voor mijn echtgenoote en dochter!”
„Ik zweer het u!” antwoordde Raffles op plechtigen toon. „En het zal u
zeker geruststellen, te weten, dat ik de wereld heb doorgereisd om u
ter hulp te komen.”
De gevangene sloeg zijn armen om den hals van Raffles en keek hem met
zijn diepliggende oogen aan, kuste hem op het voorhoofd en sprak:
„De hemel moge u vergelden, wat gij voor de mijnen en mij doet. Doch
laat mij nu vóór alles een brief aan mijn vrouw en dochter schrijven.”
Hij haalde uit zijn stroozak papier en potlood te voorschijn en begon
met bevende vingers bladzijde na bladzijde te vullen.
Nadat hij hiermee gereed was, sprak Raffles:
„En neem nu dit, Señor Delma, daarmee moet gij, als de hemel het wil,
uzelf helpen, want het is onmogelijk u door de sterke wacht, die dit
fort bezet, naar buiten te brengen.”
Hij sloeg de soutane open en begon een om zijn lichaam gewonden, twaalf
meter lange lasso te voorschijn te halen.
Met verbazing keek Delma naar het touw en volgde snel het bevel van
Raffles, om het onder den stroozak te verbergen.
Nadat dit gebeurd was, nam de Groote Onbekende uit een der zakken van
zijn priesterkleed een fleschje met olie en verschillende goed bewerkte
vijlen.
„Zoo”, sprak hij, „de vijlen zijn van zulk solied Manchesterstaal
gemaakt, dat gij binnen een half uur de oude stangen van het ijzeren
traliewerk kunt hebben doorgevijld.
„Opdat het geruischloos kan geschieden, doet gij verstandig, de vijlen
eerst in olie te dompelen.
„Reeds hedennacht moet gij uzelf bevrijden.
„Let erop, uw bevrijdingswerk te beginnen, als gij aan boord van den
Amerikaanschen kruiser een rood licht ziet opvlammen.
„Ik zal dan dadelijk met een boot naar een havendam van het fort varen
en daar op u wachten.”
Op dit oogenblik opende de slotvoogd de deur weer, ten teeken dat de
tijd van het bezoek verstreken was.
Nog eenmaal reikten zij elkaar de handen, een laatste blik werd
gewisseld en Raffles verliet de cel.
De deur werd weer in het bijzijn van den gevangenbewaarder gesloten en
de jonge priester verliet met den slotvoogd het fort.
Geen enkele der spionnen van den gouverneur vermoedde, welke een
gevaarlijk bezoeker in de gevangenis was geweest.
DERDE HOOFDSTUK.
HET GEHEIM VAN DE ZEE.
John Raffles zat met commandant Dalton in diens kajuit en wachtte den
nacht af.
Zij hadden niemand in het vertrouwen genomen en zelfs madame Delma en
haar dochter wisten niets van hetgeen er zou gebeuren.
Zij wilden de dames de vele uren van spanning besparen en dus
vermoedden de beide dames niet, toen zij zich om 10 uur ter ruste
begaven, welke gewichtige gebeurtenis haar te wachten stond.
Nauwelijks was alles op het schip in rust, of commandant Dalton begaf
zich met Raffles naar de commandobrug en gaf den signaal-officier
bevel, met drie tusschenpoozen rood licht te laten schijnen.
Eenige oogenblikken later bracht de officier dat bevel ten uitvoer en
het gloeiend roode schijnsel verlichtte het schip, de haven en de stad.
De officier wist niet, wat dit signaal beteekende, maar hij keek even
gespannen in de nu weer heerschende duisternis als zijn commandant en
Raffles.
Nu begaf Raffles zich met een boot aan boord van het zeiljacht en
weldra volgden hem van den kruiser twee booten, door commandant Dalton
bezet met gewapende matrozen.
Alleen Raffles en Dalton wisten, welk doel deze nachtelijke expeditie
had.
Zacht, elk geluid vermijdend, lieten Raffles en commandant Dalton de
booten naar het havenhoofd varen, welke daar in de schaduw der dammen
bleven liggen wachten.
Dalton en Raffles zelf echter verlieten de booten en gingen op de
havenhoofden heen en weer wandelen.
Bijna een half uur werd hun geduld op de proef gesteld, totdat
plotseling dicht bij hen, uit een groep palmboomen, de donkere gestalte
van een man opdook, die eerst een oogenblik met spiedenden blik naar
hen keek en daarop naar hen toesnelde.
In het volgende oogenblik had Raffles Delma herkend en zonder veel
woorden te wisselen, brachten hij en Dalton hem naar de vaartuigen.
Nadat de vluchteling aan boord was gekomen, voeren de booten even
geruischloos als zij gekomen waren weer naar de haven terug.
Nauwelijks was Dalton met Delma aan boord van den kruiser, of hij liet,
om den spionnen van den gouverneur zand in de oogen te strooien, door
fluitsignalen alle man voor een nachtelijke manoeuvre op dek roepen.
Met daghelderen schijn vlamden de zoeklichten van den kruiser over het
water, terwijl de matrozen de booten bemanden en een landingsmanoeuvre
uitvoerden.
Na eenige uren waren de booten weer ingehaald, daar de eb intrad.
Gedurende dien tijd had Delma in de kajuit van Dalton dezen het geheim
verteld van zijn schatten aan de kust.
„Het is het beste,” sprak hij, „dat wij reeds hedennacht, zoodra het eb
is, naar het hol in de rotsen varen om de gouden staven en dollars,
welke ik daar met mijn vrienden verborg voordat men mij gevangen nam,
in veiligheid te brengen.
„Het zal voor u bijna onmogelijk zijn om dezen schat zonder mijn hulp
te vinden.”
Opnieuw werden de booten in gereedheid gebracht en nu hadden de
bewoners van het land wel kunnen gelooven, dat er een landingsmanoeuvre
werd uitgevoerd aan de steile, rotsige kust van de Noordelijke haven.
Aan het Noordelijk deel van de kust stak een groote rots in zee
vooruit. Naar deze rotsklip liet Delma de booten varen en hij sprong
het eerste op de glibberige steenen, terwijl Dalton en Raffles met
eenige matrozen, die ladders en touwen droegen, volgden.
Het was 2 uur in den nacht: duidelijk hoorden zij de scheepsklok van
den kruiser over het water opklinken.
De zee was kalm en zonder eenige beweging.
Nieuwsgierig volgden de matrozen den hun onbekenden Delma, die over de
rotsblokken voortsnelde, totdat hij voor een in de diepte voerende
kloof bleef staan.
„Wij zijn er!” riep Delma en hij sprong in de grot, waarin hij bijna
geheel verdween.
„Volgt mij met lantarens, ladders en touwen, en weest voorzichtig, want
de grond is glibberig en eenige meters beneden de oppervlakte van de
grot zijn allerlei kleinere holen, die naar een bodemlooze diepte
voeren.”
Voorzichtig, hand aan hand en met de lantarens de vochtige gewelven
belichtend, liepen zij voorwaarts.
Kapitein Dalton en Raffles waren even nieuwsgierig als de matrozen.
Nadat zij allen onder den grond waren verdwenen, bevonden zij zich in
rotsgangen, die niet hooger waren dan dat een man er in gebukte houding
kan staan.
Alleen wanneer het eb was, was deze grot te betreden, want bij vloed
stond het water er eenige meters in.
Voorzichtig tastend gingen zij langzaam vooruit, af en toe door groote
waterplassen wadend, door de zee achtergelaten.
Steeds dieper ging het in de grot.
Hier en daar bevonden zich aan de kanten, als de muilen van zwarte
reuzenbeesten, de ingangen naar zijholen en wee hem, die, zonder den
weg te kennen, in dit labyrinth zou verdwalen!
Ook Delma moest soms met zijn lantaarn de wanden belichten om den weg
te herkennen aan geheimzinnige teekens, welke alleen hij kende.
Delma en Raffles droegen magnesiumfakkels, welke zij eerst, wanneer
Delma het teeken ertoe gaf, in het inwendige van de grot zouden
aansteken.
Plotseling werd de smalle rotsgang breeder en een groote ruimte
vertoonde zich voor hen.
„Steekt de fakkels aan!” riep Delma, „wij zijn aan het doel!”
Op het volgende oogenblik siste de magnesiumfakkel, welke Delma
vasthield, met een helderen schijn aan en verlichtte de ruime grot,
wier wanden bedekt waren met grillige figuren.
In het midden van het hol bevond zich, als een reusachtig donker gat,
een zwarte draaikolk en plotseling weerklonk een gil uit den mond van
Delma.
Vol ontzetting sprong hij achteruit naar de plek, waar Dalton en
Raffles stonden.
En nu zagen zij, dat zich middenin het water een groote zwarte kop
vertoonde, waarvan zich meterslange, afschuwelijke grijparmen
uitstrekten, welke hen trachten beet te pakken.
Met van schrik verwrongen trekken keken ook de matrozen naar het ondier
der zee, in welks rijk zij waren binnen gedrongen.
„Wij moeten handelen!” riep Raffles, die het eerst zijn koele
tegenwoordigheid van geest terug kreeg en hij trok een der matrozen de
enterbijl uit den gordel.
Nu sprong hij naar voren en sloeg den naar hem grijpenden vangarm van
het monster met één houw van de scherpe bijl af.
Als een alles vernietigende maalstroom bewoog het ondier zich nu met
zijn tallooze armen voor de ontstelde oogen der matrozen.
„Neemt de houweelen!” beval Raffles. „Wij moeten de armen vasthouden en
een voor een afslaan!”
Verscheiden matrozen en ook Dalton snelden hem te hulp.
Terwijl zij met hun enterhaken de armen van het monster grepen, sloeg
Raffles op hetzelfde oogenblik den eenen vangarm na den anderen af.
Bijna een uur lang duurde het gevecht tusschen de menschen en den
zwarten duivel der diepte, zooals het volk den octopus noemt.
Toen hadden zij het zeemonster eindelijk onschadelijk gemaakt.
„Het zou het beste zijn geweest”, sprak Dalton, „als wij het beest met
een stukje dynamiet naar de andere wereld hadden geholpen”.
„In geen geval!” riep Raffles uit, „de ontploffing zou misschien de
geheele grot in elkaar hebben doen storten”.
Nadat zij nu de draaikolk van zeewater, waarin de afgehakte ledematen
van het monster rondtolden, waren voorbijgegaan, kwamen zij aan de
plek, waar een zestal metalen kisten en meer dan een dozijn geteerde
zaken onder een vooruitspringend rotsblok verborgen waren.
„Dat is de schat!” riep Delma uit. „En nu aangepakt, jongens, het zal
je geen schade aanbrengen!”
Zij sloegen de touwen om de kisten en trokken ze door de gangen naar
boven.
Hetzelfde deden zij met de zakken en al de drie booten, die de
nachtelijke expeditie meemaakten, werden gevuld met de kostbare lading.
Drie uur, nadat zij den kruiser hadden verlaten, sprongen zij weer aan
boord en brachten den schat in de kajuit van den commandant.
„Zoo”, sprak Dalton tot Delma, „nu bevindt gij en uw schat u in
veiligheid achter de kanonnen van dit oorlogsschip en behoeft niet meer
te vreezen voor de verdere laagheden der Mexicaansche tijgers.”
„Vóór alles verzoek ik u om een der zakken samen te openen, opdat wij
den inhoud kunnen verdeelen onder de geheele bemanning. De blauwe
jongens hebben zich braaf en dapper gehouden”, sprak Delma.
Met van vreugde stralende gezichten kregen alle manschappen van den
kruiser een geldgeschenk van 50 dollar van den geredden Delma.
Daarvoor moesten zij den commandant beloven, over de geheele zaak het
stilzwijgen te bewaren, zoolang zij zich in een Mexicaansche haven
bevonden.
Nog steeds wisten Madame Delma en haar dochter niet, dat haar
echtgenoot en vader zich reeds weer sinds eenige uren aan boord van den
kruiser bevond en dat het grootste deel van haar vermogen was gered.
Eerst des morgens, toen zij aan het ontbijt verschenen, begonnen
Raffles en Dalton haar voorzichtig te vertellen van de avonturen van
den afgeloopen nacht en eindelijk kwam, op een afgesproken teeken, de
geredde binnen.
Dalton en Raffles verlieten zwijgend en ongemerkt de eetzaal en lieten
het drietal alleen in de plechtige en gelukkige oogenblikken van het
weerzien.
Terwijl zij langzaam op het dek heen en weer wandelden, weerklonken
plotseling alarmschoten van het havenfort.
„Ha!” riep Dalton, „zij hebben de ontsnapping van den gevangene
bemerkt.
„Let eens op, Sir, nu begint het tweede gedeelte van de geschiedenis.
„Ik ben nieuwsgierig, hoe zij zich zullen gedragen”.
Het duurde een half uur, toen verscheidene booten van het land kwamen
en Dalton en Raffles zagen, dat zij gevuld waren met soldaten.
Een der booten begaf zich naar het zeiljacht, terwijl het andere den
weg nam naar den kruiser.
„Halt, gentlemen!” riep Dalton, toen de boot aan bakboordzijde
aanlegde, „wat wenscht gij?”
„Wij verzoeken toestemming om op uw kruiser te zoeken naar een
vluchteling, die gisternacht uit het fort is uitgebroken”.
„Ik denk, dat gij schertst”, lachte Dalton. „Aan boord van een
Amerikaansch oorlogsschip zijn geen vluchtelingen van vreemde naties.
„Iedereen, die zich achter de kanonnen van mijn kruiser bevindt, is
even veilig als op Amerikaanschen bodem en gij moet dus uw verzoek om
uitlevering van dezen persoon richten aan mijn regeering te
Washington.”
De commandeerende officier der boot stiet een vloek uit en antwoordde:
„Ik zal het strengste bevel uitlokken van gouverneur Matteo, om den
vluchteling, wanneer hij zich aan boord van uw schip bevindt, weer aan
land te brengen.
„Ik maak er u opmerkzaam op, dat het verborgen houden van dezen
vluchteling aan boord van uw oorlogsschip verwikkelingen zou kunnen
geven tusschen Mexico en de Vereenigde Staten!”
Dalton lachte luidkeels:
„Vertel uw gouverneur uit mijn naam, dat de Vereenigde Staten nog nooit
verwikkelingen met Mexico hebben gevreesd!”
Zonder verder notitie te nemen van den Mexicaanschen officier, keek hij
met scherpen blik naar het zeiljacht, haalde plotseling een
signaalfluit te voorschijn, zette die aan den mond en gaf het signaal:
„Booten gereed houden voor het gevecht!”
Onmiddellijk weerklonk het fluitsignaal en de bemanning haastte zich
uit hun hutten en van het dek in de booten, zoodat in minder dan vijf
minuten de stoomsloepen benevens acht booten klaar voor het gevecht in
het water gereed lagen.
Dalton sprong met Raffles in de stoomsloep en gaf bevel:
„Vooruit naar het zeiljacht! Daar aan boord bevinden zich Mexicaansche
soldaten, die het eigendomsrecht der Vereenigde Staten aanranden!”
Pijlsnel vlogen de stoomsloepen en booten naar het zeiljacht, dat door
de Mexicaansche soldaten geënterd was.
Zij wachtten niet eerst de komst der Amerikaansche mannen af.
Haastig, als een sprinkhanenzwerm, verlieten zij het zeiljacht, voordat
de booten aankwamen en roeiden met snelle slagen naar de haven.
Een luid hoera klonk hun na uit de monden van Uncle Sam’s teerjakken.
Daarop keerden de booten naar den kruiser terug, terwijl Raffles zich
aan boord van zijn jacht begaf.
Hij zag, dat zijn matrozen mismoedig keken en zijn bevelen blijkbaar
met onwil opvolgden.
Dadelijk riep hij de geheele bemanning aan dek, liet het anker lichten
en het jacht de zeilen bijzetten.
Langzaam kruiste hij nu met zijn jacht in de buurt van het oorlogsschip
en na twee uur verliet een boot het oorlogsschip, waarin zich behalve
de matrozen, commandant Dalton en Delma bevonden.
„Ik ben van plan”, sprak Delma tot Raffles, toen hij zich met Dalton op
het zeiljacht bevond, „met u een expeditie te ondernemen naar de
Yaqui-rivier en daar mijn vriend, het opperhoofd, mijn redding mede te
deelen, om verder met hem een overeenkomst te treffen, aangaande het
afstaan hunner kolenmijnen aan de Vereenigde Staten”.
„De regeering te Washington,” sprak Dalton, „zal u voor het edelmoedige
geschenk bijzonder dankbaar zijn. Wij hebben tot heden hier aan de
Pacific-kust geen enkel kolenstation.”
„Gij zult er voortaan een hebben!” sprak Delma, „en deze kolenmijnen
zullen mijn geschenk zijn aan de Amerikaansche regeering, voor de hulp
die gij mij hebt verleend.”
„Ik zal,” sprak Dalton, „nog twee dagen na uw aankomst in de haven
blijven liggen, om te zien, of gij soms van hier uit vervolgd wordt.
„Dan zal ook ik naar de Yaqui-rivier komen, daar de verdragen met de
opperhoofden namens mijn regeering onderteekenen en daarbij samen met u
naar San Francisco reizen.”
Terwijl zij nog op dek stonden, bliksemde plotseling een roode gloed
uit de monden der kanonnen op het fort; het doffe gebrom van het
geschut weerklonk en verscheiden granaten kwamen dicht bij het
zeiljacht terecht.
„Goddam!” riep Dalton, „de kerels durven een Amerikaansch schip
beschieten! Nu blijft mij niets anders over, dan met gelijke munt te
betalen.”
Haastig nam hij afscheid van Raffles en Delma, wenschte hun goede reis,
en terwijl de havenbatterijen voor den tweeden keer hun granaten
afzonden, voer hij door het opspuitende water naar zijn kruiser terug.
John Raffles liet de zeilen bijzetten en als een trotsche zwaan gleed
het prachtvolle jacht uit de Mexicaansche haven.
Toen zij den havenmond bereikten, hoorden zij uit de haven het doffe
geluid van het geschut van den Amerikaanschen kruiser.
Dalton had woord gehouden en, nadat hij een half uur lang de
havenforten had beschoten, den vijand tot zwijgen gebracht.
„De gouverneur van Guaymas moet krankzinnig zijn geworden,” sprak
Dalton tot zijn officieren, „wij zouden nu het grootste recht hebben om
daar met onze troepen te landen en van Guaymas een Amerikaansche haven
te maken!”
Op dit oogenblik stiet een groote barkas van land, een witte vlag in
top voerend.
„Aha,” riep Dalton, „zij komen om te onderhandelen en hebben ingezien,
welke fout zij hebben begaan.”
Te midden der gouden uniformen van de officieren, zat in de barkas de
gouverneur.
Na eenige minuten beklom hij de valreeptrap en stond tegenover Dalton.
„Wat wenscht gij van mij,” riep Dalton op een alles behalve
beminnelijken toon.
„Komt gij misschien om mijne regeering uw verontschuldigingen aan te
bieden voor uw onverantwoordelijk optreden?
„Ik zal binnen eenige minuten mijn booten in Guaymas laten landen.
„Ik zal de Amerikaansche vlag op uw regeeringsgebouw hijschen in plaats
van den Mexicaanschen Adelaar.”
De gouverneur Matteo stond met bleek gelaat voor Dalton, uit zijn
kleine, fonkelende oogen straalde een doodelijke haat.
Een blik was den commandant voldoende om diepen haat te lezen in de
oogen van den gouverneur.
„Gij moet mij verontschuldigen, commandant,” sprak de gouverneur, „ik
was niet in de stad, maar bevond mij op mijn landgoed.
„Nauwelijks hoorde ik er van, of ik kwam zoo gauw mogelijk hier, om
verder onheil te voorkomen.”
„Gij zijt een leugenaar!” riep Dalton uit. „Als commandant van de stad
en als gouverneur van Guaymas zijt gij verantwoordelijk voor hetgeen
uwe troepen uitvoeren.
„Gij kunt uw verdere verontschuldigingen voor u houden en u tot mijn
regeering wenden.
„Hoe uwe regeering, de president van Mexico, hierover denkt, zult gij
zelf wel het beste weten!
„De havenbatterijen zijn door mij tot zwijgen gebracht.
„Het doet mij leed, dat gij en het gespuis, dat in uw dienst is, niet
tegelijkertijd met de kanonnen voorgoed onschadelijk zijt gemaakt.”
De Mexicaan mompelde een half gesmoorden vloek en zijn vuist omklemde
krampachtig het gevest van zijn degen.
Hij wierp fier het hoofd in den nek en, zonder nog een woord tegen
Dalton te spreken, verliet hij den Amerikaanschen kruiser.
Zoodra hij zich aan land bevond, zond hij een telegram aan Marquez en
zijn vrienden in Mexico, wien hij het gebeurde mededeelde en tevens
verzocht, ervoor te zorgen, dat het eenige oorlogsschip, dat Mexico
bezat, dadelijk naar de Yaqui-rivier vertrok, omdat hij veronderstelde,
dat de ontvluchte Delma zich daarheen had begeven.
Twee dagen later zette de Amerikaansche kruiser stoom en terwijl de
matrozen de „Yankee Doodle” speelden, verliet hij de haven.
VIERDE HOOFDSTUK.
HET GEVECHT AAN DE YAQUI-RIVIER.
Gouverneur Marquez stond aan boord van de „Democrata” naast Matteo en
andere officieren en keek met scherpen blik langs de kust.
Hij, zoowel als zijn officieren, bespiedden met verrekijkers het land
en hoopten elk oogenblik de masten van het geheimzinnige zeiljacht, dat
den vluchteling Delma uit de haven van Guaymas had gebracht, te zien.
Maar geen spoor ervan was te ontdekken.
Hij was een week te laat gekomen en terwijl hij de geheele kust
afzocht, bevonden zij zich in Honolulu en maakten zich gereed voor de
terugreis.
Delma was met den kruiser, vergezeld door zijn dames, naar San
Francisco gevaren en hij, zijn dames, Charly Brand en commandant Dalton
hadden met Raffles afgesproken, elkaar in New-York terug te zullen
zien.
Raffles moest het zeiljacht onder zijn persoonlijke leiding weer naar
zijn plaats van herkomst terugbrengen.
Dat was een zaak van eer voor hem.
Terwijl hij na de afvaart van den kruiser in Honolulu lag, had hij zijn
manschappen de volle gage uitbetaald en hun drie dagen verlof gegeven.
Hij bevond zich nu geheel alleen met zijn zeelui.
Terwijl hij bij het prachtige weer op het dek van ’t jacht van zijn
rust genoot, smeedden Tylar, Jurgens en de andere matrozen snoode
plannen.
Den vierden dag keerde de bemanning aan dek terug, maakte het schip
gereed en keek de zeilen na.
Des avonds, toen de zon als een schitterend gouden bal in zee verdween,
heesch het jacht alle zeilen en verliet de haven.
Geheimzinnig als een reusachtige witte zeevogel, verdween het op den
onmetelijken oceaan.
Raffles bevond zich op de commandobrug.
Geen zeil was in zicht, hoe ver hij ook met zijn kijker den horizon
bespiedde.
Het was tegen 10 uur toen hij zich ter ruste wilde begeven.
Hij gaf nog eenige laatste bevelen voor den nacht aan den bootsman,
toen hij plotseling van achteren aangegrepen werd en een slag kreeg met
een hard voorwerp.
Het werd duister voor zijn oogen en hij zonk bewusteloos neer.
„Is hij gewond?” vroeg Jurgens.
„In ’t geheel niet”, antwoordde bootsman Tylar.
Toen Raffles ontwaakte, was hij geboeid en omringd door al zijn
matrozen.
„Vervloekte verraders!” riep hij den bootsman toe, „wat beteekent dit?
Zijt gij gek geworden?”
„Dat niet”, antwoordde Tylar, met een breeden, vertrouwelijken grijns
op zijn pokdalig gelaat, „het beteekent alleen, dat gij nu eens een
zeiltochtje met ons zult maken inplaats van wij met u.
„Wij zijn zoo raar rondgetrokken met u. Wij weten ook, wie gij zijt en
het zou een kleine moeite voor ons zijn, om u in de eerstvolgende haven
in handen te leveren van een Engelschen consul, die er dan voor zou
zorgen, dat gij op staatskosten, in kettingen geklonken, naar uw
vaderland terug werd gezonden.
„Maar wees onbezorgd!
„Wij zijn niet van plan, u persoonlijk iets te doen, noch om dit jacht
te stelen... maar...
„Als gij pogingen doet om u te bevrijden of u met mijn zaken te
bemoeien..... dan.....
„Dan gaat gij over boord!
„Gehoorzaam nu mijn bevelen! Wij zullen zooveel mogelijk ervoor zorgen,
dat gij het naar uw genoegen bij ons hebt”.
Bootsman Tylar verliet nu als kapitein den geboeiden Raffles.
Deze zag, hoe al zijn manschappen gewapend waren met revolvers en
messen.
Tevergeefs brak hij zich het hoofd met de vraag, wat deze daad van
geweld van zijn lieden te beteekenen had.
Het geheele geval leek veel op een zeerooverstruc...
Terwijl hij op deze wijze als gevangene op zijn eigen zeiljacht naar
een onbekende plaats werd gebracht, werden van den Mexicaanschen
kruiser paarden en soldaten, geschut en munitie aan de Yaqui-kust aan
land gebracht en Marquez en zijn vriend besloten om dat, wat hun door
de vlucht van Delma was ontnomen, weer terug te krijgen door geweld van
wapenen.
150 man, een troep avonturiers, waren aan de kust geland en begaven
zich in lange linie, den stroom volgend, in de richting van het
voornaamste kamp der Yaquis.
Aan den mond der rivier lag de Mexicaansche kruiser gereed, met zijn
kanonnen de troepen te beschermen.
Zwijgend en zooveel mogelijk elk geluid vermijdend, bewoog de expeditie
zich voorwaarts.
Plotseling weerklonk van de spits een kreet:
„Wie daar?”
In het volgende oogenblik gleed het naakte lichaam van een Indiaan als
een stuk vluchtend wild door de struiken.
Schoten knalden, want het was duidelijk, dat een spion der Indianen de
aankomst der Mexicanen had ontdekt.
Marquez was van oordeel, dat Delma zich bij de Yaquis moest bevinden.
„Zij achten hem als een koning,” sprak hij gedurende den rit tot
Matteo, „maar ik zal dien rooden honden toonen, hoe wij den schurk bij
zijn voeten aan een boom ophangen en voor hun oogen doodschieten.
„Tegen den morgen zullen wij hun grootste kamp bereikt hebben.”
Vijftig ruiters vormden de spits van het detachement.
De weg opzij werd smaller en smaller, onbegaanbare oerwouden, moerassen
en steile rotsen wisselden met elkaar af.
Toen de morgen daagde, bevonden de Mexicaansche troepen zich in een
nauwen bergpas, waardoor zij in het dal der Yaquis konden komen.
Zij zagen niet, dat in het dichte oerwoud zich honderden Yaquikrijgers
als slangen verborgen hielden.
Plotseling weerklonken wilde kreten, kano’s, bezet met gewapende
Yaquis, kwamen van de andere zijde der rivier, schoten kraakten in het
oerwoud en een verwoed gevecht begon.
Steeds meer krijgslieden der Yaquis kwamen uit de wildernis te
voorschijn.
Als een onmetelijke golf van menschenlichamen werden de Mexicanen meer
en meer teruggedreven en tegen den middag was er van den geheelen troep
nog slechts een erbarmelijk restje over, dat zich in gesloten gelederen
telkens weer verdedigde tegen de woeste aanvallen der Yaquis.
Het werd avond.
De avonturiers schoten hun laatste patronen af en snelden daarop in
razende vlucht naar den oever, waar zij beschut waren door de kanonnen
van den kruiser.
Slechts weinigen gelukte het, aan boord van den kruiser te komen.
Marquez en Matteo waren niet onder hen.
Zij waren, aangelokt door den rijkdom der goudmijnen, in de speeren der
Yaquis geloopen en terwijl de kruiser met zijn granaten tevergeefs de
oevers, die met struikgewas waren begroeid, beschoot, vlamden in den
nacht reusachtige houtvuren op in het kamp der Yaquis.
Dat waren hun overwinningsvuren!
In de wildernis der Yaquis echter lagen vele avonturiers, en onder hen
ook Marquez en Matteo.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Toen Raffles den volgenden morgen ontwaakte, keek hij eerst verbaasd om
zich heen.
Hij lag geboeid in de vroegere kajuit van den bootsman, terwijl deze
als kapitein zijn intrek had genomen in de hut van Raffles.
Het was donker om hem heen, omdat de vensters gesloten en met zeildoek
behangen waren.
Aan de beweging van het schip bemerkte hij, dat dit in volle vaart was.
Hij stond op van zijn bed, ging naar de deur en sloeg er met den
elleboog tegen, daar hij dorst had en iets wenschte te drinken.
Eenige oogenblikken later trad de bootsman bij hem binnen, vergezeld
door een Chinees, dien Raffles nog niet aan boord had gezien.
„Hallo!” riep de bootsman, „gij hebt verscheidene dagen en nachten
geslapen, zoodat wij al dachten dat gij niet meer zoudt ontwaken.”
„Verscheiden dagen en nachten?” vroeg Raffles en plotseling begreep
hij, daar hij een fijne opiumlucht gewaar werd, dat de diepe
bewusteloosheid, waarin hij had gelegen, het gevolg was geweest van een
kunstmatig verdoovingsmiddel.
„Geef mij iets te drinken!” sprak hij tot Tylar.
„Allright!” antwoordde de voormalige bootsman. „Deze Chinaman dien ik
aan boord heb genomen, zal u gedurende de reis alles bezorgen, wat gij
wenscht.
„Ik waarschuw u nog eenmaal, spaar uzelf en ons onnoodige moeite en
houd u rustig!”
„Gij moet zelf weten, wat gij hebt gedaan”, antwoordde Raffles,
„volgens de scheepswetten hebt gij u schuldig gemaakt aan muiterij en
gij zult daarvoor door de bemanning van het eerste Engelsche
oorlogsschip, dat u ontdekt, aan een ra worden opgehangen.
„Gij hebt een fout begaan, Tylar, als dit schip niet in New-York
aankomt en mijn vrienden tevergeefs op mij wachten, wordt het
signalement van het schip aan alle havens getelegrafeerd, en krijgen
alle schepen bericht van mijn verdwijnen.
„Wees ervan verzekerd, dat gij binnen korteren of langeren tijd uw
straf zult krijgen voor deze muiterij.”
„Daarop ben ik voorbereid, Lord Lister”, antwoordde de bootsman.
„Gij schijnt te hebben vergeten, dat door een toeval, doordat ik een
gesprek afluisterde tusschen u en uw vriend Charly Brand, ik te weten
kwam, wie gij eigenlijk zijt.
„Mocht gij ons verraden, dan begrijpt gij zeker wel, wat dat voor u
beteekent.
„Maar stel u gerust, mijn vrienden, voor wie ik werkzaam ben, en in
wier dienst het jacht deze reis maakt, en ik, wij hebben onze eigen
signalen voor elke haven van Yokohama tot San Diego en San Francisco.”
Raffles dacht eenige oogenblikken na en hij zag in, dat zijn gewezen
bootsman en zijn matrozen een zaakje wilden uithalen, waarvoor zij dit
jacht noodig hadden.
Het zou een kleinigheid voor hen zijn geweest, wanneer zij het jacht
geheel in hun bezit wilden hebben, om hem over boord te werpen.
„Luister eens, Tylar”, begon Raffles, „nog is het misschien tijd, dat
wij het eens kunnen worden. Gij en de bemanning zult u er niet over
kunnen beklagen, door mij hard of onrechtvaardig te zijn behandeld.”
„Neen, dat niet”, antwoordde de bootsman, „wij waren allen over de
behandeling tevreden en zijn door u ook zoo goed betaald, als nog nooit
in ons leven, daarom willen wij dan ook het plan, dat wij met de boot
hebben, slechts in zooverre uitvoeren, dat gij noch het schip er schade
bij hebt.
„Alles, wat het u zal kosten, is zes weken tijd en gedurende dien tijd
uw vrijheid.
„Na zes weken kunt gij met vreemde manschappen naar New-York varen om
het schip, dat uzelf immers ook niet toebehoort, den eigenaar terug te
brengen”.
„Voor mij zijn zes weken een groot stuk van mijn leven, Tylar”, sprak
Raffles, „en ik doe u een laatste voorstel. Ik wil niets weten van de
dingen, die gij van plan zijt te doen met mijn boot en wil doen, alsof
er niets was gebeurd.
„Daarvoor betaal ik u en uw manschappen in de volgende haven zes
maanden loon en teeken uw papieren met mijn handteekening als kapitein
van dit schip.
„Gij weet, dat gij zonder mijn handteekening op uw papieren niet
gemakkelijk opnieuw kunt aanmonsteren”.
„Laat dat aan ons over, Lord Lister! Gij kunt ons niet dat betalen, wat
wij met deze vaart verdienen.
„In vertrouwen gesproken, ik handel volgens strenge bevelen en
onderhandel nu verder met Ah-Sam. Ik heb drukke bezigheden!”
Hij verliet de hut en de Chinees begon, met een boosaardig lachje om de
smalle lippen, het vertrek in orde te brengen.
Met welbehagen ademde Raffles door de nu geopende vensters de frissche
zeelucht in.
Hij overlegde, op welk gedeelte van de zee zij zich konden bevinden, en
begreep uit de aanwezigheid van den Chinees, dat de boot zich op weg
moest bevinden naar Chineesche wateren.
Naar Zuid- of Noord-Amerika kon hij zich met den besten wil geen zaken
van eenig belang denken, waarbij zijn muitende manschappen iets zouden
kunnen verdienen.
Het werd hem ook duidelijk, dat het plan door zijn bemanning in
Honolulu moest zijn vastgelegd.
En daar in Honolulu veel Chineezen werkzaam zijn, als reeders en
kooplui, moesten deze daarbij hun hand in het spel hebben.
Het jacht doorkliefde intusschen met groote snelheid de groene golven
van den Oceaan met koers naar het Westen, de uren werden dagen en
Raffles kon niets anders doen dan werkeloos in zijn hut wachten, totdat
men een haven zou hebben bereikt.
Wat zou hij doen?
Hij stond alleen tegenover een paar dozijn gewapende matrozen.
Op een middag kwam Tylar voor de tweede keer in zijn hut en bracht hem
eenige boeken, welke hij in de kajuit had gevonden, om te lezen.
Hij lachte, toen hij de boeken voor Raffles op tafel legde en sprak:
„Wel, Lord Lister, over twee dagen hoop ik klaar te zijn.
„Ik denk, dat gij u zult vervelen en daarom breng ik u deze boeken”.
Raffles keek den muiter met trotschen blik aan en sprak:
„Tylar, denk eens na over hetgeen ik u zei. Ik verhoog uw loon van zes
maanden op twaalf en vaar met u mee naar New-York”.
„No, Sir”, antwoordde Tylar, „ik houd evenveel van geld als gij en
daarom kan ik niet op uw voorstel ingaan.
„Gij kunt mij niet zooveel betalen als ik op deze vaart verdien.
„Het zou ook onzin zijn, gij kunt uw geld sparen, want, nietwaar Lord
Lister, dat gele goedje is het beste wat er op de wereld bestaat!
„Het is het eenige geneesmiddel voor alle zorgen, het bezorgt zelfs
zoo’n leelijken, gelen schurk de mooiste blanke vrouwen.
„Geld is de beste vriend van ons allen, en vooral van een eenzamen man
zooals ik er een ben. En daarom wil ik mijn geldbuidel op deze vaart
zoo goed vullen dat hij mijn gansche leven lang niet meer leeg wordt.
„Dit is mijn laatste antwoord in deze aangelegenheid.”
Hij stond dien dag voor het eerst toe dat Raffles op dek kwam.
Met op den rug gebonden handen lag hij dichtbij de commandobrug en
verbaasde er zich over, dat de zorgen van zijn voormaligen bootsman
zich zoover uitstrekten, dat deze hem een zonnescherm had bezorgd voor
de brandende zonnestralen.
Aan boord heerschte een voorbeeldige discipline, hoewel de matrozen de
bondgenooten waren van Tylar en Jurgens.
Terwijl Raffles onder het zonnescherm lag en naar den horizon keek
waaraan kleine witte wolkjes als rookpluimen hingen, trad de muiter
naar hem toe en sprak:
„Ik weet, dat gij een goed zeeman zijt, Lord Lister. Wat denkt gij van
het weer en van de kleine wolkjes, die daar opduiken?”
„Hoe staat de barometer?” vroeg Raffles.
„Dertig!”
„Dan komt er storm”, antwoordde Raffles, „wilt gij mij zeggen, waar wij
ons bevinden?”
„Volgens de kaart in de Gele Zee!”
„Hoeveel mijlen van land?”
De muiter zweeg een oogenblik, toen sprak hij:
„Ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van de kust af.”
„Wij moeten dichter bij land zijn. Ziet gij die kleine zwermen vogels,
die voor ons schip vliegen, dat zijn landvogels, die niet meer dan
honderd mijlen in zee gaan.”
Op dit oogenblik werd de muiter weggeroepen door den Zweed.
Het eten stond klaar in de kajuit.
Drukkende stilte heerschte in de lucht en in het water. Een
eigenaardige, verschroeiende hitte, die het zweet bij de geringste
beweging uit alle poriën perst.
Slap hingen de zeilen neer.
Raffles, die dit alles waarnam, fluisterde:
„De gekke kerels gaan zitten eten, terwijl het meer dan tijd is om het
schip op den storm voor te bereiden!”
„Hé, Ah-Sam!”
De Chinees, die als wacht vlak bij hem zat, kwam nader.
„Roep onmiddellijk Mr. Tylar. Er is gevaar!”
Daar de kajuit dichtbij was, verliet de Chinees hem en eenige
oogenblikken later stond de muiter voor hem.
„Wat is er?” riep de bootsman.
„Drommels, kerel!” riep Raffles op den toon, dien hij altijd als
kapitein had gebezigd, „roep de bemanning aan dek! Elke seconde komt
het gevaar nader, pas op, of de duivel haalt u en het geheele schip!”
Een dof gerommel, als het geluid van ver geschut, dreunde nu van den
horizont.
Het water zag er zwartgroen en onheilspellend uit, een plotselinge
windvlaag blies de zeilen van het jacht op en wierp het op zijde en nu
haalde Tylar zijn signaalfluit uit zijn zak om de bemanning op dek te
roepen.
Het was meer dan tijd, en terwijl zij de zeilen inhaalden, vulde de
hemel zich met laaghangende, donkergrijze wolken, wier randen
zwavelgeel van kleur waren.
De zee begon steeds woester te worden en nog was het laatste zeil niet
ingehaald, toen het door een orkaan met luid gefluit en gehuil aan
flarden werd gescheurd.
Het kraakte los als een kanonschot, toen het zeil scheurde.
De Chinees echter greep Raffles beet, trok hem in de kajuit, waarvan
hij de deur stevig achter zich sloot en schreeuwde:
„Taifun zal komen, groote storm!—Water als de hel! Schip en alles
verdrinken!”
Het gelaat van den Grooten Onbekende was als uit brons gegoten.
Het leek, of een reuzenvuist het schip had aangegrepen en het in den
kokenden maalstroom wierp.
„Nu zullen wij eens zien, wat voor een kapitein mijn bootsman is,”
mompelde hij met een bitter lachje.
Met luid gekraak, alsof het jacht aan splinters zou vliegen, sloegen de
golven tegen de planken.
De koning der golven, Taifun, had er met geweld bezit van genomen.
Onophoudelijk woedde en donderde het van alle kanten, breede
bliksemstralen doorkliefden de wolken en het scheen alsof het laatste
uur was gekomen.
Als geweldige rotsen kwamen de golven naar het schip toegerold en
dreigden het te vernietigen.
Menschelijke kracht kon hier niet helpen....
Raffles had een sigaret opgestoken en dacht aan de laatste uren van
zijn samenzijn met Carmen Marquez, de laatste schoone herinnering, die
hij van het leven had behouden.
Hij was ervan overtuigd, dat het jacht niet bestand was tegen de
woedende elementen.
Hij vond het verschrikkelijk om in de kajuit vastgebonden te zitten en
niet als een man voor zijn leven te mogen strijden.
Het jacht vloog als een bal door de opgezweepte watermassa.
Elk oogenblik verwachtte hij, dat een der masten over boord zou gaan en
het schip door Taifun tot een wrak geslagen zou worden.
Raffles had zijn tweede sigaret opgerookt, toen de bootsman de deur
opende en sidderend, met knikkende knieën, binnentrad.
„Ik heb alles gedaan wat mogelijk was,” mompelde hij, zich het zeewater
van het gelaat vegend.
„Het jacht is sterk als een leeuw! Maar toch weet ik niet meer, wat ik
zou kunnen doen. Wij worden gedurende eenige minuten als in een cirkel
rondgedraaid!
„Ik heb geprobeerd de boegspriet tegen den storm te houden en heb mij
met Jurgens aan het stuurrad vastgebonden.
„Alles tevergeefs! Wilt gij ons helpen?”
Zonder het antwoord van Raffles af te wachten, sneed hij met een mes de
boeien van zijn gevangene door en de Groote Onbekende begaf zich,
zonder te antwoorden, met hem naar het dek.
„Waar is Jurgens?” riep Raffles.
„Hij ligt beneden met een gebroken rib!”
Nu betrad Raffles het overstroomde dek.
Het was hem bijna onmogelijk zich een weg te banen naar de
commandobrug, terwijl hij zich vasthield aan een touw, dat over het dek
gespannen was.
De razende storm scheen hem te zullen wegvegen van het dek.
Toen hij op de commandobrug stond, riep hij, om zich verstaanbaar te
kunnen maken, tot Tylar:
„Waar zijn de booten?”
„Naar de weerlicht!”
„Kurkvesten en reddingsgordels?”
„Alles, wat op dek was, naar de hel!”
„Dan zullen wij allemaal ook naar de hel gaan,” sprak Raffles, „behalve
wanneer gij mij zegt waar wij ons bevinden.”
„In de buurt van Nagasaki,” riep Tylar en gebruikte zijn handen als een
trompet.
Met alle kracht moest Raffles zich aan de ijzeren leuning der
commandobrug vasthouden, om niet weggespoeld te worden.
„Alle man aan dek!” beval hij.
Toen de matrozen bij de commandobrug waren samengekomen, schreeuwde hij
door den scheepsroeper:
„Stuurboord en bakboord, met ankers, alle kettingen die aan boord zijn,
in zee!”
De matrozen, blij dat zij eindelijk voor hun leven mochten vechten en
weer een leider hadden, voerden ondanks de zware zee in eenige minuten
de ankermanoeuvre uit en dadelijk begon het lichte jacht minder te
draaien en danste het weer over de geweldige golven.
De kettingen en ankers hielden het als een ballon vast.
Zoodra de bemanning het resultaat zag, gevoelde zij zich verlicht.
„Een kranige kerel!” mompelden zij en zij waren vol bewondering voor de
handigheid van Raffles.
„Brengt de olievaten op dek, die beneden liggen als ballast! Brengt de
scheepspomp in verbinding met olie en geeft olie naar stuurboord en
naar bakboord!”
De olietonnen werden de een na den ander door de matrozen, die daarbij
hun leven telkens waagden, op dek gebracht en met de scheepshandpomp
verbonden.
Dat was de laatste kans om het jacht uit het ontzettende terrein van
God Taifun weg te krijgen.
De woeste zee werd kalmer onder de olie en de reusachtige golven, die
het schip dreigden te verpletteren, werden weer normaal.
Een gefluit en gehuil klonk plotseling over het schip door de lucht en
het scheen, alsof een demonische macht het vaartuig in den afgrond van
den Oceaan wilde drukken.
Met starren blik keek Raffles naar het woeden der elementen.
Eenige meters verder en het jacht zou onherroepelijk verloren zijn.
Geen enkel schip, noch de fierste pantserkruiser, noch de grootste
passagiersboot, zou uit dit geweldige, op een cycloon gelijkend geraas
en gekook der golven, uit het middelpunt van het gebied van den Taifun,
weer te voorschijn zijn gekomen.
Plotseling kwam er een eind aan het vreeselijke geloei en gehuil.
Raffles wendde zich tot Tylar, die bij den barometer stond en
schreeuwde:
„Hoe staat het glas?”
En de bootsman riep terug:
„Glas beter. Negen-en-twintig nu— —zooeven zes-en-twintig— —stijgt tot
dertig. Wij zijn er door!”
Toen het maanlicht met helderen glans op de waterheuvelen scheen, was
het gevaar voor het mooie schip geweken.
Tylar keek Raffles aan met een eigenaardige uitdrukking in zijn blik.
Deze stond als uit marmer gehouwen aan het stuurrad en stuurde het
schip.
Nu wendde hij zich tot Tylar.
„Neem nu het roer over, Tylar, en leid het schip verder! Ik heb hier
niet meer te doen! De boot is gered!”
Hij gaf den bootsman het roer en begaf zich, zonder zich verder om
dezen te bekommeren, naar zijn kajuit, waar hij zich uitgeput op zijn
bed wierp.
„Dat is de malste tocht”, mompelde hij, voordat hij ging slapen, „dien
ik ooit in mijn leven heb gedaan. Ik ben alleen maar nieuwsgierig, wat
zij met het schip voor hebben.”
Den volgenden morgen was de storm gaan liggen en Raffles, die zich op
dek bevond, zag aan den horizont een blauwachtige, onbekende kust.
„Dat was een zware storm, Lord Lister!” riep Tylar, „sinds vanmorgen
vroeg zijn wij meer dan twintig wrakken voorbij gekomen. Genoeg schepen
voor een geheele vloot. De taifun zal honderden van menschen het leven
hebben gekost.”
Raffles antwoordde niet, maar keek er naar, hoe de matrozen het schip
langzaam weer in orde brachten en vergewiste zich ervan, dat het jacht
werkelijk geen schade had geleden.
Steeds meer naderde het vaartuig de kust en Raffles, die weer naast
zijn bootsman stond, sprak:
„Wilt gij mij zeggen, naar welke haven gij uw koers neemt?”
„Ja, Sir, wij varen naar Nagasaki!”
Raffles antwoordde niets.
Den volgenden morgen bemerkte hij in zijn kajuit, hoe een anker
neergelaten werd en het schip stil ging liggen.
Haastig kleedde hij zich en ging op dek.
Het schip lag in een wonderschoone baai.
Tylar en verscheiden matrozen begaven zich juist aan land.
Het was eigenlijk geen haven te noemen, waarin zij zich nu bevonden.
Slechts eenige pleizierjachten, wier witte zeilen in het zonlicht
schitterden, lagen op het blauwe water en behoorden waarschijnlijk aan
de eigenaren der villa’s, die tusschen de boomen lagen aan de baai.
Alleen rechts, aan den zeekant, bevond zich, als een zwerm zeevogels,
een groote vloot Japansche visschersvaartuigen.
Groote stoombooten voeren af en toe om de landtong heen en duidden aan,
dat de kleine baai, waarin zij ankerden, in de onmiddellijke nabijheid
van een havenplaats moest zijn.
Dikke, purperkleurige rook, die in breede streepen boven de landtong
naar boven steeg, verried de aanwezigheid van een groote havenplaats.
Raffles haalde zijn verrekijker en zag, dat de boot van Tylar met de
matrozen bij de trap van een groote villa aanlegde en dat zij in het
huis verdwenen.
Welk geheim zouden de matrozen daar hebben?!
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE HANDELAAR IN OPIUM.
Tylar zat aan een weelderig gedekte tafel in de Chineesche villa, die
Raffles van af het dek had gezien.
Zijn gastheer was een nogal gezet koopman van middelbaren leeftijd,
wiens gelaatstrekken buitengewone sluwheid en geslepenheid verrieden.
Terwijl het tweetal daar zat, bevonden de matrozen zich op een veranda
achter een formeelen berg van flesschen met allerlei wijn en likeuren.
Het vertrek was half Europeesch, half Chineesch ingericht.
Wou-Wang rookte een sigaret en nam den etenden gast op als een vos zijn
buit.
Wou-Wang stond aan het hoofd van de bende der veertig dieven, waartoe
ook de door de Yaquis vermoorde Mexicaansche gouverneurs Marquez en
Matteo hadden behoord.
De Chinees had reeds uit telegrammen van zijn agent in Mexico van de
verongelukte expeditie en den dood der beide gouverneurs gehoord.
Twintig jaar geleden was hij op een bank begonnen als eenvoudig
inpakker van Mexicaansche dollars.
Door zijn uitstekende talenkennis werd hij echter weldra in een hoogere
positie geplaatst, waardoor hij in contact kwam met allerlei agenten en
kooplieden der geheele wereld.
Zoo werd hij de stichter van een bond van zeeroovers en smokkelaars,
aan welks hoofd mannen stonden uit de aanzienlijkste klassen van alle
landen.
Hij had zijn draden gespannen van Japan naar de Sandwich-eilanden, naar
Alaska, Britsch-Columbia, Californië en bezat overal agentschappen, die
door blanke of bruine dieven waren bezet.
Rijk en machtig was Wou-Wang en meester in zijn vak, en jaar in, jaar
uit gelukte het hem de belastingambtenaren der verschillende staten
voor steeds grootere sommen te bedriegen.
Hij wisselde met zijn agenten bijzondere cijfertelegrammen, en deze
gaven bijna aan iedere stoomboot, die den Oceaan kruiste, geheime
brieven mee.
En bij zijn reusachtige ondernemingen, zijde- en opium-smokkelarijen,
had Wou-Wang de hulp van honderden handen.
Zijn hoofdkwartieren vormden Hongkong, Honolulu, Nagasaki en San
Francisco.
Hij was eigenaar van het beroemde Chineesche restaurant in San
Francisco, en mede-eigenaar van verschillende andere hotels in China en
Japan.
Bovendien bezat hij een vloot van stoombooten.
Toen zijn agenten hem berichtten over het opduiken van het zeiljacht in
de Mexicaansche wateren en van zijn enorme snelheid, had hij hun direct
opgedragen het schip tot elken prijs te bemachtigen.
Daardoor was het gekomen, dat een der agenten van den Chinees in
Honolulu met Tylar en zijn manschappen het plan bespraken, het jacht in
plaats van naar New-York naar Japan te brengen en vandaar een groote
lading opium naar China te vervoeren.
„We hebben nog nimmer een meer waardevolle lading op een schip gehad
dan die, met welke gij naar China zult gaan,” zei Wou-Wang tot Tylar.
„De hoofdzaak is, dat ik mijn tweeduizend dollars verdien. De boot is
zoo goed, dat geen der Engelsche kruisers haar kan inhalen.”
„Wat hebt ge met den gevangen kapitein gedaan?” vroeg Wou-Wang.
„Hij is nog aan boord,” antwoordde Tylar.
„Wat!” riep Wou-Wang uit. „Leeft die hond nog? Hebt gij hem niet den
hals afgesneden en over boord geworpen?”
„No, sir,” gaf Tylar ten antwoord, „en ik ben blij, dat wij het niet
hebben gedaan, want dan zat ik beslist, zoo zeker als tweemaal twee
vier is, niet bij u en het schip zou hier niet voor anker liggen.
„De taifun, die wij moesten doormaken, was een der verschrikkelijkste,
die ik ooit heb beleefd.
„Bovendien behoeven we hem niet te vreezen. Hij is in Engeland datgene,
wat gij hier in China zijt!”
„Allright!” sprak de Chinees, „gij moet maar weten wat ge doet. Gij
moet vannacht dit water alweer verlaten en naar China varen. Doch vóór
alles, hebt ge wapens aan boord?”
Tylar begon te lachen.
„Een heele lading geweren en revolvers, die wij vóór onze Mexicaansche
expeditie aan boord hebben genomen. Waarom vraagt ge dat?”
„Heel eenvoudig,” hernam Wou-Wang, „voordat ge de Straat van Simoneseki
zijt gepasseerd, zijt ge niet veilig. Het wemelt hier van zeeroovers en
die hebben al heel wat koopvaardijschepen ingepikt.
„Ik zal je aan boord twintig à dertig van mijn manschappen meegeven,
die ge van wapens kunt voorzien.
„Zij kunnen je helpen bij het laden en je kunt hen op de plaats van
bestemming, Shanghai, achterlaten.
„Vandaar kunnen zij met mijn eigen boot terugkeeren.
„Kijk goed uit op de Gele Zee. Gij hebt voor eenige millioenen dollars
aan opium aan boord.
„Ik zal nu order geven, dat mijn manschappen de lading aan boord
brengen.”
Een uur later lichtten de volgeladen booten het anker en koersten
achter het jacht aan.
In een der eerste booten zaten Wou-Wang en Tylar.
Toen hij aan boord van het schip was, bekeek en bewonderde de
koelbloedige Chinees ieder plekje van het prachtige schip, dat den
vreeselijken taifun zoo schitterend had doorstaan.
„Wanneer uw logboek niet liegt, Mr. Tylar, dan is dit jacht een
oceaanwonder!” lachte de Chinees.
„Gij kunt het aan boord van dezen zeevogel opnemen tegen alle kruisers
der wereld.”
Raffles was in zijn kajuit gebleven, daar hij niet in aanraking wilde
komen met de Chineezen, die groote kisten op het jacht brachten.
Binnen eenige uren was de lading aan boord en Wou-Wang reikte Tylar
zijn met diamant beladen vingers met de woorden:
„Wel, kapitein, hijsch de zeilen, ik zal dadelijk een cijfertelegram
naar Shanghai zenden, dat gij vertrekt, en ook mijn agenten aan de kust
opdragen dat zij zoo veel mogelijk een oogje in het zeil houden.
„Houd uw oogen open voor zeeroovers, belastingambtenaren en Engelsche
kanonneerbooten.
„Ik geef u Ah-Kee mee. Dat is een loods en stuurman, die elke haven van
hier tot Hokodate kent.
„Bovendien, wanneer ge wordt aangevallen is hij een duivel in den
strijd. Alleen moet ge oppassen, dat ge hem niet in een opium-roes
vindt.
„Mocht dat het geval zijn, dan giet je hem twintig liter koud water op
zijn hoofd en dient hem vijftig slagen toe, doch met het beste uiteinde
van het touw. Heb je verstaan, Kee?”
De breedgeschouderde Mongool grijnslachte en liet zijn door opium zwart
geworden tanden zien.
Het was de grijnslach van een hongerigen tijger.
„Als hij geen opium heeft gerookt, is hij de meest bruikbare mensch,”
ging Wou-Wang voort, „ik redde hem van een zeeroovers-expeditie. Ik
kocht hem af door een bevriend mandarijn, anders zou hij nu, als de
laatste zijner vijf-en-twintig makkers, in het zand bijten!
„Je herinnert je toch nog wel, hoe ge in twee rijen, de handen op den
rug gebonden, voor den beul moest knielen en deze met een zwaard het
eene hoofd na het andere afsloeg?
„Wel? Ik redde Kee op het oogenblik, dat het hoofd van zijn laatsten
kameraad in het zand rolde.
„Ik hoop, dat je dat niet zult vergeten, Kee!
„Bovendien zal mijn klerk meegaan. Hij heeft de brieven voor mijn
handelsvrienden in Shanghai.
„Ik hoop, dat ge een gelukkige reis moogt hebben!”
Het volgende oogenblik riep de kapitein:
„Het anker lichten.”
En met het eigenaardige sing-sang der zeelieden, trokken de matrozen
het anker op.
De Chineesche loods ging aan het stuurrad staan en liet het rad door
zijn handen glijden, terwijl de overige matrozen de zeilen richtten.
Wou-Wang echter sloeg vanaf zijn boot de zeilmanoeuvres gade en keek
met zijn verrekijker het jacht na, totdat het van de reede van Nagasaki
was verdwenen zonder een douaneboot te kruisen.
Toen Raffles den volgenden morgen op het dek kwam, zag hij de zwarte
kust van Tung-chow, waarlangs het jacht voer met een snelheid van
twaalf knoopen.
Arbeiders vulden het dek en zaten pratend onder een zonnezeil.
Den volgenden nacht dook de Koreaansche kust op, waarover Raffles zich
verbaasde.
Het jacht moest, sinds het Tung-chow had verlaten, al minstens een
dozijn malen van koers veranderd zijn.
De wind was gaan liggen en het was gloeiend heet geworden.
Het jacht kon slechts langzaam vooruit komen.
Tevergeefs brak Raffles zich het hoofd, wat voor een lading aan boord
van het jacht was gekomen.
Plotseling dook van de kust een dozijn merkwaardig gevormde booten op
met geelroode wimpels, die regelrecht op het jacht af kwamen.
„Alle hens aan dek! Zeeroovers!” klonk de roep van den Chineeschen
stuurman tot Tylar, en als een troep mieren begon de bemanning af en
aan te loopen en met hun geweren en revolvers het vuur te openen op de
langzaam naderende booten.
De zeeroovers hadden het schip omsingeld en beantwoordden het vuur.
Voor het eerst sedert het begin der reis nam Raffles zijn revolver ter
hand, onderzocht ze en moest lachen, toen hij zag, dat er geen patronen
op waren.
De muitende bemanning had ze heel wijselijk leeg gehaald.
Toen hij aan dek kwam, was alles daar in het heetst van het gevecht.
Met pieken, geweren en revolvers stonden de matrozen naast de
Chineesche werklieden aan alle kanten van het schip en hadden moeite de
gele duivels het beklimmen van het schip te beletten.
Bij de voorplecht woedde de strijd het hevigst.
De Chineesche zeeroovers hadden hun beruchte stinkpotten aan boord
geslingerd, en de verdedigers werden door de ontzettend bijtende lucht,
die hun het ademhalen belette, bemoeilijkt.
Het volgend oogenblik sprongen eenige dozijnen mannen aan boord en
wierpen zich met revolvers en messen op de matrozen.
Van weerszijden gaf men niets toe.
Raffles zag, hoe de stuurman Lee plotseling met een mes den niets
vermoedenden Tylar wilde aanvallen.
Hij pakte Tylar in den nek, wierp hem op den grond en wilde hem zijn
mes in de borst stooten, toen Raffles den kapitein te hulp kwam, de
enterbijl van een gevallen matroos greep, toesprong en den
langstaartigen verrader neersloeg.
„Goddam!” schreeuwde de gewezen bootsman, toen hij weer overeind kwam,
„dat zal ik nooit vergeten, Sir!”
Raffles nam een revolver, die in den gordel van den gedooden Chinees
stak en vuurde op de naderdringende langstaarten.
Daarop greep hij een met ijzer beslagen harpoen en stortte zich,
gevolgd door Tylar, op de zeeroovers.
Deze vluchtten voor den blanken duivel, zooals zij hem noemden en
Raffles wierp hun de stinkpotten achterna.
Maar de strijd was nog niet geëindigd.
De Chineesche arbeiders, die aan boord waren gekomen, en die door den
bootsman van wapens waren voorzien, maakten plotseling gemeene zaak met
de zeeroovers en vielen de matrozen aan.
„Nu ziet gij”, riep Raffles tot zijn gewezen bootsman, „hoe dom gij
zijt geweest, om die valsche langstaarten onze goede wapens te geven.
„Nu moeten wij ons naar twee kanten begeven.
„Alle man hierheen!”
De matrozen werden door het bevel van Raffles met nieuwen moed bezield.
Zij weerden hun aanvallers af en schaarden zich om de commandobrug.
Besluiteloos verzamelden zich daarentegen de Chineesche werklui op het
achterdek van het schip terwijl de zeeroovers opnieuw de onbeschermde
zijwanden van het schip beklommen.
Vlak onder de commandobrug bevond zich de munitiekamer.
Raffles liet deze openen en verscheiden geopende munitiekisten op de
commandobrug zetten.
De brug was het hoogste punt van het schip en er konden gemakkelijk zes
man staan.
Op eenigen afstand daarvan bevond zich een dek der kajuit en daarop
zoowel als op de kajuit zelf verdeelde Raffles de matrozen.
„Eén man schiet en één man voorziet hem van munitie...
„Snelvuur;” commandeerde Raffles.
En nu begonnen zij te vuren op de dicht bij elkaar staande zeeroovers
en arbeiders.
Huilend en schreeuwend trachtten deze zich te verdedigen.
Maar als een onbluschbare vuurregen vloog het van de commandobrug en
het dek der kajuit en wierp hen neer.
Hoopen dooden lagen in hun bloed te baden en elk salvo eischte nieuwe
offers.
De munitie der Chineesche arbeiders en zeeroovers was verschoten en zij
moesten zich dus met handwapenen verdedigen.
Het duurde niet langer dan een kwartier, of het dek was van aanvallers
gezuiverd en slechts dooden en gewonden lagen in het rond.
De wind was gaan liggen en nu beval Raffles, terwijl hij overal op het
schip posten uitzette, dat de rest van de bemanning de zeilen moest
hijschen.
In eenige minuten was dit geschied.
Als een meeuw vloog het zeiljacht heen en liet de aanvallers als
donkere stipjes op de kust achter.
Nu droegen de matrozen hun gewonde kameraden in het scheepsruim om hen
daar te verbinden.
Meer dan de helft van hen was zwaar gewond en verscheiden waren dood.
Ook de bootsman had een schampschot aan het hoofd gekregen en eenige
steken in den linkerarm.
Met de gewonde Chineezen en zeeroovers maakten de matrozen een kort
proces. Zij wierpen hen eenvoudig als ballast in zee.
Van de Chineesche arbeiders was geen enkele aan boord gebleven.
Toen het schip weer in orde was gebracht, kwamen verschillende der
matrozen naar Raffles toe, bleven in deemoedige houding voor hem staan
en een van hen, een zekere Tom Back, zei:
„Wel, kapitein, wij hebben niets anders te zeggen, dan dat mijn
kameraden en ik ons schamen, dat wij ons in Honolulu hebben laten
omkoopen om te muiten.
„Wij zijn bereid, u opnieuw gehoorzaamheid te zweren en willen, dat gij
het schip naar de naaste haven brengt.
„Daar kunt gij ons dan, als gij het wenscht, door de overheid laten
straffen.”
„Ik dank u ervoor”, antwoordde Raffles, „dat gij eindelijk verstandig
zijt geworden en ik ben blij, dat gij dit prachtige schip eindelijk
weer in een haven terug wilt brengen.
„Ik wensch u niet te laten straffen, integendeel!
„Gij ziet, in welke gevaren en avonturen uw domheid u heeft gebracht en
ik geloof, dat gij zonder mijn hulp reeds tweemaal het leven er bij had
ingeschoten.
„Nu doe ik u een voorstel!
„Gij zult van nu af het schip met de lading aan mij toevertrouwen. Ik
betaal u, zoodra gij het schip in een bevriende haven hebt, zes maanden
loon en gij kunt uw eigen gang gaan.
„Zijt gij het daarmee eens?”
Met verheugde gezichten beloofden de teerjakken Raffles dit en volgden
nu blindelings zijn aanwijzingen.
In den mast wapperde weer lustig de Amerikaansche vlag en Raffles, die
persoonlijk het stuur in handen had, liet dit nu aan den tweeden
stuurman over en begaf zich naar de kajuit, waar de gewonde Tylar lag.
Kermend lag deze op zijn bed.
„Ik weet niet”, sprak hij tot Tylar, „of gij hebt gehoord, dat uw
kameraden u afvallig zijn geworden en dat ik weer meester van het schip
ben.”
„De duivel hale u!” vloekte de bootsman.
„De duivel had jou bijna gehaald!” antwoordde Raffles. „Als je niet
verstandig bent, zal ik je door mijn manschappen in ijzer later klinken
en een anderen toon tegen je aanslaan!”
„De duivel hale je!” vloekte Tylar nog eens. „Ik was gek, dat ik niet
naar Wou-Wang luisterde, die mij raadde je met een messnede in de keel
in zee te werpen.”
„Je bent een nette kerel”, antwoordde Raffles, „is dat de dank ervoor,
dat ik je voor den messteek van den Chinees behoedde?
„Wel, je wordt, totdat wij een haven hebben bereikt, als gevangene
beschouwd en ik verzeker je, bij de geringste weerspannigheid, die je
toont of wanneer ik van de bemanning hoor, dat je weer verraad wilt
plegen, krijg je van mij een kogel en ga denzelfden weg, dien alle
verraders moeten gaan.
„Dit is het laatste woord, dat ik met je spreek.”
Het was twee dagen later, toen een Engelsche kanonneerboot in zicht
kwam.
De Engelschman gaf Raffles bevel, stil te houden en hem te antwoorden,
wie hij was.— —
Maar de Groote Onbekende was niet van plan, het bevel van het Engelsche
oorlogsschip te volgen en, daar er een behoorlijke bries waaide, liet
hij alle zeilen bijzetten en met volle snelheid vloog het jacht weg.
Een schot, waarop nog verscheiden andere volgden, werd hun nagezonden.—
Raffles zag, hoe uit den schoorsteen van den kruiser dikke rookwolken
opstegen en wist, dat deze stoom zette om hen te vervolgen.
„Voorwaarts, jongens!” riep hij zijn matrozen toe. „Wij moeten den
Engelschman toonen, dat wij, Amerikanen, tegen hem zijn opgewassen.
„Gij kent het schip, en weet wat het vermag. Wij moeten den Engelschman
achter ons laten!”
De Engelsche pantserkruiser deed wanhopige pogingen om het zeiljacht in
te halen.
Maar het hielp hem niets.
Steeds grooter werd de afstand en eindelijk was van het jacht niet meer
dan een witte plek, zoo groot als een meeuw, te zien.
Toen viel de duisternis en het jacht was geheel en al verdwenen.
Den volgenden morgen dook aan de Chineesche kust Shanghai op.
Doch in een groote bocht vermeed Raffles de kust van Shanghai en het
scheen, alsof hij de haven niet wilde binnenloopen.
In de buitenhaven wemelde het van vaartuigen van alle naties.
Douanebooten vlogen heen en weer en maakten aanstalten om het zeiljacht
op te zoeken.
Hij had in de kajuit, in den borstzak van den gedooden Chineeschen
klerk, de brieven gevonden, die Wou-Wang aan zijn vriend in Shanghai
had gericht.
Op eenige mijlen afstands liet Raffles de boot in een stille bocht
varen en begaf zich den volgenden dag op een klein bootje, dat zij in
Nagasaki van Wou-Wang hadden gekregen, aan land.
Hij wilde probeeren, een der Chineesche kooplieden, wier adressen hij
uit de brieven kende, in Shanghai op te zoeken.
Dicht bij het strand bevond zich een klein visschersdorp.
Onder de visschers vond hij een, die zooveel Engelsch sprak, dat hij
zich tegenover hem verstaanbaar kon maken en dezen nam hij als gids mee
naar Shanghai.
Het was na middernacht toen hij voor het huis van den koopman aankwam
en dezen door een bediende liet wekken.
Sam-Li, een oude Chinees, verscheen ontstemd in de voorhal van zijn
huis en vroeg Raffles naar diens verlangen.
Hij sprak vloeiend Engelsch.
Het viel Raffles dus niet moeilijk, met hem te praten.
„Ik kom van Wou-Wang” begon de Groote Onbekende, „en ben kapitein van
het zeiljacht „Carmenrita.””
Nauwelijks had de Chinees deze woorden gehoord, of hij vertrok zijn
gelaat tot een vriendelijken lach en noodigde Raffles, diens matrozen
en gids uit, binnen te komen.
Binnen een half uur was Raffles het met hem eens en de Chinees
verklaarde zich bereid het bedrag voor de zending aan hem uit te
betalen.
Een uur later vertrok een karavaan muildieren en arbeiders om nog in
den nacht de kostbare lading te gaan halen.
De Chineesche tolbeambten schenen dien nacht te slapen.—
Zonder eenig beletsel werd de opiumlading aan land gebracht.
De Chineesche koopman overhandigde Raffles daarvoor 8 zakken, die met
goud gevuld waren en het bedrag van 1½ millioen dollars
vertegenwoordigden.
Tegen den morgen reeds lichtte het jacht zijn ankers en voer nu met
volle zeilen de haven van Shanghai binnen.
Ook hier wekte het de algemeene bewondering op.
Nauwelijks waren de ankers uitgeworpen, of een Amerikaansche
consulaatsboot naderde en de Amerikaansche consul Brown kwam aan boord.
„Mr. Lister”, riep hij, toen hij voor Raffles stond.
„Yes, Sir, wat wenscht gij van mij?”
De consul haalde een telegram te voorschijn en sprak:
„Ik heb van mijn regeering een telegram gekregen, waarin mij wordt
bevolen, acht te geven op een zeiljacht, waarvan gij de kapitein zijt
en dat sinds eenige weken is verdwenen.
„Zijt gij dat werkelijk?”
„Ja, Sir”, antwoordde Raffles weer. „Wij waren in een taifun en konden
ons slechts met moeite redden.”
„Ontvang dan mijn gelukwenschen met den goeden afloop.”
Nu verliet de consul het jacht en de Chineesche douanebeambten kwamen
aan boord zonder iets te vinden.
Den volgenden dag ontsloeg Raffles zijn matrozen, nadat hij hen goed
had beloond en liet zich door een agent nieuwe manschappen bezorgen.
Maar een enkelen ontsloeg hij niet en dat was Tylar, dien hij in zijn
hut gevangen hield.
Nadat hij vier dagen in de haven had gelegen en al het ontbrekende voor
het schip had gekocht, nam hij zijn koers naar het Westen.
Charly Brand echter ontving op dien tijd een telegram in New-York van
den volgenden inhoud:
„Mr. Brand, Usterhotel,
New-York.
Vaar heden van Shanghai naar Londen. Hoop, dat pruik succes heeft
gehad. Beste groeten aan de dames Delma en aan Señor Delma.
J. C. R......”
Toen Charly Brand dit telegram ontving, viel hem een pak van het hart.
Reeds sinds eenige weken hadden hij en de familie Delma alle hoop
opgegeven, Raffles terug te zullen zien.—
Groote vreugde heerschte onder hen, toen zij het telegram ontvingen.
Maar tevergeefs vroegen zij zich af, hoe Raffles met zijn jacht naar
China was gekomen.
Alleen Charly Brand begreep, wat zijn vriend met de pruik bedoelde.
Bijna had hij het zelf vergeten, hoe hij maanden geleden, voordat hij
zich voor Mevrouw Delma in Mexicaansche avonturen waagde, aan het
Strand in Londen een pruik had gekocht, om daardoor eindelijk een vrouw
te vinden.
Zijn kalen knikker was hij nu kwijt, maar een vrouw had hij nog niet
gevonden.
Toen hij op zekeren dag bescheiden toespelingen maakte tegen Alma Delma
over een ongelukkige liefde, zag zij hem vol medelijden aan en
antwoordde:
„O, mijn vriend, het doet mij innig leed, dat gij een ongelukkige
liefde hebt; tracht toch, een gelukkige te vinden.”
Hij begreep haar woorden niet en meende, dat het een blauwtje voor hem
beteekende.
Nu, na ontvangst van het telegram, kreeg hij eindelijk moed zich
tegenover het beminde meisje uit te spreken.
Toen hij zweeg, keek zij hem trouwhartig in de oogen en zei:
„Gij spreekt weer van uw liefde, Mr. Brand. Ik ben heusch nieuwsgierig
om te vernemen, wie uw uitverkorene is.”
En Charly Brand durfde weer niet te zeggen, dat zij zelf dat was!
Dienzelfden avond besloten zij, met de eerste boot naar Londen te
varen, om daar Raffles te ontmoeten.
ZESDE HOOFDSTUK.
BAXTER WEER IN ACTIE.
De inspecteur van politie van Scotland Yard was gedurende de
afwezigheid van Raffles uit Londen geheel op zijn verhaal gekomen.
De Vloo, zooals secretaris Marholm werd genoemd, had dezen morgen weer
lust om zijn chef te ergeren.
„Waarachtig, inspecteur”, sprak hij tot Baxter, „gij ziet er uit, alsof
gij maandenlang verlof hadt gehad. Ik geloof, dat gij in den laatsten
tijd wel dertig pond zijt aangekomen.”
Baxter antwoordde, zonder te begrijpen, dat Marholm schertste:
„Ja, mijn lieve Marholm, het wordt tijd, dat ik verlof neem om weer
eens naar Mariënbad te gaan. Ik wordt te vet.”
„Geen slechte gedachte”, antwoordde de Vloo, „Mariënbad zou u stellig
goed doen, maar gij kunt de reiskosten sparen, als Raffles gauw weer in
Londen terugkomt.”
Nauwelijks had de Vloo dezen naam genoemd, of de inspecteur fronste het
voorhoofd en sprak:
„Ik heb het u eens voor al verboden, den naam van dezen schurk buiten
dienst tegen mij te noemen. Wees blij, dat die man eindelijk van den
aardbodem verdwenen is.”
„Het is zeer vermetel van u, dat zoo beslist te beweren”, antwoordde de
Vloo.
De inspecteur wierp hem een woedenden blik toe en riep:
„Ik weet, dat hij uw vriend is, Marholm, en gij zoudt het prettig
vinden, als dat sujet hier weer opdook om mij bespottelijk te maken.
„Maar ik zeg u dat, mocht ik Raffles in dit leven nog eens
ontmoeten—wee hem!
„Ik heb een cursus in Jiu-jitsu gevolgd en heb bovendien op de
universiteit te Oxford nieuwe studiën gemaakt van de crimineele
wetenschap.”
„Zeg eens, inspecteur”, vroeg de Vloo met een boosaardig lachje, „heeft
die professor u ook verteld, hoe men misdadigers moet vangen, die men
nooit heeft kunnen krijgen?”
„Professor Smithson in Oxford beweert, na lange wetenschappelijke
studiën, dat er geen enkele misdadiger is, dien men niet zou kunnen
krijgen!”
„Oho!” lachte de Vloo, „zeker door hun zout op den staart te strooien?”
„Houd uw flauwe grappen voor u!” riep Baxter woedend uit. „U schijnt
zelfs professor Smithson van Oxford niet heilig te zijn.”
„Neen”, antwoordde de Vloo met een breeden grijns, „ik geloof er niets
van. Gij moet dien professor eens verzoeken, Raffles naar Scotland Yard
te zenden. Het resultaat zou zeker schitterend zijn!”
„Zwijg, Marholm! Houd u met uw werk bezig! Gij zijt den laatsten tijd
toch al niet zeer vlijtig.”
„Wat mij zeer koud laat”, dacht de Vloo bij zichzelf, zijn neus vol
plichtsgevoel in de acten en papieren stekend.
„Een telegram, inspecteur”, meldde op dit oogenblik de
telegrambesteller en overhandigde den inspecteur van politie het roode
couvert, waarop hij het bureau weer verliet.
Baxter, die juist zijn middagslaapje wilde doen, gaf het telegram,
zonder het te lezen, aan de Vloo met de woorden:
„Lees het maar, Marholm, de inhoud zal wel van geen belang zijn.”
Nauwelijks had de Vloo een blik geworpen op het telegram, of hij riep
den inspecteur van politie na:
„Blijf hier, het is een zeer gewichtig telegram betreffende onzen
vriend Raffles!”
Baxter maakte verbaasd rechtsomkeert bij de deur en stamelde:
„Van— — — —van— — — —van— — — —Raffles?”
„Hoor maar eens!” riep Marholm. „Een telegram van consul Hasper uit
Shanghai.”
„Vijf weken geleden kwam hier in de haven het zeiljacht Carmenrita
binnen met een lading opium ter waarde van 2 millioen dollars.
„Deze lading opium was het eigendom van den Chineeschen groothandelaar
Wou-Wang en was bestemd voor Sam-Li, koopman te Shanghai.
„Zooals is gebleken is de lading opium door Raffles gestolen en hij met
het geld, 1½ millioen dollar, waarschijnlijk op weg naar Londen. Wacht
hem daar op.”
Baxter stond nog steeds met open mond Marholm aan te kijken, die op
zijn beurt met een vriendelijk glimlachje Baxter ironisch toeknikte.
„Nu, nu, daar heb je het alweer!” brulde Baxter. „Als je van den duivel
spreekt, dan is hij er.”
„Ja, ik zei u dadelijk al, dat we met Raffles nog niet hebben
afgedaan.”
„Hoe komt die man er in ’s hemels naam toe een scheepslading opium te
stelen?”
„Waarschijnlijk,” lachte de vloo, „wilde hij daarmee het hoofdbureau
van politie een genoegen doen. Wij slapen nog niet genoeg.”
„Zwijg,” riep Baxter, „en word toch eindelijk eens verstandig; 1½
millioen heeft die kerel weer gestolen.— — —”
„Jawel, 1½ millioen dollar!”
„Wat zullen we doen?”
„Heel eenvoudig,” antwoordde de vloo. „Begeef u op de politieboot en
vaar Raffles op de Theems tegemoet.”
Baxter hield zijn buik met twee handen vast en riep:
„Alleen de gedachte hieraan maakt me al zeeziek. Ik kan er niet tegen,
op die boot te varen.”
„Dan moet gij u door professor Smithson uit Oxford een middel tegen
zeeziekte laten geven, anders is dit een beletsel den grooten Raffles
te vangen.”
„Ik zou den hemel danken, als die Raffles voor goed in China was
gebleven.”
„Wees toch blij,” lachte de vloo, „dat ge nu de kuur in Mariënbad
uitspaart.
„Over een paar dagen zult ge al verscheiden pond afgenomen zijn, en
binnen vier weken weer op een normaal standpunt zijn gekomen, zooals
vóór het vertrek van Raffles.”
„Stel u in verbinding met den loods Omyr en vraag eens, of er al een
zeiljacht Carmenrita de Theems is opgevaren.”
Marholm ging naar de telefoon en vernam toen, dat daags tevoren een
zeiljacht, Carmenrita genaamd, op de Theems was aangekomen en bij de
Towerbridge voor anker lag.
Nauwelijks vernam Baxter deze mededeeling of hij gaf bevel, alle
beschikbare detectives en politie-agenten mobiel te maken om met hem
Raffles gevangen te nemen.
„Gelooft ge dan waarlijk, dat Raffles zich nog aan boord van het jacht
bevindt?”
„Zwijg,” donderde Baxter, „en stoor mij niet in mijn ambtsbezigheden.”
Op dit oogenblik trad een loopjongen binnen en vroeg beleefd naar den
inspecteur van politie Baxter.
De vloo wees den jongen met de hand naar den inspecteur, waarna de
loopjongen hem een brief ter hand stelde.— —
„Van wien komt die brief?” vroeg Baxter den jongen.
„Dat weet ik niet, Sir,” antwoordde de jongen. „Een meneer gaf mij den
brief aan den oever van de Theems met de opbracht hem bij u te
bezorgen.”
„Het is goed.”
De loopjongen ging weg en Baxter opende den brief.
Zijn oogen werden hoe langer hoe grooter, toen hij het bekende
handschrift van Raffles zag.
„Mijn lieve inspecteur van politie,” zoo begon de brief.
„Wat een brutaliteit van dien schurk, om mij altijd „mijn lieve
inspecteur van politie” te noemen!” vloekte Baxter hard op.
„Waarom?” vroeg de vloo. „Ik vind dat in het geheel niet brutaal, maar
beleefd en netjes.”
„Ik ben zijn vriend niet!” riep Baxter en ging voort met lezen.
„Ik haast mij, u mede te deelen, dat ik van mijn maandenlange reis weer
naar Londen ben teruggekeerd en ik hoop, u bij de eerstkomende
gelegenheid mijn opwachting te maken.”
Baxter hield op met lezen, keek de vloo aan en sprak:
„Ik geloof werkelijk, dat die man zoo brutaal zal zijn om mij te komen
bezoeken.”
„Waarom ook niet! Daaraan twijfel ik geen oogenblik!” sprak de vloo,
„maar lees toch verder. Ik ben benieuwd naar hetgeen Raffles ons nog
heeft te vertellen.”
Baxter nam den brief weer op en vervolgde:
„Opdat gij ziet, hoezeer ik u hoogacht, heb ik u een interessant
souvenir van mijn reis meegebracht.
Geef u geen moeite om mij na ontvangst van dezen brief weer op uw
gewone manier te vervolgen, want ik bevind mij op een plaats, die
gij niet gemakkelijk zult ontdekken.
Met beleefde groeten en de meeste hoogachting,
Uw John C. Raffles.”
„Ha!” riep Baxter uit, nadat hij den brief ten einde toe had gelezen,
„nu zit hij in de val.
„Hij vermoedt niet, dat ik dit telegram heb gekregen van den consul van
Shanghai en dat ik weet, dat hij zich op zijn jacht Carmenrita bevindt!
„Vooruit, Marholm! van het jacht kan hij ons niet ontsnappen, er liggen
geen balken onder het water! Dit is nu eens een plekje, vanwaar hij ons
niet kan ontsnappen!”
„Nu, nu!” mompelde de vloo vol twijfel.
„Zoo geheel zeker ben ik daar niet van, voordat Raffles zich inderdaad
hier in Scotland Yard bevindt.”
Een kwartier later vertrokken een half dozijn met politieagenten en
detectives bezette automobielen naar de Theems.
Vanuit talrijke booten, welke de politie-inspecteur liet aanrukken,
begon hij het jacht, dat midden op de rivier lag, van alle kanten te
omsingelen. Het leek wel, alsof het Chineesche booten van Korea waren,
die nogmaals een aanval op het schip wilden doen.
„Voorzichtig, mannen!” riep Baxter, toen hij met de revolver in de hand
zich aan boord begaf.
„Sluit het schip nauw in! Zoodra hij over boord springt, moet gij hem
grijpen en vast houden!”
Daarop begon hij het schip nauwkeurig te doorzoeken. Maar niets werd
gevonden, zelfs geen enkele rat.
„Hier!” riep de vloo.
Haastig gaf Baxter zijn mannen een teeken en fluisterde:
„Wij hebben hem, jongens, en als ik mij niet heel erg vergis dan slaapt
hij. Hij is al te vermetel geworden! Hij voelt zich wel veilig in zijn
schuilhoek!”
Hij beval, dat verscheiden detectives, met revolvers gewapend, hem
moesten volgen en opende daarna moedig de deur.
Op een bed zagen zij de gedaante van een man.
Zonder hem nauwkeuriger te bekijken, wierpen drie detectives zich onder
leiding van Baxter op den slapende en boeiden hem. (Zie het titelblad.)
Verbaasd keek de gevangene, die zich tevergeefs tegen de ijzeren
vuisten der politiebeambten trachtte te verdedigen, om zich heen.
„Wat wilt gij van mij?” schreeuwde hij tot Baxter.
„Houd u niet zoo dom, Raffles!” antwoordde Baxter, „deze keer zijt gij
ons niet ontkomen!”
„De duivel moge mij halen, als dat Raffles is,” mengde zich nu de vloo
in het gesprek.
„Ik ben Raffles niet!” riep de gevangene, „ik ben de bootsman van dit
schip.”
„Dat kan iedereen wel zeggen,” antwoordde Baxter, „maar als gij ons
niet wijst, waar John Raffles zich bevindt, geloof ik niet, dat gij het
niet zijt.
„Ik weet maar al te goed, Mr. Raffles, dat gij de kunst van u te
vermommen uitstekend verstaat.
„Voorwaarts! Naar het hoofdbureau van politie!”
Reeds dien avond vermeldden de nieuwsbladen de eerste sensatieberichten
omtrent de eindelijke gevangenname van den veelgezochten meesterdief.
Tegelijkertijd wisten zij te vertellen, dat hij bij zijn laatste truc
voor 1½ millioen dollar aan opium had gestolen.
Dit bericht hadden zij te danken aan de mededeelzaamheid van de vloo.
Hoe schrok Baxter, toen hij, juist toen hij den vermeenden Raffles een
verhoor afnam, weer een brief ontving door bemiddeling van een
loopjongen.
En met onzekere blikken las hij het volgende:
„Mijn lieve inspecteur van politie!”
Naar ik verneem, hebt gij in plaats van mijn persoon van mijn schip
het souvenir weggehaald, dat ik voor u had meegebracht uit Mexico
en China.
De man, dien gij hebt gevangen genomen, is mijn bootsman Tylar, die
zich aan boord van mijn schip aan ernstige muiterij heeft schuldig
gemaakt.
Ik verzoek u, hem deswege flink te straffen.
Ik groet u en ben met de meeste hoogachting,
John C. Raffles.”
„Goddam!” schreeuwde Baxter.
„Had Smithson gelijk of ik?” vroeg de vloo.
„Smithson is een ezel!” antwoordde Baxter woedend. „Zijn theorieën
kloppen niet! En nu komt nog het gekste van alles, dat wij namelijk
voor Raffles een proces moeten voeren tegen een muitenden bootsman.”
„Nu, dat is tenminste iets,” troostte de vloo. „Men moet den hemel voor
alle goede gaven dankbaar zijn!”
„Als de kranten maar niet bestonden!” jammerde Baxter, „nu zullen zij
weer den spot drijven met ons en vooral met mij!”
Wat de inspecteur had gevreesd, gebeurde.
In kolommenlange artikelen schilderden de kranten overal den aanval van
Baxter op het jacht en de gevangenname van den onechten Raffles.
De geïllustreerde spotbladen teekenden hem zelfs uit, zooals hij in een
boot als Engelsch admiraal den aanval leidde.
En deze bladen kregen Señor Delma en zijn dames, evenals Charly Brand
op den morgen van hun aankomst in Londen onder oogen en zij vernamen
daaruit voor het eerst, wie hun dappere redder uit zoovele gevaren was
geweest.
„Als het mij vergund was,” sprak Señor Delma tot Charly Brand, „om een
standbeeld op te richten ter eere van uw vriend, dan zou ik het doen!”
Daar kwam de hotelbediende een heer aandienen, die hen wenschte te
spreken.
Eenige oogenblikken later werd de deur geopend en Raffles trad binnen.
Hij begroette Señor Delma alsof deze zijn broeder was, maar toen deze
meende, dat het voor Raffles misschien beter zou zijn om voor altijd in
Mexico te blijven en daar een behaaglijk en rustig leven te leiden,
antwoordde deze:
„Mijn lieve Señor Delma! Ik zou zeer zeker uit heimwee naar mijn
geliefd Londen doodziek worden. Neen, ik houd van deze stad en ben
blij, dat ik mij weer op Engelschen bodem bevind.
„Bovendien ben ik voor mijn vaderland zeer nuttig.
„Er zijn maar al te veel schurken op de wereld, waartegen onze wetten
en inspecteur Baxter onmachtig zijn en met wie men alleen iets kan
uitrichten vanaf het standpunt van misdadiger.
„Ter wille van die schurken blijf ik in Londen totdat ik sterf!”
Señor Delma wist hierop niets te antwoorden. Hij gaf Raffles de hand en
sprak:
„Ik kan niet anders dan u als een held bewonderen.”
Nu zag Raffles, dat Charly Brand zonder pruik was.
„Zeg eens, Charly!” riep hij uit, „sinds wanneer heb je weer een kalen
knikker?”
„Sinds ik heb ingezien, dat ik niet geschikt ben voor het huwelijk. Een
pruik op het hoofd is te warm en ik kan zoo’n ding onmogelijk mijn
levenlang dragen. Ik doe het daarom liever zonder vrouw en blijf jouw
vriend en jonggezel!”
„En Alma Delma?” vroeg Raffles zoo zacht, dat haar vader het niet kon
hooren.
„Is jong en mooi en zal als rijke erfgename zooveel mannen kunnen
krijgen als zij maar wil.”—
Een vroolijk souper was het slot van den avontuurlijken tocht van Lord
Lister naar Mexico en toen Señor Delma opstond om met tranen in de
oogen Raffles te danken voor alles, wat deze voor hen had gedaan,
stemden allen na den toast in met den uitroep:
„Lang moge Raffles voor ons allen gespaard blijven. Leve onze Raffles!
Hoera! Hoera! Hoera!”
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0051: DE VEERTIG DIEVEN ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you
are not located in the United States, you will have to check the laws
of the country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
the use of Project Gutenberg works calculated using the method
you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
within 60 days following each date on which you prepare (or are
legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
payments should be clearly marked as such and sent to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
License. You must require such a user to return or destroy all
copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free
distribution of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.