Lord Lister No. 0029: Het Indische raadsel

By Kurt Matull and Theo von Blankensee

The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0029: Het Indische raadsel
    
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this ebook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0029: Het Indische raadsel

Author: Kurt Matull
        Theo von Blankensee

Release date: September 21, 2024 [eBook #74456]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel

Credits: Jeroen Hellingman and The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0029: HET INDISCHE RAADSEL ***





                              LORD LISTER
                            GENAAMD RAFFLES
                          DE GROOTE ONBEKENDE.

                     NO. 29   HET INDISCHE RAADSEL.








HET INDISCHE RAADSEL.


EERSTE HOOFDSTUK.

HET GEHEIM VAN TURKINGTON.


De morgenzon straalde met schitterenden glans boven de groene zee en
baadde de trotsche schepen in de haven van Portsmouth in haar weldoende
stralen.

Op de commandobrug van een der oceaanbooten stond, omringd door een
talrijk gevolg, een rijzige, fiere, slanke mannengestalte.

Hij zag er uit als een verschijning uit een sprookje.

Kostbare juweelen en ordeteekenen versierden zijn borst.

Diamanten knoopen en briljanten van ongekende grootte vonkelden op zijn
groen- en purperkleurig zijden gewaad.

Als een glinsterende slang schitterde de met edelsteenen versierde
scheede van het breede, licht gebogen zwaard, welks halvemaanvormige
greep in de handen van den man rustte.

Het was een der machtigste vorsten van Indië—de Maharadjah van
Indrabad—die zijn verplicht bezoek moest brengen aan den koning van
Engeland.

Hij was een van de vijf Indische Maharadjahs, die met Koninklijke eer
door het machtige Engeland werd behandeld.

Daarom lagen de trotsche pantserschepen gereed om hem met
eerbetuigingen te ontvangen, zooals de Engelsche vloot deze alleen,
bewijst aan koningen en keizers.

En als een machtig koning kwam deze Indische vorst over de zee, omringd
door een geweldig aantal zijner krijgslieden, een gevolg, dat getooid
was met alle kleuren van den regenboog, zwaard- en banierdragers,
danseressen en bedienden.

Het donkerbruine, scherp geteekende gelaat van den vorst was naar de
haven gewend. In een rechte lijn lag het eskader van Engelands
gepantserde zeekasteelen voor zijn heerschersoogen.

Met vollen vlaggentooi groetten de oorlogsschepen den trotschen,
schatplichtigen Indische vorst.

De matrozen in hun witte uniformen paradeerden in de raas en touwen.

De scheepsmuziek deed de tonen van het “God save the King” hooren en
het luide hoerageroep der manschappen vermengde zich met het donderen
van het geschut.

Vlak naast den Maharadjah stond in eenvoudige burgerkleeren de jonge
Lord Turkington, wien de eervolle onderscheiding was te beurt gevallen
om namens den koning den Indischen vorst in Gibraltar te ontvangen en
van daar naar Engeland te vergezellen.

De kade, waar de stoomboot aanlegde, was feestelijk getooid voor de
ontvangst van den vorst. De havenautoriteiten waren verschenen, omgeven
door een talrijke menigte.

Dichtbij den steiger was een eerewacht opgesteld, terwijl koninklijke
lakeien stonden te wachten.

Onder deze laatsten bevond zich een oudere bediende, die de eenvoudige,
grijze livrei droeg van Lord Turkington.

Het rustige koele uiterlijk, dat den bediende gewoonlijk eigen was, had
plaats gemaakt voor zenuwachtige ongerustheid.

Men kon het aan den ouden, grijzen man zien, dat hij een bijzondere
taak te vervullen had.

Nauwelijks waren de plechtigheden der ontvangst afgeloopen of hij
baande zich een weg door het gevolg totdat hij zijn jongen meester had
bereikt.

Met een diepe buiging, het grijze hoofd ontblootend, bleef hij voor den
Lord staan.

Deze schrok.

“Aha, ben jij het, James. Waarom ben jij uit Londen hierheen gekomen?”

De oude bediende fluisterde met gedempte stem:

“Onze heer, de Lord, ligt op sterven.”

De jonge man beefde over al zijn leden en moest den arm van den
bediende grijpen om een steun te hebben.

Daarop spande hij al zijn energie in en richtte zich weer op.

“Het is goed, James. Meld den doktoren, dat zij al het mogelijke moeten
doen, opdat ik mijn vader nog levend terug zie. De dienst bindt mij nog
tot hedenavond.”

De oude boog en trok zich terug. Zacht sprak hij tot zich zelf:

“Het zal te laat zijn.”

Een lange reeks van feestelijke plechtigheden volgde in de eerstkomende
uren ter eere van den machtigen onderdaan van het Rijk. Voor ieder
ander, behalve voor Lord Turkington, snelden de uren voorbij, maar hem
was het alsof de tijd voorbijkroop, alsof het einde van den dag niet
zou komen.

Het was tegen elf uur in den nacht toen hij eindelijk nadat zijn dienst
was afgeloopen, het oude, deftige paleis van zijn vader binnentrad.

Reeds in de voorhal zag hij aan het uiterlijk der op hem wachtende
bedienden, dat hij te laat kwam.

Een kamerdienaar geleidde hem naar het slaapvertrek, dat zich naast de
studeerkamer bevond.

Hier vertoefde de oude notaris der familie, de heer Barring, die op de
komst van den erfgenaam, den jongen Lord Turkington, wachtte.

Met een warmen handdruk begroette Lord Richard den trouwen raadgever
van zijn vader:

“Gij hebt waarschijnlijk het droevige voorrecht gehad, Mr. Barring, de
laatste woorden van mijn vader te hooren; de dienst van den koning
maakte het mij onmogelijk.”

De notaris boog zwijgend en opende zijn aktenportefeuille.

“Zijn Lordschap gelastte mij, u, voordat gij aan zijn sterfbed zoudt
verschijnen, dit laatste schrijven te overhandigen. Ik voer hiermede
deze taak uit. Mag ik u verzoeken— —”

Met trillende vingers opende de jonge Lord het hem overhandigde papier
en, al zijn wilskracht bijeenrapend, las hij het volgende:


    “Mijn lieve, eenige zoon! Ik voel, dat ik slechts nog eenige uren
    heb te leven en vermoed, dat ik je niet meer terug zal zien.
    Verneem dus uit deze regels mijn laatsten wil: Alles, wat ik bezit,
    is jouw eigendom, behalve een privilege, dat onze familie sinds
    meer dan twee eeuwen bij het Engelsche hof geniet. Je moet bij mijn
    sterfbed bezweren, dat je van dit voorrecht afstand doet. Ik bedoel
    hiermede het privilege, om de staatsbetrekking te bekleeden, waarop
    onze familie in Indië recht heeft. Richard, zweer mij met je
    heiligsten eed, dat je nimmer naar Indië zult gaan. Dat
    sprookjesachtige, geheimzinnige land met zijn onmetelijke schatten
    zou je den dood brengen.

    Nu, na mijn verscheiden, krijg je inzage van onze familiekroniek en
    je zult daarin lezen van het gruwelijke lot, dat in Indië onze
    familie wacht: de dood in tweeledige gedaante, lichamelijk en
    geestelijk.

    Je weet, dat ik niet de directe erfgename van mijn vader was. Mijn
    oudere broer stierf in Indië. De oudste broer van mijn vader vond
    daar eveneens den dood en sinds zes geslachten vermeldt onze
    familiekroniek het ontzettende feit, dat steeds de eerstgeborene
    zijn leven liet in Indië.

    Dat zou een ongelukkig toeval kunnen zijn, maar helaas, de zaak
    verandert er niet door en het geheimzinnige van dit doodenraadsel
    werd nimmer opgelost.

    Je voorvaderen stierven, omdat zij, evenals een mug in het
    kaarslicht, in een mysterieuzen dood werden gelokt.

    Daarginds, in Indië, in een van de sprookjesachtige geheime
    tempels, ontdekte je ongelukkige voorvader, Lord Albert, voor
    ongeveer tweehonderd jaar, een der onoplosbare Indische raadsels en
    nam het in bezit. Die buit, welke ons allen steeds onbekend is
    gebleven, werd hem, voordat hij ze naar Engeland kon overbrengen,
    weer ontstolen.

    Dit verlies oefende een eigenaardigen, physieken druk op hem uit.
    Hij kwam niet weer naar Londen terug. Hij bleef in Indië en
    trachtte het gestolene terug te vinden. Zijn laatsten brief, dien
    je in het archief zult vinden, schreef hij aan zijn vader en hierin
    meldde hij, dat hij nimmer meer gelukkig kon zijn, tenzij hij weer
    in het bezit zou komen van het door hem gevonden Akasa.

    Eenige maanden later stierf hij krankzinnig. Het geheimzinnige
    woord Akasa is alles, wat wij ervan weten. En dit woord is een
    vloek voor ons, zet zich vast in onze hersens en oefent een
    duivelsche macht op ons uit.

    Als een helsche suggestie dwingt het ons, het raadsel uit te
    vorschen en alle leden van onze familie, die hieraan geen weerstand
    konden bieden, stierven krankzinnig in Indië.

    Ik bezweer je, ik smeek je bij alles wat mij heilig is, omdat je de
    laatste bent van ons geslacht: ga nooit naar Indië en bedank voor
    den eerepost van den koning als hij je dien aanbiedt.

    God behoede je en late zijn zegen op je rusten.

            Je vader Lord Edward Turkington.”


Met brandende oogen staarde de jonge Lord naar het fijne schrift van de
hand zijns vaders, dat hem een onbegrijpelijk raadsel mededeelde.

Versuft door deze onthulling had hij den dierbaren doode geheel
vergeten. De verstandige, grijze oogen van den ouden heer keken hem vol
vertrouwen aan.

Met een snelle beweging naderde de Lord hem en, naar den brief wijzend,
vroeg hij:

“Kent gij den inhoud van dit laatste schrijven van mijn vader, Mr.
Barring?”

Bevestigend knikte deze.

“Zijn Lordschap overhandigde het mij persoonlijk.”

Lord Richard keek hem met onvasten blik aan:

“Was mijn vader in zijn laatste uren, toen hij dit schreef, bij zijn
volle bewustzijn, of was zijn geest niet helder meer?”

“Zijn Lordschap was, zooals de andere aanwezigen kunnen getuigen,
volkomen bij zijn bewustzijn.”

Lord Richard schudde twijfelend het hoofd.

“Gij kent den inhoud van dit schrijven, Mr. Barring. En vindt gij dien
inhoud niet, evengoed als ik, zóó vreemd, dat mijn vraag begrijpelijk
is?”

“Zeer zeker. Maar mij zijn de gebeurtenissen in uwe familie reeds
jarenlang bekend.”

“En wat denkt gij ervan, gij, als helderdenkend jurist?”

Notaris Barring haalde de schouders op.

“Ik heb dikwijls over het geheim nagedacht en verschillende oplossingen
ervoor gezocht, maar of ik een juiste vond, kan ik niet zeggen.”

“Ik bid u, zeg mij uw meening.”

De oude heer zweeg eenige seconden, voordat hij antwoordde.

“Ik zou uw Lordschap daarmede waarschijnlijk verontrusten, misschien
zelfs krenken.”

“Neen; neen, zeer zeker niet. Spreek gerust,” verzocht de Lord op
gejaagden toon.

Notaris Barring rekte zijn magere gestalte uit, als om kracht te zoeken
voor hetgeen hij te zeggen had. Daarop begon hij:

“Van een geneeskundig standpunt zou de oplossing van het raadsel een
ziekelijke erfelijkheid in uw familie zijn, een soort
vervolgingswaanzin, waarvan tot dusverre telkens een der leden van uw
geslacht het slachtoffer werd.”

Lord Richard sidderde.

Ja—zeker—de oude notaris had gelijk.

Waanzin, erfelijke waanzin moest het zijn. Een vreeselijke toekomst,
waartegen noch menschelijke kundigheden, noch de heiligste eeden iets
vermochten. En als een drenkeling zocht hij naar een middel, dat hem
van dit vreeselijke spook van den waanzin zou kunnen redden.

Notaris Barring raadde de gedachten van den jongen Lord; hij zag de
wanhopige uitdrukking in diens oogen en om hem gerust te stellen, sprak
hij:

“Het zou natuurlijk mogelijk kunnen zijn, dat die Akasa werkelijk
bestond en dat het bezit ervan den eigenaar als een zoo groot geluk
voorkomt, dat het verlies hem doodt. Dit laatste maakt het zeer
twijfelachtig of het Indische raadsel wel in werkelijkheid bestaat en
ik waarschuw u als vriend van uw overleden vader: volg mijn raad,
vermijd Indië en ga het dreigende gevaar op die manier uit den weg.”

“Gij hebt gelijk,” antwoordde Richard, wiens geestkracht was
teruggekomen, “de eed, dien ik aan het sterfbed van mijn vader zal
afleggen, zal voor mij een sterk wapen zijn tegen alle Indische
fakirkunsten en mysteriën.”

Hierna betrad hij met vaste schreden de sterfkamer.








TWEEDE HOOFDSTUK.

RAFFLES ALS HELPER.


De plechtige bijzetting van het lijk van wijlen, Lord Turkington had
plaats op het familiegoed in de nabijheid van Londen.

Onder de aanwezigen viel in het bijzonder de Maharadjah van Indrabad op
en zijn tegenwoordigheid was niet alleen een uiting van hoffelijke
etiquette, maar tevens een plichtsvervulling.

Aan het hof van den Maharadjah was steeds de waardigheid van Engelsch
gezant bekleed door een der leden van de familie Turkington.

En aan dit hof hadden zich de tragediën van alle Turkingtons
afgespeeld, van de laatste was de Maharadjah ooggetuige geweest

Nadat de plechtigheden waren afgeloopen en bijna alle belangstellenden
de kapel, in wier gewelven de Turkingtons sinds eeuwen rustten, hadden
verlaten, bleef de Indische vorst als een der laatsten achter en liet
door zijn Engelschen adjudant een prachtigen lauwerkrans op het graf
neerleggen van den in Indië gestorven broer van den overleden Lord.

In gedachten verzonken bleef de Maharadjah voor de eenvoudige bronzen
graftombe staan en hij las het opschrift:

“Lord Allan Turkington, geb. den 10 December 1842 te Londen, gestorven
den 4 Mei 1872 te Calcutta”.

De vorst schudde het hoofd en, terwijl, hij zich tot den adjudant
wendde, sprak hij:

“Dat opschrift is onjuist! Waarom?”

Hoe zacht hij ook had gesproken, de jonge Lord had deze woorden
verstaan, juist op het oogenblik waarin hij afscheid nam van den ouden
predikant der familie, dominé Brown.

Verbaasd wendde hij zich tot den vorst:

“Uwe Hoogheid uitte een kritiek over het opschrift van het graf van
mijn overleden oom, als ik goed hoorde.”

“Zeer juist, mijn beste Lord”, antwoordde de vorst. “Ik zie hier als
plaats van overlijden Calcutta, terwijl het inderdaad de hoofdstad van
mijn land was, waar uw voorvader is gestorven. In plaats van Calcutta
moest hier Indrabad staan. Zou dit niet bekend zijn in uw familie,
of—ach, zoo—”

De vorst viel zichzelf haastig in de reden, alsof hij op het punt was
geweest, een onbescheidenheid te begaan.

Lord Richard keek hem met glinsterende oogen aan. Voor hem doemde,
tengevolge van de woorden van den Hindoe, het raadselachtige
familiegeheim op.

De stille slaper onder de bronzen graftombe en de Indische vorst, die
hier, vonkelend van juweelen, voor hem stond, moesten door dit geheim
samen verbonden zijn. De levende moest kunnen zeggen, wat de dood
verzweeg, wat zelfs de letters op het bronzen graf verzwegen en wat nu
als een leugen werd gebrandmerkt.

Lord Richard wendde zich, nadat hij het opschrift nogmaals had gelezen,
tot den vorst.

“Uwe Hoogheid, mijn voorouders zijn allen zonder uitzondering, in
Calcutta gestorven, zooals deze grafsteenen verkondigen. Geen enkele
vermeldt Indrabad.”

De vorst haalde de schouders op.

“Misschien vergis ik mij.”

Nu trad Lord Richard vlak voor hem:

“Vergeving, Uwe Hoogheid zal zich waarschijnlijk niet vergissen en
zeker weten, wanneer, hoe en waar mijn voorvader in Indrabad is
gestorven.”

“Laten wij de rust der dooden niet storen,” sprak dominé Brown tot Lord
Richard.

“Ah, het is goed, dat gij getuige zijt van het gesprek, dominé Brown.
Misschien kunt gij mij uitleggen, hoe het komt, dat op al deze
grafschriften een leugen is gegraveerd.”

De Lord zag, hoe het gelaat van den predikant vaalbleek werd en nog
voordat deze kon antwoorden, viel Lord Richard in met de woorden:

“Ik zie, dat gij van deze leugen afweet, dominé Brown. Wilt gij mij
verklaren, waarom de kerk een dergelijke misleiding toelaat?”

Geheel en al in het nauw gedreven, kon de predikant geen ontwijkend
antwoord geven.

“De wenschen der dooden zijn heilig voor de levenden; zij zullen deze
naamsverandering hebben bevolen uit voorzorg voor het na hen komende
geslacht.”

“Dus het heeft gevaarlijke gevolgen, als de overlevende den naam
Indrabad verneemt en dezen in verband brengt met den dood zijner
voorouders? Ik verzoek u, mij dat op te helderen.”

“Ik kan Uwe Lordschap dat niet verklaren,” antwoordde dominé Brown, “ik
kan alleen zeggen, dat dit opschrift is vervaardigd op bevel van het
toenmalige hoofd der familie Turkington. Uw Lordschap mag misschien
gelijk hebben, dat de naam Indrabad niet genoemd mocht worden en in
plaats daarvan Calcutta in den steen is gegraveerd. Eigenlijk komt het
op hetzelfde neer, waar wij onzen laatsten adem uitblazen.”

Lord Richard staarde in diep gepeinzen verzonken naar de graven. Welk
afschuwelijk geheim mochten zij wel verbergen?

Was het een erfelijke vloek, die op de familie rustte? Lagen daar de
slachtoffers van den erfelijken waanzin? Waren ook zijn hersenen niet
reeds aangeroerd door die vreeselijke hand en had de langzame,
onafwendbare verwisseling van zijn verstand reeds een aanvang genomen?

Was het niet reeds het eerste teeken van vervolgingswaanzin, dat hij
zich erdoor bedreigd meende en angstig was?

Hij keek naar den vorst.

Groot en helder zagen de oogen van den Indisch en heerscher hem aan.

“Al, wat ik weet,” sprak hij, “is, dat een uwer voorouders het geheim
van een Indischen tempel, dat Akasa heet, moet hebben gestolen en
daardoor—vergeef mij de harde uitdrukking—krankzinnig is geworden.”

“Houdt Uwe Hoogheid het bestaan van dat Akasa voor waarschijnlijk?”
vroeg Lord Richard.

De Maharadjah dacht zwijgend eenige oogenblikken na; hij ging eenige
schreden achteruit en zijn oogen straalden met een eigenaardigen glans.
Hierdoor werd Lord Richard kalmer.

“Ik wil u, als vriend, de volle waarheid zeggen” begon de Maharadjah,
“wij, vorsten van het Indische volk, wij Maharadjahs, zijn niet
ingewijd in de geheimen van onze machtige priesterkaste, de Brahmanen.
Wat de priesters ons vertoonen, schijnt den nuchter denkenden mensch
onbegrijpelijk. Gaat het verstand onderzoeken, dan—” hij maakte een
veelzeggende handbeweging naar de graven.

Lord Richard had hem begrepen.

De Maharadjah reikte den jongen Lord zijn hand tot afscheid en verliet
den grafkelder.

Toen de Maharadjah den drempel der kapel betrad, waarop het zonlicht
scheen, vonkelden de diamanten van zijn tulband in wonderschoone
kleuren, lichtbundels werpend in den donkeren grafkelder.

Lord Turkington deed in de eerstvolgende dagen zijn uiterste best om
niet te denken aan het geheimzinnige Akasa.

Hij verdiepte zich in allerlei studies, hij schreef, schilderde, deed
aan sport, maar wat hij ook in liet werk stelde, steeds concentreerden
zich zijn gedachten weer op het spookbeeld, het Indische geheim.

Zoodra hij in een boek de letter A zag, vormde hij die tot het woord
Akasa.

Overal vervolgde hem dit woord, dat hem langzamerhand krankzinnig moest
maken.

Na een ellendigen, slapeloozen nacht werd het hem duidelijk, dat er
slechts twee wegen voor hem openstonden, om een eind te maken aan deze
onduldbare marteling. Of hij werd een meineedige en trok naar Indië, of
hij maakte aan alles een einde door een kogel.

Daar kwam plotseling een nieuw denkbeeld in het brein van Lord Richard
op.

Hij wilde den beroemden Indischen onderzoeker, professor Cameron, gaan
raadplegen.

Niets wilde hij onbeproefd laten en reeds een uur later overhandigde de
bediende van den professor zijn meester een visitekaartje van Lord
Richard met de mededeeling, dat de Lord den professor over een
gewichtige aangelegenheid wenschte te spreken.

“Ik heb groot belang bij de beteekenis van een Indisch woord,” zoo
begon Lord Richard, toen hij tegenover den geleerde zat, “en zou u,
heer professor, om verklaring ervan willen verzoeken.”

De schrandere oogen van den professor straalden, toen hij hoorde, dat
de Lord hem kwam bezoeken in verband met zijn wetenschap.

Zeer gevleid, boog hij.

“Het zal mij een eer zijn, uw Lordschap van dienst te mogen zijn.”

“Het handelt om het Indische woord Akasa. Wat is het en wat beteekent
het?”

De geleerde keek den Lord eenige oogenblikken peinzend aan, daarop ging
hij naar een reusachtige boekenkast, nam daaruit na eenig zoeken een
zwaar boekdeel en begon er in te zoeken.

In zenuwachtige spanning keek de Lord naar hem. Minuten verliepen,
zonder dat de professor uit het boek opkeek. Daarop legde hij het neer
en met een uitdrukking van teleurstelling op het gelaat wendde hij zich
tot Lord Richard.

“Het spijt mij zeer, dat ik uw Lordschap geen opheldering kan geven
omtrent dit mij volkomen onbekende woord. Mijn woordenboek der Indische
taal bevat het niet. Misschien vergist Uw Lordschap zich.”

“Helaas, neen!” antwoordde Lord Richard met een bitteren glimlach. “Ik
zou er een vermogen voor over hebben, als ik opheldering kon krijgen
omtrent de beteekenis van dit woord en over datgene, wat onder dien
naam bestaat.”

De geleerde begreep uit den toon van het gesprokene, dat Lord Richard
zeer veel waarde hechtte aan de explicatie van dit vreemde woord en een
plotselinge ingeving volgend sprak hij:

“Zou uw Lordschap de onkosten, welke de verklaring van dit woord zou
meebrengen, op zich nemen?”

“Meer, veel meer,” antwoordde Lord Richard, “een vermogen wil ik hem
geven, die mijn wensch vervult. Gij weet niet, heer professor, welken
duivelschen invloed dit woord Akasa op mij uitoefent. Ik bevind mij als
onder hypnose ervan”.

Nieuwsgierig keek de geleerde den jongen Lord aan.

De zaak kwam hem geheimzinnig voor, maar ook hij wenschte nu tot elken
prijs te weten te komen, wat Akasa beteekende.

“Ik ken hier in Londen,” zoo begin de professor, “een
rariteitenhandelaar, Cunningham genaamd. Deze knapt voor ons,
geleerden, allerlei zaakjes op door ons kostbare en zeldzame voorwerpen
te verschaffen. In zijn zaak leerde ik eenige weken geleden een
zeldzaam en gevaarlijk mensch kennen, een dapperen, voor niets
terugdeinzenden kerel. Daarenboven is hij iemand van buitengewone
ontwikkeling.”

Lord Richard werd zenuwachtig.

“Vertel mij, wien gij bedoelt.”

“Raffles!” antwoordde de professor.

Lord Richard schrok.

“Raffles, den meesterdief?”

De professor glimlachte:

“Leg niet den klemtoon op “dief”, Uw Lordschap, zeg liever, Raffles, de
meester. Hij is, ondanks zijn eigenaardige sport, een gentleman, een
volslagen man van eer. Hij houdt ervan, geheimzinnige, bijna
onuitvoerbare zaken op te knappen.

“Hij richtte de vraag tot mij, of ik de een of andere moeilijk te
verkrijgen zeldzaamheid uit vreemde landen wenschte. Raffles zou ze mij
verschaffen. Daaraan denk ik nu toevallig. Hij zou de aangewezen
persoon zijn, om gevaren en avonturen te trotseeren. Denk niet te lang
over het voorstel na en neem een besluit.”

Lord Richard sprak na eenig nadenken:

“Waar is die heer? Breng mij dadelijk bij hem”.

“Als Uw Lordschap tijd heeft, zal ik Raffles telefonisch verzoeken,
dadelijk hier te komen.”

Met de mededeeling, dat Raffles binnen een uur zou verschijnen, kwam de
geleerde terug.— —

Met scherp onderzoekende blikken monsterde Lord Richard de krachtige,
slanke gestalte van Raffles, toen deze voor hem stond, als een man van
de wereld boog en hem met vrijmoedigen blik aankeek.

De persoonlijkheid van den gentleman-dief droeg het karakter van trots,
maar tegelijk van innemendheid. Hij bezat het onmiskenbare type van een
aristocraat of van een officier.

Aangenaam verrast door deze sympathieke verschijning gaf Lord Richard
hem een hand en daarop deelde de professor mede, wat de kwestie was.

Tot zijn genoegen zag Lord Richard, dat Raffles toestemde en zich
bereid verklaarde om naar Indië te reizen.

“Ik houd mij aan de woorden, waarmee Gordon Bennet indertijd Stanley
naar Afrika zond”, sprak Lord Richard, “vertrek met de eerste
gelegenheid. Ontdek Akasa, vind een verklaring ervan en, als het, naar
ik vermoed, het een of andere voorwerp betreft, breng het dan mee naar
Londen. Dat zal u zeker gelukken”.

“Laat ons gaan dineeren,” antwoordde Raffles, “en alles bespreken, wat
wij elkaar te zeggen hebben”.

Zij namen afscheid van den professor en bevonden zich weldra in de
eetzaal van een der Londensche hotels.

Toen zij laat in den avond van elkaar scheidden, waren zij vrienden
geworden en hadden beiden de innige hoop, dat binnen eenige maanden het
Indische geheim zou zijn opgehelderd. Zij riepen elkaar een hartelijk
“Tot weerziens!” toe.

Een paar uur later, zeer vroeg in den morgen, bevond Raffles zich aan
boord van een stoomschip der Pacific- en Oceaanlijn, dat hem naar het
land van wonderen en sprookjes zou brengen. De Lord had door zijn
voorspraak bij den vorst bewerkt, dat Raffles diens gast zou zijn in
Indrabad.








DERDE HOOFDSTUK.

DE DOCHTER VAN DEN VORST.


In het Zuiden van Indrabad, de prachtige residentie van den Maharadjah,
is een geheimzinnige doodenstad gebouwd van groote uitgestrektheid.

Het is een stad, bestaande uit honderden reusachtige graven, prachtige
monumenten uit vroegere tijden.

Grafsteenen van kostbaar marmer, koepels van bontgekleurde, geglazuurde
steenen en wanden, die versierd zijn met kunstig beeldhouwwerk.

Een prachtig park omgeeft deze rustplaatsen der eenmaal zoo machtige
vorsten en heerschers van Indrabad.

Vijftig eeuwen gingen over deze marmerblokken heen. De dooden zijn
reeds lang tot stof vergaan, maar hunne gedenksteenen verkondigen nog
heden ten dage van hunne werken.

Eenzaam en verlaten, ligt deze doodenstad, zelden wordt zij door
menschen bezocht.

Ontelbare wilde pauwen wandelen trots over de stille, zonnige paden en
spreiden hun bonte veerenpracht ten toon.

Middendoor den onafzienbaren doodenakker leidt een straat en hierlangs
loopt Raffles, vergezeld door een Hindoeknaap van ongeveer veertien
jaar.

Sinds meerdere weken bevindt hij zich nu reeds in Indië.

Hier, waar de geslachten van zoovele eeuwen rustten, hoopte hij het
geheimzinnige Akasa te vinden. Het is een zwaarder taak dan om binnen
te dringen in de gewelven van de Engelsche Bank.

Geen der prachtige mausoleums verklaart hem door een opschrift of
teeken het raadsel.

Maar toch heeft hij in al die weken den moed niet verloren, maar blijft
met onwankelbaar optimisme gelooven, dat hij hier bij de dooden een
spoor moet ontdekken.

In de schaduw van groote tamarinden lag terzijde van den weg een
bekoorlijke kleine tempel.

Een goed onderhouden weg leidde erheen, door het kreupelhout, tot
groote verbazing van Raffles.

Wie kon er belang bij hebben, in dezen grooten chaos van ruïnes een
liefelijk plekje in orde te houden?

Nieuwsgierig liep hij naar den grafkelder toe, toen plotseling zijn
begeleider hem tegenhield en op schuwen toon fluisterde:

“Sahib (heer) niet den weg gaan naar het graf van den heiligen
dichter.”

“Waarom niet?”

“Sahib, vorstin Samru, de dochter van den Maharadjah, bidt daar; het is
haar heiligdom.”

Raffles dacht eenige oogenblikken na, of hij gehoor zou geven aan de
waarschuwing en besloot, er geen acht op te slaan.

De knaap volgde hem niet, maar ging in de schaduw van een marmeren zuil
zitten om daar op terugkomst van zijn meester te wachten.

Raffles trad door een lage poort en kwam op een met sneeuwwitte
marmertegels geplaveiden hof, welke door een zuilengalerij was omgeven.

In het midden bevond zich een grafsteen, waarover een goudbestikt,
zijden kleed was gelegd. Bloemenguirlandes waren van zuil tot zuil
geslingerd en een purperen zonnescherm bedekte de helft van den open
hof, dezen in schaduw hullende.

Met een kreet van bewondering beschouwde Raffles het geheel. Waarlijk,
schooner kon een dichter niet begraven zijn.

Een plechtig-poëtisch waas omhulde dit alles.

Zachtkens nader tredend, alsof hij de rust van den gestorvene zou
kunnen verstoren, liep Lord Lister naar het graf, aan welks voeteneind
een bronzen gedenksteen was aangebracht.

Met kunstig gegraveerde letters waren hierin gedichten vereeuwigd en
met gespannen aandacht begon Raffles te lezen.

Plotseling schrikte hij en als betooverd bleef zijn oog rusten op een
der woorden, die hij las.

Als gehypnotiseerd staarde hij ernaar.

Akasa stond daar voor hem neergeschreven, geschreven door een hand, die
reeds meer dan duizend jaar verstijf was.

Eindelijk een spoor? Vreezend, met een hersenschim te doen te hebben,
raakte hij met zijn hand den bronzen gedenksteen aan. Maar het koude
metaal vóór hem bedroog hem niet. Met koortsachtige opgewondenheid las
hij:

“Goddelijk Akasa, omdat gij mij de hemelsche Bajaderen (danseressen)
van Krishna hebt getoond, zwelgt mijn ziel in de bewondering van haren
dans, als een God”.

Steeds weer opnieuw las Raffles deze woorden en trachtte de beteekenis
ervan te doorgronden.

In gedachten verloren, bemerkte hij niet, dat een jong meisje,
vergezeld door twee oudere vrouwen, den hof had betreden.

Zich niet storend aan den vreemdeling begon de schoone haar kleeren af
te leggen en haar slank lichaam te hullen in met goud doorweven gazen
sluiers, zoogenaamde saris.

Daarop begonnen twee mannen, die aan den ingang der poort waren
neergehurkt, te musiceeren.

Verrast door het zeldzame beeld, dat hem als de werkelijkheid van het
zoo juist gelezene voorkwam, trad Raffles op zij.

Op de plaats waar hij had gestaan, wierp de vreemdelinge een handvol
rozen neer en begon daarna te dansen.

Haar tengere voetjes zweefden over den sneeuwwitten marmeren vloer in,
rhythmische bewegingen en haar slank lichaam, haar armen en handen
bewogen zich bij den verleidelijken, liefelijken dans.

Het geleek den jongen man als een sprookje. Maar een eigenaardig
gevoel, alsof hij een groot onrecht pleegde, alsof hij was
binnengedrongen in het verboden heiligdom der Indiërs, in een Zenana
(vrouwenvertrek) maakte zich van hem meester.

De danseres hield haar groote, donkere oogen onafgewend op hem gericht.
Aarzelend naderde zij hem meerdere malen, strooide bloemen voor het
graf, kuste den bronzen grafsteen en eindigde haar dans.

Daarop klapte zij in de handen, waarop de muziek zweeg.

Nu trad zij tot vlak voor Raffles en sprak in vloeiend Engelsch:

“Ik zie, dat gij een vreemdeling zijt.

“Gij weet niet, waar gij u bevindt. Zoo gij een landsman waart, zou ik
u nu door mijn olifanten laten verpletteren. Waar is de gids, die u
hierheen heeft gebracht? Hij zal gestraft worden.”

Haar schoone oogen vlamden toornig op en haar kleine handen, die nog
voor weinige minuten de zonnestralen schenen te liefkoozen, hadden zich
tot vuisten gebald.

Raffles’ blikken hingen als betooverd aan de wonderschoone verschijning
daar vóór hem en bijna onbewust vroeg hij:

“Zijt gij Akasa?”

Verbaasd keek zij hem aan. In plaats van een antwoord te geven, stelde
de vreemdeling een vraag! Een vraag, die betrekking had op haar
heilige, op haar gestorven dichter! En het vleide haar, een dergelijke
vergelijking te hooren, het verdrong den toorn, die in haar was
opgekomen, omdat vreemde mannenoogen haar ongesluierd hadden gezien.

“Ik ben Samru, de eenige dochter van den Maharadjah van Indrabad”,
antwoordde zij op trotschen toon. “Wat zoekt gij in mijn heiligdom?
Welke Paria bracht u hierheen?”

“Niemand”, antwoordde Raffles. “De Maharadjah van Indrabad, wiens gast
ik ben, gaf mij verlof, op dit kerkhof datgene te zoeken, waarvoor ik
van Engeland naar Indië ben gekomen. Ik zoek Akasa, jonge vorstin.”

Onderzoekend, alsof zij zijn woorden niet vertrouwde, keek zij naar
hem.

Daarop riep zij een harer dienaressen en richtte zacht een vraag tot
haar. Een bevestigend hoofdknikje was het antwoord.

Opnieuw wendde zij zich tot Raffles:

“Gij hebt de waarheid gesproken. Gij zijt de gast van mijn vader. Zwijg
over hetgeen gij hebt gezien. Ik ben mijns vaders grootste schat en het
zou hem zeer zeker bedroeven. Al het water van den heiligen Ganges
zouden deze smart niet weer kunnen uitwisschen.”

Zij keek hem nogmaals diep in de oogen, daarop liet zij zich door haar
dienaressen in haar kleeren hullen en, gesluierd, verliet zij het graf.

Bij den ingang der poort bleef zij nog even staan en wendde het hoofd
om. Onwillekeurig legde Raffles zijn hand op de borst en maakte een
buiging. Een groetende handbeweging toonde hem, dat zij zijn huldiging
had begrepen. Daarop verdween zij.

Eenzaam en zwijgend lag het graf van den gestorven dichter voor hem.

Plotseling weerklonken de woeste kreten van krijgsolifanten. Raffles
snelde naar de poort en bleef, in de schaduw verborgen, onbeweeglijk
van schrik en ontzetting staan.

Op korten afstand van hem verpletterden de zware pooten van vier
reuzenolifanten de lichamen van vier menschen—twee Hindoevrouwen en
twee mannen.

Zij waren getuigen geweest van zijn aanwezigheid bij den dans der
prinses en reeds moesten zij zwijgen, zwijgen voor eeuwig, opdat zij en
hij veilig waren voor hunne tongen.

In de verte zag hij de bontgetooide olifanten verdwijnen, die de
prinses naar Indrabad terugbrachten.

Nu volgden ook de krijgsolifanten. Zij hadden hun beulswerk verricht.

Geen vonkje van leven was nog te ontdekken in de vertrapte
vleeschmassa, die zij in het stof der doodenstad hadden achtergelaten.

Met luid gillen zetten de mahouts, de olifantendrijvers, met hun spitse
haken de opgewonden reuzendieren aan tot spoed en verdwenen weldra met
hen in een dichte stofwolk.

Ontroerd keek Raffles naar de vermoorde slachtoffers en voor het eerst
rilde hij bij de gedachte aan datgene, wat hij zocht: Akasa.

Langzaam keerde hij naar de stad terug. Hij had er niet op gelet, dat
de schemering reeds was ingevallen. Aan de vuurroode kimme teekenden
zich de donkere omtrekken af van de groote koepels, paleizen en
vestingwerken van Indrabad.

Sneller liep hij door.

Daar, in het schitterende paleis, dat hem als gast, herbergde, leefde
zij, die hij heden voor het eerst had aanschouwd. En een afschuwelijk
geheim verbond hen met elkaar.

Zou de heilige, reeds lang gestorven dichter met “Akasa” hebben bedoeld
dat geheimzinnige, wat de menschen “liefde” noemen? Raffles wilde het
uitvorschen al zou hij het met zijn leven moeten boeten.

Akasa en de dochter van den Maharadjah waren voor hem een en hetzelfde
begrip geworden.








VIERDE HOOFDSTUK.

EEN LIEFDESNACHT.


Achter de getraliede vensters der Zenana mogen de vrouwen van den
Maharadjah op het bonte leven en bewegen der hoofdstad neerblikken—dat
leven, dat haarzelf ontzegd is.

Aan een der hoekvensters zat de prinses en keek aandachtig naar een der
hoofdpoorten van het paleis. Naast haar stond een jonge slavin, haar
lievelingsspeelgenoote, Natana, eveneens naar buiten kijkend.

Beiden spraken zij geen woord. Bijna zonder zich te verroeren keek
Samru naar het menschengewoel in de breede straten, die zich nu, tegen
den koelen avond, vulden. Mannen in vuurroode, gele, blauwe en groene
gewaden en daarbij passende tulbands op het hoofd; ruiters, vaandrigs,
paukenslagers op kameelen en daartusschen de groote lichamen van
olifanten, behangen met bonte, rijkversierde kleeden, vergulde
slagtanden en prachtige baldakijns op den rug dragend, waarin
gesluierde vrouwen zaten, om te genieten van de avondkoelte in de
tuinen en parken rondom de stad.

Samru had geen oog voor dit alles. Zij kende het tooneel en zou
daarvoor niet een uurlang aan het hoekvenster staan, maar liever in het
park van het paleis met haar dieren spelen.

Plotseling kwam er beweging in haar roerlooze gestalte. Zij boog zich
voorover en greep de hand harer slavin.

“Natana,” fluisterde zij opgewonden, “zie je daar beneden tusschen de
menschen den vreemden Sahib, die trotsch als een vorst doorloopt? Zie
je hem?”

“Ja, meesteres,” antwoordde de slavin, eveneens op fluisterenden toon.

De slavin zag, dat haar jonge meesteres met schitterende oogen den
vreemdeling volgde, die zich naar de poort van het paleis begaf en hoe
Samru de rechterhand op het hart drukte.

Een zucht van verlangen ontsnapte haar lippen en zacht sprak zij:

“Een mooie man!”

Schuw en bevreesd, dat een ander behalve de slavin haar woorden kon
hebben gehoord, keek zij het vertrek rond.

Intusschen ging Raffles, onbewust, dat hij werd bespied, de poort van
het paleis binnen.

Nauwelijks was hij aan de blikken der jonge vorstin onttrokken, of deze
stond op en klapte in de handen. Dadelijk verschenen eenige slavinnen,
welke zij op bevelenden toon toeriep:

“Naar het park!”

Eenige minuten later weerklonken langgerekte hoornsignalen van de
torens en verkondigden aan alle mannelijke bewoners van het paleis, dat
niemand het park mocht betreden, omdat de dochter van den Maharadjah
daar wandelde. Doodstraf wachtte den ongehoorzame of lichtzinnige.

In strijd met de zeden van het land bezat de Maharadjah, ten gevolge
zijner Europeesche opvoeding, slechts één echtgenoote, welke hem alleen
een dochter had geschonken.

Hij had het geluk niet gehad, een erfgenaam voor den troon te bezitten
en na zijn dood zou hij door een jongeren broer worden opgevolgd.

Aan het in de lengte gebouwde paleis, dat de Maharadjah zelf bewoonde,
grenst een groot park, in welks midden zich een meer bevindt. Witte
marmeren balustrades omgeven den oever en vergulde booten liggen aan de
met zijden tapijten bedekte marmeren trappen, die naar het water
leiden.

Het water van het meer is van een smaragdgroene kleur en in het midden
daarvan bevindt zich een eiland, schoon als een sprookje, waarop zich
kleine, sierlijke tempels, marmeren zuilen en torentjes bevinden.

Prachtige bloemperken liggen daartusschen, heerlijke palmen, grillige
figuren en gewassen. Dit lievelingsplekje van de jonge vorstin gelijkt
op het verblijf van een sprookjesfee. Hier vertoefde zij het grootste
gedeelte van den dag. Een schooner, idyllischer plekje kon er niet
bestaan.

Hierheen begaf zij zich ook nu in den avond en nam met haar
lievelingsslavin aan den oever van het meer plaats. Droomend keek zij
in het donkere water.

“Mijn heerscheres is treurig,” fluisterde Natana, met haar hand zacht
het kleed der prinses streelende.

Nadenkend, maar tegelijkertijd onderzoekend keek de jonge vorstin naar
de slavin.

“Ik wil je al mijn juweelen en de vrijheid schenken.

“Ik wil je zoo rijk maken, dat een voornaam krijgsman je tot vrouw kan
nemen, als je mij helpt, den vreemden Sahib, dien ik je toonde, te
spreken.”

Verschrikt keek de slavin op.

“Heerscheres! Mijn leven wil ik gaarne voor u opofferen. Ik heb nooit
geaarzeld, als gij tot mij zeidet: Ik wil dit of dat, maar, meesteres,
uw wensch is levensgevaarlijk. Uw teeder lichaam wordt voor de tijgers
geworpen, als uw vader, onze groote Maharadjah, uw plan verneemt. Gij
zijt verloofd, heerscheres!”

“Herinner mij aan niets! Ik weet alles, alles. Maar ik heb heden
gevoeld, dat mijn leven een afschuwelijke marteling is zonder de
vrijheid, om het kostelijkste, wat wij bezitten, naar eigen verkiezing
te mogen weggeven. Heden ontdekte ik de waarheid van de liederen, welke
de heilige dichter eenmaal over de liefde heeft geschreven.

“De oogen van den vreemdeling straalden als vuur en zijn woorden
klonken als muziek. Toen ik hem moest verlaten, zond hij mij een groet
na. Een groet, Natana, dien ik alleen verstond. Hij groette met de hand
op zijn hart wijzend. En in dat oogenblik openbaarde zich aan mij de
liefde. De liefde! En—mogen de raderen van den tempelwagen mij tot mijn
straf verpletteren, mogen de tijgers mij op bevel van mijn vader
verscheuren, ik ben niet bevreesd, ik wil, ik moet hem zien.

“Ga nu heen en breng den Sahib bij mij. Neem deze keten van robijnen
mee. Misschien moet je een hand vullen en lippen doen zwijgen.”

De slavin nam de keten, die haar jonge meesteres van haar hals nam en
verdween.

Eenige oogenblikken later gleed zij in een rank bootje over de
spiegelgladde watervlakte en had binnen eenigen tijd den anderen oever
bereikt. Met lichten tred snelde zij weg, terwijl Samru haar met
kloppend hart nakeek.

Daarop nam zij een korfje, dat met stukken rauw vleesch was gevuld,
snelde naar den oever van het meer en blies op een gouden fluitje,
zoodat de schrille tonen over het water weerklonken.

Onmiddellijk werd het levendig aan den waterkant.

Krokodillen, die daar van hun vadsige rust genoten, doken op en zwommen
naar de marmeren trap, waarop Samru stond.

Reusachtige, schildpadden naderden van den tegenoverliggenden oever en
drongen met hun gepantserde ruggen tusschen de wachtende krokodillen,
welke hun groote bekken wijd opensperden en begeerig snoven, toen het
eerste stukje vleesch door Samru’s hand naar hen werd geworpen.

De afschuwelijke monsters naderden de dochter van den vorst tot op
geringen afstand. Eenige van hen waren haar zoo dicht genaderd, dat zij
met haar hand de stukjes vleesch in de wijd opengesperde, witte bekken
zonder tong, maar met vreeselijk gebit, kon leggen.

Zoodra een der dieren zijn aandeel had gekregen, klapte het de kaken op
elkaar en verdween onder de oppervlakte van het water.

Intusschen was de maan opgegaan en verlichtte het tooneeltje.

Toen het laatste stukje vleesch was weggegeven, trokken de monsters
zich weer terug in hun schuilhoeken onder de breedbladerige planten aan
den oever om vandaar met hun kleine, valsche oogen naar de
wateroppervlakte te kijken.

Afschuwelijke bewakers van het kleine, stille droomeiland! Zij zouden
kunnen vertellen van menig slachtoffer, dat hun op bevel van den
Maharadjah als buit was toegeworpen.

Vermoeid was Raffles in zijn vertrekken in het paleis van den
Maharadjah teruggekeerd, waar de opperhofmeester van den vorst hem een
uitnoodiging bracht voor het souper bij den Maharadjah. Maar met
beleefde woorden moest hij bedanken.

Hij was niet in de stemming, om met eenigen sterveling een
nietsbeduidend gesprek te voeren. De onverwachte samenkomst met de
prinses had hem tot diep in zijn binnenste ontroerd.

Met doffe berusting van iemand, die iets kostbaars heeft gezien, wat
hij nooit zal kunnen bezitten, ging hij op de rieten rustbank liggen in
zijn slaapkamer en staarde met brandende oogen voor zich uit in het
donker.

Zachtjes snorde de Punkah, de groote waaier, aan het plafond van het
vertrek en die eentonige, regelmatige beweging maakte hem slaperig,
zoodat hij in een droomerigen toestand geraakte.

Wel een uur lang had hij daar zoo half wakend gelegen, toen een bijna
onhoorbare beweging zijn aandacht trok.

Tusschen de zijden portière ontdekte hij de in het wit gekleede
gestalte van een jong meisje, dat nu snel naderbij kwam.

Nog voordat hij zich kon oprichten, stond zij vlak bij hem, schoof het
muskietennet open en fluisterde:

“Sahib, mijn meesteres wacht op u op het droomeiland. Volg mij!”

Haastig richtte Raffles zich op. Hij meende, niet goed verstaan te
hebben; hij had het gevoel, alsof hij zwaar droomde en om zich van de
werkelijkheid te overtuigen, greep hij naar de hand van het jonge
meisje en sprak:

“Uw meesteres wacht mij?”

“Ja, Sahib! Zij zond mij om u te halen. Haast u en wees voorzichtig,
opdat niemand ons ziet!”

Nu sprong Raffles op.

“Sahib,” fluisterde de slavin, “gij zult mij moeten volgen door
donkere, onderaardsche gangen. Neem mijn hand.”

Raffles greep de kleine, zachte hand van het meisje en onhoorbaar
begaven zij zich naar het aangrenzende vertrek. Luisterend bleef zij
daar eenige oogenblikken staan, daarop keerde zij zich om naar een
spiegel, die aan den muur hing, drukte op een knopje en Raffles zag,
dat de groote spiegel een geheime deur was, waarachter een donkere trap
naar beneden voerde.

De slavin sloot met groote zorgvuldigheid de spiegeldeur achter hen
dicht en daarna ging zij Raffles langzaam vooruit de trap af, tot waar
deze in een gang uitkwam.

De jonge man volgde de slavin als in een droom, het was hem, alsof hij
zich in de sprookjeswereld van duizend en één nacht bevond.

Hier en daar moesten meer deuren in de gang uitkomen, want meermalen
klonken stemmen in zijn ooren en een keer kon hij duidelijk het
veelstemmige gezang van vrouwenstemmen vernemen.

“De vrouwenafdeeling, Sahib!” fluisterde de slavin op angstigen toon.

Daarop werd het weer stil. De benauwde lucht, die in de gang hing, werd
frisscher, waaraan zij konden merken, dat zij den uitgang naderden.

De gang eindigde in een grot in wier zijwanden trappen waren
uitgehouwen.

Toen zij boven waren aangekomen, bevonden zij zich midden in het park.

Nu gaf de slavin een witzijden damesmantel en een sluier aan den jongen
man.

“Sahib, hul u in dit gewaad en verberg uw gelaat achter den sluier,
opdat wij veilig zijn voor spionnen!”

Zij hielp Raffles en eenige minuten later snelden zij samen naar het
meer. Iedereen, die hen gezien mocht hebben, zou hen voor twee
gesluierde vrouwen hebben gehouden.

Aan den oever begaven zij zich in een bootje, dat door de slavin zeer
behendig naar het eiland werd geroeid.

Raffles herkende reeds van verre de gestalte der prinses, die, op hen
wachtend, midden op een breede marmeren trap stond.

Eindelijk lag het bootje stil.

Raffles sprong op den oever en kuste de hand der prinses.

Zij keek hem met haar groote, donkere oogen onderzoekend aan.

“Volg mij naar den tempel van Parvati, de godin der schoonheid.”

Zij keerde zich om en ging vooruit.

Door donkere taxuslanen en zuilengalerijen, langs welriekende
bloembedden, bereikten zij een kleinen, verborgen tempel, die tot aan
den koepel met dichte klimrozen was begroeid.

De prinses opende een kleine metalen deur; rozenrood licht straalde
daarbinnen en een zoetgeurende lucht omgaf de binnentredenden.

Zacht gingen zij verder, gevolgd door de slavin, die de deur sloot en
daarvoor ging liggen op den met kostbare zijden tapijten bedekten
vloer.

Midden in het gebouw wierp uit een gouden bekken een fontein haar
kristalhelder water tot aan den koepel.

Van de zoldering hingen aan zilveren kettingen ontelbare kleine,
brandende lampen, wier licht door roodgloeiende robijnen in het vertrek
straalde.

Aan een der wanden bevond zich een marmeren rustbank, versierd met
snijwerk, dat met diamanten was ingelegd. Daarachter hing aan den muur
een langwerpig kleed, welks kleurrijk patroon uit duizenden
edelgesteenten bestond.

Boven dat kleed was in den sneeuwwitten, marmeren muur de naam van de
godin der schoonheid—Parvati—met gouden letters gegrift en alle letters
waren omringd door kostbare steenen.

Op deze rustbank nam de prinses plaats en zij beval Raffles, voor haar
op het tapijt neer te knielen.

Eenige oogenblikken keek zij hem scherp aan, daarop sprak zij:

“Noem mij je naam.”

“Lord Edward Lister,” antwoordde Raffles.

Peinzend keek zij op hem neer en met een langzaam hoofdschudden sprak
zij:

“Je naam klinkt te vreemd voor mijn tong. Ik wil je een anderen geven.
Ik zal je Rao noemen. Dat beteekent “vorst”. Want als een vorst, zoo
heb je mij bedwongen. En nu wil ik je liefhebben en je dienen, totdat
ik moet sterven. Laat mij in je oogen kijken, opdat ik mijn eigen geluk
daarin weerspiegeld zie.”

Zij boog zich tot hem neer, legde haar armen om zijn hals en trok zijn
hoofd tot dichtbij het hare.

Hij voelde haar zachten adem en haar donkere oogen keken hem zoo
stralend aan, dat hij als betooverd was.

Minutenlang bleven zij in deze houding elkaar aankijken, geen van
beiden sprak een woord, maar hunne zielen hadden elkaar gevonden in
groote harmonie.

Zij wisten niet, hoelang zij zich reeds in den tempel van de godin der
liefde bevonden, toen het fijne, zilveren geluid van een klok
weerklonk, waardoor zij uit hun zoete droomen werden opgeschrikt.

De prinses verhief zich van de bank.

Met haar satijnzachte handjes streek zij liefkoozend over het hoofd van
den geliefde. Diep ademend ging haar boezem op en neer en met trillende
lippen sprak zij:

“De nachtegaal roept het morgenrood. Je moet heengaan, Rao.”

Zij boog zich over hem heen en kuste zijn voorhoofd.

Raffles stond op. Zijn lichaam trilde en hij was zijn stem nauwelijks
meester. Alles scheen hem een droombeeld te zijn. Nog steeds kon hij
niet geloven, dat dit alles werkelijkheid was.

Nu nam Samru zijn rechterhand en, terwijl zij een armband van haar pols
nam, sprak zij:

“Neem dezen armring als herinnering aan onze samenkomst. Ga nu heen en
volg Natana en als Parvati, de machtige godin, ons goedgezind blijft,
dan zullen wij elkaar, onder haar hoede, hier morgennacht weer
ontmoeten.”

Zij geleidde Raffles naar de deur, waar de slavin hen wachtte.

Zacht knarsend opende zich de kleine bronzen deur. Een flauwe
schemering lag reeds over bloemen en struiken, overal heerschte diepe
stilte.

Daar weerklonk in de verte het doffe gehuil van de tijgers, die het
eigendom van den vorst waren.

Samru, die nog aan den arm van Raffles hing, beefde. Het was zeker de
afschuwelijke morgengroet van de gevangen beesten, die haar deed
sidderen.

Zij wisselden nog een laatsten kus—met elk oogenblik werd het gevaar
grooter.

Samru snelde terug in den tempel, terwijl Raffles haastig den witten
mantel weer over zijn kleeren wierp en zijn gelaat met den sluier
bedekte.

Pijlsnel roeide de slavin het bootje van het eiland weg en de
parkbewakers hadden, indien zij hen hadden gezien, niets anders
vermoed, dan dat het twee eenvoudige slavinnen waren, die zich op het
eiland te lang hadden opgehouden en die nu naar de Zenana
(vrouwenafdeeling) terugkeerden om haar taak te hervatten.

Traag, met slaperige oogen, hieven de getemde krokodillen hun koppen
uit het water op. Hier en daar sperde een der afschuwelijke dieren den
bek wijd open, toen de boot langs hen heengleed.

De apen in de boomen langs den oever, waar de boot aanlegde,
schreeuwden verward door elkaar, alsof zij woedend waren, zoo vroeg in
hun nachtrust te worden gestoord.

Snel sprong het tweetal uit het vaartuigje en haastte zich naar de
grot.

De slavin keek scherp naar alle kanten en tusschen de struiken, om
gevaarlijke luisteraars uit te wijken en verlicht herademde zij, toen
zij in de grot neerdaalden, denkend, dat niemand hen had gezien.

En toch vergiste zij zich.

Het noodlot had gewild, dat de Maharadjah den vorigen avond een zijner
dienaren nogmaals naar Raffles had gezonden met een uitnoodiging voor
een nachtelijke danspartij.

Daar men hem niet in zijn vertrekken had gevonden en zijn bedienden
beweerden, dat hij zijn kamers niet kon hebben verlaten, werden zij
ongerust over hun heer en vreesden, dat hij een ongeluk kon hebben
gekregen.

In dit geval hadden zij, daar Raffles in het paleis onder hun
bescherming stond, zware straffen te wachten van den Maharadjah.

Zij gingen daarom aan het zoeken en doorkruisten zoowel het paleis als
het park.

De Maharadjah zelf, die zich verbaasde over het uitblijven van zijn
gast, en die van zijn dienaren vernam, dat hij op raadselachtige wijze
was verdwenen, gaf strenge bevelen, niet te rusten, voordat men het
verblijf van den Engelschman zou hebben ontdekt.

Alleen de vertrekken, die tot de vrouwenafdeeling behoorden en die als
zoodanig niet door de dienaren mochten worden betreden, bleven
verschoond van een onderzoek.

Raffles was met zijn geleidster de plek in de geheime gang genaderd,
waar zich de deur naar zijn vertrekken bevond. Zacht had hij de deur
met behulp der slavin geopend, toen hij verschrikt in de donkere gang
wilde teruggaan.

De kamer was door een groot aantal gewapende dienaren bezet.

In het eerste oogenblik waren ook deze verbaasd door de plotselinge
verschijning van den persoon, dien zij zochten.

Zich te verbergen of te vluchten was voor Raffles niet meer mogelijk.

In de eerste oogenblikken herkenden de bedienden hem niet in zijn
damesmantel en met den sluier.

Alleen de vakil, de opperste bediende van den Maharadjah, herkende hem
met zijn scherpe oogen dadelijk en met een beweging, zooals dat
gebruikelijk was tegenover den gast van zijn machtigen heer, trad hij
op Raffles toe.

“Mylord moet ons vergeven, dat wij ons in zijn vertrekken bevinden.
Onze hooge gebieder beval ons, het verblijf van Uw Lordschap uit te
vinden en niet te rusten, voordat wij onzen heer konden geruststellen
omtrent het welzijn van diens gast.

“Ik verheug mij, dat ik Mylord heb gevonden en vraag vergiffenis dat ik
uw Lordschap lastig ben gevallen. Maar ik moet u verzoeken, de slavin,
die zich in het gezelschap van uw Lordschap bevindt, aan mijn hoede
over te geven.”

Een zacht onderdrukte kreet weerklonk. Natana, de lievelingsslavin der
prinses, was bewusteloos op den vloer gevallen.

Eenige bedienden sprongen snel naderbij, tilden haar op en droegen haar
uit het vertrek.

De vakil maakte opnieuw een buiging voor Raffles, voor wien hij bleef
staan met de vraag:

“Heeft Mylord misschien nog eenige bevelen?”

Raffles had eerst nu zijn volle kalmte teruggekregen.

“Wat gebeurt er met de slavin?” wat zijn wedervraag.

De vakil haalde nietszeggend de schouders op en antwoordde met een
spottend lachje:

“Als Mylord voortaan dergelijke wenschen mocht koesteren, verzoek ik,
ze mij mee te deelen. Ik ben altijd in staat, alle wenschen van Uw
Lordschap te vervullen, maar de weg, dien Mylord heeft ingeslagen, is
een zeer gevaarlijke.”

Hij boog en op een handbeweging van hem gingen ook de andere bedienden
heen.

Allerlei gedachten vlogen door Raffles’ brein.

Wat zou er nu gebeuren?

Zou de slavin hen verraden, zou zij iets meedeelen omtrent dezen nacht
van liefde met de dochter van den Maharadjah? De gevolgen zouden
onafzienbaar zijn.

Het morgenlicht scheen door de zijden gordijnen van zijn slaapvertrek
en de met diamanten bezetten armband, dien Samru hem bij het afscheid
had gegeven, schitterde en vonkelde.

Een nieuwe angst maakte zich van hem meester.

Als de vakil den armband had gezien, dan hielp het stilzwijgen der
ongelukkige Natana niets, dan was alles verloren.

Allerlei dolle plannen om de geliefde te bevrijden, doorkruisten zijn
brein. Hij wilde voor haar strijden en, als het wreede noodlot het
eischte, sterven.

Hij sloop naar het andere vertrek terug om zich te overtuigen of de
deur naar de geheime gang niet gesloten was. Met bevende vingers drukte
hij op den knop in de lijst van den spiegel en hij slaakte een zucht
van verlichting: de weg was vrij.

Maar eerst nu ontdekten zijn oogen in het schemerdonker van de gang
twee op den vloer neerhurkende mannen met de ontbloote zwaarden in de
hand.

Met strakken blik keken zij hem aan, zonder zich te bewegen.

Haastig sloot hij de deur weer dicht en ging in zijn kamer terug, waar
hij, diep ademhalend, op den divan ging liggen.

Hij moest eerst rusten en zijn gedachten verzamelen.

“Hoe zal dit afloopen?”

Hij maakte zichzelf verwijten, dat hij zich door een hartstochtelijke
opwelling had laten meesleepen en dat hij zich, in strijd met elk
greintje verstand, dat in hem was, in een dergelijk gevaarlijk avontuur
had begeven.

Avontuur? Neen! Dat, wat hij had beleefd, mocht hij niet met dit woord
noemen.

Hij—de tot dusverre onoverwinnelijke—had zijn hart verloren. Hij was
eindelijk een gevangene.








VIJFDE HOOFDSTUK.

ONTDEKT.


De Maharadjah stond in zijn studeerkamer en luisterde met gefronste
wenkbrauwen naar het bericht van den vakil.

“Niets is heilig voor die Engelschen, zelfs de gastvrijheid niet!” riep
hij bevend van toorn, terwijl hij met den voet stampte. “Weet deze
vreemdeling niet, welke straf volgt op zijn misdaad; een mijner
slavinnen te hebben onteerd?

“Maar helaas, wij hebben ondanks al onze macht en ons geweld geen recht
over het leven van onze tyrannen.

“Deze man, die schandelijk misbruik maakte, van mijn gastvrijheid en
die den dood verdiende in het tijgerhok, staat buiten mijn macht. Waar
is de slavin?”

De vakil maakte een buiging, schoof een gordijn ter zijde en de
ongelukkige Natana trad, aan handen en voeten geboeid en door vier
gewapende dienaren vergezeld, het vertrek binnen.

Schuw keek zij naar haar vorst op. Deze had slechts een minachtend
glimlachje voor haar en, zich tot den vakil wendend, sprak hij op
korten bevelenden toon:

“Werpt haar voor de tijgers!”

Een doordringende gil van Natana volgde op deze wilde woorden. Maar
reeds sloten de vuisten der gewapenden haar mond en verstikten haar
verdere kreten.

Nauwelijks was zij verdwenen, toen de vakil een gordijn aan den anderen
kant van het vertrek terzijde schoof vanwaar ook een groep gewapende
mannen naar binnen kwam, twee geboeide gevangenen meesleepende.

“Heer! Hier wachten de trouwelooze bewakers van de Zenana op de
gevolgen van hun onachtzaamheid.”

Opnieuw klonk het op korten en heerschenden toon:

“Werpt ze den tijgers voor!”

Zonder dat het den ongelukkigen slachtoffers werd toegestaan, een woord
te hunner verdediging in het midden te brengen, werden ook zij
onverbiddelijk weggebracht.

Op dit oogenblik klonk uit het aangrenzende vertrek, waar zich de
dienstdoende hofstoet bevond, een ongewoon alarm, een ongekend iets in
de vertrekken, die als heilig werden beschouwd, zoolang de heerscher er
zich bevond.

De gordijnen werden geopend en Samru, de dochter van den vorst, snelde,
omringd door vijf tot aan de tanden gewapende dienaren, de zaal binnen.

De Maharadjah keek verbaasd naar zijn dochter, die een revolver in de
hand hield. Haar geheele uiterlijk verried een buitengewone opwinding.

Dàt was de kalme, bedaarde Samru niet meer, dat was een tijgerin, die
plotseling is opgeschrikt uit haar rustige onverschilligheid en nu met
de moordende klauwen bereid is, haar prooi te halen.

“Waar is Natana?” vroeg zij haar vader.

“Bij de tijgers,” antwoordde de vorst. “Zij moet haar misdaad met den
dood bekoopen.”

“Hoe durft gij het wagen, mijn slavin te veroordeelen, zonder mij
gehoord te hebben?”

Trotsch en uitdagend keek Samru den ernstig voor zich starenden,
gevreesden Maharadjah aan.

“Geef dadelijk het bevel, dat mijn slavin terugkomt,” riep Samru uit.

Een korte handbeweging van den vorst naar den vakil en reeds snelden de
boden uit het paleis om de ongelukkige Natana te redden.

“Weet je, wat je lievelingsslavin heeft misdaan?” vroeg de Maharadjah
zijn dochter.

“Ik weet het en ik weet meer dan gij!”

“Meer dan ik? Zij heeft een misdaad begaan, die met den dood gestraft
wordt. Zij verliet de Zenana om met mijn gast,” hier werd hij door
Samru in de rede gevallen, die haar lijfwacht beval op den vakil
wijzende:

“Ranselt hem de zaal uit; hij ziet mij ongesluierd.”

Onmiddellijk haalden de bedienden stevige lederen zweepen uit hun
gordels te voorschijn en klappend daalden de slagen neer op den rug van
den vluchtenden opperhofmeester.

De Maharadjah keek zonder eenig mededoogen naar dit tooneel, hij vond
alles goed wat zijn lieveling deed. Zij was machtiger dan hij, de
groote, onbeperkte gebieder.

Zoodra de vakil de zaal had verlaten, naderde Samru haar vader.

“Gij weet vader, dat ik nooit onrechtvaardig kan zijn en gij hebt
meermalen mijn billijkheid geprezen.”

“Dan begrijp ik je optreden van dit oogenblik tegenover mij niet.”

“Gij vergist u,” ging zij voort, “Natana is onschuldig en gij zoudt
onwetend een afschuwelijke misdaad jegens haar hebben begaan, die nooit
meer goed te maken ware geweest.”

“In hoeverre? Het is bewezen, dat zij de Zenana verliet, de vakil nam
haar gevangen in gezelschap van den vreemdeling, mijn gast.”

Samru legde vleiend haar hand op den arm van haar vader.

“Gij vergist u ondanks dit alles, vader. Natana was wel in gezelschap
van den vreemdeling, maar niet voor zichzelf trotseerde zij het gevaar,
ik echter—”

“Jij?”

De Maharadjah week achteruit, alsof hij een afschuwelijk vizioen had.
Het was hem, alsof hij niet goed had verstaan. Dat was onmogelijk, dat
kon niet. Zijn dochter—zijn eenig kind—.

Het kostbaarste kleinood, dat hij bezat en deze vreemdeling?

Het was ondenkbaar!

“Je fantaseert,” fluisterde hij met heesche stem, “je vergist je,
Samru, bedenk wat je zegt!”

Een trotsche lach speelde om den mond van het vorstenkind, haar slanke
gestalte rekte zich uit en haar oogen blonken van een innerlijk vuur,
toen zij sprak:

“Ik was het, die de Zenana verliet om met den vreemdeling in den
schoonheidstempel uren van geluk te doorleven”.

Zij kruiste de armen over de borst en keek naar haar vader, die als een
zinnelooze het met juweelen bezette gevest van zijn zwaard greep,
zoodat eenige der kostbare steenen op den grond vielen.

Geen van beiden sprak een woord. Het was, alsof twee krachtige
tegenstanders elkaars krachten maten voor den komenden strijd. Ieder
van hen vreesde den ander. De diepe blos, die eerst het gelaat van den
vorst bedekte, week voor een doodelijke bleekheid. Zijn hooge gestalte
was gebogen, toen hij zijn dochter naderde.

“Ga in de Zenana; ik volg je straks.”

Op dit oogenblik werd Natana binnengebracht. Met een kreet van vreugde
viel zij voor haar meesteres op de knieën en kuste haar met gouden
banden versierde voeten.

Samru hief de knielende op en, licht op haar schouder steunend, verliet
zij met haar het vertrek.

Nauwelijks waren zij verdwenen, of de Maharadjah liet den vakil bij
zich komen, wien hij beval, Raffles bij hem te brengen.

Eenige minuten daarna stonden beide mannen zwijgend tegenover elkaar en
elk van hen raadde de gedachten van den ander.

Maar verbaasd was Raffles toen de Maharadjah niet van datgene sprak,
wat hij had verwacht, maar op zijn gewonen goedigen toon zei:

“Ik kan u een aangename mededeeling doen. Ik hoorde gisteren van een
bedelmonnik, die uit Palitana, de stad der duizend tempels kwam, een
gewichtig feit omtrent het door u zoo ijverig gezochte Akasa. Ik had u
dat reeds gisteravond willen vertellen, maar gij waart helaas niet
aanwezig.”

Raffles maakte een beleefde buiging.

“Ik was verhinderd, Uwe Hoogheid.”

Een bitter lachje gleed over de trekken van den Maharadjah.

“Ik hoorde van mijn vakil het een en ander over uwe afwezigheid. Het
doet mij genoegen, dat ik ook in dat opzicht de wenschen van mijn gast
tegemoet kan komen.”

Raffles was stom van verbazing.

Hij begreep, dat de vorst met hem wilde spelen als een tijger met zijn
prooi.

“Het was een toeval,” vervolgde de Maharadjah, “dat ik den fakir sprak
en hem vroeg, of hij iets had gehoord omtrent het geheimzinnige Akasa.
De man antwoordde bevestigend en vertelde mij, dat in Palitana, onder
de hoede van een ouden Brahmaan in een onderaardschen rotstempel, zich
het door u gezochte bevond.

“Ik stel hedenmiddag een aantal dienaren benevens twee reis-olifanten
te uwer beschikking, welke u naar Palitana zullen brengen.”

Zonder eenig antwoord af te wachten maakte de Maharadjah een
handbeweging tot afscheid en hiermede een einde aan de audiëntie.

Raffles verliet met een buiging de zaal. Hij zag het tevreden
glimlachje niet, waarmee de vorst hem nakeek. Met langzame schreden
ging hij naar zijn vertrekken terug en ging daar peinzend voor een
venster staan.

Het was een zeldzaam toeval, dat de vorst, om zijn dochter voor Raffles
te behoeden, dezen het geheim van het Akasa prijsgaf. De Maharadjah had
allang geweten, dat de Dschains in hun heiligsten tempel het
geheimzinnige Akasa als grootste kostbaarheid bewaarden. De vorst zelf
was lid van die rijke en machtige Indische sekte.

Daarom zou hij het geheim nooit aan Raffles hebben verraden, als de
gebeurtenissen der laatste uren hem niet tot overijld handelen hadden
genoopt.

Te laat zag hij in, welke fout hij begaan had, maar het was te laat om
zijn woorden terug te nemen. Nu kon hij alleen nog hopen, dat het
verraad, hetwelk hij aan zijn sekte had gepleegd, door het Akasageheim
te vertellen, gezoend zou worden door den dood van Raffles bij diens
bemoeiingen om zich in het bezit van het heiligdom te stellen.

Terwijl de groote onbekende nog naar buiten staarde, traden reeds
eenige dienaren zijn kamer binnen om zijn bagage in gereedheid te
brengen.

Haastig, als gold het een vlucht, werden de koffers gepakt, welke
daarna op de ruggen van twee lastkameelen werden geladen. Daarna kwam
de Maharadjah zelf om zijn gast tot voor de poort van het paleis te
geleiden, waar de rijk opgetuigde olifanten met de haudah, de
bontkleurige rijtent op den rug, en de mahout, de voerder met de spitse
ijzeren staaf, stonden te wachten.

Hier nam de Maharadjah afscheid met woorden van groote vriendschap en
toegenegenheid, nadat hij Raffles een kostbaren diamanten ring en een
even prachtige dasspeld ten geschenke had aangeboden.

Handig hielpen de dienaren Raffles in de rijtent klimmen en onder luid
geschreeuw zette zich de stoet met schitterend gevolg in beweging.

(Zie het titelblad.)

Vooraan reden op kameelen krijgslieden van allerlei rang in bonte
kleederdrachten. Op hen volgden gewapenden en daarop de ten strijde
uitgedoste ruiters van de vorstelijke garde in hun witte gewaden met
roode gordels, lichtgroene tulbanden op het hoofd.

De wapenen schitterden en glansden in het heldere zonnelicht. De pauken
dreunden, de trompetten schalden.

Daartusschen reden de hovelingen van den Maharadjah in prachtige
gewaden op fiere rossen, hun voeten in zilveren stijgbeugels en met
kostbaar versierde teugels in de handen.

Aan de spits van den stoet droeg, op een edel paard gezeten, een
vaandrig de groote, met goud geborduurde vorstelijke vlag.

Langzaam en statig bewoog de stoet zich voorwaarts door de drukke
straten der residentie. Overal bleef het volk eerbiedig wachtend staan,
tot alles voorbij was.

Raffles herademde toen aan de stadspoort de heeren der hofhouding met
hun gevolg afscheid van hem namen en hij zijn weg alleen kon vervolgen.

Eerst nu kon hij weer kalm nadenken en dadelijk drong het beeld der
prinses zich weer aan zijn geest op.

Hij had haar bij zijn heengaan uit het paleis niet gezien, hoewel zij,
verborgen achter de getraliede vensters der Zenana, hem had zien
vertrekken.

Hij had haar zacht gesnik en haar afscheidswoorden niet kunnen hooren.

Zijn weg voerde door de uitgestrekte begraafplaats. Hij kwam weer
voorbij den tempel van den heiligen dichter en vol verlangen keek hij
naar de stille, beschaduwde plek, waar hij de geliefde voor het eerst
had gezien.

Een vurige wensch kwam in hem op om van zijn olifant af te springen en
in den tempel te wachten, totdat zij, naar wie hij zoo stormachtig
verlangde, tot hem kwam.

Maar dit was onmogelijk, want Akasa, de Indische sphinx, was zijn doel,
hij mocht niet langer dralen.

Langzaam maar zeker naderde hij het doel van zijn reis. Spoedig was de
tempel en het kerkhof in nevelen verdwenen.








ZESDE HOOFDSTUK.

IN DEN DSCHAINENTEMPEL.


Er is geen tweede stad op aarde zóó merkwaardig en zeldzaam als
Palitana. Nergens ziet men huizen en menschen, doch wel ontelbare
straten en ruime pleinen, goed onderhouden en zeer zindelijk. En wie
door deze straten, over heuvels en langs dalen voerende voortwandelt,
die komt langs merkwaardig uitgehouwen muren en tinnen, langs sterke
wallen en stevige poorten. Hierboven uit steken hooge pyramidevormige
of ronde torens tegen den blauwen hemel af.

De vreemdeling zal wellicht denken zich te midden van vestingen te
bevinden, doch een blik op de torens doet hem zien, dat zich onder de
koepels marmeren, met goud en edelgesteente versierde afgodsbeelden
bevinden. Tot in de grijze oudheid zou de oorsprong van deze stad zijn
na te gaan.

Eene stad, die slechts uit tempels bestaat, welke de allervroomste
Indische sekte, de Dschains, voor hunne goden bouwden. ’s Morgens bij
zonsopgang worden de poorten der Tempelstad geopend. Honderden
kolossale klokken weerklinken en groote schare pelgrims treden de stad
binnen, bidden in de tempels en offeren aan de heiligen. Eén uur voor
zonsondergang moeten allen de stad weer verlaten. Wie dit gebod mocht
overtreden zou met doodstraf worden bedreigd. Want binnen de heilige
stad mag niemand slapen, mag zelfs niemand voedsel gebruiken. Hier
bevindt zich slechts het rijk der Heiligen.

Op bergen en heuvels grenst het eene gebouw aan het andere. Op den
hoogsten berg evenwel verheft zich de allerheiligste tempel, aan
Dschaina gewijd.

Hier hoopte Raffles het geheimzinnige Akasa te vinden. Hij verheelde
zich niet, dat er buitengewone moeilijkheden aan verbonden waren om het
doel te bereiken.

Te midden van de opeengedrongen schare geloovigen, met wie hij ’s
morgens de heilige stad binnentrad, was het voor hem onmogelijk, ook
maar het geringste te weten te komen. Slechts een kloek besluit en
doortastend handelen konden hem aan het doel zijner wenschen brengen.

Onder zijne bedienden bevond zich een Indiër van Mohammedaansch geloof.
Gedurende de reis naar Palitana had de jonge Achmed zich bij het
overwinnen van hindernissen of andere moeilijkheden zeer flink en
intelligent getoond. Onder belofte van eene groote belooning wijdde
Raffles hem in zijn voornemen in. Na eenige aarzeling verklaarde Achmed
zich bereid, zooveel mogelijk te helpen. Reeds na eenige dagen gelukte
het hem, door voorzichtige vragen bij de Dschainpriesters, te vernemen,
dat het door Raffles zoozéér begeerde Akasa onder bescherming stond van
het beeld van den Dschain-God. Doch wat het was en wat het voorstelde
kon hij niet nasporen.

Dat de levende mensch in deze heiligste grot van den Dschaintempel zou
kunnen binnendringen was echter geheel buitengesloten.

Een fakir had hem bovendien, tegen betaling van een groote som,
verraden, dat het geheimzinnige Akasa zich in een diepliggend
onderaardsch rots-vertrek bij een eeuwig brandend vuur bevond en op
Brahma, den hoogsten God van Indië, wachtte, die het bij zijn
wedergeboorte—volgens geloof der Dschainsekte—uit Boeddhas hand weer
zou terug ontvangen.

Meer had de trouwe Achmed niet kunnen uitvorschen en tevergeefs
beproefde hij zijn meester van zijn gevaarlijk voornemen af te houden.

Raffles echter stond erop, zijn met den dood dreigend avontuur te
wagen. Nadat hij zijn plan goed doordacht en alles ervoor in orde
gebracht had, restte hem nog als laatste plicht van Lord Turkington en
van zijne geliefde in Indrabad afscheid te nemen. Beide brieven stelde
hij met eene rijke belooning aan den jongen Achmed ter hand, die zich
steeds meer moeite gaf, Raffles’ besluit aan het wankelen te brengen.

Doch niets hielp. De kleine schare bedienden, die tot hier gevolgd was,
kreeg van Raffles bevel naar Indrabad terug te keeren. Gehoorzaam deden
de Mahouts de olifanten den toom aan en waren er alleen over verbaasd,
dat ze ook alle bagage moesten meenemen. Maar ze waren gewend, zwijgend
te gehoorzamen en in weinig tijd was de kleine karavaan reisklaar. Met
onderdanige afscheidswenschen voor Raffles bestegen zij de olifanten.
Een somber vaarwel, en de dieren zetten zich in beweging. De Mahouts
zetten hun reislied in.

“Eru pear habe Kataka!”

Spoedig waren zij aan den horizont verdwenen. Toen begaf Raffles zich
met langzame schreden naar de heilige stad.

Een eenvoudige losse mantel, zooals het volk dien droeg, was zijne
kleeding, en geen enkel wapen had hij tot veiligheid bij zich.

Sedert zijne aankomst in Indië had hij zijn baard niet kunnen verzorgen
en deze golfde thans tot over zijn borst.

Scherp en koen keken zijne zwarte oogen degenen, die hij ontmoette,
aan, en in zijn gelaat, in zijne geheele verschijning lag zóó iets
gebiedends voor de eenvoudige Hindoes, dat deze steeds met eerbied
plaats voor hem maakten.

Dikwijls reeds waren pelgrims, die uit afgelegen landstreken waren
gekomen, voor hem neergeknield en hadden den grond gekust waarop zijn
voeten stonden. Ze hielden hem volgens hun geloof voor een God.

Verdiept in zijn gedachten had Raffles de eenzame legerplaats verlaten
en niet opgemerkt, dat de jonge Achmed achter struikgewas verborgen,
was achtergebleven, om hem haar de tempelstad te volgen.

Maar nog een tweede persoon keek hem na. De Fakir, die verraden had,
waar het geheimzinnig Akasa was te vinden. Nieuwsgierig was hij vandaag
gekomen om te zien voor wien hij het geheim had prijs gegeven.

Toen hij nu de lange gestalte van Raffles met den golvenden baard zag,
dacht hij, door zijne fanatieke boetedoeningen phantastisch aangelegd,
dat deze raadselachtige vreemde die, armoedig gekleed, een vorstelijk
gevolg wegzond, een machtig man moest zijn, die onbekend wenschte te
blijven.

En zijne phantasie voerde hem verder. De grondgedachte van zijn
godsdienst, dat Brahma, de almachtige schepper der wereld, dikwijls in
menschengedaante werd herboren verbond zich plotseling bij hem met den
persoon van Raffles.

Reeds wilde hij hem nasnellen en in luide jubeltonen zijne ontdekking
verkondigen, toen hij den jongen Achmed ontdekte.

Zacht sprak hij hem aan, en toen hij naar hem toe kwam, vroeg hij:

“Zeg, wie is die machtige, dien jij vergezelt en dien jij dient?”

De jonge Hindoe was door deze plotselinge ontmoeting zeer geschrokken
en wist daardoor niet direct op de vraag te antwoorden.

“Je bedriegt mij niet meer, Achmed! Een arme—in het gewaad van een
Paria—beschikt niet over een vorstelijk gevolg en dienstpersoneel. Die
is meer dan wij allen. Hij is het—hij is het—naar wien wij allen
verlangen.

“Brahma!—Brahma!—Brahma!”

Met vertrokken gelaat en onder denzelfden onafgebroken uitroep vloog
hij Raffles achterna, die reeds lang uit het gezicht was verdwenen.

En het roepen van den fanatieken fakir bracht groote opschudding teweeg
onder de pelgrims.

Spoedig werd hij door duizenden omringd, die wenschten te vernemen, wat
hij wist. En het weinige, dat hij sprak, veranderde in de phantasie van
den fakir tot een wonderlijk beeld—tot een sprookje uit de
“Duizend-en-één Nacht”.

Buiten adem vertelde hij, dat zijne oogen eenen stoet van ontelbare
olifanten hadden aanschouwd, versierd met schitterende, uit zonnedraden
geweven kleeden.

Kostbare edelgesteenten en diamanten hingen fonkelend aan deze kleeden,
zoodat hij, door hunne uitstraling verblind, zijne oogen met de koele
aarde had moeten verfrisschen. Van den grootsten en mooist versierden
olifant echter was een man afgestegen, armoediger gekleed dan de armste
bediende; en de schetterende stoet van bedienden had zich nederig voor
hem ter aarde gebogen en het stof van zijne voeten gekust.

De raadselachtige man was hem rakelings voorbijgegaan. Hij droeg geen
andere sieraden dan den diamanten Keyura, den armband van zijne
goddelijke waardigheid.

“Brahma is tot ons gekomen. Welaan, laat ons hem zoeken.”

In ademlooze stilte luisterden de duizenden menschen naar zijne
woorden.

Met begeerige oogen hingen de fanatieke personen aan de bloedelooze
lippen van den fakir. Hunne spieren begonnen van opwinding te trillen.

Nog verscheidene minuten, nadat de fakir had opgehouden, bewaarde de
onafzienbare volksmenigte het stilzwijgen. Maar toen werd een bruisen
en suizen hoorbaar, alsof een storm naderde. En het geloei zwol
aan—sterker, ontzettender—dat was geen storm meer, dat werd een orkaan,
dien het godsdienstige fanatisme onder de duizenden ontketende.

In de grootste opgewondenheid schreeuwden, dansten en sprongen zij door
elkaar, totdat ze zich op bevel van den Fakir opstelden, tot een bijna
eindeloozen stoet en naar de heilige Tempelstad trokken, om den
herboren Brahma te zoeken en zijnen goddelijken zegen te ontvangen.

Verbaasd keken de priesters in de Tempelstad naar deze processie.
Machteloos stonden ze tegenover deze reuzengolf van duizenden menschen.
Hunne woorden werden niet gehoord, en de steeds opdringende
menschenstroom sleepte hen met zich mede.

Tempel na tempel werd door de fanatieke menigte doorgezocht zonder een
spoor van Raffles te vinden.

In haar ijver sloeg de fanatieke massa er geen acht op, dat de zon
begon onder te gaan en het uur aankondigde, waarop alle levenden de
Tempelstad moesten verlaten.

Duizenden klokken verhieven hun dreunende, metalen stemmen, en de
opgewonden menigte gaf gevolg aan de vermaning, tot haar gericht. In
dichte drommen verliet zij de Tempelstad en toen de laatste van hen
door de poorten van de met kroonwerk versierde stadsmuren was
geschreden, werden de zware bronzen poorten gesloten.

Terwijl het wilde, fanatieke oproer door de straten en tempels der
heilige stad raasde, was Raffles de stad binnengetreden en had zich in
de nabijheid van den hoofdtempel in een weinig opvallende nis
verborgen. Toen de straten en pleinen door de aftrekkende
pelgrimsscharen waren verlaten, kroop hij uit zijn schuilplaats en
sloop in de schaduw der tempelmuren naar den Hoofdtempel.

De zilveren maan scheen helder en Raffles kon alles duidelijk
onderscheiden.

Als in eene geheimzinnige sprookjesstad liep hij verder. Overal
prachtige beeldhouwwerken, tinnen en erkers, paviljoens en torens,
goud-glanzende bronzen deuren en veelkleurige ornamenten—maar nergens
een tuin. Geen bloem, geen boom. Onbewoond, zonder eenig leven, bevindt
zich nacht op nacht de stad van Boeddha. Geen menschelijk wezen in al
die prachtige gebouwen.

Door de openstaande deuren van de muren, die de tempels omsloten gelijk
eene vesting, zag hij op pleinen met kleinere tempels.

Waarheen zijn blik zich wendt, op alle hoeken en uiteinden staat het
grove beeld van Boeddha, met de schitterende star-oogen van
edelgesteenten onder het voorhoofd. De schittering wordt veroorzaakt,
doordat in de oogholten van den god half-bolvormige zilveren platen
zijn bevestigd, die met fijn geslepen edelgesteenten, glas of stukjes
zilver zijn bezet.

Dikwijls staan vele van zulke beelden bij elkaar, met verborgen beenen,
de borst met kostbare gouden sieraden behangen, in wier midden een
groote brillant fonkelt. Bijna de geheele figuur is met zilveren of
gouden platen bezet, zoodat zij den indruk maakt van een reus met een
gouden harnas.

Langs een steilen, hier en daar van trappen voorzienen weg bereikte
Raffles den Hoofdtempel.

Bijna een half uur duurde het naar boven klimmen, en verlicht haalde
hij adem, toen hij in de schaduw van den open tempelpost stond.
Luisterend bleef hij eenige seconden staan.

Niets bewoog zich binnen in den tempel, en vol moed vervolgde hij zijn
weg.

Hij liep naar het groote Boeddha-beeld, dat hem met wijd geopende,
schitterende oogen, als een waarschuwend “Menetekel”, aankeek.

Voor de eerste maal overvalt hem een zekere rilling, als teeken van
zenuw-verslapping.

Hij sloeg er geen acht op; onderzoekend kijkt hij naar het beeld van
vijfvoudige menschengrootte. Maar niets opvallends kon hij ontdekken.
Het is hetzelfde beeldhouwwerk als al het andere in de stad.

Hij begeeft zich naar de achterzijde van het godenbeeld, en met een
kreet van verbazing blijft hij staan.

Dicht achter het beeld, ziet hij eene opening, die naar de diepte moet
leiden. Een blauw-achtig, getemperd licht uit eene voor hem onzichtbare
lichtbron schijnt in de opening, en een fijne, welriekende geur stijgt
naar boven.

Een sierlijk bewerkte trap, die naar beneden leidt, ziet hij voor zich.

Zonder dralen betreedt hij deze en staat weldra in eene ruimte, welker
wanden en zoldering wordt gevormd door glanzend gepolijste donkere
bazaltsteenen, en in wier midden een vuur brandt.

Naast het vuur echter zit de spookachtige gedaante van een fakir, die
nu en dan een stuk hout op den vuurgloed legt en uit een kleinen gouden
flacon geurige essence op het vuur giet.

Deze fakir is het eenige levende wezen in de tempelstad, en moet ervoor
zorgen, dat het heilige vuur ter eere van Brahma, dat Boeddha hier voor
den machtigen God onderhoudt, nooit uitdooft.

En deze fakir wordt als heilig beschouwd. Hij heeft om het eerebaantje
in den heiligsten tempel te kunnen uitoefenen, zijne oogen, ooren, tong
en voeten moeten verminken. Hij mag zien noch hooren, spreken noch
gaan.

Een ontzettend offer van het godsdienstige fanatisme.

Zachtjes sloop Raffles naar den fakir, en hij schrok, toen hij in de
ledige oogholten keek en het ontbreken der ooren bemerkte.

Dicht bij het vuur stond een gouden tafel, op welker blad eenige
woorden waren gegraveerd, die met diamanten en robijnen waren afgezet.

Nieuwsgierig keek Raffles naar de letterteekens en al gauw kon hij de
woorden ontcijferen:

Heil u, Brahma! Uwe oogen zullen stralen van geluk. Gij ziet het Akasa.
Prijs ons, die het duizenden jaren voor u hebben bewaard, en verheug
ons door uwe wijsheid. Dschaina!

Maar tevergeefs zocht Raffles naar het geheimzinnig Idole.

Niets kon hij ontdekken. Ten slotte onderzocht hij de tafel en vond
daaronder een kistje. Hij opende het en op een wit zijden weefsel
bevond zich een ovaal, geslepen, donker bronzen voorwerp van den vorm
en grootte van een bord, en van een steel voorzien.

Welk raadsel zou hierin opgesloten liggen?

Wat stelde het voor?

Nieuwsgierig trad Raffles met het raadselachtig voorwerp dicht bij ’t
vuur, om bij den schijn hiervan de kleine, in ornamentvorm aangebrachte
heel fijne openingen op den bodem van het idole te onderzoeken.

En toen hij onwillekeurig het voorwerp boven het vuur hield, trad hij
van schrik terug.

Zachte tonen weerklonken eensklaps, ergens vandaan—eigenaardiger en
geheimzinniger dan de klanken der Aeolsharp—bovenaardsche muziek.

Eene koude rilling beving hem. Verbaasd keek hij om zich heen en ging
wat van het vuur af staan.

Dadelijk hield ook de geheimzinnige muziek op.

Eenige minuten stond hij stilzwijgend na te denken.

Hij zocht het raadsel te verklaren. Doch hoe ingespannen hij ook zon,
hij kon zelfs niet vermoeden, waar de tonen vandaan kwamen.

Toen stapte hij opnieuw naar het heilige vuur. Weer hield hij het Akasa
er boven om het verder te onderzoeken, en opnieuw klonk de
geheimzinnige hemelsche muziek.

Nu vond hij de verklaring.

Het door hem boven den vuurgloed gehouden Akasa bracht de wondervolle
tonen voort.

Telkens als hij het voorwerp boven het vuur hield hoorde hij de zachte
klanken, die direct wegstierven wanneer hij van het vuur wegging.

Maar waardoor werden zij veroorzaakt, die klanken, welke als een
telkens afgebroken geluidsgolf de ruimte vulden?

Stond hij werkelijk tegenover een niet op te lossen raadsel van
Indische geheime kunst?

Neen, hij ontdekte de bron. De warme lucht van het vuur, die door de
openingen van het voorwerp ging, bracht de tonen voort.

Onwillekeurig keek hij naar de zoldering van het vertrek, alsof hij de
onzichtbare geluiden wilde volgen. Toen was het, alsof hij plotseling
in een standbeeld veranderde.

Met starende oogen, den mond ver open, als door een plotselingen schrik
getroffen, wendde hij den blik naar de zwart-gepolijste zoldering.

Slechts weinige seconden kon hij zich staande houden—hij zag iets
ijzingwekkends—toen viel hij bewusteloos op den grond.

Niemand hoorde het dof neervallen van zijn. lichaam.

En de misvormde fakir ging werktuigelijk voort de kostbare
wierook-houtblokken op het vuur te leggen.








ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE VLUCHT.


Sedert Raffles’ vertrek vermeed de Maharadjah het Zenana op te zoeken.

Zijn vertrouwde, de dikke Vakil, had hem medegedeeld, dat Samru, die op
bevel van den vorst onder streng toezicht werd gehouden, tot razernij
was vervallen.

Zij verborg het niet, dat zij den paria, den Engelschman, lief had en
zij dreigde ermee, het paleis te verlaten en hem na te snellen.

Door deze onvoorzichtigheid liet de Maharadjah haar nog scherper
bewaken, en om haren tegenstand te breken, besloot hij, haar huwelijk
met een der jonge vorsten van Indië te bespoedigen.

Samru weende en raasde opnieuw, toen haar het besluit van haar vader
werd meegedeeld.

Toen stormde op een avond blijkbaar opgewonden vroolijk, Natana het
vertrek der prinses binnen en overhandigde haar een brief.

Samru maakte hem haastig open en las hem.

Hare wangen kleurden, hare oogen schitterden, toen zij hare
lievelingsslavin toeriep:

“Van hem!”

Natana knikte lachend en antwoordde:

“Ik weet het, Meesteres, ik weet het.” Daarna schuw om zich kijkend en
aan de deur van het vertrek luisterend, sprak zij fluisterend:

“Maharani, Meesteres! Op weg naar de keuken hoorde ik zacht roepen uit
een venster der benedengaanderij. Voorzichtig, opdat de wachten aan de
poort niets zouden merken, sloop ik in de schaduw der zuilen naar het
venster en zie Achmed, den jongen Mahout, die den blanken Rajah naar
Palitana vergezelde. Snel reikt hij mij den brief over en zegt: “Ik
verwacht morgen op denzelfden tijd bericht aan dit venster. Deel mij
mee, wat ik moet doen. Bij je leven, wees voorzichtig!”

“Snel verdween hij in de donkere gaanderij, terwijl ik den brief
verborg en mijn weg vervolgde. Meesteres, de redding is nabij. Zeg, wat
u wilt doen!”

“Laat mij tijd om na te denken, lieve Natana. Vanavond zal ik weten,
wat ik moet doen. Morgen reeds moet ik handelend optreden.”



Het was tegen denzelfden tijd den volgenden dag, toen Natana,
oogenschijnlijk luierend, op het kleed in de schaduw van de zuilen
neerzat, die voor de vensters der galerij stonden.

Het binnenplein van het paleis zag er zeer eenvoudig uit, de grond was
met bonte steentjes ingelegd en aan alle zijden door muren omgeven.
Deze muren vormden tegelijkertijd de achterwanden van andere gebouwen
en waren slechts hier en daar door een klein venster of een smal houten
balcon onderbroken.

Zoo prachtig en indrukwekkend het paleis er aan de voorzijde uitzag,
zoo nuchter en eenvoudig was de achterkant.

Zoo ging het ook met het leven van de paleisbewoners. Vooraan in de
rijke voorkamers zaten honderden hovelingen, dienaren en soldaten te
luieren, terwijl op de afgelegen pleinen aan de achterzij alleen de
opgestelde wachten en de druk werkende bedienden te zien waren.

Zulk een plein vormde de binding tusschen de Zenana en de keuken en
hier wachtte Natana op het verschijnen van den jongen Achmed.

Het plein, lag op zij van het gebouw en werd slechts op bepaalde uren
van den dag gebruikt, wanneer de maaltijden voor de vrouwen in de
keuken werden bereid.

Brandend heet scheen de zon; de voor de uitgangspoort staande wacht
leunde slaperig en hangerig onder de bogen der poort en scheen te
droomen.

Weliswaar had de soldaat eerst beproefd, zich door de aardige Natana te
doen opmerken; hij werd echter zoo koel afgewezen, dat hij minachtend
de slavin den rug toekeerde.

Daardoor zag hij niets toen Achmed eindelijk aan het donkere venster
van de gaanderij verscheen.

“Wat zeide de Maharani?” fluisterde hij.

“De Maharani wil vluchten. Zij beveelt u, haar te helpen. Zeg, wat zij
doen moet,” antwoordde Natana.

Op het gelaat van den trouwen mahout kwam een trotsch glimlachje.

“Ik ben bereid,” antwoordde hij. “Deze gaanderij ligt onder de stallen
der olifanten. Alleen de knechten, met de voedering belast, betreden
haar ’s avonds. Zeg aan de Maharani, dat ik haar hier zal wachten en
dat ik haar veilig naar Palitana zal brengen. Maar snel, slavin, het
leven van den blanken Rajah is in gevaar. En zeg aan de Maharani, dat
in de olifantenstallen vandaag nog plaats zal worden gemaakt voor
twintig vreemde dieren. Van een secretaris van den vakil vernam ik, dat
de zoon van den Maharadjah van Udaigur komt om de Maharani naar zijn
harem te brengen.”

Natana slaakte een kreet van ontzetting.

“Wacht hier op ons,” fluisterde zij en stond op.

Langzaam liep zij naar de Zenana, opende de kleine, rijk van snijwerk
voorziene deur en verdween.

Ondertusschen wachtte Samru in koortsachtige spanning op de berichten
die Natana zou brengen.

Maar met geen enkele beweging verried zij aan de wachters, dat haar een
geheim bezig hield.

Zij had thans geleerd, haar gedachten en woorden te verbergen.

Toen Natana het groote vertrek binnentrad, keek de prinses haar met
halfgesloten, vermoeide oogen aan en verscheiden minuten verliepen,
voor zij zich tot haar wendde en op rustigen toon sprak:

“Leg een licht gewaad, een sari, voor mij klaar.”

Natana boog eerbiedig en verliet het vertrek.

Eenigen tijd later volgde Samru haar.

Zoo goed was alles afgesproken, dat niemand van de talrijke bedienden
en wachters iets opvallends ontdekte.

In haar kamer aangekomen, wierp Samru zich op den divan en beval
Natana, heel dicht bij haar te komen.

Toen eerst liet zij zich alles vertellen.

Onstuimig en snel klopte haar hart, toen zij de aanstaande komst vernam
van den vorstenzoon van Udaigur, dien zij naar landsgebruik als
onbeminde en niet minnende vrouw moest volgen.

Haar besluit stond vast: onmiddellijk vluchten.

Zij stond op van den divan en liep naar de kast, die haar juweelen en
schatten bevatte.

Haastig kleedde zij zich in de kostbaarste sari’s, een dun zijden
weefsel, versierd met wondervolle bloemen van zilver.

Toen opende zij een kleine, verborgen deur, die haar in staat stelde,
buiten de zalen om, in de onderste verdieping te komen.

Onverschillig keken de wachters van de Zenana naar de beide vrouwen.

Samru ademde verlicht, toen zij op het plein stond.

Op dat oogenblik dook Achmed in de gaanderij op.

Iedere seconde was kostbaar.

“Volg mij, Maharani! Pak mijn armen beet en laat u door het venster in
de gaanderij trekken.”

Gewillig volgde Samru zijn bevel op en stond met kloppend hart in de
kille, donkere ruimte.

Aan terugkeeren viel nu niet meer te denken, men moest nu voorwaarts.

Ook Natana volgde en ten slotte trok de bedachtzame Achmed ook nog het
tapijt in de gaanderij.

Hij lachte, toen hij dit had gedaan en sprak:

“Alle steenen zijn nu gelijk, alle vensters gelijk aan de lucht,
waardoor de vogel is gevlogen. Volg mij en wees onbezorgd!”

Tusschen groote balen samengeperst voedsel door bracht hij de vrouwen
naar den uitgang.

“Blijf hier staan, tot ik u een teeken geef en kom dan naar boven.”

Haastig snelde de getrouwe heen.

Eindelijk verscheen Achmed weer.

“Kom,” zei hij.

Sidderend stegen de beide vluchtelingen een trap op en bevonden zich in
de groote hal, die de olifanten verborg.

Dadelijk bracht Achmed haar naar een van de grootste dieren, dat reeds
prachtig opgetuigd en met een goedgesloten rijtent op den rug klaar
stond.

Gehoorzaam knielde het voortreffelijk afgerichte dier neer en de beide
vrouwen konden zich zeer gemakkelijk op de kussens in de tent laten
neerzakken.

Hierop nam Achmed zijn plaats in op den kop dicht achter de groote
ooren van het dier en gaf het een kort bevel. De olifant stond op en
liep naar den uitgang.

De wachters bij de poort waren niet gewend, ook maar een enkele vraag
tot den mahout te richten.

Dienstvaardig openden zij de zware ijzeren deurvleugels en de olifant
met zijn kostbaren last bevond zich op straat.

Langzaam en zonder het dier aan te zetten, liet Achmed het voorwaarts
gaan.

Toen de zon ten ondergang neeg, was hij reeds een heel eind van
Indrabad verwijderd.

Nu hield Achmed een half uur rust en voerde het dier met maïs en
vruchten.

Liefkoozend streelde hij den slurf van den olifant en, hem wat
suikerriet gevend, sprak hij:

“Laat nu aan je meesteres zien, dat je van een koninklijk geslacht bent
en dat de snelste renners onder jou zoo gehate paarden bij jou
vergeleken, wat snelheid betreft, maar ellendige paria’s zijn. Vooruit
Avyar!”

Gehoorzaam slingerde d olifant zijn slurf om het lichaam van zijn
meester en zette dezen voorzichtig op den kop neer. Behendig nam Achmed
zijn zitplaats weer in. Hij behoefde het voorhoofd van den reus maar
even met zijn stok aan te raken en het dier zette zich in beweging.

“Ga goed in de kussens liggen!” zei Achmed tot de vrouwen, “en snoer de
riemen stevig vast. Avyar zal loopen!”

Daarop fluisterde hij het beest eenige geheimzinnige woorden in het
groote oor. Dadelijk stak het zijn slurf in de hoogte en stiet een
schril geluid uit als van een trompet. Toen begon het sneller en
sneller te loopen, totdat het in een razend tempo als een bliksemtrein
voorwaarts stoof.

En het was noodig, dat het dier al zijn krachten voor de vluchtelingen
inspande.

Eenige mijlen achter hen waren reeds vervolgers hun op het spoor en
slechts de buitengewone snelheid van het beest maakte dat zij
achterbleven. Den volgenden morgen bereikten de vluchtelingen de
pelgrimsstraat naar Palitana.

Zij gunden zich slechts een korte morgenrust van nauwelijks een uur.
Daarna vervolgden zij hun weg.

De olifant was, niettegenstaande den inspannenden tocht zeer frisch en
in staat verdere vermoeienissen te doorstaan.

Nadat Achmed het trouwe dier had gevoerd en te drinken gegeven,
gehoorzaamde het zeer gewillig, toen het een teeken ontving om verder
te trekken.

Optochten van pelgrims, dikwijls van zeer ver komend, trokken hen
voorbij en keken vol verbazing naar den kostbaar opgetuigden olifant.

Verwonderd schudden de voorbijgangers het hoofd. Wat zou dit toch zijn?
Wie zou zich in de gesloten tent bevinden?

Zij meenden een wonder te zien in het prachtige dier, dat zonder gevolg
op den heeten, stoffigen karavaan-straatweg naar Palitana liep.








ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE BESTORMING VAN DEN TEMPEL.


Reeds lang voor het aanbreken van den dag verzamelden zich duizenden
pelgrims voor de gesloten poorten van Palitana en wachtten vol
verlangen op het oogenblik, waarop zij de stad zouden mogen
binnentreden.

Vooraan liep de heilige fakir.

In den nacht waren veel priesters van Dschaina tot hem gekomen en
hadden hem met verwijten overstelpt. Hij had hun eerst moeten
vertellen, wat hij vermoedde, om dan tezamen te overleggen wat hun te
doen stond.

De fakir had hoonend gelachen.

“Gij dwazen, wilt gij oordeelen over de profeten en de wegen van
Brahma? Ach, gij zijt bevreesd, dat ik u de heerschappij zal ontnemen
en u zal benadeelen! Gaat heen! Of mijn toorn roept de hulp van het
volk in, dat u zal vermoorden.”

Daarop hadden de priesters den fakir verlaten. Zij wisten, dat het
opgewonden volk hen, ondanks hunne priestergewaden, ondanks hun
Brahmanengordel, in stukken zou scheuren, indien de fakir het wilde.

Deze was nu meester over de duizenden en met hun heerschappij was het
gedaan.

Hem zouden de pelgrims gehoorzamen.

Vreeselijk konden de gevolgen zijn, als de fakir den een of anderen
vreemden persoon zou vinden, dien hij het fanatieke volk als Brahma zou
voorstellen.

Nog in dienzelfden nacht besloten de priesters daarom, in eene geheime
bijeenkomst, dat zij een uur vóór de opening der poorten de stad zouden
binnensluipen om alle tempels te doorzoeken.

Toen de priesters van den hoofdtempel naar het eeuwige vuur afdaalden,
slaakten zij kreten van vrees en ontzetting en snelden eerst in wilde
vlucht terug.

Naast het vuur hadden zij eene gestalte ontwaard.

Het duurde geruimen tijd, eer zij van hun schrik waren bekomen en zich
opnieuw in het heilig gewelf durfden begeven.

Zij zagen nu, dat de verschijning, die hen bevreesd had gemaakt, een
vreemdeling was, met een langen, golvenden baard.

Zeer vreemd kwam hun de houding van den persoon voor. Want hij lette er
niet op, dat zij naderbij kwamen; hij staarde met een blik vol
verrukking op naar de zoldering en keek naar het geheimzinnige beeld,
dat het heilige Akasa daar getooverd had, en dat hij niet kon
verklaren. Hij begreep niet hoe—waardoor!

Maar ook de priesters kenden de oplossing niet van dit geheimzinnige
voortbrengsel van oud-brahmaansche kunst.

Zij hoorden zachte, liefelijke tonen, zij zagen aan de zoldering
zeldzame rozig-gekleurde lichamen van bajaderen en goden in wiegelenden
dans voorbijzweven en verdwijnen.

Zij werden geheel meegesleept door dit raadselachtige beeld en vergaten
hierdoor, met welk doel ze hierheen waren gekomen en wat zij zochten.

Daar dreunden met een enkelen slag alle klokken der tempelstad en
lieten haar metalen stemmen hooren.

De vreemdeling schrikte op bij dit geweldige geluid, en alsof hij uit
een droom ontwaakte, zoo staarde hij als gedachtenloos op de schare
priesters, die vol schuwe vrees voor hem stond.

Daar trad een oude, grijze priester moedig naar voren en sprak, diep
buigende:

“Sahib, wij zoeken u en vragen u: Zijt gij Brahma?”

Raffles stond op van het vuur, het Akasa vast in de handen houdend, en
naderde zonder te antwoorden den priester.

Als een dof-loeiende, steeds meer aanzwellende orkaan dong het lawaai
van het volk, dat de tempelstad was binnengekomen, in het gewelf door.

Het naderde steeds en de priesters werden door ontzetting aangegrepen
bij de gedachte aan dat, wat zou gebeuren, wanneer de fanatieke massa
den vreemdeling zou ontdekken.

Eene bestorming der tempels! Eene verwoesting van alle godenbeelden in
het gansche land, zelfs van Brahma, Wischnu en Siwa, de heilige
drieëenheid!

De grijze Dschainpriester zag het gevaar het duidelijkst in. De
vreemdeling moest onschadelijk gemaakt worden, voordat het volk hem
vond.

“Laat ons dit gewelf verlaten, broeders”, riep de oude, “en den toegang
afsluiten. Niemand mag deze geheime plaats ontdekken. Is dit Brahma,
dan zal hij zichzelf weten te helpen en geen menschelijke macht zal hem
weten tegen te houden. Volgt mij!”

De priesters waren reeds teruggeweken voor Raffles, die als een
slaapwandelaar langzaam nader kwam, en angstig vluchtten zij langs de
trap naar boven.

De oude grijze was de laatste.

Zoodra hij de boven-gelegen ruimte had bereikt, liet hij een grooten
marmeren steen, die daarin precies paste, in de opening leggen en zelfs
de scherpste oogen hadden den ingang niet meer kunnen ontdekken.

De pelgrims drongen in dichte massa’s over de breede trappen naar den
tempelingang toe. Steeds opnieuw weerklonk uit hun midden een
langgerekte kreet om Brahma.

“Brahma! Brahma!”

Nu sprak de opperpriester van den Dschain-tempel tot de pelgrims:

“Wat roept gij, en wat zoekt gij?”

En uit duizend stemmen klonk het terug:

“Brahma! Brahma!”

“Ik begrijp u niet”, antwoordde de oude. “Hij, dien gij zoekt, is niet
hier!”

“Hij is hier, gij oude, grijze leugenaar!” schreeuwde de fakir, die aan
het hoofd van een hoop pelgrims de trap opstormde.

Woest fladderden zijn lange, witte haren om zijn mager lichaam. Beide
armen opheffende, riep hij tot de pelgrims:

“Voorwaarts! Zoekt Brahma! Hij bevindt zich hier in de tempelstad. Mijn
oogen zagen den goddelijke, mijn mond ademde de ambergeuren van zijn
lichaam in. Voorwaarts! Brahma! Brahma!”

Als een onstuimige golf stortte de menigte, de priesters mee
voortsleepend, in den tempel en vond niets.

De fakir, die het geheim van de onderaardsche gang kende, zocht met
brandende oogen op den bodem naar den ingang.

Tevergeefs! Deze was zóó goed verborgen, dat men hem niet kon vinden.

En toch hoorde hij aan den hollen klank van den bodem onder zijne
schreden, dat zich daar geheime verblijfplaatsen moesten bevinden.

“Haalt ijzeren stangen!” schreeuwde hij tot de pelgrims, “wij zullen,
den bodem opbreken!”

“Dat zal je niet doen!” riep de oude Dschainpriester, “gij zijt een
kind des doods, als gij een tempel schendt!”

In plaats van te antwoorden beval de fakir weer:

“Haalt ijzeren stangen!”

Eenige pelgrims snelden heen om uit het kamp buiten de stad het
gewenschte te halen.

Steeds woedender drong de opgewonden menigte op de priesters van den
hoofdtempel aan.

Deze hadden zich op de trappen van het altaar, vóór het Boeddha-beeld,
verzameld, nadat zij zich hadden gewapend met zilveren en gouden bijlen
en zwaarden uit de schatkamer van den tempel.

Zij waren vastbesloten liever te sterven, dan hun tempel te laten
ontwijden.

Maar de volksmenigte volhardde in haar voornemen en zij wachtte, onder
leiding van den fakir, op de terugkomst van de boden, die naar het kamp
waren gezonden.

Daar weerklonk uit de verte de luide kreet van een olifant.

Daar de tempel op een hoogen berg lag, kon men in de straten kijken, en
men ontwaarde een prachtig opgetuigd beest, dat, omringd door eene
ontelbare menigte pelgrims, den tempelberg naderde.

Deze verschijning lokte ook den fakir uit den tempel.

Zou daar een machtige Rajah komen? Dan hadden de priesters gewonnen
spel. Hij zou hen beschermen.

Om zekerheid te hebben, snelde hij het dier, dat door den langen tocht
vermoeid was en zich nog maar langzaam voortbewoog, tegemoet.

Hoe verbaasd was hij, toen hij in den mahout, dien de olifant droeg,
dien jongen hindoe herkende, aan wien hij het geheim van het Akasa had
verraden. Ook Achmed herkende dadelijk den fakir en riep hem toe:

“Geleid ons naar den tempel en naar het gewelf van het Akasa. Mijn
meesteres beveelt het.”

De zijden gordijnen van de tent werden nu geopend en de fakir kon de
van juweelen schitterende, rijk gekleede Samru zien.

“Geleid ons!” riep zij door haar dichte sluiers, en wierp
tegelijkertijd eenige gouden munten als belooning naar beneden.

Nieuwsgierig en verbaasd keek het omringende volk naar de prinses en
vroeg:

“Wat beteekent dat?”

Zij zouden antwoord krijgen.

De fakir zocht in zijn fantasie verband tusschen de aankomst van den
opgesierden olifant en zijn meesteres en den gezochten Brahma en voor
het dier uitloopend en den weg wijzend, sloeg hij met wild gebaar zijn
armen omhoog en riep in de grootste opgewondenheid:

“Maakt plaats, lieden! Bidt! Anapura, de lievelingsgodin van Brahma, is
gekomen om hem door haar schoonheid en dans vreugde te brengen.”

En het volk in zijn groote onwetendheid, in zijn zucht naar het
geheimzinnige, sloeg geloof aan deze woorden en volgde onder
geestdriftig roepen en bidden naar den tempelberg.

Slechts met moeite kon de weg voor den olifant worden vrijgehouden. Man
aan man, als een golvende zee, drongen de pelgrimscharen voorwaarts.

Toen nu de olifant voor den ingang van den tempel neerknielde, en
Achmed zijn meesteres en haar slavin behulpzaam was bij het verlaten
van de tent, brak de menigte los in kreten van verrukking.

In het schitterende zonnelicht straalden en vonkelden de juweelen en
sieraden van Samru en het was te begrijpen, dat men haar voor een
bovenaardsch wezen hield.

Natana volgde haar meesteres, toen deze den drempel binnenschreed.

De priesters bogen diep voor haar, want zij herkenden aan de pracht der
juweelen en de kostbare kleedij een spruit uit het vorstelijk geslacht.

De opperpriester van Dschain naderde Samru.

“Wat wenscht gij, meesteres, in den tempel van Dschaina? Uw gebeden
zullen op gouden handen voor zijn aangezicht worden gebracht en zijn
goddelijke zegen zal met zonnestralen op u nederstroomen!”

Samru die haar gelaat, volgens de zeden van het land, diep gesluierd
had, antwoordde:

“Priester, ik wensch niet te bidden. Ik wensch van u te vernemen, waar
de vreemdeling is die in deze stad is verdwenen!”

De priester haalde de schouders op en meende verstandig te handelen als
hij loog.

“Ik weet van geen vreemdeling”, sprak hij. Maar de fakir en het volk
lieten hem niet verder spreken.

“Hij liegt!” schreeuwde de menigte uit duizend kelen.

De priester verbleekte en zijn knieën knikten.

Duizenden vuisten strekten zich dreigend naar hem uit. Het fanatisme
der menigte verlangde naar een slachtoffer.

Samru hief haar rechterarm op en alsof olie op de golven van een woeste
zee werd geworpen, verstomden de kreten en bedreigingen.

Zoodra de rust hersteld was, herhaalde Samru haar vraag en ten einde
raad trad de opperpriester naar zijn makkers toe.

Dit dralen bewees, dat de priesters een geheim wilden verbergen en in
haar vrees, den geliefde door de valsche streken van de priesters te
zullen verliezen en bevreesd voor wat hem mocht zijn overkomen, hief
Samru haar hand opnieuw omhoog en riep:

“Weg met de priesters!”

Nauwelijks had zij deze woorden gesproken, of uit duizend kelen klonk
een woedend geschreeuw.

Als een reuzengolf wierpen de menschen zich op de ontstelde priesters,
hun zilveren en gouden wapenen werden hun ontnomen nog voordat zij deze
ter verdediging hadden kunnen opheffen en in een korte spanne tijds
waren de Dschain-priesters tot een vormlooze massa verslagen en
vertrapt.

In dolle verrukking dansten de overwinnaars om de lichamen van hun
slachtoffers, daarbij luide jubelkreten slakende, nu hun fanatisme was
bevredigd.

In het volgende oogenblik beukten ook reeds ijzeren stangen op de
marmeren plaat achter het Boeddhabeeld en in weinig tijd was de ingang
naar het onderaardsch gewelf van het eeuwige vuur vrijgemaakt.

Op een teeken van Samru heerschte er diepe stilte onder de menigte.

Zeldzame, geheimzinnige muziek klonk uit het gewelf omhoog—wondervolle
tonen, zooals de toehoorders ze nog nooit hadden gehoord.

En de zoete harmonieën, die weerklonken, kalmeerden de opgewonden
menigte en beroerden hun ziel, als voorspelden zij het hoogste geluk.

Aarzelend zette Samru haar voet op de bovenste trede, want de
onzekerheid over hetgeen zij beneden zou aanschouwen, deed haar beven.

Niemand durfde haar vergezellen. De fakir plaatste zich met het gouden
zwaard, dat hij een der priesters had ontrukt, voor den ingang; naast
hem stonden Achmed en Natana.

Zoodra Samru de onderste trede der trap had bereikt en een blik wierp
in het gewelf, bleef zij verschrikt staan.

Daar, dicht bij haar, naast een klein welriekend vuur, zat hij, voor
wien zij haar leven had gewaagd, omdat haar groote, warme jonge liefde
hem toebehoorde.

Daar zat hij, de oogen naar de zoldering gericht. Hij was zoo in
gedachten verdiept, dat hij haar verschijning niet had opgemerkt.

Heel zacht, als vreesde zij hem te storen, trad zij naderbij.

Nu bemerkte zij, dat de muziek uit een instrument kwam, dat hij boven
het vuur hield.

Maar het was niet de muziek, die zijn zinnen bekoorde, doch—zij wendde
den blik haar de zoldering en zag de spelende en dansende figuren.
Aarzelend schreed zij naar het vuur toe, tot zij dicht naast hem stond.

Zij legde haar rechterhand op Raffles’ schouders en sprak met zachte
stem:

“Rao!”

Verschrikt ontwaakte hij uit zijn gepeins.

Hij legde het Akasa op den grond en wreef zijn oogen uit, voordat hij
haar aankeek.

Vermoeid en mat klonk zijn stem, toen hij bijna stamelend zei:

“Ben jij het, Samru? Of is het een nieuw visioen?”

“Ik ben het, Rao, ik ontving je brief en met behulp van Achmed ben ik
het paleis van mijn vader ontvlucht en ik heb je bevrijd uit de handen
der priesters. Kom, sta op en wees blij, dat ik op het juiste oogenblik
kwam, voordat een ongeluk je trof.”

“Je kwaamt te rechter tijd!” sprak Raffles halfluid. “Daar ligt een
helsch product van Indische tooverkunst, dat dengene, die het ziet,
volkomen in zijn macht houdt. Goddank! Je bent te rechter tijd gekomen!
Hoe vond je den weg hierheen?”

“Achmed, dien jij met den brief naar mij toezond, bracht mij hierheen.”

Hij keek haar aan als iemand, die uit een zwaren slaap ontwaakt en met
moeite weer tot de werkelijkheid terugkomt.

Langzaam keerde de herinnering bij hem terug.

Samru legde haar armen om zijn hals.

“Wat dreef je toch naar dit geheim, Rao?”

Raffles streelde heur haar, zijn oogen werden weer levendig, zacht
sloeg hij den sluier op zij en kuste haar.

“Mijn plicht, Samru!”

Vragend keek zij hem aan, zij begreep deze woorden niet. Een Indische
Maharani heeft geen plichten.

“Ik moet je redden, Rao”, vervolgde zij. “Het volk is door een
fanatieken fakir op een dwaalspoor gebracht en houdt je voor den
herboren Brahma. Wij moeten ons verwijderen, zonder dat de arme dwazen
iets merken. Ik zal Natana roepen, je moet je in haar kleeren hullen en
gesluierd als mijn slavin den tempel verlaten.

“Voor den hoofdingang wacht mijn olifant. In diens tent moet je je
bergen.”

Raffles wist niets van hetgeen buiten den tempel was voorgevallen.

Het geheim van het Akasa had hem geheel in beslag genomen.

De zeldzame beeltenissen, die het bij het schijnsel van het vuur te
voorschijn tooverde, hadden als een bovennatuurlijke verschijning
gewerkt en zijn geest in onverbreekbare banden geketend.

Daar klonk geluid op de trap.

Langzaam daalde de fakir naar beneden.

Voordat hij de onderste trede bereikte en Raffles kon zien, was Samru
hem tegemoet gesneld en, een snelle ingeving volgend, riep zij hem toe:

“Keer terug tot het volk en zeg hun, dat allen dadelijk de stad moeten
verlaten, totdat zij een ander bevel hebben gekregen.”

Gehoorzaam ging de fakir weer naar boven. Hij begreep, dat alleen een
vorstin een dergelijk bevel kon geven, want slechts de grooten en
machtigen van een land waren gewend om te bevelen.

Slechts zij—de meesters—mochten gebieden en de overige millioenen
hadden te gehoorzamen.

En zoo gaven ook hier de duizenden welwillend gevolg aan de woorden van
den fakir.

Bovendien naderde reeds het uur, waarop de poorten der tempelstad
werden gesloten.

Toen de avondklokken luidden, was priester noch pelgrim in de heilige
stad achtergebleven.








NEGENDE HOOFDSTUK.

EEN KOSTBAAR OFFER.


De overgebleven priesters der tempelstad waren radeloos. De meeningen
liepen zeer uiteen. Ook bij hen deed zich reeds de invloed der
Engelsche beschaving gelden.

Zelfs al was het Brahma niet geweest, het fanatisme der menigte
geloofde aan bovenaardsche dingen, en dit geloof was machtiger dan al
het andere.

Toen ook de laatste priesters naar hunne rustplaatsen terugkeerden,
klonk plotseling een woest alarm in de pelgrimstad.

Verbaasd luisterden de priesters en zij bestegen de hoogte, die het dal
van de stad scheidde.

Groote vuren verlichtten de straten en pleinen van de stad, die uit
lichte houten gebouwen was opgetrokken.

Donkere menschenmassa’s vulden de straten en stroomden naar een plein
waar, in het heldere licht van het vuur, een aantal ruiters stilhield.

Eenige priesters snelden naar het plein om te vernemen wat daar
voorviel.

Maar reeds kwamen pelgrims hun tegemoet, die hun toeriepen:

“Komt, priesters! Snelt naar den Dschain-tempel! Een bedrieger
ontsteelt u daar het heiligdom van Brahma, en eene danseres is zijne
medeplichtige. Daar in de pelgrimstad kwamen zooeven afgevaardigden van
den Maharadjah aan. Zij vervolgen den bedrieger en trachten hem in
handen te krijgen. Opent de poorten der heilige stad; opdat wij den
bedrieger kunnen steenigen.”

Zwijgend luisterden de priesters naar deze tijding en zij snelden naar
hun opperhoofd, naar Zoraster.

In hun ooren weerklonk het gebrul der opgewonden pelgrims:

“Steenigt hem!”

Toen Zoraster de priesters had aangehoord en het geschreeuw der menigte
vernam, sprak hij:

“Niemand treedt in het nachtelijk uur de heilige stad binnen. De
poorten blijven gesloten.”

Gedurende dit alles doorleefden Raffles en Samru angstige uren.

Raffles wist niet, hoe hij onopgemerkt uit de tempelstad zou kunnen
komen.

Toen bood de trouwe Achmed zich aan om den weg te zoeken; hij sloop aan
den noordkant over den hoogen muur de pelgrimstad binnen. Dadelijk viel
hem het ongewone nachtelijk lawaai in de straten op en nieuwsgierigheid
dreef hem naar het plein, waar de menigte rondom de boden van den
Maharadjah stond.

Hij werd door ontzetting aangegrepen, toen hij de ruiters herkende, en
doodelijk verschrikt hoorde hij, hoe het volk woedend den dood van zijn
geliefden Sahib eischte.

Weinig hoop bleef er nog over om de tempelstad te kunnen ontvluchten.

Als het gebrul van uitgehongerde tijgers klonk het uit de menigte:
“Steenigt hem!”

Een uur later was Achmed bij Raffles terug.

Hij was zóó uitgeput, dat hij bijna niet kon spreken.

Met moeite hijgde hij:

“Ze willen ons dooden! Boden van den Maharadjah zijn aangekomen! Gij
moet vóórdat de zon opgaat met Samru weg zijn.”

“Zij slaapt, Achmed.”

“Wek haar dan, heer. Gij moet weg! De woede der pelgrims kent geen
grenzen! Vlucht, of gij zult nooit weer de zonnestralen weerkaatst zien
in de lachende oogen van Samru.”

Raffles ging den tempel binnen, waar aan de voeten van het Boeddhabeeld
Samru op zijden kleeden lag te slapen.

Zacht riep hij haar bij haar naam en dadelijk richtte zij zich op. In
weinig oogenblikken had zij alles begrepen.

Met fieren blik sprak zij:

“Wij willen ons niet door het noodlot laten dwingen. Voorwaarts,
geliefde! Vraag Achmed, waarheen.”

En de trouwe Mahout sprak tot zijne meesteres:

“Gebiedster, wij moeten naar de bergen. Door de stad kunnen wij niet,
daar wacht ons de dood. Volg mij! Over een uur is de dag aangebroken en
dan mogen we niet meer in de stad zijn.”

Na een korte aarzeling sprak Samru:

“Laat ons vluchten!”

Zij snelden langs de tempeltrap naar beneden. Natana volgde achteraan
en in haar slanke handen hield zij een zwaard, waarmede zij bereid was
haar meesteres tot den laatsten droppel bloed te verdedigen. Raffles
echter droeg in een zijden doek gewikkeld het kostbare Akasa, voor
welks bezit zij al de vreeselijke gevaren trotseerden.

Zij begaven zich naar de achterzijde van den tempel, aan welks muren
een zuilengalerijtje grensde, dat de uitgangspoort verborg.

Behoedzaam keek Achmed door de poort. Niets was te zien aan dezen kant
van de stad.

De vluchtelingen volgden een smal, bijna onbegaanbaar pad. Achmed liep
nu met Natana vooruit. Op hen volgden Raffles en Samru. Zij vlijde zich
teeder tegen hem aan. Zwijgend snelden zij voorwaarts. Slecht eenmaal
keerde Achmed zich om en riep:

“Meesteres, de weg is ver, zal ik u dragen?”

Maar Samru antwoordde glimlachend:

“De hand, die mij geleidt, doet mij alle vermoeidheid vergeten.”

Raffles kuste de handen, die zij hem nu voor immer had toevertrouwd.

Steeds voorwaarts snelden zij, totdat de opgaande zon de nachtelijke
schaduwen verdreef. De zon, bij wier eerste stralen de bloeddorstige
menigte de tempelstad binnenstormde om wraak te nemen.

Het gebergte werd steeds steiler en kaler. Hier en daar kwamen de
vluchtelingen door kleine palmbosschen, die eenige schaduw aanboden.
Maar weldra zag Raffles, dat Samru moe werd en rust moest nemen.

Achmed keek, op een rotsblok staande, met scherpen blik in het dal;
maar hij ontwaarde buiten de muren der tempelstad geen enkelen
vervolger.

“Het is goed,” mompelde hij, “zij zoeken ons in de tempels. Wij kunnen
een oogenblik rust nemen.”

Zij legden zich neer achter een met mos begroeid rotsblok.

Maar spoedig stonden zij weer op om hun weg voort te zetten.

De bergen werden steiler en de weg moeielijker. Onverdraaglijk was de
hitte, die de rotsachtige bodem uitstraalde, en een brandende dorst
begon hen te pijnigen. Maar nergens was een bron te ontdekken om zich
te laven.

En de zon voleindigde haar weg aan den hemel en wederom daalde de
nacht.

“Ik kan niet verder,” zuchtte Samru, “laat mij liggen en bekommert u
niet meer om mij.”

Bewusteloos zonk zij op den grond neer.

Raffles boog zich smartelijk over het bleeke gezichtje met de gesloten
oogen.

“Wij zullen rusten, heer,” sprak Achmed, “het is voor vandaag genoeg.”

Achmed had intusschen verkoelende bladeren gezocht en legde die zijn
meesteres op het voorhoofd.

Opeens vond hij ook onder een rots een langzaam vloeiende bron. Dit
bracht weer moed en hoop in de harten der vluchtelingen.

Wederom rustten zij in de schaduw van een rots en sluimerden de
vermoeide reizigers in.

Bij het aanbreken van den morgen vervolgden zij hun weg.

Samru zag er bleek uit, maar gelukzalig glimlachend liep zij verder.

Tegen den middag bereikten zij eindelijk de vlakte, die zich tot Bombay
uitstrekt en door eenige riviertjes wordt doorsneden.

Op de vlakte ontdekten zij bij een smalle beek een paar lage hutten.

Vol hoop snelden zij erheen. Achmed riep luid om de bewoners op hen
opmerkzaam te maken.

Maar geen menschelijke stem gaf antwoord.

Het dorp lag in diepe rust. Een onverklaarbare angst beving de
vluchtelingen, toen zij de armoedige woningen bereikten.

Rondom slechts puinhoopen en woestenij. Er heerschte doodsche stilte.

Raffles was spoedig besloten een der hutten binnen te treden. Hij
struikelde over een been, dat op den grond lag. Hij bukte zich en
raapte het op.

Samru en Achmed waren naderbij gekomen en keken naar het gevondene.

“Wat is dat, Rao?” vroeg Samru.

Toen antwoordde Achmed:

“Heer, werp het op den grond, het is een been van een mensch.”

“Het huis schijnt leeg en uitgestorven.”

“Ja, heer,” antwoordde Achmed, “leeg en uitgestorven. En niet alleen
dit huis, maar het geheele dorp. Hier is alles dood, de pest heeft hier
huisgehouden.”

Samru sidderde en hield Raffles’ arm krampachtig vast. Zwijgend keerden
zij zich om en gingen verder.

Hier en daar, tusschen het onkruid verborgen, lag een geraamte, dat
door de zon verbleekt was.

Samru trad verschrikt achteruit.

Zij rilde van afschuw.

Maar steeds gingen zij verder en haalden verlicht adem, toen zij het
akelige dorp achter den rug hadden en niets meer zagen van dezen
ontzettenden geesel van Indië.

Maar, o schrik—slechts weinige uren daarna begon de prinses te rillen
en te beven.

Machteloos zonk zij neer.

Raffles boog zich over haar heen, maar de trouwe Achmed trok hem weg.
Ontsteld keek hij naar haar, die daar op den grond lag en fluisterde:

“Sahib, vlucht—het is de pest!”

Raffles voelde zijn bloed verstijven; hij kon het niet gelooven.

Maar hij zag hoe de slanke, teere handen der geliefde zich kromden van
pijn, haar gelaat was doodsbleek—nog eenmaal sloeg zij de heerlijke
oogen op, een laatste gelukzalige glimlach en reeds had de koude,
wreede dood een der schoonste bloemen afgebroken.

Raffles wist niet, wat er met hem gebeurde.

De trouwe Achmed had hem in zijn armen genomen en droeg hem met
bovenmenschelijke kracht met Natana naar de naastbijzijnde Engelsche
kolonie.



Zes weken later ontmoette Raffles Lord Turkington weer in Egypte.
Verbaasd keek de Lord Raffles aan, die hem jaren ouder scheen geworden.

“Ik heb mijn belofte gehouden, Lord Turkington,” sprak Lord Lister, “ik
heb haar met het beste betaald dat ik bezat: met mijn hart. Hier is het
Akasa, het geheim van den dood uwer voorvaderen. Beproef niet, het
raadsel op te lossen, het leidt tot krankzinnigheid!”

Toen Lord Turkington het product der Indische tooverkunst had bekeken,
nam hij het op en slingerde het in tegenwoordigheid van Raffles in de
wateren van den Nijl.

Raffles echter staarde in gedachten verzonken naar de kringen die in
het water achterbleven en weende.

Dit was de eerste en laatste keer, dat iemand in zijn oogen tranen had
gezien.













*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0029: HET INDISCHE RAADSEL ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg™ License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg™.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg™ License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg™ website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™

Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg™ and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West,
Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg™,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.