Het communistisch manifest

By Karl Marx and Friedrich Engels

The Project Gutenberg eBook of Het communistisch manifest
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het communistisch manifest

Author: Karl Marx
        Friedrich Engels

Translator: Herman Gorter


        
Release date: June 13, 2026 [eBook #78853]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Brocherenhandel S.D.A.P., 1907

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78853

Credits: Jack Janssen, Harry Lamé and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net (geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek))


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET COMMUNISTISCH MANIFEST ***


  Opmerkingen over deze transcriptie

  Uitgespatieerde, schuin en vetgedrukte tekst zijn repsectievelijk
  vervangen door tekst tussen ~tildes~, _liggende streepjes_ en
  =isgelijktekens=. Kleinkapitalen worden weergegeven als KAPITALEN.

  Meer Opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst.




  HET
  COMMUNISTISCH
  MANIFEST

  VAN KARL MARX EN
  FRIEDRICH ENGELS

  VERTAALD DOOR H. GORTER.

  DERDE HOLLANDSCHE UITGAVE.

  BROCHURENHANDEL S. D. A. P., KEIZERSGRACHT 378, AMSTERDAM




INLEIDINGEN.


I.

De „Bond der Communisten”, eene internationale arbeidersvereeniging,
die onder de toenmalige omstandigheden, zooals van zelf spreekt,
slechts een geheime vereeniging kon wezen, belastte op het congres, in
November 1847 te Londen gehouden, de ondergeteekenden met de opstelling
van een, voor openbaarmaking bestemd, uitvoerig, theoretisch en
praktisch partijprogram. Zoo ontstond het volgende manifest, waarvan
het manuscript weinige weken vóór de Februari-omwenteling naar Londen
werd ter pers gezonden. Eerst in het Duitsch verschenen, is het in
deze taal in Duitschland, Engeland en Amerika in minstens twaalf
verschillende uitgaven gedrukt. In het Engelsch verscheen het voor het
eerst in 1850 te Londen in de „Red Republican”, vertaald door Miss
Helen Macfarlane, en in 1871 in minstens drie verschillende vertalingen
in Amerika. In het Fransch voor de eerste maal te Parijs kort vóór den
Juni-opstand van 1848, onlangs in „Le Socialiste” van New-York. Een
nieuwe vertaling is in voorbereiding. In het Poolsch te Londen kort
na de eerste Duitsche uitgaaf. In het Russisch te Genève tusschen ’60
en ’70. In het Deensch werd het eveneens spoedig na zijn verschijnen
vertaald.

Hoe zeer ook de toestanden in de laatste vijfentwintig jaren zijn
veranderd, de in dit manifest ontwikkelde algemeene grondstellingen
behouden, in het algemeen gezien, ook nu nog hun volle juistheid. Een
enkel ding zou hier en daar verbeterd moeten worden. De praktische
toepassing dezer grondstellingen, zoo verklaart het manifest zelf, zal
overal en altijd van de historisch bestaande omstandigheden afhangen,
en er wordt daarom ook volstrekt geen bijzonder gewicht gehecht aan de
op het einde van Hoofdstuk II voorgeslagen revolutionaire maatregelen.
Deze passage zou nu in menig opzicht anders luiden. Tegenover
den onmetelijken vooruitgang der groot-industrie in de laatste
vijfentwintig jaren, en die met haar voorwaarts schrijdende organisatie
der arbeidende klasse tot partij, tegenover de praktische ervaring, ten
eerste van de Februari-omwenteling en nog veel meer van de Parijsche
Commune, in welke het proletariaat voor de eerste maal twee maanden
lang de politieke macht in handen had, is dit program thans hier en
daar verouderd. Inzonderheid heeft de Commune het bewijs geleverd, dat
„de arbeidersklasse niet de gereed staande staatsmachine eenvoudig in
bezit nemen en voor haar eigen doeleinden in beweging zetten kan”.
(Zie: „De burgeroorlog in Frankrijk, Adres van den Generalen Raad
der Internationale Arbeiders-Associatie”, Duitsche uitgave, blz. 19,
waar dit verder ontwikkeld wordt.) Verder spreekt het van zelf, dat
de kritiek der socialistische litteratuur voor thans onvoldoende is,
omdat zij slechts tot 1837 reikt; eveneens dat de opmerkingen over het
standpunt der communisten tegenover de verschillende oppositie-partijen
(hoofdstuk IV), hoewel in hoofdtrekken ook nu nog juist, toch in hunne
toepassing thans reeds daarom verouderd zijn, omdat de politieke
tegenstand geheel van gedaante veranderd is, en de historische
ontwikkeling de meeste der daar genoemde partijen van de baan gedrongen
heeft.

Intusschen, het manifest is een historisch document, waaraan te
veranderen wij ons zelf het recht niet meer toekennen. Een latere
uitgaaf verschijnt misschien voorzien van eene, den afstand van 1847
tot thans overbruggende inleiding; deze druk kwam te onverwacht, om ons
daarvoor tijd te laten.

  ~Londen~, 24 Juni 1872.

  KARL MARX.
  FRIEDRICH ENGELS.


II.

Het voorwoord bij deze uitgave moet ik, helaas, alleen onderteekenen.
Marx, de man, wien de geheele arbeidersklasse van Europa en Amerika
meer te danken heeft, dan aan welk ander ook--Marx rust op de
begraafplaats te Highgate, en op zijn graf groeit reeds het eerste
gras. Sinds zijn dood kan van eene omwerking of aanvulling van het
manifest eerst recht geen sprake meer zijn. Voor des te noodiger houd
ik het, hier nogmaals het volgende uitdrukkelijk vast te stellen:

De doorloopende grondgedachte van het manifest: dat de ekonomische
productie en de, uit haar met noodzakelijkheid voortvloeiende,
maatschappelijke indeeling van iedere historische periode den grondslag
vormt voor de politieke en intellectueele geschiedenis dezer periode;
dat overeenkomstig daarmede (sinds de opheffing van het oeroude
gemeenschappelijk bezit van grond en bodem) de geheele geschiedenis
een geschiedenis van klassenstrijden geweest is, strijden tusschen
uitgebuitte en uitbuitende, beheerschte en heerschende klassen, op
verschillende trappen der maatschappelijke ontwikkeling; dat echter
deze strijd nu een trap bereikt heeft, waarop de uitgebuitte en
onderdrukte klasse (het proletariaat) zich niet meer van de haar
uitbuitende en onderdrukkende klasse (de bourgeoisie) bevrijden kan,
zonder tegelijk de geheele maatschappij voor altijd van uitbuiting,
onderdrukking en klassenstrijden te bevrijden--deze grondgedachte
behoort alleen en uitsluitend Marx toe.[1]

  [1] „Deze gedachte”, zeg ik in de voorrede der Engelsche uitgave,
  „die naar mijne meening geroepen is, voor de geschiedeniswetenschap
  denzelfden vooruitgang te bewerken, dien Darwin’s theorie voor de
  natuurwetenschap heeft gegrondvest--deze gedachte waren wij beiden
  reeds verscheidene jaren vóór 1845 langzamerhand op het spoor
  gekomen”. Hoe ver ik mij zelfstandig in deze richting bewogen had,
  toont mijn „Toestand der arbeidende klassen in Engeland”. Toen ik
  echter in het voorjaar van 1845 Marx in Brussel weder trof, had hij
  haar klaar uitgewerkt, en legde hij ze mij voor in bijna even heldere
  woorden als die waarin ik haar boven heb samengevat.

Ik heb dit reeds dikwijls uitgesproken: het is evenwel juist thans
noodig, dat het ook voor het manifest zelf staat.

  ~Londen~, 28 Juni 1883.

  F. ENGELS.


III.

Sinds het bovenstaande geschreven werd, is er weder een nieuwe Duitsche
uitgaaf van het manifest noodig geworden, en is er ook allerlei met het
manifest gebeurd, dat hier moet vermeld worden.

Een tweede Russische vertaling--van Vera Sassulitsch--verscheen in
1882 te Genève: de voorrede daarvan werd door Marx en mij geschreven.
Ongelukkig is het oorspronkelijke Duitsche handschrift mij uit handen
geraakt, ik moet dus uit het Russisch terug vertalen, waardoor het werk
niet wint. Zij luidt:

„De eerste Russische uitgaven van het „Manifest der Communistische
Partij”, in Bakoenine’s vertaling, verscheen kort na 1860 in de
drukkerij van den „Kolokol”. In dien tijd had eene Russische uitgaaf
van dit geschrift voor het Westen op zijn hoogst de beteekenis van
een litteraire curiositeit. Tegenwoordig is zulk eene opvatting niet
meer mogelijk. Welk een beperkten omvang het gebied der proletarische
beweging had, in den tijd van de eerste publicatie van het Manifest
(Januari 1848), blijkt het best uit het laatste hoofdstuk: „Het
standpunt der communisten tegenover de verschillende politieke
partijen.” Hier ontbreken vóór alles Rusland en de Vereenigde Staten.
Het was de tijd, toen Rusland de laatste groote reserve der Europeesche
reactie vormde, en toen de landverhuizing naar de Vereenigde Staten de
overtollige krachten van het Europeesche proletariaat opslorpte. Beide
landen verzorgden Europa met grondstoffen, en dienden tegelijkertijd
als markten voor den afzet van zijn industrie-producten. Beide dienden
dus, op deze of op gene manier, als steunpilaren der Europeesche
maatschappelijke orde.

„Hoe is dat alles thans veranderd! Juist de Europeesche landverhuizing
heeft de kolossale ontwikkeling van den Noord-Amerikaanschen akkerbouw
mogelijk gemaakt, die door zijne concurrentie het groote zoowel als het
kleine grondeigendom in Europa in zijn grondvesten doet sidderen. Zij
heeft tegelijkertijd aan de Vereenigde Staten de mogelijkheid gegeven,
met de uitbuiting te beginnen van hunne rijke industrieele hulpbronnen,
en wel met zulk een energie en op zulk een schaal, dat dit in korten
tijd aan het industrieele monopolie van het Westen van Europa een
einde maken moet. En deze beide omstandigheden werken ook op Amerika
in revolutionaire richting terug. Het kleine en middelsoort grondbezit
der zelf-arbeidende farmers, de grondslag der geheele politieke orde in
Amerika, bezwijkt meer en meer voor de concurrentie der reuzenfarms,
terwijl tegelijkertijd in de industrieele streken voor de eerste maal
een talrijk proletariaat zich vormt naast een fabelachtige concentratie
van kapitaal.

„Gaan wij naar Rusland. In den tijd der revolutie van 1848-1849 zagen
niet slechts de Europeesche alleenheerschers, maar ook de Europeesche
bourgeois, in de interventie van Rusland de eenige redding voor het,
toen juist eerst zich zijn kracht bewust wordend proletariaat. Zij
proclameerden den czaar tot hoofd der Europeesche reactie. Nu zit hij
in Gatschina als krijgsgevangene der revolutie, en Rusland vormt de
voorhoede der revolutionaire beweging in Europa.

„De taak van het communistische manifest was de verkondiging van den
onvermijdelijk naderenden ondergang van het tegenwoordige burgerlijke
eigendom. In Rusland echter vinden wij, naast de zich met koortsachtige
haast ontwikkelende kapitalistische orde en het zich juist eerst
vormende burgerlijk grondeigendom, de grootste helft van den grond in
het gemeenschappelijk eigendom der boeren.

„De vraag is nu: Kan de Russische boerengemeente, deze wel reeds zeer
vergane vorm van het oorspronkelijke gemeenschappelijk eigendom van
den bodem, onmiddellijk overgaan in een hoogeren communistischen vorm
van grondeigendom, of moet zij eerst hetzelfde proces van oplossing
doormaken, dat zich in de historische ontwikkeling van het Westen
vertoont?

„Het eenige, thans mogelijke antwoord op deze vraag is het
volgende: Wanneer de Russische revolutie het sein wordt tot eene
arbeidersrevolutie in het Westen, zoodat beide elkaar aanvullen, dan
kan het huidige Russische gemeenschappelijk eigendom tot uitgangspunt
eener communistische ontwikkeling dienen.

  „~Londen~, 21 Januari 1882.”

       *       *       *       *       *

Eene nieuwe Poolsche vertaling verscheen in denzelfden tijd te Génève:
Manifest Communistyczny.

Verder is er eene nieuwe Deensche vertaling verschenen in de
„Socialdemokratisk Bibliothek”, Kjöbenhavn 1885. Zij is, helaas, niet
geheel volledig; eenige belangrijke plaatsen, die den vertaler te
moeilijk schijnen geweest te zijn, zijn weggelaten, en ook buitendien
zijn er hier en daar sporen van vluchtigheid op te merken, die te
onaangenamer treffen, omdat men het de bewerking aanziet, dat de
vertaler bij wat meer zorg iets voortreffelijks had kunnen leveren.

In 1886 verscheen een nieuwe Fransche vertaling in „Le Socialiste” te
Parijs; het is de beste van de tot nu toe verschenene.

Naar haar werd in hetzelfde jaar een Spaansche vertaling eerst
in „El Socialista”, Madrid, en daarna als brochure gepubliceerd:
Manifiesto del Partido Comunista por Carlos Marx y F. Engels, Madrid,
Administracion de „El Socialista”, Hernan Cortés.

Als curiositeit vermeld ik nog, dat in 1887 het handschrift van
eene Armenische vertaling aan een uitgever te Constantinopel werd
aangeboden; de goede man had evenwel niet den moed, iets te drukken,
waarop de naam Marx stond, en was van meening, de vertaler moest zich
liever zelf als den schrijver noemen; wat deze evenwel afsloeg.

Nadat nu de eene, dan de andere der meer of minder onjuiste
Amerikaansche vertalingen meermalen in Engeland was herdrukt, verscheen
eindelijk in het jaar 1888 eene authentieke vertaling. Zij is van
mijn vriend Samuel Moore, en voor den druk nog eens door ons beiden
te zamen doorgezien. De titel is Manifest of the Communist Party, by
Karl Marx and Frederick Engels. Authorized English Translation, edited
and annotated by Frederick Engels, 1888. London, William Reeves, 185
Fleetstreet E. C. Sommige van de aanmerkingen bij die uitgave heb ik in
deze den lezer vóórliggende overgenomen.

Het manifest heeft een eigen levensloop gehad. Op het oogenblik van
zijn verschijning door de toenmaals nog weinig talrijke voorhoede van
het wetenschappelijk socialisme geestdriftig begroet (zooals de in de
eerste voorrede vermelde vertalingen bewijzen), werd het spoedig op den
achtergrond gedrongen door de, met de nederlaag der Parijsche arbeiders
in Juni 1848 beginnende reactie, en eindelijk „van rechtswege”
vogelvrij en in den ban verklaard door de veroordeeling der Keulsche
communisten in November 1852. Toen de van de Februari-revolutie
dateerende arbeidersbeweging van het tooneel verdween, trad ook het
manifest op den achtergrond.

Toen de Europeesche arbeidersklasse zich weder voldoende versterkt
had tot een nieuwen storm tegen de macht der heerschende klassen,
ontstond de Internationale Arbeiders-Associatie. Zij had ten doel,
de geheele strijdbare arbeidersmassa van Europa en Amerika tot een
groote legermacht samen te smelten. Zij kon dus niet ~uitgaan~ de
in het manifest nedergelegde grondstellingen. Zij moest een program
hebben, dat voor de Engelsche Trades Unions, de Fransche, Belgische,
Italiaansche en Spaansche Proudhonisten, en de Duitsche aanhangers
van Lassalle[2] de deur niet sloot. Dit program--de overwegingen tot
de statuten der Internationale--werd door Marx met een zelfs door
Bakoenine en de anarchisten erkend meesterschap ontworpen. Voor de
eindelijke overwinning der in het manifest opgebouwde stellingen
verliet Marx zich enkel en alleen op de intellectueele ontwikkeling
der arbeidersklasse, zooals zij uit de gemeenschappelijke actie en uit
de discussie noodzakelijk moest voorkomen. De gebeurtenissen en het
afwisselend geluk in den strijd tegen het kapitaal, de nederlagen nog
meer dan de overwinningen, konden niet anders, dan den strijdenden het
onvoldoende hunner tot nog toe aangenomen middelen-tegen-alle-ziekten
duidelijk maken, en hunne hoofden ontvankelijker maken voor een
grondig inzicht in de ware voorwaarden der arbeidersbevrijding. En
Marx had gelijk. De arbeidersklasse van 1874, bij het tenietgaan der
Internationale, was eene geheel andere dan die van 1864, bij hare
stichting, geweest was. Het Proudhonisme in de Romaansche landen, het
specifieke Lassalleanisme in Duitschland, waren aan het uitsterven,
en zelfs de toenmalige aartsconservatieve Engelsche Trades-Unions
gingen langzamerhand het punt tegemoet, waarop in 1887 de president
van hun congres, te Swansea, in hun naam kon zeggen: „Het socialisme
van het vasteland heeft zijn verschrikkingen voor ons verloren.” Het
socialisme van het vasteland, dat was evenwel reeds in 1887 bijna
nog slechts de theorie, die in het manifest wordt verkondigd. En zoo
weerspiegelt de geschiedenis van het manifest tot op zekere hoogte de
geschiedenis der moderne arbeidersbeweging sinds 1848. Tegenwoordig is
het ongetwijfeld het meest verbreide, het internationale product der
geheele socialistische litteratuur, het gemeenschappelijk program van
vele millioenen van arbeiders aller landen van Siberië tot Californië.

  [2] Lassalle bekende zich persoonlijk, tegenover ons, steeds als
  „leerling” van Marx, en stond als zoodanig, zooals van zelf sprak, op
  den bodem van het manifest. Anders diegenen zijner aanhangers, die
  niet verder gingen dan zijn eisch van productieve verenigingen met
  Staatscrediet en die de geheele arbeidersklasse indeelden in Staats-
  en zelfhelpers.

En toch, toen het verscheen, hadden wij het niet een ~socialistisch~
manifest mogen noemen. Onder socialisten verstond men in 1847 tweeërlei
soort van lieden. Eensdeels de aanhangers der verschillende utopische
stelsels, in ’t bijzonder de Owenisten in Engeland en de Fourieristen
in Frankrijk, die beide reeds toenmaals tot niets dan, langzaam
uitstervende, secten waren verschrompeld. Anderdeels de veelsoortige
sociale kwakzalvers, die met hunne verschillende geneesmiddelen voor
alle kwalen en met iedere soort van lapwerk de maatschappelijke
misstanden wilden doen verdwijnen, zonder het kapitaal of het profijt
in het minst pijn te doen. In beide gevallen: lieden, die buiten de
arbeidersbeweging stonden, en die veeleer ondersteuning zochten bij
de „beschaafde” klassen. Dat gedeelte der arbeiders daarentegen dat,
van het onvoldoende van alle politieke omwentelingen overtuigd, een
grondige omvorming der maatschappij eischte, dat gedeelte noemde zich
toenmaals ~communistisch~. Het was een slechts in het ruw gewerkt,
slechts instinctief, menigmaal ietwat grof communisme, maar het was
machtig genoeg, om twee stelsels van het utopisch communisme voort te
brengen, in Frankrijk het „Icarische” van Cabet, in Duitschland dat van
Weitling.

Socialisme beteekende in 1847 een bourgeoisbeweging, communisme eene
arbeidersbeweging. Het socialisme was, op het vaste land ten minste,
geschikt voor de salon; het communisme precies het tegendeel. En daar
wij reeds toenmaals zeer beslist van meening waren, dat „de bevrijding
der arbeiders het werk der arbeidersklasse zelve zijn moet”, zoo konden
wij geen oogenblik in twijfel zijn, welken der twee namen te kiezen.
Ook sinds dien is het ons nooit ingevallen, hem af te wijzen.

„Proletariërs aller landen, vereenigt u!” Slechts weinige stemmen
antwoordden, toen wij deze woorden de wereld in riepen, nu voor 42
jaren, aan den vooravond der eerste Parijsche revolutie, waarin
het proletariaat met eigen eischen te voorschijn trad. Maar op
den 28en September 1864 vereenigden zich proletariërs der meeste
West-Europeesche landen tot de Internationale Arbeiders-Associatie,
roemvoller gedachtenis. De Internationale zelve leefde weliswaar
maar negen jaren. Maar dat de door haar gegronde eeuwige bond der
proletariërs aller landen nog leeft, en krachtiger leeft dan ooit,
daarvoor bestaat geen beter getuige dan juist de dag van heden.
Want heden, nu ik deze regels schrijf, houdt het Europeesche en
Amerikaansche proletariaat wapenschouwing over zijne voor de eerste
maal mobiel gemaakte strijdkrachten, mobiel gemaakt als één leger,
onder één vlag en voor één naast doel: den reeds door het congres van
Genève der Internationale van 1866, en wederom door het Parijsche
arbeiderscongres van 1889 geproclameerden, wettelijk vast te stellen,
achturigen normalen arbeidsdag. En het schouwspel van den huidigen dag
zal den kapitalisten en grondbezitters van alle landen de oogen er voor
openen, dat heden de proletariërs aller landen in der daad vereenigd
zijn.

Stond Marx nog maar naast mij, om dit met eigen oogen te zien.

  ~Londen~, op den eersten Mei 1890.

  F. ENGELS.




Manifest der Communistische Partij.


Een spook gaat rond door Europa--het spook van het communisme. Alle
machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht
tegen dit spook verbonden, de Paus en de Czaar, Metternich en Guizot,
Fransche radikalen en Duitsche politiemannen.

Waar is de partij der oppositie, die niet door haar regeerende
tegenstanders voor communistisch is uitgekreten, waar de
oppositie-partij, die den meer vooruitstrevenden oppositie-mannen,
evenals haar reactionairen tegenstanders, niet het brandmerkend verwijt
van communisme heeft terug geslingerd?

Tweeërlei volgt uit dit feit.

Het communisme wordt reeds door alle Europeesche machten als een macht
erkend.

Het is hoog tijd, dat de communisten hun denkbeelden, hun doeleinden,
hun tendenz voor de geheele wereld blootleggen en tegenover het
sprookje van het spook van het communisme een manifest van de partij
zelf stellen.

Tot dit doel zijn communisten van de meest verschillende
nationaliteiten te Londen bijeengekomen en hebben zij het volgende
manifest ontworpen, dat in de Engelsche, Fransche, Duitsche,
Italiaansche, Vlaamsche en Deensche taal uitgegeven wordt.


I.

=Bourgeois en Proletariërs.=

De geschiedenis van iedere maatschappij tot nu toe is de geschiedenis
van klassenstrijden.[3]

  [3] Dat wil zeggen, precies gesproken, de _schriftelijk_
  overgeleverde geschiedenis. In 1847 was de vóórgeschiedenis der
  maatschappij, de maatschappelijke organisatie, die aan alle
  opgeschreven geschiedenis voorafging, nog zoo goed als onbekend.
  Sinds dien tijd heeft Haxthausen het gemeenschappelijk eigendom
  van den grond in Rusland ontdekt. Maurer heeft het aangetoond als
  den maatschappelijken grondslag, waarvan alle Duitsche stammen
  historisch uitgingen, en langzamerhand vond men, dat dorpsgemeenten
  met gemeenschappelijk grondbezit de oervorm der maatschappij waren
  van Indië tot Ierland. Eindelijk werd de inwendige organisatie
  dezer oorspronkelijke communistische maatschappij in haar typischen
  vorm blootgelegd door Morgan’s alles bekronende ontdekking van
  den waren aard der gens en van haar plaats in den stam. Met de
  vernietiging dezer oorspronkelijke gemeenebesten begint de splitsing
  der maatschappij in bijzondere en eindelijk tegenover elkaar staande
  klassen.

Vrije en slaaf, patriciër en plebejer, baron en lijfeigene,
gildemeester en gezel, kortom onderdrukkers en onderdrukten stonden in
voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu
eens bedekten dan weer open strijd, een strijd, die ieder keer eindigde
met een revolutionaire vervorming van de geheele maatschappij of met
den gemeenschappelijken ondergang van de strijdende klassen.

In de vroegere tijdperken der geschiedenis vinden wij bijna overal
een volledige verdeeling der maatschappij in verschillende standen,
een veelvoudigen trap van maatschappelijke rangen. In het oude Rome
hebben wij patriciërs, ridders, plebejers, slaven; in de middeleeuwen
leenheeren, vazallen, gildemeesters, gezellen, lijfeigenen en bovendien
in bijna ieder van deze klassen weder bijzondere afdeelingen.

De uit den ondergang van de feodale maatschappij voortgekomen
moderne burgerlijke maatschappij heeft de klassentegenstellingen
niet opgeheven. Zij heeft slechts nieuwe klassen, nieuwe voorwaarden
van onderdrukking, nieuwe vormen van strijd in de plaats van de oude
gesteld.

Ons tijdvak, het tijdvak der bourgeoisie, steekt evenwel hierdoor uit,
dat het de klassentegenstellingen vereenvoudigd heeft. De geheele
maatschappij splitst zich meer en meer in twee groote vijandelijke
kampen, in twee groote lijnrecht tegenover elkaar staande klassen:
bourgeoisie en proletariaat.

Uit de lijfeigenen der middeleeuwen zijn de poorters der eerste steden
voortgekomen; uit deze poorterschap hebben zich de eerste elementen der
bourgeoisie ontwikkeld.

De ontdekking van Amerika, de omzeiling van Afrika, schiepen voor de
opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische en Chineesche
markt, de kolonisatie van Amerika, de ruilhandel met de koloniën, de
vermeerdering der ruilmiddelen en der goederen in het algemeen gaven
aan den handel, aan de scheepvaart, aan de industrie een ongekende
vlucht en daarmee aan het revolutionaire element in de vervallende
feodale maatschappij een snelle ontwikkeling.

Het tot hier toe heerschende feodale of gilde-bedrijf der industrie was
niet toereikend meer voor de met nieuwe markten aangroeiende behoefte.
De manufaktuur trad in zijne plaats. De gildemeesters werden verdrongen
door den industrieelen middenstand; de verdeeling van den arbeid
tusschen de verschillende korporaties verdween voor de verdeeling van
den arbeid in de afzonderlijke werkplaats zelf.

Maar steeds groeien de markten aan, steeds steeg de behoefte. Ook de
manufaktuur was niet meer toereikend.

Daar revolutioneerden de stoom en de machinerieën de industrieele
productie. In de plaats van de manufaktuur kwam de moderne
groot-industrie, in de plaats van den industrieelen middenstand kwamen
de industrieele millionairs, de chefs van geheele industrieele legers,
de moderne bourgeois.

De groot-industrie heeft de wereldmarkt gesticht, die de ontdekking
van Amerika had voorbereid. De wereldmarkt heeft aan den handel,
de scheepvaart, aan de verkeersmiddelen te land een onmetelijke
ontwikkeling gegeven. Deze heeft weder op de uitbreiding van de
industrie teruggewerkt, en in dezelfde mate, waarin industrie, handel,
scheepvaart, spoorwegen zich uitbreidden, in dezelfde mate ontwikkelde
zich de bourgeoisie, vermeerderde zij haar kapitalen, drong zij al de
uit de middeleeuwen overgeleverde klassen op den achtergrond.

Wij zien dus, hoe de moderne bourgeoisie zelf het product is van
een langen ontwikkelingsgang, van een reeks van veranderingen in de
productiewijze en in de wijze van verkeer.

Ieder van deze trappen van ontwikkeling der bourgeoisie werd begeleid
door een daarmee overeenkomenden politieken stap voorwaarts.
Onderdrukte stand onder de heerschappij der feodale heeren, gewapend
en zich zelf besturend verbond in de Commune[4], hier onafhankelijke
republikeinsche stad, daar belastingplichtige derde stand der
monarchie, dan in den tijd der manufactuur tegenwicht tegen den adel
in de constitutioneele of in de absolute monarchie, voornaamste
fundament der monarchieën in het algemeen, bevocht zij voor zich
eindelijk, sinds de vestiging der groot-industrie en der wereldmarkt,
in den modernen staat met volksvertegenwoordiging de politieke
alleenheerschappij. De moderne staatsmacht is slechts een comité, dat
de gemeenschappelijke zaken der geheele burgerklasse beheert.

  [4] Zoo noemden de burgers der Italiaansche en Fransche steden hun
  gemeenten, nadat zij het eerste zelfbestuur van hun feodale heeren
  hadden afgekocht of afgedwongen.

De bourgeoisie heeft in de geschiedenis een hoogst revolutionaire rol
gespeeld.

De bourgeoisie heeft, waar zij tot de heerschappij is gekomen, alle
feodale, aartsvaderlijke, idylische verhoudingen vernield. Zij heeft
de bontgeschakeerde feodale banden, die den mensch aan den van nature
boven hem geplaatste verbonden, onbarmhartig verscheurd en geen
anderen band tusschen mensch en mensch overgelaten, dan het naakte
eigenbelang, dan de gevoellooze „contante betaling”. Zij heeft de
heilige siddering der vroome dweeperij, der ridderlijke geestdrift, van
den klein-burgerlijken weemoed in het ijskoude water van egoïstische
berekening verdronken. Zij heeft de persoonlijke waardigheid in
de ruilwaarde opgelost en in de plaats der tallooze verleende en
verworven vrijheden als eenige vrijheid de gewetenlooze handelsvrijheid
gesteld. Zij heeft, met één woord, in de plaats der met godsdienstige
en staatkundige zinsbegoocheling omhulde uitbuiting de openlijke,
schaamtelooze, directe, dorre uitbuiting gesteld.

De bourgeoisie heeft alle tot nu toe eerwaardige en met vroom ontzag
beschouwde ambten van hun heiligen schijn ontdaan. Zij heeft den
geneesheer, den jurist, den priester, den dichter, den man der
wetenschap in haar betaalde loonarbeiders veranderd. De bourgeoisie
heeft der familieverhouding haar roerend-sentimenteelen sluier afgerukt
en haar tot eene zuivere geldverhouding herleid.

De bourgeoisie heeft onthuld, hoe de brutale krachtuiting, die de
reactie zoozeer in de middeneeuwen bewondert, hare passende aanvulling
vond in de traagste dagdieverij. Eerst zij heeft bewezen, wat de
werkkracht der menschen tot stand brengen kan. Zij heeft nog heel
andere wonderwerken voltooid dan Egyptische pyramides, Romeinsche
waterleidingen en Gothische kathedralen, zij heeft nog heel andere
tochten volbracht dan volksverhuizingen en kruistochten.

De bourgeoisie kan niet bestaan zonder de productiemiddelen, dus
de productieverhoudingen, dus de gezamenlijke maatschappelijke
verhoudingen voortdurend te revolutioneeren. Onveranderde
instandhouding der oude productiewijze was daarentegen de eerste
bestaansvoorwaarde aller vroegere industrieele klassen. De
voortdurende omwenteling der productie, de onafgebroken schok aan
alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging
onderscheidt de bourgeoisperiode van alle andere. Alle vaste,
ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerwaardige voorstellingen
en zienswijzen worden opgelost, alle nieuwgevormde verouderen, voordat
zij zich verharden kunnen. Alle stand en al het staande verdampt, al
het heilige wordt ontwijd, en de menschen zijn eindelijk gedwongen, hun
plaats in het leven, hun wederzijdsche betrekkingen met nuchtere oogen
aan te zien.

De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet van hare producten jaagt
de bourgeoisie over den bol der aarde. Overal moet zij zich innestelen,
overal haar huis bouwen, overal verbintenissen aanknoopen.

De bourgeoisie heeft door hare exploitatie van de wereldmarkt de
productie en consumptie aller landen kosmopolitisch gemaakt. Zij
heeft tot groot verdriet der reactionairen aan de industrie den
nationalen bodem onder de voeten weggetrokken. De eeuwenoude nationale
industrieën zijn vernietigd en worden nog dagelijks vernietigd. Zij
worden verdrongen door nieuwe industrieën, waarvan de invoering tot
een levensvraag voor alle beschaafde volkeren wordt, door industrieën,
die niet meer inheemsche grondstoffen, maar grondstoffen uit de verste
streken der aarde verwerken en waarvan de fabrikaten niet alleen in het
land zelf, maar in alle werelddeelen tegelijk worden verbruikt. In de
plaats der oude, door producten van het eigen land bevredigde behoeften
komen nieuwe, die de producten der verste landen tot hunne bevrediging
vorderen. In de plaats der oude lokale en nationale zelfgenoegzaamheid
en afgeslotenheid treedt een veelzijdig verkeer, een veelzijdige
afhankelijkheid der volkeren onderling. De geestelijke voortbrengselen
der afzonderlijke naties worden gemeen goed. De nationale eenzijdigheid
en beperktheid wordt meer en meer onmogelijk, en uit de vele nationale
en lokale litteraturen vormt zich een wereldlitteratuur.

De bourgeoisie rukt door de snelle verbetering aller productiemiddelen,
door het onnoodig gemakkelijker verkeer alle, ook de meest barbaarsche
volken in den kring der beschaving.

De goedkoope prijzen harer waren zijn de zware artillerie, waarmee
zij alle Chineesche muren tegen den grond schiet, met welke zij den
hardnekkigsten vreemdelingenhaat der barbaren tot overgave dwingt.
Zij dwingt alle naties, zich de productiewijze der bourgeoisie eigen
te maken, wanneer zij niet te gronde willen gaan: zij dwingt hen de
zoogenaamde beschaving bij zich in te voeren, d. w. z. bourgeois te
worden. Met één woord, zij schept zich een wereld naar haar eigen beeld.

De bourgeoisie heeft het land aan de heerschappij der stad onderworpen.
Zij heeft enorme steden geschapen, zij heeft het aantal der steedsche
tegenover de landelijke bevolking in hoogen graad vermeerderd en
aldus een belangrijk deel der bevolking aan het verstompende van
het landleven ontrukt. Evenals het land van de stad, zoo heeft
zij de barbaarsche en half barbaarsche landen van de beschaafde,
de boerenvolken van de bourgeoisvolken, het Oosten van het Westen
afhankelijk gemaakt.

De bourgeoisie heft meer en meer de versnippering der
productiemiddelen, van het bezit en van de bevolking op. Zij
heeft de bevolking op plaatsen opeengehoopt, de productiemiddelen
gecentraliseerd en het eigendom in weinige handen geconcentreerd.
Het noodzakelijk gevolg hiervan was de staatkundige centralisatie.
Onafhankelijke, bijna alleen verbonden provincies met verschillende
belangen, wetten, regeeringen en tollen werden saamgedrongen in ééne
natie, ééne regeering, één wet, één nationaal klassebelang, één
douanengrens.

De bourgeoisie heeft in hare nauwelijks honderdjarige
klasseheerschappij massaler en kolossaler productiekrachten
geschapen dan alle verdwenen geslachten te samen. Onderwerping der
natuurkrachten, machinerie, aanwending der scheikunde op nijverheid en
landbouw, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, ontginning
van geheele werelddeelen, bevaarbaarmaking der rivieren, geheele uit
den grond gestampte bevolkingen--welke vroegere eeuw vermoedde, dat
zulke productiekrachten in den schoot van den maatschappelijken arbeid
sluimerden?

Wij hebben dus gezien: De productie- en verkeersmiddelen, op welker
grondslag de bourgeoisie zich ontwikkelde, werden in de feodale
maatschappij geschapen. Op een zekeren trap van de ontwikkeling dezer
productie- en verkeersmiddelen stemden de verhoudingen, waarin de
feodale maatschappij produceerde en ruilde, de feodale organisatie van
landbouw en manufactuur, met één woord de feodale eigendomsverhoudingen
niet meer met de reeds ontwikkelde productiekrachten. Zij hielden de
productie tegen, in plaats ze te bevorderen. Zij veranderden in even
zoo vele boeien. Zij moesten verscheurd worden, zij werden verscheurd.

In hunne plaats trad de vrije concurrentie met de haar passende
maatschappelijke en staatkundige inrichting, met de ekonomische en
politieke heerschappij der burgerlijke klasse.

Onder onze oogen heeft een dergelijke beweging plaats. De
burgerlijke productie- en verkeersverhoudingen, de burgerlijke
eigendomsverhoudingen, de moderne burgerlijke maatschappij, die zulke
geweldige productie- en verkeersmiddelen te voorschijn getooverd
heeft, gelijkt den heksenmeester, die de onderaardsche machten
niet meer beheerschen kan, die hij zelf opriep. Sinds tientallen
jaren is de geschiedenis van nijverheid en handel slechts de
geschiedenis van den opstand der moderne productiekrachten tegen de
moderne productieverhoudingen, tegen de eigendomsverhoudingen, die
de levensvoorwaarden zijn der bourgeoisie en harer heerschappij.
Het is voldoende de handelscrisissen te noemen, die met hunnen
periodieken terugkeer telkens dreigender het bestaan der geheele
burgerlijke maatschappij in gevaar brengen. In de handelscrisissen
wordt een groot gedeelte niet alleen der voortgebrachte producten,
maar der reeds geschapen productiekrachten geregeld vernietigd. In
de crisissen breekt een maatschappelijke epidemie uit, die aan alle
vroegere periodes iets onzinnigs zou hebben geleken--de epidemie der
overproductie. De maatschappij vindt zich plotseling teruggezet in
een toestand van oogenblikkelijke barbaarschheid; een hongersnood,
een algemeene verdelgingsoorlog schijnen haar alle levensmiddelen te
hebben afgesneden; de industrie, de handel schijnen vernietigd, en
waarom? Omdat zij te veel beschaving, te veel levensmiddelen, te veel
industrie, te veel handel bezit. De productiekrachten, die haar ter
beschikking staan, dienen niet meer tot bevordering der burgerlijke
eigendomsverhoudingen; integendeel, zij zijn te geweldig geworden voor
deze verhoudingen, zij worden belemmerd en zoodra zij deze belemmering
overwinnen, brengen zij de geheele burgerlijke maatschappij in
wanorde, brengen zij het bestaan van het burgerlijk eigendom in gevaar.
De burgerlijke verhoudingen zijn te eng geworden, om den door hen
voortgebrachten rijkdom te omvatten.--Waardoor overwint de bourgeoisie
de crisissen? Aan den eenen kant door de gedwongen vernietiging eener
massa productiekrachten; aan den anderen kant door de verovering van
nieuwe markten, en de nog grondiger exploitatie van oude markten.
Waardoor dus? Daardoor, dat zij alzijdiger en geweldiger crisissen
voorbereidt en de middelen, om de crisissen te voorkomen, vermindert.

De wapens, met welke de bourgeoisie de feodaliteit neer heeft geslagen,
keeren zich nu tegen de bourgeoisie zelf.

Maar de bourgeoisie heeft niet alleen de wapens gesmeed, die haar den
dood brengen: zij heeft ook de mannen geteeld, die deze wapens zullen
voeren--de moderne arbeiders, ~de proletariërs~.

In dezelfde mate, waarin de bourgeoisie, d. i. het kapitaal, zich
ontwikkelt, in dezelfde mate ontwikkelt zich het proletariaat, de
klasse der moderne arbeiders, die slechts zoo lang leven, als zij werk
vinden, en die slechts zoo lang werk vinden, als hun werk het kapitaal
vermeerdert. Deze arbeiders, die zich stuksgewijs moeten verkoopen,
zijn een waar, als ieder handelsartikel, en daardoor in dezelfde mate
aan alle wisselvalligheden der concurrentie, aan alle schommelingen der
markt blootgesteld.

De arbeid der proletariërs heeft door de uitbreiding der machinerie
en de arbeidsverdeeling elk zelfstandig karakter, en daarmede alle
aantrekkelijkheid voor de arbeiders verloren. Hij wordt niets
dan een toevoegsel der machine, van wien alleen de eenvoudigste,
eentonigste, gemakkelijkst te leeren handgrepen verlangd worden. De
kosten, die de arbeider veroorzaakt, beperken zich dus bijna tot de
levensmiddelen, die hij tot zijn onderhoud en tot voortplanting van
zijn ras noodig heeft. De prijs eener waar, dus ook van den arbeid, is
evenwel gelijk aan haar productiekosten. In dezelfde mate, in welke
het weerzinwekkende van den arbeid toeneemt, neemt dus het loon af.
Meer nog, in dezelfde mate, waarin machinerie en arbeidsverdeeling
toenemen, in dezelfde mate neemt ook de massa arbeid toe, hetzij door
vermeerdering van den in een gegeven tijd voortgebrachten arbeid,
verhaasten loop der machine, enz.

De moderne industrie heeft de kleine werkplaats van den patriarchalen
meester veranderd in de groote fabriek van den industrieelen
kapitalist. Massa’s arbeiders, in de fabriek samengepakt, worden als
soldaten georganiseerd. Zij worden als gemeensoldaten der industrie
onder het opzicht van een volledige hierarchie van onderofficieren en
officieren gesteld. Zij zijn niet slechts knechten der bourgeoisklasse,
van den bourgeoisstaat, zij worden iederen dag en ieder uur geknecht
door de machine, door den opzichter, en vóór alles door den enkelen
afzonderlijken fabriceerenden bourgeois zelf. Deze dwingelandij is
des te kleingeestiger, hatelijker, verbitterender, hoe openlijker zij
het winst maken als haar doel proclameert. Hoe minder vaardigheid en
kracht de handenarbeid vordert, dat wil zeggen hoe meer de moderne
industrie zich ontwikkelt, des te meer wordt de arbeid van mannen door
dien van vrouwen verdrongen. Onderscheid van geslacht en leeftijd
geldt maatschappelijk niet meer voor de arbeidersklasse. Er bestaan
nog slechts arbeidsinstrumenten, die al naar ouderdom en geslacht
verschillende kosten veroorzaken.

Is de uitbuiting van den arbeider door den fabrikant zoo ver
afgeloopen, dat hij zijn arbeidsloon in klinkende munt uitbetaald
ontvangt, dan vallen de andere leden der bourgeoisie op hem aan, de
huiseigenaar, de winkelier, de pandjeshuisman, enz.

De tot nu toe bestaande kleine middenstand, de kleine industrieelen,
kooplieden en renteniers, de handwerkslieden en boeren, al deze klassen
dalen af in het proletariaat, gedeeltelijk doordat hun klein kapitaal
niet voldoende is voor het drijven van groot-industrie en ondergaat in
de concurrentie met de grootere kapitalisten, gedeeltelijk doordat hun
vaardigheid door nieuwe productiewijzen waardeloos wordt. Zoo wordt het
proletariaat uit alle klassen der bevolking gerecruteerd.

Het proletariaat maakt verschillende tijdperken van ontwikkeling door.
Zijn strijd tegen de bourgeoisie begint met zijn bestaan.

Aanvankelijk strijden de afzonderlijke arbeiders, daarna de arbeiders
eener fabriek, dan de arbeiders van een tak van bedrijf op ééne plaats
tegen den enkelen bourgeois, die hen onmiddellijk uitbuit. Zij richten
hunne aanvallen niet alleen tegen de burgerlijke productieverhoudingen,
zij richten ze tegen de voortbrengingswerktuigen zelve; zij vernielen
de vreemde concurreerende waren, zij slaan de machines stuk, zij
steken de fabrieken in brand, zij zoeken de verdwenen plaats van den
middeleeuwschen arbeider weer voor zich te veroveren.

Op dezen trap van ontwikkeling vormen de arbeiders eene over het
geheele land verstrooide en door de concurrentie verbrokkelde massa.
Een in massa aan elkaar vasthouden der arbeiders is nog niet het gevolg
van hun eigen vereeniging, maar het gevolg van de vereeniging der
bourgeoisie, die, om haar eigen politieke doeleinden te bereiken, het
geheele proletariaat in beweging moet brengen en het voorloopig ook nog
kan. Op dezen ontwikkelingstrap bestrijden de proletariërs dus niet
hunne vijanden, maar de vijanden hunner vijanden, de overblijfsels der
absolute monarchie, de grondeigenaars, de niet-industrieele bourgeois,
de kleine burgers. De geheele historische beweging is aldus in de
handen der bourgeoisie geconcentreerd; iedere overwinning, die zoo
bevochten wordt, is eene overwinning der bourgeoisie. Maar met de
ontwikkeling der industrie vermeerdert niet alleen het proletariaat;
het wordt in grootere massa’s samengedrongen, zijn kracht groeit aan
en het voelt ze meer. De belangen, de levenstoestanden binnen het
proletariaat verevenen zich steeds meer, daar de machine meer en meer
het onderscheid van den arbeid uitwischt en het loon bijna overal
tot een even laag niveau neerdrukt. De toenemende concurrentie der
bourgeois onder elkaar en de daaruit voortkomende handelscrisissen
maken het loon der arbeiders steeds meer schommelend; de steeds sneller
zich ontwikkelende, onophoudelijke verbetering der machinerie maakt
hun geheelen levenstoestand steeds onzekerder; steeds meer nemen de
botsingen tusschen den afzonderlijken arbeider en den afzonderlijken
bourgeois het karakter van botsingen van twee klassen aan. De arbeiders
beginnen coalities tegen de bourgeois te vormen; zij komen bijeen
tot verdediging van hun arbeidsloon. Zij stichten zelve duurzame
associaties, om zich voor de telkens voorkomende opstanden van proviand
te voorzien. Hier en daar breekt de strijd in oproer los.

Van tijd tot tijd zegevieren de arbeiders, maar slechts voorbijgaand.
Het eigenlijk resultaat van hunne gevechten is niet het onmiddellijk
resultaat, maar de altijd verder om zich grijpende vereeniging der
arbeiders. Zij wordt bevorderd door de toenemende verkeersmiddelen,
die door de groot-industrie worden voortgebracht en die de arbeiders
der verschillende streken met elkaar in verbinding brengt. Maar
verbinding is ook alleen noodig, om de vele lokale worstelingen, van
overal gelijk karakter, tot een nationalen, tot een klassenstrijd te
centraliseeren. Iedere klassenstrijd is echter een politieke strijd.
En de vereeniging, voor welke de burgers der middeneeuwen met hunne
buurtwegen eeuwen noodig hadden, brengen de moderne proletariërs met de
spoorwegen in weinige jaren tot stand.

Deze organisatie der proletariërs tot klasse, en daardoor tot
politieke partij, wordt ieder oogenblik weder verbroken door de
concurrentie onder de arbeiders zelve. Maar zij herleeft telkens
weer, sterker, vaster, machtiger. Zij verovert zich de erkenning van
enkele arbeidersbelangen bij de wet, doordien zij van de scheuring der
bourgeois onder elkander gebruik maakt. Zoo de 10-urenwet in Engeland.

In het algemeen bevorderen de botsingen in de oude maatschappij toch
op velerlei wijzen den ontwikkelingsgang van het proletariaat. De
bourgeoisie bevindt zich in voortdurenden strijd: in het begin tegen
de aristocratie; later tegen die deelen der bourgeoisie zelve, wier
belangen in tegenspraak komen met den vooruitgang der industrie; steeds
tegen de bourgeoisie aller vreemde landen. In al deze gevechten ziet
zij zich genoodzaakt, een beroep te doen op het proletariaat, zijn
hulp te vragen en het aldus in de politieke beweging te trekken. Zij
zelve voert dus het proletariaat haar eigen vormingselementen, d. w. z.
wapens tegen haar zelve, toe.

Verder worden, zooals wij gezien hebben, door den vooruitgang der
industrie geheele bestanddeelen der heerschende klasse in het
proletariaat geworpen of ten minste in hun levensvoorwaarden bedreigd.
Ook zij brengen het proletariaat een massa vormingselementen aan.

In tijden eindelijk, waarin de klassenstrijd zijn beslissing nadert,
neemt het ontbindingsproces binnen de heerschende klasse, binnen de
geheele oude maatschappij, een zoo heftig, zoo schril karakter aan,
dat een klein deel der heerschende klasse zich van haar losmaakt en
zich bij de revolutionaire klasse aansluit, de klasse, die de toekomst
in hare handen draagt. Evenals dus vroeger een deel van den adel tot
de bourgeoisie overging, zoo gaat nu een deel der bourgeoisie tot het
proletariaat over, en voornamelijk een deel der bourgeois-ideologen,
die zich tot het theoretische begrip der geheele historische beweging
hebben opgewerkt.

Van alle klassen die heden ten dage tegenover de bourgeoisie staan,
is alleen het proletariaat eene werkelijk revolutionaire klasse. De
overige klassen verkommeren en gaan onder met de groot-industrie, het
proletariaat is haar eigen product.

De middenstanden, de kleine industrie, de kleine koopman, de
handwerksman, de boer, zij allen bestrijden de bourgeoisie, om
hun bestaan als middenstand voor den ondergang te bewaren. Zij
zijn dus niet revolutionair, maar conservatief. Meer nog, zij zijn
reactionair, zij zoeken het rad der geschiedenis terug te draaien.
Zijn zij revolutionair, dan zijn zij het met het oog op den ondergang
in het proletariaat, die hen wacht, dan verdedigen zij niet hunne
tegenwoordige, maar hun toekomstige belangen, dan verlaten zij hun
eigen standpunt, om zich te stellen op dat van het proletariaat.

Het lompenproletariaat, deze lijdelijke verrotting van de onderste
lagen der oude maatschappij, wordt door eene proletarische revolutie
hier en daar in de beweging geslingerd; maar het zal volgens zijn
geheele levenswijze eerder bereid zijn, zich tot reactionaire
bewegingen te laten koopen.

De levensvoorwaarden der oude maatschappij zijn reeds vernietigd in
de levensvoorwaarden van het proletariaat. De proletariër is zonder
eigendom; zijn verhouding tot vrouw en kinderen heeft niets meer gemeen
met de burgerlijke familieverhouding; de moderne industrieele arbeid,
de moderne dienstbaarheid onder het kapitaal, dezelfde in Engeland
als in Frankrijk, in Amerika als in Duitschland, heeft hem van alle
nationaal karakter ontdaan. De wetten, de moraal, de godsdienst, zijn
voor hem even zoo vele burgerlijke vooroordeelen, achter welke zich
even zoo vele burgerlijke belangen verschuilen.

Alle vroegere klassen, die zich de heerschappij veroverden, zochten
hunne reeds verworven plaats te verzekeren, door de geheele
maatschappij aan de bestaansvoorwaarden van hun bedrijf te onderwerpen.
De proletariërs kunnen de maatschappelijke productiekrachten slechts
veroveren, door hun eigen tot nu toe bestaande wijze van toeëigening,
en daarmee de geheele tot nu toe bestaande wijze van toeëigening
af te schaffen. De proletariërs hebben niets van het hunne te
verzekeren, zij hebben alle tot nu toe bestaande privaat-zekerheden en
privaat-verzekeringen te vernietingen.

Alle bewegingen tot nu toe waren bewegingen van minderheden of in het
belang van minderheden. De proletarische beweging is de zelfstandige
beweging der ontzaggelijke meerderheid in het belang der ontzaggelijke
meerderheid. Het proletariaat, de onderste laag der tegenwoordige
maatschappij, kan zich niet oprichten, niet verheffen, zonder dat de
geheele bovenbouw der lagen, die de officieele maatschappij vormen, in
de lucht springt.

Ofschoon niet naar inhoud, is de strijd van het proletariaat tegen
de bourgeoisie naar den vorm voorloopig een nationale strijd. Het
proletariaat van elk land moet het natuurlijk eerst met zijn eigen
bourgeoisie klaar spelen.

Terwijl wij de algemeenste ontwikkelingsphasen van het proletariaat
schetsen, vervolgden wij den meer of minder verborgen burgeroorlog
binnen de bestaande maatschappij tot op dat punt, waarop hij in een
open revolutie uitbreekt, en, door de gewelddadige omverwerping der
bourgeoisie, het proletariaat zijn eigen heerschappij grondvest.

Elke maatschappij tot nu toe berustte, zooals wij gezien hebben, op de
tegenstelling van onderdrukkende en onderdrukte klassen. Om evenwel
een klasse te kunnen onderdrukken, moeten haar levensvoorwaarden
verzekerd zijn, binnen welke zij ten minste haar slaafsch bestaan kan
rekken. De lijfeigene heeft zich tot lid der commune opgewerkt in de
lijfeigenschap, evenals de kleine burger tot bourgeois onder het juk
van het feodale absolutisme. De moderne arbeider daarentegen, inplaats
van zich met den vooruitgang der industrie te verheffen, zinkt steeds
dieper onder de levensvoorwaarden zijner eigen klasse. De arbeider
wordt tot pauper en het pauperisme ontwikkelt zich nog sneller dan
bevolking en rijkdom. Hiermede komt het openlijk aan den dag, dat de
bourgeoisie niet in staat is, nog langer de heerschende klasse der
maatschappij te blijven en de levensvoorwaarden harer klasse aan de
maatschappij als regel en wet op te dringen. Zij is niet in staat te
heerschen, omdat zij niet in staat is, haren slaaf het bestaan zelf
binnen zijne slavernij te verzekeren, omdat zij gedwongen is, hem in
een toestand te laten verzinken, waarin zij hem voeden moet, inplaats
van door hem gevoed te worden. De maatschappij kan niet meer onder haar
leven, d. w. z. haar leven kan niet meer samengaan met de maatschappij.

De wezenlijke voorwaarde voor het bestaan en voor de heerschappij
der bourgeoisklasse is de opeenhooping van rijkdom in de handen van
privaatpersonen, de vorming en vermeerdering van het kapitaal; de
voorwaarde van het kapitaal is de loonarbeid. De loonarbeid berust
uitsluitend op de concurrentie der arbeiders onder elkaar. De
vooruitgang der industrie, wier willooze en verzetlooze drager der
bourgeoisie is, stelt in de plaats der isoleering der arbeiders door
de concurrentie hunne revolutionaire vereenigingen door de associatie.
Met de ontwikkeling der groot-industrie wordt dus onder de voeten
der bourgeoisie de bodem zelf weggetrokken, waarop zij produceert en
zich de producten toeëigent. Zij produceert vóór alles haar eigen
doodgraver. Haar ondergang en de zege van het proletariaat zijn even
onvermijdelijk.


II.

Proletariërs en Communisten.

In welke verhouding staan de communisten tot de proletariërs in het
algemeen?

De communisten zijn geen bijzondere partij tegenover de andere
arbeiderspartijen.

Zij hebben geene, van de belangen van het geheele proletariaat
gescheiden belangen.

Zij stellen geen bijzondere beginselen op, waarnaar zij de
proletarische beweging willen modelleeren.

De communisten onderscheiden zich van de overige proletarische partijen
alleen daardoor, dat zij aan den eenen kant in den nationalen strijd
der proletariërs in de verschillende landen de gemeenschappelijke,
van de nationaliteit onafhankelijke belangen van het proletariaat
hoog houden en doen gelden, aan den anderen kant daardoor, dat zij
op de verschillende trappen van ontwikkeling, die de strijd tusschen
proletariaat en bourgeoisie doorloopt, steeds in het belang der geheele
beweging vertegenwoordigen.

De communisten zijn dus praktisch het meest besliste, altijd voorwaarts
drijvende gedeelte der arbeiderspartijen aller landen; zij hebben
theoretisch op de overige massa van het proletariaat het inzicht in
de voorwaarden, den gang en de algemeene resultaten der proletarische
beweging vóór.

Het naaste doel der communisten is hetzelfde als dat van alle overige
proletarische partijen: de vorming van het proletariaat tot klasse,
de omverwerping der heerschappij der bourgeoisie, de verovering der
politieke macht door het proletariaat.

De theoretische stellingen der communisten berusten volstrekt niet op
ideeën, op de principes, die door den een of anderen wereldhervormer
uitgevonden of ontdekt zijn.

Zij zijn slechts de algemeene uitdrukking van feitelijke verhoudingen
van een bestaanden klassenstrijd, van een onder onze oogen gebeurende
historische beweging. De afschaffing van tot nu toe bestaande
eigendomsverhoudingen is niet iets wat het communisme afzonderlijk
kenmerkt.

Alle eigendomsverhoudingen waren aan een voortdurende historische
wisseling, een voortdurende historische verandering onderworpen.

De Fransche revolutie bijvoorbeeld schafte het feodale eigendom ten
gunste van het burgerlijke af.

Wat het communisme kenmerkt, is niet de afschaffing van het eigendom in
het algemeen, maar de afschaffing van het burgerlijke eigendom.

Maar het moderne burgerlijke privaat-eigendom is de laatste en
volmaaktste uitdrukking van dat maken en dat zich toeëigenen van
producten, dat op klassetegenstellingen, op de uitbuiting van den een
door den ander berust.

In dien zin kunnen de communisten hun theorie samenvatten in de ééne
formule: opheffing van het privaat-eigendom.

Men heeft ons communisten verweten, dat wij het persoonlijk verworven,
zelf door eigen arbeid verdiende eigendom wilden afschaffen; het
eigendom, dat den grondslag vormt van alle persoonlijke vrijheid,
arbeidzaamheid en zelfstandigheid.

Door eigen arbeid verworven en verdiend eigendom! Spreekt gij van
het eigendom van den kleinen burger, den kleinen boer, dat aan het
burgerlijk eigendom voorafging? Wij hebben het niet af te schaffen, de
ontwikkeling der industrie heeft het afgeschaft en schaft het iederen
dag af.

Of spreekt gij van het moderne burgerlijke privaat-eigendom?

Schept echter de loonarbeid, de arbeid van den proletariër hem
eigendom? Volstrekt niet. Hij schept het kapitaal, dat wil zeggen
dat eigendom, dat den loonarbeid uitbuit, dat zich alleen onder de
voorwaarde vermeerderen kan, dat het nieuwen loonarbeid teelt, om hem
opnieuw uit te buiten. Het eigendom in zijn tegenwoordige gedaante
beweegt zich in de tegenstelling van kapitaal en loonarbeid. Laten wij
de beide kanten dezer tegenstelling eens bezien.

Kapitalist-zijn beteekent niet alleen een zuiver persoonlijke, maar een
maatschappelijke plaats innemen in de productie. Het kapitaal is een
gemeenschappelijk product en kan alleen door een gemeenschappelijke
werkzaamheid van vele leden, ja in laatsten aanleg alleen door de
gemeenschappelijke werkzaamheid van alle leden der maatschappij in
beweging gezet worden.

Het kapitaal is dus geen persoonlijke, het is een maatschappelijke
macht.

Wanneer dus het kapitaal in gemeenschappelijk, aan alle leden der
maatschappij toebehoorend eigendom veranderd wordt, dan wordt niet
persoonlijk eigendom in maatschappelijk veranderd. Alleen het
maatschappelijk karakter van het eigendom wordt veranderd. Het verliest
zijn klasse-karakter.

Nu de loonarbeid.

De doorsneeprijs van den loonarbeid is het minimum van het arbeidsloon,
dat wil zeggen de som der levensmiddelen, die noodig zijn, om den
arbeider als arbeider in het leven te houden. Wat dus de loonarbeider
door zijn werkzaamheid zich toeëigent, is alleen voldoende, om hem zijn
naakte leven weer te geven. Wij willen deze persoonlijke toeëigening
der arbeidsproducten, die tot de herschepping van het onmiddellijke
leven dient, volstrekt niet afschaffen, een toeëigening, die geen
overschot overlaat, dat macht over arbeid van anderen zou kunnen geven.
Wij willen alleen het ellendige karakter dezer toeëigening opheffen,
waarin de arbeider slechts leeft, om het kapitaal te vermeerderen,
slechts in zoover leeft als het belang der heerschende klasse dit
vordert.

In de burgerlijke maatschappij is de levende arbeid slechts een middel
om den opgestapelden arbeid te vermeerderen. In de communistische
maatschappij is de opgestapelde arbeid slechts een middel, om het
levensproces der arbeiders ruimer, rijker, sterker te maken.

In de burgerlijke maatschappij heerscht dus het verleden over het
tegenwoordige, in de communistische het tegenwoordige over het
verleden. In de burgerlijke maatschappij is het kapitaal zelfstandig
en persoonlijk, terwijl het werkende individu onzelfstandig en
onpersoonlijk is.

En de opheffing van deze verhouding noemt de bourgeoisie opheffing van
persoonlijkheid en vrijheid? En terecht. Want het gaat zeer zeker om de
opheffing der bourgeois-persoonlijkheid, -zelfstandigheid en -vrijheid.

Onder vrijheid verstaat men binnen de nu heerschende burgerlijke
productieverhoudingen den vrijen handel, den vrijen koop en verkoop.
Vervalt evenwel de schacher, dan vervalt ook de vrije schacher. De
uitwijdingen over den vrijen schacher hebben, evenals al het gezwets
over vrijheid van onze bourgeoisie, in ’t algemeen alleen beteekenis
tegenover den onvrijen, den gebonden schacher, tegenover den geknechten
burger der middeneeuwen, niet tegenover de communistische opheffing
van allen schacher, der burgerlijke productieverhoudingen en der
bourgeoisie zelve.

Gij ontstelt er over, dat wij het privaat-eigendom willen opheffen.
Maar in uw bestaande maatschappij is het privaat-eigendom voor 9
tienden harer leden opgeheven: het bestaat juist alleen daardoor,
dat het voor 9 tienden niet bestaat. Gij verwijt ons dus, dat wij
een eigendom willen opheffen, dat het niet-hebben-van-eigendom der
overgroote meerderheid der maatschappij als noodzakelijke voorwaarde
vooronderstelt.

Gij verwijt ons met één woord, dat wij uw eigendom willen opheffen.
Zeker, dat willen wij.

Van het oogenblik af aan, dat de arbeid niet meer in kapitaal,
geld, grondrente, kortom in een monopoliseerbare maatschappelijke
macht, veranderd kan worden, d. i. van het oogenblik af aan, dat het
persoonlijke eigendom niet meer in burgerlijk eigendom omslaan kan, van
dat oogenblik af verklaart gij: de persoon is opgeheven.

Gij geeft dus toe, dat gij onder persoon niemand anders verstaat dan
den bourgeois, den burgerlijken eigenaar. En deze persoon moet gewis
worden opgeheven.

Het communisme ontneemt niemand de macht zich maatschappelijke
producten toe te eigenen, het ontneemt slechts de macht door deze
toeëigening arbeid van anderen voor zich zelf als last- en werkdier te
gebruiken.

Men heeft tegen ons aangevoerd, met de opheffing van het
privaat-eigendom zou alle arbeidzaamheid ophouden en een algemeene
luiheid binnendringen.

Als dat waar was moest de burgerlijke maatschappij al lang aan luiheid
te gronde gegaan zijn; want wie in haar werken „verdienen” niet en
wie in haar „verdienen”, werken niet. De heele bedenking komt neer op
de tautologie, dat er geen loonarbeid meer bestaat, zoodra er geen
kapitaal meer bestaat.

Alle tegenwerpingen, die tegen de communistische wijze van toeëigenen
en produceeren der stoffelijke producten gericht worden, zijn ook
uitgestrekt tot de toeëigening en voortbrenging der geestelijke
producten. Evenals voor den bourgeois het ophouden van het
klasse-eigendom het ophouden der productie zelf is, zoo is voor hem
het ophouden der klassebeschaving identiek met het ophouden van alle
beschaving.

De beschaving, de vorming, wier verlies hij betreurt, is voor de enorme
meerderheid de vorming tot machine.

Maar strijdt niet met ons, zoolang gij aan uwe burgerlijke
voorstellingen van vrijheid, beschaving, recht en zoo voorts, de
afschaffing van het burgerlijke eigendom meet. Uwe ideeën zelf zijn
voortbrengselen der burgerlijke productie- en eigendomsverhoudingen,
evenals uw recht slechts de tot wet verheven wil van uw klasse is, een
wil, welks inhoud gegeven is in de stoffelijke levensvoorwaarden uwer
klasse.

De baatzuchtige voorstelling, waarmee gij uwe productie- en
eigendomsverhoudingen uit historische, in den loop der productie
voorbijgaande verhoudingen in eeuwige natuur- en redewetten verandert,
deze voorstelling deelt gij met alle ondergegane heerschende klassen.
Wat gij voor het antieke eigendom begrijpt, wat gij voor het feodale
eigendom begrijpt, moogt gij niet meer begrijpen voor het burgerlijke
eigendom.

Opheffing van het huisgezin! Zelfs de radicaalsten ijveren tegen dit
schandelijke doel der communisten.

Waarop berust het tegenwoordige, het burgerlijke huisgezin? Op het
kapitaal, op de verdienste van den bijzonderen persoon. Geheel
ontwikkeld bestaat het slechts voor de bourgeoisie; maar het vindt
zijn aanvulling in de gedwongen familieloosheid der proletariërs en in
de openbare prostitutie.

Het huisgezin der bourgeois valt natuurlijk weg met het wegvallen van
deze hare aanvulling en beide verdwijnen met het verdwijnen van het
kapitaal.

Verwijt gij ons, dat wij de uitbuiting der kinderen door hunne ouders
willen opheffen? Deze misdaad bekennen wij.

Maar, zegt gij, wij heffen de innigste verhoudingen op, wanneer wij in
de plaats der opvoeding thuis de maatschappelijke stellen.

En is ook niet uwe opvoeding door de maatschappij bepaald? Door de
maatschappelijke verhoudingen, binnen welke gij opvoedt, door de
meer directe of indirecte inmenging der maatschappij, door middel
van de school en zoo voorts? De communisten vinden den invloed der
maatschappij op de opvoeding niet uit; zij veranderen slechts haar
karakter, zij ontrukken de opvoeding aan den invloed der heerschende
klasse.

De burgerlijke redeneeringen over huisgezin en opvoeding, over de
innige verhoudingen van ouders en kinderen worden des te misselijker,
hoe meer ten gevolge van de groot-industrie alle familiebanden voor de
proletariërs verscheurd en de kinderen in eenvoudige handelsartikelen
en arbeidsinstrumenten veranderd worden.

Maar gij, communisten, gij wilt de vrouwengemeenschap invoeren,
schreeuwt ons de geheele bourgeoisie in koor tegemoet.

De bourgeois ziet in zijn vrouw alleen een productie-instrument. Hij
hoort, dat de productiewerktuigen gemeenschappelijk zullen worden
gebruikt en kan zich nu natuurlijk niet anders denken, dan dat het lot
van gemeenschappelijkheid ook de vrouw eveneens treffen zal.

Hij vermoedt zelfs niet, dat het juist daarom gaat, de plaats der vrouw
als alleen-productieinstrument op te heffen.

Niets is overigens belachelijker, dan de hoogzedelijke ontzetting
onzer bourgeois over de zoogenaamde officiëele vrouwengemeenschap der
communisten. De communisten behoeven de vrouwengemeenschap niet in te
voeren, zij heeft zoo goed als altijd bestaan.

Onze bourgeois, niet tevreden er mee, dat de vrouwen en dochters hunner
proletariërs hun ter beschikking staan, nog gezwegen van de openlijke
prostitutie, vinden er een genot in, elkanders vrouwen wederkeerig te
verleiden.

Het burgerlijk huwelijk is in waarheid het gemeenschappelijk bezit
der getrouwde vrouwen. Hoogstens zou men den communisten kunnen
verwijten, dat zij in plaats van een huichelachtig verborgen, een
officieele, openhartige vrouwengemeenschap zouden willen invoeren. Het
spreekt overigens van zelf, dat met de opheffing der tegenwoordige
productieverhoudingen ook de uit hen voortkomende vrouwengemeenschap,
d. w. z. de officieele en niet-officieele prostitutie, verdwijnt.

Den communisten wordt verder verweten, dat zij het vaderland, de
nationaliteit, willen afschaffen.

De arbeiders hebben geen vaderland. Men kan hun niet ontnemen, wat zij
niet hebben. Zoolang het proletariaat voorloopig nog zich de politieke
macht veroveren, zich zelf tot nationale klasse verheffen, zich zelf
als natie constituteeren moet, is het zelf nog nationaal, zij het dan
ook volstrekt niet in den zin der bourgeoisie.

De nationale afzondering en onderlinge tegenstelling der volkeren
verdwijnen meer en meer reeds met de ontwikkeling der bourgeoisie,
met de handelsvrijheid, de wereldmarkt, de gelijkvormigheid der
industrieele productie en de met deze overeenkomende levensverhoudingen.

De heerschappij van het proletariaat zal ze nog meer doen verdwijnen.
Gezamenlijke actie, tenminste der beschaafde landen, is een van de
eerste voorwaarden van zijn bevrijding. Naar de mate, waarin de
exploitatie van het eene individu door het andere wordt opgeheven,
naar die mate wordt de exploitatie van de eene natie door de andere
opgeheven.

Met de tegenstelling der klassen in het inwendige der natie valt de
vijandelijke houding der naties onderling.

De aanklachten, die van godsdienstige, wijsgeerige en ideologische
gezichtspunten in het algemeen tegen het communisme worden gericht,
verdienen geen uitvoeriger bespreking.

Is er diep inzicht voor noodig om te begrijpen, dat met de
levensverhoudingen der menschen, met hunne maatschappelijke
betrekkingen tot elkaar, met hun maatschappelijk zijn, ook hunne
voorstellingen, zienswijzen en begrippen, in één woord ook hun
bewustzijn verandert?

Wat bewijst de geschiedenis der ideeën anders, dan dat de geestelijke
productie zich vervormt met de materieele? De heerschende begrippen van
een tijd waren altijd slechts de begrippen der heerschende klasse.

Men spreekt van ideeën, die een geheele maatschappij revolutioneeren;
men spreekt daarmede slechts uit het feit, dat binnen de oude
maatschappij zich de elementen eener nieuwe hebben gevormd, dat met
de vernietiging der oude levensverhoudingen de vernietiging der oude
ideeën gelijken tred houdt.

Toen de oude wereld ten ondergang neigde, werden de oude godsdiensten
door den christelijken godsdienst overwonnen. Toen de christelijke
ideeën in de 18e eeuw ondergingen voor de „verlichtings”ideeën, streed
de feodale maatschappij haren doodstrijd met de toen revolutionaire
bourgeoisie. De ideeën der gewetens- en godsdienstvrijheid spraken
slechts de heerschappij der vrije concurrentie op het gebied van het
weten uit.

„Maar,” zal men zeggen, „godsdienstige, zedelijke, wijsgeerige,
politieke, rechts-ideeën enzoovoorts, vervormden zich zekerlijk in
den loop der historische ontwikkeling. De godsdienst, de moraal, de
wijsbegeerte, de politiek, het recht bleven steeds in deze wisseling
bewaard.

„Er zijn bovendien eeuwige waarheden, zooals vrijheid, gerechtigheid,
enz., die alle maatschappelijke toestanden gemeen hebben. Het
communisme evenwel schaft de eeuwige waarheden af, het schaft den
godsdienst af, de moraal, in plaats van ze nieuw te vormen, het
weerspreekt dus alle historische ontwikkeling tot nu toe.”

Waarop komt deze aanklacht neer? De geschiedenis der geheele
maatschappij tot nu toe bewoog zich in klassetegenstellingen, die in de
verschillende tijdperken verschillend waren.

Welken vorm zij evenwel ook ooit hebben aangenomen, de uitbuiting van
het eene deel der maatschappij door het andere is een feit, dat alle
vroegere eeuwen gemeen hebben. Geen wonder dus, dat het maatschappelijk
bewustzijn aller eeuwen zich, ondanks alle menigvuldigheid en
alle verschil, toch in zekere aan allen gemeene vormen beweegt,
in bewustzijnsvormen, die alleen met het totale verdwijnen der
klassetegenstelling geheel verdwijnen.

De communistische revolutie is het radicaalste breken met de
traditioneele eigendomsverhoudingen; geen wonder, dat in haar
ontwikkelingsgang het radicaalst met de traditioneele ideeën wordt
gebroken.

Doch laten wij de tegenwerpingen der bourgeoisie tegen het communisme
voor wat zij zijn.

Wij zagen boven reeds, dat de eerste schrede der arbeidersrevolutie de
verheffing van het proletariaat tot heerschende klasse, de verovering
der democratie is.

Het proletariaat zal zijn politieke heerschappij daartoe gebruiken,
om aan de bourgeoisie stuk voor stuk alle kapitaal te ontrukken, alle
productiemiddelen in de handen van den staat, d. w. z. van het als
heerschende klasse georganiseerde proletariaat te centraliseeren en de
massa der productiekrachten zoo snel als mogelijk te vermeerderen.

Dit kan natuurlijk in den aanvang alleen geschieden door middel van
despotische inbreuken op het eigendomsrecht en op de burgerlijke
productieverhoudingen, door maatregelen dus, die economisch onvoldoende
en onhoudbaar schijnen, die evenwel in den loop der ontwikkeling boven
zich zelve uit drijven en als middelen tot omwenteling der geheele
productiewijs onvermijdelijk zijn. Deze maatregelen zullen natuurlijk
al naar de verschillende landen verschillend zijn.

Voor de verst ontwikkelde landen zullen evenwel de volgende tamelijk
algemeen kunnen worden aangewend:

1. Onteigening van het grondeigendom en aanwending der grondrente tot
Staatsuitgaven.

2. Zware progressieve belasting.

3. Afschaffing van het erfrecht.

4. Confiscatie van het eigendom van alle emigranten en rebellen.

5. Centralisatie van het crediet in handen van den Staat door een
nationale bank met staatskapitaal en uitsluitend monopolie.

6. Centralisatie van het transportwezen in handen van den Staat.

7. Vermeerdering der nationale fabrieken, der productiemiddelen,
ontginning en verbetering der landerijen naar een gemeenschappelijk
plan.

8. Gelijke dwang tot arbeid voor allen, oprichting van industrieele
legers, vooral voor den landbouw.

9. Vereeniging van landbouw- en industriebedrijf, heensturen naar
geleidelijke opheffing van het onderscheid tusschen stad en land.

10. Openbare en kostelooze opvoeding aller kinderen. Afschaffing van
den kinderarbeid in fabrieken in zijn huidigen vorm. Verbinding van de
opvoeding met de stoffelijke productie enz.

Zijn in den loop der ontwikkeling de klasse-verschillen verdwenen en is
alle productie in handen der geassocieerde individuen geconcentreerd,
dan verliest de openbare macht haar politiek karakter. De politieke
macht in eigenlijken zin is de georganiseerde macht van eene klasse
tot onderdrukking eener andere. Wanneer het proletariaat in den strijd
tegen de bourgeoisie zich noodzakelijk tot klasse vereenigt, door een
omwenteling zich tot de heerschende klasse maakt en als heerschende
klasse met geweld de oude productieverhoudingen de bestaansvoorwaarden
der klassetegenstelling, de klassen in het algemeen en daarmee zijn
eigen heerschappij als klasse op.

In de plaats der oude burgerlijke maatschappij met hare klassen
en klassen-tegenstellingen treedt een associatie, waarin de vrije
ontwikkeling van een ieder de voorwaarde voor de vrije ontwikkeling van
allen is.


III.

Socialistische en communistische Litteratuur.


1. HET REACTIONAIRE SOCIALISME.


_a._ HET FEODALE SOCIALISME.

De Fransche en Engelsche aristocratie was door hare historische
positie er toe geroepen, pamfletten tegen de moderne burgerlijke
maatschappij te schrijven. In de Fransche Juli-omwenteling van 1830,
in de Engelsche reform-beweging had zij nog eens voor den gehaten
parvenu het onderspit gedolven. Van een ernstigen politieken strijd kon
geen sprake meer zijn. Slechts de litteraire strijd bleef haar over.
Maar ook op het gebied der litteratuur waren de oude spreekwijzen van
den tijd der restauratie onmogelijk geworden. Om sympathie te wekken,
moest de aristocratie schijnbaar hare belangen uit het oog verliezen en
alleen in het belang der geëxploiteerde arbeidersklasse haar acte van
beschuldiging tegen de bourgeoisie formuleeren. Zij bereidde zich de
voldoening, schimpliederen op haar nieuwen heerscher te zingen en hem
meer of minder onheilspellende profetieën in ’t oor te blazen.

Op deze wijze ontstond het feodale socialisme, half klaaglied, half
paskwil, half echo van het verleden, half dreigen der toekomst, soms
de bourgeoisie in het hart treffend door bitter, geestig, stukrijtend
oordeel, altijd komiek werkend door totale onmacht om den gang der
moderne geschiedenis te begrijpen.

Den proletarischen bedelzak zwaaiden zij als vaandel in de hand, om
het volk achter zich te verzamelen. Zoo vaak het hen echter volgde,
zag het op hun achterdeel de oude feodale wapens en liep met luid en
oneerbiedig gelach weg.

Een deel der Fransche legitimisten en het jonge Engeland gaven dit
schouwspel ten beste.

Als de feodalen bewijzen, dat hun manier van uitbuiting er anders
uitzag dan de burgerlijke uitbuiting, dan vergeten zij alleen, dat zij
onder geheel verschillende en nu verdwenen omstandigheden uitbuitten.
Als zij aantoonen, dat onder hun heerschappij het moderne proletariaat
niet bestond, dan vergeten zij alleen, dat juist de moderne bourgeoisie
een noodzakelijke spruit van hunne maatschappelijke orde was.

Overigens verheimelijken zij het reactionaire karakter hunner critiek
zoo weinig, dat hun voornaamste aanklacht tegen de bourgeoisie juist
daarin bestaat, dat er onder haar regime zich een klasse ontwikkelt,
die de geheele oude maatschappij in de lucht zal doen vliegen.

Zij verwijten de bourgeoisie nog meer, dat zij een revolutionair
proletariaat, dan dat zij in ’t algemeen een proletariaat voortbrengt.

In de practijk der politiek nemen zij daarom deel aan alle maatregelen
van geweld tegen de arbeidende klasse, en in het gewone leven maken
zij het zich gemakkelijk, door, trots al hun opgeblazen spreken, de
gouden appelen op te rapen, en trouw, liefde, eer, met den schacher in
schapewol, beetwortels en jenever te verwisselen.

Zooals de priester altijd hand in hand ging met de feodalen, zoo het
paapsche socialisme met het feodale.

Niets lichter, dan het christelijk ascetisme een socialistisch verfje
te geven. Heeft het christendom niet ook tegen het privaat-eigendom,
tegen het huwelijk, tegen den staat geijverd? Heeft het niet in de
plaats van deze de weldadigheid en de bedelarij, het celibaat en de
dooding des vleesches, het leven in de cel en de kerk gepredikt? Het
christelijk socialisme is slechts het wijwater, waarmee de priester de
ergernis van den aristocraat inzegent.


_b._ HET KLEINBURGERLIJK SOCIALISME.

De feodale aristocratie is niet de eenige klasse, die door de
bourgeoisie werd ter neer geworpen, wier levensvoorwaarden in de
moderne burgerlijke maatschappij vergingen en afstierven. De
middeneeuwsche poorterschap en de kleine boerenstand waren de
voorloopers der moderne bourgeoisie. In de minder industrieel en
commercieel ontwikkelde landen vegeteert deze klasse nog voort naast de
opkomende bourgeoisie.

In de landen, waar de moderne beschaving zich ontwikkeld heeft,
heeft zich een nieuwe kleine-burgerij gevormd, die tusschen het
proletariaat en de bourgeoisie zweeft en als aanvullend gedeelte der
burgerlijke maatschappij zich steeds opnieuw vormt, welker leden
evenwel voortdurend door de concurrentie in het proletariaat worden
neergeslingerd, ja zelfs met de ontwikkeling der groot-industrie een
tijdstip zien naderen, waarop zij als zelfstandig gedeelte der moderne
maatschappij verdwijnen en in den handel, in de manufactuur, in den
landbouw door opzichters en bedienden worden vervangen.

In landen als Frankrijk, waar de klasse der boeren veel meer dan de
helft der bevolking uitmaakt, was het natuurlijk, dat schrijvers, die
voor het proletariaat tegen de bourgeoisie optraden, aan hunne critiek
der bourgeois-heerschappij den klein-burgerlijken en klein-boerschen
maatstaf aanlegden en de partij der arbeiders kozen van het standpunt
der kleine burgerij. Zoo vormde zich het klein-burgerlijke socialisme.
Sismondi is het hoofd dezer litteratuur niet alleen voor Frankrijk,
maar ook voor Engeland.

Dit socialisme ontleedde hoogst scherpzinnig de tegenstrijdigheden
in de moderne productieverhoudingen. Het onthulde het bedriegelijk
glimmende mooi-praten der staathuishoudkundigen. Het wees
onwederlegbaar de moordende werking der machinerie en der
arbeidsverdeeling aan, de concentratie der kapitalen en van het
grondbezit, de overproductie, de crisissen, den noodzakelijken
ondergang der kleine burgers en boeren, de ellende van het
proletariaat, de anarchie in de productie, de schreeuwende
wanverhoudingen in de verdeeling van den rijkdom, den industrieelen
vernielingsoorlog der naties onder elkaar, den ondergang der oude
zeden, der oude familieverhoudingen, der oude nationaliteiten.

Volgens zijn positieven inhoud wil evenwel dit socialisme òf de
oude productie- en verkeersmiddelen weder herstellen en met hen de
oude eigendomsverhoudingen en de oude maatschappij, òf het wil de
moderne productie- en verkeersmiddelen weer in het raam der oude
eigendomsverhoudingen, (die zij deden springen, moesten doen springen)
insluiten met geweld. In beide gevallen is het reactionair en utopisch
tegelijk.

Gildewezen in de manufactuur en aartsvaderlijk huishouden op het land,
dat zijn zijn laatste woorden.

In haar verdere ontwikkeling is deze richting in een laffe katterigheid
verloopen.


_c._ HET DUITSCHE OF HET „WARE” SOCIALISME.

De socialistische en communistische litteratuur van Frankrijk, die
onder den druk eener heerschende bourgeoisie ontstond en de litteraire
uitdrukking is van den strijd tegen deze heerschappij, werd in
Duitschland ingevoerd in een tijd, toen de bourgeoisie juist haar
strijd tegen het feodale absolutisme begon.

Duitsche filosofen, halve filosofen en „beaux esprits” maakten
zich gretig van deze litteratuur meester en vergaten alleen, dat
bij de verhuizing dier geschriften uit Frankrijk de Fransche
levensverhoudingen niet tegelijkertijd naar Duitschland waren verhuisd.
Tegenover de Duitsche verhoudingen verloor de Fransche litteratuur
alle onmiddellijk practische beteekenis en kreeg een zuiver-litterair
uiterlijk. Zij moest een ijdele bespiegeling gaan gelijken over de
Verwezenlijking van het Menschelijk Wezen. Zoo hadden voor de Duitsche
filosofen van de 18e eeuw de eischen der eerste Fransche revolutie
slechts de beteekenis, eischen der „practische rede” in het algemeen
te zijn en de wilsuitingen der revolutionaire Fransche bourgeoisie
beteekenden in hunne oogen de wetten van den zuiveren wil, van den wil,
zooals hij zijn moet, van den waarlijk menschelijken wil.

De arbeid der Duitsche litteratoren bestond uitsluitend daarin,
de nieuwe Fransche ideeën met hun oud filosofisch geweten in
overeenstemming te brengen, of beter, van hun filosofisch standpunt
zich de Fransche ideeën toe te eigenen.

Deze toeëigening geschiedde op dezelfde manier, waarop men zich altijd
van een vreemde taal meester maakt, nl. door overzetting.

Het is bekend, hoe de monniken handschriften, waarop de klassieke
werken van den ouden heidenschen tijd waren opgeteekend, met absurde
geschiedenissen van katholieke heiligen overdekten. De Duitsche
litteratoren gingen omgekeerd te werk met de profane Fransche
litteratuur. Zij schreven hun wijsgeerigen onzin achter het Fransche
origineel. Bijv. achter de Fransche critiek der geldverhoudingen
schreven zij: „vervreemding van het menschelijk wezen”, achter de
Fransche critiek van den bourgeois-staat schreven zij: „opheffing der
heerschappij van het abstract algemeene” enz.

De onderschuiving van deze wijsgeerige spreekwijzen onder de Fransche
ontwikkeling doopten zij: „filosofie van de daad”, „waar socialisme”,
„Duitsche wetenschap van het socialisme”, „filosofische grondslag van
het socialisme” enzoovoorts.

De Fransche socialistisch-communistische litteratuur werd zoo formeel
ontmand. En daar zij in de hand van den Duitscher ophield, den strijd
eener klasse tegen de andere uit te drukken, was de Duitscher zich
bewust, de „Fransche eenzijdigheid” overwonnen, in plaats van de
belangen van ware behoeften, de behoefte naar waarheid, en in plaats
van de belangen van den proletariër de belangen van het menschelijk
wezen, van den mensch in het algemeen verdedigd te hebben, van den
mensch, die geen klasse, die in het geheel niet de werkelijkheid, die
slechts den neveligen hemel der filosofische fantaisie toebehoort.

Dit Duitsche socialisme, dat zijn onbeholpen schooloefeningen zoo
ernstig en plechtig opnam en met zoo’n marktgeschreeuw uitbazuinde,
verloor intusschen langzamerhand zijn pedante onschuld.

De strijd der Duitsche, met name der Pruisische bourgeois, tegen het
feodalisme en het absolute koningschap, met één woord, de liberale
beweging werd ernstiger.

Aan het „ware socialisme” werd aldus de gewenschte gelegenheid
gegeven, om tegenover de politieke beweging de socialistische eischen
te stellen, de traditioneele vervloekingen tegen het liberalisme,
tegen den constitutioneelen Staat, tegen de burgerlijke concurrentie,
burgerlijke vrijheid van drukpers, burgerlijk recht, burgerlijke
vrijheid en gelijkheid te slingeren, en aan de massa des volks voor
te preeken, hoe zij bij deze burgerlijke beweging niets te winnen,
veeleer alles te verliezen heeft. Het Duitsche socialisme vergat te
rechter tijd, dat de Fransche kritiek, wier geestelooze echo het was,
de moderne burgerlijke maatschappij met de daarmee overeenkomende
stoffelijke levensvoorwaarden en de overeenkomstige politieke
constitutie had verondersteld: louter veronderstellingen, om wier
verovering het nu eerst in Duitschland ging.

Het diende de Duitsche absolute regeeringen met hun sleep van
priesters, schoolmeesters, landjonkers en bureaucraten als gewenschte
vogelverschrikker tegen de dreigend opkomende bourgeoisie.

Het was de zoete toespijs bij de bittere zweepslagen en geweerkogels,
waarmede dezelfde regeeringen de Duitsche arbeiders-opstanden bewerkten.

Werd het ware socialisme op die manier een wapen in de hand der
regeeringen tegen de Duitsche bourgeoisie, het vertegenwoordigde ook
onmiddellijk een reactionair belang, het belang der Duitsche kleine
burgerij. In Duitschland vormt de van de 16e eeuw afkomstige en sinds
dien tijd in verschillenden vorm hier altijd weer opnieuw opduikende
kleine burgerij den eigenlijken maatschappelijken grondslag der
bestaande toestanden.

Haar instandhouding is de instandhouding der bestaande Duitsche
toestanden. Onder de industrieele en politieke heerschappij der
bourgeoisie vreest zij een wissen ondergang, aan den éénen kant
tengevolge der concentratie van het kapitaal, aan den anderen kant door
het opkomen van een revolutionair proletariaat. Het ware socialisme
scheen haar beide vliegen in één klap te slaan. Het verbreidde zich als
een epidemie.

Het gewaad, gewerkt uit speculatief spinneweb, bestikt met
spreukbloemen van schoone geesten, gedrenkt met liefdezwoele
gemoedsdauw, dit bovenaardsche gewaad, waarin de Duitsche socialisten
hun paar knokige „eeuwige waarheden” hulden, vermeerderde nog den afzet
hunner waar bij dit publiek.

Van zijn kant begreep het Duitsche socialisme steeds meer zijn roeping,
de hoogdravende vertegenwoordiger dezer kleine burgerij te zijn.

Het proclameerde de Duitsche natie als de normale natie en den
duitschen klein-burger als den normalen mensch. Aan iedere laagheid van
dezen gaf het een verborgen, hoogeren, socialistischen zin, waardoor
zij haar tegendeel beteekende. Het trok de laatste consequentie,
toen het rechtuit optrad tegen de „ruw-vernielende” richting van het
communisme, en zijn onpartijdige verhevenheid boven elken klassenstrijd
verkondigde. Met zeer weinige uitzonderingen behoort alles, wat
in Duitschland van zoogenaamd socialistische en communistische
geschriften in omloop is, tot deze vieze, ontzenuwende litteratuur.[5]

  [5] De storm der omwenteling van 1848 heeft deze geheele schunnige
  richting weggevaagd en haren dragers de lust benomen, nog langer in
  socialisme te doen. Voornaamste vertegenwoordiger en klassiek type
  dezer richting is de heer Karl Grün.


2. HET BEHOUDEND OF BOURGEOIS-SOCIALISME.

Een deel der bourgeoisie wenscht de sociale misstanden te verhelpen, om
het voortbestaan der burgerlijke maatschappij te verzekeren.

Tot dit deel behooren: staathuishoudkundigen, menschenvrienden,
humanitairen, verbeteraars van den toestand der arbeidende klassen,
organiseerders der weldadigheid, dierenbeschermers, stichters van
matigheidsverenigingen, hervormers van de bontst geschakeerde soorten.
En ook tot geheele systemen is dit bourgeois-socialisme uitgewerkt.

Als voorbeeld voeren wij aan Proudhon’s Philosophie de la Misère.

De socialistische bourgeois willen de levensvoorwaarden der moderne
maatschappij zonder de noodzakelijk daaruit voortkomende strijd en
gevaren. Zij willen de bestaande maatschappij na aftrek der haar
omwentelende en vernietigende elementen. Zij willen de bourgeoisie
zonder het proletariaat. De bourgeoisie stelt zich natuurlijk
de wereld, waarin zij heerscht, als de beste wereld voor. Het
bourgeois-socialisme werkt deze troostvolle voorstelling tot een
half of heel stelsel uit. Wanneer het het proletariaat oproept, zijn
stelsels tot werkelijkheid te maken, en in het nieuwe Jeruzalem in te
gaan, dan verlangt het in den grond der zaak alleen, dat het in de
tegenwoordige maatschappij blijft staan, maar zijn hatelijke gedachten
over die maatschappij aflegt.

Een tweede, minder systematische maar meer practische vorm van
dit socialisme trachtte iedere revolutionaire beweging voor de
arbeidersklasse te verbitteren, door te bewijzen, dat niet deze of
gene politieke verandering, maar alleen een verandering der materieele
levensverhoudingen, der economische verhoudingen, haar van nut zou
kunnen zijn. Onder verandering der stoffelijke levensverhoudingen
verstaat dit socialisme evenwel volstrekt niet de afschaffing der
burgerlijke productieverhoudingen, die alleen langs revolutionairen
weg mogelijk is, maar administratieve verbeteringen, die op den bodem
dezer productieverhoudingen geschieden, dus aan de verhouding van
kapitaal en loonarbeid niets veranderen, maar in het beste geval
voor de bourgeoisie de kosten harer heerschappij verminderen en haar
staathuishouding vereenvoudigen.

Zijn volkomen uitdrukking bereikt het bourgeois-socialisme eerst daar,
waar het tot bloote redekunstige figuur wordt.

Vrijhandel! in het belang der arbeidende klasse: beschermende rechten!
in het belang der arbeidende klasse: cellulaire gevangenissen! in het
belang der arbeidende klasse: dat is het laatste, het eenige ernstig
gemeende woord van het bourgeois-socialisme.

Het socialisme der bourgeoisie bestaat juist in de bewering, dat de
bourgeois bourgeois zijn--in het belang der arbeidende klasse.


3. HET KRITISCH-UTOPISCHE SOCIALISME EN COMMUNISME.

Wij spreken hier niet over de litteratuur, die in alle groote moderne
omwentelingen de eischen van het proletariaat uitsprak. (Geschriften
van Baboeuf, enz.)

De eerste pogingen van het proletariaat, om in een tijd van algemeene
opschudding, in het tijdperk van de omverwerping der feodale
maatschappij, onmiddellijk zijn eigen klassebelang door te zetten,
leden noodzakelijk schipbreuk door den onontwikkelden vorm van het
proletariaat zelf, zoowel als door het ontbreken der materieele
voorwaarden zijner bevrijding, die immers juist eerst het product
der burgerlijke periode zijn. De revolutionaire litteratuur, die
deze eerste bewegingen van het proletariaat begeleidde, is wat
inhoud betreft, noodzakelijk reactionair. Zij predikt een algemeen
ascetisme en een ruwe gelijkmakerij. De eigenlijke socialistische en
communistische stelsels, de stelsels van St. Simon, Faurier, Owen enz.
duiken op in de eerste onontwikkelde periode van den strijd tusschen
proletariaat en bourgeoisie, die wij boven hebben blootgelegd. (Zie:
Bourgeoisie en Proletariaat.)

De uitvinders van deze stelsels zien wel de tegenstelling der klassen,
en de werking der ontbindende elementen in de heerschende maatschappij
zelve. Maar zij ontdekken aan de zijde van het proletariaat geen
historische eigen werkzaamheid, geen aan dat proletariaat eigen
politieke beweging.

Daar de ontwikkeling der klassetegenstelling gelijken tred houdt met
de ontwikkeling der industrie, vinden zij evenmin de stoffelijke
voorwaarden voor de bevrijding van het proletariaat gereed, en zoeken
naar eene sociale wetenschap, naar sociale wetten, om deze voorwaarden
te scheppen.

In de plaats der maatschappelijke krachten moet hun persoonlijke
vindingskracht treden, in de plaats van de historische voorwaarden
der bevrijding fantastische, in de plaats van de langzaam gebeurende
organisatie van het proletariaat tot klasse de eigen uitgebroeide
organisatie der maatschappij. De toekomstige wereldgeschiedenis lost
zich voor hen op in de propaganda en de praktische uitvoering hunner
plannen.

Zij zijn zich wel bewust, in hun plannen voornamelijk het belang
der arbeidende klasse als der meest lijdende klasse te verdedigen.
Slechts onder dit gezichtspunt, van meest lijdende klasse, bestaat het
proletariaat voor hen.

De onontwikkelde vorm van den klassenstrijd, evenzeer als hunne eigen
plaats in het leven brengen het echter met zich, dat zij zich ver boven
iedere klassetegenstelling verheven achten. Zij willen den toestand van
alle medeleden der maatschappij, ook van de hoogsten, verbeteren. Zij
doen daarom voortdurend een beroep op de geheele maatschappij zonder
onderscheid, ja bij voorkeur op de heerschende klasse. Men heeft hun
stelsel immers slechts te begrijpen, om het als het best mogelijke plan
van de best mogelijke maatschappij te erkennen.

Zij verwerpen daarom alle politieke, en met name alle revolutionaire
actie, zij willen hun doel langs vredelievenden weg bereiken, en
probeeren, door kleine, natuurlijk mislukkende proefnemingen, door de
macht van het voorbeeld het nieuwe maatschappelijke evangelie een baan
te breken.

De fantastische schildering der toekomstige maatschappij ontspringt
in een tijd, waarin het proletariaat nog hoogst onontwikkeld is, dus
zelf zijn eigen positie nog fantastisch opvat, aan zijn eerste hoop- en
verwachtingsvol dringen naar een algemeene verandering der maatschappij.

De sociale en communistische geschriften bevatten evenwel ook critische
elementen. Zij tasten alle grondslagen der bestaande maatschappij
aan. Zij hebben daardoor zeer rijk materiaal tot inrichting der
arbeiders geleverd. Hun positieve stellingen over de toekomstige
maatschappij, b.v. de opheffing der tegenstelling tusschen stad en
land, der familie, van het privaat gewin, van den loonarbeid, het
verkondigen der maatschappelijke harmonie, de verandering van den Staat
in een bloote regeling der productie--al deze hunne stellingen drukken
slechts het wegvallen der klassetegenstelling uit, die zich juist eerst
begint te ontwikkelen, die zij nog slechts in haar eerste vormelooze
onbepaaldheid kennen. Deze stellingen zelve hebben daardoor nog een
zuiver utopische beteekenis.

De beteekenis van het critisch-utopische socialisme en communisme
staat in omgekeerde verhouding tot de historische ontwikkeling. In
dezelfde mate, waarin de klassenstrijd zich ontwikkelt en gestalte
aanneemt, verliest dit fantastische zich verheffen boven hem, deze
fantastische bestrijding van hem, alle practische waarde, alle
theoretische rechtvaardiging. Waren daarom de oorspronkelijke makers
dezer stelsels in menig opzicht revolutionair, zoo vormen toch hunne
leerlingen telkens reactionaire secten. Zij houden de oude zienswijzen
hunner meesters vast tegenover de historische verdere ontwikkeling
van het proletariaat. Zij zoeken dus consequent den klassenstrijd
weer af te stompen en de tegenstellingen door bemiddeling te doen
verdwijnen. Zij droomen nog altijd van de uitvoering, als proef, van
hunne maatschappelijke utopieën, stichting van enkele afzonderlijke
phalansteres[6], vestiging van home-kolonies, oprichting van een
klein Icarië--uitgaaf in duodecimo van het Nieuwe Jeruzalem--en tot
den bouw van al deze luchtkasteelen moeten zij een beroep doen op
de philantropie der burgerlijke harten en geldzakken. Langzamerhand
vallen zij in de categorie der boven afgebeelde reactionaire of
conservatieve socialisten en onderscheiden zich nog alleen van hen door
meer systematische pedanterie, door hun fanatiek bijgeloof aan het
wonderwerk hunner sociale wetenschap.

  [6] Home-kolonies (kolonies binnenslands) noemt Owen zijn
  communistische model-maatschappijen. Phalanstere was de naam der
  door Fourier uitgedachte maatschappelijke paleizen. Icarië heette
  het utopische fantasie-land, welks communistische inrichtingen Cabet
  heeft geschilderd.

Zij bestrijden daarom met verbittering elke politieke beweging der
arbeiders, die alleen uit blind ongeloof aan het nieuwe evangelie kon
voortkomen.

De Owenisten in Engeland, de Fouriëristen in Frankrijk treden op daar
tegen de Chartisten, hier tegen de Reformisten.


IV.

Verhouding der Communisten tot de verschillende oppositiepartijen.

In verband met Hoofdstuk II spreekt nu de verhouding der communisten
tot de reeds opgerichte arbeiderspartijen van zelf, dat wil dus zeggen
hun verhouding tot de Chartisten in Engeland en de landbouwhervormers
in Noord-Amerika.

Zij strijden voor de bereiking der naastbijliggende doeleinden en
belangen der arbeidersklasse, maar zij vertegenwoordigen in de
tegenwoordige beweging tegelijk de toekomst der beweging. In Frankrijk
sluiten de communisten zich bij de socialistisch-democratische[7]
partij aan tegen de conservatieve en radicale bourgeoisie, zonder
daarom het recht op te geven, critiek uit te oefenen op de uit de
revolutionaire traditie afkomstige frases en illusies.

  [7] De toenmaals socialistisch-demokratisch zich noemende partij in
  Frankrijk was de door Ledru-Rollin staatkundig, en door Louis Blanc
  letterkundig vertegenwoordigde; zij verschilde dus hemelsbreed van de
  huidige duitsche sociaal-democratie.

  (Noot van den vierden druk.)

In Zwitserland ondersteunen zij de radicalen, zonder te miskennen,
dat deze partij uit tegenstrijdige elementen bestaat, deels uit
democratische socialisten in franschen zin, deels uit radicale
bourgeois.

Onder de Polen ondersteunen de communisten de partij, die een
agrarische revolutie tot voorwaarde maakt voor de nationale bevrijding,
dezelfde partij, die den Krakauer opstand van 1846 in het leven riep.

In Duitschland strijdt de communistische partij, zoodra de bourgeoisie
revolutionair optreedt, gemeenschappelijk met de bourgeoisie tegen de
absolute monarchie, het feodale grondeigendom, en de kleine burgerij.

Zij laat evenwel geen oogenblik na bij de arbeiders een zoo klaar
mogelijk bewustzijn op te wekken over de vijandelijke tegenstelling
tusschen bourgeoisie en proletariaat, opdat de Duitsche arbeiders
terstond de maatschappelijke en politieke veranderingen, die de
bourgeoisie met hare heerschappij aanbrengen moet, als even zoo vele
wapens tegen de bourgeoisie kunnen keeren, opdat na de omverwerping
der reactionaire klassen in Duitschland, dadelijk de strijd tegen de
bourgeoisie zelve begint.

Op Duitschland richten de communisten voornamelijk hunne
opmerkzaamheid, omdat Duitschland aan den vooravond eener burgerlijke
revolutie staat, en omdat het deze omwenteling onder verder gevorderde
omstandigheden der Europeesche beschaving in het algemeen, en met een
veel verder ontwikkeld proletariaat uitvoert, dan Engeland in de 17e en
Frankrijk in de 18e eeuw; de Duitsche burgerlijke revolutie dus slechts
het onmiddellijke voorspel eener proletarische revolutie zijn kan.

Met één woord, de communisten ondersteunen overal iedere revolutionaire
beweging tegen de bestaande maatschappelijke en staatkundige toestanden.

In al deze bewegingen brengen zij het eigendomsvraagstuk welken meer
of minder ontwikkelden vorm het ook moge aangenomen hebben, als het
hoofdvraagstuk der beweging op den voorgrond.

De communisten werken eindelijk overal aan de onderlinge verbinding en
verstandhouding der democratische partijen aller landen.

De communisten versmaden het, hun overtuiging en hun bedoelingen te
verheimelijken. Zij verklaren het openlijk, dat hun doel slechts
bereikt kan worden door de gewelddadige omverwerping van alle tot nu
toe heerschende maatschappelijke orde. Dat de heerschende klassen
sidderen voor eene communistische omwenteling. De proletariërs hebben
bij haar niets te verliezen dan hunne ketenen. Zij hebben een wereld te
winnen.


~Proletariërs aller landen, vereenigt u!~




  =In den Brochurenhandel der S. D. A. P.,
  KEIZERSGRACHT 378 = AMSTERDAM,
  zijn o.m. de volgende Brochures verkrijgbaar:=

  H. GORTER.               =De Grondslagen der Sociaal-Democratie= Prijs
                           f0.10, fr. p. p. f0.14.

  H. GORTER.               =Sociaal-Democratie en Anarchisme.= Prijs
                           f0.06  fr. p. p. f0.09.

  J. H. SCHAPER.           =De Sociaal-Democratie en wat er van gezegd
                           wordt.= Prijs f0,07⁵ fr p. p. f0,10⁵.

  W. H. VLIEGEN.           =Arbeiderspensioneering.= Prijs f0.05. fr.
                           p. p. f0.07.

  P. L. TROELSTRA.         =Sociaal-Christendom.= Over de verhouding van
                           Christendom en Socialisme. Prijs f0.05 fr.
                           p. p. f0.07.

  ADOLF BRAUN.             =Op voor den Achturendag!= Prijs f0.07⁵, fr.
                           p. p. f0.05⁵.

  H. SPIEKMAN.             =De onafhankelijke Vakbeweging en de
                           S. D. A. P.= Prijs f0.03 fr. p. p. f0.05.

  S. K. BAKKER.            =Naast het Kruis de Roode Vaan!= Prijs f0.07
  Predikant te Bolsward.   fr. p. p. f0.08.

  KARL MARX en             =Het Communistisch Manifest=. Vertaling van
  FRIEDRICH ENGELS.        H. GORTER Prijs f0.20, fr. p. p. f0.24.

  A. DIJKGRAAF.            =Liberale Zegeningen en Sociale Nooden.=
                           Prijs f0.05 fr. p. p. f0.07.

  J. E. W. DUIJS           =Theorie en praktijk der Liberalen en
                           Vrijzinnig-Democraten.= Prijs f0.05 fr. p. p.
                           f0.08.

  J. H. SCH.               =Hoe woont gij?= Prijs f0.02, fr. p. p.
                           f0.03.

  J. H. SCH.               =Van Zomerweelde en Wintertijd.= Prijs f0.02
                           fr. p. p. f0.03.

                           =Waarom wij het Kiesrecht willen.= Prijs
                           f0.03 fr. p. p. f0.05.

  KARL KAUTSKY             =De Sociaal-Democratie en de Katholieke
                           Kerk.= Prijs f0.10 fr. p. p. f0.13.

  KARL KAUTSKY             =Bernstein en het Sociaaldemocratisch
                           Program.= Prijs f0.60 fr. p. p. f0.70.

  PAUL PFLUGER             =Vrijheid en Gelijkheid.= Prijs f0.03, fr.
                           p. p. f0.04.


  =HET VOLK= =DAGBLAD v/d ARBEIDERSPARTIJ=
             =10 cent per week, f1.30 per kwartaal=

  =MET POLITIEK-SATIRIEK WEEKBLAD= [Illustratie]

  =De Notenkraker= =15 cent per week, f 1.95 per kwartaal=

  Proefnummers 8 dagen gratis ⁛ Bureaux: Keizersgracht 378, Amsterdam




  Opmerkingen over deze transcriptie


  Inconsistente en ongebruikelijke taal (in spelling, gebruik
  van diakritische tekens, etc.) zijn niet gecorrigeerd of
  gestandaardiseerd, behalve zoals hieronder aangegeven.

  Afhankelijk van de hard- en software die gebruikt wordt voor het
  lezen van deze e-tekst en hun instellingen kunnen sommige elementen
  anders weergegeven worden dan voorzien bij het maken van deze
  transcriptie.

  Pag. 14, ...steeds in het belang der geheele beweging...: het woord
  ‘in’ is overbodig.

  Pag. 23, zin beginnend met Wanneer het proletariaat in den strijd
  tegen de bourgeoisie...: de zin is incompleet.


  Veranderingen

  Voetnoten zijn verplaatst naar onder de alinea waar ze bij horen.

  Enkele overduidelijke zetfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd.

  Pag. v, voetnoot 1: sluit-aanhalingsteken ingevoegd na ...op het
  spoor gekomen.

  Pag. 25: ...of het wil de moderne productie- en verkeersmiddelen...
  veranderd in ...òf het wil de moderne productie- en
  verkeersmiddelen....

  Pag. 29: ...dat verlangt het in den grond... veranderd in ...dan
  verlangt het in den grond....

  Pag. 32 (voetnoot): Icarie heette het utopische fantasie-land...
  veranderd in Icarië heette het utopische fantasie-land....


*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET COMMUNISTISCH MANIFEST ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.