Vogelalbum No. 1

By K. B. Boedijn

The Project Gutenberg eBook of Vogelalbum No. 1
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Vogelalbum No. 1

Author: Karel Bernard Boedijn

Illustrator: H. J. Wolff


        
Release date: May 26, 2026 [eBook #78761]

Language: Dutch

Original publication: Haarlem: N.V. Haarlemsche stoomzeepfabriek "Het Klaverblad", 1923

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78761

Credits: The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VOGELALBUM NO. 1 ***




                            VOGELALBUM No 1


                                  DOOR
                               K. BOEDIJN


                          WAARIN TE BEVESTIGEN
                        „KLAVERBLAD’S” PLAATJES
    WELKE ZICH BEVINDEN IN DE VERPAKKING VAN DE BEKENDE EN GEZOCHTE
              KARNEMELKZEEP No. 340, MERK „HET MELKMEISJE”

                           (NADRUK VERBODEN)

                              UITGEEFSTER:
      N.V. HAARLEMSCHE STOOMZEEPFABRIEK „HET KLAVERBLAD”, HAARLEM








VOORWOORD.


Op het verzoek van mijn opdrachtgevers, een album over vogels te
schrijven, ben ik niet dan na lange aarzeling ingegaan. Er waren
zoovele bezwaren, waarvan het ergste wel was, dat mijn eigen ervaring
op dit gebied zich niet verder uitstrekte dan tot de inheemsche vogels.
Wat betreft text en illustratie der exoten, dienden dus alle gegevens
aan andere bronnen ontleend. Zooveel mogelijk heb ik echter getracht
dit bezwaar te ondervangen, door te laten teekenen naar het uitgebreide
materiaal in de verzamelingen van het Koninklijk Zoölogisch
Genootschap: „Natura Artis Magistra”. Waar het levende ontbrak, werd
gewerkt naar ’t opgezette, dat dank zij de welwillendheid van de
directie van dit Genootschap, steeds tot beschikking van den
illustrator, den heer H. J. Wolff, stond. Schoten deze collecties
evenwel beide te kort, dan werd de toevlucht tot boeken genomen.

Dat Brehm, zoowel door den heer Wolff voor de illustraties, als door
mijzelf voor de text, herhaaldelijk is geraadpleegd, spreekt haast
vanzelf. Doch ook het werk van Livingstone Bull, Lissmann, Gould,
Temminck, Schlegel, Meerwardt en Soffel, Thysse, Schillings, Wood en
nog zoovele anderen, hebben den illustrator in de voor hem zoo
buitengewoon moeilijke taak terzijde gestaan. Bij de indeeling in
hoofdstukken en de volgorde der vogels heb ik mij evenwel niet aan
Brehm, maar aan de systematiek van Reichenow willen houden.

Voelde ik dit alles van te voren reeds als groote moeilijkheden, bij de
arbeid bleek het nog zwaarder te wegen dan ik vermoed had.

Tenslotte helpt dezelfde gedachte, die mij in den aanvang het aanbod
deed aanvaarden, mij nu bij de voltooiing ook weer over al deze
bezwaren heen: de bedoeling van dit album is slechts, aan kinderen een
eenvoudig en onopgesmukt verhaal over vogels te doen.


K. BOEDIJN.

Amsterdam, Mei 1923.








Heel achter in den mooien ouden Artis-tuin, op een plekje, dat bij de
gewone zomerbezoekers niet in trek is, leven een paar
vertegenwoordigers van de groep der


LOOPVOGELS (RATITÆ).


Toch is het de moeite waard er een bezoek te brengen. Niet alleen om de
mooie hooge boomen, of om de smaakvolle verwildering, die er heerscht,
al doet het in deze opzichten zeker niet onder voor vele andere,
ongerept mooie plekjes van dezen ouden tuin. Maar vóóral verdienen de
grappige en merkwaardige vogels, die er met deftige passen door het hok
stappen, een bezoek. Hun kleine vinnige kop met de scherpe heldere
oogen steken zij nieuwsgierig boven het hooge hek. Zij kijken of de
bezoekers iets in het mandje hebben, dat van hunne gading is en rekken
hun langen hals daartoe tot op het uiterste.

Wie wel eens reisverhalen heeft gelezen, weet dat deze Loopvogels thuis
hooren in de woestijnen en steppen van Afrika, Australië, en
Zuid-Amerika. Zij behooren tot de grootste van alle levende vogels.
Ieder van deze werelddeelen bezit een eigen soort. Zoo is de
struisvogel karakteristiek voor Afrika, de nandoe voor Zuid-Amerika en
de emu voor Australië.

De naam van de groep: „Loopvogels” dankt deze aan ’t feit, dat z’n
vertegenwoordigers niet vliegen kunnen, zooals andere vogels, doch met
hunne lange pooten verbazend hard loopen. Zóó hard, dat een man te
paard soms moeite heeft hen bij te houden. Dat is nog zoo’n wonder
niet, want een hardloopende struisvogel kan passen van 2 à 2½ meter
maken.

Het jagen van deze dieren is dan ook lang geen gemakkelijk werkje.
Juist dáárom is het voor sommige menschen zoo’n groot genoegen, want
het geeft de trotsche voldoening iets moeilijks gedaan te hebben.

Dat struisvogel, nandoe, casuaris, emu en kiwi loopen in plaats van
vliegen, zooals de gewone vogels doen, wordt van zoo groot belang
geacht, dat men deze vogels, die eigenlijk geen familie van elkaar
zijn, heeft samengebracht tot één groep, die hier, in tegenstelling met
de vijf volgende groepen, een zoogenaamde „biologische eenheid” is. Men
bedoelt er mee: een vereeniging van dieren (of planten) met een zelfde
merkwaardige levenswijze, waardoor zij opvalland van hunne verwanten
verschillen.

Het vermogen om te vliegen, hebben de loopvogels geheel verloren,
hoewel hunne voorouders dit ongetwijfeld bezeten hebben en hunne
familieleden dit nog bezitten. Hoe het precies gegaan is en waardoor,
is moeilijk te zeggen. De makkelijkste manier om het te verklaren,
hebben de inboorlingen van Afrika voor hun loopvogel, den struis: zij
meenen, dat het een straf is.

Want eens, heel lang geleden, hadden de struisvogels vleugels, even
mooi en gaaf en sterk als alle andere vogels. In een vlaag van hoogmoed
verbeeldden zij zich met die mooie vleugels naar de zon te kunnen
vliegen en ondernamen dien tocht. Steeds hooger vlogen zij, al maar
hooger, tot ver boven de hoogste bergen en verder nog. Maar de zon, die
boos geworden was over hunne verwaandheid, besloot hen te straffen. Zij
verborg zich daartoe achter een wolk en liet de vogels heel dicht bij
komen. Plotseling echter kwam zij te voorschijn en scheen met volle
kracht. Haar stralen waren zoo heet, dat hen de vleugels verschroeiden
en zij terug vielen op de aarde. Door de snelheid van den val en de
kracht van de botsing verpletterden zij hunne borst, die daardoor tot
op dezen dag plat bleef. Hunne vleugels waren zoo verknoeid, dat zij er
nooit meer mee konden vliegen.

Wanneer we een vleugel van een struisvogel bijv., vergelijken met die
van andere vogels, valt die ongeschiktheid tot vliegen duidelijk op.
Bekijken we de vleugels als geheel, dan zien we, dat die van een
gewonen vogel zoo ingericht zijn, dat ze een zeer dicht en stevig
geheel vormen. Ze zijn in staat bij iedere vleugelslag de noodige
weerstand aan de lucht te bieden. En het is juist die weerstand, die
het vliegen mogelijk maakt.

Wanneer men het vliegen vergelijkt met roeien, is dit gemakkelijk te
begrijpen. Zooals door de kracht, waarmee de roeiriemen de weerstand
van het water overwinnen, de boot vooruit komt, zóó komt de vogel
vooruit, die door de kracht van z’n vleugelslag de weerstand van de
lucht overwint.

De vleugel van een struisvogel daarentegen is een zeer los en luchtig
geheel. De lucht gaat er aan alle kanten doorheen, waardoor het
weerstandsvlak aanzienlijk kleiner wordt. Wie wel eens gezeild heeft of
met aandacht naar zeilende schepen heeft gekeken, zal mij begrijpen als
ik zeg, dat een struisvogelvleugel is als een zeil vol gaten. De
vleugels van gewone vogels daarentegen zijn als zeilen van het
dichtste, fijnste weefsel, dat nergens de lucht doorlaat en aan den
wind het grootst mogelijke oppervlak biedt.

De oorzaak van de geschiktheid van de eene vleugel om te vliegen en de
ongeschiktheid van de andere hiertoe ligt in het verschil der veeren,
waaruit ze zijn samengesteld.

Neem maar eens een kippe of duiveveer en vergelijk die met de
struisveer van moeders hoed. Hoe stevig en vast zit de eerste in
elkaar, terwijl de laatste juist zoo mooi is door de zachte losse
krullen.

Die stevigheid heeft de kippeveer (fig. 1) in de eerste plaats te
danken, aan de sterke schacht, maar ook aan de vlag. Deze heeft n.l.
een inrichting, die de samenstellende deeltjes, de baarden, tot een
geheel maakt, dat ondoorlaatbaar is voor lucht. Deze baarden dragen
daartoe aan weerszijden de baardjes, die op hunne beurt voorzien zijn
van haakjes, die in elkander grijpen. (fig. 2)

De veeren van de loopvogels daarentegen, hebben een slappe en buigzame
schacht en de baardjes missen de haakjes, waardoor de veer los en
haarachtig blijft. Een andere verandering, die het gevolg is van het
niet-vliegen der loopvogels, is aan den levenden vogel niet te zien.
Maar wel aan zijn geraamte.

Vogels, die vliegen, hebben een grooten, naar voren uitstekenden
beenigen kam aan het borstbeen. (fig. 3a) Als er eens kip of eend
gegeten wordt, moet je er eens op letten. Die beenplaat dient om de
groote spieren, die noodig zijn voor de beweging der vleugels, vast te
hechten en ’t beste boutje van de kip wordt er door gevormd.

De loopvogels nu missen deze spieren en daarmee den kam. Hun borstbeen
is geheel vlak, (fig. 3b) ’t geen hun ook den naam van
Vlakborstbeenigen (Ratitæ) heeft bezorgd.



§ 1. DE STRUISVOGEL (STRUTHIO CAMELUS) (No. 1) is wel de meest bekende
van alle loopvogels. Een bekendheid, die hij voornamelijk dankt aan de
pracht van z’n veeren, welke die zijner groepgenooten in Australië en
Amerika ver overtreffen. De losheid en soepelheid van een struisveer is
dan ook zonder weerga. Zoowel de vrouwen van tegenwoordig als de
prachtlievende mannen uit de middeleeuwen gaven er gaarne veel geld
voor.

Hoewel oorspronkelijk te vinden in alle Afrikaansche woestijnen en
steppen, waar eenige plantengroei was, is deze vogel uit veel van zijne
woonplaatsen verdrongen door de komst der Europeanen. Ook zijn ze
schaarscher geworden door de jacht, die zoowel inboorlingen als blanken
terwille van hunne kostbare veeren op hen maakten. Al naar de
geaardheid van den mensch, die op jacht gaat, zijn de middelen, die hij
voor de jacht gebruikt. De Boer van Zuid-Afrika of de Bedouin van ’t
Noorden van dit werelddeel gebruikt zijn sterkste en snelste paard en
zijn beste geweer op de struisvogeljacht. De kleine zwakke Bosjesman
daarentegen, wapent zich met een bundel vergiftige pijlen en........
list. Hij is door slimheid sterk en weet er de groote vogel mee te
overwinnen.

Zoodra een Bosjesman een kudde struisvogels ergens ziet grazen, smeert
hij z’n beenen tot aan de heup in met kalk, terwijl hij een
struisvogelhuid op z’n rug bindt. In de hals van die huid steekt hij
een stok. Nu nadert hij voorzichtig de vogels, steeds zorgvuldig van
den wind loopend. Nam hij deze voorzorgsmaatregel niet en naderde hij
de vogels zóó, dat de wind zijn geur naar hen toevoerde, dan zouden zij
direct vluchten.

Bemerken de vogels z’n komst zonder dat zij iets verdachts ruiken, dan
zijn zij toch al onrustig en kijken den vreemden indringer wantrouwend
aan. Op een nieuweling in hun kudde zijn zij niet erg gesteld. De
Bosjesman, die de vogels in hunne gewoonten goed kent, loopt niet
regelrecht op z’n wild af. Hij bootst zooveel mogelijk een echten vogel
na. De kop met den stok brengt hij naar den grond en beweegt hem, alsof
hij voedsel zoekt. De andere verliezen hun achterdocht en gaan weer
rustig met grazen door. Eindelijk, als de zoogenaamde struis dicht
genoeg genaderd is, schiet hij z’n eerste pijl af. Wanneer de struizen
hun kameraad gewond zien, worden zij woedend en willen den vreemden
indringer te lijf. Rennend komen zij naderbij om hem met hunne lange
pooten omver te trappen. Zij hebben daartoe kracht genoeg. Een sterke
man valt van zoo’n trap al om, zeker dus de kleine Bosjesman. Deze
verandert nu gauw van plaats en gaat zoo staan, dat de vogels lucht van
hem krijgen. Zoodra deze merken, dat het een mensch is, in plaats van
een vogel, waarvoor zij hem hielden, draaien zij regelrecht om en
loopen zoo hard weg als zij kunnen. Vliegensvlug gooit de Bosjesman z’n
lastig struisvogelpakje af. Deze „geleende veeren” belemmeren zijn
bewegingen te veel, hij schiet hen alle pijlen achterna en als geoefend
jager, maakt hij op deze manier wel 4 of 5 vogels buit.

Vroeger had vooral het mannetje het zwaar te verantwoorden, omdat zijn
groote zwarte veeren zooveel mooier zijn, dan de bruine van ’t wijfje.
Sinds men tegenwoordig evenwel over een zeer volmaakte bleek- en
kleurtechniek voor veeren beschikt, is het verschil in prijs zoo groot
niet meer. De allermooiste zitten evenwel in de staart. Toch worden die
der vleugels ook veel verwerkt.

De Zuid-Afrikaansche Boeren zijn begonnen de vogels in gevangenschap te
houden, zoo ongeveer als onze voorouders eens met de wilde koeien
gedaan hebben. Langzamerhand, door zorgvuldige kruising en het
uitoefenen van „teeltkeus”, dat is, het voortteelen met de kalfjes van
koeien, die de beste eigenschappen (bijv. ’t geven van veel melk)
hebben, verkregen wij onze puike Hollandsche melkkoeien. De
Zuid-Afrikaansche Boer doet hetzelfde met z’n struisvogels. Hij laat ’t
liefst de eieren uitbroeden van diè ouders, die de mooiste veeren
hebben. Vooral in Kaapland is deze teelt een heel aparte tak van
bestaan geworden. De struisvogelboeren hebben ’t evenwel lang niet
gemakkelijk, daar de waarde van de veeren wisselt met de mode. En van
alle grillige en inconstante dingen is zij de meest grillige en
inconstante.

Zijn de veeren „mode” en is de vraag er naar groot dan zijn ze veel
duurder, dan in de tijden, dat de vrouwen naar iets anders grijpen om
zich op te sieren. Toch moeten ook in de slappe tijd de veeren
regelmatig „geoogst” worden. Vroeger werden ze daartoe eenvoudig
uitgetrokken. Dit was echter te wreed en bovendien te onvoordeelig,
daar de vogels na die behandeling vaak aan de bekomen wonden stierven.
Tegenwoordig knipt men de veeren dan ook vlak op de huid af. Het stukje
schacht, dat nog in de huid blijft zitten, de ziel, valt er na een
tijdje vanzelf uit. Gebeurt dat niet dan wordt het er voorzichtig
uitgetrokken. Deze bewerking hindert dan niet meer, omdat de veer tegen
dien tijd wel „rijp” zou geweest zijn en er met het ruien vanzelf
uitgevallen zou zijn. Het is heel verstandig van den Boer om de rui
niet af te wachten maar de veeren af te knippen, zoodra ze op het
mooist zijn. Veeren, die van zelf uitvallen, zijn lang zoo gaaf niet
meer. Ze zijn versleten in al die maanden, dat de vogel hen droeg. De
zachte fijne baarden en baardjes zijn dan verdwenen.

Ruien is het periodiek „verveeren” wat vogels doen. Iedere nazomer
verliezen zij hunne veeren, die dan oud en versleten zijn. Dan groeien
in ’t najaar nieuwe veeren in de plaats van deze oude. Maar vaak genoeg
zijn vogels er erg berooid aan toe, wanneer de oude veeren uitgevallen
zijn en de nieuwe er nog niet voor in de plaats zijn gekomen of nog
niet in voldoende mate groot zijn. Sommige van de later te behandelen
vogels kunnen zoo armzalig in hunne veeren zitten, dat zij niet eens
vliegen kunnen. Maar als de nieuwe veeren er zijn en ’t „winterkleed”
klaar is, zijn zij weer voor een jaar ingespannen. Struisveeren worden
leelijker van ’t voortdurend meedragen, doch veel andere veeren worden
er mooier van. Want door ’t afslijten van de veeren verdwijnt de
vaalheid er van en komen vaak prachtige glanzen over het dier, dat dan
in zijn zoogenaamd bruilofts- of prachtkleed is. Als dàt versleten is,
is ’t met de veeren gedaan; ze zijn dan op, en de rui gaat beginnen.

Het houden van struisvogels in gevangenschap, heeft gelegenheid gegeven
hunne levenswijs te bestudeeren. Dit was in de natuurstaat heel
moeilijk, omdat de vogels zoo schuw en wild zijn.

Struisvogels leven gewoonlijk in kudden, vaak in gezelschap van zebra’s
en antilopen, zij „grazen” van woestijn- en steppenplanten. Echte
vegetariërs zijn het evenwel niet. Als zij het krijgen kunnen,
vergasten zij zich zelf op vleesch. Menige kikker, jonge vogel en
woestijnrat, wordt door hen verschalkt.

Eens in ’t jaar, op bepaalde tijden, breekt er strijd los in de anders
zoo rustige kudde. De mannetjes vechten dan, elkaar met hunne lange
pooten trappend en krabbend, om de vrouwtjes.

Bij die gevechten gaat het warm toe. Menig mannetje, dat tegen z’n
sterken mededinger niet opgewassen is, druipt af, bloedend uit wonden,
die de scherpe nagels van z’n tegenstander gemaakt hebben.

Als een haan de uitverkoren hen veroverd heeft, verlaten zij samen de
kudde om een plaatsje voor hun nest te gaan zoeken. Zij zijn gauw
tevreden. Een stukje grond met wat steenen en struiken er om heen is
voor hen al goed genoeg. Het mannetje gaat op zoo’n plek met de borst
op den grond liggen en krabbelt met z’n pooten de aarde onder zich weg
totdat hij een ondiep kuiltje heeft verkregen. Het vrouwtje, dat vol
ongeduld en met levendige belangstelling naar ’t werk heeft gekeken,
legt er, zoodra het klaar is, een mooi groot wit ei in. Dit doet zij
geregeld om den anderen dag totdat er 15 of 16 eieren zijn. Dan gaat
zij aan het broeden. De eerste twee dagen blijft zij onafgebroken
zitten zonder aan eten of drinken te denken. Daarna komt het mannetje
haar aflossen en in het vervolg broeden zij om beurten. Het vrouwtje
zit overdag op de eieren, ’t mannetje ’s nachts. Geduldig blijft de een
zitten tot de ander er is om af te lossen.

Onbewegelijk, plat tegen den grond gedrukt, de lange hals recht voor
zich uit, zitten zij. En wonderlijk is het, dat het verschil in kleur
van zoo groote beteekenis voor hen is in verband met de tijd van het
broeden. De grauwe kleur van ’t vrouwtje doet haar lijken op een steen.
Overdag is zij van haar omgeving ook moeilijk te onderscheiden,
onbewegelijk als zij zit. Het mannetje in z’n pikzwart kleed lost zich
geheel op in de schaduwen van den nacht.

In zeer heete streken worden de eieren wel eens onder het warme zand
gelegd en door de zon uitgebroed. De vogels houden er evenwel trouw de
wacht bij tot de jongen zijn uitgekomen. Na 40 dagen zijn zij er:
grappige kleine diertjes, die naar men zegt, meer op een egel dan op
een jongen vogel moeten lijken. Hunne veeren zijn niets anders dan
breede, platte, driehoekige schachten, die ver van het lichaam afstaan
en als stroo ritselen. Na 2 maanden verliezen zij de nestveeren en
krijgen zij bruine veeren van dezelfde kleur als die van hunne moeder.
Na 2 jaar beginnen de mannetjes hun zwarte veeren te krijgen en na nog
eens 2 jaar is hun nieuwe zwarte pak klaar. Vol trots gaan zij daarmee
de wijde wereld in om zich een vrouw te zoeken.



§ 2. Andere vertegenwoordigers van de Loopvogels zijn de NANDOES (RHEA
AMERICANA) (No. 2), die in de steppen van Zuidelijk-Zuid-Amerika leven.
Zij vergezellen daar vaak de kudden herten. De naam „Nandoe” hebben de
inboorlingen (Gaucho’s) hen gegeven naar de klank waarmee ’t mannetje
z’n wijfje in ’t voorjaar roept. Dat voorjaar in Zuid-Amerika begint
evenals in alle landen van ’t Zuidelijk Halfrond als wij op de
Noordelijke aardhelft herfst krijgen.

Een nandoe haan leeft evenals de haan van onze kippen met meerdere
hennen. Gewoonlijk zijn ’t er een stuk of zeven. Zij hebben te samen
een bepaald gebied, waarin geen andere nandoe haan met z’n harem geduld
wordt.

Al de 6 of 7 hennen leggen hunne eieren in één gemeenschappelijk nest.
Dit is een kuiltje met wat stroo, dat de haan voor hen heeft
klaargemaakt. Soms liggen er 40–80 eieren in, maar meestal is het
minder. Zijn het er genoeg naar de zin van de haan, dan gaat hij ze
bebroeden. Soms leggen de hennen nog wel eenige eieren naast het nest,
die rolt de haan er dan voorzichtig in. Daar ’t mannetje van de
Nandoe’s alleen broedt, zijn de vrouwtjes niet meer noodig. Als zij
geen eieren meer leggen gaan zij weg. Zij blijven evenwel zorgvuldig in
’t gebied, dat aan hun haan behoort.

Na 6 weken broeden komen de eieren uit. Twee dagen blijven de jonge
vogels nog lekker warm onder „Vaders vleugels”. De derde dag begint hun
maagje te rammelen en gaan zij onder Vaders bescherming het eerste
voedsel zoeken. Zij worden dan heel gauw sterk en groot. Na 4 dagen
zijn zij zóó vlug, dat geen mensch hen meer in kan halen. Zoodra zij
groot genoeg zijn om op zich zelf te kunnen passen, verlaten zij met de
ouders hun gebied en vereenigen zij zich met de families uit de
naburige streken. Het verband in een dergelijke kudde is veel losser
dan in de familie. Allerlei toevallige omstandigheden snijden stukjes
van zoo’n kudde af. Maar die stukjes voegen zich weer rustig bij
vreemde kudden. Eén van die toevallige omstandigheden is bijv. de
jacht, die de Gaucho’s (spreek uit Ka-oe-tsjoos) op hen maken.

Deze Gaucho’s zijn een ruitervolk bij uitnemendheid. Zij komen haast
niet van hun paard af en zijn hartstochtelijke jagers. De nandoejacht
is dan ook een zeer geliefde sport. Ook al weer natuurlijk, omdat ze
moeilijk is en het hun eerzucht prikkelt, die moeilijke dingen te
volbrengen. Hun voornaamste wapen is de „bolas”, als men dat tenminste
een wapen noemen wil. In ’t gebruik doet een bolas aan een lasso
denken, omdat beide weggeslingerd worden. Waar de lasso altijd door de
hand van den mensch aan de zadelknop van den jager vast blijft zitten,
zoodat het gevangen dier door de kracht van het paard wordt
tegengehouden, blijft de bolas los.

Een bolas bestaat uit 2 of 3 zware ijzeren of steenen kogels (fig. 4)
in een leeren zakje gepakt en aan leeren koorden gebonden. Dit werktuig
wordt eenige malen snel om het hoofd geslingerd en dan plotseling los
gelaten. Met groote vaart vliegen ze door de lucht, regelrecht op hun
doel af. Ze vallen en verwarren zich om de pooten van ’t vluchtende
dier. Dit struikelt, de jager komt en doodt het hulpeloos slachtoffer
met z’n mes. Hoewel, voor zoover het het slingeren van de bolas
betreft, het vangen een groote behendigheid vereischt, is dit niet het
moeilijkste gedeelte van de jacht.

De nandoes, hebben evenals alle wild levende dieren de gewoonte om met
de kop in den wind te grazen. Ze vreezen vijanden—en de wind waarschuwt
hen door ’t meevoeren van geuren, wanneer er gevaar dreigt.

De Gaucho’s, die deze gewoonte natuurlijk kennen, doen er hun voordeel
mee en besluipen hen van achteren. Een ander gedeelte der jagers
verschuilt zich voor de troep, doch zorgt, dat zij zooveel mogelijk uit
den wind blijven.

Zoodra de nandoes de hen van achteren besluipende Gaucho’s in de gaten
krijgen, loopen zij weg zoo hard zij kunnen. En hardloopen doen zij
haast zoogoed als een struisvogel. Zij vluchten, zooals alle levende
dieren, in den wind. Plotseling treedt het andere gedeelte der jagers
in hun weg. De vogels zijn besluiteloos, weten niet meer, welke kant
zij zullen opgaan en loopen in de grootste verwarring door elkaar. De
Gaucho’s slingeren nu hunne bolassen en vangen een groote menigte
vogels.

Aan deze inboorlingen hebben de nandoes een verschrikkelijken hekel,
wat zij toonen door zoover mogelijk uit hunne buurt te blijven. De
blanken daarentegen mogen zij graag lijden en toonen hun dit openlijk.
Een nandoe, die aan hun woningen om voedsel komt vragen, is geen
zeldzaamheid. Sommige worden zelfs zoo tam, dat zij op bepaalde tijden
komen, net als bij ons ’t roodborstje of een musch wel gewend is, om na
het eten op ’t vensterkozijn kruimels te komen zoeken.

Behalve deze voorkeur van den blanke zelf, toont de nandoe nog een
uitgesproken voorliefde voor de gewassen, die uit Europa meegebracht
zijn. Op blijken van deze ingenomenheid is de blanke minder gesteld.
Want heeft hij ’t ongeluk gehad een gewas te planten, dat bij nandoes
in den smaak valt, dan blijft er geen spriet van staan, als de vogels
er langs zijn gekomen.

Toch wordt dit wel weer vergeven, als het niet al te vaak gebeurt. De
vogels maken zich aan den anderen kant ook weer verdienstelijk. Zij
eten n.l. graag de zaden van een lastig onkruid, een soort klit. Deze
klitten verwarren zich in ’t haar van ’t vee en zijn er heel moeilijk
uit te verwijderen. Hoe meer de nandoe er dus oppikt, hoe liever het
den veeboer is.



§ 3. In Australië leeft een loopvogel, ongeveer zoo groot als een
struisvogel (± 2 M.)

Vroeger inheemsch op ’t geheele vaste land van Australië en op de
omliggende eilanden, houdt de EMU (DROMAEUS NOVAE HOLLANDIAE) (No. 3)
zich tegenwoordig alleen nog staande in de groote vlakten van
Zuid-Australië. Heel gauw zullen zij ook daar zeldzaam of uitgestorven
zijn, want de blanke mensch is hun allergrootste vijand. Het Engelsche
gouvernement heeft de vogels in bescherming genomen en het dooden ervan
verboden. De Australische kolonisten lachen evenwel om die wet, sinds
er in de uithoeken waar de emu leeft, niemand is, om die wetten te
handhaven.

Daar emu’s gemakkelijk broeden in gevangenschap, is het niet onmogelijk
jonge emu’s te zien te krijgen. De emu-man besteedt meer zorg aan z’n
nest, dan de struis of nandoe. De kuil, die tot nest moet dienen,
bedekt hij met gras en bladeren, soms zelfs met boomschors. Het eenige
vrouwtje, dat de emu-haan heeft, legt in verloop van veertien dagen zes
à zeven eieren, die ’t mannetje netjes op een rij schikt. Zoodra het
leggen afgeloopen is, is het werk voor ’t vrouwtje gedaan, want ’t
broeden houdt het mannetje geheel voor zich. En dat is maar goed ook,
daar ’t wijfje ’t broedsel vernielt en de jongen doodt, wanneer zij er
kans toe ziet. Na 60 dagen trouw bebroed te zijn, komen de jongen uit
het ei. 3 Maanden blijven zij onder de hoede van hunnen vader. Dan zijn
zij half volwassen en kunnen voortaan voor zich zelf zorgen. Na een
jaar zijn zij geheel volgroeid.

Aan de emu nauw verwant is de CASUARIS, die in de dichte bosschen van
Australië en de omliggende eilanden leeft. Hij komt ook voor op
Nieuw-Guinea. Uiterlijk onderscheidt hij zich van de emu door de
kleurige kop met de haanachtige lellen, de zoogenaamde „bef”. Het is
een zeer kwaadaardige vogel. De exemplaren, die in dierentuinen
voorkomen, zijn alle zeer jong gevangen en tijdens hun ontwikkeling aan
menschen gewend geweest. Een volwassen dier, dat in gevangenschap werd
gehouden, zou niet te regeeren zijn.

Typisch, zoowel voor emu als casuaris is ’t verschijnsel, dat bij deze
vogels uit iedere spoel van de veeren twee schachten komen. Bij andere
vogels is die tweede veer de z.g. „bijveer” meest slechts in aanleg
aanwezig. Soms ook is hij veel duidelijker, hoewel hij klein blijft.
Nergens elders dan bij emu en casuaris vindt men ’t, dat deze bijveer
even lang wordt.



§ 4. De allermerkwaardigste van de Loopvogels is misschien wel de KIWI
(APTERYX MANTELLI) (No. 4), die op Nieuw-Zeeland voorkomt. Het is een
uitgesproken nachtdier. Overdag heel stil en haast nooit te zien, komt
hij ’s nachts te voorschijn om in den maneschijn naar wormen, insecten
en insectenlarven te zoeken. Z’n lange snavel graaft hij tot aan den
wortel in den grond. Heeft hij beet, dan trekt hij z’n kop met de
uiterste voorzichtigheid terug. Het is of hij er zich een eer instelt
zoo kunstig te werk te gaan, dat hij de worm niet schaadt. Misschien
ook is het alleen, omdat hij voor niets ter wereld iets van de
kostelijke versnapering verloren wil laten gaan.

Voelt hij evenwel geen worm, dan trekt hij z’n snavel driftig terug om
hem direct daarop weer op een andere plaats in den grond te steken.

De kiwi weet zich goed schuil te houden, zoo zelfs dat de inboorlingen
van Nieuw-Zeeland nagenoeg niets van z’n intieme leven weten. Een
enkele keer is er tusschen de wortels van een kauriboom een nest met
één ei gevonden. De ouders hadden zich dan nog dieper in de holten
verscholen en werden er uit te voorschijn gehaald.

Iets is er evenwel van hun broedgewoonten bekend, sinds de kiwi’s in de
Londensche dierentuin, waar zij vrij geregeld aanwezig zijn, daar ééns
gebroed hebben. Nadat ’t vrouwtje het eerste ei had gelegd, bleef zij
er twee dagen lang op zitten. Daarna nam het mannetje dien taak over.
14 Dagen later ging ’t vrouwtje weer op ’t nest en legde er een ei bij.
Zoodra zij daarmee klaar was, stond zij de plaats weer direct aan ’t
mannetje af.

Jammer genoeg zijn deze eieren niet uitgekomen. Na 6 weken broeden gaf
het mannetje het op. De eieren bleken werkelijk bedorven te zijn.

In hun vaderland hebben de kiwi’s een harden strijd om het bestaan te
voeren. Een strijd, die zij aan het verliezen zijn. Want de jacht, die
inboorlingen met honden en fakkels op hen maken, doet hunne gelederen
te zeer dunnen. En ’t eene jong per broedsel, dat groot gebracht wordt,
is niet in staat die leemten te vullen.

Zoo is de kiwi tot uitsterven gedoemd. Engelsche natuuronderzoekers
zijn daarom naar Nieuw-Zeeland gegaan, om nog zooveel mogelijk van deze
grappige en vreemde vogels te weten te komen. Dat een dergelijk
onderzoek niet gemakkelijk is, laat zich in verband met de nachtelijke
levenswijs, begrijpen.








Door de geheele wereld gescheiden leven aan de beide Polen der aarde
vogels, die opvallend veel op elkander gelijken. Toch zijn zij geen
familie, doch de overeenkomstige levenswijs in de koudste en
onherbergzaamste streken heeft op hen denzelfden stempel gedrukt en
heeft aan de verschillende, groote en kleine pinguïnsoorten van het
Zuidpoolgebied hetzelfde merkwaardige uiterlijk gegeven als aan de
alken, zeekoeten en papegaaiduikers van het Noordelijke Halfrond. Dit
feit, dat men „parallelle ontwikkeling” noemt, is een zeer
belangwekkend biologisch verschijnsel, waarvoor men nog geen
bevredigende verklaring heeft kunnen vinden.

Toen eenigen tijd geleden heel Nederland de mooie film over de
Zuidpool-reis van Sir Ernst Shackleton ging bekijken, heeft iedereen de
gelegenheid gehad iets van de wonderlijke fauna van dit ontoegankelijk
gebied te leeren kennen. Veel beter dan door het lezen van de mooiste
reisbeschrijvingen kan men zich, door het zien van de bewegende
fotografiën, een beeld vormen van de wonderlijkste der vogels: de
pinguïn.

Hoe koddig veel leken deze vogels op menschen! Vooral wanneer men een
troep op een afstand zag, was het of een menigte menschen samenschoolde
om naar iets te kijken, dat hunne gemeenschappelijke belangstelling
had.

Deze gelijkenis is in de eerste plaats toe te schrijven aan het rechtop
loopen der vogels en komt voor een ander gedeelte op rekening van de
typische verdeeling van zwart en wit.

De afwijkingen in hunne lichaamsbouw staan in nauw verband met de
eigenaardige levenswijs van deze vogels. Ten gevolge hiervan nemen de
pinguïns, alken, zeekoeten en papegaaiduikers een eenigszins
afzonderlijke plaats in ten opzichte van de overige vogels. Evenals de
Loopvogels verleerden zij het vliegen, doch zij specialiseerden zich in
het zwemmen. Daar zij, evenals alle gewone vogels een kam op het
borstbeen hebben, worden zij ondergebracht tot de groote groep der


KIELBORSTBEENIGEN (CARINATÆ).


Deze kam of kiel op het borstbeen dient, (zie Hoofdstuk I), tot
aanhechting van de vliegspieren. Met ’t oog op de pinguïns is het beter
om te spreken van „bewegingsspieren van de voorste ledematen”. Want
pinguïns gebruiken hunne vleugels om te roeien. Het zijn hier dan ook
meer vinnen dan vleugels, waardoor de pinguïns in een aparte orde, de
IMPENNES, in de tweede groep, die der


ZWEMVOGELS (NATATORES) II


ondergebracht worden. Van alle zwemvogels, die voornamelijk gekenmerkt
zijn door het bezit van zwemvliezen tusschen de teenen, is er geen één,
zoo in het water in z’n element als de pinguïn. Er is er géén, die zoo
volkomen de lucht als milieu verlaten heeft; geen één, die z’n lichaam
zoo volmaakt in een andere omgeving heeft aangepast, als hij.

Alle zwemvogels hebben hunne pooten meer achter aan het lichaam, dan de
overige. Hoe beter de vogel kan zwemmen, des te meer zijn de pooten aan
het eind van het lichaam geplaatst. Nergens evenwel is dit zoo ver
gegaan als bij de pinguïn. Het voordeel ervan is duidelijk, daar de
vogel er meer stuur over z’n lichaam door krijgt.



§ 1. Iedere medaille heeft z’n keerzijde! De PINGUÏN (No. 5), die de
beste zwemmer onder de vogels is, is aan land de meest onbeholpene,
juist door de eigenschappen, die hem in ’t water tot de eerste maken.
Als men hem aan land ziet, is het een stumper. Zijn korte pooten, die
zoover naar achteren geplaatst zijn, doet het zware lichaam waggelen.
De door de groote zwemvliezen zoo lompe voeten kan hij niet náást, maar
moet hij vóór elkander zetten, zoodat hij loopt alsof hij horrelvoeten
heeft. Hardloopen is hem dan ook totaal onmogelijk. Moet een pinguïn
gauw vooruit komen, als hij bedrijvig is of haast heeft, dan springt
hij liever als een zaklooper, met beide pooten tegelijk van den grond.

Maar van alle eigenaardigheden, die hun lichaam aan land zoo
ondoelmatig doet schijnen, komen de voordeelen in het water tot hun
recht. Men zegt zelfs, dat zij zwemmend een zoo groote snelheid kunnen
bereiken, dat zij een stoomschip kunnen bijhouden. Meestal bewegen zij
zich onder water, doch om adem te scheppen komen zij iedere 30 M. aan
de oppervlakte. Daar springen zij, zooals wij de bruinvisschen in onze
zeegaten zoo vaak zien doen, in volle vaart even boven water, om direct
daarna weer onder te duiken.

Om bestand te zijn tegen de geweldige afkoeling, die een natuurlijk
gevolg is van een langdurig verblijf in het ijskoude water der
Poolzeeën, hebben de pinguïns, evenals walvisschen, zeehonden en andere
in het water levende zoogdieren, een dikke speklaag onder hunne huid.
Zij zijn hierdoor zeer zwaar, ’t geen een merkwaardig verschil is met
vliegende vogels. Het lichaam van deze laatsten is er juist op
ingericht, zoo licht mogelijk te zijn. De beenderen zijn daartoe hol en
met lucht gevuld. Ook lijkt het dier door de losse veerenlaag veel
grooter, dan het werkelijk is. Hoe nietig en schriel is een geplukte
kip niet, in vergelijking met een levende! Dit maximaal vergrootte
oppervlak is verkregen door middel van een minimale gewichtstoename.

Pinguïns daarentegen hebben dikke, zware, harde beenderen, die in
plaats van met lucht, met een olieachtig merg gevuld zijn. Van de
veeren is niets meer over dan de schachten, die tot driehoekige
hoornschubjes zijn geworden.

Hoe moeilijk voor een pinguïn een verblijf op het land ook is, door
deze morphologische geaardheden, zij getroosten zich dit gaarne voor
het uitbroeden van hun eene ei, en het groot brengen van hun eenig
kind. Het liefst zoeken zij voor hunne broedplaatsen plekken uit, waar
de bodem niet te hard en rotsachtig is. Deze zijn echter niet altijd te
vinden. Als het niet anders kan, schikt de pinguïn zich in de
omstandigheden en neemt de dingen, zooals ze zijn. Z’n zorgen voor ’t
jong lijden er niet onder. De moeilijke afstand van de broedplaats naar
zee wordt zoo vaak afgelegd, als het noodig is.

Hebben de pinguïns een zandige plaats voor hunne nesten, dan graven zij
deze vol geulen, die elkaar onder rechte hoeken kruisen. Net zooals de
straten van veel van onze moderne stadswijken dat doen. Een enkele plek
wordt wat dieper uitgehold. Deze is voor het nest bestemd.

Pinguïns, die samen aan een district van de broedplaats werken, leven
in vriendschap met elkaar en schijnen zich als een soort familie te
beschouwen. Met de bewoners van een andere wijk leven zij in onmin. Een
ongelukkige, die in een verkeerde buurt terecht komt, wordt met
onvriendelijke en pijnlijke snavelpikken ontvangen en daarna
weggejaagd.

Al zijn deze families tegenover vreemden een geheel, onderling vechten
en kibbelen zij voortdurend. Meestal gaat het geschil om versieringen,
die aan de nesten worden aangebracht. Sommige vogels zijn ijverig en
slepen allerlei steentjes en schelpen aan, die met zorg om den rand van
het nest worden geschikt. Andere zijn lui en halen één steentje. Zij
zijn, zooals ook bij luie menschen zoo vaak het geval is, heel gauw
tevreden over zichzelf. De enkele keer, dat er eens wat gepresteerd
wordt, slaan zij zich vol voldoening met de handen op de borst en
roepen iedereen naderbij om hun werk te bewonderen. Luie pinguïns zijn
ook op een dergelijke manier met zichzelf ingenomen. Het eene onnoozele
steentje, dat zij haalden, verschikken en verleggen zij tot in den
treure. Met een scheeve kop en vol uitroepen van bewondering
beoordeelen zij het effect, dat het op verschillende plaatsen maakt.

Is de begeerte naar een tweede steentje groot en de weg hen te lang,
dan trachten zij op oneerlijke manier hun verlangen te bevredigen, door
er eentje van de buren te stelen.

Daar de verschillende nesten door de geulen met elkaar in verbinding
staan, is de gelegenheid er wel om het nest van een ander te bezoeken.
Het stelen gaat evenwel zoo glad nog niet, want er is steeds een van de
twee vogels op wacht. Schijnbaar met de beste bedoeling wordt het nest
van een vlijtige vriendin bezocht en met vreemde geluidjes geprezen. Op
een oogenblik, dat de gastvrouw wat minder oplettend schijnt, wordt de
slag geslagen en tracht zij zich uit de voeten te maken. De beroofde
merkt ’t evenwel en zet de dievegge achterna. Een slimme derde maakt
dan van de gelegenheid gebruik om het onbeheerde nest te bestelen.

Van ernstiger aard zijn de geschillen wanneer deze een ei of een jong
betreffen. Daar ieder paartje van dit soort pinguïns nooit meer dan één
ei legt, is dit eenige kind de groote zorg en angst der ouders. Moeten
zij het nest verlaten dan zijn er pinguïns die hun ei of hun jong op de
pooten leggen en het met zich meedragen. Een van de buik afhangende
huidplooi verbergt het en houdt het warm. Soms geven zij het ei aan
elkander over. Het wordt dan even op den grond gelegd en direct
voorzichtig met den snavel op de pooten van de wederhelft geschoven.

Iedere vogel, die het ongeluk heeft gehad ei of jong te verliezen,
tracht er een van een ander te stelen. Het berooide paar steelt weer op
zijn beurt. Zoo komt het dan ook meermalen voor, dat het jong eenige
keeren van ouders verwisselt.

’t Jong, dat blind ter wereld komt en dat in ’t begin ook nog niet
loopen kan, wordt door de ouders voornamelijk met garnalen groot
gebracht. De ouders visschen deze en bergen ze in hun slokdarm. Zij
braken ze voor het jong uit, of deze steekt gedurende 1 of 2 minuten
z’n kop in hunne bek en haalt ze zelf uit den krop.



§ 2. Met de grootste der pinguïns, de keizers- en de koningspinguïns
(APTENODYTES FORSTERI) (No. 5) kwam de grootste der DUIKERS
(URINATORES), de reuzenalk van het Noordelijk halfrond in grootte
overeen. De keizerspinguïn is ongeveer 90 c.M., de reuzenalk was ± 70
c.M. lang. Tegenwoordig is deze alk helaas uitgestorven. Vroeger was
hij op het Noordelijk halfrond zoo algemeen als de pinguïns nu op het
Zuidelijk zijn. De menschen van ’t Noorden hebben hem helaas te
intensief vervolgd omdat zij hem als voedsel gebruikten en moeten het
al sinds honderd jaar geheel zonder hem doen.

Het huidje van deze vogels is in de museums, die er een machtig zijn,
een zeer kostbaar en hoog gewaardeerd bezit. Geen wonder, dat het in
„Artis” onder een extra stolp bewaard wordt!

De tegenwoordig nog in groote hoeveelheden in het Noorden voorkomende
ALKEN (ALCA TORDA) (No. 6) lijken erg veel op de uitgestorven
reuzenalk. Zij zijn alleen veel kleiner. De grootte van een flinke eend
halen zij nog niet. Hoewel het puike zwemmers zijn, is hunne aanpassing
aan ’t leven in ’t water niet zoover als bij de pinguïns gegaan. Zij
hebben nog echte veeren. Hoewel hunne vleugels klein zijn, kunnen zij
deze toch nog gebruiken om er mee te vliegen. Graag doen zij het
evenwel niet. Alleen in de broedtijd vliegen zij onophoudelijk heen en
weer tusschen de hooge steile rotskusten, waar hun nest ligt en de zee,
die hen hun voedsel levert.

Voor ’t meerendeel bestaat dit uit krabben. Daar deze gewoonlijk op den
bodem der zee rondscharrelen, moeten zij duiken en soms zelfs vrij
diep, om hen te bemachtigen. Zij blijven een minuut of drie onder
water, komen boven om lucht te scheppen en duiken weer opnieuw. Tot dit
lange onder water blijven is de vogel in staat doordat hij een groote
hoeveelheid lucht mee naar beneden neemt in een zak onder z’n huid, die
daartoe geheel los om hem heen zit. Hij blaast zichzelf op tot een
ronden bal, slechts aan kop, staart en pooten kan men dan zien, dat men
met een vogel te doen heeft. In gewone omstandigheden ziet men de vogel
nooit in dezen toestand. Het was Boie, die een gevangen vogel met een
touwtje aan z’n pooten zwemmen liet en hem terughaalde dadelijk nadat
hij was ondergedoken, die hem voor ’t eerst in dezen toestand zag. Ook
heeft hij na kunnen gaan, dat de vogel onder water een afstand van ca.
60 M. aflegde.

Hoewel ’t ongeloofelijk schijnt, verdrinken alken herhaaldelijk. Na een
zwaren storm vindt men hen geregeld aan ’t strand. Een enkele maal
worden zij ook nog wel levend gesignaleerd, maar dat behoort tot de
uitzonderingen. Zij blijven ook nooit lang, maar trekken weer naar ’t
Noorden, naar Helgolands en Groenlands steile kusten. Dáár is hun thuis
en broeden zij hun eene ei uit.

Het jong is minder hulpbehoevend dan dat der pinguïns, daar ’t ziende
geboren wordt en loopen kan. Zoodra z’n vleugels genoeg ontwikkeld
zijn, sporen de ouders hem aan om naar beneden te springen. Dat is een
heele durf, want het is geen ongevaarlijk werkje en de jongen vallen
vaak te pletter op een uitspringend stuk rots.

Menig jong, dat er in ’t geheel den moed niet toe heeft, tracht langs
een omweg naar beneden te komen.

Waagt het den sprong en lukt deze, dan geven de ouders hunne blijdschap
te kennen en beginnen direct het van allerlei te leeren. In ’t begin
vindt de kleine ’t niets prettig in ’t water. Het went evenwel gauw en
leert spoedig voor zichzelf te zorgen.

Evenals vroeger de reuzenalk wordt de gewone alk door de menschen
vervolgd. Het is zoowel in ’t belang der vogels, als in ’t belang der
menschen, dat de overheid een beperking aan deze vervolging heeft
gesteld. Deze maatregel behoedt de vogels voor uitsterven en de
bevolking van die Noordelijke landen voor hongersnood.

Samen met de alk broeden de ZEEKOETEN (URIA TROILLE) (No. 7) en de Jan
van Gent op de hooge steile rotsen in ’t Noorden en deze moeten een
wonderlijken aanblik opleveren, met de miljoenen broedende vogels. Op
iederen vooruitspringenden riggel van de rots zitten zij. Mannetje aan
mannetje staren zij in zee van af hun natuurlijk amphitheater, hunne
witte borsten glinsterend in ’t zonlicht. Dag en nacht schreeuwen en
krijschen zij, dat het tot ver in zee te hooren is.

In levenswijs komen de zeekoeten in veel opzichten met de alken
overeen. De verzorging van hun eene jong gaat hen misschien wat
gemakkelijker af, daar zij iets beter vliegen.

Zij onderscheiden zich uiterlijk voornamelijk door hun snavel, die
zwart en smal is, terwijl die der alken mooi donker blauwgrijs en breed
is. Een witte band loopt over ’t hoogste gedeelte heen.

Zij komen over ’t algemeen vaker aanspoelen dan de alken. Wie een
verzameling van natuurhistorische voorwerpen heeft, verzuime niet zoo’n
doode alk en koet mee te nemen, wanneer hij nog gaaf is. Die gaafheid
blijkt het best aan den toestand der veertjes onder den staart en rond
de oogen. Laten deze los dan loont het de moeite niet het huidje op te
zetten. Van de kop kan dan evenwel nog een aardig schedeltje gemaakt
worden. Men snijdt het van den romp af en verwijdert thuis de huid en
zooveel mogelijk van de vleezige deelen. Dan legt men ’t in een bak met
water, die men ergens op een zonnig of warm plekje zet. Na een maand is
er niets meer over dan de beenderen van ’t schedeltje. Men kan dit met
een tangetje uit het water halen, onder de kraan uitspoelen en in de
zon te drogen leggen. Dat dit mascereeren zooals men een dergelijke
bewerking noemt een welriekend proces is, kan nu juist niet gezegd
worden. Een goed bioloog heeft dat evenwel graag voor z’n verzameling
over. Wanneer men een wondje aan de handen heeft, is ’t beter met ’t
beetpakken der objecten te wachten, tot het genezen is.

Heel zeldzaam vindt men een PAPEGAAIDUIKER (FRATERCULA ARCTICA) (No. 8)
aan ons strand. Dat is wel jammer want deze is ongetwijfeld de mooiste
duiker. Het levendig oranje rood van hun vreemd gevormden snavel geeft
een verrassend effect met het stemmig zwart en wit van hunne veeren.
Snel en rusteloos vliegen zij in kleine troepjes, laag boven het water.
Een onvergetelijke herinnering aan vreemd sombere schoonheid, voor
ieder, die hen eens in hunne woeste omgeving aan zich voorbij zag gaan.

Wèl is het noodig voor hen zoo gauw vooruit te komen. Het voedsel voor
hunne jongen, die in gezelschap van alken en uria’s op de vogelrotsen
liggen, moet vaak van heel ver komen. Het bestaat uit kleine vischjes,
die meestal niet in de onmiddellijke omgeving der vogelrotsen
voorkomen. Toch zouden deze snelvliegende vogels nog tijd te kort
komen, als zij voor ieder gevangen vischje den heelen weg naar ’t nest
weer teruggaan moesten. Een eigenaardige inrichting van hun snavel
geeft hen de gelegenheid met een groote massa voedsel tegelijk mee te
brengen. In den broedtijd n.l. krijgt de snavel aan de basis een
hoornplaat met een scherpen kant, die zich in een hoornachtige huid om
de mondhoeken voortzet. Tusschen deze plaat klemt hij ieder gevangen
vischje, zonder dat het hem verhindert z’n bek open te doen, als hij er
weer een vangen wil. Zoo bergt hij een menigte slachtoffers. Heeft hij
er genoeg naar zijn zin, dan vliegt hij naar huis. De bundels vischjes,
die aan weerskanten uit iederen snavelhoek hangen, lijken dan op een
grooten grijzen snor.

Waar geen van de genoemde vogels zich onze „lage landen bij de zee” tot
broedplaats heeft gekozen en we hen dus zelden levend onder oogen
krijgen, is dit met de FUUT (LOPHAETHYIA CRISTATA) (No. 9) gelukkig
niet het geval en zijn deze vrij gewone vogels op onze plassen. Het
kleine dodaarsje komt zelfs in polderslooten en fortgrachten veelvuldig
voor. De geoorde fuut daarentegen is een zeldzaamheid, die eerst eenige
jaren geleden in ons land broedend is aangetroffen. Gelukkig op een
plaats, waar dergelijke zeldzaamheden naar waarde geschat worden en
voor de roekelooze hebzucht van veel eierzoekers wordt beschermd.

Dat fuuten door veel menschen als zeldzaam worden beschouwd, zal wel
aan hunne levenswijs liggen.

Wie ’s avonds, bij het ondergaan der zon en het liggen van den wind, op
een van onze mooie plassen in een schuitje zachtjes voortglijdt, en van
het stille wijde water geniet, weet hoe veel er van deze vogels in ons
land zijn.

Hoe vaak is de droomerige stemming, waarin we geraakten door den
aanblik van het zachtblauwe water, overvloeit door de heerlijkste,
gloeiendste tinten van rood, goud en purper en de schoonheid der
weerspiegeling van het onbewegelijke riet in den zilveren waterspiegel
niet verbroken doordat we onze aandacht plotseling scherp
concentreerden op een korten rechten stok, die boven water verschijnt,
weer verdwijnt en een eind verder weer te voorschijn komt? Floep, daar
duikt hij weer onder. Dat was een fuut. Wat we voor een stok aanzagen,
z’n hals.—Wie ziet hem ’t eerst weer boven komen?

Nu je eenmaal gewekt bent uit de mijmering, waarin de zilveren rust van
’t water je bracht, zie je er telkens meer en vermaak je je met hun
duiken en onder water zwemmen. Wat ligt hij laag op het water, z’n
geheele romp is haast onder! En kijk! ginds komt er een met jongen
tusschen het riet vandaan. Zij zwemmen achter de oude aan, zooals jonge
eendjes ook achter hunne moeder zwemmen.

In ’t riet heeft de fuut z’n nest gehad. Veel bizonders was het niet,
want met een hoopje rottende bladeren, drijvend tusschen het riet, was
hij al tevreden. Daar heeft ’t vrouwtje de eieren in gelegd en nooit
heeft zij het verlaten zonder ze eerst met modder en rottende bladeren
overdekt en verstopt te hebben. De jongen, die ondanks de nattigheid
goed door haar uitgebroed worden, gaan direct te water en zwemmen, dat
het een aard heeft. Als zij moe worden duikt vader of moeder onder en
schept hen, boven komend, op de rug.

Wellicht waren er nog veel meer van deze aardige vogels op onze
plassen, als zij niet het ongeluk hadden mooie veeren te hebben, die in
den smaak der vrouwen vallen. De borstveeren van een fuut zijn wit en
van een teere fijne parelmoerachtige satijnigheid. Geen wonder, dat een
vrouw er haar oogen niet van af kan houden en ze bewonderend langs haar
vingers strijkt! Wel begrijpelijk, dat een moeder denkt: hoe lief zal
dit m’n blonde dochtertje staan!

Maar och, mooier dan ’t mooiste liefste blankste kindje er mee uit zou
zien, staat het de fuut.



§ 3. De groote oceanen en wereldzeeën van het Zuidelijk Halfrond zijn
het thuis van een van de grootste der STORMVOGELS of LONGIPENNES, van
den ALBATROS (DIOMEDEA EXULANS) (No. 10). Daar alleen, tusschen de
wijde lucht en het wilde water, treft men hem aan. Rustig, majestueus
vliegt hij, hoog boven de golven en recht in den wind. Hoog boven de
wereld is zijn plaats. Dáár hoort hij, dáár leeft hij, dáár is hij
groot, hij, de koning der vliegers. Onovertroffen is z’n vlucht. Na een
paar krachtige rustige slagen beweegt hij z’n vleugels niet meer, maar
zweeft en zwenkt met uitgestrekte vlerken. Hij daalt, hij stijgt,
zonder z’n vleugels te verroeren. Het is of de zwaartekracht voor hem
in die hooge luchten heeft opgehouden te bestaan. Dan opeens eindigt
hij z’n doelloos draaien en vliegt weg met sterke kalme slagen den wind
trotseerend. Soms vliegt hij zoo snel, dat men hem ’t eene oogenblik in
al z’n grootheid kan bewonderen, het volgende is hij al niet veel meer
dan een blinkend witte stip in ’t luchtruim. Hoe sterker de wind, hoe
sneller en zekerder z’n vlucht er tegen in is.

En deze Heer van de lucht, deze Koning der vliegers, heeft de mensch,
in z’n verlangen naar het onderbrengen in vakjes en hokjes, geplaatst
in de groep der „zwemvogels”, daar hij zwemvliezen tusschen de teenen
heeft. Tot welke eigenaardige consequenties voert de logica soms!

Toch, wanneer de vogel vermoeid is of slapen wil, laat hij zich op ’t
water drijven, zooals meeuwen, eenden en ganzen dat doen. Gauw moe of
slaperig is een albatros anders niet. Hij is in staat 6 dagen en 6
nachten een snelvarend schip te volgen, zonder ook maar één oogenblik
te rusten. Z’n voedsel, dat uit inktvisschen en aan de oppervlakte van
het water drijvende zeedieren, zooals kwallen, bestaat, vangt hij
tijdens z’n vlucht uit het water. Soms evenwel, bij zwaar en
stormachtig weer, moeten zij dagen lang vliegen, zonder aan voedsel te
kunnen komen. Zij vliegen dan maar door tot de storm bedaard is en zij
uitgeteerd en vermagerd ergens aan land kunnen komen.

De bemanning der schepen vangt hen ook wel na zoo’n storm. Zij zijn dan
uitgehongerd en vallen als wilden aan op een stuk ranzig spek, waarin
een haak verborgen is. Verwonden zij zich den snavel de eerste keeren
en loopen zij de haak nog mis, de honger drijft hen er iederen keer
weer heen, tot één keer de laatste is en de gevangen vogel aan boord
wordt geheschen.

Buiten z’n element, beroofd van z’n vrijheid levert deze grootsche,
koninklijke vogel een jammerlijken aanblik op. Z’n zwakke, kleine
pooten kunnen hem nauwelijks dragen, loopen kan hij heelemaal niet. En
de manschappen, die de koninklijke grootschheid van z’n vlucht niet
begrepen, genieten van z’n hulpeloosheid. Hunne kleinheid van geest
stelt hen niet in staat te bewonderen. Grootheid kunnen zij slechts
vernielen in hun domme wreedheid. En neergehaald uit z’n grootsch
milieu, uit z’n verheven sfeer, wordt de vogel bespot en gehoond, omdat
hij niet past in de wereld der menschen.

Iets anders is het en zeer vergeefelijk zelfs, wanneer de bemanning van
een schip door den nood ertoe gedwongen wordt albatrossen te vangen.
Vooral in vroegere eeuwen was dat nog wel eens noodig. In den tijd dat
de stoomschepen er nog niet waren en men nog niet van ’t conserveeren
van groenten in blikjes wist, moesten de menschen de heele lange reis
van Holland naar Indië om den Kaap heen, niets anders dan gezouten
vleesch en groenten eten. Zij kregen hiervan een vreeselijke ziekte, de
scheurbuik. Slechts versch vleesch kon dan de genezing brengen. Hoe
dankbaar moeten die zieken geweest zijn, als ’t walgelijk smakende
vleesch van den albatros hen beter maakte.

Om te broeden moeten de albatrossen wel aan land komen. Zij kiezen
daartoe eenzame zandige eilanden, waar zij met duizenden en duizenden
te samen hunne broedperiode doorbrengen.

Van de familieleden van den albatros is er niet één, die hem in ’t
vliegen evenaardt, al mogen sommige er wezen wat dat betreft. Dat weet
ieder, die wel eens op ’t strand naar de zeemeeuwen heeft gekeken. Hun
vlucht is zéér sterk aan die van albatrossen verwant. In de
stadsgrachten heeft zelfs iedere Amsterdammer in de kokmeeuwen prachtig
studiemateriaal en kan men door nauwkeurig en scherp op te letten heel
wat aan deze sierlijke lichtgrijze vogels opmerken. Deze kleine meeuwen
worden in Amsterdam, wat de duiven in Venetië zijn: zij behooren bij de
stad.

Tusschen deze kokmeeuwen ziet men vaak een veel grootere meeuw, die er
lang zoo mooi niet uitziet maar overdekt is met lichtbruine vlekjes.
Dat is een jonge zilvermeeuw, die z’n jeugdkleed nog niet verruild
heeft voor de mooie zacht blauw-grijze veeren van z’n volwassen tooi.

In de havens van Amsterdam vindt men ’s winters geregeld de groote
zwarte MANTELMEEUWEN (LARUS MARINUS) (No. 11). ’s Zomers is hij hier
niet, dan is hij vertrokken naar z’n broedplaatsen in Schotland. Maar
’s winters is hij aan veel van onze binnenwaters en aan de kusten van
Noord- en Zuiderzee geregeld te vinden. Een enkele jonge vogel of een
oude, die om een of andere reden niet broedt, kan ook wel ’s zomers in
gezelschap van zilvermeeuwen aangetroffen worden.

Zilvermeeuwen en kokmeeuwen broeden wel in ons land. De zilvermeeuwen
vindt men broedend in geweldige hoeveelheden op onze Waddeneilanden,
Texel en Terschelling en op Grient en de Beers. Kokmeeuwen broeden
dikwijls tusschen de zilvermeeuwen of in hunne buurt. Zij komen ook
echter op onze plassen voor op plaatsen, waar men de zilvermeeuwen niet
aantreft.

Over ’t algemeen maken de meeuwen niet veel werk van hunne nesten. Een
kuiltje in ’t duin, beschermd door een bosch helm tegen den
heerschenden westenwind, is hen al meer dan voldoende voor hun vier
bruin-groene, met donkere spikkels bezaaide eieren.

Een ander meeuwtje, dat ’s winters vaak wordt gesignaleerd aan ons
strand is het DRIETEENMEEUWTJE (RISA TRIDACTYLIS) (No. 12). Meest ziet
men het vliegend. Dat kan hij, evenals z’n familieleden, buitengewoon
goed. Zwemmend neemt men het ook vaak waar, maar loopend heel zelden,
want dat doet het niet graag.

Als de winter voor deze vogel voorbij is, trekt hij naar het Noorden,
naar IJsland. De bewoners daar begroeten hem met vreugde. Zij weten,
dat wanneer het drieteenmeeuwtje gekomen is, de lente gauw volgt en dat
de winter voorbij is al liggen de rotsen nog dik onder de sneeuw.

Een vriend van me, die het voorrecht heeft gehad een reis naar IJsland
per trawler te maken, heeft deze aardige vogels goed leeren kennen. Zij
omzwermen voortdurend het schip en azen op den afval, die overboord
gegooid wordt en zijn meest erg mak. Er was er zelfs één, dat voedsel
uit de hand kwam halen.

Als zij eenmaal broeden, zijn zij in ongeloofelijke hoeveelheden bij
elkaar. Zooals Faber er schilderachtig van zegt: „In Grünsö’s
vogelbergen zijn zij er in zoo groote hoeveelheden, dat zij de zon
verduisteren als zij opvliegen, de scheeren bedekken als zij stil
zitten en de ooren verdooven als zij schreeuwen en de van ’t lepelkruid
groene rotsen wit kleuren als zij broeden.”

Daar het drieteenmeeuwtje een gevorkte staart heeft, zou den beginners
het hierdoor wel eens voor ’t VISCHDIEFJE (STERNO FLUVIATILIS) (No. 13)
kunnen aanzien. De veel slankere bouw van ’t sterntje, de rooie snavel
met de zwarte vlek en ’t zwarte kapje op de kop moet hen daarvan
terughouden. Ook is de vork in den staart van een stern veel dieper dan
die van een Rissa.

’s Zomers broedt het sterntje op onze plassen, of in kleine kolonies in
moerassige weilanden, die dikwijls heel dicht bij de woningen der
menschen gelegen zijn.

Het is een vreugd om deze sierlijke lichtgrijze en witte vogels gade te
slaan. Met een enkele slag zoo nu en dan van hunne slanke vleugels
vliegen zij in kringen boven het water. Hun kop buigen zij van tijd tot
tijd met een grappig korte beweging naar beneden. En wee! het arme
bliekje, dat door de scherpe oogjes opgemerkt wordt. Stil en snel laat
de vogel zich vallen en eer het vischje merkt dat er gevaar dreigt,
wordt het al beetgepakt en mee naar boven genomen. Het sterntje zorgde
er bij het visschen wel voor, dat z’n schaduw niet op z’n prooi kon
vallen. Dat zou de visch gewaarschuwd hebben. Zoodra het bliekje naar
binnen is gewerkt, begint het aardig spel van zweven en cirkelen weer
opnieuw. Soms „staat” hij doodstil in de lucht, de kop spiedend omlaag
gebogen, de rooie snavel recht naar het water wijzend. Roofvogels ziet
men vaak in een dergelijke houding met hun scherpe oogen de omgeving
afzoeken. Ze „bidden” dan zooals de volksmond zegt.

In deze orde der Longipennes of Zeevliegers, waartoe de albatros, de
meeuwen en sterntjes behooren, is nog een familielid, dat heel andere
gewoonten heeft en zich in verband daarmee door een zeer bizonder
uiterlijk onderscheidt. Dit is de SCHAARSNAVEL (RYNCHOPS) (No. 14), een
vogel, die overdag meest slaapt in ’t warme zand, zoo dicht en zoo plat
mogelijk tegen den grond gedrukt. Vliegen doet hij het liefst in de
heldere maanverlichte nachten. Geruischloos scheert hij met z’n groote
stille vleugels vlak boven het water, als een sombere zwarte geest van
de nacht. Z’n lange dunne snavel, waarvan de onderkant veel langer is
dan de bovenkant, steekt hij in ’t water, terwijl hij verder vliegt.
Ieder, die wel eens een stok met kracht door het water heeft gehaald of
z’n hand buiten boord van een snelvarend schuitje heeft laten hangen,
weet, dat het water achter den stok of de hand een geultje vormt. Aan
den voorkant staat het er hoog tegen op. Uit dit opstaande water vangt
de Rynchops met z’n bovensnavel kleine insecten en vischjes. Ook wordt
verondersteld, dat hij de aan de oppervlakte van het water drijvende
wiertjes als voedsel zou gebruiken.

Een soort van deze Rynchops leeft aan de Nijl, de andere soorten komen
in Amerika en Azië voor. Alle onderscheiden zich evenwel, door hun
schaarvormigen snavel, met den vreemden langen ondersnavel. Zij
gebruiken deze allemaal op dezelfde, hierboven beschreven, manier.



§ 4. Na verwant aan deze Stormvogels zijn de STEGANOPODES of de
ROEIPOOTIGEN, waarvan ZONNEVOGEL (PHAËTON ÆTHEREUS) (No. 15), de
„Tropische vogel” of de „Zoon der Zon”, zooals Linnaeus hem dichterlijk
genoemd heeft, de lieflijkste is. Het zijn betrekkelijk kleine witte
vogels, maar over hun witte veeren ligt een roseroode gloed. „’t Is of
de laatste stralen van de ondergaande zon zich aan deze blanke wezens
hebben vastgehecht, want de glans van ’t avondrood ligt blijvend op
hen,” zoo zegt men.

Niet alleen om de fraaiheid van hunne veeren, maar vooral om hun
sierlijken bouw zijn deze vogels mooi te noemen. Hoewel hun lichaam
kort en stevig is, is de vogel een zeer bizarre verschijning, daar in
plaats van een normalen stevigen staart, twee lange linten achter hem
aan fladderen. De gewone staart is door de aanwezigheid van deze twee
lange en sierlijke veeren tot een verrassend grillige verschijning
geworden, waardoor de vogel z’n exotisch uiterlijk heeft verkregen.

Geen mensch, die op zee de Keerkringen passeert is er, die niet in
bewondering geraakt voor deze liefelijke vogels. Buiten de Keerkringen
komen zij niet meer voor. Zij hebben warmte noodig en de wijde zee, die
zij rusteloos doorkruisen. En in de maanlichte nachten komen zij als
sierlijke witte schimmen de diepblauwe ruimten doorklieven. Slechts om
te broeden gaan zij aan land op enkele der zeer afgelegen eilanden in
de Stille Zuidzee. Het wijfje legt één enkel chocoladebruin ei, dat
beide om beurten bebroeden.

De inboorlingen der Zuid-Zee eilanden hechten buitengewoon veel waarde
aan hunne vreemde staartveeren en getroosten zich de moeite graag, deze
op de broedplaatsen te gaan verzamelen. Daar de vogels zeer vast op het
nest zitten en dit om geen enkele reden verlaten, grijpen de mannen hen
zonder moeite beet en rukken hen de staartveeren uit. Dan laten zij het
verschrikte dier weer los. Zoowel ’t mannetje als ’t wijfje moeten zich
deze onaangename bewerking laten welgevallen, want beide bezitten de
zoozeer begeerde veeren.

’t Jong, dat uit ’t donkerbruine ei komt, is een aardig bolletje zuiver
wit dons. Net een poeierkwast, zooals Bennet ervan opmerkt. Hun echte
veeren blijven drie jaar lang zuiver wit. Als zij na dezen tijd
volwassen zijn, groeien de lange linten aan hunne staart en overdekt
hen voor ’t eerst de rose-roode kleur.

Op het Noordelijk Halfrond leeft buiten de Keerkringen de JAN VAN GENT
(SULA BASSANA), (No. 16) die een bijna even machtig vlieger is als de
albatros. Alleen is hij veel kleiner. Evenals de albatros is hij een
stumper aan land en zwemmen doet hij ook al niet met animo. Aan land
komt hij alleen om te broeden en te slapen, en in ’t water komt hij,
als hij met kracht uit de lucht er in duikt, om een visch achterna te
zitten. Zoo diep duikt hij soms, dat hij samen met de visch gevangen
raakt in een net, dat wel 35 M., of dieper, onder water heeft gelegen.

Meestal jagen zij op haringen. Deze worden weer door zeehonden of
walvisschen opgejaagd. Als visschers de Jan van Genten ergens met het
vangen bezig zien, sturen zij het schip die kant op. Zij weten bijna
zeker, dat die moeite niet vergeefs zal zijn en dat hunne netten zich
met een deel der haringschool zullen vullen.

Een enkele keer na een hevigen storm komt de Jan van Gent aan ons
strand. Wie hem in z’n prachtige vlucht heeft kunnen bewonderen en hem
dan als een armzalig hoopje ellende in elkaar ziet gedoken, voelt in
z’n hart niets dan medelijden. Soms worden zij in dezen uitgeputten
toestand gevangen en aan Artis cadeau gegeven. En erger dan van de
groote roofdieren, die rusteloos in hun kleine kooien heen en weer
loopen, vind ik de triestheid van ’t leven van dezen gekortwiekten
vogel.

Soms blijft een Jan van Gent eenigen tijd aan onze kust en zoekt hij
z’n voedsel in de buurt van ons land. Beter dan van de beste
beschrijving krijgt men een denkbeeld van de kracht waarmee hij in ’t
water schiet als men hem ziet visschen. Wie eens een Jan van Gent heeft
zien duiken naar z’n prooi, wie eens ’t water hoog in de lucht heeft
zien spatten, weet voorgoed wat er onder „stootduiken” verstaan wordt.

Thuis hoort de Jan van Gent eigenlijk op de vogelrotsen van ’t Noorden,
waar zij in ongeloofelijke hoeveelheden voorkomen. De nesten liggen er
vlak naast elkaar, want de vogels benutten ieder plekje. Uit de verte
zien deze rotsen er uit „als een schip met blinkend witte zeilen”. Deze
blinkende witte kleur wordt veroorzaakt door de mest der vogels. Op een
dergelijke manier hebben in vroegere tijden duizenden vogels de zoo
kostbare en hooggeschatte guano-mest geproduceerd.

’t Jong, dat aanvankelijk bruin is en een bruinen snavel heeft, krijgt
bij het volwassen worden dezelfde zacht blauw-grijze kleur en den
bleeken snavel als zijn ouders.

Eén is er onder de Roeipootigen, die den albatros in ’t vliegen
evenaardt, n.l. de FREGATVOGEL (FREGATA AQUILA), (No. 17) die men wel
eens „de arend der zee” noemt. Hij komt voor op het Zuidelijk Halfrond
en vergezelt, evenals de albatros, de schepen. Waarom hij juist naar
een oorlogsschip is genoemd, weet ik niet. De Engelschen geven hem
evenwel ook de naam „man of war”.

Z’n tweede latijnsche naam dankt hij waarschijnlijk aan de eigenschap,
tijden lang met groot welbehagen hoog in de lucht te cirkelen. Iets,
dat ook bij de adelaarsvlucht zoo opvallend is. Misschien ook heeft z’n
snavel, die aan ’t eind een felle kromme punt heeft er het zijne toe
bijgedragen, om hem „aquila” te noemen.

In z’n orde neemt de fregatvogel een eigenaardige plaats in, daar hij
het zwemvlies tusschen z’n vier teenen mist. Alle andere Roeipootigen
hadden hun vier teenen door een fraai zwemvlies verbonden. Dat
onderscheidt hen juist van de Stormvogels, die slechts drie teenen met
een vlies verbonden hebben, terwijl de vierde naar achter staat en vrij
is. Alleen bij het drieteenmeeuwtje ontbreekt hij; bij vele andere der
Stormvogels is er nog maar een klein stompje van over. ’n Rudiment,
zooals men zoo’n miezerig overblijfsel van ’n orgaan of lichaamsdeel in
de geleerde wereld noemt.

Bij de fregatvogels nu, is er nog slechts zoo’n rudiment van ’t
zwemvlies aanwezig; hij zwemt ook nooit. Niemand heeft het ten minste
van hem gezien. En toch: een zwemvogel! Dat vereischt dat kleine stukje
zwemvlies nog, waarmee hij z’n afkomst verraadt.

Veel van deze Zwemvogels, waartoe de Stormvogels en de Roeipootigen
behooren, hebben we als stumpers aan land leeren kennen. De fregatvogel
is evenwel van alle de grootste stumper. Is hij vermoeid van ’t vliegen
en komt hij aan land om uit te rusten, dan kiest hij daartoe een hoog
gelegen plaats: een hoogen boom, of een steile rotswand. Ze moeten hem
ruimte genoeg kunnen geven voor een flinken sprong naar beneden, want
eerst tijdens dezen sprong kan hij z’n vleugels uitslaan en weer
wegvliegen. Raakt een fregatvogel op een vlak strand verzeild, dan is
z’n einde nabij, daar hij niet in staat is, zich van den grond op te
richten. Z’n pooten zijn te zwak om hem af te kunnen zetten, z’n
vleugels te groot en te lang om ontplooid te kunnen worden.

Hunne nesten bouwen zij natuurlijk ook op dergelijke plaatsen. Zij
hebben, als zoo veel van de reeds genoemde vogels, bepaalde eilanden,
die zij de voorkeur geven voor deze bezigheid. ’t Jong blijft lang in
’t nest, daar het door z’n zwakke pooten zeer onbeholpen is. Pas
wanneer de vleugels ontwikkeld zijn, kan het wegvliegen, de wijde
wereldzeeën op.

Het liefst voeden deze „Arenden der Zee” zich met vliegende visschen,
die zij tijdens hun sprong boven water grijpen. Komt dit vischje nu op
een zoodanige manier tusschen den snavel, dat het voor den vogel
moeilijk is het in te slikken, dan laat deze het eenvoudig vallen,
vliegt het achterna en weet ’t nog in de lucht te vangen. Dit kunstje
herhaalt hij net zoolang tot de gewenschte stand is verkregen en ’t
door z’n keelgat verdwijnt.

Een overgang tusschen deze Roeipootigen en de Zwemvogels in engeren zin
vormen de PELIKANEN (No. 18). Wie deze wanstaltige vogels met hun
vervaarlijken snavel en hunne prachtig zacht-zalmrose veeren kent uit
de Artisvijvers, kan zich moeilijk indenken, dat zij vliegen kunnen.
Toch doen zij het heel goed; zij vliegen geregeld de Middellandsche Zee
over, om van hun winterverblijf aan den Nijl naar hunne broedplaatsen
in Zuid-Hongarije te komen.

Er is geen vogel, die het leven zoo makkelijk neemt, als de pelikaan.
Zelfs in z’n broedtijd doet hij alles nog op z’n gemak. ’t Eenige wat
hij in meer dan gewone mate volbrengt, is eten en slapen. Maar met deze
twee bezigheden zijn z’n dag en nacht dan ook juist gevuld op de
oogenblikken na, die er voor het toilet maken worden afgenomen. Dit
toilet maken is een hoogst belangrijke bezigheid, zooals in het leven
van veel nietsdoeners en nietsnutters het toilet een integreerend deel
van ’t bestaan is.

Maar, waar de menschelijke nietsdoener z’n nagels politoert of z’n haar
pomadeert uit een misplaatst schoonheidsgevoel, dient het tot de eer
der pelikanen gezegd te worden, dat hun toilet maken werkelijk een zeer
noodzakelijke bezigheid voor hen is. Ze bestaat n.l. uit het invetten
van hunne veeren. Het vet krijgen zij van een klier aan hun stuit, die
ook bij de eenden en alle andere echte zwemvogels sterk ontwikkeld is.
Wanneer de veeren met een vetlaagje bestreken zijn, zijn ze waterdicht
en ondervindt de vogel geen nadeel van een langdurig verblijf in het
water.

Daar pelikanen hun voedsel zwemmend bemachtigen is een dergelijk
invetten zeer noodzakelijk. Als de vogels zich aan hun ontbijt
verzadigd hebben, keeren zij weer naar het land. Daar maken zij toilet
tot de slaap hen overmant en zij met den leelijken kop tusschen de
mooie veeren gestoken, het voedsel verteren. Tegen den avond worden zij
weer hongerig en trekken zij er weer in troepjes op uit. Pelikanen
liggen heel hoog op het water, door een luchtkussen dat zij onder hunne
huid hebben. Dit belet hen ook te duiken. Zij zoeken hun voedsel dan
ook meestal op ondiep water en vangen de visschen met hun langen
breeden snavel.

De onderkant van den snavel wordt gevormd door een huidzak. De
bovensnavel valt er als een deksel overheen. Heeft de vogel te veel
water binnen gekregen, tegelijk met de gevangen visschen, dan verzamelt
dit zich in die zak. Komt er te veel water in de zak dan wordt de
snavel naar beneden gehouden en loopt het water er uit, door de keelzak
tegen de hals te drukken.

De jongen, die de gewone rose pelikaan in Hongarije uitbroedt, zijn
onoogelijke kleine monsters. Hunne pooten zijn zoo klein, dat men zou
denken, dat zij er geen hebben; de snavel daarentegen is opvallend
groot.

Moeder pelikaan geldt als een voorbeeld van zelfopoffering om de zorg,
die zij aan haar leelijk kroost besteedt. Het is immers een overbekende
sage, dat zij zich „de borst open zou rijten” om de hongerige jongen
met haar bloed te voeden. Waarmee zij deze vermaardheid verdient, is
niet te zeggen. Want voor haar nakomelingschap is de pelikaan zeker
niet zorgzamer dan andere vogels. Misschien hebben de eigenaardige
standen, die de vogels aannemen wanneer zij zich poetsen, er het hunne
toe bijgedragen, dit bijgeloof op te wekken.



§ 5. De laatste orde in de groep der zwemvogels bevat wel de het meest
als zoodanig bekende: n.l. de eenden, ganzen en zwanen. Zij
onderscheiden zich van de vorige groepen voornamelijk door hun snavel,
die van een typisch zeefapparaat voorzien is. Dit komt bij geen andere
vogel, uitgezonderd de flamingo, voor. De orde dankt er dan ook haar
naam aan: LAMELLIROSTRES of ZEEFSNAVELIGEN.

De zeefinrichting bestaat uit een rij hoornplaatjes op de snavelranden,
die beide met een zeer gevoelige, zenuwrijke huid overtrokken zijn.
Door de groote hoeveelheid tastlichaampjes, die er in zitten is het
dier in staat met de grootst mogelijke nauwkeurigheid de eetbare
bestanddeelen in het water van de oneetbare te ziften.

De ZAGERS, waartoe de MERGANSER (No. 19) en het nog al eens aan onze
kust aangespoeld voorkomende „nonnetje” behoort, hebben een slanken
smallen snavel, die in een scherpen haak eindigt. In ons land komen zij
niet broedend voor, doch zij worden geregeld waargenomen als diep in
den winter het water van hun broedgebied in Noord-Azië en Noord-Europa
hen te koud wordt en zij dit verlaten voor het warme water van
Zuidelijker zeeën. In Februari trekken zij weer terug naar hun
broedgebieden aan de kusten der Noordelijke zeeën en aan de groote
meeren, dieper in het land gelegen.

Onze huiseenden, die afstammen van de gewone WILDE EEND (ANAS BOSCAS)
(No. 20), onderscheiden zich van hunne stamvader het meest door
grootere en breedere lichaamsvorm en door grootere eieren. De Romeinen
zijn reeds begonnen met de wilde eend in cultuur te nemen. En hoewel in
de kleur der huiseenden zoowel als in de houding, die meer rechtop is,
duidelijke verschillen met de wilde eend aan te geven zijn, twijfelt
niemand aan hun afkomst. Temeer, daar men zeer vaak onder de gewone
huiseenden vormen aantreft, die dezelfde teekening en kleuren vertoonen
als de wilde eend. Het mannetje heeft dan denzelfden prachtig glanzend
groenen kop, denzelfden mooien blauwen spiegel aan z’n vleugels.

De wilde eend is zeer vraatzuchtig, eet alle mogelijke dieren en
planten en is zelfs wel schadelijk door de groote hoeveelheden jonge
knoppen en zaden, die zij verorbert. Tegenover deze geringe schade
staat het groote voordeel dat zij opleveren, daar zij een buitengewoon
heerlijk wild zijn. In het najaar worden zij ook bij ons ten lande veel
gevangen, voornamelijk in de eendekooien. Na den broedtijd als de
jongen groot zijn, vereenigen de eenden zich tot troepen en vliegen zij
samen naar Zuidelijker streken. Brengt de tocht hen nu boven een
vijver, waar zij eenden in zien, dan strijken zij daar neer. Het vangen
van eenden in de eendekooien berust in hoofdzaak op deze eigenschap. De
vijver, die het midden van de kooi vormt, is aan alle kanten door
boomen en struikgewas omgeven. Hier leven tamme wilde eenden, die
gekortwiekt zijn, de z.g. „lokeenden”. Komt nu een troepje eenden in de
vijver, dan mengen de lokeenden zich tusschen hen en drijven
langzamerhand de bezoekers naar slooten, die op den vijver uitkomen.
Langzamerhand worden die slooten nauwer, aan het eind zijn ze niet veel
meer dan een greppel. Zijn de eenden aan het eind van de greppel dan
trekt de kooiker, die vanuit z’n schuilhoek alles gezien heeft, z’n
slagnet, dat daar was aangebracht, toe.

De wilde eend wordt door den man of een van z’n helpers gedood, het
lokeendje wordt losgelaten en zwemt weer naar het midden der vijver,
waar het weer een nieuw slachtoffer aanklampt.

Ongeloofelijk is het, voor wie het niet met eigen oogen zag, te hooren
hoeveel eenden wel over ons land trekken. Ga maar eens op mooie stille
Aprildagen naar de Zuiderzee, bij Valkeveen. En als je ’t treft zul je
met eigen oogen ’t wonder van die eendentrek kunnen zien. Bij duizenden
zwemmen zij daar op het ondiepe stille water. Van tijd tot tijd
opvliegend, als een donkere wolk tegen den helderen blauw-gouden
voorjaarshemel. Ieder geeft z’n eigen geluid ten beste, maar boven dit
orkest klinken de heldere lange fluittonen van de smienten in
onvergelijkelijke zuiverheid.

Broedend hebben wij in ons land een groot aantal verschillende
eendesoorten. Wie zich een denkbeeld wil maken van den vormenrijkdom
die deze familie in Holland heeft, doet wijs de vijvers van Artis eens
met een bezoek te vereeren. Daar zijn zij alle: de eidereend, de
toppers, de brilduikers, de witoogeendjes, het zomer- en
wintertalingje, de pijlstaarten, de bergeenden, de slobbers, de zagers,
de kuifeendjes. Gekortwiekt, wel is waar. Alleen de wilde eenden, die
bij de vijvers uitgebroed zijn, vliegen af en aan. Zij broeden op hun
beurt weer ergens anders in Amsterdam en bevolken de vijvers in de
stadsparken met hun nakomelingschap. Er zijn er zooveel, dat er ’s
winters, met vorst, in het Oosterpark soms wel meer dan 300 wilde
eenden geteld worden, die in de schemering van alle kanten aan komen
vliegen om den nacht in het open water van het wak in den vijver door
te brengen.

In een van de andere Artisvijvers, huizen de ganzen. Al is deze
collectie niet zoo volledig, men heeft er toch een heerlijke
gelegenheid de vogels nauwkeurig gade te slaan. In de natuur komen zij
in ons land niet anders voor dan ’s winters op den trek. De BRANDGANS,
(BRANTA LEUCOPSIS) (No. 21), die Noordelijk broedt, wordt evenals de
eidereend om z’n dons, in halve gevangenschap gehouden. In hun
broedplaatsen, zooals Sylt, lokt men hen daartoe in kunstmatige nesten,
waar zij graag in trekken. Het dons wordt dan door de menschen
weggehaald en de eieren regelmatig gegaard. In dat geval legt de vogel
er wel twintig tot dertig. Is hij aan zichzelf overgelaten, dan gaat
hij na het zevende, achtste, soms twaalfde ei al broeden. Hun broeddons
is heel mooi, minstens genomen even mooi als dat van de eidereend.
Merkwaardig is het, (en vrijwel ongelooflijk, voor ieder, die de
waarneming niet zelf deed) dat brandganzen vaak in gezelschap van
vossen broeden, ja, hun nest zelfs in z’n hol maken. De vos die een van
de ergste vijanden is van hunne familieleden, zooals bijv. de wilde
eend, schijnt hen volslagen ongemoeid te laten. Een typisch voorbeeld
van die treffende sympathieën, die zoo herhaaldelijk aangetroffen
worden.

Zeldzamer nog dan ganzen, komen zwanen in ons land. Zij broeden ook nog
noordelijker en verlaten hun broedgebied pas met zeer felle koude. In
strenge winters worden zij dan ook geregeld aan het open water van onze
groote rivieren, of langs het strand gesignaleerd. En wanneer men er
een ziet, dan ziet men zeker een tweede, want zwanen blijven hun leven
lang hun vrouw trouw. Het zijn aantrekkelijke vogels, daar zij even
voorbeeldige vaders als echtgenoot zijn. Zij verzorgen en verdedigen
hun kroost met vuur. Onze tamme zwaan heeft deze eigenaardigheden
geërfd van z’n wilden stamvader, CYGNUS OLOR (No. 22), die in
Noord-Europa en Oost-Siberië broedt.

De fraaie gevormde hals der zwanen, die hen zoo bemind maken als
stoffage van vijvers, heeft voor de vogels een groote beteekenis. Zij
kunnen met die langen hals tusschen de modder scharrelen en halen zoo
hun voedsel van de bodem. Men vindt hen dan ook zelden op diep water,
maar treft hen geregeld langs de kusten aan.

Cygnus musicus, die z’n naam verdient om z’n welluidende schallende
stem, wordt tijdens z’n rui bij massa’s gedood. Zij zijn dan zeer
hulpeloos, daar zij hun groote slagpennen missen en niet wegvliegen
kunnen. Daar zij in dezen tijd ook zeer vet zijn, vormen zij een
voedselbron van beteekenis.








„De liefste vogeltjes, die ik ken”, zei een vriend van me, die in
Frieslands wijde weiden is geboren, „zijn de steltloopers”. Onze
vriend, de medicus, die deze ontboezeming mee aanhoorde, kon zich niet
weerhouden, spottend de opmerking te maken: „Dat kan ik me begrijpen.
Ooievaars, reigers en maraboes zijn wel de aanvalligste „vogeltjes”,
die er te denken zijn.”

Het was een medicus niet kwalijk te nemen, dat hij onze Fries zoo
verkeerd begreep; hij verkeerde in ’t algemeene wanbegrip, dat


STELTLOOPERS (GRALLATORES)


heel groote vogels zijn. Dat er vogeltjes onder zijn, zooals bijv. het
kleine strandloopertje, dat iets grooter is dan een vink, of dat er een
reigertje is, ’t woudaapje, zoo klein als een krielkippetje, wist hij
niet.

Steltlooper is iedere vogel, die een lang loopbeen, (fig. 1. m. (l)) en
geen zwemvliezen of slechts zeer kleine tusschen de teenen heeft. In
dit laatste geval spreekt men van waadpooten. Ook zijn de schenen (fig.
1. s.) der steltloopers geheel „naakt”, waarmee bedoeld wordt, dat zij
zonder veeren zijn.

Het loopbeen wordt bij vogels gevormd door de beenderen, die bij de
menschen de middenvoet (fig. 2. m.) vormen. De samenstellende deelen
van een ooievaarspoot en een menschenvoet zijn dezelfde. Ze verschillen
alleen in grootteverhouding en zijn bovendien met elkaar vergroeid,
waar de menschenbeenderen los zijn.

De middenvoet der menschen is kort, en bestaat uit een rij van 5 losse
beenstukjes. Ze vormen dat deel der voet, dat gelegen is tusschen de
teenen en den enkel. Bij een vogel is de geheele rij van deze
beenstukjes met elkaar vergroeid en zeer lang geworden. Hierdoor komt
hun enkelgewricht (fig. 1. e.) hoog boven den grond, zoo ongeveer op de
plaats waar wij de knie (fig. 2. k.) hebben. Daar het geheele dijbeen
(fig. 1. d.) der vogels in den romp is opgenomen, komt ’t eigenlijke
kniegewricht (fig. 1. k.) der vogels op de plaats van ons heupgewricht
(fig. 2. h.).

Dat de pooten der Steltloopers zooveel langer zijn, dan die der andere
vogels, ligt voornamelijk aan hun buitengewoon lang loopbeen.

Een zeer groot aantal van onze inlandsche vogels, behoort tot deze
groep. In ons land toch, vinden zij het water en de moerassige gronden,
waar zij zich zoo thuis voelen.

Zooals in iedere systematische afdeeling behooren ook in deze groep der
Grallatores, een paar vogels, die men op ’t eerste gezicht niet tot de
Steltloopers zou rekenen, doch die er om systematische redenen bij
ondergebracht moeten. Hier zijn het de Chionis, die meer aan een duif
en de trapgans of Otis tarda, die werkelijk meer aan een gans doet
denken.

Chionis, een vogel van het Zuid-Poolgebied, waar hij in verschillende
soorten voorkomt, hoort tot de eerste orde der steltloopers, n.l. tot
de CURSORES. De ZUIDPOOLKIP (CHIONIS ALBA) (No. 23), leeft in ’t Zuiden
van Zuid-Amerika. In de pinguïn-kolonies zijn het ware
rustverstoorders, want zij rooven van menig pinguïn-paartje het
kostbare ei en eten het op. Zij stelen brutaal het voedsel, dat de oude
vogels met zooveel moeite voor hun jong gehaald hebben, onder de neus
van beide ouders weg. Van hunne luide en verontwaardigde protesten
trekken zij zich geen steek aan, maar zien alweer rustig naar een ander
slachtoffer uit.

Het minst typisch steltlooperachtig is wel de snavel van deze
Zuidpoolkip. Deze is kort en gedrongen en met een hoornkapje overdekt.
Onder dit kapje zitten de neusgaten. De beteekenis hiervan is niet
bekend.

De steltloopertjes, die aan m’n kalmen Frieschen vriend z’n
enthousiaste ontboezeming ontlokten, zijn pittige kleine vogels, zooals
de pleviertjes, kieviten, kluiten, grutto’s, wulpen, tureluurs,
strandloopertjes, snippen en wat nog meer aan dit langpootig en
langsnavelig gevogelte in de orde der Cursores is ondergebracht.

Wie het rijke vogelleven bij de Lemmer en op de Friesche wadden heeft
gezien, zal zich dat enthousiasme kunnen begrijpen. Daar zijn zij bij
honderden en honderden van allerlei soorten bij elkaar. Er is niets
beters dan op een lentemorgen de schorren op te gaan. Telkens vliegen
troepjes vogels op, de lucht vervullend met hun melodieuse, weemoedige
klanken. Het is een concert van de meest simpele, maar roerend-mooie
wijsjes. En, zooals een muziekliefhebber de orkestmuziek ontleedt en
uit dien chaos van klanken ieder instrument afzonderlijk tracht te
herkennen, zóó probeert de vogelvriend in dit koor de verschillende
stemmen uit elkaar te houden. Er is er geen een, die z’n oor ontgaat.
Als tusschen het tjú-ū-whi͞et van de tureluur, ’t oé-li͞ep oé-li͞ep van de
wulp, ’t geestige getwetter van grŭt’tō, grŭt’tō en ’t hooge ie-wiet
van de kiewiet, ’t goudpleviertje met zeldzaam zoete stem z’n lang
uitgehaald tlú-i͞eje, tlu-i͞eje laat hooren, ontgaat het hem niet. Zijn
geoefend oog weet ’t zeldzame vogeltje wel tusschen de andere uit te
halen, zoo goed als z’n geoefend oor de stem herkende.

GOUDPLEVIERTJES (CHARADRIUS APRICARIUS) (No. 24), die ’s winters vaak
met andere plevieren en strandloopertjes in ons land langs de zee
voorkomen, zijn hier zeldzame broedvogels. Hun thuis, hunne broedplaats
ligt veel noordelijker, in de toendra’s van Lapland, Finland en
Siberië. Daar zijn zij karaktervogel van die groote moerassen. Daar
zijn zij de lenteboden, zooals de kieviten bij ons. Zij zijn er heel
den zomer, eerst in paren, later met hunne jongen. In ’t najaar voegen
de verschillende families zich bij elkaar. Deze kleine troepen
vereenigen zich tot groote, die met de komst der koude wegtrekken. Ver
weg ’t Zuiden in, soms wel tot China en Afrika toe.

En de moerassen liggen dan verlaten en doods. Niets dan de wind, die
somber en triest er over giert, wordt gehoord.

Hoe moet ’t hart van de menschen, daar, op de toendra’s, van vreugde
opspringen, als voor ’t eerst na den langen winter, het helder,
melodieus en toch zoo weemoedig klagend tlú-i͞e van ’t goudpleviertje
over de velden klinkt. Hoe dankbaar moeten zij die sierlijke kleine
vogels zijn, wier komst hun zegt: „Houdt moed, menschen! De lente heeft
ons vooruitgestuurd, om te zeggen, dat zij in aantocht is. Weest blij,
het is al haast gedaan!”

Een enkele keer broedt een paar goudplevieren in ons land. De stem van
het mannetje wordt vroolijker in den paartijd; een triller in z’n
klagende roep doet deze haast overmoedig klinken.

De jongen, die direct na het uitkomen het nest verlaten, worden met
wormen en insecten groot gebracht. Ook de ouden voeden zich hiermee.
Daar er een menigte steekmuggen en larven van Agrostis segetum, de zoo
schadelijke aardrups onder zijn, doen zij als verdelgers van deze
lastige en schadelijke insecten een nuttig werk.

Het is een opvallend feit, dat ’t mannetje van deze soort in z’n
prachtkleed op de borst donkerder is, dan van boven. Een eigenschap,
die hij met drie van zijn familieleden, de morinelplevier, ’t bonte
strandloopertje en de goudkievit gemeen heeft. Geen van deze is echter
zoo glanzend diepzwart als ’t goudpleviertje. In den winter evenwel
hebben ook zij een lichte onderkant, evenals andere vogels. Daar een
lichte onderzijde zeer groote biologische beteekenis voor de dieren
schijnt te hebben, zooals Thayer, een Engelsch schilder, in z’n boekje
„Concealing coloration in the animal Kingdom” heeft verdedigd, wordt
zoo’n donkere onderkant wel heel merkwaardig.

Het is voor een dier van veel belang niet op te vallen, doch zich te
kunnen verschuilen voor z’n vijanden. Voorbeelden hiervan zijn
overbekend. Denk maar eens aan de wandelende takken en bladeren, die
toch niets anders zijn dan insecten, die door hun uiterlijk en houding
op verbluffende wijze een tak of een blad nabootsen. Maar niet alleen
onder de lagere dieren, ook onder de gewervelde dieren vindt men iets
dergelijks.

De eigenaardige strepen aan de hals van de roerdomp bijv. schijnen ’t
dier, als het met uitgestrekte hals tusschen de riethalmen staat,
geheel onzichtbaar te maken. Buiten zijn natuurlijke omgeving evenwel,
zijn die strepen zeer opvallend. Zeer duidelijk is ditzelfde ook het
geval de strepenteekening op een zebrahuid. Hoe fel en scherp lijken
die strepen ons, wanneer we de dieren in hun hok in Artis zien. Doch in
de Afrikaansche steppen tusschen ’t hooge, breede, verdorde gras, moet
de zebra zich even uitnemend verschuilen als onze roerdomp in ’t
rietland. Een gewone grauwe ezel evenwel zou daar, in die gele
Afrikaansche steppe, geheel uit den toon vallen en scherp tegen zijn
omgeving afsteken, waardoor de roofdieren hem eerder op zouden merken.

Thayer gaat zelfs nog veel verder en beweert, dat iedere kleur of
teekening van een dier in de natuurlijke omgeving van belang is. Ook de
pauw, met zijn schitterend groen en blauwe staart zou zich geheel
oplossen in het heerlijk groene oerbosch. De flamingo’s, die tegen ’t
ondergaan der zon in ’t blauwe water van de Middellandsche Zee gaan
visschen, bootsen de wolken van ’t avondrood na. En, hoewel deze
veronderstellingen wel wat te fantastisch zijn voor ’t solide en
langzame brein van den gemiddelden bioloog, toch kan niet ontkend
worden, dat Thayer een heel aardige verklaring heeft gegeven voor lang
bekende feiten.

Het meest geloofwaardig evenwel, is z’n verklaring voor het nut van een
lichte onderkant, waardoor het dier zich vervlakt. Van boven toch,
ontvangt ieder voorwerp ’t meeste licht, aan den onderkant veel minder,
terwijl bovendien de slagschaduw hem nog donkerder maakt. Was nu de
vogel aan den onderkant van dezelfde kleur als den bovenkant, dan zou
deze toch lichter lijken door de groote hoeveelheid licht, die ze
direct ontvangt, terwijl de buik veel donkerder zou zijn.

Is nu een vogel aan de bovenkant grauw en aan de onderkant licht of wit
gekleurd, dan wordt het verschil in verlichting genivelleerd door het
verschil in kleur.

Wij, in Holland, behoeven de Lappen en Finnen hun goudplevieren niet te
benijden. Onze lentebode, de KIEVIT (VANELLUS VANELLUS) (No. 25) is op
z’n minst genomen even aardig.

Hoewel de kieviten in Holland en Zeeland altijd een paar dagen eerder
gesignaleerd worden dan in Friesland, wordt daar steeds ’t eerste ei
geraapt. Dáár, in de vlakke landen, die door hun gemis aan boomen nog
veel lager, vlakker en wijder lijken dan onze Hollandsche weiden,
vinden kieviten hunne hartsbegeerten. Hun paradijs ligt evenwel in de
buurt van de Lemmer, misschien wel het rijkste vogelhoekje van ons
land. Een tocht daarheen behoort tot één van die groote vreugden, die
voor zoo weinig geld te verkrijgen zijn. Je stapt daartoe ’s avonds op
’t Lemmer bootje, dat je zelf en je fiets voor één gulden over de
Zuiderzee brengt. ’s Nachts om twaalf uur vertrekt het van de
Ruyterkade en den volgenden morgen, tegen vijf uur, als de zon den
hemel achter het stadje Lemmer purper kleurt, stap je aan wal. In de
ochtendkilte doet ’t goed flink door te fietsen en als de lentezon hoog
genoeg staat, om je met haar stralen te verwarmen, ben je ver genoeg
gevorderd, om op een mooi plekje, langs den dijk het vogelleven gade te
slaan. Vlak langs den weg zie je, hoe de hupsche kemphaantjes hunne
tournooien leveren. Je bewondert „wit-kraag”, „zwart-kraag”,
„spikkel-kraag”, „goud-kraag” en hoe je hen verder naar hun, voor ieder
mannetje verschillend gekleurde kraag, noemen wilt, terwijl je geniet
van hun drukke bewegelijkheid en krijgshaftige standen. En al deze
agitatie is voor ’t nietige grauwe vrouwtje, waarvoor zich, na
volbrachten strijd, het mannetje in diepen deemoed neerbuigt!

Van kieviten, tureluurs en grutto’s wemelt het daar, zoowel buiten op
de schorren als op de weilanden binnen den dijk. Wulpen, plevieren en
strandloopertjes, zoomin als verschillende meeuwen en ontelbare
leeuweriken ontbreken er en alle vervullen de lucht met hunne stem.

Geen wonder dat in ’t land, waar zooveel vogels zijn, het eierzoeken
een sport is die door ieder beoefend wordt, of ten minste in de jeugd,
beoefend werd. Het zoeken van kievitseieren is evenwel de meest
geliefde tak van dit bedrijf. Niet alleen om het materieele voordeel
dat de verkoop van de zoo gezochte eieren oplevert. De moeilijkheid,
uit het vliegen van den vogel op te maken, of hij eieren heeft, en wáár
hij ze gelegd heeft, maakt het zoeken zoo aantrekkelijk. Zoo is ook de
„eer” van het vinden van ’t eerste kievitsei, dat volgens de traditie
aan de Koningin wordt gezonden, van nog veel grooter belang, dan de
tien gulden, waarmee dit eerste ei altijd betaald wordt.

Al een week van te voren weten de eierzoekers of een kievitenpaartje
z’n eerste ei zal krijgen. Zij zien aan ’t gedrag der vogels wanneer
het er is, en zoeken dan ’t nest. En als zij ’t vinden met reeds twee
eieren er in, schamen zij zich, in plaats van blij te zijn met ’t
voordeeltje. Want ieder rechtgeaard eierzoeker beschouwt het als een
schande, het zoover te hebben laten komen.

Soms, met een zachte kwakkelwinter, blijven er kieviten in ons land.
Waarschijnlijk zijn het dan vogels, die Noordelijker gebroed hebben,
terwijl de vogels, die bij ons broedden, het Zuiden ingetrokken zijn.
Zeker weet men dit evenwel nog niet.

Met strengere winters verdwijnen zij evenwel allemaal. Een van de
vreugden, die het gevolg zijn van een kouden winter is de verrassing,
deze pittige sierlijke vogels op een morgen in Februari of Maart over
de weide te zien stappen, of te hooren, hoe zij met heldere stem vanuit
de blauwe lucht zichzelf aankondigen: „Kievit, we zijn er weer”. Het
antwoord is dan een zwaai van m’n hoed, een lachenden groet en met
blijde stem roep ik hun toe: „Hallo kievit, ’k ben blij dat je er weer
bent. De winter was zoo lang. En al was ’t gezellig, te zitten bij den
brandenden haard of met schaatsen onder de voeten de wereld door te
vliegen, al was ons Holland prachtig in z’n sneeuwdos, al waren de
boomen wonderen van kantwerk, toen de rijp hen bedekte, ik ben blij,
dat je er weer bent, om ons te vertellen, dat het Lente wordt.”

Tot in Groenland toe brengen zij hun blijde boodschap. In Afrika worden
zij dan gemist, daar beteekent hun vertrek de komst van het natte
jaargetijde.

Voordat de groote massa van de kieviten komt, zijn er altijd een paar
voortrekkers. Die hebben blijkbaar haast, het terrein te verkennen en
de mooie plekjes uit te zoeken. Het liefst nestelen zij op lage landen,
in de buurt van water, maar ook in de duinen of op de hei weet de
kievit het zich gemakkelijk te maken. Als er water in de buurt is, is
hij overal tevreden.

De gewoonten van een kievit zijn zoo geestig en belangwekkend, dat ze
daardoor het geheele jaar de vreugde van ieder natuurliefhebber uit
maken. Of het de sierlijke vluchten zijn, die hij maakt om z’n wijfje
te bekooren, of de deftige buigingen en vroolijke pirouettes, die hij
in ’t gras voor haar maakt, of de dolle buitelingen in de lucht,
waarmee hij z’n levenslust tracht te uiten, of wel de listige
bewegingen en schreeuwen, waarmee een oude kievit een onervaren
eierzoeker van z’n nest weet af te houden, altijd is deze vogel den
tijd meer dan waard, die we aan hem besteden.

Hoe mooi is hij bovendien! Glanzend zwart-groen zijn de veeren van
vleugels en rug. Helder wit schittert z’n borst. Z’n kop draagt ’t
kwieke kuifje. Wat trippelt hij pittig over de weiden, telkens met een
schok stilstaand. Soms steekt hij dan z’n kop spiedend omhoog en strekt
daarbij z’n heele bovenlijf. ’t Is alsof hij op z’n teenen gaat staan.
Deze beweging herhaalt hij eenige keeren om dan weer vol strakke
bewegelijkheid verder te trippelen. Soms rent hij door de weilanden,
alsof hij tot krijgertje spelen uit wil noodigen. In de lucht is hij
een eerste acrobaat, daar buitelt en „looping-the loopt” hij dat het
een aard heeft. Hel wit flitst dan de blinkende onderkant van z’n
vleugels. En deze uitbundige vogel is moedig als weinig andere. Z’n
broedsel beschermt hij tegen alle mogelijke vijanden, die vaak veel
grooter zijn dan hij zelf. Een buizerd bijv. valt hij in de vlucht aan
en al kan hij hem geen baas, hij berokkent hem zooveel last, dat hij
het kievitennest opgeeft en ergens anders naar een minder dapper en
waakzaam ouderpaar uitziet.

Wie van deze steltloopertjes houdt (en welke Hollander doet dat niet?)
weet niet goed te zeggen, welke nu wel de allermooiste en de
alleraardigste is. Als je er over vertelt, gaat het je als een kind,
dat bloemen plukt. Zooals zij telkens meent, dat er verder een mooiere
bloem is dan de vorige, zoo vinden wij telkens de eene vogel weer
aardiger dan de andere.

Ik zal dus niets meer zeggen van de grutto’s, de tureluurs, de
kemphaantjes, de scholeksters, de ruiters en wat er in ons land nog
meer aan dit langpootig en langsnavelig gevogelte valt waar te nemen.
Alleen van enkele zeldzame of merkwaardige vogels, zooals de KLUIT
(RECURVIROSTRA AVOSETTA) (No. 26) wil ik nog wat vertellen. Hoewel niet
zeldzaam, wat het individuen-aantal aangaat, is hij maar op enkele
plaatsen te vinden, daar hij zeer speciale eischen aan z’n broedgebied
stelt. Hij verlangt, dat het voor menschen moeilijk toegankelijk is en
dat er water, slik en zout te vinden zal zijn. Daar zeer weinig streken
aan al deze voorwaarden voldoen, is dit de oorzaak dat men hem slechts
broedend aantreft langs de kusten der Noord- en Oostzee en in IJsland
en langs de zoutmeeren van Hongarije. In ons land broedt hij op drie
plaatsen: Texel, de Beers en Schouwen. In Engeland is hij uitgeroeid.

Het is een mooie vogel, wit, met zwarten kop en zwarte vlekken op
vleugels en rug. Tijdens z’n vlucht, met de typisch neerhangende
vleugels, valt de vreemde teekening duidelijk op. Hierdoor en door de
ingetrokken hals en de ver naar achteren uitstekende pooten is hij
direct te herkennen. De snavel, die naar boven is omgebogen, schijnt
zeer onpractisch. De vogel weet er evenwel goed gebruik van te maken,
als hij hem in ’t slik duwt en hier naar voedsel zoekt.

De kluit is één der steltloopers, die goed kan zwemmen, daar hij
zwemvliezen tusschen de teenen heeft. Zij komen betrekkelijk pas laat
in ons land, want in April wordt zijn melodieus maar klagend: klú-i͞e-ĕ,
klú-i͞e-ĕ voor ’t eerst gehoord en in September trekt hij al weer weg,
heel ver ’t Zuiden in, tot aan de Kaap toe.

Strandloopertjes daarentegen zijn vogeltjes, die ’s winters in ons land
komen en in ’t voorjaar naar het Noorden trekken, waar zij hun
broedgebied hebben. Aan ons Noordzeestrand ziet men ’s winters, vlak
langs de branding, troepen van deze kleine vogeltjes aan het visschen.
De KANOETSTRANDLOOPER (TRINGA CANUTUS) (No. 27) is misschien wel de
mooiste ervan. Tusschen zoo’n troepje vindt men ook vaak pleviertjes en
’t kleine strandloopertje (Limonites minuta), hoewel deze laatste ook
dikwijls zonder vreemden in hun troepje leven. Zoo’n troepje
strandloopertjes is aardig om te zien. Deze allerliefste kleine
diertjes loopen verbazend vlug, zoo vlug, dat men hunne pootjes niet
meer afzonderlijk waarnemen kan en zij niets anders lijken dan rollende
bolletjes. Tot zij op eens opvliegen, zachte fluitgeluidjes maken en
een oogenblik later weer neerstrijken om hun race, tegen wind in, weer
te beginnen.

SNIPPEN (SCOLOPAX) worden door veel menschen in één adem genoemd met
patrijzen. Waarschijnlijk, omdat voor de menschen het culinaire
genoegen, dat deze beide vogels aan de smulpapen verschaffen, van
overwegend belang is. Toch zijn zij in ’t geheel geen familie van
elkaar, daar de patrijzen tot de hoenders behooren, terwijl de snippen
steltloopers zijn.

Snippen vormen over geheel Europa een zeer geliefd wild en worden,
vooral tijdens de najaarstrek druk gejaagd. Zij gelden bij de meest
verfijnde lekkerbekken voor een exquise lekkernij...... mits zij met
ingewanden en al gebraden worden. Want het allerfijnste gedeelte van
deze vogels vormen juist deze ingewanden, met hunne half verteerde
inhoud van insectenlarven en de ± 200 lintwormen (ieder ongeveer 18
c.M. lang) die er in leven. Een fijnproever, die „z’n drekkie” niet in
z’n snip vindt, acht zich door z’n poelier bedrogen. Het is toch soms
wel heel erg prettig, maar een dood gewoon mensch te zijn en te mogen
grillen van dergelijke tractaties.

Hoewel op deze vogel door de jacht, die er op gemaakt wordt, meer is
gelet dan op andere, zijn z’n gewoonten niet goed bekend. ’t Is
misschien juister te zeggen: niet goed begrepen, daar de groote massa
aanteekeningen van betrouwbare waarnemers nog al uiteen loopen.

Soms trekken snippen hoog, soms laag, soms langzaam, soms vlug. Maar
waarom zij dat doen en wat de hoogte of de snelheid van hunne vlucht
beïnvloedt, weet men niet.

De vogeltrek is wel een van de wonderlijkste en meest merkwaardige
verschijnselen die we in de dierenwereld tegen komen; ook is het een
van de opvallendste. Geen wonder dan, dat de menschen over dit
verschijnsel hebben gedacht en er een verklaring voor hebben trachten
te vinden. Toch hebben zij met de eenvoudige verklaring, die lang
aanvaard is geworden, groote fouten gemaakt, omdat zij conclusies
trokken uit onvolledige waarnemingen. Men had, behalve het regelmatig
aan en afwezig zijn van de vogels, ook grootere en kleinere troepen van
hen op reis waargenomen. Men hoorde hen ’s nachts, aan de geluiden die
zij maakten, men wist, dat zij op hunne tochten vaak de zee over
moesten en dat zoowel oude als jonge vogels de reis maakten.

Men stelde zich voor dat de oudere vogels, die al meerdere malen de
tocht naar het Zuiden hadden gemaakt, den jongeren den weg wezen. Deze
leeren hem goed kennen, en zijn later in staat, anderen dezelfde dienst
te bewijzen. Men meende, dat de vogels over zee, zéér, zéér hoog zouden
vliegen en dat hun buitengewoon scherpe oogen hen in staat zouden
stellen, de heele zee te overzien en dat zij daardoor den kortsten weg
naar de meest uitstekende landtong zouden vinden. Als zij ’s nachts
vlogen, hielden zij zich bij elkaar door het geven van geluiden. Maar
men meende, dat in ’t algemeen het vliegen bij nacht slechts bij
uitzondering gebeurde, wanneer de tocht over zee te lang was, om in één
dag volbracht te worden.

Nauwkeurige waarnemingen van lateren tijd hebben wel aan ’t licht
gebracht, dat het zóó eenvoudig, als men zich vroeger voorstelde, niet
is.

Men weet nú, dat veel vogels geheel alleen trekken. Wie heeft hen den
weg gewezen, toen zij dat voor de eerste maal deden? Andere vogels
trekken slechts in den nacht. Hoe is ’t mogelijk, dat zij in ’t donker
den weg vinden? Temeer, daar veel vogels laag over zee trekken en dus
niet den geheelen weg kunnen overzien. Ook is de trek over groote
afstanden veelal geluidloos en roepen de vogels slechts dan, wanneer
zij licht zien.

Hoe men dus de trek verklaren moet? Men weet het niet en heeft er over
gedacht of de vogels niet een zeer uitgesproken richtingszin zouden
hebben. Die richtingszin is een van de mysterieuze instincten, die men
erkennen moet, zonder ze te begrijpen. Er zijn zelfs nog menschen, die
eenzelfde onverklaarbare richtingszin hebben en den weg weten te vinden
in een voor hen vreemd gebied. Een overblijfsel van instincten, die ons
vroeger, als kuddedier eigen geweest moeten zijn. Een overblijfsel dat
wij helaas verloren hebben, maar dat nog aan sommigen (o. a.
Nomaden-volken) onschatbare diensten bewijst!

Die richtingszin verklaren? Het is mogelijk dat er nog eens een vernuft
scherpzinnig genoeg is, om ’t te ontleden. Misschien wordt ons daardoor
’t mysterie van deze geheimzinnige kracht geopenbaard. Dan zal hiermee
een ander wonder feit tot nuchtere werkelijkheid worden. Dan zal van ’t
opgeloste probleem de bekoring geweken zijn. Een bekoring, die ons nu
nog gevangen en betooverd houdt.

Met de broedgewoonten van de snip is het al net zoo gesteld: een
tegenspraak tusschen de meest betrouwbare waarnemingen maakt het
moeilijk iets met zekerheid er over te zeggen.

Houtsnippen (Scolopax rusticola) komen eerst tot leven in de
schemering. Overdag houden zij zich schuil. Men ziet hen dan
betrekkelijk zelden. Bovendien weet de vogel een uitstekend gebruik te
maken van z’n kleur, een prachtig voorbeeld voor de theoriën van
Thayer. Want, een houtsnip die „zich dood houdt”, dat is, onbewegelijk
op één plaats zitten blijft, is zoo goed als niet te vinden.

Het is me eens gebeurd, een vleugellamme houtsnip te zien, die
verdwaald was op een landweg. Het beestje volgde getrouw den raad, die
Moeder Natuur hem gegeven had en drukte zich onbewegelijk stil tegen
den weg. Ditmaal zonder resultaat natuurlijk, want tegen den
grauw-zwarten weg viel z’n warm bruine kleur met de onregelmatige
teekening, die zoo aan blaadjes en takjes gelijk is, duidelijk op. Tot
vlak bij, liet hij me komen. ’t Was z’n instinct, die meegekregen
eigenschap, dat hem zoolang tot stilzitten dwong. Maar de angst van ’t
diertje was duidelijk te zien aan z’n oogjes en toen ik m’n hand
uitstak om hem te grijpen, was het gevaar hem te groot. Hij vergat alle
lessen en vluchtte weg, om, buiten ’t bereik van die hand, een meter of
vier, vijf verder zich opnieuw dood te houden. Zoodra dus blijkbaar de
angst wat minder was, dwong z’n instinct hem weer tot het onbewegelijk
neerzitten. Wéér liet hij me nader komen, wéér liep hij weg toen ik te
dicht bij hem was. In een bosch zou deze methode hem ongetwijfeld
geholpen hebben te ontkomen. Hier gaf ’t niets. Het eind was dan ook,
dat ik hem te vlug was en mee naar huis nam, om z’n vleugel te
verbinden.

De snip van onze rietlanden is de WATERSNIP (GALLINAGO GALLINAGO) (No.
28).

Een ander aardig vogeltje van onze rietlanden is DE RAL (RALLUS
AQUATICUS) (No. 29).

Het geldt voor een zeldzaam diertje. Misschien is het niet zoo
zeldzaam, als men wel geneigd is aan te nemen. Het is alleen weer een
diertje met een prachtige schutkleur, dat daardoor weinig in ’t oog
valt.

In Brazilië leeft een familielid van hem, dat z’n sprekend evenbeeld
is. Het is evenwel wat grooter. In Artis, waar er al sinds jaren een
is, is het een van de luidruchtigste vogels en z’n luidruchtigheid is
in hooge mate grappig, daar z’n roepen duidelijk: „Och-bewaar-me” is.
En zoo duidelijk en zoo vol luide verontwaardiging wordt het geroepen,
dat het een glimlach ontlokt aan ieder die het hoort.

Even schuw als de ral is, is de KOET (FULICA ATRA) (No. 30) brutaal.
Overal waar maar een beetje water is, vindt men dezen aardigen,
plompen, gemoedelijken, zwarten vogel, met de witte bles op z’n kop.
Die bles wordt niet gevormd door witte veeren, zooals de bles op een
paardekop uit witte haren bestaat. ’t Is hier, bij de koet, de
afwezigheid van veeren, die de huid vrij laat en wit doet afsteken
tegen de omgevende gitzwarte veeren. Als een koet tusschen eenden en
waterhoentjes op een plas drijft, herkent men hem direct, juist door
die bles.

’t Opvallendst onderscheidt een koet zich van de andere steltloopers
door z’n pooten. Deze zijn n.l. voorzien van gelobde zwemvliezen.
Hierdoor wordt het oppervlak van iederen teen zeer vergroot. Door deze
vergrooting van z’n draagvlak kan de vogel nu met groot gemak over de
waterplanten loopen, terwijl ze hem tevens in staat stellen om te
zwemmen.

Men treft de koet, het hooge Noorden uitgezonderd, in geheel Europa
aan. In zeer strenge winters wordt ook ons land hem te koud en trekt
hij naar het Zuiden. ’s Zomers vindt men hem haast in iedere sloot,
waar genoeg riet is. Zijn nest is moeilijk te bereiken, daar het op het
water tusschen de rietstengels drijft. Vaak rust het op een basis van
oude rietstoppels. De eieren hebben de kleur van het dorre riet en zijn
zeer fijn bespikkeld. Deze spikkels, die grootere en kleinere, dikkere
en dunnere streepjes zijn, komen zeer sterk overeen met de stippels,
die door „roest”zwammen op de doode rietstengels gemaakt worden. De
jongen blijven heel lang tusschen het riet; dat zij er zijn, hoort men
aan een schreeuw of een gelok van de oude, die zich met hen bezighoudt.
’s Avonds, als het donker wordt, brengt zij hen wel op het open water.
Met heel zachte, onderdrukte geluidjes laat moeder dan weten waar zij
is. De jongen zorgen dan wel vlak bij haar te blijven.

Het waterhoentje is ’t sierlijke donkergrijze familielid van de koet en
wordt op precies dezelfde plaatsen aangetroffen. De roode snavel, de
sierlijke bouw, de witte streepen over de vleugels en de roode pooten,
maken hem gemakkelijk herkenbaar.

De stem van dit mooie vogeltje is buitengewoon leelijk. Ieder heeft
deze wel eens gehoord, als de vogel opschrikte en onder het uitstooten
van een rauwe schaterlach, half loopend, half vliegend over het water
rent, zich omhoog heft, even vliegt en zich met een boog in het riet
van den overkant der sloot laat vallen. Waar hij het water met z’n
pooten aanraakte, blijft nog een rimpelspoor achter.

De JASSANA (JACANA JACANA) (No. 31) is hun neef uit Zuid-Amerika. Daar
is deze even algemeen als de koet of het waterhoentje bij ons.
Uiterlijk verschilt hij nog al wat. Dit komt voornamelijk door de zeer
lange pooten met de buitensporig lange teenen. Oppervlakkig geoordeeld
zou men een dergelijk exces ondoelmatig en dwaas kunnen vinden. Op het
land heeft de vogel dan ook veel last van die lange teenen, die hem het
loopen zeer moeilijk maken. Maar in de moerassen en vijvers, waar hij
hoort, blijkt het gemak ervan. Over ’t wateroppervlak, dat met
drijvende bladen van waterplanten overdekt is, loopt het er bliksemsnel
mee. Z’n lange teenen verdeelen z’n lichaamsgewicht. Nu veert alleen de
bladerenmassa onder hem; had hij kortere teenen, ze zouden
waarschijnlijk onder hem wegzinken.

Zoodra deze bizarre vogel onraad merkt, laat hij z’n stem hooren. ’t Is
net als van ons eigen waterhoen een lach, doch klinkt veel
welluidender.

Dat de TRAPGANS (OTIS TARDA) (No. 32) tot de steltloopers behoort en
niet tot de ganzen, zooals de naam, of tot de hoenders, zooals een
oppervlakkige blik op z’n uiterlijk doet vermoeden, dankt hij aan z’n
loopbeen, dat meer dan tweemaal langer is dan de middenteen. Want dit
loopbeen is ’t toch maar, dat voor al deze steltloopers zoo
karakteristiek is.

Deze ongeveer een meter groote vogel, was vroeger algemeen in ons land
en in Engeland. Dat hij daar tegenwoordig niet meer voorkomt, zal wel
in hoofdzaak te wijten zijn aan z’n levenswijze, die hem nu juist niet
tot de aangenaamste gasten in de velden maakt. Hij houdt zich bij
voorkeur alleen op in de vruchtbare streken, waar graan en groene
plantendeelen in overvloed voor hem te vinden zijn.

Het is heel moeilijk een trapgans te zien te krijgen, zelfs in de
Russische steppen, waar hij algemeen voorkomt. Zij zijn zoo schuw, dat
zij zich overdag haast nooit laten zien, maar standvastig tusschen het
hooge koren blijven. Daar zij op open velden slapen en deze niet altijd
aan hun voedselterrein grenzen, kiezen zij de na-schemering of den
nacht uit, om deze op te zoeken. In den vroegen morgen gaan zij weer
terug, met hun waardige, langzame en afgemeten passen den weg
afleggend.

Evenals vele andere vogels kent de trapgans verschillende menschen uit
elkaar en onderscheidt hij den ongevaarlijken boerenknecht of wandelaar
zeer goed van den jager.

De jacht, die begrijpelijkerwijze veel op deze schadelijke vogels
gemaakt wordt, levert daardoor eigenaardige moeilijkheden. De menschen
dienen de vogel te slim af te zijn. Een jager verkleedt zich als een
boer, of een boerenknecht en laat zich in een boerenkar of op een
hooiwagen naar het veld brengen, waarin de ongewenschte gasten
gesignaleerd zijn.

In Engeland heeft men eenigen tijd geleden moeite gedaan, om deze vogel
weer te doen inburgeren. Vijftien stuks werden daartoe tegelijk
ingevoerd en aan de zorg van het publiek toevertrouwd. Met het helaas
al te vaak voorkomend gevolg, dat het publiek zich van deze
verantwoordelijkheid niets aantrok en roekelooze jagers de vogels
neerschoten. Nooit heeft men meer iets van hen gezien.

Misschien heeft de KRAANVOGEL (GRUS GRUS) (No. 33) zich vroeger ook in
ons land opgehouden. Gegevens hierover zijn me niet bekend. Toch lijkt
het niet onwaarschijnlijk, daar de groote moerassen in de buurt van
akkers, die door hen als woonplaats uitgezocht worden, wel niet
ontbroken zullen hebben. De groote moerassen verdwijnen en worden tot
vruchtbare polders. Maar helaas, de vogels verdwijnen ook en niemand
neemt hunne plaats in. Of het moest de mensch zijn, die de polders
bewoont. Jammer genoeg verdwijnen hierdoor de meer aantrekkelijke
dieren.

In Duitschland heeft de kraanvogel nog streken naar z’n hart. Hij
broedt daar dan ook geregeld. Wij zien hem hier alleen nog maar als hij
vandaar uit overtrekt naar de warme landen, naar Egypte of Engelsch
Indië.

In het laatste land met z’n veel te dichte bevolking, worden zij als
uiterst schadelijk beschouwd. Dat is dan ook geen wonder. Want de
verwoestingen die zij in de korenvelden aanrichten zijn
verschrikkelijk. In Egypte eten zij jaarlijks wel 100.000 H.L. graan
op. Daar, in de vruchtbare Nijllanden kan het van de overvloed wel
gemist worden. In Britsch Indië waar men op iedere graankorrel zuinig
is, is het een ander geval.

Alleen de kraanvogels, die Noordelijk broeden, trekken. Zij vliegen
daarbij in grootere en kleinere troepjes, in een rechte lijn achter
elkaar. Zij houden zich aan de groote trekwegen, die voornamelijk langs
de kusten gaan.

Ieder paartje kiest zich, bij de moerassen aangekomen, een bepaald
broedgebied, waarin geen ander nest dan het hunne geduld wordt. Toch
begroeten zij overtrekkende vogels met luide vreugdekreten van hunne
ongelooflijk sterke stem.

Broedende kranen zijn zeer moeilijk gade te slaan. Zij zijn schuw en
weten zich goed te verbergen, daar hunne kleur tijdens het broeden van
fraai licht grijs, tot een vieze, vuile, donkergrijze kleur wordt.
Niemand kon hiervoor een verklaring vinden, tot eens een zeer goed
verborgen waarnemer een wijfje observeerde, dat zonder achterdocht was
en zich onbespied waande. Hij zag toen, dat zij haar veeren met modder
insmeerde en schoot haar neer. Het bleek toen, dat de modder met
speeksel vermengd, zoozeer in de veeren was gedrongen, dat het er niet
uit te wasschen was, maar zich slechts met chemische middelen liet
verwijderen.



§ 2. De tweede orde van de groep der Grallatores (Steltloopers) wordt
gevormd door de PELOPATIDES, die slechts de FLAMINGO’S (PHOENICOPTERUS
ROSEUS) (No. 34) tot haar vertegenwoordigers telt. Wel verdienen deze
wonderlijke vogels een plaats alleen in het systeem. Want nergens vindt
men meer huns gelijke. Toch doen deze vogels in hunne onderdeelen aan
alle mogelijke andere denken. Zij doen aan als een schepping van een
kunstenaar met levendige verbeelding, die dieren construeert uit
stukken van andere. En al werd het hier geen leeuw met een
menschengezicht, die ons met haar sphinxenblikken betooverd houdt, toch
doet de grilligheid van deze vogels ons in blanke verwondering naar hen
staren.

Wat boeit ons wel ’t meeste? Is het de fijne kleur van het teere
roserood der veeren, dat zich in de vleugels even accentueert, als de
blos op de wangen van een kind? Of is het het contrast in de
lichaamsdeelen? De ooievaarspooten met de eendeteenen, de zwanenhals,
die als een slang zich kronkelt of de onevenredig groote, bleekgele
snavel, die de kleine kop zoo topzwaar doet lijken? Ik weet het niet.
Maar ondanks deze, in kleinigheden zich telkens herhalende grilligheid,
wat een harmonisch geheel, wat een sublieme slankheid van lijnen, wat
een rustige voornaamheid in bewegingen.

De snavel is wel het merkwaardigste van dezen vogel. Juist om deze
snavel werden zij vroeger bij de eenden ondergebracht, want deze is
voorzien van een zelfde zeef-apparaat, met dit onderscheid evenwel, dat
bij een eend de bovensnavel over de ondersnavel wordt gelegd en dit bij
de flamingo juist andersom is.

Een eend neemt, zooals iedereen weet, het voedsel zwemmend tot zich en
gebruikt de bovensnavel als deksel over den ondersnavel. De flamingo
zoekt z’n voedsel wadend, of staand in diep water. Door de lange pooten
wordt hij niet nat en de lange hals stelt hem in staat den bodem te
bereiken van de strandmeeren. Het zand of de modder zeeft hij nu met ’t
gevoelige zeef-toestel in z’n bek en gebruikt dan de onderkant van den
snavel als deksel voor de bovenkant, daar hij z’n hals naar binnen
ombuigt en dus de kop onderste boven heeft. En weer verbazen we ons, nu
we zien, hoe alles wat ons aan den vogel verwonderde, beteekenis voor
hem heeft, in verband met z’n levenswijs.



§ 3. De ibis, ooievaar, maraboe, reiger en nachtkwak zijn enkele
vertegenwoordigers van de GRESSORES, de derde en laatste orde der
Steltloopers.

In Europa vindt men eenige vertegenwoordigers van de IBIS-familie (No.
35). Over het algemeen evenwel moet men deze vogels in Afrika, Azië en
Amerika zoeken. In verhouding tot de andere hierboven genoemde vogels,
zijn zij betrekkelijk klein. Zij vallen voornamelijk op door hun naar
beneden gebogen snavel. Bij nauwkeuriger onderzoek blijken zij
bovendien hunne tong te missen.

In Egypte werd de ibis vroeger als heilig beschouwd en in staat van
halve gevangenschap gehouden. De reden voor deze heiligheid lag in hun
komst tijdens de Nijloverstroomingen. Ieder jaar brengen deze
overstroomingen vruchtbaarheid aan landen, die anders zoo onvruchtbaar
zouden zijn als de woestijnen, waaraan ze grenzen. De Nijl was daarom
heilig als brenger van leven en vruchtbaarheid. En de ibis, die gelijk
met het aangebeden en zegenrijke water kwam, moest zich mede de
aanbidding laten welgevallen. Als er een stierf, werd z’n lichaam
gebalsemd met evenveel zorg als dat van een Pharao. Van deze
ibis-mummies zijn er nog massa’s in de oude Egyptische tempels te
vinden.

Terwijl de ibissen in de oudheid zooveel aan de Nijl voorkwamen, vindt
men hen tegenwoordig niet meer in Egypte. Een verklaring weet men niet
voor dit verdwijnen.

Van de LEPELAAR is het verdwijnen makkelijker te begrijpen. Vroeger
vond men hem overal. Nu is hij nog slechts in Holland, waar hij aan een
paar van onze plassen nestelt en bij de groote moerassen van Hongarije
te vinden.

Het Zwanenwater bij Petten en het Naardermeer vormen zijn tegenwoordige
standplaatsen in ons land. Hun kolonies worden er met de uiterste zorg
behandeld en tegen iedere rustverstoring beschermd. Nauwelijks 100 jaar
geleden, broedden de vogels nog in een groote kolonie in de plassen bij
Rotterdam. Toen deze drooggemaakt werden, is de vogel verdwenen.

We kunnen er de „Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten” dan ook
niet dankbaar genoeg voor zijn, dat zij het Naardermeer en z’n
heerlijke vogelwereld voor dat lot behoed heeft. En het is dwaas, het
den eigenaar van het Zwanenwater kwalijk te nemen, dat hij den toegang
tot z’n terreinen streng verbiedt. De eenige manier om natuurschoon in
ongerepten staat te behouden, is het ontoegankelijk voor de menschen te
maken. Want slechts zeer weinigen kunnen liefhebben en bewonderen, om
de vreugde van schoonheid alléén.

De meesten verlangen dit schoone ook te bezitten. En de biologen zijn
misschien nog de ergste vandalen, hoewel men het van hen ’t minst zou
verwachten. Zij bevredigen dit verlangen door het plukken van een
zeldzame bloem, die aan hun herbarium ontbreekt, door het plunderen van
een nest, waarvan de eieren in hunne collectie mankeeren.

Al is het slechts een enkele, zeer bevoorrechte en vertrouwde
natuuronderzoeker, die toegang tot de broedkolonie van de lepelaars in
’t Naardermeer krijgt, het werkelijk belangstellend publiek kan niet
dankbaar genoeg zijn. ’t Broeden kunnen zij wel niet zien, maar de
lepelaars gaan ver om hun voedsel te zoeken. Zij komen tot onder de
rook van Amsterdam, aan de Zuiderzee tot bij Zeeburg, om te visschen.

De verrassing, deze blanke vogel met de zwarte breede en platte snavel
op eens te zien, na alle gewone steltloopers, geeft een vreugde, die
door de zeldzaamheid zooveel te dieper is. Hoe heerlijk is het niet, op
een mooien lentedag aan de Zuiderzeedijk bij Valkeveen of Zeeburg te
liggen, te midden tusschen een overvloed van prachtig rose bloeiend
Engelsch gras. Je kijkt naar eenden, strandloopertjes, grutto’s, wulpen
en tureluurs. Op eens zie je in de zacht-blauwe voorjaarslucht een
schitterend witte vlek, die langzaam grooter wordt. Het zijn lepelaars.
Met sierlijken langzamen slag, die de vleugels doet blinken in de zon,
naderen zij soms twee, soms drie tegelijk, om voor hun middagmaal te
gaan visschen op ’t ondiepe, slikkerige water van de Zuiderzee. We
zullen veel missen, wij, Amsterdamsche natuurvrienden, als deze eens
droog is en den weg op is gegaan van zooveel plassen voor haar.

Maar behalve dergelijke dingen, die door hunne schoonheid en ook om
hunne zeldzaamheid een vreugd voor ieder natuurliefhebber zijn, is ons
leven nog rijk aan vreugden, door kleine alledaagsche dingen.

Hoe waar is ’t woord van den Duitschen dichter: Auch kleine Dinge
können uns entzücken, auch kleine Dinge können zärtlich sein. Hoe rijk
en mooi wordt ons leven niet door ’t opmerken en bewonderen van duizend
kleine dingen, die aan de jagende en jachtende menigte voorbijgaan.

De lente in Holland, die ons zoo’n massa vogels terugbrengt, geeft ons,
bij het weerzien van iedere oud-vertrouwde en bekende vogel, zoo’n
kleine, zuivere vreugde. Als ’t half Maart is en de lente nog talmt met
komen, verschijnt de OOIEVAAR (CICONIA CICONIA) (No. 36) op z’n nest,
op de nok van de boerderij of op de paal in het weiland en kleppert dat
het een lieve lust is. Z’n lange hals buigt hij ver naar achter en hij
zwaait z’n kop, voortdurend met de snavel klepperend naar voren.
Welluidend is het niet, maar toch vinden we het mooi en staan we er
graag naar te luisteren en naar de levenmakers te kijken. Het klinkt
ons zoo opwekkend in de ooren, want, is niet de ooievaar een nieuwe
lentebode, die ons moed inspreekt? De winter was zoo lang en koud. We
verlangden zoo naar groene boomen, blauwe luchten en gouden
zonneschijn. En de vroolijk-klepperende ooievaar belooft ons dat
allemaal. We moeten alleen nog een heel klein beetje geduldig zijn.
Klepper dus maar ooievaar, dat houdt er den moed in.

En klepperend blijft hij staan op ’t nest, dat zoo noodig verzorgd moet
worden. Z’n maat is dan ook weg, om er nieuwe takken voor te halen. Dat
nest is hun kostbaarste bezit. Zij durven het geen oogenblik alleen te
laten. Al eenige jaren hebben zij er op gebroed. Om beurten gaan zij
dus op nieuwe takken uit, om beurten houden zij de wacht. Er kon eens
een ander komen, die het in beslag nam. Alle verrotte, oude takken
worden weggehaald en nieuwe op hunne plaats gebracht.

Jammer genoeg begint het zien van een bewoond ooievaarsnest in
Nederland een zeldzaam verschijnsel te worden. Ons land vormt op het
oogenblik de uiterste westhoek van het verspreidingsgebied van dezen
vogel. In Engeland, waar zij vroeger ook broedend voorkwamen, zijn zij
nu niet meer.

Een vliegende ooievaar is gemakkelijk van z’n bloedverwant, de reiger,
te herkennen, daar een ooievaar z’n langen hals rechtuit naar voren
steekt, terwijl een reiger hem intrekt. Slechts zelden ziet men
ooievaars te samen vliegen, want, zoolang het nest versteld of de
jongen verzorgd worden, blijft er altijd één van de ouders thuis, om
hen te bewaken.

Wat hebben de ouders het druk, om hunne drie of vier naakt in de wereld
gekomen jongen groot te brengen en hunne grage magen te vullen. Van
alles sleepen zij aan: kikkers, visschen, muizen, hagedissen. Zij
treffen het, dat bij ons in den tijd, dat zij het meeste voedsel voor
de jongen noodig hebben, juist de weilanden gemaaid worden. Deftig, met
hun waardigen gang en afgemeten passen, stappen zij achter den maaier
aan. Menige kikker, die in ’t lange gras aan hunne scherpe oogen zou
ontkomen, wordt nu ingeslokt en naar ’t nest gebracht. Komt de oude
terug, dan zijn hun kleinen al gauw mans genoeg om hen op een verren
afstand te herkennen en luide hun vreugde daarover te uiten.

Ondanks de voortdurende goeie zorgen duurt het twee maanden, eer de
kleinen er aan denken hunne vleugels eens te probeeren. Hebben zij dat
eenmaal gedaan, dan leeren zij het vliegen gauw, al kost het hun
moeite, hun angst voor de diepte te overwinnen en den eersten sprong
van ’t nest te wagen. Daarna ziet men de ooievaars geregeld te samen.
Het is maar goed dat de jongen goed geoefend worden, want in September
moeten zij in staat zijn de verre tocht naar het Zuiden te maken. En
als zij krukken blijken, mogen zij niet mee. Op de verzamelplaats, waar
alle ooievaars komen, voor zij den tocht naar Afrika’s warme landen
aanvaarden, worden zij dan met snavelhouwen afgemaakt, naar men zegt.

In Afrika leeft een zeer na verwant familielid, de MARABOE (LEPTOPTILUS
CRUMENIFERUS) (No. 37). Deze broedt in de binnenlanden van Afrika en
niemand, behalve Livingstone, heeft ooit z’n nest gezien. Volgens deze
ontdekkingsreiziger bestaat het uit een massa doode takken, even als
dat van een ooievaar. Als de broedtijd van de maraboe, waarvan
begrijpelijkerwijze geen bizonderheden bekend zijn, is afgeloopen,
trekken de vogels het Noorden in. Toch gaan zij de 15de breedtegraad
nooit te boven. Van Mei tot October is de vogel dan ook in geheel
Noordelijk Afrika een gewone verschijning. Overal vervult hij, met de
gieren een soort reinigingsdienst, daar hij leeft van gestorven dieren.
En deze vogels, die in hun Artishokken zoo plechtig en deftig lijken en
er uit zien als oude heeren, met de handen op den rug, onder de slippen
van hun pandjesjas, laten bij het „kreng” van een rund of schaap, hun
waren aard kennen. Diep steken zij hun leelijke naakte kop met den
vervaarlijken snavel in de buikholte van het doode dier, en als zij een
der ingewanden te pakken hebben, springen en dansen zij achteruit en
winden de darm een heel eind af, eer zij hem naar binnen slokken. Zij
zijn afzichtelijk bij hunne maaltijd.

Behalve zijn naakte kop, die hem zoo gemakkelijk is bij het wroeten in
de ingewanden van doode dieren, (daar hij z’n veeren nu niet bevuilt),
valt aan de maraboe nog de naakte zak onder z’n kop op. Van deze zak,
die de vogel naar willekeur grooter of kleiner kan maken, door hem op
te blazen, totdat hij er zoo strak en gespannen uitziet als een
kermispiepertje, is de beteekenis niet bekend. Het is een eigenaardig
gezicht, deze rose zak te zien zwellen en men krijgt er niet genoeg
van, er naar te kijken, al geeft het z’n afschuwelijke kop nog een
weerzinwekkender aanblik.

Aan de stuit heeft de vogel wat zacht-fijne veertjes, die bij dames
zeer geliefd zijn en voor hen verwerkt worden tot het z.g.
„maraboe-bont”. Zou er wel één vrouw wezen, die zich met deze veeren
siert, die weet, hoeveel van deze groote vogels er gedood moeten, voor
er genoeg veertjes zijn voor haar boa? Om deze veeren wordt er op de
vogel druk jacht gemaakt door de inboorlingen, die hen dooden met hun
speer.

Een familielid van de maraboe is de „nimmerzat”, die z’n naam eer
aandoet, hoewel de maraboe om deze zelfde eigenschap zeker denzelfden
naam zou verdienen. Toch, ondanks z’n onaangenaam uiterlijk, z’n
vraatzucht en z’n bemoeizucht is de maraboe een aardige vogel, die het
hart van de menschen weet te stelen.

Brehm vertelt zelfs, dat hij erg op ’t gezelschap van maraboes gesteld
was en hen voortdurend in z’n buurt hield door afval voor hen neer te
werpen. Een oude Afrikajager, die eens een maraboe van jongs af had
opgefokt, vertelt een verhaal, waaruit dezelfde genegenheid blijkt: De
vogel was in veel opzichten lastig, stal groote stukken vleesch, die
hij gulzig verslond en volgens deze zegsman in z’n keelzak stopte.
(Misschien is dit de beteekenis van de zak, want, volgens het verhaal
van den jager, kon men, na zoo’n diefstal de vogel schuldig verklaren,
daar dan de proppen vleesch en de botten dikwijls heele uitpuilingen
aan de dunne huid van de zak gaven. Met jagersverhalen dient men
evenwel wat voorzichtig te zijn en ook deze verklaring moet onder
voorbehoud aangenomen worden). Ook was hij buitengewoon nieuwsgierig en
haalde alles overhoop. Zoo gooide hij de mandjes met eieren en visch
van de venters door elkaar, een kistje sigaren verstrooide hij naar
alle windrichtingen, kortom, er moest gezorgd worden, dat alles buiten
zijn bereik bleef. Nuttig maakte hij zich evenwel door het verdelgen
van slangen en ratten. Eens, toen een groote zwerm sprinkhanen in ’t
dorp kwam en iedereen zooveel mogelijk van deze dieren trachtte te
vernietigen, hielp hij braaf mee en maakte veel meer slachtoffers dan
alle menschen te samen. Het eenige, wat hij daartoe deed, was met z’n
groote bek wijd open rond te springen. Zoo nu en dan hield hij even op,
om z’n buit door te slikken.

Deze vogel nu, die iedereen in ’t dorp kende, liep vrij overal heen.
Eens kwam er een vreemde inboorling. Belust op de veeren doodde deze
hem en toonde, vol vreugd over z’n buitenkansje, de huid.

De verontwaardiging van de dorpsbewoners uitte zich op een zoo
hardhandige wijze, dat het zes weken duurde, eer de dokter den
ongelukkigen vreemdeling buiten levensgevaar kon verklaren.

De REIGER (ARDEA CINEREA) (No. 38) is in twee opzichten het
tegengestelde van de maraboe. Deze, die een afschuwelijke kop heeft,
was goedaardig van inborst. De reiger daarentegen, die een van de
fraaiste vogels onder de steltloopers is, heeft een zeer onaangenaam
karakter. Dit blijkt wel voornamelijk in zijn huiselijk leven. In de
kolonies, die de reigers op hunne broedplaatsen in hooge boomen vormen,
blijkt hunne boosaardigheid op allerlei wijzen. De menschen zijn dan
ook niets op hen gesteld en in Duitschland moeten hunne broedplaatsen
herhaaldelijk verstoord worden. Gelukkig doet men dat in ons land, voor
zoover mij bekend is, nog niet. Wel zullen de boeren het niet prettig
vinden, als juist de boomen op hun erf tot nestplaats worden verkozen,
want er blijft geen blad aan en ze sterven op den duur. Door al ’t
vuil, zien ze er als witgekalkt uit.

Dat de vogel bij ons niet vervolgd wordt en niet als schadelijk wordt
beschouwd, ligt er misschien wel aan, dat zij hier niemand direct
benadeelen. In Duitschland, waar zooveel zorg aan de fijne
zoetwater-visschen, als karpers en forellen, besteed wordt, is dit een
ander geval. Daar kan een groote kolonie van deze veelvraten geducht
veel schade in de vischvijvers berokkenen. Maar bij ons duldt men hem.
De slooten wemelen van allerlei visschen, waar haast niemand, (of ’t
moest een ijverig lid van de Hengelclub „Het Vroolijke Baarsje” of „de
Lachende Voorn” zijn) zich om bekommert.

En ik ben er blij om, want ik zou dezen prachtigen, sierlijken vogel,
niet graag missen. Wie kan ’t nalaten, hem te bewonderen, als hij
roerloos staat tusschen het riet, of met statige stappen langzaam langs
den waterkant schrijdt? Z’n veeren zijn prachtig blauwgrijs, z’n borst
is hagelwit met een enkele zilvergrijze streep en op z’n kop draagt hij
een sierlijke pluim. Z’n oogen evenwel zijn beslist onaangenaam, heel
lichte, sprille oogen, met een hypnotiseerende uitdrukking zijn het.
Buiten heb je evenwel geen last van hun onaangename blik, want de vogel
laat zich gewoonlijk niet zoo dicht naderen. Z’n stem, die rauw en
krijschend is, laat hij alleen maar tijdens het vliegen hooren.

De NACHTKWAK (NYCTICORAX NYCTICORAX) (No. 39) was vroeger algemeen in
ons land. Nu is hij hier heel zeldzaam. Toch is hij overal in Europa
nog te vinden, als hij maar moerassen vindt, met boomen er om heen,
waarin hij slapen kan. Het is een echte nachtvogel, die eerst met de
schemering tot leven komt.

De ROERDOMP (BOTAURUS STELLARIS) is een vrij kleine reigersoort, die om
z’n veeren merkwaardig is, juist omdat de teekening van z’n kleed hem
aan onze aandacht onttrekt. Dat het hem zoo buitengewoon gelukt zich te
verbergen, komt doordat de strepen aan z’n hals en op de borst, zoo
geheel overeenstemmen met de stengels van dor riet. Als de vogel z’n
hals uitstrekt en in die stand blijft staan, maakt hij zichzelf zoo tot
een deel van z’n omgeving, dat slechts een geoefend oog hem weet te
herkennen. Dat de vogel zich van ’t voordeel, dat deze houding hem
geeft, niet bewust is, blijkt ten duidelijkste uit het feit, dat hij
dezen stand ook aanneemt, wanneer hij in eene andere omgeving is.
Dreigt hem direct gevaar, dan hurkt hij, met wijd uitstaande veeren en
hangende vleugels tegen den grond en schijnt hij een uil na te willen
bootsen. De bedoeling van deze stand lijkt ons dus, z’n vijand om den
tuin te leiden. Terwijl deze de kleine reiger misschien aan zou vallen,
wacht hij zich wel, zich aan een uil te wagen. Doch, zoo weerloos is
een reiger ook weer niet, want in z’n groote, naaldscherpe snavel heeft
hij een geducht wapen. Al lijken deze en andere standen, die soms door
dieren aangenomen worden, ons nog zoo typisch en doelmatig, toch moeten
we wat betreft hun biologische beteekenis, zeer critisch zijn. Want,
wat ons menschen, met onze menschelijke oogen een prachtige schutkleur
lijkt, hoeft aan dieren nog niet zoo voor te komen. Vooral, sinds langs
experimenteelen weg is uitgemaakt, dat veel vogels bepaalde kleuren,
zooals rood en groen, niet waarnemen en dat dus hun wereld er uitziet,
alsof ze door een groen glas kijken.

Hiermee wil ik niet beweren, dat de standen- en strepenteekening der
roerdomp geen beteekenis heeft. Integendeel, wanneer men opmerkt dat de
gewone blauwe reiger een dergelijke teekening aan z’n hals heeft, en
deze gewend is in dezelfde houding met uitgerekten hals, roerloos te
staan, is men wel degelijk geneigd aan een bepaalde beteekenis van deze
strepen te gelooven. Men moet evenwel zich wachten voor voorbarige
gevolgtrekkingen en z’n oordeel slechts met groote terughoudendheid
geven. Zekerheid is nergens.








Reichenow, de bekende schrijver van het „Handbuch der systematischen
Ornitologie, die Vögel”, brengt daarin de roofvogels, te samen met de
hoenders, tot één systematische eenheid, zoodat de vierde groep, die
der


HUIDSNAVELIGEN (CUTINARES) IV.


5 orden omvat, die, zoowel wat uiterlijk als wat levenswijs betreft,
zeer sterk uiteenloopen. Het kenmerk, dat alle evenwel gemeen hebben en
op grond waarvan Reichenow hen bij elkander voegde, heeft aan deze
groep den naam gegeven. Het is de z.g. washuid, die zoowel roofvogels
als hoenders aan hun snavel hebben. Bij roofvogels vooral is deze sterk
ontwikkeld, bij hoenders in verhouding minder.

Behalve door deze washuid onderscheiden de Cutinares zich van de
Steltloopers en Zwemvogels door pooten, die tot den enkel, soms zelfs
nog lager, met veeren bedekt zijn en door het ontbreken van
zwemvliezen.

Tot de eerste orde in deze groep, de DESERTICOLAE of STEPPENHOENDERS,
behoort het STEPPENHOEN (SYRRHAPTES PARADOXUS) (No. 40). Deze, op
duiven gelijkende vogels behooren thuis op de Steppen bij de Kirgizen,
de Russen, de Chineezen en de Mongolen. Dat zij karakteristiek zijn in
die omgeving, blijkt wel uit ’t feit, dat ieder dezer volken hen een
naam gaf. De Mongolen noemen hen „Njüstergrün”, een nabootsing van hun
schreeuw tijdens het vliegen.

In ’t midden van Maart verschijnen zij voor ’t eerst weer op de
steppen, na een winterséjour in Zuidelijker streken. In de vroege
morgenuren trekken zij er op uit, om te drinken aan die weinige
plaatsen in de steppen, waar zoet water is. Van alle kanten komen de
vogels aangevlogen tot deze morgenreünie. Met luide groeten over en
weer van de reeds aanwezige en de nog komende, scharen zij rond het
water om hun dorst te lesschen. Al heel gauw vliegen zij dan weer
verder, naar de van ’t zout wit-glinsterende plekken, waar de zeekraal
groeit. Als zij zich ook daar verzadigd voelen, gaan zij in een
heerlijk dolce far niente zonnebaden nemen. Zij hebben dan ook hun
voornaamste dagtaak verricht en kunnen zich rustig op ’t heetst van den
dag te slapen leggen. Als kippen bedden zij zich in ’t warme zand een
ondiep kuiltje, waarin zij zich dan behagelijk met wijd-uitstaande
veeren liggen te koesteren. Hunne kleur komt zoo overeen met die van ’t
zand, dat zij er niet van te onderscheiden zijn. Zoolang zij zich stil
houden, natuurlijk. Een enkele keer slechts, wanneer een roofvogel hen
nadert, wordt de slaperige stilte verbroken. Luid schreeuwend vliegt
dan een troepje op en over de geheele steppe breidt zich hun onrust
uit. Van alle kanten en met ongeloofelijke snelheid komen zij
aangevlogen, de lucht vervullend met hun roep. Tot, plotseling zij het
vliegen staken, zij zich weer bedden in ’t zand en de steppe weer
dommelt in de warmte van den blakenden zon.

Een enkele maal, zooals in de jaren 1860, 1863, 1888, 1889 en 1908,
komt een invasie van deze steppenhoenders ’t Noorden in. Zij worden dan
in alle duinstreken van Holland en Duitschland aangetroffen en blijven
daar een paar seizoenen. Iedereen doet moeite hen te behouden. Doch te
vergeefsch. Even ongemotiveerd als hun komst scheen, is ook hun
vertrek. Zij verdwijnen weer om op ’t onverwachts weer te verschijnen.
Misschien worden zij binnenkort weer gesignaleerd en zullen we hen met
eigen oogen kunnen waarnemen. Dan zullen we ons verlustigen aan hun
snelle en fraaie vlucht, waarvan Gätke, die hen eens in Helgoland
waarnam, vertelt dat zij zelfs in snelheid den edelvalk overtreffen.



§ 2. De TINAMOE, of INAMBOE (RHYNCHOTUS RUFESCENS) (No. 41), een na
familielid van het steppenhoen is de eenige vertegenwoordiger van de
tweede orde, die der CRYPTURI of KORTSTAARTHOENDERS in deze vierde
groep, die we hier bespreken zullen. Zij leven in de Pampa’s van
Zuid-Amerika en vervullen daar zoo ongeveer de plaats, die bij ons door
patrijs en kwartel wordt ingenomen, n.l. die van het meest geliefde
wild. Waarom zij dan ook ijverig gejaagd worden. Zelfs de jaguar, het
groote, katachtige roofdier van Zuid-Amerika versmaadt hen niet.
Gewoonlijk jagen zulke groote roofdieren op edeler wild als herten en
andere hoefdieren. Het vleesch van de tinamoe schijnt evenwel van eene
dusdanige voortreffelijkheid, dat zelfs de Koning der
Zuid-Amerikaansche roofdieren, zich niet gering acht er op te jagen.

Ondanks de intensieve jacht, die door mensch en dier op deze vogel
gemaakt wordt, vermindert hij niet in aantal. De soort schijnt over een
onuitputtelijke hoeveelheid levenskracht te beschikken. Deze uit zich
hier in het leggen van een groot aantal eieren. De groote
nakomelingschap, die daarvan het gevolg is, behoedt de soort voor
uitsterven ondanks de bestaansmoeilijkheden, waarmee de vogels te
kampen hebben.

Een dergelijk evenwicht tusschen het vernietigen van individuen aan de
eene kant, en het voortbrengen van hen aan de andere kant noemt men een
„biologisch evenwicht”. Overal kan men hiervan voorbeelden vinden.
Soorten, die het erg moeilijk hebben in den strijd om het bestaan,
omdat door allerlei omstandigheden hun individuen-aantal verminderd
wordt, trachten zich het voortbestaan te verzekeren, door een
buitengewone productie van nakomelingen. Want, teelt een soort zich
moeilijk voort en duurt het lang totdat de dieren volwassen zijn, dan
is de ondergang zeker wanneer er veel individuen ten gronde gaan. Dit
is dan ook de reden van het uitsterven van veel diersoorten. Helaas
draagt de mensch door z’n zonderlinge neiging tot dooden er het zijne
toe bij, om het evenwicht in de natuur te verstoren. Want er is tijdens
’t bevolken der wereld vergeten rekening te houden met de geniale
moordwerktuigen, die door ’t menschelijk brein uitgedacht zijn. Zooals
het evenwel altijd gaat met de wolf, die in een kwaad gerucht staat,
krijgt de mensch ook wel eens onverdiend de schuld van het uitsterven
van een diersoort. Dat was dan in den loop der dingen en zou zonder z’n
inmenging ook gebeurd zijn.



§ 3. Van de RASORES of HOENDERACHTIGEN, die de derde orde in de groep
der Huidsnaveligen vormen, is een groot aantal om de fraaiheid van hun
veeren bij de menschen zeer gezocht. Zij vormen dan ook het sieraad van
menige buitenplaats. Iedere boer, die zichzelf respecteert en graag
door het tentoonspreiden van schoone zwier wil laten weten dat z’n
„spul” in orde is, heeft op z’n erf tenminste een kalkoen. Vaker
evenwel zal men er een paar pauwen vinden. Heeft hij werkelijk
liefhebberij in gevogelte, dan kan men zeker zijn dat de zilver- en
goudfaisanten, de parelhoenders en allerlei bizarre kippenrassen niet
zullen ontbreken. Hoenders zijn reeds zeer, zeer lang geleden in de
smaak der menschen gevallen om de fijnheid van hun vleesch en het genot
van hunne eieren.

Van geen der hoenders worden de laatsten misschien zoo hoog geschat als
van ’t HAMERHOEN (MEGACEPHALUM MALEO) (No. 42), dat op Celebes en
enkele der omliggende eilandjes leeft. Op andere naburige eilandjes
ontbreken de vogels geheel. Een merkwaardig verschijnsel in de
biologie! Een van de vele, die hoe eenvoudig ze zijn wanneer men ze als
feit alleen beschouwd, een wereld van perspectieven opent, zoodra ze in
verband met andere dingen gebracht worden.

Deze groote vogels, die aan een kale ronde knobbel op hun kop, hun naam
te danken hebben, brengen het grootste gedeelte van hun leven door in
het dichte oerbosch. Slechts in den broedtijd, als het wijfje een ei
moet leggen, verlaten zij dit en vertoonen zij zich op de open vlakte
van het strand. Hier graaft zij zich een groot, rond gat in de aarde,
woelt de bodem er van met haar pooten wat los en legt er haar ei in,
dat zij zorgvuldig met zand toedekt. Dan verdwijnt zij weer in het
bosch en komt pas na 13 dagen terug, om haar tweede ei te leggen. Te
broeden hoeft zij niet, dat doet de zon voor haar, want in de kuilen is
de temperatuur geregelt 44.4° C., eenige graden meer dan de omgeving.
’t Jong, dat volgroeit ter wereld komt, is geheel in staat om voor zich
zelf te zorgen en loopt dan ook direct het bosch in.

De pasgelegde eieren nu, zijn een zeer geliefde lekkernij. Een van de
Radja’s is er zoo dol op, dat hij zich zelf het monopolie van ’t garen
heeft verschaft. Bij de legplaats zijn wachten aangesteld, die dieven
den toegang tot het strand beletten. Hij doet dus precies als paus
Clemens VII, die het champignons plukken verbood, opdat hij ze allemaal
door z’n dienaren kon laten rapen en niemand hem één enkele van deze
paddestoelen ontnemen zou.

De KWARTELKONING (CREX CREX) (No. 43) geniet het voorrecht, den
menschen onverschillig te zijn. De eenigen, die belang in hem stellen
zijn de natuurvrienden. De belangstelling van dit onschadelijke
menschensoort is des te grooter, daar de vogel zich zelden laat zien
doch zich daarentegen voortdurend laat hooren. Vooral in den nacht, is
z’n rasperige stem geen oogenblik stil. Wie er z’n bed voor uitkomt en
tracht met eenen lantaarn de vogel te vinden, kan zich na lang zoeken,
wel weer mopperend onder de dekens begeven want onze kwartelkoning
verstaat het spelletje van „Je hoort me wel, maar je ziet me niet”, als
geen ander. Je weet dat hij ergens in een bepaald stuk van het weiland
zit, maar waar? Nu eens hoor je hem links, dan rechts, dan voor, dan
achter je en nooit zie je één enkele beweging in de hooge grashalmen,
die je aan kan duiden, waar of hij loopt. Dit komt omdat de vogel zich
gangen in het gras heeft gemaakt, waar hij nu met een verbazende
snelheid doorheen kan loopen zonder zich door bewegingen in de halmen
te verraden. Als het gras gemaaid wordt, trekt hij zich terug in ’t
koren. Zoodra dit geoogst wordt en hij dus weer z’n dekking kwijt is,
zoekt hij deze in ’t kreupelbosch. Lang blijft hij daar niet, want eind
Augustus trekken de kwartelkoningen naar het Zuiden.

De naam „kwartelkoning” danken zij aan ’t volksgeloof dat zij de
kwartels op de trek vergezellen en aanvoeren. Daar de trektijden van
kwartel en kwartelkoning evenwel veel uiteenloopen, is het niet goed te
begrijpen, waaraan dit geloof z’n oorsprong te danken heeft.

Van de wilde inlandsche hoenderen, zijn de patrijs, de faisant en het
korhoen, standvogels in ons land, d.w.z. zij blijven in den winter in
de streek, waar zij gebroed hebben.

De PATRIJS (PERDIX PERDIX) (No. 44), die over geheel Europa verbreid
is, is een zeer geliefd wild. Hij leeft het liefst op velden, die in de
buurt van bosschen liggen daar hij steeds kreupelhout zoekt om zich te
verbergen. Deze eigenschap brengt hem ook vaak op velden, die door
dichte heggen van elkaar gescheiden zijn.

Gewoonlijk worden patrijsjes gemakkelijk over het hoofd gezien, daar
ook zij uitnemend de kunst verstaan zich neer te drukken op den bodem
en zich doodstil te houden. De grauwe kleur van hun veeren maakt hen
dan zeer moeilijk te vinden. Dit stilhouden is een van de grootste
wijsheden die de instincten aan de dieren meegeven. Alles wat beweegt,
valt veel meer op dan dat wat zich stilhoudt. Het is de raad, die
William Long in z’n boekje „School of the woods”, zoo aardig weergeeft
met de woorden: Whatever you do, keep quiet. (Zie Hoofdstuk III, pag.
42).

Patrijzen vliegen vrij slecht; het vermoeit hen tenminste gauw. Loopen
daarentegen doen zij prachtig en buitengewoon snel. Zwemmen kunnen zij
ook, hoe vreemd het ook mag lijken. In den winter leven zij te samen in
kleine troepjes. Maar in Februari, als de dooi komt, scheiden zij zich
twee aan twee van de troep af. In Mei hebben zij evenwel pas eieren,
die de hen met de grootste zorg bebroedt, en niet verlaat dan in de
uiterste noodzakelijkheid. Na 26 dagen als de jongen uitkomen, heeft
zij haast geen veeren meer over.

Patrijzen worden wel eens trekkend waargenomen. Men vermoedt evenwel,
dat het een ander soort is, dan de bij ons inheemsche.

Van de faisanten, die zooveel bijdragen tot de fraaiheid van de
hoenderhof, is Azië het eigenlijke vaderland. De allermooiste ervan is
de diamantfaisant, die ook wel LADY AMHERST FAZANT genoemd wordt
(CHRYSOLOPHUS AMHERSTIÆ) (No. 45), omdat Lady Amherst de eerste was,
die hem importeerde. Hij komt voor in het bergland van Oost-Thibet, in
dezelfde streken waar de goudfaisant wordt aangetroffen. Met dit
verschil evenwel, dat de goudfaisant beneden op de bergen voorkomt,
terwijl de diamantfaisant 2 à 3000 M. hoog leeft.

Onze bosch- of wilde faisant is niet van nature inheemsch, doch
verwilderd.

In Engelsch Indië, Ceylon en onze Oost leeft in het wild de PAUW (PAVO
CRISTATA) (No. 46), die de bosschen van het tropische bergland als
woonplaats boven de vlakten verkiest. Thayer, die zulke merkwaardige en
artistieke opvattingen heeft over de kleuren der dieren, meent dat het
prachtig schitterend blauwgroen van z’n veeren, het dier onzichtbaar
zou maken tegen den achtergrond van het schitterend groene bosch,
waaraan licht- en schaduwplekken een zelfde soort patroon geven als de
oogen van een pauwestaart. Het klinkt vreemd en onaannemelijk voor
ieder, die het dier nooit in z’n natuurlijke omgeving zag. Maar toch
geraakt de meest sceptische mensch onder invloed van deze suggestieve
verbeelding.

Waarom ook niet? We hebben reeds zooveel voorbeelden gezien, van
kleuren, die door hunne overeenkomst met de omgeving, de dieren
onzichtbaar schenen te maken. We hebben gezien hoe het schijnbaar
opvallende wit aan de borst van een vogel, dat zoo scherp afstak tegen
den donkeren of grauwen bovenkant, zoo voortreffelijk dienst deed om de
vogel te vervlakken en z’n reliëf weg te nemen. We hebben gezien hoe
snippen, patrijzen en roerdompen zich verborgen door hun kleed, dat in
overeenstemming met de bruine tinten van hun omgeving gekleurd is.
Waarom zou nu ’t fonkelend goud en groen, met de diep-blauwe vlekken
van een pauwestaart niet op ’t grillig spel van zon en schaduw op ’t
loover van ’t bosch kunnen lijken. Waarom niet?

Een groot bezwaar voor Thayers fantastische opvatting lijkt me hier
evenwel, dat van alle andere dieren, die in dezelfde omgeving als de
pauw wonen, er geen een is, die zich camoufleert als hij. Een bezwaar,
dat voor alle andere reeds genoemde voorbeelden niet geldt. Want in de
steppe bijv. valt het duidelijk op, dat alle verschillende dieren,
zoowel vogels als zoogdieren, die er leven, zich volgens een zelfde
manier verbergen.

Bij de Hindoes geldt de pauw voor een heilig dier, dat nooit door hen
gedood wordt. Bij hunne tempels komen zij in groote massa’s in half
verwilderden of tammen toestand voor. Zij worden er geregeld door de
priesters gevoed. Deze heiligheid danken zij aan ’t geloof dat Indra,
de God der Hindoes, toen hij door een vijand achtervolgd werd, de
gestalte van een pauw had aangenomen.

De pauw, zooals wij hem kennen, verschilt niet aanzienlijk met den
wilde. Hij is alleen wat meer verzorgd van uiterlijk, wat men op de
gebruikelijke manier, door teeltkeus heeft bereikt.

Slapen doet een pauw altijd in eenen boom. En wie gesteld is op de
mooie gouden veertjes, die z’n hals kleeden of op de prachtig
staalblauwe, die aan z’n borst zitten, moet ze onder de slaapplaats
gaan zoeken. Ze vallen, als alle veeren, in de ruitijd uit en de vogel
verliest de meeste er van als hij z’n toilet maakt en dit doet hij bij
voorkeur op z’n slaapboom.

De stem van de pauw is buitengewoon leelijk en lijkt veel op die van
eene kat, die geweldig hard miaauwt.

Hoe mooi de blauwe pauw ook is, als hij in z’n fonkelende blauw
groen-gouden pracht te pronken staat, een witte pauw is haast nog
mooier. Die is als een wonder van ragfijn kantwerk. Het slanke fijne
lijfje draagt de ranke hals met het uiterst fijne gekroonde kopje. De
wijd uitgespreide staart, als een waaier door feeën gemaakt, vormt er
de achtergrond voor. Vol onbewuste coquetterie staat hij in ’t
zonnetje, tot hij op eens z’n staart toeklapt en met eene rauwe
schreeuw op eenen tak springt. Als de sluier van eene bruid hangt de
blanke veerenpracht nu in losse luchtigheid naar beneden.

Van de Noord-Amerikaansche hoenders is de KALKOEN (MELEAGRIS GALLOPAVO)
(No. 47) in cultuur genomen. Oorspronkelijk inheemsch in geheel
Noord-Amerika is hij in de dicht bevolkte staten uitgeroeid en komt hij
tegenwoordig nog maar alleen in afgelegen staten, als Indiana,
Arkansas, Kentucky en Ohio in ’t wild voor. Daar leven zij in groote
hoeveelheden. Wanneer zij in eene streek geen voedsel meer vinden,
trekken zij met z’n allen weg naar eene voor hen voordeeliger plaats.
Hun trekken is zeer onregelmatig en treedt niet zooals bij andere
vogels op vaste tijden op. Het heeft meer overeenkomst met het trekken
van Nomaden volken. Zoolang eene streek voedsel voor hen heeft, blijven
zij. Zoodra evenwel de voorraden uitgeput zijn of als het seizoen
minder aangenaam wordt, trekken zij weg. Als echte zigeuners blijven
zij op ééne plaats, zoolang het hen er goed smaakt. Gaan zij eenmaal
weg, dan vereenigen de mannetjes zich en trekken vooruit. De vrouwtjes
volgen op eenige afstand met de jongeren. Brengt de tocht hen voor eene
rivier of stroom, dan aarzelen zij. Want hoewel zij vliegen kunnen,
schijnen zij een tegenzin in deze beweging te hebben. Zij trekken langs
de rivier tot zij aan eene hoogen oeverkant komen. Dan wordt er halt
gehouden en schijnt er beraadslaagd te worden. Eindelijk is er één die
het waagt en de anderen volgen hem op de hielen. Een enkele keer
bereikt een jong de overkant niet. Hij redt zich zelf zwemmend en komt
er met een nat pak en den schrik af.

Tot Februari leven zij in kleine troepjes. In deze maand gaan de
vrouwtjes zich afzonderen en zoeken eene eigen slaapplaats. Zij roepen
en lokken van daaruit de mannetjes tot zich. Komen er meerdere
mannetjes op de lokroep van ’t zelfde wijfje af, dan geeft dit
aanleiding tot hevige gevechten tusschen de hanen. Zij blazen zich op
en worden heel rood van drift, „zoo rood als een kalkoensche haan” en
zij vechten zoo hevig met elkaar, dat het vaak voor een van hen met den
dood eindigt. En, daar iedere haan er meerdere hennen op nahoudt, is er
nog al eens strijd te leveren.

Tot in April leggen de vrouwtjes hare 10–15 eieren in een nest, dat zij
voor den haan zorgvuldig verborgen houden. Moeten zij tijdens het
broeden of gedurende den legtijd het nest verlaten, dan dekken zij het
zorgvuldig toe. Voor de kuikens hebben zij niet meer zooveel zorgen.
Want deze loopen dadelijk en vliegen al reeds na twee weken.

Het BANKIVAHOEN (GALLUS GALLUS) (No. 48), dat in Indië en de Maleische
eilanden voorkomt, is de stamvader van onze kippen. Zij leven in de
bosschen en vertoonen zich slechts zelden. Alle verschillende vormen
van kippen, die wij kennen, zijn in den loop der tijden uit het
Bankivahoen ontstaan. En ’t is al zeer lang dat de mensch hen als
huisdier aannam; reeds de Kelten hebben hen gehad, want 600 jaar voor
Christus zijn zij al naar Europa gebracht.

Wie nu op een hoendertentoonstelling al deze verschillende vormen ziet
van krielkipjes, Bramapoetra, Cochinchina, tot de kemphanen toe, kan
haast niet gelooven dat alle uit dat ééne wilde hoen van Indië,
ontstaan zouden zijn.

’t PARELHOEN (NUMIDA MELEAGRIS) (No. 49) moet als stamvorm van het
parelhoen, dat tegenwoordig als huisdier gehouden wordt, beschouwd
worden. Z’n eigenlijk vaderland is Afrika. Het houdt zich bij voorkeur
op in rotsachtige, rijkbegroeide streken, waar het zich in het dichte
onderbosch of in het hooge gras gemakkelijk verbergen kan. In Amerika
komt het verwilderd voor en daar is het in sommige streken tot een ware
landplaag geworden. In Afrika, waar het zeer vele vijanden heeft is er
weer een natuurlijk evenwicht tusschen de hoeveelheid eieren, die
geproduceerd worden en de hoeveelheid dieren, die als slachtoffer
vallen van leeuwen en andere katachtige roofdieren die de volwassen
vogel jagen; van sluipkatten, die de eieren en de jongen eten, ja zelfs
van slangen. Waar dan ook deze natuurlijke vijanden ontbreken en de
vogel zich ongestoord voortplanten kan, vermenigvuldigen zij zich met
een dergelijke snelheid, dat men bijv. in West-Indië al het mogelijke
doet om hun aantal binnen de perken te houden. Er wordt zooveel
mogelijk jacht op hen gemaakt, maar gemakkelijk gaat het dooden van
deze vogels niet. Zij zitten zoo dik in de veeren, dat een geweerskogel
hen niet kan dooden en men wel genoodzaakt is met honden op hen te
jagen.

De vogels zijn sierlijke hoenders met glanzend zwarte veeren vol
grappige, witte spikkels. Volgens sage zouden dit tranen zijn, want de
parelhoenders zelf zijn zusters van de Meleagris, die na den dood van
hunnen geliefden broer, zoo ontroostbaar waren en zoo vreeselijk
schreiden, dat zij in zwarte vogels werden veranderd. Hunne tranen
bleven evenwel als witte vlekjes op de zwarte veeren achter.

Het witte hoen van Californië, de CALIFORNISCHE KWARTEL (CALLIPEPLA
CALIFORNICA) is in dat land zeer algemeen. ’s Winters vindt men het in
zwermen van 1000 en meer. Het graaft zich dan gangen onder den sneeuw
en leeft daar, als zooveel dieren in deze sneeuwlanden heerlijk warm.
’s Zomers vindt men het overal waar water en boomen aangetroffen
worden.

In Californië is het een standvogel daar er in dat vruchtbare land wel
altijd iets voor hem te vinden is dat van z’n gading is, want z’n
voedsel bestaat uit vruchten, knollen, zaden en dergelijke plantaardige
producten.

Men heeft geprobeerd deze aardige vogels in Europa in te voeren. In
1852 zijn proeven er van in Frankrijk en Duitschland genomen. Het is
jammer dat ze mislukt zijn, want met eenig overleg en een weinig goede
zorgen, zou men deze vogel wel inheemsch kunnen maken in streken, waar
de faisanten het kunnen uithouden.

De merkwaardige korhoenders van onze heide en de Duitsche „Auerhahn”
sluiten zich bij de typische hoenders aan.



§ 4. De orde der DUIVEN (GYRANTES), is duidelijk van die der Hoenders
te onderscheiden. Vooral hun snavel, die recht en dun is en slechts aan
de punten met hoorn bekleed is levert een duidelijk verschilpunt. De
rest van dezen snavel wordt door de voor de heele vierde groep
kenmerkende washuid gevormd. De pooten onderscheiden zich vooral door
’t kortere loopbeen, waardoor de geheele romp der vogels zooveel
dichter bij den grond staat, dan die der hoenders.

Een van de merkwaardigste duiven was de Dodo of Dronthe, die op ’t
eiland St. Mauritius leefde en in de 17de eeuw helaas door de
zeevaarders is uitgeroeid.

Een dergelijk beperkt zijn tot een bepaald gebied is ook een
eigenaardigheid van de grootste der duiven, de KROONDUIF (GOURA
CORONATA) (No. 51), die 65 c.M. lang is. Deze komt voor op Nieuw-Guinea
en een paar van de omliggende eilandjes. Verder zijn zij nergens op de
wereld te vinden. Soorten, die op een dergelijke manier plaatselijk te
vinden zijn, zooals ook de dodo op Mauritius of het hamerhoen op
Celebes, noemt men endemisch. Vanuit Nieuw-Guinea wordt deze kroonduif
nog al eens naar Java en de Soendaeilanden gebracht en vandaar nog al
eens naar Holland gezonden, zoodat een kroonduif in onze Hollandsche
dierentuin geen zeldzaamheid is.

Tot het begin der 19de eeuw was in Noord-Amerika de trekduif,
Ectopistes migratorius zeer algemeen. Plotseling evenwel verminderde
het aantal van deze duiven merkbaar en na eenige jaren werd er geen
enkele meer gezien. Het trekken van deze vogels gebeurde met zulke
hoeveelheden tegelijk en was zoo’n opvallend verschijnsel, dat het
plotseling verdwijnen groot opzien wekte. Men meende eerst aan een
ziekte of andere natuurlijke oorzaak dit verdwijnen te moeten
toeschrijven, doch ’t is gebleken, dat de vogels tijdens hun trek in
zulke ongehoorde hoeveelheden gevangen werden, dat de mensch hier zeer
zeker als eenige oorzaak van ’t verdwijnen verantwoordelijk moest
worden gesteld.

Gelukkig evenwel zijn zij de laatste paar jaren weer hier en daar in
Amerika gesignaleerd geworden en zal het aantal zich misschien
langzamerhand weer herstellen.

Onze huisduiven stammen af van de ROTSDUIF (COLUMBA LIVIA) (No. 52). In
Noord-Europa komt hij als trekvogel voor op verschillende eilandjes van
de Schotsche kust en op de Faeröer-eilanden. In Zuid-Europa is het een
standvogel, men vindt hem evenwel op de rotsachtige kusten van Italië,
Spanje en Frankrijk. Verder Zuidelijk vindt men hem in geheel
Noord-Afrika, Klein-Azië, Palestina en Perzië.

Daar deze vogel nooit in boomen nestelt, maar steeds donkere plekjes
voor z’n nest uitzoekt, gebeurt het wel dat zij in de huizen der
menschen gaan bouwen. Misschien is dit de aanleiding geweest om de
vogels in cultuur te nemen. In ieder geval is dit zeer lang geleden
gebeurd, want 3000 jaar v. Christus had men reeds tamme duiven in
Egypte.

In Azië werden zij zeer gewaardeerd, daar men hen als gasten der Goden
beschouwde.

Ook bij ons is de duif zeer gezien. Een werkelijke mode om de duiven te
teelen is het zelfs in de vorige eeuw geweest. Overal, maar vooral in
Engeland had men toen duivenclubs, die zich bezighielden met het
aanbrengen van verbeteringen in deze vogelsoort. De leden van deze
duivenclubs letten bij hun teelen meestal op één kenmerk en waren
steeds gespitst op ’t zien van een of andere afwijking. Trad deze op,
dan trachtten zij die door teeltkeus en kruising te verscherpen, en
hierdoor verkregen zij de meest uiteenloopende rassen. Wij kennen ze nu
nog: pauwstaart, krobduif, enz. enz. Al deze monstervormen wijzen op ’t
succes van hunne arbeid. Darwin, de groote bioloog, die in ’t midden
der vorige eeuw z’n beroemd boek over „’t Ontstaan der soorten” uitgaf,
stelde in ’t werk van deze duivenclubs zeer veel belang, wat wel blijkt
uit het feit, dat hij van ieder van die clubs lid was.

Het aardigste resultaat van deze fokkerij is evenwel de postduif. Hier
is de verbetering werkelijk een vooruitgang in meer dan ééne richting.
Want, hoewel de postduif uiterlijk het meest van alle rassen op den
stamvorm lijkt, is hij scherper geteekend, helderder van kleur, grooter
van lichaam, maar vooral veel sneller van vlucht dan de wilde vorm.
Deze duiven hebben vaak goede diensten bewezen met het overbrengen van
berichten. Een postduif heeft n.l. zeer sterk de eigenschap, met
buitengewone zekerheid z’n woonplaats terug te vinden, waar hij ook
heen gebracht mag zijn. Neemt men dus een duif mee op reis en wenscht
men aan de achtergeblevenen z’n behouden aankomst op de plaats van
bestemming mee te deelen, zonder van de moderne communicatiemiddelen
als post, telephoon of telegraaf gebruik te maken, dan heeft men
slechts een briefje tusschen de veeren te stoppen en de duif dan vrij
te laten. In werkelijk ongeloofelijk korten tijd is zoo’n bericht door
eene goede postduif overgebracht. Soms evenwel vergissen de duiven zich
en verdwalen zij, zoodat het dagen duurt, eer zij terechtkomen.



§ 5. De merkwaardige washuid, die ook ROOFVOGELS (RAPTATORES) aan den
snavel hebben, is de reden waarom zij met zulke vreedzame vogels als
hoenders en duiven tot één groep zijn samengebracht.

Zij onderscheiden zich evenwel duidelijk van de andere orden in deze
groep door hunne sterk omgebogen scherpe klauwen en hun kromme scherpe
bovensnavel, die als een haak over den ondersnavel grijpt. Bovendien is
de geheele lichaamsbouw van de vertegenwoordigers dezer orde
krachtiger: zij hebben een breede borst, die een groote
aanhechtingsplaats is voor de vliegspieren en sterke, krachtige pooten,
met korte voet, doch zeer lange teenen, met formidable klauwnagels.
Hunne geheele bouw duidt op snelheid en kracht. Het zijn dan ook deze
eigenschappen, die de mensch telkens weer met bewondering vervullen,
wanneer hij een roofvogel in de kloeke rustige vlucht waarneemt of hem
pijlsnel ziet neerschieten op z’n prooi, of hem aanschouwt als hij voor
ons oog onbewegelijk in de lucht stilstaat. Dit laatste is het zeer
typische „bidden”. Tijdens dit bidden geeft hij z’n oogen goed de kost
en er is geen beweging op ’t veld, die aan z’n oog ontsnapt. En als
deze beweging een dier verraadt waarop hij graag jaagt, dan is deze
vrijwel onherroepelijk verloren en wordt dezen roofvogel ten prooi.

De CONDOR (SARCORHAMPHUS GRYPHUS) (No. 53) is de typische roofvogel van
het Zuid Amerikaansche hooggebergte. Hij vliegt buitengewoon hoog,
hooger dan de hoogste toppen naar men zegt. Volgens sommigen moet hij
wel tot 7000 M. kunnen komen. De meest geliefkoosde hoogte-zône van
dezen vogel schijnt evenwel tusschen de 3000 en 5000 M. te liggen. Het
moet een onvergelijkelijk fraai gezicht zijn, als men eenige van deze
vogels vliegen ziet.

Slechts tijdens de broedtijd zijn de vogels in paren. Later als de
jongen groot zijn, vereenigen zij zich tot gezelschappen. Zij voeden
zich het liefst met aas. Zelf dooden doen zij niet. Wel gebeurt het dat
zij herten zoo lang najagen en vervolgen, tot deze uitgeput
neerstorten. De condor daalt dan op z’n slachtoffer neer en scheurt
hem, na hem de oogen, de ooren en de tong uitgeplukt te hebben, bij de
buik open daar hij de ingewanden het liefst eet en er dus steeds mee
begint.

Is soms een dier op een of andere manier gewond geraakt en kan het zich
niet meer verweeren, dan komen de condors er op af, pikken het vleesch
rond de wond weg, tot zij eindelijk een gat gemaakt hebben, waardoor
zij bij de ingewanden kunnen komen. Het arme dier is dan gauw uit zijn
lijden.

Volgegeten zijn de vogels traag. Zoo traag zelfs, dat zij hun voedsel
weer uit moeten braken als zij genoodzaakt zijn om op te vliegen.

GIEREN (GYPS RÜPPELLI) (No. 54) zijn in Europa slechts in de landen
rond de Middellandsche Zee te vinden. Noordelijker komen zij als regel
niet voor. Hoewel zij wel eens in Duitschland geschoten worden, moeten
zij daar als verdwaalden beschouwd worden. In Zevenburgen en Hongarije
vindt men hen evenwel vrij talrijk. Daar gieren in „kolonies” broeden
en niet zooals de condors zich tijdens de paartijd afzonderen, ziet men
gewoonlijk een aantal van deze vogels te samen, daar zij ook samen het
voedsel zoeken.

Hebben zij ergens een dood beest gevonden dan houwen zij met enkele
slagen van hun forsche snavel een gat in de buik, steken de naakte kop
en de lange naakte hals zoo diep zij kunnen in de buikholte en zoeken
daar de edele organen. Pas als zij er een gevonden hebben, trekken zij
de kop terug, die dan overdekt is met bloed en slijm. ’t Is maar
gelukkig, voor beesten met een dergelijke levenswijs, dat zij geen
veeren aan hun hals en kop hebben. Zij zouden deze nooit van alle vuil
kunnen reinigen en massa’s ongedierten en bacillen een welige
broedplaats bieden.

De kolonies, waarin deze vogels broeden, zijn soms wel 200 nesten rijk.
Deze liggen in rotsholten en overhangende rotsblokken. Ieder paar heeft
slechts één groot ei, dat gemeenschappelijk bebroed wordt. Na een maand
komt het jong, dat er als een onoogelijke klomp wol uitziet, uit het
ei. Het is uiterst hulpeloos en kan eerst na 3 maanden vliegen.

Daar gieren eigenlijk nooit een levend dier aanvallen (of zij moeten
door vreeselijke honger er toe gedreven worden) leven zij in Zuidelijke
streken, die veel kudden van hoefdieren en dergelijke herbergen. In het
Noorden, waar het individuen aantal, dat deze koude streken bevolkt,
zooveel geringer is, zouden zij onmogelijk hunne kost kunnen ophalen.
In de warme landen, zijn gieren, samen met maraboes, tot de zeer
nuttige vogels te rekenen, daar zij als vrijwillige reinigingsdienst
onschatbare diensten verrichten.

Men heeft langen tijd gemeend, dat gieren hun voedsel zouden vinden
door hun reuk. Maar, daar zij vaak op een pas gestorven dier
aangetroffen worden en zij bovendien een reeds eenige dagen gestorven
dier, dat op een verborgen plaats ligt, niet opmerken voordat de raven
er om heen zwermen, neemt men tegenwoordig aan dat gieren hun voedsel
op het gezicht vinden.

Een andere, zeer nuttige roofvogel van Afrika is de SECRETARIS
(SERPENTARIUS SERPENTARIUS) (No. 55), daar deze vogel een slangendooder
bij uitnemendheid is. Zelfs de giftigste slangen eet hij met kop en al
op, zonder dat hij eenig nadeel van het gif ondervindt. Ook schijnen de
tanden hem niet inwendig te verwonden. Toch kan, ondanks al deze
feiten, niet met zekerheid gezegd worden dat de secretaris immuun is
voor slangebeten.

Op het eerste gezicht heeft een secretaris al heel weinig van een
roofvogel. Z’n lange naakte pooten doen hem meer op een steltlooper
lijken. Vliegen doet hij gewoonlijk niet. Meestal ziet men hem met
buitengewone waardigheid door de Afrikaansche velden schrijden. Deze
waardigheid van gang, gevoegd bij het grappig aanzien, dat z’n kop door
eenige uitstekende veertjes krijgt en die wel aan achter het oor
gestoken penhouders doen denken, hebben hem waarschijnlijk de naam
„secretaris” doen krijgen. De waardigheid van dezen vogel wordt nog
grooter, wanneer hij een gevecht gaat leveren. Dan heeft hij z’n
grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. Want een gevecht met een
slang van 1 M. is zelfs voor onze secretaris geen kleinigheid. Zoodra
een slang bijt, of bijten wil, draait hij hem de uitgestoken vlerken
toe en laat hem in de veeren happen. Maar gewoonlijk komt de slang
zoover niet, daar de eerste sprong van dezen dapperen vogel hem meestal
reeds tot slachtoffer maakt en de geweldig sterke klauwen van den vogel
hem al in den rug te pakken hebben. Met den staart te beginnen wordt
een slang dan in eenige minuten verslonden.

Behalve de Condor, die zich slechts met doode dieren voedt, leeft er in
de warme streken van Zuid-Amerika, onder meer, de HARPY (THRASAËTUS
HARPYIA) (No. 56) een van de mooiste en grootste roofvogels, die er
bestaan. Hoog op de bergen, waar het kouder is, komt hij niet meer
voor, maar in de bosschen in de buurt van water wordt hij geregeld,
hoewel niet overvloedig, aangetroffen. De Indianen uit die streek jagen
hem voortdurend, omdat zij zijn veeren zeer op prijs stellen. Zij
houden er de vogels zelfs in gevangenschap voor. Hiertoe halen zij de
jongen uit de nesten, die hoog in de boomen gelegen zijn. Zij fokken
deze diertjes dan op en maken hen zeer tam. Twee maal per jaar plukt
men hen alle staart- en vleugelveeren uit. Men versiert er dan de
pijlen mee of zet ze op de veerendos, die aan ’t hoofd van een Indiaan
zoo’n krijgshaftige uitdrukking geven. Zoo hoog geschat zijn deze
harpy-veeren, dat ze als ruilmiddel dienst doen.

De harpy is een buitengewoon sterke vogel. En zooals het meer gaat,
wanneer een dier zich door een of andere eigenschap onderscheidt, wordt
deze door de menschen nog overdreven. Er zijn dan ook allerlei sagen
over z’n kracht in omloop. Zoo zou hij b.v. in staat zijn, om met een
snavelhouw de schedel van een mensch te klieven!!

Met den grootsten der Europeesche roofvogels, de AREND (AQUILA
CHRYSAËTUS) (No. 57) is het in sommige opzichten al net als met de
harpy en alle andere groote vogels. Hunne kracht neemt de verbeelding
van de menschen zoodanig in beslag, dat deze haar weer gaan overdrijven
en grooter maken. Zij kozen den arend daarom als zinnebeeld van kracht
op hunne wapenschilden. Toch schijnt het waar te zijn, volgens sommige
verhalen althans, dat een arend lammeren steelt en wel eens kinderen
rooft. Het behoort echter, dat wordt er dan altijd wel bij verteld, tot
de zeldzaamheden. Met deze vertelsels gaat het als met zoo veel andere
dingen: men moet ze zelf gezien hebben, om ze te gelooven.

Vroeger kwam de arend in Zwitserland veel algemeener voor dan
tegenwoordig. Nu verkiest hij andere hooggebergten en boschrijke
streken van Zuid-Europa en Midden-Azië voor z’n broedplaatsen. Het nest
bouwen zij van vrij dikke takken, die zij van de boomen breken. Zij
laten zich daartoe, met de vleugels aan het lijf gesloten, van uit de
hoogte neervallen en komen met groote vaart neer op een tak, die zij
met de klauwen vast pakken. Tegen het gewicht van den vogel en de vaart
waarmee hij neerkomt, is de tak niet bestand. Hij breekt af en de vogel
neemt hem mee naar ’t nest, dat op de meest ontoegankelijke plaatsen
van de steile rotsen is gelegen. Toch is ook in een gebied, waar de
arenden geregeld broeden, de vogel nooit talrijk te noemen. Dit zal wel
in hoofdzaak komen, doordat zij zoo’n groot jachtgebied noodig hebben
om voldoende voedsel te vinden. Zij jagen geregeld en zeer zorgvuldig
en vliegen daartoe te samen met rustigen majestueuzen vleugelslag
systematisch hun gebied door en er is geen wild, dat hunne
„arendsoogen” ontgaat. Is de buit gevangen, dan eten zij deze
gezamenlijk op. Zoo’n adelaarsmaaltijd is een langzaam en plechtig
feest. Niets herinnert daarbij aan de gulzigheid, die de gieren en
raven aan den dag leggen. Maar van ’t eten zelf laat hij niets over.
Veeren en haren, zoowel als de beenderen worden opgegeten. Na den
maaltijd wordt gedronken en rustig een uurtje of wat aan de
spijsverteering gewijd. De veeren en andere onverteerbare dingen spuwt
de vogel als ballen haar en wol weer uit. Ze schijnen dan hunne dienst
verricht te hebben, daar men meent, dat ze behulpzaam zijn bij het
reinigen der maag.

Een van de allermooiste arenden is de ZEEAREND (HALIAETUS LEUCOGASTER)
(No. 58), die wat veerenpracht betreft, veel gelukkiger bedeeld is dan
de arend der Alpen. Prachtig wit zijn z’n kop en borst, warmbruin z’n
buik en glanzend zwart de veeren van z’n vleugels. „Een waar sieraad
voor de streken waarin hij voorkomt”, zegt Brehm van hem. In
tegenstelling met de andere arenden valt hij nooit kleinere roofvogels
of andere vogels aan. Deze zijn dan ook in ’t geheel niet bang voor
hem. Met een soort rustige goedmoedigheid verdraagt hij zelfs hun
kleine plagerijen. Een enkele keer verjaagt hij wel eens vogels, die
een visch gevangen hebben en ontsteelt hun den buit. Want visschen,
kikvorschen en waterslangen vormen z’n voedsel. Hij vangt hen, door met
kracht diep onder water te duiken.

Zoo majestueus en koninklijk als de arend is in z’n vlucht, wanneer hij
loopen moet, levert hij evenals de albatrossen, de jammerlijke aanblik
op van een stuk uit de spheer gerukt leven. Nergens in Artis is dan ook
zooveel triestheid en dringt de tragedie van gevangen dieren zich zoo
duidelijk aan ons op als bij de hokken der groote roofvogels. De groote
roofdieren, hoe onrustig zij ook hunne drie passen langs de wanden van
hun hok mogen doen, hoe jammerlijk zij ook mogen schijnen, deze meest
geperfectioneerde der dieren, nu zij beroofd zijn van ’t leven waartoe
hunne lichaamsbouw hen zoo geschikt maakt, zij zijn minder jammerlijk
dan deze groote roofvogels. Want, hoewel hunne hokken ruim en groot
zijn, hebben zij nog niet eens de gelegenheid om één slag met hunne
vleugels te doen. Als trieste hoopen ellende zitten zij verslagen op
hunne stokken; een deerniswekkend schouwspel. Met een halven
vleugelslag wippen zij er af, op den grond onhandig en dwaas lijkend.
Een enkele keer treft een zeer trouw Artis-bezoeker het, iets van de
hen zoo eigen felle kracht te zien, die gewoonlijk gedwongen is van
verveling te slapen. Dat is, wanneer een muis of een rat zoo
onvoorzichtig is om door het hok te loopen. Dan ontwaakt eensklaps de
ware geest van den vogel en zoo plotseling, dat men zich nauwelijks
rekenschap kan geven van wat gebeurde, is de rat in de machtige klauwen
van den vogel geklemd en wordt langzaam met zorg naar binnen gewerkt.

Valken, die wel de meest geperfectioneerde der roofvogels te noemen
zijn, stelen nooit de jacht van andere; een vergrijp waaraan zelfs de
arenden zich nog wel eens schuldig maken. Zij leven geheel van wat
eigen kracht, eigen snelheid, eigen zekerheid hen oplevert. Zooals de
katachtige roofdieren de meest volmaakte lichaamsbouw („de meest
geperfectioneerde physiologische machines zijn”, zooals een vriend van
me zegt, die alles wat leeft, beweegt, voelt en denkt, tot materie
terug wil brengen) onder de zoogdieren hebben, zoo zijn de valken de
meest volmaakte der roofvogels. Nergens ziet men zoo’n slanke,
krachtige lichaamsbouw, zulke fraaie vleugels, zoo’n doelmatige staart,
zoo’n kleine gedrongen kop, zoo’n felle snavel, zulke scherpe oogen en
zulke krachtige klauwen.

Nergens vindt men die snelheid en schoonheid van vlucht, die zekerheid
van treffen. Geweldig is de stoot, die zij hun slachtoffer toebrengen.
De hoogstaande valkensoorten zijn zoo snel en zeker in het vangen van
hunne buit, dat zij dit in volle vlucht doen. Geen wonder dan ook, dat
menschen, met zuiverder sportinstincten dan ons tegenwoordig
voetballend en boksend publiek, in verrukking raakten over ’t
schouwspel van een valk, die in de lucht een gevecht leverde met een
veel grooteren vogel, als een reiger bijv. Geen wonder, dat de Edelen
zich geen kosten spaarden om zich een dergelijk genot te verschaffen en
de valkenjacht als de edelste hunner vermaken beschouwden.

Het vangen en africhten van valken voor de jacht was een zeer moeilijk
en zorgvuldig werk. In ons land werd het vroeger op verschillende
plaatsen bedreven. ’t Dorp Valkenswaard dankt er z’n naam aan; daar was
zelfs een school, waar aan de „Valckeniers” het vak geleerd werd.

De herfst was de tijd, waarin de jonge of éénjarige wijfjes gevangen
moesten worden. Oudere kan men tot het africhten niet meer gebruiken,
daar zij nooit goed de dressuur leeren aannemen.

De valkenier bouwt in ’t najaar z’n „tophut” op een plek, in de groote
uitgestrektheid der heidevelden. Dat niet iedere willekeurige plaats
daartoe geschikt is, blijkt wel uit het feit, dat steeds de meest
eenzame en verlaten streken, mits ze in de buurt van een meer gelegen
zijn, ervoor uitgekozen worden.

De „tophut” zelf is een uiterst primitieve schuilplaats, die bestaat
uit een kuil die 2 M. middenlijn en 80 cM. diep is. Zes palen worden nu
in ’t rond geslagen, even schuin naar binnen hellend en heeft van boven
een groot wagenrad te dragen. Als dit wagenrad met plaggen is bedekt
vormt ’t het dak. Tusschen de zes palen worden nu takken gevlochten en
als ten slotte dit netwerk ook onder plaggen is verstopt, lijkt ’t
geheel net op een klein heideheuveltje. Een opening, zoo klein, dat een
volwassen man er slechts in gebukte houding door kan, dient tot ingang.
De kijkgaten zijn eveneens zoo klein mogelijk, maar daar er naar iedere
windrichting één is, kan de valkenier als hij binnen is, toch alles
zien wat buiten op het terrein gebeurt.

In de buurt van deze tophut worden, op ongeveer vijftien M. afstand
ervan, twee heuveltjes gemaakt voor den onmisbaren kleinen helper van
den valkenier, ’t aardige klapekstertje.

Vlak bij deze z.g. „klapeksterheuveltjes” worden op een afstand van
tien M. van elkaar twee dennestammen, van zeven M. lengte, in den grond
geslagen. Aan den top van ieder van deze palen wordt een touw
gespannen, waarvan de uiteinden in de hut van den valkenier uitkomen.
Aan de eene lijn heeft men een looze duif, dat is een houten vogelvorm
met duivevlerken, aan den andere een lokvalk bevestigd. Voor lokvalk
gebruikt men een oude valk, die voor de jacht ongeschikt is gebleken.
Als men met deze beide touwen tegelijk slingert, dan maakt het op een
afstand den indruk, alsof een valk bezig is een duif te achtervolgen.

Rondom de hut worden nu nog 3 slagnetten neergezet, ieder op 300 M.
afstand ervan. Zoo’n slagnet bestaat uit twee helften, waarvan de eene
met pennen in den grond is gestoken, de andere bewegelijk is en van een
dun sterk touw voorzien, dat naar de hut loopt. Midden onder de vaste
helft van dit net is een pen met een oog in den grond geslagen. Van
hieruit loopt weer een lijntje naar de hut, waar het aan de pooten van
een levende duif wordt vastgebonden, die in een klein, met plaggen
bedekt duivenhokje opgesloten is. Door één enkele ruk aan dit lijntje
kan de valkenvanger z’n levende duif te voorschijn brengen en, al naar
gelang hij het touw meer aantrekt, de duif precies onder het slagnet
brengen.

Als al deze toestellen in orde zijn en goed werken, wordt getracht een
klapekstertje te vangen. Dank zij dit kleine moedige vogeltje met de
scherpe oogen, worden wel tien maal meer valken gevangen dan de
valkenier alleen zou kunnen bemachtigen. Al op een uur gaans, als de
oogen van een mensch nog lang niet in staat zijn een valk waar te
nemen, ziet het klapekstertje deze reeds en waarschuwt hij de valkenier
met z’n gekrijsch. Zelf verbergt het zich dan. Dit was zoo z’n gewoonte
toen hij in vrijheid was en de valkenier heeft hem nu ook op z’n
heuveltje een kuiltje gegraven, waarin ’t kruipen kan. Het weet veel te
goed, dat een valk voor hem geen partij is, om zich mee te meten.

Om een klapekstertje te vangen, maakt de valkenier gebruik van een
andere eigenaardigheid van dit diertje. Het duldt n.l. geen tweede
klapekster in ’t gebied, dat hij als het zijne beschouwt. De valkeniers
hebben dit opgemerkt en maken er op slimme manier gebruik van. Op de
tophut steekt hij een stokje met vogellijm, waarnaast hij een opgezette
klapekster zet. Zoodra ’t vrije vogeltje een vermeende indringer
opmerkt, komt het nieuwsgierig naderbij en springt tijdens z’n studie
van die onbewegelijke soortgenoot eens op het stokje en is door de lijm
gevangen. Voorzichtig neemt de valkenier hem er af en knipt zorgvuldig
6 à 8 slagpennen uit de vleugel van het diertje, waarna het op z’n
klapeksterheuveltje wordt vastgebonden. Later, als de vangst is
afgeloopen, worden deze veeren weer zorgvuldig met fijne zilverdraadjes
aan den vleugel bevestigd. Gekortwiekt als ’t was, zou ’t vogeltje aan
z’n vrijheid niet veel hebben. Nu kan ’t weer vliegen en als met de rui
de veeren er uitvallen en door nieuwe vervangen worden, is er niets
meer dat aan z’n dienst bij den valkenvanger herinnert.

Als nu alles voor de vangst gereed is, heeft de valkenier niets anders
te doen dan in z’n hut te kruipen en daar pijpjes te rooken. ’t
Klapekstertje zal hem wel waarschuwen, wanneer hij z’n zoo listig in
elkaar gezette apparatuur in werking moet stellen.

En schreeuwt dit kittige kleine vogeltje, dan is de tijd van handelen
daar, van snèl handelen zelfs. De lijn met de lokvalk en de looze duif
slingeren zoo natuurlijk mogelijk zoodat deze jacht-vertooning gauw de
opmerkzaamheid van den komenden valk trekt, en deze met ongeloofelijke
snelheid nadert. Valkenvangers schatten deze snelheid van vliegen
tijdens den jacht op één minuut per uur gaans. Geen kleinigheid
voorwaar, want het beteekent een snelheid van 60 × 5 K.M. = 300 K.M.
per uur. De normale vliegsnelheid is 3 min. per uur gaans of 100 K.M.
per uur, wat altijd toch nog een behoorlijk vaartje genoemd kan worden.

Is de aandacht van den valk getrokken en komt deze naderbij, dan wordt
aan de lijn met de levende duif getrokken. Deze fladdert even op, de
valk schiet toe, grijpt hem en laat niet meer los. Zoo worden zij samen
tot onder het slagnet getrokken. Eenmaal daar, dan wordt de bewegelijke
helft vlug over hen gehaald en de valk is gevangen. De lijn wordt
stevig vastgezet, om te voorkomen dat de valk de klep op zou lichten en
voorzien van een linnenzakje, de z.g. „sok”, gaat de valkenier den valk
uit het net halen. Het dier wordt stevig bij de pooten gepakt, waardoor
het zoo goed als niets meer kan doen, de sok wordt hem over de vleugels
geschoven en onder aan de pooten met een leeren riempje vastgemaakt.
Voorloopig wordt hij in de tophut bewaard, ’s avonds pas wordt hij mee
naar huis genomen om getemd te worden. Want eerst als de vogel geheel
tam is, kan er met het africhten begonnen worden.

Het temmen begint met een hongerkuur. Met een leeren kapje op z’n kop,
door leeren riemen, de z.g. „valkenschoenen”, aan een paal bevestigd,
zit de vogel 24 uur zonder voedsel. Dan komt ’s avonds de valkenier,
trekt een sterke leeren handschoen over z’n rechterhand en zet de valk
op z’n vuist. Zoo brengt hij hem in een, slechts door één lamp
spaarzaam verlicht vertrek en gaat zeer rustig met den valk op een
stoel zitten. Alle gerucht en alle schielijke bewegingen laat hij
achterwege. Voorzichtig neemt hij den vogel de kap van den kop en houdt
hem een stukje vleesch voor. In ’t begin is de valk niet aan het eten
te krijgen, maar langzamerhand komt hij meer op z’n gemak en krijgt den
honger de overhand over den angst. Uren achtereen is de valkenier met
hem bezig, want telkens weer moet de vogel z’n vrees overwinnen.
Ongeveer 14 dagen wordt hiermee doorgegaan, dan begint de valk z’n
meester te kennen en naar den avond te verlangen. Want dat zijn de
eenige uren van den dag, waarop hij van de kap bevrijd is en hij te
eten krijgt. In deze 14 dagen leert de vogel ook op de hand van den
meester te springen.

Als de vogels geacht worden genoeg getemd te zijn, begint de eigenlijke
dressuur. Met een lange lijn aan de pooten gebonden wordt hij op eene
hoogte gezet en met vleesch op verren afstand gelokt. Ook als de
valkenier te paard zit, moet de vogel leeren op z’n vuist terug te
komen. Doet hij dit in alle omstandigheden, dan begint het eigenlijke
africhten voor de jacht pas. Dit doet men, door een doode duif in de
lucht te gooien en de valk er op af te laten schieten. Later laat men
kippen door honden opjagen en moet de valk leeren deze te vangen. Kent
hij dit ook, dan is ’t laatste stadium van z’n opvoeding genaderd en
wordt hij op reigers en kraanvogels afgericht. Eerst gebruikt men
hiervoor reigers die men een buis over den snavel heeft gebonden,
anders mocht hij de valk eens te erg verwonden. Zelf wordt deze van een
leeren hulsel voorzien, om hem tegen de beten van den valk te
beveiligen. Ten slotte is het dier volleerd en kan men er mee jagen
gaan.

De gevechten, die de valk dan met de reigers leverde, vervulde de
harten der Edelen met verrukking.

Een wreed vermaak, zegt ge. Misschien. In ieder geval is ’t een stuk
natuurstrijd, dat men nu door het gedresseerd zijn van den valk ten
allen tijde gade kan slaan, terwijl het anders tot de zeldzaamheden in
het leven van een vogelvriend blijft. Een wreed vermaak—misschien. Maar
oneindig edeler toch, dan ’t vermaak in een bokswedstrijd.

Scherp omschreven, zooals wel haast geen andere groep zijn de uilen.
„Roofvogels” in de gewone zin van ’t woord, schijnen zij toch niet van
de gewone roofvogels af te stammen, zelfs niet met deze een
gemeenschappelijken stamvader gehad te hebben. Führinger, een bekend
onderzoeker naar de mogelijke afkomst der vogels, meent op grond van
anatomische kenmerken (eigenaardigheden in skelet, enz.) een
verwantschap met de nachtzwaluwen te moeten aannemen. Reichenow vindt
dat deze theorie niet te bewijzen of te bestrijden valt, daar ’t
bewijsmateriaal ontbreekt en de vogels in geen geval met de
tegenwoordig levende nachtzwaluwen in verband gebracht kunnen worden.
Zij hebben bepaalde eigenschappen, zooals de kortheid van de kootjes
van de vierde teen, de groote klauwnagel aan de tweede teen, de washuid
en de snavelvorm, met de dagroofvogels gemeen. Daarom brengt hij ze bij
deze in ’t systeem.

Dat uilen nachtvogels zijn, is van algemeene bekendheid. Immers daaraan
danken zij het, dat zij werden tot ’t symbool der wijsheid, dat de
Godin Minerva als attribuut was toegevoegd, omdat, evenals een uil ziet
in ’t duister, ziet de wijsheid in ’t donker der problemen. Daar, waar
gewone oogen geen enkelen lichtindruk ontvangen en hopeloos in de
nacht-zwartheid staren, weten zij vormen en feiten te onderscheiden.

Uilen brengen den dag slapende door in de ruïnes van oude kasteelen, in
holle boomstammen, in oude boerenschuren en in kerktorens. Deze
plaatsen, die door hun duisternis overdag al reeds op de verbeelding
der menschen werken, worden door de vleermuizen en uilen, die elkander
daar gezelschap houden, nog griezeliger en spookachtiger. En als er ’s
avonds leven komt in dit geheimzinnig gespuis, de vleermuizen als
donkere schaduwen door de lucht vliegen, de uil z’n sombere stem laat
hooren, dan verschrikt het diepe lugubere geluid den eenzamen mensch,
die laat nog door de velden loopt. Ons kleinste inlandsche uiltje is ’t
aardige steenuiltje, terwijl de kerkuil misschien wel de algemeenste
is.

De INDISCHE UIL of KETUPA (No. 60) is berucht om die sombere stem. In
de donkere zwaarmoedige omgeving van ’t dichte tropische oerwoud, waar
het licht gedempt groen door het zware loof der bladeren dringt, waar
geheimzinnigheid den angstigen mensch omgeeft en men zich beklemt
gevoelt en gedrukt door die geluidlooze stilte, die men vol van
ongeweten leven voelt, kan plotseling een luid krijschende helsche lach
gehoord worden. Vol boosaardigheid klinkt het, als ’t gelach van een
waanzinnig oud wijf. Een kinderlijke verbeelding gaat aan heksen en
toovenaars denken, de plaats vermijdend waar dat vreeselijke geluid
vandaan schijnt te komen.

De natuuronderzoeker evenwel overwint de beklemming die het vreeselijk
gelach ook op hem heeft gemaakt en loopt in de richting van waar het
geluid gehoord wordt. Hij komt bij een poeltje en daar op een
overhangende tak, strak loerend in ’t water ziet hij de Ketupa, een
prachtige uil. Zij is bezig haar honger te stillen en vangt daartoe
visschen, doch nog liever krabben uit het water. Hoe prachtig is dit
uiltje en met wat een diepe vreugd zal onze natuuronderzoeker haar
bekijken! En vol goedhartigheid beklaagt hij z’n schuwe vriend, die
niet mee gegaan is op zoek naar de oorzaak van ’t vreeselijk geluid,
maar angstig de werkelijkheid heeft ontvlucht. En deze, die wanneer hij
ver genoeg is om ’t vreeselijke gelach niet meer te hooren en z’n angst
heeft overwonnen, droomt door over ’t sprookje van den toovenaar, dat
hij zichzelf vertelde en vermeidt zich in z’n droomen van schoonen
schijn. Zoo ver gaat hij voort op den weg van z’n eigen gedachten, dat
hij ten slotte vol diepe deernis den bioloog beklaagt, die uit is
gegaan om de nuchtere werkelijkheid te zoeken en hèm niet kan volgen in
’t wonderland van z’n droomen.

Of zijn vreugd in z’n droomenland grooter is, dan de blijdschap om de
werkelijke schoonheid van de Ketupa, die de ander met een schok
ontwaarde? Het is moeilijk uit te maken. Want de eene mensch is
gelukkig, diep vol gelukkig met dingen, die een ander onverschillig
zijn. Laat ieder mensch voor zich zelf uitvinden wat hem gelukkig maakt
en daarnaar leven. Maar wij, laten wij voorzichtig zijn en nooit
trachten de illusies van een ander te verstoren.

Dat uilen evenwel gauw op de verbeelding der menschen werken, blijkt
wel uit het bijgeloof, dat ook in onze streken o. a. de RANSUIL (ASIA
OTUS) (No. 61) omgeeft. Een doode uil met uitgespreide vlerken tegen de
schuurdeur gespijkerd, zou bijv. tegen brand beveiligen. En jammer is
’t dat dit bijgeloof heerscht, want de uil is een zeer nuttig dier, die
vele muizen verdelgt. Dat er met deze schadelijke knaagdiertjes wel
eens een nuttig insectenetertje, als ’t spitsmuisje is, in z’n maag
verdwaalt, spreekt haast van zelf, maar dat moet de uil maar niet te
zwaar aangerekend worden, want over ’t geheel is hij meer nuttig dan
schadelijk te noemen.

Uit het leven van een ransuil blijkt, dat uilen niet zoo uitsluitend
nachtdieren zijn als men gewoonlijk wil doen voorkomen. Het is hen
zelfs een levensbehoefte zich te zonnen, zonder zon gaan zij dood, zegt
Brehm. Als het ’s winters te koud wordt, trekken zij dan ook weg, ’t
zonnige zuiden in.

De SNEEUWUIL (NYCTEA NYCTEA) (No. 62) daarentegen is niet zoo bang van
de kou en komt veel noordelijker voor en dan nog wel hoog in de bergen
bovendien. Z’n kleur is voor deze koude omgeving prachtig beschuttend
en wordt nog witter naarmate zij ouder zijn. Het donskleed van de jonge
vogels is geheel grauw-bruin, het echte veerkleed heeft nog een tijd
lang bruine vlekken en de volwassen vogels hebben slechts een enkele
bruine vlek.

Wanneer ’t voedsel ’s winters in de bergen te schraal wordt, komt de
vogel lager, of trekt zij het zuiden in. Daar de lemming haar liefste
voedsel is, volgt zij deze vaak op z’n tochten. Toch voedt zij zich ook
wel met eekhoorntjes en hazen, en wanneer het wild erg schaars is,
berooft zij de vallen, die de jagers uitzetten om pelsdieren te vangen.








Eindelijk is de lang verwachtte dag aangebroken. Helder straalt de zon
uit den blauwen hemel en de kinderen springen juichend hunne bedjes
uit. Zij wekken hunne ouders met: „’t Is goed weer! Vader, Moeder, ’t
is goed weer! Gaan we?” Slaperig nog, wakker geschrokken door ’t
luidruchtige jonge goed, kijkt Vader eerst naar de lucht en dan op z’n
horloge. Vol spanning wordt op ’t antwoord gewacht: „Maak je maar klaar
jongens, met de eerste de beste trein gaan we.” Joelend loopen zij weg
om zich aan te kleeden. „We gaan! Hoera we gaan!”

Vader en Moeder lachen eens tegen elkaar. Zij hebben schik in de vreugd
van hun kroost. ’t Is voor een kind dan ook heerlijk om naar „Artis” te
gaan. Artis, ’t tooverwoord, ’t levend geworden prentenboek. Een tuin
vol met vreemde dieren, met leeuwen en tijgers, olifanten en
nijlpaarden, met adelaars, met papegaaien......!

Geen oogenblik staan de monden stil. En als Moeders lieve oogen geen
scherp toezicht hielden op de aankleederij, zou een enkele in alle
vreugd van ’t uitgangetje nog wel vergeten de tanden te poetsen, het
haar te borstelen of de nagels te schuieren. Wat heeft Moeder ’t nog
druk! De boterhammetjes moeten gemaakt, koekjes en nootjes ingepakt.
Eindelijk dan toch zijn zij in den trein. Onophoudelijk babbelen zij
maar door over de te verwachten wonderbaarlijkheden. Maar als zij ten
slotte voor de ingang staan en Vader de toegangsbewijzen koopen gaat,
worden zij stiller en bedaarder. Nog een oogenblik en dan komt ’t! „Zie
je ginder die papegaaien wel,” fluistert Frank tegen Mirjam. Wat een
mooie kleuren, hè? En wat schreeuwen zij!

Die stilte duurt niet lang. Want eenmaal bij de vogels, kent de pret
geen grenzen meer en hollen zij uitgelaten van den eenen vogel naar den
anderen. Maar diep onder al die pret schuilt een wezenlijke en
levendige belangstelling. Met wat een aandacht staan zij stil en
luisteren zij naar wat de vogels zeggen willen. Maar als zij er ten
slotte een aantreffen, die kan fluiten kent hun bewondering geen
grenzen meer. Vol stille, gespannen aandacht luisteren zij naar de
zachte, fluitende toonen. Zij meenen er een straatdeuntje in te
herkennen. Hoe wonderlijk het ook was, dat de vogels praten konden, het
gefloten liedje spant de kroon.

Hoe leuk nemen zij de koekjes aan met hun poot, hoe handig pellen zij
de nootjes met hun snavel! Zij zien wel, dat die snavel heel anders is
dan van een andere vogel en veel bewegelijker aan de kop verbonden is.
En dan die gekke tong, zoo’n raar dik zwart stompje. Daar kan hij vast
mee proeven merken zij op, want ’t nootje houdt hij in z’n bek over en
de doppen laat hij vallen.

Ook valt het hun met hun scherpe oogen ook al heel gauw op, dat een
papegaai z’n teenen anders heeft dan andere vogels, n.l. twee naar
achteren en twee naar voren gericht. Deze eigenaardigheid is typisch
voor hunne orde en voor die der klimvogels. Dit is dan ook de reden
waarom zij gezamenlijk in de groep der Fibulatores of Gepaard-teenigen
ondergebracht worden.



§ 1. Papegaaien zijn verbazend aardige vogels. ’t Is geen wonder, dat
de menschen hen graag in kooien houden en zich met hen vermaken. Want
de papegaaien, die men ’t liefst als kooidier heeft, dat zijn de gewone
groene AMAZONE (CHRYSOTIS LEVAILLANTI) (No. 67) uit Amerika en de grijs
met roode Lorre uit Afrika, geven dikwijls staaltjes te aanschouwen van
meer dan gewoon „verstand”. Ieder, die een papegaai heeft, weet wel een
„wonder” van de slimheid en ’t verstand van zijn vogel te vertellen.
Dat dat „verstand” geen verstand is, d.w.z. dat zij niet beredeneerd
handelen en hunne handelingen niet logisch doordacht uitgevoerd worden,
dringt tot de menschen meestal niet door. Evenmin wordt beseft, dat ’t
spreken geen redelijk spreken is en dus de klanken, die de vogel uit,
geen inhoud of zin voor hem hebben. Dit verstand en dit spreken zijn
niet meer dan een eenvoudig reageeren op een ervaringsdressuur.

Want niet waar, een papegaai zegt zoo vaak „rake” dingen, die een
situatie zóó volkomen weergeven of verscherpen, dat men wel gelooven
moet, dat het dier de omstandigheden heeft begrepen.

Uit allerlei waarnemingen en proeven van zeer kritische onderzoekers is
evenwel gebleken, dat papegaaien geen verstandige, d.i. geen redelijk
denkende dieren zijn. Toch zijn zij boven andere vogels begiftigd met
opmerkingsgave en geheugen, waardoor zij in staat zijn zeer veel dingen
te „leeren”.

Dit „leeren”, dat is ’t „opdoen van ervaringen”, kan op verschillende
manieren plaats vinden. Zoo is ’t „leeren vliegen” niets anders dan ’t
oefenen van een vliegbeweging, zoo is ’t „leeren zingen” van een vogel
niets anders dan een instinctieve klanknabootsing, zoo is ’t „leeren
jagen” niets anders dan een soort van zelfdressuur door middel van
„zintuigelijke ervaringen”. Deze manieren van „leeren” zijn ieder dier
eigen, maar ze hebben met verstandelijk leeren niets gemeen.
Verstandelijk leert een dier pas, wanneer het „vroegere ervaringen in
nieuwe verhoudingen toepast” of „wanneer het door middel van de taal
(teekens of geluiden, die uitdrukking zijn van begrippen en
voorstellingen), intelligent onderricht krijgt.”

Deze twee laatste manieren van leeren zijn het, die de mensch bij
uitstek en eenige der hoogere apen in mindere mate eigen zijn en die
als de basis van een verstandelijk leven beschouwd moeten worden.

De drie eerstgenoemde vormen van „leeren” berusten op niets anders dan
het vormen van associaties. Buytendijk, aan wie al de hier gebruikte
termen ontleend zijn, noemt dit het „associatief geheugen” en meent er
mee een geheugen, „waardoor waarnemingen en handelingen voor het dier
een bepaalde beteekenis krijgen”.

Het opzetten van een hoed door de baas kan voor een hond een beteekenis
hebben, omdat hij bij het opzetten van die hoed het uitgaan verbindt
(„associeert”). ’t Hooren van een bepaalde klankenreeks als bijv. „wil
Lorre een klontje”, krijgt voor een papegaai beteekenis, omdat hij aan
die klankenreeks ’t genot van ’t klontje, dat hem daarna telkens wordt
gegeven, verbindt. Door een heel eenvoudige dressuur kan men dan de
papegaai „as-sje-blieft” terug laten zeggen. Maar dan blijkt nog uit
niets, dat het dier begrijpt wat die woorden beteekenen. In plaats van
„as-sje-blieft” had men ’t dier ook kunnen leeren „nee, dank je” of ’t
lompe „dat lust ik niet” te zeggen. En dan zou men de vogel op een
„domheid” kunnen betrappen. Want terwijl hij dan „nee, dank je” zegt,
steekt hij gelijktijdig z’n poot uit om de lekkernij te grijpen.

Als men, tijdens het kriebelen op z’n kale schedelplek, voortdurend
„kopje-krauw” zegt, gaat de vogel die klank verbinden aan de voor hem
zoo aangename liefkoozing en z’n nabootsingsinstinct doet hem die klank
herhalen, zoogoed als hij z’n eigen naam „Lorre” of andere woorden die
hij zeggen hoort, herhaalt. En als Lorre opmerkt, dat wanneer hij de
klank „kopje krauw” laat hooren, de mensch naar hem toe komt om hem te
streelen, dan associeert hij die klank met de er op volgende
liefkoozing. Op een andere keer kan hij deze dan zoolang herhalen, tot
aan z’n „verzoek” gehoor is gegeven. Door ervaring heeft ’t dier dan
geleerd. Gedacht, „z’n verstand gebruikt”, heeft het niet.

Dat een papegaai een grooter leervermogen heeft dan andere vogels, is
waar. Er zijn zelfs onder de papegaaien bepaalde soorten, die meer
kunnen leeren dan de andere. Hoe jonger zij zijn, hoe meer zij leeren
kunnen en als men een papegaai het spreken wil leeren, doet men ’t
beste een jonge daarvoor uit te kiezen. Oude vogels leeren het nooit
zoo goed.

De lories, die men vaak in kooien ziet, worden niet om hun spraak, maar
voornamelijk om de pracht van hun veeren gehouden. Deze is dan ook
ongeëvenaard. Hoe schittert de veelkleurige LORI (TRICHOGLOSSUS NOVAE
HOLLANDIAE) (No. 63) niet in werkelijk alle kleuren van den regenboog.
Hoe fraai moet een troep van deze kleine levenmakers niet aandoen in
hunne natuurlijke omgeving, ’t grauw-grijze oerbosch van Australië.
Want dit werelddeel is het thuis van de lories, zoowel als van de
KAKATOE (CACATOUA TRITON) (No. 64) en de UILPAPEGAAI (STRINGOPS
HABROPTILUS) (No. 65).

Niet alleen is Australië het thuis, het is zelfs de bakermat van alle
papegaaien en vandaar uit hebben zij zich over de wereld verspreid. In
Europa zijn zij evenwel niet. Want daar papegaaien van oorsprong
tropenvogels zijn, overschrijden zij op een enkele uitzondering na een
bepaalde warme-zône (40° N.Br. en 55° Z.Br.) niet.

De lories behooren tot de kleinere papegaaisoorten, doch zijn op verre
na de kleinsten nog niet. Er zijn papegaaitjes niet grooter dan een
musch.

De fraai-gekuifde kakatoes beperken zich, op één uitzondering na,
eveneens tot het Australisch gebied. Zij leven in zeer groote troepen
te samen en zijn daardoor vaak zeer schadelijk, wanneer zij in
plantages komen, en zich daar te goed doen aan zaden en noten. Geen
wonder dus, dat de kolonisten hen jagen en dat de inboorlingen van
Australië hen met den boemerang te lijf gaan.

De wonderlijkste van alle papegaaien is wel de STRINGOPS of UILPAPEGAAI
(No. 65), die slechts met één soort z’n familie vertegenwoordigt. Deze
uil, de Stringops Habroptilus of Kakapo komt alleen maar voor in
Nieuw-Zeeland en beperkt zich daar nog tot het Zuid-Westelijk deel van
het eiland. De naam „uil-papegaai” danken zij aan hunne nachtelijke
levenswijs, tengevolge waarvan de vogel ook lang onbekend is gebleven.
Eerst een 60 jaar geleden is de eerste huid van dezen vogel naar Europa
gekomen, hoewel men reeds veel langer wist, dat zich ergens in
Nieuw-Zeeland een nog onbekende vogel op moest houden, daar de Maori’s
zich vaak met z’n prachtig groene veeren versierden.

Doch niet alleen tengevolge van zijn nachtelijke levenswijze is de
vogel zoo moeilijk te bestudeeren geweest, hij heeft ook het gebruik
van zijn vleugels verleerd en vliegt nooit meer. Hij loopt over den
grond zijn voedsel, dat uit jonge plantendeelen en mossen bestaat, te
zoeken. Slechts als hij hard loopt, gebruikt hij z’n vleugels om z’n
evenwicht te bewaren. De kam op het borstbeen, die als aanhechting
dient voor de vliegspieren is dan ook zeer gereduceerd en er is niets
meer dan een kleine lijst van over.

Van de papegaaien buiten het Australisch gebied, zijn de
Zuid-Amerikaansche wel de meest algemeen bekende, want de leuke
PARKIETJES (CONURUS CACTORUM) (No. 66) broeden haast in iedere volière,
en de mooie ara’s kiest men graag als kooivogel, ter wille van hun
prachtige veeren en de groene AMAZONE PAPEGAAI (CHRYSOTIS LEVAILLANTI)
(No. 67) om z’n bevattelijkheid. Toch, hoewel deze kortstaartige
amazone papegaai zeer aardige en zeer mooie vogels zijn om in een kooi
te houden, staan zij in begaafdheid ver achter bij de rood-grijze jako
van Afrika en in fraaiheid van veeren steken de ara’s hen de loef af,
want de fraaiheid van deze ara-veeren is welhaast onovertroffen.

De Indianen van Zuid-Amerika schatten deze veeren dan ook zeer hoog en
jagen de BLAUW MET GELE ARA (ARA ARARAUNA) (No. 68) de roode ara’s en
de prachtig blauwe hyacinth-ara’s graag om die prachtige veeren te
bemachtigen. Ook hebben zij vaak papegaaien als huisdier zoodat deze af
en aan vliegen, zooals bij ons de duiven.

Daar ara’s de gewoonte hebben, altijd weer in denzelfden boom te
nestelen, worden deze boomen het eigendom van den Indiaan, die ze het
eerst vond. Een eigendom dat erfelijk is en steeds van vader op zoon
overgaat. Juist zooals bij ons in oude tijden de „honingboomen” van
vader op zoon overgingen en slechts één familie het recht had de in de
loop der zomer er door de bijen ingebrachte honing te zamelen.



§ 2. Terwijl de vertegenwoordigers der eerste orde in de groep der
Fibulatores, de papegaaien, grijpvoeten hadden, hebben die der tweede
orde, de SCANCORES of KLIMVOGELS, de voor hen zoo typische klimvoeten.

In de eerste plaats dient daarvan genoemd te worden de TOERAKO of
HELMVOGEL (TURACUS ALBOCRISTATUS) (No. 69), die zoo genoemd wordt om de
helm van veeren, die van af zijn korten driehoekigen snavel den
geheelen kop bedekt. Zij leven in de dichte acacia-bosschen der
Afrikaansche keerkringen.

Merkwaardig is het, dat hun veeren van een ander soort groen zijn, dan
gewoonlijk bij vogels aangetroffen wordt. Groene veeren of alle andere
kleuren bij vogels worden veroorzaakt door bepaalde structuren in de
baarden en baartjes. Deze structuren hebben een lichtbreking tengevolge
en van het gebroken licht worden slechts bepaalde stralen
teruggekaatst. Bij groene veeren kan hierdoor die glanzende weerschijn
ontstaan.

’t Groen van toerakoveeren evenwel wordt veroorzaakt door een bepaalde
groene kleurstof, die er in aanwezig is. Zoo is het ook met de purperen
vlek aan hunne vleugels. Deze is niet eens waschecht en geeft kleur af
als de vogel zich baadt. Later, als zij droog worden, kleuren zij weer
bij.

In de familie van de koekoeken daarentegen vindt men in de GOUDKOEKOEK
(CHRYSOCOCCYX CUPREUS) (No. 72) een van de mooiste voorbeelden van
groene kleur door lichtbreking. Deze vogel, die in Afrika, Azië en
Australië voorkomt, streeft de pauw nabij in z’n schitterende,
metaalglanzende groen met gouden pracht. En deze „Didrik”, zooals de
Zuid-Afrikaansche Boeren hem noemen, heeft de eene echte eigenschap der
koekoeken van onze streken: zij laat n.l. haar eieren uitbroeden door
de kleinere zangvogeltjes.

Weinig vogels hebben zoo de belangstelling van onze Noordelijke volken
opgewekt, als de gewone KOEKOEK (CUCULUS CANORUS) (No. 71). Waren het
de zwanen, die de verbeelding der dichters gevangen hielden, de koekoek
heeft tot minder verheven gestemde geesten gesproken en zich gedrongen
in ’t leven van ’t volk. In ’t sober alledaagsch bestaan van de
menschen op het land zijn het simpele en eenvoudige dingen, die kleur
brengen in de eentonige sleur der jaren. En deze simpele dingen waren
schatten van de natuur. Zij hebben deze rijkdommen opgemerkt en tot een
deel van hun leven gemaakt, lang voor dat de natuurlijke historie een
bron van studie voor geleerden, heel lang voordat het een mode voor Jan
en Alleman was. De eigenaardige levensgewoonte van de koekoek maakten
een dusdanige indruk op de menschen, dat zij invloed gehad hebben, ook
op onze taal en ’t bijgeloof in onze streken.

Hoewel er vogels genoeg zijn waaraan onze taal beelden en uitdrukkingen
ontleent, is er geen één, die er zoovele geleverd heeft als de koekoek.
Men mag hooren: domme gans, uilskuiken, „als een kip zonder kop”, „van
een uil, die men acht een valk te zijn”, „zoo rood als een kalkoensche
haan”, de koekoek heeft er legio, die hem in verband staan. Ieder kent
ze wel: bijv. „’t is alles koekoek één zang”. „Loop naar de koekoek”.
„Dat haalt je de koekoek”. „Een koekoeksei uitbroeden”. „Een
koekoeksjong groot brengen”.

En dan ’t bijgeloof! In sommige streken van ’t land meent men, dat de
koekoek voorspelt, wanneer men sterven zal. Men heeft daartoe maar te
tellen, hoe vaak de koekoek achtereen z’n naam roept, dan kent men ook
’t aantal jaren, dat men nog te leven heeft. In andere streken zijn ’t
jonge meisjes, die met kloppend hart de roep tellen, want dan weten zij
hoe lang ’t duurt eer zij trouwen zullen. Ook kan in bepaalde
omstandigheden ’t aantal malen dat men ’t „koekoek” hoort de
hoeveelheid jaren aangeven, waarop een wensch in vervulling zal gaan.
Maar dan dient men die wensch te uiten als men de eerste roep hoort en
bovendien moet men dan tusschen twee zusters loopen, met de oudste aan
de rechterhand. Uit al dergelijke feiten blijkt wel ten duidelijkste,
hoe ’t volk de koekoek heeft opgemerkt en toch is ’t bij ons niet zoo’n
vreeselijk algemeene vogel, zooals bijv. in de Skandinavische landen,
waar hij zoo algemeen moet zijn als bij ons de spreeuwen.

Maar waar een koekoek is, wordt hij opgemerkt. Dit komt wel
voornamelijk door de roep, die altijd van het mannetje is. Deze heeft
een bepaald gebied, waar hij in huist. Een eigen vrouwtje heeft hij
nooit. Ieder vrouwtje dat z’n gebied doortrekt, is hem welkom en als
hij weet dat er een in de buurt is, koekoekt hij nog harder dan te
voren. Soms hoort men de koekoek de halve nacht door, andere keeren
komt hij op een bepaald uur op een bepaalde plaats, ja dikwijls zelfs
op een bepaalde tak van een boom en roept daar maar. Als er een
vrouwtje in de buurt is, verandert hij z’n rustig en gelijkmatig
koe-koek in een haastiger en zenuwachtig klinkend koe-koe-koek,
koe-koe-koek.

Als het vrouwtje een ei moet leggen, kan zij dit niet in haar eigen
nest doen. Zij heeft geen eigen mannetje, dat er een met haar bouwde en
legt nú in ’t gebied van het eene mannetje, dan weer in dat van een
ander, maar altijd kiest zij als legplaats een nest van een of ander
klein zangvogeltje. Die bebroeden dat vreemde ei trouw en geduldig en
als dan eindelijk ’t koekoeksjong uitgekomen is, slepen zij aan wat zij
kunnen om z’n grage maag te vullen. Die indringerige, sterke vogel
spert z’n mond zoo wijd open en duwt z’n pleegbroertjes en -zusjes zoo
in een hoekje, dat deze haast niets te eten krijgen en haast niet
groeien.

De jonge koekoek daarentegen groeit als kool en al heel gauw wordt het
hem te benauwd ’t kleine nest met de andere vogeltjes te deelen en hij
woelt net zoolang tot zij er uitvallen en sterven. De oude vogels
merken niet eens dat hun eigen kinderen weg zijn, zoo druk hebben zij
het met ’t voeren van ’t ongevraagde pleegkind. Z’n eigen moeder trekt
van ’t eene mannetje naar ’t andere, legt een ei hier, een ei daar en
trekt zich van „moederplichten” geen steek aan. De vader weet van z’n
bestaan niet af, maar koe-koe-koekt lustig een volgend vrouwtje toe.

En de menschen die ’t zien, veroordeelen de koekoek. Dat is dwaas. Een
koekoek kan ’t niet helpen, dat hij zoo is, daar is hij nu eenmaal een
koekoek voor. Zij zouden niet eens een broedsel groot kunnen brengen,
want ’t vrouwtje legt haar eieren met zulke groote tusschenpoozen, dat
zij niet in staat is ze zelf uit te broeden.

De SPOORKOEKOEK (CENTROPUS) (No. 70) daarentegen is er wel toe in staat
en de twee à drie eieren die zij hebben, worden zoowel door den man als
door de vrouw ijverig bebroed. Het is even als onze koekoek een
levendige en bewegelijke vogel met ’t echte koekoek-uiterlijk, ’t
zelfde lange slanke lichaam, dezelfde krachtige korte snavel. Z’n
achterteen evenwel heeft een lange nagel „de spoor”, waaraan hij z’n
naam te danken heeft.

In tegenstelling met onzen koekoek en den Didrik voedt hij zich met
bessen en zaden, in plaats van met insecten.

Van den TOEKAN (RAMPHASTOS ARIEL) (No. 73), een zeer algemeenen vogel
in Brazilië, weet men, ondanks z’n veelvuldig voorkomen, zeer weinig
van het voedsel, dat hij gebruikt. Men verschilt zelfs van meening of
het plantaardig dan wel dierlijk zal zijn. In gevangenschap zijn de
vogels alleseters, in de vrijheid, als zij hoog in de toppen van de
Braziliaansche boomen van kruin tot kruin zweven, is het moeielijk na
te gaan waarmee zij zich voeden. Eigenaars van bananenplantages zijn
evenwel niet op hunne bezoeken aan de tuinen gesteld, daar deze er zeer
merkbare schade van ondervinden.

Voor de inlandsche bevolking van Brazilië zijn de vogels van belang,
omdat zij hen in het droge jaargetijde een uitnemende voeding opleveren
en er dan ook op deze dieren gejaagd wordt.

De mooie gele veeren, die de vogel aan de keel en aan de stuit heeft,
worden door de inboorlingen veel gebruikt als versiering van hunne
kleeding. Zij maken er zelfs mantels van. Daar zij er
begrijpelijkerwijze zeer veel veeren voor noodig hebben en zij zelf
inzien, dat de vogel tot uitsterven gebracht zou worden als zij gedood
werden, hebben zij een ander middel bedacht om die veeren te
bemachtigen. Zij schieten daarom de vogels met zeer licht vergiftigde
pijlen, zoodat zij slechts door ’t gif bedwelmd worden en neervallen.
De verlangde veeren worden nu uitgerukt en bijgekomen vliegen de dieren
weg, om misschien in hun verdere leven éénmaal per jaar dezelfde
bewerking te ondergaan.

De snavel van deze pepervreters lijkt ons onevenredig groot toe en
schijnt buitensporig zwaar te zijn. Het tegendeel is waar, daar deze
geheel uit een zeer poreuse massa bestaat en juist buitengewoon licht
is.

De BAARDVOGELS (BUCCO VERSICOLOR) (No. 74) onderscheiden zich door hun
snavelaanhangsels, want de veeren aan de snavelbasis zijn tot talrijke
borstels geworden, aan welke merkwaardigheid hij zijn naam van
baardvogel te danken heeft. Het zijn prachtige, in allerlei bonte
kleuren prijkende vogels; hun voedsel, dat uit insecten bestaat, is er
in overvloed, zij doen dan ook niet veel moeite het te vangen. ’t Zijn
trage, domme en luie vogels. Deze eigenschappen gevoegd bij hun stille
roerlooze houding en geestelijke starheid heeft hen waarschijnlijk aan
den bijnaam van „Woudrechters” geholpen.

In Afrika komt in sommige streken de HONINGWIJZER (INDICATOR INDICATOR)
(No. 75) voor. Daar waar zij zich ophouden zijn zij gauw genoeg aan
iedereen bekend om hun eigenaardige gewoonten de menschen te brengen
bij de dingen, die om de een of andere reden hunne opmerkzaamheid
trokken. En die zijn vele. Leeuwen, tijgers, luipaarden, bijenzwermen
brengen hen dikwijls in opwinding en doen hen roepen. De inboorlingen,
die graag honig uit de raat verorberen of een bijenzwerm mee naar huis
willen nemen, volgen de roepstem van het beestje in de hoop iets van
hunne gading te vinden. Door dit voor hen zoo voordeelige feit hebben
zij over ’t hoofd gezien dat de vogel hen ook even vaak brengt bij een
kreng—zoo noemt men een dood dier—een leeuw of een luipaard of zelfs
wel bij olifanten.

De meeningen, zooals die ons uit reisbeschrijvingen bekend zijn
geworden, loopen dan nogal eens uiteen op dit punt. Het is een feit,
dat de honig in Afrika overvloedig voorkomt en dat de inboorlingen als
zij honig gaan zoeken, op het gedrag van deze vogel letten. En ook al
was de oorspronkelijke bron van agitatie een andere, al „gidsende”
wordt de aandacht van deze dieren vaak afgeleid en brengen zij de
Hottentot toch bij een bijennest.

Wel een eigenaardig instinct! In enkele reisbeschrijvingen vindt men de
eigenaardigheid van den vogel, dat hij de menschen zoo „lokt”
aangegeven als „dienstijver” of „slimheid”. ’t Spreekt wel haast
vanzelf dat dit niet zoo is. Want niet alleen de mensch volgt het
roepen van den vogel; de honigdas, die in die streken voorkomt, geeft
daar ook gevolg aan. ’t Waarschijnlijkst is het evenwel dat de vogel
als hij een bijenzwerm ziet, daarop reageert door te roepen; dat de
honigdas en de mensch op dit roepen weer reageeren met
nieuwsgierigheid, die tot volgen dwingt en dat ’t vinden en plunderen
van de bijenstaat, de vogel weer de ervaring geeft, dat mensch en das
de honig kunnen bemachtigen en...... dat er dan ook altijd iets voor de
vogels op over schiet n.l. het broed. Hottentotten geven echter nooit
heel veel hiervan weg. In de eerste plaats niet, omdat zij het zelf ook
niet versmaden en in de tweede plaats niet, omdat de vogel wanneer zijn
honger niet gestild is, doch de lekkere smaak van ’t beetje afval „hem
naar meer smaakt”, zoodat hij hen nog bij andere bijennesten brengt.

In ons eigen land zijn het de spechten, die samen met de koekoeken de
klimvogels vertegenwoordigen. De GROENE SPECHT (GECINUS VIRIDIS) (No.
76) is aan ieder bekend, die wel eens in bosschen gewandeld heeft. In
boschrijke streken hoort men bijna overal zijn lach, die luid begint en
langzaam zachter wordt. Ook kan men hen vaak hooren kloppen en hameren
tegen de boomen. Met krachtige, korte slagen wordt met de sterke snavel
tegen de boomen gehakt; ’t resultaat van die pogingen kan men dikwijls
genoeg aan de splinters zien, die beneden aan de voet van den boom in
het zand liggen. Met dit hakken onderzoekt de specht of de boom, die
hij onderhanden heeft, geschikt of niet geschikt is tot ’t maken van
zijn nest. Van alle boomen, die hij tot zijne beschikking heeft, kiest
hij daartoe ’t liefst diegene uit, die door een zwam of schimmelziekte
zijn aangetast en dus binnen in den stam hol of vermolmd zijn. Het is
de specht vaak verweten, dat hij door ’t hakken in de boomen zeer
schadelijk zou zijn; sinds men evenwel weet dat hij slechts dàn gezonde
boomen neemt als er geen zieke zijn, is die grief tegen hem erg
vermindert. Men kan nu andersom redeneeren en afgaande op ’t
spechtengat in een boom tot de conclusie komen, dat de boom, hoe gezond
hij op ’t oog ook leek, toch ziek was.

Het aardigste laantje met spechtennesten, dat ik ken, is in de buurt
van Castricum. Daar is iedere boom van minstens twee of drie gaten
voorzien.

’t Is de moeite waard om een specht aan ’t werk te zien. Hij klimt van
onderen af tegen den stam op, de nagels van zijn teenen in de schors
geklemd en steunend op zijn staart. Deze laatste is wel haast even
onontbeerlijk voor zijn klimpartijen als zijn klimvoeten. Daarom zijn
de schachten tot aan het einde heel dik en sterk en aan de stuitkant
juist veel dunner en elastischer, zoodat de staart bewegelijk is en in
een hoek met ’t lichaam geplaatst kan worden om tot steun te dienen.
Trouwens de geheele lichaamsbouw van dezen vogel is merkwaardig
practisch voor zijne levenswijze. Z’n snavel is beitel en hamer gelijk.
De bevestiging van den kop aan den romp is zoodanig, dat de vogel zijn
kop buitengewoon gemakkelijk bewegen kan en door zijn zeer sterke
halsspieren in staat is de noodige kracht uit te oefenen.

De tong van den specht is ook een merkwaardig instrument en uitermate
geschikt voor het verwerven van voedsel. De specht eet graag insecten
of insectenlarven. Deze insecten, kevers bijvoorbeeld boren zich vaak
in ’t jarige hout. Een specht nu, steekt zijn heele lange, dunne tong
in die gang en spiest er de vette keverlarf mee vast aan de punt, die
scherp en hoornachtig is en van weerhaken voorzien. De larve kan
hierdoor niet verloren gaan als de specht hem door de nauwe gang trekt.
Bovendien is de tong zoo buigzaam dat hij alle kronkelingen en bochten
van die gang volgen kan.

Van die bewegelijkheid maakt de specht nog op een andere manier
gebruik, n.l. om mieren mee te vangen. Evenals de draaihals, een van
z’n familieleden, is onze specht dol op mieren. Van de beten en de
besproeingen met mierenzuur, waarmee deze kleine diertjes zich
voornamelijk verdedigen, trekt hij zich niets aan. Op zijn dooie gemak
hakt hij een mierennest in stukken en zoekt de poppen, die hij met
smaak verorbert. Als de oude mieren dan in drommen er op af komen om
den inbreker te bestraffen, steekt hij rustig zijn geheele tong uit.
Deze is geheel omgeven door een laag kleverig slijm, waar de mieren aan
vastplakken, als vliegen aan een gompapiertje en door er een kronkelige
beweging mee uit te voeren werkt hij hen vliegensvlug naar binnen.

De MUISVOGEL (COLIUS MACRURUS) (No. 77) komt slechts voor op het vaste
land van Afrika. Muisvogels wijken nog al erg van andere vogels af,
daarom veranderen zij nog al eens van plaats in het systeem. Zij leven
in troepen in buitengewoon dichte boschjes van groote doornstruiken,
die bovendien nog met slingerplanten doorvlochten zijn. Voor een mensch
is het onmogelijk zich er een weg doorheen te banen, zelfs met bijl en
jachtmes niet, zoo dicht omstrengelen die doornige takken zich. De
muisvogel trekt zich daar niets van aan. Grauw-grijs als een muis en
even vlug en behendig vinden zij hun weg door allerlei nauwe gaatjes en
gangetjes. Een onderzoeker, die aan den rand van deze dichte bosschages
zit, kan niet vlug genoeg wezen om te zien of het een vogel was of wel
een ander dier, dat daar zoo vlug als een schaduw weg vluchtte.








Van alle vogels, die zoo in het algemeen de belangstelling en de
opmerkzaamheid van de leeken trekken, omvat de zesde en laatste groep,
waarvan de vertegenwoordigers zich van die der vijfde groep vooral door
de stand der teenen onderscheiden, die der


BOOMVOGELS (ARBORICOLÆ) VI


wel verreweg de meeste soorten. Niet in de eerste plaats, omdat deze
groep zooveel rijker aan individuen is, verheugt ze zich in deze
bekendheid. Hoewel de hoeveelheid van vormen, die haar
vertegenwoordigen, in numeriek aantal ver dat van de andere groepen
overtreft, (ja, zelfs nog het aantal vogels, dat in al de vijf overige
groepen is ondergebracht, te boven gaat), is dit toch niet de
voornaamste reden van hunne populariteit. Hiermee wil ik niet
ontkennen, dat dit groote aantal de kans de opmerkzaamheid der menschen
te trekken, niet verhoogen zou. Integendeel! Doch bovenal vallen zij op
door hun zingen. En dan zijn het nog voornamelijk de vertegenwoordigers
van de laatste orde in deze groep, de zangvogels, die dit in hoofdzaak
doen, want veel van de vogels in de eerste drie orden der Boomvogels,
maken er maar wat van als het op zingen aankomt.

De zangvogeltjes zijn en blijven nu eenmaal de lievelingen van het
publiek. Al wemelen onze weiden van de steltloopertjes, al ontbreken de
meest verschillende zwemvogels, hoenders, roofvogels en klimvogels in
ons land niet, zangvogeltjes staan boven aan en hebben de eerste plaats
in ’t hart der menschen. Zij spreken met hun zang direct tot het gemoed
en gevoelig en ontvankelijk hiervoor gestemd door de idyllische
omgeving van een loofbosch en de heerlijke rust van de zomervacantie,
herdenkt de mensch hen in dankbare herinnering en noemt hen „de liefste
vogeltjes”.

Toch, als de mensch niet oppast, zal het aantal van deze bekoorlijke
diertjes snel verminderen en zullen er slechts weinig soorten
overblijven, die in de dagelijksche omgeving zijn vreugde uitmaken.

Want de beschaving dringt zich overal in en neemt bezit van de plekjes,
die reeds sinds eeuwen het eigendom waren van de kleine zangers. De
oerbosschen zijn al lang uit ons land verdwenen, omdat de menschen de
grond en het hout gebruikten. Tegenwoordig verdwijnen zelfs de laatste
schuilplaatsjes hoe langer hoe meer.

Midden door een heerlijk rustig bosch wordt een tram aangelegd en voor
goed is de rust weg, die de vogels voor hun broeden noodig hebben.
Drommen menschen komen op de mooie voorjaarsdagen en genieten van het
heerlijk buiten zijn. De natuurmenschen voelen zich evenals de vogels
verdrongen en trachten ergens anders hun stille geneugten te vinden.
Zij moeten steeds verder trekken met tram en trein en boot om plaatsen
te vinden, die de horden der stadsmenschen nog niet ontdekt hebben.

Ook de vogels doen dat. Toch kan men heel veel voor de zangvogeltjes
doen en het hen aangenaam maken, waardoor zij in onze stadsparken
blijven. Want al heeft een vogel haast nergens meer zijn rustige
omgeving, hij wil ook wel broeden als zijn nest maar ongestoord gelaten
wordt en went wel aan de wandelaars. Een der beste manieren om de
vogels te helpen is door het ophangen van broedkastjes.



§ 1. Opvallend door de hardheid van hun snavel en hunne zeer kleine
voeten zijn de INCESSORES. Vooral bij de HOORNRAAF (BUCORAX
ABYSSINICUS) (No. 79) en de NEUSHOORNVOGEL (BUCEROS RHINOCEROS) (No.
80) is de harde snavel wel heel typisch. Deze lijken erg zwaar en geven
’t gevoel, dat de vogel topzwaar moet zijn met zoo’n zwaarte aan z’n
kop. In werkelijkheid zijn ze echter zeer licht, daar ze bestaan uit
een zelfde sponsachtig hoornweefsel, waaruit ook de snavels van de
pepervreters waren samengesteld.

De hoornraaf, die in Afrika een zeer bekende vogel is, wordt door de
Engelsche kolonisten „wilde kalkoen” genoemd, omdat het mannetje als
het opgewonden is, zich in veel opzichten als een kalkoensche haan
gedraagt. Het spreidt z’n staart waaiervormig uit en blaast zich op,
terwijl het een eigenaardig brommend „boe” laat hooren. Daar de
hoornraaf zeer vaak roept, voordat het gaat regenen en de regen in deze
warme landen wel eens langer op zich laat wachten dan de menschen
aangenaam is, hebben de kaffers in hunne bijgeloovigheid gedacht, dat
de vogel den regen aanriep. Zij meenen dat het gauwer regenen zal als
zij een vogel dooden en in ’t water werpen. „Want”, redeneeren zij,
„sinds er blijkbaar een verband is tusschen den vogel en het water en
de vogel een zeer onaangename reuk heeft, zal de regen ’t niet kunnen
verdragen, dat het water op aarde „ziek” wordt door zoo’n stinkenden
vogel. Dan zal de regen wel komen om het „zieke” water weg te spoelen.”

De NEUSHOORNVOGELS, die in Afrika, Azië en Oost-Indië in verschillende
soorten voorkomen, hebben een zeer merkwaardige levenswijs. Tijdens de
broedtijd is het vrouwtje ingemetseld in een grooten hollen boom, waar
het nest met de eieren in verborgen is. Slechts haar snavel steekt er
uit en ’t mannetje voert haar door het spleetje. Zoo intensief broedt
het vrouwtje, dat zij al haar veeren verliest en zij, als de jongen uit
het ei gekomen zijn, vooreerst niet vliegen kan en haar echtgenoot nu
de zorgen voor haar en ’t kroost dragen moet. Tegen den tijd, dat het
vrouwtje haar veeren terug heeft en de jongen mans genoeg worden om
voor zich zelf te zorgen, is de vader niet veel meer dan vel over been.
Een toonbeeld van plichtsbetrachting en een beschamend voorbeeld voor
vaders, die klagen over de last van kinderen groot brengen!

En, zooals de neushoornvogel en z’n harde levenstaak ons een les
leeren, zoo leert de REUZENIJSVOGEL (DACELO GIGAS) (No. 81), die
onverbeterlijke lachebek uit Australië ons een andere. Hij lacht daar
als ’t avond wordt, hij lacht als de nacht weer plaats maakt voor den
morgen en zoo aanstekelijk is zijn lachen, dat zoodra de eerste van
deze vroolijke vogels er mee begonnen is van alle kanten de vriendjes
invallen, totdat de omgeving schatert en de mensch er door aangestoken
wordt en mee lacht. Waarom ook niet, waarom niet blij te zijn met
iedere verandering? Van onze inlandsche ijsvogeltjes (Alcyon)
onderscheidt hij zich evenals de HALCYON DIOPS (No. 82) van de Molukken
en de andere Halcyonsoorten zeer sterk in levenswijs. Want, waar de
gewone ijsvogeltjes zich voeden met visschen, die zij duikend uit het
water vangen, hebben de Halcyon’s maar bij hooge uitzondering visch op
tafel. Gewoonlijk voeden zij zich met insecten en kleinere
werveldiertjes, waaronder veel reptielen zijn. De reuzenijsvogel is
zelfs als reptielen-verdelger van belang, daar hij de
allergevaarlijkste en giftigste kleine slangetjes doodt en opeet.

MEROPS APIASTER, de BIJENETER (No. 83) is een typische vogel voor de
tropische landen der oude wereld. Z’n verschijning is zeer opvallend en
spottend met iedere mimicry en camouflage dringt hij zich, vliegend
zoowel als zittend op aan de aandacht der menschen door zijn bonte
hoeveelheid van de prachtigst gekleurde veeren. Vooral in den
broedtijd, als zij groote koloniën vormen, leveren zij een fraaien
aanblik als men hen alle tegelijk te zien krijgt. Zij graven hunne
nesten in steile wanden, waardoor men ze heel moeilijk bereiken kan.
Hierin maken zij heele lange gangen en aan ’t einde er van graven zij
een holte. Het vrouwtje legt daar de eieren en slechts gedurende den
nacht en in den broedtijd trekken zij zich in deze appartementen terug
om te slapen. Gedurende den zomer komt deze bijeneter wel eens in ons
land en in Duitschland. Hij moet echter als zeer zeldzaam beschouwd
worden, evenals HOP (UPUPA EPOPS) (No. 84), die in ons land in het
begin van September of in de laatste dagen van Maart wel eens op de
trek waargenomen wordt. In Duitschland komt hij iets algemeener voor,
maar zijn eigenlijke vaderland is Noord-Afrika en Zuid-Europa. In deze
landen, waar de reiniging geen probleem is van officieele zorgen, heeft
de hop zich vrijwillig met de hygiënische diensten belast en heeft hij
daar de taak overgenomen die bij ons in minder moderne streken door den
tonnenman wordt verricht. Op de mesthoopen van menschelijk vuil zal men
in deze zuidelijke streken de hop dan ook geregeld aantreffen en de
„hoed-hoed” (zoo noemt men hem) goedmoedig verdragen. De vogel is daar
in ’t geheel niet schuw, wel een groot verschil met zijn gedrag in
Duitschland. Daar mijdt hij de menschen zorgvuldig. Hij huist in muren
of boomholten en is zóó in hooge mate onzindelijk op zijn nest (het
vuil van de jongen wordt nooit weg gedragen), dat zelfs de katten er
vies van zijn en nooit aan de jongen komen. Waar onreinheid al niet
goed voor is, zou men geneigd zijn te denken.

Eveneens een zeer zeldzame gast in ons land is de prachtige SCHARRELAAR
(CORACIAS GARRULUS) (No. 85), die bij ons niet broedt, doch hiervoor
het liefst de tropische streken van den Ouden Wereld uitkiest. Zij
willen dikke holle boomen om hun nest in te maken en streken waar
weinig menschen zijn. Een rustige omgeving met een verwaarloosde boom,
is in ons menschenrijke Midden Europa helaas een utopie. In ’t najaar
trekt de vogel zeer ver ’t zuiden in tot zelfs in Natal toe is hij
gesignaleerd. Maar hoever de reis ook is, de vogel, die niet bezeten is
door de moderne snelheidskoorts, reist op z’n dooie gemak en toeft op
iedere plaats, die voedsel genoeg voor hem heeft.

De laatste familie in deze orde vormt de overgang tot de volgende,
zooals dit zoo vaak in een systeem het geval is. De BATRACHOSTOMUS
AURITUS, DE KIKKERBEK (No. 86) doet n.l. zeer sterk aan den
geitenmelker denken, vooral door zijn breede en platte kop, groote
oogen en weeke veeren. De kop lijkt vooral zoo breed door den vlakken
snavel, waarom dan ook in den Latijnschen naam en in de Hollandsche
vertaling er van, duidelijk de gelijkenis met een kikker aan gegeven
is. Het vaderland van dezen mooien, warmbruinen vogel is Sumatra en
Borneo.



§ 2. In de tweede orde is de NACHTZWALUW of GEITENMELKER (CAPRIMULGUS
EUROPAEUS) (No. 87) weer een prachtig voorbeeld van camouflage, want
z’n kleur en z’n meegekregen instincten beschutten hem in hooge mate en
maken hem haast onherkenbaar van den tak, die hij zich tot zitplaats
kiest. Daar het instinct van dezen vogel hem in de lengte op den tak
doet plaats nemen, lijkt hij buitengewoon veel op een knoest. Het is
dan ook maar heel zelden, dat men een nachtzwaluw dwars op een tak ziet
zitten. Horizontale takken hebben een speciale bekoring voor deze
vogels, omdat ze de meest geschikte, d.w.z. de meest beschuttende,
zijn. Daar horizontale takken betrekkelijk zeldzaam zijn, vindt men den
vogel slechts op speciale plaatsen. Bij ons in de duinen zijn dat vaak
de berkenboschjes. Maar ook op andere plaatsen kan men hem aantreffen.
Naumann, de bekende ornitholoog, vertelt zelfs dat hij van één zelfden
horizontalen tak van een appelboom in z’n tuin meermalen een
nachtzwaluw wegschoot.

Is er evenwel geen horizontalen tak te vinden, die naar den zin van den
vogel is, dan neemt hij ook wel genoegen met een platten steen op den
grond. Als hij daar onbewegelijk zit, schijnt het of hij slaapt. Zijn
oogen houdt hij slechts een kiertje open en door dit spleetje neemt hij
alles waar, wat in zijn omgeving gebeurt, zonder dat hij zelf opgemerkt
wordt. Had hij zijn groot mooi oog open gehouden, het zou hem verraden
hebben meent Heinroth, iemand, die er zeer oorspronkelijke denkbeelden
over vogelinstinct en mimicry op nahoudt. Hij gaat zelfs zoover, om in
de langzame, haast onmerkbare overgangen, waarmee deze vogel van de
eene beweging in een andere overgaat, een beschuttingsinstinct te zien.
Als de vogel vóór hij gaat vliegen, eerst met ingetrokken kop z’n
bovenlijf langzaam heen en weer wiegt, dit dan voortdurend sneller en
krachtiger doet, lijkt hij, volgens dezen auteur, op een door den wind
bewogen blad.

De Vaandel-nachtzwaluw van Afrika, die zoo genoemd wordt om twee
vaandelachtige veeren, die van uit z’n vleugels wapperen, is een van
z’n mooiste verwanten.

Andere familieleden van deze nachtzwaluwen zijn de zoozeer bekende
SALANGANEN (COLLOCALIA FUCIPHAGA) (No. 88), de vogeltjes, die de
beroemde eetbare vogelnestjes, waarop de Chineezen zoo dol zijn,
bouwen. Lang heeft men in ’t duister verkeerd omtrent de herkomst van
de stof, waaruit deze nestjes gemaakt zouden zijn. Vroeger meende men,
dat de vogeltjes (Sarong-burong, zooals de Javanen hen noemen) uit de
wieren in zee het materiaal zouden putten. Zooals later door Bernstein
is aangetoond, is dit een dwaling; want in werkelijkheid bestaan de
nestjes uit speeksel van de salanganen. In den tijd van den nestbouw
zwellen bij deze diertjes de speekselklieren sterk op en scheiden eene
taaie, kleverige substantie af, die aan de lucht verhardt. Al vliegend
drukken zij deze taaie massa tegen de rotsen aan en verwerken het tot
de nestjes, die den bekenden vorm van een in achten gesneden bal
hebben. In de donkerste en meest ontoegankelijke plaatsen, aan steile
rotswanden van nauwe bergspleten vindt men de broedplaatsen.

De lichtere plekken aan den rand van de spleten worden door een verwant
bewoond, de COLLOCALIA LINCKI. Om gegeten te worden zijn de nesten van
deze soort ongeschikt, daar er grashalmen en strootjes in verwerkt
worden, hoewel de grondsubstantie ervan eveneens speeksel is.

Het oogsten van de nesten is door de ontoegankelijkheid van de
plaatsen, waar de vogels ze bouwen, een zeer gevaarlijk werkje maar,
daar het voordeelig is, hebben de mannen het er graag voor over. Voor
een pond van de beste witte vogelnestjes gaf men eenige jaren voor den
oorlog in Hong-Kong grif honderd twintig gulden. Als men bedenkt dat er
zeventig nesten in een pond gaan en er drie nesten noodig zijn, om één
bordje soep voor één persoon te kooken, is het een aardig werkje uit te
rekenen, wat voor dat bordje soep betaald moet worden.

Het „oogsten” van deze nestjes gebeurt drie maal per jaar, want drie
maal per jaar bouwen de vogels nieuwe nesten. Het beste en lekkerste
zijn de nesten, die het vlugst worden afgebouwd, dus die gemaakt worden
als de speekselafscheiding het overvloedigst is. Dat is in de tijden
dat er het meeste voedsel is, n.l. in April. Met buitengewone zorg
worden de nesten geplukt en in de schoone linnen zakjes gepakt, waarin
ze verzonden worden. Gebroken of bevuilde nesten verliezen veel van
hunne waarde. Daarom zijn die van de andere oogsten zooveel goedkooper,
want deze worden gebouwd in een periode, dat de vogels het veel kariger
hebben en krap in hun voer zitten, waardoor de speekselafscheiding veel
geringer is en de nesten veel langzamer afgebouwd en gauwer vuil
worden.

Ten onrechte noemt men de salanganen in Indië vogelnest„zwaluwen”. ’t
Zijn geen echte zwaluwen, evenmin als de GIERZWALUW (APUS APUS) (No.
89) er een is, al doen zij in hun uiterlijk aan onze bekende zwaluwen
denken. Regelmatig verschijnen deze vogels den eersten Mei in ons land
en maken hunne komst dadelijk bekend door hoog in de lucht gierend rond
te cirkelen.

Eigenlijk hooren de gierzwaluwen in de bergen thuis. Tegenwoordig
hebben zij zich aan de menschen en hunne steden en dorpen aangepast en
nestelen zij geregeld in torens en in hooge gebouwen. Bij gebrek aan
deze vergenoegen zij zich zelfs wel met een hollen boom of de dakgoot
van een gewoon huis. Zij kunnen niet al te kieskeurig zijn. Hun aantal
breidt zich snel uit en daar de woningnood ook onder hen nijpend is,
hebben zij geleerd te nemen wat zij krijgen kunnen. Dat in den nood om
zich een nestplaats te veroveren, niet altijd gewettigde middelen
gebruikt worden, laat zich, den vechtlustigen en onstuimigen aard van
deze vogels in aanmerking nemende, gemakkelijk begrijpen. Menigmaal
wordt dan ook een vreedzaam musschen- of spreeuwenpaartje van de goten
verjaagd, omdat de gierzwaluw meent, voor zich van den nood een wet te
mogen maken.

Deze vogels, die door hunne levendigheid ’s zomers de stad
opvroolijken, houden zelf ook van gezelligheid. Altijd ziet men hen in
troepjes rondvliegen. In troepjes houden zij hun Mei intocht, in
troepjes trekken zij eind Augustus weer weg. Een enkele keer, met
ongewoon warme voorjaars, komen zij wel eens voor Mei; ook gaan zij wel
eens later dan Augustus weg, wanneer de zomer koud was en de jongen
zich dientengevolge niet snel genoeg ontwikkelden om mee op reis te
gaan.

’t Zelfde, wat we al eerder opmerkten voor de meest tot vliegen
aangepaste vogels (zie Hoofdstuk II), zien we hier bij de gierzwaluw
weer. Ook deze, die een uitnemend vlieger is, is een stumper op z’n
pooten. Er op loopen kan hij niet, er op zitten evenmin. Hij kan er
zich slechts mee tegen een muur aanklampen; een houding, die hij
aanneemt als hij niet vliegt. Met alle vier teenen naar voren gericht,
hangt hij zich te slapen gedurende de paar uurtjes dat de zomernacht
duurt.

De allerkleinste vogeltjes, de kolibri’s, zijn nauw verwant aan de
gierzwaluwen en salanganen. Toch loopen zij nogal uiteen en wijken
vooral in snavelvormen van hunne familieleden af. Doch ook onderling
verschillen de kolibri’s zeer veel in dit opzicht, daar zij alle
honingzuigende vogels zijn en elke snavelvorm is aangepast aan de
bepaalde bloemsoort, waaruit de kolibri het liefst z’n voedsel haalt.
Al honing zuigende brengen zij het stuifmeel van de eene bloem op de
andere van dezelfde soort en bevorderen op deze manier de
kruisbestuiving, die in vele gevallen zoo noodig is voor de
ontwikkeling van het zaad. Het moet een ongewoon fraai gezicht zijn
deze sierlijke, met schitterende metaal-glanzende kleuren prijkende
vogeltjes, den snavel diep in de bloem gestoken, honing te zien zuigen.
„Als edelsteenen fonkelend in de zon”, blijven zij al vliegend op
dezelfde plaats.

Menschen, die voor het eerst in Amerika reizen, vallen sommige van deze
vogeltjes in de eerste plaats op door hunne kleinheid en zij houden hen
voor buitengewoon groote hommels of bijen, waarvoor zij dan natuurlijk
erg bang zijn. Doch slechts de allerkleinste kolibri’s geven aanleiding
tot deze vergissing. Er zijn er ook, die door hun lange staart en
vleugelveeren een vrij aanzienlijke lengte krijgen. Zoo meet bijv. de
TOPAAS KOLIBRI (TOPAZA PELLA) (No. 90), van staart tot kop wel 20 c.M.,
waarom hij tot de grootste der kolibri’s gerekend moet worden. Dit
sierlijke vogeltje is beperkt tot Guyana, waar het orchideën bestuift.
Bij voorkeur vertoeft het bij water en vaak vindt men z’n nestje in een
vork van dunne twijgjes, die over een vijver hangen. Die kolibrinestjes
zijn teere, fijne dingetjes, „als door elfen gemaakt”. Van plantenpluis
worden ze met wat speeksel bij elkaar gekleefd. Vaak vindt men ze aan
den buitenkant overkleed met korstmossen, waardoor ze minder in ’t oog
vallen.

De kolibri’s komen in geen ander werelddeel dan Amerika voor, maar daar
treft men hen dan ook overal aan waar bloemen zijn, tot zelfs in
Vuurland tot aan de sneeuwgrens komen zij voor. Iedere kolibrisoort
heeft z’n eigen streek, waarvoor hij kenmerkend is. Daar buiten komt
hij niet, daar leeft dan weer een andere vertegenwoordiger van dit zoo
vormenrijke geslacht.



§ 3. In de derde orde van deze groep, die der CLAMATORES, vinden we
langzamerhand duidelijke overgangen tot de laatste orde, die der
zangvogels (§ 4). Vooral treft ons dit in het stemorgaan, de syrinx,
die in z’n bouw al reeds een aanwijzing geeft van de volmaking, die wij
bij de zangvogels aan zullen treffen.

Toch, al is de KLOKVOGEL (PROCNIAS NUDICOLLIS) (No. 91) nog geen
eigenlijke zangvogel te noemen, heeft hij een buitengewoon liefelijk
stemgeluid, dat ieder, die ’t hoort, met verrukking vervult. Wie eens
van een gevangen vogel dit buitengewoon welluidende klokkengeluid
gehoord heeft, kan zich voorstellen, hoe betooverend mooi het moet
klinken als in het Braziliaansche oerwoud, hoog uit de toppen der
Moraboomen, ’t gelui van glazen klokken in volle harmonische toonen
naar beneden ruischt. Wat verder op klinkt uit een anderen boom het
antwoord. Waar dit geluid vandaan komt, wie het maakt, blijft den
meesten verborgen, want de vogel houdt zich schuil in het dichte
gebladerte en laat zich zelden zien. Wie volhardend genoeg is en zich
eenige moeite geeft, z’n weetgierigheid te stillen, kan een eenvoudigen
witten vogel, zoo groot als een duif, te zien krijgen.

Ook de cotinga’s zijn Zuid-Amerikanen. Het zijn prachtige gekleurde
vogels. COTINGA MAYANA (No. 92) heeft z’n verbreidingsgebied van Zuid
Mexico tot Noord Argentinië. ’t Zijn vruchteneters, die zich ook wel
met dierlijk voedsel voeden.

De KONINGSVOGEL (TYRANNUS TYRANNUS) (No. 93) is slechts ’s winters in
Zuid-Amerika, tot Ecuador en Amazoniën, zuidelijker komt hij niet. ’s
Zomers trekt hij naar Noord-Amerika. Hij verschijnt er midden Maart en
is in z’n broedgebied een zeer geziene vogel. Dit dankt hij misschien
wel aan de eigenschap de menschen niet te schuwen, doch juist z’n nest
in hunne onmiddellijke omgeving te maken, zooals lijster en merel dat
zoo vaak bij ons doen. Hierdoor ook is men ruimschoots in de
gelegenheid z’n gewoonten te bestudeeren en weet men heel wat meer van
zijn levenswijs, dan van die der klokvogels of cotinga’s.

Als zij van hunne verre reis komen, zijn zij de eerste dagen moe en
stil en vallen nauwelijks op. Maar later, als zij uitgerust zijn, dan
komt hun ware aard voor den dag en zijn het levendige vroolijke vogels,
die ijverig beginnen met het bouwen van hun nest. Het liefst kiezen zij
daarvoor een plaats in tuinen of langs oevers van rivieren. De dichte
gedeelten van het binnenste bosch vermijden zij zoo veel als mogelijk
is. Als het legsel voltallig is, gaat het vrouwtje het bebroeden,
terwijl het mannetje de wacht houdt. Wat een baas hij is, toont hij
duidelijk als een ongewenschte bezoeker zich in de buurt van het nest
vertoont. Voor niets deinst hij terug, als het geldt z’n gezin te
verdedigen. En zoo hevig is z’n aanval, dat een kat, die eenmaal zoo
roekeloos was zich in de buurt van een broedenden koningsvogel te
wagen, voor goed z’n les geleerd heeft en voortaan zorgvuldig uit de
buurt van dezen vogel blijft en elders aan de kost tracht te komen.
Valken gaat het net zoo. Ook vogels, die veel grooter zijn dan hij
zelf, valt onze koningsvogel aan. Zelfs gieren en adelaars, die in de
buurt van zijn broedend vrouwtje komen, tracht hij op den rug te komen
en als hij daar eenmaal zit, deelt hij hen venijnige snavelhouwen toe.

Naar alle waarschijnlijkheid had zoo’n adelaar geen enkele kwade
bedoeling, ten opzichte van onzen koningsvogels broedende vrouw. Doch,
de trouwe wachter duldt hen nu eenmaal niet, ver of nabij. Zoodra hij
hen opmerkt, vervolgt hij hen eenige kilometers ver en maakt het hen
lang niet gemakkelijk.

De vertegenwoordigers van de PITTA’S (No. 94), de vierde familie in
deze orde, zijn te vinden in de Oude Wereld, in Indië, Australië en
Afrika, maar voor het meerendeel leven zij in onze Archipel, met Borneo
en Sumatra als middelpunt.



§ 4. ZANGVOGELTJES! Als we de naam van deze orde uitspreken, dan denken
we in de allereerste plaats aan ’t kleine levendige goedje, dat in den
zomer onze bosschen, onze tuinen, de heggen langs de weilanden en
heivelden en het kreupelhout bevolkt; aan tjif-tjaf, groenling, vink,
roodstaartje, roodborstje, winterkoninkje, tuinfluiter, merel, lijster,
leeuwerik. Doch bovenal aan den nachtegaal, den koning der zangers, den
dichter der vogels, die in z’n armzalig grauw pakje zich niets aantrekt
van pracht en praal en schittering, maar in z’n eenvoud zingt, zooals
hij alleen te zingen weet. Zoodat de menschen, die het hooren, stil
worden en in zich zelf keeren en zich schamen om den ijdelen schijn,
die zij in ’t leven najagen, terwijl het hen misschien gegeven was om
als deze nachtegaal in eenvoud groot te wezen, als geen andere.

Niet iederen zangvogel is het gegeven te zingen als een nachtegaal. Er
zijn er genoeg onder, die hun naam geen eer aandoen want kraaien,
roeken, gaaien, eksters enz. zouden beter „krassers” kunnen heeten. Zij
maken zelfs heel wat leelijker geluiden, dan de schreeuwers die in de
vorige paragraaf een plaatsje kregen.

Niet alleen in stem, maar nog in verschillende andere eigenschappen
loopen de zangvogeltjes sterk uiteen. In den bouw van den snavel vooral
zijn verschillen waar te nemen. De zaadeters, zoo als vinken, hebben
een dikken knotsvormigen snavel, terwijl de insectenetende vogeltjes
een snaveltje hebben als een priem zoo fijn en scherp. Deze
onderscheiding kan men evenwel niet al te streng doorvoeren. Een
BOERENZWALUW (HIRUNDO RUSTICA) (No. 95), die toch uitsluitend
insecteneter is, heeft een korten breeden, vrij vlakken snavel, die aan
zijn kop een typisch ronde vorm geeft. Ook de oeverzwaluw heeft een
dergelijk kopje.

Zoodra vliegen en muggen zich wat rijkelijker beginnen te vertoonen,
hebben de zwaluwen hier genoeg te eten en verlaten zij het zuiden, om
bij ons te komen broeden. De menschen merken hunne komst dadelijk op,
hebben er zelfs al een paar dagen van te voren naar uitgezien want
zwaluwen zijn zeer geliefde vogels, die men graag een plaatsje voor hun
nest inruimt. In vele boerenschuren wordt expres een gat boven in de
deuren gezaagd, waardoor de zwaluwen ten allen tijde in en uit kunnen
vliegen. Hierdoor is het hen mogelijk gemaakt in het binnenste der
schuur, tegen de balkenzoldering te nestelen. Dat doen zij wat graag,
deze vogeltjes, omdat zij daar best beschut zijn voor den regen. Zij
boetseeren vlijtig de klei tot een sikkelvormig kommetje, dat zij tegen
de wand aanplakken. Al gauw worden er eitjes ingelegd en worden de
jongen uitgebroed. Wat hebben de ouders het nu druk! Onafgebroken
trekken zij er op uit en geven ons ruimschoots gelegenheid hun snelle,
krachtige en fraaie vlucht te bewonderen terwijl we met genoegen naar
het zacht knisterend geluid luisteren, dat zij maken. Soms als zij stil
zitten, maar dat gebeurt in de broedtijd haast niet, laten zij een
zacht fluitend „wiet-wiet” hooren.

In geheel Europa broeden de zwaluwen en overal staan zij even hoog in
de gunst der menschen. Wel een bewijs, dat de menschen naar den aard,
toch overal dezelfden zijn en iedereen verteederd is als dit sierlijke
slanke vogeltje een stil beroep doet op hunne gastvrijheid en
bescherming. Dat zij nuttig zijn, heeft op deze verbroedering geen
invloed gehad, want het ZWARTGRAUWE VLIEGENVANGERTJE (MUSCICAPA
ATRICAPILLA) (No. 96) is minstens genomen even nuttig en geniet geen
tiende van de populariteit, die de zwaluw ten deel valt. Al vliegende
vangt het ook een macht van insecten voor zich en z’n broedsel. Z’n
liedje is bovendien ook veel aardiger, zacht, weemoedig een beetje,
klinkt ’t ons toe. Dat doet dubbel vreemd aan, we hadden een
uitbundiger liedje van deze buitengewoon levendige vogeltjes verwacht.
In de noordelijke landen van Europa broeden de vliegenvangertjes niet,
want koude kunnen zij slecht verdragen. Hun verblijf bij ons is ook
vrij kort. Reeds betrekkelijk vroeg in ’t najaar trekken zij al naar
Klein-Azië en Noord-Afrika. De regenachtige dagen, die voor ons
menschen ’s zomers ook zoo naar zijn, lijken voor deze vogeltjes nog
veel erger, zoo triest en stil worden zij er van.

De PESTVOGEL (AMPELUS GARRULUS) (No. 97) daarentegen, kan heel wat meer
kou verdragen. Deze prachtige vogel broedt in Siberië en komt alleen in
koude jaren of na het mislukken van den oogst, ’s winters bij ons. Van
alle kanten stroomen dan de berichten naar de kranten, dat men hen
gezien heeft. ’t Is dan ook werkelijk een opvallende verschijning. Als
in vroeger jaren de vogel opgemerkt werd, kwam hij, evenals nu, als het
voedsel in zijn eigen land op was: een bode dus van hongersnood.

Honger vermindert altijd het weerstandsvermogen tegen ziekten. In
vroegere tijden, toen de algemeene levenstoestand veel onhygiënischer
was dan tegenwoordig, braken in een tijd van hongersnood allerlei
vreeselijke ziekten uit, waarvan pest wel de ergste was. In de jaren
dat de vogel gezien werd, volgde deze afschuwelijke ziekte hem gauw,
want waar geen voedsel voor de vogel was, leden ook de ratten honger en
ook deze trokken weg en brachten, zooals we nu weten, de besmetting
mee. De mensch alleen bleef waar hij was om te sterven. Zoo werd het
verband tusschen den vogel en de pest gezien en hieraan dankt hij zijn
naam waarschijnlijk wel. Nu in de laatste jaren is de vogel weer druk
gesignaleerd, een bewijs te meer van den honger in Rusland en Siberië.

De KLAPEKSTER (LANIUS EXCUBITOR) (No. 98) kennen we al. Het is ’t
aardige vogeltje, dat de valkenier zulke goede diensten bewijst (zie
Hoofdstuk IV). Zijn eigenaardigheid te schreeuwen en uit alle macht te
keer te gaan als hij een valk ziet, is zoowel voor de kleine
zangvogeltjes als voor den valkenier de aanwijzing, dat er een valk in
aantocht is. Toch ondanks deze goede eigenschap moet hij als een echte
„Judas” beschouwd worden. Zelf een zangvogel, verkeert hij onder zijns
gelijken in vrede en vriendschap; plotseling verandert z’n aard, hij
vliegt op, pakt een van z’n argelooze kameraden op en worgt hem met z’n
pooten. Honger drijft hem daar niet toe, want hij eet hen dikwijls niet
eens dadelijk op. Vaak spiest hij, volgens klauwieren gewoonte, zijn
slachtoffer aan doornen of prikkeldraad. Daar kan men ze dan vinden in
gezelschap van muizen en insecten, andere slachtoffers van onze
klapeksters, die op dezelfde manier bewaard worden.

Een andere vogel, die hoewel hij hoofdzakelijk van insecten en
sprinkhanen leeft en toch niet geheel ongevaarlijk is voor z’n
soortgenooten, is de FLUITVOGEL (GYMNORHINA TIBICEN) (No. 99), want
deze eet nog wel eens jonge vogels. Het lied, dat deze vogel zingt, kan
buitengewoon mooi zijn. Semon, in z’n voortreffelijke reisbeschrijving:
„Im Australischen Busch”, geeft er een heel aardige beschrijving van.
Niet alle vogels van deze soort zingen echter even mooi. Toch is van
alle de klank van hunne stem buitengewoon vol, aangenaam, melodieus en
diep. In volières en dierentuinen vindt men hen dan ook vaak. Soms zijn
er onder deze vogels eenige, die brokstukken uit straatdeuntjes
fluiten. Dat zijn de meest begaafden onder hen, behept met een goed
geheugen voor klanken en een zeer sterk ontwikkeld nabootsingsinstinct.

Ook onze kraaien bezitten dit instinct, waardoor het mogelijk is hen te
leeren praten, hoewel vrij gebrekkig, dat dient erbij gezegd te worden.
„Gerrit” alleen leeren zij gauw en menig kind, dat een tamme kraai
gehad heeft, heeft hij verrukt door het uitspreken van z’n naam.

BONTE KRAAIEN (CORVUS CORNIX) (No. 100) zijn de mooie vogels, die we
„somber” vinden omdat zij onze wintergasten zijn en zij door hunne
komst de treurmare brengen, dat de zomer onherroepelijk voorbij is. In
de sombere grauwe regendagen van November wanneer we hem voor ’t eerst
zien komen als levend deel van de regengrauwheid, vergeten we op te
merken hoe mooi deze vogel is, eigenlijk veel mooier dan de „Gerrit”,
die ’s zomers bij ons broedt en ’s winters als ’t streng vriest, het
Zuiden intrekt. Toch gebeurt het, dat op de plaatsen waar overvloed van
voedsel is, zooals op vuilnisbelten en mesthoopen, de zwarte en bonte
kraaien den geheelen winter door samen worden aangetroffen. In ’t
voorjaar trekken evenwel alle grijze kraaien weg, om in ’t Noorden te
gaan broeden. Vanuit het Zuiden dagen langzamerhand de zwarte kraaien
weer op, om weer bezit te nemen van de slordige takkennesten in de
toppen der iepen en als ’t weer een beetje goed is, zien we door de nog
bladerlooze boomen een kraaienkop over den rand van het nest uitsteken
en broedt de vogel haar eerste eitjes reeds uit.

Wat of de kraaiachtigen in hun uiterlijk of levenswijs hebben, dat de
aandacht der menschen heeft gevat, weet ik niet, maar evengoed als wij
kraaien, eksters en gaaien voor „verstandige” vogels houden, beschouwen
de Chineezen de KITTA (UROCISSA ERYTHRORYNCHA) (No. 101) als een
„wijze” vogel, die in staat is andere vogels raad te geven. Waarin dit
raadgeven bestaat, is moeilijk te zeggen. Misschien is het hunne
eigenaardige gewoonte, op luidruchtige wijze de groote en kleine
roofdieren, die op jacht gaan, te volgen. Hierdoor bederven de kitta’s
de vangst van deze dieren totaal, want het lawaai dat zij maken, geldt
iedere andere vogel als waarschuwing. Groote en kleine dieren passen nu
op hun tellen, zijn meer dan gewoonlijk waakzaam en zullen nu niet
licht onverwacht door het sluipende luipaard besprongen kunnen worden.

Hoewel zweefkitta’s veelkleuriger zijn dan eksters, lijken beide in de
vlucht sterk op elkaar. De een zoowel als de ander zou den uitvinder
van een vliegmachine geïnspireerd kunnen hebben, de aereoplaan z’n
bekende vorm te geven.

Eksters bouwen een voor onze oogen heel merkwaardig nest, omdat zij er
een dak op zetten. Dit is evenwel niets vergeleken bij het kunstwerk,
dat de PRIEELVOGELS (AMBLYORNIS INORNATUS) (No. 102) van Nieuw-Guinea
er van maken. Zij danken er dan ook ten volle hun hollandschen naam
aan, want inderdaad, hun nest lijkt meer op een prieel dan op iets
anders.

Aan den voet van een kleinen boom maakt hij z’n huis; buigzame sterke
stengels, die dooreen gevlochten worden, vormen het materiaal er voor.
In het midden van den voorkant, waar de ingang komt, wordt een soort
pilaar of pijler gebouwd. Maar, waarom dit nest, nog meer dan om z’n
kunstige bouw, de naam van prieel zoo ten volle verdient, is om de
„tuin”, die de vogels er voor maken. Het „gazon” dat vrij groot in
omvang is, wordt gevormd door mooi groen mos. De vogels versieren deze
open groene plek voor hun nest met allerhande kleurige voorwerpen,
steenen, bloemen en vruchten. Als deze beide laatste verleppen of hunne
kleur verliezen, brengt de vogel ze weg, op een soort mesthoop, die hij
achter z’n tuin heeft en ze worden dan door andere vervangen. In hun
verlangen naar mooie dingen, vergrijpen zij zich wel eens aan het
eigendom van de inboorlingen. Deze weten het wel en gaan als zij iets
missen, eerst bij de nesten der prieelvogels zoeken. Vaak is hun
achterdocht dan niet ongegrond geweest en vinden zij het verloren
eigendom in den „tuin” van dezen vogel terug.

Slechts op Nieuw-Guinea komen deze vogels voor; zij zijn er in 3
soorten. Weer een voorbeeld dus van „endemische” vormen.

Trouwens, Nieuw-Guinea is rijk aan merkwaardigheden. Daar geven de
KLEINE PARADIJSVOGEL (PARADISEA MINOR) (No. 103) en de DRAADHOP
(SELEUCIDES IGNOTUS) (No. 104) en hunne familieleden duidelijke
voorbeelden van. De kleine paradijsvogel lijkt veel op de Paradisea
apoda, doch deze is wel bijna viermaal zoo groot en dan ook van deze
beide de meest om z’n veeren begeerde. Paradijsvogels worden door de
Papoea’s geschoten met een stompen pijl, omdat dan de huid minder
beschadigd wordt en deze meer waarde heeft voor een Europeesche dame,
die de afgrijselijke wansmaak heeft, met een heele paradijsvogel op
haar hoed te gaan wandelen. Vol trots steekt zij haar neus omhoog, in
’t poenige besef, dat zij voor een kapitaal op haar hoed draagt. En
ondertusschen worden de vogels om haar vermoord en uitgeroeid!

Om den draadhop te vangen gaat een Papoea anders te werk. Eerst zoekt
hij onder de boomen naar de uitwerpselen van dezen vogel. In den boom,
waaronder hij deze vindt liggen, is de vogel gewend te slapen. Dan
wacht hij af tot de vogel komt en let hij op den tak waarop deze gaat
zitten, want iederen avond wordt vast denzelfden als slaapplaats
gekozen. Den volgenden nacht, als de vogel in diepen rust verzonken is,
klimt hij geruischloos naar boven en vangt den vogel door een doek over
hem heen te werpen.

Begrijpelijker dan het zich optooien met veeren van doode vogels, is
het genoegen dat de menschen vinden in het in kooien houden van
gevangen vogels. Want als zij behalve door hun mooie veeren ook nog
mooi zingen, verschaffen zij dubbel genot. Toch is dit een surrogaat
van het genoegen, dat een ornitholoog in vrij levende vogels vindt,
want geen vogel zingt zoo mooi of is zoo mooi als in zijn natuurlijke
omgeving.

Wie eens de WIELEWAAL (ORIOLUS ORIOLUS) (No. 105) z’n korte roep
(waarvan z’n naam slechts een povere nabootsing is), in de bosschen
heeft hooren roepen, beantwoord door een ander, weet wel, dat het in
een kooitje nooit zóó mooi kan klinken.

Al is de BEO (EULABES RELIGIOSA) (No. 106) door z’n buitengewoon sterk
nabootsingsinstinct, in staat liedjes te leeren fluiten, de
menschelijke spreekstem na te bootsen of zelfs de menschelijke zang te
imiteeren, er gaat voor een echten natuurvriend niets boven een vrijen
vogel, die het liedje zingt dat z’n hart hem ingeeft. ’t Is zoo jammer
om de natuurlijke zang van een vogel op te offeren aan clownskunstjes,
want in de kern is al dat aangeleerde nadoen toch niets anders.

Onze inlandsche imitator is de SPREEUW (STURNUS VULGARIS) (No. 107).
Dat hij onovertroffen is op dit gebied kan ik niet zeggen, daarvoor is
z’n stem niet rijk genoeg. Maar amusant is hij als hij op het randje
van de dakgoot in z’n prachtig gespikkeld voorjaarspak, z’n uiterste
best doet een merel na te fluiten of de roffel van het winterkoninkje
na te slaan. Al vroeg in het voorjaar kunnen wij zijn eerste zachte
fluittonen hooren. Want hoewel de meeste spreeuwen wegtrekken tot in
Noord-Afrika, is het meestal niet voor lang en komt hij al gauw terug
om te broeden. In zachte winters kan men in dorpen en boerderijen
voortdurend spreeuwen vinden, daar is voedsel genoeg voor hen te halen.
In het vroege najaar, in September, vereenigen zich massa’s van deze
jonge vogels tot de z.g. spreeuwenvolken. Die schijnen dan
vliegoefeningen te houden en kiezen als rustplaats een bepaald punt,
een boschje hakhout of zoo iets dergelijks.

In Afrika leven een paar zeer bekende familieleden van hen, de
buitengewoon fraaie GLANSSPREEUW (LAMPROCOLIUS PURPUREUS) (No. 108) en
de om zijn eigenaardige levenswijs zoo beroemde ROODSNAVELIGE
MADENHAKKER (BUPHAGUS ERYTHRORHYNCHUS) (No. 109). Overal in de
Zuidelijke en Oostelijke steppen van Afrika, waar koeien, paarden,
buffels, antilopen, neushoorns en nijlpaarden aangetroffen worden, is
deze vogel ook te vinden, want waar deze groote zoogdieren zijn, kunnen
zij hun kostje ook ophalen. Dat bestaat uit vliegenlarven, die leven in
de huid van deze dieren en zich daar ten koste van hun gastheer voeden.
Die vliegen zijn een ware plaag, want als de larven volwassen zijn en
op hunne beurt weer eieren leggen, doen zij dat ook weer in de huid van
een of ander groot zoogdier. De madenhakkers nu, hakken de knobbels,
die zich vormen op de plaats waar zoo’n vliegenlarf zit, open en eten
de larf op. Deden zij niets meer, zij zouden als een voortreffelijk en
nuttig vogeltje beschouwd moeten worden. Helaas, voor de arme
viervoeters is de remedie erger dan de kwaal, want de vogels zijn ware
kwelgeesten, die het dier veel erger pijnigen dan alle vliegen en
larven te samen. Zij zijn zelf, net als het ongedierte, dol op
zoogdierenbloed en krabben om het te bereiken korsten van wonden, die
beginnen te heelen of hakken de made dieper uit dan noodig is. De wond,
die zij maken, moet flink diep zijn en sterk bloeden; zij zijn niet eer
tevreden vóór zij hun dorst aan rijkelijk vloeiend bloed goed kunnen
lesschen.

De KOEVOGEL (MOLOTHRUS ATER) (No. 110) van Amerika, kwijt zich van
dezelfde taak op een betere manier. Voor zoover mij tenminste bekend
is, gaat hij niet buiten zijn boekje. Dat wil hier dus zeggen, dat hij
zich bij de larven houdt en zich niet voedt met het bloed der koeien en
paarden. In levenswijs komen deze vogels in zeker opzicht overeen met
de koekoeken, ten minste zij zijn ook polygaam, d.w.z. dat de mannetjes
niet trouw zijn aan één vrouwtje (of de vrouwtjes aan één mannetje).
Zij leven in gezelschappen en trekken zich van zorgen om jongen groot
te brengen of eieren uit te broeden, niets aan. Van tijd tot tijd
verdwijnt een vrouwtje uit deze troep, om in het nest van een ander
zangvogeltje een ei te gaan leggen en dit daar uit te laten broeden.
Evenals bij de koekoek, zou men geneigd zijn te zeggen, dat zij er te
„lui” voor waren, als we nu niet beter wisten, dat de vogels er evenmin
als de koekoek toe in staat zijn.

De wevervogels (No. 111–117), die in tal van soorten in Afrika (waar
zij voor het landschap karakteristiek zijn) doch die ook in Azië en
Australië voorkomen, onderscheiden zich juist door het
tegenovergestelde. Men zou hen, van menschelijk standpunt af beschouwd,
buitengewoon vlijtig kunnen noemen. Zij besteden tenminste meer dan
gewone zorg aan hun nest, waarvan de vorm voor de verschillende soorten
nog al uiteen loopt.

PLOCEUS ABYSSINICUS (No. 111), een van deze wevervogels, is zoo’n
hartstochtelijk nestbouwer, dat hij van geen ophouden weet en er nog
mee doorgaat terwijl het niet meer noodig is. Als ’t eerste nest, dat
het mannetje geheel alleen gebouwd heeft af is en door het vrouwtje in
beslag is genomen om er eieren in te leggen, gaat hij een tweede en
daarna een derde, soms nog wel eens een vierde nest maken in de
onmiddellijke nabijheid van het eerste. Zij hangen allemaal aan een
lange van stroo gevlochten steel. Deze „vertakt” zich aan het uiteinde
tot een tweelobbige knots. Ieder van deze vertakking is bolvormig van
buiten en hol van binnen. Een er van heeft een gat voor ingang, de
andere is het eigenlijke nest, waarin de eieren gelegd en de jongen
groot gebracht worden. Aan de binnenbekleeding, die van veel fijner
gras gemaakt is, had ’t wijfje, in de peuterige zorgzaamheid, die
vrouwen zoo eigen is, nog een en ander te veranderen en te verschikken
voor het naar haar zin is.

Daar deze wevervogels allemaal van gezelligheid houden en steeds de
buurschap van huns gelijke zoeken, levert een boom vol met deze
eigenaardige nesten, een wonderlijken aanblik. Maar niet alleen met het
bouwen zoeken de vogels elkander, zij houden elkaar voortdurend
gezelschap: zij zingen samen, zoeken gezamenlijk hun voedsel en gaan te
samen drinken. Dit drinken, waarvoor zij zich natuurlijk naar open
plaatsen moeten begeven, is voor hen een gevaarlijk werkje daar zij
zich dan blootstellen aan hunne vijanden. Aan den rand van ’t bosch
zitten zij door de bladeren beschut, te wachten. Opeens schieten zij
pijlsnel naar beneden, drinken „vliegensvlug” een slok en gaan weer
naar hun vorige rustplaats om, als zij het oogenblik gunstig vinden,
weer naar beneden te schieten. Deze schielijkheid is wel noodig, omdat
hunne vijanden op hen loeren en van elk oogenblik, dat zij zich bloot
geven, gebruik maken hen te vangen.

De VUURWEVER (PYROMELANA FLAVIROSTRUS) (No. 112) en de
PARADIJSWEDUWVOGEL (STEGANURA PARADISEA) (No. 115) zijn wevervogels,
die in het hooge gras der steppen leven en daar hun nest tusschen de
grashalmen vlechten. De nesten zijn ovaal; de ingang wordt zijdelings
van boven aangebracht.

De prachtvinken en AMADINEN, (No. 113, 114 en 116) weven eigenlijk niet
meer, maar pakken fijn gras vrij slordig te samen tot een bolvorm met
een zijdelingsche opening.

RIJSTVOGELTJES (MUNIA ORIZIVORA) (No. 114), leuke kleurige vogeltjes
met vuurroode snaveltjes, zijn in de rijstvelden erger dan de spreeuwen
bij ons in de kersenboomgaarden. Want, al doen de spreeuwen veel schade
en berokkenen zij een enkele kweeker veel last, als men de
rijstvogeltjes hunne gang liet gaan, zouden zij een aanzienlijk deel
van de rijstoogst opeten en waren zij de oorzaak dat er door veel
menschen misschien honger geleden werd. Want rijst is in Aziatische
landen, zooals onze Indië, het hoofdvoedsel der bevolking. Men neemt
dan ook wel degelijk maatregelen om deze vogeltjes binnen de perken te
houden. Zoo lang de rijstvelden nog onder water staan, doen de vogels
geen kwaad en zoeken zij hun voedsel overal elders. Zoodra men evenwel
de sawah’s (zoo heeten de rijstvelden) droog laat loopen en dit doet
men als de aren rijpen gaan, komen de vogeltjes in dichte drommen
opzetten en pikken zij zoo veel zij kunnen van de kostelijke korrels
weg, zich aan de halmen vastklemmende als hangende meezen aan de
twijgjes.

De inlanders, die niets op de zwermen van deze schooiertjes gesteld
zijn, bouwen stellages op verschillende plekken in de sawah. Deze
stellages zijn niet veel meer dan vloertjes, door palen hoog boven den
grond gebracht en met een bladeren dak bedekt. Op de meest
verschillende plaatsen heeft men bovendien in de sawah’s palen gezet,
die met de uitkijktorens (want dat is de bedoeling van de afdakjes op
stelten) verbonden zijn door touwtjes, waaraan men allerlei rommel
heeft gehangen. Zoo iets in de geest van „de sleep”, waarmee de
Zaansche kinderen hun stadgenooten op Luilaknacht uit de slaap houden.
Met die sleep van rinkinkende rommel rinkelen zij voortdurend, waardoor
de vogels geen oogenblik rustig aan de maaltijd kunnen blijven. Een
heel doelmatige vogelverschrikker dus.

Als de rijst gesneden is en de onkruiden welig opschieten op dit
vochtige, vruchtbare land en ze door de snelle ontwikkeling der planten
in deze tropische oorden gauw zaad dragen, mogen de rijstvogeltjes zich
naar hartelust hieraan tegoed doen. Zij eten zich dik en rond, maar als
zij er op hun voordeeligst uitzien, vangt de inlander hen weer en eet
hen op.

Van de eigenlijke vinken onderscheiden deze wevervogels zich uiterlijk
haast niet. Het hoofdverschil ligt in de nestbouw, waarbij vinken,
zooals we dat bijv. van de MUSCH (PASSER DOMESTICUS) (No. 117) kennen,
werkelijk niets bizonders aan te vinden is. Of het moest zijn, dat hij
er zoowat het geheele jaar mee bezig is, er zoowat het heele jaar door
eieren in heeft en meer broedsels per jaar groot brengt dan eenig
andere vogel doet. Dat de musch zoo in staat is, het heele jaar door te
broeden, komt voort uit dezelfde eigenschap, die hem over de geheele
wereld vertegenwoordigd doet zijn. Een musch kan zich zoo gemakkelijk
aanpassen. Warm of koud, het schijnt hem om ’t even. Z’n kostje weet
hij altijd wel te vinden, want hij zorgt er voor, steeds in de buurt
van de menschen te blijven.

De menschen zelf schijnen ook op hen gesteld te zijn, tenminste,
kolonisten hebben zich de moeite gegeven, hen mee naar Amerika te
nemen, denkt Brehm. Misschien ook, zijn zij per ongeluk met
graanschepen of dergelijke meegekomen. In ieder geval zijn zij er nu,
terwijl zij er vroeger niet waren, dat weten de Amerikanen maar al te
goed, want in sommige streken zijn zij zoo talrijk geworden, dat zij
even als de konijnen in Australië een ware plaag werden. Zóó bont maken
zij het bij ons nog niet. De meeste musschen vindt men in de steden.
Daar is altijd nog wel een warm en beschut plaatsje te vinden, terwijl
in het vuil en afval op de straten voedsel in overvloed is.

De musch is ook een vogel, die buitengewoon veel van gezelligheid
houdt. Nooit ziet men hem alleen maar steeds in gezelschap van meerdere
van z’n luidruchtige kameraden. De drukste gezelschappen vormen zij
evenwel ’s winters, tegen het vallen van den avond. Dan komen groote
troepen bij elkaar in bepaalde boomen en trekken den aandacht door hun
druk getjilp en gesjilp. Overdag kan men deze boomen gemakkelijk
herkennen, omdat ze als het ware wit gekalkt zijn door de uitwerpselen.

Een aardig muschje, dat buiten veel voorkomt, maar zich niet in de stad
laat zien, is de ringmusch. Gewoonlijk wordt hij evenals de gewone
musch door ons weinig kunstzinnig volk voor een leelijk grauw diertje
gehouden. Een Japanner weet beter de schoonheid te vinden, ook waar
deze niet luid sprekend is in schitterende kleuren. Een ringmusch te
zien, zooals een Japanner hem teekent, is een openbaring van
schoonheid. Van schoonheid, die overal te vinden is voor ieder, die
zich de moeite geeft er op te letten.

Nog veel sterker dan de musschen het verkeer met huns gelijke zoeken,
doen de REPUBLIKEINEN (PHILETAIRUS SOCIUS) (No. 118) dat, want deze
brengen zelfs hun nestmateriaal bij elkaar en verwerken dit tot een
grooten in een boom hangenden „hooiberg”. Ieder paartje heeft er z’n
eigen hokje voor een nest, ’t „dak” hebben allen gemeenschappelijk.

Als het broeden afgeloopen is en de jongen groot genoeg zijn om voor
zichzelf te zorgen, dan wordt weer met bouwen begonnen en wordt er een
étage ondergebouwd, want de republikein broedt nooit tweemaal in
hetzelfde nest. Telkens wordt hun gemeenschappelijk huis vergroot, tot
eindelijk deze massawoningbouw den tak, waaraan deze honderden nesten
hangen, te zwaar is geworden en deze breekt. Dan kunnen zij weer
opnieuw beginnen.

Van alle vinken is de KARDINAAL (CARDINALIS CARDINALIS) (No. 119) wel
de grootste en in ’t oog van een liefhebber van felle kleuren, zeker
wel de mooiste. Inheemsch is deze vogel in de Oostelijke Vereenigde
Staten, waar hij in koude winters trekvogel is, in zachte winters
evenwel op z’n broedplaats blijft, net als onze gewone vinken dat doen.

Onze inlandsche vinken prijken lang niet in zulke schitterende kleuren
als de kardinaal, hoewel de GOUDVINK of BLOEDVINK (PHYRRULA PHYRRULA)
(No. 121), ’t PUTTERTJE (CARDUELES CARDUELES) (No. 124), die beide in
’t Oosten van ons land of de KRUISBEK (LOXIA CURVIROSTRA) (No. 122) die
sporadisch wordt waargenomen, toch als fraai gekleurde vogels zeer
zeker in aanmerking mogen komen.

De kruisbek is behalve mooi, ook nog merkwaardig door den gekruisten
snavel, die z’n geslacht kenmerkt. Dit is een buitengewoon practisch
instrument voor het bewerken van de denne- en sparreappels, die het
liefste voedsel van de kruisbekken vormen. Al naar gelang een kruisbek
zich de zaden uit een hard schubbige denneappel of uit de meer buigzame
dunne schubben van een sparreappel pelt, is z’n snavel zwaar
hoornachtig of lichter gebouwd.

Eigenaardig is het, dat de hars uit deze zaden zoo geheel het lichaam
van deze vogel doordringt, dat het hen na hun dood voor bederf bewaart.
Zij drogen dan eenvoudig tot mummies in. Als een kruisbek zich langen
tijd met insecten gevoed heeft, wat zij wel eens doen als er niets
anders voor hen te eten is, dan zijn zij als zij gestorven zijn net als
iedere andere vogel aan bederf onderhevig. Het liefste voedsel voor
deze mooie vogel blijft evenwel het dennezaad. Waar geen dennen zijn,
komen zij niet voor. Ook trekken zij vaak van het eene gebied naar het
andere. Welke motieven den vogel daar dan toe dwingen, is niet bekend.

Zaad is het meest geliefde voedsel voor een vink. Dat maakt dat zij
gemakkelijk in volières te houden zijn. Want al eet het puttertje bij
voorkeur distelzaden, andere zaden versmaadt het niet.

Een andere geliefkoosde inlandsche vink voor volières is de goudvink of
appelvink. Want behalve dat zij prachtig gekleurd zijn, kunnen zij erge
aardige liedjes leeren zingen, als een mooi-fluitende man het hun
voordoet en het hun zoo met veel geduld leert. Zij hechten zich erg aan
de verpleger en schijnen gauw aan hunne gevangenschap gewend. Het is
heel dikwijls noodig om deze mooie en aardige, maar lastige en
schadelijke vogels, onschadelijk te maken. Aangenamer dan het
doodschieten van deze mooie diertjes lijkt het me, hen te vangen met
vogellijm en hen in kooien te houden, vooral omdat deze vogels geen
bezwaren tegen het kooileven schijnen te hebben.

Het doodmaken van iets levends is altijd een naar werk en als het dan
nog mooi is ook, valt het dubbel zwaar. De dieren kunnen het toch niet
helpen, dat zij van appel- en perenbloesems houden!

Beroemd om z’n mooie zang, die reeds in de natuurstaat opvallend is, is
de vink van de Canarische eilanden, de KANARIE (SERINUS CANARIUS) (No.
123). Zij worden daar tegenwoordig nog veel gevangen en verkocht. Reeds
sinds 1478 bestaat deze handel. Want, toen in dat jaar de Spanjaarden
de Canarische eilanden veroverden, heeft de zang van dit vogeltje in de
menschen de begeerte gewekt, het als „huiszanger” aan te nemen.

Zooals ’t met zooveel dieren is gegaan, die de mensch uit het wild
onder z’n bescherming heeft genomen, ondergaat ook deze vogel een
verandering. Al heel gauw verliezen ook de tegenwoordig uit het wild
gevangen kanaries hun groenige kleur en worden zij geel, maar
langzamerhand door kruising en teeltkeus, veranderen zij ook iets in
bouw, gaan soms beter, soms minder goed zingen. Tegenwoordig
onderscheiden de kanariekenners tal van variëteiten, die in drie
rassen, ’t Hollandsche, Engelsche en Duitsche onderverdeeld worden.

Onze inlandsche sijsjes zijn nauw aan kanaries verwant. In de zang van
deze vinkachtige vogels is iets typisch, dat hun alleen eigen is, de
z.g. „slag”. Onze gewone vink kent niet anders dan die „slag”, al
varieert deze voor de vinken uit de verschillende streken. De kanarie
zingt verschillende wijsjes, maar in z’n voordracht ervan is toch
altijd die slag te herkennen, zoo goed als in het aardige, eenvoudige
liedje van de GEELGORS (EMBERIZA CITRINELLA) (No. 120).

In Duitschland wordt deze vogel veel gegeten door ’t volk en de
tuingors, Emberiza hortulanis, de ortolaan geldt bij fijnproevers als
een eerste lekkernij. ’t Is een sympathieke eigenschap van ons volk,
dat bij ons deze en andere zangvogeltjes niet of nagenoeg niet gegeten
worden.

De TANAGRA (RHAMPHOCELUS BRASILIUS) (No. 125) is zoo groot als een
musch en zoo rood als een kardinaal. „Zomerrood”, de naam die de
Amerikanen hem geven, is dan ook een heel goeie, temeer daar hij
slechts gedurende de vier zomermaanden in Oostelijk en Midden Amerika
vertoeft. Als half September het broedsel groot is, gaan zij in
paartjes het Zuiden in, waar zij het zelfde stille, ingetogen leven
leiden, dat ook in de broedtijd zoo typisch voor hen was. Zoo stil
leven zij, dat zij, ondanks hun opvallende kleur, nauwelijks opgemerkt
worden.

Onze KWIKSTAART (MOTACILLA ALBA) (No. 127) ’t algemeen bekende
grijs-zwarte vogeltje en de graspieper, in z’n eenvoudig grauw pakje,
schijnen er anders over te denken. Men hoort en ziet hen tenminste waar
zij zijn. Vooral de kwikstaartjes zijn coquette, levendige vogels.
Kwiek trippend met hun fijne pootjes, pittig wippend met hun staartje,
maken zij voortdurend kleine tjilpende geluidjes, die overal gehoord
worden en steeds de aandacht op hen vestigen. De vlucht is mooi, met
groote golven.

In de wintermaanden missen we deze levendige vogeltjes, maar al heel
vroeg komen zij weer terug. Als de tuinder eind Januari of begin
Februari begint met het bewerken van z’n grond, dan is het kwikstaartje
er al heel gauw om hem gezelschap te houden en in den omgespitten grond
naar voedsel te zoeken. Nooit zal die tuinder meer dan twee
kwikstaarten tegelijk zien, want ieder kwikstaartenpaartje heeft een
eigen gebied, waarin geen andere kwikstaart komt, dan de jongen, die
zij zelf groot brachten. Broeden doen zij op alle mogelijke plaatsen,
want zij bouwen hun nest in alle mogelijke holletjes. Ik vond het
tusschen gekapt hakhout, dat op hoopen lag, zoo goed als in gaten langs
het wallekantje van een sloot.

Net als ’t kwikstaartje vindt de GRASPIEPER (ANTHUS PRATENSIS) (No.
127) z’n voedsel op den bodem. Ook maakt hij daar z’n nest van
grashalmen in een ondiep kuiltje. Het is moeilijk te onderscheiden van
een leeuwerikennest.

Ook de vogels zelf lijken op elkander, doch de LEEUWERIK (ALAUDA
ARVENSIS) (No. 129) wint het aan beminnelijke eigenschappen. Sinds
Frederik van Eeden deze ontdekte en van een zoo buitengewone
hoedanigheid vond, dat hij er een vers over maakte, waarin hij de
leeuwerik z’n „lievelingsvogel” noemde, kan men geen opstel over dezen
vogel van een Nederlandsch journalist, die zich zelf respecteert, in
handen krijgen of één of meer regels of soms zelfs het geheele vers
wordt aangehaald. Wel een bewijs, dat dit in een dringende behoefte
voorzag. Hoewel ’t, naar me voorkomt, niet precies de bedoeling van den
dichter geweest zal zijn.

Al deze aanbidding heeft de vogel zelf gelukkig niet geschaad en hij is
er even aardig om gebleven. Als hij jubelend omhoog stijgt en de
parelende tonen van z’n lied als kristallijne druppels op ons
neervallen, dan kunnen we niet anders dan luisteren en hem nastaren,
tot hij onzichtbaar wordt in de strakke blauwe lucht.

Al van het eerste begin af, als in Februari de leeuwerik komt, is hij
te hooren. Het hoogtepunt van z’n zang komt pas in de warme maanden.
Dan zingt hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. En gek is ’t,
maar ’t zelfde lied dat ons in den frisschen ochtend een opwekking was,
is op het heetst van den dag, als alles dommelt onder de zengende
warmte der zon, zoo vermoeiend en maakt zoo slaperig, dat we ons er
door in slaap laten vallen, zonder weerstand te kunnen bieden.

De eenige zanger, buiten Europa, die zich met onze beste zangers, de
leeuwerik en de nachtegaal kan meten, is de BULBUL (PYCNONOTUS SPEC)
(No. 129). Zij komen voor in het Indische en Aethiopisch gebied. In
Indië wordt deze vogel heel veel in gevangenschap gehouden, niet zoo
zeer om z’n zang als wel om zijn ongeëvenaarde vechtlust. Zoodra een
broedsel ver genoeg gevorderd is om de mannetjes te herkennen, worden
deze uit het nest genomen en gedresseerd. De kunstjes, die hij leeren
moet zijn nog al eenvoudig. Men verlangt dat hij leert op de hand van
zijn eigenaar terug te komen. Acht men hem tenslotte in staat om een
gevecht te leveren, dan bindt men hem een touwtje aan de pooten en laat
hem bij een andere vechtersbaas. Iedere eigenaar houdt zorgvuldig z’n
touwtje vast. De vogels vechten zoo hevig, dat zij elkaar zouden dooden
als men hen ongestoord hun gang liet gaan.

Bloembestuivende vogels zooals de kolibri’s komen niet alleen in
Amerika voor. Ook in Afrika en Australië zijn er. Deze hebben dezelfden
eigenaardig gekromden snavel, die voor sommige kolibri’s opvallend was.
Ook hunne tong is merkwaardig; deze is een z.g. „penseeltong”. De naam
is goed gegeven, want het uiteinde van hun tong lijkt werkelijk op een
penseel, door de herhaalde keeren dat de punt ervan zich in steeds
fijner wordende takjes splitst.

De HONIGZUIGER (ACANTHOGENYS RUFIGULARIS) (No. 130) die in Australië
leeft, vindt z’n voedsel voornamelijk in de bloeiende gummiboom
(Eucalypthus). De HONINGVOGEL (NECTARINIA METALLICA) (No. 131) die in
Afrika voorkomt haalt z’n kostje uit de Aloe’s en Strelitzia’s.

Evenmin als de kolibri’s verwant zijn aan deze honingvogels, hoewel in
uiterlijk, lichaamsbouw en eenige andere bijzondere eigenaardigheden,
sterke overeenkomsten te vinden zijn, is de BOOMKLEVER, (SITTA EUROPEA)
(No. 132) familie van de specht, hoewel deze twee vogels weer door
dezelfde levenswijs een uiterlijk hebben gekregen, dat hen zeer veel op
elkander doet lijken. In werkelijkheid, d.w.z. volgens systematische
geldende kenmerken behoort de boomklever tot de meezen, hoe hij er
uiterlijk dan ook van verschilt. Om deze dubbele natuur wordt hij door
de Duitschers „spechtmees” genoemd. Klimmen doen de boomklevers
minstens even goed als een echte klimvogel. Zij gaan een boom net zoo
gemakkelijk op als af. Tusschen de schors zoeken zij daarbij steeds
naar insecten en spinnen en maken zich bovendien nuttig door het
verdelgen van schadelijke schorskevers. Nestelen doen zij graag in door
spechten verlaten gaten.

Ook de meezen, waarvan de KOOLMEES (PARUS MAJOR) (No. 133) de grootste
inlandsche is, maken zich verdienstelijk door het verdelgen van
insecten. Het zijn de sierlijkste en levendigste vogeltjes die wij
hebben en zij vervroolijken vooral de winterdagen met hun gezelligheid.
Als ’s winters in de kruinen der dennen een troep meezen bij elkaar is
en de wandelaar, die op hunne aanwezigheid opmerkzaam gemaakt wordt
door hunne kleine tjilpgeluidjes, zich de moeite geeft eens wat langer
onder de boomen stil te staan, kan hij dikwijls veel soorten
aantreffen. De koolmees en het fijne pimpelmeesje zijn er wel haast
altijd bij, maar ook de zwartkopmeesjes, de kuifmeesjes zijn er. Een
enkele maal is zelfs de veel zeldzamere zwarte mees wel tusschen hen te
vinden.

Het is evenwel niet iedereen gegeven, ’s winters onder de denneboomen
te kunnen wandelen. Menschen in de stad, die het verlangen voelen
meezen in hunne dagelijksche omgeving te zien, kan ik niet anders
raden, dan spekzwoerd, kokosnoot en apenootjes op te hangen. Ook is het
aardig in een beetje dikke tak eenige gaten boven elkaar te boren zoo
groot als een gulden en 1½ c.M. diep. Deze gaten vult men dan met een
likje plantenboter of spekvet. En nooit zullen zij berouw hebben van de
kleine uitgave, die zij deden. De vreugde, die zij ervoor terug krijgen
kan heel groot zijn, dat hangt maar van het plezier af, dat men zelf in
deze vogeltjes heeft. Als de menschen van vogels houden, zullen zij het
wel kunnen verdragen, dat de musschen het grootste aantal van hunne
gasten vormen. De vinken, ’t roodborstje en de meezen zullen ook wel
komen, evengoed als de merel, de lijster en het winterkoninkje. Als men
de vogels eenmaal aan een vaste plaats gewend heeft en zij weten, waar
zij voedsel kunnen vinden, is het niet onmogelijk, dat zij het
nestkastje zullen opmerken, dat u voor hen heeft opgehangen en krijgt u
misschien wel een vinkenpaartje of koolmeezenpaartje aan het broeden in
uw stadstuintje of aan uw balcon.

De laatste familie in de orde der zangvogels zijn pas de eigenlijke
zangers. Hoewel al de andere families in deze orde, waarvan we reeds
een of meer vertegenwoordigers behandelden, zingen konden, zooals de
zwaluwen, de vliegenvangers, de worgers, de paradijzen, de wielewalen,
de wevers, de vinken, de tanagra’s, de leeuweriken en de meezen, zijn
het nergens zangers in den echten zin van het woord. Daartoe alleen
behooren wel 25.000 soorten, waarvan de PEKING NACHTEGAAL (LEIOTHRIX
LUTEA) (No. 134) er slechts één is. Deze leeft in de Himalaya, geheel
in hetzelfde gebied waar ook de SNIJDERVOGEL (SUTORIA SUTORIA) (No.
135) aangetroffen wordt. Deze snijdervogel is vooral aardig om het nest
dat hij maakt. Tusschen twee bladeren, die hij met een zelf gesponnen
katoenen draad aan elkaar naait, brengt hij katoen, paardehaar en
andere vezels en vormt daarvan het nest. Een heerlijke, zacht
schommelende wieg voor z’n kleintjes.

GRASMUSSCHEN (SYLVIA COMMUNIS) (No. 136) komen half April bij ons
vanuit midden Afrika. Zij trekken tot in Skandinavië om te broeden. ’t
Zijn pittige levendige vogels, met een druk, onstuimig liedje, die we
heel ongaarne zien vertrekken, evenals de RIETZANGER (ACROCEPHALUS
SCHOENOBAENUS) (No. 138), die hem een maand later naar Afrika volgt, om
eind April weer terug te komen. Dan bouwt hij z’n nest op de hoogste
plaatsen in het moeras, tusschen opschietende wilgenboschjes. Daar is
het altijd droger dan op de andere plekjes en heeft hij minder last van
den wisselenden waterstand. Hoewel een zanger in de systematische zin,
is z’n zang niet veel bizonders, evenmin als die van z’n verwant, de
sprinkhaanrietzanger. Deze maakt zoo’n raar roffelend geluid, dat zóó
laag is, dat het buiten het gehoor van sommige menschen valt, evenals
het hooge, ijle geluidje, dat het GOUDHAANTJE (REGULUS REGULUS) (No.
137) maakt. Dit overschrijdt de gehoorgrens van sommigen weer aan de
andere kant. In het voor- en najaar zijn deze kleinste van onze
vogeltjes bij massa’s in ons land, op de voor- en najaarstrek. Want
hoewel zij ’s zomers en ’s winters altijd in de sparren en dennen te
vinden zijn en er altijd eenige bij ons broeden in de leuke bolvormige
nesten, zooals die ook bij andere familieleden, als staartmeezen en
winterkoninkjes in gebruik zijn, is hun aantal in den trektijd het
grootst. ’s Winters treffen we de goudhaantjes veel in meezentroepen
aan, want als deze vogeltjes niet broeden, zoeken zij het gezelschap
van andere, die op dezelfde terreinen hun voedsel zoeken. Kwiek
scharrelen zij tusschen de dennetakjes door, wippend van ’t eene takje
op het andere, bengelend aan de dunste twijgjes, voortdurend pikkend en
snappend met hun fijne snaveltje. ’t Fijne kopje, met het gouden
kammetje draait en wendt het naar alle kanten, de scherpe kraaloogjes
spieden in ieder kiertje en spleetje naar kevertjes en spinnetjes.

Klein Jantje, het WINTERKONINKJE (ANORTHURA TROGLODYTES) (No. 139),
geldt bij het volk algemeen voor ons kleinste vogeltje, doch is toch
grooter dan het goudhaantje. Zoo klein als hij is, dringt hij zich
overal op den voorgrond en zet een vervaarlijke stem op. Overal hoort
men zijn eentonig, maar niettemin heel grappig en karakteristiek
liedje. ’t Klinkt zoo echt „parmantig”, deze kleine rakker z’n roffel
te hooren slaan en z’n paar tonen te hooren fluiten. Onafgebroken kan
hij er soms mee doorgaan en overal hoort men z’n tjū-tjū tjū
tjrrrrrrrrrrr, tjuu′ tju′ tju′ tju′ tju′ tju′ ū ē. In de hardnekkigheid
waarmee hij z’n weinig melodieuse zang laat hooren, evenaardt de
groenling (Chloris chloris), een familielid van het puttertje hem
slechts, die z’n nog minder kunstzinnig geblèèr nog halstarriger ten
gehoore blijft geven.

Ondanks deze eentonigheid in hun zang vervelen zij ons nooit, omdat hun
volharding zoo aardig is. „Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is”
en nog meer dan de zang zelf interesseert ons de drang tot zingen, die
juist bij deze leuke schreeuwleelijkjes zoo duidelijk is.

Heel wat „meer nooten op zijn zang” heeft de SPOTLIJSTER (MIMUS
POLYGLOTTUS) (No. 140), die z’n naam met eere draagt en aan een
buitengewoon nabootsingsinstinct een prachtig vol geluid paart, zoodat
het resultaat van zijn imitatieproeven werkelijk verrassend is. De
Amerikanen zijn dan ook verbazend trotsch op dezen vogel en noemen hem
de meest volmaakte en voortreffelijkste der zangers, zooals nu eenmaal
alles wat uit Amerika komt de overtreffende trap is van ’t geen Europa
voortbrengt. Brehm evenwel vindt dit echte opsnijderij en neemt de
verdediging van onze nachtegaal op zich. ’t Geen me vrijwel een
onbegonnen werk lijkt, daar bij den strijd om het kampioenschap voor
deze twee vogels, de Amerikanen zeker op z’n Amerikaansch den grootsten
mond zullen opzetten en de voorvechter voor onze zanger het daar wel
tegen af zal moeten leggen.

Zooals de „doofste” mensch de nachtegaal wel hooren moet, zoo moet de
„blindste” mensch die in de Himalaya komt de WITKUIF LIJSTERGAAI
(GARRULAX LEUCOLOPHUS) (No. 141) wel zien. Want niet alleen dat zij in
troepjes leven en een geweldig kabaal maken, zij zijn, ondanks hun
betrekkelijk eenvoudige kleuren zeer in ’t oog loopend. Dit komt wel
voornamelijk door hunne levendigheid en bewegelijkheid.

Heel wat stillere vogels zijn onze MERELS (TURDUS MERULA) (No. 142),
want hoewel hunne stem sterk en vol is en men de zang en tegenzang van
twee vogels, als zij op een hooge ijle tak aan het zingen zijn, op
grooten afstand hooren kan, ’t lied zelf klinkt ons altijd zoo sereen
in de ooren. Het meest op z’n plaats doet deze merelzang mij aan in de
bloeiend blanke pracht van een kersenboomgaard. Als zuilen van een
kathedraal staan de mooie stammen. Tegen het blauwe gewelf van den
hemel splitsen zich de slanke bogen van wit bloeiende takken. Daar
klinkt van uit een hoek de reine orgeltoon van het merellied, een ander
antwoord. De mensch zit stil en luistert.

Maar ook in minder idyllische omgeving is merelzang heerlijk om te
hooren en gelukkig is dat haast overal mogelijk, want de merel is
overal. In stadstuintjes nestelt hij zoo goed als buiten en menigeen,
die klimop langs z’n huis heeft groeien, zal verrast worden door een
bouwend merelpaar. Op één bepaald puntje van de dakgoot, op een
bepaalde windwijzer, op de kroonlijst, op de schoorsteen, overal vindt
de merel een plaatsje, dat hem hoog en vrij genoeg is om z’n lied te
fluiten. Wegtrekken doet hij niet. Wel is hij ’s winters met de korte
dagen een tijd lang stil en missen we z’n zang. Hoe anders, hoeveel
levendiger, hoeveel zonniger lijkt ons de dag, als in ’t heele vroege
voorjaar de eerste aarzelende tonen van de merel gehoord worden. Als
een goed nieuwtje, roepen we met lachende oogen onzen vrienden toe: Ik
heb vandaag de merel gehoord!!

Zoo gaat het ook in de duinen, als de TAPUITEN (SAXICOLA OENANTHE) (No.
143) weerom komen. Saai en doodsch en verlaten lijken onze duinen
zonder hen. Maar nauwelijks zijn zij er weer of we zien hen en het duin
leeft weer voor ons. De tapuit in het duin, dat is de lente, die komt.

Langzamerhand gaat dan het orkest der zomermuzikanten voltallig worden.
Tjif-tjaf, merel, groenling, vink, lijster, roodborstje, fitis,
nachtegaal, zij doen allemaal hunne best en oefenen zooveel zij kunnen.
De zachte stem van het ROODSTAARTJE (PHOENICURUS PHOENICURUS) (No. 144)
gaat haast te loor tusschen al deze andere. Toch weet ook hij z’n
fijne, zéér melodieuse liedje naar voren te brengen en doet hij z’n
uiterste best, ons z’n wijsje in het geheugen te prenten. En als ten
slotte de laatste trekkers, de Meivogels komen, is het koor voltallig
en staat de zomer voor de deur.








REGISTER.


HET EERSTE GETAL DUIDT HET NUMMER VAN HET PLAATJE, HET VETTER GEDRUKTE
DE PAGINA VAN HET PLAATJE AAN.


ALBATROS (Diomedea exulans)                                  10    17
ALK (Alca torda)                                              6    13
AMAZONE PAPEGAAI (Chrysotis Levaillanti)                     67    61
ARA PAPEGAAI (Ara ararauna)                                  68    61
BAARDVOGEL (Bucco versicolor)                                74    77
BANKIVAHOEN (Gallus gallus)                                  48    47
BEO (Eulabes religiosa)                                     106    87
BLAUWE REIGER (Ardea cinerea)                                38    41
BOERENZWALUW (Hirundo rustica)                               95    80
BONTE KRAAI (Corvus cornix)                                 100    84
BOOMKLEVER (Sitta europaea)                                 132   110
BOOMVALK (Falco subbuteo)                                    59    55
BRANDGANS (Branta leucopsis)                                 21    27
BULBUL (Pycnonotus)                                         129   110
BIJENETER (Merops apiaster)                                  83    73
CALIFORNISCHE KWARTEL (Lophortyx californicus)               50    51
CONDOR (Sarcorhamphus gryphus)                               53    51
COTINGA (Cotinga mayana)                                     92    80
DISTELVINK (Carduelis carduelis)                            124   102
DRAADHOP (Seleucides ignotus)                               104    87
DRIETEENIGE MEEUW (Rissa tridactyla)                         12    17
EMU (Dromaeus novae hollandiae)                               3    13
FLAMINGO (Phoenicopterus roseus)                             34    36
FLUITVOGEL (Gymnorhina tibicen)                              99    84
FREGATVOGEL (Fregata aquila)                                 17    22
FUUT (Lophaethyia cristata)                                   9    17
GEELGORS (Emberiza citrinella)                              120    97
GEITENMELKER (Caprimulgus europaeus)                         87    76
     ,,           ,,          ,,                    Premieplaat   106
GIER (Gyps rüppelli)                                         54    51
GIERZWALUW (Apus apus)                                       89    76
GLANSSPREEUW (Lamprocolius purpureus)                       108    87
GOUDHAANTJE (Regulus regulus)                               137   113
GOUDKOEKOEK (Chrysococcyx cupreus)                           72    61
GOUDPLEVIER (Charadrius apricarius)                          24    27
GOUDVINK (Pyrrhula pyrrhula)                                121   102
GOULD’S AMADINE (Poëphila gouldiae)                         116    97
GRASMUSCH (Sylvia communis)                                 136   113
GRASPIEPER (Anthus pratensis)                               127   110
GROENE SPECHT (Gecinus viridis)                              76    67
GROOTE TRAPGANS (Otis tarda)                                 32    36
HARPIJ (Thrasaëtus harpyia)                                  56    55
HONIGVOGEL (Nectarinia metallica)                           131   110
HONIGWIJZER (Indicator indicator)                            75    67
HONIGZUIGER (Acanthogenys rufigularis)                      130   110
HOORNRAAF (Bucorax abyssinicus)                              79    73
HOP (Upupa epops)                                            84    73
HUISMUSCH (Passer domesticus)                               117    97
IBIS (Ibis aethiopica)                                       35    36
INAMBOE (Rhynchotus rufescens)                               41    41
JAN VAN GENT (Sula bassana)                                  16    22
JASSANA (Jacana jacana)                                      31    36
KAKATOE (Cacatua Triton)                                     64    57
KALKOEN (Meleagris gallopavo)                                47    47
KANARIE (Serinus canarius)                                  123   102
KANOETSTRANDLOOPER (Tringa canutus)                          27    32
KARDINAAL (Cardinalis cardinalis)                           119    97
KEIZERSPINGUÏN (Aptenodytes forsteri)                         5    14
KIEVIT (Vanellus vanellus)                                   25    32
KIKKERBEK (Batrachostomus auritus)                           86    76
KITTA (Urocissa erythroryncha)                              101    85
KIWI (Apteryx Mantelli)                                       4    13
KLAPEKSTER (Lanius excubitor)                                98    84
KLOKVOGEL (Procnias nudicollis)                              91    80
KLUIT (Recurvirostra avocetta)                               26    32
KOEKOEK (Cuculus canorus)                                    71    61
KOET (Fulica atra)                                           30    32
KOEVOGEL (Molothrus ater)                                   110    93
KOLIBRI (Topaza pella)                                       90    76
KONINGSVOGEL (Tyrannus tyrannus)                             93    80
KOOLMEES (Parus major)                                      133   113
KRAANVOGEL (Grus grus)                                       33    36
KROONDUIF (Goura coronata)                                   51    51
KRUISBEK (Loxia curvirostra)                                122   102
KWAK (Nycticorax nycticorax)                                 39    41
KWARTELKONING (Crex crex)                                    43    47
LADY AMHERST FAZANT (Chrysolophus Amherstiae)                45    47
LACHENDE HANS (Dacelo gigas)                                 81    73
LEEUWERIK (Alauda arvensis)                                 128   110
MADENHAKKER (Buphagus erythrorhynchus)                      107    87
MALEO (Megacephalum maleo)                                   42    41
MANTELMEEUW (Larus marinus)                                  11    17
MARABOE (Leptoptilus crumeniferus)                           37    41
MEREL (Turdus merula)                                       142   117
MIDDELSTE ZAAGBEK (Merganser serrator)                       19    27
MOLUKKEN IJSVOGEL (Halcyon diops)                            82    73
MUISVOGEL (Colius macrurus)                                  77    67
NANDOE (Rhea americana)                                       2    13
NEUSHOORNVOGEL (Buceros rhinoceros)                          80    73
OELOE (Ketupa ceylonensis)                                   60    55
OOIEVAAR (Ciconia ciconia)                                   36    36
PAPEGAAIDUIKER (Fratercula arctica)                           8    17
PARADIJSVOGEL (Paradisea minor)                             103    87
PARADIJSWEDUWVOGEL (Steganura paradisea)                    115    97
PARELHOEN (Numida meleagris)                                 49    51
PARKIETEN (Conurus cactorum)                                 66    57
PATRIJS (Perdix perdix)                                      44    47
PAUW (Pavo cristata)                                         46    47
PEKING NACHTEGAAL (Leiothrix lutea)                         134   113
PELIKAAN (Pelecanus onocrotalus)                             18    22
   ,,        ,,          ,,                         Premieplaat    40
PESTVOGEL (Ampelis garrulus)                                 97    84
PITTA (Pitta cyanonota)                                      94    80
PRIEELVOGEL (Amblyornis inornatus)                          102    84
RANSUIL (Asio otus)                                          61    57
REPUBLIKEIN (Philetairus socius)                            118    97
    ,,           ,,        ,,                       Premieplaat   123
RIETZANGER (Acrocephalus schoenobaenus)                     138   113
ROODSTAARTJE (Phoenicurus phoenicurus)                      144   116
ROTSDUIF (Columba livia)                                     52    51
RIJSTVOGEL (Munia orizivora)                                114    93
SALANGAAN (Collocalia fuciphaga)                             88    76
   ,,         ,,          ,,                        Premieplaat   107
SCHAARBEK (Rhynchops flavirostris)                           14    22
SCHARRELAAR (Coracias garrulus)                              85    76
SECRETARIS (Serpentarius serpentarius)                       55    55
SNEEUWUIL (Nyctea nyctea)                                    62    57
SNIJDERVOGEL (Sutoria sutoria)                              135   113
     ,,         ,,       ,,                         Premieplaat   127
SOEROESKOES (Trogon massena)                                 78    67
SPOORKOEKOEK (Centropus)                                     70    61
SPOTLIJSTER (Mimus polyglottus)                             140   117
SPREEUW (Sturnus vulgaris)                                  109    93
STEENAREND (Aquila chrysaëtus)                               57    55
STEPPENHOEN (Syrrhaptes paradoxus)                           40    41
STRUISVOGEL (Struthio camelus)                                1    13
TANAGRA (Ramphocelus brasilius)                             125   102
TAPUIT (Saxicola oenanthe)                                  143   117
TOEKAN (Rhamphastos ariel)                                   73    67
TOERAKO (Turacus albocristatus)                              69    61
UILPAPEGAAI (Stringops habroptilus)                          65    57
VEELKLEURIGE LORI (Trichoglossus novæ hollandiæ)             63    57
VISCHDIEFJE (Sterna fluviatilis)                             13    22
VUURWEVER (Pyromelana franciscana)                          112    93
WATERRAL (Rallus aquaticus)                                  29    32
WATERSNIP (Gallinago gallinago)                              28    32
WEVERVOGEL (Ploceus abyssinicus)                            111    93
    ,,        ,,         ,,                         Premieplaat   121
WIELEWAAL (Oriolus oriolus)                                 105    87
WILDE EEND (Anas boscas)                                     20    27
WINTERKONING (Anorthura troglodytes)                        139   117
WITBUIK ZEEAREND (Haliaetus leucogaster)                     58    55
WITKUIF LIJSTERGAAI (Garrulax leucolophus)                  141   117
WITTE KWIKSTAART (Motacilla alba)                           126   102
ZEBRAVINK (Taeniopygia castanotis)                          113    93
ZEEKOET (Uria troille)                                        7    17
ZONNEVOGEL (Phaëton aethereus)                               15    22
ZUIDPOOL KIP (Chionis alba)                                  23    27
ZWAAN (Cygnus olor)                                          22    27
ZWARTGRAUWE VLIEGENVANGER (Muscicapa atricapilla)            96    80








HOOFDSTUKKEN.


    LOOPVOGELS (Ratitæ)                                9
    KIELBORSTBEENIGEN (Carinatæ)                      21
    ZWEMVOGELS (Natatores)                            21
    STELTLOOPERS (Grallatores)                        43
    HUIDSNAVELIGEN (Cutinares)                        65
    FIBULATORES                                       89
    BOOMVOGELS (Arboricolæ)                          101








LIJST DER ZWARTE AFBEELDINGEN.


  Pag. 8.     Bosjesman op struisvogeljacht.
   ,,  9.     Struisveer.
   ,,  9.     Krijgsman.
   ,,  11.    Plukken van struisveeren.
   ,,  12.    Z. Afrikaansche boer op struisvogeljacht.
   ,,  14.    Struisen in gezelschap van antilopen en zebra’s in
              Afrikaansche steppe.
   ,,  15.    Patagoniërs op Nandoejacht.
   ,,  16.    Bolas.
   ,,  18.    Emu met jongen.
   ,,  19.    Vechtende kiwi’s.
   ,,  20.    Vliegende meeuwen.
   ,,  21.    Zwartkeelpinguïn (Pygoscelis adeliae) met jong.
   ,,  21.    Zwemmende keizerspinguïns.
   ,,  23.    Duikende zwartkeelpinguïns.
   ,,  24.    Keizerspinguïn met jong in huidplooi.
   ,,  25.    Vliegende papegaaiduikers.
   ,,  26.    Reuzenalk (Alca impennis).
   ,,  29.    Albatrossen.
   ,,  30.    Kokmeeuwen (Larus ridibundus) in stadsgracht.
   ,,  31.    Visschende schaarsnavels.
   ,,  33.    Vliegende zonnevogel.
   ,,  37.    Wilde eenden.
   ,,  38.    Neerstrijkende ganzen (Anser anser).
   ,,  39.    Vliegende zwanen.
   ,,  42.    Lepelaars met jongen.
   ,,  44.    Steltloopers in ’t wad.—Kluit, grutto (Limosa limosa),
              Tureluur (Totanus totanus), goudplevier, bontbekplevier
              (Aegialites hiaticula).
   ,,  45.    Roerdomp (Botaurus stellarus) in ’t riet.
   ,,  46.    Vechtende kemphanen (Pavoncella pugnac).
   ,,  48.    Kieviten.
   ,,  49.    Strandloopertjes.
   ,,  50.    Houtsnip (Scolopax rusticola).
   ,,  52.    Koeten.
   ,,  53.    Waterhoentjes.
   ,,  54.    Trekkende Kraanvogels.
   ,,  56.    Vliegende flamingo’s.
   ,,  58.    Reigerkolonie.
   ,,  59.    Vliegende ooievaars.
   ,,  59.    Ooievaarsnest.
   ,,  60.    Vliegende ooievaars.
   ,,  60.       ,,     maraboes.
   ,,  62.    Reigers.
   ,,  63.    Vliegende ibissen.
   ,,  64.    Fazanten in de duinen.
   ,,  66.    Jagoear met tinamoe.
   ,,  68.    Hoenderhof.
   ,,  69.    Vliegende korhaan (Lyrurus tetrix).
   ,,  69.       ,,     patrijzen.
   ,,  70.    Japansche phoenixhaan.
   ,,  71.    Paarlhoenders.
   ,,  72.    Auerhaan (Tetrao urogallus).
   ,,  74.    Duiven en duiventil.
   ,,  77.    Middeleeuwsche valkenjacht.
   ,,  78.    Gieren.
   ,,  79.    Condor.
   ,,  81.    Jachtvalken.
   ,,  82.    Klapeksterheuvel.
   ,,  83.    Valkenier met tophut en klapeksterheuveltjes.
   ,,  85.    Steenuil (Athene noctua).
   ,,  86.    Kerkuilen (Strix flammea).
   ,,  88.    Papegaaienlaan in Artis.
   ,,  89.    Ara’s met nest.
   ,,  90.    Grasparkieten (Melopoittacus undulatus).
   ,,  91.    Inka kakatoe (Lophochroa leadbeateri).
   ,,  92.    Vliegende papegaaien.
   ,,  94.       ,,     toekans.
   ,,  95.    Toerako.
   ,,  96.    Honingwijzer.
   ,,  98.    Bonte specht (Dendrocopus major).
   ,,  99.    Muisvogels.
   ,,  100.   Papoea’s op paradijsvogeljacht.
   ,,  101.   Nestkastje.
   ,,  103.   IJsvogeltje (Alcedo ispida).
   ,,  104.   Idem.
   ,,  105.   Kolibri bloemen bestuivend.
   ,,  108.   Vlaggennachtzwaluw (Macrodipteryx longipennis).
   ,,  109.   Adelaarsnavel kolibri (Eutoxeres aquila).
   ,,  111.   Koningstyran (Onychorhynchus spec).
   ,,  112.   Koningsvogel een groote vogel aanvallend.
   ,,  114.   Oeverzwaluwen (Riparia riparia).
   ,,  115.   Zwaluwen op telegraafdraden.
   ,,  118.   Paradijsvogel.
   ,,  119.   Spreeuwenwolk.
   ,,  120.   Rijstvogels.
   ,,  124.   Distelvink.
   ,,  125.   Leeuwerik.
   ,,  126.   Zwartkopmees (Parus montanus salicarius) op kokosnoot.
   ,,  128.   Staartmeezen (Aegithalos caudatus europaeus) met nest.
   ,,  129.   Zingende spreeuw.











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VOGELALBUM NO. 1 ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.