The Project Gutenberg eBook of Michael Strogoff
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Michael Strogoff
De koerier van den czaar
Author: Jules Verne
Engraver: Charles Barbant
Illustrator: Jules Descartes Férat
Release date: August 16, 2026 [eBook #79379]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Uitgevers-Maatschappij "Elsevier", 1910
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79379
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MICHAEL STROGOFF ***
WONDERREIZEN
JULES VERNE
MICHAEL STROGOFF
DE KOERIER VAN DEN CZAAR
AMSTERDAM
UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER”.
1910.
I.
EEN FEEST IN HET NIEUWE PALEIS.
»Sire, al weer eene dépêche.”
»Van waar?”
»Van Tomsk.”
»Is de telegraafdraad voorbij de stad gebroken?”
»Hij is sedert gisteren gebroken.”
»Zend van uur tot uur een telegram naar Tomsk, generaal, en dat men mij
op de hoogte houde.”
»Ja, sire,” antwoordde generaal Kissoff.
Deze woorden werden ’s morgens te twee uur gewisseld op het oogenblik,
dat het feest, in het Nieuwe Paleis gegeven, in vollen gang was.
Gedurende die soirée hadden de regimenten van Preobrajensky en
Paulowsky de uitgezochtste polka’s, mazurka’s, scottisch’s en walsen
van hun répertoire onophoudelijk gespeeld. De dansparen
vermenigvuldigden tot in het oneindige door de schitterende zalen van
het paleis, dat zich in de nabijheid van het oude steenen huis bevond,
waarin eertijds zoovele verschrikkelijke drama’s hadden plaats gehad,
en waarin de echo’s dezen nacht ontwaakten om de tonen van de muziek
der quadrilles te doen weerkaatsen.
De hofmaarschalk werd trouwens zeer goed in zijne moeilijke taak ter
zijde gestaan. De grootvorsten en hunne adjudanten, de kamerheeren van
dienst, de officieren van het paleis, bestuurden en regelden zelf de
dansen. De grootvorstinnen, met diamanten bedekt, de staatsdames in
gala-kostuum, gaven wakker aan de vrouwen der hooge militaire en
burgerlijke beambten van de oude witte steenen stad, het voorbeeld....
Ook, toen het sein tot de polonaise weerklonk, toen de genoodigden van
alle rangen aan deze gekadenseerde promenade deelnamen, die bij de
plechtigheden van dien aard al het gewicht van een nationale dans
heeft, bood het mengsel der met kant afgezette japonnen en der met
decoratiën versierde uniformen een onbeschrijfelijk gezicht aan, onder
het licht van honderd kristallen kronen, dat de weerkaatsing der groote
spiegels nog vertienvoudigde.
Het was oogverblindend!
Daarenboven deed de groote zaal, de grootste van het Nieuwe Paleis, aan
dien prachtigen stoet van hooge personages en schitterend getooide
vrouwen eene welverdiende eer aan. Het gewelf met verguldsels rijk
versierd, die door den tijd reeds een weinig dof waren geworden, was
als met flikkerende sterren bezaaid. De met goud geborduurde gordijnen
en portières hulden zich in purperkleurige warme tonen, die op de
afwisselende prachtige plooien der zware stof weerkaatsten.
Door de beslagen glazen der boogvormige ramen verspreidde zich het
licht, waarvan de zalen schitterden, getemperd en als de weerkaatsing
van een brand naar buiten en stak zeer af bij de duisternis, welke
gedurende eenige uren dit schitterend paleis omhulde. Ook trok die
tegenstelling de aandacht van de genoodigden, die niet meedansten. Als
zij voor de ramen bleven stilstaan, konden zij eenige torens flauw
onderscheiden, die hier en daar hunne zeer groote schaduwbeelden
afteekenden.
Onder de gebeeldhouwde balkons zagen zij talrijke schildwachten,
bedaard met het geweer op den schouder heen- en weergaan, wier puntige
helm als door eene vuurpluim versierd was, voortgebracht door het licht
dat zich naar buiten verspreidde. Ze hoorden ook de stappen der
patrouilles, die op de vierkante blauwe steenen met misschien nog meer
juistheid op de maat liepen dan de voeten der dansers op den vloer der
zalen. Van tijd tot tijd herhaalde zich het geroep der schildwachten
van post tot post, en soms mengde zich een trompetsein met de accoorden
van het orkest en wierp zijn schelle tonen te midden der algemeene
harmonie.
Lager nog, vóór den gevel, zonderden zich donkere massa’s van de groote
lichtkegels af, door het licht van het Nieuwe Paleis gevormd. Het waren
booten die eene rivier afvoeren, waarvan de wateren hier en daar door
het trillend schijnsel van eenige vuurbakens verlicht, het lage
gedeelte der terrassen bespoelden.
De voornaamste persoon van het bal, hij die het feest gaf en aan wien
generaal Kissoff een titel toegekend had, voor vorsten bestemd, was
eenvoudig in eene officiers-uniform der jagers van de garde gekleed.
Het was van hem geene gemaaktheid, maar de gewoonte van een man die
weinig met pralerij opheeft. Zijne kleeding stak dus af bij de
prachtige kostumes om hem heen, en zelfs vertoonde hij zich meestal zoo
te midden van zijn geleide, bestaande uit Georgiërs, Kozakken,
Lesghiërs, schitterende eskadrons, in de prachtvolle uniformen van den
Kaukasus uitgedost.
Dit personage, groot van gestalte, met een vriendelijk uiterlijk, een
kalm gelaat, doch met een voorhoofd dat zorgen verried, ging van de
eene groep naar de andere, maar sprak weinig en scheen zelfs slechts
een flauwe aandacht te wijden, hetzij aan de vroolijke gesprekken der
jonge genoodigden, hetzij aan de meer ernstige der hooge
staatsambtenaren of der gezanten, die bij hem de voornaamste staten van
Europa vertegenwoordigden. Twee of drie dezer scherpzinnige
diplomaten—gelaatkundigen van beroep—hadden wel gemeend op het gelaat
van hun gastheer eenig teeken van ongerustheid op te merken, waarvan de
oorzaak hun ontsnapte, doch geen enkele zou zich veroorloofd hebben,
hem hierover te ondervragen. In alle geval wilde de officier der jagers
van de garde ongetwijfeld geenszins dat de geheime gedachten, die hem
bezighielden, het feest zouden storen, en, daar hij een dier zeldzame
vorsten was, aan wien bijna eene geheele wereld zich gewend heeft te
gehoorzamen, zelfs in gedachte, werden de genoegens van het bal geen
oogenblik belemmerd.
Generaal Kissoff wachtte evenwel dat de officier, aan wien hij zooeven
de dépêche uit Tomsk had medegedeeld, hem het bevel zou geven zich te
verwijderen, doch deze bleef het stilzwijgen bewaren. Hij had het
telegram genomen, het gelezen en zijn gelaat werd hoe langer hoe
somberder. Hij bracht zijn hand zelfs onwillekeurig aan het gevest van
zijn degen en vervolgens aan zijne oogen, die hij een oogenblik
bedekte. Men zou gezegd hebben dat het schelle licht hem smartte, en
dat hij de duisternis zocht, om beter tot zich zelven in te keeren.
»Dus,” hernam hij, na generaal Kissoff naar het venster geleid te
hebben, »zijn wij sedert gisteren niet meer in verbinding met den
grootvorst?”
»Neen, Sire, en het is te vreezen dat de dépêches weldra niet meer over
de Siberische grenzen kunnen.”
»Maar de troepen der provinciën van de Amoer en van Irkoetsk, alsmede
die van Transbaikalië, hebben order ontvangen onmiddellijk naar
Irkoetsk op te rukken.”
»Dit bevel is met het laatste telegram gegeven, dat wij gene zijde van
het meer Baïkal hebben kunnen doen bereiken.”
»Wat de gouvernementen van de Jeniseï, van Omsk, van Semipalatinsk, van
Tobolsk betreft, zijn wij altijd nog met hen in rechtstreeksche
verbinding sedert het begin van den inval?”
»Ja, Sire, onze dépêches bereiken hen nog, en wij hebben op het
oogenblik de zekerheid, dat de Tartaren niet tot over de Irtisch en de
Obi voortgerukt zijn.”
»En heeft men geen enkel bericht van den verrader Ivan Ogareff?”
»Geen enkel,” antwoordde generaal Kissoff. »De directeur van politie
kan niet met zekerheid bevestigen of hij de grenzen over is of niet.”
»Dat zijn signalement dan onmiddellijk opgezonden worde naar
Nijni-Novgorod, naar Perm, naar Ekaterinenburg, naar Kassimow, naar
Tioemen, naar Ichim, naar Omsk, naar Elamsk, naar Kolivan, naar Tomsk,
naar alle telegraafkantoren, waarmede de draad nog in gemeenschap is!”
»De bevelen van Uwe Majesteit zullen oogenblikkelijk ten uitvoer worden
gebracht,” antwoordde generaal Kissoff.
»Geen woord over dit alles!”
Na een teeken van eerbiedige instemming gegeven en een diepe buiging
gemaakt te hebben, mengde zich de generaal onder de menigte en verliet
hij weldra de zalen, zonder dat zijn vertrek werd opgemerkt.
Wat den officier betreft, hij bleef eenige oogenblikken peinzend, en
toen hij zich weer onder de verschillende groepen van militairen en
staatslieden kwam mengen, die zich op verscheidene punten der zalen
hadden gevormd, had zijn gelaat al de kalmte hernomen, die hem een
oogenblik verlaten had.
Evenwel was het ernstige feit, dat tot deze snel gewisselde woorden
aanleiding gegeven had niet zoo onbekend, als de officier der jagers
van de garde en generaal Kissoff meenden. Men sprak er wel is waar niet
officieel, ja zelfs niet officieus over, wijl de tongen niet los waren,
doch eenige hooge personages waren van de gebeurtenissen, die over de
grenzen plaats vonden, min of meer juist onderricht geworden. In alle
geval, hetgeen zij misschien slechts ten naastenbij wisten, waarover
zij zich niet onderhielden, zelfs niet tusschen leden van het corps
diplomatique, hierover spraken in stilte twee genoodigden, die zich op
deze receptie in het Nieuwe Paleis noch door uniform noch door eenige
decoratie onderscheidden. Deze schenen vrij juiste inlichtingen
ontvangen te hebben.
Hoe, langs welken weg, door welke tusschenkomst wisten deze twee
eenvoudige stervelingen hetgeen zoovele andere personages, zelfs de
aanzienlijkste, ter nauwernood vermoedden? Men zou het niet kunnen
zeggen. Bezaten zij de gave van in de toekomst te zien?
Bezaten zij een zesde zintuig dat hen in staat stelde verder te zien
dan de begrensde blik van den mensch reikt? Hadden zij een bijzonder
fijnen reuk om de verborgenheden op te sporen? Had hunne natuur dan
eene andere gedaante aangenomen, dank zij deze gewoonte, bij hen een
tweede natuur geworden, om te leven van navorsching en door
navorsching? Men zou in verzoeking gebracht worden dat aan te nemen.
Van deze beide mannen, was de eerste een Engelschman, de andere een
Franschman, beiden lang en mager,—deze bruin als de zuidelijke bewoners
van Provence, gene rosachtig als een gentleman van Lancashire. De
Anglo-Normandiër, afgemeten, koud, flegmatisch, weinig beweeglijk en
weinig spraakzaam, scheen niet te spreken of gebaren te maken, dan
wanneer eene veer losging, die bij geregelde tusschenpoozen werkte. De
Gallo-Romein, levendig, dartel, drukte zich te gelijkertijd met de
lippen, oogen en handen uit, twintig manieren hebbende om zijne
gedachte terug te geven, terwijl de Anglo-Normandiër er slechts éene
scheen te hebben, die onveranderlijk in zijn brein gestereotypeerd was.
Dat verschil in natuur zou den minst opmerkzamen mensch getroffen
hebben; maar een gelaatkundige, deze twee vreemdelingen een weinig van
nabij beschouwende, zou de natuurkundige tegenstelling die hen
kenmerkte, juist bepaald hebben door te zeggen: dat zoo de Franschman
geheel en al »oog,” de Engelschman geheel en al »oor” was.
Inderdaad, was het gezichtswerktuig van den een door het gebruik tot
eene bijzondere volmaaktheid gebracht. Het netvlies van zijn oog moet
even gevoelig zijn als dat van die goochelaars, die eene kaart
herkennen alleen door vlug af te nemen of enkel door de plaatsing eener
valsche kaart, die door niemand anders wordt opgemerkt. De Franschman
bezat dus in hooge mate hetgeen men noemde: »het geheugen van het oog.”
De Engelschman daarentegen, scheen in het bijzonder geschapen te zijn,
om te luisteren en te hooren. Was zijn gehoorwerktuig eenmaal door den
klank eener stem getroffen, dan kon hij die niet meer vergeten, en na
tien, ja na twintig jaar, zou hij ze nog onder duizenden herkend
hebben. Zijne ooren hadden wel niet het vermogen zich te bewegen,
zooals die der dieren, die met groote gehoorschelpen voorzien zijn;
maar, daar de geleerden bewezen hebben, dat de ooren van den mensch
slechts bijna onbeweeglijk zijn, zou men kunnen beweren dat die van
bovengenoemden Engelschman, door ze op te zetten en ze heen en weer te
wringen, de klanken zochten op te vangen op eene, zelfs voor den
natuurvorscher bijna onmerkbare wijze.
Het is noodig hier te doen opmerken, dat deze volmaaktheid van gezicht
en gehoor deze twee mannen in hun bedrijf uitstekend te pas kwam, want
de Engelschman was correspondent van de Daily Telegraph, en de
Franschman, correspondent van .... Van welk dagblad of van welke
dagbladen, dit zeide hij niet en wanneer men ’t hem vroeg, dan
antwoordde hij vroolijk weg, dat hij met zijne »nicht Madeleine”
briefwisseling hield. In de werkelijkheid was deze Franschman, onder
een schijn van luchtigheid, zeer slim en zeer scherpzinnig. Links en
rechts pratende, misschien om beter zijn lust om nieuws te vernemen te
verbergen, liet hij zich nooit uit. Zijne praatzucht zelfs diende hem
tot zwijgen, en misschien was hij meer geheimhoudend en omzichtig dan
zijn collega van de Daily Telegraph. En zoo beiden dit feest
bijwoonden, dat in het Nieuwe Paleis in den nacht van 15 op 16 Juli
gegeven werd, dan was ’t in hoedanigheid van dagbladschrijvers, en tot
groote stichting hunner lezers.
Het spreekt vanzelf, dat deze beide mannen vol ijver voor hunne zending
waren, door onophoudelijk als fretten het spoor te volgen van het meest
onverwachte nieuws; niets schrikte hen af, mits zij maar slaagden; zij
hadden de onverstoorbare koelbloedigheid en de werkelijke stoutheid van
lieden van het vak. Als wezenlijke jockeys van die steeple chase, van
de jacht op nieuwstijdingen, klommen zij over hagen, trokken zij
rivieren over, sprongen zij de hindernissen over met de weergalooze
drift van volbloed-paarden die de eersten willen zijn of sterven!
Overigens lieten hunne dagbladen ’t hun aan geen geld ontbreken als
zijnde dit de zekerste, snelste en volmaaktste stof die tot nu toe
bekend is om nieuwstijdingen te bekomen. Men moet er ook tot hunne eer
bijvoegen, dat geen van beiden zich ooit met het bijzondere leven
bemoeiden, en dat zij dan alleen werkten, wanneer staatkundige en
maatschappelijke belangen in het spel waren. In éen woord, zij oefenden
hetgeen men sedert eenige jaren noemt, »het groote staatkundige en
militaire verslaggeversschap” uit.
Alleen zal men zien, wanneer men ze van nabij gadeslaat, dat zij den
meesten tijd eene zonderlinge manier hadden om de feiten te beschouwen
en vooral hunne gevolgen, daar ieder van hen zijne eigen manier »van
zien en van waardeeren” had. Doch daar het met hunne taak ernst was, en
zij zich niet ontzagen, wanneer het te pas kwam, zou het leelijk
geweest zijn hen hierover te laken.
De Fransche correspondent heette Alcide Jolivet. Harry Blount was de
naam van den Engelschen correspondent. Zij ontmoetten elkander voor den
eersten keer op het feest in het Nieuwe Paleis, waarvan zij in hun
dagblad een verslag moesten geven. Het verschil van hun karakter,
gevoegd bij een zekere jalousie de metier, moest hun vrij weinig
genegenheid voor elkander inboezemen. Evenwel vermeden zij elkander
niet en zochten veeleer elkander wederkeerig te polsen omtrent het
nieuws van den dag. Zij waren, alles wel beschouwd, twee jagers, op
hetzelfde jachtveld met gelijke behoedzaamheid jagende. Hetgeen de een
miste, kon door den ander geschoten worden, en dezen tot voordeel
strekken;—ook hun eigenbelang bracht mede dat zij in de gelegenheid
waren, elkander te zien en te verstaan.
Dien avond lagen zij dus beiden op de loer. Er was werkelijk iets in de
lucht.
»Al waren het slechts een zwerm wilde eendvogels,” zeide Alcide Jolivet
tot zichzelf, »dan is ’t wel een schot waard!”
De twee correspondenten geraakten dus gedurende het bal met elkander in
gesprek, eenige oogenblikken nadat generaal Kissoff zich verwijderd
had, en beproefden elkander een weinig te polsen.
»Vraiment, monsieur, cette petite fête est charmante”, (»Inderdaad, dit
feest is betooverend,”) zeide op een beminnelijken toon Alcide Jolivet,
die met deze bij uitnemendheid Fransche spreekwijze het gesprek meende
te moeten beginnen.
»Ik heb reeds getelegrapheerd: Splendid!” antwoordde Harry Blount koel,
die dit woord gebruikte, omdat het in het bijzonder elke soort van
bewondering van den burger van het Vereenigde Koninkrijk uitdrukt.
»Ik heb evenwel gemeend,” voegde Alcide Jolivet er bij, »tegelijkertijd
aan mijne nicht te moeten seinen....”
»Uwe nicht!....” herhaalde Harry Blount met verwondering, terwijl hij
zijn collega in de rede viel.
»Ja,” hernam Alcide Jolivet, »mijne nicht Madeleine.—Met haar houd ik
briefwisseling. Mijne nicht is gaarne snel en goed onderricht.... Ik
heb dus gemeend haar te moeten seinen, dat ik, gedurende het feest,
eene zekere somberheid op het gelaat van den vorst heb meenen te
bespeuren.”
»Wat mij betreft, hij is mij nog al schitterend voorgekomen,”
antwoordde Harry Blount, die misschien zijne gedachte hieromtrent wilde
verbergen.
»En natuurlijk hebt gij hem doen schitteren in de kolommen van de Daily
Telegraph?”
»Zeer zeker.”
»Herinnert gij u, mijnheer Blount,” zeide Alcide Jolivet, »hetgeen er
te Zakret in 1812 is voorgevallen?”
»Ik herinner ’t mij alsof ik er bij geweest was, mijnheer,” antwoordde
de Engelsche correspondent.
»Dan zult gij wel weten,” hernam Alcide Jolivet, »dat, te midden van
een feest te zijner eere gegeven, men keizer Alexander kwam mededeelen,
dat Napoleon de Niemen met de voorhoede van het Fransche leger was
overgetrokken. De keizer verliet evenwel het feest niet, en, ondanks de
ernstige tijding, die hem zijn rijk kon kosten, liet hij niet meer
ongerustheid blijken....”
»Dan onze gastheer heeft laten blijken, toen generaal Kissoff hem
mededeelde dat de telegraafdraden tusschen de grenzen en het
gouvernement Irkoetsk afgebroken waren.”
»Ha! die bijzonderheid is u bekend?”
»Ze is mij bekend.”
»Wat mij betreft, ik zou moeilijk onwetendheid kunnen voorwenden, daar
mijn laatste telegram tot Oedinsk gegaan is,” merkte Alcide Jolivet met
eene zekere voldoening op.
»En het mijne slechts tot Krasnoïarsk,” antwoordde Harry Blount met
niet minder voldoening.
»Dan zult gij ook weten dat orders naar de troepen van Nikolaevsk zijn
gezonden?”
»Ja, mijnheer, terzelfder tijd dat men aan de Kozakken van het
gouvernement Tobolsk telegrapheerde om zich te verzamelen.”
»Niets is meer waar, mijnheer Blount, die maatregelen waren mij
insgelijks bekend, en geloof maar, dat mijn lieve nicht morgen er reeds
iets van vernemen zal!”
»Precies zooals de lezers van de Daily Telegraph ’t ook zullen
vernemen, mijnheer Jolivet.”
»Daar hebt ge ’t. Wanneer men alles ziet wat er omgaat!...”
»En wanneer men naar alles luistert wat er gezegd wordt!...”
»Een belangrijke veldtocht om te volgen, mijnheer Blount.”
»Ik zal hem volgen, mijnheer Jolivet.”
»Dan is ’t wel mogelijk dat wij elkaar op een terrein zullen
terugvinden dat minder veilig zal zijn dan de vloer van deze zaal!”
»Minder veilig, ja, maar...”
»Maar ook minder glad!” antwoordde Alcide Jolivet, die zijn collega
tegenhield op het oogenblik dat deze, achteruitgaande, het evenwicht
verloor.
En hierop verlieten de beide correspondenten elkander, verheugd te
weten dat de een den ander geen vlieg had afgevangen. Inderdaad zij
waren beiden even goed op de hoogte.
Op dit oogenblik gingen de deuren der, aan de groote zaal, belendende
zalen open. Daar stonden verscheiden zeer groote prachtig gedekte
tafels, met kostbaar porselein en gouden vaatwerk in overvloed
voorzien. Op de tafel, die in het midden stond, en voor de prinsen, de
prinsessen en de leden der diplomatie bestemd was, schitterde een zeer
kostbaar middenstuk, uit de Londensche fabrieken afkomstig en rondom
dit meesterstuk van goud- en zilverwerk glinsterden, onder het licht
der kristallen kronen, de duizend stukken van het bewonderenswaardigste
servies, dat ooit de fabrieken van Sèvres verlaten had.
De genoodigden van het Nieuwe Paleis begaven zich nu naar de zalen van
het soupé. Op dit oogenblik naderde generaal Kissoff, die binnenkwam,
schielijk den officier der jagers van de garde.
»Wel?” vroeg deze driftig, zooals hij den eersten keer gevraagd had.
»De telegrammen gaan niet verder dan Tomsk, Sire.”
»Een koerier, terstond!”
De officier verliet de groote zaal en ging in eene groote kamer
daarnaast. Het was een werkvertrek, zeer eenvoudig met oude eikenhouten
meubels gemeubileerd, en gelegen in een der hoeken van het Nieuwe
Paleis. Aan den muur hingen eenige schilderijen, onder anderen
verscheidene doeken van Horace Vernet.
De officier opende driftig het venster, alsof er geen zuurstof meer in
zijn longen aanwezig was, en ging op een ruim balkon de zuivere lucht
genieten, die men in een heerlijken nacht van de maand Juli inademt.
In den helderen maneschijn zag hij een verstrekte ruimte zich afronden,
waarin zich twee hoofdkerken, drie paleizen en een tuighuis verhieven.
Rondom die omwalling teekenden zich duidelijk drie steden af:
Kitaï-Gorod, Beloï-Gorod, Zemliamoï-Gorod, onmetelijke Tartaarsche,
Europeesche en Chineesche wijken, die door de minarets, de torens van
drie honderd kerken met groene koepeldaken, waarop een zilveren kruis
prijkte, beheerscht werden. Eene kleine rivier, met kronkelenden loop,
weerkaatste hier en daar de stralen van de maan. Het geheel vormde een
merkwaardig mozaïek van verschillend geverfde huizen, samengevat als in
eene uitgestrekte lijst van tien mijlen.
Deze rivier was de Moskowa, die stad was Moskou, die verstrekte ruimte
was het Kremlin, en de officier der jagers van de garde die, met over
elkander geslagen armen, met een peinzend gelaat, onverschillig naar
het gedruisch luisterde, die zich uit het Nieuwe Paleis over de oude
Moskovische stad verspreidde, was de czaar.
II.
RUSSEN EN TARTAREN.
Dat de czaar zoo onverwachts de zalen van het Nieuwe Paleis verlaten
had, op het oogenblik dat het feest, dat hij aan de burgerlijke en
militaire autoriteiten van Moskou gaf, in vollen glans was, kwam daar
van daan, dat ernstige gebeurtenissen toen aan gene zijde van den Oeral
plaats hadden. Er viel niet meer aan te twijfelen, dat een geduchte
inval de Siberische provinciën aan het Russisch bestuur dreigde te
ontrukken.
Aziatisch Rusland of Siberië beslaat eene oppervlakte van vijf honderd
zestig duizend mijlen, en telt ongeveer twee millioen inwoners. Het
strekt zich uit van het Oeralgebergte, dat het van Europeesch Rusland
scheidt, tot de kusten van de Stille Zuidzee. Ten zuiden ligt Turkestan
en het Chineesche rijk; ten noorden de IJszee, van de zee van Kara af
tot de Behringstraat. Het is verdeeld in gouvernementen of provinciën,
namelijk Tobolsk, Jeniseïsk, Irkoetsk, Omsk en Jakoetsk; het bevat twee
districten: Okhotsk en Kamtschatka, en bezit twee landen tegenwoordig
aan de Moskovische heerschappij onderworpen, het land der Kirgiezen en
het land der Tchoektches. Deze uitgestrekte steppen, die meer dan
honderd tien graden van het Westen naar het Oosten beslaan, zijn
tegelijkertijd eene strafkolonie voor misdadigers en een ballingsoord
voor hen die door eene ukaze tot uitzetting zijn veroordeeld.
Twee gouverneurs vertegenwoordigen de oppermacht van den czaar in dit
uitgestrekte land. De een houdt zijn verblijf te Irkoetsk, de
hoofdplaats van Oost-Siberië; de andere te Tobolsk, de hoofdplaats van
West-Siberië. De rivier Tchoena, eene nevenrivier van den Jeniseï,
scheidt deze beide Siberiën.
Geen spoorweg doorloopt deze onmetelijke vlakten, waarvan eenige
wezenlijk buitengewoon vruchtbaar zijn. Geen spoor staat de kostbare
mijnen ten dienste, die den Siberischen grond meer onder dan boven
zijne oppervlakte, rijk maken. Men reist er in tarentass of in telega
des zomers; in sleden des winters.
Een enkele gemeenschap bestaat er tusschen de westelijke en oostelijke
grenzen van Siberië door middel van een draad, die meer dan acht
duizend wersten (8.536 kilometer) [1] lang is. Van af den Oeral gaat
hij over Ekaterinenburg, Kassimow, Tioemen, Ichim, Omsk, Elamsk,
Kolivan, Tomsk, Krasnoïarsk, Nijni-Oedinsk, Irkoetsk,
Verkne-Nertschink, Strelink, Albazine, Blagoustenks-Radde, Orlomskaya,
Alexandrowskoë, Nikolaevsk, en rekent zes roebels en negentien kopeken
voor elk woord dat tot zijne uiterste grens geseind wordt [2]. Van
Irkoetsk gaat eene zijlijn naar Kiatka op de Mongoolsche grenzen, en
van daar brengt de post, tegen dertig kopeken per woord, de tijdingen
in veertien dagen naar Peking over. Deze draad nu, tusschen
Ekaterinenburg en Nikolaevsk, was afgesneden, eerst aan gene zijde van
Tomsk, en eenige uren later tusschen Tomsk en Kolivan.
Daarom had de czaar, na de mededeeling die generaal Kissoff hem voor de
tweede maal gedaan had, slechts met deze enkele woorden geantwoord:
»Een koerier terstond!”
De czaar stond eenige oogenblikken onbeweeglijk aan het venster van
zijn werkkamer, toen de kamerdienaars op nieuw de deur openden. De
grootmeester van politie verscheen op den drempel.
»Treed binnen, generaal,” zeide de czaar kortaf, »en zeg mij al wat gij
weet van Ivan Ogareff.”
»Het is een uiterst gevaarlijk man, Sire,” antwoordde de grootmeester
van politie.
»Hij had den rang van kolonel?”
»Ja, Sire.”
»Het was een schrander officier?”
»Zeer schrander, maar onmogelijk te beheerschen, en van eene toomelooze
eerzucht, die voor niets terugdeinsde. Hij heeft zich opeens met
kuiperijen ingelaten, en toen is hij door den grootvorst van zijn rang
ontzet, en vervolgens naar Siberië verbannen.”
»Op welk tijdstip?”
»Twee jaar geleden. Na zes maanden in ballingschap geweest te zijn,
heeft Uwe Majesteit hem genade geschonken, en is hij in Rusland
teruggekomen.”
»En is hij sedert dat tijdstip niet naar Siberië teruggekeerd?”
»Ja, Sire, hij is er teruggekeerd, doch ditmaal vrijwillig,” antwoordde
de grootmeester van politie. En hij voegde er bij op eenigszins
zachteren toon: »Er was een tijd, Sire, dat, wanneer men naar Siberië
ging, men er niet meer uit terug kwam!”
»Welnu, zoolang ik leef, is en zal Siberië een land zijn, waaruit men
wel terugkomt!”
De czaar had het recht deze woorden met een wezenlijken trots uit te
spreken, want hij heeft dikwijls door zijn vergevensgezindheid getoond
dat de Russische rechtvaardigheid wist te vergeven.
De grootmeester van politie antwoordde niets, doch het was
klaarblijkelijk, dat hij niet van halve maatregelen hield. Volgens hem,
mocht niemand ooit meer het Oeral-gebergte overschrijden, die er eens
door de gendarmen was overgezet. Onder de nieuwe regeering was het nu
niet meer zoo, en de grootmeester van politie betreurde dit ten
zeerste. Hoe! geene levenslange verbanning meer voor andere misdaden
dan die gepleegd tegen het gemeene recht! Hoe! die politieke ballingen
kwamen van Tobolsk, van Jakoetsk en van Irkoetsk terug! Waarlijk, de
grootmeester der politie, aan de autocratische besluiten der ukazen
gewend, kon die wijze van regeeren niet goedkeuren! Doch hij zweeg,
totdat de czaar hem opnieuw ondervroeg.
De vragen lieten zich niet wachten.
»Is Ivan Ogareff,” vroeg de czaar, »niet eene tweede maal in Rusland
teruggekeerd, na die reis in de Siberische provinciën, eene reis
waarvan het ware doel onbekend is gebleven.”
»Hij is er teruggekeerd.”
»En, sedert dien terugkeer, heeft de politie zijn spoor verloren?”
»Neen, Sire, want een veroordeelde wordt slechts wezenlijk gevaarlijk
van den dag af dat hem genade geschonken is!”
Het voorhoofd van den czaar fronste zich een oogenblik. Wellicht
vreesde de grootmeester van politie te ver gegaan te zijn,—alhoewel
zijne halsstarrigheid in zijne denkbeelden ten minste gelijk stond met
de grenzenlooze verknochtheid die hij voor zijn meester koesterde; doch
de czaar, deze zijdelingsche verwijten aangaande zijne binnenlandsche
politiek minachtende, vervolgde kortaf de reeks zijner vragen:
»Waar was Ivan Ogareff het laatst?”
»In het gouvernement Perm.”
»In welke stad?”
»In Perm zelf.”
»Wat voerde hij daar uit?”
»Hij scheen daar niets uit te voeren, en zijn gedrag gaf niet de minste
aanleiding tot verdenking.”
»Stond hij niet onder het toezicht der hooge politie?”
»Neen, Sire.”
»Wanneer heeft hij Perm verlaten?”
»Omstreeks de maand Maart.”
»Om waar naar toe te gaan?”
»Dat is mij niet bekend.”
»En sedert dit tijdstip weet men niet waar hij gebleven is?”
»Dat weet men niet.”
»Nu, ik weet het!” antwoordde de czaar. »Naamlooze berichten, die niet
door de bureaux van politie gegaan zijn, zijn mij toegezonden, en
volgens de feiten, die op het oogenblik aan gene zijde der grenzen
plaats grijpen, heb ik alle reden te gelooven dat zij juist zijn!”
»Wil Uwe Majesteit hiermede zeggen,” riep de grootmeester van politie
uit, »dat Ivan Ogareff de hand heeft in den inval der Tartaren!”
»Ja, generaal, en ik zal u vertellen, hetgeen gij niet weet. Ivan
Ogareff, na het gouvernement Perm verlaten te hebben, is het
Oeral-gebergte overgetrokken. Hij is Siberië binnengedrongen, in de
Kirgiesche steppen, en hij heeft beproefd de zwervende stammen in
opstand te brengen. Hij is toen weer naar het zuiden getrokken, tot in
het vrije Turkestan. Daar, in de Khanaten Bokhara, Khokhand, Koendoez,
heeft hij hoofden gevonden die bereid waren hunne Tartaarsche horden in
de Siberische provinciën te doen binnendringen en een algemeenen inval
in het Russische rijk in Azië uit te lokken. De beweging is heimelijk
op touw gezet, doch zij is als een bliksemstraal uitgebarsten, en op
het oogenblik zijn de wegen en middelen van verkeer tusschen West- en
Oost-Siberië afgesneden! Daarenboven wil Ivan Ogareff, dorstende naar
wraak, een aanslag op het leven van mijn broeder doen!”
De czaar had zich al pratende opgewonden en liep met rassche schreden
heen en weer. De grootmeester van politie antwoordde niets, doch hij
zeide tot zich zelven, dat, ten tijde toen de keizers van Rusland nooit
gratie aan een banneling schonken, de plannen van Ivan Ogareff zich
nooit zouden hebben verwezenlijkt.
Eenige oogenblikken verliepen gedurende welke hij het stilzwijgen
bewaarde. Vervolgens den czaar naderende, die zich in een leuningstoel
geworpen had:
»Uwe Majesteit,” zeide hij, »heeft zonder twijfel bevelen gegeven dien
inval zoo snel mogelijk af te slaan?”
»Ja,” antwoordde de czaar. »Het laatste telegram dat Nijni-Oedinsk
heeft kunnen bereiken, heeft de troepen van de gouvernementen
Jeniseïsk, Irkoetsk, Jakoetsk, die der provinciën van de Amoer en van
het meer Baïkal in beweging moeten stellen. Tegelijkertijd trekken de
regimenten van Perm en van Nijni-Novgorod en de grenskozakken met
geforceerden marsch naar het Oeralgebergte op; doch, ongelukkig, moeten
er verscheidene weken verloopen alvorens zij zich tegenover de
Tartaarsche kolonnes kunnen bevinden!”
»En is de broeder van Uwe Majesteit, Zijne Keizerlijke Hoogheid, de
grootvorst, op het oogenblik afgezonderd in het gouvernement Irkoetsk,
niet meer in rechtstreeksche verbinding met Moskou?”
»Neen.”
»Maar hij moet toch, door de laatste dépêches weten, welke maatregelen
Uwe Majesteit genomen heeft en welke hulp hij te wachten heeft van de
gouvernementen, die het dichtst bij dat van Irkoetsk gelegen zijn.”
»Hij weet zulks,” antwoordde de czaar, »maar hetgeen hij niet weet is,
dat Ivan Ogareff, tegelijkertijd dat hij de rol van oproerling speelt,
ook die van verrader vervult, en dat hij in hem een persoonlijken en
verbitterden vijand heeft. Aan den grootvorst heeft Ivan Ogareff zijne
eerste ongenade te danken, en het ergste van alles is dat hij dien man
niet kent. Het plan van Ivan Ogareff is dus om zich naar Irkoetsk te
begeven, en daar, onder een valschen naam zijne diensten aan den
grootvorst aan te bieden. Na zijn vertrouwen gewonnen te hebben en
wanneer de Tartaren Irkoetsk zullen berend hebben, zal hij de stad
overleveren en met haar mijn broeder, wiens leven rechtstreeks bedreigd
is. Dit weet ik door »mijne” berichten; dit weet de grootvorst niet en
dit moet hij weten!”
»Welnu, Sire, een schrander, moedig koerier....”
»Ik wacht hem.”
»En hij moet spoed maken,” voegde de grootmeester van politie er bij,
»want veroorloof mij er bij te voegen, Sire, Siberië is een land dat
gunstig voor oproeren is!”
»Wilt gij hiermede zeggen, generaal, dat de ballingen met den vijand
gemeene zaak zouden maken?” riep de czaar uit, die, bij deze
verdachtmaking van den grootmeester van politie, zichzelf niet meester
was....
»Dat Uwe Majesteit het mij niet ten kwade duide!” antwoordde stamelend
de grootmeester van politie, want zijne ongerustheid en zijn argwaan
hadden hem wel degelijk deze gedachte ingegeven.
»Ik houd de bannelingen toch voor vaderlandlievender!” hernam de czaar.
»Er zijn in Siberië andere veroordeelden dan die, welke voor
staatkundige vergrijpen verbannen zijn,” antwoordde de grootmeester van
politie.
»Die boosdoeners! O! generaal, wat die betreft, ik laat ze aan u over!
Het is het uitvaagsel van het menschdom. Ze behooren tot geen land. De
opstand of liever de inval is niet gericht tegen den Keizer, maar tegen
Rusland, tegen dat land dat de ballingen nog eens hopen weer te zien,
en dat zij zullen weerzien!.... Neen, nooit zal een Rus met een Tartaar
samenspannen, om, al was het maar een uur, de Moskovitische macht te
verzwakken!”
De czaar had gelijk aan de vaderlandsliefde te gelooven van hen, die de
staatkunde slechts tijdelijk verwijderd hield. De vergevensgezindheid,
die de grond was van zijne gerechtigheid, wanneer hij zelf daarvan de
uitwerksels kon leiden; de zeer verzachtende maatregelen die hij
genomen had in de toepassing der ukazen, eertijds zoo verschrikkelijk,
waren voor hem een waarborg dat hij zich niet kon vergissen. Maar ook
zonder dit machtige bestanddeel tot steun van den inval der Tartaren,
waren de omstandigheden zeer ernstig, want het was te vreezen dat de
Kirgiesche bevolking zich bij den vijand zou aansluiten.
De Kirgiezen zijn in drie horden verdeeld, de groote, de kleine en de
middelhorde, die eene bevolking van twee millioen zielen uitmaken, en
omtrent vier honderd duizend tenten bewonen. Van deze verschillende
stammen zijn eenige onafhankelijk, terwijl andere de opperheerschappij
erkennen, hetzij van Rusland, hetzij van de Khanaten Khiva, Khokhand en
Bokhara, namelijk de geduchtste opperhoofden van Turkestan. De
middelhorde is de rijkste, en tegelijk de aanzienlijkste, en hare
legerplaatsen beslaan de geheele ruimte, gelegen tusschen de Sara-Soe,
de Irtisch, de boven-Ichim, het meer Hadisang en het meer Aksakal. De
groote horde, die de gewesten bewoont, gelegen ten westen van de
middelhorde, strekt zich uit tot de gouvernementen Omsk en Tobolsk.
Indien dus die Kirgiesche bevolkingen in opstand mochten geraken, dan
zou dit de bemachtiging van Aziatisch-Rusland tengevolgen hebben, en
allereerst de afscheiding van Siberië ten oosten van de Jeniseï.
Het is waar dat deze Kirgiezen, zeer onbedreven in het oorlog voeren,
geene geregelde soldaten zijn, maar veeleer plunderaars, die des
nachts, de karavanen aanvallen. Gelijk de heer Levchine gezegd heeft,
»een gesloten front of een carré goede infanterie kan eene tienmaal
talrijker massa Kirgiezen het hoofd bieden, en een enkel stuk geschut
kan er eene ontzettende menigte van vernielen.”
Goed, maar dat carré goede infanterie moet altijd toch nog in het
opgestane land aankomen en moeten de vuurmonden uit de geschutparken
der Russische provinciën vervoerd worden, die twee à drie duizend
wersten verwijderd zijn. Nu zijn, uitgenomen de rechtstreeksche weg die
Ekaterinenburg met Irkoetsk verbindt, de steppen, dikwijls moerassig,
niet gemakkelijk begaanbaar en verscheidene weken zouden er zeker
noodig zijn om de Russische troepen in staat te stellen de Tartaarsche
horden terug te slaan.
Omsk is het middelpunt der militaire organisatie in West-Siberië, die
bestemd is de Kirgiesche bevolkingen in bedwang te houden. Daar zijn de
grenzen, die deze ten deele onderworpen zwervende volken meer dan eens
geschonden hebben, en aan het ministerie van oorlog had men alle reden
te gelooven dat Omsk reeds zeer bedreigd werd. De linie der militaire
koloniën, namelijk van die Kozakkenposten die van Omsk tot
Semipalatinsk geëchelonneerd zijn, moest op verscheidene punten
doorgebroken zijn. Nu was het te vreezen dat de »groote sultans” die
over de Kirgiesche districten het bewind voeren, de heerschappij der
Tartaren,—Muzelmannen gelijk zij,—vrijwillig aangenomen of er zich
gedwongen aan onderworpen hadden, en dat bij den wrevel, door de
dienstbaarheid te voorschijn geroepen, zich nog de haat zou voegen,
veroorzaakt door de vijandige verhouding der Grieksche en
Mahomedaansche godsdiensten.
Sedert lang, inderdaad, zochten de Tartaren van Turkestan en
voornamelijk die van de Khanaten Bokhara, Khiva, Khokhand en Koendoez,
de Kirgiesche horden aan de Moskovische heerschappij te ontrukken, zoo
door geweld als door overreding.
Eenige woorden slechts over deze Tartaren.
De Tartaren behooren meer in ’t bijzonder tot twee afzonderlijke
rassen, het Kaukasische ras en het Mongoolsche ras.
Het Kaukasische ras, dat, zooals Abel de Rémusat gezegd heeft, als het
schoonheidstype van het Europeesch ras beschouwd wordt, bestaat uit
Turken en Perzen.
Het zuiver Mongoolsche ras bevat de Mongolen, Mandsjoes en Thibetanen.
De Tartaren, die toen het Russische rijk bedreigden, waren van
Kaukasischen oorsprong en bewoonden meer in ’t bijzonder Turkestan. Dit
uitgestrekte land is in verschillende Staten verdeeld, die door Khans
geregeerd worden; daar vandaan de benaming Khanaten. De voornaamste
Khanaten zijn die van Bokhara, van Khokhand, van Koendoez enz.
Op dit tijdstip was het belangrijkste en geduchtste Khanaat dat van
Bokhara. Rusland had reeds verscheidene malen tegen zijne opperhoofden
oorlog gevoerd, die uit een persoonlijk belang en om hen van juk te
doen verwisselen, de onafhankelijkheid der Kirgiezen gesteund hadden
tegen de Moskovitische heerschappij. Het toenmalige opperhoofd
Feofar-Khan drukte de voetstappen zijner voorgangers.
Dit Khanaat Bokhara strekt zich van het noorden naar het zuiden uit,
tusschen den zeven en dertigsten en een en veertigsten graad
noorderbreedte, en van het oosten naar het westen, tusschen de een en
zestigste en zes en zestigste graden oosterlengte, over eene
oppervlakte van ongeveer tien duizend vierkante mijlen.
Men telt in dezen Staat eene bevolking van twee millioen vijf maal
honderd duizend inwoners, een leger van zestig duizend man, in tijd van
oorlog tot het drievoudige gebracht, en dertig duizend ruiters. Het is
een land rijk aan voortbrengsels uit het dieren-, planten- en
delfstoffenrijk, en dat door de toetreding der provinciën Balkh, Aukoï
en Meïmaneh vergroot is geworden. Het heeft negentien aanzienlijke
steden. Bokhara, omgeven van een muur van meer dan acht Engelsche
mijlen in omtrek en door torens verdedigd, eene beroemde stad, vermaard
door de Avicennes en andere geleerden der Xe eeuw, wordt als het
middelpunt der muzelmansche geleerdheid beschouwd en gerangschikt onder
de beroemdste steden van Middel-Azië; Samarkand, waar zich het graf van
Tamerlan bevindt, en dat beroemde paleis, waar men dien blauwen steen
bewaart, waarop elke nieuwe Khan bij zijne troonsbeklimming moet gaan
zitten, wordt door eene buitengewoon sterke citadel verdedigd; Karschi,
met zijn driedubbelen muur, in een oasis gelegen, die door een moeras
omringd is, vol schildpadden en hagedissen, is bijna onneembaar;
Tsjardsjoeïe wordt door eene bevolking van bij de twintig duizend
zielen verdedigd; eindelijk vormen Katta-Koergan, Noerata, Djizah,
Païkande, Karakoel, Khoezar enz. een net van steden die moeilijk te
bedwingen zijn. Dit Khanaat Bokhara, door zijne bergen beschermd,
afgezonderd door zijne steppen, is dus een wezenlijk geduchte Staat, en
Rusland zou genoodzaakt zijn belangrijke strijdkrachten daartegen over
te stellen.
Het was nu de eerzuchtige en woeste Feofar, die in dat gedeelte van
Tartarije regeerde. Gerugsteund door de andere Khans, voornamelijk die
van Knokhand en van Koendoez, wreede en roofzuchtige krijgslieden,
altijd klaar om aan ondernemingen deel te nemen waarvoor de Tartaren
een sterke natuurlijke neiging hebben, geholpen door al de opperhoofden
der horden van Middel-Azië, had hij zich aan het hoofd geplaatst van
dien inval, waarvan Ivan Ogareff de ziel was. Die verrader, evenzeer
door zinnelooze eerzucht als door haat gedreven, had de beweging der
troepen zoo geregeld, dat hij den grooten Siberischen weg had
afgesneden. Het was waarlijk dwaas van hem te meenen, het Moskovische
rijk tot wijken te kunnen brengen. Onder zijn invloed, had de emir—dit
is de titel dien de Khans van Bokhara aannemen—zijne horden over de
Russische grenzen gejaagd. Hij was in het gouvernement van
Semipalatinsk gevallen, en de Kozakken die zich op dat punt in klein
aantal bevonden, hadden voor hem moeten wijken. Hij was voorbij het
meer Balkhach voortgerukt, op zijn doortocht de Kirgiesche bevolking
medeslepende. Al plunderende, verwoestende, in dienst nemende degenen,
die zich onderwierpen, en gevangen nemende hen, die weerstand boden,
rukte hij voort van stad tot stad, gevolgd door dien nasleep van een
oostersch vorst, dien men zijne hofhouding zou kunnen noemen, zijne
vrouwen en slavinnen, en zulks met de onbeschaamde driestheid van een
nieuwerwetschen Gengis-Khan.
Waar bevond hij zich op dit oogenblik? Tot hoever waren zijne soldaten
voortgerukt op het uur dat de tijding van den inval te Moskou aankwam?
Op welk punt van Siberië hadden de Russische troepen moeten wijken? men
kon het niet te weten komen. Het verkeer was afgebroken. Was de draad
tusschen Kolivan en Tomsk door eenige veldontdekkers van het
Tartaarsche leger vernield geworden, of had de emir de provinciën van
de Jeniseïsk bereikt? Was geheel westelijk Neder-Siberië in opstand?
Strekte zich de opstand reeds tot de oostelijke gewesten uit? Men kon
’t niet zeggen. De eenige werkzame kracht, die noch koude, noch warmte
ducht, die noch door de gestrengheid van den winter, noch door de
brandende hitte van den zomer kan tegengehouden worden, die met de
snelheid van den bliksem vliegt, de electrieke stroom namelijk, kon
niet meer door de steppen heensnellen, en het was niet meer mogelijk
den grootvorst, in Irkoetsk opgesloten, voor het gevaar te waarschuwen,
waarmede het verraad van Ivan Ogareff hem bedreigde. Een koerier alleen
kon den afgebroken stroom vervangen. Die man zou een zekeren tijd
noodig hebben, om vijf duizend twee honderd wersten (5.523 kilometer)
af te leggen, die Moskou van Irkoetsk scheiden. Om door de gelederen
der oproerlingen en der overweldigers heen te komen, moest hij, om zoo
te zeggen, tegelijk een bovenmenschelijken moed en een bovenmenschelijk
verstand ontwikkelen. Maar met een goed hoofd en een moedig hart komt
men ver.
»Zal ik dat goede hoofd en dat moedige hart vinden?” vroeg de czaar
zich zelf af.
III.
MICHAEL STROGOFF.
De deur van het keizerlijk vertrek ging weldra open, en de kamerdienaar
diende generaal Kissoff aan.
»En die koerier?” vroeg de czaar driftig.
»Hij is daar, Sire,” antwoordde generaal Kissoff.
»Gij hebt den geschikten man gevonden?”
»Ik durf voor hem instaan, Sire.”
»Was hij van dienst op het paleis?”
»Ja, Sire.”
»Kent gij hem?”
»Persoonlijk, en meermalen heeft hij, met goeden uitslag, moeielijke
zendingen vervuld.”
»In het buitenland?”
»In Siberië zelf.”
»Waar is hij van daan?”
»Van Omsk. Het is een Siberiër.”
»Is hij koelbloedig, schrander, moedig?”
»Ja, Sire, hij bezit al hetgeen noodig is om te slagen, daar waar
anderen misschien schipbreuk zouden lijden.”
»Zijn ouderdom?”
»Dertig jaar.”
»Is het een krachtvol man?”
»Sire, hij kan, tot het uiterste, koude, honger, dorst en vermoeienis
uitstaan.”
»Hij heeft dan een ijzeren gestel?”
»Ja, Sire.”
»En een hart?”
»Als goud zoo eerlijk.”
»Hij heet?”
»Michael Strogoff.”
»Is hij gereed om te vertrekken?”
»Hij wacht in de zaal der garde, de bevelen van Uwe Majesteit.”
»Laat hem binnen komen,” zeide de czaar.
Eenige oogenblikken daarna trad de koerier Michael Strogoff het
keizerlijk vertrek binnen.
Michael Strogoff was een sterk, jong man, groot van gestalte, met
breede schouders en breede borst. Zijn groot hoofd droeg de schoone
kenteekenen van het Kaukasische ras. Zijne goed samengevoegde ledematen
waren even zoo vele hefboomen, geschikt tot het uitvoeren van zwaar
werk. Deze schoone, stevige en flinke jonge man had men niet
gemakkelijk, tegen zijn zin, uit den weg doen gaan, want had hij
eenmaal zijne beide voeten op den grond gezet, dan scheen het alsof zij
er ingeworteld waren.
Op zijn van boven vierkant hoofd, boven zijn breed voorhoofd, krulde
weelderig haar, dat in lokken onder zijne Moskovische muts uitkwam.
Wanneer zijn gelaat, dat gewoonlijk bleek was, een zekeren blos aannam,
was het enkel door een sterker kloppen van zijn hart, dat zijn bloed
sneller deed omloopen. Zijne oogen waren donkerblauw, met een
oprechten, vrijen en rustigen blik, en zij schitterden onder een boog,
waar de licht ingetrokken wenkbrauwspieren van een verheven moed
getuigden, »van dien moed zonder toorn, den helden eigen” zooals de
gelaatkundigen zeggen. Zijne groote, naar onder breed toeloopende neus
beheerschte een welbesneden mond, met een weinig vooruitstekende lippen
van »den mensch, die edelmoedig en goed is.”
Michael Strogoff had het gestel van een vastberaden man, die spoedig
zijn besluit neemt, die in de onzekerheid, zijn nagels niet afbijt,
die, bij twijfeling, zich niet achter de ooren krabt, die, in
besluiteloosheid, niet stampvoetend heen en weer loopt. Matig in
gebaren als in woorden, wist hij onbeweeglijk te staan als een soldaat
voor zijn meerdere, doch als hij liep, toonde zijn gang eene groote
ongedwongenheid aan, eene opmerkelijke netheid van bewegingen, hetgeen
tegelijk het zelfvertrouwen en de levendigheid van zijn geest
aantoonde. Het was een van die mannen, wier hand »vol van de
gelegenheidsharen scheen te zijn,” eene zinnebeeldige zegswijze, die
eenigszins gedwongen is, doch die hen met éen penseeltrek afschildert.
Michael Strogoff was gekleed in een nette militaire uniform, die veel
overeenkwam met die der officieren van de jagers te paard, wanneer zij
te velde zijn: laarzen, sporen, halfnauwsluitende pantalon, pels met
bont afgezet en versierd met gele nestels op een bruinen grond. Op
zijne breede borst prijkte eene ridderorde en verscheidene medailles.
Michael Strogoff behoorde tot het keurkorps koeriers van den czaar, en
hij had daarin den rang van officier. Zijn gang, zijne gelaatstrekken,
zijne geheele persoon deden meer in het bijzonder gevoelen, en de czaar
merkte dit ook terstond op, dat hij »een uitvoerder van bevelen” was.
Hij bezat dus, volgens de opmerking van den beroemden romanschrijver
Tourgueneff, eene dier in Rusland meest aanbevelenswaardige
hoedanigheden, die tot de hoogste posten van het Moskovische rijk
voert.
Voorwaar, zoo een man die reis van Moskou naar Irkoetsk, dwars door een
overheerd land, goed kon ten einde brengen, alle hinderpalen kon te
boven komen en alle gevaren kon trotseeren, dan was het, meer dan
iemand anders, Michael Strogoff.
Voor het welslagen zijner plannen was het een zeer gunstige
omstandigheid, dat Michael Strogoff het land dat hij zou doortrekken,
uitmuntend kende, en dat hij er de verschillende tongvallen van machtig
was, niet alleen omdat hij het doorkruist had, maar ook omdat hij van
Siberische afkomst was.
Zijn vader, de oude Peter Strogoff, sedert tien jaar overleden,
bewoonde de stad Omsk, gelegen in het gouvernement van dien naam, en
zijne moeder, Marfa Strogoff, woonde er nog. Daar, te midden der woeste
steppen der provinciën Omsk en Tobolsk, had de geduchte Siberische
jager zijn zoon Michael hard en ruw opgevoed. Peter Strogoff was jager
van beroep. Zoowel ’s zomers als ’s winters, zoowel bij eene
keerkringshitte als bij eene koude van soms vijftig graden onder nul,
liep hij over de verharde vlakte, door kreupelbosschen van lorke- en
berkeboomen, door dennenwouden, zette zijne vallen en beloerde het
kleine wild met het geweer, en het groote met de gaffel of het mes.
Het groote wild was niets minder dan de Siberische beer, een
ontzagwekkend en wreed dier, waarvan de grootte gelijk is aan die van
den ijsbeer. Peter Strogoff had meer dan negen en dertig beren gedood,
dat wil zeggen, dat de veertigste onder zijne steken gevallen was,—en
men weet, wanneer men de jachtlegenden van Rusland gelooven mag,
hoeveel jagers, die tot den negen en dertigsten beer gelukkig zijn
geweest, voor den veertigsten bezweken zijn!
Peter Strogoff had dus het noodlottige getal overschreden, zonder zelfs
eene lichte wond ontvangen te hebben. Sedert dit oogenblik vergezelde
zijn zoon Michael, toen elf jaar oud, hem voortdurend op zijne jachten,
droeg voor hem de »ragatina”, namelijk de gaffel, terwijl hij alleen
met het mes gewapend was. Op zijn veertiende jaar had Michael Strogoff
zijn eerste beer gedood, geheel alleen,—dat nog niets was;—maar na hem
gevild te hebben, had hij de huid van het reusachtige dier tot de
ouderlijke woning gesleept, waarvan hij eenige wersten verwijderd
was,—hetgeen bij het kind eene ongewone kracht aanduidde.
Dat leven was van dat gevolg dat hij, op den mannelijken leeftijd
gekomen, in staat was alles te doorstaan, de koude, de hitte, de
honger, de dorst, de vermoeienis. Het was, zooals de Jakoet der
noordelijke streken, een man van staal. Hij kon vier en twintig uren
zonder eten, tien nachten zonder slapen blijven, en wist zich te midden
der steppen tegen de koude te beschutten, daar waar anderen
doodgevroren zouden zijn. Toegerust met zintuigen van eene
buitengemeene fijnheid, geleid door het instinct van eene Delaware te
midden der witte vlakte, vond hij, wanneer de mist den geheelen
gezichteinder onderschepte, zelfs wanneer hij zich in het land der
hooge breedten bevond, waar de poolnacht langen tijd heerscht, zijn
weg, daar waar anderen hunne schreden niet hadden kunnen richten. Al de
geheimen van zijn vader waren hem bekend. Hij had geleerd zijne
schreden te richten naar bijna onmerkbare teekens, namelijk de richting
der ijskegels, de ligging der dunne boomtakjes, de lucht die van de
uiterste grenzen van den gezichteinder toevloeide, het vertrapte gras
in de wouden, nauw merkbare tonen die in de lucht zweefden, knallen in
de verte, trekvogels in de benevelde lucht, duizenden bijzonderheden,
die als duizenden bakens zijn voor hem, die ze weet te herkennen.
Bovendien gehard in de sneeuw, als een Damascener kling in de wateren
van Syrië, had hij eene ijzeren gezondheid, zooals generaal Kissoff
gezegd had, en hetgeen niet minder waar was, een hart van goud.
De eenige hartstocht, dien Michael Strogoff bezat, was de liefde voor
zijne moeder, de oude Marfa, die nooit het oude huis der Strogoffen te
Omsk, aan de boorden van de Irtisch had willen verlaten, daar waar de
oude jager en zij zoolang te samen leefden. Toen haar zoon haar
verliet, was het met een beklemd hart, doch hij beloofde haar, elken
keer dat hij zulks kon, terug te komen, eene belofte die hij altijd
heilig nagekomen was.
Er was besloten geworden dat Michael Strogoff met zijn twintigste jaar
in persoonlijken dienst van den Keizer van Rusland zou treden, in het
korps koeriers van den czaar. De jonge Siberiër, stoutmoedig,
schrander, vol ijver, van een goed gedrag, kreeg al dadelijk
gelegenheid zich in ’t bijzonder op een reis naar den Kaukasus te
onderscheiden, te midden van een moeilijk land, door eenige woelige
opvolgers van Shamyl in opstand gebracht; vervolgens, eenigen tijd
later, gedurende eene gewichtige zending, die hem tot Petropolowsky aan
de uiterste grens van Aziatisch Rusland in Kamtschatka bracht.
Gedurende deze lange reizen, spreidde hij wondervolle koelbloedigheid,
voorzichtigheid en moed ten toon, die hem de goedkeuring en de gunst
zijner chefs verwierf, en hij kwam zeer spoedig vooruit.
Van zijn verlof, waarop hij telkens na deze verre zendingen met recht
aanspraak had, verzuimde hij nooit gebruik te maken om zijne oude
moeder te gaan opzoeken, al was hij duizenden wersten van haar
verwijderd en al maakte de winter de wegen onbegaanbaar. Echter, en wel
voor den eersten keer, had Michael Strogoff, die het in het zuiden van
het rijk zeer druk had gehad de oude Marfa in geen drie jaar
teruggezien en die drie jaren waren voor hem drie eeuwen. Zijn
reglementair verlof zou hem nu over eenige dagen toegestaan worden, en
hij had reeds de toebereidselen tot zijn vertrek naar Omsk gemaakt,
toen de bekende omstandigheden zich voordeden. Michael Strogoff werd
dus den czaar voorgesteld, geheel onbekend met hetgeen deze van hem
verwachtte.
De czaar, zonder tot hem het woord te richten keek hem eenige
oogenblikken met een doordringenden blik aan, terwijl Michael Strogoff
volkomen onbeweeglijk bleef staan.
Vervolgens keerde de czaar, zonder twijfel voldaan over dit onderzoek,
naar zijn schrijftafel terug en aan den grootmeester van politie een
teeken gevende om plaats te nemen, zegde hij hem zacht een brief voor,
die slechts eenige regels bevatte.
De czaar las den opgegeven brief nog eens met eene buitengewone
oplettendheid over, teekende hem vervolgens, na zijn naam te hebben
laten voorafgegaan door de woorden: »Byt po sémou,” welke beteekenen:
»Het zij zoo,” en het vaste formulier der Russische Keizers uitmaken.
De brief werd toen in een omslag gedaan en met het keizerlijk wapen
verzegeld.
De czaar vervolgens opstaande, gelastte Michael Strogoff te naderen.
Michael Strogoff trad eenige schreden nader en bleef opnieuw
onbeweeglijk staan, gereed om te antwoorden.
De czaar keek hem nog eens goed in de oogen. Vervolgens vroeg hij met
eene afgemeten stem:
»Uw naam?”
»Michael Strogoff, Sire”.
»Uw graad?”
»Kapitein bij het korps koeriers van den czaar.”
»Gij kent Siberië?”
»Ik ben een Siberiër.”
»Gij zijt geboren?....”
»Te Omsk.”
»Hebt gij bloedverwanten te Omsk?”
»Ja, Sire.”
»Welke?”
»Mijne oude moeder.”
De czaar staakte een oogenblik de reeks zijner vragen. Vervolgens den
brief toonende, die hij in de hand hield.
»Ziehier een brief,” zeide hij, »dien ik u gelast, u Michael Strogoff,
eigenhandig den grootvorst ter hand te stellen, en aan niemand anders
dan aan hem.”
»Ik zal hem ter hand stellen, Sire.”
»De grootvorst is te Irkoetsk.”
»Ik zal naar Irkoetsk gaan.”
»Maar gij zult een land moeten doortrekken, door oproerlingen in
opstand gebracht, door Tartaren overmeesterd, die er belang bij zullen
hebben dezen brief te onderscheppen.”
»Ik zal het doortrekken.”
»Gij moet u vooral wachten voor een verrader, Ivan Ogareff, dien ge
wellicht op uw weg zult ontmoeten.”
»Ik zal mij voor hem wachten.”
»Gaat ge over Omsk?”
»Dat is in mijn weg, Sire.”
»Indien ge uwe moeder gaat bezoeken, dan loopt ge gevaar van herkend te
worden. Ge moet uwe moeder niet gaan bezoeken!”
Michael Strogoff aarzelde een oogenblik.
»Ik zal haar niet bezoeken.”
»Zweer mij, dat niets zal vermogen u te doen bekennen, wie gij zijt,
nog waar gij heengaat.”
»Ik zweer het.”
»Michael Strogoff,” hernam toen de czaar, terwijl hij den brief aan den
jongen koerier overhandigde, »neem dan dezen brief, waarvan het behoud
van geheel Siberië en misschien het leven van mijn broeder den
grootvorst afhangt.”
»Deze brief zal Zijne Keizerlijke Hoogheid den grootvorst overhandigd
worden.”
»Gij zult dus Irkoetsk bereiken, hoe dan ook?”
»Ik zal Irkoetsk bereiken of omkomen.”
»Ik heb er belang bij dat gij leeft.”
»Ik zal leven en slagen,” antwoordde Michael Strogoff.
De czaar scheen voldaan te zijn over het eenvoudige en kalme
vertrouwen, waarmede Michael Strogoff hem geantwoord had.
»Ga dan, Michael Strogoff,” zeide hij, »ga voor God, voor Rusland, voor
mijn broeder en voor mij!”
Michael Strogoff sloeg aan, verliet oogenblikkelijk het keizerlijk
vertrek, en eenige oogenblikken daarna, het Nieuwe Paleis.
»Ik geloof dat ge gelukkig in uwe keuze geweest zijt, generaal,” zeide
de czaar.
»Ja, Sire,” antwoordde generaal Kissoff, »en uwe Majesteit kan
verzekerd zijn dat Michael Strogoff alles zal doen wat een man vermag.”
»Het is een man inderdaad,” zeide de czaar.
IV.
VAN MOSKOU NAAR NIJNI-NOVGOROD.
De weg, dien Michael Strogoff tusschen Moskou en Irkoetsk ging afleggen
was een afstand van vijf duizend twee honderd wersten (5.523
kilometers.) Toen er nog geen telegraaf tusschen het Oeralgebergte en
de oostelijke grens van Siberië bestond, werd de dienst der dépêches
door koeriers verricht, waarvan de snelste achttien dagen noodig hadden
om zich van Moskou naar Irkoetsk te begeven. Doch dit was eene
zeldzaamheid, en die reis door Aziatisch-Rusland duurde gewoonlijk vier
à vijf weken, ofschoon alle middelen van vervoer ter beschikking dezer
gezanten van den czaar gesteld waren.
Als een man, die noch de koude, noch de sneeuw vreest, had Michael
Strogoff liever in het ruwe winterseizoen gereisd, waarin men over den
geheelen weg van sleden kan gebruik maken. De moeielijkheden aan de
verschillende wijzen van verplaatsing verbonden, zijn dan ten deele
minder geworden, doordat de onmetelijke steppen door de sneeuw effen
gemaakt zijn. Geene wateren meer om over te trekken. Overal de bevroren
vlakke waterspiegel, waarover de slede gemakkelijk en snel glijdt. Wel
zijn in dit jaargetijde misschien zekere natuurverschijnselen te
vreezen, zooals voortdurende dikke mist, buitengemeen strenge koude,
lange en vreeselijke sneeuwjachten, waarin soms geheele karavanen
omkomen. Het gebeurt ook wel dat wolven, door den honger gedreven, de
vlakte bij duizenden bedekken. Doch beter zou het geweest zijn deze
gevaren te loopen, want in dien harden winter zouden de Tartaarsche
overweldigers zich bij voorkeur in de steden gelegerd hebben, zouden
hunne stroopers niet de steppen afgeloopen hebben, zou elke
troepenbeweging ondoenlijk geweest zijn, en zou Michael Strogoff zich
gemakkelijk een weg gebaand hebben. Doch hij had noch tijd, noch uur te
kiezen. Hoe de omstandigheden ook waren, hij moest er zich in schikken
en vertrekken. Zoodanig nu was de toestand dien Michael Strogoff
duidelijk inzag, en hij bereidde er zich op hem het hoofd te bieden.
Vooreerst bevond hij zich niet meer in de gewone omstandigheden van een
koerier van den czaar. Deze hoedanigheid moest zelfs niemand op zijn
weg kunnen vermoeden. In een overmeesterd land wemelt het van spionnen.
Werd hij herkend dan was zijne zending in gevaar gebracht. Ook toen hij
hem eene belangrijke som gaf, die voor zijne reis voldoende moest zijn
en deze in zekere mate gemakkelijk moest maken, had generaal Kissoff
hem geen schriftelijk bevel gegeven, houdende deze vermelding: »Dienst
van den Keizer,” dat de Sesam bij uitnemendheid is. Hij meende dat het
voldoende was hem te voorzien van een »podaroshna.” Dit podaroshna was
gesteld ten name van Nikolaas Korpanoff, koopman, wonende te Irkoetsk.
Het machtigde Nikolaas Korpanoff zich door een of meer personen te doen
begeleiden, wanneer het noodig geacht werd en buitendien was het, door
eene bijzondere aanteekening geldig, zelfs ingeval de Moskovische
gouverneur elk ander onderdaan mocht verbieden Rusland te verlaten.
Het podaroshna was niets anders dan een vrijbrief om postpaarden te
kunnen nemen, doch Michael Strogoff moest er alleen van gebruik maken,
indien de vrijbrief geen gevaar opleverde zijne hoedanigheid verdacht
te maken, dat wil zeggen, zoolang hij zich op Europeeschen bodem
bevond. Uit deze omstandigheid volgde dus, dat hij in Siberië, dat is
te zeggen, wanneer hij de opgestane provinciën zou doortrekken, aan de
poststations niet als heer en meester zou kunnen gebieden, noch zich
voor anderen paarden zou kunnen doen geven, noch de vervoermiddelen
voor zijn persoonlijk gebruik zou kunnen eischen.
Michael Strogoff moest zulks niet vergeten; hij was geen koerier meer,
maar een eenvoudige koopman, Nikolaas Korpanoff, die van Moskou naar
Irkoetsk reisde, en als zoodanig onderworpen aan alle mogelijke
voorvallen van eene gewone reis.
Ongemerkt doortrekken—en wel meer of minder snel,—plaats zijner
bestemming bereiken, dit moest zijn doel zijn.
Voor dertig jaar bestond het geleide van een aanzienlijk reiziger uit
niet minder dan twee honderd Kozakken te paard, twee honderd man
voetvolk, vijf en twintig Baskirsche ruiters, drie honderd kameelen,
vierhonderd paarden, vijf en twintig wagens, twee draagbare booten en
twee stukken geschut. Zoodanig was het materieel voor eene reis door
Siberië gevorderd.
Hij, Michael Strogoff, zou noch stukken geschut, noch ruiters, noch
voetknechten, noch lastdieren hebben. Hij zou per rijtuig of te paard
gaan, wanneer hij zulks kon; te voet, wanneer hij te voet moest gaan.
De veertien honderd eerste wersten (1.493 kilometer) tusschen Moskou en
de Russische grenzen leverden geene moeielijkheid op. Spoorweg,
postwagens, stoombooten, postpaarden waren tot een ieders beschikking,
en, bijgevolg, ter beschikking van den koerier van den czaar.
Dus dienzelfden morgen van den 16den Juli niets meer van zijne uniform
aanhebbende, met een reiszak op den rug, gekleed in een eenvoudig
Russisch kostuum, eene nauwsluitende korte rok met den traditioneelen
gordel van den moejiek, eene wijde broek, laarzen tot aan de knie, met
een riem vastgemaakt, begaf Michael Strogoff zich naar het station, om
den eersten trein te nemen. Hij droeg zichtbaar ten minste, geen
wapenen, maar onder zijn gordel was een revolver verborgen en in zijn
zak een van die groote jachtmessen, die het midden houden tusschen mes
en yatagan, waarmede een Siberische jager een beer den buik weet open
te snijden, zonder zijne kostbare huid te beschadigen.
Er waren veel reizigers aan het station te Moskou. De stations van de
Russische spoorwegen zijn zeer bezochte plaatsen, zoowel door
toeschouwers als door vertrekkenden. Men houdt daar als een kleine
beurs van nieuwstijdingen. De trein, waarin Michael Strogoff plaats nam
moest hem afzetten te Nijni-Novgorod. Daar eindigde op dit tijdstip de
spoorweg, die Moskou met Petersburg verbindende, tot de Russische
grenzen verlengd zou worden. Het was een afstand van vierhonderd
wersten (ongeveer 426 kilometer,) en de trein zou er twaalf uren over
doen. Michael Strogoff, eenmaal te Nijni-Novgorod aangekomen, zou, naar
gelang der omstandigheden, hetzij den landweg, hetzij de stoombooten
van de Wolga nemen, ten einde zoo spoedig mogelijk het Oeralgebergte te
bereiken. Michael Strogoff strekte zich in zijn hoek uit, evenals een
waardig burger die zich niet veel om de wereld bekommert en die al
slapende den tijd zoekt te dooden. Daar hij evenwel niet alleen in den
coupé was, sliep hij slechts met een oog en luisterde met beide ooren.
Inderdaad was het gerucht van den opstand der Kirgiesche horden en van
den inval der Tartaren een weinig uitgelekt. De reizigers met wie het
toeval wilde dat hij de reis maakte, spraken er over, doch niet zonder
eenige omzichtigheid.
Deze reizigers, evenals de meesten van hen die de trein vervoerde,
waren kooplieden die zich naar de beroemde jaarmarkt van Nijni-Novgorod
begaven. Natuurlijk een zeer gemengd gezelschap, samengesteld uit
Joden, Turken, Kozakken, Russen, Georgiërs, Kalmukken en anderen, maar
bijna allen de nationale taal sprekende.
Men besprak het voor en tegen der gewichtige gebeurtenissen, die aan
gene zijde van het Oeralgebergte plaats vonden, en deze kooplieden
schenen te vreezen dat het Russische gouvernement zou genoodzaakt zijn
eenige beperkende maatregelen te nemen, vooral in de grensprovinciën:
maatregelen waaronder de handel zeker zou lijden.
Het moet gezegd worden, deze zelfzuchtigen beschouwden den oorlog, dat
wil zeggen de onderdrukking van den opstand en den strijd tegen den
inval, slechts uit het oogpunt van hunne bedreigde belangen. De
aanwezigheid van een eenvoudig soldaat, gekleed in zijne uniform,—en
men weet, hoe groot in Rusland het gewicht van de uniform is,—zou zeker
voldoende geweest zijn om dezen kooplieden den mond te snoeren. Doch in
den coupé, waarin Michael Strogoff zich bevond, deed niets de
tegenwoordigheid van een militair vermoeden, en de koerier van den
czaar, verplicht om onbekend te blijven, was er den man niet naar om
zich te verraden.
Hij luisterde dus.
»Men beweert dat de thee door karavanen aangebracht naar de hoogte
gaat,” zeide een Pers, die te herkennen was aan zijne muts van astrakan
en aan zijn bruinen tabbaard met breede plooien, die door het vele
wrijven versleten was.
»O! de thee heeft niets van de daling te vreezen,” antwoordde een oude
Jood met een norsch gezicht. »De thee, die op de markt van
Nijni-Novgorod komt, zal gemakkelijk naar het westen verzonden worden,
maar dat zal het geval niet zijn met de tapijten van Bokhara.”
»Hoe dan! Ge verwacht dus eene bezending van Bokhara?” vroeg de Pers.
»Neen, maar eene bezending van Samarkand, en zij is daarom des te meer
blootgesteld! Hoe kan men rekenen op verzendingen uit een land dat van
Khiva tot de grenzen van China in opstand is!”
»Goed!” antwoordde de Pers, »wanneer de tapijten niet aankomen, dan
veronderstel ik dat de wissels ook niet zullen aankomen!”
»En de winst, God van Israël!” riep de kleine Jood uit, »rekent ge die
voor niets?”
»Gij hebt gelijk,” zeide een andere reiziger, »de artikelen van
Middel-Azië loopen gevaar van op de markt te ontbreken, en dat zal ook
het geval zijn met de tapijten van Samarkand, evenals de wol, en de
oostersche shawls.”
»Hei! pas op, vadertje!” antwoordde een Russisch reiziger met een
spotachtig gelaat. »Ge zult uwe shawls verschrikkelijk vet maken als ge
ze in aanraking brengt met uwe talk.”
»Gij lacht daarmee,” hernam op een scherpen toon de koopman, dien zulk
gekscheren weinig beviel.
»He! wanneer men zich de haren uit het hoofd trok, wanneer men in zak
en asch ging zitten,” antwoordde de reiziger, »zou dat den loop der
zaken dan veranderen? Neen! even zoo min als den prijs der koopwaren!”
»Men kan wel merken dat gij geen koopman zijt!” hernam de kleine Jood.
»Jongen neen, waarde afstammeling van Abraham! Ik verkoop noch hop,
noch dons, noch honig, noch was, noch hennipzaad, noch gezouten
vleesch, noch kaviaar, noch hout, noch wol, noch lint, noch hennep,
noch vlas, noch marokijn, noch pelterijen!....”
»Maar koopt ge er?” vroeg de Pers, den reiziger in de rede vallende.
»Zoo min mogelijk, en alleen voor eigen gebruik,” antwoordde deze
knipoogende.
»Dat is een grappenmaker,” zeide de Jood tot den Pers.
»Of een spion,” antwoordde deze fluisterende. »Laat ons op onze hoede
zijn, en laten wij niet meer spreken dan noodig is! De politie is
tegenwoordig niet gemakkelijk, en men weet al niet met wie men reist!”
In een anderen hoek van den coupé sprak men een beetje minder over
handelsproducten, maar een weinig meer over den inval der Tartaren en
over zijn droevige gevolgen.
»De Siberische paarden zullen weldra opgeëischt worden,” zeide een
reiziger, »en het verkeer tusschen de verschillende provinciën van
Middel-Azië zal zeer moeielijk worden.”
»Is het zeker,” vroeg hem zijn buurman, »dat de Kirgiezen van de
middel-horde, gemeene zaak met de Tartaren gemaakt hebben?”
»Men zegt het,” antwoordde de reiziger zacht, »maar wie kan zich vleien
iets in dit land te weten!”
»Ik heb hooren spreken van het samentrekken van troepen op de grenzen.
De Kozakken van den Don zijn reeds aan de Wolga verzameld, en zullen
weldra tegen de Kirgiezen optrekken.”
»Indien de Kirgiezen de Irtisch afgezakt zijn, dan moet de weg naar
Irkoetsk niet meer veilig zijn!” merkte zijn buurman op. »Trouwens,
gisteren heb ik een telegram naar Krasnoïarsk willen verzenden, en het
heeft niet door kunnen gaan. Het is te vreezen, dat de Tartaarsche
troepen, binnen kort, oostelijk Siberië zullen afgesneden hebben!”
»In éen woord, vadertje,” hernam de eerste spreker, »de kooplieden
hebben reden van ongerust te zijn, omtrent hun handel. Na de paarden
opgeëischt te hebben, zal men de booten, de wagens, al de middelen van
vervoer opeischen, totdat men over de geheele uitgestrektheid van het
rijk geen stap meer zal mogen doen.”
»Ik vrees zeer, dat de jaarmarkt te Nijni-Novgorod niet zoo schitterend
zal eindigen, als zij begonnen is!” hernam de tweede spreker, het hoofd
schuddende. »Doch de veiligheid en de onschendbaarheid van den
Russischen bodem boven alles. De zaken zijn maar de zaken!”
Zoo in dezen coupé het onderwerp van de bijzondere gesprekken weinig
verschilde, evenzoo was dit het geval in de andere rijtuigen van den
trein; maar overal zou een opmerker eene buitengewone omzichtigheid
waargenomen hebben in de gesprekken, die de reizigers onder elkander
wisselden. Wanneer zij zich somwijlen op het gebied der feiten waagden,
gingen zij nooit zoo ver om de inzichten van het Moskovisch
gouvernement te toetsen of te beoordeelen. Dit werd zeer juist
opgemerkt door een der reizigers, die in een der voorste wagens van den
trein zat. Deze reiziger, blijkbaar een vreemdeling, nam alles
nauwkeurig op en deed twintig vragen, waarop men slechts ontwijkend
antwoordde. Elk oogenblik uit het raampje kijkende, waarvan het glas
naar beneden was, tot groot ongerief van zijne medereizigers, verloor
hij geen enkel gezichtspunt van den gezichteinder ter rechter zijde;
hij vroeg den naam der meest onbeduidende plaatsen, hunne ligging,
welken handel zij dreven, hunne nijverheid, het aantal inwoners, het
getal der sterfte van beider sekse enz., en dit alles schreef hij in
een boekje, reeds overladen met aanteekeningen.
Dit was de correspondent Alcide Jolivet, en indien hij zooveel
onbeduidende vragen deed, was zulks, om te midden van zooveel
antwoorden die daarop volgden, een belangrijk feit voor zijne nicht te
vernemen, maar natuurlijk zag men hem aan voor een spion, en men zeide
niets dat betrekking had op de gebeurtenissen van den dag.
Ziende dat hij niets kon vernemen betrekkelijk den inval der Tartaren,
schreef hij in zijn notitieboekje:
Reizigers van een volstrekte stilzwijgendheid; in staatkundige zaken
niets los te krijgen.
Terwijl Alcide Jolivet zijne reisindrukken nauwkeurig aanteekende, gaf
zijn collega, in denzelfden trein gezeten, en voor hetzelfde doel
reizende, zich over aan denzelfden arbeid in een anderen waggon. Geen
van beiden hadden elkander dien dag aan het station te Moskou ontmoet,
en zij wisten van weerszijde niet dat zij naar het tooneel van den
oorlog vertrokken waren. Doch Harry Blount, die weinig sprak maar veel
toeluisterde, had aan zijne medereizigers niet hetzelfde wantrouwen
ingeboezemd als Alcide Jolivet. Ook had men hem niet aangezien voor een
spion, en zijne buren praatten in zijne tegenwoordigheid, zonder zich
te geneeren en lieten zich zelfs meer uit dan hunne natuurlijke
omzichtigheid het meebracht. De correspondent van de Daily Telegraph
had dus kunnen opmerken hoezeer de gebeurtenissen deze kooplieden, die
zich naar Nijni-Novgorod begaven, bezig hielden, en hoezeer de handel
met Middel-Azië in zijn doorvoer bedreigd werd.
Ook aarzelde hij niet in zijn aanteekeningboekje deze alleszins juiste
opmerkingen te schrijven: »Reizigers zeer ongerust; men spreekt van
niets dan oorlog en men spreekt er over met eene vrijheid die, tusschen
de Wolga en de Weichsel, verwondering moet wekken!”
De lezers van de Daily Telegraph werden dus even zoo goed op de hoogte
gehouden als de »nicht” van Alcide Jolivet.
En daar Harry Blount, gezeten aan de linkerzijde van den trein, slechts
een gedeelte van de streek gezien had, dat zeer heuvelachtig was,
zonder zich de moeite te geven naar het rechter gedeelte om te kijken,
dat uit onafzienbare vlakten bestond, bleef hij niet in gebreke, er met
Britsche zekerheid bij te voegen: »Bergachtig land tusschen Moskou en
Wladimir.”
Het was evenwel zichtbaar dat het Russische gouvernement in deze
ernstige omstandigheden eenige strenge maatregelen nam, zelfs binnen
het rijk. De opstand had de Siberische grenzen niet overschreden, maar
in de provinciën van de Wolga, zoo dicht in de nabijheid van het land
der Kirgiezen, mocht men vrees koesteren voor de uitwerking van kwade
invloeden.
Inderdaad had de politie het spoor van Ivan Ogareff nog niet kunnen
terugvinden. Had deze verrader, den vreemdeling oproepende om zijn
persoonlijken wrok te koelen, zich bij Feofar-Khan gevoegd, of wel
zocht hij het oproer aan te stoken in het gouvernement van
Nijni-Novgorod, dat, in dit gedeelte van het jaar, eene bevolking
bevatte uit zeer verschillende bestanddeelen samengesteld? Waren er
niet onder deze Perzen, deze Armeniërs, deze Kalmukken, die naar de
groote jaarmarkt toestroomden, vertrouwelingen, belast om eene beweging
binnen het rijk uit te lokken? Al deze veronderstellingen waren
mogelijk, vooral in een land als Rusland.
Inderdaad, dit uitgestrekte rijk, dat eene oppervlakte heeft van twaalf
millioen vierkante kilometer, kan onmogelijk de volkseenheid bezitten
van de staten van West-Europa. Tusschen de verschillende volken,
waaruit het samengesteld is, bestaat er noodzakelijk meer verschil dan
een onmerkbare overgang. Het Russisch grondgebied in Europa, Azië en
Amerika strekt zich uit van den vijftienden graad oosterlengte tot den
honderd drie en dertigsten graad westerlengte, zijnde eene
uitgestrektheid van ruim twee honderd graden en van den acht en
dertigsten tot den een en tachtigsten graad noorderbreedte, zijnde drie
en veertig graden. Men telt er meer dan zeventig millioen inwoners. Men
spreekt er dertig verschillende talen. Het Slavische ras heeft er
zonder twijfel de overhand, maar het bevat, met de Russen, Polen,
Lithauërs en Koerlanders. Voeg er bij de Finnen, Esthlanders,
Laplanders, Tscheremissen, Tchoevachen, Permiaken, Duitschers, Grieken,
Tartaren, de Kaukasische stammen, de Mongoolsche, Kalmuksche,
Samojeedsche, Kamptschatdaalsche en Aleoutische horden, en men zal
begrijpen dat de eenheid van zulk een uitgestrekten staat moeielijk te
handhaven was, en dat zij slechts het werk kon zijn van den tijd,
samenwerkende met het beleid der gouvernementen.
Hoe het ook zij, Ivan Ogareff had tot dusverre aan alle opsporingen
weten te ontsnappen, en, zeer waarschijnlijk moest hij zich gevoegd
hebben bij het Tartaarsche leger. Bij elk station, waar de trein stil
hield, waren inspecteurs aanwezig, die de reizigers ondervroegen en
allen een streng onderzoek deden ondergaan, want, op bevel van den
grootmeester van politie, zochten zij Ivan Ogareff.
Het gouvernement meende inderdaad te weten dat deze verrader
Europeesch-Rusland nog niet kon verlaten hebben. Wanneer een reiziger
verdacht voorkwam, moest hij zich aan het politiebureau bekend maken;
de trein vertrok dan zonder zich in het minst over den achterblijver te
bekommeren.
Tegen de Russische politie, die zeer streng is, is het volstrekt
doelloos om te willen redeneeren. Hare beambten zijn bekleed met
militaire graden en zij gaan op militaire wijze te werk. Waar trouwens
het middel te vinden om niet, zonder een woord te spreken, aan de
bevelen te gehoorzamen, uitgevaardigd door den vorst, die het recht
heeft dit formulier aan het hoofd zijner ukazen te bezigen:
»Wij, door de gratie Gods, Keizer en alleenheerscher aller Russen, van
Moskou, Kiew, Wladimir en Novgorod, Czaar van Kazan, van Astrakan,
Czaar van Polen, Czaar van Siberië, Czaar van het Taurische
Schiereiland, Heer van Pskof, Grootvorst van Smolensko, van Lithauen,
van Volhynië, van Podolië en Finland, Vorst van Esthland, van Lijfland,
van Koerland en van Ingermanland, van Bialystok, van Karelië, van
Ioegrië, van Perm, van Wiatka, van Bolgarije en van verscheidene andere
landen, Heer en Grootvorst van het grondgebied van Nijni-Novgorod, van
Tchernigof, van Riazan, van Polotsk, van Rostof, van Jaroslaw, van
Bielozersk, van Oedorië, van Obdorië, van Kondinië, van Witepsk, van
Mstislaw, beheerscher der poolstreken, heer der landen van Iverië, van
Kartalinië, van Grouzinië, van Karbardinië, van Armenië, Erf- en
Opperheer der Tcherkessische vorsten, van die der bergen en anderen,
erfgenaam van Noorwegen, van het hertogdom Sleeswijk-Holstein, van
Stormarn, van de Ditmarschen en van Oldenburg.” Een machtig opperheer,
inderdaad, wiens wapen een dubbele arend is, houdende een scepter en
een aardkloot, die het wapenschild omgeven van Novgorod, van Wladimir,
van Kiew, van Kazan, van Astrakan, van Siberië, en dat de keten van de
orde van St. Andréas omgeeft, gedekt door eene koningskroon.
Wat Michael Strogoff betreft, zijn pas was in orde, en hij, bijgevolg,
tegen elke politiemaatregel beveiligd.
Aan het station te Wladimir hield de trein eenige oogenblikken op,
hetgeen den verslaggever van de Daily Telegraph voldoende scheen, om,
uit een natuurkundig en zedelijk oogpunt, een volkomen overzicht van
deze oude hoofdstad van Rusland te nemen.
Aan het station te Wladimir stapten nieuwe reizigers in den trein.
Onder anderen kwam een jong meisje aan het portier van den wagen,
waarin Michael Strogoff zat. Er was eene leege plaats tegenover den
koerier van den czaar. Het jonge meisje nam die plaats in, na een
eenvoudige, roodlederen reiszak, die hare geheele bagage scheen te
bevatten, naast zich neergezet te hebben. Vervolgens met neergeslagen
oogen, zonder zelfs de medereizigers, die het toeval haar bezorgde,
aangezien te hebben, zette zij zich neder voor een overtocht die eenige
uren zou duren.
Michael Strogoff kon niet nalaten zijne nieuwe reisgezellin nauwkeurig
op te nemen. Daar zij achteruit reed, bood hij haar zijne plaats aan,
doch zij bedankte met eene buiging.
Dit jonge meisje moest ongeveer zestien of zeventien jaar oud zijn.
Haar bekoorlijk kopje, vertoonde het Slavische type in zijne volle
zuiverheid,—een wat streng type, dat haar bestemde eer schoon dan mooi
te worden, wanneer, na eenige jaren, hare trekken geheel gevormd zouden
zijn.
Uit een soort van kap, die zij ophad, golfde een overvloed van
goudblonde haren. Hare oogen waren bruin, van een onbeschrijfelijk
zachte uitdrukking. Haar rechte neus was aan hare wat magere en bleeke
wangen, door licht beweegbare neusvleugels verbonden. Haar mond was
fijn geteekend, maar het scheen dat zij sedert langen tijd het lachen
had afgeleerd.
De jonge reizigster was lang, slank voor zoover men kon oordeelen over
hare taille onder den wijden, zeer eenvoudigen pels, dien zij aanhad.
Hoewel zij, in de volle beteekenis des woords, nog een zeer jong meisje
was, leidde de ontwikkeling van haar hoog voorhoofd, de juiste vorm van
het onderste gedeelte van haar gelaat tot de gedachte, dat zij een
sterke zedelijke wilskracht bezat; eene bijzonderheid, die aan Strogoff
niet ontsnapte.
Klaarblijkelijk had dat jonge meisje al vroeg geleden en vertoonde de
toekomst zich zonder twijfel voor haar niet onder vroolijke kleuren:
doch het was niet minder zeker, dat zij had weten te strijden, en zij
besloten was nog meer te kampen tegen de bezwaren des levens. Haar wil
moest volhardend, hare kalmte onverstoorbaar zijn, zelfs in
omstandigheden waarin een man bloot zou staan om te bukken of toornig
te worden.
Zoodanig was de indruk, dien men op het eerste gezicht van het jonge
meisje kreeg. Michael Strogoff, zelf van eene krachtvolle natuur
zijnde, moest getroffen worden door de uitdrukking van dit gelaat, en
hoewel oppassende haar niet lastig te vallen door aanhoudend kijken,
sloeg hij zijne reisgenoote toch met zekere oplettendheid gade.
Het kostuum van de jonge reizigster was tegelijkertijd eenvoudig en
buitengewoon zindelijk. Zij was niet rijk, dat kon men haar gemakkelijk
aanzien, maar men zou te vergeefs in hare kleeding eenige slordigheid
opgemerkt hebben. Haar geheele bagage was in een leeren zak geborgen,
dien zij bij gebrek aan plaats op hare knieën hield.
Zij droeg een langen donkerkleurigen pels, zonder mouwen, die bevallig
om haar hals sloot, afgezet met een blauw boordsel. Onder dezen pels
bedekte een tuniek, ook van eene donkere kleur, eene japon, die tot
hare enkels kwam waarvan de onderrand bedekt was met een weinig
opvallend borduursel. Gestikte lederen halve laarsjes met vrij sterke
zolen, alsof ze gekozen waren voor eene lange reis, schoeiden hare
kleine voeten. Michael Strogoff meende uit zekere bijzonderheden in
hare kleeding de snede van de Lijflandsche kleederdracht op te merken,
en hij dacht dat zijne reisgezellin afkomstig moest zijn uit de
Oostzee-provinciën.
Maar waar ging dat jonge meisje heen, alléén, op een leeftijd waarop
haar de steun van een vader of eene moeder, de bescherming van een
broer, om zoo te zeggen, noodzakelijk waren. Kwam zij misschien reeds
na eene lange reis uit de provinciën van West-Rusland? Begaf zij zich
alleen naar Nijni-Novgorod, of wel strekte zich het doel van hare reis
uit tot over de oostelijke grenzen van het rijk? Wachtte een of andere
bloedverwant, een of andere vriend haar bij de aankomst van den trein?
Was ’t niet waarschijnlijker daarentegen, dat zij, bij het verlaten van
den wagen, zich even éenig zou gevoelen in de stad als in dien coupé,
waar niemand, ze mocht het gelooven, zich om haar scheen te bekommeren?
Dit was wel waarschijnlijk.
Inderdaad, de gewoonten, die men in de afzondering aanneemt, vertoonden
zich zeer opvallend in de manieren van de jonge reizigster. De wijze,
waarop zij in den wagen trad, en waarop zij zich voor de reis schikte,
de weinige drukte, die zij veroorzaakte, de moeite die zij nam om
niemand hinderlijk te zijn, alles verraadde de gewoonte, om alleen te
zijn en op zich zelve te rekenen.
Michael Strogoff beschouwde haar oplettend, doch, even terughoudend,
zocht hij geene gelegenheid om met haar te spreken, hoewel nog
verscheidene uren verloopen moesten vóor de aankomst van den trein te
Nijni-Novgorod. Een enkelen keer slechts, toen de buurman van dit jonge
meisje—de koopman die zoo onvoorzichtig de talk en de shawls
vermengde,—in slaap was geraakt en haar met zijn groot hoofd bedreigde,
dat van den eenen schouder naar den anderen waggelde, maakte Michael
Strogoff hem vrij norsch wakker, en deed hem begrijpen, dat hij rechtop
en op eene meer betamelijke wijze moest zitten. De koopman, van natuur
zeer grof, bromde eenige woorden als tegen lui die zich bemoeien met
zaken die hun niet aangaan, maar Michael Strogoff keek hem met zoo’n
ongemakkelijken blik aan, dat de slaper naar de andere zijde ging
leunen, en de jonge reizigster van zijn lastig buurschap bevrijdde.
Zij keek een oogenblik den jongen man aan, en er lag een stille en
zedige dank in haar blik.
Maar er deed zich eene omstandigheid voor, die aan Michael Strogoff een
juist denkbeeld gaf van het karakter van dit jonge meisje. Twaalf
wersten vóor de aankomst van den trein te Nijni-Novgorod kreeg de
trein, bij eene sterke kromming van de baan, een hevigen schok.
Vervolgens liep hij gedurende eene minuut over de helling van den berm.
Het gevolg hiervan was, dat de reizigers door elkander gegooid
werden,—kreten, verwarring, algemeene opschudding in de wagens! Men
vreesde dat er een ernstig ongeval had plaats gehad. Ook werden de
portieren, vóor dat de trein stil hield, geopend, en de verschrikte
reizigers hadden slechts éene gedachte: de rijtuigen te verlaten en
eene schuilplaats op den weg te zoeken.
Michael Strogoff dacht dadelijk aan zijne reisgenoote; maar terwijl de
reizigers uit zijn wagen naar buiten stormden, schreeuwende en elkander
verdringende, was het jonge meisje zeer rustig op hare plaats gebleven,
en vertoonde haar gelaat slechts eene lichte bleekheid.
Zij wachtte, Michael Strogoff wachtte ook. Zij maakte geene beweging om
den wagen te verlaten, hij evenmin.
Beiden bleven even koel.
»Eene krachtvolle natuur!” dacht Strogoff.
Het gevaar was evenwel spoedig voorbij. Het breken van een der
wielbanden van den goederenwagen, en vervolgens het stilhouden van den
trein, hadden den schok teweeggebracht; maar het had weinig gescheeld
of de trein zou buiten het spoor geraakt en in een kuil gestort zijn.
Men had een uur oponthoud. Eindelijk nadat de weg weer vrijgemaakt was,
kon de trein vertrekken, ’s avonds te half negen kwam hij aan het
station te Nijni-Novgorod aan.
Vóor dat iemand de wagens had kunnen verlaten, vertoonden zich de
inspecteurs van politie aan de portieren, en namen de reizigers
nauwkeurig op.
Michael Strogoff toonde zijn podaroshna, afgegeven op den naam van
Nikolaas Korpanoff. Dus geene moeilijkheid.
Wat de andere reizigers van den wagen betreft allen gingen naar
Nijni-Novgorod, en kwamen gelukkig voor hen, niet verdacht voor.
Het jonge meisje toonde geen pas, omdat de pas niet meer in Rusland
verplichtend is, maar een vrijgeleide voorzien van een bijzonder zegel.
De inspecteur las het met aandacht, en na haar, wier signalement hij in
de hand hield, zeer nauwkeurig opgenomen te hebben, zeide hij:
»Ge komt van Riga?”
»Ja,” zeide het jonge meisje.
»Ge gaat naar Irkoetsk?”
»Ja.”
»Welken weg?”
»Over Perm.”
»Goed,” hernam de inspecteur. »Draag zorg uw vrijgeleide aan het
politie-bureau te Nijni-Novgorod te laten afteekenen.”
Het jonge meisje boog, terwijl zij te kennen gaf dat zij zulks wist.
Deze vragen en deze antwoorden hoorende, ondervond Michael Strogoff
tegelijkertijd een gevoel van verwondering en van medelijden. Wat! Dit
jonge meisje alléén op weg naar het verre Siberië, en dat, terwijl bij
de gewone gevaren zich nu al de onheilen van een overmeesterd en
oproerig land voegden! Hoe zou zij daar aankomen? Wat zou er van haar
worden!....
Nadat het onderzoek afgeloopen was, werden de portieren van de wagens
geopend: maar, vóor dat Michael Strogoff bij haar kon komen, was het
jonge Lijflandsche meisje, dat het eerste uitgestapt was, verdwenen
onder de menigte, die zich op het perron verdrong.
V.
EEN BESLUIT IN TWEE ARTIKELEN.
Nijni-Novgorod, of Laag Novgorod, gelegen aan de samenvloeiing van de
Wolga en de Oka, is de hoofdplaats van het gouvernement van dien naam.
Daar moest Michael Strogoff den trein verlaten, die op dit tijdstip
niet verder ging. Naarmate hij dus vorderde, werden de middelen van
vervoer minder snel, vervolgens minder veilig.
Nijni-Novgorod, dat gewoonlijk niet meer dan dertig à vijf en dertig
duizend inwoners telt, bevatte er nu meer dan drie honderd duizend, dat
wil zeggen, dat zijne bevolking was vertienvoudigd.
Deze vermeerdering was het gevolg van de beroemde jaarmarkt, die
gedurende drie weken binnen hare muren gehouden wordt. Vroeger was het
Makariew, dat voordeel trok van dezen toeloop van kooplieden, maar
sedert 1817 is de jaarmarkt naar Nijni-Novgorod verlegd.
De stad, gewoonlijk vrij doodsch, vertoonde dus nu eene buitengewone
levendigheid. Tien verschillende rassen van kooplieden, Europeanen of
Aziaten, verbroederden zich onder den invloed van
handelsaangelegenheden.
Hoewel het vrij laat was, toen Michael Strogoff het station verliet,
was er nog veel volk op de been in deze twee steden, door den loop der
Wolga gescheiden, die Nijni-Novgorod bevat, en waarvan het hoogere
gedeelte, op eene steile rots gebouwd, verdedigd wordt door een dier
forten, in Rusland »Kreml” genoemd.
Indien Michael Strogoff genoodzaakt was geweest te Nijni-Novgorod te
overnachten, zou hij eenige moeite gehad hebben, een geschikt hotel of
zelfs eene herberg te vinden. Alles was bezet. Daar hij evenwel niet
aanstonds kon vertrekken, omdat hij de stoomboot van de Wolga moest
nemen, moest hij naar een of ander verblijf omzien. Maar van te voren
wilde hij nauwkeurig het uur van vertrek weten, en hij begaf zich naar
de bureaux der maatschappij, wier schepen dienst doen tusschen
Nijni-Novgorod en Perm. Daar vernam hij, tot zijne groote spijt, dat de
Kaukasus—dat was de naam der stoomboot—niet eerder dan den volgenden
dag, ’s middags, naar Perm vertrok. Zeventien uren wachten! Dat was
onaangenaam voor een man, die zoo gehaast was, en toch moest hij er
zich in schikken. Dat deed hij ook, want hij pruttelde nooit onnoodig.
Daarenboven zou, in de tegenwoordige omstandigheden, geen rijtuig,
telega of tarentass, berline of postwagen, noch eenig paard, hem
spoediger gebracht hebben, hetzij naar Perm of naar Kazan. Het was dus
beter om het vertrek van den stoomboot af te wachten, een sneller
vervoermiddel dan elk ander, en die hem den verloren tijd zou doen
inhalen.
Ziedaar dus Michael Strogoff, naar de stad gaande, zonder zich al te
angstig te maken, een herberg opzoekende, ten einde te overnachten.
Doch hierover bekommerde hij zich weinig, en zonder den honger, die hem
kwelde, zou hij waarschijnlijk tot den morgen door de straten van
Nijni-Novgorod gedwaald hebben. Hetgeen hij dus zocht was een
avondmaal, eerder dan een bed. Doch beiden vond hij daar, waar het
uithangbord »de stad Constantinopel” uithing. De logementhouder gaf hem
daar eene vrij goede kamer, schraaltjes gemeubileerd, maar waaraan het
beeld van de Heilige Maagd niet ontbrak, noch de portretten van enkele
heiligen, voor wie een met goud geborduurde stof tot lijst diende. Eene
eend met zuur gehakt gevuld, in dikke room zwemmende, gerstebrood,
gestremde melk, fijne suiker met kaneel vermengd, een pot kwass, eene
soort bier, in Rusland zeer algemeen, werden hem dadelijk voorgezet, en
hij had meer dan noodig was om zijn honger te stillen. Hij verzadigde
zich dus en beter dan zijn tafelbuur, die, in hoedanigheid van
oud-geloovige, van de sekte der Raskolniks, eene belofte van onthouding
afgelegd hebbende, de aardappelen van zijn bord wegwierp en zich wel
wachtte suiker in zijne thee te doen.
Toen zijn avondmaal afgeloopen was, hernam Michael Strogoff, in plaats
van naar zijne kamer te gaan, onwillekeurig zijne wandeling door de
stad, maar hoewel de lange schemering nog voortduurde, verdween de
menigte, werden de straten langzamerhand leeg en zocht ieder zijn
verblijf op.
Waarom had Michael Strogoff zich maar niet eenvoudig naar bed begeven,
zooals het betaamt na den geheelen dag in het spoor doorgebracht te
hebben? Dacht hij aan het jonge Lijflandsche meisje, dat gedurende
eenige uren zijne reisgenoote geweest was? Niets beter te doen
hebbende, dacht hij aan haar. Vreesde hij, dat zij, in die woelige stad
als verloren, misschien bloot zou staan aan eene beleediging? Hij
vreesde zulks en hij had er reden voor. Hoopte hij haar dan terug te
zien, en desnoods haar tot beschermer te dienen? Neen. Haar te
ontmoeten was moeilijk. Wat het beschermen aangaat.... met welk recht?
»Alléen,” zeide hij bij zich zelf, »alléen, te midden van dat zwervende
volk! En daarentegen zijn de tegenwoordige gevaren niets in
vergelijking van die, waaraan zij nog kan blootstaan!”
»Siberië! Irkoetsk! Hetgeen ik voor Rusland en de czaar ga beproeven,
doet zij voor.... voor wie? voor wat? Zij heeft het recht om over de
grenzen te gaan en het land aldaar is in opstand! Tartaarsche benden
loopen de steppen af!....”
Michael Strogoff bleef van tijd tot tijd stilstaan en begon na te
denken.
»Zonder twijfel, dacht hij, is dat reisplan bij haar opgekomen vóor den
inval. Misschien is zij zelfs onwetend van hetgeen er omgaat!.... Maar
neen, de kooplieden hebben in hare tegenwoordigheid over de onlusten in
Siberië gesproken.... en zij was volstrekt niet verwonderd.... zij
heeft zelfs geene enkele uitlegging gevraagd.... Maar zij wist het dus
en zulks wetende gaat zij!.... Het arme meisje!.... het schijnt dat de
beweegreden wel machtig moet wezen! Maar hoe moedig zij ook is—en zij
is het zeer zeker,—zullen hare krachten haar op weg begeven, en zonder
nog te spreken over de gevaren en de hinderpalen, kan zij onmogelijk de
vermoeienissen van zulk eene reis verdragen!... Nooit zal zij Irkoetsk
kunnen bereiken!”
Intusschen liep Michael Strogoff op goed geluk af rond, maar daar hij
de stad volkomen kende, kon het terugvinden van den weg voor hem geen
zwarigheid opleveren.
Na ongeveer een uur geloopen te hebben ging hij op eene bank zitten,
staande tegen eene houten tent, die zich te midden van meer anderen op
een groot plein bevond.
Hij zat daar ongeveer vijf minuten, toen een hand vrij ruw op zijn
schouder neerkwam.
»Wat doet gij daar?” vroeg hem de ruwe stem van een langen kerel, dien
hij niet had zien aankomen.
»Ik rust uit,” hernam Michael Strogoff.
»Zoudt gij plan hebben om den nacht op deze plank door te brengen?”
hernam de man.
»Ja, wanneer mij zulks bevalt,” hernam Michael Strogoff op een
eenigszins te scherpen toon voor den eenvoudigen koopman, dien hij
moest zijn.
»Nader dan, dat men u zien kan!” zeide de man.
Michael Strogoff, zich herinnerende dat hij bovenal voorzichtig moest
zijn, ging werktuiglijk terug.
»Het is niet noodig mij te zien,” hernam hij.
En hij trok bedaard een tiental passen achteruit.
Dien kerel goed opnemende, kwam het hem voor dat hij te doen had met
eene soort van zigeuner, zooals men die op alle kermissen aantreft, en
met wien het niet aangenaam is, in stoffelijke of zedelijke aanraking
te komen. Vervolgens, meer nauwkeurig in de duisternis kijkende, die
langzamerhand dichter werd, bemerkte hij in de nabijheid van de tent
een grooten wagen, dat gewone en beweeglijke verblijf der heidens, die
in Rusland krioelen, overal waar eenige kopeken te verdienen zijn.
Ondertusschen had de zigeuner twee à drie passen naar voren gedaan en
was hij voornemens om Strogoff meer bepaald te ondervragen, toen de
deur van de tent openging.
Eene vrouw, nauwelijks zichtbaar, naderde haastig, en in een vrij ruwen
tongval, dien Strogoff hield voor een mengsel van Mongoolsch en
Siberisch, zeide zij:
»Al weer een spion! laat hem gaan en kom eten, de papluka [3] is
klaar.”
Michael Strogoff kon niet nalaten te glimlachen over de benaming die
men hem gaf, aan hem die voor spionnen in ’t bijzonder bevreesd was.
Maar in dezelfde taal, hoewel de uitspraak van den spreker, zeer
verschillend was van die der vrouw, antwoordde de zigeuner met eenige
woorden die beteekenden:
»Gij hebt gelijk, Sangarre! morgen zijn wij toch vertrokken!”
»Morgen?” hernam de vrouw zeer zacht op een toon, die eene zekere
verwondering aanduidde.
»Ja, Sangarre,” antwoordde de zigeuner, »morgen, en het is de Vader
zelf, die ons zendt, waar wij willen heengaan!”
Daarop gingen man en vrouw de tent binnen, waarvan de deur zorgvuldig
gesloten werd.
»Mooi!” zeide Strogoff, »indien deze zigeuners niet begrepen willen
worden, wanneer zij onder elkander spreken, raad ik hun aan zich van
eene andere taal te bedienen.”
In zijne hoedanigheid van Siberiër en door zijne kindsheid in de
steppen doorgebracht te hebben, verstond Michael Strogoff bijna al de
tongvallen, in zwang van Tartarije tot aan de IJszee.
Wat de juiste beteekenis betreft der woorden tusschen den zigeuner en
zijne vrouw gewisseld, daar brak hij zijn hoofd niet mee. In hoever kon
dit hem ook belang inboezemen?
Daar het reeds vrij laat was dacht hij er over om naar zijn logement
terug te keeren, ten einde daar eenige rust te nemen. Hij stond op en
volgde den loop der Wolga, waarvan de wateren verdwenen onder de
sombere massa van ontelbare schepen. De richting van de rivier deed hem
de plaats herkennen die hij verlaten had. Deze opeenhooping van karren
en van tenten nam juist het uitgestrekte plein in, waar elk jaar de
voornaamste jaarmarkt van Nijni-Novgorod gehouden werd,—hetgeen de
verzameling, hier ter plaatse, van goochelaars en zigeuners, uit alle
hoeken der wereld toegestroomd, ophelderde.
Michael Strogoff sliep een uur daarna eenigszins onrustig op een van
die Russische bedden die de vreemdelingen zoo hard vinden, en den
volgenden morgen, 17 Juli ontwaakte hij toen het reeds lang dag was.
Nog vijf uren te Novgorod te moeten doorbrengen, dat scheen hem eene
eeuw toe. Wat kon hij uitvoeren om dezen morgen klein te krijgen, niets
anders dan even als den vorigen dag door de straten van de stad te gaan
dwalen.
Na ontbeten, zijn reiszak toegemaakt te hebben en zijn podaroshna aan
het politiebureau te hebben laten afteekenen, zou niets hem belet
hebben om te vertrekken. Maar er de man niet naar zijnde om na
zonsopgang op te staan, verliet hij zijn bed, kleedde zich aan en
verborg zeer zorgvuldig den brief met het keizerlijke wapen in een zak,
die in de voering van zijne tunica gemaakt was, en waarover hij zijn
gordel vastmaakte; vervolgens sloot hij zijn reiszak en bevestigde hem
op zijn rug. Dit gedaan hebbende en niet meer in »de stad
Constantinopel” willende terugkeeren en er op rekenende aan de oevers
van de Wolga, in de nabijheid van de aanlegplaats te ontbijten,
betaalde hij en verliet het logement.
Uit groote bezorgdheid begaf Michael Strogoff zich dadelijk naar de
bureaux van de stoomschepen, en daar vergewiste hij zich dat de
Kaukasus werkelijk op het bepaalde uur vertrok. Voor de eerste maal
kwam bij hem de gedachte op, daar het jonge Lijflandsche meisje de
route over Perm moest nemen, dat het zeer mogelijk zou kunnen zijn, dat
het ook haar plan was plaats te nemen op de Kaukasus; in welk geval
Michael Strogoff er op rekenen kon met haar de reis te maken.
De bovenstad met haar Kremlin, waarvan de omtrek twee wersten lang is,
en ’t welk op dat van Moskou gelijkt, was toen zeer verlaten. De
gouverneur woonde er zelfs niet meer. Maar, zoo doodsch de bovenstad
was, zoo levendig was de benedenstad.
Nadat Michael Strogoff op eene schipbrug de Wolga was overgetrokken,
bewaakt door Kozakken te paard, kwam hij op de plaats, waar hij den
vorigen avond in aanraking was geweest met een of ander zigeunerkamp.
Het was even buiten de stad waar deze jaarmarkt te Nijni-Novgorod
gehouden werd, waarmede die van Leipzig zelfs niet kon wedijveren. Op
eene groote vlakte, aan gene zijde van de Wolga gelegen, verhief zich
het tijdelijk paleis van den Gouverneur-Generaal, die daar op hooger
bevel moet verblijfhouden, gedurende den geheelen tijd van de
jaarmarkt, die, dank de bestanddeelen waaruit zij is samengesteld, eene
onophoudelijke bewaking noodzakelijk maakt.
Op deze vlakte stonden toen houten kramen, regelmatig op zoodanige
wijze geplaatst, dat er vrij breede lanen tusschen beide waren, om aan
de menigte het rondloopen gemakkelijk te maken. Eene zekere verzameling
dezer kramen van allerlei grootte en verschillenden vorm, maakte eene
verschillende wijk uit, bestemd voor een bijzonderen tak van handel. Er
waren: de wijk voor ijzerwaren, de wijk voor pelterijen, de wijk voor
wol, de wijk voor hout, de wijk voor geweefde goederen, de wijk voor
gedroogde visch, enz.
Eenige huizen waren zelfs vervaardigd uit bouwstoffen van de
zonderlingste soort; sommige uit pakjes thee in den vorm van klinkers,
andere met blokken steen uit gezouten vleesch bestaande, dat wil
zeggen, uit de monsters der koopwaren, welke hunne eigenaars er aan de
koopers sleten. Eene zonderlinge wijze om artikelen aan te bevelen, min
of meer Amerikaansch.
In die lanen en gangen was, daar de zon reeds hoog boven den
gezichteinder stond, omdat zij dien morgen voor vier uur was opgegaan,
de toeloop van menschen bereids zeer aanzienlijk. Russen, Siberiërs,
Duitschers, Kozakken, Turkomannen, Perzen, Georgiërs, Grieken,
Ottomannen, Hindoes, Chineezen,—een zonderling mengelmoes van
Europeanen en Aziaten,—praatten, twistten, redekavelden en handelden.
Alles wat te koopen en te verkoopen was, scheen op dit plein opgehoopt
te zijn. Sjouwerlieden, paarden, kameelen, ezels, booten, karren, alles
wat noodig is tot verzending der koopwaren was op dit kermisveld
opeengehoopt. Pelterijen, kostbare steenen, zijden stoffen, Indische
shawls, Turksche tapijten, wapenen van den Kaukasus, geweefde goederen
van Smyrna of Ispahan, wapenrustingen uit Tiflis, karavanen-thee,
Europeesche bronzen, Zwitsersche uurwerken, fluweelen en zijden stoffen
van Lyon, Engelsche katoenen, rijtuigbenoodigdheden, vruchten,
groenten, ertsen uit het Oeral-gebergte, malachieten, lazuursteen,
welriekende kruiden, reukwerk, geneeskrachtige planten, hout, teer,
touwwerk, horens, pompoenen, watermeloenen, enz., al de voortbrengselen
van Indië, China, Perzië, die der Kaspische en Zwarte Zee, die van
Amerika en Europa waren op dit punt van den aardbol vereenigd.
Het was een beweging, een opgewondenheid, een gedrang, een verward
geschreeuw, waarvan men zich geen denkbeeld kan maken; de inboorlingen
toch der lagere volksklasse waren zeer opdringend, en de vreemdelingen
gaven hun op dat punt niets toe. Er waren daar kooplieden uit
Midden-Azië, die een jaar noodig hadden gehad om die uitgestrekte
vlakten door te trekken, hun koopwaren medevoerende, en die in geen
jaar noch hunne winkels, noch hunne kantoren terug zouden zien. Maar
zoo groot is het gewicht van die jaarmarkt van Nijni-Novgorod, dat het
cijfer der handelsomzettingen niet meer of minder dan honderd millioen
roebel bedroeg.
Verder was het op de pleinen tusschen de wijken van deze in een oogwenk
verrezen stad, een opeenhooping van goochelaars van allerlei aard,
kwakzalvers, koordedansers, oorverdoovend door het gekras van hun
orchesten en het geschreeuw bij hun vertooning; Zigeuners, uit de
bergen gekomen en waarzeggende aan de domkoppen van een telkens
vernieuwd publiek; Zingaris of Tsiganen,—de naam dien de Russen geven
aan de Gypsies, de afstammelingen der Kophten,—hun sterkst gekleurde
liedjes zingende en de meest oorspronkelijke dansen uitvoerende;
troepen reizende komedianten, drama’s van Shakespeare voorstellende, in
overeenstemming gebracht met den smaak der toeschouwers, die er in
menigte naar toe stroomden. Vervolgens leidden, in de lange lanen,
vertooners van beren hun viervoetige equilibristen in vrijheid rond;
weergalmden beestenspellen van het gebrul der dieren, aangehitst door
de striemende slagen der zweep of door de gloeiende stang van den
temmer; eindelijk bootste in het midden van het groote middelplein,
omringd van een vierdubbelen kring van opgewonden liefhebbers, een koor
van »hunne bootslieden der Wolga” gezeten op den grond, evenals op het
dek van hun booten, het roeien na, onder den dirigeerstok van den
kapelmeester, een echt stuurman van dit denkbeeldige vaartuig!
Zonderlinge en bekoorlijke gewoonte! Boven de hoofden van deze menigte
ontsnapte een vlucht vogels uit de kooien, waarin men ze meegebracht
had. Volgens een oud gebruik, openden, op de jaarmarkt van
Nijni-Novgorod, in ruil tegen eenige kopeken, door goede zielen
liefderijk aangeboden, de cipiers de deur voor hun gevangenen, en bij
honderden vlogen zij vroolijk tjilpende weg.
Zoodanig was het gezicht van de vlakte; zoo zou het zijn gedurende tien
weken dat de beroemde jaarmarkt te Nijni-Novgorod duurde. Na dat
oorverdoovende tijdperk, zou het geweldige geraas als door een
tooverslag verdwijnen, de bovenstad haar deftig ambtelijk karakter
hernemen, de benedenstad weer in haar gewone eentonigheid vervallen, en
van al dien buitengewonen toevloed van kooplieden, behoorende tot al de
streken van Europa en Middel-Azië, zou er geen enkel verkooper
overblijven, die nog iets te verkoopen, noch een enkele kooper die nog
iets te koopen had.
Het is noodig hierbij te voegen, dat dezen keer ten minste, Frankrijk
en Engeland op de jaarmarkt te Nijni-Novgorod elk vertegenwoordigd
waren, door twee der uitmuntendste voortbrengsels van de nieuwerwetsche
beschaving, de heeren Harry Blount en Alcide Jolivet.
Inderdaad waren de twee verslaggevers daarheen gekomen om er indrukken
in het belang hunner lezers te verzamelen, en zij besteedden zoo goed
mogelijk de weinige uren die zij te verliezen hadden, want ook zij
zouden op de Kaukasus plaats nemen. Zij ontmoetten elkander juist op
het kermisveld, en waren er niet erg verbaasd over, omdat eenzelfde
instinct hen op hetzelfde spoor moest voeren, maar ditmaal spraken zij
elkander niet aan, en bepaalden zij zich tot een vrij koelen groet.
Alcide Jolivet, van nature een optimist, vond, dat alles redelijk ging,
en daar het toeval hem gelukkig tafel en huisvesting had verschaft, had
hij in zijn notitieboekje eenige voor de stad Nijni-Novgorod bijzonder
vleiende opmerkingen neergeschreven. Harry Blount zag zich daarentegen,
na te vergeefs gezocht te hebben om een avondmaal machtig te worden,
verplicht onder den blooten hemel te slapen; hij had dus de zaken uit
een geheel ander oogpunt beschouwd, en peinsde over een verpletterend
artikel tegen eene stad, waar de logementhouders weigerden reizigers te
ontvangen, die niets liever verlangden dan naar »lichaam en ziel”
gesneden te worden.
Michael Strogoff met de eene hand in zijn zak, met de andere zijn lange
pijp met een roer van kriekenhout vasthoudende, scheen de meest
onverschillige en minst ongeduldige der menschen te zijn. Evenwel zou
een opmerker, aan zekere samentrekking zijner wenkbrauwen, gemakkelijk
gezien hebben, dat hij zijn leed verborg.
Gedurende twee uren liep hij door de straten van de stad, om altijd op
het kermisveld terug te komen. Door de massa heendringende, merkte hij
op, dat een zekere ongerustheid zich vertoonde onder al de kooplieden,
die uit de naburige streken van Azië gekomen waren. De
handelsomzettingen leden er zichtbaar onder.
Dat potsenmakers, kwakzalvers en koordedansers, voor hun tenten veel
geweld maakten, dat begrijpt zich vanzelf, want die arme duivels hadden
niets in handelsondernemingen te verliezen, maar de kooplieden
aarzelden zich in te laten met de handelaars uit Middel-Azië, wier land
verontrust werd door den inval der Tartaren. Ook was er nog op een
ander verschijnsel te letten. In Rusland vertoont zich, bij elke
gelegenheid, de militaire uniform. De soldaten mengen zich gaarne onder
de menigte en juist te Nijni-Novgorod worden, gedurende de jaarmarkt,
de agenten van politie bijgestaan door een groot aantal Kozakken, die,
met de lans op den schouder, de orde bewaren in deze opeenhooping van
drie honderd duizend vreemdelingen.
Evenwel waren dien dag de militairen, Kozakken of anderen, niet op de
jaarmarkt aanwezig. Ongetwijfeld waren zij, in afwachting van een
spoedig vertrek, in hunne kazernen geconsigneerd.
Maar hoewel zich geen soldaten vertoonden, was zulks niet het geval met
de officieren. Sedert den vorigen dag ijlden adjudanten, uit het paleis
van den gouverneur-generaal komende, in alle richtingen heen. Er was
dus eene ongekende drukte, die alleen door den ernst der gebeurtenissen
te verklaren was. De koeriers vermenigvuldigden zich op de groote
wegen, hetzij naar den kant van Wladimir, hetzij naar den kant van het
Oeral-gebergte. Onophoudelijk werden telegraphische dépêches tusschen
Moskou en St. Petersburg gewisseld. De ligging van Nijni-Novgorod, niet
ver van de Siberische grenzen, vorderde klaarblijkelijk ernstige
voorzorgsmaatregelen. Men mocht niet vergeten, dat de stad in de XIVe
eeuw tweemaal ingenomen was door de voorvaderen van die Tartaren, die
de eerzucht van Feofar-Khan door de Kirgiesche steppen joeg.
Een hoog personage, die het niet minder druk had dan de
gouverneur-generaal, was de politiemeester. Zijne inspecteurs en hij,
belast met het handhaven der orde, het ontvangen der klachten, het
waken voor de uitvoering der reglementen, waren niet stil. De bureaux
der administratie, nacht en dag open, werden onophoudelijk bestormd,
zoowel door de inwoners der stad als door de vreemdelingen, Europeanen
of Aziaten.
Juist bevond Michael Strogoff zich op het middelplein, toen het gerucht
zich verspreidde, dat de politiemeester per koerier ontboden was op het
paleis van den gouverneur-generaal. Een gewichtige dépêche was, zeide
men, uit Moskou aangekomen.
De politiemeester begaf zich naar het paleis van den gouverneur en
aanstonds verspreidde zich, als door een algemeen voorgevoel, het
nieuws, dat een gewichtige, onvoorziene en buitengewone maatregel op
til was.
Michael Strogoff luisterde naar hetgeen gezegd werd, ten einde er, zoo
noodig, zijn voordeel mee te doen.
»Men zal de jaarmarkt sluiten,” zeide de een.
»Het regiment van Nijni-Novgorod heeft order gekregen om te
vertrekken,” antwoordde een ander.
»Men zegt dat de Tartaren Tomsk bedreigen!”
»Daar is de politiemeester,” schreeuwde men van alle kanten.
Plotseling was er een verward geschreeuw ontstaan, dat langzamerhand
verminderde en waarop een volkomen stilzwijgen volgde. Een ieder
voorspelde eene of andere gewichtige mededeeling van gouvernementswege.
De politiemeester verliet, voorafgegaan door zijne agenten, het paleis
van den gouverneur-generaal. Een detachement Kozakken vergezelde hem en
deed de menigte door stooten en duwen op zijde gaan.
De politiemeester verscheen op het middelplein, en een ieder kon zien
dat hij eene dépêche in de hand hield.
Vervolgens maakte hij met luider stem het volgende bekend:
Besluit van het gouvernement van Nijni-Novgorod:
1o. Verbod aan elk Russisch onderdaan, de provincie, om welke reden
ook, te verlaten.
2o. Bevel aan alle vreemdelingen van Aziatischen oorsprong om de
provincie binnen vier en twintig uren te verlaten.
VI.
BROEDER EN ZUSTER.
Hoewel deze maatregelen zeer noodlottig voor de bijzondere belangen
waren, rechtvaardigden de omstandigheden ze volkomen.
»Verbod aan elk Russisch onderdaan om de provincie te verlaten.” Was
Ivan Ogareff nog in de provincie, dan werd hem belet om zich, althans
niet zonder buitengewoon veel moeielijkheden, bij Feofar-Khan te voegen
en zoodoende werd het Tartaarsche opperhoofd van een geducht luitenant
beroofd.
»Bevel aan alle vreemdelingen van Aziatischen oorsprong om de provincie
binnen vier en twintig uren te verlaten,” dat was met één slag die
handelaars verwijderen, die uit Midden-Azië gekomen waren, alsmede de
bende Zigeuners, die min of meer verwantschap hebben met de Tartaarsche
of Mongoolsche volksstammen, die de jaarmarkt daar vereenigd had.
Zooveel hoofden, zooveel spionnen, en hunne uitzetting werd,
ongetwijfeld, door den stand van zaken geboden.
Men kan zich licht de uitwerking voorstellen van die twee donderslagen,
op de stad Nijni-Novgorod neerkomende, die noodzakelijk meer dan eenige
andere stad in het oog gehouden en getroffen werd.
Aldus konden de landslieden, die voor zaken aan gene zijde der
Siberische grenzen mochten geroepen worden, niet meer, voor het
oogenblik althans, de provincie verlaten. De inhoud van het eerste
artikel van het besluit was uitdrukkelijk. Het liet geene enkele
uitzondering toe. Elk bijzonder belang moest voor het algemeene belang
zwichten.
Wat het tweede artikel van het besluit betrof, het bevel van
uitzetting, dat het bevatte, was ook zonder tegenspraak. Het strekte
zich alleen uit tot die vreemdelingen, welke van Aziatischen oorsprong
waren, maar deze hadden slechts hunne koopwaren in te pakken en terug
te gaan naar de plaats, waar ze van daan gekomen waren. Maar voor die
kwakzalvers, waarvan het aantal zeer groot was, en die meer dan duizend
wersten moesten afleggen om de meest nabijzijnde grens te bereiken, was
het erger.
Ook verhief zich aanstonds, tegen dezen ongewonen maatregel, een gemor
van verzet, een kreet van wanhoop, die de tegenwoordigheid der Kozakken
en de agenten van politie echter dadelijk had onderdrukt.
En aanstonds begon de ontruiming van die uitgestrekte vlakte. De zeilen
voor de tenten gespannen, werden opgerold; de kermisspelen werden
afgebroken; het dansen en het zingen, de vertooningen hielden op, de
vuren werden uitgedoofd, de koorden der koordedansers werden
losgemaakt, de oude, dampige paarden van die zwervende woningen
verwisselden de stallen voor de boomen der wagens. Agenten en soldaten
met de zweep of den stok in de hand, spoorden de achterblijvers aan, en
ontzagen zich niet de tenten af te breken voor dat zelfs de arme
heidens ze verlaten hadden. Klaarblijkelijk zou, onder den invloed
dezer maatregelen, vóor den avond, het plein te Nijni-Novgorod geheel
ontruimd zijn, en op het rumoer van de groote jaarmarkt zou de stilte
van de woestijn volgen.
En nog moet men er bijvoegen, want het was een verplichte verzwaring
dezer maatregelen,—dat aan al deze zwervende volken, de steppen van
Siberië zelfs verboden waren, en er bleef hun niets anders over dan
zich ten zuiden van de Kaspische Zee, hetzij in Perzië, hetzij in
Turkije, hetzij in de vlakten van Turkestan neder te zetten. De
uitgezette posten aan den Oeral en de bergen, die als het ware eene
verlenging van dezen stroom aan de Russische grens vormen, zouden hun
den doortocht niet vergund hebben. Zij moesten een duizendtal wersten
doorloopen, alvorens een vrijen grond onder de voeten te hebben.
Op het oogenblik, waarop het besluit door den politiemeester was
voorgelezen, werd Michael Strogoff door eene overeenkomst getroffen,
welke instinctmatig in zijn geest oprees.
»Zonderlinge overeenkomst,” dacht hij, »tusschen dit besluit, dat de
vreemdelingen, uit Azië afkomstig uitdrijft, en de woorden die ’s
nachts tusschen die twee heidens gewisseld werden. »Het is de Vader
zelf, die ons zendt waar wij heen willen gaan,” zeide die grijsaard. De
»Vader” dat is de Keizer! Men noemt hem onder het volk niet anders. Hoe
konden deze heidens den maatregel, die tegen hen genomen werd,
vooruitzien, hoe hebben zij het vooruit geweten, en waar willen zij dus
heen? Het komt mij voor dat dit verdachte lui zijn, voor wie het
besluit van den gouverneur eer vóór- dan nadeelig zal zijn.”
Deze zeer juiste opmerking werd opeens afgebroken door eene andere, die
elke andere gedachte uit het brein van Michael Strogoff moest
verdrijven. Hij vergat de heidens, hun verdachte gesprekken, de
zonderlinge overeenkomst, die uit de bekendmaking van het besluit
voortsproot... Het jonge Lijflandsche meisje kwam hem ineens voor den
geest.
»Het arme kind!” riep hij uit. »Zij zal niet meer over de grenzen
kunnen komen!”
Inderdaad het jonge meisje was van Riga, bijgevolg eene Russin; zij kon
dus het Russisch grondgebied niet meer verlaten. Het vrijgeleide, dat
haar vóor de nieuwe maatregelen was afgegeven, was waarschijnlijk niet
meer geldig. Al de wegen van Siberië waren onverbiddelijk voor haar
gesloten, en wat ook de beweegreden mocht zijn, die haar naar Irkoetsk
voerde, het was haar van nu af verboden, er zich heen te begeven.
Deze gedachte hield Michael Strogoff levendig bezig. Hij had dadelijk,
zoo bij zichzelf gezegd, dat het hem, zonder iets aan zijn belangrijke
zending te kort te doen, misschien mogelijk zou zijn, dat arme meisje
tot steun te kunnen verstrekken, en die gedachte had hem toegelachen.
De gevaren kennende, die hij persoonlijk zou moeten trotseeren, een
krachtvolle en sterke man, in een land, waarvan de wegen hem zeer
bekend waren, zoo kon hij niet ontkennen, dat deze gevaren oneindig
vreeselijker waren voor een jong meisje. Omdat zij zich naar Irkoetsk
begaf, zou zij denzelfden weg als hij moeten volgen; zou zij verplicht
zijn zich door de horden overweldigers een weg te banen, zooals hij dat
zelf ook moest beproeven. Indien zij daarenboven, hetgeen
allerwaarschijnlijkst was, slechts de noodige hulpmiddelen voor eene
reis onder gewone omstandigheden tot hare beschikking had, hoe zou zij
die kunnen volbrengen onder omstandigheden die de gebeurtenissen niet
alleen gevaarlijk, maar ook kostbaar zouden maken.
»Welnu,” had hij tot zich zelf gezegd, »daar zij den weg over Perm
neemt, is het bijna onmogelijk, dat ik haar niet ontmoet. Ik zal dus
voor haar kunnen waken, zonder dat zij het vermoedt, en, daar het mij
voorkomt dat zij evenveel haast heeft als ik, om te Irkoetsk aan te
komen, zal zij mij geen oponthoud veroorzaken.”
Maar de eene gedachte brengt de andere voort.
Michael Strogoff had tot dusverre geredeneerd in de veronderstelling
eene goede daad te kunnen verrichten, een goeden dienst te bewijzen. Er
kwam bij hem een nieuwe gedachte op, en de vraag deed zich bij hem
onder eene geheel andere gedaante voor.
»Inderdaad,” zeide hij, »ik zou haar misschien meer noodig kunnen
hebben, dan zij mij. Hare tegenwoordigheid kan mij niet nutteloos zijn,
en zou kunnen dienen, om elke verdenking van mij weg te nemen. In den
man, die alléen door de steppen trekt, zou men veel gemakkelijker den
koerier van den czaar vermoeden. Indien dat jonge meisje mij echter
vergezelt, zal ik in aller oogen veel meer de Nicolaas Korpanoff van
mijn podaroshna zijn. Zij moet mij dus vergezellen! Ik moet haar, wat
het ook kosten moge, terugvinden! Het is niet waarschijnlijk dat zij
zich sedert gisteren avond eenig rijtuig heeft weten te verschaffen om
Nijni-Novgorod te verlaten. Laat ons haar dus zoeken en dat God mij
geleide!”
Michael Strogoff verliet het groote plein van Nijni-Novgorod, waar het
rumoer op dit oogenblik, door de uitvoering der voorgeschreven
maatregelen voortgebracht, zijn hoogste punt had bereikt.
Tegenpruttelen der verbannen vreemdelingen, geschreeuw der agenten en
Kozakken, die hen grof behandelden, veroorzaakte een onbeschrijfelijk
rumoer. Het jonge meisje, dat hij zocht, kon daar niet zijn.
Het was negen uur in den morgen. De stoomboot vertrok eerst om twaalf
uur. Michael Strogoff had dus ongeveer twee uren om haar terug te
vinden, die hij tot zijn reisgenoote wilde maken. Hij trok opnieuw de
Wolga over, en doorliep de wijken van den anderen oever, waar de volte
aanmerkelijk minder was. Hij doorzocht om zoo te zeggen, straat voor
straat, de boven- en de benedenstad. Hij ging de kerken binnen, de
natuurlijke toevlucht van hen die weenen en lijden. Nergens ontmoette
hij het jonge Lijflandsche meisje.
»En evenwel,” hernam hij, »kan zij onmogelijk Nijni-Novgorod verlaten
hebben. Laat ik dus blijven zoeken.”
Michael Strogoff dwaalde zoo gedurende twee uren rond. Hij liep zonder
ophouden, hij voelde geen vermoeienis, hij gehoorzaamde aan een
dringend gevoel, dat hem niet meer veroorloofde na te denken. Alles
vruchteloos.
Toen kwam bij hem de gedachte op dat het jonge meisje geen kennis van
het besluit had,—evenwel hoogst onwaarschijnlijk,—want zulk een
donderslag had niet kunnen losbarsten zonder door iedereen gehoord te
worden. Hoe zou zij, die zooveel belang had om het geringste nieuws uit
Siberië te weten, onbekend hebben kunnen blijven met de maatregelen
door den gouverneur genomen, maatregelen die haar zoo rechtstreeks
troffen.
Maar, indien zij er onbekend mede was, moest zij, binnen eenige uren,
aan de aanlegplaats komen, en daar zou een onverbiddelijke agent haar
kortaf den overtocht weigeren. Het was dus noodzakelijk dat Michael
Strogoff haar vóor dien tijd zag opdat hij, door zijne tusschenkomst,
die weigering zou kunnen voorkomen.
Maar zijn zoeken was vruchteloos, en hij moest weldra elke hoop opgeven
om haar terug te vinden.
Het was toen elf uur. Hoewel het in elke andere omstandigheid onnoodig
geweest zou zijn, dacht Michael Strogoff er aan zijn podaroshna aan het
bureau van den politiemeester te vertoonen.
Het besluit kon wel geen betrekking op hem hebben, omdat in dat geval
voor hem voorzien was, maar hij wilde zekerheid hebben dat niets zich
tegen zijn vertrek uit de stad zou kunnen verzetten.
Michael Strogoff moest dus naar den anderen oever van de Wolga
terugkeeren, naar de wijk waar zich de bureaux van den politiemeester
bevonden.
Daar was een groote toeloop, want, ofschoon de vreemdelingen bevel
hadden gekregen de provincie te verlaten, waren zij evenwel, vóor te
kunnen vertrekken, aan zekere formaliteiten onderworpen. Zonder deze
voorzorgsmaatregelen zou een of andere Rus, min of meer in de
Tartaarsche beweging betrokken, dank zij eene vermomming, de grenzen
kunnen overtrekken,—hetgeen het besluit juist zocht te voorkomen. Men
werd weggezonden, maar toch had men verlof noodig om te kunnen gaan.
Potsenmakers, heidens, vermengd onder kooplieden van Perzië, Turkije,
Indië, Turkestan, China bestormden de binnenplaats en de bureaux van
het politiehuis. Iedereen haastte zich, want de middelen van vervoer
zouden zeer gezocht worden door die menigte uitgezette lieden van
allerlei aard, en zij, die te laat kwamen, liepen groot gevaar van op
den bepaalden tijd, de stad niet te kunnen verlaten,—hetgeen hun zou
blootstellen aan eene barsche tusschenkomst der agenten van den
gouverneur.
Michael Strogoff, kon, dank zij de kracht zijner ellebogen, de
binnenplaats oversteken. Maar de bureaux binnen te komen en het raampje
der beambten te bereiken, dat was een moeielijker werk. Doch een enkel
woord, dat hij in ’t oor van een inspecteur fluisterde, en eenige op
zijn tijd gegeven roebels vermochten hem een doortocht te banen.
Na hem in de wachtkamer binnengelaten te hebben, ging de agent een
hoofdbeambte roepen. Michael Strogoff zou nu weldra aan de
politieverordeningen voldaan hebben en vrij in zijne bewegingen zijn.
Middelerwijl keek hij om zich heen, en wat zag hij?
Hij zag daar op eene bank, eerder neergevallen dan neergezeten, een
jong meisje, aan eene stille wanhoop ten prooi, ofschoon hij nauwelijks
haar gelaat kon zien, waarvan slechts de omtrek zich op den muur
afteekende.
Michael Strogoff had zich niet vergist. Hij had het jonge Lijflandsche
meisje herkend. Niets van het besluit van het gouvernement afwetende,
was zij naar het bureau van politie gekomen om haar vrijgeleide te
laten afteekenen!.... Men had haar het visum geweigerd! Buiten twijfel
had zij vergunning om zich naar Irkoetsk te begeven, doch het besluit
was stellig, het deed alle vroegere vergunningen te niet en al de wegen
naar Siberië waren dus voor haar gesloten.
Michael Strogoff, zeer gelukkig haar eindelijk weergevonden te hebben,
naderde het jonge meisje.
Dit zag hem een oogenblik aan, en haar gelaat werd, bij het wederzien
van haren reisgenoot, door een vluchtigen glans opgeklaard. Zij stond
instinctmatig op, en als een schipbreukeling, die zich aan een stuk
wrakhout vastklemt, ging zij hem bijstand vragen.
Op dit oogenblik tikte de agent Michael Strogoff op den schouder.
»De politiemeester wacht u,” zeide hij.
»Goed,” antwoordde Michael Strogoff.
En, zonder een woord tot haar te zeggen, die hij sedert den vorigen dag
zoo gezocht had, zonder haar gerust te stellen door een wenk, die haar
en hemzelf in verdenking had kunnen brengen, volgde hij den agent door
de dichte groepen heen.
Het jonge Lijflandsche meisje, hem, de eenige die haar misschien te
hulp had kunnen komen, ziende verdwijnen, viel weer op hare bank neer.
Nog geen drie minuten waren er verloopen of Michael Strogoff trad weder
de wachtkamer binnen, vergezeld door een agent.
Hij hield zijn podaroshna, dat hem de wegen naar Siberië opende in de
hand.
Hij naderde toen het jonge Lijflandsche meisje en haar de hand
toereikende, zeide hij:
»Zuster....”
Zij begreep hem! Zij stond op, alsof eene of andere plotselinge
ingeving haar niet toeliet om te aarzelen!
»Zuster,” herhaalde Michael Strogoff, »wij zijn gemachtigd om onze reis
naar Irkoetsk voort te zetten. Gaat ge mee?”
»Ja, broer,” antwoordde het jonge meisje, terwijl zij Michael Strogoff
de hand gaf.
En beide verlieten het politiebureau.
VII.
DE WOLGA AFVARENDE.
Even vóor twaalf uur deed het geluid der bel van het stoomschip eene
groote menigte naar de aanlegplaats bij de Wolga toestroomen. De
stoomketels van de Kaukasus hadden voldoende drukking. Uit den
schoorsteen ontsnapte slechts een lichte rook.
Het spreekt vanzelf dat de politie het vertrek van de Kaukasus
bewaakte, en zich onmeedoogend betoonde jegens de reizigers, welke niet
konden voldoen aan de voorwaarden gesteld om de stad te verlaten.
Talrijke kozakken reden heen en weer op de kade, gereed om de agenten
hulp te verleenen, doch zij behoefden niet tusschen beiden te komen,
daar alles zonder weerstand afliep.
Op het bepaalde uur weergalmde het laatste gelui, de kabels werden
gevierd; de groote raderen der stoomboot zetten zich in beweging, en de
Kaukasus voer snel tusschen de beide steden door, waaruit
Nijni-Novgorod bestond. Michael Strogoff en het jonge Lijflandsche
meisje hadden plaats genomen aan boord van de Kaukasus, en wel zonder
de minste moeite, dank zij het podaroshna, dat op naam van Nicolaas
Korpanoff afgegeven, dezen koopman machtigde iemand op zijne reis door
Siberië mede te nemen.
Beiden, op het achterschip gezeten, zagen de stad verdwijnen, die zoo
zeer verontrust was door het besluit van den gouverneur.
Michael Strogoff had niets aan het jonge meisje gezegd. Hij had haar
naar niets gevraagd. Hij wachtte totdat zij het goed vond te spreken.
Zij was blijde die stad verlaten te hebben, alwaar zij, zonder de
tusschenkomst van dien onverwachten beschermer, gevangen zou gebleven
zijn. Zij zeide niets, maar haar blik bedankte voor haar.
De Wolga, de Rha der ouden, wordt als de grootste rivier van Europa
beschouwd, en haar loop is niet minder dan vier duizend wersten lang
(4.300 kilometer). Hare wateren, vrij ongezond aan haar oorsprong,
worden te Nijni-Novgorod gewijzigd door die van de Oka, eene snelle
nevenrivier die uit de middel-provinciën van Rusland wegstroomt. Zij
wordt bevaarbaar bij Rjef, eene stad in het gouvernement Twer.
De booten der vervoermaatschappij tusschen Perm en Nijni-Novgorod
leggen vrij snel de drie honderd vijftig wersten af (373 kilometer) die
deze stad van de stad Kazan scheiden. Het is waar, dat die stoombooten
slechts de Wolga hebben af te varen, die door haar snellen stroom
ongeveer twee mijlen aan hunne eigen snelheid toevoegt. Doch wanneer
zij aan de samenvloeiing van de Kama, even beneden Kazan aankomen, zijn
zij genoodzaakt deze laatste rivier tot Perm op te varen. Dus, alles
wel gerekend, en hoewel hare machine zeer krachtig was, kon de Kaukasus
niet meer dan zestien wersten per uur afleggen. Met een uur oponthoud
te Kazan moest dus de reis van Nijni-Novgorod naar Perm ongeveer zestig
à twee en zestig uren duren.
Deze stoomboot was overigens zeer goed ingericht en verdeeld in drie
klassen. Michael Strogoff had er voor gezorgd twee hutten eerste klasse
af te huren, zoodat zijne jonge reisgenoote zich in de hare kon
afzonderen, zoo dikwijls als zij zulks goed vond.
De Kaukasus was opgepropt met passagiers van allerlei soort. Een zeker
aantal Aziatische handelaars hadden het raadzaam geoordeeld
Nijni-Novgorod onmiddellijk te verlaten. In de eerste klasse zag men
Armeniërs, Joden, Chineezen, Turken, Hindoes en Tartaren. Al die
kooplieden hadden in het ruim en op het dek hunne talrijke goederen
moeten opeenstapelen, waarvan het transport hun duur zou kosten, want
volgens het tarief hadden zij slechts recht op een gewicht van twintig
pond per persoon.
Voor op de Kaukasus waren de passagiers talrijker. Niet alleen bevonden
er zich vreemdelingen, maar ook Russen, aan wie het besluit niet
verbood naar de steden der provincie terug te keeren. Het waren
voornamelijk passagiers derde klasse die zich gelukkig weinig om eene
lange terugreis bekreunden.
Evenwel stevende de Kaukasus met al de snelheid harer raderen tusschen
de oevers van de Wolga door, dwars door talrijke schepen die door
stoomvaartuigen stroomopwaarts gesleept werden, en die allerhande
soorten van koopwaren naar Nijni-Novgorod vervoerden.
Na twee uren varens richtte het jonge Lijflandsche meisje zich tot
Michael Strogoff en zeide:
»Gaat ge naar Irkoetsk, broer?”
»Ja, zuster,” antwoordde de jonge man. »Wij maken beiden dezelfde reis.
Bijgevolg, overal waar ik doorkom, zult gij ook doorkomen.”
»Morgen, broer, zult gij vernemen waarom ik het strand der Oostzee
verlaten heb, om mij naar gene zijde van den Oeral te begeven.”
»Ik vraag naar niets, zuster.”
»Gij zult alles vernemen,” antwoordde het jonge meisje, wier lippen
flauw een treurigen glimlach vertoonden. »Eene zuster moet niets voor
haar broeder verborgen houden. Maar, vandaag zou ik niet kunnen!.... De
vermoeienis, de wanhoop hebben mij afgemat!”
»Wilt ge niet in uwe hut gaan uitrusten?” vroeg Michael Strogoff.
»Ja.... ja.... en morgen....”
»Kom dan mee....”
Hij aarzelde om zijn volzin te eindigen, alsof hij dien met den naam
zijner gezellin, dien hij nog niet kende, had willen besluiten.
»Nadia,” zeide zij, hem de hand toereikende.
»Kom, Nadia,” zeide Michael Strogoff, »en beschik vrij over uw broeder
Nikolaas Korpanoff.”
En hij bracht het jonge meisje in de hut, die hij voor haar afgehuurd
had.
Michael Strogoff kwam op het dek terug, en nieuwsgierig naar de
tijdingen, die de richting zijner reis wellicht zouden kunnen wijzigen,
mengde hij zich onder de passagiers, luisterende, maar geen deel
nemende aan de gesprekken. Trouwens, indien het toeval wilde dat hij
ondervraagd werd, en hij zou moeten antwoorden, zou hij zich uitgeven
voor den koopman Nikolaas Korpanoff, dien de Kaukasus naar de grenzen
voerde, want hij wilde niet dat men kon vermoeden dat hij vergunning
had om door Siberië te reizen.
Het was te begrijpen dat de vreemdelingen op de boot over niets anders
spraken dan over de gebeurtenissen van den dag, Over het besluit en
zijne gevolgen. Die arme lieden, nauwelijks bekomen van de
vermoeienissen van eene reis door Middel-Azië, zagen zich genoodzaakt
terug te gaan en indien zij aan hun toorn en aan hunne wanhoop geen
lucht gaven, was het omdat zij niet durfden. Eene met eerbied gemengde
vrees weerhield hen. Het kon mogelijk zijn dat inspecteurs van politie,
belast met de passagiers te bewaken, zich heimelijk aan boord van de
Kaukasus hadden ingescheept, en dan was het maar beter te zwijgen: de
uitzetting was in elk geval te verkiezen boven opsluiting in eene
vesting.
Michael Strogoff kon dus van dien kant niets te weten komen, want, daar
men hem niet kende, zweeg men menigmaal wanneer men hem zag naderen.
Zijne ooren werden evenwel opeens getroffen door eene schelle en
vroolijke stem, die er zich weinig om bekommerde al of niet gehoord te
worden.
De man met die vroolijke stem sprak Russisch, doch met eene vreemde
uitspraak, en hij, tot wien hij sprak, meer terughoudend en
voorzichtig, antwoordde hem in dezelfde taal, die ook niet zijne eigen
taal was.
»Hoe,” zeide de eerste, »hoe! gij op deze boot, mijn waarde collega,
gij, dien ik op het keizerlijk feest te Moskou ontmoet en te
Nijni-Novgorod maar even gezien heb?”
»Ik in persoon,” antwoordde de tweede droog weg.
»Ronduit gezegd, ik dacht niet zoo onmiddellijk door u gevolgd te
worden, en van zoo nabij!”
»Ik volg u niet, mijnheer, ik ga u voor!”
»Voorgaan! Voorgaan! Laat ons veronderstellen dat wij naast elkaar
gaan, in denzelfden pas, zooals twee soldaten op de parade, en laat
ons, zoo ge zulks wilt, met elkander overeenkomen, ten minste
voorloopig, dat de een den ander niet vooruitga!”
»Integendeel, ik zal u vooruitgaan.”
»Dat zullen wij zien, wanneer wij ons op het tooneel van den oorlog
zullen bevinden; maar voor den duivel! laten wij tot daar toe
reisgenooten zijn. Later zullen wij wel tijd en gelegenheid hebben om
mededingers te zijn!”
»Vijanden.”
»Vijanden, ook goed! Gij hebt in uwe woorden, mijn waarde collega, eene
juistheid, die mij bijzonder aanstaat. Met u weet men ten minste,
waaraan men zich te houden heeft!”
»Welk kwaad is daar bij?”
»Er is geen kwaad bij. Ook vraag ik, op mijne beurt, u verlof onze
wederzijdsche verstandhouding juist te mogen bepalen.”
»Goed.”
»Gij gaat naar Perm.... zooals ik?”
»Zooals gij.”
»En waarschijnlijk van daar naar Ekaterinenburg, omdat het de beste en
zekerste weg is om over het Oeral-gebergte te komen.”
»Waarschijnlijk.”
»Wanneer wij eens de grens over zijn, dan zullen wij in Siberië
zijn.... dat is te zeggen, in het overheerde land.”
»Dat zullen wij!”
»Welnu dan, maar ook dan eerst, zal het oogenblik daar zijn om te
zeggen: »Ieder voor zich, en God voor....”
»God voor mij!”
»God voor u, geheel alleen! Zeer goed! Maar daar wij nog acht dagen van
onzijdigheid vóor ons hebben, en het zeer zeker met nieuwstijdingen
onderweg niet druk zal gaan, laat ons dan vrienden zijn tot op het
oogenblik dat wij opnieuw mededingers worden.”
»Vijanden.”
»Ja! juist, vijanden! Maar laat ons dan tot dien tijd eenstemmig
handelen en elkander niet verscheuren! Ik beloof u overigens, dat ik al
hetgeen ik zal zien voor mij zal houden.”
»En ik, hetgeen ik zal hooren.”
»Alzoo afgesproken?”
»Afgesproken.”
»Uwe hand er op?”
»Ziedaar.”
En de hand van den eerste, dat wil zeggen vijf wijd geopende vingers,
schudde flink de twee vingers, die hem de tweede flegmatisch toestak.
»O! ja,” zeide de eerste, »ik heb van morgen reeds om tien uur
zeventien minuten aan mijne nicht den tekst van het besluit kunnen
telegrapheeren.”
»En ik, ik heb reeds om tien ure dertien aan de Daily Telegraph
geseind.”
»Bravo, mijnheer Blount.”
»Wel vriendelijk, mijnheer Jolivet.”
»Tot wederdienst bereid.”
»Dat zal moeielijk zijn!”
»Men zal het evenwel beproeven!”
Dit zeggende, groette de Fransche verslaggever den Engelschen
correspondent zeer vertrouwelijk, die het hoofd buigende, zijn groet
met echt Britsche stijfheid beantwoordde.
Het besluit van den gouverneur had geene betrekking op de beide
nieuwsjagers, omdat zij noch Russen, noch van Aziatischen oorsprong
waren. Zij waren dus vertrokken, en, als door hetzelfde instinct
gedreven hadden zij te samen Nijni-Novgorod verlaten en bijgevolg van
hetzelfde middel van vervoer gebruik gemaakt om de Siberische steppen
te bereiken.
Alcide Jolivet en Harry Blount aldus hoorende praten, had Michael
Strogoff tot zich zelf gezegd: »Die twee heeren zijn nieuwsgierige en
onbescheiden klanten, die ik waarschijnlijk op mijn weg zal ontmoeten.
Ik moet voorzichtig zijn en hen op een afstand houden.”
Het Lijflandsche meisje rustte nog steeds uit in hare hut, en Michael
Strogoff wilde haar niet wakker maken. De avond brak dus aan zonder dat
zij op het dek van de Kaukasus verscheen.
De lange schemering had den dampkring nu zeer opgefrischt, waarnaar de
passagiers, na de drukkende hitte van den dag, snakten. Toen het reeds
ver in den nacht was geworden, dachten de meesten er niet meer aan om
het dek te verlaten. Langzamerhand vielen zij in slaap en de stilte
werd enkel gestoord door den geregelden slag van de schepborden op het
water.
Zekere ongerustheid hield Michael Strogoff wakker. Hij liep heen en
weer, maar immer achterop het dek. Eenmaal evenwel overschreed hij de
machinekamer en bevond zich toen op dat gedeelte van het dek, bestemd
voor de reizigers der tweede en derde klasse.
Daar sliep men, niet alleen op de banken, maar ook op de goederen, en
zelfs op dekplanken. Alleen de matrozen van de wacht stonden op het
voordek.
Men moest zeer voorzichtig zijn, om de slapenden, die hier en daar
uitgestrekt lagen, niet te trappen, want men zou zeer slecht ontvangen
zijn.
Michael Strogoff paste dus op om tegen niemand aan te stooten. Met zoo
naar het andere einde der boot te loopen, had hij geen ander doel dan
den slaap door eene eenigszins langere wandeling te bestrijden. Op het
voordek gekomen, hoorde hij opeens in zijne nabijheid praten. De
stemmen schenen te komen uit eene groep passagiers, in shawls en dekens
gewikkeld, die men onmogelijk in den donker kon bemerken.
Michael Strogoff wilde doorgaan, toen hij duidelijker zekere woorden
hoorde, in eene taal die reeds zijn oor getroffen had, in den nacht op
het jaarmarktplein.
Instinctmatig luisterde hij. Dank zij de duisternis op het voordek, kon
hij niet opgemerkt worden; evenzeer was het hem onmogelijk de
passagiers te zien die met elkander spraken. Hij moest zich dus tot
luisteren bepalen. De eerste woorden, die gewisseld werden, waren van
geenerlei belang—ten minste voor hem—maar zij deden hem de twee stemmen
herkennen van de vrouw en van den man, die hij te Nijni-Novgorod
gehoord had. Van dit oogenblik af luisterde hij met eene verdubbelde
oplettendheid. Het was inderdaad niet onmogelijk dat die Zigeuners, van
wier gesprek hij een gedeelte opgevangen had, zich met huns gelijken
aan boord van de Kaukasus bevonden.
En het was goed voor hem dat hij luisterde, want hij hoorde duidelijk
deze vraag en dit antwoord, in een Tartaarsche tongval uitgesproken:
»Men zegt dat een koerier van Moskou naar Irkoetsk vertrokken is!”
»Dat zegt men, Sangarre, maar die koerier zal of te laat aankomen, of
hij zal niet aankomen!”
Michael Strogoff sidderde onwillekeurig op dit antwoord dat hem zoo
rechtstreeks aanging. Hij beproefde te ontdekken of de man en de vrouw,
die gesproken hadden, wel degenen waren, die hij vermoedde; maar het
was te donker en het gelukte hem niet.
Eenige oogenblikken daarna, was Michael Strogoff zonder opgemerkt te
zijn, op het achterdek terug, en was hij met zijn hoofd in zijn handen
alleen gaan zitten. Men zou gezegd hebben dat hij sliep.
Hij sliep niet en dacht er niet aan om te slapen. Daarover maakte hij
zich bezorgd en zat hij te peinzen.
»Aan wien toch is mijn vertrek bekend, en wie kan er belang bij hebben
het te weten?”
VIII.
DE KAMA OPVARENDE.
Den volgenden morgen, 18 Juli te zes uur veertig minuten, kwam de
Kaukasus aan de aanlegplaats van Kazan aan, die zeven wersten (7½
kilometer) van de stad verwijderd is.
Kazan is gelegen aan de samenvloeiing van de Wolga en de Kazanka. Het
is eene belangrijke hoofdplaats, met een Griekschen
aartsbisschopszetel; het is tevens eene academiestad.
Hoewel de stad vrij ver van de aanlegplaats verwijderd is, verdrong
zich toch op de kade eene talrijke menigte. Men was gekomen om nieuws
te vernemen. De gouverneur der provincie had een besluit uitgevaardigd
van denzelfden inhoud als dat van zijn collega te Nijni-Novgorod. Men
zag daar Tartaren, gekleed in een lang overkleed met korte mouwen en
het hoofd bedekt met een puntigen hoed, waarvan de breede randen aan
dien van den bekenden Pierrot deden denken. Anderen, in een lange
manteljas gehuld en met een kalotje op het hoofd, hadden veel van
Poolsche Joden. Vrouwen, met allerlei klingklang op de borst, en met
een diadeem in den vorm eener halve maan op het hoofd, vormden
verschillende groepen die druk in gesprek waren. Officieren van
politie, onder de menigte gemengd, eenige Kozakken met hunne lans
gewapend, handhaafden de orde en deden plaats maken zoowel voor de
passagiers, die de Kaukasus verlieten, als voor hen, die er zich op
inscheepten; maar niet dan na beide soorten van reizigers nauwkeurig
opgenomen te hebben.
Michael Strogoff keek met een vrij onverschilligen blik naar dat heen
en weer loopen, aan elke aanlegplaats eener stoomboot eigen. De
Kaukasus moest te Kazan een uur vertoeven om kolen in te nemen.
Michael Strogoff dacht er niet aan om aan land te gaan. Hij zou het
jonge Lijflandsche meisje, dat nog niet op het dek verschenen was, niet
alleen willen laten.
De twee dagbladschrijvers waren reeds sedert den dageraad op, zooals
het elken flinken jager betaamt. Zij waren aan land gegaan en hadden
zich onder de menigte begeven, elk zijn eigen weg nemende. Michael
Strogoff bemerkte aan den eenen kant Harry Blount, met zijn zakboekje
in de hand, eenige typen schetsende en eenige opmerkingen
aanteekenende; aan den anderen kant Alcide Jolivet, zich tevreden
stellende met praten en rekenende op zijn geheugen, dat niets kon
vergeten. Langs de geheele oostelijke grens van Rusland liep het
gerucht dat de opstand en de inval eene geduchte uitbreiding hadden
aangenomen. Het verkeer tusschen Siberië en het rijk was reeds uiterst
moeilijk. Dat hoorde Strogoff, die het dek niet verlaten had, van de
nieuw aangekomen passagiers.
Deze gesprekken veroorzaakten hem eene wezenlijke ongerustheid, en
wekten het dringend verlangen bij hem op aan gene zijde van den Oeral
te zijn, om zelf over de ernstige gebeurtenissen te oordeelen en tegen
elk mogelijk ongeval maatregelen te nemen. Hij scheen op het punt te
zijn aan een of ander inwoner van Kazan juister inlichtingen te vragen,
toen zijne aandacht opeens werd afgeleid.
Onder de reizigers, die de Kaukasus verlieten, herkende Michael
Strogoff den troep Zigeuners, die zich den vorigen dag nog op het
jaarmarktplein te Nijni-Novgorod bevonden. Daar op het dek der
stoomboot bevonden zich de oude heiden en de vrouw, die hem voor een
spion had uitgemaakt. Met hem ontscheepten een twintigtal danseressen
en zangeressen, in oude dekens gewikkeld, die hunne met klatergoud
belegde jurken bedekten en waarschijnlijk onder het bestuur van den
ouden Zigeuner stonden.
Michael Strogoff twijfelde er nu niet meer aan dat het gesprek, dat hem
rechtstreeks betrof, uit dien troep voortgekomen en gevoerd was
tusschen den ouden Zigeuner en de vrouw, die hij den Mongoolschen naam
van Sangarre gegeven had.
Michael Strogoff naderde door eene onwillekeurige beweging de trap van
de stoomboot, op het oogenblik dat de heidens haar zouden verlaten.
De oude heiden stond daar, in eene nederige houding, die weinig
overeenkwam met de onbeschaamdheid, aan zijne stamgenooten eigen. Men
zou gezegd hebben dat hij eerder de blikken zocht te vermijden, dan ze
tot zich te trekken. Zijn ellendige hoed, geheel verbrand door de zon,
was diep over zijn oogen getrokken. Zijn breede gewelfde rug rondde
zich af onder een ouden kiel, waarin hij zich, in weerwil van de hitte,
dicht had gewikkeld. Het ware moeielijk geweest onder dit ellendig
toetakelsel over zijn lichaamsbouw en gelaat te oordeelen. Bij hem
stond, in eene prachtige houding, de Zigeunsche Sangarre, eene vrouw
van dertig jaar, bruin van vel, groot van gestalte, met prachtige oogen
en goudgeel haar.
Onder de jonge danseressen waren er verscheidene bij uitstek mooi, die
het type van haar ras sterk vertoonden.
Michael Strogoff bemerkte dat de Zigeunerin Sangarre hem onophoudelijk
aankeek, als wilde zij zijne trekken onuitwischbaar in haar geheugen
prenten.
»Dat is eene brutale heidin,” zeide Michael Strogoff tot zich zelf.
»Zou zij mij herkend hebben voor den man, dien zij te Nijni-Novgorod
voor een spion uitgemaakt heeft. Die vervloekte Zigeuners hebben oogen
als katten! Zij zien in het donker, en deze kan misschien wel
weten....”
Michael Strogoff was op het punt Sangarre en haar troep te volgen, maar
hij bedacht zich.
»Neen,” zeide hij in zich zelf, »geen onbedachte stappen! Indien ik
dien ouden waarzegger en zijne bende laat in hechtenis nemen, dan loopt
mijn incognito gevaar om ontdekt te worden. Zij zijn nu eenmaal weg en
voor dat zij over de grenzen zullen zijn, zal ik reeds lang den Oeral
over zijn getrokken. Ik weet wel dat zij den weg van Kazan naar Ichim
kunnen nemen, maar deze weg levert geen middelen van vervoer op en een
tarentass met goede Siberische paarden bespannen, zal eene kar van
heidens wel vooruitsnellen. Wees maar gerust, vriend Korpanoff!” In elk
geval waren de oude Zigeuner en Sangarre op dit oogenblik, reeds in de
menigte verdwenen.
Michael Strogoff had zeer wijselijk den weg over Perm, Ekaterinenburg
en Tioemen gekozen. Dat is de groote weg, die zich van Ichim tot
Irkoetsk uitstrekt en die goed van poststations voorzien is.
Een uur daarna luidde de bel van de Kaukasus. Het was zeven uur in den
morgen. Het innemen van kolen was afgeloopen. De stoomboot was gereed
om te vertrekken.
De reizigers, die van Kazan naar Perm gingen, hadden reeds hunne
plaatsen aan boord ingenomen. Op dit oogenblik bemerkte Michael
Strogoff dat Harry Blount alleen op de stoomboot terug was gekomen. Zou
Alcide Jolivet haar dan misloopen?
Doch op het oogenblik dat men de kabels losmaakte, verscheen Alcide
Jolivet, uit al zijne macht komende aanloopen. De plank was reeds aan
wal gehaald en de stoomboot zette zich reeds in beweging, toen Alcide
Jolivet, voor geen klein beetje vervaard, met de vlugheid van een
clown, op eens op het dek van de Kaukasus sprong, bijna in de armen van
zijn collega.
»Ik dacht dat de Kaukasus zonder u ging vertrekken,” zeide deze half
willens, half onwillens.
»Ba!” antwoordde Alcide Jolivet, »ik zou u wel hebben weten in te
halen, al had ik eene boot op kosten mijner nicht moeten huren of
postpaarden moeten nemen tegen twintig kopeken per werst. Wat zal ik er
van zeggen? Het telegraafkantoor was nog al ver van hier!”
»Zijt gij naar de telegraaf geweest?” vroeg Harry Blount, op zijn
lippen bijtende.
»Ik ben er geweest!” antwoordde Alcide Jolivet met zijn liefelijksten
glimlach.
»En hij werkt nog altijd tot Kolivan?”
»Dat weet ik niet, maar ik kan u wel verzekeren, dat hij van Kazan naar
Parijs werkt!”
»Gij heb eene dépêche verzonden.... naar uwe nicht?....”
»Met het meeste genoegen.”
»Gij hebt dus vernomen....”
»Hoor, vadertje, om nu eens met de Russen te spreken,” antwoordde
Alcide Jolivet, »ik ben niet kwaad, ik wil voor u niets geheim houden.
De Tartaren, met Feofar-Khan aan het hoofd, zijn tot voorbij
Semipalatinsk voortgerukt en zakken de Irtisch af. Doe er uw voordeel
mee!”
Hoe! eene zoo ernstige tijding, en Harry Blount had er geen kennis van
gekregen, en zijn mededinger, die ze waarschijnlijk van een of ander
inwoner van Kazan vernomen had, had ze terstond naar Parijs
overgeseind! Het Engelsche dagblad was dus ten achteren. Harry Blount
ging dan ook met zijn armen op den rug op het achterdek zitten, zonder
een woord meer te spreken.
Tegen tien uur verliet het Lijflandsche meisje hare hut en kwam op het
dek.
Michael Strogoff ging naar haar toe, en stak haar de hand toe.
»Hoe ver zijn wij van Moskou?” vroeg zij.
»Negen honderd wersten!” antwoordde Michael Strogoff.
»Negen honderd van de zeven duizend!” mompelde het jonge meisje.
De bel kondigde het uur van ontbijt aan. Nadia volgde Michael Strogoff
naar de spijskamer der boot. Zij wilde niets gebruiken van die
bijgerechten, die afzonderlijk toegediend worden, zooals kaviaar,
haring in stukjes gesneden, brandewijn uit rogge vervaardigd en met
anijs gekruid, een drank, dienende om den eetlust op te wekken; in de
noorsche landen algemeen in gebruik, zoowel in Rusland, als in Zweden
en Noorwegen.
Nadia at weinig, wellicht als een arm meisje, wier middelen zeer
bekrompen zijn. Michael Strogoff meende zich nu te moeten tevreden
stellen met het maal waarmede zijne gezellin tevreden was, dat is: met
een weinig »koulbat,” een soort van gebak, bestaande uit dooiers van
eieren, rijst en gestampt vleesch, en roode kool met kaviaar gestoofd;
terwijl thee de eenige drank was.
Dit maal was dus noch lang, noch duur; ook gingen Michael Strogoff en
Nadia reeds binnen twintig minuten weder naar boven, op het dek.
Beiden zetten zich op het achterdek neder en Nadia hare stem
verzachtende, zeide, zonder door iemand anders gehoord te kunnen
worden:
»Broeder, ik ben de dochter van een banneling. Ik heet Nadia Fedor.
Mijne moeder is te Riga gestorven, bijna een maand geleden, en ik ga
naar Irkoetsk, naar mijn vader, om zijne ballingschap te deelen.”
»Ik ga ook naar Irkoetsk,” antwoordde Michael Strogoff, »en ik zal het
als eene gunst van den hemel beschouwen, Nadia Fedor gezond en wel in
de handen van haar vader over te geven.”
»Dank u, broeder!” antwoordde Nadia.
Michael Strogoff vertelde toen, dat hij een bijzonder podaroshna voor
Siberië gekregen had, en dat van den kant der Russische overheden,
niets zijne reis kon belemmeren.
Nadia verlangde niets beter. Zij zag in de ontmoeting van dien
eenvoudigen en goeden jongen man, dien de Voorzienigheid haar had
toegezonden, slechts éen ding; het middel voor haar om tot haar vader
te komen.
»Ik had,” zeide zij, »een vrijgeleide, dat mij machtigde mij naar
Irkoetsk te begeven; doch het besluit van den gouverneur van
Nijni-Novgorod heeft het ongeldig verklaard, en zonder u, broeder, zou
ik de stad niet hebben kunnen verlaten, waar ge mij ontmoet hebt en
waar ik zeer zeker gestorven zou zijn!”
»En alleen, Nadia,” riep Michael Strogoff uit, »alleen, durfdet ge het
te wagen de steppen van Siberië door te trekken!”
»Dat was mijn plicht, broeder.”
»Maar wist ge dan niet dat het land, in opstand en overheerd, niet door
te komen is.”
»De Tartaarsche inval was niet bekend, toen ik Riga verliet,”
antwoordde het jonge meisje. »Eerst te Moskou heb ik die tijding
vernomen!”
»En desniettegenstaande, hebt ge uwe reis vervolgd!”
»Dat was mijn plicht.”
In dat gezegde was het geheele karakter van het moedige meisje
saamgevat. Nadia aarzelde nooit te doen wat haar plicht was.
Zij sprak toen over haar vader, Wassili Fedor. Het was een geacht
geneesheer uit Riga. Hij oefende zijn beroep met gunstig gevolg uit en
leefde gelukkig te midden der zijnen. Doch zijn lidmaatschap in een
buitenlandsch geheim genootschap bewezen zijnde, kreeg hij bevel om
naar Irkoetsk te vertrekken en de gendarmen, die hem dit bevel
brachten, geleidden hem op staanden voet over de grenzen.
Wassili Fedor had slechts den tijd zijne vrouw, die reeds lijdende was,
te omhelzen, alsmede zijne dochter, die misschien zonder steun zou
blijven, en, weenende over die twee wezens, die hij beminde, vertrok
hij. Sedert twee jaar bewoonde hij de hoofdstad van Oost-Siberië, en
daar oefende hij, maar niet voordeelig, zijn beroep van geneesheer uit.
Niettemin zou hij misschien gelukkig geweest zijn, voor zoover een
banneling zulks kan zijn, indien zijne vrouw en zijne dochter bij hem
hadden kunnen zijn. Maar mevrouw Fedor, reeds zeer verzwakt, zou Riga
niet hebben kunnen verlaten. Twintig maanden na het vertrek van haar
man stierf zij in de armen van hare dochter, die zij alleen en bijna
zonder hulp achterliet. Nadia Fedor vroeg toen en kreeg, zonder moeite,
van het Russische gouvernement verlof, zich naar haar vader te Irkoetsk
te begeven. Zij schreef hem, dat zij vertrok. Nauwelijks had zij de
noodige middelen om die lange reis te maken, en toch aarzelde zij niet
die reis te ondernemen. Zij deed wat zij kon!.... God zou het overige
doen.
Middelerwijl voer de Kaukasus de rivier op. Het was avond geworden, en
de lucht werd door eene heerlijke frischheid bezwangerd. Duizenden
vonken ontsnapten uit den schoorsteen der stoomboot, met pijnboomhout
gestookt en bij het gedruisch van de golven door den voorsteven
gebeukt, mengde zich het gehuil der wolven, die tegen den avond den
rechteroever van de Kama onveilig maakten.
IX.
NACHT EN DAG IN EENE TARENTASS.
Den volgenden dag, 19 Juli, kwam de Kaukasus aan de aanlegplaats te
Perm aan, de laatste plaats die hij aan de Kama aandeed.
Het gouvernement, waarvan Perm de hoofdplaats is, is een der
uitgestrektste van het Russische Rijk. Marmer- en zoutgroeven, platina-
en goudlagen, steenkolenmijnen worden er op groote schaal bewerkt. In
afwachting dat Perm door hare ligging eene stad van den eersten rang
worde, heeft het weinig aantrekkelijks, is zeer vuil en morsig, en het
heeft geene hulpbronnen. Voor hen, die van Rusland naar Siberië gaan,
is dit gebrek aan gemak vrij onverschillig, want zij komen uit het
binnenland en zijn van al het noodige voorzien; maar voor degenen die
uit Middel-Azië komen na een lange en vermoeiende reis, zou het zeker
niet onwelgevallig zijn dat de eerste Europeesche stad van het rijk,
bij de Aziatische grens gelegen, beter voorzien ware.
Het is te Perm, dat de reizigers hunne voertuigen, min of meer
beschadigd door een langen tocht door de vlakten van Siberië,
verkoopen. Daar ook schaffen zij, die van Europa naar Azië gaan, zich
gedurende den zomer rijtuigen en gedurende den winter sleden aan,
alvorens zich voor eenige maanden in de steppen te wagen.
Michael Strogoff had reeds zijn reisplan vastgesteld en het wachtte
slechts op de uitvoering.
Er bestaat een vrij snelle brievenpostdienst over het Oeral-gebergte,
maar die dienst was door de omstandigheden van het oogenblik verstoord.
En al ware dit het geval niet geweest, dan zou Michael Strogoff, die er
spoedig wilde zijn, zonder van iemand af te hangen, toch niet van die
gelegenheid gebruik gemaakt hebben. Hij wilde liever rijtuigen koopen
en van pleisterplaats tot pleisterplaats rijden, den ijver der
postiljons door navodko [4] aanwakkerende.
Maar welk voertuig dan te nemen? Eene telega of eene tarentass?
De telega is een open wagen met vier wielen en alleen uit hout
vervaardigd. Wielen, assen, bouten, bak, lemoen, de boomen in den
omtrek hebben alles geleverd, en de verschillende deelen waaruit dit
voertuig samengesteld is, worden door dikke touwen aan elkander
bevestigd. Niets is eenvoudiger, niets is doelmatiger, maar niets ook
gemakkelijker te herstellen, wanneer een of ander ongeval zich op reis
voordoet. Er is geen gebrek aan denneboomen op de Russische grenzen en
de assen groeien natuurlijk in de wouden. Door middel van de telega
heeft de buitengewone postdienst plaats. Voor dit voertuig zijn alle
wegen goed. Men moet evenwel bekennen dat de touwen somtijds breken, en
dat, terwijl het achterstel in een of anderen sneeuw- of modderpoel
blijft steken, het voorstel op twee wielen aan de pleisterplaats
aankomt.
Michael Strogoff zou nu wel genoodzaakt geweest zijn de telega te
nemen, indien hij niet het geluk had gehad eene tarentass te vinden.
Niet dat dit laatste voertuig volmaakt is, want de veeren ontbreken er
even zoo goed aan als aan de telega, en het hout is er, bij gebrek aan
ijzer, niet aan gespaard, maar de lange as, waarmede het voorzien is,
geeft het een zeker evenwicht op hobbelige en dikwijls zeer ongelijke
wegen. Een slijkbord beveiligt de reizigers tegen de modder op den weg
en eene groote leeren kap, die neergelaten kan worden, maakt het minder
onaangenaam gedurende de groote hitte en de hevige onweersbuien van den
zomer. De tarentass is overigens even zoo sterk, en evenzoo gemakkelijk
te herstellen als de telega, en van den anderen kant laat dit voertuig
zijn achterstel minder op de groote wegen achter.
Het was evenwel niet zonder moeite dat het Michael Strogoff gelukte
eene tarentass op te sporen, en het was wel waarschijnlijk dat hij in
de geheele stad Perm geene tweede zou gevonden hebben. Niettemin dong
hij zeer af, enkel voor den vorm, om in zijne rol te kunnen blijven van
Nicolaas Korpanoff, eenvoudig koopman van Irkoetsk.
Nadia was overal meegegaan om een voertuig te zoeken. Hoewel het doel
dat zij bereiken moesten verschillend was, hadden zij toch beiden
evenveel haast op de plaats hunner bestemming aan te komen en bijgevolg
om te vertrekken. Men zou gezegd hebben dat éen en dezelfde wil hen
bezielde!
»Zuster,” zeide Michael Strogoff, »ik had gaarne gewenscht voor u een
aangenamer en gemakkelijker rijtuig te vinden.”
»Broeder, zegt gij dat tegen mij, die zoo noodig te voet ware gegaan om
tot mijn vader te komen!”
»Ik twijfel niet aan uw moed, Nadia, maar er zijn lichamelijke
vermoeienissen, tegen welke geene vrouw bestand is.”
»Ik zal er tegen bestand zijn, van welken aard zij ook mogen zijn.
Mocht eene klacht over mijne lippen komen, laat mij dan onderweg achter
en vervolg uwe reis alleen!”
Een half uur later werden, op vertoon van het podaroshna, drie
postpaarden voor de tarentass gespannen. Deze dieren, met lang haar
bedekt, hadden veel van beren op hooge pooten. Zij waren klein en
vurig, van Siberisch ras.
Ziehier hoe de postiljon, de iemschik, ze had aangespannen: het eene,
het grootste was tusschen twee lange disselboomen vastgemaakt, die aan
hunne voorste uiteinden een hoepel droegen, douga genaamd, behangen met
kwasten en belletjes; de twee anderen waren eenvoudig met touwen aan de
beide treden van de tarentass bevestigd. Overigens geen tuig, en tot
leidsels niets anders dan een eenvoudig touw.
Noch Michael Strogoff, noch het meisje voerde bagage mede. De groote
haast van den een en de geringe middelen van de andere, hadden hen niet
toegestaan het zich hiermede lastig te maken. Het was nu wel een geluk,
want er was slechts plaats voor twee personen, zonder den postiljon
mede te rekenen, die zich op zijn nauwen bok ternauwernood in evenwicht
kon houden. Die postiljon wordt evenwel bij elke pleisterplaats
verwisseld. Hij, wiens beurt het nu was te rijden, was een Siberiër
evenals zijn paarden, en niet minder harig dan zij. Hij had al
aanstonds een navorschenden blik op de reizigers van de tarentass
geworpen. Geen bagage!—en waar zouden zij die voor den duivel gestopt
hebben?—Dat is dus geen buitenkansje. En hij trok een veelbeteekenend
gezicht.
»Raven,” zeide hij, zonder zich te bekreunen om al of niet gehoord te
worden, »raven tegen zes kopeken per werst.”
»Neen! adelaars,” riep Michael Strogoff uit, die volmaakt de taal der
iemschiks verstond, »adelaars hoor je, tegen negen kopeken per werst,
en de fooi bovendien!”
Een vroolijk zweepgeklap antwoordde hem.
De »raaf” beteekent in de taal der Russische postiljons, den gierigen
of armen reiziger, die op de boerenpleisterplaats, de paarden slechts
tegen twee à drie kopeken per werst betaalt. De »arend” beteekent den
reiziger die voor geen hoogen prijs terugdeinst, zonder nog de groote
fooien te rekenen. Ook kan de raaf er geene aanspraak op maken even zoo
snel als de keizerlijke vogel te vliegen.
Michael Strogoff en Nadia namen onmiddellijk plaats in de tarentass. De
kap werd opgezet, want de hitte was dien dag ondragelijk en om twaalf
uur verliet de tarentass Perm, te midden van eene wolk van stof.
Michael Strogoff was aan die manier van reizen gewend. Het horten en
stooten hinderde hem geenszins. Hij wist dat een Russisch span noch de
keien, noch de wagensporen, noch de modderpoelen, noch de omvergeworpen
boomen, noch de sloten vermijdt. Zijne reisgenoote liep gevaar door het
heen en weer slingeren van de tarentass gekwetst te worden, maar zij
klaagde niet.
Gedurende de eerste oogenblikken van de reis zeide Nadia niets, want
zij was geheel vervuld van de gedachte om maar spoedig aan te komen.
»Ik heb drie honderd wersten tusschen Perm en Ekaterinenburg geteld,
broeder!” zeide zij. »Heb ik mij vergist?”
»Gij hebt u niet vergist, Nadia,” antwoordde Michael Strogoff, »en
wanneer wij Ekaterinenburg zullen bereikt hebben, zullen wij ons aan
gene zijde van het Oeral-gebergte bevinden.”
»Hoe lang zal die tocht door het gebergte duren?”
»Acht en veertig uren, want wij zullen nacht en dag reizen. Ik zeg
nacht en dag, want ik kan mij geen oogenblik ophouden, en ik moet
onophoudelijk voort naar Irkoetsk.”
»Ik zal u niet ophouden, broeder, neen, zelfs geen uur en wij zullen
nacht en dag reizen.”
»Welnu dan, Nadia, moge de inval der Tartaren ons den weg niet
belemmeren, en binnen twintig dagen zullen wij aangekomen zijn!”
»Gij hebt die reis reeds meer gemaakt?” vroeg Nadia.
»Verscheidene malen.”
»In den winter zouden wij er spoediger en zekerder komen, is het niet?”
»Ja, spoediger vooral, maar ge zoudt veel door de koude en de sneeuw
geleden hebben!”
»Dat is niets! De winter is de vriend van den Rus.”
»Ja, Nadia, maar wat een sterk gestel moet men hebben om aan dergelijke
vriendschap weerstand te bieden! Ik heb dikwijls den warmtegraad in de
Siberische steppen zien dalen tot meer dan veertig graden onder het
vriespunt! Ik heb, in weerwil van mijne kleeding van rendierhuid, mijn
hart voelen verstijven, mijne leden voelen krimpen, mijne voeten voelen
bevriezen onder driedubbele wollen sokken! Ik heb de paarden van mijne
slede bedekt gezien met een schild van ijs, en hun adem verstijfd
gezien in hunne neusgaten. Ik heb den brandewijn in mijne reisflesch in
een harden steen zien veranderen!.... Maar mijne slede vloog als een
orkaan voort! Geene hinderpalen op de onafzienbare met sneeuw bedekte
vlakte! Geen stroomen meer waarvan men genoodzaakt is de waadbare
plaatsen op te zoeken! Geen meren meer die men in een boot moet
oversteken! Overal het harde ijs, de vrije, de zekere weg! Maar ten
koste van welk lijden, Nadia! Zij alleen zouden het kunnen zeggen, die
nooit teruggekomen zijn, en waarvan de sneeuwjacht spoedig de lijken
bedekt heeft!”
»Gij zijt evenwel teruggekomen, broeder,” zeide Nadia.
»Ja, maar ik ben een Siberiër, en reeds zeer jong, toen ik mijn vader
op zijne jachten volgde, gewende ik mij aan dit harde leven. Maar toen
gij mij zeidet, Nadia, dat de winter u niet zou tegengehouden hebben,
dat gij alleen zoudt vertrokken zijn, gereed om tegen de
verschrikkelijke guurheid van het Siberisch klimaat te worstelen,
verbeeldde ik mij u reeds onder de sneeuw bedolven te zien!”
»Hoeveel maal zijt gij de steppen gedurende den winter doorgetrokken?”
vroeg het jonge meisje.
»Driemaal, Nadia, wanneer ik naar Omsk ging.”
»En wat gingt ge te Omsk doen?”
»Mijne moeder bezoeken, die mij wachtte.”
»En ik, ik ga naar Irkoetsk waar mijn vader mij verwacht. Ik ga hem de
laatste woorden van mijne moeder overbrengen! Dat wil zeggen, broeder,
dat niets mij zou hebben kunnen beletten te vertrekken!”
»Gij zijt een braaf kind, Nadia,” antwoordde Michael Strogoff, »en God
zelf zou u geleid hebben!”
Gedurende dien dag was de tarentass door de iemschiks, die elkander bij
elke pleisterplaats opvolgden, snel vooruit gebracht. De arenden van
het gebergte zouden hun naam niet onteerd hebben geacht door deze
arenden van den grooten weg. De hooge prijs voor ieder paard betaald,
de rijke fooien, bevalen de reizigers bijzonder aan. Misschien vonden
de postmeesters ’t zonderling, dat, na de uitvaardiging van het
besluit, een jonge man en zijne zuster, klaarblijkelijk beide Russen,
Siberië, dat voor elk ander gesloten was, vrij konden doortrekken, doch
hunne papieren waren in orde, en zij hadden het recht om te passeeren.
Ook snelde de tarentass met eene ongelooflijke snelheid de mijlpalen
voorbij.
Overigens waren Michael Strogoff en Nadia niet de eenigen, die den weg
van Perm naar Ekaterinenburg volgden. Bij de eerste pleisterplaatsen
had de koerier van den czaar vernomen, dat hem een rijtuig voor was,
doch, daar hem geen paarden ontbraken, dacht hij daarover niet verder
na. Gedurende dien dag werd van de weinige halten, waar de tarentass
verpoosde, gebruik gemaakt om zich te ververschen. De posthuizen zijn
hiertoe zeer goed ingericht. Overigens is, bij gebrek aan
pleisterplaats, het huis van den Russischen boer niet minder gastvrij.
De reiziger kan aan alle deuren aankloppen. Overal wordt hij goed
ontvangen. De moejiek komt hem met een vriendelijk gelaat te gemoet, en
steekt hem de hand toe. De vreemdeling, wanneer hij aankomt, is de
bloedverwant van allen. Het is »de van God gezondene.”
’s Avonds aankomende, vroeg Michael Strogoff, als door eene soort van
instinct gedreven, aan den postmeester: hoe laat het rijtuig, dat hem
voorafging, de pleisterplaats verlaten had.
»Twee uren geleden,” antwoordde de postmeester.
»Het is eene berline?”
»Neen, eene telega.”
»Hoeveel reizigers?”
»Twee.”
»En rijden zij snel?”
»Het zijn arenden!”
»Dat men spoedig inspanne.”
Michael Strogoff en Nadia besloten geen uur op te houden, en reisden
den geheelen nacht door.
Het bleef mooi weer, doch de lucht werd langzamerhand drukkender en men
vreesde voor een onweder, dat in de bergen altijd verschrikkelijk is.
De nacht liep evenwel goed af. Ondanks het stooten van de tarentass,
kon Nadia eenige uren slapen. De half opgezette kap liet toe om de
weinige lucht in te ademen, waarnaar de longen zoozeer verlangden in
den verstikkenden dampkring.
Michael Strogoff bleef den geheelen nacht wakker, daar hij de iemschiks
niet vertrouwde, die dikwijls op den bok in slaap vallen.
Den volgenden dag, 20 Juli, tegen acht uur in den morgen, werd het
Oeral-gebergte in het oosten zichtbaar.
Gedurende dien dag bleef de lucht onophoudelijk betrokken, en de
luchtgesteldheid was daardoor een weinig draaglijker, maar het weer was
schrikkelijk stormachtig.
Misschien ware het voorzichtiger geweest, zich niet midden in den nacht
in het gebergte te wagen, en dat zou Michael Strogoff gedaan hebben,
indien hij had kunnen wachten; maar toen de postiljon van de laatste
wisselplaats hem op het naderen van het onweer opmerkzaam maakte,
vergenoegde hij met te zeggen:
»Eene telega is ons nog altijd vooruit?”
»Ja.”
»Hoeveel is zij ons vooruit?”
»Ongeveer een uur.”
»Vooruit dan, en eene driedubbele fooi, indien wij morgen ochtend te
Ekaterinenburg zijn!”
X.
EEN ONWEDER IN HET OERAL-GEBERGTE.
Het Oeral-gebergte heeft tusschen Europa en Azië eene uitgestrektheid
van bij de drie duizend wersten (3.200 kilometer). De naam Oeral, die
van Tartaarschen oorsprong is, of die van Poyas, volgens de Russische
benaming, beteekent »gordel.” Dezen gordel, die van de Noordelijke
IJszee tot de boorden van de Kaspische Zee loopt, moest Michael
Strogoff nu overtrekken, en zooals gezegd is, had hij er goed aan
gedaan, den weg te nemen over Perm naar Ekaterinenburg, welke laatste
stad op de oostelijke helling van het Oeral-gebergte gelegen is. De
nacht zou voor dien tocht in het gebergte voldoende zijn, indien geen
ongeval tusschen beiden kwam. Ongelukkig kondigde het gerommel van den
donder in de verte het naderen van een onweder aan, dat door den
bijzonderen toestand van den dampkring verschrikkelijk dreigde te
worden.
Michael Strogoff bezorgde nu zoo goed mogelijk zijne gezellin. De kap,
die een windvlaag gemakkelijk weggerukt zou hebben, werd door middel
van touwen steviger bevestigd; men verdubbelde de strengen der paarden,
en tot overmaat van voorzorg werd de stootplaat der assen met stroo
omwonden, zoowel om de stevigheid der wielen te verzekeren als om de
schokken te verzachten, die in een donkeren nacht moeielijk te
vermijden zijn. Eindelijk werden achter- en voorstel, waarvan de assen
eenvoudig met houten pinnen aan den bak van den tarentass bevestigd
waren, door een dwarshout met schroeven en moeren aan elkander
vastgeklonken.
Nadia nam achter in de tarentass plaats; Michael Strogoff zette zich
naast haar. Voor de kap, die geheel opgezet was, hingen twee leeren
gordijnen, die, in zekere mate, de reizigers tegen den regen en de
rukwinden moesten beschutten, en links van den bok bevonden zich twee
groote lompe lantarens, waarvan het flauwe licht den weg niet erg
verlichtte, maar die ten minste konden dienen om het aanrijden van een
of ander rijtuig te verhinderen.
Men ziet dus dat alle voorzorgen genomen waren en in dien
onheilspellenden nacht was dit wel raadzaam.
»Nadia, wij zijn gereed,” zeide Michael Strogoff.
»Laat ons dan vertrekken,” antwoordde het meisje.
Het was acht uur, en de zon ging langzamerhand onder. Doch de lucht was
somber, ondanks de schemering, die onder die breedte lang duurt. Zeer
dikke dampen schenen het gewelf des hemels te drukken, doch geen windje
verplaatste ze nog. Er zou een diepe stilte geheerscht hebben zonder
het gekraak van de wielen der tarentass, het luide hijgen der buiten
adem zijnde paarden en het slaan hunner hoefijzers op de keien, waaruit
van tijd tot tijd vonken vlogen.
Michael Strogoff lichtte de leeren gordijnen op en bleef eenigen tijd
voorovergebogen naar buiten kijken en de veranderingen in de lucht
waarnemen. Tegen elf uur begon het te weerlichten, en hoe langer hoe
erger. Van tijd tot tijd scheen het geratel van den donder zich met het
holle gerol van het voertuig te vermengen, wanneer het over een brug
van ruwe planken ging, die over eene of andere kloof geslagen was, en
met het geschreeuw van den postiljon, die zijne paarden aanzette, die
door de zwaarte van de lucht meer dan door de steilte van den weg
vermoeid waren.
»Hoe laat zullen wij op den top van den bergpas aankomen?” vroeg
Michael Strogoff aan den iemschik.
»Om éen uur in den morgen.... indien wij aankomen!” antwoordde deze het
hoofd schuddende.
»Zeg eens, vriend, het is toch niet voor den eersten keer dat je een
onweer in het gebergte bijwoont?”
»Neen, geve God dat dit niet mijn laatste zij!”
»Zijt ge dan bang?”
»Ik ben niet bang, maar ik zeg ’t nog eens, ge hebt verkeerd gedaan van
te vertrekken.”
»Ik zou grooter ongelijk hebben gehad zoo ik gebleven ware.”
»Vooruit jongens!” riep de iemschik zijn paarden toe als een man die er
niet was om te redetwisten, maar om te gehoorzamen.
Op dit oogenblik had er in het luchtruim eene trilling plaats, alsof ze
voortgebracht ware door een scherp oorverdoovend gefluit dat den
dampkring doorkliefde. Op het verblindend licht van den bliksem volgde
opeens een verschrikkelijke donderslag, en de wind barstte woedend los.
Eenige doffe geluiden duidden aan, dat eenige oude en slecht gewortelde
boomen de eerste aanvallen van de hevige windvlaag niet hadden kunnen
weerstaan. Een aantal verbrijzelde stammen vlogen over den weg, na met
geweld op de rotsen neergekomen te zijn, en stortten links in den
afgrond, op twee honderd passen van de tarentass.
De paarden waren op eens blijven stilstaan.
»Vooruit dan, kereltjes,” schreeuwde de iemschik, het geklap zijner
zweep bij het gerommel van den donder voegende.
Michael Strogoff vatte de hand van Nadia.
»Slaapt ge, zuster?” vroeg hij aan haar.
»Neen, broeder.”
»Houd u tot alles gereed. Daar is onweer.”
»Ik ben gereed.”
Michael had slechts den tijd de leeren gordijnen van de tarentass dicht
te doen.
De onweersbui kwam met de snelheid van den bliksem opzetten.
De iemschik sprong van zijn bok en vloog naar den kop zijner paarden om
ze tegen te houden, want een verschrikkelijk gevaar bedreigde het
gespan.
Inderdaad de tarentass bevond zich aan een draai van den weg, vanwaar
de onweersbui kwam. Zij moest dus vlak in den wind gehouden worden,
want wanneer zij op zij getroffen werd, zou zij omvergeslagen en in een
diepen afgrond gestort zijn, die zich links van den weg bevond. De
paarden, door den rukwind teruggedreven, steigerden, en hun voerman kon
ze niet tot bedaren brengen. De arme dieren, door het weerlicht
verblind, verschrikt door de onophoudelijke donderslagen, aan het
losbarsten van verscheidene stukken geschut gelijk, dreigden hunne
strengen te verbreken en op hol te gaan. De iemschik was zijne paarden
niet meer meester.
Op dit oogenblik sprong Michael Strogoff op eens uit de tarentass en
kwam hem te hulp. Begaafd met eene meer dan gewone lichaamskracht,
gelukte het hem, niet zonder moeite, de paarden te beteugelen.
Maar de woede van den orkaan verdubbelde toen. De weg had op die hoogte
den vorm van een trechter en de onweersbui stortte er zich in, zooals
zij zich zou gestort hebben in de naar den wind gekeerde luchtkokers
van een stoomschip. Terzelfder tijd begon een stortvloed van steenen en
boomstammen van de helling af te rollen.
»Wij kunnen hier niet blijven,” zeide Michael Strogoff.
»Wij zullen er ook niet blijven,” riep de iemschik geheel ontsteld uit,
terwijl hij zich met alle kracht tegen die verschrikkelijke
verplaatsing der luchtlagen verzette. »De orkaan zal ons weldra, ja al
schielijk onder aan den berg geworpen hebben.”
»Neem je linkerpaard, lafaard!” antwoordde Michael Strogoff. »Ik sta
voor het rechter in!”
Een nieuwe aanval van den rukwind noodzaakte den postiljon en Strogoff
zich tot op den grond te bukken, om niet omvergeworpen te worden; doch
de tarentass werd ondanks hunne pogingen en die der paarden, die zij
tegen den wind ophielden, een geheel eind achteruit geworpen, en zonder
een boomstam, die hen tegenhield, zou zij van den weg geworpen zijn.
»Wees niet bang, Nadia,” schreeuwde Michael Strogoff.
»Ik ben niet bang,” antwoordde het meisje, zonder dat hare stem de
minste aandoening verraadde.
»Wilt ge naar beneden gaan?” vroeg de iemschik.
»Neen, wij moeten naar boven! Wij moeten dien hoek om! Hooger op,
zullen wij door de helling beschut worden!”
»Maar de paarden weigeren!”
»Doe zooals ik, en trek ze voort!”
»De onweersbui komt weer op!”
»Zult ge gehoorzamen?”
»Ge begeert het!”
»De vader gebiedt het!” zeide Michael Strogoff, die voor de eerste maal
den naam van den keizer aanriep.
»Vooruit dan!” riep de iemschik uit, terwijl hij het rechter paard
greep, en Michael Strogoff het andere.
De paarden, aldus vastgehouden, vervolgden met moeite hun weg, doch,
menschen en beesten, telkens door den rukwind overvallen, konden geen
drie stappen doen, of zij gingen er een of twee achteruit. Zij gleden
uit, zij vielen, zij stonden weer op, en het voertuig liep gevaar van
uit elkaar te raken. Indien de kap niet stevig ware bevestigd geweest,
zou zij al lang afgewaaid zijn.
Michael Strogoff en de iemschik hadden twee uren noodig om dit gedeelte
van den weg op te komen, dat hoogstens een halve werst lang was, en dat
rechtstreeks aan de onweersbui was blootgesteld. Het gevaar bestond
toen niet alleen in dien vreeselijken orkaan, maar vooral in die
hagelbui van steenen en verbrijzelde boomstammen, die van het gebergte
op hen neerkwamen.
Plotseling werd, bij het flikkeren van het weerlicht, een steenblok
opgemerkt, dat zich met eene toenemende snelheid in de richting der
tarentass bewoog. De iemschik slaakte een kreet.
Michael Strogoff wilde de paarden, door een krachtigen zweepslag, doen
vooruitgaan. Zij weigerden. Eenige stappen nog en het blok zou achter
de tarentass voorbijrollen!....
Michael Strogoff zag, in het twintigste eener seconde, de tarentass
getroffen en zijne gezellin tegelijkertijd verpletterd! Hij begreep,
dat hij geen tijd meer had om haar levend uit het voertuig te
rukken!... Hij vliegt naar achter en met eene bovenmenschelijke kracht
duwde hij met zijn rug het zware rijtuig eenige voeten vooruit.
Het ontzettende blok gleed in het voorbijgaan rakelings langs de borst
van den jongen man en sneed hem de ademhaling af, evenals een
kanonskogel zou gedaan hebben, en verbrijzelde de keisteenen van den
weg, die door den schok vonken van zich afwierpen.
»Broeder!” had Nadia geheel ontsteld uitgeroepen, die alles bij het
licht van den bliksem gezien had.
»Nadia,” antwoordde Michael Strogoff, »Nadia, heb maar geen vrees!”....
»Voor mij behoefde ik geen vrees te hebben!”
»God is met ons, zuster!”
»Met mij zeer zeker, broeder, wijl Hij u op mijn weg geplaatst heeft!”
zeide het meisje.
Het voortduwen van de tarentass had goed geholpen dank zij de
krachtsinspanning van Michael Strogoff. De paarden, geheel versuft en
om zoo te zeggen voortgesleept door Michael Strogoff en den iemschik,
kwamen weder op den rechten weg en bereikten een engen bergpas, die hen
tegen de dadelijke aanvallen van den storm zou beschutten.
Het was nu één uur in den morgen geworden, en hoe groot het ongeduld
van Michael Strogoff ook was, hij moest in dien bergpas blijven totdat
het hevigste van den storm voorbij was.
»Wachten, dat is eene ernstige zaak,” zeide Michael Strogoff, »en toch
is dit beter, om niet gevaar te loopen grooter vertraging te
ondervinden. De hevigheid van het onweer doet mij hopen dat het weldra
op zal houden. Tegen drie uur zal de dag wel aanbreken, en het afdalen,
dat wij in het donker niet kunnen wagen, zal ten minste na zonsopgang
zoo niet gemakkelijk, dan toch mogelijk worden.
»Laat ons wachten, broeder,” zeide Nadia, »doch indien gij uw vertrek
vertraagt, dat het dan niet zij om mij eene vermoeienis of een gevaar
te besparen!”
»Nadia, ik weet, dat gij besloten zijt alles te trotseeren, maar, door
ons beiden in verdenking te brengen, zou ik meer dan mijn leven wagen,
meer dan het uwe, ik zou den plicht verzuimen die ik boven te vervullen
heb!”
»Een plicht!....” mompelde Nadia.
Op dit oogenblik verscheurde een hevige bliksemstraal het hemelgewelf
en terstond weergalmde een korte donderslag. De lucht werd door eene
zwavelachtige en verstikkende vloeistof vervuld, en een groep
hoogstammige pijnboomen op twintig passen van de tarentass door den
bliksem getroffen, ontvlamde als eene reusachtige toorts. De iemschik,
door een soort van terugschok ter aarde geworpen, stond gelukkig zonder
letsel weer op.
Vervolgens, nadat het laatste geratel van den donder in de diepten van
het gebergte verdwenen was, voelde Michael Strogoff de hand van Nadia
sterk de zijne drukken, en hij hoorde deze woorden aan zijn oor
fluisteren:
»Kreten, broeder! Luister!”
XI.
REIZIGERS IN DOODSNOOD.
Inderdaad hadden zij, gedurende deze korte stilte, angstkreten gehoord
op het bovenste gedeelte van den weg en op vrij korten afstand van de
bocht, die de tarentass in den bergpas beschutte.
Het was een wanhoopskreet van een reiziger, die waarschijnlijk in
doodsnood verkeerde.
Michael Strogoff luisterde.
De iemschik luisterde ook, maar het hoofd schuddende, alsof hij het
voor onmogelijk scheen te houden op dit geroep te antwoorden.
»Het zijn reizigers die om hulp roepen!...” riep Nadia uit.
»Als ze alleen op ons rekenen!...” antwoordde de iemschik.
»Waarom niet?” riep Michael Strogoff uit. »Hetgeen zij in dergelijke
omstandigheden voor ons zouden doen, moeten wij dat ook niet voor hen
doen?”
»Maar ge zult toch het rijtuig en de paarden niet blootstellen!...”
»Ik zal te voet gaan,” antwoordde Michael Strogoff, den iemschik in de
rede vallende.
»Ik ga met u mee, broeder,” zeide het meisje.
»Neen, Nadia, gij moet hier blijven. De iemschik zal bij u blijven. Ik
wil hem niet alleen laten....”
»Ik zal hier blijven,” antwoordde Nadia.
»Wat er ook gebeure, verlaat deze plaats niet!”
»Gij zult mij hier terugvinden.”
Michael Strogoff drukte de hand zijner gezellin en de bocht der helling
omloopende, verdween hij plotseling in de duisternis.
»Uw broeder heeft ongelijk,” zeide de iemschik tot het jonge meisje.
»Hij heeft gelijk,” antwoordde Nadia eenvoudig.
Michael Strogoff liep ijlings den weg op. Had hij groote haast om hen
te hulp te snellen die de noodkreten slaakten, nog grooter was zijn
verlangen om te weten, wie die reizigers konden zijn, die het onweer
niet verhinderd had zich in het gebergte te wagen, want hij twijfelde
niet of het waren zij, wier telega zijne tarentass altijd vooruit was.
Het had met regenen opgehouden, maar de windvlagen werden hoe langer
hoe heviger. De kreten, door den sterken luchtstroom nader gebracht,
werden hoe langer hoe duidelijker. Van de plaats waar Michael Strogoff
Nadia achtergelaten had kon men niets zien, daar de weg zeer bochtig
was. De rukwinden, plotseling bij die veel bochten gebroken pakten zich
samen, en Michael Strogoff moest eene meer dan gewone kracht
ontwikkelen om er zich door heen te worstelen.
Maar het bleek weldra dat de reizigers, wier kreten gehoord werden,
niet veraf meer konden zijn, want hunne woorden kwamen vrij duidelijk
tot zijn oor.
Ziehier nu wat hij, niet zonder eenige verwondering hoorde:
»Stommerik! kom je haast?”
»Bij de eerste wisselplaats de beste, zal ik je met den knoet laten
geven!”
»Hoor je, postiljon van den duivel! Hei daar!”
»Zoo rijden ze je nu in dit land!...”
»En dat noemen ze een telega!”
»He! aartsdomkop! Hij rijdt maar door en schijnt niet te bemerken dat
hij ons op den weg laat staan.”
»Mij zoo te behandelen! een van geloofsbrieven voorzien Engelschman! Ik
zal mijn beklag aan de kanselarij doen en ik zal hem laten ophangen!”
Hij, die zoo sprak, was wezenlijk in volle woede. Doch, opeens scheen
het Michael Strogoff toe, alsof de tweede spreker partij trok van
hetgeen er gaande was, want een schaterend gelach, dat te midden van
zulk een tooneel het minst verwacht werd, weerklonk plotseling en werd
gevolgd door deze woorden:
»Neen, dat is waarlijk al te kluchtig!”
»Durft gij hierom te lachen!” zeide de Engelschman op een vrij scherpen
toon.
»Welzeker, waarde collega, en zeer hartelijk, en dat is het beste dat
ik kan doen! Ik raad u aan hetzelfde te doen! Op mijn woord van eer,
het is al te kluchtig, men heeft dat nog nooit gezien!....”
Op dit oogenblik vervulde een hevige donderslag den bergpas met een
verschrikkelijk geratel, dat de echo’s van het gebergte nog
weerkaatsten. Terstond na dat geratel weergalmde opnieuw de vroolijke
stem, zeggende:
»Ja, buitengemeen kluchtig! Zoo iets zou zeker in Frankrijk niet
gebeuren!”
»Noch in Engeland!” gaf de Engelschman ten antwoord.
Op den door de bliksemstralen hel verlichten weg bemerkte Michael
Strogoff nu, op twintig passen afstand, twee reizigers naast elkander
gezeten op de achterste bank van een zonderling voertuig, dat zeer diep
in een of ander wagenspoor scheen geraakt te zijn.
Michael Strogoff naderde de beide reizigers, waarvan de een voortging
met lachen, en de andere met vloeken en tieren, en hij herkende de
dagblad-correspondenten, die op de Kaukasus met hem de reis van
Nijni-Novgorod naar Perm gemaakt hadden.
»He! goeden dag, mijnheer!” riep de Franschman uit. »Het doet mij
genoegen u bij deze gelegenheid te ontmoeten. Mag ik u mijn
boezemvriend, mijnheer Blount, voorstellen?”
De Engelsche reporter groette, en wellicht zou hij volgens de regels
der beleefdheid, op zijn beurt zijn collega Alcide Jolivet voorgesteld
hebben, toen Michael Strogoff hem zeide:
»Onnoodig heeren, wij kennen elkander, wij hebben reeds te zamen op de
Wolga gereisd.”
»Ha! zeer goed! perfect! mijnheer?....”
»Nikolaas Korpanoff, koopman van Irkoetsk,” antwoordde Michael
Strogoff. »Maar zeg mij toch eens welk ongeval, zoo droevig voor den
een en zoo vermakelijk voor den ander, u overkomen is?”
»Oordeel zelf, mijnheer Korpanoff,” antwoordde Alcide Jolivet.
»Verbeeld u dat onze postiljon met het voorstel van zijn helsch
voertuig vertrokken is, terwijl hij ons op het achterstel van zijn
bespottelijk rijtuig in den steek laat. De slechtste helft van de
telega voor twee personen, geen leidsels, geen paarden meer! Is dat
niet uitermate kluchtig?”
»Kluchtig in het geheel niet!” antwoordde de Engelschman.
»Maar zeer zeker, collega! Gij weet waarlijk niet de zaken van den
goeden kant te nemen!”
»En hoe, ik vraag het u, hoe zullen wij onzen weg kunnen vervolgen?”
vroeg Harry Blount.
»Niets eenvoudiger,” antwoordde Alcide Jolivet. »Gij spant u zelven
voor dat gedeelte van het voertuig, dat ons overblijft; ik, ik zal de
leidsels houden, en ik zal u mijn kereltje noemen, als een ware
iemschik; gij zult loopen als een echt postpaard!”
»Mijnheer Jolivet,” zeide de Engelschman, »dit gekscheren gaat alle
palen te buiten, en....”
»Wees maar bedaard, collega. Wanneer ge uitgeput zult zijn, dan zal ik
u vervangen en ge zult het recht hebben mij uit te schelden voor
leelijke slak, als ik er niet flink van door ga!”
Alcide Jolivet zeide dat alles zoo vroolijk weg, dat Michael Strogoff
niet kon nalaten te glimlachen.
»Heeren,” zeide hij toen, »ik weet beter. Wij zijn hierboven in den
bergpas aangekomen op vijf honderd pas van hier, en bijgevolg hebben
wij nu slechts de helling af te dalen. Ik zal u een mijner paarden
leenen, en morgen, als er niets tusschenbeiden komt, zullen wij te
zamen te Ekaterinenburg aankomen.
»Mijnheer Korpanoff,” antwoordde Alcide Jolivet, »dat is een voorstel
dat een edelmoedig hart verraadt!”
»Mijnheer,” voegde Michael Strogoff er bij, »indien ik u niet aanbied
om in mijn tarentass plaats te nemen dan is de reden daarvan, dat er
slechts twee plaatsen in zijn, die door mijne zuster en mij reeds zijn
ingenomen.”
»Kom, kom, mijnheer!” antwoordde Alcide Jolivet, »mijn collega en ik
zouden met uw paard en het achterstel van mijn telega wel naar het
andere einde van de wereld kunnen gaan!”
»Mijnheer,” hernam Harry Blount, »wij nemen uw beleefd aanbod aan. Wat
den iemschik betreft....”
»O! geloof maar dat het niet voor de eerste maal is dat hem een
dergelijk ongeval overkomt!” zeide Michael Strogoff.
»Maar waarom komt hij dan niet terug? Hij weet zeer goed dat hij ons
heeft achtergelaten, die ellendeling!”
»Hij? daar heeft hij zelfs geen besef van!”
»Wat! Zou die sukkel niet weten dat de beide deelen van zijne telega
gescheiden zijn?”
»Hij weet het niet, en in het volste vertrouwen van de wereld voert hij
zijn voorstel naar Ekaterinenburg!”
»En of ik u niet zeide dat het allerkluchtigst was, collega!” riep
Alcide Jolivet uit.
»Nu dan, heeren, wanneer gij mij wilt volgen,” hernam Michael Strogoff,
»dan zullen wij naar mijn rijtuig gaan en....”
»Maar de telega?” merkte de Engelschman op.
»Vrees niet dat zij weg zal vliegen, mijn waarde Blount,” riep Alcide
Jolivet. »Zij zit zoo vast in den grond geworteld, dat wanneer men ze
er inliet, er in de lente bladeren aan zouden komen!”
»Kom dan, heeren,” zeide Michael Strogoff, »en wij zullen de tarentass
hier halen.”
De Franschman en de Engelschman sprongen van de achterste bank af, die
nu voorste bank of bok geworden was, en volgden Michael Strogoff.
Alcide Jolivet, die maar altijd met schertsen voortging, zeide tot
Michael Strogoff: »mijnheer Korpanoff, gij redt ons wezenlijk uit eene
groote verlegenheid!”
»Mijnheer,” antwoordde Michael Strogoff, »ik heb slechts gedaan wat elk
ander in mijne plaats zou gedaan hebben. Indien de reizigers elkander
niet hielpen, dan moest men de wegen maar afsluiten!”
»Tot wederdienst bereid, mijnheer. Wanneer gij ver de steppen ingaat,
is het wel mogelijk dat wij elkander weer zullen ontmoeten en....”
Alcide Jolivet vroeg Michael Strogoff niet bepaaldelijk waar hij naar
toe ging, maar deze, geen achterdocht willende verwekken, antwoordde
terstond:
»Ik ga naar Omsk, mijne heeren.”
»En mijnheer Blount en ik,” hernam Jolivet, »wij gaan zoo wat hier en
daar; daar waar misschien een kogel, maar, zeker een of ander nieuws op
te vangen is.”
»In de overheerde provinciën?” vroeg Michael Strogoff eenigszins
driftig.
»Juist, mijnheer Korpanoff, en het is wel waarschijnlijk dat wij
elkander daar niet zullen ontmoeten!”
»Dat is zeker, mijnheer,” antwoordde Michael Strogoff. »Ik houd heel
weinig van geweerschoten en lanssteken; ik ben te vredelievend van
natuur, om mij te wagen daar waar men vecht.”
»Het spijt mij wezenlijk, mijnheer, dat wij zoo gauw van elkander
zullen moeten scheiden! Maar, wanneer wij Ekaterinenburg verlaten, zal
ons gelukkig gesternte ons misschien nog wel te zamen laten reizen, al
was het maar gedurende eenige dagen!”
»Gij begeeft u naar Omsk?” vroeg Michael Strogoff na een oogenblik
overdenkens.
»Wij weten het nog niet,” antwoordde Alcide Jolivet, »maar zeker gaan
wij rechtstreeks naar Ichim door, en eenmaal daar zijnde, zullen wij
naar gelang van omstandigheden handelen.”
»Welnu, heeren,” zeide Michael Strogoff, »dan zullen wij te zamen naar
Ichim reizen.”
Michael Strogoff had zeker liever alleen gereisd, maar zonder dat het
ten minste zonderling zou schijnen, kon hij niet trachten zich van twee
reizigers te scheiden, die denzelfden weg gingen, als hij. Overigens,
daar Alcide Jolivet en zijn reisgenoot plan hadden te Ichim op te
houden, zonder onmiddellijk naar Omsk door te reizen, zoo bestond er
geen zwarigheid, dit gedeelte van de reis met hen mede te maken.
»Welnu, heeren,” antwoordde hij, »dat is dan afgesproken. Wij zullen te
zamen de reis voortzetten.”
Vervolgens vroeg hij op den onverschilligsten toon:
»Weet gij met eenige zekerheid, tot hoever de Tartaren zijn
doorgedrongen?”
»Om de waarheid te zeggen, mijnheer, wij weten er niet meer van dan men
te Perm vertelde,” antwoordde Alcide Jolivet. »De Tartaren van
Feofar-Khan hebben de geheele provincie Semipalatinsk overheerd, en
sedert eenige dagen rukken zij met versnelden marsch langs de Irtisch
voort. Gij moet u dus haasten, zoo gij vóor hen te Omsk wilt aankomen.”
»Waarlijk?” zeide Michael Strogoff.
»Men voegde er ook nog bij, dat het kolonel Ogareff gelukt was vermomd
de grenzen over te komen en dat hij zich weldra bij het Tartaarsche
opperhoofd te midden van het opgestane land zou voegen.”
»Maar hoe zou men dat te weten zijn gekomen?” vroeg Michael Strogoff,
voor wien deze min of meer ware tijdingen van rechtstreeks belang
waren.
»Wel, zooals men al die dingen te weten komt,” antwoordde Alcide
Jolivet. »Dit zit in de lucht.”
»En hebt gij gegronde reden om te gelooven dat kolonel Ogareff in
Siberië is?”
»Ik heb zelfs hooren zeggen, dat hij den weg over Kazan naar
Ekaterinenburg zou genomen hebben.”
»Ha! gij wist dat, mijnheer Jolivet,” zeide Harry Blount toen, wiens
tong losraakte door de opmerking van den Franschen correspondent.
»Ik wist het,” antwoordde Alcide Jolivet.
»En wist gij, dat hij als Zigeuner vermomd zou zijn?” vroeg Harry
Blount.
»Als zigeuner!” riep Michael Strogoff onwillekeurig uit, die zich de
tegenwoordigheid van den ouden Zigeuner te Nijni-Novgorod, zijne reis
aan boord van de Kaukasus en zijne ontscheping te Kazan herinnerde.
»Ik wist er genoeg van om er het onderwerp van een brief aan mijne
nicht van te maken,” antwoordde Alcide Jolivet glimlachende.
»Gij hebt uw tijd te Kazan wel besteed,” merkte de Engelschman op een
drogen toon aan.
»Zeker, waarde collega, en terwijl de Kaukasus zich van voorraad
voorzag, deed ik zooals de Kaukasus!”
Michael Strogoff luisterde niet meer naar de woordenwisseling tusschen
Harry Blount en Alcide Jolivet. Hij dacht aan dien troep Zigeuners, aan
dien ouden Zigeuner, wiens gezicht hij niet had kunnen zien, aan de
zonderlinge vrouw, die hem vergezelde, aan den zonderlingen blik, dien
zij op hem geworpen had, en hij begon al de bijzonderheden van die
ontmoeting in zijn geest te verzamelen, toen een schot zich op een
korten afstand deed hooren.
»Ha! heeren, vooruit!” riep Michael Strogoff uit.
»Kijk! voor een waardig koopman, die de schoten vermijdt,” zeide Alcide
Jolivet tot zichzelf, »loopt hij zeer snel naar de plaats, waar zij
vallen!”
En gevolgd door Harry Blount, die er de man niet naar was om achter te
blijven, liep hij Michael Strogoff achterna.
Eenige oogenblikken daarna bevonden zij zich tegenover de overhellende
rots, die de tarentass beveiligde.
De groep pijnboomen, door den bliksem getroffen, brandde nog. De weg
was woest en verlaten. Michael Strogoff had zich evenwel niet vergist.
Hij had het schot van een of ander vuurwapen gehoord.
Plotseling deed zich een verschrikkelijk gebrul hooren, en er viel een
tweede schot.
»Een beer!” riep Michael Strogoff uit, die zich in dat gebrul niet kon
vergissen. »Nadia! Nadia!” En, een jachtmes uit zijn gordel trekkende,
snelde Michael Strogoff ijlings naar de plaats waar het meisje beloofd
had hem te wachten.
Op het oogenblik dat hij de tarentass nadert, ziet hij, bij het licht
der brandende pijnboomen, eene ontzettende massa hem, al
terugtrekkende, naderen.
Het was een reusachtige beer. De storm had hem uit de nabijgelegen
bosschen gejaagd, en hij was komen schuilen op een plek, die zonder
twijfel zijn gewoon verblijf was, maar die toen door Nadia was
ingenomen.
Twee der paarden, verschrokken op het gezicht van het verschrikkelijke
dier, hadden hunne strengen verbrekende, de vlucht genomen, en de
iemschik, alleen aan zijne beesten denkende, en vergetende dat het
jonge meisje zich alleen tegenover den beer zou bevinden, was hen
achterna gesneld. Het moedige meisje had haar tegenwoordigheid van
geest niet verloren. Het dier, dat haar in het eerst niet gezien had,
had het laatste paard van het span aangevallen. Nadia, de plaats toen
verlatende, waar zij neergedoken zat, was naar het rijtuig geloopen,
had een der revolvers van Michael Strogoff gegrepen, en stoutmoedig op
den beer afgaande, loste zij van zeer nabij een schot op hem.
Het dier, aan den schouder licht gekwetst, had zich naar het meisje
gekeerd, dat eerst gezocht had hem te ontwijken door rondom de
tarentass te loopen, waarvan het paard zijn strengen trachtte te
verbreken. Eindelijk, vreezende geen paarden meer te zullen hebben om
de reis voort te zetten, loopt zij opnieuw regelrecht op den beer aan,
en met eene verwonderlijke koelbloedigheid had zij, op het oogenblik
dat de klauwen van het dier op haar hoofd zouden neerkomen, een tweede
schot op hem gelost.
Het was dat tweede schot dat Michael Strogoff zooeven gehoord had en
waarop hij toegesneld was. In een sprong wierp hij zich tusschen den
beer en het jonge meisje. Zijn arm had slechts eene enkele beweging van
onder naar boven gemaakt, en het gedrochtelijk dier opengesneden van de
buik tot de keel, viel op den grond als een logge massa. Het was een
proefstuk van de behendigheid der Siberische jagers, die er op staan de
kostbare huid der beren niet te beschadigen, waarvan zij eene hooge
prijs maken.
»Zijt gij niet gewond, zuster?” vroeg Michael Strogoff, ijlings naar
het jonge meisje toesnellende.
»Neen, broeder,” antwoordde Nadia.
Op dit oogenblik verschenen de beide dagbladschrijvers. Alcide Jolivet
vloog naar den kop van het paard, en daar hij zeer sterk in de vuist
was, gelukte het hem het te bedwingen. Zijn reismakker en hij hadden de
snelle beweging van Michael Strogoff opgemerkt.
»Drommels!” riep Alcide Jolivet uit, »voor een eenvoudig koopman,
mijnheer Korpanoff, hanteert gij vrij aardig een hartsvanger.”
»Zeer aardig zelfs,” voegde Harry Blount er bij.
»In Siberië, heeren,” antwoordde Michael Strogoff, »zijn wij
genoodzaakt zoo wat van alles te doen!”
Alcide Jolivet keek toen de jonge man aan. In het volle licht gezien,
met het bebloede mes in de hand, met zijn hooge gestalte, met zijn koen
gelaat, met den voet op het lichaam van den beer, dien hij
terneergeveld had, was Michael Strogoff schoon om te zien.
»Een stevige klant!” zeide Alcide Jolivet tot zich zelf.
Vervolgens eerbiedig met den hoed in de hand naderende, kwam hij het
jonge meisje groeten.
Nadia maakte eene lichte buiging.
Zich toen tot zijn reismakker keerende, zeide Alcide Jolivet:
»De zuster is de broeder waard! indien ik een beer ware, zou ik dit
geduchte en bekoorlijke paar uit de voeten blijven!”
Harry Blount stond als een paal met zijn hoed in de hand op eenigen
afstand. De bevallige losheid van zijn reisgenoot deed nog meer zijne
gewone stijfheid uitkomen.
Op dit oogenblik verscheen de iemschik, wien het gelukt was zijne twee
paarden te vangen. Hij wierp een blik vol spijt op het prachtige dier,
dat op den grond lag, en dat hij genoodzaakt zou zijn ten prooi aan de
roofvogels te laten; daarna ging hij zijn span weder in orde brengen.
Michael Strogoff maakte hem toen bekend met den toestand der beide
reizigers, en met zijn plan een der paarden van de tarentass te hunner
beschikking te stellen.
»Het is mij wel!” antwoordde de iemschik. »Alleen twee rijtuigen in
plaats van een....”
»Goed, vriendje!” antwoordde Alcide Jolivet, welke die aanmerking
begreep, »men zal u dubbel betalen.”
»Vooruit dan, kereltjes,” riep de iemschik.
Nadia was weer in de tarentass gaan zitten; Michael Strogoff en zijne
beide reisgenooten volgden te voet.
Het was drie uur. De onweersbui was aan het afnemen, de weg werd snel
opgereden, en de telega werd weldra bereikt: zij was tot aan de as in
de modder gezakt. Een der paarden van de tarentass werd er nu door
middel van touwen voorgespannen. De beide dagbladschrijvers namen nu
weder plaats op de bank van hun zonderling voertuig, en de rijtuigen
zetten zich terstond in beweging.
Zij hadden nu slechts de hellingen van den Oeral af te rijden, hetgeen
geene moeielijkheid opleverde. Zes uren daarna kwamen de beide
voertuigen, het eene na het andere, te Ekaterinenburg aan, zonder dat
eenig ongeval het tweede gedeelte hunner reis verstoord had.
De eerste persoon, dien de dagbladschrijvers aan de deur van het
posthuis bemerkten, was hun iemschik, die hen scheen op te wachten.
Deze waardige Rus had waarlijk een goed gezicht en zonder de minste
verlegenheid en met een glimlachend oog, naderde hij zijne reizigers en
vroeg hun, zijne hand uitstrekkende, om zijne fooi.
De waarheid dwingt om te zeggen, dat de woede van Harry Blount met eene
echt Britsche hevigheid losbarstte, en zoo de iemschik niet voorzichtig
achteruitgegaan ware, zou een vuistslag, volgens al de regels van het
boksrecht, hem het navodko in zijn volle aangezicht betaald hebben.
Alcide Jolivet, deze woede ziende, lachte zooals hij misschien nog
nooit gelachen had.
»Wel, hij heeft gelijk, die arme duivel!” riep hij uit. »Hij is in zijn
recht, mijn waarde collega! Het is zijn schuld niet, dat wij geen
middel gevonden hebben hem te volgen!”
En eenige kopeken uit zijn zak halende:
»Hier, vriend,” zeide hij tot den iemschik, »steek dat in je zak.
Indien je ze niet verdiend hebt, is dat je schuld niet!”
Dit verdubbelde nog de opgewondenheid van Harry Blount, die het den
postmeester wilde wijten, en hem een proces aandoen.
»Een proces! in Rusland!” riep Alcide Jolivet uit. »Als de zaken niet
veranderd zijn, collega, dan zoudt gij er het einde niet van beleven!
Kent gij dan de geschiedenis niet van die Russische min, die van de
familie van haar zuigeling het loon van twaalf maanden zoogen
vorderde?”
»Ik ken ze niet,” antwoordde Harry Blount.
»Dan weet gij ook niet wat er van dien zuigeling geworden was, toen de
uitspraak in het rechtsgeding gunstig voor hem uitviel.”
»En wat was er dan van hem geworden?”
»Een kolonel van de huzaren der garde!”
En op dit antwoord begonnen allen te schateren van het lachen.
Wat Alcide Jolivet betreft, opgetogen over zijn snedig antwoord, nam
zijn aanteekenboekje uit den zak, en schreef er al glimlachende deze
nota in op, bestemd om in het Moscovische woordenboek opgenomen te
worden:
»Telega, Russisch rijtuig met vier wielen, wanneer het vertrekt, en met
twee wielen, wanneer het aankomt!”
XII.
EENE UITDAGING.
Ekaterinenburg is eene stad van Azië, want zij is aan gene zijde van
het Oeral-gebergte gelegen, op de laatste oostelijke hellingen van de
bergketen. Niettemin is zij aan het gouvernement Perm onderhoorig, en,
bijgevolg is zij begrepen in een der groote verdeelingen van
Europeesch-Rusland.
Noch Michael Strogoff, noch de beide correspondenten behoefden verlegen
te wezen om middelen van vervoer te vinden in zulk een aanzienlijke
stad, sedert 1723 gesticht.
Te Ekaterinenburg bevindt zich de eerste Munt van het geheele Rijk;
aldaar is het algemeene bestuur der mijnen gevestigd. Deze stad is dus
een belangrijk middelpunt van nijverheid, in een land waar
metaalgieterijen en andere exploitatiën, waar goud- en zilvererts
gewasschen wordt, gevonden worden.
Op dit tijdstip was de bevolking van Ekaterinenburg zeer aangegroeid.
Russen en Siberiërs, door den inval der Tartaren bedreigd, waren er
naar toe gevloeid, na uit de provinciën gevlucht te zijn, die reeds
door de horden van Feofar-Khan waren overheerd, en voornamelijk uit het
land der Kirgiezen, dat zich ten zuidwesten van de Irtisch tot de
grenzen van Turkestan uitstrekt.
Waren dus de middelen van vervoer om Ekaterinenburg te bereiken,
zeldzaam geweest, zij waren integendeel overvloedig om de stad te
verlaten. In de tegenwoordige omstandigheden hadden de reizigers er
weinig lust in om zich op Siberische wegen te wagen.
Uit dien samenloop van omstandigheden volgde nu dat Harry Blount en
Alcide Jolivet gemakkelijk gelegenheid vonden om de beruchte halve
telega die hen, zoo goed en zoo kwaad mogelijk, naar Ekaterinenburg
vervoerd had, door een geheele telega te vervangen. Wat Michael
Strogoff betrof, de tarentass was zijn eigendom, en ze had niet erg
geleden door de reis over het Oeral-gebergte. Het zou voldoende zijn er
drie goede paarden voor te spannen, om snel den weg naar Irkoetsk af te
leggen.
Tot Tioemen, en zelfs tot Novo-Zaimskoe, is die weg vrij oneffen, maar,
voorbij de wisselplaats van Novo-Zaimskoe begint de onmetelijke steppe,
die zich uitstrekt tot dicht bij Krasnoïarsk, over eene uitgestrektheid
van ongeveer zeventien honderd wersten (1.815 kilometer).
Men weet, dat de beide correspondenten voornemens waren zich naar Ichim
te begeven. Daar moesten zij met de gebeurtenissen te rade gaan,
vervolgens de overheerde streken doortrekken, hetzij te zamen, hetzij
afzonderlijk, al naar gelang hun jagersinstinct hen op een of ander
spoor zou brengen.
Nu was de eenige weg, dien Michael Strogoff kon nemen, die van
Ekaterinenburg naar Ichim. Maar hij, die geen nieuws opspoorde, en die
integendeel het door de overweldigers geteisterde land zou hebben
willen vermijden, was vast besloten zich nergens op te houden.
»Heeren,” zeide hij dus tot zijne nieuwe reisgezellen, »het zal mij
zeer aangenaam zijn met u een gedeelte van mijne reis te doen, maar ik
moet u zeggen dat ik zeer gehaast ben, want mijne zuster en ik gaan
onze moeder te Omsk opzoeken. Wie weet, of wij er zelfs zullen kunnen
komen vóor dat de Tartaren de stad overweldigd zullen hebben! Ik houd
mij dus aan de pleisterplaatsen slechts zoolang op als er tijd noodig
is om van paarden te verwisselen, en ik zal nacht en dag doorreizen!”
»Wij zijn van plan hetzelfde te doen,” antwoordde Harry Blount.
»Goed,” hernam Michael Strogoff, »maar verliest dan geen oogenblik.
Huurt of koopt een rijtuig waarvan....”
»Waarvan het achterstel,” voegde Alcide Jolivet er bij, »wel zoo goed
zal zijn tegelijkertijd als het voorstel te Ichim aan te komen.”
Een half uur later had de ijverige Franschman, trouwens gemakkelijk
eene tarentass gevonden, bijna gelijk aan die van Michael Strogoff en
waarin zijn reisgenoot en hij terstond plaats namen.
Michael Strogoff en Nadia zetten zich ook in hun voertuig, en ’s
middags te twaalf uur verlieten de beide spannen te zamen de stad
Ekaterinenburg.
Nadia was eindelijk in Siberië en op dien langen weg, die naar Irkoetsk
voert! Welke moesten toen wel de gedachten van het Lijflandsche meisje
zijn? Drie snelle paarden voerden haar naar dat verbanningsoord, waarin
haar vader veroordeeld was te leven, misschien voor lang, en zoover van
zijn geboorteland! Maar ternauwernood zagen hare oogen die lange
steppen zich ontrollen, die een oogenblik voor haar afgesloten waren
geweest, want haar blik ging verder dan den gezichteinder, waarachter
zij het gelaat van den banneling zocht! Zij merkte niets op van het
land dat zij doortrok met eene snelheid van vijftien wersten per uur,
niets van deze streken van West-Siberië zoo verschillend van die in het
Oostelijk Siberië. Hier inderdaad vindt men geen bebouwde akkers, een
armen bodem, ten minste aan zijne oppervlakte, want zijne ingewanden
bevatten overvloedig ijzer, koper, platina en goud. Daarom vindt men
hier ook overal exploitatiën van nijverheid, doch zeldzaam inrichtingen
van landbouw. Hoe zou men ook hier handen vinden, om den grond te
bebouwen wanneer het voordeeliger is den bodem met kruitmijnen en
houweel om te wroeten? Hier heeft de boer voor den mijnwerker plaats
gemaakt. Het houweel is hier overal bezig; de spade nergens.
Intusschen dwaalden de gedachten van Nadia soms van de verre provinciën
van het meer Baïkal af, en vestigden zij zich op haren tegenwoordigen
toestand. Het beeld van haar vader verdween dan een oogenblik en zij
zag haar edelmoedigen reisgenoot allereerst op den spoorweg naar
Wladimir, waar de Voorzienigheid haar hem voor de eerste maal had laten
ontmoeten. Zij herinnerde zich zijne voorkomendheid gedurende de reis,
hare aankomst aan het politiebureau te Nijni-Novgorod, den hartelijken
eenvoud, waarmede hij tot haar gesproken had met haar zijne zuster te
noemen, zijne gedienstigheid jegens haar gedurende de reis op de Wolga,
eigenlijk alles wat hij gedaan had gedurende dien verschrikkelijken
nacht van het onweer in het Oeral-gebergte om haar leven met gevaar van
het zijne te verdedigen! Nadia dacht dus aan Michael Strogoff. Zij
dankte God dat Hij op het rechte tijdstip dien dapperen beschermer,
dien edelmoedigen en bescheiden vriend, zoo juist van pas op haar weg
geplaatst had. Zij gevoelde zich in veiligheid bij hem, onder zijne
hoede. Een eigen broeder had niet beter kunnen handelen! Zij duchtte
geen hinderpalen meer, zij meende nu haar doel zeker te bereiken.
Wat Michael Strogoff betreft, hij sprak en dacht veel na. Van zijn kant
ook dankte hij God dat Hij hem in de ontmoeting met Nadia, het middel
gegeven had om tegelijkertijd zijne wezenlijke persoonlijkheid te
verbergen en eene goede daad te verrichten. De kalme onverschrokkenheid
van het jonge meisje behaagde aan zijne manhaftige ziel. Waarom was zij
niet in werkelijkheid zijne zuster? Hij gevoelde evenveel eerbied als
genegenheid voor zijne schoone en heldhaftige gezellin. Hij gevoelde
dat het een dier zuivere en zeldzame harten was, waarop men rekenen
kan. Evenwel, sedert hij den Siberischen bodem betreden had, waren de
ware gevaren voor Michael Strogoff begonnen. Zoo de beide
dagbladschrijvers zich niet vergisten, zoo Ivan Ogareff de grenzen was
overgetrokken, dan zou hij met de uiterste omzichtigheid moeten
handelen. De omstandigheden waren nu veranderd, want de Tartaarsche
spionnen moesten in de Siberische provinciën wemelen. Mocht zijn
incognito ontdekt, zijne hoedanigheid van koerier van den czaar bekend
raken, dan zou het met zijne zending uit zijn, ja zelfs zijn leven
misschien bedreigd worden. Michael Strogoff gevoelde toen meer en meer
het gewicht van de verantwoordelijkheid, die op hem rustte.
Wat ging er terwijl de zaken aldus in het eerste rijtuig stonden, in
het tweede om? Niets bijzonders. Alcide Jolivet sprak zeer veel, Harry
Blount antwoordde zeer weinig. Ieder beschouwde de zaken op zijne
wijze, en maakte aanteekeningen omtrent het een of ander gebeurde op
reis.
Bij elke wisselplaats stapten de beide correspondenten uit en
ontmoetten dan telkens Michael Strogoff weder. Wanneer er niets in het
posthuis moest gebruikt worden, dan verliet Nadia de tarentass niet.
Moest er echter ontbeten of gemiddagmaald worden, dan kwam zij aan
tafel, maar, altijd ingetogen, mengde zij zich zeer weinig in het
gesprek.
Alcide Jolivet was, zonder de palen eener volmaakte betamelijkheid te
buiten te gaan, voortdurend zeer voorkomend jegens het Lijflandsche
meisje. Hij bewonderde de stille geestkracht die zij te midden der
vermoeienissen van de reis aan den dag legde.
Deze gedwongen tusschenpoozen bevielen Michael Strogoff maar zeer
weinig. Ook drong hij op elke wisselplaats tot spoedig vertrek aan,
door èn postmeester èn iemschiks aan te zetten en te haasten. Na
vervolgens haastig gegeten te hebben,—altijd te haastig naar den zin
van Harry Blount, die in het eten zeer afgemeten was,—vertrok men, en
ook de dagbladschrijvers werden als adelaars gereden, want zij
betaalden vorstelijk, en zooals Alcide Jolivet zeide »als Russische
adelaars.” [5]
Het spreekt vanzelf dat Harry Blount geenszins zocht zich in de gunst
van het jonge meisje te dringen. Die deftige gentleman had de gewoonte
niet twee dingen te gelijk te doen.
Eens vroeg Alcide Jolivet hem, hoe oud hij wel dacht dat het jonge
Lijflandsche meisje kon zijn:
»Welk jong Lijflandsch meisje?” antwoordde hij met de grootste ernst
van de wereld, zijne oogen half sluitende.
»Wel drommels! de zuster van Nikolaas Korpanoff.”
»Is dat zijne zuster?”
»Neen, zijne grootmoeder,” hernam Alcide Jolivet, door zooveel
onverschilligheid uit het veld geslagen.
»Voor hoe oud houdt gij haar?”
»Indien ik haar had zien geboren worden, dan zou ik het weten!”
antwoordde Harry Blount eenvoudig, als een man, die zich niet wilde
uitlaten.
Het land, door de beide tarentassen doorloopen, was nagenoeg verlaten.
Het weer was vrij schoon, de lucht half betrokken, de luchtsgesteldheid
draaglijker. Hadden de voertuigen op veeren gehangen, de reizigers
zouden zich over de reis niet te beklagen hebben gehad. Doch, indien
het land verlaten scheen, was dit toe te schrijven aan de tegenwoordige
omstandigheden. Op de velden bijna geen dier Siberische boeren, met hun
bleek en ernstig gelaat, die eene beroemde reizigster terecht
vergeleken heeft bij de Kastilianen, den trotschen ernst van dezen
daargelaten. Hier en daar eenige dorpen, die reeds ontruimd waren,
hetgeen het naderen der Tartaarsche troepen aanduidde. De inwoners
hadden, hunne kudden schapen, hunne kameelen, hunne paarden met zich
voerende, eene schuilplaats in de noordelijke vlakten gezocht. Eenige
stammen van de groote horde der zwervende Kirgiezen, die getrouw
gebleven waren, hadden ook hunne tenten aan gene zijde van de Irtisch
of de Oleg overgebracht, om aan de rooverijen der overweldigers te
ontsnappen.
Zeer gelukkig had de postdienst nog altijd geregeld plaats, alsmede de
dienst van de telegraaf tusschen de punten die nog met den draad in
verband waren. Aan elke wisselplaats leverden de postmeesters nog de
paarden volgens de reglementaire voorwaarden. Aan elk station zaten de
beambten nog voor hun raampje, en seinden de dépêches over, die hun
toevertrouwd werden, ze alleen voor de regeeringstelegrammen
achterstellende. Ook maakten Harry Blount en Alcide Jolivet er ruim
gebruik van.
Tot hiertoe had Michael Strogoff dus zijne reis op bevredigende wijze
volbracht. De koerier van den czaar had nog geen oponthoud ondervonden
en, indien het hem gelukte het punt om te trekken, waar de Tartaren
onder Feofar-Khan tot voor Krasnoïarsk waren voortgerukt, dan was hij
zeker van vóor hen te Irkoetsk aan te komen.
Den dag na hun vertrek uit Ekaterinenburg, hadden de beide tarentassen
het stadje Toeloeguisk bereikt, tegen zeven uur in den morgen, na
tweehonderd twintig wersten afgelegd te hebben.
Daar werd een half uur met ontbijten doorgebracht. Het ontbijt
afgeloopen zijnde, vervolgden de reizigers opnieuw hun weg met eene
snelheid, die de belofte van een zeker aantal kopeken alleen
verklaarbaar maakte.
Denzelfden dag, 22 Juli, ’s nachts om éen uur, kwamen de beide
tarentassen, na zestig wersten afgelegd te hebben, te Tioemen aan.
Tioemen, waarvan de gewone bevolking tien duizend inwoners bedraagt,
telde toen het dubbel. Deze stad, het eerste middelpunt van nijverheid
dat de Russen in Siberië tot stand brachten, en waarvan men de schoone
metaalsmelterijen en de klokkengieterij opmerkt, had nog nooit zulk
eene levendigheid vertoond.
De beide correspondenten gingen terstond op nieuwstijdingen uit.
Die, welke de Siberische vluchtelingen van het tooneel van den oorlog
mede brachten, waren niet geruststellend.
Men vertelde onder anderen, dat het leger van Feofar-Khan de vallei van
de Ichim met rassche schreden naderde, en men bevestigde dat kolonel
Ivan Ogareff zich weldra bij het Tartaarsche opperhoofd zou voegen, zoo
dit al niet reeds had plaats gehad.
Wat nu de Russische troepen betrof, men had ze voornamelijk uit de
provinciën van Europeesch Rusland moeten oproepen, en zij waren nog te
ver verwijderd, om aan den inval weerstand te bieden. Evenwel rukten de
Kozakken uit het Gouvernement Tobolsk met geforceerde marschen naar
Tomsk op, in de hoop van het Tartaarsche leger te verhinderen verder
voort te trekken.
’s Avonds om acht uur kwamen de beide tarentassen te Yaloetorowks aan.
Men verwisselde spoedig, en even buiten de stad moest men de rivier
Tobel in eene veerpont over, dat hier gemakkelijk ging. Te middernacht
werd het vlek Novo-Saimsk bereikt, na vijf en vijftig wersten (58½
kilometer) afgelegd te hebben, en de reizigers verlieten nu eindelijk
den eenigszins heuvelachtigen bodem, bedekt met boomen, de laatste
sporen van het Oeral-gebergte.
Hier begint nu eigenlijk hetgeen men noemt de Siberische steppe, die
zich tot de omstreken van Krasnoïarsk uitstrekt. Het is eene eindelooze
vlakte, eene soort van grazige woestijn, alwaar men niets anders zag
dan de van afstand tot afstand aan weerszijden van den weg geplaatste
telegraafpalen, en waar de weg zich alleen van de vlakte onderscheidde
door het fijne zand, dat van onder de wielen der tarentassen opstoof.
Het ging nu regelrecht op Ichim aan, alwaar de beide correspondenten
moesten vertoeven, indien niet eene of andere gebeurtenis hun reisplan
mocht wijzigen.
Twee honderd wersten ongeveer scheidden Novo-Saimsk van de stad Ichim,
en den volgenden dag, vóor acht uur ’s avonds, moesten en konden zij
afgelegd zijn, mits er geen oogenblik verloren ging.
Zoo de reizigers al niet groote heeren of hooggeplaatste beambten
waren, waren zij toch, naar het oordeel der iemschiks, waardig het te
zijn, door hunne mildheid in het geven van fooien.
Den volgenden dag, 23 Juli, waren de beide tarentassen inderdaad niet
meer dan dertig wersten van Ichim verwijderd.
Op dit oogenblik bemerkte Michael Strogoff op den weg, en nauwelijks
zichtbaar te midden van wolken stof, een rijtuig dat vóor het zijne
uitreed. Daar zijne paarden, die minder moe waren, veel sneller liepen,
moest hij het weldra inhalen.
Het was noch eene tarentass, noch eene telega, maar een post-berline,
erg met stof bedekt en die reeds eene lange reis moest gemaakt hebben.
De postiljon sloeg de paarden uit al zijn macht en hield ze alleen in
galop door vloeken en slaan. Deze berline was zeker niet over
Novo-Saimsk gekomen maar moest, langs een of anderen zijweg, op den weg
naar Irkoetsk gekomen zijn.
Michael Strogoff en zijne reisgenooten deze berline ziende, die op
Ichim aanhield, hadden slechts éene gedachte, namelijk ze vooruit te
rijden en vóor haar aan de wisselplaats te komen, om vooral zeker te
zijn over paarden te kunnen beschikken. Zij hadden dus slechts een
woord aan de iemschiks te zeggen, om weldra gelijk te komen met de
afgematte paarden van de berline.
Michael Strogoff kwam het eerste aan.
Op dit oogenblik verscheen een hoofd aan het portier van de berline.
Michael Strogoff had nauwelijks den tijd het op te nemen. Evenwel, hoe
snel hij ook voorbijreed, hoorde hij zeer duidelijk op een gebiedenden
toon hem toevoegen:
»Houdt op.”
Men hield niet op. Integendeel, de berline werd weldra door de beide
tarentassen vooruitgereden. Nu had er een wedren plaats, want de
paarden van de berline, opgewekt zonder twijfel door de
tegenwoordigheid en de snelheid der paarden, die hen vooruit liepen,
vonden nieuwe krachten om eenige minuten gelijk te blijven. De drie
rijtuigen waren in een wolk van stof verdwenen, waaruit, als eene
losbranding van vele geweren tegelijk, een zweepgeklap ontsnapte,
dooreengemengd met geschreeuw en uitingen van woede.
Niettemin bleef het voordeel toch aan den kant van Michael Strogoff en
zijne reisgenooten, een voordeel dat zeer belangrijk kon zijn, wanneer
de wisselplaats van weinig paarden voorzien was. Twee rijtuigen
verspannen, was misschien meer dan een postmeester doen kon, ten minste
in een korten tijd.
Een half uur later was de achtergebleven berline niets meer dan een
nauwelijks zichtbaar punt aan den gezichteinder der steppen.
Het was acht uur in den avond toen de beide tarentassen aan de
wisselplaats te Ichim aankwamen.
De tijdingen aangaande den inval waren hoe langer hoe meer
verontrustend. De stad werd rechtstreeks bedreigd door de voorhoede van
het Tartaarsche leger, en sedert twee dagen hadden de autoriteiten op
Tobolsk moeten terugtrekken. Ichim had niet éen beambte, niet éen
soldaat meer.
Michael Strogoff vroeg, aan de wisselplaats aangekomen, onmiddellijk
paarden voor zich. Hij had zeer wijs gedaan de berline vóor te zijn,
want slechts drie paarden waren in staat om onmiddellijk voorgespannen
te worden.
De postmeester gaf bevel om in te spannen.
Wat de beide correspondenten betreft, deze schenen beter te vinden te
Ichim te blijven; zij hadden geen haast.
Tien minuten na zijne aankomst kwam men Michael Strogoff zeggen dat
zijne tarentass gereed was om te vertrekken.
»Goed,” antwoordde hij.
Vervolgens naar de beide dagbladschrijvers gaande, zeide hij:
»Nu heeren, wijl gij te Ichim blijft, zoo is het oogenblik van scheiden
gekomen.”
»Hoe, mijnheer Korpanoff,” zeide Alcide Jolivet, »zult ge dan niet eens
een uurtje te Ichim blijven?”
»Neen, mijnheer, en ik verlang zelfs het posthuis verlaten te hebben,
vóor de aankomst van die berline, die wij vooruitgereden zijn.”
»Vreest gij dan dat die reiziger zal trachten u de paarden te
betwisten?”
»Ik houd er vooral van alle moeilijkheden te vermijden.”
»Dan, mijnheer Korpanoff,” zeide Alcide Jolivet, »dan blijft ons niets
meer over dan u nog eens te bedanken voor den dienst dien gij ons
bewezen hebt en voor het genoegen dat wij gehad hebben met u in
gezelschap te mogen reizen.”
»Het is nog wel mogelijk dat wij elkander binnen eenige dagen te Omsk
weder zullen ontmoeten,” voegde Harry Blount er bij.
»Dat is inderdaad mogelijk,” antwoordde Michael Strogoff, »wijl ik er
regelrecht heenga.”
»Welnu dan, goede reis, mijnheer Korpanoff!” zeide Alcide Jolivet toen,
»en God beware u voor de telega’s.”
De beide correspondenten staken Michael Strogoff de hand toe met het
voornemen ze hem zoo hartelijk mogelijk te drukken, toen zich buiten
het gedruisch van een rijtuig deed hooren.
Op eens werd de deur opengeduwd en een man trad binnen.
Het was de reiziger van de berline, een man met eene militaire houding,
een veertig jaar oud, groot, stevig, met een groot hoofd, breede
schouders, zware knevels en roode bakkebaarden. Hij droeg eene uniform
zonder onderscheidingsteekenen, en in zijn hand hield hij eene zweep
met een kort handvat.
»Paarden,” vroeg hij op een gebiedenden toon, als een man die gewoon is
te bevelen.
»Ik heb geen paarden meer beschikbaar,” antwoordde de postmeester zich
buigende.
»Ik heb er terstond noodig.”
»Het is onmogelijk.”
»Welke zijn dan die paarden die ik aan de deur voor de tarentass
gespannen heb gezien?”
»Zij behooren aan dezen reiziger,” antwoordde de postmeester, op
Michael Strogoff wijzende.
»Dat men ze uitspanne!....” zeide de reiziger, op een toon die geen
tegenspraak gedoogde.
Michael Strogoff naderde toen.
»Die paarden heb ik besproken,” zeide hij.
»Dat kan mij niet schelen! Ik moet ze hebben. Kom! gauw! ik heb geen
tijd te verliezen!”
»Ik ook niet,” antwoordde Michael Strogoff, die bedaard wilde blijven,
en die zich niet zonder moeite inhield.
Nadia stond naast hem, ook kalm, doch heimelijk ongerust voor een
tooneel, dat beter was te vermijden.
»Genoeg!” herhaalde de reiziger.
Vervolgens naar den postmeester gaande:
»Laat die tarentass uitspannen,” riep hij uit met een dreigenden blik,
»en laat die paarden voor mijne berline spannen!”
De postmeester, zeer verlegen, wist niet aan wien te gehoorzamen, en
hij keek Michael Strogoff aan, die ontegenzeggelijk het recht had zich
tegen de onrechtvaardige vorderingen van den reiziger te verzetten.
Michael Strogoff aarzelde een oogenblik. Hij wilde geen gebruik maken
van zijn podaroshna, dat de aandacht op hem zou getrokken hebben; hij
wilde ook niet, door de paarden af te staan, zijne reis vertragen, en,
ook wilde hij geen strijd die zijne zending in gevaar zou kunnen
brengen.
De beide dagbladschrijvers keken hem aan, overigens gereed om hem te
helpen, wanneer hij hunne hulp mocht inroepen.
»Mijne paarden zullen aan mijn rijtuig blijven,” zeide Michael
Strogoff, doch op een toon, die aan een eenvoudigen koopman van
Irkoetsk paste.
De reiziger kwam toen op Michael Strogoff af, en hem ruw bij den
schouder vattende:
»Zoo, zoo!” zeide hij met eene schelle stem. »Je wilt me niet je
paarden afstaan?”
»Neen,” antwoordde Michael Strogoff.
»Welnu, dan zullen ze zijn voor diegene van ons, die in staat zal zijn
te vertrekken! Verdedig je, want ik zal je niet ontzien!”
En zoo sprekende, trok de reiziger zijn sabel en stelde zich in
postuur.
Nadia had zich voor Michael Strogoff geworpen.
Harry Blount en Alcide Jolivet traden naar hem toe.
»Ik zal niet duelleeren,” zeide Michael Strogoff eenvoudig, en, om zich
beter in te houden, kruiste hij zijn armen op zijne borst.
»Gij zult niet vechten?”
»Neen.”
»Zelfs ook na dit niet?” riep de reiziger uit.
En, voor men hem had kunnen tegenhouden, had hij Michael Strogoff met
het handvatsel zijner zweep reeds een slag op den schouder toegebracht.
Bij deze beleediging verbleekte Michael Strogoff op verschrikkelijke
wijze. Zijne handen verhieven zich wijd geopend in de hoogte, alsof zij
dat onbeschoft personage wilden verpletteren. Maar door eene uiterste
poging, bleef hij zich zelf meester.
Een tweegevecht kon meer dan eene vertraging, het kon de mislukking
zijner zending veroorzaken!.... Beter ware het een paar uren te
verliezen.... Ja! maar die beleediging te verkroppen!
»Zult ge nu vechten, lafaard?” herhaalde de reiziger, de grofheid bij
de onbeschoftheid voegende.
»Neen!” antwoordde Michael Strogoff, die onbeweeglijk bleef, maar den
reiziger strak in de oogen keek.
»De paarden, en terstond!” zeide deze toen.
En daarop verliet hij de zaal.
De postmeester volgde hem onmiddellijk, niet zonder de schouders
opgehaald en Michael Strogoff met een blik, waarin weinig goedkeuring
doorstraalde, aangekeken te hebben.
De uitwerking van dit voorval op de dagbladschrijvers teweeggebracht,
kon niet gunstig voor Michael Strogoff zijn, wiens gedrag hun zeer
tegenviel. De stevige, krachtvolle jonge man, zich zoo te laten slaan,
en voor dergelijke beleediging niet eens voldoening te vragen. Zij
groetten hem dus en gingen heen, terwijl Alcide Jolivet tegen Harry
Blount zeide:
»Ik zou dat nooit van dien man gedacht hebben, die zoo netjes de beren
van den Oeral den buik openrijt! Zou het dus waar zijn dat de moed zijn
oogenblikken en zijn vormen heeft? Het is onbegrijpelijk! Wellicht komt
het daar vandaan dat wij nooit lijfeigenen geweest zijn!”
Een oogenblik daarna duidden het geraas van wielen en het klappen eener
zweep aan dat de berline met de paarden van de tarentass bespannen,
snel het posthuis verliet.
Nadia, geheel gevoelloos en Michael Strogoff, nog van woede bevende,
bleven alleen in de wachtkamer der wisselplaats. De koerier van den
czaar, nog altijd met de armen over de borst gekruist, was gaan zitten.
Hij was een standbeeld gelijk. Evenwel had eene roode kleur, niet die
der schaamte, de bleekheid op zijn mannelijk gelaat vervangen.
Nadia twijfelde niet of allerkrachtigste redenen alleen hadden zulk een
man eene dergelijke beleediging kunnen doen verkroppen.
Zij ging dus naar hem toe zooals hij in het politiehuis te
Nijni-Novgorod naar haar was toegekomen, en zeide:
»Uwe hand, broeder!”
En tegelijkertijd wischte haar vinger, door eene bijna moederlijke
beweging, een traan af, die uit het oog van haren makker opwelde.
XIII.
PLICHT BOVENAL.
Nadia giste wel dat een geheime drijfveer al de handelingen van Michael
Strogoff bestuurde; dat deze, om eene of andere haar onbekende reden,
in zijne handelingen niet vrij was; dat hij geen recht had over zijn
persoon te beschikken, en dat hij, onder deze omstandigheid zelfs den
wrok over eene doodelijke beleediging heldhaftig aan zijn plicht had
opgeofferd.
Nadia vroeg Michael Strogoff trouwens ook geene opheldering. De laatste
sprak den geheelen avond geen woord. De postmeester kon hem, vóór den
volgenden morgen, geen versche paarden bezorgen; hij moest derhalve een
geheelen nacht op de wisselplaats vertoeven. Nadia maakte dus van dat
oponthoud gebruik om eenige rust te genieten, hoewel zij liever bij
haar metgezel had willen blijven; maar zij gevoelde dat hij behoefte
had om alleen te zijn.
Michael Strogoff bleef op. Hij zou zelfs geen uur hebben kunnen slapen.
Het was alsof hij een brandwonde gevoelde, op de plaats waar de zweep
van den onbeschoften reiziger hem getroffen had.
»Voor het Vaderland en voor den Vader!” prevelde hij aan het slot van
zijn avondgebed.
Evenwel gevoelde hij eene onwederstaanbare behoefte om te weten, wie de
man was, die hem geslagen had, van waar hij kwam en waar hij heenging.
Wat zijn gezicht betrof, de trekken er van waren zoo goed in zijn
geheugen geprent, dat hij niet behoefde te vreezen ze ooit te vergeten.
Hij vroeg om den postmeester te spreken.
Deze, een Siberiër van den ouden stempel, kwam terstond, en den jongen
man een weinig uit de hoogte aanziende, wachtte hij, totdat hij
ondervraagd werd.
»Zijt ge een Siberiër?” vroeg Michael Strogoff.
»Ja”.
»Kent ge dien man, die mijne paarden genomen heeft?”
»Neen.”
»Hebt ge hem nooit gezien?”
»Nooit!”
»Wie denkt ge dat die man kan zijn?”
»Een voornaam heer, die zich weet te doen gehoorzamen!”
De blik van Michael Strogoff drong als een dolk in het hart van den
Siberiër, maar de postmeester sloeg den blik niet neder.
»Gij veroorlooft je mij te beoordeelen!” riep Michael Strogoff uit.
»Ja,” antwoordde de Siberiër, »want er zijn dingen die een eenvoudig
koopman niet ontvangt zonder ze terug te geven!”
»De zweepslagen?”
»De zweepslagen, jong mensch! Ik ben oud en sterk genoeg om je dat te
zeggen!”
Michael Strogoff naderde den postmeester en legde zijne beide krachtige
handen op diens schouders.
Daarop zeide hij op een zonderling kalmen toon:
»Ga heen, vriend, ga heen! Anders zou ik je dooden!”
De postmeester begreep de zaak nu.
»Zoo bevalt hij mij beter,” mompelde hij.
En hij verwijderde zich zonder verder een woord te spreken.
Den volgenden dag, 24 Juli, des morgens te acht uur, stond de tarentass
voor, met drie sterke paarden bespannen. Michael Strogoff en Nadia
namen er plaats in, en Ichim, dat voor beiden zulk eene
verschrikkelijke herinnering zou blijven, was weldra achter eene kromte
van den weg verdwenen.
Aan de verschillende wisselplaatsen, waar hij dien dag ophield, kon
Michael Strogoff zich overtuigen dat de berline hem op den weg naar
Irkoetsk altijd vooruit bleef, en dat de reiziger even gehaast als hij,
geen oogenblik verloor, om de steppe door te trekken.
Om vier uur in den namiddag moest bij het station Abatskaia, de rivier
Ichim, een der voornaamste nevenrivieren van de Irtisch, overgetrokken
worden.
Dit overtrekken ging wat moeilijker dan over de Tobol. De stroom van de
Ichim is op die plaats vrij sterk. Gedurende den winter zijn al die
stroomen in de steppe, met eene ijskorst van verscheidene voeten
bedekt, gemakkelijk begaanbaar, en de reiziger trekt ze ongemerkt over,
want hunne bedding is dan geheel verdwenen onder het witte laken, dat
de uitgestrekte steppe gelijkelijk bedekt; maar in den zomer kan het
overtrekken soms zeer moeilijk zijn.
Inderdaad werden twee uren besteed aan den overtocht van de
Ichim,—hetgeen Michael Strogoff verbitterde, te meer omdat de schippers
hem omtrent den inval der Tartaren, verontrustende tijdingen
mededeelden.
Ziehier wat men vertelde:
Eenige vooruitrukkende veldontdekkers van Feofar-Khan zouden zich reeds
aan de beide oevers van de beneden-Ichim vertoond hebben, in de
zuidelijke streken van het gouvernement Tobolsk. Omsk werd zeer
bedreigd. Men sprak van een gevecht, dat tusschen de Siberische en
Tartaarsche troepen op de grenzen der groote Kirgiesche horden had
plaats gehad,—een gevecht, dat niet ten gunste der Russen was
uitgevallen, die op dit punt zeer zwak waren. Vandaar, het terugtrekken
dier troepen en dientengevolge, algemeene verhuizing der boeren uit de
provincie. Men verhaalde verschrikkelijke wreedheden door de
overweldigers gepleegd. Overal ontvluchtte men de voorhoede van
Feofar-Khan, en dit deed Michael Strogoff zeer vreezen, dat de middelen
van vervoer hem weldra zouden gaan ontbreken. Hij had dus eene
buitengewone haast om Omsk te bereiken.
Zoodra de pont de tarentass op den rechteroever van de Ichim had
overgezet, werd de reis door de steppe met volle snelheid hervat.
Het was zeven uur in den avond. De lucht was zeer betrokken. Ook viel
er herhaalde malen eene stortbui, die het stof neersloeg en de wegen
beter maakte.
Michael Strogoff had, na het verlaten der wisselplaats te Ichim, geen
woord meer gesproken. Hij droeg evenwel steeds zorg voor Nadia, hoewel
het jonge meisje niet klaagde. Zij had aan de paarden van de tarentass
wel vleugels willen geven; want iets scheen haar toe te roepen, dat
haar metgezel nog meer haast had dan zij om te Irkoetsk aan te komen,
en hoeveel wersten hadden zij nog wel af te leggen! Ook kwam haar in de
gedachte dat, indien Omsk door de Tartaren was ingenomen, de moeder van
Michael Strogoff, die deze stad bewoonde, gevaar liep, waarover haar
zoon zich uiterst ongerust moest maken, en dat dit voldoende was om
zijn ongeduld te verklaren om bij haar aan te komen. Nadia meende dus,
op zeker oogenblik, hem over de oude Marfa te moeten spreken, over de
verlatenheid waarin zij zich zou kunnen bevinden te midden van deze
ernstige gebeurtenissen.
»Hebt ge sedert het begin van den inval geene tijding van uwe moeder
ontvangen?” vroeg zij.
»Geen enkele, Nadia. De laatste brief, die mijne moeder geschreven
heeft, is reeds twee maanden oud, maar hij behelsde goede tijdingen.
Marfa is eene krachtvolle, dappere Siberische vrouw. In weerwil van
hare jaren, is zij nog in het bezit van hare geheele zedelijke kracht.
Zij weet te lijden.”
»Ik zal haar bezoeken, broeder,” zeide Nadia levendig. »Wijl gij mij
dien naam van zuster geeft, ben ik de dochter van Marfa!” En, daar
Michael Strogoff niet antwoordde, voegde zij er bij: »Misschien heeft
uwe moeder Omsk kunnen verlaten?”
»Wel mogelijk, Nadia”, antwoordde Michael Strogoff, »en zelfs hoop ik
dat zij Tobolsk zal bereikt hebben. De oude Marfa haat den Tartaar. Zij
kent de steppe, zij is niet bang, en ik hoop dat zij haar stok zal
opgenomen hebben, en de Irtisch zal zijn afgezakt. Er is geene plek in
de provincie of zij kent ze. Hoe menigmaal heeft zij het geheele land
met mijn ouden vader doorloopen en hoe menigmaal heb ik zelf, nog kind
zijnde, hen op hunne tochten door de Siberische woestijn gevolgd! Ja,
Nadia, ik hoop dat mijne moeder Omsk zal verlaten hebben!”
»En wanneer zult gij haar gaan bezoeken?”
»Ik zal haar bezoeken.... op mijn terugreis.”
»Intusschen zult ge, wanneer uwe moeder te Omsk is, er toch wel een uur
afnemen om haar te gaan omhelzen?”
»Dat zal ik niet!”
»Ge gaat haar niet bezoeken?”
»Neen, Nadia,” antwoordde Michael Strogoff, wiens borst begon te
zwellen en die begreep dat hij die vragen van het jonge meisje niet zou
kunnen blijven beantwoorden.
»Gij zegt: neen! broeder, om welke reden?”
»Om welke reden, Nadia! gij vraagt mij om welke reden?” riep Michael
Strogoff met eene zoo diep ontroerde stem uit, dat het meisje er van
sidderde. »Maar om de reden, die mij, tot lafhartigheid toe, geduld
heeft doen oefenen met dien ellendeling, van wien....”
Hij kon zijn volzin niet eindigen.
»Bedaar, broeder,” zeide Nadia, zoo zacht mogelijk. »Ik weet slechts
éen ding of liever ik weet het niet, ik gevoel het! Het is dat, op dit
oogenblik, éen gevoel uw geheele gedrag beheerscht; dat van een zoo
mogelijk heiliger plicht, dan die, welke den zoon aan de moeder
verbindt!”
Nadia zweeg, en, van dit oogenblik af, vermeed zij elk gesprek, dat
betrekking kon hebben op den bijzonderen toestand van Michael Strogoff.
Het gold hier een of ander geheim te eerbiedigen. Zij eerbiedigde het.
Den volgenden morgen, 25 Juli, te drie uur, kwam de tarentass aan de
wisselplaats van Tioekalinsk aan na een afstand van honderd twintig
wersten afgelegd te hebben sedert den overtocht van de Ichim.
Men verwisselde snel van paarden. Doch de iemschik maakte, en wel voor
de eerste maal, eenig bezwaar om te vertrekken, verzekerende dat
Tartaarsche afdeelingen de steppe afliepen, en dat reizigers, paarden
en rijtuigen door die plunderaars zouden buit gemaakt worden.
Michael Strogoff zegevierde slechts door middel van geld over den
slechten zin van den iemschik, want in dit geval zooals in zooveel
andere, wilde hij van zijn podaroshna geen gebruik maken.
De laatste ukaze, door de telegraaf overgebracht, was in de Siberische
provinciën bekend, en een Rus, juist omdat hij in het bijzonder
vrijgesteld was om aan hare voorschriften te gehoorzamen, zou zeker de
algemeene aandacht getrokken hebben—iets dat de koerier van den czaar
bovenal moest vermijden.
Eindelijk vertrok de tarentass, en maakte zooveel spoed dat zij, om
drie uur in den namiddag, tachtig wersten verder Koulatsinskoë
bereikte. Een uur later bevond zij zich aan de boorden van de Irtisch,
en nog slechts een twintigtal wersten van Omsk af.
De Irtisch is een dier breede stroomen van Siberië, die in het
Altaï-gebergte ontspringende, van het zuidoosten naar het noordwesten
loopt en zich in de Obi werpt, na een weg afgelegd te hebben van bij de
zevenduizend wersten.
Op dit tijdstip van het jaar stond de Irtisch buitengemeen hoog, en was
het overtrekken van dien stroom vrij moeilijk. Een zwemmer, hoe bekwaam
ook, zou hem niet hebben kunnen overzwemmen, en zelfs door middel van
eene pont ging de overtocht met gevaar gepaard. Doch die gevaren,
zooals alle andere, konden Michael Strogoff en Nadia geen oogenblik
weerhouden.
Intusschen gaf Michael Strogoff aan zijne jonge gezellin in overweging
om eerst, alleen met de tarentass en de paarden, den stroom over te
steken, want hij vreesde dat de pont het gewicht der vracht niet zou
kunnen dragen. Hij zou dan Nadia komen afhalen, als hij paarden en
rijtuig aan de overkant zou afgezet hebben.
Nadia weigerde, want dit zou een oponthoud van een uur veroorzaken, en
zij wilde niet de oorzaak van deze vertraging zijn.
De inscheping had niet zonder moeite plaats, want de steile oevers
waren ten deele overstroomd, en de pont kon niet dicht genoeg
aanleggen.
Evenwel, na een half uur tobben, stonden de tarentass en de drie
paarden op de pont. Michael Strogoff, Nadia en de iemschik gingen aan
boord en men stak van wal. In de eerste oogenblikken ging alles goed.
De beide schippers duwden met hunne lange boomen de pont behendig
voort, doch hoe verder zij in het midden der rivier kwamen, hoe dieper
de bedding werd en er bleef van de boomen slechts een eind ter lengte
van een voet boven water, zoodat ze moeilijk te hanteeren waren en het
werk weinig vrucht opleverde.
Michael Strogoff en Nadia achter in de pont gezeten, en steeds eenig
oponthoud vreezende, zagen met zekere ongerustheid het werken der
schippers aan.
»Pas op!” riep een van hen zijn makkers toe.
Deze kreet werd veroorzaakt door de veranderde richting die de pont met
eene buitengemeene snelheid had genomen. Zij werd door den stroom
medegevoerd. De schippers trachtten door het goed hanteeren hunner
boomen en door buitengewone krachtsinspanning, in eene schuine richting
den rechteroever van den stroom te bereiken, doch, naar alle
berekening, op minstens vijf à zes wersten beneden de hoogte waar zij
van wal gestoken waren. Terwijl zij aldus alle pogingen in het werk
stelden en zij met eene snelheid van twee wersten per uur in het midden
van den stroom voortgedreven werden, stond Michael Strogoff op en
bemerkte hij stroomopwaarts verscheidene vaartuigen, door den stroom
met groote snelheid medegevoerd, die nog vermeerderd werd door de
werking der roeiriemen, waarvan zij voorzien waren.
Het gelaat van Michael Strogoff trok zich krampachtig samen en een
kreet ontsnapte hem.
»Wat is er?” vroeg het meisje.
Maar eer dat Michael Strogoff den tijd had te antwoorden, riep een der
schippers angstig uit:
»De Tartaren! de Tartaren!”
Het waren inderdaad, met soldaten bemande booten, die de Irtisch
afzakten, en die binnen weinige minuten de pont zouden ingehaald
hebben, daar deze te zwaar geladen was om hen te kunnen ontvluchten.
De schippers slaakten een kreet van wanhoop en lieten de boomen
glippen.
»Houdt moed, vrienden!” riep hun Michael Strogoff toe, »houdt moed!
Vijftig roebels voor u, wanneer wij de rechteroever bereiken vóordat
die vaartuigen ons hebben ingehaald!”
De schippers, door deze woorden aangemoedigd, gingen op nieuw aan den
gang; ook Michael Strogoff greep een boom, dien hij met
bovenmenschelijke kracht hanteerde, doch het was te voorzien dat zij
het enteren der Tartaren niet zouden kunnen ontkomen.
De vaartuigen waren nog slechts op honderd pas verwijderd. Zij voerden
eene afdeeling Boukharijsche soldaten die op verkenning naar Omsk uit
waren.
»Sarijn na Kitschou!” riepen de soldaten uit de voorste boot.
Michael Strogoff herkende den oorlogskreet der Tartaarsche roovers. Op
dien kreet moest men plat op den buik gaan liggen.
En daar de schippers, noch hij, aan dit bevel gehoorzaamden, had er
eene hevige losbranding plaats, en werden twee paarden doodelijk
getroffen.
Op dit oogenblik had er een schok plaats. De booten hadden de pont
dwars aangevaren.
»Kom mee, Nadia!” riep Michael Strogoff, gereed om zich over boord te
werpen.
Het meisje zou hem volgen, toen hij, door een lanssteek getroffen, in
den stroom stortte, die hem medevoerde en waarin hij, nadat zijne hand
even boven was gekomen, verdween.
Nadia had een gil gegeven, doch, voor zij den tijd had Michael Strogoff
in den stroom na te springen, werd zij gegrepen en in een der booten
gezet.
Een oogenblik later waren de schippers door lanssteken gedood, dreef de
pont op goed geluk af, terwijl de Tartaren de Irtisch verder afzakten.
XIV.
MOEDER EN ZOON.
Omsk is de hoofdstad en het verblijf van den gouverneur-generaal van
westelijk Siberië. Zij is evenwel niet de belangrijkste stad van dit
eerste gedeelte van Aziatisch-Rusland. Tomsk is meer bevolkt en
aanzienlijker.
Omsk bestaat eigenlijk uit twee gedeelten. Het eene gedeelte is het
verblijf van het bewind en der rijksambtenaren, het andere wordt
bewoond door de Siberische kooplieden, alhoewel het toch niet zeer
handeldrijvend is.
Deze stad bevat twaalf à dertien duizend inwoners, en wordt door aarden
borstweringen verdedigd die haar zeer onvoldoende beschermen. Het
kostte dus den Tartaren weinig moeite zich, na eene belegering van
eenige dagen, stormenderhand van de stad meester te maken.
De bezetting had zich, na eene dappere verdediging, naar het hooge
gedeelte der stad teruggetrokken, en zich daar met den
gouverneur-generaal en zijne officieren verschanst, zonder evenwel veel
hoop te koesteren van bijtijds ontzet te zullen worden, want de
Tartaren kregen elken dag versterkingen, en wat erger was, zij werden
aangevoerd door een officier,—een landverrader—maar een man van groote
verdienste en van eene beproefde onverschrokkenheid.
Deze officier was de kolonel Ivan Ogareff. Ivan Ogareff was een bekwaam
militair. Daar er in hem een weinig Mongoolsch bloed zat van
moederszijde, die van Aziatischen oorsprong was, was hij listig, hield
hij er van hinderlagen uit te denken, en niets kon hem beletten om een
of ander geheim te weten te komen. Bedrieglijk en wreed van natuur, nam
hij tot de laagste vermommingen zijne toevlucht, en Feofar-Khan had in
hem een waardigen helper in dezen woesten oorlog gevonden.
Toen Michael Strogoff nu aan de boorden van de Irtisch aankwam, had
Ivan Ogareff zich reeds van Omsk meester gemaakt, en zette hij met
kracht het beleg van het hooge gedeelte der stad voort, daar hij zich
zoo snel mogelijk naar Tomsk wilde begeven, alwaar zich de hoofdmacht
van het Tartaarsche leger had saamgetrokken.
Tomsk was inderdaad sedert eenige dagen door Feofar-Khan ingenomen, en
vandaar moesten de overweldigers, reeds meester van Middel-Siberië,
naar Irkoetsk voortrukken.
Irkoetsk was het eenige en wezenlijke doel van Ivan Ogareff.
Het plan van dien verrader was om, onder een valschen naam, toegang tot
den grootvorst te verkrijgen, zijn vertrouwen te winnen, en, wanneer
het oogenblik gekomen was, aan de Tartaren de stad en den grootvorst
zelf over te leveren.
Met zulk eene stad en zulk een gijzelaar, moest geheel Siberië in de
handen der overweldigers vallen.
Nu weet men dat deze samenzwering den czaar bekend was, en dat, om haar
te verijdelen, aan Michael Strogoff de belangrijke dépêche was
toevertrouwd geworden. Deze zending had hij tot hiertoe getrouw
nagekomen, doch zou hij ze nu wel geheel ten einde kunnen brengen? De
lanssteek, dien hij gekregen had, was niet doodelijk. Al zwemmende had
hij, zonder gezien te worden, den rechteroever bereikt, alwaar hij in
het riet in zwijm gevallen was.
Toen hij tot zichzelf kwam, bevond hij zich in de hut van een moejiek
die hem opgenomen en verzorgd had, en wien hij het alzoo te danken had
dat hij nog leefde. Hoe lang hij bij dien braven Siberiër was, dat wist
hij niet. Maar toen hij de oogen weder opende, zag hij bij zijn bed een
goedig gelaat met een langen baard staan, dat hem met een medelijdenden
blik aanzag. Hij wilde vragen waar hij zich bevond, toen de moejiek,
hem voorkwam, zeggende:
»Spreek niet, vadertje, spreek niet! Je zijt nog te zwak. Ik zal je
zeggen waar je zijt en al hetgeen er gebeurd is, sedert dat ik je in
deze hut gedragen heb.”
En de moejiek vertelde Michael Strogoff de bijzonderheden van het
gevecht waarvan hij getuige was geweest, den aanval der Tartaarsche
vaartuigen, het plunderen van de tarentass, den moord der schippers....
Michael Strogoff luisterde niet meer naar hem, maar zijn hand in zijn
borstzak stekende, voelde hij, dat hij nog altijd den keizerlijken
brief bezat.
Dit stelde hem gerust, maar dat was nog niet genoeg.
»Een meisje vergezelde mij!” zeide hij.
»Zij hebben haar niet gedood,” antwoordde de moejiek, de ongerustheid
tegemoet komende, die hij in de oogen van zijn gast bemerkte. »Zij
hebben haar in hun vaartuig medegevoerd en zijn de Irtisch afgezakt!
Het is een gevangene te meer, die men naar Tomsk voert.”
Michael Strogoff kon geen woord spreken, zoozeer klopte zijn hart.
Doch, ondanks zooveel beproevingen, beheerschte het plichtgevoel toch
zijne geheele ziel.
»Waar ben ik hier?” vroeg hij.
»Op den rechteroever van den Irtisch, en slechts vijf wersten van Omsk
verwijderd,” antwoordde de moejiek.
»Welke wond is mij dan toegebracht, die mij zoo plotseling heeft
terneergeveld? Het is toch geen schotwond?”
»Neen, een lanssteek aan het hoofd, die nu geheeld is,” antwoordde de
moejiek. »Na eenige dagen rust zult ge je reis kunnen vervolgen. Ge
zijt in den stroom gevallen, maar de Tartaren hebben je noch aangeraakt
noch onderzocht, en je beurs is nog altijd in je zak.”
Michael Strogoff stak den moejiek de hand toe; zich daarna plotseling
met moeite oprichtende, vroeg hij:
»Vriend! sedert hoe lang ben ik in deze hut?”
»Sedert drie dagen.”
»Drie dagen verloren!”
»Drie dagen, dat ge buiten kennis zijt geweest!”
»Hebt ge een paard voor mij te koop?”
»Hoe! wilt ge vertrekken?”
»Terstond.”
»Ik heb noch paard, noch voertuig, vadertje! De Tartaren hebben alles
meegenomen!”
»Welnu, dan ga ik te voet naar Omsk om een paard te zoeken.”
»Eenige uren rust nog en ge zult beter in staat zijn de reis voort te
zetten!”
»Geen uur meer!”
»Kom dan!” zeide de moejiek, die wel inzag dat zijn gast niet te
overreden was. »Ik zal je dan zelf brengen,” voegde hij erbij.
»Trouwens er zijn nog zeer veel Russen te Omsk en ge zult misschien wel
ongemerkt kunnen doorsluipen.”
»Vriend,” antwoordde Michael Strogoff, »moge de hemel je beloonen voor
al hetgeen ge voor mij gedaan hebt!”
»Eene belooning! Alleen de dwazen verwachten die in deze wereld!”
antwoordde de moejiek.
Michael Strogoff wilde de hut verlaten, doch hij werd op eens duizelig,
en, zonder de hulp van den moejiek, zou hij neergevallen zijn. De open
lucht evenwel herstelde hem oogenblikkelijk. Hij voelde toen den
lanssteek, waarvan de kracht gelukkig door zijne bonte muts was
gebroken. Met de zielskracht, die hij bezat, was hij er de man niet
naar om zich door zoo weinig te laten terneerslaan. Eén doel had hij
slechts voor oogen, namelijk: het verre Irkoetsk te bereiken! Maar hij
moest Omsk doortrekken, zonder er zich op te houden.
»God bescherme mijne moeder en Nadia!” mompelde hij. »Ik heb nog het
recht niet om aan haar te denken!”
Michael Strogoff en de moejiek kwamen weldra in de door de kooplieden
bewoonde wijk aan. Op verscheidene plaatsen waren de aarden wallen
verwoest, en dit waren even zoovele openingen, waardoor voortdurend
soldaten van Feofar-Khan binnenslopen, die, achtergebleven, zich aan
roof en plundering overgaven.
Het groote marktplein geleek op een kamp; twee duizend Tartaren
bivakkeerden er in goede orde. De paarden aan palen vastgebonden, maar
opgetuigd, stonden gereed op het eerste bevel, te vertrekken, want Omsk
kon slechts eene voorloopige halte zijn voor die Tartaarsche ruiterij,
die de voorkeur moest geven aan de weelderige vlakte van Oostelijk
Siberië, waar rijker steden, vruchtbaarder velden gevonden worden, en
waar bijgevolg meer gelegenheid tot plunderen zou bestaan.
Boven het hoogere gedeelte der stad, dat zich dapper tegen de herhaalde
aanvallen van Ivan Ogareff verdedigde, wapperde de Russische vlag.
Michael Strogoff vermeed de drukke straten. Niet dat hij vreesde
herkend te worden, maar hij was bang dat, wanneer hij zijne moeder
mocht ontmoeten, deze hem bij zijn waren naam zou noemen.
De moejiek kende gelukkig een postmeester, die, wanneer hij goed
betaald werd, niet zou weigeren, hem rijtuig en paarden te verhuren of
te verkoopen. Het kwam er dan verder slechts op aan de stad ongemerkt
te verlaten.
De moejiek bracht Michael Strogoff dus regelrecht naar de wisselplaats,
toen deze in eene nauwe straat opeens bleef stilstaan en zich achter
een muur verschool.
»Wat scheelt u,” vroeg de moejiek hem schielijk, die zeer verwonderd
was over deze plotselinge beweging.
»Stil!” antwoordde Michael Strogoff haastig, terwijl hij een vinger op
zijn mond legde.
Op dit oogenblik kwam, van het marktplein, eene afdeeling Tartaren de
straat inrijden, die Michael Strogoff en zijn metgezel ingeslagen
hadden.
Aan het hoofd van de afdeeling, een twintigtal ruiters sterk, reed een
officier in eene zeer eenvoudige uniform. Ofschoon deze zijn blikken
overal liet rondgaan, kon hij toch het plotselinge verdwijnen van
Michael Strogoff niet opgemerkt hebben.
De ruiters reden in vollen draf door de nauwe straat, zonder acht te
geven op de voorbijgangers, die nauwelijks tijd hadden om uit den weg
te gaan.
Toen de ruiters voorbij waren, vroeg Michael Strogoff den moejiek:
»Wie was die officier?”
En, terwijl hij deze vraag deed, was zijn gelaat zoo bleek als dat van
een doode.
»Dat is Ivan Ogareff,” antwoordde de Siberiër, maar op een zachten
toon, die haat verried.
»Hij!” riep Michael Strogoff uit, wien dit woord ontsnapte met eene
uitdrukking van woede, die hij niet kon bedwingen.
Hij had in dien officier den reiziger herkend, die hem aan de
wisselplaats te Ichim een slag had gegeven!
En, het was alsof er een licht voor hem opging; die reiziger, ofschoon
hij hem slechts even gezien had, herinnerde hem dien ouden Zigeuner,
wiens woorden hij op de markt van Nijni-Novgorod had opgevangen.
Michael Strogoff vergiste zich niet. In de kleeding van een Zigeuner en
in gezelschap van den troep van Sangarre, had Ivan Ogareff de provincie
Nijni-Novgorod kunnen verlaten. Hij was het die, in den nacht op het
kermisplein, die zonderlinge woorden had gesproken, waarvan Michael
Strogoff nu den zin begreep; hij was het die aan boord van de Kaukasus
met de geheele bende Zigeuners reisde; hij was het, die langs een
anderen weg, van Kazan naar Ichim door het Oeral-gebergte, Omsk bereikt
had, alwaar hij nu het bevel voerde.
Ivan Ogareff was nog geen drie dagen geleden te Omsk aangekomen, en,
zonder de noodlottige ontmoeting te Ichim, zonder het ongeval dat hem
drie dagen aan de boorden van de Irtisch had opgehouden, zou Michael
Strogoff hem zeker op den weg naar Irkoetsk vooruit zijn geweest! En
wie weet hoeveel onheil er in de toekomst door vermeden zou zijn
geworden!
De moejiek en hij vervolgden nu hun weg door de stad, en kwamen
eindelijk aan het posthuis aan. Omsk door een der bressen in de wallen
te verlaten zou niet moeielijk vallen, vooral wanneer het eenmaal
donker was. Wat het bekomen van een rijtuig betrof, dat was onmogelijk.
Er was er geen te koop, noch te huur. Maar wat behoefde Michael
Strogoff nu ook een rijtuig. Helaas! Hij reisde nu toch maar alleen.
Een paard moest hem voldoende zijn en dit paard kon hij gelukkig
krijgen. Het was een stevig paard, waarvan Michael Strogoff, een ferm
ruiter zijnde, goed partij kon trekken.
Het paard werd tegen een hoogen prijs gekocht en, eenige minuten later,
was hij gereed om te vertrekken.
Het was toen vier uur in den namiddag. Hij bleef in het wisselstation
tot dat het donker was geworden.
In de wachtkamer bevond zich eene groote menigte, die, om
nieuwstijdingen te vernemen, aldaar was samengevloeid.
Michael Strogoff luisterde aandachtig naar hetgeen men vertelde, maar
hij mengde zich niet in het gesprek.
Terwijl hij bezig was om iets te gebruiken, hoort hij op eens een gil,
die hem doet sidderen, en tegelijk de woorden:
»Mijn zoon!”
Zijne moeder, de oude Marfa stond voor hem! Zij glimlachte al bevende;
zij strekte de armen naar hem uit.... Michael Strogoff stond op, en was
op het punt in hare armen te vliegen.
De gedachte aan zijn plicht, het ernstige gevaar dat uit deze
ontmoeting voor zijne moeder en voor hem kon ontstaan, weerhielden hem
plotseling, en zoo groot was zijne zelfbeheersching, dat niet een
zijner gelaatsspieren zich vertrok. Een vijftigtal menschen waren er in
de wachtkamer, waaronder misschien spionnen; en wist men niet in de
geheele stad dat de zoon van Marfa tot de koeriers van den keizer
behoorde.
Michael Strogoff bleef onbeweeglijk.
»Michael!” riep zijne moeder uit.
»Wie zijt ge, goede vrouw?” vroeg Michael Strogoff, hoewel hij deze
woorden veeleer stamelde, dan uitsprak.
»Wie ik ben? vraagt gij dat? Mijn kind kent ge uwe moeder dan niet
meer?”
»Gij vergist u!” antwoordde Michael Strogoff koel weg. »Eene gelijkenis
misleidt u....”
De oude Marfa keek hem strak in de oogen:
»Zijt gij niet de zoon van Peter en Marfa Strogoff?” zeide zij.
Michael Strogoff zou zijn leven gegeven hebben om zijne moeder vrij in
zijne armen te kunnen drukken!.... maar gaf hij toe, het ware met hem,
met haar, met zijn eed gedaan geweest!....
»Ik weet waarlijk niet wat ge zeggen wilt, vrouwtje,” antwoordde hij,
eenige schreden achteruittredende.
»Michael!” riep de oude moeder opnieuw.
»Ik heet niet Michael! Ik ben nooit uw zoon geweest! Ik ben Nikolaas
Korpanoff, koopman te Irkoetsk!....”
En plotseling verliet hij de wachtkamer, terwijl de volgende woorden
voor ’t laatst weerklonken:
»Mijn zoon! mijn zoon!”
Michael Strogoff zich niet langer kunnende bedwingen, was heengegaan.
Zijne oude moeder was bijna levenloos op eene bank neergevallen. Doch
op het oogenblik dat de postmeester toeschoot om haar te helpen, stond
de oude vrouw weder op. Er was op eens een licht voor haar opgegaan.
Dat haar zoon haar niet had willen herkennen was onmogelijk en even
onmogelijk was het dat zij een ander voor hem had aangezien. Hij moest
dus overwegende redenen gehad hebben om zoo jegens haar te handelen.
»Ik ben krankzinnig!” zeide zij tot hen die haar ondervroegen. »Mijne
oogen hebben mij bedrogen! Die jonge man is mijn kind niet! Laat ik er
maar niet meer aan denken! Ik zou hem, ten laatste, overal meenen te
zien.”
Er waren nog geen tien minuten verloopen of een Tartaarsch officier
vertoonde zich aan het posthuis.
»Marfa Strogoff?” vroeg hij.
»Dat ben ik,” antwoordde de oude vrouw op een zoo kalmen toon en met
een zoo rustig gelaat, dat zij, die getuigen geweest waren van de
ontmoeting die zooeven plaats had gehad, haar niet zouden herkend
hebben.
»Kom met mij mee,” zeide de officier.
Marfa Strogoff volgde den officier ongedwongen en verliet het posthuis.
Eenige oogenblikken daarna bevond Marfa Strogoff zich in het bivak op
het groote marktplein in tegenwoordigheid van Ivan Ogareff aan wien al
de bijzonderheden van dit tooneel onmiddellijk waren overgebracht.
Ivan Ogareff, de waarheid vermoedende, had zelf die oude Siberische
vrouw willen ondervragen.
»Je naam?” vroeg hij op barschen toon.
»Marfa Strogoff.”
»Hebt ge een zoon?”
»Ja.”
»Hij is koerier van den czaar?”
»Ja.”
»Waar is hij?”
»Te Moskou.”
»Hebt ge geen tijding van hem?”
»Geene.”
»Sedert hoelang?”
»Sedert twee maanden.”
»Wie was die jonge man die ge, eenige oogenblikken geleden, aan het
posthuis je zoon noemdet?”
»Een jonge Siberiër, dien ik voor hem aangezien heb,” antwoordde Marfa
Strogoff. »Het is wel de tiende in wien ik mijn zoon heb meenen te
herkennen, sedert de stad vol vreemdelingen is! Ik meen hem overal te
zien!”
»Die jonge man was dus Michael Strogoff niet?”
»Neen.”
»Weet ge wel, dat ik je kan laten pijnigen, totdat ge de waarheid
bekend hebt?”
»Ik heb de waarheid gezegd, en de foltering zal niets aan mijne woorden
veranderen.”
»Die Siberiër was Michael Strogoff dan niet?” vroeg Ivan Ogareff
andermaal.
»Neen! Hij was het niet,” antwoordde Marfa Strogoff. »Geloof mij, dat
ik voor niets ter wereld mijn zoon zou verloochenen.”
Ivan Ogareff bleef twijfelen. Indien die zoon, zeide hij tot zichzelf,
in het eerst zijne moeder verloochend heeft, en de moeder op hare beurt
haar zoon, dan kan dit niets anders zijn dan om eene zeer ernstige
reden.
Hij twijfelde er dus niet meer aan of de gewaande Nikolaas Korpanoff
was Michael Strogoff, de koerier van den czaar, zich onder een valschen
naam verbergende, en belast met eene zending, die voor hem van het
uiterste belang was om te weten. Hij gaf dus ook oogenblikkelijk bevel
hem na te zetten. Daarna zeide hij, zich naar Marfa wendende:
»Dat deze vrouw naar Tomsk vervoerd worde.”
En, terwijl de soldaten haar onbeschoft medesleepten, mompelde hij
binnen ’s monds:
Als het oogenblik daar is, zal ik die oude tooverheks wel doen praten.
XV.
DE MOERASSEN VAN DE BARABA.
Gelukkig dat Michael Strogoff zoo plotseling de wisselplaats verlaten
had, want Ivan Ogareff had zijn signalement naar alle uitgangen der
stad gezonden, om hem te kunnen doen aanhouden; maar, daar hij niet
oogenblikkelijk achtervolgd was, was het hem gelukt door eene der
bressen van de wallen te ontsnappen.
Den 29sten Juli, te acht uur ’s avonds, had Michael Strogoff Omsk
verlaten. Die stad ligt halverwege Moskou en Irkoetsk, waar hij binnen
tien dagen moest aankomen, indien hij het Tartaarsche leger voor wilde
zijn. Het ongelukkig toeval dat hem zijne moeder deed ontmoeten, had
zijn incognito verraden en Ivan Ogareff zou wel alles in het werk
stellen om zich van hem meester te maken. Michael Strogoff spoorde dus
zijn paard stevig aan.
Te middernacht kwam hij te Koelikovo aan, na zeventig wersten afgelegd
te hebben. Hier vond hij noch rijtuig, noch paarden. Ter nauwernood kon
Michael Strogoff hier voor hem en voor zijn paard eenig voedsel
bekomen. Alles was door de Tartaren geroofd geworden.
Het kwam er nu op aan zijn paard te sparen. Evenwel moest hij spoed
maken, om niet ingehaald te worden door de ruiters, die Ivan Ogareff
hem waarschijnlijk achterna gezonden had. Tot nog toe had het weder de
reis van den koerier van den czaar begunstigd. De luchtgesteldheid was
draaglijk. De zeer korte nachten in dien tijd van het jaar maakten voor
Michael Strogoff het reizen wel gemakkelijk, doch minder veilig. Daarom
had hij liever gezien, dat deze geheele Siberische streek, gedurende
een paar maanden, in het duister van den poolnacht verzonken ware
geweest.
Den 30sten Juli te acht uur in den morgen kwam hij voorbij het
wisselstation van Toeroenoff en snelde hij de moerassige streken der
Baraba binnen.
Daar konden, over eene oppervlakte van drie honderd wersten, de
natuurlijke moeielijkheden zeer groot worden. Dat wist hij, maar hij
wist ook dat hij ze zou te boven komen, van welken aard zij ook mochten
zijn.
Deze uitgestrekte moerassen, loopende van het noorden naar het zuiden
tusschen den zestigsten en twee en vijftigsten parallelcirkel, dienen
tot vergaarplaats van al het water dat, na langdurige regens, geene
uitwatering vindt noch in de Obi, noch in de Irtisch. De grond is er
kleiachtig, en bijgevolg ondoordringbaar, zoodat het water er eene
streek vormt die in het warme jaargetijde zeer moeilijk door te trekken
is.
De weg naar Irkoetsk loopt evenwel door die streek, die in den winter
beter bereisbaar en zeer bezocht wordt door de jagers die ter jacht
gaan op den marter, het sabeldier, en de kostbare vossen, wier pels zoo
gezocht is.
Michael Strogoff reed onvermoeid door, springende over de kloven, die
zich hier en daar in den weg bevonden. Maar hoe vlug zij ook reden,
konden paard noch ruiter aan de steken der tweevleugelige insecten
ontkomen, die dit moerassige land ten plaag verstrekken.
De reizigers die ’s zomers genoodzaakt zijn de Baraba over te steken,
dragen zorg zich te voorzien van een paardenharen masker, waaraan een
soort van maliënkolder van zeer fijn ijzerdraad bevestigd is, die hunne
schouders bedekt. Ondanks deze voorzorgen zijn er weinigen, die uit
deze moerassen komen, zonder hun gezicht, hun hals en hunne handen vol
roode bulten te hebben.
Het paard van Michael Strogoff, door deze venijnige insecten gestoken,
ging er van door alsof het door duizenden sporen aangezet werd, zijne
zijden met zijn staart zweepende, en door de snelheid van zijn vaart
eene afleiding voor zijne pijniging zoekende.
Wie zou gelooven dat deze streek van de Baraba, zoo ongezond gedurende
de hitte, nog bewoond kon zijn? En dat was toch zoo. Eenige ver van
elkander gelegen Siberische gehuchten vertoonden zich tusschen het
reusachtige riet, dat aan weerszijden van den weg stond. Mannen,
vrouwen, kinderen, grijsaards, gekleed in dierenhuiden, en hun gelaat
bedekt met blaren, met pek bestreken, lieten kudden magere schapen
grazen; maar om deze dieren tegen den aanval der insecten te
beschutten, hielden zij ze onder den wind van hoopen brandend groen
hout, die zij dag en nacht aanvulden en waarvan de scherpe bijtende
rook zich langzaam over het onmetelijke moeras verspreidde.
Toen Michael Strogoff gewaar werd dat zijn paard, afgemat van
vermoeienis, op het punt was van neder te storten, hield hij voor een
dier ellendige gehuchten stil, en wreef hij, zijne eigene vermoeienis
vergetende, volgens de gewoonte in Siberië, zelf de steken van het arme
dier met warm vet in; vervolgens gaf hij het een goed rantsoen voeder,
en eerst na het goed verzorgd te hebben, dacht hij aan de versterking
van zijn eigen persoon door het gebruiken van een stuk brood met
vleesch en een paar glazen kwass. Een uur, hoogstens twee uren daarna,
zette hij in allerijl zijne reis, langs den oneindigen weg naar
Irkoetsk, voort.
Negentig wersten werden aldus van af Toeroenoff afgelegd, en den 30sten
Juli, te vier uur in den namiddag, kwam Michael Strogoff te Elamsk aan.
Daar moest hij aan zijn paard een nacht rust geven. Het moedige dier
zou niet langer die reis hebben kunnen vervolgen, hier, evenals overal
anders was geen middel van vervoer meer te vinden.
Elamsk, eene kleine stad die de Tartaren nog niet bezocht hadden, was
bijna geheel ontvolkt, want zij was gemakkelijk te bemachtigen; daarom
waren de paardenposterij, de bureaux van politie, en het
gouvernementshuis op hooger bevel verlaten geworden.
Den volgenden dag verliet Michael Strogoff Elamsk op het oogenblik dat
men vertelde dat de Tartaarsche verkenners zich op een afstand van tien
wersten vertoond hadden. Hij haastte zich dus om vooruit te komen. De
weg was wel effen, maar zeer kronkelend en daardoor veel langer; echter
was aan den regelrechten, korteren tocht, door het net van vijvers en
poelen, geen denken.
Twee dagen daarna, den 1sten Augustus, honderd twintig wersten verder,
kwam hij tegen twaalf uur aan het vlek Spaskoë en tegen twee uur hield
hij stil in het vlek Pokrowskoë, waar hij tot den volgenden morgen
moest vertoeven, omdat zijn paard, geheel afgereden, niet meer
voortkon.
Den 2den Augustus bereikte hij te vier uur Kamsk, na weder vijf en
zeventig wersten te hebben afgelegd.
Het land had hier een geheel ander aanzien. Het kleine vlek Kamsk ligt,
als een bewoonbaar en gezond eiland, in het midden der onbewoonbare
landstreek. Het ligt midden in de Baraba. Dank zij de kanalisatie van
de Tom, eene nevenrivier van de Irtisch, die langs Kamsk vloeit, zijn
de verpestende moerassen in weelderige weilanden herschapen. Evenwel
hebben deze verbeteringen nog niet geheel over de koortsen gezegevierd,
die, gedurende den herfst, het verblijf in die stad gevaarlijk maken.
En toch is het hier, dat de bewoners van de Baraba eene toevlucht
zoeken, wanneer de peststof, die uit de moerassen opstijgt, hen uit
andere deelen van de provincie verjaagt.
Het stadje Kamsk was nog niet verlaten; het was tot nog toe van den
inval der Tartaren vrij gebleven.
Michael Strogoff kon hier dus geen nieuws vernemen. Hij bleef dan ook
maar in de herberg waar hij zijn intrek had genomen en vertoonde zich
zoo min mogelijk.
Den volgenden morgen, te zes uur vertrok hij met het voornemen dien dag
de tachtig wersten af te leggen, die Kamsk van het gehucht Oebinsk
scheidden.
Te Oebinsk overnachtte hij, om zijn paard te laten uitrusten, en den
volgenden morgen bij het krieken van den dag vertrok hij naar het
honderd wersten verder gelegen Ikoelskoï, maar ongelukkig was de weg
daarheen allerellendigst door den regen, die gedurende eenige weken
gevallen was. Doch eenmaal de honderd vijf en twintig wersten, die dit
vlek van Kolivan scheiden, afgelegd hebbende, zou de weg beter worden;
maar zoo hij dan geen natuurlijke hinderpalen meer te duchten had, zou
hij waarschijnlijk alles van den mensch te vreezen hebben.
Eindelijk tegen half vier in den namiddag verliet hij de laatste
moerassige streken van de Baraba en weerklonk de harde en droge
Siberische grond weder onder den hoef van zijn paard. Hij had Moskou
den 15den Juli verlaten. Den 5den Augustus had hij dus een en twintig
dagen gereisd, de meer dan zeventig uren medegerekend, die hij aan de
boorden van de Irtisch verloren had. Hij was nu nog vijftien honderd
wersten van Irkoetsk verwijderd.
XVI.
EENE LAATSTE POGING.
Michael Strogoff had wel gelijk dat hij eene of andere onaangename
ontmoeting vreesde in de vlakten, die zich aan gene zijde van de Baraba
uitstrekken. De door de paarden platgetrapte velden toonden aan dat de
Tartaren daar over getrokken waren en van deze barbaren kan men zeggen
wat van de Turken gezegd wordt: »Daar waar de Turk doorgetrokken is,
groeit geen kruid meer!”
Michael Strogoff moest dus de grootste voorzorgen nemen bij het
doortrekken dezer streek. De rook, die hier aan den gezichteinder
dwarrelend opsteeg, toonde aan dat vlekken en gehuchten nog brandden.
Waren deze branden aangestoken door de voorhoede? Of was het leger van
den emir reeds tot aan de uiterste grenzen der provincie voortgerukt?
Bevond Feofar-Khan zich in persoon in het gouvernement van de
Yeniseïsk? Dat wist Michael Strogoff niet en hieromtrent kon hij niets
met zekerheid bepalen. Was het land dan zoo verlaten, dat hij geen
enkele Siberiër meer vond om hem in te lichten?
Michael Strogoff legde twee wersten op den geheel verlaten weg af. Hij
keek links en rechts rond om een of ander huis te vinden, dat niet
verlaten was; doch die, welke hij onderzocht, waren allen ledig.
Eene hut, die hij tusschen de boomen bespeurde, rookte echter nog. Toen
hij ze naderde, zag hij, op eenige schreden van de overblijfsels van
het huis, een grijsaard, door schreiende kinderen omringd. Eene nog
jonge vrouw, zijne dochter zonder twijfel, de moeder dezer kleinen,
zag, op den grond geknield liggende, met een verwilderd oog dit tooneel
van verwoesting aan. Zij had een kind van eenige maanden aan de borst.
Het huisgezin was omringd van puinhoopen en van alles beroofd.
Michael Strogoff naderde den grijsaard.
»Kunt ge mij antwoorden?” vroeg hij op een ernstigen toon.
»Spreek,” zeide de grijsaard.
»Zijn de Tartaren hier doorgetrokken?”
»Ja, daar mijn huis verbrand is!”
»Was het een geheel leger of eene afdeeling?”
»Een leger, want zoover het oog reikt, zijn onze velden verwoest.”
»Aangevoerd door den emir?....”
»Door den emir, want het water van de Obi is rood van het bloed!”
»En is Feofar-Khan binnen Tomsk getrokken?”
»Ja.”
»Weet gij ook of de Tartaren zich van Kolivan hebben meester gemaakt?”
»Neen, want Kolivan staat nog niet in brand!”
»Heb dank vriend.—Kan ik iets voor u en de uwen doen?”
»Niets.”
»Tot weerziens.”
»Vaarwel.”
En na vijf en twintig roebels in den schoot der ongelukkige vrouw
geworpen te hebben, die zelfs geene kracht bezat hem te bedanken, gaf
Michael Strogoff zijn paard de sporen en vervolgde hij zijn tocht.
Hij wist nu éen ding, namelijk dat hij Tomsk moest mijden. Naar Kolivan
te gaan, waar de Tartaren nog niet waren, was mogelijk. Ook had hij
zich van levensmiddelen voor een langen rit te voorzien; vervolgens
moest hij een zijweg inslaan ten einde Tomsk om te trekken.
Hij aarzelde geen oogenblik. Hij haastte zich den linkeroever van de
Obi te bereiken, waarvan hij nog veertig wersten verwijderd was.
Kolivan eens bereikt hebbende, zou zijne reis beter gaan. Hij kon daar
ook zijn paard, dat door de lange reis geducht uitgeput zou zijn, tegen
een ander verruilen. Zoolang hij door het verwoeste land trok, bleven
de moeielijkheden nog zeer groot, maar, wanneer hij, na Tomsk vermeden
te hebben, den weg naar Irkoetsk door de provincie van de Yeniseïsk kon
hernemen, zou hij in eenige dagen zijn doel bereikt hebben.
Het was nu langzamerhand donker geworden. De dag was vrij heet geweest.
Er heerschte over de geheele steppe eene diepe stilte. Alleen hoorde
men op dien eenzamen weg de stappen van het paard, en eenige woorden
waarmede zijn meester het aanzette.
Michael Strogoff reed zoo snel mogelijk voort, maar toch zeer
voorzichtig om niet buiten den weg te geraken, die omzoomd was met
vijvers en kleine stroomen die in de Obi uitliepen.
Op dit oogenblik steeg Michael Strogoff van zijn paard en zocht hij de
juiste richting van den weg te verkennen, toen hij een verward
gedruisch, dat uit het westen kwam, meende te hooren. Het was het
getrappel van een troep paarden in de verte.
Hij hield zijn oor midden op den weg tegen den grond en luisterde met
meer oplettendheid.
»Het is eene afdeeling ruiterij, die van Omsk komt,” zeide hij tot
zichzelf. »Zij rijdt snel, want het gedruisch wordt duidelijker. Zouden
het Russen of Tartaren zijn?”
Michael Strogoff luisterde opnieuw.
»Ja,” zeide hij, »die ruiters rijden in vollen draf! Binnen tien
minuten zullen zij hier zijn! Mijn paard kan hen niet vooruitblijven.
Wanneer het Russen zijn, dan voeg ik mij bij hen. Zijn het Tartaren,
dan moet ik hen vermijden. Maar hoe? Waar mij in deze steppen te
verbergen?”
Hij keek om zich heen en zijn zoo doordringend oog ontdekte door de
duisternis heen eene massa, die zich op eenen afstand van honderd
passen links van den weg flauw afteekende.
»Daar is eenig kreupelhout,” zeide hij. »Zoek ik daar eene
schuilplaats, dan stel ik mij misschien bloot om gevangen te worden
genomen, als zij het kreupelhout doorzoeken, maar er is geene keus!
Daar zijn zij! daar zijn zij!”
Michael Strogoff nam zijn paard bij den toom en drong in een boschje
van lorkeboomen door, dat zich langs den weg bevond.
De duisternis was zoo dicht, dat hij geen gevaar liep van bemerkt te
worden, tenzij het boschje nauwkeurig onderzocht werd. Hij maakte zijn
paard aan een boom vast, en ging aan den rand van het bosch op den
grond liggen om te zien met welke lieden hij te doen had.
Nauwelijks had hij achter een groep pijnboomen plaats genomen of hij
zag eenige lichten flikkeren.
»Toortsen!” zeide hij tot zichzelf.
En hij kroop opeens, als een wilde, achter het kreupelhout weg.
Hoe meer de ruiters het bosch naderden, hoe duidelijker en hoe
langzamer ook het getrappel hunner paarden begon te worden. Zouden die
ruiters den weg verlichten met het oogmerk er de minste bochten van te
onderzoeken?
Michael Strogoff vreesde het, en instinctmatig sloop hij naar den kant
van het stroompje dat achter het boschje liep, gereed om er in te
springen, als het noodig was.
Aan het kreupelhout gekomen, hield de afdeeling stil. De ruiters stegen
af. Zij waren ongeveer vijftig in getal. Een tiental van hen droegen
toortsen.
Aan eenige toebereidselen zag Michael Strogoff, dat de afdeeling er
gelukkig geenszins aan dacht om het kreupelhout te onderzoeken, maar
dat ze op de plaats wilden bivakkeren, om de paarden te laten rusten en
aan de manschappen eenig voedsel te laten gebruiken.
Inderdaad begonnen de paarden te grazen en de ruiters strekten zich
langs den weg uit en verdeelden den voorraad uit hunne ransels onder
elkander.
Michael Strogoff had zijne tegenwoordigheid van geest behouden, en
tusschen het hooge gras sluipende, zocht hij te zien en te hooren.
Het was eene afdeeling, die van Omsk kwam. Zij was samengesteld uit
usbecksche ruiters, het heerschend ras in Tartarije, en wier type veel
overeenkomst heeft met dat der Mongolen. Deze lieden, goed gebouwd, van
eene meer dan middelmatige gestalte en met een ruw en woest gelaat,
hadden, als hoofddeksel, de talpak, een soort van muts van zwart
schapevel, en als schoeisel, gele laarzen met hooge hakken en punten.
Hun pels van gewatteerd sits was om het lijf gesloten door een rood
gestikten lederen gordel. Zij waren gewapend met een schild, een
krommen sabel en een vuursteengeweer, aan den zadelknop hangende. Over
hunne schouders hing een vilten, opzichtig gekleurden mantel.
Deze afdeeling werd aangevoerd door een pendja-baschi, dat wil zeggen
een commandant over vijftig man, hebbende onder zich een deh-baschi, of
commandant van tien man. Deze beide officieren droegen een helm en een
maliënkolder; trompetjes, aan den zadelknop bevestigd, waren het
onderscheidingsteeken van hun graad.
De pendja-baschi had zijne manschappen laten uitrusten, die door een
langen marsch zeer vermoeid waren. Al pratende en den beng rookende,
zijnde het hennepblad dat de grondstof van den haschisch uitmaakt,
waarvan de Aziaten zooveel gebruik maken, liepen de beide officieren
heen en weer in het boschje, zoodat Michael Strogoff, zonder gezien te
worden, hun gesprek kon verstaan, daar het in het Tartaarsch werd
gevoerd.
Reeds door de eerste woorden die hij opving, werd zijne aandacht sterk
gespannen. Inderdaad golden zij hem.
»Die koerier kan ons toch niet ver vooruit zijn,” zeide de
pendja-baschi, »en, van den anderen kant, is het onmogelijk dat hij een
anderen weg dan die door de Baraba heeft genomen.”
»Wie weet of hij Omsk wel verlaten heeft?” antwoordde de deh-baschi.
»Misschien houdt hij zich nog in een of ander huis van die stad
verscholen.”
»Dat zou waarlijk te wenschen zijn! Kolonel Ogareff zou dan niet meer
behoeven te vreezen dat de dépêches, die deze koerier moet overbrengen,
de plaats harer bestemming zouden bereiken.”
»Men zegt dat het een Siberiër is,” hernam de deh-baschi. »Hij moet dus
goed de streken kennen, en het is mogelijk dat hij den weg naar
Irkoetsk verlaten heeft, om hem later weer te hernemen!”
»Maar dan zouden wij hem vooruit zijn,” antwoordde de pendja-baschi,
»want wij hebben Omsk een klein uur na hem verlaten, en wij hebben den
kortsten weg genomen en wel met al de snelheid onzer paarden. Derhalve
is hij òf te Omsk gebleven, òf wij zullen vóor hem te Tomsk aankomen.
In beide gevallen, zal hij dus Irkoetsk niet bereiken.”
»Die Siberische vrouw is zeker zijne moeder!” zeide de deh-baschi.
Op dit gezegde klopte het hart van Michael Strogoff, alsof het vaneen
zou springen.
»Ja,” antwoordde de pendja-baschi, »zij heeft goed volgehouden dat die
gewaande koopman haar zoon niet was; maar het was te laat. Kolonel
Ogareff heeft zich niet laten beetnemen, en, zooals hij gezegd heeft,
hij zal die oude tooverheks wel weten te doen praten, wanneer het
oogenblik daar is.”
Deze woorden waren even zooveel dolksteken voor Michael Strogoff! Het
was bekend dat hij een koerier van den czaar was! Eene afdeeling
ruiters zou hem wel den weg afsnijden! En wat nog smartvoller voor hem
was, zijne moeder was in de handen der Tartaren, en de wreede Ogareff
maakte zich sterk haar te doen praten, wanneer hij zulks maar wilde!
Michael Strogoff wist wel, dat de krachtvolle Siberische vrouw niet zou
praten, al moest zij er het leven bij laten! Hij geloofde niet dat hij
Ivan Ogareff meer kon haten dan hij hem tot nu toe gehaat had. De
ellendeling die zijn land verried, dreigde nu zijne moeder te pijnigen!
Het gesprek tusschen die beide officiers werd voortgezet, en Michael
Strogoff meende er uit te begrijpen, dat er een groot gevecht in de
omstreken van Kolivan op handen was tusschen de Moskovische troepen die
uit het noorden aanrukten en de Tartaarsche troepen. Een klein Russisch
korps van twee duizend man, vertelde men, was op marsch naar Tomsk.
Indien dit zoo was, dan zou dat korps met het gros van het leger van
Feofar-Khan slaags gerakende, onvermijdelijk in de pan gehakt worden,
en de geheele weg naar Irkoetsk zou voor de overweldigers open liggen.
Wat Michael Strogoff zelf betreft, hij vernam, door eenige woorden van
den pendja-baschi, dat hij vogelvrij was verklaard, en dat er bevel
gegeven was hem dood of levend in handen te krijgen.
Het was dus zaak voor Michael Strogoff, de ruiters op den weg naar
Irkoetsk vooruit te komen en zoo snel mogelijk de Obi over te trekken.
Hij had bijgevolg geen oogenblik te verliezen. Het was éen uur in den
morgen. Hij moest van de duisternis gebruik maken, en toch scheen hem
het welslagen eener dergelijke vlucht bijna onmogelijk toe.
Hoe uit dit kreupelbosch te komen, uit dien moerassigen grond overal
dicht begroeid met stekelige brem. Het eenige dat er op zat, was om te
trachten op den grooten weg te komen, door het bosch om te rijden, en
de Obi te bereiken, al moest hij zijn paard zien bezwijken en
vervolgens dien machtigen stroom, hetzij in een pont, hetzij al
zwemmende over te trekken.
Zijne zielskracht, zijn moed hadden zich in het gezicht van het gevaar
vertienvoudigd. Het gold zijn leven, zijne zending, de eer van zijn
land, wellicht het heil zijner moeder.
Hij had geen oogenblik meer te verliezen. Reeds was er eenige beweging
onder de manschappen van de afdeeling gekomen, en hunne paarden trokken
langzamerhand naar het vereenigingspunt in het boschje.
Michael Strogoff naderde, al kruipende door het hooge gras, zijn paard,
dat op den grond te rusten lag. Hij liefkoosde het, en het gelukte hem
het stil te doen opstaan. Hij deed het zijn gebit aan, bevestigde den
buikriem, onderzocht de riemen der stijgbeugels, en leidde het zachtjes
bij den toom. Het scheen dat het dier begreep wat men van hem wilde;
het volgde gewillig zijn meester zonder het minste gehinnik te laten
hooren. Evenwel staken eenige usbecksche paarden de ooren op, en liepen
langzaam naar den rand van het boschje.
Michael Strogoff hield zijn revolver in de rechter hand, gereed om den
eersten den besten ruiter, die naderen mocht een kogel door het hoofd
te jagen. Hij werd gelukkig niet opgemerkt en hij kon den hoek van het
bosch bereiken die op den grooten weg uitkwam.
Ongelukkigerwijze begon, op het oogenblik dat hij den rand van het
kreupelboschje zou overschrijden, een usbecksch paard, dat hem rook, te
hinniken en rende het op den weg.
Zijn meester snelde toe om het terug te halen, maar in de
morgenschemering de schim van een mensch ontwarende, riep hij:
»Verraad.”
Op dien kreet stonden al de manschappen op en vlogen zij naar den weg.
Michael Strogoff sprong op zijn paard en zette het in galop.
De beide officieren der afdeeling waren toegesneld, en wakkerden hunne
manschappen aan.
Op dit oogenblik werd een knal gehoord en voelde Michael Strogoff zijn
pels door een kogel doorboren.
Zonder om te kijken, zonder te antwoorden, gaf hij zijn paard de
sporen, en rende hij met lossen teugel, in de richting van de Obi
voort.
Ofschoon de paarden der usbecken afgetuigd waren, duurde het toch geene
vijf minuten of hij hoorde het getrappel der paarden, die hem
langzamerhand inhaalden.
Michael Strogoff zijn hoofd omkeerende, zag een ruiter dicht achter
hem.
Het was de deh-baschi, die aan het hoofd der afdeeling, den vluchteling
dreigde in te halen.
Michael Strogoff legde, zonder stil te houden, zijn revolver op hem
aan, en schoot hem vlak in de borst.
Hij moest nog meermalen van zijn revolver gebruik maken, wanneer de
ruiters hem te nabij kwamen, en telkenmale stortte dan een usbeck uit
den zadel, onder de verwoede kreten zijner makkers, die hem met des te
meer hevigheid vervolgden.
Dit vervolgen kon niet anders dan ten nadeele van Michael Strogoff
uitloopen. Het gelukte hem evenwel de Obi te bereiken. Hij sprong er
met zijn paard in.
De ruiters, aan den steilen oever, waarmede het water gelijk stond,
aangekomen, aarzelden om hem na te springen. Maar de pendja-baschi
greep toen zijn geweer en mikte goed op den vluchteling, die zich reeds
midden in den stroom bevond. Het schot ging af, en het paard van
Michael Strogoff, in de zijde getroffen, zonk onder zijn meester in den
stroom weg.
Deze had zich snel van de stijgbeugels bevrijd, op het oogenblik dat
het dier verdween. Vervolgens bijtijds duikende onder een hagelbui van
kogels, gelukte het hem den rechteroever van den stroom te bereiken,
waarna hij verdween in het riet, dat den oever van de Obi bedekte.
XVII.
VERZEN EN LIEDEREN.
Michael Strogoff was nu betrekkelijk in veiligheid. Maar zijn toestand
bleef nog steeds verschrikkelijk. Hoe zou hij, nu het trouwe dier, dat
hem zoo moedig diende, in den stroom zijn dood had gevonden, zijne reis
kunnen voortzetten? Hij was te voet, zonder levensbehoeften, in een
land overal door den vijand verwoest en bedreigd en nog zoover
verwijderd van het doel zijner reis.
Doch zijn moed had hem nog niet begeven. Eenmaal den vasten grond
bereikt hebbende, na zich met veel moeite aan het dikke slijk
ontworsteld te hebben, dat de buiten hare oevers getreden rivier had
achtergelaten, bepaalde Michael Strogoff wat hij verder te doen had.
Hij wilde vooral Tomsk vermijden, dat door de Tartaren bezet was.
Niettemin moest hij zien een of ander plaatsje te bereiken, om een
paard te bekomen en een zijweg in te slaan, om, in den omtrek van
Krasnoïarsk, den grooten weg naar Irkoetsk te hernemen.
Allereerst ging Michael Strogoff op verkenning uit.
Op twee wersten voor hem uit, verhief zich, den stroom van de Obi
volgende, een stadje, schilderachtig op eene kleine hoogte gelegen.
Eenige kerken met Bizantijnsche koepels teekenden zich in de verte
tegen den grijzen hemel af.
Dit was Kolivan, waar de hooge en mindere beambten van Kamsk en andere
steden des zomers een verblijf zoeken om het ongezonde klimaat van de
Baraba te ontvluchten. Kolivan was, volgens de berichten, nog niet in
handen van den vijand. De Tartaarsche troepen, in twee kolonnes
verdeeld, waren links naar Omsk, rechts naar Tomsk opgerukt, het
tusschengelegen land met vrede latende.
Het plan nu dat Michael Strogoff gevormd had, was om Kolivan voor de
usbecksche ruiters te bereiken.
Het was drie uur in den morgen. De omstreken van Kolivan, toen volkomen
rustig, schenen geheel verlaten te zijn, daar de buitenbewoners voor
den vijand vluchtende, naar het noorden van de provinciën van de
Yeneseïsk getrokken waren.
Michael Strogoff spoedde zich naar Kolivan, toen hij op eens, in de
verte meende te hooren schieten.
Hij bleef een oogenblik stilstaan:
»Ja, waarlijk,” zeide hij tot zich zelf, »het zijn kanon- en
geweerschoten. Zou dan het kleine Russische korps met het Tartaarsche
leger handgemeen zijn geraakt! God geve dat ik vóor hen te Kolivan
aankome!”
Michael Strogoff had zich niet vergist, want hij was geene werst meer
van Kolivan verwijderd of hij zag lichterlaaie vlammen tusschen de
huizen opstijgen, en den toren der kerk te midden van wolken stof en
vlammen instorten.
Weldra zag hij aan zijne linkerhand eene geheele wijk van Kolivan in
brand staan. Zonder zich te bedenken sloeg hij rechtsaf de steppe in,
om eene schuilplaats onder eenige boomen te zoeken.
Nauwelijks was hij onder die boomen, of hij zag eene afdeeling
Tartaarsche ruiters naderen, die in vollen ren op de stad aanrukten.
Michael Strogoff keek angstig rond hoe hun te ontsnappen en gelukkig
zag hij in de verte een eenzaam gelegen huis, dat hij wel kans zag te
bereiken zonder opgemerkt te worden. Hij liep er ijlings heen en toen
hij er bij was zag hij dat het een telegraafkantoor was, waaruit twee
draden liepen, de eene westwaarts, de andere oostwaarts, terwijl een
derde in de richting van Kolivan gespannen was.
In de tegenwoordige omstandigheden moest men wel veronderstellen dat
het huis verlaten zou zijn, doch, hoe het ook zij, Michael Strogoff zou
er zich kunnen verschuilen en er den nacht afwachten, om eerder door de
steppe zijn weg te vervolgen.
Aan het kantoor gekomen, duwde hij de deur open. Een enkel persoon
bevond zich in het vertrek, waar de berichten overgeseind werden.
Het was een beambte, die daar kalm, flegmatisch en onverschillig
omtrent hetgeen er buiten gebeurde, getrouw op zijn post was.
Michael Strogoff ging naar hem toe en zeide met een door groote
vermoeienis afgematte stem:
»Welk nieuws?”
»Geen nieuws,” antwoordde de beambte glimlachende.
»Zijn de Russen en de Tartaren handgemeen?”
»Men zegt het.”
»Maar wie zijn overwinnaars?”
»Ik weet het niet.”
Zooveel kalmte te midden dezer verschrikkelijke omstandigheden, zooveel
onverschilligheid zelfs, waren bijna ongeloofelijk.
»En is de draad niet afgesneden?” vroeg Michael Strogoff.
»Hij is afgesneden tusschen Kolivan en Krasnoïarsk, maar hij werkt nog
tusschen Kolivan en de Russische grens.”
»Voor het gouvernement?”
»Voor het gouvernement, wanneer het zulks noodig oordeelt. Voor het
publiek, wanneer het betaalt. Het is tien kopeken per woord.—Wanneer ge
maar wilt, mijnheer?”
Michael Strogoff stond gereed dien zonderlingen beambte te antwoorden
dat hij geene dépêche te verzenden had, dat hij slechts wat water en
brood verzocht, toen de deur van het huis eenklaps driftig geopend
werd.
Michael Strogoff, denkende dat het de Tartaren waren, wilde uit het
venster springen, toen hij slechts twee mannen het vertrek zag
binnentreden, die niet het minst op Tartaarsche soldaten geleken.
De een hield eene met potlood geschreven dépêche in de hand, en den
anderen voorbijschietende liep hij naar het raampje van den beambte.
In die beide mannen vond Michael Strogoff, met eene verwondering die
iedereen begrijpen zal, twee personages terug, aan wie hij weinig meer
dacht en die hij nooit meer had denken weer te zien.
Het waren de correspondenten Harry Blount en Alcide Jolivet, thans geen
reisgezellen meer, maar mededingers, ja vijanden, nu zij op het tooneel
van den oorlog werkzaam waren.
Door het oponthoud van drie dagen dat Michael Strogoff aan de boorden
van de Irtisch ondervonden had, waren ze eerder te Kolivan aangekomen,
alhoewel zij eenige uren later dan hij Ichim verlaten hadden.
Ze waren beiden naar het telegraafkantoor toegesneld op het oogenblik
dat het gevecht tusschen Russen en Tartaren in de straten van Kolivan
plaats had, en de een voor den anderen wilde het eerst zijne berichten
naar Europa overseinen.
Michael Strogoff hield zich ter zijde om alles te zien en te hooren,
en, door het belangrijk nieuws dat zij brachten, te weten te komen of
het zaak voor hem was al dan niet naar Kolivan te gaan.
Harry Blount, haastiger dan zijn collega, had van het raampje bezit
genomen, en stak den beambte zijne dépêche toe, terwijl Alcide Jolivet
van ongeduld stampvoette.
»Tien kopeken per woord,” zeide de beambte, terwijl hij de dépêche
overnam.
Harry Blount legde een stapeltje roebels neer, dat zijn collega met
zekere verbazing beschouwde.
»Goed,” zeide de beambte.
En met de grootste koelheid van de wereld, begon hij de volgende
dépêche te telegrapheeren:
Daily Telegraph, Londen.
»Kolivan, gouvernement Omsk, Siberië, 6 Augustus.
»Gevecht tusschen Russische en Tartaarsche troepen....”
Daar dit hardop gelezen werd, hoorde Michael Strogoff alles wat de
Engelsche correspondent aan zijn dagblad berichtte.
»Russische troepen met groote verliezen teruggedreven. Tartaren
dienzelfden dag Kolivan binnengerukt....”
Dit waren de laatste woorden van de dépêche.
»Nu is het mijne beurt,” riep Alcide Jolivet uit, die aan zijne nicht
in den faubourg Montmartre wilde telegrapheeren. Maar dit beviel den
Engelschen correspondent geenszins, die niet van plan was het raampje
te verlaten, teneinde nieuwsberichten naarmate die inkwamen, over te
seinen.
»Maar gij zijt klaar!” riep Alcide Jolivet uit.
»Ik ben niet klaar,” antwoordde Harry Blount eenvoudig.
En hij ging voort met eene reeks woorden op te schrijven, die hij
vervolgens aan den beambte overgaf, en die deze op zijn bedaarden toon
voorlas:
In het begin schiep God hemel en aarde!....
Het waren verzen uit den bijbel, die Harry Blount telegrapheerde, om
tijd te winnen en zijne plaats niet aan zijn mededinger af te staan.
Het kon zijn dagblad wellicht eenige duizenden roebels kosten, maar
zijn dagblad zou ook de eerste tijdingen hebben! Frankrijk moest maar
wachten! Men begrijpt de woede van Alcide Jolivet, die, in elke andere
omstandigheid, zou gevonden hebben dat het eerlijk toeging. Hij wilde
dan ook de beambte noodzaken om den voorrang aan zijn bericht te geven.
»Mijnheer is in zijn recht,” antwoordde de beambte bedaard, terwijl hij
op Harry Blount wees en deze vriendelijk toelachte. En hij ging voort
met het eerste vers van de heilige schrift getrouw aan de Daily
Telegraph over te seinen.
Terwijl hij bezig was, ging Harry Blount bedaard naar het venster en
sloeg hij, met het lorgnet voor de oogen, gade wat er in den omtrek van
Kolivan voorviel, teneinde zijne berichten aan te vullen.
Eenige oogenblikken daarna hernam hij zijne plaats voor het raampje en
voegde aan zijn telegram het volgende toe:
»Twee kerken in brand. De brand schijnt aan den rechterkant toe te
nemen. De aarde was woest en ledig; de duisternis bedekte den
afgrond....”
De handen van Alcide Jolivet jeukten van begeerten om den eerwaardigen
correspondent van de Daily Telegraph te wurgen. Hij sprak nog eens tot
den beambte, die altijd, onbeweeglijk, hem eenvoudig antwoordde:
»Mijnheer is in zijn recht, in zijn recht.... tegen tien kopeken per
woord.”
En hij seinde het volgende bericht, dat Harry Blount hem overgaf:
»Russische vluchtelingen ontsnappen uit de stad. En God zeide: daar zij
licht, en het werd licht!....”
Alcide Jolivet was letterlijk razend van woede. Harry Blount was naar
het raam teruggekeerd, maar dezen keer, door het schouwspel dat zich
aan zijne blikken vertoonde, waarschijnlijk afgetrokken, bleef hij te
lang kijken. Toen de beambte dan ook klaar was met het overseinen van
het derde vers uit den Bijbel, plaatste Alcide Jolivet zich heel stil
aan het raampje, en na evenals zijn collega hoogst bedaard een
aanzienlijk stapeltje roebels op de plank neergelegd te hebben, gaf hij
zijn telegram over, dat de beambte hardop las:
Madeleine Jolivet.
10, Faubourg Montmartre, Paris.
»Kolivan, gouvernement Omsk, Siberië, 6 Augustus.
»De vluchtelingen ontsnappen uit de stad. Russen geslagen.
Hardnekkige vervolging door de Tartaarsche ruiterij....”
En toen Harry Blount terugkwam, hoorde hij Alcide Jolivet die zijn
telegram eindigde, al spottend neuriën:
In Parijs,
In het grijs
Loopt daar een klein vet manneke,
Een wandelend koffiekanneke....
Het ongepast vindende om, zooals zijn collega, het gewijde met het
ongewijde dooreen te mengen, antwoordde Alcide Jolivet op de verzen uit
den Bijbel met een vroolijk deuntje van Béranger.
»Aoh!” zeide Harry Blount.
»Dat is maar zoo,” antwoordde Alcide Jolivet.
De toestand om Kolivan werd echter hachelijker. Het gevecht kwam
dichterbij en het schieten werd steeds heviger.
Opeens dreunde het gebouw van een vreeselijken slag.
Er was eene granaat door den muur geslagen, die den seinpaal in eene
wolk van stof hulde.
Alcide Jolivet was juist bezig de dichtregels te eindigen:
Als een appel zoo rond,
Doch in zijn zak.... geen grond....
maar hij hield op, vloog op de granaat af, greep ze met beide handen en
wierp ze het raam uit. Dit was het werk van een oogenblik.
Vijf minuten later sprong de granaat.
Alcide Jolivet ging met de grootste bedaardheid voort zijn telegram op
te schrijven. Hij schreef:
»Twaalfduims granaat heeft den muur van het telegraaf gebouw uiteen
doen springen. Er nog meer van hetzelfde kaliber wachtende....”
Wat Michael Strogoff betreft, deze twijfelde niet of de Russen waren
uit Kolivan verdreven. Er zat voor hem niets anders op dan de
zuidelijke steppen in te slaan.
Hij stond op het punt van te vertrekken, toen eene hagelbui van kogels
de ruiten van het venster verbrijzelde.
Harry Blount, aan den schouder getroffen, viel op den grond.
Alcide Jolivet vulde, op hetzelfde oogenblik, zijn bericht met het
volgende aan:
»Harry Blount, correspondent van de Daily Telegraph, valt aan mijne
zijde, door eene granaatscherf getroffen....”
toen de ongevoelige beambte hem met de onverstoorbaarste kalmte
toevoegde:
»Mijnheer, de draad is gebroken.”
En, het raampje verlatende, nam hij bedaard zijn hoed, dien hij met den
elleboog glad streek, en verdween hij, nog altijd glimlachende, door
een deurtje, dat Michael Strogoff niet had opgemerkt.
Daarop werd het telegraafkantoor door de Tartaarsche soldaten
overweldigd, en noch Michael Strogoff, noch de dagbladschrijvers,
slaagden er in zich uit de voeten te maken.
Alcide Jolivet, zijne laatste dépêche in de hand houdende, was op Harry
Blount toegeschoten, had hem op zijne schouders genomen om met hem te
vluchten.... Maar het was te laat!
Beiden werden gevangen genomen, en tegelijkertijd Michael Strogoff, die
uit het venster willende springen, in de handen der Tartaren viel!
XVIII.
EEN TARTAARSCH KAMP.
Op eene dagreis van Kolivan, eenige wersten voor het vlek Diachinsk,
strekt zich eene groote vlakte uit, waarop eenige zware boomen,
voornamelijk pijnboomen en ceders uitstaken. Dit gedeelte der steppe is
gedurende het warme jaargetijde gewoonlijk door Siberische herders
ingenomen, die er, voor hunne talrijke kudden, voldoende voedsel
vinden. Doch op dit tijdstip, zou men er te vergeefs een enkele dezer
zwervende bewoners gezocht hebben. En toch was deze vlakte niet
verlaten, integendeel zij vertoonde eene buitengewone levendigheid.
Daar waren de Tartaarsche tenten opgeslagen, daar kampeerde
Feofar-Khan, de woeste emir van Boekhara en daar werden den volgenden
dag, 7 Augustus, de gevangenen van Kolivan opgebracht, na de
vernietiging van het kleine Russische korps. Van deze twee duizend man,
waren er nauwelijks eenige honderden overgebleven. De gebeurtenissen
namen dus, voor het keizerlijk bestuur, aanvankelijk eene ongunstige
wending, want de Russen zouden, vroeger of later, ongetwijfeld die
horden overweldigers weder verdrijven. Maar het hart van Siberië was
door den inval aangetast en hij dreigde zich nu dwars door het
opgestane land heen naar de oostelijke en westelijke provinciën te
zullen uitbreiden. Irkoetsk was nu van elke gemeenschap met Europa
verstoken. Wanneer de troepen van de Amoer en uit de provincie Jakoetsk
niet bijtijds aankwamen om Irkoetsk te bezetten, zou die hoofdstad van
Aziatisch Rusland in handen der Tartaren vallen, en voor dat zij kon
heroverd worden, zou de grootvorst, de broeder van den keizer, aan de
wraak van Ivan Ogareff zijn overgeleverd.
Wat zou er van Michael Strogoff worden? Zou hij onder den druk van
zoovele beproevingen eindelijk bezwijken? Zou hij door de reeks van
tegenspoeden, sedert het ongeval te Ichim ondervonden, zich als
overwonnen beschouwen? Zou hij zijne zending als mislukt beschouwen en
haar opgeven?
Neen, Michael Strogoff leefde nog, hij was niet gekwetst, den
keizerlijken brief had hij nog altijd bij zich, hij had zijn incognito
bewaard. Wel bevond hij zich onder de gevangenen, die door de Tartaren
als redeloos vee werden medegesleept, maar terwijl hij op die wijze
Tomsk naderde, kwam hij ook dichter bij Irkoetsk. In elk geval zou hij
Ivan Ogareff dan nog vóoruit zijn.
»Ik zal er komen!” zeide hij telkens bij zichzelven.
Sedert het gebeurde te Kolivan, had hij slechts éene gedachte,
namelijk: zijne vrijheid te herkrijgen! Hoe aan de soldaten van den
emir te ontsnappen? Wanneer het oogenblik daar was, zou hij zien.
Het kamp van Feofar bood een prachtig schouwspel aan. Tallooze tenten
uit huiden, vilt of zijden stoffen vervaardigd, glinsterden in de
stralen der zon. De rijksten dezer tenten behoorden aan de seïden en de
khodjas, de voornaamste personages van het khanaat.
Het kamp bevatte minstens honderd vijftig duizend man, zoowel
voetknechten als ruiters, die de verschillende typen van Aziatisch ras
vertoonden. Lastdieren telde men er bij duizenden.
Toen de gevangenen van Kolivan voor de tenten van Feofar en der
grootwaardigheid-bekleeders van het khanaat aankwamen, werd de roffel
geslagen, schalden de trompetten en bulderde het geschut.
Overigens was de omgeving van Feofar geheel militair, daar zijn om zoo
te zeggen burgerlijk gevolg en zijn harem zich te Tomsk bevonden, dat,
nu in de handen der Tartaren, de residentie van den emir zou worden,
tot zoolang hij haar eindelijk zou kunnen verwisselen tegen de
hoofdstad van oostelijk Siberië.
De tent van Feofar stak boven de naburige tenten uit. Met eene
schitterende zijden stof behangen, die opgehouden werd door koorden met
gouden kwasten, besloeg zij het middelpunt van eene uitgestrekte open
plaats tusschen de boomen, waarvan de achtergrond door prachtige
beukeboomen en reusachtige pijnboomen werd gevormd. Voor deze tent lag
op eene verlakte en met edelgesteenten ingelegde tafel, het heilige
boek van den Koran open, waarvan de bladzijden uit fijn gegraveerde
gouden blaadjes bestonden. Boven de tent wapperde de Tartaarsche
standaard, versierd met het wapen van den emir.
Op het oogenblik dat de gevangenen in het kamp gebracht werden, was de
emir in zijne tent. Hij kwam niet te voorschijn. En het was zonder
twijfel gelukkig. Éen woord, éene wenk zou wellicht slechts het sein
voor eene of andere bloedige terechtstelling zijn geweest. Maar, als
een echt Oostersch Vorst zonderde hij zich af; want hij, die zich niet
vertoont, wordt bewonderd en vooral gevreesd.
Wat de gevangenen aangaat, zij werden in eene afgesloten ruimte
gelegerd, waar zij, mishandeld, bijna zonder voedsel, blootgesteld aan
de guurheid van het klimaat, het welgevallen van Feofar verbeidden.
De gedweeste, zoo niet de geduldigste van allen was zeker Michael
Strogoff. Hij liet zich geleiden, want men bewaakte hem overal waar hij
heen wilde gaan en dus was hij zoo veilig, als hij, in vrijheid zijnde,
op den weg van Kolivan naar Tomsk nooit had kunnen zijn. Te willen
ontsnappen vóor dat hij in laatstgenoemde stad was aangekomen, ware
zich blootstellen om weder in handen te vallen van de verkenners die in
de steppe rondzwierven.
Eenmaal te Tomsk zijnde, zeide hij tot zich zelf, om eenigszins het
ongeduld te onderdrukken dat hij niet altijd kon bedwingen, kan ik in
weinige minuten voorbij de voorposten zijn; twaalf uren op Feofar,
twaalf uren op Ogareff gewonnen, zullen voldoende zijn om vóor hen te
Irkoetsk aan te komen!
Hetgeen Michael Strogoff inderdaad bovenal vreesde, was de
tegenwoordigheid van Ogareff in het Tartaarsche kamp. Buiten het gevaar
van herkend te worden, gevoelde hij instinctmatig dat het van belang
was dien verrader vooruit te komen. Hij begreep ook dat, wanneer de
troepen van Ivan Ogareff zich met die van Feofar vereenigd hadden, dit
leger, nu voltallig, zoo snel mogelijk tegen de hoofdstad van oostelijk
Siberië zou oprukken. Dit vooral vreesde hij en elk oogenblik luisterde
hij of niet een trompetgeschal de aankomst van Ivan Ogareff
aankondigde.
Bij die vrees voegde zich de gedachte aan zijne moeder en aan Nadia.
Zou hij haar wel ooit wederzien? Op deze vraag die hij niet durfde
oplossen, werd het hem vreeselijk benauwd om het hart.
Met Michael Strogoff en zooveel andere gevangenen, waren ook Harry
Blount en Alcide Jolivet naar het Tartaarsche kamp gevoerd. Michael
Strogoff zocht hen niet op; het kon hem weinig schelen wat zij van hem
dachten sedert het gebeurde aan de wisselplaats te Ichim. Hij wilde
liever alleen blijven om alleen te handelen, wanneer het er op aan
kwam.
Alcide Jolivet had, sedert zijn collega aan zijne zijde was gevallen,
dezen voortdurend verzorgd en hem ondersteund op den tocht van Kolivan
naar het kamp. In het kamp aangekomen, was het zijne eerste zorg
geweest de wond van Harry Blount te onderzoeken.
»Het beteekent niets,” zeide hij tot hem, »het is slechts een schram!
Na twee- of driemaal verbonden te zijn, zal er niets meer van zichtbaar
zijn!”
»Maar dat verband?....” vroeg Harry Blount.
»Dat zal ik wel leggen!”
»Gij zijt dus een halve heelmeester?”
»Dat zijn alle Franschen zoo wat half en half!”
En op deze verzekering scheurde Alcide Jolivet zijn zakdoek in twee
stukken, maakte van het eene pluksel, van het andere eene prop, waschte
de wond, die gelukkig niet ernstig was, uit en legde het vochtige
linnen zeer behendig op den schouder van Harry Blount.
»Ik genees u met water,” zeide hij, »want het is het heilzaamste
pijnstillende middel, dat voor het genezen van wonden bekend is. De
geneesheeren hebben zes duizend jaar er aan besteed om dit te
ontdekken! Ja, zes duizend jaar!”
»Ik dank u, mijnheer Jolivet,” antwoordde Harry Blount, die zich op een
bed van dorre bladeren nedervleide, dat zijn metgezel in de schaduw van
een berkeboom voor hem gereed had gemaakt.
»Blijf nu maar stil liggen en praat niet meer, want gij hebt volstrekt
rust noodig,” zeide Alcide Jolivet.
Maar Harry Blount had geen lust om te zwijgen.
»Mijnheer Jolivet,” vroeg hij, »denkt gij dat onze dépêches over de
Russische grenzen hebben kunnen komen!”
»En waarom niet,” antwoordde Alcide Jolivet. »Op het oogenblik weet
mijn goede nicht alles aangaande het gevecht bij Kolivan.”
»En hoeveel exemplaren van de dépêche laat uw nicht wel drukken?” vroeg
Harry Blount, die voor den eersten keer de vraag zoo rechtstreeks deed.
»Wel ja!” antwoordde Alcide Jolivet lachende. »Mijne nicht is iemand,
die zeer bescheiden is, die er niet van houdt dat men over haar
spreekt, en wie het zeer zou spijten als zij den slaap verstoorde, dien
gij zoo noodig hebt.”
»Ik wil niet slapen,” antwoordde de Engelschman.—»Wat zou uwe nicht van
de zaken in Rusland denken?”
»Dat zij op het oogenblik zeer slecht schijnen te staan. Maar dat
beteekent niets! De Russische regeering is machtig, zij zal zich niet
ongerust maken over een inval van barbaren en Siberië zal haar niet
ontvallen.”
»Al te veel eerzucht heeft de grootste rijken doen ten óndergaan!”
antwoordde Harry Blount, die niet vrij was van een zekere Engelsche
jaloerschheid, ten opzichte der Russische aanmatigingen in Middel-Azië.
»Ach! laten we niet over politiek praten!” riep Alcide Jolivet uit.
»Dat is door de faculteit verboden. Niets is slechter voor
schouderwonden!.... tenzij dit ware—om u te doen inslapen.”
»Laat ons dan spreken over hetgeen ons verder te doen staat,” zeide
Harry Blount. »Mijnheer Jolivet, ik ben niet van plan om voortdurend
bij deze Tartaren gevangen te blijven.”
»Ik voor den drommel ook niet!”
»Zullen wij bij de eerste gelegenheid trachten te ontsnappen?”
»Ja, als er geen ander middel is om onze vrijheid te herkrijgen.”
»Weet ge een ander?” vroeg Harry Blount, zijn makker aanziende.
»Zeker! Wij behooren niet tot de oorlogvoerende partijen, wij zijn
onzijdig, en wij zullen er tegen opkomen!”
»Bij dien onbeschaafden Feofar-Khan?”
»Neen, hij zou ons niet verstaan,” antwoordde Alcide Jolivet, »maar bij
Ivan Ogareff.”
»Dat is een schurk!”
»Zonder twijfel, maar die schurk is een Rus. Hij weet dat men met het
volkenrecht niet moet gekscheren, en hij heeft er geen belang bij om
ons gevangen te houden, integendeel!”
»Maar dat heer iets te vragen, bevalt mij niet erg!”
»Maar dat heer is niet in het kamp, ten minste ik heb hem er niet
gezien,” merkte Harry Blount op.
»Hij zal er komen. Dat is zeker. Hij moet zich bij den emir voegen, die
alleen op hem wacht om naar Irkoetsk op te trekken.”
»En eenmaal vrij, wat zullen wij dan doen?”
»Eenmaal vrij, dan zullen wij de Tartaren volgen tot dat de
gebeurtenissen ons zullen vergunnen om naar het Russische kamp over te
loopen. Drommels! wij moeten den moed niet laten zakken! Wij beginnen
pas. Gij collega, gij hebt reeds het geluk gehad in dienst van de Daily
Telegraph gewond te worden, terwijl ik nog niets bekomen heb in dienst
van mijne nicht, kom, kom!”
»Goed zoo,” mompelde Alcide Jolivet, »daar valt hij in slaap! Eenige
uren slaaps en eenige compressen met frisch water zijn meer dan
voldoende om een Engelschman weer op de been te helpen. Die lui zijn
van ijzer!”
En terwijl Harry Blount sliep, waakte Alcide Jolivet bij hem, en maakte
hij aanteekeningen in zijn boekje, vast besloten die met zijn collega
te deelen tot groote voldoening der lezers van de Daily Telegraph. De
gebeurtenissen hadden hen vereenigd, en tegen die vereeniging was hunne
ijverzucht niet bestand.
Zoo was, wat Michael Strogoff het meeste duchtte, juist datgene, waar
de beide dagbladschrijvers het zeerst naar verlangden. De komst van
Ivan Ogareff kon zeker voor hen goed zijn, want wanneer hunne qualiteit
van Engelsch en Fransch correspondent maar eerst bekend was, zouden
zij, allerwaarschijnlijkst, in vrijheid gesteld worden. Ivan Ogareff
zou Feofar wel doen begrijpen dat dagbladschrijvers geen eenvoudige
spionnen zijn.
Vier dagen waren reeds voorbij gegaan en de gevangenen hoorden er nog
maar niets van dat het kamp opgebroken zou worden. Zij werden streng
bewaakt en slecht gevoed. Tweemaal in de vier en twintig uren wierp men
hun een stuk geroosterd geiten-ingewand toe, of een stuk kaas, kroete
genaamd, uit zure schapenmelk vervaardigd, en daarna in paardenmelk
geweekt, eene Kirgiesche spijs, meestal koemijss genoemd. Daarbij kwam
nog dat het weer afschuwelijk was, eenige gewonden, vrouwen en
kinderen, stierven en hunne bewakers daartoe ongenegen zijnde, moesten
de gevangenen hunne lijken begraven.
Die toestand duurde gelukkig niet zeer lang. In den morgen van 20
Augustus hoorde men opeens de trompetten schallen, de trommels roeren,
de geweren losbranden en op den weg naar Kolivan zag men eene dikke
stofwolk oprijzen. Ivan Ogareff deed aan het hoofd van verscheidene
duizenden krijgslieden zijn intocht in het Tartaarsche kamp.
XIX.
EENE HOUDING VAN ALCIDE JOLIVET.
Het was een geheel legerkorps dat Ivan Ogareff den emir toevoerde. Het
bestond uit een groot gedeelte van het leger dat zich van Omsk had
meester gemaakt. Ivan Ogareff, het bovengedeelte der stad niet kunnende
vermeesteren, had besloten het beleg op te breken, met achterlating van
een voldoend observatiekorps te Omsk.
Hij voerde een aantal Russische en Siberische gevangenen met zich mede.
Deze ongelukkigen moesten aan de voorposten blijven en afwachten wat
Feofar-Khan omtrent hen zou beslissen.
Dit legerkorps had Omsk en Kolivan niet verlaten zonder eene menigte
bedelaars, stroopers, kooplui en heidenen met zich te voeren; de gewone
achterhoede van een marcheerend leger.
Onder deze heidens bevond zich de zigeunertroep, die Michael Strogoff
tot Perm vergezeld had. Sangarre, die woeste verspiedster, die Ivan
Ogareff met lijf en ziel toegedaan was, was er bij. Deze vrouw,
bijgestaan door hare heidenen, die haar alles wat zij konden te weten
komen overbrachten, hield Ivan Ogareff op de hoogte van alles wat er in
het middelpunt der overweldigde provinciën voorviel.
Sangarre, vroeger in eene zeer ernstige zaak betrokken geweest, werd
toen door den Russischen officier gered. Zij had niet vergeten wat zij
hem verschuldigd was, en zich geheel en al aan hem gewijd. Welk bevel
hij haar ook gaf, Sangarre voerde het uit; een onbegrijpelijk instinct,
sterker nog dan dat der erkentelijkheid, had haar bewogen om de slavin
te worden van dien verrader, met wien zij zich verbonden had sedert het
oogenblik dat hij naar Siberië verbannen was. Sedert hare komst te
Omsk, had zij Ivan Ogareff niet meer verlaten. De ontmoeting van
Michael en Marfa Strogoff was haar bekend, alsmede de vrees die Ivan
Ogareff koesterde ten opzichte van het op weg zijn van een koerier van
den czaar. Daarom verloor zij Marfa Strogoff ook niet uit het oog, die
zich onder de gevangenen bevond en die zij onophoudelijk bespiedde, om
het woord »zoon” aan hare lippen te hooren ontglippen.
Bij het kamp aangekomen, werd Ivan Ogareff met de grootste eerbewijzen
door de hooge beambten ontvangen, die hem tegemoet gezonden waren, en
die hem uitnoodigden hen naar de tent van Feofar-Khan te vergezellen.
Op het oogenblik dat het ruitergeleide zich in beweging zou stellen,
naderde Sangarre, tusschen de ruiters doorgaande, Ivan Ogareff en bleef
onbeweeglijk voor hem staan.
»Niets?” vroeg Ivan Ogareff.
»Niets.”
»Heb maar geduld.”
»Zult gij die oude vrouw weldra noodzaken om te spreken?”
»Weldra, Sangarre.”
»Wanneer zal de oude spreken?”
»Als wij te Tomsk zullen zijn.”
»En wanneer zal dat wezen?”
»Binnen drie dagen.”
De groote zwarte oogen van Sangarre glinsterden buitengewoon, en zij
ging bedaard heen.
Ivan Ogareff begaf zich vervolgens naar de tent van den emir gevolgd
door zijn staf van Tartaarsche officieren. Voor de tent aangekomen
steeg hij van zijn paard, trad binnen en bevond zich voor den emir die
hem naderde en hem een kus gaf. Deze kus had een groote beteekenis. Hij
maakte Ivan Ogareff voorzitter van den raad en plaatste hem tijdelijk
boven den khodja. Zich vervolgens tot Ivan Ogareff wendende, zeide
Feofar:
»Ik heb u niet te ondervragen; spreek Ivan. Allen zijn gereed om u aan
te hooren.”
»Takhsir,” [6] antwoordde Ivan Ogareff, »ziehier wat ik u heb mede te
deelen.”
Ivan Ogareff sprak in het Tartaarsch en gaf aan zijne woorden dat
hoogdravende, waardoor zich de taal der oosterlingen onderscheidt.
»Takhsir, het is de tijd niet om dien met nuttelooze woorden te
verspillen. Wat ik aan het hoofd uwer troepen gedaan heb, is u bekend.
De liniën van de Ichim en van de Irtisch zijn op het oogenblik in onze
macht, en de Turkomansche ruiters kunnen hunne paarden laten baden in
de wateren dier stroomen die nu Tartaarsch zijn geworden. De Kirgiesche
horden zijn op de stem van Feofar-Khan opgestaan, en de Siberische
groote weg is in uw bezit, van Ichim tot Tomsk. Gij kunt dus uwe
strijdbenden richten zoowel naar het oosten waar de zon opkomt, als
naar het westen waar zij ondergaat.”
»En welke raadgeving boezemt uwe trouw aan de Tartaarsche zaak u
hieromtrent in?” vroeg de emir na een oogenblik stilzwijgen.
»Mijn raad,” antwoordde Ivan Ogareff levendig, »is, om de zon tegemoet
te marcheeren, het gras der oostelijke steppen door de paarden der
Turkomannen te laten verslinden! Irkoetsk, de hoofdstad der oostelijke
provinciën, in te nemen, en met haar den gijzelaar, die eene geheele
landstreek waard is. Bij gebrek van den czaar, moet zijn broeder de
grootvorst in uwe handen vallen.”
Dat was het groote doel, dat Ivan Ogareff najoeg. Hem hoorende spreken,
zou men hem gehouden hebben voor een dier wreede afstammelingen van
Stepan-Razine, de vermaarde roover, die in de XVIIIe eeuw Zuid-Rusland
verwoestte. Zich van den grootvorst meester te maken, hem onmeedoogend
te treffen, dit ware eene volkomen voldoening voor zijn haat! Bovendien
zou de verovering van Irkoetsk geheel oostelijk Siberië terstond onder
de Tartaarsche heerschappij brengen.
»Zoo zal het geschieden,” antwoordde Feofar.
»Wat zijn uwe bevelen, Takhsir?”
»Van daag nog, zal ons hoofdkwartier naar Tomsk verplaatst worden.”
Ivan Ogareff maakte eene buiging, en verwijderde zich, gevolgd door den
hoesch-bégui, om de bevelen van den emir ten uitvoer te brengen.
Op het oogenblik dat hij te paard zou stijgen, om zich naar de
voorposten te begeven, hoorde men op eenigen afstand een zeker rumoer
in dat gedeelte van het kamp, waar de gevangenen zich bevonden. Men
hoorde geschreeuw en twee à drie geweerschoten. Was het eene poging tot
opstand of tot ontvluchting, die men zocht te beteugelen?
Ivan Ogareff en de hoesch-bégui snelden toe en op eens zagen zij twee
mannen voor zich, die eenige soldaten niet konden bedwingen.
De hoesch-bégui gaf, zonder dralen een wenk en beiden zouden neergeveld
zijn, had Ivan Ogareff niet door een paar woorden den sabel afgewend
die hen reeds bedreigde.
De Rus had opgemerkt, dat deze gevangenen vreemdelingen waren, en hij
beval dat men ze voor hem zou brengen. Het waren Harry Blount en Alcide
Jolivet. Zoodra Ivan Ogareff in het kamp aangekomen was, hadden zij
gevraagd om voor hem gebracht te worden, doch de soldaten hadden zulks
geweigerd, en vandaar die worsteling.
Ivan Ogareff keek deze reizigers, die hem geheel onbekend waren, eenige
oogenblikken aan. Toch waren zij tegenwoordig geweest op de
wisselplaats te Ichim, waar Michael Strogoff den slag van Ivan Ogareff
ontvangen had; maar de onbeschofte reiziger had geen acht geslagen op
de lieden die zich toen in de wachtkamer bevonden.
Harry Blount en Alcide Jolivet herkenden hem, integendeel, wel, en de
laatste zeide fluisterend:
»Als ik mij niet vergis, dan meen ik in kolonel Ogareff den
onbeschoften persoon te herkennen, dien wij op de wisselplaats te Ichim
ontmoet hebben!”
»Legt gij hem onze zaak bloot, Blount. Gij zult mij een dienst
bewijzen. Een Russisch kolonel in een Tartaarsch kamp te zien, walgt
mij, en hoewel ik het hem te danken heb dat mijn hoofd nog op mijne
schouders zit, kan ik hem toch niet zonder de grootste verachting
aanzien.”
En dit gezegd hebbende, veinsde hij de volkomenste en meest hooghartige
onverschilligheid.
Begreep Ivan Ogareff wat de houding van den gevangene beleedigends voor
hem had? In elk geval liet hij het niet blijken.
»Wie zijt gij, heeren?” vroeg hij in het Russisch op een koelen toon,
maar zonder zijne gewone ruwheid.
»Twee correspondenten van Engelsche en Fransche dagbladen,” antwoordde
Harry Blount droogweg.
»Gij hebt zonder twijfel papieren die uwe identiteit kunnen bewijzen?”
»Ziehier onze geloofsbrieven bij de Engelsche en Fransche kanselarijen
in Rusland.”
Ivan Ogareff las de brieven die Harry Blount hem overhandigde, en hij
las ze met aandacht. Daarna zeide hij:
»Gij vraagt vergunning om onze militaire bewegingen in Siberië te
volgen?”
»Wij vragen om niets anders dan om vrij te zijn,” antwoordde de
Engelsche correspondent op drogen toon.
»Gij zijt vrij, mijne heeren,” antwoordde Ivan Ogareff, »en ik ben zeer
verlangend om uwe artikelen in de Daily Telegraph te lezen.”
»Mijnheer,” hernam Harry Blount met de onverstoorbaarste
onverschilligheid, »het kost zes pence het nummer, behalve de port.”
En hierop keerde Harry Blount zich tot zijn makker, die zijn antwoord
volkomen scheen goed te keuren.
Ivan Ogareff liet niets blijken, en, te paard stijgende, verdween hij
aan het hoofd van zijn geleide.
»Wel mijnheer Jolivet, wat denkt gij van kolonel Ivan Ogareff,
opperbevelhebber der Tartaarsche troepen?” vroeg Harry Blount.
»Wat ik van hem denk, mijn waarde collega?” antwoordde Alcide Jolivet
glimlachende, »wel niets anders dan dat die hoesch-bégui een mal figuur
heeft gemaakt, toen hij bevel gaf om ons een kop kleiner te maken!”
»En,” vroeg Harry Blount, »welk gebruik zullen wij nu van onze vrijheid
maken?”
»Gebruik? neen misbruik zullen wij er van maken,” antwoordde Alcide
Jolivet, »wij gaan stilletjes naar Tomsk, om te kijken wat daar
gebeurt.”
»Tot op het oogenblik, en moge het weldra komen, dat wij ons bij een of
ander Russisch legerkorps zullen kunnen voegen!”
»Juist, mijn waarde Blount. Wij moeten toch niet geheel en al Tartaren
worden! De schoonste rol hebben nog altijd zij wier wapenen de
beschaving verspreiden, want dat is zeker, dat de volken van
Middel-Azië, bij den tegenwoordigen inval, eerder zullen verliezen dan
winnen; maar de Russen zullen wel de overhand krijgen. Het is slechts
eene zaak van tijd!”
Intusschen was de komst van Ivan Ogareff, die Alcide Jolivet en Harry
Blount in vrijheid gesteld had, een ernstig gevaar voor Michael
Strogoff. Wanneer het toeval wilde dat Ivan Ogareff den koerier van den
czaar ontmoette, dan zou hij zeker dezen herkennen als den reiziger,
dien hij aan de wisselplaats van Ichim zoo onbeschoft bejegend had.
Doch de komst van Ivan Ogareff had voor Michael Strogoff gelukkig ook
eene goede zijde, omdat bevel was gegeven om het kamp op te breken en
het hoofdkwartier naar Tomsk te verplaatsen. Dit was de vurige wensch
van Michael Strogoff, want zijn voornemen was, om te gelijk met de
gevangenen Tomsk te bereiken; hij zou dan geen gevaar loopen van in
handen der verkenners te vallen die zich in de omstreken van die
belangrijke stad in grooten getale bevonden. Tengevolge van de komst
van Ivan Ogareff, en uit vrees van door dezen herkend te worden, vroeg
hij zich echter af, of het niet beter zou zijn van zijn eerste
voornemen af te zien en liever pogingen te doen om onderweg te
ontsnappen.
Hij zou zonder twijfel dit laatste plan ten uitvoer brengen, toen hij
vernam dat Feofar-Khan en Ivan Ogareff aan het hoofd van eenige
duizenden ruiters reeds naar Tomsk vertrokken waren.
»Ik zal dus wachten,” zeide hij, »tenzij zich eene gunstige gelegenheid
voordoe om te vluchten. Laat ik nog maar drie dagen geduld hebben, en
moge God mij dan te hulp komen!”
Inderdaad was het een tocht van drie dagen, dien de gevangenen onder
bewaking van eene sterke afdeeling Tartaren door de steppe moesten
afleggen, een tocht gemakkelijk voor de soldaten van den emir, aan wie
niets ontbrak, doch bezwaarlijk voor de gevangenen die door ontbering
geheel verzwakt waren.
Te twee uur in den namiddag van 12 Augustus, bij eene zeer groote hitte
en onder een onbewolkten hemel, gaf de toptschi-baschi bevel om het
kamp op te breken.
Alcide Jolivet en Harry Blount, hadden zich, na paarden gekocht te
hebben, op weg naar Tomsk begeven, alwaar de loop der gebeurtenissen de
voornaamste personen van dit verhaal zou te zamen brengen.
Onder de gevangenen die Ivan Ogareff naar het Tartaarsche kamp had
medegevoerd, bevond zich eene oude vrouw, wier stilzwijgen haar als het
ware geheel van hare medegevangenen afzonderde.
Geene klacht kwam over hare lippen. Men zou gezegd hebben dat zij een
standbeeld was, de smart voorstellende. Deze vrouw, bijna voortdurend
onbeweeglijk en strenger dan de anderen bewaakt, werd zonder dat zij
zulks vermoedde of er zich om bekreunde, aanhoudend door de zigeunerin
Sangarre bespied. Ondanks haar hoogen ouderdom had zij evenals de
andere gevangenen den weg te voet moeten afleggen, zonder dat hare
ellende eenigszins verzacht was geworden.
Evenwel had de voorzienigheid een moedig en liefderijk wezen aan hare
zijde geplaatst, die haar begreep en bijstond. Onder hare gezellinnen
in het ongeluk, scheen een jeugdig meisje, merkwaardig door hare
schoonheid en door eene lijdzaamheid die in niets onderdeed voor die
der Siberische vrouw, zich tot taak gesteld te hebben over haar te
waken. Geen woord was tusschen de beide gevangenen gewisseld geworden,
maar het meisje bevond zich steeds bij de oude vrouw als haar hulp haar
van nut kon zijn. Deze had evenwel niet terstond, noch zonder
wantrouwen de stille zorgen van deze onbekende aangenomen, doch het
open gelaat van het jonge meisje, hare ingetogenheid en de
geheimzinnige toegenegenheid, die eene gemeenschappelijke smart doet
ontstaan tusschen menschen die hetzelfde ongelukkig lot deelen, hadden
over de trotsche koelheid van Marfa Strogoff gezegevierd. Nadia,—want
zij was het—had aldus, zonder haar te kennen, aan de moeder de zorgen
gewijd, die haar zoon aan haar betoond had. Te midden van deze
ongelukkigen, door het lijden verbitterd, boezemden deze twee vrouwen,
waarvan de eene de grootmoeder, de andere de kleindochter scheen te
zijn, aan allen eene soort van eerbied in.
Nadat Nadia door de verkenners aan de Irtisch was weggevoerd naar Omsk,
deelde zij daar het lot van al de gevangenen en bijgevolg dat van Marfa
Strogoff. Indien zij minder zielskracht had gehad, zou zij zeker
bezweken zijn onder den dubbelen slag die haar trof. De staking harer
reis, de dood van Michael Strogoff hadden haar wanhopig gemaakt en haar
tot morren gebracht. Voor altijd misschien van haar vader verwijderd,
na zoovele gelukte pogingen, die haar nader bij hem gebracht hadden, en
tot overmaat van smart, van haar onverschrokken reisgenoot gescheiden,
dien God haar op haar weg had doen ontmoeten om haar doel te bereiken,
had zij alles te gelijk en op eens verloren. Het beeld van Michael
Strogoff dien zij door een lanssteek had zien treffen en in de wateren
der Irtisch verdwijnen, stond haar voortdurend voor den geest.
»Wie zal dien doode wreken, die zichzelf niet meer wreken kan?” zeide
zij tot zichzelf.
En zich tot God wendende, riep het jonge meisje in haar binnenste uit:
»Heer, laat ik dat zijn!”
Men begrijpt wel dat Nadia, in deze gedachten verzonken, geheel
ongevoelig was gebleven voor al de ellende harer gevangenschap.
Het toeval had haar toen, zonder dat zij dit het minst vermoedde, met
Marfa Strogoff vereenigd. Hoe had zij kunnen denken, dat die oude
vrouw, evenals zij gevangen, de moeder was van haar reismakker, die
voor haar niemand anders was geweest dan de koopman Nikolaas Korpanoff?
En hoe had Marfa van haar kant kunnen raden dat een band van
dankbaarheid die jonge onbekende aan haar zoon verbond?
Het meisje deelde met haar het weinige voedsel dat zij ging halen op
het uur dat de levensmiddelen werden uitgedeeld; haar arm strekte haar
tot steun op haar moeielijken tocht en het was ter wille van het jonge
meisje, dat Marfa de soldaten van het konvooi mocht volgen, zonder als
andere ongelukkigen, aan den knop van een zadel te worden medegesleurd.
»Dat God u beloone, mijn kind, voor al hetgeen gij voor mij doet!”
zeide Marfa Strogoff, en dit waren gedurende eenigen tijd, de eenige
woorden die zij uitte.
Gedurende de dagen dat zij op weg waren, dagen die haar eeuwen
toeschenen, zou men gedacht hebben dat de oude vrouw en het meisje over
haar beider toestand met elkander hadden moeten spreken. Doch Marfa
Strogoff had door eene omzichtigheid, die licht te begrijpen is, alleen
over zich zelve, en nog maar zeer kort, gesproken. Zij had noch op haar
zoon, noch op hare ontmoeting met hem, gezinspeeld.
Ook Nadia sprak weinig. Op zekeren dag echter, gevoelende dat zij met
eene eenvoudige doch verhevene ziel te doen had, had haar hart zich
lucht gegeven en had zij, zonder iets te verbergen, al de
gebeurtenissen verteld die er sedert haar vertrek van Wladimir tot den
dood van Nikolaas Korpanoff hadden plaats gehad. Hetgeen zij van haar
jongen reismakker verhaalde, boezemde der oude vrouw levendige
belangstelling in.
»Nikolaas Korpanoff!” zeide zij. »Vertel mij nog iets van dien
Nikolaas. Zijn gedrag heeft mij zeer verwonderd! Was Nikolaas Korpanoff
wel zijn eigenlijke naam? Zijt ge er wel zeker van mijn kind?”
»Waarom zou hij mij dienaangaande bedrogen hebben?” antwoordde Nadia.
Doch Marfa Strogoff door eene soort van voorgevoel gedreven, deed Nadia
vraag op vraag.
»Gij hebt mij gezegd dat hij onverschrokken was! Gij hebt mij bewezen
dat hij zulks was!” zeide zij.
»Ja, onverschrokken! het was een leeuw, een held,” antwoordde Nadia.
»Dat zou mijn zoon ook geweest zijn,” zeide Marfa Strogoff telkens bij
zich zelve.
»Maar intusschen zegt gij dat hij in het posthuis te Ichim eene
verschrikkelijke beleediging verdragen heeft?”
»Die heeft hij verdragen!” antwoordde Nadia, haar hoofd latende hangen.
»Hij heeft ze verdragen?” mompelde Marfa Strogoff bevende.
»Moeder! Moeder!” riep Nadia uit, »veroordeel hem niet. Er zit een
geheim achter, een geheim, waarover God alleen op dit oogenblik
oordeelen kan!”
»En,” zeide Marfa, terwijl zij het hoofd ophief en Nadia aankeek alsof
zij tot in het binnenste van hare ziel wilde lezen, »hebt gij op het
oogenblik dier vernedering, dien Nikolaas Korpanoff niet veracht?”
»Ik heb hem bewonderd zonder hem te begrijpen,” antwoordde het meisje.
De oude vrouw zweeg een oogenblik.
»Hij was lang?” vroeg zij daarna.
»Zeer lang.”
»En zeer knap, is ’t niet? Kom, spreek mijn kind.”
»Hij was zeer knap,” antwoordde Nadia blozend.
»Het was mijn zoon! Ik zeg u dat het mijn zoon was!” riep de oude vrouw
uit, Nadia omhelzende.
»Uw zoon!” antwoordde Nadia geheel verstomd, »uw zoon!”
»Kom!” zeide Marfa, »vertel voort, mijn kind! Uw makker, uw vriend, uw
beschermer, hij had een moeder! Heeft hij u nooit van zijne moeder
gesproken?”
»Van zijne moeder?” zeide Nadia. »Hij heeft mij van zijne moeder
gesproken, zooals ik hem dikwijls van mijn vader gesproken heb! Die
moeder, hij aanbad ze!”
»Nadia, Nadia! Gij vertelt me daar de geheele geschiedenis van mijn
zoon,” zeide de oude vrouw.
En zij voegde er opeens bij:
»Had hij haar dan niet moeten bezoeken toen hij door Omsk trok, die
moeder, die hij, naar uw zeggen, zoo beminde?”
»Neen,” antwoordde Nadia, »neen, dat moest hij niet.”
»Neen!” riep Marfa uit. »Gij hebt neen tegen mij durven zeggen?”
»Dat heb ik gezegd, maar ik moet u nog vertellen, dat ik heb meenen te
begrijpen, dat Nikolaas Korpanoff het land zeer in het geheim moest
doortrekken, om allergewichtigste, mij onbekende redenen. Het was voor
hem eene vraag van leven en dood of liever nog, eene vraag van plicht
en eer.”
»Van plicht, inderdaad, van gebiedenden plicht,” zeide de oude vrouw,
»van die plichten, waaraan men alles opoffert, zelfs de vreugde van een
kus, misschien den laatsten, aan zijne oude moeder te komen geven!
Hetgeen ge niet weet, hetgeen ik zelve niet wist, ik weet het nu op dit
oogenblik. Gij hebt mij alles doen begrijpen! Het geheim van mijn zoon,
Nadia, daar hij ’t u niet gezegd heeft, ik moet ’t voor hem bewaren!
Vergeef mij, Nadia! De goedheid, die gij voor mij gehad hebt, kan ik u
niet vergelden!”
»Moeder, ik vraag niets,” antwoordde Nadia.
XX.
LEER OM LEER.
Alles had zich dus voor de oude vrouw opgehelderd, alles, tot zelfs het
onbegrijpelijke gedrag van haar zoon ten haren opzichte in de herberg
te Omsk. Zij twijfelde er nu niet meer aan, dat de metgezel van het
meisje, Michael Strogoff was geweest en dat eene geheime zending hem
genoodzaakt had, zijne hoedanigheid van koerier van den czaar te
verbergen.
»Neen, mijn waarde zoon,” zeide Marfa Strogoff tot zichzelve, »ik zal u
niet verraden, en geene pijnigingen van welken aard ook, zullen in
staat zijn, mij de bekentenis te ontrukken, dat gij het zijt dien ik te
Omsk gezien heb!”
Marfa Strogoff had nu, met éen woord, aan Nadia de hartelijkheid kunnen
vergelden, die deze haar betoond had. Zij had haar kunnen vertellen dat
haar metgezel Nikolaas Korpanoff of liever Michael Strogoff niet in de
wateren van de Irtisch omgekomen was, omdat zij hem eenige dagen na het
ongeval ontmoet, ja, hem gesproken had!....
Maar zij bedwong zich, zweeg, en bepaalde zich met te zeggen:
»Hoop maar, mijn kind! Het ongeluk zal u niet altijd vervolgen! Gij
zult uw vader wederzien, ik heb er een voorgevoel van, en misschien is
hij, die u den naam van zuster gaf, niet dood! God zal uw moedigen
makker niet hebben laten omkomen!.... Voed slechts hoop, mijn kind! Doe
zooals ik! de rouw, dien ik draag, is nog niet die over mijn zoon!”
Zoodanig was nu de verhouding van Marfa Strogoff en van Nadia, ten
opzichte van elkander. De oude vrouw had alles begrepen, en zoo het
jonge meisje niet wist dat haar zoo betreurde metgezel nog leefde, wist
zij nu ten minste, hoe hij haar, die zij als hare moeder beschouwde,
bestond; en zij dankte God, haar de vreugde gegeven te hebben van bij
de gevangene den zoon, dien zij verloren had, te kunnen vervangen.
Maar wat beiden niet konden weten, was dat Michael Strogoff, te Kolivan
gevangen genomen, zich bij hetzelfde konvooi bevond dat hen naar Tomsk
voerde.
De gevangenen door Ivan Ogareff medegevoerd waren vereenigd met die van
den emir in het Tartaarsche kamp. De ongelukkigen, Russen en Siberiërs,
militairen en burgers, waren ten getale van eenige duizenden, en
vormden eene kolonne die zich over eene lengte van verscheidene wersten
uitstrekte. Onder hen waren er die als meer gevaarlijk beschouwd, met
handboeien aan eene lange ketting bevestigd waren. Vrouwen en kinderen
waren aan de zadelknoppen gebonden of gehangen en werden onmeedoogend
langs de wegen gesleept! Men dreef ze allen als eene kudde vee voort.
Michael Strogoff bevond zich in de eerste rijen, omdat de gevangenen
van Kolivan, eerder dan die van Omsk in het kamp aangekomen, het nu ook
vroeger verlieten. Hij kon dus de tegenwoordigheid van zijne moeder en
Nadia in het konvooi niet gissen, evenmin als zij konden vermoeden, dat
hij zich daarbij bevond.
Eindelijk bereikte men op 15 Augustus, bij het vallen van den avond,
het kleine vlek Zabediero, op dertig wersten afstands van Tomsk.
Den geheelen nacht moesten de gevangenen aan de boorden van de Tom
doorbrengen, want de emir had zijn intocht te Tomsk tot den volgenden
dag uitgesteld.
Nadia had, terwijl zij Marfa Strogoff ondersteunde, met moeite den
steilen oever van de rivier bereikt. Zij versmachtten beiden van dorst.
Nadia schepte water met hare hand en laafde de lippen van Marfa er mee.
Op het oogenblik dat zij oprees om den oever te verlaten ontsnapte haar
een kreet.
Michael Strogoff stond daar, op eenige schreden van haar!.... Hij was
het!.... De laatste schemering van den dag stortte haar licht nog over
hem uit!
Michael Strogoff sidderde bij het hooren van dien kreet van Nadia. Maar
hij bezat zelfbeheersching genoeg om niets te zeggen dat hem verdacht
zou hebben kunnen maken.
En toch had hij, tegelijkertijd met Nadia, ook zijn moeder herkend!...
Bij deze onverwachte ontmoeting was Michael Strogoff zich zelven niet
meer meester: hij bracht dan ook de hand voor zijne oogen, en
verwijderde zich dadelijk. Nadia snelde instinctmatig naar hem toe,
maar de oude vrouw fluisterde haar deze woorden in het oor:
»Blijf hier, mijn kind!”
»Hij is het!” antwoordde Nadia met eene door aandoening afgebroken
stem. »Hij leeft, moeder! hij is het!”
»Het is mijn zoon,” antwoordde Marfa Strogoff, »het is Michael
Strogoff, en gij ziet, dat ik nochtans geen stap tot hem nader! Volg
mijn voorbeeld, dochterlief!”
Michael Strogoff had eene der hevigste gemoedsaandoeningen ondergaan,
die een mensch kan gevoelen. Zijne moeder en Nadia stonden daar, met
hem in hetzelfde ongeluk vereenigd.
Wist Nadia dan wie hij was? Neen, want hij had Marfa Strogoff haar zien
tegenhouden op het oogenblik dat zij naar hem toe wilde vliegen. Marfa
Strogoff had dus alles begrepen en haar geheim bewaard. Gedurende den
nacht was Michael Strogoff wel twintig maal op het punt om zich naar
zijne moeder te begeven; maar hij begreep dat hij weerstand moest
bieden aan het vurige verlangen om haar te omhelzen en om de hand
zijner jonge gezellin nog eens te drukken. De minste onvoorzichtigheid
kon voor hem noodlottig zijn. Hij had trouwens gezworen zijne moeder
niet te zien.... ten minste niet vrijwillig. Eenmaal te Tomsk
aangekomen, zou hij, omdat hij toch dezen nacht niet kon vluchten, zich
in de steppe werpen, zonder de beide wezens te omhelzen, in wie zijn
leven zich samentrok en die hij, aan zooveel gevaren blootgesteld,
achterliet.
Michael Strogoff mocht dus hopen dat de ontmoeting in het kamp van
Zabediero geene kwade gevolgen, noch voor zijne moeder, noch voor hem
zou hebben. Maar hij wist niet dat de Zigeunerin Sangarre, de
verspiedster van Ivan Ogareff, zich in de nabijheid bevond, en dat zij
een gedeelte van het gebeurde, hoe snel ook voorgevallen, had gezien.
Zij had Michael Strogoff niet kunnen bemerken, die reeds verdwenen was
toen zij zich omkeerde; maar de beweging die Marfa maakte om Nadia
tegen te houden, was haar niet ontsnapt.
Zij twijfelde niet of de zoon van Marfa Strogoff was in het kamp, onder
de gevangenen van Ivan Ogareff. Zij verliet dus terstond het kamp om
Ivan Ogareff te gaan waarschuwen.
Ivan Ogareff ontving haar oogenblikkelijk.
»Wat voor nieuws, Sangarre?” vroeg hij.
»De zoon van Marfa Strogoff is in het kamp,” antwoordde Sangarre.
»Gevangen?”
»Gevangen!”
»Ha!” riep Ivan Ogareff uit, »ik zal....”
»Gij zult niets, Ivan,” antwoordde de zigeunerin, »want gij kent hem
niet eens!”
»Maar gij kent hem toch! Gij hebt hem gezien, Sangarre!”
»Ik heb hem niet gezien, maar ik heb zijne moeder zich zien verraden
door eene beweging die mij alles heeft doen begrijpen.”
»Vergist gij u niet?”
»Neen, ik vergis mij niet.”
»Gij weet het belang dat ik aan de gevangenneming van dien koerier
hecht,” zeide Ivan Ogareff. »Indien de brief, die hem te Moskou is
overhandigd, Irkoetsk bereikt, indien hij in handen komt van den
grootvorst, dan zal deze op zijne hoede zijn, en ik zal hem niet kunnen
naderen! Ik moet dien brief hebben, wat het ook koste! Gij zegt mij nu
dat de overbrenger van dien brief in mijne macht is! Ik herhaal het,
Sangarre, vergist gij u niet?”
»Ik vergis mij niet, Ivan,” antwoordde zij.
»Maar Sangarre, er zijn in het kamp verscheidene duizenden gevangenen,
en gij zegt dat gij Michael Strogoff niet kent!”
»Neen,” antwoordde de zigeunerin, wier blik van woeste vreugde
schitterde, »ik ken hem niet, maar zijne moeder kent hem! Ivan, men
moet zijne moeder doen spreken.”
»Morgen zal zij spreken!” riep Ivan Ogareff uit.
Daarop stak hij aan de zigeunerin zijne hand toe, die haar kuste,
zonder dat er in dit bewijs van eerbied, bij de noordsche volken in
gebruik, iets slaafs gelegen was.
Sangarre ging naar de legerplaats terug. Zij vond Nadia en Marfa
Strogoff nog op dezelfde plaats, en bracht den nacht door met beiden
gade te slaan. De oude vrouw en het meisje sliepen niet, ofschoon zij
afgemat van vermoeienis waren. Hunne ongerustheid was te groot. Michael
Strogoff leefde nog, doch was gevangen, zooals zij! Zou Ivan Ogareff
dit weten, en, zoo hij het niet wist, zou hij het dan niet te weten
komen? Nadia gevoelde zich gelukkig bij de gedachte dat haar metgezel
nog leefde! Maar Marfa Strogoff zag verder in de toekomst en had reden
om voor haar zoon alle vrees te koesteren.
Sangarre, die in de duisternis tot dicht bij de beide vrouwen geslopen
was, bleef eenige uren op die plaats en luisterde.... Zij hoorde
evenwel niets. Door een instinctmatig gevoel van voorzichtigheid,
wisselden Nadia en Marfa Strogoff geen woord met elkander.
Den volgenden dag, 16 Augustus, tegen tien uur in den morgen,
weergalmde schetterend trompetgeschal. Oogenblikkelijk kwamen de
Tartaarsche soldaten onder de wapenen.
Ivan Ogareff naderde in het midden van een talrijken staf van
Tartaarsche officieren. Zijn gelaat was somberder dan gewoonlijk en
verraadde een stillen toorn, die slechts op eene aanleiding wachtte om
los te barsten.
Michael Strogoff dien man voorbij ziende trekken, kreeg een voorgevoel
alsof er weldra eene treurige ontknooping zou plaats hebben; want Ivan
Ogareff wist nu dat Marfa Strogoff de moeder was van Michael Strogoff,
kapitein bij het korps koeriers van den czaar. Ivan Ogareff steeg van
zijn paard, en de ruiters van zijn geleide vormden toen een grooten
cirkel om hem heen.
Op dit oogenblik naderde Sangarre en zeide:
»Ik heb geen nieuws, Ivan!”
Ivan Ogareff antwoordde slechts door een kort bevel aan een zijner
officieren.
Terstond werden de gelederen der gevangenen op eene ruwe wijze door
soldaten doorloopen, die door zweep- en lansslagen deze ongelukkigen
dwongen om op te staan en zich rondom het kamp te gaan plaatsen. Een
vierdubbele kring van voetvolk en ruiters, achter hen geplaatst, maakte
elke poging tot ontvluchten onmogelijk. Het werd dadelijk stil, en op
een teeken van Ivan Ogareff, liep Sangarre naar de groep waarin Marfa
Strogoff zich bevond.
De oude vrouw zag haar aankomen. Zij begreep wat er zou gebeuren. Een
smadelijke glimlach kwam op hare lippen te voorschijn, en zich daarop
tot Nadia neigende, fluisterde zij haar toe:
»Gij moet mij niet meer kennen, mijn kind! Geen woord, geen gebaar, wat
er ook gebeure, hoe zwaar ook de beproeving moge zijn! Het geldt hem,
niet mij!”
Op dit oogenblik legde Sangarre, na haar even aangekeken te hebben,
hare hand op den schouder der oude vrouw.
»Wat wilt gij van mij?” zeide Marfa Strogoff.
»Kom mee!” antwoordde Sangarre.
En haar met de hand voortduwende, bracht zij haar midden in de
afgesloten ruimte voor Ivan Ogareff.
Michael Strogoff keek voor zich, om niet door zijne oogen verraden te
worden.
Marfa Strogoff, voor Ivan Ogareff gekomen, ging rechtop staan, kruiste
hare armen en wachtte.
»Gij zijt Marfa Strogoff?” vroeg Ivan Ogareff.
»Ja,” antwoordde de oude vrouw bedaard.
»Komt gij terug op hetgeen gij mij geantwoord hebt, toen ik u drie
dagen geleden te Omsk ondervraagd heb?”
»Neen.”
»Dus, weet gij niet dat uw zoon Michael Strogoff, de koerier van den
czaar, door Omsk getrokken is?”
»Ik weet het niet.”
»En de man, dien gij voor uw zoon meendet te herkennen aan het
posthuis, was dus uw zoon niet?”
»Was mijn zoon niet.”
»En sedert hebt gij hem niet meer onder deze gevangenen gezien?”
»Neen.”
»En indien men hem u toonde, zoudt gij hem dan herkennen?”
»Neen.”
Op dit antwoord, dat een onverzettelijk besluit aanduidde om niets te
bekennen, deed zich een gemompel onder de menigte hooren.
Ivan Ogareff kon een dreigend gebaar niet bedwingen.
»Luister,” zeide hij tot Marfa Strogoff, »uw zoon is hier en gij zult
hem dadelijk aanwijzen.”
»Neen.”
»Al de mannen, die te Omsk en te Kolivan gevangen genomen zijn, zullen
hier voor uwe oogen voorbijtrekken en zoo gij Michael Strogoff niet
aanwijst, zult gij zooveel slagen met den knoet ontvangen, als er
mannen voor u voorbij zullen zijn getrokken!”
Ivan Ogareff had begrepen dat, welke bedreigingen hij ook mocht doen,
welke pijnigingen hij haar ook mocht doen ondergaan, de ontembare
Siberische vrouw toch niet zou spreken. Om den koerier van den czaar te
ontdekken, rekende hij dus niet op haar, maar op Michael Strogoff zelf.
Hij achtte het onmogelijk, dat, wanneer moeder en zoon in elkanders
tegenwoordigheid waren, eene onweerstaanbare beweging hen niet zouden
verraden. Indien hij alleen den keizerlijken brief in beslag had willen
nemen, dan zou hij zeker eenvoudig bevel gegeven hebben al de
gevangenen te onderzoeken; maar Michael kon den brief, na hem gelezen
te hebben, vernietigd hebben en werd hij nu niet herkend, gelukte het
hem Irkoetsk te bereiken, dan zouden de plannen van Ivan Ogareff
verijdeld worden. Het was dus niet enkel den brief dien de verrader
wilde hebben, maar ook den overbrenger van dien brief.
Nadia had nu alles gehoord. Zij wist nu wat Michael Strogoff was en
waarom hij de overheerde provinciën van Siberië had willen doortrekken
zonder herkend te worden.
Op bevel van Ivan Ogareff trokken de gevangenen, een voor een, langs
Marfa Strogoff voorbij, die zoo onbeweeglijk als een beeld bleef staan
en wier blik de volslagenste onverschilligheid vertoonde. Haar zoon
bevond zich onder de laatste gevangenen. Toen hij op zijne beurt
voorbij zijne moeder kwam, sloeg Nadia de oogen neer om niet te zien.
Michael Strogoff was schijnbaar ongevoelig, maar de palm zijner hand
bloedde onder zijn nagels, die er zich ingedrukt hadden.
Ivan Ogareff was door moeder en zoon overwonnen! Sangarre, die bij hem
stond, zeide slechts een woord:
»De knoet!”
»Ja!” riep Ivan Ogareff uit, buiten zichzelf van woede, »de knoet voor
dat oude vrouwspersoon, totdat zij er onder bezwijkt.”
Een Tartaarsch soldaat, het strafwerktuig in de hand houdende, naderde
Marfa Strogoff.
De knoet bestaat uit een zeker aantal lederen riemen aan wier uiteinden
gedraaid ijzerdraad bevestigd is. Men rekent dat eene veroordeeling tot
honderd twintig slagen met die zweep, met een doodvonnis gelijk staat.
Marfa Strogoff werd door twee soldaten gegrepen en op de knieën
geworpen. Eene sabel werd op eenige duimen afstand van hare borst
zoodanig gericht, dat, zoo zij onder de pijn mocht bezwijken, haar
borst door de scherpe punt doorboord werd.
De Tartaar stond gereed. Hij wachtte.
»Ga je gang!” zeide Ivan Ogareff.
De zweep doorkliefde de lucht....
Maar, voor dat hij sloeg, had eene krachtige hand de zweep uit de hand
van den Tartaar gerukt.
Michael Strogoff was daar! Op het gezicht van dit verschrikkelijk
tooneel was hij opgestoven! Zoo hij zich aan de wisselplaats te Ichim
ingehouden had toen de zweep van Ivan Ogareff hem getroffen had, thans,
nu het zijne moeder gold, had hij zich niet kunnen bedwingen.
Ivan Ogareff was geslaagd.
»Michael Strogoff!” riep hij uit.
Daarop een stap voorwaarts doende, zeide hij:
»Ha! de man van Ichim!”
»Juist,” zeide Michael Strogoff.
En, den knoet opheffende, verscheurde hij er het gezicht van Ivan
Ogareff mee.
»Leer om leer!” zeide hij.
»Goed betaald gezet!” riep de stem van een der toeschouwers uit, die
zich echter gelukkig in het gewoel verloor.
Twintig soldaten wierpen zich op Michael Strogoff en wilden hem
dooden....
Doch Ivan Ogareff, aan wien een kreet van woede en pijn ontsnapt was,
hield hen tegen met een wenk.
»Die man zal voor den emir terecht staan!” zeide hij. »Onderzoekt hem.”
De brief met het keizerlijke wapen werd op de borst van Michael
Strogoff gevonden, die geen tijd had gehad om hem te vernietigen, en
men overhandigde hem Ivan Ogareff.
De toeschouwer, die de woorden: »Goed betaald gezet!” had geuit, was
niemand anders dan Alcide Jolivet. Zijn collega en hij, die in het kamp
van Zabediero stil hadden gehouden, woonden dit tooneel bij.
»Drommels!” zeide hij tot Harry Blount, »die Noordsche lui zijn stevige
mannen! Ge moet toch bekennen dat wij onzen reismakker herstel van eer
verschuldigd zijn! Korpanoff doet voor Strogoff niet onder! De zaak van
Ichim is goed gewroken!”
»Ja, goed gewroken, inderdaad,” antwoordde Harry Blount, »maar Strogoff
is een man des doods. In zijn eigen belang zou hij toch beter gedaan
hebben zijne wraakneming nog maar wat uit te stellen!”
»En zijne moeder onder den knoet te laten omkomen!”
»Gelooft ge dan dat hij door zijne drift het voor haar en zijne zuster
er beter op gemaakt heeft?”
»Ik geloof niets, ik weet niets,” antwoordde Alcide Jolivet; »maar in
zijne plaats, zou ik niet anders gehandeld hebben! Wat eene snede over
zijn aangezicht! En, wat duivel! het bloed moet je toch wel eens
beginnen te koken!”
»Een mooi zaakje voor eene kroniek!” zeide Harry Blount. »Indien Ivan
Ogareff ons dien brief maar eens wilde mededeelen!....”
Na het bloed, dat zijn gelaat bedekte, afgewischt te hebben, had Ivan
Ogareff dien brief opengebroken. Hij las en herlas hem zeer lang, alsof
hij den inhoud er van ter dege in zijn geheugen had willen prenten.
Na vervolgens bevel te hebben gegeven om Michael Strogoff zwaar geboeid
met de overige gevangenen naar Tomsk over te brengen, nam hij het bevel
over de te Zabediero gelegerde troepen, en onder het oorverdoovend
gedruisch der trommen en trompetten trok hij op naar de stad, waar de
emir hem wachtte.
XXI.
DE ZEGEVIERENDE INTOCHT.
Tomsk, in 1604 gesticht, bijna in het hart der Siberische provinciën,
is eene der voornaamste steden van Aziatisch-Rusland. Tobolsk en
Irkoetsk hebben deze stad ten hunnen koste allengs grooter zien worden.
En, evenwel is Tomsk niet de hoofdstad van die belangrijke provincie.
Het is te Omsk, dat de gouverneur-generaal der provincie en de andere
rijksbeambten hun verblijf houden. Maar Tomsk is de aanzienlijkste stad
van dat grondgebied dat aan het Altaï-gebergte grenst. Op de helling
van dit gebergte tot in de vallei van de Tom vindt men platina, goud,
zilver, koper en goudglanzig lood. De landstreek is zeer rijk, en ook
de stad, die te midden van zeer winstgevende exploitatiën gelegen is en
die, wat weelde betreft, met de grootste steden in Europa kan
wedijveren. Het is eene stad van millionairs, door het breekijzer en
het houweel rijk geworden, en zoo zij al niet de eer heeft tot
residentie van den vertegenwoordiger van den czaar te strekken, kan zij
zich hierover troosten, omdat zij onder de voornaamsten harer inwoners
het hoofd der kooplieden van de stad telt, de voornaamste
concessionaris der mijnen van het keizerlijk gouvernement.
Het was nu te Tomsk dat de emir zijne zegevierende troepen zou
ontvangen. Een luisterrijk feest zou ter hunner eer gegeven worden. Tot
het houden dezer plechtigheid was de keus gevallen op eene uitgestrekte
vlakte op den heuvel die de stad en de talrijke kronkelingen van den
Tom beheerscht.
Te vier uur deed de emir zijne intrede op de bergvlakte, te midden van
het geschal der trompetten en het gebulder van het geschut.
Feofar bereed zijn geliefkoosd paard, dat op zijn kop eene pluim met
diamanten bezet, droeg. Hij was in krijgsgewaad en vergezeld van een
talrijken staf.
Ivan Ogareff liet zich niet wachten; een schetterend trompetgeschal
kondigde zijne aankomst aan. Hij—reeds bekend als de
Litteekendrager—droeg de Tartaarsche officiers-uniform en kwam te paard
voor de tent van den emir. Hij was vergezeld van een gedeelte der
soldaten uit het kamp van Zabediero, die zich rondom het plein in
slagorde stelden. Men zag een groot litteeken dat dwars over het
gezicht van den verrader liep.
Ivan Ogareff stelde den emir zijne voornaamste officieren voor en
Feofar-Khan, zonder de afgemetenheid vaarwel te zeggen, die het
voornaamste van zijne waardigheid uitmaakte, ontving hen op eene wijze,
dat zij over zijne ontvangst tevreden konden zijn.
Aldus begrepen Harry Blount en Alcide Jolivet het ten minste, die zich
nu voor de jacht op nieuwstijdingen onafscheidelijk met elkander
verbonden hadden. Na Zabediero verlaten te hebben, hadden zij zich
gehaast Tomsk te bereiken. Hun plan was zoo snel mogelijk de Tartaren
te verlaten, zich bij een of ander Russisch korps te voegen, en
zoodoende spoedig Irkoetsk te bereiken. Wat zij van den inval gezien
hadden,—brandstichting en moord—begon hun te walgen. Doch alvorens zich
naar Irkoetsk op weg te begeven, wilden zij nog het feest bijwonen, om
eenige bijzonderheden hiervan te kunnen overseinen. Zij bewonderden dus
Feofar-Khan in al zijne pracht: zijne vrouwen, zijne officieren, zijne
lijfwachten, en dien oosterschen luister, waarvan de plechtigheden van
Europa geen denkbeeld kunnen geven. Doch zij wendden met verachting
hunne oogen van Ivan Ogareff af, toen deze zich voor den emir
vertoonde, en zij wachtten niet zonder ongeduld, totdat het feest
begon.
»Ziet ge wel, mijn waarde Blount,” zeide Alcide Jolivet, »wij zijn te
vroeg, als eenvoudige luidjes die veel voor hun geld willen hebben. Dit
alles is nog slechts een begin, en het ware beter geweest dat wij
alleen voor het ballet gekomen waren.”
»Welk ballet?” vroeg Harry Blount.
»Wel het ballet, dat bij deze plechtige gelegenheden altijd
verplichtend is! Maar ik geloof dat het scherm opgaat.”
Alcide Jolivet sprak alsof hij in de opera geweest ware, en zijn
tooneelkijker voor den dag halende, maakte hij zich gereed om als een
kenner »de eerste sujetten van den troep van Feofar” op te nemen.
Maar eene pijnlijke plechtigheid zou deze vermakelijkheden voorafgaan.
Inderdaad kon de zegepraal van den overwinnaar niet volmaakt zijn
zonder de openbare vernedering der overwonnenen. Te dien einde werden
verscheidene honderden gevangenen onder de zweep der soldaten
voorgebracht. Zij waren bestemd om voorbij Feofar-Khan en zijne
bondgenooten te trekken, alvorens met hunne lotgenooten in de
gevangenissen der stad opgehoopt te worden.
Onder deze gevangenen bevond zich, in het eerste gelid, Michael
Strogoff. Overeenkomstig de bevelen van Ivan Ogareff, werd hij in het
bijzonder door een peloton soldaten bewaakt. Zijne moeder en Nadia
waren er ook bij.
De oude vrouw, altijd krachtvol, wanneer het alleen haarzelve gold, was
vreeselijk bleek. Zij verwachtte een of ander verschrikkelijk tooneel.
Het was niet zonder reden dat haar zoon voor den emir werd gebracht.
Zij koesterde dan ook de grootste vrees voor hem. Ivan Ogareff zoo in
het openbaar met dien knoet getroffen, die haar had moeten treffen, was
er de man niet naar om dit te vergeven, en zijne wraak zou geene genade
kennen. Eene of andere verschrikkelijke straf bedreigde Michael
Strogoff zeker.
Moeder en zoon waren onmeedoogend van elkander gescheiden geworden,
sedert het noodlottige voorval in het kamp van Zabediero en sedert
hadden zij elkander niet meer gesproken. Dit verergerde hunne ellende
nog meer. Marfa Strogoff had haar zoon vergeving willen vragen voor al
het kwaad dat zij hem onwillekeurig berokkend had. Indien zij zich te
Omsk, in het posthuis, had kunnen inhouden toen zij hem aldaar
toevallig ontmoette, zou Michael Strogoff zijn weg hebben kunnen
vervolgen, zonder herkend te worden, en hoeveel ongelukken zouden dan
vermeden zijn.
En Michael Strogoff van zijn kant dacht wel, dat Ivan Ogareff door
zijne moeder in zijne tegenwoordigheid te plaatsen, van plan was hen
beiden een verschrikkelijken dood te doen ondergaan. Wat Nadia betreft,
zij vroeg zich af, wat zij zou kunnen doen om beiden, moeder en zoon te
redden. Zij wist niet wat te bedenken, maar zij gevoelde wel eenigszins
dat zij vooral moest vermijden om de aandacht tot zich te trekken; dat
zij moest veinzen! Misschien dat zij daardoor de ketenen, die den leeuw
gekluisterd hielden, zou kunnen verbreken. In elk geval moest zij eene
gelegenheid afwachten om te kunnen handelen.
De meeste gevangenen waren nu voorbij den emir getrokken, en terwijl
zij voorbijtrokken, moest elk hunner knielen met het hoofd in het stof,
ten teeken van onderworpenheid. Het was de slavernij die met de
vernedering begon. Wanneer deze ongelukkigen niet snel genoeg knielden,
werden zij door de ruwe hand der wachters met geweld ter aarde
geworpen.
Alcide Jolivet en zijn makker konden een dergelijk schouwspel niet
bijwonen zonder eene wezenlijke verontwaardiging te gevoelen.
»Het is laf, laag! Laat ons heengaan,” zeide Alcide Jolivet.
»Neen!” antwoordde Harry Blount. »Wij moeten alles zien!”
»Alles zien!.... Ha!” riep Alcide Jolivet opeens uit, zijn makker bij
den arm grijpende.
»Wat scheelt u?” vroeg deze.
»Kijk Blount! Zij is het!”
»Zij?”
»De zuster van onzen reisgezel! Alléen en gevangen! Wij moeten haar
zien te redden....”
»Wees maar voorzichtig,” antwoordde Harry Blount koel. »Onze
tusschenkomst ten gunste van dat meisje zou haar eer nadeelig dan
nuttig kunnen zijn.”
Alcide Jolivet, gereed om toe te schieten, bleef dus staan, en Nadia,
die hen niet bemerkt had, trok op hare beurt voorbij den emir, zonder
zijne aandacht te trekken.
Doch na Nadia, kwam Marfa Strogoff, en daar zij zich niet snel genoeg
op den grond wierp, werd zij door de soldaten op eene ruwe wijze
geduwd.
Marfa Strogoff viel.
Haar zoon maakte zulk eene geweldige beweging dat de soldaten, die hem
bewaakten, hem nauwelijks konden bedwingen.
Doch de oude Marfa richtte zich weder op, en men was op het punt haar
voort te slepen, toen Ivan Ogareff tusschen beiden kwam, zeggende:
»Die vrouw moet hier blijven!”
Wat Nadia betreft, zij kwam weer bij de andere gevangenen terecht. Ivan
Ogareff had haar niet opgemerkt.
Michael Strogoff werd nu voor den emir gebracht en daar bleef hij
staan, zonder de oogen neer te slaan.
»Het hoofd ter aarde!” riep Ivan Ogareff toe.
»Neen,” antwoordde Michael Strogoff.
Twee wachten wilden hem dwingen te buigen, maar zij werden ter aarde
geworpen door de hand van den forschen jongen man.
Ivan Ogareff naderde Michael Strogoff.
»Gij zult sterven!” zeide hij.
»Ik zal sterven,” antwoordde Michael Strogoff trotsch; »maar uw
verradersgelaat zal daarom niet minder en voor altijd het onteerend
merk van den knoet dragen!”
Ivan Ogareff werd op dit antwoord afzichtelijk bleek.
»Wie is die gevangene?” vroeg de emir met eene stem des te dreigender,
naar mate zij kalm was.
»Een Russisch spion,” antwoordde Ivan Ogareff. Door Michael Strogoff
een spion te noemen, wist hij dat het vonnis, over hem uit te spreken,
verschrikkelijk zou zijn.
Michael Strogoff schoot op Ivan Ogareff toe, doch de soldaten hielden
hem tegen.
De emir gaf toen een teeken, waarop de geheele menigte het hoofd boog.
Vervolgens wees hij met zijne hand naar den Koran, die hem gebracht
werd. Hij opende het heilige boek en plaatste zijn vinger op een der
bladen.
Het was het toeval, of liever, naar de voorstelling der Oosterlingen,
God zelf die over het lot van Michael Strogoff zou beslissen. De volken
van Middel-Azië geven aan dit gebruik de naam van fal. Na de zin van
het vers, waarop de rechter zijn vinger gelegd heeft, uitgelegd te
hebben, passen zij het vonnis toe wat het ook zijn moge.
De emir had zijn vinger op het blad van den Koran gehouden. Het hoofd
der Ulema’s naderde nu, en las met luider stem een vers dat met deze
woorden eindigde:
»En hij zal de dingen dezer aarde niet meer zien.”
»Russisch spion,” zeide Feofar-Khan, »gij zijt gekomen om te zien wat
er in het Tartaarsche kamp omgaat! Kijk dus met beide oogen, kijk!”
XXII.
KIJK! MET BEIDE OOGEN, KIJK!
Michael Strogoff werd met gebonden armen voor den troon des emirs
geplaatst.
Zijne moeder, overstelpt door zoovele folteringen van lichaam en geest,
was in elkander gezakt, en durfde noch zien, noch hooren.
Kijk met beide oogen, kijk! had Feofar-Khan gezegd, zijne hand naar
Michael Strogoff uitstrekkende. Zonder twijfel had Ivan Ogareff, die op
de hoogte van de Tartaarsche zeden was, het gewicht dezer woorden
begrepen, want er kwam een wreede glimlach over zijne lippen.
Vervolgens had hij bij Feofar-Khan plaats genomen.
Oogenblikkelijk werd trompetgeschal vernomen. Het was het sein voor de
vermakelijkheden.
»Daar begint het ballet,” zeide Alcide Jolivet tot Harry Blount; »maar,
tegen alle gebruiken in, vertoonen die barbaren het vóor het
treurspel!”
Michael Strogoff kreeg bevel om te kijken. Hij keek.
Eene groote schaar danseressen drong het plein binnen, begeleid door
een orkest bestaande uit verscheidene Tartaarsche muziekinstrumenten,
zooals de daetare, eene soort van mandoline, de kabize, eene soort van
violoncel, de tschibirga, eene lange rieten fluit, trompetten,
tamboerijns, tam-tam’s, die met de keelgeluiden der zangers eene
zonderlinge harmonie vormden.
Terstond begonnen de dansen.
Deze danseressen waren allen van Perzischen oorsprong. Het waren geene
slavinnen en zij oefenden hun beroep in vrijheid uit. Vroeger
vertoonden zij zich officieel bij plechtige gelegenheden aan het hof
van Teheran, maar sedert het thans regeerende geslacht op den troon is,
zijn zij uit het rijk verbannen en zijn zij genoodzaakt geworden elders
hun geluk te beproeven. Zij droegen bij deze gelegenheid haar nationaal
kostuum, en, met juweelen kwistig versierd, voerden zij dan eens
alleen, dan weder in groepen, verscheidene bevallige dansen uit.
Toen deze eerste vertooning geëindigd was, liet zich eene zware stem
hooren, die zeide:
»Kijk met beide oogen, kijk!”
De man, die de woorden van den emir herhaalde, was een lange Tartaar,
de scherprechter van Feofar-Khan. Hij had achter Michael Strogoff
plaats genomen en hield eene sabel met eene breede en kromme kling in
de hand, eene dier damascener klingen die door de beroemde wapensmeden
van Karschi of Hissar gehard zijn.
In zijne nabijheid hadden de lijfwachten een drievoet geplaatst waarop
een komfoor stond, waarin gloeiende kolen brandden, die geen den
minsten rook verspreidden. De lichte walm, die over deze kolen hing,
ontstond door het verkolen van eene harsachtige en aromatische
zelfstandigheid, bestaande uit oliban, eene soort van beste Arabische
wierook en benzoën, die er over gestrooid was.
Intusschen werden de Perzische danseressen onmiddellijk door een
anderen troep danseressen opgevolgd, die van een geheel verschillend
ras waren en die Michael Strogoff oogenblikkelijk herkende.
De beide dagbladschrijvers herkenden ze ook, want Harry Blount zeide
tot zijn collega:
»Dat zijn de zigeuners van Nijni-Novgorod.”
»Dezelfde!” riep Alcide Jolivet uit. »Ik verbeeld me dat hare oogen aan
deze spionnen meer geld dan hare beenen zullen opbrengen.”
En met haar spionnen in dienst van den emir te noemen, vergiste Alcide
Jolivet zich niet.
Toen zij hare dansen geëindigd hadden, viel er een gouden regen uit de
handen van den emir, van zijne bondgenooten en van de officieren van
alle rangen, en de klank dier goudstukjes, die de cimbalen raakten,
vermengde zich met de laatste tonen der tamboerijnen en der daetaren.
»Verkwistend als plunderaars!” fluisterde Alcide Jolivet zijn metgezel
toe.
En hij zeide de waarheid, want met Tartaarsche tomans en sequinen,
regende het grootendeels Moskovische dukaten en roebels. Er heerschte
nu een oogenblik stilte en de stem van den scherprechter, die zijne
hand op den schouder van Michael Strogoff legde, sprak nog eens deze
woorden, die hunne herhaling steeds akeliger maakte:
»Kijk met beide oogen, kijk!”
Maar Alcide Jolivet merkte op dat de scherprechter ditmaal zijn blanke
sabel niet meer in de hand hield.
Intusschen was de zon aan de kimmen ondergegaan en was het
langzamerhand duister geworden. Nu drongen verscheidene honderden
slaven, die brandende toortsen droegen, het plein op. Door Sangarre
medegesleept verschenen de Perzische en zigeuner danseressen opnieuw
voor den troon van den emir. Zij wedijverden in vlugheid en het orkest
nam hoe langer hoe meer in woestheid toe.
Doch op eens, op een gegeven sein, werden al de lichten uitgebluscht,
de dansen hielden op en de danseressen verdwenen.
Op een teeken van den emir, werd Michael Strogoff midden op het plein
gebracht.
»Blount,” zeide Alcide Jolivet, »staat gij er op het einde van dat
alles te zien?”
»Niet in ’t minst,” antwoordde Harry Blount.
»Arme jongen,” voegde Alcide Jolivet er bij, terwijl hij Michael
Strogoff aanzag. »Die dappere soldaat had den dood op het slagveld
verdiend!”
»Kunnen wij niets voor zijne redding doen?” zeide Blount.
»Wij vermogen niets.”
De beide dagbladschrijvers herinnerden zich het edelmoedige gedrag van
Michael Strogoff jegens hen, en het speet hun dat zij niets voor hem
konden doen, te midden dezer Tartaren, die geen medelijden kennen. Niet
zeer verlangend om de strafoefening van dien ongelukkige bij te wonen,
keerden zij naar de stad terug. Een uur later waren zij op weg naar
Irkoetsk.
Michael Strogoff stond daar nu, op den emir een trotschen, en op Ivan
Ogareff een verachtenden blik werpende. Hij wist dat hij sterven moest
en toch zou men te vergeefs op zijn gelaat een teeken van zwakheid
gezocht hebben.
De emir gaf een wenk. Michael Strogoff, door de wachters voortgeduwd,
naderde, en toen zeide Feofar hem in de Tartaarsche taal, die hij
verstond:
»Ge zijt gekomen om te zien, spion der Russen. Ge hebt voor de laatste
maal gezien. In een oogenblik zullen uwe oogen voor altijd voor het
licht gesloten zijn!”
Michael Strogoff zou niet ter dood gebracht, maar met blindheid
geslagen worden. Verlies van het gezicht, verschrikkelijker misschien
dan het verlies van het leven! Doch Michael Strogoff verloor, toen hij
het vonnis door den emir hoorde uitspreken, den moed niet. Hij bleef
onbeweeglijk met de oogen wijd open, alsof hij in een laatsten blik
zijn geheele leven had willen samenvatten. Hij liet niet de minste
gemoedsbeweging blijken. Al zijne gedachten bepaalden zich tot zijn
mislukte zending, zijne moeder en Nadia, die hij niet meer zou
wederzien! Vervolgens maakte een gevoel van wraak zich geheel van hem
meester. Hij keerde zich naar Ivan Ogareff.
»Ivan,” zeide hij met eene dreigende stem, »Ivan de verrader, de
laatste bedreiging mijner oogen geldt u!”
Ivan Ogareff haalde de schouders op.
Maar Michael Strogoff vergiste zich. Niet terwijl hij Ivan Ogareff
aankeek, zou het licht in zijne oogen voor altijd uitgebluscht worden.
Marfa Strogoff was voor hem komen staan.
»Moeder!” riep hij uit. »Ja! ja! voor u mijn laatste blik en niet voor
dien ellendeling! Blijf daar voor mijn staan! Dat ik nog eens uw
beminnelijk gelaat aanschouwe! Dat mijne oogen u aanziende, zich
sluiten!...”
De oude vrouw naderde, zonder een woord te spreken....
»Jaagt die vrouw weg!” riep Ivan Ogareff.
Twee soldaten duwden Marfa Strogoff weg. Zij week terug, maar bleef op
eenige schreden van haar zoon staan.
De scherprechter verscheen. Ditmaal hield hij zijn blanke sabel in de
hand, en deze, witgloeiend, had hij van het komfoor genomen, waarin de
welriekende kolen brandden. Michael Strogoff zou nu, volgens
Tartaarsche gewoonte, blind gemaakt worden door de gloeiende sabelkling
langs zijne oogen te strijken!
Michael Strogoff beproefde geen tegenweer. Voor zijne oogen bestond
niets meer dan zijne moeder, die hij met zijne blikken als verslond! Al
zijn leven lag in dat gezicht besloten. Marfa Strogoff keek hem aan met
wijd opengespalkte oogen, de armen naar hem uitgestrekt!...
De gloeiende kling streek nu langs de oogen van Michael Strogoff.
Een kreet van wanhoop weergalmde. De oude Marfa viel als levenloos ter
aarde!
Michael Strogoff was blind.
Nadat zijne bevelen ten uitvoer waren gebracht, verwijderde de emir
zich met zijn geheele gevolg. Er bleef weldra niemand meer op het plein
over dan Ivan Ogareff en de toortsdragers.
Wilde die ellendeling dan zijn slachtoffer nog honen, en het nà den
scherprechter den genadeslag geven!
Ivan Ogareff naderde Michael Strogoff langzaam, die hem voelde aankomen
en zich oprichtte. Ivan Ogareff haalde den keizerlijken brief uit zijn
zak, opende hem, en, zijn spotlust bot vierende, hield hij hem voor de
uitgedoofde oogen van den koerier des czaars, zeggende:
»Lees nu, Michael Strogoff, lees, en ga te Irkoetsk vertellen wat ge
gelezen hebt! De ware koerier van den czaar is nu Ivan Ogareff!”
Dit gezegd hebbende, stak de verrader den brief weer in zijn zak.
Zonder zich om te keeren verliet hij vervolgens het plein, en de
toortsdragers volgden hem.
Michael Strogoff bleef nu alleen, bewegingloos, misschien wel dood, op
eenige schreden van zijne moeder liggen.
Men hoorde in de verte het schreeuwen, het zingen en het joelen der
brassende menigte. Tomsk was geheel verlicht, en in volle feestvreugde.
Michael Strogoff luisterde. Het plein was stil en verlaten.
Hij kroop, al tastende, naar de plaats waar zijne moeder neergestort
was. Hij vond ze, legde zijn gelaat op het hare, luisterde naar hare
ademhaling. Daarna zou men gezegd hebben dat hij haar iets
influisterde.
Leefde Marfa nog en hoorde zij wat haar zoon haar zeide? In ieder geval
verroerde zij zich niet. Michael Strogoff kuste haar voorhoofd en hare
grijze haren. Daarna richtte hij zich op, en liep met handen en voeten
rondtastende, langzamerhand naar het uiteinde van het plein.
Opeens verscheen Nadia. Zij liep recht op haar makker toe. Een dolk,
dien zij in de hand hield, diende om de touwen los te snijden, waarmede
de armen van Michael Strogoff vastgebonden waren.
Hij wist in zijn blindheid niet wie hem losmaakte, want Nadia had geen
woord geuit.
Maar toen hij los was, zeide zij: »Broeder!”
»Nadia!” stamelde Michael Strogoff, »Nadia!”
»Kom, broeder,” zeide Nadia, »mijne oogen zullen voortaan de uwe zijn,
en ik zal u naar Irkoetsk geleiden!”
XXIII.
EEN VRIEND OP DEN GROOTEN WEG.
Een half uur later hadden Michael Strogoff en Nadia Tomsk verlaten.
Dienzelfden nacht slaagden nog eenige gevangenen er in om aan de
Tartaren te ontsnappen. Officieren en soldaten verkeerden in een roes
en veronachtzaamden nu de strenge waakzaamheid, die zij, zoowel in het
kamp van Zabediero, als gedurende den marsch der konvooien hadden
betracht. Nadat Nadia aanvankelijk met de andere gevangenen was
medegevoerd, had zij later de vlucht kunnen nemen en was zij op de
bergvlakte teruggekeerd, op het oogenblik dat Michael Strogoff voor den
emir werd gebracht.
Daar had zij, tusschen de menigte verborgen, alles gezien. Geen kreet
ontsnapte haar, toen de witgloeiende kling langs de oogen van haar
makker werd gestreken. Zij had de kracht onbeweeglijk en stom te
blijven. Eene ingeving der Voorzienigheid spoorde haar, die nu vrij
was, aan om zich beschikbaar te houden om den zoon van Marfa Strogoff
tot gids te verstrekken naar het doel dat hij gezworen had te zullen
bereiken. Een oogenblik hield haar hart op te kloppen, toen de oude
Siberische vrouw als dood ter aarde stortte, maar eene gedachte schonk
haar al hare geestkracht terug.
»Ik zal,” zeide zij, »de hond van den blinde zijn!”
Na het vertrek van Ivan Ogareff had Nadia zich in het duister
verborgen. Zij had gewacht totdat de menigte de bergvlakte verlaten
had. Als een ellendig wezen, waarvan niets meer te vreezen was, lag
Michael Strogoff daar verlaten en alleen. Zij zag hoe hij zich naar
zijne moeder sleepte, hoe hij over haar heen bukte, haar op het
voorhoofd kuste, en zich eindelijk oprichtte om, al rondtastende, te
vluchten...
Eenige oogenblikken later waren beiden, hand in hand, de steile
glooiing afgedaald, en na tot aan het uiteinde der stad, de oevers der
Tom te hebben gevolgd, kwamen zij gelukkig door eene bres in de
omwalling naar buiten.
De weg naar Irkoetsk was de eenige, die zich oostwaarts richtte. Daar
kon men zich niet in vergissen. Nadia sleepte Michael snel mede. De
mogelijkheid bestond dat de veldontdekkers van den emir, den volgenden
dag, na een paar uur gezwelgd te hebben, zich in de steppen wierpen en
alle gemeenschap afsneden. Het kwam er dus op aan hen vooruit te komen,
vóor hen Krasnoïarsk, vijf honderd wersten (533 kilometer) van Tomsk,
te bereiken en vooral den grooten weg zoolang mogelijk te houden. Den
gebaanden weg te verlaten, stond gelijk met het onzekere, het
onbekende, met den dood op de snelste wijze te zoeken.
Hoe was het mogelijk dat Nadia de vermoeienissen van den nacht van 16
op 17 Augustus doorstond? Waar vond zij de noodige lichaamskracht om
zulk een langen weg af te leggen? Hoe zouden hare voeten, die door den
geweldigen marsch bloedden, haar tot daar kunnen voeren? het was bijna
onbegrijpelijk. Maar niettemin is het waar dat Michael Strogoff en zij
den anderen dag, twaalf uren na hun vertrek van Tomsk, na een tocht van
twintig wersten, het vlek Semilowskoë bereikten.
Michael Strogoff had geen woord gesproken. Nadia hield zijne hand niet
vast, maar hij de hare, gedurende den geheelen nacht en het trillen
alleen van hare hand, was voldoende geweest om hem met zijn gewonen pas
te doen voortgaan.
Semilowskoë was bijna geheel verlaten. De bewoners dier plaats waren,
uit vrees voor de Tartaren, naar de provincie Jeniseïsk gevlucht.
Nauwelijks waren er twee of drie huizen, die bewoond waren. Al wat de
plaats nuttigs of kostbaars bezat, was op karren weggevoerd.
Toch moest Nadia er een paar uur stilhouden. Zij hadden beiden behoefte
aan voedsel en aan rust.
Het meisje bracht haren makker dus naar het einde van het vlek. Daar
stond een ledig huis, met geopende deur. Zij gingen binnen. Bij den
hoogen haard aan de Siberische woningen eigen, stond eene oude houten
bank, waarop zij plaats namen.
Thans keek Nadia haar blinden makker goed in het gelaat, zooals zij het
vroeger nog nooit gedaan had. Uit haar blik straalde meer dan een
gevoel van dankbaarheid en van medelijden. Had Michael Strogoff haar
kunnen zien, hij zou in haar schoonen, droevigen blik de uitdrukking
eener onbegrensde toegenegenheid en teederheid gelezen hebben.
De door het gloeiende ijzer geblakerde oogleden van den blinde bedekten
zijne geheel verdroogde oogen slechts ten halve. Het oogvlies was licht
gerimpeld en als hoornachtig geworden, de oogappel op eene zonderlinge
wijze vergroot; het blauw van den oogappelboog scheen donkerder dan
vroeger; de oogharen en de wenkbrauwen waren half verschroeid; maar,
althans schijnbaar, was het alsof de doordringende blik van den jongen
man geene verandering had ondergaan. Zoo hij het gezicht miste, zoo
zijne blindheid volkomen was, werd dit veroorzaakt doordat de
gevoeligheid van het netvlies en van de gezichtszenuw, door de
gloeiende hitte van het staal, geheel en al vernietigd waren.
Op dit oogenblik strekte Michael Strogoff de handen uit.
»Zijt gij daar, Nadia?” vroeg hij.
»Ja,” gaf het meisje ten antwoord, »ik ben bij u en ik zal u niet meer
verlaten, Michael.”
Bij het uitspreken van zijn naam door Nadia voor de éerste maal,
sidderde Michael Strogoff. Hij begreep dat zijne gezellin alles wist,
wie hij was en welke banden hem aan de oude Marfa verbonden.
»Nadia,” hernam hij, »wij moeten scheiden!”
»Scheiden? Waarom dat, Michael?”
»Ik wil geen hinderpaal op uwe reis zijn! Uw vader wacht u te Irkoetsk.
Gij moet zorgen dat gij bij hem komt!”
»Mijn vader zou mij vervloeken, Michael, zoo ik u verliet, na al
hetgeen gij voor mij gedaan hebt!”
»Nadia! Nadia!” antwoordde Michael Strogoff, de hand van het meisje,
die zij in de zijne gelegd had, drukkende, »gij moet alleen aan uw
vader denken.”
»Michael,” hernam Nadia, »gij hebt mij meer noodig dan mijn vader!
Zoudt gij dan de reis naar Irkoetsk willen opgeven?”
»Nooit!” riep Michael Strogoff uit op een toon, die bewees dat hij
niets van zijn geestkracht verloren had.
»Maar, gij hebt den brief niet meer!....”
»Dien brief mij door Ivan Ogareff ontstolen!.... Welnu! daar kan ik
buiten, Nadia! Zij hebben mij als een spion behandeld! Ik zal nu als
een spion handelen! Ik zal te Irkoetsk gaan vertellen wat ik gezien en
wat ik gehoord heb en, bij den levenden God, zweer ik, dat de verrader
mij nog eenmaal van aangezicht tot aangezicht zal zien! Maar ik moet
vóor hem te Irkoetsk aankomen!”
»En gij spreekt van scheiden, Michael?”
»Nadia, de ellendelingen hebben mij van alles beroofd!”
»Mij blijven nog eenige roebels en mijne oogen over! Ik kan voor u
zien, Michael, en u geleiden daar, waar gij alleen niet meer zoudt
kunnen komen!”
»En hoe zullen wij gaan?”
»Te voet.”
»En hoe zullen wij aan den kost komen?”
»Al bedelend.”
»Laat ons dan gaan, Nadia!”
»Kom mee, Michael.”
De jonge lieden noemden elkander niet langer broeder en zuster. In
hunne gemeenschappelijke armoede, gevoelden zij zich nauwer aan
elkander verbonden. Beiden verlieten het huis, na een uur rust te
hebben genomen. De straten van het vlek afloopende, had Nadia zich
eenige stukken »tchornekhleb,” eene soort van gerstebrood en een weinig
mee, in Rusland bekend onder den naam van »meod,” verschaft. Het had
haar niets gekost, want zij had haar beroep van bedelares ingewijd. Het
brood en de mee hadden, zoo goed mogelijk, den honger en den dorst van
Michael Strogoff gestild. Nadia had voor hem het grootste deel van die
onvoldoende voeding afgezonderd. Hij at de stukken brood op die zijne
gezellin hem, het eene na het andere, aanbood. Hij dronk uit de
kalebas, die zij aan zijne lippen bracht.
»Eet gij wel, Nadia?” vroeg hij verscheidene malen.
»Ja zeker, Michael,” antwoordde het meisje steeds, terwijl het zich
vergenoegde met hetgeen haar makker overliet.
Michael en Nadia verlieten Semilowskoë en hernamen den moeielijken
tocht naar Irkoetsk. Het meisje weerstond de vermoeienis vol
geestkracht. Had Michael Strogoff haar kunnen zien, wellicht had hem de
moed ontbroken om verder te gaan. Maar Nadia klaagde niet en Michael
Strogoff, geene zucht vernemende, liep met eene haast, die hij niet kon
bedwingen. En waarom? Mocht hij dan hopen de Tartaren nog vóor te
blijven? Hij was te voet, zonder geld, blind, en indien Nadia, zijn
eenige gids, hem kwam te ontbreken, bleef hem niets anders over dan
zich aan den weg neder te leggen en er ellendig om te komen! Maar, zoo
hij door eene krachtige inspanning Krasnoïarsk kon bereiken, zou alles
nog niet verloren zijn, omdat de gouverneur, aan wien hij zich bekend
zou maken, niet zou aarzelen hem de middelen te verschaffen om Irkoetsk
te bereiken? Michael Strogoff vervolgde alzoo zijn weg, weinig pratende
en geheel in gedachten verzonken. Nadia leidde hem bij de hand; van
tijd tot tijd zeide Michael Strogoff tot Nadia:
»Spreek wat, Nadia.”
»Waarom, Michael? Wij denken te zamen,” antwoordde het meisje dan, maar
op een toon die geen vermoeienis verried.
Maar soms gebeurde het, dat haar hart niet meer scheen te kloppen en
dat hare knieën knikten, zoodat zij achter bleef. Michael Strogoff
hield dan stil, zocht door den donkeren sluier, die zijn gezicht
overschaduwde, het meisje gade slaan en na eene zucht geslaakt te
hebben, hield hij haar steviger vast en schreed hij weder voorwaarts.
Intusschen zou zich dien dag een gelukkig voorval opdoen, dat hun veel
vermoeienis zou besparen.
Zij hadden Semilowskoë sedert ongeveer twee uur verlaten, toen Michael
Strogoff stil stond en vroeg:
»Is de weg verlaten?”
»Geheel verlaten,” antwoordde Nadia.
»Hoort ge achter ons eenig geraas?”
»Ja, toch.”
»Indien het Tartaren zijn, moeten wij ons verbergen; kijk dus goed.”
»Wacht even, Michael!” antwoordde Nadia, terwijl zij den weg opstapte,
die eenige passen verder, eene buiging rechts maakte.
Michael Strogoff bleef een oogenblik alleen en luisterde.
Nadia kwam oogenblikkelijk terug en zeide:
»Het is eene kar door een jongen man gevoerd.”
»Is hij alleen?”
»Alleen.”
Michael Strogoff aarzelde een oogenblik. Zou hij zich verschuilen? Zou
hij trachten, zoo niet voor zich zelven, dan toch voor Nadia een
plaatsje in de kar te verkrijgen? Hij zou, des noods, naast de kar
kunnen loopen, maar Nadia, sedert den overtocht der Obi—dus reeds acht
dagen—te voet medegesleept, was geheel uitgeput.
Hij wachtte.
Spoedig bereikte de kar de kromming van den weg.
Het was een armoedig voertuig, dat met moeite drie personen kon
bevatten en dat »kibitka” wordt genoemd.
Gewoonlijk is de kibitka met drie paarden bespannen, maar deze werd
getrokken door slechts één paard, ruigharig, met een langen staart en
welks mongoolsch bloed kracht en moed aanduidde.
Zij werd door een jongen man gevoerd, die een hond naast zich had.
Nadia zag dat het jonge mensch een Rus was. Hij had een zacht, kalm
gelaat, dat vertrouwen inboezemde. Gehaast scheen hij volstrekt niet.
Hij reed zeer langzaam om zijn paard niet af te matten en men zou hem
ziende, niet gezegd hebben, dat hij een weg volgde, die elk oogenblik
door de Tartaren kon worden afgesneden.
Nadia had zich, Michael Strogoff vasthoudende, ter zijde van den weg
geplaatst.
De kibitka hield stil en de voerman zag het meisje glimlachend aan.
»En waar gaat gijlieden zoo naar toe?” vroeg hij haar, terwijl hij een
paar goedaardige, geheel ronde oogen opzette.
Op het geluid dier stem zeide Michael Strogoff tot zich zelf dat hij
haar meer gehoord had. En hij was er, ten aanzien van den voerman, zoo
door gerust gesteld, dat zijn voorhoofd dadelijk ophelderde.
»Welnu, waar gaat ge naar toe?” herhaalde de jonge man, zich nu meer
rechtstreeks tot Michael Strogoff wendende.
»Naar Irkoetsk,” antwoordde deze.
»Wel! vadertje, weet ge dan niet dat er nog wat wersten tusschen hier
en Irkoetsk liggen?”
»Dat weet ik.”
»En gij gaat te voet?”
»Te voet.”
»Gij, dat gaat! maar de juffer?...”
»Het is mijne zuster,” zeide Michael Strogoff, die het voorzichtig
achtte dezen naam weder aan Nadia te geven.
»Zoo, uwe zuster, vadertje! Maar geloof mij dat zij Irkoetsk nimmer zal
kunnen bereiken!”
»Vriend,” antwoordde Michael Strogoff naderbij komende, »de Tartaren
hebben ons van alles beroofd en ik kan u geen kopek meer aanbieden;
maar wilt gij mijne zuster opnemen, dan kan ik uw voertuig wel te voet
volgen en zal ik geen uur vertraging teweegbrengen.”
»Broeder,” riep Nadia uit, »dat wil ik niet, neen, dat wil ik niet!
Mijnheer, mijn broeder is blind!”
»Blind!” antwoordde de jonge man, met eene bewogene stem.
»De Tartaren hebben hem de oogen uitgebrand!” hernam Nadia, terwijl
zij, als om mededoogen in te roepen, hare handen uitstrekte.
»De oogen uitgebrand? Ach! arm vadertje! Ik ga naar Krasnoïarsk Waarom
zoudt gij met uwe zuster niet in de kibitka stappen. Met wat
inschikkelijkheid vinden wij er met ons drieën plaats in. Mijn hond zal
er niet tegen te hebben om te loopen. Maar ik rijd niet vlug, om mijn
paard te sparen.”
»Vriend, hoe heet gij?” vroeg Michael Strogoff.
»Ik heet Nikolaas Pigassoff.”
»Dat is een naam dien ik nimmer zal vergeten,” antwoordde Michael
Strogoff.
»Welnu, blind vadertje, stap in. Uwe zuster kan bij u, achter in de kar
zitten; ik blijf voorop om te besturen. Er ligt goede berkenschors en
gerstestroo op den grond. Het is een waar nestje. Komaan Serko, maak
plaats voor ons!”
De hond, van Siberisch ras, sprong dadelijk op den grond.
Michael Strogoff en Nadia waren aanstonds op hun gemak in de kibitka.
Michael Strogoff strekte zijne handen naar die van Nikolaas Pigassoff
uit.
»Gij wilt mijne handen drukken!” zeide Nikolaas. »Hier zijn ze,
vadertje, en druk ze zoolang ge er lust in hebt!”
De kibitka ging naar Michael Strogoff’s zin te langzaam voorwaarts maar
Nadia ondervond zooveel te minder vermoeienis.
Door het schommelen der kibitka viel zij spoedig in een diepen slaap.
Michael Strogoff en Nikolaas legerden zich zoo goed mogelijk op het
berkenloof en zoo Michael Strogoff geen traan van dankbaarheid liet,
kwam dit omdat het gloeiende ijzer den laatsten verschroeid had.
»Wat is zij lief,” zeide Nikolaas.
»Ja,” antwoordde Michael Strogoff.
»Dat wil sterk zijn, vadertje; maar hoe moedig ook, zijn die lievertjes
toch zwak! Komt ge ver weg?”
»Zeer ver.”
»Arme jongelieden! Dat uitbranden uwer oogen moet zeer smartelijk zijn
geweest!”
»Zeer smartelijk,” antwoordde Michael Strogoff, terwijl hij zich naar
Nikolaas wendde.
»Hebt gij niet geweend?”
»Zeker.”
»Ik zou ook geweend hebben, bij de gedachte van zijne geliefden niet
meer te kunnen aanschouwen! Maar zij zien u toch. Dat is wellicht een
troost.”
»Ja, misschien! Zeg eens vriend,” vroeg Michael Strogoff, »hebt gij mij
nooit ergens anders gezien?”
»U, vadertje? Neen nooit.”
»Uwe stem komt mij toch niet onbekend voor.”
»Kijk eens aan!” antwoordde Nikolaas glimlachend. »Hij kent den klank
mijner stem. Vraagt gij het misschien om te weten waar ik vandaan kom?
Welnu, ik kom van Kolivan.”
»Van Kolivan?” zeide Michael Strogoff. »Maar dan heb ik u daar ontmoet.
Waart gij op het telegraafkantoor?”
»Dat kan wel,” antwoordde Nikolaas. »Ik woonde er. Ik was de beambte
met het overseinen belast.”
»En gij zijt tot op het laatste oogenblik op uw post gebleven?”
»Wel, juist dan moet men tegenwoordig zijn!”
»Het was op een dag toen een Engelschman en een Franschman elkander, de
handen met roebels gevuld, de plaats aan uw raampje betwistten; terwijl
de Engelschman de eerste verzen uit den Bijbel telegrapheerde.”
»Dat is wel mogelijk, vadertje, maar ik herinner het mij niet!”
»Wat! gij herinnert u dat niet?”
»Ik lees nooit de dépêches die ik oversein. Daar het mijn plicht is die
te vergeten, is het de kortste weg ze niet te weten.”
Dit antwoord bevatte het beeld van Nikolaas Pigassoff.
Intusschen ging de kibitka langzaam vooruit. Het paard liep drie uur en
had dan een uur rust; dit ging zoo dag en nacht. Gedurende de halten
graasde het paard en gebruikten de reizigers wat, in gezelschap van den
trouwen Serko.
Na een dag rust, was Nadia weer wat versterkt. Nikolaas droeg zorg dat
zij het zoo goed mogelijk had. De reis werd langzaam, maar geregeld
voortgezet. Des nachts echter, als Nikolaas den slaap des
rechtvaardigen sliep, had men kunnen bespeuren hoe Michael Strogoff
zich van de teugels meester maakte en hoe de stap van het paard in den
draf overging. En al werd de stap bij het ontwaken van Nikolaas
hernomen, er was toch menige werst meer afgelegd dan de aangenomen
snelheid toeliet.
Zoo trok men over de rivier van Ichimsk, door de vlekken Ichimskoë,
Berikilskoë, Küskoë, de rivier Mariinsk, het vlek van dienzelfden naam,
Rogostowskoë en eindelijk door de Tchoela, een stroompje dat
West-Siberië van oostelijk Siberië scheidt.
Alles, langs dien weg, was verlaten. De vlekken waren bijna geheel
onbewoond. De boeren waren over de Jeniseï gevlucht, in de hoop dat
deze breede stroom de Tartaren wellicht zou tegenhouden.
Den 22sten Augustus bereikte de kibitka het stadje Atchinsk, op drie
honderd tachtig wersten van Tomsk. Honderd twintig wersten scheidden
haar nog van Krasnoïarsk. Er was niets bijzonders onder weg
voorgevallen.
Michael Strogoff had, om zoo te zeggen, het doorreisde land door de
oogen van Nikolaas en van het meisje gezien. Beurtelings hadden zij hem
alles, waar de kabitka langs ging, medegedeeld en bij die gelegenheid
bleek Nikolaas een onderhoudend verteller te zijn.
Eens vroeg Michael Strogoff hem, welk weer het was.
»Wel genoeg, vadertje,” antwoordde hij, »maar het zijn de laatste
zomersche dagen. De herfst duurt maar kort in Siberië en weldra zullen
wij de eerste winterkou gevoelen. Misschien dat de Tartaren er wel over
denken om de winterkwartieren te betrekken.”
Michael Strogoff schudde, twijfelend, het hoofd.
»Gij denkt het niet, vadertje,” antwoordde Nikolaas. »Gij gelooft dat
ze naar Irkoetsk zullen oprukken?”
»Ik vrees het,” antwoordde Michael Strogoff.
»Ja, ge hebt gelijk. Zij hebben een slecht mensch bij zich, dat hen
geen rust zal laten.—Hebt ge wel eens van Ivan Ogareff hooren spreken?”
»Ja.”
»Weet ge, dat het niet goed is om zijn land te verraden?”
»Neen.... dat is niet goed....” antwoordde Michael Strogoff, die
onverschillig wilde blijven.
»Vadertje,” hernam Nikolaas, »ik vind dat uwe verontwaardiging niet
sterk genoeg is, als er, in uwe tegenwoordigheid, over Ivan Ogareff
gesproken wordt. Ieder Russisch hart moet opspringen, als die naam
wordt uitgesproken.”
»Geloof mij, vriend,” zeide Michael Strogoff, »ik haat hem meer, dan
gij hem ooit zult kunnen haten.”
»Dat is niet mogelijk,” antwoordde Nikolaas, »neen, dat is niet
mogelijk! Wanneer ik aan Ivan Ogareff denk, en aan het kwaad dat hij
over ons heilig Rusland brengt, dan word ik door toorn bevangen, en zoo
ik hem beet had....”
»Nu, zoo ge hem beet hadt, vriend?....”
»Dan zou ik hem, geloof ik, dooden.”
»En ik, ik zou het zeker doen,” antwoordde Michael Strogoff bedaard.
XXIV.
DE OVERTOCHT DER JENISEÏ.
Tegen den avond van 25 Augustus kreeg de kibitka Krasnoïarsk in het
gezicht. De reis van Tomsk was in acht dagen afgelegd. Had Nikolaas
meer geslapen, de tocht zou in korteren tijd volbracht zijn.
Gelukkig was er nog geen sprake van de Tartaren. Geen verkenner had
zich nog vertoond op den weg door de kibitka genomen. Voor het
vertraagde oprukken naar Irkoetsk moest zeker eene gewichtige reden
bestaan.
Inderdaad bestond er zulk eene reden. Een nieuw Russisch korps, in
allerijl in het gouvernement Jeniseïsk verzameld, was naar Tomsk
gemarcheerd om het te hernemen. Maar te zwak, had het voor de troepen
van den emir moeten terugtrekken. Met inbegrip zijner eigene soldaten
en die van de khanaten Khokhand en Koendoez, telde Feofar-Khan nu twee
honderd vijftig duizend man onder zijne bevelen.
De slag van Tomsk was op 22 Augustus geleverd—hetgeen aan Michael
Strogoff niet bekend was—maar dat eene verklaring gaf voor het niet
verschijnen der voorhoede van den emir te Krasnoïarsk op den 25sten
dier maand.
Maar dit wist Michael Strogoff: dat hij de Tartaren verscheidene dagen
vóor was en dat hij er alzoo niet aan behoefde te wanhopen om vóor hen
Irkoetsk te bereiken, dat nog acht honderd vijftig wersten (900
kilometer) verwijderd was.
Te Krasnoïarsk, eene stad van twaalf duizend zielen, zouden hem geene
vervoermiddelen ontbreken. Daar Nikolaas Pigassoff er stil hield, zou
hij er een gids moeten nemen en de kibitka door een ander rijtuig
moeten vervangen. Michael Strogoff twijfelde er niet aan of hij zou, na
aan den gouverneur zijne identiteit bewezen te hebben, in staat worden
gesteld om zijne reis naar Irkoetsk spoedig te kunnen vervolgen.
Zoo Nikolaas echter te Krasnoïarsk bleef, zou hij dit alleen doen als
hij er eene betrekking had gevonden.
Inderdaad stond dit voorbeeld van een beambte er op, om, na tot de
laatste minuut op zijn post te Kolivan te zijn gebleven, zich weder ter
beschikking van de administratie te stellen.
»Waarom zou ik loon trekken, zonder het verdiend te hebben?” herhaalde
hij steeds.
Zoo hij dus daar of te Oedinsk geen dienst kon bewijzen, zou hij tot
naar de hoofdstad van Siberië trekken en dan met broeder en zuster
medereizen, die moeielijk een beteren gids konden vinden.
De kibitka was Krasnoïarsk tot op een halve werst genaderd. Men zag
links en rechts de tallooze houten kruizen, die, bij den toegang eener
stad, langs den weg staan. Het was ’s avonds zeven uur. Tegen den
helderen hemel teekenden zich de omtrekken der kerken en de gevels der
huizen af, die op het hooge voorgebergte van de Jeniseï gebouwd waren.
De wateren van den stroom weerkaatsten de laatste lichtstralen, die in
den dampkring verspreid waren.
De kabitka stond stil.
»Waar zijn wij, zuster?” vroeg Michael Strogoff.
»Hoogstens op eene halve werst van de eerste huizen,” antwoordde Nadia.
»Slaapt die stad dan?” hernam Michael Strogoff. »Er komt niet het
minste leven tot mijn gehoor.”
»En ik zie geen enkel licht in het duister schitteren, noch een
rookwolkje in de lucht opstijgen,” voegde Nadia er bij.
»Wat een zonderlinge stad,” zeide Nikolaas. »Men maakt er geen geraas,
en gaat vroeg naar bed.”
Michael Strogoff vond het een slecht voorteeken en vreesde dat zijne
hoop om te Krasnoïarsk het noodige te vinden om Irkoetsk spoedig te
bereiken, ijdel zou zijn. Nadia had zijne gedachte geraden, hoewel zij
niet vatte waarom hij, zonder den keizerlijken brief, toch Irkoetsk zoo
spoedig wilde bereiken. Zij had hem vroeger daar al eens over
onderhouden, maar hij bepaalde zich toen tot dit antwoord:
»Ik heb gezworen naar Irkoetsk te gaan.”
Maar om zijne zending te vervullen, was het een vereischte dat hij te
Krasnoïarsk een snel middel van vervoer vond.
»Wel vriend,” zeide hij tot Nikolaas, »waarom gaan we niet vooruit?”
»Omdat ik bang ben de bewoners dezer stad door het geraas mijner kar
wakker te maken!”
En daarop zette Nikolaas, met een lichten zweepslag, zijn paard aan.
Serko blafte even en toen daalde de kibitka op een drafje, den weg af
die in Krasnoïarsk uitliep.
Tien minuten later kwamen zij in de hoofdstraat.
Krasnoïarsk was verlaten. »Er was geen Athener meer in dit Noordsch
Athene” zooals mevrouw de Bourboulon het noemt. Geen rijtuigen, geen
voetgangers, geene sierlijke Siberische dames, op Fransche wijze
gekleed, in de straten.—De groote klok der hoofdkerk was stom en geen
klokkenspel liet zijne tonen hooren.
Het laatste telegram uit het kabinet van den czaar afgezonden, vóordat
de draad verbroken werd, hield het bevel in voor den gouverneur, voor
de bezetting en de inwoners, onverschillig wie ook, om Krasnoïarsk te
verlaten, al wat waarde had of den Tartaren van nut zou kunnen zijn,
medetevoeren en naar Irkoetsk de wijk te nemen. Hetzelfde was aan de
inwoners der vlekken van de provincie bevolen. Het Moskovische
gouvernement wilde eene woestijn aan de overweldigers overstellen. Deze
bevelen werden niet besproken, maar dadelijk uitgevoerd.
Michael Strogoff, Nadia en Nikolaas doorliepen stilzwijgend de stad.
Hunne voetstappen weerklonken als in eene uitgestorven plaats. Michael
Strogoff liet echter niets blijken van de teleurstelling, die hij
opnieuw ondervond.
»Lieve Hemel!” riep Nikolaas uit, »in deze woestijn zal ik mijne
bezoldiging nooit verdienen!”
»Vriend,” sprak Nadia, »gij moet met ons naar Irkoetsk gaan.”
»Ja, het moet!” antwoordde Nikolaas. »De draad moet nog in werking zijn
tusschen Oedinsk en Irkoetsk, en daar.... vertrekken we, vadertje?”
»Laat ons tot morgen wachten,” antwoordde Michael Strogoff.
»Gij hebt gelijk,” antwoordde Nikolaas. »Wij moeten de Jeniseï
overtrekken en daarbij moet men kunnen zien!”
»Kunnen zien!” mompelde Nadia, terwijl ze aan haar blinden metgezel
dacht.
Nikolaas had haar verstaan en zeide, zich tot Michael Strogoff
keerende:
»Vergeef me, vadertje. Helaas! het is waar dat dag en nacht voor u
hetzelfde zijn!”
»Verwijt u zelven niets, mijn vriend,” antwoordde Michael Strogoff, die
zijne hand over de oogen streek. »Met u tot gids, ben ik nog tot
handelen in staat. Neem dus eenige uren rust. Laat Nadia ook wat
rusten. Morgen zal het dag zijn!”
Michael Strogoff, Nadia en Nikolaas vonden spoedig eene rustplaats in
een openstaand ledig huis. Na voor een eenvoudig beeld der Panaghia
geknield te hebben, sliepen Nikolaas en het meisje spoedig in, terwijl
Michael Strogoff, die den slaap niet kon vatten, wakende bleef.
Des anderen daags, 26 Augustus, vóor het aanbreken van den dageraad,
reed de kabitka een berkenbosch bij de stad door en begaf ze zich naar
den oever der Jeniseï.
Michael Strogoff was zeer bezorgd hoe hij het zou aanleggen om dien
breeden stroom over te steken. In gewone omstandigheden duurt de
overtocht met ponten, bijzonder ingericht tot vervoer van reizigers,
voertuigen en paarden, drie uur en gaat dan nog met de uiterste moeite
gepaard. Hoe zou de kabitka nu, bij gebreke van eenig vaartuig, de
overzijde bereiken?
»Ik zal er over komen, hoe het ook ga,” zeide Michael Strogoff telkens.
De dag begon aan te breken, toen de kabitka op den linkeroever aankwam,
dezelfde waar eene der lanen van het berkenbosch op uitkwam. De oever
was hier honderd voet boven den waterspiegel verheven. Men kon de
Jeniseï hier dus over eene groote uitgestrektheid waarnemen.
»Ziet ge eene pont?” vroeg Michael Strogoff, naar alle zijden
rondkijkende, alsof hij zijn gezicht nog had. »Het is nauwelijks dag,
broeder,” antwoordde het meisje. »De nevel hangt nog te zwaar over den
stroom, zoodat men zijne wateren niet kan onderscheiden.”
»Ik hoor ze loeien,” antwoordde Michael Strogoff. Inderdaad liet zich
uit de onderste lagen van den nevel een dof geraas van stroomen en
tegenstroomen vernemen, die tegen elkander inwerkten. De op dit
tijdstip des jaars zeer gestegen wateren, stroomden met het geweld van
een stortvloed af. Allen luisterden, in afwachting dat de gordijn van
nevelen zou optrekken. De zon steeg boven den gezichteinder en hare
eerste stralen zouden deze dampen spoedig opslurpen.
»Welnu?” vroeg Michael Strogoff.
»De nevelen beginnen weg te drijven, broeder,” antwoordde Nadia, »en
het daglicht breekt er al doorheen.”
»Ziet ge den waterspiegel nog niet, zuster?”
»Nog niet.”
»Een weinig geduld, vadertje,” zeide Nikolaas. »Het zal alles
verdwijnen! Hoor! daar zet de wind op! Hij begint dien nevel al te
verstrooien. De hooge heuvelen van den rechteroever vertoonen hunne
boomrijen reeds. Alles gaat weg! Alles vervliegt! De goedige stralen
der zon hebben dien berg van nevelen al verdikt. Ach! mijn arme blinde,
hoe schoon is dat en wat een ongeluk voor u, dat gij zulk een
schouwspel niet meer kunt zien!”
»Ziet gij een vaartuig?” vroeg Michael Strogoff.
»Geen enkel,” was het antwoord van Nikolaas.
»Zie goed rond, mijn vriend, op dezen en op den tegenoverliggenden
oever, zoover uw gezicht reikt. Een vaartuig, eene boot, een kano van
boomschors!”
Nikolaas en Nadia hadden zich, terwijl zij zich aan de meest
vooruitgeschoven berkeboomen op het voorgebergte vasthielden, over den
stroom gebogen. Een onmetelijk veld strekte zich toen voor hun blik
uit. Op deze plaats is de Jeniseï niet minder dan anderhalve werst
breed en vormt zij twee armen van ongelijke grootte, waardoor het water
met snelheid afstroomde. Tusschen deze armen lagen onderscheidene
eilanden met elzen, wilgen en populieren begroeid, die even zoovele
groenachtige vaartuigen schenen, in den stroom voor anker liggende.
Maar een werkelijk vaartuig was er niet te ontdekken, noch op den
linker- noch op den rechteroever, noch op den oever der eilanden. Allen
waren op hoog bevel medegenomen of vernield. Zeker was het, dat, zoo de
Tartaren uit het zuiden niet het materieel voor eene schipbrug lieten
komen, hun marsch naar Irkoetsk gedurende zekeren tijd door den
hinderpaal, dien de Jeniseï opleverde, zou worden tegengehouden.
»Ik herinner mij iets,” zeide Michael Strogoff. »Hoogerop, bij de
laatste huizen van Krasnoïarsk, is eene kleine inschepingshaven. Daar
landen de ponten. Vriend, laten wij stroomopwaarts gaan en zien of er
geene boot op den oever vergeten is.”
Nikolaas snelde in de aangewezen richting voort. Nadia had Michael
Strogoff bij de hand genomen en leidde hem, snel voortstappende. Eene
boot, eene eenvoudige sloep groot genoeg om de kabitka te dragen of,
bij gebreke van haar, hen die ze tot hier gebracht had, en Michael
Strogoff zou niet schromen om den overtocht te beproeven!
Twintig minuten later hadden alle drie het haventje van inscheping
bereikt, welks laatste huizen den waterspiegel raakten.
Maar er lag geen enkel vaartuig op den oever; geen bootje aan den
steiger die tot inschepingsplaats diende, zelfs niet om een vlot samen
te stellen, dat drie personen kon dragen.
Michael Strogoff had Nikolaas ondervraagd en deze had hem het
ontmoedigende antwoord gegeven, dat de overtocht van den stroom hem ten
eenenmale ondoenlijk toescheen.
»Wij zullen er overgaan,” antwoordde Michael Strogoff.
In de verlaten woningen van Krasnoïarsk zoekende, maar niets vindende
wat hun van nut kon zijn, hoorden Nikolaas en het jonge meisje zich
eensklaps aanroepen.
Beiden liepen naar den oever terug, waar zij Michael Strogoff op den
drempel eener woning vonden staan.
»Komt!” riep hij hun toe.
Nikolaas en Nadia volgden hem in de hut.
»Wat is dat?” vroeg Michael Strogoff, onderscheidene voorwerpen, die
achter in een spijskelder opgehoopt waren, met de hand aanrakende.
»Een half dozijn lederen zakken,” antwoordde Nikolaas.
»Zijn ze vol?”
»Ja, vol koemijss.”
De »koemijss” is een drank vervaardigd uit melk van eene merrie of van
een wijfjes-kameel; een versterkende, bedwelmende drank en Nikolaas was
met die vondst zeer in zijn schik.
»Zet er een ter zijde, maar ledig de anderen,” zeide Michael Strogoff.
»Dadelijk, vadertje.”
»Dat zal ons helpen om de Jeniseï over te steken.”
»En het vlot?”
»De kibitka, die licht genoeg is om te drijven, terwijl wij haar en het
paard bovendien met de lederen zakken zullen steunen.”
»Goed bedacht, vadertje,” riep Nikolaas uit, »en met Gods hulp zullen
wij in eene goede haven aanlanden .... misschien niet in eene rechte
lijn, want de stroom is zoo snel!”
»Wat maakt dat!” antwoordde Michael Strogoff. »Eerst er over en dan
zullen wij aan de overzijde den weg naar Irkoetsk wel vinden.”
»Aan het werk,” zeide Nikolaas, die de zakken al ledigde en ze naar de
kibitka droeg.
Een zak met koemijss werd bewaard; de anderen aan de kibitka en het
paard bevestigd, waardoor het vlot gevormd was.
»Zult ge niet bang zijn, Nadia?” vroeg Michael Strogoff.
»Neen, broeder,” antwoordde het meisje.
»En gij, vriend?”
»Ik!” riep Nikolaas uit. »Ik zie nu een mijner droomen verwezenlijkt:
in eene kar te varen!”
De hellende oever te dezer plaatse was bijzonder geschikt om de kibitka
te water te laten. In een oogenblik dreef alles, terwijl Serko dapper
rondzwom.
Michael Strogoff hield de teugels van het paard en op aanwijzing van
Nikolaas stuurde hij het dier in schuinsche richting. Zoolang de
kibitka den stroomdraad volgde, ging alles goed en na weinige minuten
was ze de kaden van Krasnoïarsk voorbij. Zij dreef naar het noorden af
en het was blijkbaar dat zij den anderen oever ver beneden de stad zou
bereiken.
De overtocht der Jeniseï zou dus zonder groot bezwaar volbracht zijn,
zonder de draaikolken; maar, niettegenstaande al de krachtsinspanning
die Michael Strogoff betoonde, werd de kibitka onwederstaanbaar in een
dier trechters medegesleept.
Toen werd het gevaar groot. De kibitka dreef niet meer naar den
oostelijken oever af, maar zij draaide met een uiterste snelheid in een
cirkel rond. Het paard kon het hoofd bijna niet meer boven water houden
en stikte bijna, terwijl Serko op de kibitka een steunpunt had gezocht.
Michael Strogoff begreep wat er omging. Hij voelde dat hij werd
medegesleept langs eene zich steeds vernauwde cirkelvormige lijn,
waaruit geen ontkomen mogelijk was. Maar hij kon niet zien!
Nadia was stil. Zij hield zich krampachtig aan de stijlen van de kar
vast, heen en weer geschommeld door de ongeregelde bewegingen van den
toestel, die meer en meer naar het middelpunt van samendrukking
overhelde.
Wat Nikolaas betreft, hij was volmaakt kalm. Het was alsof hij het
leven van geene waarde beschouwde, gelijk de Oosterlingen, die het een
logement voor vijf dagen noemen, dat men den zesden dag, goed of
kwaadschiks, moet verlaten. De glimlach verliet zijn gelaat niet.
De kibitka bleef dus in den maalstroom ronddraaien, terwijl het paard
af was. Eensklaps ontdeed Michael Strogoff zich van de kleederen die
hem konden hinderen en wierp zich te water; daarna greep hij met kracht
den teugel van het verschrikte paard en duwde het door een krachtigen
stoot buiten de aantrekkingskracht van de draaikolk, waarna de kibitka
weder in den macht van den snellen stroom gekomen, met vernieuwde vaart
afdreef.
»Hoezee!” schreeuwde Nikolaas.
Eerst twee uur na het te waterlaten, was de kibitka den breedsten
stroomarm overgestoken en landde zij op den oever van een eiland, zes
wersten beneden het punt van vertrek gelegen. Daar werd de kar door het
paard op den oever getrokken en kreeg dit een uur rust. Vervolgens werd
het eiland in zijne volle breedte doorgetrokken, waarna men zich op den
oever van den kleinsten arm der Jeniseï bevond.
Deze overtocht ging gemakkelijk, hoewel de stroom zoo snel was dat de
kibitka den rechteroever eerst vijf wersten stroomafwaarts bereikte. In
het geheel bedroeg de afwijking nu elf wersten.
Die groote stroomen op het Siberisch grondgebied, waarover nergens nog
eene brug geslagen is, zijn een groot beletsel voor de gemeenschap.
Allen waren Michael Strogoff noodlottig geweest. Op de Irtisch werd de
pont, die hem en Nadia vervoerde, door de Tartaren aangetast. Op de Obi
was hij, nadat zijn paard door een kogel getroffen was, slechts door
een wonder aan de hem vervolgende ruiters ontsnapt. Bij slot van
rekening had de overtocht der Jeniseï nog de minste ongelukken
opgeleverd.
»Het zou niet zoo vermakelijk zijn geweest,” riep Nikolaas, zich in de
handen wringende, uit, »indien het niet zoo moeitevol was geweest!”
»Wat voor ons moeilijk is geweest, vriend,” antwoordde Michael
Strogoff, »zal den Tartaren misschien onmogelijk zijn.”
XXV.
EEN HAAS OVER DEN WEG.
Eindelijk mocht Michael Strogoff gelooven, dat de weg tot Irkoetsk vrij
was. Hij was de Tartaren, die te Tomsk werden achter gehouden, vooruit
en de soldaten van den emir zouden te Krasnoïarsk slechts eene verlaten
stad vinden. Tenzij zij eene, moeielijk te plaatsen schipbrug
medebrachten, zou de overtocht bijna onmogelijk zijn.
Voor het eerst, na de noodlottige ontmoeting met Ivan Ogareff te Omsk,
gevoelde de koerier van den czaar zich minder ongerust en hoopte hij nu
geen hinderpalen meer te ontmoeten.
Na in eene schuinsche richting een vijftiental wersten naar het
zuidoosten te zijn gedaald, vond de kibitka den langen steppenweg weder
terug en sloeg zij dien in.
De weg was goed en zelfs wordt het gedeelte, dat zich tusschen
Krasnoïarsk en Irkoetsk uitstrekt, als het beste beschouwd. Minder
schokken der reizigers, schaduw tegen de zonnehitte en soms pijnboom-
en cederwouden ter lengte van honderd wersten. Maar dit rijke land was
toen ontvolkt. Overal verlaten vlekken. Geen Siberische boeren meer met
den Slavischen gelaatstrek. Het was de woestijn en, zoo als men weet,
de woestijn op hoog bevel.
Het weder was schoon, maar de lucht, die ’s nachts reeds koel was, werd
door de zonnestralen zoo gemakkelijk niet meer verwarmd. Men was dan
ook in de eerste dagen van September, en op deze hooge breedte wordt de
dagboog zichtbaar kleiner boven den gezichteinder. De herfst duurt er
slechts kort, hoewel dit gedeelte van Siberië niet boven den vijf en
vijftigsten parallel—die van Edinburgh en Kopenhagen—gelegen is. Soms
volgt de winter plotseling op den zomer. Het moeten zeer voorspoedige
winters zijn, die winters van Aziatisch-Rusland, gedurende welke de
thermometer tot op het vriespunt der kwik daalt [7] en waar men
gemiddelden van twintig honderddeelige graden onder nul, een draaglijke
temperatuur rekent.
Het weder was den reizigers dus gunstig. Het was noch storm- noch
regenachtig. De warmte was matig, de nachten waren koel. Nadia en
Michael Strogoff bleven gezond en, sedert zij Tomsk verlaten hadden,
waren zij langzamerhand van hunne vermoeinissen bekomen.
Wat Nikolaas Pigassoff betrof, deze was nooit zoo welvarend geweest.
Deze reis was voor hem eene wandeling, een aangenaam uitstapje, waartoe
hij zijn vrijen tijd, als ambtenaar buiten dienst, besteedde.
»Zeker,” zeide hij, »is het beter dan twaalf uur daags, op een stoel,
met den stroomafsluiter van den telegraaftoestel in de hand te zitten!”
Michael Strogoff had Nikolaas kunnen overreden om zijn paard wat meer
gang te geven, zoodat gemakkelijk zestig wersten in het etmaal konden
worden afgelegd, zonder dat het dier werd uitgeput.
Nikolaas had vooral toegegeven om Nadia en haar broeder spoediger hun
vader te doen wederzien. Ook zeide hij glimlachend tegen haar:
»Hemelsche goedheid! wat zal de heer Korpanoff blijde zijn als hij u
wederziet, als zijne armen zich zullen openen om u te omhelzen! Als ik
tot Irkoetsk ga—en dat komt mij nu wel waarschijnlijk voor—mag ik dan
bij die ontmoeting zijn? Ja, niet waar?”
Daarop sloeg hij zich tegen het voorhoofd en zeide hij:
»Maar ook welk eene droefheid, als hij zal bespeuren dat zijn arme,
kloeke zoon blind is! Ach! wat is alles in deze wereld toch
dooreengemengd.”
Een en ander had het gevolg dat de kibitka sneller reed en naar de
berekening van Michael Strogoff nu tien à twaalf wersten in het uur
aflegde.
Dientengevolge kwamen de reizigers op 28 Augustus tot voorbij het vlek
Balaisk op tachtig wersten van Krasnoïarsk en den 29sten voorbij het
vlek Ribinsk, op veertig wersten van Balaisk.
Den volgenden dag, kwam zij, vijf en dertig wersten verder, te Kamsk
aan, een aanzienlijker stadje, besproeid door de rivier van dienzelfden
naam en behoorende tot het stroomgebied van de Jeniseï, die van het
Saïansk-gebergte afvloeit. Als stad is het niet van veel gewicht; de
huizen zijn schilderachtig om een marktplein geplaatst; terwijl de
hooge klokketoren der hoofdkerk alles overziet en zijn verguld kruis in
de zon laat schitteren.
Ledige huizen en een verlaten kerk. Geen wisselplaats meer, geene
herberg meer die bewoond was. Geen paard op stal. Geen huisdier in de
steppe. De bevelen van het Moskovische gouvernement waren met volkomen
gestrengheid uitgevoerd. Wat niet medegevoerd kon worden, was vernield.
Toen zij Kamsk uitreden, vertelde Michael Strogoff aan Nadia en aan
Nikolaas dat zij nu nog slechts een eenigszins belangrijk stadje,
Nijni-Oedinsk, zouden ontmoeten, voor dat zij Irkoetsk bereikten.
Nikolaas antwoordde dat hij zulks wist, daar er een telegraafkantoor in
die plaats bestond. Was Nijni-Oedinsk dus evenzeer verlaten als Kamsk,
dan zou hij, om bezigheid te vinden, verplicht zijn tot de hoofdstad
van Oost-Siberië door te gaan.
De kibitka kwam op eene waadbare plaats gemakkelijk het riviertje over,
dat den weg voorbij Kamsk snijdt. Bovendien was tusschen de Jeniseï en
de Angara, aan eerstgenoemde schatplichtig en die Irkoetsk besproeit,
geen hindernis van eenigen belangrijken stroom—de Dinka misschien
uitgezonderd—te vreezen.
Van Kamsk naar het eerstvolgende vlek, was het een lange weg, bijna
honderd wersten. De vastgestelde halten moesten dus in acht genomen
worden, wilde men zich, zooals Nikolaas zeide, »niet aan een billijk
beklag van het paard blootstellen.” Er was met dit moedige dier
overeengekomen dat het om de vijftien wersten zou rusten en wanneer men
eene overeenkomst sluit, eischt de billijkheid, zelfs tegenover dieren,
dat men zich aan de bepalingen dier overeenkomst houde.
Na het riviertje Birioesa overgetrokken te zijn, bereikte de kibitka,
in den morgen van 4 September, Birioesinsk.
Daar vond Nikolaas, wiens voorraad uitgeput raakte, gelukkig een dozijn
»pogatchas” eene soort van koeken met schapenvet toebereid en eene
goede hoeveelheid rijst in water gekookt. Dit buitenkansje kwam ter
rechter tijd den voorraad koemijss versterken, waarvan de kibitka te
Krasnoïarsk voldoende voorzien was.
Na eene behoorlijke halte werd de reis in den namiddag van 8 September
hervat. De afstand tot Irkoetsk bedroeg nog slechts vijf honderd
wersten. Achter hen was nog niets van de voorhoede der Tartaren te
bespeuren. Michael Strogoff had dus grond om te gelooven dat zijne reis
geene verhindering meer zou ondervinden en dat hij binnen acht, of
hoogstens tien dagen, voor den grootvorst zou staan.
Bij het uitkomen van Birioesinsk sprong een haas dwars over den weg, op
dertig pas vóor de kibitka.
»Ach!” zeide Nikolaas.
»Wat scheelt u, vriend?” vroeg Michael Strogoff haastig als een blinde,
die op het minste gerucht let.
»Hebt ge het dan niet gezien?....” zeide Nikolaas, wiens lachend gelaat
plotseling een sombere plooi had aangenomen.
Daarna liet hij er op volgen:
»O! neen! gij kondt het niet zien en dat is gelukkig voor u, vadertje!”
»Maar ik heb niets gezien,” zeide Nadia.
»Zooveel te beter! zooveel te beter! Maar ik.... ik heb gezien!....”
»Wat dan?” vroeg Michael Strogoff.
»Een haas die onzen weg kruiste!” antwoordde Nikolaas.
Wanneer een haas den weg van een reiziger kruist, wil het volksgeloof
in Rusland daarin het voorteeken van een aanstaand ongeluk zien.
Even bijgeloovig als het meerendeel der Russen, had Nikolaas de kibitka
stil laten staan.
Hoewel Michael de bijgeloovigheid ten aanzien van hazen, die iemands
weg kruisen, niet deelde, begreep hij de aarzeling van zijn metgezel en
trachtte hij hem gerust te stellen.
»Vriend,” zeide hij, »er is niets te vreezen.”
»Voor u en voor haar niet, vadertje, dat weet ik, maar voor mij wel,”
antwoordde Nikolaas.
En daarna hernam hij:
»Het is het noodlot.”
En hij zette zijn paard weer in den draf.
Intusschen ging de dag, niettegenstaande het ongunstige voorteeken,
zonder ongeluk voorbij.
Den volgenden dag, op den middag, hield de kibitka in het vlek
Alsaleïsk stil, dat even verlaten was als de geheele omstreek.
Daar vond Nadia, op den drempel eener woning, twee van die messen met
sterk lemmet, bij de Siberische jagers in gebruik. Zij gaf er een aan
Michael Strogoff, die het onder zijne kleederen verborg, terwijl zij er
een voor zich hield. De kibitka was nu nog vijf en zeventig wersten van
Nijni-Oedinsk af.
Gedurende de beide laatste dagen had Nikolaas zijne gewone goede luim
maar niet teruggekregen. Het kwade voorteeken had hem meer aangedaan,
dan men zou kunnen gelooven, en hij, die anders geen uur zonder praten
was, verviel nu dikwijls in een langdurig stilzwijgen, waaruit Nadia
hem slechts met moeite opwekte. Die verschijnselen waren werkelijk die
van een getroffen geest, dat zich bij lieden van een Noorsch ras
verklaart, als men bedenkt dat hunne voorvaderen de stichters waren der
Noordsche fabelleer.
Van Ekaterinenburg uitgaande loopt de weg naar Irkoetsk bijna
evenwijdig met de vijf en vijftigsten graad noorderbreedte; maar
Birioesinsk verlatende, buigt hij schuins naar het zuidoosten af,
zoodat hij den honderdsten meridiaan oosterlengte dwars doorsnijdt. Hij
bereikt de hoofdstad van Oost-Siberië op de kortste wijze door de
laatste hellingen van het Saïansk-gebergte over te gaan. Deze bergen
zijn zelven slechts een uitspruitsel van de Altaï-keten, die op een
afstand van twee honderd wersten zichtbaar is.
De kibitka snelde dus op dien weg voort. Ja, zij snelde voort! Men
gevoelde dat Nikolaas zijn paard niet meer spaarde en dat hij spoed
maakte om aan te komen. Niettegenstaande zijne fatalistische
onderworpenheid, geloofde hij dat hij eerst binnen de wallen van
Irkoetsk veilig zou zijn. Vele Russen zouden met hem van dezelfde
gedachten zijn geweest en menigeen onder hen, zou, na het oversteken
van zijn weg door een haas, dadelijk omgekeerd zijn.
Intusschen leidden eenige opmerkingen die hij maakte en wier juistheid
door Nadia, na ze aan Michael Strogoff medegedeeld te hebben,
beoordeeld werden, er toe om te vreezen dat de reeks van beproevingen
voor hen nog niet geëindigd zou wezen.
Inderdaad, mocht de grond van af Krasnoïarsk in zijne natuurlijke
voortbrengselen al gespaard zijn, de wouden begonnen nu de sporen van
vuur en zwaard te vertoonen; de weiden langs den weg waren verwoest en
het was blijkbaar dat een aanzienlijke troep daar voorbijgetrokken was.
Dertig wersten aan deze zijde van Nijni-Oedinsk konden de sporen eener
kortelings plaats gehad hebbende verwoesting niet geloochend worden en
deze was onmogelijk anders dan aan de Tartaren toe te schrijven.
Ook vertoonden zich half afgebroken of verbrande huizen, terwijl, op de
muren der woningen, de indrukken van kogels zichtbaar waren.
Men begrijpt licht hoe ongerust Michael Strogoff was. Er viel niet meer
aan te twijfelen dat eene afdeeling Tartaren kort geleden dit gedeelte
van den weg was langs gekomen en toch konden het de soldaten van den
emir niet zijn geweest, want deze konden hen niet vooruit zijn gekomen,
zonder dat hij ze gezien had. Maar wie waren dan die nieuwe
overweldigers en langs welken zijweg waren zij uit de steppe op den
grooten weg naar Irkoetsk gekomen. Met welke nieuwe vijanden zou de
koerier van den czaar nu weer te doen krijgen?
Deze beduchtheid deelde Michael Strogoff noch aan Nikolaas, noch aan
Nadia mede, omdat hij hen niet ongerust wilde maken.
Bovendien had hij besloten zijn weg te vervolgen, zoolang geen
onoverkomelijk beletsel hem tegenhield. Later zou hij zien, wat hem te
doen stond.
Den volgenden dag vertoonden zich, meer en meer, de sporen van den
doortocht van een sterken troep ruiters en voetknechten. Rookwolken
waren aan den gezichteinder merkbaar. De kibitka ging behoedzaam
voorwaarts.—Eenige huizen van het vlek brandden nog en zeker was het
geen vier en twintig uur geleden dat ze in brand waren gestoken.
Eindelijk hield de kibitka den 8sten September stil. Het paard weigerde
om vooruit te gaan. Serko blafte op eene erbarmelijke wijze.
»Wat is er?” vroeg Michael Strogoff.
»Een lijk!” antwoordde Nikolaas, die uit de kibitka sprong.
Het lijk was dat van een moejiek, vreeselijk verminkt en reeds koud.
Nikolaas maakte een kruis. Daarna bracht hij, door Michael Strogoff
geholpen, het lijk naar den berm van den weg. Hij had het een
behoorlijk graf willen geven, het diep willen begraven, opdat de
roofdieren der steppe de ellendige overblijfselen niet zouden
verscheuren, maar Michael Strogoff liet er hem den tijd niet voor.
»Laat ons vertrekken, vriend, laat ons vertrekken!” riep hij. »Wij
mogen zelfs geen uur vertragen!”
En de kibitka reed weder voorwaarts.
Overigens zou Nikolaas toch niet in staat zijn geweest de laatste eer
te bewijzen aan alle dooden, die hij voortaan op den Siberischen
grooten weg zou ontmoeten! Bij het naderen van Nijni-Oedinsk lagen de
lichamen bij twintigtallen op den grond.
Men moest den weg echter volgen, totdat het blijkbaar onmogelijk werd
dit te doen, zonder in de handen der overweldigers te vallen. De
reisweg werd dus niet gewijzigd en nochtans namen, bij elk vlek, de
verwoesting en de bouwvallen steeds toe. Al deze dorpen, wier namen
aanwezen, dat zij door Poolsche ballingen werden gesticht, waren aan de
ijselijkheden van plundering en brand overgeleverd. Het bloed der
slachtoffers was nog niet eens volkomen gestold. Onder welke
omstandigheden deze noodlottige voorvallen plaats hadden gegrepen, was
niet uit te maken. Er was geen levend wezen over om het te vertellen.
Dienzelfden dag, tegen vier uur des avonds, bespeurde Nikolaas aan den
gezichteinder de hooge klokketorens der kerken van Nijni-Oedinsk. Zij
waren gehuld in zware dampen, die geene wolken schenen te zijn.
Nikolaas en Nadia keken en deelden den uitslag hunner waarnemingen aan
Michael Strogoff mede. Er moest een besluit worden genomen. Was de stad
verlaten, dan kon men haar zonder gevaar doortrekken, maar zoo de
Tartaren haar bezetten, moest men tot elken prijs er om heen trekken.
»Laten wij voorzichtig vooruit gaan,” zeide Michael Strogoff, »maar
laat ons vooruit gaan!”
Er werd nog eene werst afgelegd.
»Het zijn geene wolken, het is rook!” riep Nadia uit. »Broeder, men
steekt de stad in brand!”
Inderdaad, was het maar al te blijkbaar. Zwartachtige schijnsels
vertoonden zich te midden der dampen. Die dwarrelende wolken werden
steeds dikker en stegen hemelwaarts. Overigens, nergens een
vluchteling. Het was waarschijnlijk dat de brandstichters de stad
verlaten hadden gevonden en dat ze haar nu verbrandden. Maar waren het
Tartaren die dus te werk gingen? Of Russen die aan de bevelen van den
grootvorst gehoorzaamden? Had het gouvernement van den czaar gewild dat
van af Krasnoïarsk en van af de Jeniseï, geene stad, geen vlek eene
schuilplaats aan de soldaten van den emir zouden kunnen aanbieden? Wat
Michael Strogoff aangaat, moest hij zijne reis staken of haar
vervolgen?
Hij was besluiteloos. Maar na het voor en tegen gewogen te hebben,
meende hij dat, welke vermoeienissen de steppen ook opleverden, hij
zich niet moet blootstellen eene tweede maal in handen der Tartaren te
vallen. Hij wilde dus aan Nikolaas voorstellen den weg te verlaten en
hem, zoo noodig, niet te hernemen alvorens Nijni-Oedinsk omgereden te
zijn, toen er, ter rechterzijde, een schot viel. Het gefluit van een
kogel werd gehoord en het paard der kibitka viel, in den kop getroffen,
dood neder.
Op hetzelfde oogenblik wierp zich een dozijn ruiters op den weg en
omsingelden het rijtuig. Zonder dat Michael Strogoff, Nadia en Nikolaas
zich van het gebeurde eenige rekenschap konden geven, waren zij
gevangen genomen en werden zij snel naar Nijni-Oedinsk medegesleept.
Michael Strogoff had, gedurende dezen plotselingen aanval, niets van
zijne koelbloedigheid verloren. Zijne vijanden niet kunnende zien, had
hij er niet aan gedacht zich te verdedigen. En al had hij het gebruik
zijner oogen gehad, hij zou het nochtans niet beproefd hebben. Hij zou
den dood te gemoet geloopen zijn. Maar kon hij niet zien, hij kon
hooren en begrijpen wat zij zeiden.
Inderdaad herkende hij aan hunne spraak dat de soldaten Tartaren waren
en aan hunne woorden, dat zij de voorloopers van het leger der
overweldigers waren.
Ziehier overigens wat Michael Strogoff vernam zoo uit de gesprekken die
nu in zijne tegenwoordigheid gevoerd werden, als uit stukken van
samensprekingen, die hij later opving.
Deze soldaten stonden niet onder rechtstreeksch bevel van den emir, die
nog aan gene zijde van de Jeniseï werd opgehouden. Zij behoorden tot de
derde kolonne, meer uitsluitend samengesteld uit Tartaren van de
Khanaten Khokhand en Koendoez, waarmede het leger van Feofar zich
weldra in de omstreken van Irkoetsk zou vereenigen.
Op raad van Ivan Ogareff en ten einde het slagen van den inval in de
oostelijke provinciën te verzekeren, was deze kolonne, na de grens van
het gouvernement Semipalatinsk overschreden te hebben en het meer
Balkhach ten zuiden langs getrokken te zijn, verder langs den voet van
het Altaï-gebergte opgemarcheerd. Onder aanvoering van een officier van
den khan van Koendoez plunderende en vernielende, had zij den bovenloop
der Jeniseï bereikt. Daar had die officier, vóoruitziende wat op bevel
van den czaar te Krasnoïarsk geschied was en om den overtocht van den
stroom voor de troepen van den emir te vergemakkelijken, eene kleine
vloot te water gelaten, die hetzij als vaartuigen, hetzij als
bruggenmaterieel, Feofar in staat zou stellen op den rechteroever den
weg naar Irkoetsk te vervolgen. Daarna was deze derde kolonne na den
voet van het gebergte te zijn omgetrokken in de vallei der Jeniseï
afgedaald en had zij genoemden weg ter hoogte van Alsalevsk weder
bereikt. Dit was de oorzaak van de vreeselijke ophooping van
bouwvallen—het kenmerkende der Tartaarsche oorlogen—die van af dat
stadje werden waargenomen. Nijni-Oedinsk had het algemeene lot
ondergaan en de Tartaren, ten getale van vijftig duizend man, hadden
het reeds verlaten om de eerste stellingen voor Irkoetsk in te nemen.
Binnenkort zouden zij met de troepen van den emir vereenigd zijn.
Zoo was de toestand op dit oogenblik; een toestand allerernstigst voor
dit geheel afgezonderd gedeelte van oostelijk Siberië en de
betrekkelijk weinig talrijke verdedigers van zijne hoofdstad.
Michael Strogoff wist dus het volgende: aankomst voor Irkoetsk van eene
derde Tartaarsche kolonne en aanstaande vereeniging van den emir en van
Ivan Ogareff met het gros hunner troepen. Bij gevolg was de insluiting
van Irkoetsk en hare overgaaf, slechts eene zaak van tijd, wellicht van
slechts zeer korten tijd.
Men begrijpt door welke gedachten Michael Strogoff bestormd werd! Wie
zou er verwonderd zijn geweest, zoo hij eindelijk allen moed, elke hoop
verloren had? Toch was dit zoo niet en prevelden zijne lippen slechts
deze woorden:
»Ik zal er komen!”
Een half uur na den aanval der Tartaarsche ruiters deden Michael
Strogoff, Nikolaas en Nadia hun intocht binnen Nijni-Oedinsk. De
getrouwe hond was hun, maar van verre, gevolgd. Zij zouden zich in de
stad niet ophouden die in brand stond en op het punt was van door de
laatste stroopers verlaten te worden.
De gevangenen werden dus te paard gezet en snel medegevoerd. Nikolaas,
gelaten als altijd, Nadia in haar vertrouwen in Michael Strogoff niet
het minst geschokt en Michael Strogoff oogenschijnlijk onverschillig,
maar gereed om elke gelegenheid tot ontvluchting aan te grijpen.
De Tartaren hadden spoedig bemerkt dat een hunner gevangenen blind was
en hunne aangeboren barbaarschheid dreef hen aan om zich met den
ongelukkige te vermaken. Men schreed snel voorwaarts. Het paard van
Michael Strogoff dat niemand anders tot bestuurder had, maakte dikwijls
zijsprongen, die de ruiterafdeeling in wanorde brachten. Van daar
scheldwoorden en onbeschoftheden die het hart van Nadia braken en
Nikolaas verontwaardigden. Maar wat er tegen te doen? Zij verstonden de
Tartaarsche taal niet en hunne tusschenkomst werd onmeedoogend
afgewezen.
Zelfs kwamen de soldaten door hunne uiterste barbaarschheid er toe om
het paard dat Michael Strogoff bereed, te verwisselen voor een ander
dat blind was. Deze ruil was het gevolg eener aanmerking van een der
ruiters, door Michael Strogoff opgevangen en van dezen inhoud:
»Maar misschien ziet die Rus wel!”
Dit gebeurde op zestig wersten van Nijni-Oedinsk, tusschen de stadjes
Tetan en Chibarlinskoë. Zoo had men Michael Strogoff op dat paard gezet
en hem spottenderwijs de teugels in de handen gegeven. Daarna zette men
het in galop door zweepslagen, steenworpen en schreeuwen.
Het paard dat door zijn even blinden berijder niet in eene rechte
richting kon worden gehouden, liep dan eens tegen een boom of geraakte,
een ander maal, van den weg af. Daarvan waren schokken en vallen het
gevolg, die zeer noodlottig konden worden.
Michael Strogoff stribbelde niet tegen. Geene klacht liet hij hooren.
Stortte zijn paard, hij wachtte tot men het kwam oprichten. En
inderdaad richtte men het op en hernam het wreede spel dan zijn gang.
Bij deze slechte behandeling kon Nikolaas zich niet bedwingen. Hij
wilde zijn makker te hulp snellen. Men hield hem tegen, men mishandelde
hem.
Dit spel zou tot groot vermaak der Tartaren zeker nog lang geduurd
hebben, zoo een ernstiger voorval er geen einde aan gemaakt had.
Op zeker oogenblik den 10den September, ging het blinde paard op hol en
liep recht op een modderpoel toe die, dertig tot veertig voet diep,
langs den weg liep.
Nikolaas wilde toeschieten! Men hield hem tegen. Het paard, niet
bestuurd wordende, wierp zich met zijn ruiter in dien kuil.
Nadia en Nikolaas stieten een hevigen kreet uit!.... Zij dachten dat
hun ongelukkige makker in zijn val moest verpletterd zijn!
Toen men hem ophielp, bleek het dat Michael Strogoff, die zich uit het
zadel had kunnen werpen, geen enkele wond had, maar dat het paard twee
pooten gebroken had en geen dienst meer kon doen.
Men liet het daar sterven, zonder het den genadeslag te geven, terwijl
Michael Strogoff aan den zadelknop van een Tartaar vastgemaakt, de
afdeeling verder te voet moest volgen.
Nog geene klacht, noch geen bezwaar! Hij liep met een snellen pas,
nauwelijks getrokken door het touw waarmede hij vastgebonden was. Hij
was nog altijd »de ijzeren man” waarover generaal Kissoff met den czaar
gesproken had!
Daags daarop, 11 September, kwam de afdeeling voorbij het stadje
Chibarlinskoë.
Toen viel er iets voor dat de ernstigste gevolgen zou hebben.
De nacht was gevallen. De Tartaarsche ruiters, die halt hadden gemaakt,
waren min of meer dronken. Zij waren op het punt om te vertrekken.
Op dat oogenblik werd Nadia, die, tot dusverre als door een wonder door
de soldaten ontzien was, door een hunner beleedigd.
Michael Strogoff had noch beleediging, noch beleediger kunnen zien,
maar Nikolaas had voor hem toegekeken.
Toen ging Nikolaas, rustig, zonder nadenken en zonder wellicht het
gewicht zijner daad te beseffen, recht op den soldaat af, en vóor dat
deze eene beweging had kunnen maken om hem tegen te houden, had hij
eene pistool uit den zadelholster gepakt, en haar in de volle borst van
den soldaat afgevuurd.
De officier, die over de afdeeling het bevel voerde, kwam, op het
geraas der losbranding, dadelijk aanrijden.
De ruiters waren op het punt Nikolaas door midden te houwen, maar, op
een teeken van den officier, werd hij gebonden en dwars op een paard
gezet, waarna de afdeeling in galop weder vertrok.
Het touw, waarmede Michael Strogoff vastgebonden was en dat hij bijna
had doorgebeten, brak door een plotselingen sprong van het paard,
terwijl zijn halfdronken berijder, door een snellen rit medegevoerd het
niet eens bemerkte.
Michael Strogoff en Nadia stonden alleen op den weg.
XXVI.
IN DE STEPPE.
Michael Strogoff en Nadia waren dus andermaal vrij, zoo als zij het
gedurende het eind weg van Perm naar de oevers der Irtisch waren
geweest. Maar hoe waren hunne reisomstandigheden veranderd! Toen
verzekerden eene gemakkelijke tarentass, dikwijls vernieuwde
vóorspannen en goed onderhouden pleisterplaatsen hun eene snelle reis.
Nu waren zij te voet, in de onmogelijkheid zich een vervoermiddel te
verschaffen, zonder hulpmiddelen, niet wetende hoe in hunne nooddruft
te voorzien en met nog vier honderd wersten om afteleggen! En bovendien
zag Michael Strogoff nu slechts door de oogen van Nadia.
En den vriend, dien het toeval hun geschonken had, waren zij, onder de
ongunstigste omstandigheden, kwijt geraakt.
Michael Strogoff had zich op den berm van den weg neder geworpen. Nadia
stond op een woord van hem te wachten om zich weder op weg te begeven.
Het was tien uur ’s avonds. Sedert drie en een half uur was de zon
achter den gezichteinder verdwenen. Er was geen huis, geene hut te
bespeuren. De laatste Tartaren verdwenen in de verte. Michael Strogoff
en Nadia waren geheel verlaten.
»Wat zullen ze met onzen vriend doen?” riep het meisje uit. »Arme
Nikolaas! Onze ontmoeting is u wel zeer noodlottig geweest!”
Michael Strogoff antwoordde niet.
»Michael,” hernam Nadia, »gij weet toch hoe hij u verdedigd heeft, toen
gij de speelbal der Tartaren waart; dat hij zijn leven voor mij gewaagd
heeft?”
Michael Strogoff bleef zwijgen. Waar dacht hij aan, zoo als hij daar
onbeweeglijk nederzat met het hoofd in de handen geleund? En daar hij
Nadia geen antwoord gaf, was het de vraag of hij ’t hoorde dat zij hem
toesprak?
Ja! hij hoorde haar, want toen het meisje er bijvoegde:
»Waar moet ik u heenleiden, Michael?”
Antwoordde hij, »naar Irkoetsk!”
»Langs den grooten weg?”
»Ja, Nadia.”
Michael Strogoff was nog steeds de man die gezworen had zijn doel te
zullen bereiken, wat er ook gebeuren mocht. Den grooten weg volgen, was
den kortsten weg te nemen. Indien de voorhoede der troepen van
Feofar-Khan zich vertoonde, zou het tijds genoeg wezen om den zijweg in
te slaan.
Nadia greep de hand van Michael Strogoff weder, waarna zij hun weg
vervolgden.
Den anderen morgen, 12 September, hielden beiden, twintig wersten
verder, even op bij het stadje Toeloenowskoë. De plaats was afgebrand
en ledig. Den geheelen nacht door had Nadia opgelet of het lijk van
Nikolaas niet op den weg was achtergelaten, maar vruchteloos doorzocht
zij de bouwvallen, bekeek zij de lijken. Nikolaas scheen tot dusverre
gespaard te zijn. Maar was hij niet bestemd om in het kamp van Irkoetsk
eenige vreeselijke foltering te ondergaan?
Nadia, die van honger uitgeput was, waaraan haar makker ook vreeselijk
leed, was zoo gelukkig in een huis van het stadje eenig gedroogd
vleesch te vinden en eenige »soekharis” of stukken brood die, door
uitdamping gedroogd, gedurende een onbepaalden tijd hunne voedende
eigenschappen behouden. Michael Strogoff en het meisje belaadden zich
met wat zij maar dragen konden. Voedsel was hun dus voor onderscheidene
dagen verzekerd en wat het water betreft, dit zou hun in eene streek,
door duizenden zijstroompjes der Angara doorsneden, niet ontbreken.
Zij gingen weder op weg. Michael Strogoff liep met een vasten stap en
hield dien niet in dan ter wille van zijne gezellin. Nadia, die niet
achter wilde blijven, spande zich in om te loopen. Gelukkig kon haar
makker niet zien, hoe ellendig zij er door vermoeidheid uitzag.
Michael Strogoff voelde het echter.
»Uwe krachten zijn uitgeput, arm kind,” zeide hij somtijds.
»Neen,” was haar antwoord.
»Nadia, als gij niet meer kunt loopen, zal ik u dragen.”
»Ja, Michael.”
Op dezen dag moest het riviertje Oka overgestoken worden. Maar het was
doorwaadbaar en de overtocht leverde dus geene moeielijkheid op.
Het was eene bedekte lucht en eene draaglijke temperatuur. Het was
echter te vreezen dat het weder regenachtig zou worden, waardoor hunne
ellende nog zou toenemen. Zelfs vielen er eenige stortbuien, maar zij
hielden niet aan.
Zoo liepen zij steeds door, hand in hand, weinig sprekende en Nadia
maar vooruit- en achterwaarts kijkende. Tweemaal daags hielden zij
stil. ’s Nachts rustten zij zes uur. In sommige hutten vond Nadia nog
eenig schapenvleesch, in dit land zoo overvloedig, dat het niet meer
dan twee en een halve kopek per pond geldt.
Maar een lastdier, waarop Michael Strogoff gehoopt had, was in de
geheele streek niet te vinden. Paard, kameel, alles was gedood of
medegenomen. Zij moesten dus maar steeds te voet deze oneindige steppe
oversteken. Er ontbraken geene sporen van de derde Tartaarsche kolonne,
die zich op Irkoetsk richtte. Hier een dood paard, daar een verlaten
wagen. De lijken van ongelukkige Siberiërs waren, vooral bij den ingang
der dorpen, langs den weg verspreid. Nadia, haar afschrik bedwingende,
bekeek ze allen!....
Ten slotte lag het gevaar niet vooruit, maar achter hen. De voorhoede
van het hoofdleger van den emir, door Ivan Ogareff aangevoerd, kon zich
ieder oogenblik vertoonen. De schuiten van de beneden-Jeniseï
afgezonden, moesten nu te Krasnoïarsk zijn aangekomen en den overtocht
van den stroom dadelijk mogelijk maken. De weg lag dan voor de
overweldigers open. Tusschen Krasnoïarsk en het meer Baïkal kon geen
enkel Russisch korps hem dan versperren. Michael Strogoff was dus
voorbereid op de aankomst der Tartaarsche veldontdekkers.
Nadia besteeg dan ook op elke rustplaats, eene of andere hoogte en keek
van daar, met alle aandacht, in eene westelijke richting; maar geen
enkel stofwolkje verraadde de verschijning eener ruiterbende.
Vervolgens werd de tocht voortgezet, en als Michael Strogoff voelde dat
hij Nadia moest voortslepen, kortte hij zijn pas in. Zij praatten
weinig en enkel over Nikolaas. Het meisje bracht alles wat die makker
van een paar dagen voor hen geweest was, in herinnering.
In zijne antwoorden aan haar liet Michael Strogoff altijd eenige hoop
doorschemeren, ofschoon hij die zelf niet koesterde; want hij wist dat
de ongelukkige den dood niet zou ontkomen.
Eens zeide Michael Strogoff tot het meisje:
»Nadia, gij spreekt nooit meer over mijne moeder?”
Nadia wilde niet over zijne moeder spreken. Waartoe zijne smart weder
te verlevendigen? Was de oude Siberische vrouw niet dood? Had haar zoon
niet den laatsten kus gedrukt op dat lijk, dat op de bergvlakte van
Tomsk lag uitgestrekt?
»Kom Nadia,” sprak Michael Strogoff, »spreek mij over haar! Gij zult er
mij genoegen mee doen!”
En toen deed Nadia wat zij tot dusver niet gedaan had. Zij verhaalde
alles wat er tusschen Marfa en haar sedert hunne ontmoeting te Tomsk,
waar zij elkander voor het eerst zagen, was voorgevallen. Zij vertelde
hoe een onverklaarbaar instinct haar tot de bejaarde gevangene gedreven
had, zonder dat zij haar kende; welke zorgen zij aan haar had gewijd en
welke bemoediging zij van haar ontvangen had. Destijds was Michael
Strogoff voor haar niemand anders dan Nikolaas Korpanoff.
»Dien ik steeds had moeten blijven!” antwoordde Michael Strogoff, wiens
voorhoofd betrok.
Daarna liet hij er op volgen:
»Ik heb mijn eed niet gehouden, Nadia. Ik had gezworen mijne moeder
niet te zullen zien!”
»Maar Michael, gij hebt niet getracht om haar te zien. Alleen het
toeval heeft u in hare tegenwoordigheid gebracht.”
»Ik had gezworen om, wat er ook gebeurde, mij zelven niet te verraden.”
»Michael, Michael! Kondt gij weerstand bieden toen de zweep Marfa
Strogoff bedreigde! Er bestaat geen eed, die een zoon kan beletten om
zijne moeder te hulp te komen!”
»Ik heb mijn eed niet gehouden, Nadia,” antwoordde Michael Strogoff.
»Mogen God en de Vader het mij vergeven.”
»Michael,” zeide het meisje toen, »ik heb u eene vraag te doen.
Antwoord mij niet, indien gij meent mij geen antwoord te moeten geven.
Van uwe zijde kan niets mij beleedigen.”
»Spreek, Nadia.”
»Waarom maakt ge, nu de brief van den czaar u ontnomen is, toch zoo’n
haast om Irkoetsk te bereiken?”
Michael Strogoff drukte de hand zijner gezellin nog sterker, maar hij
antwoordde niet.
»Wist gij dan wat de brief inhield, vóor dat gij Moskou verliet?”
hernam Nadia.
»Neen, ik wist het niet.”
»Moet ik gelooven, Michael, dat de wensch om mij in handen van mijn
vader te stellen, u alleen naar Irkoetsk drijft?”
»Neen, Nadia,” antwoordde Michael Strogoff ernstig. »Ik zou u
bedriegen, zoo ik u in dien waan liet. Ik ga derwaarts, waarheen mijn
plicht mij gebiedt te gaan. En wat het geleide naar Irkoetsk betreft,
zijt gij het niet Nadia die mij nu derwaarts voert. Hebt gij de
diensten, die ik u in den beginne bewees, niet honderdvoudig vergolden?
Ik weet niet of het noodlot ons zal blijven vervolgen, maar den dag
waarop gij mij dank zult zeggen omdat ik u bij uw vader heb gebracht,
dien dag ontvangt gij mijn dank omdat gij mij tot Irkoetsk geleid
hebt!”
»Arme Michael!” antwoordde Nadia, zeer bewogen. »Spreek toch zoo niet!
Michael, ik verlang geen antwoord, maar waarom maakt ge nu zoo’n haast
om te Irkoetsk te komen?”
»Omdat ik er vóor Ivan Ogareff moet zijn,” riep Michael Strogoff uit.
»Nu nog?”
»Nu nog, en ik zal er wezen!”
En deze laatste woorden uitsprekende, werd Michael Strogoff niet enkel
door haat jegens den verrader gedreven. Maar Nadia begreep dat haar
makker niet alles zeide en dat hij alles niet kon zeggen.
Drie dagen later, 15 September, bereikten beiden het stadje
Koeitoenskoë, op zeventig wersten afstands van Toeloenowskoë. Het
meisje liep met de ergste pijn. Hare bezeerde voeten konden haar
nauwelijks dragen. Maar zij bood weerstand aan—zij worstelde tegen de
vermoeienis en hare eenige gedachte was deze:
»Omdat hij mij niet zien kan, zal ik loopen totdat ik er bij neerval!”
Overigens ondervonden zij, na het vertrek der Tartaren, gedurende dit
gedeelte der reis, geen enkel beletsel of gevaar onder weg.
Dit ging zoo drie dagen door. Het was zichtbaar dat de derde kolonne
der overweldigers in het oosten snelle vorderingen maakte. Het was op
te maken uit de verwoesting die zij achterliet, uit de asch die geen
rook meer verspreidde en uit de reeds ontbonden lijken die op den grond
lagen.
In het westen ook niets te zien. De voorhoede van den emir vertoonde
zich niet. Michael Strogoff kwam tot de onwaarschijnlijkste
onderstellingen om deze vertraging te verklaren. Bedreigden de Russen,
in voldoende sterkte, Tomsk of Krasnoïarsk rechtstreeks? Liep de derde
kolonne, van de beide andere gescheiden, gevaar om afgesneden te
worden? Ware dit het geval, dan zou het den grootvorst gemakkelijk
vallen Irkoetsk te verdedigen en, wordt bij een inval tijd gewonnen,
dan is men op weg om hem afteslaan.
Michael Strogoff gaf zich soms aan deze hoop over, maar hij zag spoedig
het hersenschimmige er van in en hij rekende slechts op zich zelven,
alsof het behoud van den grootvorst alleen in zijne handen gelegen had!
Zestig wersten scheidden Koeitoenskoë van Timilteiskoë, een stadje
gelegen bij de Dinka, die in de Angara uitloopt. Michael Strogoff was
niet zonder vrees voor het beletsel dat die niet onbeteekenende stroom
op zijn weg zou kunnen opleveren. Ponten of schuiten te vinden, daar
was geen denken aan en uit vroegere ervaring wist hij dat hij moeilijk
te doorwaden was. Maar dat water, eens overgetrokken zijnde, zou geen
enkele stroom, geen enkele rivier hun weg naar Irkoetsk, twee honderd
dertig wersten verder, meer afbreken.
Niet minder dan drie dagen werden vereischt om Kimilteiskoë te
bereiken. Nadia sleepte zich voort. Hoe sterk hare zedelijke kracht ook
ware, hare lichaamskracht was op het punt van haar te begeven. Michael
Strogoff wist het maar al te wel!
Ware hij niet blind geweest, dan zou Nadia ongetwijfeld tegen hem
gezegd hebben:
»Ga, Michael, laat mij in eene hut achter! Bereik Irkoetsk! Volbreng
uwe zending! Bezoek mijn vader! Zeg hem waar ik ben! Zeg hem, dat ik op
hem wacht en dan zult gij met u beiden mij wel kunnen terugvinden!
Vertrek! Ik ben niet bevreesd! Ik zal mij voor de Tartaren verbergen!
Ik zal voor mijn behoud zorgen, voor hem, voor u! Ga, Michael! Ik kan
niet meer gaan!....”
Nadia was verscheidene malen genoodzaakt om stil te houden. Michael
Strogoff nam haar dan in zijne armen en van het oogenblik af dat hij
haar droeg, geene zorg over de vermoeienis van het meisje hebbende,
liep hij sneller en met zijn onvermoeiden pas.
Den 18den September, ’s avonds tien uur, bereikten beiden eindelijk
Kimilteiskoë. Van den top eens heuvels bespeurde Nadia eene lichte
streep aan den gezichteinder. Het was de Dinka. Het weerlichtte en dit
schijnsel weerkaatste in hare wateren; het ging van geen donder
vergezeld en bepaalde zich dus tot het verlichten der vlakte.
Nadia geleidde haar makker door het verwoeste stadje. De asch, door den
brand achtergelaten, was koud. Het was zeker vijf of zes dagen geleden,
dat de laatste Tartaren er langs getrokken waren.
Aan de laatste huizen van het vlek gekomen, viel Nadia op eene steenen
bank neder.
»Houden we stil?” vroeg Michael Strogoff.
»Het is nacht geworden, Michael,” antwoordde Nadia. »Wilt gij niet een
paar uur rust nemen?”
»Ik zou gaarne de Dinka hebben overgetrokken,” was het antwoord van
Michael Strogoff; »ik had haar tusschen ons en de voorhoede van den
emir gewenscht. Maar, mijne arme Nadia, gij kunt u zelfs niet meer
voortslepen!”
»Kom, Michael,” antwoordde Nadia, die de hand van haar makker vatte en
hem meevoerde.
Het was twee of drie wersten verder dat de Dinka den weg naar Irkoetsk
sneed. Het meisje wilde de laatste poging, die haar makker van haar
verlangde, beproeven. Beiden liepen dus voort bij het schijnsel van het
weerlicht. Zij doorkruisten toen eene onbegrensde woestenij, waarin het
riviertje verdween. Geen boom, geen heuveltje stak boven de
uitgestrekte vlakte uit, die weder een aanvang der Siberische steppe
was. Geen zuchtje zweefde er door den dampkring, die zoo stil was dat
het minste geluid zich op onbepaalden afstand zou hebben voortgeplant.
Plotseling stonden Michael Strogoff en Nadia stil, alsof hunne voeten
in eene spleet van den grond beklemd waren geraakt.
Er had zich een geblaf door de steppe laten hooren.
»Hebt gij ’t gehoord?” zeide Nadia.
Daarop volgde een akelige kreet, een wanhoopskreet als het laatste
hulpgeschrei van een menschelijk wezen dat den dood nabij is.
»Nikolaas! Nikolaas!” riep het meisje uit, als door een somber
voorgevoel gedreven.
Michael Strogoff, die luisterde, schudde het hoofd.
»Kom, Michael, kom!” zeide Nadia.
En zij, die zooeven zich nauwelijks kon voortslepen, herkreeg nu
plotseling hare krachten, onder den invloed eener hevige
opgewondenheid.
»Zijn wij van den weg af?” zeide Michael, die bemerkte dat hij den
mullen weg niet meer betrad, maar het korte gras onder zijne voeten
had.
»Ja.... het moet!....” antwoordde Nadia. »Daar rechts is de kreet
vandaan gekomen!”
Eenige minuten later waren beiden geene halve werst meer van de rivier
verwijderd.
Andermaal werd geblaf gehoord en hoewel het zwakker klonk, was het
niettemin dichterbij. Nadia stond stil.
»Ja,” zeide Michael. »Het is Serko die blaft! Hij is zijn meester
gevolgd.”
»Nikolaas,” schreeuwde het meisje.
Op haar geroep volgde geen antwoord.
Slechts vlogen eenige roofvogels op, die in het luchtruim verdwenen.
Michael Strogoff luisterde met inspanning. Nadia beschouwde de vlakte,
met lichtende strepen overdekt en die als een spiegel glinsterde, maar
zij zag niets.
En, toch werd er eene stem hoorbaar die nu, op een klagenden toon,
stamelde: »Michael....”
Daarop sprong een geheel met bloed overdekte hond op Nadia los! Het was
Serko!
Nikolaas kon niet ver weg zijn! Niemand anders dan hij had den naam van
Michael kunnen stamelen! Waar was hij? Nadia bezat zelfs geene kracht
meer om hem te roepen.
Michael Strogoff zocht, over den grond kruipende, met zijne handen.
Plotseling blafte Serko opnieuw en snelde hij op een reusachtigen vogel
toe, die langs den grond streek.
Het was een gier. Toen Serko op hem toesprong, steeg hij op; maar
terugkeerende, sloeg hij op den hond los! Deze sprong nogmaals naar den
gier! Een hevige slag met den geweldigen snavel trof zijn kop en
ditmaal viel Serko levenloos ter aarde. Terzelfder tijde ontsnapte een
kreet van afgrijzen aan Nadia!
»Daar... daar!” zeide zij.
Een hoofd stak boven den grond uit. Zonder het heldere schijnsel dat
het uitspansel afstraalde, zou zij er met den voet tegen geschopt
hebben.
Nadia wierp zich, bij dit hoofd, op de knieën.
Nikolaas, naar Tartaarsche gewoonte tot aan den hals toe begraven, was
in de steppe achtergelaten, om er van honger en dorst of wellicht door
het gebit der wolven of den snavel der roofvogels om te komen.
Schrikkelijke marteling van een in den bodem ingekerkerd slachtoffer,
dat door de aarde die het niet verwijderen kan, saamgeperst wordt,
terwijl de armen nauwsluitend aan het lichaam zijn bevestigd, gelijk
die van een lijk in zijn doodkist! Den veroordeelde levende in dien
leemen vorm, dien hij niet verbreken kan, blijft niets over dan den
dood aan te roepen, die te lang uitblijft!
Daar hadden de Tartaren sedert drie dagen hun gevangene begraven!...
Sedert drie dagen wachtte Nikolaas op hulp, die te laat zou komen!
De gieren hadden dat hoofd, gelijk met den grond opgemerkt en sedert
eenige uren verdedigde de hond zijn meester tegen die woeste vogels!
Michael Strogoff dolf de aarde met zijn mes op om dien levende te
ontgraven!
De tot dusverre gesloten oogen van Nikolaas, gingen weder open.
Hij herkende Michael en Nadia en vervolgens prevelde hij.
»Vaartwel, vrienden. Ik ben tevreden dat ik u heb wedergezien! Bidt
voor mij!...”
En dit waren zijne laatste woorden.
Michael Strogoff ging voort met in den grond te graven, die door het
vaststampen zoo hard als eene rots was geworden en hij slaagde er
eindelijk in er het lichaam van den ongelukkige uit te halen. Hij
luisterde of zijn hart nog klopte! Het klopte niet meer.
Toen besloot hij het te begraven, opdat het niet op de steppe bloot zou
liggen en daarom maakte hij het gat, waarin Nikolaas begraven was,
wijder en dieper, zoodanig dat hij hem er dood in kon leggen. De trouwe
Serko zou naast zijn meester geplaatst worden.
Op dit oogenblik werd er, op hoogstens een halve werst afstands een
groot gedruisch op den weg vernomen.
Michael Strogoff luisterde.
Uit het gedruisch maakte hij op dat eene afdeeling ruiters zich naar de
Dinka richtte.
»Nadia! Nadia!” zeide hij zacht.
Nadia die lag te bidden stond nu op.
»Kijk! kijk toch!” sprak hij tot haar.
»De Tartaren!” mompelde zij.
Inderdaad was het de voorhoede van den emir, die snel op den weg naar
Irkoetsk voorbij reed.
»Toch zullen zij mij niet beletten hem te begraven!” zeide Michael
Strogoff.
En hij zette zijn arbeid voort.
Weldra werd het lichaam van Nikolaas, met de armen over de borst
gekruist, in het graf nedergelegd. Michael Strogoff en Nadia deden op
de knieën liggende, het laatste gebed voor het arme, goedhartige wezen,
dat zijne gehechtheid aan hen met zijn leven betaald had.
»En nu,” zeide Michael Strogoff, terwijl hij de aarde er weder over
wierp, »zullen de wolven der steppe hem niet verslinden.”
Daarna hief hij de hand dreigend naar de voorbijgaande ruiters op.
»Op weg, Nadia!” zeide hij.
Michael Strogoff kon den weg, nu door de Tartaren ingenomen, niet meer
volgen. Hij moest dwars door de steppe gaan en Irkoetsk omtrekken. Over
den overtocht der Dinka behoefde hij zich niet meer te bekommeren.
Nadia kon zich niet verder voortslepen, maar zij kon voor hem zien. Hij
nam haar in zijne armen en trok het zuidwesten der provincie in.
Hij had nog meer dan tweehonderd wersten te doorloopen. Hoe legde hij
ze af? Hoe kwam het dat hij onder zooveel vermoeienis niet bezweek? Hoe
kwam hij onderweg aan voedsel? Door welke bovenmenschelijke wilskracht
kwam hij over de eerste hellingen van het Saïansk-gebergte? Noch Nadia,
noch hij hadden op die vragen antwoord kunnen geven.
En nochtans lag twaalf dagen later, ’s avonds zes uur, een onmetelijk
waterbekken aan de voeten van Michael Strogoff.
Het was het meer Baïkal.
XXVII.
BAÏKAL EN ANGARA.
Het meer Baïkal ligt zeventienhonderd voet boven het oppervlak der zee.
Het is bijna negenhonderd wersten lang en honderd breed. Zijne diepte
is niet bekend. Mevrouw Bourboulon verhaalt dat het, naar het zeggen
der schippers, »Mevrouw Zee” wil genoemd worden. Indien men ’t
»Mijnheer Meer” noemt wordt het dadelijk onstuimig. Intusschen wil de
legende dat er nimmer een Rus in verdronken is.
Dit onmetelijk zoetwater-bekken, door meer dan driehonderd rivieren
gevoed, wordt door een prachtigen ring van vulkanische bergen omlijst.
Het heeft geen anderen uitloop dan de Angara, die, na langs Irkoetsk te
zijn gestroomd, zich een weinig boven de stad Jeniseïsk in de Jeniseï
werpt. De bergen, die het omringen, vormen een tak van het
Toengoes-gebergte en zij behooren tot het uitgestrekte gebied van het
Altaï-gebergte.
De koude deed zich op dit tijdstip reeds gevoelen. Zooals het in deze
aan eene bijzondere luchtgesteldheid onderhevige landstreek gebeurt,
scheen de herfst in een vroegtijdigen winter te zullen overgaan. Het
was in de eerste dagen van October. De zon verliet den gezichteinder nu
om vijf uur ’s avonds en de lange nachten deden den thermometer op nul
dalen. De eerste sneeuw, die tot aan den zomer zou aanhouden, bedekte
de bergkruinen in den omtrek van het Baïkalmeer. Dit binnenmeer,
gedurende den Siberischen winter verscheidene voeten dik bevroren,
wordt dan in alle richtingen door sleden van koeriers en karavanen
doorkruist.
Of het is omdat men, de regels der wellevendheid vergetende, het den
naam geeft van »Mijnheer Meer” of wel om eenige andere weerkundige
reden, zeker is het dat het Baïkalmeer aan hevige stormen onderhevig
is. Zijne golven, kort als die van alle binnenzeeën, zijn zeer
gevaarlijk voor vlotten, schuiten en stoombooten, die het des zomers
bevaren.
Michael Strogoff kwam nu aan de zuidwestelijke punt van dit meer aan,
terwijl hij Nadia, wier leven zich tot hare oogen bepaalde, in zijne
armen droeg. Wat konden zij in dit woeste gedeelte der provincie anders
verwachten dan van uitputting en van gebrek om te komen? En wat bleef
er intusschen van den langen weg van zesduizend wersten nog afteleggen
door den koerier van den czaar, zoo hij zijn doel wilde bereiken?
Slechts zestig wersten over het meer naar de monding der Angara en
tachtig wersten van den mond der Angara tot Irkoetsk: in het geheel
honderd veertig wersten, dat is drie dagreizen voor een gezond,
krachtig man, al ging hij te voet.
Was Michael Strogoff nog zoo’n man?
Ongetwijfeld wilde de hemel hem deze proef besparen. Het noodlot, dat
hem vervolgde, scheen hem eenige oogenblikken rust te willen gunnen.
Dit uiteinde van het Baïkalmeer, dit gedeelte der steppe, dat hij
verlaten waande en dat zulks anders altijd is, was het nu niet.
Een vijftigtal personen bevonden zich in den hoek door de
zuidwestelijke punt van het meer gevormd.
Nadia bespeurde dien hoop menschen dadelijk toen Michael Strogoff, haar
dragende, den bergpas uitstapte.
Het meisje vreesde in het eerst dat het eene Tartaarsche afdeeling was,
afgezonden om de oevers van het meer Baïkal af te stroopen, in welk
geval de vlucht voor beiden onmogelijk ware geweest.
Maar Nadia werd, in dit opzicht, spoedig gerustgesteld.
»Russen!” riep zij uit.
En, na deze laatste inspanning, sloten hare oogleden zich weder en zonk
haar hoofd op de borst van Michael Strogoff.
Maar zij waren opgemerkt en eenige Russen, die naar hen toeliepen,
brachten den blinde en het meisje naar een smallen oever, waar een vlot
vastgemeerd lag.
Het vlot lag tot vertrek gereed.
Die Russen waren vluchtelingen van elken stand, door éénzelfde belang
op dit punt van het Baïkalmeer vereenigd. Door de Tartaarsche
veldontdekkers afgewezen, beproefden zij eene wijkplaats in Irkoetsk te
vinden en dit land niet kunnende bereiken, sedert de overweldigers de
beide oevers der Angara bezet hadden, hoopten ze er te komen door den
stroom, die de stad doorsnijdt, af te zakken.
Hun voornemen deed het hart van Michael Strogoff opspringen. Er
vertoonde zich eene laatste kans in zijn spel. Maar hij had de kracht
om te veinzen, daar hij zijn incognito nog strenger dan vroeger wilde
bewaren.
Het plan der vluchtelingen was zeer eenvoudig. Een stroom van het
Baïkalmeer trekt langs den bovenoever tot aan de monding der Angara.
Van dezen stroom wilden zij gebruik maken om allereerst den uitloop van
het Baïkalmeer te bereiken. Van dit punt tot Irkoetsk zou het
snelvlietende water van den stroom hen met een spoed van tien tot
twaalf wersten per uur meevoeren. Zij zouden in anderhalven dag in het
gezicht der stad zijn.
Geen enkel vaartuig was in deze streek aanwezig. Men had er dus iets op
moeten verzinnen. Er was een vlot gebouwd of liever een houtsleep,
zooals er gewoonlijk de Siberische rivier afzakken. Een pijnboomenwoud,
dat zich op den oever verhief, had de drijvende bouwstoffen geleverd.
De boomstammen met teenen aan elkander verbonden, vormden een plat,
waarop honderd menschen gemakkelijk plaats zouden hebben gevonden.
Op dit vlot werden Michael Strogoff en Nadia overgebracht. Het meisje
was weder tot zichzelve gekomen. Men gaf haar en haren makker eenig
voedsel. Daarna viel zij, op een bed van bladeren, spoedig in een
diepen slaap.
Michael Strogoff vertelde aan hen, die hem ondervroegen, niets van de
zaken die te Tomsk waren voorgevallen. Hij gaf zich uit voor een
inwoner van Krasnoïarsk, die Irkoetsk niet had kunnen bereiken voordat
de troepen van den emir op den linkeroever der Dinka waren aangekomen
en hij voegde er bij dat het gros der Tartaarsche troepen
waarschijnlijk voor de hoofdstad van Siberië stelling had genomen.
Er viel dus geen oogenblik te verliezen. Bovendien werd de koude steeds
vinniger. De temperatuur daalde gedurende den nacht, beneden nul. Er
hadden zich reeds ijsschotsen op de oppervlakte van het meer Baïkal
gevormd. Zoo het vlot op het meer gemakkelijk kon varen, tusschen de
oevers van de Angara zou dit, indien de ijsschotsen zijn loop
belemmerden, niet het geval zijn.
Om al deze redenen moesten de vluchtelingen met hun vertrek spoed
maken.
Te acht uur des avonds werden de touwen losgegooid en door de werking
van den stroom, volgde het vlot de kust. Lange boomen, door eenige
stevige moejieks gehanteerd, waren voldoende om het in de goede
richting te houden.
Een oude schipper van het meer Baïkal had het bevel over het vlot op
zich genomen. Het was een man van vijf en zestig jaar, door de
windvlagen van het meer geheel verweerd. Een zeer dikke, witte baard
hing op zijne borst neder. Eene bonten muts bedekte zijn ernstig en
eerbiedwaardig hoofd. Zijn wijde en lange schanslooper, om zijn middel
gesloten, viel hem tot op de hielen. Deze stilzwijgende grijsaard, die
achter op het vlot zat, gaf zijne bevelen door gebaren, en hij sprak in
tien uren geen tien woorden. Overigens bestond de besturing slechts in
de zorg om het vlot in den langs de kust loopenden stroom te houden, en
te zorgen dat het niet in het volle meer geraakte.
Zooeven is gezegd dat Russen van allerlei stand op het vlot plaats
hadden genomen. Inderdaad hadden zich bij de inlandsche moejieks,
mannen, vrouwen, grijsaards en kinderen, twee of drie door den inval
verraste pelgrims gevoegd, zoomede eenige monniken en een pope. De
pelgrims droegen den reisstaf, eene aan den gordel bevestigde kalebas
en zij zongen psalmen op een klagenden toon. De eene kwam uit de
Ukraïne, de andere van de Gele Zee, de derde uit Finland. De laatste,
reeds hoog bejaard, droeg aan den gordel eene offerbus met een hangslot
er aan, even alsof ze aan een kerkpijler was opgehangen. Van alles wat
hij gedurende dien langen en vermoeienden omgang ophaalde, was niets
voor hem zelven en hij had zelfs geen sleutel van het hangslot, dat
eerst bij zijn terugkeer werd geopend.
De monniken kwamen uit het noorden des rijks. Zij hadden sedert drie
maanden Archangel verlaten, de stad waaraan de reizigers terecht een
Oostersch aanzicht hebben opgemerkt. Zij hadden de Heilige eilanden, op
de kust van Karelië bezocht, zoomede het klooster Solowetsk, het
klooster Troïtsa, de kloosters van den Heiligen Antonius en van de
Heilige Theodosia te Kiew, dat oude lievelingsoord der Jagellonen, het
mannenklooster van Siméonow te Moskou, dat van Kasan, zoomede de kerk
der Oud-Geloovigen aldaar en zij begaven zich nu naar Irkoetsk, gekleed
in eene pij, eene kap en verdere kleederen uit saai vervaardigd.
De pope was een eenvoudig dorpspriester, een dier zes honderd duizend
herders die het Russische rijk telt. Hij was even ellendig als de
moejieks gekleed, boven wie hij in werkelijkheid ook niet verheven was,
daar hij rang noch macht in de kerk bezat en hij, als een boer, zijn
stukje grond bearbeidde, voor het overige doopende, in den echt
verbindende en begravende. Hij had zijne kinderen en zijne vrouw aan de
gewelddadigheden der Tartaren kunnen onttrekken, door hen naar de
Noordelijke provinciën te zenden. Hij was echter tot het laatste
oogenblik in zijn kerspel gebleven. Vervolgens was hij genoodzaakt om
te vluchten en, daar de weg naar Irkoetsk versperd was, had hij het
meer Baïkal moeten trachten te bereiken.
Die verschillende geestelijken, voor op het vlot in groepen gezeten,
baden op geregelde tijdstippen, de stem in dezen stillen nacht
verheffende; terwijl aan het slot van elk vers van hun gebed het »Slava
Bogu” (Glorie zij God), over hunne lippen kwam.
Er viel gedurende de vaart niets bijzonders voor. Nadia bleef in een
diepe sluimering verzonken. Michael Strogoff had bij haar gewaakt. De
slaap had hem slechts bij korte tusschenpoozen overmeesterd, terwijl
zijne gedachte steeds wakker bleef.
Bij het aanbreken van den dag was het vlot, opgehouden door tegenwind
die de werking van den stroom belemmerde, nog op veertig wersten van de
uitmonding der Angara. Waarschijnlijk zou het die niet voor drie of
vier uur ’s namiddags bereiken. Dit was geen bezwaar, integendeel, want
nu konden de vluchtelingen den stroom des nachts afzakken en zou de
duisternis hunne aankomst te Irkoetsk begunstigen.
De eenige vrees, die de schipper verscheidene malen te kennen gaf,
betrof het ontstaan van ijs op de oppervlakte van het water. De nacht
was buitengemeen koud geweest. Men zag vrij talrijke ijsschotsen onder
den invloed des winds, in eene westelijke richting drijven. Deze waren
echter niet te duchten omdat zij niet in de Angara konden afdrijven,
daar zij reeds voorbij hare monding waren. Maar men moest aan de
schotsen denken die uit de oostelijke gedeelten van het meer kwamen en
die door den stroom nader gebracht, zich tusschen de oevers van den
stroom konden vastzetten. Daaruit konden bezwaren en vertragingen
voortspruiten, misschien wel een onoverkomelijk beletsel dat het vlot
kon tegenhouden.
Michael Strogoff had er dus het grootste belang bij om den toestand van
het meer te kennen en te weten of de ijsschotsen zich in grooten getale
opdeden. Nadia ontwaakt zijnde, ondervroeg hij haar dikwijls en zij gaf
hem verslag van alles wat op de oppervlakte der wateren voorviel.
Terwijl de ijsschotsen zoo afdreven, vertoonden zich merkwaardige
natuurverschijnselen op de oppervlakte van het Baïkalmeer. Het was een
prachtig springen van bronnen kokend water, opstijgende uit de
artesische putten die de natuur zelve in de bedding van het meer
geboord heeft. Deze stralen verhieven zich tot eene groote hoogte en
verspreidden zich daarna in dampen, waar de zonnestralen regenbogen op
vormden, die door de koude oogenblikkelijk verdikt werden. Zeker zou
dit belangwekkende schouwspel den blik verrukt hebben van den reiziger,
die, in vollen vrede en voor zijn genoegen, op deze Siberische zee had
gereisd.
Om vier uur ’s avonds werd de mond van de Angara door den ouden
schipper tusschen de hooge granietrotsen der kust verkend. Men
bespeurde op den rechteroever de kleine haven van Livenitchnaïa, zijne
kerk en zijne op den oever gebouwde huisjes.
Maar eene ernstige omstandigheid was het dat de eerste ijsschotsen, uit
het oosten komende, reeds tusschen de oevers der Angara afdreven en dat
zij bijgevolg naar Irkoetsk afzakten. Intusschen kon hun aantal nog
niet groot genoeg zijn om den stroom te verstoppen, noch de koude hevig
genoeg om ze te doen samenpakken.
Het vlot bereikte het haventje en hield er stil. De oude schipper had
beslist dat daar een uur zou worden stil gehouden om eenige
noodzakelijke herstellingen te doen. De losgeraakte boomstammen liepen
gevaar zich van elkander te verwijderen en het kwam er op aan ze stevig
te verbinden om den zeer snellen stroom der Angara weerstand te kunnen
bieden.
Gedurende het schoone jaargetijde is de haven van Livenitchnaïa een
station voor het in- en ontschepen der reizigers op het meer Baïkal,
hetzij dat zij zich naar Kiachta, de laatste stad op de
Russisch-Chineesche grens begeven, hetzij zij vandaar terugkeeren. Zij
wordt dus druk bezocht door de stoombooten en de kustvaarders van het
meer.
Maar op dit oogenblik was Livenitchnaïa verlaten. Zijne inwoners wilden
zich niet blootstellen aan de verwoestingen der Tartaren, die nu de
beide oevers der Angara afliepen. Zij hadden de kleine vloot van
schuiten en booten, die gewoonlijk in hunne haven overwintert, naar
Irkoetsk gezonden, en voorzien van al wat vervoerbaar was, hadden zij
tijdig de wijk binnen de hoofdstad van Oost-Siberië genomen.
De oude schipper verwachtte dus niet nieuwe vluchtelingen in de haven
van Livenitchnaïa te zullen opnemen en echter kwamen er, op het
oogenblik dat het vlot aan wal kwam, uit een ledig huis, twee
passagiers zoo hard zij konden, op den oever aanloopen.
Nadia, die achterop zat, keek met een verstrooiden blik.
Bijna ontsnapte haar een kreet. Zij greep de hand van Michael Strogoff,
die, bij deze beweging, het hoofd oprichtte.
»Wat hebt ge, Nadia?” vroeg hij.
»Michael, daar zijn onze twee reismakkers.”
»Die Franschman en de Engelschman, die wij in de bergpassen van den
Oeral ontmoet hebben?”
»Ja.”
Michael Strogoff sidderde, want het strenge incognito dat hij niet
wilde opgeven, liep gevaar opgeheven te worden.
Inderdaad zouden Alcide Jolivet en Harry Blount in hem niet meer
Nikolaas Korpanoff zien, maar wel den echten Michael Strogoff, den
koerier van den czaar.
De beide dagbladschrijvers hadden hem reeds twee keer ontmoet na hunne
scheiding op de wisselplaats te Ichim: de eerste maal in het kamp van
Zabediero, toen hij het gelaat van Ivan Ogareff met den knoet
doorstriemde; de tweede keer te Tomsk toen hij door den emir
veroordeeld werd. Zij wisten dus waaraan zij zich, ten zijnen aanzien,
te houden hadden, ook wat zijne werkelijke hoedanigheid betrof.
Michael Strogoff nam een snel besluit.
»Nadia,” zeide hij, »zoodra die Franschman en die Engelschman scheep
zullen zijn, verzoek hen dan om bij mij te komen.”
Inderdaad waren het Harry Blount en Alcide Jolivet, die, even als
Michael Strogoff, niet door het toeval, maar door den drang der
gebeurtenissen naar de haven van Livenitchnaïa gedreven waren.
Men weet dat ze, na den intocht der Tartaren te Tomsk te hebben
bijgewoond, vertrokken waren vóor de wreede terechtstelling, die het
feest besloot. Zij twijfelden er dus niet aan of hun makker was ter
dood gebracht; dat hij op last van den emir blind was gemaakt, wisten
ze niet.
Na zich van paarden voorzien te hebben, hadden zij dienzelfden avond
Tomsk verlaten, met het vaste voornemen om voortaan hunne berichten uit
de Russische legerplaatsen in Oost-Siberië te dagteekenen.
Alcide Jolivet en Harry Blount begaven zich met versnelden marsch naar
Irkoetsk. Zij hoopten er Feofar-Khan voor te zijn en zouden zulks ook
geweest zijn, zonder de plotselinge verschijning van de derde, uit de
zuidelijke streken der Jeniseï-vallei aanrukkende kolonne. Evenals
Michael Strogoff werden zij afgesneden vóor zij de Dinka bereikten en
moesten zij daarom weder tot aan het meer Baïkal afzakken.
Toen zij te Livenitchnaïa aankwamen, vonden zij de haven reeds ledig.
Van eene andere zijde konden zij Irkoetsk niet bereiken, dat door de
Tartaren reeds omsingeld was. Zij vertoefden er dus reeds drie dagen in
groote verlegenheid, toen het vlot aankwam.
Het oogmerk der vluchtelingen werd hun toen medegedeeld. Zeker was er
wel kans om gedurende den nacht door te sluipen en binnen Irkoetsk te
komen. Ze besloten dus de zaak te beproeven.
Alcide Jolivet stelde zich dadelijk met den ouden schipper in
betrekking en vroeg hem overtocht van zijn makker en hem, met aanbod
elken prijs, dien hij eischte, te zullen betalen.
»Hier wordt niet betaald,” antwoordde de oude schipper op ernstigen
toon, »men waagt zijn leven, en daarmee uit.”
De beide dagbladschrijvers kwamen aan boord en Nadia zag hen plaats
nemen op het voorste gedeelte van het vlot.
Harry Blount was nog steeds de koele Engelschman die haar, gedurende
den overtocht van het Oeral-gebergte, nauwelijks een woord had
toegesproken.
Alcide Jolivet scheen iets ernstiger dan gewoonlijk en het valt niet te
ontkennen dat zijn ernst door de omstandigheden wel gerechtvaardigd
was.
Alcide Jolivet zat dus voor op het vlot, toen hij eene hand op zijn arm
voelde.
Hij keerde zich om en herkende Nadia, de zuster niet van Nikolaas
Korpanoff, maar van Michael Strogoff, koerier van den czaar.
Een kreet van verrassing ontsnapte hem bijna, maar hij zag dat het
meisje een vinger aan hare lippen bracht.
»Kom mede,” zeide Nadia.
En terwijl Alcide Jolivet aan Harry Blount een teeken gaf om hem te
vergezellen, volgde hij haar met een onverschillig gelaat.
Maar was de verrassing der dagbladschrijvers groot, toen zij Nadia op
het vlot ontmoetten, zij kende geene grenzen toen zij Michael Strogoff
bespeurden, dien zij niet meer onder de levenden waanden.
Op hunne nadering, maakte Michael Strogoff geene beweging.
Alcide Jolivet wendde zich daarop tot het meisje.
»Hij ziet u niet, heeren,” zeide Nadia. »De Tartaren hebben hem de
oogen uitgebrand! Mijn arme broeder is blind!”
Een levendig gevoel van medelijden vertoonde zich op het gelaat van
Alcide Jolivet en van zijn makker.
Een oogenblik later zaten ze naast Michael Strogoff, drukten hem de
hand en wachtten tot dat hij hen aansprak.
»Heeren,” zeide Michael Strogoff op zachten toon, »gij behoort niet te
weten wie ik ben, noch wat ik in Siberië ben komen uitvoeren. Ik vraag
u om mijn geheim te eerbiedigen. Belooft gij mij dat?”
»Op mijne eer,” antwoordde Alcide Jolivet.
»Op mijn woord van gentleman,” voegde Harry Blount er bij.
»Goed, heeren.”
»Kunnen wij u van eenigen dienst zijn?” vroeg Harry Blount. »Wilt gij
dat wij u helpen om uwe taak te volbrengen?”
»Ik geef er de voorkeur aan om alleen te handelen,” was het antwoord
van Michael Strogoff.
»Maar die schelmen hebben u het gezicht vernietigd,” zeide Alcide
Jolivet.
»Ik heb Nadia en haar oogen zijn mij voldoende.”
Een half uur later voer het vlot, na het haventje van Livenitchnaïa
verlaten te hebben, den stroom op. Het werd nacht. Hij zou zeer donker
en ook zeer koud zijn, want de temperatuur was reeds onder nul.
Maar al hadden Alcide Jolivet en Harry Blount geheimhouding beloofd,
toch verlieten zij Michael Strogoff niet. Zij praatten zachtjes en,
hetgeen hij wist aanvullende met hetgeen hij van hen vernam, kon de
blinde zich van den stand van zaken een duidelijk denkbeeld vormen.
Het was zeker dat de Tartaren Irkoetsk omsingeld hadden en dat de drie
kolonnes de vereeniging hadden volbracht. Er viel dus niet aan te
twijfelen dat de emir en Ivan Ogareff zich voor de hoofdstad bevonden.
Maar waarom had de koerier van den czaar, nu hij den keizerlijken brief
niet meer aan den grootvorst kon overhandigen en daar de inhoud hem
onbekend was, nog zoo’n haast om te Irkoetsk aan te komen? Alcide
Jolivet en Harry Blount begrepen het evenmin, als Nadia het had
begrepen.
Overigens werd er over het verledene niet gesproken, vóor het oogenblik
dat Alcide Jolivet tegen Michael Strogoff meende te moeten zeggen:
»Wij zijn haast verplicht onze verontschuldiging er over te maken dat
wij u, vóor onze scheiding op de pleisterplaats te Ichim, de hand niet
gegeven hebben.”
»Neen, gij hadt het recht mij als een lafaard te beschouwen!”
»In ieder geval,” voegde Alcide Jolivet er bij, »hebt gij het gelaat
van dien ellendeling maar aardig geknoet en hij zal er langen tijd het
merk van vertoonen!”
»Neen, niet lang!” antwoordde Michael Strogoff eenvoudig.
Een half uur na het vertrek van Livenitchnaïa waren Alcide Jolivet en
zijn makker op de hoogte van de wreede beproevingen die Michael
Strogoff en zijne gezellin ondergaan hadden. Zij hadden niets dan
bewondering voor eene wilskracht, slechts door de opoffering van het
meisje geëvenaard. En over Michael Strogoff dachten ze precies
overeenkomstig hetgeen de czaar van hem te Moskou had gezegd:
»Waarlijk, het is een man!”
Het vlot gleed snel voort tusschen de ijsschotsen die de stroom der
Angara medevoerde. Een beweeglijk panorama ontrolde zich langs de beide
oevers van den stroom en, door een gezichtsbedrog scheen het alsof de
drijvende toestel onbeweeglijk bleef tegenover die opeenvolging van
schilderachtige gezichtspunten. Hier waren het hooge granietachtige
voorgebergten; daar woeste berg-engten waaruit een stortvloed te
voorschijn kwam; soms eene breede insnijding met een nog rookend dorp
en dan weder dichte pijnboom-wouden die helle vlammen vertoonden. Maar
zoo de Tartaren overal sporen van hun doortocht hadden achtergelaten,
henzelven zag men nog niet, omdat zij aan de toegangswegen naar
Irkoetsk gelegerd waren.
In den tusschentijd vervolgden de pelgrims, met luider stem, hunne
gebeden en hield de oude schipper, de ijsschotsen, die het te dicht
naderde, op zijde duwende, het vlot in het midden van den snellen
stroom der Angara.
XXVIII.
TUSSCHEN TWEE OEVERS.
Zooals de toestand van den hemel het deed vooruit zien, was de geheele
streek om acht uur ’s avonds in diepe duisternis gehuld. De maan, nieuw
zijnde, zou niet boven den gezichteinder verschijnen. De oevers waren
uit het midden van den stroom niet te zien. De steile gebergten langs
de rivier liepen op eene geringe hoogte ineen met de zware wolken,
waarin geen beweging was. Bij tusschenpoozen kwam er een zuchtje uit
het oosten, dat in de enge vallei van de Angara scheen weg te sterven.
De duisternis kon de plannen der vluchtelingen niet anders dan zeer
bevorderen. Want hoewel Tartaarsche schildwachten langs beide oevers
geplaatst moesten zijn, had het vlot alle kans om ongemerkt voorbij te
varen. Ook was het niet waarschijnlijk dat de belegeraars den stroom
boven Irkoetsk zouden hebben versperd, daar zij wisten, dat de Russen
uit het zuiden der provincie geene hulp konden verwachten. Bovendien
zou de natuur zelve die afsluiting hebben gemaakt, als zij door de
koude de ijsschotsen, tusschen de beide oevers opgehoopt, aan elkander
zou hebben doen vastmetselen.
Aan boord van het vlot heerschte nu volkomen stilte. Sedert het den
stroom afdreef, werden de stemmen der pelgrims niet meer vernomen. Zij
baden nog, maar hun gebed bestond nu in een geprevel dat aan wal niet
meer gehoord kon worden. Plat uitgestrekt verbrak het uitstekende
hunner lichamen nauwelijks de horizontale lijn van het water. De oude
schipper die vooruit bij zijne manschappen lag, hield zich slechts
onledig met de ijsschotsen wegteduwen, hetgeen zonder geraas
geschiedde.
Indien de drijvende ijsschotsen later geen onoverkomelijk beletsel voor
de doorvaart van het vlot opleverden, vormden zij op zich zelven eene
gunstige omstandigheid. Inderdaad liep het vlot, indien het alléen op
de open wateren gedreven had, veel kans van zelfs te midden der dichte
duisternis, ontdekt te worden, terwijl het nu ineensmolt met de
drijvende massa’s van allerlei grootte en vorm en het geraas der tegen
elkander stootende blokken tevens elk verdacht geluid overstemde.
Eene zeer scherpe koude vervulde den dampkring. De vluchtelingen, die
geene andere beschutting dan eenige berketakken hadden, leden er
vreeselijk onder. Zij drongen zich tegen elkander aan om de daling der
temperatuur, die dezen nacht tot tien graden onder nul zou gaan, beter
te kunnen verdragen. De zwakke wind die opstak, na over de oostelijke
met sneeuw bedekte bergen te zijn gestreken was zeer snijdend.
Michael Strogoff en Nadia, achter op het vlot liggende, verdroegen
zonder klagen, deze verzwaring van lijden. Alcide Jolivet en Harry
Blount, in hunne nabijheid gezeten, weerstonden zoo goed mogelijk de
eerste aanvallen van den Siberischen winter. Geen hunner sprak nu meer,
zelfs niet in stilte. Overigens letten zij alleen op den toestand
waarin men verkeerde. Ieder oogenblik kon zich eene gebeurtenis, een
gevaar, een ramp voordoen, waar zij niet zonder letsel zouden afkomen.
Voor iemand, die weldra zijn doel dacht te bereiken, scheen Michael
Strogoff bijzonder kalm. Overigens had zijne wilskracht hem, in de
ernstigste verwikkelingen, nimmer verlaten. Hij voorzag reeds het
oogenblik dat het hem eindelijk vergund zou wezen aan zijne moeder, aan
Nadia, aan zichzelven te denken! Hij vreesde slechts eene laatste en
kwade kans: namelijk dat het vlot werd tegengehouden door eene
versperring van ijsschotsen vóor dat het Irkoetsk bereikt had. Daar
dacht hij steeds over; maar verder was hij vast besloten, zoo noodig,
eene uiterste poging te wagen.
Door eenige uren rust weder versterkt, had Nadia hare lichaamskracht
herwonnen, die het gebrek soms had kunnen onderdrukken, zonder dat hare
zedelijke wilskracht echter ooit aan het wankelen kon worden gebracht.
Ook dacht zij er aan dat wanneer Michael Strogoff eene nieuwe poging
mocht beproeven om zijn doel te bereiken, zij bij de hand moest zijn om
hem te leiden. Maar naarmate zij Irkoetsk naderde, kwam het beeld van
haar vader haar duidelijker voor den geest. Zij zag hem in de belegerde
stad, ver van zijne geliefden, maar—daaraan twijfelde zij niet—met al
het vuur zijner vaderlandsliefde tegen de overweldigers worstelende.
Zoo de hemel hun eindelijk gunstig was, zou zij, binnen een paar uur,
in zijne armen liggen, hem de laatste woorden harer moeder herinneren
en dan zouden zij elkander niet meer verlaten. Werd de ballingschap van
Wassili Fedor niet verkort, dan zou zijne dochter zijne ballingschap
blijven deelen. Daarna werd zij door hare natuurlijke neiging er toe
geleid aan hem te denken aan wien zij de terugkomst bij haar vader te
danken had, aan dien braven makker, aan dien »broeder” die, nadat de
Tartaren verdreven zouden zijn, naar Moskou zou terugkeeren; dien zij
dan misschien nooit meer zou terugzien!....
Alcide Jolivet en Harry Blount hadden slechts eene en dezelfde
gedachte: dat de toestand zoo dramatisch mogelijk was en dat ze, goed
verwerkt, een der allerbelangwekkendste verhalen zou opleveren. De
Engelschman dacht dus aan de lezers van de Daily Telegraph en de
Franschman aan die van zijne nicht Madeleine. Inderdaad waren zij
beiden eenigszins aangedaan.
»Welaan! zooveel te beter,” dacht Alcide Jolivet. »Om aandoening te
verwekken moet men zelf aangedaan zijn! Ik geloof zelfs dat er een
vermaard vers over dat onderwerp bestaat, maar de duivel hale mij! als
ik het weet....”
En met zijne zoo geoefende oogen trachtte hij de dichte duisternis, die
den stroom omgaf, te doorboren.
Intusschen werd deze duisternis soms door sterke flikkeringen van licht
afgebroken, die de donkere lichamen op den oever dan een spookachtig
aanzicht gaven. Het was een woud dat in brand stond of een dorp dat nog
brandde en dus eene sombere herhaling der tooneelen van den dag, nog
verhoogd door de tegenstelling van den nacht. De Angara werd dan van
den eenen tot den anderen oever verlicht. De ijsschotsen vormden even
zoovele spiegels die, de vlam onder alle hoeken en met allerlei kleuren
terugkaatsende, zich naar de luimen van den stroom verplaatsten. Het
vlot onder al deze drijvende lichamen vermengd, gleed ongemerkt
voorbij.
Daar zat het gevaar hem dus niet.
Maar een gevaar van gansch anderen aard bedreigde de vluchtelingen. Dat
konden zij niet voorzien, maar wat meer is, zij konden het niet
afweren. Het toeval maakte er Alcide Jolivet mede bekend en wel onder
de volgende omstandigheid.
Alcide Jolivet had, op den rechterkant van het vlot liggende, zijne
hand in den stroom laten afhangen. Plotseling was hij verwonderd over
de werking die de aanraking van het water op de oppervlakte zijner hand
uitoefende. Het scheen uit een kleverige zelfstandigheid te bestaan,
alsof het uit aard-olie was saamgesteld.
Het gevoel door den reuk nagaande, bleef er voor Alcide Jolivet geen
twijfel over. Het was inderdaad eene laag vloeibare naphta die op de
oppervlakte van het water der Angara dreef en met haar meestroomde!
Dreef het vlot dan werkelijk op deze zoo brandbare zelfstandigheid?
Waar kwam die naphta vandaan? Was het eene werking der natuur die het
op de oppervlakte der Angara gelegerd had of wel een
vernielingswerktuig door de Tartaren aangewend? Wilden zij, door
middelen die het oorlogsrecht tusschen beschaafde natiën niet
rechtvaardigde, den brand tot in Irkoetsk voortplanten?
Deze vragen deed Alcide Jolivet aan zich zelven, maar hij deelde het
geval aan niemand anders mede dan aan Harry Blount en beiden waren van
gevoelen om hunne makkers niet te verontrusten door hun dit nieuwe
gevaar te openbaren.
Het is bekend dat de bodem van Middel-Azië als eene spons doortrokken
is van een vloeibaar mengsel van koolstof met waterstof. In de haven
van Bakoe, op de Perzische grens, op het schiereiland Abcheron, op de
Kaspische zee, in Klein-Azië, in China, in den Joeg-Hijan, in Birma,
borrelen de bronnen van minerale oliën bij duizenden boven de
oppervlakte van den grond. Het is de »oliestreek” gelijkende op die,
welke in Noord-Amerika denzelfden naam draagt.
Bij sommige godsdienstige feesten werpen de inboorlingen, voornamelijk
die van de havenstad Bakoe, welke vuur-aanbidders zijn, vloeibare
naphta op de oppervlakte der zee, die dan bovendrijft omdat ze lichter
dan het water is. Als het dan nacht geworden is en zich eene laag
minerale olie over de Kaspische zee verspreid heeft, steken zij haar
aan en verschaffen zij zich het onvergelijkelijk schoone schouwspel van
eene vuurzee, wier golven door den wind heen en weer bewogen worden.
Maar wat te Bakoe slechts een vermaak was, zou op de wateren der Angara
eene ramp zijn geweest. Of het vuur door kwaadwilligheid of door
onvoorzichtigheid werd aangebracht, in een oogenblik zou de brand zich
tot voorbij Irkoetsk hebben uitgestrekt.
In elk geval was op het vlot geene onvoorzichtigheid te vreezen; maar
er was alles te duchten van de branden die op beide oevers der Angara
woedden, want een brandend stuk hout of eene vonk, die in den stroom
vielen, waren voldoende om de naphtavloed in vuur te zetten.
De vrees van Alcide Jolivet en Harry Blount is gemakkelijker te
begrijpen, dan er eene beschrijving van te geven. Zij vroegen zich af
of het met het oog op dit nieuwe gevaar, niet verkieslijker ware, een
der oevers aan te doen, er te ontschepen en te wachten?
»In ieder geval,” zeide Alcide Jolivet, »ken ik iemand die, om geen
enkel gevaar, zou ontschepen!”
En hij zinspeelde op Michael Strogoff.
Intusschen dreef het vlot snel af te midden der ijsschotsen die zich
steeds dichter aan elkander sloten.
Tot dusverre was er nog geene enkele Tartaarsche afdeeling op de oevers
der Angara waargenomen, hetgeen aantoonde dat het vlot nog niet ter
hoogte van hunne voorposten was aangekomen. Maar, tegen tien uur ’s
avonds, meende Harry Blount talrijke zwarte lichamen zich op de
ijsschotsen te zien bewegen. Die gedaanten, van schots tot schots
springende, naderden snel.
»Tartaren!” dacht hij.
En naar den ouden schipper toekruipende, die voorop zat, wees hij hem
de verdachte beweging.
De oude schipper keek scherp uit.
»Dat zijn slechts wolven,” zeide hij. »Die heb ik liever dan Tartaren.
Maar wij moeten ons verdedigen, doch zonder leven te maken!”
Inderdaad hadden zij tegen de woeste, verscheurende dieren te
worstelen, die de honger en de koude door de provincie gedreven had. De
wolven hadden het vlot geroken en spoedig vielen zij het aan. De
vluchtelingen waren dus tot het gevecht gedwongen maar zonder van
vuurwapenen gebruik te maken, daar zij niet ver van de Tartaarsche
posten verwijderd konden zijn. De vrouwen en kinderen plaatsten zich
midden op het vlot, terwijl de mannen, sommigen met staken, anderen met
messen, de meesten met stokken gewapend, zich gereed maakten om de
aanvallers af te slaan. Zij lieten geen geluid hooren, maar het gehuil
der wolven vervulde de lucht.
Michael Strogoff wilde niet werkeloos blijven. Hij had zich uitgestrekt
aan de zijde van het vlot, die door de wolven werd aangevallen. Hij had
zijn mes getrokken en telkenmale als een wolf onder zijn bereik kwam,
wist hij het hem in de keel te stooten. Harry Blount en Alcide Jolivet
zaten ook niet stil; zij werkten hard. Hunne makkers stonden hen dapper
bij. Deze slachting geschiedde in alle stilte, hoewel onderscheidene
vluchtelingen zich voor ernstige beten niet had kunnen behoeden.
Intusschen scheen de worsteling niet zoo spoedig te zullen eindigen. De
troep wolven werd steeds aangevuld en de rechteroever der Angara scheen
er van te wemelen.
»Houdt het dan nooit op!” zeide Alcide Jolivet, zijn dolk, rood van het
bloed, rondzwaaiende.
En inderdaad renden, een half uur nadat het gevecht begonnen was, de
wolven nog bij honderden over de ijsschotsen.
De uitgeputte vluchtelingen werden toen zichtbaar zwakker. Het gevecht
begon in hun nadeel te staan. Op dit oogenblik maakte een troep van
tien groote wolven, dol van woede en honger en wier oogen in de
duisternis als kolen vuurs schitterden, zich van het plat van het vlot
meester. Alcide Jolivet en zijn makker wierpen zich midden tusschen
deze vreeselijke dieren en Michael Strogoff kroop naar hen toe, toen er
plotseling een front-verandering plaats greep.
Binnen eenige seconden hadden de wolven niet alleen het vlot, maar ook
de in den stroom verspreide ijsschotsen verlaten. Al die donkere
gedaanten verspreidden zich en het was spoedig blijkbaar dat zij, met
den meesten spoed, naar den rechteroever van den stroom waren
teruggekeerd.
Om te handelen hadden die wolven de duisternis noodig en thans
verlichtte een helle gloed de Angara over haar geheelen loop.
Het was het schijnsel van een hevigen brand. Het stadje Poshkavsk stond
geheel in vlammen. Nu waren er de Tartaren dan toch aan het werk. Van
dit punt bezetten zij de beide oevers tot voorbij Irkoetsk. Nu kwamen
de vluchtelingen aan de gevaarlijkste streek van hun doortocht en zij
waren nog dertig wersten van de hoofdstad verwijderd.
Het was half twaalf ’s avonds. Het vlot vervolgde in het donker zijn
tocht door de ijsschotsen, waarmede zijn vorm geheel te samen smolt;
maar soms werd het door breede lichtstrepen bestraald. Ook
veroorloofden de op het dek van het vlot uitgestrekte vluchtelingen
zich geene enkele beweging die hen zou hebben kunnen verraden.
De brand van het stadje geschiedde met buitengemeene hevigheid. De van
dennenhout gebouwde huizen brandden als hars. Er brandden er honderd
vijftig te gelijk. Aan het geknetter der vlammen paarde zich het gebrul
der Tartaren. De oude schipper had een steunpunt genomen op de
omringende ijsschotsen, vanwaar hij het vlot naar den rechteroever
terugduwde, zoodat een afstand van drie tot vierhonderd voet het toen
van de brandende steile oevers van Poshkavsk scheidde.
Niettemin zouden de vluchtelingen, die telkenmale eenige oogenblikken
verlicht waren, zeker ontdekt zijn geworden, zoo de brandstichters het
met de vernieling van het stadje niet te druk hadden gehad. Maar men
zal kunnen begrijpen hoe Alcide Jolivet en Harry Blount te moede waren,
als zij dachten aan de brandbare vloeistof, waarop het vlot dreef.
Intusschen vlogen bundels vonken uit de huizen, die gloeiende ovens
schenen. In het midden der rookkolommen stegen die vonken tot eene
hoogte van vijf- of zes honderd voet naar boven. Op den rechteroever,
die vlak tegenover den brand gelegen was, vertoonden de boomen en
oevergebergten zich alsof ze in vlam stonden. Nu had slechts een vonk
op het watervlak der Angara te vallen en de brand deelde zich aan het
stroomende water mede, waardoor de ramp zich van oever tot oever zou
hebben uitgestrekt. Het was de vernieling, in weinig tijds, van het
vlot en van hen die het meevoerde.
Maar gelukkig woeien de nachtelijke zuchtjes niet naar den kant van het
vlot. Zij bleven uit het oosten blazen en sloegen de vlammen naar de
linkerzijde. Er bestond dus mogelijkheid dat de vluchtelingen aan dit
nieuwe gevaar zouden ontsnappen.
En werkelijk kwam men eindelijk voorbij het brandende vlek.
Langzamerhand verflauwde de gloed van den brand, het geknetter
verminderde en de laatste schijnsels verdwenen achter de hooge steile
oevers bij eene scherpe bocht der Angara.
Het was omstreeks middernacht. De duisternis, die weder ingetreden was,
beschutte het vlot opnieuw. De Tartaren, die er waren, liepen heen en
weer aan beide oevers. Men zag ze niet, maar men hoorde hen. De vuren
der voorposten waren buitengewoon helder.
Intusschen werd het noodzakelijk om tusschen de opzettende ijsschotsen
met meer nauwkeurigheid te sturen.
De oude schipper stond op en de moejieks namen hunne boomen weder op.
Allen hadden de handen vol en de besturing van het vlot werd steeds
moeielijker, want de bedding van den stroom vernauwde zich merkbaar.
Michael Strogoff was naar het voorste gedeelte geslopen.
Alcide Jolivet was hem gevolgd.
Beiden luisterden naar hetgeen de schipper en zijne lieden spraken.
»Houd rechts de wacht!”
»Daar komen de ijsschotsen links opzetten.”
»Houd af! Houd af met je boom!”
»Binnen een uur liggen we stil!....”
»Als God het wil!” antwoordde de oude schipper. »Tegen zijn wil is
niets te doen.”
»Verstaat gij hen,” zeide Alcide Jolivet.
»Ja,” antwoordde Michael Strogoff, »maar God is met ons!”
Intusschen verergerde de toestand meer en meer. Indien de vaart van het
vlot gestaakt moest worden, zouden de vluchtelingen niet alleen
Irkoetsk niet bereiken, maar zij zouden genoodzaakt worden hun
drijvenden toestel te verlaten, die, door de ijsschotsen verbrijzeld,
spoedig onder hunne voeten zou wegzinken. De teenen banden zouden
breken, de met geweld vaneengescheiden pijnboomstammen zouden onder de
harde korst geraken en er zou den ongelukkigen niets dan de ijsschotsen
zelven tot wijkplaats overblijven. Bij het aanbreken van den dag zouden
zij door de Tartaren ontdekt en zonder genade vermoord worden!
Michael Strogoff begaf zich weder naar achteren, waar Nadia hem
wachtte. Hij naderde het meisje, greep hare hand en deed haar deze
onveranderlijke vraag: »Nadia, zijt ge gereed?” waarop zij, als altijd,
ten antwoord gaf:
»Ik ben gereed!”
Het vlot bleef nog eenige wersten lang tusschen het drijfijs afzakken.
Indien de Angara nauwer werd, zou er eene verstopping ontstaan en zou
het bijgevolg onmogelijk worden, den stroom te volgen. Reeds was er
minder drift in het vlot. Ieder oogenblik schokken of afwijkingen. Hier
eene aanvaring te vermijden, daar eene geul op te zoeken. Om kort te
gaan, vele onrustbarende vertragingen.
En de nacht zou nog maar eenige uren duren. Zoo de vluchtelingen
Irkoetsk niet vóor vijf uur ’s morgen bereikten, konden zij de hoop wel
opgeven om er ooit binnen te komen.
Om half twee stiet het vlot, niettegenstaande alle aangewende pogingen,
tegen eene zware versperring en lag het voor goed stil. De ijsschotsen,
die van boven afdreven, liepen op het vlot aan, drukten het tegen de
verstopping en maakten het zoo onbeweeglijk, alsof het op eene klip
gestrand ware.
Op deze plaats vernauwde de Angara zich en besloeg hare bedding slechts
de helft der gewone breedte. Vandaar opeenhooping van ijsschotsen, die
zich langzamerhand aaneengehecht hadden onder den dubbelen invloed der
samenpersing, die belangrijk was, en van de koude, wier hevigheid
verdubbelde. Vijfhonderd schreden benedenwaarts verbreedde zich het bed
van den stroom weder en de ijsschotsen, die daar langzaam van den rand
van het ijsveld losraakten, vervolgden hun tocht naar Irkoetsk. Het was
dus waarschijnlijk dat, zonder deze vernauwing, de opstopping zich niet
zou gevormd hebben en dat het vlot zijne vaart zou hebben kunnen
vervolgen. Maar het was een onherstelbaar ongeluk en de vluchtelingen
moesten alle hoop om hun doel te bereiken, opgeven.
Hadden zij gereedschap ter hunner beschikking gehad, zooals de
walvischvaarders het gewoonlijk gebruiken, om zich kanalen door de
ijsvelden te openen; hadden zij het ijsveld kunnen doorzagen tot aan de
plek waar de rivier breeder werd, de tijd zou hun er wellicht niet voor
ontbroken hebben. Maar geene zaag, geen houweel, niets wat hen in staat
stelde die korst aantetasten, welke door de koude zoo hard als graniet
was geworden.
Welk besluit te nemen?
Op dit oogenblik knalden geweerschoten op den rechteroever der Angara.
Een hagelbui van kogels kwam in de richting van het vlot. Waren de
ongelukkigen dan ontdekt? Waarschijnlijk want ook van den linkeroever
werd geweervuur gehoord. De alzoo tusschen twee vuren geplaatste
vluchtelingen werden het mikpunt der Tartaarsche schutters. Enkelen
hunner werden door die kogels verwond, hoewel ze, in de duisternis, hen
slechts bij toeval bereikten.
»Kom, Nadia,” fluisterde Michael Strogoff aan het oor van het meisje.
Zonder eene opmerking, tot alles gereed, vatte Nadia de hand van
Michael Strogoff.
»We moeten de verstopping over,” zeide hij zacht tot haar. »Leid mij,
maar dat niemand ons het vlot zie verlaten!”
Nadia gehoorzaamde. Michael Strogoff en zij slopen snel over het
ijsveld, in eene duisternis, die hier en daar door het flikkeren van
geweerschoten afgebroken werd.
Nadia kroop Michael Strogoff vooruit. De kogels vielen als eene hevige
hagelbui om hen heen en kletterden tegen de ijsschotsen. De oppervlakte
van het ijsveld deed door zijne oneffenheden en scherpe kanten hunne
handen bloeden, maar zij kwamen toch vooruit.
Tien minuten daarna werd de benedenrand van de verstopping bereikt.
Daar was het water der Angara weder open. Eenige schotsen,
langzamerhand van het ijsveld losgeraakt, volgden weder den stroom en
zakten naar de stad af.
Nadia begreep wat Michael Strogoff beproeven wilde. Zij zag eene schots
die nog maar met eene dunne strook vastzat.
»Kom mede,” zeide Nadia.
En beiden gingen op dit ijsbrok liggen, dat door eene lichte
schommeling van de verstopping los raakte.
De ijsschots begon af te drijven. Daar het bed der rivier breeder werd
was de weg open.
Michael Strogoff en Nadia luisterden naar de geweerschoten, de
noodkreten en het gebrul der Tartaren, dat zich bovenwaarts liet
hooren... Daarna stierven de geluiden van hevigen angst en wreedaardige
woede langzamerhand in de verte weg. »Arme makkers!” mompelde Nadia.
De stroom voerde de ijsschots, waarop Michael Strogoff en Nadia zich
bevonden, gedurende een half uur snel mede. Ieder oogenblik konden ze
vreezen dat zij onder hen zou wegzinken. In den stroomdraad geraakt,
volgde zij het midden der rivier en het zou dan eerst noodig zijn om
haar eene schuinsche richting te geven, wanneer het oogenblik om de
kaden van Irkoetsk aan te doen, daar zou zijn. De tanden op elkander
gesloten en het oor gespitst, sprak Michael Strogoff geen enkel woord.
Nooit was hij het doel zoo nabij geweest. Hij gevoelde dat hij op het
punt was het te bereiken!...
Tegen twee uur des morgens schitterde een dubbele rij lichten tegen den
donkeren gezichteinder, waarin beide oevers der Angara ineenvloeden.
Rechts was ’t het licht dat van Irkoetsk uitstraalde. Ter linkerhand
waren het de vuren van het Tartaarsche kamp.
Michael Strogoff was nog slechts op een halve werst van de stad.
»Eindelijk!” mompelde hij.
Maar plotseling deed Nadia een kreet hooren.
Op dezen kreet ging Michael Strogoff overeind staan op de ijsschots die
waggelde. Hij strekte zijn hand naar de Angara uit. Zijn gelaat, door
blauwachtige schijnsels verlicht, werd vreeselijk om te aanschouwen en
toen, alsof hij het gezicht teruggekregen had, riep hij uit:
»Ach! God zelf is dan tegen ons!”
XXIX.
IRKOETSK.
Irkoetsk, de hoofdstad van Oostelijk-Siberië is eene stad, die, in
gewone tijden, een bevolking van dertig duizend inwoners telt. Een
redelijk steile oever, die zich op de rechterzijde van de Angara
verheft strekt tot grondlaag voor hare kerken, die door de hoofdkerk
beheerscht worden en voor hare in schilderachtige wanorde geplaatste
huizen.
Op een zekeren afstand van de hoogte van den berg gezien, die zich op
twintig wersten op den Siberischen grooten weg verheft, vertoont het
een eenigszins Oostersch aanzien met zijne koepels; zijne klokketorens,
zijne spitse naalden gelijk aan minarets, zijne domtorens zoo buikig
als Japansche poppen. Maar dat voorkomen wijkt van de oogen der
reizigers, zoodra hij de stad is binnengetreden. De half Byzantijnsche,
half Chineesche stad herneemt een Europeesch karakter door hare
mac-adam straten, voorzien van trottoirs, met goten doorsneden en met
reusachtige berkeboomen beplant; door hare half baksteenen, half houten
huizen, waarvan er eenigen onderscheidene verdiepingen hebben; door de
talrijke rijtuigen die haar doorkruisen, niet alleen tarentassen en
telega’s maar coupé’s en kalessen; eindelijk door eene geheele klasse
zeer beschaafde inwoners, aan wie de laatste Parijsche modes niet
vreemd waren.
Op dit tijdstip was Irkoetsk, als wijkplaats voor de Siberiërs uit de
provincie, overvol. De hulpmiddelen van allerlei soort, waren er in
overvloed voorhanden. Irkoetsk is het entrepôt van de tallooze
koopmanschappen die tusschen China, Middel-Azië en Europa geruild
worden. Men had dus niet geschroomd er de landlieden uit de vallei der
Angara, Mongoolsche Khalkas, Tongoesen en Boeretiërs heen te lokken en
de woestijn zich tusschen de overweldigers en de stad te laten
uitstrekken.
Irkoetsk is de verblijfplaats van den gouverneur-generaal van
Oost-Siberië. Onder hem staat een burgerlijk gouverneur, in wiens
handen het beheer der provincie vereenigd is, een politiemeester die
het in zijn stad vol ballingen zeer druk heeft en eindelijk een
burgemeester, hoofd der kooplieden, een persoon zeer aanzienlijk wegens
zijne onmetelijke bezittingen en den invloed dien hij op de door hem
geregeerden uitoefent.
Het garnizoen van Irkoetsk bestond toen uit een regiment kozakken te
voet, dat ongeveer twee duizend man telde, en uit een korps stedelijke
gendarmen met helm en blauwe met zilver geboorde uniform.
Bovendien is het bekend dat de broeder van den czaar, tengevolge van
bijzondere omstandigheden, sedert het begin van den inval, in de stad
was opgesloten.
Deze omstandigheid moet nader omschreven worden.
Eene reis van staatkundig gewicht had den grootvorst naar deze
verwijderde streken van Oostelijk-Azië gevoerd.
Na de voornaamste Siberische steden doorgetrokken te zijn had de
grootvorst, die meer als soldaat dan als vorst reisde, zich zonder
eenige praal, door zijne officieren vergezeld en begeleid door eene
afdeeling kozakken, naar de streken aan gene zijde van het meer Baïkal
begeven.
Nikolaevsk, de laatste Russische stad op het kustgebied der zee van
Okhotsk, was door hem met een bezoek vereerd.
Van de grenzen van het onmetelijke Moscovitische rijk kwam de
grootvorst naar Irkoetsk terug, vanwaar hij de terugreis naar Europa
dacht aan te nemen, toen hij de tijding ontving van den zoo
plotselingen, als dreigenden inval. Hij haastte zich naar de hoofdstad
terug te keeren, maar toen hij er aankwam, was de gemeenschap met
Rusland op het punt van afgebroken te worden. Hij ontving nog eenige
telegrammen uit Petersburg en Moskou en hij kon ze zelfs beantwoorden.
Daarna werd de draad, onder de ons bekende omstandigheden, afgesneden.
Irkoetsk was van het overige deel der wereld afgezonderd.
De grootvorst kon zich bepalen tot het regelen der verdediging en dit
deed hij met die standvastigheid en die koelbloedigheid waarvan hij in
andere omstandigheden, onwedersprekelijke bewijzen heeft gegeven.
De berichten omtrent het innemen van Ichim, Omsk en Tomsk kwamen
achtereenvolgens te Irkoetsk aan. Men moest dus, tot elken prijs, de
hoofdstad van Siberië voor vermeestering vrijwaren. Op spoedige hulp
kon men niet rekenen. De geringe troepenmacht in de provinciën van den
Amoer en in het gouvernement van Irkoetsk verspreid, kon niet in
genoegzamen getale oprukken om de Tartaarsche kolonnes tegen te houden.
En daar Irkoetsk nu onmogelijk aan eene insluiting kon ontsnappen, was
het vooral zaak de stad in staat te stellen een beleg van eenigen duur
te kunnen weerstaan.
Deze werken werden aangevangen op den dag waarop Tomsk in handen der
Tartaren viel. Tegelijk met dat bericht, vernam de grootvorst dat de
emir van Boekhara en de verbonden khans de beweging in persoon
aanvoerden, maar wat hij niet wist, was dat de luitenant dezer
barbaarsche opperhoofden Ivan Ogareff was, dien hij zelf van zijn rang
vervallen had verklaard en dien hij niet kende.
Gelijk men gezien heeft werden de bewoners der provincie Irkoetsk al
dadelijk gedwongen steden en vlekken te verlaten. Zij, die niet de wijk
naar de hoofdstad namen, moesten zich achter het meer Baïkal
terugtrekken, omdat het niet waarschijnlijk was dat de inval zijne
verwoestingen tot daar zou uitbreiden. De oogst van graan en veevoeder
werd voor de stad in beslag genomen en dit laatste bolwerk der
Moscovitische macht in het verre oosten in staat gesteld om eenigen
tijd weerstand te bieden.
Irkoetsk, in 1611 gesticht, is gelegen aan de samenvloeiing van de
Irkoet en de Angara, op den rechteroever van dezen stroom. Twee houten
bruggen op paalwerk gebouwd en zoodanig ingericht dat zij over de volle
breedte van het vaarwater ten dienste der scheepvaart konden geopend
worden, verbonden de stad aan hare voorsteden, die zich op den
linkeroever uitstrekken. Aan deze zijde was de verdediging gemakkelijk.
De voorsteden werden verlaten en de bruggen vernield. De overtocht der
op dit punt zeer breede Angara zou, onder het vuur der belegerden, niet
mogelijk zijn geweest. Maar de stroom kon boven en beneden de stad
overgetrokken worden en bijgevolg stond Irkoetsk bloot om aan de
oostzijde, door geen ringmuur beschermd, te worden aangetast.
Aan de vestingwerken werd dus allereerst gearbeid. Men werkte dag en
nacht. De grootvorst vond eene volijverige bevolking aan den gang, die
hij later als dappere verdedigers zou terugvinden. Soldaten,
kooplieden, ballingen, landlieden allen offerden zich voor het gemeene
welzijn op. Acht dagen voordat de Tartaren aan de Angara verschenen,
waren aarden wallen opgericht. Een gracht met water uit de Angara
gevuld, was tusschen de eskarp en de contre-eskarp gegraven. De stad
kon nu niet meer bij verrassing worden ingenomen; zij moest berend en
belegerd worden.
De derde Tartaarsche kolonne—dezelfde die de vallei der Jeniseï was
opgetrokken—verscheen 24 September in het gezicht van Irkoetsk. Zij nam
dadelijk de verlaten voorsteden in bezit, waarvan de huizen echter
vernield waren, om de werking der ongelukkigerwijze te zwakke
artillerie van den grootvorst niet te hinderen.
De Tartaren namen dus stelling in afwachting der aankomst van de beide
andere kolonnes, aangevoerd door den emir en zijne bondgenooten.
De vereeniging der onderscheidene korpsen had plaats op 25 September in
het kamp van de Angara en het geheele leger, uitgenomen de bezettingen
in de voornaamste veroverde steden achtergelaten, was nu saamgetrokken
onder bevel van Feofar-Khan.
Daar Ivan Ogareff den overtocht der Angara vóor Irkoetsk niet doenlijk
vond, stak eene sterke troepen-afdeeling eenige wersten benedenwaarts
den stroom over op schipbruggen. De grootvorst deed geene poging om
zich tegen dezen overtocht te verzetten. Hij had dien kunnen
belemmeren, maar niet verhinderen, omdat hij geen veldgeschut tot zijne
beschikking had en daarom hield hij zich wijselijk binnen Irkoetsk
opgesloten.
De Tartaren hadden dus den rechteroever van den stroom bezet;
vervolgens trokken zij naar de stad op, staken onderweg het
zomerverblijf van den gouverneur-generaal, gelegen in de bosschen aan
het bovengedeelte der Angara, in brand en namen zij eindelijk hunne
stellingen voor het beleg in, na Irkoetsk geheel omsingeld te hebben.
Als bekwaam ingenieur was Ivan Ogareff gewis in staat om de
werkzaamheden van een geregeld beleg te besturen; maar de materieele
middelen ontbraken hem om spoedig te handelen. Daarom had hij ook
gehoopt Irkoetsk, het doel van al zijn streven, bij verrassing in te
nemen.
De zaken waren dus anders geloopen dan hij berekend had. Aan de eene
zijde de marsch van het Tartaarsche leger vertraagd door den veldslag
van Tomsk, aan den anderen kant de spoed door den grootvorst bij de
verdedigingswerken aangewend: deze twee redenen waren voldoende geweest
om zijn plan te doen schipbreuk lijden. Hij zag zich dus genoodzaakt
een geregeld beleg te voeren.
Intusschen beproefde de emir op zijn raad tweemaal, om de stad, ten
koste van veel volk, in te nemen. Hij wierp zijne manschappen tegen
eenige zwakke punten der aarden versterkingen; maar beide stormen
werden allermoedigst afgeslagen. De grootvorst en zijne officieren
ontzagen zich niet bij deze gelegenheid. Zij waren voorop en sleepten
de bevolking mede naar de wallen. Burgers en moejieks vervulden hun
plicht op bewonderenswaardige wijze. Bij het tweede stormloopen waren
de Tartaren er in geslaagd een der poorten van de omwalling met geweld
binnen te dringen. Er had een gevecht plaats aan het begin der
Bolchaïa-straat die twee wersten lang is en die op de oevers der Angara
uitloopt. Maar Kozakken, gendarmes en burgers boden hevigen wederstand,
zoodat de Tartaren naar hunne stellingen moesten terugtrekken.
Ivan Ogareff dacht er toen over om door verraad te verkrijgen, wat het
geweld hem niet verschaffen kon. Men weet dat hij van plan was de stad
binnen te dringen, den grootvorst te naderen, zijn vertrouwen te
winnen, op een gegeven oogenblik een der poorten aan de belegeraars
over te leveren, en om daarna zijn wraak aan den broeder des czaars te
koelen.
De zigeunerin Sangarre, die hem naar het kamp aan de Angara vergezeld
had, zette hem aan om dit plan ten uitvoer te brengen.
Inderdaad moest er zonder dralen gehandeld worden. De Russische troepen
uit het gouvernement Jakoetsk rukten op Irkoetsk aan. Zij hadden zich
vereenigd aan den bovenloop der Lena, vanwaar zij in de vallei van dien
naam oprukten. Binnen zes dagen zouden zij aangekomen zijn. Voor dat
zes dagen verstreken waren moest Irkoetsk dus bij verraad overgeleverd
zijn.
Ivan Ogareff aarzelde dus niet langer.
Op den 2den October, des avonds, werd er in de groote zaal van het
paleis van den gouverneur-generaal krijgsraad gehouden. De grootvorst
hield daar zijn verblijf.
Dit paleis aan het uiteinde van de Bolchaïa-straat staande, beheerschte
den loop van den stroom over eene groote uitgestrektheid. Door de ramen
van den hoofdgevel bespeurde men het Tartaarsche kamp, en
belegeringsgeschut dat verder droeg dan dat der Tartaren, zou het
onbewoonbaar gemaakt hebben.
De grootvorst, generaal Woranzoff en de stedelijke gouverneur, het
hoofd der kooplieden, bijgestaan door eenige hoofdofficieren, hadden
juist eenige beschikkingen vastgesteld.
»Mijne heeren,” sprak de grootvorst, »gij zijt nauwkeurig met onzen
toestand bekend. Ik koester de vaste hoop dat wij het tot aan de
aankomst der troepen uit Jakoetsk zullen kunnen uithouden. Dan zullen
wij die barbaarsche horden wel verjagen en het zal niet van mij
afhangen dat zij deze overweldiging van het Moscovische grondgebied ten
duurste zullen betalen.”
»Uwe Hoogheid weet dat zij op de geheele bevolking van Irkoetsk staat
kan maken,” antwoordde generaal Woranzoff.
»Ja generaal,” antwoordde de grootvorst, »en ik breng hulde aan hare
vaderlandsliefde. Door ’s Hemels goedheid heeft zij de verschrikkingen
van besmettelijke ziekten of hongersnood nog niet behoeven te verduren
en ik heb reden om te gelooven dat zij daar buiten zal blijven; maar op
de wallen heb ik haren moed slechts kunnen bewonderen. Heer, hoofd der
kooplieden, gij hoort mijne woorden en ik zal u verzoeken die wel te
willen overbrengen.”
»Ik zeg Uwe Hoogheid dank in naam der stad,” antwoordde het hoofd der
kooplieden. »Zou ik haar mogen vragen binnen welk uiterst tijdstip zij
verwacht, dat het hulpleger zal aankomen?”
»Binnen zes dagen op zijn hoogst, mijnheer,” was het antwoord van den
grootvorst. »Een behendig en moedig zendeling is dezen morgen in de
stad kunnen binnendringen en hij heeft mij bericht dat vijftig duizend
Russen met versnelden marsch, onder bevel van generaal Kisselef,
aanrukken. Twee dagen geleden waren zij te Kirensk aan de boorden van
Lena en nu zullen koude noch sneeuw hunne aankomst meer beletten.
Vijftig duizend man goede troepen, die de Tartaren in de flank
aantasten, zullen ons spoedig bevrijd hebben.”
»Ik kan hier nog bijvoegen,” antwoordde het hoofd der kooplieden, »dat
wanneer Uwe Hoogheid een uitval mocht bevelen, wij gereed zullen zijn
dat bevel ten uitvoer te brengen.”
»Goed, mijnheer,” antwoordde de grootvorst. »Wacht tot dat de spits
onzer kolonnes zich op de hoogten vertoont, dan zullen wij de
overweldigers verpletteren.”
Zich daarna tot generaal Woranzoff wendende, zeide hij:
»Wij zullen morgen de werken op den rechteroever bezien. De Angara
begint ijsschotsen te kruien, zij zal spoedig vastzitten en, in dat
geval zouden de Tartaren haar kunnen oversteken.”
»Uwe Hoogheid sta mij toe eene opmerking te maken,” zeide het hoofd der
kooplieden.
»Ga uw gang, mijnheer.”
»Ik heb de temperatuur meermalen tot dertig à veertig graden onder nul
zien dalen en de Angara bleef dan kruien, maar raakte niet vast. Dat
ligt zeker aan haar snellen stroom. Indien de Tartaren dus geen ander
middel hebben om over den stroom te komen, kan ik Uwe Hoogheid
verzekeren, dat zij langs dien weg Irkoetsk niet zullen binnen komen.”
De gouverneur-generaal bevestigde de verklaring van het hoofd der
kooplieden.
»Dat is wel eene gelukkige omstandigheid,” antwoordde de grootvorst.
»Niettemin zullen wij ons op alles voorbereid houden.”
En zich daarna tot den politiemeester wendende, zeide hij:
»Hebt u mij niets te zeggen, mijnheer?”
»Ik heb,” antwoordde de politiemeester, »Uwe Hoogheid met een
smeekschrift in kennis te stellen, dat door mijne tusschenkomst aan U
gericht is.”
»Aan mij gericht door...?”
»Door de Siberische ballingen die, zoo als Uwe Hoogheid weet, zich ten
getale van vijfhonderd in de stad bevinden.”
De over de geheele provincie verdeelde staatkundige ballingen waren
sedert het begin van den opstand te Irkoetsk verzameld. Zij hadden
gehoorzaamd aan het bevel om naar de stad te komen en de vlekken te
verlaten waar zij onderscheidene beroepen uitoefenden, dezen als
geneesheer, genen als leeraar hetzij aan het gymnasium, hetzij aan de
Japansche school, hetzij aan de zeevaart-school. Reeds had de
grootvorst even als de czaar in hunne vaderlandsliefde vertrouwen
stellende, hen gewapend en in hen dappere verdedigers gevonden.
»Wat vragen de ballingen?” zeide de grootvorst.
»Zij vragen aan Uwe Hoogheid,” antwoordde de politiemeester,
»vergunning om een bijzonder korps te mogen vormen en om bij den
eersten uitval de spits uit te maken.”
»Ja,” antwoordde de grootvorst met een gevoel dat hij niet zocht te
onderdrukken, »die ballingen zijn Russen en zijn in hun recht wanneer
zij voor hun land willen vechten!”
»Ik meen Uwe Hoogheid te kunnen verzekeren,” zeide de
gouverneur-generaal, »dat zij geen betere soldaten zal hebben.”
»Maar zij moeten een hoofd hebben,” antwoordde de grootvorst. »Wie zal
dat wezen?”
»Zij wilden,” zeide de politiemeester, »dat Uwe Hoogheid een hunner,
die zich bij verschillende gelegenheden onderscheiden heeft, als
zoodanig zoudt willen aannemen.”
»Is het een Rus?”
»Ja, een Rus uit de Oostzee-provinciën.”
»Hij heet...?”
»Wassili Fedor.”
Deze balling was Nadia’s vader.
Wassili Fedor oefende, gelijk men weet, te Irkoetsk het beroep van
geneesheer uit. Het was een geleerd en liefdadig mensch en tevens een
moedig, vaderlandlievend man. Al den tijd, dien hij niet aan de zieken
wijdde, besteedde hij om de verdediging te regelen. Hij was het die
zijne makkers in ballingschap tot samenwerken vereenigd had. De tot
dusverre onder de verschillende klassen der bevolking levende ballingen
hadden zich zoodanig gedragen, dat zij de aandacht van den grootvorst
hadden getrokken. In onderscheidene uitvallen hadden zij, met hun
bloed, hunne schuld aan het heilige Rusland betaald; het heilige ja, en
als zoodanig door zijne kinderen aangebeden! Wassili Fedor had zich
heldhaftig gedragen. Zijn naam werd meer dan eens genoemd, maar hij had
nooit gunsten noch gaven gevraagd en toen de ballingen te Irkoetsk er
over dachten een bijzonder korps op te richten, wist hij zelfs niet dat
zij het voornemen hadden hem als hun hoofd te kiezen.
Toen de politiemeester dezen naam voor den grootvorst had uitgesproken,
antwoordde deze dat hij hem niet onbekend was.
»Inderdaad,” antwoordde generaal Woranzoff, »Wassili Fedor is een
onverschrokken, moedig man. Zijn invloed op zijne makkers is altijd
zeer groot geweest.”
»Sedert wanneer is hij te Irkoetsk?” vroeg de grootvorst.
»Sedert twee jaar.”
»En zijn gedrag ...?”
»Zijn gedrag,” antwoordde de politiemeester, »is dat van iemand, die
zich onderwerpt aan de bijzondere wetten, waaronder hij staat.”
»Generaal,” antwoordde de grootvorst, »wil hem mij dadelijk
voorstellen.”
De bevelen van den grootvorst werden uitgevoerd en nog geen half uur
later, werd Wassili Fedor in zijne tegenwoordigheid binnengeleid.
Het was een man van ten hoogste veertig jaar, kloek, met een streng en
treurig gelaat. Men gevoelde dat zijn geheele leven was samen te vatten
in dit enkele woord: worstelen; hij had geworsteld en geleden. Zijne
gelaatstrekken hadden verwonderlijk veel van die zijner dochter Nadia
Fedor.
Meer dan iemand anders was hij door den Tartaarschen inval in zijn
teederste genegenheid getroffen, daar hij de grootste hoop van dezen op
acht duizend wersten van zijne geboortestad verbannen vader
vernietigde. Een brief had hem den dood zijner vrouw bericht en,
tegelijkertijd, het vertrek zijner dochter, die van het gouvernement
vergunning had verkregen om zich bij hem te Irkoetsk te voegen.
Nadia had Riga den 10den Juli moeten verlaten. De inval dagteekende van
15 Juli. Indien Nadia, op dit tijdstip, de grens was overgetrokken, wat
was er dan van haar te midden der overweldigers geworden? Men begrijpt
dat deze vader door ongerustheid verteerd werd, daar hij, sedert dien
tijd, niets van zijne dochter had vernomen.
Wassili Fedor maakte eene buiging voor den grootvorst en wachtte tot
hij ondervraagd werd.
»Wassili Fedor,” zeide de grootvorst tot hem, »uwe makkers in de
ballingschap hebben gevraagd om eene keurbende te vormen. Weten zij dat
men zich in zoodanig korps tot den laatsten man moet laten dooden?”
»Dat weten zij,” antwoordde Wassili Fedor.
»Zij verlangen u als aanvoerder.”
»Mij, Uwe Hoogheid?”
»Stemt gij er in toe u aan hun hoofd te plaatsen?”
»Ja, indien het welzijn van Rusland het vordert.”
»Commandant Fedor,” sprak de grootvorst, »gij zijt geen balling meer.”
»Ik dank Uwe Hoogheid, maar kan ik hen, die het nog zijn, bevelen?”
»Zij zijn het niet meer!”
Zoo verleende de broeder van den czaar genade aan de makkers zijner
ballingschap, die nu zijn wapenbroeders waren!
Wassili Fedor drukte vol aandoening de hand, die de grootvorst hem
toestak en verwijderde zich.
Deze zeide glimlachend, terwijl hij zich tot zijne officieren wendde:
»De czaar zal niet weigeren den genadebrief, dien ik op hem trek,
aantenemen. Wij hebben helden noodig om de hoofdstad van Siberië te
verdedigen en ik heb ze daar gemaakt.”
Inderdaad was die gratie aan de ballingen te Irkoetsk verleend, eene
daad van rechtvaardigheid, die van een goede staatkunde getuigde.
Het was toen nacht geworden. Door de vensters van het paleis schenen de
vuren van het Tartaarsche kamp, die aan gene zijde van de Angara
schitterden. De stroom kruide talrijke ijsschotsen, waarvan er eenigen
tegen de eerste palen van de voormalige houten bruggen bleven liggen.
Die welke de stroom in de vaargeul hield, dreven met buitengewone
snelheid af. Het was blijkbaar dat, zoo als het hoofd der kooplieden
had doen opmerken, de Angara niet gemakkelijk over hare geheele
oppervlakte kon bevriezen. Het gevaar om van die zijde aangevallen te
worden, boezemde den verdedigers van Irkoetsk dus geene zorg in.
Het had tien uur ’s avonds geslagen. De grootvorst was op het punt
zijne officieren te laten weggaan en zich naar zijne vertrekken te
begeven, toen zich een geraas buiten het paleis deed hooren.
Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur der zaal geopend en verscheen
er een adjudant die, naar den grootvorst toegaande, zeide:
»Uwe Hoogheid, een koerier van den czaar!”
XXX.
EEN KOERIER VAN DEN CZAAR.
Eene plotselinge beweging dreef alle leden van den raad naar de half
openstaande deur. Een koerier van den czaar, te Irkoetsk aangekomen!
Zoo deze officieren een oogenblik over de onwaarschijnlijkheid van dit
feit hadden nagedacht, zouden zij het zeker voor onmogelijk hebben
gehouden.
De grootvorst was haastig naar zijn adjudant toegestapt en zeide:
»Die koerier!”
Er trad een man binnen. Hij zag er uitgeput van vermoeienis uit. Hij
droeg de kleeding van een Siberischen boer, die versleten en gescheurd
was en die sporen van kogels vertoonde. Eene Moscovische muts dekte
zijn hoofd. Eene slecht geheelde houw liep dwars over zijn gelaat. Die
man had blijkbaar een langen en moeilijken weg afgelegd. De slechte
toestand van zijn schoeisel bewees zelfs dat hij een gedeelte van zijne
reis te voet had afgelegd.
»Zijne Hoogheid de grootvorst,” riep hij uit toen hij binnen trad.
De grootvorst ging naar hem toe.
»Gij zijt een koerier van den czaar?” vroeg hij.
»Ja, Uwe Hoogheid.”
»Gij komt....?”
»Van Moskou.”
»Gij hebt Moskou verlaten....?”
»Den 15den Juli.”
»Gij heet....?”
»Michael Strogoff.”
Het was Ivan Ogareff. Hij had den naam en de hoedanigheid aangenomen
van hem, dien hij tot machteloosheid gedoemd waande. Noch de
grootvorst, noch iemand anders kenden hem te Irkoetsk en het was zelfs
niet noodig geweest dat hij zich vermomde. Daar hij zijne voorgewende
identiteit kon staven, zou niemand aan hem kunnen twijfelen. Door een
ijzeren wil gesteund, kwam hij alzoo door verraad en moord de
ontknooping van het invalstreurspel verhaasten.
Na het antwoord van Ivan Ogareff gaf de grootvorst een teeken en
verwijderden al zijne officieren zich.
De valsche Michael Strogoff en hij bleven alleen in de zaal.
De grootvorst bekeek Ivan Ogareff zeer aandachtig en vroeg toen:
»Gij waart 15 Juli te Moskou?”
»Ja, Uwe Hoogheid en ’s nachts van 14 op 15 Juli, heb ik Zijne
Majesteit den czaar in het Nieuwe Paleis gezien.”
»Hebt gij een brief van den czaar?”
»Hier is hij.”
En Ivan Ogareff gaf den grootvorst den keizerlijken brief over, die
microscopische afmetingen had aangenomen.
»Is deze brief u in dien staat ter hand gesteld?”
»Neen, Uwe Hoogheid, maar ik heb den omslag moeten verscheuren, om haar
beter voor de soldaten van den emir te verbergen.”
»Zijt gij dan bij de Tartaren gevangen geweest?”
»Ja, Uwe Hoogheid, eenige dagen,” antwoordde Ivan Ogareff. »Daarom ben
ik, hoewel 15 Juli van Moskou vertrokken, zooals de dagteekening van
den brief aanwijst, eerst 2 October te Irkoetsk aangekomen, dus na eene
reis van negen en zeventig dagen.”
De grootvorst nam den brief aan. Hij ontvouwde hem en herkende de
handteekening van den czaar, voorafgegaan door het eigenhandig
geschreven vaste formulier. Er bleef dus, ten aanzien van de echtheid
van brief en koerier, geen twijfel over. Had de woeste uitdrukking van
zijn gelaat den grootvorst aanvankelijk wantrouwen ingeboezemd, waarvan
hij niets liet blijken, dat wantrouwen was nu geheel geweken.
De grootvorst sprak niet gedurende eenige oogenblikken. Hij las den
brief zeer langzaam, ten einde den zin er van goed te vatten.
Daarna het gesprek hervattende, vroeg hij:
»Michael Strogoff, weet gij den inhoud van dezen brief?”
»Ja, Uwe Hoogheid. Ik kon in de noodzakelijkheid komen om hem te
vernietigen opdat hij niet in de handen der Tartaren zou vallen en, in
dit geval, wilde ik de woorden nauwkeurig aan Uwe Hoogheid
overbrengen.”
»Gij weet dat deze brief ons gebiedt te Irkoetsk te sterven, liever dan
de stad over te geven?”
»Ik weet het.”
»Gij weet ook dat hij eene aanwijzing bevat van de bewegingen der
troepen, die vereenigd zijn, om den inval tot staan te brengen?”
»Ja, Uwe Hoogheid, maar die bewegingen zijn niet gelukt.”
»Wat wilt gij daarmede zeggen?”
»Ik wil zeggen, dat Ichim, Omsk, Tomsk, om slechts van de gewichtigste
plaatsen der beide Siberiën te spreken, achtereenvolgens door de
soldaten van Feofar-Khan zijn bezet.”
»Maar is er gevochten? Hebben onze kozakken zich met de Tartaren
gemeten?”
»Onderscheidene keeren, Uwe Hoogheid.”
»En zijn ze teruggeslagen?”
»Zij waren te zwak in getal.”
»Waar hebben de ontmoetingen, waarvan gij spreekt, plaats gehad?”
»Te Kolivan, te Tomsk....”
Tot hiertoe had Ivan Ogareff slechts de waarheid gezegd, maar met het
oogmerk om de verdedigers van Irkoetsk aan het wankelen te brengen,
door de voordeden door de troepen van den emir behaald, te overdrijven,
voegde hij er bij:
»En eene derde keer vóor Krasnoïarsk.”
»En dit laatste gevecht?....” vroeg de grootvorst, wiens gesloten
lippen aan zijne woorden bijna geen doortocht lieten.
»Het was meer dan een gevecht, Uwe Hoogheid, het was een veldslag.”
»Een veldslag?”
»Twintig duizend Russen uit de provinciën en uit het gouvernement
Tobolsk aangerukt, ontmoetten honderd vijftig duizend Tartaren en
werden, niettegenstaande hun moedig gedrag, vernietigd.”
»Gij liegt!” riep de grootvorst uit, die te vergeefs zijne woede
trachtte meester te blijven.
»Ik spreek de waarheid, Uwe Hoogheid,” antwoordde Ivan Ogareff. »Ik was
bij den veldslag van Krasnoïarsk tegenwoordig en daar ben ik gevangen
genomen!”
De grootvorst hernam zijne bedaardheid en deed Ivan Ogareff door een
teeken begrijpen, dat hij aan zijne geloofwaardigheid niet twijfelde.
»Op welken dag heeft die veldslag van Krasnoïarsk plaats gehad?” vroeg
hij.
»Den 5den September.”
»En nu zijn al de Tartaarsche troepen om Irkoetsk verzameld?”
»Allen.”
»En gij schat ze....?”
»Op vier honderd duizend man.”
Nieuwe overdrijving van Ivan Ogareff in het begrooten der sterkte van
de Tartaarsche troepen en altijd met hetzelfde oogmerk.
»En heb ik niet de minste hulp uit de westelijke provinciën te
wachten?” vroeg de grootvorst.
»Volstrekt geene, Uwe Hoogheid, ten minste vóor den winter.”
»Welnu, Michael Strogoff, verneem dan dit. Al mocht noch uit het
westen, noch uit het oosten, mij eenige hulp geworden en al waren die
barbaren ook zes honderd duizend man sterk, toch zal ik Irkoetsk niet
overgeven!”
Het boosaardig oog van Ivan Ogareff knipte even. De verrader scheen
daarmede te willen zeggen, dat de broeder van den czaar zijne rekening
buiten het verraad maakte.
De grootvorst, die van een zenuwachtig gestel was, had groote moeite om
zijne kalmte te bewaren, toen hij deze ongunstige tijdingen vernam. Hij
liep heen en weer door de zaal onder de oogen van Ivan Ogareff, die hem
verslonden als eene voor zijne wraak bestemde prooi. Hij stond voor de
vensters stil, hij keek naar de wachtvuren in het Tartaarsche kamp, hij
trachtte de geluiden op te vangen, waarvan de meesten ontstonden door
den schok der ijsschotsen, die door den stroom der Angara werden
meegevoerd.
Er verliep een kwartuur uurs, zonder dat hij eene andere vraag deed.
Den brief vervolgens weder opnemende, herlas hij er eene zinsnede uit
en zeide hij:
»Gij weet, Michael Strogoff, dat er op dit oogenblik sprake is van een
verrader, voor wien ik mij wachten moet?”
»Ja, Uwe Hoogheid.”
»Hij moet trachten vermomd binnen Irkoetsk te dringen, zich van mijn
vertrouwen meester te maken om daarna, op een gegeven oogenblik, de
stad aan de Tartaren over te leveren.”
»Dat weet ik alles, Uwe Hoogheid, en ik weet ook dat Ivan Ogareff
gezworen heeft zich persoonlijk op den broeder van den czaar te
wreken.”
»Waarom?”
»Men zegt dat die officier door den grootvorst tot een vernederend
verlies van zijn graad veroordeeld is.”
»Ja.... dat herinner ik mij.... maar dat verdiende de ellendeling die
later tegen zijn land zou dienen en er een inval van barbaren zou
heenvoeren!”
»Zijne Majesteit de czaar,” antwoordde Ivan Ogareff, »hechtte er vooral
veel aan dat gij verwittigd werdt van de booze plannen die Ivan Ogareff
tegen uwen persoon smeedt.”
»Ja.... de brief deelt mij dat mede....”
»En Zijne Majesteit heeft het mij persoonlijk gezegd en mij
gewaarschuwd om, op mijne reis door Siberië, tegen dien verrader op
mijne hoede te wezen.”
»Hebt gij hem ontmoet?”
»Ja, Uwe Hoogheid, na den slag van Krasnoïarsk. Had hij kunnen
vermoeden dat ik een brief overbracht aan Uwe Hoogheid gericht en
waarin zijne plannen ontsluierd werden, hij zou mij geene genade
verleend hebben.”
»Ja, gij waart verloren geweest!” antwoordde de grootvorst. »En hoe
hebt gij kunnen ontsnappen?”
»Door mij in de Irtisch te werpen.”
»En hoe zijt gij binnen Irkoetsk gekomen?”
»Onder begunstiging van een uitval die dezen avond is gedaan om een
Tartaarsche afdeeling terug te drijven. Ik heb mij onder de verdedigers
der stad geschaard, ik heb mij doen herkennen en men heeft mij dadelijk
voor Uwe Hoogheid gebracht.”
»Goed, Michael Strogoff,” antwoordde de grootvorst. »Gij hebt,
gedurende die moeielijke zending, moed en ijver betoond. Ik zal het
niet vergeten. Hebt gij mij eenige gunst te vragen?”
»Geene andere dan de vergunning om aan de zijde van Uwe Hoogheid te
strijden,” antwoordde Ivan Ogareff.
»Het zij zoo, Michael Strogoff. Van dit oogenblik verbind ik u aan mijn
persoon en zult gij in dit paleis wonen.”
»En, indien Ivan Ogareff, volgens de bedoeling, die men hem
toeschrijft, zich onder een valschen naam aan Uwe Hoogheid laat
voorstellen?....”
»Dan zullen we, dank aan u die hem kent, hem ontmaskeren en ik zal hem
onder den knoet laten omkomen. Ga.”
Ivan Ogareff, bedenkende dat hij kapitein in het korps koeriers van den
czaar was, groette op militaire wijze en vertrok.
Ivan Ogareff had zijne onwaardige rol dus met goed gevolg gespeeld. Van
het vertrouwen van den grootvorst was hij geheel en ten volle
verzekerd. Hij kon er misbruik van maken, wanneer en waar hij wilde.
Hij zou hetzelfde paleis bewonen. Hij zou achter de geheimen der
verdediging komen. Hij had den toestand dus in handen. Niemand te
Irkoetsk kende hem, niemand kon hem ontmaskeren. Hij besloot dus,
zonder uitstel, aan het werk te gaan.
Inderdaad drong de tijd. De stad moest over zijn vóor de aankomst der
Russen uit het noorden en het oosten, en dat was eene zaak van slechts
weinige dagen. Waren de Tartaren eens meester van Irkoetsk, dan zou het
niet gemakkelijk op hen te heroveren zijn. Moesten zij het later
opgeven, dan zouden zij het niet doen zonder het tot den grond toe
verwoest te hebben en zonder dat het hoofd van den grootvorst voor de
voeten van Feofar-Khan was gerold.
Ivan Ogareff, die volle vrijheid had om te kijken, waar te nemen, te
handelen, hield zich reeds den volgenden dag bezig om de wallen te
bezoeken. Overal werd hij met de hartelijkste gelukwenschen begroet
door officieren, soldaten en burgers. Die koerier van den czaar was
voor hen als het ware een band, die hen aan het keizerrijk hechtte.
Ivan Ogareff verhaalde dan, met een onbeschaamdheid die zich nooit
verraadde, de verzonnen ongevallen zijner reis. Daarna sprak hij zeer
behendig, zonder er te veel nadruk op te leggen, over het ernstige van
den toestand, terwijl hij, zooals hij bij den grootvorst had gedaan, de
voordeelen door de Tartaren behaald en de krachten waarover deze
barbaren beschikten, zeer overdreef. Naar zijn zeggen zou de verwachte
hulp, zoo zij al aankwam, niet afdoende zijn en stond het te vreezen
dat een onder de muren van Irkoetsk geleverde veldslag even noodlottig
zou afloopen als de slagen van Kolivan, Tomsk en Krasnoïarsk.
Met deze boosaardige gezegden liep Ivan Ogareff niet te koop. Hij ging
zeer omzichtig te werk om ze langzamerhand in het gemoed der
verdedigers van Irkoetsk te doen doordringen. Hij scheen slechts, en
met tegenzin, te antwoorden, wanneer hij daartoe door vragen gedrongen
werd. In ieder geval voegde hij er steeds bij, dat men zich tot den
laatsten man moest verdedigen en dat men liever de stad moest in de
lucht laten springen, dan haar over te geven!
Het kwaad zou er niettemin om gesticht zijn, zoo dit mogelijk ware
geweest. Maar de bezetting en de bevolking van Irkoetsk waren te
vaderlandlievend, om aan het wankelen te worden gebracht. Niemand van
deze soldaten of burgers, opgesloten in eene stad aan het einde der
Aziatische wereld, zou er aan gedacht hebben om van overgaaf te
spreken. De verachting van den Rus voor deze barbaren was grenzenloos.
Van den anderen kant vermoedde niemand de schandelijke rol die Ivan
Ogareff speelde; niemand kon gissen dat de gewaande koerier van den
czaar slechts een verrader was.
Eene zeer natuurlijke omstandigheid was oorzaak dat, dadelijk na de
aankomst van Ivan Ogareff, tusschen hem en een der dapperste
verdedigers der stad, Wassili Fedor, veelvuldige betrekkingen
ontstonden.
Men weet door welke onrust deze ongelukkige vader verteerd werd. Wat
was er van zijne dochter, Nadia Fedor geworden, indien zij Rusland
verlaten had op den dag, aangegeven in den laatsten brief dien hij uit
Riga ontvangen had? Trachtte zij nog om door de overheerde provinciën
te trekken of was zij reeds lang gevangen genomen? De eenige
verzachting voor zijne smart vond Wassili in een gevecht tegen de
Tartaren, eene gelegenheid die zich, naar zijn zin, te weinig voordeed.
En, toen Wassili Fedor nu de zoo onverwachte aankomst van een koerier
des czaars vernam, had hij als een voorgevoel dat deze koerier hem
tijding van zijne dochter zou brengen. Het was waarschijnlijk slechts
eene denkbeeldige hoop, maar hij hield er zich aan vast. Was deze
koerier niet gevangen, toen Nadia het wellicht ook was?
Wassili Fedor ging Ivan Ogareff opzoeken, die deze gelegenheid aangreep
om in dagelijksche betrekking met den commandant te geraken. Hoopte
deze renegaat deze omstandigheid te benuttigen? Mat hij iedereen naar
zich zelven af? Meende hij dat een Rus, zelfs een staatkundige balling,
laag genoeg kon wezen om zijn land te verraden?
Wat er van zij, Ivan Ogareff beantwoordde, met kunstig geveinsde
bereidwilligheid, de beleefdheden die Nadia’s vader hem bewees. De
laatste begaf zich, reeds daags na de aankomst van den gewaanden
koerier, naar het paleis van den gouverneur-generaal. Daar maakte hij
Ivan Ogareff bekend met de omstandigheden waaronder zij Europeesch
Rusland verlaten had en vertelde hem hoe ongerust hij thans ten haren
opzichte was.
Ivan Ogareff kende Nadia niet, hoewel hij haar ontmoet had op de
wisselplaats te Ichim, toen zij er zich met Michael Strogoff bevond.
Maar toen had hij op haar even weinig acht geslagen als op de beide
dagbladschrijvers, die gelijktijdig in het posthuis waren. Hij kon dus
aan Wassili omtrent zijne dochter niets mededeelen.
»Maar op welk tijdstip,” vroeg Ivan Ogareff, »zou uwe dochter het
Russisch grondgebied verlaten hebben?”
»Zoo wat op denzelfden tijd als gij,” antwoordde Wassili Fedor.
»Ik heb Moskou 15 Juli verlaten.”
»Nadia moet op datzelfde tijdstip Moskou verlaten hebben. Haar brief
meldde het bepaald.”
»Was zij op 15 Juli te Moskou?” vroeg Ivan Ogareff.
»Ja zeker op dat tijdstip.”
»Welnu!....” antwoordde Ivan Ogareff, maar zich bedenkende, zeide hij:
»Maar neen. Ik bedrieg mij.... Ik zou de dagen verwarren....” liet hij
er op volgen. »Het is ongelukkig zeer waarschijnlijk dat uwe dochter de
grens zal overschreden hebben en slechts éene hoop blijft u over,
namelijk: dat zij niet verder zal zijn gegaan, toen zij de berichten
van den Tartaarschen inval vernam!”
Wassili Fedor liet het hoofd zakken. Hij kende Nadia en hij wist wel
dat niets haar vertrek zou hebben kunnen tegenhouden.
Ivan Ogareff had weder, zonder noodzaak, een waarlijk wreede daad
gepleegd. Met éen woord had hij Wassili Fedor gerust kunnen stellen.
Want hoewel Nadia, onder de omstandigheden die bekend zijn, de
Siberische grens had overschreden, zou Wassili Fedor, zoo hij de
dagteekening, waarop zijne dochter zich te Nijni-Novgorod bevond,
vergeleken had met de dagteekening van het besluit, houdende verbod om
het verlaten, ongetwijfeld tot het besluit zijn gekomen dat Nadia niet
aan de gevaren van den inval kon hebben blootgestaan en dat zij zich,
ondanks haar zelve, nog op het Europeesche grondgebied van het
keizerrijk bevond.
Ivan Ogareff zijne inborst volgende als een man, wien het lijden van
anderen niet meer kon treffen, kon dit woord zeggen.... Hij zeide het
niet.
Wassili Fedor verwijderde zich met een gebroken hart. Na dit onderhoud
was zijne laatste hoop vervlogen.
Gedurende beide volgende dagen, 3 en 4 October, ontbood de grootvorst
den gewaanden Michael Strogoff onderscheidene malen en liet hij hem
alles herhalen wat hij in het kabinet des keizers in het Nieuwe Paleis
gehoord had. Op al deze vragen voorbereid, antwoordde Ivan Ogareff
zonder ooit te aarzelen. Met voordacht maakte hij er geen geheim van
dat het gouvernement van den czaar door den inval ten eenenmale verrast
was, dat de opstand in het grootste geheim was voorbereid, dat de
Tartaren reeds van de linie van de Obi meester waren toen het bericht
van den inval te Moskou aankwam en, eindelijk, dat in de Russische
provinciën niets gereed was om de troepen ter verdrijving der
overweldigers noodig, naar Siberië te zenden.
Ivan Ogareff, die in zijn doen en laten volkomen vrij was, ging
vervolgens Irkoetsk bestudeeren, namelijk den toestand zijner
versterkingswerken en hunne zwakke punten, ten einde later van zijne
waarnemingen voordeel te kunnen trekken in het geval, dat eenige
omstandigheid hem de volvoering van zijne verraderlijke daad mocht
beletten. In het bijzonder onderzocht hij de Bolchaïa-poort, die hij
wilde overleveren.
Tweemaal ’s avonds kwam hij op het glacis van deze poort. Hij wandelde
er zonder vrees van zich bloottestellen aan de schoten der belegeraars,
wier voorposten zich minstens op eene werst van de wallen bevonden. Hij
wist wel dat hij geen gevaar liep en dat hij zelfs herkend werd. Ook
merkte hij eene schim op, die tot aan den voet der aardwerken sloop.
Sangarre beproefde, met levensgevaar, om zich met Ivan Ogareff in
gemeenschap te stellen. Overigens genoten de belegerden, sedert twee
dagen, eene rust waaraan de Tartaren hen, sedert den aanvang der
belegering, niet gewend hadden.
Dit had plaats op bevel van Ivan Ogareff. De luitenant van Feofar-Khan
had gewild dat elke poging om de stad met geweld te nemen, gestaakt
werd. Ook nam het geschut een volstrekt stilzwijgen in acht, sedert
zijne aankomst te Irkoetsk. Misschien—dat hoopte hij ten minste—zou de
waakzaamheid der belegerden verflauwen. In elk geval zouden duizenden
Tartaren aan de voorposten gereed staan om zich op de van verdediging
ontbloote poort te werpen, zoodra Ivan Ogareff hun het tijdstip van
handelen zou hebben bekend gemaakt.
Dit kon intusschen niet lang uitblijven. De slag moest geslagen worden,
voordat de Russische korpsen in het gezicht van Irkoetsk aankwamen.
Ivan Ogareff nam een besluit en dienzelfden avond viel er, van het
glacis, een briefje in de handen van Sangarre.
Ivan Ogareff had besloten Irkoetsk den volgenden dag, in den nacht van
5 op 6 October, te twee uur des morgens, over te leveren.
XXXI.
DE NACHT VAN 5 OP 6 OCTOBER.
Het plan van Ivan Ogareff was met de grootste zorg opgemaakt en,
behoudens onwaarschijnlijke kansen, moest het gelukken. Het kwam er op
aan dat de Bolchaïa-poort vrij was op het oogenblik dat hij haar zou
overleveren. Daarom moest, op dat oogenblik, de aandacht der belegerden
naar een ander punt der stad worden afgetrokken. Er was alzoo omtrent
eene afleiding met den emir overeengekomen.
Deze afleiding moest aan de zijde der voorstad van Irkoetsk plaats
hebben, boven- en benedenwaarts van den stroom, op den rechteroever. De
aanval op deze punten zou zeer ernstig zijn en tegelijkertijd zou een
schijn-overtocht van de Angara op haren linkeroever beproefd worden.
Waarschijnlijk zou de Bolchaïa-poort dan van troepen ontbloot worden,
te meer omdat de Tartaarsche posten aan die zijde achterwaarts
verplaatst wordende, het den schijn zou hebben alsof deze ingerukt
waren.
Men schreef 5 October. Binnen vier en twintig uren moest de hoofdstad
van Oostelijk-Siberië in handen van den emir zijn en de grootvorst in
de macht van Ivan Ogareff.
Gedurende dien dag had er eene ongewone beweging plaats in het kamp aan
de Angara. Uit de ramen van het paleis en van de huizen op de
rechteroever, zag men duidelijk dat op den tegenoverliggenden oever
groote toebereidselen werden gemaakt. Talrijke afdeelingen Tartaren
richtten zich naar het kamp en kwamen van uur tot uur de troepen des
emirs versterken. Het was de overeengekomen afleiding die, op zeer
merkbare wijze, werd gereedgemaakt.
Overigens verheelde Ivan Ogareff het niet voor den grootvorst dat er,
van die zijde, een aanval te vreezen was. Hij wist, zeide hij, dat er
boven en beneden de stad, eene bestorming zou worden beproefd en hij
raadde den grootvorst deze meer rechtstreeks bedreigde punten te
versterken.
Daar de waargenomen toebereidselen den door Ivan Ogareff gegeven raad
kracht bijzetten, was het dringend noodig daarmede rekening te houden.
Na het houden van een krijgsraad op het paleis, werden dan ook bevelen
gegeven om de verdediging samen te trekken op den rechteroever der
Angara en aan de beide uiteinden der stad, daar waar de aardwerken op
de rivier steunden.
Dat was juist wat Ivan Ogareff wilde. Hij rekende er natuurlijk niet
op, dat de Bolchaïa-poort zonder verdedigers zou gelaten worden, maar
wel dat hun aantal gering zou zijn. Overigens had Ivan Ogareff er voor
gezorgd dat de afleiding op zoo’n groote schaal zou geschieden, dat de
grootvorst verplicht zou zijn er zijne geheele beschikbare troepenmacht
tegen over te stellen.
Bovendien moest eene zeer ernstige gebeurtenis, door Ivan Ogareff
bedacht, de uitvoering zijner plannen krachtig bevorderen. Al werd
Irkoetsk niet op twee van de Bolchaïa-poort verwijderde punten en van
den rechteroever der rivier aangetast, dan zou de bedoelde gebeurtenis
nog voldoende zijn geweest om de samenwerking der verdedigers naar het
punt te lokken, waar Ivan Ogareff hen juist wilde hebben. Hij zou,
tegelijkertijd, eene vreeselijke ramp teweegbrengen.
Alle kansen stonden dus gunstig om de poort, op het bepaalde uur bijna
onbezet, aan de duizenden Tartaren over te leveren, die onder
beschutting der dichte oostelijke wouden stonden te wachten.
Gedurende dezen dag, waren de bezetting en de bevolking van Irkoetsk
voortdurend op den uitkijk. Alle maatregelen, door een ophanden zijnden
aanval op de tot dusver ontziene punten geboden, waren genomen. De
grootvorst en generaal Woranzoff bezochten de posten, die op hun bevel
versterkt waren. Het keurkorps van Wassili Fedor bezette het noordelijk
gedeelte der stad, maar had in last zich derwaarts te begeven, waar het
gevaar het grootst was. De rechteroever der Angara was voorzien van het
weinige geschut dat beschikbaar was. Door deze tijdig genomen
maatregelen, te danken aan de mededeelingen van Ivan Ogareff zoo van
pas gedaan, mocht men hopen dat de voorgenomen aanval niet zou
gelukken. In dat geval zouden de voor het oogenblik ontmoedigde
Tartaren eene nieuwe poging tegen de stad waarschijnlijk eenige dagen
uitstellen. En nu konden de door den grootvorst verwachte troepen ieder
uur aankomen. Het behoud of het verlies van Irkoetsk hing dus slechts
aan éen draad.
De zon, dien dag te zes uur twintig minuten opgegaan, ging om vijf uur
twintig minuten onder, na hare schijf gedurende elf uren boven den
gezichteinder rondgewenteld te hebben. De schemering zou nog twee uur
tegen den nacht te worstelen hebben. Daarna zou de ruimte in dichte
duisternis gehuld worden, want dikke wolken stapelden zich in de lucht
op en de maan, die nieuw was, zou zich niet vertoonen.
Deze diepe duisternis zou de plannen van Ivan Ogareff volkomen
bevorderen.
Reeds gedurende eenige dagen ging een buitengewoon hevige koude den
Siberischen winter vooraf en dien avond was zij nog gevoeliger. De op
den rechteroever der Angara geplaatste soldaten, hadden om hunne
aanwezigheid te verbergen, geen wachtvuren aangestoken. Zij leden dus
vreeselijk door deze geduchte daling der temperatuur. Eenige voeten
onder hen dreven de ijsschotsen voorbij, die den stroom der rivier
volgden. Men had ze den geheelen dag in gesloten rijen, tusschen de
beide oevers, zien voorbijdrijven. Deze door den grootvorst en zijne
officieren opgemerkte omstandigheid, werd als zeer gelukkig beschouwd.
Het was duidelijk dat, zoo het bed der Angara verstopt werd, de
overtocht geheel ondoenlijk zou worden. De Tartaren zouden vlotten noch
schuiten kunnen besturen en het was ook niet aan te nemen dat zij den
stroom op deze ijsschotsen, als ze zich aan elkander vast hadden
gehecht, zouden oversteken. Het pas verbonden ijsveld zou aan den
overgang eener stormkolonne geen voldoenden wederstand hebben geboden.
Maar omdat deze omstandigheid den verdedigers van Irkoetsk gunstig
scheen, had Ivan Ogareff hare verschijning moeten betreuren. Dit was
intusschen geenszins het geval! De verrader wist maar al te goed, dat
de Tartaren den overtocht der Angara niet zouden beproeven en dat hunne
pogingen van die zijde slechts eene krijgslist zouden zijn.
Intusschen werd de toestand der rivier tegen tien uur ’s avonds
merkelijk gewijzigd tot groote verrassing der belegerden en, thans,
niet in hun voordeel. De overtocht, tot dusver onmogelijk, werd
eensklaps doenlijk. Het bed der Angara was weder open geworden. De
ijsschotsen, die gedurende de laatste dagen in grooten getale
voorbijgetrokken waren, verdwenen benedenwaarts en het was veel als er
nu vijf of zes waren in de ruimte, tusschen beide oevers begrepen. Zij
vertoonden zelfs de samenstelling niet meer van de in gewone
omstandigheden en onder den invloed eener regelmatige koude gevormde
schotsen. Het waren eenvoudige brokken van een of ander ijsveld
losgescheurd, waarvan de scherpe brokken geene ruwe bobbels vertoonden.
De Russische officieren die deze wijziging in den toestand der rivier
waarnamen, gaven er den grootvorst kennis van. Overigens was, als reden
voor die verandering, aantenemen dat de ijsschotsen zich op een nauw
punt der Angara hadden opgehoopt, zoodanig dat zij eene verstopping
vormden.
Men weet dat dit het geval was.
De overtocht der Angara stond dus voor de belegeraars open. Daardoor
waren de Russen genoodzaakt met nog meer oplettendheid wacht te houden.
Tot middernacht viel er niets bijzonders voor. Aan de oostzijde voorbij
de Bolchaïa-poort, was het volkomen rustig. Geen wachtvuur was er
zichtbaar in die dichte wouden, die aan den gezichteinder met de laag
hangende wolken ineensmolten.
In het kamp van de Angara heerschte daarentegen, blijkens het
veelvuldig verplaatsen van lichten, groote drukte.
Op eene werst boven en beneden het punt waar de wal zich aan den
steilen rivieroever aansloot, werd een dof geraas vernomen, ’t welk
aantoonde dat de Tartaren op de been waren, in afwachting van eenig
sein. Weder verliep er een uur. Niets nieuws.
De klok der hoofdkerk van Irkoetsk zou twee uur slaan en nog had geene
enkele beweging verraden dat de belegeraars vijandelijke bedoelingen in
den zin hadden.
De grootvorst en zijne officieren vroegen zich af of zij niet in
dwaling gebracht waren en of het werkelijk in het plan der Tartaren lag
om de stad te willen verrassen. De vorige nachten waren, bij lange na,
zoo kalm niet geweest. Er vielen toen geweerschoten in de richting der
voorposten, granaten doorkruisten de lucht en thans, niets.
De grootvorst, generaal Woranzoff en hunne adjudanten wachtten dus,
gereed om, naar gelang der omstandigheden, bevelen te geven.
Men weet dat Ivan Ogareff eene kamer in het paleis had. Het was eene
vrij groote zaal, gelijkvloers en waarvan de ramen uitkwamen op een
terras dat er langs liep. Men behoefde slecht eenige schreden op dit
terras te doen om den geheelen loop der Angara te kunnen overzien. Er
heerschte eene diepe duisternis in deze zaal. Bij een venster staande,
wachtte Ivan Ogareff het uur van handelen af. Blijkbaar kon hij alleen
het sein geven. Dit sein eenmaal gegeven zijnde en het meerendeel der
verdedigers van Irkoetsk naar de openlijk aangetaste punten opgeroepen
zijnde, was het zijn voornemen het paleis te verlaten en zijn werk te
gaan volbrengen. Hij wachtte dus in de duisternis als een wild beest,
dat gereed is om zich op zijn prooi te werpen.
Intusschen vroeg de grootvorst, eenige minuten voor twee uur om Michael
Strogoff—den eenigen naam dien hij aan Ivan Ogareff kon geven—bij hem
te brengen. Een adjudant kwam tot voor zijne kamer, die gesloten was.
Hij riep hem...
Onbeweeglijk aan het venster staande en onzichtbaar in de schaduw,
wachtte Ivan Ogareff zich wel antwoord te geven.
Men berichtte dus aan den grootvorst dat de koerier van den czaar, op
dit oogenblik, niet in het paleis was.
Het sloeg twee uur. Dit was het oogenblik om de met de Tartaren—voor de
bestorming gereed staande—overeengekomen afleiding te doen aanvangen.
Ivan Ogareff opende het venster zijner kamer en plaatste zich op den
noordelijken hoek van het terras.
In de schaduw, beneden hem, stroomden de wateren der Angara, die
brullende op de uitstekende hoeken der pijlers braken.
Ivan Ogareff haalde een stuk lont uit zijn zak, stak het aan en deed
daarmee een weinig met laadkruit doortrokken vlas of werk ontbranden.
Dit laatste wierp hij in de rivier...
Het was op bevel van Ivan Ogareff geweest dat stroomen minerale olie op
de oppervlakte der Angara waren uitgestort!
Boven Irkoetsk werden op den rechteroever naphtabronnen geëxploiteerd,
tusschen het vlek Poshkavsk en de stad. Ivan Ogareff had besloten om
dit vreeselijke middel te bezigen om Irkoetsk in brand te steken. Hij
maakte zich derhalve meester van de onmetelijke vergaarbakken, waarin
de brandbare vloeistof bewaard werd.
Het afbreken van een muur was voldoende om ze in groote hoeveelheid te
doen wegstroomen.
Dit was dezen nacht, eenige uren geleden, geschied en daarom dreef het
vlot, dat den echten koerier van den czaar, Nadia en de vluchtelingen
overvoerde, op een stroom van minerale olie. Door de bressen in deze
vergaarbakken, die millioenen kubieke meter inhielden, had de naphta
zich als een stortvloed naar buiten geworpen en had zij zich, de
natuurlijke helling van den bodem volgende, over de oppervlakte van de
rivier verspreid, waarop hare dichtheid haar deed drijven.
Zoo verstond Ivan Ogareff den oorlog! Bondgenoot der Tartaren, handelde
hij als een Tartaar en tegen zijn eigen landgenooten!
Het brandende werk was op de wateren der Angara geworpen. In een
oogenblik alsof de stroom uit alkohol bestond, stond de rivier, zoo
boven- als benedenwaarts, met de snelheid der electriciteit, in vuur.
Blauwachtige vlammen kronkelden zich tusschen beide oevers. Groote
roetkleurige dampen dwarrelden er boven. De enkele ijsschotsen die nog
afdreven, smolten, door het vurige water aangetast, als was boven een
oven en het verdampte water ontsnapte in de lucht met een oorverdoovend
gefluit.
Op hetzelfde oogenblik ontbrandde geweervuur ten noorden en ten zuiden
van de stad. De batterijen in het kamp der Angara vuurden met volle
lagen. Verscheidene duizenden Tartaren bestormden de aardwerken. De
huizen op de oevers van hout gebouwd, vatten aan alle zijden vuur. Een
ontzettende gloed verdreef de schaduw van den nacht.
»Eindelijk!” zeide Ivan Ogareff.
En hij had recht om zich lof toe te zwaaien! De afleiding, die hij
uitgedacht had, was vreeselijk. De verdedigers van Irkoetsk waren nu
tusschen den aanval der Tartaren en de verschrikkingen van den brand
geplaatst. De klokken luidden en al wat onder de bevolking weerbaar
was, begaf zich naar de aangevallen punten en naar de huizen verteerd
door het vuur, dat zich aan de geheele stad dreigde mede te deelen.
De Bolchaïa-poort was bijna vrij. Men had er nauwelijks eenige
verdedigers achtergelaten. En op aanraden van den verrader zelven, én
opdat de zaak, als zij gebeurd zou zijn, buiten hem en uit
staatkundigen haat zou kunnen worden verklaard, waren deze weinige
verdedigers uit het kleine korps ballingen gekozen.
Ivan Ogareff kwam in zijne kamer terug die toen schitterend verlicht
was door de vlammen der Angara, die zich boven de hekken van het terras
verhieven. Daarna maakte hij zich gereed om uit te gaan.
Maar nauwelijks had hij de deur geopend, of eene vrouw stortte zich in
de kamer met natte kleederen en verward haar.
»Sangarre!” riep Ivan Ogareff in het eerste oogenblik van verrassing
uit en in de verbeelding dat het niemand anders dan de zigeunerin kon
zijn.
Het was Sangarre niet, het was Nadia.
Op het oogenblik dat het meisje op de ijsschots gevlucht, een kreet had
geslaakt toen zij de Angara den brand zag verspreiden, had Michael
Strogoff haar in zijne armen genomen en was hij met haar ondergedoken
om, in de diepten der wateren zelven, eene beschutting tegen de vlammen
te zoeken. Men weet dat de schots die hen droeg toen niet meer dan een
dertig vademen van de eerste kade boven Irkoetsk verwijderd was.
Na onder water gezwommen te hebben, gelukte het Michael Strogoff, met
Nadia op de kade vasten voet te krijgen.
Eindelijk bereikte Michael Strogoff zijn doel! Hij was te Irkoetsk!
»Naar het paleis van den gouverneur!” zeide hij tot Nadia.
Binnen tien minuten kwamen beiden aan den ingang van dat paleis,
waarvan de steenen grondlagen door de vurige tongen der Angara werden
gelekt, maar die door den brand niet bereikt konden worden.
Er voorbij stonden al de huizen op den oever in vlammen.
Zonder moeite traden Michael Strogoff en Nadia dat voor iedereen
geopende paleis binnen. Door de algemeene verwarring merkte niemand hen
op, hoewel hunne kleederen doornat waren.
Eene menigte officieren die orders kwamen halen en soldaten die ze
uitvoerden, vulden de groote zaal gelijkvloers. Daar werden Michael
Strogoff en het meisje, door een plotseling gedrang van de verschrikte
menigte, van elkander gescheiden.
Nadia liep verwilderd door de benedenzalen, haar makker roepende en
vragende om voor den grootvorst te worden gebracht.
Eene deur, die toegang gaf tot eene van licht schitterende kamer,
opende zich voor haar. Zij trad binnen en bevond zich onverwachts
tegenover hem dien zij te Ichim gezien had, dien zij te Tomsk gezien
had, tegenover hem wiens schelmsche hand, een oogenblik later, de stad
zou overleveren!
»Ivan Ogareff!” riep zij uit.
De ellendeling sidderde toen hij zijn naam hoorde uitspreken. Was zijn
ware naam bekend, dan leden al zijn plannen schipbreuk. Hem bleef
slechts eene zaak over: het wezen, dat hem had uitgesproken,
onverschillig wie het was, te dooden.
Ivan Ogareff wierp zich op Nadia; maar het meisje plaatste zich, met
een mes in de hand, tegen den muur, gereed om zich te verdedigen.
»Ivan Ogareff!” schreeuwde Nadia nogmaals, wel wetende dat deze
verachte naam haar hulp zou doen toekomen.
»Zwijg!” zeide de verrader.
»Ivan Ogareff!” schreeuwde het onverschrokken meisje voor de derde maal
met eene stem, die de haat tienmaal sterker had gemaakt.
Door woede bedwelmd, trok Ivan Ogareff een dolk uit zijn gordel, wierp
zich op Nadia en drong haar in een hoek van de zaal.
Het ware met haar gedaan geweest, toen de ellendeling, plotseling door
eene onweerstaanbare kracht opgeheven, op den grond rolde.
»Michael,” riep Nadia uit.
Het was Michael Strogoff.
Michael Strogoff had het geroep van Nadia gehoord. Door hare stem
geleid, was hij tot aan de kamer van Ivan Ogareff gekomen en door de
openstaande deur binnengetreden.
»Vrees niets, Nadia,” zeide hij, zich tusschen haar en Ivan Ogareff
plaatsende.
»Ach!” riep het meisje uit, »neem u in acht, broeder!.... De verrader
is gewapend!.... Hij ziet goed, hij!....”
Ivan Ogareff was opgestaan en met den blinde gemakkelijk spel meenende
te hebben, wierp hij zich op Michael Strogoff. Maar de blinde greep den
helderziende met de eene hand bij den arm en, met de andere zijn wapen
afwerende, smeet hij hem ten tweeden male op den grond.
Bleek van woede en schaamte, bedacht Ivan Ogareff zich dat hij een
degen droeg. Hij trok hem uit de scheede en ging er weer op los.
Hij ook had Michael Strogoff herkend. Een blinde! Tenslotte had hij
slechts met een blinde te doen! De partij stond schoon voor hem!
Nadia bevreesd voor het gevaar dat haar makker in zoo’n ongelijke
worsteling bedreigde, vloog naar de deur en riep om hulp.
»Nadia, doe die deur dicht!” zeide Michael Strogoff. »Roep niemand en
laat mij mijn gang gaan! De koerier van den czaar heeft heden van dien
ellendeling niets te vreezen! Laat hij op mij afkomen, zoo hij durft!
Ik wacht hem af.”
Intusschen sprak Ivan Ogareff, die als een tijger op de loer lag, geen
woord. Hij had het geluid van zijn stap, zelfs zijne ademhaling wel
voor het oor van den blinde willen wegdoen. Hij wilde hem treffen voor
dat hij hem hoorde naderen; hij wilde hem met een wissen stoot treffen.
De verrader dacht er niet aan om te vechten, maar om hem, wiens naam
hij gestolen had, te vermoorden.
Nadia, bevreesd en tegelijkertijd vertrouwende, aanschouwde dit
vreeselijk tooneel met eene soort van bewondering. Het scheen dat de
bedaardheid van Michael Strogoff zich plotseling aan haar had
medegedeeld. Michael Strogoff had, wel is waar, geen ander wapen dan
zijn Siberisch mes en hij zag zijn tegenstander niet, die met een degen
gewapend was. Maar door welke hemelsche goedheid scheen hij hem dan den
meester te zijn? Hoe kwam het dat hij, zonder zich bijna te
verplaatsen, steeds front maakte tegenover de punt van zijn degen?
Ivan Ogareff bespiedde, met zichtbaren angst, zijn zonderlingen
tegenstander. De bovenmenschelijke bedaardheid had invloed op hem. Te
vergeefs zeide hij tot zichzelven dat, wanneer hij met zijne rede te
rade ging, al het voordeel in zulk een ongelijk gevecht, geheel aan
zijn kant moest zijn. Die onbeweeglijkheid van den blinde verlamde hem.
Zijn blik had de plek opgezocht waar hij zijn slachtoffer moest
treffen.... Hij had haar gevonden!.... Wat weerhield hem dan om er een
eind aan te maken?....
Eindelijk deed hij een sprong en richtte hij een degenstoot op Michael
Strogoff’s borst.
Eene bijna onmerkbare beweging van het mes van den blinde weerde den
stoot af. Michael Strogoff was niet geraakt en wachtte koelbloedig,
zonder uittarting, een tweeden aanval af.
Een ijskoud zweet druppelde van het voorhoofd van Ivan Ogareff. Hij
ging een pas achterwaarts en viel toen weer uit. Maar de tweede stoot
trof evenmin als de eerste. Een eenvoudige afwering met het breede mes
was voldoende om den nutteloozen degen van den verrader te doen
afwijken.
Deze, dol van woede en schrik tegenover dat levende standbeeld, richtte
zijne bevreesde blikken op de wijd geopende oogen van den blinde. Die
oogen, die tot in het diepst zijner ziel schenen te lezen en niet
zagen, niet konden zien, die oogen oefenden eene verschrikkelijke
betoovering op hem uit.
Plotseling liet Ivan Ogareff een kreet hooren.
Er was onverwachts een licht voor zijne gedachte opgegaan.
»Hij ziet,” riep hij uit, »hij ziet!....”
En, als een wild dier dat in zijn hol tracht binnen te sluipen, liep
hij achteruit, schrede voor schrede en geheel terneergeslagen, naar het
achtergedeelte der zaal.
Toen kwam er leven in het standbeeld, de blinde liep recht op Ivan
Ogareff toe en zich vlak voor hem plaatsende, zeide hij:
»Ja, ik zie! Ik zie den knoetslag, waarmee ik u gemerkt heb, verrader
en lafaard! Ik zie de plek waar ik u nu zal treffen! Verdedig uw leven!
Ik verwaardig mij u een tweegevecht aan te bieden! Mijn mes zal het
tegen uw degen opnemen!”
»Hij ziet,” zeide Nadia tot zichzelve. »Barmhartige God, zou het
mogelijk zijn!”
Ivan Ogareff voelde dat hij verloren was. Maar, door eene opwelling
zijner wilskracht moed vattende, vloog hij met getrokken degen op zijn
onwrikbaren tegenstander los. De beide klingen kruisten zich, maar het
mes van Michael Strogoff, door de hand van een Siberisch jager gevoerd,
deed den degen in stukken vliegen en de ellendeling viel, in het hart
getroffen, dood op den grond.
Op dit oogenblik werd de kamerdeur van buiten opengeduwd. De
grootvorst, door zijne officieren vergezeld, vertoonde zich op den
drempel.
De grootvorst trad voorwaarts. Hij herkende, in het op den grond
liggende lijk, dat van hem dien hij voor den koerier des czaars hield.
En toen vroeg hij op dreigenden toon:
»Wie heeft die man gedood?”
»Ik,” antwoordde Michael Strogoff.
Een der officieren legde zijn revolver op zijn slaap aan, gereed om
vuur te geven.
»Uw naam?” vroeg de grootvorst, voor dat hij bevel gaf hem het hoofd te
verbrijzelen.
»Uwe Hoogheid vrage mij liever den naam van den man die aan hare voeten
ligt uitgestrekt!” antwoordde Michael Strogoff.
»Ik herken dien man! Het is een dienaar van mijn broeder! Het is de
koerier van den czaar!”
»Uwe Hoogheid, die man is geen koerier van den czaar! Het is Ivan
Ogareff!”
»Ivan Ogareff?” riep de grootvorst uit.
»Ja, Ivan de verrader!”
»Maar gij, wie zijt gij dan?”
»Michael Strogoff!”
XXXII.
BESLUIT.
Michael Strogoff was niet blind; hij was het nooit geweest. Een zuiver
menschelijk natuurverschijnsel, van zedelijken en lichamelijken aard,
had de werking onschadelijk gemaakt van de gloeiende kling, die de
scherprechter van Feofar voorbij zijne oogen had laten gaan.
Men herinnert zich dat Marfa Strogoff, op het oogenblik der
strafoefening, daar stond en hare handen naar haar zoon uitstrekte.
Michael Strogoff keek haar aan zooals een zoon, voor de laatste maal,
zijne moeder kan aankijken.
Tranen, die met stroomen van zijn hart naar zijne oogen opwelden en die
zijne fierheid te vergeefs trachtte in te houden, hadden zich onder
zijne oogleden opgehoopt en, door langs het hoornvlies te verdampen,
hem het gezicht behouden. De laag van stoom door zijne tranen gevormd,
zich tusschen de gloeiende sabel en zijne oogappels plaatsende, was
voldoende geweest om de werking der hitte te vernietigen. Het was een
soortgelijke uitwerking als zich voordoet wanneer een werkman in eene
gieterij, na zijne hand in het water gedompeld te hebben, haar door
eene straal gesmolten ijzer laat gaan zonder letsel te bekomen.
Michael Strogoff had dadelijk begrepen welk gevaar hij zou loopen zoo
hij zijn geheim, aan wien dan ook, mededeelde. Hij voelde welk voordeel
hij uit dezen toestand voor de uitvoering zijner voornemens kon
trekken. Omdat men hem blind waande, zou men hem vrij laten. Hij moest
dus blind zijn, voor allen, zelfs voor Nadia; hij moest het, in éen
woord, overal zijn en geen gebaar, mocht, waar ook, aan de oprechtheid
zijner rol twijfel kunnen doen opperen. Zijn besluit was genomen. Zelfs
zijn leven moest hij wagen om aan iedereen het bewijs zijner blindheid
te geven en men weet hoe hij het waagde.
Alleen zijne moeder wist de waarheid; op het plein te Tomsk had hij het
haar in het oor gefluisterd, toen hij, in de schaduw over haar gebogen,
haar met zijne kussen overstelpte.
Men zal nu begrijpen dat, toen Ivan Ogareff, uit wreede spotternij, den
keizerlijken brief voor zijne oogen, die hij uitgedoofd waande, had
gehouden, Michael Strogoff dien brief—waarin de snoode bedoelingen van
den verrader ontsluierd werden—had kunnen lezen en hem ook werkelijk
gelezen had. Vandaar die onomstootelijke wil om Irkoetsk te bereiken en
er zijne zending mondeling te vervullen. Hij wist dat de stad
overgeleverd zou worden! Hij wist dat het leven van den grootvorst
bedreigd was! Het behoud van den broeder des czaars en Siberië waren
dus nog in zijne handen.
In weinige woorden was dit verhaal aan den grootvorst mede gedeeld en
Michael Strogoff vertelde ook en met welk eene aandoening! het aandeel
dat Nadia in die gebeurtenissen had gehad.
»Wie is dat meisje?” vroeg de grootvorst.
»De dochter van Wassili Fedor,” antwoordde Michael Strogoff.
»De dochter van den commandant Fedor,” zeide de grootvorst, »is niet
meer de dochter ven een balling. Er zijn te Irkoetsk geene ballingen
meer!”
Niet zoo bestand tegen de vreugde als tegen de smart, viel Nadia aan de
knieën van den grootvorst, die haar met de eene hand ophield, terwijl
hij de andere aan Michael Strogoff toestak.
Een uur later lag Nadia in haars vaders armen.
Michael Strogoff, Nadia, Wassili Fedor waren bij elkander. Van
weerszijden was het eene overstelping van geluk.
De dubbele aanval der Tartaren tegen de stad was afgeslagen.
Wassili Fedor had met zijn troepje de eerste aanvallers verpletterd die
zich voor de Bolchaïa-poort hadden vertoond, er op rekenende dat zij
hun geopend zou worden en hij, door een instinctmatig voorgevoel
gedreven, was er bij blijven staan om de verdediging der poort te
leiden.
Terzelfder tijde dat de Tartaren teruggeworpen waren, maakten de
belegerden zich van den brand meester. Daar de vloeiende naphta snel op
de oppervlakte der Angara verbrand was, hadden de vlammen, die zich tot
de huizen op den oever bepaalden, de andere wijken der stad gespaard.
Voor het aanbreken van den dag waren de troepen van Feofar-Khan in
hunne legerplaats teruggekeerd, een goed aantal dooden op de
buitenzijde der wallen achterlatende.
Onder de dooden bevond zich de zigeunerin Sangarre, die vergeefs
getracht had om zich bij Ivan Ogareff te voegen.
De belegeraars beproefden, gedurende twee dagen, geen nieuwe
bestorming. De dood van Ivan Ogareff had hen ontmoedigd. Hij was de
ziel van den aanval en hij alleen had, door zijne sedert lang op touw
gezette samenzwering, voldoenden invloed op de khans en hunne horden
uitgeoefend om hen in eene verovering van Aziatisch Rusland mede te
slepen.
Intusschen waren de verdedigers van Irkoetsk op hun hoede en duurde de
omsingeling steeds voort.
Maar den 7den October, bij de eerste schemering, bulderde het geschut
op de hoogten, die Irkoetsk omringen.
Het was het hulpleger, dat onder de bevelen van generaal Kisselef
aanrukte en op deze wijze van zijne aankomst aan den grootvorst bericht
gaf.
De Tartaren draalden niet. Zij wilden de kans van een veldslag onder de
muren der stad niet wagen en het kamp aan de Angara werd onmiddellijk
opgebroken.
Irkoetsk was eindelijk verlost.
Met de eerste Russische soldaten waren ook twee vrienden van Michael
Strogoff de stad binnengekomen. Het waren de onafscheidelijken, Blount
en Jolivet. Over de ijsverstopping den rechteroever van de Angara
bereikt hebbende, hadden zij met de overige vluchtelingen kunnen
ontsnappen, vóordat de vlammen der Angara het vlot bereikt hadden.
Alcide Jolivet had dit volgenderwijze in zijn zakboekje aangeteekend:
»Op het punt geweest als eene citroen in eene kom punsch om te komen”.
Hunne vreugde was groot, toen zij Nadia en Michael Strogoff gezond en
wel terugvonden en vooral toen zij vernamen dat hun dappere makker niet
blind was, hetgeen Harry Blount aanleiding gaf om deze opmerking in te
schrijven.
»Gloeiend ijzer kan onvoldoende zijn om de gevoeligheid der
gezichtszenuw te vernietigen. Eene wijziging noodig!”
Daarna hielden de beide correspondenten, nadat zij te Irkoetsk goed
onder dak waren, zich onledig met hunne reisindrukken in orde te maken.
Vandaar de verzending naar Londen en naar Parijs van twee
belangwekkende verhalen betreffende den Tartaarschen inval en die zich,
zonderlingerwijze, slechts op de minst belangrijke punten tegenspraken.
Overigens was de veldtocht voor den emir en zijne bondgenooten
ongunstig. Deze inval, even nutteloos als alle andere aanvallen tegen
den Russischen kolossus, was hun zeer noodlottig. Zij waren spoedig
door de troepen van den czaar afgesneden, die achtereenvolgens al de
veroverde steden hernamen. Buitendien was het een vreeselijke winter,
zoodat van die door koude gedunde troepen, slechts een klein gedeelte
de steppen van Tartarije terugzag.
De weg van Irkoetsk naar het Oeral-gebergte was nu vrij. De grootvorst
had haast om naar Moskou terug te keeren, maar hij stelde zijne reis
uit om bij eene aandoenlijke plechtigheid tegenwoordig te zijn, die
eenige dagen na den intocht der Russische troepen plaats had.
Michael Strogoff was Nadia gaan bezoeken en had haar, in het bijzijn
van haar vader, gezegd:
»Nadia, hadt gij, die nu nog mijne zuster zijt, toen gij Riga verliet
om naar Irkoetsk te gaan, nog een ander verlies dan dat van uwe moeder
te betreuren?”
»Neen,” antwoordde Nadia, »geen enkel en van geene enkele soort.”
»Dus hebt gij er geen deel van uw hart achtergelaten?”
»Niets, broeder.”
»Welnu, Nadia,” zeide Michael Strogoff, »dan geloof ik dat God, toen
hij ons bijeenbracht en ons te zamen zulke harde beproevingen deed
ondergaan, ons niet dan voor altijd heeft willen vereenigen.”
»Ach!” zuchtte Nadia en zij viel in de armen van Michael Strogoff.
En zich naar Wassili Fedor keerende, zeide zij, geheel blozende:
»Vader!”
»Nadia,” antwoordde Wassili Fedor haar, »het zal mij eene vreugde zijn
u beiden mijne kinderen te noemen.”
De huwelijksplechtigheid had in de hoofdkerk van Irkoetsk plaats. Zij
was, in de bijzonderheden zeer eenvoudig, maar zij werd zeer
opgeluisterd door de tegenwoordigheid van de geheele militaire en
burgerlijke bevolking die een bewijs wilde geven van hare diepe
erkentelijkheid voor de beide jonge lieden, wier zonderlinge
ontmoetingen reeds eene geschiedenis vormden.
Alcide Jolivet en Harry Blount woonden natuurlijk het huwelijk bij
waarvan zij aan hunne lezers verslag wilden geven.
»En wekt dat bij u den lust niet op om hen na te volgen?” vroeg Alcide
Jolivet aan zijn broeder in het vak.
»Poeah!” zeide Harry Blount. »Indien ik gelijk gij eene nicht had!....”
»Mijne nicht is niet meer uit te huwelijken!” antwoordde Alcide Jolivet
lachende.
»Zooveel te beter,” liet Harry Blount er op volgen, »want men spreekt
over verwikkelingen die tusschen Londen en Peking op handen zijn. Hebt
gij geen lust om daar eens een kijkje te nemen?”
»Wel! verdraaid, mijn waarde Blount,” riep Alcide Jolivet uit, »ik
wilde u dat juist voorstellen!”
En zoo vertrokken onze beide onafscheidelijken naar China!
Eenige dagen na de plechtigheid gingen Michael en Nadia Strogoff, door
Wassili Fedor vergezeld, naar Europa terug. Die weg bij het heengaan
zoo vol smarte, was, bij het terugkeeren, slechts door geluk gezegend.
Zij reisden met buitengewone snelheid in eene dier sleden, die gelijk
een sneltrein over de bevrozen steppen van Siberië glijden.
Op de oevers der Dinka, even voor Birskoë aangekomen, hielden zij
echter een dag stil.
Michael Strogoff vond de plek terug waar hij den armen Nikolaas
begraven had. Er werd een kruis geplant en Nadia deed een laatste gebed
op het graf van den nederigen en heldhaftigen vriend, die door geen van
beiden ooit zou vergeten worden.
Te Omsk wachtte de oude Marfa hen in het huisje van de Strogoffs. Zij
drukte haar, die zij reeds honderd maal in haar hart hare dochter had
genoemd, hartstochtelijk in hare armen. De dappere Siberische vrouw had
op dien dag het recht haar zoon te herkennen en trotsch op hem te zijn.
Na eenige dagen te Omsk doorgebracht te hebben, kwamen Michael en Nadia
Strogoff in Europa terug en Wassili Fedor zich te Sint-Petersburg
gevestigd hebbende, hadden zijn zoon en zijne dochter geene andere
aanleiding om hem te verlaten, dan om hunne oude moeder te gaan
bezoeken.
De jonge koerier was door den czaar ontvangen, die hem in het bijzonder
aan zijn persoon verbond en hem het Kruis van Sint-George uitreikte.
Michael Strogoff geraakte later tot eene hooge betrekking in het
keizerrijk. Maar niet de geschiedenis van zijn geluk, die van zijne
beproevingen was de eer waard om verhaald te worden.
INHOUD.
Bladz.
I. Een feest in het Nieuwe Paleis 1
II. Russen en Tartaren 11
III. Michael Strogoff 20
IV. Van Moskou naar Nijni-Novgorod 27
V. Een besluit in twee artikelen 40
VI. Broeder en zuster 51
VII. De Wolga afvarende 53
VIII. De Kama opvarende 66
IX. Nacht en dag in eene tarentass 71
X. Een onweder in het Oeral-gebergte 79
XI. Reizigers in doodsnood 83
XII. Eene uitdaging 95
XIII. Plicht bovenal 108
XIV. Moeder en zoon 116
XV. De moerassen van de Baraba 124
XVI. Eene laatste poging 128
XVII. Verzen en liederen 135
XVIII. Een Tartaarsch kamp 143
XIX. Eene houding van Alcide Jolivet 148
XX. Leer om leer 159
XXI. De zegevierende intocht 168
XXII. Kijk met beide oogen, kijk! 174
XXIII. Een vriend op den grooten weg 180
XXIV. De overtocht der Jeniseï 190
XXV. Een haas over den weg 199
XXVI. In de steppe 210
XXVII. Baïkal en Angara 219
XXVIII. Tusschen twee oevers 229
XXIX. Irkoetsk 240
XXX. Een koerier van den czaar 250
XXXI. De nacht van 5 op 6 October 259
XXXII. Besluit 268
AANTEEKENINGEN.
[1] Een werst is 1.067 meter, iets meer dan een kilometer.
[2] Ongeveer 13 gulden. De roebel (zilveren) is 1 gulden 77 cent. De
kopek (kopermunt) is ongeveer 2 cent.
[3] Eene soort van pannekoek.
[4] Fooien.
[5] Russische gouden munt die 5 roebel doet. De roebel is eene zilveren
munt die 100 kopeken doet, namelijk ƒ 1.77.
[6] Deze naam wordt aan de sultans van Boukhara gegeven, en beteekent
zooveel als Sire.
[7] Bijna 42 graden onder nul.
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MICHAEL STROGOFF ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you
are not located in the United States, you will have to check the laws
of the country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
the use of Project Gutenberg works calculated using the method
you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
within 60 days following each date on which you prepare (or are
legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
payments should be clearly marked as such and sent to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
License. You must require such a user to return or destroy all
copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free
distribution of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.