The Project Gutenberg eBook of Hans de Klokkeluider
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this ebook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Hans de Klokkeluider
of de Duivel in den toren
Author: Johan Fabricius
Illustrator: Johan Fabricius
Release date: February 15, 2026 [eBook #77942]
Language: Dutch
Original publication: 's Gravenhage: H. P. Leopold's Uitgevers-Maatschappij, 1925
Credits: The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HANS DE KLOKKELUIDER ***
HANS DE KLOKKELUIDER
OF
DE DUIVEL IN DEN TOREN
WINTERSPROOKJE IN VIJF TAFEREELEN VAN
JOHAN FABRICIUS
’S-GRAVENHAGE MCMXXV
H. P. LEOPOLD’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ
DRAMATIS PERSONÆ:
KERSTMANNETJE.
BOF, zijn dienaar.
HANS, de klokkeluider.
GAAIKE.
SATAN.
SNUF, zijn dienaar.
SATANS-MOER.
DE HELLEWACHTER.
KASPER, Gaaike’s vader, herbergier uit „’t Swaentjen”.
ANNE-MARIE, Gaaike’s moeder.
STOFFEL, }
SNOEK, } vrienden van Kasper.
AAFKE, vriendin van Anne-Marie.
Heksen, bruidsmeisjes, bruiloftsgasten.
Het sprookje speelt zich af in de laatste dagen voor Kerstmis en op den
Kerstavond zelf.
Plaats der handeling: een oud stedeke.
Kleedij: de tijd der staartpruiken.
Aan mijn oudste vriendin.
Kerstmis 1924.
EERSTE TAFEREEL
(Voor de poorten der Helle.)
(Alom ligt sneeuw. Het loopt tegen schemeren. De hel is een rots,
waarin een zware, dubbele, met ijzer beslagen deur is gebouwd. Boven de
deur een groote, ijzeren lantaren met rood perkament. In de deur zelf
bevindt zich een klein tralievenstertje,—thans gesloten. Naast de deur
een schelring aan een lange staaf.)
(Als het scherm opgaat, staat Snuf, een schrale, roodharige
duivelsdienaar, trappelend van kou voor de dichte deur. Hij heeft zijn
handen tot aan de polsen begraven in zijn broekzakken, de schouders
hoog opgetrokken. Ook zijn blauwe neus en wangen en zijn roode oogleden
verraden, behalve een zekere genegenheid voor spiritualiën, de barre
koude, waaronder Snuf te lijden heeft. Zijn neus mag men zonder
overdrijving een wipneus noemen. Hij draagt een bont, gelapt manteltje,
een spits mutsje; uit zijn jaszak steekt een jeneverkruikje zijn
rood-gelakten hals te voorschijn. Verder verheugt Snuf zich in het
bezit van een soort duivelsgitaar met driehoekige kast, die hem om den
hals bungelt. Achter aan zijn broek draagt hij een staart, die ook de
trots van een koe had kunnen uitmaken. Overigens uit zich het
duivelsche in hem vooral in de bewegingen en stembuigingen.)
(In de verte luidt een torenklok.)
SNUF. (Klappertandend:) Brrrrrrr! Brrr! Brrrrrrrrrrr! (Hij tast met van
koude onzekere hand naar zijn fleschje, ontkurkt het met zijn
verkleumde vingers, gooit een slok in zijn keelgat, slaat dan vinnig de
kurk weer in den flessche-hals en bergt het dierbare vocht in den zak.
Gromt van welbehagen. Dan springt hij vlug van de deur weg, alsof hij
een schop gekregen had: in de hel dreunt een zware slag. Maar zonder
aarzelen huppelt Snuf weer op de deur af en gluurt door het sleutelgat,
waarbij op zijn zitvlak een ferme lap te zien komt.)
Alle duivels, het gaat er daarbinnen in de hel zoo heet van langs als
het hier buiten om dood te vriezen koud is! Brrr! Zoowaar als ik Snuf
heet en een heuschelijken duivelsstaart heb (tast zonder om te zien
naar zijn staart) en een stiefkind ben van zeven duivelsgrootvaders, ik
ben blij als een kind, dat ik niet mee naar binnen ben gegaan, want
Satan wordt door zijn lieve moêr met een ziele-vork op de hielen
gereden! (Weer dreunt daarbinnen een slag; Snuf vliegt met groote haast
achteruit, maar springt meteen ook alweer naar het sleutelgat en geeft
een soort klappertandend gegiechel te hooren.) Padden en schorpioenen,
zoo nijdig als ditmaal is ze nog nooit geweest, die oude, rammelende
zwavel- en salpeterfeeks, zelfs niet de vorige Kerstmis, toen we toch
ook in een week tijds geen zieltje konden machtig worden! Wat zul je er
aan doen? ’t Is nu eenmaal niet het goeie seizoen! (Hij springt bij een
zwaren slag daarbinnen in de hel weer haastig achteruit.) Ai! Oei!
(De deuren van de hel vliegen wijd open, en een fel rood licht slaat
naar buiten in de schemering. Satan vlucht de hel uit, achtervolgd door
zijn krijschende moêr, die bij de deur in dreigende houding staan
blijft, in de eene hand een ziele-vork, in de andere een pook. Heur
grijze haar hangt in sprieten voor haar vergrijnsd heksengezicht met
den grooten mond, waarin zich nog een enkele tand vertoont. Haar hoog
opgesjorde rokken onthullen magere, bottige beenen. Satan is gentleman.
Hij draagt een langen, in een punt eindigenden mantel, van buiten
zwart, van binnen gekleurd als de buik van een vuursalamander; lange,
puntige manchetten, hooge kraag met witte kanten das, gepoederde
staartpruik, kleine horentjes op zijn grauw-witten duivelskop, onder
zijn jas een duivelsstaart, iets meer verzorgd dan die van zijn
dienaar. Uit de hel davert geloei en gegil, dat het begeleidend orkest
vormt voor het snijdend-krijschende solo van Satans-moêr.)
SATANS-MOER. Er uit! De hel uit! Er uit! De hel uit en er niet meer in!
SATAN. (Stormt op Snuf af en verbergt zich achter hem.) Snuf, sta me
bij: ze is razend geworden!
SNUF. (Zoekt op zijn beurt weer haastig dekking achter zijn meester.
Dan dapper:) Wees niet bang voor haar, meester! Sla er maar op, dat
haar botten kraken! (Steekt achter Satans rug zijn tong uit.) Ga je
weg, ouwe tooverkol, kromme pook, kikkerdril?!
SATANS-MOER. Kom hier, adderbroedsel, ik zal je villen, kerven,
krabben!
SNUF. Kom jij hier, knokige nachtmerrie, als je er het hart toe hebt!
Ik zal je neus splijten en je ooren afbijten en je oogen uitkrabben en
je in rauwe azijn gooien! Serpent!
SATANS-MOER. (Krijscht haar woede uit, laat pook en ziele-vork vallen
en maakt met haar magere armen bezwerende gebaren in de lucht, waarbij
ze haar grijpvingers met de lange nagels kromt en een heksenwijsje
gilt:)
Vlammentongen, hellevier,
Roet en zwavelstank....kom hier!
SNUF. (Krimpt door haar bezwering onder hevige pijnen ineen.) Sta me
bij, meester, ze wil me betooveren! Au! Ai!
SATAN. (Met bezwerend gebaar:) Brabbasjka!
SNUF. (Springt verlucht overeind.)
SATANS-MOER. (Neemt gillend de pook en ziele-vork weer op en wil er
Satan mee te lijf, maar deze redt zich met een lenigen sprong achter
een boom.)
SNUF. Mispoes! Hi—hi—hi—hi—hi!
SATAN. Lieve moêr, neem ons bij je in de hel; daar is het zoo lekker
heet en hier buiten is het zoo...Brrrr!
SNUF. Laat haar braaien in haar ranzig vet! Zal ik je aan het spit
steken, krakende vampier, en je smoren in de vlammen? Ksssssch!
Kssssch! (Hij draait een denkbeeldig spit.)
SATANS-MOER. (Krijscht van woede, heft de ziele-vork op, om daarmee
Satan en Snuf te overtuigen, dat in haar gemoed nog bittere
wraakplannen sluimeren. Dan vliegt ze de hel weer in, slaat de deuren
achter zich dicht.)
SNUF. (Werpt haar een kushand na, grijnst dan tegen Satan.) Hi—hi—hi!
Ze is op den loop gegaan!
(Het is met een slag weer stil geworden; het hellegerucht dringt niet
meer naar buiten door.)
SATAN. Ja, dat hebben we nou van je praatjes, Snuf! Nou is de deur
dicht, en zonder een volle zak zieltjes bij me durf ik niet meer aan te
kloppen, want waarachtig, ze zou me met mijn eigen staart bont en blauw
ranselen!
SNUF. Dan maar weer op het pad, meester! Ik heb nog een
ouwe-wijvenzieltje op het oog, dat allang op kantelen staat. Nog een
stootje.... en ze kan in den zak.
SATAN. Eén ouwe-wijvenzieltje! Wat heb ik aan één ouwe-wijvenzieltje?
Van die schrale, tanige, uitgedroogde ouwe-wijvenzieltjes gaan er
zooveel in den zak als steenen in den oceaan, als vloeken in een
soldenier, als goudstukken in een pierewaaiersbeurs, als zuchten in een
verliefd gemoed! Heb je niets beters?
SNUF. (Duidt, na een oogenblik peinzen, met den wijsvinger op zijn
neus, ten teeken, dat daarin een nieuwe gedachte schuilt.) We vangen
een paar dozijn honden- en kattenzieltjes! Je moêr zal er niets
verdachts aan ruiken, want ze is zoo kippig als ze bijziend, zoo
bijziend als ze blind en zoo blind als ze scheel ziet.
SATAN. Ben je vergeten, Snuf, dat we haar daar vorige kerstmis al op
vergast hebben, toen het ook zoo slecht stond met de zielevangst?
SNUF. (Zucht:) Als de stomme dieren niet aan het blaffen en miauwen
waren geslagen, toen ik den zak boven de vlammen leegschudde, had ze
het nooit gemerkt!
SATAN. Zij? Zij merkt alles, Snuf! Ik ben nog nooit zoo’n wantrouwende
tooverkol tegengekomen als mijn eigen moêr! En denk je, dat ik er
aardigheid in heb, achter honden en katten aan te zitten?
Menschenzielen moet ik hebben, Snuf! Ouwe-wijvenzielen, die kraken en
knappen in de vlammen en, al bruin geschroeid van alle kanten, nog
schelden en kijven! Vrekkenzielen, rammelende geldbuidels, waarin we
naar klinkend en blinkend goud kunnen grabbelen, om onze duivelsche
schatkamer aan te vullen, Snuf! Dronkemanszielen, die in alle kleuren
branden van de spiritus, dat we er in de hel een vuurwerk aan hebben en
er nog wat overblijft om zelf het keelgat te spoelen; weet je nog,
Snuf?
SNUF. Praat me er niet van, meester! (Hij tast naar zijn fleschje.)
SATAN. (Steeds meer in vervoering gerakend; Snuf leeft alle
heerlijkheden met hem mee). Leugenaarszielen, kunstig aangelegde
doolhoven vol verborgen vallen en strikken, om aandachtig te
bestudeeren, Snuf, en er ons voordeel mee te doen! Moordenaarszielen,
druipend van warm, rood bloed, om er onze duivelskleeren in te verven!
Verleiderszielen vol jonge vrouwen! Kloosterzielen, groote taarten en
poddingen met.... surprises er in en gedrenkt in oude, fijne wijntjes!
En dan, Snuf, wat het moeilijkst te krijgen is .... kinderzieltjes!
Zielen van jonge menschenkinderen, geurige bloemen, vleeschgeworden
muziek .... Ai! Wat zou ik geven voor zoo’n jonge, warme, teere ziel
van een menschenkind! Wat zou ik geven, om die zachtkens te braden op
een klein vuurtje, er met mijn neus boven op te gaan zitten en er alle
zoete geuren van op te snuiven ....! (Hij zucht. Dan, plotseling
vinnig:) Weet je wie ons het meest in den weg zit, Snuf?
SNUF. (Heeft zijn dierbaar fleschje weer aangesproken, stampt de kurk
in den hals.) Jawel. Je moêr. Ik wou, dat haar sloffen in het hellevuur
vielen, en ze geen tijd meer had ze uit te trekken.
SATAN. (Peinzend, gramstorig voor zich uitziend:) Ik bedoel mijn moêr
niet.
SNUF. Ik bedoel je moêr wel. Maar als jij je moêr niet bedoelt,
meester, zou ik wel eens willen weten wie je dan wel bedoelt!
Kerstmannetje soms, die likkebaard?
SATAN. Nou ja, die zal altijd onze doodsvijand blijven, Snuf. Tegen den
tijd, dat hij op komst is, worden de menschen zoo zoetsappig, dat ze
naar geen fatsoenlijk duivelswoord meer luisteren.
SNUF. ’k Wou, dat hij naar de weerlicht liep, hij en zijn
spullendrager, het grootste vod, dat ooit zich dienaar durfde noemen.
SATAN. Als we die twee nog eens in de hellevlammen konden zien dansen,
Snuf! Ik zou er duizend zielen voor prijs geven! Maar als we daarop
moeten wachten ....! Neen, Snuf, ik bedoel een ander, die ons ook
leelijk dwars zit en die misschien .... uit den weg geruimd zou kunnen
worden!
SNUF. (Nieuwsgierig:) En wie dan, meester?
SATAN. (Geheimzinnig, met opgerichten hoofde, als luisterde hij.) Een
schavuit met een bronzen kop, die knikkebolt en met zijn tong klapt,
Snuf.
SNUF. Ik zal me als een winteraardappel in den grond laten poten, als
ik weet wie je bedoelt, meester.
SATAN. (Grimmig:) Een onverbeterlijke zwetser, Snuf! Een lange
sla-dood, die met z’n kop in den toren hangt en z’n voeten beneden in
de kerk laat slieren. Luister, dan zul je hem hooren!
SNUF. (Zijn staart in de hand.) Die klok bedoel je, meester!?
SATAN. Die klok bedoel ik, Snuf. Die klok, die met haar vermaledijd
geklep de menschen er van terughoudt, hun zielen te verkoopen aan ....
den duivel. Die klok, die hun in deze dagen slag op slag vertelt: „De
Kerstman komt ..... weest braaf .... De Kerstman komt ....!” Of, als
het Zondag is: „Op, menschen, naar de kerk; het is de dag des Heeren;
legt alle werk thans neer; staakt al dat ijveren, dat slechts een ijdel
doel heeft; ’t is Zondag; sluit nu de handen vroom ineen ....” Die
klok, die iederen avond wijd en zijd over de landen roept: „De avond
komt! De avond komt! Het werk is nu gedaan; thans is het tijd van
bidden. Bidt, menschen, bidt! Bidt voor je zaligheid, waakt voor den
duivel ....”—(Uitbarstend:) Vervloekt!
SNUF. (Grinnikt.) Meester, ik geloof, dat je gelijk hebt! Als we die
klok in onze macht hebben, zullen we zieltjes kunnen grabbelen als
appels na een najaarsstorm! Maar hoe krijgen we haar?
SATAN. De klokkeluider moet ze ons verkoopen.
SNUF. Ai! Die klokkeluider, Hans, is een brave Hans, meester! Daar valt
geen woordje mee te praten. Hij zal ons zijn klok niet verkoopen, voor
geen zak met goud en voor al onze duivelsche schatten niet!
SATAN. (Driftig, starend:) Spreek me niet tegen, Snuf! Te lang heb ik
het plan gekoesterd in ’t verborgen van mijn duivelshart; nu is het van
mijn giftig bloed verzadigd en wil de wereld in!
SNUF. (Kruipt tegen zijn meester aan. Met duivelschen blik
rondloerend:) Stil, ik weet misschien een weg, meester. Een achterweg,
die, kronkelend, toch recht het doel ingaat.
SATAN. Ik hou van kronkelwegen, Snuf. Wijs hem mij, dien kronkelenden
achterweg.
SNUF. (Fluisterend:) Cherchez la femme!
SATAN. (In spanning:) Ah! Wie bedoel je?
SNUF. Er is in de stad een herberg, meester ....
SATAN. „De drij Coninghen”?
SNUF. „’t Swaentjen”!
SATAN. Kasper’s herberg.
SNUF. En Kasper heeft nòg een zwaantje! Véél blanker dan het zwaantje
op zijn herbergsschild.
SATAN. Een dochter?
SNUF. Gaaike is haar naam!
SATAN. En die klokkeluider is verliefd op haar?
SNUF. De wereld is voor hem een zee, die hij Gaaike noemt! En daarin
tolt hij rond .... als een dronken haring. Als we ons netje goed
uitwerpen, zwemt hij er regelrecht in!
SATAN. Vertel op, Snuf, moet zij van hem ook zooveel hebben?
SNUF. (Wijsneuzig-schrander:) Als ik goed zie, is hij voor haar ....
een haring! Smaakt niet kwaad .... maar zalm smaakt beter!
SATAN. (Met voorpret:) Wie is die .... zalm, Snuf?
SNUF. (Grinnikend:) Herinner je je nog, meester, dat er vorige Kerstmis
een rijke sinjeur in een koets door het stadje getrokken is?
SATAN. Was het geen graaf, Snuf?
SNUF. In elk geval heeft men het gedacht, en dat is voldoende voor
onzen .... kronkelenden achterweg! Geen mensch twijfelt aan zijn
graventitel. Op zijn koets stond een wapen; de palfrenier zei zus en
zoo en dat hij meer zei dan hij zeggen mocht ....
SATAN. (Peinzend:) Die palfrenier was nog zoo dom niet, Snuf. Neem daar
een voorbeeld aan. Spreek nooit in volle zinnen, breek onderweg je
woorden af .... de wereld loopt vol ezels, die blij zijn, als ze er een
slot aan mogen balken!
SNUF. (Grinnikend:) Nu, die snuiter heeft in Kaspers herberg overnacht,
en toen hij den volgenden morgen weer in zijn koets stapte, heeft hij
Gaaike een kuske op haar kleine handje gegeven, en daarvan is dat malle
zottinnetje overstuur geraakt en ze is zich gaan inbeelden, dat een
graaf haar nog eens naar het altaar zal voeren om haar zijn hand en
zijn kasteel te bieden!
SATAN. Ik zie wel kronkelingen, maar nog geen weg, Snuf.
SNUF. Luister! Dien graaf, dien vreemden graaf .... laten we
terugkomen!
SATAN. Hoe wou je dien hier naar toe sleepen, Snuf?
SNUF. (Geheimzinnig:) Stil! Het is voldoende, als Gaaike maar dènkt,
dat hij komt! We schrijven haar een brief, een mooien brief .... met
een adellijk zegel er achterop!
SATAN. Aha!
SNUF. (IJverig:) „Lieve Gaaike! Een graaf komt je halen om je tot zijn
gravinnetje te maken! Ga in den toren, Gaaike, ga in den toren ....
hi—hi—hi! en zie naar hem uit ....!”—En dien brief steek ik vanavond
tegen den tijd, dat ze naar haar witgespreide bedje gaat, in den rand
van haar spiegeltje. Daar zal ze hem vinden,—want ze is een meisje!
Goed. Morgen gaat ze den toren in om naar hem uit te zien. Hans, de
klokkeluider, zit daar ook den heelen dag te koekeloeren, en hij zal
denken, dat Gaaike om hèm de driehonderdzevenenzeventig treden van de
torentrap is opgeklauterd! Intusschen laten wij onze beste koets keurig
oplakken, blauw met goud, zetten er een kroon boven op, schilderen een
wapen op de portieren .... de verf zal nog nat zijn, maar de graaf, die
er in zal komen te zitten, is toch ook nog niet droog achter de ooren
wat zijn graafschap betreft!
SATAN. Snuf, je bent een schrandere bol. Wien nemen we als koetsier en
als palfrenier?
SNUF. Daar nemen we Lummel en Rakker voor. Die hebben zich, voor ze bij
ons in dienst kwamen, bij graven en baronnen rijk gestolen en dus goede
manieren verworven. We trekken hun een livrei aan, een beetje lang van
snit, dat hun staarten niet zoo aan het licht komen. Nu, de koets rijdt
op een teeken van ons recht op de stadspoort aan. Daar boven in den
toren wordt ze opgemerkt; Gaaike ziet haar brief bewaarheid; Hans is
jaloersch, en met iemand, die jaloersch is ....
SATAN. .... heeft de duivel makkelijk spel! Snuf, breng me pen en inkt!
SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij trekt aan de schel der helle, bonst ten
overvloede met een vuist op de deur.) Open! Doe open!
HELLEWACHTER. (Opent het tralie-venstertje in de deur. Gegil en
gekrijsch dringt weer naar buiten door. Fel-rood licht beschijnt den
woesten duivelskop van den hellewachter, die zich in het bezit van
ferme horens, slagtanden en groote, rollende oogen verheugt.) Wat moet
je, schrale sprinkhaan?!
SNUF. Pen, inkt, briefpapier met lak en tondeldoos, vette galblaas!
HELLEWACHTER. Waar moet het voor dienen, schobberig scharminkel?
SNUF. Vraag dat aan je grootje, gemest varken!
SATAN. Stil!—Zeg maar, dat ze het boeken onder „Zielevangst”!
HELLEWACHTER. Geduld. (Hij slaat het venstertje dicht.)
SNUF. (Ziet naar rechts.) Meester! Daar komt me waarlijk in levenden
lijve Kerstmannetje aansukkelen, met dat vod van een dienaar achter hem
aan!
SATAN. Laten we ons verbergen, Snuf! (Hij springt achter een boom weg.)
SNUF. (Verbergt zich achter een anderen boom.)
KERSTMANNETJE EN BOF. (Komen van rechts op. Kerstmannetje is niet
groot, weldoorvoed en draagt een roode pij met bont afgezet, een
bontmuts met een takje hulst als versiering, en zijn beenen steken in
wijde kappen. In de hand een lantarentje. Vriendelijk, blozend gezicht
met borstelige, grauwe wenkbrauwen, zilverwitte haren en een dito
ronden baard. Bof, zijn dienaar, mag niet tot de snuggersten behooren;
zeker is het, dat er geen kwaad haar op zit. Hij torst op den rug een
zak, waaruit kinderspeelgoed en een kerstboompje komt kijken.)
KERSTMANNETJE. Die klok heeft ons goed geleid, Bof! Kijk, daar zie ik
den toren al.
BOF. Den toren, meester? (Hij kijkt naar boven).
KERSTMANNETJE. Niet daarboven, Bof. Recht vooruit.
BOF. (Volgt met zijn oogen de richting, die Kerstmannetje aanduidt.)
KERSTMANNETJE. Zie je hem nu?
BOF. Ik kan niets zien, meester: ik heb tegen de kou mijn muts over de
ooren getrokken. Maar ik hoef den toren ook niet te zien; als jij hem
maar ziet, is het toch voldoende?
KERSTMANNETJE. (Snuivend en knikkend:) Ja—ja. Kom, ik zal mijn lantaren
eens aansteken; ’t wordt donker, en jij zou kunnen struikelen met dien
zwaren zak op je rug. Zal ik hem eens van je overnemen, Bof?
BOF. Hij is zoo zwaar niet, meester. Als ik bedenk, hoeveel gezichten
er nog vroolijk zullen kijken om wat er in dien zak zit, dan komt hij
me zoo licht voor, alsof ik hem mijn leven lang zal kunnen dragen. Maar
steek de lantaren maar aan, meester, want jij zou over een verborgen
wortel kunnen struikelen.
KERSTMANNETJE. (Steekt zijn lantaren aan. Het gaat niet zoo makkelijk,
want hij moet zich met een tondeldoos behelpen.) Verborgen wortels ....
dat zijn de gevaarlijkste, Bof. Ik zou het den menschen altijd wel
opnieuw willen zeggen: „Pas op de verborgen wortels ....! Er zijn twee
paden in het leven. Het eene is niet altijd mooi geëffend; soms is het
mul, soms is het steenig, soms gaat het maanden lang door barre zon,
door koude, regen, hagelbuien .... Maar de grond is betrouwbaar,—men
weet waar men staat. Het andere pad biedt koele schaduw als het warm
is, en beschutting, wanneer de sneeuwjacht op witte rossen door de
velden raast. Maar neem je in acht .... er zijn verborgen wortels
....!” (Hij heeft de lantaren aangekregen en heft haar omhoog.) Zie,
Bof, hoe voor het licht het duister vluchten moet. Zoo duister kan een
duistere nacht niet zijn, of het kleinste lichtje scheurt zijn kleed
uiteen. (Naar boven ziend, naar zijn brandend lantarentje:) Het licht
der waarheid is een klein, maar stevig barkje; geen woelige zee kan het
verzwelgen, al raast een storm van laster ook gierend door het want, al
kruiven zich de golven leugens nog zoo hoog ....!—Kom, laat ons verder
gaan. Die klok daarginds roept ons zoo vriendelijk en vertrouwelijk,
alsof ze zeggen wilde: Kom hier! Hier is het goed! En warm! Hier wonen
vrienden!
BOF. Als die klok ons niet op het goede pad gehouden had, meester,
waren we, met die versneeuwde wegen, nog verdwaald!
KERSTMANNETJE. Ja, we mogen dien klokkeluider wel dankbaar zijn! We
zullen hem eens opzoeken. Heet hij niet: Hans?
(Hij gaat links het tooneel af, moeizaam stappend door de sneeuw.)
BOF. Ik geloof het wel, meester. Als hij niet Hans heet, heet hij
Jozef, of: Gijs, of: Cornelis, of iets wat daarop lijkt. (Volgt
Kerstmannetje het tooneel af.)
SNUF. (Springt achter den boom te voorschijn. Hij heeft zich al
moeilijk genoeg in bedwang gehouden. Woedend:) Die loopen me rakelings
langs de hel en merken het niet eens!
SATAN. Ze zullen merken, dat ze er nog is, Snuf! Overigens bevalt het
me niet, dat ze van dien klokkeluider hebben gesproken.
SNUF. We zullen zien wie het wint, meester: ons briefje en onze mooie,
adellijke koets, of .... (Beukt op de helledeur.) Doe dan toch open!
(Het venstertje opent zich, en de verlangde zaken worden aan Snuf
verstrekt.)
SNUF. Een veer, een kaars, lak, een omslag, inkt, papier .... Als je nu
nog even licht maakt ....?
HELLEWACHTER. (Spreekt een tooverwoord uit:) Mykrasjka!
(De lantaren boven gaat aan.)
SNUF. (Bukt zich voor Satan.) Als Uw Edelheid mijn rug voor lessenaar
zou willen nemen ....?
SATAN. (Schopt hem onder het zitvlak). Laten we voor het schrijven van
dien brief een plekje zoeken waar het warmer is, Snuf! Hier zouden er
weinig meer dan hanepooten op het papier komen!
SNUF. Je hebt gelijk, meester, brrrrrr! (Zoekt troost bij zijn
fleschje.)
SATAN. Neem de boel maar mee. Snap jij, Snuf, wat de lui voor
aantrekkelijks vinden aan zoo’n klok?
SNUF. Ik? Ik word er katterig van. Als we haar gekocht hebben,—in het
moeras er mee!
SATAN. Nog beter, Snuf! We hangen haar in de hel op, boven de vlammen;
dan kunnen de brandende zieltjes er zich aan verlustigen.
SNUF. En als Kerstmannetje het gelui bij ons hoort, neemt hij misschien
nog wel eens een kijkje in de hel!
SATAN. Als hij eenmaal binnen was, Snuf, bij de giftige tong van m’n
moêr, hij kwam er niet meer uit!
SNUF. Dan aan het werk, meester!
SATAN. Kom mee!
(Beiden af.)
HET SCHERM VALT
TWEEDE TAFEREEL
(In den klokketoren.)
(Het tooneel is klein. In het midden bevindt zich een trap, die omlaag
leidt. Dieper in den fond een trapje, dat nog hooger gaat,—in den
torenzolder. Er zijn diepe nissen met galmgaten, waardoorheen men in
een grijsrooden avondhemel kijkt. Boven het tooneel hangt de groote
klok, waarvan alleen de onderkant met den klepel te zien komt. Het
klokketouw hangt er naast. De toren is van ruwe steen.)
(Als het scherm opgaat, zit Hans, de klokkeluider, in een der galmgaten
en tuurt naar buiten. Hij draagt een grijzen mantel los over de
schouders, een bruine kiel, hier en daar versteld, een grijze kuitbroek
en lage schoenen met gespen. Peinzende oogen, fijn gebouwd lichaam.)
HANS. (Mijmerend, starend in de wolken:) Wolken! Jullie bent als
onvervulbare wenschen, onbereikbaar hoog drijvend op vleugelen van den
luimigen wind. Waar komen jullie vandaan, waar ga je heen? (Dan, zacht
verlangend:) Gaaike .... Gaaike .... Gaaike .... Kom bij mij, Gaaike
.... Mijn toren is van ruwen steen, maar de vensters zijn kostbaar! Kom
bij mij, Gaaike .... Gaaike!
(Achter het tooneel klinkt een duivelslachje.)
HANS. (Stokt, luistert.) Wat is dat? Wie lachte daar? Was het de
torenhaan, die knarste? (Mijmerend:) De haan, die het hoogst van allen
staat en toch niet kraaien kan van vreugde. Dat komt er van, als je met
goud besmeerd bent! Je blinkt wel mooi, maar kraaien kun je niet,
alleen maar knarsen .... Gaaike.
(Boven op den torenzolder ratelt wat. Er piept een rat.)
HANS. Ratten op zolder? (Hij gaat de trap op, die naar den zolder
leidt.)
SATAN. (Springt uit een zijnis het tooneel op, buigt zich over de
leuning van de trap. Fluisterend:) Snuf!
SNUF. (Wipt uit den benedentrap, zijn guitaar los in de hand.
Rondziend:) Waar is ....?
SATAN. (Snel:) Ik heb hem even naar boven gestuurd. Is alles geregeld?
SNUF. (Knikt.) Ik heb me onzichtbaar gemaakt en het zwaantje hier naar
toe gelokt. Hoor maar! Ze komt er al aan!
SATAN. Prachtig. Is de rest ook in orde?
SNUF. Alles klopt. De koets wacht aan den rand van het bosch. Als ik
fluit, zóó .... (hij fluit zacht) zal ze op de stad aanrijden, de
lichten ontstoken, dat ze van verre al te zien is.
SATAN. En de sleutel van de schatkamer?
SNUF. Hier! (Haalt een sleutel uit zijn zak.)
SATAN. Hou jij hem maar. Je weet wat je me brengen moet?
SNUF. Eerst den mantel. Als hij niet toehapt, den hoed; daarna ....
SATAN. Juist. Kom mee. (Hij wil zich weer in de nis verbergen.)
SNUF. (Bukt zich over den rand van de trap en zingt fluisterend,
duivelsche accoorden tokkelend op zijn guitaar:)
Ai, Gaaike,
Gaaike, m’n Gaaike,
Kom!
Wees niet dom!
Een juweel
Van een kasteel!
Een koets met een paardje!
En dan met een vaartje,
Duizelend van min .... (Keert zich tot zijn meester om, grijnzend:)
.... de hellepoort in!
(Dan springen beiden snel weg in hun nis.)
GAAIKE. (Een dorpsmeisje met blonde vlechten, schuchter, lieftallig als
een veldbloempje, komt de trap op en ziet verlegen, aarzelend rond. Ze
is hier blijkbaar nog nooit geweest. Ze weifelt nog even, klimt dan de
laatste paar treden op. Gaat nu snel op een der nissen af en kijkt naar
buiten. Gejaagd, fluisterend:) Van welken kant .... zou hij kunnen
komen? (Zij haalt een brief uit haar jakje.) Er staat niets van in.
(Dan hoort ze boven zich iets kraken en bergt doodelijk verschrikt den
brief weer in haar jakje weg.)
HANS. (Komt de trap weer af. Als hij beneden is, bemerkt hij Gaaike.
Strijkt de hand over het voorhoofd, als om een droom weg te wisschen.
Fluisterend:) Gaaike ....!
GAAIKE. (Is schuchter tegen den steenen wand gevlucht.) Hans ....
HANS. (Hij gaat nu beseffen, dat wat hij ziet geen droom is, maar
werkelijkheid. Met trillende stem van overgroote vreugde:) Gaaike ....
jij hier?
GAAIKE. De deur beneden aan de torentrap stond open. Toen dacht ik ...
HANS. (Naar woorden zoekend om zijn vreugde te uiten:) Hier! Neem mijn
mantel. Je zult kou vatten. Alles is hier zoo open. Kom! (Hij wil haar
den mantel omdoen.)
GAAIKE. (Weifelend:) En jij dan?
HANS. Ik? Ik heb het nooit koud. Ik zit hier altijd in den toren. Ik
ben het gewend, Gaaike. (Hij doet haar hoffelijk, bezorgd, met
trillende handen den mantel om.)
GAAIKE. Het zal wel mal staan!
HANS. (Overtuigend:) Heelemaal niet, Gaaike! Kom, ga zitten. Ja ....
stoelen heb ik hier niet. Ik zit altijd maar zoo op de steenen. Hier in
deze nis. Daar heb je het mooiste uitzicht.
GAAIKE. (Gaat zitten, de handjes in den schoot. Naar buiten ziend:) Er
zit sneeuw in de lucht, hè, Hans?
HANS. (Leunt nu tegen den anderen wand van de nis en ziet Gaaike in
zwijgende verrukking aan. Hij knikt bevestigend.) Ja! We krijgen een
witte Kerstmis!
GAAIKE. Wordt de kerk dan weer net zoo mooi versierd als het vorig
jaar?
HANS. (Even pijnlijk getroffen:) Het vorig jaar ....? Was .... Was de
kerk toen zoo mooi versierd?
GAAIKE. Weet je dat niet meer? Voor alle beelden stonden brandende
kaarsjes. Alles was zoo feestelijk, zoo mooi; de heiligen keken zoo
vriendelijk .... de kerk straalde van licht!
HANS. Ik .... ik heb het niet zoo gezien, Gaaike. Voor mij .... was
alles .... duister. (Hij vermant zich.) Neen, dit jaar wordt de kerk
mooi, Gaaike, veel mooier dan toen .... die vreemde hier was. En we
zullen zoo lang luiden tot Kerstmannetje zelf naar onze versierde kerk
komt kijken!
GAAIKE. Heb jij Kerstmannetje al gezien, Hans?
HANS. Gisterenavond alweer! Hij dwaalt nu in de bosschen en zet de
omgevallen dennetjes recht, en onder een schraal, scheefgegroeid
dennetje stopt hij wel eens een goudstuk weg, tot troost voor wien geen
mooien kerstboom meer vinden kon. Gisterenavond, na het vesperluiden,
wenkte hij met zijn lantaarntje. Ja, ik zie je wel, grijsbaard! dacht
ik.
GAAIKE. En ben je toen naar beneden gegaan?
HANS. (Mijmerend:) Neen, dan had ik hem niet meer gevonden. Ik zie hier
in mijn toren zooveel .... wat ik beneden nooit zie.
GAAIKE. (Leunt voorzichtig een weinig uit de nis.)
HANS. (Verschrikt:) Voorzichtig, Gaaike ....!
GAAIKE. Wat is het hier hoog! Wordt jij nooit duizelig, als je omlaag
kijkt?
HANS. (Peinzend:) Neen, ik niet. Soms voel ik me juist wel eens
duizelig wanneer ik beneden ben. Dan vlucht ik in mijn toren .... daar
gaat het over.
GAAIKE. Hoe kan dat nu?
HANS. Hier boven voel ik me zoo vrij, Gaaike. (Mijmerend:) Ik kijk naar
de wolken en ik denk. En wat ik denk .... vertel ik aan mijn klok.
GAAIKE. Verstaat die je dan?
HANS. Ze verstaat alles en ze denkt er over na. En als ik haar luid,
antwoordt zij mij. (Hij ziet om naar zijn klok.) Ik hield al van mijn
klok, nog voor ik ze gezien had. Bij ons daarbuiten was het ’s winters
zoo stil in de velden; daar hoorden we niets dan een paar maal per dag
die heldere klokkeslagen; als ik met mijn broertjes door het bosch
zwierf, bleef ik altijd staan om er naar te luisteren. Mijn moeder werd
ziek,—toen was het nog stiller. We zaten zwijgend aan tafel, en de klok
daar in de verte riep ons toe: Houd moed ....! Houd moed ....! (Hans
zwijgt, veegt even met de hand over het voorhoofd.) Toen Moeder was
gestorven, luidde de klok .... alleen voor haar. Dien dag vroeg ik mijn
vader of ik eens met hem mee mocht naar de stad, om de klok te zien. En
toen het voorjaar werd, nam hij mij mee aan zijn groote sterke hand.
Het was een Zondagmorgen,—ik had mijn beste pakje aan; de hemel was
blauw, met witte wolken; de groene velden stonden vol lentebloemen; de
vogels zongen in de boomen. Zoo kwamen we in de stad en bij de kerk. De
klokkeluider .... heb je hem nog gekend?
GAAIKE. (Mijmerend naar de klok ziend:) Jawel. De oude Sebastiaan.
HANS. Ja! Nu, die ging ons met een groote bos rammelende sleutels
voor,—den toren in. Er kwamen schrikkelijk veel treden; ik dacht, dat
het nooit zou ophouden,—maar eindelijk waren we toch boven, hier bij de
klok. „Kijk, Hans,” zei mijn vader, „daar achter het bosch ligt ons
huis. Zie je het dak niet glinsteren in de zon? En daar is moeders graf
.... die populieren zijn van het kerkhof. En daarachter, heel ver, ligt
de zee, vol schelpen en parels, en daar ligt de stad van den
koning,—met honderd zilveren poorten en een toren van gesmeed goud. En
dien kant uit, nog veel verder, ligt het land van de Chineezen,—die
hebben huizen met twintig daken er op, alle van ivoor ....”
GAAIKE. (Hans verwonderd aandiende:) Vertelde je vader dat alles?
HANS. (Ontwakend uit zijn droom, verlegen glimlachend:) N-neen .... dat
bedacht ik later zoo. Toen mijn vader sprak .... keek ik alleen maar
naar de klok.
GAAIKE. En hoe ben je toen later klokkeluider geworden? .... Hans?
HANS. Luister, dat wou ik juist vertellen. „Kom,” zei Sebastiaan, „ik
moet luiden voor de kerk.” En hij ging met zijn rammelende sleutels
omlaag. (Hans’ blik dwaalt naar de trap.) „Vader,” fluisterde ik, „wat
gaat hij nu doen?”—„Dat heb je toch gehoord?” zei mijn vader. „Hij gaat
de klok luiden.”—„Kàn hij dat dan?” vroeg ik. „Ik had altijd gedacht,
dat een engel uit den hemel het deed!” Mijn vader lachte, en later
vertelde hij aan Sebastiaan, wat ik gezegd had. Die lachte niet, hij
nam mij op zijn knie en hij keek me over zijn ijzeren bril in de oogen,
heel lang en heel ernstig. „Wat wil je later worden?” vroeg hij toen.
„Ik wil klokkeluider worden,” zei ik. Sebastiaan keek me aan met oogen,
alsof hij me wilde opeten. „Jongen,” zei hij toen, „klokkeluider zijn
.... dat is niet zoo eenvoudig als het lijkt! Je moet van je klok
houden, zie je? Een echten klokkeluider moet niets ter wereld boven
zijn klok gaan!” Ik knikte .... en ik zag, dat zijn oogen eensklaps
vochtig werden.—Zoo ben ik klokkeluider geworden, Gaaike!
GAAIKE. (Ziet hem aan.) We kennen jou allemaal zoo weinig, Hans. Jij
zit hier maar altijd in je toren .... niemand van ons kent jou. Vindt
je het nu prettig om hier zoo alleen te zitten?
HANS. (Ziet haar aan. Schudt dan ontkennend het hoofd.) Ik vind het
veel prettiger .... als jij komt, Gaaike.
GAAIKE. (Slaat de oogen neer.) Ik heb niet geweten .... dat het hier
bij jou zoo mooi is, Hans.
HANS. Je kunt van hieruit de heele wereld zien, Gaaike! Ik zie ook
altijd de zon opgaan; mijn klok en ik zien haar het eerst. En de
torenhaan ook .... maar die telt niet mee. En de wolken zie ik hier van
zóó dichtbij! Ik ken ze allemaal!
GAAIKE. De wolken ....??
HANS. (Naar buiten wijzend, fantaseerend:) Zie je dien draak daar, met
zijn zeven koppen? Hij zoekt een prinses, die hij geroofd had, maar die
nu bevrijd is .... door dien ridder daar! Zie je hem, daar op dat
zwarte paard?
GAAIKE. (Mede in spanning:) Zou hij haar krijgen, Hans?
HANS. Welneen! Kijk maar: de ridder is al vlak bij zijn kasteel ....
wat een forsche torens heeft het, hè? En als de poort van het kasteel
eenmaal gesloten is, kan de draak er niet meer in!
GAAIKE. (Peinzend:) Hans, hoe ziet het er uit .... in zoo’n kasteel?
HANS. (Naar de wolken starend:) Het is van zwart marmer. De vloeren
zijn van ivoor.... Dienaren in zijden kleeren zullen de sleep van de
prinses dragen, en, als ze uit rijden gaat, houdt de ridder zelf voor
haar den beugel vast.
GAAIKE. En .... en wat voor kleeren draagt zij, Hans?
HANS. De mooiste stoffen zullen dienen voor haar kleeren. Een mantel
van brokaat, een kleed van zijde en kant en borduursel. Een beugeltasch
met paarlen bestikt en muiltjes van satijn .... en alles wat ze hebben
wil, Gaaike!
GAAIKE. Hans .... geloof jij, dat ik nog wel eens .... een dame zou
kunnen worden?
HANS. (Verward:) Een dame ....? Een prinses!
GAAIKE. Een prinses kan ik toch niet worden, Hans? Maar ik zou zoo
graag .... een dame willen zijn. Hans .... zou ik het kunnen?
HANS. (Met gebukt hoofd, smartelijk:) Ik weet het niet. Ik heb nog
nooit .... een dame gezien.
GAAIKE. Ben je nu boos, Hans?
HANS. (Zwijgt, wendt het hoofd af.)
GAAIKE. Waaraan denk je nu, dat je opeens zoo stil wordt?
HANS. Ik denk nu aan .... den vreemde, die hier geweest is.
GAAIKE. (Onrustig, even tastend naar den brief in haar jakje:) De ....
de vreemde?
HANS. De vreemde, die jou .... een handkus gaf .... toen hij weer in
zijn koets steeg.
GAAIKE. (Na een zucht, verward:) Nu, nu is hij weg. Al lang.
HANS. Daareven had ik het gevoel .... alsof hij er nog was .... Gaaike.
GAAIKE. (Snel om zich heen ziend:) Hans! Hans .... zul je het niet
vertellen? Zul je er met niemand over spreken?
HANS. (Voelt onraad naderen.) Waarover?
GAAIKE. Hier, ik heb .... Beloof me, dat je het niemand vertellen zult.
(Ze heeft den brief uit haar jakje gehaald, vouwt hem met bevende
handen open en toont hem aan Hans.)
HANS. (Neemt den brief aan, vliegt den inhoud door, staat dan op, naar
adem zoekend.) Wie heeft je hem gebracht?
GAAIKE. Ik vond hem gisteravond, Hans .... in den rand van mijn
spiegeltje.—Waarom schrik je zoo? Wat scheelt je?
HANS. Mij? N-niets. Mij scheelt .... niets.
GAAIKE. Je wordt opeens zoo bleek! (Zelf is ze ook onrustig.)
HANS. Dat is .... d-dat komt....—Dus je weet niet wie hem op je
kamertje heeft gebracht? (Voor zich uitstarend, met trillende lippen:)
Het zal toch geen laffe grap zijn?
GAAIKE. Hans ....! (Het schreien komt haar nader dan het lachen.)
HANS. Nu, stil maar Gaaike. Hij zal wel .... echt zijn. Wat staat er
onder? Het is al wat donker; mijn oogen zijn .... ik kan het niet
lezen.
GAAIKE. Er staat zoo’n vreemde naam onder! „Beëlzebub”. Heb jij dien
naam al eens gehoord?
HANS. (Schudt ontkennend het hoofd.) Misschien heet die .... die
vreemde graaf wel zoo.
GAAIKE. Ik weet het niet. Ik weet niet, hoe hij heet. Maar die brief is
toch echt, Hans?
HANS. (Knikt. Peinzend naar den brief ziend:) Hij is met roode inkt
geschreven.
GAAIKE. Een graaf schrijft misschien wel altijd met roode inkt, hè?
HANS. Misschien wel, Gaaike.—Dus je bent in den toren gekomen .... om
naar hem uit te zien?
GAAIKE. (Bukt beschaamd het hoofd.)
HANS. (Na een innerlijke overwinning:) Nu .... laat ons dan naar hem
uitzien, Gaaike.
(Op dit oogenblik snerpt een schrille fluittoon door de lucht, van
denzelfden toonaard als het fluitje van Snuf, daarstraks. Hans richt
zich verschrikt overeind; Gaaike krimpt ineen.)
HANS. Wat was dat? Waar kwam dat vandaan? Was het de wind .... er is
geen wind. (Hij ziet naar buiten en deinst achteruit.) Een licht ....!
(Geslagen, met moeite een sarcastischen toon terugdringend:) Gaaike
.... de koets.
GAAIKE. (Vliegt met een kreet op.) Waar? (Ze staart als betooverd naar
buiten, terwijl Hans met van smart vertrokken gelaat tegen den wand is
teruggedeinsd.) Hans! (Ze ziet om. Hans bukt het hoofd en wendt het af.
Dit verwart haar. Zacht, verwonderd:) Hans ....? (Besluiteloos blijft
ze staan. Dan, Hans smeekend aanziend:) Hans .... ik moet nu gaan. Ik
moet nu vlug ....—Dag, Hans! Hans, wees niet boos? Toe? (Ze kust zijn
slap hangende hand.) Dag, Hans, lieve Hans! (Dan, na nog een weifeling,
snelt ze op de trap af en gaat met gebukt hoofd omlaag.)
HANS. (Blijft met gesloten oogen nog even staan; dan heft hij langzaam
het gelaat op, als kwam hij bij zinnen. Prevelend:) Gaaike ....! (Hij
snelt op de nis toe, waar doorheen hij de koets kan zien.) Een koets
.... (De smart trilt door zijn stem.) Een rijke koets! Twee zwarte
paarden .... een groote, gouden kroon er boven op .... daar komt hij in
zijn koets in zijden kussens .... jouw graaf, Gaaike! (Hij bergt het
hoofd in de handen.)
SNUF. (Springt te voorschijn, wenkt zijn meester met een grijns. Satan
springt nu ook uit zijn verborgen nis. Snuf slaat een accoord aan op
zijn guitaar.)
Waarom zoo treurig, beste vrind?
Omdat je liefje je niet mint?
Kom, zoek een ander uit den hoop!
Want liefjes zijn er zat te koop!
SATAN. Stil, Snuf, laat mij met hem praten.
HANS. (Is doodelijk verschrikt overeind gerezen en drukt zich, met
lijkwit gelaat, ruggelings tegen den wand.) Wie zijn jullie? Wat zoek
je hier?!
SATAN. Schrik maar niet, mijn jonge vriend: we komen je helpen. En
vraag niet wie we zijn, want onze naam zou je op een dwaalspoor
brengen.
SNUF. Of juist op het goede spoor! Hi—hi—hi!
SATAN. Staak je gezwets, Snuf. En open de schatkamer,—dan zal hij zien,
dat we niet gekomen zijn om hem wat af te halen!
SNUF. Integendeel! (Hij werpt zich de guitaar om den hals, opent met
veel gewichtsvertoon de „Schatkamer”, die zich blijkbaar in een zijnis
bevindt. Snufs tooversleutel knarst in een onzichtbaar sleutelgat, en
meteen valt door de nis een fel-rood licht naar binnen.)
SATAN. (Vriendelijk uitnoodigend:) Wil je eens een kijkje nemen, jonge
vriend?
HANS. (Bleek, gereed zich tegen het booze, dat hij voorvoelt, te
verdedigen:) Neen! Ik wil niet.
SATAN. Hoe is het mogelijk!—Snuf, sta niet te luieren en breng me den
mantel hier.
SNUF. (IJveriger dan ooit, haalt een mantel uit de schatkamer.) Hier is
hij, meester!
SATAN. (Aanprijzend:) Een mantel van brokaat, met ’t kostbaarste satijn
gevoerd en gouden sluiting! Breng de sluiting naar den goudsmid! Het is
alles echt, mijn jonge vriend, het komt van ver. Wat zeg je van dien
mantel? Werp hem eens om je schouders en zie hoe hij je staat?—De
prijs? Je vraagt den prijs? Een krats. Een niemendal. De mantel is te
geef .... Nu?
HANS. Ik wil niet ....
SATAN. De hoed, Snuf.—Zie dezen hoed? Hoe past die bij den mantel? Heb
je ooit iets gezien, wat in teere blankheid wedijveren kon met deze
veer? Zie, een robijn hecht haar aan den bol; de rand is afgezet met
paarlen uit het achterland van Indië .... Hier! Een degen met gouden
greep en kwasten; de scheede ingelegd met het kostbaarst paarlemoer,
waarmee ooit de oceaan een oesterschelp bekleedde ....—Nu, hier dan!
Marokijnen laarzen met zilveren gespen en strikken van satijn!—Snuf,
haal een spiegel hier, dat hij de kleeren passen kan en zien kan hoe ze
hem staan!—Trek deze handschoenen er bij aan, handschoenen van
gemsleer, fijner dan ze een edelman ooit over blanke, ringen-overdekte
handen droeg. Zul je er met dit alles niet uitzien .... als een graaf?
HANS. Ik wil niet ....!
SATAN. Maar alles is te geef! Voor niet! De prijs is minder dan de
kosten van ’t vervoer! (Aanprijzend:) Want alles is van heinde en verre
aangebracht! Het bont is uit Siberië, het goud uit Afrika, de paarlen
uit de diepten van de diepste zeeën, die slechts de haaien kennen ....
Nu?—Begrijp jij het, Snuf? Als jou zoo’n kans geboden werd?
SNUF. (Zucht.) Laten we maar weer gaan, meester. Het is bij hem boter
aan de galg gesmeerd.
SATAN. Neen, ik geef het nog niet op. Je weet toch waarvoor we zijn
gekomen: om hem te helpen! Ik heb meelij met je, jonge vriend, omdat je
liefje je laat zitten.
HANS. Zwijg!
SATAN. Kalm-aan wat, heerschap! Wat heb ik je misdaan? (Verlokkend:)
Wat zou je er van zeggen .... wanneer ik je die mooie koets daarbuiten
schonk?
HANS. Is die .... van jou?!
SATAN. Hij dacht van niet!—Snuf, laat de koets eens stilstaan, want hij
gelooft niet, dat ze ons behoort!
SNUF. (Springt in de nis en fluit doordringend.)
HANS. (Verward:) Dezelfde toon, die ....
SATAN. Nu? Staat ze stil, ja of neen?
HANS. (Worstelend tegen de verleiding:) Ik .... ik wil niet ....
SATAN. (Driftig:) Dwaas! Als ik je er een kasteel bij geef?
HANS. (Angstig:) Ik wil niet ....!
SATAN. Ik zal je landerijen geven! Bosschen vol wild!
HANS. (Schreeuwend:) Ik wil niet! Weg!! Scheer je weg met je duivelsche
schatten ....
SATAN. (Zuchtend:) Heb je ooit zoo’n ondankbare gezien, Snuf?
SNUF. Laten we toch gaan, meester! Onze goede bedoelingen worden
miskend.
SATAN. Ik wil het nog met het laatste probeeren. Breng het hier, Snuf.
Daarvoor zal hij toch wel zwichten!
SNUF. En als hij het niet doet, meester, is hij de grootste idioot ....
op jou na. Want alleen een volslagen idioot kan zooveel kostelijks te
geef aanbieden.—Hier is het. (Hij reikt Satan een vrouwenkleed.)
HANS. (Heeft den blik afgewend en de oogen gesloten.)
SATAN. (Wiegt grijnzend het kleed in het helsche licht.) Kijk dezen
kant eens uit, mijn jonge vriend?
HANS. Ik wil het niet zien!
SATAN. Ai ....! Daar zou je spijt van hebben, als je eerst maar wist
wat het was. Ja, knijp je oogen maar toe: door je dichte oogleden heen
zul je de schittering nog zien. Nu .... wil je niet?
SNUF. Neem het weg, meester. Hij is het niet waard. (De spanning,
waarvan hij blijkt geeft, is in tegenstelling met zijn woorden.)
SATAN. Stil, Snuf.—Nog drie tellen, jonge vriend! Dan neem ik het weg
.... voor altijd, en het mooiste wat je in je leven hebt kunnen zien,
is voor jou verkeken. Een .... twee .... Nu?
HANS. (Hijgend, naar adem zoekend:) Wat .... wat is het?
SATAN. (Krijgt moed, bedwingt met moeite zijn vreugde.) Een
vrouwenkleed.
SNUF. (Bukt zich in spanning.) Een gravinnekleed!
HANS. (Stamelend:) Voor .... voor Gaaike. (Hij wendt zijn blik naar het
kleed, aarzelend, als was hij bevreesd voor wat hij doen gaat.)
SATAN. (Wiegt het in het licht.) Nu? Lijkt het je?
HANS. (De handen uitstrekkend:) Geef het mij!
SATAN. (Over het bleeke duivelsgelaat glijdt even een grijns.) Het kost
een krats .... een niemendal.
HANS. (Hartstochtelijk de handen uitstrekkend, maar niet roerend van
zijn plaats:) Geef dan hier dat kleed!!
SATAN. Je krijgt het .... maar niet voordat ik weet, of je op den prijs
ingaat. Het is niet veel .... bijna te geef. Als ik je zeg wat het
kost, zul je lachen ....—Nietwaar, Snuf?
HANS. Noem den prijs ....!
SATAN. Zullen we hem den prijs noemen, Snuf?
SNUF. De prijs is veel te laag. De schoenen alleen zijn het dubbele
waard.
HANS. (Kermend onder zijn foltering:) Noem den prijs! Den prijs! Ik wil
den prijs weten!
SATAN. Nu dan, heerschap, dan zal ik het je zeggen. (Hij geeft zichzelf
even wat moed.) De prijs is .... de stem van die klok daarboven.
HANS. (Bleek, duizelend, met trillende lippen:) De .... de stem van
.... mijn klok? (Hij trekt zijn handen terug, moeilijk, als werden ze
magnetisch tot het kleed aangetrokken.) De stem van mijn ....?!
SATAN. (Bevreesd, zijn partij te zullen verliezen:) Zie! Er is in
smaragd een gravinnekroontje op geborduurd! Zou Gaaike ermee in haar
schik zijn? Nu ....? Je .... je hoeft vandaag nog niet te beslissen!
Neen! Neem alles mee wat ik je heb aangeboden; ik bewaak dan hier de
klok, en tot .... tot den kerstavond zelf mag je nog alles inruilen.
HANS. (Weifelend den duivel aanziend; zijn stem schijnt uit een andere
wereld te komen:) Tot .... tot Kerstmis mag ik nog ....?
SATAN. Tot overmorgen, den avond voor Kerstmis!
SNUF. Maar daarna niet meer!
HANS. Moet ik .... dan alles teruggeven? Het .... gravinnekleed ook?
SATAN. Vooruit .... dat mag je houden. (Geruststellend gebaar tot Snuf,
die vindt, dat zijn meester een stommiteit begaat.) Ze zullen van mij
niet kunnen zeggen, dat ik een galanterie niet te waardeeren weet! Maar
al het andere breng je me terug, als jij je klok weerom wilt hebben!
HANS. (Na een innerlijke worsteling, fluisterend, met gesloten oogen:)
’t Is goed.
SATAN. (Zichtbaar voldaan:) Bravo!—Maak het contract op, Snuf!
SNUF. (IJverig:) Ik ben in een ommezien klaar, meester! (Hij tijgt aan
het werk.) Drie-en-twintig December van het jaar ....
HANS. (Zijn houding wijzigt zich thans geheel. Aan het besef, hoe duur
zijn gekochte schatten door hem betaald zijn, ontleent hij den
bevelenden toon, waarin hij nu spreekt.) Mijn laarzen!
SATAN. (Onderdanig:) Hier zijn ze, graaf!
HANS. (Onaangenaam beroerd, aarzelt even, schiet dan driftig de laarzen
aan.) Mijn mantel!
SATAN. (Reikt hem den mantel.)
HANS. (Werpt zich den mantel om de schouders.) Mijn degen!
SATAN. (Reikt hem den degen.)
HANS. (Gordt zich den degen om.) Mijn hoed en handschoenen!
SATAN. (Reikt ze hem.)
HANS. (Zet zich den hoed op, treedt dan voor den spiegel, zwierig als
een cavalier, verbijtend zijn innerlijke smart en spot voor zichzelf,
en trekt zijn handschoenen aan.)
SNUF. (Een sierlijke haal onder het contract zettend:) Zie zoo.
(Onderdanig buigend:) Zou Uwe Edelheid het even willen onderteekenen?
HANS. (Neemt met korzelig gebaar de veer aan, die Snuf hem reikt. Ziet
het contract in. Verward:) Wéér roode inkt ....? (Hij ziet Satan en
Snuf aan. Beiden buigen diep. Hans overwint een aarzeling, zet dan
bruusk zijn naam.)
(In dit oogenblik valt de klepel uit de klok, slaat dreunend neer op
den vloer en tuimelt dan met donderend geraas langs de torentrap verder
omlaag.)
HANS. (Werpt zijn pen neer, krimpt ontzet ineen, snakkend naar adem.)
SNUF. (Grist hem het contract uit de vingers en brengt het, vriendelijk
grijnzend, haastig in veiligheid.)
HANS. (Heesch fluisterend als het geluid verstorven is:) Wat–was–dat
....?
SATAN. De klepel van de klok, heer graaf! Die viel!
HANS. De klok .... is haar tong .... ontrukt.
SNUF. Dat ze niet praten kan!
HANS. Ik heb .... mijn klok .... haar tong ontrukt.
SATAN. Tot Kerstmis kun je ze haar teruggeven.
SNUF. (Voor zich heen:) Maar hij doet het niet.
SATAN. Kom volg mij, graaf, de poort uit! En stillekes, dat de
poortwachter ons niet ziet!
HANS. (Satan aanziend, wezenloos:) De poort zal gesloten zijn!
SATAN. Wij hebben .... een eigen sleuteltje! (Toont grijnzend zijn
sleutel.) Dat past op alle deuren! En ongemerkt komt ge in uw koets,
heer graaf!—Snuf, draag het kleed!
SNUF. (Neemt het kleed vol respect op zijn armen.) Ik zal er mee
omgaan, alsof er al een gravin in stak, meester!
SATAN. (Laat Hans met hoffelijk gebaar voorgaan. Volgt hem dan, de
torentrap af, na met een tooverbeweging en tooverwoord de „Schatkamer”
te hebben gesloten.) Brabbaisjka!
SNUF. (Het kleed parmantig op de armen:) Daar gaat ie! Daareven nog
behoorde hem de wereld. Nu zal hij zich tevreden moeten stellen ....
(grijnzend:) met een helsch kasteel, een nagemaakt gravinnetje en een
kwaad geweten. De zielenvangst zal er wel bij varen! (Hij huppelt de
trap af.)
HET SCHERM VALT
DERDE TAFEREEL
(De herberg: „’t Swaentjen”.)
(Een eikenhouten gelagkamer. Tafeltjes, schemeltjes, groote schouw,
rechts-fond de toonbank met tapkast. Links-fond: de deur naar de straat
met een trapje er voor. Links en rechts twee deuren. Hooge vensters met
kleine ruitjes, waardoor de ondergaande zon rood licht werpt. Een
kandelaar met oude borden op de schouw. De zoldering wordt gestut door
zware balken. Het vuur in de schouw brandt. Hier en daar slingers en
vlaggetjes, die later als versiering zullen moeten dienen. Ergens staat
een ragebol en een emmer met een bezem.)
(Als het scherm opgaat, is het tooneel ledig. In een der zij-kamers
zijn vrouwen aan het kwebbelen.)
STEMMEN. (Uit de zij-kamer:) Geef me die dweil aan! Ajasses, wat is dat
water koud! De gordijnen moeten er nog af .... Die graaf brengt een
drukte, hoor! Z’n palfrenier is een aardige kerel! Hij wou me zoenen
.... (veel gegiechel) maar ik heb hem een watjekou gegeven! Handen van
den boter!
EEN WERKVROUW. (Sloft over het tooneel, verhit van het werk, met
verwarde haren, opgestroopte mouwen, een emmer water torsend. Ze sloft
de kamer in, waar gekwebbeld wordt. Daar zet ze, na de deur weer achter
zich gesloten te hebben, de emmer rinkelend neer.)
STEMMEN. (Uit de kamer:) Kijk uit! Kijk waar je loopt! Die graaf ....
KASPER. (Komt met Stoffel en Snoek door de buitendeur op. Hij draagt
een paar zakjes, die hij op een tafeltje gooit. Kasper mist niet een
zekere waardigheid, die zich uitspreekt in een fermen neus, een licht
onderkinnetje, een wijnbuikje, dat hij met overtuiging vooruitsteekt en
vaak gebruikt als rustplaats voor zijn handen, een dikke, zilveren
horloge-ketting, een bruine jas met panden, een kuitbroek met lage
gesp-schoenen, een gebloemd vest, een groote, bonte zakdoek, die achter
uit zijn jas steekt. Snoek is ook een heel heer, vinnig en parmantig in
zijn bewegingen, mager, niet groot, bottig gezicht, roode neus. Stoffel
is meer een ridder van de droeve figuur, dien men zijn zeven
ongetrouwde dochters, zijn mageren spaarpot en zijn kijfzieke vrouw van
buiten af al aanziet.)
KASPER. (Loopt haastig, maar niet zonder een zekere plechtigheid, naar
de tapkast.) Ja, vrienden, daar zullen we een wijntje aan wagen!
SNOEK. Waarachtig, Kasper, ik ben het niet altijd met je eens, maar
ditmaal heb je het aan het goeie eind. Er zal niet elke week een graaf
om je dochter komen!
KASPER. Eenmaal is genoeg, buurman! Wat zeg jij, Stoffel?
STOFFEL. ’t Is een wonder! Ik heb, de Heer zij mijn getuige, zeven
huwbare dochters, en er is zelfs nog geen dronken ketellapper om
gekomen!
SNOEK. (Grinnikt.)
STOFFEL. Ja, jij, als vrijgezel, kunt lachen! Ga je de boel versieren,
Kasper?
KASPER. (Inschenkend, na zich boven uit de tapkast een flesch veroverd
te hebben:) Wat dacht jij dan, buurman? Aan den gevel komen slingers en
vlaggen, en hier binnen maken we alles piekfijn; de tapkast zal ik met
oude Fransche en Spaansche wijntjes versieren, en mijn vrouw zal de
tafel versieren met koeken en taarten; mijn schoonzoon zal merken, dat
er bij Kasper wat in ’t vaatje zit!
SNOEK. (Nieuwsgierig:) En waar zit hij nou, die monsjeu? Bij Gaaike?
KASPER. Snoek, niet zoo nieuwsgierig! We zijn allemaal jong geweest.
Hij zal met Gaaike in de voorkamer zitten en zich niet vervelen. Hier,
neem je kroes, Stoffel. We zullen op hem drinken! Ik wil ook nog op
mijn wijf drinken en op den schout en zijn schepenen en op jouw zeven
dochters, Stoffel, en niet allemaal in een slok naar beneden, hoor,
neen, stuk voor stuk, en de volle maat. (Ze drinken.) Alle duivels,
makkers, ik ben vandaag in staat, mijn heelen wijnkelder in jullie
magen om te keeren!—Zeg eens eerlijk: ze mag er wezen, mijn Gaaike! ’t
Is mijn eenigst kind, en ’t is zonde, dat ik het zelf zeg, maar ze mag
er wezen!
SNOEK. Niet zoo hoogmoedig, Kasper!
KASPER. Hoogmoedig! Heb ik gelijk of niet, Stoffel?
STOFFEL. Nou! Ik heb wel leelijker gravinnen gezien, Snoek!
SNOEK. Waar heb jij gravinnen gezien?
STOFFEL. In het paardespel, dat hier geweest is! Daar was een echte!
SNOEK. Als dat een echte gravin was, zal ik nog eens een echte snoek
worden.
KASPER. Nou, maar in elk geval, als mijn Gaaike er niet wezen mocht,
zou die graaf niet om haar zijn gekomen! ’n Jonge graaf met fortuin
.... ga zelf maar na, mannen! Aan elken vinger tien gravinnen, in alle
soorten en afmetingen!
STOFFEL. (Zucht.) En mijn zeven dochters er bij!
SNOEK. Eerlijk, Kasper,—toen hij het vorig jaar hier wegging, had jij
ook niet gedacht, dat hij nog eens jouw schoonzoon worden zou!
KASPER. Als je de waarheid weten wilt, Snoek, ik heb altijd al zooiets
gedacht! Mijn grootmoeder had al wat met een baron uitstaande! Hier
makkers, laat je nog eens inschenken.
SNOEK. Vertel op .... wat was dat met je grootmoeder en dien baron?
KASPER. Met mijn grootmoeder is het adellijk bloed in onze familie
gekomen. Kijk maar eens naar mijn neus. Mijn vrouw zegt, dat er een
baronnehaak in zit.
SNOEK. (Honend:) Nou, laten we dan maar eens klinken op jouw
baronnenneus, Kasper!
KASPER. En op jouw neus, dien je overal insteekt, Snoek!
(Ze drinken.)
STOFFEL. Mag ik je eens eerlijk iets zeggen, Kasper?
KASPER. Zeg maar op: als het een leugen is, zullen we hem dood drinken.
STOFFEL. Ik had altijd gedacht, dat Gaaike .... en Hans nog eens een
paar zouden worden.
SNOEK. (Binnensmondsch lachje.)
KASPER. (Zet zijn kroes neer.) Hans?? Wie Hans?? Wat Hans?!
SNOEK. Hans, den klokkenluider, bedoelt hij.
KASPER. Klokkelui....! Mijn dochter Gaaike met een Klokkelui....!
Stoffel, als je mijn buurman niet was, zou ik je de herberg uitzetten
en je al de kroezen nagooien, die je bij mij al hebt leeggedronken.
STOFFEL. (Verschrikt:) Ik niet alleen Kasper! Ze hebben het allemaal
gedacht. En .... eh, het zou toch ook een heel knap paar zijn geweest.
KASPER. Een knap paar! Ja, knap zou het zijn geweest, wanneer die
klokkeluider Kasper zijn dochter had afgetroggeld! Een mooi bestaan: op
droog brood in een toren! Je kunt je nog beter door den schout laten
opsluiten!
SNOEK. Droog brood ....! Jij zit er toch warmpjes in, Kasper.
KASPER. En moet ik daarom de kou in huis halen? Kom, mannen, ik wil
drinken op dien klokkeluider en op het knappe paar, dat hij met mijn
dochter Gaaike gevormd zou hebben!
SNOEK. Verslik je niet, Kasper!
KASPER. Geen nood, Snoek! (Ze drinken.)
(Weer komt een werkvrouw in groote haast over het tooneel sloffen,
gewapend met emmer en dweil.)
SNOEK. („Galant”:) Zoo, meiske? Zoo druk in de weer?
WERKVROUW. (Gillend:) Laat me er door! (Ze sloft woedend, mompelend in
zich zelf, het tooneel weer af.)
SNOEK. (Ziet haar verbluft na. Hoofdschuddend:) Die vrouwen! Die
vrouwen!
KASPER. Je hadt de mijne moeten zien gisteravond! Eerst was Gaaike
komen binnenvliegen en naar haar kamertje gehold. „Wat scheelt Gaaike?”
vraag ik mijn wijf. „’k Zal eens zien”, zegt ze. Tien tellen later
staat ze weer voor me met een hoofd als een rooie kool en een brief in
haar hand. „Kasper”, zegt ze, „trek als de weerlicht je beste pak aan!”
Ik nam juist een snuifje. „Waarom zou ik dat doen, wijf?” vraag ik. „’t
Is toch geen Zondag?”—„Neen”, zegt ze, „maar er komt zoometeen wel een
graaf om je dochter! ’t Staat in een brief!” Nou, en meteen kreeg mijn
wijf het zoo op haar zenuwen, dat ik maar gauw naar boven ging om mijn
beste spulletje aan te trekken. En net kom ik weer in de gelagkamer, of
de graaf staat er ook al!! „Zoo, monsjeu”, zeg ik. „Dag, Kasper”, zegt
de graaf. Nou, en toen ik mijn vrouw en mijn dochter ging halen, hadden
ze zich allebei piekfijn opgekalefaterd! Satan en Eva regeeren de
wereld, makkers!
SNOEK. Kom, laten we daarop eens klinken! (Ze drinken.)
ANNE-MARIE. (Komt met Aafke en een werkvrouw van links het tooneel
opstuiven. Ze is vuurrood van de drukte.) Hierheen! De gordijnen moeten
er af, en de planken nog geschuurd en .... (Met giftigen blik op
Kasper:) Zit jij daar te nietsdoen, Kasper?
(De werkvrouw neemt den emmer en bezem weg en sloft weer het tooneel
af.)
KASPER. (Ziet naar zijn krijgshaftige, blozende, goedgevulde eega.)
Nietsdoen, wijf?? Ik heb meel en rozijnen gehaald en ....
ANNE-MARIE. (Stort zich op de zakjes, die Kasper op een tafeltje heeft
neergegooid.) En .... en de gist heb je vergeten! En inplaats van
suiker heb je zout gehaald! Stel je voor, dat ik over de taarten zout
had gestr....! (De gedachte aan die mogelijkheid doet haar bijkans
bezwijmen.)
STOFFEL. (Angstig:) De gist wou je juist gaan halen! Niet waar, Kasper?
KASPER. Hou je wafel, Stoffel: ik kan ’t alleen wel af. (Hij neemt den
zak zout. Overmoedig:) Je zult eens zien, mannen, wat een mooie japon
ze morgen op de bruiloft aanheeft! Die krijgt ze van mij, die japon!
Nietwaar, wijf?
ANNE-MARIE. Groote genade, ja, ik moet nog passen ook. Vooruit, sta dan
toch niet te treuzelen! En vergeet de muziek niet te bestellen, want
dat heb je natuurlijk ook nog niet gedaan!
KASPER. Jawel! Om de muziek heb ik gedacht! Ze zullen met z’n vijven
komen en alles meebrengen, waarop je maar fiedelen en blazen kunt. En
dan de beenen van de vloer, hé, wijf? We kunnen het nooit jonger meer
doen!
ANNE-MARIE. Kasper, schei toch uit!
KASPER. (Gaat grinnikend met zijn vrienden heen om Anne-Marie’s bevelen
uit te voeren.)
ANNE-MARIE. Wat moest er nog maar weer gebeuren? M’n hoofd loopt om.
Wacht, de gordijnen! (Geheimzinnig-fluisterend:) En dan zou ik je het
kleed nog laten zien, dat hij voor Gaaike heeft meegebracht!
AAFKE. (Poezelig en blozend als Anne-Marie.) Het zal wel mooi zijn, hé?
ANNE-MARIE. (Gebaar van verrukking.) De kraag van Brusselsche kant!
Pofmouwen van witte zijde! Ze durft het niet aan te passen, zoo bang is
ze, dat het kreukt. Maar morgen, op de bruiloft, krijgt ze het
aan!—Wacht, laat ik de rozijnen meenemen.—Heb ik je al verteld, dat er
een kroontje op zit?
AAFKE. (Slaat de handen ineen.) Op de rozijnen?!
ANNE-MARIE. Neen, op het kleed! Een kroontje van .... van groene
diamant. Kom, ik zal het je laten zien. En dan zoometeen vlug met de
ragebol .... Wat een knappe jongeman, hé? Heb je hem van opzij gezien?
AAFKE. Hij is nog veel knapper geworden, nu hij zijn baard heeft
weggeschoren! Den vorigen keer had hij een baard, weet je wel?
ANNE-MARIE. Ja, dat maakte hem veel ouder. Maar ik zag toch direct wel,
dat het dezelfde graaf weer was.
AAFKE. Ja! Z’n gezicht kwam me dadelijk weer zóó bekend voor, hè?
ANNE-MARIE. Voor Gaaike heb ik een zijden hemd met een sleep!
AAFKE. Een sleep? Een hemd met een sleep?
ANNE-MARIE. Natuurlijk met een sleep! ’t Is een gravinne-hemd, Aafke!
AAFKE. Ja, daar dacht ik zoo gauw niet aan.
ANNE-MARIE. Heerem’ntijd, wat zal ik het eerste doen! Die mannen hebben
het toch maar makkelijk! Die staan maar te babbelen en te
nietsdoen!—Ach ja .... m’n Kasper is zoo trotsch op zijn schoonzoon,
hè? Heb je de ragebol? Wacht, daar komen ze! De graaf en zijn .... en
zijn verloofde!
(De beide vrouwen vluchten achter de deur en zien nog even toe, in
warme bewondering. Dan verdwijnen ze, de deur achter zich sluitend.)
HANS EN GAAIKE. (Komen op, Gaaike blozend, verlegen; haar oogen stralen
van blijde opwinding. Ze heeft haar beste japonnetje aan. Hans, die
haar met hoffelijk gebaar laat voorgaan, draagt zijn gravenkleeren vol
aangeboren zwier.)
GAAIKE. (Rondziend:) Vader wil de herberg heelemaal versieren! Kijk,
daar liggen slingers en vlaggetjes .... ziet u wel?
HANS. (Met geforceerde luchthartigheid:) Ja ....! Groene slingers en
allerlei kleuren vlaggetjes er aan. Wat zal dat leuk staan, als die
door de herberg hangen.—Alles .... alles zal morgen zoo mooi zijn,
Gaaike!
GAAIKE. (Knikt blozend:) Het .... het kleed is ook zoo mooi!
HANS. (Half vroolijk:) Maar dat is toch niet de hoofdzaak, Gaaike.
GAAIKE. Neen. Maar het is toch mooi.
HANS. Ben je er blij mee?
GAAIKE. (Knikt.) Het zal wel vreeselijk veel gekost hebben!
HANS. (Peinzend, smartelijk:) Ja .... de prijs was hoog. Maar voor jou
was mij niets te duur, Gaaike.
GAAIKE. U is zoo goed voor mij, graaf!
HANS. (Mijmerend:) Waarom zeg je .... „graaf” tegen mij, Gaaike?
GAAIKE. (Hem verlegen aanziend:) Dat wil vader zoo. (Met gebukt hoofd.)
En ik ken Uw naam ook nog niet.
HANS. (Als ontwakend uit een droom:) Ja .... natuurlijk .... dat is
zoo. Ik heet .... (Hij zint zich op een naam. Dan, weemoedig:) Nu, het
doet er immers niet toe .... (Zich vermannend:) Morgen is ’t ons feest,
hè, Gaaike? En dan gaan we in mijn koets naar ons kasteel!
GAAIKE. (Met lichten schrik:) Maar we blijven de kerstdagen toch nog
hier?
HANS. Zeker! Tot den Nieuwjaarsdag blijven we nog! En dan ....! Je bent
toch niet bang om met mij mee te gaan, Gaaike?
GAAIKE. Eerst was ik bang. De vorige maal, dat u hier was ....
HANS. (Angstig:) Wat? Wat .... den vorigen keer?!
GAAIKE. Toen droeg u een baard en durfde ik u heelemaal niet aan te
zien. Maar nu is het, of ik u al jaren ken. En nu ben ik ook niet bang
meer om met u mee te gaan! (Ze vleit zich tegen hem aan, ziet hem
vriendelijk, dapper in de oogen.)
HANS. (Verward:) Gaaike ....! Dus .... je houdt wel een beetje van mij?
GAAIKE. (Lief, innig:) Ik hou heel veel van u.
HANS. (Hijgend:) Van mij? Van mijzelf hou je, Gaaike? Niet alleen van
mijn kleeren .... mijn koets .... het kleed, dat ik voor je heb
meegebracht?
GAAIKE. (Ziet hem verschrikt aan.)
HANS. Begrijp je wat ik bedoel, Gaaike?
GAAIKE. (Schudt angstig ontkennend het hoofd.)
HANS. Vind je het prettig, Gaaike .... om met mij mee te gaan .... naar
mijn kasteel? Of wil je liever hier blijven en .... (Hij zoekt naar een
beteren uitleg.)
GAAIKE. Liever .... naar het kasteel!
HANS. (Bukt het hoofd.)
GAAIKE. Ik .... ik ben nog nooit in een kasteel geweest. Ik heb er ook
nog nooit een gezien. Maar Hans, de klokkeluider .... (in gedachten:)
vertelde mij er van.
HANS. (Met afgewend gelaat:) Hans .... de klokkeluider?
GAAIKE. Ja, dien kent u natuurlijk niet.
HANS. (Smartelijk:) Neen .... dien ken ik niet.
GAAIKE. Hij vertelde me zoo mooi van de wolken en van zijn klok en ....
(mijmerend:) van een zwart marmeren kasteel. (Ze vleit zich tegen Hans
aan.) Vertel mij eens van .... uw kasteel?
HANS. (Om zijn mond is iets bitters gekomen; zijn oogen hebben iets
satanisch gekregen. Ja, zelfs zijn stem herinnert nu even aan het
snijdende van Satans stem. Hij spreekt, met zijn oogen starend; wij
voelen zijn innerlijke smart.)
Mijn kasteel? Je wou weten .... hoe mijn kasteel er uit ziet?
(snijdend:) Goud! Alles van goud! En paarlen en diamant uit alle oorden
van de wereld aangesleept; alleen van de vervoerkosten zou men een
ander kasteel kunnen bouwen. (Hijgend, in de lucht starend:) Wat je
zult zien .... het is alles duur en kostbaar; het is handen vol geld
waard .... en ik ben er voor een krats aangekomen .... het was te geef,
voor niet; belachelijk, bespottelijk was de prijs!—(Fluisterend,
heesch:) Nu, Gaaike, hoe lijkt je .... dat kasteel?
GAAIKE. (Is verschrikt teruggedeinsd. Stamelend:) Hans zei ....
HANS. (Snijdend, met de tranen door zijn stem:) Hans zei?! Wat weet een
klokkeluider van een kasteel?! Laat hij zich bij zijn klok houden! Laat
hij de leugens, die hij uit de wolken haalt, maar aan zijn klok
vertellen!
GAAIKE. (Doodsbleek, naar adem zoekend:) Ik ga niet mee! Ik wil niet
mee naar dat kasteel!
HANS. (Tast naar zijn hoofd. Bleek, duizelend:) Vergeef mij, Gaaike.
GAAIKE. Hebt u .... verdriet?
HANS. (Wendt het gelaat af, vechtend tegen zijn tranen.)
GAAIKE. U hebt verdriet .... ik weet, dat u verdriet hebt! Ik hoorde
het aan uw stem daareven. En dat van uw kasteel .... dat is niet waar.
HANS. (Fluisterend, met gesloten oogen:) Ik zal het je anders
vertellen. Kom bij mij .... wat ik daarnet vertelde .... moet je weer
vergeten. Luister. Luister, Gaaike .... dan zal ik vertellen. Het is
hier ver, heel ver vandaan, mijn kasteel. We rijden de poort binnen,
een mooie, grijze poort met bloemenvazen op de zuilen ....
GAAIKE. Maar nu is het winter. Nu zijn er geen bloemen.
HANS. Nu staan er kleine kerstboomen in, Gaaike. Kerstboompjes met
brandende kaarsjes. Als we het hek door zijn, rijden we de breede
oprijlaan in, met hooge boomen aan de zijden, en ver voor ons uit ligt
ons kasteel!
GAAIKE. (Verheugd:) Van zwart marmer?
HANS. (Haar hoofdje strelend, fantaseerend om Gaaike genoegen te doen:)
Neen .... dit is blank. Blank als versche sneeuw, en er staan roode
schoorsteenen op. Er ligt een wijde tuin omheen, met zwanenvijvers,
Gaaike, en fonteinen en perken. We zullen jachten houden! Op sterke
schimmels zullen we door het woud stuiven; hoor je de schalmeien? En
tuinfeesten zullen we houden met bonten schijn van lampions en zoeten
klank van fluiten en violen. Bij volle maan zullen we over de stille
meren varen en lelies plukken, Gaaike ....!
GAAIKE. (Leunt in verrukking op zijn arm. Droomend:) Zoo is het mooi!
Zoo is het net zoo mooi als in het kasteel .... van Hans.
EEN STEM. (Roept van boven:) Gaaike ....!—Gaaike ....!
GAAIKE. Ja, ik kom!
HANS. Een kus, Gaaike ....
GAAIKE. (Bergt zich hevig blozend aan zijn borst. Hun monden vinden
elkaar. Dan snelt Gaaike heen, werpt Hans bij de deur nog een
vriendelijk knikje toe.)
HANS. (Staart droomend naar de deur waardoor Gaaike verdwenen is.
Prevelend:) Zij heeft mij gekust. Gaaike heeft mij gekust! (Het hoofd
oprichtend in twijfel, fluisterend:) Wien .... heeft zij gekust? Hans,
den klokkeluider ... of den vreemden graaf??—Mij heeft ze gekust.
(Hartstochtelijk:) Mij. Mij! En ik ben toch Hans! Hans, de
klokkenluider. (Peinzend:) De .... klokkeluider. (Als in een andere
wereld levend:) Waar is mijn klok? Klokkeluider, waar is je klok? Jij
hebt de klok verkocht .... jij hebt je klok verkocht en durft je
klokkeluider noemen. (Snijdend, honend:) Klokkeluider! (Smartelijk:) Ik
ben geen klokkeluider meer. (Fluisterend, met heesche stem:) Maar wat
ben ik dan? (Heftig:) Wie? Wat ben ik?! (Gejaagd fluisterend:) Ben ik
een graaf? (Hij beziet zijn kleeren.) Ja .... ik .... ik kan een graaf
zijn. Als ik morgenavond mijn klok niet weer terugkoop. Als ik mijn
klok voorgoed aan den duivel verkoop. Als ik Hans, den klokkeluider,
verkoop! Als ik .... (snijdend:) mij zelf verkoop voor een koets, voor
een kasteel, voor deze kleeren, voor Gaaike’s kleed .... (fluisterend,
verlangend:) voor Gaaike zelf. (Zacht, peinzend:) Als ik mijn geluk wil
bouwen .... op een leugen. (In sterken twijfel:) Mijn geluk ....? Zal
ik mijn leven lang niet .... jaloersch blijven? Jaloersch op dien
vreemden graaf, wiens kleeren ik draag, wiens kasteel ik bewoon, maar
die mij, Hans, (vol verbittering:) mij .... Hans .... mijn Gaaike
roofde?! (Hij bergt het gelaat in den arm.)
STEMMEN. (Klinken op dit oogenblik van buiten.) Hans! Hans .....! (Veel
rumoer, verwarde kreten:) Hans ....!
HANS. (Luistert verward; dan begrijpt hij. Hij snelt naar het raam,
blijft staan en breekt in een spotlach uit.) Ze zoeken! Ze zoeken Hans
.... den klokkeluider. Zoek! Zoek maar overal ....! Zoek hier! Zoek
onder mijn gravenkleeren en je zult hem nog niet vinden. Een leugenaar
zul je vinden, een lafaard, een luider zonder klok .... (De tranen
breken door zijn stem.)
(Het rumoer op straat neemt toe. Uit de verschillende deuren komen
werkvrouwen, ook Anne-Marie en Aafke, en achter hen aan, met angstigen
blik: Gaaike.)
ALLEN. (Dooreen:) Wat is er? Wat gebeurt er? Wat roepen ze op straat?
Waarom is al dat volk op de been?
KASPER. (Komt achter adem door de buitendeur binnensnellen, een paar
zakjes onder den arm, die hij Anne-Marie in de handen duwt.) Hier! De
gist! De suiker! Hans is weg. Ze kunnen hem nergens vinden.
GAAIKE. (Deinst doodsbleek achteruit.)
ANNE-MARIE. Hans, de klokkeluider?!
SNOEK. (Komt ook opgewonden binnensnellen.) Kom mee, Kasper! Ze willen
gaan dreggen in de gracht!
(Gegil bij de vrouwen.)
AAFKE. Dreggen?? Is hij dan verdronken?!
SNOEK. Wie zal het zeggen? Ze hebben overal gezocht!
ANNE-MARIE. In den toren ook? Daar zit hij altijd.
KASPER. In den toren is hij niet. En de poort is hij ook niet
uitgegaan. Dan had de wachter hem moeten zien!
STOFFEL. (Is ook komen binnensnellen.) Alles is even zonderling! Onder
aan de torentrap hebben ze den klepel gevonden! Den klepel van de klok!
Wie heeft er ooit meegemaakt, dat een klepel uit een klok viel! Een
klepel, die met zóó’n ijzeren ring in de klok zit vastgesmeed!
SNOEK. Er zit tooverij achter!
DE VROUWEN. (Gillen of slaan de hand voor den mond.)
KASPER. Kom, mannen! Naar de stadsgracht!
SNOEK, KASPER, STOFFEL. (Snellen heen, gevolgd door Aafke en de
werkvrouwen, die haastig doeken omslaan.)
HANS. (Worstelend naar adem:) Ik .... ik wil ook even .... buiten zien.
(Wankelend volgt hij de anderen.)
ANNE-MARIE. (Weifelt wat ze doen zal. Dan ziet ze haar kind doodsbleek
tegen den wand staan. Verschrikt snelt ze toe.) Gaaike ....!
GAAIKE. Moeder! (Wanhopig snikkend bergt ze zich aan haar moeders
borst.)
ANNE-MARIE. (Haar omsluitend:) Gaaike .... m’n kind, wat beef je?
Wat is er dan met je? (Moederlijk troostend:) Arm kind! Arm kind van
mij! Ja, dat bederft nu alles, hè? Nu, stil maar. Stil maar ....! Hij
wordt nog wel gevonden! Je zult zien, dat hij gevonden wordt!
GAAIKE. (Schudt snikkend het hoofd.) Hij .... hij wordt niet meer
gevonden!
ANNE-MARIE. (Verwonderd:) Wat zeg je, kind? Hoe weet jij ....? Nu, huil
maar uit, hoor.
GAAIKE. Moeder .... als Hans verdronken is .... is het mijn schuld!
ANNE-MARIE. Jouw schuld?? Wat is jouw schuld! Als Hans verdronken is
... is dat dan jouw schuld ....?? Och, je bent heelemaal overstuur, m’n
kind. (Van den weeromstuit snikt ze mee.) Hoe kan het jouw schuld zijn,
als Hans ....?!
GAAIKE. (Wanhopig snikkend:) Hans hield van mij!
ANNE-MARIE. (Opgelucht:) Och, m’n kind, is dat alles?
GAAIKE. Nu hij gehoord heeft, dat ik morgen ....! Ik wil niet! Ik wil
niet met den graaf trouwen!
ANNE-MARIE. (Verschrikt:) Maar, kind ....!
GAAIKE. (Naar adem zoekend:) Ik wil niet! (Hartstochtelijk snikkend:)
Ik hou van Hans! Nu hij er niet meer is, weet ik het! Ik hou van Hans!
ANNE-MARIE. Kijk nou eens aan! Kijk nou toch eens aan!—De graaf zal zoo
goed voor je zijn, m’n kind! En .... ’t is toch een graaf! Er zal niet
elken dag een graaf om je komen, Gaaike! En daarstraks heb je toch nog
gezegd, dat je zooveel van hem hield!
GAAIKE. (Verward:) Ik weet niet .... ik weet niet wat het is ....!
ANNE-MARIE. (Fluisterend:) Je hebt toch je ja-woord gegeven!
GAAIKE. (Snikkend:) Ik kan niet! Ik wil niet! Ik mag niet ....
ANNE-MARIE. Wat mag je niet? Je mag niet neen zeggen, als je eenmaal je
ja-woord gegeven hebt, Gaaike! En alles is nu klaar .... de muziek is
al besteld... de koeken zijn gebakken .... en dat mooie kleed, dat hij
voor je heeft meegebracht! Heb je wel goed gezien wat een mooi kroontje
er op zit?
GAAIKE. (Snikkend:) Moeder ....!
ANNE-MARIE. Wij willen toch niets dan je geluk. Dat weet je toch wel?
GAAIKE. (Kust haar moeders hand.)
ANNE-MARIE. Nu, als wij je nu zeggen: Gaaike, je mag dien graaf niet
voor het hoofd stooten! Het is voor je geluk, dat we willen, dat je met
hem trouwt!
GAAIKE. (Zwak protesteerend:) Ik hou van Hans ....!
ANNE-MARIE. (Sussend gebaar.) Zul je dan alles doen wat wij zeggen,
Gaaike? Zul je dan morgen met hem trouwen?
GAAIKE. (Smeekend:) Moeder ....
ANNE-MARIE. Nu ....?
GAAIKE. (Bergt snikkend haar hoofdje aan Anne-Marie’s boezem.)
ANNE-MARIE. Bedenk, Gaaike, hoe trotsch en gelukkig je vader zijn zal!
En dat wil je toch wel? He?—Nu, zul je hem dan trouwen?
GAAIKE. (Knikt snikkend.)
ANNE-MARIE. (Opgelucht:) Ik wist wel, dat jij mijn lieve Gaaike was!
HANS. (Komt aarzelend door de fond-deur binnen.)
ANNE-MARIE. (Ziet hem.) Nu? Is hij al gevonden?
HANS. Ze zijn .... aan het dreggen .... in de gracht.
GAAIKE. (Krimpt ineen).
ANNE-MARIE. Dwaasheid! Hij zal ineens weer voor ons staan! Je zult het
zien, m’n kind! Wat zegt u, graaf?
HANS. (Starend:) Als hij .... morgen .... ook nog niet gevonden wordt
.... zal het wel te laat zijn.
ANNE-MARIE. Troost haar maar wat, graaf. Hans de klokkeluider was ....
was een speelkameraadje van haar en .... (Hans duidend haar te
troosten:) Nu, ik laat jullie maar alleen! (Met een aanmoedigenden knik
naar Hans, af.)
HANS. (Aarzelend, onzeker op Gaaike afgaand:) Gaaike .... Schrei je?
GAAIKE. (Bukt het hoofd.)
HANS. Schrei je .... om Hans?
GAAIKE. (Knikt met opeengeklemde lippen.)
HANS. (Aarzelend, hoopvol:) Als je verdriet om hem .... zoo groot is,
Gaaike, wil je dan nog wel .... met mij meegaan? (In spanning wacht hij
haar antwoord.)
GAAIKE. (Zoekt naar een antwoord, maar kan niet spreken. Dan,
eindelijk, knikt ze.)
HANS. (Smartelijk:) Dus morgen .... is onze groote dag?
GAAIKE. (Springt op en valt Hans snikkend in de armen.)
HANS. (Haar zachtkens streelend over het hoofdje:) Dan zul je Hans ....
den klokkeluider .... wel gauw vergeten zijn.
HET SCHERM VALT
VIERDE TAFEREEL
(In de herberg.)
(Het vuur in de schouw is bijna uitgedoofd. Maanlicht valt door de
vensters binnen en schept droomstemming. Als het scherm opgaat, is het
tooneel een oogenblik ledig. Dan opent zich de straatdeur, en binnen
komen Kerstmannetje en Bof.)
KERSTMANNETJE. (In zijn gang zit iets verdrietigs. Zuchtend zet hij
zijn lantarentje op tafel neer. Gaat er dan bij zitten, droevig
starend.) Ja—ja.
BOF. (Sluit de deur achter zich, werpt zijn zak af. Meewarig naar zijn
meester ziend:) Zal ik het vuur wat oppoken, Meester?
KERSTMANNETJE. (Knikt stom zonder om te zien.) Maar stil wat, Bof, dat
ze er niet wakker van worden.
BOF. (Pookt in den haard.) Zooveel sneeuw is er in geen jaren gevallen,
meester! Je zult moeite hebben gehad om uit het bosch weer naar de stad
te komen!
KERSTMANNETJE. (Starend, knikt met het hoofd.) Het loopen viel mij
zwaar. En ditmaal was er ook geen klok, die mij .... den weg wees.
BOF. (Trekt zijn laarzen uit en zet ze bij het vuur.) Moed, meester! Er
kan morgen nog zooveel gebeuren!
KERSTMANNETJE. (Zucht.) Satans plan is goed doordacht, Bof.
(Mijmerend:) Wanneer het nacht is in een menschenziel, stelt hij een
lokkend licht op, zooals een strooper ’s nachts in het bosch de haasjes
lokt. (Pauze.) Ik wil dat meisje spreken, Bof. Roep haar eens hier ....
maar zachtjes!
BOF. Dan zal ik eerst eens zien in welk kamertje zij slaapt! (Hij loopt
op zijn sokken naar een deur en gluurt door het sleutelgat.) Hier
snurkt iemand.
KERSTMANNETJE. Dat zal de waard zijn, Bof, die snurkend van zijn graaf
droomt en aan zijn trots zijn kind graag offeren zou, ook als dat kind
.... het kasteel daar boven in den toren koos. Zijn vrouw droomt van de
jalouzie van andere moeders en van de koeken, die gebakken moeten
worden. Laat haar met rust: ze zou jouw klop voor het klapperen van een
pannedeksel houden en angstig droomen van een taart, die op het vuur
staat aan te branden ....
BOF. (Ziet door een ander sleutelgat.) Hier hangt een gravenmantel!
KERSTMANNETJE. Daar slaapt de klokkeluider. De graaf hangt aan den
wand. (Peinzend, droevig:) Of zou de graaf .... al in zijn hart
genesteld zijn en duelleeren .... met de verminkte klok? (Bitter:) Een
ongelijke strijd! De klok is hulpeloos, kan zelfs niet spreken van haar
onschuld; slechts bloed vloeit uit haar mond.—Laat hem slapen, want als
je aan zijn deur zou kloppen, hield hij dat nog voor het luiden van
zijn klok en zou misschien al angstig naar den wand zien .... of daar
zijn gravenmantel nog wel hangt!
BOF. (Door een ander sleutelgat ziend:) Hier schijnt de maan naar
binnen en laat haar zilver spelen op een gravinnekleed!
KERSTMANNETJE. Dan slaapt daar Gaaike en droomt van haar kasteel en van
de wonderwereld, die haar wacht.—Klop aan, Bof, maar heel zachtjes,
alsof je aan haar hartje klopte. Want slechts haar hartje mag het
hooren, dat er geklopt wordt. Zij zelf moet slapen .... zij zal nog
zooveel nachten wakker liggen.
BOF. (Klopt aan. Fluisterend:) Gaaike? Gaaike lief ....?
GAAIKE’S STEM. (Met onwezenlijken klank:) Wie is het, die daar klopt
...?
BOF. Kerstmannetje wil met je spreken, Gaaike!
GAAIKE. Ik zal bij je komen, Kerstmannetje ....
KERSTMANNETJE. Blaas het vuur wat aan, dat ze geen kou vat, Bof!
BOF. (Neemt den balg van de schouw en blaast er mee in den haard.)
GAAIKE. (Komt in haar nachtponnetje op, een brandend kaarsje in de
hand, de oogen gesloten. Aan haar diepe ademhaling hoort men, dat ze
slaapt.) Hier ben ik, Kerstmannetje .....
KERSTMANNETJE. Kom, Gaaike! (Hij leidt haar vol teedere zorg naar
voren.) Ben je blij, dat ik er ben?
GAAIKE. Ja ....! Spreek, Kerstmannetje. Je wilde met mij spreken.
Spreek, spreek .... Verlos mij van dat bonzen in mijn hart ....!
KERSTMANNETJE. Wie woont er in dat hart, Gaaike?
GAAIKE. Hans de klokkeluider ....
KERSTMANNETJE. En morgen trouw je met den vreemden graaf??
GAAIKE. Morgen ....!
KERSTMANNETJE. Ben je niet bang .... om naar dat kasteel te gaan ....
waarvan hij vertelde, Gaaike?
GAAIKE. Hij vertelde van twee kasteelen. Het eerste ....
KERSTMANNETJE. .... was van den graaf. Het tweede niet! Het tweede was
.... van Hans! Heb je het niet herkend, Gaaike?
GAAIKE. Ja ....! (Weifelend:) Maar dat van Hans was zwart en dit ....
KERSTMANNETJE. .... was blank. Ik weet het. Hans heeft paleizen in alle
kleuren, Gaaike .... zooveel jij er maar hebben wilt!
GAAIKE. (Verward, angstig:) Maar hoe kwam de graaf dan aan .... een
kasteel van Hans!
KERSTMANNETJE. Gestolen, Gaaike. Dat heeft de graaf gestolen .... van
den klokkeluider.
GAAIKE. (Bevend:) Gestolen ....?
KERSTMANNETJE. (De smart door zijn stem:) Eerst heeft hij Hans zijn
Gaaike afgestolen! En nu zijn grafelijk kasteel niet mooi genoeg blijkt
om er Gaaike heen te lokken, steelt hij, nog niet tevreden met zijn
eersten roof, den klokkeluider ook nog zijn paleizen af, zijn
droompaleizen. Gaaike! Zeg hem .... morgen .... dat je van Hans, den
klokkeluider, houdt! Dan zul je zelf zien ....
GAAIKE. (Angstig:) Dat kan ik niet! Ik mag den graaf geen verdriet
doen, Kerstmannetje ....! Moeder heeft gezegd ....
KERSTMANNETJE. (Bitter, smartelijk:) Trouw hem dan. Maar weet, dat het
uit is met het dieven, Gaaike, wanneer jij eenmaal met jouw graaf het
grafelijk kasteel bewoont! Dan zijn de droompaleizen van den
klokkeluider veilig voor den graaf; dan zal de lust in droompaleizen
hem wel vergaan! Dan zal hij je vertellen en altijd weer vertellen van
.... de klok, die op zijn bruiloftsdag niet luiden kon, omdat haar tong
.... (fluisterend:) haar was ontrukt.
GAAIKE. Kerstmannetje ....?
KERSTMANNETJE. Die klok, die niet meer luiden kon ....! Dat zal een
wonde worden in zijn grafelijk hart, een ongeneeselijke wonde, Gaaike,
die woekert, maar niet sterft.
GAAIKE. Kerstmannetje .... wat moet ik doen?!
KERSTMANNETJE. Hem zeggen, dat je van den klokkeluider houdt!
GAAIKE. (Snikkend:) Dat kan ik niet! Hij is zoo goed, zoo lief ....!
KERSTMANNETJE. Wonen er dan .... twee in jouw kleine hartje?
GAAIKE. (Angstig:) Neen! Er is er maar één! Eén stem .... één paar
oogen!
KERSTMANNETJE. (Zucht.) Dan zal ik je zeggen wat je doen moet, Gaaike.
Als jij jouw graaf dan geen verdriet wilt doen, spreek dit dan met mij
af: trouw niet zoolang de klok niet kleppen kan en wijd en zijd over de
landen roepen: ’t Is Kerstmis, menschen! De Kerstman is er weer, en
Gaaike draagt haar bruidskleed!—Zul je het doen, mijn Gaaike?
GAAIKE. Als moeder het maar goed vindt ....!
KERSTMANNETJE. Denk dan aan mij, Gaaike. Ik heb een harden strijd te
voeren, een strijd tegen .... den duivel. Jij kunt me helpen.
GAAIKE. (Angstig:) De duivel ....?
KERSTMANNETJE. Stil! Als een mensch zijn naam noemt, dient hij zich
aan! Ga jij je bedje maar weer in, mijn kind, ik zal wel voor je waken.
En denk om wat ik je vroeg! (Hij voert haar behoedzaam naar haar
kamertje.)
GAAIKE. (Peinzend:) Niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt ....?
KERSTMANNETJE. Zoo is het. Zul je het doen?
GAAIKE. (Knikt stom.)
KERSTMANNETJE. Braaf zoo, mijn kind. En .... goeden nacht!
GAAIKE. Goeden nacht, Kerstmannetje ....! (Ze gaat met haar kaarsje
haar kamertje in.)
KERSTMANNETJE. (Sluit de deur achter haar. Tot Bof:) Haar wil is goed,
en als ze haar belofte houdt, is Satans kans verkleind. Maar zal ze het
hoofd niet bukken, wanneer een storm van moederlijke argumenten haar om
de ooren waait? „Als moeder het maar goed vindt ....!” Ja—ja.
BOF. Ik heb in mijn leven zoo’n engeltje nog niet gezien, meester! (Hij
begraaft zijn neus in een bonten zakdoek.) Mijn oogen zijn er vochtig
bij geworden!
(In dit oogenblik wordt de buitendeur opengerukt; de wind giert binnen,
en met een grooten sprong belandt de duivel in de gelagkamer. Snuf
volgt hem grinnikend en sluit de deur achter zich.)
KERSTMANNETJE. (Breidt onwillekeurig zijn armen beschermend voor
Gaaike’s deur uit. Hij ziet Satan onbevreesd in het gelaat.)
BOF. (Kijkt op, verre van vriendelijk.)
SATAN. (Bemerkt de gasten in de herberg.) Ai ....! (Hij kucht.) Pardon.
SNUF. (Fluit veelbeteekenend tusschen de tanden.)
SATAN. Storen we?
KERSTMANNETJE. Allerminst.
SATAN. Dan zal ik zoo vrij zijn ....! (Hij neemt vol zwier bij den
haard plaats, alsof hij hier thuis was. Bevelend:) Snuf, breng wijn!
SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij springt op de toonbank af, laat onderweg
de gelegenheid niet onbenut om Bof te honen, vol helsche fantasie.)
BOF. (Driftig, beleedigd:) Laat ons gaan, meester! (Hij trekt zijn
laarzen aan.)
SATAN. (Tot Kerstmannetje:) Dacht U zoo laat nog weer op pad te gaan?
Het is daarbuiten echt .... duivelsweer; de sneeuw ligt huizen hoog.
Kom liever bij mij zitten, heer! Ik heb helaas niet het genoegen Uw
naam te kennen.... maar Uw gezicht komt mij niet onbekend voor.
KERSTMANNETJE. (Zet zich tegenover hem.) U is mij .... vreemd.
SATAN. U zult mij nog wel leeren kennen.—Snuf, waar blijft de wijn?
SNUF. (Die bezig was zijn eigen keelgat te spoelen:) Ik kan niets
vinden, meester! Het is hier pikke-pikkedonker! Ah! Daar heb ik een
flesch!
SATAN. Hier er mee, Snuf!—Dan drinken wij op onze .... interessante
ontmoeting in dit late uur!
KERSTMANNETJE. Is U ook trekkende zooals ik, dat U hier in den nacht
een onderkomen zoeken moet? Mij dunkt, als U hier woonde, zou U den
huiselijken haard verkiezen! Het eigen huis is altijd nog gezelliger en
warmer ....
SNUF. (Een flesch ontkurkend:) Te warm soms!
SATAN. Ik heb een huis .... hier in de buurt. Een kleine oneenigheid
met mijn moeder .... nu, het doet er ook niet toe. U moest mij eens
bezoeken!
SNUF. (Hoffelijk en vol verstand van zaken inschenkend voor de beide
kampvechters:) Hoe meer zielen .... hoe meer vreugd!
SATAN. En met mijn moeder zou U ook eens kennis kunnen maken. Zij weet
haar gasten te onthalen!
SNUF. Een charmante vrouw! (Hij stampt de flesch dicht.)
KERSTMANNETJE. (Hoffelijk buigend:) Een al te groote eer! Het spijt mij
meer dan ik U zeggen kan, maar ik toef hier te kort om ....
SATAN. (Geïnteresseerd:) Hoe lang denkt u hier nog te blijven?
SNUF. (Eveneens in spanning.) Niet lang zeker? Hoogstens tot
morgenvroeg?
KERSTMANNETJE. Ik dacht hier in de stad te blijven .... tot ik de klok
heb hooren luiden. Het schijnt, dat ze een goeden klank heeft?
SNUF. (Slaat de handen ten hemel.) Een goeden klank ....!
SATAN. Dan hebt ge haar zeker nooit gehoord!
KERSTMANNETJE. Met vriendelijk kleppen wenkte zij mij naar dit stadje.
Maar ik was te ver af om het zoo goed te hooren als ik graag gewild
had.
SATAN. Betreur het niet, heer, dat ge ze van zoo ver hoordet! En ik
raad u aan; ga heen, voor ge ze van zoo dicht bij gehoord hebt, dat ge
er Uw leven lang genoeg aan hebt! Mij doet ze altijd denken ....
SNUF. .... aan het schelle tjingelen van een kermisbel, vermengd met
het ziel-vermoordend knarsen van een doorgeroeste koffiemolen! En ik
kan er over oordeelen, heer, want ik ben musicus van mijn beroep!
(Slaat op zijn guitaarkast.)
SATAN. Hij heeft volkomen gelijk, heer, het is niet om aan te hooren!
KERSTMANNETJE. Dáárom hebt ge ze misschien den klepel ontstolen ....?
SNUF. Ai ....!
SATAN. (Voelt het spelletje thans geëindigd. Vinnig:) De klok is van
mij.
KERSTMANNETJE. („Belangstellend”:) Van U ....??
SATAN. (Scherp:) Van mij. (Naar buiten wijzend:) Ziet U? Daar boven,
hoog en veilig, hangt ze .... mijn klok!
KERSTMANNETJE. Dan mag ik U wel dankbaar zijn, dat U mij gisteren zoo
vriendelijk den weg liet wijzen naar de stad! Want werkelijk, met die
sneeuw....
SATAN. (Vinnig:) Dien dank kan ik niet aanvaarden, heer. Want toen ze U
hierheen .... (woedend:) den weg wees, was ze nog niet van mij.
KERSTMANNETJE. Ze is nu trouwens ook nog niet van U.
SATAN. Morgen zal ze van mij zijn, heer!
KERSTMANNETJE. (Koeltjes:) Morgen nog veel minder, heer.
SATAN. (Wantrouwend:) En waarom niet?
KERSTMANNETJE. Omdat morgen, op Kerstmis, alle klokken den Kerstman
toebehooren. Dat is al duizend jaren zoo geweest. Kerstdag is de
verzameldag der menschen tegen Satan, en op dien dag ....
SATAN. U sprak van .... Satan?
KERSTMANNETJE. Ik sprak ervan, dat er geen klok mag zwijgen, wanneer
het menschdom opgeroepen wordt om Satan te bestrijden.
SATAN. Die Satan schijnt een gevaarlijk heer te zijn!
KERSTMANNETJE, Toch niet. Ik houd hem niet voor zoo gevaarlijk. Voor
mij is hij een voddenkoopman, die door de straten trekt bij nacht en
ontij en zich de keel om zielen heesch schreeuwt. Hij krijgt slechts
.... afval.
SATAN. Toch niet altijd .... afval!
KERSTMANNETJE. Een enkele maal komt hij tegen wat zich verstooten voelt
en in het duister dwaalt. Dan kan slechts nog .... de Kerstman redding
brengen. Want voor het lichtje van den Kerstboom moet Satan vluchten!
SATAN. Vluchten? Weet ge dat zeker, heer? Tusschen de takken van den
kerstboom zag ik de kleuren van Satans wapenschild nog fonkelen: goud
en zilver!
KERSTMANNETJE. Een grapje, dat men zich met hem veroorlooft! Want in
dat goud en zilver steekt onschuldig suikergoed!—Kom, laat ons onze
kroezen ledigen op de eeuwige waarheid van den Kerstnacht!
SATAN. Ik zal mijn kroes ledigen op de waarheid, dat morgen de klok van
mij zal zijn!
KERSTMANNETJE. Die dronk zal U niet goed bekomen.
SATAN. (Driftig, argwanend:) Is U hier soms aan het werk geweest, om
mij uit den zadel te lichten?
KERSTMANNETJE. U zult zonder mijn hulp ook in het zand vliegen. Uw
sporen zijn te scherp. U drukt de flanken van Uw paard tot het bloed er
langs stroomt. Dat maakt het .... wispelturig.
SATAN. Men is ruiter of men is het niet. Ik geloof vrij stevig te
zitten.
KERSTMANNETJE. Dat gelooft elke zandruiter, zoolang hij niet over den
grond buitelt.
SATAN. (Met zijn kroes op tafel slaand:) Mijn is de klok!
KERSTMANNETJE. Mijn.
SATAN. (Ziet Kerstmannetje woedend aan. Zoekt naar woorden om zijn
gemoed te luchten.) Wacht! Een strijd van man tot man!—Snuf, haal dien
klokkeluider hier! (Hij springt overeind.) We zullen zien!
KERSTMANNETJE. (Staat ook op, uiterlijk rustig. Wij zien zijn
innerlijke onzekerheid, spanning en angst.)
SNUF. (Rent langs de verschillende deuren. Als hij bij de goede is
aangeland, klopt hij vinnig aan.)
HANS. (Uit het zijvertrek, onwezenlijk:) Wie klopt daar aan mijn deur
....?
SNUF. (Grinnikt, neemt zijn guitaar en zingt:)
Heer graaf, kom uit je grafelijk bed
En deel hier onze pret!
Drie goede vrienden wachten hier!
Kom jij er bij, dan zijn we vier!
Verdrijven bij wijn den tijd;
(Naar Bof ziend:) Een nar zorgt voor gezelligheid!
HANS. (Uit het zijvertrek, klagend:) Ik kom niet ....
SNUF. Hij komt niet!
KERSTMANNETJE. (Triumfeerend, driftig:) Ik zal hem roepen! (Hij roept,
zonder zijn plaats te verlaten:) Kom, Hans? Ik ben hier ....!
HANS. (Uit zijn kamer:) Je stem is goed en vriendelijk en .... wie ben
je?
KERSTMANNETJE. Kerstmannetje is hier.
HANS. (Na een pauze, zacht:) Ik kom ....
SNUF. Hij komt! (Springt op zijn meester af en fluistert hem wat in het
oor.)
HANS. (Komt op, een kaarsje in de hand, zijn gravenkleeren los
omgeworpen, zijn haren verward, met de vrije hand zijn jas gesloten
houdend. Zijn ademhaling is die van een slapende.) Hier ben ik,
Kerstmannetje ....! Wie lachte daar?!
SNUF. En waarom zou ik niet lachen? Uwe Edelheid de graaf gelieft met
een kaarsje in de hand te loopen!
HANS. (Angstig:) Ik ben geen graaf ....
SNUF. Ik wil toch niet hopen, dat Uwe Edelheid droomt .... een
klokkeluider te zijn? Dat zou een booze droom zijn, waar U gauw van af
moet zien te komen, want ze zou U een nachtmerrie kunnen worden!
HANS. Ik ben geen klokkeluider meer .... De klokkeluider is verdronken
in de gracht. Ik ben een doode .... in gravenkleeren.
SNUF. Maar wat een móóie kleeren ....! (Betast ze.) Ai ....! Zijde!
Goudborduursel! Wat zal Gaaike ze mooi vinden ....!
SATAN. Een doode, zei je?? Een doode, die morgen in een fijne
gravenkoets, het mooiste bruidje naast zich, dat men zich wenschen kan,
naar zijn kasteel rijdt, zijn fijn kasteel vol goud en zilver en alles
even kostbaar en bijzonder ....?!
HANS. (Zijn hand beeft.) Ga weg! Weg! Ik ken jullie! Jullie stak me een
dolk in het hart,—laat af van het gevest ....!
SATAN. (Terwijl Snuf „bewonderend” om Hans heenspringt, duivelsche
accoorden tokkelend op zijn guitaar.) Een dolk?? Hebben wij je kwaad
gedaan?? Hebben wij je geen mooi kleed bezorgd voor Gaaike? Heelemaal
te geef? Was ze er niet blij mee? Heeft het je den weg naar haar hartje
niet gebaand?
HANS. (Droevig:) Ja .... dat heeft het. Het heeft .... den graaf den
weg gebaand. Maar ook zonder dat kleed .... zou hij haar morgen wel
naar het altaar hebben gevoerd. Zijn koets, zijn titel was voldoende.
(Smartelijk, bitter:) Alleen het kasteel .... was eerst niet mooi. Daar
wou ze niets van weten! (Wanhopig:) Kerstmannetje, help mij! De duivel
zit mij op de hielen!! Zijn snerpende lach snijdt mij door mijn ziel!
„Ik heb je in mijn macht! Ik heb je in mijn macht! (Snikkend:) Ik heb
je in mijn macht ....”
KERSTMANNETJE. Doe afstand van alles, Hans. Doe afstand van alles wat
Satan je gaf.
HANS. Hoe kan ik dat? Als ik mijn kleeren teruggeef, die zijden en
brokaten leugens; als ik mijn koets teruggeef, mijn kasteel .... dan
ben ik Gaaike kwijt! Gaaike ....! (Fluisterend:) Beëlzebub .... je
strik is goed gelegd! Ik heb mij Gaaike duur gekocht, maar duurder zal
mijn klok zijn, als ik die terug wil koopen. Dan moet ik Gaaike haar
graaf afnemen .... (Snikkend:) waarvan ze zooveel houdt! (Op
duivelstoon, krimpend van smart:) De prijs van je klok? Een krats! Een
bagatel! Voor Gaaike’s geluk .... kun je je klok terugkoopen!
KERSTMANNETJE. Je zult haar voor den verloren graaf .... een
teruggevonden klokkeluider schenken.
HANS. (Bitter:) Een slechte ruil! Een graaf omruilen .... voor een
klokkeluider.—Ze wil in een kasteel wonen, Kerstmannetje, niet in den
toren.
SNUF. (Springt tusschen Kerstmannetje en Hans.) En dus ....?
SATAN. Dus blijft hij graaf!
SNUF. Een graaf met een kaarsje in de hand! (Hij blaast het uit.) Kom,
ga maar gauw weer onder de wol, want Uwe Edelheid zou kou kunnen
vatten! Kom! Kom dan! (Met groote sprongen, tokkelend op zijn guitaar,
gaat hij Hans voor.)
HANS. (Volgt hem wankelend.) Het licht is uit .... Niets dan
duisternis! (Naar adem zoekend:) Kerstmannetje! Help mij ....
SNUF. (Opent de deur voor hem.) Meneer de graaf! (Als Hans binnen is
gegaan, sluit hij de deur achter hem.)
SATAN. (Zegevierend tot Kerstmannetje:) Nu? Wien hoort de klok?
KERSTMANNETJE. (Bleek, met trillende lippen:) Mij.
SATAN. Vervloekt!—Snuf, maak een contract op! Ik zet er honderd zielen
voor in, dat de klok morgen van mij zal zijn!
SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij haalt een vel papier uit den zak.) Den
vier-en-twintigsten December van het jaar ....
SATAN. Halt!—Wat is Uw inzet, heer?
KERSTMANNETJE. (Ziet den duivel driftig, smartelijk aan. Heft dan zijn
Kerstlantaren omhoog.) Ziet U dit licht! Dit kleine lichtje is het
Licht der Wereld. Dit kleine lichtje wijst den weg langs poelen en
moerassen. Als ik het weg neem .... is de menschheid verloren. Dan
zullen duizenden, tien-, honderdduizenden verstikken in den modder; dan
zullen door de duistere paden van het leven de menschen zich
verdringen, vechten, stompen met de ellebogen en roepen: „Het licht!
Waar is het licht! Wie heeft het licht gestolen! Wie heeft ons allen in
’t verderf gestort?! Waarheen?! Wij zien geen weg ....!!”—En Satan zal
de poorten van zijn hel wijd open zetten. De gloed der vlammen zal naar
buiten stralen in de dichte duisternis, en men zal roepen: „Daar is het
licht! Komt allen, komt, daar wacht ons de verlossing!” En schouder aan
schouder, in eindelooze gelederen zal het menschdom zich de poort
instorten van die lichte feestzaal ....—U vraagt mijn inzet? Mijn
Kerstlantaren!—Kom, volg mij, Bof. (Hij gaat met Bof heen. Beiden af
door de buitendeur.)
SATAN. (Ziet verbluft naar de weer gesloten deur. Prevelend:) Wel, alle
duizend duivels!—Snuf, we hebben een kans ....!
SNUF. Zooals we nog nooit hebben gehad!
SATAN. Nu of nooit! Kom, alle duivelsche machten aan het werk! (Hij
springt naar het midden van het tooneel. Met bezwerend gebaar:) Akyra
Brabbosch ....! Roet-Sientje, kom! Scheel-Grietje, kom! Grauw-kevertje,
kom! Geelzwam-Lotje, kom! Krom-Antje, kom! Kom! Breng alles mee, wat
scheel ziet, loenst, wat hinkt en stinkt, wat kruipt en druipt en
gluipt en sluipt; brengt ketels mee en bekkens, poken, bezems, balgen,
alle balgen uit de hel ....!
HEKSEN. (Komen, zachtjes giechelend, met gebogen ruggen, uit alle
hoeken op en dribbelen op Satan af.) Hier zijn we, heer! Wat wenscht
ge?
SATAN. Luister! Waar je een licht ziet glanzen, ’t zij groen of geel of
rood of blauw, ’t zij fel of flauw, ’t zij heet of lauw .... blaas het
uit!
HEKSEN. (Fluisterend onder elkaar:) Blaas het licht uit! Blaas al het
licht uit!
(Ze vatten elkaar bij de hand, dansen rond, steeds wilder. Snuf tokkelt
op zijn guitaar, de heksen gillen:)
Nacht, nacht, zwarte nacht ....
Satan is op zielejacht!
Blaas het licht uit! Oei ....!
Satan op z’n zieltjes loert ....
Lokkend ze ter helle voert!
Blaas het licht uit! Oei ....!
Oei! Oei! Blaas het licht uit! Oei! (Een heks blaast het licht in de
herberg uit.)
SATAN. Dat licht bedoel ik niet! Het licht daarbuiten, zie! dat
lichtje, dat daar door de sneeuw dwaalt .... blaas dat uit! (Hij
springt in de buitendeur).
HEKSEN. Blaas het licht uit! Het licht in de sneeuw .... Blaas het uit!
(Krijschend snellen ze heen.)
SNUF. (In vervoering:) Die schatjes! Kom, laat ons volgen, meester!
SATAN. En zien, of ze haar werk goed doen! (Beiden af.)
HET SCHERM VALT
VIJFDE TAFEREEL
(In de herberg.)
(Alles is nu versierd. Groene slingers met bonte bloemen hangen door de
herberg. Vlaggetjes boven de vensters en deuren. De toonbank vol
wijnflesschen. Muziek van viool, fluit, klarinet en bas. Veel geloop
heen en weer. De morgenzon schijnt zwakjes door de ruitjes van geolied
papier.)
KASPER. (Op zijn fraaist uitgedost met witte handschoenen,
vadermoorder, kleurige, fleurige das, schoenen met strikken, een takje
hulst in het knoopsgat, staat met Stoffel en nog een paar trouwe
wijnbroeders aan de toonbank. Hij heeft beschermende allures tegen
iedereen, die géén graaf tot schoonzoon krijgt.) Daar gaan ze, mannen!
(Heft zijn kroes op.) De bruid en haar moeder en haar vader en haar
vrijer, alle vier in een slok naar binnen! Zoo! (Ze drinken.) Wat zeg
jij, Stoffel, ongelukkige kerel, stakkerd met je zeven ongetrouwde
dochters!
STOFFEL. (Zucht.) Lach me maar uit, Kasper.
KASPER. Zeur niet, Stoffel. Als we straks uit de kerk komen, mannen,
begint het feest! Mijn wijf heeft een taart gebakken, mijn hemel, zoo’n
taart hebben jullie in je leven nog niet gezien! Vlaggetjes er in,
brandewijn er over, en als hij wordt binnengedragen, zullen de vlammen
er omheen dansen! Snoek, mijn vriend Snoek .... wacht, dan moet ik
jullie eerst vertellen wat voor fratsen mijn dochter Gaaike er
tegenwoordig op na houdt. Dat komt ervan, nu ze gravin wordt .... nu
komen de fratsen ook! Vanmorgen zegt ze tegen mijn wijf: „Moeder, ik
wil niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt!” En nou kun je zeggen
wat je wilt, maar daar blijft ze bij: „Ik wil niet trouwen .... zoolang
de klok niet luidt.”
STOFFEL. Nou, die luidt straks toch? De klepel hangt er toch weer in?
KASPER. Natuurlijk luidt de klok! De klepel is er gisteren al weer zoo
vast ingeklonken, dat ze er de eerste honderd jaar niet weer uit zal
vallen! „Snoek”, zeg ik daarom, „luid jij vanmorgen de klok voor het
huwelijk van mijn dochter, want anders wil ze de bruid niet zijn!”—„Dat
is goed, Kasper”, zegt ie. „Ik kan luiden als ....”
(In den schoorsteen klinkt een duivelslachje.)
KASPER. (Stokt.) Wie lachte daar?
STOFFEL. Ik niet, Kasper! Heeft er iemand gelachen?
DE ANDEREN. Niemand. Heb jij gelachen? Neen. Niemand heeft gelachen!
KASPER. Ik dacht het. „Nu, Kasper”, zegt Snoek, „dat is best, dan zal
ik de klok luiden, want ik kan luiden als ....”—Verduiveld, maak me
niets wijs: een van jullie staat me uit te lachen!
STOFFEL. Waarachtig niet, Kasper!
DE ANDEREN. Ik hoor niets, Kasper! Ik lach niet! Ik bezweer je ....!
KASPER. Nu, zweer maar niet; vandaag kan ik tegen een stootje, en wie
het laatst lacht, lacht het best. Jullie moeten zoometeen mijn
Anne-Marie eens zien, mannen! Ik durf geen wijf meer tegen haar te
zeggen, zoo’n madam is ze me geworden! Die rok alleen .... je zult eens
zien, wat er allemaal op die rok zit! Kom, we zullen aan mijn
wijf-madam maar eens een kroesje wagen. En breng die muzikanten
daarbuiten ook een fleschje, Stoffel, dan blazen ze misschien wat
minder valsch. En zeg er bij, dat ze wat vroolijker moeten spelen.
Valsch is het ergste niet, moet je maar zeggen, als het maar een
vroolijk moppie is! Hup, Marianneke! Of: Jan, kom kietel me! Of: ’t Is
me toch zoo’n rarekiek!
STOFFEL. (Gaat met een fleschje heen.)
KASPER. Alle duivels, mannen, we zullen vandaag eens zingen, dat de
opera er jaloersch op wordt! (Inschenkend en met den voet stampend:)
Hop, soep en gortebrij, en ik zal jou ’ns pakken! Hier! Neem aan je
kroes, mannen! Leve de zeven dochters van Stoffel! (Zich overtuigend,
dat Stoffel weg is:) Hij zal ze wel nooit kwijt raken, al wordt hij zoo
oud als Methusalem, want de mooiste ervan is nog zoo leelijk als
Isabella van Spanje, en de zachtzinnigste van alle zeven is nog zoo
kijfziek als de vrouw van Socrates. Nou, daar gaan ze, alle zeven! Bijt
er maar op, want ze zijn taai! (Stoffel komt terug.) We drinken juist
op jouw dochters, Stoffel! Daar mag jij niet bij ontbreken! Hier staat
je kroes. Pak aan.
ALLEN. Prosit! Daar gaan ze, Stoffel!
STOFFEL. Gingen ze maar. (Hij drinkt.)
KASPER. Het verwondert me, dat mijn vriend en kameraad Snoek nog niet
aan het luiden is geslagen! (Ziet op zijn horloge). Het is al over den
tijd! Kom, mannen, laten we er maar eens op drinken, dat .... (Hij ziet
Anne-Marie binnen komen, slaat de handen ineen.) Alsjeblieft, mannen!
Mijn vrouw.
ANNE-MARIE. (Komt blozend op, opgedirkt als nog geen herbergierster in
haar leven opgedirkt is geweest. De bewondering is dan ook algemeen.
Kasper maakt geheimzinnige gebaren tot de anderen, om aan te duiden hoe
mooi en kostbaar alles is, en dat dat nu zijn vrouw is, die zooveel
schoons zoo gratievol te dragen weet.)
ANNE-MARIE. Kasper, doe niet zoo gek! Zit alles goed, Aafke?
AAFKE. (Is haar gevolgd, zichtbaar genietend van de bewondering, die
Anne-Marie ten deel valt.) Wacht! (Ze prutst er nog wat aan.)
KASPER. Heeft iemand in zijn leven zoo’n vrouw gezien? ’t Heeft me wat
gekost! Brrrr!
STOFFEL. Als mijn vrouw dat ziet, zal ze ’t niet minder willen doen! Al
moest ik er ook een jaar voor krom liggen ....!
KASPER. Hè, wijf, weet je nog wel, dat wij samen naar de kerk gingen?
’t Is nou een dikke dertig jaar geleden! Je bruigom was geen graaf,
maar hij mocht er toch wezen, en je was wat trotsch op hem!
ANNE-MARIE. Schei toch uit, malle kerel!
KASPER. En weet je nog, Stoffel, hoe we gedanst hebben? Hè? (Maakt
dansbewegingen.) Tjing-tjang-tjoedeli, tjing-tjang-tjoedeli .... ’t Is
me toch zoo’n rarekiek! Tjing-Tjang-Tjoedeli .... Hè, ouwe jongen?
STOFFEL. (Zucht.) Dat zal ik niet meer weten, Kasper! ’k Was juist in
de bovenste wolken, omdat mijn vrouw haar eerste dochter had gekregen!
Als ik toen geweten had, dat er nog zes bij zouden komen ....?
KASPER. Moed, buurman, neem een slokske! Hier!—Maar die klok? Waar
blijft die klok! Snap jullie er wat van, dat mijn vriend Snoek nog
altijd niet aan het luiden is geslagen?
ANNE-MARIE. Is het al tijd?
KASPER. Een kwartier er over. Waar blijven de kinderen?
ANNE-MARIE. Die komen er aan. Gaaike was daareven al gekleed. Maar hoe
kan dat nu, dat Snoek nog altijd niet ....? Heb je het wel goed met hem
afgesproken?
KASPER. We hebben de beste afspraak gemaakt, die er ooit gemaakt is. En
daarstraks is hij hier nog langs geloopen om even een hartversterking
te halen voor hij ging luiden.
ANNE-MARIE. En toen heb je hem zeker zooveel wijn voorgezet, dat hij
het klokketouw niet vinden kan!
KASPER. Dan zou ik tien vaten voor hem hebben moeten leeggetapt, want
bij het negende is mijn vriend Snoek nog lang niet dronken.
ANNE-MARIE. Nu, ligt de looper al buiten?
KASPER. Ik heb hem zelf gelegd. En de heele markt over tot aan de kerk
is de weg met dennetakjes bestrooid.
ANNE-MARIE. En staat er veel volk?
KASPER. Als Kaspers dochter de bruid is, loopt de heele stad uit! (Hij
gaat naar het venster.) Je kunt over de hoofden loopen. Maar waar die
klok nu toch blijft?! Mijn vriend Snoek ....
ANNE-MARIE. Jouw vriend Snoek zal in een sloot getuimeld zijn.
KASPER. Zwemmen kan Snoek! Wat dat betreft, doet hij zijn naam eer aan!
Maar desnoods gaan we zonder die klok naar de kerk!
ANNE-MARIE. En als Gaaike ....?
KASPER. En als Gaaike? Wat: en als Gaaike? Ja, je moet nog maar
luisteren ook naar die kuren en fratsen!
ANNE-MARIE. Stil, daar komen de kinderen!
HANS EN GAAIKE. (Komen op arm in arm. Bruidsmeisjes volgen met Gaaike’s
sluier en bruidskrans.)
(Algemeene kreten van bewondering, niet het minst voor Gaaike’s
gravinnekleed.)
KASPER. Alsjeblieft, mannen! Mijn dochter en mijn schoonzoon. Ze mogen
er wezen, wat? (Hij kust Gaaike voorzichtig,—bezorgd, haar kleed niet
te kreuken.) Goeden morgen, mijn popje! Je ziet wat bleek; heb je niet
goed geslapen? Een beetje opgewonden, hè? Anne-Marie, jij kon drie
weken van te voren al niet slapen, toen het ònze groote dag zou zijn.
Uit angst, dat ik je zou opeten!
ANNE-MARIE. Dat m’n japon niet klaar zou komen.
KASPER. Dat zeg je nou.—En jij, m’n beste graaf, heb jij goed geslapen?
HANS. En u, schoonvader?
KASPER. Ik? Best! Ik heb best geslapen. Ik slaap altijd best. Mag ik je
eens voorstellen, graaf: (Wijst op zijn vrienden.) Stoffel, mijn
hartsvriend, die je al zijn zeven dochters wel wil geven, als je er
trek in hebt. (Fluisterend:) Maar er zit niet veel achter het linnen,
hoor! En hier, Hannekijn Goetsot, die ook nog een paar dochters te koop
heeft .... he-he-he! En hier, Domien Lambregts, bijgenaamd: de papzak,
en hier: Lammert Bot, een zeevisch, in tegenstelling met mijn vriend
Snoek, die meer van zoet water en nog meer van een zoet wijntje houdt,
en die vanmorgen de klok zal luiden ter eere van jullie bruiloft,
kinderen!
HANS. Hoe kan .... de klok luiden? De klepel is er toch ....?
KASPER. Die is er al lang weer ingeklonken! En mijn vriend Snoek is een
klokkeluider, hoor! Als die maar aan het touw trekt .... Alle duivels,
schei toch uit met dat lachen!
HANS. Ik .... ik hoor niets! (Hij heeft het duivelslachje heel goed
gehoord.)
STOFFEL. Ik ook niet! Hoe kom je er toch bij, Kasper, dat wij je zouden
uitlachen?
KASPER. Hou je maar niet van den domme: ik hoor drommels goed, dat er
iemand lacht. Ik wil zeggen: Als mijn vriend Snoek maar aan het touw
trekt .... (Driftig:) Boem! Dan luidt de klok al!
GAAIKE. Maar waarom .... luidt ze dan nog niet?
ANNE-MARIE. Omdat Kasper zijn vriend Snoek eerst dronken heeft gemaakt.
KASPER. En als ik je nou toch zeg, wijf, dat hij niet meer dan twee
.... of drie kroezen wijn gedronken heeft!
ANNE-MARIE. Of vier .... of vijf .... of zes misschien? Of meer?
GAAIKE. Ik .... ik wil niet naar de kerk .... wanneer de klok niet
luidt!
KASPER. Wat?! Is het dan toch waar wat je moeder mij verteld heeft? Jij
wilt niet naar de kerk wanneer de klok niet luidt?!
ANNE-MARIE. Nu stil maar, Kasper.
KASPER. Die fratsen kan ik niet uitstaan, wijf!
GAAIKE. Ik wil niet naar de kerk .... wanneer de klok niet luidt ....!
KASPER. (Driftig:) En waarom niet?
GAAIKE. Dat heeft .... Kerstmannetje gezegd.
KASPER. (Ziet verbluft zijn vrouw aan.) Dat heeft Kerstmannetje gezegd.
Hoor je dat, wijf?
ANNE-MARIE. Ze zal gedroomd hebben, Kasper.
GAAIKE. (Angstig, droef:) Neen! Ik heb het niet gedroomd ....!
KASPER. Hoor jij niet wat jouw moeder zegt? Je hebt gedroomd, zegt jouw
moeder! Sinds wanneer geloof jij nog aan Kerstmannetje?
ANNE-MARIE. Stil, Kasper, ze is immers nog een kind.
KASPER. Een kind, dat straks een vrouw zal zijn! Zulke verhaaltjes van
Kerstmannetje en zoo hoeft ze haar vader niet meer op den mouw te
spelden!
GAAIKE. Ik heb Kerstmannetje wel vaker gezien .... als ik verdriet had.
KASPER, Verdriet ....? Heb jij verdriet?
ANNE-MARIE. Stil, Kasper, om dien klokkeluider, bedoelt ze. Vertel je
moeder maar eens, kind, hoe zag hij er dan uit .... Kerstmannetje?
GAAIKE. Ik heb alleen maar zijn oogen gezien. Die waren zoo goed en
vriendelijk. En zijn stem klonk zoo zacht .... Hans, de klokkeluider,
heeft Kerstmannetje ook wel eens gezien!
KASPER. Ja, die klokkeluider zal je heelemaal wel veel moois verteld
hebben!
GAAIKE. Ja ....
KASPER. Wat: Ja!
GAAIKE. (Droomend:) Hij heeft me veel moois verteld ....
KASPER. (Wanhopig gebaar.)
STOFFEL. Kom, Kasper, laten we maar eens gaan kijken waarom die klok
nog niet luidt. Dan weet je het.
KASPER. Vooruit! Die Snoek moet me nog weer eens vertellen, dat hij een
klok kan luiden! (Met zijn vrienden af door de buitendeur.)
ANNE-MARIE. (Verzint een leugentje om Hans en Gaaike even alleen te
laten. Tot de bruidsmeisjes:) Kom mee, meisjes, dan mogen jullie de
taart voor straks eens zien! (Fluisterend tot Hans:) Praat haar dat
maar even uit het hoofd, graaf. Ze weet zelf niet wat ze wil!—Kom
Aafke! (Af met gevolg door een der zijdeuren.)
(Het gesprek, dat nu tusschen Hans en Gaaike volgt, wordt in gejaagd
tempo, fluisterend gevoerd.)
HANS. Gaaike .... wanneer hebt jij Kerstmannetje gezien?!
GAAIKE. Vannacht!
HANS. Ik ook!
GAAIKE. En heb je daarna den storm ook gehoord?
HANS. Hij loeide in den schoorsteen! Ik hoorde krassende raven en
gekrijsch van katten! Dakpannen suisden kletterend neer; heksen raasden
door de lucht op bezemstelen! Heksen met grijze lange haren en kromme,
zwarte nagels en rafelige rokken en ze gierden allen dooreen ....
GAAIKE. „Blaas het licht uit!”
HANS. (Hijgend, bleek:) Dan heb ik goed verstaan.
GAAIKE. Maar het is niet gelukt! Ik heb er mijn hand voor gehouden!
Uilen, met groene en roode oogen, kwamen aanruischen; vleermuizen
fladderden in dichte zwermen om mijn hoofd en trachtten met haar wieken
het licht te dooven. Maar ik beschermde het, tot ze vluchtten voor de
morgenschemering. Toen hoorde ik Kerstmannetje spreken .... dicht bij
mij. „Gaaike”, zei hij, „dat komt, omdat de klok vandaag niet heeft
geluid! Als ze op Kerstmis nog niet luidt, zullen de vleermuizen in den
nacht terugkomen, in nog dichter scharen, en het licht zal uitgaan ....
voor altijd!”
HANS. Maar als de klok .... nu niet luiden wil?
GAAIKE. Doet u het! Luidt u de klok! Toe ....!
HANS. (Stamelend:) Ik .... Hoe zou ik dat kunnen, Gaaike .... wanneer
een ander het ook niet kan?!
GAAIKE. Ik wil niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt!
KASPER. (Komt weer met zijn vrienden op. Driftig:) Als ik dáárvan wat
snap! (Roept:) Anne-Marie! (Tot zijn vrienden:) Wat kan er aan die klok
mankeeren?!
ANNE-MARIE. (Komt op met Aafke en de bruidsmeisjes.) Wat is er met de
klok?
KASPER. Niets anders dan dat ze niet luiden wil!
ANNE-MARIE. Hoe kan dat?
KASPER. Dat moet je maar eens aan Gaaike vragen! Die schijnt het van
morgen al geweten te hebben! Snoek heeft staan trekken tot hij er lam
van werd, maar de klok zegt geen boe en geen ba!
STOFFEL. Hij is nu den toren ingegaan, om te zien waar het hapert.
KASPER. Daarop wachten we niet. Langs den heelen weg staan de menschen
al een half uur te blauwbekken. Zoometeen gaan ze nog allemaal naar
huis! Zijn jullie klaar? Dan gaan we. Met die klok zoeken we het later
wel uit.
GAAIKE. (Angstig:) Ik wil niet naar de kerk .... zoolang de klok niet
luidt!
KASPER. Stil, zottinnetje!
GAAIKE. Ik wil niet!
ANNE-MARIE. Kom, m’n kind, wees nu verstandig. Je begrijpt toch wel,
dat je gedroomd hebt!
GAAIKE. Gedroomd? Het komt toch alles uit ....!
ANNE-MARIE. Ach, die klok is gisteren natuurlijk slecht gemaakt!
KASPER. Is het nu nòg niet uit? Wat zegt u wel van haar, graaf?
HANS. (Wendt zich tot Gaaike. Met gebukt hoofd:) Gaaike .... als de
klok nu eens .... in het geheel niet meer luiden kon?
GAAIKE. (Bijna schreiend:) Ik wil niet ....!
(Groot rumoer op straat daarbuiten. De muzikanten houden op te spelen.)
SNOEK. (Komt binnenstormen, doodsbleek, met verfomfaaide kleeren,
schrammen en builen op het gelaat. Naar adem happend:) Kasper!
KASPER. (Onrustig, driftig:) Wat is er?
SNOEK. Kasper ....! In den toren ....!!!
KASPER. Wat: in den toren?!
SNOEK. De Duivel!!
(Gegil onder de vrouwen. Gaaike vliegt naar haar moeder. Hans deinst
achteruit zonder te kunnen spreken, buigt het hoofd.)
KASPER. (Tast naar zijn slapen.) De .... de duivel? Snoek, je bent
dronken!
SNOEK. Was het maar waar! Ze hebben hem allemaal gehoord!
STEMMEN. (Op straat) De duivel! De duivel is in den toren! De duivel!!
GAAIKE. (Angstig, vast besloten:) Ik wil niet naar de kerk .... wanneer
de klok niet luidt!
SNOEK. Ik hoef je niet te zeggen .... hoe ik schrok! Daar stond .... de
duivel met een van zijn dienaren! „Scheer je weg!” schreeuwt die
d-dienaar van den d-duivel. En Satan schreeuwt er achter aan: „De klok
is .... is van mij! Ik heb haar gekocht!!” Water, Anne-Marie!
ANNE-MARIE. (Brengt hem haastig een kroes wijn.)
HANS. (Stamelend:) Gekocht ....! Nog niet ....!
GAAIKE. (Ziet Hans met groote oogen aan.)
KASPER. (Wendt zich tot hem om.) Weet u er dan iets van, graaf?
HANS. (Verward:) Hoe zou ik .... er iets van weten?
KASPER. Maar .... gekocht?! Hoe kwam hij te spreken van .... gekocht?!
Dan moet iemand ze hem .... verkocht hebben!
HANS. (Geeft den strijd op. Zacht, met gebukt hoofd:) Hans, de
klokkeluider.
GAAIKE. (Doodsbleek:) Neen ....!
KASPER. (Begrijpt het nog niet.) Wat: Neen?
GAAIKE. Hans heeft zijn klok niet verkocht!
HANS. (Zacht, smartelijk:) Voorgoed verkocht .... neen, dat nog niet.
De duivel loog, toen hij de klok .... de zijne noemde.
GAAIKE. (Ziet Hans met groote oogen aan. Stamelend:) Hoe weet u dat?
KASPER. (Nu gaat hem een licht op.) Wie haalde de duivel hier, als die
klokkeluider het niet deed?
SNOEK. Daarom is hij natuurlijk ook gevlucht! Die vermaledeide
klokkeluider!
HANS. Misschien wilde hij zijn klok wel verkoopen .... uit wanhoop. Hij
hield veel van zijn klok .... is het niet, Gaaike? Als hij niet van
zijn klok hield, zou hij .... geen klokkeluider zijn geworden.
Nietwaar?
GAAIKE. (Stamelend, Hans strak aanziend.) Nú weet ik ....!
KASPER. Wat is er?
HANS. (Mat, geslagen:) Niets. Kom mee. Ik zal bewijzen .... dat de
klokkeluider schuldig is.
GAAIKE. (Hijgend, Hans steeds aanziend:) Stil! Ik wil .... ik wil wat
zeggen! (In spanning ziet zij Hans aan, om te weten hoe hij zal
reageeren op wat zij zeggen gaat.) Ik .... hou van Hans! Niet van den
vreemden graaf, maar van den klokkeluider.
HANS. (Richt verward het hoofd op.) Gaaike ....!
ANNE-MARIE. (Snelt verschrikt toe.) Kind ....!
GAAIKE. (Spreekt nu haar vreugde uit.) Ik hou van Hans! Van Hans!
HANS. (Ziet haar met groote oogen aan. Dan wil hij wat zeggen, maar
vindt de woorden niet. Met een vreugdesnik snelt hij door de buitendeur
af.)
KASPER. (Verbleekt.) W-wat is dat? Gaaike .... wat heb je gedaan?!
GAAIKE. (Vreugdetranen door haar stem:) Ik heb .... den klokkenluider
teruggevonden.
KASPER. Wat is dat voor wartaal?!
GAAIKE. (Juichend:) Hans en de vreemde graaf .... zijn dezelfde!
KASPER. W-wat zeg je .... (Zich omwendend:) Waar gaat hij heen?
SNOEK. Hij rent op de kerk af! Zou hij de klok gaan luiden?
KASPER. Als hij de klok kan luiden .... heeft hij ook wat met den
duivel uit te staan!
STOFFEL. M-misschien wel?! Het is alles .... gelijk gekomen! De
verdwenen klokkeluider .... de gevallen klepel .... de komst van den
vreemden graaf!
SNOEK. Waarom zou die vreemde graaf .... Hans de klokkeluider niet
kunnen zijn?
KASPER. (Driftig, smartelijk:) Hoe komt hij aan die kleeren .... die
koets?!
SNOEK. De prijs, dien hij van den duivel .... voor zijn klok ontving!
GAAIKE. (Met groote oogen starend, fluisterend:) Neen .... ik .... ik
was de prijs!
KASPER. (Stamelend:) Dus .... duivelskleeren. Een duivelskoets. (Naar
zijn hoofd tastend:) Is de wereld dan vol tooverij? Of .... droom ik?
Of is alles ....? (Hij ziet rond.) Jullie hebt mij .... een poets
gebakken! Ja! Kijk me aan ....! Jullie hebt ....! En ik ben er in
gevlogen. Ik, zot! Ik, idioot! (Bitter:) Hoe zou een herbergier ook aan
een grafelijken schoonzoon komen! Hoe kan een klepel uit een klok
vallen? Wat heeft de duivel aan een klok?! En Kerstmannetje .... ha—ha!
Een vastenavondsgrap! Jullie allen .... hebt je rollen goed gespeeld!
M’n compliment! (Met een traan door zijn stem:) Gaaike, mijn
compliment! Vrouw, madam, mijn compliment!
ANNE-MARIE. Kasper ....!
STOFFEL. Ik bezweer je, Kasper ....!
SNOEK. Kasper, je raaskalt!
KASPER. Stil, jij bent dronken! Wat weet jij ....?
(Buiten klinken stemmen dooreen:) De duivel is weg! De duivel is
gevlucht! Hans de klokkeluider! Hans ....!
KASPER. Ze roepen: Hans, de klokkeluider ....!
(Hij snelt met de anderen naar de deur. Slechts Gaaike blijft staan en
luistert.)
GAAIKE. (Prevelend:) Hans ....! Ze roepen: Hans ....! Hans en de
graaf.... zijn dezelfde ....!
KASPER. (Naar buiten roepend:) Wat is er?!
STEMMEN. (Van buiten:) De vreemde .... dat is Hans! Hij is in den toren
gegaan, en de duivel is er uit gesprongen!
STOFFEL. Hoor! De klok gaat .... gaat lui ....!
(De klok begint te kleppen, helder en krachtig. Stemmen klinken
dooreen:) Hoor! De klok luidt weer! Hoera, de klok luidt weer! We zijn
van den duivel bevrijd! Leve Hans de klokkeluider!
ALLEN. (Staan daar aan de deur en luisteren in betoovering.)
GAAIKE. (Vreugdevol stamelend:) Hans ....!
KERSTMANNETJE. (Duikt achter de toonbank op; zijn gelaat straalt van
vreugde. Hij knikt Gaaike vriendelijk toe, vol heimelijke pret.) Bravo!
Bravo, Gaaike!
GAAIKE. (Ziet hem. Blij verrast, stamelend:) Kerstmannetje ....!
KERSTMANNETJE. (Geheimzinnig met den vinger naar boven duidend:) Hoor
je? Hoor je de klok, Gaaike? Dat is een goede vriend van jou, die daar
de klok luidt! (Fluisterend tot Bof, die nu ook achter de toonbank
opduikt:) Haal hem maar eens hier, dien grappenmaker, Bof, want ik zal
hem zoo meteen noodig hebben. En neem jij dan het luiden van hem over!
BOF. Ik zal hem halen, meester! En ik zal luiden .... luiden! (Hij
loopt achter de anderen om naar buiten.)
KASPER. (Wendt zich om en ontwaart Kerstmannetje. Hij zet groote oogen
op, tast naar zijn hoofd. Stamelend:) Is .... is het nog niet uit?
B-ben jij soms .... Kerstmannetje?
KERSTMANNETJE. (Vriendelijk knikkend:) Die ben ik, Kasper!
(De anderen wenden zich nu ook om, zien verwonderd naar Kerstmannetje,
die hun allen vriendelijk toeknikt, de handen op zijn buikje.)
SNOEK. Wel sapperloot ....! Daar heb je ....!
ANNE-MARIE. Kerstmannetje ....! Dag, Kerstmannetje!
KASPER. Welkom in mijn huis, Kerstmannetje! Gaaike vertelde al ....
KERSTMANNETJE. .... al iets wat jij niet gelooven wilde, Kasper! Vertel
mij eens, waarom je wel aan Satan en niet aan Kerstmannetje geloofde?
KASPER. Ik .... ik geloof wel aan je!
KERSTMANNETJE. Ja, nu ik voor je sta! Jullie menschen vieren Kerstmis
... en gelooven niet aan Kerstmannetje! Schaam je wat! Ik ben gekomen,
Kasper, om het huwelijk van je dochter te zegenen.
KASPER. (Bitter:) Dan ben je te laat!
KERSTMANNETJE. In tegendeel, Kasper, ik ben juist op tijd.
KASPER. De graaf is weg, Kerstmannetje.
KERSTMANNETJE. (Verwonderd:) De graaf ....? Is hier een graaf geweest??
KASPER. Nou ja .... een graaf! Een klokkeluider, die ....
KERSTMANNETJE. .... die wat hem op de wereld het dierbaarst was,
verkoopen wilde voor de liefde van jouw kind, Kasper!
KASPER. Een gewetenlooze klokkeluider, die den duivel in ons stadje
haalde!
KERSTMANNETJE. Dien joeg hij ook weer op de vlucht! (Naar Gaaike ziend,
die met groote oogen vol vertrouwen naar hem opkijkt:) De prijs, die
hem voor oogen stond .... was aanlokkelijk, Kasper!
KASPER. (Half overwonnen:) Ze mag er wezen, mijn Gaaike, dat is waar!
KERSTMANNETJE. Zou jij .... dertig jaar geleden .... geen rare sprongen
hebben gemaakt, Kasper, wanneer het er om ging jouw Anne-Marie naar het
altaar te voeren?
KASPER. (Zucht.) Al had ik er de heele stad voor aan de duivel moeten
verkoopen.
ANNE-MARIE. Schei uit, Kasper ....!
KASPER. Daar wil ik den jongen niet hard om vallen. Maar ik zie niet
in, waarom ik een klokkeluider, die geen veer aan z’n lijf heeft, in
mijn familie zou moeten halen!
KERSTMANNETJE. Oho! Zit zoo de vork in de steel? Dan ben jij er dus de
schuldige aan, dat Hans den duivel hier haalde!
KASPER. (Verbluft:) Ik ....?!
KERSTMANNETJE. Ja zeker! Jij! Jij wou een graaf tot schoonzoon hebben!
En dus was jij het, die dien klokkeluider dwong zijn klok te verkoopen,
wanneer hij van jou je dochter wilde loskrijgen!
KASPER. Wel, alle duivels!
STOFFEL. Stil, Kasper, roep den duivel niet terug! Wees blij, dat hij
weg is!
ANNE-MARIE. (Zuchtend:) De graaf is nou weg .... Dien moet je maar uit
je hoofd zetten. Weet jij een anderen man voor je dochter? Je kunt haar
toch niet met haar bruidssluier en haar uitzet laten zitten tot spot
van alle menschen?
STOFFEL. En denk je, dat het zoo pleizierig is, ongetrouwde dochters
over den vloer te hebben? Ik praat waarachtig niet voor mezelf als ik
je aanraad, dien klokkeluider maar te nemen, want (hij zucht) hij was
altijd nog zoo’n stille hoop voor mijn vrouw ....
ANNE-MARIE. En de muziek is er nu al, Kasper, de taarten en koeken zijn
gebakken ....
KASPER. (Kan er niet meer tegen op. Zuchtend:) Nou, als het dan niet
anders gaat .... vooruit dan maar!
ALLEN. Bravo Kasper! Een ferm besluit!
KERSTMANNETJE. Dan samen op naar de kerk, den klokkeluider tegemoet! Ik
heb mijn dienaar al gestuurd om hem te zeggen .... Wacht! daar is de
gelukkige bruidegom al!
HANS. (Komt in zijn klokkeluiderspakje, met gebukt hoofd op.)
GAAIKE. Hans ....! (Ze snelt op hem toe en valt hem snikkend in de
armen.)
HANS. Gaaike ....! Vergeef mij ....
GAAIKE. Ik was de schuld van alles, Hans!
KERSTMANNETJE. Stil, kinderen, doe je zelf maar geen verwijten. De
duivel heeft met jullie zijn spelletje gespeeld, en iedereen heeft wel
een kant, waar Satan houvast vindt. Hij komt in zijn beminnelijkst
gewaad, maar druk je hem de hand, dan voel je, dat hij duivelsklauwen
heeft. Roep dan om mij, den Kerstman! Zoo ver kan ik niet weg zijn, dat
ik den schreeuw van een vertwijfelde niet hoor. (Zijn gezicht begravend
in grooten, bonten zakdoek, waarin hij energiek snuift:) Jullie voelt
wel: als ik den duivel dwars kan zitten, zal ik het niet laten! Ik kan
jullie verzekeren, goede lieden, dat ik in mijn heele loopbaan van
Kerstmannetje zoo’n mooien dag nog niet beleefd heb!
HANS. Ik dank je, Kerstmannetje, voor Gaaike en mijn klok.
GAAIKE. (Knikt Kerstmannetje door haar tranen toe.)
KERSTMANNETJE. (Weert ontroerd af.) Een bagatel .... Kom! Muziek! En
dan in optocht naar de kerk! Doe de bruid den sluier om, meisjes!
DE BRUIDSMEISJES. (Doen Gaaike den sluier om en zetten haar den
bruidskrans op het blonde haar.)
(Dan biedt Hans haar hoffelijk zijn arm. Nu vormt zich een stoet. De
muzikanten voorop, daarna het bruidspaar met de bruidsmeisjes, die
Gaaike’s sleep dragen, daarna Kerstmannetje, die Anne-Marie zijn arm
heeft geoffreerd, daarna Stoffel met Aafke, daarna Snoek, die Kasper
(die ietwat verbluft is, dat zijn vrouw hem voor den neus is
weggekaapt!) niet zonder ironie den arm geeft. Daarna andere paren.
Buiten breekt stormachtig gejuich los.)
(Als de laatste bruiloftsgast door de buitendeur verdwenen is, springt
Satan uit de schouw het tooneel op, gevolgd door Snuf.)
SATAN. (Balt in woede de vuist tegen den bruiloftsstoet daarbuiten.)
Verloren, Snuf! Alles verloren!
SNUF. En honderd zielen erbij, meester! Wat zal je moêr op haar poot
spelen!
SATAN. Ai ....! De weddenschap! Kom, er zit niets anders op: we gaan
het samen thuis vertellen!
SNUF. Meester, ik weet niet wat ik liever deed! Liever trek ik naar
Siberië en dien mij een ijsbeer als ontbijt op, dan dat ik met je mee
ga!
SATAN. Snuf, je zwetst! Kom mee, hier hebben we niets meer te zoeken.
Laten we ons maar gauw uit de voeten maken voor iemand ons ziet en ons
uitlacht! (Hij wipt den schoorsteen in.)
SNUF. Ai! Ai! Ai! De duivel hale alle klokkeluiders! Dat zal me een
warm uurtje worden in de hel! Brrrr!
(Hij verdwijnt achter zijn meester aan, den schoorsteen in.)
Onder de muziek van den bruidsstoet daarbuiten,
VALT HET SCHERM
Van dit boek werden
vijf en twintig exemplaren, genummerd
I–XXV, gedrukt op geschept oud-Hollandsch
papier van Van Gelder Zonen op de persen van de Flakkeesche
Boek- en Handelsdrukkerij te Middelharnis
in het jaar negentien honderd
vijf en twintig
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HANS DE KLOKKELUIDER ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg™ License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™
electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
electronic works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
you share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you
are not located in the United States, you will have to check the laws
of the country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg™.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg™ License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg™ website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
within 60 days following each date on which you prepare (or are
legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
payments should be clearly marked as such and sent to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
License. You must require such a user to return or destroy all
copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free
distribution of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™
Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg™ and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West,
Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
volunteer support.
Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg™,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.