Het labyrint der wereld en het paradijs des harten

By Jan Amos Comenius

The Project Gutenberg eBook of Het labyrint der wereld en het paradijs des harten
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het labyrint der wereld en het paradijs des harten

Author: Jan Amos Comenius

Translator: Rutger Adolph Benthem Oosterhuis


        
Release date: October 25, 2026 [eBook #79859]

Language: Dutch

Original publication: Utrecht: Kemink & Zoon, 1926

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79859

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LABYRINT DER WERELD EN HET PARADIJS DES HARTEN ***





                      LABYRINT SVĚTA A RÁJ SRDCE.


                      Uit het Tsjechisch vertaald
                       en van verklaringen en een
                        naschrift voorzien door
                          R. A. B. OOSTERHUIS.








                        HET LABYRINT DER WERELD
                                   EN
                        HET PARADIJS DES HARTEN

                                 DAT IS

             EENE HELDERE BESCHRIJVING, HOE IN DEZE WERELD
             EN AL HARE AANGELEGENHEDEN NIETS HEERSCHT DAN
              DWALING EN VERWARRING, ONZEKERHEID EN NOOD,
               LEUGEN EN BEDROG, ANGST EN ELLENDE, EN TEN
               LAATSTE AFKEER VAN ALLES EN VERTWIJFELING;
                MAAR HOE HIJ, DIE ZICH MET GOD DEN HEER
                  ALLEEN IN DE WOONSTEDE ZIJNS HARTEN
                     BINNENSLUIT, ZELF TOT WAREN EN
                      VOLLEN VREDE DES GEMOEDS EN
                          TOT BLIJDSCHAP KOMT,


                                  DOOR

                           JAN AMOS COMENIUS.


                     UTRECHT.—KEMINK & ZOON.—1926.








                        Prediker I : 14.

    Ik zag alle de werken aan, die onder de zon geschieden:—en zie, 
    het was al ijdelheid en kwelling des geestes.


        I, liber, in lucem rigidi secure Catonis,
          I Labyrinthaeis currere docte viis.
        Cumque ibis curresque viis, dic: op time Lector
          Ex me Supremum non nisi disce Bonum [1].

                                        M. Georg. Colsinius [2]








    Den Doorluchtigsten en in waarheid Edelgeboren Heer, 
    Heer KAREL, baron van ŽEROTIN den Oudere etc., 
    stadhouder [3] van Moravië, zijn genadigsten Heer [4].


In dezen uitermate stormachtigen en onrustigen tijd zou ik den moed
niet hebben, zelfs met dezen brief, laat staan met de opdracht van
eenig geschrift Uwe Doorluchtigheid, Doorluchtigste Heer, lastig te
vallen, indien hij niet juist tot die soort behoorde, welke ten doel
heeft den geest te verfrisschen en in God berusting te doen vinden. Ik
wil het duidelijker uiteenzetten. Aangezien het mij, die in mijn
gedwongen lediggang in dit toevluchtsoord van de zorgen van mijn ambt
ontheven ben, niet paste en evenmin behaagde, geheel werkeloos te zijn,
begon ik in de laatste maanden onder anderen over de ijdelheid der
wereld na te denken, (waartoe zich de gelegenheid van alle kanten
aanbood), tot dit werk, dat ik hier Uwe Doorluchtigheid overgeef, onder
mijn handen ontstaan is. Het eerste deel daarvan schildert het ijdele
spel der wereld, hoe zij zich vol ijver, overal slechts met nietige
dingen bezighoudt en hoe alles ten slotte jammerlijk eindigt in tranen
of spot. Het tweede deel beschrijft deels in vrijen, deels in
allegorischen vorm het ware en duurzame geluk der kinderen Gods: hoe
zalig zij zijn, die zich van deze wereld en haar wereldsche dingen
afgewend hebben en God alleen nog aanhangen, ja, zich volkomen met Hem
vereenigd hebben. Ik ben mij hiervan wel bewust, dat hetgeen ik in het
licht gesteld heb, slechts een begin, dus nog niet volmaakt is. Want de
stof is, zooals ik zei, overrijk en wel geschikt, het verstand te
scherpen en de tong te oefenen, zoodat zij, door altijd nieuwe
vindingen, tot in het oneindige zoude kunnen worden vermeerderd. Doch,
wat de waarde van mijn werk ook moge wezen, ik wenschte het samen te
lezen uit den inhoud van losse papieren en dien Uwe Doorluchtigheid aan
te bieden. Met welk doel, mag ik nu nog niet ronduit zeggen; doch Uwe
Doorluchtigheid zal het reeds met haar aangeboren scherpzinnigheid
onder het lezen raden, of er zal zich ter verklaring wel een andere
gelegenheid voordoen. Slechts dit eene merk ik even op, dat ik het niet
voor ongepast gehouden heb, een dergelijk werk een man aan te bieden,
die, nadat hij duizend keeren de stroomingen en den golfslag van de
levenszee heeft leeren kennen, toch in den veiligen haven van een
zuiver geweten rust heeft gevonden. Nu heb ik niets anders meer te
wenschen, dan dat Uwe Doorluchtigheid, veilig voor de aanvechtingen van
wereld en duivel, een zijn Christus welgevallig leven moge leiden en
met gejubel in het hart een leven te gemoet zien, dat op deze ellende
volgt en Uwe Doorluchtigheid ook met het volste recht ten deel vallen
zal. Intusschen bestiere, verheffe, trooste, sterke ons de gezegende
Geest van den eeuwigen Erbarmer, onzen God. Amen.


                        de aan Uwe Doorluchtigheid
                                toegewijde dienaar

                                        J. A. COMENIUS.


Geschreven te Klopot, den 13en December 1623.








AAN DEN LEZER,


Elk schepsel, zelfs het redelooze, heeft de neiging in die dingen,
welke aangenaam zijn en gemak opleveren, behagen te scheppen en ze te
begeeren; dit is in het bijzonder met den mensch het geval, in wien de
aangeboren gave van het verstand de begeerte naar het goede en
aangename opwekt en dit niet alleen, maar hem er ook toe brengt een
grooter welgevallen daarin te vinden en des te ijveriger te streven
naar wat beter, aangenamer en gemakkelijker is. Bijgevolg is door de
wijzen sinds langen tijd de vraag gesteld, waar het hoogste goed
(summum bonum) te vinden is, het goed, dat de menschelijke begeerte zou
kunnen beteugelen, en waarin het bestaat; ik bedoel daarmede, dat,
wanneer een mensch dit hoogste goed in zijn gemoed bereikt heeft, hij
hierin rust zou kunnen en moeten vinden, daar hem verder niets meer te
wenschen overblijft.

2. Als wij nu de moeite nemen, nauwlettender toe te zien, dan bemerken
wij, dat niet alleen de philosofen deze vraag gesteld en ijverig
gepoogd hebben en nog pogen, ze op te lossen, maar dat in het algemeen
de gedachten van een ieder mensch er op gericht zijn te ontdekken, waar
en hoe de volmaaktste vreugde te verkrijgen zou zijn; en dan vindt men,
dat bijna alle menschen zich zelf ontvlieden en datgene, waarmede zij
het verlangen van hun hart zouden kunnen stillen en bevredigen, in de
buitenwereld en haar beslommeringen zoeken: de een in have en goed, de
ander in genoegens en wellust, een derde in eer en roem, een vierde in
kunst en wetenschap, nog een ander in vroolijk gezelschap enz., en dat
per slot van rekening allen hun blik op dingen richten, die buiten hen
zelf gelegen zijn en daarin hun heil zoeken.

3. Doch dat zij het daarin niet vinden, betuigt Salomo, de wijste der
menschen, die, eveneens den vrede zijner ziel zoekende, nadat hij de
geheele wereld reeds doorreisd en doorschouwd had, ten laatste toch
bekennen moest: „Daarom haatte ik dit leven; want dit werk docht mij
kwaad dat onder de zon geschiedt, want het is al ijdelheid en kwelling
des geestes” (Prediker 2 : 17). De ware zielevrede, verklaarde hij, na
dien ten slotte zelf gevonden te hebben, bestaat daarin, dat de mensch
de wereld late varen, zich alleen om God bekommere, Hem vreeze en Zijn
geboden onderhoude. „Want,” voegde hij er aan toe, „daarop alleen komt
alles aan” (Prediker 12 : 13 [5]).—Ook David komt tot dezelfde slotsom,
dat hij de gelukkigste mensch is, die de wereld uit zijn oogen en
gedachteleven verdrijft, zich enkel aan God vasthoudt, Hem tot zijn
eeuwig deel verkiest en in zijn hart met Hem woning maakt (Psalm 73).

4. Geloofd zij God, die in Zijn barmhartigheid ook mij de oogen heeft
geopend, zoodat ik geleerd heb, de veelvormige ijdelheid en het
erbarmelijke bedrog, dat zich overal onder den uiterlijken glans dezer
prachtige wereld verbergt, te doorgronden en mijn zielevrede en
zieleheil ergens anders te zoeken. Doch om mijzelf dit duidelijker voor
oogen te stellen, alsook om anderen daarop te wijzen, besloot ik, dezen
zwerftocht of pelgrimsreis door de wereld te beschrijven en heb in dit
boekje in zeker opzicht een schets gegeven van al de avontuurlijke
dingen, die zich in mijn leven voordeden, of waarvan ik tenminste
getuige was, en hoe ik dan ten slotte den zoo vurig verwachten en in de
wereld vergeefs gezochten troost gevonden heb. Of ik dit alles met veel
of weinig talent geschilderd heb, is mij onverschillig; God geve
slechts, dat ik het mij en mijn medemenschen tot nut en voordeel heb
gedaan.

5. Hetgeen gij, lieve lezer, nu lezen zult, is geen dichtwerk, ofschoon
het daarop gelijkt [6]. Het zijn ware gebeurtenissen, zooals gij,
indien gij ze slechts recht verstaat, wel zelf zult inzien, in het
bijzonder, wanneer gij eenige kennis hebt van de voorvallen uit mijn
leven. Want ik heb hier voor het grootste deel gebeurtenissen
geschilderd, die zich in mijn niet al te lange leven reeds voorgedaan
hebben, die anderen overkomen zijn, of ook eenige, van welke ik door
anderen kennis verkregen heb. Ondertusschen heb ik toch geenszins al
hetgeen ik meegemaakt heb, aangeroerd, deels uit een zeker
schaamtegevoel, deels, wijl ik niet inzag, waarom het verhaal daarvan
anderen profijtelijk zou kunnen zijn.

6. Mijn gidsen en die van alle menschen, die tastend in de wereld
ronddwalen zijn in werkelijkheid twee in getal: de Driestheid, die
alles doorsnuffelt, en het ingewortelde Vooroordeel, dat aan de
drogbeelden der wereld den schijn van waarheid verleent.—Wie hen met
het oordeel van zijn verstand volgen wil, zal evenals ik de
erbarmelijke afdwalingen van zijn geslacht inzien. En komt de wereld
hem daarbij anders voor, laat hij dan weten, dat hij den bril van het
algemeen bedrog op zijn neus draagt, waardoor hij steeds van alles het
tegendeel ziet.

7. Wat nu de beschouwing van het vreugdevolle leven der aan God gewijde
zielen betreft, deze is meer met de pen der verbeelding geschreven [7];
ook wil ik den lezer niet doen gelooven, dat dit leven bij alle
uitverkorenen volkomen en in zijn geheel tot werkelijkheid geworden is.
Toch ontbreekt het God gewisselijk ook niet aan zulke fijnbesnaarde
zielen en ieder Christen, wiens vroomheid oprecht is, zal het zich, als
hij dit boekje leest, ten plicht rekenen naar denzelfden graad van
volkomenheid ook voor zich zelf te streven.—Dat het u welga, lieve
christen, en moge de Heilige Geest, de leidsman van het licht, u beter
dan het mijn zwakken krachten mogelijk was, leeren, hoe ijdel deze
wereld is en welke heerlijkheid en zalige vreugde den met God
vereenigden zielen van de uitverkorenen wachten. AMEN.








HOOFDSTUK I.

DE BEWEEGREDENEN VAN MIJN PELGRIMSTOCHT DOOR DE WERELD.


Toen ik den leeftijd had bereikt, waarop het verschil tusschen goed en
kwaad het menschelijk verstand begint duidelijk te worden, en de
verschillende standen, rangen en beroepen, de bezigheden en oogmerken
der menschen zag, waarop zij zich toeleggen, scheen het mij een
dringende noodzakelijkheid, rijpelijk te overwegen, bij welke groep
menschen ik mij zou aansluiten en aan welke goede zaak ik mijn leven
zou wijden.



        Wankelmoedigheid van den geest.

2. Nadat ik hierover veel en dikwijls had nagedacht en met mijn
verstand ijverig was te rade gegaan, kwam ik ten slotte tot de
overtuiging, dat ik het meeste genoegen zou vinden in een levenswijze,
waarin zoo weinig mogelijk moeiten en zorgen en zoo veel mogelijk
gemak, vrede en blijmoedigheid te vinden zou zijn.

3. Maar dan scheen het mij weder moeilijk tot het inzicht te komen,
welk beroep met een dergelijke levenswijze zou strooken; ook wist ik
niet, wien ik hierover met goed gevolg zou kunnen raadplegen, afgezien
nog daarvan, dat ik dit niet eens zoo bijzonder wenschelijk vond, daar
ik van meening was, dat ieder mij zijn werkkring zou aanprijzen. Geheel
zelfstandig en in overijling durfde ik niets aangrijpen, daar ik
vreesde mis te tasten.

4. Toch, ik beken het, ben ik begonnen heimelijk eerst een zaak aan te
vatten en toen nog een tweede en derde, maar elk van deze drie liet ik
dadelijk weer varen, zoodra ik bespeurde, dat mijn moeite (zooals het
mij toescheen) vergeefsch was. Ondertusschen vreesde ik, dat mijn
onstandvastigheid mij tot schande zou brengen; dus wist ik niet, wat te
doen.

5. Toen ik mijzelf hiermede heimelijk genoeg gekweld en het hoofd
gebroken had, kwam ik tot het besluit, eerst alle menschelijke dingen,
die onder de zon zijn, in oogenschouw te nemen en pas daarna, wanneer
ik het eene ding wijselijk met het andere zou hebben vergeleken, een
bepaald beroep te kiezen en mijn zaken zoo keurig te regelen, dat ik in
de wereld een tevreden leven zou kunnen leiden.








HOOFDSTUK II.

DE PELGRIM VERKRIJGT OVERALBIJ ALS GIDS.


Zoo trok ik dan uit eigen beweging er op uit en begon rond te zien, al
overwegende, waar en hoe ik zou aanvangen.—In dat oogenblik treedt
plotseling, zonder dat ik weet, vanwaar hij komt, een mensch op mij
toe. Hij had een vasten gang, een vlug en knap uiterlijk en was rad van
tong en het scheen mij toe, dat zijn knieën, zijn oogen en zijn tong
alle als op rolletjes liepen. Hij wendde zich belangstellend tot mij en
vroeg, vanwaar ik kwam en waarheen ik van plan was te gaan. Ik zeide,
dat ik zoo juist mijn huis verlaten had, en nu voornemens was door de
wereld te zwerven en eenige ervaring op te doen.



        De wereld is een doolhof.

2. Hij prees mij om dit oogmerk en sprak: „Maar waar is dan wel uw
gids?”—Ik antwoordde: „ik heb er geen; ik verlaat mij op God en mijn
oogen, vertrouwende, dat zij mij op geen dwaalweg zullen leiden.”

„Dan zult gij niets bereiken,” zeide hij; „is u wel eens iets ter oore
gekomen van het labyrint van Creta?”—„Ik heb er wel eens iets van
gehoord,” zei ik.—„Het was een wereldwonder,” verklaarde hij, „een
gebouw, dat uit zoovele kamers, kleine ruimten en gangen bestond, dat
hij, die zich zonder gids daarin waagde, steeds her- en derwaarts ging
en dwaalde, doch nooit een uitgang vond.—Maar dat beteekent nog niets
bij de wijze, waarop de doolhof der wereld, vooral in deze tijden, is
ingericht. Ik raad u—geloof mij als man van ervaring—verstout u niet
alleen daarbinnen te gaan.”



        Beschrijving van iemand, die onbeschaamd was.

3. „Waar zal ik dan zulk een gids vinden?” vroeg ik.—Hij antwoordde
mij: „ik zelf ben aangewezen om hen, die iets begeeren te zien en te
ervaren, als gids te begeleiden en hun alles te wijzen, wat er slechts
te zien is; daarom ben ik u ook tegemoet gekomen.”—In mijn verwondering
riep ik uit: „wie zijt gij, mijn vriend?”—Hij antwoordde: „Mijn naam is
Alweter en ik draag den bijnaam Overalbij. Ik trek de geheele wereld
door, gluur in alle hoeken en vorsch de woorden en daden van een ieder
mensch uit; ik aanschouw alles, wat zichtbaar is; ik spoor alles, wat
verborgen is, op en onthul het. Kortom, zonder mij mag niets
geschieden, het is mijn plicht over alles een wakend oog te houden; en
wanneer gij met mij medegaat, zal ik u op vele heimelijke plaatsen
brengen, waarheen gij zonder mij nooit den weg zoudt hebben gevonden.”

4. Bij het hooren dezer rede ving ik aan mij innerlijk te verheugen van
blijdschap, dat ik zulk een voortreffelijken gids gevonden had en ik
verzocht hem moeite noch arbeid bij zijn geleide door de wereld te
sparen. Hij antwoordde: „evengoed als ik anderen in deze aangelegenheid
gaarne van dienst ben, wil ik dit ook u zijn.” Toen greep hij mijn hand
en riep: „Laten wij gaan.” Zoo gingen wij dan en ik zeide: „Wel, gaarne
wil ik zien, hoe het met ’s werelds beloop gesteld is en ook
onderzoeken, of in haar iets gevonden wordt, waarop een mensch zich
veilig kan verlaten.” Toen mijn makker deze woorden hoorde, bleef hij
staan en sprak: „Vriend, indien gij u niet met het voornemen op reis
begeeft om genoegen te nemen met de dingen, die gij zult zien, maar met
uw verstand daarover een oordeel wilt vellen, dan weet ik niet, of Hare
Majesteit, onze koningin, daarmede tevreden zal zijn.”



        De IJdelheid is de koningin der wereld.

5. „Wie is dan wel uw koningin?” vroeg ik. Hij antwoordde: „Zij, die de
geheele wereld en haar beloop van den beginne tot het einde bestuurt;
zij heet Wijsheid, ofschoon eenige waanwijzen haar IJdelheid noemen.
Daarom raad ik u, nu het nog tijd is, om niet in haarklooverij te
vervallen, als wij daar zullen gaan rondzien; anders zoudt gij
gemakkelijk een pak slaag kunnen oploopen, zelfs al sta ik vlak naast
u.”








HOOFDSTUK III.

DE VERBLINDING SLUIT ZICH AAN.


Terwijl hij zoo met mij spreekt, kijk, daar sluipt van ter zijde iemand
op ons toe; ik kon niet uitmaken, of het een man of een vrouw was (want
het wezen was wonderbaarlijk vermomd en iets, dat op nevel leek, omgaf
het) en roept: „Overalbij, waarheen spoedt gij u met dien man?”—„In de
wereld breng ik hem (zeide hij), hij is begeerig haar te aanschouwen.”

2. „En waarom zonder mij?” liet gene zich weder hooren, „gij weet toch,
dat het uw plicht is de pelgrims te geleiden; doch het is mijn taak hun
alles aan te wijzen, wat er te zien is.—Want het is niet de wil van
Hare Majesteit de koningin, dat iemand, die haar rijk betreedt, naar
eigen goeddunken, hetgeen hij ziet en hoort uitlegt en zijn
waanwijsheid daarover lucht geeft,—zij wenscht slechts, dat hem alle
dingen meegedeeld worden met de doeleinden, waartoe zij bestaan, en dat
hij zich met deze kennis tevreden stelle.”

Overalbij antwoordde: „Zoo onbescheiden zal toch wel niemand zijn, dat
hij zich niet, zooals alle anderen, met onze instellingen zou tevreden
stellen? Doch ik vermoed, dat deze hier een toom zal noodig hebben.
Goed, kom maar mee!” Zoo sloot zich de onbekende bij ons aan en wij
gingen op stap.



        De gewoonte der dingen leidt tot Verblinding der wereld.

3. Eensklaps schoot mij de gedachte te binnen: „God helpe mij, had ik
mij maar niet laten overhalen hier heen te gaan! Zij beraadslagen met
elkander over een soort toom, dat zij mij in den mond willen leggen.”
Ik zei daarop tot den nieuwen metgezel: „Vriend, neem mijn verzoek niet
kwalijk, doch gaarne zou ik ook uw naam weten.” Hij gaf ten antwoord:
„Ik ben de tolk der Wijsheid, de koningin der wereld, en heb van haar
de opdracht ontvangen, om een ieder te leeren, hoe men de dingen der
wereld moet verstaan. Daarom prent ik—gij zult dit op uw zwerftocht
door de wereld zien—oud en jong, van hooge of lage geboorte, onwetend
of geleerd, kortom den geest van allen in, wat tot de ware
wereldwijsheid behoort; ik ben het, die hen vroolijk en blijmoedig
maak, terwijl zonder mijn hulp zelfs koningen, vorsten, heeren en alle
andere voorname menschen in de zeldzaamste moeilijkheden zouden
verkeeren en hun dagen in treurigheid op de wereld zouden slijten.”

4. Daarop voegde ik hem toe: „Indien alles waar is, wat gij zegt, mijn
beste vriend, is het een geluk voor mij, dat God mij u als leidsman
gaf.—Want ik begeef mij in de wereld met het doel, datgene te zoeken,
wat daarin het veiligst en aangenaamst is en dat aan te vatten; nu ik
in u zulk een voortreffelijken raadgever heb, zal ik gemakkelijker een
keuze kunnen doen.”—„Twijfel daaraan niet,” zeide hij, „want ofschoon
gij in ons rijk alles bijzonder goed geordend en allen in de beste luim
zult vinden en begrijpen zult, dat het daarin allen gehoorzamen
onderdanen van onze koningin wel goed kan gaan, zoo is het daarom toch
niet minder waar, dat bepaalde beroepen en bedrijven meer gemak en
vrijheid geven dan andere.—Het zal u vrijstaan, naar eigen begeeren uw
keus te doen. Ik zal u echter alles grondig uitleggen.” Ik vroeg: „met
welken naam noemen de menschen u?” en ontving als antwoord: „Mijn naam
is de Verblinding.”








HOOFDSTUK IV.

DE PELGRIM ONTVANGT EEN TOOM EN EEN BRIL.


Toen ik dit hoorde, was ik een en al ontsteltenis over mijn
zonderlingen makker, en dacht: tot mijn ongeluk kreeg ik hem tot
metgezel.—De eerste (zoo overlegde ik bij mij zelven) heeft van een
soort toom gesproken; de tweede heette Verblinding; zijn koningin heeft
hij met den naam IJdelheid aangeduid (ofschoon ik vermoed, dat hij zich
dit woord onvoorzichtig liet ontvallen); wat moet dat alles beteekenen?

2. En terwijl ik daar zoo zwijgend en met neergeslagen oogen liep en
mij onwillig voortbewoog, sprak Alweter: „Ei, wispelturig mensch, ik
geloof haast, dat gij lust hebt terug te keeren!” En eer ik nog een
antwoord kon geven, had hij mij om den hals een soort toom geworpen,
waarvan het gebit mij terstond in den mond gleed. Vervolgens zeide hij:
„Nu zult gij wel gewillig uw eenmaal begonnen weg vervolgen.”



        De toom der nieuwsgierigheid.

3. Ik bekeek nu dezen toom eens nader en merkte op, dat hij van de
riemen van Nieuwsgierigheid was aaneengenaaid, terwijl het gebit uit
het ijzer van halsstarrige voornemens was gesmeed; ik begreep, dat het
mij voortaan niet meer zou vrijstaan, zooals vroeger, de wereld van
eigen standpunt te beschouwen, maar dat mijn vluchtige en
onverzadelijke geest mij met geweld zou voortsleepen.



        De bril der Verblinding.

4. Intusschen liet van de andere zijde de tweede gids zich hooren: „en
ik schenk u dezen bril, door welken gij voortaan de wereld zult
bezien”; tegelijk zette hij mij den bril op den neus. Dadelijk zag ik
er alles anders door dan te voren, want hij had deze bepaalde
eigenschap (waarvan ik naderhand nog dikwijls gelegenheid had mij te
overtuigen), dat voor hem, die er door zag, een verwijderd voorwerp
dichtbij, een nabijzijnd veraf, een klein voorwerp groot, een groot
klein scheen te zijn. Een leelijk voorwerp leek er schoon door, een
schoon leelijk, een zwart scheen wit en een wit scheen zwart te zijn.
En ik begreep, dat zoo iemand niet tevergeefs Verblinding heet, die
zulke brillen weet te vervaardigen en den menschen op te zetten.



        Samengesteld uit Vooroordeel en Gewoonte.

5. De brilleglazen waren, zooals ik later bemerkte, van het glas
Vooroordeel vervaardigd en de montuur, waarin zij waren gevat, bestond
uit het soort hoorn, dat Gewoonte heet.

6. Tot mijn geluk zette hij mij echter den bril eenigszins scheef op
den neus, zoodat hij mijn oogen niet volkomen bedekte. Wanneer ik het
hoofd een weinig oprichtte en onder de glazen door gluurde, was ik in
staat de dingen zuiver te zien in hun natuurlijke gedaante. Ik was zeer
verheugd daarover en dacht bij mijzelf: „al hebt gij mij ook den mond
gesnoerd en de oogen bedekt, zoo vertrouw ik op mijn God, die het u
niet zal doen gelukken mijn verstand en geest te knevelen. Het zal mij,
als ik verder kom, toch verwonderen, hoe die wereld er uitziet, welke
mevrouw IJdelheid mij wenscht te laten zien, doch niet met mijn eigen
oogen.”








HOOFDSTUK V.

DE PELGRIM ZIET VAN EEN HOOGTE OP DE WERELD NEER.


        Buiten de wereld is er niets.

Terwijl ik hierover nog nadacht, zag ik mij op eenmaal geplaatst op een
geweldig hoogen toren, zonder dat ik begreep, hoe dit geschiedde. Ik
scheen mij onmiddellijk onder de wolken te bevinden en toen ik mijn
blikken naar beneden richtte, zag ik op de aarde een oogenschijnlijk
schoone, schitterende en uitgestrekte stad, waarvan echter eind en
begrenzing zich aan alle zijden duidelijk afteekenden.—Zij was gebouwd
in den vorm van een cirkel, van muur en wal voorzien, doch zonder
gracht; inplaats daarvan was er een donkere diepte, die, naar mij
voorkwam, bodem- en oeverloos was,—want alleen boven de stad was het
licht, buiten den wal overal diepe duisternis.



        De plattegrond der stad.

2. De stad zelf zag ik verdeeld in ontelbare straten, pleinen, huizen
en gebouwen van grooteren en kleineren omvang; en overal wemelde het
van menschen, als waren het insecten. Tegen het oosten zag ik een poort
staan, vanwaar een nauwe straat naar een andere poort liep, die reeds
uitzicht had op al wat ten westen van de stad lag. En eerst door deze
tweede poort gaande, geraakte men in de verschillende straten der stad.
Ik telde een aantal van zes hoofdstraten, die alle evenwijdig liepen
van oost naar west. In het midden dezer straten strekte zich een zeer
groot, rond plein of markt uit en het meest westelijk stond, op een
rotsachtigen, steilen heuvel, een hoog en blinkend kasteel, waarop de
blikken van alle inwoners der stad het meest gericht waren.



        De oostelijke poort en de poort der scheiding.

3. Daar sprak mijn gids Overalbij tot mij: „hier hebt ge dan, pelgrim,
die dierbare wereld, welke gij zoo begeerig waart te beschouwen. Ik heb
u daarom eerst op deze hoogte geleid, opdat gij haar in haar geheel
zult kunnen overzien en zoo beter de wereldordening verstaan. Deze
oostelijke poort is de poort des levens en alle menschen, die de wereld
gaan bewonen, doorschrijden haar; die andere, naastbijzijnde, is de
poort der scheiding en een ieder, al naar het lot, dat hem treft,
treedt door haar het voor hem bestemde beroep tegemoet.”



        De standen der wereld in zes rangen ingedeeld.

4. „De straten, die gij ziet, geloof mij vrij, zijn de verschillende
standen, rangen en beroepen, waartoe de menschen behooren en waarop zij
zich toeleggen. Gij ziet zes hoofdstraten: in de zuidelijke straat
woont de stand, waartoe de huisgezinnen behooren en die uit ouders,
kinderen en dienstpersoneel bestaan; in de daaraangrenzende die der
handwerkslieden, en allen, die zich met een ambacht bezighouden; in de
derde, het dichtst bij de markt gelegen, woont de stand der geleerden,
die zich aan geestelijken arbeid wijdt, aan de andere zijde van het
plein woont de geestelijke stand, tot wien de anderen zich begeven om
hun godsdienstplichten te vervullen. Daar achter woont de stand der
overheden en wereldlijke machthebbers; in het uiterste noorden zetelt
de ridderstand, die zich op oorlogszaken toelegt.—En, o, hoe nobel is
alles geregeld! De eerstgenoemde stand is de bron van het leven; de
tweede geeft voedsel aan allen; de derde leert en voedt allen op; de
vierde stand bidt voor allen; de vijfde velt het oordeel over allen en
bewaart hen voor wanorde; de laatste vecht voor allen; en zoo dient
steeds de eene stand den anderen en alles blijft in het rechte spoor!



        Het slot van Fortuna.—De marktplaats en het slot der wereld.

5. Die burcht, daar in het westen, is de Arx Fortunae, het Slot van het
Geluk, waarin een uitgezocht gezelschap van menschen woont, die daar
genieten van rijkdom, genoegens en roem.—De in het midden gelegen
marktplaats is voor allen, want hier komen menschen uit alle standen te
zamen en doen er hun zaken af; midden op het plein, als het ware in het
centrale punt der wereld, bevindt zich de residentie der Wijsheid, de
koningin der wereld.



        Het begin der verwarring,

6. Ik was met deze orde en dezen regel, beide zoo uitmuntend, zeer
ingenomen en ving aan God den Heer te loven, die de wereld op zoo edele
wijze in standen had verdeeld.—Maar een ding alleen beviel mij niet,
dat ik de straten op vele plaatsen doorgebroken zag, zoodat somtijds de
eene in de andere overging, en dit scheen mij een zeker bewijs, dat men
gemakkelijk in de war zou kunnen geraken en verdwalen. En daarbij
voelde ik, terwijl ik op den ronden vorm der aarde lette, zeer
duidelijk, dat zij zich bewoog en in een kring ronddraaide, zoodat ik
vreesde duizelig te zullen worden. Want als ik mijn oogen over de stad
liet weiden, zag ik, dat alles, tot de allerkleinste dingen toe, in een
wriemelende beweging verkeerde, en als ik vervolgens mijn ooren
spitste, hoorde ik, hoe heel de lucht van slaan en kloppen, geschuif,
gefluister en geschreeuw vervuld was.



        waar zich de verblinding aan toevoegt.

7. Daarop nam mijn tolk, de Verblinding, het woord. „Ziet gij, mijn
lieve vriend, hoe verrukkelijk deze wereld is, hoe schoon alles in haar
is? En dat is reeds het geval, wanneer men haar van verre ziet; wat
zult gij wel zeggen, als gij haar dan stukje voor stukje van dichtbij
met haar bekoring leert kennen? En wie zou zich in haar niet gelukkig
gevoelen?” Ik zeide: „Uit de verte gezien, valt zij zeer in mijn smaak;
ik weet niet, hoe het later zijn zal.”—„Nu, goed dan,” zeide hij,
„vertrouw maar op mij en laat ons nu gaan.”



        De geaardheid van den kinderlijken leeftijd.

8. Maar Overalbij, de andere gids, riep: „Wacht even, een plek moet ik
hem van hier nog wijzen, waar wij dan verder niet meer komen. Wend nu
eens uw blik terug naar het oosten; ziet gij, hoe daar uit die duistere
poort iets voortschuift en hierheen komt gekropen?”—„Ik zie het,” gaf
ik ten antwoord. En hij hernam: „Het zijn menschen, die onlangs op de
wereld zijn gekomen, zonder dat zij zelf weten, vanwaar zij kwamen en
evenmin zich zelf nog kennen en bevroeden, dat zij menschen zijn.
Vandaar dat zij geheel door duisternis zijn omgeven en slechts weenen
en krijten kunnen. Maar als zij gindsche straat betreden, begint het
langzamerhand voor hen te schemeren; het licht gaat hun op en zij
bereiken de poort, die zich juist onder ons bevindt. Laat ons gaan
zien, wat daar wel plaats grijpt.”








HOOFDSTUK VI.

HET LOT VERDEELT DE BEROEPEN.


        Het lot, de poortwachter der wereld.

Wij daalden nu langs een donkere wenteltrap naar beneden en zie, in de
poort bevond zich een groote zaal vol jonge menschen en ter rechter
zijde zat een grimmige oude man, die in zijn hand een grooten koperen
pot hield. Ik zag nu, hoe allen, die uit de poort des levens kwamen, op
hem toetraden, hoe elk de hand in den pot stak en een briefje, met iets
daarop geschreven, voor zich daar uit trok. Dan verdween hij dadelijk
in de eene of andere straat der stad, de eene vol vreugde en luid
schreeuwend, terwijl de ander diep bedroefd en klagend, naar alle
zijden zich keerend en wendend, al omziende, zijn bestemming tegemoet
ging.



        Het lot deelt de beroepen uit.

2. Ik trad nu nader, sloeg een blik in eenige dezer briefjes en zag,
dat een hunner het woord: Heersch!, had getrokken, een tweede: Dien!,
een derde: Beveel!, een volgende: Gehoorzaam!, nog een ander: Schrijf!,
deze: Ploeg!, gene: Leer!, die: Graaf!, nog een: Richt!, de laatste:
Vecht! en zoo voort.

Ik verwonderde mij zeer daarover, doch Alweter [8] zeide tot mij: „daar
worden de beroepen en het werk verdeeld; in overeenstemming met het
toegewezen lot heeft ieder mensch in de wereld zich nuttig te maken. De
grijsaard, die de macht heeft over de loten, heet het Lot en ieder, die
de wereld binnentreedt, moet bij hem een dergelijke instructie halen.



        De pelgrim verzoekt vooraf te mogen onderzoeken en eerst dan te
        kiezen.

3. Op dit oogenblik geeft de Verblinding mij tegen de andere zijde een
duw en beduidt mij zoo, dat ik ook een greep zal doen. Ik verzocht mij
niet tot een keus te dwingen, zoo plotseling en op goed geluk af,
zonder vooraf het gekozene te hebben beproefd, en mij niet
blindelings—er kome van, wat wil—aan het noodlot over te geven. Maar
men deelde mij mede, dat zulks, zonder voorkennis en bewilliging van
den regent, het Noodlot, niet veroorloofd was. Zoo naderde ik hem dan
en droeg hem deemoedig mijn verzoek voor: dat ik met het voornemen
gekomen was, zelf eerst alles aan een onderzoek te onderwerpen en pas
dan te kiezen, wat mij zou bekoren.



        De pelgrim krijgt verlof hiertoe.

4. Hij gaf mij het volgende bescheid: „mijn zoon, gij ziet wel, dat de
anderen dit niet doen, doch zich houden, aan hetgeen hun verstrekt of
aangeboden wordt. Daar gij het evenwel zoo vurig begeert, zij het u
toegestaan”. Vervolgens schreef hij op een briefje: Speculare (dat is:
„Zie rond” of „vorsch uit”), en liet mij daarmee vertrekken.








HOOFDSTUK VII.

DE PELGRIM BESCHOUWT HET MARKTPLEIN DER WERELD.


        Hij ziet de verscheidenheid der menschen.

Mijn gids zei mij het volgende: „daar gij nu alles zelf hebt te
onderzoeken, begeven wij ons het eerst naar het marktplein,” en daar
bracht hij mij toen. En zie, ik aanschouwde er ontelbare scharen van
menschen, als een nevel alle hoeken en gaten vullend, want daar waren
menschen uit de geheele wereld, van elke taal en nationaliteit, van
elken leeftijd, elke lichaamslengte, elke sekse, van iederen stand en
rang, van elk beroep. Reeds op het eerste gezicht bemerkte ik, hoe zij
in wonderbare mengeling zich her- en derwaarts bewogen, hetgeen geleek
op het zwermen van bijen, alleen nog veel verwonderlijker.



        De verschillende karakters en gedragingen der menschen.

2. Want eenigen gingen, anderen liepen rond, anderen reden; sommigen
stonden, anderen zaten of lagen; sommigen rezen op, terwijl anderen
zich weder nederlegden, nog anderen wendden en keerden zich in
verschillende richtingen. Sommigen waren alleen, anderen in grootere of
kleinere groepen bijeen. Hun kleederdracht en gestalte waren
buitengewoon onderscheiden; eenigen waren zelfs moedernaakt, en allen
maakten zonderlinge gebaren. Als sommigen van hen elkander ontmoetten,
dreven zij allerlei goochelspel met hand en mond; men zag, hoe zij op
de knieën vielen en andere dergelijke bewegingen maakten, voor elkander
bogen en negen, kortom allerlei grappige dingen deden. Toen merkte mijn
gids op: „hier hebt ge dus dat edele menschelijke geslacht, die
liefelijke, met verstand en onsterfelijkheid begaafde schepselen; reeds
uit de verscheidenheid van hun verheven daden kunt gij opmaken, hoezeer
de menschen het beeld van hun oneindigen Schepper dragen en gelijkenis
met Hem vertoonen; daar aanschouwt gij, als in een spiegel, de waarde
van uw eigen geslacht.



        Huichelarij bij allen.

3. Ik vat hen daarop scherper in het oog en merk in de eerste plaats
op, dat ieder, zoolang hij in de menigte tusschen de anderen wandelt,
een masker voor zijn gelaat draagt, maar dit, zoodra hij alleen is of
zich onder zijns gelijken bevindt, afwerpt en wanneer hij zich weder
onder de schaar moet mengen, het weder voordoet. Daarom vroeg ik, wat
dit beteekende, en kreeg ten antwoord: „mijn zoon, het is de
menschelijke voorzichtigheid, die eischt, dat men niet aan ieder toont,
wie men is. Alleen en tehuis kan de mensch zich wel geven, zooals hij
is, maar onder de menschen behoort men er menschelijk uit te zien en
van zijn wezen den valschen schijn te weren.” Zoo kreeg ik lust, nog
nauwlettender toe te zien, hoe de mensch zonder dit mooie omhulsel er
wel mocht uitzien.



        Hun wonderbaarlijke wanstaltigheden.

4. En terwijl ik dus opmerkzaam acht gaf, zag ik, dat allen niet
slechts wat hun gelaat, maar ook wat hun lichaam betreft, op
verschillende wijzen misvormd waren. Zonder onderscheid hadden zij
allen puisten, roven en uitslag, en buitendien bezat de een een
zwijnelip, een ander hondentanden of ossenhorens, nog een ander
ezelsooren of basiliskenoogen, en ten slotte waren er met een
vossestaart en de klauwen van een wolf; ik zag ook eenigen, die een
hoog opgetrokken pauwenhals, anderen, die een opgestreken kuif als van
een hop, nog anderen, die paardenhoeven hadden enzoovoort; de meesten
echter leken op apen.—Toen schrok ik en zeide: „het zijn immers louter
monsters, die ik zie.”—„Wat voor onzin, zegt gij, monsters?” riep de
tolk uit en dreigde mij met de vuist. „Kijk slechts goed door uw
brilleglazen en ge zult zien, dat het menschen zijn.” En eenigen, die
daar buiten voorbijgingen, hoorden, dat ik hun monsters genoemd had;
zij bleven staan, gromden tegen mij en deden, als wilden ze mij te lijf
gaan. Daar ik nu wel begreep, dat alle redetwisten hier vergeefsch zou
zijn, zweeg ik en dacht bij mij zelf: „als zij dan menschen willen
zijn, laat hen dat zijn; wat mij betreft, wat ik zie, dat zie ik.” Ook
vreesde ik, dat men mij den bril vaster zou aandrukken en mij volkomen
verblinden zou; daarom nam ik mij voor te zwijgen en liever in stilte
die mooie dingen te beschouwen, waarvan ik daar den aanvang gezien had.
Ik keek nu opnieuw toe en zag, hoe meesterlijk sommigen met hun maskers
wisten om te gaan, die zij snel konden afnemen en weer voordoen, zoodat
zij de kunst verstonden zich in een oogenblik een ander voorkomen te
geven, waar zij zagen, dat dit noodig was. En hier begon ik reeds iets
te verstaan van ’s werelds beloop, doch ik zweeg.



        Het wederkeerig misverstand bij alle menschen.

5. Al opmerkende hoorde ik, dat zij in verschillende talen met elkander
spraken, zoodat zij meerendeels elkander niet verstonden, noch antwoord
gaven, tenzij dan een, dat er geheel naast was, de een geheel
verschillend van den ander. Hier en daar was een groote menigte bijeen
en allen spraken tegelijkertijd, ieder bracht het zijne te berde en
niemand luisterde naar den ander, ofschoon men door van zich af te
stooten of tot zich te trekken tot opmerkzaamheid wilde nopen.—Doch dit
geschiedde niet, eerder kwam het tot vechten en bakkeleien.—Toen riep
ik uit: „God behoede ons, zijn wij hier dan in Babel? Hier zingt ieder
zijn eigen lied [9]. Kan er een grootere warboel bestaan?”



        Zij houden zich met nuttelooze dingen bezig.

6. Leegloopers waren er slechts weinigen in getal; bijna allen hielden
zich met den een of anderen arbeid bezig; maar deze (niemand zou het
verwacht hebben!) bestond uit niets dan kinderspel en vruchtelooze
inspanning. Zoo verzamelden sommigen straatvuil en verdeelden het onder
elkander; eenigen wentelden balken en steenblokken naderbij of trokken
deze door middel van een windas ergens in de hoogte en lieten ze dan
weder zakken; sommigen groeven aarde op en vervoerden of brachten ze
van de eene plaats naar de andere; de rest hield zich bezig met bellen,
spiegels, varkensblazen, ratels en ander speelgoed; anderen speelden
zelfs met hun eigen schaduw, terwijl zij haar de maat namen, haar
najaagden en trachtten te vangen. Dit alles deden zij met zulk een
ijver, dat velen er van steunden, terwijl anderen het zweet uitbrak en
sommigen zelfs nederzegen. En bijna overal waren er beambten, die hun
zulke dingen opdroegen en het werk met groote onversaagdheid
verdeelden, terwijl de anderen met niet minder groote kloekmoedigheid
aan de opdracht gehoor gaven.—Toen riep ik met verbazing uit: „Ach
arme! is dan de mensch slechts daartoe op aarde, dat hij zich met de
scherpte van zijn hemelsch vernuft op zulke ijdele en nietige dingen
toelegt?”—„Wat ijdele dingen,” riep de tolk uit. „Ziet men daar dan
niet als in een spiegel, hoe de mensch door middel van zijn
geestesaanleg alle moeilijkheden overwint? De een doet immers dit, de
ander iets anders.” „Maar allen,” antwoordde ik, „bemoeien zich met
nuttelooze dingen, die met hun roemrijke grootheid in tegenspraak
zijn.”—„Wees niet al te wijsneuzig,” berispte hij weder, „zij zijn
immers nog niet in den hemel, doch leven op de aarde en moeten zich
daarom met de dingen der wereld onledig houden. Gij ziet intusschen,
hoe ordelijk het onder hen toegaat.”



        Vreeselijke wanorde.

7. Bij een nadere beschouwing der dingen zag ik echter, dat men zich
een grootere wanorde, dan die hier heerschte, niet zou kunnen
voorstellen. Want als iemand zich aftobde en inspande om een bepaalden
arbeid te verrichten, mengde een ander zich daarin, waardoor dan
twisten, vechtpartijen en krakeelen ontstonden; en al verzoende men
zich met elkaar, toch trok men na een wijle opnieuw van leer. Somtijds
legden eenigen van hen tegelijkertijd beslag op een en hetzelfde ding;
dan weder lieten zij het allen in den steek en ieder ging nu zijn eigen
weg. Zij, die onder die beambten en opzichters stonden, hielden zich
min of meer aan de hun gegeven opdracht, weliswaar slechts omdat zij
moesten; evenwel ook hier zag ik velerlei geharrewar. Sommigen
verbraken het gelid en vloden weg; anderen spraken tegen bij de bevelen
van hun opzichters en waren onwillig te doen, wat hun bevolen werd; nog
anderen probeerden hun den stok te ontrukken en hen daarna te knevelen;
inderdaad, overal was het de grootste janboel. Doch daar dit alles voor
orde wilde doorgaan, durfde ik niets te zeggen.



        Zij geven ergernis en een slecht voorbeeld.

8. Ik nam ook een anderen misstand waar, namelijk de blindheid en
dwaasheid der menschen, want het geheele marktplein (en, zooals ik
later zag, ook de straten) had een groot aantal groeven, gaten en
kuilen; ook lagen er steenen en balken kris en kras door elkaar en nog
vele andere hindernissen. Doch niemand dacht er ook maar aan iets uit
den weg te ruimen, te herstellen of in orde te brengen. Niemand week
zelfs voor de hindernissen uit of nam de moeite ze te ontwijken.
Integendeel men ging er blind tegen in, zoodat nu deze, dan gene zich
stiet, viel, en als hij den hals niet brak, zich ten minste leelijk
toetakelde. Mijn hart beefde bij zulk een schouwspel. En niemand
bekommerde zich om zijn naaste; maar wanneer iemand viel, lachte men
hem duchtig uit. Zoo vaak ik nu een boomstam, een balk of een kuil
gewaar werd, begon ik eenige lieden, die in den blinde daarover heen
zochten te kruipen, te waarschuwen, doch niemand lette er op: sommigen
lachten mij uit, anderen beschimpten mij, nog anderen wilden mij een
pak slaag geven. Menigeen viel, die niet weer opstond; anderen stonden
op, gingen verder en tuimelden herhaaldelijk over elkaar heen. Builen
en blauwe plekken had ieder genoeg, zonder er ook maar op te letten,
zoodat ik mij over hun hardhuidigheid niet genoeg verwonderen kon; doch
terwijl ze hun ongevallen en verwondingen, die aan eigen schuld te
wijten waren, zoo licht opnamen, stelde ik aan den anderen kant vast,
dat, wanneer men iemand ook maar eenigszins te na kwam, hij dadelijk
woedend oprees om naar de wapenen te grijpen en te strijden.



        De onbestendigheid en wankelmoedigheid der menschheid in alle
        dingen.

9. Ook merkte ik op, dat zij veel genoegen vonden in nieuwigheden en
veranderingen in kleeding, bouwwijze, spraak, gang en andere dingen.
Zoo zag ik er eenigen, die niets deden dan bestendig van kleeding te
verwisselen en het eene kleed na het andere aan te trekken; weer
anderen dachten een nieuwe wijze van bouwen uit, om dan na een wijle
weer te vernielen, wat kort tevoren met moeite was opgericht. Zij
vatten nu eens dezen dan dien arbeid aan en lieten in hun
onbestendigheid alles spoedig weer liggen. Want als iemand zich onder
zijn last doodgezwoegd of hem in den steek gelaten had, werden dadelijk
anderen gevonden, die, hoe ongeloofelijk het klinken moge, om het bezit
ervan storm liepen, streden en worstelden. Onder hen allen was er
niemand, die iets gesproken, gedaan of opgesteld had, of dadelijk
kwamen anderen, die hem om zijn werk uitlachten, er een verkeerde
voorstelling van gaven of zijn werk vernielden. Meer dan een bracht met
buitengewone moeite en kosten een werk tot stand, waarin hij bijzonder
veel welgevallen had, en, ziedaar, een ander komt en werpt het om,
vernielt of bederft het, zoodat ik in de gansche wereld geen mensch
gezien heb, die het een of het andere ontwierp, dat niet door anderen
weder vernietigd werd. Ja, velen wachtten niet eens tot een ander dit
deed; zij vernielden meteen hun eigen werk, zoodat ik mij over deze
dwaze onbestendigheid en ijdele kwelling ten hoogste verwonderde.



        Hun hoogmoed en hun zelfoverschatting.

10. Ook zag ik velen, die op hooge houten schoenen liepen, van dikke
zoolen voorzien [10] en anderen, die zelfs op stelten liepen (om boven
alle anderen uit te steken en op hen van uit de hoogte te kunnen
neerzien), maar, hoe grooter hoogte iemand bereikte, des te
gemakkelijker viel hij neer of anderen, vermoedelijk uit naijver,
lichtten hem een beentje; dit wedervoer velen en maakte hen tot het
voorwerp van algemeen gelach; voorbeelden daarvan heb ik in menigte
gezien.



        Hun opgeblazenheid en eigenliefde.

11. Verder zag ik velen, die een spiegel droegen of terwijl zij met
anderen spraken, twistten, handgemeen waren of houtblokken
voortwentelden, ja zelfs, als zij op hun stelten liepen, zich met
welgevallen daarin van voren, van achteren en terzijde beschouwden, van
pleizier met de tong smakten om hun bewondering over eigen schoonheid,
gestalte en gang, en over eigen daden te kennen te geven. Zij reikten
ook hun spiegel aan anderen toe, opdat die eveneens daarin zouden zien.



        De dood brengt allen ellendig om.

12. Ten laatste zag ik den Dood overal in hun midden wandelen, terwijl
hij toegerust met een scherpe zeis, met pijl en boog, hen allen met
luider stem vermaande te gedenken, dat zij sterfelijk waren. Doch
niemand luisterde naar zijn roepstem en ieder bleef volharden in zijn
dwaasheid en onbetamelijk gedrag. Zoo nam hij dan de pijlen en
slingerde ze naar alle zijden op hen af; en allen, zonder onderscheid,
die hij in den grooten hoop trof, hetzij jong of oud, arm of rijk,
geleerd of ongeleerd, zegen ineen. Wie getroffen was, schreeuwde,
jammerde en brulde; diegenen, welke juist voorbijliepen, deinsden een
weinig terug, doch waren spoedig weer even zorgeloos. Sommigen weer
kwamen op den zwaargewonde toe en luisterden naar het reutelen van zijn
laatste ademhaling; en toen de verwonde zijn knieën bij den laatsten
snik optrok en den adem uitblies, riepen zij de geburen bijeen, zongen,
aten, dronken en maakten misbaar bij het lijk; een enkele trok daarbij
een potsierlijk gezicht. Vervolgens namen zij den dooden man op,
sleepten hem buiten den kring en wierpen hem over de omheining in den
donkeren afgrond, die de wereld omringt. Nauwelijks van daar
teruggekeerd, gaven zij zich opnieuw aan zwelgerijen over. Wel
ontsnapte niemand aan den Dood, doch men deed zijn uiterste best hem
niet onder de oogen te zien, ofschoon hij hen dikwijls op een haar na
aanroerde.



        Verschillende ziekten.

13. Ik zag verder, dat niet allen, die door pijlen getroffen waren,
terstond dood neervielen; eenigen waren slechts gewond, verlamd, blind,
bedwelmd of bewusteloos. Sommigen zwollen na hunne verwonding als een
blaar op, anderen verdorden en werden zoo mager als een hout; weder
anderen trilden als espenloof, zoodat het aantal menschen, die met
wonden bedekt en met rottende en etterende ledematen rondliepen,
grooter was dan dat der gezonde lieden.



        Tegen den dood is alle hulp ijdel.

14. Ik zag ook vele menschen druk in de weer met het verkoopen van
pleisters, zalven en verschillende dranken als middelen tegen deze
wonden en elkeen kocht van hen, hoogst verblijd, en in de hoop den Dood
zoo te kunnen trotseeren. Doch deze stoorde zich daaraan niet, schoot
verder zijn pijlen af en velde zelfs deze verkoopers. Het was voor mij
een weemoedig schouwspel te zien, hoe een schepsel, bestemd tot
onsterfelijkheid, zoo jammerlijk en onverwacht, en op zoo verschillende
wijze door den dood omkomt. In het bijzonder, toen ik vond, dat bijna
altijd, wanneer iemand zich er toe zette, zoo echt zijn leven te
genieten, wanneer hij vrienden om zich had verzameld, zijn
aangelegenheden verzorgd, zijn huis besteld en geld bijeengeschraapt
had, of op andere wijze goederen bijeengegaard en zijn welvaart
vermeerderd had, de pijl van den Dood juist op dat oogenblik op hem
aansnorde en een eind aan alles maakte; en wie zich in deze wereld het
schoonste bed had gespreid, werd daaruit weggesleurd en moest ervaren,
dat al zijn werk tot niets geleid had; wanneer nu een ander zijn plaats
innam, trof hem hetzelfde lot, een derde even goed als een tiende of
honderdste. Toen ik daar zag, dat niemand met deze onzekerheid des
levens rekening wilde houden en haar ter harte nemen, en allen zich
integendeel gedroegen, als waren zij zeker van de onsterfelijkheid,
terwijl zij toch met een voet in het graf stonden (waarover mijn hart
van leed in mij dreigde te breken), wilde ik mijn stem verheffen,
vermanen en smeeken, dat zij hun oogen openen en den Dood, die zijn
pijlen op hen aanlegde, in het aangezicht zouden zien om hem langs den
een of anderen weg te ontwijken. Maar ik zag in, dat mijn zwakke stem
niets zou vermogen, daar zelfs de Dood noch door zijn voortdurende
roepstem, noch doordat hij in zijn verschrikkelijke gestalte aanhoudend
voor hen stond, iets bij hen kon uitrichten. Ik zeide dus in stilte:
„Het moge God geklaagd wezen, voor altijd, dat wij, ellendige
stervelingen, tot ons ongeluk zoo verblind zijn!” Mijn gids verstond
mij evenwel en sprak: „Eilieve, zou het dan wijs zijn, zich zoo met
gedachten over den dood te kwellen? Juist omdat ieder weet, dat hij hem
niet ontsnappen kan, is het beter die gedachten te bannen, zich liever
om zijn eigen persoon te bekommeren en vroolijk zijn gang te gaan. Komt
hij, zoo is hij daar; in eenige uren is het afgeloopen, en vaak zelfs
in een enkel oogenblik. Moeten daarom, als iemand sterft, de anderen
ophouden vroolijk te zijn? En hoevelen worden er niet geboren en
vervullen weer de plaats van dien eenen in de wereld?” Waarop ik zeide:
„als dat de ware wijsheid is, dan moet ik haar niet recht verslaan,” en
ik hield mij stil.



        De menschen halen zich zelf ziekte en dood op den hals.

15. Ik wil echter niet verzwijgen, dat, terwijl ik de doodelijke pijlen
in ontelbare massa door de lucht zag vliegen, de vraag in mijn brein
opkwam: „waar haalt de Dood toch die menigte pijlen vandaan, zonder dat
hij zijn voorraad ooit schijnt te hebben uitgeput? Ik zag toe en
bemerkte heel duidelijk, dat de Dood zelf geen eigen pijlen noch boog
bezat; de pijlen nam hij echter den menschen af, en wel van ieder juist
dien pijl, waarmee hij zelf zou worden getroffen. Ik zag, dat de
menschen dergelijke pijlen zelf vervaardigden en hoe sommigen
overmoedig en vermetel genoeg waren, ze zelf den dood over te reiken,
zoodat hij nauwelijks de handen vrij kreeg om de pijlen, die hij gereed
vond, van hen aan te nemen en ze hun in het hart te schieten. Toen
schreeuwde ik het uit: „Nu zie ik, hoe waar het spreekwoord is: Et
mortis faber est quilibet ipse suae [11]; ik zie nu, dat niemand
sterft, die niet door zijn overdaad, onmatigheid, en overmoed, of ook
ten slotte door eigen onverschilligheid zich zelf zweren en builen,
inwendige en uitwendige wonden (want dat zijn de pijlen des doods)
heeft berokkend.” Terwijl ik nu zoo nauwlettend op den Dood en zijn
gretig zoeken naar menschelijken buit acht geef, grijpt de Verblinding
mij bij den arm en zegt: „Waarom, dwaas, die ge zijt, kijkt ge liever
naar de dooden dan naar de levenden? Wie sterft, met dien is het uit;
doch gij, houd u bereid te leven.”








HOOFDSTUK VIII.

DE PELGRIM ONDERZOEKT DEN ECHTELIJKEN STAND.


        Zich te schikken in den echtelijken stand is moeilijk en
        bezwaarlijk.

Zij leidden mij nu verder en brachten mij in de straat, waarin naar hun
zeggen de gehuwden woonden, opdat ik daar het heerlijke, echtelijke
leven goed zou leeren kennen. En zie, daar stond een poort, die, naar
men mij meedeelde, de Verloving heette; vóór de poort was een ruime
plaats, waarop groote menschenmenigten van beiderlei kunne, op en neer
wandelden en daarbij elkander in de oogen zagen; en niet alleen dat,
doch zij namen ook opmerkzaam elkanders ooren, neus, gebit, hals, tong,
handen, voeten en andere lichaamsdeelen op; de een deed ook opmetingen
bij den ander, hoe groot, hoe breed, hoe dik of hoe slank deze was.
Eerst trad dan een bepaald persoon op een ander toe, vervolgens week
hij eenigszins achteruit, beschouwde haar dan van voren, van achteren,
van rechts en van links, en overzag dan nog eens alles, wat hij bij
haar waargenomen had. Vooral lette men (ik heb het heel dikwijls
gezien) op elkanders zak, geldbuidel of beurs, terwijl men dan
nauwkeurig mat en woog, hoe lang en breed, hoe dik, hoe stijf gevuld of
licht deze was.—Somtijds wezen eenigen onder hen elkaar een bepaalde
vrouw aan, en niemand nam haar; dan weer trachtte de een den ander de
loef af te steken, en ontstonden er twisten en vechtpartijen; moorden
werden er zelfs gepleegd. Gelukte het iemand een ander te verdringen,
dan trof hem terstond daarop van een derde zijde hetzelfde lot; soms
had iemand zijn medeminnaar verdreven en liet niettemin zijn buit
vrijwillig in den steek. Een ander wenschte zijn tijd niet te verliezen
met onderzoek en greep dadelijk naar de eerste de beste; daarna schreed
het paar hand in hand naar de poort. Toen ik van deze soort kluchten
genoeg gezien had, vroeg ik, wat deze menschen toch eigenlijk
uitvoerden, en kreeg van mijn tolk ten antwoord: „Het zijn de menschen,
die gaarne in de huwelijksstraat willen wonen, maar omdat zij door
gindsche poort niet afzonderlijk, doch alleen paarsgewijs worden
binnengelaten, moet ieder zich eerst een kameraad uitkiezen. Deze keuze
vindt nu juist hier plaats en ieder zoekt zich de levensgezellin, die
hem het beste past; wie zoo gelukkig is haar te vinden, gaat, zooals
gij ziet, met haar de poort binnen.”—„En kon deze keuze hem dan niet
wat lichter gemaakt worden,” vroeg ik, „welk eene ontzaggelijke moeite
kost dat alles.”—„Het is geen moeite,” antwoordde hij, „maar genot; of
ziet gij niet, hoe vroolijk zij zich daarbij gedragen, hoe zij lachen,
zingen en hoe uitgelaten zij zijn? Geen enkele levenswijze, geloof mij,
is zoo vroolijk als deze.”—Zoo keek ik dan nog eens rond en zag
inderdaad sommigen lachen en jubelen, maar ik zag ook anderen, die
treurig het hoofd lieten hangen en door onrust gepijnigd waren, nu hier
dan daar ronddrentelden, vervolgens naar de plaats van uitgang
terugkeerden, zich voortdurend aftobden, niet konden slapen of eten, ja
zelfs tot waanzin vervielen.—Ik waagde schuchter de tegenwerping: „Hoe
is het dan toch met dezen gesteld?” waarop het antwoord luidde: „Ook
dit is vergenoegd zijn!” „Het moge zoo zijn,” sprak ik, „laat ons
voortgaan en zien, wat daar geschiedt.”



        Groote onzekerheid betreffende de opname in den stand.

2. Wij drongen ons derhalve door de menigte heen en kwamen zoo tot vlak
bij de poort. Voordat we haar echter binnentraden, zie, daar was een
weegschaal, waaraan twee manden als schalen hingen en die door veel
menschen omringd was. Op deze weegschaal plaatste men steeds twee
personen, elk in een der korven tegenover elkaar, en men zag toe, of ze
in evenwicht was. Men verdrong zich om de weegschaal en verspreidde
zich weder, schudde er aan, bracht ze weer tot stilstand en liet ieder
paar, nadat men het gewogen had, de poort binnengaan. Maar niet ieder
wedervoer hetzelfde, want sommigen vielen door den mand in het stof,
oogstten spot in en moesten met schande hun biezen pakken en het veld
ruimen; daarbij trok men hun nog een soort kap of zak over de ooren en
vermaakte zich te hunnen koste. Bij het beschouwen hiervan vroeg ik,
wat dit alles toch beteekende? Mijn gids antwoordde: „Hier vindt de
verloving plaats, als zij op veiligen grondslag berust. Want als de
weegschaal in evenwicht is, worden zij tot dezen stand toegelaten,
zooals gij ziet; indien niet zoo gaan zij weder uit elkander.” „En wat
verstaat men hier eigenlijk onder evenwicht?,” vroeg ik nader, „ik zie
immers, dat vele paren, wat leeftijd en stand betreft, en ook in menig
ander opzicht, door de weegschaal als gelijkwaardig worden aangewezen
en toch laat men een van beiden door den mand vallen; anderen
daarentegen, die zeer ongelijk zijn, grijsaards en jonge meisjes,
jongelingen en oude vrouwen, zetten zij naast elkander; de een rijst en
de ander daalt laag en toch oordeelt men, dat zij toegelaten mogen
worden; wat is hiervan de reden?”—„Gij hebt niet alles gezien,”
verklaarde hij mij. „Het is waar, dat menig grijsaard of besje het
gewicht van een pond heede [12] niet haalt, maar omdat zij een goed
gespekte beurs hebben of een hoed, waarvoor andere hoeden van het hoofd
vliegen of meer dergelijke schoone dingen bezitten, (want al zulke
zaken leggen mede gewicht in de schaal), verloopt het zoo, dat veel
anders uitvalt dan gij verwachten zoudt.”



        De wijze, waarop zij te zamen verbonden zijn, is
        onveranderlijk.

3. Terwijl ik hen volgde, die men tot de poort had toegelaten, en mee
naar binnen ging, viel mijn blik op eenige mannen, op smeden gelijkend,
die bezig waren, elk paar, dat binnentrad in verschrikkelijke ketenen
te slaan en het eerst, nadat het aldus geboeid was, veroorloofden
verder te gaan. Bij dit in boeien slaan waren vele lieden aanwezig,
opzettelijk, naar het heette, uitgenoodigd, om daarvan getuigen te
zijn, zij maakten muziek voor de paren, zongen en verzochten hun,
goedsmoeds te zijn. Ik gaf evenwel goed acht en merkte op, dat men de
ketenen niet, zooals bij andere gevangenen pleegt te geschieden, met
een slot vastgemaakt, doch ze onmiddellijk en gloeiend aan elkander
vastgesmeed, geweld en gesoldeerd had, zoodat zij deze gedurende hun
gansche leven op aarde niet konden losmaken of verbreken. Dit
verschrikte mij en ik riep uit: „O, allergruwelijkste gevangenschap!
als iemand eens daarin geraakt is, heeft hij in eeuwigheid geen hoop,
verlost te worden!” Mijn tolk antwoordde: „Zeker, deze band is de
hechtste van alle menschelijke banden; maar men behoeft er daarom niet
bevreesd voor te zijn. Want deze stand biedt zooveel zoete vreugde, dat
men zich gaarne het juk laat welgevallen; gij zult u zelf daarvan
overtuigen, welk een heerlijk leven het is.”—„Laten wij ons dan bij hen
voegen, opdat ik het zien moge,” zeide ik.



        De beste huwelijken geven slechts een middelmatig geluk.

4. Wij sloegen vervolgens de straat in en zie, daar was een heele
schare van deze lieden, uitsluitend gepaard; doch, naar het mij
toescheen, was menig span zeer ongelijk, want forsche personen waren
met tengere, schoone met leelijke, jonge met oude verbonden,
enzoovoort. En terwijl ik nauwlettend acht gaf op hun handelingen, om
te zien, waarin de zoetheid van dezen staat wel gelegen was, kon ik
alleen maar opmerken, dat zij elkander aanzagen, met elkander spraken,
en dat somtijds de een den ander streelde en kuste.—„Hier ziet gij nu,”
zeide mijn gids, „hoe rein en heerlijk een gelukkig huwelijk is.”—„Is
dit dan alles, wat men in het beste geval te verwachten
heeft?”—„Zeker,” luidde zijn antwoord.—Ik zeide: „Dan vind ik in den
echt slechts weinig verheugenis en weet ik niet, of zij tegen de
verloren vrijheid wel opweegt.”



        Ellende en kommer zijn het deel van alle echtelieden.

5. Ik zag om mij heen en bemerkte, hoe die stakkers onder moeiten en
kwellingen gebukt gingen. Voor het grootste deel hadden zij in een
lange rij hun kinderen bij zich, die zij met touwen, als leidsels, aan
zich vastgehecht hadden en die luid schreeuwden, krijschten, kwalijk
riekten, zich bevuilden, soms ziek werden en stierven, om maar te
zwijgen van de tranen, de pijnen en gevaren voor het leven der moeders
bij het ter wereld brengen der kinderen. Als nu een kind tot rijperen
leeftijd opgegroeid was, had men dubbel werk: in de eerste plaats om
het kind met den teugel in toom te houden, in de tweede plaats, om het
door middel van sporen aan te zetten, daar zij dikwijls ongevoelig voor
breidel en spoor, wonderlijke bokkesprongen maakten en oorzaak waren
van veel vermoeienis en tranen bij hun ouders. Doch als zij den
kinderen veroorloofden hun eigen zin te volgen of dezen zich van hen
losscheurden, sproot daaruit dikwijls dood en schande voor de ouders
voort. Toen ik dit hier en daar waarnam, begon ik eenigen van hen te
vermanen, zoowel ouders als kinderen; de eersten waarschuwde ik voor
hun apenliefde en al te groote toegevendheid; de kinderen spoorde ik
aan, toch gehoorzamer te zijn. Doch ik had alles behalve succes; men
trok een leelijk gezicht tegen mij, wierp mij stekelige gezegden naar
het hoofd, ja eenigen bedreigden mij zelfs met den dood. En ik prees de
kinderloozen gelukkig, die ik onder hen opmerkte. Maar het was haar
niet minder bang te moede en zij klaagden over haar troosteloos
bestaan. Zoo kwam ik tot de slotsom, dat het bezit zoowel als het gemis
van kinderen het huwelijk tot een bron van ellende maakt. Bovendien
hadden de meeste echtparen, tot hulp van zich zelf en van hun
huisgenooten, vreemden bij zich inwonen, aan wie zij dikwijls meer zorg
moesten besteden, dan aan zich zelf en hun gezin en van wie zij
bovendien nog veel onaangenaams moesten ondervinden. En overigens lagen
hier, evenals op het groote marktplein, vele hindernissen en
struikelblokken, zooals steenen, boomstronken, kuilen; stiet iemand
daartegen, dan struikelde hij, viel en verwondde zich; dan moest de
andere, doordat zij aan elkander vastgeklonken waren, ook met hem
hijgen van benauwdheid en de tranen en smarten met hem deelen, zoodat
aan een ieder, die tot dezen stand behoorde, in plaats van één zorg,
moeite of gevaar, er zoo vele ten deel vielen, als er menschen waren,
aan wie hij was verbonden. Daarom mishaagde mij deze stand.



        Een mislukte echtverbintenis is een vreeselijk treurspel.

6. Terwijl ik eenigen uit hen, die daar verzameld waren, goed opnam,
speelde zich een ware tragedie voor mijn oogen af. Het waren stellig
menschen, wel verbonden door den echtelijken band, doch niet gelijk van
wil; deze wilde zus, gene zoo; de een poogde dezen weg te gaan, de
ander dien; en daar zij het niet eens werden, leefden zij voortdurend
in twist en oneenigheid en snauwden elkander af. Hier en daar klaagde
er een aan de voorbijgangers zijn leed; en wanneer niemand hunner als
scheidsrechter optrad, ging de een den ander te lijf, sloeg hem met de
vuist en roste hem af; als het evenwel gelukte, hen met elkaar te
verzoenen, zaten zij elkaar een poos later opnieuw in de haren.
Sommigen redetwistten er lang over, of zij rechts, dan wel links zouden
gaan; daar echter ieder hardnekkig in de richting volhardde, waarin hij
wenschte te gaan, wendde de een zich met veel geweld naar deze, de
andere naar gene zijde; zoo sleurden zij elkander over en weer en het
was een droevig schouwspel te zien, hoe men streed om den ander te
dwingen de zelfgekozen richting te volgen. Somwijlen behaalde de man de
overwinning en sleurde de vrouw achter zich aan, ofschoon zij zich aan
de aarde, aan het gras, of waaraan zij kon, poogde vast te klampen;
soms evenwel moest de man achter de vrouw aanloopen, hetgeen bij de
anderen den lachlust opwekte. Mij echter scheen de zaak meer
betreurenswaardig dan belachelijk te zijn, vooral toen ik zag, hoe
velen, die zich in dezen jammerlijken toestand bevonden, zuchtten,
weenden, de ten hemel geheven handen wrongen en luidkeels riepen, dat
zij zich gaarne met goud en zilver uit deze banden wilden loskoopen,
indien het slechts mogelijk ware. En ik zeide tot mijn begeleider: „Kan
hun dan volstrekt geen hulp verleend worden? Kunnen hun banden niet
geslaakt en zij van elkander gescheiden worden, daar zij het toch niet
met elkander kunnen vinden?” „Dat is onmogelijk,” antwoordde hij mij,
„zij moeten bij elkander blijven, zoolang zij leven.” „O, welk een
gruwelijke gevangenschap en slavernij!” riep ik uit, „dit is werkelijk
erger dan de dood”; waarop hij weer opmerkte: „waarom hebben zij den
beslissenden stap van te voren niet beter overdacht? Hun geschiedt,
naar zij verdiend hebben; laten zij in hun oneenigheid blijven!”



        Het huwelijk is een vrijwillige slavernij.

7. En zie! daar doorschoot de Dood eenigen met zijn pijlen en velde hen
neder; en terstond vielen hun de boeien af. Ik wenschte hun geluk
daarmede, omdat ik van meening was, dat het met hun eigen wenschen
overeenkwam en zij zich over hun bevrijding hartelijk zouden verheugen.
Doch hoe verwonderd stond ik te kijken! Bijna ieder van hen brak in
zulk een vloed van tranen en weeklachten uit, als ik elders op de
wereld nauwelijks heb gehoord; hij wrong de handen en klaagde over zijn
ongeluk. Bij degenen, die ik kort te voren vredig met elkaar had zien
samenleven, vond ik het zeer begrijpelijk, dat het den een om den ander
waarlijk bang te moede was, doch wat de anderen betreft, geloofde ik,
dat zij alleen maar voor het oog der menschen zich zoo aanstelden. Ik
had er wel op willen zweren, dat zij berouw hadden van hun dwaling en
anderen den weg zouden wijzen, hoe deze boeien te ontgaan. Doch
integendeel, voor ik er op bedacht was, wischten zij zich de oogen af,
liepen haastig tot voor de poort en keerden terug in nieuwe boeien.
Toen kon ik mijn toorn niet meer beheerschen: „O, monsters,” zeide ik,
„gij zijt geen medelijden waard!” en tot mijn gids: „Laat ons van hier
gaan, ik vind in dezen stand meer ijdelheid dan in iets anders.”



        De pelgrim onder het huwelijksjuk.

8. Terwijl wij intusschen terugkeerden tot de poort der scheiding (ik
wil dit voorval niet verzwijgen), begonnen mijn gidsen, zoowel
Overalbij als de Verblinding, hoewel ik het voornemen had verder de
wereld te bekijken, mij met aandrang te overreden, ook zelf in den
echtelijken staat te treden; dan zoude ik beter verstaan, wat hij
eigenlijk beteekent. Ik voerde daartegen aan, dat ik jong was, dat de
voorbeelden, die ik gezien had, mij afschrikten, dat ik alles op de
wereld nog niet onderzocht had, enzoovoort. Doch het baatte mij niet,
zij verlokten mij, om als in scherts in de weegschaal plaats te nemen.
Daar geraakte ik in boeien en ging verder mijns weegs, thans zelf deel
uitmakend van een aaneengekluisterd viertal [13]; zij voegden nog een
aantal anderen, naar het heette, als bedienden en om mij eer te
bewijzen, aan ons toe, zoodat ik nauwelijks, hijgend en steunend, in
staat was, die allen achter mij aan te sleepen. Daar breekt op eenmaal
een onweder los, vergezeld van donder, bliksem en vreeselijken
hagelslag. Allen stoven uiteen, behalve zij, die aan mij verbonden
waren; en toen ik met hen in een hoek de wijk nam, rukten de pijlen van
den Dood daar al de mijnen [14] weg, zoodat ik, jammerlijk alleen
gelaten, door het verlies van mijn drie metgezellen, en van schrik als
verlamd, niet wist, wat ik nu zou beginnen. Mijn gidsen zochten mij te
troosten door te zeggen, dat ik met het oog op deze benarde tijden
liever moest bedenken, dat dit mijn vlucht gemakkelijker zou maken.
Doch ik zei: „Waarom hebt gij mij dan eerst dien raad gegeven?” Zij
meenden, dat het nu geen tijd was om elkaar verwijten te doen, dat ik
liever de vlucht moest nemen. En zoo maakte ik mij snel uit de voeten.



        Eindoordeel van den pelgrim.

9. Nu ik zoo het gevaar ontsnapt ben, weet ik waarlijk niet, wat ik
eigenlijk van dien stand moet zeggen: of een gelukkig huwelijk—zooals
mij, naar ik veronderstel, zou zijn ten deel gevallen—de bron van meer
vreugde of van meer leed, om verschillende oorzaken, zou geweest zijn.
Zooveel staat wel vast, dat, zoowel het leven aan de zijde eener vrouw
als zonder haar, benauwend is en ook, al valt het huwelijk nog zoo
schitterend uit, het zoete met het bittere is gemengd.








HOOFDSTUK IX.

DE PELGRIM ONDERZOEKT DEN HANDWERKSSTAND.


        Wat hij er in het openbaar opmerkte.

Als wij zoo verder gingen, kwamen wij in de straat, waar de
verschillende ambachten uitgeoefend werden en die zich weder in vele
kleine straten en pleinen verdeelde; daar waren overal hallen,
werkplaatsen, smidsen, winkels en kramen, voorzien van de
menigvuldigste en zonderlingste goederen en gereedschappen, in wier
omgeving de menschenmassa op wonderlijke wijze ronddwarrelde, terwijl
een geweldig lawaai van kloppen en hameren, ratelen, rollen en knarsen,
van snorren, loeien, fluiten en sissen de lucht vervulde. Ik zag hier,
hoe sommigen in de aarde woelden en den grond openscheurden, doordat
zij deels aan de oppervlakte den bodem openreten, deels het binnenste
der aarde als mollen doorwroetten. Anderen plasten in het water, voeren
op de rivieren en op de zee; nog anderen pookten het vuur op; eenigen
staarden suf voor zich uit; anderen worstelden met wilde dieren;
sommigen hanteerden hout en steenen of droegen en vervoerden allerhande
dingen van de eene plaats naar de andere. „Zie,” zeide mijn tolk, „welk
een vernuftige en vroolijke arbeid hier verricht wordt; wel, wat bevalt
u hier het best?” Ik zeide: „Het mag waar zijn, dat hier de indruk van
vroolijkheid gewekt wordt; ik zie evenwel tevens, dat er veel wordt
gezwoegd en hoor daarbij veel gesteun.” „Niet alle arbeid is even
zwaar,” antwoordde hij mij, „daarom willen wij de bedrijven één voor
één wat van naderbij bezien.” Zij leidden mij nu overal rond; ik leerde
alles kennen en vatte ook zelf somtijds—om ervaringen op te doen—het
eene of andere voorwerp aan. Doch ik kan noch wil alles hier
beschrijven. Wat ik openlijk daar al zoo waargenomen heb, wil ik den
lezer niet onthouden.



        Alle handel en bedrijf is met gevaar verbonden,

In de eerste plaats bemerkte ik, dat alle handel en bedrijf van de
menschen slechts ijdele moeite en kwelling is en dat zij alle hun
schaduwzijde hebben en met gevaar verbonden zijn. Zoo zag ik, dat
diegenen, welke met het vuur te maken hebben, door den rook met roet
waren bedekt en er zoo zwart als mooren uitzagen, dat hun het kloppen
der hamers steeds in de ooren dreunde en zij daardoor bijna niets
anders konden hooren; dat steeds de gloed van het vuur hun oogen deed
glanzen en hun huid daardoor gezengd, met blaren bedekt en
opengesprongen was. Diegenen daarentegen, die hun handwerk onder de
aarde verrichtten, hadden duisternis en verschrikking tot gezelschap en
niet zelden kwam het voor, dat zij onder de aarde bedolven werden.
Degenen, die hun beroep op het water uitoefenden, waren doorweekt als
een rieten dak; zij sidderden van koude als espenloof, begonnen aan
zeere ingewanden te lijden en niet weinigen hunner vonden hun graf in
de diepte. De huid van hen, die hout, steen en ander materiaal
bearbeidden, was met eelt bedekt, zij steunden onder het werk en matten
zich tot het uiterste af. Ook zag ik, dat sommigen met onbenulligen
arbeid zich inspanden, tot zij geheel bezweet werden en door hun
afmatting op het punt stonden er bij neer te vallen, ja zich zelfs
lichamelijke schade deden en hun krachten sloopten, terwijl zij als
loon voor dit ellendige zwoegen er nauwelijks in slaagden een stuk
droog brood te verdienen. Wel waren er anderen, die zich gemakkelijker
en met meer voordeel hun weg door het leven baanden; doch hoe minder
zij zich inspanden, des te slechter en bedriegelijker middelen moesten
zij te baat nemen.



        en laat verpoozing noch rust toe;

In de tweede plaats zag ik, dat alle arbeid der menschen dienen moet om
den mond te vullen; want wat zij bijeenzamelden, stopten zij zich en
den hunnen in den mond, de weinigen uitgezonderd, die, hetgeen zij den
mond onthielden, in den buidel deden. Maar deze was, zooals ik
herhaaldelijk zag, vol gaten, zoodat hetgeen men daarin deed, er weder
uitviel en door anderen opgeraapt werd; of wel er kwam iemand, die den
geldbuidel aan den bezitter ontrukte; deze kwam ergens in de klem en
scheurde, of raakte herhaaldelijk door een of ander ongelukkig toeval
verloren, zoodat men duidelijk zien kon, dat als resultaat van al deze
menschelijke inspanning het geld zoo gemakkelijk als water wegvloeit.
Immers men verwierf het geld om het even spoedig weer kwijt te raken,
slechts met dit onderscheid, dat het gemakkelijker wegvloeide dan
toestroomde, hetzij dan dat men het door de keel joeg of van de eene
kast in de andere liet glijden. Daarom zag ik overal ook meer armen dan
rijken.



        en vordert geen lichte inspanning;

In de derde plaats zag ik, dat iedere arbeid de geheele kracht van den
mensch vergde. Indien iemand besluiteloos omzag of draalde bij het
begin van zijn werk, bleef hij dadelijk ten achter; onmiddellijk viel
hem alles uit de hand en vóórdat hij er erg in had, zat hij op het
droge.



        heeft vele hinderpalen te overwinnen;

In de vierde plaats zag ik, dat men overal met vele bezwaren te
worstelen had. Voordat iemand zich in zijn beroep goed had ingewerkt,
was een goed deel van zijn levenstijd voorbij gevlogen en was hij
hierin eenmaal geslaagd, dan diende hij zeer waakzaam te zijn, of alles
ging terstond weer den verkeerden kant uit; ja, ik bevond, dat zelfs
den wakkersten man afwisselend winst en verlies ten deel viel.



        wekt nijd en afgunst op;

In de vijfde plaats bemerkte ik, dat overal en voornamelijk bij hen,
die hetzelfde bedrijf uitoefenden, veel nijd en afgunst heerschte. Want
zoodra een van hen meer opdrachten kreeg of meer goederen diens
werkplaats verlieten, keken hem zijn buren dadelijk met schele oogen
aan, knarsten op de tanden en bedierven zijn werk, waar zij het slechts
konden. Daaruit ontstond oneenigheid; men twistte en vloekte. Sommigen
wierpen uit ongeduld hun gereedschap weg en gaven zich, om de anderen
te trotseeren, aan lediggang over, die tot vrijwillige armoede voerde.



        is zondig;

In de zesde plaats vond ik overal veel leugen en bedrog. Den arbeid,
dien men vooral voor anderen verrichtte, deed men haastig en
oppervlakkig, terwijl men intusschen zijn eigen werk aanprees en de
waarde daarvan in de hoogste mate overdreef.



        ijdel en overtollig;

In de zevende plaats werd mij duidelijk bewust, dat vele dingen ijdel
en overbodig en de meeste menschelijke bezigheden enkel ijdelheid en
nuttelooze dwaasheid zijn. Want daar zeer zeker een geringe hoeveelheid
zeer eenvoudige spijs en drank toereikend is om het lichaam des
menschen te onderhouden, weinige en eenvoudige kleedingstukken
voldoende zijn om het te bedekken, een kleine, eenvoudige stulp om hem
te beschutten, zoo volgt daaruit, dat slechts kleine en luttele zorg en
moeite daartoe noodig is, zooals inderdaad in oude tijden de zede
was.—Hier bleek mij evenwel, dat de menschen tegenwoordig deze waarheid
niet kunnen of niet willen begrijpen, omdat zij gewoon geraakt zijn hun
buik met zooveel ongewone dingen te vullen en vol te proppen, zoodat
alleen om deze aan te voeren, reeds een groot deel der menschen te
water en te land zich afsloven en zelfs leven en gezondheid in de
waagschaal moeten stellen, en daarna weer bijzonder geschoolde lieden
de kunst moeten verstaan de uitgezochte spijzen te bereiden. Op gelijke
wijze houdt zich een niet gering deel der menschen daarmee bezig,
allerlei grondstoffen voor kleeding en bouwbedrijf bijeen te brengen en
daaraan menigvuldige, wonderlijke modellen en vormen te geven; dit
alles is overtollig en ijdel en vaak zelfs zondig. Zoo zag ik ook vele
werklieden, wier kunst en streven er geheel op gericht was,
kinderspeelgoed en ander speeltuig tot vermaak en tijdverdrijf te
vervaardigen. Weer anderen waren er, wier werkzaamheid bestond in het
maken van groote massa’s werktuigen der wreedheid, zooals: zwaarden,
dolken, strijdknotsen en geweren enzoovoort. Hoe nu de menschen met een
gerust geweten en opgewektheid zich met heel dezen tak van nijverheid
kunnen bezig houden, is mij onbegrijpelijk; maar één ding staat vast:
wanneer men elke onnoodige, overbodige en zondige handeling uit hun
arbeid wilde wegnemen en daarvan afzonderen, dan zou het grootste deel
van den handel en het bedrijf der menschen te gronde gaan. Uit hoofde
van deze en de boven aangevoerde gronden kon mijn gemoed hierin geen
bevrediging vinden.

8. Dit was bovenal het geval, toen ik eindelijk nog inzag, dat men hier
het lichaam in dienst stelde van het vleesch, terwijl toch ieder mensch
een veel hooger goed, de ziel, bezit, en hij vóór alles dient te
wedijveren in de zorg voor den arbeid aan haar besteed en op haar
voordeel en gewin in de eerste plaats moet bedacht zijn.

9. Eén ding rest mij nog in het bijzonder te vermelden, hoe het mij te
land bij de voerlieden en op zee onder de zeelieden gegaan is. Toen ik
dan zoo terneergeslagen door de werkplaatsen der handwerkslieden
heenschreed, zei Overalbij tot de Verblinding: „ik zie reeds, dat onze
vriend ongedurig en als kwikzilver is, dat ook voortdurend naar
beweging streeft, daarom is er geen plaats, die hem lijkt en wil hij
zich aan geen enkel beroep binden. Toonen wij hem er een, dat hem
ruimte laat zich te bewegen: de koopmanschap; dan kan hij de wereld in
alle richtingen doorreizen en vrij als een vogel rondvliegen. Ik
verklaarde mijnerzijds geen bezwaar te hebben ook dit te beproeven en
zoo gingen wij dan op weg.



        Het zwoegende leven van den voerman.

10. Al spoedig zag ik mij geplaatst te midden van een groote schare
menschen, die zich druk heen en weer bewogen, en verschillende dingen,
zelfs houtsplinters, molm en mest verzamelden, opeenhoopten, ze dan van
den grond opnamen en tot balen verpakten. Ik vroeg, wat dit te beduiden
had. Zij antwoordden, dat zij toebereidselen maakten voor de reis door
de wereld. Ik vroeg: „waarom reizen zij niet zonder deze lasten? Zij
zouden zich toch veel lichter kunnen bewegen.” De gidsen antwoordden:
„Dwaas, die gij zijt. Gelooft gij, dat zij zonder deze reisvaardig
zouden zijn? Wat gij ziet, zijn hun vleugels.” „Vleugels?” riep ik
uit.—„Ja, waarlijk vleugels! Want deze geven hun veerkracht en moed en
verzekeren hun op den koop toe overal nog toegang als pas en
vrijgeleide. Of denkt gij dat men doelloos in de wereld mag
rondzwerven? Op deze wijze moeten zij hun levensonderhoud, de gunst
hunner medemenschen en al het verdere verwerven.” Toen ik hen
vervolgens nauwkeuriger waarnam, zag ik, hoe een ieder zoo groot
mogelijke pakken met waren trachtte bijeen te brengen, en deze dan,
nadat hij ze behoorlijk gewogen had, op een onderstel met daaronder
aangebrachte wielen wentelde en daaraan bevestigde; dan werden voor het
voertuig trekdieren gespannen, en zoo ging het onder zwoegen en slaven
voorwaarts, met al deze goederen, over heuvels, bergen, door dalen en
ravijnen, terwijl zij zich diets maakten, dat dit een bij uitstek
vroolijk leven was, hetgeen ik aanvankelijk ook geloofde. Doch toen ik
zag, dat zij somtijds in de modder bleven steken, zich vuil maakten,
door het water waadden, zich moesten inspannen en afbeulen, en zoowel
van regenstormen en sneeuwjachten, als van koude en hitte heel wat
ongemak te verduren hadden; dat in de bergpassen roovers op hen
loerden, hun waren overhoop haalden, en hun de beurzen lichtten, (en om
dit lot te ontvlieden hielp hun evenmin woeden als razen of tieren) dat
zij ook dikwijls op den open landweg door een rooversbende aangevallen
werden en hun leven voortdurend op het spel stond, verging mij alle
lust tot dit beroep.



        De gevaren van het zeemansleven.

11. Toen zeiden zij mij, dat er nog een andere, meer geriefelijke wijze
was om de wereld te doorkruisen, namelijk door te varen; dan, gaven zij
voor, werd een mensch niet door elkaar geschud, kreeg hij geen bevuilde
kleederen en bleef hij in het slijk niet steken, maar kon als een pijl
van het eene eind der wereld naar het andere vliegen, om overal wat
nieuws, buitengewoons en ongehoords te vinden. Zoo leidden zij mij tot
den rand van het vasteland, waar wij niets anders voor ons zagen dan de
zee en het gewelf van den hemel daar boven.



        Beschrijving van het schip.

12. Men beval mij een huisje binnen te treden, dat van planken
getimmerd was. Het stond niet op den vasten grond, had ook geen
fundamenten, was evenmin sterk bevestigd door zuilen, stutten of
steunbeeren, maar het dreef op het water en schommelde heen en weer,
zoodat men zich nog wel eens bedacht, alvorens het te betreden. Doch
toen ik de anderen zag binnengaan, bleef ook ik niet achter om niet
bevreesd te schijnen, want men zeide mij, dat dit ons voertuig was.
Hoewel ik nu verwacht had, dat wij weldra wegvaren of, zooals het
heette, wegvliegen zouden, bleven we daar, waar wij waren, één, twee,
drie, zelfs tien dagen onbeweeglijk liggen. „Wat is er nu weer aan de
hand,” vroeg ik, „het heette immers, dat wij van het eene eind der
wereld naar het andere zouden vliegen, en nu komen wij met geen
mogelijkheid zelfs van onze plaats.” „Laat maar eerst het voorspan
aankomen,” zei mijn gids en vertelde mij, dat dit span stal noch voer,
spoor noch zweep noodig had; men had alleen maar in te spannen om
dadelijk weg te varen; ik zou nog slechts een weinig geduld hebben en
mij weldra van de waarheid dezer woorden kunnen overtuigen. Intusschen
wees men mij aan ons voertuig: de leidsels, touwen, riemen, de waag en
het zwengelhout, den dissel, den wagenas en den boom, die voor- en
achterstel verbindt, de rong en verschillende hefboomen; toch was alles
anders dan bij den voermanswagen. Het leek waarlijk, alsof de wagen
onderstboven lag, en de disselboom, die van twee der langste
dennenstammen gemaakt was, vrij naar boven in de lucht omhoogstak; van
zijn spits liepen touwen in verschillende richting naar de raas in den
vorm van vlechtwerk en ladders. De wagenas echter bevond zich aan de
achterzijde, en een enkel man, die daar gezeten was, beroemde er zich
op, geheel alleen het monster naar zijn wil te kunnen sturen.



        Beschrijving der zeevaart.

13. Op eenmaal verhief zich de wind. Onze bemanning vloog nu overeind
en begon haastig heen en weer te draven, schreeuwde en juichte van
pleizier. Eenigen grepen nu eens dit, dan weder dat aan, anderen
klauterden als eekhoorns langs de touwen op en neer, lieten de raas
zakken en ontvouwden een samengerolden doek [15], die van biezen
matwerk scheen vervaardigd en deden meer dergelijke dingen. Ik vroeg
weder, wat dit te beteekenen had, en bekwam ten antwoord, dat men
inspande. En terwijl ik nog toekeek, begon het doek op te zwellen als
een goed gevulde hooischuur (dat waren dus onze vleugels!) en in de
lucht begon het te suizen, terwijl de wateren onder ons zich deelden en
opspatten; en voordat ik er op bedacht was, was zoowel het land als de
kust en al het overige uit mijn gezicht verdwenen. „Waar zijn wij nu
terecht gekomen?” riep ik uit, wat zal er van ons worden?” Zij zeiden,
dat wij nu vlogen. „Wel, laten wij in ’s Hemels naam dan maar vliegen,”
zeide ik en zag niet zonder een zeker welgevallen, doch evenmin zonder
heimelijke bezorgdheid, met welk een razende vaart het er doorging.
Want trad ik buiten op het dek, zoo overviel mij duizeligheid; kroop ik
echter naar beneden in het ruim, zoo omringde mij de angst voor het
bruisende geweld, waarmee de wateren tegen de wanden van het schip
stieten. En daar opeens kwam het in mij op, dat het toch eigenlijk zeer
vermetel was aan zulke woeste elementen als het water en den wind, zijn
leven toe te vertrouwen en zich zoo opzettelijk (met voorbedachten
rade) in den muil des doods te begeven, van wien wij slechts twee
duimbreed verwijderd waren, want zoo dik was de plank, die ons van
dezen verschrikkelijken afgrond scheidde. Doch daar ik mij stellig
voorgenomen had, mijn vrees voor de menschen niet te laten blijken,
zweeg ik stil.



        De zeeziekte.

14. Daar plotseling begint een onaangenaam riekende lucht mij te
bevangen, en mijn hersenen en ingewanden te doordringen, zoodat ik niet
op de been kon blijven. Ik wentelde mij rond van benauwdheid, (zooals
allen, die aan deze levenswijze nog niet gewend zijn), schreeuwde en
wist geheel geen raad; alles in mij borrelde en loste zich op; ik moest
braken en mij scheen niet anders te wachten, dan dat ik in de wateren
zou vergaan [16] als een slak in de zon. Thans begon ik mij en mijn
leidslieden aan te klagen, daar ik niet langer in de mogelijkheid
geloofde in het leven te zullen blijven; doch inplaats van medelijden
te ondervinden, moest ik mij hun spot laten welgevallen. Ongetwijfeld
wisten zij bij ervaring (wat mij zelf natuurlijk onbekend was), dat
deze toestand meestal niet langer dan een paar dagen aanhoudt, wat ook
ditmaal het geval was. Mijn krachten keerden allengs weer terug en ik
zag in, dat de woedende zee mij daarmee haar welkomstgroet had
gebracht.



        Kalm weder op zee.

15. Doch wat zou dit? Ergere dingen dan deze overvielen ons spoedig. De
wind liet ons in den steek, onze vleugels hingen slap naar beneden en
wij bleven onbewegelijk liggen, zonder zelfs een haar breed van onze
plaats te kunnen komen. Ik fronste het voorhoofd, bezorgd wat dit
worden zou. Wij zijn weggevoerd in deze woestijnen der zee, ach, zullen
wij er ooit weer uitkomen? Och, zullen wij ooit het land der levenden
weder aanschouwen? O, moeder, dierbare aarde, o, aarde, dierbare
moeder, waar zijt gij? God, de Schepper, gaf het water aan de visschen,
doch u aan ons. Helaas, de visschen blijven wijselijk in hun element,
en wij zijn zoo dwaas het onze te verlaten. Als ons de Hemel niet te
hulp komt, blijft ons niets over dan om te komen in dezen vreeselijken
afgrond. Aan deze droefgeestige gedachten, waarmede mijn geest zich
onafgebroken kwelde, werd ik plotseling door het geschreeuw der
zeelieden ontrukt. Ik vloog op het dek en riep: „Wat is er te doen?”
Zij antwoordden, dat de wind opstak. Ik keek naar alle kanten, doch zag
niets bijzonders en intusschen spreidden zij de zeilen uit. Daar kwam
de wind, greep in de zeilen en droeg ons weg. Dit vervulde ons allen
met groote vreugde, die evenwel spoedig in bitterheid zou overgaan.



        Storm op zee.

16. De wind was intusschen zoo in kracht toegenomen, dat niet alleen
wij, doch ook de diepe wateren beneden ons zoo geslingerd werden, dat
de schrik ons om het hart sloeg. En de zee rolde zoo machtige golven
uit alle richtingen op ons aan, dat onze weg door de baren afwisselend
omhoog en omlaag, nu eens over hooge heuvels, dan weder door diepe
dalen ging. Somtijds werden wij zoodanig omhoog geslingerd, dat wij
haast meenden, de maan te zullen bereiken en kort daarop stortten wij
weer neder als in een diepen afgrond. Een ander maal scheen het, alsof
een van de vele golven, die van voren of van terzijde aanrolden, ons
als bij verrassing op de plaats zelve zou verslinden, doch zij lichtte
ons ieder keer in de hoogte, in dier voege, dat onze planken schuit nu
naar deze, dan naar gindsche zijde werd weggeslagen en de eene golf
haar aan de andere toewierp, waarbij zij nu eens naar bakboord, dan
naar stuurboord sterk overhelde en met haar voorsteven soms loodrecht
naar boven, dan weder naar beneden wees. Zoo kwam het ook, dat niet
alleen het water ons zelf bespatte of boven onze hoofden hoog
opgespoten werd, maar ook, dat wij konden staan noch liggen en van de
eene zijde naar de andere tuimelende, nu eens op de voeten, dan weder
op het hoofd kwamen te staan. Daardoor scheen zich alles in ons lichaam
om te draaien: misselijkheid en braken waren daarvan het gevolg. Daar
deze toestand dag en nacht onafgebroken voortduurde, is het licht te
begrijpen, hoeveel angst en schrik wij moesten doorstaan. En ik
overleide: van alle menschen hebben toch dezen de meeste reden om vroom
te zijn, daar zij nooit één uur zeker zijn van hun leven. Toen ik mij
nu van hun vroomheid overtuigen wilde, zag ik, dat zij, als waren zij
in een kroeg, met gulzigheid op hun eten aanvielen, dronken, speelden,
lachten, ontuchtige gesprekken voerden, vloekten en zich aan allerlei
uitspattingen overgaven. Daarover bedroefd, begon ik hen te vermanen en
hen te verzoeken, dat zij toch over onzen ernstigen toestand eens
zouden nadenken, hun lichtzinnigheid laten varen en tot God om hulp
roepen. Doch alles was vergeefsch. Eenigen dreven den spot met mij,
anderen voeren heftig tegen mij uit, nog anderen maakten zich gereed
mij te slaan en sommigen wilden mij overboord werpen. De Verblinding
ried mij nu te zwijgen en herinnerde mij er aan, dat ik in een vreemd
huis als gast vertoefde, waar het dan ook wel ’t beste was, blind en
doof te zijn. „Ach,” riep ik uit, „het is onmogelijk, een goeden afloop
te verwachten, als zij zulke gewoonten hebben.” Toen lachten zij
opnieuw. Bij het zien van een dergelijke losbandigheid was ik wel
genoodzaakt te zwijgen, daar ik anders op een pak slaag had kunnen
staat maken.



        Het schip vergaat.

17. In dit oogenblik verdubbelt zich de kracht van den storm en een
verschrikkelijk onweder barst boven ons los. Nu begint de zee eerst
recht haar golven tot aan den hemel op te stuwen; de golven kaatsen ons
als ballen elkander toe; de afgronden openen zich voor onze oogen en
dreigen nu eens ons te verzwelgen, dan weer drijven ze ons uit naar de
hoogte. Soms draait de wind ons in een cirkel rond en slingert ons
hulpeloos her- en derwaarts, zoodat het schip in zijn naden kraakt,
alsof het in duizend stukken zou verbrijzeld worden. Toen voelde ik al
mijn leden door den schrik des doods verstijven en had een gewissen
ondergang voor oogen. Daar de zeelieden het geweld van den storm geen
weerstand meer konden bieden en ieder oogenblik het gevaar van tegen de
rotsen of op zandbanken geworpen te worden, aangroeide, bergden zij
snel de zeilen en wierpen groote ijzeren haken aan dikke touwen uit, in
de hoop, het zoo lang op die plaats te kunnen uithouden, tot de storm
zou zijn gaan liggen. Maar te vergeefs! Eenigen van de mannen, die
langs de touwen probeerden omhoog te klimmen, werden als rupsen door
den stormwind daar van af geslingerd en in de zee geworpen. Door het
geweld van de golven braken spoedig ook de ankertouwen af en zonken de
ankers in de diepte weg. En ten laatste begon ons schip met ons zoo
hulpeloos als een houtspaan op den stroom rond te drijven en nu
verloren ook die brooddronken ijzervreters den moed. Eerst toen zij,
bleek en bevend, geen raad meer wisten, dachten zij aan God, drongen er
bij ons op aan, te bidden en vouwden ook zelf de handen. Doch ons schip
liep aan den grond, stiet op een onder het water verborgen klip,
barstte uiteen en begon snel te zinken. Door de zoo ontstane spleten
stroomde het water naar binnen, en ofschoon allen, oud en jong, bevolen
werd uit alle macht het water te hoozen, zoo hielp het toch niet meer;
de zee drong met geweld op ons aan en nam ons op in haar schoot.
Geschrei, gejammer, en eindeloos weeklagen vervulde de lucht en ieder
zag den wreeden dood reeds voor oogen. Maar daar het leven zoet is,
klampte ieder zich vast aan wat hij maar grijpen kon—tafels, planken,
rondhout, hopende zoo den dood door verdrinken te ontkomen en al
zwemmende een of andere droge plek te bereiken. Ook ik hield mij ten
slotte, toen het schip reeds uiteensloeg en alles verzwolgen werd, aan
het een of ander voorwerp vast en het gelukte mij met slechts enkele
anderen het strand te bereiken. De vreeselijke afgrond verslond de
overigen. Zoodra ik van mijn schrik en ontzetting een weinig bekomen
was, begon ik mijn gidsen met verwijten te overladen, dat zij mij aan
zulke gevaren hadden blootgesteld. Zij zeiden evenwel, dat het mij geen
kwaad zou doen; na het gevaar te zijn ontsnapt, zou ik maar weer
goedsmoeds zijn. Ja, inderdaad goedsmoeds! Tot mijn laatsten levensdag
zal niemand mij meer tot een dergelijke onderneming overhalen.

18. Terwijl ik nu een weinig rondkeek, zag ik, dat diegenen, welke
evenals ik er het leven afgebracht hadden, zich weder naar de kust
begaven en opnieuw een schip bestegen. „Gaat dan uw ongeluk maar te
gemoet,” riep ik, „waaghalzen, dit kan ik niet langer aanzien.” Mijn
gids merkte op: „niet ieder is zoo verwijfd als gij. Het bezit van have
en goed, beste vriend, is een mooi ding. Men moet zelfs zijn leven
wagen om dit te verwerven.” Ik antwoordde hem: „Zou ik zoo dwaas zijn,
dat ik mijn leven in de waagschaal zou stellen alleen ter wille van
mijn lichaam en dat ik ten behoeve daarvan alles op het spel zou
zetten? Dat doet niet eens het redelooze dier; de mensch, die iets
hoogers in zich omdraagt, n.l. de ziel, moest liever geestelijk
voordeel en zielevreugde zoeken.”








HOOFDSTUK X.

DE PELGRIM BESCHOUWT DEN STAND DER GELEERDEN, VOORLOOPIG IN HET
ALGEMEEN.


Toen zeide mijn gids: „ik begrijp nu beter, wat uw geest bijzonder
aantrekt. Ik zal u bij de geleerden brengen, heusch, bij de geleerden!
Het rustige, vredige leven, dat zij leiden, zal u zeker behagen en voor
uw geest van groot nut zijn.” „Ja, zoo is het,” zei de Verblinding,
„want wat kan er heerlijker zijn dan dat iemand zich afkeert van den
groven lichamelijken arbeid en zich wijdt aan het navorschen van de
edelste levensuitingen. Dit is het juist, wat sterfelijke menschen doet
gelijken op den onsterfelijken God, en Hem zelfs bijna doet evenaren;
zoo worden zij ten naasten bij alwetend, opdat zij alles wat in den
hemel, op de aarde en in de afgronden verborgen is, en wat er zijn zal,
zouden uitvorschen en leeren kennen, ofschoon niet ieder deze gaven in
dezelfde mate ten deel vallen.” „Leid mij dan daarheen,” zeide ik,
„waarom draalt gij nog?”



        Hij moet zich aan een streng examen onderwerpen

2. En zoo kwamen wij aan de poort die „Disciplina” heette en een lang,
smal, donker en met gewapende wachtposten bezet gebouw was, bij welke
ieder, die in de straat der geleerden wilde zijn, zich aanmelden en om
een toegangsbewijs moest vragen. Ik zag, hoe scharen van menschen, voor
het meerendeel nog jonge mannen, daar samenstroomden, die terstond aan
een groot aantal uiteenloopende, strenge examens werden onderworpen.
Het eerste gedeelte van het examen was bij ieder een onderzoek naar
zijn beurs, zijn zitdeelen, zijn hoofd, zijn hersenen (deze werden naar
de geaardheid van het neusslijm beoordeeld) en naar de huid, waarin hij
stak. Was nu het hoofd van staal, en bestonden de hersenen uit
kwikzilver, was de rug van lood, de huid van ijzer, en de beurs goed
gevuld met goud, dan oogstte hij aller goedkeuring en werd op slag
bereidwillig verder geleid; doch ontbrak een dezer vijf dingen, dan
wees men hem eerst beslist af, later nam men hem in spijt van deze
booze voorteekenen op goed geluk aan. Verwonderd vroeg ik: „Hoe kan hun
toch aan die vijfderlei metalen zooveel gelegen zijn, dat zij zoo
ijverig dat alles trachten op te sporen?” „Daarop komt alles aan,”
sprak mijn tolk, „want indien het hoofd niet van staal was, zoo zoude
het bersten; en indien de hersenen daar binnen niet van vloeibaar
kwikzilver waren, zou de drager daarin geen spiegel bezitten; indien
men geen huid had van blik [17], zou men niet in staat zijn de
behandeling te verduren, die in het aanbrengen van den gewenschten vorm
bestaat; als men geen looden zitvlak had, zou men het zittend leven
niet kunnen volhouden en inderdaad alles verliezen; en hoe zou men ten
slotte aan voldoenden vrijen tijd komen en aan de leermeesters, zoowel
levende als doode, indien het aan het hiertoe noodige geld haperde? Of
denkt gij, dat zulke groote dingen ons om niet in den schoot vallen?”
Toen begreep ik, waarop hij doelde: dat men namelijk gezondheid,
geestesgaven, standvastigheid, geduld en het noodige fortuin bezitten
moet, als men zich aan dezen stand wil wijden en zeide: „Zoo kan men
dan naar waarheid zeggen: Non cuivis contingit adire Corinthum [18].
Alle hout is geen timmerhout [19].”



        en aan een moeilijke en pijnlijke kunstbewerking. Memoria
        artificialis [20].

3. Toen wij nu verder door de poort wandelden, zag ik, hoe elk van deze
wachters een of meerderen van hen ter zijde voerde en daar ging
bewerken. Hiertoe blies hij hun iets in de ooren, wischte hunne oogen
af en reinigde neus en neusgaten door heeten waterdamp, trok hun
vervolgens de tong buiten den mond en gaf haar met het mes den juisten
vorm, boog armen en vingers en strekte ze dan weer en deed ik weet niet
wat al meer [21]. Eenigen poogden zelfs de hoofden aan te boren en iets
daar in te gieten uit een trechter. Toen de tolk op mijn gelaat las,
hoe ontzet ik daarover was, zeide hij tot mij: „Verwonder u daarover
niet, geleerde mannen moeten handen, tongen, oogen, ooren en hersenen,
zinnen en zintuigen hebben, geheel verschillend van die bij het gemeene
volk. Daarom worden ze zeer gefatsoeneerd en dat gaat heusch niet
zonder veel moeite en tegenkanting.” Bij nauwlettend toezien bemerkte
ik, hoe duur de arme kerels die vervorming moesten betalen. Ik wil niet
eens van de kosten gewagen, doch zij moesten hun eigen huid
blootstellen aan de behandeling van hun beulen. Want dezen bewerkten
met vuisten, stokken, roeden en geesels hun wangen, hoofden, ruggen en
zitdeelen, tot het bloed begon te sijpelen en zij bijna geheel overdekt
waren met striemen, schrammen, blauwe plekken en eeltknobbels.
Menigeen, dit ziende, keerde, zoodra hij slechts een blik door de poort
geworpen had, onverrichterzake terug en vertrouwde zich den wachter
niet toe. Velen ontrukten zich aan de handen hunner pijnigers en namen
de vlucht in het vrije veld. Slechts een kleiner aantal hield stand,
totdat zij uit de poort op een vrije plaats gelaten werden. Ook ik liet
deze bewerkingen, helaas niet zonder ongemak en bittere pijn, aan mij
voltrekken, daar ik nu toch eenmaal lust in dezen stand had.



        Iedere geleerde ontvangt een getuigschrift.

4. Toen wij de poort eindelijk uitgingen, zag ik, dat elkeen, die
voldoende bijgeslepen en bijgewerkt was, een kenteeken ontving, waaraan
men zou kunnen weten, dat zij nu tot dezen stand der geleerden
behoorden: een inktkoker aan den gordel, een pen achter het oor, en in
de hand een onbeschreven boek om daarin de verkregen geleerdheid bijeen
te brengen. Ook ik bekwam deze attributen.—Toen zeide Alweter tot mij:
„Zie, nu hebben wij hier een viersprong: vanwaar vier wegen uitgaan,
naar de philosophie, de medicijnen, de jurisprudentie en de theologie.
Welken wilt gij het eerst inslaan?” „Dien gij het beste oordeelt,”
antwoordde ik. En hij zeide: „laten wij dan allereerst naar de
marktplaats gaan, waar allen samenkomen; daar kunt ge ze allen bij
elkaar zien; en dan zullen wij de verschillende gehoorzalen bezoeken.”



        De gebreken der geleerden.

5. Toen bracht hij mij naar een plein, en zie, daar waren zwermen
studenten, meesters [22], doctoren en theologen, jonge mannen en
grijsaards. Eenigen van hen zag ik groepsgewijze met elkander spreken
en disputeeren; anderen hadden zich in een hoek teruggetrokken om uit
het gezicht der overigen te zijn. Sommigen hadden (wat ik heel goed
bemerkte, maar waarover ik niet met hen durfde spreken) wel oogen, maar
geen tong; anderen wel een tong, doch geen oogen; nog anderen hadden
weliswaar ooren, doch misten oogen en tong enzoovoort. Zoo begreep ik,
dat ook hier gebreken overbleven.—Toen ik nu den ingang van een gebouw
zag, waar al deze lieden in- en uitgingen, zooals bijen haar korf in-
en uitzwermen, drong ik er op aan, dat ook wij daarheen zouden gaan.



        Beschrijving eener bibliotheek.

6. Wij traden binnen en kwamen in een zaal, die zoo uitgestrekt was,
dat men haar nauwelijks kon overzien; langs de wanden stond een zoo
groot aantal kasten met planken of schuifladen vol met cartonnen en
blikken doozen, dat men deze op honderdduizend wagens niet zou hebben
kunnen vervoeren en elk daarvan had een eigen opschrift en titel. En ik
zeide: „in wat soort van apotheek zijn wij hier eigenlijk beland?” „In
de apotheek,” sprak de tolk, „waarin de artsenijen tegen de ziekten van
den geest bewaard worden; haar eigenlijke naam luidt bibliotheek. Kijk
eens, welk een oneindige voorraad van wijsheid hier opgestapeld ligt!”
Nu zag ik de geleerden in lange rijen komen en zich daarmee op zeer
verscheidene wijze bezig houden. Eenigen onder hen kozen de schoonste
en fijnzinnigste uit, trokken deze stuk voor stuk uit de kast en namen
ze dan als voedsel tot zich, door ze zachtkens te kauwen en te
verteren. Ik trad op een van hen toe en richtte tot hem de vraag, wat
hij daar deed? Hij antwoordde: „Ik nuttig voedsel om wel te gedijen.”
„En hoe smaakt het u?” vroeg ik verder. „Zoolang het zich onder het
kauwen in den mond bevindt, heeft het een bitteren of zuren smaak, die
later in een zoeten overgaat.” „En wat is het doel hiervan,” vorschte
ik uit. Hij zeide: „Het is zekerder en gemakkelijker voor mij te
dragen, wanneer het zich in mijn binnenste bevindt. Ziet gij mij de
uitwerking niet aan?” Toen beschouwde ik hem nauwlettender en vond, dat
hij zwaarlijvig en vet was en een prachtig gezonde kleur had; zijne
oogen glinsterden als kaarsen; zijn taal was bedachtzaam en alles aan
hem vol leven. Daarop sprak de tolk tot mij: „laten wij nu ook die
anderen beschouwen.”



        Gebrek aan orde bij de studie.

7. Toen zag ik eenigen, die zich begeerig op alles wierpen, wat in het
bereik van hun handen kwam en zich daarmede behoorlijk volstopten.
Nauwlettender toeziende, kon ik volstrekt niet vaststellen, dat zij een
gezonde kleur hadden en in lichaamsgewicht of vetheid waren toegenomen,
wel, dat hun buik gezwollen en opgezet was. Ik zag ook, dat al wat zij
in den mond stopten, daardoor of langs den gewonen weg onverteerd het
lichaam weer verliet. Eenigen van hen werden bovendien door
duizeligheid overvallen en werden zelfs waanzinnig; anderen werden
bleek, kwijnden weg en stierven. Anderen, die daarvan getuige waren,
wezen hen elkaar aan en waarschuwden elkander voor de gevaren, die het
gebruik der boeken (want dezen naam gaven zij aan de doozen) met zich
meebracht. Terwijl sommigen op den loop gingen, maanden anderen
elkander tot een voorzichtig gebruik der boeken aan. Derhalve namen zij
den inhoud daarvan niet meer in zich op, doch laadden zich op borst en
rug zakken en buidels, die zij volstopten met de doozen (het waren
boeken meestal met de volgende opschriften: Vocabularium, Dictionarium,
Lexicon, Promptuarium, Florilegium, Loci Communes, Postille,
Concordantie, Herbarium [23] enz., al naar ieder ze voor zijn taak het
meest geschikt oordeelde); zij droegen deze steeds bij zich en haalden
ze telkens uit de zakken te voorschijn, wanneer zij iets te bespreken
of te schrijven hadden; mond of pen strekte den inhoud tot voertuig.
Toen ik dit bemerkte, zeide ik: „Ik geloof haast, dat deze lieden hun
wijsheid in den zak dragen?” waarop de tolk antwoordde: „Het zijn
memoriae subsidia [24]; hebt gij dan nooit daarvan gehoord?” Van vele
zijden hoorde ik nu den lof van deze methode verheffen en, naar
verluidde, maakten deze soort geleerden niets openbaar, wat niet vooraf
rijpelijk overwogen was. Het mag zoo zijn, doch ik nam een anderen
misstand waar. Want het geschiedde in mijn tegenwoordigheid, dat
sommigen der doozen [25] in stukken vielen en te loor gingen, terwijl
die van anderen vuur vatten [26], als zij ze terzijde legden. Ach, wat
was dat een heen en weer loopen, handenwringen, jammeren, en
hulpgeroep! En niemand had dan gedurende zekeren tijd lust tot
disputeeren, tot schrijven of tot prediken; zij lieten het hoofd
hangen, gingen gebukt verder met beschaamde kaken en zochten dan voor
geld en goede woorden weer in het bezit van hun gereedschap te komen,
terwijl diegenen, welke hun wijsheid welbewaard in hun binnenste met
zich meedroegen, voor dergelijke ongevallen niet behoefden te vreezen.



        Studenten, die niet studeeren.

8. Intusschen zag ik weder anderen, die de boeken noch in zich opnamen,
noch ook in de zakken staken, doch ze op hun kamer brachten; en toen ik
hen daarheen volgde, bemerkte ik, dat zij de boeken van mooie foedralen
voorzagen, die in verschillende kleuren beschilderden en soms zelfs met
goud en zilver versierden; dan plaatsten zij ze op rijen in de kast,
namen ze er echter spoedig weder uit, om ze nog eens te bekijken en
daarna weer op hun plaats te zetten. Terwijl zij dit uit de rij nemen
en weder daarin zetten meer dan eens herhaalden, gingen zij nu eens
dichterbij dan weer op een afstand staan en wezen elkander vol trots,
hoe mooi die boeken er van buiten uitzagen. Sommigen plachten ook van
tijd tot tijd naar de titels te zien, opdat zij ze bij gelegenheid
zouden kunnen opnoemen. Ik zeide: „met wat voor kinderachtige
beuzelingen houden deze lieden zich bezig?” „Beste vriend,” antwoordde
de Verblinding: „het is een schoone zaak een mooie bibliotheek te
bezitten.” „Ook als men daar in ’t geheel geen nut van trekt?” merkte
ik op. Hij gaf ten antwoord: „men telt degenen, die een bibliotheek
bezit, ook onder de geleerden.” Ik dacht bij mij zelf: „juist zoo als
iemand, die een groot aantal hamers en tangen heeft, doch niet weet,
hoe deze te hanteeren, tot de smeden gerekend wordt!” Maar ik durfde
mijn meening niet openlijk zeggen, opdat ik mij niet bloot zou stellen
aan vijandelijkheden.



        Ongeregeldheid bij het schrijven van boeken.

9. Toen wij nu weder de bovengenoemde zaal betraden, zag ik het aantal
dier doozen, welke artsenij bevatten, overal naar alle zijden snel
aangroeien, en mijn nieuwsgierigheid werd geprikkeld om na te gaan, van
waar zij werden aangevoerd. Ik bemerkte nu, dat dit geschiedde uit een
afgesloten ruimte, waar ik bij mijn binnentreden verscheidene arbeiders
aan de draaibank zag, die in edelen wedijver elkander poogden te
overtreffen in de vervaardiging van deze kunstige doozen uit hout, been
en andere stoffen, ze met zalf en theriak [27] te vullen en tot
algemeen gebruik af te leveren. En de Verblinding zeide tot mij: „Dit
zijn nu de mannen, welke waard zijn daarvoor door ieder geprezen en met
eerbetoon overladen te worden, die hun medemenschen op de nuttigste
wijze van dienst zijn, daar zij geen moeite en inspanning schuwen om
wetenschap, kunst en wijsheid te vermeerderen en hun gaven anderen mede
te deelen.” Zoo kreeg ik ook lust om te onderzoeken, waaruit datgene,
wat hij de gaven der wijsheid noemde, gemaakt en toebereid was. Toen
zag ik een of twee personen, naar ik meen, die welriekende kruiden en
wortelen bijeenverzameld hadden en ze nu in kleine stukken sneden,
fijnwreven, bottelden, distilleerden en daaruit heerlijke
theriakmiddelen, likkepotten, stroopen en andere artsenijen bereidden,
die voor het menschelijke leven zeer heilzaam zijn. In tegenstelling
daarmee zag ik, hoe anderen—en van deze soort waren er honderden—den
inhoud van vreemde flesschen en potten gebruikten om hun eigen
materiaal daarmee te vullen. „Die gieten het vocht slechts over,” zeide
ik, waarop mijn tolk antwoordde: „ook zóó vermeerdert men de
wetenschap, want kan niet een en dezelfde zaak nu zus en dan zoo gedaan
worden? Men kan immers aan de reeds voorhanden stoffen steeds nog iets
nieuws toevoegen en zoo de werking nog volkomener maken.” „Of
bederven,” riep ik toornig uit, daar ik duidelijk zag, dat hier bedrog
gepleegd werd, want menigeen greep naar eens anders benoodigdheden om
eenige van zijn eigen vaten daarmee te vullen, en verdunde dan den
inhoud, zooveel hij kon, waartoe hij zelfs geen spoelwater afkeurde.
Anderen daarentegen dikten het mengsel in door toevoeging van het een
of andere domme allegaartje, zelfs van stof en straatvuil, alleen maar
om een, hoewel schijnbaar, nieuw mengsel samen te stellen.
Ondertusschen brachten zij etiketten aan met veel weidscher opschriften
dan die der anderen en prezen dan op onbeschaamde wijze, zooals alle
kwakzalvers, hun waar aan. Er was nog iets, waarover ik mij zeer
verwonderde en ergerde, dat zich namelijk—zooals ik vroeger al
opmerkte—zelden iemand de moeite gaf den toestand, waarin de inhoud
zich bevond, na te gaan en de meesten alles, zooals het daar lag en
zonder onderscheid te maken, tot zich namen; en als eens iemand ging
keuren, zoo lette hij alleen maar op het uiterlijk en op het opschrift
van het etiquet. Nu begreep ik, waarom zoo weinig menschen tot
innerlijke geestesfrischheid geraakten, en waarom een ieder, naar mate
hij meer van deze medicijnen had verslonden, heftiger braken moest, er
bleek ging uitzien, kwijnde en ziek werd; ook zag ik, dat een zeer
groot deel van deze voortreffelijke medicamenten nimmer zijn eigenlijke
bestemming, het gebruik er van door de menschen, bereikte, doch een
prooi werd van motten, wormen, spinnen en vliegen en ten slotte in
sombere kasten en afgelegen hoeken onder stof en schimmel te loor ging.
Een dergelijk lot voor hun produkten vreezende, wendden velen, zoodra
zij hun theriak toebereid hadden (ja sommigen zelfs, voordat zij met de
bereiding goed en wel begonnen waren) zich onmiddellijk tot hun geburen
om voorredenen, verzen en anagrammen [28] voor hun werk, zochten ook
dadelijk schutspatronen [29], die aan het nieuwe praeparaat hun naam en
geld zouden willen leenen; meteen verzorgden zij titel en opschrift in
uiterst sierlijken, kleurigen trant en omvlochten de verschillende
figuren en kopergravuren met wonderbaar dooreengeslingerde bloemen en
guirlandes; daarna brachten zij hun werk ten deele zelf onder de
menschen en boden het daar te koop aan, ja, drongen het, om zoo te
zeggen, den lieden tegen wil en dank op. Ik zag echter, dat ook dit ten
slotte niet meer hielp, omdat de markt overal te zeer overvoerd was en
ik had medelijden met meer dan een, die een eenvoudig, rustig leven had
kunnen leiden en nu zonder noodzaak of nut zijn goeden naam op het spel
zette en zich ten nadeele zijner naasten met deze kwakzalverij
bezighield. Toen ik evenwel deze meening openlijk uitsprak, oogstte ik
slechts haat en nijd, alsof ik de goe-gemeente beleedigd had. Ik wil
liever heelemaal zwijgen, als ik er aan denk, hoe velen uit absoluut
giftige stoffen hun confecten [30] bereidden, zoodat er bijna even
zoovele vergiften als artsenijen waren, die op de markt kwamen; deze
misstand ging mij zeer aan het hart, doch er was niemand, die hem uit
den weg kon ruimen.



        De oneenigheid en tweedracht onder de geleerden.

10. Toen kwamen we weder op het plein der geleerden terug; en zie, daar
was oneenigheid en twist onder hen, die zelfs tot samenscholingen en
vechtpartijen leidde. Nauwelijks werd er iemand gevonden, die niet met
een ander aan het bakkeleien was, en niet alleen de jonge mannen (bij
wie het nog aan den overmoed, den nog niet gerijpten leeftijd eigen,
zou kunnen worden toegeschreven) maar zelfs grijsaards gingen elkaar te
lijf. Want hoe geleerder iemand onder hen zich zelf achtte of door
anderen daarvoor gehouden werd, met des te grooter ijver zaaide hij
tweedracht in zijn omgeving, begon de anderen met steenen te werpen, te
beschieten en op hen in te hakken, zoodat het gruwelijk was om aan te
zien, waarbij dan nog kwam, dat hij nog zijn eer in dien strijd stelde
en daarop roem droeg. „Maar om Gods wil,” riep ik, „wat beteekent dit
toch? Ik had nog wel gedacht en mij ook voorgespiegeld, dat deze stand
de vredelievendste van alle zou zijn en ik ontdek hier zooveel twist en
tweedracht.” „Mijn zoon,” antwoordde de tolk, „begrijpt gij dat dan
niet: zij scherpen slechts hun vernuft.” „Hoe kunt gij zoo iets
zeggen,” zeide ik, „ik zie immers bloed en wonden en de woede en den
doodelijken haat van den een tegen den ander; iets dergelijks heb ik
zelfs bij den stand der handwerkslieden niet opgemerkt.”
„Ongetwijfeld,” verklaarde hij, „moet gij de oorzaak daarin zoeken, dat
het handwerk een slaafsch beroep is, doch dit zijn vrije kunsten.
Daarom is aan dezen volkomen vrijheid toegestaan, wat men genen noch
veroorloven, noch van hen zou kunnen dulden.” „Maar hoe dit bij deze
wanordelijkheid een geordende stand mag heeten,” zeide ik, „is mij een
raadsel.” Weliswaar hadden hun wapenen op het oog niets
afschrikwekkends; want hunne spiesen, zwaarden en dolken, waarmee zij
op elkander inhieuwen en elkaar staken, waren van leder; zij hielden ze
niet in de hand, doch in den mond. Hun schietwerktuigen bestonden uit
riet en penneschachten, die met een in water opgelost poeder geladen
waren, en dan beschoten zij elkander met papieren kogels. Wanneer men
dien strijd, zoo gezegd, oppervlakkig beschouwde, scheen daaraan niets
vreeselijks te zijn; maar toen ik zag, dat iemand, die slechts licht
getroffen was, ineenkromp, schreeuwde, zich wrong en de vlucht nam,
kostte het mij weinig moeite te begrijpen, dat het geen scherts, doch
bloedige ernst was. Soms vielen meerdere personen tegelijk zoo heftig
op een enkele aan, dat het kletterend geweld der zwaarden van rondom
hun de ooren verdoofde en de papieren kogels op hen neerhagelden;
menigeen verweerde zich dapper, verdedigde zich tegen zijn aanvallers
en dreef ze uit elkaar; doch anderen, verzwakt door hun wonden, zegen
ineen; ook zag ik hier een elders ongewone wreedheid, daar men zelfs
van de gewonden en de dooden niet afliet, doch hen met nog grooter
woede en onbarmhartigheid sloeg en op hen inhakte en een ieder het
liefst zijn heldendaden bewees tegenover een vijand, die zich niet meer
verdedigen kon. Anderen gingen met elkander wel iets inschikkelijker
om, doch ook zij waren niet vrij van de neiging tot woordenwisselingen
en misverstanden. Want nauwelijks opperde iemand een denkbeeld, of
dadelijk stiet hij bij een ander op tegenspraak; men disputeerde zelfs
over de kleur der sneeuw, of deze wit of zwart en of het vuur heet of
koud was.



        De groote verwarring onder de geleerden.

11. Op dit oogenblik kwamen eenige anderen tusschenbeide bij dit
redetwisten en begonnen hen tot vrede te manen, waarover ik mij oprecht
verheugde. Er ging ook een gerucht, dat men op alle geschilpunten tot
een vreedzaam vergelijk zou komen en de vraag rees nu, wie dit
ondernemen zou. Daarop werd geantwoord, dat met bewilliging der
koningin Wijsheid uit alle faculteiten de meest tot oordeelen bevoegden
gekozen zouden worden, wien zij het recht wilde verleenen, door hoor en
wederhoor der strijdende partijen telkens het twistpunt nauwkeurig te
onderzoeken en daarna uitspraak te doen, welke der betwiste meeningen
het meest met de waarheid zou strooken. Een niet gering aantal
geleerden, die of in het scheidsgerecht zitting zouden krijgen, of dit
hoopten, schaarden zich bijeen; vooral zij kwamen in grooten getale
bijeen, die wegens hun uiteenloopende meeningen met elkander in onmin
waren.—Onder hen zag ik Aristoteles [31] en Plato, Cicero en
Sallustius, Duns Scotus en Thomas van Aquino, Bartolus en Baldus,
Erasmus en de theologen der Sorbonne, Ramus en Campanella met de
perepathetici, Kopernicus en Ptolemaeus, Theophrastus Paracelsus en
Galenus, Hus, Luther en anderen met den paus en de Jezuïeten, Brenzius
en Beza, Bodinus en Wier, Sleidanus en Surius, Schmidlinus en de
calvinisten, Gomarus en Arminius, de Rozenkruisers en philosophasters
en dan nog tallooze anderen.—Toen nu het oogenblik gekomen was, waarop
de scheidsrechters hun bevalen, hun klachten en bezwaren, hun bewijzen
en de weerleggingen van tegen hen ingebrachte argumenten schriftelijk
en in zoo weinig mogelijk woorden bijeengevat, in te dienen, hoopten
zij zulke stapels boeken op, dat zesduizend jaren nauwelijks voldoende
zouden zijn ze te onderzoeken. Zij verzochten, dat met deze beknopte
uiteenzetting hunner meeningen voorloopig genoegen zou worden genomen,
doch dat het verder een ieder volkomen zou vrij staan, zijn meening,
als de noodzakelijkheid daarvan werd aangetoond, breeder toe te lichten
en uit te leggen. Zoo begonnen de rechters deze boeken in te zien; daar
evenwel een ieder de inhoud van het boek, dat hem toevallig in handen
kwam, naar het hoofd steeg, als werd hij dronken, begon hij zich
daarvoor in de bres te stellen en zoo ontstond onder de heeren rechters
en vredestichters zelf groote tweespalt, daar ieder een van den ander
afwijkende meening verdedigde.—Het gevolg was, dat zij spoedig
onverrichterzake uiteengingen en zoo keerden de geleerde mannen tot hun
gekrakeel terug, wat mij tot schreiens toe bewoog.








HOOFDSTUK XI.

DE PELGRIM ONDER DE PHILOSOFEN.


        In het algemeen.

1. De Verblinding zeide tot mij: „nu wil ik u echter bij de philosofen
brengen, wier taak het is de middelen op te sporen tot verbetering der
gebreken, die de menschheid aankleven, en elkaar te leeren, waarin de
ware wijsheid bestaat.” „Dan zal ik hier, naar ik hoop, iets leeren,
dat volkomen zekerheid biedt,” merkte ik op. „Gewis,” zeide hij, „want
dit zijn menschen, die het wezen aller dingen kennen; die alles weten,
wat de hemel doet en wat de afgrond verbergt, die in edele aandrift de
menschheid tot een deugdzaam leven leiden, stad en land den weg des
lichts wijzen, God tot vriend bezitten en in hun wijsheid zelfs tot in
Zijn geheimenissen doordringen.” „Laten wij dan gaan,” riep ik, „hoe
eerder wij bij hen komen, hoe beter.” Doch als wij aangekomen waren en
ik daar een schare grijsaards verzameld zag en hun vreemde potsen
waarnam, werd ik geheel ontsteld. Het was waarlijk een bijzonder
schouwspel: Bion had zich rustig nedergezet, Anacharsis wandelde rond,
Thales vloog, Hesiodus ploegde, Plato jaagde in de lucht zijne ideeën
na, Homerus zong, Aristoteles disputeerde, Pythagoras zweeg, Epimenides
sliep, Archimedes hief de aarde uit haar voegen, Solon schreef wetten
en Galenus recepten voor, Euclides mat de zaal op, Kleobulus poogde de
toekomst te doorgronden, Periander stippelde de plichten uit, Pittacus
voerde oorlog, Bias bedelde, Epictetus bediende, Seneca, zelf, temidden
van tonnen goud zittend, verheerlijkte de armoede, Socrates verklaarde
openlijk, dat hij niets wist, Xenophon daarentegen beloofde aan ieder,
hem alles te zullen leeren, Diogenes gluurde uit zijn vat en beschimpte
allen, die voorbijgingen, Timon verwenschte iedereen, Democritus lachte
bij dit alles en Heraclitus weende er bij, Zeno vastte, Epicurus gaf
zich aan brasserijen over en Anaxarchus zeide, dat al deze dingen
slechts schijnbaar en niet in werkelijkheid bestonden. Er waren nog
vele andere, kleinere philosofen en ieder van hen vatte zijn leer in
een bijzondere spreuk samen, die ik niet eens goed heb kunnen onthouden
en die ik ook niet in mijn geheugen terug wensch te roepen. Toen ik dit
een wijle aangezien had, riep ik uit: „Zijn dit die wijzen, die de
lichten der wereld moeten heeten? Ach, ach, ik had iets anders
verwacht! Zij zitten daar als boeren in de kroeg en schreeuwen allen
door elkander.” „Dwaas, die gij zijt,” berispte mijn tolk, „gij
begrijpt immers deze geheimenissen niet.” Hoorende, dat er geheime
dingen aangevoerd werden, begon ik ijverig daarover na te denken en de
tolk poogde ze mij te verklaren. Opeens trad een man, die ook met den
philosofenmantel bekleed was (hij heette Paulus van Tarsen) op mij toe
en fluisterde mij in het oor: „Niemand bedriege zich zelven: zoo iemand
onder u denkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat
hij wijs mag worden. Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij
God. Want daar is geschreven: Hij vat de wijzen in hunne arglistigheid;
en wederom: de Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel
zijn.” (1 Cor. 3 : 18, 19, 20). Met deze woorden stemde ik des te
gereeder in, daar ik zag, dat zij met alles, wat mijn oogen gezien en
mijn ooren gehoord hadden, overeen kwamen, en verzocht mijn leidsman
mij naar een ander oord te brengen. De Verblinding schold mij echter
uit voor dwaas, daar ik in plaats van iets van de wijzen te leeren, hun
den rug wilde toekeeren. Ik zweeg evenwel en ging ondanks zijn woorden
heen.



        Onder de grammatici.

2. Wij kwamen ook in een gehoorzaal en zie, deze was gevuld met jonge
en oude bezoekers, bezig met een griffel letters, lijnen en punten op
den wand te teekenen. Zoodra nu een van hen iets anders opschreef of
uitsprak dan de anderen, lachten zij hem uit of dreven zoozeer den spot
met hem, dat zij met elkaar begonnen te twisten. Een ander maal hing
men op bepaalde afstanden op papier geteekende woorden aan de wanden op
en streed daarover, welke beteekenis aan elk daarvan toekwam; legde ze
nu eens in letters uiteen en stelde ze dan weer samen of verplaatste ze
op allerlei wijzen. Toen mijn oogen verzadigd waren van dit schouwspel
en er verder niets te zien was, zeide ik: „Het is eigenlijk maar
kinderspel, laten wij ergens anders heengaan.”



        Bij de rhetorici.

3. Wij kwamen vervolgens in een andere gehoorzaal en zie, daar bevonden
zich evenzeer vele menschen, die allen, van penseelen voorzien, ijverig
de wijze bespraken, waarop men woorden, die geschreven of door den mond
in de lucht waren losgelaten, met een groene, roode, zwarte, witte of
een willekeurige kleur zou kunnen beschilderen. Ik vroeg, tot welk doel
dit zou geschieden. Het antwoord luidde: „Om ook aan de hersenen der
toehoorders eene bepaalde kleur te verleenen.” Ik vroeg verder of men
dit blanketsel tot versiering der waarheid of tot verfraaiïng van de
leugen gebruikte. „Dat is, naar dat het valt.” „Dan vindt men hier,”
riep ik, „bijna even zoo veel ijdele schijn en leugen, als waarheid en
gewin”; en zoo ging ik van daar.



        Onder de dichters.

4. Hierop betraden wij een ander vertrek; daar bevond zich een groep
flinke, jonge mannen, die op een kleine weegschaal lettergrepen afwogen
en deze met een span maten en vroolijk rondhuppelden. De tolk, mijn
verwondering hierover opmerkende, zeide: „Van alle kunsten, die in het
gebruik der letters hun oorsprong vinden, is er geen kunstiger en
blijder dan deze.” „En waarin bestaat zij dan?” vroeg ik. Het antwoord
luidde: „Als men, door de woorden in hun eenvoudig verband te
gebruiken, de beoogde uitwerking niet bereikt, poogt men den zin door
wijziging van den bouw te verbeteren en den gewenschten indruk te
maken.” Toen ik nu zag, dat diegenen, welke deze kunst van het
aaneensmeden van woorden leerden, in bepaalde boeken keken, deed ik
desgelijks en las de volgende titels: de Culice [32], de Passere, de
Lesbia, de Priapo, de Arte Amandi, Metamorphoses, Encomia, Satyrae,
kortom louter kluchten, fabels, minnetafereelen en allerhande
zinneprikkelende voorstellingen, zoodat ik van heel dit doen bijna
walgde, vooral toen ik zag, dat deze sylbenmeters hun geheele kunst ter
verheerlijking hunner vleiers beoefenden, daarentegen diegenen, welke
het hun niet naar den zin maakten, meedoogenloos met hun spot
vervolgden, zoodat hun de kunst eigenlijk slechts diende om anderen te
vleien, of ze met snijdenden spot te treffen. Nadat ik zoo had leeren
inzien, welk een hartstochtelijk volkje het was, had ik den smaak voor
dit gezelschap verloren en ging ijlings heen.



        Onder de dialectici.

5. Verder gaande kwamen wij in een ander gebouw, waar men Perspicilla
[33] sleep en verkocht. Op mijn vraag antwoordde men mij, dat het
„Notiones Secundae” [34] waren, met wier hulp men niet alleen de dingen
aan de oppervlakte kon waarnemen, maar ook tot het wezen der zaak
doordringen, meer in het bijzonder in de hersenen van zijn naaste een
blik kon slaan en zijn verstandelijke vermogens schiften. En velen
kwamen om deze brillen te koopen en de meesters leerden hen daarmee om
te gaan en ze, wanneer het noodig was, zoo te verbuigen, dat ze recht
op den neus zaten. De meesters nu, die ze vervaardigden, waren speciaal
daartoe aangewezen en hadden hun werkplaatsen in afgelegen hoeken; maar
zij maakten ze niet alle naar hetzelfde model. De een maakte groote,
een ander kleine glazen, de een ronde, de ander hoekige, en allen
prezen hun waar aan, trachtten de koopers tot zich te lokken, waren
onderling in een onverzoenlijken twist gewikkeld en gooiden elkander
met wat zij bij de hand hadden naar het hoofd. Sommigen kochten brillen
van alle meesters en zetten ze alle op; anderen kozen er slechts een
enkelen uit en bevestigden dien eveneens op den neus. Hierop beweerden
eenigen, dat men daarmee geenszins zoo diep kon schouwen; doch anderen
verklaarden zeer beslist alles te zien en toonden elkander zelfs
hetgeen achter het menschelijk brein en de diepste roerselen van zijn
verstand verborgen is. Maar van dezen zag ik er niet weinigen reeds bij
de eerste schrede over steenen en blokken struikelen en in kuilen
vallen, (waarvan ik reeds vroeger vertelde, dat zij hier overal in
menigte aanwezig waren). „Hoe komt het,” vroeg ik, „dat zij voor deze
hindernissen niet uitwijken, daar zij door hun bril toch alles zien?”
Men antwoordde mij, dat niet de bril, doch zij zelf de schuld droegen
van hun val, daar zij het juiste gebruik ervan niet kenden. De
brillenmeesters verklaarden bovendien, dat het geenszins voldoende was
den bril der dialectiek te bezitten, doch dat het gezicht ook
verhelderd moest worden met een collyrium [35] uit de physica [36] en
de mathematica [37]. Daarom kregen zij den welgemeenden raad vooraf
naar een andere gehoorzaal te gaan en daar hun gezichtsscherpte te
verbeteren. Toen ik hen daarop naar verschillende plaatsen zag
heengaan, zeide ik tot mijn gidsen: „Laten wij hen volgen,” maar ik
verkreeg niet eerder toestemming daartoe, voor ik op aandringen van
Alweter mij eenige van die brillen aangeschaft en opgezet had. En het
kwam mij inderdaad voor, alsof ik meer dan voorheen kon zien en dat men
de dingen op verschillende wijzen kon zien. Ondertusschen bleef ik er
voortdurend op aandringen om verder te gaan, daar ik ook het collyrium,
waarover zij straks gesproken hadden, wilde beproeven.



        Onder de natuurkundigen.

6. Wij spoedden ons dus voort en kwamen op een plein, in welks midden
ik een grooten, wijd vertakten boom zag, waaraan velerlei bladeren en
vruchten groeiden, de laatste nog alle in den bolster. Zijn naam was
„Natura.” Rondom den boom was een aantal natuurphilosofen verzameld,
die hem in oogenschouw namen en elkander onder het noemen van den naam
zijn takken, bladeren en vruchten aanwezen. „Ik hoor wel,” zoo merkte
ik op, „dat deze lieden zich oefenen in het noemen van de namen dezer
dingen, maar ik zie tot nu toe niet, dat zij het wezen der natuur
trachten te doorgronden.” De tolk gaf mij ten antwoord: „niet ieder kan
daartoe de noodige bekwaamheid bezitten; kijk liever eens naar dezen.”
Toen zag ik, dat eenigen van hen twijgen afbraken, bladeren
uiteenrafelden en ooft uitpelden en wanneer hun een noot in handen
kwam, daaraan met hun tanden knaagden, zoodat deze hoorbaar knarsten.
Maar zij beweerden, dat dit geluid door het verbrijzelen der bolsters
ontstond, die zij vervolgens schiftten en uitzochten; zij beroemden er
zich op, dat zij nu den kern hadden, dien zij slechts in het geheim aan
eenige weinigen toonden. Toen ik evenwel nauwkeuriger op hun doen en
laten lette, nam ik duidelijk waar, dat alleen het uitwendige omhulsel,
de schaal, verbrijzeld en vermorzeld, doch de hardere binnenschaal,
waarin de kern besloten lag, nog volkomen gaaf was. Nadat ik hun ijdele
pralerij en nuttelooze inspanning gezien had, (sommigen hadden zich
inderdaad de oogen blind gestaard en tengevolge van het langdurig
knagen de tanden gebroken) stelde ik met aandrang voor, ergens elders
heen te gaan.



        Onder de metaphysici.—Unum verum bonum [38]—P. Ramus [39].

7. Nu kwamen wij in een ruimte, waarin de heeren philosofen er over
disputeerden, hoe men al het geschapene, dat zij voor zich hadden,
zooals runderen, ezels, wolven, slangen en allerlei wild gedierte,
vogels en kruipend gedierte en evenzeer hout, gesteente, water en vuur,
zoowel als wolken, vaste sterren en planeten, ja zelfs de engelen, van
de kenmerken, waardoor ze zich onderling onderscheidden, zou kunnen
berooven en ze zoo geheel gelijkvormig maken. Eerst ontdeden zij ze van
hun vorm, dan van de materie en tenslotte van alle onwezenlijke
kenmerken, tot niets meer overbleef dan het zuivere Ens [40]. Verder
streed men er over, of al deze dingen een en hetzelfde waren, of zij
alle goed en of zij werkelijk waren, wat zij waren; en dergelijke
vragen legde men elkander vele voor. Eenigen, die acht gaven op hun
doen en laten, begonnen zich daarover te verbazen en vertelden, dat het
menschelijk vernuft zoo hoog was gestegen, dat het in staat was zich
over het onmiddellijk waarneembare heen te zetten en alle lichamelijke
dingen van hun lichamelijk element te ontdoen, tot ik zelf ten laatste
een streelend genoegen begon te vinden in deze subtiele dingen. Maar
plotseling verhief zich iemand [41] en riep luide, dat dit slechts
ijdele phantasie was, die men daarom liever moest opgeven. Hij kreeg
ook werkelijk eenigen op zijn hand; maar de anderen kwamen daartegen in
opstand en veroordeelden hem als een ketter, daar hij het hoogste weten
uit de philosophie wilde bannen en haar het hoofd [42] afhouwen.—Nadat
ik lang genoeg naar dezen twist geluisterd had, ging ik weg van deze
plaats.



        Onder de Arythmetici.

8. En onzen weg vervolgende, geraakten wij te midden van een aantal
geleerden, die in een vertrek huisden, dat geheel met cijfers gevuld
was, in welke zij ijverig rondwoelden. Eenigen namen een aantal cijfers
uit den verzamelden voorraad en plaatsten deze op regelmatige afstanden
van elkaar; anderen raapten ze dan met handenvol weer bijeen en legden
ze op stapels; sommigen namen van deze stapels weer een bepaald aantal
cijfers af, die zij dan flink schudden en op een andere plek van het
vertrek op een bijzondere wijze uitstrooiden. Vervolgens kwamen nog
anderen, die de gescheiden deelen tot één geheel vereenigden; en dit
proces van deelen en hereenigen herhaalde zich voortdurend, zoodat ik
mij over dezen arbeid der wiskundigen verwonderde. Onderwijl
verzekerden zij, dat in de geheele philosophie geen wetenschap meer
zekerheid bood dan de hunne, omdat bij haar niets kan verloren gaan,
noch verdwijnen, noch overblijven. Toen ik vroeg, wat het doel dezer
wetenschap was, verbaasden zij zich over mijn onwetendheid en de een na
den ander begon mij wonderverhalen te doen. De een verzekerde het
aantal ganzen, dat zich in een vlucht bevond, te kunnen opnoemen,
zonder ze te tellen; een tweede verklaarde mij te kunnen zeggen, in
hoeveel uren een cisterne [43] door vijf pijpen leeg loopt; een derde,
hoeveel stuivers [44] ik in mijn beurs had, zonder er naar te kijken,
enz., totdat er eindelijk iemand gevonden werd, die op zich nam het
zand der zee te tellen en daarover onverwijld een boek schreef
(Archimedes). Door diens voorbeeld aangewakkerd maakte zich een ander
op, (en deze wilde in zijn berekening nog grootere nauwkeurigheid
betoonen) de zonnestofjes te tellen. (Euklides [45]). Toen zij zagen,
hoe verbluft ik daarover was, toonden zij mij, in hun verlangen om mij
behulpzaam te zijn in het verkrijgen van een goed begrip der zaak, hun
regels: Trium [46], Societatis, Alligationis, Falsi; die ik dan ook
maar zoo zoo begreep. Doch toen zij mij tot het laatste en moeilijkste
deel van hun vak, dat Algebra of Cossa [47] heette, wilden inleiden,
zag ik zulk een massa wild geschreven hanepooten, dat duizeligheid mij
bijna overviel. Ik sloot de oogen en smeekte, mij schielijk van daar
weg te leiden.



        Onder de geometrici.

9. Boven een andere gehoorzaal was het opschrift: Οὐδεὶς ἀγεωμέτρητος
εἰσίτω [48] aangebracht; ik bleef staan en zeide: „Zullen wij daar wel
binnen mogen gaan, want zij laten alleen maar de meetkundigen toe?”
„Kom gerust,” sprak Overalbij. Binnen getreden zag ik vele menschen,
die ieder voor zich op rustige wijze bezig waren, punten, lijnen,
hoeken, kruisen, cirkels en vierkanten te teekenen. Vervolgens trad de
een op den ander toe en toonden zij elkander hun werk. Soms beweerde
iemand, dat het werk anders moest gemaakt worden, terwijl de maker er
bij bleef, dat het goed was: zoo zaten zij elkander in de haren.
Gelukte het iemand, een nieuwe lijn of figuur te vinden, dan was hij
uitgelaten van vreugde, riep de anderen bijeen en toonde hun zijn
ontdekking; en dezen keken met welgevallen toe, wendden de hoofden
links en rechts en beschreven met de vingers allerlei cirkelvormige
bewegingen in de lucht, keerden vervolgens ieder in zijn hoekje terug
en poogden dergelijke figuren te beschrijven; den een gelukte het, den
ander niet, zoodat de geheele zaal, de vloer, de wanden en de zolder
vol lijnen waren. Zij lieten niemand toe, daarop een stap te zetten of
ze ook maar even aan te raken.



        Præcipua apud geometras controversia de quadrando circulo.—Joh.
        Scaliger.—Joh. Clavius [49].

10. Zij, die onder hen het meest geleerd waren, kwamen bijeen in het
midden der zaal en trachtten met de grootste inspanning de een of
andere stelling op te lossen, terwijl de anderen vol verwachting met
open monden om hen heen stonden. En het ging van mond tot mond, dat de
oplossing van het vraagstuk grooter verwondering zou wekken dan de
studie der ingewikkeldste zaken op de aarde; en als ze eenmaal gevonden
was, zou niets den mensch verder onmogelijk zijn. Begeerig om te
vernemen, waarom het hier eigenlijk ging, trad ik naderbij en zag, dat
zij een cirkel in hun midden hadden, en dat nu de vraag was, hoe
hieruit een vierkant kon worden gevormd. Daar dit evenwel ondanks hun
onuitsprekelijke inspanning niet gelukte, gingen zij tijdelijk weer
uiteen en beloofden elkander, er verder over na te denken. Na een korte
wijl, springt plotseling een van hen op en roept: „ik, ik heb het
geheim ontdekt!” Alles verzamelt zich met groote haast om hem heen om
de oplossing bewonderend gade te slaan. De ontdekker haalt nu een
grootboek in folio voor den dag en toont hun dat. Dan verheffen zich
luide kreten en gaat er gejuich op, als na een overwinning. Totdat op
eenmaal een ander geleerde aan dit vreugdebetoon een eind maakte door
zoo luid te roepen, als zijn stem het toeliet, dat zij zich niet
moesten laten verblinden, want dat de getoonde figuur geen kwadraat
was. Nu zette hij hem een nog grooteren foliant voor, veranderde al
deze schijnbare kwadraten weer in cirkels en leverde het grondige
bewijs, dat hetgeen de vorige geleerde vruchteloos beproefd had,
onmogelijk door een mensch kon worden uitgevoerd. Hierop lieten zij
allen het hoofd hangen en keerden tot hun wirwar van lijnen en hun
gekrabbel terug.



        Onder de geodeten [50].

11. In een ander vertrek, dat wij daarop betraden, verkocht men duimen,
spannen, ellen, vadems, maten en gewichten, hefboomen, windassen,
dommekrachten en dergelijke werktuigen; het was er vol van lieden, die
maten en wogen. Eenigen maten het vertrek, waarin wij ons bevonden,
doch bijna ieder kwam na zijne opmeting tot een ander resultaat;
hierdoor geraakten ze in twist en begonnen opnieuw te meten. Anderen
maten een schaduw naar haar lengte, breedte en dikte; nog anderen wogen
haar in een weegschaal. Kortom, zij beweerden, dat er niets in of
buiten de wereld was, dat zij niet in staat waren precies te meten. Ik
nam echter een korten tijd hun werk in oogenschouw en zoodra ik
bemerkte, dat zij meer snoefden dan noodig was, ging ik hoofdschuddend
verder.



        Onder de musici.

12. Wij kwamen nu in het vertrek daarnaast, dat, zooals ik bemerkte,
vol was van muziek, zang, geklink en geklank, en van het geluid van
verschillende muziekinstrumenten. Eenigen, die daarbij stonden,
onderzochten ze van buiten, van binnen, van alle kanten, en leiden hun
oor daartegen te luisteren met het doel zoo te ontdekken, wat wel den
toon of klank opwekte; waar het geluid ontstond, vanwaar het kwam en
waarheen het ging; waarom het soms stemde en soms niet. Anderen
verzekerden, dat zij er reeds achter gekomen waren en verklaarden vol
vreugde, dat het wezen der muziek iets goddelijks en een diep mysterie
was. Daarom ontleedden zij de toonreeksen, die zij hoorden, stelden ze
weder samen, brachten ze op verschillende toonhoogten en deden dit met
lust en opgewektheid. Maar onder de duizend had nauwelijks één de
hiertoe vereischte begaafdheid: de anderen keken slechts toe. Wilde
iemand hunner toch zelf het instrument ter hand nemen, dan hoorde men
slechts knarsen en krassen, zooals ook mij overkwam. Toen ik nu zag,
dat velen, die mij hoogstaande menschen toeschenen, dit voor kinderspel
en tijdverbeuzeling hielden, ging ik heen.



        Onder de astronomen.

13. Nu leidde Overalbij mij langs een trap naar een soort galerij, waar
ik veel menschen bezig zag met het vervaardigen van ladders. Zij
richtten deze tegen het hemelgewelf op, klauterden naar boven om naar
de sterren te grijpen en door het gebruik van meetsnoeren, linialen,
passer en schietlood den loop harer banen te bepalen. Eenigen zetten
zich dadelijk neer en schreven de regels en wetten op, waarin op grond
van metingen aangegeven was: wanneer, waar en hoe de sterren zich naar
elkaar toe of van elkaar af bewogen. Ik stond verbaasd over de
vermetelheid der menschen, dat zij zich tot den hemel verheffen en den
sterren haar loop durfden voorschrijven. Ik kreeg lust in deze
onvolprezen wetenschap en begon met levendige belangstelling haar ook
zelf te beoefenen. Maar toen ik mij een tijdlang daarmee bezig gehouden
had, zag ik helder in, dat de sterren geenszins naar hun pijpen dansen
wilden. Dit begrepen de astronomen ook zelf heel goed, klaagden over de
anomalitas coeli [51], probeerden steeds weer de sterren nu zus, dan
zoo, in de haar voorgeschreven orde te rangschikken, zoodat zij ze
zelfs van stand deden verwisselen en eenige van haar zelfs naar de
aarde neertrokken, daarentegen de aarde omhoog te midden der sterren
plaatsten [52]. Kortom, op deze en andere wijzen dachten zij hypothesen
uit, maar geen daarvan wilde doel treffen.



        Onder de astrologen [53].

14. Zoo kwam het wellicht, dat eenigen volstrekt niet meer omhoog
klommen, maar zich er mee tevreden stelden, de sterren van beneden te
beschouwen, waarbij zij op de stelling acht gaven, die de eene ster ten
opzichte van de andere op bepaalde tijdstippen innam. Terwijl zij dan
daaruit trigonen, kwadraten, sextielen, conjuncties, opposities en
andere aspecten [54] vormden, voorspelden zij, hetzij openlijk aan de
geheele wereld, hetzij in het geheim aan bepaalde personen, toekomstige
gelukkige of ongelukkige gebeurtenissen, stelden nativiteiten [55] en
prognostica op schrift en verspreidden ze onder de menschen. Niet
zelden overviel dientengevolge den menschen angst en schrik; een
andermaal streelde hen een blij vooruitzicht; doch tot deze gelukkigen
behoorden slechts enkelen. Velen bekommerden zich volstrekt niet om de
prognosticaties, wierpen ze in een hoek, hoonden de profeten door ze
sterrenzwendelaars te noemen, en zeiden, dat zij ook zonder
voorspellingen volop te eten en te drinken hadden en behoorlijk konden
uitslapen. Toch meende ik aan het eenzijdig oordeel dezer lieden geen
al te groot gewicht te moeten hechten, als slechts de kunst als
zoodanig een vasten grondslag bezat; doch hoe langer ik haar op de
proef stelde, des te meer zag ik haar ontoereikendheid in; kwam ook een
voorspelling eenmaal uit, dan faalde zij in vijf andere gevallen weer.
Daaruit trok ik de slotsom, dat het ook zonder hulp der sterren niet
moeilijk is, de toekomst te gissen, daar men bij welslagen geprezen
wordt en in het tegenovergestelde geval zich nog altoos door de eene of
andere uitvlucht kan redden.—Ik hield het daarom voor tijdverlies mij
met deze dingen nog langer op te houden.



        Onder de historici [56].

15. Zoo zochten wij een ander plein op en zagen weer iets nieuws. Daar
stond een niet gering aantal menschen met een eigenaardig soort in een
aantal windingen gebogen hoorns, waarvan zij het eene eind voor de
oogen hielden en het andere eind over den schouder heen tegen den rug
lieten rusten. Toen ik om inlichting vroeg aangaande het gebruik dezer
instrumenten, gaf de tolk mij ten antwoord, dat het kijkers waren,
waarmede men achterwaarts zien kon, „want,” meende hij, „wie waarlijk
mensch wil zijn, moet niet alleen datgene zien, wat vlak voor zijn
voeten ligt, maar ook kennis nemen van wat voorbijging en reeds achter
den rug is, opdat hij de lessen van het verleden toepasse op het heden
en de toekomst.” Voor mij was deze zaak geheel nieuw (want te voren had
ik stellig nooit iets van het bestaan van dergelijke gebogen kijkers
vernomen) en daarom verzocht ik er een ter leen, om daarmee eenige
tafereelen te bekijken. Men reikte mij terstond enkele kijkers over en
o wonder! door elk daarvan was iets geheel anders te zien. De eene
kijker liet de dingen in de verte, de andere in de onmiddellijke
nabijheid zien; het eene in deze, het andere in die kleur; door een
derden kijker was hiervan weer geen spoor te zien, zoodat ik weldra tot
de slotsom kwam, dat men er zich geheel niet op verlaten kon, of het
met de een of andere zaak zoo stond, als zij zich voordeed; doch dat
veeleer dezelfde zaak voor mijn oogen telkens in een ander licht
verscheen, zoo vaak ik een anderen kijker ter hand nam. En toch heb ik
opgemerkt, dat ieder de lenzen van zijn kijker vertrouwde; daardoor
ontstond dan ook over menige aangelegenheid vaak een heftig krakeel en
dat beviel mij evenmin.



        Onder de beoefenaars van ethiek en politiek.

16. Toen zij mij opnieuw naar een andere plaats wilden brengen, vroeg
ik, of er niet haast een eind aan het waarnemen der geleerden kwam. Het
zou mij waarlijk bang om het hart worden, als ik nog verder onder hen
moest verkeeren. „Het beste komt nog,” zei Overalbij. Wij schreden
daarop een zaal binnen, die vol was met schilderijen; aan de eene zijde
waren de schoone en liefelijke, aan de andere zijde die met leelijke en
wanstaltige afbeeldingen opgehangen; daar tusschen gingen de philosofen
op en neer, die de beelden niet alleen in oogenschouw namen, maar ook
hun best deden de schoone nog schooner en de leelijke nog leelijker te
kleuren. Op mijn vraag naar de beweegreden dezer handelwijze,
antwoordde mij de tolk: „ziet gij dan niet de opschriften daarboven?”
En hij bracht mij dichterbij en wees ze mij: Fortitudo [57],
Temperantia, Justitia, Concordia, Regnum enz. en aan de andere zijde:
Superbia, Gula, Libido, Discordia, Tyrannis enz. De philosofen nu
verzochten alle aankomelingen dringend de schoone afbeeldingen recht te
beminnen, de leelijke daarentegen te haten, terwijl zij de eerste
zooveel mogelijk prezen, en de laatste smaadden en gispten. Dat beviel
mij bijzonder en ik gaf daaraan uitdrukking door te zeggen: „Hier vind
ik nu toch eindelijk menschen, die daden verrichten, welke het
menschelijk geslacht waardig zijn.” Doch helaas, spoedig zag ik, dat
deze beminnelijke zedenleeraars zich zelf volstrekt niet meer tot de
mooie schilderijen dan tot de leelijke voelden aangetrokken en niet
alleen voor deze meer afschuw dan eerbied voor genen hadden, maar ook,
de oogen dikwijls zeer gaarne naar de laatste richtten, zoodat ook
anderen, door hun voorbeeld verleid, naar die wanstaltige beelden de
oogen wendden, ze toelonkten en daarmee kortswijlden. Toen barstte ik
toornig uit: „nu zie ik duidelijk in, dat (zooals de wolf in de fabel
van Aesopus zegt) de menschen anders spreken dan zij handelen; hun
geest vliedt weg, van hetgeen hun mond prijst en hun hart hangt aan,
wat hun tong verafschuwt.” „Gij zoekt vermoedelijk engelen onder hen?”
riep de tolk, briesend van drift. „Zal wel ooit iets uw tevredenheid
opwekken? Overal ontdekt gij gebreken!” Toen zweeg ik en liet het hoofd
zakken, vooral toen ik zag, dat al de anderen, begrijpende, dat ik op
hen lette, mij onvriendelijk aanzagen. Ik verliet hen en ging naar
buiten.








HOOFDSTUK XII.

DE PELGRIM BESCHOUWT DE ALCHYMISTEN.


Overalbij deed mij nu dezen voorslag: „Kom nu in alle geval mee, ik zal
u naar een plaats geleiden, waar het menschelijk vernuft zijn
hoogtepunt bereikt in zulk een heerlijken arbeid, dat wie zich daaraan
eenmaal heeft gewijd, daarvan zijn leven lang niet meer kan aflaten
vanwege het edele en verrukkelijke genot, dat het den geest verschaft.”
Ik verzocht hem mij zonder uitstel dien arbeid te toonen. Zoo voerde
hij mij een donker gewelf binnen, en zie, daar stonden in vonkelende
rijen vuurhaarden, smeltovens, ketels en glazen gereedschappen. Er
liepen menschen af en aan, die rijshout bijeendroegen en uitspreidden;
dan ontstaken zij het vuur, bliezen het aan en doofden het weder uit,
terwijl zij de een of andere stof in vaten uitgoten en verder op
allerlei wijzen vloeistoffen mengden, door die van het eene vat in het
andere over te gieten. Op mijn vraag, wat voor menschen dit waren en
wat zij eigenlijk deden, ontving ik ten antwoord: „Dit zijn de
scherpzinnigste philosofen, die tot stand brengen, wat de zon aan den
hemel met haar gloed in de ingewanden der aarde in vele jaren niet kan
uitwerken, doordat zij verschillende metalen tot den hoogsten graad van
volkomenheid opvoeren, dat wil zeggen, tot goud.” „Tot welk doel?”
wierp ik hem tegen. „Heeft men dan aan ijzer en andere metalen niet
meer behoefte dan aan goud?” „Wat zijt gij een ezel,” sprak hij, „het
goud is toch het kostbaarste metaal; wie het bezit behoeft geen armoede
te vreezen.”



        Lapis philosophicus [58].

2. Bovendien bezit die stof, welke metalen in goud verandert, nog
andere wonderbaarlijke krachten; onder anderen ook die, dat zij des
menschen gezondheid tot aan den dood ongeschonden bewaart en dezen niet
toelaat (tenzij dan na twee of driehonderd jaar). Indien men maar de
kunst van het rechte gebruik dezer stof verstond, zou men zich waarlijk
zelf onsterfelijk kunnen maken, want deze lapis is zeker niets anders
dan het zaad des levens, de kern en het uittreksel der geheele wereld,
waaruit de dieren, planten, metalen en de elementen zelf hun bestaan
putten.” Ik schrok bij het hooren van zoo wonderlijke dingen en vroeg:
„Zijn deze menschen hier dan allen onsterfelijk?” Het antwoord luidde:
„Niet ieder slaagt er in dit middel te vinden en wien het gelukt, weet
het niet altijd juist toe te passen.” „Als ik slechts dezen steen
bezat,” zeide ik, „zou ik mij alle moeite geven hem zoo aan te wenden,
dat de dood niets tegen mij zou vermogen; en voor mij zelf en anderen
zou ik goud in overvloed willen hebben. Doch waar kan men dezen steen
bekomen?” „Hij wordt hier toebereid,” antwoordde hij. „In deze kleine
ketels,” vroeg ik.—„Juist.”



        Wat bij de goudmakers voorvalt.

3. Met zulke verlangens bezield, zette ik mijn weg voort en lette op
elke kleinigheid, waar en hoe deze verricht werd en ik merkte op, dat
niet allen hetzelfde succes op hun werk hadden. De een liet zijn vuur
te zwak branden, en zoo kookte de stof in den ketel niet lang genoeg.
Een ander had het vuur te hard gestookt; daardoor sprongen de vaten en
ontweek er een gas; de man zeide, dat de azoth ontsnapt was en barstte
in tranen uit. Een derde had bij het overgieten der stof een gedeelte
op den grond gestort of de juiste menging niet getroffen. Eenigen
hadden zich door den rook de oogen bedorven, zoodat zij op het
calcineeren en fixeeren [59] niet goed meer konden letten; of de rook,
die op hen aandreef, verhinderde hen te zien en terwijl zij nog bezig
waren, de oogen uit te wrijven, was de azoth reeds ontsnapt. Sommigen
ademden den damp in en stierven. Bij de meesten was de voorraad kolen
in de zakken ontoereikend; zij moesten dan ergens anders gaan leenen,
ondertusschen koelde het mengsel af en alles was verloren. En een
dergelijk voorval greep hier dikwijls plaats, ja, bijna onophoudelijk.
Want ofschoon zij niemand tot hun gezelschap toelieten, die niet een
welgevulde beurs bezat, slonk deze bij iedereen toch zeer snel, zoodat
er weldra geen penning meer over was. Dus werd hem geen andere keus
gelaten dan het werk stop te zetten of zich tot iemand anders te wenden
om geld te leenen.

4. Nadat ik hun doen en laten voldoende had gadegeslagen, zeide ik:
„Mannen, die vruchteloos arbeiden, zie ik hier genoeg; maar ik bespeur
niemand, die den steen gevonden heeft. Ik zie, dat zij door koken en
roosteren goud willen maken en het levenselixer brouwen, maar de
uitslag is, dat zij goud verkwisten en hun levenskracht verteren. Waar
bevinden zich toch die gelukkigen met hun bergen van goud en hun
onsterfelijkheid?” Hij antwoordde mij: „Men zal u niet dadelijk in deze
wetenschap inwijden; en ik zou het hun ook niet willen aanraden. Een
zoo kostbare zaak moet geheim blijven. Want indien een van de machtigen
der wereld van zulk een man hoorde, zou hij zich van hem meester maken
en deze zou dan zoo goed als voor altijd van zijn vrijheid beroofd
zijn; daarom moeten deze wijzen hun geheim voor zich houden.”

5. Op dat oogenblik zag ik eenigen van deze half verzengde alchymisten
samenkomen en, mijn ooren spitsende, hoorde ik, dat zij onder elkander
de oorzaken van het mislukken hunner pogingen trachtten op te sporen.
De een gaf de schuld aan de philosofen, die een te duistere
beschrijving van deze kunst hadden gegeven; een ander klaagde over de
broosheid van het glazen gereedschap; een derde wees op de voor tijd en
gelegenheid ongunstige aspecten der planeten; een vierde was boos over
de troebele, aardachtige verontreinigingen in den Mercurius [60]; een
vijfde klaagde over geldgebrek. Kortom, er waren zooveel gronden voor
mislukking, dat zij geen raad wisten hoe hun kunst ter hulp te komen.
Dat zag ik duidelijk. En toen zich de een na den ander naar buiten
begaf, vertrok ook ik.








HOOFDSTUK XIII.

DE PELGRIM BESCHOUWT DE ROZENKRUISERS.


        Fama Fraternitatis anno 1612, latine ac germanice edita [61].

Plotseling hoor ik op het plein het luide geschal van een trompet,
waarop ik, rondziende, iemand te paard zag aanrijden, die de philosofen
bijeenriep. Zoodra deze in groote menigte van alle zijden waren
toegestroomd, begon hij in vijf verschillende talen over de
onvolkomenheid der vrije kunsten en der philosophie in haar geheel te
spreken; en dat reeds eenige uitstekende mannen, daartoe door God
opgewekt, bijeengekomen waren om al deze gebreken te onderzoeken, ze te
herstellen en zoo de menschelijke wijsheid tot dien trap der
volmaaktheid op te voeren, waarop zij voor den zondenval in het
paradijs had gestaan. Goud te maken, zeide hij, was van honderd andere
kunsten de geringste, waartoe zij in staat waren, want daar de geheele
natuur open en ontsluierd voor hun oogen lag, waren zij in staat ieder
ding naar willekeur een bepaalden vorm te geven en dien er weder aan te
ontnemen. Verder verklaarden zij, de talen van alle naties machtig te
zijn en alles te weten, wat over het geheele rond der aarde, zelfs ook
in de Nieuwe Wereld, geschiedde; zij konden met elkander zelfs op een
afstand van duizend mijlen spreken. Hij verzekerde, dat zij den steen
der wijzen bezaten, met behulp waarvan zij alle ziekten genazen en een
lang leven konden waarborgen. Want Hugo Alverda [62], hun praepositus
[63], zou reeds 562 jaren oud zijn en zijn ambtgenooten niet veel
minder. Nadat zij zich zooveel eeuwen verborgen gehouden en (zeven van
hen) in alle stilte aan de volmaking der philosophie gewerkt hadden,
waren zij nu geneigd, daar alles alreede tot volkomenheid gebracht was
en volgens hun wetenschap een reformatie [64] over de geheele wereld
voor de deur stond, niet meer verborgen te blijven, maar zich in het
openbaar te vertoonen, bereid om een ieder, dien zij daartoe waardig
achtten, hun kostbare geheimen mede te deelen. Indien zich dan iemand
bij hen aanmeldde, onverschillig in welke taal hij sprak en tot welke
natie hij behoorde, zou alles, wat hij zeide, beslist te hunner
kennisse komen en niemand zonder vriendelijk bescheid blijven. Maar als
iemand onwaardig was en louter uit hebzucht of nieuwsgierige
onbescheidenheid deze gaven wenschte te erlangen, dan zou hij, al vroeg
hij hen nog zoo uit, niets te weten komen.



        Varia de Fama judicia [65].

2. Nadat hij deze rede uitgesproken had, verdween de bode. Naar de
geleerden omziende, vond ik hen bijna allen op het hooren van dit
nieuws verslagen. Langzamerhand begonnen zij evenwel de hoofden bij
elkaar te steken en hun oordeel hier over uit te spreken, sommigen
fluisterend, anderen met luider stem. Ik trad nu hier, dan daar op de
kleine groepen geleerden toe en luisterde.—En hoor, daar hieven
sommigen een luid gejubel aan en wisten zich van vreugde niet te
houden. Zij betreurden het, dat hun voorouders gedurende hun
levensdagen niet een dergelijk geluk was ten deel gevallen; en prezen
zich zelf gelukkig, omdat zij in het volledige bezit der volmaakte
philosophie gekomen waren. Indien men het maar wenschte, zou het
voortaan mogelijk zijn, alles te weten, zonder in dwalingen te
vervallen; alles in overvloed te bezitten, zonder eenig gebrek te
hebben, en zonder ziekte en grijze haren vele duizenden jaren in het
leven te blijven. En voortdurend herhaalden zij: „O hoe gelukkig, hoe
overgelukkig is onze tijd.” Op het hooren van dergelijke woorden, begon
ik mij ook zelf te verheugen en de hoop te koesteren, als het God
behaagde, aan al datgene, waarop de anderen zich spitsten, ook aandeel
te krijgen. Daarentegen zag ik ook eenige geleerden, die in diep
nadenken verzonken en zeer verlegen waren, wat zij van de zaak
eigenlijk moesten denken. Zij zouden blij geweest zijn, wanneer hetgeen
zij hadden hooren aankondigen, slechts waar geweest was; maar deze
dingen schenen duister te zijn en boven het menschelijk verstand uit te
gaan. Anderen verzetten zich nadrukkelijk, zeggende, dat alles bedrog
en zwendel was: als deze hervormers der philosophie vele eeuwen geleefd
hadden, waarom waren zij dan niet eerder voor den dag gekomen? En als
zij van hun zaak zoo zeker waren, waarom kwamen zij dan niet
stoutmoedig voor den dag, in stede van evenals vleermuizen in hun
donkere schuilhoeken te fluiten? Naar zij meenden, was de philosophie
goed gefundeerd en had zij geen hervorming noodig. Indien men toestond,
dat zij haar aanhangers uit de hand werd geslagen, zouden zij met leege
handen blijven zitten. Toen begonnen eenigen verschrikkelijk op hen te
schimpen en hen uit te vloeken, waarbij zij hen voor waarzeggers,
heksenmeesters, ja zelfs voor baarlijke duivels uitmaakten [66].



        Fraternitatem Ambientes [67].

3. Om kort te gaan, op het geheele plein heerschte een geweldige
opschudding, en bijna elkeen brandde van verlangen om de gaven der
Broederschap machtig te worden. Vandaar dat niet weinigen
verzoekschriften opstelden, hetzij heimelijk, hetzij in ’t openbaar en
ze hun toezonden in de heugelijke verwachting, dat ook zij spoedig in
de Broederschap zouden worden opgenomen. Doch ik zag, hoe al deze
verzoekschriften, nadat zij alle hoeken der aarde doorloopen hadden,
zonder beantwoord te zijn, tot hun afzenders terugkeerden en hoe de
blijde verwachting overging in diepe smart; zelfs den spot der
ongeloovigen moesten zij verduren. Doch velen herhaalden hun verzoek
een tweede, ook wel een derde maal en nog vaker, en smeekten hen, door
alle kunsten der Muzen [68] te hulp te roepen, daarbij de warmste
huldebetuigingen uitende, die zij konden bedenken; ja, bezwoeren hen
zelfs den dorst hunner ziel naar wijsheid niet ongestild te laten.
Sommigen, niet in staat een langer uitstel te verdragen, doorkruisten
de wereld van de eene landstreek naar de andere, al klagende over hun
ongelukkig gesternte, dat zij die gelukkige menschen niet konden
vinden. De een schreef de schuld daarvan toe aan eigen onwaardigheid,
een ander aan het onvoegzame gedrag dier mannen; en zoo verviel de een
tot wanhoop, terwijl de andere rondzag naar nieuwe middelen en wegen,
waarvan slechts nieuwe teleurstelling het gevolg was; tot het mij zelf
bang te moede werd, dewijl ik er geen eind aan kon zien.



        Continuatio Famae Rosaeorum [69].

4. Doch hoor, daar weerklinkt opnieuw trompetgeschal; en op dit geluid
loopen de menschen weder van alle kanten toe; ook ik bevond mij onder
hen en zag, hoe daar een man zijn waren uitstalde en de kijkers opriep
tot het bezichtigen en koopen van zijn wonderlijke geheimmiddelen, die
aan den schat der nieuwere philosophie ontleend zouden zijn en allen
bevredigen zouden, die hun zinnen op de geheime wetenschappen gezet
hadden. Toen verhief zich een luid gejubel, dat de heilige Broederschap
der Rozenkruisers nu openlijk en vrijgevig haar schatten met hen wilde
deelen; menigeen trad naderbij en kocht. Alle waar was bij den verkoop
in doozen verpakt, die fraai beschilderd en bovendien van allerlei
schoone opschriften voorzien waren: Portæ Sapientiæ [70]; Fortalitium
scientiæ; Gymnasium universitatis; Bonum macro-micro-cosmicon; Harmonia
utriusque cosmi; Christiano-cabalisticum; Antrum Naturæ; Arx
primaterialis; Divino-magicum; Tertrinum catholicum; Pyramis
Triumphalis; Hallelujah enz.

Aan ieder kooper werd bovendien verboden de doos te openen; want de
kracht der geheime wetenschappen zou, naar men zeide, zoo groot zijn,
dat haar uitwerking gemakkelijk door het deksel zou dringen en
daarbuiten merkbaar zijn; werd de doos evenwel geopend, dan zou de
inhoud als in damp verdwijnen. Desniettegenstaande konden eenigen in
hun vrijpostigheid de verleiding niet weerstaan, hun doozen te openen;
en toen zij ze geheel leeg vonden en dit anderen lieten zien, openden
ook dezen hun doozen en vonden er evenmin iets in. „Ha,” schreeuwden
zij, „bedrog, bedrog!” en voeren woedend tegen den koopman uit; deze
zocht hen echter gerust te stellen, door te zeggen, dat de geheimste
kern van deze geheimenis juist daarin bestond, dat alleen de Filii
scientiæ (de jongeren der wetenschap) tot deze dingen toegang hadden,
en dat, wanneer onder duizenden zich nauwelijks één persoon bevond,
wien dit te beurt viel, dit zijn schuld niet was.



        Eventus Famae [71].

15. Bij deze verklaring legden zich bijna allen neer. Ondertusschen
maakte de man zich snel uit de voeten en de toeschouwers gingen met
zeer gemengde gevoelens in alle richtingen uiteen; of iemand van hen in
de nieuwe mysteriën al of niet doordrong, ben ik tot op den huidigen
dag nog niet te weten gekomen. Dit alleen weet ik, dat alles om mij
heen rustiger scheen te worden en dat diegenen, welke ik aanvankelijk
het bedrijvigst zag loopen en draven, nu ergens in een hoek wegkropen
en daar als stom neerhurkten, hetzij, dat zij, in het geheim ingewijd
(zooals sommigen vermoedden) den eed van stilzwijgendheid hadden moeten
afleggen, of dat zij (zooals het mij toescheen, als ik langs mijn bril
heengluurde) zich over de verijdeling van hun hoop en hun vergeefschen
arbeid schaamden. Zoo gingen dan tenslotte allen uiteen en het plein
werd leeg en stil, zooals na een onweder zonder regen de wolken aan den
hemel zich verspreiden. En ik sprak tot mijn gidsen: „Zou dan dit alles
op niets uitloopen? O wee, welk een ijdele hoop! Hoe heb ik mij, toen
ik hoorde zulke troostrijke verwachtingen in het vooruitzicht te
hebben, reeds verheugd, dat ik een geschikt arbeidsveld zou vinden,
waar mijn geest rustig kon weiden!” De tolk trachtte mij te troosten:
„Wie weet, misschien zal er nog iemand in slagen; wellicht kennen die
gelukkigen de bepaalde uren, waarop zij deze dingen aan den een of
ander zullen onthullen.” „Zou ik daarop nog wachten,” riep ik uit, „ik
weet geen enkel voorbeeld, dat het iemand uit zooveel duizenden, die
geleerder zijn dan ik, ooit gelukt is. Ik wil hier niet langer staan
geeuwen en mij uitrekken. Laat ons verder gaan.”








HOOFDSTUK XIV.

DE PELGRIM ONDER DE GENEESHEEREN.


        Anatomie [72].

Hierop voerden mijn gidsen mij door een paar smalle stegen, die de
gehoorzalen voor physica [73] en chemie [74] van elkander scheidden en
hielden halt op een andere open ruimte, waar een vreeselijk schouwspel
te zien was. De artsen hadden daar het lichaam van een mensch languit
voor zich neergelegd en sneden hem achtereenvervolgens stuk voor stuk
een zijner ledematen af, woelden in zijn ingewanden om en wezen
elkander met welgevallen aan, wat zij hier vonden. „Wat is dat voor een
gruwel,” riep ik uit, „om met een mensch als met slachtvee om te gaan?”
Doch de tolk toonde mij aan, dat dit volstrekt noodzakelijk was, want
het was hun school.



        Botanographie [75].

2. Intusschen lieten deze mannen hun arbeid in den steek, verspreidden
zich nu in de tuinen, in de weiden en velden, en op de bergen, plukten
alles, wat zij daar aan gewassen vonden, en stapelden die op zulke
groote hoopen, dat vele jaren niet toereikend zouden zijn geweest om
alles te schiften en te doorzoeken. Dan greep ieder uit den hoop, wat
hem goed leek of hem juist in handen kwam, liep op het uiteengesneden
lichaam toe, spreidde de kruiden uit over zijne ledematen en ging na,
of zij in lengte, breedte en dikte daarbij pasten. De een beweerde nu,
dat dit het geval was, een ander het tegendeel; en daarom twistte men
onder groot geschreeuw; ja, zelfs over de namen dier kruiden was groot
verschil van meening. Wie nu maar de meeste daarvan kende, en ze het
best wist te meten en te wegen, dien vlochten zij een krans van die
kruiden en zetten dien als een kroon op zijn hoofd; hij werd op hun
last tot doctor in deze wetenschap bevorderd.



        Praxis Medendi [76].

3. Nu zag ik, hoe men allerlei lijders met uitwendige en inwendige
verwondingen, met vuile en etterende zweren tot hen bracht en droeg.
Zij traden dan op de lijders toe en zochten al snuffelend bij hen naar
de rotte plekken, die een ondragelijken stank verspreidden en roerden
tot walgens toe in de vuile stoffen om, die naar boven en naar beneden
werden afgevoerd. Dat noemden zij een onderzoek instellen. En nu begon
een koken, stoomen, roosteren, braden, zengen, koelen, branden, hakken,
snijden, steken, aaneennaaien, binden, smeren, stijf maken, weeken,
toedekken, begieten, en ik weet niet wat al meer. Ondertusschen
stierven ondanks alle moeite de patiënten hun onder de handen weg,
velen onder het richten van scherpe verwijten aan de artsen, die, naar
zij zeiden, door hun onwetendheid of onachtzaamheid de oorzaak van hun
dood waren. In één woord, ik zag, dat ofschoon de kunst dezen goeden
heelmeesters eenig gewin aanbracht, zij hen evenwel ook noopte tot
veel, zelfs zeer veel moeitevollen en deels ook weerzinwekkenden arbeid
(tenminste als zij hun beroep naar behooren vervulden), en dat zij per
slot van rekening evenveel misnoegen als dankbaarheid oogstten. En dit
beviel mij niet.








HOOFDSTUK XV.

DE PELGRIM BIJ DE RECHTSGELEERDEN.


        Finis juris [77].

Ten laatste leidde men mij nog in een ruim auditorium [78], waarin ik
meer mannen van aanzien vond dan ergens elders. Rondom aan de wanden
zag ik allerlei zaken afgeschilderd: muren, blokhuizen, palissaden,
schuttingen, hekken, slagboomen, houten beschotten en afsluitingen, en
in deze verschillende tusschenruimten, gaten en openingen, deuren en
poorten van grendels en sloten van de daarop passende sleutels,
hengsels en haken voorzien. De aanwezigen nu hielden zich onledig dit
alles elkaar aan te wijzen en onderzochten nauwkeurig, waar en hoe men
zou kunnen doorglippen en waar niet. Ik vroeg, wat deze menschen toch
wel uitvoerden en ontving ten antwoord, dat zij trachtten uit te
vinden, hoe iedereen op de wereld niet alleen zijn eigendom het beste
kan beschermen, doch ook een deel van het goed van een ander op
vreedzame wijze aan het zijne zou kunnen toevoegen, zonder de
maatschappelijke orde en eendracht in gevaar te brengen. „Dat is heel
aardig,” zeide ik; toen ik echter een weinig langer had toegezien,
wekte hun handelwijze mijn weerzin op.



        Jus circa quid versetur [79].

2. En wel vooral hierom, wijl men, zooals ik bemerkte, zoo min de ziel
als den geest of het lichaam des menschen binnen deze slagboomen
opsloot, doch alleen zijn aardsche goederen; en aan zijn vergankelijke
have en goed zooveel harden arbeid te besteden, als hier geschiedde,
dat scheen mij waarlijk niet de moeite waard.



        Fundamentum Juris [80]. Perplexitas Juris [81].

3. Ik zag verder, dat heel deze wetenschap slechts op de willekeur van
enkelen gegrond was, en dat hetgeen een van hen naar eigen goeddunken
als recht had vastgesteld, door de anderen voor wettig gehouden werd;
of (ik merkte het hier op), juist zooals het iemand in zijn brein
toevallig opkwam, bouwde hij deze schansen op of maakte hier en daar
verborgen doorgangen en even later vernietigde hij zijn werk weder.
Daarom was hier ook zooveel, waarin de een den ander tegensprak, zoodat
anderen, die er verwonderlijk scherpzinnig uitzagen, zich het hoofd
braken met deze geschilpunten op te lossen en te vereffenen. Ten
laatste verwonderde ik mij er over, hoe zij zich warm maakten en in het
zweet geraakten over zulke nietige vraagstukken, waarvan een enkel
misschien eens in de duizend jaren opgeworpen wordt en hoegenaamd geen
beteekenis heeft; en ook hoe verwaand zij zich daarbij gedroegen. Want
hoe beter iemand de kunst verstond door een slagboom heen te breken of
op een of andere wijze zich door een opening te wringen en daarna de
versperring weer aan te brengen, des te meer was hij met zich zelf
ingenomen en prezen de omstanders hem, maar eenigen die evenzeer hun
scherpzinnigheid wilden toonen, stelden zich tegen hen te weer en
verklaarden luide, dat men zoo en niet anders een afbakening te maken
en openingen daarin aan te brengen had; zoo heerschte er twist en
gekrakeel, tot men zich een weinig verspreidde en aan het schilderen
zette, waarbij de een zijn schets zus maakte, de ander zoo, terwijl
ieder zich moeite gaf eenige toeschouwers tot zich te lokken. Ik werd
eindelijk deze dwaasheid moede en zeide hoofdschuddend tot den tolk:
„Laten wij ons hier vandaan spoeden, ik zou er bang van worden.” Deze
schreeuwde mij toornig toe: „Is er dan in deze wereld volstrekt niets
naar uw zin? Zelfs op het edelste werpt gij een blaam, gij met uw
wankelmoedigen geest.” Alweter antwoordde zijn makker: „Het komt mij
voor, dat zijn geest een onaangenamen reuk van vroomheid heeft; laten
wij hem ergens anders brengen; misschien zal hij daar iets vinden, wat
hem aantrekt.”








HOOFDSTUK XVI.

DE PELGRIM IS GETUIGE VAN DE PROMOTIE VAN MEESTERS EN DOCTOREN.


En hoor! daar weerklinkt op eenmaal het geluid van een trompet, alsof
men de aanwezigen tot een feestelijke samenkomst bijeenriep. Alweter,
die wel begreep, wat er aan de hand was, zeide: „Laten we nog eenmaal
omkeeren; daar is nog iets te zien.” „Ei, wat dan?” vroeg ik. „De
academie”; antwoordde hij, „zal juist diegenen bekronen, welke
vlijtiger dan anderen geweest zijn en zoodoende den top der wetenschap
beklommen hebben; zij zal hen kronen, zeg ik, opdat zij voortaan den
anderen tot voorbeeld zullen zijn.” Daar ik begeerig was een zoo
bijzondere plechtigheid bij te wonen en den grooten toeloop opmerkte,
trad ook ik achter mijn gidsen binnen. En zie, onder den
philosophischen troonhemel stond iemand met een papieren scepter;
eenigen uit het midden der vergadering traden naar voren en vroegen een
getuigschrift aangaande hun bijzondere geleerdheid. Hij verklaarde, dat
hun verzoek niet meer dan billijk was en droeg hun op, om schriftelijk
den omvang hunner kennis nader uiteen te zetten en op te geven, voor
welke wetenschap zij een testimonium verlangden. Daarop stelde de een
een kort begrip der philosophie op, een ander gaf een schets der
geneeskunde, een derde in een kort bestek de jurisprudentie; ook
hielden zij, opdat alles vlugger van stapel zou loopen, hun beurzen
niet gesloten, als het op omkoopen aankwam.

2. Vervolgens liet hij den een na den ander voorkomen en plakte ieder
een etiquet met een der volgende titels op het voorhoofd: „Dit is een
meester der vrije kunsten; dit is een doctor in de geneeskunde; dit is
een licenciaat [82] in beide rechten [83] enz., drukte het zegel daarop
en gelastte allen, zoowel de aanwezigen als de niet-aanwezigen, onder
bedreiging met de ongenade der godin Pallas [84] hen, wanneer zij hen
ontmoetten, niet anders aan te spreken dan met hun titel. Daarmee liet
hij hen gaan en gaf hij de vergadering haar afscheid. „Zal er nu verder
niets gebeuren?” riep ik verwonderd uit. „En is dit u dan niet
voldoende?” sprak de tolk, „ziet gij dan niet, hoe allen eerbiedig
plaats maken voor deze gekroonde mannen?” En inderdaad, dat deden zij.

3. Daar ik niettemin zooals altijd wenschte te zien, wat verder met hen
zou gebeuren, bleef ik een van die meesters der kunst in het oog
houden. Toen men hem nu iets opgaf om uit te rekenen, was hij hiertoe
niet in staat; men droeg hem op iets te meten, maar hij kon het niet;
daarop zeide men hem de sterren bij name te noemen, wat hij evenmin
verstond; men droeg hem op, syllogismen te vormen [85], hij wist het
niet; een vreemde taal te spreken, hij wist niet hoe; vervolgens zijn
eigen moedertaal: ook dat verstond hij niet! Ten laatste droeg men hem
op, te schrijven en te lezen, doch geen van beide kon hij. „Is het dan
geen zonde,” riep ik uit, „zich meester der zeven vrije kunsten te
noemen en geen daarvan te verstaan?” De tolk antwoordde: „wat de een
niet weet, weet een ander, een derde of een vierde; niet ieder kan
alles tegelijk weten.”—„Moet ik dit zoo verstaan,” zeide ik, „dat men
iemand, die vele jaren zijns levens op de schoolbanken doorgebracht,
zijn vermogen daaraan ten koste gelegd en titels en zegels verkregen
heeft, dan nog eerst moet vragen, of hij iets geleerd heeft? God moge
zulk een inrichting zijn hulp bieden!”—„Gij zult uw waanwijsheid niet
eerder laten varen,” waarschuwde mijn gids, „voor gij daardoor nog
eenmaal onaangenaamheden krijgt; doch draaf maar door, ik zweer, dat
gij u iets onaangenaams op den hals zult halen.”—„Welnu,” zeide ik,
„zij mogen dan in zeventig maal zevenderlei kunsten meesters en
doctoren zijn en alle of geen kunsten verstaan, ik wil daaraan verder
geen woorden verspillen; laten we maar heengaan.”








HOOFDSTUK XVII.

DE PELGRIM LEERT DEN STAND DER GEESTELIJKEN KENNEN.


        Heidenen.

Zij voerden mij vervolgens door eenige nauwe doorgangen, tot wij op een
plein kwamen, waar een menigte tempels en kapellen stonden in
uiteenloopenden stijl gebouwd; scharen van menschen gingen daar in en
uit. Wij traden het naaste Godshuis binnen en zie, daar waren aan alle
kanten gesneden en gegoten beelden van mannen en vrouwen, evenals van
verschillende dieren, vogels zoowel als kruipende dieren, boomen en
planten; evenzoo waren de open vakken omhoog en ter zijde
volgeschilderd met afbeeldingen van zon, maan en sterren, en zelfs van
leelijke duivels. Van de binnenkomenden koos een ieder zich het beeld
uit, dat hem het beste beviel, knielde daarvoor neder, kuste het,
offerde en strooide wierook. Wat mij daarbij wonderlijk toescheen, was
de eendracht, die er onder allen heerschte; want ofschoon ieder op zijn
wijze zijn godsdienstplichten vervulde, verdroegen zij dit van elkander
en liet de een den ander vrij in het bezit van eigen overtuiging
(hetgeen ik later bij anderen nergens zag). Intusschen drong een
eigenaardige, kwalijk riekende lucht tot mij door, zoodat de schrik mij
aangreep en ik mij haastte de vrije lucht te bereiken.



        Joden. Talmudi Figmenta [86].

2. Nu gingen wij een anderen tempel binnen, die wit en helder was en
geen andere beelden bevatte, dan levende; sommige hiervan schudden met
hun hoofden en mompelden iets binnensmonds; anderen richtten zich op,
stopten de ooren dicht en gaven met wijd opengesperden mond een geluid
te hooren, niet ongelijk aan het gehuil van een wolf. Op dat oogenblik
vereenigden zij zich in groepen en keken in zekere boeken. Ik trad
naderbij en zag daarin zeer zonderlinge geschilderde figuren,
bijvoorbeeld: gevleugelde en met veeren bedekte beesten, en vogels
zonder veeren en vleugels; dieren met menschelijke ledematen en
menschen met ledematen als van dieren; één lichaam met vele hoofden en
omgekeerd een hoofd met vele lichamen. Sommige van deze monsters hadden
het hoofd achter en den staart voor; andere hadden de oogen op den buik
en de voeten op den rug. Nog andere hadden ontelbaar vele oogen, ooren,
monden en voeten en ook waren er, die niets dergelijks bezaten. En dat
alles was allerwonderlijkst misplaatst, verwrongen, uit het lid
geschoten, gekromd, zeer afwijkend in grootte en vorm; het eene lid was
slechts een span, het andere een vadem lang; het eene had de dikte van
een vinger, het andere den omvang van een vat, kortom, alles was
ongeloofelijk misvormd. Zij echter verklaarden het voor tastbare feiten
en de voortreffelijkheid van dit alles roemende, wijdden de ouderen de
jongeren in de geheimen in. En ik riep uit: „Wie had ooit geloofd, dat
er menschen zouden zijn, die in zulke smakelooze dingen hun genoegen
zouden vinden. Laten wij hen verlaten en naar elders gaan.” Toen wij
buiten kwamen, zag ik deze menschen ook onder de anderen wandelen; dit
geschiedde op zoo’n wijze, dat zij bij allen afkeer opwekten en slechts
gelach en gespot oogstten. En dit bracht mij er toe, hen nu geheel te
verachten.



        De Mohammedanen.

3. Zoo schreden wij een anderen tempel binnen, die rond was en niet
minder schoon dan de vorige, doch zonder eenige versiering, met
uitzondering van eenige arabesken op de wanden en tapijten op den
vloer. De menschen daarbinnen vervulden stil en vroom hun godsdienstige
plichten; zij waren in het wit gekleed en schenen veel van reinheid te
houden, want voortdurend wieschen zij zich; ook gaven zij aalmoezen aan
de armen, zoodat ik op den schijn afgaande eenige sympathie voor hen
begon te gevoelen. Ik vroeg dan ook Alweter, op welken grondslag deze
godsdienst rustte. Hij antwoordde: „zij dragen dien steeds welbewaard
bij zich onder hun gewaad.” Hierop trad ik naderbij en wilde dezen
zien; doch zij zeiden, dat uitsluitend de uitleggers het recht daartoe
hadden. Ik volhardde echter bij mijn wensch om te mogen zien, waarbij
ik mij beriep op het verlof, dat ik van het Lot verkregen had.



        De korte inhoud van den Koran.

4. Men legde mij nu een tafel voor en toonde mij een boom, die daarop
stond, waarvan de wortels zich hoog in de lucht verhieven en de takken
diep in de aarde drongen. Daar omheen woelden een groot aantal mollen
in den grond; een groote mol ging rond, riep de andere bijeen en leidde
ze in den arbeid in. Men vertelde mij nu, dat aan de takken van dezen
boom onder de aarde allerhande kostelijke vruchten groeiden, welke deze
stille en nijvere diertjes verwierven. „En dat is,” voegde Alweter er
aan toe, „de korte samenvatting van deze religie.” En ik zag in, dat
zij slechts op de ijle lucht van vage meeningen was gegrond en dat haar
doel en vrucht slechts bestond in het wroeten in de aarde en troost te
zoeken in onzichtbare vreugden, waar werkelijke vreugden niet bestaan,
en in den blinde te zoeken, zonder te weten, wat men zocht.



        De Islam is op geweld gegrond.

5. Toen ik vandaar ging, deed ik mijn gids de vraag: „waarmee trachten
zij te bewijzen, dat dit de juiste en ware grondslag der religie is?”
Hij antwoordde mij: „Kom en zie!” Wij betraden het plein achter den
tempel, en o wee, de in het wit gekleed en goed gewasschen mannen
liepen rond met opgestroopte mouwen en stortten zich met fonkelende
oogen en vast samengeknepen lippen onder verschrikkelijk gehuil op
allen, die hun in den weg kwamen, sabelden ze neder en waadden in
menschenbloed. Vol ontzetting liep ik snel terug, en vroeg mijn gids:
„wat doen die menschen toch?” Hij gaf ten antwoord: „zij redetwisten
over de religie en trachten te bewijzen, dat de „Al Koran” een boek is,
dat de waarheid bevat.



        Twisten over den Alkoran tusschen Perzen en Turken.

6. En wij gingen opnieuw den tempel binnen, en zie, zelfs onder
degenen, welke die tafel gedragen hadden, was een strijd ontbrand over
de beteekenis van den grootsten mol [87]. Eenigen beweerden stellig,
dat hij alleen de kleinere mollen regeerde; anderen, dat hij twee
helpers had. Over deze kwestie twistten zij zoo onverzoenlijk met
elkander, dat zij ten laatste, evenals zij het buiten den tempel met de
ongeloovigen hadden gedaan, te vuur en te zwaard hun dispuut voerden,
tot het vreeselijk was om aan te zien.








HOOFDSTUK XVIII.

DE PELGRIM BESCHOUWT DEN CHRISTELIJKEN GODSDIENST.


En ziende, dat ik van angst en schrik verslagen was, zeide mijn gids
tot mij: „Kom, ik wil u nu den godsdienst der christenen toonen, die,
gegrond op de gewisse Goddelijke openbaring, zoowel den eenvoudigste
als den wijste bevrediging geeft, en niet alleen de Goddelijke waarheid
helder in het licht stelt, maar ook vijandelijke dwalingen omverwerpt;
welks schoonste sieraad de eendracht en de liefde is en die, tallooze
vervolgingen ten spijt, tot op den huidigen dag onoverweldigd bleef en
nog vast staat. Hieruit kunt gij gereedelijk begrijpen, dat de
oorsprong dezer religie uit God moet zijn en gij hier den waren troost
zult kunnen erlangen.” Ik verblijdde mij over deze rede en wij gingen
verder.



        De doop.

2. Bij onze aankomst zag ik een poort, door welke allen moesten gaan om
de Christenen te bereiken. Zij stond in het water, dat ieder moest
doorwaden en waarin hij zich moest wasschen; hij nam dan het kenteeken
dezer menschen aan, de witte en de roode kleur, en moest zich onder
eede verplichten, dat hij hun rechten en inzettingen standvastig wilde
onderhouden, zou gelooven zooals zij, bidden zooals zij, dezelfde
geboden als zij zou onderhouden. En dit beviel mij, daar het op een
begin leek van een wonderschoone orde van zaken.



        De verkondiging van het Woord.

3. Toen wij de poort doorgegaan waren, zag ik groote scharen menschen,
onder welke zich eenigen van de anderen door hun kleederdracht
onderscheidden en vanaf een verheven plaats hun een beeltenis toonden,
die met zooveel kunst geschilderd was, dat, hoe langer men het oog op
haar liet rusten, men er des te meer in vond te bewonderen. Van verre
scheen zij evenwel weinig aantrekkingskracht te bezitten, daar zij noch
met goud noch met schitterende kleuren was versierd. Zooals ik merkte
werden ook zij, die veraf stonden, minder door haar schoonheid
getroffen, terwijl zij, die in de nabijheid stonden, nooit verzadigd
werden van haar te beschouwen.



        Het beeld van Christus.

4. Diegenen echter, welke het beeld droegen, noemden het lofprijzend
den zoon Gods en zeiden, dat in zijn Wezen alle deugden waren
afgebeeld; en dat Hij van den hemel op de aarde gezonden was om den
menschen tot voorbeeld van een deugdzamen levenswandel te verstrekken.
En zij waren verheugd en jubelden, vielen op hunne knieën, hieven hun
gevouwen handen hemelwaarts en loofden God. Toen ik dat zag, stemde ik
mee in en prees God, dat Hij mij die plaats had doen bereiken.



        Het geestelijk voedsel der Christenen.

5. Intusschen hoorde ik hen onophoudelijk vermanen, dat ieder er naar
zou streven op dit beeld te gelijken. Ook zag ik, dat men op bepaalde
plaatsen bijeenkwam en dat zij, aan wie het geschilderde beeld was
toevertrouwd, kleinere afbeeldingen daar naar maakten en deze, besloten
in een of ander omhulsel, onder de anderen verdeelden, die ze met
innige vroomheid naar den mond brachten en tot zich namen. Op mijn
vraag naar de beteekenis dezer handelwijze antwoordde men mij, dat het
geenszins voldoende was het meergenoemde beeld alleen uitwendig te
beschouwen, maar dat de menschen het veeleer in hun binnenste moesten
opnemen, opdat zij zijn schoonheid mochten gelijkvormig worden. Want
alle zonden, zeide men, moesten wijken voor deze hemelsche artsenij.
Met deze verklaring stelde ik mij tevreden en prees in den grond mijns
harten de christenen gelukkig, dat zij zulke uitstekende middelen en
zulk een goede hulp bezaten, om het kwaad uit te drijven.



        De losbandigheid der Christenen.

6. Ondertusschen zag ik spoedig, dat zij, die daareven, zooals zij
zeiden, God ontvangen hadden, zich de een na den ander aan dronkenschap
en twist overgaven, ontucht pleegden en zich schuldig maakten aan
diefstal en roof. Maar daar ik mijn oogen niet geloofde, zag ik
nauwlettender toe en vond het werkelijk bewaarheid, dat zij dronken en
overgaven, krakeelden en vochten, door list en geweld elkander
beroofden en plunderden, in hun brooddronkenheid huppelden en hinnikten
als verhitte rossen, joolden en floten, overspel en hoererij bedreven,
erger dan ik het elders ooit gezien heb; kortom, dat zij juist het
tegendeel deden, van hetgeen, waartoe men ze vermaand had en in strijd
handelden met hetgeen zij beloofd hadden te doen. Daarover bedroefde ik
mij en sprak op weemoedigen toon: „Om ’s Hemels wil, wat geschiedt hier
toch eigenlijk? Ik had hier iets anders verwacht.” „Verwonder u niet te
zeer,” antwoordde de tolk, „wat men den menschen ter navolging
voorhoudt, is een graad van volkomenheid, dien het wegens de
menschelijke zwakheid niet ieder gegeven is te bereiken. Zij, die den
anderen leiding geven, zijn natuurlijk meer volmaakt, maar de gewone
mensch, die te midden van verzoekingen leeft, kan op het peil der
leiders niet staan.” „Begeven wij ons dan te midden der leiders,” zeide
ik, „opdat ik mij daarvan kan overtuigen.”



        De geestelijke dorheid der predikers.

7. Hij bracht mij dus tot de sprekers, die van hun verheven plaats af
het volk vermaanden, de schoonheid van het beeld lief te hebben; doch
zij deden dit, naar het mij voorkwam in zeer slappe bewoordingen, want,
als iemand naar hen luisterde en gehoorzaamde, was alles goed en wel,
doch in het tegenovergestelde geval was het hun ook goed. Sommigen
rinkelden wel met een paar sleutels en verklaarden de macht te hebben,
voor de ongehoorzamen de poort te sluiten, die naar het hemelrijk zou
voeren; doch intusschen sloten zij haar voor niemand toe. En als ze het
een enkele maal deden, was het niet ernstig gemeend. Ik bemerkte
overigens, dat zij dit slechts aarzelend durfden doen, want als een van
hen wat krasser wilde optreden, beschuldigde men hem dadelijk, dat hij
in zijn preek persoonlijke aanvallen invlocht. Daarom ijverden anderen,
die het niet waagden in het openbaar hun stem te verheffen, in
geschriften tegen de zonden; maar dezen schreeuwde men toe, dat zij
smaadschriften verspreidden. Men keerde zich eenvoudig van hen af, om
naar hun stem niet te luisteren of wierp hen van den kansel af en
bezette hun plaatsen met meer gematigde personen. Bij dien aanblik riep
ik uit: „Het is zuivere razernij, dat zij blinde volgelingen en vleiers
tot leidslieden en raadgevers wenschen te bezitten.” „Zoo is ’s werelds
beloop,” zei de tolk, „en het kan geen kwaad. Indien dezen schreeuwers
alles vrij stond, wie weet, wat zij zich niet zouden vermeten. Men moet
hun ook grenzen stellen, die zij niet overschrijden mogen.”



        De vleeschelijke zin der geestelijken onder de Christenen.

8. „Kom,” zeide ik, „ik zou gaarne eens willen nagaan, hoe zij [88] na
het verlaten van den kansel zich gedragen en zich te huis hebben
ingericht; dáár, weet ik ten minste zeker, zal niemand hun grenzen
stellen of hinderpalen in den weg leggen.” Wij zochten nu de wijk op,
waar de priesters alleen woonden en ik ze in gebed en zich onledig
houdende met het doorvorschen der heilsgeheimen dacht aan te treffen.
Ik bemerkte helaas het tegendeel. Hier wentelden zij zich ronkend om op
hun donzen bedden, daar zwelgden zij, aan een rijk voorzienen disch
gezeten, en propten zich vol met spijs en dronken tot berstens toe, tot
zij geen woord meer konden uitbrengen, of voerden allerlei uitgelaten
dansen en sprongen uit; eenigen vulden hun buidels, kasten en kamers
met goud en kostbaarheden, anderen brachten den tijd door met
minnehandel en overspel; sommigen hielden zich bezig met het aangespen
van sporen en het hanteeren van dolken, degens en geweren; en weer
anderen togen met een koppel honden op de hazenjacht; zoodat zij het
kleinste deel van hun tijd met den Bijbel doorbrachten, ja eenigen hem
nauwelijks een oogenblik in de hand namen, ofschoon zij zich leeraars
der Schrift noemden. Toen ik dit wereldsche leven zag, riep ik uit:
„Hoor toch, hoe ik mij hierover bedroef; moeten dit onze gidsen ten
hemel en voorbeelden der deugd zijn? Zal ik dan nergens in de wereld
iets vinden, dat vrij is van leugen en bedrog?” Toen eenigen van hen
mijn woorden hoorden en begrepen, dat ik daarmee hun ongeregelden
levenswandel gispte, begonnen zij mij schuin aan te zien en te
mompelen: als ik misschien huichelaars en oppervlakkige schijnheiligen
zocht, dan moest ik daarnaar liever elders omzien; zij zelf echter
wisten heel goed, hoe in de kerk hun plicht te doen en hoe zich tehuis
en onder de menschen te gedragen.... Zoo was ik wel genoopt te zwijgen,
ofschoon ik duidelijk inzag, dat het monsterachtig is, over het
koorkleed een pantser, over den baret een helm te dragen; in de eene
hand de wet, in de andere het zwaard te houden; op de borst de sleutels
van Petrus en den geldbuidel van Judas op den rug te dragen; een geest
te hebben, gescherpt door en thuis in de Schrift en tegelijk een hart,
volleerd in bedrog; een tong, die een stroom van vrome woorden
uitspreekt en oogen, die van wellust blaken.



        Zij dienen anderen de gaven des hemels toe, niet zichzelf.

9. Inzonderheid toen ik daarna eenigen op den kansel zeer schoone en
vrome redenen hoorde uitspreken en zij zich zelf en anderen daarbij
niet minder behaagden dan of het engelen geweest waren, die van den
hemel neergedaald waren, doch overigens echter een even teugelloos
leven leidden als de anderen, kon ik mij niet langer bedwingen en riep
uit: „Zie, ze zijn als spreekbuizen, waardoor voortreffelijke dingen
vloeien, maar die er zelf niets van vasthouden!” De tolk merkte op:
„Ook dat is een gave Gods, over Goddelijke dingen in schoone redenen te
kunnen spreken.” „Dat erken ik,” gaf ik ten antwoord, „maar moet men
zich tot woorden alleen bepalen?”



        Wanverhoudingen bij de bisschoppen.

10. Ondertusschen zag ik, dat al deze mannen oudere personen in rang
boven zich hadden, die bisschoppen, aartsbisschoppen, abten, proosten,
dekens, superintendanten, inspectoren enz. heetten, en ernstige,
eerwaardige mannen waren, wien allen hun hoogachting schonken. Daarom
verwonderde het mij, dat zij de lageren in rang niet in toom hielden.
Om de oorzaak daarvan op te sporen, ging ik een van hen in zijn kamer
na, vervolgens een ander, een derde, een vierde enz. en vond ze met
werkzaamheden zoo overladen, dat zij geen gelegenheid hadden op hun
ondergeschikten toe te zien. Uitgenomen eenige dingen, die zij met
genen gemeen hadden, bestond hun bezigheid in het beheer hunner
inkomsten en, zooals zij zeiden, der kerkelijke goederen. En ik zeide:
„ten onrechte noemen zij deze mannen geestelijke vaders, geloof ik, zij
moesten eerder rentmeesters heeten.” „Er moet toch voor gezorgd
worden,” antwoordde mij de tolk, „dat voor de kerk niet te loor gaat,
hetgeen God de Heer haar verleende en onze vrome voorouders haar
geschonken hebben.” Op eenmaal trad nu een van hen naar voren—hij had
twee sleutels aan zijn gordel hangen en werd Petrus genoemd—en sprak:
„Mannen, broeders, het is niet behoorlijk, dat wij het woord Gods
nalaten en den buik en den mammon dienen. Laat ons kiezen mannen van
goede getuigenis en hun dit werk opdragen; wij echter zullen volharden
in het gebed en in de bediening des Woords [89].” Ik was verheugd dit
te hooren, omdat het naar mijn meening een goede raadgeving was. Maar
geen van hen was zoo verstandig er naar te luisteren! Zij voeren voort
zelf hun inkomsten en uitgaven te berekenen, geld te beuren en geld uit
te geven, en lieten de gebeden en den dienst des Woords aan anderen
over of maakten er zich haastig van af.

11. Als echter een van hen stierf en de zorgen van zijn hooge
waardigheid op een ander moesten worden overgedragen, zag ik velen naar
zijn plaats dingen, naar beschermers zoekende en pogingen doende om
voorspraak te verkrijgen; ieder drong zich voor dit ambt op den
voorgrond, nog eer de ledige zetel koud geworden was. Diegene evenwel,
welke het recht had, de opengevallen plaats te vergeven, nam
getuigschriften van hen aan en won inlichtingen over hen in, die
evenwel zeer verschillend uitvielen. De een beriep er zich op, zijn
bloedverwant, een ander, die zijner vrouw te zijn; een derde verwachtte
een belooning voor de trouwe wijze, waarop hij lange jaren de ouderen
gediend had; een vierde beweerde, dat de plaats hem reeds lang beloofd
was en vertrouwde daarop; een vijfde rekende er op, wegens zijn afkomst
van eerbare ouders, op dezen eervollen post te worden geplaatst; een
zesde legde aanbevelingen over, om welke hij anderen verzocht had; een
zevende gaf heimelijk geschenken; de achtste, een man van diepe,
verheven en breede gedachten, begeerde voor zich een plaats, waar hij
zijn geestesvleugelen verder zou kunnen uitslaan; en ik weet niet, wie
al niet verder aanspraak maakten. Dit ziende zeide ik: „Is het wel
passend, zich zoo op den voorgrond te stellen om een dergelijke
waardigheid te verkrijgen, men moest liever wachten, tot men geroepen
werd.” De tolk antwoordde: „Waarom zou men hen roepen, die daaraan
wellicht ongaarne gehoor zouden geven? Wie deze waardigheden zoekt te
verkrijgen, behoort zich daartoe aan te melden.” „Ik geloofde
waarlijk,” merkte ik op, „dat men moet afwachten, tot men door God
geroepen wordt.” „Meent gij dan,” sprak hij hoonend, „dat God uit den
hemel iemand een roeping doet toekomen? Gods roeping is de gunst der
hoogergeplaatsten, en een ieder, die gereed staat aan die roeping
gehoor te geven, staat het vrij, zich die te verwerven.” „Dan zie ik,”
was mijn wederwoord, „dat het hier niet noodig is, iemand voor den
dienst der kerk aan te zoeken of daartoe te dringen; veeleer hem
daarvan af te houden. En verder, als men dan toch overal de gunst moet
zoeken te winnen, behoorde men haar ten minste te kunnen verwerven,
door te pogen zich door deemoed, zachtmoedigheid en arbeidzaamheid bij
de kerk bemind te maken, en niet, zooals men hier zien en hooren kan.
Men kan de zaak bekijken zooals men wil, het zijn en blijven
misstanden.”



        Het vertrouwen der christenen op de genoegzaamheid van het
        geloof zonder de werken.

12. Toen mijn tolk zag, dat ik op mijn standpunt bleef staan, bekende
hij eerlijk: „Het is waar, dat er in het leven der christenen, zelfs
onder de theologen meer onbehoorlijks voorkomt, dan ergens elders; doch
het is even waar, dat zelfs die christenen, welke een slecht leven
leiden, toch steeds een zalig einde hebben, omdat de behoudenis des
menschen niet op zijn werken, maar op zijn geloof berust; en indien dit
slechts vast is, kan de verlossing hun niet ontgaan. Erger u dus niet,
dat het leven bij de christenen niet altijd zoo is, als het moest zijn;
het is voldoende, wanneer slechts hun geloof vast gegrond is.”



        Er is ook strijd over het geloof. De Heilige schrift is de
        toetssteen.

13. „Komen zij dan allen met elkander in het geloof overeen?” ging ik
voort te vragen. Hij antwoordde: „er zijn inderdaad ook hier kleine
meeningverschillen; maar wat doet het er toe? Allen hebben denzelfden
grondslag.” Zij leidden mij nu achter een traliewerk in het midden van
een groote kerk, waar ik een grooten ronden steen opmerkte, die aan een
ketting naar beneden hing; men noemde hem den toetssteen. De
aanzienlijksten onder hen traden er op toe; elk van hen droeg iets in
de hand, bijvoorbeeld een stuk goud, zilver, ijzer, lood, een handvol
zand of kaf enz.; dan wreef hij met de stof, die hij bij zich had,
tegen den steen en prees die, zeggende, dat zij den toets doorstond;
anderen echter, die toezagen, loochenden dat. En zoo ontstond een
vreeselijk geschreeuw, daar niemand toeliet, dat op zijn stof afgegeven
werd en evenmin die van een ander wenschte goed te keuren. Zoo
beschimpten zij elkander, wierpen elkander vloeken naar het hoofd,
grepen elkaar vervolgens bij de kappen, trokken elkaar aan de ooren of
waar zij maar houvast konden krijgen en vlogen elkander in het haar.
Zelfs over den steen en zijn kleur ontbrandde een heftige strijd:
eenigen beweerden, dat hij blauw was, anderen dat hij groen, weer
anderen dat hij wit, en sommigen, dat hij zwart was; totdat er ten
slotte een paar mannen gevonden werden, die beweerden, dat hij van
kleur wisselde en dat hij al naar de kleur der stof, die er aan
getoetst werd, nu eens groen, dan weer blauw, wit of zwart scheen te
zijn. Eenigen gaven den raad den steen in stukken te slaan en tot stof
te verbrijzelen; daarna zou het mogelijk zijn, zijne ware eigenschappen
te zien; anderen gaven dit echter niet toe. Sommigen gingen zelfs nog
verder en verzekerden, dat de steen alleen maar oneenigheid
veroorzaakte, en het beter ware hem van den ketting af te nemen en te
verwijderen; daarna zou men het gemakkelijker eens worden. Bij deze
zienswijze sloten zich een groot deel der mannen, zelfs van de
aanzienlijksten, aan; de anderen verzetten zich echter daartegen en
zeiden, dat zij liever hun leven wilden verliezen, dan dit toestaan.
Toen daarop de twist en de schermutseling in heftigheid toenamen,
werden niet weinigen in den strijd deerlijk toegetakeld, doch de steen
bleef ongedeerd. Want hij was rond en zeer glad; wanneer iemand zijn
hand er naar uitstrekte, kon hij hem niet vatten, daar hij hem dadelijk
uit de hand gleed en rustig achter het traliewerk verder draaide.



        De christenen zijn in sekten verdeeld.

14. Nadat ik de ruimte, waar zich de steen bevond, verlaten had, zag ik
met verwondering, dat de kerk door een krans van kleine kapellen
omgeven was, waarheen zij, die het bij dien steen niet eens konden
worden, zich verspreidden; en ieder van hen werd door een groot aantal
aanhangers gevolgd; aan wie hij voorschriften gaf, op welke wijze en
waarin zij zich van de anderen moesten onderscheiden. De een gaf het
water en het vuur als zijn merkteeken aan, een ander hield het voor
noodzakelijk het teeken des kruises steeds bij de hand te hebben en
daartoe een kruis in de handpalm of in den zak te dragen; een derde gaf
het voorschrift, dat men behalve het voornaamste beeld, waaraan allen
zich moesten spiegelen tot het bereiken eener grootere volmaaktheid,
nog zoo veel mogelijk andere kleinere bij zich dragen moest; een vierde
verklaarde het knielen gedurende het gebed voor farizeesche
huichelarij; een vijfde, dat de muziek, als te dartel, onder zijn
aanhangers niet geduld mocht worden; een zesde ried van niemand eenige
leering aan te nemen en zich met de innerlijke openbaring van den geest
te vergenoegen. In een woord, overal vond ik, bij het doorschrijden
dier kapellen, verschillende eenigszins eigenaardige voorschriften in
zwang.



        Een is onder deze de schoonste.

15. Een van deze kapellen was de grootste en schoonste, schitterend van
goud en edelgesteenten [90]; daar binnen werd de klank van vroolijke
muziek gehoord. Men leidde mij dien kant uit en noodigde mij
nadrukkelijk uit, er eens rond te zien, omdat hier een veel schoonere
godsdienstoefening gehouden werd, dan ergens elders. En zie, de wanden
waren met allerlei figuren rijk beschilderd, die voorstelden, op welke
wijze de hemel kan bereikt worden. Hier waren menschen afgebeeld, die
ladders voor zich hadden gemaakt, deze tegen den hemel oprichtten en ze
beklommen. Anderen stapelden bergen en heuvels opeen om zoodoende naar
boven te kunnen komen, of vervaardigden zich vleugels en bevestigden
die aan hun lichaam; weer anderen vingen allerlei gevleugelde dieren,
knoopten eenige daarvan aan elkander, bonden zich zelf ook daar aan
vast en hoopten met hen opwaarts te kunnen vliegen, enz. Dan waren hier
ook priesters van verschillend voorkomen, die aan het volk de
afbeeldingen lieten zien, ze aanprezen en het daarbij in allerhande
ceremoniën onderwezen, waardoor het zich van de anderen moest
onderscheiden. Een van hen, bekleed met goud en purper, zat op een
hoogen troon en deelde onder zijn gehoorzame volgelingen, die deze
voorschriften getrouw nakwamen, aanzienlijke geschenken uit. En dit
leek mij een voortreffelijke inrichting te zijn; ook ging het er
vroolijker toe dan ergens elders. Doch toen ik zag, hoe de andere
sekten op hen aanstormden en hen heftig aanvielen, al hun instellingen
laakten en hen vervolgden, vatte ik achterdocht daartegen op. Vooral
toen ik zag, hoe schuchter men dit beantwoordde, hoe zwak men zich
verdedigde en liever zijn tegenstanders door hen te steenigen en te
verdrinken, te vuur en te zwaard vernietigde, terwijl men aan den
anderen kant de menschen met goud en beloften bedriegelijk tot zich
zocht te lokken. Ja, onder hen zelf ontdekte ik veel twist en
tweedracht, haat en nijd, ook hoe de een den ander uit zijn ambt
trachtte te verdringen en andere ongerechtigheden. Daarom ben ik van
daar gegaan om anderen te leeren kennen, die zich den naam van
vernieuwden [91] gaven.



        Andere secten doen vergeefsche moeite zich met elkaar te
        vereenigen.

16. Daar zag ik, hoe eenige personen uit twee of drie kapellen, die aan
elkaar grensden, met elkaar onderhandelden, hoe zij één zouden kunnen
worden [92]; intusschen kon men op geenerlei wijze tot een vergelijk
komen; ieder hield vast, aan wat hij zich in het hoofd had gezet, en
deed moeite ook den anderen zijn meening op te dringen. De
eenvoudigsten hielden zich aan de leer, die zij bij toeval op hun weg
tegengekomen waren; anderen, die schranderder waren, gingen de
verschillende kapellen binnen of verlieten die, naar dat het hun het
voordeeligst voorkwam, zoodat ik mij ten laatste over de jammerlijke
verwarring en wankelmoedigheid dezer lieve christenen zeer opwond [93].



        De ware christenen [94]. De pelgrim leert hen voorshands nog
        niet kennen.

17. Intusschen bevonden zich hier ook eenigen, die met deze
oneenigheden niets te doen wilden hebben; zij gingen hun weg zwijgend
en stil, in nadenken verzonken, richtten dikmaals hun blikken ten hemel
en gedroegen zich vriendelijk tegen allen; maar zij waren
onaanzienlijk, haveloos gekleed en uitgeput door dorst en vasten. De
anderen hadden slechts spot voor hen over, riepen hun scheldwoorden na,
floten hen uit, ja, lieten niet na hen te krabben en te plukharen,
maakten met hun vingers hoonende gebaren, lichtten hun zoo mogelijk een
been en wierpen hun vloekwoorden naar het hoofd. Zij verdroegen evenwel
alles en gingen huns weegs, als waren zij blind, doof en stom. Toen ik
hen achter een voorhangsel in het koor verdwijnen en weer te voorschijn
komen zag, wilde ik ook daar heen gaan en zien, wat zij daar deden.
Doch de tolk duwde mij terug en sprak: „Wat wenscht gij daar te doen?
Of wilt gij u ook zoo belachelijk aanstellen? Gij hebt zeker reden te
begeeren, dat men u bespot.” Zoo gaf ik dan mijn voornemen op. Maar,
ach, dat was verkeerd gezien: waarom liet ik mij door die rampzalige
Verblinding in de war brengen? Want daar heb ik mij het middelpunt van
hemel en aarde laten ontgaan en den weg gemist, die voert tot de
plaats, waar men met vreugde verzadigd wordt. Ik werd weder in het
geroezemoes van het labyrint des levens teruggevoerd, tot God mij redde
en op den rechten weg, dien ik hier kwijt raakte, weer terugleidde.
Wanneer en hoe dit geschiedde, zal ik later vertellen. Doch toenmaals
oordeelde ik anders en haastte mij, naar andere dingen te zien, daar
mijn ziel slechts naar uiterlijken vrede en wereldsch genot haakte.



        Wat met den pelgrim na opname in dezen stand voorvalt.

18. Ik wil niet stilzwijgend voorbijgaan, wat mij nog verder in die
straat wedervoer. Vriend Overalbij had mij overreed in den stand der
geestelijken te treden; want het stond vast, dat ik hiertoe door het
lot was uitverkoren; en inderdaad ik moet erkennen, dat deze keuze met
mijn wenschen strookte, ofschoon ik geenszins met alle gewoonten van
dien stand ingenomen was. Zoo liet ik mij dan verleiden; ik nam pij met
kap aan, besteeg hier en daar tegelijk met de anderen een kansel, tot
men mij een eigen spreekgestoelte aanwees. Maar rondziende bemerkte ik
spoedig, dat de een mij den rug toekeerde, de ander mij met den nek
aanzag, een derde tegen anderen over mij knipoogde, een vierde mij met
de vuist dreigde, een vijfde mij bij den neus nam, tot ten laatste
eenigen op mij losstormden, mij van den kansel naar beneden stieten,
een ander in mijn plaats stelden en dreigden, dat zij nog ergere dingen
zouden doen. Hevig verschrikt vlood ik ijlings weg en sprak tot mijn
gidsen: „Kan er een armzaliger wereld bestaan? Het eene voor, het
andere na, loopt op niets uit!” „Zonder twijfel,” zeide de tolk,
„waarom neemt gij u niet beter in acht en jaagt de menschen zoo tegen u
in het harnas? Wie met de menschen wil verkeeren, moet zich weten aan
te passen en zich niet aanstellen als een dwaas, zooals gij altijd
doet.” „Ik weet nu werkelijk niet beter te doen dan alles maar zoo te
laten, als het is,” mompelde ik. „Neen, neen, dat niet!” troostte
Overalbij, „wij moeten niet wanhopen. Als gij hiertoe niet geschikt
zijt, zult gij het wel tot iets anders zijn. Kom maar mee, wij zullen
verder zien!” Hij greep mij bij de hand en leidde mij voort.








HOOFDSTUK XIX.

DE PELGRIM BESCHOUWT DEN STAND DER OVERHEDEN.


        Het verschil van rang onder de overheidspersonen.

Wij kwamen nu in een andere straat, waarin ik tegen de huizen een
dichte rij van zetels geplaatst zag, hoogere en lagere. Wie daar in
zaten sprak men aan als: mijnheer de rechter, mijnheer de burgemeester,
mijnheer de schout, mijnheer de regent, mijnheer de burggraaf, mijnheer
de kanselier, mijnheer de stadhouder, mijne Heeren rechters,
geëerbiedigde koning, vorst en heer, enz. „Daar hebt gij nu,” zoo
lichtte de tolk mij in, „voor u de mannen, die recht spreken en in
rechtsgedingen vonnissen, de boozen straffen, de goeden beschermen en
de orde in de wereld handhaven.” „Dat is ontegenzeggelijk een schoone
zaak, die naar mijn meening voor de menschheid onmisbaar is,” zeide ik,
„maar hoe komen zij aan deze menschen?” „Sommigen krijgen door hun
geboorte toegang tot dien stand,” luidde het antwoord, „anderen worden
door deze laatsten of door de gemeenschap gekozen, wijl zij voor de
wijsten van allen en voor de ervarensten, de bedrevensten, op het
gebied van recht en gerechtigheid worden gehouden.” Ook dit scheen mij
toe, geheel in orde te zijn.

2. Daar gelukte het mij, een oogenblik van nabij den toestand op te
nemen; ik zag toen, dat eenigen hun zetels verwierven door ze te
koopen, anderen door er dringend om te verzoeken, nog anderen door
vleierij, terwijl sommigen zelfs geen geweld ontzagen om zich van een
zetel meester te maken. Dit ziende, riep ik: „Zie eens, wat een
onrecht!” „Zwijg toch, betweter,” zeide de tolk, „als men het hoorde,
zou het u leelijk opbreken.” „En waarom wachten zij dan niet,” zeide
ik, „tot men hen kiest?” „Wat zou dat!” gaf hij ten antwoord. „Zij zijn
zich zonder twijfel van hun kundigheden bewust en tegen het werk
opgewassen; en wanneer de anderen met hen voldaan zijn, waarom zult gij
u dan daarmee het hoofd breken?”

3. Zoo zweeg ik, zette mijn bril recht en beschouwde hen opmerkzaam. Nu
ontdekte ik namelijk, geheel onverwachts, dat slechts bij uitzondering
een van hen alle ledematen bezat, en dat bijna ieder een onmisbaar
lichaamsdeel had verloren, hetzij de ooren om de klachten van hun
ondergeschikten te hooren, of de oogen om de misbruiken in hun omgeving
op te merken, of den neus om daardoor lucht te krijgen van de lagen der
gauwdieven tegen de rechtschapenen; of de tong om de voorspraak te zijn
van de onderdrukten, die zich niet kunnen verweren, of de hand om
daarmee het rechterlijk vonnis te voltrekken; velen hadden zelfs geen
hart om te doen, hetgeen de gerechtigheid eischt.

4. Doch zij, wien geen dezer ledematen ontbrak, waren er treurig aan
toe, zooals ik zag; want zij werden voortdurend overstelpt met
aanvragen en verzoeken, zoodat zij evenmin tijd hadden een weinig te
eten als om rustig te slapen, terwijl de anderen meer dan de helft van
den dag in ledigheid doorbrachten. En ik zeide: „waarom vertrouwt men
toch de rechtspraak aan dergelijke mannen toe, die de daartoe
vereischte ledematen missen?” De tolk antwoordde, dat dit niet het
geval was, maar dat het mij slechts zoo toescheen. „Want,” zei hij,
„Qui nescit simulare, nescit regnare [95]. Hij, die over anderen
heerscht, moet zich dikwijls houden, alsof hij niets ziet, hoort of
begrijpt, ook al ziet, hoort en verstaat hij alles. Gij kunt dit echter
moeilijk begrijpen, daar gij in de staatkundige zaken niet bedreven
zijt.” „Het is mogelijk,” was mijn antwoord, „en toch zie ik, op mijn
woord, dat zij de leden missen, die zij moesten hebben.” „En ik raad u
te zwijgen,” sprak hij, „anders beloof ik u, tenzij gij die betweterij
laat varen, dat gij ergens belanden zult, waar het u niet aangenaam zal
zijn.” „Weet gij dan niet, dat het belasteren van rechters iemand den
hals kan kosten?” Daarom zweeg ik maar en beschouwde alles rustig. Maar
het schijnt mij niet gepast alle bijzonderheden te verhalen, die ik bij
deze, in hoogheid gezeten, mannen waarnam, slechts twee punten wil ik
aanroeren.



        De talrijke misbruiken en de onrechtmatige handelingen der
        rechters.

5. Het langste hield ik mij op bij het gerechtshof van den raad der
senatoren; deze rechters hadden de volgende namen: Zondergod,
Twistziek, Van-hooren-zeggen, Partijdig, Zelfzucht, Gouddorst,
Neem-giften-aan, Stel-niet-op-de-proef, Weetweinig, Zonderzorg,
Haastig, Sleur; de voorzitter en tegelijk opperste rechter of primus
was de heer Zoo-wil-ik-het. Uit deze namen maakte ik terstond op, wat
voor soort rechters zij waren; tot voorbeeld diende mij echter een
geval, dat juist in mijn tegenwoordigheid behandeld werd. Eenvoud was
aangeklaagd door haar vijandin Kwaadspreekster, dat zij eenige eerbare
lieden smaad aangedaan had door ze den scheldnaam van woekeraars,
gierigaards, dronkaards en zuipers te geven en zich aan allerlei
verdraaiïngen van de waarheid schuldig te maken. Als getuigen kwamen
op: Babbelaar, Leugen en Verdachtmaking; procureur van het hof was aan
de eene zijde Vleierij, aan de andere Praatvaar, dien Eenvoud evenwel
verklaarde niet noodig te hebben. Gevraagd, of zij zich ook schuldig
bekende aan het haar ten laste gelegde vergrijp, zeide zij: „ik beken
het, goede heeren rechters,” en voegde daaraan toe: „Hier sta ik, ik
kan niet anders spreken, God helpe mij!” Nu staken de rechters de
hoofden bijeen en lichtten hun stemmen toe. Zondergod verzekerde: „Het
is weliswaar juist, wat dit vrouwmensch zegt, maar wat had zij voor met
dien ijdelen praat? Als wij haar ongestraft haar gang laten gaan, zal
zij ten laatste ook nog over ons gaan kakelen. Ik stem er voor, dat zij
gestraft worde.” Twistziek zeide: „Juist, want wanneer men zoo iets bij
den een door de vingers ziet, zullen ook anderen met gelijke
toegefelijkheid behandeld worden.” Van-hooren-zeggen meende: „Ik weet
weliswaar niet, hoe de vork aan den steel zit; daar echter de
tegenpartij deze zaak zoo hoog opneemt, begrijp ik, dat zij er
werkelijk smartelijk door getroffen is. Laat haar dus straffen.”
Partijdig merkte op: „Ik heb reeds lang geweten, dat deze babbelaarster
alles, wat zij weet, er uit flapt, het is meer dan noodig, haar den
mond te stoppen.” Eigenlief verklaarde: „De beleedigde is mijn goede
vriend; zij had hem tenminste om mijnentwille deze grappen moeten
besparen. Zij verdient gestraft te worden.” Goudlief sprak: „Gij weet
immers allen, hoe vrijgevig de aanklager zich tegenover ons betoond
heeft; hij is waard, dat wij voor zijn belangen opkomen.”
Neem-giften-aan bevestigde: „Zeer juist, wij zouden ondankbaar zijn,
indien zijn zaak het onderspit zou delven.” Stel-niet-op-de-proef zei
hierop: „Ik heb een dergelijk geval nog niet meegemaakt; laat haar de
verdiende straf maar ondergaan.” Weetweinig liet aldus zijn stem
hooren: „Ik begrijp de toedracht der zaak niet; ik geef mijn
goedkeuring, hoe ook uw oordeel uitvalle.” Sleur zeide: „hoe het ook
zij, ik zal met alles instemmen.” Zonderzorg deed het voorstel: „Zouden
wij het rechtsgeding niet kunnen uitstellen? Wellicht heldert zich de
zaak dan later op.” Haastig antwoordde: „Dat in het geheel niet, laat
ons terstond het oordeel vellen.” Daarop zeide de Rechter: „Wel zeker,
wij behoeven immers niemand naar de oogen te zien; wat het recht wil,
lijdt geen uitstel.” Nu verhief hij zich van zijn zetel en sprak het
vonnis uit: „Daar deze praatzieke vrouw, zich met zoo onbehoorlijke
dingen ingelaten en op allerlei wijzen de eer van achtenswaardige
lieden gekrenkt heeft, zal haar vonnis zijn, dat zij veertig stokslagen
min een ontvangt, om haar ongebreidelde tong aan banden te leggen en
ter waarschuwing voor anderen.” Hierop maakten de aanklager met zijn
procureur een diepe buiging en betuigden den rechter hun dank voor de
eerlijke oplossing, die hij voor het geding gevonden had. Eenvoud werd
tot een dergelijk hoffelijk optreden aangemaand, doch zij gaf zich over
aan haar tranen en verdriet en wrong de handen; omdat zij het gerecht
niet voldoende eer bewees, beval men haar straf nog te verzwaren, haar
te grijpen en in de gevangenis te zetten. Het onrecht ziende, dat haar
aangedaan werd, kon ik mij niet langer inhouden en riep met luider
stemme: „Ach, wanneer alle gerechtshoven in de wereld zoo zijn als dit
hier, dan moge de almachtige God mij er voor behoeden zelf rechter te
worden of anderen voor het gerecht te dagen!” „Zwijg toch, dolleman!”
zei de tolk en hield mij daarbij de vuist voor den mond, „ik zweer u,
dat gij u door uw dwazen praat een gelijke, zoo al niet ergere
kastijding op den hals zult halen.” En inderdaad, Kwaadspreekster in
vereeniging met de Vleierij poogden reeds getuigen tegen mij op te
roepen. Hierover ontsteld, wist ik niet, hoe gauw ik vandaar wel zou
wegijlen, zoodat ik geheel buiten adem geraakte.



        Verkeerdheden der advocaten.

6. Zoodra ik voor het gerechtshof een weinig op adem gekomen was en
mijn oogen had uitgewreven, zag ik vele lieden, die zich met hun
geschillen tot het gerecht begaven en hoe hun dadelijk de advocaten
(Praatvaar, Vleierij, Rechtsverdraaier, Op-de-lange-baan-schuiver en
anderen) tegemoet traden en hun diensten aanboden, waarbij zij niet zoo
zeer overwogen, wat voor soort rechtszaak de cliënt had, als wel, hoe
het met zijn geldbuidel was gesteld. Ieder van hen droeg zijn wetboek
steeds bij zich (wat ik bij de theologen niet gezien heb) [96] en zocht
daarin van tijd tot tijd een paragraaf op. Op eenige dezer exemplaren
las ik het opschrift: „Langdurige veeten en uitstervingen,” op een
ander: „Slangenwetten en terechtstellingen” [97]. Daar ik het echter
niet langer wenschte aan te zien, ging ik onder het loozen van diepe
zuchten heen.



        De onbeperkte macht der vorsten en de listen hunner dienaren.

7. Alweter zei tot mij: „Het beste blijft nog over. Kom en neem eens
een kijkje bij de regeering der koningen, vorsten en andere
souvereinen, die krachtens erfelijk recht over hun onderdanen regeeren;
wellicht zal dit u naar den zin zijn.” Zoo trokken wij dan weder naar
een andere plaats en zie! daar zaten zij op hun hooge en breede
troonzetels, zoodat het zelden voorkwam, dat iemand hen kon naderen en
bereiken, tenzij met behulp van bepaalde instrumenten; want elk hunner
had, in plaats van ooren, lange spreekbuizen aan beide zijden en zij,
die iets wenschten te zeggen, moesten dat aan het eind der buizen
influisteren. Deze waren echter verbogen en bovendien doorzeefd met
gaten, zoodat vele woorden, voor zij tot het gehoor doordrongen, daar
buiten in de lucht wegstierven, en die, welke hun doel bereikten, bij
hun aankomst grootendeels een ander karakter hadden aangenomen. Dit
maakte ik daaruit op, dat iemand, die sprak, niet altijd een antwoord
ontving; en wanneer hij een enkele maal luid genoeg riep, kon zijn
geroep toch niet tot het brein van den heerscher doordringen. Nu en dan
werd wel een antwoord gegeven, maar dit was niet ter zake. Ook in
plaats van oogen en tong bedienden zij zich van deze lange buizen, door
welke de dingen, zooals van zelf spreekt, dikwijls anders gezien werden
dan zij waren en het antwoord van den vorst ook vaak geheel anders
uitviel, dan in zijn bedoeling lag. Zoodra ik de gebreken dezer
handelwijze doorzien had, sprak ik: „waarom leggen zij die buizen toch
niet ter zijde en zien niet, juist als de andere menschen, eenvoudig
met hun eigen oogen, hooren met hun eigen ooren en spreken met hun
eigen tong?” Het antwoord luidde: „het hooge aanzien, waarin hun
persoon staat en de waardigheid van hun rang eischen al dezen omslag;
of houdt gij hen voor gewone boeren, die men vrij onder de oogen kan
komen en rechtstreeks kan aanhooren en toespreken?”



        De vorsten hebben raadgevers noodig, hoe bezwaarlijk het ook
        zij.

8. Ondertusschen zag ik in de nabijheid der tronen een aantal menschen
rondwandelen; sommigen van dezen bliezen door middel van die buizen
iets in de ooren van hun heer; anderen plaatsten brillen met glazen van
verschillende kleur voor zijn oogen of hielden hem iets, dat rook
verspreidde onder den neus; eenigen legden zijn handen naast en daarna
over elkaar of bonden zijn voeten samen en maakten ze dan weer los; nog
anderen herstelden en bevestigden zijn troon. „Wat zijn dat voor
menschen,” vroeg ik, „en wat doen zij daar?” De tolk antwoordde mij:
„Het zijn de geheimraden, die de koningen en groote heeren met hun raad
bijstaan.” „Ik zou het niet van hen dulden,” zeide ik, „indien ik in
hun plaats was; want ik zou voor mijn ledematen en handelingen de volle
vrijheid opeischen.” „Eén man moet niet alles alleen op zijn schouders
nemen,” antwoordde hij, „men mag hem dat zelfs niet eens toestaan.”
„Dan zijn die groote heeren er slechter aan toe dan de boeren,” hernam
ik, „daar zij zoo gebonden zijn, dat zij zonder den wil van anderen
zich zelfs niet bewegen kunnen.” „Maar zij voelen zich zóó veiliger,”
antwoordde hij, „kijk maar eens naar die mannen!”



        Zonder raadgevers is het nog erger.

9. Ik richtte mijn blikken naar de aangeduide plaats en zie, daar zaten
er eenigen op hun tronen, die zich niet lieten kwellen door deze
raadgevers en ze allen uit hun omgeving verjoegen, hetgeen geheel met
mijn wenschen overeenkwam. Ik vond echter, dat op deze wijze dadelijk
andere euvels binnenslopen. Want de plaats der weinigen, die verdreven
waren, werd terstond door vele anderen ingenomen, die hun best deden
hem in mond, neus en ooren te blazen, de oogen nu afwisselend te
sluiten en te openen, en de handen en voeten nu eens in deze, dan weer
in gene richting uit te strekken; inzonderheid poogde ieder nieuw
aangekomene dit in zijn richting te doen plaats vinden, en wilde hem
leiden en trekken naar de plaats, waar hij stond, totdat menigeen van
deze ongelukkige heeren ten slotte niet meer wist, wat hij doen of
laten zou, wien hij ter wille zou zijn en tegen wien zich verweren,
noch hoe hij allen het hoofd zou kunnen bieden. En ik zeide: „nu zie ik
wel in, dat het beter is, zich aan een klein aantal uitgelezen personen
toe te vertrouwen dan aldus een twistappel voor allen te zijn. Maar zou
alles niet eenigszins anders geregeld kunnen worden?” „Hoe zou dat
mogelijk zijn,” sprak mijn gids, „hun beroep brengt nu eenmaal mee, dat
zij van alle zijden klachten en bezwaren, beden en verzoeken, gronden
en tegengronden moeten aanhooren en tegenover allen de rechtvaardigheid
betrachten. Tenzij zij zouden handelen, als die, welke ik u thans
aanwijs.”



        Zorgelooze heeren.

10. Tegelijkertijd toonde hij mij eenige heeren, die niemand in hun
nabijheid duldden, behalve degenen, wier oogmerk was het gemak hunner
heerschers te dienen en daartoe het noodige in gereedheid te brengen.
Ik zag, dat zij door lieden omzwermd waren, die kussens onder hen
legden, hun spiegels voor hielden, met waaiers een koelen luchtstroom
toevoerden, veeren en vuil onder hen opnamen, hun gewaad en schoenen
kusten; toch was dit alles slechts oogendienst. Eenigen likten zelfs
het speeksel en neusslijm, dat van hun heer afkomstig was en roemden
den zoeten smaak daarvan. Ook dit schouwspel mishaagde mij zeer; vooral
toen ik zag, dat de troon van bijna al zulke vorsten aan het wankelen
raakte en onvoorziens ineenstortte, als die trouwere steunpilaren
ontbraken.



        Een gevaarlijk avontuur van den pelgrim.

11. Nu geschiedde het in mijn tegenwoordigheid, dat de troon van zulk
een vorst begon te wankelen, ineenstortte en hij zelf ter aarde viel.
Daarop liet zich het gedruisch van een volksoploop hooren en een blik
in het rond werpende zag ik, dat men een ander in triomf meevoerde en
onder gejuich op den troon zette [98], in de hoop dat de zaken nu
anders zouden gaan dan te voren; men omringde jubelend den troon en
bevestigde en schraagde hem, zooveel men vermocht. En daar ik het nu
ook voor mijn plicht hield het algemeene welzijn (want dezen naam gaven
zij er aan) te bevorderen, trad ik toe en sloeg er ook een of twee
wiggen in; hierom prezen sommigen mij, terwijl anderen er mij leelijk
om aankeken. Ondertusschen herstelde de eerste vorst zich weder en hij
en zijn getrouwen overvielen ons met knuppels en sloegen op de menigte
los, dat alles uiteenstoof en het velen den hals kostte. Door vrees
ontsteld verloor ik bijna mijn bezinning, tot vriend Alweter, die
vernomen had, dat men navraag deed naar hen, die meegeholpen hadden den
zoo juist ineengestorten troon te bevestigen en te schragen, mij een
duwtje gaf als teeken, dat ik ook de vlucht zou nemen. De Verblinding
meende evenwel, dat het niet noodig was, en terwijl ik nog overlegde,
wien ik gehoor zou geven, kwam ik op eenmaal in onzachte aanraking met
een der knuppels, die men rondom mij zwaaide, en toen eerst herstelde
ik mij en vlood snel in een hoek. Zoo leerde ik, dat zoowel het zitten
in die gestoelten, als het zich in de nabijheid bevinden en het
aanraken daarvan, gevaarlijk is. Daarom verliet ik na deze ervaring
liever dit oord, met het vaste voornemen er nooit meer terug te keeren.
Op gelijke wijze sprak ik tot mijn beide gidsen: „Wie wil, moge tot
deze bergen naderen [99], ik zelf zal er mij niet aan wagen.”



        Er heerscht overal wanorde onder de menschen.

12. In het bijzonder werd het mij nog duidelijk, dat overal de grootste
wanorde heerschte, hoewel al deze mannen bestuurders der wereld wilden
genoemd worden. Want hetzij de vorst zijn onderdanen rechtstreeks of
door middel der buizen toegang tot den troon verschafte, hetzij hij
zelfstandig of gehoor gevende aan inblazingen van anderen zijn
beslissingen nam, ik zag in beide gevallen evenveel recht als onrecht;
hoorde evenveel zuchten en weeklagen als uitroepen van vroolijkheid; ik
vond, dat het recht vermengd was met onrecht, en geweld met wettigheid.
Ik zag duidelijk in, dat de stadhuizen, gerechtshoven en kanselarijen
zoowel werkplaatsen zijn van het recht als van het onrecht, en dat zij,
die zich de handhavers der orde in de wereld noemen, evenzeer (en
dikwijls nog meer) de verdedigers der wanorde als die der orde zijn.
Vol verwondering hoeveel ijdelen schijn en blinkende ellende deze stand
in zich verbergt, gaf ik hem mijn zegen [100] en ging heen.








HOOFDSTUK XX.

DE SOLDATENSTAND.


        De wreedheid der menschen.

Wij kwamen nu in de laatste straat; op het eerste plein, dat wij
betraden, stond al dadelijk een groot aantal mannen in roode kleeding.
Toen ik een weinig naderbij kwam, hoorde ik, dat zij overleg pleegden
aangaande de mogelijkheid den Dood vleugels te geven, opdat hij zoo in
staat zou zijn zoowel uit de verte als van dichtbij zijn slachtoffers
te bereiken; item, hoe men datgene, waaraan de menschen jarenlang
gebouwd hadden, in een oogenblik zou kunnen vernietigen. En ik schrok
vreeselijk bij het hooren dezer woorden; want tot hiertoe hadden de
woorden en werken op alle plaatsen, waar ik des menschen doen en laten
zag, alleen de opvoeding en vermeerdering der menschheid en het
bevorderen van haar welstand op het oog, maar die daar beraadslaagden
over de vernietiging van menschelijk leven en van menschelijken
welstand. De gids verklaarde evenwel: „Ook hun streven beoogt hetzelfde
doel; alleen maar de weg is een weinig anders, daar zij namelijk eerst
de hindernissen uit den weg ruimen. Later zult gij dit beter leeren
inzien.”



        Het aanwerven.

2. Intusschen liepen wij op de poort toe, voor welke in plaats van
poortwachters eenige mannen met trommen stonden, die ieder, welke
binnentrad, vroegen, of hij een beurs met geld bij zich droeg. Wanneer
hij ze dan liet zien en opende, lieten zij er wat geld in vallen en
zeiden: „Laat daar uw huid mee betaald zijn.” Daarna lieten zij den man
een soort gewelf binnengaan en leidden hem later daaruit, in een
ijzeren rusting gestoken, en van een vuurwapen voorzien; vervolgens
bevalen zij hem door te loopen naar het marktplein, achter de poort.



        Het arsenaal of de wapenkamer.

3. Ik was evenwel begeerig om te zien, hoe het er in het gewelf uitzag
en trad er onmiddellijk binnen. Daar lag langs de wanden in
onafzienbare rijen en op den grond, in hoopen zoo groot als de grootste
houtmijten, zoodat men ze zelfs op duizenden wagens niet had kunnen
vervoeren, allerlei soort van gruwelijk wapentuig van ijzer, lood, hout
en steen, dat gesmeed of bewerkt was om te steken, neer te houwen, te
snijden, te spietsen, te slaan, te knijpen, de hoofden te klieven, te
scheuren, te branden, in één woord om te moorden, zoodat ik geheel
ontstelde. Ik vroeg, tegen welke wilde dieren men deze toebereidselen
tot afweer getroffen had. „Tegen menschen,” luidde het antwoord van den
tolk.—„Tegen menschen?” riep ik uit, vol schrik zijn woorden
herhalende, „ach, ik had gedacht tegen het een of andere dolle beest of
tegen wilde, grimmige roofdieren, maar om ’s Hemelswil, welk een
wreedheid is het, als de eene mensch tegen den ander zulke vreeselijke
werktuigen uitdenkt!”—„Zijt gij niet al te kieskeurig?” zeide hij
lachend.



        Het losbandige leven der soldaten.

4. Vandaar gingen wij dieper de straat in en kwamen zoo aan een rond
plein, waar heele scharen van dergelijke mannen, met ijzer bewapend, en
van horens en klauwen voorzien, over verschillende colonnes verdeeld,
naast elkaar in het gelid stonden. Zij lagen rondom eigenaardige
troggen en houten kruiken, waarin men hun spijs en drank stortte en
uitgoot, die zij gulzig en slobberend om strijd naar binnensloegen.
„Worden hier,” zoo vroeg ik, „zwijnen voor de slachtbank vetgemest? Ik
zie wel gestalten van menschen, maar de handelingen, die ik waarneem,
lijken op die van zwijnen.”—„Dat is juist het aantrekkelijke van dezen
stand,” zei de tolk. Ondertusschen stonden zij van hun troggen op en
begonnen te dansen en te springen, te huppelen en te schreeuwen. En de
tolk hernam: „Ziet gij nu goed de genoegens van dit leven? Men leeft
hier zonder zorgen; moet het hier niet een vroolijk bestaan zijn?” „Ik
wil toch eerst gaarne afwachten, wat er verder zal geschieden,” zeide
ik. En nu begonnen zij een anderen stand van menschen, die zij
overvielen, te vervolgen en te brandschatten. Dan wentelden zij zich
weer rond op den grond en bedreven de zonde van Sodom en andere
schandelijkheden zonder eenige schaamte of vrees voor God. Rood van
schaamte en ergernis riep ik uit: „Zie, dat behoorde men van hen toch
niet te dulden!”—„Daartoe is men wel gedwongen,” antwoordde de tolk,
„want deze stand maakt aanspraak op allerlei vrijheden.” Vervolgens
zetten zij zich weder naast hun troggen neder en gaven zich aan zulke
zwelgerijen en slemppartijen over, dat zij bewusteloos ineenzakten en
luid snorkend languit op den grond bleven liggen. Later leidde men hen
naar een plaats, waar zij, aan wind en regen, hagel, sneeuw en vorst,
aan honger en dorst en aan allerlei ongemak blootgesteld, voor het
grootste deel sidderend en bevend wegkwijnden en omkwamen [101], aan
honden en raven tot aas. De anderen trokken zich dit lot van hun
kameraden volstrekt niet aan en gaven zich verder aan brasserijen over.



        Beschrijving van een veldslag.

5. Daar wordt plotseling de trom geroerd en schalt de trompet; een
groot lawaai en geschreeuw verheft zich allerwegen en allen springen
overeind, grijpen naar hun messen, hun strijdbijlen, bajonetten en wat
zij maar bij de hand hebben en vallen elkaar meedoogenloos aan, zoodat
het bloed in stroomen vloeit, steken elkander en houwen en slaan
verwoeder op elkaar los dan de wildste roofdieren. Nu wordt het geraas
in alle richtingen luider; men hoort het stampen der rossen, het
rammelen der pantsers, het kletteren van de zwaarden, het doffe dreunen
van het geschut, het fluiten van projectielen en kogels, die ons om de
ooren vliegen, het schetteren der trompetten, het slaan der trommen,
het geschreeuw van hen, die tot den strijd aanvuren, de juichkreten der
overwinnaars, de smartkreten der gewonden en stervenden.—Men ziet onder
ontzettend gedruisch een hagel van lood neerkomen en hoort een
vreeselijk donderen, gepaard met vurige bliksemstralen; nu eens wordt
den een, dan den ander een hand, een voet of het hoofd afgerukt; de een
valt over den ander heen en alles baadt in bloed. „Almachtige God,”
riep ik, „wat geschiedt er hier? Moet de wereld vergaan?”

Nauwelijks meester van mijzelf ontvlood ik die plaats; ik weet niet,
hoe noch waarheen ik ging, en pas toen ik na den doorgestanen schrik
weder ruimer ademhaalde, hoewel ik nog over mijn geheele lichaam
beefde, sprak ik tot mijn gidsen: „Waarom hebt gij mij toch hierheen
gevoerd?”—„O, wat zijt gij verweekelijkt,” riep hij uit, „een man zijn
beteekent immers anderen zijn macht laten voelen.”—„Wat hebben zij
elkaar dan gedaan?” vroeg ik verder.—„De heeren hebben een weinig
oneenigheid met elkander gehad, en dan moet de zaak weder in het reine
gebracht worden,” was zijn antwoord.—„En moet, wat ik hier gezien heb,
dan beteekenen, dat men het geschil bijlegt?” zeide ik, verder op zijn
verklaring ingaande.—„Zeer zeker,” antwoordde hij; „want wie zou de
groote heeren, de koningen en hun rijken met elkander tot
overeenstemming kunnen brengen, daar zij geen rechters boven zich
hebben? Daarom moeten zij de geschillen, die tusschen hen bestaan, met
het zwaard beslissen. Hij, die het best de kunst verstaat, den ander in
het gebruik van de wapenen en van het vuur te overtreffen, plaatst zich
op den voorgrond. Wie het beter verstaat dan de ander, zijn
tegenstander in het gevecht te overmannen en den rooden haan over zijn
have en goed te laten kraaien, neemt de eerste plaats in.” „Welk een
barbaarschheid, o, welk een beestachtigheid!” riep ik uit, „was er dan
geen andere weg om hen te verzoenen? Wilde beesten mogen zoo hun
geschillen beslissen, menschen past dit niet.”



        Zij, die op het slagveld bleven.

6. Daar zag ik op eens, hoe velen met afgehouwen handen, voeten, hoofd
en neus, doorschoten lichaam en in flarden gescheurde huid, geheel
besmeurd met bloed van het slagveld werden weggevoerd. Toen mijn gids
zag, dat ik vol deernis dit tafereel ternauwernood kon aanzien, zeide
hij: „Dit alles heelt wel weder; een soldaat moet immers gehard
zijn.”—„En hoe staat het met hen,” voer ik hem tegemoet, „die hun leven
hier gelaten hebben?”—„Voor hun huid was immers betaald,” antwoordde
hij.—„Hoe zoo?” zeide ik.—„Hebt gij dan niet gezien,” zoo helderde hij
op, „hoeveel aangenaams hun van te voren was toegestaan?”—„En moesten
zij niet eveneens veel ongemak daartoe verdragen?” merkte ik op, „en
zelfs indien van te voren alleen genoegens hun deel waren geweest, is
het toch iets ellendigs voor een mensch zich vooraf te laten voederen
om spoedig daarop naar de slachtbank geleid te worden. Het is een
leelijke stand in elk geval; ik begeer hem niet, mij bevalt hij niet.
Laten wij heengaan.”








HOOFDSTUK XXI.

DE RIDDERSTAND.


        Waarom adeldom en wapenschilden verleend worden.

„Aanschouw nu eens,” sprak de tolk, „welk een eer hij verkrijgt, die
zich heldhaftig gedraagt en zich al vechtend den weg baant door
zwaarden en lansen, pijlen en kogels.” Hierop leidden zij mij naar een
soort paleis; hier zag ik een man onder een baldakijn zitten, die
degenen, welke zich bijzonder door hun dapperheid hadden onderscheiden,
voor zijn troon liet roepen. En velen kwamen en voerden openlijk de
schedels, knoken, ribben en vuisten mee, die zij van de lichamen der
vijanden hadden afgehouwen, en de geldzakken en buidels, die zij hun
ontnomen hadden. Zij oogstten hiervoor bijzonder veel lof in, en de
man, die onder het baldakijn zat, gaf hun ieder een beschilderd
voorwerp [102] en bijzondere voorrechten boven de anderen. Zij droegen
deze, aan lange staken bevestigd, zóó, dat aller oog er op viel.



        Ook anderen verdringen elkander om opname in dezen stand.

2. Dit ziende drongen anderen, niet alleen uit de rijen der strijders,
zooals in oude tijden, naar voren, maar ook enkele handwerkslieden en
schrijvers van boeken en daar zij niet als genen in staat waren hun
wonden en den buit, dien zij den vijand ontnamen, te laten zien,
haalden zij hun eigen beurzen te voorschijn en boden die aan of toonden
de hanepooten, waarmee zij heele boeken volgekrast hadden. Ook zij
kregen zulke schilden, die dikwijls nog veel prachtiger waren dan de
andere; en in den regel werden zij ook tot een hoogeren rang
toegelaten.



        De luister van den ridderstand.

3. Toen ik nu achter hen voortging, zag ik ze daar in groote scharen
met wapperende vederbossen, de voeten van sporen voorzien en de
lendenen met staal omgord, zelfbewust rondstappen. Ik waagde mij
evenwel niet in hun nabijheid en deed daar goed aan. Want ik zag, dat
het met anderen, die zich onder hen zochten te mengen, niet zoo mooi
afliep. Wanneer iemand te dicht in hun nabijheid kwam, niet snel genoeg
uitweek, niet diep genoeg zijn knieën voor hen boog, of hun titels niet
voldoende en behoorlijk wist uit te spreken, kreeg hij hun vuisten te
voelen. Bevreesd, dat mij hetzelfde zou overkomen, smeekte ik te mogen
gaan. Maar Alweter antwoordde: „Kijk eerst nog eens beter uit uw oogen,
maar wees voorzichtig.”



        De daden der ridders.

4. Daarom aanschouwde ik nu hun daden op een afstand en vond, dat hun
werkzaamheid, op grond van de vrijheid, die, naar zij zeiden, dezen
stand was verleend, daarin bestond het plaveisel plat te treden, de
beide beenen over den rug van het paard te laten hangen, drijfjachten
op hazen en wolven te houden, de boeren tot heerendiensten te pressen,
hen in de torens [103] gevangen te zetten en naar believen weder vrij
te laten, zich te goed te doen aan lange tafels, rijk beladen met
verschillende schotels, daaronder zoo ver mogelijk de voeten uit te
steken, de kunst te verstaan bevallig te buigen en den handkus te
geven, vaardig den gang van dam- en dobbelspel te kunnen nagaan,
schaamteloos over wulpsche en ontuchtige dingen te praten en wat dies
meer zij. Het was hun, zeiden zij, bij privilege bekrachtigd, dat al
wat zij deden als edel en schoon moest gelden en dat niemand, die niet
een man van eer was, zich bij hen mocht voegen. Sommigen hielden zich
ook bezig met het meten van elkaars wapenschilden en vergeleken die met
elkander; deze werden des te hooger in waarde geschat, naarmate zij er
ouder en meer vermolmd uitzagen. Als iemand een geheel nieuw schild
voerde, schudden de anderen hun hoofden over hem. Ik zag hier nog vele
andere dingen, die mij merkwaardig en onpractisch voorkwamen; doch ik
mag niet alles openlijk zeggen. Slechts dit kan ik verzekeren, dat,
toen ik na lang toezien deze ijdele dingen moe geworden was, ik mijn
gidsen nogmaals smeekte, vandaar te gaan, waartoe ik hun toestemming
dan ook verkreeg.



        De weg tot het slot der Fortuin.

5. Toen wij zoo verder gingen, zeide de tolk tot mij: „Welnu, gij hebt
thans in allerlei arbeid en volhardend streven der menschen een inzicht
verkregen, en niets daarvan is bij u in den smaak gevallen, misschien
wel, omdat gij meendet, dat het deel des menschen niets is dan zorg en
arbeid. Weet dan van nu af aan, dat al die harde arbeid de weg is, die
tot een rustig leven leidt, waartoe ten slotte allen geraken, wien de
inspanning daartoe niet verdroot, en dat hun geest, nadat zij have en
goed gewonnen of eer en roem verkregen of zich een genoeglijk en
aangenaam bestaan verschaft hebben, zich daarin naar welgevallen
verlustigen kan. Daarom wil ik u nu naar het slot der Vreugde voeren,
opdat gij het doel leert kennen, waarop heel het menschelijk streven
gericht is.” Hierover verheugde ik mij, wijl ik daar troost en vrede
voor mijn gemoed hoopte te vinden.








HOOFDSTUK XXII.

DE PELGRIM BEVINDT ZICH ONDER DE SCHRIJVERS VAN NIEUWSBLADEN.


        De journalisten verwonderen zich over alle mogelijke dingen.

Toen wij de poort reeds naderden, zag ik op het plein aan de
linkerzijde een menigte menschen bijeen en Overalbij, die ze ook
opmerkte, riep: „Ei! die mogen wij niet voorbijgaan.”—„Wat hebben ze
daar toch?” vroeg ik. „Kom en zie maar eens,” sprak hij. En ons onder
de menigte begevende zagen wij hen daar in groepjes van twee of drie
bij elkaar staan en allerlei gebaren maken, elkaar met den vinger
aanwijzen, het hoofd elkaar toewenden, in de handen klappen, achter de
ooren krabben; ten laatste juichten eenigen van blijdschap, anderen
weenden. „Wat wordt hier eigenlijk uitgericht?” vroeg ik, „spelen zij
soms de een of andere comedie?”—„Wel neen, beschouw het volstrekt niet
als een spel,” zei de tolk, „zij nemen deze dingen, die, al naar de
wijze, waarop zij vertoond worden, nu eens hun verwondering, dan weer
hun lachlust of hun toorn opwekken, volkomen ernstig op.”—„Ik zou
echter gaarne willen weten,” zei ik, „wat het eigenlijk voor dingen
zijn, waarover zij zich verwonderen, waarom zij lachen en wat hun toorn
gaande maakt.” En onderwijl goed oplettend, zag ik, dat zij zich
onledig hielden met het bespelen van een eigenaardig soort kleine
fluiten en dat de een zich tot den ander overboog en hem iets in het
oor floot; wanneer dit gefluit hen aangenaam stemde, waren zij
vroolijk, doch als het krijschend klonk, waren zij droevig te moede.



        Het geluid der fluiten heeft niet eenerlei uitwerking.

2. Doch een ding was mij te vreemd om te begrijpen: dat de toon van een
en dezelfde fluit sommigen zoo buitengewoon beviel, dat zij zich niet
weerhielden van vreugde op te springen, anderen weer zoo verdroot, dat
zij hun ooren toestopten en wegsnelden, of, als zij er naar luisterden,
in luide jammerklachten en geween uitbarstten. „Het is toch hoogst
zonderling,” merkte ik op, „dat dezelfde fluit den een zoo zoet en
liefelijk, den ander zoo schril in de ooren klinkt.” De tolk helderde
mij dit op: „Het is niet het verschil in geluid, maar wel de
uiteenloopende gesteldheid van het menschelijk gehoor, dat het door u
waargenomen verschil in uitwerking veroorzaakt, want evenals een en
dezelfde artsenij, al naar den aard der ziekte, bij verschillende
patiënten een ongelijke uitwerking heeft, zoo wekt ook dezelfde
uiterlijke toon, al naar de innerlijke drift des menschen of zijn
neiging voor een bepaalde zaak, een liefelijken of een onaangenamen
weerklank bij hem op.”



        De hinkende bode.

3. „En waar haalt men die fluiten vandaan?”—„Men brengt ze van alle
kanten aan,” zeide hij, „ziet gij dan de verkoopers niet?” Zoo keek ik
dan eens goed toe en zie, daar waren lieden te voet en te paard,
opzettelijk aangesteld om de fluiten onder de menschen te brengen.
Velen hunner kwamen op vurige rossen aangereden en menigeen kocht van
hen; anderen kwamen te voet, eenigen hinkten zelfs op krukken voort; en
wie verstandig was onder de aanwezigen, kocht bij voorkeur van deze
laatsten, van meening zijnde, dat zij geloofwaardiger waren [104].



        Het genot der nieuwstijdingen.

4. Ik was er evenwel geenszins mee tevreden hun doen en laten gade te
slaan, ik bleef ook hier en daar staan om naar hen te luisteren; en ik
zag in, dat het wezenlijk een genoegen was, zoo veel verschillende
stemmen, die uit alle mogelijke richtingen kwamen, te hooren. Het
mishaagde mij evenwel, dat sommigen daarin de maat te buiten gingen,
dat zij alle fluiten opkochten, die zij konden machtig worden, er dan
een weinig op floten om ze daarna weer weg te werpen. Er waren daar
menschen uit allerlei standen, die zelden thuis zaten, doch zich
meestal op het plein bevonden, daar steeds op de loer stonden en bij
het zachtste gefluit, dat zij hoorden, hun ooren spitsten.



        De ijdelheid van het schrijven der nieuwsbladen.

5. Mijn genoegen verdween echter spoedig, toen ik de nietigheid dezer
dingen doorzag, want dikwijls verspreidde zich een zoo weemoedig
klinkend geluid, dat allen treurig werden; een oogenblik later
weerklonk er een ander, en de gedrukte stemming veranderde op eenmaal
in gelach. Dan was weder opnieuw een zoo liefelijk gefluit te
beluisteren, dat allen juichten en jubelden; dit wijzigde zich echter
reeds spoedig, verstomde geheel of veranderde in een zoo droevig
gekrijsch, dat zij, die zich daarnaar pleegden te richten, zich
dikwijls over alle mogelijke dingen vergeefs verheugden of zich er door
lieten verschrikken, terwijl alles toch niets dan ijle damp was. Het
was werkelijk om te lachen, hoe die lieden zich lieten beetnemen,
zoodra de wind uit een anderen hoek woei. Daarom prees ik hen, die,
zich niet storend aan deze dwaasheden, slechts oog voor hun werk
hadden.



        Met of zonder journalisten, beide brengt ongerief mede.

6. Maar dat had ook weer zijn schaduwzijde, omdat degene, die geen acht
gaf op de tonen der fluiten, welke rondom hem weerklonken, kans liep,
dat hem van den een of anderen kant een onheil overviel. Eindelijk vond
ik ook, dat het hanteeren van die fluiten niet geheel zonder gevaar
was. Want daar zij verschillende menschen geheel verschillend in de
ooren klonken, ontstonden daaruit vele twisten en vechtpartijen; ook ik
zelf beleefde een dergelijk voorval [105]. Toen mij eens een bijzonder
helder klinkende fluit in handen viel, gaf ik ze aan mijn vriend; doch
anderen, die haar ten slotte in handen kregen, wierpen ze op den grond
en trapten ze stuk, terwijl zij mij te lijf gingen, omdat ik dergelijke
dingen verspreid had; ziende hoe woedend zij waren en hoe zij gloeiden
van toorn, was ik gedwongen te vluchten. Zoo ging dan nu de tocht naar
het slot van Fortuna, waarmee mijn gidsen mij reeds zoo lang hadden
gepaaid.








HOOFDSTUK XXIII.

DE PELGRIM BESCHOUWT HET SLOT VAN FORTUNA EN VOORAF DEN TOEGANG
DAARTOE.


        De deugd is de ingestorte poort, die tot den roem leidt.

Toen wij bij dit heerlijke slot aangekomen waren, bemerkte ik in de
eerste plaats, dat groote scharen menschen, die hier uit alle straten
der stad bijeenstroomden, zich rondom het slot bewogen en een
gelegenheid trachtten op te sporen, om boven in het slot te komen. Een
enkele hooge, enge poort gaf namelijk toegang tot den burcht, maar ze
was in puin gevallen, onder aarde bedolven, en de opening was geheel
door doornstruiken dichtgegroeid; zij droeg, als ik het wel heb, den
naam van Poort der Deugd. Men vertelde mij, dat zij in vroegere tijden
als de eenige toegang tot het slot was opgericht, doch al spoedig
daarop door een of ander toeval was ingestort; daarom had men eenige
kleinere toegangen gebouwd en deze poort in haar vervallen toestand
gelaten, vooral omdat de toegang door haar al te steil, onbegaanbaar en
te ongemakkelijk geweest was.



        De zijingangen.

2. Daarom had men aan beide zijden den muur moeten doorbreken en eenige
kleine zijingangen aangebracht, boven welke ik bij nadere beschouwing
de volgende opschriften las: Huichelarij, Leugen, Vleierij,
Oneerlijkheid, List, Geweld enz.; maar zoodra zij, die den burcht door
een dezer poorten wilden binnengaan, mij die woorden hoorden
uitspreken, werden zij verbitterd tegen mij, gromden en dreigden mij
naar beneden te werpen, zoodat ik ongemerkt moest achteruit wijken.
Hierop rondziende, bemerkte ik, dat er toch eenigen waren, die door
puin en doornstruiken kruipende, zich een weg door de oude poort
trachtten te banen; sommigen gelukte het; anderen slaagden daarin niet
en moesten ten slotte toch weer tot de zijpoorten terugkeeren, die
lager waren, en daardoor binnengaan.



        Wien het geluk bij toeval aangrijpt, draagt het naar boven.

3. Ook ik trad binnen, en zag, dat ik nog geenszins binnen het
eigenlijke slot was aangeland, doch mij op een plein bevond, waar ik
een groote menigte menschen met smachtende blikken naar de hooger
gelegen paleizen zag kijken. Op mijn vraag, wat dit te beteekenen had,
werd mij geantwoord, dat het menschen waren, die op een genadigen blik
van de minzame mevrouw Fortuna wachtten en er dan op rekenden toegang
tot den burcht te verkrijgen. „En worden dan niet allen binnengelaten?
Zij hebben toch allen braaf hun best daartoe gedaan.” Mijn gids
antwoordde mij: „Ieder kan naar de maat van zijn vermogen en kennis
zijn best doen, ten laatste hangt het echter slechts van mevrouw
Fortuna af, of zij iemand al of niet tot zich toelaten wil. Kijk zelf
maar eens, hoe het hier eigenlijk toegaat.” Toen zag ik, dat er poorten
noch trappen aanwezig waren, waarlangs men naar boven kon komen, maar
wel een eigenaardig rad, dat onophoudelijk rondwentelde; hij, wien het
gelukte zich hieraan vast te klampen, werd omhoog getild tot een
hoogere verdieping en daar afgezet, waarop hij dan eerst door mevrouw
Fortuna welwillend ontvangen werd, en hem werd toegestaan verder te
gaan. Doch niet ieder van hen, die beneden stonden, kon naar believen
het rad grijpen, maar alleen hij, dien de dienaar der Fortuin, Toeval
genaamd, naar het rad bracht of daarop deed plaats nemen; aan alle
anderen gleed het rad uit de handen. Deze bestuurder, Toeval, ging
namelijk onder de menigte rond, greep, wien het hem goeddocht, vast en
zette hem op het rad, en dat nog wel, terwijl sommigen opzettelijk zijn
oogen zochten, hem de hand toestaken, hem smeekten en op den arbeid,
dien zij in het zweet huns aanschijns verricht hadden, op litteekens,
eeltplekken en andere verdiensten zijn aandacht trachtten te vestigen.
Ik houd het er evenwel voor, dat hij volkomen doof en blind moet
geweest zijn, zoozeer maakte hij den indruk geen enkel persoon aan te
zien noch zich om iemands smeekbeden te bekommeren.



        De angstige gemoedsgesteldheid van hen, die op het geluk
        wachten.

4. Daar waren velen uit allerlei standen, die ik voorheen in hun beroep
en later aan de poort der deugd of aan een der zijingangen arbeid noch
zweet had zien sparen en die toch tevergeefs met ongeduld op het geluk
schenen te wachten; daarentegen werden anderen, die er in ’t geheel
geen gedachte op hadden, bij de hand genomen en naar boven gevoerd.
Velen van dezen, die op het geluk wachtten, hadden het buitengewoon
beklemmende gevoel, dat hun beurt nooit zou komen en er waren er onder
hen, die daar zelfs grijs bij werden. Sommigen wanhoopten aan den
goeden uitslag en begaven zich, het geluk den rug toekeerend, weder aan
hun moeitevollen arbeid; doch eenigen hunner, die door denzelfden
hartstocht opnieuw aangegrepen werden, klommen weer op naar den burcht,
richtten hun blikken naar mevrouw Fortuin en strekten de handen naar
haar uit. Zoo vond ik het leven dezer menschen, die steeds
teleurgesteld naar het geluk uitzagen, hoe ook bezien, angstig en
beklagenswaard.








HOOFDSTUK XXIV.

HET LEVEN DER RIJKEN.


„Nu zou ik ook wel gaarne willen zien,” sprak ik tot mijn gids, „hoe
het daarboven toegaat en hoe mevrouw Fortuna haar gasten eert.”—„Goed,”
stemde hij toe en verhief zich, voor ik er erg in had, met mij in de
hoogte tot de plaats, waar mevrouw Fortuna, op een kogel staande,
kronen, schepters, heerschappijen, eereketenen, gespen [106], beurzen,
titels en namen, honinggebak en suikergoed uitdeelde, en eerst dan hen,
die daarmee begiftigd waren, verder naar boven doorliet.—Terwijl ik
naar den bouwtrant van het kasteel keek, dat uit drie verdiepingen
bestond, bemerkte ik, dat men hen deels naar de vertrekken der
onderste, deels naar die der middelste en deels naar die der bovenste
verdieping leidde. En de tolk zeide tot mij: „Hierbeneden wonen zij,
die mevrouw Fortuna met geld en goederen geëerd heeft; in de middelste
vertrekken huizen degenen, die zij met wellust verzadigt; op de hoogste
verdieping, welker inrichting u aan een paleis doet denken, wonen
allen, die zij met roem overladen heeft, opdat zij door de anderen
gezien, geprezen en geëerd zouden worden. Slechts enkelen weinigen
vergunt zij tegelijk op alle verdiepingen vrij te mogen rondwandelen en
twee of alle drie soorten van deze gaven te genieten. Nu ziet gij wel,
welk een geluk hem ten deel valt, die er in slaagt hier te komen.”



        De boeien en lasten van den rijkdom.

2. „Laat ons dan,” zeide ik, „wat mij betreft, eerst eens bij dezen een
kijkje nemen.” Zoo traden wij de kelderachtige ruimten der
benedenverdieping binnen en zie, daar heerschte een sombere duisternis,
zoodat ik aanvankelijk bijna niets kon onderscheiden; ik hoorde slechts
een gerammel als van ketenen en uit alle hoeken kwam mij een bedompte
lucht tegemoet. Zoodra mijn oogen echter een weinig aan de duisternis
gewend waren, zag ik, dat de ruimte, waarin ik mij bevond, vol was van
menschen van allerlei stand, die er rondliepen of stilstonden, zaten of
lagen; en ieder van hen had geboeide voeten en geketende handen;
eenigen hadden bovendien nog een keten om den hals en den een of
anderen zwaren last op den rug. Geheel ontdaan riep ik uit: „wat
overkomt ons nu, om ’s Hemels wil, zijn wij in een kerker aangeland?”
De tolk antwoordde lachend: „wat zijt gij een domoor! Dit zijn immers
de gaven, waarmee mevrouw Fortuna haar lievelingszonen overstelpt.”
Toen ik eerst een dezer gaven, vervolgens een tweede en een derde
nauwkeuriger beschouwde, bemerkte ik niets dan stalen boeien, ijzeren
ketenen en looden of aarden draagkorven. „Zijn dat soms die schoone
gaven?” riep ik uit, „ik zou ze niet begeeren.” „Maar, dwaze vriend,
gij ziet alles verkeerd,” sprak de tolk, „het is immers alles van
zuiver goud.”

Toen zag ik andermaal en nog nauwlettender toe, doch moest erkennen,
dat ik desniettegenstaande slechts ijzer en leem waarnam. „Ei, doe niet
zoo eigenwijs,” antwoordde hij, „geloof anderen liever dan u zelf; zie
maar, hoezeer zij deze dingen naar waarde weten te schatten.”



        De waan der rijken.

3. En werkelijk zag ik daar tot mijn verbazing, hoe buitengewoon
verrukt zij waren over het feit aldus gekluisterd te zijn. Hier hield
zich iemand bezig met het tellen der schakels van zijn keten, daar
maakte een ander de schalmen daarvan los en voegde ze dan weer aaneen,
een derde woog ze op zijn hand en mat haar lengte met een span, een
vierde bracht ze naar zijn mond en kuste ze, een vijfde wikkelde ze in
een doek om ze te beschermen tegen hitte, koude en mogelijke
beschadiging. Somtijds kwamen twee of drie van hen bijeen en maten en
wogen over en weer al hun ketenen; wanneer iemand nu zijn keten lichter
vond dan die van zijn naaste, was hij daarover bedroefd en benijdde hem
daarom; maar hij, die de grootste en zwaarste ketenen had, zette een
hooge borst op en liep pochend en snoevend rond. Er bevonden zich
evenwel onder hen ook eenigen, die stilletjes in hun hoek bleven
zitten, zich heimelijk over de lengte en zwaarte hunner ketenen
verkneuterden en niet gaarne hadden, dat anderen daarvan afwisten,
omdat zij, zooals ik vermoed, voor de afgunst der menschen en diefstal
bevreesd waren.

Anderen weder hadden koffers vol met aardkluiten en steenen, die zij
voortdurend nederzetten en van de eene plaats naar de andere sleepten,
terwijl zij ze telkens open maakten en toesloten; zij durfden zich geen
oogenblik daarvan verwijderen, ja, sliepen zelfs niet, uit vrees, dat
ze hun ontstolen zouden worden. Eenigen vonden het zelfs niet vertrouwd
hun schatten in de koffers op te bergen, en behingen en omwonden zich
zoo daarmee, dat zij gaan noch staan konden, en alleen maar in staat
waren te liggen en zelfs in deze gemakkelijke houding nog moesten
steunen en rochelend daaronder bijna bezweken.

Dit ziende riep ik uit: „En dit moeten, bij alle heiligen, gelukkige
menschen heeten! Ik heb zelfs beneden in de stad, waar ik zooveel
sloopenden arbeid en afgebeulde menschen aantrof, niets ellendigers
gezien dan dit geluk.”

Alweter antwoordde hierop: „Gij spreekt wel waarheid—waarom zou ik het
niet erkennen—de gaven van Fortuna alleen te bezitten, zonder ze te
gebruiken, is grooter last dan lust.” „Maar daaraan heeft mevrouw
Fortuna geen schuld,” zei de tolk, „dat er ook lieden zijn, die haar
gaven niet weten te gebruiken. Zij is stellig niet karig met haar
goederen; doch die paar duitendieven weten het noch te hunnen behoeve,
noch ten bate van anderen te gebruiken. En ten slotte, gij moogt
daarover denken zooals gij wilt; bezitten is toch een groot geluk.” „Ik
verlang echter niet naar zulk een geluk, als ik hier zie,” merkte ik
op.








HOOFDSTUK XXV.

HET LEVEN DER GENOTZUCHTIGEN.


        De genotzuchtigen zijn verweekelijkt.

„Laat ons nu naar boven gaan,” zeide Alweter, „daar zult gij andere
dingen zien, louter genietingen.” Wij stegen de trappen op en traden de
eerste zaal binnen; daar zag men eenige rijen bedden, met zacht dons
gevuld, die vrij opgehangen waren en heen en weer geschommeld konden
worden; daarop wentelden zich menschen, in wier nabijheid talrijke
bedienden, voorzien van vliegenklappen, waaiers en ander gereedschap,
tot allerlei diensten gereed stonden. Als iemand hunner wilde opstaan,
werden dadelijk van alle zijde handen toegestoken om hem te
ondersteunen; wilde hij zich aankleeden, terstond reikte men hem zachte
zijden gewaden aan; en wilde hij ergens heengaan, dan gebruikte men
draagstoelen met zachte zittingen om hem te vervoeren. „Welnu,” sprak
de tolk, „hier hebt gij het gemakkelijke leven, dat gij zoo zeer
gezocht hebt; wat kunt gij meer verlangen? Is het niet een zaligheid,
zooveel van alle goede dingen te bezitten, dat men zich om niets heeft
te bekommeren, geen hand voor eenig werk heeft uit te steken; dat men
alles wat het hart begeert, in overvloed bezitten kan en zich zelf aan
den tocht van een kwaad briesje niet behoeft bloot te
stellen?”—„Inderdaad is het hier veel vroolijker,” antwoordde ik, „als
in die folterkamers beneden; toch wil mij hier ook niet alles
bevallen.”—„Wat hebt gij dan nu weer?” viel hij mij in de rede. Ik
vervolgde: „Mijn grief is, dat de ledematen van deze luiaards met hun
uitpuilende oogen, opgeblazen gezichten en gezwollen buiken zelfs geen
aanraking kunnen velen, daar zij met pijnlijke zweren bedekt schijnen
te zijn. Als iemand hen maar even aanstoot of langs hen heenschuurt, of
wanneer een nijdige wind hen aanblaast, worden zij dadelijk
onpasselijk. Stilstaand water wordt vuil en gaat stinken, heb ik
dikwijls hooren zeggen; hier zijn de bewijzen. Ook deze menschen
genieten hun leven niet, daar zij het al slapende en in lediggang
doorbrengen, en dat is niets voor mij.” „Gij zijt een wondere
philosoof,” mompelde de tolk.



        Spel en tooneelspel.

2. Nu leidden zij mij naar een tweede zaal, waar zeer veel
aanlokkelijks was voor oog en oor: lusthoven, vischvijvers, parken,
veel wild, vogels en visschen, allerlei liefelijke muziek en groepen
vroolijke gezellen, die zich vermaakten met huppelen, krijgertje
spelen, dansen, elkaar op de hielen zitten, schermen, zich den tijd
kortten met spelen en ik weet niet, wat al meer uithaalden. „Dat zijn
ten minste geen stilstaande wateren,” merkte de tolk op. „Dat is waar,”
antwoordde ik, „maar laat mij deze dingen eerst nog eens op mijn gemak
bekijken.” Daarna zeide ik: „ik zie, dat niemand volkomen verzadigd is
van deze genoegens; want ieder is het spoedig moede en laat ijlings het
spel in den steek, om elders weer in iets anders zijn vermaak te
zoeken. En dat schijnt mij een armzalig genot.” „Als gij dan in eten en
drinken uw genoegen zoekt,” was het antwoord, „volg mij dan daarheen.”



        De lekkerbekken.

3. Zoo betraden wij nu de derde zaal; daar zag ik aan tafel en disch
veel vroolijke gasten zitten, die zich aan spijs en drank te goed
deden, welke in alle verscheidenheid en in overvloed voor hen stond. Ik
trad op hen toe en zag, hoe eenigen van hen zonder ophouden de
gerechten naar binnen schrokten en wat zij dronken, naar binnen goten,
tot zij ten laatste, tot berstens toe vol, hun gordels losser moesten
maken; en anderen, tot hetgeen zij gegeten en gedronken hadden, boven
en beneden een uitweg zocht. Ettelijke gasten hadden het uitsluitend op
de lekkere hapjes voorzien, die zij al smakkend zoo lang mogelijk
kauwden, en zich daarbij nog den langen hals van den kraanvogel
toewenschten om den smaak zoo lang mogelijk te genieten. Sommigen
beroemden er zich op, dat zij sedert tien of twintig jaren de zon niet
meer hadden zien op- en ondergaan, omdat zij bij zonsondergang reeds
beschonken, bij zonsopgang echter nog nooit weder nuchter geworden
waren. Zij zaten daar volstrekt niet in sombere stemming, want aan de
muziek, die onophoudelijk moest spelen, paarde ieder zijn eigen stem,
zoodat men allerlei dieren- en vogelgeluiden hooren kon: de een huilde,
een tweede brulde, een derde kraaide, een vierde blafte, een vijfde
floot, een zesde tjilpte, een zevende deed een klagend gekir hooren
[107], enzoovoort, en tegelijk maakten zij vreemde grimassen.



        Welk gerecht de pelgrim bij deze zwelgerij naar het hoofd
        kreeg.

4. Toen vroeg mij de tolk, hoe mij deze harmonie beviel. „In ’t geheel
niet,” antwoordde ik. „Wat zal u toch ooit bevallen?” riep hij geërgerd
uit, „zijt gij soms een blok hout, dat die algemeene vroolijkheid niet
eens aanstekelijk op u werkt?” Middelerwijl merkten eenigen uit het
gezelschap mij op; de een begon mij toe te drinken; een tweede gaf mij
door een knipoogje te verstaan, dat ik zonder meer plaats zou nemen;
een derde begon mij uit te vragen, wie ik was en wat ik wilde; een
vierde voer heftig tegen mij uit en vroeg, waarom ik niet zeide: God
zegene het [108]. Hierop ontstak ik in toorn en riep: „Wat wilt gij,
dat God dit zwijnengelag ook moet zegenen?” Maar nauwelijks had ik goed
en wel deze woorden uitgesproken, of daar vlogen mij reeds borden,
schotels, bekers en glazen als hagel naar het hoofd, zoodat ik moeite
had uit te wijken en mij ijlings uit de voeten te maken, al viel het
mij, daar ik nuchter was, gemakkelijker de vlucht te nemen, dan hun,
mij in hun dronkenschap te treffen. „Nu, heb ik het u niet lang geleden
reeds gezegd, dat gij uw tong in toom zoudt houden en niet zoo’n
betweter zijn,” sprak de tolk, „tracht u bij de menschen aan te passen
en beeld u niet in, dat de anderen zich moeten richten, naar wat er in
uw hoofd omgaat” [109].



        De pelgrim keert nogmaals daarheen terug.

5. Daarop greep Overalbij mij lachend bij de hand en verzocht mij nog
eenmaal daarheen terug te keeren, doch ik wilde niet. „Er is daar nog
velerlei te zien,” merkte hij op, „dat gij ook hadt kunnen zien,
wanneer gij zoo voorzichtig geweest waart te zwijgen. Kom gerust, wees
alleen wat voorzichtiger; mijnentwege kunt gij u op een afstand
houden.” Zoo liet ik mij dan overhalen en trad opnieuw binnen. En
waarom zou ik het niet bekennen? Ik liet mij overreden plaats te nemen,
stond toe, dat men mij toedronk en dronk ook zelf den vollen beker op
hun gezondheid tot den bodem toe leeg; en daar ik ten slotte steeds
wilde uitvorschen, waarin dit genoegen eigenlijk bestond, begon ik ook
zelf mee te zingen, te joelen en te springen, kortom ik deed, wat alle
anderen deden, maar alles met een zekeren schroom, omdat ik duidelijk
voelde, dat ik aan deze slemppartij niet mocht deelnemen. Zoodra
evenwel sommigen merkten, dat ik den rechten toon niet treffen kon,
lachten zij mij uit; anderen waren zeer boos, dat ik hun niet voldoende
bescheid deed. Doch ondertusschen begin ik een stekende pijn te voelen
onder mijn muts en een knagend gevoel onder mijn lijfrok; er drukt mij
iets tegen de keel, alsof het er uit wil, mijn voeten wankelen onder
mij, mijn tong trilt [110] en het hoofd loopt mij om. Nu eerst begon ik
te toornen tegen mij zelf en tegen mijn gidsen, en verklaarde ronduit,
dat zulk een gedrag dierlijk en aan alle menschelijkheid gespeend was,
vooral toen ik getuige was van de gevolgen der levenswijze van eenige
anderen van die brassers.



        Het ellendige leven der brassers.

6. Daar hoorde ik eenigen van hen luid klagen, dat hun evenmin eten als
drinken wilde smaken, ja, dat zij het zelfs niet door de keel konden
krijgen. De anderen hadden medelijden met hen en zonden, om hen te
helpen, kooplieden uit, die alle deelen der wereld moesten afreizen om
dingen op te sporen, die hun eetlust zouden kunnen opwekken. De koks
moesten allerlei monsters kruiderijen onderzoeken, om den geur, den
smaak en de kleur der lekkernijen bijzonder aangenaam te maken en ze
daardoor gemakkelijker de verwende maag binnen te smokkelen. De
geneesheeren moesten hen om het genieten van nieuwe lekkernijen
mogelijk te maken met trechters maag en ingewanden uithevelen. Het
kostte dus veel moeite en geld de spijzen en dranken, waaraan zij zich
te buiten gingen, machtig te worden en groote slimheid en list om ze
toe te dienen en dan veroorzaakte het genot ervan nog krampen in den
buik of werden ze onder hevige pijnen weder uitgebraakt. Verder leden
zij bij voortduring aan lusteloosheid, aan den hik, aan oprispingen,
aan rommelen van de ingewanden. Zij sliepen slecht, hoestten,
schraapten aanhoudend hun keel, snoven en bezoedelden zich met speeksel
en slijm. De tafels en alle hoeken waren vol van deze onreinheid en van
die, welke de maag teruggaf. Met jichtige voeten, bevende handen en
leepoogen wentelden zij zich rond over den grond en sleepten zich voort
op hun buik, die reeds tot ontbinding was overgegaan. „Moeten
dergelijke buitensporigheden als genoegens beschouwd worden?” zeide ik.
„Ach, laten wij liever van hier gaan, opdat ik niet in de verzoeking
kom iets te zeggen en mij weder onaangenaamheden bezorg!” Ik wendde
mijn oogen af, kneep den neus toe en ging heen.



        Veneris regnum. Libidinis aestus. Morbus Gallicus. Libido
        desperationis praecipitium [111].

7. Wij kwamen op diezelfde verdieping nog in een zaal, waar vele
menschen van beiderlei kunne verzameld waren; zij leidden elkander aan
de hand rond, omarmden en kusten elkander, om van het verdere, wat hier
voorviel, liever te zwijgen. Slechts dit eene wil ik vertellen (en ik
vatte het als een waarschuwing voor mijzelven op), dat allen, die door
mevrouw Fortuna daar gehuisvest waren, door een vurigen,
schurftachtigen uitslag waren aangetast, die hun een voortdurenden jeuk
veroorzaakte, zoodat zij, geen rust vindende, zich overal en tegen elk
voorwerp, dat in hun bereik kwam, schuurden en hun huid openkrabden,
tot het bloed te voorschijn kwam, zonder evenwel daardoor het jeuken
ook maar in het minst te verlichten, dat veeleer nog branderiger werd
en hoewel zij er zich voor schaamden, deden zij, al was het dan
heimelijk en in verborgen hoeken, niets dan zich krabben en schuren.
Men kan hieruit duidelijk afleiden, dat het een lastig en ongeneeslijk
euvel was. Bij sommigen was het hoofd als bezaaid met leelijken
uitslag, zoodat de een een afschuw van den ander had en zij het zich
over en weer moeilijk en lastig maakten. Voor gezonde oogen en zinnen
was het natuurlijk nog veel stuitender naar hen te kijken en de van hen
uitgaande walgelijke lucht te ruiken. Ten slotte bemerkte ik, dat deze
zaal de laatste van de praalverblijven der geneugten was, vanwaar men
evenmin terug, als verder kon gaan, behalve dan misschien achteraan,
waar zich een soort donker gat bevond, waarin zij, die zich nog dieper
in den wellust stortten, nederzonken, en in levenden lijve in de
duisternis aan gene zijde der wereld verdwenen.








HOOFDSTUK XXVI.

HET LEVEN VAN DE GROOTEN DER WERELD.


        De schaduwzijde van hun bestaan.

En zoo kwamen wij nu op de vorstelijk ingerichte hoogste verdieping,
die naar boven open was en geen andere bedekking had dan het
hemelgewelf. Geheel aan den rand waren nu vele zetels, verschillend in
hoogte, geplaatst, opdat zij van beneden uit de stad goed konden worden
gezien. Daarop zaten, naar de door Fortuna vastgestelde rangorde,
hooger of lager, de mannen, wien alle voorbijgangers, (zooals van zelf
spreekt slechts dan, wanneer zij gezien werden) de hun toekomende eer
bewezen, en daartoe hun knieën bogen en met het hoofd negen. „Wel,”
zeide de tolk tot mij, „is dat nu geen schoone zaak, zoo hoog gezeten
te zijn, dat men u van alle kanten zien kan en alle menschen naar u
moeten opkijken?”—„En aan wind en regen, aan sneeuw en hagel, aan hitte
en koude van alle kanten blootgesteld te zijn,” voegde ik er aan toe.
„Wat doet dat er toe?” antwoordde hij, „het blijft toch maar een
schoone zaak op een plaats te zitten, waar allen op u achtgeven en met
u rekening moeten houden.” „Het is waar,” sprak ik, „dat men hen met
onderscheiding behandelt, maar deze eerbewijzen zijn eerder een last
dan een lust. Want ik zie heel goed, hoe velen op ieder hunner het oog
gericht houden; zij durven of kunnen zich nauwelijks roeren of bewegen,
daar zij dadelijk door allen gezien en beoordeeld worden. Welk genoegen
levert het dan op?” Dat werd mij bijzonder duidelijk, toen ik bemerkte,
dat men hun achter den rug en van ter zijde even weinig eerbied
betoonde, als ontzag in het gezicht. Achter iedere grootheid, die
daarboven zoo behagelijk in zijn stoel gezeten was, stonden zeker wel
eenigen, die met schele oogen naar hem keken, de lippen spottend
krulden en het hoofd over hem schudden, hem bij den neus namen, op den
rug spuwden en dien met hun neusslijm of andere dingen bevuilden.
Eenigen ondermijnden ook de zetels met het doel degenen, die daarop
zaten, te doen vallen; en dit of een dergelijk ongeval overkwam zeer
velen in mijn tegenwoordigheid.



        De gevaren der in hoogheid gezetenen.

2. Want deze zetels stonden, zooals ik reeds opmerkte, juist aan den
rand, zoodat de kleinste stoot voldoende was, om ze terstond omver te
werpen en hij, die even te voren in opgeblazen trots daar troonde,
stortte in de diepte. Ook waren zij zoo gemaakt, dat zij gemakkelijk
uit hun evenwicht geraakten; men behoefde ze slechts op de juiste plek
aan te raken, of zij wankelden reeds en hij, die daarop zat, viel op
den grond; daarbij kon men dan juist de hoogste zetels het
gemakkelijkst omstooten, en hem, die het hoogst zat, het eerst ten val
brengen. Ook vond ik, dat zij zeer naijverig op elkander waren, elkaar
steeds met jaloersche blikken aanzagen, elkander van hun zetels
trachtten te verdringen of elkaar de heerschappij poogden te ontrukken,
de kronen van het hoofd te slaan en de titels uit te wisschen.
Voortdurend wijzigde zich daardoor de toestand: de een besteeg een
troon, een ander daalde er van af of buitelde hals over kop naar
beneden [112]. Bij dit schouwspel riep ik uit: „Voorwaar, het is een
kwade zaak, dat de belooning voor al den langdurigen en straffen
arbeid, dien men zich moet getroosten, voor men op deze plaatsen beslag
kan leggen, zoo kort van duur is! Want zoodra iemand aanvangt zich in
zijn roemrijk bestaan te vermeien, is ook reeds het einde
gekomen.”—„Zoo en niet anders moet evenwel mevrouw Fortuna haar gaven
verdeelen,” bracht de tolk in het midden, „opdat allen, wien zij
daarmee een bewijs van haar gunst wil geven, hun deel ontvangen; en
daarom moet de een voor den ander plaats maken.”








HOOFDSTUK XXVII.

HET LEVEN DER BEROEMDE MANNEN.


        Fama ferme vulgi opinione constat [113].

„Behalve dit heeft mevrouw Fortuna,” verzekerde mij verder de tolk,
„nog een ander middel om diegenen met de onsterfelijkheid te eeren,
welke zich uitstekend gedragen of het bijzonder verdienen.” „En welk is
dit middel?” vroeg ik; „toon het mij toch; want het is iets heerlijks,
onsterfelijk te zijn.” En Alweter verzocht mij, dat ik mij zou omkeeren
en wees mij een tegen het westen, eveneens onder den vrijen hemel
gelegen, nog hoogere plaats, een vooruitspringend gedeelte aan het
paleis, waarheen uit het lagere deel een trap leidde, die beneden met
een deur gesloten was. Hiervoor lag een monsterachtig wezen, dat
tallooze oogen en ooren aan alle zijden van zijn lichaam had (men
noemde het Censura vulgi, Aloordeelaar), bij wien ieder, die in dezen
tempel van den Roem wilde opgenomen worden, zich niet alleen moest
aanmelden, maar wien hij ook al zijn daden, waardoor hij de
onsterfelijkheid, naar hij hoopte, waardig zou zijn, moest aanwijzen en
aan wien hij de beslissing moest overlaten. Als er nu in ’s mans daden
iets bijzonders of ongewoons, hetzij goed of slecht gevonden werd, werd
hem toegestaan naar boven te gaan; indien niet, zoo moest hij beneden
blijven. Zij, die de plaats van den roem bereikten, behoorden meestal
tot den stand der overheden, krijgslieden en geleerden; minder vaak tot
den stand der theologen, der ambachtslieden of tot den huismansstand.



        Indignis quoque confertur [114] Herostratus [115].

2. Het verdroot mij echter zeer, dat men daar evenveel boozen (roovers,
tyrannen, echtbrekers, moordenaars, brandstichters enz.) als goeden
binnenliet. Want ik zag heel goed in, dat dit de verkeerden in hun
ondeugden alleen maar stijven kon; zooals dan ook werkelijk geschiedde,
dat iemand kwam om de onsterfelijkheid te begeeren en ondervraagd, wat
hij dan voor groots had verricht, hetgeen deze waardig zou zijn,
antwoordde, dat hij het heerlijkste, dat hij op aarde kende, namelijk
den tempel, waaraan zeventien koninkrijken driehonderd jaar lang arbeid
noch kosten hadden gespaard, opzettelijk in brand had gestoken, zoodat
hij op één dag in puin en asch was verkeerd. Toen ontstelde die Censura
over zulk een schandelijke driestheid, oordeelde hem onwaardig en wilde
hem niet laten doorgaan. Maar toen kwam mevrouw Fortuna en liet hem
toe. Door dit voorbeeld aangemoedigd somden nu ook anderen alle
euveldaden, die zij bedreven hadden op; de een zeide, dat hij zooveel
menschenbloed vergoten had, als hem mogelijk was geweest; een ander,
dat hij een nieuwe Godslastering had uitgedacht; een derde, dat hij God
ter dood veroordeeld had; een vierde, dat hij de zon uit het firmament
gerukt en te midden der afgronden had doen verzinken; een vijfde zou
een nieuwen bond van brandstichters en moordenaars hebben gesticht,
waardoor het menschelijk geslacht moest worden gezuiverd, enz. en allen
kregen, ieder op zijn beurt, verlof naar boven te gaan, wat mij, om de
waarheid te zeggen, grootelijks mishaagde.



        De vergankelijkheid van den roem.

3. Toch volgde ik hen naar boven en zag, dat zij daar terstond door een
beambte van mevrouw Fortuna ontvangen werden, die den naam Fama of het
Gerucht droeg en wiens lichaam slechts uit één soort organen, namelijk
monden, bestond. Want zooals de ander, beneden, tallooze oogen en ooren
had, zoo bezat deze over zijn geheele lichaam ontelbaar veel monden en
tongen, die een geweldig geluid en gedruisch maakten en deze lieve
Immortalitatis candidatus [116] had daarvan het voordeel, dat door dit
gekrijsch zijn naam naar alle zijden bekend werd. Maar toen ik scherp
acht gaf, merkte ik weldra op, dat het geschreeuw, dat zich bij iederen
naam verhief, langzamerhand weer afnam en ten laatste geheel verstomde
om bij het hooren van een anderen naam opnieuw los te breken. „Wat is
dit toch voor een onsterfelijkheid?” riep ik uit; „bijna ieder vertoeft
hier slechts een oogenblik bij de anderen en verdwijnt spoedig daarop
geheel uit hun oogen, dan spreken zij niet meer over hem noch denken
aan hem.” „Gij kleineert alles,” wierp de tolk mij voor de voeten,
„welnu, zie ten minste nog eens naar die mannen.”



        Is het een eer zich naam te maken in de geschiedenis?

4. Zoo keek ik dan eens rond en zag een paar schilders, die, voor
eenigen dezer beroemde mannen gezeten, bezig waren hun portret te
schilderen. Ik vroeg den tolk, met welk doel zij dit deden. Deze
antwoordde: „opdat de herinnering aan hen niet zoo snel voorbijga en
verdwijne als de klank hunner stem; de nagedachtenis dezer mannen zal
nu blijven voortduren.” Ik zag verder toe en zie, elk van hen, wier
beeltenissen geschilderd waren, werd daarna evenals ieder ander in den
afgrond geworpen; zij bewaarden alleen zijn beeld en bevestigden het
aan een staak, opdat het voor allen zichtbaar zou zijn. „En dat noemt
men onsterfelijkheid?” riep ik ten tweeden male uit, „een stuk papier
en een weinig inktzwartsel, waarmee hun naam daarop is aangebracht, is
alles, wat van hen overblijft; zij zelf echter, komen evenals de
anderen jammerlijk om! O God, dit is bedrog, bedrog! Want wat baat het
mij, dat iemand tot mijn gedachtenis het papier bekladt en er
intusschen, ik weet niet wat, met mij geschiedt? Aan zoo iets hecht ik
geen waarde.” Toen de tolk deze woorden hoorde, schold hij mij uit voor
een gek en vroeg mij, hoe ik met mijn zienswijze, welke met die van
alle anderen in tegenspraak was, de wereld van dienst hoopte te zijn.



        Er is ook veel bedrog in de geschiedenis.

5. Toen zweeg ik, doch weldra ontdekte ik een nieuw bedrog. De
beeltenis van velen, die ik bij hun leven als schoon en welgemaakt had
gekend, was op monsterachtige wijze ontsierd; daarentegen had men van
anderen, die bij hun leven afstootend leelijk geweest waren, een zoo
schoone afbeelding gemaakt als mogelijk was; van menigeen stelde men
twee, drie, zelfs vier beeltenissen naast elkaar ten toon, doch elk
daarvan was verschillend, zoodat ik mij eindelijk over deze deels
onware, deels onnauwkeurige weergave der werkelijkheid boos maakte.
Doch spoedig bemerkte ik, hoe ijdel en vergankelijk ook deze soort
onsterfelijkheid was. Want van meer nabij bezien, vond ik vele van die
beelden verbleekt, met stof bedekt, vergaan en verteerd, waardoor zij
geheel of bijna geheel onherkenbaar waren; sommige tusschen allerlei
andere geplaatst, trokken in de groote massa niet de aandacht; bijna
niemand zag ze aan. Zoo was het met den roem gesteld!



        De gedenkteekenen van verheven persoonlijkheden gaan ook te
        niet.

6. Intusschen kwam Fortuna zelf en liet niet alleen eenige van de oude
en half vergane, maar ook geheel nieuwe en pas geschilderde
beeltenissen naar beneden werpen; ik begreep nu, dat niet alleen die
dierbare onsterfelijkheid op zich zelf niets beteekent, maar dat men
ook vanwege de dwaze wispelturigheid van Fortuna, waarmee zij vandaag
iemand in haar burcht opnam en morgen hem er weer uitwierp, niet eens
staat op haar kan maken; daardoor kreeg ik van haar en al haar gaven
hoe langer hoe meer een afkeer. Want op een dergelijke manier handelde
zij dikwijls met haar zonen, wanneer zij ergens in het slot zich al
wandelend vermeide, en vermeerderde nu eens den wellust der wellustigen
en den rijkdom der rijken, dan weer verminderde zij die beiden;
menigmaal nam zij ook onvoorziens van iemand alles weg en stiet hem
buiten haar kasteel.



        De dood maakt alles toch te niet.

7. Eindelijk nam mijn ontsteltenis nog toe door het feit, dat de Dood
ook hier in den burcht binnendrong en den een na den ander uit den weg
ruimde, al was het niet op dezelfde manier. Hij schoot op de rijken met
zijn gewone pijlen of zette hun de knie op de borst en worgde en
smoorde hen met hun eigen ketenen. In de lekkernijen der genotzuchtigen
strooide hij vergif en de beroemden wierp hij ter neder, zoodat zij den
nek braken of joeg hun degens, kogels of dolken in het lijf; bijna
ieder voerde hij op de een of andere ongewone wijze uit de wereld.








HOOFDSTUK XXVIII.

DE PELGRIM IS ONTMOEDIGD EN BEGINT MET ZIJN GIDSEN TE TWISTEN.


        Sapientiae apex, desperatio de rebus mundi [117].

Ik was er geheel ontsteld van, dat nergens in de wereld, zelfs niet
eens in het slot van Fortuna iets vertroostends te vinden was, waaraan
de geest zich veilig en vol vertrouwen zou kunnen vastklampen. Mijn
treurige overpeinzingen, waarin ik hoe langer hoe meer verzonk, kon
ditmaal mijn tolk, de Verblinding, ofschoon hij zich daartoe alle
moeite gaf, niet van mij wegnemen. Ik kon mij ten laatste niet
weerhouden uit te roepen: „Ach, wat een kommer en verdriet! Zal ik dan
op deze jammervolle wereld nooit iets vinden, dat mij troosten kan?
Overal zie ik niets dan verdrukking en benauwdheid.”—„En wie anders dan
gij zelf, o zure knorrepot, hebt schuld daaraan,” antwoordde mij de
tolk, „daar gij een afschuw hebt van alles, wat u zou moeten behagen?
Kijk eens naar anderen, hoe ieder in zijn stand tevreden en gelukkig is
en in zijn levenswijze genoeg voldoening vindt.” „Of zij zijn allen
zonder onderscheid waanzinnig,” zeide ik, „of zij liegen, want het is
niet mogelijk, dat zij een waarachtig geluk genieten.”—„Werdt gij ook
maar zoo,” sprak Overalbij, „dan zou die waanzin u in uw benauwdheid
verlichting schenken.” „Ik weet niet eens, hoe daartoe te komen,”
antwoordde ik, „gij weet toch, hoeveel malen ik allerlei dingen met
belangstelling beschouwde; het zien van de snelle wisselingen, waaraan
alle dingen onderworpen zijn en hun jammerlijk einddoel heeft mij
evenwel steeds wreed uit deze droomen wakker geschud.”



        Het menschelijk gemoed vindt in de wereld niet, wat het zoekt.

2. „Wat anders dan uw inbeelding is de oorzaak daarvan?” sprak de tolk,
„indien gij niet steeds op zoo kleingeestige wijze de omstandigheden,
waaronder de menschen leven, uitploost en als een varken in de
stroowisschen woeldet, zoudt gij tevreden zijn als de anderen en
innerlijken troost, geluk en vreugde genieten.” „Dat wil zeggen,” viel
ik hem snel in de rede, „indien ik mij, zooals gij, alleen met den
uiterlijken schijn vergenoegde, een toevallig en zouteloos gelach voor
echte vreugde, het lezen van een paar oude prullen van boeken voor
wijsheid, en een klein stukje toevallig geluk voor het toppunt van
voldoening hield. Waar blijft echter het andere: het zweet, de tranen
en zuchten, de afdwalingen, ontberingen, ongevallen en andere
ongelukkige omstandigheden, die ik talloos, mateloos en eindeloos bij
alle standen gevonden heb? Helaas, ach, helaas! O, wat een leven vol
jammer! Gij hebt mij overal rondgeleid, maar wat baatte het mij? Gij
hebt beloofd, mij rijkdom, wetenschap, blijdschap en zekerheid te
toonen, maar wat bezit ik van dit alles? Niets! Wat heb ik geleerd?
Niets! Waar ben ik? Dat weet ik zelf niet. Dit alleen weet ik, dat ik,
na zooveel ronddolen, zooveel moeiten, zooveel doorgestane gevaren, na
zooveel vermoeienis en afmatting des geestes, ten slotte niets anders
gevonden heb dan de smart in eigen boezem en daarbij nog den haat, dien
anderen jegens mij voeden.”



        Waarmee de menschen zich zelven misleiden en bedriegen.

3. „En niet ten onrechte,” stemde de tolk mij toe, „waarom hebt gij ook
niet mijn raad opgevolgd, dien ik terstond bij den aanvang u heb
meegegeven: alles gelooven, niets onderzoeken, niets beproeven, alles
goedkeuren en er genoegen in vinden, op niets afgeven. Dat zou de weg
geweest zijn, waarlangs gij in vrede hadt kunnen wandelen, de gunst der
menschen en een genoeglijk leven hadt kunnen verkrijgen.”—„Dat zou
ongetwijfeld wat moois geweest zijn,” voegde ik hem toe, „als ik door u
verblind, evenals de anderen in een waan geleefd had; als ik blijde was
geweest, terwijl ik hulpeloos dwaalde; als ik, kreunende onder het juk,
van pleizier was opgesprongen, en ziek en stervende nog uitgelaten van
vreugde was geweest. Ik heb echter gezien en verstaan, dat ik evenals
de anderen ook zelf niets ben, niets kan, niets heb, maar dat dit alles
slechts schijn is. Wij grijpen slechts naar een schaduw, de waarheid
ontvliedt ons overal. Ach, helaas, helaas!”



        Wie de wereld goed beziet, kan zich daarin slechts ongelukkig
        gevoelen.

4. „Wat ik zoo juist beweerd heb, houd ik vol,” sprak de tolk, „gij
draagt zelf de schuld, want gij begeert iets groots en buitengewoons,
hetwelk aan niemand ten deel valt.” „En juist daarom lijd ik nog meer,”
antwoordde ik hem, „omdat niet alleen ik, maar ook al mijn medemenschen
zoo ellendig en daarbij nog zoo verblind zijn, dat zij hun eigen
ellende niet zien.”—„Ik weet nu werkelijk niet,” verklaarde de
Verblinding, „hoe en met welke middelen ik zoo’n warhoofd, als gij
zijt, kan bevredigen. Want daar noch wereld, noch menschen, noch
arbeid, noch lediggang, noch kennis, noch onwetendheid, kortom niets u
kan bekoren, weet ik waarlijk niet meer, hoe met u te handelen of wat
in deze wereld u nog verder aan te prijzen.”

5. De andere gids, Overalbij, stelde daarop zijn makker voor: „wij
konden hem nog wel op het slot onzer koningin brengen, dat daar in het
midden is gelegen; misschien zal hij er tot beter inzicht komen.”








HOOFDSTUK XXIX.

DE PELGRIM BESCHOUWT HET PALEIS DER WIJSHEID, DE KONINGIN DER WERELD.


Hierop grepen zij mij onder den arm en leidden mij snel voort. En zie,
de burcht schitterde in den glans van prachtige schilderingen, die
overal in groote verscheidenheid de buitenmuren sierden; een poort, die
met wachtposten bezet was, gaf alleen toegang aan hen, die eenig ambt
of waardigheid in de wereld bekleedden. Want alleen aan de dienaren der
koningin en de uitvoerders harer bevelen was het toegestaan vrijelijk
in- en uit te gaan; ieder ander, die het paleis bezichtigen wilde, kon
het alleen maar van buiten zien, want, zoo verluidde het, niet ieder
betaamde het, de geheimen te bespieden, waardoor de wereld geregeerd
wordt. Zoo zag ik hier een groot aantal van dat slag lieden, die het
kasteel van buiten meer met hun mond aangaapten, dan met hun oogen. Ik
verheugde mij daarom, dat men mij niettemin door de poort liet gaan,
daar ik eigenlijk altijd had verlangd te weten, welke geheimen de
Wijsheid der wereld bezit.

2. Doch zonder kleerscheuren kwam ik er ook hier niet af; de wachters
hielden mij tegen, begonnen mij over mijn verlangen scherp te
ondervragen, ja maakten zich gereed mij tegen te houden en terug te
dringen en hieven de hand reeds op om mij te slaan.—Toen antwoordde
Overalbij, die ook op deze plaats welbekend was, hun het een of ander
te mijnen gunste, nam mij bij de hand en leidde mij terstond in den
eersten hof.

3. Hier aanschouwde ik reeds den eigenlijken burcht zelf en zag de
blinkend witte muren, die, naar men mij verzekerde, van albast waren.
Zoodra ik ze echter nauwkeurig onderzocht en met de hand betastte, zag
ik, dat zij vervaardigd waren van papier, met werk daarachter, dat hier
en daar door de reten te voorschijn kwam. Daaruit leidde ik af, dat die
wanden hol en met werk volgestopt waren; ik verwonderde mij over dit
bedrog en moest er om lachen. Nu kwamen wij bij een trap, waarlangs men
kon opstijgen; doch daar ik bang was voor het instorten van het gebouw
(ik geloof, dat mijn hart reeds een voorgevoel had, van wat mij daar
zou overkomen) wilde ik niet naar boven gaan. „Waartoe, beste vriend,
deze inbeelding?” riep de tolk uit, „dan moogt ge met evenveel recht
vreezen, dat het hemelgewelf boven u zal instorten. Of ziet gij niet
die menschenmassa trap op en trap af gaan?” Zoo volgde ik ook hier het
voorbeeld der anderen en ging de wenteltrap op, die tot een
duizelingwekkende hoogte spiraalvormig omhoog liep.








HOOFDSTUK XXX.

DE PELGRIM WORDT DOOR ZIJN GIDSEN IN HET PALEIS DER WIJSHEID
AANGEKLAAGD.


        De pelgrim wordt voor den troon der koningin gesteld,

1. Zij brachten mij vervolgens in een groote zaal, waarin een ongewoon
helder licht mij aanvankelijk de oogen verblindde, niet zoozeer, wijl
hier zoovele vensters waren, maar veeleer—zooals men voorgaf—vanwege de
kostbare steenen, waarmee de wanden rondom waren ingelegd, terwijl de
vloer bedekt was met kostbare tapijten, waarin de doorgewerkte
gouddraad fonkelde; de plaats der zoldering werd ingenomen door een
nevelwolk. Ik had evenwel geen tijd, dat alles nader op te nemen, omdat
mijn oogen reeds aanstonds op de lieftallige koningin zelve gevestigd
bleven; zij zat daar op de hoogste plaats onder een troonhemel; ter
rechter- en ter linkerzijde stonden de leden van haar raad en haar
dienaressen, een gevolg, verbijsterend door zijn glans. Maar ik was
geheel van streek door deze luisterrijke omgeving en dit temeer, toen
de hofdames, de een na de ander, haar blikken op mij sloegen. Overalbij
sprak mij evenwel moed in: „Vrees niet, treed naderbij, opdat ook hare
Majesteit de koningin u zien kan; wees kloekmoedig, doch doe het niet
ontbreken aan eerbiedig ontzag en hoffelijk eerbetoon.” Met deze
woorden plaatste hij mij in het midden en gelastte mij een diepe
buiging te maken, en ik gehoorzaamde zonder eigenlijk recht te weten,
hoe men zich in zoo’n geval gedragen moet.



        en daar aangeklaagd.

2. Hierop ving mijn gids, die zich ongevraagd als mijn tolk had
opgeworpen, zijn aanspraak in de volgende bewoordingen aan:
„Doorluchtigste koningin der wereld, meest schitterende straal van
goddelijk licht, verhevene Wijsheid! Deze jongeling, dien wij zoo juist
voor uw verheven aangezicht stelden, verkreeg door een gelukkig toeval
van het Lot (den regent uwer Majesteit) vergunning om in uw
wereldmonarchie, waarin God u als zijn vertegenwoordigster de hoogste
plaats gegeven heeft, opdat gij door uw wijs beleid haar van het eene
einde tot het andere zoudt regeeren, alle standen en beroepen te
doorloopen, te beoefenen en te leeren kennen. Ofschoon hij nu door ons,
die op grond van uw wijs besluit daartoe aangesteld zijn, in dergelijke
gevallen het geleide op ons te nemen, door alle standen en beroepen
rondgeleid is, konden wij (wat wij u met deemoed en smart bekennen
moeten) ondanks onze oprecht gemeende en eerlijke pogingen hem niet
bewegen, zich met liefde aan een bepaald beroep te wijden, zich daar
rustig bij te bepalen en een trouwe, gehoorzame en gezeten burger van
dit ons gemeenschappelijk vaderland te worden; hij maakt het ons
veeleer altijd en bij elke gelegenheid lastig, heeft een tegenzin in
alles en verlangt steeds naar iets ongewoons. En wijl wij zijn wilde
begeerten noch bevredigen noch verstaan kunnen, zoo stellen wij hem
thans voor uw verheven Doorluchtigheid en laten het uw wijsheid over,
wat met hem nu verder zal geschieden.”



        De pelgrim is verschrikt.—De Tegenpartij, het Geweld, de
        Vleierij.

3. Men kan zich denken, hoe ik bij het hooren dezer rede (die ik niet
verwacht had) te moede was. Want ik zag nu heel wel in, dat ik hier
voor het gerecht gevoerd was. Daarom werd ik bevreesd en dit nog des te
meer, toen ik voor den troon der koningin een vreeselijk monster (ik
zou niet zeker kunnen zeggen of het een hond, of een lynx of een soort
draak was) zag liggen, dat mij met fonkelende oogen aanzag, en slechts
op een wenk scheen te wachten, om zich op mij te storten. Dan stonden
daar ook nog twee soldaten van de lijfwacht der koningin in volle
wapenrusting; zij staken wel in vrouwelijke kleeding, maar zagen er
daarom niet minder schrikaanjagend uit, vooral die aan de linkerzijde.
Want hij droeg een ijzeren pantser vol ijzeren punten als de stekels
van een egel. Het aanraken daarvan was, zooals ik zag, gevaarlijk. Aan
handen en voeten had hij ijzeren klauwen, in de eene hand hield hij
zwaard en speer; in de andere boog en vuurpijl. De tweede scheen mij
minder schrikwekkend dan belachelijk toe; want deze droeg in plaats van
een pantser een binnenst buiten gekeerde vossenhuid, in plaats van een
hellebaard een vossestaart in de rechter hand, in de linker een twijgje
met noten, waarmee hij onophoudelijk klepperde.



        De toespraak der koningin.

4. Zoodra mijn tolk of, om hem met zijn waren naam te noemen, mijn
verrader, zijn rede geëindigd had, sprak de koningin, het aangezicht in
een uiterst fijnen batisten sluier gehuld, mij in weloverwogen woorden
uitvoerig aldus toe: „Edele jongeling, uw voornemen en begeerte om de
dingen dezer wereld in oogenschouw te nemen, mishaagt mij volstrekt
niet. Ik sta dit dan ook aan mijn meest beminde onderdanen te allen
tijde gaarne toe en verleen hun door mijn trouwe dienaren en
dienaressen met genoegen alle hulp. Maar ik hoor niet gaarne over u
klagen, dat gij zoo kieskeurig zijt en dat gij, die als nieuweling in
de wereld te gast zijt om van haar te leeren, u er op toegelegd hebt,
op alles te vitten. Ofschoon ik u nu hierom, en tevens tot waarschuwing
van anderen, zou kunnen straffen, zoo wil ik toch, daar ik den wensch
koester liever een voorbeeld van verdraagzaamheid en welwillendheid,
dan van gestrengheid te geven, toegefelijk jegens u zijn en verleen u
goedgunstig het verblijf in mijn onmiddellijke nabijheid in dezen
burcht, opdat gij zoowel u zelf als mijn bestuur beter moogt leeren
kennen. Ik hoop, dat gij deze mijne gunst naar waarde zult schatten;
want weet, dat niet ieder het geluk ten deel valt tot deze geheime
plaatsen door te dringen, waar de beslissingen in hoogste instantie
genomen worden en het eindoordeel over allen uitgesproken wordt.” Toen
zij haar toespraak geëindigd had, gaf zij mij een wenk met haar hand;
ik trad in overeenstemming met de gegeven aanwijzing ter zijde en was
verlangend te zien, wat zich verder zou afspelen.



        De koninklijke raadsheeren.

5. Terwijl ik een weinig terzijde een plaats uitkoos, vroeg ik den tolk
naar de namen der raadsheeren, in welke verhouding, wat den rang
betreft, zij tot elkander stonden en wat hun taak was. Ik kreeg het
volgende antwoord: „Die het dichtst bij hare Majesteit de koningin
staan, zijn de geheime raadsvrouwen; ter rechterzijde: de Reinheid,
Waakzaamheid, Voorzichtigheid, Bedachtzaamheid, Vriendelijkheid en
Matigheid; ter linkerzijde: de Waarheid, Vlijt, Oprechtheid,
Dapperheid, Lankmoedigheid en Standvastigheid. Dat zijn de raadslieden,
die steeds den koninklijken troon omgeven.”



        De ambtenaren der koningin.

6. „Gindsche lieden, aan wie daar in de laagte een plaats is
aangewezen, zijn de ambtenaren der koningin en hare plaatsbekleedsters
in de wereld. Die in haar grijze kleedij heerscht in naam der koningin
over de benedenstad en heet Industria of Nijverheid; die in het
goudbrokaat en met een geplooiden halskraag onder een krans (gij hebt
haar, meen ik, reeds eenmaal gezien) gebiedt op het slot der
gelukzaligen en heet mevrouw Fortuna. Die beiden evenals haar helpsters
houden zich nu eens op hun eigen arbeidsterrein op, dan weer hier aan
het hof, waar zij zich dan moeten aanmelden tot het volbrengen van
dienstaangelegenheden, alsook voor het in ontvangst nemen van bevelen
en beslissingen. Aan elk van die twee staat weer een staf van eigen
ambtenaressen ter beschikking: aan mevrouw Industria, de Liefde, die in
den huwelijksstand regeert, de Arbeidzaamheid, die over de handwerks-
en ambachtslieden het opzicht heeft, de Scherpzinnigheid, die den
schepter over de geleerden zwaait, de Vroomheid, die in den
geestelijken stand, en de Gerechtigheid, die bij de overheden den toon
aangeeft, de Dapperheid, die de soldaten op hun plicht wijst, enz.”



        Het bestuur der vrouwen over de wereld.

7. Toen ik die mooie namen hoorde en zag, dat desondanks alles in de
wereld toch verkeerd ging, had ik gaarne daarover een opmerking
gemaakt; maar ik durfde niet. Ik dacht alleen maar in stilte: „wat een
wonderlijk wereldbestuur! De koning een vrouw, de raadsleden vrouwen,
de ambtenaren ook al vrouwen, in één woord een volkomen vrouwelijke
regeeringsvorm. Geen wonder, dat niemand er ontzag voor heeft!”



        De soldaten der lijfwacht.

8. Vervolgens vroeg ik nog, wie die beide soldaten der lijfwacht waren
en waartoe zij daar aanwezig waren? Hij zeide mij, dat hare Majesteit
de koningin ook hare vijanden en belagers had, tegen welke zij zich
beschermen en verdedigen moest. Deze, in een vossenhuid gehuld, heet,
naar men zegt, de Vleierij, de ander, met pantser en vuurwapen, het
Geweld; wanneer de een haar niet voldoende kan beschutten, moet de
andere haar verdedigen, daar zij elkander om de beurt aflossen. Hij
deelde verder mede, dat de hond, die zij bij zich hadden, als wachter
dienst deed, opdat hij door zijn geblaf het naderen van verdachte
personen bekend maken en ze verjagen zou. Het beest staat aan het hof
bekend onder naam: de Bode, doch zij, bij wie zijn ambt niet bijzonder
in den smaak valt, noemen hem den Lasteraar. „En nu moet ge eens een
eind maken aan dat niets doen,” besloot de gids zijn beschrijving, „en
vestig nu al uw opmerkzaamheid op de dingen, die hier staan te
gebeuren”: Ik verzekerde, hiertoe gaarne bereid te zijn.








HOOFDSTUK XXXI.

SALOMO VERSCHIJNT MET EEN GROOT GEVOLG IN HET PALEIS DER WIJSHEID.


        Salomo treedt op en begeert de Wijsheid te huwen.

Terwijl ik nu de komende gebeurtenissen met spanning tegemoet zag,
verhief zich plotseling een geweldig gedruisch en toen ik evenals de
anderen zag naar de richting, vanwaar het geluid kwam, zag ik, hoe
iemand het paleis binnentrad met koninklijken glans en luister, de
kroon op het hoofd, een gouden schepter in de hand, en een groot gevolg
achter zich aan, zoodat alle aanwezigen er bijna ontzet over waren. En
terwijl aller oogen, ook de mijne, op hem gericht waren, trad hij naar
voren en verklaarde, dat hij door de genade des Allerhoogsten, den God
der Goden, de wereld onbevangener kon beschouwen, dan allen, die voor
hem waren en na hem zouden komen en dat hij bovendien de Wijsheid, die
de heerscheres der wereld was, tot vrouw wenschte te nemen, tot welk
doel hij hier gekomen was. Hij nu heette Salomo, koning van het
Israëlietische volk, het meest roemrijke onder den hemel.



        Wat hem geantwoord werd en wat hij zelf daarop voor antwoord
        gaf.

2. Toen hem daarop door de Voorzichtigheid, de kanselares der koningin,
het antwoord was gegeven, dat de Wijsheid Gods eigen gade was en zij
dus niemand anders ten huwelijk kon nemen, Eccl. 11 : 7 [118] maar dat,
indien hij naar haar gunst en vriendschap wilde dingen, dit hem niet
afgeslagen zou worden, antwoordde Salomo haar: „Hier wil ik dan
nederzitten, totdat ik zie, wat onderscheid er bestaat tusschen
wijsheid en dwaasheid; want niets behaagt mij van wat er onder de zon
geschiedt.”



        De pelgrim is verblijd.

3. O, hoe zeer verheugde ik mij bij het hooren dezer woorden, dat ik
nu, naar ik hoopte, spoedig een anderen gids en raadgever zou krijgen,
dan ik tot dusver bezat, met wien ik op veiliger bodem zou staan, met
wiens hulp ik alles grondiger zou kunnen onderzoeken en dien ik ten
laatste zou kunnen volgen, waarheen hij zou gaan, en begon reeds in
mijn binnenste God den Heer daarom te loven.



        Salomo’s gevolg.

4. Salomo nu had een groot gevolg van dienaren en vrienden bij zich,
die meegekomen waren, om met hem de Wijsheid, ’s werelds koningin, op
de proef te stellen. Onder hen, die in zijne onmiddellijke omgeving
waren, zag ik vele eerwaardige mannen, rustig in hun optreden, van wien
men mij op mijn bescheiden vraag mededeelde, dat zij patriarchen,
profeten, apostelen en belijders heetten. Verder naar achteren in de
menigte, wees men mij eenige philosofen: Socrates, Plato, Epictetus,
Seneca en anderen. Zij zetten zich allen neder aan beide zijden van de
troonzaal; en ik deed desgelijks in groote spanning, wat nu zou
geschieden.








HOOFDSTUK XXXII.

DE PELGRIM SLAAT EEN BLIK IN DE GEHEIME OORDEELEN EN IN HET BESTUUR DER
WERELD.


Ik begreep terstond, dat hier alleen de gemeenschappelijke
aangelegenheden die, alle standen der wereld tegelijkertijd betroffen,
verhandeld werden, terwijl de meer bijzondere in de daartoe bestemde
plaatsen, raadhuizen, gerechtshoven, consistoriën, werden geregeld. Wat
zich hier nu in mijn tegenwoordigheid afspeelde, wil ik, in zoo weinig
woorden als mogelijk is, vertellen.



        Klachten over de in de wereld heerschende misbruiken.

2. Het eerst kwamen de twee hoogste dienaren der kroon, Industria en
Fortuna naar voren en dienden klachten in over velerlei misbruiken, die
door de algemeen heerschende trouweloosheid, winzucht, arglistigheid en
bedriegelijkheid bij bijna alle standen ingeslopen waren en gaven haar
verlangen te kennen, dat deze toestanden op de een of andere wijze
mochten verbeterd worden. Ik verheugde mij, dat zij nu zelf begonnen in
te zien, hetgeen mij reeds lang duidelijk geworden was, dat er namelijk
op de wereld geen orde is. De tolk ried evenwel mijn gedachten en
sprak: „gij geloofdet wel de eenige te zijn, die oogen bezat en dat er
buiten u niemand iets zag; wel, zie nu eens, hoe zorgvuldig ook dezen,
wier ambt het is, op zulke dingen acht geven.” „Gaarne hoor ik dit,”
zeide ik, „God geve slechts, dat de rechte weg daarbij gevonden worde.”



        De oorzaken der misbruiken.

3. Nu zag ik, dat de raadslieden de hoofden bij elkander staken om de
zaak gemeenschappelijk te bespreken en bij monde van de kanselares
Voorzichtigheid de vraag stelden, of het niet mogelijk zou zijn de
bewerkers dezer misbruiken uit te vinden? Als vrucht van langdurige
nasporingen werd eindelijk vastgesteld, dat er eenige opruiers en
rustverstoorders binnengeslopen waren, die in het geheim en in het
openbaar overal wanorde stichtten. De hoofdschuldigen, die men al
dadelijk bij name noemde, waren: de Vraatzucht, de Gierigheid, de
Woeker, de Wellust, de Hoovaardigheid, de Wreedheid, de Luiheid, de
Lediggang en eenige anderen.



        Een verordening tegen de bewerkers der misbruiken.

4. Na ampel overleg werd eindelijk het besluit genomen en voorgelezen,
dat op bepaalde plaatsen een kennisgeving zou worden opgehangen of
aangeslagen en over het geheele land zou worden verspreid, behelzende,
dat hare Majesteit, de koningin, nadat te harer kennis was gekomen, dat
door eenige vreemdelingen die op sluwe wijze binnengeslopen waren,
allerlei misbruiken in het land hun intrede hadden gedaan, zich genoopt
zag, hen, die zouden bevonden worden de aanstichters daarvan te zijn,
voor altijd uit haar geheele koninkrijk te verbannen, inzonderheid de
Vraatzucht, de Gierigheid en den Woeker, den Wellust en anderen; en dat
zij zich van die ure af niet meer mochten laten zien op straffe van
stellig ter dood te worden gebracht. Zoodra nu die verordening overal
in ’t openbaar aangeslagen en behoorlijk bekend gemaakt was, verhief
zich allerwegen een ongeloofelijk gejubel onder het volk, en ieder, ik
zelf niet uitgezonderd, vleide zich met de hoop, dat nu de gouden eeuw
zou aanbreken.



        Nieuwe klachten en nieuwe maatregelen.

5. Maar toen het na een korte wijle niet beter in de wereld toeging,
kwamen er van alle zijden klachten, dat men met de uitvoering der
verordening geen ernst maakte. Nadat opnieuw zitting gehouden was,
stelde de koningin Zorgeloos en Kijk-niet-nauw aan als haar beide
commissarissen, aan wie, om de zaak grooter gewicht bij te zetten, uit
de koninklijke raadslieden de Gematigdheid toegevoegd werd. Zij
ontvingen de opdracht nauwkeurig na te gaan, of die beruchte, verbannen
lieden tegen den uitdrukkelijken inhoud der verordening in, nog in het
land gebleven waren of zoo vermetel geweest waren terug te keeren.
Daarop begaven zich de commissarissen op weg en kwamen na eenigen tijd
met het bericht terug, dat zij wel eenige verdachte lieden aangetroffen
hadden, maar dat deze beweerden niet de ballingen te zijn, niets met
hen hadden uit te staan en bovendien geheel andere namen droegen. „De
een,” verklaarden zij, „leek zeer veel op de Dronkenschap, maar scheen
Aangeschoten of Vroolijkheid te heeten; de tweede, die op de Gierigheid
leek, scheen Spaarzaamheid te heeten, de derde, die het evenbeeld van
den Woeker was, droeg den naam van Interest; de vierde zag er uit als
de Wellust, doch noemde zich Liefde; de vijfde geleek de Hoovaardigheid
en zou Waardigheid heeten; de zesde herinnerde aan de Wreedheid, doch
men noemde haar Gestrengheid; de zevende, die het voorkomen van de
Luiheid had, droeg den naam Goedaardigheid enzoovoort.”



        De verordeningen worden uitgelegd.

6. Nadat men dit in den raad overwogen had, werd er thans afgekondigd,
dat men de Vroolijkheid niet als Dronkenschap, de Spaarzaamheid niet
als Gierigheid mocht toespreken enz., dat men derhalve de bedoelde
personen in vrijheid moest stellen, daar de verordening niet hen gold.
Nauwelijks was deze beslissing bekend gemaakt, of zij wandelden in
vrijheid over den weg, en een schare van het gewone volk, die hen op
den voet volgde, maakte kennis met hen en sloot zich bij hen aan. Ik
richtte mijn blikken naar Salomo en zag, dat hij en de zijnen hun hoofd
schudden; doch daar zij zwegen, hield ik mij eveneens stil; ik hoorde
slechts, hoe een van hen een ander toefluisterde: „De namen (zoo zegt
men) zijn verbannen, doch de verraders en verdervers kregen na hun
naamsverwisseling vrijen toegang; hier zal niets goeds uit voortkomen.”



        De standen der wereld vragen verruiming hunner vrijheden.

7. Ondertusschen kwamen er afgezanten aan uit alle standen der wereld
en verzochten om een audiëntie. Na toegelaten te zijn, droegen zij met
vreemde gebaren namens alle trouwe onderdanen de nederige bede voor:
„het mocht Hare Majesteit hun doorluchtigste koningin behagen, genadig
te willen bedenken, hoe oprecht en gehoorzaam alle getrouwe standen tot
nu toe den schepter harer heerschappij geëerbiedigd en voor haar
koninklijke rechten, beslissingen en in het algemeen voor haar
opperheerschappij onbezweken hadden pal gestaan, bij welke gezindheid
zij ook voortaan wenschten te blijven volharden; zij naderden alleen
haar troon met de ootmoedige bede, dat Hare Majesteit hun als belooning
voor de steeds betoonde aanhankelijkheid en als aanmoediging tot
verdere onwankelbare trouw, eenige vermeerdering hunner voorrechten en
verruiming hunner vrijheden zou willen toestaan (zooals het Hare
Majesteit in haar verheven beleid mocht behagen); en zij beloofden, dat
zij hun dankbaarheid voor deze weldaad door een bestendige
gehoorzaamheid naar behooren zouden bewijzen.” Na deze woorden bogen ze
tot aan den grond en weken van den troon terug. Ik wreef mij verwonderd
de oogen uit en zeide bij mij zelf: „wat zal dit opleveren? Heeft de
wereld nog geen vrijheden genoeg, dat zij er nog meer wenscht te
bezitten? Een breidel hebt gij noodig, een breidel en een zweep en een
dosis helleborus!” [119]. Doch ik sprak deze gedachte niet luide uit,
daar ik mij voorgenomen had, geen woord te zeggen. In de
tegenwoordigheid van die wijze en vergrijsde mannen, die op deze dingen
ook acht gaven, zou het mij zelfs niet betaamd hebben, het woord te
nemen.



        Het uitdeelen van nieuwe voorrechten.

8. Nu kwam men andermaal ter beraadslaging bijeen en eindelijk liet de
koningin na lang wikken en wegen bekend maken, dat het steeds haar
streven geweest was, het koninkrijk tot ontwikkeling en bloei te
brengen en dat zij daartoe uit eigen beweging steeds neiging had gehad;
dat zij ook nu, na de bede harer trouwe en beminde onderdanen gehoord
te hebben, deze niet onvervuld wenschte te laten. Daarom had zij
besloten om aan de titels van alle standen nieuwen luister bij te
zetten, opdat hun overvloediger eerbetoon zou ten deel vallen en zij
zich daardoor duidelijker en op eervoller wijze van elkander zouden
kunnen onderscheiden. Derhalve verordende en beval zij, dat de
handwerkslieden zich voortaan in geschrifte „hooggeëerd” zouden noemen,
de studenten „verlicht” en „hooggeleerd,” de magisters en doctoren
„hoogachtbaar,” de geestelijken „eerwaardig, hoogwaardig” en alle
eerwaarde bisschoppen „hoogeerwaardig [120],” de rijkeren onder de
burgers „edelgeboren,” de landedellieden „edelgeboren en dappere
ridders,” de heeren „tweemaal heeren [121],” de graven „hoogedelgeboren
heeren en heeren,” de vorsten „grootmachtig” en de koningen
„doorluchtigste en onoverwinnelijke.” Opdat aan deze verordening nog
krachtiger de hand zou gehouden worden, beval de koningin, dat niemand
verplicht zou zijn een brief aan te nemen, indien iets van zijn titel
was weggelaten of deze in het algemeen niet juist geschreven was.
Hierop betuigden de afgevaardigden hun dank en verwijderden zich. Ik
dacht echter bij mijzelf: „de schitterende buit, dien gij meent behaald
te hebben, bestaat slechts uit een paar pennekrassen op een blad
papier.”



        De smeekbeden der armen.

9. Nu kwamen ook de armen met een smeekbede voor den dag, waarin zij
over de groote ongelijkheid klaagden, die in alle standen heerschte,
daar anderen in overvloed leefden, terwijl zij gebrek leden. Zij
verzochten dit verschil eenigermate te vereffenen. Na rijpe overweging
deed men hun weten, dat Hare Majesteit de koningin weliswaar al haar
onderdanen zooveel gemak en geriefelijkheid gunde, als zij zelf
begeerden, doch dat de eer van het koninkrijk eischte, dat de een den
ander in aanzien overtrof. Daarom kon het in verband met de eenmaal
vastgestelde wereldorde niet anders, dan dat Fortuna haar burcht even
goed bevolkt moest hebben, als Industria haar werkplaatsen. Doch dit
werd ieder toegestaan, dat hij langs alle hem bekende wegen zich door
onverdroten ijver uit zijn armoede omhoog mocht werken.



        De smeekbeden der arbeidzamen.

10. Toen het antwoord, dat hun, die deze smeekbede hadden voorgedragen,
gegeven was, algemeen bekend werd, verschenen aldra anderen, om een
bede namens de nijvere werkers voor te dragen. Deze hield den wensch
in, dat zij, die hun tijd niet verluierden, voortaan geen zorg
behoefden te hebben, of zij wel met zekerheid het doel van hun
ingespannen arbeid zouden bereiken, in welken staat des levens zij ook
verkeerden en met welke voornemens zij ook bezield mochten zijn, en dat
niets meer aan het blinde toeval zou worden overgelaten. Dit verzoek
werd het voorwerp van een zeer lange beraadslaging; waaruit ik
opmaakte, dat het een moeilijk geval moest zijn. Ten laatste werd
echter bekend gemaakt, dat, ofschoon de macht en het bewind, die nu
eenmaal aan mevrouw Fortuna en haar—men wist ten minste niet
anders—trouwen dienaar Toeval waren toevertrouwd, en hun niet uit de
handen konden worden genomen, er toch rekening met het geuite verlangen
zou worden gehouden en hun zou worden opgedragen, zooveel het maar
aanging, meer aandacht te wijden aan de vlijtige werkers dan aan de
onverschillige; zij konden zich hiernaar in de toekomst wel richten.
Zoo gingen dan ook dezen heen.



        De smeekbeden der geleerden en der beroemdheden.

11. Onmiddellijk daarop kwamen de afgezanten van eenige bijzondere
mannen: Theophrastus [122] en Aristoteles; zij vroegen om twee dingen.
In de eerste plaats, dat de ongevallen waaraan anderen onderworpen
waren, hen niet mochten treffen. In de tweede plaats, dat zij, daar ze
door Gods goedheid met een bijzonder vernuft, groote geleerdheid,
rijkdom en andere goederen boven alle anderen in de wereld
onderscheiden waren en het sterven van zulke menschen een groot verlies
voor de gemeenschap zou beteekenen, zoo mogelijk het voorrecht der
onsterfelijkheid boven de groote massa zouden verkrijgen. Op de eerste
bede werd hun na ampele overweging het bescheid gegeven, dat hun
verlangens gerechtvaardigd waren; men stond hun daarom toe zich, zoo
goed zij konden, tegen ongevallen te vrijwaren, de geleerden door
middel van hun kennis, de voorzichtigen door hun bedachtzaamheid, de
machtigen door hun macht, de rijken door hun rijkdommen. In verband met
de tweede bede beval koningin Wijsheid onmiddellijk alle alchymisten
van den eersten rang bijeen te roepen, opdat zij met allen ijver het
middel zouden trachten op te sporen, waardoor de onsterfelijkheid kon
worden verkregen. Zij, die dit bevel ontvingen, verwijderden zich
daarna. Maar toen na lang wachten nog niemand teruggekeerd was en de
gezanten op een antwoord bleven aandringen, ontvingen zij pro interum
[123] het bescheid, dat het ook de wensch van Hare Majesteit de
koningin was, dat zulke uitstekende mannen niet evenals de anderen
zouden ondergaan; maar dat zij voor het oogenblik niet wist, langs
welken weg dit doel te bereiken. Zij verleende hun evenwel al vast het
voorrecht, zich na hun afsterven zoo lang mogelijk onder de levenden op
te houden, daarentegen moesten de andere, meer eenvoudige menschen
onmiddellijk na hun dood begraven worden; en terwijl de laatsten dan
alleen onder de groene zoden zouden rusten, moest men het graf der
eerstgenoemden met een steen bedekken. Bovendien zouden zij het recht
bezitten, nog andere middelen op te sporen, die geschikt waren hen
boven het gepeupel te verheffen.



        De smeekbeden der overheden.

12. Zoodra zich deze afgezanten verwijderd hadden, kwamen anderen, die
in naam der overheden de bezwaren van hun stand schetsten en om
verlichting vroegen. Men vergunde hun, wat uit te rusten en de
aangelegenheden van hun ambt door plaatsbekleeders en ambtenaren te
doen waarnemen; zij waren daarmee wel tevreden, betuigden hun dank en
gingen heen.



        De smeekbeden der onderdanen.

13. Niet lang daarna verschenen de afgezanten van de onderdanen, boeren
en handwerkslieden en dienden de klacht in, dat zij, die over hen
gesteld waren, liefst hun zweet wenschten te drinken; immers zij lieten
hen zoo voortdrijven en opjagen, dat het bloedige zweet hun langs het
lichaam gutste. Die de heeren daartoe aanstelden, speelden een nog
wreeder spel, opdat ook zij voor zich zelf daardoor eenig voordeel
zouden verkrijgen. En als bewijs toonden zij dadelijk bij hen, die zij
ter onderzoek meegenomen hadden, een menigte eeltplekken, litteekens,
schrammen en versche wonden en smeekten om genade. Het scheen wel
zonneklaar, dat hier onrecht geschiedde en dat daaraan zoo spoedig
mogelijk een eind moest komen.—Doch nu men juist de overheden had
veroorloofd, door tusschenkomst hunner dienaren te regeeren [124], was
het duidelijk, dat deze laatsten de schuld droegen en daarom voor het
gerecht gedaagd moesten worden. Daarom verzond men onverwijld aan alle
koninklijke, vorstelijke en heerlijke raadsheeren, stadhouders,
ambtenaren, rentmeesters, ontvangers van belastingen, schrijvers,
rechters en anderen dagvaardingen, dat zij zich zonder eenige uitvlucht
ter beschikking van het gerecht moesten stellen. Aan dezen last werd
onmiddellijk gevolg gegeven. Allen verschenen en stelden tegenover één
klacht der onderdanen er tien van hunne zijde. Zij voerden vele,
onderscheidene grieven aan over de luiheid hunner ondergeschikten, hun
ongehoorzaamheid en wederspannigheid, hun hoogmoed en de bandeloosheid,
die zij op allerlei wijze toonden, zoodra men slechts een weinig de
teugels vierde, en wat dies meer zij.

Toen het verhoor gesloten was, werd de zaak andermaal rijpelijk in den
raad overwogen en aan de onderdanen daarna als eindoordeel aangezegd,
dat, wijl zij de liefde en gunst van hun meerderen niet genoegzaam
wenschten of wisten te waardeeren, zij zich aan hun gestreng optreden
moesten gewennen, omdat het nu eenmaal in de wereld zóó moet zijn, dat
sommigen moeten heerschen en anderen dienen. Niettemin wilde men hun,
wanneer zij in staat bleken door bereidwilligheid, inschikkelijkheid,
en ware gehechtheid de gunst der opzieners en ambtenaren te verwerven,
geen stroobreed in den weg leggen, om zich daarover te verheugen.



        Bezwaren der staatslieden en rechters; zij ontvangen een
        richtsnoer: ratio status [125].

14. Nadat men hen had laten gaan, bleven nog over de staatslieden (de
koninklijke en heerlijke raadsheeren, de doctoren in de
rechtsgeleerdheid, de advocaten, rechters enzoovoort), die hun beklag
deden over de onvolmaaktheid der geschreven wetten, tengevolge waarvan
niet alle twisten, die onder de menschen ontstonden, konden worden
beslecht, hoewel de wet reeds in honderdduizend gevallen voorzag.
Daardoor geschiedde het, dat zij òf niet in staat waren een volmaakte
orde onder de menschen te handhaven, òf, indien zij uit zich zelven aan
de wet iets toevoegden, met het doel ze uit te leggen of het geschil te
vereffenen, het onverstandige volk dit beschouwde als een schennis van
het recht en een verdraaien van hun rechtszaak. Dientengevolge groeide
de misnoegdheid over hen evenals de algemeene oneenigheid nog meer aan.
Daarom vroegen zij òf een voorschrift, hoe zij moesten handelen òf
bescherming tegen de vooroordeelen der menschen. Men sprak nu den
wensch uit, dat zij zich zouden verwijderen en ging over tot de
behandeling der zaak; maar het zou te ver voeren al de meeningen hier
te vermelden, die door de koninklijke raadslieden uitgesproken werden.
Daarom wil ik alleen iets van de beslissing vertellen, die aan de
juristen bekend gemaakt werd, nadat zij opnieuw geroepen waren om voor
te komen. Zij kwam hierop neer, dat Hare Majesteit de koningin den weg
niet wist, waar langs nieuwe wetten, die op alle mogelijke gevallen van
toepassing zouden zijn, ontworpen konden worden, en dat daarom de
vroegere wetten en gewoonten van kracht moesten blijven. Alleen beval
Hare Majesteit hun genadiglijk als regel en richtsnoer aan, dat zij bij
het uitleggen der wetten, zoowel als bij het doen hunner uitspraken, in
overeenstemming daarmee, hun eigen of het algemeene welzijn goed in het
oog zouden vatten. Deze regel moest Ratio status genoemd worden; met
behulp daarvan zouden zij in staat zijn zich als met een schild tegen
de lasterlijke aantijgingen van het gemeen te dekken, en altijd maar
kunnen volhouden, dat de tegenwoordige omstandigheden (die immers niet
ieder begrijpt) nu eenmaal eischen, dat dit of dat zóó zijn moet. De
juristen aanvaardden dezen nieuwen regel, beloofden zich daarnaar te
richten en gingen huns weegs.



        Klachten der vrouwen over de mannen en der mannen over de
        vrouwen.

15. Het duurde maar kort, of de vrouwen kwamen met de klacht, dat zij
als slavinnen onder de macht der mannen moesten leven. Dadelijk daarop
verschenen er mannen, die bitter klaagden over de ongehoorzaamheid der
vrouwen. Nu kwamen de koningin en haar raadslieden terstond eenmaal en
andermaal ter beraadslaging bijeen en eindelijk werd door de kanselares
de volgende uitspraak bekend gemaakt: „Daar de natuur aan de mannen den
voorrang boven de vrouwen heeft toegekend, moet het daarbij blijven,
evenwel niet zonder de volgende belangrijke beperkingen: ten eerste,
wijl de vrouwen immers de helft van het menschelijk geslacht uitmaken,
zullen de mannen niets doen zonder hun raad vooraf in te winnen. Daar
in de tweede plaats de natuur niet zelden haar gaven in rijkere mate
over de vrouwen dan over de mannen uitstort, zal voortaan zulk een
vrouw, die in verstand en kracht haar man overtreft, een manwijf heeten
en de man haar den voorrang niet mogen betwisten.” Zoo luidde de eerste
uitspraak, maar de mannen noch de vrouwen waren daarmee tevreden. De
vrouwen wilden met alle geweld, dat de mannen het bewind met hen zouden
deelen, zoodat beiden het afwisselend zouden voeren; en wel zoo, dat
het op bepaalde tijden van den een op den ander zou overgaan en dat nu
eens de man dan weer de vrouw de teugels ter hand zou nemen. Er werden
zelfs eenigen gevonden, die niets minder wenschten, dan dat de vrouwen
alleen zouden heerschen, waartoe zij op haar grootere vlugheid van
lichaam en geest wezen, en meenden, dat het nu, nadat de mannen zoovele
duizenden jaren den voorrang hadden gehad, tijd werd, plaats voor haar
te maken. Voor enkele jaren had men hiervan immers in Engeland een
nobel voorbeeld gezien, waar onder de regeering van koningin Elisabeth
de mannen te harer eere hun vrouwen aan hun rechter zijde lieten gaan;
een prijzenswaardige gewoonte, die heden nog bestaat. Daar alzoo Hare
Majesteit Wijsheid, de koningin der wereld, en al haar vrouwelijke
raadslieden door God in hare sekse geschapen en met gezag over de
wereld bekleed zijn, scheen het niet meer dan billijk (Regis ad
exemplum totus componi orbis) [126], dat het bestuur in huis en
gemeente op denzelfden voet als in de wereld werd ingericht. Met deze
woorden dachten zij koningin Wijsheid gemakkelijk tot hun eigen
zienswijze over te halen. Maar om het pleit niet door hun stilzwijgen
te verliezen, verweerden zich de mannen hier tegen, door te verklaren,
dat God, hoewel Hij de heerschappij aan koningin Wijsheid had
toevertrouwd, toch zelf het opperbestuur, in zijn ganschen omvang en
voor alle tijden, voornamelijk in zijn eigen hand houdt; daarom willen
zij Hem daarin navolgen, enzoovoort.



        Een vergelijk tusschen mannen en vrouwen.

16. Daarop hadden opnieuw allerlei beraadslagingen plaats; zoo kon ik
wel begrijpen, dat een zoo moeilijk geval niet alle dagen voorkwam.
Ofschoon wij allen op de eindbeslissing wachtten, kwamen wij haar niet
te hooren; want de Voorzichtigheid en Vriendelijkheid hadden opdracht
gekregen, met elk van beide partijen afzonderlijk, geheime
onderhandelingen aan te knoopen. Zij namen de hangende kwestie in
studie en vonden ten slotte deze bemiddelingsformule: dat de mannen ter
wille van den lieven vrede en de eendracht stilzwijgend aan de vrouwen
den voorrang ten minste binnenshuis zouden laten en haar raad volgen;
dat de vrouwen echter met deze tegemoetkomingen genoegen zouden nemen
en voor de buitenwereld zich aan de mannen onderdanig zouden betoonen.
Immers zoo zou het uitwendig ten slotte geheel bij het oude kunnen
blijven en toch het bewind der vrouwen heel wat versterkt zijn. Want in
het tegengestelde geval zou het groote geheim van het algemeen bestuur,
dat de mannen de gemeente, de gemeente de vrouwen en de vrouwen weer de
mannen regeeren, openbaar worden; daartoe, verzocht de koningin, zouden
beide partijen het niet laten komen. Dit werd door beide partijen dan
ook aangenomen. Iemand van Salomo’s gevolg, die dit alles mede
aangehoord had, sprak: „Een vrouw, die haar man eert, wordt voor wijs
gehouden”; [127] en een tweede voegde daaraan toe: „De man is het hoofd
der vrouw, zooals ook Christus het hoofd der gemeente is” [128]. Maar
het bleef toch bij dit vriendschappelijk vergelijk en de mannen zoowel
als de vrouwen begaven zich naar huis.








HOOFDSTUK XXXIII.

SALOMO ONTHULT DE IJDELHEDEN EN HET BEDROG DER WERELD.


        Prediker 12 : 15. Salomo rukt de wereldsche wijsheid het masker
        af

Toen kon Salomo, die tot dit oogenblik, op zijn stoel gezeten, zwijgend
had toegezien, zich niet langer inhouden en riep met luider stemme:
„IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid! Kan, hetgeen krom is,
niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, niet geteld worden?”
En zich met heel zijn gevolg van zijn zetel verheffende, schreed hij
onder groote opschudding op den troon der koningin toe (zonder dat de
wilde Fama en de lijfwacht aan beide zijden het konden verhinderen,
want zij waren evenals de koningin zelve en haar raadslieden door zijn
stem en luister als verdoofd.) Hierop strekte hij zijn arm naar haar
uit en nam haar den sluier van het gelaat, waarbij het bleek, dat deze,
die te voren zoo kostbaar en prachtig scheen, uit niets dan spinrag
bestond. En zie, in werkelijkheid was haar gelaat bleek en opgezwollen;
wel was er iets van een blos op haar wangen, maar dat was blanketsel;
en dit kon men duidelijk zien, omdat het op sommige plekken had
losgelaten; de handen zagen er eveneens uit, als waren ze met schurft
bedekt; het geheele lichaam wekte afkeer op en haar adem was kwalijk
riekend. Hierover waren ik en alle anderen, die daar aanwezig waren,
ontzet, zoodat wij daar als versteend op onze plaats stonden.



        en ook haar raadslieden. Pred. 12, 14.

2. Nu wendde Salomo zich tot de raadslieden van de gewaande koningin en
rukte ook haar de maskers af. „Ik zie,” sprak hij, „dat in plaats van
gerechtigheid onrecht heerscht en in plaats van heiligheid gruwel. Uw
waakzaamheid is wantrouwen, uw voorzichtigheid list, uw vriendelijkheid
vleierij, uw waarheid niets dan schijn, uw ijver is verwoedheid, uw
dapperheid vermetelheid, uw liefde wellust, uw arbeidzaamheid
slavernij, uw scherpzinnigheid slechts gissing, uw vroomheid
huichelarij. En is het uw taak, in plaats van den Almachtigen God, de
wereld te regeeren? Waarlijk, God zal al uw daden richten en al wat in
het geheim geschiedt, hetzij goed hetzij kwaad. Ik zal echter heengaan
en de geheele wereld verkondigen, dat zij zich niet langer mag laten
misleiden en bedriegen.”



        Hij verkondigt de geheele wereld, dat alles ijdelheid is.

3. En hij wendde zich toornig van haar af en verliet met zijn gevolg
het paleis. Doch toen hij op de straten begon te roepen: „IJdelheid der
ijdelheden, alles is ijdelheid,” verzamelden zich uit alle landen
menschen van alle natiën en tongen, koningen en koninginnen uit verre
landstreken om hen heen; en hij stortte den stroom zijner
welsprekendheid over hen uit en onderrichtte hen. Want zijn woorden
waren scherp als in het vleesch gedreven prikkelen en nagelen [129].



        Men beraadslaagt, hoe hem door list te verschalken.

4. Ik was hem echter niet gevolgd, doch met mijn gidsen, die nog geheel
van streek waren, op dezelfde plaats in het paleis blijven staan en zag
toe, wat hier nu verder geschiedde. Zoodra de koningin zich namelijk
een weinig van haar verdooving hersteld had, begon zij met haar
raadslieden te overleggen, wat haar nu te doen stond. De IJver,
Oprechtheid en Dapperheid rieden aan, dat de geheele macht van het
koninkrijk verzameld en hem nagezonden zou worden om hem gevangen te
nemen. De Voorzichtigheid was daarentegen van meening, dat men met
geweld niets tegen hem zou kunnen uitrichten; want niet alleen was
Salomo zelf ook machtig, maar hij had tevens bijna de geheele wereld op
zijn zijde (zooals de boodschappers berichtten, die de een na den ander
met nieuws, omtrent hetgeen zich nu afspeelde, terugkeerden). Men zou
hem liever de Vriendelijkheid en de Vleierij nazenden en deze beiden
zouden, na uit den burcht van Fortuna nog de Wellustigheid aan zich te
hebben toegevoegd, hem op den voet moeten volgen; zij moesten hem
overal, waar hij zich bevond, trachten te verstrikken in het net der
vleierij en hem de schoonheid, den roem en liefelijkheid van dit
koninkrijk voorhouden en aanprijzen; op deze wijze ware het misschien
mogelijk, hem te vangen; een anderen weg kende zij beslist niet. Haar
plan vond instemming en deze drie ontvingen opdracht, het dadelijk ten
uitvoer te brengen.








HOOFDSTUK XXXIV.

SALOMO WORDT BEDROGEN EN MISLEID.


        De mond van Salomo vloeit over van wijsheid.

1. Dit hoorende, gaf ik mijn gidsen te kennen, dat ik nu gaarne wilde
zien, wat er verder zou geschieden. Overalbij willigde mijn verzoek
dadelijk in en ook de andere gids had geen bezwaar. Wij troffen Salomo
en zijn aanhang in de straat der geleerden, juist toen hij daar onder
algemeene bewondering over de natuur van het plantenrijk sprak, van den
cederboom af, die op den Libanon groeit, tot de hysop, die aan den wand
uitwast [130]; over viervoetige dieren, vogels, kruipende dieren en
visschen; over de substantie der aarde, de macht der elementen, de
constellaties aan den hemel en de overdenkingen der menschen. Uit alle
natiën stroomde men toe om naar de woorden zijner wijsheid te
luisteren. Toen hem dientengevolge al te kwistig lof werd toegezwaaid,
begon hij zichzelf te behagen; en dit was nog sterker het geval, toen
de Vriendelijkheid en de Vleierij voorzichtig op hem toe slopen en zijn
lof voor de ooren aller menschen begonnen uit te bazuinen.



        Salomo vindt de technische kunsten uit.

2. Toen stond Salomo op om ook de andere deelen der wereld in
oogenschouw te nemen. Zoo kwam hij bij de handwerkslieden, zag toe, op
hoe verschillende wijze zij hun kunst beoefenden en verlustigde zich
daarin. Hierop dacht hij ook zelf, met zijn zeldzaam vernuft,
buitengewone dingen voor hen uit, zooals den kunstigen aanleg van
tuinen, boomkweekerijen, vischvijvers, leerde hun huizen en steden
bouwen en het kweeken van velerlei dingen, waarin de kinderen der
menschen vermaak scheppen.



        Hij laat zich door de Wellustigheid verstrikken.

3. Toen Salomo tenslotte de straat insloeg, waarin de stand der
echtelieden woonde, voerde hem de sluwe Wellustigheid de schoonste
jonkvrouwen, in haar fraaisten opschik, onder de klanken van allerlei
zoetklinkende muziek tegemoet. Zij droeg eenigen van de
voortreffelijkste op, den koning plechtig welkom te heeten en begroette
hem zelf als het licht van het menschelijk geslacht, de kroon der
Israëlietische natie, het sieraad der wereld; en zooals de stand der
geleerden en der handwerkslieden door den luister zijner aanwezigheid
niet weinig aan verlichting en inzicht gewonnen hadden, zoo verwachtte
nu ook de echtelijke stand, dat hij door zijn roemrijke aanwezigheid
een hoogere vlucht zou nemen. Salomo dankte hoffelijk en maakte zijn
voornemen bekend, dezen stand te eeren, door zich zelf er in te doen
opnemen; daarop koos hij uit de schare jonkvrouwen die, welke hem het
beste beviel—men noemde haar de dochter van Pharaoh—liet zich met haar
wegen en aan haar vastklinken [131] en werd, zoodra hij haar tot vrouw
verkregen had, zóó door haar schoonheid en lieftalligheid getroffen,
dat hij geheel in haar opging en liever met haar koutte, dan dat hij
wijsheid zocht. Hij liet zelfs (dit zou ik nooit van hem gedacht
hebben) zijn oogen gaan over de schaar van dartele meisjes, die hem de
sluwe Wellustigheid in steeds grooteren getale voor oogen voerde en
liet, meegesleept door haar schoonheid en bevalligheid, nu deze, dan
gene, die hem onder de oogen kwam en hem voortreffelijk toeleek, tot
zich roepen, zelfs zonder zich met haar te doen wegen[131]. Zoo zag hij
in korten tijd zevenhonderd vrouwen om zich heen en buitendien bezat
hij er nog driehonderd, die niet met hem getrouwd waren; want hij
stelde er roem in, ook in deze dingen allen, die voor hem geweest waren
en na hem zouden komen, te overtreffen. En nu was er verder al niets
meer te zien dan enkel ijdel minnespel, waarover zijn eigen volgelingen
zich begonnen te bedroeven en te beangstigen.



        Hij gaat vervolgens in den stand der geestelijken geheel ten
        onder.

4. Toen hij nu deze straat was doorgegaan, begaf hij zich met zijn
stoet verder en kwam in de straat der geestelijken. En waarheen de
rampzalige gezellinnen, die aan hem vastgeketend waren, hem trokken,
liet hij zich meevoeren tusschen allerlei beesten en kruipend gedierte,
draken en giftig ongedierte [132]; en hij begon daarin een treurig
vermaak te scheppen.








HOOFDSTUK XXXV.

SALOMO’S GEVOLG WORDT UITEENGEDREVEN, GEVANGEN GENOMEN EN ONDER
VREESELIJKE MARTELINGEN TER DOOD GEBRACHT.


        Salomo’s metgezellen ontsteken tegen hem in toorn.

Toen nu de aanzienlijksten uit het gevolg, Mozes, Elia, Jesaja en
Jeremia den wijzen man aldus bedrogen zagen, begonnen zij in vurigen
ijver tegen hem te ontbranden: zij riepen hemel en aarde als getuigen
aan, dat zij aan deze gruwelen geen deel hadden en waarschuwden ook al
hun metgezellen voor zulke ijdelheden en dwaasheden. Toen evenwel niet
weinigen desniettemin Salomo’s voorbeeld volgden, ontstaken zij nog
meer in ijver en verhieven hun donderende stem tegen het kwade;
inzonderheid Jesaja, Jeremia, Baruch, Stephanus, Paulus en anderen.
Mozes gelastte den zijnen, zich het zwaard aan te gorden; Elia gebood,
dat vuur van den hemel zou nederdalen; Hiskia, dat alle afgodsbeelden
in stukken zouden worden geworpen.



        Zij schenken aan vleierij en inblazingen geen aandacht.

2. Toen de Vriendelijkheid, de Vleierij en de Wellust, die uitgezonden
waren om Salomo te verleiden, dit bemerkten, voegden zij eenige
philosofen, den mammon en nog anderen, aan hun drietal toe en wendden
zich vervolgens tot de ijveraars, die zij vermaanden tot bezinning te
komen en zich te matigen; wanneer Salomo, de wijste der menschen, zijn
verstand had onderworpen en zich, zooals ieder zien kon, naar de
heerschende wereldorde geschikt had, waarom zouden zij dan juist een
uitzondering maken en het beter willen weten? Maar zij vonden geen
gehoor; hoe meer zij gewaar werden, dat het voorbeeld van Salomo velen
verleidde en verblindde, in des te heftiger ijver ontbrandden zij, des
te gejaagder liepen zij heen en weer, al roepend en hun stem
verheffend, en deze zaak verwekte groote opschudding.



        De gewapende macht wordt tegen hen in ’t veld geroepen.

3. Want de koningin, die door haar getrouwen van het voorgevallene
nauwkeurig onderricht was, zond lastbrieven rond in het geheele land,
waarin zij de gewapende macht opriep. Zij benoemde het Geweld, den
bevelhebber van haar lijfwacht [133] tot generaal en gelastte hem, de
rustverstoorders gevangen te nemen en hen te straffen als een voorbeeld
voor allen. Men blies derhalve alarm en een groote, strijdvaardige
menigte stroomde samen, niet alleen uit den soldatenstand, maar ook
overheidspersonen, ambtenaren, rechters, handwerkslieden, philosofen,
artsen, rechtsgeleerden en zelfs priesters, ja zelfs vrouwen in zeer
verschillende kleederdracht en krijgsuitrusting. Want men zeide, dat
tegen zulke onruststokers, die tegen de geheele wereld openlijk in
verzet kwamen, ieder, hetzij jong of oud, te hulp moest komen. Toen ik
zag, hoe de legerscharen kwamen aangolven, vroeg ik beangst aan mijn
gidsen, wat er nu geschieden zou? De tolk antwoordde: „Nu zult gij
zien, hoe het hun vergaat, die met hun betweterijen samenrottingen en
oproer in de wereld veroorzaken.”



        De slag, gevangenneming, doodslag, de vuurdood en andere
        martelingen.

4. Toen stortten deze lieden zich nu op den een, dan weer op een ander,
een derde of een vierde en sloegen, staken, hieuwen ze neer of grepen
ze, bonden ze en voerden ze naar de gevangenis, al naar de woede,
waarmede zij tegen ieder afzonderlijk bezield waren. Het was een
wonder, dat mijn hart van medelijden niet brak; en toch, ofschoon
verschrikt door zulk een wreedheid en over mijn geheele lichaam
sidderend, durfde ik geen kik geven. Ik zag, dat sommigen van hen, die
neergesmakt en gevangen genomen waren, de handen vouwden en voor hun
daden vergiffenis afsmeekten, terwijl anderen des te hardnekkiger aan
hun overtuiging vasthielden, naar mate men hen gruwelijker behandelde.
Daarom werden er ook eenigen voor mijn oogen in het vuur geworpen,
anderen verdronken, nog anderen opgehangen, onthoofd, aan het kruis
geslagen, met tangen uiteengescheurd, in stukken gezaagd, gespietst,
gevierendeeld, op roosters gebraden. Ik kan werkelijk al de gruwelijke
wijzen van terechtstelling, die deze menschen ondergingen, niet eens
opnoemen; en daarover juichten en jubelden de scharen der wereldlingen.








HOOFDSTUK XXXVI.

DE PELGRIM WENSCHT DE WERELD TE ONTVLIEDEN.


        De pelgrim ontvliedt de wereld.

Daar ik niet in staat was, dezen aanblik langer te verdragen en de
smarten van mijn hart te verduren, ontvlood ik, om mij ergens in een
woestenij terug te trekken, of nog liever, als het mogelijk ware, de
wereld voor altijd te verlaten. Mijn gidsen evenwel zetten mij na,
haalden mij in en vroegen mij, waarheen ik van plan was te gaan. Ik
antwoordde met geen enkel woord, daar ik hen door mijn stilzwijgen
wenschte af te schepen. Toen zij mij echter niet wilden loslaten en nog
onstuimiger op mij aandrongen, zeide ik: „Ik zie wel, dat het in de
wereld nooit beter zal worden! Wee mij, alle hoop heb ik
verloren!”—„Komt gij nog niet tot andere gedachten,” voegden zij mij
toe, „nu gij als afschrikwekkend voorbeeld het lot gezien hebt, dat
zulke betweters wacht?”—„Ik wil,” antwoordde ik, „liever duizend dooden
sterven, dan daar te leven, waar zulke gruwelen plaats vinden en al dat
onrecht en bedrog, die leugen, verleiding en wreedheid mede aanzien.
Daarom is mij de dood ook liever dan het leven; ik ga nu het lot der
dooden beschouwen, welke daar uitgedragen worden.”



        De Verblinding verdwijnt.

2. Overalbij willigde terstond mijn verzoek in, zeggende, dat het goed
was, dat ik ook dit zou zien en zulke dingen begrijpen zou; doch de
Verblinding ried het mij af en verzette er zich sterk tegen. Ik lette
echter niet meer op haar, rukte mij los en ging heen; zij echter bleef
daar en liet mij gaan.



        De pelgrim beschouwt de stervenden en de dooden. De bodemlooze
        afgrond aan gene zijde der wereld.

3. Om mij heen ziende, trok de wijze, waarop de stervenden, van wie er
daar overal een vrij groot aantal waren, den laatsten adem uitbliezen,
mijn aandacht. Het was een treurig gezicht, hoe zij allen angstig en
weeklagend, vreezend en sidderend den geest gaven, niet wetende, wat er
met hen verder zou geschieden en waar zij zouden terecht komen.
Ofschoon ik wel vreeselijk schrok, schreed ik toch, gehoor gevende aan
den drang om de dingen grondig uit te vorschen, tusschen de baren door,
die in lange rijen opgesteld waren, tot ik aan het einde der wereld
kwam, waar de duisternis begint. Hier, waar anderen met gesloten oogen
in den blinde hun dooden uitwierpen, rukte ik de bril der verblinding
af, wreef mij de oogen uit, en boog, zoover als mij mogelijk was, naar
voren. Nu werd ik slechts vreeselijke duisternis gewaar, waarvan de
eindeloosheid en bodemloosheid het menschelijk begrip te boven gaan, en
in die duisternis niets dan wormen, kikvorschen, slangen, schorpioenen,
ontbinding en stank, de lucht van zwavel en pik, die lichaam en ziel
met haar bederf doordrong, kortom onuitsprekelijke verschrikkingen.



        De pelgrim bezwijkt van vrees.

4. Onder den indruk van dit alles verstijfden mijn ingewanden binnen in
mij, ik beefde over al mijn leden, en viel, bezwijmd van schrik, ter
aarde. „O, allerbeklagenswaardigste, ellendige, rampzalige schepselen!”
riep ik uit, „is dit het roemrijke lot, dat u ten laatste wacht, het
besluit uwer vele schitterende daden, het doel uwer kundigheden, waarop
gij zoo opgeblazen stoftet, de eindpaal uwer veelvuldige wijsheid? Is
dit de vrede en rust, waarnaar gij uitzaagt, na zoo tallooze moeiten en
plagen? Is dit de onsterfelijkheid, waarop gij altijd gehoopt hebt? O,
ware ik toch nimmer geboren, nooit door de poort des levens gegaan, als
na alle ijdele wereldsche zorgen slechts duisternis en verschrikking
mijn deel zal zijn! O, God, God, God, God, als gij waarlijk God zijt,
erbarm u over mij, ellendige!”








HOOFDSTUK XXXVII [134].

DE PELGRIM KOMT THUIS.


        Het begin der bekeering is het werk Gods.

Ik had nauwelijks opgehouden te spreken, en sidderde nog van schrik
over al mijn leden, toen ik opeens een doffe stem achter mij hoorde
spreken: „Keer weder!” Ik hief mijn hoofd een weinig op en wilde zien,
wie mij geroepen had en waarheen ik mij zou hebben te wenden; doch ik
zag niemand, zelfs niet mijn gids Alweter; want ook deze had mij reeds
verlaten.

2. En hoor, daar klonk die stem opnieuw: „Keer weder!” Daar ik echter
niet wist, waarheen ik terugkeeren of hoe ik mij uit mijn onmacht
herstellen zou, werd ik bedroefd. Maar hoor, daar riep de stem voor de
derde maal: „Keer weder, vanwaar gij zijt uitgegaan, in het huis van uw
hart en sluit de deur achter u toe!”



        Vervolgens eischt zij ook onze ijverige medewerking.

3. Aan dezen raad gaf ik gehoor, zoo goed als ik hem verstond; en ik
handelde goed daarin, dat ik Gods stem gehoor gaf! Doch dit was reeds
een genadegift van Hem. Ik verzamelde daarom, zoo goed ik kon, mijn
gedachten, sloot oogen, ooren, mond, neusgaten en alle overige
toegangswegen tot de buitenwereld en keerde in tot mijn hart; maar zie,
daar was het duister. Toen ik evenwel met de oogen knippend een weinig
rondzag, bemerkte ik bij het schijnsel van een zwakke lichtstraal, die
door eenige reten naar binnen viel, boven in de welving van mijn
kamertje een eigenaardig groot, rond glasvenster, dat evenwel zoo
verontreinigd en bezoedeld was, dat het nauwelijks eenig licht
doorliet.



        Beschrijving der verdorven natuur.

4. Toen ik hierop bij dit sombere, zwakke schijnsel naar alle zijden
rondkeek, zag ik aan de wanden eenige kleine geschilderde portretten
hangen, die eenmaal, naar het scheen, door een meesterhand vervaardigd
waren, maar waarvan thans de kleuren verbleekt waren. Van de personen,
die ze voorstelden, waren sommige ledematen afgehouwen of afgebroken.
Een weinig naderbij tredend las ik de opschriften: Voorzichtigheid,
Deemoed, Gerechtigheid, Kuischheid, Matigheid, enzoovoort. Midden in
het vertrek lagen op een hoop door elkaar geworpen, gebroken en
verbrijzelde ladders, gespleten hijschblokken en gebroken touwen als
een warwinkel door elkaar; vervolgens een paar groote vleugels, waaruit
de veeren getrokken waren; eindelijk uurwerkraderen met gebroken of
verbogen assen, tanden en stijltjes, alles in de grootste wanorde.



        Zij kan door menschelijke wetenschap niet verbeterd worden.

5. Verwonderd vroeg ik mij af, waartoe al deze werktuigen dienden, hoe
en door wien zij zoo beschadigd mochten zijn en hoe zij nu weer in orde
waren te brengen. Hoe ik ook zag en dacht, ik kon de oorzaak niet
vinden; maar de hoop rees in mij, dat Hij, die door zijn roepstem mij
in dit vertrek geleid had, waar Hij zich ook mocht bevinden, mij weder
zou toespreken en mij in al het verdere onderrichten. Want in datgene,
waarvan ik hier den aanvang zag, kreeg ik een welgevallen, niet alleen
omdat het in deze kamer niet zoo kwalijk rook als in de plaatsen, die
ik te voren in de wereld doorwandeld had, maar ook deswege, wijl hier
geen geruisch en geratel, geschreeuw en gekraak, geen onrust en getier,
geen gesleep of ander geweld vernomen werd, (waarvan de wereld overal
vervuld was). Hier was alles stil.








HOOFDSTUK XXXVIII.

DE PELGRIM ONTVANGT CHRISTUS ALS ZIJN GAST.


        Onze verlichting komt van boven.

1. Terwijl ik mij aan mijn gedachten overgaf en wachtte, wat nu
geschieden zou, straalde plotseling van boven een helder schijnsel, en
toen ik mijn oogen daarheen ophief, zag ik het venster boven mij vol
schitterend licht en uit die schittering daalde iemand neer, die in
gestalte den menschen gelijkvormig scheen, maar in zijn blinkenden
luister waarlijk God zelf was. Zijn aangezicht straalde wel uitermate,
maar toch was de glans voor het menschelijk oog nog te verdragen; ook
ging er geen verschrikking van uit, maar bezat het een liefelijkheid,
zooals ik in de wereld nooit gezien heb. En, louter vriendelijkheid,
louter minzaamheid, sprak hij mij allereerst met deze liefderijke
woorden toe:



        Waar de bron van alle licht en troost te vinden is.

2. „Welkom, welkom, mijn zoon en dierbare broeder!” Na het uitspreken
dezer woorden omarmde hij mij vriendelijk en kuste mij. Tegelijk
stortte zich een zoo liefelijke geur in mijn ziel uit en doordrong mij
een zoo onuitsprekelijke vreugde, dat mij de tranen uit de oogen
vloeiden. Ook wist ik op zulk een onverwachten welkomstgroet niets te
antwoorden, dan met deemoedige blikken diep zuchtend tot Hem op te
zien. Toen hij mij zoo van vreugde geheel overstelpt zag, ging hij
voort aldus tot mij te spreken: „Waar waart gij toch, mijn zoon? Waar
toefdet gij zoo lang? Langs welken weg zijt gij gegaan? Wat hebt gij in
de wereld gezocht? Troost? Waar kondt gij dien anders zoeken dan in
God? En waar ergens elders God zoeken dan in zijn tempel? En welken
anderen tempel van den levenden God dan den levenden tempel, dien hij
zich zelf toebereid heeft, in uw eigen hart? Ik zag u, mijn zoon, toen
gij dwaaldet; maar ik wilde het niet langer aanzien; daarom heb ik u
tot u zelf doen inkeeren en in uw binnenste u ingeleid; want dit heb ik
tot mijn woonstede verkoren. Als gij daar met mij wonen wilt, dan zult
gij vinden, wat gij in de wereld vergeefs gezocht hebt: vrede, troost,
den waren roem en volkomen verzadiging. Dit beloof ik u, mijn zoon, dat
gij hier niet bedrogen zult worden, zooals daar, in de wereld.”



        Volkomen overgave aan den Heer Jezus.

3. Toen ik deze woorden hoorde en verstond, dat Hij, die sprak, mijn
Verlosser, Jezus Christus was, van wien ik ook te voren in de wereld
vluchtig iets vernomen had, vouwde ik mijn handen en strekte ze naar
Hem uit, niet met vrees en twijfel, zooals in de wereld, maar met
innige verheugenis en volkomen vertrouwen en zeide: „Hier ben ik, mijn
Heere Jezus, neem mij aan; de Uwe wil ik zijn en blijven tot in
eeuwigheid. Spreek Gij tot Uw knecht en geef, dat ik U hoore; zeg mij,
wat Gij wilt en geef, dat ik mijn vermaak daarin vind; leg mij lasten
op, naar Uw wil, en geef mij de kracht ze te dragen. Beschik over mij
tot elk U welgevallig doel en geef, dat ik niet onbekwaam bevonden
word; beveel, wat U behaagt, en geef mij de kracht Uw bevelen te
volbrengen. Laat mij niets zijn, opdat Gij zelf mij alles zijt.”








HOOFDSTUK XXXIX.

DE PELGRIM VERLOOFT ZICH MET HEM.


        Zelfs als wij dwalen, waakt Gods wijsheid over ons.

„Ik neem dit van u aan, mijn zoon,” sprak Hij, „volhard daarbij; heet,
wees, en blijf dan nu mijn eigendom. Weliswaar zijt gij en waart gij de
mijne van eeuwigheid, maar gij wist het vroeger niet. Ik heb reeds lang
den troost u toebereid, waartoe ik u nu wil leiden; maar gij hebt het
niet verstaan, want door een wonderbaar net van slingerende paden heb
ik u tot u zelf geleid; gij hebt dat echter niet geweten en evenmin wat
ik, de bestierder van al mijn uitverkorenen, daarmee bedoel; ja mijn
arbeid aan u waart gij u zelf niet eens bewust. Maar ik was steeds en
overal met u en heb u daarom langs omwegen geleid om u ten laatste des
te dichter bij mij te brengen. Niets kon de wereld, niets konden uw
gidsen, niets kon Salomo u leeren; zij konden u met niets verrijken,
met niets verzadigen, met niets de begeerte van uw hart stillen. Want
hetgeen gij gezocht hebt, was hun niet gegeven. Maar ik zal u alles
leeren, u rijk maken, u verzadigen.”



        Al ons streven moet van de wereld afgewend en op God gericht
        worden.

2. „Het eenige, wat ik van u verlang, is, dat gij, wat ge ook in de
wereld gezien hebt en van welk zwoegen onder de menschen bij hun
aardsche beslommeringen, gij ook getuige geweest zijt, met dit alles
tot mij zult komen en den last ervan op mij afwentelen: dit zij,
zoolang gij leeft, uw werk en uw taak; en wat de menschen in de wereld
wel zoeken, maar niet vinden, namelijk vrede en blijdschap, ik zal ze u
in overvloed geven.”



        De vereeniging met Christus alleen, den eeuwigen Bruidegom.

3. „Gij zaagt, hoe in den echtelijken stand [135], zij, die elkander
liefkrijgen, alles verlaten om slechts elkander toe te behooren. Doe
gij desgelijks, geef alles op, zelfs uw eigen persoon en geef u zelf
volkomen aan mij over; gij zult de mijne wezen en het zal wel zijn.
Zoolang gij dit niet doet, zult gij, dit verzeker ik u, geen vrede
vinden voor uw ziel. Want buiten mij is alles in de wereld, waar gij uw
hart op moogt zetten en waarin gij u ook verlustigen moogt, aan
verandering onderworpen; het zal u nu op deze dan op gene wijze in
beslag nemen, u onrust baren en u ten laatste begeven; en het genot,
dat gij er in gevonden hebt, zal veranderen in droefheid. Daarom geef
ik u, mijn zoon, den ernstigen raad: laat alles varen en grijp u aan
mij vast; wees de mijne en ik zal de uwe zijn! Wij willen hier in dit
heiligdom [136] ons opsluiten en gij zult een wezenlijker genot smaken
dan in den echtelijken omgang te vinden is. Zoek slechts mij te
beminnen; mij alleen te bezitten als raadgever, leidsman, getuige,
metgezel en deelgenoot in al uw aangelegenheden; en wanneer gij tot mij
spreekt, laten uw woorden zijn: Alleen ik en Gij, mijn Heer! Om een
derde behoeft gij u niet te bekommeren, houd u slechts aan mij vast,
zie alleen op mij, spreek slechts liefelijke woorden met mij, omhels
mij en kus mij, en verwacht dat alles ook van mij.”



        Christus als zijn eeuwig gewin beschouwen.

4. „Gij zaagt in een anderen stand, met welk een eindeloos gezwoeg de
menschen arbeiden, die gewin zoeken, welke kunstgrepen zij aanwenden,
aan welke gevaren zij zich blootstellen. Gij moet echter al dien harden
arbeid als ijdelheid beschouwen, wetende, dat slechts één ding noodig
is, de genade Gods. Daarom, oefen trouw dat ééne beroep uit, hetwelk ik
u opdroeg, verricht stil en eerlijk uw arbeid en vertrouw het einde en
de uitkomst der dingen gerustelijk aan mij toe.”



        Men moet Christus alleen leeren kennen.—De Bijbel.

5. „Gij hebt toen gij onder de geleerden vertoefdet, gezien, hoeveel
moeite zij zich geven, alle dingen uit te vorschen. Voor u besta de
hoogste wetenschap in het doorgronden mijner werken, hoe wonderlijk ik
u en alle dingen bestuur; hierin vindt gij meer stof tot nadenken dan
zij, en een onuitsprekelijke vertroosting. In plaats van alle
bibliotheken, waarvan het lezen eindelooze moeite kost, tot weinig nut
is, niet zelden schade berokkent en altijd afmatting en beklemdheid
[137] veroorzaakt, geef ik u dit boekske, waarin gij al de kunsten
bijeengebracht zult vinden. Uw Grammatica zij het overwegen mijner
woorden; uw Dialectica het geloof daaraan; uw Rhetorica zuchten en
gebeden; uw Physica de beschouwing mijner werken; uw Metaphysica de
verlustiging in mij en in de eeuwige dingen; uw Mathematica het
berekenen, wegen en meten van mijn weldaden en van ’s werelds
ondankbaarheid daartegenover; uw Ethiek eindelijk zal mijn liefde zijn,
die u de voorschriften zal geven voor uw gedrag jegens mij en uw
naasten. Gij moet evenwel al deze wijsheid zoeken, niet om gezien te
worden, maar opdat gij daardoor nader tot mij komt. En hoe eenvoudiger
gij bij al deze dingen zult zijn, des te wijzer zult gij wezen; want
den eenvoudigen van hart gaat mijn licht op.”



        Hem als zijn besten geneesheer,

6. „Gij zaagt de geneesheeren hun best doen verschillende middelen tot
bescherming en verlenging van het leven uit te vinden. Maar waartoe
zoudt gij u met de gedachte kwellen, hoe lang gij nog te leven hebt? Is
dit soms in uw macht? Gij zijt niet op de wereld gekomen, toen gij het
gewild hebt; en gij zult haar niet verlaten, wanneer gij het zult
willen, want mijn Voorzienigheid beslist hierover. Daarom zorg gij, dat
uw leven goed besteed zij, en voor mij zal de zorg zijn, hoelang gij
het behouden zult. Leef slechts eenvoudig en oprecht naar mijn wil, en
ik zal om uwentwil uw heelmeester wezen; want dan zal ik uw leven zijn
en de lengte uwer dagen. Zonder mij is immers artsenij slechts gif;
indien ik het beveel, wordt zelfs gif tot artsenij. Daarom stel uw
leven en uw gezondheid alleen in mijn hand, en wees daarover geheel
onbekommerd.”



        als zijn raadsman, gids en beschermer te erkennen.

7. „In de jurisprudentie [138] zijt gij getuige geweest van de
verwonderlijke en ingewikkelde kunstgrepen der menschen en hoe men er
leerde, over allerlei zaken te redetwisten. Maar dit zij uw
rechtswetenschap: niemand om zijn goed, hij moge het eerlijk of
oneerlijk verworven hebben, te benijden; ieder het zijne te laten;
niemand af te wijzen, als hij iets van u noodig heeft; ieder te geven,
wat gij hem schuldig zijt, gij kunt zelfs boven het verschuldigde hem
de bate doen toekomen, waartoe gij u verplicht acht; steeds om des
vredes wille inschikkelijk te zijn; indien iemand uw rok neemt, hem ook
uw mantel te geven; indien iemand u op de eene wang slaat, hem ook de
andere toe te keeren. Dat zijn mijn geboden en als gij ze bewaart, zult
gij van den vrede verzekerd zijn.”



        Hoedanig de religie van Christus is.

8. „Gij hebt ook in de wereld gezien, met hoeveel ceremoniën en twisten
de uitoefening van den godsdienst bij de menschen verbonden is. Uw
godsdienst moge daarin bestaan, dat gij mij in alle stilte dient,
zonder u daarbij aan ceremoniën te binden; want ik bind u daaraan niet.
En indien gij mij, in overeenstemming met wat ik u leer, in geest en
waarheid zult dienen, twist dan verder met niemand hierover, al werdt
gij ook een huichelaar, een ketter of hoe dan ook geheeten; maar geef
in stilte slechts acht op mij en mijn dienst.”



        En hoedanig het bestuur is van zijn koninkrijk.

9. „Bij de overheden en de bestuurders der menschelijke samenleving
hebt gij opgemerkt, hoe gretig de menschen de voornaamste plaatsen
trachten te bezetten, en hoe gaarne zij over anderen willen heerschen.
Maar gij, mijn zoon, zoek uw leven lang altijd de laagste plaats uit en
koester den wensch liever te gehoorzamen dan te bevelen, want het is
zonder twijfel veel lichter en veiliger en gemakkelijker achter
anderen, dan aan de spits te staan. En als gij toch heerschen en
bevelen wilt, beheersch dan u zelf; uw ziel en lichaam laat ik u om
daarover als uw koninkrijk te heerschen. Zooveel leden uw lichaam en
zooveel verschillende vermogens uw ziel bezit, zooveel onderdanen zult
gij hebben; zie ze zoo te regeeren, dat uw rijk wel besta! En zou het
aan mijn Voorzienigheid behagen, u buitendien nog een andere taak op te
dragen, zoo volg gewillig en vervul haar trouw, niet met eigen lust te
rade gaande, maar uit gehoorzaamheid aan mijn roepstem.”



        Welke oorlogen de ware christen te voeren heeft.

10. „In den krijgsstand naamt gij waar, dat de heldhaftigheid gegrond
is op het verdelgen en plunderen van medemenschen. Ik wil u echter met
andere vijanden bekend maken, aan wie gij van nu af aan uw moed
betoonen moet: den duivel, de wereld en de begeerten van uw eigen
lichaam. Verweer u tegen deze, en houd de beide eerste, met inspanning
van al uw krachten, u van het lijf; slaat de laatste evenwel neer en
dood ze in u; en wanneer gij dat kloekmoedig zult hebben volbracht,
beloof ik u gewisselijk een kroon, glorievoller dan de wereld ooit
schenken kan.”



        In Christus alleen is overvloed van alles,

11. „Gij hebt eveneens gezien, welk een hersenschimmig geluk de
menschen in het slot van Fortuna zoeken en waarin zij zich verlustigen:
in aardsche goederen, zinnelijke genietingen, roem en eer. Maar gij,
haak niet naar deze dingen; zij geven geen vrede, maar onrust en vormen
te zamen den weg, die tot kommer en droefheid leidt.—Waarom zoudt gij
een menigte van aardsche goederen trachten te verwerven, waarom ze
begeeren? Het leven eischt slechts weinig en het is mijn zaak voor hen
te zorgen, die mij dienen. Streef er daarom naar, innerlijke schatten
te verzamelen, verlichting en vroomheid, en ik zal al het andere eraan
toevoegen; hemel en aarde zullen u naar erfelijk recht toebehooren;
wees daarvan verzekerd. Ook zullen deze dingen u niet pijnigen en
drukken, zooals de dingen der wereld, maar u met een onuitsprekelijke
vreugde vervullen.”



        het dierbaarste samenzijn,

12. „De menschen der wereld zoeken gaarne gezelschap; gij echter,
vermijd rumoerigen omgang en bemin de eenzaamheid. Gezelligheid is
slechts een handlangster der zonde of leidt tot allerlei onnoodige
dingen, in elk geval tot lediggang en tijdverkwisting. Gij zijt immers
niet alleen; wees niet bevreesd, ook al zijt gij eenzaam, ik ben met u
en ook de scharen mijner engelen; met ons kunt gij steeds vertrouwelijk
spreken. Doch zoudt gij bij tijd en wijle naar een zichtbaren vriend
verlangen, zoek er dan zulk een, die eens geestes met u is, opdat gij
door uw omgang elkander sterkt in God.”



        ware verlustiging,

13. „Zij daar vinden hun genot in rijke festijnen, eten, drinken en
uitgelatenheid. U echter zij het een vreugde met mij en om
mijnentwille, als het noodig is, te hongeren, te dorsten, te treuren en
zelfs mishandelingen, ja alles te verdragen. Wanneer ik u echter
aardsche genietingen toesta, moogt gij u niet over deze, maar om
mijnentwil en in mij u verheugen.”



        ware roem.

14. „Gij hebt gezien, hoe men daar ginds naar roem en eerbewijzen
haakt. Gij echter, sla geen acht op het goed en kwaad gerucht onder de
menschen; het zij u eenerlei, of men goed of kwaad van u spreekt,
wanneer ik slechts over u tevreden ben. Als gij maar ziet, dat ik mijn
welgevallen aan u heb, haak dan niet naar der menschen gunst; want deze
is onbestendig, onvolkomen, verkeerd; zij beminnen dikwijls hetgeen zij
moesten haten, en wat hun liefde waardig is, haten zij. Evenmin is het
mogelijk, het allen naar den zin te maken; want, als gij uw best doet
den een te behagen, wekt gij het misnoegen van den ander op. Gij
handelt daarom het beste, als gij u aan niemand stoort en alleen op mij
uw oog richt; als wij in de rechte verstandhouding tot elkander staan,
kan de stem van menschen noch wat mij, noch wat u betreft, iets daaraan
toevoegen of daarvan iets wegnemen. Streef er ook niet naar, door vele
menschen gekend te worden, mijn zoon; uw roem zij uw nederigheid, al
zou de wereld desnoods, als het mogelijk ware, niets van u weten: dat
is het beste en het veiligste. Intusschen zullen mijn engelen u kennen,
over u spreken, u ten dienste staan, en uw werken, indien het noodig
ware, op de aarde en in den hemel bekend maken, wees daarvan verzekerd.
Voorwaar, wanneer het tijdstip der wederoprichting aller dingen
aanbreekt, zult gij allen, die u aan mij hebt overgegeven, voor de
engelen en alle werelden tot onuitsprekelijke heerlijkheid geleid
worden. Daarmee vergeleken is alle aardsche glorie minder dan een
schaduw.”



        Hierin bereikt alles zijn toppunt.

15. „Daarom, mijn zoon, wil ik nog kortelijk zeggen: als gij goederen
bezit, kennis, schoonheid, vernuft, gunst bij de menschen en wat men
verder in de wereld het hoogste schat, verhef u daarop niet! Hebt gij
ze niet, trek het u niet aan; maak u los van al deze dingen, uitwendig
als ze zijn, hetzij zij bij u of een ander aangetroffen worden, en wijd
u in uw binnenste alleen aan mij toe! Eerst dan, wanneer gij u van al
het geschapene vrijgemaakt, u zelf verloochend en van u zelf afstand
gedaan hebt, zult gij mij, en in mij de volheid des vredes vinden; dit
beloof ik u.”



        Zich geheel aan Christus toe te wijden, is het toppunt van
        gelukzaligheid.

16. Toen riep ik uit: „Heer, mijn God, nu versta ik, dat Gij alleen
alles zijt. Wie U heeft, kan gemakkelijk de geheele wereld ontberen,
wijl hij in U meer bezit, dan hij begeeren kan. Ik dwaalde—nu zie ik
het in—toen ik door de wereld wandelde en in geschapen dingen den vrede
zocht te vinden. Doch van deze ure af wensch ik buiten U geen ander
vermaak; aan U wil ik mij thans geheel overgeven; maar Gij, sterk mij,
opdat ik U niet weder voor de aardsche dingen verzake en opnieuw al die
dwaasheden bega, waarvan de wereld vervuld is. Moge Uw genade mij
behoeden, op haar wil ik bouwen.”








HOOFDSTUK XL.

DE PELGRIM IS ALS OMGEKEERD.


Terwijl ik zoo sprak, werd het licht binnen in mij voortdurend sterker
en de beelden, die ik te voren half uitgewischt en verminkt had gezien,
waren nu weer ongeschonden, helder en schoon en schenen zich zelfs voor
mijn oogen te bewegen. Ook de verspreide en gebroken raderen voegden
zich tot een geheel bijeen en vormden een kostelijk instrument,
gelijkend op een uurwerk, dat den loop der wereld en Gods wonderbare
leiding aanwees. Ook de ladders waren hersteld en in de hoogte tegen
het venster geplaatst, waardoor het licht van den hemel binnenstroomde,
zoodat men daar thans—zooals ik begreep—ook een vrij uitzicht had. De
vleugels, die te voren van hun veeren beroofd waren, kregen een nieuwen
en rijken vederdos en Hij, die met mij sprak, mijn Heer, nam ze,
hechtte ze aan mij vast en zeide: „Mijn zoon, ik woon in twee plaatsen,
in den hemel, in mijn heerlijkheid, en op aarde, in boetvaardige
menschenharten. En ik wensch, dat ook gij voortaan twee woonsteden zult
hebben, de eene hier in uw huis, waar ik beloofd heb met u te zijn, de
andere bij mij, in den hemel. Ik geef u deze beide vleugels, het
verlangen naar de eeuwige dingen en het gebed, opdat gij u daarmede
naar den hemel kunt opheffen. Zoo vaak gij wilt, zult gij in staat zijn
tot mij opwaarts te vliegen en daar zult gij in mij en ik in u
verlustiging vinden.”








HOOFDSTUK XLI.

DE PELGRIM WORDT IN DE ONZICHTBARE KERK OPGENOMEN.


        Een nieuwe toom en bril.

„En nu zend ik u, opdat gij hierin nog meer gesterkt wordt en de
blijdschap, waartoe ik u geroepen heb, in volle werkelijkheid verstaat,
te midden mijner andere dienaren, die reeds eerder de wereld verlaten
en zich aan mij overgegeven hebben, opdat gij hun gedragingen leert
kennen.”—„En waar, mijn Heer,” zeide ik, „wonen zij, en waar zal ik hen
zoeken?” Hij antwoordde: „Zij wonen in de wereld, verspreid tusschen de
anderen, maar de wereld kent hen niet; doch opdat gij ze moogt leeren
kennen en daarbij gevrijwaard moogt zijn voor de misleidingen der
wereld, in wier midden gij u, tot het oogenblik, waarin ik u tot mij
neem, nog zult wonen, zoo wil ik u, in plaats van den bril en het toom,
waarvan gij te voren voorzien en waarmee gij gebreideld waart, thans
mijn juk opleggen, hetwelk is de gehoorzaamheid aan mij, opdat gij van
nu af aan niemand zult volgen dan mij. En ik wil u ook dezen bril
geven, waardoor gij in staat zult zijn, zoowel de ijdelheden der wereld
te aanschouwen, als de vreugden mijner uitverkorenen, indien gij er
maar recht acht op wilt geven. (De rand van dezen bril was het woord
Gods, het glas de Heilige Geest). „Ga nu heen,” zeide Hij, keer naar de
plaats terug, die gij voorheen achteloos zijt voorbijgegaan, en gij
zult dingen zien, welke gij zonder dit hulpmiddel zekerlijk nooit zoudt
hebben aanschouwd.”



        De ware christenen te midden der valsche en waarin zij zich van
        elkaar onderscheiden.

2. En mij bedenkend, waar ik te voren den juisten weg verloren had,
stond ik snel op en liep met vluggen tred vol verlangen daarheen terug,
zoodat ik, ofschoon het rumoer der wereld mij omgaf, het nu niet eens
bemerkte. Ik betrad den tempel der christenheid en toen ik in het
binnenste gedeelte, waar zich het koor bevindt, dien voorhang of sluier
terugzag, ging ik er dadelijk recht op af, zonder mij om het getwist
van de secten in de zijbeuken te bekommeren. Voor de eerste maal zag ik
nu deugdelijk in, wat voor een plaats dit was, in het bijzonder, dat
zij Praxis Christianismi d.w.z. „de waarheid van het Christendom”
heette [139]. Het gordijn, dat deze ruimte omgaf, was dubbel: het
buitenste, dat het eerst in het oog viel, was van een donkere kleur en
heette Contemptus Mundi, de verachting der wereld; het binnenste was
glanzend wit en heette Amor Christi, het beminnen van Christus. Door
deze twee gordijnen was deze plaats, zooals ik zag, omgeven en van de
overige ruimte afgescheiden; het binnenste kon men van buiten niet
zien.—Wie echter achter deze beide trad, werd onmiddellijk eenigszins
ongelijk aan de overige menschen en vervuld van gelukzaligheid,
blijdschap en vrede.



        Er zijn slechts weinig ware christenen, en waarom dat zoo is.

3. Toen ik echter nog buiten stond, zag ik het zonderlinge en
verbazingwekkende schouwspel, dat vele duizenden menschen voor dit
heiligdom op en neer gingen, doch er niet binnentraden. Of zij het nu
niet opmerkten, dan of het hen niet aantrok, daar het van buiten gezien
een ongunstigen indruk op hen maakte, weet ik niet te zeggen. Want
schriftgeleerden, priesters, bisschoppen en vele anderen, die een
hoogen dunk hadden van eigen heiligheid, gingen voorbij; sommigen
sloegen wel een blik naar binnen, maar gingen niet verder, wat mij veel
leed deed. Als iemand wat nader kwam, glinsterde hem door een spleet in
het voorhangsel een licht tegen of stroomde hem een liefelijke geur
tegemoet, opdat zijn eenige lust mocht worden den weg naar binnen te
vinden. Maar zelfs van hen, die een ingang begonnen te zoeken en hun
blik in het rond sloegen, keerden velen weer terug, zoodra de glans der
wereld hun opnieuw toestraalde.



        De noodzakelijkheid der wedergeboorte.

4. Maar de zeer bijzondere oorzaak, waarom zoo weinigen daarbinnen
kwamen, was, zooals ik zag, toen ik tot vlak bij den toegang het
voorhangsel naderde, het bijzonder strenge onderzoek, waaraan men daar
ieder onderwierp. Immers wie er wenschte binnen te gaan, moest van have
en goed, oogen en ooren, hart en verstand afstand doen; want, zoo
luidde het, wie wijs wilde zijn voor God, moest zijn eigen wijsheid
verzaken; wie God wilde kennen, moest al het andere vergeten; wie God
wenschte te bezitten, moest al het andere laten varen. Daarom bleven
degenen, die van hun vermogen en geleerdheid geen afstand wenschten te
doen en staande hielden, dat die bevorderlijk waren tot het verkrijgen
der hemelsche zaligheid, buiten staan en traden niet binnen; van hen
die toegang kregen, werden niet alleen alle kleederen onderzocht, opdat
er geen plooi zou zijn, waarin iets van de ijdelheid der wereld
verborgen zou kunnen blijven, maar werden, wat anders niet de gewoonte
is, zelfs de nieren geproefd en de geheimste hoeken van hoofd en hart
doorzocht, opdat niets onreins de woning Gods zou bevlekken. Hoewel dit
alles niet zonder pijn geschiedde, werd het toch met behulp van
hemelsche artsenij zoo deugdelijk verricht, dat de levenskracht er
eerder door vermeerderd dan verminderd werd. Want in de plaats van het
bloed, dat wegstroomde tengevolge van het steken en snijden, werd een
wonderbaar vuur in hun leden ontstoken, dat elk hunner tot een ander
mensch maakte, zoodat hij zich over zichzelf verwonderen moest, dat hij
tot nu toe zulk een nutteloozen last getorst had en wat wijsheid, roem,
genot en rijkdom in de wereld genoemd wordt (inderdaad zijn het slechts
lasten!) op zich geladen had. Hier zag ik verlamden huppelen,
stamelenden een welsprekende rede houden; onwetende lieden maakten
philosofen beschaamd; zij, die niets hadden, verklaarden, dat zij alles
bezaten.



        De kerk is het tegenovergestelde van de wereld.

5. Nadat ik dit bij den ingang waargenomen had, ging ik nu verder tot
achter het voorhangsel, en daar alle dingen—eerst die, welke allen
gemeen hadden, daarna die, welke tot de verschillende beroepen
behoorden—met een onuitsprekelijke vreugde aanziende, bemerkte ik, dat
er juist het tegendeel heerschte van alles, wat ik op mijn reis door de
wereld gezien had. In de wereld zag ik overal blindheid en duisternis,
hier helder licht; in de wereld bedrog, hier waarheid; in de wereld
niets dan wanorde, hier de schoonste orde; in de wereld rustelooze
bedrijvigheid, hier vredige rust; in de wereld zorgen en smarten, hier
vreugde; in de wereld gebrek, hier overvloed; in de wereld slavernij en
knechtschap, hier vrijheid; in de wereld was alles lastig en moeilijk,
hier alles licht; in de wereld alles aan het ellendige toeval
onderworpen, hier is alles wel verzekerd. Intusschen wil ik dit alles
nog een weinig uitvoeriger bespreken.








HOOFDSTUK XLII.

HET INWENDIGE LICHT DER CHRISTENEN.


        Het tweevoudige licht der ware Christenen.

De wereld en wie doelloos daarin ronddoolt, laat zich bijna alleen door
ijdelen waan leiden; de een klampt zich bij zijn doen en laten aan den
ander vast en zij vinden hun weg als de blinden, al tastende, terwijl
zij nu eens ergens tegen aanbotsen, dan weer aan iets anders blijven
haken. Voor de ware christenen echter schittert inwendig tweeërlei
licht, het licht des verstands en het licht des geloofs, beide geleid
door den Heiligen Geest.



        Het licht des verstands.

2. Want hoewel zij, die daar binnengaan, hun verstand moeten afleggen
en verzaken, geeft de Heilige Geest het hun gelouterd en verfijnd weder
terug, zoodat zij dan als ’t ware met honderd oogen zien. Waar zij
ergens in de wereld wandelen, wat zij ooit om zich, boven zich en
binnen zich zien, hooren, ruiken en smaken, overal zien zij de
voetstappen Gods, en hoe schoon weten zij alles dienstbaar te maken aan
de vreeze Gods. Daarin zijn zij wijzer dan al de wijsgeeren dezer
wereld, die God door een rechtvaardig strafgericht verblind heeft,
zoodat zij, hoewel zij meenen alles te weten, in waarheid niets weten,
evenmin wat zij hebben als wat zij missen; zoo min wat zij doen als wat
zij—hoewel het hun plicht was—nalaten; zij begrijpen niet, waarheen zij
gaan, noch waar zij zullen uitkomen. Hun weten blijft steeds aan de
oppervlakte hangen; zij gapen slechts den bolster aan en dringen niet
tot de inwendige kern door, welke Gods heerlijkheid is, die Hij over
alle dingen uitstort. De ware christen daarentegen bespeurt God in
alles, wat hij ziet, hoort, tast, ruikt en smaakt, en is steeds
inwendig verzekerd, dat dit geen ijdele waan, maar volle waarheid is.



        Het licht des geloofs.

3. Dan beschijnt ook het licht des geloofs hem zoo helder, dat hij niet
alleen, wat in zijn nabijheid is, hoort en ziet, maar ook het niet
aanwezige en onzichtbare kan waarnemen en kennen. God heeft in zijn
woord zoowel geopenbaard, wat in de hoogte boven de hemelen [140] en in
den afgrond beneden de aarde is, als wat voor het begin der wereld was
en na den ondergang daarvan zijn zal. Voor den geloovigen christen is
dit alles zoo zeker, alsof hij het met eigen oogen zag, terwijl de
wereld er niet uit wijs kan worden. De wereld wil slechts gelooven, wat
zij met eigen oogen ziet en met haar handen grijpen kan; de christen
echter verlaat zich zoo koen op de onzichtbare, afwezige en toekomstige
dingen, dat de stoffelijke dingen in zijn nabijheid hem afkeer
inboezemen. De wereld vraagt steeds naar bewijzen; de christen acht de
woorden Gods alleen voldoende. De wereld verlangt een verbintenis,
onderpand, borgtocht en zegel, de christen bezit in zijn geloof een
altijd genoegzame zekerheid. De wereld wantrouwt zich zelf op velerlei
wijze en moet daarom steeds onderzoeken, nagaan, op de proef stellen;
de christen waagt alles op de waarheid van Gods woorden. En waar de
wereld steeds bedenkingen koestert, twijfelt, uitvorscht en aarzelt,
bezit de christen bij voortduring Hem, in wien hij zijn volkomen
vertrouwen kan stellen, wien hij kan gehoorzamen en voor wien hij zich
kan nederbuigen; wijl hem het licht des geloofs beschijnt, opdat hij
zie en wete, dat het niet te veranderen is en nu eenmaal niet anders
mag zijn, ook al kan hij niet alles bij het licht der rede begrijpen.



        De wonderen Gods, gezien in dit licht. ’s Werelds beloop.

4. In dit licht zag ik ook wonderlijke dingen, wonderlijker, dan dat
men ze beschrijven kan. Laat ik er ten minste iets van vertellen. Ik
aanschouwde de wereld voor mij als een reusachtig groot uurwerk,
samengesteld uit verschillende zichtbare en onzichtbare deelen, en toch
geheel van glas, doorzichtig en breekbaar. Het bezat duizenden, ja
millioenen, grootere en kleinere spillen, raderen, haken, tanden en
inkervingen en die alle brachten, daar hunne deelen in elkaar grepen,
samen een wriemelende beweging tot stand, die, nu eens onhoorbaar, een
andermaal met allerlei gedruisch en geratel gepaard ging. In het midden
bevond zich het groote, doch onzichtbare hoofdrad; van daar uit werd op
ondoorgrondelijke wijze de verscheidenheid van beweging van alle andere
raderen geregeld. Want de geest van het groote wiel doordrong al het
overige met zijn kracht en regelde alles. En hoewel het mij niet
mogelijk was volkomen te doorgronden, hoe dit in zijn werk ging, zag ik
toch heel duidelijk en klaar, dat het inderdaad geschiedde. Ook dit
bevreemdde en verheugde mij tegelijkertijd, dat ondanks de
onophoudelijk draaiende beweging en ofschoon somtijds zelfs de tanden
en inkervingen, de spillen en de raderen verschoven waren of uitvielen,
het uurwerk als geheel toch nooit tot stilstand kwam; omdat dit alles,
zoodra de voortdrijvende kracht te kort schoot, steeds weder door het
een of ander verwonderlijke ingrijpen van de verborgen leiding werd
vervangen, aangevuld en vernieuwd.



        Hoe alles gaat naar den geheimen raad Gods,

5. Ik wil mij duidelijker uitdrukken; ik zag de glorie van God en hoe
hemel en aarde en de afgrond en al wat men zich buiten de wereld,
zoover zich de eindelooze grenzen der eeuwigheid uitstrekken, kan
voorstellen, vervuld waren met zijn macht en goddelijkheid. Ik zag, hoe
zijn Almacht alles doordringt en op zijn fundament staande houdt, en ik
zag in, dat alles, wat in de wijde wereld, zoowel met de grootste als
de kleinste dingen geschiedt, alleen door zijn wil tot stand komt.



        vooral bij de menschen [141].

6. Wat in het bijzonder de menschen betreft, zag ik, dat zij allen,
beide goeden en boozen, slechts in God alleen en door God leven, zich
bewegen en in stand blijven en elke beweging, elken ademtocht aan God
en zijn macht te danken hebben. Ik zag, hoe zijn zeven oogen, die elk
duizend maal schitterender waren dan de zon [142], de geheele aarde
doorliepen, het hart van alle menschen voortdurend doorschouwden en
alles waarnamen, wat in het licht of in de duisternis, wat in het
openbaar en in het verborgen, zelfs in de diepste diepten plaats vindt.
Ik zag, hoe zijn barmhartigheid zich uitstortte over al het werk zijner
handen; het wonderlijkste daar, waar zij den menschen ten goede komt.
Want Hij heeft allen lief en zoekt hun welzijn; lankmoedig jegens de
zondaren, goedertieren jegens overtreders, roept Hij de dwalenden tot
zich, neemt Hij degenen aan, die tot Hem terugkeeren; wacht Hij de
dralenden op en oefent geduld met de wederstrevigen; Hij verschoont het
gedrag dergenen, die Hem tot toorn verwekken; vergeeft de
boetvaardigen; omarmt hen, die nederig van hart zijn; leert de
onwetenden, troost de bedroefden; waarschuwt de menschen niet te vallen
en als dit toch geschiedt, richt Hij ze op; Hij geeft, aan wie tot Hem
bidden en schenkt zijn weldaden aan hen, die niet bidden; doet open,
wie klopt, en klopt zelf aan bij degenen, die niet kloppen; laat zich
vinden door degenen, die Hem zoeken en verschijnt zelfs dengenen, die
Hem niet zoeken.



        Hij is de schrik der boozen.

7. Doch ik merkte ook zijn geduchten en verschrikkelijken toorn op
tegen de hardnekkigen en ondankbaren, en hoe zijn grimmige drift hen
vervolgde en achterhaalde, waarheen zij zich ook wendden, zoodat het
onmogelijk was aan zijn handen te ontsnappen en ondragelijk daarin te
vallen. Zoo zien alle Gode toegewijde christenen, hoe Gods vreeselijke
Majesteit boven al het geschapene troont en hoe naar zijn wil alle
dingen geschieden, zoowel de grootste als de kleinste.








HOOFDSTUK XLIII.

DE VRIJHEID DER AAN GOD GEWIJDE HARTEN.


        De ware christen volhardt in ongeschokt vertrouwen,

1. Daaruit spruit voor de ware christenen voort, hetgeen de wijsten der
wereld vergeefs zoeken, namelijk de volkomen vrijheid des geestes, daar
zij buiten God aan niemand onderworpen en ondergeschikt zijn en
derhalve ook niet verplicht, iets tegen hun wil te doen. Daarentegen
heb ik in de wereld gemeenlijk overal gebondenheid en onvrijheid
gezien; steeds gingen ieders zaken er anders dan hij gewenscht had.
Ieder placht zich er, meer dan betaamde, van zich zelf of anderen
afhankelijk te maken en daar hij door zijn eigen of anderer wil werd
meegesleept, was hij òf met zich zelf òf met anderen voortdurend in
onmin. Hier was alles vredig stil. Want elk van deze christenen had
zich volkomen aan God overgegeven, bekommerde zich om geen ding en
erkende behalve God niemand boven zich. Daarom gehoorzaamden zij de
bevelen der wereld niet, verwierpen haar beloften, lachten om haar
bedreigingen en achtten alle uiterlijke dingen uit den booze, omdat zij
de verzekerdheid hadden van hun innerlijk goed.



        en is ontoegeeflijk, als het om de voorrechten van zijn hart
        gaat.

2. Dit maakt ook, dat de christen, overigens toeschietelijk,
toegefelijk, bereidwillig en dienstvaardig, aan het privilege van zijn
hart niet tornen laat. Daarom houdt hij zijn vrienden noch zijn
vijanden, zijn heer noch zijn koning, zijn vrouw noch zijn kinderen,
niet eens zich zelf, zoo hoog in waarde, dat hij, om hun ter wille te
zijn, aan zijn doel, te weten de vreeze Gods, iets zou toe- of afdoen;
veeleer schrijdt hij met vasten tred op den eenmaal gekozen weg voort.
Wat de wereld ook moge doen en zeggen, dreigen en beloven, bevelen en
verzoeken, raden en dringen, hij laat zich door niets van dit alles van
zijn stuk brengen.



        De grootste vrijheid en tegelijk de grootste gebondenheid.

3. Zooals de wereld in alle opzichten verkeerd is, en in plaats van de
waarheid aan te vatten liever naar schaduwen grijpt, zoo doet zij dit
ook hier, wijl zij haar vrijheid daarin grondt, dat hij, die vrij is,
in niets een ander ter wille wenscht te zijn, om daardoor aan zijn
traagheid toe te geven, zijn trots of zijn hartstocht te bevredigen.
Maar geheel anders gedraagt zich de christen! Zoo slechts zijn hart
welbewaard is, opdat het God in volle vrijheid moge dienen, is hij
bereid al het andere aan te wenden tot leniging der nooden van zijn
naaste. Zoo zag en verstond ik, dat er, om zoo te zeggen, in de wereld
geen dienstwilliger slaaf kan zijn dan een mensch, die God is
toegewijd: hij onderwerpt zich gaarne en gewillig zelfs aan de
nederigste diensten, waarvoor zich schamen zoude, wie door het
vooroordeel der wereld beneveld is. Als hij slechts ziet, dat hij zijn
naasten op de een of andere wijze nuttig kan zijn, dan bedenkt hij zich
niet lang; stelt niet uit; schuwt geen moeite; overdrijft zijn
verdienste niet en maakt evenmin aanspraak op wederdiensten, dan is hij
onophoudelijk werkzaam; hetzij hij dankbaarheid of ondank oogst, hij
dient met vredig gemoed en brengt het werk vroolijk ten einde.



        Hoe schoon de dienst der kinderen Gods is.

4. O, zalige dienstbaarheid van Gods kinderen!—men kan zich geen
grootere vrijheid denken dan die, wanneer de mensch zich aan God
onderwerpt, om dan in alle andere dingen vrij van banden te zijn. O,
rampzalige vrijheid der wereld!—er bestaat wel geen ergere knechtschap,
dan wanneer de mensch God ter zijde stelt, om zich in de ellendige
slavernij van alle andere dingen te begeven, namelijk als hij geschapen
wezens dient, waarover hij moest heerschen en God weerstreeft, dien hij
moest gehoorzamen. O, mochten wij, sterfelijke menschen, eindelijk eens
leeren inzien, dat boven ons slechts één eenig Heer is, onze Schepper
en toekomstige Rechter. Hij alleen heeft de macht ons bevelen te geven;
maar Hij beveelt ons niet als slaven, doch noodigt ons als kinderen uit
tot gehoorzaamheid aan Zich en wil, dat wij zelfs dan, als wij
gehoorzamen, vrij en ongebonden zijn. Waarlijk, God dienen, beteekent
als koning heerschen; want zijn vazal te zijn is grooter roem dan over
alle rijken der wereld te gebieden; en hoeveel meer moet het dan
beteekenen zijn vriend, een kind Gods, te zijn!








HOOFDSTUK XLIV.

DE INNERLIJKE WET DER CHRISTENEN.


        Gods geboden zijn kort.

1. De Heere God wil, dat zijn kinderen vrij, doch niet, dat zij
eigenwillig zijn. Daarom heeft hij hen aan bepaalde regels gebonden,
die beter en volkomener zijn, dan die ik van dergelijken aard in de
wereld heb leeren kennen. Daar heerschten bepaald overal misstanden,
deels omdat men geen vaste ordening had, deels omdat men die, welke men
bezat, niet opvolgde. Maar de ware christenen, die achter het
voorhangsel wonen, hebben voortreffelijke regels en volgen die ook op.
Hun wetten door God zelf gegeven, zijn volkomen rechtvaardig en luiden
aldus:

I. Ieder God toegewijde Christen zal Hem alleen als God erkennen en
eeren.

II. Hij zal Hem dienen in geest en waarheid, doch zonder Hem een
zichtbare gestalte te verleenen.

III. Hij mag zijn tong niet gebruiken om Hem te beleedigen, maar om
Zijn heiligen Naam te loven.

IV. Hij zal de tijden en uren, die voor den dienst van God zijn
ingesteld, uitsluitend besteden met Hem in het openbaar en in zijn hart
te dienen.

V. Hij zal zijn ouders en anderen, die God boven hem gesteld heeft,
gehoorzamen.

VI. Hij zal zich niet vergrijpen aan het leven van zijn naaste.

VII. Hij zal zijn lichaam onberispelijk bewaren.

VIII. Hij zal zich het bezit van vreemden niet toeëigenen.

IX. Hij zal zich wachten voor leugen en bedrog.

X. En ten laatste, hij zal zijn gedachten en begeerten binnen de perken
en vastgestelde grenzen houden.



        De korte inhoud der wet in twee woorden.

2. De korte inhoud van alles is, dat ieder God moet liefhebben boven
alle dingen, die men kan opnoemen, en dat hij even oprecht zijn naaste
moet beminnen als zichzelven. En dit is, in twee woorden vervat, de
geheele wet Gods.

Ik hoorde haar zeer prijzen en heb mijzelf overtuigd, dat zij meer
waarde heeft dan al die ontelbare, wereldlijke wetten, voorschriften en
verordeningen, ja zelfs duizendmaal voortreffelijker is dan zij.



        De ware christen heeft geen uitvoerige wetten noodig.

3. Wie God van ganscher harte liefheeft, heeft niet veel voorschriften
noodig, wanneer, waar, hoe en hoe dikwijls hij God dienen, Hem
aanbidden en eer bewijzen moet, omdat zijn innig verbond met God en
zijn bereidwillige gehoorzaamheid door Hem als de meest welgevallige
eere aanvaard wordt, en dit leidt er den mensch toe, God overal en
altoos in zijn binnenste te loven en bij al zijn daden Gods eer als
doel voor oogen te hebben. Wie zijn naaste liefheeft als zichzelf,
heeft evenmin uitvoerige inzettingen noodig, waar, wanneer en waarmee
hij zijn belangen dienen, hem voor schade behoeden en hem teruggeven
moet, wat hij hem naar recht verschuldigd is. Deze liefde voor zijn
naaste zelve zegt en toont hem volkomen, hoe hij zich in bepaalde
gevallen jegens hem gedragen moet. Het is het kenmerk van den booze,
dat hij steeds naar wetten vraagt en alleen uit wetboeken wenscht te
weten, wat hij doen moet; immers in ons tehuis, ons hart, wijst Gods
vinger ons duidelijk aan, dat wij den naaste alles schuldig zijn te
doen, wat wij zouden wenschen, dat hij ons deed. Doch daar de wereld
geen acht slaat op dit inwendige getuigenis van eigen geweten, en zich
slechts aan uitwendige geboden stoort, is hierin de oorzaak te zoeken,
dat er geen wezenlijke orde in de wereld heerscht en overal slechts
argwaan, wantrouwen, misverstand, wrok, tweedracht, haat en nijd,
diefstal en moord en wat dies meer zij, wordt aangetroffen. Zielen, die
God oprecht toegewijd zijn, volgen alleen de stem van hun geweten,
volbrengen, wat dit hun beveelt en laten na, wat het verbiedt, zonder
op voordeel, gunst en wat dies meer zij, te letten.



        Onder ware christenen heerscht eensgezindheid,

4. Hieruit vloeit van zelf een zekere wezensgelijkheid of
gelijkvormigheid bij hen voort, waardoor zij allen, alsof zij uit één
en denzelfden vorm gegoten waren, dezelfde gezindheid, hetzelfde
geloof, dezelfde neiging en tegenzin hebben, dewijl zij allen door een
en denzelfden geest geleerd zijn. En het is verwonderlijk, dat, zooals
ik met welgevallen zag, menschen, die elkaar nooit gezien en nooit van
elkander gehoord hebben en die door een heele wereld van elkaar
gescheiden zijn, eenerlei sprake voeren, eenerlei zien en eenerlei
voelen, alsof de een de tweelingbroeder van den ander was [143]. Welke
verscheidenheid er ook zijn moge in de gaven, die zij bezitten, zoo
vormen zij toch, evenals de verschillende geluiden van pijpen en snaren
bij een muziekinstrument, die nu eens zwakker, dan weer sterker zijn,
een verrukkelijke harmonie. En dit is het bewijs van de innerlijke
eenheid [144] der christenen en een voorsmaak der eeuwigheid, waar
alles slechts door één geest beheerscht zal zijn.



        eenheid van gevoelen,

5. Uit deze gelijkheid van gevoelen ontspringt het medegevoel; zoo
verheugen zich allen met hen, die blijde zijn, treuren allen met de
bedroefden. Maar in de wereld heb ik meer dan eens een
allerverfoeilijkste eigenschap opgemerkt, namelijk dat, als het iemand
slecht ging, de anderen zich verheugden, en wanneer hij dwaalde,
anderen lachten; indien hij schade leed, anderen daaruit voordeel
zochten te trekken. Ja, om den wille van eigen winstbejag, pleizier of
leedvermaak, brachten zij zelfs hun naaste ten val en berokkenden hem
schade. Hoe geheel anders was het hier! Ieder zocht uit alle macht en
even goed en ijverig van zijn naasten als van zich zelf onheil en
schade af te wenden; wanneer hem dat niet mogelijk was, smartte het hem
even diep, alsof het hem zelf betrof; en eigenlijk trof het ongeluk ook
hem; immers zij allen waren één hart en één ziel. Evenals de
kompasnaald, nadat ze met den magneet bestreken is, zich altijd naar
dezelfde richting wendt, zoo keeren zich hun harten, door den geest der
liefde aangeraakt, alle naar dezelfde richting: in het geluk naar
blijdschap, in het ongeluk naar droefheid. En hier leerde ik ook
verstaan, dat dezulken valsche christenen zijn, die slechts hun eigen
zaken ijverig behartigen, maar zich om hun naaste niet bekommeren; die,
waar de hand Gods zwaar op den mensch drukt, zich ijlings uit de voeten
maken, slechts hun eigen nest zorgvuldig bewaken en de anderen buiten
aan wind en regen blootgesteld laten. Maar anders, geheel anders vond
ik het hier, indien één leed, schepten de anderen daarin geen vermaak;
als den een hongerde, deden de anderen zich niet te goed; wanneer een
van hen een zwaren kamp te strijden had, sliepen de anderen niet; maar
alles deed men gemeenschappelijk, zoodat het liefelijk was om aan te
zien.



        en gemeenschap in alle goede dingen.

6. Wat het bezit betreft, zoo waren wel de meesten van hen arm, daar
zij, van hetgeen men wereldsche goederen noemt, weinig bezaten en
daaraan weinig waarde hechtten; maar toch had bijna ieder eenig
eigendom, dat hij echter niet, zooals in de wereld pleegt te
geschieden, angstvallig verborg en voor de anderen wegsloot, doch als
gemeenschappelijk bezit beschouwde, en gaarne en bereidwillig een
ieder, die er behoefte aan had, leende of ter beschikking stelde. Zoo
maakten zij van hun have een dergelijk gebruik als dischgenooten van
het tafelgerei, waarvan zich beurtelings allen met hetzelfde recht
bedienen. Dit ziende, schaamde ik mij diep, dat bij ons dikwijls het
tegendeel geschiedt, daar sommigen hun huizen met huisraad, kostbare
stoffen, voorraad van levensmiddelen, goud en zilver, zooveel het in
hun vermogen is, vullen en meer dan vullen, terwijl inmiddels anderen,
die niet minder dienaren Gods zijn, aan kleeren en voedsel gebrek
lijden. Maar ik moet zeggen, ik begreep, dat dit geenszins de wil van
God was; het is zoo gebruik in de wereld, in de verkeerde wereld, dat
sommigen daarheen gaan, getooid met sieraden, terwijl anderen naakt
rondloopen; sommigen door oververzadiging hun voedsel teruggeven,
terwijl anderen gapen van den honger; sommigen zich afsloven om hun
loon te verdienen, anderen het op de dwaaste manier verkwisten; dezen
pret maken, genen jammeren. Daaruit komt bij de rijken trots en
geringschatting van anderen voort, bij de armen gramstorigheid, nijd en
ander kwaad. Maar hier zag men daarvan niets, daar zij alles, ja zelfs
de ziel gemeen hebben.



        Zij leven als kinderen van eenen huize.

7. Daaruit ontstaat ook hun wederkeerige vertrouwelijkheid en
openhartigheid; zij vormen een heilige gemeenschap, zoodat zij, hoe
groot de verscheidenheid van gaven en beroep ook zij, elkander als
broeders beschouwen en zich ook als zoodanig gedragen. Want zij zeggen,
dat wij allen, uit éénen bloede voortgekomen, door het bloed van Eén
zijn vrijgekocht en reingewasschen, dat wij kinderen van één Vader
zijn, aan één tafel het Heilige Avondmaal ontvangen en eenzelfde
erfenis en den hemel verwachten, enzoovoort, daar, afgezien van
toevallige dingen, de een niets voor heeft bij den ander. Daarom zag
ik, dat zij elkander in vriendelijkheid en goede zeden zochten te
overtreffen en elkaar bereidwillig van dienst waren; een ieder maakte
zich de plaats, waar hij gesteld was, ten nutte, om anderen op te
bouwen. Wie goeden raad te geven had, gaf dien; wie kennis bezat, gaf
onderricht; wie over kracht beschikte, sprong voor de anderen in de
bres; wie macht had, handhaafde de orde. Indien iemand in sommige
opzichten dwaalde, vermaanden de anderen hem; als hij zondigde,
bestraften zij hem; en ieder liet zich gaarne terechtwijzen en
onderwierp zich gewillig aan de straf, bereid alles te verbeteren naar
de aanwijzingen, die hij ontving, ja zelfs van zijn leven afstand te
doen, indien hem aangetoond werd, dat het hem niet meer toebehoorde
[145].








HOOFDSTUK XLV.

ALLES IS LICHT EN GEMAKKELIJK VOOR HARTEN, DIE GODE GEWIJD ZIJN.


        Het is gemakkelijk God te gehoorzamen.

Wel verre van een dergelijke ordening hard te vinden, is zij voor hen
een bron van waren lust en echte vreugde, terwijl de andere menschen
zich in den dwang, die hun wordt opgelegd, slechts zeer noode schikken.
God nam, voorwaar, het steenen hart van hen weg en gaf hun daarvoor een
vleezen hart in de plaats, dat zich gewillig en volgzaam toont in het
volbrengen van zijn wil. En al moge de duivel met zijn listige
ingevingen, de wereld met haar ergerniswekkende voorbeelden, het
vleesch met zijn aangeboren traagheid tot het goede hun en anderen niet
weinig moeilijkheden in den weg leggen, zij hebben toch daarover geen
zorg en vervullen vroolijk hun plichten. Want zij jagen den duivel op
de vlucht met het geschut [146] hunner gebeden, beschermen zich tegen
de wereld met het schild van den vasten wil om hun doel te bereiken en
dwingen hun lichaam tot gehoorzaamheid door den geesel der tucht. De
geest van Christus, die in hen inwoont, geeft hun de kracht daartoe,
opdat zij noch in het willen, noch (naar den maatstaf van aardsche
volkomenheid) in het volbrengen zouden te kort schieten. Zoo vond ik
hierin bewaarheid, dat God van ganscher harte te dienen geen
moeitevolle arbeid, doch wèl vreugde is; en ik begreep, dat zij, die
zich al te veel verontschuldigen met het beroep op de menschelijke
zwakheid, de kracht en geldigheid der wedergeboorte niet vatten en
wellicht daartoe niet eens gekomen zijn. Laat men toch zorg dragen,
deze deelachtig te worden! Ik zag niemand onder hen, die vanwege de
zwakheid zijn vleesches aanspraak maakte op verlossing zijner zonden,
of zijn booze daden met de aangeboren zwakheid der menschelijke natuur
verontschuldigde. Veeleer zag ik, dat, wanneer iemand zijn gansche hart
aan zijn Schepper had overgegeven, die hem verloste en zijn lichaam tot
een tempel [147] wijdde, ook de andere leden gedwee en gewillig, het
hart daarin volgende, tot die richting neigden, welke God begeerde, dat
zij zouden inslaan. O christen, wie gij ook zijt en waar gij u ook
bevindt, maak u los van de banden des vleesches; zie, erken en ervaar,
dat de hindernissen, die gij u hebt ingebeeld, te klein zijn, dan dat
zij tegen uw wil, mits deze ernstig is, kunnen stand houden.



        Om Christus wille te lijden is zoet.

2. Doch niet alleen te doen, wat Gods wil is, maar ook te dulden, wat
Hij hem oplegt, valt den christen licht. Want hier zag ik niet
weinigen, die door de wereld op de wang geslagen, gespogen en
mishandeld werden en dit alles onder tranen van blijdschap dragende,
hun handen hemelwaarts hieven en God loofden, dat Hij hen waardig
geacht had iets om zijns Naams wille te lijden: namelijk dat zij niet
alleen in den Gekruisigde geloofden, maar ook te zijner eere zelf aan
het kruis werden geslagen. Anderen, wien dit lot niet beschoren was,
benijdden hen met een heilige jaloerschheid, daar zij niet door God
getuchtigd te worden, voor een teeken van zijn toorn, en geen kruis te
dragen, voor een gescheiden zijn van Christus hielden, zoodat zij de
roede en den geesel van God kusten, wanneer die hen troffen, en
desgelijks het kruis, dat zij om Zijnentwille op zich namen.



        Waaruit ontspringt deze bereidwilligheid?

3. Dit alles nu vond zijn oorsprong daarin, dat zij met hun geheelen
wil Gode zoo toegewijd waren, dat zij niets anders wenschten te zijn of
te doen, dan wat Gods wil is. Daarom zijn zij ook zoo vast overtuigd,
dat alles, wat hun overkomt, door God, in zijn wijze Voorzienigheid,
hun is toebeschikt. Wie zoo gezind is, kan niets onverwachts meer
overkomen, te meer daar hij alle martelingen, wonden, gevangenis en
dood tot de weldaden Gods rekent. Of het hem goed of slecht gaat, is
hem eenerlei; behalve dat hij het laatste voor veiliger houdt en het
eerste voor gevaarlijker. Daarom verlustigen de christenen zich gaarne
in de moeilijkheden, die zij ondervinden, in hun wonden en striemen, en
roemen daarin. In één woord, zij zijn zoo gehard in den dienst van God,
dat zij, als zij niet lijden, zich verbeelden, dat zij hun tijd in
ledigheid verkwisten. Maar hoed u, de hand naar deze menschen uit te
steken, want hoe gewilliger zij hun rug aanbieden om geslagen te
worden, des te zwaarder valt het ze te slaan; en hoe meer zij op dwazen
gelijken, des te gevaarlijker is het, hen te bespotten. Immers ze zijn
niet meer het eigendom van zich zelf, maar behooren toe aan God; Hij
beschouwt alles, wat hun wedervaart, als zichzelf aangedaan.








HOOFDSTUK XLVI.

DE HEILIGEN HEBBEN OVERVLOED VAN ALLES.


        Zich vergenoegen met wat men heeft, is de ware rijkdom.

De wereld is vol van Martha’s die bedrijvig af- en aanloopen, heen en
weer drentelen, zich afsloven, geld en goed van alle kanten
bijeenschrapen en toch nooit genoeg hebben. De ware christen heeft
evenwel een ander karakter: met Maria wil hij slechts stillekens aan de
voeten des Heeren zitten, en dit eene en wat hem daarbij ten deel valt,
is hem genoeg. Hij houdt de genade Gods, die in hem woont, zeer zeker
voor het kostbaarste goed. Daarin alleen verheugt hij zich; de
uitwendige dingen evenwel, die de menschen wereldsche goederen noemen,
beschouwt hij veel meer als een last dan als een gewin, en hij bedient
zich slechts daarvan tot nooddruft zijns levens, tot nooddruft alléén,
zeg ik. Daarom, wat de Heere God een ieder van hen ook toebedeelt,
hetzij veel of weinig, hij verklaart daarmee tevreden te zijn. Want zij
gelooven en verlaten er zich inderdaad geheel op, dat zij onder Gods
bescherming staan en oordeelen het daarom onbetamelijk iets meer te
begeeren dan hetgeen God hun reeds verleend heeft.

2. Nu zag ik hier iets heel wonderlijks: er waren sommigen, die ruim
voorzien waren van goederen, die zilver, goud, kronen en schepters hun
eigendom noemden, (want ook zulke menschen heeft God onder de zijnen)
terwijl anderen ongeveer niets bezaten, dan een half naakt, door honger
en dorst verteerd lichaam; en toch beweerden genen, dat zij niets
hadden, en dezen, dat zij alles bezaten; maar allen, rijk en arm, waren
even blijmoedig gestemd. En toen begreep ik, dat alleen hij in waarheid
rijk is en niets ontbeert, die zich met hetgeen hij bezit, weet te
vergenoegen, en wien het hetzelfde is, of hij veel, weinig of geen
vermogen; een groot, klein of in het geheel geen huis; een kostbaar,
schamel of in ’t geheel geen kleed bezit; of hij vrienden, een enkelen
of geen vriend heeft; een hoogen, lagen of in ’t geheel geen rang of
ambt bekleedt, of hij veel, weinig of geen eer ontvangt, en er veel,
weinig of geen goed gerucht van hem uitgaat; om kort te gaan, of hij
iets of niets is. Want hij is overtuigd, dat het goed is te gaan, te
staan en te zitten, waar God naar zijn wil hem leidt, hem plaatst of
doet nederzitten, en dat alles welgedaan is, wat God doet, ja zelfs nog
beter dan hij kan bevroeden.



        De vromen hebben aan niets gebrek.

3. O zalige en begeerlijke overvloed! Hoe gelukkig zijn zij, die zulk
een rijkdom hebben! Want ofschoon sommigen er in de oogen der wereld
ellendig en beklagenswaardig aan toe zijn, zijn zij in werkelijkheid,
ook uit het oogpunt der wereldsche gebeurlijkheden bezien, duizendmaal
beter verzorgd dan de rijken der wereld. Want dezen zijn hun eigen
bestierders en staan met hun have aan duizenderlei ongevallen bloot;
immers water, vuur, roest en dieven kunnen hen daarvan berooven; doch
genen staan onder Gods bestier en vinden bij Hem een onuitputtelijken
voorraad van al wat zij behoeven. Hij spijst hen dag aan dag uit zijn
provisiekamer, kleedt hen uit zijn voorraad, schenkt hun uit zijn
schatkamer, wat zij voor hun verbruik noodig hebben, wel is waar niet
in overmaat, maar toch steeds zooveel, als voor hun nooddruft passend
is. Hij handelt hierbij niet naar hun eigen gevoelen, maar naar zijn
Voorzienigheid, waarop zij zich duizendmaal liever verlaten dan op hun
eigen verstand.








HOOFDSTUK XLVII.

DE VEILIGHEID DERGENEN, DIE GODE ZIJN TOEGEWIJD.


        De engelenwacht.

Nu had het wel den schijn, alsof niets in de wereld zóó aan zich zelf
overgelaten en aan alle gevaren blootgesteld was als deze kleine schaar
van vrome menschen, die de duivel en de wereld met booze oogen aanziet
en met mishandeling en slagen bedreigt, maar toch merkte ik op, dat zij
welbewaard waren. Want hun gemeenschap was in zijn geheel omgeven door
een vurigen muur, en toen ik naderbij kwam, bevond ik, dat deze zich
bewoog, want hij werd gevormd door duizenden en nogmaals duizenden
engelen, die overal de kleine schaar omringden, zoodat het zelfs geen
vijand mogelijk zou geweest zijn hen te naderen. Bovendien bezat elke
vrome een hem door God zelf toegevoegden en voor hem bestemden
beschermengel, die hem gadesloeg en hem voor allerlei gevaren en
strikken, afgronden en hinderlagen, vallen en aanslagen moest
beschermen en hem moest bewaken. Zonder twijfel zijn het, zooals ik
waarnam, wezens, die de menschen als hun mededienaren liefhebben,
wanneer zij zien, dat dezen hun plicht, waartoe zij door God geschapen
zijn, vervullen; zij dienen hen met liefde, beschutten hen tegen den
duivel, booze menschen en ongevallen en dragen ze, waar het noodig is,
op hun handen om hen voor letsel te bewaren. Hier verstond ik alweer,
hoeveel er toch aan ware vroomheid gelegen is, immers deze schoone,
reine geesten verwijlen slechts daar, waar zij den geur der deugd
ontwaren, daarentegen worden zij door den stank van zonde en onreinheid
verdreven.



        De engelen zijn onze leermeesters.

2. Ik mag ook niet verzwijgen, dat dit heilig, onzichtbaar gezelschap
der engelen den uitverkorenen nog een ander voordeel bracht, namelijk
dat zij niet alleen hun beschermers, maar ook hun leermeesters zijn.
Zij brengen hun dikwijls geheime kondschap over verschillende zaken en
onderwijzen hen in de diepe, verborgen geheimen Gods. Want daar zij
voortdurend het aangezicht van den alwetenden God aanschouwen, kan hun
niets van alle dingen, die een vroom mensch mag begeeren te kennen,
verborgen blijven; en met Gods toestemming openbaren zij, hetgeen zij
zelf weten en hetgeen den uitverkorenen te kennen noodig is. Daaruit is
het te verklaren, dat het hart der vromen dikwijls voelt, wat elders
plaats grijpt, en is dit treurig, droevig, is het vreugdevol, blijde
gestemd wordt. En daardoor komt het ook, dat de eene of andere
gebeurtenis, die reeds geschied is, nog geschiedt of geschieden zal,
zich door droomen of gezichten of door geheime ingevingen in hun geest
weerspiegelt. Vandaar ook, dat zich in ons ook allerlei andere gaven
Gods vermeerderen: scherpzinnige, kostelijke overdenkingen,
verschillende wonderbare uitvindingen, waarin de mensch dikwijls
zichzelf overtreft, zonder te weten, vanwaar hem dit komt. Gezegend zij
deze school der kinderen Gods! Hoe dikwijls moet niet de menschelijke
wijsheid verstomd staan, als zij ziet, hoe een eenvoudig menschenkind
wonderbare geheimenissen openbaart; de toekomstige veranderingen in
wereld en kerk, als zag hij ze met eigen oogen, profeteert; de namen
noemt van nog ongeboren koningen en staatshoofden, en vele andere
dingen voorzegt en aankondigt, die men noch door het raadplegen der
sterren noch door menschelijken speurzin en verstand doorgronden kan
[148].

Ja, dat zijn dingen, waarvoor wij God, onzen Beschermer, niet genoeg
danken en onze hemelsche leermeesters niet genoeg liefhebben kunnen.
Doch keeren wij tot ons onderwerp, de veiligheid der vromen, terug.



        God is hun schild.

3. Ik zag verder, dat elk hunner niet alleen door de hoede der engelen
werd beschermd, maar ook door de majesteitelijke tegenwoordigheid Gods,
zoodat er een verschrikking van hen uitging tegen degenen, die hen
tegen Gods wil wilden aanraken. Ik zag wonderen aan sommigen van hen
geschieden, wien, toen zij in het water of het vuur geworpen werden of
voor de leeuwen en wilde beesten, om daardoor verslonden te worden,
geen enkel letsel werd toegebracht. Tegen eenigen van hen richtte zich
op schandelijke wijze de dolle woede der menschen; benden tyrannen en
beulen met scharen van handlangers omringden hen; machtige koningen en
geheele koninkrijken, spanden hun uiterste kracht in om hen in het
verderf te storten [149]; doch hun geschiedde geen kwaad; hetzij zij
bleven staan of heengingen, zij gaven vroolijk acht op hun roeping. En
toen begreep ik, wat het zeggen wil, God als zijn schild te hebben.
Want als Hij zijn dienaren een bepaalde taak in de wereld opdraagt en
dezen manhaftig hun plicht volbrengen, woont Hij in hen, omringt hen
als een muur en bewaakt hen als zijn oogappel, opdat zij niet eerder
vallen dan wanneer zij de taak, tot wier vervulling zij in de wereld
gezonden waren, ten uitvoer gebracht hebben.



        De heilige trots der vromen.

4. Dat weten zij dan ook en verlaten zich blijmoedig op Gods
bescherming. Ik heb sommigen van hen zich daar hooren beroemen, dat zij
niet bevreesd waren, zelfs als de schaduw des doods zich over hen
legerde en evenmin, al omsingelden duizenden en nogmaals duizenden hen;
al zou ook de geheele wereld in woede ontsteken en de aarde zich
omkeeren in het hart der zee; al was de heele wereld vol duivels enz.
O, zalige, in de wereld nooit gekende zekerheid, waardoor de mensch
omsloten en, welbewaard in Gods hand, aan de macht van alle andere
dingen ontrukt is! Laat ons dan, o al gij oprechte dienaren van
Christus, erkennen, dat wij een steeds waakzamen wachter, beschermer en
verdediger hebben, den almachtigen God zelf: wel ons!








HOOFDSTUK XLVIII.

DE VROMEN GENIETEN EEN VOLKOMEN VREDE.


Terwijl ik voorheen in de wereld in alle levensomstandigheden veel
zwerven en zwoegen, kommer en zorg, angst en schrik had gezien, vond ik
hier een groote rust en blijmoedigheid bij al degenen, die Gode
toegewijd waren. Want zij hebben niet eens vrees en schrik voor God,
daar zij weten, hoe vol van liefde zijn hart voor hen is; zij vinden
ook in hun binnenste niets, wat hen zou kunnen bedroeven, immers,
zooals reeds aangetoond is, lijden zij geen gebrek aan eenig goed; ook
de buitenwereld kan hun geen last veroorzaken, daar zij op haar geen
acht geven.



        De ware christen acht den spot der wereld van geen belang.

2. Nu is het inderdaad waar, dat de booze wereld hen niet met vrede
laat, daar zij, als zij kans ziet hen te trotseeren en te bespotten,
dit ook doet, hun overlast aandoet, hen te lijf gaat, met steenen naar
hen werpt, op hen spuwt, hun een been tracht te lichten, en hun alles
aandoet, wat zij nog meer bedenken kan; ik heb veel voorbeelden hiervan
gezien en verstaan, dat het nu eenmaal een beschikking van den
Allerhoogste is, dat zij, die hier een goed leven willen leiden, kap en
bellen [150] moeten dragen, wijl de gesteldheid dezer wereld meebrengt,
dat hetgeen wijsheid is bij God, in de wereld als dwaasheid geldt.
Dientengevolge waren velen, aan wien God zijn edelste gaven had
geschonken slechts het mikpunt van verachting en spot, dikwijls zelfs
voor hen, die hun het naast stonden. Zoo, zeg ik, geschiedde het; maar
ik bemerkte ook, dat zij er geheel geen acht op gaven, ja, zelfs zich
er over verheugden, dat de wereld voor hen den neus toehield als voor
een kwalijken reuk; de oogen van hen afwendde als van iets walgelijks;
hen als dwazen verachtte en als misdadigers terechtstelde. Want zij
zeiden, dat hun wachtwoord, waaraan zij elkander herkennen als
toebehoorende aan Christus, luidde: de wereld te mishagen. Wie het hem
aangedane onrecht niet blijmoedig weet te dragen, bezit nog niet
volkomen den geest van Christus—dat waren hun eigen woorden, waarmede
zij elkander zochten te sterken; immers de wereld laat hen, die tot
haar behooren, evenmin met rust; zij doet de haren geweld aan,
bedriegt, berooft en kwelt hen; welaan dan, laat zij met ons ook zoo
handelen. Kunnen wij haar kwelling niet ontgaan, dan willen wij ze
rustig dragen, daar de goedheid Gods rijkelijk opweegt tegen de schade,
die ons door de wereld toegebracht wordt; en zoo wordt hun spot en
haat, het onrecht en de schade, die zij ons aandoen, in winst
veranderd.



        Den waren christen is alles gelijk,

3. Ja, ook dit heb ik daar verstaan, dat deze ware christenen zelfs
niet eens willen hooren van het verschil tusschen, wat de wereld met de
namen geluk en ongeluk, rijkdom en armoede, eer en schande aanduidt;
zij verklaren, dat alles, wat uit de hand van God voortkomt, goed,
zegenrijk en heilzaam is. Daarom is er niets, wat hen droevig stemt, en
aarzelen zij niet, noch trachten zij zich er uit te redden. Hetzij gij
hun opdraagt te heerschen of te dienen, te bevelen of te gehoorzamen,
anderen te onderwijzen of van hen te leeren, in overvloed te leven of
gebrek te lijden, het is den waren christen alles gelijk; hij vervolgt
zijn weg met dezelfde rustige gelaatsuitdrukking en is er alleen op
bedacht om God te behagen.

De wereld is hun evenmin een last, zoo zwaar, dat hij niet gedragen kan
worden, als een bezit, zoo waardevol, dat ze het gemis ervan zouden
moeten betreuren. Daarom veroorzaakt het verlangen naar aardsch bezit
hun evenmin verdriet als het verlies daarvan. Indien iemand hen op de
rechterwang slaat, zoo keert hij hem blijmoedig ook de andere toe;
indien iemand hem zijn mantel wil betwisten, zoo laat hij ook zijn rok
in diens handen; terwijl hij alles aan God, die hiervan getuige is en
er zijn oordeel over zal vellen, overgeeft en verzekerd is, dat al deze
dingen in den loop der tijden opnieuw beschouwd, herzien en ten laatste
rechtvaardig beslist zullen worden.



        ook hetgeen hij buiten zichzelf in de wereld ziet.

4. Ook laat het schepsel Gods zich niet door de natiën der wereld uit
zijn vredig zielsbestaan verdringen. Weliswaar zijn er vele dingen, die
hem niet behagen, maar daarom tobt hij daarover niet noch pijnigt hij
zich af in zijn binnenste. Laat maar achterwaarts gaan, wat niet
voorwaarts wil gaan; laat vallen, wat niet wil blijven staan; en wat
geen stand wil of kan houden, laat het vergaan. Waarom zou een christen
zich daarmee aftobben, als zijn geweten zuiver is en de liefde Gods in
zijn hart woont? Indien de menschen zich naar onze gewoonte niet willen
voegen, laten wij ons voegen naar de hunne, ten minste voor zoover ons
geweten het toelaat. De wereld gaat van kwaad tot erger, dat is waar;
maar maken wij den toestand door ons klagen beter?



        Hij geeft geen acht op het gewoel der wereld,

5. En wanneer de machtigen dezer wereld om kronen en schepters met
elkander in twist en tweedracht leven, tengevolge waarvan het bloed in
stroomen vloeit en heele gewesten en landen verwoest worden, is de door
God verlichte christen daarover niet eens bekommerd, wijl hij bedenkt,
dat er weinig of niets aan gelegen is, wie de wereld regeert. Want
zoomin de wereld, zelfs als Satan in eigen persoon den schepter over
haar voerde, de kerk in het verderf kan storten, zoo zeker blijft de
wereld, zelfs indien een engel als gekroond heerscher over haar gebood,
dezelfde, die zij is, en moeten zij, die een waarlijk godzalig leven
willen leiden, toch altijd iets van haar te verduren hebben. Daarom
schijnt het hun een zaak van weinig gewicht, wie op den troon der
wereld zit; als het een van de vromen is, zoo leert de ervaring, dat
vele vleiers en huichelaars zich mengen onder de schare der vromen, en
daardoor ook de vroomheid der anderen eenigszins verkoelt [151],
terwijl ten tijde der openlijke vervolgingen de vromen alleen gelaten
worden en God met des te vuriger ijver dienen. Men moet vooral ook
bedenken, dat in dergelijke omstandigheden [152] velen onder den
dekmantel van het algemeen welzijn, van godsvrucht, eerlijkheid en
vrijheid, voor zich en niet voor Christus, koninkrijken, vrijheden en
roem zoeken, en men zou dit bevestigd vinden, indien men hen zonder
eenige bedekking, in hun ware gedaante kon waarnemen. De ware christen
laat daarom alles gaan, zooals het wil of kan, en heeft, in de
woonstede zijns harten, alleen volkomen genoeg aan God en zijn genade.



        noch op hetgeen de kerk moet lijden.

6. Ook de verzoekingen, die de kerk omringen, zijn niet in staat de
door goddelijk licht bestraalde zielen te verontrusten, want zij weten
heel zeker, dat ten slotte de triomf haar deel zal zijn; en dat een
triomf niet zonder overwinning, noch een overwinning zonder strijd,
noch een strijd zonder vijanden en heftige botsingen mogelijk is.
Daarom binden zij onverschrokken dezen strijd aan en nemen allen last,
die hun of anderen daardoor ten deel valt, kloekmoedig op zich, vast
overtuigd, dat de overwinning Godes is, die alle dingen leidt langs den
afgebakenden weg van zijn goddelijk voornemen; en dat ten laatste alles
voor hen wijken moet, ook al stelden rotsen, bergen, woestijnen, zee en
afgrond zich op hun weg. Zij weten ook, dat al dit woeden der vijanden
Gods tegen Hem slechts dienen kan tot vermeerdering van den roem zijns
Naams. Immers als een ding, dat men ter eere Gods begonnen was, op geen
tegenstand zou stooten, zou men op de gedachte kunnen komen, dat het
door menschen aangevangen en met menschenkracht voleindigd was; het is
er namelijk zoo mee gesteld, dat hoe woedender tegenstand de wereld met
alle duivels bieden, des te klaarder Gods macht aan den dag treedt.



        De smart der vromen kan gemakkelijk door twee middelen
        verdreven worden.

7. En mochten er ten laatste ook al voorvallen plaats grijpen—waarvan
ik voorbeelden gezien heb—die hun hart met kommer vervullen, zoo kan
toch die droefheid bij hen niet van langen duur zijn, en verdwijnt zij
snel als een nevel voor de zon. En dit geschiedt door de volgende twee
middelen: in de eerste plaats door de gedachte aan de eeuwige zaligheid
te verlevendigen, die een hoogere waardij heeft dan het vuile bedrijf
dezer wereld en die hen aan het einde wacht. Hetgeen hun hier overkomt,
is slechts van tijdelijken aard; het verschijnt en gaat weder heen,
verliest zich in de verte en verdwijnt. Daarom is het onbetamelijk naar
een van deze wereldsche dingen te verlangen en evenzeer om over hun
gemis te treuren; immers deze dingen gaan klaterend in een enkel
oogenblik voorbij. Het tweede middel bestaat hierin, dat zij steeds een
gast bij zich tehuis hebben, met wien zij slechts een vertrouwelijk
onderhoud behoeven aan te knoopen, om elke benauwdheid, hoe groot zij
ook zijn moge, te verdrijven. Deze gast is God, hun Trooster, tot wien
zij in hun hart de toevlucht nemen en wien zij gemeenzaam en openhartig
mededeeling doen van alles, wat hen kwelt. Zoo moedig is hun goed
vertrouwen, dat zij zich met elke aangelegenheid dadelijk tot God den
Heer wenden, om elke overtreding, elke tekortkoming, elk gebrek, elke
zwakheid, elke smart, elken vurigen wensch in zijn vaderschoot uit te
storten en zich aan Hem in alle dingen steeds toe te vertrouwen. Daar
evenwel God de Heer deze kinderlijke en liefdevolle vertrouwelijkheid
jegens Hem zelven niet anders dan beminnen kan, bereidt Hij hun
onfeilbaar zeker zijn vertroosting en schenkt hun de kracht het lijden
te dragen. Hoe meer zich hun nooden vernieuwen en vermeerderen, des te
meer vernieuwt en vermeerdert zich ook in hun hart de vrede Gods, die
alle menschelijk verstand te boven gaat.








HOOFDSTUK XLIX.

HET HART DER VROMEN IS BESTENDIG MET VREUGDE VERVULD.


        Een goed geweten is een voortdurend feestmaal.

In hun binnenste woont echter niet alleen de vrede, maar ook een
gedurige vreugde en jubel, welke zich in hun harten uitstort tengevolge
van een levendig gevoel van Gods tegenwoordigheid en van zijn liefde.
Want waar God is, daar is de hemel; waar de hemel is, daar is eeuwige
vreugde; en waar eeuwige vreugde heerscht, heeft de mensch verder niets
te begeeren. Alle vreugden der wereld zijn slechts een schaduw, een
scherts, een lach, vergeleken bij deze vreugde; alleen weet ik de
juiste woorden niet om haar uit te drukken of slechts aan te duiden. Ik
heb gezien—gezien—, ja, gezien en erkend, dat het zoo heerlijk is, God
met al zijn hemelsche schatten in zich om te dragen, dat men daarmee
alle roem, alle pracht en allen glans der wereld niet vergelijken kan,
en zoo vreugdevol, dat de geheele wereld ook niet het geringste ervan
zou kunnen wegnemen of er aan toevoegen, zoo groot en verheven, dat de
geheele wereld het nooit zou kunnen begrijpen of bevatten.



        N.B.

2. Want hoe zou het den mensch niet zoet en zalig te moede zijn, die in
zijn binnenste zulk een goddelijk licht ziet schijnen en de zoo
voortreffelijke werkzaamheid van den Geest Gods in zich speurt; die een
zoo volkomen bevrijding van de wereld en haar slavernij, een zoo zekere
en machtige bescherming Gods, zulk een veiligheid tegen vijanden en
gevaren, in één woord, zooals reeds is aangetoond, aan alle kanten een
zoo voortdurenden vrede in zich voelt en opmerkt? Dit is die zoetheid,
welke de wereld niet begrijpt; dit is die zoetheid, welke dengene, die
haar eenmaal gesmaakt heeft, dwingt haar na te jagen, al moet hij alles
op het spel zetten; dit is die zoetheid, welke zich door geen andere
van haar plaats laat lokken en door geen bitterheid van ons hart
gescheiden kan worden, waarvan geen andere bekoring kan aflokken en
welke men voor geen prijs, om geen verlossing uit den hoogsten nood
noch zelfs van den dood, kan opgeven.

3. En toen heb ik begrepen, wat het is, hetgeen somtijds velen van Gods
heiligen aandrijft, dat zij eer, gunst van menschen, have en vermogen
zoo gewillig van zich werpen en evenzoo gereed zouden staan de heele
wereld, indien zij hun eigendom ware, van zich te stooten. Ik begreep
ook, hoe anderen hun lichaam zoo blijmoedig aan kerker, geeseling en
dood overgaven, bereid zijnde zelf duizend dooden te ondergaan, indien
de wereld in staat ware de voltrekking van de doodstraf te herhalen, en
hoe zij blijde zangen aanhieven, wanneer door middel van het water, het
vuur of het zwaard hun vonnis voltrokken werd. O Heer Jezus, hoe zoet
zijt Gij voor de harten, die U gesmaakt hebben! Welzalig hij, die deze
vertroosting verstaat.








HOOFDSTUK L.

DE PELGRIM BESCHOUWT DE CHRISTENEN IN VERBAND MET HUN STANDEN.


Tot nu toe heb ik slechts dingen verhaald, die den waren christenen in
het algemeen wedervaren. Doch toen ik bemerkte, dat ook zij, even goed
als degenen, die in de wereld zijn, verschillende beroepen uitoefenden,
werd ik begeerig eens te zien, hoe een ieder van hen de plichten, aan
zijn stand verbonden, opnam, en vond ook hier bij alles een
voortreffelijke orde, zoodat het geheel een liefelijken indruk maakte.
Ik wil dit echter niet meer zoo uitvoerig beschrijven, doch slechts
enkele punten kortelijk aanroeren.



        Hoe de echt der christenen is.

2. Hun huwelijk onderscheidde zich, zooals ik zag, niet zoo heel veel
van den ongehuwden staat, omdat zij zoowel in hun begeerten als in hun
zorgen de juiste maat wisten te houden. In plaats van die stalen
ketenen zag ik hier gouden banden omgegespt; in plaats van de pogingen
om zich van elkander los te rukken, zag ik de blijde vereeniging van
beider lichaam en ziel. En wanneer ook hun echtelijken stand somtijds
iets onaangenaams aankleefde, werd dit meer dan vergoed, wijl zulk een
echt een kweekplaats ter uitbreiding van het Koninkrijk Gods op aarde
was.



        Hoedanige overheden zij in hun midden hebben.

3. Zij, wien het te beurt viel boven de anderen gezeten te zijn en met
den naam van overheden genoemd te worden, gedroegen zich jegens de
onderdanen, die hun waren toevertrouwd, als ouders jegens hun kinderen,
dat wil zeggen, dat zij hen met liefde en zorg omringden, zoodat dit
schouwspel een liefelijken aanblik bood. En ik zag ook, dat velen van
deze overheden hun handen vouwden en God loofden. Wie daarentegen onder
het bewind van een ander leefde, was hem onderworpen en deed zijn best
zich zoo te gedragen, dat hij niet alleen in woorden, maar ook in daden
zijn onderdaan was. Hij eerde God door dengene, dien Hij als zijn
meerdere boven hem plaatste—welke persoonlijkheid deze mocht zijn en
welk karakter hij mocht hebben—allen mogelijken eerbied en alle achting
in woorden, in daden en in gedachten te bewijzen.



        De christelijke geleerden.

4. Toen ik mij nu verder onder hen bewoog, trof ik er niet weinig
geleerde mannen aan, die in tegenstelling met de gewoonten der wereld
even ver in nederigheid de anderen overtroffen, als zij dit in
geleerdheid deden; zij waren de vriendelijkheid en minzaamheid zelve.
Het trof zoo, dat ik met een van hen een gesprek aanknoopte, die den
naam had, dat er in geen tak van menschelijke wetenschap iets bestond,
wat hem verborgen was; hij gedroeg zich evenwel als een der
eenvoudigste menschen en zuchtte over zijne onkunde en onwetendheid. De
kennis van talen slaan zij niet hoog aan, tenzij zij tot vermeerdering
van kundigheden en wijsheid bijdraagt. Want talen, zeiden zij, geven op
zich zelf geen wijsheid, maar zijn uitsluitend het middel, om met
tallooze andere bewoners van het wereldrond, hetzij levende of doode,
een gesprek te kunnen voeren. En daarom houden zij niet voor geleerd,
wie vele talen spreken kan, maar wel hem, die, al sprekende, nuttige
zaken weet mede te deelen. Nuttige zaken echter noemen zij alle werken
Gods, tot wier kennis de kunsten [153] eenigermate behulpzaam zijn. Als
de ware bron dier kennis noemen zij evenwel de Heilige Schrift en als
leermeester den Heiligen Geest; als doel van alle ware kennis Christus,
den gekruisigde. Daarom zag ik dan ook, dat al deze geleerden met al
hun wetenschap op Christus als het middelpunt aanstuurden, en alles,
wat naar hun meening een hinderpaal was, om tot Christus te naderen,
verwierpen, hoe vernuftig het ook mocht zijn. Ik zag ook, dat zij
allerlei andere boeken lazen, al naar dat er aanleiding toe bestond;
maar zij zorgen er bijzonder voor, alleen de meest uitgezochte lectuur
onder de oogen te krijgen, daarbij bedenkende, dat menschelijke
redeneeringen altijd menschenwerk blijven. Zij schrijven zelfs ook
boeken, doch niet om hun naam wijd en zijd bekend te maken, maar wel,
als zij gegronde hoop hebben, hun naaste iets nuttigs te kunnen
meedeelen, het algemeene welzijn te helpen bevorderen, of iets kwaads
te kunnen afweren.



        De geestelijken en theologen.

5. Het aantal geestelijken en theologen was, zooals ik opmerkte, niet
onbeperkt en richtte zich naar de nooden der kerk; allen waren in een
eenvoudig gewaad gekleed en hadden zachtmoedige en vriendelijke
manieren, zoowel onder elkander als ook in den omgang met anderen. Hun
tijd brachten zij meer door met God dan met de menschen, in gebeden,
met lectuur en overpeinzingen; den tijd, die overbleef, besteedden zij
om de anderen, hetzij in de bijeenkomsten te onderwijzen, of één voor
één in het bijzonder onderricht te geven. Hun toehoorders verzekerden
mij (en ik heb mijzelf daarvan overtuigd) dat niemand naar hun
prediking kon luisteren zonder innerlijke ontroering van hart en
geweten, daar de woorden met de doordringende kracht der goddelijke
welsprekendheid van hun lippen vloeiden. Ik merkte ook blijdschap en
tranen bij de toehoorders op, wanneer de predikers spraken over de
barmhartigheid Gods of over den ondank der menschen, zoo waar, levendig
en vurig waren hun woorden! Zij zouden het voor schande gehouden hebben
anderen iets te leeren, waarin zij hun niet zelf eerst een goed
voorbeeld hadden gegeven, zoodat men ook dan, wanneer zij zwegen, van
hen leeren kon. Ik kwam vooral zoo dicht mogelijk in de nabijheid van
een dezer predikers, daar ik wenschte hem te spreken. Hij was een
eerwaardig man met grijze haren en van zijn aangezicht straalde iets
van den weerschijn van Gods luister af. Terwijl hij met mij sprak,
waren zijn woorden vol vriendelijken ernst, zoodat het reeds daaruit
duidelijk is, dat hij een gezant van God was, zoo vrij was hij gebleven
van den invloed der bedorven atmosfeer van de wereld! Toen ik hem,
zooals dat bij ons de gewoonte is, met zijn titel wilde aanspreken,
stond hij mij dit niet toe en noemde het wereldsche scherts; naar hij
zeide, was het hem titel en eer genoeg, indien ik hem een dienaar Gods
noemde of, als het mij lustte, hem aansprak als „mijn Vader.” Toen hij
mij zijn zegen gaf, voelde ik een ongekende zoetheid en een ontluikende
vreugde in mijn hart: en ik begreep inderdaad, dat de ware theologie
iets machtiger is en iets, dat dieper doordringt dan men gewoonlijk
pleegt aan te nemen. En ik bloosde bij de gedachte aan de
opgeblazenheid, den trots, de gierigheid, de onderlinge twisten, den
haat en den nijd, de dronkenschap en vleeschelijke lusten van sommigen
onzer geestelijken, wier woorden en daden mijlen ver van elkander
verwijderd zijn, zoodat het den schijn heeft, als spraken zij slechts
in scherts over deugden en een christelijken levenswandel. Om de
waarheid te zeggen, bevielen mij deze predikers, daar zij mannen waren
van een vurigen geest en kuische zinnen, beminnaars der hemelsche
dingen, terwijl zij op de aardsche geen acht gaven; waakzame herders
hunner kudden, die zich zelf vergaten; wat het drinken van wijn
aangaat, nuchter, maar dronken van den geest [154]; spaarzaam in
woorden, doch rijk in daden; en ieder van hen streefde er naar de
eerste te zijn in den arbeid, de laatste in het verkondigen van eigen
lof. Om kort te gaan, bij al hun daden, woorden en gedachten hadden zij
hun geestelijke ontwikkeling op het oog.








HOOFDSTUK LI.

DE DOOD DER WARE CHRISTENEN.


        De dood is den christen welkom.

Toen ik mij lang genoeg onder deze christenen bewogen had en hun daden
had waargenomen, zag ik eindelijk ook onder hen den Dood rondgaan; doch
hij bezat niet zulk een leelijk, naakt en afstootend voorkomen als in
de wereld, maar was op schoone wijze gewikkeld in de linnen lijfdoeken,
die Jezus eens in het graf achtergelaten had. Hij trad nu eens op
dezen, dan weder op genen toe en zeide, dat de tijd voor hem gekomen
was om de wereld te verlaten. O, welk een jubelende vreugde
doorstroomde hem, die deze tijding ontving! Alleen opdat dit maar
eerder zou geschieden, waren zij bereid alle folteringen te ondergaan,
die hun door het zwaard, het vuur, door tangen en op alle mogelijke
wijzen aangedaan werden. Zoo ontsliep elk hunner vredig, zacht en
liefelijk.



        Hun leven na den dood.

2. Verlangend om te weten wat verder met hen zou geschieden, zag ik
engelen van den hemel neerdalen, die op bevel van God voor ieder een
plek uitzochten, waar zijn lichaam een rustplaats vinden zou. Alsdan
bewaakten zij zijn graf, nadat vriend of vijand of de engelen zelfs hem
ter aarde besteld hadden, opdat het stoffelijk overschot der heiligen
bewaard bleve voor Satans geweld en ook maar niet het kleinste deeltje
van hun stof verloren zou gaan. Onderwijl namen andere engelen de ziel
tot zich en droegen haar in wonderbaren luister, onder het klinken van
jubeltonen naar boven. Toen ik daarop mijn bril [155] recht zette en
hen met den blik des geloofs volgde, aanschouwde ik een
onuitsprekelijke heerlijkheid.








HOOFDSTUK LII.

DE PELGRIM AANSCHOUWT DE HEERLIJKHEID GODS.


Want zie, in den hooge zat God, de Heer der heirscharen, op zijn troon;
rondom hem was vlekkeloos licht gespreid van het eene eind des hemels
tot het andere. Onder zijn voeten blonk het als van kristal, smaragden
en saffieren; zijn troon was jaspis en daar rondom was een schoone
regenboog. Duizenden van duizenden en tienmaal duizend keer
honderdduizenden engelen stonden voor Hem en zongen afwisselend in
koren: „Heilig, heilig, heilig is de Heer der heirscharen, hemel en
aarde zijn vol van zijne heerlijkheid.”

2. En vier en twintig ouderlingen vielen voor zijn troon op de knieën,
en legden hun kronen aan de voeten van Hem, die leeft tot in alle
eeuwigheid en zongen met luider stem: „Gij zijt waardig, Heer, te
ontvangen den roem, de eer en de macht; want gij hebt alle dingen
geschapen en door Uwen wil zijn zij en zijn zij geschapen.”

3. Ik aanschouwde ook voor zijn troon een andere groote schare, die
niemand zou kunnen tellen uit alle natiën en stammen, volkeren en
tongen [156], wier aantal door toevoeging van de zielen der heiligen
Gods, welke op de aarde gestorven waren en door de engelen omhoog
gedragen werden, zich nog steeds vermeerderde; en het geluid werd
voortdurend sterker. En zij riepen: „Amen, de zegening, roem en
wijsheid en dankzegging, de eer, de macht en de kracht, onzen God in
alle eeuwigheid. Amen!” [157]

4. Zoo zag ik blinkend licht, luister en onuitsprekelijke heerlijkheid
en hoorde het onbeschrijfelijk schoone gezang der hemelsche
heirscharen, en dat alles was vreugdevoller en wonderlijker dan dat
onze oogen, onze ooren en ons hart het ooit zullen kunnen vatten en
begrijpen.

5. Geheel ontzet bij het zien dezer heerlijke hemelsche dingen, viel
ook ik voor den troon der goddelijke majesteit op de knieën, mij
schamende over mijne zondigheid en dat ik een mensch van onreine lippen
was, en riep uit: „Heer, Heer, Heer, Gij, die een sterke God zijt,
barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en
waarheid, die barmhartigheid doet aan duizenden en hun ongerechtigheid,
overtredingen en zonde vergeeft! [158] Heer, heb ook met mij, zondig
mensch, erbarmen, om Jezus Christus’ wil!”








HOOFDSTUK LIII.

DE PELGRIM WORDT ONDER DE HUISGENOOTEN GODS OPGENOMEN.


Toen ik uitgesproken had, klonk de stem van mijn Verlosser, Jezus den
Heer, uit het midden van zijn troon, en hoorde ik deze liefelijke
woorden tot mij richten: „Vrees niet, mijn beminde, ik ben met u, ik,
uw Verlosser en Trooster, vrees niet. Zie, uwe ongerechtigheid is van u
weggenomen, en uwe zonde is uitgedelgd.—Verblijd u en wees vroolijk,
want uw naam staat hier opgeschreven bij die der hemelingen; indien gij
mij trouw zult dienen, zult gij worden als een van hen. Laat, wat gij
hier gezien hebt daartoe strekken, dat gij mij nog meer zult vreezen,
en te zijner tijd zult gij nog grootere dingen zien. Wees waakzaam
alleen in datgene, waartoe ik u geroepen heb en bewandel trouw den weg
ter zaligheid, dien ik u gewezen heb. Toef in de wereld, zoolang ik u
daarin laat, slechts als pelgrim, bijwoner, nieuweling of gast, maar
blijf bij mij hier als huisgenoot Gods; want ik schenk u het
burgerrecht der hemelstad. En zoek daarom den omgang met den hemel; hef
steeds uw hart, zoo hoog gij kunt, tot mij, maar laat het zoo diep
mogelijk buigen voor uw naaste; maak gebruik van de aardsche dingen,
zoolang gij in de wereld zijt; maar verlustig u alleen in de hemelsche.
Voeg u naar mijn wil, doch verzet u en kant u tegen wereld en
vleesch.—Bewaar inwendig de wijsheid, die ik u geschonken heb, en
uitwendig de eenvoudigheid, die u aanbevolen is. Laat uw hart spreken,
uw tong zwijgen; wees teer van gevoel, als gij de beden uwer naasten
aanhoort, doch gehard in het dragen van onrecht, dat u zelf treft. Dien
met uw ziel alleen mij, met uw lichaam wien gij kunt of moet dienen;
doe hetgeen ik u beveel; draag, wat ik u opleg; wees onbereidwillig
jegens de wereld, kleef mij altijd aan; laat uw lichaam in de wereld
zijn en uw hart in mij. Als gij slechts zoo wilt handelen, zult gij
gezegend zijn en zal het u wel gaan. Zet nu uw weg voort, mijn zoon,
sta in uwe roeping tot het einde uws leven en geniet met blijdschap den
troost, waartoe ik u geleid heb.”








HOOFDSTUK LIV.

HET BESLUIT VAN ALLES.


Hierop verdween het gezicht van voor mijn oogen en vallende op de
knieën sloeg ik mijn oogen naar boven en dankte, zoo goed als ik het
vermocht, mijn Verlosser met de volgende woorden: „Gezegend zijt Gij,
mijn Heer en God, die eeuwig lof en prijs waardig zijt en gezegend zij
Uw glorierijke en hoogheilige naam in alle eeuwigheid! Dat Uwe engelen
U verheerlijken en al Uwe heiligen Uwen lof verkondigen. Want groot
zijt Gij van vermogen en Uwe wijsheid is ondoorgrondelijk en Uwe
barmhartigheid gaat al Uwe werken te boven. Ik wil U loven, Heer,
zoolang ik leef, en Uw heiligen Naam lofzingen, zoolang ik besta, want
Gij hebt mij verheugd door Uwe barmhartigheid en mijn mond vervuld met
gejuich, daar Gij mij uit het meesleurende geweld van den stroom
gerukt, uit een diepen draaikolk gered en mijn voeten op vasten grond
gezet hebt.—Ik was verwijderd van U, o God, die de eeuwige zoetheid
zijt, maar Gij zijt tot mij gekomen met Uwe erbarming; ik heb gedwaald,
maar Gij hebt mij aan het rechte pad herinnerd; ik doolde rond met
wankelende schreden, niet wetende, waarheen mij te wenden, maar Gij
hebt mij op den rechten weg geleid; ik liet Uw leiding varen en had U
en mijzelf verloren, maar Gij verscheent weer en deedt mij tot mijzelf
komen en tot U terugkeeren. Ik ben gekomen, tot waar de bitterheid der
hel begint, maar Gij trokt mij achterwaarts en voerdet mij op, tot waar
de hemelsche zoetheid een aanvang neemt. Daarom love mijn ziel haar
Heer en alles, wat in mij is, zijnen heiligen Naam. Mijn hart is
bereid, o Heer, mijn hart is bereid, ik zal U ter eer zingen en
jubelen. Want Gij zijt hooger dan al wat hoog is en dieper dan al wat
diep is, wonderbaar, heerlijk en vol van mededoogen. Wee, de verdwaasde
zielen, die, na U te hebben verlaten, nog meenen den vrede te kunnen
vinden, die noch in den hemel, noch op de aarde, noch in den afgrond te
vinden is buiten U, want in U alleen is eeuwige rust. Hemel en aarde
zijn de Uwe, zijn goed, schoon en begeerlijk, omdat zij door U
geschapen zijn; toch zijn ze noch zoo goed, noch zoo schoon en evenmin
zoo begeerlijk als Gij, hun Schepper; daarom kunnen wij den honger der
ziel, die naar troost zoekt, niet verzadigen en haar dorst niet
stillen. Gij, Heere, zijt de volkomene vervulling; ons hart is
onrustig, zoolang het niet in U tot rust komt. Ik heb U, o eeuwige
Schoonheid, laat liefgekregen, wijl ik U zoo laat heb leeren kennen; en
ik leerde U kennen, toen Gij uw schijnsel op mij deedt vallen, o
hemelsch Licht! Laat zwijgen over Uw lof, wie Uwe barmhartigheid niet
zelf ervaren heeft; maar gij, mijn allerbinnenste, belijd Uw Heer! O,
wie geeft mij, dat mijn hart door U bedwelmd mag worden, Gij, Geur der
eeuwigheid, opdat ik al datgene vergete, wat Gij niet zijt, mijn Heer.
Verberg U niet langer voor mijn hart, o schoonste Schoonheid; en indien
de aardsche dingen U voor mij zouden verdonkeren, dan wil ik liever
sterven, juist daarom, wijl ik U dan steeds aanschouw, bij U mag zijn
en U nimmermeer zal verliezen. Houd mij vast Heer, leid mij, draag mij,
dat ik niet van U afdwaal en niet valle; geef dat ik U beminne met een
eeuwige liefde en dat ik nevens U niets anders beminne, tenzij dan om
Uwentwil en in U, o oneindige Liefde! Doch wat zal ik nog meer spreken,
mijn Heer? Hier ben ik, de Uwe ben ik; Uw eigen ben ik, de Uwe ben ik
voor eeuwig. Ik wil mij hemel en aarde gaarne ontzeggen, als ik slechts
U heb. Alleen onttrek U niet aan mij, dan heb ik genoeg; een genoegzaam
deel van wat, de geheele eeuwigheid door, onveranderlijk is, vind ik in
U alleen.—Mijn ziel en lichaam jubelen U, den levenden God, tegemoet;
ach, mag ik haast heengaan, en voor Uw aangezicht verschijnen? Neem
mij, o Heer, mijn God, wanneer het Uw wil is; hier ben ik, ik sta
gereed; roep mij, wanneer Gij wilt, dat ik gaan zal, waarheen Gij wilt,
zooals Gij wilt. Ik wil gaan, waarheen Gij mij beveelt; ik zal doen,
wat Gij mij gebiedt; Uw goede Geest geleide mij en voere mij als over
een effen land door de valstrikken der wereld heen en Uwe
barmhartigheid geleide mij op al mijne wegen en voere mij, door die
ach, zoo bange duisternissen der wereld, tot het eeuwige licht.


                          Amen en Amen.”


Gloria in excelsis DEO et in terra Pax hominibus bonae Voluntatis
[159].








COMENIUS en zijn meesterwerk, de DOOLHOF DER WERELD 
en het PARADIJS DES HARTEN.


In tijden van geloofsstrijd en nationale vernedering zijn meermalen de
merkwaardigste litteraire voortbrengselen ontstaan. In het jaar 1569,
een der meest rampspoedige jaren van den tachtigjarigen oorlog, schreef
Marnix van St. Aldegonde zijn meesterlijke klassieke satire: de
Bijenkorf; in een der moeilijkste jaren voor het Tsjechische volk, kort
na den slag op den Witten Berg, schreef Comenius zijn beroemde
allegorische satire: „Labyrint Světa a ráj srdce”. Terwijl echter
Noord-Nederland de felle slagen, door Spanje en Rome aan het land
toegebracht, onder de leiding van het fiere Oranjehuis en door de
staatsmanskunst van eenige vurige patriotten te boven kwam en een
ongekenden bloeitijd tegemoet ging, bezweek Bohemen onder het geweld
van Habsburg en Rome en verloor het zijne politieke en geestelijke
zelfstandigheid reeds in den aanvang van den Dertigjarigen Oorlog
(1618–1648). Het duurde twee eeuwen, voordat een nationale
wedergeboorte, die door Palacký ingeluid werd, plaats greep; terwijl
eerst na den wereldoorlog de politieke zelfstandigheid herkregen werd.

Toen het „Labyrint” geschreven werd, hadden de Tsjechen een bloeitijd
van een paar eeuwen achter den rug en was de periode van verval juist
aangevangen. Men heeft hier te lande in den regel een verkeerde
beschouwing aangaande de beteekenis van het koninkrijk Bohemen in de
middeleeuwen, ten gevolge van de niet zeer duidelijke uiteenzetting der
feiten in onze geschiedenisleerboeken—gevolg van de beschouwing der
Duitsche handboeken. Men beschouwt het toenmalige Bohemen als een
leengoed van den Duitschen keizer, zonder absolute eigen
zelfstandigheid, geheel in den trant van Beieren, Saksen etc. Deze
opvatting kan echter slechts—en dan nog maar ten deele—als juist gelden
tot het begin van de 15e eeuw, den tijd van Johannes Hus. Van het begin
der middeleeuwen tot 1306 regeerde over Bohemen het vorstenhuis der
Přemysliden, dat aanvankelijk slechts de hertogelijke waardigheid bezat
en evenals de Slavische onderdanen, met tegenzin de leenhoogheid van
den Duitschen keizer moest erkennen. Intusschen bewezen deze vorsten
van het betrekkelijke groote land den keizer dikwijls belangrijke
diensten, tot loon waarvan keizer Frederik II (1215–1250) de reeds in
1085 geschonken en in 1212 erfelijk verklaarde koningskroon opnieuw aan
Ottokar I bevestigde, die, held en staatsman als hij was, zich in het
bezit daarvan wist te handhaven. Diens zoon Ottokar II voegde alle
Duitsche landen der latere Oostenrijksche monarchie aan zijn stamland
toe, uitgezonderd Tirol en Salzburg, maar verloor in 1278 behalve al
deze provinciën ook zijn leven in den strijd tegen Rudolf van Habsburg.
Ziehier de eerste voor Bohemen noodlottige gebeurtenis, waarin het
later zoo gevreesde en verfoeide huis Habsburg een rol speelde. Helaas,
ook in verband met de nog zwaardere rampen, die na eenige eeuwen
volgden, stond de naam Habsburg opnieuw met zwarte kool geteekend.
Daartusschen liggen eenige eeuwen van buitengewonen bloei onder de
heerschappij van het huis Luxemburg (1310–1437). De voornaamste vorst
uit dit beroemde huis was Karel I, die als Karel IV in 1346 tot Duitsch
keizer gekozen, te Praag resideerde en zijn eigen Boheemsche
kroonlanden tot grooten bloei bracht. Hij regeerde met vaste hand,
bevorderde handel, industrie, mijnwezen en landbouw en verwierf voor de
Boheemsche kroon, die toen reeds de Lausitz en Silezië bezat, voor
korten tijd ook nog het grootste deel van de thans tot Beieren
behoorende Oberpaltz en de mark Brandenburg. Hij stichtte de
universiteit te Praag in 1348, de eerste in Midden-Europa. Als direct
gevolg van de daardoor ontstane hoogere cultuur, ontwikkelde zich de
eerste kiem van de sindsdien nooit geheel uitgedoofde
nationaliteitsbeweging der Tsjechen.

De Tsjechen, die behalve aan de oostgrens, waar de Magyaren woonden,
geheel door Duitschers omgeven waren, kwamen toen ter tijd reeds tot
het bewustzijn, dat de vele Duitschers, die hun kolonies aan den rand
met goedvinden en zelfs onder aanmoediging der landsvorsten hadden
gesticht, en een grooten invloed aan het hof en bij de geestelijkheid
bezaten, een gevaar voor de Tsjechische natie beteekenden. De nationale
gevoelens vonden na den dood van Karel in het begin der 15e eeuw hun
belichaming in de grootsche figuur van den reformator Johannes Hus, die
als rector der Praagsche universiteit het bestuur van deze hoogeschool
en de leiding van het onderwijs geheel in Tsjechische handen bracht.
Het is bekend, hoe zijn dood op den brandstapel te Constanz de
verschrikkelijke Hussietenoorlogen ontketende (1419–1435), die niet
alleen ontzaglijke geestelijke beroeringen in Europa verwekten, maar
ook in staatkundigen zin de verhouding tot het Duitsche rijk wijzigden.
Het overwicht der Hussietische wapenen veranderde Bohemen in een land,
waar evenals in Polen geen erfopvolging heerschte, maar de koning door
de standen gekozen werd. Men weet uit de geschiedenis, dat dit stelsel
de landen politiek ten ondergang doemde. Onderlinge verdeeldheid der
standen, zwakheid of tyrannie der gekozen vorsten leidden tot verval.
Na beurtelings een eigen Tsjechischen [160], Poolschen en Hongaarschen
vorst te hebben gehad, werd te onzaliger ure, 23 Oct. 1526, aartshertog
Ferdinand van Oostenrijk, de latere Keizer Ferdinand I tot koning
gekozen. Deze wist met groote taaiheid zijn troon te verdedigen en het
erfrecht aan het huis Habsburg te brengen, terwijl hij zijn macht op
soortgelijke wijze ook in Hongarije wist te vestigen. Zijn opvolgers
Maximiliaan (1564), Rudolf (1576) en Matthias (1611) waren gematigde
regeerders, die het bloeiende Bohemen als een parel aan hun kroon
wisten te waardeeren. Het cultureele overwicht der Tsjechische landen
op de aloude Habsburgsche landen (Opper- en Neder-Oostenrijk, Tirol
etc.) bracht Rudolf ertoe Praag tot zijn residentie te kiezen. In 1609
gaf hij zijn onderdanen den Majesteitsbrief, waarin binnen zekere
grenzen vrije uitoefening van godsdienst werd gewaarborgd.

Matthias stierf in 1619, doch liet reeds twee jaren te voren zijn
bigotten neef Ferdinand (later Ferdinand II) in Praag komen, een feit
van de allergrootste beteekenis, daar de door de Jezuïeten opgevoede,
fanatieke vorst met Philips den tweeden de meening deelde, dat het
beter was over een verwoest dan over een door ketters bewoond land te
regeeren.—Reeds in 1618 deed de regeering pogingen de
godsdienstvrijheid op te heffen; deze stieten bij het toen voor 7/8
Protestantsche Bohemen op den grootsten tegenstand, leidden tot verzet
van de zijde der standen, dat tot daden overging, toen de beide
koninklijke raadsheeren Martinitz en Slavata den 23 Mei van dat jaar
uit het venster van den koninklijken burcht te Praag werden geworpen.
Het drama van den dertigjarigen oorlog—de grootste ramp die ooit
Bohemen trof—was hiermee begonnen. De standen kozen na Matthias’ dood
in 1619 den Protestantschen keurvorst Frederik V van de Palts tot
koning. Toen echter de slag bij den Witten Berg ten gunste der
keizerlijke troepen was beslist, (8 Nov. 1620), nam Ferdinand de
sluwste maatregelen om zich te wreken en zijn macht voor goed te
vestigen; dertig der voornaamste geestelijke en intellectueele leiders
der Tsjechen werden 1621 voor het stadhuis te Praag onthoofd. Aan de
Jezuïeten gaf hij de opdracht, waarvan zij zich evengoed kweten als
later in Polen, een contra-reformatie tot stand te brengen. Een der
voornaamste uitvoerders was de onlangs heilig verklaarde Canisius.

Alle „rebellen” werden verbannen en hun goederen geconfisqueerd; de
constitutie werd opgeheven. Het resultaat was, dat Bohemen reeds in
1648 een zuiver katholiek land was geworden of liever scheen te zijn,
en de Boheemsche kroon het karakter eener absolute monarchie had
aangenomen; men vrage niet, tot welke offers. De bevolking, die in 1618
vier millioen bedroeg, telde nog slechts 800.000 inwoners. Een
Tsjechische adel bestond niet meer; het grootgrondbezit kwam in vreemde
handen, welvaart en cultuur waren vernietigd, het nationale Tsjechische
leven was gedurende twee eeuwen uitgedoofd. Het illustre koninkrijk
Bohemen was verlaagd tot een Habsburgsche provincie; zijn hoofdstad,
van haar glans beroofd, kwijnde voort in roemloos bestaan.



Tegen dezen historischen achtergrond en binnen de omlijsting zijner
Tsjechisch-Moravische Broeder-uniteit teekent zich de lichtende
verschijning af van Jan Amos Comenius. Toen de vruchten van de
overwinningen der Hussieten door onderlinge verdeeldheid schier te loor
gingen, verzamelden zich de verstrooide kudden der Taborieten of echte
Hussieten tot gemeenten, die zich met elkander vereenigden tot de
kerkgemeenschap der Broeder-uniteit. De aanwezigheid van elementen in
haar, welke buiten de leer van Hus vallen, is ten deele te danken aan
den invloed van Peter Chelčický, gedeeltelijk aan Waldenzische en
Anabaptische invloeden. Binnen onze landpalen komt het oude Mennonisme
haar het meest nabij. Haar het meest in het oog loopende trekken zijn:
een innig gevoel van broederlijke saamhoorigheid; een groote zedelijke
ernst, om de navolging van Christus in een heilige gemeente te
beoefenen. Dientengevolge een nauwgezette ijver om de jeugd door
onderwijs en opvoeding tot een levende kennis der christelijke waarheid
op te leiden; een bijzondere zorg voor de opleiding harer geestelijken
en onderwijzers en ten slotte een, niet uit lauwheid, maar uit
innerlijke vroomheid voortspruitende christelijke gezindheid, die er
zijn vreugd in vond den nadruk te leggen op het gemeenschappelijke en
niet op het scheidende element. Naast meer uiterlijke kenmerken, als
verbod van krijgsdienst, eedverbod, het versmaden van wereldlijke
ambten, het onderhouden eener zeer strenge kerkelijke tucht, geheel in
de lijn der mennonieten, stelde de uniteit het beginsel der vrijwillige
armoede ook op den voorgrond. Geen predikant mocht meer dan 200 thaler
bezitten. Geen wonder, dat Lasitius, de Poolsche geschiedschrijver der
uniteit, als Luthers oordeel, vermeldt: „Es sind von der Apostel Zeiten
her keine Leute aufgestanden, deren Gemeine denen apostolischen Lehren
und Gebräuchen näher gekommen, als die Böhmischen Brüder. Und wann
gleich diese Brüder uns in der Reinigkeit der Lehre nicht übertreffen
(indem alle Glaubensarticuln von uns lauter und rein aus dem Worte
Gottes gelehret werden) so übertreffen sie uns doch weit mit ihrer
ordentlichen Kirchenzucht, womit sie ihre Gemeinden im Seegen regieren,
und in diesem Stück lobwürdiger, als wir sind, welches wir ihnen um der
Ehre Gottes und um der Wahrheit willen eingestehen mussen, indem unser
Teutsches Volk unter das Joch der Kirchenzucht sich noch nicht beugen
will” [161].

Als zoon dezer gemeenschap werd Jan Amos Comenius den 28 Maart 1592 te
Uherský Brod in Zuid-Oost Moravië uit een aanzienlijke familie geboren,
die naar haar afkomst uit de plaats Komna den Tsjechischen naam
Komenský droeg. Hij werd door zijn ouders reeds vroeg onder het gehoor
gebracht van de ernstige prediking der Jednotaleeraren [162], waaraan
hij zich gewillig en gaarne onderwierp. In het jaar 1604 verloor hij
achtereenvolgens zijn vader en moeder en kwam als wees ten huize van
zijn tante in Stražnice, waarna hij van 1604–’05 de school der
broederen bezocht. Zijn ouders hadden hem niet onbemiddeld
achtergelaten; het was evenwel niet de bedoeling zijner voogden hem een
wetenschappelijke opvoeding te geven. Aangedreven door zijn
leergeerigheid wist hij in 1608 den weg te vinden naar de Latijnsche
(hoogere broederen)-school te Přerov, waar hij als leerling de
bijzondere gunst van den Bisschop der Jednota, Jan Lanecius, genoot.
Van hier ging het verder naar de West-Duitsche gereformeerde
Universiteit te Herborn in Nassau, waar hij het auditorium betrad van
den voortreffelijken exegeet Piscator en den encyclopaedist Alstedius.
Hoog ging de deining van het universitaire leven dier dagen; de geest
spitste er zich evenwel, in tegenstelling met onze dagen, minder op het
doorvorschen van een bijzonderen tak van wetenschap, dan wel op
uitbreiding van kennis in de wijde gebieden van het wetenswaardige.

Reeds hier begon hij het materiaal te verzamelen voor een groot
woordenboek der Tsjechische taal, een werk, dat hem vier en veertig
jaren zal bezighouden. Voor zijn landgenooten stelde hij er het
geschrift „Divadlo veškerenstva věci” [163] op, waarin hij hun een
beschrijving van de geheele wereld wilde geven en hun een hoeveelheid
kennis trachtte bij te brengen, die zij tot nu toe ontbeerden.

Van Herborn trok hij naar de Universiteit te Heidelberg, waarna hij
zijn studie voleindigde met een reis door Duitschland naar de lage
landen bij de Noordzee, waar zoo juist het fondament der geloofs- en
burgerlijke vrijheid zoo hecht gelegd was en wetenschappen en kunsten
opbloeiden. In 1614 bevindt Comenius zich te Amsterdam en keert van
daar naar Praag terug.

Reeds nu werden in het vaderland de oogen vol verwachting op hem
geslagen; Karel van Žerotin, aan wien hij het „Labyrint” heeft
opgedragen, vertrouwt hem de leiding van het gymnasium te Přerov toe,
waar hij reeds dadelijk begon na te denken over en experimenteerde met
een betere methode om het Latijn te leeren, voor zoover zijn taak—hij
werd in 1616 ook als geestelijk ambtsdrager geordend—hem den tijd liet.
In 1618 volgde daarop de benoeming tot predikant en rector der beroemde
broederenschool in Fulnek (Noord-Moravië) en in hetzelfde jaar huwde
hij de dochter van vermogende ouders eener moravische familie uit
Zábřeh. Het is hier in het begin, en later te Amsterdam aan het eind
van zijn zwerversloopbaan, dat hij de rustigste jaren van zijn leven
geniet. In zijn nieuwe woonplaats ijverde hij met kracht voor de hem
toe vertrouwde kudde, vooral ook voor de opvoeding en het onderwijs der
kinderen, maar hij vergat evenmin zich zelf verder te ontwikkelen. Het
is in dezen tijd vooral de theologische literatuur van den Duitschen
professor Johannes Valentinus Andraeae, die door haar leerrijken en
opbouwenden inhoud een machtigen invloed op hem uitoefent. Diens
tweetal werken „Peregrini in patria errores”, een schildering van de
zwerftochten eens menschen te midden der moeilijkheden van het leven en
de „Civis christianus”, een beschrijving van den terugkeer des
dwalenden pelgrims maakten een sterken indruk op hem; hun groote
invloed op het ontstaan van het „Labyrint” valt niet te miskennen.

Reeds heb ik geschetst, hoe de storm van den dertigjarigen oorlog thans
nader kwam. Comenius woonde in Fulnek op het landgoed van een
Protestantsch edelman, Jan Skrbensky, en moest voor de Spaansche
soldaten, die Fulnek bezetten en hem met den dood dreigden, de vlucht
nemen. Huis en have gingen daarbij in de vlammen op en de pest, die het
leger op den voet volgde, ontroofde hem in 1622 zijn vrouw en beide
kinderen. Comenius vond een schuilplaats op de goederen van Karel van
Žerotin, die zich geheel buiten den opstand gehouden had en in dezen
tijd vier en twintig geestelijken een schuilplaats verleende en
onderhield. Eenige jaren genoot hij hier bescherming en vervaardigde
voor zijn volk een aantal roerende troostschriften, gebaseerd op de
Heilige Schrift. Zoo ontstonden zijne geschriften: „Přemyšlování o
dokonalosti Křesťanské” [164]; „Hlubina bezpečnosti” [165], beide in
1622; verder „O sirobě” [166], waarin hij den toestand van verlatenheid
beschrijft, waartoe hij zelf met anderen vervallen is, en de middelen
zoekt om zich in dezen verweesden staat met gelatenheid te schikken.

Het best evenwel wordt zijn gemoedsstemming in die dagen geteekend in
het tractaat: „Truchlivý”, d.i. de droevige en benauwde weeklacht van
een christen over het ongeluk van zijn vaderland en de ellende der
kerk. Hij vertelt daarin, hoe hij dikwijls ’s nachts van angst niet kon
slapen en bij God den troost vond, die verstandelijke argumenten hem te
voren niet konden verschaffen. Deze tractaten leveren het bewijs van
den adel des gemoeds van dezen waren christen, daar de diepe klaagtoon,
zonder bitterheid, van vrede en mannelijke berusting getuigt. De
rampen, die de gemeente overkomen, wijst Comenius aan als de middelen
tot zelfbeproeving en herstel, de ellende die voorbijgaat, als den
ingang tot het onaantastbare paradijs des harten, dat in God als het
onbewegelijke rustpunt de diepte der zekerheid gevonden heeft.

Comenius bereikte in het eind van 1622 de hem door van Žerotin
verleende schuilplaats te Brandys in Bohemen. Het smalle, ronde dal,
waarin dit stadje ligt, zinkt in de diepte weg tusschen de omringende
hooge dennenwouden. De snelvlietende, donkere Orlice scheidt de stad
van den hoogen heuvel Klopota. Het ronde marktplein en het thans tot
een ruïne vervallen slot der van Žerotins herinneren, van den heuvel
gezien, aan het marktplein der wereld en het slot van Fortuna. Daar,
aan gene zijde der rivier onder dien hoogen heuvel, kon Comenius zich
rustig aan de overdenking wijden van zijn korten, doch reeds zeer
wisselvalligen levensloop, van den droevigen toestand van staat en
kerk, die hem niet weinig beklemde. Gesterkt door den inhoud van
Andraeae’s geschriften begon hij de ijdelheid en onbestendigheid der
menschelijke zaken te doorzien; hoe het hart des menschen onrustig is,
tot het rust vindt in God. En zoo was dan zoowel de juiste atmosfeer
als het juiste milieu geschapen, waarin het Labyrint der wereld door
zijn hand kon worden geschreven.




III.

Het „Labyrint světa a ráj srdce” is zonder twijfel het schoonste
troostschrift, dat Comenius vervaardigde. De inhoud is echter in
tegenstelling met dien der genoemde rij geschriften van dezen homo
vocatione theologus niet uitsluitend religieus. De eerste 35
hoofdstukken bevatten een satirische reisbeschrijving van een pelgrim
door de wereld, die in al haar zonde en voosheid wordt geschetst. Het
bedrog der kooplieden, de dwaasheid en wreedheid van het
onderwijswezen, het odium der geleerden, de lediggang en de trots der
rijken, de ongenaakbaarheid der vorsten en de wankelbaarheid hunner
tronen worden op satiriek-levendige wijze vol fijnen humor beschreven.
De Ariadnedraad der Goddelijke Wijsheid leidt den tot wanhoop
gebrachten pelgrim in het paradijs des harten met het opschrift: „bemin
God boven alles en uwen naaste als u zelf.” De thans overleden Ernest
Denis [167], uitnemend kenner der Tsjechische geschiedenis en
literatuur, schrijft over dit boek als volgt: „Er bestaat geen enkel
werk, waarin beter uitkomt, hoe de Tsjechische volksziel gevormd werd,
eenerzijds door de geschiedenis van het land, ter andere zijde door het
innerlijke conflict, dat haar verdeeld houdt tusschen het Westen, dat
haar zijn cultuur schonk, en het Oosten, waartoe zij zich als haar
bakermat aangetrokken voelt en waarheen de eisch harer nationale
zelfstandigheid haar verwijst. De bekoring van deze mystieke allegorie
schuilt in den ongekunstelden eenvoud en de oneindige teederheid van
den schrijver. Comenius weet, hoever wij verwijderd zijn van de
volmaaktheid, die zijn ideaal is en die hij verwacht; in het
doorschouwen zijner medemenschen is hij niet te misleiden, doch zijn
satire wordt verzacht door medelijden en hij veroordeelt de bescheiden
vreugden niet, waarvan hij de broosheid kende. Zijn allegorie is op
eigen herinnering gegrond!” De waarheid van Denis’ bewering, dat het
„Labyrint” invloed uitoefende op de moderne Russische schrijvers, die
denzelfden zin voor psychologische ontleding en het waarnemen der
kleinste gegevens bij den mensch bezitten en daaraan een innig gevoel
van medelijden met zijn ellende verbinden, durven wij niet staven; deze
overeenkomst kan zeer goed berusten op beider afstamming van het
Slavische ras.

Men kan zonder overdrijving beweren, dat de conceptie van de wereld als
een stad en van den mensch als een pelgrim, die haar doorreist, reeds
eeuwen oud is. Campanella’s Zonnestad en Moore’s Utopia schetsen den
door hen gedachten toestand, geven een beeld van het leven, zooals hun
verbeeldingskracht hun dat voorteekent, doch hun gelukstaat blijft een
wereldsch paradijs, vergeleken met den lusthof des harten van Comenius.
Het is duidelijk, dat de vergelijking van Comenius met dergelijke
utopisten, waaraan de Tsjechische schrijvers veel waarde hechten, mank
gaat. Comenius achtte het niet noodig aan de beschrijving van de
samenleving der ware christenen meer dan een paar bladzijden te
besteden: het zijn de door hem onthulde schatten des harten, die boven
de gemeenschap uitgaan! Met minstens evenveel recht zou men de
verwantschap mogen verdedigen met „de civitate Dei” van Augustinus
[168]. Een directe invloed ging uit van de reeds genoemde werken van
Andraeae; de boutade der Rozenkruisers in hoofdstuk 13 is zelfs voor
een groot deel een copie uit Andraeae’s [169] geschriften. De grootste
overeenkomst biedt echter Bunyan’s werk, „the Pilgrim’s Progress”, dat
Comenius niet meer gekend heeft. Dit is een allegorische schildering
van de beproevingen, die de christen in het leven moet ondergaan en de
verzoekingen, waartegen hij te strijden heeft; het ontstond in de jaren
1678–’84, toen de levensdagen van Comenius reeds geteld waren. In beide
boeken zwerft een pelgrim begeleid door gidsen door de booze wereld; in
beide verleent Gods genade ten slotte den eenigen troost en het eenige
geluk. In de „Christenreize” treft men eveneens een komische
beschrijving van een rechtsgeding aan; zoo is er meer overeenkomst in
details, die evenwel door veel grootere contrasten in de schaduw
gesteld worden. De beide schrijvers verschilden daartoe te veel zoowel
in karakter als in levensomstandigheden. Bunyan kende uitsluitend de
leerstukken van zijn religieuze gemeenschap en het leven der lagere
klassen in Engeland; Comenius kon met recht zeggen, dat hij alle rangen
en klassen der maatschappij kende en niet minder was zijn
encyclopaedische geest georiënteerd in de nieuwste theologische en
philosophische theorieën en strijdvragen dier dagen. Daar in Bunyan’s
tijd nog geen Engelsche vertaling van het „Labyrint” bestond en het
moeilijke Tsjechisch den inhoud voor West-Europa ontoegankelijk maakte,
staat ook de oorspronkelijkheid van Bunyan’s boek volkomen vast.

Bij het doorlezen van het „Labyrint” treft het ons, dat Comenius geen
stand of staat der landbouwers beschrijft. Wellicht is de sympathie,
die alle Slavische schrijvers van Chelčický tot Tolstoi toe den boeren
steeds hebben toegedragen, ook hier de oorzaak, dat zij niet gehekeld
worden. Inderdaad, daar waar zij even verschijnen, zooals in hoofdstuk
32, toont Comenius medelijden met hun verdrukking door de landheeren.
Wat den huwelijksstaat betreft, verdient het opmerking, dat Comenius
zijn ironie logenstrafte door in 1624 voor de tweede maal te huwen
[170]. In de straat der geestelijken staat hij slechts kort stil bij de
Joden en de Mohammedanen, om een uitvoeriger hoofdstuk (18) te wijden
aan het Christelijk geloof. De ruimhartigheid, waarmee hij
geloofsovertuigingen, die van de zijne afwijken, tegemoet treedt,
springt even duidelijk in het oog als zijn ongeveinsde sympathie voor
de ware christenen. Zijn persiflage op bisschoppen, die het woord Gods
in de eene hand houden en het zwaard in de andere, zullen heden ten
dage voor geen enkele kerk meer krenkend zijn; zijn conceptie der
christenheid als een kathedraal met talrijke zijkapellen voor de
verschillende christelijke secten is een der schoonste allegorieën in
het boek. Hoewel talrijke door Comenius in verschillende standen
gebrandmerkte misbruiken thans niet meer zullen voorkomen, bevat het
Labyrint toch klachten en grieven, die nimmer zullen verstommen,
zoolang de wereld in stand blijft. Comenius heeft psychologisch scherp
de feiten gezien, die aan verschillende zaken inhaerent schijnen te
zijn: het onbesuisde en roekelooze der fortuinzoekers, het brute van
den militairistischen geest; het ontoereikende der rechtspraak, het
schadelijke uitstel der rechtspleging, de pedanterie en vlak er naast
de lichtgeloovigheid der geleerden, waartoe hij zelf behoorde.

Het paradijs des harten vangt aan met hoofdstuk 37. Christus maakt
woning in des pelgrims hart, deelt hem mede, dat hij tot zijn
uitverkorenen behoort en geeft hem voorschriften voor zijn levenswandel
gedurende den tijd, die hem hier beneden nog resten zal. Nog op aarde
aanschouwt de pelgrim in een visioen den hemel en ziet God op een troon
van edelsteen, omgeven door scharen van engelen. Daarna valt hij op
zijn knieën en dankt God in het gebed, waarmee het boek besluit. In
deze uitstorting van vurige, gewijde liefde voert Comenius ons op de
hoogste bergtoppen der mystiek. Geen wonder, dat Ezechiël en de
Openbaringen zijn geliefde bijbelboeken waren! Altijd zich rekenschap
gevend van de functies zijner zintuigen, waarmede hij immers de
eigenschappen der realia waarnam, transponeert hij deze tot den dienst
zijner mystieke adoratie en hoort, ruikt en ziet slechts wonderdaden
Gods! Het quietistisch accent in deze mystiek is opmerkelijk, omdat het
echte quietisme van Madame Guyon een twintigtal jaren na Comenius’ dood
het toppunt van zijn bloei bereikte. Het spreekt echter van zelf, dat
er nog een groot verschil blijft tusschen beider mystiek.

Hoewel de stijl van het boek, die aan den Bijbel en aan Seneca
herinnert, dikwijls zeer ingewikkeld is, werd het om zijn
voortreffelijke schildering der cultuur aan het begin van den
dertigjarigen oorlog als document humain van een zwaar beproefde ziel
spoedig populair. Het innig Godsvertrouwen, dat overal doorstraalt,
sterkte menigen broeder, die het doornige pad der ballingschap
bewandelde. Uit de volgende twee strophen van een volksliedje uit dien
tijd, dat door een naar Slowakije gevluchten broeder gedicht is, blijkt
de troost, dien het boek den vervolgden gaf:


    Nevzali jsme s sebou           Wij namen niets mede,
    nic, po všem veta,             nadat alles verloren was,
    jen bibli Králickou,           slechts de Kralitser Bijbel
    Labyrint světa.                en het „Labyrint der wereld”.
                               
    Tatry, vy přijmete             Berg Tatra, neem ons op
    nás v té ouzkosti,             in onze benauwdheid,
    u vás chceme žíti,             bij U willen we leven
    i složit kosti.                en onze beenderen doen rusten.


De eerste Tsjechische uitgave van het Labyrint verscheen in 1631,
waarschijnlijk te Lissa. In zijn laatste wijkplaats, te Amsterdam,
laschte Comenius in 1663 eenige nieuwe hoofdstukken bij den tweeden
aldaar uitgegeven druk in: het verhaal van den schipbreuk en de
hoofdstukken 31–35, die handelen over de koningin der Wijsheid. Uit
deze nieuwe hoofdstukken van den grijsaard Comenius blijkt, dat deze
niets van de frischheid zijner jonge jaren heeft ingeboet. De daarop
volgende Duitsche edities verschenen in 1757 en 1787 te Berlijn en
nieuwe Tsjechische edities kwamen in 1782 en 1809 te Praag uit, na het
in werking treden van het Tolerantiepatent (1781). Te voren had het
Labyrint in Oostenrijk op een lijst van gevaarlijke en verboden boeken
gestaan, die in 1749 te Königgrätz uitgegeven werd.

Deze laatste editie (van 1809) verscheen wel met approbatie van den
censor, die toen besliste, welke boeken in Oostenrijk mochten worden
gedrukt, maar werd in 1820 verboden en bleef op den index gedurende de
geheele reactionnaire periode van Metternich tot aan het jaar der
troonsbestijging van Franz Jozef (1848) toe. Wel is waar was deze
maatregel geheel in overeenstemming met het feit, dat de akatholiken
[171] in het begin der 19de eeuw daar niet veel meer dan geduld werden;
daar evenwel de geleerde Tsjechische Jezuïet Balbinus geen aanstoot aan
het werk had genomen, is deze strenge censuur ook te beschouwen uit het
oogpunt der onderdrukking van de opbloeiende Tsjechische nationaliteit.
Na 1848 werd het boek herhaaldelijk en in steeds vlugger tempo in
Bohemen herdrukt en in het begin dezer eeuw in verschillende moderne
talen overgezet.

Onze vertaling is niet de eerste Nederlandsche uitgave. In 1788
verscheen bij Isaac Du Mee en zonen te ’s-Gravenhage, „Wijsgeerige en
heekelende Reizen door de geheele wereld en door alle de standen der
menschelijke bedrijven door Z. A. Comenius, bisschop der Protestantsche
Boheemsche en Moravische gemeenten”. Het boek is door den anonymen
vertaler vrij bewerkt naar de slechte Duitsche uitgave van 1787, die
het origineel reeds geweld aandoet door eigenmachtige verkortingen van
den tekst en toevoegingen, die den tijdgeest in ’t gevlei komen. De
Nederlandsche uitgave is hiervan weder eene verwaterde editie. Ik heb
mij ten taak gesteld, zoo nauwkeurig en getrouw als mij mogelijk was,
de woorden en gedachten van Comenius in het Nederlandsch over te
brengen en zonder in al te lange en gedwongen zinnen te vervallen den
stroom van zijn gedachten in een gelijksoortige bedding te leiden,
m.a.w. den schrijftrant van C. zooveel mogelijk te behouden. Hoewel
talrijke versieringen o.a. alliteraties in den tekst voorkomen, is de
taal niet rhytmisch, hetgeen de vertaling, vergeleken bij de
„Imitatie”, vergemakkelijkt.

Comenius kon slechts tot 1624 de gastvrijheid van zijn beschermer
genieten, wijl in dat jaar alle niet-katholieke geestelijken uit
Bohemen werden verbannen; zoo brak voor hem, die zijn kudde niet
verlaten wou, opnieuw een zwerversleven vol gevaren aan, dat hij
onderbrak door een reis naar het buitenland, die zich tot den Haag
uitstrekte, om de vestiging der Broederen in het buitenland voor te
bereiden. Kort voor 1627, toen bij keizerlijk edict alle Protestanten,
hoog of laag, uit het land verbannen werden, hield hij zich te Branna
aan de boven-Elbe schuil op het slot van den edelman Sadovský van
Sloupna, in wiens bibliotheek hij kennis maakte met een didactisch werk
van Elias Bodinus. Hier wordt het hem op eenmaal ingegeven zijn reeds
vroeger gerijpte onderwijsideeën tot een nationaal-religieus doel te
verwerkelijken. „Bij het zoo groote verval,” schrijft hij, „van kerken
en scholen in het vaderland, hetwelk wij met onze oogen aanzagen,
overviel ons de smart daarover, doch—waarom zou ik het
verhelen—ontvonkte ook de hoop, dat eenmaal de barmhartigheid Gods tot
ons zal wederkeeren. Deze wakkerde ons aan ons ijverig te bekommeren om
het herstel, en daarbij heb ik geen andere gedachten gehad, dan dat
wij, indien God met zijn oog van barmhartigheid op ons wil nederzien,
vooral de vaderlandsche jeugd moeten te hulp komen en wel door het
spoedig oprichten van scholen, welke met goede leerboeken en een
heldere methode zijn toegerust, zoodat de liefde voor wetenschap,
zedelijkheid en godsvrucht weder begint te bloeien.” Ziehier het begin
van zijn ontwikkeling tot reformator van het onderwijs; een jonge
pastor, die, terwijl zijn volk door dragonnades gemarteld werd, zich
met onuitroeibaar optimisme over het kind heenbuigt als de hope van een
gelukkiger geslacht!

Tengevolge van het edict van 1627, verlieten 30.000 Tsjechische
families, waaronder 500 adellijke geslachten het land. Terwijl de
Tsjechische Lutheranen en Gereformeerden zich in verschillende landen
onder de gelijknamige belijders verstrooiden, sloegen de Broeders
slechts twee wegen in, den een naar Hongarije, den anderen naar Polen.
Polen bezat van ouds een door de Broeders gesticht dochterkerk en even
over de Silezische grens, te Lissa in de provincie Posen, werd hun door
graaf Leszcynski een gulle ontvangst bereid. Lissa werd weldra het
belangrijke Broedercentrum met vier kerken en een gymnasium. Hier komt
Comenius na een roerend afscheid van zijn vaderland den 8 Febr. 1628
aan; hier begint van jaar tot jaar zijn beteekenis en roem als
paedagoog en pansooph te stijgen. Zweden, Engeland en Frankrijk zullen
hem als om strijd aanbieden, de hervorming hunner scholen ter hand te
nemen.

Het ligt buiten het bestek van dit naschrift Comenius door het labyrint
zijner zwerftochten in Europa te volgen [172], tot hij in den herfst
van het jaar 1656 door Laurens de Geer gastvrij werd opgenomen in het
huis met de hoofden op de Keizersgracht te Amsterdam. Eenige maanden te
voren had hij voor de tweede maal door de verbranding der stad Lissa
door de Polen, zijn have en goed en het grootste deel van zijn
handschriften verloren. In Amsterdam bracht hij de rustigste en zeker
de meest onbezorgde jaren van zijn leven door. Hij ontsliep aldaar den
22 Nov. 1670, als laatste bisschop der Tsjechische broedergemeente en
werd in de Waalsche kerk te Naarden begraven. Laat ik eindigen met de
nabetrachting van zijn leven, die Comenius twee jaren voor het einde
van zijn aardschen pelgrimstocht in zijn Unum necessarium neerschreef:
„Ik dank mijn God, dat hij mij mijn gansche leven lang een man van
smachtend verlangen liet zijn. Ofschoon Hij toeliet, dat ik daardoor in
menig labyrint verdwaald raakte, heeft hij mij toch geholpen, zoodat ik
mij aan de meeste labyrinten ontworstelde; nu voert Hij mijzelf aan
Zijne hand naar het uitzicht op de zalige rust.... Gods goedheid zij
gedankt, wanneer Hij ons door de dwaalwegen onzer eigen labyrinten met
de geheime Ariadnedraden zijner wijsheid toch eindelijk tot zich trekt,
tot de bronader van al het goede.... Wat zal ik nu doen, nadat ik mij
mijn leven lang op zooveel dwaalwegen met zooveel vergeefschen arbeid
heb ingespannen? Ik wil God de beslissing overlaten over leven en dood,
over arbeid en rust; met gesloten oog wil ik volgen, waarheen hij mij
leidt. Ootmoedig en in geloovig vertrouwen wil ik met David bidden:
Leid mij door uwen raad en neem mij eindelijk in heerlijkheid op!”
[173].

                                                 Amsterdam, Sept. 1925.

    R. A. B. OOSTERHUIS.








INHOUD.


                                                                 Bladz.
        Opdracht                                                     5.
        Aan den lezer                                                7.

        Het Labyrint der wereld                                     12.

Hoofdstuk.

 1.     De beweegredenen van mijn pelgrimstocht door de wereld      12.
 2.     De pelgrim verkrijgt Overalbij als Gids                     13.
 3.     De Verblinding sluit zich aan                               16.
 4.     De pelgrim ontvangt een toom en een bril                    19.
 5.     De pelgrim ziet van een hoogte op de wereld neer            21.
 6.     Het lot verdeelt de beroepen                                26.
 7.     De pelgrim beschouwt het marktplein der wereld              28.
 8.     De pelgrim onderzoekt den echtelijken stand                 41.
 9.     De pelgrim onderzoekt den handwerksstand                    53.
10.     De pelgrim beschouwt den stand der geleerden, voorloopig 
        in het algemeen                                             70.
11.     De pelgrim onder de philosofen                              88.
12.     De pelgrim beschouwt de alchymisten                        110.
13.     De pelgrim beschouwt de Rozenkruisers                      115.
14.     De pelgrim onder de geneesheeren                           123.
15.     De pelgrim bij de rechtsgeleerden                          125.
16.     De pelgrim is getuige van de promotie van meesters en 
        doctoren                                                   128.
17.     De pelgrim leert den stand der geestelijken kennen         131.
18.     De pelgrim beschouwt den christelijken godsdienst          136.
19.     De pelgrim beschouwt den stand der overheden               154.
20.     De soldatenstand                                           168.
21.     De ridderstand                                             174.
22.     De pelgrim bevindt zich onder de schrijvers van 
        nieuwsbladen                                               178.
23.     De pelgrim beschouwt het slot van Fortuna en vooraf den 
        toegang daartoe                                            182.
24.     Het leven der rijken                                       186.
25.     Het leven der genotzuchtigen                               190.
26.     Het leven van de grooten der wereld                        198.
27.     Het leven der beroemde mannen                              201.
28.     De pelgrim is ontmoedigd en begint met zijn gidsen 
        te twisten                                                 207.
29.     De pelgrim beschouwt het paleis der Wijsheid, de 
        koningin der wereld                                        211.
30.     De pelgrim wordt door zijne gidsen in het paleis der 
        Wijsheid aangeklaagd                                       213.
31.     Salomo verschijnt met een groot gevolg in het paleis 
        der Wijsheid                                               219.
32.     De pelgrim slaat een blik in de geheime oordeelen en 
        in het bestuur der wereld                                  221.
33.     Salomo onthult de ijdelheden en het bedrog der wereld      239.
34.     Salomo wordt bedrogen en misleid                           242.
35.     Salomo’s gevolg wordt uiteengedreven, gevangen genomen 
        en onder vreeselijke martelingen ter dood gebracht         245.
36.     De pelgrim wenscht de wereld te ontvlieden                 248.


Het Paradijs des harten

37.     De pelgrim komt thuis                                      252.
38.     De pelgrim ontvangt Christus als zijn gast                 255.
39.     De pelgrim verlooft zich met Hem                           257.
40.     De pelgrim is als omgekeerd                                267.
41.     De pelgrim wordt in de onzichtbare kerk opgenomen          268.
42.     Het inwendige licht der christenen                         273.
43.     De wijsheid der aan God gewijde harten                     279.
44.     De innerlijke wet der christenen                           282.
45.     Alles is licht en gemakkelijk voor harten, die Gode 
        gewijd zijn                                                289.
46.     De heiligen hebben overvloed van alles                     293.
47.     De veiligheid dergenen, die Gode zijn toegewijd            295.
48.     De vromen genieten een volkomen vrede                      299.
49.     Het hart der vromen is bestendig met vreugde vervuld       307.
50.     De pelgrim beschouwt de christenen in verband met hun 
        standen                                                    309.
51.     De dood der ware christenen                                314.
52.     De pelgrim aanschouwt de heerlijkheid Gods                 315.
53.     De pelgrim wordt onder de huisgenooten Gods opgenomen      317.
54.     Het besluit van alles                                      319.

        Naschrift                                                  323.
        Inhoudsopgave                                              348.








AANTEEKENINGEN


[1] Treed aan het licht, doch zonder den strengen Cato te vreezen,
      Boekje, gewend door des doolhofs slingerpaden te gaan,
    Als gij uw weg doorloopt, vlug geschoeid, spreek dan tot den lezer:
      Let op het Hoogste Goed, leer dit alleen slechts van mij.

[2] Colsinius was een Tsjechisch philoloog, die in het jaar 1627 uit
Bohemen naar Lissa vluchtte en daar met Comenius bevriend was.

[3] In het Tsjechisch: „zemsky hejtman”, door den keizer aangesteld en
belast met het presidium van den Landdag in Moravië.

[4] Deze opdracht is in het Latijn geschreven.

[5] De statenvertaling luidt: ... „is het einde van de zaak.”

[6] De taal van het Labyrint is noch rythmisch, noch in versmaat
geschreven. De overeenkomst van het Labyrint met een dichtwerk ligt
volgens C. in de scheppende verbeelding, die aan beide ten grondslag
ligt.

[7] Letterlijk „in idea” geschreven.

[8] Is dezelfde als Overalbij, zie hoofdstuk II, 3.

[9] Každý svou piseň bude: een Tsjechisch spreekwoord.

[10] Comenius denkt hierbij aan de cothurnen bij de Grieken, d.z. de
hooge schoenen der tooneelspelers.

[11] Ieder is zelf de bewerker van zijn dood.

[12] Afval van vlas of hennep, ook werk genaamd. Comenius maakt hier
gebruik van een Tsjechisch spreekwoord.

[13] Comenius bedoelt hiermee, dat hij twee kinderen had en zijn
familie dus een viertal (man, vrouw en kinderen) uitmaakte, die
aaneengekluisterd waren.

[14] Comenius heeft hier de episode uit zijn leven op het oog, die zich
te Fulnek in 1622 afspeelde, toen hij zijn vrouw en beide kinderen aan
de pest verloor.

[15] D.z. de zeilen.

[16] Letterlijk vertaald: uiteenvloeien.

[17] Blik wordt van verschillende metalen vervaardigd; hier wordt,
zooals uit de uitdrukking „huid van ijzer” is af te leiden, blik
bedoeld, dat van ijzer is bereid.

[18] Niet ieder valt het ten deel in Corinthe te komen, m.a.w. niet
ieder valt het hoogste ten deel.

[19] Letterlijk: niet alle hout deugt tot het vervaardigen van een
fraai meubelstuk.

[20] Een kunstmatig verworven geheugen.

[21] Comenius heeft hier de z.g. depositis scholastica op het oog, een
lichamelijke kwelling der novieten in de 17e eeuw, door oudere
studenten, waarvan de groentijd een overblijfsel is.

[22] Magistri. De titels, meester en doctor, werden aanvankelijk als
identiek beschouwd; in de 16e eeuw werd de meestertitel toegewezen aan
de philosophische faculteit en de doctorstitel aan de overige
faculteiten.

[23] Vocabularium = woordenlijst in alfabetische volgorde; dictionarium
= woordenlijst met zinnen; lexicon = een door het opnemen van
bijzondere en verouderde uitdrukkingen vermeerderd dictionarium;
Promptuarium = boek, waarin een tak van wetenschap overzichtelijk
voorgesteld wordt zoodat bepaalde onderdeden met behulp van een
register gemakkelijk te vinden zijn; Florilegium = bloemlezing; Loci
communes = eig. gemeenplaatsen, hier zijn bedoeld grondbegrippen;
Postille = preekenboek voor huiselijke godsdienstoefeningen;
Concordantie = de in alfabetische volgorde gebrachte verzameling van
alle woorden uit den Bijbel; Herbarium = een systematische verzameling
gedroogde planten.

[24] behulpsels voor het geheugen.

[25] boeken.

[26] Zinspeling op den brand te Fulnek, waar C. zijn bibliotheek
verloor.

[27] De theriak is een uit een groot aantal stoffen (soms wel honderd)
bereid wondermiddel, waarvan de samenstelling meestal geheim was.

[28] Een anagram wordt gevormd door verplaatsing der letters van een of
meer woorden, om daardoor een nieuw woord of een nieuwen zin te vormen.

[29] Hier in den zin van hooge beschermers of bewonderaars van kunsten
en wetenschappen.

[30] Confecten zijn praeparaten uit de oude apotheek der 17e eeuw, met
suiker, amandelen, kaneel, anijs etc. overtrokken, die men verkreeg
door deze boven een windoven in een ketel met stroopsuiker flink te
schudden.

[31] Aangaande de hier genoemde namen, vindt men in elke goede
encyclopaedie het noodige meegedeeld; over de Rozenkruisers, zie pag.
115; philosophasters zijn valsche philosofen.

[32] De Culice: „de mug”, wordt aan Virgilius toegeschreven. De
Passere: „de musch” is van Catullus; de Lesbia: „aan Lesbia”, een
minnedicht van Catullus; de Priapo: „aan Priapus”, een Griekschen god,
die de vruchtbaarheid in de natuur en den zinnelijken lust zinnebeeldig
voorstelt; de arte amandi: „de kunst van te minnen”, van Ovidius;
Metamorphoses: „gedaanteverwisselingen”, eveneens van Ovidius,
behandelt den overgang van menschen in dieren, boomen en bloemen;
Encomia: „lofzangen”; Satyrae: „spotdichten”.

[33] Brilleglazen.

[34] Grondbegrippen, met behulp waarvan men dieper in het wezen eener
zaak kan doordringen.

[35] Een deegachtige zalf, in vroeger eeuwen voornamelijk als oogzalf
gebruikt.

[36] Natuurkunde.

[37] Wiskunde.

[38] Het eenig ware goed.

[39] Petrus Ramus, een Fransch humanist der XVIe eeuw, bestreed de
scholastiek.

[40] De zuivere grond der dingen.

[41] P. Ramus.

[42] In het Tsjechisch hlavu artium = het hoofd der kunsten, die der
metaphysica, die in de middeleeuwen het hoogtepunt van alle philosophie
was.

[43] Regenbak.

[44] In de origineele uitgave „groschen” d.i. een Duitsche munt met een
waarde van ± zes centen.

[45] Beroemd Grieksch wiskundige, die omstreeks 300 v. Chr. in
Alexandrië de wiskunde onderwees.

[46] Regula trium, regel van drieën, het berekenen eener onbekende
grootheid uit drie bekende grootheden.

Regula societates, gezelschapsrekening, een methode om eene bepaalde
grootheid in bepaalde verhoudingen te verdeelen.

Regula Allegationis, het berekenen van de onbekende grootheid uit
sommen, waarin gegevens van verschillende kwantiteit en kwaliteit
voorkomen.

Regula Falsi, een rekenmethode, waarbij men in een som voor de
onbekende grootheid een bepaalde waarde veronderstelt, het resultaat
daarvan met de gegevens der som vergelijkt en op grond dezer
vergelijking een nauwkeuriger waarde voor de onbekende grootheid
verkrijgt.

[47] Van het Italiaansche woord „Cosa,” dat in de 16e eeuw de onbekende
grootheid beteekende.

[48] Wie geen meetkundige is, trede niet binnen.

[49] De voornaamste strijdvraag der meetkundigen liep over de
kwadratuur van den cirkel. Men weet thans, dat het vraagstuk der
cirkel-kwadratuur onoplosbaar is; doch Scaliger, de beroemde Leidsche
philoloog, meende de oplossing gevonden te hebben en geraakte daarover
in twist met Clavius, een wiskundige uit Bamberg.

[50] Landmeters.

[51] Afwijking van den regel in den loop der hemellichamen.

[52] Copernicus in zijn zonnestelsel.

[53] Sterrenwichelaars.

[54] Aspecten zijn de hoofdstellingen van zon, maan en planeten ten
opzichte van elkaar in den dierenriem; daarbij wordt aangenomen, dat
eenige planeten zooals Jupiter en Venus een gunstigen, andere, zooals
Mars en Saturnus een ongunstigen invloed uitoefenen. De Conjunctie, een
bepaald soort aspect, beteekent het zichtbaar zijn van twee planeten of
van een planeet en de zon of van de maan in dezelfde richting; terwijl
de oppositie den toestand aanduidt, waarbij een planeet door de aarde
van de zon gescheiden is.

[55] Voor het opstellen der nativiteit bepaalde de astroloog eerst de
horoscoop, d.w.z. hij stelt in de elliptische baan, welke de zon in den
loop van één jaar tusschen de sterren aan den hemel beschrijft, het
punt vast, waar deze zich op het oogenblik der geboorte bevindt.—Daarna
gaat hij de constellatie na, d.i. het teeken van den dierenriem, waarin
zich juist de horoscoop bevindt en de wijze, waarop de aspecten hem
beïnvloeden.—Prognostica zijn voorspellingen.

[56] Geschiedkundigen.

[57] De eerste vijf beteekenen: dapperheid, matigheid, gerechtigheid,
eendracht, heerschappij; de laatste vijf (superbia etc.), hoogmoed,
zwelgerij, willekeur, tweedracht, gewelddadigheid.

[58] De steen der wijzen.

[59] Calcineeren: het gloeien van metalen, waardoor de vluchtige
stoffen worden uitgedreven; fixeeren: het concentreeren der metalen.

[60] kwikzilver.

[61] Bericht over de broederschap in 1612 in het Latijn en Duitsch
uitgegeven. De Rozenkruisers vormden een geheime secte in de 17e eeuw,
welke de verbetering van staatkundige en kerkelijke toestanden in den
geest der broederschap voorstond en de algemeene welvaart der
menschheid tevens in het oog vatte.

[62] Volgens Comenius, de stichter der Rozenkruisers.

[63] Overste.

[64] Comenius laat in het midden of een geestelijke (het
waarschijnlijkst) dan wel een gewelddadige hervorming bedoeld is.

[65] Verschillende oordeelvellingen over het boek: Fama fraternitatis.

[66] cf. Andreas Libavius: examen philos. nov.

[67] Zij, die moeite doen om in de Broederschap te worden opgenomen.

[68] Door welsprekendheid, poëzie en vrije kunsten.

[69] Vervolg van de: „Fama fratern. ros.”.

[70] De beteekenis dezer woorden is achtereenvolgens: de poort der
wijsheid; de rots der wetenschap; oefenplaats der geheele wetenschap;
handleiding van den macrocosmus (de wereld als menschelijk organisme
gedacht) en den microcosmus (den mensch als een wereld in het klein
gedacht); de overeenstemming van beide werelden (macrocosmus en
microcosmus); handleiding der christelijke caballistiek (de
caballistiek is de joodsche, mystieke godsdienstphilosophie der
middeleeuwen); de grot der natuur; handleiding der goddelijke magie;
handleiding der Drievuldigheidsleer; pyramide der overwinning.

[71] Eind der „Fama fraternitatis.”

[72] Ontleedkunde.

[73] Natuurkunde.

[74] Scheikunde.

[75] Botanie, plantkunde. De kruidkunde voor geneeskundige doeleinden
speelde toenmaals een veel grooteren rol dan tegenwoordig.

[76] Uitoefening der geneeskunde.

[77] Doel der rechtsgeleerdheid.

[78] gehoorzaal, collegekamer.

[79] Waarmee de wetenschap van het recht te doen heeft of korter
gezegd, haar object.

[80] Grondslag van het recht.

[81] Verwardheid van het recht.

[82] Een licenciaat was aan de oude universiteit een graad, die na
bepaalde examens behaald werd en recht gaf om academische lessen te
geven. Om den titel van doctor te krijgen moest men eerst nog
promoveeren.

[83] Burgerlijk en kerkelijk recht.

[84] Pallas Athene, de oud-Grieksche godin der Wijsheid.

[85] Uit twee of meer praemissen een stelling afleiden.

[86] Verdichtselen van den Talmud; deze bevat de mondeling
overgeleverde, religieuze traditie der Joden.

[87] Mohammed.

[88] De priesters.

[89] Handelingen 6 : 3, 4 vertaald naar de Tsjechische bijbelvertaling
(1579–1594).

[90] De roomsch-katholieke kerk.

[91] De protestanten.

[92] Voor 1621, het jaar der vernietiging van de Tsjechische religieuze
en politieke vrijheden, trachtten de drie Protestantsche groepen in
Bohemen, de Lutheranen, de Calvinisten en de Unie der Broeders (waartoe
Comenius behoorde) meermalen een gemeenschappelijke geloofsbelijdenis
te formuleeren, meestal met weinig succes. Het meest kostbare resultaat
was de „Confessio Bohemica”, 1575.

[93] De verzoeningspogingen van den Schot Joh. Duraeus trokken zeer
zijn aandacht.

[94] Onder dezen naam geeft Comenius een wellicht iets geïdealiseerde
beschrijving van de Broeder uniteit, waartoe hij zelf behoorde.

[95] De stelling van Machiavelli: wie niet huichelen kan, kan niet
heerschen.

[96] Het Tsjechische woord „zakon” voor wet of wetboek heeft ook de
beteekenis van bijbel of testament.

[97] Comenius’ woorden, hier gebruikt, zijn parodieën op den naam der
oude Tsjechische wetboeken: ’s Lands wetten en instellingen; door
verdraaiïng der Tsjechische woorden kregen de opschriften bij hem de
volgende beteekenis: het vreten en knagen aan het land, en het
bedriegelijk berooven van het land.

[98] Ferdinand II van Habsburg, Duitsch Keizer, verloor in 1619 den
troon van Bohemen, toen de Tsjechische stenden Frederik V van de Palts
tot koning van Bohemen kozen. De laatste, een zwak karakter, moest
reeds weder in 1621, na den slag bij den Witten Berg, het veld ruimen
voor den eerste. Sindsdien bleef Bohemen tot 1918 onder de Habsburgers.

[99] Tsjechische zegswijze; de bedoeling is; laat hem, die wil, met
vuur spelen.

[100] Vergelijk voor deze uitdrukking Job 2 : 9.

[101] C. gebruikt hier het woord zcepeněti = verrekken.

[102] Wapenschild.

[103] De torens dienden tot en zijn dus in het oud-Tsjechisch synoniem
met gevangenis.

[104] De „hinkende bode” was een spreekwoordelijk gezegde en
beteekende: het latere nieuws. In de tijden, toen het overbrengen van
berichten nog met groote moeite gepaard ging, was het latere bericht
dikwijls geheel in tegenspraak met dat, hetwelk aanvankelijk was
overgebracht.

[105] Toespeling op een gebeurtenis uit Comenius’ leven, waarvan de
juiste toedracht niet bekend is; waarschijnlijk had hij een voor de
Habsburgers nadeelig bericht verspreid.

[106] Bedoeld als eereteekenen.

[107] Zooals de wilde duif in Bohemen.

[108] Het was in Bohemen de gewoonte deze woorden bij het binnenkomen
te zeggen tot hen, die aan tafel zaten.

[109] D.w.z. moeten belangstellen in uw denkbeelden.

[110] Letterlijk: mijn tong schudt.

[111] Veneris regnum: het rijk van Venus; Libidinis aestus: de gloed
van den wellust; Morbus Gallicus: syphilis; Libido desperationis
praecipitium, de wellust, de afgrond der vertwijfeling.

[112] Klaarblijkelijk zinspeelt Comenius op de snelle
regeeringswijzigingen in Duitschland en Bohemen tijdens den
dertigjarigen oorlog. Frederik van de Paltz was slechts korten tijd
koning van Bohemen, Wallenstein werd hertog van Mecklenburg, Bernard
van Weimar beheerschte den Boven-Rijn.

[113] De faam berust bijna alleen op de meening van het gewone volk.

[114] Ook onwaardigen komen er binnen.

[115] Herostratus stak in het jaar 356 v. Chr. den tempel van Diana in
Epheze in brand; wel poogden zijn medeburgers zijn naam aan de
vergetelheid prijs te geven, doch de geschiedschrijver Theopompus
leverde dien aan ons over.

[116] Candidaat voor de onsterfelijkheid.

[117] De hoogste wijsheid bestaat in het vertwijfelen aan de dingen der
wereld.

[118] Cf. Prediker 1 : 17 en 2 : 3, 12, 17.

[119] De helleborus niger of kerstroos werd voor eenige eeuwen in de
geneeskunde veel gebruikt tegen opwinding van het zenuwstelsel.

[120] Letterlijk vert.: heiligste.

[121] De gewoonte om een titel dubbel te schrijven als bewijs van
eerbied—thans nog af en toe voorkomende in Bohemen—was algemeen in
Comenius’ dagen; een voorbeeld bevat de opdracht van dit boek aan
Karel, heer van Žerotin.

[122] Beroemd philosoof uit de 4e eeuw v. Chr., een leerling van Plato
en Aristoteles.

[123] Voorloopig.

[124] Comenius doelt hier op de rentmeesters en andere ambtenaren, die
de Tsjechische edellieden aanstelden om op de groote landgoederen over
de boeren te heerschen. Dit bestuur ontaardde gewoonlijk in knevelarij.
Toen na 1621 de Tsjechische adel door het huis Habsburg verdreven of
uitgemoord was, maakte de nieuwe Oostenrijksche of Spaansche adel, wien
het land geschonken of voor een geringe som verkocht was, het vooral
niet beter. De herinnering aan de gruwelijke heerendiensten, die tot
ver in de 19e eeuw bleven bestaan, is nog zeer levendig onder het
Tsjechische volk.

[125] Het in aanmerking nemen van den thans bestaanden toestand.

[126] Naar het voorbeeld des konings richte zich de geheele wereld.

[127] Sirach 26, 29. Comenius citeert in zijn werken meermalen de
schrijvers der apocryphe boeken.

[128] Ef. 5 : 23.

[129] Prediker 12 : 11.

[130] 1 Kon. 4 : 33.

[131] Cf. Hoofdstuk VIII, pag. 44.

[132] Toespeling op Salomo’s afgodendienst.

[133] letterlijk: de beschermer van haar lichaam.

[134] Met dit hoofdstuk vangt het „Paradijs des harten” aan. Comenius
heeft de beide afdeelingen van zijn boek niet afzonderlijk aangeduid;
de nummers der hoofdstukken en bladzijde loopen regelmatig door tot het
eind van het werk.

[135] Zie hoofdstuk VIII.

[136] letterlijk: schrijn.

[137] nl. over het ontoereikende der wetenschap.

[138] rechtswetenschap.

[139] Evenals op andere plaatsen in dit boek is ook de vertaling der
Latijnsche woorden, door Comenius zelf, letterlijk in het Nederlandsch
overgezet.

[140] Het firmament.

[141] Voortzetting van het opschrift der vorige paragraaf.

[142] Een bijbelsche uitdrukking.

[143] letterlijk: alsof de een uit het oog van den ander gevallen was.

[144] Tsjechisch: jednota, met welken naam de oude Boheemsche en
Moravische broedergemeente werd aangeduid.

[145] d.w.z. omdat het Gods eigendom was.

[146] letterlijk: schieten. (Men denke aan schietgebed!)

[147] van den Heiligen Geest.

[148] Toespeling op de zoogenaamde profetieën van Kotter, Drabik en
Poniatovska, ten tijde van den dertigjarigen oorlog, die voornamelijk
tegen Rome en het huis Habsburg gericht waren.

[149] C. denkt hier klaarblijkelijk aan de Hussietenoorlogen.

[150] waarvan de narren voorzien waren.

[151] Comenius denkt hier klaarblijkelijk aan Constantijn, den eersten
christenkeizer.

[152] De regeering van een godvruchtig vorst.

[153] „Artes.” C. bedoelt de „kunst” van het leeren en spreken van
talen. In zijn tijd waren de begrippen wetenschap en kunst niet zoo
streng gescheiden als thans.

[154] Zie Efeze 5 : 18.

[155] is hier de bril des geloofs.

[156] Openbaring 7 : 9.

[157] Openbaring 7 : 12; zooals reeds vroeger is opgemerkt, wordt hier
overal de Kralitser (Tsjechische) bijbelvertaling aangehaald.

[158] Exodus 34 : 6 en 7.

[159] Eere zij God in den Hooge en vrede den menschen op aarde, die van
goeden wille zijn.

[160] George van Poděbrady.

[161] J. A. C. Kirchengeschichte der Böhm. Brüder, ed. Schwabach 1739,
pag. 73.

[162] Jednota = Uniteit.

[163] Tooneel van de algemeenheid der dingen.

[164] Meditaties over de christelijke volmaaktheid.

[165] De diepte der zekerheid.

[166] Het wees zijn.

[167] Denis: la Bohême depuis la montagne blanche.

[168] Vgl. Cap. XIX de civit. Dei, waarin het zoeken van het hoogste
goed in verband met de civitas Dei en de civitas terrena, wordt ter
sprake gebracht, met de inleiding van het „Labyrint”.

[169] Joh. Val. Andraeae, geb. 1586, een Luthersch geestelijke, die van
de toenmaals in zwang zijnde allegorie veel gebruik maakte; hij was
hofkapelaan te Stuttgart en later generaal-superintendent te
Bebenhausen. Hij stierf 27 Juni 1654 te Stuttgart.

[170] C. is driemaal gehuwd geweest; zijn derde vrouw overleefde hem.

[171] In dien tijd de officiëele benaming van hen, die in Oostenrijk
niet Roomsch-Katholiek waren.

[172] Zie hierover: Kvacsala: J. A. Comenius; het artikel van C. P. van
Zeghen in Stemmen voor Waarheid en Vrede 1891; J. A. C. door R. A. B.
Oosterhuis, Stemmen des tijds, Nov. 1920 en de verslagen van het
Comenius comité in het Paedag. Tijdschr. v. h. Chr. Ond., Febr. en Dec.
1925 door den laatste.

[173] Ps. 73 : 23.











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LABYRINT DER WERELD EN HET PARADIJS DES HARTEN ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.