Paddenstoelen

By Jac. P. Thijsse

The Project Gutenberg eBook of Paddenstoelen
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Paddenstoelen

Author: Jac. P. Thijsse

Illustrator: Jacobus Jan Koeman
        C. Rol
        Jan Voerman


        
Release date: September 20, 2026 [eBook #79622]

Language: Dutch

Original publication: Zaandam: Verkade's Fabrieken N.V., 1929

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79622

Credits: the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK PADDENSTOELEN ***




                             PADDENSTOELEN

                        DOOR DR JAC. P. THIJSSE


              TE ILLUSTREEREN MET VERKADE’S PLAATJES, NAAR
                TEEKENINGEN VAN C. ROL EN J. VOERMAN JR.
              GROOTE PLAAT EN SAMENSTELLING VAN HET ALBUM
            DOOR JAC. J. KOEMAN. BANDVERSIERING EN ZWART-WIT
             TEEKENINGEN VAN C. ROL. PLAATJES IN OFFSETDRUK
              VAN DE FA L. VAN LEER & Co DRUK- EN BINDWERK
                        VAN BLIKMAN & SARTORIUS


                                  1929
               UITGAVE VERKADE’S FABRIEKEN N.V., ZAANDAM








VOORWOORD


Van de vele soorten van paddenstoelen die in ons lieve land groeien,
hebben wij er hier ongeveer een gros afgebeeld. Over de keuze zullen
wij niet twisten. Zonder moeite zouden wij een dertigtal kunnen
vervangen door dertig andere, die minstens even mooi en belangrijk
zijn. Maar ik hoop, dat dit eenvoudig en beknopt album u toch duidelijk
kan maken, welk een schat van schoonheid en kennis in deze plantengroep
wordt geopenbaard.


JAC. P. THIJSSE








I. DE MOOIE PADDENSTOELEN


Eigenlijk zijn ze allemaal mooi, groote en kleine, en er zijn er te
vinden op alle tijden van het jaar. Gewoonlijk echter denkt men bij het
woord paddenstoelen dadelijk aan nazomer en herfst, aan mooie,
levendige kleurtjes op den boschbodem en aan sierlijke vormen, ongewoon
in de plantenwereld. Helaas denkt menigeen dan ook nog aan dood en
verderf en griezeligheid, maar dat komt eigenlijk niet te pas. Iedereen
behoort nu al wel zooveel van paddenstoelen te weten, dat hij er niet
bang voor behoeft te zijn. Integendeel, wij moeten ze om velerlei
redenen bewonderen en liefhebben. En wie zich het genoegen wil gunnen,
eenige soorten van paddenstoelen te eten, die kan met weinig moeite en
veel plezier een dozijn of zoo soorten leeren onderscheiden, die lekker
en voedzaam zijn en daar tegenover weer een aantal, die hij moet
mijden. Ik kom daar in volgende hoofdstukken wel op terug en wij zullen
er ook wel dadelijk mee te rekenen hebben, wanneer we eerst gaan
uitzien naar de mooist gekleurde en merkwaardigst gevormde
paddenstoelen. We kunnen alvast beginnen met te zeggen, dat er geen een
paddenstoel zoo vergiftig is, of je kunt er toch nog met plezier naar
kijken, hem betasten, hanteeren, nateekenen en fotografeeren.
Paddenstoelen groeien overal; langs wegen en dijken, in weiden en
moerassen, op akkers en afvalplaatsen, in de duinen, op de heide, in de
bosschen. Misschien groeit betrekkelijk het grootste aantal wel in de
bosschen en in het bijzonder in de naaldbosschen. Daar zie je ze in
ieder geval het makkelijkst op den naaldenbodem, die behalve aan mossen
en paddenstoelen slechts aan weinig planten een groeiplaats biedt. Zoo
is het in beukenbosschen ook en ge moet nu zelf maar eens natellen, of
ge meer paddenstoelen vindt onder dennen of onder beuken.

Als we nu in Augustus beginnen uit te kijken, dan worden we wel het
eerst getroffen door roode en gele en witte paddenstoelen, die vaak in
troepjes tegelijk verschijnen, dat is de gewone paddenstoelmanier. Een
van de eerste is wel een paarsrood zwammetje met spierwitten steel. De
hoed is alleen rood aan zijn bovenzijde; de onderkant is ook wit en
bestaat uit prachtig gespannen platen, met duidelijke tusschenruimten.
Alle platen reiken van den omtrek van den hoed tot aan den steel.
Sommige platen zijn vertakt, maar je vindt geen losse platen, die
halverwege den steel reiken, zooals dat bij de meeste andere
paddenstoelen met platen, „plaatzwammen”, voorkomt. Wanneer we nu nog
eens kijken naar den hoed, dan zien we, dat die heel dun is, zoodat
naar den kant toe de ribben van de platen er door heen schemeren. Is
dit het geval, dan hebben we te doen met een van onze gewoonste en
mooiste paddenstoeltjes: de Broze Russula (Russula fragilis) (3). De
meeste van onze paddenstoelen hebben geen volksnamen. In den laatsten
tijd hebben de dames en heeren, die over paddenstoelen schrijven, wel
aardige Hollandsche namen bedacht, die we ook braaf zullen gebruiken.
Voor de veiligheid zullen we ze ook maar altijd bij hun
wetenschappelijken naam noemen, al lijkt dat ook een beetje geleerd.
Het zijn meestal Latijnsche of Grieksche woorden, allemaal met een
eigen beteekenis en die zullen we in het voorbijgaan dan meteen maar
even leeren. Het gebruik maakt ons er spoedig mee vertrouwd.

Die strakke platen geven aan de Russula-hoeden een heel gaven, vasten
vorm; een ervaren zoeker herkent ze al, zonder dat hij naar den
onderkant van den hoed behoeft te kijken. Al heel gauw merkt ge, dat er
heel wat soorten van Russula’s voorkomen. De meeste zijn op de een of
andere manier rood, maar er zijn ook witte en gele en groene Russula’s.
We kunnen ze niet allemaal afbeelden, ge moet U tevreden stellen met de
Blauwgele Russula (R. cyanoxantha) (5), de Roode Russula (R. rubra)
(4), de Braak Russula (R. emetica) (1), de Purperroode Russula (R.
Queletiï) (2) en de Gele Geelplaat Russula (R. ochracea) (6). De
Purperroode is wel een van de allermooiste, de hoed kan diep purperrood
zijn, fluweelig van kleur, soms bijna bij zwart af en dan de steel
gewasschen met karmijn. Het is een van de grootste Russula-soorten, als
de hoed vlak uitgespreid staat, dan kan hij wel een middellijn hebben
van 1 decimeter.

Zoowel in het dennenbosch als in het loofbosch en het meest wel in de
buurt van berken vinden we de bekende en beruchte Vliegenzwam (Amanita
muscaria) (B). In Hoofdstuk IV zal ik een boel narigheid van deze plant
vertellen, nu letten we alleen maar op kleur en vorm. De hoed is
prachtig rood en versierd met witte schubben. Ook de platen aan de
onderzijde van den hoed zijn wit en ze zijn van verschillende lengte.
Sommige reiken van den rand van den hoed tot aan den steel. Andere
komen maar halfweg en nog andere zijn weer kleiner. Dat ziet er dus
heel anders uit dan bij Russula. Aan den witten steel hangt mooi
gedrapeerd een witte manchet, de voet van den steel is knolvormig en
van den bovenkant van den knol gaat een soort van rand omhoog, dat is
de „beurs”. Paddenstoelen met dikken voet, beurs, manchet en witte
platen moogt ge altijd Amanita noemen. Ze zijn haast allemaal
vergiftig.

De Vliegenzwammen groeien altijd troepsgewijs, dikwijls in kringen en
het is nog al makkelijk ze te vinden van verschillenden leeftijd. Neem
er nu eens een die pas zijn rood-met-witten ronden bol boven den grond
begint uit te steken. Ge ziet, dat hij te voorschijn komt uit een wit
omhulsel en dat in den uitgegroeiden paddenstoel de schubben op den
hoed en de beurs aan den voet niet anders zijn dan brokstukken van dit
omhulsel. En de manchet is een vlies, dat eerst langs den onderkant der
platen reikte van hoedrand tot steel; het is van dien rand afgescheurd
en aan den steel blijven hangen. Dat is allemaal heel mooi en noodigt U
uit tot teekenen en fotografeeren.

Om nu bij de roode paddenstoelen te blijven, noem ik er nog een paar,
die bij het groote publiek nog wel niet zoo goed bekend zijn als de
Russula’s en de Vliegenzwam, maar toch Uw aandacht verdienen. Ik bedoel
de Vermiljoenzwam (Dermocybe cinnabarina) (10) en de Gedeeltelijke
Vermiljoenzwam (D. semi-sanguinea) (11). Ze groeien in loofbosschen,
graag onder beuken en komen in het Oosten van ons land meer voor dan in
het Westen. Zooals de naam al doet vermoeden, is de Vermiljoenzwam mooi
rood, de hoed, zoowel als de steel en de platen, vooral in jeugdigen
staat. Als ze heel jong zijn, zit de hoed met een vliesje aan den steel
verbonden en wanneer de hoed zich ontplooit, dan rekt dat vliesje zich,
splijt en breekt draderig uiteen. Wanneer de hoed heelemaal is
uitgespreid, zijn die draden doorgaans verschrompeld en verdwenen, maar
bij de jonge zwammen is het „gordijntje” dat ze vormen, nog goed te
zien. Er zijn veel van die gordijnzwammen; niet gemakkelijk te
onderscheiden. De Gedeeltelijke Vermiljoenzwam heet zoo, omdat hij niet
heelemaal rood is: alleen de platen; hoed en steel zijn bruin. De
middellijn van den hoed is bij beide soorten 4–9 c.M. De grootste heb
ik gezien in Buskersbosch bij Winterswijk, ons mooie natuurmonument.

Vuurrood is ook het Vuurzwammetje (Hygrophorus miniatus) (9) met zijn
verwanten: het Scharlakenzwammetje (H. coccineus) (7) en de Granaatzwam
(H. puniceus) (12). Dit zijn kleine, glimmende, vettige, nattige
paddenstoeltjes, die ge het meest vindt in weiden en moerassen. Hun
hoed blijft lang kegelvormig, is maar zelden uitgespreid en dan
dikwijls gescheurd. Ze hebben nog een kameraad van hetzelfde kaliber
(ongeveer 5 c.M.), die op dezelfde plaatsen voorkomt, maar die is
groen, dikwijls met roode of gele vlekken en strepen en heeft den zeer
passenden naam gekregen van Papegaaizwammetje (Hygrophorus psittacinus)
(8). Aardige zwammetjes, om in het moeras te ontmoeten. Door hun felle
kleur vallen ze dadelijk in het oog, al zijn ze ook klein.

Maar nu staan we hier in het moeras naar al die kleine dingen te
kijken, terwijl in het bosch nog allerlei moois onze aandacht vraagt.
Uit een ouden dennestomp steekt een prachtig groepje naar buiten. Het
zijn paddenstoelen, haast zoo groot als een hand. Drie dikke roodbruine
stelen zitten met hun voeten aan elkaar vast en spreiden zich uit naar
verschillende kanten, zoodat de hoeden ruimte krijgen, al moet de een
dan ook nog soms onder den ander schuilen. Die hoeden zijn heel mooi
vlekkig gelig bruinrood en de platen zijn egaal geel. Deze
Pracht-Ridderzwam (Tricholoma rutilans) (13) is wel een van onze
allermooiste paddenstoelen en gelukkig ook een van onze allergewoonste;
ge kunt hem in de dennenbosschen, soms ook wel in het loofbosch vinden,
van het begin van de Groote Vacantie tot aan de Kerstvacantie toe. We
zullen in de volgende hoofdstukken nog wel meer ridderzwammen
ontmoeten; ze hebben haast allemaal mooie kleuren, groeien vaak
groepsgewijs en dikwijls in „heksenkringen”. Ik kan u geen gemakkelijk
algemeen kenmerk voor de Ridderzwammen geven, zooals ik dat deed voor
de Amanieten en de Gordijnzwammen. Wel gaat dat gemakkelijk voor de
Boleten, die we vroeger ook wel Broodjeszwammen noemden en de mooiste
Boleet is wel de Heksenboleet (Boletus luridus) (15). Natuurlijk is hij
het mooist, zoo lang hij jong is en dan trekt hij wel het eerst de
aandacht door zijn dikken steel, die mooi rood is, ook wel oranje of
geelachtig en vaak met mooie vlekjes en mazen. De hoed is aan den
bovenkant eerst bruinig, maar wordt gaandeweg lichter, soms tot heel
licht groenig grijs. Aan den onderkant van den hoed vinden we geen
platen, maar een samenhangende roode of oranje massa, die bij nader
onderzoek uit tallooze buisjes blijkt te bestaan. Wanneer we, om dat
goed te zien, den hoed doorbreken, dan merken we meteen, dat de
hoedmassa, het vleesch, geel is en dat het, aan de lucht blootgesteld,
dadelijk verkleurt tot blauwgroen. Dat ziet er werkelijk spookachtig
uit en deze paddenstoel draagt zijn naam met eere. Ondanks alle
griezeligheid is de Heksenboleet in het geheel niet vergiftig; daar
komen wij later nog op terug. In dit hoofdstuk treedt hij alleen op als
mooiste van alle Gaatjeszwammen.

Eer ik u nog meer Gaatjeszwammen vertoon, moet ik nog afrekenen met een
paar Plaatzwammen, in de eerste plaats de Parasolzwam (Lepiota procera)
(A). Die draagt ook zijn naam met eere. Ik denk er altijd nog met
genoegen aan, hoe ik een dikke vijfentwintig jaar geleden in de Loolaan
te Apeldoorn een van de voorloopers van de paddenstoelstudie in ons
land, den Heer Kok Ankersmit, ontmoette met een parasolzwam in de hand,
die hij werkelijk als parasol gebruikte. De steel was niet veel korter
dan de stokken van de tegenwoordige dames-parapluies en de hoed was
naar rato. Op de hoogte waar bij een echte parasol de sluitbus van de
baleinen zit, heeft deze paddenstoel een mooie stevige ring en de voet
van den steel is tot een knol verdikt; een bruikbaar handvat. We vinden
dezen paddenstoel zoowel op weiden en akkers als in bosschen en hij is
witachtig tot roomkleurig en overal, zoowel op den steel als op den
hoed, met bruinige schubjes bestrooid. Hij heeft een kleinen verwant,
die meest in dennenbosschen voorkomt en die den parasolvorm nog
duidelijker vertoont, hoewel de ring doorgaans ontbreekt. Maar het
hoedje is mooi licht van kleur en zeer bijzonder fraai gevlekt en
geschubd, naar het midden toe hoe langer hoe dichter. De steel wordt
niet langer dan 8 c.M. en is zoowat even groot als de middellijn van
den hoed. Deze Kleine Parasolzwam (Lepiota clypeolaria) (47) is een van
de mooiste dingetjes langs onze boschpaden.

Op een boschpad onder de sparren, mijn sparrenlaantje, verschijnen in
den nazomer altijd heele troepen van kleine rossig-oranje zwammetjes,
egaal van kleur en zonder schubben, draden of kringen. De hoed staat
een beetje hol en de talrijke platen loopen langs den steel naar
omlaag. Raken we even met een nagel aan zoo’n plaat, dan komt er
onmiddellijk een wit melkdroppeltje uit. Dit is de Rossige Melkzwam
(Lactarius rufus) (60). Zij heeft een dubbelganger in de Kleine
Melkzwam (Lactarius subdulcis), maar die groeit meest in loofbosschen;
haar melk smaakt zoetig, terwijl die van de Rossige Melkzwam scherp op
de tong is. ’t Is nog al aardig, dat we die melkzwammen aan hun melk
moeten kennen. Ik wijs u er alvast op; in de volgende hoofdstukken
zullen we nog meer van die melkzwammen ontmoeten; sommige met witte
melk, andere met gele melk, nog andere met melk, die eerst wit is en
dan geel wordt en nog weer andere met oranje melk, allemaal mooie
paddenstoelen en nog al gemakkelijk te herkennen.

„Heb je wel eens een groen paddenstoeletje gezien” hoor ik een klein
meisje aan haar tweelingbroertje vragen; ’t is ook alweer vijfentwintig
jaar geleden. Ze hield het ding eerst achter zich en bracht het toen
met een triomfantelijk gebaar te voorschijn; een vergiftig uitziend,
kopergroenkleurig, nog al slijmerig ding, maar heel mooi. Er stond een
heel troepje van in de langzaam molmende beukebladeren en ze heeten
natuurlijk Kopergroenzwam (Stropharia aeruginosa) (17). Ze zijn ook wel
buiten het bosch te vinden langs de wegen, op bouwland en weiden en
ondanks de kopergroenerigheid zijn ze niet vergiftig.

Aan paaltjes en oude boomstronken zie je vaak verzamelingen van aardig
gekringde paddenstoeltjes, die geen steel hebben, maar als
halfcirkelvormige platen uit het hout naar buiten puilen. Dat zijn de
Elfenbankjes. Die naam is wel goed bedacht. Maar ook de
wetenschappelijke naam is in dit geval nu eens goed gekozen. Die is
Polyporus versicolor (16). Iedereen begrijpt dat het woord Polyporus
doelt op de vele gaatjes, die we zien aan den onderkant van die
schijven en versicolor (verschillende kleur) drukt heel goed uit, dat
de bovenkant kringsgewijs gekleurd is met bruin en zwart en geel, soms
blauwig en groen en heel vaak een randje spierwit; prachtige dingen en
gelukkig alweer uiterst gewoon. Jaar in jaar uit komen die fraai
gekleurde en zacht fluweelig uitziende elfenbankjes uit de paaltjes en
stronken te voorschijn, totdat die eindelijk geheel vermolmen, maar dan
zijn er al wel weer ergens andere paaltjes.

Zoo’n Polyporus is dus een gaatjeszwam even goed als de Boleet, die wij
al kennen. Intusschen verschillen ze nog al duidelijk. Bij de Boleten
kun je de buisjeslaag in zijn geheel gemakkelijk van den hoed afpellen;
die buisjes zijn ook nog al lang. Bij Polyporus zijn ze veel korter en
stijf met den drogen platten hoed saamgegroeid. Niet alle
Polyporussoorten komen uit het hout te voorschijn; er zijn er ook, die
uit den grond opkomen en dan hebben ze een steel, dikwijls zelfs meer
dan één. Ook groeien ze groepsgewijze en soms aan elkander verbonden en
dan krijg je een heele warreling van hoeden en stelen. De meest bekende
is de Tolzwam (Polyporus perennis) (18). Je mag hem ook Polystictus
perennis noemen. ’t Is een droog, bruiniggeel zwammetje, de hoed
bovenop donkerder en lichter gekringd en hij groeit nog al veel in
zandige dennenbosschen en bijzonder mooi in het Natuurmonument van de
Oisterwijksche vennen.

Iedere stadsbewoner heeft natuurlijk wel eens uit de iepeboomen een
zeer grooten paddenstoel te voorschijn zien komen, meestal op een wond,
die veroorzaakt is door het afbreken of afzagen van een tak.
Maandenlang zit dat ding aan den stam en het wordt al grooter en
grooter. Exemplaren van een halven meter breed zijn geen zeldzaamheid.
Van onderen is deze zwam roomwit met tallooze gaatjes, van boven is hij
heel mooi gevlekt, als waren het veertjes van een vogel. De Duitschers
noemen hem daarom ook Habichtsschwamm. In ons land is de naam Zadelzwam
bedacht en hij lijkt soms werkelijk op een fietszadel. De
wetenschappelijke naam is Polyporus squamosus (C). Een iep, die er mee
behept is, geniet geen goede gezondheid en wordt doorgaans binnen
korter of langer tijd door den dienst der plantsoenen verwijderd.

Nu moeten we in dit hoofdstuk nog eenige paddenstoelen gedenken, die
vooral merkwaardig zijn om hun vorm en dan noemen we in de allereerste
plaats de Gekraagde Aardster (Geaster triplex) (19). Die kun je al
vinden in de groote vacantie en dan nog door den heelen herfst en
winter heen en men ziet dikwijls genoeg verdroogde exemplaren van het
vorig jaar naast de nieuwe van het huidige. ’t Is altijd weer een
groote verrassing en vreugde, om de eerste aardsterren te zien, hetzij
in de schemering van het dennenbosch, of tusschen de zilverige stammen
van de berken of nog al tamelijk onverwacht, open en bloot in het
heldere licht op de duinhelling. Ze lijken niet op planten, zelfs niet
op paddenstoelen, maar veeleer op de voortbrengselen van een
kunstnijveraar. De lederkleurige ster met zijn vijftal punten (ook wel
eens meer of minder) ligt mooi uitgespreid op den grond en omgeeft een
kringvormig kraagje waarbinnen een grijze bol, die van boven eenigszins
kegelvormig toeloopt en daar bevindt zich te midden van fijne plooien
een opening. Als je even op den bol drukt, als er een takje opvalt of
een regendroppel, dan komt er uit die opening een donker stofwolkje te
voorschijn. Dat zijn de sporen.

Doorgaans groeien die aardsterren in groepjes bijeen en dikwijls zelfs
in heel mooie heksenkringen. Een aardster op zichzelf ziet er al
geheimzinnig en veelbeteekenend uit. Hoeveel te meer is dat het geval
met een heksenkring van aardsterren. Je moet eens midden in zoo’n kring
gaan zitten, geduldig, een half uurtje lang en al ben je dan nog zoo’n
nuchter mensch, je begint dan wel te begrijpen, dat sommigen heel diep
getroffen kunnen worden door de geheimzinnige dichterlijke bekoring van
deze planten. Onder onze Nederlandsche dichters en schrijvers zijn er
enkele, die telkens gewag maken van de aardsterren en dat zijn lang de
minsten niet. Ik denk hier in het bijzonder aan de beide Van Eedens,
Frederik en zijn vader, die trouwens ook Frederik heette.

Als je nu in zoo’n kring van aardsterren zit, dan is het ook wel goed,
om ze eens een voor een aan te kijken en ook te zoeken in de
tusschenruimten. Je ontdekt al gauw, dat ze niet alle even oud zijn.
Sommige zijn pas half open, andere komen pas door het mos of door de
dennenaalden heen dringen. Die zijn nog heelemaal gesloten en lijken
bijzonder veel op ruwe tulpenbollen. Ze kunnen nog dagen lang dicht
blijven, maar als het een beetje meeloopt met warmte en vochtigheid,
dan ontplooien ze zich soms binnen het uur. Ik heb daar wel naar zitten
kijken. Terwijl we naar aardsterren zoeken, ontmoeten we op den
boschbodem stellig nog wel meer dingsigheidjes, die in het geheel niet
lijken op gewone paddenstoelen met hoed en steel, maar toch wel
behooren tot hun verwanten, al zijn het dan ook dikwijls niet de
allernaaste. In sommige jaren vind ik nog al veel van die mooie
Koraalzwammen, die ook wel Bloemkoolzwammen genoemd worden. Het zijn
dikke lichaampjes, die zich naar boven telkens weer vertakken en dat
ziet er dan wel bloemkoolachtig, of als we het wat mooier willen
opvatten, koraalachtig uit. De mooiste is wel de Goudgele Koraalzwam
(Clavaria formosa) (49), die meest onder loofhout voorkomt, maar ook in
naaldbosschen niet behoeft te ontbreken. Deze koraalzwammen zijn nog al
onbestendig; ze kunnen soms jaren achtereen wegblijven, en dan opeens
staat het bosch er weer vol van. Hoe dat komt, weet ik niet.

In het bosch van de Schapenduinen was vroeger een plekje waar ik ieder
najaar heen ging om de Kleine Oranje Bekerzwammetjes (Peziza rutilans)
te zien. Dat zijn kleine platte kommetjes, rond of langwerpig rond en
met een middellijn zelden grooter dan twee centimeter. Meestal zijn ze
veel kleiner, maar hun fel oranjeroode kleur maakt ze tot een van de
schoonste sieraden van het bosch, vooral wanneer ze, zooals daar in de
Schapenduinen, groeien tusschen het korte, donkergroene haarmos. O, wat
was dat mooi. Je moest je geweld aandoen, om niet een heele zode van
dat moois uit te steken en mee naar huis te nemen. Een halve eeuw
geleden deed ik dat wel eens. Toen kon het ook nog wel lijden, want er
waren maar zeer enkele liefhebbers. Tegenwoordig zijn er gelukkig veel
meer liefhebbers en nu moeten we wat zuiniger gaan worden op al ons
moois en we zullen even goed als voor de mooie bloemen ook voor de
mooie mossen en paddenstoelen maatregelen moeten nemen, om ze te
beschermen. Dit heeft dan nog het voordeel, dat men om de mooie dingen
te zien naar buiten moet, lekkertjes er op uit en dan liefst een flinke
vermoeiende wandeling.

Van die bekerzwammen kunnen we verschillende soorten vinden. Naast de
Kleine Oranje Bekerzwam is er ook nog een groote. Andere bekerzwammen
zijn aardkleurig, vaak met een tintje in het violette. Eerst zie je ze
niet, maar gaandeweg merk je, dat op verschillende plaatsen de grond
vol zit met bolletjes en geplooide lappen, soms heel groot, tot een
decimeter toe. Een van de mooiste vind ik de Kleine Bruine Bekerzwam
(Peziza haemisphaerica) (20). Die wordt zelden grooter dan 2 c.M. en is
in jeugdigen toestand een prachtig urntje, van buiten bruin en ruig,
van binnen glimmend grijs, alsof er glazuur op gebracht is.

Al zoekende naar die bekerzwammen vinden we hoogstwaarschijnlijk ook
wel een Vogelnestzwammetje (Crucibulum vulgare) (24), een lichtgrijs
bekertje met daarin een aantal ronde dikke schijfjes, die daar liggen
als de eitjes in een vogelnest. Deze zwam groeit op molmend hout, meest
op losse takjes. Andere soorten groeien op de aarde of op bladmolm, de
aardigste daarvan is de Gestreepte Nestzwam (Cyathus striatus) (24),
gemakkelijk te kennen aan zijn overlangs gestreepten binnenkant.

Nu wil ik dit hoofdstuk besluiten met nog een heel vreemdsoortigen en
bijzonderen paddenstoel, dat is de Hoorn van Overvloed (Craterellus
cornucopoïdes) (23). De Duitschers geven hem een minder prettigen naam
en wel: „Totentrompete”. Hij is in het geheel niet gevaarlijk of
vergiftig, maar ik kan toch wel begrijpen, dat eenvoudige, onwetende
menschen zich iets naars bij dezen paddenstoel denken, vooral wanneer
hij flink hoog opgeschoten staat in het hoogstammige indrukwekkende
woud, zoo bij groepjes van een stuk of vijf en dan wel meer van die
groepen op een enkele plek bij elkaar. Ze kunnen tot twee decimeter
hoog worden en hebben, zooals de naam doet vermoeden, den vorm van een
langgerekten trechter, die uitloopt in een buitenwaarts omgebogen
gekrulden rand. De steel van den trechter is vaal violet, de
trechterholte vlekkig bruin en als je wilt kun je aan die kleuren en
tinten wel een idee van narigheid toedichten. Doch zooals het met zaken
van smaak gaat, anderen vinden die kleuren echt mooi en aangenaam. Deze
Hoorn van Overvloed komt alweer in het Zuiden en Oosten van ons land
veel meer voor dan in het Westen, een reden te meer, waarom we de
bosschen van Twente, den Achterhoek en Limburg in eere moeten houden.








II. HOE PADDENSTOELEN GROEIEN


Neem eens een tamelijk grooten hoed van een paddenstoel, liefst een met
plaatjes aan de onderzijde, dus een Vliegenzwam, een Parasolzwam of
beter nog een gewone Champignon. Hij moet mooi vlak uitgespreid zijn.
Leg hem nu met de platen omlaag op een vel papier en stulp daarover een
klok of een kom, want er mag geen zuchtje langs dien hoed waaien,
anders krijgen we niet precies wat we willen. Na eenige uren of na een
dag, al naar het uitkomt, lichten we stolp en hoed op en krijgen nu op
het papier een keurige figuur te zien, allemaal fijne strepen, die
straalsgewijs gaan van het midden naar den omtrek. Wanneer we een
Champignon genomen hebben, dan zijn de strepen van verschillende
lengte, bij een Russula krijgen we allemaal heele stralen te zien,
sommige met een aftakking. De figuur die de Champignon geeft is donker
van kleur, die van de Russula wit. Deze laatste is dus op wit papier
niet duidelijk te zien en ’t is dus beter om bij Russula en ook bij
Lepiota (Parasolzwam) en Amanita (Vliegenzwam en zijn kornuiten) een
donker getint papier te nemen.

Wij noemen deze figuren „sporenfiguren”, want ze worden gevormd door de
kleine stofjes, die de paddenstoel bij millioenen uitstrooit en dat
zijn de sporen. We hebben nu al dadelijk ontdekt, dat die sporen
verschillend van kleur zijn en wel wit, rose, bruin, purperkleurig en
zwart. De plaatzwammen worden zelfs ingedeeld naar de kleur van de
sporen, die ze voortbrengen in Witsporigen (Leucosporeae), Rosesporigen
(Rhodosporeae), Bruinsporigen (Ochrosporeae), Purpersporigen
(Pupureosporeae) en Zwartsporigen (Melanosporeae). Het maken van deze
sporenfiguren gaat gemakkelijk genoeg, als je maar de tocht weet te
weren. Voor de aardigheid kun je ook eens de klok op een kier zetten.
Dan houdt de tocht huis onder de vallende sporen en blaast ze tot heel
onverwachte en leerzame figuren. ’t Is gemakkelijk te begrijpen, dat de
wind ze in bosch en beemd wijd en zijd kan meevoeren. Maar dikwijls
genoeg is het in het bosch doodstil en dan ziet ge onder de
paddenstoelen het dorre blad of het groene mos bedekt met het fijne
sporenpoeder. Natuurlijk is dat bij de Witsporigen het duidelijkst te
zien.

Wanneer je ziet, hoe klein dikwijls de afstand is tusschen den
onderkant van den hoed en den grond, dan krijg je den indruk, dat de
wind niet zoo heel veel kans heeft om de sporen wijd weg te blazen. Wij
moeten hierbij echter bedenken, dat die kleine sporen evenals al het
fijne stof maar heel langzaam vallen. Een flinke kei valt in de eerste
seconde al meer dan vier meter, maar zoo’n spore gaat wel honderdmaal
zoo langzaam. Hoe dat komt, leer je op de natuurkunde-les in de vierde
klas.

Wij behoeven er ons dus niet over te verontrusten, of die sporen wel
naar behooren verspreid worden. Natuurlijk hebben de paddenstoelen hoog
in de boomen de beste kans, en daaruit volgt weer, dat elke boom de
kwade kans heeft om bereikt te worden door de sporen van paddenstoelen,
die zijn lichaam zullen teisteren.

Wat gebeurt er nu met zoo’n spore? Wel, heel dikwijls niets. Wij hebben
heele vrachten rijpe paddenstoelen naar wat wij meenden geschikte
plaatsen in onzen tuin gebracht zonder eenig resultaat en slechts in
heel enkele gevallen een goeden uitslag gekregen. Die sporen moeten
gaan groeien, maar daarvoor moeten bepaalde voorwaarden vervuld worden
en dat schijnt lang niet altijd het geval te zijn. Men heeft ook vaak
geprobeerd om ze in fleschjes en buisjes op kunstmatig toebereiden
voedingsbodem aan den groei te krijgen en dat is in ons land het eerst
goed gelukt aan wijlen mej. C. Cool, een dame, die om haar kennis van
paddenstoelen beroemd is in ons land en daar buiten. Wanneer wij
verlegen zaten met de een of andere vreemde paddenstoel, dan stuurden
wij hem maar op aan mej. C. Cool, Rijksherbarium te Leiden, en als er
in de wijde, wijde wereld iets van den paddenstoel bekend is, dan
konden wij er gerust op zijn, dat mej. Cool ons dat zou laten weten.
Nu, mej. Cool dan heeft verschillende paddenstoelen uit sporen
opgekweekt en het hoe of wat daarvan heeft zij uitvoerig verteld in
„Het Paddenstoelenboekje” dat zij geschreven heeft tezamen met een
ander groot paddenstoelkenner, Dr. H. A. A. v. d. Lek. Daar komen wij
later nog wel eens op terug.

Wij weten nu, dat onder bepaalde gunstige omstandigheden van bodem,
temperatuur, vochtigheid en omgeving uit de spore een dunne draad komt
groeien, die zich spoedig vertakt en dan ontwikkelt zich naar alle
kanten een fijn netwerk van draden, die soms vlokkig aaneenhangen en
zich een weg banen tusschen de dorre bladeren door, zelfs in de dorre
bladeren, wanneer er maar eenmaal een opening is te vinden, langs en om
en zelfs in de wortels van allerlei planten, soms ook in het hout van
boomen en palen, kortom op allerlei plaatsen, al naar den aard van den
specialen paddenstoel. Iedere soort stelt zijn bijzondere eischen en
zoo komt het dan, dat we bosch-paddenstoelen, weide-paddenstoelen,
moeras-paddenstoelen, grond-paddenstoelen, hout-paddenstoelen, enz.
kunnen onderscheiden. Sommige zijn al heel bijzonder kieschkeurig. Er
is een klein, wit of geelachtig bekerzwammetje, dat we gerust het
Eikelbekerzwammetje kunnen noemen, want we vinden het bijna altijd op
eikels, afgevallen eikels op den grond. Een enkele maal groeit het ook
op beukenootjes, maar ge weet dat eiken en beuken en tamme kastanjes
zeer nauw met elkaar verwant zijn. De wetenschappelijke naam van dit
bekerzwammetje is Peziza fructigena.

Ga ook eens zoeken in het dennenbosch naar oude dennekegels. Let er
meteen op, dat dennekegels op sommige plaatsen spoedig verdwijnen, op
andere jaren lang kunnen blijven liggen. Welnu, het zal u licht
gebeuren, dat ge uit zoo’n dennekegel een heel zonderling zwammetje te
voorschijn ziet komen: een bruin steeltje met bovenaan een hoedje, dat
aan zijn kant aan ’t steeltje bevestigd lijkt. Daardoor heeft dit
zwammetje eenigszins den vorm van een lepeltje en wordt daarom ook
Oorlepelzwam (Hydnum auriscalpium) (63) genoemd. ’t Is natuurlijk niet
netjes, om in je oor te peuteren, noch met je pink, (al noemen de
Franschen dat lichaamsdeel dan ook „oorpeuterding”: auriculaire) noch
met een lepeltje. Ik laat dat oor dan ook maar weg en noem het
paddenstoeltje voortaan lepelzwam. Het is geen plaatjeszwam en ook geen
gaatjeszwam. De onderzijde van den hoed is bedekt met allemaal
stekeltjes en aan den buitenkant van die stekels worden de sporen
gevormd. Er zijn nog meer van die Stekelzwammen in ons land en
daaronder zeer mooie en groote, die we in volgende hoofdstukken dan ook
behoorlijk zullen ontmoeten.

Nu we toch eenmaal bezig zijn, om uit te kijken naar klein goed, letten
we eens op vermolmde bladeren, takjes en dergelijke dingen en vinden
dan misschien een van onze allerbekoorlijkste paddenstoeltjes, de
Wieltjes-marasmius (Marasmius rotula) (27). We kunnen hem ook wel
kortweg „het Wieltje” noemen. De naam zegt alles. Het hoedje is rond en
heel dun, zoodat de randen van de platen er door heen schemeren. Die
platen staan wijd uit elkaar, zoodat het hoedje werkelijk lijkt op een
wiel met een stuk of twintig spaken. Zelden wordt het grooter dan 1
c.M. in doorsnee, dikwijls blijkt het kleiner, tot enkele millimeters
toe. De steel is draaddun, taai en zwart, het hoedje zelf licht van
kleur met een donkere punt in het midden. Soms vindt je deze wieltjes
bij honderden bij elkaar en dat geeft een heel sterken indruk van de
levendigheid en levensrijkdom van den boschbodem.

Eigenlijk zijn wij met het zoeken naar specialisten eventjes
afgedwaald. We waren pas zoover gekomen, dat zich uit de spore een
weefsel van zwamdraden gevormd heeft in een geschikte omgeving. Dat
weefsel nu noemt men de zwamvlok of het mycelium. De heele boschbodem
is doorweven met zwamvlokken van verschillende soorten van
paddenstoelen en wanneer ge even graaft in het dek van dennenaalden, in
de opeenhoopingen van afgevallen bladeren, onder het mos, overal stuit
ge op witte of grijze spinragdraden, zwamvlokken van allerlei soort.
Die zwamvlokken groeien steeds voort, zich op nog onbegrepen wijze
voedend met stoffen, die zij bereiden uit die naalden, bladeren, takjes
en alles wat eens geleefd heeft en ook wel uit planten en dieren, die
nog leven.

In die zwamvlokmassa nu gaan de draden op bepaalde manier samengroeien
en uitgroeien en zoo ontstaan de organen, waaraan zich de sporen zullen
vormen. Al die prachtige Russula’s, Amanita’s, Melkzwammen, Aardsterren
en hoe ze verder heeten mogen, zijn opgebouwd uit van die fijne draden
en die vormen eindelijk ook het laagje, waaraan de sporen ontstaan. Bij
wat wij de „echte” paddenstoelen zouden kunnen noemen vormen zich die
sporen in viertallen aan het eind van een draad en die draden staan dan
zijwaarts op de platen van de Plaatzwammen, of langs de binnenzij van
de buizen bij de Gaatjeszwammen, of langs den buitenkant van de stekels
bij de Stekelzwammen of in het binnenste van het lichaam bij de
Aardsterren en de Stuifballen, die tezamen de groep van de Buikzwammen
vormen. Dan zijn er ook nog Korstzwammen en Trilzwammen. Je kunt die
steeltjes met de sporen alleen te zien krijgen met een microscoop, dat
eenige honderden malen vergroot en moet het hier dus maar gelooven.

Bij de bekerzwammen vormen de sporen zich niet bij viertallen aan het
eind van een steeltje, maar bij achttallen binnen in een lang buisje,
dat eindelijk openspringt en dan de sporen uitstrooit, iets dat je ook
onder het microscoop prachtig kan zien gebeuren. Tot deze groep, die we
de Zakjeszwammen (Ascomycetes) noemen, behooren nog eenige zeer
beroemde en gemakkelijk te kennen soorten nl. de Kluifjeszwammen
(Helvella) en de Morieljes (Morchella). We zullen nog nader met hen
kennis maken.

Wanneer in bosschen en weiden de zwamvlok of mycelium ongehinderd kan
groeien, dan breidt hij zich naar alle kanten gelijkmatig uit en dan
komen de paddenstoelen, de sporedragers van het mycelium, in een kring
te staan. In alle talen is die kring vereerd met den titel van
heksenkring (Fransen: ronde de sorcières; Engelsch: fairy-ring;
Duitsch: Hexenring). Die naam dateert natuurlijk uit den tijd, toen men
alle gebeurtenissen, die men niet begreep, maar dadelijk toeschreef aan
bovennatuurlijke invloeden. Het heeft ook zeer lang geduurd, eer men de
verklaring voor de vorming van deze heksenkringen wist te geven. Ja, ik
herinner mij nog wel, dat in onze dagen een goed paddenstoelkenner, die
prachtig mooie paddenstoelboekjes heeft uitgegeven, meende, dat de
heksenkringen in de weiden veroorzaakt zouden worden door een geit of
ander dergelijk stuk vee, dat vastgebonden aan een touw in een kring
den bodem begraasd of bemest zou hebben en dat dan daardoor de groei
van de paddenstoelen bepaald was.

Eigenlijk is de goede verklaring toch zeer eenvoudig. Maar dan moesten
eigenlijk alle paddenstoelen die in een bosch of een weide groeien, in
kringen voorkomen. Nu, dat scheelt niet zoo heel veel. Van meer dan
veertig soorten heb ik het alvast gezien met groote zekerheid en
duidelijkheid. Die heksenkringen kunnen zeer groot worden. In
Zwitserland heb ik kringen gezien van de Reuzenbovist (Bovista
gigantea) van meer dan vijftig meter middellijn en die zag je meer dan
een half uur gaans ver tegen de groene berghelling. Als je soms eens
komt te wandelen van Ardez naar Fetan in het beneden Engadin (het hooge
pad), kijk er dan eens naar uit. Die Reuzenbovist groeit in ons land
ook en ik heb er wel een kring van gezien in het Vondelpark. De
afzonderlijke „hoeden” kunnen wel een halven meter in middellijn groot
worden, af en toe krijg ik wel eens zoo’n bakbeest toegezonden als
merkwaardigheid. Ook de kleinere stuifballen maken vaak heksenkringen;
ik vond ze van de Gesteelde Stuifbal (Tulostoma mammosum) (25), een van
de aardigste zwammetjes van de duinen en ook van de Melige Stuifzwam
(Lycoperdon furfuraceum) (31). Ook vergeet ik nooit de heksenkring van
aardsterren, die ik eens vond in een berkenboschje in het duin en
waarvan ik de lotgevallen een paar jaar kon volgen. Dat heb ik ook
gedaan met een heksenkring van de Paarse Ridderzwam (Tricholoma nudum)
(14), die ik vond in een ijl eikenboschje vlak tegen een sparrelaan.
Drie jaar lang heb ik die kring in de gaten gehouden. Ik vond hem op 6
November 1909. Het was meer een ovaal dan een cirkel; de langste as was
2.4 M. lang, de kortste 1.9 M. Er stonden 24 hoeden in en ze hielden
het bijna twee maanden uit; tegen Nieuwjaar was de heele kring verrot.
Het volgend jaar in November verscheen de kring opnieuw en was nu 3.92
M. bij 3.64 M. en telde tegen de tweehonderd hoeden. Ik kan niet
precies zeggen hoeveel, want onze groote paddenstoelkenster had er een
mandjevol van meegenomen, om te eten. In 1911 na den beruchten drogen
zomer kwam de kring in het begin van October al te voorschijn en bracht
het tot 232 hoeden in een kring van 5.54 M. bij 5.28 M., wat niet veel
verschilt van een cirkel. In het jaar daarop is helaas het boschje
gekapt en de grond omgewerkt, en zoo verloor ik mijn Ridderzwamkring,
waar ik al zeer bevriend mee was. Het zijn mooie paarse zwammen,
heelemaal paars, alleen de bovenzij van den hoed was bruinachtig. Ze
hadden het daar blijkbaar zeer goed, want de hoeden werden veel grooter
dan ze volgens de boeken behoefden te wezen; de grootste had een
middellijn van 22 c.M. In bosschen vinden we ook vaak reusachtige
heksenkringen wel van 10 M. middellijn of meer van de Nevelzwam
(Clitocybe nebularis) (34). Hij is van hetzelfde kaliber als de Paarse
Ridderzwam, maar wat hooger op de pooten, een flinke forsche
paddenstoel en heel mooi lichtgrijs bij wit af, maar toch duidelijk
grijs. De vlijtige paddenstoelzoeker heeft een prachtige gelegenheid,
om zich te oefenen in het onderscheiden van kleuren en tinten, dat
verzeker ik u. Wanneer de nevelzwam pas uit den grond komt, heeft hij
een ronden, bollen hoed. Langzamerhand gaat die zich uitspreiden en
eindelijk komen de randen wat omhoog zoodat het hoedoppervlak hol gaat
worden. Bij een verwante soort wordt de hoed zelfs trechtervormig; dat
is de Slanke Trechterzwam (Clitocybe infundibiliformis) (33, 89). Die
is donkerder van tint en gelig of kaneelkleurig en niet zoo grif in het
vormen van heksenkringen; meestal staat hij zelfs eenzaam.

De meest bekende heksenkringvormer van de grasvelden is de
Weidekringzwam (Marasmius oreades) (30). Bezitters van buitenplaatsen,
die er op gesteld zijn om een vlekkeloos gazon bij hun huis te hebben,
worden soms wel danig geplaagd door dit aardig paddenstoeltje, dat zijn
schalksche cirkels trekt op hun grastapijt. Ik ken er echter ook wel,
die de kringen met genoegen zien en de paddenstoeltjes zelve smakelijk
verorberen. Ze staan dicht opeen, soms zelfs in bundeltjes. In een
kring van 1.5 M. middellijn telde ik 138 hoedjes en dat hadden er nog
wel meer kunnen zijn. Het paddenstoeltje is er een van middelbare
grootte (lengte van den steel tot bijna 1 d.M., doorsnee van den hoed
1–6 c.M.) rossig bruin, later verbleekend. De hoed is eerst
kegelvormig, maar spreidt zich later uit en dan blijft er nog een
bobbeltje in het midden. De meeste paddenstoelen verrotten en
verwateren, als ze ouder worden, maar alles wat Marasmius heet,
verdroogt bij het verouderen. In de dennenbosschen vind ik veel
heksenkringen van een verwante soort, de Ringsteel (Marasmius
confluens) (28). Die wordt bij het verdrogen bijna spierwit. De kring
is doorgaans samengesteld uit duidelijk gescheiden groepjes en in deze
groepjes bestaat weer een groot verschil van steellengte. Daardoor ziet
een heksenkring van Ringsteeltjes er altijd zeer levendig uit.

Dat groeien in bundeltjes komt ook bij zeer veel paddenstoelsoorten
voor en het meest bekende voorbeeld daarvan is wel het Zwavelkopje
(Hypholoma fasciculare) (53). In onze kinderjaren noemden wij die
altijd „koekjes”, maar wij wachtten ons wel, om ervan te eten, want
mijn grootmoeder, die heel knap was in de plantenkennis en kruidkunde,
had ons gezegd, dat ze vergiftig waren. Ze zien er anders lekker genoeg
uit, rond en bol en mooi bruinig oranje met aan den top eventjes
aangebrand. De onderkant met zijn vellerige vaalzwarte platen zag er
minder lekker uit en we lieten ze dus stil staan, maar lieten niet na,
de prachtige groepjes te bewonderen, vooral wanneer ze zoo
schilderachtig geplaatst waren aan den rand van een boomstronk.

Een andere in groepjes groeiende paddenstoel, die ik mij uit mijn jeugd
herinner, is de Gewone Inktzwam (Coprinus atramentarius) (46). Die is
niet vergiftig, maar bracht ons toch dikwijls ongerief, doordat wij
elkaar er mee insmeerden en dan zat er doorgaans een pak slaag op. Ze
groeiden in den tuin in het hoekje waar altijd de mest gestort werd. Op
een mooien morgen zag je daar dan opeens iets, dat wel leek op een
partij bruine streperige eieren, die ter halve hoogte uit den grond
staken. ’s Middags waren dat al paddenstoelen met kegelvormige hoeden,
losjes wiegelend op slanke stelen. De platen aan den onderkant van die
hoeden waren eerst bleek rossig-bruin, maar werden spoedig zwart en dan
begon de pret. Want ze vervloeiden tot een zwarte brij; de heele hoed
vervloeit tot aan den steel toe en met die zwarte brij kun je nu naar
hartelust schilderen en klodderen. ’t Is wel merkwaardig, dat aan het
vervloeien van deze inktzwam het uitstrooien van de sporen voorafgaat.
De inktzwam vertoont zeer duidelijk twee eigenschappen, die men
gewoonlijk aan alle paddenstoelen toeschrijft: vergankelijkheid en
snellen groei. Nu valt dat met de snelheid van groei lang niet altijd
mee. Ik heb daar in den loop der jaren nog al veel op gelet en veel
paddenstoelen dag aan dag en uur aan uur gadegeslagen. Ze groeien het
snelst bij vochtig weer en niet te lage temperatuur en een onweersrijke
periode is voor hen zeer gunstig. Van den onmiddellijken invloed van
een onweer heb ik echter nooit iets met zekerheid kunnen vaststellen;
het zit dunkt mij dan niet zoo zeer in de electrische verschijnselen,
dan wel in de gunstige samenwerking van zon en regen. Het rechte weet
ik er nog lang niet van en ik mag hier mijn jonge vrienden en
vriendinnen wel eens aansporen, om op al deze dingen te letten. Let
eens op bepaalde paddenstoelen dag aan dag en liefst drie, vier keer op
een dag van het oogenblik af dat zij zich beginnen te vertoonen, totdat
zij vergaan of verdroogd zijn. Zie hoe ze opkomen, hoe snel ze hun hoed
ontplooien, wanneer ze hun sporen strooien en hoe ze hun loopbaan
eindigen.

Het opkomen gaat het snelst. Ik zie altijd met genoegen hoe zoo’n
opkomende paddenstoel den grond boven zich omhoog duwt en open splijt.
De meeste komen op met gesloten hoed, maar de Spleet-Vezelkop van de
duinen (Inocybe rimosa) (26) heeft bij het opkomen zijn hoed al heel of
half open en komt dan heel leuk uit het zand opduiken.

De Spijkerzwammen, zoowel de Gladde (Gomphidius viscidus) (65) als de
Gewone (G. glutinosus) (66) zijn dikwijls snel in het ontplooien.
Eigenlijk hebben ze niet veel te ontplooien, want hun steel is dik en
de hoed is dik en de plaatjes nog al smal, maar toch, ze komen bol op
en staan tenslotte hol of vlak en die overgang van bol naar hol heb ik
eens zien gebeuren in op zijn hoogst drie en een half uur. Die
Spijkerzwammen zijn gemakkelijk te kennen aan hun stoeren bouw, hun
bijzondere roodkoper-kleur, die in den steel overgaat in geel en aan de
dikke platen, die eerst mooi grijs zijn, later donkerder worden en ook
wel kopergroen aanloopen. Ze groeien in naaldbosschen.

Een andere snelgroeier is de Gesteelde Bekerzwam (Macropoda macropus)
(21). De wetenschappelijke naam duidt op zijn langen steel. ’t Is een
klein zwammetje, eigenlijk een ronde Peziza op een steel. Ook het
Kleverig Koraalzwammetje (Calocera viscosa) (51) is er een, die in nog
al zeer korten tijd van een glimmend oranje knikkertje, dat uit de
schors van een ouden dennestronk komt uitpuilen, verandert in een
prachtig rijk vertakt gewei.

De Amethystzwam (Laccaria laccata var. amethystina) (32) doet heel
raar. Soms schiet hij vlug op, een andermaal is er dagenlang geen
verandering te bespeuren. Ieder kent dat mooie paddenstoeltje, dat
vooral in het naaldhout groeit en door zijn prachtige diep
donker-paarsblauwe kleur onmiddellijk de aandacht trekt. Vooral de zeer
jonge zijn bijzonder mooi van kleur. Die verbleekt bij de oudere en er
komen dan ook wel bruinige strepen in den hoed of hij raakt wit
uitgebleekt. De zeer lange wetenschappelijke naam leert ons dat deze
Amethystzwam eigenlijk een bijvorm is van een anders uitziende soort en
het zal u ook weinig moeite kosten om een paddenstoel te vinden precies
van dezelfde grootte en vorm, maar dan mooi vosbruin; dat is dan de
typische Laccaria laccata (35). Hij is ook rooskleurig te vinden en om
al die kleurwisselingen heeft men er den naam van Fopzwam voor bedacht.
Dat kan er nog net mee door, maar mooi klinkt die naam niet. Men wil de
Amethystzwam ook wel Roodekoolzwam noemen. Nu vind ik roode kool wel
lekker, doch amethyst toch mooier.

Hoe lang leven de paddenstoelen? Hoe lang leeft de eigenlijke plant,
dat is de zwamvlok, het mycelium in den grond? Wel, het mycelium van
mijn Paarse Ridderzwam, waarvan ik hierboven vertelde, was op zijn
minst vier jaar oud toen het werd „omgewerkt” en zou het zeker nog wel
langen tijd uitgehouden hebben. Er is een mooie warm geelbruine ruige
zwam, die dikwijls groepsgewijs aan boomstronken groeit, dat is de
Schubbige Pholiota (Pholiota squarrosa) (29). Die vond ik eens
reusachtig groot op een ouden dennestronk, grooter dan waar de boeken
van gewagen. Die hield ik dus hoog in eere. Hij werd met rust gelaten,
alleen met veel zorg gefotografeerd en gemeten. Eenige jaren achtereen
konden wij ons in den aanblik van telkens nieuwe reuzen verheugen, maar
in het vijfde jaar bleef hij weg en sedert is hij niet weer verschenen.
De dennestomp staat er nog en ieder najaar ga ik braaf kijken, of het
mycelium misschien is herleefd. Tegenwoordig heb ik nog een
Vliegenzwamgroep, die reeds acht jaren achtereen op ongeveer dezelfde
plek in het bosch te voorschijn komt onder hooge dennen. Voor
waarnemingen als deze moet je de beschikking hebben over terreinen, die
vrij wel ongemoeid worden gelaten. Gelukkig hebben wij die tegenwoordig
in onze Natuurmonumenten.

Eer ik dit hoofdstuk eindig, moet ik nog een paar soorten noemen, die
op zeer bijzondere wijze groeien. We vinden wel eens in het bosch een
Russula, die niet zoo gaaf is, als we van Russula’s gewoon zijn. In
zijn jeugd is hij natuurlijk aardig genoeg; de hoed groenig grijs, de
steel wit, de platen wit. Die platen zijn heel dik en wat bij Russula’s
zelden voorkomt, ongelijk van lengte. De hoed, eerst bol, wordt
gaandeweg hol en nu gaat de heele paddenstoel verkleuren, eerst in het
bruine, dan tot zwart toe en dat gaat niet mooi gelijk maar met
vlekkerigheidjes. Eindelijk lijkt hij heelemaal te verkolen en zoo
blijft hij liggen tot in het volgend jaar. Hij heet de Grofplaat
Russula (Russula nigricans) (22). Op oude Russula’s van deze soort nu
kunt ge in het najaar groepjes van kleine paddenstoeltjes vinden, die
soms wel lijken op gesteelde stuifballen, maar bij nader toezien
blijken ze toch tot de Plaatzwammen te behooren. Soms zijn de platen
echter in het geheel niet ontwikkeld, maar dat hindert niet, want dit
Sterzwammetje (Nyctalis asterophora) (22) kan ook een bijzonder soort
van sporen vormen aan de oppervlakte van hoed en steel. Behalve het
Sterzwammetje groeit er ook nog wel een andere kleine paddenstoel op de
platen van vergane Russula’s en Melkzwammen, dat is de
Knolletjes-Collybia (Collybia tuberosa), zoo genoemd omdat de dunne
steel met een hard knolletje in het lichaam van de Russula vast zit.
Het is altijd nog al bijzonder, om deze paddenstoelen, die op
paddenstoelen groeien, te vinden.

En nu tot slot nog de paddenstoel, die op een rups groeit, de
Rupsendooder (Cordyceps militaris) (50), een heel mooi oranje tongetje,
van boven ruw, dat uit den grond komt steken. Graaf dat dingetje netjes
uit in een kringetje van een paar vinger breed rondom dat steeltje en
een centimeter of acht diep. Splijt dan de aardkluit voorzichtig open,
uitgaande van het steeltje en dan krijgt ge hoogstwaarschijnlijk een
vlinderpop te zien of een rups, natuurlijk dood en die is dan doorweven
van het mycelium van dit zwammetje. Doorgaans is het de pop van de
Huismoeder (Agrotis pronuba), de welbekende vlinder met de oranje met
zwarte achtervleugels, die zoo dikwijls onrust baart in uw
slaapvertrek. Als je nu weet, dat de rups van die vlinder knaagt aan de
wortels van gras en graan, dan begroeten wij hier in dezen Rupsendooder
alvast de eerste van onze „nuttige” paddenstoelen.

Niet ieder tongetje dat uit den grond komt kijken is een Rupsendooder.
Er zijn ook andere „Aardtongen”, onder andere de Gladde Aardtong
(Geoglossum glabrum) (61) die is donkerbruin en glad. Is zij bezet met
dichte haartjes, dan hebt ge de Ruwe Aardtong (Geoglossum hirsutum),
beide nog al zeldzaam.








III. DE NUTTIGE PADDENSTOELEN


We weten tegenwoordig, dat vele paddenstoelen van onberekenbaar groot
nut zijn en dat menige boom, menig bosch niet zou kunnen bestaan zonder
hun bijstand. Het is geruimen tijd geleden, dat men dit begon te
vermoeden; in de laatste jaren is dat vermoeden tot zekerheid geworden.
Het heeft al lang de aandacht getrokken, dat sommige paddenstoelsoorten
liefst groeien in gezelschap van bepaalde boomsoorten, soms slechts
één, soms eenige. De Vliegenzwam vindt ge doorgaans bij berken, ook
onder dennen of lariksen, maar zelden in andere omgeving. Dikwijls heb
ik heksenkringen van Vliegenzwammen gevonden rondom alleenstaande
berken en ik behoef u niet te zeggen, hoe prachtig dat er uit ziet:
echt om te schilderen. De berk heeft nog een paar andere vrienden en
wel de Ruwe Boleet (Boletus scaber) (38) en de Berken Gordijnzwam
(Cortinarius hemitrichus) (36). Van deze laatste is gezegd, dat hij
evenzeer verknocht is aan den berk, als de dolfijn aan zijn schip. Ge
weet dat de dolfijnen er schik in hebben, om uren lang en mijlen ver
een schip te vergezellen.

De Ruwe Boleet ontbreekt ook nooit in berkenbosschen. Het is niet een
van de mooiste Boleten: de steel nog al slank, grijs met donkere
stippeltjes en ruig, de hoed bol, bruin en de buisjeslaag zoo’n
gruttebrij-kleurtje. Hij komt ook voor onder ratelpopulieren en nu
wordt wel beweerd, dat die van de ratelpopulieren er anders uitziet dan
die van de berken, meer rossig. Let er eens op! Maar ze zouden toch van
één en dezelfde soort zijn. Dat is alleen door kweeking uit te maken.

Ook is vastgesteld, dat het Eekhorentjesbrood (Boletus edulis) (39) bij
de berken behoort. Deze boleet is een van de grootste paddenstoelen. De
bruine hoed kan wel een middellijn hebben van 25 c.M. De steel is dik,
mooi bruingrijs en dikwijls versierd met een netachtige teekening. Het
vleesch is wit en blijft wit als we den paddenstoel doorbreken.
Misschien kan het vlak aan den buitenrand een beetje rose worden.
Andere boleten behooren bij de Naaldboomen. In de eerste plaats noemen
we de Melkboleet (Boletus granulatus) (37), één van de kleine boleten.
De mooi glimmende bruine hoed wordt zelden grooter dan 8 c.M. in
middellijn; de steel is tamelijk kort, middelsoort dik, lichtgeel bij
wit af en vlak onder den hoed dikwijls gestippeld door kleine gele of
bruine knobbeltjes. De poriën zijn geel en daar zitten vaak witte
melkdroppeltjes aan. Dit mooie boleetje is een van de eerste, die zich
’s zomers in het dennenbosch vertoonen en wel het liefst langs de paden
en open plekken. Let er eens op, dat de paddenstoelen meer voorkomen op
de lichte en halflichte plekken in het bosch dan op de donkerste.

De Bruine Ringboleet (Boletus luteus) (40) heet zoo, omdat hij een
mooie paarse ring rondom den steel heeft, eigenlijk een echte sluier of
manchet, die net als bij de Amanita’s en Psalliota’s ontstaat, doordat
een vlies, dat aanvankelijk de poriënlaag bedekte, loslaat en nu rondom
den steel komt hangen. Deze sluier verwelkt wel spoedig, maar er blijft
toch altijd een duidelijk donker ringetje om den steel. Er is ook een
Gele Ringboleet (Boletus flavus) (42). Deze is lichter van kleur, heeft
een witte sluier en toont een bijzondere voorkeur voor lariksen. Een
echte dennenvriend is weer de Kastanjeboleet (Boletus badius) (41), ook
bruin, maar zonder sluier en zijn witte vleesch wordt, aan de lucht
blootgesteld, mooi bleekblauw. Ziezoo, dat is een heele verzameling van
boleten; later noem ik er nog een paar bij.

Hoe staat dat nu met het bondgenootschap tusschen de boleten en de
dennen of berken? Daarvoor moeten we even aan het graven en zoeken naar
worteluiteinden van deze boomen. Ge zult zien, dat die er heel anders
uitzien dan de worteltjes van radijs, die pas opkomt. Die
radijsworteltjes zijn nabij hun punt dicht bezet met fijne wortelharen
en dat is nu bij onze boomen heelemaal niet het geval. Ze vertoonen
dikkige, bruinige, wittige, eventjes ruige worteluiteinden en als we
die onder het microscoop onderzoeken, dan blijkt dat ze dicht omsponnen
zijn met myceliumweefsel. Nu zijn knappe onderzoekers er niet alleen in
geslaagd, om voor veel gevallen uit te maken tot welke paddenstoelsoort
dat myceliumweefsel behoorde, maar ook hebben ze bewezen, dat boomen
met zoo’n zwamwortel beter groeien, dan zonder. Zoo’n combinatie van
wortel met myceliumdraden heet een Mycorrhiza, en dat beteekent
letterlijk zwamwortel. Soms zitten de myceliumdraden om den wortel maar
dikwijls ook in den wortel en in beide gevallen is het een voordeel
voor de plant. Het aantal planten, die er een mycorrhiza op na houden,
is bijzonder groot. Om te beginnen alle boomen en heesters van bosch en
heide, maar dan ook nog een aantal kruidachtige planten, zooals de
bosch-anemoon, de wespen-orchis, koraal-orchis, vogelnest-orchis, ook
alle orchideeën, die op den grond groeien en dan nog om niet te
vergeten het bleeke Stofzaad, dat eenig en alleen is aangewezen op het
voedsel, dat de zwamdraden hem verschaffen.

De paddenstoelen zijn dus onmisbaar voor den plantengroei van bosch en
heide, weide en akker. Gaandeweg zullen we daar nog wel meer van te
weten komen en iedereen kan daaraan meehelpen, al is het dan ook nog
zoo’n beetje. De jeugdige paddenstoelzoekers moeten alvast beginnen met
voor iederen paddenstoel, dien ze vinden, aan te teekenen bij welke
boomen of andere planten die groeide. Of, omgekeerd, maak een lijst van
boomen en noteer dan bij iederen boom, welke paddenstoelen eronder op
den grond groeien. Ge zult ontdekken, dat de Spijkerzwammen
(Gomphidius) al even goede dennevrienden zijn als de Boleten en dat de
Melkzwammen hun weldaden verdeelen over dennen, berken en eiken.

De beroemdste van alle Melkzwammen is de Oranjegroene Melkzwam
(Lactarius deliciosus) (59). Deze groeit vooral in naaldbosschen, onder
dennen en lariksen en is ook te vinden in onze helaas steeds
schaarscher wordende Jeneverbeswouden van de Drentsche, Veluwsche en
Brabantsche zandstuivingen. ’t Is een van de gemakkelijkst kenbare
soorten, want het is een echte oranjeklant; hoed oranje met donkerder
kringen, steel oranje, vleesch oranje, melk oranje, platen oranje. Als
je even met den nagel langs de platen strijkt, komen de oranjedroppels
te voorschijn en die melk smaakt zoet. Door het hanteeren gaat deze
paddenstoel er minder smakelijk uitzien, want overal waar ge hem
eventjes drukt of knijpt wordt hij dadelijk vaalgroen. Deze paddenstoel
wordt nog al eens gegeten en de Latijnsche bijnaam van „deliciosus” zou
je doen vermoeden, dat hij al heel bijzonder lekker moet zijn, maar dat
valt toch niet mee. Er zijn tal van lekkerder soorten, te beginnen met
ons Eekhoorntjesbrood.

In ons land worden paddenstoelen nog niet veel gegeten. De menschen
zijn er huiverig van en terecht, want onvoorzichtigheid in dezen kan je
den dood aandoen. Alleen bepaalde soorten zijn eetbaar en die moet ge
op en top kennen, met al hun kenmerken, eer ge het waagt, den tand erin
te zetten. Er bestaat geen enkel algemeen kenmerk, om vergiftige
paddenstoelen te onderscheiden van de eetbare. Men hoort wel eens van
dergelijke huisregeltjes, b.v. dat een zilveren lepel zwart zou worden
in vergiftige paddenstoelen en blank zou blijven in de goede. Daar is
niets van waar: de lepels blijven blank in de allergiftigste Amanieten.
Verkleurend vleesch zou een kenmerk zijn voor giftigheid; heelemaal
niet waar: verschillende van die verkleur-paddenstoelen zijn heel goed
om te eten. Paddenstoelen, waar slakken van eten, zouden goed zijn;
volmaakt onjuist: je ziet dikwijls slakken smullen van soorten, die
voor ons giftig zijn. Neen, wie paddenstoelen wil eten kan er niet
buiten, om de soorten, die hij wil eten, goed te leeren kennen aan hun
uiterlijk en meteen make hij kennis met de giftige soorten, die, hoewel
vaak oppervlakkig, gelijken op de goede. Het aantal soorten waarvan
bekend is, dat ze eetbaar zijn is al zeer groot; in ons land wel over
de honderd. Catharina Cool geeft in haar paddenstoelboekje den naam van
78 eetbare paddenstoelen en daar tegenover 28, die vergiftig of
verdacht zijn.

Voorzichtige menschen eten maar liever in het geheel geen
paddenstoelen, doch daaraan hebben ze ongelijk. ’t Is ook niet noodig,
dat we ieder jaar duizenden kilogrammen stikstofvoedsel laten verrotten
en vergaan en zeker wel de moeite waard, om ons een paar dozijn soorten
van paddenstoelen goed in het hoofd te prenten. In Duitschland, België,
Frankrijk, Zwitserland worden paddenstoelen bij massa’s gegeten. Daar
worden ze ook op de groentemarkten verkocht, evengoed als worteltjes en
andijvie en dikwijls genoeg heb ik op de markt te Bazel, Bern, Lausanne
of Genève met groot genoegen naar de paddenstoelkraampjes staan kijken.
Daar mogen slechts bepaalde soorten ten verkoop worden aangeboden en
een controleur waakt er voor goede naleving der bepalingen, onderzoekt
ook, of de aangeboden waren versch genoeg zijn. En als ze een partijtje
afkeuren, dan moet je hooren, hoe die oude kwieke paddenstoeldames hun
controleur aftakelen in een dialect, dat volkomen onverstaanbaar is,
maar dat verduidelijkt wordt door gebaren en geluiden uit de wereldtaal
van de boosheid. De markt in Genève is zeer streng; daar mogen zelfs
geen Koraalzwammen verkocht worden, ofschoon ze niet vergiftig zijn. Ze
schijnen echter een al te bespoedigenden invloed te hebben op het
verloop van de spijsvertering.

De paddenstoel, dien je ieder kan aanraden om te eten, is de Hanekam of
Dooierzwam (Cantharellus cibarius) (52). De Duitschers noemen hem
Pfefferling en inderdaad heeft hij een heel aangenaam prikkelend
peperachtig smaakje en geeft daarbij nog een geurige gewaarwording als
van ooft. In allerlei bosschen, maar misschien in loofbosch meer dan in
naaldhout, ziet ge al vroeg in den nazomer groepen van mooi-oranje
knopjes uit den grond komen en die groeien uit tot trechtervormige
figuren met omgekrulden hoedrand. ’t Is een plaatjeszwam, maar de
plaatjes zijn niet hoog en lijken eerder dikke ribbels, zeer typisch.
Deze zwam heeft geen gevaarlijken dubbelganger, zooals zoo menig
andere. Vroeger dacht men van wel en hield men de Valsche Dooierzwam
(Cantharellus aurantiaca) (54) voor vergiftig. Dat is gelukkig
heelemaal niet het geval; alleen is hij niet zoo lekker, doordat zijn
vleesch nog al slap is, terwijl dat van de echte dooierzwam zoo lekker
knappert. Deze beide Cantharellen worden haast nooit aangetast door
insecten. Geen wonder, dat de „Chanterelle” op de Zwitsersche markten
een gewild artikel is. Ze werden er vroeger bij het gewicht verkocht.
Om ze nu zwaarder te maken, legden de verkoopers ze in water, alvorens
ze op de markt te brengen. Dit bedrog had ook slechte gevolgen voor de
ingewanden der koopers! Toen schreef de marktmeester voor, om ze bij de
maat te verkoopen en dat vonden de kooplui nog prettiger, want met
droge cantharellen heb je eerder een maat vol dan met natte; die
plakken in elkander.

Al de Boleten, die ik in dit en de vorige hoofdstukken genoemd heb,
zijn eetbaar. De beste is wel het gewone Eekhoorntjesbrood (Boletus
edulis) (39) en dan volgt de Melkboleet (Boletus granulatus) (37). Het
zal u blijken, dat het niet zoo makkelijk gaat, om volkomen gave
exemplaren van deze paddenstoelen te vinden, want ze zijn al heel
spoedig doorvreten door insectenlarven. Soms echter komen ze zoo vlug
en in zoo groot aantal voor, dat wij het niet kunnen bijhouden met eten
en dan gaan we ze „wekken”. Ik heb geen gelegenheid om in dit album te
vertellen van het koken, braden, inmaken enz. van paddenstoelen en moet
u daarvoor verwijzen naar het Paddenstoelboekje van Cool en van der Lek
en naar een kleiner werkje van Mej. Cool „Hoe maken we Paddenstoelen
klaar”, beide uitgaven van W. Versluys te Amsterdam.

De paddenstoel, die wel het meest gegeten wordt en dan ook opzettelijk
in groote hoeveelheden wordt gekweekt, is de Weide-Champignon of
Weide-Kampernoelje (Psalliota campestris) (45). Zooals de naam al
aanduidt groeit deze paddenstoel op weiden, vooral paardeweiden, ook op
strandweiden, waar trouwens altijd veel vee graast. Op deze plaatsen
bestaat weinig gevaar dat zijn doodelijk vergiftige dubbelgangers, de
Knol-Amanieten, ook zouden groeien, want deze hooren thuis in bosschen.
In boschweiden vindt men ze wel in elkaars gezelschap, dus daar heet
het oppassen. De Weide-Champignon heeft evenals de Vliegenzwam en de
andere Amanieten een manchet aan zijn steel en zijn voet is knollig,
doch heeft daar geen „beurs”, zooals de Amanieten hebben. Intusschen
kan die beurs bij de Amanieten ook wel eens heel onduidelijk zijn en
dan verkeeren we dus nog in twijfel. Gelukkig is er voor onze
Weide-Champignon nog een prachtig kenmerk en wel dit: de plaatjes zijn
bij de nog zeer jonge Weide-Champignon al vaalrose; ze worden gaandeweg
donkerder en zijn bij de oude Weide-Champignons met hun uitgespreiden
hoed bij zwart af. De Weide-Champignon groeit in troepen en ook heel
dikwijls in heksenkringen. De uitgespreide hoed kan tot twee decimeter
middellijn krijgen. Het mooist en het lekkerst zijn ze in jeugdigen
toestand, zoo in den tijd dat het dekvlies van de platen van den
hoedrand begint los te laten. Ze zijn te vinden van vroeg in den zomer
tot in den winter toe. Als groote bijzonderheid vonden wij er eens een
in Maart, één van de aardigste voorbeelden van de grillen der
paddenstoelen.

Nu kunnen wij eigenlijk met die Weide-Champignon al best tevreden zijn,
maar er is nog een Akker-Champignon (Psalliota arvensis) (43) en een
Bosch-Champignon (Psalliota sylvatica) (44), die er in het algemeen wel
op lijken en waarvan vooral de eerste heel lekker is, maar die hebben
in hun jeugd—als ze ’t lekkerst zijn—allebei heel lichte plaatjes, bij
wit af en kunnen dan wel eens bij het inzamelen een Amanita in hun
gezelschap krijgen, zonder dat je het zoudt merken. Daar zijn heel
ervaren paddenstoelzoekers al wel eens mee ingeloopen en een beginner
doet daarom het best zich maar uitsluitend te houden bij de veilige
Weide-Champignon en geen heldendaden te beginnen met Bosch-Champignons.
De Akker-Champignon heeft meestal een dubbelen schubbigen ring. De
Bosch-Champignon ziet er veel donkerder uit dan de beide andere,
doordat zijn hoed bedekt is met bruine schubben. Allebei,
Akker-Champignon, zoowel als Bosch-Champignon blijven kleiner dan de
Weide-Champignon; de middellijn van den hoed komt zelden boven de 12
c.M., terwijl de Weide-Champignon dikwijls met plezier de twintig
haalt. Een buitengewoon gevaarlijke dubbelganger van de Champignons,
waar niet dikwijls genoeg op gewezen wordt, is de Volvaria. Wij hebben
een Witte Volvaria (Volvaria speciosa) en een Grijze Volvaria (Volvaria
gloiocephala) (130). Ze verschillen in kleur, maar lijken overigens
veel op elkander. Het gevaar schuilt hierin, dat zij ook rose plaatjes
hebben evenals de goede Champignons en zij groeien op bemeste gronden
nog al eens een enkelen keer in gezelschap van de brave eetbare
kampernoeljes. Ze zijn goed te kennen aan de groote beurs, die onderaan
den voet omgeeft, maar die zit dikwijls in den grond, dus uitgraven!
Ook heeft de Volvaria geen manchet. Men behoeft zich dus nooit te
vergissen, maar toch, opgepast hoor!

De inktzwammen zijn in hun jeugd goed om te eten en zeer bijzonder
wordt aanbevolen de Geschubde Inktzwam (Coprinus comatus) (48) en dat
is tegelijk een van de allermooiste paddenstoelen, die er bestaan en
eigenlijk had hij al een eereplaats mogen innemen in het eerste
hoofdstuk. ’t Is er een, dien we zoeken moeten op vruchtbare akkers,
langs kleiïge dijken, op rommelige mestrijke, stikstofrijke plaatsen en
daar komen ze met hun spierwitte bolletjes boven den grond opsteken en
worden al hooger en hooger tot hun schubbige hoed als een groot ei
boven den grond komt, los op zijn steel. Nu moet ge hem plukken, want
over enkele uren gaat hij vervloeien, net als de gewone inktzwam.

Minder vergankelijk is de Biefstukzwam (Fistulina hepatica) (F). De
ervaren paddenstoelzoeker, die zijn buurt kent, weet wel oude eiken en
eikenstronken te staan, die jaar in jaar uit zijn biefstuk leveren.
Eerst komt er een dikke roodbruine knobbel te voorschijn en die wordt
dag aan dag tamelijk langzaam al grooter en grooter, al malscher en
malscher. Hij begint zich al gauw te doen kennen als een buisjeszwam,
evenals onze Boleten. De buisjes van deze Biefstukzwam staan echter
niet vlak tegen elkaar, maar met kleine tusschenruimten. Ze scheiden
ook een vocht af en alles met alles ziet deze paddenstoel er zeer
aantrekkelijk en smakelijk uit, wat hij dan ook werkelijk is. Langer
dan zes jaar achtereen heb ik hem niet uit één en denzelfden stronk
verkregen.

Nog een andere goed eetbare boomstronkpaddenstoel is de Oesterzwam
(Pleurotus ostreatus) (D). Hij groeit zoowel op levende zieke boomen
als op doode stammen en komt daar in groote waaiervormige massa’s te
voorschijn; de steel zit aan den kant van den hoed, vlak in den stam.
De hoed is bleekgrijs, soms heel mooi lavendelkleurig, ook wel
donkerder en met bijzonder mooi gekrulden rand. De platen flink groot
en licht van kleur; de overvloedige sporen wit.

In het Oosten van ons land meer dan in het Westen, dus in het Gooi meer
dan in Kennemerland staan een paar smakelijke stekelzwammen, de Gele of
Uitgespreide Stekelzwam (Hydnum repandum) (64) en de Geschubde
Stekelzwam (Hydnum imbricatum) (62). Ik vond ze allebei veel in het
Koninklijk Park van Het Loo, en ook bij de Lage Vuursche, het meest in
beukenbosschen. Ze zijn allebei heel makkelijk te kennen aan hun
stekelige schubben. Voor de eerste heb ik een bijzondere voorliefde,
eigenlijk alleen, omdat ik mijn eerste vond op een van die fabelachtig
mooie zomersche dagen in het eind van November en dan aan de Vuursche
met de beuken in het diepst en felst van hun koperkleur en bonte
Vlaamsche gaaien, schreeuwend en stoeiend in het hout. ’t Is met de
paddenstoel-liefhebberij als met andere natuur-liefhebberijen: hun
hoogste beteekenis is deze, dat ze je naar buiten drijven en je de
gelegenheid geven goed te beseffen, hoe mooi onze wereld is. Er zijn
wel menschen, die het zoo druk hebben met andere dingen, dat ze dit
nooit te weten komen. Maar ik weet het wel.

Zoo ook met de Morieljes. Ik eet ze graag, heel graag, vooral wanneer
mijn vrouw ze heeft klaargemaakt. Maar wat heeft dat te beteekenen bij
het groote genoegen, het innige genot, dat ik ondervind bij het zoeken
van deze prachtige dingen. De nachtegaal is pas aangekomen en de berken
staan in jong loover, Anemoontjes nog in vollen bloei, en de Lelietjes
van Dalen in knop. Overal ontluikend groen en bloemen, vogelzang,
gegons van hommels en bijen en de lekkere lauwe lucht om je hoofd. En
dan in het gras of bij de blauwe Viooltjes of zoo maar in het duin bij
de Salomonszegeltjes die mooie bruine Morieljes op blank steeltje en
met het wafelachtige goudbruine oppervlak. Nu eens vinden we ze onder
iepen, dan onder eiken, op brandplekken; een vaste regel is niet te
geven. Ze hebben geen plaatjes of buisjes of stekels, maar hebben hun
sporen bij achttallen in zakjes, evenals de Peziza’s. Hoe kunnen ze
verschillen in grootte en vorm; soms zijn ze akelig groot, als een
vuist of nog grooter en dan hol en voozig. De beste zijn die van een
centimeter of acht hoog. Er zijn verschillende soorten van Morieljes.
Wij vinden hier in Bloemendaal voornamelijk twee soorten: de Gewone
Morielje (Morchella esculenta) (58) en de Kapjesmorielje (Morchella
rimosipes) (56). De eerste is bruinig en heeft duidelijk het
wafeltjespatroon, de tweede een tamelijk zuiver kegelvormigen hoed met
fijner plooien dan de eerste en grooter voet. Deze Morieljes mag men
meerekenen onder de paddenstoelen, die je met geduld en volharding in
je tuin kunt krijgen door maar altijd rijpe brokken uit te strooien op
de plekken, die je geschikt voorkomen. Zoo heb ik ze in mijn tuin
gekregen en geruimen tijd gehouden.

In het najaar vinden wij een paar paddenstoelen, die een zeer
oppervlakkige gelijkenis vertoonen met Morieljes en die door de
Duitschers dan ook Herbstmorchel worden genoemd. Hun hoed is echter
niet gewafeld, maar geplooid en in de plooien is het oppervlak dan
effen. De voet is buitengewoon mooi versierd met ribbels en à jour
werk, allemaal heel aardige openingen. We willen er ook twee soorten
van noemen, de Witte Kluifjeszwam (Helvella crispa) (57) en de Zwarte
Kluifjeszwam (Helvella lacunosa) (55). De eerste heeft een witten, de
laatste een bijna zwarten hoed. Die Helvella lacunosa is gemiddeld ook
kleiner en inwendig nog veel meer met gaten en openingen behept dan de
Helvella crispa. In sommige jaren komen ze voor in onbegrijpelijk
grooten getale, in andere jaren zoo goed als in het geheel niet.








IV. GEVAARLIJKE PADDENSTOELEN


Wanneer we geen paddenstoelen aten, dan zou dit hoofdstuk tamelijk kort
kunnen zijn, want dan zou ik mij moeten bepalen tot het noemen van de
weinige soorten, waarvan wij zeker weten, dat ze schadelijk zijn voor
den boschbouw en dat ze gezonde boomen of boompjes ten verderve
brengen. Het is dus niet meer dan logisch, dat we met deze
paddenstoelen beginnen en het allereerst komt dan aan de beurt de
beruchte Dennenmoorder (Trametes radiciperda) (71), ook bekend als
Fomes annosus.

Eigenlijk is het een sluipmoordenaar, want hij begint zijn aanval in
het duister, onder den grond, waar de stam van de jonge dennetjes
overgaat in den wortel, aan den wortelhals. Daar drijven de sporen hun
myceliumdraden naar binnen en dan breidt de zwamvlok zich het sterkst
uit in de grenslaag van schors en hout en in de schors zelf. De wortels
kunnen nu geen voedsel meer uit de groene takken krijgen, want dat gaat
naar omlaag langs die schors. Zij verhongeren en verrotten gaandeweg en
dan gaat de boom dood. Lang eer dat gebeurt, is het hem al aan te zien,
dat hij kwijnt; de naalden verkleuren, ze worden roodbruin en tegelijk
gaan ook de jonge loten verwelken. Al dien tijd is nog geen paddenstoel
te zien, maar in het najaar vindt ge aan den voet der kwijnende
boompjes, tusschen mos en naalden, platte korsten, in bouw wel
eenigszins herinnerend aan onzen vrind Polyporus perennis (18). Maar er
is geen vaste vorm te bekennen; het is alsof het zwamlichaam
uitgevloeid is uit den boomstam en het omgeeft dan ook naalden, takjes,
sprietjes en mos. Aan den bovenkant zijn die plakken groenig bruin, aan
de onderzijde wit en daar zie je dan ook de poriën, waaruit de sporen
te voorschijn komen. Deze kunnen door wind en water en door dieren weer
andere boompjes in de buurt bereiken en zoo kunnen groote stukken bosch
worden aangetast. Een Trametes-zieke boom kan het wel eenige jaren
uithouden en ieder jaar wordt het zwamlichaam rondom den wortelhals
grooter, want telkens wordt een nieuwe korst gevormd rondom de oude.
Het komt dan ook wel boven den grond; de kenner vindt het al veel
eerder, door eventjes bij verdacht uitziende boompjes de naalden of het
mos aan den voet van den boom opzij te schuiven. Dan zal hij meteen
probeeren de ziekte te stuiten door het graven van greppels, het
verwijderen van den zieken boom, het omwerken van den bodem, het
inplanten van loof hout en allerlei andere listige bedenksels, die
gaandeweg den dennenmoorder zullen maken tot een der zeldzaamste
verschijningen in ons land.

De Dennenmoorder belaagt alleen het naaldhout; de Honingzwam
(Armillaria mellea) (75) daarentegen komt zoowel op loofhout als op
naaldboomen voor. ’t Is een van onze allermooiste paddenstoelen en
tegenwoordig ook nog zeer algemeen, want hij groeit nog langen tijd op
doode boomstronken. Soms is zoo’n stronk geheel overdekt met de
honingzwam, want hij groeit groepsgewijs en als er op één stronk drie
groepen groeien, elk van twintig hoeden, dan blijft er van die stronk
niet veel te zien. Het is dan één massa van mooie honinggele hoeden,
die zelf weer vlokkig bruin gevlekt kunnen zijn. De stelen zijn fraai
gebogen en dragen bovenaan een witten ring of manchet, dus op de manier
van de Amanita’s en Champignons. De platen zijn licht geel en loopen
dikwijls in fijne ribbeltjes langs den steel voort tot aan de manchet.
De sporen zijn wit; meestal vinden we dan ook in rijpe groepen de
onderste hoeden wit bepoederd door de sporen, die uit de bovenste zijn
neergevallen. Het mycelium, de zwamvlok, ontwikkelt zich weer het best
in de grenslaag van schors en hout. Behalve dat vlokkig mycelium maakt
deze Honingzwam ook nog dikke zwarte draden; je zoudt ze soms voor
verkoolde wortels kunnen houden. Deze dingen heeten Rhizomorphen; ze
dringen door langs het hout van de stammen en door den grond heen en
uit die Rhizomorphen kunnen dan weer hier en daar nieuwe
honingzwamgroepen opschieten. De boschbouwer is in het geheel niet
gesteld op deze prachtige zwammen. Kleine boompjes, die er door zijn
aangetast, verwijdert hij geheel, bij grootere gaat hij greppelen en
graven en vooral zorgt hij er voor, om afgekapte boomstronken, vooral
die van loofhout, tijdig te verwijderen. In jeugdigen staat is deze
honingzwam eetbaar. Wanneer ge honingzwammen weet te groeien, ga er dan
ook in het donker eens naar kijken; het mycelium en vooral de uiteinden
van de Rhizomorphen verspreiden soms een spookachtig licht, als van
stukjes phosphorus.

Verwant met de honingzwam is de Porceleinzwam (Armillaria mucida) (80),
die zooals de naam al doet vermoeden, glanzig spierwit is. Ge moet haar
zoeken in het beukenbosch en wel op oude stervende boomen. Soms bij
honderden komen de zwammetjes uit de schors te voorschijn, net
isoleerpotjes voor electrische geleiddraden en nu eens in groepjes
bijeen, dan weer alleenstaand. Het is gemakkelijk te begrijpen, dat het
heele lichaam van den boom doortrokken moet zijn met zwamvlokdraden,
met andere woorden, dat hij daar staat te vermolmen en te vergaan. Ook
deze paddenstoel is, dank den goeden zorgen tegenwoordig aan het bosch
besteed, al minder algemeen dan veertig jaar geleden.

Wij weten niet zeker, of de Porceleinzwam wel gezonde beuken aantast.
Waarschijnlijk krijgen de boomen eerst een ander kwaaltje en dan komt
de zwam daarboven op. Met het bestrijden van de Porceleinzwam hebben
wij dan de oorspronkelijke kwaal nog niet te pakken. Er zijn nog heel
veel van die boompaddenstoelen; hieronder zullen wij er nog eenige
noemen die zich alleen vertoonen aan stervende of reeds gestorven
boomen en die dus niet als de eerste oorzaak van het sterven van den
boom beschouwd moeten worden. Intusschen is het ook mogelijk, dat het
mycelium al jaren lang in den boom heeft voortgewoekerd, eer de
paddenstoel aan den buitenkant verschijnt en dan is hij dus wèl de
schuldige. Hier is de waarheid ook alweer zeer moeilijk te ontdekken.

Ik weid hier een beetje over uit, vooral met het oog op de berken. In
het Kennemerduin hebben wij vele en uitgestrekte berkenboschjes. Dat
waren heerlijke lustoorden, vooreerst om de berken zelf, dan ook om de
vele mooie en interessante planten, die er op den boschbodem groeien,
de paddenstoelen niet te vergeten, eindelijk om de fraaie bloem- en
besheesters, die ze omzoomen (liguster, meidoorn, geldersche roos,
lijsterbes, egelantier, kamperfoelie) en ten slotte om de rijke
insecten- en vogelwereld, die onafscheidelijk verbonden is aan rijken
plantengroei. In de laatste dertig jaren is die rijkdom allertreurigst
verminderd, veel van die boschjes staan nu hol en ledig, de helft van
de berken dood, sommige nog overeind, kaal en bladerloos, andere tegen
den grond gesmakt. En op al die doode stammen vinden we de prachtige
Berkenzwam (Polyporus betulinus = Placoderma betulinum) (67).

Het lijkt dan, alsof het bosch bezweken is onder den aanval van dien
paddenstoel. Wij vermoeden echter, dat de boomen eerst zijn gaan
kwijnen, vooral doordat de duinwaterleiding zooveel water aan den bodem
onttrekt en dat daarna de zwam is opgetreden. Let er maar eens op, of
ge hem ooit aantreft op levende boomen. De Berkenzwam is heel mooi en
’t is interessant om zijn groei na te gaan van het oogenblik af, dat ge
hem als een klein knikkertje uit den schors ziet puilen, totdat hij
weken en weken later volledig is uitgegroeid. Als hij op een los
liggenden stam groeit, moet ge dien eens keeren en wentelen en dan zult
ge zien, dat de paddenstoel dan de richting van zijn groei verandert:
steeds zoo, dat de bleeke poriënlaag horizontaal komt te liggen en naar
beneden gericht. Haast alle planten hebben een soort van gevoel voor
boven en onder, rechtop en scheef, en de paddenstoelen hebben dat ook,
anders zouden ze nooit zoo sierlijk staan, waar zij groeien. Aan
zwammen op een los paaltje kunnen we nu zien, hoe lang zij onder
invloed van dit gevoel den gewenschten stand nog weer kunnen bereiken,
als zij er uitgebracht zijn. De Berkenzwam evenaart in gaafheid en in
zachtheid van tint de schors van den prachtigen boom, waar hij op
groeit.

Er zijn nog meer merkwaardige berkengasten, o.a. de
Berkenplaatjes-Houtzwam (Lenzites betulina) (74). Die doet wel denken
aan onze elfenbankjes uit Hoofdstuk I, want hij groeit ook zoo in
platen, die er fluweelig uitzien en gekleurd zijn in kringstrepen van
bruin en grijsgroen, een beetje soberder dan de elfenbankjes. Als ze
jong zijn, dan zou hun onderkant ook doen vermoeden, dat we hier met
een gaatjeszwam te doen hebben, maar als ze ouder worden, dan worden
het plaatjes: rijk vertakt en onregelmatig met elkaar verbonden. Zij
staan dus als het ware tusschen gaatjeszwammen en plaatjeszwammen in.
Evenals de elfenbankjes kunnen ze het zeer lang uithouden, den winter
door.

Een dergelijke klant is de Doolhofzwam (Daedalea quercina) (68), die
aan eiken, beuken en esschen voorkomt en zelfs nog aan timmerhout
groeien kan. Zijn naam doelt er op, dat de onderkant allerlei gangen en
spleten en kronkelingen vertoont, zoodat we soms twijfelen of wij met
een gaatjes- of met een plaatjeszwam te doen hebben. Wij rekenen hem
toch nog bij de gaatjeszwammen. Hij heeft een lang leven en kan jaren
achtereen als harde houtige massa aan de boomen blijven zitten. Soms
vindt men onder aan oude boomen een heele plakkaat van loodgrijze tot
bruine platte hoeden langs en over elkander. Een onderzoek van den
onderkant leert ons al spoedig, dat wij hier ook met Polyporus-soorten
te doen hebben. Er zijn er namelijk twee. De bruine, die plakkaten
vormt van wel een meter breed, wordt kortweg Reuzenzwam (Polyporus
giganteus) genoemd; de andere, die meer in het grauwe loopt en wel meer
voorkomt dan de eerste, heeft een aardigen volksnaam en wel Eikhaas
(Polyporus frondosus) (70). Ze zijn allebei tamelijk zeldzaam, wat
natuurlijk voor de boomen die ze belagen, zeer plezierig is.

Zeer bekend zijn ook de groote houtzwammen, die ge als dikke
uitsteeksels aan oude boomen opmerkt. Ze blijven vele jaren achtereen
op dezelfde plaats voortgroeien, steeds een nieuw laagje van
sporenbuisjes vormend. De meest bekende is de Vuurzwam (Fomes
igniarius) (69), die vooral veel aan abeelen, zwarte populieren en
wilgen wordt aangetroffen. Het vleesch is roodbruin, maar heelemaal
niet vleezig, want het heele ding is zoo hard als hout en wordt dan ook
wel als brandhout gebruikt.

Lichter vleesch en grilliger groei heeft de Witte Populierzwam (Fomes
connatus) (72), die op populieren groeit en wel zoo groot kan worden,
dat de vogels er bovenop komen nestelen. Wij hebben tenminste eens een
vliegenvangernest op zoo’n zwam gehad.

En nu moeten wij het eens hebben over de menschenmoorders. In Hoofdstuk
I heb ik u reeds de Vliegenzwam vertoond als vertegenwoordiger van het
geslacht Amanita, waartoe de allermooiste, maar ook de
allervergiftigste paddenstoelen behooren. Iedereen, die paddenstoelen
wil inzamelen om te eten, moet eerst duidelijk kunnen zien, of hij een
Amanita voor zich heeft. Zooals reeds gezegd is, herkennen wij ze aan
hun witte (of lichtgele) plaatjes, aan de manchet rondom het boveneind
van den steel en aan den dikken knolachtigen voet, die naar boven toe
ook alweer een kraagje of een zoogenaamde beurs heeft. De beurs is wel
het duidelijkst bij de Groene Knol-Amaniet (Amanita phalloïdes) (I),
een prachtige gave groenachtig-gele paddenstoel, die in zomer en herfst
in alle bosschen te vinden is. Met hem verwant zijn de Gele
Knol-Amaniet (A. mappa) (H, K) en de Gele Amaniet (A. junquillea).
Beginners kunnen ze niet gemakkelijk van elkander onderscheiden, maar
dit hindert niet, men moet ze toch alle mijden.

Het zijn deze drie, die onbegrijpelijkerwijze nog dikwijls verward
worden met de Champignons. Nog eens: de witte platen en de beurs aan
den voet zijn de kenmerken van de doodelijke Amanita’s, de manchet komt
zoowel bij de Amanita’s als bij de goede eetbare Champignons voor.

Het ergste is wel, dat de Amanita’s er altijd bekoorlijk uitzien en
noch door geur noch door smaak hun giftigheid verraden. Wanneer ze
toebereid worden als de gewone Champignons, dan leveren ze een
smakelijk gerecht. Het is voorgekomen dat een gezin van vijf personen
een stevigen maaltijd gebruikte van Amanita’s en zonder erg zich te
rusten begaf. Het gif van de Amanita’s begint zich pas bemerkbaar te
maken na 8–20 uren. Den volgenden dag kregen die vijf menschen dan ook
afschuwelijke buikpijnen, vergezeld van buikloop en braking. De dokter
constateerde dadelijk paddenstoelvergiftiging en deed al wat hij kon om
de menschen te redden, maar het tweetal, die het meest gegeten hadden,
bezweek den tweeden dag, de anderen haalden het met moeite op. Het
vergif dat in Amanita’s schuilt heet Muscarine of Amanitine en werd in
dat Amerikaansch geval bestreden door een tegengif, atropine, het gif
van de doodelijke Wolfskers of Belladonna.

Ook in ons land zijn nog al dikwijls Amanita-vergiftigingen voorgekomen
en dat legt aan ieder, die zijn naaste wil aansporen, om paddenstoelen
te eten, de verplichting op, om hem allereerst een flinken schrik te
bezorgen voor de Amanita’s en hem die giftzwammen duidelijk aan te
wijzen. De narigheid van het geval is, dat de Amanita’s gelijken op de
goede Champignons, doch die gelijkenis is oppervlakkig en de
verschillen zoo duidelijk, dat niemand zich behoeft te vergissen. Als
alles was, zooals het wezen moet, dan zouden in alle scholen prachtige
platen hangen met duidelijke afbeeldingen van deze boosdoeners en dan
zouden ieder jaar in streken waar ze groeien, de Amanita’s aan de
leerlingen vertoond worden en dan konden zij ze ook wel eens mooi
nateekenen.

De Vliegenzwam is niet vergiftig, maar erger. De beroemde Duitsche
paddenstoelkenner Michael heeft het roode velletje er af getrokken en
daarna de paddenstoel gegeten. Hij ondervond geen slechte gevolgen,
maar kon de spijs toch niet roemen. Merkwaardigerwijze hebben
Siberische volksstammen ontdekt, dat het vel van de Vliegenzwam
bedwelmende eigenschappen heeft en die stakkers gaan zich daaraan dan
te buiten, hoewel de gevolgen nog veel en veel erger zijn dan die van
het misbruik van opium, haschisch en hoe al die ellendige bedenksels
meer mogen heeten.

Een Amaniet, die we in den zomer ook veel te zien krijgen, vooral in de
zandstreken van het Oosten van ons land is de Paarl-Amaniet (Amanita
rubescens) (G). Deze is ongevaarlijk, zelfs eetbaar en wordt in
Engeland op groote schaal gebruikt. Zooals de naam al aanduidt is hij
rossig, de hoed is lichtbruin, het vleesch roodachtig, ook de voet
bruinig. Boven op den hoed blijven evenals bij de Vliegenzwam brokjes
zitten van het oorspronkelijke omhulsel. Ik vind het een heel mooien
paddenstoel en omdat hij zoo algemeen voorkomt hebben wij hem dan ook
afgebeeld. Echter mag ik u niet aanraden, om hem te gaan eten, want er
is een kansje, dat ge in plaats van A. rubescens een andere zoudt nemen
en wel de Panther-Amaniet (Amanita pantherina) (J), die ook bruinig is
en met veel witte schubjes boven op den hoed. Hij is te onderscheiden
aan zijn voet, die boven de knol met beurs nog een paar ruwe ringen
heeft. Een pracht van een paddenstoel.

Van de Boleten heb ik u verteld, dat we ze bijna allen kunnen eten. Ik
behoef u hier slechts twee soorten te noemen die we niet in den pot
mogen stoppen: de vergiftige Satansboleet (Boletus satanas) (77) en de
Bittere Boleet (Boletus felleus). De Satansboleet is evenals de
Heksenboleet een van de verkleurende boleten. Ge herinnert u, dat de
Heksenboleet verkleurde van geel tot blauw. Wanneer we een Satansboleet
doorbreken of doorsnijden, dan verkleurt hij door rood en blauw naar
groen. Overigens lijkt hij veel op de Heksenboleet en de verschillen
zijn alleen goed merkbaar bij jonge exemplaren, want als deze boleten
ouder worden, dan veranderen zij ook hun kleuren en verkleuringen. Ik
lees ergens, dat de Satansboleet alleen op kalkhoudenden grond
voorkomt: wij moeten hem dus vooral zoeken langs de duinen en in
Zuid-Limburg.

Sommige Russula’s zijn eetbaar, andere niet en de niet eetbare zijn
dadelijk te kennen aan hun smaak. Ik heb al meer gezegd, dat geen een
paddenstoel zoo vergiftig is of je kunt gerust op een stukje ervan
knabbelen. Welnu, wanneer ge nu een van de kleine Russula’s ziet
(middellijn van den hoed niet grooter dan 6 c.M.) met prachtig rood
hoedje en witten steel, bijt dan even op een brokje van dien steel.
Wanneer het puntje van uw tong dezelfde gewaarwording krijgt als toen
ge bij ongeluk eens een pepertje doorbeet, dan hebt ge te doen met de
zeer mooie Roode Russula (Russula rubra) (4). Als je het roode velletje
van den hoed afpelt, dan blijkt het vleesch daaronder ook nog rood te
wezen.

Hetzelfde is het geval met een Russula, die wat op onze roode lijkt,
maar die heeft nog veel heeter vleesch en zeer onaangename
eigenschappen, waarom de Duitschers hem „Speiteufel” genoemd hebben.
Wij noemen hem Braak Russula (R. emetica) (1). Hij is niet zoo mooi
rood als de Roode, maar meer in het bruinige of purperachtig rood, soms
met strepen en vlekken en de steel ziet er ook zoo uit; soms een echt
ongezond uiterlijk. Gevoelige menschen krijgen het reeds te kwaad van
den geur alleen van het paddenstoeltje en moeten gauw de frissche lucht
in; anders zouden ze zeeziek worden. Het mooie Broze Russula’tje uit
Hoofdstuk I is ook vergiftig evenals de Purperroode en de Gele
Geelplaat Russula (R. ochracea) (6), die op witten steel een bruinig
gelen hoed draagt en ook gele platen, zelfs gele sporen heeft. Hij
groeit in allerlei bosschen, ik vond hem ook veel bij berkjes.

De pepersmaak is ook een uitmuntend middel om de Scherpe Marasmius (M.
urens) (73) die in bosschen groeit, te onderscheiden van de
Weide-Kringzwam (M. oreades) (30). Ook de vergiftige melkzwammen
herkent men gemakkelijk aan den scherpen smaak van hun melk. Een van de
scherpste is de Grijsgroene Melkzwam (Lactarius blennius) (76). Het is
een middelsoort melkzwam naar den kleinen kant, de hoed egaal donker
van kleur, groengrijs, soms bronzig of bruinig, de vuilwitte plaatjes
dicht op elkaar en ze geven overvloedig een scherpe melk, die eerst
wit, later grijs wordt. Ik vind hem het meest in loofbosschen, vooral
bij beuken.

Een heel mooie heldergele, flink scherpe melk heeft de Zwavel-Melkzwam
(Lactarius theiogalus) (78), ook een middelsoort groote. De hoed is
rossig geel met enkele donkere kringen en de randen gaan vrij spoedig
omhoog staan, zoodat het bovenvlak komvormig wordt: een zeer mooi
paddenstoeltje, meest in loofbosschen.

De giftigste melkzwam lijkt weer op de eetbare Oranje Melkzwam. Deze
Giftige Melkzwam (L. torminosus) (83) heeft echter geen oranje, maar
witte melk en zijn hoed kan wel oranje zijn, maar ook wel lichter en
heeft altijd een omgerolden ruigen rand en lijkt daardoor wel op een
andere melkzwam, die wij het Schaapje noemen (L. vellereus) (84). Dit
Schaapje onderscheidt zich weer van de Giftige doordat het geen kringen
op zijn hoed heeft; de Giftige wel.

Een melkzwam met zeer heete melk, maar die toch wel gegeten wordt, is
mijn oude vriend de Gepeperde Melkzwam (L. piperatus) (82), waar ik in
mijn jonge jaren eens heel erg mijn tong aan gebrand heb. Hij is
tamelijk groot en spierwit, ook de melk is prachtig wit; je zoudt er
zoo in happen, wat ik dan ook tot mijn nadeel heb gedaan. ’t Is er
alweer een, die je het meest vindt in de loofbosschen van Twente en den
Achterhoek.

En nu moet ik de lijst van mijn vergiftige paddenstoelen besluiten met
het Zwavelkopje (Hypholoma fasciculare) (53). Ik kan er wel geen
ijselijke verhalen van doen, zooals ik er nog verscheidene zou kunnen
verzamelen over onze Amanieten, maar toch, het Zwavelkopje is verdacht.
Eigenlijk geloof ik niet, dat velen op het idee zouden komen, om het te
eten, want de donkere plaatjes zien er niet zoo heel appetijtelijk uit;
eerst zijn ze geel, later zwart. Wij laten de zwavelkopjes dus
stilletjes op de boomstronken staan, waar zij in dichte groepen te
voorschijn komen. Aan de zeer jonge zien wij dat de hoedrand met den
steel verbonden is door een vliesje, dat tot „gordijn” wordt uitgerekt
en gespleten. Bij oudere is dat gordijn spoedig verdwenen.

De studie der paddenstoelen is in hooge mate geschikt om ons
waarnemingsvermogen te scherpen. Probeer nu eens of ge drie soorten van
zwavelkopjes kunt onderscheiden en wel:

Hypholoma fasciculare (53) met geelbruine hoedjes, donkerder in het
midden, plaatjes eerst mooi zwavelgeel, steel onderaan en bovenaan
ongeveer even dik, vleesch lichtgeel.

H. epixanthum (81) met bleekgele hoedjes, plaatjes meest bijna wit,
nooit groenig, steel over de geheele lengte overal zoowat even dik.

H. sublateritium (79) met roodachtige hoedjes met vale vlekken langs
den rand, plaatjes in het begin grijsgroen, steel onderaan veel dunner
dan boven, bruin, vleesch is bijna wit.

Misschien zegt ge: waar zijn al die spitsvondigheden voor noodig?
Welnu, om uw waarnemingsvermogen te scherpen. Volledigheidshalve willen
wij nog even zeggen dat van de Stuifballen de Aardappelbovist
(Scleroderma vulgare) (109) vergiftig is, maar niemand zal er aan
denken dit harde ding te eten. Snijdt hem eens door en bewonder de
zwarte sporenmassa binnenin. Andere stuifballen zijn in jongen staat
wel eetbaar maar niet bijzonder lekker, doch mooi van vorm en tint en
de mooiste is wel de Ruitjes-bovist (Lycoperdon caelatum) (E).








V. GEURIGE PADDENSTOELEN


Het vorige hoofdstuk eindigde ik met een bescheiden aansporing, om uw
waarnemingsvermogen te scherpen. Hoe beter we zien, hooren, ruiken, des
te beter kunnen we de natuur genieten en waardeeren. Gezicht en gehoor
wordt bij de meesten onzer wel geoefend, daarvoor nemen we teekenles en
muziekles en school en kunst houden ons voortdurend in die richting
bezig. Maar we hooren niet veel van reukles of geurkunst; evenwel kan
Boldoot bestaan, en dat vind ik al een heel belangrijk bewijs voor de
groote beteekenis van geuren en reukzin.

Wat mij betreft, ik heb altijd een goed reukvermogen gehad en het nooit
bedorven door veel te rooken of vaak verkouden te zijn. Daarvan geniet
ik nu veel op mijn wandelingen het heele jaar door. Het is een groot
genot om de ontluikende boomen te ruiken en allerlei bloemen, nog voor
ge ze ziet. Het berkenmoeras in het laatst van April en in Mei is een
symphonie van geuren, als ik het tenminste zoo zeggen mag. Van het
Naardermeer heb ik haast een even goed reukbeeld als gezichtsbeeld en
ik zou er in een donkeren voorjaarsnacht heel aardig op den reuk af den
weg kunnen vinden.

Maar ter zake; we willen in dit hoofdstuk eens probeeren eenige
paddenstoelen te vinden op den reuk af, of ze te herkennen aan hun
geur. Paddenstoelen en schimmels zijn broertje en zusje en waar het
schimmelt, ruikt het duf. Nu hebben veel paddenstoelen ook een duffen
geur en je kunt het in een oud krot heel goed ruiken als de vloeren en
balken soms aangetast zijn door de Huiszwam (Merulius lacrymans) (95).
’t Is eigenlijk het eenige middel om hem te vinden, want hij werkt
altijd in het duister en mooie hoeden brengt hij niet voort, doch
slechts een kleurige korst, waarop zich dikke droppels kunnen vormen en
aan die „tranen” dankt hij zijn wetenschappelijken bijnaam. Een eigen
geur heeft hij eigenlijk niet, maar slechts den algemeenen geur van
schimmels en mycelia. Er zijn echter heel wat paddenstoelen, die een
eigen persoonlijken geur hebben en daar is het nu om te doen. Ik ken
een bosch van hooge dennen en daar groeit op den grond in dezen tijd
(September-October) haast niet anders dan de Gele Knol-Amaniet (Amanita
mappa) (H, K). Bij stil weder ruik je die paddenstoelen gemakkelijk
boven de herfstgeuren uit, het is de geur van rauwe aardappelen. Ik zal
maar niet vertellen aan hoeveel menschen ik dien geur heb willen
aanwijzen en hoe vaak ik tot bescheid kreeg „ik ruik er niets van”.
Daar moet ik dan wel in berusten. Doch ik houd het meest van fijne,
subtiele geurtjes; het grof geschut bewaar ik voor het laatst. Welnu,
we zoeken een mooien grooten heksenkring van de ons reeds bekende
Nevelzwam (Clitocybe nebularis) (34). Pluk nu een halfwas exemplaar en
houd dat bij je neus. Is dat niet de lekkere geur van meel? Natuurlijk
moet je eerst den reuk van meel kennen en je daarvoor den tijd
herinneren, toen je nog zooveel belang stelde in het beslag voor
poffertjes, oliebollen en pannekoeken. De Trechterzwam, die in den
winter nog groote heksenkringen vormt in het dennenbosch, de
Wintertrechterzwam (Clitocybe brumalis) (90) ruikt ook naar meel. Deze
lijkt wel op de Nevelzwam, maar wordt niet zoo groot. De middellijn van
den hoed bereikt zelden 1 d.M. Hij is heelemaal vaal grijs, ook de
platen, maar als de droge Oostenwind waait, dan wordt hij bijna wit en
de platen geelachtig.

Sommige ridderzwammen ruiken ook naar meel b.v. de Voorjaarsridderzwam
(Tricholoma gambosum) (87) en de Witte Ridderzwam (Tricholoma album)
(91). Deze is ook alweer wit, wat goed overeenkomt met zijn meligheid.
De uitgespreide hoed kan een middellijn hebben van anderhalven
decimeter, de dikke steel wordt een decimeter hoog. Meestal zijn ze een
heel stuk kleiner. De hoed kan ook geelachtig zijn of wit met geel in
het midden of wit met gele vlekken. Zoo ook de steel. Er zijn nog meer
van die wittige ridderzwammen en je onderscheidt ze niet gemakkelijk
van elkander. Onze Witte Ridderzwam moet je eigenlijk herkennen op den
smaak, die gewoonlijk bitter is.

De Cantharellen ruiken naar abrikozen, maar nu moet je niet denken, dat
een mandje met Cantharellen dadelijk even sterk geurt als een
fruitwinkel. Evenmin moogt ge denken, dat de Narciszwam (Tricholoma
sulfureum) (86) altijd den geur van narcissen heeft. De meeningen der
kenners over den geur van dezen paddenstoel loopen zeer uiteen.
Sommigen zeggen: hij ruikt naar boerenjasmijn; anderen naar narcissen
en dat is allebei zeer aangenaam. Maar nu is er ook een partij, die
zingt een heel ander liedje en wel van skatol en zwaveldioxyde of met
andere woorden uitwerpselen en rotte eieren. Zooals meestal hebben
beide partijen gelijk; de geur zit om zoo te zeggen net op de grens van
aangenaam en onaangenaam en de kleinste kleinigheid kan hem doen
overslaan naar de eene of naar de andere richting. Hebt ge er ook wel
eens op gelet, dat de bladeren van den egelantierstruik nu eens
heerlijk kunnen geuren naar zure appelen en een andermaal weer zeer
benauwend naar tabak? De persoonlijkheid van den waarnemer spreekt hier
ook een woordje mee. De Narciszwam is heelemaal geel; alles: steel,
platen, hoed en mooi ook. De platen zijn stevig en staan niet dicht op
elkander. Bruine stippeltjes aan den steel en bruine partijtjes op den
hoed verlevendigen het geheel. Hij staat meest in loofbosch, maar ook
wel in het naaldhout, middelsoort groot, middellijn van den hoed 3–8
c.M.

Nu willen we snuffelen naar iets aangenamers. Denk maar eens aan
anijsmelk en ga dan in de herfstvacantie (daar dient die voor) wandelen
in het beukenbosch op de stille plekken, waar het blad is blijven
liggen en nu langzamerhand, o heel langzaam, vergaat, zooals dat bij
beukenblad de gewoonte is. Opgepast, daar zijn ze al. We willen nu niet
erover twisten, of we ze ’t eerst gezien hebben of het eerst geroken
hebben. Ze ruiken prettig naar anijs en wat een prachtige
paddenstoeltjes: de steel wit, de hoed, die eerst kegelvormig is, maar
zich later tot bekervorm uitspreidt, prachtig blauwgroen en ook de
platen, die een eindje langs den steel afloopen, blauwgroen. Dit is
weer een van de paddenstoelen, die reuzenvormen kan vertoonen;
gemiddeld is de middellijn van den hoed 7 c.M., maar hij kan wel
tweemaal zoo groot worden. Natuurlijk heet deze paddenstoel de Groene
Anijszwam (Clitocybe odora) (94). Er is ook nog een Kleine Grijze
Anijszwam (Clitocybe suaveolens) (88), zooals ge ziet ook alweer een
Trechterzwam, die is lichtbruin, met bijna witte plaatjes, de dunne
steel onderaan verdikt en daar een beetje fluweelig. Hij is ranker op
de pooten dan de Groene Anijszwam, maar zijn hoed is kleiner, op zijn
hoogst 7 c.M. breed en hij groeit meest onder of bij naaldhout op
grazige plekjes. In den regel riekt hij nog sterker dan de Groene.

Nog een andere merkwaardige Anijspaddenstoel is de Bruine Anijszwam
(Lentinus cochleatus) (102). Dit is een van de boomstronkbewoners en
hij groeit op de manier van de oesterzwam in heele kolonies, zoodat de
hoeden soms als dakpannen over elkaar liggen. Hij is warmbruin; de
plaatjes, die langs den steel afloopen, zijn licht gekleurd. De steel
is weer donkerder, zeer rimpelig en zit meestal niet aan het midden van
den hoed vast, maar excentrisch, zooals dat ook bij een paddenstoel,
die zijdelings uit een stronk te voorschijn komt, wel te verwachten is.
Hij groeit niet alleen aan beuken, maar ook aan wilgen en elzen en
zeker ook nog wel op ander hout.

Van anijs naar radijs. Ge moogt niet rusten, eer ge onze Radijszwam
hebt gevonden (Hebeloma crustiliniforme) (93). Hij komt voor zoowel in
loofbosschen als in naaldhout en dikwijls in heksenkringen. ’t Is weer
een van die lastige soorten, die noch manchet, noch gordijn, noch
knolvoet hebben en de plaatjes hebben ook weinig bijzonders. Alleen
zijn ze op de snede vlokkig en met fijne insnijdingen en er hangen vaak
kleine vochtdroppeltjes aan. Ook de steel vertoont kleine kruimelige
vlokjes en de rand van den hoed is vaak gestippeld. De kleur is nog al
wisselend: van lichtgeel af tot bruingeel en zelfs een beetje rossig.
De steel is in dezelfde kleur als de hoed, maar veel lichter, soms bij
wit af. De kruimeligheid en de vlokjes en eindelijk de anijsgeur moeten
u op het rechte spoor brengen. De Vezelkop van de duinen ruikt ook wel
eens naar radijs en de Vermiljoenzwam ook.

Voor de bittere amandelen moeten we weer naar de Trechterzwammen en wel
naar de echte, de Slanke Trechterzwam (Clitocybe infundibuliformis)
(33, 89), een gele of bruinig gele paddenstoel, die volwassen dikwijls
zeer mooi en zuiver den trechtervorm aanneemt. De plaatjes zijn bij wit
af, de steel lichtgeel en onderaan omgeven door witte vlokjes, een heel
goed kenmerk. Wij vinden hem in loofbosschen en hij is eetbaar, al
wijst de geur van bittere amandelen op de aanwezigheid van het giftige
blauwzuur. Er zijn nog al veel eetbare paddenstoelen, die blauwzuur
bevatten; dat hindert ook niet, want het gaat bij de toebereiding er
uit. De Weidekringzwam verkeert ook in dat geval en het is daarom wel
beter om hem niet rauw te eten. Sommigen doen dat juist wel, om de
pittige amandelsmaak. Een beetje hindert ook niet. De Ringsteel bevat
eveneens blauwzuur.

Een, die het nog al erg heeft en dan nog gecombineerd met andere,
weerzinwekkende geurtjes, is de Stinkende Russula (Russula foetens)
(100), een groote bruine Russula, hoed tot 15 c.M. doorsnee. De bruine
hoed is straalsgewijs donker gestreept, wat bij gave, jeugdige
exemplaren heel mooi is. De plaatjes zijn wit en de steel grijzig. ’t
Is niet eens noodig, om te vertellen dat hij vergiftig is, want niemand
zal zich aan deze stinkadorus wagen.

Is de geur van knoflook aangenaam? Een paar verwanten van de
Weide-Kringzwam hebben een tamelijk sterken knoflookgeur en we noemen
in de eerste plaats de Knoflookmarasmius (Marasmius scorodonius) (99).
Het is een van de kleinere soorten, het rossige, ijle hoedje, dat met
het ouder worden straalsgewijs rimpelt, heeft op zijn hoogst een
middellijn van 25 m.M. en de donkere, bijna zwarte taaie steel is
ongeveer 3 m.M. dik. Hij groeit net als het Wieltje op afgevallen
bladeren, takken, rommel en wordt werkelijk om zijn knoflooksmaakje wel
gebruikt om andere paddenstoelgerechten te kruiden, of zelfs de
schapebout. In het officieele Haagsche Kookboek wordt hij echter niet
vermeld, wel bij juffrouw Cool. Wie hem gebruiken wil moet oppassen, om
niet in zijn plaats de Sparren-Marasmius (M. perforans) (98) te nemen.
Die ruikt ook wel een beetje naar knoflook, maar tegelijk ook naar
rotte kool, dus als je neus goed in orde is, ben je gauw gewaarschuwd.
Bovendien is de Sparren-Marasmius kleiner, zijn steel draaddun en een
beetje fluweelig. Ook heeft het echte Knoflookzwammetje licht
vleeschkleurige plaatjes, ook wel eens wit met een vleeschkleurig
randje. Al die kleine Marasmiusjes groeien bij duizenden, ik raak in
het dennenbosch wel eens diep onder den indruk van al dat gekrioel van
het kleine grut.

Er is ook een Zeepzwam (Tricholoma saponaceum) (96), dat is dus alweer
een van die moeilijke Ridderzwammen. Daarbij komt nog, dat hij
verschillende kleuren kan hebben, dus ge kunt er wel eens vinden, die
van ons plaatje verschillen. Nu dan, het is weer een van de groote
paddenstoelen: middellijn van den hoed 5–15 c.M., steel 5–10 c.M. hoog,
1–3 c.M. dik. De kleur van den hoed kan zijn groenachtig grijs,
groengeel, groenig zwart, geel, bronsbruin, loodgrijs, een waar
kameleon dus. Maar die hoed is altijd glad en niet vlokkig, streperig
of zijdeachtig, zooals andere ridderzwammen dat wel hebben. De dikke
steel is wel een beetje schubbig en dikwijls zijn de schubbetjes zwart.
Het vleesch is wit, maar wordt bij het doorsnijden licht rood. Het
smaakt bitter en riekt een beetje zeeperig, den eenen keer meer, den
anderen minder.

Naar het scheikundig laboratorium ruiken de Chloor-Entoloma (Entoloma
nidorosum) (85) en de Chloor-Mycena (M. alcalina) (97). Deze Mycena is
een van de kleintjes: een klokvormig hoedje met een middellijn van 25
m.M., een rank dun steeltje, tot 8 c.M. lang; zonder den chloorgeur
zouden we weer moeite hebben met het herkennen, want hoedje zoowel als
steel kunnen allerlei kleuren hebben: zwart, bruin, geel met roode
vlekken maar altijd glanzend. Hij groeit op boomstronken en boschafval
troepsgewijs en groepsgewijs. De Entoloma heeft een hoed, die eerst
bol, later uitgespreid is en grijs van kleur, tot 7 c.M. middellijn, de
plaatjes zijn eerst wit, later vleeschkleurig n.l. als de sporen
rijpen, want Entoloma behoort tot de tamelijk kleine groep van de
Rosesporige paddenstoelen. Op hun ranke witte steeltjes maken deze een
zeer goed figuur in het eiken- of beukenbosch. Zeer dikwijls zult ge ze
niet vinden.

En nu het grof geschut, de beruchte Stinkzwam (Phallus impudicus) (92).
Die ruik je soms vijfentwintig meter ver, of nog verder en de
herinnering aan den geur omzweeft je nog uren lang. In een van de
eerste jaargangen van De Levende Natuur kunt ge nog nalezen, hoe
Heimans mij eens in een kistje het voetstuk van zoo’n zwam uit Zwolle
thuis stuurde uit plagerij. Ja, ja, je kunt met die zwam allerlei
stukjes uithalen. Heiman’s snaakschheid heeft in dat jaar nog menigeen
aan het werk gezet en de duivelseieren werden rondgestuurd over het
heele land. Ik had er ook in Hummeloo een aantal gevonden en de oude
heer Kok Ankersmit nam er weer een drietal mee naar Apeldoorn, waar hij
zich er ook bijzonder mee geamuseerd heeft.

Heelemaal afgezien van den geur is het ook een zeer merkwaardige plant.
Hij vormt eerst in den grond een bolvormig lichaam zoo groot als een
aardappel met een taai vel, maar daaronder voelt het week aan, want
daar zit een dikke geelachtige laag. Dan volgt weer een vel en
daarbinnen ligt de eigenlijke sporendrager, de hoed al duidelijk, maar
de steel nog zeer kort. Dat aardappelachtig ding wordt wel duivelsei
genoemd en zit met taai wortelachtig weefsel verbonden met het
mycelium.

Als nu zoo’n duivelsei „rijp” is, dan schiet de paddenstoel daaruit
omhoog met vrij groote snelheid. Dat kan in een paar uren gebeurd zijn.
Neem maar eens de proef en zet op een geschikte plek een aantal van die
duivelseieren in vochtig mos op een schoteltje. Ik heb den indruk, dat
het uitgroeien meestal gebeurt gedurende den nacht. De hoed breekt door
de buitenhuid heen en dan strekt de witte steel zich heel snel. De
steel is prachtig wit en mooi van structuur, broos met mazen en poriën
maar gelijk van oppervlak. De hoed is groen en lijkt in bouw wel wat op
de morielje, vandaar ook de Duitsche namen Stinkmorchel en
Gichtmorchel. Het vel van het duivelsei blijft als een beurs rondom den
voet zitten.

De hoed zit heel los op den steel en is aan zijn top doorboord. De
groene sporenmassa wordt gaandeweg dun vloeibaar en droppelt van den
hoed omlaag, die dan ten slotte dun en vliezig wordt en indroogt. Al
dien tijd staat de zwam te geuren en de geur lijkt wel zeer
bedriegelijk op die van dierenlijken in staat van ontbinding en ’t is
mij wel gebeurd, dat ik op den reuk af een stinkzwam meenende te vinden
terecht kwam bij een dood egeltje, zooals er in den nazomer zooveel in
de bosschen te vinden zijn. ’t Is te begrijpen, dat de aasvliegen en
aaskevers zich ook zoo vergissen en waar ge de stinkzwammen vindt,
ontbreken dan ook zelden de groote groene en blauwe keizervliegen, de
geblokte vleeschvlieg en de platte aaskevers (Silpha), vooral de mooie
zwart met bruine soort (Silpha quadrimaculata) en de zwarte (S.
atrata). Wij vonden eens in het bosch bovenop den Amersfoortschen berg
een heele kolonie van Stinkzwammen (ze groeien doorgaans in troepjes)
en daar was een heele insectenverzameling present, zelfs een paar
doodgravers die met opgerichte knopsprieten rondliepen en natuurlijk er
niets van snapten, dat zij bij al dien geur geen behaard of bevederd
krengetje konden ontdekken, dat er naar hun ervaring toch altijd bij
behoort. Het spreekt vanzelf, dat al die insecten de sporen van onze
zwam wijd en zijd verspreiden door bosch en veld. In den regel vinden
we de Stinkzwam in bosschen, maar toch ook wel in het duin, midden
tusschen het helmgras. In een tamelijk dik en tamelijk geleerd Engelsch
boek van den jongsten tijd lees ik zelfs dat in Engeland de stinkzwam
alleen maar voorkomt in gezelschap van het helmgras. Nu, dat kan ik
niet gelooven. Wel schijnt er een verschil te bestaan tusschen den
duinbewoner en den boschbewoner en wel zou de eerste er vaak
rooskleurige duivelseieren en wortelvezels op nahouden. Alweer iets om
op te letten. Soms ook komen er uit één duivelsei twee, zelfs drie
paddenstoelen. En soms, het is mij overkomen, vindt ge een Stinkzwam
zonder stank. Alweer nieuwe geheimen.

In sommige jaren komt de Stinkzwam in zeer grooten getale voor,
dikwijls genoeg reeds in Juni. Je zoudt denken, dat is niet prettig
voor de wandelaars, die houden van rozengeur en dergelijke dingen. Maar
als je weet, dat die geur afkomstig is van dezen uiterst merkwaardigen
paddenstoel, dan raak je er wel een beetje mee verzoend, te meer omdat
er achter den lijkengeur toch nog weer een pittiger geur schuilt.

Wij hebben ook nog een klein stinkzwammetje, dat ook opschiet uit een
duivelsei. Het is half zoo groot als de gewone en heeft betrekkelijk
slanker en slapper steel en kleineren hoed en die is rood, als de
sporenmassa weg is. Deze Kleine Stinkzwam (Mutinus caninus) (101) is
minder algemeen dan de stinkzwam, maar toch lang niet zeldzaam en ik
heb hem gevonden in allerlei bosschen, zoowel naaldhout als loofhout.
Men zegt, dat hij een bijzondere voorkeur zou hebben voor hazelaars.
Let er eens op. Er zijn op het gebied van de paddenstoelenkennis nog
heel wat ontdekkingen te doen en beweringen te staven.








VI. ALS HET WINTERT


Het dagboek van een paddenstoelenzoeker kan er het eene jaar heel
anders uitzien dan het andere. Wanneer we 1908 eens vergelijken met
1911 of 1920 met 1927, dan krijgen we heel merkwaardige dingen te zien,
verschillen van weken en maanden in de datums van het eerst verschijnen
en voor goed verdwijnen. De oorzaak daarvan ligt eerder in de
vochtigheid dan in de temperatuur en dat maakt dat in den winter en in
het voorjaar nog heel wat soorten van paddenstoelen kunnen worden
aangetroffen.

Gedurende de eerste vorst-periode sneuvelen veel ridderzwammen,
russula’s en amanieten. De aardsterren echter houden het nog dapper uit
en we vinden nu de gelegenheid om naast onze Kraag-Aardster uit
Hoofdstuk I nog eens uit te zien naar een paar kleine soorten,
ongelooflijk mooie dingetjes. We noemen het eerst de Kleine Aardster
(Geaster cesatiï) (111). Het ster-lichaam, met een geleerd woord
genoemd, het buitenste peridium, scheurt in 5–10 slippen, die
buitenwaarts omkrullen, waardoor het gesteelde bolletje (het binnenste
peridium) iets in de hoogte komt. Dat bolletje loopt naar het gat, waar
de sporen uit komen, kegelvormig toe en dat kegeltje is fijn gerimpeld
en verschilt in kleur van de rest van het peridium. Haast nog aardiger
is de Vierslippige Aardster (Geaster fornicatus). Die heeft ook zoo’n
mooi kegelvormig mondje, maar het buitenste peridium scheurt in vier
slippen en dan weer eens in twee platen, een bovenste en een onderste,
die tegengestelde kanten uit opkrullen en zoo komt dit aardsterretje
dan op hooge pooten te staan. Dan hebben we nog de Tepel-Aardster (G.
mammosus) (114); de Gewimperde Aardster (G. fimbriatus) (126) en de
Peperbus (G. coliformis) (112), die alleen in de Hollandsche duinstreek
voorkomt. Hij heet zoo, omdat hij niet één opening heeft, waaruit de
sporen gestrooid worden, maar een stuk of tien; hij draagt dus zijn
naam met eere. Wij vinden die aardsterren hier meestal op oude
buitenplaatsen; een enkelen keer ook wel in openbare parken, maar het
is net, alsof die mooie dingetjes een rustige, stille omgeving zoeken.
In ieder geval hebben ze een rustigen bodem van noode. Daar zien we ook
andere vreemde paddenstoelen, bruine fluweelige ronde of ovale plakken,
half over elkander gegroeid, met franje’s aan den rand, zwart of wit,
al naar den leeftijd. Deze Franjezwam (Thelephora terrestris) (106)
behoort tot de Korstzwammen, maar heeft soms het uiterlijk van een
stekelzwam. In een donker sparrenlaantje heb ik ze nog al veel op den
bruinen naaldengrond en daar zijn ze dan haast niet te zien: alleen
donkere vlekken met hier en daar een wit randje.

De eigenlijke korstzwammen verdienen hun naam door boomstammen en
paaltjes als met een korst te bekleeden. Sommige blijven jaar in jaar
uit vlak tegen hun schors aangeplakt, dat zijn de Melkwitte en de
Vleeschkleurige Korstzwam (Corticium lacteum) (122) en (C. incarnatum)
(125), andere laten bij droogte heelemaal los en schrompelen weg, b.v.
de Donkerpaarse Eiken-Korstzwam (C. quercinum) en de wasachtigwitte
Harszwam (C. giganteum) (116), die op dennen voorkomt en werkelijk voor
zijn doen reusachtig groot kan worden. Een heel mooie oranje korst,
dikwijls aardig met paars gestreept, vormt de Oranje Aderzwam (Phlebia
aurantiaca) (115), meest op zieke beuken.

Andere korsten krullen aan één kant buitenwaarts om en gelijken dan
oppervlakkig wel wat op Polyporus-soorten, doch zij vertoonen nooit
gaatjes. Deze deels omgekrulde korstzwammen heeten Stereum en zij maken
in den winter een flink figuur door hun sneeuwwitte, bruine, purperen,
gele randen en lijsten. We hebben een paar van die taaie knapen voor u
afgebeeld en wel de Purper-Korstzwam (Stereum purpureum) (107) en de
Gele Korstzwam (St. hirsutum) (118). Natuurlijk houden de even taaie
Polyporussoorten, zooals de Elfenbankjes, het in den winter even goed
uit en er is er zelfs een, die met reden den naam draagt van
Winterhoutzwam (Polyporus brumalis) (103). Hij staat met een kort dik
steeltje op doode takken en stammen en spreidt een eenvoudig effen
grijsbruin hoedje uit; de onderzijde waar de poriën zitten is
geelachtig wit. Een heel mooie Polyporus, die den winter overduurt, is
de groote Sparrenhoutzwam (Polyporus Schweinitziï) (120). Hij is wat
onregelmatig ter been, weet nooit hoeveel voeten hij zal maken en
spreidt een fluweelig bruinen hoed een paar decimeter wijd uit. Die
hoed is mooi met donkere en lichte kringen versierd. Hij groeit op de
wortels van levende sparren of van stompen van pas gekapte boomen en
behoort bij de schadelijke paddenstoelen.

Op stronken vinden wij ook de Gewei-Zwam (Xylaria hypoxylon) (104), een
prachtig ding met zijn zwarte lichaam en witte geweitakken. Hij behoort
tot de Kernzwammen evenals de Rupsendooder en hierbij behoort ook het
zwammetje, dat wij vroeger het luciferskoppen-zwammetje noemden, maar
thans heet het Meniezwammetje (Nectria cinnabarina) (123). Gij hebt het
honderden malen gezien op doode takjes, allemaal kleine roode stippels,
net luciferskoppen.

Naast al dat droge gedoe vinden we wonder boven wonder in den winter
ook nog heel teere geleiachtige zwammen aan takken en stammen. Kijk
eens in het bladerlooze eikenhout, dan ziet ge iets geels glinsteren,
een geel geleiklompje, aardig geplooid en trillend bij de minste
aanraking. Dit is de Gele Trilzwam (Tremella mesenterica) (119). Er is
ook een Zwarte Trilzwam (Exidia glandulosa) (108), net zoo’n
geleiachtig en rimpelig gedoetje als de Gele. Nu vindt ge op eiken ook
vaak zwarte weeke uitpuilsels, op knoopen gelijkend, dat is de
Knoopzwam (Bulgaria) en die is verwant met onze Peziza’s en Helvella’s.
Om nu nog eens tot de Trilzwammen terug te keeren, daartoe behoort ook
het beroemde Judasoor (Hirneola auricula Judae) (105). Dat groeit op
oude vlierstruiken. Al vijfendertig jaar lang heb ik nu hier dan daar
mijn oude vlierstruiken, waar ik elk najaar, elken winter ga kijken
naar de Judasooren. Ze komen eerst uit de zware takken te voorschijn
als kleine bruine knopjes, dicht op elkaar. Die knopjes groeien uit tot
bekertjes, die zich later weer grillig vervormen en daarbij komt het
dikwijls uit, dat zij werkelijk veel gaan gelijken op een menschelijke
oorschelp. Een jaar of tien geleden heeft een oude vriend er een voor
mij gefotografeerd, die inderdaad haast precies een oor leek. Ge kunt
een afdruk ervan vinden in het Paddenstoelboekje van Cool en v. d. Lek.
De bruine kleur gaat langzamerhand over in donker violet, maar keert
ook weer terug. Als het gaat vriezen en er waait een droge Oostenwind,
dan wordt het oor eerst pimpelpaars, dan bruin en ’t schrompelt
eindelijk in. Maar zoodra het gaat dooien en regenen, zuigt de
oppervlaktelaag weer water op en het oor is weer even frisch als te
voren. Eindelijk verdroogt het voor goed, maar in het najaar komen uit
denzelfden tak weer nieuwe ooren spruiten.

De bewoners van het bevoorrechte Zuiden en Oosten van ons land kunnen
op hun winterwandelingen in het naaldbosch eens uitkijken naar een van
onze zonderlingste paddenstoelen n.l. de Sponszwam (Sparassis crispa)
(127). Hij groeit aan den voet van dennen, lariksen, sparren, ook op
wortelstronken en lijkt uit de verte op een groote geelachtige spons of
bloemkool en onze oostelijke buren hebben er een klokhen in meenen te
ontwaren en noemen hem dan ook „Krause Glucke”. De massa kan wel
uitgroeien tot een ding van een halven meter in middellijn, dus van het
kaliber van de Reuzenbovist en er zijn er gevonden van 9 K.G. zwaar.
Hij is goed eetbaar, natuurlijk het lekkerst in zijn jeugd. Hazen, die
hem zeker voor bloemkool houden, knabbelen er aan en ook de herten en
reeën weten er raad mee. Als hij begint te bruinen wordt hij bitter en
dan heeft hij op de ingewanden dezelfde uitwerking als die
koraalzwammen, die de Geneveezen niet mogen eten. Hij kan nog al aardig
goed tegen de vorst; er is een geval bekend, dat hij een temperatuur
van -12.5° C. met glans heeft doorstaan.

Hetzelfde geldt voor een zeer bijzonder vriendje van me, de Groene
Glibberzwam (Leotia lubrica) (113); die heb ik ook wel na flinke vorst
nog frisch gevonden, hoewel de boeken hem geen langer leven schenken
dan tot in October. ’t Is een alleraardigst paddenstoeltje, week,
buigzaam, glibberig met dikken gelen steel en daarboven een bol hoedje
dat geel en groen of bruinig, op het laatst zelfs zwart kan zijn.
Plaatjes of gaatjes of stekels heeft deze Leotia niet; hij hoort bij de
Morieljes thuis evenals een andere klant, die na den winter in het
vroege voorjaar te voorschijn komt: het Vingerhoedje (Verpa
digitaliformis). Die groeit tegelijk met bloeiend Speenkruid en
Anemoontje. ’t Is een lichtgele of witte steel, zoo groot als een
vinger en daarboven een vingerhoed, glanzig geelbruin, mooi frisch. Dat
de vingerhoed voor den vinger een beetje te groot is, hindert
natuurlijk niet.

Zijn er dan in den winter geen plaatjes-paddenstoelen? Welzeker, en te
veel om te noemen. Ziet ge die donkerbruine paddenstoel wel, zoo groot
als een vuist? De randen van den hoed zijn naar beneden omgekruld. Aan
den onderkant vinden we de plaatjes, bruin dicht opeen. Dat is de
Krulzoom (Paxillus involutus) (129), die we het heele najaar ook al
hadden kunnen vinden. In zijn jongen tijd is hij lichter van kleur. Hij
groeit zoowel in bosschen als in weiden en moerassen.

Nu zien we aan boomstompen en takken nog wat grijze halfcirkelvormige
dingen uitsteken, waarschijnlijk ook plaatzwammen. Sommige hebben een
klein zijdelingsch steeltje en daar van straalt het hoedje waaiervormig
uit met fijne teekening van de dunne plaatjes, die onderling ook weer
verbonden kunnen zijn. Bij vorst en oostenwind schrompelen de
waaiertjes neer, maar de dooi doet ze weer herleven. Dit sierlijk
dingetje heet de Scherpe Schelpjeszwam (Panus Stipticus) (124).

Het andere waaiertje is ongesteeld en lijkt in het eerst wel op een
soort van elfenbankje, net zoo taai en een beetje fluweelachtig en in
grijs en bruin kringsgewijs geteekend. We bekijken de onderzijde en
vinden daar geen poriën, maar zeer merkwaardige plaatjes, die zijn dik
en op hun snede gespleten en dan naar beide kanten eventjes uitgebogen.
We zouden deze zwam daarom wel Splijtplaat hebben kunnen noemen, maar
een vriendelijk lot heeft anders beslist en hij heet nu Waaiertje
(Schizophyllum commune) (117). Wanneer ge eenigszins ervaren zijt in de
Grieksche taal, zult ge begrijpen dat Schizophyllum toch splijtplaat
beteekent.

De aardigste en bij velen zeer geliefde Winterzwam is het Fluweelpootje
(Collybia velutipes) (128). Die groeit in oranje groepjes en een
oningewijde zou hem kunnen houden voor een Zwavelkopje, ge herinnert u
nog wel het drietal, dat zoo moeilijk is te onderscheiden. Nu zou er
hier nog een vierde bij komen, maar gelukkig is dat niet het geval, de
Fluweelpoot verschilt zeer duidelijk van den Zwavelkop. Weliswaar
groeit hij ook gebundeld op boomstompen, maar zijn steel is
betrekkelijk lang en dun, donkerbruin tot zwart toe en fluweelachtig
behaard. De stelen zitten diep in het hout, dringen daarin door met
wortelstrengen. De plaatjes zijn geel en de hoed is geel, met bruin in
’t midden en dat lijkt wel op Zwavelkop. Maar de plaatjes worden nooit
donkerder dan lichtgeel en zijn zelfs in het begin wit, want deze
Collybia behoort tot de Witsporigen, terwijl de Zwavelkop een
Purpersporige is. De Fluweelpoot is eetbaar.

In het bosch kunnen we ook nog soms bij honderden tegelijk op het mos
of in het gras de mooie teere Grasmycena (Mycena epipterygia) (131) te
zien krijgen, grijze hoedjes op ranke gele steeltjes en als waardig
kameraadje ook nog de Botercollybia (Collybia butyracea) (110), een
heel mooi paddenstoeltje, meestal vosbruin van hoed en bruinig oranje
van voet en witte plaatjes. De voet heeft een knolletje.

We zullen er nu maar een eind aan maken. Wanneer ge al de
paddenstoelen, die in dit album zijn afgebeeld, met zekerheid gevonden
hebt, dan zijt ge al aardig op weg, om aan de studie der paddenstoelen
te kunnen beginnen en ik hoop, dat ge al eerder de lust hebt gekregen
om er wat meer van te weten, dan ik op deze weinige pagina’s kon
vertellen.

Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat men begonnen is met de
studie van de Nederlandsche paddenstoelen. Ruim veertig jaar geleden
zijn een drietal goede vrienden er met groote vlijt aan begonnen, drie
mannen die altijd nog met eere bekend staan bij de Nederlandsche
plantkundigen: Prof. Oudemans van Amsterdam, Kok Ankersmit en Abeleven.
Kok Ankersmit, dezelfde van die parasolzwam, heeft mij wel verteld, dat
ze alle drie begonnen zijn, zooals zoo velen onzer later ook zijn
begonnen, om met een Fransch paddenstoelenboekje, (Nederlandsche waren
er niet), alle paddenstoelen die ze konden vinden, te onderscheiden en
op naam te brengen, „determineeren” noemen wij dat. Het Fransche boekje
gebruiken wij nog; het is: Costantin et Dufour: Nouvelle Flore des
Champignons. Mijn trouwe kameraad van dertig jaren lang heeft honderden
wandelingen meegemaakt, maar zit nog stevig in zijn blauwe bandje en
zal het nog wel even lang uithouden als ik zelf; ik zou hem voor zijn
gewicht aan goud niet willen missen. Een best boekje.

Oudemans als professor in de botanie maakte er natuurlijk het meeste
werk van en schreef een prachtig werk, dat ons onschatbare diensten
heeft bewezen: „Révision des Champignons tant inférieurs que
supérieurs”, een lijvig boek. Vervolgen daarop verschenen van tijd tot
tijd in het Kruidkundig Archief. Zooals de titel aanduidt, hield
Oudemans zich niet alleen bezig met de groote paddenstoelen, maar ook
met de zwammen van andere groepen en wij moeten hem altijd dankbaar
blijven, dat hij ons zoo’n breeden grondslag heeft gebouwd voor latere
studie.

Intusschen waren al meer en meer wandelaars zich met onze Nederlandsche
paddenstoelen gaan bezig houden. Wie er eenmaal aan begint, laat ze
niet spoedig meer schieten en zoo werd het aantal liefhebbers aldra zoo
groot, dat er een Vereeniging kon worden gesticht: De Mycologische
(paddenstoelkundige) Vereeniging, (secretaris Dr. L. Vuyk, Schalkhaar
(O)). Deze is beroemd geworden, doordat zij door het heele land jaar op
jaar tentoonstellingen heeft georganiseerd van paddenstoelen, nu eens
in Haarlem, dan weer in Enschede, in Arnhem, ’s-Hertogenbosch, Zwolle,
eigenlijk overal, waar maar veel paddenstoelen in de buurt te vinden
waren. Van te voren gingen dan de getrouwen op zoek; ieder die iets
vond, dat van belang leek, stuurde het in en tal van uitmuntende
kenners zorgden en zorgen nog steeds ervoor, dat iedere paddenstoel
behoorlijk met naam en toenaam wordt vertoond en meestal nog met een
bewijs van goed of kwaad gedrag, het toevoegsel „eetbaar” of
„vergiftig” of „niet eetbaar maar onschadelijk” en meer dergelijke
uitspraken. Ook vindt ge er altijd mooie afbeeldingen en fotografieën
door kunstenaars en liefhebbers en allerlei boekwerken. Kortom, op
zoo’n tentoonstelling wordt ge op de aangenaamste wijze ingeleid tot de
studie der paddenstoelen en zoo ge er reeds eenige vorderingen in
gemaakt hebt, dan vindt ge er toch altijd weer iets nieuws naast al de
oude kennissen, die u dierbaar zijn. Ook is er meestal een
paddenstoelkeuken, waar huiverige nieuwelingen hun eerste hapje
nuttigen van een of ander smakelijk paddenstoelgerecht, door
vriendelijke, hoogst deskundige dames toebereid. Ge moogt niet
verzuimen, zoo’n tentoonstelling te bezoeken, wanneer die eens in de
nabijheid van uw woonplaats wordt gehouden, meestal op mooie dagen in
October.

De Mycologische Vereeniging doet nog meer. Zij heeft tal van
geschriften uitgegeven en haar eerste voorzitter maakte een boek,
waarin zoo niet alle soorten, dan toch alle geslachten der
Nederlandsche paddenstoelen worden behandeld. Ook stelde zij in
verschillende deelen van het land „consuls” aan, bij wie ieder om hulp
en raad kan aankloppen en die consuls hebben weer de aardige gewoonte,
om soms met elkander op stap te gaan naar een of ander bijzonder
paddenstoelerig hoekje van Nederland en doen daar allerlei plezierige
ontdekkingen. Zeer beroemde paddenstoelstreken zijn de Wouwsche
Plantage bij Bergen op Zoom, de Kennemer duinen en duinzoom, de
bosschen bij Oisterwijk, het Amersfoortsche, het Winterswijksche, het
Apeldoornsche gebied en nu zou ik nog wel eenige regels kunnen
voortgaan. Uit de voorgaande hoofdstukken hebt ge wel kunnen opmaken,
dat overal waar loofhout en naaldhout, akker en weide gezamelijk
voorkomen, de grootste kans bestaat op overvloed van verschillende
paddenstoelen. De consuls en hun trawanten vinden nog slag op slag
paddenstoelen, die nimmer te voren in ons land waren opgemerkt en een
wakker Amersfoorter heeft zelfs een paddenstoel gevonden, die nog nooit
te voren in de heele wereld was gezien. Voor alle zekerheid is die
eerst nog eens opgestuurd naar de knapste Fransche mycologen en toen
die hem als nieuw erkenden, heeft juffrouw Cool hem, zooals het
behoort, gedoopt en in het latijn beschreven. Hij heet nu Lepiota odora
(132) of Geur-Parasolzwam en ge kunt grooten mycologischen roem behalen
door hem nog eens weer te vinden. Denk maar niet, dat het zoo
gemakkelijk is en wanneer ge hem vindt, zult ge hoop ik den eersten
vinder bewonderen, omdat hij zoo gauw in de gaten had, dat daar iets
spiksplinternieuws groeide.

’t Is een van de kleine middelsoort paddenstoelen, een plaatjeszwam,
bijna heelemaal, ook inwendig, grijsachtig paars tot lavendelkleurig.
De steel is onderaan knolvormig verdikt en bruinig geel. De hoed is
broos en dun, eerst klokvormig, later vlak en bezet met kringen van
donkere schubben. Zooals de naam aanduidt heeft deze paddenstoel een
aangenamen geur, als van tuberosen. Hij is het eerst gevonden door den
Heer A. Joman in den tuin van het Rijks-Opvoedingsgesticht onder
berken. Later is hij weer gevonden bij het Huis ter Heide onder
Douglas-Sparren en onder berken en beuken, bij Bilthoven onder
loofhout, bij Wapenvelde aan den rand van een 20-jarig dennebosch. De
meeste kans hebt ge dus in loofbosschen en in het bijzonder in de buurt
van berken, de paddenstoelboomen bij uitnemendheid. Wanneer ge onze
Lepiota odora vindt, moet ge er natuurlijk dadelijk een van inpakken in
droog mos of papiersnippers en fluks opzenden aan het Rijksherbarium te
Leiden. Helaas is Mej. Cool daar niet meer, om zich daarover te
verheugen. Deze uitmuntende paddenstoelkundige, die meer dan iemand
anders gedaan heeft, om ons Nederlanders van de paddenstoelen te doen
genieten, is overleden, terwijl dit album in bewerking was. Zij heeft
mij veel goeden raad gegeven.



In dit album hebben wij nog niet het tiende deel van onze paddenstoelen
kunnen afbeelden, maar wanneer ge alle soorten, die ik genoemd heb, met
zekerheid kunt herkennen, dan zijt ge al knapjes op weg, om ook
mycoloog te worden. Ge kunt dan verder gaan met het Paddenstoelboekje
van Cool en van der Lek, waarin 400 soorten duidelijk staan beschreven
en voor een deel ook afgebeeld. Bovendien bevat het hoofdstukken over
den groei en ontwikkeling, over het kweeken en bewaren en over de
eetbaarheid. Ik ken in het buitenland geen boekje van dien omvang en
prijs dat zooveel geeft. Mettertijd zullen we in ons land ook wel eens
een boek krijgen, waarin al onze paddenstoelen worden beschreven, maar
zoover zijn we nog niet.

Er bestaan groote en dure buitenlandsche plaatwerken over
paddenstoelen, daarvan kunt ge er eenige aantreffen in onze groote
openbare bibliotheken. Teyler’s bibliotheek te Haarlem is goed
voorzien. Geef uw goede geld niet uit aan goedkoope prentenboekjes, die
meestal onduidelijke en onbetrouwbare afbeeldingen geven. Een zeer mooi
plaatwerk en niet te duur is Michaël’s Führer für Pilzfreunde, waarvan
na Michaël’s dood een nieuwe uitgaaf is verschenen, bewerkt door
Schmidt. Behalve fraaie afbeeldingen geeft dit werk ook goede
beschrijvingen en allerlei wetenswaardigheden. Ik meen, dat Costantin
en Dufour’s boekje niet meer in den handel is en tegenwoordig gebruiken
we als volledig boekje over de Midden-Europeesche paddenstoelen
Ricken’s Vademecum. Een beginner kan daar moeilijk mee terecht, maar
als je dit album achter den rug hebt en Cool en Van der Lek en dan nog
Michaël er bij, dan gaat het wel en dan sta je eigenlijk voor niets.

Een bezwaar van de paddenstoelen is, dat je er zoo moeilijk een
verzameling van kunt aanleggen. Je kunt wel probeeren met
doorsneeschijven en het uitgespreide hoedvel te drogen, maar dat geeft
toch weinig voldoening. Beter is het, ze te bewaren in alcohol of
formaline in stopflesschen, maar dan mag je wel een aparte kamer
hebben, om al die honderden flesschen te bergen. Dat is natuurlijk wel
iets voor musea en op bescheidener schaal ook voor schoolverzamelingen.

Wel kunt ge een verzameling aanleggen van de sporenfiguren, waarvan ik
op blz. 17 heb verteld. Ge moet dan het papier, waarop ge de sporen
wilt opvangen eerst bestrijken met een oplossing van Arabische gom of
van dextrine en dat eerst laten drogen. Wanneer dan de sporenfiguur
goed en wel op dien gomkant ligt, legt ge het papier in water, zoodat
de kleefmassa vochtig wordt en de sporen vast houdt. Als het papier dan
weer droog is, zijn de sporen voor goed „gefixeerd”.

En eindelijk: teeken uw paddenstoelen en kleur ze. Neem zoo’n
ring-schetsboek, dan kunt ge uw aquarellen altijd mooi systematisch
naar vervolg leggen. Die aquarellen kunt ge zoo uitvoerig maken, als ge
maar wilt. Ik hoop, dat onze plaatjes u daarvoor goede voorbeelden
kunnen leveren. Ook mogen we de fotografie niet vergeten: weinig dingen
laten zich zoo mooi en gemakkelijk fotografeeren als paddenstoelen;
alleen moet ge goeden zorg besteden aan belichting en belichtingstijd.
Voor de bijzonderheden zal het noodig zijn, om ook den onderkant te
kieken en eigenlijk ziet het er ook vrij natuurlijk uit, wanneer er
eens een paddenstoel onderstboven ligt, want kinderen en onnadenkende
menschen trappen ze nog al eens dikwijls om.

Ik moet nu eindigen. Morgen is het 1 October en dan heb ik een vrijen
dag, dank zij mijn vlijt van hedenavond. We hebben een nat najaar
gehad. Bosch en duin staan vol paddenstoelen. Dat zal een mooie
morgenwandeling worden met Costantin en Dufour in den eenen zak,
schetsboek en kleurpotloodjes in den andere. De linden zijn al geel en
half ontbladerd. Roodborstjes zingen den heelen dag, dat het een lust
is. Het zou mij niet verwonderen, als ik de eerste bonte kraai ook te
zien kreeg. Doch dit is bijzaak, hoofdzaak zijn morgen paddenstoelen,
groot en klein, van allerlei vorm en kleur; geheimzinnig en
schilderachtig leven in het herfstwoud. Even het dagboek van verleden
jaar nagezien. Juist, in het jonge dennenbosch, dat tot in het najaar
van 1927 nog geen andere paddenstoelen vertoond had dan wat kleine
Mycena’s, stond toen opeens een Grijze Ridderzwam (Tricholoma terreum)
(L). Dat is een van de snelgroeiers en het zou mij niet verwonderen,
als het boschje nu opeens vol stond met die mooie, groote, lichtgrijze
zwammen. En zijn ze er niet, dan wacht mij toch stellig een andere
verrassing.








REGISTER


VERGIFTIGE PADDENSTOELEN zijn zoowel op de achterkanten der plaatjes,
bij de onderschriften, benevens in het register aangeduid door het
teeken †.

In de wetenschappelijke namen zijn de klinkers, die den klemtoon
krijgen, vetgedrukt.


                                                Afbeelding      Tekst 
                                                        No.     Bladz.
                                                        
† Aardappelbovist                                       109        54
Aardtong                                                 61        30
Akker-Champignon                                         43        38
† Amanita junquillea                                               49
† Amanita mappa                                        H, K    49, 56
† Amanita muscaria                                        B         6
† Amanita pantherina                                      J        50
† Amanita phalloïdes                                      I        49
Amanita rubescens                                         G        50
Amethystzwam                                             32        28
Armillaria mellea                                        75        44
Armillaria mucida                                        80        44
Ascomycetes                                                        22

Bekerzwammetje                                                     21
Berken Gordijnzwam                                       36        31
Berkenplaatjes-Houtzwam                                  74        48
Berkenzwam                                               67        47
Biefstukzwam                                              F        38
† Bittere Boleet                                                   50
Blauwgele Russula                                         5         6
Bleek Zwavelkopje                                        81        54
Boletus badius                                           41        32
Boletus edulis                                           39    31, 36
† Boletus felleus                                                  50
Boletus flavus                                           42        32
Boletus granulatus                                       37    32, 36
Boletus luridus                                          15         8
Boletus luteus                                           40        32
† Boletus satanas                                        77        50
Boletus scaber                                           38        31
Bosch-Champignon                                         44        38
Boter-Collybia                                          110        71
Bovista gigantea                                                   22
† Braak Russula                                           1     6, 53
† Broze Russula                                           3         6
Bruine Anijszwam                                        102        59
Bruine Ringboleet                                        40        32
Bulgaria                                                           69

Calocera viscosa                                         51        28
Cantharellus aurantiaca                                  54        36
Cantharellus cibarius                                    52        36
Chloor-Entoloma                                          85        63
Chloor-Mycena                                            97        63
Clavaria formosa                                         49        15
Clitocybe brumalis                                       90        56
Clitocybe infundibiliformis                          33, 89    24, 60
Clitocybe nebularis                                      34    24, 56
Clitocybe odora                                          94        59
Clitocybe suaveolens                                     88        59
Collybia butyracea                                      110        71
Collybia tuberosa                                                  30
Collybia velutipes                                      128        70
Coprinus atramentarius                                   46        27
Coprinus comatus                                         48        38
Cordyceps militaris                                      50        30
Corticium giganteum                                     116        66
Corticium incarnatum                                    125        66
Corticium lacteum                                       122        66
Corticium quercinum                                                66
Cortinarius hemitrichus                                  36        31
Craterellus cornucopoïdes                                23        16
Crucibulum vulgare                                       24        16
Cyathus striatus                                         24        16

Daedalea quercina                                        68        48
Dennenmoorder                                            71        43
Dermocybe cinnabarina                                    10         7
Dermocybe semi-sanguinea                                 11         7
Dooierzwam                                               52        36
Doolhofzwam                                              68        48

Eekhoorntjesbrood                                        39    31, 36
Eikelbekerzwammetje                                                21
Eiken-Korstzwam                                                    66
Eikhaas                                                  70        48
Elfenbankjes                                             16        11
Entoloma nidorosum                                       85        63
Exidia glandulosa                                       108        69

Fistulina hepatica                                        F        38
Fluweelpootje                                           128        70
Fomes annosus = Trametes radiciperda                     71        43
Fomes connatus                                           72        48
Fomes igniarius                                          69        48
Fopzwam                                                  35        28
Franjezwam                                              106        66

Geaster cesatiï                                         111        65
Geaster coliformis                                      112        66
Geaster fimbriatus                                      126        66
Geaster fornicatus                                                 65
Geaster mammosus                                        114        65
Geaster triplex                                          19        12
Gedeeltelijke Vermiljoenzwam                             11         7
Gekraagde Aardster                                       19        12
† Gele Amaniet                                                     49
† Gele Geelplaat Russula                                  6     6, 53
† Gele Knol-Amaniet                                    H, K    49, 56
Gele Korstzwam                                          118        66
Gele Ringboleet                                          42        32
Gele Stekelzwam                                          64        41
Gele Trilzwam                                           119        69
Geoglossum glabrum                                       61        30
Geoglossum hirsutum                                                30
Gepeperde Melkzwam                                       82        53
Geschubde Inktzwam                                       48        38
Geschubde Stekelzwam                                     62        41
Gesteelde Bekerzwam                                      21        28
Gesteelde Stuifbal                                       25        23
Gestreepte Nestzwam                                      24        16
Geur-Parasolzwam                                        132        75
Gewei-Zwam                                              104        66
Gewimperde Aardster                                     126        66
Gewone Spijkerzwam                                       66        27
Gewone Inktzwam                                          46        27
Gewone Morielje                                          58        42
† Giftige Melkzwam                                       83        53
Gladde Aardtong                                          61        30
Gladde Spijkerzwam                                       65        27
Gomphidius glutinosus                                    66        27
Gomphidius viscidus                                      65        27
Goudgele Koraalzwam                                      49        15
† Granaatzwam                                            12         7
Grasmycena                                              131        71
Groene Anijszwam                                         94        59
Groene Glibberzwam                                      113        70
† Groene Knol-Amaniet                                     I        49
Grofplaat Russula                                        22        30
† Grijsgroene Melkzwam                                   76        53
Grijze Ridderzwam                                         L        77
† Grijze Volvaria                                       130        38

Half-Vermiljoenzwam                                      11         7
Hanekam of Dooierzwam                                    52        36
Harszwam                                                116        66
Hebeloma crustuliniforme                                 93        59
Heksenboleet                                             15         8
Helvella lacunosa                                        55        42
Helvella crispa                                          57        42
Hirneola auricula Judae                                 105        69
Honingzwam                                               75        44
Hoorn van Overvloed                                      23        16
Huiszwam                                                 95        55
Hydnum auriscalpium                                      63        21
Hydnum imbricatum                                        62        41
Hydnum repandum                                          64        41
† Hygrophorus coccineus                                   7         7
† Hygrophorus miniatus                                    9         7
† Hygrophorus psittacinus                                 8         7
† Hygrophorus puniceus                                   12         7
Hypholoma epixanthum                                     81        54
† Hypholoma fasciculare                                  53    24, 54
† Hypholoma sublateritium                                79        54

† Inocybe rimosa                                         26        27

Judasoor                                                105        69

Kapjesmorielje                                           56        42
Kastanjeboleet                                           41        32
Kleine Aardster                                         111        65
Kleine Bruine Bekerzwam                                  20        15
Kleine Grijze Anijszwam                                  88        59
Kleine Melkzwam                                                    11
Kleine Oranje Bekerzwam                                            15
† Kleine Parasolzwam                                     47        11
Kleine Stinkzwam                                        101        64
Kleverig Koraalzwammetje                                 51        28
Kluifjeszwam                                                       22
Knoflookmarasmius                                        99        60
Knolletjes-Collybia                                                30
Knoopzwam                                                          69
Kopergroenzwam                                           17        11
Krulzoom                                                129        70

Laccaria laccata                                         35        28
Laccaria laccata var. amethystina                        32        28
† Lactarius blennius                                     76        53
Lactarius deliciosus                                     59        35
Lactarius piperatus                                      82        53
† Lactarius rufus                                        60        11
Lactarius subdulcis                                                11
† Lactarius theiogalus                                   78        53
† Lactarius torminosus                                   83        53
Lactarius vellereus                                      84        53
Lentinus cochleatus                                     102        59
Lenzites betulina                                        74        48
Leotia lubrica                                          113        70
Lepeltje                                                 63        21
† Lepiota clypeolaria                                    47        11
Lepiota odora                                           132        75
Lepiota procera                                           A         8
Lycoperdon caelatum                                       E        54
Lycoperdon furfuraceum                                   31        23

Macropoda macropus                                       21        28
Marasmius confluens                                      28        24
Marasmius oreades                                        30    24, 53
Marasmius perforans                                      98        60
Marasmius rotula                                         27        21
Marasmius scorodonius                                    99        60
† Marasmius urens                                        73        53
Meniezwammetje                                          123        69
Melige Stuifzwam                                         31        23
Melkboleet                                               37    32, 36
Melkwitte Korstzwam                                     122        66
Merulius lacrymans                                       95        55
Morchella esculenta                                      58        42
Morchella rimosipes                                      56        42
Morielje                                                 58    22, 42
Mutinus caninus                                         101        64
Mycena alcalina                                          97        63
Mycena epipterygia                                      131        71

† Narciszwam                                             86        56
Nectria cinnabarina                                     123        69
Nestzwammetje                                            24        16
Nevelzwam                                                34    24, 56
Nyctalis asterophora                                     22        30

Oesterzwam                                                D        41
Oorlepelzwam                                             63        21
Oranje Aderzwam                                         115        66
Oranjegroene Melkzwam                                    59        35

Paarl-Amaniet                                             G        50
Paarse Ridderzwam                                        14        23
† Panther-Amaniet                                         J        50
Panus Stipticus                                         124        70
† Papegaaizwammetje                                       8         7
Parasolzwam                                               A         8
Paxillus involutus                                      129        70
Peperbus                                                112        66
Peziza fructigena                                                  21
Peziza haemisphaerica                                    20        15
Peziza rutilans                                                    15
Phallus impudicus                                        92        63
Phlebia aurantiaca                                      115        66
Pholiota squarrosa                                       29        28
Pleurotus ostreatus                                       D        41
Polyporus betulinus = Placoderma betulinum               67        47
Polyporus brumalis                                      103        66
Polyporus frondosus                                      70        48
Polyporus giganteus                                                48
Polyporus perennis—Polystictus perennis                  18    12, 43
Polyporus Schweinitziï                                  120        66
Polyporus squamosus                                       C        12
Polyporus versicolor                                     16        11
Porceleinzwam                                            80        44
Pracht-Ridderzwam                                        13         8
Psalliota arvensis                                       43        38
Psalliota campestris                                     45        37
Psalliota sylvatica                                      44        38
Purper Korstzwam                                        107        66
Purperroode Russula                                       2     6, 53
Radijszwam                                               93        59
Reuzenbovist                                                       22
Reuzenzwam                                                         48
Ringsteel                                                28        24
† Rood Zwavelkopje                                       79        54
† Roode Russula                                           4     6, 53
† Rossige Melkzwam                                       60        11
Ruitjes-bovist                                            E        54
Rupsendooder                                             50        30
Russula cyanoxantha                                       5         6
† Russula emetica                                         1     6, 53
† Russula foetens                                       100        60
† Russula fragilis                                        3         6
Russula nigricans                                        22        30
† Russula ochracea                                        6     6, 53
Russula Queletiï                                          2         6
† Russula rubra                                           4     6, 53
Ruwe Aardtong                                                      30
Ruwe Boleet                                              38        31

† Satansboleet                                           77        50
Schaapje                                                 84        53
† Scharlakenzwammetje                                     7         7
† Scherpe Marasmius                                      73        53
Scherpe Schelpjeszwam                                   124        70
Schizophyllum commune                                   117        70
Schubbige Pholiota                                       29        28
† Scleroderma vulgare                                   109        54
Slanke Trechterzwam                                  33, 89    24, 60
Slijmerige Spijkerzwam                                   66        27
Sparassis crispa                                        127        69
Sparrenhoutzwam                                         120        66
Sparren-Marasmius                                        98        60
† Spleet-Vezelkop                                        26        27
Sponszwam                                               127        69
Spijkerzwammen                                       65, 66    27, 35
Stereum hirsutum                                        118        66
Stereum purpureum                                       107        66
Sterzwammetje                                            22        30
† Stinkende Russula                                     100        60
Stinkzwam                                                92        63
Stropharia aeruginosa                                    17        11

Tepel-Aardster                                          114        65
Thelephora terrestris                                   106        66
Tolzwam                                                  18        12
Trametes radiciperda                                     71        43
Trechterzwam                                         33, 89        24
Tremella mesenterica                               119, 121        69
† Tricholoma album                                       91        56
Tricholoma gambosum                                      87        56
Tricholoma nudum                                         14        23
Tricholoma rutilans                                      13         8
† Tricholoma saponaceum                                  96        60
† Tricholoma sulphureum                                  86        56
Tricholoma terreum                                        L        77
Tulostoma mammosum                                       25        23

Uitgespreide Stekelzwam                                  64        41

Valsche Dooierzwam                                       54        36
Vermiljoenzwam                                           10         7
Verpa digitaliformis                                               70
† Vezelkop                                               26        27
Vierslippige Aardster                                              65
Vingerhoedje                                                       70
Vleeschkleurige Korstzwam                               125        66
† Vliegenzwam                                             B         6
Vogelnestzwammetje                                       24        16
† Volvaria gloiocephala                                 130        38
† Volvaria speciosa                                                38
Voorjaars-Ridderzwam                                     87        56
Vuurzwam                                                 69        48
† Vuurzwammetje                                           9         7

Waaiertje                                               117        70
Weide-Champignon                                         45        37
Weide-Kringzwam                                          30    24, 53
Wieltjes-marasmius                                       27        21
Winterhoutzwam                                          103        66
Winter-Trechterzwam                                      90        56
Witte Kluifjeszwam                                       57        42
Witte Korstzwam                                         122        66
Witte Populierzwam                                       72        48
† Witte Ridderzwam                                       91        56
† Witte Volvaria                                                   38

Xylaria hypoxylon                                       104        66

Zadelzwam                                                 C        12
Zakjeszwam                                                         22
† Zeepzwam                                               96        60
Zwarte Kluifjeszwam                                      55        42
Zwarte Trilzwam                                         108        69
† Zwavelkopje                                            53    24, 54
† Zwavel-Melkzwam                                        78        53








ZWART-WIT TEEKENINGEN.


                                                              Bladz.
Koraalzwammen en Vliegzwammen                                    5
Heksenkring van Nevelzwammen                                    17
Honingzwam                                                      29
Geschubde Inktzwammen                                           31
Reuzenzwam (op den achtergrond Vliegenzwam en Zwavelkopjes)     43
Bruine Anijszwam en Stinkzwam (met duivelseieren)               55
Oude Krulzomen, broederlijk aaneen (op den grond Franjezwam)    65











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK PADDENSTOELEN ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.