Het intieme leven der vogels

By Jac. P. Thijsse

The Project Gutenberg eBook of Het intieme leven der vogels
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het intieme leven der vogels

Author: Jac. P. Thijsse

Photographer: R. Tepe


        
Release date: May 2, 2026 [eBook #78580]

Language: Dutch

Original publication: Utrecht: H. Honig, 1913

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78580

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET INTIEME LEVEN DER VOGELS ***




                              HET INTIEME
                            LEVEN DER VOGELS

                                  DOOR
                            JAC. P. THIJSSE

                 GEÏLLUSTREERD MET VIJFTIG REPRODUCTIES
                         VAN NATUUROPNAMEN VAN

                                R. TEPE


                              TWEEDE DRUK

                         UTRECHT—H. HONIG—1913









VOORREDE.


Wij weten van het intieme leven der vogels maar heel weinig. De doode
vogel is vlijtig genoeg bestudeerd; zijn veertjes geteld, zijn beentjes
gemeten. De inventaris van zijn nesten en eieren is in bijzonderheden
opgemaakt en ook omtrent den datum van komen en gaan hebben wij in de
meeste gevallen voldoende zekerheid.

Maar hoe de vogel zijn dag en zijn leven doorbrengt, hoe hij zich
gedraagt in verschillende levensomstandigheden, hoe hij ertoe gekomen
is, om zich zoo te gedragen en hoe dat gedrag zich nog steeds wijzigt,
daarvan is nog weinig bekend en toch zou men kunnen beweren, dat de
beantwoording van deze vragen juist de eigenlijke vogelkennis heeten
mag.

Ik heb door het schrijven van dit boek getracht, de aandacht te
vestigen op het leven van enkele onzer meest bekende vogels, in de
verwachting, dat de vele vogelvrienden en vriendinnen, die ons kleine
landje telt, zullen willen meewerken, om het ontbrekende of foutieve in
mijn waarnemingen aan te vullen en te verbeteren.

De vogels hebben het noodig. De vraagstukken van vogelbescherming en
vogelverdelging kunnen alleen op bevredigende wijze worden opgelost,
wanneer we een volledig inzicht hebben in het leven der vogels en
zoodoende klaar beseffen, wat het vogelleven te beteekenen heeft voor
het menschelijk geluk.

Deze studie vereischt veel toewijding en geduld, maar is een
onuitputtelijke bron van het reinste genot, heilzaam voor lichaam en
geest. ’t Is een soort van veredelde jacht: de wapens zijn de
verrekijker en de camera, notities en negatieven vormen den tastbaren
buit.

Mijn weitasch is maar weinig gevuld: de daden der vogels zijn nog
vluchtiger dan de vogels zelf. Mijn medejager is gelukkiger geweest, en
zoo hoop ik dan, dat Tepe’s negatieven vergoeden mogen, wat er aan mijn
notities ontbreekt.

                                                       Jac. P. Thijsse.

Bloemendaal, Nov. ’06.







VOORBERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.


Sedert het verschijnen van den eersten druk van dit werk zijn bijna
acht jaren voorbij gegaan, belangrijke, gunstige jaren voor de
vogelstudie en vogelbescherming in ons land.

Tot mijn groot genoegen heb ik dus heele passages van polemiek en
verzuchtingen kunnen schrappen, waardoor ik meteen plaats kon vinden
voor het vermelden van enkele nieuwe waarnemingen.

                                                       Jac. P. Thijsse.

Bloemendaal, Maart 1913.









I.

IN DEN POLDER.


STERNTJES EN MEEUWEN.


De oudste berichten omtrent den vogelrijkdom van Nederland danken wij
aan Julius Caesar, die het van hooren zeggen had, dat de bewoners van
ons Noordzeestrand zich geneerden van visch en vogeleieren. Ook oppert
de bekende philoloog Karl Bartsch in zijn inleiding tot het Gudrun-lied
het vermoeden, dat met het Irland uit het beroemde heldendicht niets
meer of minder bedoeld zou zijn dan mijn dierbaar Eierland op Texel.
Dat zou dus reeds in de twaalfde of dertiende eeuw zijn welverdiende
reputatie hebben genoten.

Een ernstig zoöloog haalt natuurlijk zijn schouders op over dergelijke
apocriefe gegevens. Julius Caesar heeft het met zijn natuurlijke
historie van den eland voor goed verkorven en dichters en philologen
staan met de plant- en dierkunde ook al op niet al te besten voet. Toch
wil ik gaarne bekennen, dat de gedachte aan den grooten Romein en
vooral de kleurige stoet uit het vriendelijke Noordzee-epos mij vaak
gesteund en opgemonterd heeft bij het uren- en dagenlange nagaan van
onze zee- en strandvogels, langs de stranden en in de polders van de
Wadden-eilanden.

De vogelbevolking van Eierland is sedert de inpoldering van 1835 sterk
achteruitgegaan, een natuurlijk gevolg van de cultuur, maar op enkele
plaatsen in de Texelsche polders zijn in den broedtijd de nesten en
eieren nog zoo talrijk, dat een volksstam er drie maanden lang
overvloed van gezond voedsel zou kunnen vinden, niet de veertigduizend
ridders van Sigebant of Hagen, maar wel de vijftig of zestig
kleihutbewoners, die in den ouden tijd een volk vormden.

Het beste van deze terreinen lag vlak tegen het oude Eierland aan, het
oostelijke gedeelte van den polder Het Noorden, bar bloot land,
doorsneden door breede, ondiepe kreken. Zonder den hoogen zeedijk en
den van verre zichtbaren molen zou men kunnen meenen, de slikken en
banken te betreden, die nog voordat de duinen bestonden, de westelijke
grens vormden van het haff, dat eenmaal Nederland zou worden. De bodem
bestond hoofdzakelijk uit zand met schelpen, hier en daar bedekt met
sliblagen van verschillende dikte. Slechts op enkele plaatsen lag het
zand zoo hoog en droog, dat het stuiven kon; sommige plekken waren
zonder den minsten plantengroei, op andere plaatsen stonden ijl de
sappige stengeltjes van zeekraal, met schaarsche rozetjes van
zeepostelein. Het Engelsch gras tintte sommige plekken met een
liefelijk rozerood en langs de breedste kreek vormde het kweldergras
met andere ingezaaide grassen een soort van groene strandweide, die
echter door groot vertoon van biezen en addertong een weerbarstige
houding aannam tegen de onwelkome ontginningsplannen. Versch gestoken,
lange, rechte greppels verminderen den poëtischen indruk van eenzame
woestheid: als ’t ware de eerste loopgraven, waarmee de mensch de
vogels belaagt in deze eene der weinige vestingen, die hun nog restten.

Deze strandvogels haten en vreezen den mensch meer dan eenig ander
levend wezen. En dat is geen wonder, want sedert eeuwen staat voor hen
de aanwezigheid van menschen gelijk met het rooven van honderden en
honderden eieren. Nu nog, als in Caesar’s tijd, geschiedt dat om aan
den kost te komen, om een lekkernij te bemachtigen, om geld te
verdienen, maar ook verzamelwoede of baldadigheid richten groote
verwoestingen aan. Men kan tegenwoordig gerust beweren, dat de strand-
en weidevogels geen erger levenden vijand hebben dan den mensch en
daarom vreezen ze hem dan ook meer dan de drieste kraai, het vinnig
hermelijntje of de vieze rat.

Hoe lang zal het duren, eer zij een gunstiger oordeel over ons vellen?
Er komen betere tijden. In de laatste tien jaren heb ik duizenden en
duizenden eieren gezien zonder er een van mede te nemen. Wij hebben
dagen lang met een vrij groot gezelschap in de vogelvesting vertoefd en
geen enkel nest heeft schade geleden. Verscheiden natuurvrienden zijn
wars van het verzamelen van eierdoppen, nesten en opgezette vogels en
geven er de voorkeur aan, hun vrijen tijd door te brengen te midden van
die heerlijke schepselen zelve, om te trachten, iets van hun wonderlijk
leven gewaar te worden. Verrekijker en camera vervangen gaandeweg
geweer en valstrik, die voortaan slechts geduld mogen worden in handen
van hen, die zich bezig houden met echt, belangrijk, wetenschappelijk
onderzoek. Onze huizen en tuinen worden al meer en meer vrijplaatsen
voor klein gevogelte, terwijl de Vereeniging tot Behoud van
Natuurmonumenten ernaar streeft, om overal in ’t land asylen voor
vogels te verkrijgen.

Zoo komen langzamerhand betere tijden, maar lang nog zal ’t duren, eer
ge de broedplaatsen van sterntjes en meeuwen betreden kunt, zonder van
alle kanten verwenscht en uitgekreten te worden.

Wij, die ons van al die beleedigingen niets behoeven aan te trekken,
vinden dat evenwel meteen een mooie gelegenheid, om een overzicht te
krijgen van de vogelbevolking van den polder.

Reeds voor we goed en wel de grenssloot zijn overgestoken, buitelt met
schor geschreeuw een kieviet door de lucht en weldra wordt hij begeleid
door een paar tureluurs, die, even druk, maar minder luidruchtig, om
ons heen blijven hangen, nu eens vliegend met kleine schokjes, dan
zwevend met spitse neerhangende vleugels en slepende roode pooten, dan
weer stilstaand op een kluitje, op en neer wippend en onophoudelijk hun
angstkreet „tuut-tuut-tuut” uitstootend. Zeer elegante, slanke,
schuchtere vogeltjes.

Woest giert met luid gepiep een scholekster voorbij met veel vertoon
van witte vleugelpennen in zwarte omlijsting, rood fonkelend oog en
langen, zwaren vuurrooden snavel; een reclame-schreeuwer. Intusschen
heeft zich in de lucht een linie gevormd van wondervreemde zwart- met
witte vogels; veel hard wit met enkele sterke smalle gebogen zwarte
lijnen; ook de vleugelpunten zijn zwart. De fijne kop, de slanke hals,
de dunne, naar boven gekromde snavel, de enorme leigrauwe pooten en
bovenal de ongewone houding onder ’t vliegen, maken dezen typischen
bewoner der riviermonden en zeegaten, de kluit, tot een van onze
merkwaardigste vogels. Zelden wordt hij gezien buiten deze weinige
bezochte streken en zijn aanwezigheid hier maakt, dat wij een gevoel
krijgen van in den vreemde te zijn op een ontdekkingsreis.

Van tijd tot tijd strijkt een kluit neer, met zonderlinge gebaren zich
voortsleepend over den grond en dan blijken daar overal kleine
vogeltjes rond te loopen, pijlsnel, grijs als muisjes, soms
voortvliegend langs den grond en dan komt er veel wit te zien; dat zijn
de strandpleviertjes.

Zwijgend schiet een dozijn dikkoppige kemphanen voorbij, maar zij
worden nauwelijks opgemerkt, want nu is de lucht vervuld met een wolk
van krijschende sterntjes en meeuwen, alle even boos, en al naar de
nesten, die we naderen, schiet er een op ons neer: een dwergsterntje,
een gewone stern, een zilvergrijze stern, een groote stern of een
zwartkopmeeuw, de een wat vinniger dan de ander, maar alle hunne vrees
overwinnend door de zorg voor het broedsel.



De grond ligt hier vol met nesten en eieren, maar die liggen zoo stil
en zijn hier zoo volkomen op hun plaats, dat een oppervlakkig wandelaar
ze niet opmerkt en er in kan trappen, voor hij ze ziet. Over het
algemeen lijken de eieren van op den grond broedende vogels veel op de
omgeving van zandaanspoelsel, schelpen en grasgewas, maar toch lang
zooveel niet, als iemand die ’t nooit gezien heeft, wel gelooven wil.

Er ontstaan in de literatuur langzamerhand allerlei merkwaardige mythen
over „beschermingskleuren” en het is misschien niet overbodig, hier bij
deze honderden van nesten even te constateeren, dat ten minste in dit
geval van bescherming of verstoppertje spelen geen sprake is.

Ik geloof graag, dat een gewoon toerist, die nog nooit eieren gezocht
heeft, door dat heele broedgebied kan wandelen, zonder één nest te
bespeuren, maar daar staat tegenover dat een gewone Texelsche
schooljongen er misschien niet één zal overslaan.

Zelf zie ik ze in den regel ook wel, wanneer ik er maar in slaag, mijn
aandacht te concentreeren op den bodem en aan niets anders te denken,
dan aan eieren en nesten. Doch zoodra ik in beslag word genomen door
een vraagal van een medewandelaar of wanneer ik verdiept raak in de een
of andere gedachtenreeks, dan ontgaan ze mij bij dozijnen.

Wanneer nu een gewoon belangstellend stedeling een vogelbroedplaats
bezoekt, dan leiden de nieuwe indrukken hem meestal zoo af, dat hij
niet het vierde deel opmerkt, van wat er te zien valt.

Het is dan ook onmogelijk, om bij zoo’n eerste bezoek het oog af te
wenden van het wonderlijk bewegen van al die honderden vogels van
allerlei soort, niet te luisteren naar de velerlei geluiden van angst
en toorn, die de lucht vervullen, niet te geraken tot overpeinzingen
aangaande den rijkdom van het leven en de grootschheid der schepping.

Maar de eierverzamelaar van professie, hetzij mensch of dier, wordt
door dergelijke preoccupaties niet belemmerd. Hij monstert den bodem
met koelen blik; geen kuiltje, geen opeenhoping van schelpjes of gruis
ontgaat zijn aandacht en zelfs de eieren van de dwergstern en van ’t
strandpleviertje, die ’t meest in kleur en tint op den zandgrond
gelijken, worden door hem zonder moeite opgemerkt.

Het ligt voor de hand, dat de befaamde eierroovers, zooals de kraai en
de zilvermeeuw, maar al te gemakkelijk de nesten ontdekken en indien de
sterntjes en zwartkoppen niet over andere verdedigingsmiddelen te
beschikken hadden dan de door de schrijvers zoo vaak misbruikte
beschermingskleur, dan waren zij al lang van den aardbodem verdwenen.

De grondkleur van het sterntjesei wisselt af van zandkleurig lichtgeel
tot donkerblauw, met allerlei tusschentinten van grijs, bruin,
groenachtig grijs, blauwgroen en soms heel mooi kopergroen. Een enkele
maal zijn ze geheel en al ongevlekt, maar meestal vertoonen ze een
alweer sterk afwisselend aantal van duidelijke en minder duidelijke
donkere vlekken, soms bijna tot zwart toe. Nu eens zijn de vlekken vrij
gelijkmatig over de geheele schaal verspreid, dan weer vormen ze een
dichten krans om het stompe gedeelte van het ei. In vorm en grootte
loopen die vlekken weer zeer uiteen, terwijl streepen slechts zelden
worden aangetroffen, ’t meest nog bij eieren van de groote stern.

Nu, al deze zoo uiteenloopende kleuren en teekeningen worden gevonden
bij eieren op éénzelfde stuk grond, ja bij eieren in éénzelfde nest.
Bij de gewone stern vormen drie eieren een voltallig legsel en niet
zelden komt het voor, dat ze alle drie een geheel verschillend type van
kleur en teekening vertoonen.

Men zou zelfs kunnen betwijfelen, of drie zoo verschillende eieren van
een en denzelfden vogel afkomstig waren. Het is lang niet gemakkelijk,
om hieromtrent zekerheid te verkrijgen, want de vogels nemen het vaak
niet zoo nauw met het mijn en dijn en zien er evenmin tegen op, om een
ei te leggen in een vreemd nest, als een vreemd jong groot te brengen
of vreemde eieren uit te broeden.

Meestal broeden de sterns in groote gezelschappen bijeen, maar nog al
dikwijls vinden we in de veenlandjes en in de duinen geheel
afzonderlijke nesten en het is merkwaardig, dat in deze het drietal of
tweetal eieren tamelijk wel gelijk zijn van kleur en teekening. In de
laatste twee jaren heb ik op dezen regel slechts tweemaal een
uitzondering gevonden.

Het grootste aantal legsels met in kleur verschillende eieren vond ik
twee jaar achtereen op den Hoek van Holland, waar meer dan de helft der
talrijke nesten het verschijnsel vertoonde. Ik neem mij voor, op de
voornaamste broedterreinen hieromtrent nauwkeurige tellingen te
verrichten en ook op andere wijze te onderzoeken of het vermoeden juist
is, dat de sterntjes en vooral de gewone stern, ’t zij uit domheid of
onverschilligheid of met opzet en besef hun eieren deponeeren in een
nest, zonder te weten, of het wel oorspronkelijk hun eigen is. Want die
sterntjes hebben nesten, al zijn zij soms zeer primitief, en een
wandeling door den polder leert alweer dadelijk, dat ook in dit opzicht
deze interessante vogels een groote veelzijdigheid aan den dag leggen.



Maar laat ik eerst even iets vertellen van sterntjesnesten buiten den
polder. Dat was aan den Hoek van Holland, den echten, het driehoekig
eilandje, dat door het graven van den Nieuwen Rotterdamschen Waterweg
van het vaste land is afgesneden. In hoofdzaak is het een stuk duin met
een breed zandig strand, waarvan sommige gedeelten alleen bij hooge
vloeden onderloopen.

Voor zoover dit niet bedekt is met de schoone flora der strandweiden,
ligt het zand er dicht en rul en daar hebben nu in den zomer honderden
sterntjes hun nesten en wel de meest primitieve, die ik ooit aanschouwd
heb, zoo zelfs, dat het bijna geen nesten genoemd kunnen worden.

Het zijn oorspronkelijk kleine kuiltjes in ’t zand. Blijft het lang
droog weer, dan waaien die spoedig dicht, de eieren liggen dan in ’t
zand, ja dikwijls geheel er onder. Zoolang ze niet te diep bedolven
zijn, kan de vogel ze door zijn eigenaardige broedbewegingen—waarover
straks meer—nog wel weer bloot krijgen. Doch dikwijls gebeurt het, dat
bij aanhoudenden wind en vooral, wanneer dan door de een of andere
oorzaak de vogels lang van hun nesten verwijderd blijven, de eieren een
paar centimeter onder den grond komen en dan zijn ze verloren. Want hoe
heet het zand ook op zomerdagen wezen kan, in de diepere lagen en ’s
nachts is het kil en dat is de dood voor de vogelkiem.

In het algemeen kan als regel gelden, dat de eieren gedurende de
bebroeding de temperatuur moeten hebben van een vogellichaam, dus 40 à
42° C. Het kan geen kwaad, wanneer gedurende korten tijd de grens naar
de eene of andere zijde wordt overschreden, maar dat mag niet te lang
duren, vooral niet in ’t midden van de bebroedingsperiode.

Liggen nu de eieren in het droge zand, dan is op heldere zomerdagen de
zonnewarmte al voldoende, om ze op de temperatuur te houden en het is
zelfs de vraag, of op heel heldere en windstille dagen die temperatuur
niet te hoog wordt. Op gewone warme dagen ziet men de sterntjes niet op
de eieren zitten, op zeer warme echter wel en dat is dan niet een
maatregel, om de eieren te verwarmen, maar juist, om ze voor te sterke
verwarming te behoeden. Laat de vogel dat na, dan mislukt het broedsel.

Ook omtrent deze zaak, waar nog weinig op gelet is, zijn nauwkeurige
waarnemingen zeer gewenscht. Het komt er op aan, op een rulle
strandvlakte de sternnesten te observeeren, zonder de vogels te storen,
aanteekening te houden van den tijd (uren en minuten), dat de eieren
bebroed worden, van de temperatuur van de bovenste zandlaag, benevens
de kracht en de richting van den wind.

Ik kan niet dikwijls genoeg herhalen, dat aan dergelijke studie nog
veel te weinig gedaan is. Zelfs de beste vogelboeken geven in hoofdzaak
niet anders dan ellenlange beschrijvingen van het lichaam of liever van
de veeren, van de eieren en van het nest, maar van het leven zelf der
dieren worden slechts enkele algemeenheden verteld. Waar nog al eens
wordt over uitgeweid, dat is hoe je het dier kunt vangen en in gevangen
staat houden. Maar wat heb je nu aan een gevangen vogel? En wat is nu
prettiger: een volière schoon te houden, of dagen lang met een
verrekijker gewapend in ’t zonnige duin te liggen en te letten op
alles, wat daar gebeurt?



De sterntjes in den polder hebben met minder moeilijkheden te kampen,
dan de sterntjes op het strand. De grond is er minder zandig en een
wijs polderbestuur zorgt er voor, dat de waterstand op het gewenschte
peil blijft, zoodat in den regel de nesten niet te lijden hebben van
verstuiving, noch van overstrooming. Alleen bij langdurig windstil
regenachtig weer gaan in polders met windbemaling de velden blank staan
en dan gaat er ontzettend veel vogelleven verloren. Gebeurt de ramp
niet te laat in den broedtijd, dan maken de vogels nog wel een tweede
broedsel, dat dan minder talrijk is dan het eerste.

Het nest krijgt een duidelijken komvorm, in overeenstemming met de
grootte van den vogel. Op de kale vlakte is het kuiltje in ’t geheel
niet bekleed, wel wat men noemt „versierd” met steentjes en schelpjes.
Bevinden de nesten zich op een met gras begroeid gedeelte, dan zijn ze
zelf ook opgebouwd uit dorre sprietjes en vezeltjes en zulk een
sterntjesnest kan dan een vrij grooten omvang hebben.

Deze regels gelden in de eerste plaats voor het gewone sterntje en voor
de zilvergrijze zeezwaluw, het dwergsterntje maakt zijn nest bijna
uitsluitend op de kale vlakte en de groote stern maakt er heel weinig
werk van.

Het versieren van de nesten komt zeer veel voor niet alleen bij de
sterntjes, maar ook bij de pleviertjes. Het is al spraakgebruik
geworden, om te spreken van versierde nesten, maar of hierbij nu wel de
schoonheidszin der vogels te pas komt, dat zou ik niet durven beweren.
Wij zijn licht geneigd, om aan de dieren allerlei menschelijke
drijfveeren toe te kennen en in dit geval kan het haast niet anders.

Die schelpjes liggen zoo aardig om en in het nestje, teekenen zoo
geestig met kleurige stipjes het grauwe zand en brengen het nest zoo
aardig te voorschijn uit den doffen achtergrond, dat wij niet anders
kunnen denken, of dit artistiek effect is te danken aan den artistieken
aanleg van de vogels zelve. Ook herinnert ge u de Australische
priëelvogels, die met schelpen, schitterend gekleurde bloemen en
vruchten, en slakkenhuisjes ware praalgebouwen oprichten met
paradeplaatsen erbij, waar ze zich kunnen verlustigen in hun schoone
gewrochten. Hun nesten zelf evenwel zijn zeer eenvoudig. Doch laat ons
naar onze sterntjes terugkeeren.

Ook hier bestaat weer behoefte aan degelijk onderzoek. De versiering
wordt alleen aangetroffen bij de nesten, die op de kale vlakte liggen.
Missen de sterntjes, die in ’t groene gras nestelen, dus allen
kunstzin? Dat weet ik niet, maar wel, dat ze geen versieringsmateriaal
in den omtrek van hun nest vinden, of liever dat hun versiering bestaat
in de dorre sprietjes en grasjes, die ’t nest zelve vormen.

Want ’t is mij duidelijk gebleken, dat de sterntjes en pleviertjes
alleen versieren met materiaal, dat in de onmiddellijke omgeving van
het nest wordt aangetroffen. In onzen polder Het Noorden had dezen
zomer een dwergsterntje zijn nest nabij een partijtje baksteengruis en
nu had het den rand en den bodem ervan mooi belegd met van die roode
keibrokjes. Het spreekt vanzelf, dat daardoor dit nest—en dat is met al
die versierde nesten het geval—veel beter in ’t oog viel, dus het dier
deed zich, naar ons oordeel, geen voordeel met die versiering.

Op schelprijke plaatsen waren de nesten versierd met schelpen, en wel
van dezelfde soort, als die in den omtrek lagen, soms zoo sterk, dat de
heele nestkom met een schelpenlaag bedekt was. Een enkel nest was zelfs
een schelpenberg geworden, natuurlijk met een kuiltje in den top,
waarin de eieren lagen. Dit nest was wel honderd meter ver te
onderscheiden.

Zeer dikwijls heb ik den indruk gekregen, dat deze zoogenaamde
versiering toch van direct voordeel voor de eieren is en wel dat ze
erdoor behoed worden tegen de vochtigheid van den bodem, en bij
langdurige droogte tegen te groote verhitting door de middagzon, want
natuurlijk geeft zoo’n schelpen- en steentjeslaag een niet te versmaden
gelegenheid voor ventilatie. Intusschen mag niet uit het oog verloren
worden, dat een menigte van sterntjes het zonder die ventilatie weten
te redden.

Mijn vriend Selous maakt een andere veronderstelling. Hij meent, dat de
vogels bij het urenlange stilzitten op de eieren zich doodelijk
vervelen of liever behoefte hebben aan eenige beweging en bezigheid, en
dat ze als het ware vanzelf er toe komen om dan de verplaatsbare
voorwerpen met den snavel te grijpen en weer neer te leggen. Zoodoende
komt dan een kring van dergelijke voorwerpen om het nest te liggen en
het is ook best mogelijk, dat ze hetzij bij ongeluk, hetzij met opzet
in het nest zelf terecht komen.

Zeker is het—ik heb het dikwijls genoeg gezien—dat een broedende vogel,
die zich veilig waant, niet volkomen stil zit. Wel, als hij in gevaar
verkeert; dan zitten de meeste vogels als uit steen gehouwen, maar bij
volkomen rust draaien ze met den kop, rekken den hals, geeuwen een
beetje, happen eens naar een voorbijvliegend insect of verschikken even
vleugels en staart. Dan weer scharrelen ze even aan den nestrand, halen
een sprietje door den snavel en dan maakt het bewegen van den kop, het
heen en weer rukken van het strootje eer den indruk van spel of
tijdverdrijf, dan van zorgvuldig repareeren van den nestrand. Al die
bewegingen zijn te vergelijken met ons onbewust spelen met potlood of
papiersnijder, het trommelen op de ruiten of op de tafel of het
klassieke duimen-draaien. Ik wil graag erkennen dat ik voor Selous’
veronderstelling zeer veel gevoel en niet zal nalaten ook deze zaak
nader en zelfs proefondervindelijk te onderzoeken.



Om een sterntje op het nest te zien zitten, moet men zelf goed
verborgen zijn. In het Noorden maakten wij gebruik van het fort van
Selous, een soort van plaggenkasteel, dat hij gebouwd had nabij een
speelplaats van kemphanen. Het is een kuil van een meter in ’t
vierkant, aan drie zijden omgeven door een wal van plaggen, zoowat een
meter hoog en voorzien van kijkgaten. ’t Was een vrij primitieve
gelegenheid, zeer voor verbetering vatbaar, maar toch uiterst
geriefelijk. Wij hopen in de gelegenheid te zijn, dezen winter het fort
wat bij te werken en uit te breiden en het zoo te maken, dat het in ’t
landschap in ’t geheel niet afsteekt, zoodat de vogels er geen erg in
hebben. Met een drietal dergelijke forten op een uitgestrektheid van
dertig hektaren vogelland kunnen groote veroveringen op ornithologisch
terrein worden bevochten. Natuurlijk klinkt er nooit een schot van de
wallen, maar kijker en camera bestrijken de vlakte naar alle zijden.

Wij gingen nog met groote list te werk, door met ons vijven naar ’t
fort te marcheeren. Ik kroop er in en de vier anderen gingen heen,
begeleid door het rumoerig gezelschap van sterntjes en meeuwen, kluiten
en scholeksters. Nu meenen wij—op welken grond weet ik niet—dat de
vogels niet kunnen tellen. Zij verkeerden derhalve waarschijnlijk in de
meening, dat al hun vijanden aftrokken en toen de rustverstoorders ver
genoeg van ’t gebied verwijderd waren, hervatten de vogels hun gewone
bezigheden.

Welk een verschil! Achtereenvolgens daalden alle vogels neer en binnen
weinig minuten zweefde er nog maar slechts een enkele door de lucht.
Weldra leek de vlakte geheel uitgestorven. Enkele schapen en lammeren
graasden in het ruige gras langs den waterkant. Heel in de verte liep
een eenzame wandelaar op den hoogen zeedijk, waarachter een enkel rood
dak en een smal scheepswimpeltje een aanduiding leverden van de
menschenwereld. De polder zelf leek alleen te behooren aan mij, aan de
schapen en den kouden voorjaarswind, die in den Pinkstertijd aan
Paschen deed denken.

O, als ’t zonnetje had geschenen en ’t windje gewaaid had uit zuid-oost
in plaats van noord-west, dan zou ’t een ander tooneel zijn geweest.
Dan hadden de sterntjes vrijaf gehad, om te vliegen en te spelevaren in
de blauwe lucht. Nu echter zaten ze op de eieren met een volharding en
plichtbesef, het trouwe huishoen waardig. En een enkele, die opvloog,
snelde bedrijvig in een rechte lijn over de vlakte naar weiland of
strand, om voedsel te halen voor den broedenden genoot.

Intusschen was een troep kemphaantjes op hun speelplaats beland en daar
begon het altijd even belangwekkende tournooi, half pantomime, half
tweegevecht, vol beweging, in de diepste stilte, als een strijd van
spoken.

Nu voorzichtig den verrekijker gehanteerd! Zoo’n kijker lijkt soms een
tooverstaf, want ieder plekje grond, dat hij bestrijkt, vertoont
dadelijk teekenen van leven. Hier is het een gezelschap grutto’s en
tureluurs, die staan te visschen in de slijkerige kreek, of
scholeksters met hun lange roode bekken en een enkele kromsnavelige
wulp. Kluiten stappen, met hun snavel maaiend, door ’t slib, en een
groote witte plek wordt een rustende bergeend.

In ’t gras en op ’t zand worden alle witte plekken sterntjes; rechts
achter het fort had ik een vijftal nesten genoteerd en nu vond ik ze
ook behoorlijk bezet met de vogels, broedend met hun kop in den wind,
allemaal zilvergrijze zeezwaluwen, Sterna macrura.

Dat zou nu zonder dien heerlijken verrekijker nooit uit te maken zijn,
want de zilvergrijze zeezwaluw verschilt maar zeer weinig van de gewone
stern, zoo weinig zelfs, dat een leek het belachelijk en overbodig
vindt, om op zulke kleine verschillen twee vogelsoorten aan te nemen,
ieder met haar eigen langen Latijnschen naam. Ook is het niet mogelijk,
de eieren van beide soorten met zekerheid van elkander te
onderscheiden.

Bij de zilvergrijze zeezwaluw is de snavel geheel rood, de gewone stern
heeft een zwarte snavelpunt. Ook heeft de eerste kortere pooten; het
loopbeen is ± 16 m.M., terwijl dat bij de gewone ± 20 m.M. lang is. In
den regel reiken bij de zilvergrijze zeezwaluw in de rusthouding de
staartpunten verder dan de vleugelspitsen, terwijl bij de gewone stern
het omgekeerde het geval is. Eindelijk zijn bij de gewone stern de
borstveeren spierwit met een vleugje van rozerood, terwijl ze bij de
andere soort in ’t parelgrijs trekken. Meestal telt het volledig legsel
van de zilvergrijze zeezwaluw slechts twee eieren.

Ge ziet dat ’t onmogelijk is, om met deze gegevens uit een aantal
rondvliegende sterntjes met eenige zekerheid de gewone van de
zilvergrijze te onderscheiden. Het is dan ook pas eenige jaren geleden,
dat men nog niet eens wist, dat de zilvergrijze zeezwaluw in groot
aantal bij ons te lande broedt, maar nu weten wij, dat ze haast even
algemeen voorkomt als het gewone sterntje. Naar het Noorden toe wordt
het de overheerschende soort, waarom ze ook wel Noordsche zeezwaluw
genoemd is. De Engelschen spreken ook altijd van The Arctic tern.

Het paste dus heelemaal bij het gure noordpoolweer, dat ik daar deze
sterntjes voor mij had. Door den verrekijker was het duidelijk te zien,
dat zij alle volkomen roode snavels hadden. Ook het staartkenmerk bleek
in de vijf gevallen steekhoudend, maar de zilvergrijsheid aan de borst
bleef in ’t onzekere bij al de grijsheid van lucht en wolken.

Zooals ik reeds zeide, zaten ze alle met den kop in den wind, de beste
houding voor stilzittende vogels. Een zat er finaal te slapen met zijn
snavel in de schouderveeren, de andere waren min of meer wakker, maar
’t was niet altijd te zien, of ze de oogen open hadden. Ze bewogen
weinig; nu eens schommelde er een wat heen en weer, een ander pikte
zich even in de borst, maar van schelpjes zoeken of steentjes rapen kon
ik niets gewaar worden.

Twee van de vijf hadden gezelschap. Hun mannetje of wijfje—ze lijken
precies op elkaar—zat vlak naast het nest en heel aardig was ’t om te
zien, hoe zoo’n paar wildebrassen daar nu innigjes stil bij elkander
zaten. Af en toe draaiden ze den kop om, en beet de een den ander even
in de veertjes; zoo iets, wat men in de romans een stillen handdruk
noemt.

Nu zitten ze weer stil bij elkander, maar twee nesten verder gebeurt
weer iets anders. Daar gaat de bijzitter, de genoot, (hoe zal ik dat
individu noemen, daar ik toch niet weet, of ’t het mannetje of ’t
wijfje is?) heen en weer kruipen, de borst tegen den grond drukkend, nu
zelfs ronddraaiend, alsof hij met de zachte veertjes een gat in den
grond wil boren: een echte „broedsche” beweging. De ander kijkt stil
toe, wordt dan langzamerhand onrustig, gaat ook draaien en wiebelen,
staat eindelijk op en nu hebben ze in een ommezien de rollen
verwisseld: de bijzitter van zooeven is snel op de eieren geschoven, de
andere blijft even bij het nest zitten en vliegt dan laag langs den
grond weg naar de kreek, waar ze allen voedsel in overvloed schijnen te
vinden.

In de verte flikkert iets wits heen en weer. Snel den kijker erop
gericht. Het vereischt een handigheid, vlugheid en vastheid, die wel
herinneren aan het hanteeren van het geweer, om vlug en met zekerheid
een voorwerp in ’t veld voor den kijker te krijgen. Sommige menschen
sukkelen daar erg mee, maar met wat oefening kan men ook in dit opzicht
een „nimmer falende juistheid” verkrijgen.

Nu, dat witte bewegende plekje was weer een sterntje, een sterntje in
drift en angst. Het had zijn nest juist aan den rand van de strandwei
en nu was een dom lam al grazende dicht bij de eieren gekomen. Met boos
gekrijsch vloog het vogeltje telkens vlak langs den snoet van het
wollig monster, dat eigenlijk van den aanval niets scheen te bespeuren
en alleen even met den kop schudde, als de stern hem bijna raakte. Al
sneller en sneller herhaalde de vogel zijn charges, totdat hij ten
laatste als een slinger van een snelgaand klokje heen en weer zweefde
voor de oogen van het schaap, dat nu eindelijk al dat bewegen
onaangenaam ging vinden en na een laatste kopschudden met een schokkig
sprongetje rechtsomkeert maakte en toen bedaard in een andere richting
ging grazen. Het was al een oudachtig lam.

Het nest was gered en daar behoorde nu eigenlijk een zegezang bij, maar
zoo poëtisch zijn de sterntjes niet aangelegd. We zullen andere vogels
ontmoeten, die daar wèl toe in staat zijn. Deze stern verliet zelfs het
nest, dat zoo even in groot gevaar had verkeerd en ging naar de kreek,
maar ik vermoed, dat hij onderweg en uit de verte toch nog wel een
oogje in ’t zeil hield. Wat mij het meeste bij dit voorval
interesseerde, was de verregaande onverschilligheid der overige
sterntjes. Toen we zooeven het broedveld betraden, hadden wij de
aanvallen te verduren van de heele armee, honderden sterk. Onze komst
was een gevaar voor allen, elke vogel had reden, om beducht te wezen
voor de veiligheid van zijn nest.

Natuurlijk hadden ze ook alle dat lam gezien. Maar ik houd het ervoor,
dat ieder voor zich precies wist, wat daaraan vast zat, en dat die eene
vogel best in staat zou zijn, om zijn eieren te verdedigen, evengoed
als zij het hun eigen zouden doen, wanneer de viervoeter die te na
kwam.

Een groot vel wit vloeipapier werd door den wind gegrepen en
voortgewenteld over de vlakte. Dat was een nieuw verschijnsel, een
ongekend gevaar, dat alle nesten bedreigde. Met groot geschreeuw kwamen
de sterntjes van alle kanten opzetten, telkens neerflitsend op het
groote ding, dat nu eens sneller, dan weer langzamer voortrolde over de
vlakte en eindelijk aan den rand van den polder verdween, nog altijd
omzwermd door de witte zeezwaluwen. Het kwam daar natuurlijk in het
water terecht en verzonk. De sterntjes keerden bij troepjes terug, nog
altijd wat druk en opgewonden, net als menschen, die van een brand
terugkomen.

Zoo wordt ieder ongewoon bewegend voorwerp onmiddellijk door deze
vogels aangevallen, en dit instinct is bij hen dermate ontwikkeld, dat
zij zelfs buiten den broeitijd er naar handelen. Zeer tot hun nadeel
dikwijls, want de jager, die aangenomen heeft om tienduizend
sterntjeshuiden te leveren aan de dames-hoeden-winkeliers, weet ze op
deze manier in groot aantal onder schot te krijgen. Dit is nog in het
jaar 1906 gebeurd in het Koninkrijk der Nederlanden.

Na het vloeipapier-incident bleef het geruimen tijd kalm. De
kemphaantjes vochten en vertoonden houdingen, andere steltloopers van
allerlei soort zochten voedsel in de kreek of stonden bij troepjes te
dutten aan den oever, de sterntjes zaten op of naast hun nest en een
leeuwerik, een gewone akkerleeuwerik, zat in de kou boven op een
kluitenhoop zijn lied te zingen. Klein gedoe van piepertjes en
pleviertjes maakten korte trippeltochtjes tusschen graspollen en over
schelpplekjes. Maar iemand, die over den dijk liep, zou niet bespeurd
hebben, dat er in den grooten polder geleefd en gestreden werd.

Wat mijzelf betreft, het was zoo goed, alsof ik niet bestond; geen
enkele vogel nam notitie van het grijze hoopje in het fort en de
lammeren kwamen grazen op de wallen. Wel snoven ze achterdochtig, maar
toch toonden ze zoo weinig vrees, dat ik ten slotte bang werd, dat ze
uit pure vertrouwelijkheid boven op mij zouden springen. Hun oogen
trokken al in ’t goudgele; het waren oude lammeren. Dat zal zoo een
kwartiertje geduurd hebben. Toen kwam er weer onrust in den oostelijken
uithoek van het veld, ongeveer een halven kilometer van het fort af:
een uitbarsting van witte vogels. Door de groote afstand was er van
gekrijsch en geschreeuw niet veel te hooren, maar aan ’t dwarrelen en
zweven, rijzen en dalen van de witte vlokken viel duidelijk te zien,
dat er rumor in casa was. En de kijker gaf dadelijk uitleg:
zwartkopmeeuwen en sterns vervolgden een jonge zilvermeeuw.

Nu moet ge weten, dat in een broedkolonie van zwartkoppen nooit jonge
meeuwen worden toegelaten en dat de zilvermeeuw een haast nog erger
eierdief is dan een boerenjongen, dus hadden de kokmeeuwen een dubbele
reden, om die zilvermeeuw aan te vallen. Het ging er heet toe en hoewel
de groote roover met gemak elk afzonderlijk belager had kunnen
vernielen, moest hij toch het veld ruimen. Hij verweerde zich niet,
maar vloog langzaam en recht naar ’t Zuiden, twee honderd meter ver
uitgeleid buiten de landpalen der meeuwen en grootsterns.



Ik was nu ook zoo koud en stijf en slaperig geworden, dat ik mijn
positie in ’t fort moest opgeven, om door vlugge beweging het bloed
weer in circulatie te brengen. Eerst maakten natuurlijk de lammeren van
schrik een luchtsprong en onmiddellijk kreeg ik mijn escorte van
sterntjes. Ik verbeeld mij, maar ge moet het zelf nog maar eens nader
onderzoeken, dat de zilvergrijze zeezwaluwen vinniger en brutaler zijn
dan de gewone vischdiefjes. Er waren er, die echt in de lucht stil
hielden, biddend op de manier van torenvalken, om dan vlak langs mijn
hoofd neer te stooten. Als ze zoo stonden te bidden, waren ze nog al
gemakkelijk in ’t veld van den kijker te krijgen en dan zag ik telkens
een roode snavelpunt. De gewone vischdiefjes vergenoegden zich met
verontwaardigd rond te vliegen en sjirrt, sjirrt te roepen.

Dwergsterntjes kwamen er ook bij en die waren al even vinnig als de
zilvergrijze. Deze dwergsterntjes zijn wel de mooiste van al onze
zwemvogels. Hun lichaam is veel mooier geproportionneerd dan dat van de
andere sterns, de kop is betrekkelijk groot en de gele snavel iets
langer: een zevende deel van de lichaamslengte, terwijl hij bij de
gewone zilvergrijze slechts een tiende deel beslaat. De kop en snavel
geven het kleine vogeltje meteen een bijzonder uiterlijk en daarbij
komt nog, dat de zwarte schedelvlek zich niet uitstrekt tot den
snavelwortel, maar aan het voorhoofd een sikkelvormige witte vlek
openlaat, wat aan ’t gezicht van ’t diertje een uitdrukking van
intelligentie geeft. Daarmee is nu natuurlijk in ’t geheel niet gezegd,
dat de dwergstern een intelligent dier is. Wanneer wij zeggen, dat een
vogel er intelligent, lief, trotsch of dom uitziet, dan beteekent dat
eenvoudig, dat de lijnen en kleuren aan den kop, en de houding van den
kop of de uitdrukking van het oog, ons herinneren aan intelligente,
lieve, trotsche of domme menschen, die wij kennen, en het is zeer goed
mogelijk, dat de vogel in kwestie dan juist tegenovergestelde
kwaliteiten bezit. Jonge duiven geven den indruk van een duivelsche
wreedheid en menige roofvogel krijgt—vooral op hoogen leeftijd—een zeer
goedige uitdrukking op ’t gelaat.

Die dwergsterntjes dan zijn aardige, flinke, vinnige diertjes en ik ben
graag in hun midden, omdat, waar zij wonen, de wereld ruim en rein en
mooi is.

Nu komen nieuwe aanvallers en die konden wel eens raak stooten. Wij
betreden nu ’t terrein, waar zooeven die zilvermeeuw kwam snuffelen en
nu komen de zwartkopmeeuwen op ons af: witte vogels met zilvergrijzen
rug, kleine zwarte vlekjes aan de vleugelpunten en kop en keel gehuld
in een donker kastanjebruine capuchon. De witte staart is niet, zooals
bij de sterntjes, gevorkt, maar ongeveer gelijk recht afgesneden.

Er zijn er een stuk of twintig. Ze vormen in de lucht een dubbele
linie, een meter of vijf schuin boven ons en nu en dan schiet er een
vlak langs ons heen. Boven de meeuwen zweven witte vogels, even groot,
maar met den hals wat slanker en met langere zwarte snavels en
gevorkten staart; dat zijn de groote sterns, de vierde sternsoort, die
hier dit jaar bij uitzondering in dezen polder broedt.



Is het opzet of toeval, dat zij hier broeden in gezelschap van de
kokmeeuwen? Ze zijn later gekomen dan de meeuwen, want die hebben al
jongen en zij nog maar alleen eieren. Ze profiteeren van hun buren,
want deze zijn het, die met alle macht dit hoekje grond verdedigen
tegen indringers. Ook nu doen de zwartkopmeeuwen al het werk, terwijl
de sterns tamelijk kalm in de hoogte rondvliegen.

Dat is anders hun gewoonte niet. Waar zij in grooter aantal aanwezig
zijn, zooals op Schouwen en Rottum, gaan ook zij de indringers
behoorlijk te lijf. Maar ’t schijnt, alsof de leden van deze kolonie
zich hier vreemd voelen en niet durven op te treden met de brutaliteit
en onverschrokkenheid van, laat ik maar zeggen, werkelijk
rechthebbenden. Hun groote, duidelijk zichtbare eieren, lichtgrijs met
donkere vlekken, liggen vlak bij elkander in twee groepjes in het hooge
gras, zonder eenige poging tot vermommen of verbergen. Elders worden ze
ook wel op ’t barre zand gevonden tusschen schelpen en steengruis, en
dan vallen ze natuurlijk weer minder in ’t oog.

Er is wel eens verteld en nog al door auteurs, die op zeer goede
gronden het vertrouwen van het publiek bezitten, dat de sterns, wanneer
ze hun eieren in ’t gras leggen, daar eerst een voorraad steentjes en
schelpen deponeeren om zoodoende, waar ’t ei van zelf niet harmonieert
met de omgeving, de omgeving te doen harmonieeren met het ei.

Zoo iets is natuurlijk prachtig, om te vertellen op een nutsvoordracht
of in de dierkundeles. En de menschen, die het lezen, hetzij in het
boek zelf, hetzij in een of ander Zondagsblad, of op de laatste pagina
van een tijdschrift, zetten groote oogen op en zeggen: wel heb ik van
mijn leven, wat is de natuur toch schoon! Jammer maar, dat er geen
letter van waar is en dat er geen enkele vogel bestaat, die tot
dergelijke philosophische overwegingen en listige maatregelen in staat
geacht kan worden.

In dezen tijd, nu er over het natuurleven zooveel gepraat en geschreven
wordt, behoort ook het goedige publiek op zijn hoede te zijn, want daar
is veel marktgeschreeuw en kwakzalverij bij. Wij, nuchtere Hollanders,
houden ons nog tamelijk goed, maar Amerikanen, Engelschen en Duitschers
zijn geducht aan ’t fantaseeren geweest en ik raad u aan, hun
beweringen slechts met het noodige wantrouwen te aanvaarden. Ook moogt
ge gerust die houding aannemen tegenover mijn geschrijf, dat ten slotte
toch alleen de bedoeling heeft, om u op te wekken, zelf eens naar de
vogels te gaan zien en vindt ge dan iets, dat met mijn mededeelingen in
strijd is, dan zal niemand zich daar meer over verheugen dan ikzelf,
want dan zijn we weer een stap nader tot de waarheid.

Vergeef mij die uitweiding, maar die steentjes en schelpen zaten mij
dwars in de maag. Wij willen nu tot onze vogels terugkeeren.

Het gaat met deze groote sterns niet al te best. De wetenschap kent ze
pas sedert honderd vijfentwintig jaar, maar dit tijdperk is toch al
lang genoeg geweest, om te constateeren, dat in ’t Noordzee-gebied deze
stern in aantal afneemt.

Op onze Noordzee-eilanden broedden zij vroeger bij millioenen. Op Texel
droeg de vogel zelfs een bijzonderen naam: „kaugek”, maar een jaar of
tien geleden was die naam voor de allermeeste Texelaars een onbekend
woord en de vogel zagen zij zelden of nooit. Toch heeft dat woord
fortuin gemaakt, want in de Faune des Vertébrés de la Suisse van Fatio
komt het heel deftig voor als Zwitsersche volksnaam; hij spreekt van
Sterna Cantiaca als Hirondelle de mer Caujek en Caujek tout court wordt
opgegeven als de nom vulgaire te Genève. Het is voor ons Texelaars
natuurlijk een groote voldoening, dat onze taal doordringt tot aan de
oevers van de Rhône.

Maar met dat al waren wij onze vogels kwijt, totdat opeens in het
voorjaar van 1906 eene kleine kolonie zich kwam vestigen in den polder
Het Noorden. Een veertigtal paren namen bezit van een paar
graspolletjes in een uithoek, waar ook zwartkopmeeuwen hun groote
nesten hadden gebouwd. De mooie groote eieren lagen er dicht op elkaar,
duidelijk te zien. Ze riepen als ’t ware om den eierzoeker.

Doch gelukkig wint het denkbeeld van vogelbescherming al meer en meer
veld. Al wordt er van hooger hand nog zoo goed als niets aan gedaan,
hier in den verlaten uithoek traden een paar vogelvrienden op; een
schoolmeester en een boer sloegen bij de nesten een paar bordjes in den
grond, waarop zij schreven: „Men wordt beleefd verzocht, deze nesten
niet te verstoren en op deze plek niet te lang te vertoeven.”

Ik heb in mijn leven al voor heel wat borden met „Verboden toegang”
gestaan en min of meer respect gevoeld voor de dreigementen der wet,
maar nooit met zooveel eerbied, sympathie en ontzag als hier voor deze
eenvoudige plankjes, geplaatst door menschen, die niet eens er het
recht toe hadden en in ieder geval de macht misten, om een overtreding
te wraken.

Laat ik er bij voegen, dat geen menschenhand die nesten verstoord
heeft. Maar een boer heeft ’t grasgewas van dat stuk polder gepacht,
zijn koeien erop gejaagd en die hebben toen al de eieren van de groote
sterns vertrapt.

Ze zijn in volgende jaren daar niet weer verschenen.

Meer dan de gewone en de zilvergrijze stern is de groote stern een
echte zeevogel. Hij vischt meestal op zee. Zijn krachtige lichaamsbouw
en lange, zwarte, geelgepunte snavel maken hem op grooten afstand reeds
gemakkelijk kenbaar. Wanneer ze bij of op de nesten zitten, dan zijn ze
te herkennen niet alleen aan ’t groote aantal dicht opeen, maar vooral
aan ’t verwaaide uiterlijk van hun koppen.

De zwarte veeren van schedel en nek zijn lang en staan wat uit. Zij
vormen niet een mooi glad afgerond schedelkapje en nekkleed, zooals bij
de kleinere soorten, maar de veeren staan losuit, alsof een
eeuwigdurende storm door den koptooi suist.

Gij weet, hoe pijnboomen groeien op het door den zeewind geteisterd
duin. Zelfs bij zacht en windstil zomerweer zien ze er uit, alsof ze
gebeukt worden door Novembervlagen. Zoo is het ook met de nekveeren van
de groote stern: ze doen altijd denken aan Noord-Atlantisch stormweer.

De zwarte snavel en donkere pooten geven dezen vogel ook iets sombers
en doen hem duidelijk verschillen van de andere sterntjes met hun
vroolijk rood of oranje aan snavel en pooten. Onze Texelsche groote
sterns van 1906 waren nog al bedeesd in hun optreden; het was hun aan
te zien, dat ze zich in de nieuwe vestiging nog lang niet te huis
gevoelden en daar alleen waren bij de gratie van de zwartkopmeeuwen.

Maar op de plaatsen, waar ze oudere rechten hebben, zooals op Rottum en
op Schouwen, treden ze op met meer beslistheid en ontvangen zij de
indringers met woest geschreeuw, met dreigende aanvallen en versmaden
zij ook de werpwapens niet, die hier in ’t Noorden nog al eens met
succes door de zilvergrijze zeezwaluwen worden gehanteerd.



De nesten van de zwartkopmeeuwen op ditzelfde schiereiland waren geheel
gebouwd van dor gras, groote bouwsels, twee of drie decimeter hoog en
met een middellijn van vier tot zes decimeter. In enkele lagen nog drie
eieren, in andere evenwel een, twee, of drie jongen in bruingrijs,
zwartgevlekt jeugddons. De meeste eieren bleken aangepikt en dat
verklaarde het woest gedrag der ouden, die onophoudelijk schreeuwden en
af en toe een woeste charge deden op onze hoofden. Wel is waar was het
nimmer raak, maar ’t ziet er toch gevaarlijk genoeg uit, als zoo’n
mooie sterke vogel in volle vaart op je af komt, de spitse snavel recht
vooruit gericht en de pooten gereed om toe te slaan. Want een kokmeeuw
verstaat de kunst, om met zijn pooten tikken uit te deelen.

In vijf, zes nesten waren de jongen bezig uit te komen. Dat uitkomen is
voor de kleine kuikentjes de eerste, groote, ernstige levensbezigheid.
Het is heusch geen kleinigheid en dat moet zonder hulp gebeuren, want
de ouden stellen er wel veel belang in, maar denken er niet aan, om een
handje te helpen en de dikke eierschaal stuk te pikken. Soms ook gaan
ze heel koelbloedig er van door, zonder zich om ’t worstelend jong te
bekommeren en zoo heb ik het wel eens gezien, dat in een heel groote
duinvallei een jong heel alleen bezig was, om zich uit zijn kalkkerker
te bevrijden.

Wij zullen wel nooit precies weten, hoe dat jong er toe komt, om de
schaal aan te pikken. Het is zijn eerste instinctmatige beweging.
Naarmate het kuikentje zich ontwikkelt, vult het den heelen dop, het
ligt ineengevouwen en saamgebogen op de wonderlijkste manier, maar toch
zoo, dat de kop met den snavel net terechtkomen in de luchtruimte, die
zich binnen in elk ei bevindt.

Op den top van den bovensnavel ontwikkelt zich een hard tandvormig
uitsteeksel, dat juist de schaal raakt en wanneer nu het jong volwassen
is en zich even beweegt, dan boort die eitand juist door de eierschaal
heen: het ei is aangepikt. Onmiddellijk trekt het vogeltje den kop weer
in, strekt daarna den hals en nu treft de eitand weer de schaal, maar
nu een kleinigheidje van een millimeter hooger op, zoodat het gaatje
iets, al is het nauw merkbaar, grooter wordt.

En nu blijft die instinctmatige beweging voortduren met de
regelmatigheid van een machine, in een langzaam tempo met kleine
schokbewegingen. Het ivoren bijltje gaat onophoudelijk heen en weer,
het vogeltje begeleidt zijn werk met opgewonden gepiep, de oude
schreeuwen hoog in de lucht, de scheur in de schaal wordt al wijder en
wijder, een stukje brokkelt af, de schaal splijt en het jonge wezentje
is op de wereld, nat en slordig en doodelijk vermoeid. Hijgend blijft
het liggen tusschen de brokken eierdop.

Het is niet goed, nu bij het nest te blijven, want meer dan ooit heeft
thans het jong de zorg der ouden noodig. In dit opzicht verschillen de
meeuwen en sterntjes weinig van de zangvogels, die nog hulpeloozer
zijn, wanneer zij ter wereld komen, terwijl, zooals wij weten, bij
sommige hoenderachtige vogels en steltloopers het jong al dadelijk
vrijwel zelfstandig is.

Maar dit meeuwenjong moet door zijn ouders verwarmd en gedroogd worden.
Het is of de oude vogel in den eersten tijd voor het jong nog meer zorg
heeft, dan voor de eieren en nog dagen, weken later wordt het van tijd
tot tijd onder de beschermende vleugels genomen. Zelfs wanneer het
jonge dier reeds plompverloren van ’t nest is afgestapt en
rondscharrelt over de vlakte, weet de bezorgde moeder het nog te
vinden.

Niets is aardiger, dan zoo’n groote vlakte vol jonge sterntjes en
meeuwen. Ze houden er niet van, om in ’t nest te blijven, dat doen ze
hoogstens een dag of zes. Al heel spoedig gaan ze rondwandelen op hun
loodkleurige of geelachtige zwempootjes, maar er is nog geen sprake
van, dat zij in hun eigen onderhoud kunnen voorzien.

Den heelen dag vliegen dan ook over de vlakte volwassen sterntjes en
meeuwen af en aan met voedsel—meest kleine vischjes—en zoodra ze nu
maar een jong zien, dan leggen ze dat vischje bij hem neer of laten het
naast hem neervallen. Ik geloof niet—maar gij behoeft mij niet te
gelooven—dat de ouden dan wel weten, of ze hun eigen jong verzorgen.

En wanneer het guur of regenachtig weer is, dan ziet ge hier en daar
een stern uit de lucht neervallen om een jong eventjes te verwarmen,
soms een kwartier lang, soms maar eenige oogenblikken en
onweerstaanbaar dringt zich daarbij de gedachte op, dat die vogel zoo
niet handelt uit medelijden met het jonge dier, maar om het genoegen
van het bebroeden zelf, of zoo ge dat liever wilt, om te voldoen aan
zijn bebroedingsinstinct.

Eens, dat was aan den Hoek van Holland, heb ik een gewoon sterntje zien
zitten op een dood jong.

Het schijnt, dat de oude meeuwen en sterns liever zien, dat de jongen
wat langer in of op het nest blijven. Ze probeeren ten minste de
jongelui weer terug te brengen in de woning, maar geven dat na een
gevecht van een halven dag in vredesnaam maar op.

De jonge meeuwen zijn nog het minst onhandelbaar en dat is maar goed
ook, want die komen vaak ter wereld op plaatsen en onder
omstandigheden, waar afdwalingen van den goeden weg hun niet anders dan
zeer noodlottig zouden kunnen worden.

Er is namelijk geen een vogel, die op zoo velerlei manieren zijn nest
bouwt, als de zwartkopmeeuw. Hier in den polder heeft hij vrij groote
kussens van dor gras gebouwd op de groene graspollen in de slijkvlakte.
Een andere, talrijker kolonie echter aan het Kil, een rietplas midden
in Texel, had nesten van een halven meter hoog, opgestapeld en
opgebouwd uit dorre rietstengels. Vlak daarbij had een excentrieke
zwartkop zijn legsel gedeponeerd zonder eenige poging om een nest te
maken, midden in het vochtige grasveld en de kroon op ’t werk gezet,
door in plaats van drie eieren, er vier te leggen, zoodat zijn
huishouding volkomen den indruk maakte van die van de kievit. In het
Naardermeer vonden we een heel hoog nest, mooi opgeworpen tegen een
reusachtigen waterscheerling op een slijk-eilandje, een ander formeel
in een lagen elzenstronk en weer een paar andere klein, nietig en broos
op drijvende massa’s van lischdodden en rietstengels, precies zooals de
zwarte stern zijn nest maakt.

Een veelzijdigheid, om de samenstellers van handboeken wanhopig te
maken!

Trouwens in zijne geheele doen legt de zwartkopmeeuw een groote
plooibaarheid aan den dag, en juist daardoor is hij een allerdankbaarst
studie-object.

Dat hij zich voornamelijk met insecten voedt, meer een landvogel dan
een watervogel en dan weer eerder zoetwaterdier dan zeedier is, wordt
tegenwoordig al met zooveel nadruk in boeken en artikelen verteld, dat
het alweer geen kwaad kan, om heel eventjes tegen overdrijving te
waarschuwen. Ik heb hem tenminste nog al eens dikwijls op zee visschend
aangetroffen: op Texel en Terschelling als getijvisscher, langs de
Zuiderzee als stormvisscher.

Wandel maar eens met een stevigen Noordwestenwind langs den
Zuiderzeedijk van Amsterdam naar Muiderberg, dan zult ge op verscheiden
plaatsen heele kolommen van zwartkopmeeuwen aantreffen, staande met den
kop in den wind en loerend op de kleine vischjes, die door het woelige
water tegen den dijk worden gedreven. Dit is eigenlijk sterntjeswerk,
maar soms zijn er in die troepen meer meeuwen dan sterntjes.

Ook zal ik nooit vergeten, hoe ik op het IJ een zwartkopmeeuw een
paling zag vangen. Hij slikte hem al vliegende in, dat leek geen
gemakkelijk werkje.

Op de getijstroomen en riviermonden, is hij dikwijls bezig aan den rand
van draaikolken en ook langs het strand kunt ge, althans in den
nazomer, de zwartkopmeeuwen dikwijls genoeg visschend en rondzwemmend
aantreffen op en tusschen de zandbanken.

Maar het kan niet ontkend worden, dat in hoofdzaak deze meeuw thuis
hoort op het land en dat er wellicht duizenden en duizenden nimmer de
zee te zien krijgen, n.l. die nestelen aan de groote meren in
Midden-Europa.

Op het weiland en de akkers zijn de zwartkopmeeuwen volkomen de
gelijken van roeken en kraaien. Ze stappen niet alleen achter den ploeg
aan, maar bewerken den grond ook zonder de hulp van het kouter. In den
regel gaan ze daarbij gezellig te werk, maar ik heb het ook wel eens
gezien, dat een enkele eenzame meeuw een boonenveldje voor zijn
rekening nam en daar dag aan dag tegen den avond een paar uur kwam
werken. Wij hadden er plezier in, zoo geregeld als dat dier in zijn
tuin verscheen. Hij duldde er volstrekt geen hulp van anderen en had
groote altercaties met een jonge kievit, die ook een onverklaarbare
voorkeur voor dat terreintje vertoonde.

In de weiden werken ze even hard als de spreeuwen, al loopen ze niet
zoo bedrijvig met zooveel vertoon van organisatie en harden arbeid. Ge
kent dat wel. Die spreeuwen werken een hoekje weiland af, en slieren
dan opeens met heesch geschreeuw naar een andere plek, waar ze tien
minuten rondpikken, om dan weer met hun stijve exerceerbewegingen naar
een nieuwe plek te trekken.

Maar de meeuwtjes vervullen het heele weiland met hun liefelijke
tegenwoordigheid. Hier trippelt er een, ginds nog een paar en overal in
’t groene gras komen de rein witte lijfjes te voorschijn. Soms vliegt
er eentje met langzame vleugelslag laag over de bloemen een paar meter
verder en als ze allen behoorlijk hun taak hebben verricht (hun honger
gestild) dan komen ze schijnbaar onopzettelijk en heel langzamerhand
bijeen op een plek midden in ’t land, waar ze nu uren lang blijven
zitten, of liever staan op één poot. Ze dutten niet bepaald, neen, soms
loopt er één vrij snel door de menigte, een paar anderen strijken
elkaar de veertjes glad of heffen even hun witte vleugels omhoog, een
ander geeuwt even of krabt zich achter ’t oor en als de rust lang
genoeg geduurd heeft, dan vliegen ze kalmpjes op. Eerst laag over de
bloemen, dan hooger en hooger, langs spiraallijnen door elkaar kringend
tot ze hoog genoeg zijn, om hun slaapplaats te zien: een van de wijde
plassen, waaraan in Holland nog geen gebrek is.

Een ander tafereel. De wijkende zomer heeft voor het laatst van
Augustus een paar van zijn mooiste dagen bewaard. Heet brandt de zon op
de jonge roode blaadjes van het Sint Janslot der eiken, op gelende oude
bladeren van de abeelen. Het is in den ruitijd, de vogels zijn stil,
maar het leger der insecten ontwikkelt zijn grootste activiteit. Wespen
gonzen bij dozijnen het nest in en uit; de roode bloempjes van het
radijsboompje en de witte trossen van de late liguster zijn één gezoem
van bijen en hommels.

Hoog in de lucht zweven opeens een twintigtal meeuwen. Die worden
anders zelden gezien, midden in deze boschstreek. Ze vliegen hoog, nu
eens in een rij achter elkander—als een eskader van witte
oorlogsschepen—dan weer opeens in een ongeregelden troep, vol grillige
verandering. Telkens daalt of rijst of keert er een met plotselingen
schok, maar de heele bende blijft toch een geheel vormen en het
resultaat van al hun beweeg is, dat zij langzaam, uiterst langzaam, in
Noordwestelijke richting wegdrijven.

De verrekijker brengt nadere opheldering. Het is duidelijk, dat de
meeuwen daar op jacht zijn; ze vervolgen een kleine vliegende prooi.
Telkens happen de snelle snavels, de vleugels kleppen vlug of zijn
strak uitgespreid, al naar de flauwe wind helpt, of zijn steun ontzegt.
En ’t mooist van alles zijn de onvergelijkelijk gladde rem- en
stuurbewegingen van den witten waaierstaart of van de roode pooten.

Dat is een lust, om hoog in de lucht in ’t heldere zonlicht die meeuwen
te zien sturen met hun pootjes. In ’t wit en blauw van vogel en lucht
gloort opeens het helder rood van de zwemvliezen van één poot, rechter
of linker, die uit zijn achterwaarts gestrekten stand omlaag wordt
gestoken, om met een roeiriembeweging het blanke scheepje zijn draai te
doen volvoeren. Ik kan den kijker niet van de dieren afwenden en wacht
met steeds grooter wordend genoegen op elke nieuwe roode opflikkering.

En wat jagen ze nu? Er is een ijl, grauw wolkje, dat naar beneden toe
smaller en duidelijker wordt, trechtervormig toeloopt en met veel
lichtjes eindelijk terechtkomt in mijn eigen tuin, in ’t grasveld. Daar
woelt en warrelt het in de grassprietjes, honderden en honderden
gevleugelde mieren, dikke wijfjes en slanke mannetjes, komen uit den
grond gekropen, klauteren tegen de grassprietjes op, lanceeren zich met
zacht geruisch van hun lange zijdeachtige wieken in de lucht en stijgen
omhoog, om bruiloft te vieren, of om een prooi te worden van de vogels.
De meeuwen zijn op de mierenjacht!

Het droomerige zomerweer, de stille bewegingen van de miertjes, de
hoogblauwe hemel en de gemakkelijke langzaamheid van de meeuwentroep
geven aan dit moordtooneel heel geen schrikwekkend aanzien.

Maar anders was het op een Julimorgen bij Muiderberg. Daar maakten in
de luwte van den zeedijk veel groote libellen jacht op vliegen en
vlinders. Als blinkende kleurige schichten schoten ze bij twintigtallen
door de lucht, met zonneglans op de strakke gaasvleugels en op de
gemoireerde groote oogen. Stil kwamen zes zwartkopmeeuwen uit zee,
flusjes over den zeedijk heen en die schoten nu met nog woester vaart
door de wilde libellenvlucht heen, zoodat ze naar alle kanten
verschrikt uiteenstoven.

Maar iedere meeuw had zijn prooi beet. Wie ooit libellen gejaagd heeft,
kan beseffen, tot welk een hooge trap van volmaaktheid die meeuwen het
als insectenvangers gebracht hebben.

In beide gevallen, mierenjacht en libellen-aanval, waren het
zwartkopmeeuwen met zwarte koppen en zwarten staartzoom, jonge,
eenjarige vogels, die volgens den adat der kokmeeuwen nog geen gezin
mogen stichten en dus den heelen zomer niets te doen hebben, dan in de
wereld rond te zien. Ze zijn dan in hun leer- en zwerfjaar.



Ook de sterntjes zijn goede insectenvangers, daar heb ik veel aardige
dingen van gezien.

Op een kouden Meiavond kort voor zonsondergang heb ik ze bezig gezien
in een hooiland achter een elzebosch. Een zestal gewone vischdiefjes
vlogen loerend rond, een meter of tien boven den grond, langzaam tegen
den wind in. Soms stonden ze stil, met roerloos uitgespreide vleugels,
maar meestal hielden ze zich op één plek door middel van snelle
vleugelslagen, die mooie vliegbeweging, die men „bidden” noemt.

De fijne roode snavel wees loodrecht naar beneden, de bruine oogjes
tuurden en tuurden en opeens schoot het witte dier neer in ’t gras,
onmiddellijk weer opstijgend met een vrij groot insect in den bek: een
grijzen sprinkhaan; daar wemelde het van in dat veldje.

In twee, drie happen was het dier verslonden en onmiddellijk begon de
jacht opnieuw. In een half uur schoten ze drie-en-veertig maal neer
en—zooals het beroemde signaalvers van de tirailleurs-afdeeling
zegt—altijd was het raak. Nu weet ge, hoe nadeelig sprinkhanen zijn
voor het grasgewas en ik kan dus de gevolgtrekking ten gunste van de
sterntjes gerust aan u overlaten.

Ze kunnen niet goed genoeg loopen, om op de manier van roeken en
meeuwen te werken voor landbouw en houtteelt, maar toch worden ze vaak
gezien bij ’t ploegen, niet stappend over de kluiten, doch zwevend in
de lucht. En dan kunnen ze met verbazingwekkende juistheid neerschieten
langs de versche voor, om de opgewoelde larven en wormen te
bemachtigen. Ook heb ik een stern gezien, die zat op een hek in het
land en schoot dan van tijd tot tijd neer om insecten te vangen, juist
zooals een klauwier of een grauwe vliegenvanger zou doen. Dat ze uit de
rusthouding ook visch vangen, kunt ge overal waarnemen, waar palen
staan in vischrijk water.

In alle gevallen, dat ik sterntjes heb aangetroffen bij de
insectenvangst, werd de prooi dadelijk verslonden en op de
broedplaatsen heb ik niet kunnen constateeren, dat de jongen met
insecten gevoed werden. Het nieuwerwetsche menu is dus waarschijnlijk
alleen voor eigen gebruik.

De rol van insectenvanger schijnt voor de sterntjes betrekkelijk nieuw
te zijn, althans in de meeste vogelboeken vindt men er geen gewag van
gemaakt. Het is nogal van belang, dat een dier zijn gewoonten
verandert; daar hangen weer allerlei kwesties van verstand, instinct en
erfelijkheid mee samen. De sterntjes en meeuwen vertoonen groote
veranderlijkheid in hun broedgewoonten en voeding en vormen daardoor
een voor de wetenschap hoogst belangrijke vogelgroep.



De mierenvangende zwartkopmeeuwen waren alle éénjarige vrijgezellen,
zieltjes zonder zorg, die overal rondzwerven en in dat eene jaar
misschien meer van de wereld zien dan gedurende de rest van hun lange
meeuwenleven.

Hoe oud wordt een meeuw? Ik zou het niet met zekerheid kunnen zeggen,
maar schat het tusschen de vijftien en twintig jaar. Alleen gedurende
de eerste twee levensjaren kan met eenige nauwkeurigheid hun leeftijd
worden vastgesteld, al wat er verder volgt behoort tot de „onzekere”
jaren.

In de eerste dagen is het jong gehuld in zijn nestkleed, dat geheel uit
donsveertjes bestaat. Het is dan een zacht ruig balletje, bruin geel
met donkere vlekken, de onderzijde lichter van kleur. Al dat jonge goed
lijkt wel veel op elkander; de meeuwtjes en sterntjes zijn van de
overige jeugdige polderbewoners te onderscheiden aan hun tamelijk korte
pooten, voorzien van zwemvliezen. De donsmeeuw is wat donkerder dan de
donsstern, vooral aan voorhoofd en keel.

De eitand blijft zelden langer aanwezig dan tot den derden dag, op onze
foto van jonge kokmeeuwen is hij nog aanwezig bij het linker vogeltje.
Op de foto’s van ’t dwergsterntje en de groote stern is er niets meer
van te zien.

Nu worden de donsveertjes van rug en schouders gaandeweg vervangen door
echte dekveeren (zie de foto van dwergstern-jongen) tegelijk beginnen
de slag- en stuurpennen te groeien en ongeveer vier weken na het
uitkomen van ’t ei kan de jonge meeuw vliegen. Gedurende al dien tijd
is hij door zijn ouders beschermd en gevoed.

Hij draagt nu zijn eerste jeugdkleed. Van ’t zuigelingenpak heeft hij
nog eenige donsveertjes over gehouden, die pluizig boven den schedel
uitsteken. De schedel zelf heeft geelachtig witte dekveeren, een zwarte
vlek voor ’t oog, een zwarte vlek in de oorstreek en een donkere streep
dwars over den kop heen. De veertjes van den bovenrug, de
vleugeldekveeren en de schouderveeren zijn bruin met roestgele randen;
keel en zijden zijn vuil wit. Het prachtige meeuwenblauw en ’t reine
wit, dat den volwassen vogel zal kenmerken, wordt in dit tijdperk
alleen aangetroffen aan ’t onderste deel van den rug en aan ’t
achterdeel van de buikzijde. De staart is wit met een zwarten zoom,
maar buiten aan den zwarten zoom is weer een smal wit randje. De snavel
is vleeschkleurig en de pooten roodachtig grijs.

Na een dag of veertien komt in dit kleed weer verandering doordat de
donsveertjes aan den kop geheel verdwijnen en de bruin gevlekte veeren
van bovenrug en schouders vervangen worden door meeuwenblauw. Maar de
vleugeldekveeren blijven bruingevlekt. De onderzijde wordt zoo goed als
wit en de snavel en pooten trekken beslist in ’t roodachtige.

Zoo blijven ze den heelen winter. De oudere meeuwen krijgen soms reeds
in Januari zwarte of liever bruine koppen en met Maart zijn die allen
gereed om naar de broedplaatsen te trekken. Die kleurverandering van
den kokmeeuwkop werd langen tijd beschouwd een der meest raadselachtige
voorvallen uit het vogelleven. Thans echter weten wij, dat het niets
anders is dan een zeer langzame rui. Een voor een vallen de witte
veertjes uit, om vervangen te worden door donkerbruine.

Bij de jonge meeuwen geschiedt deze kleurverandering pas in Juni of
zelfs in Juli. De staart heeft nog den zwarten zoom en daaraan zijn ze
dan in dit kleed te herkennen.

Ze mogen zich echter niet lang verheugen in hun chocola-bruinen
hoofdtooi, want reeds in Augustus, een maand, voordat de ouden
verkleuren, vallen de bruine veertjes uit, om vervangen te worden door
witte. Ook de met zwart omzoomde staartveeren worden door geheel witte
vervangen en zoo heeft dan onze jonge vriend zijn eerste volkomen
winterkleed gekregen. Alleen de donkere streep, die over den schedel
heen de beide zwarte oorvlekken met elkander verbindt, kenmerkt hem nog
als een melkmuil.

Ik houd er van, om in ’t laatst van Augustus of begin van September op
een drukke meeuwenplek te staan aan de De Ruyterkade te Amsterdam en
ben er dan tamelijk zeker van, kokmeeuwtjes te zien in allerlei
kleedage. Ik zal even opsommen, zooals ik ze zag op 3 September 1906.

1o. Enkele jonge vogels, afkomstig van late broedsels, nog in het
eerste jeugdkleed. (Onzuiver gekleurde kop en keel, snavel met zwarte
punt, bruingevlekte rug en schouderveeren), waarschijnlijk geboren Juli
1906.

2o. Zeer veel jonge vogels in ’t tweede jeugdkleed (kop en keel wit,
snavel met zwarte punt, rug en schouders blauwgrijs, vleugeldekveeren
bruingevlekt, staart met zwarten zoom); geboren Juni 1906.

3o. Een enkele jonge vogel nog in ’t eerste zomerkleed (chocola-bruine
kop, zwarten staartzoom) geboren 1905.

4o. Eenige oude vogels, nog in ’t volkomen zomerkleed (kop bruin,
staart geheel wit) geboren 1904 of eerder.

5o. Jonge vogels, reeds in ’t eerste volwassen winterkleed (kop wit met
donkeren achterhoofdsband, staart geheel wit) geboren 1904.

6o. Een enkele oude vogel in volkomen winterkleed, (als 5 maar de kop
geheel zuiver wit, behalve natuurlijk de zwarte oorvlek).



Het is mij meer dan eens gelukt, om al deze vormen in den loop van een
enkele wandeling te ontmoeten. Het is in ’t najaar gemakkelijk genoeg,
om de vogels van dichtbij te zien, want zoo driest en haatdragend ze in
den broedtijd waren, zoo onverschillig zijn ze nu. Dezelfde vogels, die
in het voorjaar door de aanwezigheid van den mensch geprikkeld werden
tot de heftigste gemoedsuitingen, bewegen zich in het najaar en in den
winter kalm te midden van het gedruisch eener wereldstad en komen zelfs
onbevreesd voedsel aannemen uit de handen van hun aartsvijand.

De gewoonte van de kokmeeuwen, om te overwinteren in of nabij de groòte
steden, is nog van jongen datum. Amsterdam bezoeken ze sinds
betrekkelijk vrij langen tijd, want Schlegel maakt er reeds melding van
in 1862. In Hamburg vertoonden zij zich eerst in 1891 in groot aantal,
in Luzern en Genève daarentegen overwinteren zij sinds eeuwen.

De sterntjes trekken nog altijd in het najaar naar ’t zuiden, maar ’t
schijnt, alsof zij den datum van hun vertrek al meer en meer
verschuiven en alsof sommige stoute geesten onder hen ’t willen
probeeren, den winter hier door te brengen. Ik heb tenminste sterntjes
gezien tot in November.

De trek der sterntjes begint al in Juli. Dan verlaten de jonge vogels
hun broedterrein en ze vereenigen zich aan het strand tot groote
vluchten. Dan zitten sommige vogels nog te broeden, vooral in
noordelijker en oostelijker streken. Op Terschelling vonden wij op 18
Augustus nog een sterntjesnest met 3 eieren.

Nu is het een regel, dat vreemde jonge vogels door hun broedende
soortgenooten niet geduld worden. Vooral de meeuwen zijn daar zeer
streng in. De jonge rondzwervende vogels worden dus als ’t ware vanzelf
genoodzaakt, om naar ’t zuiden en westen te trekken en zoo zien we dan
ook gedurende de maanden Juli en Augustus groote troepen jonge
sterntjes langs onze kust langzaam afzakken naar het Zuiden. Dat gaat
zoo langzaam en geleidelijk, dat een liefhebber zich bij hen zou kunnen
aansluiten.

Soms houden ze zich dagen lang op een plaats op en dan komen er steeds
nieuwe bij, zoodat het leger aangroeit tot duizenden. In Augustus 1902
bezocht ik drie dagen achtereen de zuidelijkste uithoek van Texel, de
groote vlakte aan De Hors bij Onrust. Het was daar een echt
hoofdkwartier van sterntjes, die als een witte wolk in de lucht
zweefden of als een wit laken het strand bedekten, rij aan rij, alle
met den kop naar de zee.

Deze armee bestond uit verschillende afdeelingen, alle soorten waren
vertegenwoordigd; groote, zilvergrijze, gewone, kleine en zelfs een
weinig talrijke afdeeling van zwarte sterntjes. Tijdens de rusturen
zaten ze soort bij soort. Den derden dag waren ze alle verdwenen,
ongetwijfeld hadden ze den overtocht over het Marsdiep—een
peulschilletje voor de stern—gewaagd en koersten ze nu langs de
badplaatsen verder naar Frankrijk en Spanje en de keerkringsgewesten.

De trek der zwartkopmeeuwen is minder eenvoudig, maar juist daardoor de
moeite van het bestudeeren overwaard. Het schijnbaar onoplosbaar
probleem van den vogeltrek houdt reeds sedert eeuwen de menschheid
bezig en vooral in den laatsten tijd zijn tal van theorieën opgesteld,
die echter geen van alle een bevredigende algemeene oplossing geven.

Wij zijn eigenlijk ook nog veel te onwetend, om eenig oordeel te kunnen
vormen omtrent den aard en oorsprong van een zoo complex verschijnsel
als het migratie-instinct. Wij weten nog bij lange na niet, wat de
vogels uitvoeren bij dag en bij nacht, in hun zomer- en
winterverblijven, op de aarde, in het water en in de lucht, en hoe
daarbij hun gedrag bepaald wordt door de innerlijke aandrift of door
wat er buiten hen geschiedt.

Gätke heeft vijftig jaar lang dag en nacht gewerkt op het zoo gunstig
gelegen Helgoland en moest ten laatste erkennen, dat hij er geen raad
mee weet. In ’t Britsche rijk en ook in Duitschland zijn op uitgebreide
schaal stelselmatige waarnemingen gedaan vooral op vuurtorens en
lichtschepen, maar ook deze hebben niets anders uitgewerkt, dan de
reeds bestaande theorieën en aangenomen regelen te ondermijnen en omver
te werpen.

En gaat ge nu al die uitgebreide rapporten nasnuffelen, dan blijken die
in al hun veelheid nog maar zeer magere gegevens op te leveren, zoodat
we gerust mogen zeggen, dat we nog maar heel in ’t begin zijn met de
kennis van aard en wezen van den vogeltrek. Je moest eigenlijk duizend
Gätke’s op verschillende punten van onze aarde ieder een halve eeuw aan
’t werk kunnen zetten.

Maar een millioen gewone beschaafde menschen kunnen ook wat uitrichten
en zoo groot wordt over de geheele wereld langzamerhand de
belangstelling in het leven der vogels, dat het niet lang zal duren, of
wij kunnen in alle deelen van de wereld op goede waarnemers rekenen. En
eindelijk zal er wel een geniaal man komen, die ten slotte den heelen
berg van boeken en tijdschriften zal reduceeren tot het kleine boekje,
dat de lang verbeide wijsheid bevatten zal.

Zeer belangrijke gegevens zijn in de laatste jaren verkregen door het
„ringen” van vogels. Men brengt aan een poot van een vogel, (meestal
neemt men daarvoor bijna vlugge jongen op de broedplaats) een gemerkte
aluminium-ring aan. Wordt dan de vogel later gevangen of gevonden, dan
weet men tenminste de plek, waar eens zijn wiegje stond. Wie aan dit
onderzoek wil meewerken, kan ringen aanvragen bij Dr. E. D. van Oort,
Rijksmuseum Leiden.

Ons land—ik heb het al meer gezegd—is even gunstig gelegen als
Helgoland en veel rijker aan broedvogels, zoodat hier behalve het
grootsche verschijnsel van de voorjaars- en najaarstrek ook
waarnemingen kunnen worden gedaan omtrent het gedrag van oude en jonge
vogels in en kort na den broedtijd in de nabijheid van de
broedplaatsen. Ik voor mij geloof, dat deze laatste van het
allergrootste gewicht zijn, en daar is tot nu toe weinig aan gedaan.
Het stille water der ornithologie (de maanden Juli en Augustus) heeft
diepe gronden.

Nu maakt de zwartkopmeeuw in ons land half den indruk van een
standvogel, half die van een trekvogel en het is daarom ’t
voorzichtigst, hem als zwerfvogel op te vatten.

De eenjarige zwartkopmeeuwen, die nog niet broeden, zijn natuurlijk
vanzelf zwerfvogels. Let in den zomer op zwartkoppen met zwarten
staartzoom. Ge ziet ze niet veel. Op de broedplaatsen worden ze niet
geduld en nu zwerven ze rond over de heele wereld, zoodat ze nergens
algemeen kunnen zijn.

Wanneer nu de jonge meeuwen van dit jaar vliegen kunnen en, na door de
ouden verlaten te zijn, gaan rondzwerven in de buurt van hun
geboorteplaats, dan kan het niet uitblijven, of zij ontmoeten zeer
spoedig een klein troepje van die voorjarige jongelui en daar kunnen ze
zich dan gemakkelijk bij aansluiten. Die kennen de wereld en weten den
weg door heel Europa. Een heelen winter hebben zij rondgezworven in
gezelschap van oudere, zelfs zeer oude soortgenooten en gedurende den
broedtijd hebben ze van de opgedane ervaring terdege geprofiteerd. En
als de zomer op zijn eind loopt, dan zijn zij volkomen berekend voor
hun taak van leiders der jeugd.

We moeten het met de leiding niet al te letterlijk opnemen. Meen niet,
dat zoo’n Ulysses op een troep jonge meeuwen afgaat en zich opwerpt tot
hun cicerone. Integendeel, de jonge vogels zoeken hen op, of liever
voegen zich bij hen. Ze zien soortgenooten op jacht of rustend en
sluiten zich dan doodeenvoudig bij hen aan.

In Juli of Augustus beginnen dergelijke gezelschappen zich te vertoonen
in Amsterdam en andere steden, die met grachten gezegend zijn. Altijd
bestaan die gezelschappen uit piepjonge vogels met een klein aantal
eenjarige vrijwilligers. Heel oude vogels worden in dien tijd in de
steden weinig gezien; op het land des te meer. Die worden in October
gaandeweg talrijker op de grachten, zoodat ze hier en daar zelfs de
meerderheid gaan vormen.

In ’t algemeen blijven de oude vogels ook gedurende den winter zich
afzonderen van de jongen. De scheiding is niet zoo streng als in den
broedtijd, maar sommige vakken van de Heerengracht en Keizersgracht
bevatten bijna niet anders dan oude vogels, terwijl op andere plaatsen
de bruingevlekte jongen in de meerderheid zijn.

Nu krijgen we den heelen winter in verband met wind en weer, een heen
en weertrekken van de meeuwen naar de stad en naar het land. Als ’t
vriest, komt alles naar de stad, maar bij dooiweer werken de meeuwen op
de weiden en akkers. Ze zijn nu bijna altijd in gezelschap met de bonte
kraaien, die met een zekere bonhomie de mooie blanke vogels naast zich
dulden op mestvaalten en vuilnisbelten.

De stad is hun als winterverblijf al zoo dierbaar geworden, dat zij
zelfs bij zeer strenge en langdurige vorst er niet aan denken, om
elders een goed heenkomen te zoeken. Uitgehongerd en afgemat vliegen ze
over de dichtgevroren grachten, vechtend om een stukje afval, maar
blijkbaar vol vertrouwen op den korten duur van onzen Hollandschen
winter.

Soms vliegen ze dan hoog in de lucht, veel hooger dan den Westertoren
alsof ze uitzien naar open water. Ze zien dan de bevroren Zuiderzee,
waar niets te halen is en de groene Noordzee, waar ze niet gewoon zijn
te werken. In een paar minuten kunnen ze naar het strand vliegen en
binnen het uur kunnen ze de Wadden-eilanden of de groote riviermonden
bereiken, waar altijd wat te halen is. Toch blijven ze rondzweven boven
de hongerstad; slechts enkelen zoeken gunstiger streken op.

Eigenlijk kan dit alleen met zekerheid worden uitgemaakt door telling;
we moeten gedurende den winter een meeuwencensus hebben in de steden en
op sommigen plaatsen aan het strand en de zeegaten. Dit is lang niet
ondoenlijk. Professor Forel heeft ’t uitgevoerd voor het meer van
Genève, waarom zouden wij het niet kunnen voor de hoofdgrachten van
Amsterdam of voor het Wierhoofd te Nieuwediep?

Forel maakte eenige malen in ’t jaar een rondreis om ’t heele meer en
telde dan de „mouettes rieuses”. Hij vond er in April 645, in Mei 250,
in Juní 150, in Juli 1580 en in September 2935. Gedurende den winter
kon hij geen tellingen verrichten, omdat dan de booten niet varen. Ook
verzuimde hij te letten op den leeftijd en daardoor zijn die gegevens
niet van zooveel belang, als zij hadden kunnen zijn.

Toch blijkt uìt die getallen reeds, dat in April de laatste broedvogels
vertrokken. Die 250 Mei- en de 150 Junigasten zijn waarschijnlijk
eenjarige rondzwervers. In Juli komt de voorhoede van de wintergasten
en nu had ik graag willen weten, of dat oude of jonge vogels waren. Een
van Gätke’s grondstellingen is, dat de jongen het eerst trekken, alleen
met uitzondering van de koekoek, en dat ze niet geleid worden door oude
vogels. Dat zou men nu voor de meeuwen op de Zwitsersche meren mooi
kunnen nagaan.

In Amsterdam komen altijd de jongen het eerst aan, zoowel bij het begin
van den herfst, als telkens gedurende den winter bij het invallen van
de vorst. Zij zijn kleinzeeriger dan de ouden.







DE SCHOLEKSTER.


Dit is de meest in ’t oog vallende vogel van Holland. De ijsvogel met
zijn schittering van blauw en groen, de Vlaamsche gaai met zijn bonte
wieken, de wielewaal in ’t rood en geel, ze maken geen van alle zoo’n
diepen indruk als deze schreeuw-genius van stranden en moerassen. Het
felle rood van den langen snavel, de als met bloed beloopen oogen, de
dikke, roode pooten en het hagelwit met deftig zwart van gevederte
geven een gewaarwording van schreeuwende bontheid.

Met verbazing constateert men, dat dit krachtig effect wordt bereikt
met drie kleuren en twee tinten. Maar men mag niet vergeten, dat deze
drie kleuren juist zoo zijn, dat ze steeds een contrast vormen met het
groen van het weiland en het blauw van den hemel.

Een voorbeeld van de eindelooze veelzijdigheid der natuur. Waar zij het
bijna onmogelijke bereikt heeft op het gebied van beschermingskleuren,
wanneer de nachtzwaluw bedriegelijk lijkt op stukjes dor hout en
schors, wanneer de griel en de wulp sprietje voor sprietje en vlekje
voor vlekje den valen duingrond of heibodem nabootsen, om niet gezien
te worden, daar schept zij dezen vogel, die door schreeuwende kleuren
en felle contrasten zich opdringt aan den minst oplettenden beschouwer.
Hij wil gezien worden. Indien uw oog nog niet voldoende geprikkeld
wordt door het git, het sneeuw en het koraal, dan zal hij uw oor
treffen met zijn luiden alarmkreet, die, als ge hem van dichtbij hebt
gehoord, blijft natuiten in uw droom. Maar ’t is geen droom, als ge in
den zomernacht zijn kreet verneemt. Dan zwerft de rustelooze op zijn
trillende zwart-met-witte wieken over duin en wei, dartelend met de
even wakkere kieviten, wegscheerend over het logge vee. En als de
kievitseieren-zoeker bij het grauwen van den dag het bedauwde veld
betreedt, dan stormt met luid gejuich de Pruisisch gekleurde wachtvogel
hem te gemoet.

Van alle vogelcharges, die ik heb mogen verduren, is die van de
scholekster wel de meest bewonderenswaardige. Sterntjes, meeuwen,
kieviten, kluiten, ze hebben alle hun bijzondere manieren van aan te
vallen, maar altijd min of meer zijdelings, indirect of aarzelend.

De scholekster evenwel bedenkt zich nooit. Regelrecht, als een pijl uit
den boog, komt hij reeds van verre, o, wel honderd meter ver, op u af,
laag bij den grond, den langen, harden, rooden snavel precies op uw oog
gericht. Zijn vleugels bewegen met een ongelooflijke snelheid en zonder
rechts of links af te wijken, snelt hij toe. Alleen op het laatste
oogenblik glijdt hij vlak langs u heen, u zijn duivelsch „tepìet” in de
ooren gillend, haalt wijd uit en herhaalt onmiddellijk zijn aanval met
dezelfde onstuimigheid.

Dat is mooi, o, dat is zoo mooi! Die andere vogels hebben bij al hun
brutaliteit toch nog altijd iets angstigs over zich, en ze pauseeren
even voor zij tot den aanval overgaan. De scholekster niet. Hij bedenkt
zich geen oogenblik, toont geen spoor van vrees en laat niet af, voor
hij zijn doel bereikt heeft.

Welk doel? Natuurlijk het redden van zijn nest of jongen. Wanneer een
scholekster zijn lansaanval doet, dan is het nest niet ver weg. In een
kring van vijfentwintig meter radius vindt ge dan stellig de drie of
vier groote geelbruine, donkergevlekte eieren, in een vlak kuiltje in
’t gras of in ’t zand. Meestal ligt het in de minst drasse stukken,
dikwijls op dijkjes of slootwallen en zelfs op vrij hoog bouwland en
hooge duinruggen.

De groote eieren zijn gemakkelijk te zien en de broedende vogel ook.
Maar wanneer de waakzame steltlooper u afleidt met zijn aanvallen, zijn
kleurgeschitter en bazuingeschal, dan blijft het nest licht
onopgemerkt. In de boeken staat, dat het legsel in den regel niet meer
dan drie eieren telt; op Texel vinden wij er nog al dikwijls vier in,
ja, meestal zelfs vier.

Nu geloof ik, dat de scholekster op de Noordzee-eilanden zijn
krachtigste ontwikkeling bereikt. Scholeksters komen voor over de heele
oude wereld, maar de Noordzee-oevers van Schotland tot Jutland zijn hun
hoofdgebied, en Texel heeft daarin een centrale situatie. Vandaar, dat
zomer en winter onze stranden opgevroolijkt worden door de
tegenwoordigheid van dezen monteren gast, den vogel met den snavel.

Hij heeft naar verhouding den langsten, duidelijksten en hardsten
snavel van al onze vogels. De wulp en de grutto kunnen wat lengte
betreft met hem concurreeren, maar die hebben toch eigenlijk niets
anders dan weeke wroetwerktuigjes. De scholekstersnavel is
tegelijkertijd een speer, een wig en een lepel. De punt is hard en
scherp, schuin afgesneden en saamgenepen, de wortel is breed en
massief, het middenstuk buigzaam en beweeglijk.

Met groote behendigheid weet hij den smallen snavel tusschen de schalen
van een mossel in te werken en de sluitspier door te snijden. De doos
valt dan open en in een ommezien schept hij ’t weeke hapje uit de
schelpen. Als de mosselbanken in de Waddenzee bij eb droogvallen, komen
de scholeksters bij troepjes aanvliegen, om daar hun maaltijd te doen.
Ook groote kinkhorens en wulken tast hij aan, en eens heb ik er een
bezig gezien met een vrij groote krab.

Bij ’t begin van de eb trekt hij naar ’t strand en volgt de
terugtrekkende zee. Ge weet, dat de zilte baren in een speelsche bui
soms onverwacht weer een groot stuk van het verloren terrein kunnen
heroveren, al is het maar voor enkele oogenblikken. Wandelende meisjes
stuiven dan met luid gegil en natte voeten landwaarts in.

De scholekster laat dat echter gebeuren. Hij geeft er niet om, dat ’t
zeewater een paar centimeter om zijn dikke beenen stijgt en ziet er ook
niet tegen op, dat de golven zijn witte buikveeren raken. En als ’t nog
erger wordt, dan laat hij zich tevreden met de golf optillen en zwemt
een eindje mee. Ten slotte komt hij weer op zijn zes teenen te staan en
dan gaat de koraalroode snavel rechts en links, om te bemachtigen wat
door ’t terugstroomende water weerloos wordt medegevoerd.

De strandwormen, die in ’t zand huizen, weet hij te bemachtigen door
met den harden, scherpen, steekbeitelachtigen snavel met groote
snelheid in den grond te spitten. Het is geen boren, zooals de spreeuw
en de roek doen, maar de roode snavel vlijmt den grond in en heeft den
worm te pakken, eer die zich in ’t diepst van zijn schuilgang heeft
kunnen terugtrekken.

In onzen polder Het Noorden hebben wij hem betrapt op een zeer ernstig
misdrijf. Een dwergsterntje schoot met veel misbaar door de lucht
altijd heen en weer op dezelfde plaats. Daar stond een scholekster,
blijkbaar ernstig bezig en zich in ’t geheel niet bekommerend om de
aanvallen van het kleine vogeltje.

Toen wij nader kwamen, keek hij op met zijn groote bloedroode oogen en
vloog toen gillend weg. Het sterntje vervolgde hem een stuk weegs en
viel toen ons aan, hoewel we geen kwaad in den zin hadden.

Doch het kwaad was reeds verricht, de mooie sterntjeseitjes waren
middendoor gehakt door den rooden snavel, struif en doppen
verontreinigden het kleine nest. De eitjes waren nog in ’t geheel niet
bebroed, zoo schoon als zilver en wij verbaasden ons erover, hoe de
scholekster, zoo wij hem niet gestoord hadden, met zijn langen, smallen
snavel den vloeibaren inhoud verorberd zou hebben.

Nu weten wij dus, dat tenminste één scholekster zich schuldig maakt aan
eierroof. Later hebben wij nog meer gevallen kunnen constateeren, onder
andere ook in Artis, waar de in gevangenschap levende scholeksters de
eieren vraten van de waterhoentjes, die met hen in dezelfde volière
huizen.

Geen enkel ornithologisch werk noemt den scholekster als eierdief of
vogelmoordenaar. Zou het een nieuw instinct zijn, dat zich bij de soort
begint te ontwikkelen? Tot nog toe broedt hij ongestoord te midden van
de andere steltloopers en zwemvogels, die door zijn waakzaamheid
voordeel hebben van zijn gezelschap. Maar als hij nu een nestroover
wordt, dan is hij de wolf in de schaapskooi.

Daarentegen hebben wij op Rottum gezien, dat daar de scholeksters de
groote sterns helpen, om hun eieren te verdedigen tegen de
zilvermeeuwen.

Laat ons hopen, dat het bij dien eenen vogel blijft, dat de innovator
geen volgelingen krijgt. Het is in ’t geheel niet noodig, dat de
scholekster naar een nieuw voedingsmiddel uitziet. De zee, het strand,
het slib en de weiden maken, dat hij altijd en overal aan den kost kan
komen.

Hij vindt dan ook meestal zoo rijkelijk voedsel, dat na een half uurtje
arbeid rust of verpoozing kunnen volgen. De verpoozing hangt af van ’t
jaargetijde, de rust wordt genoten aan ’t strand, aan den oever van de
kreek of in ’t gras van ’t hooiland.

Wie ’s zomers langs de zee wandelt, kan niet missen, den scholekster
slapend aan te treffen, hetzij aan den voet van ’t duin, hetzij op een
half-drooggeloopen zandbank. Het is noodig een honderd meter ver
vooruit te zien, want zoo vast slaapt de vogel nooit, dat ge zeer dicht
bij hem zoudt kunnen komen.

Maar hij slaapt formeel, het hoofd omgedraaid, den langen zwaren snavel
uitgestrekt over den breeden rug. Dit ziende kunt ge eerst goed
beseffen, hoe een dergelijke houding den vogel rust moet verschaffen.
Het vordert geen geringe spierinspanning, om een kop met zoo’n langen
snavel rechtuit te dragen en de scholekster heeft dan ook sterk
ontwikkelde nekspieren met ferme uitsteeksels aan de halswervels als
aanhechtingspunten. De oogen zijn maar zelden geheel gesloten,
doorgaans echter geborgen achter ’t derde ooglid, het wenkvlies. Dat is
met den kijker goed te zien. Toen ik de wacht hield in ’t fort van
Selous, kwam een gezelschap van achttien scholeksters in de kreek staan
en die gingen gezamenlijk den dut in, alle met dichtgehaalde
wenkvliezen.

Dat is gemakkelijk te zien. Alles is aan den scholekster gemakkelijk te
zien. Mocht ge vreezen, het oog niet spoedig genoeg te kunnen
ontdekken, hij komt u te gemoet door een breede witte streep te dragen
onder het vuurroode ooglid. Meent ge dat op zoo’n grooten afstand het
gemis van glans niet voldoende is, om de aanwezigheid van ’t wenkvlies
te verklaren, dan behoeft hij maar even dat derde ooglid op zij te
schuiven en een karmijnroode iris schittert u tegen. Merkwaardig is ’t,
hoe die vogel in de kleine oogstreek de vier hoofdkleuren van zijn
kleed, zwart, wit, vermiljoen en karmijn repeteert.

Wanneer scholeksters nog in Juni in troepen rondvliegen, dan bestaan
deze uit ongepaarde individu’s, zwervers zonder nest. In den regel zijn
dat, evenals bij de zwartkopmeeuwen, eenjarige vogels, die een zwervend
leven leiden. Den heelen zomer dolen ze rond langs zeegaten en
riviermonden, dikwijls in gezelschap van andere langbeenige kornuiten,
als regenwulpen en rosse grutto’s. In de avond- en morgenuren worden
die benden het meest gezien en wanneer ze zich zoo in V-vormige troepen
aan den warmen zomerhemel vertoonen, dan lijkt dat een vermaning uit de
verre poolgewesten—wat het natuurlijk heelemaal niet is.

Tegen het najaar groeien die troepen aan in talrijkheid. Gedurende de
wintermaanden schijnen ze zich te verstrooien, maar toch heb ik aan de
Westerschelde in December nog wel troepen van honderden gezien, die
stonden te wachten op de eb. In Februari en Maart zijn de benden het
talrijkst en tegelijk het woeligst, want dan hebben de ceremonies
plaats, die leiden tot paring en nestbouw.

Bij duizenden verzamelen zij zich dan op de slikken en schorren van de
Wadden en de Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche stroomen. Rij aan rij staan
ze geschaard in ontelbare massa’s, de roode snavels blinkend in de
voorjaarszon. Nu eens staan ze minuten lang in doodsche stilte, dan
weer ontstaan hier en daar in ’t groote vogelheer plaatselijke
woelingen van booskijkende individu’s die om elkaar heenloopen, tegen
elkaar opspringen, elkaar in de vleugels bijten, om dan weer plotseling
stil te staan, met den rooden snavel loodrecht naar den grond gericht
en uit alle macht fluitend en schreeuwend.

Soms breiden de onrust-haarden zich uit en de heele armee wordt één
tooneel van woestheid en wanorde, van vecht- en danspartijen, alles
onder oorverdoovend geschreeuw. En een oogenblik later staan ze alle
weer roerloos en doodstil, alsof ze opeens betooverd waren.

Het is niet gemakkelijk, om in zoo’n groot gezelschap het gedrag van
afzonderlijke individu’s te bestudeeren en de mannenrollen van de
vrouwenrollen te onderscheiden. Ook is er in kleur en vorm geen
verschil tusschen mannetje en wijfje, alleen is zij een flink stuk
grooter dan hij. En ik geloof ook wel, dat zij het heft in handen
heeft.

Men is zoo licht tot generaliseeren geneigd en zoo is door de
waarneming van hoenderachtige vogels de meening ontstaan, dan bij de
vogels het mannetje almachtig is en de wijfjes altijd gereed zijn, om
gedwee het mooiste en sterkste mannetje, den overwinnaar in ’t gevecht
of in den zangwedstrijd te volgen. Niets is minder waar.

Zelfs bij de hoenders zit menige haan onder de plak en bij zeer vele
vogelsoorten is het wijfje de krachtigste persoonlijkheid. Zij beslist,
wat voor mannetje ze wil nemen en beschermt desnoods den eenmaal
gekozene tegen aanrandingen van derden. Ook hieromtrent weten we lang
niet genoeg, er is maar heel weinig op gelet. Wanneer het voorjaar komt
en de vogels onze aandacht beginnen te trekken, dan zijn ze meestal
reeds lang gepaard. Het vrijen en trouwen begint voor de meeste reeds
gedurende de wintermaanden en in het winterverblijf en wat wij
gedurende lente en zomer te zien krijgen, is veelal niets meer dan de
epiloog.

Dit is zeker, wanneer de scholeksters eenmaal elkander gekregen hebben,
dan zonderen ze zich af van den grooten troep en betrekken het terrein
hunner keuze. Bij zoo’n afzonderlijk paar is al vrij spoedig na te
gaan, wie van de twee het wijfje is, daar ’t verschil in grootte nu
heel goed in ’t oog valt. En nu blijkt dadelijk, dat het mannetje niets
liever doet, dan ’t wijfje te behagen.

Hij vliegt en trippelt om haar heen, blijft in extase stilstaan,
knielt—zooals een vogel knielt: op zijn hielen—komt weer omhoog en gaat
met neerwaarts gerichten snavel het scholeksterslied zingen. Dan weer
springt hij de lucht in, vliegt met veel vertoon van witte veeren in ’t
rond, al schreeuwend en fluitend. Met de vleugels zoo wijd mogelijk
uitgestrekt scheert hij neer langs ’t groene gras, bereikt met de
teenen den bodem, maar heeft nog zoo’n vaart, dat hij niet stil kan
staan, maar klapwiekend loopt hij verder en als hij eindelijk erin
geslaagd is, door krachtig remmen tot stilstand te komen, dan houdt hij
nog eenige oogenblikken de vleugels loodrecht omhoog, zoodat de
onderdekveeren al hun witheid vertoonen boven gras en bloemen.

Een andermaal bukt hij voorover, drukt de borst stijf tegen den grond
en wiebelt het lichaam heen en weer, draait zelfs in een halven cirkel
of een heelen cirkel in ’t rond. Deze broedsche beweging herhaalt hij
verscheidene malen op verschillende plaatsen en ook het wijfje
verlustigt zich erin. ’t Is de inleidende beweging voor het maken van
het nest. Het maken van ’t nest is waarschijnlijk voor de vogels niet
zooals wij wel eens meenen een moeitevolle arbeid, maar een genotrijke
instinctvervulling.

Het is een lust, in ’t vroege voorjaar de steltloopers in den polder
dien nestendans te zien uitvoeren. Telkens boort een blanke borst in ’t
zand of ’t gras, nu eens is ’t een scholekster, dan een kievit, een
sterntje, een tureluur, een kluit, of een strandpleviertje, soms wordt
de beweging slechts even aangeduid, de borstveeren raken nauwelijks den
grond, ’t is meer een révérence dan de graafbeweging, maar een
andermaal gebeurt het met groote energie en tolt het dartele vogeltje
rond in zalige verrukking.

Zoodoende wordt het aantal nesten, of liever broedkuiltjes veel grooter
dan de broedende paren, en vooral van onzen scholekster is het aantal
speelnesten legio.

Dat neerzitten en de borst tegen den grond drukken is een
emotie-uiting, die den vogel ook nog te pas komt, lang nadat het
eigenlijke nest al kant en klaar is. Zoodra een gevaar dat nest
bedreigt, vooral in de eerste dagen van het broeden, neemt de vogel die
houding aan. De onervaren eierzoeker meent dan, dat het dier daar op
zijn nest zit en stapt, na met zorg de plaats te hebben vastgesteld,
erheen, om niets te vinden.

Men heeft hierom den scholekster wel een „listigen bedrieger” genoemd
en die term is ook zeer geschikt om aan te duiden, welken indruk het
gedrag van den vogel op ons menschen maakt. Maar daarmee is nog lang
niet uitgemaakt, of hij op dat oogenblik werkelijk zelfbewust en met
overleg handelt.

Hierboven heb ik reeds verteld, hoe de scholekster ook het gevaar met
geweld weet te keeren en niet te versmaden aanvallen doet op menschen,
kraaien of vee, die zijn bebroede eieren of jongen bedreigen.

Ook van rondzwervende vrijgezellen van zijn eigen soort heeft hij last.
Maar dat loopt doorgaans, dank zij zijn pootige ega, nog al goed af. En
heel dikwijls draagt de intrusie het karakter van een vreedzaam en
hoffelijk bezoek.

Een mannetje staat voor zijn wijfje te fluiten. Daar komt een tweede
mannetje aanvliegen, met de welbekende orkaan-vaart van scholeksters.
Hij strijkt neer bij ’t wijfje, paradeert even met de vleugels, loopt
driftig om het echtpaar heen, houdt opeens halt, maakt front voor ’t
wijfje en steekt nu ook zijn compliment af. De wettige echtgenoot vindt
hierin aanleiding tot meerdere stemverheffing en wordt daarin weer
dapper nagevolgd door de visite. Gelukkig hebben ze een aangenaam
orgaan, juist passend bij de onmetelijke ruimte, zoodat wij het getier
altijd met groot genoegen hooren.

Het wijfje vindt de betooging ook niet al te onaangenaam en blijft soms
een minuut rustig en bedeesd toeluisteren. Eindelijk maakt zij er een
eind aan door of onverschillig weg te loopen, of even een paar
trippelpasjes te maken in de richting van den indringer, die na een
kort vaarwel bliksemsnel en nog aldoor tierend wegvliegt.

In deze conversaties hebben de scholeksters veel genoegen en reeds
vroeg erlangen zij daarin een zekere vaardigheid. Het babbelinstinct is
hun aangeboren en wordt in de jeugd gevierd als een spel. ’t Is een van
de aardigste zomertafereelen; een scholeksterpaar, man en vrouw wakend
over hun drie- of viertal jongen, die verdiept zijn in het dans- en
conversatiespel.

De jonge vogels zijn even groot als de oude, ja zij lijken zelfs iets
grooter. Maar ’t is direct te zien, dat ze nog kindertjes zijn, hun
snavel mist den feilen gloed, de pooten zijn eer grijs dan rood, het
gitzwart van de veeren is getemperd, doordat de uiterste randjes van
elke veer een bruine franje bezitten en aan de keel vertoont zich een
groote halvemaanvormige witte vlek.

Trouw worden ze door de ouden bewaakt en gevoed, in ’t binnenduin en op
de hooge weiden, meest met insecten en wormen. Opeens krijgt de
moeder—hoe dat weet ik niet—den indruk, dat de eb is ingevallen en nu
begeeft zich de heele familie met groot geschreeuw naar ’t strand, om
in de terugloopende golfjes naar kwallen en schaal- en schelpdieren te
visschen.

Hebben ze daar genoeg van, dan retireeren ze naar den duinvoet en daar
hebben dan weer, onder leden van ’t zelfde gezin of onder vreemden, de
allervermakelijkste begroetingen plaats. Er is nu in ’t najaar
natuurlijk geen sprake van nestbouw en broedschheid, maar de gesprekken
en bewegingen zijn toch zoo energiek, dat ik niet kan nalaten, de
jongelui te verdenken van ’t maken van afspraakjes voor
Maart-over-een-jaar.







DE KIEVIT.


De kievit is voor ons, Hollanders, de vogel van de lekkere eieren.
Niet, dat de Hollanders zooveel kievitseieren eten; de meesten weten
niet eens, hoe een kievitsei er uitziet. Maar allen lezen ze omstreeks
midden Maart in de krant, dat het eerste kievitsei gevonden is en dat
het een daalder heeft opgebracht of een rijksdaalder, in alle geval een
fabelachtig hooge som. En daar zit hem de kneep: het voordeeltje, het
onverwachte voordeeltje, dat een wilde vogel, die niets kost van
„onderhoud”, wel zoo vriendelijk is, om eieren te leggen, die hun
gewicht aan zilver waard zijn.

Later daalt die prijs wel en brengen ze niet meer op dan een versch
kippenei in den winter, maar daar houdt de volksverbeelding geen
rekening mee en ze verkoopt haar kievitsei nooit voor minder dan „drie
zesthalven”. En een feit is het, dat sommige polderperceeltjes in ons
land meer opbrengen aan kievitseieren dan aan grasgewas.

„Il est fort malheureux, que dans certains pays, en Hollande surtout,
on fasse si grand commerce de ses oeufs, assez insipides.”

Deze uitspraak van den grooten Zwitserschen ornitholoog Fatio geeft ons
juist de meening weer van vele beschaafde menschen over kievitseieren
en kievitseieren rapen en verkoopen. Ze vinden de eieren niet zóó
lekker, als de roep ervan gaat en zouden daarom gaarne zien, dat ’t
eierrapen ophield.

Ik voor mij zou dat ook gaarne zien, want hoe rustiger de vogels zich
kunnen ontwikkelen, des te beter kunnen we ze leeren kennen. Maar ge
kunt het onmogelijke niet vergen. Het zoeken van kievitseieren is voor
de plattelandsbevolking een gezonde uitspanning, levert aardig wat op
en behoeft de vogels zelf niet direct te schaden.

Ik wil nog een stapje verder gaan en volhouden, dat onder de
tegenwoordige omstandigheden de handel in kievitseieren voordeelig voor
de kieviten is, en dat, indien die handel werd verboden, de
kievit-bevolking met ondergang zou worden bedreigd. Eerst na een halve
eeuw van zeer verbeterd onderwijs zou men aan ’t verbod van
kievitseieren rapen kunnen denken.

Wie daar meer van weten wil, moet in ’t voorjaar de
advertentie-kolommen van plaatselijke blaadjes in kievitrijke streken
eens inzien. Telkens wordt er geadverteerd: Het is verboden eieren te
rapen op het land van Dinges zonder schriftelijke toestemming van den
eigenaar; of Dinges maakt het nog erger en verbiedt elk betreden van
zijn terrein.

Doet hij dat als gevolg van het bijwonen van een winterlandbouwcursus,
en omdat hij overtuigd is van het onberekenbare nut, dat de kieviten
stichten in veld en wei? Nu, ik geloof wel, dat één op de tien boeren
al zoo ver is, maar de negen anderen zijn alleen belust op de
tantièmes, die ze genieten van de door hen geautoriseerde eierrapers.
De veldwachter krijgt een extra fooi en zoo wordt dan met vereende
krachten gezorgd voor een min of meer behoorlijke uitvoering van de
wet, die het eierrapen toestaat tot en met 28 April en het vervoeren en
verkoopen tot en met 30 April of indien deze dag op Zondag valt tot en
met 1 Mei.

Maar wanneer nu de wet het eierrapen en den eierhandel ineens heelemaal
verbood, dan kwam er van de heele zaak niets terecht. De eieren waren
dan niets meer waard, de veldwachter kreeg geen premie, de boer geen
tantièmes, de arbeider geen geld en dan zouden stroopers en kwajongens
zoo goed als vrij spel hebben en ik verzeker u, dat ze de gelegenheid
niet ongebruikt zouden laten. De veldwachter zou van niemand
aanmoediging en steun ondervinden en daardoor vrij wel machteloos
staan.

Tegenwoordig wordt ook in den verboden tijd, in Mei en Juni, nog al
goed opgepast, omdat men de kip, die de gouden eieren legt, niet wil
dooden, maar zoodra dat gewone eieren worden, bekommert men zich om de
kip niet meer.

In den allerlaatsten tijd is dan ook in ons land het aantal kieviten
niet zoo sterk verminderd, als men wel zou moeten vreezen, hoewel het
overal veel geringer is dan honderd jaar geleden. Doch dat is een
algemeen verschijnsel en ligt aan heel andere oorzaken.

Eén leelijk ding nog. Het dooden van kieviten is in ons land ten allen
tijde ten strengste verboden en in streken, waar het zoeken van
kievietseieren een winstgevend handelsbedrijf is, wordt daar ook
terdege op gelet. Maar hier en daar in ons land, met name in
Zuid-Holland tusschen Rijn en Maas, worden in den trektijd duizenden
kieviten gevangen en gedood en als plevieren—wat ze ook zijn—naar het
buitenland verzonden.

Dit is veel erger dan het rapen van eieren in April. In ’t bouwland
raken die April-eieren bij de bewerking van den bodem toch verloren en
elders loopt zoo’n vroeg broedsel toch nog veel gevaar door ’t gure
weer, en daarom is het misschien zelfs zeer goed, dat wij den kievit
noodzaken zijn broedsel in Mei en Juni groot te brengen. Maar een doode
kievit is dood, daar is niets meer aan te doen.

Ik heb omtrent dien Zuid-Hollandschen kievithandel geen volledige
gegevens kunnen erlangen. Dat gaat in ons landje zoo. Er wordt wel nog
al eens kwaad gesproken, maar een ferme, openbare beschuldiging wordt
zelden vernomen. Ook zijn we te goedig, om een armen vent zijn wel is
waar onwettige broodwinning zoo opeens te ontnemen en een zekere
analogie tusschen kievitjagen en eierrapen valt ook niet geheel te
ontkennen. Intusschen kan het niet uitblijven, dat we binnen korter of
langer tijd in dit opzicht internationale verplichtingen krijgen en dan
komt er natuurlijk een eind aan alle verkeerde lankmoedigheid.

En nu willen we eens naar den kievit zelf zien, den prachtvogel van
onze weiden. Denk nu niet aan ’t verfomfaaid opgezet gedrocht, dat in
April bij Saur en Van Laar de wacht houdt over een schaal met eieren,
maar ga den polder in, kruip weg achter een dammetje. Of—en dat is in
Februari gemakkelijker te doen, dan lang stil zitten—neem een
onverschillig uiterlijk aan en loop den polder door alsof er geen
kieviten op de wereld waren.

Ze zijn pas aangekomen en nog in troepen vereenigd. Maar lang zal dat
niet duren, want reeds nu beginnen de mannetjes om de wijfjes heen te
draaien en uit den stilstaanden troep verheft zich nu hier dan daar een
zwart-wit-zwarten vogel in grillige vlucht. Hij gaat niet hoog, noch
ver, tuimelt als het ware weer op zijn vroeger plaatsje neer.

Nu staat de heele troep weer stil, alle met den kop in den wind, die de
lange kuiven golvend beweegt. Wanneer in de verre toekomst de kievit
niet meer de vogel met de lekkere eieren zal zijn, dan wordt hij de
vogel met de kuif. Wij hebben meer vogels met kuiven, denk maar aan
leeuwerik, gaai en lepelaar, doch niet een is er, bij wie dat sieraad
zoo in ’t oog valt en die er zoo expressief mee werken kan, of het
moest de hop wezen, maar die kent toch bijna niemand.

Die kievitkuif van bronsgroene veertjes strekt zich van schedel en
achterhoofd uit tot op den rug. Als de vogel zijn kuif laat hangen,
slieren bij de mannetjes de eindpunten tot tusschen de schouders. Maar
hij laat zijn kuif niet gauw hangen. Integendeel, hij draagt hem zelfs
in ’t voorjaar niet dikwijls horizontaal, maar steekt hem recht omhoog.
Eigenlijk is ’t een dubbele kuif, een linker en een rechter en als die
nu wordt opgetild, dan lijken het twee lange horens boven op den kop.
Tegelijk gaat ook de breede, wit met zwarte wenkbrauw de hoogte in en
als ge dan zoo den vogel met zijn verheugd, verbaasd, vertoornd gezicht
voor u ziet staan, dan lijkt hij in ’t geheel niet op den
traditioneelen kievit, noch op ’t monster uit de uitstalkast, noch op
’t gekleurde plaatje in ’t vogelboek.

Dit is de belooning, die het wandelen met zich brengt; ge ontdekt
telkens een heel nieuwe wereld, het allerbekendste dier, de meest
gewone bloem heeft altijd nog iets nieuws te vertoonen, iets dat niet
geregistreerd was en zoo wacht ik dan ook nu op een portret van den
kievit met hoog opgestoken kuif, op zijn teenen ronddansend in ’t korte
gras van de voorjaarswei.

Want de kievit is een teenganger. Hij zet maar zelden den bal van den
voet op den grond en versmaadt de hulp van ’t bindvliesje, dat hij
tusschen midden- en buitenteen bezit, om volgens de boeken niet in de
modder te zakken. Dat gevaar is ook zoo heel groot niet, want een
kievit is een lichte vogel, al lijkt hij nog al groot en hij loopt met
groote snelheid. Dikwijls ook wordt hij gesteund, doordat hij de
vleugels onder ’t loopen een weinigje uitsteekt.

Naarmate de paren zich vormen, worden de troepen kleiner en in gewone
jaren zijn ze tegen het eind van Maart geheel weg. Daarentegen is nu de
vlakte vol van paren, die elk hun bepaald terrein bezitten.

Hieruit volgt nu niet, dat dan alle kieviten gepaard zijn. Langs de
Zuiderzee, op de Wadden en de Zeeuwsche stroomen worden het heele jaar
door troepen van ongepaarde vogels aangetroffen. Daar hebben zij vrij
spel, in ’t land worden ze door hun gelukkiger soortgenooten niet
geduld.

Intusschen trekken nog steeds troepen van kieviten over. Dat duurt
voort tot in de laatste weken van April. Het is een lust, op zonnige
dagen hoog in de lucht de breede maar ondiepe colonnes te zien
voortijlen, bij iedere vleugelheffing het zonlicht weerkaatsend met de
witte buik- en okselvederen. Die gaan naar streken, waar ’t later lente
is, dan bij ons, want de kievit nestelt tot bij den Poolcirkel.

Ook daar blijven veel vogels ongepaard en die komen in Juni weer
zuidelijk afzakken. Al die vrijgezellen zoeken elkaar op, vogels, wier
broedsel mislukt is, voegen zich dan bij hen en zoo krijgen we dan
vroeg in den zomer alweer groote troepen van kieviten, bij wie de
jongen zich kunnen aansluiten.

Maar zoover zijn wij nog niet. Eerst willen we het echtpaar eens
begluren. Het mannetje is vol opgetogenheid en zijn luchtbuitelingen
wel tienmaal hooger dan verleden week, toen de liefdesbetuigingen nog
geheel en famille voorvielen. Hij slingert zich als ’t ware de lucht
in; het lijkt er niet op aan te komen, hoe hij vleugels of lichaam of
staart beweegt, omhoog gaat hij toch, al is ’t ook langs de
ongelooflijkste kronkelbanen. Dat heet „schermen.”

Hij schreeuwt nu niet eenvoudig „kiewiet,” maar laat een zegezang
hooren van vele lettergrepen, vol heesch gekrijsch en rollend geroep en
bij de stoutste bewegingen van zijn liefdesvlucht roffelt er uit de
strak gehouden slagpennen een geluid als van een bromtol. Dit „zwoegen”
zooals wij het vroeger altijd noemden, schijnt niet, zooals wij
meenden, veroorzaakt te worden door de moeilijkheid van de
vliegbeweging, maar doodeenvoudig een willekeurige vreugdeuiting te
zijn, analoog met het blaten van snippen of het baltsen van hanen.

Dikwijls schermt de kievit zonder eenig geluid te maken. Dan wordt het
een stille luchtdans vol gratie en meer dan ooit herinnert op zulke
oogenblikken de vogel aan een grooten nachtvlinder, die wiegelend
dartelt over de bloemen.

Ook op de terra firma weet hij zijn gemoed te luchten. Het wijfje staat
stil. Zij is iets kleiner en doffer dan ’t mannetje en heeft een veel
kortere kuif. Toch kunnen de kuiven van oude wijfjes langer zijn dan
die van jonge mannetjes.

Nu gaat het mannetje om het wijfje heenloopen; vooruit, achteruit,
omdraaien, kuif op, kuif neer en weldra volgt ook de ootmoedige
buiging. Deze révérence wordt echter anders uitgevoerd dan door de
scholekster. Hier worden geen verzenen gebogen. De pooten blijven
langgestrekt maar ’t heele lichaam duikt voorover en de glimmende
zwarte borst wordt tegen den grond gedrukt, heen en weer bewogen, alsof
de vogel het broedkuiltje maakt.

Niet lang duurt het, of het heele gebied is vol met zulke kuiltjes en
weldra verschijnen in één ervan de vier gladde, doffe, groenachtige,
bruingevlekte, priktolvormige eieren. In den regel liggen die met de
spitse polen naar elkander toe.

De bekleeding van het nest is zeer verschillend. Soms ligt er niets in,
een ander maal is er een volledige bodem van grassprietjes of stokjes.
Het lijkt mij toe, dat op de allernatste en allerdroogste plaatsen de
bekleeding het rijkst is, daartusschen ligt een optimum van
vochtigheidstoestand, waarbij geen voering noodig is.

Bij ons nestelt de kievit zoowel laag in de polders als hoog op de
duinen, op kaal, versch omgeploegd bouwland, zoowel als in de grazige
weiden en ook de groene strandvlakten zijn niet zonder kievitsnesten.

Het bebroeden duurt omstreeks drie weken en wordt in hoofdzaak, althans
overdag, door het wijfje verricht. De broedende vogel op onze foto is
ook een wijfje, wat niet alleen te zien is aan de korte kuif, maar ook
aan het vele wit aan den kop, de witte kin en de lichte plek aan de
keel. Deze lichte plek is een overblijfsel van het winterkleed; eerst
laat in Mei krijgen de wijfjes een geheel zwarte keel en borst.

Zij zit met de vleugels geheel vrij, dus eenigszins uitgeslagen, een
houding, die voor op den grond broedende vogels met breede nesten wel
de meest doelmatige is.

Het mannetje brengt den tijd door met stil te staan bij het nest, met
het maken van danspasjes en met schermen en schreeuwen. Bovendien
beschermt hij het nest. Alle groote voorwerpen, die zich bewegen in of
over zijn broedgebied, worden onmiddellijk aangerand. Daarbij schermt
en schreeuwt hij op een manier, die sterk herinnert aan zijn
liefdesbetoogingen. Als ik niet zoo bang voor regels was, zou ik wel
willen bekennen, te durven gelooven aan dezen regel: De
liefdesbetoogingen van de mannetjes bij de vogels zijn dikwijls niet
anders dan bewegingen en geluiden, die nuttig zijn voor het behoud der
soort en die ten aanzien van het wijfje worden verricht, zonder dat op
dat oogenblik de noodzakelijkheid daartoe bestaat.

Het is alsof dat mannetje zeggen wil: Zoo kan ik vechten, schrik
aanjagen, prooi vangen, voedsel zoeken, voederen, en wat wil je nog
meer? We zullen ook bij andere vogels voorbeelden hiervan aantreffen.

Meen nu niet, dat de vogel werkelijk die redeneering maakt, als hij
zijn kunsten vertoont. Ik geloof niet, dat de vogels redeneeren, wel,
dat zij emoties ondervinden en dat op een voor hen onbewuste manier de
emoties van den paringstijd aanleiding geven tot het speelsgewijze
verrichten van bewegingen, die in de periode van het bebroeden der
eieren en het groot brengen der jongen telkens noodzakelijk verricht
moeten worden.

Dat verjagen van vreemde indringers is ten minste iets, waar de kievit
den heelen dag handen vol werk aan heeft. Zoo gauw een kraai of meeuw
zich vertoonen, randt hij ze aan, nog lang, voordat ze het nest of den
broedenden vogel bespeurd hebben. Die broedende vogel gaat trouwens ook
meteen het nest af.

En nu zou ik weer een regel willen stellen en wel een heel gevaarlijke,
maar alleen voor de vogelwereld, nl.: wie zich het meest boos maakt,
krijgt zijn zin. Een kievit is in geen enkel opzicht een te duchten
aanvaller. Hij heeft weinig gewicht, dus kan met niet veel vaart
aanvallen, zijn snavel is week en het eenige werkelijke wapen dat hij
bezit is een familiewapen, dat alleen symbolisch en heelemaal niet
gevaarlijk is.

Hiermee bedoel ik het eeltplekje in de polsstreek, dat een flauwe
herinnering is aan de spoor van de spoordragende kieviten uit tropische
gewesten.

Toch gaan voor dezen ongevaarlijken vogel de meeste indringers op zij.
Zij kunnen al de beweging en het gekrijsch niet verdragen en zoo kan
men dikwijls zien, dat een kraai of een reiger honderden meters ver
door de kieviten worden uitgeleid. De buren nemen het werk van elkander
over.

Zoo beschermt hij zijn nest nog effectiever dan de scholekster en wordt
zijn aanwezigheid meteen een bescherming voor andere weidevogels,
zooals de kemphaan en tureluur, die minder driest en nagenoeg geheel
weerloos zijn.

Intusschen wordt het broedsel en ook de broedende vogel zelf nog maar
al te dikwijls het slachtoffer van sluipende viervoeters, zooals
wezels, bunzings, hermelijnen, katten en ratten en door vereenigd
optreden weten kraaien en kauwen ook hun deel te bemachtigen.



De jonge kievitjes loopen bijna onmiddellijk wanneer zij uit den dop
komen, maar blijven soms toch nog vrij lang in het nest. Dan gaan zij
ronddolen in de buurt, altijd opgepast door de ouden.

Het zijn de mooiste donsvogeltjes, die ik ken. Ze bewegen zich
gemakkelijk, kijken glunder, hebben goed geproportionneerde bekjes en
pootjes en een donsbekleeding, die in fijnheid van tinten: rossig
bruin, zwart en zuiver wit alles overtreft, wat er op dit gebied te
zien is. Het witte nekkraagje is hun distinctief; zooals de oude kievit
de vogel is met de kuif, zoo is de jonge de vogel met het witte
nekkraagje. Daaraan alleen is hij al te onderscheiden van al ’t andere
klein gedoe van scholeksters, kluiten, tureluurs, kemphanen, sterntjes
en pleviertjes, die met hem in denzelfden polder hun eerste levensdagen
slijten.

En wanneer er gevaar dreigt, dan is hun eerste werk: stilzitten en het
witte kraagje verbergen. Ze duiken dicht ineen, liefst tegen een donker
kluitje, of in een donker kuiltje en dan moet je heusch goed kijken, om
het jonge dier te vinden. Komt het dreigend gevaar zeer nabij, b.v. als
men de hand uitsteekt, om ze te grijpen, dan komt er beweging in ’t
donsballetje. Het kopje gaat omhoog, het nekkraagje komt te voorschijn
en op zijn stevige pootjes rent ’t dier er van door als een kleine
struisvogel, meestal hevig piepend en in de lucht begeleid door zijn
bezorgde ouders.

Die hebben heel wat te doen, om hun drietal of viertal bij elkaar te
houden, en dat is is de eerste dagen toch dringend noodig, anders
zouden de kleintjes stellig omkomen van honger en koude. De sterfte
onder de kievitjes is werkelijk ook zeer groot, hun kleine cadavertjes
zijn overal en vooral in greppels te vinden.

Wie de kwestie wil bestudeeren, of de vogels over middelen beschikken,
om elkander gedachten mede te deelen, kan dat mooi doen door ’t gedrag
van jonge vogels te observeeren, wanneer ze aan ’t dwalen zijn onder
leiding van de ouden. Ze richten wel wat uit met hun geschreeuw, die
oude vogels, en ten slotte krijgen ze hun volkje wel bij elkander, maar
dat gaat zoo met moeielijkheden en omwegen, dat er van taal en bevelen
geven geen sprake kan zijn. Meestal komt het erop neer, dat de oude
vogel op een hoog punt gaat staan schreeuwen uit alle macht en daar
sturen de kleintjes dan op los.

Wanneer ze pennen beginnen te krijgen, gaan ze hun ouden verlaten. Het
kievitgezin blijft niet zoo lang vereenigd als de scholeksterfamilie en
zoo komt het, dat ge in Juni en Juli overal langs den zeekant heel veel
alleenloopende kieviten kunt aantreffen. Ze gaan hoe langer hoe meer op
de oude gelijken, maar ze hebben heel korte kuiven, de lichte plekken
aan den kop zijn niet wit, maar zandkleurig en alle veertjes van de
rugzijde hebben lichtbruine randjes. De kunst van zich dood te houden
verstaan zij alleruitmuntendst.

Ten slotte voegen zij zich bij de rondzwervende troepen. In Augustus
beginnen ook al de jonge kieviten uit den vreemde hierheen te komen. De
ouden hebben weldra geruid en in September zijn alle weiden vol met de
vlugge pierenzoekers.

Ze zien er nu anders uit, dan in ’t voorjaar. De rug glanst minder, aan
de keel is een groote witte plek gekomen, de kuif is korter. Het is
moeilijk, nu mannetjes en wijfjes en jongen te onderscheiden. Ze zijn
nu veel minder schuw; een wei kan nu tegelijk kieviten, spreeuwen,
roeken en meeuwen bevatten, zonder dat er één hard woord valt.

Alleen het feit, dat de kieviten nu in gezelschap leven van meeuwen,
roeken en spreeuwen, toont aan, dat het uiterst nuttige vogels zijn en
dat er van die nuttige soort nooit te veel kunnen komen. Duizend vogels
vinden dag aan dag overvloed van voedsel op één stuk weiland. Ga nu
eens na, wat er gebeuren zou, als die duizend vogels daar eens niet dag
aan dag arbeidden.

Hoogstwaarschijnlijk kan niet één van deze vogelsoorten gemist worden
en de kievit stellig niet, want hij is eigenlijk een nachtdier en
verdelgt dus de larven en slakken, die ’s nachts te voorschijn komen en
dat zijn er heel veel.

Diep graven kan een kievit niet, daarvoor is zijn bek te zacht en te
kort, maar hij kan goed kijken, hard loopen en stevig trekken. Wanneer
de October- en Novemberregens plassen op de weiden hebben gebracht, dan
staan de kieviten in dichte drommen daar rond omheen en alles wat aan
de overstrooming tracht te ontsnappen, valt hun ten buit.

Ook kennen ze een bijzonder kunstje, om de wormen uit de grond te
jagen. Ze drukken een poot tegen den grond en brengen dien dan in
trilling en door die beweging komen dan de wormen te voorschijn,
wellicht doordat ze den indruk krijgen, dat er een mol aan ’t werk is.
De zwartkopmeeuwen doen iets dergelijks door snel op den grond te
trappelen, maar als er kieviten in de buurt zijn, dan geven zij er
meestal de voorkeur aan, om dien vogels hun zuur verworven buit af te
stelen.

De kieviten werken ook op de manier van de lijster, door te luisteren.
Op deze manier vangen zij stellig de zoo schadelijke ritnaalden, die
dicht bij de oppervlakte van den grond aan de gras- en graanwortels
knagen. Plantenvoedsel heb ik ze nooit zien eten; als ze tusschen de
koolplanten zitten dan is het hun alleen om de koolrupsen te doen. O,
wat kun je een massa goeds van die kieviten vertellen.

Hun nuttige arbeid op ’t veld duurt tot de eerste harde vorst, dus in
den regel tot omstreeks Nieuwjaar. Als dan de bodem een paar dagen lang
bevroren is, dan kunnen ze het niet uithouden en dan wijkt het grootste
deel uit naar Engeland en Ierland. Maar er blijven er ook nog heel wat
hangen aan de monden van de Maas en op de Ooster- en Wester-Schelde,
zoodat we het heele jaar door kieviten bij ons hebben.

Het is gedurende de laatste maanden van het jaar, alsof zij zich
gedurig gereed houden voor de heenreis. Troepen van honderden en
duizenden azen gezamenlijk op de velden en ieder oogenblik wordt er
vliegoefening gehouden. In breede zwermen vliegen zij voort. Er zijn
dagen, dat er elk oogenblik zoo’n kievitswolk in de lucht te zien is,
en wanneer ze in ’t zonlicht vliegen tegen een donkere lucht, dan
blinken hun witte veeren een half uur ver u tegen.









II.

IN ’T NAARDERMEER.


DE LEPELAAR.


Het had weinig gescheeld, of voor den lepelaar in Nederland was het
woord van Ruskin bewaarheid, dat de natuurlijke historie van menigen
vogel niet anders vermeldt, dan hoe en waar het dier voor ’t laatst
gezien is en wie of wiens jachtopziener de laatste heeft geschoten.

Nu de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten het Naardermeer
gekocht heeft, is er naar wij hopen voor zeer langen tijd een einde
gekomen aan de lijdensgeschiedenis van deze prachtige en interessante
dieren, tenminste wat ons land betreft. In de Rijndelta zijn ze nu
voortaan veilig; in de Donaudelta, waar ze hun Europeesch hoofdkwartier
hebben, schijnen de zaken minder goed te gaan en wordt hun aantal
allengs geringer.

Voor zoover wij uit vroegere eeuwen betrouwbare berichten hebben,
blijkt, dat niet alleen in ons land, maar ook in Engeland de lepelaar
in groot aantal voorkwam. In ons land is aan historisch onderzoek
aangaande onze Flora en Fauna nog niet veel gedaan. Mij dunkt, dat in
gemeente-archieven en oude rekeningboeken wel belangrijke vondsten
zouden gedaan kunnen worden, al waren het maar alleen opgaven omtrent
jachtdieren en zoogenaamd schadelijk gedierte.

De Engelsche zoölogische geschiedenis vermeldt reeds in 1300 de
benoeming van een commissie om na te gaan, wie de lepelaarsnesten in
Norfolk vernield heeft. In 1534 werd er een verbod uitgevaardigd tegen
het uithalen van eieren van reigers, lepelaars, kraanvogels, roerdompen
en trapganzen. Doordat echter het dooden van de oude vogels niet werd
verboden, zijn al deze soorten behalve de reigers in Engeland thans
uitgestorven. Nog omstreeks 1670 bezat Engeland een kolonie van
broedende lepelaars bij Trimley in Suffolk.

Voor Frankrijk wordt door Belon vermeld, dat daar omstreeks 1550
lepelaars broedden in Bretagne en Poitou.

Wat ons land betreft, danken wij ook weer de oudste en volledigste
berichten aan de Engelschen. John Ray vertelt in zijn „Observations
made in a Journey through part of the low Countries” van een bezoek,
dat hij bracht aan de moerassen in de nabijheid van Zevenhuizen. Daar
broedden in groot aantal gekuifde aalscholvers, kwakken, reigers en
lepelaars.

Het moeras behoorde aan den baron van Pelenberg te Leuven, die de jacht
en het grasgewas verpachtte voor drieduizend gulden ’s jaars. Wanneer
de jongen groot genoeg waren, dan werden zij door middel van lange
stokken met ijzeren haken uit de nesten geschud, om verkocht te worden.
Het schijnt dat men die beesten at.

Dan krijgen we in 1770 de beschrijving van het broeden van den lepelaar
in de Wollefoppenpolder nabij Rotterdam door Nozeman. Hij vond ze
broedende op een bijna ongenaakbare plaats in het moeras in de laagste
takken van de elzen, en ook op den moerasbodem zelf. Tegelijk vertelt
hij, dat ze ook broedden in de omgeving van het Haarlemmermeer en in de
Biesbosch.

Hoe het met de lepelaars ging van 1770 tot 1850, dat weten wij niet,
maar dan verschijnt Schlegel’s boek, de Vogels van Nederland, en die
vermeldt weer de Biesbosch, Nieuwerkerk a/d IJsel (dat is dezelfde
plaats van Nozeman) en het eiland Rozenburg als broedplaatsen.

Omstreeks 1870 werden de polders bij Nieuwerkerk en Rotterdam
drooggelegd en toen verstrooiden de lepelaars zich over ons land. De
hoofdmacht sloeg haar tenten op in het Horstermeer, en
hoogstwaarschijnlijk vestigden zich toen de kolonies aan het Zwanewater
bij Callantsoog en op Texel. Daar wordt ten minste voor dien tijd nooit
melding van gemaakt.

In het Horstermeer woonden ze tien jaar lang in druk en tegenspoed, als
we tenminste de berichten kunnen vertrouwen. In 1877 nestelden er
volgens Sclater en Forbes duizenden, in 1880 schatte Seebohm de troep
op driehonderd stuks. Kort daarna werd het Horstermeer drooggemalen en
nu trokken de lepelaars daarvandaan naar het Naardermeer ten getale van
ongeveer tweehonderd.

Indien dat bericht van Sclater waarheid bevat, dan was het voor den
lepelaar een groot geluk dat ’t Horstermeer is drooggemaakt, want ze
waren daar veel te veel blootgesteld aan vervolging. Als in drie jaar
tijds het aantal achteruitgaat van duizenden tot eenige honderden, dan
beteekent dat natuurlijk volledigen ondergang.

In ’t Naardermeer bleef tenminste het aantal vrijwel stationnair. Soms
was ’t meer, soms wat minder, enkele malen werden er jongen geroofd of
door de jagers van ’t Meer zelf verkocht, maar over ’t algemeen kan men
toch zeggen, dat zij er meer veiligheid genoten dan ooit voor dien tijd
in ons land. Wij zijn er nu natuurlijk zeer benieuwd naar, hoe het met
de kolonie gaan zal onder de zeer gunstige levensvoorwaarden, die haar
nu ten deel vallen.

De Texelsche lepelaars bouwden hun nesten in de uitgestrekte duinpannen
in het zuidwesten van het eiland achter het dorp Den Hoorn. Deze pannen
werden gedraineerd door het graven van de Moksloot en daardoor moesten
de vogels verdwijnen. In 1890 kwam een enkel paar nog eens kijken en in
1904 is zelfs een paar bezig geweest een nest te bouwen in een duinplas
benoorden het dorp De Koog, maar dat is verstoord.

De kolonie in ’t Zwanewater bij Callantsoog heeft zich ongestoord
kunnen ontwikkelen en geniet nog voortdurend de noodige bescherming.

Het heden is voor de lepelaars dus beslist gunstiger dan ’t verleden,
dat hun tot nu toe niets anders bracht, dan vervolging en vernieling.

En nu wordt het tijd, de natuurlijke historie der lepelaars te
bestudeeren, niet in de boeken, maar in het Naardermeer zelf. Doordat
onze twee kolonies de eenige zijn in West-Europa, kunnen wij met groote
juistheid gegevens verzamelen omtrent het gaan en komen van deze
vogels.

De sterntjes en meeuwen, kieviten en scholeksters bewonen een zoo
uitgestrekt gebied en verplaatsen zich in ’t najaar zoo weinig of zoo
geleidelijk, dat we van hen omtrent den eigenlijken grooten vogeltrek
niet veel kunnen leeren. Maar van de lepelaars weten we, dat ze
overwinteren in de Nijldelta en nu zou het uiterst interessant zijn,
als we eens konden ontdekken, langs welke wegen en in hoeveel tijd ze
hierheen komen.

Ze komen dikwijls reeds in ’t midden van Maart, als ’t jonge riet nog
pas een decimeter boven ’t water uitsteekt, of nog niet eens de
oppervlakte heeft bereikt. Het meer is echter zoo groot en sommige
gedeelten zijn zoo moeilijk te betreden, dat er nog heele plekken oud
riet staan en daarin vinden de vogels dan een voorloopige schuilplaats.
De heele troep komt niet in eens, het kan wel eenige weken duren, voor
de kolonie voltallig is.

Wie het eerst komen, de mannetjes of de wijfjes, de ouden of de jongen,
dat waag ik nog niet met zekerheid te zeggen, eigenlijk heb ik den
indruk, dat er telkens een gemengd gezelschap komt, maar dat kunnen we
over eenige jaren beter weten.

Het is niet zoo heel gemakkelijk, de mannetjes van de wijfjes te
onderscheiden, want doodschieten, dat doen we om zoo’n kleinigheid niet
en doode lepelaars hebben geen levensgeschiedenis meer. Op onze foto is
duidelijk te zien, dat het mannetje grooter is dan het wijfje, maar
daar heeft de perspectief ook schuld aan: in de werkelijkheid is het
verschil niet zóó groot. De man heeft naar verhouding een langer kuif
en de gele, soms oranjekleurige plek aan ’t begin van de borst is bij
hem veel grooter.

Maar nu nemen we in plaats van een geweer een roeibootje, een warmen
mantel, ruime schoenen, een trommel vol boterhammen en een verrekijker.
Van ’t visschershuis tot de broedplaats van de lepelaars is ’t meer dan
een uur roeiens, gelegenheid genoeg dus, om op dezen kouden Maartmorgen
warm aan te komen op de onderzoekingsplek.

Het water is leeg, waterlelies, gentiaan, veenwortel, fonteinkruid
sluimeren nog op den bodem of steken aarzelend bruine groeipiekjes
omhoog in ’t heldere koude water. Waar ’t riet gemaaid is, ziet de
vlakte groengrijs van de nieuwe toppen, daar achter verheft zich de
grijze muur van het oude riet. Lisschen en lischdodden steken groene
puntjes boven ’t water en op enkele plaatsen komt uit een dicht pakket
van frisch groene en glimmend bruine bladeren de eerste dotterbloem te
voorschijn.

De elzen strooien mild hun stuifmeel en de waterwilg wuift zijn
twijgen, met goudgele katjes bezet.

Alle heesters zijn bladerloos, alleen de kamperfoelie is uitgebot, maar
zijne grijsgroene bladeren, schaars gestrengeld om groote donkere
elzenstammen, geven eer een indruk van winter dan van lente. Rietgorzen
vliegen rond met veel staartparade en zwermen sijsjes in de elzen doen
denken aan meezen in den winter. Koeten en eenden zwemmen rond in de
verte en ook de bruine kiekendief is op zijn rooverspost.

Toch lijkt ’t nog in ’t geheel geen plaats noch tijd voor de vogels uit
het warme Zuiden. Wanneer deze, zooals zeer waarschijnlijk is, in één
of twee dagen hierheen trekken, dan hebben ze een zeer groote
verandering van temperatuur, klimaat, planten- en dierenwereld te
verduren: Zondag aan de oevers van den Nijl, bij palmen en papyrus,
Dinsdag aan ’t Naardermeer, waar de kikkers nog niet eens ontwaakt
zijn.

Want ze zijn er. Ze staan in een grooten troep op hun verzamelplaats
aan de Oostzijde van den grooten plas bezuiden de spoorlijn. Aan den
anderen kant liggen de eigenlijke broedplaatsen, een terrein, dat wel
wat overeenkomt met den grond, waarover Nozeman spreekt, alleen groeien
hier geen elzen. ’t Is echt verveend meer, een veenhoekje, dat los op
’t water drijft en bijeen gehouden wordt door de stengels en
wortelstokken van ’t riet. ’t Is niet raadzaam, het te betreden, dat
gaat alleen, als we er een paar planken of roeiriemen op leggen, die
dan den voet een wankelen steun verleenen.

Maar dat is vandaag niet noodig. We drijven de boot tusschen ’t riet en
gaan languit liggen onder onze mantels. Liggende wordt je niet zoo gauw
koud als zittend. En nu den kijker voor ’t oog.

Daar staan misschien een honderd lepelaars. Een dertigtal bezet de
droge plek, die het centrum vormt van het vergaderterrein, de andere
staan verspreid door ’t lage riet er omheen.

Er is heel wat beweging in den troep; ’t is weer het oude liedje.
Blijkbaar zijn de vogels reeds gepaard, het heele gezelschap lijkt in
tweetallen of viertallen verdeeld; telkens groote en kleine. De groote
zijn het drukst in beweging; niet een geeft er een kik, doch het is een
buigen en stappen zonder eind. En ’t mooist zijn de kuifgebaren of
liever de maanwuivingen.

Het voornaamste sieraad van de lepelaars is hun lange kuif, die van het
achterhoofd langs den nek neerhangt als het naar achter gekamde haar
van een jong meisje. ’t Zijn witte veeren, met een gelen tint
overtogen, die bij de oude mannetjes het sterkst is.

Die kuif, daar komt het op aan. De lepelaar kan heel eventjes
schreeuwen, en ook een beetje klepperen op zijn ooievaarsch, maar dat
doet hij toch niet dikwijls. Hij drukt zijn emoties uit met de kuif.
Elk veertje is beweeglijk en doordat het sieraad uit heel veel veeren
bestaat, is het hem mogelijk ze zoo op te zetten, dat ze een omhuiving,
een aureool vormen om het trotsche, breedgesnavelde aangezicht met de
roode oogen. ’t Is een paar koude voeten en een stijven nek waard, om
dat te zien.

Daar blijft het niet bij. Nu is de kuif omlaag, de vogel zet zich
schrap op zijn stevige zwarte beenen en heft zijn snavel in de lucht,
zoodat de oranje veeren aan de borst en vooral de groote oranje naakte
plek aan kin en keel te zien komen. Hoe ouder vogels, hoe dieper van
tint die kale plek is en daar zijn ze heel grootsch op. Ik kan dat
nooit zien, zonder een sterken indruk te krijgen van het Zuidelijk
karakter van dezen vogel. Bij Noordelijker vogels komen uitgestrekte
onbedekte huidvlekken slechts zelden voor.

Het hofmaken van den lepelaar is dus heel en al parade en pronk. Van
welsprekendheid of kunstigen zang is bij hem geen spoor. Misschien
heeft hij een liefdevlucht; maar die is van een geheel anderen aard dan
de buitelpartij van een dartele kievit. Soms gaat de heele troep zonder
blijkbare oorzaak de lucht in, met vluggen vleugelslag en lang
uitgerekten hals en pooten. Ze zweven door elkaar in wijde kringen, al
hooger, en hooger, totdat het wit der veeren in ’t bleekblauw van den
hemel wegsmelt. En tien minuten later daalt de troep weer statig neer
op de vergaderplaats, waar ’t kuivenspel opnieuw een aanvang neemt.

Het duurt eenige weken, eer er een begin gemaakt wordt met den
nestbouw. Soms worden nesten van ’t vorig jaar wat opgelapt, een ander
maal wordt de bouwstof van ’t oude nest gebruikt voor het optrekken van
een nieuw, maar even dikwijls wordt er een nieuw nest opgetrokken uit
kersversche bouwstoffen.

Wanneer de lepelaar werkt, hetzij hij rondstapt, om de
rietwortelstokken voor zijn nest bijeen te garen, of zijn voedsel
zoekt, maakt hij altijd een heel anderen indruk dan de trippelende
plevier of de deftig stappende of grappig hollende ooievaar. Bij hem is
geen sprake van nuffigheid, noch van maniertjes, hij is een flinke
stoere werker en anders niet.

Hij stapt op zijn lange, dikke, zwarte pooten rond als een grondwerker
in een heiput. Dat gaat al dieper en dieper tot zijn staart langs ’t
water sliert en als hij ’t noodig vindt, om nog verder te gaan, dan
zwemt hij er lustig op los.

De bewegingen van den snavel stemmen met die der pooten overeen. In
stevige breede halen steekt hij door modder en water, grijpt wat hem
lijkt en rukt het los met forsche nekbeweging. Zoo haalt hij zijn
rietstengels uit de modderkanten en als hij een bekvol bij elkander
heeft, dan draagt hij ze naar het uitverkoren plaatsje op de
trilmodder.

De oude berichten gewagen ervan, dat de lepelaar vroeger hoog in de
boomen bouwde, en in zijn Horstermeer-tijdperk deed hij het nog in lage
wilgenstoven. In ’t Naardermeer evenwel worden de nesten gebouwd op de
dunne veenkorst of den vasteren bodem heel diep in ’t rietbosch.

Hij bouwt langzaam maar con amore. Als het eerste onderlaagje zich
boven het water verheft, dan wordt het gevierd met een bescheiden
familiefeestje. Uren lang staan de echtgenooten op de fundamenten van
hun paleis, elkander complimenteerend en nu gaan ze zelfs wel zoo ver,
dat ze een paar rauwe kreten uitstooten en als de uiterste extase
nadert, dan wordt niet alleen de breede snavel omhoog geheven, maar er
weerklinkt zelfs een onzeker geklepper, een flauwe herinnering aan den
ooievaarsratel.

De vergaderplaats aan den oostoever wordt nu minder bezocht; huiselijke
vreugd vervangt de convivialiteit en achter het hooge dorre riet,
waartusschen de jonge groene spruiten nu reeds een halven meter zijn
opgeschoten, spelen zich de allerintiemste tooneeltjes af. Daarvan heb
ik echter nog lang niet genoeg gezien, om er over te kunnen uitweiden.

Al hooger en hooger verrijst het nest uit het moeras, de onderste lagen
bijna alleen opgebouwd uit de bontgevlekte taaie rietwortelstokken.
Hoogerop komen doode rietstengels en eindelijk komt daarboven een
laagje van dorre rietgrasbladeren. Daarna wordt het eerste ei gelegd,
een mooi, groot, welgevormd ei, soms zuiver wit, maar veelal met enkele
bruinroode en groenachtige vlekken en stippen.

Nu is voortaan altijd minstens één der beide vogels op het nest
aanwezig. Na eenige dagen komt het tweede ei, de vogels gaan broeden en
dan kan het nog een heelen tijd duren eer het derde, of in zeldzame
gevallen het vierde ei het legsel voltallig maakt. Deze lange
tusschenpoozen hebben natuurlijk het gevolg, dat de jongen niet
tegelijk uitkomen en het komt niet zelden voor, dat het derde ei wordt
uitgebroed met behulp van de beide eerstgeboren jongen. Beide ouders
kunnen dan het nest verlaten, zonder dat het ei gevaar van verkoeling
loopt. Op onze foto is het middelste van de drie jongen ook duidelijk
kleiner dan de beide andere.

Ze zijn bedekt met dicht vlokkig dons, de oogstreek is geheel kaal. De
snavel is wel reeds breed, maar vertoont nog lang niet den
karakteristieken lepelvorm. Bovendien is hij zeer buigzaam en ietwat
gekromd, waardoor de jonge lepelaars een geheel ander type van
gelaatsuitdrukking hebben dan de oude.

Het is niet goed, nu in den eersten tijd de nesten te verontrusten,
want de jonge vogels zijn zeer vreesachtig en loopen bij het minst
alarm van het nest af. Ik weet niet, of de ouden er dan wel altijd in
slagen, ze in het rietbosch op te sporen en ze weer op het ouderlijke
platform te brengen.

Wijd en zijd gaan nu de ouden voedsel zoeken, en langs de heele
Zuiderzee, van Schellingwoude tot Harderwijk kunt gij ze nu aantreffen.
Ze waden tot de enkels in ’t water en slaan dan links en rechts met de
snavel door de modder. Iedereen ziet in, dat zij op deze manier
hoofdzakelijk de bodembewonende schaaldieren moeten bemachtigen en dat
’t heel moeilijk voor hen zou zijn, zoo al het vischbroed te vangen,
dat hun in de boeken wordt voorgediend. Hun hoofdvoedsel zijn garnalen.

In ’t midden van Juli zijn de meeste jongen al vlug. Ze zijn heel
gemakkelijk van de ouden te onderscheiden, doordat hun kuif zoo goed
als niets te beduiden heeft, hun snavel is aan de bovenzijde glad en
eenkleurig en de groote slagpennen hebben zwarte schaften en zwarte
strepen, iets, dat aan vliegende vogels op een afstand van wel honderd
meters heel goed is te zien.

Tegelijkertijd zijn er nog heel jonge vogels en zelfs nog wel een enkel
ei, zoodat de Julimaand in zijn eerste helft de meest geschikte tijd is
om zooveel mogelijk van de lepelaars te zien.

In Augustus worden de broedplaatsen verlaten en dan zwerven de
lepelaars een korte poos door het heele land rond, hoogstwaarschijnlijk
nog in gezinnen vereenigd. De Zwanenwaterkolonie vervroolijkt dan de
heele Waddenstreek en de Naardermeerders vertoonen zich iederen dag in
den modderdriehoek bij den Schellingwouder afsluitdijk. Wie een avond
doorbrengt aan het strand bij Valkeveen mag er op rekenen een troep van
deze vogels te zien voorbijtrekken in rustige vlucht. Ze vliegen niet
hoog; misschien twintig meters boven ’t watervlak. De lange hals is
recht uitgerekt, de snavel gaat eventjes schuin omhoog, de pooten zijn
recht achterwaarts gestrekt en vormen een natuurlijke voortzetting van
het slanke lichaam. Zoo vliegen ze in rechte lijn vlak achter elkander
met zeer regelmatigen vleugelslag, veel vlugger en flinker dan reigers:
je zoudt zeggen een goed getrainde bemanning van een tienriemsgiek.
Langzamerhand versmelten hun witte gestalten in ’t nevelig verschiet.

Dat zijn nu nog eens echte trekvogels. Al dat zorgeloos gedoe van
grutto’s, tureluurs, scholeksters en wulpen maakt op de zoele
zomeravonden ook wel groote vertooning van troepenformeering en
trekmanoeuvres, maar ’t zou mij zeer verwonderen, als ze verder gingen
dan de Wester-Schelde. De lepelaars echter vereenigen zich tot een
grooten troep en rusten niet, voordat zij hun Nijldelta hebben bereikt.
Meer nog dan de ooievaars verbinden zij Amsterdam met Alexandrië.







DE ZWARTE STERN.


Het zal niet lang duren, of ook dit vogeltje komt in het gedrang. Deze
bewering moge wat pessimistisch lijken, vooral voor hen, die de zwarte
stern kennen en weten, hoevele honderden er ’s zomers ons drassig land
bewonen en hoe veelzijdig het diertje zelf is.

Maar met die drassigheid van ons land wordt het al minder en minder,
stuk voor stuk worden door landbouw en veeteelt de verwaarloosde
terreinen opgeëischt. De droogmaking van de Zuiderzee, de regulatie van
de Vecht, de draineering van Friesland, ’t is alles slechts een kwestie
van tijd. Het turfbaggeren geschiedt met groote activiteit en overal
verandert het laagveenlandschap met zijn poelen en breede slikkige
slooten in netjes verkavelde kleipolders met een zoo gering mogelijk
wateroppervlak.

En als nu de zwarte stern niet bijtijds de huik naar den wind hangt,
dan zal het hem hier gaan als in Engeland, waar hij, ook al tengevolge
van draineering en intensieve cultuur, sedert een halve eeuw het
broeden heeft moeten opgeven.

Ik moet eerlijk zeggen, dat het mij moeite kost, mij daarvan een
voorstelling te maken: heel Engeland zonder zwart sterntje. ’t Is haast
ongelooflijk. Maar ’t staat in de boeken, en als die zoo iets erkennen,
dan zijn ze wel te gelooven. En er staat bij, dat ieder jaar enkele
paren zich langs de Oostkust vertoonen, om een broedgelegenheid te
zoeken, maar die vallen meestal als slachtoffers van verzamelaars en
rariteiten-jagers.

Over het algemeen worden de menschen nog al eens tamelijk bezorgd,
wanneer er cholera of pest in de buurt is. Nu hebben wij hier iets in
de buurt, dat wel niet zoo onmiddellijk ons hachje raakt, maar toch
heel onaangenaam aandoet: een land, dat slag op slag zijn broedvogels
verliest, zonder dat er zich nieuwe soorten vestigen.

Ziehier het lijstje van de Engelsche verliezen in de laatste eeuwen:
kraanvogel, trapgans, ooievaar, kwak, woudaapje, roerdomp, kluit,
kemphaan, grutto, wielewaal, spotvogel, snor, wouw, buizerd, havik,
bruine kiekendief, geoorde fuut, zwarte stern. En dan kunnen nog wel
een tiental soorten genoemd worden, die er zoo goed als niet meer
broedend voorkomen.

Ik heb mij vroeger wel eens vroolijk gemaakt over de naargeestige
declamaties van al te ijverige vogelbeschermers—en ik houd nog altijd
vol, dat ze rare dingen beweerd hebben—maar in den laatsten tijd is er
bij mij den schrik ook ingekomen en heb ik wel eens medelijden met mijn
achterkleinkinderen. Dat moet toch niet aardig zijn, als de mooie
verscheidenheid van dieren- en plantenleven vermindert en de zoo
levendig gestoffeerde vogellandschappen van tegenwoordig zullen
verdwijnen. Die achterkleinkinderen zullen vechten om een roeibeurt in
’t Naardermeer.

Na de koeten is er niet een vogel, die ’t Meer zoo aardig stoffeert als
’t zwarte sterntje. Van zijn aankomst in ’t laatst van April tot zijn
vertrek in September zwerft hij rond over plassen en poelen, langs
waterlanen en kreken, den heelen langen zomerdag, spiedend naar zijn
veelvormig voedsel, zorgend voor zijn steeds hongerig kroost.

Hij lijkt nog meer op een zwaluw dan de andere sterntjes, zijn staart
is iets korter, zijn vleugels langer en de nek niet zoo geprononceerd.
Het gewone witte vischdiefje en vooral de groote stern vertoonen onder
’t vliegen een heel stuk nek, wat soms niet mooi is. Bij het zwarte
sterntje is de aansluiting van kop en romp mooi gelijkmatig en daardoor
wordt het mooie vogeltje een echte compacte vliegmachine.

Toch bestaat er een groot verschil tusschen zwaluwvlucht en
sterntjesvlucht. Zwaluwen slaan hun vleugels uit in een veel sneller
tempo, om telkens weer geruimen tijd op uitgespreide wieken te zweven.
Nu zweven de zwarte sterntjes ook wel, maar nooit lang achtereen en hun
vleugelslag is dikwijls zoo langzaam en bedaard, dat iedere beweging is
na te gaan. Je kunt de slagen tellen en dat lukt bij de zwaluw nooit.

Door dien langzamen slag lijkt het sterntje zeer gemakkelijk te
vliegen. ’t Is, alsof het hem in ’t geheel geen inspanning kost en
alsof hij alleen uit speelschheid zijn loodkleurige wieken veerend op
en neer slingert.

Dat zou ik zijn wandelvlucht willen noemen. Anders is het, wanneer hij
druk werk heeft: kikkervischjes vangen, schrijvertjes en
schaatsenloopers oppikken, muggenlarven en watertorren verschalken,
visschen, vliegende insecten ophappen, wormen zoeken en wat al meer,
want zoo’n sterntje doet van alles.

Kikkervischjes vangt hij aan den waterkant, net als een schooljongen,
met dit onderscheid evenwel, dat hij niet aan den waterkant gaat zitten
met een schepnetje, maar klapwiekend in de lucht even stilstaat, tot
hij zijn prooi goed in ’t zicht heeft, om dan bliksemsnel neer te
schieten in ’t ondiepe water en den bullekop in zijn zwarten snavel te
pakken. De mondhoeken zijn rood.

Hij heeft een zoo groote juistheid van blik en een zoo zekere vlucht,
dat hij de schaatsenloopers, die op hun ranke pooten rondloopen op het
wateroppervlak er afpikt, zonder dat hij ’t water zelf raakt: een
verschilletje van een millimeter. En dat hij schrijvertjes kan vangen
moet ieder met verbazing vervullen, die weet hoe snel deze wezentjes
elk naderend gevaar bespeuren en op hoeveel manieren zij zich uit de
voeten kunnen maken.

Het spreekt vanzelf, dat voor zoo’n vogel het vangen van watertorren,
muggenlarven en kleine vischjes kinderspel is.

Hij is veel meer insectenvanger dan visscher en wordt dan ook op bouw-
en weiland meer aangetroffen, dan eenig andere sterntjessoort. Evenals
de zwaluwen vliegen ze meestal in gezelschap en al naar den aard en
hoeveelheid van de prooi kunt ge ze dan in wolken zien dwarrelen of in
rijen onstuimig zien voorwaarts schieten. Haften, schietmotten en
elzenvliegen worden zonder moeite vermeesterd, maar de groote libellen,
vlugge zweefvliegen of grillige vlinders vereischen veel zwenken,
draaien en stilstaan, met veel vleugelgeklep en staartgesprei.

Sprinkhanen pakken ze heel netjes van den grond op, zelfs de veldkrekel
is aan den ingang van zijn hol niet voor hem veilig. Heel dikwijls heb
ik gezien, wat bij Naumann verteld wordt, nl. dat ze langs hoopen
paardenmest of koevla heenvliegen, om de insecten op te schrikken en
dan ineens rechtsomkeert maken om ze te vangen. Dat is eigenlijk
kwikstaartjeswerk.

Ofschoon het zwarte sterntje bij het bouwen van zijn nest een minder
groote verscheidenheid vertoont dan het gewone vischdiefje, volgt hij
toch ook niet een vast schema en zijn er zelfs in ’t Naardermeer drie
verschillende typen op te merken, terwijl elders in ons land nog een
vierde wordt aangetroffen.

Het meest traditioneel, maar niet ’t meest algemeen is het zwarte
sterntjesnest op levende waterplanten. In het meer vinden we dan ook in
één vaart de nesten op de dicht opeen groeiende rozetten van de
water-aloe of krabbeschaar en op een andere plek rusten ze op een
mooien effen vloer van waterleliebladeren. Het nest zelf bestaat dan
uit weinige dorre stengels en bladeren, ligt zeer dicht op ’t water en
gaat bij iederen golfslag op en neer. Dat is nu niet zoo heel erg, want
de golfslag heeft in zulke dichtbegroeide slooten niet veel te
beduiden.

Verreweg de meeste nesten worden gevonden op saamgewaaide hoopen van
stengels en bladeren van oeverplanten, voornamelijk van riet, egelskop,
kalmoes en lischdodden. Deze planten vermenigvuldigen zich door hun
uitloopers zoo sterk, dat men genoodzaakt is telkens de kanten der
vaarten af te steken, anders zou er in korten tijd geen doorkomen aan
zijn. De afgesneden stengels laat men ronddrijven en die vormen dan in
rustige en beschutte hoekjes uitgestrekte vlotten.

Hierop nestelden nu de zwarte sterntjes en we hebben gezien, dat ook de
zwartkopmeeuw zijn voordeel er mee doet. Steenhuizen geeft hiervan in
zijn stereoscoop-collectie een zeer mooi en uiterst leerzaam voorbeeld.

Niet minder belangrijk echter is de foto van Tepe, die het derde type
bijzonder gelukkig illustreert. Dit is een zeer verlaten uithoek van
het Meer, geheel begroeid met egelskop, dat nu weer opnieuw zijn
donkergroene stijve bladeren omhoog steekt. De planten ontwikkelen zich
daar ongestoord, niemand komt het vergeten modderhoekje bezoeken en
tegen den winter sterft alles af, zooals het stond.

De afgestorven bladeren en stengels blijven gedurende den winter staan,
knikken bij hevigen wind door en vormen dan verwarde bundels, zooals in
den linker-bovenhoek van de plaat, schuin boven het nest met de eieren
heel mooi te zien is.

De sterntjes hebben nu niets anders te doen, dan die massa nog wat
ineen te drukken, hier en daar een stengel of blad door te breken en
dan hebben ze een onderlaag voor een nest, even ongenaakbaar als
krabbeschaar of rommelvlot en veel steviger, want de oude stengels en
bladeren zijn nog in verbinding met den modderbodem, terwijl nieuwe
bladbundels door het nest heengroeien en het zoo op twee, drie plaatsen
vaststeken.

Sommige individu’s zijn hiermee tevreden, andere sleepen nog een massa
materiaal er bovenop, waardoor zoo’n nest van het derde type ook weer
een zeer aanzienlijken omvang kan krijgen.

Een groot contrast met deze drie typen vormt een vierde, dat wij op
Texel aantroffen. Daar nestelt het zwarte sterntje op natte hooilanden.
Geen vlot, geen trilbodem, geen waterplanten: de eieren liggen op een
klein bodempje van doode stengels en dorre grasjes vlak op den grond,
haast net als kievitseieren. Toch is het altijd niet zonder eenige
moeite te bereiken, daar het dier steeds de laagste plekken van het
hooiland kiest, die altijd min of meer overstroomd zijn.

Het legsel bestaat in den regel uit drie eieren, dikwijls uit twee, een
heel enkele maal uit vier. De eieren zijn betrekkelijk groot, meer
peervormig dan de andere sterntjeseieren en zeer donker van kleur:
bruin met bijna zwarte vlekken.

Zoodra de zwarte stern eieren of jongen heeft, stormt hij als een
kleine zwarte furie op alles los, wat hem te dicht naar zijn zin in de
buurt van zijn nest komt. Er komt geen eind aan hun geschreeuw van
„krie-ie, krie-ie” en ze chargeeren zonder ophouden. Ik geloof dan ook
niet, dat de kraaien en bruine kiekendieven er dikwijls in slagen hun
een ei te ontfutselen, vooral omdat ze elkander trouw bijstaan.

De jongen blijven niet heel lang op ’t nest. Ze kunnen, zoodra ze uit
’t ei komen al wel een beetje loopen, maar daar maken ze heel weinig
gebruik van, als wisten ze, dat het niet goed met hen zou afloopen, als
ze van hun vlotje rolden. Want al die meeuwen en sterntjes zijn een
heel ander genre van zwemvogels dan eenden en ganzen. Deze kunnen
dadelijk zwemmen, maar een sternjong of een meeuwenjong zou al heel
gauw nat worden en verdrinken.

Wanneer nu de sterntjes en meeuwen nestelen op de weilanden of
zandvlakten van den polder, dan is voor de jongen ’t gevaar van
verdrinken niet zoo groot, maar in ’t Naardermeer hebben de ouden er
steeds voor te zorgen, dat de jongelui niet van ’t nest afdwalen. Wie
de broedplaatsen bezoekt, mag daar wel om denken, want die jonge vogels
zijn zeer schuw en als ze worden opgeschrikt, loopen ze om een
haverklap van ’t nest af.

Dan gaan de ouden allerjammerlijkst te keer en wij hebben wel gezien,
dat ze zoo’n reislustig jong met stompen en duwen weer op het nest
brachten.

Het liefst brengen ze hun jongen naar de plaatsen waar de waterlelies
dicht opeen groeien. Daar kun je dan in Juli de jonge zwarte sterntjes
bij troepen op de groote groene plompeblaren zien zitten, wachtend op
’t voedsel dat de ouden hun brengen. Als ze wat vlugger worden, gaan ze
met de ouden meevliegen, als die op jacht zijn, en dat ziet er dan wel
naar uit, alsof ze onderricht genoten.

In Augustus zijn de jongen groot. Ze hebben dan een wit voorhoofd,
witte wangen en ook veel wit aan de onderzijde van ’t lichaam. Nog
eenige dagen blijven ze in ’t Meer rondzwerven, tot troepen vereenigd.
Ze houden ervan, om in rijtjes stil te zitten op schuttingen en palen,
en op den middag en ’s nachts slapen ze op de nu ongebruikte
woonvlotten, die bij langdurig droog weer weldra wit zien van de
uitwerpselen.

Als ze de groote reis gaan aanvaarden, dan verlaten ze hun
geboorteplaats in het uur na zonsondergang.









III.

IN DE DUINEN.


DE WULP.


Er is voor den naspeurder van vogelgewoonten geen geriefelijker en
rijker onderzoekingsterrein te bedenken, dan de duinen. Nergens kun je
je zoo gemakkelijk verschuilen, nergens bestaat zoo goede gelegenheid
om de „prooi” ongemerkt te naderen, en nergens kun je zoo gerust en met
zoo weinig gevaar voor gezondheid of kleeding de horizontale positie
aannemen.

Voor een liggend mensch zijn de vogels lang zoo bang niet als voor een
zittend of loopend individu, en als men zich verbergt onder gras of
struiken, dan hebben ze in ’t geheel geen erg. Dat komt, doordat de
vogels geheel afgaan op het gezicht en het gehoor. Hun reukzintuig is
zeer slecht ontwikkeld en daardoor is de vogeljacht heel wat
gemakkelijker dan het besluipen van gemzen of herten.

Meen nu niet, dat het opeens zoo heel gemakkelijk gaat. De scherpte van
het gezicht grenst bij de vogels aan het ongelooflijke: zij zien mijlen
ver en de minste lichtflikkering in hun nabijheid wordt terstond
opgemerkt. Menig aardig tooneeltje is mij ontgaan, doordat de vogels
verontrust werden door de spiegeling van het objectief van den
verrekijker en dat terwijl ik verscholen zat in ’t dichtste gebladerte.

Bovendien zijn ze uiterst wantrouwig. Als ze je hebben zien binnengaan
in een boschje of wegkruipen onder een struik, dan duurt het wel een
half uur, voordat ze de zaak vertrouwen, en ge moet dan ook alles, wat
ge gedurende dat eerste half uur kunt waarnemen, beschouwen als een
meevallertje. Doch daarna kunnen ook de aardigste dingen gebeuren in uw
onmiddellijke nabijheid.

Maar dat kost dan ook uren: een uur om naar het terrein van waarneming
te loopen, een halfuur wachten, eer het geschokt vertrouwen hersteld
is, en dan nog een uur waarnemingen doen, dat is samen twee en een half
uur. Daarom is het ’t best, de vogeljacht te beoefenen bij wijze van
ontspanning, dan wordt het: een uur wandelen en anderhalf uur languit
in ’t duin liggen, wat allebei bezigheden zijn, die op zich zelf reeds
tot de alleraangenaamste mogen gerekend worden.

Zomer en winter is dat vol te houden. Zelfs bij vriezend weer kunt ge,
mits behoorlijk gekleed, in de duinen op den loer liggen, altijd is er
een luw plekje te vinden, al is het ook niet altijd dat summum van
lekkerheid: uit den wind en in de zon. De dichte duindoorns, meidoorns,
die langzaam gegroeid zijn, en vooral de fijn vertakte liguster, geven
een uitmuntende bescherming tegen den wind, en het lange helmgras of
struisriet levert ligstroo in overvloed. Natuurlijk moet je die nooit
uittrekken, maar met een scherp mes afsnijden.

Zoo heb ik dan in het Bloemendaalsche duin mijn wachtkamers en
schuilholen, waar ik gerust den nacht zou kunnen doorbrengen.

Wie nu geen zin heeft in dat stilliggen, kan ook zijn heil zoeken in
actief optreden, en daar heb ik ook al mooie resultaten van gehad. De
landwaartsche helling van de duinrichels is altijd steil: hellingen van
meer dan zestig graden zijn geen zeldzaamheid. En nu is het een
uitstekende methode, om eerst door boschjes en struiken, desnoods op
handen en voeten kruipend, ongezien den voet van zoo’n steile helling
te bereiken en die dan voorzichtig te beklimmen of liever te bekruipen
op een plek waar de richel het smalst is.

Dan heb je, zoodra je boven bent, ineens een overzicht over de heele
volgende vallei, en ge kunt het treffen, de fazanten en patrijzen,
wulpen, kieviten, boompiepers of tapuiten van heel nabij aan hun
bezigheden te zien. Maar pas op, dat uw hoofd niet merkbaar over den
richel uitsteekt. De laatste stijging moet o zoo langzaam geschieden;
millimetersgewijze. En als dan op ’t laatste oogenblik zoo’n
ongeluksdier van een konijn de lucht van je krijgt en verschrikt
wegholt, dan is ook opeens alles bedorven: de fazanten, patrijzen
verschuilen zich in ’t hout en de wulp springt met zijn lange beenen
een el van den grond, slaat zijn wijde wieken uit en gaat in een
grooten kring schreeuwend om je heen vliegen: „kloe-iet, kloe-iet”,
lang uitgehaald en helder van toon galmt het over berg en dal en al
naar zijn temperament en den toestand van zijn huisgezin, blijft hij u
korter of langer begeleiden.

Hij komt niet dichtbij, maar ’t is zoo’n groote vogel, dat de gebogen
snavel, het grijze lichaam en de lange pooten, die even buiten den
staart uitsteken, duidelijk te zien zijn. Al heftiger wordt zijn
geschreeuw, zijn onrust neemt toe, naarmate wij voortstappen en nu
daalt hij zelfs neer met trillende, wijd uitgespreide vleugels. Op een
duintop gaat hij staan, waar zijn prachtig silhouet mooi uitkomt tegen
de lucht.

De snavel lijkt nu veel grooter dan in de vlucht. Stilstaan kan hij nu
niet. Hij loopt met groote stappen over ’t zand, beweegt den kop op en
neer, zoodat de kromme snavel langs de wolken schermt en eindelijk
springt hij op en begint opnieuw zijn kringvlucht en krijgsgeschreeuw.

Nu komt hij weer aan den anderen kant. Op eens klinkt uit de richting
van zijn eerste standplaats een welluidend: „wie, wie, wie.” Daar is
wulp nommer twee; ze hebben in de buurt een nest of jongen en nu kunnen
we systematisch een paar uur gaan zoeken, of op een gunstig toeval
vertrouwend de vallei snel doorkruisen om het nest te vinden.

Meestal lukt dat niet, doordat men te ongeduldig is of doordat men
tijdig aan een spoorwegstation moet verschijnen. Wie echter een
wulpennest wil vinden, moet zich met dergelijke wissewasjes niet
ophouden.

Wat een voldoening, als je eindelijk voor het nest staat! De eieren
behooren tot de grootste, die er in ons land te vinden zijn. In vorm en
kleur hebben ze wel wat van kievitseieren maar de schaal is gladder en
de tinten zijn veel fijner en warmer. Misschien vind ik ze wel zoo
mooi, omdat de vondst van een wulpennest altijd een buitenkansje is,
terwijl de kievitsnesten zoo maar voor het grijpen zijn.

Sommige menschen zijn verzot op wulpeieren en vinden ze veel lekkerder
dan kievitseieren. In ieder geval zijn ze veel grooter, maar het dunkt
mij toch verkeerd, die eieren te rapen. De wulp broedt tamelijk laat,
de argumenten, die aangevoerd kunnen worden ten voordeele van het rapen
van kievitseieren gaan hier dus in het geheel niet op. En er broeden
veel te weinig wulpen in onze duinen. Ik zou willen, dat er in iedere
vallei minstens één paar nestelde. Wat zou het dan vroolijk in de
duinen toegaan!

Want de wulp is een vroolijke vogel. Hij schreeuwt lang niet altijd uit
angst of boosheid, maar dikwijls uit pure pret. Dan wordt zijn geroep
een snelle opeenvolging van mooie metaalachtige fluittonen, vol en
melodieus en evenals de zang van de merel goed en prettig binnen het
bereik van ons gehoor.

De meeste vogels zingen ontzettend hoog; één of twee octaven hooger dan
het zesde hulplijntje boven den balk, maar de wulp blijft zoowat in de
vijfde positie op de e-snaar en dat is voor een vogel al een heel laag
geluid. Hij beschikt over velerlei geluiden. Wanneer hij zijn lentelied
gaat zingen, dan laat hij nog op den grond staande meestal een soort
van introductie hooren, bijna binnensmonds: „truu, truu, truu,” ietwat
herinnerend aan het gekrieuw van kippen, maar er zit meer klank in. Dan
gaat hij vliegen en dan komt het welbekende „kloeiet, kloeiet” dat
langzaam maar sterk wordt uitgeroepen, de eerste lettergreep gerekt, de
tweede korter. Langzamerhand wordt het tempo sneller, de articulatie
zwakker en er ontstaat een soort van gejodel, dat mij in de ooren
klinkt als „keloeje, keloeje, keloeje.”

Aan deze geluiden heeft hij zijn Engelschen naam van „curlew” en de
Fransche „courlis” of „louis” te danken. Het mannetje is veel
luidruchtiger dan het wijfje, dat echter gerust kan meedoen en alleen
in de lang uitgehaalde mooie tirades te kort schiet.

In April ga ik er altijd op uit, om den wulp te zien dansen en het
spijt mij altijd, als er een jaar voorbij gaat, zonder dat ik het
gezien heb. Als nu iedere duinvallei een verliefd wulpenpaar herbergde,
dan zou dat veel makkelijker gaan.

De heele vertooning is nog al gevarieerd en doet denken aan de
vertooningen van vele andere vogelsoorten. Het begint met een paar
kraanvogelpassen; de wulp stapt in ’t rond met stijve beenbewegingen en
herhaald opheffen en nederdalen van den langen snavel. Dan staat hij
opeens stil en roept eenige malen kloeiet, kloe-iet. Een zeer
zonderlinge indruk maakt het, dat hij daarbij meestal zijn aangebedene
in het geheel niet aankijkt, maar als het ware in een welsprekend
terzijde den hemel en de heuvels ten getuige roept, bij wat hem in
vervoering brengt.

En dan gaat hij uitpakken. Zijn voornaamste voortreffelijkheden,
snavel, vleugels en pooten en ’t mooie geluid heeft hij reeds vertoond,
maar er is nog iets in petto. Hij gaat nu rondloopen met hangende
vleugels (kluitenmanier) en klept herhaaldelijk den waaiervormigen
staart uit- en in.

Deze pauwenmanoeuvre is heel mooi, want die staart is werkelijk een
verrassing. De wulp is nog al eenvoudig van kleur en teekening;
donkerbruine veeren met lichtbruine randen en aan de bovenzijde en aan
de borst en buik geelgrijze veeren met donkere vlekken en strepen; heel
mooi en des te mooier naarmate je het beter beziet, maar in ’t geheel
niet opzichtig. Integendeel, de kleuren zijn zoo, dat de broedende
vogel haast niet kan worden opgemerkt.

Maar onder die schutkleuren zit de witte rug, versierd met zwarte
strepen en aan ’t eind daarvan de staart. Die bestaat uit driemaal vier
veeren; de middelste vier zijn aschgrauw met een tiental zeer donkere
dwarsstrepen en de vier buitenste aan elken kant zijn spierwit met tien
zwarte dwarsstrepen. Soms zijn er negen, maar dat doet er niet toe.

Wanneer nu die staart wordt uitgespreid, dan komt er een bonte
dambordfiguur, die al van heel ver duidelijk te zien is. Dat is me een
beweging, zooals nu die staart uit- en inklapt. De vogel wordt hoe
langer hoe meer opgewonden, nek en snavel bewegen zich in
overeenstemming met den staart en eindelijk buigt hij voorover, legt
den kop langs den grond, steekt den pronkstaart in de lucht en blijft
zoo eenige seconden onbeweeglijk stilstaan.

Soms raakt het wijfje nu ook een beetje aan het dansen, maar meestal
doet ze wat schuchter en wil ze liever de plaats verlaten. Dan gaat de
man als een dolle om haar heen loopen, tot ze hem zijn zin geeft, of ze
drijft haar zin door en vliegt weg, waarop hij dan onder klagelijk
gehuil mistroostig een kilometer of zoo de lucht rondvliegt met
zweeftoeren op en neer als de baan van een montagne russe.

Ik had gehoopt, dat ze vaste paradeplaatsen zouden hebben, maar dat
schijnt zoo niet te zijn. Mannetje en wijfje vliegen in April zoowat
den heelen dag en vrij zeker ook den heelen nacht in elkanders
gezelschap rond en als het wijfje zich ergens neerzet, dan is het
mannetje dadelijk klaar, om zijn kraanvogel-pauwendans te beginnen. Mij
dunkt, ze moet dat op ’t laatst wel wat vervelend vinden.

Het einde van ’t liedje is intusschen, dat het wijfje ten slotte
terecht komt op de vier groote eieren en dat het mannetje de wacht moet
betrekken op de heuvelen. Het bouwen van het nest veroorzaakt weinig
moeite; het nest op onze fotografie is een der best afgewerkte, die ik
ooit van een wulp gezien heb. Er blijkt ook uit, dat de vogel gaarne
gebruik maakt van een begroeiden ondergrond, in ons geval was er een
dikke laag van rendiermos.

De broedende vogel zit met den nek ingetrokken, den snavel neergebogen,
vaak rustend op den grond. In ’t eerst is hij erg schuw en bij het
minste alarm sluipt hij weg van ’t nest, om een heel eind verder op te
vliegen. Naarmate het broeden vordert, wordt de vrees overwonnen door
de zorg en zoo kan het dan gebeuren, dat ge, mits rustig loopend en
wakker uitziend, vlak bij een broedenden wulp kunt stilstaan, zonder
dat hij wegvliegt.

Maar het groote oog is in angstige spanning op u gericht, iedere zenuw
is in werking, elke spier tot den arbeid gereed. Plotseling begeven
alle remzenuwen het; met een sprong en een schreeuw, met de hevigheid
van een ontploffing, gaat de vogel de lucht in. De vrees heeft
overwonnen.

Wat nu nog onze foto betreft, zou ik wel willen weten, hoe dat
konijnepilletje in het nest komt. Is het een onbescheidenheid van de
konijntjes of een bewijs voor de hypothese van Selous?

Van de jonge wulpen weet ik zoo goed als niets. Wel, dat ze zeer kort
na het uitkomen het nest verlaten en de kunst van schuilvinkje beter
verstaan dan eenige andere steltlooper. Waren er wat meer broedende
wulpen in onze duinen en op onze heiden, dan was de kans op een
ontmoeting natuurlijk veel grooter.

Nu zie ik ze pas, als ze al lang vlug zijn en in de maanden Juli en
Augustus met ander jong goed vliegen van het strand naar de weide, van
de weide naar het strand. In de boeken staat, dat de wulpen onder
elkaar zeer gezellig zijn, maar zich met andere vogels niet ophouden.
Dit laatste is wat de jongen betreft, beslist onwaar. Iederen zomer
kunt ge ze aantreffen in gezelschap van jonge grutto’s en jonge
scholeksters op de hooge weiden in ’t midden van Texel, op het
slijkerig strand bij Valkeveen in ’t Gooi, op ’t Friesche wad en aan de
weinige duinplassen, die ons nog resten. Ze zijn als jonge vogels
altijd dadelijk te kennen aan den vrij korten snavel, de tamelijk dikke
pooten en aan den lichteren tint van het gevederte, dat in zijn lichte
partijen bij hen wit, bij de ouden geelachtig is. Ook zijn ze aan
staart en onderzijde minder gevlekt.

Doordat ze minder schuw, minder voorzichtig of minder waakzaam zijn,
dan de ouden, is het nog al gemakkelijk, iets gewaar te worden van hun
manieren en gewoonten. Op de hoogvlakte is hun voornaamste bezigheid
stilstaan, slapen en insecten vangen. Vogels zijn virtuosen in het
stilstaan en stilzitten, vooral de zwemvogels en steltloopers. Meestal
doen ze dat, omdat ze niets anders te doen hebben. Zoo ook deze jonge
wulpen, ze staan letterlijk als beelden en heel dikwijls vierkant op
twee pooten.

Soms geeuwt er een, maar er kan een kwartier voorbijgaan, voordat er
een een vin verroert. Toch is dat stilstaan niet altijd niets doen,
want nu strekt er een plotseling den nek, buigt den snavel naar den
grond en hapt een insect op. Ook gaat soms een geopende snavel de
hoogte in, klapt dicht, en de dikke vlieg of het mestkevertje is
gevangen.

Bijna alle steltloopers vangen insecten op deze manier, niet als
hoofdbezigheid, maar als meevallertje gedurende de siësta. Ik heb wel
gezien, dat lepelaars zoo hapten naar libellen en dat was een heel
geval, zooals die groote breede snavel door de lucht gezwaaid werd en
de platte kaken samenklapten om het dunlijvig insect.

Als er wat veel sprinkhanen in een wei zijn, dan maken de wulpen er
formeel jacht op. Ze stappen heen en weer door ’t gras en waar maar een
sprinkhaan zich verschrikt uit de voeten maakt, wordt hij dra
achterhaald door den snel vooruitgestoken krommen snavel. Soms ook
raakt de heele wulp in een draf en als een heele troep in een weiland
bezig is, dan wordt dat een heel aangename en tierige vertooning. Er
wordt geen woord bij gesproken.

Opeens vliegen alle wulpen op. De grutto’s en tureluurs blijven op het
weitje, maar de wulpen vliegen westwaarts; eerst in een troep, dan in
een breede lijn en eindelijk in een V. Die verschikkingen gaan zoo
geleidelijk en gewoon, dat ge vanzelf de overtuiging krijgt van hun
noodzakelijkheid. Als ze in den V-vorm vliegen, dan profiteeren ze
ieder zooveel mogelijk van elkanders vleugelbewegingen.

Het is niet zoo heel gemakkelijk, zich een goede voorstelling hiervan
te vormen. Meestal stelt men zich tevreden met te denken dat de V-vorm
een vliegende troep beter in staat stelt, om de lucht te doorsnijden.
Ik geloof niet, dat dit in de eerste plaats van belang is. Indien we de
lucht rondom een vliegenden vogel eens zichtbaar konden maken, dan zou
blijken, dat iedere vliegende vogel omringd wordt door een groot aantal
luchtstroomingen, die hij zelf veroorzaakt met zijn vliegbeweging.

Elke vogel is zoodoende het middelpunt van een stormsysteem. Nu gaan de
vogels zich zoo plaatsen, dat ze zooveel mogelijk voordeel hebben van
elkanders luchtstroomingen. Een klein verschil in plaats, een kleine
verandering in het tempo van de vleugelbeweging kan het voordeel doen
verkeeren in nadeel Dit zou allemaal wiskundig kunnen worden
aangetoond.

Men behoeft maar even aandachtig naar een troep vliegende ganzen of
wulpen te zien, om de overtuiging te krijgen, dat de beweging van den
heelen troep en elke beweging van de afzonderlijke individu’s aan
bepaalde wetten gebonden is. Het geheel maakt een heerlijken indruk van
harmonie. Let er vooral op, dat de bewegingen niet gelijktijdig
gebeuren, maar bij iederen volgenden vogel een deeltje van een seconde
later, dan bij de vorige, zoodat er een regelmatige bewegingsgolf door
den heelen troep vaart.

Waar gaan onze sprinkhaanjagers nu zoo ineens naar toe? Wel naar de
zee: het ebt, de slikken loopen droog en nu kunnen ze daar in zeer
korten tijd een copieus maal verorberen.

Hoe weten ze zoo precies, dat juist nu zes kilometer hier vandaan aan
de andere zij van de hooge duinen krabbetjes en klein goed te
verkrijgen is? Hoe wist heel Gallië in minder dan geen tijd elk
belangrijk nieuws? Wel, de eene Galliër schreeuwde het more suo den
andere toe en zoo verspreidde het nieuws zich met de snelheid van het
geluid, dat is 333 M. per seconde.

Met de eb-tijding gaat het op dezelfde manier. De vogels dicht bij ’t
strand zien, dat er wat te bikken valt en vliegen er heen. Anderen zien
dit gebeuren en richten ook hun vlucht dien kant uit en zoo beweegt
zich dan binnen weinige seconden de heele troep van meeuwen,
scholeksters, wulpen en kraaien zeewaarts. Op een hoog duin in een
drukke vogelbuurt kan men dit op de minuut af zien gebeuren. Aan de
Zuiderzee met zijn gering verschil in waterstand gaat het niet zoo
punctueel toe, hier regelen zich de bewegingen meestal naar den stand
der zon.

Aan ’t strand gedragen de wulpen zich op velerlei manier. Ze pikken
rond in het aanspoelsel, dat geheel op ’t droge ligt, in de
terugtrekkende golf, en op de slikken visschen ze de slijkpoelen en
kreeken af. Dat is eigenlijk hun hoofdbezigheid. Met wat een vuur en
overtuiging steken ze den buigzamen snavel met de harde punt in de
weeke modder. Hoe weten ze de kleine diertjes uit te zoeken en haastig
naar binnen te werken?

Het water is hun niet licht te diep. Ze houden ervan, om tot over de
hielen door ’t nat te plassen en als er een ondoorwaadbaar gedeelte
komt, dan zwemmen ze rond met evenveel gemak als een kluit of een
scholekster. Ze hebben dan ook vrij belangrijke zwemvliezen tusschen
alle drie de voorteenen en hun veeren worden niet gauw nat.

In het najaar zijn de wulpen geduchte besseneters. Het meerendeel van
de kraaibessen van Bergen en de Noordzee-eilanden valt hun ten deel en
zij dragen niet weinig bij tot de verspreiding van deze plant. Overal
vindt ge daar in Augustus de blauwe uitwerpselen met de zaadjes er nog
in en menige duinenvallei, die tien jaar geleden niet anders was dan
eene kale vlakte, is nu aardig begroeid door de goede zorgen van onzen
kromsnavel.

Op Terschelling komen zij ook hun deel eischen van de mooie roode
bessen van de lepeltjeheide (Vaccinium macrocarpon) en alweer is het
aan hun hulp te danken, dat deze fraaie en voordeelige plant zich thans
heeft uitgebreid tot de meest westelijke valleien van Terschelling en
zich ook reeds op Vlieland, op Texel en op het vasteland begint te
vertoonen.

In ’t Oosten van ons land voedt hij zich met de andere
Vaccinium-soorten, zoodat hij een bessenkweeker van den eersten rang
mag heeten.



Hoogstwaarschijnlijk gaat het met de wulpen als met de jonge
zwartkopmeeuwen en broeden zij niet voordat zij twee jaar of ouder
zijn. Zoo komt het, dat er het heele jaar ongepaarde wulpen rondzwerven
door duin en hei en langs het strand.

Er komt zelfs in ons land een wulpensoort voor, die hier nooit broedt,
nl. de regenwulp, die van de gewone gemakkelijk te onderscheiden is
door zijn geringere grootte en een lichten streep over het midden van
den kop. Deze vogel heeft zijn broedplaatsen in ’t Noorden, maar de
ongepaarde exemplaren blijven rondzwerven langs de heele Atlantische
kust.

Met onzen grooten wulp gaat het net zoo. Hij nestelt nog in België,
Frankrijk en Spanje, maar al deed hij dat niet, dan zouden daar in den
zomer nog wel zwervelingen worden aangetroffen. Ja, wij kunnen
aannemen, dat er in het najaar wulpenposten zijn van Noordkijn tot Cap
Verd en misschien wel tot aan de Tafelbaai.

Dit is voor den trek der vogels van de allergrootste beteekenis. De
groote vraag: „hoe weten de vogels hun weg?” is voor de wulpen heel
gemakkelijk te beantwoorden. Ze vinden hun weg, net als een fietser
door Nederland, doordat er overal wegwijzers zijn.

Ze trekken zoowel bij dag als bij nacht, soms laag, soms zeer hoog,
maar meestal met luid geroep. Het is voor den natuurvriend een van de
heerlijkste gewaarwordingen, om hun wild „tloe-iet, tloe-iet” te
hooren, ’t zij op den middag boven de drukte van de stad, hetzij in den
stillen nacht. ’t Meest zijn ze te hooren in September en October na
stormachtig weer.

O, ’t kan soms zoo ver en zoo fijn klinken. Maar hoe ver en fijn ook,
altijd hooren andere wulpen het nog veel fijner en beter dan gij en die
geven onmiddellijk antwoord. Zoo wordt de troep voortgeleid van strand
tot strand en wanneer ze zich neerlaten, om te rusten of voedsel te
zoeken, dan vinden ze dadelijk kameraden, die daar de kaart van het
land kennen en bij wie ze zich kunnen aansluiten.

De terugtocht in de lente is weinig lastiger, want ook gedurende den
winter blijft de postenketen bestaan, daar de meest geharde en sterkste
individu’s het meestal met succes probeeren, om in de Noordelijke
gewesten te blijven vertoeven.

Het gezelligheids-instinct komt hierbij onze wulpen dus heerlijk te pas
en die enkele lokroep van „tloe-iet, tloe-iet” vervangt al onze
reisboeken en atlassen. Daarom hoor ik hem zoo graag.







DE NACHTZWALUW OF GEITENMELKER.


Natuurlijk gelooft geen mensch het geitenmelkersprookje. Ook is het
niet verzonnen door onze boeren, of door de Engelsche, Fransche of
Duitsche, Hongaarsche, Zweedsche of Spaansche boeren, want die zijn
daarvoor allemaal te slim of te onverschillig. De meeste
plattelandsmenschen kennen den vogel heelemaal niet en het verhaal
benevens den naam van geitenmelker is doodeenvoudig een gevolg van de
omstandigheid, dat tot voor een paar eeuwen de natuurlijke historie der
dieren altijd gebaseerd is op de werken van Aristoteles of Plinius.

Bij Plinius is dan ook het heele verhaal te vinden: „Caprimulgi
appellantur grandiores merulae adspectu fures nocturni, interdiu enim
visu carent. intrant pastorum stabula caprarumque uberibus advolant
suctum propter lactis, qua iniuria uber emoritur caprisque caecitas
quas ita mulsere oberitur.”

„Geitenmelkers noemt men tamelijk groote nachtroovers, die wel wat
lijken op merels. Af en toe ontbreekt hun het gezichtsvermogen. Zij
gaan in de stallen der herders en vliegen naar de uiers der geiten, om
er de melk te zuigen. Door dit letsel sterft de uier af en de geiten,
die aldus gemolken zijn, worden er blind door.”

Dat is zoo van geslacht op geslacht naverteld door menschen, die nooit
een nachtzwaluw gezien hadden. Maar zoodra iemand den vogel kent, dan
spreekt hij ook onmiddellijk de mythe tegen en nu moesten we dien
onplezierigen naam ook maar afschaffen. Ik wil dus voortaan alleen
spreken van de nachtzwaluw.

Wel kan tegen dien naam worden ingebracht, dat onze vogel eigenlijk
geen zwaluw is en geheel buiten de verwantschap van huis- en
boerenzwaluwen staat, maar dat is overigens geen overwegend bezwaar.
Een waterhoen is ook geen hoen. „Vliegende pad” zou in ieder geval nog
veel erger zijn en „dagslaap” vind ik een leelijk en misleidend woord.

Vooreerst slaapt de vogel lang niet den geheelen dag en ten tweede wil
ik een naam hebben, die hem mij teekent niet in zijn minst interessante
rusturen, maar in al de gratie en activiteit van zijn nachtelijk
bestaan. En daarom zal hij nachtzwaluw heeten.

Hoe heerlijk is het, den vooruitgang van de lente te gevoelen door de
verandering van geluid in bosch en veld. Eerst komen de heldere, blijde
jubelzangen van lijsters, leeuweriken, winterkoninkjes en vinken, dan
’t liefelijk gekweel van roodborstjes, fitisjes, roodstaartjes, dan de
extase en hartstocht van nachtegaal en zwartkopje en eindelijk de
bijzondere zomergeluiden van wielewaal en nachtzwaluw. De frischheid is
nu zwoelte geworden, de teere knop heeft zich ontplooid tot een
kleurige bloem, die bedwelmende geuren in ’t rond spreidt. Als de
nachtzwaluw voor goed is aangekomen, dan bloeit de meidoorn, dan
ontluikt de eerste bloem van den egelantier.

Het bestudeeren van de natuurlijke historie van de nachtzwaluw behoort
dan ook tot de aangenaamste en gemakkelijkste bezigheden van den
ornitholoog en ’t is eigenlijk een groote schande, dat we omtrent
enkele van zijn gewoonten nog in ’t onzekere verkeeren. Als
verontschuldiging kan aangeroerd worden, dat de duisternis de
waarnemingen bemoeilijkt en dat zelfs het volste vollemaanlicht in
kracht verre bij het daglicht achterstaat.

Wij willen daarom met ’t daglicht beginnen. De nachtzwaluw heeft
evenals de meeste vogels zijn lievelingsplekjes, zijn lievelingstak.
Wat hem leidt bij de keus van zulk een plaats is moeilijk te zeggen,
maar zeker is het, dat jaar in jaar uit deze vogels dezelfde plekjes
bezoeken. Dat zijn dan soms dezelfde individu’s, maar het komt ook
voor, dat wanneer de bewoners van 1905 om het leven zijn gekomen, een
ander nachtzwaluwpaar hetzelfde verblijf weer betrekt.

Van deze omstandigheid maak ik altijd gebruik, om mijn vogels te
bezien. Nu weet ik, dat in die of die vallei, onder den een of anderen
boom een nachtzwaluw huist, dat hij er overdag uitrust, of dat hij er
eieren of jongen heeft.

En nu is niets gemakkelijker, dan die plek te besluipen of stoutweg
erheen te wandelen. Ik prefereer nog altijd de sluipmanier, want ik ben
er nog altijd niet zeker van, of ik den vogel wel tijdig genoeg zal
zien. Dikwijls heb ik hem opgejaagd, eer ik vermoedde, dat ik zoo vlak
bij hem was.

Maar als je nu de plek besluipt en heel opmerkzaam iederen duim gronds
monstert, steeds denkende aan den vogel en zijn wonderbare schutkleur,
dan kunt ge het groote genoegen beleven van een langwerpig stuk
boomschors of een plek in den grond te zien veranderen in een goed
belijnden, mooi gevormden, zeer mooien levenden vogel.

Dan is het een lust, om met den kijker veertje voor veertje na te gaan
en dan krijg je ook wel trek, om die zachte veeren te betasten en te
verschikken en de groote wieken te ontvouwen en weer toe te slaan. Wie
daar nu erg naar verlangt, moet maar wachten, totdat hij bij
gelegenheid eens een doode nachtzwaluw in handen krijgt.

Intusschen ben ik er ruim mee tevreden, als ik den vogel op tien meter
afstand in ’t veld van een goeden kijker heb. Ieder veertje, ja ieder
baardje is duidelijk te zien. Hoe prachtig sluiten de kleurplekken der
afzonderlijke veertjes aan elkander, zoodat ze te zamen het stelsel van
donkere en lichte lengtestrepen en fijne dwarsteekeningetjes opleveren,
waardoor de eigenlijke lichaamslijnen te loor gaan, zoodat het dier ’t
uiterlijk krijgt van een onbezield voorwerp.

Zeer mooi is op onze foto te zien, hoe de donkere omgeving van ’t oog
juist aansluit bij een donkere rugvlek, hoe borst en keel en
vleugeldekveeren een tweede donkere streep opleveren en hoe de grijze
strook daartusschen volkomen harmonieert met den zandbodem, met het
rendiermos en met de uitgebleekte grassprietjes van het vorig jaar.

Natuurlijk dringt zich telkens de vraag op: „Weet de vogel, dat hij
door zijn kleur zoo goed beschermd is en kiest hij met voordacht
plekjes uit, waar hij van zijn schutkleur profiteeren kan?”

Ik kende een mannetje, dat zat in ’t eind van Augustus altijd op zijn
eentje te dutten in een klein valleitje, door grove dennen omringd. Hij
was als mannetje te kennen aan de twee groote zijdelingsche vlekken aan
den staart en witte vlekken op de vleugels. Het liefst zat hij aan den
voet van een ouden den. Daar groeide een weinig slaapmos, wat
rendiermos en er lagen ook brokken tak en schors van den boom: een
echte traditioneele nachtzwaluwrustplaats.

Toen ben ik begonnen met de brokken tak en schors op te rapen en daar
gaf de vogel niets om; hij zat er ’s middags weer, alsof er niets
gebeurd was en kwam ook terug, toen ik het mos had verwijderd. Maar
nadat ik de heele plek met mijn schopje had omgewoeld, meed hij het
witte zand en sloeg hij zijn tenten een meter of tien verder op onder
een eikje, waar de grond weer een gevarieerd uiterlijk had.

Op onze foto is gelukkig ook te zien, dat de nachtzwaluw niet altijd
slaapt: zijn oogen zijn open en hij heeft zijn kop niet in de
rugveeren. Ik weet zeker, dat het broedende wijfje het grootste deel
van den dag niet slaapt, maar wakker en wel op haar twee eieren zit.
Soms knipoogt ze heel duidelijk en een enkelen keer heb ik haar zich
zien verlustigen in een echte onverholen geeuw.

Dat is nog eens iets, een geeuw van een nachtzwaluw. Eerst hief ze den
kop met het kleine snaveltje een eindje omhoog, toen ging de
ondersnavel naar beneden en toen, ja toen leek het alsof de vogel in de
lengte doormidden zou worden gescheurd. Ge ziet op onze foto onder het
oog de duidelijke witte streep, die even voorbij het oog de breede
lichtgrijze strook raakt. Welnu, die streep wordt gevormd door de witte
veertjes langs de bovenkaak en de mondhoek is dus voorbij het oog. Stel
u nu maar voor, dat het heele stuk lichaam, dat ge eerst voor keel en
borst gehouden hebt, eigenlijk onderkaak is en nu naar beneden gaat,
totdat de mondhoek een wijdte heeft van 90°.

Het is, om zoo te zeggen, onmetelijk. Het fijne snaveltje, dat juist
geschikt lijkt, om nuffige kleine zaadjes van den grond te pikken, of
bladluizen af te lezen van de boomen, verandert op eens in een gapenden
afgrond, groot genoeg, om de grootste van onze inlandsche kevers of
vlinders te verzwelgen.

De binnenkant van dien muil is donker roodachtig paars; van een tong is
weinig of niets te bespeuren; die is maar heel klein.

Met een klap slaan de kaken weer dicht en de geeuw is volbracht. Ik heb
al veel vogels zien geeuwen: musschen, vinken, lijsters,
vliegenvangers, sterntjes, meeuwen, scholeksters: die geeuwen, zooals
vogels geeuwen, maar een nachtzwaluw geeuwt als een mensch.

Nu zit de vogel weer stil; wakend, maar onverschillig. Een hagedisje
komt te voorschijn met geritsel van bladeren en loert op een groote
groene vlieg, die zich warmt op den heeten zandgrond. Die loopt vlak
langs de nachtzwaluw heen en ondergaat dan zijn noodlot. De vogel heeft
geen veertje verroerd, niet eens geknipoogd.

Dit is een bewijs van groote inertie, want een vlieg is altijd welkom
en vooral voor een broedende vogel een hoogst welkome tijdpasseering en
versnapering.

Doordat we nu de ligging van de kaken kennen, zien we ook gemakkelijker
de groote stijve haren, die uit de bovenkaak ontspringen. Het zijn
zwarte glimmende borstels, die algemeen beschouwd worden als vangharen,
maar ik zou ze toch liever tastharen willen noemen.

Wat eet de nachtzwaluw en hoe bemachtigt hij zijn prooi? Daar is al
heel veel over geschreven, maar het rechte weten wij er nog niet van,
zoodat ik u alweer moet verzoeken, ook in deze een beetje mee te
helpen.

Meestal wordt de nachtzwaluw voorgesteld als een soort van
lucht-walvisch, die met wijd geopenden muil in duizelingwekkende vaart
door de lucht schiet en dan, vooral met behulp van die vangharen, alles
door zijn keelgat jaagt, wat hij op zijn baan kan inhalen. Nu heb ik
jaren achtereen in de avondschemering zoowel als in den morgenstond met
gewapend en ongewapend oog uren lang naar de vliegende nachtzwaluwen
gekeken, en dat wel op plaatsen, waar er soms drie of vier, ja zes
tegelijk rondvlogen, maar van die lucht-walvischmethode is mij nooit
iets gebleken.

Ik geloof er dan ook in ’t geheel niet aan, want indien de vogel met
wijd geopenden bek rondvloog, dan zou hij een onoverkomelijken
weerstand ondervinden. Het vogellichaam is er juist op ingericht, om de
lucht te doorklieven; naar voren toe wordt alles spits en smal en nu
zou deze vogel gaan rondvliegen met een trechter van verscheidene
vierkante centimeters groot voor voorsteven! Ik zou het moeten zien, om
het te gelooven.

Wel heb ik gezien, dat ze Julikevers vingen; dat was heel mooi. Ieder
Hollander kent natuurlijk het meertje van Caprera, ook wel genaamd het
meertje van Berkhout, halfweg tusschen Bloemendaal en de ruïne van
Brederode. Vlak achter dat meertje ligt een hooge duin, de laatste
verheffing van de reeks, die bij Kijkduin begint en zich over het Kopje
en het Koninginneduin tot zoover uitstrekt.

Het bovenste gedeelte van deze duinhelling is heel aardig begroeid met
beuken, eiken en hazelaars en als we een Julikever-jaar hebben, dan
snort en bromt het daar ’s avonds van die groote diklijvige
bruin-met-witte torren. De zon gaat juist onder achter den vuurtoren
van IJmuiden. Zandvoort, Haarlem, Amsterdam en de Zaanstreek steken hun
lichtjes op, een lichte nevel zweeft over het weiland om ’t meertje en
over het land langs Liede en Spaarne aan gene zijde van het Schapeduin,
waar de zanglijsters hun avondlied galmen en de laatste nachtegalen
fluiten. Een roodborstje zit te zingen in den hoogsten dorren eikentak
van den duintop, het roode borstje gekeerd naar de roode ondergaande
zon. Zacht ruischt de zee in de verte.

Wij zitten tusschen de duindoorns, geheel verscholen maar met een vrij
uitzicht naar alle kanten. Er ritselt iets in ’t eikenloof, alsof er
wat valt en nu dwarrelt daar heel langzaam een duistere gestalte
omhoog, vierkant en groot, met breede, snel trillende vleugels en op
den kop een dubbele pluim van tasters. ’t Is een mannetje van de
Julikevers.

Dra volgen er meer, ook wijfjes, en dat dwarrelt en zwiert al door
elkander langs den helderen avondhemel, een meter of vijf boven den
duintop en de eikenkronen. Soms vallen ze bij paren neer in de toppen
van het bosch, maar er komen er uit het donkere gebladerte steeds weer
nieuwe te voorschijn, zoodat de lucht vervuld blijft van groote
snorrende kevers.

Indien wij wilden, zouden we naar de eikjes kunnen gaan, om daar op de
takken in koortsige drift de logge kevers met hoogopgerichte sprieten
te zien ronddribbelen, nu eens op den tak, dan tuimelen ze om, maar met
hun groote scherpe klauwen houden ze zich vast en klauteren ze er weer
boven op. Het is niet eens gemakkelijk, ze van den tak los te maken en
voortdurend protesteeren ze dan met snerpend gepiep.

Doch we blijven liever liggen; er is beters in ’t zicht. Een paar
groote, breedvleugelige vleermuizen zijn uit de vallei komen opdagen,
belust op vette prooi. En terwijl we die nazien in hun grillige vlucht,
doorsnijden opeens een paar groote sikkelvormige vleugels de lucht en
een groote vogel zwaait geruischloos door de gonzende torren. Nog een
komt er en weer een en nu liggen we hier in den lauwen zomeravond,
boven op het duin met de lucht vol Julikevers, vleermuizen en
nachtzwaluwen; een eerste-rangplaats bij een welverzorgd tooneel.

Nu komt het er op aan, om voet bij stuk te houden en niet geheel en al
onder den indruk te raken van dit wonderlijk natuurtafereel, met al
zijn passie en verschrikking. Vergeet niet, dat wij hier liggen, om uit
te maken, hoe de nachtzwaluw zijn prooi grijpt en niet, om ons te
verdiepen in de beteekenis van vernieling en dood. Dat komt later.

Al heel gauw vertelt de kijker, dat ’t met de walvischtheorie mis is,
de nachtzwaluwen vliegen met gesloten bek. Wanneer ze bij een kever
komen, dan is die opeens als met een tooverslag verdwenen en hoe dat nu
precies gaat, is niet zoo gemakkelijk uit te maken. Ik krijg den
indruk, dat ze, vlak bij den kever gekomen, die ineens ophappen.

Als de kevers pas uit de eiken opstijgen, dan is hun vlucht onzeker,
vol afwisseling in snelheid en richting. Maar na een poosje krijgen ze
hun vaart en dan gaat het in mooie vaste vlucht omhoog. Nu heb ik
dikwijls gezien, dat de nachtzwaluw dit oogenblik afwachtte en
klapwiekend bleef stilstaan in de lucht, totdat de kever goed stuur
hield. En dan schoot hij er als een bliksemschicht op af en de brommer
was verloren.

Soms gaat het vrij langzaam en vliegt de nachtzwaluw een poosje gelijk
op met den kever. Opeens duikelt en zakt hij en de kever is weg. Hij
heeft met zijn vlerk den kever geraakt, zoodat deze niet meer vliegen
kon, en voor dat het vallend insect den grond kon bereiken, heeft de
vogel hem gesnapt.

Op deze manier slaat hij ook insecten van de boomen; dat heb ik hem in
Zeddam zien doen met berken-bladwespen. Een groepje berken bij den tol
aan den Terborgerweg zat vol met bladwespen, en nu kwamen ’s avonds de
nachtzwaluwen uit het dennenbosch die wespen van de bladeren tikken.

Zelfs kunnen ze voedsel van den grond opnemen. Ze bidden dan eerst in
de lucht, vallen neer naast hun prooi en happen die dan zittend op.
Sterntjes doen dat ook.

Maar ’t mooist van alles, dat heb ik nog nooit gezien. Gilbert White
vertelt al, dat de nachtzwaluw zijn prooi grijpt met zijn poot en J. A.
Owen heeft dit in den jongsten tijd ook beweerd en het volgehouden,
toen een der grootste ornithologen van onzen tijd, Lord Lilford, haar
erover interpelleerde. Zij zegt, dat de vogel zijn buit rustig en
netjes (deftly) greep met zijn poot en toen naar den mond bracht.

De klauw van den middenteen heeft naar binnen een hoornachtige
verbreeding, die bij oudere vogels insnijdingen krijgt en zoo een soort
van kam wordt. Deze kam zou dan het aangrijpen en vasthouden
vergemakkelijken. Het spijt mij zeer, dat ik met zekerheid hier nog
niets van kan zeggen, aan den anderen kant is het prettig, dat we aan
dat vraagstuk nog eens een paar zomeravonden of zomermorgens kunnen
besteden.

Ik raad u aan, de nachtzwaluw ook te bestudeeren in den morgenstond.
Hij is dan even actief als ’s avonds en het helderder wordend
morgenlicht maakt de waarneming gemakkelijker. Hij blijft nog wel
eenigen tijd na zonsopgang aan het werk, langer dan men wel zou meenen.
Ook begint hij in de eerste dagen van Juni reeds voor zonsondergang;
hij is dan veel minder slaperig dan anders en raakt ook wel eens op
klaarlichten middag in extase.

De extase van de nachtzwaluw uit zich op velerlei manier. Voor zoo’n
slaapkop pakt hij nog al heel aardig uit; hij evenaart met gemak al de
vertooningen van kieviten, wulpen en scholeksters.

Alleen doet de zang van de nachtzwaluw ons veel rustiger aan en dat
komt wel, doordat het geluid zoo zonderling en vreemd is en in ’t
geheel niet herinnert aan menschelijke gemoedsuitingen.

Als ik den nachtegaal hoor, de boomleeuwerik of de fitis, dan zijn dat
voor mij niet alleen vogelgeluiden, maar zeer duidelijk en diep te
voelen vertolkingen van stemmingen, die ik als mensch heb doorgemaakt.
Die passie, die innigheid, die weemoed zijn mij niet vreemd; ik heb
menschen zoo hooren spreken of zingen, ik heb gewenscht, ook mijn
gevoel zoo klaar en rein en sterk te mogen uiten. Hierdoor ontstaat een
gevoel van sympathie, dat voor ons den vogel verheft tot mensch, of ons
verheft tot de vogels.

Natuurlijk is dit een zuivere gevoelskwestie en de wetenschap der
ornithologie wordt er weinig door gebaat, tenminste niet onmiddellijk.

Bij den zang van de nachtzwaluw echter kan ik zuiver objectief blijven:
het rateltje wordt in ons orkest niet meer gebruikt. Dit geregeld
gesnor is niets anders dan een natuurgeluid, evenals het verwijderd
gedruisch der kikvorschen of het pas verstomde gesjirp der sprinkhanen,
en wij nemen het waar, meer met nieuwsgierigheid dan met instemming.

’t Is een wonderlijk geluid: zacht en toch doordringend, want het is op
grooten afstand te hooren, wel tweehonderd meter ver. Dichtbij is het
bijzonder krachtig: de letter r twintig seconden lang volgehouden op
eenzelfde toonhoogte, dan een paar seconden wat lager en dan weer zeer
lang op de oorspronkelijke toonhoogte. Het inzetten is meteen krachtig
en beslist en aan het einde is ook geen sprake van decrescendo. ’t Is
doodgewoon ineens bom-uit.

In ’t begin van Mei snorren wel vijf, zes vogels tegelijk in één klein
duinvalleitje. Kom je daar dan den volgenden avond met vrienden, om die
ook te laten genieten, dan blijft het dikwijls doodstil. Het waren
vogels op den trek, die nu alweer verder zijn. Morgen komen er
misschien weer andere.

In onze duinstreek is heel goed op te merken, dat de voorjaarstrek lang
niet geschiedt met de snelheid en hartstocht, waar Gätke van gewaagt.
Hij vertelt, dat de vogels linea recta langs den kortsten weg en met
zoo weinig mogelijk oponthoud naar hun broedplaatsen trekken. Maar in
onze Bloemendaalsche duinen vinden die trekkers het zoo plezierig, dat
ze hier dikwijls een paar dagen vertoeven, zingend en spelend zonder
eenigen kommer of overhaasting. Nu eens zijn ’t nachtzwaluwen, dan weer
boomleeuweriken, zwartgrauwe vliegenvangertjes of tapuiten, om van
sijsjes en goudhaantjes niet eens te spreken. Sommigen blijven een dag,
andere wel een week, zoodat we al gaan uitzien naar hun nesten.

In het laatst van Mei houdt dat op. De nachtzwaluwen, die er dan zijn,
blijven en dat zijn er dikwijls nog zooveel, dat één vallei twee of
drie nachtzwaluwparen herbergt. Het is dan ook niet ongewoon, dat er
bij de ruïne van Brederode een half dozijn tegelijk rondvliegen.

De wijfjes snorren net zoo goed als de mannetjes. Nog op klaarlichten
dag heb ik er een zien ratelen op een grenspaal midden in ’t duin. Toen
zij opvloog was daar duidelijk te zien, dat staart en vleugels geen
witte plekken vertoonden.

Maar het mannetje kan meer. Vooreerst snort hij langer en luider en
mooier dan ’t wijfje, altijd zittend. Dat wisselt hij af met zeer mooie
vliegtoeren, op en neer en zijwaarts, in razende vaart en dan op eens
dat prachtige stilstaan in de lucht: het bidden. Een minuut lang blijft
hij op dezelfde plaats, de lange vleugels gaan zoo snel op en neer, dat
ze nauwelijks meer te zien zijn, een geweldig vertoon van kracht, maar
zonder eenige suizing of geluid.

Ik heb het wel gehad, dat hij dat vlak voor mij kwam doen, terwijl ik
door de duinen liep en ik kan u verzekeren, dat het een zeer bijzondere
gewaarwording is, zoo van nabij op den keper bezien te worden door een
biddende nachtzwaluw. Flap! deden de vleugels, en meteen was hij ervan
door.

Wat kunnen ze met de vleugels slaan! Vier, vijf keer achtereen, een
echt houtig geklepper. De vleugels komen niet tegen elkander, ’t is
meer een zweepgeluid dan een kleppergeluid; ik heb ook dikwijls genoeg
gezien, dat het met horizontaal uitgespreide vleugels werd
voortgebracht. In die kleppervlucht wordt ook het meest den roep:
„koeiek, koeiek” gehoord.

Nu neemt de vogel opeens een zwaai, raakt den grond en gaat nu langs
den effen bodem voort, dertig meter ver, half loopend, half springend
en vliegend. De lange vleugels blijven voortdurend uitgespreid, slaan
nu eens tegen den grond, dan weer in de lucht, altijd met veel geraas,
terwijl de vogel ook nog afwisselend roept en snort. Dat is de hoogste
opgetogenheid.

Het wijfje zit daarbij op den grond goedkeurend „tuk, tuk” te roepen en
komt bij de laatste parade ook wel een paar stapjes tegemoet.



De eieren worden gelegd op den kalen zandgrond, nooit meer dan twee. Ze
zijn van alle andere vogeleieren direct te onderscheiden, doordat het
haast zuivere ellipsoïden zijn: er is bijna geen onderscheid in
kromming tusschen de beide polen. De schalen zijn dof, witachtig met
groote waterverfachtige, grijze vlekken; in den regel verschillen ze in
kleur en teekening.

Ze worden 17 of 18 dagen bebroed door het wijfje en ’t mannetje,
natuurlijk door het wijfje ’t meest en overdag evengoed als ’s nachts.
Wanneer de eene vogel overdag zit te broeden, rust de andere meestal
een heel eind verder. Het zou voor de hand liggen, dat hij, daar hij
toch niets anders te doen heeft, de broedende vogel gezelschap zou
houden, doch dat heb ik maar eens gezien.

En toen begreep ik meteen, waarom ze dat zoo weinig doen: één
nachtzwaluw blijft licht onopgemerkt, maar wanneer twee van die groote,
precies op elkaar gelijkende vogels (altijd behoudens de witte vlekken)
zoo vlak bij elkaar zitten, dan vallen ze meteen in het oog.

De jongen zijn in de eerste dagen bedekt met fijn dons, maar voordat ze
een week oud zijn, beginnen zich reeds de eigenlijke veeren te
vertoonen. In hun donskleed zien ze er nog al ruig en haveloos uit.
Zoodra echter de dekveertjes en pennen zich gaan ontwikkelen, worden ze
onbeschrijfelijk prachtvol en lijken het allerkeurigst uitgedoste
dametjes.

Elk veertje is een kunststuk op zichzelf, met echt Oosterschen rijkdom
van teekening, vol arabesken en meanders in de allerfijnste
kleurschakeeringen. Ze zijn geschikt in pluimen en festoenen, op den
kop een kuifje van streepjesveeren, een fijn manteltje over den rug en
neerhangende veeren om de flanken. Onze foto geeft een zeer goed begrip
van dat weelderig kostuum.

Het is niet gemakkelijk, die jonge vogeltjes te vinden. Het beste is,
bijtijds te zoeken naar de eieren—die zie je gemakkelijker dan
jongen—en dan dag aan dag de lotgevallen van de familie na te gaan.

Ook dit is nog lastig genoeg, want als de kleintjes wat opgroeien,
worden ze ’s avonds ook al beweeglijk en loopen zij hun ouders
tegemoet, als die ze komen voeren en zoo bevinden ze zich dan ’s
morgens op een heel andere plaats dan ’s avonds. Toch kunt ge er
meestal op rekenen, ze binnen een kring van 25 meter weer te vinden.

Heel in den eersten tijd, als ze zelf nog niet mans genoeg zijn, om te
gaan rondwandelen, worden ze wel door de ouden versjouwd. Dat heb ik
eens gezien. De oude vogel kwam bij het jong zitten en gaf hem telkens
een duwtje, terwijl hij onophoudelijk „tuk, tuk” zei. Het jong piepte
wat tegen, maar moest toch toegeven en werd zoo door den ouden vogel
langzamerhand anderhalven meter op zij geduwd naar een plekje, dat
zeker meer veiligheid bood.

Toen pakte ik het jong op en zette het een meter of vijf verder neer.
Dat was een paniek. De oude schoot heen en weer, vloog mij rakelings
langs het hoofd, ging snorrende op den grond zitten, liep klapwiekend
voort, meestal met een vleugel hoog in de lucht, daarbij telkens
struikelend en duikelend.

En toen ik mij weer in ’t bosch verscholen had, bleef hij nog een poos
snorren en liet het jong waar ik ’t gezet had. Daar zat het een uur
later nog en daar werd het ook door de oude gevoerd.

Dat voeren gaat heel mooi. De oude vogel komt bij het jong zitten. Dit
is al levendig geworden, zoodra het zijn moeder zag en loopt nu
schommelend op de oude toe. Deze doet den bek open en nu steekt het
jong zijn heele kop erin, om zijn voedsel te bemachtigen. Het lijkt dan
heusch alsof de oude vogel zijn jong gaat verzwelgen.

Zelfs als de jongen reeds lang kunnen vliegen, worden ze nog door de
ouden gevoerd, maar altijd zittend. Nog nooit heb ik gezien, dat ze in
de vlucht gevoerd werden, zooals dat bij de echte zwaluwen geschiedt.

Van het trekken der nachtzwaluwen heb ik weinig gezien, niets anders,
dan dat in het laatst van September op een avond een gezelschap van
zeven van deze vogels voor mijn voeten opvloog. Ze reizen ’s nachts, in
kleine troepen.







DE GRIEL.


Wanneer ooit een vogel miskend of mishandeld is door taxidermisten en
teekenaars, dan is het wel deze aardige steltlooper. Ze weten nu
eenmaal, dat hij groote uilenachtige oogen heeft, een ranke gestalte en
hooge, dikke pooten en daarom moet er dan maar meteen een karikatuur
van gemaakt worden. Misschien hebben de literateurs onder de
ornithologen wel een weinig overdreven, als zij uitweidden over de
zonderlingheid van dezen vogel, met name Selous, die hem verwant
verklaart aan Don Quichotte en den Markies van Bradwardine.

Nemen wij nu uit onze collectie photografieën van den vogel, bukkend
bij zijn eieren, dan valt daar wel wat voor te zeggen, want dat dier
heeft wel wat van een berooid edelman. Doch dat ligt in dit geval toch
meer aan het onvolkomene van de foto en de minder gelukkige pose.
Wanneer de Venus van Milo eens instantané gekiekt had kunnen worden op
’t oogenblik, dat ze juist beginnen zou, om over een sloot te springen,
dan zou dat er ook gek genoeg hebben uitgezien.

Maar zie nu eens de foto van den broedenden vogel. Waar blijft nu Don
Quichotte of de Hansworst uit de vogelcollectie?

Welk een edele, rustige houding. Hoe heerlijk wordt het groote oog
omgeven door de sierlijk gebogen oogleden. De schedel welft hoog over
het oog heen, de hals ontspringt stevig uit den romp. De korte rechte
snavel met de duidelijke neusopening is volkomen gebalanceerd en de
wijde mondspleet, die evenals bij de nachtzwaluw tot onder de oogen
doorloopt, wordt tegelijk aangeduid en verborgen door een rij van
stijve veertjes.

Zie, wat mooie partijen gevormd worden door de veeren van den mantel en
de dekveeren van de vleugels. Hun sobere kleuren, geelgrijs met bruin,
worden heel even afgewisseld door de witte streep op de vleugels en het
wit en zwart van den staart. Daardoor komt wat afwisseling in de grijze
schutkleuren, ja, daardoor wordt de vogel des te beter beschut, want nu
worden de eigenlijke omtreklijnen verbroken en vervormd, zoodat op
eenigen afstand de gewone vogelcontour bijna niet is op te merken.

Een prachtige vogel is de griel; op zijn minst even mooi als een wulp,
een scholekster of een kievit, en stellig beter geproportionneerd dan
de twee eerstgenoemde langsnavels. En met de dikheid van de pooten of
van de hielen is het lang zoo erg niet, als wel verteld wordt; die valt
bij de jonge vogels het meest in ’t oog, maar er zijn wel meer jonge
vogels met logge, dikke pooten.

Ik heb de foto van den broedenden griel vergeleken met de gekleurde
platen in een paar van de beste vogelboeken en met zeer groote
verbazing en consternatie gezien, dat die zeer sterk van de waarheid
afwijken. Die gekleurde platen zijn meestal gemaakt naar opgezette
vogels. In den regel zijn die voorbeelden niet goed opgezet. De artist
weet dat en al naar zijn kennis van vogels „verbetert” hij dan in zijn
schets het opgezette exemplaar en zoo krijgen we dan de
fantasie-afbeeldingen, die in hoofdzaak wel eenig idee geven van vorm
en kleuren dier vogels, maar eigenlijk toch allerdiepst gewantrouwd
moeten worden.

Ongetwijfeld zal de vogel-fotografie, zooals die thans in vele landen
met vlijt en succes beoefend wordt, groote verbetering brengen in de
illustratie van ornithologische werken en zullen naar ik hoop binnen
een tiental jaren de paskwillen van thans vervangen zijn door goed
werk.

Dat goede werk kan slechts gedaan worden door artisten die gebruik
maken van de photografieën en van de methode der photografen. Vooral
het laatste is van belang: niemand kan een vogel schilderen, die niet
uren lang met den verrekijker voor het oog den vogel in zijn doen en
laten heeft gadeslagen.

Het observeeren van grielen is gemakkelijk genoeg, als men maar eerst
weet, waar ze zich ophouden. In ons land komen ze meest voor in de
duinstreek tusschen Den Haag en Den Helder, vooral in de Schoorlsche en
Berger duinen en in de duinen van Velzen en Bloemendaal. Ieder jaar
hebben we hier eenige broedende paren; in 1903 heeft een grielenpaar
zelfs een zekere beroemdheid verworven door te broeden in Aardenhout,
vlak bij een drukke villabuurt met de electrische tram en al den
aankleve van dien.

Er wordt in de boeken altijd hoog opgegeven van des grielen schuwheid.
Hij is echter volstrekt niet schuwer dan een wulp of een kraai en dat
hij door zoo weinig menschen gezien wordt, ligt hem alleen aan de
zeldzaamheid van den vogel en aan de zeldzaamheid van de menschen, die
er werkelijk eens een paar uur voor over hebben, om te probeeren, hem
te zien te krijgen.

De griel is een nachtvogel. Dat is nu eigenlijk niets bijzonders, want
de meeste vogels zijn nachtvogels gedurende den voorzomer. Eigenlijk is
het dan nooit nacht, theoretisch is de avondschemering niet eens
geëindigd, wanneer de morgenschemering reeds begint. De steltloopers
zijn den heelen nacht bezig in de weiden en aan de zee, en een groot
aantal zangvogels blijven voortdurend monter of rusten alleen een
uurtje vóór en na middernacht.

Het eenige verschil is, dat sommige vogels op den dag meer rusten of
slapen dan andere, en in dit opzicht gedraagt de griel zich dan
ongeveer zooals de uilen en de nachtzwaluw. Geen van deze vogels rust
echter den geheelen dag, eigenlijk kunt ge ze op alle uren wakker en
vliegend aantreffen.

De groote vogels van het duin komen alle van tijd tot tijd naar de
vlakte, hetzij om voedsel te zoeken op de weilanden, hetzij om te baden
en te drinken. Vroeger, toen de duinen waterrijk waren, geschiedde dat
misschien in mindere mate, maar thans is het een onvermijdelijke
noodzakelijkheid.

De voornaamste punten van aantrekking zijn het Brouwerskolkje, het
meertje van Berkhout en de slooten en weteringen nabij de ruïne van
Brederode. Langs vaste wegen begeven zich kneutjes, piepers,
grasmusschen, lijsters, scholeksters, kieviten, wulpen, nachtzwaluwen
en grielen naar deze drinkplaatsen en ik behoef maar een paar uren de
wacht te betrekken in een bepaalden bergpas, om een overzicht te
krijgen van de vogelbevolking van het duin. Wanneer de weinige
drinkputten, die zich nu nog in sommige valleien bevinden, zijn
uitgedroogd, wordt dat overzicht natuurlijk nog vollediger.

De griel gaat laat in den avond naar zijn drinkplaats en is dan in ’t
voorbijgaan het best te herkennen aan zijn geschreeuw, dat wel wat
heeft van het „tloei-iet” van den wulp, maar schriller en scherper is.
Smaken verschillen: de beroemde Engelsche ornitholoog Newton noemt den
kreet van den griel veel zoeter en welluidender dan die van den wulp,
maar in die meening staat hij vrijwel alleen.

Er is in de eerste lettergreep iets krassends, in de tweede stijgt de
toon zoo hoog, dat het trommelvlies er dikwijls onaangenaam door wordt
aangedaan. Soms is er heel goed „scharr-luup” uit te maken en ook wel
„grie-iel”, want beide volksnamen van den vogel zijn nabootsingen van
den roep.

Onder het vliegen ziet de griel er ook heel anders uit dan de wulp:
zijn staart lijkt langer, de nek is ingetrokken, zoodat de kop met den
korten snavel slechts weinig buiten de vleugellijn uitsteekt; op de
vleugels is veel wit te zien van de dekveeren en van de kleine
slagpennen, ook worden de vleugels veel sneller bewogen en vliegt de
vogel laag bij den grond en in een rechte lijn. Wie op al deze dingen
let, kan gemakkelijk op een helderen avond zijn vogel herkennen.

En dan een van de volgende dagen het duin in, om zijn woonplaats te
ontdekken. Duin op, duin af, de valleien doorkruist in hun lengte en
breedte of, als het marcheeren vermoeit, een uurtje rust genomen op een
duintop met een wakend oog naar alle zijden. Niet te gauw den moed
opgeven en dankbaar aanvaard, alles wat ongezocht zich aan de blikken
vertoont.

Let vooral ook op de voetsporen in ’t zand. Wat is er op de open
plekken veel te lezen! Hier hebben fazanten geloopen, ginds trippelde
een leeuwerik, daar ging een hermelijn zijn kronkelweg of tobde een
logge pad op tegen een hellinkje. Een kraai drukte hier zijn scherp
geteekende voetballen in ’t zand, een mestkever maakte er een dubbele
rij van hoekige figuren. En hier is ook het grielenspoor. Drie teenen
staan scherp afgeteekend in den grond, de middelste het grootst, de
buitenste bijna de helft kleiner. De voetzool zelf is ook duidelijk
afgedrukt, op rulle plekjes zelfs de verbindingsvliezen tusschen de
teenen behoorlijk verantwoord.

Nu verdubbelt onze opmerkzaamheid en spoedig zien we den vogel voor ons
opvliegen. Hij neemt nog al een langen aanloop en als hij eenmaal
vliegt, duurt ’t nog een poosje, voordat hij de lange, groenachtig gele
pooten behoorlijk opgetild en tegen den staart achterwaarts gestrekt
heeft. Nu hij langs het groene berkenboschje vliegt, valt hij heel
duidelijk in ’t oog met zijn warme bruingele kleur en het vele wit op
de uitgespreide vleugels. Maar als hij neerstrijkt op het schaars met
grauw mos begroeide zand, is hij moeilijk te onderscheiden van de
omgeving en wanneer we hem niet hadden zien neerkomen, zou hij voor ons
onzichtbaar zijn.

Hij staat een poosje stil, mooi rechtop, flink rondkijkend. Dan zakt
hij langzaam ineen, zijn hielen knikken achterwaarts en nu zit hij vlak
op den grond, juist zooals scholeksters zoo gaarne doen. Zoo blijft hij
zitten, als wij de plek voorzichtig besluipen, en eerst als we dichtbij
zijn, staat hij op en loopt weg met den hals vooruitgestrekt en den kop
omlaag.

Blijven we nu stilstaan, dan gaat hij ook weer zitten of zelfs liggen,
met hals en kop vlak tegen den grond. Dan is hij op den bleeken
duinbodem weer bijna onzichtbaar.



Het best gelukken de waarnemingen in de nabijheid van het nest.
Eigenlijk kan van een nest niet gesproken worden, want de eieren liggen
zoo maar op ’t zand in een heel ondiep kuiltje, dat niet opzettelijk
wordt gemaakt, maar langzamerhand ontstaat door het neerzitten van den
vogel.

Zooals de eieren daar liggen, vallen ze heel goed in ’t oog. Ze lijken
in ’t geheel niet op den bodem of op de voorwerpen in hun omgeving. In
andere streken en andere landen bewoont de griel bij voorkeur
steenachtige vlakten en het heet, dat zijn eieren daar precies gelijken
op keisteenen. Dat is bij ons in ’t geheel niet het geval. De eieren
worden op open plaatsen meteen opgemerkt, mijn eerste griel-eieren zag
ik al liggen, toen ik er nog wel een vijf en twintig meter vandaan was.

Het is heel merkwaardig, dat bij de griel, evenals bij de nachtzwaluw,
de beide eieren dikwijls verschillen in kleur en teekening. Op de foto
met de staande griel is dat zeer duidelijk. Deze omstandigheid
bemoeilijkt wel eenigszins het opsporen van de eieren, want natuurlijk
zou men ze veel eerder opmerken, als ze allebei even licht, even donker
en op dezelfde manier gevlekt en gestreept waren.

Wat is het toch dom, om die eieren op te rapen, mee te nemen, en dan al
of niet uit te blazen en te bewaren. Met deze opmerking bedoel ik niets
kwetsends voor de echte oölogen, die met veel vlijt en kennis een
eiercollectie bijeenbrengen en door zorgvuldige bestudeering van vorm
en kleur der eieren allerlei mooie wetenschappelijke ontdekkingen doen.
Integendeel, hoe meer ik hen helpen kan, hoe liever.

Maar de gewone eierverzamelaar sticht weinig nut. Toch is hij nog
altijd beter af, dan iemand die in ’t geheel niet om vogels, nesten of
eieren geeft. Maar het zou toch veel beter zijn, als hij de eieren
liet, waar ze waren en zich tevreden stelde met nauwkeurige notities
van tijd en plaats en een beschrijving van de voorwerpen, liefst
geïllustreerd met een foto.

Ik ken al veel liefhebbers, die op deze manier werken en die zoodoende
een verzameling van feiten krijgen, die heel wat meer waard is dan de
traditioneele verzameling van leege doppen.

Deze algemeene beschouwingen vloeien mij uit de pen, nu ik mij herinner
al het genoegen, dat ik beleefd heb, door een paar grieleneieren rustig
op hun plaats te laten. Nu kon ik, zoo vaak mijn vrije tijd mij de
gelegenheid er toe gaf, rustig langs bekende paden de plek besluipen en
reeds van verre het nest in den kijker nemen.

’s Morgens bij zonsopgang zat altijd strijk en zet de vogel op de
eieren; ook in den laten avond, en ik twijfel er niet aan, dat ze den
ganschen nacht zonder ophouden bebroed worden. Tusschen achten en
twaalven echter waren de eieren vaak onbedekt. Zonder noodzaak, zonder
opgeschrikt te worden, verliet de vogel het nest, om rond te gaan
loopen in de omgeving. Aardig was het om te zien, hoe hij, onmiddellijk
na het verlaten van ’t nest even stilstond en dan één voor één de
vleugels uitstrekte, zijwaarts en omlaag en heel wijd uit, juist zooals
scholeksters doen. Er is heel veel overeenkomst in het gedrag van
scholeksters en grielen.

Dan kwam ook nummer twee opdagen: buiging en begroeting en daarna
gingen beide samen wandelen: zij aan zij, het mankeerde er nog maar
aan, dat ze elkaar een arm gaven en de verleiding was sterk, om er een
gesprek bij te fantaseeren. Dat mannetje en wijfje bij de vogels
stilletjes en innigjes naast elkaar zitten, gebeurt dikwijls genoeg:
let maar eens op meezen en duiven. Maar dat ze met elkander echt uit
wandelen gaan, heb ik alleen bij de grielen gezien; bij de eenden lijkt
het soms zoo, maar dat is eigenlijk toch weer anders.

Op ’t heetst van den dag werden de eieren weer trouw bebroed en bij het
dalen van de zon, tegen half vier, kwam er weer verpoozing; echter
zonder gezellige wandeling; nummer twee deed zeker ergens een dutje. In
den avond waren beide vogels weer present en dan wisselden ze elkander
zeker niet af met broeden, want ik zag, dat de op het nest zittende
vogel door den ander gevoerd werd.

Het was niet gemakkelijk, zeer dicht bij het nest te komen. Blijkbaar
heeft de griel een verbazend fijn gehoor: ik kon hem nooit dichter
naderen, dan tot op twaalf meter en dan nog wel door een boschje. Hij
bleef dan stil zitten zonder eenige beweging tot op het laatste
oogenblik. Andere vogels draaien in zulke gevallen met den kop, kijken
rond of geven andere teekens van ongerustheid. De griel echter niet;
die loopt ineens weg, zonder overhaasting maar toch zeer snel en zonder
om te zien. Hij vliegt dan ook niet op, maar hij kruipt tegen den
grond, zoodra hij meent buiten gevaar te zijn. En de twee eieren liggen
dan open en bloot op den kalen zandgrond.

Eigenlijk deed hij veel verstandiger met stilletjes te blijven zitten,
want in onze geel-grauwe duinen valt de vogel veel minder in ’t oog dan
de eieren. Dat instinct van wegloopen heeft zich stellig ontwikkeld op
de steenige vlakten, waar de eieren minder in ’t oog vallen. Wij mogen
vooral niet vergeten, dat er al lang grielen op de wereld waren,
voordat onze duinen bestonden en dat wij dus de gewoonten van den vogel
niet mogen beoordeelen in verband met onze duinen, die door hem
aanvaard zijn als een surrogaat voor steppen en woestijnen.

Op een morgen vond ik noch mijn griel, noch de eieren en ik begon reeds
de verzamelaars, of de kraaien, of de hermelijnen te verwenschen. Maar
toen ik naar het broedplekje stapte, om in somberen weemoed nog eens de
plaats aan te staren, waar ik zooveel liefs genoten had, vloog de griel
een meter of tien van mij af schreeuwend weg—naar ik meende, geheel
tegen zijn gewoonte—en toen zag ik voor mijn voeten, precies op de
aloude nestplek twee jonge grieltjes liggen. De doppen waren verdwenen.

Geen wonder, dat ik ze eerst niet had opgemerkt. Dit zijn nog eens
schuilkleuren! Daar haalt de nachtzwaluw niet eens bij, noch zijn
jongen. Het dons van ’t jonge grieltje bootst precies den zandbodem na
in al zijn korrelige fijnheid en met al zijn schaduwscheurtjes en
streepjes. Onze foto is genomen bij helder zonlicht en daardoor geven
de sterke slagschaduwen een duidelijk relief, maar bij een grijze lucht
of bij een gewoon bewolkten hemel zijn ze zoo goed als onzichtbaar.

Alsof ze weten, dat de schaduw verraderlijk is, maken ze zich zoo plat
mogelijk en drukken ze den kop met lang uitgerekte hals plat tegen den
grond. Zoo liggen ze doodstil, de oogen dicht en ze laten zich zonder
tegenspartelen opnemen en bekijken.

Van de eierdoppen was wijd en zijd geen spoor te bekennen. Die waren
door de ouden zorgvuldig verwijderd. Het verwijderen van de doppen is
een instinct, dat bij zeer veel vogels voorkomt, vooral bij
steltloopers. Het spreekt van zelf, dat de groote eierschalen met hun
lichten binnenkant dadelijk de aandacht zouden trekken en de ligging
van het nest verraden, wat in de eerste dagen het leven der jongen in
gevaar zou brengen. Later komt het er minder op aan, want dan loopen ze
al vlug en ver rond.

Hoe de jongen door de ouden gevoed worden, weet ik nog niet zeker: ik
meen gezien te hebben, dat ze hun voedsel nemen uit den bek der ouden,
maar dat zijn allemaal werken der duisternis.

Evenals bij de scholeksters blijft het gezin nog al lang bijeen, en de
gelijkenis gaat zoover, dat ook hier de jongen in den herfst heel veel
praats en beweging maken en dat nog wel in tegenwoordigheid hunner
ouders. Ze maken allerlei danspassen en buitelingen en schreeuwen in
den avond luidkeels en zonder ophouden. De eene familie lokt met zijn
geschreeuw de andere, en zoo hebben wij hier in de duinen wel eens zes
grielen bij elkaar gezien, wat voor Holland een nog al zeldzaam en
bijzonder schouwspel mag heeten.

Ze blijven rondzwerven tot in October. Hun voedsel bestaat uit slakken,
kevers, sprinkhanen en aardwormen. Het ligt voor de hand, dat ze door
hun nachtelijke leefwijze vooral onder de laatste geweldig moeten
huishouden en ik heb dan ook al vele zomeravonden eraan besteed, om ze
te betrappen op de pierenjacht. Maar dat is mij niet mogen gelukken; er
zijn pieren genoeg, maar weinig grielen, en ook weinig vrije
zomeravonden.







DE ZILVERMEEUW.


De nachtzwaluwen bewonen den binnenkant der duinen, de wulpen en
grielen de groote valleien in ’t midden, de zilvermeeuwen betrekken de
hooge toppen en hoogvlakten aan den zeekant. Daar liggen hun nesten
tusschen het hooge helmgras, vandaar overzien zij hun arbeidsveld; de
ondiepe randzee.

In vergelijking met de zwartkopmeeuwen is de zilvermeeuw al een echte
zeevogel, hij begeeft zich ver op zee, tot boven het diepe water. Toch
mogen we niet vergeten, dat hij waarschijnlijk nooit zoover komt, dat
hij enkel lucht en water ziet: als hij zich drie- of vier honderd meter
hoog in de lucht verheft, en dat schijnt hem weinig moeite te kosten,
dan ziet hij altijd wel de Hollandsche of de Engelsche kust en
misschien wel beide tegelijk.

Het diepe water heeft voor hem ook niet de allergrootste
aantrekkingskracht, hij komt er alleen, wanneer de groote vischscholen
zich bewegen langs de oppervlakte of wanneer de aanwezigheid van een
visschersvloot hem rijkelijk afval verschaft.

Overigens geeft hij de voorkeur aan ondiep water; hij is zomer en
winter algemeen op onze stranden en wie bij eb door de Wadden vaart,
kan op elke ondiepe plaats troepen zilvermeeuwen, oude en jonge,
aantreffen, die daar op steltloopersmanier rondstappen, om jacht te
maken op klein ongedierte.

Gezelschappen van zilvermeeuwen wisselen er af met scholeksters en
wulpen en soms kunt ge dan de waadvogels zien zwemmen en de zwemvogels
zien waden en gereedelijk legt ge u dan neer bij de beslissingen van de
nieuwere systematiek, die uitgemaakt heeft, dat er een zeer nauwe
verwantschap bestaat tusschen de families der snip- en plevierachtigen
en der meeuwen.

Dit is een der aardigste ontdekkingen op het gebied van vogelkunde—zoo
heel nieuw is ze trouwens niet—en wij kunnen daaruit leeren, dat we tot
nu toe de levensgeschiedenis van de meeuw juist achterste voren gelezen
hebben. Wanneer wij ze behandelen als visschers, die ook achter den
ploeg aan den kost komen, dan is dat precies verkeerd; het zijn
landbouwers, die van tijd tot tijd uit visschen gaan, de een wat meer,
de ander wat minder. De zilvermeeuw nu cumuleert de beroepen van
landbouwer en visscher nog met het edele jagersbedrijf.

We hebben hem al ontmoet in den nestenrijken polder, azend op eieren.
Maar men kent hem daar en wanneer hij zich vertoont, dan wordt hij door
zijn eigen geslachtgenooten, de kokmeeuwen en zijn familiegenooten, de
sterntjes, benevens door zijn verre verwanten, de kieviten,
scholeksters en kluiten aangeschreeuwd en aangevallen, zoodat hij het
veld moet ruimen. Door een vluggen aanval op een uithoek van het
broedgebied weet hij toch wel eens iets te bemachtigen.

Het ei of het jong wordt ter plaatse zelve verorberd. Hij jaagt alleen
voor eigen gebruik, niet om wijfje of jongen te voeren en daardoor is
hij dan minder schadelijk dan de kraaien en roeken, die de eieren
meesleepen naar hun nest. Ook zoeken de kraaiachtige vogels in struik
en struweel naar nesten, maar dat doet de zilvermeeuw niet, die
vergenoegt zich met wat hij op de vlakte vindt.

De sterntjes en pleviertjes hebben het meest van hem te lijden, ook de
kieviten, tureluurs en scholeksters, vooral wanneer ze nesten hebben in
de buitenste duinvalleien. Eens heb ik een zilvermeeuw verrast, terwijl
hij bezig was een sterntje te verscheuren. Het vogeltje was nog warm,
hij had het dier zeer waarschijnlijk zelf gedood en was dus opgetreden
als een echte roofvogel. De buik was opengehakt en hij was bezig de
ingewanden eruit te halen.

Jonge vogeltjes slikt hij in met huid en haar. Dat heb ik gezien op
Texel. In de duinen benoorden de Groote Slufter zag ik een paar
tureluurs angstig en met veel misbaar rondvliegen om een zilvermeeuw,
die op den grond bezig was. Zonder eigenlijk goed te weten waarom,
holde ik zoo hard ik kon erheen, (ik had geen verrekijker bij me) en ik
had niet beter kunnen doen. De zilvermeeuw ging op de vlucht en nu vond
ik in het nest een enkel pas uitgekomen jong tureluurtje. De andere
waren opgegeten.

Dit zijn de eenige rooverijen, die ik heb bijgewoond. Ik geloof, dat
bij ons de zilvermeeuw niet zoo’n erge nestroover is, als wel verteld
wordt. Zijn slachtoffers weten zich veel te goed te verdedigen en hij
kan overal en altijd voedsel genoeg vinden, zonder zijn toevlucht te
nemen tot roof en moord.

Ongetwijfeld voeden bij ons de zilvermeeuwen zich het meest met
strandproducten en wel voornamelijk met schelpdieren en schaaldieren.
Een enkel bezoek aan de broedplaatsen in het Hollandsch duin of op de
eilanden geeft hieromtrent voldoende zekerheid.

Een dag in een zilvermeeuwenkolonie. Een heelen dag heb ik er nooit in
doorgebracht en hoe het er ’s nachts uitziet, weet ik in ’t geheel
niet. Ook heb ik het ontwaken er nog niet bijgewoond, maar wel heb ik
er uren lang midden in gelegen, onopgemerkt, nadat de eerste
consternatie bedaard was.

Het eerste betreden van het broedgebied brengt een onbeschrijfelijke
beweging teweeg. Nog lang, voordat we bij de nesten zijn, worden we
reeds begeleid door een paar meeuwen, die hoog in de lucht
patrouilleerden of boven op een duintop een wacht hadden betrokken.
Schreeuwend vliegen ze mee en schreeuwend voegen zich andere bij hen,
zoodat het tweetal ras is aangegroeid tot een half dozijn.

Hun geschreeuw varieert sterk. Nu eens zijn het helder uitgestooten
kreten, langgerekt en met melodieuzen toonval, dan weer wordt het een
kort en toornig: „Kuk, kuk, kuk”, of een soort gemurmel, dat doet
denken aan binnensmondsche verwenschingen.

Van verwenschingen komt het tot dreigementen. De schaduwen der groote
vogels kruisen ieder oogenblik ons pad, het suizen van de lucht,
telkens als er een voorbijvliegt, wordt voortdurend duidelijker, en
eindelijk komt er een zóó dichtbij, dat de toppen zijner vleugels haast
ons hoofd raken.

Verder hebben ze het bij mij nooit gebracht, hoewel ik vlak bij de
nesten heb gezeten, om de eieren en jongen te hanteeren. Het was dan
een heele commotie: geschreeuw en schijnaanvallen zonder einde. Drie of
vier vogels hielden tegelijk stil in de lucht, een meter of twintig
hoog, namen hun richting en schoten dan langs een gebogen lijn op mij
af, om rakelings langs mij heen te strijken, dan weer op te stijgen en
den aanval te hervatten.

De overigen, bij Bergen soms wel een kleine honderd, vliegen rond,
sommigen stil en hoog, andere laag en luidruchtig en gereed om de rol
van aanvaller over te nemen, wanneer de eerste zijn uitgeput. Hoeveel
uur zoo iets wel zou kunnen duren, dat heb ik nooit geprobeerd, omdat
ik er niet gaarne het leven der jonge diertjes aan waag, maar ik
geloof, dat als je een heelen dag bij een nest bleef zitten, ook de
aanval een heelen dag zou blijven voortduren.

Maar ik ga liever, nadat ik de ligging van een stuk of zes nesten heb
vastgesteld, zelf liggen op een gunstige plek, die zoo ver mogelijk van
de nesten verwijderd is, maar niet te ver, om met den kijker nog alles
duidelijk te zien, wat er in de kolonie voorvalt. Eerst zwermen nu ook
nog veel meeuwen om en over mij heen, maar na een groot half uur wordt
het wat rustiger en als ik mij nu maar bedaard houd, dan gaat alles
goed. Het is wel heerlijk, om naar de vogels te liggen kijken, maar je
hebt wel eens moeite, om stil te blijven liggen en je kunt er soms
afschuwelijk stijf van worden.

Toch is dit de eenige manier, om in het leven der vogels door te
dringen. Op een wandeling kan men ook veel te zien krijgen, maar ge
kunt er van op aan, dat het stel waarnemingen, aldus verkregen, altijd
beperkt blijft tot de minder schuwe soorten en tot de meest gewone
levensverrichtingen.

Doch wie in de gelegenheid is, uren achtereen te observeeren, krijgt
andere dingen te zien en bovendien eenig begrip van het vogelleven
zelf. Wat doen daar buiten de vogels den heelen dag en den heelen
nacht? Hoe reageeren zij op wat er in hun omgeving geschiedt? Hebben
zij plannen en herinneringen? Kennen zij leed en vreugd, vriendschap en
zelfopoffering?

Op dezen schoonen zomermorgen ziet het er in de kolonie prettig genoeg
uit. De meeste nesten binnen mijn bereik worden niet bebroed, alleen op
een, waarin reeds kleine jongen liggen, zit een vogel. De andere zweven
hoog in de lucht of staan op de duintoppen, soms alleen, maar meestal
bij paren.

Prachtige dieren. Groot en flink staan ze daar, den hagelwitten kop
flink opgericht, den zilvergrijzen rug zacht blinkend in de blauwe
lucht, de zwarte vleugeltoppen gekruist over den reinwitten staart. Ook
borst en buik zijn zuiver wit, de geel-grijze pooten steken nauwelijks
af op ’t duinzand. Aan den ondersnavel blinkt vooraan een vuurroode
plek.

Elk paar bestaat uit een grootere en een kleinere vogel. Het ligt voor
de hand, aan te nemen, dat ’t mannetje en wijfje zijn, en inderdaad
zijn bij de zilvermeeuwen de mannetjes grooter dan de wijfjes. Maar
tegelijk bestaat er bij mannetjes en wijfjes zelf een zeer groot
verschil in afmetingen, zoodat de mogelijkheid niet uitgesloten is, dat
bij een enkel paar het wijfje het grootst is.

Uren kunnen ze zoo naast elkander stilstaan, geruimen tijd zelfs zonder
zich te verroeren. Doch van tijd tot tijd pikken ze elkaar eens in de
veeren en nu eens wordt de een, dan de ander luidruchtig. Dan gaat de
witte kop vooruit, de hals wordt gestrekt tot kop, nek en romp in een
lijn liggen, dan gaat de wijde snavel open en dan weerklinkt een
krachtig en herhaald geroep van „kliau, kliau, kliau” over duin en
strand, en wel mogen wij dan denken, dat zulk een dier dan gelukkig is.

Hoog in de lucht antwoorden de meeuwen, die daar rondzweven op rustende
vleugels. Lang en dikwijls heb ik ze in ’t veld van den verrekijker,
die krachtig genoeg is, om zelfs op dien afstand de zwart-met-witte
details der groote slagpennen zichtbaar te maken. En nu is in die
slagpennen, noch in den staart de minste beweging te bespeuren.

Indien er nu wind was, dan zou dat geen verbazing behoeven te wekken,
want dan is er natuurlijk een stand van vleugels en staart, waarbij het
gewicht van den vogel evenwicht maakt met de kracht van den wind. Doch
op het oogenblik is het volkomen stil, zoo stil, dat de lange fijne
helmhalmen hun spitsen niet bewegen langs den horizon.

Dit is nu het groote mysterie van de meeuwenvlucht. Men is zelfs zoover
gegaan, om te beweren, dat deze en andere vogels de beschikking zouden
hebben over een bijzondere stijgkracht, waardoor ze in staat zijn, zich
zonder vleugelslag in de lucht te verheffen, op de manier van
luchtballons. Ik wil u gaarne bekennen, dat ik daar niet aan geloof.

De groote moeielijkheid is deze, dat wij niet met zekerheid kunnen
uitmaken, of het volkomen windstil is, vooral daar, waar de vogels
rondzweven. Het is toch zeer goed mogelijk, dat zij door groote
inspanning in het begin zulk een vaart krijgen, dat zij daardoor omhoog
kunnen zweven tot in luchtlagen, waar wèl stroomingen bestaan.

Ook is het mogelijk, dat zelfs laag bij den grond op warme en
windstille plaatsen verticale luchtstroomen ontstaan, zoo constant, dat
ze geen wuivende beweging in de grashalmen teweeg brengen, maar toch
krachtig genoeg, om den lichten vogel op zijn wijde wieken omhoog te
heffen. Want wij mogen nooit vergeten, dat een vogel altijd oneindig
veel lichter is, dan hij er uitziet, en dat de vleugels met betrekking
tot het lichaam een zeer groot oppervlak hebben. Het gemiddeld gewicht
van een zilvermeeuw is weinig meer dan een Kilogram; de uitersten zijn
875 G. en 1375 G.

Doch dit neemt niet weg, dat de meeuwenvlucht een groot wonder blijft.
En ge behoeft niet naar de duinen te gaan, om het te aanschouwen, want
ieder jaar komen ze in groot aantal in April en Mei een paar weken in
onze groote steden naar den zeekant zich vertoonen. ’t Is een
zonderlinge gewoonte. De zwartkopmeeuwen zijn alle vertrokken naar hun
broedplaatsen, de zomer is begonnen, de winterkwartieren worden
verlaten en nu komen opeens een honderdtal van die groote, witkoppige
zilvermeeuwen leven brengen in de stad. Ze zweven rond, niet alleen
boven het IJ en de dokken, maar zelfs boven het Gebed zonder End en de
Weteringdwarsstraat en ze komen uitrusten op het brakke water van den
vreedzamen Amstel bij de Magere Brug.

Ze wiegelen in den blauwen hemel in hun reine witheid zoo hoog boven de
stad, dat ge een duidelijk besef ervan krijgt, hoe voor hen de heele
huizenzee met al de kerken en torens niet anders moet zijn dan een
kleine ruigte in het groote stuk wereldoppervlak, dat zij van hun hooge
standplaats kunnen overzien. En de stadslucht, waar wij het zoo druk
over hebben, is voor hen van even luttel belang als voor ons een
droppel water op den grond. Toch is die droppel water een zee voor de
infusoriën, die er in wonen.

De zilvermeeuwen in de stad, dat is het mooiste tafereel uit de zoo
interessante stadslente. Ze zweven rond in vreugde en opgetogenheid en
telkens weergalmt hun lente-roep, die over de stad veel verder en
reiner klinkt dan de beursbengel of de sirenen van de fabrieken.

Na een paar weken zijn ze verdwenen en nog altijd vraag ik mij af, wat
ze hier eigenlijk komen uitvoeren. Want alles, wat ze hier vinden, dat
voor hen van belang kan zijn, kunnen ze elders veel beter en
overvloediger aantreffen.

Doch laat ons terugkeeren naar het duin. Een kwartier lang is er niets
veranderd, maar nu komt laag langs de toppen in rechte lijn een groote
meeuw aanvliegen. Hij strijkt neer bij het wijfje, dat op de jongen zat
en nu in eens het nest verlaat. Ze stapt eraf en blijft belangstellend
toezien.

De ander strekt zijn nek, alsof hij wil gaan zingen, maar er komt wat
anders uit zijn keel. Blinkende vischjes rollen in ’t nest. Na wat
beweging zijn ze verdwenen, de jongen zijn gevoerd.

Wat later in den tijd, als in de meeste nesten de jongen zijn
uitgekomen, dan wordt dat wekenlang de hoofdbezigheid. Wel is waar
groeien de jongen zeer snel, maar er is toch heel wat tijd voor noodig,
eer het kleine donsballetje aangegroeid is tot de groote, vlugge jonge
zilvermeeuw.

Ze blijven niet al den tijd in ’t nest. Zoodra de donsveertjes
vervangen worden door dekveeren en pennen, scharrelen de vogels op
rozeroode pootjes weg van de plek, waar hun wieg eens stond en die nu
door de vele uitwerpselen, de halfvergane stukken visch en de
uitgebraakte graten in ’t geheel niet meer idyllisch mag heeten.

Daar komt weer een meeuw aanvliegen met voedsel. Zou er nog een nest
met jongen in de buurt zijn? Neen, hij blijft staan op een duintop,
legt zijn buit neer en gaat met vlijt aan ’t pikken. Hij heeft een
groot wulkenhuis te pakken, zoo’n groote bruingele „horen”, die je
overal op ’t strand vindt en daaruit trekt en scheurt hij nu den
bewoner te voorschijn, die in dit geval niet de rechtmatige bezitter,
wulk, maar een groote St. Bernardskreeft is.

De zilvermeeuw brengt dus, evenals de scholekster en de bonte kraaien,
een massa schelpen het duin in: groote en kleine. Wanneer we nu even
rondwandelen, vinden we allerwegen de bewijzen ervan: hier groote
buccinums en natica’s, ginds mosselen en overal kleine hoopjes gruis,
waarin schelpbrokjes van mossel, kokkel, alikruik, tellina en mactra
duidelijk te herkennen zijn.

Ziedaar nu de bewijzen van zijn sterke maag. Want die kleine
schelpdieren slikt hij in hun geheel in, zonder ze stuk te pikken en
dat wordt dan allemaal tusschen de harde maagwanden door sterke
spiercontracties stuk geknepen. ’t Woord „kauwmaag” lijkt voor dit
proces te zwak; een „brijzelmaag” zou het moeten wezen. De
schelpbrokken doen niet den tocht door ’t heele darmkanaal, maar worden
weer uitgebraakt.

De duinen liggen hier vol met schelpen en schervenhoopjes en ’t is
haast niet te begrijpen, hoe die flegmatische vogels, die urenlang
niets anders doen dan stilstaan en rondzweven, zoo overvloedige
maaltijdrestanten hebben kunnen produceeren. Dat komt, doordat we ze nu
aantreffen in hun rusturen, straks als ’t ebt, gaan ze aan hun werk.

In de Berger-duinen, op Texel en op Terschelling liggen op de
rustplaatsen der meeuwen tusschen de schervenhoopjes en witte
uitwerpselen ook nog groote blauwe, amethystkleurige vlekken. Die zijn
afkomstig van het plantendieet der vogels, want evenals de wulpen zijn
de zilvermeeuwen verzot op de bessen van de kraaiheide. Daar kunnen ze
ontzettend gulzig van eten, en dat gaat dan dikwijls niet netjes en
nuffig besje voor besje, maar als het een goed kraaiheidejaar is en de
vruchtjes in dichte bundeltjes de takken bedekken, dan gaat alles
tegelijk, met tak en blad naar binnen. Zoo komt het, dat er tusschen de
schelpscherven ook kraaibestakjes te vinden zijn.

Ik heb er ook keverdekschilden tusschen gevonden en rupsenkoppen,
zoodat we deze meeuw ook weer gerust mogen rangschikken onder de
alleseters.

De jonge zilvermeeuwen krijgen hoogstwaarschijnlijk in het begin niets
anders dan visch en krabben en wanneer zij zelfstandig geworden zijn,
vertoeven zij ook bij voorkeur aan den zeekant. In Augustus zijn ze al
bij troepen op het strand te ontmoeten: groote, gevlekte vogels, die
maar bitter weinig gelijken op de prachtige wit-met-zilveren dieren
waarvan ze afstammen.

Alleen aan de keel en bovenop aan het begin van den staart hebben zij
een weinig wit, overigens is het heele lichaam lichtbruin met donkerder
vlekken. De slagpennen zijn ongevlekt, de snavel bijna zwart.

In hun tweede jaar wordt de snavel vuilgeel met zwarte punt, de
slagpennen worden donkerder, maar krijgen lichtgrijze vlekken, terwijl
de vlekken aan kop en hals minder duidelijk worden.

In het derde jaar trekken ze de kinderschoenen uit en beginnen ze wat
meer op de ouden te gelijken. Toch bestaat er nog veel verschil. De
dekveeren van de vleugels zijn nog gevlekt, hoewel de mantel reeds
meeuwenblauw wordt. De snavel is nu bijna heelemaal geel, de staart wit
met alleen nog veel donkere streepjes en slangetjes op de middelste
stuurpennen. De groote slagpennen zijn zwart met witte vlekken.

Eerst in het vierde voorjaar worden ze geheel volwassen, dan krijgen ze
den sneeuwwitten kop en staart, de oranje vlek aan den ondersnavel, de
gele pooten, maar toch zijn al die kleuren nog mat in vergelijking met
die van tien- of twaalfjarige vogels.

Maar hoe oud ze ook worden—en we weten met zekerheid dat ze meer dan
een kwarteeuw kunnen leven—altijd wordt in den winter de kop en de hals
weer overdekt met donkere lengtestrepen.









IV.

IN BOSSCHEN EN TUINEN.


DE WINTERKONING.


Ik wilde wel, dat dit vogeltje een anderen naam had, een anderen naam
en een andere traditie. Voor de meeste menschen is hij niet anders dan
een zeer klein vogeltje, dat met steil opgerichten staart midden in den
winter zit te zingen en indertijd fraude gepleegd heeft, toen de vogels
een koning wilden hebben.

Dit is allemaal goed en wel, maar de winterkoning is toch nog veel meer
en hij draagt zijn staart niet eens altijd rechtop. Hij is een klein
vogeltje, begiftigd met een enorme vitaliteit, in de lente een der
allerbeste zangers en nestenbouwers, in den zomer een vlijtig zanger en
voorbeeldig opvoeder van zijn jongen, in den herfst een voorbarig
zanger en veelzijdig acrobaat en in den winter een avontuurlijke
zwerver.

’t Is een bosch- en tuinvogel bij uitnemendheid. Zijn donkere kleur,
varieerend van kil aschgrauw tot warm roodbruin en afgewisseld met een
paar lichte strepen boven ’t oog, een wit streepje op de
vleugeldekveertjes en zwarte, bruine en lichte dwarse
blokteekeningetjes op slagpennen, staartveeren en langs de flanken,
maken, dat ’t kleine wezentje te midden van dorre bladeren en
takkenrommel onmogelijk kan worden opgemerkt, als hij maar geen geluid
maakte. En, merkwaardig, wanneer hij wil opgemerkt worden en in ’t
zonlicht gaat zitten op een takeinde of bovenop een houtmijt, dan gaat
al het bruinrood in zijn veertjes gloeien en stralen, zoodat hij van
verre te zien is.

Hij is overal thuis en ’s zomers tenminste overal te vinden: in den
tuin, in ’t struweel van de parken en buitenplaatsen, aan den
boschrand, in de duinboschjes vlak bij de zee, in de braamstruiken, in
den grindput midden in de barre hei, in de wilgen van de grienden langs
de groote rivieren, in de elzen van het peilloos moeras.

’s Winters schijnt hij zich meer te concentreeren rondom bewoonde
plekken. Dan krijgen wij er om huis wel driemaal zooveel te zien als ’s
zomers, maar daar zijn er stellig onder, die van verre komen uit
vreemde landen. Er zijn dus twee oorzaken, waardoor het „groote
publiek” den winterkoning ’s winters eer opmerkt dan ’s zomers: ten
eerste zijn er dan minder andere vogels, die zingen, en ten tweede is
het aantal winterkoningen veel grooter.

Hoe brengt de winterkoning den winterdag door? Hij wordt wakker een uur
vóór zonsopgang of nog eerder, al naar het weer of naar den stand der
maan. Bij volle maan worden de vogels altijd vroeger monter. Bij donker
weer worden ze laat wakker en als ze in een donkere ruimte overnachten,
waar ’t daglicht niet doordringt, dan komen ze zeer laat te voorschijn.

’s Winters komen de winterkoninkjes nog al eens slapen in de schuur
achter de turven. Wij laten ’s avonds de schuurdeur altijd een poosje
open en ze zorgen dan wel, dat ze binnen komen. ’s Morgens even voor
zonsopgang als de andere winterkoningen al lang monter zijn, dan is het
in de schuur nog doodstil. Maar doen we de deur open, dan is het
dadelijk: „tèk, tèk, tèk”, en de bruine balletjes gonzen naar buiten.
En dan is het eerste, wat ze doen, een liedje te zingen.

Er is over vogelzang al veel getwist en geschreven. Het meest verspreid
is de meening, dat de mannetjes zingen, om de wijfjes te behagen,
eerst, om ze te veroveren en daarna zeker om ze te behouden of om ze er
voor te bedanken, dat ze geaccepteerd zijn.

Dit is natuurlijk moeilijk uit te maken. Het beste van zulke kwesties
is misschien ook wel, dat ze nooit uitgemaakt worden, maar dat ze
steeds aanleiding geven tot interessante en genotrijke waarnemingen.
Zoo ooit, dan bestaat hier het gevaar, dat onze dierkundige
waarnemingen lijden onder menschelijke preoccupaties.

Het probleem van vrouwen te behagen neemt in de menschelijke
samenleving en in onze kunst en literatuur een belangrijke plaats in,
van een vogelkundig standpunt beschouwd, misschien een veel te groote.
Bovendien zijn de beschouwingen omtrent deze beminnelijke omstandigheid
’t meest afkomstig van mannen en ’t zijn ook alweer mannen, die de
wetenschap der ornithologie hebben gegrondvest. Ik vrees, dat wij
daardoor wel wat al te dikwijls eenzijdige en bekrompen opvattingen
hebben gekregen omtrent de levensuitingen van de vogels.

Een man maakt een loffelijke uitzondering en dat is—mirabile
dictu—Goethe, als hij zegt:


    Ich singe wie der Vogel singt
    Der auf den Zweigen wohnet
    Der Ton, der aus der Kehle dringt
    Ist Lohn der reichlich lohnet.


Dus zoo iets als: l’Art pour l’art. En toch weer wat anders. Hoe meer
ik de vogels bestudeer, des te sterker gevoel ik, dat zij een leven
leiden, zoo intens en gelukkig, dat hun gewone levensuitingen zich
telkens verheffen tot een volmaaktheid en harmonie in de uitvoering
ervan, die op ons den indruk maken van kunst. Dan worden hun lokkreten
tot een lied, hun vleugelbeweging tot een wonderbare luchtgymnastiek,
hun zwemmen en duiken tot bewegingen van buitengewone kracht en gratie.

Dat ten slotte, als ’t noodig is, de wijfjes daardoor bekoord worden,
spreekt vanzelf. Ook geloof ik wel, dat in bepaalde tijden van het jaar
en wellicht vaker dan men meent, de tegenwoordigheid van wijfjes de
mannetjes tot kunstvertoon prikkelt. Maar dat neemt niet weg, dat ze in
zeer vele gevallen mooie dingen doen, zonder dat op ’t oogenblik de
noodzakelijkheid ertoe bestaat en zonder dat er een lid van de andere
sekse in de buurt is.

Het is zeer wenschelijk, dat dames-ornithologen eens gaan vertellen van
hun waarnemingen. En ook is het van belang, dat wij wat meer gaan
letten op het gedrag der wijfjesvogels. Het zou dan blijken, dat die
lang niet altijd de passieve en kleurlooze rol spelen, die haar in de
boeken wordt toebedeeld.

De winterkoninkjes zingen direct bij ’t ontwaken, juist zooals een
gezond kind doet. Eerst komen een paar loktoontjes, maar al heel
spoedig gaan die over in ’t welbekende onstuimige liedje. Dat duurt een
half uurtje en dan komen de zorgen voor het ontbijt.

Dat gaat weer met de noodige drukte en opgewektheid. Takkenbossen
worden doorsnuffeld, boomstronken afgezocht, en onder elk blad van
kruip- of klimplanten schijnen verborgen schatten te liggen. En wanneer
een gedeelte van de taak is afgewerkt, dan wordt daar melding van
gemaakt door een paar parmantige roepjes, „terrt, terrt”, die bij de
minste aanleiding zich weer uitbreiden tot het welbekende ratelliedje.

Wat vindt hij daar? Zoo ge ’t weten wilt, dan moet ge zelf maar eens
een boomstronk afzoeken, desnoods gewapend met een vergrootglas. Ge
vindt natuurlijk niet het tiende deel van wat de vogel weet te
ontdekken, maar toch genoeg, om u de zekerheid te verschaffen, dat het
montere vogeltje zonder veel moeite aan den kost kan komen.

Daar zitten achter mooie webjes en gordijntjes in kleine zakjes van
fijn spinsel, eitjes en larfjes van allerlei soort: rupsjes, spinnetjes
en zelfs mooie blinkende volwassen kevertjes, heele plekken volgeplakt
met vlindereieren en oranje urntjes vol met eitjes van spinnen. Als ’t
niet al te guur weer is, zijn tusschen de dorre bladeren ook
slakkeneieren te vinden en kleine mugjes, met mooie parelmoeren
vlerkjes, die ze haast nooit gebruiken. Uit de halfvergane
eikenbladgallen komen zwarte wespjes te voorschijn, die traag
voortloopen en op de eikenknoppen gaan zitten, om er hun eieren te
leggen.

Zoo is er den heelen winter genoeg te vinden, zelfs voor een
insecteneter en geen wonder is het, dat onze winterkoning voor tienen
al weer tijd en lust heeft, om door de sparretjes te huppelen, al
roepend om gezelschap of schermutselend met zijn tijd- en
plaatsgenooten, de meezen, goudhaantjes of boomkruipertjes. Merkwaardig
is het, hoe hij geheel op boomkruipertjesmanier tegen de stammen kan
opklauteren, echter altijd min of meer overdwars en op hooge pooten.

En hij slaat weer aan ’t zingen ook. Het is de moeite waard, hem nu van
zeer nabij op te nemen. Als hij goeden zin heeft, dan laat hij u wel
naderen tot op twee meter, maar ’t makkelijkst is wel, den kijker erbij
te halen.

Het komt er op aan, om te zien, of we te doen hebben met een jongen
vogel of met een ouden. Wie nu voor ’t eerst naar winterkoninkjes
uitkijkt, kan in dezen niet meespreken, want het onderscheid is nog al
subtiel. Bij de oude vogels is de borst en keel minder, vleugels en
staart daarentegen meer van dwarsstrepen voorzien. De jonge vogels zijn
aan borst en keel rossig, soms echt roodbruin, de ouden aschgrauw. De
vogel op onze foto is een oud mannetje.

Nu heb ik in de heerlijke Octobermaand 1906 heel veel winterkoninkjes
hooren en zien zingen en ik kan u vertellen, dat bijna de helft (42%)
jonge vogels waren, geboren in 1906, dus jongelui van een maand of vier
oud. Ik kan zelfs aan ’t liedje wel hooren, of ’t een oude of een jonge
is, de jongen zingen veel korter, veel zachter, geheel zonder snerpende
fortissimo’s. Een enkelen keer vergis ik mij nog wel eens, maar in acht
van de tien gevallen heb ik toch wel gelijk.

Heel veel jonge vogels zingen in den herfst, niet alleen de zoogenaamde
standvogels, zooals roodborst, winterkoning en bastaardnachtegaal, maar
ook trekkers, zooals de fitis, de tjiftjaf, het roodstaartje en zelfs
nachtegaaltjes.

Ik heb een vermoeden, dat de wijfjes van de winterkoninkjes ook zingen.
In Augustus van het vorig jaar trof ik in Beverwijk een heele
winterkoninkjesfamilie aan, die in een verwaarloosd boomgaardje zoekend
en etend rondscharrelden. Er waren vijf jongen en twee ouden en beide
ouden zongen, de een luid en flink, de andere aarzelend en zachtjes,
als aanhangsel van lok en angstkreten. Nu zou ik, om zekerheid te
hebben, zoo’n vogeltje moeten doodschieten en dan anatomisch het
geslacht vaststellen, maar ge begrijpt, dat ik in zoo’n geval de
waarschijnlijkheid verkies boven de zekerheid.

Intusschen is het een zaak, waarop gelet kan worden en wij mogen dan
meteen de andere winterzangers, roodborstje en bastaardnachtegaal, ook
in het onderzoek betrekken.

In den namiddag schijnen mijn winterkoninkjes even te dutten, niet
langer dan een uur, want tegen de avondschemering beginnen ze weer
overal te roepen en te zingen en dan gaan zij ter ruste. Ik loop ze wat
na, om hun slaapplaatsen te vinden, want er is een aardig
boekenverhaaltje, dat ik nog nooit bewaarheid heb gezien.

Er wordt namelijk beweerd, dat de winterkoninkjes bij guur weer een
winterverblijf bouwen, eigenlijk niet anders dan een groot nest en dat
ze dan daarin ten getale van zes of zelfs meer overnachten om van
elkanders warmte te profiteeren. Dat is erg mooi en aandoenlijk en ik
zou het dolgraag eens willen zien, maar het is me nog niet mogen
gelukken, zoodat ik, onder ons gezegd, wel een weinig begin te
twijfelen.

Ik geloof wel, dat de winterkoninkjes nesten bouwen in den winter, maar
dat houd ik voor een uiting van het broedinstinct, dat zich bij dezen
vogel onder andere zeer sterk uit in een zucht, om nesten te bouwen.
Den heelen dag is het echtpaar bezig, mannetje zoowel als wijfje, het
eene „speelnest” is nog niet klaar, of er wordt al aan een ander
begonnen en dat alles onder onophoudelijk gelok en gezang.

Dat gezang is een echte weerklank van de groote activiteit, van het
groote geluksgevoel van het vogeltje. Het klinkt wel eens zoo luid en
duurt wel eens zoo lang als ’t herfst- en winterlied. Het begint met
een aantal snelle staccato-toontjes, dan komt een lange triller, dan
wisselen telkens eenige staccato-tonen met korte trillertjes af, totdat
een laatste onstuimige tonen-cascade het lied besluit. Het is beslist
een origineel lied, geheel opgebouwd uit eigen geluiden en het valt
niet moeilijk, er de gewone lok- en alarmkreten in te herkennen.

Er zingen in de lente zooveel winterkoninkjes en ze zingen zoo zonder
ophouden van voor zonsondergang tot het invallen van de duisternis, dat
een groot deel van het duizendstemmig vogelkoor op hun rekening moet
worden gebracht. Liefst zingen ze op duidelijk zichtbare plaatsen en
zeer dikwijls slingeren ze zich onder het zingen de lucht in, om al
zingende een heel eind verder neer te dalen.

De korte vleugeltjes gaan zoo snel, dat ze niet te zien zijn en het
valt inderdaad moeilijk, om in dat geraasmakend bruine dingetje een
vogel te herkennen.

Veelal huizen winterkoninggezinnen in elkanders nabijheid en dan hebben
de mannetjes er groot genoegen in, om met elkander een beurtzang te
houden. De een wacht behoorlijk tot de ander zijn liedje uitheeft en
begint dan het zijne. Een kwartier lang kunnen ze dat volhouden, de
volmaakte afwisseling bewijst, dat ze naar elkander luisteren. In den
herfst en winter doen ze dat ook wel en in de allermeeste gevallen is
er dan niets te bespeuren van wedstrijd of afgunst.

Toch heb ik ook wel gezien, dat de zangers hoe langer hoe dichter bij
elkander kwamen en dat zij ten slotte al zingende handgemeen raakten.

Wanneer het echte nest kant en klaar is met zijn buitenlaag van dor
blad, zijn binnenmuur van mos, de binnenkleeding van haren en veertjes
en ’t wijfje zit te broeden op het tiental roodgespikkelde eitjes, dan
doolt het mannetje voortdurend rond in de omgeving van het nest en
zoodra er onraad dreigt, begint hij te ketsen. Het geluid, dat hij nu
laat hooren, lijkt precies op het op elkaar ketsen van een paar
kiezelsteentjes: „tèk, tèk, tèk.”

Een kat sluipt door het onderhout. „Tèk, tèk, tèk,” gaat onophoudelijk
om hem heen en het waakzame vogeltje snort den ellendigen roover om de
ooren.

Als wij tusschenbeide komen en de kat door een goedgemikten steen op de
vlucht drijven, dan gaat de angst van ’t vogeltje in vreugde over en
hij zingt zoo, waar hij zit, midden op den grond een daverend
vreugdelied.

Het nest van een zoo expansief diertje is natuurlijk gemakkelijk te
vinden. Het komt er maar op aan, hem een half uurtje na te gaan en te
letten op alle dichte en donkere plekken in de lage heestertjes en
klimplanten. Zelden ligt het nest hoog, heel dikwijls zelfs vlak bij
den grond, maar in den regel is het goed verborgen door de dichtheid
van de struiken, of doordat de buitenzijde gemaakt is van ’t zelfde
materiaal als de omgeving.

Er gaat een verhaal, dat de winterkoning zijn nest voor goed verlaat,
eieren of jongen in den steek latend, wanneer een mensch het aangeraakt
heeft, of wanneer zijn adem erover is gegaan. Nu, hiervan is niets
waar, ge kunt gerust winterkoningsnesten zoeken en bekijken, zooveel ge
wilt.

En ligt het nest op een gevaarlijke plaats, waar katten of kwajongens
het zouden kunnen verstoren, dan moogt ge het gerust naar een veiliger
standplaats verleggen, of er een beschermend prikkeldraad om vlechten.

Mij is een geval bekend, dat een winterkoninkje een nest had gemaakt in
een stuk boomstronk dat gebruikt moest worden voor de omheining van een
rustieke bank. Het ding moest in orde worden gemaakt. De stronk moest
weggeruimd, de schoonmaaktijd kent geen mededoogen. Men pakte dus kort
en goed het houtblok op en bracht het, waar het wezen moest, met nest
en al een meter of tien verder. Natuurlijk gebeurde dit onder groot
protest van de winterkoninkjes, maar toen ’t ding eenmaal stil lag,
ging het wijfje het nest opzoeken, bebroedde de eieren even trouw als
te voren en dat is toen nog een heel gelukkig winterkoningengezin
geworden.

Een andermaal had een Junistorm een heel winterkoningennest met jongen
en al uit zijn kruisbessenstruik gerukt en een meter of drie verder
tegen den grond gesmakt. De oude vogels waren radeloos. Een
medelijdende hand heeft toen ’t nest met jongen opgenomen, rafels en
flarden erin gewerkt en het weer in den oorspronkelijken stand in den
struik gezet. Ook na dit ongeval gingen de ouden gewoon voort met de
verzorging.

De jongen worden gevoerd met kleine insecten en miereneieren,
hoogstwaarschijnlijk wel met mieren zelf ook, want ik heb in mijn tuin
een mierennest gehad, waar den heelen dag de winterkoninkjes kwamen
schuimen. De poppenkamers lagen gewoonlijk vlak onder de graszoden,
gemakkelijk voor het lange snaveltje te bereiken, maar bij droog weer
en op den middag een paar centimeters dieper. Toch kwamen de koninkjes
dan evengoed hun schatting halen. Het diertje op de foto heeft het
achterlijf van een kleine kakkerlak in zijn bek.

De jongen worden niet heel lang in het nest gevoerd. Al heel gauw komen
zij er uit en dan begint voor de oude vogels een tijd van veel onrust
en spanning. Hun „tèk, tèk, tèk”, klinkt onophoudelijk den heelen dag,
terwijl zij de jongen rondleiden door de lage struiken en het
kreupelhout. Hoe vlugger de jongen worden, des te moeilijker zijn ze
bij elkander te houden. Alles moet tegelijk gebeuren: de bende
bijeenroepen, uitkijken, om voedsel te vinden, voeren, uitkijken, of er
gevaar dreigt, en zoo de nood aan den man komt, redden, wat er te
redden valt.

Ze schijnen dag aan dag dezelfde tournée te maken. Ik had dezen zomer
twee families in mijn tuin, de eene met zes jongen kwam ’s morgens, de
andere met acht in den namiddag. Dat wil zeggen, er waren er zes en
acht, toen de bezoeken begonnen, maar na een week was dat aantal al
verminderd tot twee en vijf. Meer dan eens ben ik van mijn boek of mijn
werk opgestaan, om ze te helpen tegen de groote erfvijanden van de
jonge vogeltjes: de katten en de gaaien. De katten zijn niet anders van
mij gewoon, maar de gaaien keken eerst raar op, toen ik hun met steenen
naar het hoofd gooide. Daarover later.







HET WATERHOENTJE.


Als het waterhoentje eens niet zulk donkergekleurd en taai vleesch had,
dan zouden onze vijvers en vaarten een bekoorlijkheid minder bezitten.
Zooals de zaken nu staan, worden zij weinig of niet gevangen of
geschoten en ook wordt er niet buitengewoon veel acht geslagen op hun
eieren. Dit heeft het verblijdend gevolg, dat de waterhoentjes hoe
langer hoe meer algemeen worden en op buitenplaatsen met waterpartijen
van eenige beteekenis zelden ontbreken.

Ook in singels en oude vestinggrachten ontbreken ze niet, doode
rivierarmen wemelen ervan, in ’t voorbijrijden telde ik er op 1
September 1906 in den dooden Rijnarm aan de Grebbe niet minder dan acht
en twintig, oude en jonge. De plassen, die langs onze zee- en
rivierdijken herinneren aan oude doorbraken, herbergen alle een of meer
waterhoentjes-paren; ze zwemmen op alle vaarten en het is een groote
schande voor Amsterdam, dat er op al de vijvers en in al de parken geen
enkel waterhoentjes-paar huist.

Dan is het in de boschstreek langs den binnenkant der duinen anders!
Het is het ware land voor waterhoentjes: weiland, water en geboomte.
Geen wonder, dat ze hier ’s zomers bij honderden te zien zijn en ’s
winters in nog grooter aantal, want die uit Noordelijker en Oostelijker
streken komen hier overwinteren. Het geeft zoo’n Spaansch of Egyptisch
gevoel, als je ’s winters al de vogels ziet, voor wie hier het „warme
Zuiden” is: bonte kraaien, koperwieken, zwarte zee-eenden,
goudhaantjes, waterhoentjes, bastaardnachtegalen, boomleeuweriken en
eigenlijk ook de meerderheid der kieviten, roodborstjes en
winterkoninkjes. Dat zijn allemaal trekvogels, die van de bevroren
Oostzeelanden hierheen komen en voor een groot deel onze eigen vogels
vervangen, die weggetrokken zijn.

Voor de waterhoentjes is gemakkelijk uit te maken, hoe het eigenlijk
met hun reizen en trekken gesteld is. Men behoeft slechts de bevolking
van een bepaald waterhoentjes-terrein gedurende een heel jaar na te
gaan. Vroeger was de omgeving van de ruïne van Brederode daarvoor
bijzonder geschikt, maar die buurt is minder prettig geworden, sedert
er veel stinkend rioolwater door wordt geleid. Er komen nog wel
waterhoentjes voor, maar lang niet zooveel als vroeger en het is nu
niet meer prettig, om daar op ze te letten.

Maar er is geen gebrek aan goede terreinen. We hebben hier een meertje,
dat wel het waterhoentjes-paradijs mag heeten, want alle
gelukzaligheden, die de meest levendige waterhoentjes-fantasie zich zou
kunnen voortooveren, zijn daar vereenigd.

Het is een paar honderd meter lang en op zijn breedste gedeelte een
veertig meter breed. Daar ligt ook een eilandje, begroeid met wilgen en
elzen. De oevers vertoonen een groote verscheidenheid: langs den
noordelijken oever ligt een mooie tuin, de westelijke oever is voor een
deel een rietgrasmoeras, vol zeggeklompen en duistere waterkuilen,
overschaduwd door donkere elzen, voor een ander deel rietkraag en voor
de rest weiland. Ook langs de andere oevers ligt weiland, maar de rand
van ’t meertje zelf is begroeid met zeggen, eppe, zwanebloemen en
dotterbloemen. Aan de zuidpunt mondt een beekje uit, dat in zijn
bovenloop nimmer bevriest.

Het meertje is vischrijk, maar voor de waterhoentjes is het van meer
belang, dat alle mooie waterplanten er groeien: waterlelies,
kikkerbeet, waterpest, hoornblad, duizendblad en vooral niet te
vergeten de waterranonkel, die in den zomer het water bedekt met
bloesemsneeuw, waarvan de fijne geur wedijvert met die der linden.

Is aldus het meertje een lustoord voor de vogels; voor den
waterhoentjesvriend kon het ook niet beter, want langs de heele
westzijde is weide en meer omgeven door hakhout met een dichten rand
van meidoorns, zoodat de achterdochtige steltloopertjes gemakkelijk
genoeg te bespieden zijn.

Die waterhoentjes toch zijn bij ons nog altijd niet geheel en al aan
den mensch gewend. Soms loopen ze over den weg en wijken ze nauwelijks
uit voor een fiets, maar als ze merken, dat ze worden nagegaan, dan
komt hun schuwe rallenaard boven en dan sluipen ze met veel gegluur en
kopgeduik naar den meest nabijzijnden schuilhoek. Verrast ge ze,
terwijl ze in ’t water rondzwemmen, dan zullen ze al naar
omstandigheden kalmpjes wegzwemmen naar den verst verwijderden oever,
opvliegen en een heel eind verder neerstrijken of, als ’t gevaar heel
groot lijkt, neerduiken en schijnbaar nimmermeer boven komen.

Zij zijn dan een heel eind voortgezwommen onder water naar een
begroeide plek, die ze in de gauwigheid even hebben uitgekozen en daar
komen ze dan met den snavel even boven water terwijl ze zich met hun
lange teenen aan stengels en bladeren vasthouden.

Vliegen ze uit het water op, dan is de houding van ’t lichaam bijna
verticaal; den kop omhoog, het achterlijf afhangend en de pooten
nasleepend over het water. Naarmate ze meer vaart krijgen wordt de
houding meer horizontaal, de pooten worden tegen den staart gedrukt,
maar de kop blijft toch altijd het hoogst. Zoo kunnen ze vrij lang en
vrij snel vliegen; ik heb ze wel stukken van driehonderd meter zien
afleggen en twijfel er niet aan, of ze kunnen in den trektijd hun reis
voor het grootste deel vliegend verrichten.

Ons meertje herbergde dezen zomer drie waterhoentjes-gezinnen: een op
het eiland en twee in de zeggeklompen van het moeras. Ze konden
elkander nog al goed verdragen, d. w. z. ze hebben alle drie een dubbel
broedsel grootgebracht. Maar aan vechtpartijen heeft het niet
ontbroken, vooral in den eersten tijd van het broeden.

Daar ze hun voedsel in de onmiddellijke omgeving hunner nesten zochten,
op het water, op het weiland en in het bosch, kon het niet uitblijven,
of ze moesten elkander telkens ontmoeten en iedere ontmoeting werd een
gevecht of een demonstratie.

Neer ging de kop, omhoog de staart en met groote stappen draaiden ze om
elkaar heen in hevige opwinding. Bij iederen stap wordt de opgetilde
poot een poosje omhoog gehouden als wilde de vogel ermee dreigen of
afweren. Maar dan spreidt hij toch de lange teenen uit en zet met een
schokje het groene been neer. De staart wipt bij iederen stap op en
neer en wanneer de vogel stilstaat, klapt hij de witte zijdelingsche
onder-staartdekveeren uit, met een gebaar, dat wel wat herinnert aan de
vertooning van den korhaan.

Ook wipt hij met de vleugels, zoodat de witte vleugelrand te zien komt
en de halfwitte dekveeren onder de vleugels worden ook even opgetild
zoodat de witte partij veel grooter wordt. De broekveertjes trillen mee
en maken, dat de rood met oranje hielbanden prachtig te zien komen. De
tegenpartij blijft in zulk vertoon niet achter en ’t voornaamste is
nog, dat ze elkander den puntigen snavel voorhouden, waarboven de
groote roode voorhoofdsbles gloort.

Nu eens doet de een, dan de ander met dien snavel een vinnigen uitval,
een zijdelingsche greep, maar ’t is altijd mis. Ten slotte rennen ze op
elkander in met opengesperden snavel, springen tegen elkander op, al
krabbend met de lange teenen. Dan vallen ze beide neer en maken als bij
afspraak plotseling rechtsomkeerd met den rug hoog in de lucht en den
achtersteven uitgespreid op zijn allerbreedst; een echt onbehouwen
straatmeiden-gebaar van allerdiepste verachting.

En dan gaan ze doodgewoon, alsof er niets gebeurd is, heel braaf
voedsel zoeken voor hun broedende ega. De storm is ineens en volkomen
uitgeraasd, maar alleen, om een half uur later met vernieuwde woede op
te steken.

Tijdens den broedtijd zoeken de waterhoentjes hun voedsel voornamelijk
op het water, waarschijnlijk wel, omdat er dan ’t meest te vinden is.
In de allereerste plaats hebben ze het dan op de muggen voorzien en
daar kunnen wij hun niet dankbaar genoeg voor zijn.

De muggenlarven hangen met hun staarteind aan de oppervlakte van het
water, den kop naar omlaag. In ondiep water, waarin veel rottend blad
ligt, komen zij voor bij duizenden en duizenden en daaruit wordt dan
later de muggenplaag geboren. Nu komen de waterhoentjes zwemmend of
wadend die plekken afzoeken en met onbegrijpelijke vlugheid weten ze
larf bij larf te pakken, nog eer deze het wateroppervlak kunnen
loslaten, om zich te redden door neer te zinken.

Nog mooier is het, wanneer het waterhoentje de muggen zelf vangt,
wanneer zij over het water dansen, om er eieren te leggen. Er zijn
verscheidene soorten van vliegjes en muggen, die hun eieren leggen in
’t water; dat gebeurt zeer veel op warme zomeravonden. Langs alle
oevers en slooten en vijvers dansen de eierleggende diertjes, sommige
leggen hier of daar een enkel eitje, andere leggen ze aan groepjes of
snoeren.

En als dat nu in vollen gang is, dan komt het waterhoentje sierlijkjes
aanzwemmen over het blinkende water, bij iedere roeibeweging knikkend
met het kopje en wippend met de staart, langzaam, ordelijk en
regelmatig. Maar zoodra hij aangekomen is bij de muggen, gaat het
sierlijke scheepje wenden en draaien naar alle kanten en de vlugge
snavel hapt rechts en links, omhoog, omlaag, totdat hij een heele prop
muggen heeft bijeenverzameld. Die wordt gebracht naar de broedende ega
en dan begint de uitval opnieuw.

Een andermaal geldt het de vlugge schaatsenloopers, die gaarne in
troepen bijeen op ’t gladde water staan. Het waterhoentje blijft
nagenoeg stationnair maar hapt naar alle zijden, naarmate de
schaatsenloopers of de draaikevertjes binnen zijn radius komen. De
groene larven van de kleinere libellensoorten haalt hij tusschen wier
en kroos te voorschijn en als hij dit laatste zelf eet, dan is het
misschien toch wel in de eerste plaats om al het gedierte, dat aan de
kroosworteltjes leeft.

Nog vlijtiger werken ze, wanneer de jongen zijn uitgekomen. Die blijven
de eerste uren nog in ’t nest, al naar de omstandigheid, of dat dicht
bij het water ligt, of ver er van daan.

Evenals de meeste vogels, die succes hebben, is het waterhoentje ook
zeer veelzijdig in ’t bouwen van zijn nest. Het traditioneele nest
wordt gebouwd in en van rietgrassen, in de onmiddellijke nabijheid van
het water. Een van onze foto’s geeft een dergelijk nest te zien. Het
andere is van riet en ligt in ’t water.

Maar er zijn vele andere mogelijkheden. Waar geen rietgras is, maar
kreupelhout het water omgeeft, daar nestelen ze op de stoven der elzen,
wilgen of esschen, maken een ruw nest van weinig stengels en takken en
bevloeren dit met dorre bladeren. In zulke nesten is dikwijls geen
grassprietje aanwezig. Het hindert niet, al zijn de stoven wat hoog en
zoo kan het nest dan soms meters hoog terecht komen en ten slotte het
karakter krijgen van een echt boomennest. Wij hebben er gevonden meer
dan drie meter hoog in een beukenhaag en ook boven in een ouden
meidoorn. En vlak daarbij had een excentriek waterhoentje een nest
gemaakt onder de kruipende klimop, bijna geheel zonder eenige
bekleeding.

Dat was op een oud buiten. Gelukkig, dat er nog oude buitens zijn met
dicht kreupelhout, met vijvers waarin alle Hollandsche wilde
waterplanten mogen groeien en vaarten, waarlangs eeuwenoude
elzenstronken hun dikke takken omhoog zenden door dicht struweel van
bramen, netels, koninginnekruid en biezen. Aardige bruggetjes en goed
onderhouden paden verschaffen aangename gelegenheid tot gemakkelijke
wandeling en een paar meter buiten het pad lokt de bekoorlijke
wildernis een dichte vogelbevolking.

Op zulk een plaats konden wij dezen zomer het leven der waterhoentjes
van nabij bestudeeren. De meesten hadden een bladernest op een
elzenstoof. Dat was hun broednest, maar behalve dat hoofdkwartier
verrezen in den loop van den broedtijd nog allerlei kleinere bouwsels
langs den oever; vloertjes van takken en bladeren, minder hoog boven
het water dan het eigenlijke nest.

Evenals bij den winterkoning noemen we die nesten „speelnesten”. Zij
hebben hun ontstaan te danken aan een sterk ontwikkelde nestbouwdrift.
Toch bleven de meeste niet ongebruikt liggen, ze dienden na het
uitkomen der jongen als zitplaatsen.

Het broednest lag in den regel zoo hoog boven het water en de kanten
der elzenstoven zijn zoo steil of zelfs overhangend, dat de jonge
waterhoentjes, wanneer ze eenmaal het nest verlaten hebben, er
onmogelijk zelf weer in kunnen terugkeeren. De ouden hebben dan te
kiezen tusschen de moeite van telkens de jongen in ’t nest te tillen of
een nieuwe zitplaats te zoeken. Ze nemen daarvoor de speelnesten.

Één huishouding gebruikt op die manier wel een
half dozijn nesten. De jonge waterhoentjes zoeken die
zelfs nog op, lang nadat ze door de ouden zijn verlaten.

Het aantal der jongen is zeer verschillend en wisselt af van twee tot
twaalf. In de Levende Natuur heb ik de aandacht gevestigd op de
waarneming van Selous, dat ’t oude waterhoentje moedwillig eenige van
zijn eigen eieren zou vernietigen, om het aantal jongen te beperken.
Hij zag tot driemaal toe, dat een zelfde waterhoen een ei uit zijn nest
pakte, ermee wandelde naar diep water en het daar liet zinken.

Nu ken ik Selous persoonlijk van zeer nabij. Ik heb een paar dagen en
nachten met hem gewerkt op Texel en weet, dat zijn waarnemingen en
mededeelingen volkomen te vertrouwen zijn. Daarom heb ik mijn best
gedaan, om bij onze Hollandsche waterhoentjes hieromtrent ook iets te
weten te komen, maar ze hebben zich alle volkomen normaal gedragen.

Wel vonden we veel nesten met vier of vijf eieren, doch nimmer was er
een spoor te ontdekken, dat daar ooit meer in waren geweest. En alle
eieren leverden jongen op, op een paar na, die bedorven in ’t nest
bleven liggen.

Verscheidene malen woonden wij het uitkomen der jongen bij, al konden
we ook lang niet altijd wachten, tot ze te voorschijn kwamen. Die jonge
waterhoentjes hebben weinig haast om ter wereld te komen, of zoo ge
liever wilt, ze beginnen al heel vroeg in den dop te piepen.

De eieren van ons rietgrasnest waren alle aangepikt, toen de foto
genomen werd en de vogels piepten dat ’t een aard had, maar twee uur
later was nog niet een der doppen gebroken. Ze piepten soms wel een
heelen dag en zijn er den volgenden avond nog niet eens uit.

Als wij naar het uitkomen lagen te kijken, dan waren de ouden van ’t
nest gevlucht. Heel zachtjes gleden ze te water en zwommen dan een heel
eind ver weg; wel honderd meter. Maar ’t duurde niet lang, of ze waren,
al sluipend en kruipend ongezien weer naderbij gekomen en dan zaten ze
tusschen de biezen of onder de bramen, onophoudelijk „duk, duk—duk,
duk” te roepen.

Het had er dan alles van, alsof de ouden hun kindertjes, die ze nog
nooit gezien hadden en die hen zelf natuurlijk ook in ’t geheel niet
kenden, wilden waarschuwen voor ’t gevaar. Er wordt dan ook wel
beweerd, dat de jongen het wonderbaarlijk instinct bezitten, om op ’t
hooren van die waarschuwingskreten dadelijk zoo stil als muisjes te
zijn.

Onze jonge waterhoentjes evenwel misten blijkbaar dat instinct, want ze
piepten er even lustig op los. Eens lag ik met mijn neus vlak op zoo’n
nest toen een jong uit den dop kwam. Dat is altijd een mooi moment. Ik
slaagde erin geen spier te verroeren en toen bleef dat kleine beest nat
en hijgend stilletjes liggen tusschen de doppen, terwijl de ouden zich
heesch dukdukkerden tusschen het riet.

Maar toen ik even het hoofd ophief, werd het kleintje bevangen door een
grooten schrik en scharrelde hij haastig naar den rand van ’t nest. Ik
ging toen maar gauw weg, want ze mogen niet zoo gauw zonder hulp in ’t
water.

Het is een aardig gezicht, dat jonge dier zwart en nat uit ’t ei te
zien komen, zwart met een paar roode kale vleeschstreepjes op den
schedel en—wonderlijk genoeg—den snavel ook al versierd met rood
evenals bij de ouden. En vóór het rood zit de spierwitte eitand, die
den volgenden dag reeds afvalt.

Dat roode biesje blijven de jongen een week of drie houden. Als zij
grooter worden en veeren en pennen krijgen, dan verdwijnt het. De
snavel wordt dan groenachtig met een heel smal voorhoofdplaatje. De
veeren aan borst en buik zijn grijsachtig wit en al wat bij de ouden
aan vleugels, flanken en staart spierwit is, wordt bij deze jonge
vogels mooi heel licht bruingeel. De pooten zijn grijsachtig en
kousebanden hebben ze in ’t geheel niet.

Nu moeten ze zelf zien, dat ze aan den kost komen, want de ouden gaan
beginnen aan hun tweede broedsel. Ze zien naar hun eerste stel kinderen
nu niet meer om en als die soms nog om hulp en raad komen vragen, dan
kunnen ze een houw met den snavel oploopen. Toch blijven ze in de buurt
en dikwijls staan ze zich eenzaam in de veeren te pikken in een
speelnest.

Dezelfde schrijver, die dat vertelt heeft van het zwijginstinct der
zich in den dop bevindende kleintjes, de auteur van The Naturalist in
La Plata, W. H. Hudson, zegt ook, dat in de parken van Londen de jongen
van het eerste stel meehelpen, om het tweede legsel uit te broeden. Ook
hierop heb ik veel gelet, doch tot nu toe altijd zonder resultaat;
nooit heb ik een jongen vogel op eieren zien zitten.

Toch geloof ik Hudson wel, want hij is ook maar niet de eerste de
beste, ofschoon ik wel vrees, dat bij hem de literateur den waarnemer
wel eens verschalkt.

Dat na het uitkomen van het tweede broedsel de heele familie weer wordt
hereenigd, is intusschen onbetwistbaar waar. Dat gaat natuurlijk
doodgewoon zonder eenige scène of plechtigheid. De eerste jongen zijn
in de buurt van ’t nest gebleven en nu de ouden met het tweede stel op
de vlakte verschijnen, voegen ze zich natuurlijk en ongezocht bij ’t
troepje.

Naumann geeft daar een nog al sterk gekleurd verhaal van en dat is in
latere boeken natuurlijk „verbeterd en vermeerderd” naverteld. Daardoor
is men langzamerhand de jongste waterhoentjes gaan beschouwen als
bovenmatig vertroetelde Benjaminnetjes, terwijl de oude jongen gelden
als voorbeelden van broedermin en zusterliefde. Dat is allemaal erg
overdreven.

Ziehier, wat ik daarvan op 20 Augustus 1906 zag aan de Zanderijvaart
onder Overveen. Twee oude waterhoentjes zwemmen rond en wandelen over
de waterleliebladeren. Nu eens pikken ze in het water, dan in de lucht.
Drie jonge vogeltjes, nog geheel in ’t zwarte dons en met rood op de
snavels, zwemmen achter de ouden aan en pogen hun op zij te komen.

Dat gelukt gemakkelijk genoeg, want de ouden gaan in allerlei
richtingen door de vaart, en eigenlijk zou het voor de jongen de
verstandigste taktiek zijn, wanneer ze stil bleven liggen. Dat doen ze
ook soms, maar dan sturen ze toch weer opeens op het witte lokstaartje
der ouden af.

Slagen ze erin, een oude opzij te komen, dan piepen ze even en dan
stopt de oude vogel voedsel in het geopende snaveltje. Beurt wordt niet
gehouden, wie het dichtste bij het vuur is, warmt zich het beste.

In een groene nis tusschen de oeverbiezen staat een jong van ’t eerste
broedsel toilet te maken en een eindje verder zwemt er een vlak aan den
kant. Een derde en een vierde zwemmen midden in de vaart. Eén van de
drie kleine jongen komt in de buurt van deze laatste en piept om
voedsel. Broer heeft blijkbaar niets bij zich, maar pikt even in ’t
water en geeft dan iets aan de kleine. Ik kan niet nalaten te denken,
dat dit een zuiver instinctmatige handeling is, en dat hij misschien
niets geeft, alleen maar voerbeweging maakt.

De toiletmaker gaat nu ook te water en zoekt op zijn eentje voedsel
voor zichzelf. Het eene kleine jong zwemt nu voortdurend tusschen de
vier oude jongen heen en weer en doet nu stellig telkens wat op. De
beide andere blijven bij de volwassen ouders, die nu wel vijf en
twintig meter weg zijn. Later keeren ze terug en dan sluit het kleintje
zich ook weer bij hen aan. Van de vier oude jongen staat er dan een te
dutten op een driehoekig modderplekje onder den els, de anderen zitten
heel ver weg tusschen de oevergrassen.

De Zanderijvaart bevatte op dien dag zeven volwassen waterhoentjes, elf
oude jongen en negen jonge jongen. Er waren dus stellig kinderlooze
ouden in ’t vaartje. Geen wonder trouwens, want snoeken en ratten
houden geweldig huis onder de jongen.



In September komen er groote veranderingen in de waterhoentjes-wereld.
Langzamerhand verdwijnen de meeste jongen, niet, doordat ze opgegeten
worden, maar ze reizen in den vreemde. Sommige ouden trekken ook weg,
maar vele blijven hier; dat zijn dus echte standvogels. Het paar, dat
den vijver van Duin en Daal bewoont, is nu—15 November—nog present en
blijft den heelen winter. Op ’t meertje van Caprera zijn behalve de zes
vogels van dezen zomer nog een twintigtal ouden verschenen. Bovendien
zijn er zeven jongen, maar of die blijven weet ik niet. In de Zanderij
zijn er nu eens meer, dan minder, dat is daar een soort van
passantenhuis. Op de Liede en ’t Spaarne, in de kreken langs den IJdijk
vertoonen ze zich in groot aantal. We hebben ’s winters in Holland een
zeer sterke waterhoentjesbevolking.

Nu worden ze hoe langer hoe meer landvogels. Groote troepen loopen er
in de weiden te pikken tusschen het gras en ik vind ze ook tusschen de
esschen en berkjes van het kreupelbosch, waar ze op de manier van
merels rondwoelen in de dorre bladeren.

Op allerlei ongewone plaatsen kunt ge gedurende zomer en voorjaar
waterhoentjes ontmoeten. Niet licht zal ik vergeten, hoe ik op een
Maartmorgen er een ontmoette bovenop de ruïne van Brederode. Die zat
vlak bij den hoogsten trans te smullen in de klimopbessen. En toen ik
naar beneden keek, zaten daar tusschen hemel en aarde op verschillende
hoogte nog zes van die roodblessen, alle op dezelfde manier bezig. Ze
klauterden met het grootste gemak langs den hoogen klimopmuur, zich met
de lange groene teenen vastklemmend in de twijgen.

Toch blijft het water altijd hun hoofdverblijf en wanneer in de
wintermaanden het insectenleven aan de oppervlakte minder rijk wordt,
dan duiken zij vaak onder, om in de modder naar voedsel te zoeken.
Naarmate het voorjaar opschiet, worden ze hoe langer hoe luidruchtiger,
vooral in den laten avond en in den vroegen morgen en lang, voordat de
nachtegaal zich laat hooren, zijn de vechtpartijen tusschen de
waterhoentjesmannen weer in vollen gang.







DE MEREL.


In het laatst van October en het begin van November komen zeer veel
merels op den trek door ons land. Wel verschijnen ze niet in zoo
talrijke zwermen als de koperwieken of zanglijsters, maar troepen van
twintig of dertig stuks zijn toch in ’t geheel niet zeldzaam. Het komt
er slechts op aan, ze op de goede plaatsen te observeeren.

Nu is dat in ons land gemakkelijk genoeg, want de ontelbare legioenen
van lijsterachtige vogels, die in ’t najaar zich westwaarts bewegen
door de Midden-Europeesche laagvlakte, bereiken hier een belangrijk
keerpunt. Een groote massa strijkt over naar Engeland, maar verreweg de
meeste maken halt bij de Zuiderzee of bij de Noordzee en gaan dan van
Texel of van Gaasterland zuidwaarts.

De honderdduizenden vogels, die op Texel en in Gaasterland in de
strikken gevangen worden, zijn slechts een onnoemelijk klein deel van
wat nog verder gaat. Op een mooien morgen in October heb ik in onze
duinen gedurende een enkel uur niet minder dan dertigduizend lijsters
van verschillende soorten zien voorbijtrekken.

Voor vele schijnt het keerpunt meteen eindpunt te zijn, of liever voor
hen gaat hier het trekken over in zwerven. Soms wemelt het een week
lang in een bepaalde streek van merels en zanglijsters, dan is er een
paar dagen lang geen enkele meer te zien en een poosje later komen weer
nieuwe opdagen.

Op Texel is dat den heelen winter door met groot gemak te constateeren.
Ook hebben waarnemingen over een tijdperk van vier jaren mij geleerd,
dat in Bloemendaal van den straatweg tot de zee de lijsterbevolking van
half October tot half Januari zeer veranderlijk is en dat van de
lijsters, die hier broeden, of die hier uitgebroed zijn, geen enkele
hier blijft overwinteren.

Voor de stad is het waarschijnlijk iets anders. Ik geloof werkelijk,
dat de steden in de ornithologie een bijzondere plaats gaan innemen en
dat we hoe langer hoe meer aandacht zullen moeten schenken aan de
„stadsfauna”. ’s Winters neemt ook wel ’t aantal merels in Amsterdam
toe; er is dus toevloed van trekvogels, maar ik heb toch ook de
zekerheid, dat vele van de merels, die in de stad broeden, er ook den
winter blijven doorbrengen.

Dat geeft te denken. Er zijn dus merels, die jaar in jaar uit niets
anders te zien krijgen, dan een paar stadstuinen, omgeven door
huizenblokken. Ik ken er een, die nu al drie jaar lang ontsnapt is aan
de katten van het Werkhuis en overigens een vrij gemakkelijk leven
leidt in een drietal tuinen, die met elkander kunnen bogen op wat
appel- en pereboomen, een paar ahorns, wat iepen en kastanjes en verder
allerhande kleingoed.

Voor een stadsvogel is dat lang zoo kwaad niet. Wormen zijn er in
overvloed te vinden, slakken bij de vleet en als ’s winters de grond
bevroren is, dan neemt hij zijn deel van het brood, dat voor de
musschen wordt uitgestrooid. Gelegenheid tot drinken en baden vindt hij
altijd in de plassen van den Werkhuistuin en in het kunstmatig
vijvertje van den kweekschooltuin.

Eigenlijk leeft zoo’n vogel in een soort van groote kooi. Van de mooie
wereld daar buiten weet hij natuurlijk niets en het lijkt wel, alsof
door den invloed van de gunstige condities, waaronder hij verkeert, het
trekinstinct geheel bij hem is uitgedoofd.

Zijn zang is maar zoo zoo. Doch buiten zijn er ook merels, die slecht
zingen. Ik twijfel er evenwel niet aan, of deze stadsvogels zullen in
den loop der tijden alle anders gaan zingen en zich anders gaan
gedragen, dan de vogels van het vrije veld. De stadsornithologen zullen
hierover binnenkort interessante dingen te vertellen hebben.

De merels van het Vondelpark en zelfs die van Artis zijn al meer
„buitenvogels” en doen dan ook behoorlijk mee in de wisseling der
jaargetijden.

Buiten de steden houdt de merel zich ook veel op in de nabijheid van
menschelijke woningen, maar dat neemt niet weg, dat hij toch een echte
boschvogel is en zich midden op de Veluwe of in een duinvallei aan den
zeekant volkomen gelukkig gevoelt.

Hij is de echte pierenvreter, om nu maar eens niet ineens te beginnen
met zijn deftigheid. Er is geen vogel, wiens bemoeiingen zoo
rechtstreeks gericht zijn op den aardworm, al moge de zanglijster hem
zeer nabij komen. Deze laatste moet toch nog altijd afwachten, hij
luistert, tot hij zijn worm hoort en gaat dan op ’t geluid af. Maar een
merel gaat verder: die kent de natuurlijke historie van den aardworm op
een prik, ziet aan den grond, waar de worm te verwachten is en slaat
bladeren en aarde opzij, om zijn prooi te bereiken.

’t Is een echt herfsttafereel: de merel, stoer werkend in de afgevallen
bladeren. Licht huppelt hij over den grond, staat even stil op
hooggestrekte zwarte pooten, bukt opeens en dan vliegen onder de
krachtige slagen van den snavel de bladeren rechts en links. En eer de
worm, die in zijn hol aan de bladeren zat te knagen, tijd gehad heeft,
om zich diep genoeg terug te trekken, heeft de merel hem aan zijn kop
te pakken en nu begint het worstelspel, dat in negen van de tien
gevallen voor den worm slecht afloopt.

Meestal gaat de vogel, nadat hij zijn pièce de résistance verorberd
heeft, nog eens nasnuffelen tusschen het omgekeerde blad. Dan pikt hij
daar vlugjes de kleinere organismen uit en gaat dan verder. Over
bebladerden grond, onder struikgewas, huppelt hij met fiksche sprongen,
ook in de wei, als ’t gras er hoog is, maar wanneer hij over vlakken
grond zich uit de voeten wil maken en geen gelegenheid vindt, om op te
vliegen, dan rent hij zoo vlug als een kievit. Doordat hij bij het
loopen meer het hielgewricht dan het kniegewricht gebruikt, ziet die
renpartij er meestal nog al komiek uit. Ze doen ’t ook bijna altijd,
wanneer ze van grasveld tot grasveld een pad moeten oversteken.

Soms zijn een dozijn van de vogels tegelijk bezig. In den voorherfst
zijn dat meestal vogels van eenerlei geslacht en leeftijd: oude
mannetjes, zwart met gelen snavel, oude wijfjes, dof donkerbruin met
lichte keel en lichtgrijzen of gelen snavel, jonge vogels, zwart met
donkeren snavel en soms nog met bruingevlekte veeren aan kop of
onderkant.

Het zijn vooral de jonge vogels, die in den herfst zingen, niet het
volle merellied, dat wijd klinkt over gaard en bosch, maar een zacht
neuriën, waarin de accoorden en arpeggio’s van later reeds doorklinken.
In ’t laatst van September hoor ik ’t het meest.

Gedurende den winter zijn de merels ook nog luidruchtig genoeg. Ze
hebben allerlei discussiën met koolmeezen, winterkoninkjes en
bastaardnachtegalen en vinken, die ook in de bladeren onder het
struikgewas hun zaken hebben. De vink en het heggemuschje leggen het
gauw tegen hen af, maar koolmees en klein Jantje zijn niet op hun
mondje gevallen en bestoken hem van alle kanten met „terrrt, terrrt,
terrt” en „tjegge, tjegge, tjeggetjek.”

Hij antwoordt met „tjak, tjak, tjak” of, als hij niet nijdig is, met
een binnensmonds gesproken, „koek”, „koek”, doet af en toe een aanval,
maar moet het in den regel toch opgeven en vliegt dan weg onder het
uitroepen van een lang uitgehaalde tirade beginnend met „tjak, tjak,”
dan overgaand in helder „ting, tjing, tjing”, dat al sneller en sneller
wordt en ten slotte den welbekenden hoogen alarmtriller vormt.

Het heldere „tjing, tjing” is ook zijn avondgeluid, de vaste
begeleiding van het vallen van den winteravond. Zwart staan de kale
stammen en takken tegen het avondrood, in ’t onderhout blinken nog een
paar dorre bladeren rood en geel op uit de duisternis. ’t Is doodstil,
geen twijgje verroert, alleen een roodborstje zit te zingen op een hoog
uitstekenden tak, het mooie silhouet scherp afgeteekend tegen de
avondlucht. Zijn liedje eindigt in liefelijk gemurmel en dan is de
stilte volkomen.

Opeens klinkt in ’t lage hout een helder „tsjing, tsing” en van alle
kanten komt antwoord. Als koperen bekkenslag klinkt het in ’t rond. De
roodborst komt ook meedoen, nu niet met zijn welluidend gezang, maar
met een krakend, ratelend roepje en de winterkoning gooit er zijn
uitdagings-triller doorheen.

Dit is heel wat anders dan de avondzang in April of Mei, maar toch o,
zoo mooi, helder, sterk en rein. Ik hoor dat altijd met groote
blijdschap: de taptoe van de stoere wintergasten.

Welke beteekenis die geluiden voor de vogels zelf hebben, weet ik niet.
Misschien is het een tijdverdrijf. Het is te donker, om naar voedsel te
zoeken en de dag is te kort geweest, om nu al dadelijk behoefte aan
slaap te hebben. Wellicht ook zijn het verzamelkreten, want bij de
meeste vogels bestaat een sterke neiging, om gezellig te overnachten.
En misschien, maar dat is nog slechts een vaag vermoeden bij mij,
misschien gaan ze dikwijls na dat geroep niet eens te rust, doch
begeven ze zich op reis.

Ik hoor tenminste op November-avonden dikwijls lang na zonsondergang in
de lucht een ander lijstergeluid, het „srie, srie” van den trek. Deze
roep is met meer of minder wijziging aan alle lijsters eigen en wanneer
ge dien hoort—overdag kan dat ook—zie dan omhoog even in ’t rond en ge
zult ongetwijfeld de troepen der reizigers ontwaren. Soms zijn ’t er
niet meer dan een stuk of zes, een andermaal zijn ’t duizenden.



Reeds in Januari kunnen wij wat te zien krijgen van ’t liefdeleven der
merels; meest ’s morgens tusschen tienen en twaalven. Een mannetje zit
in de grootste opgewondenheid te roepen. ’t Is onophoudelijk „tsjieng,
tsjieng, tsjieng” afgewisseld met dol heen en weer vliegen onder ’t
uiten van den langen alarmkreet.

Op den grond in ’t natte mos zijn twee wijfjes aan ’t vechten als
straatmusschen. Ze vliegen en springen tegen elkander op, bijten elkaar
in den nek en rollen soms over elkander heen. En ’t mannetje vliegt
maar schreeuwend heen en weer, alsof hij de wijfjes aanhitst. De
wijfjes zelf zijn ook niet stil, maar roepen telkens „tak, tak” en
zelfs klinkt daar wel eens een gezangtoon tusschen door.

Eindelijk vliegt het edele drietal schreeuwend weg.

Deze gevechten tusschen wijfjes duren eenige weken lang en bewijzen
voldoende, dat zij niet geheel en al onverschillig blijven bij de
stichting van het huishouden. Misschien hangt het met de groote energie
samen, dat zij soms zingen, een enkelen keer zelfs zoo, dat ge meenen
zoudt een mannetje voor u te hebben.

Een maand later is de beurt aan de mannetjes. Dat zijn prachtige
vechtpartijen of liever stijlvolle duels. De wijfjes in Januari stellen
zich onwaardig aan, verblind als ze waren door passie en jaloezie. Het
schijnt, dat de mannetjes meer meester van zichzelf blijven: ze breken
ten minste hun vechtpartij dikwijls af, door ieder in zijn eigen boom
heerlijk en rustig te gaan zitten zingen.

De ontmoeting krijgt daardoor, zooals dat ook bij andere vogels het
geval is, meer het karakter van een tournooi dan van een strijd. Niet
zelden ook komen op drukke plaatsen veel merelparen bijeen en daar kan
het dan zeer luidruchtig toegaan. Zoo iets heb ik gezien op 10 April
1898 in het lage Middachter bosch.

Het bouwen van het nest geschiedt in de morgenuren en bijna uitsluitend
door het wijfje. Het mannetje zit dan te zingen of vliegt met zijn
wijfje mee, stapt om haar heen en dan gebeurt het wel eens, dat hij een
takje of een grassprietje van den grond raapt en haar dat aanbiedt. Ook
oefent hij in den allereersten tijd eenigen invloed uit op de keuze
eener nestplaats door bouwstoffen naar de plek zijner voorkeur te
dragen.

Merels bouwen overal: van vlak op den grond tot tien meter hoog in de
boomen. Er wordt wel eens beweerd, dat merels, die voor het eerst van
hun leven bouwen, altijd een nest op den grond maken en dat ze dan
later, door schade en schande wijs geworden, het hoogerop gaan zoeken.

Dit is beslist onjuist. Het nest met eieren van onze foto lag aan den
voet van een dikken den, nagenoeg op den grond: het zat bekneld
tusschen het duinroosje en den dennenstam. De man, die bij het nest
hoorde, had een snavel, oranje bij rood af. Dat was dus wel een heel
oud mannetje, dat misschien wel zijn twaalfde huishouden groot bracht.

Ook is het nog zeer de vraag, of de grond een zoo onveilige plaats is
voor een nest. Ik voor mij geloof, dat het een der veiligste
nestgelegenheden is, en dat de nesten die een meter hoog boven den
beganen grond liggen, in hagen of conifeertjes, in veel ongunstiger
conditie zijn. Die mogen door wezels of katten niet worden opgemerkt,
voor menschen, eksters en gaaien liggen ze als ’t ware voor ’t grijpen.

Nu zouden we de onderstelling kunnen wijzigen en zeggen: onervaren
merels bouwen ter hoogte van een tot anderhalve meter en als ze ouder
en wijzer worden, gaan ze hooger of lager, maar nu heb ik dezen zomer
weer juist een heel oud en heel wijs wijfje leeren kennen, die haar
nest precies op neushoogte had gebouwd in een houtmijt. Ze was zoo oud,
dat ze een gelen snavel en een bijna witte borst had. Ook was ze
ongewoon groot.

Het materiaal van ’t nest is zeer verschillend en regelt zich geheel
naar de plaatselijke omstandigheden. De grondnesten zijn voornamelijk
gevlochten van grassprietjes en mos, met een bodem van kleine takjes en
verdorde stengels van voorjarige planten. Die zijn dan door klei of
mest aan elkander verbonden, maar ook in den aard en hoeveelheid van
dit bindmiddel bestaat groot verschil.

De binnenbekleeding bestaat uit fijne plantenvezels en haren, maar kan
een enkele maal bijna geheel ontbreken. Het nest in de houtmijt bestond
bijna geheel uit takjes; in thuja’s en cypressen heb ik nesten
gevonden, waarin de groene levende takjes van den heester als
bouwmateriaal waren gebruikt.

De merels broeden altijd minstens tweemaal per jaar, dikwijls driemaal,
een enkelen keer viermaal, zoodat jonge vogels in het eerste kleed
(roodbruin met donkere vlekken) aangetroffen kunnen worden tot in
October. In den regel wordt voor elk nieuw broedsel een nieuw nest
gebouwd, echter komt het ook wel voor, dat een heel hecht nest tweemaal
achtereen wordt gebruikt. Een dood enkele maal gebeurt het, dat een
merelpaar een verlaten zanglijsternest in beslag neemt en er eieren in
legt, zelfs zonder het binnenste op merelmanier te stoffeeren.

Het is te wenschen, dat men wat meer op deze dingen gaat letten, we
behooren omtrent het gedrag van een zoo algemeenen en vertrouwelijken
vogel niet in het onzekere te verkeeren.

Het broeden komt weer voornamelijk voor rekening van het wijfje, al
onthoudt het mannetje zich niet geheel en al. De vogel begint al te
zitten, wanneer er twee eieren in het nest zijn. In den regel wordt er
iederen dag een ei bij gelegd, maar er wordt wel eens een dag
overgeslagen. Dit alles heeft tengevolge, dat de eieren niet te gelijk
uitkomen en dat de jongen van hetzelfde broedsel heel wat in
ontwikkeling kunnen verschillen, zooals ook op onze foto duidelijk te
zien is.

En nu krijgen mannetje en wijfje druk werk. De jongen moeten worden
gevoed, gekoesterd, gekoeld, gereinigd. Het reinigen bestaat in het
wegbrengen van de uitwerpselen. Ieder keer dat een oude vogel voedsel
brengt, wacht hij tot een jong zijn darm leegt—’t is bijna een reflex
op ’t eten—raapt het uitwerpsel op en verzwelgt het.

Het koesteren geschiedt ’s nachts geregeld en in den eersten tijd op
donkere dagen dikwijls. Op heete dagen hebben de jongen het ontzettend
warm. In het enge nest liggen die vier of vijf heete vogellijfjes vlak
tegen elkander, hun vederkleed wordt ieder uur dichter. Geen wonder,
dat ze als in doodsnood liggen te hijgen en de koppen aemechtig over
den rand van het nest laten hangen.

Dan komt de oude vogel, naar mijn waarnemingen steeds het wijfje, voor
het nest zitten en brengt met wijd gespreide holle vleugels de lucht in
beweging, de mooiste punkah, die men kan bedenken. Dit is een
wonderlijk mooi instinct, eigenlijk veel wonderlijker dan het broeden
en koesteren.

Het voedsel, dat de ouden brengen, is, zooals dat bij de zangvogels
regel mag heeten, voornamelijk dierlijk voedsel en wel in hoofdzaak
rupsen, andere larven en bladluizen. Wormen worden niet dadelijk
gevoerd.

Eens zag ik, dat een merel zijn jongen voerde met groote roodachtige
brokken en ik kon maar niet uitmaken, wat dat voor groote sappige
dieren waren. Het leken wel stukjes vleesch. Iedere minuut kwam een
oude vogel met zoo’n brokje aandragen en ik zat al te bedenken, uit
welke slagerij in de buurt die voorraad afkomstig kon zijn, toen ik
zag, dat er bij ’t nest zoo’n brokje op den grond viel. Onmiddellijk
snelde ik er heen tot grooten schrik van jong en oud. Het was een
aardbeitje, stel u gerust: een wild aardbeitje.

Dol zijn de vogels op aardbeien. Ze groeien in onze duinen bij
duizenden en duizenden, maar de wandelaar kan lang zoeken, eer hij er
een handjevol van bijeenverzameld heeft. Alle vogels eten ervan en nu
gaan de merels er ook al hun jongen mee voeren!

Mij dunkt, het moet voor die diertjes wel heerlijk wezen, om op een
heeten zomerdag getracteerd te worden op de heerlijke frissche
vruchten, spijs en drank tegelijk. Dit brengt mij meteen tot de vraag:
krijgen de jonge vogeltjes in ’t nest wel ooit te drinken?

De jongen, die meteen het nest kunnen verlaten, zooals de kievitten en
waterhoentjes, drinken reeds in hun eerste levensuur. Ze hebben het
instinct, om te pikken naar het bewegende water, naar de dauwdroppel
aan een grassprietje, naar het water, waarin zij rondzwemmen. Maar hoe
gaat dat nu bij winterkoning, koolmees en lijsters? Ik weet er niets
van, alleen vermoed ik, dat ook nog wel andere vogels dan de merel hun
jongen op fruit zullen onthalen.

Ieder aardbeienkweeker weet ook, dat de oude vogels hun jongen geleiden
naar de aardbeibedden en dat ze daar zeer beslist het beste deel
kiezen, dat ik ze gaarne gun. Maar de beroepskweeker denkt daar anders
over.

Mereltje, mereltje, het ziet er slecht met je uit. Je eet aardbeien,
kersen, aalbessen, druiven, peren, perziken, abrikozen en je bederft
soms nog meer, dan je opeet. Het nut, dat je sticht, valt niet zoo
onmiddellijk in het oog, want al het kleine goed heeft weinig naam. Het
eten van wormen behoeft je niet als een verdienste te worden
aangerekend, want de wormen zijn nuttige dieren en verrichten jaarlijks
in de wereld voor ik weet niet hoeveel millioen gulden aan nuttigen
veldarbeid. Ook haal je wel eens een vogelnest uit.

Er zijn dan ook menschen, die de lijstervangst in het najaar zoo al
niet toejuichen, dan toch zonder het minste bezwaar tolereeren en wel
op twee onomstootelijke gronden, waar niets op valt aan te merken nl.
1o er komen ondanks het wegvangen toch hoe langer hoe meer merels en
andere lijsters en 2o de merels richten schade aan als fruitdieven,
misschien ook als knoppenvreters en nestverstoorders, terwijl hun hoofd
voedsel bestaat uit de zoo nuttige wormen.

Nu kunnen we de zoo nuttige wormen gerust buiten rekening laten, want
die vermenigvuldigen zich zoo snel en regenereeren zich zoo
gemakkelijk, dat al de merels van de wereld het voordeel, dat wij van
de wormen hebben, niet kunnen doen verminderen.

Alles met alles is het met de merel hoogstwaarschijnlijk als met
zooveel andere vogels: hij is soms nuttig, soms schadelijk, zoodat het
voor onze rechtstreeksche stoffelijke belangen misschien onverschillig
is, of hij leeft of niet. Ik zeg „misschien” want ik geloof, dat ten
slotte alle dieren nuttig zijn.

Bij een dergelijk onverschillig evenwicht geeft de minste aanraking den
doorslag. Die wordt in dit geval gegeven door de omstandigheid, dat
jongens plezier hebben in ’t lijstervangen en dat arme arbeiders er een
kleine extra-verdienste mee kunnen verwerven.

Maar er is ook een doorslag mogelijk in een andere richting. De merel
is een vogel vol gratie en activiteit, een sieraad van onze bosschen en
velden. De merel is een zangvogel van buitengewone begaafdheid, een
solist van den allereersten rang en een onmisbare steun in het groote
vogelorkest.

Als je van zoo’n vogel nu nog vergt, dat hij op den koop toe ons nog
tastbare voordeelen verschaft, dan staat dat ongeveer gelijk met den
eisch, dat onze groote virtuozen onder de menschen den kost zouden
moeten verdienen met kousen stoppen of schoenlappen.

Over de merel als solist is al genoeg gezegd en geschreven, als lid van
het orkest is hij nog weinig geroemd. Ga op een morgen in Mei een uur
voor zonsopgang wandelen in een streek met veel bosch en water. Dan
wordt er gezongen, zooals op geen ander oogenblik van nacht of dag: de
groote algemeene morgenhymne.

Wie dat hoort en goed hoort, begrijpt dat de vogelzang toch nog iets
anders is dan verliefd gekweel om wijfjesgunst. Alle vogels, die nu
zingen, hebben reeds hun nesten kant en klaar, hebben hun rivaliteiten
al lang uitgevochten. Doch iederen morgen tot ver in Juni en Juli en
weer opnieuw in September, geraken de vogels in verrukking bij het
wederkeeren van het daglicht.

Ze zijn zoo gezond en sterk, die dieren, zoo vol activiteit, met
zooveel voorgevoel van al het goede, dat de dag kan brengen, dat zij
het aanbreken ervan reeds meer dan een uur te voren begroeten met hun
blijdsten jubel.

En nu hoort ge ze alle: de reine boomleeuwerik, de vurige nachtegaal,
de woudduif, de koekoek, het roodborstje, roodstaart, winterkoning,
fitis, vink, zanglijster en merel, ieder met zijn bijzondere strofe
beurtelings de aandacht vergend. En achter al die muziek hoort ge een
geluid, zoo groot en imposant als nooit en nergens anders te hooren is,
noch in kerken noch in concertzalen. Het is krachtig, als de storm en
als de zee, maar veel rijker van toon.

Wanneer ge er in slaagt, uw aandacht af te trekken van de solisten vlak
bij, dan ontdekt ge, dat die grootsche achtergrond van geluid alleen
afkomstig is van de merels.

Ge ziet nu, hoe onmogelijk het is, om zulke dieren een heelen nacht den
doodsstrijd te doen ondergaan in een paardeharen strik, hoe
kannibaalsch het is, om ze te eten. De ornithologie of de
tuinbouwbelangen hebben hiermede niets uit te staan, maar iets, dat
veel beter en hooger is: ons gevoel voor de onbegrijpelijke en
onnaspeurlijke grootheid en schoonheid van de schepping.







DE GROOTE LIJSTER.


De voorspoed van het lijstergeslacht in deze dagen uit zich ook in de
omstandigheid, dat de groote lijster zich tegenwoordig niet alleen in
groot aantal vertoont op den najaars- en voorjaarstrek, maar ook
doordat zij al meer en meer bij ons gaat nestelen. Een jaar of tien
geleden gold het nog als een ornithologisch buitenkansje, een nest van
de groote lijster te vinden, thans worden ze, althans in de duinstreek,
vrij talrijk aangetroffen.

Deze vogel heeft in de boeken alweer een reputatie van schuwheid en hij
heet alleen te broeden op afgelegen plaatsen. Hier in Bloemendaal
evenwel wordt hij al in de tuinen gezien en dezen zomer broedde een
paar in de onmiddellijke nabijheid van een vogelvrienden-woning. Ik
twijfel er niet aan, of wie er op let, vindt wel overal in boschachtige
streken nesten van deze lijster. Doorgaans verwart men ’t nest met ’t
nest van de merel en den vogel zelf met de zanglijster.

Voor deze verwarring bestaat geen enkele reden, want de groote lijster
is van de zanglijster gemakkelijk te onderscheiden. Bij de zanglijster
trekken alle kleuren in ’t goudgele, bij de groote lijster is aschgrauw
de hoofdkleur. Schedel en rug zijn aschgrauw, de vleugeldekveeren zijn
wat donkerder bruin en hebben witte eindpunten en randen, die twee
lichte strepen over den vleugel vormen, wat bij de zanglijsters in ’t
geheel niet het geval is.

Ook de stuurpennen, behalve de middelste, hebben witte eindvlekken,
maar alleen op de binnenvlag, zoodat bij den saamgevouwen staart niets
van dat wit te zien is. Zoodra hij echter even wordt uitgespreid, komen
vooral aan de buitenzijde de witte vlekken te voorschijn.

De onderzijde is evenals bij de zanglijster licht van kleur met donkere
vlekken; de zanglijster is daar lichtgeel, de groote lijster bijna wit,
wat in ’t zonlicht wel tien meter ver te onderscheiden is. Verder zijn
de pooten bij de zanglijster heel licht van kleur, een zacht
hoornachtig tintje, de groote lijster heeft gele pooten, ja ik heb er
wel gezien, die oranje waren, bij rood af.

Het allerduidelijkst zijn de vogels te onderscheiden, wanneer ze
vliegen. De zanglijster heeft de onderdekveeren van de vleugels mooi
oranje, ook de okselveeren en de zijveeren van den romp vertoonen die
kleur en dat is bij de groote lijster allemaal wit, zuiver wit, zoodat
het schittert in de zon.

Het verschil in grootte is wel aanzienlijk, maar niet gemakkelijk te
constateeren; de groote lijster is een kop grooter dan de zanglijster,
een zesde deel van de lichaamslengte, maar het is heel moeilijk, om in
de vrije natuur uit te maken, of een vogel groot of klein is; het
oordeel wordt door allerlei bijomstandigheden onzuiver gemaakt. Bij
mistig weer lijken spreeuwen zoo groot als kraaien en bij zeer heldere
lucht zien alle vogels er weer veel kleiner uit, dan ze zijn.

Wie evenwel gewoon is, uit te kijken, behoeft zich niet lang te
bedenken, als hij een groote lijster ontmoet. In de laatste weken zijn
er zeer vele doorgetrokken; de eerste vertoonde zich op 10 September.
Ze waren zoo gelukkig en tevreden, als een groote lijster maar zijn kan
en telkens zat er in een sparretop een te roepen.

Ze zitten dan nagenoeg loodrecht rechtop. Zanglijsters hebben ook een
opgerichte houding, maar de lijn, die snavel met staart verbindt, heeft
bij hen toch zelden een helling van meer dan vijftig graden. De groote
lijster echter doet het niet minder dan tachtig graden; wanneer men hem
van voren beziet, dan zijn keel en borst en buik in hun geheel
duidelijk te zien met al hun vlekken.

Deze herfstroep lijkt zeer veel op een lied, vooral doordat de vogel
tijdens het roepen stil blijft zitten en er geen enkele oorzaak tot
ongerustheid bestaat. Luid en snel achtereenvolgens roept hij „trè,
trè, trè,” als een kwajongen, die een trompet nadoet. Hij zit in den
hoogsten top van een zilverspar, maar daardoor juist achter de breed
uitstaande zijtakken verborgen. Als ik nu om den boom ga heendraaien,
om een beter gezichtspunt te vinden, krijgt hij mij in ’t oog en na een
laatste „trè” springt hij in de lucht, om bijna loodrecht langs den
boom neer te dalen. Dan buigt hij weer omhoog en verdwijnt met den
familieroep van „tjak, tjak” tusschen het hout.

Dat was een toevallige ontmoeting, maar ik weet ze in October en
November ook wel met zekerheid te treffen. In het najaar staan langs de
wegen der vogels de prachtigste wegwijzers voor den vogelvriend, dat
zijn de heesters met hun kleurrijke vruchten.

Een van de allerbelangrijkste is het kardinaalsmutsje. In lange rijen
groeit het, vooral in lange duinvalleien, die zich uitstrekken in de
richting Noord-Zuid. Wanneer het herfst wordt, krijgen hun millioenen
en millioenen vruchten een heerlijk karmijnroode kleur, die prachtig
afsteekt bij het donkergroen der bladeren. Later worden de bladeren
zelf ook rood, of ze vallen af en dan gaan de roode vruchten
openbarsten, zoodat de oranje zaden te voorschijn komen. Deze bungelen
dan meest bij viertallen aan dunne spierwitte draden buiten de roode
vrucht.

Het zijn de mooiste heesters van het duin, na de Geldersche roos of
wilde sneeuwbal, die dichte trossen van glanzig roode bessen vertoont
temidden van fraai gevormd purperrood gebladerte. Maar de vogels willen
in October van die Geldersche roos nog niets weten, het
kardinaalsmutsje lokt hen des te meer aan. De lijsterbessen zijn al zes
weken geleden opgegeten door de inlandsche lijsters en de jonge
spreeuwen, de duindoornbessen behooren aan de bonte kraaien.

Laat ons nu gaan zitten op een beschut plekje in ’t duin, niet te ver
van de glorende kardinaalsmutsjes. Zie, een halven kilometer ver strekt
de heesterrij zich uit, op enkele plaatsen zijn het dichte partijen, op
andere vormen kleine heestertjes een dun rijtje, dat de grootere
boschjes verbindt. Maar alle zitten vol vruchtjes.

„Srrie, srrie,” daar komt de lijsterzwerm uit het Noorden. Ze vliegen
in een breede colonne, vijftig vogels breed, zes rijen hoog, acht of
tien gelederen diep; dat is dus een sterkte van tusschen de twee- en
drieduizend. Nauwelijks in de vallei aangekomen verdeelt de troep zich,
benden van honderd stuks slieren op zij; een groote troep valt vlak bij
ons neer in ’t boschje van Evonymus.

Dit is geen fantastisch vogelpraatje, maar echte reëele waarneming.
Ieder jaar zie ik eenige malen die lijstertroepen. Wie zijn dagen
doorbrengt in de duinen, halfweg tusschen het strand en de weide, kan
niet missen op Octobermorgens deze prachtige vluchten te zien. Ge moet
maar geduldig zitten te wachten, bij Zuidoostenwind en helder weer is
de kans, om iets te beleven, het grootst.

Nu kunt ge ook zien, hoe het mogelijk is, dat zooveel lijsters in de
strikken gevangen worden. Met onbegrijpelijke gulzigheid vallen ze op
de oranje zaadjes aan. ’t Is een rukken en trekken zonder ophouden,
vier, vijf vogels in een enkel heestertje, dat staat te trillen en te
schudden onder de heftige bewegingen der forsche dieren.

De partij bestaat in hoofdzaak uit koperwieken, maar er zijn ook
zanglijsters bij en een twintigtal groote lijsters. Nu komt het goed
uit, dat ze veel grooter zijn; wanneer hun lichaam niet den typischen
lijstervorm vertoonde, zoudt ge ze op een afstand kunnen aanzien voor
gaaien of duiven, zoo groot zijn ze.

„Tjak, tjak, trè,” zegt er een, „tjak, tjak” roepen de anderen en weg
sliert de heele troep. Ondanks het woest gevreet zitten de
kardinaalsmutsjes nog vol zaden, maar de vele roode vruchthulsels op
den grond toonen voldoende aan, hoe hier huisgehouden is. Eenige weken
houden de heesters den aanval uit, maar dan zijn alle zaadjes verdwenen
en alleen eenige roode vruchtdoozen verbleeken gedurende den winter aan
de vierkante twijgen.

De groote lijster wordt ook wel mistellijster genoemd, omdat hij zich
zou voeden met de witte bessen van de mistelplant, maretakken of
vogellijm. In ons land gaat dat niet op, daar die plant alleen in
Zuid-Limburg groeit, terwijl de groote lijstertrek hoofdzakelijk plaats
heeft langs den zeekant.

Beslist moet voor de wintermaanden het kardinaalsmutsje hier gelden als
voornaamste voederplant voor de groote lijster, zoowel als voor
koperwieken en roodborstjes. En geen wonder is het, dat die mooie
heester langs den lijsterheerbaan in groote hoeveelheden opschiet uit
het zaad, dat de lijsters zelve in hun uitwerpsels uitstrooien.

Ook zie ik in den winter de groote lijster veel op weilandjes en
braakveldjes langs den binnenkant der duinen, en weer meer in den
voormiddag dan tegen den avond. Het weiland van Duin en Daal is een der
meest vruchtbare waarnemingsterreinen en nooit verzuim ik, daar
gedurende de drie laatste maanden van het jaar minstens één morgenuur
per week door te brengen.

In het dicht geboomte van een steile duinhelling van de Zuidzijde van
de wei vinden de vogels altijd een veilige toevlucht; alleen loopen er
een paar katten, maar die kunnen misschien nog wel afgeschaft worden.
’s Morgens is het daar doodstil en eenzaam en nu is het heerlijk, om te
zien, hoe de vogels komen aanzetten uit het Noorden, dan neervallen in
de boomen van Duinhoeve en Dennenhoek, om bij kleine partijtjes zich
langzamerhand te verspreiden over het weiland.

De meezen en merels blijven aan den boomenrand, maar de zanglijsters,
koperwieken, groote lijsters en later in ’t jaar de kramsvogels,
bezetten tirailleursgewijze de wei. Alleraardigst is het, om te zien,
hoe verschillend die lijstersoorten zich gedragen; de zanglijster
altijd luisterend naar zijn worm en dan plotseling toeschietend, om hem
te grijpen, de koperwiek bedrijvig rondstappend op de manier der
spreeuwen en de groote lijster, groot, geweldig, in wijde sprongen zich
bewegend om de versche molshoopen.

Met zijn sterken snavel woelt hij in den lossen grond. Het is echter
wel zeker, dat hij daar niet zulke vette hapjes opdoet, als de
zanglijster aan zijn worm heeft. Al heel spoedig springt hij dan ook
weer verder, overal zoekt en snuffelt hij, hier vindt hij een naakte
slak, daar een laatste luie langpootmug of een larve, die zich te dicht
aan de oppervlakte gewaagd heeft.

Daar ratelt een slagersjongen voorbij op zijn fiets. Verschrikt vliegt
de heele lijstertroep naar het beschermend houtgewas en de onderkant
hunner vleugels weerkaatst het lage zonlicht rood, oranje of wit, al
naardat het koperwieken, zanglijsters of groote lijsters zijn.

Het is in Januari altijd de vraag, wie het eerst zingen zal, de
zanglijster of de groote lijster. De meeste menschen hooren de
zanglijster het eerst, maar dat heeft zijn reden. Dikwijls wint de
groote lijster het en heerlijk is het, om hem in ’t laatst van Januari
te zien zingen boven in een sparretop in een hagelbui of een
sneeuwstorm.

Je moet met dien vogel altijd oppassen, dat je hem geen eigenschappen
toedicht, die hij niet bezit. Natuurlijk is het een gewone blijde
vogel, die precies weet, wat goed voor hem is, en zijn vroolijkheid
uit, wanneer hij zich prettig gevoelt en de zaken naar zijn zin gaan.

Maar nu heeft hij wel iets aparts, ook dat zingen in den regen en storm
en dat maakt dan, dat je hem gaat houden voor een trotsche en
overmoedige persoonlijkheid, die net anders wil, dan het gewone gros
der vogels, die maling heeft aan zonneschijn en liefelijkheden en in
het woeste, ongebaande, vermetele zijn hoogste voldoening vindt. En dat
alles, omdat hij niet bang is voor een nat pak!

Wanneer ge nu wat meer op de vogels let, dan ziet ge, dat ze zoowat
allemaal niets geven om een beetje regen of om wat storm. Alle leden
van de lijsterfamilie vroolijken heelemaal op, wanneer het gaat
regenen: de booze wereld zegt, omdat ze dan een voorgevoel ervan
hebben, dat de wormen uit den grond zullen komen. Wulpen, kieviten,
scholeksters zijn dan ook veel drukker—ook wormeters.

Ik aarzel haast, om te bekennen, dat ook ik in ’t voorjaar bij
regenachtig weer mij buitengewoon gelukkig gevoel en dat hagelslag en
stormgeloei mij zeer opgewekt maken. Nu eet ik geen wormen en ik heb op
zoo’n oogenblik ook geen voorgevoel ervan, dat de radijsjes gauw
goedkoop zullen worden.

Maar het is dan een lust, na dagen van schralen Oostenwind de heerlijke
vochtige lucht in te ademen en als de wind de boomen buigt en de
hagelslag de ruiten dreigt te verbrijzelen, dan voel ik, dat ik
desnoods ook nog wel wat zou kunnen uitrichten en dat maakt me dan zoo
in mijn schik, dat ik met een nat pak kan loopen te fluiten.

En, let er eens op, alle menschen vinden zulk weer eigenlijk prettig.
Ze komen kletsnat en vuurrood binnen en constateeren dat met een zeer
vergenoegd gezicht, dat het een hondenweer is. Er komt nog wel eens een
tijd, dat ze meer getrouw aan de waarheid zullen zeggen: „wat een
prachtig weer, wat een heerlijke storm.” De vogels leeren ons dat.

Daarom moeten wij de groote lijsters dankbaar zijn, dat hij ons zoo
brengt tot erkentenis der waarheid. Ook zingt hij dikwijls genoeg bij
idyllisch mooi Februari-weer of op onvergelijkelijke April-dagen. Zijn
lied houdt het midden tusschen het lied van merel en zanglijster, het
heeft de lage fluittonen van de eerste en de herhalingen en
onstuimigheid van de laatste.

Het nest lijkt zeer veel op dat van de merel, onze foto geeft er een
voortreffelijk denkbeeld van. Vindt ge dus een grijze, aan de
onderzijde duidelijk gevlekte lijster bij een nest, dat gelijkt op een
merelnest, dan hebt ge te doen met de groote lijster. De eieren zijn
licht rossig, met roodbruine vlekken, de mereleieren daarentegen
blauwachtig groen met vele, tamelijk onduidelijke vlekken. Op de foto
kunt ge zien, dat de eieren van de groote lijster heel flink en
duidelijk gevlekt zijn.

In de buitenlandsche literatuur wordt aan dezen vogel weer een list en
overleg toegedicht, die ver gaat boven de verstandelijke vermogens der
vogels. Ik zou daar niet over spreken, als niet het gevaar bestond, dat
vroeg of laat het werk van den bedoelden schrijver in een min of meer
goede vertaling zijn intree doet in ons land. Want ’t is een heel goed
schrijver en er wordt in den laatsten tijd in ons land heel wat
vertaald natuurgenot genoten.

Kay Robinson vertelt dan, dat de mistellijster zijn nest niet compleet
vindt, wanneer er niet een lange vlok schaapswol aan sliert. Je zoudt
meenen, zegt Kay, dat daardoor het nest juist in ’t oog zal vallen en
dat is ook wel zoo. Maar die lange slordige wolsliert wekt bij den
beschouwer het idee, dat het een heel oud verlaten nest is, waar de
binnenbekleeding uitgewaaid is en dan ziet hij er niet verder naar om.

Ge ziet, dat ik er wel over had kunnen zwijgen, want alles is ongerijmd
aan dat verhaal en ’t mooiste is, dat hier in onze duinen, waar de
groote lijster bij dozijnen nestelt, voor geen geld of goede woorden
een vlok schaapswol te krijgen zou zijn.

Geen enkel van al de groote-lijsternesten, die ik tot nu toe gezien
heb, was dan ook van zulk een ornament voorzien. Nu wil ik volstrekt
niet beweren, dat Kay Robinson ons wat op den mouw wil spelden, ik wil
graag gelooven, dat hij nesten heeft gevonden met schaapswol, maar zijn
„uitlegging”, daar wil ik heelemaal niets van weten.

Hoe meer nesten men vindt, des te meer afwijkingen van den regel vallen
te constateeren. De nesten op onze foto’s zijn beide gebouwd in den
vork van een tamelijk zwaren eik. Ook heb ik nesten gezien in een laag
berkje, in een spar, in een groven den aan ’t eind van een langen
zijtak, in een meidoorn en één zoo goed als op den grond in een zeer
ouden duindoorn.

De groote lijster bewaakt en verdedigt zijn nest met veel moed en
trouw. Hij duldt geen enkelen vogel in de nabijheid, den ganschen dag
kunt ge hem bezig zien met het verjagen van vijanden of voorbijgangers.
Daarbij legt hij niet altijd veel onderscheidingsvermogen aan den dag
en daarom heb ik hem dan ook geen „beleid” kunnen toekennen.

Ik heb gezien, dat een groote lijster een houtduif verjoeg en wel een
kilometer ver hoog in de lucht het onschuldige dier bleef jakkeren en
jagen. De duif repte zich wat zij kon, maar de dappere lijster bleef
haar opzij en ik had het genoegen, tegen de blinkend witte
onderdekveeren aan te kijken, terwijl ik eigenlijk boven op een duin
bezig was aan de studie der graafwespen.

Een andermaal kwamen wij bij een nest met jongen. De vogel ging van het
nest, eer wij hem konden zien en zat in het hout zoo te razen en te
schreeuwen, dat wij eerst meenden met een gaai te doen te hebben. Hij
durft het tegen een gaai gerust op te nemen, een ekster jaagt hij ook
nog wel op de vlucht, zoodat er altijd kans genoeg is, dat zijn
broedsels gelukken.

Bij ons broedt de groote lijster tweemaal; den eersten keer meestal op
vijf, de tweede maal doorgaans op drie eieren. De foto uit Wijk aan Zee
is een goed voorbeeld van een tweede broedsel.







DE VLIEGENVANGER.


Hij heeft geen tijd om te zingen. Alleen in de eerste weken van Mei,
den allerschoonsten tijd van het heele jaar, zingt hij vroeg in den
morgen. Later dan half acht en half Mei heb ik hem nooit gehoord.

Ook heeft dat liedje niets bijzonders. Het is zilverrein, maar zonder
timbre, tempo of toonval, herinnerend aan menschelijke muziek of
menschenstemmen. De gewone wandelaars toch beoordeelen de vogelmuziek
van hun menschelijk standpunt, zij „begrijpen” de hartstochtelijkheid
van een nachtegaal, den „jubel” van den leeuwerik, het serene altgeluid
van de merel, den levenslustigen roep van den vink.

Maar het fijne korte liedje van het stilzittende grijze vogeltje blijft
onopgemerkt en alleen de geoefende waarnemer geniet van de zekerheid,
dat ook deze kleine, eenvoudige, vlijtige arbeider zijn
verrukkingsmomenten heeft. Hij zit meestal hoog in de boomen, wanneer
hij zingt.

Al zingt hij weinig, toch gevoelen wij in voldoende mate zijn
aanwezigheid. Waar ge ook in den zomer loopt, in tuinen, parken,
bosschen en langs de wegen, overal zit de stille gezel, hier op een
paal, daar op een telegraafdraad, op een hek, een boonenstaak of een
dorren tak.

De donkere vleugeltjes liggen saamgevouwen over den staart, ze zijn
iets donkerder dan de grijze rug; keel, borst en buik zijn lichtgrijs
met mooie bruine lengte-streepjes. Een eenvoudig, maar zeer mooi
vogeltje met heel eventjes bedrukt-domme gelaatsuitdrukking, doordat
snavellijn en schedellijn bijna onmerkbaar in elkander overgaan.
Minutenlang zit hij doodstil.

Opeens springt hij op, slaat de vleugels uit, vliegt een paar meter ver
en keert weer naar zijn standplaats terug: hij heeft een vlieg
gevangen. Dat gaat met veel gratie en vlugheid, het opspringen, het
rondfladderen, het terugzwieren, het is alles even bekoorlijk van
beweging en uiterst mooi is het opvouwen en neerkleppen van de vleugels
op het oogenblik dat hij weer zitten gaat.

Soms behoeft hij niet eens te vliegen, hij snapt ’t insect op in ’t
voorbijgaan, juist zooals wij wulp en lepelaar hebben zien doen. Maar
dat waren dilettanten, hier is de artist aan ’t werk. En zelf wordt hij
dilettant, wanneer hij probeert een vlugge zweefvlieg of een
snelvliegenden vlinder te verschalken. Dat kost hem veel inspanning en
vertoon van vliegkunst; dat is dan ook zwaluwenwerk.

Deze vogel kan ons weer veel leeren. Er is geen klasse van dieren, die
zooveel gegeten wordt, als de insecten, en daarmee staat in verband,
dat hun voornaamste zorg is, om niet gegeten te worden. Sommige
beschikken over geduchte verdedigingsmiddelen, zooals bijen en wespen,
andere schijnen een afschuwelijken smaak te hebben, nog andere weten
zich te redden door een grillige vlucht en weer andere vinden hun heil
erin, dat zij gelijken op gevaarlijke of onsmakelijke klassegenooten,
of op de omgeving, waarin zij verkeeren, zoodat zij als het ware
onzichtbaar zijn.

Hoe gedraagt zich nu de vliegenvanger? Durft hij bijen en wespen
aanvallen, doorziet hij de vermomming van hommelvliegen, blinde bijen,
wespvlinders en zweefvliegen? Lust hij Sint Jacobsvlinders of Sint
Jansvlinders? Reageert hij op schrikkleuren?

Ziehier een aantal vragen, die ik mij altijd stel, wanneer ik in de
gelegenheid ben een vliegenvanger waar te nemen. Zijn handelingen
vormen een doorloopende critiek op de beweringen der entomologen en wel
een heel gunstige.

Slechts eens heb ik een vliegenvanger een wesp zien pakken en dat
beviel hem heel slecht, want hij zat nog wel een kwartier lang zijn
snavel af te vegen en dat is altijd een bewijs, dat het niet lekker
was. Toen drie jaar geleden de Sint Jacobsvlinders hier vlogen bij
duizenden, was er niet een vliegenvanger die er naar hapte, maar de
groene motjes van den eikenbladroller verslonden ze bij honderden. Aan
Mei- en Julikevers waagden ze zich niet, de kleine kortschildkevertjes
en mestkevers waren een welkome buit. Doch het hoofdvoedsel bestond
voortdurend in muggen en vliegen. Omtrent zweefvliegen heb ik nog geen
enkele beslissende waarneming.

Men heeft van dezen vliegenvanger ook weer evenals van de nachtzwaluw
verteld, dat hij op walvisschenmanier met wijdgeopenden bek zou
rondvliegen. Er is weer niets van waar. Doordat hij dikwijls binnen een
zeer kleine ruimte zijn prooi bemachtigt, is het zeer gemakkelijk, hem
daarbij in het veld van een goeden kijker te houden en dan is duidelijk
waar te nemen, wat trouwens met het ongewapend oog ook wel te zien is,
dat hij rondvliegt met gesloten snavel en alleen op het laatste
oogenblik bliksemsnel toehapt.

Hij verstaat een nog veel moeilijker kunst. Wanneer er jongen zijn, dan
worden die voornamelijk gevoed met kleine insecten, liefst muggen. Maar
nu kun je als vliegenvanger niet voor elke mug de reis heen en weer
naar het nest maken. De vogel vangt daarom een aantal muggen na
elkander en nu lijkt het mij zeer moeilijk, om met den snavel een
nieuwe mug te grijpen zonder de reeds gevangene te verliezen. Toch doet
de vliegenvanger dit met de grootste zekerheid en ik geloof dat hij
daarbij profiteert van de stijve borstelharen in de mondhoeken, die
volgens de walvischtheorie dienen om zijn vangbek te vergrooten.

Dit kunststuk kan hij zelfs volbrengen in den schemeravond, want hij
arbeidt nog na zonsondergang. Op kille en donkere dagen, wanneer er
weinig in de lucht rondvliegt, zoekt hij zijn prooi in ’t grasveld en
dan laat hij de musschen zien, hoe ze dat eigenlijk doen moeten. De
musschen hebben daarin reeds een zekere ervaring verworven: ge kunt ze
dikwijls als kleine valkjes boven het gras zien bidden en dan opeens
neerschieten om hun prooi te pakken.

Dat is dan de helft van het aantal malen mis en met onverstoorbaar goed
musschen-humeur beginnen ze dan weer van voren af aan. Zoodra de
vliegenvanger zich op dat grasland vertoont, ziet ge, dat een meester
aan ’t werk is. Zijn bidden duurt niet half zoo lang als dat van de
musschen, maar in dien tijd heeft hij met onfeilbare juistheid zijn
doel gemerkt en niets ontgaat hem.

Hij is bij dergelijk koud weer wel het meest op zijn kracht. Zie hem
dan vliegen vangen langs een boomstam of een schutting. De vliegen
zitten daar warmpjes buiten den wind te wachten op beter weer en nu
komt het vogeltje in zwevende vlucht daarvoor. Loodrecht rijst en daalt
hij, voortdurend biddend en hij slaagt er telkens in, iets te
vermeesteren.

Het oppikken van de prooi geschiedt dan meestal in de vlucht, maar ook
klemt hij zich wel een enkel oogenblik aan de boomschors vast, zoodat
men zou kunnen meenen dat daar een boomkruipertje aan ’t werk was. Hij
heeft zoo naast zijn eigen manieren ook nog die der zwaluwen en
spechten.

Een des te grooter wonder is het, dat hij niet meer tijd heeft. Dat
ligt hoogstwaarschijnlijk wel aan de omstandigheid, dat hij loerend
jaagt, het stilzitten doet het hem. Indien hij kort en goed geheel en
al de methode der zwaluwen ging volgen, dan zat hij niet den heelen dag
in angst en arbeid en dan zou ook bij hem het schoone kunstleven tot
rijker bloei kunnen komen.

Doch laat ons niet vergeten, dat hij in den nestbouw mag gelden voor
een echt virtuoos, en dat hij nog maar een kleine aanmoediging noodig
heeft, om de vrees voor de menschen af te leggen, ook hierin zijn
verwantschap toonend met de zwaluwen.

Onze foto van den broedenden vliegenvanger vertoont een nest, dat
gebouwd was in het spalier van een klimroos tegen het café Klein
Velserend onder Santpoort, een klein druk bier- en theehuisje op den
weg van het station Santpoort naar de ruïne van Brederode.

Het wordt gehouden door een jager en oud-vinker en dezelfde man, die
door zijn beroep genoodzaakt was, ieder jaar duizenden vogels om het
leven te brengen, heeft de omgeving van zijn woning gemaakt tot een
toevluchtsoord voor allerlei gevogelte, dat door zijn talrijke kinderen
nimmer wordt geschonden.

De vliegenvanger in de klimroos heeft dan ook tweemaal een broedsel
gelukkig grootgebracht. Het is de moeite waard, deze foto goed te
bezien. Deze vogel heeft het nest gebouwd op een kruispunt in het
spalier juist door het vorkpunt van twee dikke takken en door nu zoo
met mos en vezels te werken, dat de kleuren in het geheel niet
afsteken, heeft hij weten te bereiken, dat het grauwe nestklompje daar
volkomen op zijn plaats lijkt en geheel past in het systeem der lijnen
van de omgeving.

Dit, laat ik maar zeggen, architectonisch en coloristisch talent is bij
den vliegenvanger buitengewoon ontwikkeld en bij elk nest opnieuw op te
merken.

Op Elswout staat een tuinhuisje, van buiten bekleed met boomschors. De
voorgevel is van eenvoudig balkwerk, staande balken met een dwarsbalk
die de kap draagt, er over heen.

Nu heeft dit jaar een vliegenvanger zijn nest gebouwd op den dwarsbalk
en wel precies in het verlengde van den verticalen steunbalk en zoo in
de kleur, dat het eenvoudig leek, alsof de staande balk even boven den
dwarsbalk was voortgezet. Wij komen daar dikwijls, maar het nest had al
eieren, eer wij het ontdekten.

Het zal u niet moeilijk vallen, ook in dit opzicht aardige vondsten te
doen; ik houd mij altijd aanbevolen voor een foto; daar is steeds veel
uit te leeren.

Op onze illustratie zijn nog een paar aardige dingen te zien. De
bladeren van de klimroos vormen natuurlijk een belangrijk element in de
omgeving. Dat behoorde ook in het nest vertegenwoordigd te worden.
Daarom heeft onze vliegenvanger een rozenblad luchtigjes over zijn nest
gehecht.

Had hij het botweg erin gevlochten, dan zou daardoor het nest meer in
’t oog vallen, maar nu heeft hij door een enkel draadje het blad over
’t nest heen gehaald. ’t Is op de reproductie niet zoo heel duidelijk
te zien, maar op de foto zelf zeer goed en in de werkelijkheid was het
frappant. Het draadje zit tusschen het eerste en tweede bladpaar van
het samengestelde blad.

Een feit als dit is van het allergrootste gewicht, want we staan hier
weer voor de vraag: In hoeverre handelt de vogel bij deze gelegenheden
met oordeel? In den laatsten tijd openbaart zich een sterke neiging, om
de handelwijze der dieren te beschouwen als een uitvloeisel van oordeel
en overleg en het is bijna een regel geworden, om te spreken van
opvoeding en onderwijs van jonge vogeltjes.

Daar staat weer tegenover, dat anderen alles toeschrijven aan blind
instinct en toeval. In dit geval kan men ook met zeer veel succes
beweren, dat het rozenblad bij het invlechten van een draad toevallig
in die gunstige positie is gekomen. De draad hing toevallig over het
blad heen en toen heeft het ordelievend vogeltje het wapperend eind
beetgepakt en in den nestwand gewerkt. Daardoor werd het blad dan
vastgehecht.

Nu zouden we al een heelen stap verder zijn, wanneer we dat werkelijk
gezien hadden. Het komt dus weer aan op het doen van waarnemingen, nog
eens waarnemingen en weer waarnemingen, niet alleen letten op
bijzonderheden, maar ook nota nemen van de meest gewone diertjes, de
meest alledaagsche gebeurtenissen, want daarin schuilt veelal de meeste
leering.

Langdurige waarnemingen aan jonge vogels en vooral aan graafwespen (die
zijn veel gemakkelijker te bestudeeren) hebben bij mij het vermoeden
gewekt, dat gedurende jeugd en lente bij de handelingen wel degelijk
sprake kan zijn van overleg, gesteund door ervaring, maar dat zeer
spoedig de routine het geheele gedrag gaat bepalen.

Nog even een blik op ons „huistype” eer we het „boomentype” van het
vliegenvangersnest gaan bezien. Links van het aangenaaide rozenblad,
ter plaatse waar het nest in een punt afloopt op den dwarsbalk, ziet ge
eenige lussen van wit garen. Dit ter verklaring van den naam
„garendiefje”, die wel aan het vogeltje wordt gegeven.

Wij leeren daaruit, dat de vliegenvanger—en trouwens de meeste
vogels—niet ver gaat, om bouwmateriaal te zoeken, zoodat aan een
geïsoleerd nest al te zien is, uit wat voor buurt het afkomstig moet
zijn. En waar ge een vogel bezig ziet met het verzamelen van
bouwmateriaal, daar is ’t nest niet ver te zoeken.

Ook kunt ge de vogels tot bouwen aanmoedigen, door hun nestmateriaal
ter beschikking te stellen: draden, veertjes, watten, vezels, linten.
Ik heb daar al heel veel plezier van beleefd. Doch geef nooit te lange
draden, want dan kunnen de vogels erin verward raken en verworgd
stikken in uw weldaden.

Het boomennest, onze volgende illustratie, vertoont ook zeer duidelijk
de toepassing van het beginsel: nestmateriaal uit de omgeving. De
binnenbekleeding bestaat geheel uit wortelvezels en vaatbundels, de
taaie overblijfsels van afgestorven planten van het vorige jaar, die
den heelen winter op den grond hebben liggen te vergaan. Daaronder zijn
draden van groote fijnheid, die de vergelijking met een vrouwenhaar met
de allergrootste gerustheid kunnen doorstaan.

De buitenbekleeding is van korstmos en daardoor gaat dan in oude
vruchtboomen het nest weer zoo op de omgeving gelijken, dat het
onopgemerkt blijft. Hier in het jonge beukengroen is van gelijkenis
echter geen sprake, alleen de algemeene indruk redt de positie.

In een stamroos vonden we een vliegenvangernest, dat bijna in ’t geheel
geen korstmosbekleeding had, dat was dan ook in de keurig onderhouden
rozengaarde nagenoeg niet voorhanden. Maar hier was de buitenbekleeding
van fijne bladmossen, zooals die tusschen het gras groeien en daardoor
was het nest, dat zich in een onbebladerde vork bevond, minder
opvallend, dan het geweest zou zijn, indien het bekleed was geweest met
het witgrijze korstmos.

Dit nest werd uitgehaald. Een kind of een kinderachtig mensch had geen
weerstand kunnen bieden aan de zucht, om de mooie, licht roodbruine
eitjes met de donkere vlekken te bezitten. Een paar dagen later was ook
het nest verdwenen, doch hierbij was geen baldadigheid in ’t spel. De
beroofde vogels zelf hadden hun oude woning afgebroken en met hetzelfde
materiaal in een veilige klimop een nieuw huis gebouwd.

De eitjes van den vliegenvanger varieeren sterk in kleur, de grondkleur
gaat van lichtgroen tot bruinrood, de vlekken zijn bruin en zeer
dikwijls, zooals ook op onze illustratie, in een krans om de breede
pool. Ze zijn buikiger dan de grasmuscheieren, waar ze anders veel op
gelijken.

De jongen zijn alleraardigste, drukke hongerlijders. Ze hebben een
meelachtig bleeke grondkleur met veel vlekken en strepen en mooie
blauwe oogjes. In de eerste dagen is hun voornaamste werk stilzitten,
geeuwen, honger hebben en veeren krijgen, maar na een dag of tien
vliegen ze uit en dan begint in de boomen en struiken de opvoeding der
jonge vliegenvangers.

Alweer doet zich de vraag voor: in hoever handelt de oude hier met
opzet en overleg. Ik geloof, dat hier het initiatief in hoofdzaak
uitgaat van de jongen. De jongen worden niet uit het nest gejaagd of
gelokt, maar op een mooien morgen voelt haantje de voorste dat hij
sterk genoeg is, om zich vrij te maken uit het benauwde gedrang in het
warme nest, waar voor een dik jong vogeltje geen plaats genoeg meer is
te vinden en waar het krioelt van ongedierte.

Al dikwijls is hij tot op den rand gescharreld en daar heeft hij ook
wel zijn vleugels bewogen, dat was zoo lekker koel, maar hij had er nog
altijd geen besef van, dat je nog ergens anders kunt wezen dan in zoo’n
nest. Nu tuimelt hij over den rand en merkt dat hij vliegen kan.

De ouden hebben het zien aankomen en zitten opgewonden toe te zien. Ze
vliegen heen en weer en roepen onophoudelijk „tak, tak, tak.” Ik
geloof, dat ze dat doen uit ongerustheid, andere beweren dat ze de
jongen aanmoedigen en voorlichten; wie zal ’t uitmaken?

Intusschen is de held aangekomen op een boomtak. De algemeene agitatie
heeft zich nu ook uitgebreid in het nest en zelfs tot belangstellende
buren. Het eene jong volgt nu ’t andere, maar er blijven er altijd nog
een of zelfs twee, uren lang in ’t nest.

Dan hebben de ouden een druk leven: ze moeten voeren op den tak en
voeren in ’t nest. De uitgevlogenen zijn ’t drukst, ’t talrijkst en
schreeuwen het hardst, zoodat het jong in ’t nest hoe langer hoe minder
krijgt en ten laatste uit puren honger op het hongergeschreeuw der
anderen afgaat en zijn plaats inneemt in de rij.

En nu gaat het dag aan dag van boom tot boom. Zoo stil de ouden zijn,
zoo luidruchtig gedragen zich de jongen, als ze voer zien naderen. ’t
Is „tsie, tsie,” zonder ophouden, het hongergeluid der jonge
vliegenvangers is een van de meest gewone Juli- en Augustusgeluiden.

Terwijl de ouden op jacht zijn, zitten ze stil op hun tak en nu begint
hun eigenlijke opvoeding. Daar heb ik al wat dikwijls met genoegen naar
liggen kijken en dat is haast net zoo aardig, alsof je een zuigeling
voor ’t eerst ziet lachen.

Ze zitten in ’t eerst doodstil, op hun hielen neergezakt en ze worden
alleen actief, als de oude vogel voor hen komt fladderen met voedsel.
Dan gaan de oogen en de bekken open en de brutaalste krijgt ’t meest.

Na een poosje kijken ze wat fermer en nu zie je het gebeuren, dat er
een een voorbijvliegend insect nakijkt. Het snaveltje, dat tot nog toe
vlak rechtuit wees, beschrijft een boog in de richting van het
voorbijvliegend motje. Dat gebeurt al vaker en vaker en eindelijk
beginnen ze—na de tweede of derde keer zelfs met succes—naar de
insecten te happen.

Intusschen komen de ouden nog telkens met voer, dat steeds met ongeduld
verbeid wordt en niet lang duurt het, of het sterkste jong vliegt de
ouden tegemoet en krijgt in de lucht fladderend zijn voedsel. Nu gaat
hij ook al heel gauw voorbijvliegende insecten tegemoet vliegen en dan
is verder de heele zaak niets anders dan een kwestie van tijd en
oefening.

Door bestudeering van ouderlooze vogels kunnen wij meer zekerheid
krijgen. Daar is reeds aan gedaan, maar nog veel te weinig en niet
altijd even zuiver.

Nu nog even een heel kleine idylle. Op een zeer heeten Augustusmiddag
tegen één uur kwam ik terug van mijn graafwespenduin door de lindelaan
van Lindenheuvel. Op een rechte zwarte lindetak zat een mooi grijs
vliegenvangertje, een jong vliegenvangertje, die de paden der
onafhankelijkheid bewandelde, want hij was heelemaal alleen. Ik stond
natuurlijk dadelijk stil, want het was groote vacantie en ik had den
tijd en als ik doorgeloopen had, dan was de vogel weggevlogen.

Op eens doet hij ’t zwarte snaveltje wijd open. Hij geeuwt van de
warmte, dacht ik. Weer en weer ging de bek open, in heftige beweging.
„Pang” zei ’t opeens en een klein zwart kogeltje kwam uit zijn keel,
ketste tegen een blad en viel neer in ’t mos.

Het was een dicht ineengedrongen massa van pooten en dekschilden,
borststukken en koppen van torretjes, de harde onverteerbare deelen van
’t voedsel, die in dien vorm en op die manier het lichaam verlaten.







HET STAARTMEESJE.


Er heetten vroeger in ons land twee soorten van staartmeesjes voor te
komen; de gewone zwartgevlekte staartmees en de witkopstaartmees, die
in de boeken eenvoudig kortweg staartmees genoemd wordt. Beide soorten
geleken in leefwijze volkomen op elkander, ik heb tenminste nooit eenig
verschil kunnen waarnemen.

De witkoppige zou iets grooter zijn dan de gewone gevlekte, deze
laatste heeft aan weerszijden van den kop een breede roodbruine streep,
bij de eerste is de kop geheel wit. Die wordt daarom ook wel doodskopje
of ossekopje genoemd. De jongen zijn niet te onderscheiden, ze hebben
bij beide soorten de donkere wangenstreep.

Toen men nu overal telkens broedende paren aantrof, gevormd door
witkoppige individu’s, gepaard met zwartgestreepte is men teruggekeerd
tot een nog andere meening, n.l. dat we slechts met één soort te doen
hebben en dat de witkoppen eenvoudig oude vogels zijn. Ook bij enkele
andere vogelsoorten komt het voor, dat exemplaren in ’t jeugdkleed
reeds broeden. De troepen der staartmeezen, die ge in ’t winter
halfjaar ontmoet, bevatten ook alle vormen door elkander.

Wanneer een troep rondzwerft door het eiken kreupelhout, dan trekken ze
in ’t allereerst de aandacht, niet zoozeer door hun sierlijke
figuurtjes of den langen staart, dan wel door hun lokroep. Dat is een
zeer bijzonder geluid, volmaakt karakteristiek voor de staartmeezen.
Geen andere mees, geen andere vogel laat zulk een roep hooren: een
trillend, weinig klinkend, vochtig geluid: „srrirrrt, srirrrt.”

Indien ge dit hoort op een windstillen middag in de kerstvacantie,
luister dan nog even zonder op te zien. Dan hoort ge ook het kletteren
van de kleine klauwtjes tegen de eiketwijgen, het snorren van de kleine
vleugeltjes en telkens ook een geritsel in de dorre bladeren, ten
teeken, dat deze meesjes ook op den grond rondhuppelen om voedsel.

Eensgezind gaat de troep door het hout. Van leiding of commando geen
sprake. Nu eens is de een vooraan, dan de ander. Alleen wanneer er een
enkele afgezonderd raakt, dan komt niet de troep tot hem, maar hij moet
al roepend en naar antwoord luisterend den troep opzoeken.

’t Is een van de meest aandoenlijke herfst- en wintertooneeltjes: de
vogel, die zijn gezelschap is kwijtgeraakt. Hoog in ’t hout gaat hij
zitten, al roepend en rondziend, luider en luider worden zijn kreten.
Telkens houdt hij even op, om naar antwoord te hooren en als hij dat
niet verneemt, dan gaat hij na een laatste wanhoopskreet de lucht in,
om een eind verder zijn jeremiade opnieuw te beginnen.

Zoo kan men ’s winters dikwijls een ongelukkig meesje vinden of een
goudhaantje en dat kan dan zeer scherpe kreten uitstooten vol angst en
verlangen. Vindt hij zijn eigen troep niet terug, dan sluit hij zich
aan bij een andere en zoo ontstaan langzamerhand de gemengde
gezelschappen van meezen, boomkruipertjes, klevers, goudhaantjes, die
gedurende den winter rondzwerven.

Het schijnt, dat de staartmeezen door hun typischen lokroep in staat
zijn, om hun gezelschap beter bij elkander te houden, dan de andere
meezen, want ze worden niet zoo heel dikwijls in gemengd gezelschap
aangetroffen.

Zijn ze eenmaal in een buurt, waar ’t hun naar den zin is, dan blijven
ze daar weken lang en dan houden ze altijd vaste ommegangen op bepaalde
tijden. Het vorig jaar had ik een paar weken achtereen dag aan dag het
genoegen, dat mijn morgenwandeling naar de tram samenviel met een
staartmeezen-traject, wat een zeer mooi begin van den dag was.

Ik houd ervan, om ’s avonds met een troep mee te wandelen, want ik ben
er altijd benieuwd naar, hoe en waar de dieren den nacht doorbrengen.
In negen van de tien gevallen lukt het niet, de troep te vergezellen,
want ze leiden je op allerlei onbegaanbaar en verboden terrein. Eens
brachten ze me naar een sparrelaantje, waar ze hun nachtkwartier
hadden, zoo wat ter halver hoogte tusschen den grond en de toppen, een
andermaal naar een houtmijt, maar ik weet nog niet, of ze daar toen wel
ingekropen zijn.

Al vroeg in ’t voorjaar wordt na de verzamelkreet ook het
klokjesheldere vreugdelied gehoord. ’t Heeft wel wat van den
tertsenroep van den koolmees, maar ’t is minder scherp en beslist, voor
een mees haast droomerig langzaam. De paren zijn nu gevormd of
bestendigd, maar doordat zoo’n staartmeezengezelschap nooit even
stilzit, is daar weinig van te zien.

Nog eenige weken en de troep is ontbonden; elk paar heeft zijn
lievelingsplekje gevonden. Nu worden de grondslagen gelegd voor een
nest en ieder jaar kunt ge u tegelijk verbazen over de geslepenheid,
waarmee sommige gebruik weten te maken van verborgen hoekjes en over de
verregaande domheid en zorgeloosheid, die andere aan den dag leggen,
door hun nest op grijphoogte te bouwen tegen den kalen stam van een
boom aan een drukbetreden wandelweg.

Het spreekt van zelf, dat zoo’n openbaar nest al heel spoedig verstoord
wordt, zoodat ten slotte alleen de goed verborgen nesten overblijven.

Beide vogels werken den heelen dag. In ’t eerst vergenoegen ze zich met
een zoo groot mogelijke hoeveelheid mos bijeen te brengen, groen
bladmos, dat ze oppikken van den grond. Beurtelings komen ze aandragen,
voor zang of spel schijnt geen tijd te wezen, ze kunnen in deze dagen
niet anders doen dan bouwen. Het is ten slotte een mosklomp zoo groot
als een vuist.

Nu gaat een van de twee daarop zitten draaien met de borst omlaag, de
lange staart omhoog; een echte gymnastische beweging. Ook hierin
wisselen ze elkander af, totdat er een duidelijk goed begrensd kuiltje
is gevormd. Wanneer ze nu weer nieuw materiaal aanbrengen, dan wordt
dat niet gewoon bij den hoop gevoegd, doch de brenger gaat in ’t
kuiltje zitten en werkt het nieuwe mos in den rand.

Soms is hij daar nog mee bezig, als nummer twee met zijn vrachtje
aankomt. Nu kunnen er drie verschillende dingen gebeuren: de eerste kan
plaats maken voor de tweede, of hij kan eenvoudig het mosvrachtje
overnemen—en gewoon voortwerken of nommer twee kan naast de eerste gaan
zitten en dan werken ze allebei tegelijk.

Ik heb alle drie deze mogelijkheden in vervulling zien gaan en ik
verzeker u, dat niets mooier is dan een jeugdig staartmeesjespaar
eensgezind te zien bouwen aan hun kunstige woning. De witte kopjes gaan
op en neer, het korte gele snaveltje schuift en wringt de plantjes en
de twee lange staartjes steken omhoog als een aanwijzing, hoever de
muren nog moeten worden opgetrokken.

Toch is deze bekoorlijke samenwerking niet de meest gewenschte, want
het nest zou daardoor veel te wijd worden. Al heel spoedig wordt dan
ook de tweede werkwijze gevolgd: de eene vogel zit in ’t nest en neemt
de aangedragen materialen in ontvangst. Voorloopig is dit nog altijd
alleen bladmos.

Nog voordat het nest tot de volle hoogte is opgetrokken, komen ook de
stukjes korstmos. Het maakt den indruk, dat de vogel bij het inzamelen
van bladmos in het voorbijgaan een prachtig stuk korstmos ontdekte en
gedacht heeft: „dat moest ik alvast maar meenemen, later zou ik moeite
hebben, om zoo’n mooi brokje te ontdekken.”

De verwerker neemt het in ontvangst en plakt het alvast in aan den
buitenrand. Zoo raakt langzamerhand het groen van ’t bladmos met grijs
korstmos overdekt en zoo’n heel groote grijze korstmosklomp valt soms
gemakkelijk in het oog.

Ten slotte komt het mooiste werk: de binnenbekleeding met veertjes.
Honderden en honderden en honderden veertjes worden naar binnen
gedragen. ’t Is haast niet te begrijpen, waar die allemaal vandaan
komen. Leg bij de materialenpartij in ’t voorjaar eens een assortiment
veertjes van allerlei kleur en probeer eens te zien, aan welke ze de
voorkeur geven. Ik zou denken aan wit.

Nu gebeurt ook het staartwonder, dat in ’t geheel geen wonder is. Wat
moet een staartmees in het nest aanvangen met den énormen langen
staart? Ge ziet hem naar binnen vliegen en ge denkt, dat minstens de
helft van de staart naar buiten moet blijven steken, maar alles gaat
gladjes naar binnen. Dikwijls keert de vogel zich in ’t nest geheel om,
en dan kunt ge snavel en staart tegelijk in ’t vlieggat zien. Doch
wanneer ge even bedenkt, dat de staartveeren verbonden zijn aan den
laatsten staartwervel en dat de staartwervels ten opzichte van elkander
zeer gemakkelijk kunnen bewegen, dan ziet ge in, dat ’t een staartmees
hoegenaamd geen moeite behoeft te kosten, om zijn staart boven ’t hoofd
te houden.

Het broeden gebeurt door beide vogels afwisselend; het mooiste, wat
daarbij te pas komt, is wel het ventileeren. Dan staat het vogeltje in
de lucht te klapwieken, eigenlijk te bidden als een klein valkje en dan
maalt hij de warme lucht uit ’t nest, zoodat het tiental jongen weer
frisscher kan ademen. Vleugels en staart zijn dan wijd uitgespreid en
ge krijgt dan te zien een allerprachtigst figuur van bruin en zwart,
rooskleurig en wit, de kleuren van dekveeren en pennen.







DE FITIS.


De fitis zingt in de bloeiende boomen. Dat is nog eens een mooie tijd,
de tijd van de bloeiende boomen. De eeuwenoude, ernstige boomen, diep
geworteld in den grond, dichte kronen verheffend ten hemel, kronen,
gevormd in den strijd tegen wind en weder, op stammen, gescheurd door
vorst en bliksem, en door onze grootouders versierd met initialen, die
nu nauwelijks herkenbaar zijn.

En nu gaan die eerbiedwaardige monumenten zich tooien met bloesems van
allerlei aard. Alles wat aan hen strak en ernstig was, gaat verloren
onder franjes en pluimen, kwasten en kaarsjes en sluiers van sneeuwwit
en rozerood.

Ze volgen elkander na van half Maart tot ver in Juli: wilgen en
populieren, pruim, larix, kers en vogelkers, berk, spar, beuk, eik,
den, peer, appel, kastanje en ten slotte de welriekende linde. En in al
die bloeiende boomen, die nu zoo jolig zijn en toch zooveel ervaren
hebben, zingt de kleine gele fitis. Maar het meest houdt hij van berken
en eiken.

Hij komt voor den nachtegaal en voor de zwaluw in ’t laatst van Maart
of begin van April. Eerst komt als een boodschapper zijn dubbelganger,
de Tjiftjaf, even klein, maar eerder bruingeel dan groengeel en met een
liedje, dat als een inleiding een groote bekoorlijkheid bezit, doch een
belofte bevat, die niet in vervulling zou treden, wanneer de fitis niet
volgde binnen veertien dagen.

Er gebeuren in de lente nog een menigte belangrijke dingen, die wij in
’t geheel niet, of slechts gedeeltelijk beseffen en in ’t geheel niet
begrijpen. Er komen in ’t laatst van Maart of in ’t begin van April
dagen, waarop de aarde, de boschgrond heerlijker geurt en zachter
aanvoelt dan anders, waarop de regendroppels zachter neerdalen en—ik
schaam mij voor ’t woord—olieachtig aanvoelen. De lucht maakt een
anderen indruk op de huid van handen en gelaat en ook onze geluids- en
gezichtsgewaarwordingen zijn, niet krachtiger, maar veel aangenamer dan
ooit.

Men noemt het ensemble van die gewaarwordingen wel eens „lentegevoel”.
De oorzaken ervan liggen in ’t duister, er komt meer bij te pas dan
temperatuur en vochtigheidstoestand. De eene mensch gevoelt dat beter
dan de andere; ik geloof, dat de dieren en vooral de vogels het veel
eerder en veel sterker gevoelen dan wij, en dat wij misschien door een
innigen omgang met hen er ook meer ontvankelijk voor worden.

Ik heb nu al zoovele voorjaren met de vogels bewust meegeleefd, dat ik
ook de Aprilmaand min of meer op vogelmanier gevoelen kan en ik voel ’s
morgens bij ’t ontwaken, welke vogels in den nacht aangekomen kunnen
zijn.

Daar is natuurlijk veel zelfbedrog bij, maar ’t is toch wel aardig, om
wanneer je juist de opmerking gemaakt hebt: „’t is net fitisweer
vanmorgen,” in ’t eerste ’t beste eikje om den hoek den vogel werkelijk
te zien en te hooren. Ik weet daar nu wel weer een heel nuchtere
uitlegging voor, maar ik heb nu eens geen zin, om die in verband met
het fitisje ten beste te geven.

Als de fitis pas aankomt, is hij mooi groengeel op den rug, geel met
wit langs de buikzij en heeft hij een heldergele streep over het oog.
Al heel gauw verkleurt hij en dan wordt hij bruinachtig grijs, zoodat
hij voor leeken gaat gelijken op de vele grijze vogeltjes, die zingen
in de Meimaand.

Maar hij is klein, nauwelijks langer dan het winterkoninkje en veel
slanker, het snaveltje is fijn en spits, de pootjes mooi bruin. En zijn
voornaamste kenmerk is wel, dat hij onophoudelijk rondvliegt in de
boomen en den heelen dag zijn wonderschoon liedje zingt.

Soms vraag ik mij af, of ik die vogelklanken niet verkeerd beoordeel en
of ik in eenzijdige vooringenomenheid ze niet te veel prijs. Heel
verstandige menschen hebben mij daar wel eens over onderhouden en
gezegd, dat ze van al dat moois niets hooren. Dat drukt mij dan wel wat
terneer, maar als ik merk, dat zij hun oordeel gevormd hebben in het
reisseizoen, in Augustus, dan krijg ik weer wat meer moed.

Daar staat dan weer tegenover, dat ik ook weer anderen ontmoet, die
graag door dik en dun, bij nacht en ontij er op uit willen, om iets te
zien en te hooren te krijgen van het vogelleven en ondanks
teleurstellingen en tegenspoeden daarin toch voldoening genoeg vinden,
om iedere lente opnieuw te beginnen.

Voor zulke menschen krijgt ten slotte de eenvoudigste vogelloktoon een
wonderschoone beteekenis, hij roept voor de verbeelding op: de schoone
Meinacht, de zonsondergang, de morgenstond, de weide vol bloemen, het
blinkende meer, den geurigen boschrand, de eindelooze wildernis van hei
en duin en zee.

Mijn geleerde vrienden zullen zeggen, dat dit geen ornithologie is. Dus
geef ik u onmiddellijk gaarne toe, maar het is veel beter en ik
verzeker u, dat er bij onze wandelingen toch ook nog genoeg echte
ornithologie beoefend wordt. Doch ten slotte komt het er toch op aan,
dat wij door onzen omgang met de vogels betere, gezonder, sterkere en
fijner gevoelende menschen trachten te worden.

En daar nu het fitisje met zijn beminnelijke tegenwoordigheid en
liefelijk geluid allerwegen de schoonste lentelandschappen opluistert,
is hij voor ons geworden het symbool van de heerlijke lentewellust vol
uitgelaten vreugd en diepen weemoed. Misschien is het een toeval,
misschien hangt het samen met ons nog onbekende verschijnselen: zijn
liedje bevat de duidelijke tegenstelling tusschen uitgelaten vreugd en
onuitsprekelijk verdriet en eindigt in weemoedige berusting: een
volledige levensphilosophie.

O, hij begint zoo blij en dapper met reine klokjesheldere slagtoontjes:
een vroolijk handgeklap der boschelfen. Doch juist als de hoogste
vreugd nabij schijnt, komt er een wending van zoo zielsroerende
droefenis, dat ge luisterend den adem inhoudt, vol angst, wat nu verder
zal volgen. Maar dan komt als een glimlach door tranen een decrescendo
van zoete toonparen en dan is ’t uit. Ieder jaar voel ik dat dieper en
dat is ook alweer geen ornithologie.

Wel, dat niet alle fitisjes even fijn zingen; er zijn stumpers en
virtuosen onder. Ook gebeurt het, dat ze slechts de eene of andere
helft van hun lied ten gehoore brengen en er schijnen er ook te zijn,
die van weemoed niets willen weten en doodeenvoudig besluiten met een
Tjiftjafliedje. Maar dat zijn dan toch ook geen echte fitisjes.

Het fitisnest ligt op den grond, wonderveilig verscholen. Nog dezen
zomer ontdekte ik er een, terwijl ik in het gras lag aan den waterkant.
Ge zult zeggen, dat ik voor iemand van mijn jaren nog al dikwijls in ’t
gras of in ’t zand lig. Ik kan ’t niet ontkennen, maar ik beleef er
zooveel genoegen van, dat ik het in ’t vervolg eer meer dan minder zal
doen, en ik raad u zelfs aan, mijn voorbeeld te volgen. Ook doe ik dat
allemaal in mijn trouwens zeer beperkten vrijen tijd.

Nu, ik lag dan in ’t gras aan den waterkant, dicht bij een bruggetje.
Ik had al de zekerheid gekregen, dat er een roodstaartjesnest onder ’t
bruggetje zat, een eindje verder had ik twee waterhoentjes gezien met
vijf jongen, een ijsvogel was voorbij gevlogen met een vischje in den
bek en een wielewaal had zitten roepen in een hoogen abeel aan den
overkant. Dat was voor een half uurtje tijd al heel wat, maar er zou
meer komen.

Een fitis had zitten zingen in een ahorn op mijn oever. Na een poosje
kwam hij terug en bleef even zitten op den tak, waar hij zooeven
gezongen had. Toen zwierde hij neer over het water, de zon scheen door
zijn vleugeltjes heen, en daalde neer op een eikje, wipte van daar op
een tweejarig zaailing-ahorntje en toen op den grond, waar nog meer
ahorntjes stonden, alle met roode bladluisplekjes op de bladeren.

Ik dacht, „die gaat op de bladluizen af.” Na een poosje vloog hij er
weer uit en nu kwam hij driemaal achtereen via ahorn—eik—ahorn weer
naar hetzelfde plekje terug en toen wist ik natuurlijk, dat hij daar
zijn nest had.

We zijn toen, om het fijne van de zaak te weten, met een schuitje er op
los getogen en ofschoon ik precies wist, onder welk ahorntje de vogel
telkens verdwenen was, hadden we nog heel veel moeite, om het nest te
ontdekken.

Het was heelemaal van dorre grassprietjes en plantenvezels gebouwd,
dicht ineengevlochten, met een duidelijke overkapping en de toegang was
bijna onzichtbaar. Op onze illustratie is de kap een weinig opgetild,
om de mooie witte, bijna ronde, roodgevlekte eitjes te laten zien. De
opening is daardoor zoowat tweemaal wijder dan gewoonlijk.

Over ’t algemeen is de fitis nog al gelukkig met zijn broedsels; ze
worden niet zoo dikwijls verstoord, als die van andere vogels. Men zou
verwachten, dat ze veel te lijden zouden hebben van wezels of
hermelijnen, maar dat valt bijzonder mee. Dat komt, doordat deze
roovers voornamelijk jagen op den reuk en nu laat de fitis nooit een
spoor achter op den grond, om de doodeenvoudige reden, dat hij den
grond niet betreedt.

Hij heeft, dat bleek ook bij mijn eschdoornfitis, een vasten,
onveranderlijken weg, om bij zijn nest te komen. Dat gaat van boom tot
struik, van tak tot tak en met den laatsten sprong is hij in ’t nest.
Ik heb wel eens van die takken weggesneden en dan was het vogeltje
altijd eventjes de kluts kwijt. Hij keerde terug naar zijn vorige
zitplaats, probeerde de reis nog eens en koos dan ten lange laatste een
ander steunpunt. Dat gaf verandering in de route.

Ik heb ’t nog nooit gewaagd, om ’t nest te verleggen, maar ik zou het
toch wel durven doen, want van al de fitisnesten, die ik bekeken en
natuurlijk ook aangeraakt heb, is er nog nooit een verongelukt. Hij is
aan ons al evenzeer gewend, als de winterkoning.

Als de jongen uitgekomen zijn, dan circuleeren de ouden onophoudelijk
op den toegangsweg naar het nest. Iedere minuut wordt er voedsel
gebracht. Maar nu blijkt, dat de fitis van edeler maaksel is dan de
vliegenvanger, want zelfs in deze drukke tijden vindt hij nog
gelegenheid tot zingen. Telkens, wanneer hij de kronen der boomen
afzoekt naar rupsen, blijft hij even op den tak zitten en zingt zijn
lied. Wel gaat ’t haastig en vliegt hij nog zingend op, om weer aan ’t
werk te gaan, maar zoo hooren wij dan toch het heerlijke lied tot in
Augustus.

De jongen zijn allerliefste vogeltjes, veel geler dan de ouden en in de
eerste dagen na het uitvliegen zeer geneigd tot gezelligheid, zoodat ge
het treffen kunt, ze bij halve dozijnen zij aan zij op de takken der
boomen te zien zitten. Daar worden ze nog door de ouden gevoed, maar al
na enkele dagen maken zij zelfstandige expedities in de groene
boomkronen en veel eerder dan de jonge vliegenvangers kunnen ze in hun
eigen onderhoud voorzien.

Toch bestaat er een soort van betrekking tusschen jonge vliegenvangers
en jonge fitisjes. Wanneer ze hun ouders verlaten hebben, of wanneer
hun ouders hen hebben verlaten, dan zoeken zij elkander op. In ’t
laatst van Augustus ontmoet ik telkens gezelschappen van jonge fitissen
en jonge vliegenvangers, die in sparrelaantjes en eiken kreupelhout
heel luidruchtig met elkander spelen en er gezamenlijk op uitgaan, om
aalbessen en vroege vlierbessen te eten.

Inmiddels gaan de ouden ruien. De zeer gehavende veertjes van het
bruiloftskleed vallen uit en ze krijgen nu een mooi nieuw dof groengeel
gewaad. En dan gaan ze weer zingen, alsof ze de bladeren, die ze in hun
lentevreugd aan de boomen hebben zien komen, nu bij ’t vergelen een
weemoedig vaarwel willen toeroepen. De laatste fitis, die ik dit jaar
gezien heb, zat te zingen in een ahorn met vergelend blad vol
brandvlekken. En na elk liedje wipte hij even naar omlaag, om zich te
goed te doen aan de mooie, groote, roode glimmende bessen van de wilde
kamperfoelie.







DE VLAAMSCHE GAAI.


Het was op een mistigen morgen in Maart; nog al koud, want de krokusjes
bleven gesloten. Maar het was toch al lang lente, de hazelaarkatjes
hingen lang uit en de katjes van den els waren nog wel niet los, doch
de dikke helmknoppen puilden reeds uit tusschen de purperen schubben.
Het mos was in volle glorie, sappig en groen en vol urntjes en
tonnetjes op roode steeltjes, die soms als een bouquet van vuurwerk met
sierlijke bocht ontsprongen uit den top van een enkel plantje.

De meezen riepen helder in het hout en het boomkruipertje draaide zijn
dun liedje af. Waar was de zanglijster? Die vond het te koud, om
uitgelaten in een boomtop te zitten galmen en zocht wormpjes in ’t
gras. Maar toch was het lentegevoel hem te machtig, hij moest zingen,
zooals hij daar stond in ’t groene mos en uit half geopenden bek
klonken pianissimo zijn blijde tiraden.

Dat alleen maakte de morgenwandeling reeds loonend: een zachtjes
zingende zanglijster. Maar er zou meer komen. Op een lagen beukentak,
die zich lang uitstrekte over het gazon, zat een prachtige vogel en die
zong net zoo mooi als de zanglijster.

Zijn borst was zeer mooi zacht wijnrood, deze tint werd sterker in de
harig fijne veeren van nek en mantel. Boven het blauwe oog welfde zich
de schedel, versierd met een fraai zwart gestreepte kuif. In de
vleugels blonken de mooiste kleuren van kobaltblauw, gitzwart,
sneeuwwit en kastanjebruin, een lange zwarte staart voltooide den
slanken vorm van het prachtige dier.

Houding, vorm en kleuren alles was even mooi en het groote wonder was
wel, dat een zoo schitterend gekleurde vogel zoo fijn kon zingen. Ook
hij opende den bek niet wijd, evenals die zanglijster en daardoor klonk
zijn lied niet ver. ’t Was, of hij alleen voor zichzelf zong. Maar wat
er van te hooren viel, was heel mooi, de meest melodieuze gedeelten
werden telkens herhaald en telkens kwamen imitaties van andere geluiden
te voorschijn, geluiden van wulp, kievit, koolmees en roodborst: juist
zooals bij de zanglijster.

Een tuinknecht kwam met een kruiwagen, en met een woeste angstkreet
ging de prachtige vogel op de vlucht. Bij ’t vliegen kwam op de
uitgespreide vleugels nog meer blauw en wit en bruin te voorschijn en
ook ’t einde van den rug blonk in schitterend sneeuwwit. Als een bonte
vlinder verdween hij tusschen de donkere dennen.

Den volgenden morgen leerde ik de mysterieuse prachtvogel met den
fluisterzang nog van een andere zijde kennen. Ik werd wakker vroeg in
den morgen, een uur voor zonsopgang. Buiten was het helder licht, niet
door de morgenschemering maar door de maan, die een paar dagen geleden
vol was geweest. De roodborstjes en de winterkoning zaten al te zingen.

Opeens vertoont zich in ’t heldere maanlicht de prachtvogel. Met een
mooien sprong komt hij neer op een tak van een klein eikje, vlak bij de
geopende balkondeuren. Hij zingt zijn fluisterlied. Nu komt een tweede
vogel opdagen, een derde, vierde, vijfde en alle gaan ze zitten in het
kleine eikje, druk zwatelend met ingehouden stemmen.

Ze zien elkaar niet aan, schijnen elk verdiept in hun zang, huppelen
wat op en neer, kijken verschillende kanten uit. Noord, Oost, Zuid,
West en gaan dan den hals rekken, kop buigen, kuif opsteken, wiegelen
op de pooten en staarten spreiden en vleugelskleppen.

Om nu eens een oud ezeltje van stal te halen: ik wist niet, of ik
waakte of droomde, zoo zonderling en vreemd was deze pantomime. Maar ik
hoorde toch ook nog de roodborst en den winterkoning en mijn horloge
ook, dus ’t was wel degelijk werkelijkheid.

Het tooneel duurde een minuut of drie, altijd met zacht gezang, totdat
ze als bij afspraak een allerafgrijselijkst gekrijsch aanhieven en in
volle vaart wegstoven.

Later heb ik nog zoo iets gezien, op klaarlichten dag in het bosch en
vele malen zullen mijn lezers in ’t voorjaar het eind van de pantomime
hebben bijgewoond: een zwerm gaaien, die met elkander krijschend
opvliegen uit het hout. Ze hebben dan daar hun bijeenkomst gehad, hun
lente-ontmoeting.

Nu weet ik dat pas een jaar en ’t spreekt van zelf, dat deze
bijeenkomsten veel moeilijker te bespieden zijn dan de
kemphaantjes-tournooien of de wulpenwals. Gij moet u dus niet erover
verwonderen, dat ik met groote bezorgdheid de pogingen aanzie, die
sommigen uwer in het werk stellen, om dezen prachtigen zangvogel,
waarvan wij de natuurlijke historie nog bij lange na niet kennen, van
het aardrijk te verdelgen.

Ik heb graag gaaien om mijn huis. Ook houd ik veel van kleine
zangvogeltjes; het eene is niet onvereenigbaar met het andere. Eeuwen
aan eeuwen hebben de gaaien en de kleine zangvogeltjes zich zij aan zij
vermenigvuldigd en ze zijn er geen van beiden minder op geworden.

Ja, in vroeger tijd hadden de kleine zangvogeltjes nog meer vijanden
dan thans; toen was het aantal der roofvogels veel grooter. Thans zijn
er in den zomer niet veel sperwers, valken of havikken, die ze
bedreigen, de raven zijn in ons land haast uitgestorven en ook het
klein viervoetig roofgedierte is sterk in aantal verminderd.

Er bestaat dus geen enkele noodzakelijkheid, om nu ineens zoo tegenover
de gaaien van leer te trekken, en het zou zeer te betreuren zijn,
wanneer men er in mocht slagen, hen uit te roeien, zooals in sommige
streken al met den ekster het geval is.

Den heelen winter liggen voor het raam van mijn studeerkamer de eikels
voor hem gereed op den grond in een klein boschje. Ik kan juist op de
plek kijken, waar ze liggen en als de gaai van zijn werk opziet, dan
kan hij mij bespeuren achter mijn werktafel. Het raam is overdag altijd
open.

Ze gaan voor mij niet meer op de vlucht en ze krijschen me ook niet
tegen, als ze me zien. Een gaai steekt het niet onder stoelen of
banken, als hij het land heeft aan iemand. Mijn buurman schiet er wel
eens op, omdat ze zijn doperwtjes opeten en hij krijgt dan ook een
behoorlijke dosis verwenschingen naar zijn hoofd, als ze hem maar in de
verte zien. Van jagers en geweren zijn ze ook voldoende op de hoogte.

Ook wanneer ze geen mensch zien, dan schijnen ze toch eenig besef te
hebben van zijn wandaden. Ik wandelde eens in de vallei van de Trommel,
een van de voorste valleien van onze duinen. Zij heeft maar één
onaangename eigenschap, nl. dat ze juist ligt in het verlengde van de
schietbaan van het Haarlemsche garnizoen.

De Trommel ligt nu wel meer dan een halve kilometer buiten de roode
vlag, maar dat belet niet, dat de kogels heel vroolijk langs de vlag
heen door de vallei komen fluiten en dat maakt ’t wandelen in die
vallei altijd tot een eenigszins martiale ontspanning. Onophoudelijk
fluiten er kogels over je heen met een heel merkwaardig crescendo en
decrescendo, gepaard aan glijdende rijzingen en dalingen van toon.

Ondanks de verzekering van deskundigen, dat die kogels veel te hoog
vliegen, om te deren, ondervind ik toch altijd eenige bezorgdheid en ik
zoek dan ook heel dapper de hellingen op, die een beetje aan de lijzij
van den kogelregen liggen. Toch wil ik die vallei niet opgeven, want ’t
is er veel te mooi.

Nu, ik was daar weer eens „en campagne” en toen sloegen de kogels
werkelijk in de berkentoppen van een boschje, waar juist een aantal
gaaien iets te doen hadden. Dat geschreeuw was toen de moeite waard,
duidelijk waren er de hevigste anti-militairistische vitupiraties uit
op te maken en zeer zeker brachten de vogels verband tusschen het
knallen van de schoten en het afrukken van de takken.

Ja, er is geen enkele vogel, die in zijn stem en gebaren zooveel haat
en verachting kan leggen; hij uit zich ook nog wel scherper dan de kat
en de slang. Natuurlijk is er negen tienden angst bij, maar dat
verandert niets aan de zaak. Ik kan mij heel goed voorstellen, dat
iemand, die met recht zoo door de gaaien wordt uitgekreten, wel
eenigszins tot weerwraak wordt geprikkeld.

Tegenover mij bewaren ze een beleefd stilzwijgen en ze eten mijn eikels
met goeden appetijt.

Ze komen uit een bosch aan de overzijde van den weg, steken den weg
over, zitten even op ’t hek, vliegen dan in een hoog eikje en dalen
trapsgewijze neer van tak tot tak, steeds rondziende en telkens met de
kuif in de hoogte. Eindelijk is de grond bereikt, vinken,
heggemuschjes, koolmeezen, winterkoninkjes, die er bezig zijn, gaan
nauwelijks voor hem op zij.

Met een paar logge sprongen, ietwat herinnerend aan die van de groote
lijsters, maar minder flink, bereikt hij den eikelhoop en pikt er de
mooiste uit. Nu vliegt hij op, naar een tak, ongeveer twee meter hoog,
neemt den eikel onder beide pooten en gaat hem schillen. Hij pikt een
gat in de vruchthuid en trekt die bij enden eraf. Ten slotte wordt de
blanke eikel bij stukjes opgepeuzeld.

Dat ziet er heel genoeglijk en eekhoornachtig uit. Nu haalt hij er nog
een en daarmee gaat het op dezelfde manier, doch daarna is zijn honger
gestild en nu begint de zorg voor den winter.

Weer staat hij bij den eikelhoop, maar nu wat wakkerder dan daareven.
Snel achtereen verdwijnen een tiental eikels met schil en al door zijn
keelgat, de krop zwelt merkbaar. Eindelijk heeft hij genoeg en topzwaar
vliegt hij heen naar ’t boschje, waar hij zijn schuilhoeken heeft, en
daar gaat hij zijn eikels begraven, in de hoop, dat hij ze later, als
hij honger heeft, zal terugvinden.

Hij begraaft ze niet alle op één plek, maar hier een en daar een. Ik
heb er eens een bezig gezien in een dennenbosch en dat leek net alsof
er iemand bezig was, om aardappelen te poten. Hij stootte met zijn
snavel een gat in den grond, stopte den eikel erin en woelde de
dennennaalden er weer over heen. Dat ging zoo zes keer achter elkander.

Een andermaal zag ik boven op Duin en Daal een gaai heel nieuwsgierig
doen. Hij was zoo vol belangstelling voor wat er onder hem gebeurde,
dat hij mij in ’t geheel niet opmerkte, of hij kende mij, althans hij
bleef voortgaan met zijne bezigheden, alsof er geen wolkje aan de lucht
was.

Ik kon mijn kijker voor den dag halen en wat was het nu? Een tweede
gaai was ook weer tusschen dennetjes bezig met eikels poten en daar zat
die eene, wellicht met zelfzuchtige bedoelingen naar te kijken: een en
al aandacht.

Met dat begraafinstinct hangt samen dat zij, wanneer ze honger hebben,
den grond gaan omwoelen. Ze zijn dan druk bezig op den boschbodem,
gooien de stukken blad opzij op de manier van zwarte lijsters en
plukken evenals de kraaien heele stukken mos uit den grond.

Zoo’n bosch kan er dan uitzien alsof er een regiment wieders aan den
gang is geweest. Onder dat mos vinden ze dan niet alleen begraven
vruchten, maar vooral veel insecten, poppen, eieren en volwassen
insecten. Denk er om, dat zij op zoo’n oogenblik nuttig zijn. Het mos
groeit wel weer aan, zelfs wordt ’t nog weliger dan voorheen en de
insecten zijn opgeruimd.

Strijk en zet komen ze hier ook eten aan den voederbak en dan nemen ze
bij voorkeur brood. Trouwens brood is een echt universeelvoeder. Alle
vogels eten bij mij brood, merels en koolmeezen niet het minst en zoo
is het dan volkomen waar, dat ge de vogels gedurende den winter
volkomen kunt voeden met de kruimkens van uw tafel.

Merkwaardig is het, dat de vogels in den winter niet den minsten angst
voor de gaai aan den dag leggen. Ze zien wel wat tegen hem op om zijn
grootte en gaan voor hem uit den weg, als hij meenens met de zaak
maakt, maar geen van allen laat de alarmkreten hooren, die het pad van
de gaai begeleiden gedurende den broedtijd. Hieruit zou men mogen
afleiden, dat hij zich althans ’s winters niet vergrijpt aan volwassen
vogels.

Zomer en winter komen ze baden in het heldere water in een groote
roodaarden schotel in mijn grasperk. Er zat dezen zomer een nest van
bruine mieren onder en dan gingen ze vaak voor of na het bad een klein
mierenversnaperingetje gebruiken. Die mieren leveren voedsel aan alle
vogels.

Eens, ’t was in Augustus, had een gaai geplast en geplast, alsof er
geen eind aan zou komen. Een kauw of een merel zou het hem niet hebben
kunnen verbeteren, maar nu was hij dan ook door en door druipnat. Toen
huppelde hij naar een open plekje in ’t grasveld, heetgebakken door de
zon en ging daar languit op zijn buik liggen met den staart en de
vleugels zoo wijd mogelijk uitgespreid.

O, wat was dat mooi! Ik had op dezelfde plek merels ook wel zoo zien
doen, en dat was ook de moeite waard, maar het haalde niet bij de
pracht en schittering van deze gaai, met al zijn kleuren wijd
uitgespreid in de felle zomerzon.

De vleugels waren zoo wijd uitgespreid, dat de bovendekveeren van de
slagpennen in hun geheel te zien waren, zoodat bleek, dat de
duimvleugelveertjes geheel en al de zwart met blauwe blokteekening
vertoonen, terwijl de dekveertjes maar voor de helft zoo mooi zijn, de
andere helft is zwart.

Dat blauw met zwart zit nog op andere plaatsen, de kleine slagpennen,
die voor het grootste gedeelte wit zijn, hebben aan de buitenvlag ook
de zwart met blauwe blokjes, bij sommige gaaien meer, bij andere
minder. De mooie kastanjebruine veeren zitten aan den elleboog.

O, het is wel heerlijk, die mooie vogelveertjes te zien, en als ik een
dooden vogel in handen kan krijgen, al is het ook een gewone musch, dan
kijk ik altijd met veel belangstelling naar de mooie kleuren en lijnen,
die het vogelkleed vertoont. Ook heb ik een paar gaaienveeren in een
doos met naphtaline van een vogel, wiens dood ik op mijn geweten heb.

Dat is zoo gegaan. Ik had in ’t boschje voor mijn studeerkamer een hoop
takkenbossen gelegd als schuilplaats voor de wintervogeltjes. Daar
voerde ik ook voornamelijk de winterkoninkjes, roodborstjes en
heggemuschjes, die aan den grooten voederbak geen beurt konden krijgen.
Ik strooide Sluis’ universeelvoer bij volle handen in ’t binnenste van
de takkenbossen en ’t was een lust, hoe den heelen dag de kleine kruip-
en sluipvogeltjes door de takken scharrelden.

In ’t voorjaar waren die takken al aardig vermolmd en ik besloot ze te
laten liggen, in de hoop er een nest van winterkoning of heggemusch in
te krijgen, en dan rekende ik erop, dat er zich in den loop van ’t jaar
allerlei ongedierte in zou ontwikkelen, insecten meen ik.

Er kwam ook ongedierte, maar in plaats van insecten, vestigde zich daar
een familie van de groote, vieze, moorddadige, bruine rat. Er zat niet
anders op, dan de takkenbossen op te ruimen en de ratten dood te slaan,
wat dan ook gebeurde, maar er ontsnapten twee kleine ratjes en die
hebben ons den heelen zomer veel te doen gegeven.

We hebben ze achtervolgd op allerlei manieren en zoo heb ik dan ook
eenige dagen achtereen een rattenval in mijn tuin gehad. Tot mijn zeer
grooten spijt hebben we daarin een gaai gevangen. Die gaai was
afgekomen op het brood in een tijd dat hij zich volgens de boeken
uitsluitend en alleen moet voeden met jonge vogeltjes. Hij was morsdood
en ik heb toen van ’t cadaver zooveel mogelijk trachten te profiteeren
en de mooie vleugels mee naar Amsterdam genomen, om aan mijn leerlingen
te vertoonen.

Onmiddellijk ben ik toen begonnen met zomervoeding op groote schaal. Ik
zag opeens in, dat niet alleen de gaai, maar de meeste vogels in den
broedtijd misschien meer moeite hebben, om het noodige voedsel te
krijgen dan in den winter. In den winter hebben zij alleen voor
zichzelf te zorgen, maar ’s zomers zijn de jongen en het broedende
wijfje er ook.

Nu is het misschien niet altijd mogelijk om geschikt voedsel voor de
jongen te geven, maar wij kunnen in elk geval ervoor zorgen, dat de
oude vogels snel en zonder moeite hun honger kunnen stillen. Wij hebben
dan ook op groote schaal met brood gevoerd en hadden de voldoening dat
gaaien, lijsters, vinken, meezen en roodstaartjes dankbaar van de
geboden gelegenheid gebruik maakten.

Mijn gaaien hadden hun nest in laag eikenhout, niet ver van ons huis:
een mooi nest van takjes en stengeltjes en van binnen heel mooi bekleed
met worteltjes, meest boomworteltjes, die ze uit den grond plukten. Er
waren vier grijze heel fijn bruin gespikkelde eieren in en wat een
groot wonder is, de vier jongen zijn alle groot geworden. Dat kan niet
gezegd worden van het hongerig vijftal van onze foto, want de jager van
Jachtlust is verplicht, om iedere gaai te dooden, elk gaaiennest te
vernielen.

Ze waren al op het punt, om uit te vliegen, de middelste gaper vertoont
al duidelijk de mooie duimvleugel.

Zeer zeker worden de jonge gaaien voornamelijk gevoed met jonge
vogeltjes. Iederen morgen strijk en zet kort voor zonsopgang was er
groot alarm onder de musschen op mijn dak: de gaai kwam zijn prooi
halen. Wanneer hij zich nu maar wilde beperken tot musschen, dan was
het nog zoo erg niet, dan zou zijn optreden wellicht met sympathie
worden begroet.

Hij vraagt echter niet naar ons voordeel of onze voorkeur, maar neemt
wat ’t makkelijkst te bereiken is, zoodat hij het schrikbeeld wordt van
elken broedenden vogel. Zoodra hij zich vertoont, gaan allerwegen
alarmkreten op en de oude vogels wagen het zelfs, om hem aan te vallen.
De groote lijster vreest hem niet en ook de merel, of liever het
merelpaar weet haar broedsel te verdedigen.

Maar aandoenlijk is het, om de kleine vogeltjes, de meesjes,
roodborstjes, winterkoninkjes in angst en verslagenheid te zien. Nu
eens lijken ze te schelden, dan te smeeken en altijd vliegen ze in de
grootste opgewondenheid om den roover, die in onze lichte bosschen en
goed onderhouden tuinen gemakkelijk zijn slag kan slaan.

Daarin zit het grootste gevaar. De woeste plekjes verdwijnen. Waar
vindt men nog ondoordringbaar struweel van bramen en rozen, van dorens
en kamperfoelie? De woeste boschranden, de breede hagen, alles wordt
weggeruimd en opgeknapt en daardoor missen de kleine vogeltjes hun
schuilplaatsen en toevluchtsoorden. In de duinen geeft de nooit
volprezen duindoorn nog veiligheid aan duizenden vogels, maar
daarbuiten is het treurig gesteld.

Het is te hopen, dat een welbegrepen vogelbescherming leiden moge tot
het aanleggen van vogelschuilplaatsen. Die kunnen, uit een aesthetisch
oogpunt beschouwd, ook zeer mooi zijn, eigenlijk vind ik een tuin
zonder vogels in ’t geheel niet mooi, al groeien er de prachtigste en
zeldzaamste gewassen.

Zeer stellig zal in dien vogeltuin ook een plaats toekomen aan de
Vlaamsche gaai en dan moeten wij hem er dankbaar voor zijn, wanneer hij
naar behooren zijn wreede taak uitvoert: het beperken van de
vogelsoorten, die zich te snel vermenigvuldigen.


                            EINDE.









INHOUD.


                                                Pag.

        I. In den Polder                          1

              Sterntjes en Meeuwen                3
              De Scholekster                     48
              De Kievit                          60

        II. In ’t Naardermeer                    75

              De Lepelaar                        77
              De Zwarte Stern                    89

        III. In de Duinen                        97

              De Wulp                            99
              De Nachtzwaluw of Geitenmelker    112
              De Griel                          128
              De Zilvermeeuw                    139

        IV. In Bosschen en Tuinen               151

              De Winterkoning                   153
              Het Waterhoentje                  164
              De Merel                          178
              De groote Lijster                 192
              De Vliegenvanger                  202
              Het Staartmeesje                  214
              De Fitis                          220
              De Vlaamsche Gaai                 228











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET INTIEME LEVEN DER VOGELS ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.