The Project Gutenberg eBook of Het beloofde land
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this ebook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Het beloofde land
Author: Ina Boudier-Bakker
Release date: February 8, 2026 [eBook #77885]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: P. N. van Kampen & Zoon, 1916
Credits: The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET BELOOFDE LAND ***
INA BOUDIER-BAKKER
HET BELOOFDE LAND
VIERDE DRUK
AMSTERDAM
P. N. VAN KAMPEN & ZOON
PROLOOG
Aan den rand van de hei lag het Heihuis; gebeukt door de rukwinden, die
aanloeiden over de verre heivelden, gegeeseld door sneeuw en hagel,
gezengd door de brandende zon, die gloeiend de hitte deed opslaan van
den gebarsten grond.
Sinds overoude tijden had het Heihuis daar gestaan in de norsche
eenzaamheid van de verre hei, en van vader op zoon hadden de Bags het
bewoond.
Het was een geslacht, afgescheiden van de overige bevolking; afstammend
van eenmaal beruchte vrijbuiters, had zich in hen bewaard het oude,
vurige bloed; waren de Bags kernachtiger, slechter, krachtiger, sluwer,
grooter, zelfs in hun ondeugden; edelmoediger, fierder.... de Bags,
forsch van lichaam, met den eigenaardig scherp gesneden roofdierkop, en
zware bewegelijk kaak.
Zwervers waren zij eenmaal, en onrustig, ongedurig waren zij gebleven,
zelfs toen zij reeds grondbezit hadden in het dorp en te Boge; te
ongedurig om lang te blijven op één plaats, verdwenen ze soms tijden
lang, huis en hof overlatende aan onderhoorigen.
Hun vrouwen zochten ze op hun zwerftochten in verre streken; altijd had
een vreemde vrouw, langer en forscher van bouw dan de vrouwen uit het
dorp, als meesteres geleefd op het Heihuis.
Het was het eigenaardige van hun geslacht, dat zij zich zoo weinig
hadden vertakt; bijna altijd was de eenige zoon meester gebleven op het
Heihuis.
Van oudsher had een band bestaan tusschen de Bags en de boeren; dat
volk, apathisch, lui, ledig den tijd slijtende in armoede, maar
aanhangende met blinde trouw dengene, aan wien ze zich eens hadden
gehecht; het was een trouw, overgeleverd van geslacht op geslacht; het
was het onwillekeurig eischen van diensten soms, en het even
onwillekeurig gehoorzamen daaraan.
De oude Martin Bag, de grootvader van Jelle Bag, legde, door in zijn
ouderdom te huwen met de dochter van een rijken boer uit Boge, den
grondslag tot ’t landbezit van zijn geslacht. Sinds dien behoorde de
uitgestrekte „Kloeve” aan de Bags.
Er was één Bag geweest, verschillend van de overigen; deze Eli, de zoon
van Martin, stond als een geheel aparte figuur tusschen zijn geslacht.
Als de dorpers hem zagen gaan, lang, bleek, met wél den eigenaardigen
Bagkop, maar zonder het kenmerkend scherpe, bijna wreede, verzonken in
zijn droomerijen, met de vreemde, starende oogen, ontweken ze hem
schuw; hem vreezend in hun duister bijgeloof, om zijn volkomen eenzaam
bestaan; waar hij leefde, geheel verzonken in zijn arbeid, het
navorschen van natuureigenschappen met zonderling onbeholpen
werktuigen.
Zijn zoon was Jelle Bag. Misschien was nooit een Bag geboren, met de
oude natuur zijner vaderen krachtiger in zich.
Hij breidde de „Kloeve” uit en beheerde den allereersten tijd het goed
scherpzinnig en nauwkeurig. Evenals al de Bags laat getrouwd, vierde
hij in zijn jonge jaren al zijn dolle lusten bot, maar de boeren
hielden van hem, ontzagen en vreesden hem, een vrees om al de geruchten
die van hem gingen, waarvan niemand het ware wist; en ze hingen hem
aan, om zijn groote, bijna kinderlijke vroolijkheid en ruwe
goedhartigheid.
De vrouw van Jelle Bag kwam zelden in het dorp; zij was een kleine
vrouw, met een kinderlijk gezicht, stil en teruggetrokken; bij de
boeren kwam zij nooit, zooals Jelle. Die was bij hun feesten, zat bij
hen, en praatte en dronk met de mannen, en schertste zijn ruwe scherts
met de vrouwen; en zij hadden hem lief! Als hij aankwam, liepen ze aan
hun deur, en riepen hem vroolijke groeten toe, en hij schreeuwde terug
met zijn luide, lachende stem, die ver in ’t rond klonk. In de tijden
van strenge vorst, als ellende en gebrek het dorp teisterden, liet
Jelle Bag groote hoeveelheden levensmiddelen komen uit de stad. En het
was een van de eerste en sterkste indrukken, die de kleine Eli, hun
zoon, behield van zijn vader: zooals hij eens was komen aanrennen met
zijn wagen, zijn reuzengestalte rechtop, schreeuwend en lachend met
zijn door veel dronkenschap gevlekt rood gelaat; en de mannen juichten
en lachten; en de vrouwen trokken angstig hun kinderen uit den weg voor
zijn woeste vaart, en de honden blaften en sprongen tegen den wagen op.
En midden in het dorp, in al dat rumoer, hield hij stil, en zijn
frissche stem overklonk alle geluid, terwijl allen om hem heen drongen
en hij tusschen hen staande, de spijzen uitdeelde aan ieder met een
goedhartig woord en ruwe grappen.
Eli vergat dit nooit, het was het prachtige, het grootsche, dat hij
behield in zijn kinderverbeelding, en zoo bleef hij zijn vader zien in
een glorie. Maar Maria Bag zag men bij die gelegenheden nooit.
Zij was het kind van rijke pachters bij Brogs; zonder liefde was zij de
vrouw geworden van Jelle, omdat het haar in Brogs verveelde; uit een
soort vreesachtig ontzag had zij zich aangetrokken gevoeld tot dezen
man, die haar waarlijk lief had met al de ongedurige heftigheid van
zijn natuur, al den hartstocht van zijn wenschen en begeeren. Maar
eenmaal in het eenzame Heihuis, waar zij zich ongelukkig voelde, met
een man die haar angst en wrevel tegelijk gaf, berouwde haar iederen
dag meer haar huwelijk; en niet kunnende waardeeren zijn groote liefde
voor haar, trok zij zich van hem terug, stootte hem af met scherpe,
bitse woorden.
Jelle Bag was niet heel fijngevoelig; als ze hem buitengewoon ergerde
voer hij driftig tegen haar uit, tot zij bevend van angst en toorn
wegliep; dan gaf hij zich over aan drinkgelag, om zoo gauw mogelijk
zijn ergernis te vergeten.
Maar bij Marie steeg de wrevel tegen haar man: zij had niet in zich wat
de vorige vrouwen der Bags hun booze luimen had doen verdragen; een
groote liefde, en dit was, wat Jelle Bag noodig had.
Toen het kind, Eli, opgroeide, werd Jelle voor een poos kalmer; hij
hechtte zich sterk aan zijn zoon, en trok hem geheel tot zich; hij
begon hem mee te nemen op zijn tochten te paard, en overnachtte dan
dikwijls in een verre hoeve.
Dikwijls ook nam Jelle hem mee naar de hut van Adam Feke, midden op de
hei; en Eli zag altijd met verwondering naar dien kleinen grijzen man,
die uren lang met zijn vader kon praten. Als hij alleen was met Adam,
speelde deze voor hem op zijn fluit, maar als Jelle kwam, hield hij op,
want Jelle zei lachend, dat hij die fluit niet hóóren kon. Dan liet
Adam het, want Eli bemerkte toen al, dat Adam nooit iets weigerde aan
zijn vader.
Het was een sterke vriendschap van de twee mannen, sinds hun
kinderjaren; een gehechtheid van den ouderen Adam aan Jelle, dien hij
bewonderde als zijn meerdere in kracht, en liefhad met een
fijngevoelige toegevendheid om zijn onbesuisde goedhartigheid, zijn
weinig verstandelijk doorzicht bij zijn groot kinderlijk hart.
Het was een vriendschap, nooit veranderd of verminderd; toegenomen nog
in de jaren toen Jelle al lang meester was op het Heihuis en Adam
woonde in zijn eenzame hut op de hei.
De ouderen in het dorp herinnerden zich den tijd, toen Adam Feke en
zijn broeder Geert smids waren in Boge; dat hun werk, vooral dat van
Adam, al het werk in den omtrek overtrof. En zij wisten te vertellen
dat Adam Annelies Bruis liefhad sinds zij kinderen waren, en in dien
zomer, dien iedereen zich herinnerde, toen de hitte zoo groot was, dat
alle gewas verschroeide, zou Annelies de vrouw worden van Adam Feke.
Het ware van wat toen gebeurd was, wist alleen Jelle Bag. In die dagen
zat Adam veel in zijn werkplaats; nog laat in den nacht zag men zijn
licht branden. En terwijl zijn hart was vervuld van Annelies, legde hij
die liefde in zijn werk; en hij zocht en zocht altijd weer naar een
wijze van bewerken, die aan het blanke staal een eigenaardigen glans
zou geven; hij zag in zijn geest de voorwerpen, die hij maken zou, en
het zou alles spreken van zijne liefde voor Annelies.
Maar in dien tijd, als Adam arbeidde, was Geert bij Annelies, en
langzaam ontstal hij Adam haar liefde. Adam wist niets—hij arbeidde. En
eindelijk vond hij het; maar nòg zei hij het niet aan Annelies; hij
wilde haar verrassen, tot haar gaan en zeggen, dat zij het was, die dit
in hem had gewrocht.
Toen onverwachts op een avond liep hij uit zijn werkplaats, met het
eerste, pas voltooide stuk werk, naar haar huis, waar hij haar dacht,
op hem wachtende—en vond hen beiden, Geert en Annelies.
Adam sprak niet; hij stond daar lang en stom, en zag hen aan met
scherpe oogen; en hij deed niet wat het allereerste oogenblik in hem
opbruiste: op zijn broeder aanvliegen en hem wegschoppen uit dat huis,
waar men hem laag had beroofd van alles—hij bedacht, dat zij niets meer
van hem was nu—en hij zweeg en zag hen aan, terwijl alles in hem
stierf.
Eindelijk keerde hij zich om, en ging terug naar zijn werkplaats.... en
zat daar den ganschen nacht, en alleen de oude trouwe dingen van werk
zagen zijn smart.
Den volgenden dag waren Geert en Annelies weg; Adam sloot de smidse en
ging wonen in de eenzame hut, midden op de hei, ver van de menschen.
Zijn werk raakte hij niet meer aan. Annelies was de ziel geweest van
alles, zijn werk, zijn leven—en zij had alles in hem gedood. En hij
leefde voort, een vroeg oude man, stil, verloren. De boeren waren
gewend hem te zien rondzwerven, uren ver over de hei, of te hooren den
klagenden toon van zijn fluit. Bijna nooit kwam iemand in zijn hut,
alleen aan Jelle Bag had hij zich vaster gehecht, als ’t eenige wezen,
dat hij liefhad, en dikwijls, als heftige woorden waren gevallen op het
Heihuis, ging Jelle Bag naar de hut van Adam Feke, en bleef daar
verscheidene dagen.
Maria scheen hieraan gewend. Heel in ’t begin zag men haar soms op den
weg staan en uitzien, als Jelle met het kind weg was; later nooit meer.
Maar dikwijls, als Jelle Bag thuis was, reed zij in den wagen naar
Brogs, en bleef langer dan een week weg.
Eli bleef teer en fijngebouwd. Als Jelle voorbijstoof met het kind voor
hem op ’t paard, deed het denken aan een klein wit vogeltje tegen zijn
breede borst.
Eéns ging een gerucht door het dorp, dat Maria Bag van haar man was
weggevlucht—het kind had zij achtergelaten, uit angst, dat Jelle anders
haar schuilplaats zou opsporen... De oude Rosa vertelde het, bleek en
bang, vreezend den terugkeer van haar meester... Maar laat in den avond
hoorde het volk op den weg een dollen hoefslag en aan hun deuren
gesneld, zagen zij Jelle Bag voorbijstuiven op zijn groote zwarte
merrie. Hij leek dronken, en hing diep over den hals van het paard, dat
hij onophoudelijk spoorde; en bij het even-lichtschijnsel van een
lantaarn, zagen zij zijn gelaat verwrongen, met strakke oogen staren in
den duisteren avond.
Den volgenden dag vonden boeren hem op den weg bij Boge, bewusteloos,
met een wond aan het hoofd. Blijkbaar was hij in zijn blinde drift van
’t paard geslagen. Ze namen hem op en gingen Adam Feke waarschuwen, die
het dichtst bij woonde; en de mannen zagen met verbazing, hoe de
tengere, schijnbaar krachtelooze man, de reuzengestalte van Jelle Bag
op zijn armen beurde, en naar zijn hut droeg.
Toen hij genezen was, woonde hij weer in ’t Heihuis, alleen nu met
Rosa, die voor ’t kind zorgde, en een knecht.
Hij kwam toen zeer zelden meer in het dorp; als hij er kwam, zat hij
ineengezakt op zijn stoel, naar alles vragend, vrijgevig, goedhartig
als altijd, langzamerhand zelfs terugvindend zijn vroegere, ruwe
scherts, maar een wrak van wat hij ééns geweest was;—zich mateloos
overgevend nu aan zijn oude kwaal, dronkenschap, leek hij met zijn
waggelenden gang, gebogen rug, en een uitdrukking van zorg op zijn
rood, gevlekt gelaat, een oude man.
Voor den kleinen Eli kwam nu de tijd, die een grooten invloed had op
zijn karakter voor heel zijn leven. In het sombere Heihuis, met zijn
bijna altijd dronken vader, begonnen in dien tijd dingen zich voor ’t
eerst helder af te teekenen in zijn kinderbegrip. Al het vroegere, de
tijd toen zijn moeder nog op het Heihuis was, en een zekere beschaving
en weelde daar heerschten, de heerlijke lange tochten met zijn
vroolijken vader te paard, bleef hem bij als iets moois; hij was toen
nog te klein om de dagelijksche twisten van zijn ouders op te merken,
of er onder te lijden.
Het werd nu iets anders. Tusschen dagenlange verwaarloozing kwam soms
bij zijn vader de plotselinge behoefte op, hem te liefkoozen, hem bij
zich te hebben. En Eli behield deze oogenblikken altijd in zijn
herinnering; hij zag zijn vader de kamer uitkomen en om hem roepen; als
Eli dan gauw kwam aanloopen, tilde hij hem op, en nam hem mee naar zijn
kamer, zette hem op zijn schoot, en vertroetelde en kuste hem; zoo’n
heelen dag dan hield hij hem bij zich, vertelde hem de eene
geschiedenis na de andere, voortdurend drinkend, tot hij eindelijk
dronken insliep.
Dan sloop Eli weg; hij was nooit bang voor zijn vader, want Jelle Bag
zou hèm zelfs in zijn buien van dronkemanswaanzin altijd ontzien; en
hij bleef van hem houden, als ’t eenige wezen dat er wàs om lief te
hebben.
Zijn grootste vreugd was Adam Feke; als hij kwam op ’t Heihuis, speelde
hij met Eli, vertelde hem verhaaltjes, leerde hem knutselen, en nam hem
soms voor een paar dagen mee naar zijn hut. Toen reeds viel het Eli op
als iets buitengewoons, hoe groot de liefde en eerbied waren, waarmee
Adam zijn vader altijd bejegende of van hem sprak.
In dien tijd begon het kind zijn moeder te missen; de herinnering aan
haar was te flauw, dan dat hij naar haar kon verlangen om haarzelfs
wil; maar hij zag, dat andere kinderen een moeder hadden, die voor hen
zorgde; Rosa zorgde voor hèm, maar hij voelde instinctmatig, dat dit
iets anders was.
Hij werd een heel gevoelig, teer kind, lastig, in zichzelf gekeerd,
heerschzuchtig, door Rosa toegegeven in al zijn grillen; uiterst
kwetsbaar, met een voor zijn leeftijd zeer scherpe opmerkingsgave; een
kind geschapen om gekoesterd te worden, met een groot verlangen naar
liefde-geven en liefde-ontvangen. Een onvriendelijk woord van iemand
kon hem dagen lang die persoon doen ontwijken, en het duurde heel lang
eer hij het vergat.
Naarmate hij ouder werd waren de dronken vlagen van Jelle Bag voor Eli
een grooter pijniging. Niet, dat hij in zijn kinderbegrip dronkenschap
iets slechts of verachtelijks kon vinden, maar het woeste getier, de
ruwe woorden, de afwezigheid dàn van alle goedhartigheid, die anders
Jelle Bag bléven kenmerken, waren hem een hel van ellende. En in de
goede tijden kon hij den schrik van die buien niet meer vergeten.
Eli begon toen meer aan zijn moeder te denken; hij vroeg herhaaldelijk
aan Rosa, waar zijn moeder was, waarom zij was heengegaan. En de dwaze
oude vrouw, eindelijk zwichtend voor zijn dwingen, vertelde hem, dat
zijn moeder hem verlaten had, en nu ver weg woonde.
Eli zat een poos doodstil, met groote starende oogen—en toen Rosa
verschrikt zweeg, en hem wilde liefkoozen, sloeg hij haar van zich af,
en liep weg, en ontweek haar de eerste dagen.
Het was voor hem een openbaring van schaamte en vernedering; hij kon
niet inzien de schuld, de lage daad van zijn moeder; maar plotseling
zag hij:
„Alle kinderen, die hij kende, hadden hun moeder kunnen houden, hun
moeder hièld van hen, wou niét van hen weg; maar hij was zeker een te
akelig, klein vervelend kind, waar zijn moeder niet van houden kòn—en
daarom was zij weggegaan.”
En in dien tijd kwam een groote bitterheid in zijn karakter door de
vraag, waarmee hij zichzelf afkwelde:
„Waaròm hij dan niet was als andere kinderen—waarom dan zooveel
naarder?”
De oude Rosa begreep niet, wat ze aan hem misdaan had, maar hij vergaf
’t haar nooit, dat zij dat ongelukkige gevoel over hem gebracht had,
door ’t hem te vertellen.
Het maakte hem schuw, bang zich te vertoonen, en een kwetsend woord te
hooren of een verwijt; hij speelde weinig meer met de andere jongens,
maar zocht altijd zijn vader, in een hunkerend verlangen naar
teederheid. En tot Jelle Bag spràk dat bleeke, trotsche kindergezicht,
dat zoo verlangend hem kon aanzien, en hij deed meer zijn best zich in
te houden als Eli bij hem was.
Er was één mensch, dien Eli zijn vertrouwen gedeeltelijk schonk: Adam
Feke.
Eens toen hij in Adams hut zat, vroeg hij plotseling:
„Adam, waarom ben ik niet zooals de andere kinderen?”
De oude zag verbaasd op.
„Wat praat je toch, Eli?”
De jongen lag languit op den grond, krassend met een spijker over de
steenen, en met een donkeren blos zei hij zonder op te zien, haperend:
„Hoe of ’t toch komt, dat moeder niet van mij hield, en niet bij mij
blijven kon...?”
Adam begreep het plotseling; met een trek van smart en toorn op zijn
gelaat, tilde hij den knaap op en trok hem op zijn knie.
„Jij bent niets minder dan anderen, je bent ’n echte Bag, maar je moet
liever nooit meer over je moeder denken—wees alleen maar blij, dat je
je vader hebt en die houdt van je, en ik ook, en alle menschen...”
Eli vergat dit óók nooit. Waarom moest hij maar niet meer aan zijn
moeder denken...? Maar hij geloofde Adam onvoorwaardelijk, en hij deed
zijn best te denken, zooals Adam zei.
Adam was hem ook ’n raadsel. Waarom leefde hij zoo ver van de andere
menschen, en waarom speelde hij zoo uren lang op zijn fluit? Maar hij
speelde niet zooals Hent en Renier; Eli voelde het als iets heel
vreemds, het was een toon, dien hij, toen hij ver weg was, nooit kon
vergeten, die hem als kind, als hij alleen bij Adam zat in zijn eenzame
hut, en niets zag dan de verre vlakte, waarover tegen den avond
langzaam de nevels aanzweefden, bijna angstig maakte.
Op een heeten zomerdag stierf Jelle Bag plotseling. Eli was toen twaalf
jaar. Hij herinnerde het zich later alles nauwkeurig; hij had den
heelen morgen over de hei gezworven, en toen hij op den weg naar het
Heihuis kwam, vloog Rosa hem schreiend tegemoet, en zeide hem, dat zijn
vader heel ziek was.
En Eli kwam van den zonnigen weg buiten in het donkere vertrek. Hij zag
zijn vader liggen, roerloos en bleek, en Adam Feke, die op zijn knieën
voor hem lag; de eene hand van den doode rustte op Adams arm.
Van wat toen gebeurde, had hij geen duidelijke herinnering; hij wist
alleen dat Adam hem had opgenomen en weggedragen, en later bij hem zat
en zacht tegen hem sprak.
De droefheid van Eli was groot en bitter, hij voelde zich verlaten als
Adam er niet was, en volgde hem als een schaduw. In die dagen kwamen de
dorpelingen allen van Lode, en wilde nog eens voor ’t laatst Jelle Bag
zien; en de mannen en vrouwen, die daar stil en eerbiedig binnenslopen,
een wijle stonden, en dan weer zacht heengingen, zagen medelijdend naar
den teeren knaap, die zoo alleen bleef in ’t Heihuis.
Maar den tweeden dag, na Jelle’s dood, gebeurde voor Eli iets
wonderlijks.
Hij hoorde een wagen stilhouden, en toen hij in de gang kwam, zag hij
een vrouw het huis binnengaan. Deze vrouw was klein en jong; zij
kleurde toen zij den knaap voor zich zag, en kuste hem toen zacht.
Hetzelfde oogenblik kwam Adam Feke buiten, hij bleef staan, verbaasd en
toornig; zij sprak een paar woorden, die Eli niet verstond, en Adam
antwoordde kort, daarna gingen zij samen binnen.
Met een kloppend hart bleef Eli luisteren; hij hoorde nu Adams stem
hard en scherp, zooals hij die nog nooit gehoord had, en de hare
zacht-bevend; eindelijk hoorde hij hen gaan naar de kamer waar Jelle
lag, en stil sloop hij naar binnen.
Hij zag toen zijn moeder, bleek, midden in ’t vertrek, en Adam stond
naast de baar; zijn grijs hoofd was gebogen, en zijn hand lag op ’t
voorhoofd van den doode, als om hem voor iets te beschermen. En Eli
verwonderde zich, waarom zijn moeder niet evenals Adam bij zijn dooden
vader ging, en alleen maar uit de verte schuw naar hem keek.
Eindelijk zei Adam:
„Je moeder is gekomen, om je mee te nemen, Eli.”
In den knaap sprong één oogenblik het geluk op, dàt zijn moeder was
gekomen om hem te halen, dàt ze nu zouden zien, Rosa en iedereen, dat
hij niet minder was dan een ander kind—en ademloos vroeg hij:
„Ga ik, Adam?”
De oude man knikte zwijgend.
Maar in Eli’s gevoelige kinderziel brandde zich vast Adams droevig
gezicht; hij dacht plotseling, hoe hij weg zou moeten van Adam, van
zijn vader, van alles hier, en tegelijk kwam met heftigen wrok boven:
„dat zijn moeder maar altijd was weggebleven, en nu hem wel weghalen
kon,”—en snikkend vloog hij naar Adam, en klemde zich aan hem vast,
klemde zich vast aan zijn dooden vader, roepend:
„Dat hij niet weg wilde—dat hij niet ging....”
Dit was misschien het eerste bittere oogenblik voor Maria Bag, toen zij
den knaap zich van haar zag afkeeren, en zich vastklemmen aan alles,
wat haar vijandig tegenover had gestaan.
Maar twee dagen later ging zij met Eli heen; Adam Feke had zijn eigen
droefheid tot zwijgen gebracht, en Eli’s welzijn inziend, hem overreed
met zijn moeder mee te gaan. En terwijl hij sprak van al het nieuwe,
dat hij zien zou, het groote huis waarin hij ging wonen, zag hij
langzamerhand in het kind het verdriet verminderen, en het verlangen
naar al dat onbekende stijgen.
Het afscheid was een laatste groote droefheid voor Eli. Adam stond
naast den wagen, en hield den jongen in zijn armen, terwijl Eli
snikkend aan zijn hals hing.
Toen plotseling zette Adam hem neer, en zonder Maria Bag te groeten of
aan te zien, keerde hij zich om, en liep snel den weg af. En zoo
behield Eli hem langen tijd in zijn herinnering; zijn kleine, tengere
gestalte haastig voortloopend, terwijl zijn lange grijze haren wijd
uitwoeien in den wind.
Het werd toen voor Eli een geheel nieuw leven.
Hij kwam erin, schuw, vreemd, wantrouwend, ongelukkig; hij ging nu op
de school in Brogs met andere jongens van zijn leeftijd; maar slechts
heel langzaam en moeielijk liet de herinnering aan zijn vroeger leven
hem los. Het terug-verlangen naar Adam, naar zijn vader, maakte hem
lang norsch, gesloten, vreemd tegen zijn nieuwe omgeving. Er was iets
anders in zijn karakter gekomen; vroeger opende zijn hart zich voor
elke vriendelijkheid, nu lieten de liefkoozingen van zijn moeder hem
koel. Het bleef het na-voelen, het wrevelig niet-begrijpen, waarom zijn
moeder hem vroeger zoolang had verlaten; maar hij zei het haar nooit.
Voor Maria bracht deze tijd de groote teleurstelling van haar egoïste
hoop: dat dit kind haar nu liefhebben zou.
Langzamerhand won zij hem wel, sleet zijn terughouding uit door het
nieuwe leven, waarvan hij, toen hij zich eenmaal moeielijk eraan gewend
had, genieten ging.
Hij vond toen den omgang met andere jongens van zijn leeftijd heerlijk.
Gezien onder zijn vrienden en op school door zijn eigenaardige
persoonlijkheid, met zijn groot overwicht op anderen, altijd een der
eersten bij hun spelen, met veel spierkracht, schoon feitelijk nooit
van een sterk gestel, was dit voor hem een waarlijk gelukkige tijd.
Maar hij zocht zijn plezier altijd buitenshuis, hij zou nooit verlangen
eens bij zijn moeder te zitten en met haar te praten; thuis was hij een
schijnbaar onverschillige jongen, zijn wil doordrijvend; zij hem zwak
toegevend in al zijn grillen, zonder hem ooit geheel te kunnen winnen.
In dien tijd had zij hem kunnen winnen door groote vastheid van
karakter, door hem te dwingen haar hoog te houden, tegen haar op te
zien; maar zij kon geen eerbied in hem wekken, en dat was voor zijn
natuur noodig, wilde hij iemand liefhebben. Ze liefkoosde hem, gaf hem
zijn zin, en verlangde van hem liefkoozingen, en leefde overigens haar
eigen leven. En ze voelde niet, dat ze hierin te kort schoot; in haar
zwakke natuur kon nooit een groot gevoel leven, ze verlangde lief te
hebben, maar ze kon zich er niet voor opofferen; ze besefte niet, waar
ze in gebreke bleef, maar ondervond pas de gevolgen, en was dàn
ongelukkig. En zoo bleef er altijd iets tusschen hen; zij irriteerde
hem, niettegenstaande hij te goedhartig was, om geen spijt te voelen,
als hij een enkelen keer haar onvriendelijk behandelde.
Toen hij ouder werd, opende zich zijn begrip voor de daad van zijn
moeder; hij zag toen plotseling volkomen haar schuld aan hem en zijn
vader. De leefwijze van zijn vader mocht zijn leven verduisterd hebben,
hij had nooit een wrok tegen hem gevoeld; maar te sterk was de
herinnering aan zijn kindersmart door de schuld van zijn moeder, dan
dat hij dit ooit kon vergeten. Nooit maakte hij er tegen haar eenige
toespeling op, maar hij trok het op als een muur tusschen hen, dien ze
nu nooit meer kon doen vallen. En in dien tijd begon ze meer en meer te
haken naar zijn liefde; ze had zich niet voor hem kunnen opofferen,
toen hij hulpeloos en afhankelijk was, nu voelde ze bitter, dat hij ver
van haar bleef.
Eli was toen achttien jaar; zijn schooltijd was voorbij en hij leefde
een poos ledig, doelloos, niet wetend wat nu te beginnen; in dien tijd
was er iets, dat mèt het plotseling herleven van de herinnering aan
zijn vader, zich vast en scherp in zijn gedachten drong: het volkomen
begrip van de vreeselijke kwaal, die zijn ondergang was geweest, en
zijn huis had verwoest; en tegelijk met dit de angst, dat hij ook eens
zóó zou worden. Het was een zonderlinge, haast intuïtieve angst voor
iets, wat toch absoluut niet bij hem bestond; het was als een angst
voor iets, waaraan hij voelde niet te kunnen ontkomen.
Het werd gedurende de paar jaar, die hij rondliep, zonder afleiding
voor zijn gedachten, een kwelling, die hem niet losliet, die hem thuis
ongedurig en veeleischend maakte, en onder zijn vrienden beurtelings
opvliegend en uitgelaten vroolijk.
Het was in dien tijd van onzekerheid en onvoldaanheid zijn ongeluk, dat
niemand hem trachtte paal en perk te stellen; zijn moeder willigde zijn
geringste gril in, om hem maar tevreden te stellen; zijn vrienden
ontzagen hem, verdroegen van hem meer dan van een ander; en er was
niemand die hem vermocht te leiden in een goede richting, terwijl hij
voortdurend onbevredigd en ongelukkig zocht. Hij wilde niet blijven in
Brogs, de Kloeve trok hem niet, hij verlangde iets—iets dat hem
bevredigen zou, zijn leegte vullen, iets dat hij lief kon hebben en
waarvoor hij werken zou...
Hij had veel behouden van zijn karakter als kind; de groote
gevoeligheid voor invloeden van buitenaf, wat was geworden: een
onberekenbaar veranderlijke stemming, wisselend met het uur, den
invloed ondergaand van een geluid, een kleur, een wolk voor de zon, een
klank in een stem. Als kind had hij gehunkerd naar liefde, blindelings
gevolgd dengene, dien hij liefhad: het was geworden: het onbevredigd
verlangen naar één groote liefde.
De liefde van zijn moeder sprak niet tot hem, de genegenheid van zijn
vrienden voldeed hem niet. En in dien tijd begonnen in het rusteloos
groot verlangen zich deze twee dingen te vereenigen: zijn angst te
worden als zijn vader, en onmiddellijk daarop volgend—„als ik iets had,
waaraan ik me geheel kon geven, dan zou ik niet bang meer behoeven te
zijn.”
Een enkele keer kwam hij weer in Lode, hier trok het hem; als hij door
het dorp liep of bij Adam Feke of een der anderen zat, had hij een
gevoel, alsof hij hier thuis hoorde.
Adam woonde nog altijd in zijn hut; hij was niet veel veranderd of
ouder geworden en zijn liefde voor Eli was dezelfde gebleven. Zij waren
samen als oude vrienden, wanneer Eli bij hem zat, als zoovele jaren
geleden, en luisterde naar wat de oude vertelde. Er was één punt, dat
Adam nooit aanroerde—Maria Bag; een enkele maal als Eli den naam van
zijn moeder noemde, zag Adam op, alsof hij iets wilde zeggen; dan met
een barschen trek op zijn verweerd gelaat zweeg hij.
„De Kloeve”, de eens zoo rijke bezitting der Bags, was in den laatsten
tijd van Jelle’s leven herhaaldelijk bezwaard; bovendien verwaarloosd
door slecht beheer; en Maria Bag had het bestuur over dit goed dat
Eli’s eigendom was, zorgeloos overgelaten aan opzichters. Eli begon nu
weer belang te stellen in de Kloeve en dikwijls bleef hij een poos in
Lode om het van daaruit gemakkelijker te bereiken.
Maar zijn leven bleef leeg. Eindelijk hield hij het niet meer uit in
Brogs en in een wanhopige bui ging hij op reis. Een heelen tijd zwierf
hij, toen bleef hij een paar jaar in Vels, het afgelegen verre dorp op
de grenzen met zijn uitgestrekte heivelden en sombere dennenwouden. Hij
bleef hier bij een neef van zijn vader, een Bag, die tot groote
welvaart gekomen was. Het was een oude, kleine man, met een schranderen
witten kop, begaafd met een scherp verstand en taai geduld.
Bij hem bleef en werkte Eli drie jaar; onder hem leerde hij het
bearbeiden van den grond, zag hij, hoe woeste heigrond was herschapen
in bosch en vruchtbaar bouwland; het was het werk van meer dan een
menschenleven. De vader van Marten Bag was het begonnen maar alleen
Martens scherpe oogen zagen nu de vruchten van hun zwaren, dikwijls
schijnbaar hopeloozen arbeid. Hier voelde Eli zich gelukkiger; hij had
nog niet gevonden wat hij zocht, maar Marten Bag had een grooten
invloed ten goede op hem; van hem leerde hij het nut van geregelden,
harden arbeid—hij hoorde hem verhalen, hoe de vaders der thans zoo
welvarende boeren arme stumperds waren geweest, die ’s zomers gingen
werken over de grens om een karig loon te verdienen; en nu waren hun
kinderen gezeten boeren, eigenaars van den grond.
In dien tijd, op een avond, terwijl hij zat naast Marten en uitzag over
de hei, kwam plotseling de gedachte aan Lode in hem. Hij zag het,
zooals hij het na zijn terugkeer uit Brogs gezien had, in al zijn
armoede en ledigheid; de mannen verrichtend den weinigen veldarbeid, de
rest van den dag verdroomend in luiheid en tevreden berusting; de
vrouwen en kinderen bleek, hongerig, verarmd, zich schikkend in dat
leven, omdat het nu eenmaal zoo was, en geen mogelijkheid bestond eraan
te ontkomen.
Hij zag nu weer de tijden, als zijn vader de spijzen uitdeelde, als de
boeren om den wagen drongen, en met hongerige handen grepen naar hun
deel. Het was het volk, dat zijn vader, zijn voorouders hadden
liefgehad, maar nooit verder hadden gebracht; dat hij liefhad met een
overgeleverde gehechtheid van eeuwen; en voor ’t eerst overdacht hij
dit alles met een geheel nieuwe, zachte aandoening, een verlangen,—vaag
nog, om zich aan hen te geven. Hij dacht het uit, toen hij dien nacht
wakker lag, en de dagen daarna, overdacht hij met een nieuw opgewekten
moed, die hem ontrukte aan zijn oude grieven. Nog sprak hij er niet van
tegen Marten Bag, maar langzaam rijpte het plan in hem.
Het volk van Lode zou niet langer voortleven in luiheid, armoede en
ledige onwetendheid; hij zou gaan te midden van hen en met hen
arbeiden; hij zou hen leeren den grond te ontginnen, te bevruchten; het
zou een heerlijk en groot werk zijn.
Het was een groot, zacht verlangen, vreemd en nieuw in zijn vurige,
heftige natuur, altijd lijdend onder eigen leed; voor ’t eerst voelde
hij de vreugde iets te kùnnen doen voor anderen. Toen hij alles geheel
voor zichzelf had uitgedacht, vertelde hij zijn plan aan Marten.
De oude liet hem stil uitspreken; een enkele maal knikkend met den
kleinen, snuggeren kop, volgde hij Eli’s plan nauwkeurig, met een
inwendige vreugd zich daarin denkend, wat hém, den ouden werker, den
jongen zich na deed voelen. Hij zag zich zelf weer jong, voelde weer
den ouden prikkel van moeielijken, maar eindelijk loonenden arbeid, en
gretig viel hij aan op het plan, maakte er zich van meester, alsof het
’t zijne was.
Marten Bag kende den grond in Lode, het was dezelfde harde grondsoort
als in Vels, die den arbeid, vooral den voorbereidenden, zeer zwaar
maakte, en eerst na jaren en jaren loonde,—en hij hield Eli al de
bezwaren ervan voor, maar Eli, eenmaal gewonnen, was niet meer af te
schrikken. Met niet te schokken vertrouwen hield hij het plan voor
oogen, dat helder en vast nu in zijn geest stond.
De hei bij Lode was waardeloos woest sinds eeuwen; hij zou het volk den
grond leeren bearbeiden, en hun daarvoor winter en zomer een vast loon
uitbetalen; dit zou hij kunnen doen met de opbrengst van „de Kloeve”.
Op den omgewerkten grond zouden boomen worden geplant en na jaren weer
gekapt; dàn zou ’t land worden tot vruchtbaar bouwland, en eerst de
kinderen zouden de vruchten plukken van dien arbeid. Een half jaar
bleef hij nog bij den ouden man, aan wien hij zich was gaan hechten als
zelden te voren aan iemand; en in dien tijd verlieten hem nooit een
oogenblik de moed en lust voor ’t groote werk, dat hij zou gaan
aanvangen, het nam al zijn gedachten en verdreef zijn melancholie; in
later tijd leken hem de jaren, die hij bij Marten Bag had doorgebracht,
de gelukkigste van zijn leven.
In ’t voorjaar keerde hij naar Brogs terug; het eerste wat hij deed,
was naar Lode gaan, naar Adam Feke, en hem zijn plan vertellen. De oude
man luisterde zwijgend; er was groote zorg in zijn gelaat, toen hij
eindelijk het hoofd ophief en Eli aanzag. Tot Marten Bag had het wèrk
gesproken, maar hij had niet ingezien, wat Adam wist, sinds Eli’s
prilste jeugd; Adam had hem lief met al zijn deugden en gebreken,
onvoorwaardelijk, maar tevens kende hij hem, zooals Eli niet zichzelven
kende; hij wist, dat in Eli al de gebreken waren van zijn vaderen, maar
in dezen was de kracht geweest die te beheerschen waar het noodig bleek
voor hun eigen heil, of ze te laten uitwoeden, al naar zij dat
verkozen; het egoïsme, dat geen wroeging kende en geen ontzien van
anderen, dat niets hoogers en beters in het leven verlangde.
Maar in Eli was dit niet; in Eli, met zijn heel gevoelige natuur, zijn
eeuwig wisselende stemming, veranderlijk als de lucht, waaronder hij
was geboren, was dat sterk verlangen naar iets hoogers, beters, en niet
de kracht dat verlangen naar wijsheid te besturen.
En Adam, terwijl hij dit overdacht, wist ook, dat als hij trachtte Eli
van dit plan af te brengen, dit gelijk stond met hem weer opnieuw
doelloos en ongelukkig te laten voortleven.
Hij zei alleen:
„’t Zal moeielijk zijn, Eli, héél zwaar!”
Eli begreep dit toen niet; maar in later jaren, toen elke
teleurstelling om het werk zwaar in zijn ziel zonk, had hij begrepen,
hoe Adam dit alles ten volle had ingezien. Het geheel was een groot
waagstuk, maar ook dàt zag hij toen niet in; het eenig gevoel, dat hem
bezielde, was ’t verlangen aan het werk te beginnen, het ideaal te
verwezenlijken van geluk door arbeid, dat hij zich nu eenmaal had
voorgesteld.
Bij een ander zou dat verlangen nooit zóó sterk zijn geweest; maar in
hem was de groote rusteloosheid van geest, het
onmiddellijk-zich-ongelukkig-voelen, wanneer hij niet werken, zwoegen
mòest, met inspanning van al zijn krachten. Het was die prikkel, die
hem voortjoeg, om zijn plan te volvoeren; de gedachte: „Als ik maar
eenmaal dat werk heb, in die omgeving, als ik arbeiden kan, en me
heelemaal geven aan anderen, dàn zal ik dat ellendige gevoel van angst
en onbevredigdheid verliezen, en voorgoed kunnen overwinnen... Lode is
voor mij het beloofde land; daar wacht ik alles van.”
Hij dacht er nooit aan, dat alles zou kunnen mislukken; het kwam niet
bij hem op, dat iets zoù kunnen mislukken dat hij aanvatte met àl zijn
kracht, àl zijn goeden wil.
Voor Maria Bag was dit een slag; het was de vernietiging van haar hoop,
dat Eli bij haar zou blijven in Brogs en een steun voor haar zijn in
haar verlaten ouderdom—en tegelijk de groote bitterheid, die zelfs háár
niet fijngevoelige natuur ondervond: het bewustzijn, dat zij hem niet
binden kon, dat hij geen oogenblik met iets als smart eraan dacht van
haar te moeten scheiden, dat in zijn nieuw leven geen plaats, geen
gedachte was voor haar.
En tòch begreep zij niet, dat zij zelf die tegenstrijdige hardheid in
hem gebracht had; zij ondervond het alleen, in een zwak besef er niets
aan te kunnen doen.
Eli merkte in deze dagen plotseling op, dat zij oud was geworden; het
kinderlijke in haar gezicht, dat zij zoo lang had behouden, was
weggevallen; zij was een oude vrouw. Dit wekte medegevoel in hem;
intuïtief begreep hij, hoe deze daad van hem een eindpaal zette aan al
haar wenschen, en hij dacht in verzacht, droef medelijden, hoe zij zich
altijd had tevredengesteld met het kleine beetje vriendelijkheid van
zijn kant, dat een vreemde haar even goed had kunnen geven, en het
maakte hem hartelijker, liefderijker voor haar dan ooit te voren.
Er was nog iets, dat hem trof; in al dien tijd had zij nooit getracht
hem van zijn plan af te houden, of een beroep op hem te doen om
harentwil; en hij begreep het droeve van haar bewustheid; dat wat zij
hem vroeg, vergeefs zou zijn.
Maar toen hij eenmaal van haar weg was sleet dat zachtere gevoel,
waarin hij zich had voorgenomen haar dikwijls te bezoeken, weer uit.
Eenmaal weg, in zijn nieuwe omgeving, voelde hij dit niet meer.
Zoo was Eli Bag tot het volk van Lode gegaan, en had tot hen gesproken
zijn woorden van frisschen, blijden levensmoed.
Als om een wonder had het volk zich om hem verdrongen, zonderling
aangetrokken tot dien zoon van Jelle Bag, tot die lange, teere
gestalte, dien bleeken, scherp gesneden kop, met smallen, vastgesloten
mond, en stralende, grijze oogen, en zij luisterden naar zijn luide,
heldere stem, die tot hen sprak van iets, zoo vreemd, en zoo heerlijk,
dat het een sprookje leek; en zij zeiden tot elkaar, de mannen, de
vrouwen:
„Heb je ’t al gehoord wat hij zegt, ga mee luisteren! hij wil ons
leeren den heigrond bearbeiden, en ons daarvoor een vast loon
betalen... Hij zegt, we zullen niet meer gaan werken bij vreemde
boeren. We zullen werken voor ons zelf en onze kinderen... onze
kinderen zullen welvarend zijn... dáárvoor alleen moeten we voortaan
werken.”
En ze luisterden—begrepen niet...
Eli Bag, die teruggekomen was en hun dat beloofde... Maar ze hingen hem
aan, met de snelle overgave van hun kinderlijke natuur, licht
gehoorzamend aan dien vreemden dwang; ze gelóófden hem, om zijn stem,
zijn gelaat, stralend van zonnigen moed en zij zeiden: ze zouden doen,
zooals hij hen wilde leiden, naïef geloovend in een plotselingen,
algeheelen omkeer ten goede in hun leven, niet denkend aan tegenslag of
teleurstelling.
Het was alles in ’t begin geweest als een heerlijk nieuw leven... Maar
in de lange, heete zomerdagen was de zware arbeid, het zware
diepspitten in den harden grond tegengevallen aan deze menschen, elke
groote inspanning ontwend, ontbloot van alle volharding en
arbeidskracht.
Zij konden nooit samen gaan, Eli en dit volk; zij wilden dàdelijk
resultaten zien, en verloren hun geloof in hem, toen dat niet gebeurde;
zij konden zijn hoog ideaal niet vatten, en hij kon niet begrijpen of
verschoonen hun willooze apathie, erfenis van eeuwen.
Het werd wrevel, ongeloof eerst; verzet later, en weigeringen om voort
te gaan, toen de zomer kwam, en zij konden gaan maaien voor een hooger
loon. Eli moest ze laten gaan en toen—hoewel ze langzamerhand één voor
één in den herfst terugkwamen om ’t werk te hervatten—was voor ’t eerst
zijn blijde illusie gevallen; hij zag, dat hij alleen stond met zijn
mooi ideaal—maar hij blééf tot zichzelf zeggen: ééns zouden zij inzien
dat het tot hun heil was geweest, hun kinderen zouden de vruchten
plukken.
Dit zeide hij tot Adam, tot zichzelf in moedelooze uren. Adam schudde
het hoofd, maar zei niet veel; hij was plotseling oud geworden, en kwam
zelden meer onder de menschen; maar urenlang zagen de boeren hem
rondzwerven met den ouden Wolf, zijn hond.
De stemming onder het volk ging altijd op en neer; zij konden dagenlang
werken zonder een klacht, goedsmoeds, vroolijk zelfs. En Eli, altijd
voelend onder den indruk van het oogenblik, wist dan niet meer van zorg
of toorn; dan dacht hij, dat hij het eindelijk gewonnen had...
Dan opeens, door een kleinigheid meestal, barstte de wrevel uit, en
keerde zich tegen hem, en het werk.
En Eli wist: tusschen hem en het volk was niet de band, die bestaan had
tijdens zijn voorvaders; dàt was de vrijwillige gehechtheid en
wederzijdsch hulpbetoon, maar feitelijk raakten hun belangen elkaar
niet. Wat het volk aan hèm bond, was een overwicht van ontzag, van
bijna-vergoding bij oogenblikken, maar nooit waarlijk van liefde; tegen
hem smeulde de wrok over den inbreuk, dien hij had gemaakt op al het
oude; over het nieuwe werk, dat nooit had bestaan, dat zij niet
gewenscht hadden, dat zij hadden aangevangen toegevend een oogenblik in
gedachtenlooze overgave aan zijn sterken invloed,—het werk, waartoe hij
hen dreef.
Zoo was het, toen Eli twee jaar in Lode was teruggekeerd.
HET BELOOFDE LAND.
I.
Het dorp.
Eenzaam, onbeschut in de donkere norschheid van de verre heide; de
kleine hoeven, verspreid in de zon, en een enkele plek schaduw, waar in
den zomer de loome geur van den lindenbloesem bleef hangen onder de
zware boomen.
Op de warme zomeravonden, als de roode zon was gezonken in den nevel,
zat het volk bijeen, en praatte na den langen werkdag.
Het was een stil, gesloten volk, langzaam en moeielijk zich gevend, met
een vijandig wantrouwen tegen alles wat inbrak op hunne oude gewoonten,
moeielijk te leiden voor een vreemde. De mannen stoer en sterk, met
stugge, zongebrande trekken, de vrouwen mager, maar forsch van bouw,
met zware heupen en sterke schouders... En in hun gelaat zagen de oogen
met stugge onderworpenheid, gewend aan de verre vlakte, waarover ze
hadden zien lostrekken de hagelbuien uit loodpaarse luchten, die in één
uur konden vernielen het weinig gewas in hun kleine tuintjes, schrale
vrucht van veel arbeid; die eindelooze vlakte, de hei, die open en
effen daar lag, die niets kon verbergen, waarboven de heete zon stond
te branden in trillende lucht.
Bij dit volk, moeielijk zich onderwerpend aan vreemden dwang, spoedig
vertoornd in licht beleedigd zelfgevoel, had zich alles van oude tijden
bewaard; het waren de oude geslachten, die voor eeuwen in het dorp
hadden gewoond, de oude gebruiken en gewoonten, niet te vervangen door
nieuwe. Het was het volk, dat eenmaal Jelle Bag en zijn voorouders
aanhing, hen vreezend, hen toornend, maar altijd aan hen verknocht.
Daar waren de tijden, toen hongersnood en ziekte het dorp teisterden,
tot in de arme boerenhoeven geen kinderstem meer werd gehoord, en de
beroofde moeders weeklagend liepen op den verlaten landweg.
Dat scheen nu heel lang geleden.
Ook lang geleden de tijd, toen Eli Bag terugkwam uit het verre land, en
zich vestigde in het dorp; toen zijn gelaat was dat van een vreemdeling
temidden van hen, en zijn stem een onbekende klank.
Lang geleden, dat hij den grooten arbeid begon, de ontginning der hei,
waartoe hij hen opzweepte met zijn onbegrepen overmacht van mensch
alleen, tegen hen allen...
En de jaren waren gegaan, en de arbeid was hard en zwaar geweest, en
gering slechts de belooning.
Geen onder het volk van Lode had begrepen, welke de macht was van dezen
man, die het oude, vurige bloed der Bags in zich had: het ontembare
heerscherstemperament, den roekeloozen overmoed. Zij allen wisten als
gisteren den dag, toen hij was gekomen als een wervelwind, en hen
opjoeg uit hun ledigheid en droomerijen... Zij waren hem gevolgd,
weinigen uitgezonderd, en onder hem hadden zij den strijd aangevangen
tegen hun ouden vijand, de hei.
In den vollen zomer trilde de hitte meedoogenloos over de vlakte en
deed den grond barsten; die zomerhitte, die hun lichamen teisterde en
den arbeid verzwaarde; den grooten arbeid, die hun het geregeld bestaan
bracht, en hen ontrukte aan hun armoede; het monster, dat elk belang in
zich verzwolg, waarvoor alles moest wijken. Het was als een levend
wezen, dat zij bekampten, dat zij beurtelings zegenden en vervloekten,
dat hun allen het geregeld bestaan gaf, maar veel dat hun lief was, had
vernield. En om dit laatste was diep in hen een haat, een stille, bijna
onbewuste haat, die tijdenlang kon ondergaan en zwijgen, en plotseling
weer uitbarsten; haat tegen dien arbeid als iets nieuws, dat ingebroken
was op al het oude, die het oude, gemoedelijke leven had verstoord.
En toch kwamen zij er nooit toe, het werk neer te leggen, ronduit te
weigeren... er was, iets sterker dan zij, dat hen dwong in zedelijk
overwicht: Eli Bag.
Hij stond er boven.
In dit, in den dagelijkschen strijd schéén hij gebleven: onwrikbaar,
ongeschokt, met een moed en volharding, die nooit verslapten. Daar
waren de dagen geweest, dat zij hem haatten, de dagen dat zij hem
verwenschten, maar altijd hadden ze hem gehoorzaamd. En zij zelf
begrepen niet, wat hen tot hem deed terugkomen, altijd weer; het was
het zonderling tegenstrijdige in dezen Bag met zijn sterke
heerschzucht; bij oogenblikken een zachtheid als die van een vrouw,
oogenblikken, waarin hij hen weer aan zich bond, waarin zij zich aan
hem overgaven als aan een die was hooger en beter dan zij allen.
Daar was menige man en vrouw, wien een groot leed voor ’t eerst
dragelijk had geschenen, toen Eli Bag zijn hand op de hunne legde, en
zwijgend zat bij hun droefheid, waar anderen hadden gesproken....
En het waren zulke herinneringen, die hen aan hem hechtten. De uren
waren gekomen, dat als hij stond temidden van hen, en zijn stem
overdonderde toornig hun grieven—als hij zwoegde, harder dan een van
hen, onvermoeid in de moordende zon—dat zij dachten aan die andere
tijden, toen zij hem zoo geheel anders hadden gezien, en fluisterden
tot elkaar:
„Wat is hij, een engel of een duivel...?”
II.
Als de avond stil was en schoon, kwam het volk bijeen onder de linden;
daar praatten en lachten en joelden de jongeren: maar dikwijls ook, als
ze vermoeid waren en afgemat na den langen, heeten dag, zaten ze maar
stil, en luisterden naar wat de ouden vertelden.
Daar was de oude Wirs; hij was een kleine, uitgedroogde man met scherpe
trekken, en hij kon vertellen met drukke gebaren en heftige stem van
den tijd, toen de vreeselijke ziekte woedde over het dorp, en de
doodsklok bijna voortdurend luidde.
Soms was daar ook, maar zeer zelden, Adam Feke, die ver op de hei
woonde in zijn eenzame hut... Op de lange zomerdagen zagen de boeren
hem rondzwerven over de hei, of stilzitten voor de deur van zijn hut,
spelend op zijn fluit... altijd dezelfde melancholieke wijs, klacht van
stil geleden smart. En de dorpers fluisterden—van wat zóó lang geleden
was—wat sommigen hun vaders en moeders hadden hooren vertellen—maar
niemand wist het rechte... het was lang geleden en vergeten...
Maar soms in den donkeren avond kon op den wind aanzweven over de
stille vlakte de toon van de oude fluit, als een klagende stem van
droefenis nóóit vergeten...
Daar was Jonas West, die altijd over zichzelf praatte; hij was soldaat
geweest, en had meegevochten in den grooten oorlog, en hij vertelde van
de landen, die hij had gezien, van de lange marschen, die hij had
meegemaakt, in sneeuw en kou, terwijl de soldaten op den weg
neervielen, stervend van uitputting...
Daar was ook Baats, die ééns zoo sterk was, dat niemand hem aandurfde,
en de jongeren luisterden met goedige toegevendheid naar den
machteloozen, suffen, ouden man, snoevend op zijn kracht...
Maar de jonge Georg Foks sprong ongeduldig op, want hij wist, dat hij
veel sterker was dan eenmaal Baats...
Een enkelen schoonen avond kwam Tine Ross uit de smidse, en zat bij
hen.
Zij was de oudste van het dorp, de grootmoeder van Maarten Ross, den
vroolijken, grooten smid: ’s avonds stonden de jonge meisjes en knapen
voor de smidse, en zagen toe, hoe de vonken spatten, en het harde ijzer
gewillig zich boog onder de sterke vuisten van Maarten Ross.
Zoolang de Rossen hadden gewoond in het dorp waren zij smeden geweest,
stoer en forsch, met den grooten kop en zware kaken, en eigenaardig
vooruitspringenden voorhoofdsbouw, waaronder helder uitzagen de rustige
blauwe oogen; hadden hun vuisten de zware hamers gezwaaid, en op het
aambeeld doen neerdreunen als een polsslag van leven in het stille
dorp.
Onder het volk waren de Rossen gezien en geëerbiedigd om hun helder
verstand, hun meerdere beschaving, die hen ver boven de overige
bevolking verhief, ondanks hun nederig bedrijf; ze hadden hun vrouwen
gezocht uit de meisjes van de streek, maar toch hadden zij hun
eigenaardige zelfstandigheid bewaard. Groot geslacht van kern-gezonde,
rustige, eerlijke menschen, verknocht aan elkaar met een zeldzaam
sterken band, de ouders en kinderen, de broeders en zusters; zich
getroostend, met hun stroeve zwijgzame naturen, elke opoffering, waar
’t gold het welzijn, het geluk van een der hunnen.
Er was één Ross geweest, die het oude bedrijf niet wilde uitoefenen,
die niet blijven kon in het stille dorp, temidden der zijnen... dat was
de oudste zoon van Tine Ross.
Lang, làng was ’t geleden, dat hij haar toevertrouwde zijn brandend
verlangen; wèg te gaan uit het dorp—en de mooie dingen leeren maken in
marmer, waarvan hij droomde, maar die hier zijn ongeoefende hand niet
wrochten zou.
Lang geleden—toen zij zichzelf had overwonnen, en haar eigen nederige
wenschen ten onder bracht voor zijn geluk...
En de avond, toen zij hem zeide, dat hij voortaan gaan zou waarheen hij
begeerde, en hem zag, zooals zij hem later altijd was blijven zien:
zijn jong gezicht naar haar toegewend, met den gloed der ondergaande
zon in zijn blijde oogen, als verloren in een heerlijk visioen.
En hoè lang geleden de dag, toen hij was heengetrokken uit de oude
smidse... toen voor ’t laatst zij hem had zien gaan langs den landweg
op den zonnigen voorjaarsdag...
Jaren en jaren waren gegaan—de jaren, dat zij haar man verloor, haar
twee andere zonen en alleen opvoedde hun kinderen; Hester en Maarten.
De jaren nu—dat de beide kinderen volwassen waren, en haar zorgen niet
meer behoefden,—nu zij een oude vrouw was, en alleen maar wachtte.
Daar waren niet velen meer in het dorp, die nog dachten aan Berend
Ross.
Maar zij wachtte hem.
Zij wachtte hem altijd, gedurende de lange, donkere nachten, en heldere
zonnedagen; als zij zat, de handen gevouwen in den schoot, de oogen
ziende over de verre heide als in rustig wijs weten; oogen, die zagen,
verder dan al het andere, die den indruk gaven, alsof zij al het
tegenwoordige ver van zich hielden....
Zij wachtte hem altijd, trouw, onwrikbaar in haar geloof dat hij
eenmaal terugkomen zou.
Dat wisten de menschen niet.
Daar was geen onder die allen, een woord van medelijden fluisterend,
als zij haar zoo zagen, die ten volle begreep, wàt haar leven was.
Van altijd nieuwe hoop—en altijd weer teleurstelling—en hoop opnieuw.
Een jaar is lang.
Als de dorpers het Nieuwe Jaar vierden, spraken zij van al wat was
gedaan en geleden in het Oude—maar geen besefte, wat het jaar was
geweest voor eene, die niets meer in dit leven kon doen—dan wachten....
Een jaar is lang.
Als de lente komt, dan is er een belofte in de zoelere luchten; dan
beven de knoppen onder de nadering van lenteadem, die hen wekt....
Dan zal hij komen.
Hij zal komen, als nog de avond guur en de lucht koud is, maar als
reeds de knoppen van den kastanjeboom zwellen.
Dàn zal hij komen in het lange, heldere licht van den vroegzomeravond.
Maar de hagels snerpen, de wind giert over de vlakte, en de landweg is
eenzaam en verlaten.
Nu niet—nu de lucht grijs is en de knoppen zich weer hebben
gesloten....
Hij komt nu niet.... Want de trilling van belofte, die door de luchten
ging, is verstijfd, en het hart met zijn warm verlangen sluit zich
huiverend.
Maar het zal zòmer worden.
Als de vlier geurt, en het blijde koren is rijp, als de knapen en
meisjes zingend loopen op den landweg—hand aan hand in den warmen
avond—dán zal hij komen.
— — — — — — — — — — — — — —
De vlier bloeit niet meer, en het koren ligt gemaaid; de lindebloesem
stuift over den weg, en over de hei begint te komen een paarse
gloed....
Daar zijn toch zoovelen op den landweg... maar niet de gestalte van den
man, die den weg zoekt naar zijn moeders woning.
Neen niet—nu niet—niet in den gloeienden zomer, die scheurt den harden
grond, en blaakt in onafgebroken zonnehitte over de hei.
Als het hèrfst is! als de koele luchten jagen over de hei, als de
avonden lang, maar de dagen nog helder en schoon zijn.
Dan zal hij komen mijn zoon.
— — — — — — — — — — — — — —
De heide wordt bruin al, en wèl zijn de avonden lang, maar de dagen
niet meer helder en schoon; de herfstregens vallen, en door de grauwe
luchten vliegen de trekvogels naar warme landen.
En de boomen worden kaal; en op de eerste sneeuw loopen krassend de
bonte kraaien, die eens het kind deden schaterlachen van pret...
Maar hij, de man ziet het niet, want hij is niet gekomen.
Maar de winter is dáár! De winter, bar en doodsch en grijs en dor; die
in ieder hart het verlangen wekt naar een thuis.
Nu zal hij komen, mijn zoon, kind van mijn hart; als de sneeuwstormen
woeden, en de ijzige noordenwind giert...
Dàn zal hij komen!
Hij zal moeite hebben het pad te houden, want de storm heeft de sneeuw
op hoopen gejaagd, en den weg versperd: maar hij kent den weg, hij
weifelt niet, de sneeuwstorm kan hem niet tegenhouden, want ik weet,
mijn kind is een krachtig man, en het verlangen in hem zal sterker zijn
dan weer of wind!
— — — — — — — — — — — — — —
Nu is de winter gekomen, de stille, witte winter, die doodsch en koud
ligt over het land...
Nu komt hij, en rust in het oude kamertje, op den ouden stoel...
Hebben de stormen geen mensch ontmoet op den eenzamen weg?
— — — — — — — — — — — — — —
De stormen hebben zich gelegd, maar hij is niet gekomen.
Het vuur heeft geknetterd in de stilte van den winteravond, waar alles
wacht—wacht...
Maar hij is niet gekomen.
Het vreemde land is ver, en nòg is niet sterk genoeg de stem, die eens
hem naar huis zal drijven.
Want sterker dan weer en wind, sterker dan verlangen naar roem, sterker
dan bitterheid van ervaren leed—is het verlangen dat stom spreekt in
oude oogen, die zwijgend staren den ganschen nacht, en zich niet
sluiten kunnen.
Sterker dan alles zal dit tot hem spreken.
III.
De dag was heet en lang geweest, en onder de linden rustte het volk, in
den stillen, warmen avond.
Eli Bag was daar, en zat bij de anderen.
En de oude Adam Feke was gekomen en zat temidden van hen.
De jongeren waren bij elkaar geschoold; daar was Maarten Ross, en zijn
luide, goedmoedige lach klonk telkens op; en de drie zonen van Wirs,
allen klein en uitgedroogd, met de taaie spieren en gele gelaatskleur
van hun vader.
Georg en Geert Foks, Georg de grootste en knapste jongen van het dorp,
en Geert, die nog maar zestien jaar was, en werken kon als een man...
En Loes, en Brandt en zoovele anderen...
En zij praatten zacht onder elkaar, opdat Eli het niet zou hooren, dat
Eli morgen zou spreken over het werk in de groote schuur van Gerke.
„’t Is noodig, want er zijn veel ontevreden!”
„Ja—en is het ook niet waar? Wij hebben andere zomers het dubbele
verdiend, als we gingen maaien over de grens.”
„Ja dikwijls, maar Eli betaalt winter en zomer door,—ze zeggen, hij wil
van den winter het loon verhoogen, als wij aan ’t werk blijven...”
„Dan zal hij veel moeten beloven.”
„Ja—hij heeft geld van de Kloeve.”
„Loes zegt: het gewas op de Kloeve staat slecht; hij is bang, dat Eli
het betalen niet zal kunnen volhouden.”
„Ja maar Loes is ontevreden—en Baats en Laret...”
„Laret zegt: het is nutteloos werk en Eli is een gek!”
„Laat Laret maar oppassen, Eli kan hem met één hand neerslaan als een
hond!”
„Ja, Eli staat voor niets, hij is niet bang....”
„Laret heeft ongelijk, het werk wordt goed betaald...”
„En Eli werkt op tegen den sterkste van ons....”
„Dat’s waar... maar... is Eli daar nog?”
„Ik weet niet, het wordt zoo donker. Hester, jij hebt scherpe oogen...
is Eli daar?”
Hester Ross gaf geen antwoord.
Waar was de tijd—niet meer te herinneren—dat zij in het duister niet de
gestalte zou herkennen van Eli Bag uit velen; dat zij niet herkennen
zou zijn stem uit een rumoer van zoovele stemmen; niet voelen zijn
aanraking te midden van velen om haar?
Had zij ooit geleefd vóór den dag dat Eli terugkwam in het dorp? op den
helderen voorjaarsdag, toen zij voor ’t eerst sinds hun kinderjaren
bewust hem had gezien.
Niemand wist, wat sinds dien haar leven bezield had; hoe zij slechts
had geleefd in hèm; hoe haar dagen waren één groot verlangen hem te
zien, te hooren het geluid van zijn stem.
Niemand wist dit.
Zij leefde voort als vroeger, groote vrouw, met haar stil, zacht,
donker gelaat, karig met haar woorden tegen vreemden, zich maar
hechtend aan heel enkelen, aan haar grootmoeder, aan Maarten...
Hester zat stil, verzonken in eigen gedachten.
De duisternis viel snel nu; een enkele maal fladderde een vleermuis....
Georg Foks, ongeduldig door het zwijgen rondom, keerde zich driftig om.
„Het wordt hier vervelend! Hè! Adam! Adam! Kóm, speel eens wat!”
„Ja Adam, kom!”
Adam schrikte op.
„Wat nou—” weerde hij af.
Maar al de jongeren nu drongen aan:
„Toe Eli, zeg Adam eens, dat hij spelen moet!”
Eli lachte.
De oude zag op; in Eli’s gezicht zag hij altijd terug de tijden, toen
Jelle Bag met het kind dagenlang doorbracht in zijn hut...
De jongens drongen:
„Kom Adam, speel dan!”
Maar hij hoorde hen niet; hij zat een poos doodstil, verzonken in zijn
gedachten, die van Jelle Bag terùggingen nog... toen hij woonde in
Boge... Dat deed de stille zomeravond.
Georg Foks haalde lachend zijn schouders op:
„D’r is niets aan te doen.”
Maar Adam, met denzelfden starren blik, begon nu zacht te spelen. Het
was niet de oude wijs; het waren snelle hartstochtelijke tonen, die
elkaar opvolgden, verdrongen als in bevende gejaagdheid: het was het
sidderend verlangen, dat steeg en zich verhief, dat uitjubelde
eindelijk in zegevierenden, hel-blijen toon...
De jubel eindigde plotseling in schrillen val...
Een oogenblik zweeg de fluit, toen begon hetzelfde motief, langzamer,
doffer, in stijgenden hartstocht zwellend dan...
Hester was bevend opgestaan: als een wanhopig verlangen, dat vroeg, dat
eischte, trilden de hooge tonen der fluit...
Nu zonk het langzaam, verhief zich dan plotseling weer tot zijn
vroegere hoogte, om dadelijk weer te zinken...
Het waren dezelfde tonen, maar laag, mat, loom, moeielijk zich
opheffend,—slepend nu—weenend in trage, zware melancholie...
De oude wijze, de oude klacht...
— — — — — — — — — — — — — —
Achter Adam, in de schaduw, stond Eli Bag; in den donkeren, stillen
avond kwam over hem de onmetelijke droefgeestigheid van die tonen, en
wekte scherp in hem een bitterheid over den tijd, dien hij hier had
gewerkt en gesloofd... het leek nu alsof elke illusie een dwaasheid
was.
Hij zag onwillekeurig naar den kant, waar Hester Ross zat,—een zware
rimpel groefde zich in zijn voorhoofd.
Zij was kind uit het volk, dat hij wilde helpen en opheffen, en dat
zijn beste bedoelingen wantrouwde. De blijde dagen, toen hij vast
geloofde dat Hester hem liefhad, schenen hem op dit oogenblik
waanzin,—waaròm had hij dat ooit gedacht?
De fluit kláágde...
„Was ’t dan nooit waar geweest, dwaasheid evenals al het andere? het
licht in haar oogen als hij plotseling voor haar stond, de trilling in
haar stem als zij tot hem sprak...?”
Eli richtte zich driftig op, zijn mond trok in strakke lijn.
„Vanavond hier—in die duisternis en stilte—met die fluit—was er
nièts—nièts...”
De fluit klaagde—brak plotseling af dan.
Adam zat stil—verloren.
En de menschen zwegen.
Eindelijk sprong Georg Foks op:
„Hè Adam! is dat nou wat vroolijks.”
De oude schudde grimmig het hoofd, en stond op; zonder een woord liep
hij den weg op, naar zijn hut.
Eli wàs al heengegaan.
De maan kwam langzaam op; het was de heel rustige, koele avond, die
zonk over het land, over de gedachten, de woorden der menschen,
gesproken in den helderen dag.
En plotseling, niemand wist waarom, noemde één den naam van Berend
Ross.
De molenaar Bels vertelde van den vriendelijken, stillen jongen; samen
hadden zij op de schoolbank gezeten, hij wist nòg de plek waar Berend
den paardekop sneed in het hout...
De menschen luisterden, knikten... daar werd menige herinnering wakker
nu.
De oude Jonas West had hem vaak als kind op zijn knie gehad, en voor
hem gezongen—wat ook weer?—„De jonge soldaat”... en hij zong met zijn
oude gebarsten stem het liedje, dat eens den knaap deed opspringen van
vreugd.
In de schaduw der laatste linde zat Jane Hal; zij dacht, wat zij lang
vergeten had: aan den knappen jongen Berend Ross, met wien ze danste op
het zomerfeest, met wien ze wandelde op den weg in den zomeravond.
Ze zag het nu alles weer.
Haar blikken zwierven naar de plek, waar haar man en flinke jongens bij
elkaar zaten.
En ze glimlachte—een langzamen, rustigen glimlach.
Want het was làng geleden.
Maar Berend Ross wist van dit alles niets.
Hij hoorde niet de verhalen uit zijn jeugd van zijn ouden
schoolkameraad; hij hoorde niet het liedje, dat als kind hem
verblijdde; hij zag niet den glimlach van de vrouw, die als meisje hem
liefhad.
Niets van dit alles kwam tot hem...
Niets?...
Het is zonderling, dat een mensch, ver van alles, wat hem ééns na aan
het hart lag, plotseling kan herleven in de herinnering van hen, die
hem schijnbaar vergaten; door een toevallig iets—een geluid, een
klank—een kleur in den zomeravond...
En daar is niemand, die zeggen zal of niet de bewustheid ervan komt tot
den eenzame.
Niemand, die weet, wat juist op dat oogenblik zijn naam deed noemen
door hen, die hem als kind hebben lief gehad.
Niemand, die zeggen zal, hoever de macht reikt, die doet spreken de
ziel tot de ziel.
Langzaam gingen de menschen naar huis.
Maarten Ross en Hester liepen zwijgend den weg af naar de smidse,
zooals zij dikwijls samen gingen, rustig vertrouwd in elkanders
bijzijn.
Van kind af samen opgevoed, waren zij sterk aan elkander gehecht;
oppervlakkig verschillend. Maarten met zijn zonnige, blijde natuur,
levend in vroolijkheid; Hester stroever, ernstiger, moeilijker te
naderen, onverschillig voor vreemden, maar onder haar stroefheid was
zij volkomen vrouw; zij kon zich geven met een groote liefde, zonder
twijfel, zonder vragen waarom en hoe, zich geven met volkomen
opoffering van zichzelf; haar verstand zei daarin niets, zij redeneerde
niet, overwoog niet, zij volgde slechts datgene wat haar leven
beheerschte: haar intuïtie van teedere vrouw.
Maar diep in hun wezen waren zij aan elkaar gelijk, beiden met dezelfde
aanhankelijkheid, met die innige wijsheid van liefdewetten, die hun was
ingeboren.
Dicht bij het kleine raam begon Maarten den grooten waakhond aan te
roepen, die blaffend uit zijn hok schoot.
„Grootmoeder weet het al,” zei Hester, wijzend naar de stille schim op
’t gordijn, die zich niet bewoog.
Het was het leed van altijd keerende teleurstelling, dat zij trachtten
haar te besparen; leed, waarvan zij den omvang wisten.
Want zij zagen, als ’s avonds een verre stap aanklonk op den weg, haar
oud gezicht zich opheffen en vol hoop opluisteren—dan verdoffen weer in
moede teleurstelling.
Altijd een vreemde stap, en die ééne nooit.
Zij zou hem herkennen—altijd!
Want de stap van een voet raakt vergeten, waar zoo lang die voet den
drempel niet betreden heeft; maar in het huis, waar eens de rappe
voeten van den spelenden knaap draafden over den vloer—dáár wordt nooit
de eigenaardigheid van dien stap vergeten.
En de klank van een stem wordt vaak vreemd aan een vriendenoor; maar in
de kamer, waar de kinderstem heeft gestameld en gejuicht,—dáár kan
nooit zijn klank verloren gaan.
En voor de menschen wischt zich uit menige trek in het gelaat van een,
die lang reeds verre was,—maar daar, waar het zachte, vertrouwelijke
lamplicht heeft geglansd in de blijde oogen van den zorgeloozen knaap,
waar het zijn gelaat heeft beschenen, als hij moegespeeld zijn hoofd
legde op de oude tafel, en rustig insliep—dáár kan nooit een trek van
dat gelaat verloren gaan.
IV.
De zon rees blij over den nieuwen dag: Zondag!
Het volk ging op naar de schuur van Gerke, om te luisteren naar Eli
Bags woord: en de mannen, de vrouwen drongen op, en vulden de schuur en
wachtten tot Eli zou komen.
Langs den achterweg kwam Eli.
Nu, in de blijde zonnigheid van den morgen, zonk geheel weg zijn
melancholie van den vorigen avond.
Hij zag rond; heel in de verte, waar een dun rookwolkje recht steeg
boven de hei, lag de hut van Adam Feke—en rondom lag het land in den
wazigen, witten vrede van den laten dauw. Hij zag dit alles, langzaam
genietend, en de zonnevreugd viel vol in zijn hart.
Hij had nu geheel vergeten, wat hem den vorigen avond bijna te zwaar
leek om voort te sleepen: zijn moeielijk volgehouden strijd, waarin hij
het werk voortdreef met de uiterste inspanning van zijn wil; het was
nu, alsof er nooit tegenspoed had bestaan; hij had vergeten, dat hij
moedeloos was geweest, en bitter, en vertoornd. Hij wist nu alleen, dat
hij moed had voor alles, dat hij verlàngde naar het werk, dat alles
gòed was zoo.
— — — — — — — — — — — — — —
Toen hij stond en neerzag op al die gezichten, die zich naar hem
ophieven, zocht hij, onbewust bijna, Hester, en het was een plotselinge
openbaring van vreugd, haar te zien, vlak tegenover hem, haar ernstige
oogen in gretige verwachting op hem gericht.
Toen sprak hij:
„Ik heb allen gevraagd hier te komen, omdat ik weet, dat er veel
ontevredenen zijn, en ik moet met jullie spreken.
„Ik weet, dat er maar weinigen bereid zijn te doen wat ik vroeg: den
heelen zomer hier aan het werk te blijven; ik weet, dat jullie van plan
bent het werk neer te leggen tot den winter, en bij vreemde boeren te
gaan, zooals je ’t vorige jaar gedaan hebt.
„Ik heb gezegd: ik zal een vast loon uitbetalen, zomer èn winter. Maar
jullie zegt: we kunnen het dubbele verdienen bij Brogs en over de
grens.
„Dat is zeker waar.
„Maar ik ben gekomen met een ander doel, dan jullie je voor oogen
stelt. Zoo dikwijls heb ik er al op gewezen, maar niemand heeft het
begrepen; daarom wil ik het vandaag nog eens geheel en duidelijk
trachten uit te leggen.
„Toen ik hierheen kwam, heb ik zoo goed gevoeld, waartoe dit werk
leiden moèst, en niemand zal mij dat geloof ontnemen.
„Het is waar, het loon is minder, dan jullie in den zomer kunt
verdienen; maar het is voldoende om van te leven hier.
„Ik spreek niet eens daarvan, dat nu in den winter ook verdiend wordt
en de vorige jaren niet; ik wou op iets anders wijzen.
„Als de zware, ik wéét het wèl, de zeer zware arbeid van dit
diepspitten is gedaan, als de jonge boomen geplant zijn, dan zal jullie
vragen: Wat hebben we nu? Die grond geeft ons niet te eten, waarvoor
hebben we dat moordend werk gedaan, we moeten nog even hard tobben als
vroeger!
„En daar zullen velen zijn, verouderd, gebukt door den ongewonen
arbeid; arbeid, die ieder heeft teleurgesteld...”
Eli wachtte even: vele mannen zaten met ongeduldig norsch gelaat; maar
’t kon hem nu niet hinderen, hij leefde òver hen heen in zijn heerlijk
visioen: de arbeid geslaagd.
Langzaam begon hij weer te spreken.
„Ik zal jullie zeggen waar al die arbeid gebleven is.
„De jaren, dertig jaar misschien wel, zijn gegaan; de meesten van
jullie zijn oud, velen afgeleefd; jullie kinderen zijn opgegroeid,
mannen en vrouwen.
„Nu draagt die arbeid vruchten.
„Het bosch wordt gekapt, en de grond, waarop jaren en jaren de bladeren
gevallen zijn, en rottend hebben gelegen in winter en zomer,—die grond
is vruchtbaar geworden. Die grond kan nu worden bebouwd; het is het
eigendom, dat jullie door tallooze moeiten aan je kinderen hebt
nagelaten; en zij zullen het eeren en liefhebben, want hun ouders
hebben er de kracht van hun leven aan geofferd.
„Als er een is, die voor vele jaren hier was, en hij komt na zooveel
tijd terug, dan zal hij rondzien en vragen:
„Ik heb hier niets dan dorre hei gekend, waar wat bouwvallige hutten
stonden verspreid. Nu zijn er hoeven, en het land is bebouwd; daar zijn
tevreden, welvarende mannen en vrouwen, ik zie het koren wuiven en hoor
de blijde muziek van het oogstfeest...”
„Zie—dat is dan jullie arbeid!”
Eli zweeg.
Er was een geluid, het geluid van honderd stemmen, onzeker eerst,
weifelend, die aanzwollen dan, en woelden luidruchtig dooreen. Maar Eli
hoorde het niet; hij zàg hen niet, hij stond daar, stralend, en
zàg—veel verder dan zij—de verwezenlijking van zijn heerlijk ideaal...
Hester streek over haar voorhoofd, gloeiend van trotsche ontroering:
„Zagen zij allen wel, hoe hoog hij boven hen stond? Beter, wijzer dan
een van hen? Zagen zij het wel, dat zij nièts waren bij hem??”
Eli sprak weer; er was een verandering in zijn trekken, in zijn stem:
een groote zachtheid.
„Denk dááraan! Denk vooruit, leef vooruit, denk niet aan jezelf! Kùnnen
jullie niet denken aan den grooten arbeid alleen, en wat die geven zal?
„Want de kinderen zullen alleen kunnen oogsten, wat de vaderen hebben
gezaaid.”
O! de herinnering aan zijn ongelukkige, altijd eenzame kindsheid! Geen
van allen, die luisterden naar zijn woorden, kon beseffen, hoeveel
zwaarder dan voor hen, het leven was voor Eli Bag; die de zwakheden in
zich had van een heel voorgeslacht; die met zijn waarlijk goede
impulsies en teer voelen zooveel hooger stond dan zij, en toch op een
oogenblik geheel kon zwichten voor zijn lagere driften; die tegelijk
had de liefde en toewijding van een apostel, en de hardheid van een
absoluten meester; die onberaden het scherpste woord kon uitspreken, en
weken lijden onder de herinnering eraan; die ’s morgens kon hebben de
naïeve blijheid van een kind en ’s avonds de moeheid van een
afgeleefde; Eli Bag, zóó overheerschend door zijn sterk sprekende
karaktertrekken, en tegelijk zóó eenzaam daardoor.
Zij waren gekomen om een hooger loon van hem te eischen, en als hij het
niet inwilligde, hem te zeggen, dat zij heengingen, tòch naar vreemde
boeren, dat hij hen door niets kon tegenhouden.
Zij zeiden niets.
„Als er een is onder jullie, die geen vertrouwen meer in mij heeft,
laat hij het dan nu zeggen; ik kan hem ’t geloof niet geven, maar laat
hij dan heengaan; want ik wil alleen werken met hen, die blij kunnen
arbeiden, met geloof en hoop in den goeden uitslag. Ik vráág niemand te
blijven, maar van hen, die willen voortgaan, verwacht, eisch ik ook al
hun kracht en lust.”
Eli zweeg nu, en zag rond.
Loes stond op.
„Als we ons verbinden hier te blijven—dat’s goed en wel; maar als Eli
eens om ’t een of ander de onderneming moest opgeven—dan trekken wij
aan ’t kortste end—dan hebben wij geen geld voor den eersten tijd...
wat dàn...?”
Een geroes van stemmen ging om...
„Dat’s waar—ja zeker—laat hij een bepaling maken dat hij drie maanden
zal uitbetalen, als hij laat ophouden...”
„Als de vorst invalt, kan er óók niet gewerkt.”
„Die tijden zijn gerekend onder ’t werk...”
Ze zwegen weer en zagen naar Eli; hij zag bleek, een harde trek was om
zijn mond.
„Als ik ’t werk doe ophouden, zal ik drie maanden uitbetalen—dat beloof
ik,” zei hij stroef.
De oude Brandt knikte verheugd. „Zóó is ’t goed—zoo is ’t goed...”
Er was een oogenblik stilte. Toen sprong Georg Foks op van zijn plaats,
en drong door het volk tot Eli, en greep Eli’s hand in zijn groote
vuist.
„Ik blijf, Eli, daar kan je zeker van zijn ... èn Geert.”
De jonge Wirsen, de oude Brandt en Baats, en Loes en zoovele anderen
drongen nu op; en hun forsche handen sloten zich om Eli’s hand, en
allen zeiden zij hem uit volle tevredenheid weer op dit oogenblik:
„We blijven Eli... we blijven...”
Toen zij eindelijk langzaam heengingen, zag Eli tegen den muur Jonas
Laret staan, en plotseling wist hij dat Laret de eenige was, die niet
met de anderen bij hem gekomen was.
Een oogenblik zagen zij beiden elkaar aan; las Eli den haat in ’t
gezicht van den ander, de wrok tegen den jongere, die sterker dan hij
het volk beheerschte door den invloed van het nieuwe; het nieuwe, dat
hij háátte! Als hij het volk de oude hei zag bearbeiden, als hij de
aardkluiten zag vliegen, dan weende hij haast van smart en spijt; dan
zag hij al ’t oude waaraan hij verknocht was, waarin hij wortelde,
vernietigd. En het was hem een grief te meer, dat Eli geen acht op hem
sloeg, alsof hij zelfs zijn vijandschap niet telde.
Maar op dit oogenblik voelde Eli het; in al die toewijding viel scherp
die ééne haat, en terwijl hij ook Laret eindelijk langzaam zag
heengaan, zich voegend bij de laatsten, dacht hij, zijn blijde vreugd
gezonken, hoe hij dien invloed toch nooit kon te niet doen, omdat die
wortelde in het volk zelf, dat die toch altijd weer zou opstaan; dat in
al die toewijding van daareven dat andere een oogenblik was
overheerscht, maar niet vernietigd.
— — — — — — — — — — — — — —
Toen Eli opschrikte uit zijn gedachten, zag hij plotseling Hester.
Was zij teruggekomen... had hij haar niet gezien?
Zij stond waar zij gezeten had, toen hij sprak... en wachtte tot hij
komen zou.
Hij liep langzaam de ruimte door naar haar toe, en zwijgend stak hij
zijn hand naar haar uit, nog half terug in zijn gedachten, half in de
blijdschap haar nog te zien.
„Hester—ben jij hier nog!”
Zij antwoordde niet; zij leunde terug tegen den houten wand, en zag hem
aan, haar hand in zijn hand, haar wangen donker gekleurd; en voor ’t
eerst wist Eli zeker, dat zij hem liefhad.
Het gaf hem een schok, een plotselinge zonderlinge gewaarwording. Het
trok hem neer met geweld uit zijn visioen, en dwòng hem te dènken aan
die groote donkere vrouw, die daar voor hem stond, en wachtte tot hij
komen zou. En hij voèlde nu, hoe zij hem liefhad; hij zag het in de
beving om haar mond, hij hoorde het in haar stem, toen zij zacht zijn
naam zeide:
„Eli...!”
Het was als een zucht, een sidderende zucht van groot verlangen.
En hij zweeg; hij dacht aan den vorigen avond, toen dit hem
onbereikbaar had geleken; hij begreep dit nu niet meer; hij zag nu wéér
al de keeren dat hij in de smidse was geweest, en haar gelaat had zien
opstralen bij zijn komst... en tegelijk wist hij ook, wat hem altijd
weerhouden had ’t haar te zeggen; het weerhield hem ook nu, en deed hem
zich ongelukkig machteloos voelen: de angst zich te binden, angst op
zich te nemen, wat hij niet zeker was te zullen vervullen.
De opwinding van dien morgen was voorbij: hij was uit dat geestesleven
gerukt in de werkelijkheid, en deze kon hem nooit voldoen; en
plotseling gedrukt, moedeloos nu, in die eenzaamheid om hen beiden, mèt
de zekerheid van haar liefde, was ’t eenige, wat hij zich gedreven
voelde te zeggen tot haar: niet zijn liefde, niet zijn verlangen naar
een woord van liefde van hààr, maar vragen van hààr bemoediging voor
datgene, waarvan hij, toen hij stond tegenover zoovelen, zoo zéker was
geweest.
„Hester, het is zóó zwaar dat vechten tegen twijfel en wantrouwen;
vandaag zijn zij tot alles bereid, en morgen gooien zij ’t werk neer;
dàt—er is niets zoo moeielijk als om altijd-weifelenden òp te houden.”
Hester zag hem aan; dit was de bittere terugslag van haar blijde hoop,
nu zij, zoo trotsch, in haar hoogste liefdevoelen was gekomen tot hèm;
en hij sprak tot haar van zichzélf, van zijn wèrk!
Een oogenblik verhief zich haar toorn in stommen, beleedigden trots...
toèn zag zij zijn gelaat, bleek, veranderd, slap, zonder dien blijden
glans nu weer—en plotseling voelde zij pijnlijk dat dit bij hem nooit
anders zijn kon; dat liefdeleven met hèm nooit kon zijn het stralende,
ál-verheugende dat zij ééns hoopte dat komen zou van hèm.
In dit oogenblik begreep zij haar liefde voor het leven, zij voèlde het
met scherp, zuiver voelen voor het schepsel, dat zij liefhad; dat
liefde bij hem beteekende: aan die ééne, die hèm ware liefde gaf, ten
offer te brengen zijn gevoelige trots, aan haar alléén te willen geven
zijn ziel van leed, zijn zwakheid, waar hij voor allen sterk wilde
zijn; van háár willen hebben: sterking en liefde, en troost.
En haar eerste smart om zichzelf ging onder in een alles vervullende
teederheid voor hem; en uit dat nieuwe gevoel, den weemoed om haar
liefde, waarvan zij nu wist, dat die altijd meer zou geven dan
ontvangen, sprak zij tot hem de woorden van teederheid en geloof; en
zij gaf hem den naam, waarmee ze hem in haar hart altijd genoemd had,
dien zij zeide nu, rustig, zonder valsche schaamte, in het recht van
haar groote en goede liefde:
„Lief, ik heb altijd geweten, hoeveel je kon; ik geloof vàst in je,
Eli, ik weet zoo zeker dat het werk zal gelukken: ik kèn je, beter dan
jijzelf, omdat ik zoo veel van je hou!”
Haar woorden kwamen tot Eli als iets geheel nieuws en goeds. Hij sloeg
zijn armen om haar heen, en zei zacht:
„Hester,... hou je zóóveel van mij?”
Dàt was zijn stem, met een klank dien zij nooit te voren erin had
gehoord, waarnaar zij gesmacht had,—die haar het leed deed vergeten
waaraan ze een oogenblik te voren zich had onderworpen; en zij sloeg
haar armen om zijn hals, en hing aan hem met haar lenig, krachtig
lichaam, en trok zijn gelaat naar zich toe, en kuste het, kuste het
weer met hartstochtelijke, nooit verzadigde teederheid.
„Eli, zèg ’t, zèg ’t ééns, zèg dat je van me hòudt—meer dan van een
ander—alleen maar méér dan van een ander... Eli, zoen me nòg eens,
nòg—ééns...”
Hij hield haar aan zijn borst, en kuste haar gezicht, haar oogen, haar
haar, haar bevenden mond—en hij zei het eenige woord, dat hij zeggen
kòn.
„Ik hou van je—ik hou van je...”
„Grootmoeder, luister—de avond is zoo helder en zacht...
Grootmoeder, luister,—ik heb mijn liefste gevonden...
Grootmoeder, kunt ge slapen en droomen terwijl ik u dat zeg?
Grootmoeder, denk: hij is mijn liefste!...
Kunt ge niet meer voelen met uw oud hart wat liefde is?
Is liefde smàrt—zègt ge dat?
Maar mijn liefste is de beste, de grootste van allen—als een eik staat
hij uit boven het volk...
Grootmoeder, wat zegt ge? dat liefde smàrt is?
Ik tèl het niet! Ik heb jaren de smart van verlangen naar hem
gevoeld—nu is dat voorbij.
Grootmoeder! wat is de ondergaande zon rustig over het land... Wat
zeidet ge? Dat een leven làng is, zóó vele jaren?
Ja, zoovele jaren van gelùk—van vreugde om hèm—en ik wil niet meer
denken aan wat vroeger was... Hij heeft mij in zijn armen gekneld, en
mijn mond gekust, dat ik dacht te stèrven van zaligheid...
Wat zegt ge, grootmoeder,—dat liefde smàrt is?
Ik zal het toch nooit gelooven.
Ik heb het wel gedacht de vele malen, als ik hem wìst zoo ver van mij,
maar nu—nu is hij niet ver meer! Nu behoort hij mij, nu kan mij geen
leed meer geworden van hem. En alle andere leed is licht—ik tèl het
niet.
Want hij is mijn liefste!
Waarom zegt ge niets meer, grootmoeder?
Ge weet wel, ik zou het toch niet gelooven.
Grootmoeder zie, de zon is te laag gezonken—ginds achter den
boschheuvel. Wij kunnen ze niet meer zien... Maar de lucht is nog
rood—ik zie den gloed op uw gezicht...
Nu gaat het weg.
Het wordt snel donker nu...
Was dat een vleermuis? Neen, niet dáár grootmoeder! ge ziet hem niet!
waarom is het altijd alsof ge naar iets anders ziet dan wij... iets,
dat ònze oogen niet bereiken kunnen.
Grootmoeder, wat is het, dat ge ziet?...
Het wordt nu zoo donker en stil—ik zou wel kunnen schreien...
En het was toch heden de blijde dag van mijn leven... het is, alsof ik
’t verder van mij voel gaan... maar morgen zal mijn geluksvreugd weer
rijzen, héérlijker dan de gouden zon!
Wat is de avond donker—er is geen maan—en geen enkele ster...
Grootmoeder luister, zou ooit mijn geluk vàn mij kunnen gaan—zou mijn
blijde ziel ooit kunnen worden donker en stil...?
Wat zegt ge, grootmoeder? Uw stem is zoo zacht... „Het zal alles komen,
zooals het komen moèst,” zeidet ge dàt?
En liefde is smàrt? Ach, ik weet het wel, ik geloof het wel...
Grootmoeder—oude grootmoeder, kus mij—het is zoo koud en zoo eenzaam—ik
heb uw kus zoo noodig...
Ach grootmoeder, wat zegt ge toch? Zeg het niet meer, zeg het niet
meer! Ik heb hem zóó lief—voor altijd, zelfs als alles donker geworden
is... grootmoeder!”
— — — — — — — — — — — — — —
V.
De dag lag laag en grijs over het land.
Het volk, opgewekt door het koelere weer, werkte vlugger en krachtiger
dan de laatste dagen. De jongens Wirs en Baats waren onuitputtelijk in
kwinkslagen en grappen en hun schaterlach klonk telkens over de hei.
Het was de stemming, die Eli zoo graag om zich voelde, die hij noodig
had als een levensbehoefte; hij kòn niet leven in gedruktheid en
vijandelijkheid. Maar dezen morgen kon hun vroolijkheid zijn eigen
stemming niet verdrijven. Zwijgend stootte hij telkens weer de spade in
den harden bodem, met zoo’n kracht, dat de aardkluiten opsprongen; maar
hij dacht geen oogenblik aan wat hij deed, zijn gedachten waren diep in
zichzelf gekeerd.
De dagen na dien Zondag waren voor Eli onafgebroken geluk geweest, er
was niets dat hem kwelde, of zijn stemming verstoorde, hij dacht
alleen: Hester, die hem liefhad,—Hester, zijn vrouw. Maar zelfs in die
dagen voelde hij hoe verschillend zij was van hem; als hij haar sprak
van het werk, van zijn illusies erover, dan begreep hij instinctmatig,
ziende haar open, luisterend gezicht, dat zij absoluut vrouw was, in
haar onbegrensde toewijding aan het schepsel dat zij liefhad, maar
nooit, zooals hij, haar liefde kon geven aan zoovelen; zij dàcht niet,
als hij sprak, aan het volk; zij zag alleen hèm. En over zijn
verwondering heen, dat iemand zóó voelen kon, was heviger gelaaid de
warme blijdschap: dat zij hèm zoo liefhad, dat die liefde hém
behoorde...
Waarom had hij dat tevreden geluk niet kunnen houden? Waarom moest
altijd elk gevoel weer verdrongen worden door een nieuw?
Dat geluk lag alweer achter hem.
En nu kwamen erger terug de weifelingen, de angst, waarmee hem zijns
ondanks vervulde die alles gevende, alles verwachtende liefde,—angst,
dat hij daaraan niet zou kunnen voldoen.
Hij had nooit sterk ’t besef van verantwoordelijkheid gehad, dat voelde
hij nu; nu ondervond hij het, en het was hem bijna ondragelijk...
Hij wierp zijn spade neer, en stond een oogenblik, het hoofd in den
nek, als in benauwdheid te staren naar de grijze lucht.
„Was hij geen dwàas? Was er reden zoo te tobben? Kon hij dan niet
genieten wat er te genieten viel! Moest hij dan altijd zichzelf elke
vreugd vergallen!
„Hij wou niet—hij woù niet.”
Als een jongen liep hij om zes uur naar de smidse. Hester wachtte hem
binnen...
Later gingen ze samen voor ’t huis, waar de oude vrouw zat; Maarten was
naar de stad.
De zon ging nevelig onder; er was een stille, grijze vrede rondom over
het land; alleen de krekels sjirpten schel in het gras, over hun hoofd
vloog een zwaluw met snelle wendingen.
Dat was alles.
Toen voelde Eli, terwijl hij zat met Hesters hand in de zijne, die
groote, alomme rust in zich zinken; zijn twijfel van dien middag
verdween. Hij dacht, terwijl hij uitzag over het stille land, hoe
Hester bij zijn komst haar armen om zijn hals had geslagen, en hij had
gebeefd onder de hartstochtelijke kracht van haar omhelzing.
En in die herinnering zat hij roerloos, zonder spreken; voelend weer
alsof iets wonder-blijs, geheimzinnig moois over hem gebeurde, en hij
onderging dat gevoel in bijna-eerbied; hij zàg alleen Hester aan, en
sprak niet, vreezend het weer te verliezen...
De heele maand Juni was warm en mooi; Juli kwam.
En al dien tijd was Eli gelukkig.
Het volk was tevreden, bijna allen waren in Lode gebleven en hadden
geregeld gewerkt.
’s Avonds was Eli altijd bij de Rossen: voor hem was de dagelijksche
omgang met deze menschen van grooten invloed; misschien de grootste
invloed, die hem ooit voor een tijd had kunnen beheerschen.
Tine Ross hield van hem, omdat ze hem gekend had van klein kind af,
omdat ze tegen hem spreken kon over Berend; ze zei nooit veel, maar met
een enkel woord sprak ze soms tegen hem haar verlangen uit, voelend dat
hij dit begreep.
Eli hield van haar en van Maarten, om de groote rust, die van hen
uitging.
Maarten!
Eli kon denken met een bijna pijnlijke verwondering over die forsche
natuur, altijd volkomen in evenwicht, het leven nemend zooals het was,
blijmoedig gerust; bedaard en tevreden-vroolijk deed hij zijn werk,
dreef hij het fijne smeedwerk, dat in Brogs en verder door de
winkeliers werd gekocht.
En niemand wist het geheim, dat hij stil en trouw in zijn hart besloot:
de groote illusie van zijn leven, die gebroken was—Hester, die Eli
liefhad, Eli!
Zij had ’t hem gezegd, denzelfden avond nog, zooals zij gewoon was
àlles aan hem te vertellen, altijd verlangend naar zijn medevoelen.
Maarten had een poos niets gezegd, hij stond voor ’t raam en zag uit,
zonder iets te zien...
„Eli—Eli! En wat hij altijd gedacht had, zóó zeker, dat ’t hem
natuurlijk toescheen—dat was niets dan verbeelding geweest...”
En in de eenvoudige goedheid van zijn hart vroeg hij zichzelf af met
smartelijke verwondering: „Hoe komt ’t dat ’k daar nooit aan gedacht
heb—ik dacht altijd, dat zij ’t zelfde wou als ik...” Eindelijk zei
hij:
„Waarom—heb je me dat nooit gezegd...?”
„Wat?”
„Dat—van Eli...”
Ze zag hem lang aan.
„Ik weet niet—dat weet ik zelf niet.”
Hij zweeg weer—toen zei hij haperend:
„Zal je mij—al is Eli er nu—toch ’t zelfde blijven beschouwen—ik bedoel
net als vroeger...”
Ze kreeg tranen in haar oogen; snel stond ze op en kuste hem.
„Natuurlijk—dat kàn immers niet veranderen—jij en grootmoeder...”
Dàt was ’t—hij en grootmoeder—dat was ’t zelfde—het andere was voor
Eli...
Hij kuste haar niet terug, dat kòn hij nu niet meer; een oogenblik
hield hij haar vast—toen ging hij weer aan zijn werk.
De avonden waren van een groote bekoring. Dikwijls bleven Hester en Eli
samen thuis, en zaten uit te zien over het vredige landschap. Maar ook
dikwijls joeg Eli’s onrust hen op; hij had dagen dat hij Hester geheel
voor zich wilde hebben, jaloersch op ieder die haar een oogenblik van
hem wegnam.
Dan liepen ze samen den weg op naar Boge, een heel eind ver,
doorwandelend onvermoeid, tot zij eindelijk verwonderd stilstonden en
rondzagen; en zij zeiden tot elkaar: „Zóó ver al—ik had er niets van
gemerkt...” En ze lachten met een stil, zalig lachje, en langzamer nog
liepen zij den langen weg terug—elkaar zeggend met zachte, afgebroken
woorden hun liefde...
Soms stonden ze stil; dan nam Eli Hester in zijn armen, en klemde haar
aan zijn borst en kuste haar gelaat met lange, gretige kussen...
Eindelijk gingen zij weer voort, zwijgend nog langen tijd... bevend,
overweldigd door de herinnering aan dat oogenblik...
Zoo gingen de dagen, de een na den ander; en over hun geluk straalde de
volle warme zomer.
De zomer met vreugdige gouden zonneschittering aan strakblauwen hemel;
één juichend feesttij—weer elke dag, die aanbrak...
En in de kleine tuintjes van het volk bloeide nog laat dezen zomer de
vlier; de wind voerde den zoeten geur ver over de heide....
Maar ’s avonds was de hei van een wondere schoonheid, als een
tooverland onder vlammende luchten.
Adam Feke zat voor zijn deur en zag uit in al die heerlijkheid. Dan
speelde hij niet; hij zat daar stil tot de roode gloed was
verstorven—en de avondster kwam...
Eli had hem van zijn liefde verteld.
Hij had alleen gezegd: „Dat is goed—dat is goèd...”
Sinds kwamen Hester en Eli dikwijls samen.
En Adam, als hij haar zag met Eli, dacht: „Zij is sterk—zij heeft wat
Eli mist... het is heèl goed...”
De zomer ging voort.
Tine Ross zag Hesters geluk; en zij sprak nu niet meer tot háár van
haar eigen smart en vreeze...
Zij zweeg—en zag elken avond weer rijzen over een vergeefs verbeiden
dag.
En zij wist niet, hoe dichtbij het was.
Want eer de heistruiken aan den rand van den weg zich paars gingen
kleuren—kwam Berend Ross terug in het dorp.
VI.
Hoort!
De oude zwerver, die eens wegtrok uit het stille dorp.
Hoort!
Hoe hij verhalen zal! Van de verre landen, waarheen hij is getogen,
waar hij geleefd heeft het leven van vreemde volken, en zijn mond heeft
gesproken taal van een onbekenden klank.
Waar zengende lucht zijn gelaat heeft gebrand—waar zijn oogen hebben
gevlamd en zijn ziel heeft gejuicht bij het zien van veel dat zóó
schoon was.
Hoort!
Hoe hij verhalen zal! Tot de ouden van dagen een bitter gemis voelen,
als zij denken aan hun eigen eentonig vergaan leven; en de jongeren
opspringen, en uitzien met gretig verlangen over de verre vlakte.
Hoort!
Want schooner dan iéts hier, schooner dan de verre, strenge heide, die
bloedrood ligt in de ondergaande zon—zijn ginds de bergen, de reuzen,
die heffen hun kruin tot de wolken...
Schooner dan de vrede van het oude dorp, waar loom en zwaar de geur van
den lindebloesem hangt over den stillen hof—waar ’s avonds de menschen
zitten en elkaar vertellen de oude dierbare verhalen...
Schooner dan dat alles zijn de vroolijke, lichte steden, waar het
geraas der machines den klank van een menschenstem verdooft—waar ’s
avonds de hemel rood ziet van den vonkengloed der fabriekspijpen, alsof
een groote luchtbrand woedde over de woelende stad.
Hoort dan!
Maar Berend Ross, de moede, spreekt niet.
In de kleine kamer zit hij—en rust voor ’t eerst—en ziet uit, met
oogen, zwaar van de jaren, door het kleine raam, waar hij als knaap
door keek met onrustig verlangen.
Want daar is veel wat hem kan doen vertellen—maar nog meer wat hem
zwijgen doet.
De herinnering aan al dat verre schoon, dat eens onweerstaanbaar hem
tot zich trok. Niemand weet hoé zijn vurige ziel heeft genoten en
gejuicht bij dat heerlijke, dat hij reeds waande zijn deel.
En niemand weet, hoe bitter de eerste teleurstelling is gevallen in die
zonnige ziel, en hoe zwaar de harde zorgen zijn gezonken in zijn groot
blij hart.
Niemand weet dit; want Berend Ross zwijgt.
Enkelen trachten hem aan ’t praten te krijgen—beginnen zelf, hoe
heerlijk toch dat alles moet geweest zijn, waarnaar zij zoo verlangen.
Berend Ross glimlacht; een langzamen, melancholieken glimlach, die doet
denken aan veel ongeweende tranen.
Hij denkt, hoe hij—eindelijk vermoeid van alles—terugzag een oud
visioen, bijna vreemd van oudheid maar zóó goed en zóó rustig.
En terug ging.
Maar dit weten zij niet, de ouden die betreuren, de jongen die
verlangen...
Wat zij hebben, kunnen zij blind niet waardeeren—en wat zij verlangen,
zullen zij nooit bezitten.
— — — — — — — — — — — — — —
Berend Ross legde zijn forsche hand op de kleine gerimpelde van zijn
moeder—en zag haar aan.
En hij wist, dat één ding nooit was veranderd voor hem.
Dat zij geduldig, berustend op hem gewacht had, zonder wankelen, zonder
twijfel.
Dat hòe hij ook zou zijn teruggekomen, zij hem met onveranderde liefde
tot zich had genomen...
Het was alles zoo goed hier ... zoo rustig ... zoo van heel lang
geleden.
De lamp brandde flauw—het oude licht, dat scheen op haar kalm gezicht
en op het zijne.
Buiten lag de hei—koud—donker.
Als toen hij een knaap was...
VII.
Langzamerhand, in de morgenuren, als zij beiden alleen waren, vertelde
hij haar alles.
Als zij daar zat tegenover hem, en hem zag veranderd, verouderd, en
toch dezelfde, kwam de bewustheid van het wonderbaarlijke, dat hij
werkelijk wàs teruggekomen, over haar; en zij luisterde naar wat hij
vertelde, als betooverd haar eenvoudige verbeelding, gespannen door al
dat vreemde, waarvan hij sprak.
Langzamerhand zei hij haar alles—kwamen de woorden, de gedachten, die
hij altijd teruggedrongen had, die hij had leeren zwijgen.
Zij kwamen nu—en meer en meer herleefde in hem de herinnering.
Hij sprak van den eersten tijd, die heerlijke jonge jaren van zwerven
hier en daar, moeielijk levend van het weinige dat hij verdiende.
Maar altijd gelukkig.
En daarna de jaren van onafgebroken, ingespannen arbeid, toen hij nog
alles hoopte van dien arbeid, droomde van de heerlijke scheppingen in
marmer, die ééns zijn hand wrochten zou.
Tòen was hij gelukkig; hij wist het nu weer hòe gelukkig! Hij zag
terug—dingen làng vergeten, die opdaagden nu,—tot hem spraken met zoete
herinnering...
Maar langzaam was teleurstelling gekomen—het bitter begrijpen, dat hij
nooit zou kunnen waarnaar hij streefde—niet met al zijn
arbeidskracht...
Maar hij had het niet kunnen opgeven óók; tòch was nooit één oogenblik
de gedachte in hem geweest, terug te keeren naar ’t kalme leven op ’t
oude dorp; nooit had hij iets anders gedacht zelfs in zijn grootsten
tegenspoed, dan dat hij voortwerken mòest en zòu.
En de jaren kwamen, dat hij wanhopig streed met zijn moed, zijn
werkkracht, zijn schoonheidsgevoel tegen zijn eigen kùnnen; maar hij
kon nooit bereiken het eenige waarnaar hij streefde; een waarlijk groot
werk.
Het leek alles nu zoo ver—niet meer alsof het een heel menschenleven
geweest was...
Niemand onder degenen, die daarginds zijn werk eerbiedigden, omdat het
sprak van eeuwig onbevredigd, altijd hooger smachtend kunstgevoel,—die
medelijdend aanzagen den vroeg grijzen werker, voortzwoegend zonder
omzien, zonder weifelen, in enorme volharding en arbeidskracht,—kon ten
volle begrijpen de smart, geleden onder dien arbeid, terwijl hij
jongeren zich zag voorbijstreven, en meesterwerk zag van tijdgenooten;
zij kònden niet begrijpen dien strijd van hèm, den sterke, die zich
niet neerleggen kòn—en dùlden zijn onmacht...
De jaren van tegenspoed hadden zijn illusies verstoven, en zijn hoop
telkens en telkens tot niets gemaakt, maar zijn forsche moed was niet
verslagen; de levensblijheid was in hem gedood, maar de levenskracht
scheen onverwoestbaar in hem.
Want niets had ooit kunnen verslaan die eene groote liefde in hem—de
liefde voor zijn kunst, die zijn leven gericht, zijn leven beheerscht
had; hij had zijn werk lief als een levend wezen, want ’t had al zijn
illusies gedragen, hij had er voor gezwoegd en geleden, het was als een
dierbaar kind, dat hem nooit anders dan smart had gegeven, en dat hij
temeer liefhad om de opofferingen, die hij er zich voor had getroost.
En in die liefde was de eeuwige bron van smart: dat hij nooit zijn werk
kon volmaken, dat hij het altijd wilde opvoeren tot ongeëvenaarde
schoonheid—en altijd moest eindigen met het te verkleinen.
Hij had zijn vrouw en zijn zoon liefgehad, maar dat was niet de gouden
liefde voor zijn kunst, die onveranderd zijn grootste toewijding bezat;
zijn vrouw en zijn zoon had hij lief als een mensch, maar zijn kunst
had hij lief als een god.
Vertrouwend als een kind, aanbiddend, had hij altijd dat ééne gevolgd,
dat voor hem uitstraalde boven al het andere. Rein van elke gedachte
aan zichzelf, had hij zich gegeven zonder ooit te klagen of te
wankelen, en onwetend had hij zijn vrouw laten deelen in die
opoffering, niet eens vermoedend zelfs, dat zij iets anders zou kunnen
verlangen of noodig hebben.
Dit wist hij nòg niet—en hij zou ’t nooit begrijpen.
En hij sprak van zijn jonge, vroeg gestorven vrouw—van de smart om haar
dood...
Maar van de smart om zijn kunst sprak hij niet—die kon niet verdragen
het medelijden der menschen.
Toen was er iets anders gekomen in zijn leven, zijn zoon.
In hèm was de gave—de gróóte gave, die de vader zag en voelde—en hij
wachtte van hèm wat hijzelf niet had kunnen volbrengen.
En, in zijn geest van taaien werker, had zich het plan vastgezet:
voortaan te moeten arbeiden voor zijn zoon; de jongen moest geen
geldzorg hebben, hij moest alleen en onbezorgd kunnen leven voor zijn
kunst; hij zou voor zijn kind effenen, wat voor hem niemand had kunnen
doen. En hij gaf zichzelf volkomen aan dat kind, omdat hij in hem zag
het goddelijk genie; hij gaf ootmoedig en berustend, in eerbiedige
bereidwilligheid zijn eigen dierbaren arbeid; voortaan zou hij slechts
arbeiden voor geld, alleen zich toeleggen op het houtsnijwerk, dat de
menschen zoo graag duur betalen. Werk om geld alleen...
Maar zijn zoon zou het hoogste bereiken...
Toen was hij op eenmaal zeer moede geweest—daar in dat vreemde land.
En hij was teruggekomen.
— — — — — — — — — — — — — —
Zij zaten stil tegenover elkaar. De oude Tine Ross zag naar Berend waar
hij zat als in moede berusting...
Hij had niet geklaagd tegen haar, maar zij had vaag gevoeld, dat hij
veel had gezwegen. En haar scherp moedergevoel zeide haar wat het voor
hèm moest zijn terug te keeren zonder te hebben volbracht; wat hij
moest hebben gestreden, eer hij terugkwam en rustig kon spreken over
het verachte handwerk, dat hij zou verrichten om gèld.
Moeder—ik weet nu, er is iets, sterker dan al het andere.
Eéns de klank van een oude, dierbare stem—niet verdoofd door zooveel
honderden luider stemmen.
Eéns de rustige, nooit veranderde liefde in zachte, oude oogen—niet
verduisterd door zooveel schitterender beelden in later tijd.
Moeder! Wat mij deed verlangen, toen ik niet wist dat ik nog verlangen
kòn.
Moeder! Wat mij geen rust liet, eer ik zou voelen uw hand op mijn moede
oogen.
En uw goede stem—en uw dierbaar gezicht als een aanraking van troost in
mijn droef hart.
Moeder! Tot ik wist, dat ik teruggaan zòu.
Dat dit het éénige was...
VIII.
Dikwijls in den vroegen morgen zag Eli Berend Ross voorbij zijn huis
gaan, met langzame, vaste schreden den kant op naar Brogs, tot waar de
weg zich in tweeën splitst; daar lag de woning van Geert Dule, het
kleine mannetje met slimme bewegelijke oogen als van een aap, dat hem
zijn werk afkocht, om het zelf weer in de stad te verkoopen.
Geregeld deed hij den tocht, keerde in den namiddag terug met vermoeide
voeten, het geduldige, moedige gelaat opgeheven naar de strakke lucht.
En Eli, als hij hem zoo zag gaan, dacht na over dien man en zijn
grooten arbeid, waarmede hij hoopte te verkrijgen voor den zoon, wat
hemzelf levenslang was ontzegd; en hij zag tegelijk duidelijk en helder
hoe dit was in al de Rossen, in verschillenden vorm, maar bij allen
hetzelfde: geheel zich kunnen geven met een taaie, geduldige volharding
aan één enkel iets, zonder een oogenblik aarzelen het zich gestelde
doel volgend, zonder klagen wanneer zij erdoor moesten lijden.
Dit was geweest in Tine; in zwijgende berusting had zij haar groote
wacht uitgeleden; het was in Berend, die in zijn grijsheid kracht vond
voor het eenmaal verachte werk zijner jeugd. En Hester had die taaie
volharding bezeten in haar lang onuitgesproken liefde voor hem...
O! zij was geboren uit dat ijzeren geslacht van krachtige gezonde
menschen, voor wie afwijking van plicht, of van het eens gestelde doel
een onmogelijkheid was, met den geduldigen, rustigen moed van den
waarlijk sterke.
En langzaam was weer in Eli een twijfel gestegen aan den voortduur van
zijn geluk; hij wist, dat Hester hem zag zooals zij zelf was—uit haar
eigen forsche natuur, dat zij hem niet inderdaad kènde, niet zijn
wankel karakter, zijn overgevoelige ziel. En hij vreesde, dat zij heel
moeilijk zou kunnen begrijpen zijn ware natuur, schuilend onder zijn
opgezweepte wilskracht, met zijn eeuwigen strijd tegen zijn zwakheden,
zijn lagere driften—de feilen van een heel geslacht rustend op zijn
schouders.
In die mismoedige buien kwam terug het oude gevoel, een tijdlang
verloren in zijn liefde; dat hij niets had in ’t verleden, niet in zijn
kindsheid, niet in zijn jongelingsjaren, niet van zijn vader, niet van
zijn moeder, waarop hij steunen kon, waaraan hij zich kon vasthouden.
Hij had ’t gevoel, alsof hij geheel los van alles, door ’t leven
zwierf, of er niets bestond of bestaan had, dat werkelijk met hem
verbonden was; of hij een éénling was, afgescheiden van menschen.
Zèlfs van Hester...
Er waren dagen, dat die gewaarwording heel zwak was; dat hij zelf niet
begrijpen kon, hoe hij er soms onder kon lijden.
Maar de dagen kwàmen, dat hij er zóó onder gebukt ging, dat het hem
ziek maakte en ongeschikt voor elken arbeid, elke inspanning; en dan
kwam tegelijk terug de vrees, die hij eens gehoopt had hier te zullen
overwinnen, de oude vrees: te worden als zijn vader.
De oude vrees, die nooit was weggegaan, en hem niet losliet.
En het was erger geworden.
Het was—wat hijzelf nog niet begreep—niet meer de vage vrees, maar de
aanvechting zelf, het was het verlangen naar drinken zelf, dat onbewust
nog tot hem sprak, dat zich aan hem opdrong in vernederende kwelling.
Het gebrek, dat zijn voorvaders allen in meer of mindere mate hadden
bezeten, was voor hen geweest een tijdverdrijf; maar Eli had bij hun
gebreken niet hun grove natuur; hij zag als een afschuw het geestelijk
lager en lager zinken, en hij streed als een wanhopige. Uiterlijk
zoowel als innerlijk geleek hij op zijn grootvader Eli Bag; in dien
zonderling was ook dat zoeken geweest naar iets beters—dien had het in
de eenzaamheid gedreven.
Eli voelde zelf, het zou minder erg geweest zijn, als hij er met iemand
over had kunnen spreken, maar van allen stond hij daarin te ver af.
Het verst van Hester.
Hij besefte, hoe de gedachte aan zoo iets niet bij haar kon opkomen; en
hij dacht bitter dat de vrouw, die hem zóó liefhad, die hem dacht te
kennen, hem zóó ver stond, dat hij zelfs niet waagde haar zijn lasten
te klagen.
„Waarom dacht zij hem zoo groot! Het ware beter geweest, als ze hem had
liefgehad in weten van duizend feiten en tekortkomingen: dan had hij
rustig kunnen zijn.”
Daar was nog iets anders.
De Kloeve.
In langen tijd was hij er niet geweest, maar de opzichters waren
gekomen, en hadden gesproken van ziekte in het graan, van den slechten
oogst die te wachten stond.
Den volgenden morgen reed hij erheen.
Hij draafde op den open weg, met de heide aan de eene, de donkere
dennenbosschen aan de andere zij. De lucht was frisch en aan den
horizont trok langzaam de witte nevel op.
Herfstnevel al.
De herfst, die zachtkens kwam in teere witte nevels, en koelere
luchten, en onmerkbaar in de nog warme dagen den zomer verdrong. En de
hei donkerde paars, zoo ver het oog reikte, een weelde van gloed tegen
het dennengroen.
Maar in Eli, terwijl hij voortreed en dacht aan de Kloeve, was een
groote zorg.
De Kloeve, die de laatste jaren van slechte oogsten maar weinig had
opgebracht: de Kloeve, die hem dit jaar schadeloos moest stellen, wilde
hij den arbeid voortzetten.
„Niet kunnen voortzetten!”
De gedachte joeg plotseling het bloed naar zijn hoofd. Hoe kwam het,
dat hij nooit te voren in ernst hieraan had gedacht.
Het was zijn onberedeneerde natuur; hij kon zich toeleggen met allen
ijver, heel zijn wilskracht op één ding, en onderwijl tien meer noodige
verwaarloozen.
En hij had de Kloeve verwaarloosd; hij hield niet van het goed; zijn
lust, zijn kracht gaf hij aan ’t werk in Lode, maar de Kloeve liet hij
over aan opzichters.
Hij hield zijn paard in, reed langzaam voort; voor ’t eerst stond het
hem helder voor, dat de opbrengst van de Kloeve over zijn werk zou
beslissen. Niet hijzelf, niet de arbeiders, maar dàt!
In Lode niet kunnen voortbetalen den winter, dat beteekende: nu
dadelijk het werk te moeten staken—en het volk raden zich te verhuren
bij vreemde boeren.
Den arbeid doen ophouden....
De arbeid, dien hij gezworen had te voleinden—dien hij lièf had.
— — — — — — — — — — — — — —
Toen hij terugreed in de late middagzon, wist hij het.
Niemand had ’t hem hoeven te zeggen, hij had ’t gezien met eigen
oogen—daar was niets van den oogst te wachten.
Eli reed langzaam, in zijn bleek gelaat staarden de oogen dof, zonder
te zien.
Een moede afmatting was nu in hem, de terugslag van zijn plotseling
opbruisende woede, toen de opzichters daarginds hem den stand van zaken
hadden duidelijk gemaakt...
Zij hadden hem aangezien, in stille vrees, toen hij daar stond en zweeg
in machtelooze drift—en hadden gesproken van een deel, dat nog terecht
kon komen—misschien,—het stuk bezuiden Boge, daar was de ziekte nog
niet in het graan.
Eli had niets geantwoord, niets gevraagd,—zij waren hem gevolgd, en
hadden toegezien hoe hij rondliep langs de vernielde akkers; hij had
toèn geleken op Jelle Bag in zijn jeugd, als hij in zijn buien van
woedende drift rondliep, en zijn onderhoorigen deed sidderen door zijn
zwijgen.
En eindelijk was hij weggegaan. Hij wist het nu.
De arbeid, die moest ophouden...
Hij zou geen geld hebben om het beloofde loon te betalen—niemand zou
geld willen geven op de reeds zoo bezwaarde Kloeve! Het loon niet
betalen! Er was een tijd geweest, dat hij dit lichter zou geteld
hebben—toen had hij durven hopen, dat zij vertrouwen genoeg in hem
hadden om ’t werk te hervatten, zoodra hij weer kon.
Hij wist nu, dat het prompt betaalde loon het eenige was wat hen bond;
liefde voor ’t werk had hij niet in hen vermogen te wekken—dat wist hij
sinds dien Zondag, nu twee maanden geleden al.
Hij keek uit naar de kant van Lode, waar zijn arbeid was, zijn geluk en
zijn trots. Nu voelde hij eerst hoe hij eraan gehecht was, hoe hij
liever tegenwerking wilde verdragen, dan zijn mooien droom te moeten
opgeven.
Misschien zou hij ’t nu nooit voleinden. Hij zat stil, dieper gebogen
dan te voren.
Het was voor Eli erger dan het voor menig ander zou geweest zijn; het
was, behalve de overheerschende smart om den arbeid, zijn diep
gekrenkte trots, die niet dragen kon, dat al zijn werken, zijn willen,
zijn eerlijk pogen van wat waarlijk was een groote en goede daad, tot
niets werden gemaakt door een blind noodlot.
Was ’t een mensch geweest, die hem in den weg trad! Maar dit! Dat hij
moest dulden.
Hij kòn niet—hij zòu niet!
Was hij een dwaas, dat hij zonder strijd zich zou overgeven? Was dan
niets waard zijn eerlijke arbeid, zijn streven, dat allen tegenspoed
had getrotseerd?
Hij gaf ’t niet op; de arbeid zou voortgaan.
Geld was er nu nog—en in ’t najaar, dan zoù er geld zijn ergens van—hij
zou opnemen of wat dan ook.
Maar hij zou volhouden.
Hij bewees het volk geen dienst met hen heen te laten gaan bij vreemde
boeren.
Hij deed ’t niet—het moest maar gaan zooals ’t ging—tegen dien tijd zou
hij weten te handelen.
IX.
Het werk ging voort.
En de zomer—de warme nazomerdagen, matter in volsten bloei, rijper
neigend naar den herfst die komen ging.
Het scheen alles hetzelfde.
Maar de vlier bloeide niet meer voor het raam van de werkplaats van
Berend Ross.
De dikke, witte bloemtrossen spraken niet langer van jonge, blijde
lente—van zomerschoon dat nog te wachten stond.
Maar Berend Ross zag ’t niet, hij dacht er niet aan.
Hij arbeidde voort, onafgebroken, zwijgend, verfijnend de kleine houten
kunstvoorwerpen in grillige fantasie; en terwijl hij uitzag over de
hei, zag hij alleen de toekomst van zijn zoon...
Er was geen twijfel in hem, geen vrees; nederig geduldig had hij de
rest van zijn leven geofferd aan zijn zoon; voor hem moest hij werken,
dat was zijn plicht.
Want in hèm was de goddelijke gave...
En ook Tine Ross deerde het niet, dat de zomer zou vergaan.
Haar zoon was teruggekeerd; nu kon zij hem geven wat hij ontbeerd had,
haar zorg en liefde—nu zou zij ééns gelukkig kunnen sterven met haar
hoofd aan zijn borst.
Het deerde haar niet, dat hij den geheelen dag werkte, zwijgend, in
gedachten verloren, en als vergeten wat om hem was.
En soms niet hoorde, wat zij tot hem sprak...
Dat was niets.
En Maarten stond in de smidse, en werkte, dat het een lust was. Hèm kon
de diepe teleurstelling om zijn liefde niet bitter maken of mismoedig;
hij had Hester liefgehad—zóó—zonder zich rekenschap te geven—omdat hij
nu eenmaal niet anders kòn—omdat dit zoo zonnig en vol in zijn blij
hart was gevallen. En hij had gejuicht om die liefde, in onbezorgde
blijdschap, zooals de vogel zijn lied uitjubelt in de lente...
Nu droeg hij zijn smart om haar stil en gelaten; inderdaad was zijn
frissche leefkracht, zijn diep-blijde levensvreugde zoo overvloeiend in
hem, dat die, evenmin als bij Berend, makkelijk kon ondergaan in
teleurstelling of droefheid. En terwijl hij werkte met onvermoeiden
ijver, met alleen een zachter uitdrukking in zijn vroolijke oogen,
overdacht hij het op zijn rustige, gezonde wijze: „dat hij dit nu
eenmaal dragen mòest, en voor Hester kòn hij het dragen, omdat het was
voor háár geluk—en zijn liefde voor Hester kon niemand hem toch
afnemen...”
Maar voor ’t eerst wás Hester niet meer volkomen gelukkig; er was een
schaduw, die kwam uit het dorp tot haar, die zij verborg, verzweeg
tegen grootmoeder, tegen Maarten...
Het kwam tot haar uit de hutten—het kwam, zij wist soms zelf nauwelijks
hoe—maar zij wist, dat het bestond.
Het bestond—de angst, het wantrouwen om de Kloeve.
Wanneer de vrouwen ’s middags in de schaduw van hun huisjes zaten,
zeiden zij over, wat zij hoorden van hun mannen.
„De oogst op de Kloeve was slecht—het wàs waar...
„en als de Kloeve niet opbrengt, waar moet Eli dan voor den winter het
geld vandaan halen...?
„als Eli geen geld heeft om te blijven betalen—wat dàn?
„hij heeft onze mannen ervan afgehouden om te gaan werken bij vreemde
boeren.
„dan hadden wij geld kunnen overhouden voor den winter.
„nu hebben we niets.
„als dat waar is—zal Eli ervoor boeten, dat hij ons zoo bedrogen
heeft...
„hij bedriegt ons nòg! Waarom zegt hij niet eerlijk, dat hij niet
heeft, dan konden de mannen nòg gaan...
„maar—misschien is ’t niet waar, hééft hij wel geld.
„ja—als dàt waar was...”
Hester wist dit; zij voelde het, meer dan hijzelf, hoe het stille
wantrouwen steeg; zij zag, als zij buiten kwam, Larets kwaadaardigen
kop tusschen het volk, den wrevel rondom zaaiend,—Laret, met zijn
scherpe tong,—die was een der hunnen.
Maar Eli was een vreemdeling geworden. Zij zagen in hem niet meer den
zoon van Jelle Bag.
In dit volk was wat Eli niet kon begrijpen: het doel, het ideaal
waarvoor zij werkten was hun te ver, ze konden het niet zien, zooals
Eli het zag; zij waren er niet rijp voor, en Eli was niet de man, om er
hen rijp voor te maken.
En hij zag den ouden onwil weer terugkomen, hij zag ’t op de donkere
gezichten als hij hen aandreef, hoorde het in een norsch antwoord. En
het maakte hem prikkelbaar, onredelijk dikwijls, als hij den arbeid
niet genoeg gevorderd vond.
Hester voelde, dat hij eronder leed—maar niet volkomen hòe zwaar—want
zij kòn zich niet geheel indenken in zijn liefde voor het werk.
Dit wist Eli—en het deed hem zwijgen tegen haar.
Maar dit was Hesters grootste leed niet; zij kon hem altijd
verontschuldigen, honderd redenen vinden, waarom hij er niet tegen haar
over sprak; het erge was, dat zij in haar omgeving, onder het volk, het
vertrouwen in Eli weer verminderen zag, en in de verontwaardiging harer
diepe liefde, die àlles van hem geloofde, alles van hem hoopte, wachtte
zij met smartelijk ongeduld, dat hij zich verdedigen zou tegen al die
stille beschuldigingen, bewijzen dat hij waarlijk zeker was.
Bij dit alles dacht zij veel minder om het volk dan om Eli; haar angst,
dat de betaling niet zou geschieden, was om Eli, niet om het volk; en
zij voelde elk woord van wantrouwen tegen Eli als een scherpe
beleediging, waar zij niet twijfelen kon.
De lange Augustusavonden kwamen.
Hester en Eli zaten nu zelden meer bij de anderen; er was een onrust in
Eli, die hem dreef alleen te zijn met Hester: dan wandelden zij samen
den stillen, donkeren weg, als in den eersten tijd van hun liefde.
Ze liepen tot het kleine dennenbosch en gingen daar zitten.
Dit was van een groote, nooit te vergeten bekoring; onder de zoele
donkere lucht lag de hei verstorven en alom was de stille eenzaamheid.
En altijd, hier alleen met Hester, viel van Eli af de beklemming, de
gejaagdheid die des daags hem overheerschte.
Dan sprak hij tot haar van hun toekomst, van het werk—vertelde haar hoe
alles ging—hoe het vorderde...
Dan vergat hij, dat hij het misschien nooit zou voleinden.
„Als we eenmaal samen oud zijn, lieveling, en we kunnen dàn zeggen: dàt
is ons werk—dat hebben wij gedaan—Hester!”
Hij klemde haar in zijn armen en kuste haar in een gevoel van teedere
dankbaarheid—en zei haar zóó, hoe groot haar aandeel zou zijn in dien
levensarbeid.
Dan weer zwegen zij een lange poos—wijd om hen was de melancholieke
vrede van het duistere avond-land.
Er was geen geluid, geen schaduw, geen kleur.
Een enkelen keer brak een dor takje.
Daar was alleen de wind—zóó zacht, dat zij hem niet voelden.
Maar boven hun hoofd gleed hij door de kruinen der pijnen—en suisde
zijn eeuwig lied.
Zij hoorden het nauwelijks, zij wisten van geen wereld of menschen...
Soms luisterden beiden op. In al die stilte dreunde van verre de
dorpsklok de uren tot hen door; en zij luisterden, vreemd geheimzinnig
aangegrepen, naar dien verren toon—die waarschuwde den tijd—den
tijd—die verging...
Deze avonden waren van een grooten, zaligen vrede; ze waren later een
herinnering van innigheid en geluk, temidden van dezen tijd vol zorg.
Soms ook gingen ze niet zitten, liepen door naar de hut van Adam Feke.
Zij deden zoo op een avond dat een vrij hevige wind na zonsondergang
kwam opzetten, en plotseling deed denken aan herfst, aan kou...
Eli duwde de deur van de hut open, en Wolf, Adams groote hond sprong
blaffend naar buiten, met zijn forsche voorpooten op Eli’s schouders en
likte zijn gezicht.
Maar binnen voor het gedoofde vuur zat Adam—en bleef zitten en zag niet
op.
Een oogenblik stonden Hester en Eli stil, half bevreesd.
Toen loeide plotseling een hevigen windvlaag aan over de vlakte, dat de
deur ratelend wijd opensloeg.
Adam zag op; zijn oogen zagen scherp uit over hen heen, zijn lichaam
boog als luisterend naar één kant.
„Hoor...” zei hij.
Maar er was niets.
Na een poos zag hij op, zag hen.
„Hé Adam!” riep Eli, met een poging tot scherts.
„Jullie...?” zei Adam langzaam en hij zag Eli en Hester aan als een pas
ontwaakte.
„Er kwam iemand...” begon hij vaag.
„Dat waren wij, Adam! Je hebt geslapen, houd je maar niet groot!”
Hij knikte rustig, niet op hun woorden lettend.
„Als je oud bent—dan droom je soms—het kwam van den wind—die kan
wonderlijke dingen zeggen, vooral ’s nachts. Jullie zijn jòng—hoóren
den wind niet, begrijpen niet... ik hóór hem ...”
Hij sprak alsof hij alleen was—tòch hen aanziende.
„Ik droomde—ik hoorde den wind en ik zag alles van vroeger, van
Geert—van ... ja àlles...”
De smart trok over zijn gelaat, hij maakte een vage handbeweging.
Eli zat stil, hij wist Adams geschiedenis. Adam had hem die eens zelf
verteld.
„Toen zag ik mijzelf en Geert—ik zag hem komen—ik hoorde zijn stap—dien
ken ik—en hij stond in de deur—en zag me aan—en zei woorden—die ik niet
begreep; ik joeg hem niet weg, zooals ik altijd gedacht had dat ik zou
doen... en hij lag hier en sliep op mijn bed,—maar de woorden, die hij
zei, die verstond ik niet...”
„Adam—is Geert niet al lang dood?” vroeg Eli zacht.
Adam schudde het hoofd.
„Dat zeiden ze—het is niet waar,—ik weet nu dat hij ééns komen zal.”
Hij zweeg weer.
Eli en Hester zaten stil, vreemd-beklemd in die halfdonkere hut.
„Ik wou je iets zeggen, Adam,” begon Eli plotseling.—„Jozef Laret is
weggegaan—ze zeggen voor goed—en Bas Vorst werkt nu in zijn plaats;—als
ik hem voor goed kwijt was, zou het volk beter te leiden zijn.”
Adams oogen flikkerden scherp op; hij was terug in het dagelijksch
leven.
„Is hij weg? Maar je bent hem niet kwijt...”
„Jawel—hij hindert me niet meer in ’t werk...”
„Hij is je vijand...” zei Adam met dezelfde scherpe oogflikkering—„hij
laat niet af van je, al is hij uit je oogen.”
„Wat kan hij doen—wat zou hij me kunnen doen voor werkelijk kwaad!”
„Hij kan je honderd dingen doen die je niet voorziet—hij is een vijand
die niet loslaat.”
Eli haalde zijn schouders op—en begon verder te vertellen van het werk.
Hester was heel stil. Adam luisterde; een enkele maal zag hij lang
Hester aan, zag haar bezorgd, bleek, naar Eli gekeerd gelaat.
Eindelijk stonden zij op om heen te gaan.
Adam bleef aan de deur en zag hen na—waar zij gingen,—twee lange
gestalten, de armen om elkaar geslagen, kampend tegen den nu hevigen
wind.
„Zij heeft kracht,” mompelde hij halfluid,—„wàt ’n kràcht van liefde.”
Hij zag op in de donkere lucht; om hem was de groote donkere
verlatenheid van de hei.
Maar hij kende die eenzaamheid—hij verstond haar.
De hond likte zijn handen en jankte zachtjes.
Toen ging hij terug in zijn hut.
Ik heb geleefd, de dagen en nachten door—met dat ééne—
Mijn Haat.
Ik heb gewacht de jaren en jaren—op dat ééne—
Mijn Wraak.
Ik heb gewacht en gehoopt.—Niet als een angstige moeder met bevend
verlangen wacht op haar kind.
Niet als de jonge man met vreugd-kloppend hart wacht op zijn liefste...
Ik heb gewacht als een hongerige—gehongerd, gesmacht heb ik naar de
ure, dat ik weten zou:
Hoe hij geboet heeft voor zijn misdaad aan mij, zijn broeder.
Dat ik weten zou, hoe mijn vloek zich vervulde aan hem:
„Hij zal niet rusten, eer hij zijn schuld aan mij zal hebben betaald.”
Ik zal niet stérven kunnen, eer ik wéét, dat het zich heeft vervuld.
Ik—wacht op een teeken...
Er zijn zoovele jaren gegaan,—ik ben oud.
De lange zomeravonden vlamde de hemel bij ondergaande zon; als dan
langzaam de gloed bleekte—en de sterren kwamen in stillen, ernstigen
avond,—heb ik lang gezeten en dat alles aangezien, en ’t is geweest, of
ook mijn vlammende haat is ondergegaan.
Ik heb de donkere nachten vaak wakker gelegen—en hoorde den wind, die
fluisterde en suiselde langs het venster—en ’t is geweest, of hij iets
gestild heeft in mijn onrustig hart.
De lange winterdagen heeft de witte sneeuw het land bedekt heinde en
ver.
En ’t is geweest of zij met haar kouden, blanken vrede iets koelde van
mijn brandenden haat.
Heden is ’t gebeurd—het teeken, maar het is anders dan ik eens had
gedacht.
Hij is gekomen in mijn droom—en zei woorden, die ik niet verstond—en ik
liet hem binnen.
Er was niets in mij dan vrede.
Zijn oogen heb ik gezien, lang en ernstig in de mijne starend—en toen
haatte ik niet meer.
Er was iets anders in dan vroeger—iets dat mij pijn deed...
Heeft ook hij moeten wachten? Waarom verstond ik de woorden niet?
Ik zag zijn lippen bewegen—en hoorde de klanken—en verstònd hem niet.
Zal ik het ééns kunnen verstaan? Heb ik nog niet lang genoeg geleefd?
Mijn God, is ’t dàt?
Moet zóó het begrijpen in mij komen?
En de vrede...?
X.
Over de hei trilde de lucht van hitte.
Het waren nog de echte Augustusdagen, als elken morgen de zon feller
stak, de lucht droger en heeter scheen.
De mannen werkten.
Met gebogen rug, en afgemat lichaam, met bleek-bezweete gezichten en
doffe, bloeddoorloopen oogen, onder de kwelling van die moordende zon
zonder eenige beschutting.
En ze werkten zwijgend, loom, met een wrokkenden wrevel tegen dengeen,
die hen dreef.
Want zij waren als kinderen, naïef aangetrokken door alles wat nieuw
was, onmiddellijk teleurgesteld, ontmoedigd, vertoornd, als het niet
aan hun verwachtingen voldeed. In de eeuwen was dit volk ontwend aan de
werkelijkheid, ongeschikt voor plotseling zwaren arbeid; en zij
verlangden terug met hevig verlangen, als naar iets goeds dat zij
verlaten hadden, naar den tijd toen zij leefden zonder dezen arbeid.
Daar waren in hun herinnering de dagen, dat zij heentrokken,
gezamenlijk in troepjes, naar Brogs, en verder, om te maaien; de lange
blijde wegen, die zij te zamen gingen, vroolijk zingend en
schertsend...
De dagen als zij terugkeerden, met vreugd verwelkomd door vrouwen en
kinderen—als er feest was en overvloed van geld.
En er was geen zorg, geen wrevel tegen den dag die komen zou.
En dagen dan thuis, verdroomend in ledigheid meest, maar die waren
geluk—stil, klein-rustig geluk met vrouwen en kinderen, elkaar
vertellend van alles wat hun was gebeurd daarginds; loomprettig
luisterend naar de verhalen der ouden, de oude sagen en legenden, die
ze al van buiten kenden, maar toch altijd weer aanhoorden, als kinderen
onder dezelfde bekoring...
Maar dat alles wàs nu niet meer—iets liefs, het oude leven was hun
ontstolen—zij verlangden niet meer vooruit te komen...
Eli zag het.
Hijzelf leed onder die hitte, die zijn zenuwen afmatte, maar met een
starre volharding, een ijzeren zelfdwang arbeidde hij voort met hen;
want hij wist dat dit het eenige was, wat hen nog gehoorzamen deed, de
eerbied voor zijn arbeidskracht, die niet verflauwde in hitte of kou.
„Eli is ijzer”, zeiden ze tot elkaar en zagen verwonderd zijn lenige
tengere gestalte aan, die onvermoeid volhield.
Maar nà zoo’n dag, als hij zichzelf met geweld had gedwongen vol te
houden—lag hij ’s avonds uitgeput, lichamelijk en geestelijk, te slap
voor eenige inspanning; dan, in die uitputting, voelde hij zijn zorgen
sterker dan ooit terugkeeren.
„Het geld—het geld—àls ’t er niet was...”
En over de marteling van deze gedachte drong zich in zijn bewustzijn
het verlangen te drinken—die moeheid, die moedeloosheid weg te drinken.
Hij overwon het nog; hij deed het niet,—maar het kwelde hem met een
nieuwe kwelling, dat het verlangen er naar sterker werd—dat hij het
moeielijker kon beheerschen.
En het maakte hem dikwijls hard tegen het volk.
Als zij klaagden over te veel arbeid, dan dacht hij, dat de arbeid dien
hij moest verrichten, de strijd met zichzelf veel zwaarder was—en het
belette hem mèt hen te voelen in hun grieven.
Hester vond hem veranderd, prikkelbaarder, driftiger, nooit minder
teeder tegen haar, maar ongedurig, moeielijk; nu eens haar
hartstochtelijk afdwingend te zeggen, hoéveel zij van hem hield,—dan
weer afgetrokken, stil, lijdelijk. Alleen op hun eenzame wandelingen
werd hij weer de oude; dan was ’t alsof elke zorg van hem afviel; dan
dacht zij, dat dit nu het geluk was, zooals zij het altijd gedroomd en
gehoopt had.
— — — — — — — — — — — — — —
Het volk werkte.
Georg Foks en zijn broeder Bas waren een eind van de anderen
verwijderd.
Zij waren sterk aan elkaar gehecht en leken op elkaar; behalve dat
Georg breed en forsch was, en Bas nog tenger en smal. Maar als hun
beider hoofden zich bogen over de spade, was het dezelfde sterke nek
met het donkere korte krulhaar, hetzelfde voorhoofd met de zwarte
wenkbrauwen, waaronder de kleine helder-blauwe oogen, dezelfde zachte,
lachende mond.
En al de meisjes zeiden, dat Georg Foks de knapste man was van ’t dorp;
behalve Maarten Ross, maar die telde niet meer mee, omdat hij haast
nooit in het dorp kwam.
Maar Lotte Smid zei nooit iets als zij praatten over Georg Foks; zij
dacht met een stillen, gelukkigen glans in haar oogen aan des morgens
vroeg, als de dauw nog hing over de velden, en alles was van een
wondere schoonheid, en Georg haar kuste onder den ouden kastanjeboom,
en haar zeide, hoe lief hij haar had...
Soms onder het werk plaagde Bas Georg met Lotte—als de anderen niet in
de buurt waren en het niet konden hooren...
Dan lachte Georg stil met een dieper blos op zijn verbrand gelaat—en
floot zacht voor zich heen.
Maar dezen morgen lachte of floot hij niet.
Stil en loom werkte hij door; sedert gisteren deed zijn hoofd hem pijn,
of ’t barsten zou, en als Bas hem aankeek, zag hij dat Georg heel bleek
was, met diepe zwarte kringen om de oogen.
Een paar uur werkten zij zoo, zwijgend, omdat Georg geen antwoord gaf
als de ander iets zei, en over hen was de hitte, àl stijgend.
Plotseling wierp Georg zijn spa neer, en liet zich met een vloek op den
grond vallen, zijn hoofd grijpend in bei zijn handen.
„Ik kán niet meer!” kermde hij dof tot Bastiaan, die verschrikt bij hem
stond—„laat me liggen.”
De jongen haalde zijn veldflesch en liet hem drinken,—toen ongerust,
beklemd, werkte hij alleen voort.
Toen om elf uur Eli langs kwam, lag Georg nóg.
Eli was doodmoe, hij had de laatste nachten niet geslapen—en
plotseling, toen hij Georg zag liggen, languit, zijn spa naast hem,
vloog de drift onbezonnen in hem op—en scherp zei hij:
„Leg jij ’t er bij neer? De stérkste kerel van allemaal! Kijk naar de
anderen—die houden wèl vol.—Ik dacht, dat jij werken kon—maar zóó kan
een kind ’t wel tegen je uithouden...”
Eli wist niet wat hij zeide, hoe hij ondoordacht kwetste dezen man, die
hem onveranderlijk trouw was geweest; hij besefte ’t pas, flauw, toen
hij Georg zag opspringen en hem aanzien.
Een oogenblik was ’t of hij iets wou gaan zeggen—met witte droge
lippen—toen liep hij Eli voorbij, alsof hij hem niet zag.
En werkte door.
Nòg begreep Eli niet; als altijd was snel zijn toorn verdwenen, en
lachend riep hij:
„Zóó is ’t goed Georg,—zóó moet er gewerkt..”
Georg deed alsof hij Eli niet zag of hoorde.
En Eli ging weer terug naar zijn werk.
Een enkelen keer keek Bas bezorgd naar zijn broeder, die spitte met
geweldige kracht, alsof hij geen oogenblik vermoeid was geweest; en
toen het twaalf luidde en de anderen gingen eten, bleef Georg
doorwerken, en kwam niet.
Bas riep hem—en Brandt—maar hij gaf zelfs geen antwoord.
Toen haalden ze hun schouders op, en lachten.—„Georg was in een van
zijn dolle buien, dan dreef hij door—daar was niets aan te doen.”
En de zon stond op haar hoogtepunt en bràndde.
Georg werkte—koppig, star doordrijvend, in doffen, opgekropten toorn
tegen den man, die gewaagd had hèm te beleedigen—en in ziedenden wrok
zon hij op wraak; hij zag niet meer waar hij stak, het vlamde rood voor
zijn oogen en in zijn achterhoofd hamerde het met ondragelijk bonzende
slagen...
Hij kreeg een gevoel, of hij niet vast meer stond, soms sloeg het heele
veld met hem om—en hij spitte voort—machinaal, met sidderende handen,
die krampachtig grepen de spade, en verdwaasde oogen...
Om half twee kwam het volk terug—Eli ook.
Maar ook nu zag Georg niet op, en ditmaal zei Eli niets; hij liep
voorbij met een bitteren trek om zijn mond.
Bas kwam iets later dan de anderen, en van verre zag hij al, dat Georg
lijkwit was; toen, door een plotselingen angst gedreven, begon hij hard
te loopen naar hem toe.
En bijna op ’t zelfde oogenblik zag hij Georg vallen; hij viel alsof
iemand hem neersloeg—en lag volkomen bewegingloos.
De knaap uitte een scherpen gil, die striemde over het veld.
Ontsteld keken de mannen op, zoekend den kant vanwaar ’t geluid kwam,
en zagen van verre den knaap, die wenkte met hartstochtelijke
angstgebaren.
„Er is wat gebeurd,”—zeiden ze tot elkaar.... „met Georg zeker,” en ze
lieten hun spade liggen en snelden heen.
En dáár zagen zij.
Georg Foks—de groote sterke Georg, die boos werd als de oude Baats
snoefde op zijn kracht, Georg die was als een kind zoo frisch en
vroolijk,—de eerste altijd om den arbeid aan te vatten,—zoo gezond en
jòng van ziel, alsof hij niet sterven kon,—Georg lag daar dood tusschen
al het levende om hem heen,—dood in de bloeiende heistruiken, en de
vliegen gonsden over zijn jong dood gelaat...
De mannen stonden roerloos—verplet van ontzetting—en star, als niet
begrijpend, zagen zij den knaap die zich op den grond wierp naast zijn
broer, en met zijn hooge jongensstem afgebroken, onverstaanbare woorden
uitsnikte...
Eindelijk bewoog Evert Brandt zich, hij knielde bij Georg neer, voelde
zijn borst onder zijn kleeren...
„Hij is dood...” zei hij heesch, opziende naar de anderen—die nog
stonden—en staàrden...
Toen keerde een zich om, en wees.
Het was Eli.
Ze zagen om, en gingen terzij, en wezen hem op wat daar lag, met stom
gebaar.
En Eli zag; met vreeselijke helderheid boorde het zich in zijn
gemartelde hersenen:
„Dood—was dat—ja—’t gevolg van zijn aandrijven...”
Plotseling weken de mannen uit elkaar voor den knaap, die opsprong,
niets ontziend of vreezend in zijn smart,—en hoog en scherp was zijn
stem, vernietigend van hartstochtelijke beschuldiging:
„Zijn schuld—Zijn schuld!! hij zei, dat Georg dóór mòest werken, en
hield hem voor den gek, toen hij niet meer kòn—in die vervloekte
hitte;—hij kòn niet meer... làffe, làmme ouwe kerels—jullie zijn bang,
jullie durven hem niet aan,—ik wel—ik zal hem...
Het was als een schok; er kwam een plotselinge beweging in de stille
groep mannen—en zij zagen allen om naar Eli; hij was wit, in zijn
scherp gesneden gelaat trok de mond in smalle, wreede lijn; en met
beide handen hield hij den knaap in bedwang, die zich op hem geworpen
had, en aan hem hing, als een panter aan zijn prooi.
Over de stilte heen gilde Bastiaan’s stem:
„Laffe kerels! jullie doet niks—je laát hem vermoorden—jullie, hij zal
me...”
Nog altijd hield Eli schijnbaar zonder inspanning den knaap in bedwang,
die zich machteloos van woede schuimbekkend wrong in zijn ijzeren
armen.
En kalm luid was zijn stem:
„Neem Georg op—en draag hem naar huis...”
Maar zijn stem wekte hen plotseling uit hun verdooving—wekte hun woede,
die lag gesmoord onder hun ontzetting.
„We láten ons niet door je gezeggen—we laten ons niet door een kind
beschaamd maken—is ’t waàr wat hij gezegd heeft...?”
„Is ’t waar—is ’t waàr, Eli —wat de jongen zegt...?”
De stemmen dreigden op om den doode tot Eli; daar was niemand onder hen
allen, die beseffen kon wat hij leed, hoe in zijn òvergevoeligheid de
ellende van dezen zonnigen morgen, met het gelaat van den dooden man
voor hem, zich in zijn hersenen vastgreep, en hem blijven zou tot een
immer-martelende herinnering.
„Is ’t waàr—is ’t waàr...??”
„’t Is—waar.”
Een oogenblik viel een stilte—toen tierde op een rumoer van
stemmen—hieven zich vuisten—drongen zich lichamen om hem heen.
Bastiaan had hem losgelaten en was teruggetreden tusschen ’t volk—en
sidderend, met gebalde vuisten en gretige oogen wachtte hij af, wat
gebeuren ging.
„We làten ons niet langer moorden—hoù je geld.”
„Wat gèld—hij heeft geen geld... Hij bedriegt ons..”
„’t Is moorden—’t is bloedgeld—hij zal ’t ons betalen.”
„Bedaard mannen—” zei de oude Brandt,—„ga naar huis...”
„We gaàn niet naar huis—hij zal ons eerst...”
„Hij heeft ’m vermòòrd!” schreeuwde de knaap.
„Ja—ja—hij heeft ’m vermoord—laat me door, ik zal ’m...”
Boven ’t rumoer uit kwam Eli’s stem—maar ze luisterden niet—hoorden
niet wat Brandt vermaande—ze raasden en vloekten door—drongen op...
Maar Eli zweeg niet—langzaam aan was zijn stem als een wassende
bergstroom, die zwol—en eindelijk met geweldige kracht over hen
heendonderde...
Dan één voor één zwegen ze—verhieven zich weer hun stemmen—zwegen
eindelijk geheel—en luisterden...
„Hóór—ik wil dat jullie hooren.—Ja, ik heb tegen Georg, toen hij
vermoeid was, gezègd—verder te werken... zwijg! ik spreek!”
Ze zwegen, ze háátten hem—maar ze zwegen.
„Hij heeft ’m gesard!” luid snikte de jongen, bevend van opwinding—„hij
liegt...”
Een man drong naar voren.
„Doe je arm neer, Wig! Ik ben voor niemand bang...”
„En als jullie allemaal me aanvalt, dan kan je nòg niets ergers doen
dan me doodslaan—en dàt kan me niet schelen...”
Zij stonden stil; zij zagen hem aan—en haatten hem om zijn harden
trots—maar zij luisterden.
„Ik verdedig me niet om den dood van Georg Foks—er valt niets te zeggen
daarvan.—Ik zeg alleen: ga naar huis, gooi het werk neer—en laat het nu
eens en voor altijd gedaan zijn... ga heen.”
Zij stonden stil, en zagen hem aan...
„Zei hij dat? Hij!”
Zij hadden hem nog nooit zóó gezien, met dien scherpen, harden glans in
zijn oogen, nu zijn trots vertrad alles wat hem eenmaal zoo na aan ’t
hart was gegaan... hun welvaart, hun liefde, zijn eigen plan, zijn
arbeid.
Dit begrepen zij niet.
„Ga maar heen, en werk niet meer—ga thuis zitten, dat is veilig....
„En zit daar dan maar in armoede en hoor ’t schreien aan van je
hongerige kinderen.
„Jullie kunnen dan gerust zijn, dat je niet sterven zult aan te veel
inspanning, je kan rustig een gloeienden dag zien opgaan, en denken dat
je tenminste niet dood zult vallen door een zonnesteek....”
Onwillekeurig traden ze van hem terug—in bevende opwinding ontvielen
hem de woorden, scherp en snel; en in zijn spreken was die zonderlinge
overmacht weer, die hen altijd nog had doen zwichten.
„Je kinderen zullen geboren worden, maar je vrouwen zullen ze niet
voeden.... het stond aan jullie om je gezin een beter leven te
geven—maar jullie kan tevreden zijn, de eene dag voor, de andere na zal
voorbijgaan in luie nietsdoenerij.
„Maar dien dood, waar jullie zoo bang voor zijn,—kan je tòch nooit
ontloopen! Ik zeg, mèt dien jongen, laffe kerels! Jullie dwingen als
kinderen om thuis te blijven uit angst voor je leven—je denkt, dat het
ergste, wat je iemand kan aandoen, is hem te dùrven doòden...”
Zijn bittere verachting striemde over hen los... langzaam versmolt hun
wrok voor een vaag kinderlijk gevoel van schaamte.
Wat nooit zijn trouw, zijn toewijding had kunnen uitrichten—deed nu
zijn verachtende spot; dit volk was als kinderen, ze moesten
overheerscht worden maar niet geleid, ze moesten voelen de ijzeren hand
van den meester.
„Maak je kinderen tot slecht-gevoede, zwakke menschen, als velen van
jullie òòk zijn—ze zullen niet in staat zijn tot geregelden arbeid—net
als jullie den zegen ervan niet begrijpen. En jullie zult dàn inzien,
dat je gedwaald hebt,—maar dat helpt hen niet—niets kan hen meer helpen
dan... Ze hebben van hun vaders niet gezien, wat arbeid is—ze hebben
niet de gevolgen, de belooning ervan gezien,—ze hebben van jullie ook
niet de aansporing ertoe gehoord—ze zullen de krachten er ook niet voor
hebben... en dàn—dàn zal je weten dat je je kinderen niets hebt
nagelaten—dat je hen gedoemd hebt tot een lui, armoedig leven, zooals
jullie zelf geleid hebt, en voortaan zult leiden,—als je leven àf is,
zal je weten dat je je in alles hebt bezondigd aan je kinderen.
„En ze zullen alles lijden door jullie schuld...
„Dat is ’t laatste, wat ik te zeggen heb.”
Eli keerde zich om; hij liep heen met strakke oogen en bleeke lippen,
alsof hij alles voor altijd van zich afschudde, of ’t geen deel meer
had aan hem.
Maar plotseling liep een man naar voren—’t was Loes—en nog een—Evert
Brandt...
„Eli! hoor dan, Eli—wij...”
Opeens, spontaan kwamen zij aanloopen, allen, en sloten zich om hem—en
raakten hem aan.
„’t Is goed—’t is goèd—Eli, laten we doorwerken—we willen wel.”
„Misschien heeft hij gelijk.”
„Ja—hij heeft gelijk—onze kinderen...”
„En praten kàn hij.”
„’t Is waar—verleden jaar, met maaien, is Rolf ook dood gevallen.”
„Hijzelf is niet bang, dàt moet je zeggen...
„Hij heeft gelijk—hij wéét ’t,” zei de oude Brandt, met stralende
oogen.
Hun stemmen druischten op, en ze traden den knaap opzij, die heesch van
drift hen poogde te overschreeuwen.
Maar ze hoorden hem niet—letten niet op hem, ze waren hem al vergeten.
Eli zag het—hij stond zwijgend, en keek met vreemd onverschillige oogen
naar al die gezichten, die ongeduldig een woord van hem wachtten...
Georg Foks waren ze nu al half vergeten—over ’n paar dagen geheel—zoo
kènde hij hen.
Maar hij zou ’t nooit kunnen vergeten.
En hij zei niets, hij kòn niet; hij had geen gedachten, geen woorden,
half onbewust maakte hij een vage handbeweging.
Maar ’t was hun al genoeg; zij gingen terug, lieten zich leiden nu door
de rustige woorden van Evert Brandt—gingen terug aan hun werk.
En langzamerhand gingen de groepjes uiteen.
Leek ’t alsof er niets gebeurd was.
Maar Eli ging niet met hen. Het drong zich in hem op, dat dit nu was,
wat hij doen moest: teruggaan, en met hen werken als te voren; dat dit
hen binden zou.
Hij kòn niet...
Het kon hem niet schelen—hij had een walging van de plek—van hen
allemaal... hij wou wèg... wèg.
Tot nu toe, in zijn opwinding, had hij niet volkomen den dood van Georg
gevoèld—nù kwam het...
Hij bracht de hand aan zijn hoofd als om terug te dringen zijn
opkomende wanhoop.
En zonder op of om te zien, liep hij weg.
— — — — — — — — — — — — — —
Hij wou wèg zijn—hij werd ziek, als hij dacht aan ’t gebeurde.—Hij
dàcht er niet aan, naar Hester te gaan, hij kon haar niet zien nu.—Zij
moest ’t dan maar van een ander hooren!
De eenige was Adam.
Hij liep snel, met onvaste schreden, de hei over naar Adams hut; hij
voelde geen hitte of zon, maar één verlangen: wèg zijn...
Hij stootte de deur open. Adam was er niet,—een oogenblik stond hij
stil in den overgang van gedempt rustig licht, dat door de kleine
ruitjes viel. Toen met een zucht van verlichting alléén te zijn, liet
hij zich op den grond vallen—zijn hoofd op zijn arm, en bleef zoo
liggen.
Hij wist niet hoelang hij hier lag—hij dacht niets—verlangde niets—er
was alleen in hem één groot verzet, een wrok, een bitterheid tegen
alles—tegen het noodlot, dat hèm den dood van Georg Foks liet
lijden—tegen zijn leven, waarvoor hij geen moed meer had—zijn werk, dat
hem walgde—het volk, dat hij verachtte.
De gedachte aan Hester kon hem niet zachter stemmen; zijn gevoel voor
haar ging onder in zijn wanhoop.
Om zes uur kwam Adam thuis; hij vond Eli toen op den stoel tegen den
muur.
„Ik dacht ’t wel”, zei hij—en gooide een takkenbos neer op de
haardplaat... „Ik heb ’t al gehoord.”
Hij trok een bankje bij, en zat naast hem, zijn hand op Eli’s hand.
Voor hèm was Eli het kind gebleven, hij was hem altijd blijven zien als
een hulpeloos heen en weer geslingerd kind, dat van alles het beste
wilde veroveren, en nooit de kracht bezat om ’t te volbrengen... Arm
kind, àrm kind van Jelle.
Een poos zat Eli stil.
„Ik wou, dat ’k ook dood was...” zei hij eindelijk.
De oude schudde het hoofd.
„Waarom?—dat is het gemakkelijkst—maar ’t gebeurt je nog niet—je moet
je eigen weg vinden—een ander kan niets voor je doen...”
„Ik heb altijd mijn eigen weg moeten zoeken—
Wie heeft er ooit iets voor mij gedaan...”
„Waar is Hester, Eli?”
„’k Weet ’t niet,” zei hij dof.
De oude leunde plotseling voorover.
„Je moèt de kracht vinden, om...”
„Och, alles is ellende...”
„Ellende!... dàt heeft iedereen gehad... iedereen is wel eens geweest
als jij, en èrger—o, èrger—en ze hebben toch voortgeleefd...”
„Ik verlang niet meer voort te leven, waarom zou ik...”
„Kind als je oud bent, vraàg je dat al lang niet meer—je moet nou
teruggaan naar ’t dorp.”
Eli stampte ongeduldig.
„Laat me met rust...”
„Als je ziek was—zou ik je hier laten, en de menschen van je
afhouden—nou moèt ik je wegjagen...”
„Ik bèn ziek...”
„Ja—zóó zijn alle menschen ziek—de een dit—de ander dat.”
Eli schudde moe ’t hoofd—zóó moe.
Adam zag ’t, een smart vertrok zijn gelaat.
„Toen je ’n kleine jongen was, wou ik je ook maar bij me houden, van de
harde menschen vandaan—en ik heb je toch weggestuurd—nou doe ik ’t
weer—ik ken ’t volk en jou—je moet noù gaan, morgen zal je niet meer
kunnen... Ga naar Hester, Eli.”
„Nee.”
„Blind—blind! Jij ziet niet, wat ik oude man zie, als jullie hier samen
zitten en ik zie haar naar je kijken—haar oogen! Je zegt, dat je dàt
niet kan?”
Een poos nog zat Eli stil—toen stond hij langzaam op.
„’k Ga dan—tot—morgen.”
Adam knikte; hij zag de schuwe vrees voor „morgen” in Eli’s oogen, en
werktuigelijk hield hij zijn hand op Eli’s arm—als om nog iets te
zeggen. Maar hij deed ’t niet.
„Dag jongen.”
„Hij moet ’t alleen, met zich zelf uitvechten,” dacht hij bezwaard—en
liet hem gaan.
— — — — — — — — — — — — — —
Eli liep naar huis; het was donker geworden nu, de lucht hing laag en
zwoel. Hij vermeed de andere woningen, en kwam langs den achterweg in
huis.
Hij zat hier stil—zooals hij bij Adam gezeten had, in een stomme, zware
ellende.
Heel lang.
Het begon te regenen: ’t tikken van den regen wekte hem uit zijn
verdooving.
Langzaam, loom stond hij op, ging naar buiten. Hij liep, als gedreven
door een plotselinge gedachte, den weg af, waar aan ’t eind de hut lag
van de Foksen; waar zij samen hadden gewoond, Georg en Bas.
Eli wist zelf niet wat hem dreef; hij had maar één besef: hij wou Georg
zien.
De hut was donker.
Eli deed de deur open, stond een oogenblik stil—in aarzelend luisteren.
Er kwam geen geluid.
Met bevende vingers eindelijk ontstak hij licht...
Er was niemand.
Op de tafel vlak bij hem stond een half afgebrande kaars; hij stak haar
aan en zag rond in ’t onzekere schijnsel....
Het was alsof hij alles deed in een benauwden droom...
Plotseling zag hij in een hoek van de kamer de baar, waarop de mannen
Georg hadden neergelegd.
Een dof geluid klokte op in Eli’s keel; met zware schreden sleepte hij
zich erheen.
En zag nu: het lange, stramme lichaam onder het kleed, het gelaat
onbedekt, star en wit, met niets meer dat deed denken aan den
vroolijken, sterken Georg.—Het léék niet meer.
Huiverend zei hij het zichzelf, met datzelfde onbewust kreunend geluid
in zijn keel—en stond en staarde roerloos...
In deze vreeselijke eenzaamheid zonk alles weg, wat dien dag hem had
beroerd; zijn wrok tegen het volk—zijn ellende om het werk—blééf alleen
dit:
Dat strakke, doode gelaat—zijn schuld.
Waarom had hij niet gedacht, dat een menschenleven meer waard was dan
zijn werk?
Schùld—schùld—het eenige dat overbleef na den helderen, zonnigen dag.
Eli legde zijn hand op de borst van den doode,—in een zwak gevoel of
Georg begrijpen zou zijn ellende—er iets van weten nu.
En hij bleef—alsof hij op iets wachtte.
Er was niets dan het duister flikkerend schijnsel van de kaars, die hij
vergeten had en die nu brandde met een hooge walmende punt...
En ’t getik der regendruppels op het dak...
Waarom was deze vreeselijke dag in zijn leven gekomen?
En morgen—mòrgen...
Lag hij hier maar in plaats van Georg.
Toèn—voor ’t éérst—dacht hij aan Hester.
— — — — — — — — — — — — — —
Er was plotseling iets, dat scheurde de stilte—de scherpe kreet van den
knaap.
Eli zag om, als verdoofd, niet begrijpend, keek hij Bastiaan aan.
Maar in den knaap, Eli onverwachts hier vindend—hier—alleen met
hèm,—ziedde op alle woede van dien dag, en als een wild dier sprong hij
toe—en sloeg naar zijn vijand met al zijn jonge onbesuisde kracht—en
nòg eens—en nòg eens.
Den laatsten keer trof hij hem in ’t gelaat.
Eli was opgestaan—met een snelle instinctieve beweging ging hij terug
van den doode—maar hij verweerde zich niet.
Met een arm had hij den knaap in bedwang kunnen houden—maar ’t verlamde
hem te weten dat Georg achter hem lag—Georg doòd en stil—en hij kòn
niets doen...
Toen, in de overmaat van zijn ellende, keek hij Bastiaan aan.—En zóó
vol pijn waren zijn oogen—zóó vol van een smart, die hij niet kon
begrijpen, dat de knaap, overspannen en wanhopig, zich omkeerde, en
zich op den grond wierp—het gelaat verborgen.
Wàt er gebeurde—hij zou nooit Eli’s gezicht meer kunnen vergeten—dat
gezicht, dat hij had durven slaan—met die oogen dof van smaad en
ellende—en de groote roode striem van den mond tot de wenkbrauw...
Hij durfde niet opzien—hij lag en luisterde in doodsangst.
Eindelijk bewoog Eli zich—hij hoorde hem langs zich gaan,—nu zou er
iets vreeselijks gebeuren,—Eli liet zich nooit straffeloos
beleedigen...
— — — — — — — — — — — — — —
De deur viel dicht—Eli was heengegaan.
Het blijde zonnige natuurleven heeft gestoeid en gestraald den langen
dag.
Het is ingetrokken, met zijn geuren van bloeiende heidevelden in de
huizen der menschen.
Het is daar stil blijven hangen in de zwoele donkerte van gesloten
huizen.
Zwaar geurend nog in de stilte van Dood.
En het weet niet van het groote leed dat geleden is.
Van het sterke jonge leven dat brak.
Want de eeuwige zon straàlt—en in de geurende lucht juichen rusteloos
duizenden schepselen om het blijde leven.
Maar in den avond—dan is er iets anders.
Op het dak vallen de regendruppels traag en droef.
Het zijn als stille tranen.
Het doet denken aan den vroolijken, jongen man—aan zijn blij jong
leven.
Aan de avonden, dat hij zat in het kleine vertrek waar zijn stem zong
en lachte—en de schaduw van elk zijner bewegingen heeft bewogen langs
den stillen witten muur; waar hij ’s nachts sliep, vermoeid van den
arbeid.
Daar is ook de oude kastanjeboom, waar hij als kind in klom—trotsch op
zijn lenige, vlugge kracht... waaronder hij ’s morgens zijn liefste
kuste.
En daar is nog méér...
Schùld, zwaar gezonken in het hart van den armen mensch, die haar op
zich laadde...
Zwaarder te torsen dan droefheid of smart.
De regendruppels vallen traag en droef...
Als stille, zware tranen.
Den ganschen nacht.
XI.
Georg Foks was begraven—dat was het laatste.
In het dorp fluisterden de menschen, zeker wist het niemand—maar er
werd gezegd, dat Eli zich dien dood zeer had aangetrokken—en laat in
den avond nog was gegaan om Georg te zien.
Niemand wist het zeker,—een vrouw had hem den weg zien oversteken naar
het huis,—maar Bas, die ’t kon weten en vertellen, was weggegaan, na
Georg’s begrafenis, naar een oom, een boer, bij Brogs, die zelf geen
kinderen had.
In deze eerste dagen na Georg’s dood leed Eli ontzettend en Hesters
liefde kon hem niet helpen.
Zij voelde voor hém—voor zijn ellende, maar wilde zijn schuld
wegredeneeren; zij kon met haar forsche gezondheid niet doorvoelen al
het leed in die overprikkelde natuur. Voor ’t eerst zag zij hem, zooals
hij werkelijk was; in deze dagen kòn hij zich niet voor haar ophouden,
en gaf zich zelfs in haar bijzijn over aan de grootste melancholie.
En Hester begreep voor ’t eerst dat ze hem tot nu toe nooit gekend had,
en gelijk met dit voelde ze ook pijnlijk hoe vreemd hij haar zoo was.
Maar langzaam, als zij hem ’s morgens zag na een slapeloozen nacht,
geheel uitgeput—als hij ’s avonds bij haar zat, slap, sprakeloos,
vervallen, kwam terug in haar het gevoel van den morgen, toen zij
elkaar voor ’t eerst hun liefde hadden gezegd.—Toen had zij één
oogenblik in hevige teleurstelling beseft, dat leven met hem niet
zonnig geluk was, maar zij altijd hèm zou moeten opbeuren en
troosten.—Dit had zij vergeten.
En nu wist zij het weer, zij zag het zoo duidelijk, met een schrijnende
pijn eerst, dan het moedig opnemend met haar jonge, krachtige liefde.
Zij nam het, zooals de Rossen hun levenstaak namen: ernstig, haar
blijheid geschokt, maar rustig bereid alles te dragen wat van haar zou
worden geëischt, in een groot kalm zelfvertrouwen. Want zij
wist—hoèveel háár liefde dragen kon.
Eli had niet ’t minste besef, dat zij ook streed, geen vermoeden, dat
zij leed om hem;—machteloos, voor al ’t andere ongevoelig, bukte hij
onder ’t eerste groote leed van ongeluk door zijn schuld. En met dit
kwam zwaarder terug alles wat er mee samenhing—de allereerste oorzaak:
de zorg over ’t geld, de herinnering aan de laatste weken van zorg,
terwijl hij in onduldbare prikkelbaarheid het werk voortzweepte;
onredelijk niet verdragen kon dat iemand minder deed dan hij—de
vreeselijke terugslag na die overspanning toen hij Georg had zien
liggen—en het volk als één man tegen hem opstond—tierend, scheldend—en
vergeten kon, wat hij voor hen gedaan had.
En eindelijk de avond—de avond—een spook van vreeselijke herinnering.
Zóó ondragelijk was hem de gedachte aan dien avond, dat hij maar
werkte, voortzwoegde als een wanhopige, trachtend één oogenblik te
kunnen vergeten.
In die dagen begon hij te drinken, niet afdoend,—niet genoeg om voor
een poos het begrip van de werkelijkheid te verliezen,—maar geregeld,
voelende de behoefte eraan om zich op te houden,—toegevend nu zonder te
strijden.
Hij wist: nu was hij een stap nader gekomen aan de vervulling van zijn
jarenlange vrees; maar zijn ellende verstompte zijn ouden angst.
Op een dag reed hij naar Lare—een klein gehucht op een paar uur afstand
van Lode—en nam daar geld op bij Michiel Baak.
Baak was een lange man met doffe, onbewegelijke oogen in strak, geel
gezicht; hij wist van iederen boer mijlen in ’t rond hoe hij geldelijk
stond, en leende geld tegen hooge rente; maar hij was voorzichtig, en
op zijn wijze eerlijk. Als hij wist, dat een man zijn rente nooit zou
kunnen betalen, schoot hij hem geen geld voor, hij wilde geen beslag
leggen op de hoeve of landerijen. Maar menige boer zuchtte nog onder de
opbrengst der hooge renten van ’t geld, dat Michiel zijn vader geleend
had. Hij wist volkomen hoe Eli stond en overlegde:
„Dezen keer kon hij Eli de betrekkelijk groote som geven—ook al bleef
hij levenslang zijn schuldenaar; voor veel dingen was het goed Eli Bag
tot schuldenaar te hebben.
Eli had nu ’t geld—die zorg was voorloopig weg.
Maar zijn wanhoop bleef.
Hij was op weg naar Hester. De schemering viel dien avond vroeg en
grauw in.
Een kille damp hing neer over het land—en in de lucht joegen de
regenwolken donker en laag.
Eli zag rond.
De herfst scheen gekomen—het was alsof nooit meer het goud van een
zonnestraal zou vallen op de stille landen.
Hij rilde. Een kou kroop op uit die doodsche verlatenheid en deed hem
beven in den killen nevel; soms loeide een rukwind aan over de vlakte.
Alles leek doodsch—ellendig. Hoe was ’t mogelijk, dat hij nog kort
geleden zoo betrekkelijk zorgeloos en gelukkig was?
Dat leek nu jaren geleden.
Hij dacht aan Hester; zij zat nu in de gezellige, goede smidse, hij zàg
haar zitten op haar gewone plaats,—hij zag alles zoo duidelijk; al die
sterke, rustig-blijmoedige menschen, dáár hoorde zij—niet bij hèm....
en hij had haar zoo noodig nu—kwam zij maar.
Toch ging hij niet verder,—te sterk was dat visioen van geluk en
rust—dan dat hij den moed had binnen te gaan.—Wat deed hij er—met zijn
ellende,—hij hóórde er niet, hij hoorde nèrgens...
Hij stond stil te staren; de kou trok zijn gezicht in scherpe lijnen.
Hij hoorde nergens—’t was immers waar...
Een wanhopig, bitter verlangen deed zijn oogen dof worden.
En hij keerde zich om, en ging terug naar zijn eigen huis.
Hester wachtte.
Zij waren er allemaal.—Tine, de handen gevouwen in den schoot, het
strenge oude gelaat in kalme rust;—bij het kleine lampje in den hoek
zat Berend te werken. Een enkelen keer zeiden de anderen iets, dat zijn
aandacht trok; dan zag hij even op, en lachte of zei iets terug, maar
meestal hoorde hij niets van wat gezegd werd.
Op dezen kouden avond brandde reeds vuur; het was de eerste avond die
deed denken aan den winter...
Tine zat daar en zag allen om haar aan in volmaakte tevredenheid—en
haar gedachten waren vrede en rust:
„Als nu de winter kwam, was Berends plaats niet meer leeg. God, hoe
goed was ’t hem daar te zien zitten werken,—hem hier te weten waar hij
hoorde, in hun aller midden...
Die verre vreemde landen—wat was daar toch, dat de menschen trok? dàt
begreep zij niet.—Was ’t hier niet goed, en lief in het oude thuis?—en
hij was dáár ook niet gelukkig geweest...
Al dat vreemde—àl wat niet van ’t oude was, het oude, vertrouwde—dat
hoorde immers niet bij hen. Zie, Eli Bag, wat hij wilde, dat was goed
en mooi,—maar ’t bracht hem geen geluk, hem niet en Hester niet,—was
hij ’t maar nooit begonnen!
Je moet geen dingen veranderen, die eenmaal goed zijn zóó.—Waarom?
Nu moest Eli volhouden. Natuurlijk moest hij...
Zij luisterde plotseling op, naar wat Maarten vertelde, waar hij zat
aan de andere zij van ’t vuur met Hester:—van Job Wirs, die gezegd had,
smeden kan iedereen,—en hij had met een schuin oog gekeken naar ’t
schoone stuk smeedwerk, dat gereed lag,—maar Brandt riep: je kan niet
eens den hamer tillen, jij!
Toen werd Job Wirs woedend en hij liep naar den grootsten hamer en
zwaaide hem op—en meteen vloog de hamer uit zijn handen—iedereen maakte
dat hij weg kwam—maar Steven Wirs kreeg hem nog tegen zijn voet aan...
„Toen hadt je ons moeten hooren lachen—en de twee Wirsen bijna aan ’t
vechten, allebei nijdig, Steven om z’n zeeren voet—en Job, omdat hij
werd uitgelachen...”
Als een klaroen klonk Maartens schaterlach door de kamer, en de zachte,
diepe lach van Berend... het goedhartige, wat geringschattende lachen
om een mindere in kracht.
Hester trof dit plotseling, terwijl zij daar zat en dacht aan Eli.
Waarom was hij zoo laat...? zij wachtte hem al lang.
Zij zag rond in den kleinen kring—het schijnsel van het vuur flikkerde
op de gezichten haar alle zoo dierbaar...
Grootmoeder—Berend—Maarten.—En zij zag opeens Eli’s gelaat voor zich,
zooals zij het had gezien den dag na Georg’s dood, en in haar ooren
klonk na de diepe, rustige lach van Berend, de gezonde lach van een
sterken man, die na al zijn levensleed nòg zoo lachen kon.
En tegelijk voelde zij voor ’t eerst, hoe verschillend Eli was van hen
allen, van haarzelf—hoe ver hij van hen stond—dat hij eenzaam was en
wanhopig... en heviger dan ooit te voren voelde zij hoe lief hij haar
was.
Even kwam de pijn in haar op, dat haar liefde voor hem veranderd
was,—langzaam, onmerkbaar door tal van kleinigheden,—dat ’t beeld dat
zij nu van hem bewaarde verschilde van het vroegere...
Maar ’t ging weer onder in haar overvloeiende teederheid en verlangen
naar hem.
Binnen was ’t stiller geworden; het vuur knetterde, Maarten wierp een
blok bij en praatte nu zacht met Berend.
De klok sloeg negen.
Toen stond Hester op—en verliet het huis—en ging naar Eli.
XII.
Was ’t Hester? Wàs zij gekomen? Hij stond bevend op en zag naar haar
met een vreemde weifeling in zijn oogen, waar zij stond in de deur, en
hem aanzag met die buitengewone liefde in haar gezicht.
„Eli!”
In ’t halfduister van de slecht brandende lamp was haar stem als een
roep in angst.
Hij was al bij haar; hij sprak niet, maar sloeg zijn beide armen om
haar heen, en kuste haar, haar bijna verstikkend in hartstochtelijke
ontroering.
„Hester—mijn schat—o Goddank...”
„Wat is er—wat is er, Eli?—ik was bang, dat er wat gebeurd was...”
„Niets—kom hier—kom alleen bij me—kind, je weet niet wat je hebt gedaan
met hier te komen—ik kòn niet meer buiten je—ik mòest je hebben...”
Zij zat stil naast hem, op haar eigen rustige wijze—haar hoofd aan zijn
borst, haar armen om zijn hals.
„Wat was er dan, Eli?”
„Ik wéét niet—niets dan ellende—altijd de laatste dagen—ik kan ’t niet
meer uithouden...”
„Eli...”
„Neen stil—blijf zoo zitten—ik—ik was op weg naar je toe—toen ben ik
weer teruggegaan...”
„Eli.”
Ze lichtte heftig haar hoofd op, en zag hem aan.
„Waarom?”
„Waarom—ik weet niet—ik kan geen reden geven voor wat ik voel... ik
zag, toen ik daar alleen liep, op weg naar jullie—hoe anders ik was dan
jullie allemaal—dat wist ik al lang—maar toen kreeg ik ’t gevoel, of ik
niet bij jullie hoorde—ik had nu geen moed—om—me daar zoo verlaten te
voelen.”
Ze knikte, als trachtend iets te begrijpen; ze was heel bleek.
„Ik heb ’t ook gevoeld—dat je zoo anders was—maar eigenlijk wist ik
toen nòg beter, hoe veel ik van je houd—en daarom kwam ik naar je toe.”
Er was een stil verwijt in haar stem. Ditmaal voelde hij het.
„Als ik je altijd bij mij kon hebben—maar je bent niet alleen voor
mij—je hoort dáár...”
„Eli—ik kan toch nooit méér van je houden—ik zou bereid zijn, om met je
mee te gaan, van iedereen weg als dat moest—ik dacht, dat je dat nu al
wist...”
Zij zag een verandering komen in zijn gezicht, één oogenblik van
overheerschende vreugde, terwijl hij zich naar haar overboog en haar
kuste.
„Het is—ik ben er niet aan gewend, dàt er iemand is, die zooveel van
mij houdt,—dat klinkt misschien gek—maar dat is nooit gebeurd...”
„En ik heb toch al zooveel jaren van je gehouden”,—zei ze zacht—„maar
dat wist je niet.”
Er was zoo’n rustige eenvoud in al haar zeggen dezen avond—of trof hem
dat nu voor ’t eerst?—dat plotseling, in een weeke ontroering, hij
behoefte gevoelde haar àlles te vertellen, toe te vertrouwen; àlles wat
hij tot dusver tegen haar gezwegen had.
„Hester—er is iets, wat ’t altijd zoo moeielijk voor me maakt...”
Even stokte hij—onbeholpen.
„Je weet wel, hoe mijn vader was...”
Zij zweeg en zag hem aan.
Hij ging nu door, gejaagd, moeilijk zijn woorden vindend—hortend, en
onzeker.
„Van kind af—als jongen—en later, heb ik ’t nooit
vergeten—afschuwelijk! en tòch moest ik er altijd aan denken. Begrijp
je dat?—het was een angst...”
Hij hield even op, en streek met zijn hand over zijn voorhoofd.
„Ik was bang dat ik zou worden—net als hij... en daarom zocht ik zwaar
werk, daarom kwam ik hier—en toen dacht ik, dat ’t hier wel over zou
gaan.—Ja—dat heb ik toch gedacht.”
Hij stokte weer; haar hand lag koud op de zijne.
„Toen—met al die moeielijkheden—is ’t veel erger geworden,—ik ging er
naar verlangen,—toen begon ik te drinken;—in zulke dagen, zie je, als
ik nou gehad heb,—dàt is me te erg, dat kan ik niet uithouden, dan moet
ik wat hebben, dat me opwekt—dan drink ik—en dan zou ik—ik hèb ’t niet
gedaan—maar dan zou ik maar door willen drinken, tot ik er bij
neerviel... En ik ben bang, dat ik ’t doen zal op een keer—tòch... nà
alles...”
Hij brak af—staarde voor zich uit, verloren in zijn bittere gedachten.
Na een poos keek hij op en zag naar Hester; zij zat gebukt, als onder
een plotselingen last, en zag hem aan met zware, doffe oogen.
Toen begreep hij wat hij haar aangedaan had; zijn woorden waren een
openbaring geweest van iets vreeselijks... de mogelijkheid van een
onafzienbare ellende.
Hij sloeg zijn armen om haar heen, zelf ontsteld door de uitwerking van
wat hij gezegd had.
„Hester,—ik heb ’t immers nooit gedaan,—liefje, ik zei ’t veel erger
dan ’t was,—nu ik jou heb, zou ik immers nooit zoo kunnen worden.”
Hij meende het, het leek hem nu plotseling zelf onmogelijk, dat hij er
ooit aan zou toegeven, als hij niet wilde. Het leek hem nu of de strijd
en de verzoeking niet zoo groot waren als hij wel gedacht en zooeven
gezegd had,—en hij verweet zich, het Hester te hebben gezegd; het zien
van haar smart deed hem de zijne minder voelen, hergaf hem zijn
veerkracht. Schijnbaar luchthartig wilde hij haar troosten.
„Liefje, kijk niet zoo bedroefd,—waar ben je nu bang voor? Ik zal ’t
immers niet doen! O, Hester, wat doe je...”
Ze viel voorover in zijn armen met een doffe klacht, gewond in haar
teerste, dierbaarste illusie, in wat zijzelf zoo onbevlekbaar hoog
hield; gewond in wat was geweest het mooiste in haar leven.
En hij had ’t zelf gedaan.
Dat was ’t erge.
Had een ander hem beschuldigd van ’t grofste, ’t laagste, zij zou het
nooit geloofd hebben, zij zou ’t vergeten als iets, te min om zich met
hem te vereenigen.
Zij zou ’t vergeten geweest zijn, den eersten keer dat zij zijn gelaat
gezien, zijn stem gehoord had.
Maar zijn eigen woorden, zijn eigen gebaar en oogen, toen hij dàt zei,
kon zij nooit vergeten.
En ze zat stom en staarde in een duisternis van wanhoop.
„Kòn dat, kòn dat, Eli, was hij bang dat hij...?”
Eli zweeg, hij trachtte niet meer haar te overtuigen—hij hield haar
stil in zijn armen, bewust iets te hebben gebroken in haar vertrouwend
geluk.
Maar Hester kon dit niet lang dragen.
Na haar eerste wanhoop kwam terug haar sterke liefde, die immers alles
dragen zou. Nu was dit gekomen.
En tegelijk het gewoon-menschelijke dat vroèg misleid te worden.
„Eli, ’t was niet waar, hé—niet zoo erg, als je zei,—dat meende je
niet,—je zei ’t maar in je...?”
Ze haperde, ze kon geen woorden vinden om zijn zwakheid te verdedigen;
zij had hem altijd zoo sterk gedacht.
En Eli voelde, dat zij rondtastte als een blinde, waar zij haar
algeloof in hem verloor; hij zag in met pijnlijke helderheid, dat als
hij eens vernietigde haar geloof in hem, hij haar leven zou gebroken
hebben.
Hij zag dat zij nog altijd een antwoord van hem wachtte, haar oogen
angstig naar de zijne, nog met dat iets gebukte in haar houding, alsof
zij opnieuw een slag vreesde.
„Nee—’t is niet zóó erg—maar ik kan dien angst nooit heelemaal
wegdenken, als ik me verlaten voel...”
„Zou je,”—vroeg ze zacht, „zou je ’t niet een beetje helpen, als je
bedacht, hoeveel ik van je hou—wat je voor mij bent—dat ik alles voor
je zou willen doen...?”
Ze zweeg, hulpeloos, smartelijk getroffen plotseling door haar eigen
woorden.
Dat hàd hem immers niet geholpen—dat wist zij nu toch...
Hij zag haar aarzeling, den pijnlijken trek om haar mond; hij zag haar
zoo liefde-bereid, zoo zacht en nederig, en zoo groot in haar zwijgende
kracht.
En in een stillen eerbied nam hij haar in zijn armen, en hield haar aan
zijn borst, en zei tot haar wat hij in dat oogenblik zelf waarachtig en
eerlijk geloofde.
„Ik zal deze laatste dagen tot niets maken en nòg eens opnieuw met
mijzelf beginnen,—ik weet nu dat ik ’t zal kunnen,—want vanavond ben je
me zooveel nader gekomen... het zal nu wel beter gaan—ik heb weer
moed.”
Zij geloofde hem; ze zei het hem herhaaldelijk, terwijl zij hem
hartstochtelijk aan zich klemde. Nooit kon ze zijn bleek gelaat zien en
zijn oogen, stralend in de hare, en niet gretig gelooven de woorden van
zijn mond.
Een poos zaten zij stil, niet sprekend.
Buiten was de wind hevig geworden; in bulderende vlagen loeide hij om
het huis.
Eli zag op, huiverend.
„Wat ’n weer! Dat dood-melancholieke van dien huilenden wind over ’t
vlakke land.”
Hester lachte zacht; voor haar was ’t niet melancholiek, zij hield van
dat geluid, dat hoorde bij ’t land, en de menschen, waarmee ze
vertrouwd was van kind-af.
„Misschien zal ik ’t ook eens goed vinden, als ik hier zit met jou als
mijn vrouw; dan zal mij niet veel meer hinderen.”
„Dat gebeurt immers—dat komt toch,—” zei ze met diezelfde vertrouwende
rust.
En onwillekeurig werd hij ook rustig.
„O Hester, ’t zal zoo’n groot geluk zijn.”
Ze antwoordde niet, maar zag hem aan; haar oogen straalden.
Samen liepen ze terug naar de smidse.
De wind was bijna een storm geworden, met moeite tobden ze er tegen in.
„Kom je niet binnen?”
„Nee.”
Maar er was geen smart meer in zijn stem.
„Dag lieveling.” Hij kuste haar.
Maar half onbewust hield ze hem vast, toen hij weg wilde gaan.
Voor ’t eerst was een angst in haar voor hem, voor ’t eerst had zij het
gevoel over hem te moeten waken.
„Wat is er?” lachte hij.
Zij liet hem plotseling los, en kuste hem snel en gleed naar binnen.
Maar Eli, toen hij alleen terugliep, was niet ongelukkig, maar zooals
de laatste dagen.
Nieuwe moed deed hem de dingen lichter zien; voor ’t eerst dacht hij
weer aan ’t werk, en zijn wanhoop was weer voorbij.
Hester lag lang te denken en sliep niet.
Wat is ’t, dat aansuist over de heide, dat zingt en klaagt in de toppen
der pijnen,—dat zwelt,—en zinkt—en zich verheft—en dat eindigt
nooit....?
Het is de wind.
Dat komt van verre—en zingt van zoo nabij—dat is in de dagen en in de
nachten?
Niets dan de wind....
— — — — — — — — — — — — — —
Over de landen, over de bergen en zeeën vloog de wind.
En van de landen, de zeeën zijn klanken gestegen—duizenden.
Het lied van den vogel, die in de luchten stijgt—en jubelt om het
zonnelicht, dat wijd uitstraalt over de wereld.
Het eerste stamelen van een kinderstem—een kinderlach—woorden van
liefde, blijde woorden van alles hopende, alles verwachtende zaligheid.
Het zachte zingen der moeder aan de wieg van het kind—het slaapliedje
zingend in trotsche blijdschap—slaapliedje zingend in smarten en angst.
Het liedje, waarmee de kleinste vogel zijn wijfje lokt—zingend van
wonder, onbekend geluk—dat komt, dat kòmt—in den zachten stillen
zomeravond.
Klanken, woorden van menschenverlangen, onbevredigd.
Klachten en tranen.
De smartkreet van het moederschepsel, dat zich haar jongen ziet
ontroofd.
De triomfkreet van den sterke....
Honderden smarten van het kwetsbare menschenhart.
Van rusteloos trachten—en wanhopig mislukken.
Gebeden van berusting—van bukken onder ’t Lot.
De machtelooze klacht van een stervende—een eenzaam verlorene, mensch
of dier op de groote aarde.
Vragen—eeuwige vragen.
— — — — — — — — — — — — — —
En de wind nam het alles in zich op, en droeg het voort als één groote
Stem—het Eeuwig Lied van de duizenden klanken—door de Oneindigheid der
Tijden.
Hoort! hoe het ruischt en zingt in de hooge pijnen—zoo zacht, nauw
hoorbaar.
Maar altijd door.
Liedeke van rust, van zachten weemoed—van teeder geluk.
Maar dan—kan het aanzwellen, plotseling.
Het is een kreet van kracht, een hartstochtelijke stem van strijd en
smart.
Hoort!
’t Is de storm! die uitbarst, en te pletter slaat, wat hem in den weg
is; die de sidderende pijnen rukt uit hun eeuwenouden bodem, en
neersmakt als riet.
Daartusschen klachten van eindeloos leed, die aangillen over de vlakte
met geween en gejammer.
Hoort!
In den zwarten nacht dondert hij voort, en zweept de hooge
wolkgebergten, en slaat neer op het oude bosch, dat de grijze eiken
beven in hun wortels....
Eindelijk—in den morgen trekt hij terug; langzaam, met korte bulderende
vlagen nog, woedt hij uit—en legt zich weer... Alleen in het bosch
ruischt het en suizelt nog ongedurig—en de pijnen schudden trillend hun
fiere kruinen, alsof een ruwe hand hen te forsch beroert.
Wat is het, dat klaagt en zingt in de hooge luchten?
Dat is in de dagen en in de nachten?—Dat zelfs niet rust in den
stilsten nacht...?
’t Is de wind.
XIII.
De zomer was nu voorbij; het stille najaar kwam met korte, heldere
dagen en lange sterrenavonden.
En het was alsof alles nu beter en helderder was in dezen tijd.
Het volk werkte opgewekt; de groote grief van Georg’s dood scheen
vergeten en zij waren gewilliger, makkelijker te leiden dan lang te
voren.
Eli zelf was beter na den avond, toen hij Hester zijn angst had
toevertrouwd; zijn leed voelde hij verder van zich gaan, en het maakte
hem rustiger, blij weer onder den prikkel van den arbeid. Jong vroolijk
dikwijls in den dagelijkschen omgang met Hester en de Rossen.
Hester leek dien avond een booze droom toe, die zijzelf vergeten dacht:
maar diep in haar was iets gebleven.
Het was zóó geborgen, zóó bezonken, dat het zelden zich openbaarde;
maar het kon terugkomen, na dagen, weken,—plotseling, om een
kleinigheid: een even kwellende angst als hij wat later kwam,—een snel
getroffen opletten, als zij zijn naam hoorde noemen en niet wist in
verband waarmee,—het scherp opmerken van een kleine verandering in zijn
gezicht... En toch was het zoo zeldzaam, dat het feitelijk vergeten
scheen.
De zorg voor het geld bleef bestaan; maar in dezen tijd kon het Eli
niet verontrusten.
Eens vroeg Hester er naar; toen had zij zijn gezicht zien verduisteren,
en hij zei, langzaam, terwijl hij uitzag in den heerlijken frisschen
najaarsmorgen:
„Het geld—och, misschien komt alles immers nog terecht. Heb je ooit
zulke heerlijke dagen gekend, als deze prachtige Octoberdagen—ze zijn
als een bad na dien heeten zomer... en ik weet niet hoe ’t komt, maar
ik ben tegenwoordig zoo gelukkig, zoo rustig ook. En dat wou ik zoo
graag vasthouden, zoo lang mogelijk, daarom denk ik daar maar niet aan.
Zie je, ik wil ’t niet zelf moedwillig verkorten, ’t lijkt me haast
zonde toe, en dat moet jij ook niet doen,—als ’t komt zal ’t vroeg
genoeg zijn...”
Hester vroeg toen nooit meer; in dit was haar voelen wijzer dan haar
verstand, dat sprak tot haar van geluk laten leven, waar ’t zoo
moeielijk geboren werd; van niet ingrijpen, maar làten geschieden, tot
de tijd, die komen moest, gekomen zou zijn.
En zoo bleef het. Het was alsof in de menschen ook alles rustig wachtte
evenals de natuur.
Want nóg was de ruwe herfst, met zijn kouden wind en geeselende
regenvlagen niet daar. In de koele, blauwe lucht staken de boomen hun
gele bladerkruinen,—de zon bestraalde de oude kastanje, die stond in
gouden pracht, en om de huisjes der boeren wies de roode wingerd
weelderig. En in die windstille zonnedagen, als de blauwe nevels zich
weefden over het land, prijkte de roode en goudgele najaarsheerlijkheid
onverstoord.
„Het is mooier dan van den zomer”, zei Eli dikwijls, want het was alles
zoo koel en rustig en schoon, en telkens als hij dat zag, werd hij ook
rustig.
Maar Hester dacht terug aan dien blijden vroegzomer, toen alles jong
geluk was voor haar, en nog geen zorg om Eli was gekomen, en zij
behield dièn tijd als het dierbaarst in haar herinnering.
Tusschen Berend en Eli was een vriendschap ontstaan, een zonderlinge
sympathie van den zwijgenden, rustigen werker voor Eli, een intuïtief
begrijpen van dat rusteloos strijden en dien moeielijken arbeid, dat
smartvol falen van een eerlijken, goeden wil; Berend begreep dit beter
dan iemand anders.
Eli voelde dit; hij zat dikwijls bij Berend, en zag zijn werken aan—en
langzaam aan vertelde Berend iets van zijn illusies, van Foeko, zijn
zoon... Foeko die nu werkte om den grooten prijs te behalen, waarvoor
het onderwerp was: „Overwonnen.”
Hij wachtte elken nieuwen brief weer met brandend ongeduld; in den
laatsten schreef Foeko:
„Is ’t niet prachtig, vader? Ik heb ’t in mijn hoofd, ik zie ’t. Wàt
een onderwerp! Een man in de kracht van zijn leven, en de bittere
uitdrukking van het overwonnen zijn moet gebeiteld liggen in den
kop.—En ik denk, dat ik ’t zal kunnen;—maar vader, geef me meer geld,
ik heb ’t zoo noodig; dit leven van bekrompenheid en halve armoede
drukt me, ’t ontneemt me elke bezieling...”
De vader dacht lang over dien brief.
„Ja, ’t was waar, hij zou ’t volbrengen—hij kon ’t—o goddank, dat ’t
hem nog gegeven was iets bij te brengen aan ’t kunstwerk van zijn
zoon...”
In die lange dagen en avonden, als allen om hem heen waren, als alles
in de smidse was vertrouwelijkheid en onderling stil geluk, zat hij
erbij en dacht niet aan hen, hoorde of zag hen niet. Hij dacht slechts
aan wat zijn zoon hem geschreven had...
Overwonnen.
Voor hem dacht hij het uit, veranderde, verbeterde het honderden malen,
volmaakte het in zijn geest. Soms werd zóó hevig in hem de begeerte,
Foeko’s werk te gaan zien, dat hij bijna bezweek.
Maar hij beheerschte zich; het geld, zoo langzaam verdiend, zoo
moeielijk gewonnen, zou ook blijven waarvoor ’t bestemd was—en Foeko
had nog meer noodig.
En hij ging niet.
Hij vocht het in zichzelf, terwijl hij zoo rustig zat, alsof elke
begeerte in hem gestorven was.
Over de hei wachtte hij telkens den bode met hongerig verlangen; na de
eerste brieven, uitvoerig vol van het werk, schreef Foeko weinig meer.
De vader troostte zich; had hij zelf, als hij verdiept was in zijn
werk, ooit aan iets anders gedacht?
En hij wachtte.
Hij werkte onvermoeid den ganschen dag, tot ’s avonds zeer laat; zoo
dikwijls mogelijk zond hij de geldsommen naar Foeko.
De jongen mocht geen zorg hebben; hij moest alleen het werk wrochten in
éénige schoonheid.
Tine Ross zag haar zoon soms bezorgd aan, maar zij sprak er niet van,
hoe zij dikwijls angstig lag te wachten, tot zij hem ter ruste hoorde
gaan.
Met haar berustende, wijze kalmte zei zij tot zichzelf:
„Hij vindt, dat dit zijn plicht is tegenover zijn kind; dan is het
immers niet mogelijk iets anders te doen.”
En zij wist niet, hoe groot Berends strijd was; hij was begonnen het
werk uit te denken voor zijn zoon, en langzaam, langzaam overwon het
hem.
Terwijl hij het kuischte, volmaakte in zijn geest met onbegrensde
teederheid, werd het langzaam zijn eigen werk, was het, onbewust nog,
weer geworden het oude streven.
Hij dacht nog, dat hij het voelde voor zijn zoon, maar inderdaad had
hij het lief voor zichzelf. Hij zag het nu, heerlijk volmaakt:
Een man, niet jong meer, maar in den krachtigen leeftijd nog, forsch
van gestalte, het gelaat opgeheven met een trek van smart en bittere
ontgoocheling,—de hand gebald langs het lichaam als in machteloozen
opstand tegen datgene wat sterker dan hij, hem overwon; overwonnen door
machten, niets wetend van zijn strijden en droefheid, die vermetel
namen waarnaar hij heeft gestreefd en gewacht met levenslangen
honger...
Hij zag het—zàg het.
In stille nachten stond het voor hem, tartend, verleidend, hem
bindend,—zag hij het beeld volmaakt, zich uitdrukkend in elken trek van
het gelaat, elke spier van het lichaam.
Hij zag het, zooals hij nooit te voren een werk had gezien en
doorvoeld.
Hij smachtte te gaan naar Foeko en ’t werk te zien—ééns maar! Maar hij
deed het niet.
Den volgenden dag zat hij weer en werkte.
En niemand van allen, die dagelijks om hem waren, niet zijn moeder die
hem liefhad boven alles—vermoedde iets van dat vuur, dat laaide en
gedoofd werd, en weer oplaaide en wéér werd gedoofd—niemand wist iets
van dien waarlijk grooten en zwaren strijd.
Op een nacht hoorde de oude vrouw gerucht in de werkplaats.
Toen stond zij op, en sloop er heen, en zelf in ’t donker, zag zij in
’t flauw verlichte vertrek. Berend Ross stond bij het slecht brandende
lampje en in zijn hand was een kleine klomp klei, die hij langzaam
vormde.
Tine begreep; het was zijn gelaat, dat ’t haar zei...
Zijn gelaat, dat nu voor haar opleefde, zooals zij het vroeger altijd
gezien had.
De geduldige, zwijgende, berustende werker was weg—hij stond daar met
stralend gelaat, oogen wijd open, verloren—zalig. En zijn handen
arbeidden, vervormden met onzegbare teederheid de klei tot het heerlijk
beeld in zijn geest—het beeld, dat alleen voor hem bestond...
Daar was niets anders.
Er was geen nacht, geen kou en geen slecht licht; er was geen tijd,
geen plaats; er bestonden geen menschen, geen wereld, geen herinnering
en geen toekomst. Daar was alleen volmaakt geluk.
Tine Ross zag het, doorvoelde het plotseling met scherpe pijn. Zij had
gedacht, dat hij tot haar was teruggekomen, een droeve, maar tevredene,
die de hoogste levenswijsheid had geleerd; nu kon zij hem geven, wat
hij noodig had, liefde, troost—nu mocht zij het hem geven.
Maar dit was niet het gezicht van een, die geen begeerte meer kent, en
den eenigen vrede gevonden heeft.
Dit was het oude, dat altijd geleefd had; zij had het vernietigd
gedacht, en het was weer opgestaan, het had hem weer veroverd, vervuld
met algeheele zaligheid... Het rukte hem weer van haar weg. Het kon hem
niets anders geven dan leed, en toch was het sterker dan zij, het was
de vloek van zijn leven, met zijn vreemde macht van grootste zaligheid
en diepste ellende, en het was sterker dan zij met haar onwrikbare,
trouwe liefde.
Sterker dan zij...
Zij ging terug naar haar eigen, klein kamertje: er was iets bitters,
onbegrepens, dat haar weg deed gaan van hem éér hij haar zou zien; en
daar lag zij, en trachtte het uit te denken—maar zij kon het
niet—altijd stootte zij tegen dat ééne.
En zij schreide, in machtelooze droefheid, met langzame trage tranen,
zooals zij niet had geweend in de jaren, dat hij van haar weg was.
Eerst in den morgen hoorde zij hem ter ruste gaan.
Den ganschen dag zat hij en arbeidde geduldig, zwijgend.
XIV.
Jozef Laret was teruggekomen; hij zat tusschen het volk, en vertelde
het groote nieuws, dat hij zeker wist, want hij had het gehoord van
Michiel Baak zelf.
Eli was bij Michiel gekomen om geld te leenen; maar een tweeden keer
zou Michiel het niet geven, want van de heele Kloeve was dit jaar niets
terecht gekomen.
Was dit waar? Zeker waar?
Zij vroegen het Laret, onrustig, hun wantrouwen, hun bijna gestilde
wrok opnieuw gewekt.
Laret knikte.
„Het wàs waar, hij had ’t immers van Michiel zelf.”
„Dus—als Eli geen geld krijgt van Michiel kan hij ons niet betalen.”
„Natuurlijk niet.”
Heftiger kwam de wrok terug; zij dachten nu niet aan andere winters,
als zij óók niet verdiend hadden, zij dachten alleen, hoe Eli hun vast
loon voor den winter beloofd had, en dat zij het niet zouden krijgen.
En vergaten, dat zij vroeger dat vaste loon ’s winters niet geteld
hadden.
Eli wist, hoe de wrok steeg; Larets terugkomst was ’t begin van nieuwe
ellende.
De goede, heldere dagen van het mooie najaar waren voorbij; bijna
voortdurend hing de lage nevel droef over de uitgebloeide heide; en in
die kille naargeestigheid kwam de oude zorg sterker terug.
In dezen tijd begon Eli weer te drinken; in de slapelooze nachten tobde
hij, en martelde zichzelf af.—Moest hij weer naar Michiel gaan—moèst
het werkelijk? Er was immers niet anders?—Het werk meteen laten
ophouden, ja,—maar dàt ’t eind van al dien strijd, van al dat
vreugdeloos getob—het moest maar voortgaan, dàn zou hij wel naar
Michiel gaan.
God, wat haatte hij het, om daar aan te komen, en te beginnen... en die
kerel, die daar maar zat en niets zei en ’m aankeek—Eli Bag, die kwam
vragen bij hèm...
En in plotselinge wanhoop dacht hij: „Zou ooit een ander zóó onder zijn
rampen lijden als ik?—ik gà niet—dat doe ik niet meer...”
Maar den volgenden dag ging hij toch naar Michiel Baak.
Toen hij binnen kwam in het dompige kleine huis, waar Michiel aan de
tafel zat, en iets op een groot stuk papier schreef, kwam in Eli de
bittere, hevige afkeer terug van wat hij hier kwam doen.
Michiel lichtte zijn zonderling onbewegelijk gelaat op, en keek met
doffe oogen naar Eli, zonder een groet.
Eli begon onmiddellijk:
„Ik heb geld noodig en...”
„Dat is de kwaal van allemaal die hier komen,” viel Michiel hem in de
reden met een kort lachje.
„Ik vraag of je mij helpen kan,” zei Eli scherp met droge lippen.
De ander zag hem schuin aan, met een enkelen snellen oogopslag.
„Een Bag, die vragen moet, dat gaat ze niet af—” Hardop zei hij:
„Hoeveel?”
„Het is niet noodig de som te noemen, als je misschien van plan bent,
’t niet te doen.”
Michiel knikte langzaam:
„Ik doe ’t niet.”
„Onder geen voorwaarde?”
„Och, voorwaarde—we weten allemaal, Eli Bag is trotsch—maar wàt voor
voorwaarde kan hij nog stellen!”
Er was iets in Eli’s gezicht, dat den ander aarzelen deed nog verder te
gaan.—Minder scherp zei hij:
„Ik leen niet, als ik niet weet, dat iemand kan aflossen; je kàn niet
aflossen,—en aan de menschen hun goed kom ik niet.—Zoo is het.”
Eli stond op; een onzinnige begeerte sidderde in hem dien man te doen
boeten voor zijn laatdunkende, beleedigende woorden; maar hij bedwong
zich, hij keerde zich om en ging heen.
Michiel zag hem na; met een flauw lachje boog hij zich weer over zijn
berekening; in hem praalde hoog zijn trots: nóódig te zijn; ze hadden
hem noodig, allemaal—èn hij had nog nooit iemand zijn goed ontnomen.
Daarvoor had hij een zonderlinge vrees.
Eli liep langzaam den weg terug.
Het was nu wèten—zekerheid, er was nu geen uitweg.
Ophouden dan...
Het werk kon nog voortgaan, een maand misschien—hóógstens—dàn... En hoe
langer hij nog voortging, hoe zwaarder het hem zou worden den termijn
uit te betalen. Die belofte—die ze hem hadden afgeperst...
Hij beet zijn tanden op elkaar, en in stugger, onbuigzamer koppigheid
dan ooit zei hij tot zichzelf:
„Het zoù voortgaan, zoolang als het kon nog—zoolang er nog eenige
mogelijkheid was zou hij voortgaan...”
Maar diep in hem was toch de bittere zekerheid, dat het niet lang meer
duren kon.
— — — — — — — — — — — — — —
Dicht bij Lode stond Maarten Ross op den weg.
„Ik wist dat je naar Michiel was, ik wou je wat zeggen.”
Maartens eerlijk, groot gezicht zag ernstig Eli aan.
„Ik weet niet, hoeveel je op ’t oogenblik noodig hebt, maar ’t is toch
zeker maar tijdelijk,—nou wou ik je zeggen, ik kan je misschien zóólang
helpen,—’t is niet veel wat ik heb, maar...”
Eli’s oogen trokken pijnlijk. Dit was erger dan bij Michiel. Met droge
keel zei hij:
„Dank je—’t is niet genoeg.”
Maarten zag hem aan, er kwam een plotselinge vrees in zijn kalm
gezicht.
„Dàt zei Eli—het kon dus niet genoeg zijn...”
„Bedoel je dat ik je zoo’n groote som nooit geven kan,—dat ’t te veel
is?”
Eli knikte.
Maarten zweeg; samen liepen ze voort. Zij dachten beiden hetzelfde:
Hester. Maar voor ’t eerst ziedde in Maarten een wrok op tegen Eli;
zorgde hij zóó voor Hester—moest dit komen in plaats van het goede,
rustige leven dat hij haar had willen geven!
Toen ze bij Eli’s huis waren, zei hij:
„Ik weet natuurlijk niet, hoe je staat—maar drijf het niet te ver—ga
terug als ’t nog tijd is...”
Weer zweeg hij. Eli’s gezicht leek hem vervallen en oud sinds den
vorigen dag... Hier wist hij niet meer te zeggen, en hij ging heen met
toorn en medelijden in zijn hart, en een verlangen te helpen, waar niet
meer te helpen viel.
Eli ging naar binnen.
Hoe kon hij het ooit aan de Rossen vertellen?
— — — — — — — — — — — — — —
En hij zei het hun niet; zij wisten den toestand door anderen, maar
niet ten volle, en Eli sprak er niet van.
Voor Hester was dit bijna ondragelijk; haar angst om hem keerde terug,
zij had geen rust als zij niet bij hem was.
En in dien tijd leed hun verhouding; niet door heftige woorden, niet
door één bepaalde oneenigheid, maar door gedwongen zwijgen. Hester leed
hierdoor het meest.
In Eli was de zorg voor het werk, het geld, reeds zoo groot, dat dit
leed het alleen verzwaarde; maar voor Hester stond Eli boven alles; en
elke smart om hem trof haar heviger dan iets anders.
Eens sprak zij hem erover.
Zij liepen samen in den laten namiddag den eenzamen weg naar Boge.—De
nevels hingen laag en droef over het wijde, barre land, dat stil en
koud droomde en den winter wachtte.
Daar was overal de stille, witte mist, die al dichter en dichter zich
legde over de landen; één koude vrede, waarin onbewegelijk de kale
boomen hun takken opstaken.
Soms viel een zware druppel van een tak, en klekte neer op de dorre
bladeren.
Er was in dat alles een groot wachten; het jaar, dat rustte in droomen
van zachten weemoed, na den zonnigen lichten zomer.
Een kraai klapwiekte loom en laag langs den grond, de zwarte wieken
rustig gespreid.
En die troostelooze eenzaamheid rondom viel zwaar op Hester’s ziel; zij
zag op naar Eli, die stilstond en uitzag over het verre land. En
terwijl hij daar zoo zwijgend stond te staren, zag zij zijn gezicht zoo
bitter en smartelijk, dat zij haar beide handen om zijn arm klemde, en
haar hoofd tegen zijn borst drukte.
Hij zag neer in haar gelaat, en verstond haar stomme vraag hem alles te
zeggen.
Een poos bleef hij haar zwijgend aanzien—toen schudde hij langzaam het
hoofd.
Maar Hester nu dacht plotseling dat zij dit niet langer dragen kon—en
zei alles uit, wat zij zoo lang had gezwegen.
„Eli, ik kàn ’t niet langer uithouden, dat je alles voor me zwijgt,—ik
heb ’t gevoel in den laatsten tijd of je niet genoeg van me houdt,—want
dan zou je mij het eerst vertrouwen...”
Ze eindigde in een snik; langzaam zei Eli het wreede:
„Dien eenen avond—je weet wel—toen heb ik je iets verteld van mijn
ellende—toen heb ik je al zoo teleurgesteld, omdat ik niet was als jij
hadt gedacht...”
Zij zag hem stom aan, met hartstochtelijke smeeking in haar gezicht
niet méér te zeggen.
Hij zag ’t niet, ging door:
„Daarom deed ik ’t niet—ik kon ’t ook niet—ik weet niet, hoe ’t kwam,
dat ik ’t dien avond wèl deed... ik kan ’t je nu ook eigenlijk wel
zeggen,—zóó kunnen we ’t toch geen van beiden uithouden...
„Ik heb geen geld meer om ’t volk te betalen, nog een paar weken—ik
word gek van ’t tobben hoe ’k aan ’t geld moet komen...”
Zij ging aan den kant van den weg zitten, hij kwam naast haar. Zij
zweeg—en zag met niets-ziende oogen uit over het veld.
En zoo bleven zij langen tijd.
Eindelijk keek hij haar aan; het was of de beweging die hij maakte haar
tot besef bracht; zij keerde haar gezicht naar hem toe, haar oogen
waren dof als van tranen, maar zij schreide niet.
„Heb je—al dien tijd die ellende gehad—alleen—en ’t mij niet gezegd?—ik
ben niets voor je geweest al dien tijd—ik kon je niet helpen...”
Haar stem stierf; hij sloeg zijn arm om haar heen, en drukte haar hoofd
tegen zich aan.
Toen zei zij:
„Waarom laat je nu niet ophouden?”
Zijn gezicht werd hard en strak.
„Dat begrijp jij niet—en niemand,—daarom kon ik er niet van spreken.—Ik
kan dat werk, waar ik alles van gehoopt heb, dat mij al mijn krachten
heeft gekost, niet opgeven. Niemand beseft, wat het voor mij is; geen
oogenblik feitelijk dat ik hier was, heb ik geleefd voor mezelf, voor
jou, alles heb ik moeten geven aan het werk,—en zij—ze voelen er niets
voor—en nooit,—dat weet ik nu wel,—als beesten heb ik ze erheen moeten
drijven—ze met geweld aan ’t werk moeten houden—ze willen geld en niet
anders...”
„Ze voelen zich bedrogen,” zei Hester zacht.
Hij schokte zijn schouders op.
„Ik—ik kan ’t niet opgeven—er is toch altijd nog mogelijkheid, dat ik
geld krijg;—als alle hoop is uitgesloten—dan—zal ik ’t doen, dan zal ik
’t hun zeggen...”
„Eli, praat dan kalm met hen—zeg ’t niet zóó—in een booze bui—ze zullen
woedend zijn—ik ken ze... Laat ik er bij zijn als je het zegt—ik heb
geen rust meer van angst.”
Hij lachte kort.
„Angst? dat hoeft niet—waarvoor zou je bang zijn?...”
Hij sprak met een vreemd, onzeker gevoel in zijn hoofd; hij sprak,
alsof ’t hemzelf eigenlijk niet aanging, in het besef, dat hij zeker
wist wat over een paar weken gebeuren zou, en erover praatte alsof er
groote mogelijkheid van uitredding bestond.
Hester zag hem aan; en in haar kwam over haar twijfel en angst het oude
geloof in hem terug; het oude, heerlijke geloof, dat zóó moeilijk zich
dooden liet:
„Hij zou ’t nog in orde kunnen brengen—hij zag ’t beter in dan zij en
de anderen—hij had ’t immers altijd nog overwonnen, waarom dan nu
niet?”
En in die nederige overgave, zichzelf verwijtend dat zij zóó aan hem
had getwijfeld,—zóó gretig in hem willende vertrouwen, legde ze haar
betraand gezicht met enkel liefde tegen zijn wang.
„’t Was dwaas van me—ik weet zeker, dat je alles goed zal maken.”
Hij antwoordde niet; hij legde zijn bevende hand op haar hoofd en kuste
haar zwijgend.
Dien avond alleen, sloot hij zich op en dronk, zooals zijn vader
gedronken had—tot hij vergat...
XV.
Twee weken kropen om.
Nòg ging het werk voort; want de vorst was niet ingevallen, die het
voortwerken onmogelijk maken zou.
En somber, met steeds korter dagen, ging November voorbij.
Soms waren het stille, witte mistdagen, laag en kil over het land; dat
was nog het beste.
Maar dan weer kwamen de dagen, dat de storm den regen onafgebroken
zweepte over de vlakte—en het schoone land van dien zomer werd van een
eindelooze naargeestigheid.
Eli dacht dikwijls: „als het nog zomer was, zou alles zóó ellendig niet
zijn.”
En uiterst vatbaar voor indrukken, den laatsten tijd meer dan ooit te
voren, drukte die altijd grijze, sombere lucht hem ondragelijk.
De vorige week, toen hij ’t loon zou betalen, had hij ’s nachts ’t
uitgedacht: hij zou hun zeggen, dat hij de volgende week niet meer kon
laten werken, dat hij niet in staat was meer ’t loon te betalen. Hij
wist precies de woorden, waarmee hij het hun zeggen zou, en op hun
verwijten antwoorden.
Maar toen hij het loon ’s avonds uitbetaalde, liet hij hen heengaan
zonder iets te zeggen.
Later was dit hem een kwelling, te denken, hoe hij het oogenblik had
laten voorbijgaan; als hij het toen had gezegd, zooals hij zich vast
had voorgenomen, was nu het ergste gebeurd.
Hij kon ’t niet doen.
Toen deed hij een laatste poging; hij trachtte een nieuwe hypotheek op
de Kloeve te krijgen.
’t Mislukte.
En nu begonnen die dagen van ondragelijke kwelling, wetende niet in
staat te zijn aan ’t eind ’t volk te betalen.
Iederen morgen dacht hij: „ik kàn niet vandaag er heengaan en meewerken
of alles is als vroeger.”
En elken morgen ging hij.
Het volk scheen ’t niet te vermoeden.
Toen Eli betaald had, nadat hij bij Michiel was geweest, was ’t
wantrouwen verminderd.
„Als hij nog geen geld had, waar zou hij ons dàn van betalen?” zeiden
ze.
En de oude Brandt vermaande:
„Bedaard jongens. Eli is altijd eerlijk geweest.”
Elken dag was in Eli de verzoeking sterk, den achterweg te nemen, als
hij naar de smidse ging, niet langs de woningen van het volk,—en elken
dag overwon hij zich, en ging er langs en groette, soms zelfs met ’n
enkel woord tot de vrouwen.
Hij dronk veel; als hij het nu een dag liet, was hij totaal verslapt en
uitgeput; iederen dag nam hij zich voor ’t niet te doen, en altijd weer
bezweek hij ’s avonds.
Hester en niemand vermoedde dit, hij verborg het nog volkomen.
Adam wist het; maar hij wist het al lang en had het verwacht.
En bij toeval wist Berend Ross het.
Op een avond, terugkeerend van Geert Dule, aan wien hij zijn werk had
verkocht, kwam hij even bij Eli binnen. Eli had vergeten zijn deur af
te sluiten.
Toen hij binnenkwam rees Eli op, en Berend zag hem half beschonken,
onvast op zijn beenen, hem aanstarend met een woesten schrik in zijn
oogen.
Berend deed toen, wat zijn eenvoudige eerlijke natuur hem zei.
Hij ging niet dadelijk heen, en zag hem niet verwonderd of ontsteld
aan.
Half van Eli afgekeerd, ging hij kalm voor ’t raam zitten, en zei:
„Ik kom net terug van Geert Dule—de heele voorraad is weer weg; en je
weet wel, die dansende beer? daar heeft hij ’t dubbele voor gegeven...”
Eli antwoordde niet, hij zat doodstil ineen gedoken.
Berend sprak bedaard voort.
„Ik heb gedacht, jij was er zoo verzot op en Hester ook, ik zal voor
jullie een nieuwen snijden, dan kan jullie ’m in je huishouden zetten
later...”
Eli maakte een onwillekeurige beweging...
Berend verstond het.
„Och—jullie hebben nou zorg, en je denkt, dat is nog zoo ver, dat zal
misschien wel nooit gebeuren—maar dat zal ’t wel—eindelijk kom je d’r
wel—altijd wel anders dan je vroeger hebt gedacht.”
„Ik zou niet weten—hoe...” zei Eli—„hoe alles voor mij nog goed
wordt...”
„Och, dat begrijp je dan ook niet—dat heb ik ook altijd gedacht—en
nou—wordt ’t toch goed...
„Zie je,—dàn zet je je d’r eens tegen in—en dàn ben je baloorig en
drinkt eens om je verdriet te verzetten—maar dat is voor één keer—geeft
ook al niet... ’t eenige is—je moet maar doorploeteren—je er
doorvechten en—en altijd maar werken blijven—dan kom je er op de een of
andere manier—en ’t zal wel een goede manier zijn dan... en zoo doe jij
ook—natuurlijk, al denk je nou van niet—eindelijk kom je er toch weer
toe. Waarom jij niet? Jij kan meer dan de meeste menschen, als je maar
sterk genoeg bent om vol te houden—is ’t niet met ’t een, dan met ’t
ander.”
„Je weet niet alles,” zei Eli.
„Nee—misschien staat alles wel heel slecht voor je nou—maar als je daar
overheen bent, begin je maar weer wat anders. Zoo hou je jezelf
erboven.”
Eli zweeg; op dit oogenblik was hij niet in staat een indruk op te
nemen—maar later herinnerde hij zich Berend en zijn woorden op dien
avond als iets helders in dien grauwen tijd.
Toen Berend opstond om heen te gaan, vroeg hij:
„Morgen kom je zeker aan?”
„Ja.”
Buiten de deur wachtte Berend even, tot hij Eli van binnen had hooren
sluiten; toen ging hij weg.
Er was iets van ontspanning in Eli gekomen; hij sliep dien nacht
rustiger. Een paar keer werd hij wakker en herinnerde zich Berends
woorden.
„Dan begin je weer wat anders—jezelf er door vechten...”
Berend liep langzaam naar de smidse. Dicht bij huis kwam hij den
postbode tegen. Had hij een brief van Foeko gebracht? Hij schaamde zich
het den man te vragen, drie keer deze week had hij al vergeefs
gevraagd.
Binnengekomen, waar zijn moeder en Hester zaten, wachtte hij even of
zij iets zeggen zouden; zij zeiden het altijd dadelijk als er een brief
was gekomen.
Maar zij zeiden niets.
Stil ging hij naar zijn werkplaats.
En langzaam trachtte hij zich te wennen, niet op te zien, als de bode
langs kwam.
XVI.
Het was de laatste dag.
Eli had niet geslapen: rusteloos woelde hij en tobde het uit. Het was
nu gekomen, dit was nu waarvoor hij gewerkt had, waarvan hij alles had
gehoopt.
Hij had er alles aan gegeven, hij had het lief, eer hij Hester
liefhad—het was alles geweest, waaraan zijn leven, zijn vreugde en
zorgen zich vastknoopten. En de mislukking ervan had hem overwonnen.
Nu was toch alles gekomen, wat hij als jongen al gevreesd had, het werk
zelf had hem gedreven naar de kwaal, die hij erdoor had willen
ontvluchten; al dat mooie, dat hij gehoopt had, en zeker in de toekomst
gezien,—dat was weg—en ’t allerellendigste was ervoor in de plaats
gekomen... Hij wist nu wel dat hij bezweken was in den jarenlangen
strijd.—Wat was ’t langzaam gekomen, hij zag ’t plotseling helder voor
zich—en de laatste weken had hij geregeld gedronken.
Het was tòch gekomen—hij was nu als zijn vader.
Alleen, niemand wist ’t nog—maar dat zou ook niet lang meer duren...
Elken dag had hij ertegen gestreden—en elken dag was ’t hem te machtig
geweest.
Hij had toch ééns gedacht, dat hij sterk was toen hij dit alles
begon—als hij daaraan terugdacht zag hij zichzelf als een vreemde; hoe
had hij het ooit kunnen verwachten!
Machteloos tobde hij den kouden donkeren nacht door; als een
onoverkomelijke verschrikking zag hij den dag voor zich.
Er was geen oogenblik vrees in hem voor ’t volk—voor wat zij hem
mogelijk zouden doen,—hij beefde terug voor de smart, die hij
ondervinden zou, als alles wat met ’t werk samenhing van hem weg zou
gaan; dit was ’t wat hem de vorige week had doen zwijgen, wat hem nu
als nooit te voren lijden deed, wat ’t hem had doen uitstellen van dag
tot dag als een lafaard; hij kòn er niet van scheiden.
Tegen den morgen kwam in hem een algeheele onverschilligheid; de
uitputting na zijn lijden van dien nacht.
Hij stond op, en kleedde zich aan, en wachtte den dag af.
Er was nu in hem geen ellende meer, zelfs geen enkele gedachte kwam
duidelijk in hem op.
Hij wachtte.
Langzaam en grauw zag hij den dag komen; een lage grijze lucht hing
zwaar neer over het dorp.
Op de kleine, armelijke hoeve van Brandt blafte de kettinghond tegen
een kat, en ging toen weer liggen, de kop op de voorpooten... een paar
verkleumde musschen zaten stil in den boom voor ’t huis.
Eli zag dit alles in vreemd dof opmerken... ééns trokken zijn oogen
naar de hut waar de Foksen hadden gewoond—onwillekeurig—zonder leidende
gedachten.
Eindelijk zag hij de mannen naar ’t veld gaan.
„Nu,”—zei hij, onbewust hardop, en ging er heen.
Nog was, terwijl hij liep, die doode onverschilligheid in hem; zijn
gedachten star op wat hij ging doen.
Eens dacht hij iets anders:
„Hester was gisteravond naar Boge gegaan—een zuster van haar moeder lag
daar ziek—ze kwam eerst morgenochtend terug.”
Toen hij aankwam op het werk was er iets in zijn gezicht, dat het volk
stil deed staan en hem aanzien en afwachten...
Eli zag rond—langzaam gingen zijn oogen van den een naar den
ander—traag in zich opnemend de indrukken: die groep mannen stil hem
aanziend onder die onbewegelijke grauwe lucht—en het wijde, droeve land
rondom.
En langzaam begon Eli te spreken, met zachte, eentonige stem, alsof er
iets was dat zijn gedachten wegtrok van hetgeen hij sprak.
„Ik heb lang gewerkt om dit niet te laten gebeuren, en ’t is nu toch
gebeurd... ik dacht altijd het nog te redden—daarom heb ik deze week
nog laten werken, het heeft niet geholpen, ik moet nu laten
ophouden...”
Er was een dof zwijgen, als in niet-begrijpen... eindelijk kwam
beweging onder de mannen.
„Voor goed ophouden?” vroeg een stem.
„Ja—voor goed.”
„En al dat moois, dat je beloofd hebt—waar blijft dat—is dat allemaal
uit?”
Eli’s hoofd wendde langzaam naar den kant, vanwaar de stem kwam; hij
zàg niet—er was iets in ’t zonderling langzame, duldende van zijn
bewegingen, dat deed denken aan een blinde.
„Ja—dat ’s uit,” zei hij op denzelfden zachten toon.
Een man drong naar voren, ’t was Baats.
„Dat ’s gemeen van je—je hebt ons bedrogen—je hebt ons voorgepraat van
alles—en toen wij konden uitscheiden, heb jij ons er weer toe gebracht
door te gaan,—nou ’t je zelf niet meer schikt, nòu mot ’t maar uit
zijn—maar je hebt te denken aan òns nou...”
Eli zag hem aan; met diezelfde zachte doode onverschilligheid, als
onder een vreemden dwang, zei hij àf, als een kind, wat hij te zeggen
had.
„Het is alles voor goed gedaan.”
Er kwam een groote opschudding nu,—gesmoorde dreigstemmen, die
uitbarstten hier en daar; maar Eli, zooals hij daar stond, zijn gezicht
vervallen, bijna stil berustend, als een die na langen strijd rusten
moet, zijn zachte stille stem—het was alles zoo anders dan vroeger, het
leek niet meer op Eli, het was niet zijn stem en zijn woorden, en het
hield hun toorn gevangen in een vreemd gevoel van vrees.
Zoo zwegen zij weer; toen ging de oude Brandt naar Eli.
„Eli, de jongens moeten ’t geld van de twee maanden toch hebben—dat
gaat zoo niet.”
De oude man, het gezicht verstrengd nu in strakheid van trekken, schrap
staand voor zijn jongere makkers, zag in gespannen verwachting Eli aan.
Iemand drong zich naast Eli.
Dat was Maarten Ross.
De mannen gingen terug. Maarten had grooten invloed in ’t dorp—er kwam
iets van vertrouwen in hen terug, nu een Ross zich plaatste naast Eli.
Eli sprak niet.
„Eli, zeg dan, wanneer wij ’t loon uitbetaald krijgen,—’t loon van de
drie maanden.”
Maartens gezicht trok strak.
„Beloof niet overijld—en vraàg niet overijld—praàt ’t samen, Eli...”
Voor ’t eerst toen scheurde in Eli de stugge kalmte, en in plotselingen
angst dreunde het in hem op: het geld, dat zij eischten—dat betaald
moet worden—dat hij niet had—waar zou hij ’t vandaan halen...?
Toen zag hij op; zijn gezicht veranderde, zijn oogen straalden met een
kouden, harden glans.
„Het zal betaald worden.”
„Geef een borg!” riepen ze luid—ongeduldig driftig.
... „Een borg! Wat voor zekerheid geeft hij—hij heeft ook niet gehouden
wat ie vroeger beloofde... niks... een borg...”
Maarten duwde krachtig Baats, die naar voren drong, terug.
„Ik”—begon hij langzaam en vast—„ik wil...”
„Ross is borg!” schreeuwde Loes—en in plotseling gezonken drift, zeiden
zij zacht onder elkaar—„Ross is borg...”
Toen was Eli’s stem, koud, helder:
„Ross is geen borg—dat is niet noodig. Ikzelf geef mijn woord...”
Er viel een stilte—waarin zij allen stom zagen naar Eli, die zóó
gevallen, zich met zijn ouden hoogmoed boven hen plaatste... Brandt
keerde zich om.
„Je hoor ’t, jongens, Eli geeft zijn woord—dan moeten we dat
vertrouwen... ga nou maar naar huis,—d’r is nou niks meer te doen...”
Onwillig gingen ze,—liepen langs Eli norsch en zwijgend; en hij stond
en zag hen heengaan—een voor een...
Brandt ’t laatst, met gebogen hoofd; toen hij bij Eli kwam zag hij op,
met een brandend verwijt in zijn oud gezicht.
„Ik heb erin geloofd—wat je allemaal zei,”—sprak hij heesch—„’t was
moòi—’t was iets moòis—ik heb er op mijn ouden dag hard voor gewerkt—èn
verlangd dat ’k er nog iets van zien zou—nou is ’t allemaal niks...”
Hij liep door, met sloffende, moede voeten.
Eli zei niets; hij zag den ouden man na, met dien harden, scherpen
glans in zijn oogen...
Iemand raakte hem aan; hij keerde zich om en zag Maarten Ross naast
zich.
Toen viel Eli’s gezicht in, het werd weer oud en vervallen, en met
dezelfde vreemde, eentonige, zachte stem, als waarmee hij in ’t begin
had gesproken, zei hij:
„Dank je—dàt je me helpen wou.”
Maarten schudde het hoofd; met moeite sprak hij de woorden, die
vriendelijk moesten klinken:
„Ga mee naar ons, en blijf daar.—Ga niet alleen zitten,—we kunnen
allemaal erover beraadslagen wat je zal doen....”
Maar Eli antwoordde niet; even stond hij stil en keek naar het bewerkte
stuk hei... toen liep hij naar huis met snelle, onvaste schreden, in
een wild verlangen alléén te zijn.
— — — — — — — — — — — — — —
In zijn eenzaam huis zat Eli nu—onbewegelijk, met stille, strakke
oogen.
Het wàs nu uit—het wàs gedaan—er was niets meer.
Zelfs de angst, die de vorige weken gevuld had, was er niet meer.
Alles was gebeurd, zooals het gebeuren moèst.
Er was hem niets bespaard—niéts.
En nòg wisten zij niet, dat zijn belofte het geld te betalen van geen
waarde was....
Als hij had kunnen stèrven, toen hij daar stond, dat zou goèd geweest
zijn—maar niet zich zóó vernederen, niet zich moeten laten welgevallen,
dat een ander borg was—niet moeten zeggen, dàt hij niet wist of hij
betalen kòn...
Dàt niet...
Hij kromde zich, zat geknakt onder het bewustzijn, waartoe hij was
gedreven...
Hij had zijn woord gegeven—en zij hadden hem geloofd.
Dat was nu ’t eind—dat was ’t volk, waarvoor hij eerlijk had willen
werken; hij had hun het geld beloofd, terwijl het niet in zijn macht
stond iets te beloven; maar dat ééne oogenblik van diepe ellende had
hij niet óók nog kunnen dragen: de vernedering hun te zeggen, dat hij
hun schuldenaar moest blijven.
Nu was ’t nog niet gedaan—nu moest dàt ook nog komen.
Hij zat daar en staarde met strakke, droge oogen: een overwonnene.
Wat alles had kùnnen zijn, wat hij had kùnnen volbrengen, dat was te
niet gedaan door tegenspoed, op een tijdstip dat hij niet in staat was
het als een sterke te dragen.
Hij was bezweken nu—maar inderdaad wàs hij reeds overwonnen geweest van
het eerste oogenblik af dat de tegenwerking begon: hij had iets groots
kunnen wrochten als het Lot met hem was geweest, maar hij was te zwak
om zich staande te houden in een kwellenden, langen strijd.
Er was nòg iets: hij zag het licht niet, dat zóó dicht bij hem was...;
hoè hij Hester liefhad, hij had toch nooit die groote, belangelooze,
geheel zich gevende liefde kunnen peilen, niet den vollen omvang ervan.
En daarom kon zij hem niet redden.
Zelfs nu dacht hij niet aan Hester als aan een toevlucht; waar hij
altijd zou ontvangen worden met een liefde die niet kòn veranderen, die
liefde begreep hij niet in haar.
Hij dacht alleen dat hij nu zelf bij haar alle geloof in hem moest
vernietigen; hij had haar leven verwoest, hij had haar niets dan
ongeluk gebracht...
— — — — — — — — — — — — — —
Het volk was stil naar huis gegaan; in den avond zaten velen om ’t
groote vuur bij Loes—en bespraken het over en over, in een grimmigen,
half voldanen, half bangen wrok.
„De winter—die nou kwam... er was niet gespaard...”
„Zoo’n bedrieger—wat hebben we nou?...”
„Zoo iets had Jelle ons nooit gedaan... hij heeft niks van Jelle.”
„Ik geloof, dat hij ’t eerlijk gemeend heeft,”—zei Baats, „maar ’t was
een stom verzinsel...”
„En wij draaien d’r maar voor op.”
„Hij moet ’t geld nog uitbetalen.”
„Ja—dàt moet ie...”
Brandt sprak niet mee; met doffe oogen zat hij te suffen in den hoek
bij ’t vuur.
Maar Maarten Ross ging dien avond twee keer naar Eli’s huis; hij kreeg
geen gehoor...
Langzaam en bezorgd ging hij weer naar huis.
„Weer voor niets,” zei hij binnenkomend, waar grootmoeder en Berend
zaten.
Tine Ross zag op.—„Goed dat Hester pas morgen thuiskomt,” zei ze.
Berend bukte zich weer over zijn werk.
„Dat gaat mis,” mompelde hij, „’t helpt niets, Hester moet ’t maar
weten,—zij is de eenige, die er misschien wat aan doen kan...”
„Hij drinkt,” zei Maarten kortaf,—„ik wist ’t al een poos.”
Grootmoeder Ross zat lang zwijgend, een strenge trek kwam om haar mond.
„Als Hester ’t niet weet, moèt ze ’t weten,—waarom verzwijgen jullie
zoo iets...”
Maarten fronsde het voorhoofd.
„Als je van iemand houdt,” zei de oude vrouw toornig,—„niet zooals die
gek van een Wirs vrijt met Mina Baats,—maar zooals wij hier houden van
onze mannen en vrouwen, is hij je dan minder lief omdat hij ziek is of
ongelukkig? Eli kòmt er wel weer bovenop—maar hij moet gehòlpen,—dat
ongeluk heeft hij van zijn vader... ik ben er wel bang voor
geweest—maar toen ik wist, dat zij van hem hield, heb ik niks meer
gezegd,—dàn valt er niks te zeggen,—dat is ’t mooie, ’t goeie, wat voor
ieder mensch komt, vroeg of laat, en dat mag je ’m niet afnemen...
Jullie wèten ’t en zèggen ’t niet!! Wat denk je van Hester?—dat zij
niet flink genoeg is?—ze heet Ross—zij moet ’m helpen.”
„Ze wist ’t,” zei Maarten zacht... „dàt was haar onrust...”
„Zoo?”
Tine Ross zag haar kleinzoon aan, voor ’t eerst begon ze iets te
begrijpen; ze klemde de lippen opeen, en zweeg.
Dien nacht viel de eerste sneeuw.
XVII.
Laat in den avond, toen alles sliep, ging Adam Feke naar Eli’s huis.
Eéns klopte hij; toen niemand kwam stak hij een sleutel in ’t slot, en
opende de deur.
Het huis was stil en donker, hij liep de gang door, en kwam in Eli’s
kamer.
Eli sliep.
Adam stak het licht aan; op de tafel zag hij een leege flesch.—Hij borg
haar weg,—toen bukte hij zich over Eli heen, en keerde hem een weinig
om, om hem in ’t gezicht te zien.
Hij werd niet wakker.
Adam liet hem zacht weer los; een poos zag hij hem aan, zooals hij lag,
zijn hoofd op zijn arm, zwaar snurkend; daarna zette hij het licht op
de tafel, en ging op een stoel naast ’t bijna uitgedoofde vuur zitten.
De nacht viel...
En Adam zat en luisterde naar al de geluiden van nachtstilte—die hij
kende en herkende als oude vrienden.
Maar later in den nacht was er iets nieuws.
Iets dat zacht neergleed langs het venster.
Adam stond op, en zag uit.
„De sneeuw,” zei hij, „ik verwachtte ’t...”
Ook die zag hij terug als een oude bekende; dat was nu de winter—dit
werden weer de avonden als hij bij ’t vuur zat, en de wereld lag wit om
hem heen; dan was er een rust in al dat wit, die de zomer en de herfst
niet gaven; dit leek zoo goed en zoo rein, alsof het ’t eind was van
alle dingen.
Hij keerde terug naar ’t vuur; vroeger had hij dit niet zoo gevoeld,
toen dacht hij ’t einde anders, verlángde het anders.
Nu niet meer—hij wist nu, „Het Einde” kon nooit anders zijn, hij kon
het zich nooit anders meer denken dan blank en rustig...
Eli kreunde zacht... Adams gedachten trokken naar hem.
„Voor hèm ook—voor Eli ook. Hij stond er nu nog midden in,—overal òm
hem de ellende,—dat gebeurde zoo in je leven,—alles tegelijk, en dan
was je wanhopig,—maar je kwam er uit,—en dan later—véél later, Het
Einde—stil verlangd, rein... voor hèm ook—Jelle’s kind...”
De nacht verging... de sneeuw viel snel en dicht, en begroef alle
herinnering aan zomer, in strak-wit.
XVIII.
Hester zou dien morgen terugkomen.
Om tien uur kwam Maarten binnen bij Tine.
„Ik ga Hester tegemoet,” zei hij.
De oude vrouw zag hem aan.
„Uit je werk? De sneeuw ligt niet zoo hoog—ze kan den weg wel houden.”
Hij zweeg en keek naar buiten.
„Als ze ’t hier in huis hoort, is ’t vroeg genoeg,” ging Tine voort.
Hij schudde ’t hoofd met de onverzettelijke koppigheid der Rossen.
„Ik wil haar tegemoet gaan.”
En hij ging.
Hij liep met snelle schreden den besneeuwden weg; overal lag het land
wit en stil om hem.
Een vreemde ijverzucht deed hem zoo gaan; hij vertrouwde een ander niet
toe haar het groote leed te zeggen. Er bleef niet veel voor hèm over,
maar dat ééne tenminste: haar te kunnen helpen met zijn medegevoel.
Bij Boge zag hij haar aankomen. Zij liep snel, als gedreven door
onrustig verlangen.
„Is er iets?” vroeg ze, zoodra ze bij hem was.
„Ja—daarom kwam ik je tegemoet—ik wou met je praten.”
Ze zweeg en wachtte af.
„Gisteren heeft Eli moeten zeggen tegen ’t volk dat hij niet meer kon
volhouden...”
„Was jij erbij?”
„Ja—er is niets gebeurd—ze zijn naar huis gegaan—en hij ook.”
Ze keek hem aan, hem smeekend met haar oogen àlles te zeggen, maar hij
zag hardnekkig voor zich.
„Er is niets gebeurd, hij heeft moeten beloven den termijn uit te
betalen—dat zal hij doen.”
Hij keek nu op, en zag haar stilstaan, bleek voor zich uitstarend.
„Heeft hij—dat beloofd?”
„Ja.”
Ze wendde langzaam haar hoofd naar hem om; en zij zagen elkaar zwijgend
en lang aan, met diepe oogen elkaars gedachten peilend.
„Ik heb gezegd, dat ik borg wou zijn—maar dat wou hij niet...”
Ze kwam naar hem toe, aangetrokken, met dankbare, droeve oogen.
„Goèd van je.—Wat moeten we doen?—kùnnen we niets doen?—wat heeft hij
gisteravond gedaan?—en ik was er niet—ik was niet eens bij hem...”
Ze schreide wanhopig, met hartstochtelijke snikken; hij zag ’t, en
dacht opeens aan vroeger, toen ze nog kinderen waren, en hij haar
verdriet wegkuste...
Hij had haar nooit meer gekust, sinds hij wist, dat ze Eli liefhad.
Zacht sloeg hij zijn arm om haar heen.
„Kom—’t is te koud om lang zoo stil te staan...”
Ze droogde haar tranen, en liep nu stil naast hem voort.
„Ik ben gisteravond nog tweemaal aan zijn huis geweest, maar hij deed
niet open.”
Ze knikte; ze zàg het; hij had daar alleen gezeten in zijn ellende en
had niemand bij zich kunnen verdragen,—zoo was hij.
„Ik ga nu—zeg ’t maar aan grootmoeder.”
„Zal ik meegaan?”
Ze zag hem aan, gejaagd. „Maarten—liever niet—ik—voor hém niet...”
„Nee—nee,”—hij knikte geruststellend—„dan ga ik hier maar weg.”
Kalm liep hij terug naar de smidse.
Eli sliep nog, toen Hesters stap klonk voor ’t raam.
Adam herkende den stap; zacht ging hij haar tegemoet.
„Dag Hester.”
„Adam...”
Ze stond voor hem, zwaar ademhalend, en zag de kamer rond, zag naar de
rustbank waar Eli lag.
Het licht van de witte sneeuw buiten viel hard door de groote,
vierkante ramen; de groote ramen, die Eli noodig had omdat hij in
schemer en half-licht niet leven kon.
„Hij slaapt,” zei Adam; even zag hij haar aan, toen ging hij de kamer
uit, en liet haar alleen met Eli.
Maar ze bleef staan waar zij stond, bleek, met wanhopige oogen, en kon
zich niet verroeren van haar plaats. Toen eindelijk, met knikkende
knieën, sleepte ze zich voor de rustbank—en zag naar hem.
Zag zijn gelaat—veranderd in een groote verwording van trekken.
En begreep.
’t Spook van dien eersten avond—’t was teruggekomen—’t was nooit
weggeweest—hij had ’t voor haar verborgen—maar ’t hàd bestaan al dien
tijd...
En gelijk met dit doorvoelde ze het andere,—zijn lichtvaardige belofte
bij zijn smart,—dat alles te samen was hem te zwaar geweest,—daarom
kwam Maarten vergeefs—daarom was Adam hier,—diè wist ’t,—als alles hem
te zwaar werd was dàt zijn troost... drinken.
Ze zonk in elkaar, haar hoofd tegen den rand van de bank.
En zij was niets voor hem geweest;—zij had gedacht, dat haar liefde hem
òphouden kon,—’t was alles dwaling geweest,—hun levens hadden niet in
elkaar gegrepen,—alles wat zij voor hem gevoeld had,—het beste van
zichzelf, wat zij hem gegeven had... dat was alles vergeèfs geweest.
Ze dacht plotseling terug, hoe ze vroeger zich Eli voorgesteld had.—Was
dat dan te mooi geweest om wáár te zijn?
Toèn—in dien tijd—toen ze hem nog niet bezat—toen ze hem nog zag in
zijn gewaande grootheid,—toèn was ze niet ongelukkig geweest—dat zag ze
nu.
Ze kreunde, en beet haar tanden op elkaar...
Dàt ook nog—moest telkens een nieuw besef haar ellende komen
vergrooten!
Ze richtte zich op, en zag naar hem met groote, strakke oogen, in
onbewusten dwang hem dwingend tot opzien.
En langzaam—zwaar—werd Eli wakker.
En langzaam drong tot zijn bewustzijn door haar zijn hier,—alles wat
gebeurd was,—hij zag haar gezicht, zooals hij het nog nooit gezien
had...
Toen begreep hij, dat zij nu alles wist,—en hij keerde zijn hoofd naar
den muur—en bleef zoo liggen.
Maar in haar zonk weg wat een oogenblik te voren haar geheel had
beheerscht, haar beleedigd zelfgevoel,—en uit den dood van al haar oude
idealen werd een geheel nieuwe aandoening geboren, die haar vervulde;
een moederlijk, diep-teeder medelijden, alles dragend, alles vergevend.
En ze boog zich over hem, en zag hem aan met zachte, droeve oogen, en
zei woorden van ongekende zachtheid.
„Eli—je mag ’t niet erg vinden, dat ik nu gekomen ben—en dat ik ’t
weet.—Ik weet ’t nu allemaal, Eli,—en dat is zoo goed,—ik had veel
eerder alles moeten weten,—dat is mijn schuld, dan had ik je kunnen
helpen,—nu ben je maar heel alleen geweest... Je moet niet denken, Eli,
dat ik er verdriet van heb,—dat is niet waar,—alleen om jou, dat jij al
die ellende hebt, maar samen komen we er wel weer uit... en hoor eens,
ik...”
Maar Eli greep plotseling haar hoofd tusschen zijn beide handen, en
boog het omlaag tegen zijn borst... dat zij hem niet meer kon
aanzien—zóó.
Hester bleef tot den avond; stil zaten zij en Adam bij Eli.
Hij was rustig geworden, maar krachteloos onder de uitputting van de
laatste weken; een vreemde kalmte was nu over hem gekomen, en hij lag
dof-tevreden in ’t besef Hester bij zich te hebben.
Toen het donker werd, en hij insluimerde, voelde Hester zelf een groote
vermoeidheid; zij streed ertegen, zij was nooit moe anders...
Adam zag het; oplettend keek hij haar aan.
„’t Helpt niet,”—zei hij zacht lachend, „je bent te moe—ga maar naar
bed—ik blijf immers hier...”
Hester stond op; voorzichtig kuste ze Eli—en ging heen.
Adam bracht haar tot den weg; toen ging hij weer naar binnen op zijn
oude plaats.
Het sneeuwde niet meer; de maan stond strak en helder aan de lichte
lucht—en Adam zat daar en zag den nacht voorbijgaan evenals den
vorigen.
Eéns werd Eli wakker; onrustig kwam hij overeind.
Hij zag Adam, die zat uit te zien in den lichten maannacht—en zoo stil
en kalm was dit om aan te zien, dat ’t hem in zijn zwakte vervulde met
een kinderlijke gerustheid.
En hij sliep weer in...
Maar Adam sliep geen enkelen keer in; hij waakte bij ’t kind van Jelle
Bag.
„Oude man, wat zit ge zoo stil en ziet uit in den donkeren nacht? Wij
zijn gekomen, ziet ge ons niet?”
„Sneeuw—en ijs—zijt ge daar eindelijk, om weer te vertellen van de vele
wondere dingen, die ik nooit zal zien?—van de hooge bergen, hooger dan
de wolken, besneeuwd in eeuwige, ijzige pracht...
„Ik zit hier en denk aan den zomer... Ziet ge de hei in paarse
heerlijkheid van bloei? Vlammend rood gaat de zon onder...”
„Van dat weten wij niets, wij zijn gekomen in kouden, donkeren nacht...
„De paars-bloeiende hei is wit—wit—en de roode zon is mat, en verlangt
te rusten...
„Oude man—waaraan denkt gij?”
„Ik hoor een vogel zingen op ’t kerkhof, hij zingt iederen avond,—daar
zijn de groene graven van de velen, die hier hebben geleefd;—er is een
nieuw graf gedolven,—een zwarte plek in al het groen...”
„Het is àl wit—de oude groene graven en het zwarte nieuwe—en de vogel,
die ’s avonds zong, is gevlogen naar warme landen.”
„Sneeuw—gij weet van dat alles niet; ik hoor den wind ruischen door de
hooge pijnen—ik zie ze wuiven met hun frissche, groene pluimen in de
lucht.
„Ziet ge den vlierboom? De wind voert den geur van zijn witte
bloesemtrossen ver over de heide.
„Aan ’t eind van het dorp staat een doode boom,—vóór jaren trof hem de
bliksem,—ziet ge de zwarte streep langs zijn stam?—nu klimmen de
jongens in hem, en staan juichend op zijn krakende, doode takken...”
„Oude man, wij weten niet van zomer en kleur,—wij zijn zacht gevlogen
op de groene pijnen, die hun donkere pluimbossen wuifden in den
wind,—ze zijn wit.
„Wit als de vlierboom, die den geur van zijn bloesem over de verre
heide zond.
„Zoo wit als de doode boom, dien de bliksem trof;—de kinderen, die in
zijn takken klommen, zijn naar binnen gevlucht, en warmen zich bij ’t
vuur.
„Oude man, wat zit ge, en staart zoo stil?”
„Ik weet, daar zijn voetsporen op den weg... kleine, trippelende
kindervoetjes naast een grooten mannenvoet...
„En een oude vrouw kwam langs; zij ging naar haar man,—jaren waren zij
gescheiden,—waarom—dat weten zij alleen,—nu is hij ziek en vroeg naar
haar,—zij ging haastig, met onvaste schreden, haar kleed sleepte langs
den grond...
„Waar zijn al de voetsporen?”
„Oude man, begraven,—de voetstappen van het vroolijke kind en van den
vader,—wij bedekten ze.
„Èn de snelle, onvaste voetstappen van de oude vrouw, die haar liefde
nooit verloor.”
„Haar kleed haakte aan een dorren tak,—het was haar beste,—eens had zij
er lang voor gespaard,—ze trok het ongeduldig los en zag niet om,—een
smal strookje scheurde af...”
„Het is als begraven—de weg is wit, alsof niemand daar ooit gegaan
is...
„Oude man, wat zit ge daar nog en ziet uit...?”
„Een klein stukje papier woei langs den weg,—het was ééns de grootste
schat van een man, de laatste woorden die zijn dochter hem schreef,—een
schertsende liefdenaam slechts... Bij zijn dood vonden vreemden
het,—zij begrepen niet—en gooiden het weg;—het was jaren het éénige
dierbare van een mensch—nu waait het langs de wegen...”
„Het is al weg—half vergaan—het kleine papiertje, dat jaren de vreugde
was van een mensch—de sneeuw bedekte het—de weg is wit—wit.
„Wat zit ge nog, en verlangt—en zoekt? Is niet de blanke vrede goèd?”
„Sneeuw—de levende vreugden en smarten van den mensch kunt ge toch niet
begraven!”
„Oude man—zij ook zullen ondergaan in den blanken, dooden vrede.”
XIX.
Een zonderlinge stilte lag nu over het dorp.
Er was iets weg, en het liet een leegte na... het werk, de grieven
ertegen, de altijd keerende wrevel, dat alles was nu weg.
Zij zeiden tot elkaar: het kan nu alles weer worden als vroeger.
Alleen het wantrouwen of Eli het geld zou uitbetalen bleef. Er waren
velen, die toch, ondanks alles, in zijn eerlijkheid geloofden: „dàt zou
een Bag nooit doen,” en Eli’s verhouding tot de Rossen gaf dat
vertrouwen steun.
Laret was Maarten Ross tegengekomen en had hem trachten uit te vragen,
maar Maarten had zijn schouders opgehaald en was onvriendelijk
doorgeloopen.
Sinds dien wrokte Laret ook tegen de Rossen.
Adam was weer naar huis gegaan, en Eli was hersteld; toch kwam hij de
eerste dagen zelden uit.—In zwijgende, starende dofheid zat hij thuis
en leed het uit, de groote smart van het leege, het gemis van zijn
arbeid.
Hij leed hieronder alsof een levend wezen van hem was weggegaan; de
eerste dagen dacht hij bijna niet aan het geld, dat hij moest betalen,
zóó sterk was dat leed in hem. Zèlfs was hij dankbaar, dat Adam
wegging,—nu kon hij alleen zijn.
Toch ging hij eindelijk den tweeden avond naar Hester.
In Hester was na dien dag iets anders gekomen; zij had een gevoel,
alsof er iets uit haar leven was weggevallen, dat het tot nu toe gevuld
had; en onbewust dreef het haar telkens weer naar de werkplaats van
Berend, in een zonderling verlangen dat rustige, geduldige gezicht te
zien, en die moedige, heldere oogen; het drèèf haar als naar een
geneesmiddel, dat iets van zijn rust aan haar meedeelde.
Grootmoeder zag het—en Maarten; zij zagen de strakheid van haar gelaat,
de pijn in haar oogen, als zij zat, ledig peinzend, de handen werkeloos
in den schoot; zij zat daar, alsof haar kracht gebroken was.
In deze dagen dacht zij veel terug aan de gelukkige Augustusavonden,
als zij en Eli samen zaten onder de dennen, en elkaar zeiden de mooie
dingen van hun toekomst, en van hun leven.
Meestal als zij bij Berend zat zwegen beiden.
Hij zat dan altijd als in een droom, en als zij hem plotseling iets
vroeg, zag hij verwezen op.
„Ik—dacht aan wat anders,—” zei hij dan langzaam, pijnlijk
teruggebracht tot de werkelijkheid.
En opnieuw dwaalde hij af.
„Overwonnen.”
Hij zag het altijd, hij wist, zóó moest het zijn; soms keek hij schuw
naar den hoek van de werkplaats waar hij het kleine ontwerp in klei
zorgvuldig behoedde tegen de blikken der menschen.
Eens hoorde Hester hem zeggen, onbewust hardop:
„O God, hoe heerlijk!”
Hester hield zich doodstil; blijkbaar was hij haar vergeten, ze zag hem
voor zich uitzien met een smachtend en tegelijk zalig verlangen in zijn
gezicht.
En vaag begon ze iets te doorgronden van dat gróóte verlangen, dat al
zijn denken beheerschte, dat alles kon doen vergeten...
Onbemerkt sloop ze weg.
Maar de brieven van Foeko waren nog altijd niet gekomen.
Toen Maarten dien avond zijn deur sloot, zag hij Eli komen, en tegelijk
Hester, die hem tegemoet ging.
En plotseling wekte Eli’s gezicht een toorn in hem, bitter en hevig als
nooit te voren: àlles voor Eli, alles, en hij kon ’t niet eens
waardeeren.
Zijn frissche leefkracht overwon zijn medelijden: met den heftigen,
harden toorn van zijn sterke, gezonde natuur verweet hij Eli, dat hij
met die liefde niet juichen kon in volle levensvreugde. En hij kon niet
zien, hoe Eli’s ziel ging als een kind, tastend en angstig in het
duister.
Hij zag hen samen naar binnen gaan; maar hij kón vanavond niet bij hen
zitten, als zoovele avonden tevoren; zonder iets te zeggen liep hij den
weg op.
Voorbij ’t dorp kwam hij den bode tegen.
„Goeien avond, Wouter, moet je nog ver?”
„Ja—en de wegen zijn slecht,” zei de man voortloopend.
Bij de smidse duwde hij een brief door Berends raam.
„Van je zoon, Berend!”
Berend hoorde het niet; hij liet het gordijn zakken, en stak met
trillende handen de lamp aan.
Toen scheurde hij den brief open,—eindelijk—eindelijk!
Hoe ver ’t werk was en... met een bevenden ruk bracht hij het papier
dichter bij de lamp... niet begrijpend.
„Dàt was niet waar! dàt...”
Even zat hij bewegingloos, met gesloten oogen, toen las hij opnieuw...
die enkele zinnen...
„’t Werd me te eng, ik houd zoo van afwisseling, ik heb ’t noodig. In
’t begin voelde ik ervoor; ik geloof, als ik maar dóór had kunnen
werken, zou ik ’t er goed afgebracht hebben, maar dàt kan ik niet. Dat
heb ik nooit gekund, dat werken zooals u. Misschien zal ’t me later
spijten; ik heb om u nog een poos doorgezet. Maar ik snak om te reizen,
vreemde dingen te zien, andere landen, andere menschen. Ik kàn niet
langer zitten in een duf atelier. Misschien word ik toch nooit iets,
dan is mijn leven weg. Ik ga nu heen, ik zal wel zien, hoe ik door de
wereld kom. Later zal ik u van me laten hooren. U moet ’t niet erg
vinden: als ik een slecht werk gemaakt had zou u meer verdriet
hebben...”
Hij las niet verder... hij hoorde al die kort-afgebroken zinnen klinken
in zijn hoofd, hij zàg ’t den jongen zeggen, op zijn gejaagde,
rustelooze manier,—zoo was hij altijd.
„Was hij blind geweest?”
Berend Ross stond onbewegelijk; in zijn gelaat spanden de spieren als
ijzer; de sterke mond trok hoekig, in barsche lijn.
Hij zag wat hij nooit te voren had kunnen zien maar wat altijd bestaan
had:
De onmacht van den jongen om te volbrengen wat van hem geëischt werd,
wat de ijzeren volharding en onvermoeide arbeidskracht van den vader
niet hadden kunnen volbrengen. Hij dacht nu, hoe hij nooit gevraagd
had, of de jongen berekend was voor zijn taak; nooit vermoed, dat zijn
wenschen niet die van zijn zoon konden zijn; voor ’t eerst zag hij, dat
hij altijd had voortgeleefd in een droom en anderen had willen dwingen
in zijn droom.
En hóe hij gefaald had.
Gefaald voor zich zelf—en nòg eens gefaald voor zijn zoon.
Eenmaal had hij gearbeid, al zijn kracht gegeven, zijn léven—en het was
tot niets geworden.
En ten tweede male, waar een ander had uitgeleefd, was hij begonnen;
alles had hij geofferd in den vasten moed te zullen slagen, en ten
tweeden male was het lot sterker dan hij.
Hij had het niet gezien; de werkelijkheid had zich nooit bij hem kunnen
doen gelden; hij had over het gewone leven heen geleefd.
De jongen—zijn zoon! En het gróóte werk—het werk, dat hij voor hem
gedacht had, gezien had—maandenlang!—Foeko had kùnnen weggaan,—dáárvoor
had hij hier gezeten en gewerkt—en gewacht op het heerlijke, dat
gebeuren ging...
Het zou nu nooit meer komen tot hèm—hij zou ’t nooit meer zien in zijn
leven—een ander zou ’t wrochten—hèm was ’t niet gegeven er iets toe bij
te brengen.
Het geluk kwám nu nooit meer...
Hij zakte terug in zijn stoel, en greep het stuk werk, waaraan hij
bezig was, alsof hij het vermorzelen zou in zijn sterke vuist.
En een oogenblik zat hij stil zoo.
Toen nam hij zijn mes en werkte door.
Het eenige, wat hij op dat oogenblik doen kon.
Tina Ross zat bij Hester en Eli.
Het was voor ’t eerst weer na dien dag, dat Eli ’s avonds gekomen was.
De oude vrouw keek lang naar beiden; zij praatten samen zachtjes en bij
’t schijnsel van ’t vuur zag zij, hoe Eli’s gelaat vervallen en mager
was, met tè schitterende grijze oogen, en den fijnen, smartelijken
mond.
„Gooi nog een blok op,” zei Tine, „de winter zet streng in.”
Eli knikte; hij zag den langen, kouden winter vóór zich—hoe zou hij
ooit nog om komen!
Maar Hester legde haar hand op de zijne; zij voelde een droeve
dankbaarheid, dat hij weer gekomen was, tenminste weer hier zat.
„Het ergste is nu toch voorbij,” zei ze tot zichzelf,—„nu moèt ’t
vanzelf beter worden.”
Na een uur kwam Maarten terug; zwijgend stond hij een oogenblik in de
deur, en zag naar hen.
Toen Hester gelukkig was, had hij zich moedig kunnen schikken, nu werd
hij dikwijls bitter.
Maar Eli zag op, en stak haastig zijn hand uit, als naar een vriend,—en
Maartens toorn verdween, en hij voelde de oude, trouwe toewijding voor
hem, de oude genegenheid, die hij zelf niet begreep.
Maar Eli behield dien toover tot zijn dood op alle menschen, zelfs in
schuld en ongeluk.
„Er is een brief gekomen voor Berend,” zei hij, „ik kwam den bode
tegen.”
De oude vrouw schrikte.
„Een brief—hij heeft er niets van gezegd...”
Gedreven door een plotselingen angst stond zij op, en ging naar de
werkplaats.
Ze zag hem zitten, zooals hij al de dagen te voren gezeten had, gebogen
over zijn werk.
Hij hoorde haar komen, en zonder op te zien wees hij haar naar den
brief, die op den grond gevallen was.
Zij las en zei geen woord; hij hoorde het papier ritselen tusschen haar
handen, en zag, ofschoon hij haar niet aankeek en doorwerkte, dat zij
den brief neerlegde en zitten ging.
En zoo zaten zij langen tijd, dicht bij elkaar en spraken niet. Zij zag
den toorn trekken over zijn gelaat, en zijn handen trillen,—eindelijk
legde hij moe het werk neer, en zat onbewegelijk.
Buiten werd de lucht helder; de maan kwam te voorschijn, en wierp een
breede lichtstreep over den vloer.
De oude vrouw staarde naar buiten.
„Hij heeft niet kunnen volhouden,”—dacht zij bitter en streng,—en zij
zag weer den harden dwang, dien Berend zich had opgelegd, terwille van
dat kind,—zij zag hem in dien nacht, toen hij zich ongezien dacht, en
één oogenblik zich durfde overgeven aan een waan van geluk,—en de
jongen kon niet volhouden.
Hij kón niet...
Zij las weer den brief—de afgebroken, gejaagde zinnen, zeggend van
ongedurig brandend verlangen... maar dezen keer wekte het iets anders
in haar—een verteedering, waarin zich haar strengheid verloor—een
medelijden met dat laatste kind uit haar geslacht, het kind van Berend,
dat niet had kunnen dragen wat van hem geëischt werd, geboren met een
andere natuur, die de hunne weerstreefde,—hij was gegaan, zijn vurig
verlangen volgend, en daar was niemand geweest om hem te raden,—niemand
die een woord van liefde tot hem zeide toen hij heenging.
Zij, de sterken, zij hadden een onrecht gedaan aan hem,—zij hadden niet
gedacht aan hèm,—hij moest zich vreemd hebben gevoeld voor hen,—dat
kìnd, dat zij nooit had gezien, nooit zien zou misschien, dat zij niet
bereiken kon met haar troost,—dat alleen was...
Een beweging van Berend wekte haar uit haar peinzen; hij keek haar aan,
en zij zag dat zelfbeschuldiging en zachtheid waren gekomen vóór zijn
toorn.
„Ik heb ’t nooit begrepen,” zei hij alleen.
„Nee.”
Zij sloeg haar arm om hem heen, en drukte zijn hoofd aan haar borst; en
hij hield haar kleine, bruine handen vast, en dacht in
onbewust-kinderlijke zelfzucht: dat hij nu wist, waarvoor hij
teruggekomen was—bij deze laatste smart zijn hoofd te kunnen leggen aan
haar trouw hart.
Het was laat toen zij slapen ging. In de gang kwam zij Hester tegen,
Eli was pas weg. Zij zag haar aan, voèlend den strijd van dit
kleinkind, dat háár kracht had—en langzaam zei ze:
„Eli is zwak—hij kan niet alleen, hij heeft je noodig,—hij kan ’t niet
helpen, dat hij niet is, als jij gedacht hadt.”
„Ik kan ’t ook niet helpen, ik heb hem lief—liever dan iemand!”
Hester brak af—en sloeg haar handen met een wanhopig gebaar samen.
„Dat ’s goéd,”—zei de oude vrouw kort.
Zij hoorde Hester heengaan; zij stond stil en zag uit over de
maanlichte heide.
„Schuld—wat was schuld eigenlijk?—als je alles naging—overdacht, dan
viel zooveel weg wat schuld leèk...”
Zij dacht aan Foeko—aan Berend—aan Hester...
„Ik heb nòg niet uitgeleefd,—’t is nòg noodig, dat ik leven blijf...”
Zal ooit een arm, eenzaam menschenkind, zwervend door vreemde landen,
het weten: dat daar op aarde een plek is, waar hij veilig rusten kan?
Misschien zal het ééns tot hem komen,—geschreven in bevende letters
door een oude hand, dat het huis zijner vaderen hem wacht.
Zàl hij het weten?
In den stormenden nacht beuken de golven het zwakke schip—en dreigen
het te versplinteren met allen, die daar worstelen in doodsangst...
En ver zal daar zijn het oude huis, dat hem wacht.
Hij weet het niet.
In het verre warme land schallen de krijgstrompetten,—de blanke wapens
der wilde ruiterscharen flikkeren in de zon,—de grond trilt onder den
zwaren hoefslag der paarden,—daar is de razende, blinde oorlogsdrift,
die al het levende wegmaait en vernielt...
Maar van het slagveld klagen de smarten op in de weelde van den
tropischen nacht...
En onbereikbaar ver zal daar zijn het oude huis op de doodsche hei; de
sneeuwjacht stuift tegen de muren, maar binnen wacht de kamer in het
zachte, trouwe schemerlicht van de lamp...
In een kast liggen versleten kinderkleertjes—een oud man bracht ze mee
als zijn zachte herinnering, zijn hoopvolle troost...
Hij weet het niet.
Eens zal hij liggen op zijn doodbed; vreemd licht zal zijn gesloten
oogen beschijnen,—vreemde handen zullen hem ter ruste leggen,—een
vreemde stem zal een zacht woord van medelijden zeggen.
En ver zal daar zijn het oude huis, dat wacht.
Misschien zal hij het dàn weten; een oogenblik helderziend, als hij
worstelt zijn laatsten strijd, dat, hoe hij moge getwijfeld hebben aan
alles, daar één plek is geweest waar aan hem gedacht is met liefde
altijd...
En hij zal zien dat er iets goèds, iets moois heeft bestaan ook voor
hem—al wist hij het niet...
Dan zal hij lichter sterven.
XX.
Het werd het zonderlinge nu, dat het ging lijken alsof alles weer was
teruggekeerd tot het oude, terwijl in waarheid alles veranderd was.
Berend Ross werkte; het was het zwak misleiden van zichzelf: doorgaan
met den verachten arbeid; met opzet dwong hij zich zelf nog terug in
den waan.
Er was nog iets: het besef van zijn schuld, dat weende in dit armzalige
werk om den eenzamen knaap; en in dien droeven ootmoed arbeidde hij den
ouden, verachten arbeid, die nu niet meer noodig was.
Het scheen Eli, als hij dit zag, wanneer hij zat op zijn oude plaats
bij ’t vuur, Hester naast zich, of er niets veranderd was, behalve voor
hemzelf.
Tusschen hem en Hester was nooit meer gesproken over dien bewusten dag,
en hij dacht dat ze het bijna vergeten was; hij vermoedde niet, hoe ze
angstvallig alles vermeed in hun gesprek wat er hem maar aan kon doen
denken, altijd vreezend, dat Eli zou merken, hoe zij er nog onder
gebukt ging.
Maar hij begreep ’t niet; ze leden elk alleen; hij dacht, dat het nog
altijd niet tot haar was doorgedrongen, hoé hij werkelijk was, en het
griefde hem:
„Zij zou nooit aan hem wennen... en wat kon hij ook eischen—wennen aan
zijn gebreken?...”
In hem was niet meer de oude strijd tegen zijn kwaal; hij was te slap,
te moe, te geknakt om te strijden, hij liet zich gaan; als de behoefte
zich deed gevoelen, dan dronk hij.
Hij leed er onder, maar niet meer als vroeger; hij leed het nu als een
zwakke, met bitterheid ziende dat hij zonk, maar zonder de vroegere
hevige, diepe ellende van schaamte en vernedering.
Zijn lichamelijke zwakte den laatsten tijd droeg er toe bij, en
verdoofde elken sterken prikkel; hij hoestte, had altijd ’s avonds
koorts, en een voortdurende behoefte aan rust.
En rust was er niet in de slapelooze nachten, als hij lag te tobben met
gloeiend hoofd.
Als hij dronk hàd hij rust... het waren de twee dingen, die altijd in
een cirkel op elkaar werkten—om zijn lichaam rust te geven, dronk hij,
en door zijn drinken werd hij hoe langer hoe meer uitgeput.
In het dorp kwam de gewone winternood van alle jaren, maar dezen keer
weten zij het Eli in bitteren wrok; hij wist het, en zag menigen dag
met starre oogen uit over het dorp en dacht aan het geld.
’s Nachts, als hij wakker lag, zag hij zijn heele leven, en het was als
vroeger; niets waaraan hij zich kon vasthouden, niet één groote
heerlijkheid, die stralen kon over zijn leven—behalve Hester; maar
Hester had hij niet kunnen behouden, eindelijk zou toch de
teleurstelling om hem sterker zijn dan haar liefde...
Wéér deed hij haar onrecht, onwetend als altijd: zij was zijn eenige
troost, het eenig lichtpunt; maar hij voelde in háár liefde slechts
haar behoefte tot opzien in hem, en niet de onuitputtelijke teederheid
en opoffering waartoe zij in staat was.
Wat zou gebeuren, als hij het geld niet had...?
Langzamerhand, toen de weken voorbij gingen, werd dit zijn eenige
gedachte; zóó was al het vroegere in hem gedood, dat hij zelfs geen
pijn meer voelde om den arbeid, om het leege, doodsche leven.
Maar het bewerkte stuk hei vermeed hij.
Eéns nog had hij het gezien. Op een mistigen, kouden dag was hij
suffend voortgeloopen, en stond er plotseling voor.
Dit was vreeselijk geweest; met zware smartoogen zag hij het aan... Hij
dacht nu niet aan dien laatsten dag, hij dacht alleen: hier was hij
vroeger alle dagen—hier was alles toen nog goed—nu was ’t voor altijd
weg...
Een nevel kwam voor zijn oogen. Hij keerde zich om, en liep met
sleepende voeten naar huis.
Sinds had hij het niet meer gezien.
Adam kwam dikwijls bij hem, maar bij hem sprak Eli niet van het geld;
de oude had iets, alsof hij al afgestorven was van alle wereldsche
zaken.
Maar Adam dacht er wel aan, hij had het alles overwogen, terwijl hij
eenzaam zwierf over de hei, of ’s avonds stil zat te luisteren naar den
wind, en eindelijk begon hij erover tegen Eli.
„Eli, je tobt alle dagen over dat geld; waarom denk je niet aan wat ’t
meest voor de hand ligt?—je moet het aan je moeder gaan vragen.”
Eli zag hem stom aan, niet begrijpend,—„zijn moeder...”
Adam steunde zijn hoofd in beide handen—en langzaam, eentonig praatte
hij voort.
„Ik heb erover gedacht—ik weet wel, dat je nooit naar haar toe bent
geweest meer—ik weet wel wat je allemaal zal zeggen...”
Maar Eli vloekte plotseling driftig op;—„als ik ’r nóódig heb, dán naar
haar toegaan—naar hààr...”
Hij stokte—ondragelijke schaamte en vernedering joegen het bloed
gloeiend door zijn lichaam.
Adam zag hem even aan, met een snellen, scherpen oogopslag; rustig zei
hij:
„Je begrijpt ’t niet,—je komt met een rècht—èn een plicht,—ze heeft als
moeder veel aan je goed te maken, dàt is jouw rècht—en je plicht? het
is je moèder—je zal in je grooten nood naar hàar gaan en niet naar
vréemden,—en ze zal je dànkbaar zijn... ’t Is veel jaren geleden,—ze
zal geleerd hebben te hopen, dat je haar nòg eens noodig zal hebben,
dat zij je dan helpen zal waar een vreemde ’t niet kan,—dàt moet je
haar geven,—’t is je moeder,—en ’t is ’t éénige wat je ’r geven kàn...”
Eli zat stil.
„Een plicht—èn een recht, was ’t dat?”
Hij zag naar Adam, die daar rustig zei de harde, heldere woorden:
„Zou hij in dit zijn trots onderbrengen en gaan? gaan—vrágen...? God,
’t was èrger dan naar Michiel; hij kòn ’t niet zien zooals Adam het
zei..... ’t was laag—laag, nu te gaan.”
En tegelijk dacht hij met een pijn van herinnering: „Zij zoù ’t
doen—zooals zij later altijd alles had willen inwilligen voor hem—in
haar schuldgevoel, in haar hongerig verlangen naar zijn liefde...”
Hij stond op en schudde zijn schouders, alsof Adam’s bijzijn hem
hinderde, en met een korten groet ging hij heen.
Maar thuis, dien avond en nacht, peinsde hij ’t uit.
Vragen—eenmaal dat van haar vragen—het eene, dat beteekende: opnieuw
kunnen leven, verlost van dit ellendig bestaan.
Voor ’t eerst, in ’t besef van de mogelijkheid eraan te kùnnen
ontsnappen, voelde hij al de zwaarte, de ondragelijkheid van dezen
toestand; voelde hij tegelijk, met bitter erkennen van zijn zwakheid,
dat, nu hij eenmaal die mogelijkheid van redding gezien had, hij ook
zwichten zou.
Wat Adam gezegd had... naar zijn moeder, die hem had overgelaten aan
een ellendige jeugd, die het eerst het donkere, droeve in zijn ziel
gebracht had, die hem had kunnen achterlaten in een omgeving, die zij
zelf ontvluchtte,—zijn moeder, die hij niet lief had, die hij
verwaarloosd had al die jaren,—tot haár zou hij gaan en haar hulp
vragen.
Het zou nòg een vernedering te meer zijn...
Meer àls hij het deed,—dan kon hij den termijn betalen,—dan kon hij
zijn woord houden,—dan stond hij vrij tegenover ieder...
En hard opeens dacht hij nu:
„Wat zijn moeder voor hem zou doen—dat was dan iets afdoen van haar
schuld aan hem.”
Maar Eli had Adam’s woorden niet begrepen—làter zou hij die begrijpen.
Iets daarvan kwam voor zijn geest:
„Hester—toekomst.”
Altijd Hester—met haar bleek, ernstig, trouw gezicht,—dàt behouden
kunnen,—Hester, die in hem geloofde, die hem haar groote, zachte liefde
gaf.
Hij kreunde als van lichamelijke pijn.
„Hester kon hij niet missen—dàn zou hij gaan...”
In den langen, donkeren nacht, terwijl de wind met korte, harde stooten
loeide over de vlakte, lag hij—en vocht het uit.
Nog zei hij den volgenden dag niets aan Hester; maar zijn doffe
neerslachtigheid was verdwenen,—hij kon weer denken met iets als van
hoop aan de toekomst.
„Hij zou weggaan, hiervandaan,—hij zou schrijven aan Marten Bag,—en met
Hester zou hij ergens anders opnieuw een leven beginnen.”
Deze gedachte was hem voor ’t eerst weer een prikkel; wèg te zijn van
hier,—niets meer te zien van al deze menschen,—kunnen doen alsof dit
alles nooit had bestaan,—misschien, als dàn alles goed ging, zou hij
zijn kwaal ook te boven komen.
En voor ’t eerst weer als iets goèds, rees voor hem een visioen van een
leven ver weg, rustig, ondergeschikt desnoods, maar zonder zorg van
verantwoordelijkheid—met Hester...
Het stond voor hem als iets dat onnoemelijk ver nog was, als een punt
haast niet te onderscheiden voor een afgematten zwerver; maar iets, dat
er wàs—dat werkelijkheid kòn worden.
XXI.
En ’s avonds nog sprak hij er niet van, maar zij allen merkten een
verandering bij hem—hij had zelfs weer belangstelling in Maartens werk
en praatte met hen mee.
„Waar is Berend?” vroeg hij opeens.
„De laatste avonden blijft hij in zijn werkplaats... hij wil liever
alleen zijn.”
Eli dacht plotseling terug aan dien avond, toen Berend bij hem aan het
raam gezeten had, en hoorde zijn woorden:
„Eéns kom je er toch overheen, en je begint wat anders...”
Hij had hem nog niet alleen gesproken sinds zijn ongeluk.
— — — — — — — — — — — — — —
Berend Ross zat in zijn werkplaats, als zoovele dagen te voren wanneer
hij alleen was, met diepe, stille oogen, starend in het
ondoorgrondelijke.
„Daarbinnen zaten zij allen—de oude vrouw—en de jonge menschen—zij
konden hem niet helpen.
„Alléén moest hij zijn—alléén...”
Hier zat hij nu, en de uren gingen.
Hij wist het niet...
Het kleine lampje knetterde met steeds lager brandend vlammetje...
Hij merkte het niet; hij was ver weg...
— — — — — — — — — — — — — —
„Lange reizen zijn het geweest—maar nu ben ik er...
Het is ’t oude atelier—ja, dat is ’t helle licht van den blauwen
zuidelijken hemel... het oude bekende atelier—waarom ben ik hier zoo
lang niet geweest?
Het was donker, lang donker—’t was moeielijk om hier weer te komen.
Maar nu ben ik er—het is als vroeger—als vroeger—ik zou zóó weer kunnen
gaan arbeiden—o, nog ééns als vroeger!...
Ik heb nu niet meer te arbeiden—ik ben gekomen om te zien... ik heb
immers verlangd, gesmacht, dagen en nachten, in onrust en angst.
Het werk van Foeko! Het gróóte werk.
Overwonnen.
Waar is ’t? waar is ’t nu?
Als ’t er niet was!... God, waarom zie ik het dan niet!!
Wat is er achter dat gordijn? is ’t daar?
Bàng, bàng als een kind...
’t Moèt—ik ben gekomen om het te zien...
Nu...
Dàt—dàt! Oh! Het éénig schoone, het heerlijkste!
Dàt deed mijn zoon?!
Mijn God is ’t waàr... ben ik werkelijk gekomen van ver, om dàt nog te
mogen zien...?
Eindelijk—eìndelijk bereikt—berèikt...!
Zijn er ooit jaren geweest, dat ik hier zwoegde, en tobde, en
gewanhoopt heb... wàs er een tijd, dat ik mijn eigen arbeid gaf aan
dien van mijn kind?
Ik wéet ’t niet meer—er is niets gebleven van dat alles...
Hier is alleen de groote zaligheid, het heerlijke, het boven alles
schoone, de belofte vervuld.
Zóó moest het zijn—niet zooals ik het gezien en gedacht heb in vele
dagen en nachten—wat was mijn armzalige schepping bij dit:
Overwonnen.
Nu zie ik ’t gelaat van den man—ik zag ’t met een trek van bitterheid
en toorn, van machteloozen opstand, overwonnen door het lot... dàt is
het niet.
Hij heeft het beter gezien—beter dan ik.
Het is de machtige uitdrukking van zwijgend kunnen dragen—van sterke
berusting in àl-begrijpen van menschelijke zwakheid en strijd...
overwinnaar hij!
Zoo is het—zóó is het—mijn God, dat ik het nog heb mogen zien!
— — — — — — — — — — — — — —
De lamp brandt flauwer—de olie is op.
Eindelijk gaat het licht uit.
Naast zijn stoel, op den grond, ligt Berend Ross, en ziet het wonder,
dat zijn zoon wrocht.
— — — — — — — — — — — — — —
Maarten ging dien avond met Eli mee; hij moest nog in ’t dorp zijn.
Buiten voor ’t raam van de werkplaats stond Eli stil.
„Het is er donker.”
Zij zagen elkaar aan... „en hij is niet naar bed!”
Zij gingen weer naar binnen, en staken licht aan...
„Daar,” zei Eli en wees...
Maarten knielde naast het roerlooze lichaam; een groote stilte viel op
hen neer; eindelijk hief hij het hoofd op en keek Eli aan...
Toen namen zij hem op, en droegen hem weg van die plek, waar hij aan ’t
eind geweest was van zijn levenstocht,—en legden hem neer in ’t oude
bed, waar hij als knaap had gelegen.
„Eli—o wat is er?”
Eli wees stom op het bed; hij nam Hester in zijn armen, en stil tegen
elkander geleund bleven ze zitten wachten...
Maar Maarten ging naar Tine Ross.
Toen hij bij haar binnenkwam was zij nog niet in bed, zij keerde zich
heftig om, en zag hem aan.
Hij kwam naar haar toe met zijn grooten, langzamen stap, en nam haar
hand.
„Grootmoeder...”
„Wat...?”
Ze wrong haar hand los, en bleef hem aanzien met harde, brandende
oogen.
„Berend was...”
Haar gelaat zonk in; van ’t oogenblik af, dat hij binnenkwam had ze het
gevoeld... ze duwde hem opzij, en liep naar de andere kamer.
Een oogenblik stond zij er stil op den drempel, en zag naar Eli en
Hester met blinde oogen.
Toen nam Maarten haar zacht in zijn arm, en keerde haar naar ’t bed...
Hij voelde haar sidderen, en steunde haar—maar ze maakte zich los van
hem.
En met een onverstaanbare, doffe klacht viel ze op haar knieën bij haar
dooden zoon—haar hoofd gezonken op zijn borst.
Toen gingen de anderen zacht heen.
— — — — — — — — — — — — — —
Zij bleef alleen en waakte bij hem; zij had niemand noodig, daar was
niemand die haár helpen kon.
In dien langen, lichten maannacht zag zij alles terug van vroeger:
Den stillen vriendelijken jongen, die op háár leek, en bij haar zat de
lange winteravonden—zij zag hem heengaan—zag de lange, lànge jaren, die
ze geduldig had doorgewacht,—zag den laatsten tijd, sinds hij weer
thuis was, dag voor dag terug.
Haar hoop en haar vrede waren geweest: te zullen sterven met haar hoofd
aan zijn borst.
Dat had niet kunnen zijn.
Zij zag hem lang aan—zóó rustig, zoo gelukkig was de uitdrukking in den
sterken, grijzen kop—zoo voldaan en zoo trotsch.
Wat was dit? Was hij gestorven in een gelukkigen waan—was in zijn
stervensuur het levensgeluk over hem gekomen?
Eindelijk?—had het hem eindelijk één oogenblik geluk gegeven—dat
machtige, dat onbegrijpelijke,—dat zij haatte,—dat hem had weggedreven
van haar, en voortgejaagd, en altijd had doen lijden?
Zij zag op in het duister, in machteloozen toorn; zij haatte het nóg;
het was zijn ongeluk geweest,—en zij met haar sterke liefde had moeten
wijken.
Zij legde haar hand op zijn hoofd, als om nòg te verjagen de
herinnering aan dat leed; zij dacht er niet aan, dat hij zelf een oud
man was; ze dacht alleen in heftigen, bitteren opstand, dat hij haar
kind was; en ze had hem willen verdedigen tegen alle smart en pijn, met
de alles opofferende liefde van het moederschepsel.
En over hem neergebogen, haar moed en kracht verloren in haar mateloos
leed, klaagde ze ééns uit haar diepe smart, alsof hij haar troost kon
geven.
Maar hij lag en zweeg zijn eeuwig, groot zwijgen.
Langzaam toen kwam vàn dat zwijgen tot haar een kalmte—iets, dat sprak
van wijze berusting.
En nieuw nu dacht zij:
„Als die macht hem ’t geluk heeft gegeven in zijn stervensuur—dàn—dan
is ’t goèd—tóch goed—ik kòn ’t hem niet geven—ik niet...”
Langzaam ging de nacht...
Stom en stil lag de zoon, onwetend van de moeder, die weenend over hem
boog en uitleed haar zwaarste ure.
Onwetend?
Daar is niemand die zeggen zal, in hoeverre iets komt tot den doode van
hen, die zoo hem hebben liefgehad, dat nòg hun liefde hem niet loslaat
in den dood.
Onwetend...
Maar op zijn doode oogen vielen de tranen van haar onsterfelijke
liefde, en op zijn voorhoofd rustte haar altijd zorgende hand.
Over de wereld gaat de breede schare.
Zoekers naar het Beloofde Land.
Daar zijn de jongen—gaande met blijden, onbesuisden moed.
En de ouden—met moede, slepende voeten.
Daar zijn de sterken, met vasten mond, het gelaat doorploegd van veel
leed.
En de zwakken,—moedeloos, met oogen dof van veel weenen.
Ze gaan voort—voort.
Hun stemmen spreken tot elkaar de onverschillige woorden—maar hun
gedachten zwijgen.
Het verre—vèrre—waarnaar zij allen streven—dat zij ééns zullen
bereiken, elk op zijn wijze.
Het is bij allen hetzelfde—en voor ieder wat anders.
Het geluk.
Ze gaan voort.
Soms schrikken zij op; dan is daar achter hen een snelle stap, een
jonge, luide stem, een krachtige arm, die zich ruimte breekt—en één
gaat snel door de schare met opgeheven hoofd, en ongeduldig vorschenden
blik.
Hier struikelt een zwakke, ruw opzij geduwd,—een ander uit een toornig
woord.
Hij is al weg....
Een oogenblik zien zij met plotseling oplevende herinnering hem na—die,
sterker en vlugger dan zij, denkt het eerder te zullen bereiken met
zijn ongeduldigen, frisschen moed.
Ze glimlachen—een langzamen glimlach.
En gaan verder—vérder.
Dan soms is daar een zwakke zucht, een veege hand raakt koud een der
hunnen—dan staan die met hem gingen stil en zien rondom.
Eén pelgrim gevallen.
Een krachtige, nog kort te voren gaande temidden van hen met rustigen,
stillen moed.
Zij staan, en staren neer in zijn gelaat.
En dan zien zij in bevende ontroering, dat aan dezen eenen zich de
Belofte heeft vervuld,—dat hij is ingegaan in het Beloofde Land.
Zij staan stil en klemmen zich vast aan elkaar, zich voelend broos, en
klein en zwak—en zij fluisteren met sidderende stemmen tegenover het
groote mysterie:
„Hoè—is hij ingegaan in het geluk—toen hij nog verre scheen?”
Daar is geen antwoord.
Dan gaan zij verder.
De enkelen, die hem liefhadden, met strakke oogen en pijn in ’t hart,
de anderen alleen de herinnering meenemend in hun zielen.
En weer anderen gaan langs met vroolijken lach en luide woorden—vervuld
van eigen verlangen.
Zij hebben niets bemerkt—het heeft hen nog niet aangeraakt.
En zij gaan allen voort—voort.
Zoekende...
De ouden, de jongen—de sterken, de zwakken—de vroolijken de
moedeloozen.
En zij weten niet dat aan de meesten de belofte zich zal hebben
vervuld—éér zij zijn aangekomen.
XXII.
Stil ging de grijze winter voort in die dagen.
De sneeuw was gedeeltelijk gedooid in vuil grauw; ’s nachts huilde de
wind over de vlakte, en zweepte den regen half bevroren tegen het
venster.
Eén enkele dag brak ’s middags laat de lucht; dan gloorde de
ondergaande zon mat en droef als een paars roode bal laag aan den
horizon, en gaf zelfs geen herinnering aan licht en warmte; op de
doodsche hei tripten krassend de hongerige kraaien om Adam Feke’s hut;
het was een koude barre winter.
Maar in de smidse vlamde het vroolijke vuur hoog, en Maarten Ross
zwaaide den hamer. En uit het dorp kwamen de kinderen en warmden zich
daar en zagen toe met verlangende, bewonderende oogen.
Onder hen was ’t zoontje van Laret.
„Vader zegt, ik mag niet meer komen...”
„Waarom niet?”
„Vader zegt, bij Ross houden ze het met Eli Bag, en die heeft ons
bedrogen...”
„Eli nam mij vroeger soms mee op z’n paard.”
„Mij zoo dikwijls...”
Maarten smeedde voort, en luisterde naar ’t gepraat der kinderen.
Eindelijk werd het er te vol; dan schoof hij ze met één hand naar
buiten.
„Véél te veel,—” zei hij lachend, „morgen komt er weer een dag.” Maar
’t kleine Marietje Brandt zette hij even op zijn schouder, en liet haar
kijken door ’t hooge raampje boven de deur.
Dat was iederen dag zoo; telkens een ander, die door ’t kleine hooge
raampje mocht kijken; en ze wachtten altijd weer in gespannen
verwachting, wie het zijn zou.
Daarna draafden ze joelend en schreeuwend weg.
Maarten lachte met hen; in zijn werk herademde hij. In hem lag het
diep-blijde, het kerngezonde, dat altijd wilde zingen in volle
levensvreugd; zijn smart kon groot en echt zijn, maar zijn frissche
leefkracht kon er niet lang gebukt onder liggen en barstte altijd weer
uit.
Binnen misten zij allen Berend, en zijn rustige, geduldige
goedmoedigheid, zich meer uitend in zijn heele persoonlijkheid dan in
zijn karige woorden.
De oude vrouw zat aan ’t raam, zooals zij de jaren gezeten had, toen
zij hem wachtte.
Nu was er geen wachten meer.
In haar gelaat groefden zich de smartlijnen dieper; haar oogen dwaalden
over de verre vlakte, blind starend, geheel gekeerd in haar eigen
gedachten.
En in haar zonderling diep, stroef hart zonk haar smart om Berend neer
in een wijde berusting; en in nieuw leven trilde een oneindige
teederheid voor de andere kinderen van haar geslacht.
Evenals dien eenen avond voelde zij nu, met vastberaden sterken moed,
dat zij nog leven moest,—zij was nog noodig.
— — — — — — — — — — — — — —
Den vierden dag na Berends dood kwam Eli op een ongewoon vroeg uur bij
Hester. Vandaag zou hij haar zijn plannen zeggen; hij had het nu geheel
uitgedacht—en hij was rustiger dan lang te voren; maar eenmaal vast
besloten, kón hij nu ook geen dag meer wachten met het uit te voeren,
verlangde hij met het oude, brandende ongeduld te kunnen gaan.
Er was nòg iets dat hem dreef: hij was bang ziek te worden en niet meer
te kunnen gaan; na Berends dood, toen hij na den schrik den heelen
nacht òp was geweest en eerst tegen den morgen in een fellen oostenwind
naar huis gekeerd was, had hij zich plotseling ziek gevoeld. Het was
erger dan het voortdurende koortsgevoel en hoesten der laatste weken,
het was een algemeene zwakte, een vreemde lichtheid in zijn hoofd, die
hem deed duizelen als hij lang stond. Daarom verhaastte hij zijn tocht.
Toen hij bij Hester binnenkwam vond hij haar alleen stil zitten vóór de
tafel,—en opeens, nu hij zoo onverwacht voor haar stond, dacht hij,
pijnlijk getroffen: zoo had hij haar vroeger nooit gezien, zoo
werkeloos doelloos bijna.
Opeens zag zij hem; ze sprong op en sloeg haar armen om zijn hals, en
klemde zich aan hem vast, alsof ze hem niet missen kon... en hij voelde
’t nu, hoe ze altijd om hem had geleden den laatsten tijd—en sterker
werd zijn verlangen dit alles anders te doen worden.
Zij hield hem nog altijd vast, en zag hem angstig, onderzoekend aan.
„Er is toch niets, Eli?”
Hij ging zitten, en trok haar naast zich, haar kussend met iets van
zijn vroegere onstuimigheid.
„Alles zal in orde komen, liefje, ik zal het kunnen betalen...”
Haar gelaat lichtte op; en voor ’t eerst zag hij, dat het zóó altijd
vroeger was, en hoe bleek en strak den laatsten tijd; en in een groote
droefheid om haar kuste hij haar weer, teeder nu en eerbiedig.
„Hoe dan, Eli?”
Hij wachtte even; hij kon het zichzelf moeielijk hooren zeggen.
„Ik zal naar Brogs gaan en het aan mijn moeder vragen,—ik heb er lang
genoeg over gedacht, ’t is het eenige,—zij zal mij helpen,—maar ’t
kostte me veel, eer ik er toe besloten was.”
Dit begreep zij; zij dacht, dat dit misschien het bitterste was waartoe
hij moest komen.—Was voor hèm, die het zóó moeilijk dragen kon, juist
het zwaarste weggelegd!
Zij trok zijn hoofd aan haar borst—dat altijd even dierbaar gelaat, dat
zij had willen bewaren voor elke schaduw van smart,—en zei hem zachte
liefdewoorden, liefdenamen...
„’t Moèt!” zei hij.
„Ja... en je moet denken, dat is dan ook het laatste, dàn is alles
geleden,—zóó kan je het hier niet laten, dat kunnen we immers geen van
beiden op den duur uithouden.”
„Nee—nee—natuurlijk niet—en wàt zou ik moeten doen hier?—je weet niet,
hoe ik snak om weg te komen! maar als ik nu ging, zou ’t zijn of... o!
als ik daarmee klaar ben, met ’t geld, dan gaan we weg...”
Ze schrikte op—„wèg?”
„Ja—met jou—zonder jou kan ik niets meer—we moeten samen opnieuw iets
beginnen, als man en vrouw;—ik zal vragen aan Marten Bag in Fels, die
zal me verder kunnen helpen... maar hièr vandaan.”
Ze snikte het plotseling uit.
„O Eli, àrme schat, en je bent van alles hier zoo gaan houden—van het
werk—en dat moet je nu allemaal achterlaten...”
Hij schudde het hoofd, opziend met vreemd-onverschillige oogen—en
lachte kort.
„Och—dàt lijkt me alles al zóó lang geleden,—ik weet niet eens goed
meer hoe ’t was.”
Hij zweeg even, toen sprak hij voort, heesch, met bevende gejaagdheid,
de woorden waarachter zijn smart weende.
„Ik heb er ééns alles voor willen geven—àlles—ik heb weken en maanden
aan niets anders gedacht, dan hoè ik ’t zou kunnen behouden,—dat is nu
óók weg,—nu moeten we weer aan ons zelf denken... misschien, als ik ’t
nog iets langer had kunnen volhouden, als ik eerder aan mijn moeder
gevraagd had,—maar nu kòn ik niet langer,—en nu moet ’t maar heelemaal
uit zijn ook.—Wat ben ik hier geworden?—ik kàn hier niet langer
blijven,—ik kan ’t land niet meer zièn,—ik kan de menschen hun stemmen
niet hoòren,—er is niets meer voor me dan weggaan.—Ergens anders zal ik
mezelf er weer bovenop werken, als ik dit niet meer zie... wij samen,
hè vrouw?”
Hester was heel bleek; maar ze kuste hem en zei angstig:
„Ja Eli.”
Hij greep haar wild in zijn armen, en klemde haar hartstochtelijk aan
zich; voor ’t eerst voelde hij weer hoop en vreugd.
Hij wist: Hesters „Ja” hield in elke belofte, elke opoffering, die hij
van haar zou eischen, en de oude trots om haar liefde herleefde in hem.
„Hester wij samen weg, en dáár weer werken; misschien in Fels. Ik ben
vroeger in Fels zoo gelukkig geweest...”
Hij verlangde nu naar Fels, zooals hij vroeger in Fels naar Lode
verlangd had; hij zag vóór zich: geluk, als hij maar hier vandaan was!
En hij wist niet wat hij van Hester vroeg.
Hij, eenzame, had altijd het gemis aan een thuis, aan familieleven
gevoeld; maar hij kènde ook niet het bezit ervan. Hij kon niet weten
wat het voor Hester beteekende, heen te gaan van àlles wat haar lief
was geweest van klein kind af; hij wist niet, hoe zij gebonden was aan
al de oude herinneringen, de oude omgeving, de menschen, die altijd om
haar waren geweest; zij moest alles verliezen wat tot nog toe één met
haar leven was geweest.
Maar zij had niet geaarzeld.
Zij wist nu eenmaal: met honderd smarten had zij zich aan hem
verbonden; sinds zij hem had gekend was zij geen meester meer van haar
leven; haar liefde voor hem was de macht, die al het andere
overheerschte.
En tot hèm sprak niet haar smart, tot hèm sprak alleen haar groote
liefde en teederheid; zij zeide tot hem de woorden van hoop, zoo vast
en zonnig, alsof nog nooit haar vertrouwen was teleurgesteld, geen
enkele illusie nog vernietigd was.
„We zullen daar samen opnieuw beginnen, alsof dat het allereerste is
wat we ondernemen... In Fels, Eli? is het erg ver! lijkt het een beetje
op hier?—Maar dat is ook niets—ik denk, als we daar lang zijn, lange
jaren man en vrouw,—dan zal dit een nare droom lijken... we zijn nog
jòng!”
„Ja,” glimlachte hij.
„Ik denk, dat dit ons dan niet eens meer erg lijkt,—’t is ook eigenlijk
maar den laatsten tijd,—maar we zijn hier toch ook wel heerlijk
gelukkig geweest—in ’t begin—als ’t maar weer zomer wordt.”
„Als ’t zomer is zijn we daar...”
Zij zag plotseling, toen hij zich omkeerde naar ’t licht, hoe slecht
hij er uitzag.
„Ben je goed?” vroeg ze bang.
„Nee—daarom ga ik gauw; als er iets in den weg kwam, en ik moest ’t
uitstellen, dat zou ik niet meer uithouden.—Ik weet ’t wel, ik heb te
veel van mijn lichaam gevergd... dáár—met jou altijd bij mij, zal ik
ook beter kunnen leven;—jij zal altijd op me moeten passen, Hester...”
Hij zei het met een pijnlijken lach.
„Nee—ik weet zeker, als je daar bent, en je bent gelukkig, zonder
zorgen, dan zal je—dàt niet meer doen, dan heb je ’t niet meer noodig.”
„Geloof je dat zéker—of zeg je ’t maar om mij?”
„Nee,” zei ze moedig, „dat denk ik zéker, ik ben er geen oogenblik bang
voor.”
Hij hield haar stil in zijn armen, en zij bleven zwijgend zitten, maar
hun gedachten dreven naar hetzelfde:
„Of dit dan ten slotte het eind zou zijn, de rust en het geluk,—dàt het
Beloofde Land, waarvoor hij zoo lang had gestreden... ééns zou het toch
beter worden!”
Toen hij dien middag heenging wist alleen Hester het nog maar;
grootmoeder was met Maarten naar Boge.
Zij stonden op den drempel uit te zien, of de wagen al terugkwam, maar
toen zij hem in de verte zagen zei Eli:
„Nu ga ik weg, jij moet ’t hun maar zeggen.”
Hij kuste haar; zij merkte op, hoe zijn gezicht brandde en zijn oogen
schitterden, en haar angst kwam weer boven.
„Je bent ziek!”
Hij lachte. „Mijn hoofd brandt altijd... over een dag of vier ben ik
weer thuis, dan is alles in orde.”
Zij wist niet wat het was, maar zijn plotseling vast, vroolijk
vertrouwen joeg haar angst aan.
„Ik ga nog een eindje mee.”
Hij lachte weer; maar toen ’t begon te sneeuwen bracht hij haar terug.
„Ga maar binnen, het is te koud.”
Ze bleef hem aanzien...
„Blijf nog maar hier...”
„Je wil me niet laten weggaan,” riep hij uit, „ben je bang voor de
groote reis?”
Ze trachtte mee te lachen, maar ’t ging niet.
Hij kuste haar weer—toen ging hij eindelijk.
Bij de kromming van den weg keerde hij zich om en wuifde tegen haar,
met zijn oude, zonnige vroolijkheid; toen zag ze plotseling helder voor
zich: zijn gezicht, veranderd, met scherpe lijnen en uitstekende
jukbeenderen—en de groote, schitterende, zieke oogen,—zij hoorde zijn
stem met een vreemden, gebarsten klank...
En plotseling ontzonk haar de moed; het was, of zij nu opeens de
zwaarte van al ’t leed, dat geweest was, en nog komen moest niet meer
torsen kon. En zij bleef staan waar ze stond, ongevoelig voor den
scherpen wind, die haar in ’t gezicht sneed, starend met blinde,
traanlooze oogen.
„’t Is zoo veel—zoo veel,” kreunde zij onbewust hardop.
„Hester! Hester!”
Ze zag op als uit een droom.—Maarten sprong van den wagen, en hielp
Tine eruit.
„Ging Eli daar niet?”
Ze knikte stom, en ging met hen naar binnen; ze ging voor ’t raam staan
en zag uit; en hoorde de beide anderen in de kamer komen en stilstaan.
Toen zei zij het:
„Eli gaat morgen naar Brogs,—het geld halen,—we gaan allebei weg, later
naar Fels—ik ook—ik ga hier vandaan—en hij is ziek—ik zie ’t...”
Haar stem zei de woorden machinaal—afgebroken.
Maarten kwam naast haar staan, maar hij zei niets,—hij kon haar niet
helpen.
Stom staarde hij uit over het wijde, barre land.
„Ging ze wèg? Zou hij haar niet meer zien,—haar nooit meer kunnen
helpen met iets?—ze zou niet meer zitten hier op haar oude plaats...”
Hij hief zijn hand op, met een dwalende beweging.
Maar zij zag niet op; ze wist, dat hij daar naast haar stond, en haar
aanzag... toen hoorde ze hem langzaam de kamer uitgaan.
Maar Tine Ross ging naar haar kleindochter.
„Kom bij me zitten, laten we er samen over praten,” zei ze met
trillende lippen.
Toen sloeg Hester haar armen vast om haar heen, en drukte het oude
hoofd aan haar borst—en schreide lang en hevig.
XXIII.
’s Avonds ging Eli nog naar Adam; hij wilde hem zeggen, dat hij naar
Brogs ging.
Had Adam zijn stap gehoord? Hij stond aan zijn deur en wachtte hem op.
„Wou je naar mij gaan?—ik kwam je zeggen, dat ik morgen naar Brogs ga.”
Adam zag hem aan; zijn oogen lichtten zonderling in zijn bewegelijk
gezicht; Eli’s woorden scheen hij niet te hooren, want met zachte stem
zei hij:
„Eli—vanmorgen is het wonder gebeurd—toen—toen is hij gekomen...”
Eli deed een stap terug; Adams gezicht zei hem wie.
„Geert?!”
Adam knikte.
„Vanmorgen. Hij kwam van ver, zijn voeten waren doorgeloopen. Ik wist
wel, dat hij éénmaal hier komen zou,—en ’t is mijn àngst geweest, dat
ik er dan niet meer zou zijn.”
„En?”
„Nou is hij er.”
„Ja—ik zag ’m opeens, zooals ik ’m gezien had op dien avond in
Augustus;—hij stond voor me—en hij zei... dat zij nu gestorven was,
Eli, en hij kwam met ’n boodschap...”
„Wat was dat?”
Adams trekken werden heel zacht.
„Dat hij haar al dien tijd gelukkig heeft gemaakt... dat was ’t eenige
waarmee hij bij mij kon terugkomen, en daarmee heeft hij zijn schuld
aan me afgedaan,—want ik heb ’r altijd liefgehad, Eli,—dat kan je
misschien niet gelooven, maar ’t is zoo—tòt nu—en nu nòg...
„Dat waren de woorden die ik in mijn droom niet verstond;—ik heb dat
eerst langzaam moeten leeren,—’t ging moeielijk,—ik heb er m’n heele
leven over moeten doen...
„Maar nou is ’t goed; als hij morgen weer weggaat...”
Hij brak af; achter hem zag Eli een anderen ouden man; hij was forscher
dan Adam en leek jonger, met vuriger oogen en ongeduldig-bewegelijken
mond.
„Kent hij mij?” vroeg hij, en wees op Eli.
„Het is Eli Bag,” zei Adam.
Geert Feke zag Eli aan met zijn wonderlijke, sterke oogen; een donkere
kleur steeg langzaam op in zijn brons gezicht, en langzaam stak hij
zijn hand uit naar Eli.
„Hij zegt, hij houdt van je of je zijn zoon was.”
Meer zei hij niet; het was een onuitgesproken dank aan Eli, dat hij nog
eenig geluk en liefde had gebracht in het leven, door hem vernield.
Eli keek van hem naar Adam, die daar stond, zoo rustig en stil, alsof
nu niets hem meer deren kon; en in hartelijke liefde sloeg hij zijn arm
om Adams tengere gestalte, en nam hem mee naar buiten.
Een poos stonden zij stil zoo; eindelijk zei Adam:
„Het is goed, dat je gaat—alles zal nou voor je in orde komen.”
Eli rilde in den kouden wind, een scherpe hoest doorschokte zijn borst.
„Dat zei Hester ook—en ik geloof het ook.”
Toen hij een paar stappen ver was, riep Adam hem terug.
„Groet Maria Bag van mij,” zei hij.
Dit was voor den eersten en laatsten keer.
In den vroegen wintermorgen reed Eli heen.
Er was dien nacht een weinig sneeuw gevallen, die de velden even
bedekte; doodsch en bar lag het wijde land.
Hij was te paard, vreezend, als de wegen slechter werden, met den wagen
niet voort te kunnen.
Bij de kromming van den weg naar Boge stond Maarten Ross.
„Goede reis,” zei hij, „ik heb je plannen gehoord, ik hoop, dat alles
goed komt.”
Er was iets in Eli, dat hem een oogenblik de hand deed vasthouden, die
trouw en zwaar zich om de zijne sloot.
„Dank je,” zei hij onzeker—„en zeg Hester nog eens goeden dag.”
Toen reed hij voort.
Bij ’t eind van den dwarsweg hield hij nogmaals stil, en zag om.
Maarten Ross liep daar nog op den weg; en in grooten winterrust lag het
dorp.
Hij zag rechts; daar was de hut van Adam. Wat bekend leken al die
dingen en tòch vreemd.
Hij zag alles in grooten weemoed, alsof hij nu ging om nooit terug te
keeren; en dat gevoel deed hem weifelen op de plek, en staren met
gretige, droevige oogen—alsof hij niet weg kòn.
„Maar vier, hoogstens vijf dagen,” zei hij tot zichzelf.
Zijn moed kwam terug; als hij hier wéér kwam was de zorg voorbij!
En hij reed voort.
XXIV.
Hij reed voort, twee dagen lang, langs de doodsche sneeuwwegen; soms
waren aan den kant de sombere dennenbosschen, dan weer lag de hei als
een onafzienbaar sneeuwveld. Het was maar zeer zelden dat hij een
mensch ontmoette in die eenzaamheid.
Maar het kon zijn moed niet neerslaan; wat deed hem ’t weer als alles
in orde kwam!
Hij overnachtte in een hoeve, halverwege Brogs, en trok den volgenden
dag vroeg weer verder.
Maar tegen den middag begon hij zich ziek te voelen; het weer was ruw,
de snerpende oostenwind sneed hem in ’t gezicht, en in zijn borst stak
het pijnlijk; het oude koortsgevoel van de laatste weken kwam erger
terug.
„Het is goed, dat ik gegaan ben,” dacht hij, rillend in de ijzige kou,
die, door niets tegengehouden, aanblies over de sneeuwvlakte,—„als ik
nu ziek word, heb ik tenminste rust.”
En hij was niet moedeloos; hij dacht aan Hester, en aan Fels; hij dacht
zelfs met dankbaarheid eraan terug, dat Maarten nog gekomen was, om hem
goedendag te zeggen.
Hij zag ook met zonderlinge helderheid, hoe hun leven daar in Fels zou
zijn, en hij stelde zich hun huis voor in allerlei kleine
bizonderheden.
De schemering viel vroeg in; juist toen, aan het eind van dien tweeden
dag, zag hij over de boomen de torens van Brogs, dat op een hoogte lag.
Een smal, stijgend pad leidde erheen, glibberig, onbegaanbaar bijna van
ijzel en modder; hij gaf zijn paard in een kleine hoeve, en ging te
voet verder.
Hij kwam maar langzaam vooruit; telkens stond hij stil in den scherpen
wind,—en vóór hem was de doodsche, stijgende weg, grijsglimmend van
nattige, half gesmolten en weer bevroren vuile sneeuw, met de kale
boomen aan weerszijden.
Een paar keer, in de beschutting van wat kreupelhout, ging hij zitten;
hij had het bestuur over zijn voeten verloren, het zweet liep van
vermoeidheid langs zijn gezicht; maar de wind was zóó ijzig, dat hij na
een oogenblik weer overeind tobde en verder ging.
Het was volkomen avond toen hij in de donkere straten van Brogs kwam,
het bouwvallige stadje met zijn onregelmatige huizenrijen, en sombere,
hooge torens.
Het was hier veel minder koud; hij kwam bij, en liep vlugger voort; en
vreemd bekend en toch van zóó lang geleden, leken hem de straten; hij
was hier ’t laatst geweest vóór hij naar Lode ging.
Zoo vond hij zijn moeders huis.
Een oude meid deed open; hij liep dadelijk door naar boven, de bekende
trap en gang uit zijn jongenstijd. Even dacht hij: „hier was ik toch
gelukkig.”
Hij klopte. Er kwam geen antwoord. Toen deed hij langzaam de deur open,
en een oogenblik stil op den drempel, zag hij rond.
In de kamer, waar geen licht op was, zat de vrouw van Jelle Bag bij het
vuur.
Zij zat stil, voorovergebogen; er was iets in haar zitten zoo, dat hem
even aan Hester deed denken.
Plotseling, iemands tegenwoordigheid voelend, keek ze om; het licht van
’t vuur viel op Eli’s bleek, mager gezicht en schitterende oogen.
Met een kreet sprong ze op, alsof ze op hem wilde toesnellen, maar ze
bleef staan en zag naar hem met een vreesachtigen blik.
„Moeder,” zei Eli—„ik ben het.”
Toen liep ze naar hem toe, en sloeg haar armen om hem heen, en kuste
hem hartstochtelijk.
„In zóó lang niet—zóó lang...” stamelde ze snikkend.
Hij hield haar stil vast, in een vreemde, hemzelf onbegrijpelijke
ontroering; maar hij voelde zich zwak en duizelig—en haar loslatend,
zocht hij een stoel.
Zij zaten nu tegenover elkaar en zwegen; maar er was geen verlegenheid
in hun zwijgen; zij zagen elkaar aan, en dachten scherp en snel.
Er was iets in haar, dat hem ontroerd had van het eerste oogenblik af,
toen hij hier binnenkwam, dat brak het vijandig koud gevoel, waarmee
hij altijd aan haar gedacht had; terwijl hij hier zat en haar aanzag
begreep hij op eenmaal:
Haar totale eenzaamheid,—de troostelooze onverschilligheid in die
kamer, zóó ongezellig en leeg, alsof geen vrouw haar bewoonde, waar
blijkbaar nooit eenige moeite werd gedaan om haar gezellig te maken;
hij zag zijn moeder vervallen, oud, het vroegere kindergezicht
gerimpeld, verlept, met zoekende, rustelooze oogen en gemelijken mond;
hij zag haar verwaarloosde kleeding, slordig, alsof elke zorg aan
zichzelf of haar omgeving besteed haar te véél was.
Hij zag haar: verlaten, doelloos schepsel zonder een enkele
liefhebberij, hakend naar iets wat haar in haar verveling kon
verstrooien.
Zóó wist Eli haar, terwijl zij tegenover hem zat en weende met korte,
zenuwachtige snikjes,—en voor ’t eerst voelde hij, dat hij ook schuld
had aan háár, begreep hij den plicht, waarvan Adam Feke had gesproken.
Zij was diep ongelukkig, even ongelukkig als hijzelf, door haar aanleg,
haar zwakheid, haar onbevredigd verlangen.
Eindelijk sprak zij weer.
„Eli—hoe lang blijf je? Je ziet er zoo slecht uit, kind,—blijf nu hier,
dan zal ik voor je zorgen en je oppassen,—je hebt ’t noodig—en ik ook.”
Hij zweeg; nu hij haar hoorde spreken, met die groote klacht in haar
stem, voèlde hij verwantschap met haar; hij voelde nu weer hoe ver hij
stond van Hester, van allen daar en hoe hij in waarheid was: kind van
deze vrouw, met dezelfde bijna misdadige zwakheid van ’t oogenblik, en
het diepe lijden erna,—hetzelfde kwellende gevoel van eenzaamheid.
En tòch kon ook zij dit niet van hem wegnemen, zij kon hem niets
vergoeden ook, hij moest toch weer van haar weg, haar liefde kon nu
niets meer voor hem zijn.
Altijd hetzelfde...
Hij leunde plotseling terug, krimpend onder een hevige hoestbui; de
pijn in zijn borst maakte hem wee en flauw, rillend bij de hitte van
het vuur.
Zij zag het. Het volgend oogenblik lag zij naast hem op haar knieën.
„Eli, kind, je bent ziek! waar ben je geweest?—och, wat was je in een
tijd niet hier!—ik weet niets meer van je—die jaren waren zoo làng...”
Hij antwoordde niet, er kwam een gedachte, brandend in zijn ziek brein,
die hem opjoeg in koortsigen angst.
„Ik word ziek, ik word ziek—àls ik ’t nu niet meer kan.”
Uitgeput leunde hij in zijn stoel, trachtend zijn benauwdheid te boven
te komen.
Het duurde lang, hij legde, terwijl hij daar worstelde, zijn heete hand
op de hare als om steun.
Eindelijk kon hij weer spreken, zacht en heesch.
„Moeder—luister eens—ik moet ’t kort zeggen—ik heb daar—daar in Lode—de
heiontginning begonnen,—ik heb ’t moeten opgeven,—de Kloeve heeft niet
opgebracht,—ik had zelfs niet om den termijn uit te betalen,—ik ben in
schuld bij ’t volk,—zóó kan ik niet iets nieuws beginnen, wil u me
helpen...?”
Hij zat stil, in elkaar gedoken, uitgeput door de ellende, dit te
moeten zeggen.
Haar gezicht verstrakte; ze had hem losgelaten en staarde voor zich
uit, langzaam knikkend, als om het zichzelf duidelijk te maken.
„Hoeveel is het?” vroeg ze eindelijk.
Hij noemde de som.
Ze knikte weer,—toen stond ze langzaam op, en kreeg het geld uit de
groote eikenhouten kast—en gaf het hem.
„Dank u,” zei hij, en nam het met bevende vingers,—„dank u.”
Ze stond nog vóór hem en zag hem aan, en haperend, langzaam, zei ze het
zwaarste:
„Ben je daarvoor alléén gekomen—zou je—anders niet naar me toe gekomen
zijn?”
Stom zag hij haar aan; hij begreep nu, dat Adams woorden voor deze
vrouw geen waarheid konden zijn: zij kon niet dankbaar zijn, dat hij
tot háár kwam in zijn grootsten nood, dàt kon zij niet voelen,—zij
voelde het alleen als een vernedering.
Het licht, dat een oogenblik in haar ziel viel, was weer weg; en hij
peilde haar diepe grief: haar zoon kwam slechts tot haar, omdat hij
haar noodig had.
Hij begreep dit, want hijzelf had dit ook zoo gevoeld, langen tijd, en
Adams woorden niet verstaan—tòt hij hier binnenkwam en haar zag...
Hij strekte zijn armen uit, en trok haar naar zich toe, in bijna liefde
van medelijden.
Toen viel zij aan zijn borst, en weende uit haar armzalig leeg leven,
zich aan hem vastklemmend in hopelooze verlatenheid.
— — — — — — — — — — — — — —
Het duurde lang eer zij ophield met schreien, en hij hield haar stil
tegen zich aan;—voor ’t eerst was in hem een eerbied voor zijn moeder
om haar ongeluk. Eindelijk werd ze kalm, en zette zich naast hem neer.
Hij nam haar hand.
„Ik wou, dat ik ook iets voor u doen kon, moeder,—u weet niet wat een
groote weldaad u aan me gedaan hebt; als u me niet had kunnen helpen,
had ik naar vreemden moeten gaan...”
Ze zag plotseling verheugd, met tranenschitterende oogen naar hem op.
„Ik had ’t gisteren geïnd, ik had ’t liggen—hadt je anders naar
vreemden moeten gaan?”
„Ja—maar die zouden me misschien niet willen helpen.”
Ze knikte; langzaam begon het tot haar door te dringen, dat zij hem had
geholpen—zij alleen had dat gedaan.
„Ik zal met Hester bij u komen, vóór we...”
„Ik weet bijna niets van Hester...”
De koorts brandde door zijn lichaam, maar hij hield zich op, en
vertelde haar van Hester, van zijn werk, zijn strijd, zijn wanhoop—voor
’t eerst liet hij haar zien in zijn leven.
Ze luisterde stil, haar hand op zijn hand, altijd met die
verheugd-dankbare schittering in haar schreiende oogen; ze begreep
volstrekt niet den omvang van wat hij geleden had om dat werk, ze zag
ook niet hoè ontzaglijk veel Hester van Eli moest houden, dàt waren
voor háár woorden, klanken,—ze dacht alleen: hier zat hij nu bij haar,
en hij vertelde haar alles, als andere zoons aan hun moeders...
En zij wist niet dat zij nu altijd hetzelfde leed, wat Eli als kind
geleden had,—de voortdurende vergelijking met anderen.
Hij leunde uitgeput achterover.
„Ik ben ziek,”—hijgde hij,—„en ik moet morgen weer weg...”
„Niet als je ziek bent,—je moet hier bij me blijven,—ik zal je oppassen
tot je weer heelemaal gezond bent,—mijn arme jongen,—je bent zoo mager
geworden,—kijk je handen—maar je hebt nog altijd je mooie
gezicht.—Blijf nou hier...”
„Nee moeder—ik moet naar Hester.”
Ze zag, hoe hij met moeite in zijn stoel zat.
„Ik zal hier een bed voor je maken—’t is hier warm—en ik zal bij je
blijven.”
Hij knikte dankbaar, te ziek om nog iets te zeggen; hij voelde, dat hij
hoe langer hoe erger werd.
— — — — — — — — — — — — — —
In den langen, donkeren nacht waakte zij bij hem; en zij dacht over
alles, wat hij haar verteld had.
Die vrouw—Hester—waarvan hij zoo veel hield, die alles voor hem was,—en
dat groote werk, waarvoor hij zoolang getobt had,—dat groote, heerlijke
werk, zooals hij het noemde...
Dat leek haar alles zoo vreemd ver van haarzelf—het gaf haar een vaag
zelfbesef, dat zij dat niet begrijpen kon; zij verlangde ook niet
Hester te zien, of te leeren kennen—ze wilde alleen Eli hebben—zooals
nu...
Eli was heel onrustig; telkens hoestte hij zich wakker en dan was zij
altijd bij hem, gaf hem water, legde natte sponsen op zijn brandend
hoofd.
Eerst tegen den morgen sliep hij even in.
Toen hij wakker werd, was het licht; hij lag daar en zei tot zichzelf:
nu moet ik weg, moet ik naar huis, dáár kan ik ziek zijn—hier heb ik
geen rust.
Langzaam en moeielijk kleedde hij zich aan; Maria stond er hulpeloos
bij, zich weer overbodig voelend nu, nà den nacht, toen zij iets voor
hem had kunnen zijn.
„Ga je toch weg?” vroeg ze zacht.
„Ja—maar ik kom terug.” Hij trachtte te lachen.
„Gauw?” drong ze, „gauw?”
„Ja—in ’t voorjaar—heusch.”
Zij ging met hem mee naar beneden.—Het grauwe ochtendlicht viel
weifelend in de breede gang; hij zag het, in een wanhoop bijna, naar
buiten te moeten.
„Morgen ben ik thuis,” zei hij hardop; en ondanks zijn dood-ziek gevoel
kwam een blijde, zalige moed in hem; zij zouden nu werkelijk opnieuw
beginnen.
Toen kuste hij haar vaarwel.
„Dank u, moeder,—zal u... als ik weg ben, moeder,—zal u er dan aan
denken, dat u het is, die me geholpen heeft?”
Ze lachte tegen hem, en keek toen bezorgd naar buiten.
„Wat ’n weer!”
Maar hij, koortsig-tobberig, hield als een angstig kind vast aan dat
ééne.
„Zàl u daar aan denken, moeder?”
„Ja—ja.”
Ze kuste hem weer en toen ging hij.
Eenmaal nog zag hij om en zóó zag hij haar voor ’t laatst: onbewegelijk
in den donkeren, grauwen morgen, hem naziend met haar bleek, vervallen
gelaat, waarover langzaam de tranen neervielen.
XXV.
Eli kwam langzaam vooruit.
De wind was gaan liggen, maar nu en dan vielen groote vlokken.
Hij liep moeielijk den gladden, dalenden weg; bij de kleine hoeve
haalde hij zijn paard op, en reed nu verder.
In ’t begin was ’t hem een rust te zitten,—maar langzamerhand hinderde
hem meer en meer het op-en-neer schokken, en hij moest telkens zijn
paard laten stappen om het uit te houden.
„Zóó kom ik er nooit,” dacht hij dof...
Hij was veel zieker dan den vorigen dag,—zijn hoofd hamerde en belette
hem geregeld te denken, in zijn borst piepte het met een zagende pijn.
En toch voelde hij zich op dezen ellendigen tocht geen enkelen keer
ongelukkig; als hij weer thuis was, zou alles geleden zijn.
De sneeuw begon dichter te vallen; rondom lag het land verlaten en wit.
Hij had de dennenbosschen nog lang niet bereikt, als een zwarte streep
lagen zij van verre...
Toen in die barre eenzaamheid begon een wilde angst hem voort te jagen.
„Als ik hier eens viel, en bleef liggen,—ik moet hard doorrijden, dat
ik vannacht in Boge kom... God, als ik hier bleef liggen...”
Hij gaf zijn paard de sporen, en rende voort, met duizelende,
verdwaasde oogen.
Hij dacht nu zonderling verwarde dingen, aan zijn moeder, aan Berend
Ross, aan Fels en aan Hester...
Tot hij met een schok tot helderheid kwam:—„’t is onzin, ik kan niet
meer denken—wat doe ik toch...”
Tegen donker zag hij een eenzame hoeve; Boge was nog ver, hij kon zelfs
in de donkere lage lucht den toren niet zien.
„Daar maar heen,” en hij reed nu weer beschut tusschen de donkere
dennenbosschen.
„Hier heb ik met Hester gezeten,” dacht hij verkeerd, en zocht om de
plek te herkennen... „toèn was ’t toch niet zoo ver.”
Hij wist niet meer waar hij was; hij zag dennen en verwarde ze met de
bosschen bij Lode; half bewusteloos reed hij aan op de hoeve.
Hij kon zich ook niet herinneren, wie er woonde; hij zag mannen buiten
komen, die een lantaarn ophielden, en hij hoorde zijn naam noemen.
„’t Is Eli Bag!”
Hij verwonderde zich flauw; hij ondervond, hoe ze hem van ’t paard
hielpen, en hem brachten in een weldadig warme kamer—en hij hoorde
zeggen:
„Hij is ziek—hoe heeft hij nog gereden.”
Hij poogde ook niets uit te leggen; in zijn doffen, droomerigen
toestand wist hij niet eens, wie om hem waren. Menschen hielpen hem
uitkleeden, en spraken zacht,—een vrouwestem vroeg hem iets. Hij wist
geen antwoord—begreep niet...
Zoo kwam hij in bed, en alleen een flauw gevoel van dankbaarheid kwam
over hem, dat hij lag.
Om hem bleven de menschen nog; hij bekommerde zich niet om hen, niet om
iets; na een poos zonk hij weg in droomen.
Het waren zonderlinge droomen; hij ging over wijde, wijde velden, en om
hem was de blauwe damp van een koelen, rustigen herfstdag... wanneer
was dat óók zoo geweest? De lucht ook was koel en blauw, maar de nevel
voor hem was toch dicht,—en hij ging er door, langzaam, altijd maar
verder over de velden... hij moest ergens naar toe,—waarheen—dat wist
hij niet—maar ’t was iets goèds—iets goèds—en hij haastte niet—hij ging
langzaam, langzaam door de blauwe nevels...
In den morgen gingen de droomen weg; wakker, lag hij dof te zien naar
het donkere licht van den wintermorgen.
„Dat blauwe—dat was weg... nu wist hij het weer—hij moest verder;—hoe
kwam hij hier...?”
Hij herinnerde zich flauw iets; tweemaal probeerde hij op te staan, en
viel weer om.
„Ik moèt,” zei hij, terwijl ’t angstzweet hem uitbrak,—„ik wil naar
Hester.”
Hij stond, en kleedde zich aan, zich overal aan vastgrijpend.
Zoo vonden de menschen hem.
Ze zagen hem verwonderd aan, en vroegen, of hij niet wilde blijven.
Hij zag nu: er was een vader, een stoere oude boer, en een stevige
roode jongen; de moeder was klein en gerimpeld.
En hartelijk, met hun schaarsche woorden zeiden ze hem te blijven.
„Waarom blijf je niet hier? M’n zoon herkende je—je was heel ziek.”
Eli trachtte te blijven staan.
„Ik dank jullie—ik ben nou weer beter—ik moèt in Lode zijn.”
„’t Is onmogelijk,” zei de oude boer, „je kan geen uren achter elkaar
op ’t paard zitten.”
„Vader, geef ’m den wagen,” zei de jongen.
„Zie je, wij kunnen je niet brengen, we moeten naar Brogs straks, maar
den eenen wagen kan je krijgen.”
„Als de weg niet te slecht is...”
„Dat is ie niet—” zei de jongen,—„de sneeuw ligt niet hoog, ’t is
alleen glad...”
„Vooruit dan maar,” en ze gingen den wagen inspannen.
Onderwijl bleef de oude vrouw bij Eli.
„Een heel eind nog in zoo’n weer,” en ze zag medelijdend naar Eli, die
hijgend ineengedoken op zijn stoel zat.
„Ik ben gauw thuis,” zei Eli meer tot zichzelf dan tot haar... „bij
Hester...”
„Hester Ross—ik dacht eigenlijk, dat ze je vrouw al was,—maar och, je
leeft hier zoo afgezonderd.”
„Van ’t voorjaar.”
Hij glimlachte; een wonderlijke blijmoedigheid bezielde hem door zijn
ellendigen, zieken toestand heen.
De vrouw zag hem oplettend aan, en dacht:
„Hij ziet er niet uit als een, die alles verloren heeft, en ook niet om
de menschen te bedriegen,—maar ze vertellen zoo véél,—je moet eigenlijk
van ’m houden als je ’m aanziet, ’t gaat me aan mijn ziel om ’m te
laten gaan...”
„De wagen is er,” kwam de man zeggen.
Ze hielpen hem nu in den wagen, en dekten hem met een warm kleed en
zeiden hem vaarwel met vriendelijke, korte woorden.
Eli dankte de goede menschen—den wagen zou hij terug laten brengen.
„Dàt komt terecht—goeie reis.”
Het was beter nu in den wagen; hij was meer beschut tegen den fellen,
scherpen wind.
Hij zat, leunend tegen den zijkant, en hield het paard met slappe
teugels.
Toen hij een half uur gereden had, werd hij weer veel erger; hij kon
niet meer berekenen waar hij was,—hij liet ’t paard den rechten weg
gaan, zonder éénig vermogen het te besturen.
Zoo reed hij langen tijd, zonder besef voort. Uren en uren.
Eéns zag hij op met loodzware oogen en onderscheidde flauw de eerste
schaapskooien. Het paard stapte, brieschend, den kop gebogen tegen de
jachtsneeuw.
Was hij nog ver?
Het leek late middag te zijn,—’t werd schemer. Had hij zóó lang
gereden?
Hij wist niet hoe dicht hij nu bij Lode was, hij wist niets meer; dof
staarde hij over het sneeuwveld zonder iets te herkennen.
Hij verlangde te liggen... moe liet hij zich op zij vallen, de teugels
nog in de hand.
Het paard voelde den ruk—en stond nu stil.
Eli merkte het niet; de droomen van dien nacht kwamen terug... hij ging
weer over de wijde velden in den blauwen nevel—langzaam en rustig...
naar iets goèds—iets heerlijks...
— — — — — — — — — — — — — —
Hij kwam tot bewustzijn door iets donkers voor zijn oogen.
En voelde dat hij werd opgebeurd, van den wagen getild en weggedragen.
Moeielijk lichtte hij zijn hoofd op, om te zien.
Adam...
Met een snik van zich veilig voelen sloot hij de oogen.
Adam Feke droeg hem met sterke armen, met snelle, vaste schreden naar
zijn hut; hij droeg Eli met lichte kracht, Eli, die zooveel grooter en
zwaarder was dan hijzelf.
Zoo had hij ook eens Jelle Bag gedragen.
XXVI.
Eli lag nu in zware rust; hij wist de weldadige warmte van een vuur om
zich—en Adams zorg—en voor ’t oogenblik niets meer.
Langzamerhand verwonderde hij zich over iets—hoe kwam Adam bij hem...?
„Hoe wist je...?” vroeg hij zwak.
Adam legde zijn hand op Eli’s hand.
„Ik wist het—’t werd me gezegd, Eli... ik zat hier in ’t vuur te
kijken, en dacht aan je—en opeens zag ik den weg, ik zag den wagen en
’t paard stilstaan in de sneeuw en jou erin liggen...
„Toen ging ik aan de deur en wou uitzien—maar ik kon niks zien door de
sneeuw—en ik wist dat je ’r zijn moest—want ’t was me gezegd—en toen
liep ik den kant naar Boge en vond je... je was vlak bij...”
Eli luisterde zwak; er was nòg iets, dat hem verwonderde.
„Je droeg me,” zei hij met een glimlach.
„Ik droeg je—ik droèg je—ik weet niet hoe—ik weèt de dingen niet
meer—’t gebeurt...”
„Ja—en alles is in orde Adam,—ik heb—en nou zal—en...”
Hij werd bewusteloos—een langen tijd lag hij, en mompelde
onverstaanbare woorden...
Eéns deed hij zijn oogen wijd open.
„Hester,” zei hij... ’t Volgend oogenblik ijlde hij weer.
Adam zat bij hem, en legde versche sneeuw op zijn hoofd... En onderwijl
dacht hij aan Hester, en zag uit, of er iemand langs kwam, om ’t haar
te gaan zeggen.
Niemand kwam—de uren gingen.
Eli ijlde niet meer, hij lag stil.
Het sneeuwde ook niet meer; helder en wit lagen de velden.
Toen kwam van verre iemand aan; het was een herdersjongen.
Adam riep hem.
„Loop hard naar Hester Ross, Jozef, en zeg haar, dat Eli Bag hier
is—hij is ziek.”
De jongen zette het op een draf.
En Adam zat weer naast Eli—en wachtte.
Soms kwam Eli even tot bewustzijn; in een van die oogenblikken zei
Adam:
„Ik heb om Hester gestuurd.”
Eli knikte; de dolle koorts sloopte hem snel.
In zijn heldere oogenblikken was hij zich bewust, dat hij op iets
wachtte... iets goeds—en hij ging weer over de wijde velden, in den
koelen, blauwen herfstdag... Dan weer zag hij Adam zitten, klein,
grauw.
Hij dacht éven, dat dit nòg eens zoo geweest was...
En wàt moest er komen—waar wachtte hij op...?
Hij gleed weer weg.
— — — — — — — — — — — — — —
Lang—héél lang.
Tot hij ééns zich bewust was, dat er iets bij hem was—iets
liefs—goeds—waarvan hij de aanwezigheid voelde, zonder ’t besef te
hebben om op te zien...
Een stem die fluisterde,—een hand op zijn machtelooze hand.
Het was er al làng...
Hij was weg, kwam weer bij—maar altijd blééf dat.
Eens was ’t een stem, luider, dringender!
„Lieveling—Eli...”
Hij zàg...
Dàt was het—Hester!
Er brandde een lamp achter hem; ’t was schemerachtig, gedempt licht—’t
moest avond zijn.
„Hester,” fluisterde hij.
Zij schoof haar arm onder hem en kuste hem.
Hij glimlachte.
„Zie je wel—’t is goed dat ’k gegaan ben,—nou zou ’k te ziek zijn...”
Ze snikte het uit, en klemde hem aan zich in haar sterke jonge armen,
en kuste zijn gelaat, haar nooit zoo dierbaar als nu in zijn
hulpeloosheid,—en ze herhaalde in zichzelf wanhopig weer hetzelfde:
„Ik kàn ’m niet missen—’k kàn niet...”
Hij lag haar verwonderd aan te zien; „ze hoefde niet om hem te huilen,
hij was nu niet ongelukkig meer...”
„Ik hèb ’t geld—’t is alles in orde...” Haar hoofd lag naast ’t zijne;
hij voelde haar tranen langs zijn wang.
Hij begreep ’t niet—hij wilde wel een grap zeggen, om haar gerust te
stellen—maar hij wist niets...
En hij gleed weer weg.
Hester en Adam waakten samen.
Eéns hief de oude man ’t hoofd op; in zijn vreemd, stil gezicht zagen
strak de oogen.
„Het beste voor Eli—gaat nu gebeuren, Hester.”
Hester sprong op; bevend, haar handen op haar borst gedrukt, zag zij
van Eli naar Adam.
„Adam!” hijgde ze; haar gezicht was wit en verwrongen.
Adam Feke zag haar aan; een wonderlijke rust scheen over hem gekomen.
„Weet je, wat hij eens zei—van ’t beloofde land, toen hij hier
kwam?—dit is ’t voor hèm—dit ’t éénige—voor hèm...”
Maar zijn stem brak, zijn oogen werden dof; het gezicht in zijn handen
verborgen, weende hij stil over Eli Bag.
Iemand kwam en vulde het vertrek met frissche sneeuwlucht.
’t Was Maarten.
Maar Hester zag hem niet.
Met strakke, wijde oogen zat ze gebogen over Eli.
En kon zèlfs niet weenen.
Tot middernacht zaten zij drieën en wachtten.
Toen kwam Eli tot bewustzijn.
Met iets van den ouden stralenden glans in zijn oogen, zag hij Hester
aan.
„Heerlijk, dat je hier bent—ik heb me zoo gehaast thuis te komen,—ik
heb aan Fels gedacht—jij...”
Zij zag hem veranderen; plotseling zag ze wreed-helder: het beste, dat
gebeuren ging.
Adam zat onbewegelijk; zijn gezicht was gespannen, alsof hij aandachtig
naar iets luisterde.
Toen kwam in Hester een begrip van wat ze nu doen moèst.
Eli lag te wachten,—hij verlangde van haar woorden van hoop, van blijde
verwachting,—alles waarvan zij wist, dat het nooit komen zou.
En in haar wanhoop kòn zij het zeggen:
„Ik heb er ook zooveel aan gedacht, toen je weg was,—nu gebeurt ’t,
Eli! nu zijn we zonder zorgen,—ik verlang er zoo naar om daar samen te
zijn...”
Ze brak af.
Hij zag haar aan—en glimlachte, een helderen glimlach, als van een
kind.
Zwak, ontoerekenbaar als een kind was hij door ’t leven gegaan,—en
onwetend was over hem gebeurd het Wonder: voor ééns en altijd te hebben
gewonnen het Hoogste, het Reinste—dat nooit kon vergaan—een absolute
liefde.
En hij glimlachte...
De wijde, wijde velden—en het blauwe, rustige licht...
Hij lichtte zijn stervende handen op—en trok haar gelaat neer op ’t
zijne.
En ging zoo heen.
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET BELOOFDE LAND ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg™ License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™
electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
electronic works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
you share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you
are not located in the United States, you will have to check the laws
of the country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg™.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg™ License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg™ website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
within 60 days following each date on which you prepare (or are
legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
payments should be clearly marked as such and sent to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
License. You must require such a user to return or destroy all
copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free
distribution of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™
Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg™ and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West,
Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
volunteer support.
Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg™,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.