Hanne Nüte en de kleine Poedel

By Fritz Reuter

The Project Gutenberg eBook of Hanne Nüte en de kleine Poedel
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Hanne Nüte en de kleine Poedel

Author: Fritz Reuter

Translator: E. Laurillard


        
Release date: September 20, 2026 [eBook #79614]

Language: Dutch

Original publication: Arnhem: Gebr. E. & M. Cohen, 1891

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79614

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HANNE NÜTE EN DE KLEINE POEDEL ***




                               HANNE NÜTE
                                   EN
                           DE KLEINE POEDEL.


                              FRITS REUTER
                Vertaald onder toezicht en bewerkt door
                             E. Laurillard.


                 ARNHEM–NIJMEGEN.—GEBR. E. & M. COHEN.
                                 1891.








HANNE NÜTE EN DE KLEINE POEDEL.


1.


    Toen ’t zomer werd, maar lente was,
    Toen werden naar het groene gras
    De jonge ganzen uitgedreven.
    De landjeugd, vol van lust en leven,
    Sprong links en rechts de deuren uit;
    En ’t vroolijk-schaat’rend stemgeluid,
    En ’t handenklappen, onder ’t dansen
    In ’t licht der voorjaarszonneglansen,
    Weêrklonk alomme vrij en blij.
    „Kijk, Fiek! die zeven zijn van mij!”
    „Kijk, Poedel! daar loopt de oude gent;
    O, gansjes, die hem nog niet kent,
    Past op maar, want de gent is valsch,
    En als hij bijt, hij bijt niet malsch;—
    Daar heb je ’t al!—Hou op, jou rakker!”
    En, daad’lijk bij de hand en wakker,
    Slaan hem de jongens op den kop
    Met berketakken: „Toe! hou op!
    Jou leelijkerd! allo! laat staan!
    Geen gansje heeft jou iets gedaan.”

    Zoo ging het daar in ’t groene gras,
    Waar ’t schijnsel van den held’ren dag
    Zoo rein en blinkend over lag,
    Alsof ’t een zuiver laken was,
    Breed op Gods tafel uitgespreid.
    Toch is de disch nog niet bereid,
    Althans aan zomerkost nog arm.—
    Al is de zon zoo koest’rend warm,
    De bloemen durven nog niet bloeien;
    Wantrouwend voelen zij het gloeien
    Dier stralen van den lentemorgen,
    En houden schuchter zich verborgen.
    Het ruig en stopp’lig winterkoren
    Spitst luist’rend, scherp en fijn zijne ooren,
    Of zich nog ’t ritselend in de lucht
    Van hagel of van sneeuw doet hooren.
    Het jonge blad, bedeesd, beducht,
    Spreekt bevende de nachtvorst aan:
    „Och, och! waart gij maar hier vandaan,
    Dan zou ik vroolijk mij ontplooien
    En lustig al de takken tooien.”
    De boterbloem loert door de struiken,
    Of zij zich reeds vertoonen mag,
    Maar acht het beter weg te duiken
    In ’t kruid, dat haar geboorte zag.
    De zonnebloem kijkt uit de bladen,
    Die haar omsluiten, naar omhoog,
    Alsof zij uit het stralend oog
    Der zon het antwoord wenscht te raden
    Op hare vraag: „Wat denkt ge er van?
    Denkt gij, dat ik verschijnen kan?”—
    En overal, aan alle kanten,
    Rolt de opgewonden jeugd in ’t gras;
    En luchtig zijn die jonge klanten,
    Alsof ’t reeds volle zomer was.
    Deez’ zonder buis, die zonder pet,
    De meesten op hun bloote beenen;
    Ze dart’len door elkander henen
    En hebben allen dolle pret.—
    Lief groepjen in den zonneschijn!
    Waar kan ’t op aarde beter zijn?—

    En bij dat lustig kinderspel
    Zat ééne stil. Ook zij had wel
    Den gloed der vroolijkheid van binnen,
    Maar zij was minder los van zinnen;
    Ook had haar moeder haar gelast,
    Dat zij zou breien. „Poedel” was ’t,
    De kleine Fiek, van dertien jaren.
    Nooit was er liever kind. Heur haren,
    Heel kroez’lig door elkaâr gekruld,
    Zijn nu, in ’t zonlicht, als verguld.
    Dat licht, dat haar zoo echt gezond
    Er uit doet zien, en hare lippen
    Met rozetinten aan komt stippen,
    Penseelt een glimlachje om haar mond
    En dringt door ’t donker oog, vol gloed,
    Tot in het diepst van haar gemoed.
    En toen ’t daarbinnen onderzocht,
    Hoe ’t met haar hartje wezen mocht,
    Toen vond het alles daar zoo vredig,
    Zoo blank, zoo rein, zoo trouw, zoo zedig;
    En ’t sprak, als ’t ware: „Hier is ’t goed;
    Dit zocht ik juist, zoo’n rein gemoed.”
    En hierdoor kwam het dan ook, dat
    Zij steeds iets zonnigs in zich had.—

    ’t Gejoel rondom haar duurt nog voort.
    De kinderlach, door niets gestoord,
    Blijft òm haar schallen blij en luid.
    Maar ’t breien gaat niet hard vooruit.
    Want nù komt kleine Doortje en legt
    Haar bloemenstelen op de knie,
    En eischt, dat zij een ketting vlecht’;
    En dàn komt Peters Hannes, die
    Van een verdorden, droogen stengel
    Een fluit wil hebben.—„Domme bengel!
    Een fluit van dat verdorde riet
    Jou maken? Neen! dat kan ik niet.
    Maar,—blijf hier voor mijn ganzen waken!”
    Zij legt nu ’t breiwerk even neêr,
    Loopt naar de beek en keert dan weêr
    Met riet, waaruit iets is te maken.
    „Kom hier nu, jongen! kijk goed toe,—
    Dan leert ge ’t ook,—hoe ik dat doe,
    En zing dan met twee bolle kaken:

      Pipen, pijpen, pasterjaan! [1]
      Laat de fluitjes vroolijk gaan!
      Blaas den wind er lustig in,
      Ruim van borst en blij van zin!

    Maar, kom! mijn breiwerk komt niet klaar,
    Car’lien! help jij hem verder maar.”

    En nu de fluitjes zijn gemaakt,
    Begint het feest eerst, en geraakt
    De vroolijkheid in vollen gloed.
    ’t Is een geschetter en getoet,
    Waar Lodewijk zijn best aan doet,
    En Karel, Kris en Carolien;—
    Ze fluiten allen door elkander,
    De een op al scheller toon dan de ander,
    En blazen, dat ze er rood van zien.
    En Jochem Kort doet ook meê, die
    Heel ernstig, met een dikken stok
    Steeds vedelt op een elzeblok;
    En voortgaat met die symfonie,
    Ofschoon hem Fieken, ernstig zacht,
    Het woord doet hooren: „Jochem, wacht
    Dat ik je neus eens af kan vegen.”
    De knaap verzet zich niet daartegen,
    Maar vedelt immer dapper door;
    ’t Waar’ jammer, als hij tijd verloor.—
    En daar komt Frits, en houdt zijn handen
    Met heel veel zorg vast op elkaâr,
    Terwijl zijn dikke wangen branden
    Van vreugd. „Kijk, Fiek! wat heb ik daar?”
    Zóó barst zijn hooge geestdrift los.
    „Wat heb je dan?”—„Een mooie mosch.”
    „Een jonge zeker?”—„Neen! een oude.”
    „Laat zien.”—„Ja, als ik jou vertrouwde!
    Neen, Poedel! ’k laat me niet bedriegen,
    Jij zoudt hem aanstonds laten vliegen.”
    „Welnu, dat was toch immers goed;
    Laatst zei de meester nog: je moet
    Zoo’n schuld’loos schepseltje niet plagen.”
    „Ei, zoo? ’k Zal zijn verlof niet vragen.”
    „Nu, als je’m thuis brengt, weet ik al,
    Dat moeders hand je raken zal.”
    „Dat doet zij toch; dus, ’t baat niet veel,
    Wat je aanmerkt; ik krijg toch mijn deel.”
    Maar eensklaps roept nu Poedel uit:
    „Een wouw! een wouw!” en iedereen
    Loopt ijlings naar zijn gansjes heen,
    En allen roepen wild en luid:
    „Een wouw!” En Frits, van moed aan ’t blaken,
    Zoekt naar een steen, om hem te raken,
    Maar onbedacht laat hij de mosch,
    Zijn schoonen buit, een weinig los;
    En,—tjielp! het vogelkijn ontvlucht,
    En Frits roept: „O!”—en staat versteld
    Te turen in de held’re lucht,
    Waarin zijn mosch is weggesneld.
    „Dat ’s jou schuld, Poedel! ’k Zal je ... neen!
    Neen, Poedel! jij hebt niets te vreezen;
    Maar ’t had een ander moeten wezen!
    Die ging niet zonder ransel heen!”

    Nu wijden ze allen hunne hoede
    Aan ’t ganzenvolk, hun toevertrouwd,
    Zoodat elk met zijn berkenroede
    Zijn eigen troepje samenhoudt.
    En alles keert tot de orde weder;
    En de oude ganzen, wijs en vroed,
    Zien, met gerekte halzen, neder
    Op ’t grijzig-gele jonge goed,
    Als om met zekerheid te ontwaren,
    Of geen verloren is gegaan;—
    Waarna ze op éénen poot gaan staan,
    En lodd’rig in de hoogte staren,
    Terwijl zij uit de diepste hoeken
    Van ’t ganzenhart de wouwen vloeken.
    Doch, de oude gent, zoo valsch van aard,
    Is nog zoo spoedig niet bedaard.
    Den kop omhoog, den hals vooruit,
    De vlucht gespreid, stapt hij, al blazend
    Met boos en dreigend sisgeluid,
    Langs de and’ren heen, of vliegt, als razend,
    De kind’ren aan, die wijd en zijd
    Verstuiven dan, door schrik gedreven,
    Maar toch nog lachen bij hun beven,
    En bij ’t geroep: „Pas op! Hij bijt!”

    Terwijl het beest zoo woest zich roert,
    Komt met een zeer voornamen gang,
    Op ’t pad, dat langs de weide voert,
    Een man aan, deftig, strak en lang.
    „Daar komt de bakker,” roept Frits Smidt,
    „De rijke bakker; kijk! hoe wit
    Is hij van hoofd tot voeten toch:
    ’t Is net een wandelende trog.
    En als je ’t eens niet beter wist,
    Dan zou je zeggen: ’t vol gezicht,
    Waar zoo iets bleeks en weeks in ligt,
    Dat is een klonter deeg met gist.”
    En op dien deegklomp zat, behoorlijk,
    Een muts van fijn en helder doek,
    Met zeven plooien, heel bekoorlijk;
    Ze had iets van een ketelkoek.

    De bakker blijft zijn tocht vervolgen,
    En denkt soms onderweg aan niets,
    En somtijds denkt hij weêr aan iets.
    Maar, zie! daar pakt hem, fel verbolgen,
    Op eens de valsche gent in ’t been.
    De schrik vliegt door zijn aad’ren heen.
    Hij slaakt een bangen schrillen kreet,
    En schopt en slaat; de gent houdt beet;
    En al de ganzen gaan aan ’t snaat’ren,
    En al de kind’ren staan te schaat’ren,—
    Om d’angst en gramschap van den man,
    Die trapt, al wat hij trappen kan,
    Naar adem hijgend, gansch ontsteld.—
    Een leven was het van geweld.

    Ten laatste komt de bakker vrij,
    Doch stuift nu op de kind’ren af,
    Ontvlamt in toornigheid; maar zij,
    Zij gaan aan ’t loopen, op een draf,—
    De schoenen uit,—door struik en hagen,
    Totdat ze ’t veilig kunnen wagen,
    Om weêr een wijle stil te staan.
    Dan zien zij hem al spottend aan,
    En roepen sarrend: „Dapp’re vent!
    Daar komt de gent! Daar komt de gent!”
    En Fiek, die dat tooneeltje zag,
    Schoot ook,—ze moest wel,—in een lach.
    De bakker wordt dien lach gewaar,
    En, daar hij de and’ren niet kan grijpen,
    Pakt hij nu Poedel in het haar,
    En schreeuwt: „Wacht, nest! jou zal ik knijpen.”
    Maar allen uiten éénen kreet:
    „Pas op, hoor! je doet háár geen leed.”
    De een dreigt: „hij zal ’t aan moeder zeggen.”
    En de ander neemt een smeektoon aan;
    Elk zoekt het hierop aan te leggen,
    Dat hij toch Poedel niet zal slaan.
    En Hannes Peters zet zijn tanden
    Schier raad’loos in zijn eigen handen,
    En brult zoo luid van angst en smart,
    Als drong een braadspit door zijn hart.
    En poedel weeklaagt: „Laat me gaan!
    Ik heb je niets geen kwaad gedaan.”
    Toch wil de booze man haar slaan,
    En tilt zijn arm— — —maar onverwacht
    Krijgt hij een oorveeg heel onzacht.
    Waar kwam opeens die klap vandaan?—
    Hij ziet daar Hanne Nüte staan;
    Smidsjongen, flink, en blank van ziel,
    Schoon zwart van buiten; vlug en wakker;
    Hij was ’t, die, als een inktvlak, viel
    Op ’t mooie krijgsplan van den bakker.
    „Wat doet dat kind jou, valschaard? zeg!
    Je blijft er af, en gaat je weg!”
    En trotsch kijkt hij den bakker aan,
    Die jongen, zwart tot in zijne oogen;
    De kind’ren komen aangevlogen
    En blijven achter Hanne staan,
    En roepen: „Toe maar! Sla er op!
    Toe! sla den bakker op zijn kop!”
    En: „Wou hij poedel slaan? die vent!
    Zij deê hem niks; alleen de gent.”
    Zoo kraaien ze uit hun veilig nest.
    De bakker vond het nu maar ’t best,
    Zijn mooie muts, met zeven hoeken,
    Die afgezwaaid was, op te zoeken.
    Hij zet die op; en nu, hij gaat,
    Maar draait zich om, en zegt, heel kwaad:
    „Wacht, deugniet! ik spreek jou wel nader,
    Ik kom vandaag nog bij je vader.”
    „’t Is goed,” is ’t antwoord; „ga je gang!
    Hoor bakker! ’k ben voor jou niet bang.”
    En Frits roept: „Wat een malle broek!
    En wat een muts!—Een ketelkoek!”
    En Jochem roept: „Die domme poen,
    Wat wou hij onze Fieken doen?”
    En Hannes Peters schimpt nu meê,
    Maar jammert weêr van angst en wee,
    Terwijl zijn blos tot wit verschiet,
    Zoo vaak de bakker ommeziet.

    „Wel, Fiek,” spreekt Hanne en streelt haar wang,
    „Ben je erg verschrikt? Je moet niet schromen;
    Die Judas zal niet wederkomen;
    Hij doet ons niets; wees maar niet bang.”
    En Fieken grijpt zijn zwarte hand,
    En doet deelnemend hem de vraag:
    „Maar, Hanne! krijg jij nu geen slaag?”
    „Ja, als die laffe, valsche klant
    Naar vader gaat, zou ’t moog’lijk wezen;
    Maar,—neen, dat is toch niet te vreezen:
    Als ’k lieg of lui ben, slaat hij mij;
    Maar hier, neen! hier komt moeder bij,
    Als voorspraak; neen! hier is geen nood;
    En dit geval bloedt zachtjes dood,”—
    En toen ging Hanne Nüte heen.
    De kind’ren dartelden al weder,
    Fiek zat weêr met haar breiwerk neder,
    En ’s avonds merkten ze: geen een
    Der kleine gansjes was verloren.
    Zoo eindigde alles naar behooren.
    Maar allen waren toch nog kwaad
    Op dien zoo valschen, witten vent,
    En roemden Hanne’s heldendaad,
    En Poedel en den grijzen gent.








2.


    Die Hanne was een een’ge zoon
    Van Snoet, den smid, van ’t dorp Gallin
    Doch Hanne noemde men niet Snoet;—
    ’t Is immers gansch niet ongewoon,
    Maar ’t wordt bij dorpers veel gezien,
    Dat men een naam verand’ren doet:—
    Men noemde in ’t eerst den jongen Snüte,
    En later werd het Hanne Nüte. [2]
    En dezen naam moest hij behouden,
    Al was ’t eene ergernis voor de ouden;
    Vooral voor moeder, die, wanneer
    Ze op straat dat Nüte weer moest hooren,
    Van de achterkamer kwam naar voren,
    En spijtig riep: „Wat hoor ik weer?
    Altijd dat Nüte! ’t Is niet goed:
    Hij heet niet Nüte, hij heet Snoet.”
    Maar vader zei haar dan toch vaak:
    „Och, kom! wat doet de naam ter zaak?
    Als hij maar voortmaakt met zijn leeren,
    En eens zijn ambacht goed verstaat,
    En dan daarop aan ’t reizen gaat,
    Wat kan hem dan die naam nog deren?
    Dan gaat het hem toch zeker goed,
    ’t Zij dat men Nüte zegge of Snoet.”

    Ook Poedel had,—wie kon daartegen?—
    Op zulk een wijs haar naam gekregen.
    Haar ware naam was Fieken Smidt.
    Maar in het dorp Gallin was dit
    De naam ook van twee and’ren nog;
    En daar men ’t drietal meisjes toch
    Behoorlijk diende te onderscheiden,
    Gaf men òns Fieken en die beiden
    Een bijnaam. De eene sprak wat zwaar,
    En werd toen Stotter-Fiek geheeten.
    Van de and’re was de gang wat raar,
    Ze liep wat traag en afgemeten,
    En werd Pantoffel-Fiek genoemd.
    En ònze Fieken was beroemd
    Om haar zoo mooien krullekop:
    Daar zag die naam van Poedel op.
    In ’t eerst had zij er hinder van,
    Wanneer die naam haar werd gegeven,
    En klaagde er over t’huis; maar dan
    Zei moeder: „Kind! wees in je leven
    Iets beters dan een poedel is,
    En dan zal jou die naam gewis
    Geen leed of schade kunnen doen.”
    Dan gaf zij ’t kind een flinken zoen,
    En sprak: „Gij zijt mijn beste meid;
    Mijn oudste; en als ge in deugdzaamheid
    Een voorbeeld zijt voor de and’re negen,
    Dan treden die op goede wegen
    Jou, net als schapen, achterna.
    Maar als ge ooit slecht mocht worden, ja,
    Dan zou ’k je lang niet malsch betalen.—
    Kom! ga nu heen; ga groente halen.”

    En Fiek groeide op, en evenzeer,
    Met haar, die kring van de and’re negen;
    En vaak moest zij dien ganschen zegen
    Des huizes hoeden en verplegen,
    Omdat de moeder meen’gen keer
    Door and’ren arbeid was bezet.
    En schoon het stellen van de wet,
    En daarmeê ook het klappen geven,
    Aan moeders wijsheid was verbleven,
    Door Fiek moest worden opgelet,
    Dat Doortje toch niet vallen mocht,
    Of Karel met de bijl ging spelen,
    Dat Frits met Lodewijk niet vocht,
    Dat Jochem met de karrezelen
    Van vader zich niet mocht bezeeren.
    Dat Kris niet trachtte zich te scheren,
    En dat zich Rika niet mocht branden,
    Noch Hendrik op de smalle randen
    Zich wagen van den waterput.
    Zoo was zij van veelzijdig nut,
    En groeide bij den arbeid op,
    Frisch als een roos, rank als een pop;
    Het hoofdje vroeg reeds vol van zorgen,
    ’t Hart helder als een lentemorgen,
    De hand vereelt, de ziele zacht,
    Aan deugden rijk, maar arm aan kleêren;
    Zoo was zij, toen, in ’t huis des Heeren,
    Haar vader haar voor ’t outer bracht.
    Daar had ze een eereplaats, want zij
    Stond bovenaan daar, in de rij.
    De leeraar immers had gedacht,
    Daar kwam geen stand of geld te pas,
    Maar meer de vraag, wie ’t knapste was.
    En toen zij stil en vroom daar stond,
    Armoedig, maar toch rein en net,
    Liep in de kerk ’t gefluister rond:
    „Kijk! Fiek is bovenaan gezet.”
    Maar Boldt, een rijke pachter, sprak:
    „Moet dàt vooraan?—zoo’n bedelpak?”
    En toen de kerk was uitgegaan,
    Toen zei een haat’lijk boerenwijf:
    „Wel, wel! dat heeft geen hemd aan ’t lijf,
    En dat moet vóór al de and’ren staan!”
    „Nu,” zegt smid Snoet, „dat is met recht;
    Flink heeft zij alles opgezegd,
    En vlug weet zij met alles raad,
    Wat in den katechismus staat;
    Die rijke boerendochters stonden
    Daar als toegelakte monden;
    Maar gijlui ziet maar op het geld
    En dat wordt toch,—hoe men ’t begeere,
    En hoe men den bezitter eere,—
    Door God niet bovenaan gesteld.”
    „Ja, vader!” zegt de wever Dijk,
    „Op dat punt geef ik jou gelijk.”
    En de oude schout Vermeulen zegt:
    „Ja, meester Snoet! jij hebt het recht;
    Zij is een deerntje, kloek en knap.”
    De wagenmaker Windelstap
    Stemt ook met deze lofspraak in.
    En zegt: „Zij heeft zoo’n vromen zin,
    En ze is zoo ijv’rig en zoo gauw,
    En ze is zoo eerlijk en zoo trouw,
    En die haar eenmaal krijgt tot vrouw,
    Heeft, denk ik, zeker nooit berouw:
    Een mooi gezichtje en ’t hart zoo goed,
    Dat is voorwaar!— —maar daar komt de meester;
    Ik zou u raden, vrinden! leest er
    Hem,—die het immers weten moet,—
    Nog eens op na.”—„Ja, vader Snoet!”
    Zegt meester Zuur, „’k mag niet verbloemen,
    Zij weet nog meer dan uw Johan,
    En die is lang niet dom te noemen;
    Maar oordeel en begripsvermogen,
    Daar heeft hij zóóveel toch niet van
    Als Fieken Smidt, wier heldere oogen
    Den glans weêrkaatsen van een geest,
    Die veelomvattend is en meest
    Met fierheid zich verheft ten hoogen.”
    „Bedaard!” zei Snoet. „Maak ’t niet te drok!
    Maar ’k ben toch blijde er om, dat Smidt
    Die met zoo’n bende kind’ren zit,
    Op de oudste ’t hoogste nommer trok.”

    Smid Snoet ging huiswaarts en vergat,
    Door zijn gepeins, het middageten,
    Terwijl hij op een plekje zat,
    Waar hij al dikwijls had gezeten,
    Wanneer hij iets te denken had.—
    En daar viel altijd licht hem in.
    Daar zat hij nù ook, met de kin
    Op zijne handen, de ellebogen
    Op zijne knieën, onbewogen.
    Want zat hij zóó, en zat hij daar,
    Dan kreeg hij ’t met de zwaarste zaken,
    Die hem vervulden, eindlijk klaar,
    En kon de hardste noten kraken.
    Ook thans. Hij komt in huis en zegt:
    „Kijk, vrouw! ik heb eens overlegd,
    En ’k denk, gij zult gelijk mij geven,—”
    En bij die woorden strijkt hij even
    Langs hare wangen op en neêr;
    Dat deed haar wel een weinig zeer,
    Want, ja, haar huid had iets van leêr,
    Maar zijne hand iets van een vijl;—
    „Mij dunkt dan, lieve vrouw, dewijl
    Die Fieken Smidt zoo braaf en knap is,
    En ’t bij haar ouders nog al krap is,
    Wij moesten, dunkt mij, dit of dat
    Hun zenden op dit feestgetij:
    Aardappels, meel, en nog zoo wat,
    Bij voorbeeld, wat tabak er bij.
    Johan kan ’t brengen, en een groet.”— —
    „Ja,” zegt de vrouw, „maar, hoor eens, Snoet!
    Sta mij dan toe, dat ik hem zeg,
    Wat hij daarginder zeggen moet;
    Want, zie je? jij kunt niet heel goed
    Met complimenten overweg,
    En als hij zegt, wat gij hem zegt,
    Dan komt er niet veel van te recht;
    En schoon ze armoedig zijn bij Smidt,
    ’k Hou van een groet,—bij wien ’t ook zij,
    Die netjes in elkander zit.—
    Kom hier, Johannes! hoor naar mij:
    Je schiet je vest aan en je buis,
    Je haalt de kar hier, en je zet
    Daar alles op, en brengt het t’huis
    Bij Smidt;—maar ga niet zonder pet.
    Dan zeg je: Wel het compliment
    Van vader en van moeder Snoet,
    En dan was hier een klein present,
    Omdat de grootte ’t juist niet doet,—
    En dat aan Fieken, heel haar leven,
    De Heer dàt alles moge geven.
    Wat haar kan nuttig zijn en goed.—
    Nu weet je, wat je zeggen moet.”

    De jongen weet het en hij gaat,
    Zijn vrachtje kruiend, door de straat,
    Terwijl het ouderpaar, met vreugd
    In ’t oog, hem na te kijken staat.
    En de oude Snoet zegt, recht verheugd:
    „’t Is toch een jongen, flink en rap:
    En ook in ’t ambacht is hij knap.
    Gaat hij zoo voort, dan moet hij maar
    Ons huis uit, in een volgend jaar,
    Om zich al reizend te volmaken
    In ’t vak.”—„Nu,” zegt de vrouw, „dan zal
    Dat Nüte zeggen, dat ik al
    Zoolang zoo laf vond en zoo mal,
    Allengs wel uit de mode raken.”








3.


    De tijd ging voort. En op een keer
    Bezocht de smid dat plekje weêr,
    Waar, als een plan in ’t hoofd hem zat,
    Hij al zoo vaak gemijmerd had.
    Hij peinst ook nu en weegt en wikt,
    Of dit wel kan en dat wel schikt,
    En wat misschien zijn goede vrouw
    Van dit en dat wel zeggen zou.
    Intusschen denkt zij ook, en zegt:
    „Wat hij daar nu weêr overlegt?
    Zóólang blijft hij toch zelden uit;
    Hij weet, het eten staat hier klaar;
    Toch komt hij niet; hij is soms raar!
    Johan! weet jij, wat dat beduidt?
    Heb je ook met vader iets gehad?”
    „Ik? neen!—’k Heb naar zijn zin gewerkt.
    Ik legde een band rondom een rad;
    Hij keek er naar, en ’k heb gemerkt,
    Dat hij daarin genoegen vond.
    Ook zei hij iets, terwijl hij lachte,
    Maar binnensmond en in gedachte,
    Zoodat ik niets daarvan verstond.”
    „’t Is vreemd,” zegt moeder. Maar daar kwam
    Haar echtvriend binnen, en hij nam
    Een toon vol ernst aan en gewicht,
    En sprak: „Hoor, vrouw! ik kreeg weêr licht
    Op ’t plekje, waar zoo menigmaal,
    In de eenzaamheid, een held’re straal
    Van wijsheid door mijn hersens schoot.
    Hoor toe! Johannes wordt al groot,
    En hij is krachtig; want een hand,
    Die om een wiel een ijz’ren band
    Van zes duim dikte leggen kan,
    Dat is de hand haast van een man,
    Die twee man waard is. Nu, Johan!
    God gaf je knokkels, hard en sterk,
    Ik leerde je de smederij,
    De meester deed er ’t zijne bij,
    De dominé deed ook zijn werk,
    En moeder ging je in ’t goede voor,—
    Dus, nu voor ’t vak aan ’t reizen, hoor!
    Ik maak je morgen smidsgezel,
    En dan maar voort, en ’t ga je wèl.”
    „O!” zegt nu moeder, „dat is goed,
    Dan hoor ’k dat Nüte toch niet meer,
    En je echten naam krijg jij dan weêr,
    Dan ben je weêr Johannes Snoet.”

    En toen zij dan, den and’ren dag,
    Als smidsgezel hem vóór zich zag,
    Begon zij dapper zich te weren,
    Om ondergoed en bovenkleêren
    Te brengen in een goeden staat;
    Zij naait en stopt tot ’s avonds laat.
    En midd’lerwijl heeft vader Snoet
    Een nieuwen jongen aangenomen,
    Die, in Johannes’ plaats gekomen,
    Nu aan den blaasbalg trekken moet.

    De laatste Aprildag is verschenen,
    En Hanne gaat nu, langs de rij.
    Huis in, huis uit, door ’t dorpje henen.
    „Vaarwel, vrouw Smidt! Vaarwel ook gij,
    Mijn kleine Poedel!—Denk aan mij!”—
    En zoo, bij ’t allengs verder gaan,
    Komt hij ook bij den meester aan,
    Die bij zijn bijenkorven staat,
    En ’t gonzend volkje gadeslaat.
    „Dag, meester Zuur! Ik ga op morgen
    De wereld in.—Dank voor de zorgen,
    Die gij voor mij steeds hebt gehad,
    Toen ’k nog op uwe schoolbank zat.”
    „Wel zoo, mijn Hanne! gaat gij weg?
    Maar,— —’t past niet, dat ik Hanne zeg;
    Mij dunkt, ’k mag wel mijnheer gaan zeggen.
    Ja, kleine kind’ren worden groot;—
    Dat stond ik juist daar te overleggen,
    Doordien me in de gedachte schoot,
    Hoe treffend de gelijkenis
    Van jonge lui met bijen is.
    Eerst vliegt het bijtje door den hof;
    Maar ’t duurt dan ook niet lang meer, of
    ’t Begint zijn tochten uit te breiden,
    Al verder, verder,—en het trekt
    Tot naar de verste klaverweiden.
    Want, zie je? ’t allerbeste insect
    Voor bijen is de witte klaver,
    Gelijk voor ’t paardenras de haver.
    En als de beestjes wederkeeren,
    Ze zijn met honig opgevuld.
    Heb nu een weinigje geduld,
    En luister goed naar mij; gij zult
    Den zin dan van mijn beeldspraak leeren.
    Gij ook, gij vliegt nu, als de bij,
    Voor ’t eerst de wereld in; ook gij
    Keert eens met honig heel verheugd,
    Naar huis terug. Uw zuigvermogen
    Is de arbeid, die u zal verhoogen;
    De honig zelve is hier: de deugd,
    Maar,—nog iets. Toen ik had vernomen,
    Dat gij tot afscheid hier zoudt komen,
    Toen heb ik fluks een brief geschreven,
    Dien ’k u wel wenschte meê te geven.
    In vroeger jaren,—moet gij weten,—
    Heb ’k in Silezië gewoond,
    En voor een meisje Trees geheeten,
    Niet ongevoelig mij betoond;
    Integendeel, de band was innig,
    Die ons verbond; zij was aanminnig
    En mooi; een wever was haar vader,
    En heette Antonie David Kader;
    Haar broeder had den naam van Hans,
    En moet bij Polkwitz wonen thans.
    Wanneer gij haar soms mocht ontmoeten,
    Geef haar deez’ brief met mijne groeten,
    En zeg haar dat nog steeds mijn geest
    Dien tijd herdenkt, die van mijn leven
    De schoonste en zaligste is geweest,— —
    Maar,— ’k mag mijn vrouw geen argwaan geven.”
    Ach! arme meester! arme Zuur!
    Zijn vrouw stond bij de bijenschuur,
    En sprong te voorschijn, gansch verwoed:
    „Laat mij dien brief eens lezen, Snoet!”
    En zij bemachtigt, met een ruk,
    Den brief en breekt het zegel stuk.
    „Mijn heerlijke engel!”—„Al mijn leven!
    Dat heeft mijn achtb’re man geschreven!”—
    „’t Papier, door uwe hand ontvouwd,
    Komt van uw vriend,—helaas! getrouwd.”
    „Helaas?—Dus, hij beklaagt het zich.
    Ik dacht, hij schreef aan pachter Zwingen
    Om een gezonde, vette big,—
    Ja wel! het geldt gansch and’re dingen.”
    „Mijn vrouw is op vermaak gesteld,
    ’t Is waar, zij had een beetje geld,
    En ze is bekwaam om huis te houën;
    Toch kan ’t niet anders dan mij rouwen,
    Dat ik een mensch als zij ging trouwen.
    Als ik nog denk aan u, mijn beeld!
    Die ’k vaak gekust heb en gestreeld.”
    „Foei! hoor mij zulk een taal eens aan!
    En heeft zij dat dan toegestaan?
    En moest dan nu die nucht’re bengel
    Zoo’n brief bezorgen bij zoo’n engel?
    En dat van iemand, die moet leeren,
    Dat ieder plicht en deugd moet eeren!”
    En de arme meester, gansch ontdaan,
    Roept smeekend: „Doortje! hoor mij aan!”
    „Wat? ’k Wil niets hooren! ’t Is niet noodig.
    Ik heb ’t gelezen. Dus, je moet,—
    Want ik ben hier nu overbodig,
    Ik doe je zaken toch niet goed,—
    Je moet dat mensch hierhenen voeren,—
    Die engel,—om jou brij te roeren,
    En, engelachtig, op haar hurken
    Je bier te tappen en te kurken,
    Je kamer zind’lijk te doen blijven,
    Je kousen altijd knap en heel,
    En geitenvoêr bijeen te rijven,
    En hout te halen,— —weet ik veel?
    Maar ik, die nu niet meer kan deugen,
    Nu ’t engeltje, zoo lief en fijn,
    Jou gek maakt, ik zal mij verheugen,
    Als door den gloed van deze liefde,
    Die mij zoo krenkte, mij zoo griefde,
    Je meelpap aangebrand zal zijn!”
    En daarop frommelt zij verwoed
    Den liefdebrief in duizend kreuken,
    En springt naar binnen, in de keuken,
    Waar zij ’t gebrom nog hooren doet:
    „Dat weeklaagt over minnepijnen,
    Met grijzen kop en met een huid,
    Zoo rimp’lig als een tros rozijnen!”
    En dan kijkt zij de deur weêr uit,
    En, dreigend met een bezemsteel,
    Herneemt ze: „Laat die engel komen,—
    Dan geef ik haar en jou je deel,
    Voor al je mooie liefdedroomen!”
    Haar man staat voor haar, gansch ontdaan,
    En spreekt: „Maar, Doortje! hoor mij aan;
    ’k Schreef zoo maar wat, om wat te schrijven;
    ’t Zijn woorden, en daarbij zal ’t blijven.
    Mijn Doortje, Dora, Dorothee!
    Je weet toch, jij bezit mijn hart;
    En kon ik zeggen hoe ’t mij smart,
    Dat deze zaak u....” Maar, o wee!
    Zijn lieve vrouw, nog gram te moê,
    Kletst met een smak de keuken toe.
    Hij krabt, onthutst, zich achter de ooren,
    En spreekt nu tot den jongen smid:
    „Wanneer gij naar mijn raad wilt hooren,
    Trouw dan maar nimmer, want er zit
    Iets zwaks en nukkigs in de vrouwen;
    Je kunt ze nooit geheel vertrouwen.
    Ik schreef dien brief; maar ’t was, dewijl
    Ik me oef’nen woû in dezen stijl;
    Want dat is eene van die zaken,
    Waar ’k nog een winstje meê kan maken;
    De liefde toch blijft overal,
    Waar jongelui zijn, in de mode;
    En nu ben ik wel niet zoo mal,
    Dat ’k een verliefde worden zal,
    Maar ’k schrijf die brieven om den broode;
    En aan dat vak verdien ik meer
    Dan aan de jongens, die ik leer.
    De liefde is een gewichtig ding;
    Maar die haar gloed in ’t hart onving,
    Kan zelden goed zijn woorden vinden;
    De Hemel moog’ twee harten binden,
    De Hemel zegt daarbij niet, hoe
    Zij spreken moeten tot elkaâr;
    En daarom is elk minnend paar
    Heel blij, als ik dat voor hen doe.
    ’t Kon soms gebeuren dat ook gij
    Me eens noodig hadt; nu, spreek dan vrij,
    De prijs zal billijk zijn. En nu,
    Vaarwel, mijn vriend! ’k beveel me aan u!”
    „Vaarwel,” zegt Hanne, „meester Zuur!”
    En loopt nu langs den kerkhofmuur,
    En treedt na een minuut twee, drie,
    Den tuin in van de pastorie.








4.


    En de oude dominé, bekoord
    Door ’t zacht en heerlijk lenteweêr,
    Loopt in de schaduw op en neêr.
    Zijn harte lacht, zijn oogblik gloort
    Van vreugde, dat hij nog een keer
    Weêr ’t groen geboomte en ’t jonge graan
    In frisschen dos daar mag zien staan.
    Een blosje tintelt op zijn koon,
    En lustig zet hij ’t mutsje schuin,
    En ziet in ’t rond, van uit zijn tuin,
    En vindt de wereld weêr zoo schoon.
    Zoo stapt hij heen en weêr. Maar, zie!
    Daar staat hij stil. „Zie ’k wèl, Sophie?
    Is dat daar Hanne Nüte niet?”
    „Ja, vader.”—„Hé, wat die hier doet?
    Hij ziet er krachtig uit en goed,
    ’t Is een gezicht als melk en bloed;—
    ’t Is vreemd, maar in de lente ziet
    Er alles helder uit en frisch,
    Wat anders grauw en donker is.
    Zoo’n smid zelfs, waar gij anders, wis,
    Geen and’re kleur dan zwart aan vindt,
    Heeft nu een appelbloesemtint.”
    En Hanne, naderbij getreden,
    Neemt van zijn hoofd den vilten hoed,
    En geeft, en krijgt ook, hand en groet.
    „Wel zoo, mijn zoon! wat voert u heden
    Zoo naar mij heen?”—„Wel, domeneer!
    Ik was bij vader in de leer,
    Maar ben nu smidsgezel, en ’k moet
    De wereld in.”—„Zoo, zoo! dat ’s goed.
    Sophietje, ga en zeg,—maar snel,—
    Aan moeder, dat de smidsgezel,
    Johannes Snoet, ons zijn vaarwel
    Komt brengen hier, en dat ze eens even
    Een flesch en glazen ons moest geven.”
    En zoo geschiedt. Het tweetal zit.
    „Wel zoo,” spreekt de oude man, „mijn smid!
    Gij zult alzoo aan ’t reizen gaan.”
    „Ja, morgen ga ik.”—„Zoo! dat ’s goed;
    Gij vangt op ’t rechte tijdstip aan.
    Met Mei krijgt alles nieuwen gloed,
    Met Mei is alles frisch en schoon;
    Dan ziet men alles bloeien, blinken,
    Dan hoort men ’t leeuw’rikslied weêrklinken,
    Met wonderzoeten zilvertoon.
    Deswegens is ’t ook zeer terecht,
    Wanneer het oude deuntje zegt:

      ’k Laat vandaag mijn zaken rusten;
        ’k Ga op reis, hoezee!
      Weg de lasten! Nu de lusten!
        Wie gaat met mij meê?
      De eerste Mei is weêr gekomen,
      Nu den wandelstaf genomen!—
        Wie gaat met mij meê?

    Maar, zeg! is u mijn wijn te min?
    Drink uit; ik schenk u nog eens in.
    Ja,—stonden mij mijn stand en jaren
    Maar niet belemm’rend in den weg,
    ’k Ging met je rijden, loopen varen;—
    Ik meen het ernstig, wat ik zeg.
    En waar gaat nu de tocht zoo heen?”
    „Mijn vader meent, ’k moet niet alleen
    Door Zuid- en Midden-Duitschland trekken,
    Maar mijne reis heeft tot aan ’t strand
    Van België zich uit te strekken,
    Misschien wel tot in Engeland!”
    „Welnu, dat oordeel is verstandig;
    Een mensch moet altijd in één’ zaak
    Recht kundig willen zijn en handig;
    En dit beschouwen als zijn taak,
    Dat hij van verre en van nabij,
    Verzamele al, wat de waardij
    Van zijne kennis kan vergrooten,
    Opdat hij bij zijn vakgenooten
    In waarheid man en meester zij.
    Maar oordeelt moeder evenzoo?”
    „O neen! die meent, naar Teterow,
    Of, op zijn hoogst, ja, dan tot Schwaan;
    Maar verder zou ’k niet moeten gaan.”
    „Dat dacht ik wel; zoo zijn altijd
    De moeders; nu, ik kan ’t verklaren:
    Ze zijn niet gaarn’ haar kind’ren kwijt,
    En vreezen overal gevaren.
    Met dochters kan er dat door heen;
    Die kan een moeder t’huis bewaren;
    Maar voor een jongen zeg ik: neen!
    Een jongen moet, op zeek’re jaren,
    De wereld in; daar moet hij leeren,
    Der menschen handel te begrijpen,
    Zijn ruwe kanten af te slijpen,
    Den stoot door tegenstoot te keeren;
    Den last te dragen of te mijden,
    En hier te helpen, daar te strijden,
    Totdat hij heeten mag: een man,
    En ook zich zelv’ beheerschen kan.—
    Kom aan! Daar moeten we eens op drinken,
    Daar moet het glas eens ferm op klinken,
    Dat gij, aldus tot man verhoogd,
    Eens herwaarts wederkeeren moogt.—
    Nu nog één ding: kunt gij ’t verbinden
    Aan ’t ernstig doel van uwen tocht,
    Dan zou ’t wel goed zijn, als gij zocht
    Uw staf met bloementooi te omwinden:
    Trek door de schoone Duitsche landen,
    Bewonder berg en dal en woud,
    En stroomen, die, als zilv’ren banden,
    zich bochtig sling’ren langs de randen
    Der korenakkers, geel als goud.
    Begroet de eerwaarde, grijze steden,
    Gesierd door orde en goede zeden,
    En brengt dàt oord mijn groetenis,
    Waar deze wijn gewonnen.—
    Mijn zoon! eens was ik jong, als gij,
    Nu ben ik oud; maar van die dagen,
    Toen ik den grooten sprong moest wagen,
    Ligt nog mij de herinn’ring bij.
    Gij hebt wel Jena hooren noemen?
    Nu, daar ben ik student geweest;
    Dat was een tijd van licht en bloemen,
    Dat was een leven als een feest.
    Wat praat uw moeder toch van Schwaan?
    Uw vader van het land der Britten?
    Neen! die te Jena komt te zitten,
    Zit aan een godentafel aan.
    ’k Heb daar aan alles meêgedaan.—
    Maar,—wacht eens even, vrind! je glas
    Is leêg, en dat komt niet te pas.—
    Welnu, toen ’k nog te Jena was,
    Gebeurde ’t soms ook, dat we samen
    Het marktplein tot een kampplaats namen.
    Dan ging ’t er soms onstuimig toe,
    Met bloote degens,—weet gij, hoe?”—
    En hier nam hij een boonenstaak.—
    „Kijk, zoo! zoo ging het wapen dan,
    En bijna ied’re stoot was raak,—
    Daar kunt ge staat opmaken, man!”
    En, al vertellend, doet hij na
    Hoe dan de blanke degen ging,
    En, warm bij die herinnering,
    Zingt hij met luider stem dit lied,
    Maar wordt beluisterd door zijn gâ,—
    Doch in zijn geestdrift merkt hij ’t niet:—

        „Laat ons klinken! Jena leve!
          Hoera! hoera! hoera!
        ’t Saaie ras der ploerten sneve!
          Hoera! hoera! hoera!”

    Maar nu komt vrouwlief voor den dag,
    En schudt het hoofd, en spreekt: „Ik mag,
    Ik wil zoo’n wereldsch lied niet hooren;
    Een wanklank is het in mijne ooren.”
    „Ja, vrouw! je hebt geen ongelijk,
    Maar ’t lenteveld, aan vreugd zoo rijk,
    De parelende wijn en dan
    ’t Herdenken van die schoone tijden,
    Waar zóóveel goeds me in mocht verblijden,—
    Daar werd ik opgewonden van.
    Intusschen, gij, mijn zoon! wees wijs,
    En stel niet op te hoogen prijs
    Wat de aarde u biedt, want ijdel is ’t;—
    Een waarheid, waar in oude dagen
    Reeds koning Salomo van wist.
    Laat de aarde u niet te veel behagen.
    De kunst is lang, en kort is ’t leven.
    En ’t schepsel dezer wereld is
    Aan jammer en verderfenis,
    Aan diepe ellende prijs gegeven,
    Maar, hoor!—Daar slaat een nachtegaal.
    Wat spreekt die toch een schoone taal!
    Men wordt,—maar, laat ons niet vergeten;
    De wereld is met schuld bedekt,
    De wereld is met schand bevlekt;
    Zij heeft haar rang en roem versmeten.—
    Maar, luister! hoor! daar klinkt het weêr
    Dat blijde nachtegalenlied;
    ’t Glijdt troostvol in ons harte neêr;
    ’t Is of ’t aan hooger sfeer ontschiet,
    ’t Is of het uit den hemel daalt,
    En zachtkens, ja, maar toch met kracht,
    Ja, krachtig, maar toch ook zoo zacht,
    Ons harte naar den hemel haalt.—
    Doch nu genoeg. Vaarwel mijn vrind!
    Gods zegen moge u vergezellen.
    ’k Zal later u wel eens vertellen,
    Waarom ik de aard verdorven vind.”—
    „Vaarwel, mijn waarde domeneer!”
    Zegt Hanne, en gaat het tuinhek door;
    Maar de oude roept hem nog eens weêr,
    En zegt: „Nu, goed onthouden, hoor!
    Is ’t mooglijk, dat ge Jena ziet,
    Verzuim vooral dan dàt toch niet.”








5.


    Den and’ren dag staat meester Snoet
    Bij ’t aanbeeld, en hij slaat en slaat,
    Dat hem de vonken, wit van gloed,
    Al knett’rend spatten in ’t gelaat;
    En ’t sist en bruist en klinkt en knalt,
    Dat heel de smidse dreunt en schalt,
    „Toe, jongen! trek wat beter dan!”
    De blaasbalg-jongen doet zijn best,
    Tot dat hem schier geen kracht meer rest;
    Hij trekt en trekt, al wat hij kan,
    Terwijl zijn neus geluiden geeft
    Of hij een blaasbalg in zich heeft.

    De baas is heden lang niet mak;
    Barsch is zijn toon, en op zijn wezen
    Staat strenge en donkere ernst te lezen.—
    Daar komt Johan, met pak en zak,
    Door zijne moeder begeleid,
    Die alles goed heeft toebereid.—
    Daar komt hij nader, vlug en kloek;
    In de eene hand zijn nieuwen hoed,
    Heel net gebonden in een doek;
    In de and’re een stok. En welgemoed,
    Zou men zoo zeggen, liep hij daar.
    Toch was ’t hem om het hart zoo raar:
    Hij vroeg zich zelv’, niet zonder beven,
    Wat lot hem wachten zou; wat leven
    De wijde wereld hem zou geven;— —
    Hij was maar liever t’huis gebleven.
    En moeder, ook niet blij te moê,
    Den blauwen boezelaar voor de oogen,
    Om zich de tranen af te droogen,
    Spreekt hem met ernst en weemoed toe:
    „Och! ga toch niet te ver van huis;
    ’t Zou mij een kwelling zijn, een kruis,
    Indien ge ons Mekklenburg verliet;—
    ’t Is groot genoeg; ga verder niet;
    En, denk er om, hoor, jongen lief!
    Schrijf ons gedurig eens een brief.”
    Nu zucht ze en weent met bang gesnik;
    En toch, in dezen oogenblik
    Doortintelt te gelijk een gloed
    Van fiere weelde haar gemoed;
    Want dit was niet te ontkennen, dat
    Ze een knappen, fermen jongen had.
    Zoo komen ze, aan elkanders zij,
    De deur in van de smederij,
    Waar vader steeds nog bezig is,
    En zich ’t geknap nog en ’t gesis,
    Van ’t vuur, op ’t aanbeeld en den haard,
    Aan ’t hijgen van den blaasbalg paart.
    „Och, vader!” zegt vrouw Snoet;—„Johan,—”
    Ook hij zegt: „Vader!”— —de oude man
    Geeft d’een noch de andere gehoor,
    En smeedt maar immer dapper door.
    „Hij is nu hier”—„’k Ben hier gekomen;”— —
    Snoet heeft een staaf, geheel in gloed,
    Intusschen uit het vuur genomen,
    Die hij, als was, zich krommen doet,
    Bij ’t dreunen van de hamerslagen,
    Die stroomen vonken opwaarts jage.
    „Maar, man! hebt gij nu niets te zeggen?”
    „Ja vader! ’k ben voor ’t afscheid hier.”
    „Wat?” antwoordt de oude; „is dat manier?
    Je moest eerst beter overleggen,
    Jong mensch, die aanstonds heen zult gaan,
    In wat verhouding wij nu staan;
    Ik ben de meester nu en gij
    De smidsgezel; vergeet dat niet;
    Het vader-zeggen is voorbij.”
    En bij die strenge toespraak schiet
    Het bloed den jongen naar ’t gezicht,
    Zoodat er hooge gloed op ligt,
    Als op de staaf, die vader smeedt.
    Hij gaat de werkplaats uit en treedt
    Nu nog eens toe, maar blijft dan staan,
    En ziet met eerbied vader aan,
    En spreekt: „God zeeg’ne baas en knecht?
    Is ’t mij geoorloofd in te komen?”
    „Zoo!” zegt nu de oude, „zoo is ’t recht!
    Beleefdheid dient in acht genomen;
    Daar zult gij altijd wel bij staan;
    Zij doet de deuren opengaan.
    Gij reist dan straks de wereld in:
    Welk deel van ’t ambacht uwen zin
    Bij voorkeur trekken zal en boeien,
    Daar wil ’k me niet meê bemoeien;
    De hoofdzaak is, Johannes! leer,
    En,—kom terug als man van eer.
    Maakt u het werk van buiten zwart,
    Rein blijve steeds daarbij uw hart.
    Is de arbeid af en ’t vuur gedoofd,
    Wasch u de handen dan en ’t hoofd;
    Niet zuiver is het in ’t gemoed,
    Zeg ik maar altijd, van den man,
    Die, als hij net zich maken kan,
    Daartoe geen lust heeft en ’t niet doet.—
    Drie jaar is lang, nu, in onze oogen:
    Maar kort, wanneer ze zijn vervlogen:
    Te lang, om niet voor schâ te vreezen,
    Indien ze roek’loos zijn doorleefd;
    Te kort, om in volleerd te wezen,
    Ook als men trouw gearbeid heeft.
    Reis rond, maar zij uw oog niet blind;
    Merk alles op, maar wil niet meenen,
    Dat alles goed is, wat gij vindt;
    En dan, mijn zoon; onthoud steeds dit:
    Wanneer ge iets vindt, waar vuil aan zit,
    Blijf af, en wend u elders henen.
    Leg alles, wat je in ’t harte vaart,
    Eerst op den gloeiend heeten haard;
    En, al is ’t vuil er afgegaan,
    Dàn frisch en vlug de tang er aan!
    En dan, hou vol maar op den duur,
    En smeed je werk in zuiver vuur!
    En hebt ge alom eens rondgekeken,
    En kom je weêr in deze streken,
    Dan mag je, als dat je kan behagen,
    Bij mij nog weêr eens komen vragen,
    Of ik je ook soms gebruiken kan.
    Maar, reeds genoeg! Vaarwel Johan!
    Blijf moeder en ook mij gedenken;
    En nu,—kom hier, zet af je hoed,
    Mijn zoon, ’k wil u mijn zegen schenken:
    Nog zijt gij goed; blijf immer goed!”
    En bij die woorden legt de vader
    Zijn zoon de handen zeeg’nend op;
    Maar neemt dan afscheid, treedt weêr nader
    Bij ’t haardvuur; en de hamerklop
    Rinkinkt en dreunt en klettert weder;
    De blaasbalg gaat weêr op en neder;
    De vonken flikk’ren weêr in ’t rond.
    Maar, wat hij zonderling toch vond,
    ’t Was telkens, of juist in zijne oogen
    Die opgespatte vonken vlogen:
    Daar telkens in elk oog iets zat,
    Dat hij er uit te vegen had.








6.


    Johan, de werkplaats uitgetreden,
    Krabt mijm’rend met zijn stok in ’t zand;
    En wischt gedurig met zijn hand
    Een traan zich af, zijn oog ontgleden,
    Bij ’t hooren van wat moeder zegt,
    Die nog een tal verscheidenheden,
    Tot ééne les te zamen vlecht.
    „Pas goed op je horloge, hoor!
    En zorg ook voor je nieuwe jas;
    Loop niet te lang aan één stuk door;
    Drink niet te veel en niet te ras,
    Wanneer je warm bent of bezweet;
    Zoo spoedig krijgt een mensch het beet!
    Maar, ’t is ook waar,—och! wacht eens even;
    Ik heb je nog iets meê te geven;
    Is ’t mogelijk, dat ik dàt vergeet?”
    Zij loopt in huis en komt heel vlug,—
    —Een fleschje in hare hand,—terug;
    „Deez’ droppeltjes zijn zoo probaat,
    Wanneer je soms aan maagpijn lijdt;
    Daarmeê heb ik het dikwijls kwaad,
    Maar die ontspannen mij altijd.
    Groet mijne zuster ook, te Schwaan;
    Zeg haar, dat gij op reis zult gaan,
    En geef haar ook eens te verstaan,
    Dat onze goede domeneer
    Je heeft betiteld als mijnheer!
    En,—nòg eens,—doe me geen verdriet,
    Verlaat ons Mekklenburg toch niet;
    ’k Weet waarlijk niet, wat dat beduidt,
    Den tocht zoo heel ver uit te strekken,
    Want in de rondte kan men trekken
    Het zooveel mijlen als rechtuit.
    Hier, in dit buideltje,”—en een traan
    Rolt langs haar wang, terwijl zij ’t zegt,
    „Heb ’k nog eene beetje geld gedaan;
    Het groeide tot acht daalder aan,
    Heel spaarzaam voor jou opgelegd.
    Maar vader weet, dat ik het deed;
    ’k Wil nooit iets doen, dat hij niet weet;
    Hij vond het goed; hij wist wel, dat
    Ik daar zoo’n groot plezier in had.
    Nu, dag, Johan! schrijft ons eens spoedig!”
    Zij buigt den jongen tot zich heen,
    En kust hem nog eens, en weemoedig
    Hervat zij, onder stil geween:
    „Dag mijn Johan! De Heer verzell’
    Je op al je wegen, hoor! mijn jongen!”
    En hij, als zij, van wee doordrongen,
    Hij zegt: „Dag, moederlief! vaarwel!”
    En nu, moet hij weg. Hij gaat,
    En met een vlijm in ’t harte, staat
    Zijn moeder hem nog na te staren,
    En drukt haar boez’laar aan den mond,
    Alsof zij ’t maar het beste vond,
    Dat zij zich zoo de lippen bond,
    Die nog geneigd tot spreken waren.
    Toch lispt ze nog, hem achterna:
    „Ja! ga met God! mijn jongen! ga!”
    Maar, toen hij bij den hoek haast was,
    Toen viel haar, dacht ze, juist van pas
    Een zeer gewichtig ding nog in.
    „’t Is waar!—de jongen mocht zijn zin
    Misschien eens op een meisje zetten,
    Daar, in den vreemde; nu, dat zou
    Me een oorzaak zijn van leed en rouw;
    Dat moet ik trachten te beletten.”
    Zij loopt hem na. „Mijn zoon, Johan!
    ’k Heb nog één wensch; dien moet ik uiten.
    Ik bid je, wat ik bidden kan.
    Och! wil toch nooit er toe besluiten,
    Te trouwen met een vreemde vrouw.
    Mij dunkt, ja, ’k weet het niet, maar ’k zou— —
    Ja, ’k weet niet, wat ik liever wou.
    Dat vreemde goed heeft geen verstand
    Van huis en keuken, tuin en land,
    En babbelt me zoo’n rare taal;
    Och, jongenlief! ik bid je, haal
    Je een vrouw, als ’t zijn moet, van de straat,
    Om ’t maar eens platweg uit te spreken,
    Mits, dat haar deugd u is gebleken,
    En zij behoort in deze streken,
    En dus ook onze taal verstaat.—
    Je hebt nu immers in je zak
    ’t Horloge wel?—Maar, wacht! dat pak,
    Daar zit je jas in, en ’t gaat open;
    En ’k heb hier niets om ’t dicht te knoopen.
    Of, ja,—ja, toch,”—En beî haar handen
    Zijn fluks aan ’t fromm’len om haar been,
    En,—één van hare kousebanden
    Slaat ze ijlings om het pakje heen.

    Johan trekt verder. En als dan
    Haar blik hem niet meer volgen kan,
    Gaat zij den tuin in, zielsbewogen,
    En tranen vallen uit haar oogen,
    Terwijl zij telkens nederbukt,
    En hier en daar een bloempje plukt.
    Zij legt die in haar bijbel neêr,
    Waarin haar trouwdag stond geschreven,
    En ’t meisje ook stond vermeld, weleer
    Door God haar op den schoot gegeven,
    Maar door haar, na een vluchtig leven,
    Weêr afgegeven aan den Heer.
    Zij schreef, zoo goed en kwaad, als ’t ging
    Daarbij deez’ woorden van heur harte:
    „Één Mei.—Toen ging mijn lieveling
    De wereld in. Met diepe smarte
    Staar ik hem na. God! breng hem weder,
    En zie op hem in liefde neder;
    En, wat hem op zijn weg ontmoet,
    Dat zij hem goed; ’t zij alles goed!—
    Gallin.—Car’lien, de vrouw van Snoet.”

    Johan gaat nu door ’t dorpje heen.
    De landjeugd staakt het vroolijk spel
    En roept: „Dag, Hanne! ’t ga je wel!”
    En Hanne groet ook iedereen,
    En houdt zich groot en welgemoed,
    Terwijl op weg het kleine goed
    Zoo af en toe zich hooren doet:
    „Kijk toch eens, wat een mooie hoed!”
    „En wat een mooie blauwe rok!”
    „En wat een mooie gele stok;
    Dat is jeneverboomenhout,
    Mijn vader heeft hem zelf gesneden;
    Je kunt wel zien, die stok is echt.”
    En Fiekens broertje, Jochem, zegt:
    „Och, ware ik ook nu al zoo oud!
    Ik heb óók altijd zin in ’t smeden.”
    „Ik weet wat!” roept nu August Schult,
    „Wij tellen ikke tikke, tak,
    Wie werkman zijn zal; en die vult
    Zijn buis met steenen, tot een pak,
    Dat de anderen dan moeten stelen:
    Wij willen Hanne Nüte spelen.”

    De vrouwen laten ’t huiswerk staan,
    Hier eene ’t schillen, daar een’ ’t schuren,
    Om over de onderdeur te turen:
    „Kijk! Hanne Nüte komt daar aan.”
    „Zoo, Hanne! ga je?—Hou je goed!”—
    „Een heel gemis voor moeder Snoet!”
    „Dat kan je denken: zoo maar één!”
    „Och ja: mijn Kris moet ook haast heen.”
    „Wat zeg je?”—„Ja, in ’t andere jaar
    Is hij dragonder of huzaar;
    Weet ik het? Maar dit zeg ik maar,
    Als je iets gaat krijgen aan je kind’ren,
    Dan gaan ze weg; je komt op jaren,
    Dan wou je, dat ze bij je waren;—
    Vergeefs!—Dat kan me soms zoo hind’ren.”
    Zoo spreekt vrouw Snor, en haar gemoed
    Schiet vol, terwijl ze Hanne groet.
    En allen geven hem een hand,
    Waaraan zij ’t woord van afscheid paren:
    „Vaarwel! en moge u God bewaren,
    En wederbrengen hier in ’t land!”
    Maar Doortje Bung, een frissche meid,
    En altijd vol van dartelheid,
    Roept lachend: „Nu, Johannes Snoet,
    Kijk goed uit je oogen, man! kijk goed,
    Opdat je een mooie keuze doet:
    ’t Moet niet te klein zijn of te groot;
    Ook moet het blank zijn en toch rood;
    En slaag je ginds niet in je wenschen,
    Welnu, hier wonen óók nog menschen.”
    En Hanne zint ook op een grap,
    Maar ’t lukt niet; en hij knikt alleen;
    En gaat dan met bedaarden stap,
    Al verder door de dorpsstraat heen.
    Zoo komt hij op den landweg aan,
    Waar hij een wijle stil blijft staan.
    Wat valt hem nu van alles in!
    Al, wat hij sinds zijn kindsche jaren,—
    Toen onnadenkend,—had ervaren,
    Krijgt nu beteekenis en zin.
    Daar staat hij; voor de laatste maal
    Richt hij zijn blik naar ’t dorpje henen,
    Dat door den avondzonnestraal
    Zoo zacht weemoedig wordt beschenen.
    Hij ziet daar in de verte nog
    Van ’t vaderhuis den schoorsteen rooken,
    En, wat voor ’t oog is weggedoken,
    Dat maalt hem zijn verbeelding toch.
    Zijn vader smeedt, bij ’t vuurgeflonker,
    Zijn moeder snijdt het avondbrood;
    En wat zoo zwart eens was en donker,
    Wordt hem nu alles rozerood.
    ’t Is, of voor ’t eerst, en ook voor ’t laatst,
    De heuvel hem een groet doet hooren,
    Die dan door ’t dal weêr wordt weêrkaatst;
    ’t Is alles anders dan te voren.
    „Vaarwel!” roept alles, wijd en zijd,
    „U gaat een nieuwe toekomst open:
    Wat doet uw hart nu? Vreezen? Hopen?”
    Och, och! de vrees heeft hem bekropen:
    Die vreemde wereld is zoo wijd;
    Daarom is ’t hart zoo eng.—Weemoedig
    Zet hij zich neêr; met stil geween
    En zuchtend staart hij om zich heen.
    Och, Heer! wat is hij toch alleen!
    Geen vader hier; en zij, die goedig
    En trouw steeds toezag op zijn schreên,
    Die moeder, ook niet hier,—wier liefde
    Hem steeds verzorgde, hart’lijk teêr,
    En troost hem bood, als leed hem griefde,
    En voor hem tusschentrad, wanneer
    Zijn vader soms in drift geraakte;—
    Die moeder, die zoo meen’ge keer
    Voor hem zijn boterhammen maakte.

    Hij haalde er nu een uit zijn zak,
    De laatste, die hem moeder gaf,—
    En beet met graagte een stuk er af,—
    Schoon droefheid nog in ’t hart hem stak.
    Hij schreit en eet, en eet en schreit;
    Maar zoo wordt zijne treurigheid
    Iets minder toch.—Hoe meer hij slikt,
    Hoe minder hij nog weent of snikt.
    En toen zijn brood verorberd was,
    Toen legde hij zich neêr in ’t gras,
    De handen saâm, en na een poos
    Lag hij te slapen als een roos.








7.


    En boven hem, hoog in een boom,—
    Een ouden wilg,—die aan den zoom
    Des wegs stond, zat, vol teed’re min,
    Een mosch op ’t donzig nest. Daar lagen
    Zes bontgespikkelde eitjes in,
    Waar ze op bleef broeden, onvermoeid;
    Schier roerloos, nu al vele dagen,
    Alsof ze aan ’t nest was vastgegroeid.
    Haar kopje alleen ging heen en weêr;
    En heel nieuwsgierig, ’t kuifjen op,
    Keek ze op den frisschen slaper neêr
    Van uit den hoogen wilgetop.—
    Daar komt nu, tusschen gras en kruid,
    Een muis te voorschijn, schiet vooruit,
    En ruikt en loert, en veegt den bek
    Zich met een voorpoot netjes af,
    Alsof alleen reeds de etenstrek
    Een schepsel vuile lippen gaf.
    „Wel,” denkt de muis, „waar is het dan?
    Ik ruik toch brood en vet er bij;
    Maar ’k weet niet, waar het wezen kan.”
    „Hier!” roept de mosch, „aan deze zij!
    Links van dien slaper, zie je?—hier!
    Ja wel! dáár, in dat blauw papier.”
    De muis ziet Hanne eens even aan,
    En is wel niet geheel gerust,
    Maar kan toch ook den sterken lust
    Naar zooveel heerlijks niet weêrstaan.
    Hij [3] schiet dus Hanne in eens voorbij,
    En zet zich naast de lekkernij,
    Den rug heel krom en ’t viertal pooten
    Door ’t krullend staartjen ingesloten;
    En roept dan tot de mosch op ’t nest:
    „Kom bij mij, Lotje! ’t smaakt zoo best!
    De boter,—die neem ik voor mij;—
    Maar wil je kruimels, haal ze vrij.”
    Nu houdt de muis zijn smulpartij,
    En richt zeer welgemoed den kop,
    En soms het heele lichaam, op,
    En snuffelt in den avondwind,
    En roept al piepend vrouw en kind.
    Mevrouw komt op ’t bekend geroep
    Een hol uit, achter haar een troep
    Van aangetrouwde en eigen kind’ren.
    „Kom aan!” zegt vader, „zonder dralen
    Hier aan den disch; wat zou ons hind’ren
    Hier ’t hart eens lekker op te halen?”
    „’t Is toch wel vrees’lijk!” roept de mosch,
    „Dat volkje smult er maar op los,
    En ik, die graag eens meêdoen zou,
    Ik mag niet,—och! ik arme vrouw!—
    Ik ben gebonden aan mijn huis.”
    „Waar is uw man dan?” vraagt de muis.
    „Waar zou hij wezen? Dag aan dag
    Kroeg in, kroeg uit, bij ’t drinkgelag,
    Met Krelis Vink en Hannes Putter;
    En of ik zeg, dat heel wat nutter
    Het leven kon en moest besteed,
    Het baat mij niet; en ook,—hij weet
    Nooit op zijn tijd naar huis te gaan,
    Maar komt hier meest zeer laat nog aan,
    En brengt soms uit een twist een sneê
    Of buil of and’re wonden meê:
    Nu, voelen moet wie niet wil hooren.
    Maar, dat hij ook zich laat bekoren
    Door ’t oude goudvinks-wijf,—haar vleit,
    Daar streelt door liefde en hoff’lijkheid,
    En met haar her- en derwaarts springt,
    En dol verliefd haar lof bezingt,
    En mij, zijn wettige, echte gâ,
    Hier maar laat broeden voor en na,
    Dat is het slechtste nog van al.
    Maar, ’k zeg je, als hij nu weêr zoo laat
    Als zoo’n schandaal hier vóór me staat,
    Dat hij er toch van lusten zal!”

    En in den kring der muizen springt
    Een kikvorsch in, kijkt naar omhoog,
    En vraagt, met schamp’ren spot in ’t oog:
    „Wat zeg je?—dat je man bezingt
    De schoonheid van dat dart’le ding?
    O! wat een zinsverbijstering!
    Eerst kunnen zingen! Maar jou man
    Verstaat daar bijster weinig van.”
    „Ja,” zegt daarop de wijfjesmuis,
    „De zang hoort bij de kikkers t’huis;
    ’t Gaat mij althans door alles henen,
    Als die hun stemmen saâm vereenen.”
    En vader muis zegt: „Dat ’s maar waar!”
    „Wel, wat ben jij een huichelaar!”
    Roept nu de mosch. „Verleden jaar,
    Toen schimpte je op die kikkerkoren,
    Toen wou je haast verhuizen gaan,
    Zoo ver maar moog’lijk, hier vandaan,
    Om dat gekwaak toch niet te hooren.—
    ’t Is waar, mijn Jochem heeft geen stem
    Om zich voor zanger uit te geven;—
    Voor zwierbol, dat zou beter gaan;—
    Maar toen ’k de bruid nog was van hem,
    Hief hij, door liefde er toe gedreven,
    Soms waarlijk schoone lied’ren aan,
    Van „kusjes” en van „scheidingssmarte,”
    Van „bitterzoet gevoel in ’t harte,”
    En meer zoo;—ja! dat werd gezongen
    Met gloed en met een fraai geluid;
    Maar nu is hem de quint gesprongen;
    De zuiv’re kracht is nu er uit;
    Die glastoon, die er eens is was,
    Is blijven hangen in het glas.
    Maar daarom wil ik toch niet hooren,
    Dat hem zoo’n kikker scheldt en smaalt.”
    Nu grabbelt ze, achter en van voren,
    Zich onder ’t warme lijf en haalt
    Een ei te voorschijn, dat niet frisch,
    Neen! nog al erg bedorven is,
    En smijt dat met het woord; „Jou, gek!”
    Den ouden kikker op zijn bek.
    De booze groenrok tiert en raast
    Van felle toornigheid, en blaast
    Verwoed tot berstens toe zich op,
    Ziet naar omhoog met dikken kop,
    En schreeuwt: „Gemeen kanalje! wacht!
    Jij zult tot straf den ganschen nacht
    Vernemen ’t ratata-sonnet,
    Voor kikkers op muziek gezet.”
    En, kwak! en, kwak! springt de oude heer
    Langs ’t veld, waar ’t jonge graan op staat,
    En duikelt, altijd nog heel kwaad,
    Plomp! in zijn groenen poel ter neêr,
    Maar komt dan spoedig boven weêr,
    En zet zich neder op een blad
    En zegt wijsgeerig: „Nat is nat!”

    En bij den boom, waar Hanne lag,
    Deed zich een fladderende slag
    Vernemen langs het stil gebladert’:
    ’t Is Jochem, die zijn woning nadert.
    Een donk’re blos kleurt zijn gelaat,
    Zijn kuif hangt ord’loos over ’t oog,
    En ’t kraagje, dat hij om heeft, staat
    Slechts aan één zijde nog omhoog.
    Hij kijkt met vreemde blikken rond;
    En nog eens weêr, en nog een keer.
    „Hier,” denkt hij, „moet toch ongeveer
    Mijn huisdeur zijn.”—Hij neemt terstond
    Zich ’t kammetje uit den zak, en wat
    Niet netjes zit, strijkt hij weêr glad;
    Knipt wat sigaarasch van zijn linnen,
    Wat stof van jas en vest, en wil
    Nu zacht, heel zacht en stil, naar binnen,
    Gelijk de dure tijd, zoo stil;
    Maar zegt toch: „Zoo, dag, vader muis!
    Ligt daar niet Hanne Nüte, daar?
    Waarom slaapt die hier voor mijn huis?”
    „Ik weet niet,” is het antwoord, „maar,
    Pas op; je vrouw is zeer verstoord.”
    „Och, vrind!” zegt Jochem, „ons behoort,
    Ons mannen, heel de schepping toe.
    Wij zingen, springen blij te moê;
    En onzer waarde ons zelv’ bewust,
    Doen wij steeds alles, wat ons lust.
    De man is baas, in alle dingen!”
    En nu begint hij luid te zingen:

      „’s Morgens klokke drie of vier,
      Trek ik lustig al van hier,
    Om door woud en veld te zwieren,
    Links en rechts te tierelieren;
      Dat ’s mijn werk, mijn vreugd, mijn eer,
      En des avonds kom ik weêr.

      Als ik dan maar aan de klink
      Van mijn huisdeur zacht rinkink,
    Hoor ’k mijn vrouw, die lief en goedig,
    Heel teêrhartig en blijmoedig,
      Uitroept: „Ben je daar weêrom?
      Lieve Jochem! wellekom!”

    Nu sluipt hij zachtjes in zijn huis.
    En aanstonds spreekt de wijfjesmuis
    Tot haren echtvriend: „Hier gebleven!
    Dat zal me daar een standje geven;
    Blijf hier, hier hooren we alles goed.”
    Maar vader muis zegt: „Neen! men moet
    Niet luist’ren; maar ook, bovendien,
    Wie in een twist van echteliên
    Zich mengt, die komt er tot zijn straf
    Meest met een vrachtje ransel af;
    Ik hou me er buiten; maar, kom aan!
    ’t Is tijd, dat wij ter ruste gaan.”
    „Ter ruste?” zei toen ’t vrouwtje, „ik dacht...”
    „Och! hou je mond toch!” antwoordt zacht
    Haar egâ. „Ben je dan bezeten?
    De kind’ren hebben ’t niet te weten.
    Wij houden ons voor hen nu maar,
    Of wij naar ’t kikkerlied wat hooren,
    Maar strakjes gaan wij in het koren
    Van heeroom en den molenaar.”








8.


    En Jochem sluipt, met zachten tred,
    Heel stil zijn kamerdeurtjen in.
    Zijn wijfje draait zich om in ’t bed.—
    „Wel, Lotje! die ’k zoo teêr bemin,”
    Spreekt Jochem, „ben je wakker nog?”
    Zij hoort zijn vraag heel goed, maar toch,
    Zij zwijgt. „Wat is ’t een lieflijk weêr!”
    Zegt hij. Zij zwijgt ook dezen keer.
    En hij ontkleedt zich wat; en nu
    Vervolgt hij: „’k Heb wat nieuws voor u;
    Ik kan u, naam’lijk, dit berichten:
    De nachtegaal is weder hier,
    Met nieuwe lied’ren en gedichten;
    En woont niet ver van ons kwartier.
    En wat de kraai betreft, die wacht
    Weêr kleintjes; ’k heb haar man ontmoet,
    Die ’t kraambed al in orde bracht.”
    Maar Jochem’s vrouw zegt niets, en—broedt.
    „Zij is,” zoo mompelt hij, „niet recht
    In haar humeur.” En luide zegt
    Hij nu tot Lotje weêr: „Wel vrouw!
    Hoe is ’t geweest hier? Niets geschied?”
    Maar zij, aan haar systeem getrouw,
    Zij antwoordt hem al weder niet.
    „Is niemand hier geweest vandaag!
    Geef dan toch antwoord, als ’k iets vraag!”
    En nu gaat Lotje’s mond ook open:
    „Jij losbol! die je nooit een zier
    Om mij bekreunt en uit gaat loopen,
    En mij alleen laat zitten hier,
    Jij bent er eentje. Weet je wie
    Naar jou gevraagd heeft hier vandaag?
    Het meisje van den dokter, die
    Haar stuurde, want hij wou zoo graag,
    Dat zijne meerle leerde fluiten
    ’t Lied van „de slemperscompagnie,”
    En dat ken jij geheel van buiten;
    Zoo zei ze, en dat zei ook haar heer;
    Je mag wel blij zijn om zoo’n eer!”
    „Foei, Lotje! leer uw drift toch smoren!”
    Zegt Jochem. „Wees zoo haat’lijk niet!
    Gij baart mij waarlijk zielsverdriet.
    ’k Heb je immers lief nog, als te voren.
    Vergeet gij, hoe ik tot u kwam,
    Terwijl gij hier als weduw zat,
    En ’t heele nest vol kind’ren hadt?
    Hoe ’k u terstond tot gade nam?
    Vergeet ge, welk een teed’ren eed
    Gij dáár, in gindschen tuin, mij deedt?”
    Nu loopt hij driftig op en neêr,
    Geheel ontdaan van bovenkleeren,
    En blijft, bij ’t loopen heen en weêr,
    Veel over ondank declameeren,
    En rukt zich, boos, de nachtmuts af,
    En vraagt nog eens, of zij vergat,
    Wat zij hem daar gezworen had,
    En of ze daar dan niets om gaf,
    En nu begint ze zacht te weenen
    En kijkt weemoedig voor zich henen.
    En Jochem zet zijn muts weer op,
    En knorrig schudt hij met den kop,
    En zegt: „Ja wel, dat ’s ’t ouwe lied:
    Eerst draaf je koppig door, en dan,
    Dan komt de droefheid en ’t verdriet;—
    ’t Is heel pleizierig voor je man!
    Kom! schik maar wat op zij, en ’k zal
    Je toch maar helpen weêr in ’t broeden.”
    En bij die woorden zit hij al
    Op de ei’ren mee. „Je zoudt vermoeden,
    Misschien, dat mij de reine gloed
    Der vaderlijke liefde ontbreekt.
    Neen! in mij spreekt de stem van ’t bloed,
    Zóó sterk, als die in iemand spreekt.
    Ik ben geen koekoek, die zijn kroost,
    Nog ongezien, geheel verzaakt;
    Zijn eigen kind’ren weezen maakt,
    Die zwerven zonder heul of troost;
    Ik ben echt vaderlijk gezind.
    Maar hou nu op met schreien, kind!
    ’t Wordt vrees’lijk nat hier.”—Half gesmoord,
    Duurt nog ’t geween van Lotje voort.—
    „Maar spreek dan toch! Wat scheelt je toch?
    Hoelang wel wil je aan ’t stelsel nog
    Je houden, Jantje huilt te spelen,
    Terwijl ik Jantje lacht wil zijn?”
    En Lotje snikt: „Mijn boezempijn,—
    Ik wil het langer niet verhelen,—
    Komt van dat gele goudvinkswijf.”
    „O, zoo!” zegt hij, „is dàt de zaak?
    ’t Is waar, soms woelt mij door het lijf
    Een booze neiging, ja!—maar maak
    Je om deze weêuw nooit ongerust.
    Hoor dit: zoolang ’k mij zelf bewust,
    Geleefd heb, kan ’k je zeggen, dat
    Het geel altijd een kleur was, die
    Voor mijn gevoel iets stuitends had:
    Dat heet idiosynkransie.
    En schoon je nou dat woord niet vat,
    Geloof me, jij blijft steeds mijn schat;
    En anders hale mij de kat.
    Maar hou dan op met dat geween.”
    Hij strijkt nu langs haar koontjes heen;
    En Lotje zegt: „Wat is ’t hier heet!
    ’k Wou, dat je ’t raam wat opendeedt.”
    Hij doet zoo, en heel zwoel en zacht
    Kust hem het avondwindje en lacht,
    En fluistert stil hem in het oor:
    „Zend door, dit kusje; zend het door!
    Het komt van lentebloem en graan;
    ’t Moet verder, àlweêr verder gaan.”
    En Jochem geeft den kus aan Lotje,
    En zegt: „Zend door, zend door, mijn dotje!”
    Maar, niemand was daar, en heel vlug
    Gaf zij dus hèm dien kus terug.
    Nu kust hij haar weêr en hervat:
    „Zie, vrouwtje, sympathie heet dat.”
    Zij buigt zich neer en lacht weer blij,—
    Daar snapt een kusje haar voorbij.
    En ’t avond windje grijpt het aan,
    En draagt het weer naar bloem en graan;—
    Zoo blijft het in de rondte gaan.








9.


    Kwartiermaan is ’t. Op veld en wei
    Ligt de avonddauw, als witte sprei,
    Beschenen door haar glans. En ’t meer
    Geeft spieg’lend zóó haar beelt’nis weêr,
    Alsof zij in den held’ren plas
    Een vlottend gouden bootje was.
    En òm het bootje klonk geklater,
    En òm het bootje klonk gesnater,
    Want de oude kikkerzanger zat
    Nog op zijn waterlelieblad,
    En zong dit lied, uit breeden mond,
    In ’t stille van den avondstond:

              „Nat, Nat,
          Nat is het water.
      ’t Droge heeft geen lief’lijkheden;
      Hier, hier zijn wij ’t best tevreden;
          Geen kat en geen kater
          Heeft met ons te maken;
    Hier kunnen wij kwaken en kwaken en kwaken.”

      En nu valt heel de kikkertroep
      Den zanger bij met blij geroep:
          ’t Is goed hier in ’t water;
          Geen kat en geen kater
          Heeft met ons te maken;
          En de ooievaar bespiedt ons niet,
          En de ooievaar bedreigt ons niet;
    Vrij kunnen wij kwaken en kwaken en kwaken.”

    En uit de diepte van den plas
    Roept nog een drom van ’t kikk’renras:
    „Kom onder! Kom onder! Een koningskind
    Is hier voor veel jaren verdronken;
    Op den bodem, daar zit zij, daar zit zij en spint,
    Wij hebben ons rijk haar geschonken.
    Daar zit zij in doeken;
    En wie haar wil zoeken,
    Die kan haar hier vinden, hier, diep op den grond;
    Maar drukke dan moedig een kus op haar mond.”

    En dóór dat kwaken, hard en zacht,
    Door avonddauw en voorjaarsnacht,
    Schalt nog een lied in volle pracht.
    Aanvank’lijk trilt het fijn en zwak,
    Als de eerste ster aan ’t hemeldak,
    Bij winteravond; maar het breidt
    Zich uit met stille majesteit,
    Gelijk bij zomeravondstond
    De volle maan, zoo hel en rond;
    En eind’lijk schiet het schoon geluid,
    Als ’t ware, zonnestralen uit.
    ’t Klinkt als een kus en ’t maakt gezond
    Denzelfden boezem, dien ’t verwondt,
    Dat is de zoete nachtegaal,
    Die in zijn oude en schoone taal,
    Een teed’ren zang zingt van de beiden,
    Die treuren om de smart van ’t scheiden:

    „Vaarwel! vaarwel! Gij blijft mij bij,
      Al zie ik u niet meer.
    Vaarwel! vaarwel! Maar denk aan mij;
      ’k Bemin u toch zoo teêr.
    En keeren uw broeders eens weêr, eens weêr,
    Met groeten van u nog voor mij;
    Misschien lig ik in ’t graf ter neêr,
      En gij zijt niet er bij.”

    „Hoor toch,” zegt Jochem, „hoor eens aan!
    Wat kan dat ding toch heerlijk slaan,
    Dat kleine ding, dat grauwe ding;
    ’t Is waarlijk een verlustiging;
    En, ’k moet maar zeggen, hij is gaar;
    Hij heeft steeds daad’lijk ’t antwoord klaar.
    Van avond was ’k bij Jochem Smidt,
    Voor ’t huis; en peinzend zat ik daar
    Op ’t hek, en dacht aan dat en dit;
    Toen kwam hij bij me en zei: „Haha!
    Zie ’k u hier, Jochem? Kom, dat ’s goed;
    ’k Ben weer terug uit Afrika.”
    „Wel zoo!” zei ’k toen, „maar, je moet
    Je wijden aan bedaarder leven,
    En niet zoo her- en derwaarts zweven;
    Mijn Lotje kan je een voorbeeld geven,
    Die al op ’t tweede broedsel broedt.”
    Maar ’t antwoord was: „Mijn goeje man!
    Jou Lotje is wel een ord’lijk wijf;
    En kousen breien, eten koken,
    En zulke dingen meer, en dan
    Soms dagen lang, onafgebroken,
    Met ei’ren zitten onder ’t lijf,
    Ja, dat is ook een tijdverdrijf.
    Maar wij, die in de poëzij
    Ons bloemen en ook lauw’ren gâren,
    Wij, zangers, dichters, kunstenaren,
    Wij doen heel and’re dingen, wij.
    Doch eenmaal, na het laatste lied,
    Als stem en zangstof ons ontvliedt,
    En zich een gunstig uitzicht biedt
    Dan zijn wij zoo afkeerig niet...
    Genoeg,—gij zult mij wel verstaan,
    Ik weet, iets geniaals hebt gij.
    Maar, wilt gij nu eens met mij gaan,
    Hier in den els? Hoor dan van mij
    Een stukje schoone poëzij.”
    Doch nauw’lijks gingen wij, of, zie!
    Daar stond Fiek Smidt; gij weet wel, die
    De kleine Poedel wordt geheeten.
    Haar oogen waren roodgekreten,
    En over hare wangen vloog
    Een hooge gloed, terwijl ze aanschouwde
    Johan, die naar den vreemde toog.
    Zoo stond ze en keek hem na, en vouwde
    Haar handen vroom, weemoedig, stil;
    Zij had iets, wat haar deed gelijken
    Naar eene duif, die vliegen wil,
    Wegvliegen van hare enge til,
    Om ergens anders neêr te strijken.
    O! ’k voelde veel, heel veel voor haar,
    Terwijl zij aan een boom daar leunde,
    En zachtkens, maar verstaanbaar, kreunde:
    „Wat ben ik vreemd! Wat ben ik naar!”
    Toen riep haar moeder: „Fiek dan toch!
    Pas op, of Karel tuimelt nog
    Den put in!”—En op éénmaal gaf
    Haar dat een schok; nu sprong ze toe
    En trok het kind van ’t water af:
    Maar zat toen neder, droef te moe,
    Haar broertje in d’arm, en langs haar wang
    Sloop telkens weer een dikke traan;
    Dat weenen duurde voort, zoo lang,
    Tot moeder ernstig deed verstaan,
    Dat dit zoo langer niet kon gaan;—
    En toen, toen was het ook gedaan.”
    „Dat’s ’t zenuwstelsel; ’t arme schaap!”
    Zoo antwoordt Lot: „En ze is zoo goed;
    Voor jaren greep in euv’len moed
    Haar broeder Frits, een stoute knaap,
    Mij aan; maar Fieken kwam er bij,
    En ’t lieve meisje redde mij.
    Toen heb ’k een duren eed gedaan,
    Dat ’k, waar ik kon, haar bij zou staan;—
    En, och, nu moet het zóó haar gaan!
    O! trek, mèt mij haar lot u aan!—
    Maar, zeg eens, wie is die Johan?”
    „Kent gij hem niet? Wil even dan
    Naar buiten zien; daar ligt de man!”
    „Ah! is het die? Ja wel, die kwam
    Hier aan, en at zijn boterham;
    Dat zag ik wel. Nu, maar die moet
    Een domkop zijn, een hals, een bloed,
    Dat hij een engeltje, zoo zoet,
    Zoo maar gedachteloos verlaat,
    En dan ver-weg aan ’t zwerven gaat.”
    „Ja!” antwoordt Jochem, „slim is ’t niet.
    Maar ’t is een stijfhoofd: hij wil voort.—
    Vergetend, wat hij achterliet,
    Wordt hij misschien eens nog bekoord
    Door de eene of and’re vreemde vrouw,
    Die goed was, als een tuinmansbaas
    Een pop in de erwten zetten wou.
    Hij is een Klaas en blijft een Klaas!”
    En toen dit woord gesproken was,
    Bewoog zich iets, dáár, in het gras:
    ’t Is Hanne Nüte die ontwaakt.
    „Wie? Wat? Dat woord heeft mij geraakt,”
    Zoo spreekt hij. „Vreemd! Daar, uit dien boom,
    Die stem! Of, was ’t misschien een droom?—
    Ja! ’k voel het nu, ik ben een bloed,
    Een Klaas. Wat was zij lief en goed!
    Wat keek zij door de rasters henen
    Tot ’k uit haar oogen was verdwenen,—
    En ’k merkte niets;—nu merk ik wat,
    Mijn kleine Fiek, mijn lieve schat!
    Was ’t jou stem, die me in ’t harte drong,
    En mijn gevoel daar wakker zong?”
    En aanstonds klonk, diep uit het hout,
    Het nachtegalenlied door ’t woud:

      „Vaarwel! Vaarwel!
    Keer spoedig, spoedig weer!
    Er is een hart, dat voor u slaat,
    Dat vol van u is, vroeg en laat.
    Zoo zoet, zoo zacht, zoo teêr.
    Keer spoedig, eer dat hartje breekt,
    Waar zooveel trouw en liefde in spreekt;
    Keer spoedig, spoedig weêr!”

    En al de kikkers gaan aan ’t kwaken:

    „Waartoe zult gij toch het u moeilijk gaan maken
    Wat geeft toch zoo’n leven
    Van zwerven en zweven?
    Kom! doe als de rest,—
    Want dat is het best.
    Dans met vlugge beenen,
    Huppel op de teenen,
    Trippel op de hakken,
    Laat je koeken bakken;
    En loop telkens naar het vat;
    Vreugde bloeit eerst recht in ’t nat.
    In het nat, ja! nat, nat, nat!
    Op geen bruiloft mist men dat!”
    En tusschen ’t oude kikkerkoor
    Galmt, diep en zwaar, de zangtoon door:

      „In zwachtels en in doeken
      Een schat op ’s harten grond;
      En wie met vrucht wil zoeken,
      Die moet zich maar verkloeken,
      En kussen het meisje op den mond.”

    En Hanne neemt zijn stok; zijn jas
    Werpt hij zich om, en ook zijn tas.
    Hij luistert onder ’t verder gaan
    En blijft gedurig weer eens staan,
    En denkt er met verwond’ring aan,
    Hoe ’t komt, dat hij den nachtegaal
    Begrijpen kan, en dat de taal
    Der kikkers, in den groenen poel,
    Beteek’nis heeft voor zijn gevoel,
    En tegelijk in zijn gemoed
    Iets lief’lijks en iets pijnlijks voedt.
    Wat was dat toch, daar, bij dien boom?
    Zag hij een engel in zijn droom?
    Ontsloot hem die het hart en de ooren?
    Deed die in zijne borst een schat
    Van zilver, goud en paarlen gloren,
    Waarvan hij niet geweten had?
    Riep die hem wakker, met een stem,
    Zoo tooverachtig week en warm?
    Sprak die hem toe, met kracht en klem,
    En toch zoo vriend’lijk tegelijk:
    „Behoudt ge uw schat, dan blijft gij arm;
    Maar deelt ge er van, dan wordt gij rijk!
    Ja, haar wil hij er deel aan schenken,
    Vol zuiv’ren gloed en reinen glans;
    Aan haar wil hij steeds blijven denken,
    Altijd aan haar,—voortaan als thans.
    En zoo vervolgt hij nu zijn tocht,
    Totdat hij aankomt bij een bocht,
    Waar ’t pad door ’t bosch naar onder gaat.
    Daar staat hij nog eens stil, en slaat,—
    Dat is nu voor den laatsten keer,—
    Een blik naar achter, zwaait den hoed,
    En spreekt met hoogen zielegloed:
    „Ja, nachtegaal! eens kom ik weêr:
    En ’k breng mijn goud en edelsteen
    Naar mijne kleine Fieken heen,
    En werp ’t haar alles in den schoot.
    Een trouwe liefde en ’t daag’lijksch brood,
    Dat is de schat van onzer één.—
    En, zit ze omwikkeld en verholen,
    En in de diepte weggescholen,
    Ik haal haar van den diepsten grond,
    En kus haar op den rooden mond,
    En maak haar, met een blijden zin,
    Mijn heil, mijn kroon, mijn koningin!
    En, als ik ooit dien eed verbreek,
    Dan, meester Mosch, dan zeg ik: spreek
    Van mij als van een Klaas niet meer,
    Maar noem me een kerel zonder eer!”
    En zoo trekt Hanne verder weêr.
    „Wel, dat is mooi!” zegt Jochem, „hij
    Heeft ieder woord van u en mij
    Gehoord, en ook den zin gevat.”
    „Och!” antwoordt Lotje, „meen je dat?
    Geen mensch, die onze taal verstaat.”
    „Mijn kind!” spreekt Jochem, „wordt niet kwaad,
    Maar dat is waarlijk domme praat.
    Hoor! Vroeger,—’t was heel lang voor dezen,—
    Toen kon de menschheid ons verstaan,
    Ja, zelfs in de gesternten lezen;
    Maar deze kunst moest ondergaan.
    Waarom? De menschheid werd te wijs;
    Zij las heel veel, gedrukt, geschreven,
    En stelde dat op hoog’ren prijs,
    Dan ’t geen haar onze taal kon geven,
    Of ’t schitt’rend sterrenschrift haar bood.
    Wel zegt men, dat in verre streken,
    Onnoem’lijk verre hier vandaan,
    Nog enkl’en door hun wijsheid groot,
    De talen, die wij, voog’len, spreken,
    En ook het sterrenschrift verstaan;
    En dat ook hier een en’kle dweeper,—
    Althans, zoo wordt hij dan genoemd,—
    Of ook een enk’le grijze scheper,
    Zich op ’t bezit dier kunst beroemt;
    Maar ’k heb er toch nog geen gevonden,
    Want dit vermogen is verbonden
    Aan velerlei. Vooreerst al dit:
    Wie deze schoone gaaf bezit,
    Moet rein van hart zijn, en geboren
    Des Zondags, tusschen twaalf en één,
    Terwijl een goed gesternte scheen.
    Voorts moet hij eene maagd bekoren,
    Maar zonder dat hij ’t zelf nog weet;
    Die moet, met zalig zieleleed,
    Zeer diep, zeer diep in ’t hart hem dragen,
    Reeds sinds haar vroegste lentedagen.
    Voorts moet hij, in den avondstond
    Van d’eersten Mei, in zijnen mond
    Een dikke boterham vermalen,—
    Waarna hij alle zielekwalen
    Vergeten moet, en, bij een boom,
    Waar lang een aardig paartje in lag
    Niet verre van den donk’ren zoom
    Eens wouds, dat eens een gruwel zag,
    Moet hij dan zacht in sluim’ring vallen,
    Terwijl der voog’len lied’ren schallen;
    ’t Moet bovendien kwartiermaan zijn,
    En scheem’rig moet die maneschijn
    Hem spelen om ’t gelaat;—en dan,
    Maar anders niet, is hij de man,
    Die onze taal begrijpen kan.
    Maar deze kunst begeeft hem weêr,
    Wanneer hij zelf voor d’eersten keer
    In eigen borst de liefde ontdekt.
    Geen hopen, wenschen, treuren wekt
    Die kracht meer op. Die blik in ’t leven
    Is weg. Dat effen spiegelglas
    Blijft niet zoo effen meer, als ’t was;
    En al zijn denken, doen en streven
    Kookt in een kroes en bruist en ziedt
    De vroeg’re vorm is dan verbroken,
    En wat eens ’t hart heeft toegesproken,
    Dat spreekt daarbinnen langer niet.
    Het oude moet gansch ondergaan;
    Iets nieuws moet in zijn plaats ontstaan.
    Gelukkig is de mensch gewis,
    Die daar en dan een kunst’naar is.”
    „Och, Heer!” spreekt Lotje nu, „die menschen!
    Wat maken zij ’t bestaan zich zuur!
    ’t Is altijd zorgen, streven, wenschen,
    En alles is zoo kort van duur!
    Nu, ’t zij zoo.—Maar nog eens, die beiden,
    Die moeten wij behoeden,—wij;
    Wij moeten hun geluk bereiden;
    En zoo ’t gebeurt, dat zij of hij
    Soms leed ontmoet, wij moeten zorgen,
    Maar altijd stil en in ’t verborgen,
    Dat de uitkomst toch ten goede zij.
    ’k Heb mij dit vast in ’t hoofd gezet,
    ’k Wil mijn erkent’lijkheid betoonen;
    Want eens heeft Fieken mij gered:
    Ik moet haar liefdedaad beloonen.”
    „Ja,” antwoordt Jochem haar, „mijn popje!
    Zet gij u eens zoo iets in ’t kopje,
    Dan ware er geen verand’ren aan,
    Al zou ik òp mijn kop gaan staan;
    Dus, ’t is mij wèl.—Nu goeden nacht!”
    En weldra slaapt hij, en met kracht
    Gonst zijn gesnork in ’t rond. Maar zij
    Blijft peinzend nog een poosje waken;
    Zij heeft huishoudelijke zaken:
    De dag van ’t doopmaal is nabij.








10.


    Dien avond, in den maneschijn,
    Kwam Hanne in ’t stadje Stavenhagen,
    En dacht, hij moest vóór alles vragen,
    Waar daar voor hem logies mocht zijn.
    Men wijst hem dan een herberg aan
    Hij gaat er binnen, en blijft staan
    In ’t zijvertrek, en roept: „Mag ’k weten,
    Is dit hier ’t smeden-logement?”
    Maar niemand, die zich tot hem wendt.
    „Is heer noch vrouw, hoe die mag heeten,
    Is niemand hier? Geen zoon of knecht?”
    Maar niemand, die daar iets op zegt.
    „Nu,” spreekt hij, „als geen mensch mij hoort,
    Dan richt ik tot de banken ’t woord,
    En tot de tafel; of die dan
    Mij en mijn ransel kunnen wachten,
    En of ik hier ook mag vernachten,
    En morgen verder reizen kan.”
    En met één worp, heel flink en vlug,
    Gooit hij zijn ransel van den rug,
    En gaat weêr bij de deurpost staan,
    En vangt nog eens met vragen aan.
    „Zijn soms ook and’re smeden hier?”
    En nu bewoog zich toch een gast
    Die in een hoek zat; schoof zijn bier
    Een eind terug; en, met een zwier,
    En een’ge stappen! zeer onvast,
    Kwam hij van zijne zitplaats af.
    Een smid, maar zonder arbeid, was ’t
    Die nu de vraag tot antwoord gaf:
    „Met uw verlof, van waar zijt gij?”
    En ging zoo voort, en vroeg daarbij,
    Waar Hanne had in dienst gestaan,
    Wanneer hij was van huis gegaan,
    En wat hij zoo al had gedaan.
    En Hanne noemt hem dorp en land,
    Van waar hij komt, en geeft bescheid,
    Beleefd, maar flink en bij de hand,
    Op elke vraag, hem voorgeleid.
    Nu vraagt de dronken smidsgezel:
    „Zijt gij de zoon ook van een smid?”
    Johan zegt: „Waarom vraagt gij dit?
    Maar, als gij ’t weten wilt, ja wel;
    Dat ben ik. Wat ik weet en kan,
    Daar heeft mijn vader de eere van.
    En stond soms iemand in den waan,
    Dat zulk een leer niet goed kan gaan,
    Dat ik te zwak behandeld ben,
    Dien wil ik toonen, wat ik ken
    Van ’t vak;—en wie dan lust nog heeft
    Tot spot, dien zal ’k voldoening vragen,
    Die kan iets voelen van de slagen,
    Waar vader onderricht in geeft.”
    De smidsgezel, wiens lodd’rig oog
    Een vuur’ge nevel overtoog,
    Van ’t bier en van den brandewijn,
    En die daarbij,—óók niet heel fijn,—
    Wat pruimtabak ten bodem spoog,
    Werd boos en honend. Van zijn kant
    Kreeg Hanne een kitt’ling in de hand;
    En ’t was hem, of, in moed en kracht,
    Die ééne dag, die was verstreken,—
    Er was zooveel gebeurd dien dag!—
    Hem jaren verder had gebracht.
    En als nu de and’re smaad gaat spreken
    Van Hanne’s ouders, valt een slag
    Hem op den neus, waarbij zijne ooren
    ’t Gedreun van honderd klokken hooren,
    En al de sterren van de transen
    Hem voor zijne oogen staan te dansen.
    Toch houdt hij zich nog op de been.
    Nu komen and’ren om hen heen,
    En roepen: „Toe maar, dapp’re smeden!
    Maar naar den regel!” En Johan
    Schreeuwt wild: „Ja wel, daar houd ik heden,
    Daar hou ’k in alle dingen van:
    Steeds naar den regel,—zonder streken!”
    En de andere, achteruit geweken,
    Rolt op den grond. „Zeg! wil je zwijgen?”
    Roept Hanne. „Of wil je meer nog krijgen?”
    „’k Wil vrede,” is nu zijn antwoord, „vrede!”
    Hij richt zich op; Johan helpt mede;
    En beiden zetten zich den hoed
    Weêr op; en de beschonk’ne doet
    Zich hooren: „Smid! ik wil je vragen,
    Of ’t jou, als mij, ook kan behagen,
    Verzoend te zijn?”—„Ja,” zegt Johan,
    Maar goed en naar den regel dan.”
    De smidsgezel kijkt om zich heen,
    En vraagt dan: „Is er uwer geen,
    Die iets er tegen heeft, dat wij
    Verzoenen?” Allen vallen bij.
    En hij voegt dit nog daaraan toe:
    „Als we ooit elkander weêr ontmoeten,
    Dat wij elkaâr als vrienden groeten,
    En niemand meer verwijten doe.”
    „Dàt afslaan ware zonde en schand’!”
    Zegt Hanne, en reikt de vriendschapshand—
    Toen nu ’t verbond gesloten was,
    Moest, zei men, daar een borrel bij.
    Maar Hanne sprak: „Neen, niet voor mij!
    Ik drink dat goed niet;” en het glas
    Schoof hij dan ook terstond op zij,
    En riep: „Hei, moeder! kom eens hier;
    Geef liever mij een glaasje bier.”
    De herbergierster keek hem aan,
    Alsof zij meer hem had gezien,
    En vroeg: „Is ’t moog’lijk? Kan ’t bestaan?
    Zijt gij niet Snoet, en uit Gallin?”
    „Ja,” antwoordt Hanne. „Wel, mijn kind!
    Je vader was een goede vrind
    Van mijn nu overleden man;
    Je moeder ken ik ook sinds jaren;
    En ik getuig er gaarne van,
    Dat ze altijd brave menschen waren.”
    Nu wenkt zij Hanne mee te gaan,
    En als ze in haar vertrekje staan,
    Ziet zij met strakken ernst hem aan,
    En spreekt: „Wat is dat? Vechten? Slaan?
    Gij zijt er veel te knap toe, gij,
    Om met een kerel, zooals hij,
    Een strijd te hebben;—echt gemeen
    Is die gezel; en ’t is alleen
    Het geld zijns broeders, dat hem nog
    Voor spinhuis of gevang’nis spaarde.
    Daarom, mijn jongen! schaam u toch,
    En heb wat meer gevoel van waarde.”
    „Ja moeder!” antwoordt nu Johan,
    „’t Is iets, wat ik niet helpen kan.
    ’k Was nauw’lijks in uw huis getreden,
    Of hij kwam op mij af, en ging
    Met lagen spot en lastering
    En onbeschofte geestigheden
    Mijne ouders smaden; en ofschoon
    ’k Slechts logen vond in al zijn hoon,
    Toch scheen ’t mij toe, dat hij hen kende.
    Welnu, dat duldde ik niet, en ’k wendde
    Een middeltje aan van tucht. Wie ooit
    Wil doen, als hij, zal ’t zelfde krijgen;
    Bij zulken schimp zal ’k nimmer zwijgen;
    Zoo waar ik leef, ik duld dien nooit.”
    „Nu, als het zóó is,” antwoordt zij,
    „Dan heeft hij zijn pak slaag verdiend.
    Maar toch, ik raad u aan, mijn vriend!
    Ontwijk dien kerel; hoor naar mij.
    Hij en zijn broêr zijn beiden slecht;
    Ze zijn bekend, ook bij ’t gerecht;
    Ook mompelt men,—ik weet het niet,—
    Maar dat een moord eens is geschied,
    Voor jaar en dag, diep in het woud,
    Alleen door ’t oog van God aanschouwd.
    Maar dit is zeker: na dat feit
    Zonk deze hier in dierlijkheid,
    En evenzeer is dit gewis,
    Dat nu zijn broêr, die bakker is,
    En op de markt daarginder woont,
    Als man van midd’len zich vertoont.”
    „Is dat zijn broeder?” zegt Johan,
    „Dan vat ik alles nu er van:
    De vent heeft vast zich willen wreken,
    Omdat ik eens dien broêr van hem
    Heb uitgeveegd, nog al met klem,
    En flink langs de ooren heb gestreken.”
    En nu vertelde hij ’t geval.
    „Zoo, zoo? Ja wel: ’k begrijp het al,”
    Zei toen de vrouw; „maar nog een keer
    Moet ik u tot uw bestwil raden:
    Bemoei u met die soort niet meer;
    Zij kunnen niets doen, dan u schaden.
    Maar, kom, mijn jongen! ga nu mee.”
    Zij gaat naar boven met Johan,
    En wijst hem daar een legersteê,
    Waar hij dien nacht in slapen kan.
    „Hier wensch ik, dat ge u neêr zult leggen:
    Want niemand zal ooit mogen zeggen,
    Dat in mijn huis de zoon van Snoet
    Op stroo moest liggen. Slaap nu goed,
    En wacht u voor dat laag gebroed.”

    En toen Johan op ’t leger lag,
    Herdacht hij nog eens weêr den dag.
    Wat was er veel dien dag geschied!
    Een dag van blijdschap en verdriet
    Toen moeders liefde en vaders hand
    Hem losmaakte uit den vroeg’ren band
    En vrij en frank hem trekken liet,
    Toen greep de wereld woest hem aan,
    Woest, als een zee, wier wilde baren
    Nu schuimend in de hoogte varen,
    Dan dwarr’lend naar de diepte gaan.
    Geen moeder is hem meer nabij.
    Geen vader staat meer aan zijn zij.
    Maar zachtkens vloeide een nieuwe min,
    Tot hier hem vreemd, zijn boezem in;
    En tevens viel de haat hem aan.
    Toen zong de wereld in zijne ooren:
    „Wat vroeger was, dat is verloren,
    De kindsheid is voorbijgegaan.
    Ik ben een groot betooverd slot,
    En wien ik eenmaal binnenliet,
    Die is geen heer meer van zijn lot;
    Ik heb hem, en ’k ontsla hem niet;
    Wie eens hier is, gaat niet licht voort;
    Wie met mij ’t welkom heeft gedronken,
    Die is aan mij als vastgeklonken;
    Ook gij, Johan! ook gij behoort
    Voortaan aan mij; span thans uw krachten,
    Blijf nu maar streven, wenschen, trachten,
    Of gij misschien het tooverwoord
    Kunt vinden, dat van mijne poort
    De sterke grendels kan verkrachten.”
    Nu wordt het Hanne bang en naar;
    Een zweetdrup hangt aan ieder haar;
    En velerlei gedachten dringen
    Zich in zijn hersens op elkaâr;
    En kikkers kwaken, vogels zingen,—
    ’t Is in zijn hoofd een vreemd misbaar.
    En ’t meest wordt hij beangstigd dàn,
    Als hij zich vraagt: ben ik de man,
    Die ’t groote woord ontdekken moet,—
    Waarbij dat slot zich opendoet?—
    „Slaap in, Johan! daar zijn er toch,
    Die ’t vonden; slaap nu in, mijn kind!”
    Zoo hoort hij, en nog eens, en nog;
    ’t Is, of de ruischende avondwind
    Uit moeders mond dien groet hem bracht;—
    En rustig sliep hij dòòr, dien nacht.








11.


    ’t Zal feest bij Jochem zijn vandaag;
    ’t Zal doopfeest zijn. Reeds staat hij daar
    Voor zijne huisdeur kant en klaar,
    Met gladden rok en schoonen kraag.
    Nu drentelt hij eens op en neêr,
    Een deuntje fluitend, en dan weêr
    Kijkt hij eens binnen, of zijn vrouw
    Haast in gereedheid wezen zou.
    „Maakt voort wat, Lotje! of ge zijt
    Niet klaar, als onze gasten komen.”
    „Geen nood;—wij hebben nog wel tijd;
    Leer toch dat ongeduld betoomen.
    Als ’k eerst mijn haar heb opgestoken,
    Dan zal ik daad’lijk koffie koken.”
    En Jochem kijkt nu weêr eens buiten,
    En staat een poosje weêr te fluiten,
    Maar ziet dan weêr naar binnen; en
    Hij spreekt: Misschien wel gist gij al,
    Waarnaar ik zeer nieuwsgierig ben?
    ’k Meen, of hij zelf hier komen zal.”
    „Wie?” vraagt zijn vrouw. „Welnu, komaan!
    Mij dunkt, gij zult mij wel verstaan,
    ’k Wil toch eens naar den berg daar gaan;
    Wellicht is hij daar in ’t gezicht.”
    Maar, als hij weerkomt, zegt hij: „Neen!
    Hem zag ik niet; ik zag alleen
    De rietmosch, onze waarde nicht.”
    „Dat dacht ik wel,” roept Lotje; „zij,
    Zij is er steeds het eerste bij;
    ’t Is naar genoeg; zij is zoo druk
    En babbelt me mijn ooren stuk.”
    De rietmosch komt; en, ver nog weg,
    Roept ze al: „Wel lieve neef, ik zeg,
    Dat gaat hier vlug. Er is zoo’n feest
    Hier in de maand van Maart geweest,
    En nu al weer! Nu, dat kan gaan!
    En wie zal nu als peter staan?
    Maar, kom! ’k wil Lot mijn hulpe bieden.
    Dag, nicht!—Wie wacht je? Welke lieden
    Heb je uitgenoodigd dezen keer?
    Is ’t goed, als ik wat broodjes smeer?
    En wie zal doopen?—Laatst, bij mij
    Was ’t doom’né Raaf, zooals je weet,
    En Hop was daar als koster bij.
    En bij de goudvinksvrouw, daar deed
    Het doom’né Kraai; en ’k meen wel, dat
    Hij koster Ekster bij zich had.”
    „Wel, schepsel!” zei toen Lotje, „jij
    Weet bijster goed, hoe alles is;
    Maar als je soms gelooft, dat wij
    Het als de goudvink zullen doen,
    Dan, moet ik zeggen, heb je ’t mis;
    Wij zijn gesteld op ons fatsoen.
    Hier komt hij zelf;—omdat de man
    Wel weet, wat hij hier wachten kan;
    Beschaafde lui, daar houdt hij van.”
    „Wat?” zegt nu nicht, geheel en al
    Verbaasd, door ’t geen zij heeft vernomen;
    „De consistoriaalraad zal
    Dus zelf hier op het doopfeest komen?”
    „Ja wel,” zegt Jochem, „in persoon
    Zal hij de plechtigheid hier leiden;
    En zanger Haan geeft ons den toon,
    Als wij tot zingen ons bereiden.
    En peters zullen de ooievaar,
    De nachtegaal en kievit zijn.
    Eerst had ik plan ook nog een paar
    Van hoogen adel op ’t festijn
    Te nooden, zooals uil en wouw
    En havik; maar mijn lieve vrouw
    Vond toch wel wat bezwaar daarin.
    Wie weet niet, dat de nachtegaal
    Zeer democratisch is van zin?
    Dus, dat zou op ons plechtig maal
    Allicht den vrede kunnen storen;
    Personen, die niet saâm behooren,
    Moet men niet brengen bij elkaâr;
    ’k Mag anders de adellijken wel,
    Vooral de dames, zie je?—maar,
    Ze hebben soms een vreemd gestel,
    En dikwijls kan ’t niet veilig heeten,
    Met deze lieden kersen te eten.”
    „Ja,” antwoordt nicht, „maar toch, er is
    Zoo iets voornaams in, en”— —„Wel wis!”
    Zegt Jochem, „dat’s volkomen waar;
    Maar, naar ik meen, heeft de ooievaar
    Ook iets voornaams; en evenzeer
    De gans; dus, nicht! wat wil je meer?”
    „Die doet niet onder voor de besten,”
    Roept Lotje nu, „die heeft zoo veel
    Voornaamheid dat je al met een deel
    Een matig varken vet zou mesten.”
    Terwijl zij nog zoo redeneeren,
    Komt de ooievaar, die, lief en goed
    En minzaam, uit de hoogte groet;
    Vervolgens, in hun mooiste kleêren,
    De lijster en de nachtegaal,
    De vink en koekoek; en, benevens
    Den specht, de spreeuw en zwaluw; tevens
    Verschenen tot het feest’lijk maal
    De leeuw’rik, putter en patrijs,
    En ook de kievit;—daarna kwamen
    De kwikstaart met den ekster samen,
    En meer nog;—elk op zijne wijs
    Heel netjes uitgedost, in ’t grijs,
    In ’t rood, in ’t geel, in ’t groen, in ’t blauw,
    In ’t wit, in ’t zwart, in ’t bruin, in ’t grauw.
    Alleen ontbrak de goudvinksvrouw;
    ’t Was Lotje’s vaste wil geweest,
    Dat die niet komen zou op ’t feest.—
    Nu zetten allen in een kring
    Zich neer; en Lotje toont nu dezen,
    En dan weer genen lieveling;
    En al haar kroost wordt luid geprezen.
    De rietmosch acht zich nu verplicht
    Verklaringen daarbij te geven,
    Alsmede een duid’lijk overzicht
    Van àl de kind’ren, èn die leven,
    Èn die al dood zijn. En daarna
    Treedt Jochem in den kring. Zijn wezen
    Geeft als in ied’ren trek te lezen
    Één woord;—het schoone woord „papa”.
    En al de gasten opgetogen,
    Bezweren,—zeldzaam eensgezind,—
    Met luider stem, bij ieder kind:
    „Net Jochem! Net zijn neus en oogen!”
    En de ooievaar staat op één been;—
    Zoo schijnt hij ’t best te kunnen kijken,—
    En ziet zoo langs zijn snavel heen,
    En zegt heel deftig: „Waarlijk! ja!
    ’t Is waar, volkomen waar, papa!
    Gij ziet uw beeld in allen prijken.”
    En nu wil Jochem, zijn waardij
    Van vader zich bewust, iets zeggen,
    ’t Verschijnsel nader uit gaan leggen,—
    Maar kwikstaart roept: „Hij komt daar! hij!
    Hij zelf;—kijk, kijk! dat is toch aardig.”
    En allen nemen nu een waardig
    En deftig, ernstig wezen aan.
    De consistoriaalraad komt;
    Men noemt hem den kalkoenschen haan:—
    Zijn beenen eenigszins gekromd,
    Hoogrood zijn nog al vol gelaat,
    Zijn haren glad, eenvoudig vroom,
    En ’t zwart en wijdgeplooid gewaad
    Net afgepoetst van kraag tot zoom.
    Aan zijne linkerzijde gaat
    De gans, die hem heel veel doet hooren
    Van haar verdiensten op ’t gebied
    Der kerk, en telkens naar hem ziet
    Als om te ontdekken, of hem niet
    Zoo’n lief’lijke ijver zou bekoren.
    Welnu, hij is ook zeer voldaan.—
    Terwijl de twee zoo samengaan,
    Is hooge vroomheid hun van voren
    Heel klaar en duid’lijk aan te zien;
    Van achteren zoo niet misschien.
    Ten minste, dit zei zanger haan,
    Die meêkwam,—maar hij achteraan,—
    Dat zij, van achteren bekeken,
    Wel iet of wat hoogmoedig leken.
    „Maar,” sprak hij, „och! wat raakt het mij?
    De wereld heeft graag zand in de oogen;
    Welnu, zij worde dan bedrogen;
    Maar, hoofdzaak is, daar blijf ik bij,
    Dat men zich steeds behoorlijk voedt.”
    Nu wendt hij zich tot zijne vrouw,
    Die, hem tot eere en vreugd, heel trouw
    Tien kuikentjes heeft uitgebroed:
    „Vrouw! luister! Al het jonge goed
    Moet paar aan paar hier vóór ons gaan,
    En stemmig de oogen nederslaan;
    En buig ook gij uw hoofd naar de aarde,
    Zooals de gans nu; maar, mijn waarde!
    Als ’t eten vóór ons klaar zal staan,
    Dan val je maar recht dapper aan!”
    En toen zij bij ’t gezelschap kwamen,
    Toen groette, vol van welgevallen,
    De consistoriaalraad allen;
    Zelfs enk’len bij hun eigen namen.
    Slechts vink en putter groet hij niet,
    Want die beschouwt hij niet als vrinden
    Ook kan hij geen behagen vinden
    Zoo min in nachtegaal als lijster,
    Omdat hij deze lui niet bijster
    Getrouw bij zich ter kerke ziet.
    Maar nu de gans! Wat vroom gemoed!
    Wat reine blik! Hoe suikerzoet!
    Gelijk een lichtstraal uit een wolk,
    Zoo rust die blik op al dat volk,
    Op al die slechten en verloor’nen;
    Want zij behoort tot de uitverkoor’nen.
    Zij zet met opzet nu zich neêr
    Naast lijster en naast nachtegaal,
    En trekt een zucht, met diepen haal,
    Haar boezem uit, en nog eens weêr.
    En zanger haan?—Ja zanger haan
    Heeft als die and’re twee gedaan;
    Hij is, verzeld van zijn gezin,
    Het feestgezelschap ingetreden,
    Het vroom gezicht, en zelfs zijn schreden,
    Daar lag iets waardigs, plechtigs in.
    Zijn oogen stonden streng en strak:
    Maar lief zag hij ’t patrijsjen aan,
    Een volle nicht van hem, en sprak:
    „Och, nicht! wil ietwat verdergaan;
    Dan kunnen hier mijn kind’ren staan.”

    Als nu al de and’ren zijn gezeten,
    Verheft zich de kalkoensche haan,
    En vangt dan zijne toespraak aan,
    ’k Meen, uit Kronieken of Profeten.
    Vervolgens wenscht hij nu te weten,
    Hoe al de kind’ren moeten heeten.
    Nu, daar had Jochem aan gedacht.—
    Hij had een edel, fijn geslacht,
    En meende daarom, eêl en fijn
    Moest dan ook elk der namen zijn.
    Dus: Oscar, Arthur, Boudewijn,
    Had hij gekozen voor zijn zoons.
    Melania en Olga kwamen
    Hem daarbij voor als meisjesnamen,
    Waar iets voornaams in lag en schoons.
    Wat roept met donderend geluid
    De consistoriaalraad uit:
    „Zijn we in een Turksch of Heidensch land?
    Of sloeg de waanzin je in ’t verstand?
    Zal ik daartoe mijn hulpe bieden?
    Zijn dat nu namen? Nimmer sprak
    Van zulke namen de almanak!
    Neen, Jochem! dat kan niet geschieden;
    Dat bracht ook zeker onheil voort.”
    En in ’t gezelschap bromde de een:
    „Nu, zóó iets heb ik nooit gehoord.”
    En de ander lispt: „Dat is door geen
    Verstandig mensch ooit nog beweerd.”
    Maar de ooievaar,—op ’t ééne’ been,—
    Spreekt luid: „Ik heb al heel veel jaren
    In wijsbegeerte gestudeerd;
    En ’k zeg u, de philosophie....”
    „Ik bid u, wil mijne ooren sparen!”
    Zoo antwoordt nu de spreker, die
    Daarbij heel rood wordt in ’t gezicht.
    De gans het oog omhoog gericht,
    Slaat zuchtende haar handen samen.
    En and’ren anders weêr ontsticht,
    Beweerden: al die troeb’len kwamen
    Alleen ook door die gekke namen.
    En nu, hoe liep dat eind’lijk af?
    Dat Jochem and’re namen gaf,
    Gansch and’re namen nu, dan die
    Hij toch zoo edel vond en fijn
    Melania werd Annemie;
    Kris kwam in plaats van Boudewijn.
    En zoo zou ’t ook met de and’ren zijn.
    De doop is uit. Het feestmaal wacht.
    Nu komt de haan eerst in zijn kracht,
    Hij wenkt en pinkt en wijst en lokt,
    Zijn vrouwtje komt en kloekt en klokt,
    En ’t kroost, met neêrgebogen kop,
    Vult zich den kinderlijken krop.
    De gans, die met haar zondaarsmin,
    Ook sterken lust voor koffie paart,
    Drinkt zoet en zacht de teugjes in
    Reeds van het derde kopje, en staart
    Met wellust in het bruine nat,
    Dat zij zoo lekker vindt, en dat,
    Zoo zegt zij, alle kwade sappen
    Weldadig uitdrijft uit het lijf,
    En iemand gansch’lijk op kan knappen.
    Soms gunt zij, maar heel stroef en stijf,
    Aan wie zij naast zich ziet gezeten,
    Een woordje; maar de nachtegaal
    En lijster zwijgen, want zij weten
    Geen weg in haar verheven taal.
    Of neen, zij zwijgen niet, maar spreken
    Heel stil: „’k Verlang naar ’t eind van ’t maal;
    Want gasten van die soort verbreken
    De vreugd van ’t feestelijkst onthaal.”
    En allen, die niet volop aten,
    Gevoelden samen, dat ze daar
    Bijzonder akelig en naar,
    En ongemeen vervelend zaten.
    Maar de ekster en de rietmosch samen
    Verhandelden zoo druk, zoo veel,
    Dat bijna likdoorns in hun keel
    En op hun tong en lippen kwamen.
    Ten laatste neemt nu Jochem ’t woord,
    Nadat hij eerst zijn das en boord
    Heeft recht getrokken en een poos
    Zich in de handen heeft staan wrijven:
    „Geliefde vriendenschaar! Altoos
    Zal ’t mij een zeldzame eere blijven,
    Dat ’k u hier zien mocht; u vooral,
    Eerwaarde heer!—en nu, ik wil
    Niet vreezen, dat ’k u hind’ren zal,
    Wanneer ik...” Hier hield Jochem stil;
    Hij was den draad der toespraak kwijt.
    Maar Lotje kwam en sprak: „Gij kunt
    Nog wel eens op een ander tijd
    Zoo’n toespraak houden. Maar, vergunt
    ’t Gezelschap mij eens even ’t woord,
    Dan wil ik wel eens iets vertellen,
    En ’k heb daarbij iets voor te stellen.
    Nu dan, geachte vrienden, hoort!
    Eens heeft de kleine Poedel mij
    Gered uit zwaren angst en nood;
    Zij toonde een ziel, zoo goed, als groot;
    En ’k ben haar dankbaar. Nu is zij
    Ontvlamd in laaien liefdegloed
    Voor Hanne Nüte, of, beter, Snoet.
    En ’k vraag u thans, wie hem en haar
    Voor ramp wil hoeden en gevaar,
    En meê wil werken, om die beiden
    Geluk en zegen te bereiden,
    En ze eens te maken tot een paar.”
    Toen klonk op eens één enk’le schreeuw:
    „Wij allen!” Daarop zei de spreeuw
    Nog in ’t bijzonder: „Ja, dat moet!”
    En voorts de kwartel: „Zoo is ’t goed!”
    En toen de koekoek, vink en specht
    En kievit: „Zeker! dat is recht!”
    En nachtegaal en lijster zingen:
    „Ja wel! Wij hoeden de gelieven,
    Wij helpen hen in alle dingen,
    Bezorgen hunne minnebrieven,
    En dragen tevens kus en groet
    Van hem naar haar, van haar naar hem.”
    „Wat?” roept nu met een barsche stem,
    De consistoriaalraad. „Moet
    Dat zóó hier gaan?—Zoo rood, als bloed,
    Is dit gezelschap!—Anders niet
    Dan democraten, jacobijnen!
    En wat hier een verbond wil schijnen
    Is samenzwering. Ziet toch, ziet,
    Met hoeveel wijsheid onze wet,
    De staatswet, is inééngezet,
    Die zooveel mogelijk ’t vermeêren
    Der menschenmassa zoekt te keeren.
    Met reden. Want een groot getal
    Van menschen met en bij elkaâr,
    Dat brengt het zekerst tot den val.
    En ook, wat wordt er van een paar,
    Dat zoo maar luchtig trouwen zal?
    Eerst dan, wanneer de zeed’lijkheid
    Van twee verloofden tal van jaren
    Zich rein en zuiver bleef bewaren,
    Eerst dan kan de echtelijke stand
    Iets zijn, dat zegen hun bereidt
    En heil aan ’t lieve vaderland.
    Wat denkt gij? Dat ’k die jonge menschen
    Zal helpen? Enkel hier maar om,
    Dat zij zoo gaarne zouden wenschen
    Te trouwen?—Neen! neen! niet zoo dom,
    Niet zoo lichtzinnig zal ik wezen.
    En,—allen, die hier samen zijt!
    Gij hebt mijn toornigheid te vreezen,
    Als gij aan zulk een zaak u wijdt;
    Als gij niet ied’ren vriendschapsband,
    Die u aan dezen Jochem bindt,
    In wien ik nu een booswicht vind,
    Terstond verscheurd met vaste hand.”
    Hij draait zich om en hij vertrekt,
    Den staart al pronkend uitgestrekt.
    En nu de gans? Die krijgt een schrik,
    Een schok, als drong er in haar vleesch
    Op eens een diepe speldeprik.
    „Wat?” roept zij, van ontroering heesch:
    „Is ’t hier te doen om minnarij?
    Foei! foei! daar blijf ik ook niet bij!—
    Wacht, waarde vriend! ik ga met u.”
    En zanger haan?—Ja, die moet nu,
    Dat kan niet anders, ook vertrekken,
    En duidt dit vrouw en kind’ren aan.
    En de ekster en de rietmosch wekken
    Elkaâr ook op, om heen te gaan;
    Want, zeggen zij, nu gaan ze ontdekken,
    Dat ze op onreinen bodem staan:
    Ook kon een strafgericht hen slaan.
    Zij rollen ’t breiwerk dus inéén,
    En heel voornaam gaan beiden heen.
    „Laat gaan maar!” roept nu zeer verheugd
    De wachtelkoning. „Want de vreugd
    Zal nu eerst recht zich kunnen uiten.”
    „Die spellebrekers!” knort de vink.
    En Jochem zegt: „Kom, Lotje, flink!
    Breng eens wat fijnen wijn naar buiten,
    En ook wat lekk’ren worst er bij.
    Dan zal ’t eerst feest zijn, en dan zullen
    De vrinden hier gezellig smullen,
    En klinken samen, vrij en blij.”
    En nu begint het zingen;—allen
    Doen de oude, lieve liedjes schallen,
    Die ze altijd zongen in hun jeugd,
    Wanneer hun ’t harte was verheugd.

      „Nachtegaal! ik zie je drinken
        Uit het beekje, frisch en klaar,
      En ik hoor je zangen klinken,
        Honigzoet en wonderbaar.”

      „Mijn liefste! Tusschen u en mij
        Zijn bergen en zijn dalen;
      Maar waar gij zijt, daar ruischt u toe
        Het lied der nachtegalen.”

      „Koekoek! zeg me eens even.
        Als je ’t zeggen kunt,
      Hoeveel jaren leven
        Mij nog zijn gegund.”

    „Zeg, kievit! waar blijf ik? Bij braamstruik en vlier;
    Daar zing ik, daar spring ik, daar heb ik pleizier.”

    Zoo vloeiden en zoo klonken daar
    Veel blijde deuntjes door elkaâr.
    Toen trok de waardige ooievaar
    Recht vergenoegd één poot omhoog,—
    ’t Schijnt, dat het denken beter gaat,
    En hij meer heeft aan oor en oog,
    Wanneer hij in die houding staat,—
    En zegt: „Nu voel ’k geen dwangbuis meer,
    Nu kom ik tot mij zelven weêr,
    Nu ongestoord mijn harte smaakt
    De vreugd, waarop het is gemaakt.”—
    Het zonlicht straalt en ’t koeltje stoeit
    Met bloem en blad; ’t gebloemte bloeit,
    En ’t vogelvolkje kweelt en zingt
    Een lied, dat schel ten hemel dringt,
    En ’t is alom, of God, de Heer,
    Naar de aarde ziet, van boven neêr,
    En roept: „Zing op en nog eens weêr!”
    En alles, wat op de aarde leeft,
    Met moeite kruipt of lustig zweeft,
    Voelt, dat Gods vriend’lijk aangezicht
    Heel ’t landschap toelacht en verlicht.
    Maar— —plots’ling slaat Hij ’t venster dicht
    En wendt van de aard Zijn oogblik af.
    Die zooveel vroolijkheid haar gaf.
    De donk’re wolken trekken woest
    Langs ’t hemelvlak; de stormwind hoest
    En steunt en gromt met zwaar gezucht,
    En roeit zich op zijn zwarte vlucht,
    Als somber nachtspook, door de lucht.
    En, waar hij soms een wijle zwijgt,
    Als een, die van vermoeidheid hijgt,
    Daar barst hij plotseling weêr uit;
    En, dreunend als ’t bazuingeluid
    Van d’oordeelsdag, zoo hol en sterk,
    Vliegt hij langs ’t veld en door het zwerk;
    De bliksem schiet met wilde vaart;
    Aan alle zijden neêr op de aard;
    De donder rolt met dof geknal
    Langs weide en woud en berg en dal,
    Als stem des Heeren Zebaoth,
    Die roept: „Ik ben een ijv’rig God!”
    De voog’len, eerst zoo blij, beteug’len
    Hun lust, terwijl zij hunne vleug’len
    Deemoedig laten nederhangen,
    Door bange ontsteltenis bevangen.
    En,—tusschen ’t hout in staat een man,
    Die ook het woord des Heeren hoort,
    Dat krachtig en ontzettend woord;
    En hij verschrikt en beeft er van;—
    Maar toch verhardt hij zijn gemoed.
    Zijn hand roofde eens des naasten goed,
    Een hand, besmet met menschenbloed.
    Nu wendt zijn strak en bleek gezicht,
    Zoo stout, en toch zoo bang metéén,
    Gedurig naar de plek zich heen,
    Alwaar ’t verslagen offer ligt.
    En telkens schiet de bliksem weêr
    Juist op die plek al sissend neêr.
    De musch roept uit: „Daar staat hij! Dáár!
    De bakker is ’t,—die moordenaar!”
    De kievit geeft zich op, omhoog,
    En òm hem fladd’rend in een boog,
    Vervult zij ’t luchtruim met den kreet:
    „Een doodslag, waar ook ik van weet!”
    „Verwenscht gedierte!” roept verstoord
    De moordenaar; „voort! maak u voort!
    Wat wilt gij? Wie aanschouwde mij?
    Alleen de duivel was er bij.”
    „Neen!” riep toen weêr der voog’len stem,
    „Wij zagen ook, o moordenaar!
    Uw doodslag en het lijk van hem:
    Dáár ligt dat lijk! Daaronder! Dáár!”
    De bakker werpt nu met een steen
    En vloekt: „Vliegt naar den Satan heen!”
    En, nauw ontglipt dit woord zijn mond,
    Of weder schiet de bliksem rond.
    De rijzige eik, die, vol van pracht,
    Eene eeuw trotseerde door zijn kracht,
    Valt, als een riet geknakt in ’t zand;
    Terwijl des Heeren sterke hand
    De teek’nen Zijner majesteit,
    Maar ook van Zijne toornigheid,
    Met vuur in rots en boomstam brandt.
    De moordenaar zinkt duiz’lend neêr,
    Maar ziet weêr op, verheft zich weêr,
    En ijlt dan voort, voort, uit dit oord,
    Door nacht en storm, voort! immer voort!
    Het onweêr brult nog steeds door ’t woud;
    De voog’len krijschen om hem heen,—
    En ’t dringt hem als door merg en been:—
    „Ja! in den hemel is er Een,
    Die ook uw gruwel heeft aanschouwd.”








12.


    „Ja,” zegt vrouw Smidt, „mijn lieve kind,
    ’k Heb maar twee kleintjes nu; ik vind,
    Daar kan ons Doortje wel voor waken;
    In tuinwerk en in and’re zaken
    Biedt Kris mij hulp; en Fritsje hoedt
    De schapen bij de boeren hier.
    Daarom, ik kan op die manier
    Jou nu ontberen; dus je moet
    Gaan dienen.”—„O ja, moeder! goed,”
    Zucht Fieken; „’k wil wel dienen gaan;
    Als ’t maar niet ver is hier vandaan.”
    „Neen, in de stad. De bakker kwam,
    Hier gist’ren; en je vader nam
    Toen met den voorslag, die hij deed,
    Genoegen. Dus, mijn kind, je weet,
    Bij wien je nu in dienst zult gaan.
    Godspenning heeft hij ook gegeven.
    Hier is het geld, hier! neem dan aan!”
    Maar Fieken slaat op eens aan ’t beven,
    En roept met bange en droeve stem:
    „Ach, moeder, moeder! niet naar hem!
    ’k Wil alles doen, wat gij gebiedt,
    Maar stuur mij niet naar dezen man!
    Zaagt gij dan die gejaagdheid niet?
    Die onrust in zijn oog? En dan,
    Hoe krijschend was zijn stem!—O, neen!—
    Zend mij naar dezen man niet heen!
    Zoo leelijk! Ik verschrikte er van.
    De dominé heeft mij gezegd;
    Zoo’n soort van mensch is zeker slecht.
    Nog in mijn droom heeft hij van nacht
    Me in vreeselijken angst gebracht.”
    En zacht, maar toch met kracht en klem,
    Smeekt zij weêr telkens: Niet naar hem!”
    „Wat?” is het antwoord, „kind! je maakt
    Je een angst, die spoedig zal bedaren.
    Is dat iets, om zoo uit te varen?
    ’t Is, of je ’t onweêr heeft geraakt!
    Kom, kom! wat kinderpraat is dat?
    Jou tast nog de herinn’ring aan
    Van toen je bij de ganzen zat,
    En toen hij boos was en wou slaan.
    Denk daar niet om; dat is voorbij;
    En wees verstandig; hoor naar mij.”—
    En Poedel zucht en Poedel schreit;
    En moeder gromt wel: „Kwaje meid!”
    Maar voelt toch ook, Fiek is haar kind,
    Dat zij met hart en ziel bemint.
    Wat helpt dat echter? Arme menschen,—
    ’t Zij, dat ze ’t wenschen of niet wenschen,—
    Die kunnen wel niet anders, dan
    Hun kind’ren in de wereld zenden.
    Zij hebben vaak veel leed daarvan;
    Zij doen het vaak met bloedend hart.
    O! als de rijken van die smart
    Ook maar een klein gedeelte kenden,
    Er iets van voelden, hoe het grieft,
    Wanneer men wegstoot wat men lieft,
    Ze zouden tot zoo’n kind zich wenden,
    Om ’t aan te nemen en te hoeden,
    Om ’t voort te helpen, op te voeden,
    En denken, bij dat droevig lot:
    Dat kind is ook een kind van God.—

    De Zondag komt; en Fieken staat
    Gereed, om naar heur dienst te gaan:
    Haar tegenspraak heeft niet gebaat.
    Vrouw Smidt geeft haar het pakjen aan,
    Waarin haar kleêren zijn gedaan,
    Wel schamel, en met meen’gen lap
    Bezet, maar zind’lijk, net en knap.
    En voor de deur der woning zit
    In ’t zonneschijntje vader Smidt,
    Die nu, terwijl zijn vrouw nog dit
    En dat bezorgt, tot Fieken spreekt:
    „Ja, meid! Die dag van heengaan breekt
    Voor ieder op zijn beurt al aan;
    Ik ben zoo ook eens heen gegaan.
    Ook ik ging zonder kist of koffer;
    ’t Pakje in mijn hand was al een offer
    Geweest voor vader, niet gering.
    En,—’k weet het goed nog,—ik ontving
    Toen, bij dat afscheid, deez’ bretel.”
    Hij knoopt die los.—„Kijk! zie je wel?
    De riem is stevig nog en sterk;
    Ze maakten toen recht deeg’lijk werk;
    ’k Gebruik dat ding reeds al die jaren,
    En ook voor allerhande zaken,
    Al naar de omstandigheden waren:
    ’t Heeft voor en na al moeten strekken,
    Om iets, wat losbrak, vast te maken,
    Om kar of sleê meê voort te trekken,
    En om den rug der kleine snaken,
    Bij stoute kuren, meê te raken.
    ’k Deed met dien riem dus heel wat af,
    Den man tot eer, die hem mij gaf.
    Nu, jou kan ’k geen bretel gaan geven,
    Maar treed ik eenmaal uit dit leven,
    En is het leer ook dan nog goed,
    Dan zal ik onzen Frits haar schenken:
    Wat mij nog dikwijls denken doet
    Aan mijnen vader,—zie! dat moet
    Hem zijnen vader doen gedenken.
    Maar Fiek! jou kan ’k niet anders geven
    Dan dezen laatsten goeden raad;—
    Neem telkens dezen raad te baat;
    En volg dien op, geheel uw leven,
    Draag hem in ’t harte vroeg en laat;
    Hij hebbe steeds, gelijk het leder
    Van dezen riem, een taaie kracht;—
    Als ge in een laagte zijt gebracht,
    Hij trekke u naar de hoogte weder;
    En, zet ge uw voet op slechte wegen,
    Hij houde intijds u dan nog tegen;—
    Hoor nu mijn raad; het is mijn zegen:
    Als ge ooit, mijn Fieken! hebt misdaan,
    Wil ’t door geen leugens dan verhelen;
    Wie liegt, die komt ook licht tot stelen;
    Wie op het pad der zonde gaan,
    Die loopen op een schuine baan,
    Wees nimmer wreev’lig; en als iets
    U hindert, ga er niet om morren,
    Volhard geduldig; want het knorren
    Op lot en leven baat u niets.
    En als gij iets gebeuren ziet,
    Wat stof tot denken u kan geven,
    Onthoud u van ’t gevaarlijk streven
    Om ’t rond te kleppen; babbel niet!
    Door babb’len is in menig leven
    Al heel veel droefs en kwaads geschied.
    En nu dit ééne nog er bij,—
    Vergeet dat nooit,—verstaat gij mij?”
    Hier keek hij duchtig streng haar aan,
    En liet, heel zinrijk, zijn bretel
    Met drift door zijne handen gaan,
    „Onthoud vooral dit ééne wel:
    Als je ooit je moeder kwam te onteeren,”— —
    Maar verder sprak hij toen niet voort,
    En ging in huis. Doch ’t harde woord
    Doet Fieken ’t oog naar de aarde keeren,
    En recht verdrietig zucht ze en weent.
    „Kom!” spreekt nu moeder, „schrei maar niet!
    Zoo erg heeft vader ’t niet gemeend;
    Je weet, hij houdt veel van je, en liet
    Dat blijken steeds door zorg en trouw.
    Maar als je slecht je mocht gedragen,
    Of over alles komen klagen,
    Hier bij ons t’huis, ja wel, dan zou
    Je vader boos zijn, en ook ik.
    Maar, kom! wees nu maar in je schik.”
    Dit woord ging van een kus verzeld.—
    „Heb je alles nu? Waar is je geld?
    Is ’t in je zak? Maar ’t zit zoo open;
    Wacht! ’k zal het in je zakdoek knoopen.
    Maar, hoor! geen gekheid daarvoor koopen;
    En ’t niet vertoonen; want er loopen
    Veel slechte menschen door het land,
    En die zijn daad’lijk bij de hand.
    Wie laag zich houdt, heeft zelden nood;
    Wie praalt, heeft spoedig zelfs geen brood.
    Nu, groet ook Fieken Schult van mij.
    ’k Hoor, zij wordt thans „Zaphie” geheeten;
    Maar dat is dwaze hoovaardij;
    En jij blijft „Fiek,” dat moet je weten;
    Waarom daar zoo’n voornaamheid bij?—
    En, wil je voor de Pinksterdagen
    Verlof, om hier te komen, vragen,
    En heeft de bakker niets er tegen,
    Kom dan; maar breng voor de andre negen,
    Voor elk, een krentenbroodje mee;
    Zoo geeft het weêrzien meer verblijden,
    Dan ’t zonder krentenbroodjes deê,—
    Hoe graag ze je allen mogen lijden.
    En nu, vaarwel, en blijf gezond!”
    Zij drukt een kus haar op den mond,—
    „En als je goed blijft van gedrag,
    En niets van wat je hebt, verkwist,
    Dan geef ik je, op St. Michelsdag,
    Een mooie, nette kleêrenkist;
    Althans, wanneer niet, onverhoopt,
    De ganzenteelt ons tegenloopt.
    Alzoo, mijn kind! vaarwel nu! ga!”
    En Fieken gaat. Zij kijkt haar na,
    Terwijl ook vader nog eens groet:
    „Dag, lieve Fieken! hou je goed!”— —
    En Fieken gaat, en weent nog zacht.
    ’t Is haar, als doolt zij in een nacht;
    Alsof de sterren, zon en maan
    Verschoten zijn en uitgegaan.
    En toch is alles licht in ’t rond
    En blij als in den wordingsstond
    Des lichts; ’t is licht, als op dien dag,
    Toen God voor ’t eerst Zijn schepping zag,
    En over alles lag gespreid
    Een glans van stille heerlijkheid.
    Zoo treedt zij over bloem en gras,
    Bij voog’lenzang en zonneschijn.
    Zoo rein en schoon, als Eva was;
    Maar toch met een gevoel van pijn,
    Alsof zij voor haar gansche leven
    Het Paradijs was uitgedreven.
    En evenwel, al heeft zij smart,
    Er springt een klare, held’re bron
    Heel diep in ieder jeugdig hart,
    Die al veel leed genezen kon:
    De bron der hoop. Die ruischt daar zacht,
    Maar toch met wonderbare kracht,
    En deint en golft en bruist en wiegelt,
    Tot zich er ’t hemelsblauw in spiegelt;
    Dan vloeit de stroom steeds verder voort,
    Al kronk’lend door een lief’lijk oord,
    En al de schoonheid aan zijn zoom,
    De frissche bloem, de groene boom,
    ’t Weêrkaatst zich alles in den vloed,
    En alles blinkt in hoogen gloed,
    En alles schittert, alles glanst,
    En alles jubelt, alles danst;
    ’t Is in het kabb’lend golfgewemel
    Of de aarde danst en ook de hemel,
    En ’t hart wordt weêr van droef’nis vrij,
    En ’t hart klopt hoog en ruim en blij.
    Zoo kan de hoop verkwikken, streelen,
    Met moed en levenslust bedeelen,
    De diepste zielewonden heelen,
    Door hare zoete poëzij.—
    Zoo werkte zij op Fieken ook;
    En ieder schrikbeeld, ieder spook,
    Dat voor haar geest was opgedaagd,
    Werd door die toovermacht verjaagd.
    En verder liep ze, en liep, totdat
    Zij op dat plekje nederzat,
    Waar ook Johan gezeten had.








13.


    En Jochem kijkt zijn venster uit,
    En roept bewonderend: „Wel, verbruid,
    Wat is die mooi!—Waar ben je, vrouw?
    Kom gauw, kom hier eens even kijken;
    Wat is ze mooi! Zoo waar, ik zou
    Haar haast met jou gaan vergelijken.”
    „Och!” antwoordt Lotje, een beetje kwaad,
    „Jij altijd met je gekken praat!
    ’t Is tijd om iets te doen. Maar wat?
    Mij dunkt, vergadering beleggen.
    Althans, nu aan de zwaluw zeggen,
    Dat zij thans weg moet, naar de stad.”
    „Ja,” antwoordt Jochem; „zie je? dat
    Is iets wat wij met goed fatsoen
    Nu samen mede konden doen;
    Wij konden mede stadwaarts gaan,
    En leggen daar een huizing aan;
    Dan zijn wij altijd haar nabij.
    ’k Weet aan den muur der bakkerij
    Een ouden boom, heel hol en dik;—
    Daarheen dus, dunkt me; gij en ik;
    De kind’ren niet; die worden groot;
    Die kunnen nu zich zelv’ bedruipen,
    En zorgen voor hun eigen brood.
    Een sidd’ring kan mijn hart bekruipen,
    Wanneer ’k me voorstel, dat al ’t kroost,
    ’t Welk wij al kwamen uit te broeden,
    Nog hier was. Waarlijk! ’t is een troost,
    Dat eens ’t verplegen en het voeden
    Aan ’t eind is. ’k Heb wel liefde; maar,
    Dan werd de taak toch al te zwaar.
    Dus, heden moeten onze spruiten
    Van óns af, en de wereld in;
    Wij moeten kalm daartoe besluiten,
    En dan ook hand’len in dien zin.”
    En nu riep Jochem al de namen
    Der kind’ren af; en toen ze kwamen,
    Sprak hij recht vaderlijk hun aan:
    „Door uwe moeder en door mij
    Is voor uw vorming veel gedaan;
    Wij stonden u in ’t vliegen bij;
    Wij spijsden u; de kunst van eten
    Wordt door u meesterlijk verstaan;
    Wij leerden u, wat gij moest weten,
    Met name, dat gij steeds de kat,
    En wouw en zoo, te vreezen hadt;
    ’k Herhaal die les; blijft haar betrachten,
    En voor zulk moord’naarstuig u wachten.
    Voorts moet ik dezen raad u geven:
    Neemt alles wat gij krijgen kunt;
    Grootmoedigheid houdt niet in ’t leven:
    En ook het brood, dat niet gegund
    U wordt, smaakt lekker en doet goed.
    Maar toch, vergeet niet, wat ge ook doet,
    En welke streken ge uit moogt voeren,
    Dat gij als heeren, niet als boeren,
    Dus met iets fijns, steeds hand’len moet.
    Vaartwel nu, maar, wat lot u beid’,
    Wat stand de toekomst u bereid’,
    Verzaakt toch nooit de dankbaarheid.
    Dat is een deugd die bij de kind’ren,
    Hoe lang ze leven, niet mag mind’ren.
    Bedenkt alom dus en altijd,
    Dat gij ons ’t leven schuldig zijt,
    Dat door ons beiden is gebroed
    Twee weken lang,—en veertien dagen
    Door ons voor u is zorg gedragen;
    Wij hebben u verpleegd, behoed,
    En steeds voorzien van kost’lijk voeder
    Dus, denkt aan mij en aan uw moeder.
    Nu, in òns hart blijft gij ook leven,
    Al gaat gij henen uit ons oog.
    Houdt even nu den staart omhoog,
    Dan zal ik ’t laatst vaarwel u geven.”
    Nu doet hij met een hort hen allen,
    D’een na den ander, ’t nest uit vallen.
    Maar allen vliegen weg. Slechts Kris,
    Die niet zoo vlug als de and’ren is,
    Ook minder sterk en minder groot,
    Valt, bij dien onverwachten stoot,
    Gansch hulpeloos in Fiekens schoot.
    Zij nam hem zachtjes in haar hand,
    Terwijl ze medelijdend sprak:
    „Uw vleugeltjes zijn nog te zwak;
    Ik zal u met mij nemen; want
    De havik maakte u maar van kant,
    Wanneer ik hier u liet:—gij zijt
    Hier in den omtrek vast geboren;
    Gij zult mij, in vervolg van tijd,
    Iets van mijn vaderhuis doen hooren.”
    Zij neemt hem meê, en zij verheugt
    Zich om die mosch met reine vreugd;
    ’t Is maar een mosch; maar toch een wezen,
    Waar zij den kommer van verzoet;—
    Dat is de liefde, in haar gemoed
    Heel zachtkens, zachtkens opgerezen.
    En òm haar hoort ze alomme fluiten:
    „Daar gaat zij! Kijkt eens! Komt eens buiten!
    Daar gaat zij! Fieken! Kijkt toch, dan!
    ’t Aanstaande bruidje van Johan.”
    De zwaluw scheert steeds op en neêr,
    En doopt, bij ’t fladd’ren heen en weêr,
    Haar wiekjes telkens in het water,
    En roept met blij en luid gesnater:

    „Ja, Fieken! Ja, Fieken! de beste zijt gij;
    Ja, Fieken! Ja, Fieken! ik blijf u nabij;
    ’k Ga nest’len bij ’t venster aan ’t huis van den bakker;
    En ’s morgens, nog vroeg al, dan maak ik u wakker.”

      En moeder Lotje zingt een lied,
      Om ’t geen haar liev’ling is geschied:

    „Wat is u, mijn Krisje! Wat is u gebeurd?
    Mijn Benjamin, die me van ’t hart zijt gescheurd!
    Wat zijt gij gevallen, zoo hals over kop!
    Maar wij blijven bij u; verlaat u daarop.
    Wij bouwen een nest ons in ’t vensterkozijn;
    En als we u dan roepen, mijn Krisje! verschijn:
    Dan deelen we u spijs meê, o! meer dan genoeg;
    Maar pas op de katten en vlieg niet te vroeg.
    En wek in het hartje van Fiek goeden moed;
    Mijn Krisje! mijn lieveling! hou je maar goed.”

      En ’t nachtegaaltje keek nieuwsgierig
      Naar Fiek, en wipte en sprong, heel tierig
      En opgeruimd, van tak tot tak,—
      Haar begeleidend steeds,—en sprak:

      „’k Weet een hoekje; ver is ’t niet
        Van des bakkers huis;
      In zijn tuin; waar ’t beekje vliet
        Over ’t kiezelgruis.
      Fieken! op dat plekje daar
        Vindt gij mij steeds weêr;
      ’k Zet mij zingend jaar op jaar
        In dat hoekje neêr.
      Wend u vaak, als de avond dauwt,
      En de scheem’ring zachtkens grauwt,
        Naar die stille plek;
      En wanneer gij soms eens brief
      Hebben mocht voor Hanne-lief,
    ’k Neem dien gaarne voor u meê, als ik weer vertrek.”

    En als zij verder gaat, dan dringt
    Haar uit het bosch, zoo groen en frisch,
    Waar ’t nacht’lijk koel en duister is,
    De feestgalm van een talrijk koor
    Gepluimde zangers in het oor,
    Een koor, dat, o! zoo prachtig zingt.—
    O, voog’lenlied! O, statig woud!
    Al voelt het hart zich krank of oud,
    Al slaakt de boezem zucht bij zucht,
    Uw reine klank, uw zuiv’re lucht,
    Heeft tooverkracht, die troost en streelt,
    De smart verzacht, de wonde heelt.—

    En toen in ’t plechtig avonduur
    De sterren blonken aan ’t azuur,
    Zat Fieken in haar eenzaamheid,
    In ’t klein, armoedig kamerkijn,
    Dat tot verblijf haar was bereid,
    Dicht onder ’t dak. En teêr en fijn
    Weêrklinkt in dezen oogenblik,
    Op ’t vensterglas een zacht gepik.
    Dat doet de zwaluw, die dan zegt:
    „Zie! hier heb ik mijn nest gelegd;
    Vlij thans u kalm ter ruste neêr;
    Ik wek u morgenochtend weêr.”
    En Jochem arbeidde in den knoest,
    Die hem tot woonsteê worden moest;
    En Lotje riep tot Christiaan:
    „Mijn kind! gij moet nu slapen gaan;
    Rust wel, mijn Krisje! maar ’k verwacht
    U morgen weêr aan ’t venster;—dan
    Vertelt ge er, hoop ik, mij iets van,
    Hoe zij den nacht heeft doorgebracht.”
    En buiten zong toen, en nog lang,
    De nachtegaal dien zoeten zang:

        „De een trekt over berg en dal,
          De and’re zit te treuren;
        Maar, hoe lang ’t ook duren zal,
          Eenmaal zal ’t gebeuren,
        Dat die twee weer samen zijn,
        Vrij van zorg en hartepijn.

        Zielevreugde ligt heel dicht
          Bij de zielekwalen:
        Als de bergen, schitt’rend licht,
          Bij de duist’re dalen.
        Werpe dan de macht der smart
          Uwe hoop niet neder;
        Houd vertrouwen in uw hart,
          Want hij komt eens weder!”








14.


    Uit de ene streek naar ’t andere oord,
    En over bergen en door dalen
    Zet Hanne steeds zijn tocht nog voort.
    En als hij ’t lied der voog’len hoort,
    Houd hij daarbij nog enk’le malen
    Zich op,—of hij ’t nog kan verstaan;
    Doch sinds hij weet heeft van een maagd,
    Die in haar hart zijn beelt’nis draagt,
    Is deze kunst voor hem vergaan.
    Maar ’t schaadt niet, want in zijn gemoed
    Klinkt nu eene and’re stem, en doet
    Hem woorden, o! zoo zacht en zoet,—
    De woorden liefde en weêrzien,—hooren.
    Zijn hart is nu ontwaakt, herboren,
    En spreekt met hem den ganschen dag,
    En roept hem toe, met elken slag:

        „Sla flink er op! Sla flink er op!
          Sla ’t ijzer flink en vlug!
        Gij liet tehuis een rozeknop,
          Een roos vindt ge eens terug!”

    Dat was geen zuchten en geen steunen,
    Dat was geen kermen en geen kreunen,
    Geen blinde hartstocht, en ook niet
    Een week en ziekelijk verdriet;
    Maar ’t was een frissche levensmoed,
    Die ’t harte juichen, juub’len deed:
    Het ijzer werd door hem gesmeed
    In hoogen lust en reinen gloed;
    En waar hij werkte, was hij ras
    Gelijk een zoon van ’t huisgezin;
    En als hij henenging, dan was
    Een sprank van ’t wondervuur der min
    In menig hartje stil ontvonkt,
    En werd hij lang nog nagelonkt
    Door menig meisje, dat dan dacht,
    Of ook wel zei, maar zacht, heel zacht:
    „Vaarwel, vaarwel op al uw wegen!
    God moge u zeeg’nen voor en na!
    En,—waart gij ooit of ooit genegen,— — —
    ’t Kon zijn!— — —ik had dan niets er tegen,
    En moeder zei dan óók wel: „Ja!””
    Maar toch, de jonkman trok steeds verder,
    Gedachtig, dat de eerwaarde herder
    Van ’t kleine troepje van Gallin
    Hem had gezegd: hij moest niet dralen,
    Uit alle streken kennis halen,
    En heel veel van de wereld zien.
    En,—zou ’t hem al wat moeilijk zijn,
    De reis tot Jena uit te strekken,
    Hij voelde toch zijn harte trekken
    Naar de oevers van den groenen Rijn.

    Zoo reist hij voort.—Eens, ’s avonds laat,
    Treft hij een paar gezellen aan,
    Die ook denzelfden weg uit gaan;—
    De een is een snijder, en zijn maat
    Een metselaar.—Een korte prop
    Is ’t snijdertje; die heeft van voren
    Een bult, en óók een achterop,
    Die van fatsoen gansch saâm behooren.
    De twee gezellen, blij te moê,
    Zien onzen Hanne vroolijk aan,
    En spreken vriendelijk hem toe,—
    Maar in het Hoogduitsch.—En nu gaan
    Die drie een herberg in; en daar,
    Daar vinden ze ook een kamer klaar;
    Wel is er maar één slaapvertrek,
    Maar, goed, zij deelen stroo en dek,
    Alsof hun vriendschap oud reeds waar’.
    En ’s morgens, als ze verder gaan,
    Dan spreken vaak de twee gezellen,
    Elkander in het platduitsch aan;
    En meenen, wat zij zóó vertellen,
    Kan toch die vreemd’ling niet verstaan.
    Zoo hoort Johan, wat zij verhalen;
    Ook hoort hij af en toe, dat zij
    Van hèm in scherts en spotternij
    Gewagen, maar loopt stil er bij,
    En denkt: „Ik zal ’t je wel betalen.”
    „Waar,” zegt nu de een, „is hij gebleven?”
    „Ik denk,” zegt de ander, „in de stad;
    Hij had weêr aan zijn broêr geschreven,
    Of die nog niet wat reisgeld had.”
    „Die zal wel weig’ren.”—„Neen, die kan,
    Beweert hij, hem geen hulp ontzeggen;
    Want als hij dat beproefde, dan
    Zou hij een boekjen openleggen,
    Waarvan zijn broeder zou gaan beven;
    Daarom, die moet hem reisgeld geven.”
    „Ja!” zegt de mets’laar, „in dien geest
    Is, wat hij mij zei, ook geweest.
    ’t Was, zei hij, immers al te dol:
    Zijn broeder zat met zakken vol,
    Werd ook door ieder rijk genoemd,
    En hij was tot gebrek gedoemd.—
    Intusschen staat hij slecht mij aan:
    Hij heeft iets leelijks in ’t gezicht,
    Een trek, waar, dunkt mij, iets in ligt,
    Of hij een gruwel heeft begaan.
    Maar hoe kent gij hem, moet ik vragen.”
    „Hij is, als ik, ook uit Stemhagen, [4]
    Ik ken hem sinds mijn kindsche dagen;
    Maar steeds,—zoo lang het mij kan heugen,—
    Was hij er een, die nooit wou deugen.
    En als ’t nog eenmaal uitkwam, dat...”
    Hier zwijgt hij, en met achterdocht,
    Bevreesd, of Hanne iets vatten mocht,
    Pinkt hij met de oogen. „Och, kom! wat?”
    Zegt de and’re, „ga maar door, want hij
    Verstaat ons niet; wij spreken vrij.”
    „Welnu!” hervat de snijder, „’k wil
    U meer nog zeggen. Luister!—maar
    Gij houdt de zaak voor ieder stil,
    Want als hij immer mocht ontdekken,
    Dat ik daar iets van uit liet lekken,
    Dan was mijn leven in gevaar.
    Zijn broêr en hij, naar ’t geen ’k vernam,
    Die hebben eens,—nu lang geleden,—
    Een koopman, die uit Keulen kwam,
    Ontmoet, en die veel kostbaarheden
    En heel veel geld ook, met zich droeg;
    Men zegt, het was een Jood;—genoeg,
    Die man is onderweg gebleven.
    Toen is er links en rechts geschreven;
    ’t Gerecht bemoeide zich er meê;
    Er was vermoeden op die twee;
    En beiden hebben lang gezeten.
    En de oude moeder van den Jood
    Kwam over, en zij wilde weten,
    Al jamm’rend om haar bangen nood,
    Wat met haar zoon toch was geschied;
    Maar wàt zij deed, het baatte niet.
    Het tweetal, menigmaal verhoord,
    Hield immer vol, bij alle vragen,
    Zij wisten van geen Jood of moord;—
    En eindlijk werden ze ook ontslagen.
    Daarna is de een, de smidsgezel,
    Op reis gegaan; toen kwam in jaren
    Er geen bericht van hem; maar wel
    Wist deze en gene te openbaren,
    Die Hamburg had bezocht, dat hij
    Daar leefde in ruwe zwelgerij,
    En laag en los zijn goed verteerde.
    Toen eind’lijk alles weg was, keerde
    De kerel naar Stemhagen weêr
    En lei bij broêr zijn anker neêr.
    Die houdt, wat hij bezit, graag vast,
    En had dus beter opgepast;
    Hij had zijn geld met zorg bewaard
    En ook nog heel wat opgespaard.
    Maar toen,—toen was er alle dagen
    Veel onrust in de bakkerij,
    En werd, bij meen’ge vechtpartij,
    Een neus of mond aan bloed geslagen.
    Ten laatste werd door d’ arm der wet
    De smidsgezel op straat gezet.
    Hij zwierf van d’ een naar d’ ander rond;
    Nu was hij hier, dan elders weêr,
    En wat zijn broeder hem nog zond,
    Dat werd steeds weêr door hem terstond
    Verkwist;—zoo ging dat op en neer.”
    „Zoo?” zegt nu de and’re, „maar die bakker...”
    En aanstonds valt de snijder in:
    „Die bakker is een sluwe rakker,
    Een sluiperd, die je tegenzin
    En je afkeer gaande maakt, doordien
    Hij niemand durft in de oogen zien.
    Ook is hij hard voor de arme liên,
    Gunt niemand iets, dan zich alleen,
    En schraapt steeds al meer geld bijeen.
    De menschen praten van hem veel.
    En, is niet alles waar,—een deel
    Zal toch wel waar zijn; en wat ik
    Met zekerheid u zeggen kan,
    Is dit, dat hem een bange schrik
    Bevangt, en dat hij beeft er van,
    Zoodra hij maar een kievit hoort.—
    Eens ging mijn vader naar Gallin,
    En liep zoo, stil en eenzaam, voort.
    Maar merkte toen, door om te zien,
    Dat ook de bakker derwaarts ging.
    Toen deden zij de wandeling
    Te zamen. Maar zij waren niet
    Het bosch uit, of op eenmaal liet
    Zich ’t roepen van een kievit hooren,
    Die, nu van acht’ren, dan van voren,
    Een wijle in hun nabijheid bleef.
    De bakker schrikt; een bang gebeef,
    Alsof een koorts hem viel op ’t lijf,
    Liep door zijn leên; en stram en stijf
    Bleef hij daar staan, nu bleek, dan rood,
    Totdat in ’t lest hem ’t woord ontschoot:
    „Vervloekte plek! Ellendig beest!”
    Toen liep hij voort met snellen pas.
    Mijn vader was verschrikt geweest,
    In ’t eerst; maar toen dat over was,
    En toen hij, om dat laf versagen,
    Den bakker spottend was gaan plagen,
    Had die een blik op hem geslagen,—
    Uit oogen, kil en strak als glas,—
    Een blik, die hem door ’t harte ging,
    Zoo scherp en snijdend als een kling;
    En die in zijn herinnering
    Nooit opkwam weêr, of hij gevoelde,
    Dat bange schrik in ’t hart hem woelde,
    En hem een huivering beving.”—

    Zoo spraken onderweg die twee,
    En Hanne liep onschuldig meê,
    En werd door hen ook niet verdacht.—
    Maar toen de zon de volle kracht
    Bereikt had van haar middagtijd,
    En ’t drietal onder ’t looverdak
    Der eiken zich had neêrgevlijd,—
    Elk met zijn hoofd op eigen pak,—
    Toen zweefde op eens een dichte schaar
    Van ooievaren daar omhoog,
    Die hooger steeds en hooger vloog;
    En Hanne werd ze ’t eerst gewaar,
    En riep in ’t platduitsch, onbedacht:
    „Kijk! kijk! daar komen de eibers aan!”—
    „Wat? Had ik dat van jou verwacht?”
    Riep nu de snijder, gansch ontdaan.
    „Jij kent platduitsch;—je hebt verstaan
    Misschien, wel alles, woord voor woord.”
    „Jij hebt,” roept de and’re, „ons uitgehoord;
    Verspieder!—maar ik zal je leeren!”
    Hij houdt de vuist hem voor ’t gezicht.
    „Pas op!” zegt Hanne, „want niet licht
    Wordt op mijn neus een klap gericht,
    Dien niet mijn hand terug doet keeren.
    Ik weet nu alles; ’t was je plan,
    Met mij je eens aardig te vermaken,
    Met mij te spelen eerst, en dan
    Mij ook eens aan den zak te raken,
    En voorts om mijn onnooz’len zin
    Mij uit te lachen;—maar je ziet,
    Dat gaat nog zoo gemakk’lijk niet;
    Je waart te dom; je liept er in.
    Als ik dien boozen smidsgezel
    Wat hier verteld is, weêr vertel,
    Dan zal je er geen mooi weêr op krijgen.”
    De mets’laar schold, de snijder bad,
    En Hanne sprak: „Nu, ik zal zwijgen;
    Ik ken den bakker en den smid;
    ’k Heb ook eens iets met hen gehad.
    Maar nu, onthoudt dan nu ook dit:
    Ik laat den draak niet met mij steken;
    En als gij weêr zoo iets verzint,
    En weêr zoo’n laffen streek begint,
    Dan zullen wij wel nader spreken.”
    Toen gaven zij elkaâr de hand,
    En waren sedert saâmverbonden
    En trokken samen door het land,
    En bleven, waar zij arbeid vonden;
    En als zij dien niet vinden konden
    Dan reisden ze weêr verder voort;
    En onderweg werd uit drie monden
    Dan ’t luid en lustig lied gehoord:

      Die ’t reizen kent, vraagt, blij van zin,
        Wat toch tehuis beduidt
      Al waait de wind de mouwen in,
        Hij waait er ook weêr uit.

      Wij trekken voort met drie of twee,
        Van de eene in de and’re streek;
      En wil de laars niet heel meer meê,
        Dan maar met lossen steek!

      De meisjes zien ons glurend aan,
        Om ’t hoekje van den tuin.
      Steeds moge ’t haar gezegend gaan,
        Die meisjes, blond of bruin.

      Wat lieflijke oogjes, zwart of blauw!
        Wat roosjes op ’t gelaat!
      Ik neem er zeker een tot vrouw,
        Als ’t reizen niet meer gaat.

      Kom, moeder! [5] geef wat wijn voor geld
        En voor een vriend’lijk woord,
      Wij hebben thans ons aangemeld,
        Maar morgen zijn wij voort.

      En kwel ons niet met taai gezeur,
        Al borgt gij ons eens wat;
      Schrijf ’t niet op uwe kamerdeur,
        Maar in het schoorsteengat.

      Vandaag is ’t in de beurs heel naar,
        Maar morgen weêr heel goed:
      Zoo trekken wij van hier naar daar,
        Altijd met frisschen moed.








15.


    Toen ’t rits’len van den najaarswind
    Langs ’t stoppelveld zich voortbewoog,
    Toen lagen blij en eensgezind
    De drie in ’t gras; hun zwervend oog
    Keek naar de bergen en de boomen,
    Die d’ouden, groenen Rijn omzoomen;
    En hun gemengde lied’ren rezen,—
    Nu eens van dien en dan van dezen,—
    Frisch in de morgenlucht omhoog,
    Vervloeiend in d’azuren boog.
    En of daarbij het eene lied
    Op ’t and’re past, dat deert hen niet:
    Elk zingt maar wat hem ’t best bevalt,
    Maar zingt van harte, en daardoor schalt
    Die toon daar rond, zoo rein en blij,
    Die dàn slechts klinkt, als ’t hart nog vrij
    Zich voelt, en vol van poëzij,
    En die in onze laat’re dagen
    Alleen nog in eene echo leeft,
    Maar, óók nog zóó, ons kan behagen,
    Ook zóó, nog zooveel zoetheid heeft.
    De lust is ’t, die zich uiten moet,
    Wanneer des Heeren majesteit,
    Des Heeren stille heerlijkheid,
    Zich in een hart gevoelen doet,
    Dat vroolijk, jeugdig nog en frisch,
    En door geen zorg gebroken is.
    Dan vraagt men niet,—als ’t dor gemoed,—
    Wat beter klinkt, wat minder goed,
    Wat meer, wat min gepast zou zijn;
    Dan is daarbinnen zonneschijn,
    Die zich zoo lang niet op laat sluiten;
    Wat in de ziel is, moet naar buiten,
    En of het past er bij, of niet,
    Aan ’t volle hart ontwelt een lied.—
    De metselaarsgezel, die één
    Gezang in zijn geheugen had,
    Maar ook slechts één en anders geen,
    Had steeds voor zich genoeg aan dat.
    Hij zong het zacht, wanneer de smart
    Zich had gelegerd in zijn hart;
    En luid en hoog, wanneer de vreugd
    Hem met haar bloemen had verheugd;
    Bij zijn gelach, bij zijn geween,
    Zong hij steeds dat, en anders geen:

    „Weemoed is ’t, die mij door ’t harte beeft,
    Daar mijn schat, het schoone, lieve kind,
    Door mijn ziel zoo rein en warm bemind,
    Hare trouw, helaas! gebroken heeft.

    Hare tanden waren wit als krijt,
    Wit als krijt, ja! en op ied’re koon
    Bloeide een roos,—o! wonder-, wonderschoon;
    En ik had mijn leven haar gewijd!

    Na den dag, toen zij haar trouw verbrak,
    Lag ik neêr een ganschen langen nacht,
    Altijd wakker, daar ik overdacht,
    Welk een doorn mij in het harte stak.

    Vaar dan wèl, gij, ongetrouwe maagd!
    Ik ga henen over berg en dal.
    Als uw oog niet meer me aanschouwen zal,
    Kan ’t wel zijn, dat gij ’t u nog beklaagt.

    En als eens de tijding zich verbreidt,
    Dat ik rust in ’t verre, verre land,
    Roerloos rust in ’t kille, dorre zand,
    Kan ’t wel zijn, dat gij er nog om schreit.”

    „Nu,” zegt de snijder, „slecht is ’t niet;
    Maar ’k vind het toch zoo’n treurig lied;
    Het klinkt zoo droef, zoo somber zacht;
    ’t Klinkt als de doffe en schorre horen,
    Van d’ ouden wachter op den toren,
    Bij valen, grauwen najaarsnacht.
    En als ik niet de volle pracht
    Gezien had van je roode wangen,
    Dan had mij vast de vrees bevangen,
    Dat je al naar ’t kerkhof werdt gebracht.
    Neen, vrind! als je anders niet kunt geven,
    Hou verder dan je mond maar toe;
    Er moet in ’t zingen lust en leven
    En gloed zijn. Hoor, hoe ik dat doe.

    Een snijder wou een huw’lijk doen;
    Maar goed.—Hij zocht, zoo slim, als koen,
        Een gravenkind te trouwen.
    Hij koos zich eerst een schoon blazoen:
        ’t Gaf „Schaar en Naald” te aanschouwen.
      En in den rand werd mê en blê,
      En nog eens blê en weder mê,
        En al zoo voort, gelezen;
        Dat zou zijn schildspreuk wezen.

    En toen hij nu met „Naald en Schaar,”
    Zijn schatje voerde naar ’t altaar,
        Toen liet al ’t volk zich hooren:
    „Die bruigom,—dat is zonneklaar,—
        Moet snijder zijn geboren.”
      En de een riep lachend mê en blê,
      En de ander spottend blê en mê.
        En luider steeds en wijder
        Weêrklonk ’t: „Die graaf is snijder!”

    En toen hij kwam aan ’s keizers hof,
    En daar zijn wapen de aandacht trof,
        Toen schertsten de edelknapen:
    „Die man heeft recht op eer en lof,
        Om ’t scherpe van zijn wapen!”
      En aanstonds klonk het dáár ook: mê
      En blê, en weder mê en blê.
        ’t Scheen, dat geen mensch kon laten
        Het plagen en het blaten.

    De keizer zelf lacht om den man,
    En houdt den buik zich vast er van,
        En proest naar alle zijden;
    En roept: „Brengt hier een el, dan kan
        Die ridder daarop rijden.”
      En weder ging het mê en blê,
      Den ganschen kring door: blê en mê.
        En ook de bruid,—die wreede!—
        Deed nu met de and’ren mede.

    Toen ging de nieuwe ridder heen
    Van ’t hof, waar hij nooit weer verscheen,
        En liet zijn bruid maar zitten;
    Maar hoorde steeds bij iedereen
        Nog ’t plagen en het vitten.
      Doch als een deern soms blê of mê
      Hem nariep, en dan mê of blê,
        Dan sprak hij: „Dat mijn wrake,
        Vermetele! u niet rake!”

    Dus, brave snijders! leert hieruit:
    Zoekt nooit een gravenkind tot bruid,
        En wilt aan ’t hof niet komen;
    Want anders wordt door u ’t gefluit
        Van meid en knecht vernomen.
      Maar, elleridders! als een maagd
      Ooit mê of blê te roepen waagt,
        Dan moet ge uw gramschap blusschen,
        Door dapper haar te kussen.”

    „Gij beiden zingt,” spreekt nu Johan,
    „Slechts boekentaal; maar ik, ik kan
    Je een lied doen hooren, dat met kracht
    Je tot het hart spreekt;—geeft goed acht,
    En let goed op, wanneer ’t uw tijd
    Om met mij in te vallen, is;
    Dan klinkt de zang heel schoon, gewis.
    Als gij platduitsch van oorsprong zijt,
    Verzaakt dan, vrinden! ook in ’t lied
    Uwe afkomst en uw maagschap niet.

    Ik weet eenen eik, en die staat bij de zee;
        Met loover gekroond is zijn hout;
    En, spelen de stormen van ’t Noorden er meê,
        Hij is toch al duizend jaar oud.
            Geen menschenhand
            Heeft hem geplant;
    Hij spreidt zijne takken wijd uit over ’t land.

    Hier heeft hij een knoest en daar heeft hij een kwast;
        Geen bijl en geen zaag, die hem schond.
    Zijn schors is zoo ruw en zijn hout is zoo vast,
        Alsof hij betooverd daar stond.
            En welgedaan
            Zal hij nog staan.
    Als weêr duizend jaren in ’t Niet zijn vergaan.

    Eens zag hem de koning, die daar, met zijn vrouw
        En dochter, kwam wand’len aan ’t strand;
    En riep: „Wat een prachtvolle boom, dien ’k aanschouw!
        Hoe ver dekt zijn lommer het land!
            Van waar toch kwam
            Hier deze stam,
    Zoo grootsch en zoo schoon, door de vlucht, die hij nam?”

    Toen antwoordde een jonkman hem: „Machtige heer!
        Hoe vorscht ge dit alles zoo na?
    Gij hebt u daar nooit om bekommerd weleer,
        Uw kind niet en ook niet uw gâ.
            Door rijke liên
            Werd niet gezien,
    Dat hier ook een boom stond, en wat die kon biên.

    En toch, hij staat groen nu en welig en frisch,
        Ofschoon hij maar boeren behoort;
    En trotsch zijn we, dat hij ons eigendom is,
        Het is: onze taal en ons oord.
            Zij wiesen vrij
            En bloeien blij;
    Maar kunstwerk of vorstengunst kwam er nooit bij.”

    Toen reikte de dochter des konings haar hand
        Den jonkman, zoo rond en zoo fier,
    En sprak: „Steekt de stormwind ooit op in ons land,
        Dan zoek ik mijn toevluchtsoord hier:
            Wie eigen goed
            Zoo kreeg en hoedt,—
    Bij dien is men veilig, als ’t noodgetij woedt.”

    En toen zijn zingen was aan ’t end,
    Toen was ’t, als werd daar iets bewogen;
    En toen hij zich had omgewend,
    Stond hem de smidsgezel voor de oogen.
    Een duivelsche en verglaasde gloed,
    Straalde uit zijn blik; en in zijn trekken
    Was aak’lig duidelijk te ontdekken
    De zondigheid van zijn gemoed;
    En haat en valschheid zag men zweven
    Om zijne lippen, blauw als lood;
    En als een lach daarover schoot,
    Dan was ’t een lach, om bij te beven.
    Vervallen was hij en vergrijsd,
    Een leelijk beeld in vuile lijst.
    „Zoo!” riep hij, met een woesten vloek,
    Hier is te vinden, wat ik zoek:
    Gij zingt hier zoo uit volle borst;
    Dan zal ook wel de brandewijn
    Niet ver van hier verwijderd zijn;
    Geef mij een slok; ’k heb altijd dorst.”
    De drie gezellen sprongen op;
    De vreugd was weg, ’t genot vergald,
    Gelijk, als op een rozeknop
    Op eens een gifspin nedervalt.
    „Wat is ’t, dat ge u met ons bemoeit?”
    Zoo spreekt Johan, in toorn ontgloeid,—
    „Ga gij uw weg; laat ons met vrede.”
    En beî zijn makkers spraken, mede:
    „Laat ons met rust en ga voorbij.”
    En met dat woord vertrokken zij.
    Maar de and’re riep: „Ik ben toch vrij;
    En ’k laat mij hier geen wetten stellen.
    Maar, wacht maar, vroolijke gezellen!
    Wij spreken nader,—gij en ik!”
    Hij ziet hen na met valschen blik,
    Gelijk de Nijd, een hel in ’t oog,
    ’t Geluk gewoon is na te staren.
    En, schoon ’t Geluk ook nòg zoo hoog
    Van uit het stof is opgevaren,
    De Nijd, al is zijn gang niet snel,
    Al is hij lam, bereikt het wel,
    En zonder deernis of erbarmen
    Verworgt hij ’t in zijn knokk’lige armen.








16.


    Terug komt weêr de voorjaarstijd.
    De leeuw’rik fladdert weêr verblijd,
    Zijn lenteliedje zingend, op
    ’t Geboomte staat weêr vol met knop,
    En werpt het laatste gele blad,
    Als dekbed over gras en kruid.
    De plantjes kijken schuchter uit,
    En spreken stil van dit en dat,
    Van zomerpret en winterpijn,
    En liggen in den zonneschijn
    Gezellig in elkanders arm,
    En fluist’ren zacht: „Hoe lekker warm!”
    En uit het hooge luchtgebied
    Trompet de kraan zijn zegelied:
    „De lucht is vrij! De lucht is vrij!
    Met sneeuw en hagel is ’t voorbij!”
    Zijn zwager, de ooievaar, verblijd
    Dat nu de schoone kikkertijd
    Eerstdaags weer zal gekomen zijn,
    Richt zijn van vreugde stralend oog,
    Van ’t dak af, naar den groenen Rijn,
    En trekt daarbij één poot omhoog.
    Maar nu de kraan zich hooren doet,
    Nu roept hij klepp’rend: „Wees gegroet,
    Mijn waarde zwager! Zie! wij kwamen
    Hier schier gelijk; zoo goed als samen.
    Maar ik blijf hier een poosje stil,
    Omdat ik eens beproeven wil,
    Of ’k soms,—ge weet wel,—van Johan
    Niet iets te weten komen kan.”
    En, als hij dat zoo heeft gezegd,
    Vliegt hij heel statig naar beneden,
    En daar ontmoet hij nu den specht.
    Het wederzien verheugt hen zeer,
    En groetenis en vriend’lijkheden
    Gaan eerst een wijle heen en weer;—
    Daarop spreekt de ooievaar: „Gij zijt
    Den ganschen langen wintertijd,
    Naar uw gewoonte, hier gebleven;
    Gij kunt mij vast wel tijding geven.”
    „Van Hanne Nüte?” vraagt de specht;
    „O ja: en nog al niet zoo slecht:
    Gij ziet die smederij daar wel?
    Daar vond hij werk. Zijn medgezel,
    De snijder, is hier ook gebleven;
    De mets’laar zwierf een tijd lang rond,
    Maar onlangs wou het toeval geven,
    Dat die óók hier weer arbeid vond.”
    „Och!” antwoordt de ooievaar, verstoord:
    „Wat gaan ons die twee vreemden aan?
    Ik vraag, hoe ’t Hanne al is gegaan,
    En of hem Fieken nog bekoort;
    En of, sinds ’k weg moest, over zee,
    Dus alles goed bleef met die twee.”
    „Dat weet ik alles niet zoo recht,”
    Is ’t antwoord: „dit slechts weet ik wis,
    Dat hij in dienst gekomen is
    Bij ’t weêuwtje ginder: en men zegt,
    Zij ziet er niet onaardig uit.”
    „Een mooie tijding! Wel, verbruid!”
    Roept de ooievaar; „nu weet ik niet,
    Waarom men jou het toezicht liet
    Op Hanne en op zijn minnetrouw;
    Je laat hem zitten bij een vrouw,
    Een jonge vrouw! Je lijkt wel gek!”
    „Ja,” zei toen wrevelig de specht,
    „Dat is gemakk’lijk zoo gezegd;
    Maar weet, dat ik, sinds jou vertrek,
    Veelal ter prooi was aan ’t gebrek;
    Ik zocht en tuurde en pikte in ’t rond,
    Heel dankbaar, als ’k één kever vond.
    Dus, waarlijk! ’k had genoeg te doen
    Voor eigen zaken. Maar het hoen
    Der weduw heeft mij stil verteld,
    Dat zij schier al zijn schreên verzelt;
    Zij zit hem immer op de hakken.
    Vandaag weêr wil zij koeken bakken,
    En brengen die hem in het veld,
    Waar hij thans werkt. Niets is te zwaar,
    Niets is te veel, te duur voor haar,
    Wanneer het hèm maar kan behagen:
    Zóó,—hoopt zij,—zal zij eind’lijk slagen.”
    En, de ooievaar, weer op één been,
    Kijkt langs zijn spitsen snavel heen;—
    Zóó krijgt hij, schijnt het, ’t beste licht
    Als iets belangrijks dient verricht.
    Ook thans is ’t plan zeer gauw gereed.
    Hij vraagt den specht, of die ook weet
    Het veld, waar Hanne werkt; de specht
    Helpt aanstonds hem hierin terecht,
    En de ooievaar vliegt voort met spoed,
    En vraagt, als hij den spreeuw ontmoet:
    „Zeg, vrindje! hebt gij ook misschien
    Hier ergens de patrijs gezien?”
    „Ja wel.”—„Och, laat haar hier eens komen.”
    En nauw heeft de patrijs vernomen,
    Dat de ooievaar haar diensten vraagt,
    Of ze is er al. En fluistrend draagt
    Hij zijn geheimen last haar op;
    En zij knikt telkens met den kop,
    En wil, natuurlijk, daarmeê zeggen,
    „Ik zal uw plan ten uitvoer leggen.”
    Hij vliegt weêr naar de dakspits heen,
    En staat daar weêr op ’t ééne been.—

    ’t Is negen uren. Daar ontsluit
    Zich ’t huis van ’t weêuwtje. Vlug en slank
    En frisch en blozend komt ze er uit;
    En, in een doek, als sneeuw, zoo blank,
    Draagt zij het goedgevulde bord
    Met koeken meê. „Dit zal hem smaken,”
    Zoo denkt zij, „en ik zal wel maken,
    Dat nu met ons er iets van wordt,—
    Maar ’t spreekt van zelf, in deugd en eer;—
    Hij is toch, denk ik steeds maar weer,
    Hij is toch ook van vleesch en been,
    En heeft geen hart van staal of steen.”
    Zoo trippelt zij dan voort op straat,
    En waar een goot dwars voor haar ligt,
    Of waar een modd’rig plasje staat,
    Daar tilt bevallig hare hand
    Den rok wat op:—een vuile rand
    Is onbehaag’lijk voor ’t gezicht.
    Maar ook op plekjes, waar het droog
    En rein is, waar zij zelv’ niets ziet,
    Blijft vaak het rokje toch omhoog;
    En ’t nette been valt in het oog;—
    Maar dáárom deê ze ’t zeker niet.
    Daar klinkt het boven van een dak:
    Klak, klak, klak, klak, klak, klak, klak, klak!
    Zij kijkt omhoog. „Ha! de ooievaar!
    ’t Is de eerste, dien ik zie van ’t jaar.
    Een gunstig teeken wel misschien;
    Ofschoon, het zou nog beter wezen,
    Wanneer ’k hem vliegend had gezien;
    Want, zoo als ’t nu ging, is te vreezen,—
    Althans, zoo zeggen hier de liên,—
    Dat heel veel potten zullen breken.
    Nu, ik voor mij, ’k lach om dat teeken;
    En ik blijf even wèlgemoed.
    Wees welkom, langbeen! Wees gegroet!
    Wel, vrind! het doet me waarlijk goed,
    Dat ik juist nu voor ’t eerst van ’t jaar
    Je zie;—kom, goedige ooievaar!
    Kom, bouw je nest bij mij op ’t dak.”
    Terwijl zij zoo in stilte sprak,
    Ging zij nog voort, en verder; maar
    Ze dacht er bij: „Kijk! ’t is toch raar;
    ’t Is raar, en waar toch, dat zoo’n teeken
    Je moed en blijdschap in kan spreken.”
    Doch, zie! daar staat ze voor een sloot
    Wat nu? Naar gindsche brug te gaan,—
    Dien afstand vindt zij wel wat groot;
    Zij zal maar springen;—ja, komaan!
    Dat heeft ze wel eens meer gedaan.
    Zij neemt, zoo wat tot aan de knie,
    Haar rokken op, en—een, twee, drie— — — —
    Brrr! klinkt het plots’ling, en meteen
    Vliegt fladd’rend, snorrend langs haar heen
    De listige patrijs; haar sprong
    Was nu gebroken; en zij lag,
    Terwijl een schrik haar hart doordrong,
    Op eens in ’t groen en drabbig water,
    En met een kletterend geklater
    Brak ’t bord in stukken; en zij zag
    Haar kleed tot boven toe bemorst,
    Zij zag haar koeken als omkorst
    Van modder; alles was bedropen,
    Of overdekt van ’t zwarte nat;
    Zij voelde ’t in haar kousen loopen;
    En zij vergat zelfs, ja! vergat
    Haar liefde, toen ze in ’t water zat.
    Ten laatste was ze er uit gekropen,
    En bibb’rend, snuivend stond ze daar,
    En zocht nog scherven bij elkaâr,
    Alsof ze toch vooral moest weten,
    Hoe die eens hadden saâmgezeten,
    En zag bedroefd de koeken aan;
    En was haar liefde nòg vergeten;
    Zóó had haar ’t onheil aangedaan.
    Zij gaat naar huis, maar tilt haar kleed
    Nu niet meer op, wáár ze in moog’ treden;
    Zij laat het liever hangen heden;
    Want nu is ’t haar tot schaamte en leed,
    Wanneer een mensch haar beenen ziet.
    En waar ze weer den ooievaar
    Op ’t dak ziet zitten, daar ontschiet
    Haar ’t woord: „Verwenschte lepelaar!”
    Maar de ooievaar, met spot in ’t oog,
    Trekt wederom één been omhoog,—
    Zoo doet hij óók, wanneer hij stil
    Om iemands dwaasheid lachen wil,—
    En roept nu klepp’rend: „Lieve mensch!
    Dat ging vandaag niet erg naar wensch;
    Dus, laat het daar vooreerst maar bij!
    Wat misselijke vrijpartij!”
    Nu vliegt hij naar het veld, alwaar
    Nog Hanne spit, en denkt: „’k Wil daar
    Toch eens gaan zien, of hij nog frisch
    En wèl van lijf en zinnen is.”
    En Hanne, die hem vliegen ziet,
    Slaat vol opmerkzaamheid hem gâ,
    De handen kruis’lings op zijn spâ,
    En zingt dan ’t oude kinderlied:
      „Ooievaartje! langebeen!
      Wanneer trek je weder heen?”

    En de ooievaar spreekt weltevreden:
    „Dat ’s goed: hij denkt nog aan ’t verleden
    Der kindsheid, dat is altijd goed;
    Hij ziet er uit als melk en bloed,
    En vrij en wakker kijkt zijn oog.
    Heel goed, Johan! ’t geluk klimt hoog
    Voor wie, bij ’t reizen over de aard,
    De reinheid van ’t gemoed bewaart.”—
    En verder vliegt hij, verder voort,
    En zeilt zoo over menig oord,
    En waar hij zich te zien geeft, daar
    Weêrklinkt het blijde: „De ooievaar!”
    En als ook boven ’t dorp Gallin
    De kinderen van Smidt hem zien,
    Dan halen zij met schel geluid
    ’t Bekende lied der kind’ren uit:

      „Ooievaar! verhoor mijn bede:
      Breng me een aardig broêrtje mede!
      Ooievaar! doe mijn verlangen
      Laat me een aardig zusje ontvangen!”

    Zoo bidden die om nieuwen zegen:
    En toch, daar zijn er nu al negen!

    Het weêuwtje intusschen, toen de dag
    Van ’t onheil was voorbijgegaan,
    Dacht: „’k Wend nog eens een poging aan;
    Geen boom valt met den eersten slag.”
    Zij haalt een worst af, heerlijk vet,
    En biedt er Hanne van, en zet
    Dan naast zijn bord een goed glas wijn,
    En zegt: „Dat zal wel bruikbaar zijn;
    Kom, Mekklenburger! drink en eet.”
    En Hanne?—Nu, dien smaakt het best.
    Maar, als een knaap, die niets nog weet,
    Zoo zoekt hij, argeloos, daarin
    Geen heim’lijk doel, geen diepen zin;
    Hij slikt, en denkt niet om de rest.
    En, gaat het vrouwtje naar heur kamer,
    En spreekt ze vriend’lijk: „Goeden nacht!
    En als je droomt, droom zoet en zacht,”—
    Dan zegt hij, geeuwend: „Ja, die hamer,
    Die maakt een mensch wel moê en mat.”—
    Hoe dom, dat hij er niets van vat!—
    Vier weken later,—Zondag was ’t—
    Kwam weêr iets lekkers uit de kast:
    Zij kookte een ketel chocolaad.
    Wat nu daarbij?—In pannekoeken,
    Zoo dacht zij, was geen heil te zoeken;
    Die waren eens een bron van kwaad,
    Van ramp geweest en van bedroeven:
    Zij wou ’t met wafels nu beproeven.—
    Hebt gij daar ooit wel op gelet,
    Hoe ferm zoo’n jonge vrouw en net
    Dan de ei’ren klutst, het meel beslaat,
    Hoe flink het wafelijzer gaat;
    Hoe gauw de ronde en lichte voet
    Van de een’ naar de and’re zij zich spoedt:
    Hierheen! het vuur wordt weêr gevoêrd;
    Daarheen! de melk wordt omgeroerd;
    ’t Gaat alles even rein en knap,
    ’t Gaat alles even vlug en rap.
    Zoo was ’t ook hier. Men zou zoo zeggen,
    Een knoop kon ze in haar leden leggen;
    Zoo vlug ging alles en zoo licht,
    Zoo ras werd been en arm bewogen;
    En kolen gloeiden in hare oogen
    En op haar blozend aangezicht.
    En ’t hartje, dat verborgen zit
    Diep onder ’t rein en helder wit
    Van haren doek, gloeit ook zoo zeer,
    En gaat zoo rust’loos op en neer,
    En tikt zoo driftig, op den duur,
    Als de oude klok, die ongeveer
    Vijf, zes kwartier geeft in een uur.
    Maar, was zij daar zoo in de weer
    Slechts om ’t gebak en om de melk?
    Neen, waarlijk niet!—Dat voelt toch elk.
    Dat kon geen vlam in ’t hart haar brengen,
    Die haast haar kleêren had doen zengen.
    Haar zichtbaar en onzichtbaar werken,
    Haar ijv’ren met gejaagden spoed,
    Haar bezig zijn met hand en voet,
    Haar harteklop, haar oogengloed,
    ’t Was alles om Johannes Snoet;—
    Och! mocht de droomer dat toch merken!

    Dien zelfden avond zat Johan
    Met haar in ’t tuinhuis aan de tafel.
    En nu eens reikt zij hem een wafel,
    En dan weer schenkt zij uit de kan
    De lekk’re chocolaad hem in.
    „Kom, Mekklenburger! heb je zin,
    Doe dan je nu eens recht te goed.”
    „’t Smaakt heerlijk, heerlijk!” antwoordt Snoet
    En drinkt de melk, heel zoet en heet,
    En zegt, terwijl hij wafels eet:
    „Die kwamen nooit nog in mijn mond;
    Van moeder had ’k ze wel gekregen,
    Maar vader was er vrees’lijk tegen;
    Daar hij gebak maar weelde vond.”
    „Dan was je vader toch wel hard.”
    „O, zeg dat niet; hij was voor mij
    Wel streng, en sloeg mijn rug soms zwart,
    En wou niet hebben, dat wij smulden:
    Hij kon geen lekkerbekken dulden;
    Maar toch heeft niemand, zóó, als hij,
    Voor mij gezorgd, en mij bemind.”
    Het weêuwtje ziet hem aan, en windt
    Verlegen ’t boez’laarsbandjen om
    Den vinger heen, en spreekt: „Och, kom!
    Zoo zullen er wel meer toch zijn.
    ’k Moet zeggen, schoon ik daarmeê schijn
    Uws vaders eere te vermind’ren
    De meeste vaders zijn voor kind’ren
    Te hard; zij slaan en zij bezeeren
    De stumperds, als die schuldeloos
    Wel eens een zoeten mond begeeren.
    Neen! ziet ge? daar was ik altoos
    Heel anders, o! heel anders van.
    Althans, mijn overleden man,— —
    Och heer! ’k was toen nog in mijn jeugd,
    En ’t was, helaas! een korte vreugd:
    Want in de helft van ’t eerste jaar
    Was reeds voor ons de scheiding daar,—
    Nu, maar, die had ook slechts te wenken,
    En ’k zorgde en streefde, om hem te schenken
    Wat hij begeerde; ziet gij?—ik,
    Ik las zijn wensch al in zijn blik.
    Het is nu juist twee jaar geleden,—
    Maar ’t staat mij helder voor, als ’t heden,—
    Dat hij zoo zei: „Mijn lieve vrouw!
    Wil ’k u eens zeggen, wat ik wou?
    ’k Wou, dat we eens chocolade dronken.”
    Heel kort daarna stond ze ingeschonken,
    ’t Was op dit plekje, en ook dit uur,
    En Zondag óók juist. En met vuur
    Trok hij mij toen nog op zijn schoot;
    Och hemel, ja! wij dronken elk,
    Vereend in liefde, ons kopje melk;—
    Een week daarna was hij al dood!”
    Zij zucht, en weder zucht ze en steent;
    Ze wordt recht treurig, en ze weent,
    En doet,—zij moest op iets toch steunen,—
    Haar hand op Hanne’s schouder leunen.
    En hij, hij vindt het ook erg naar,
    En zegt, om troost haar toe te deelen,
    En eenigszins haar wond te heelen:
    „Och, ween maar niet; al valt het zwaar,”
    En strijkt haar over ’t gladde haar.—
    Och! waar is heden de ooievaar?—
    „Ja!” gaat zij voort, „ik gaf mijn man
    Een leven als een prins; en ’t kan
    Dan ook nog blijken, dunkt me, dat
    Hij dit erkend heeft. Wat hij had,
    Zijn huis en smidse en schuur en erf,
    ’t Is alles ’t mijn’. „Wanneer ik sterf,”
    Stond in zijn testament geschreven,
    „Worde alles aan mijn vrouw gegeven,
    En alles vrij van last of schuld.”
    Nu, daarin is zijn wensch vervuld.”—
    Zij weent daarbij een bitt’ren traan,
    En stelt als troosteloos zich aan,
    En schuift wat dichter bij den jongen,
    Die nu van deernis diep doordrongen,
    En, met haar, innig aangedaan,
    Haar weder strijkt en streelt op ’t haar.—
    Och! was nu de patrijs hier maar!—
    „En,” zegt zij, ’t zou nog zijn te dragen;
    Maar, dat ik in mijn jonge dagen
    Zoo op mij zelv’ sta, zoo alleen,
    Dat kan mij wel eens doen versagen.
    Waar moet het met mijn toekomst heen?
    Wat helpt mij ook dat goed en geld,
    Dat ’k u zoo even heb vermeld?
    O ja, ’k ging leven van mijn rente,
    Als ’k oud was; maar, zoo in mijn lente— —!
    En weêr en wederom ontschiet
    Een traan haar oog; en Hanne koost
    Haar nog eens weder, tot haar troost;
    En, overweldigd door ’t verdriet,
    Laat ze op zijn borst haar hoofdje zinken,
    En Hanne vangt haar in zijn arm,
    En Hanne vindt het vrees’lijk warm;—
    Misschien van ’t chocolade drinken.—
    O, nu, patrijs! nu wordt het tijd,
    Dat gij en de ooievaar hier zijt!
    En als zij nu naar zijn gezicht
    Een blik vol diepen weedom richt,
    Bedenkt zoo bij zich zelv’ Johan
    Of soms een kus haar troosten kan.
    De bengel! Hoe weet hij daarvan?—
    En toch, hij buigt zich naar haar mond,
    En plooit zijn lippen,— —maar terstond,
    Als lichtte daar een bliksemstraal,
    Sprong hij nu op, als uit een droom;
    En riep: „Hoor! Hoor! De nachtegaal!”
    En in den naasten appelboom,
    Die vol in bloei staat, prachtig wit,
    En heerlijk geurend, ja! daar zit
    De nachtegaal, en zingt nu weêr
    Wat Hanne al bij een vroeg’ren keer,
    Toen hij voor Jochem’s huisdeur lag,
    Zoo diep was door de ziel gegaan;
    Wat hij zoo goed toen had verstaan,
    Toen, op dien droeven afscheidsdag.
    Die zang doet zijn gevoel nu aan,
    Gelijk de weemoedvolle taal
    Eens waldhoorns, die van verre klinkt;
    En ’t is, of voor de laatste maal
    Hem Fieken groet, en ied’re straal
    Van heil en vreugd en hoop verzinkt,
    Maar dàn weêr is ’t, of alles blinkt,
    En ’t murm’len van een frissche beek
    Muziek geeft in een groene streek,
    En voortgolft naar een blauw verschiet.
    Zoo toovert dat veeltonig lied,
    Dat eind’lijk stijgt tot luid geschal,
    En dan voor ’t oog in rijken gloed
    Den schoonen hemel opendoet,
    Dien trouwe min beërven zal.
    Wat ieder voelt, maar wat geen taal,
    Kan zeggen, zingt de nachtegaal.— —
    Daar staat nu Hanne, bang gestemd,
    ’t Hart door een engen band beklemd.
    Wat heeft hij daar toch ondervonden?
    En wat gezegd? En wat gedaan?
    Hij durft zijn oog niet opwaarts slaan.
    ’t Is hem, als heeft hij iets geschonden,
    Wat heilig hem had moeten zijn;
    ’t Is hem, als heeft hij, door zijn daden
    En woorden, God en mensch verraden
    En in zijn ziel dringt diepe pijn.
    ’t Beeld zijner ouders staat hem voor;
    ’t Woord van zijn vader treft zijn oor:
    „Leg alles, wat je in ’t harte vaart,
    Eerst op den gloeiend heeten haard:
    En, is al ’t vuil er af gegaan,
    Dan frisch en vlug de tang er aan!
    En dan, houd vol maar, op den duur,
    En smeed je werk in zuiver vuur!”
    Welnu, wat in het hart hem kwam,
    Dat is nu in de laaie vlam
    Geweest van schaamte, rouw en spijt,
    En ’t is van alle smet bevrijd.
    Nu volgehouden, op den duur!
    Nu voortgesmeed in zuiver vuur!
    Hij ziet met ernst de weduw aan,
    En spreekt: „Ik heb verkeerd gedaan.
    ’k Zal uit uw dienst naar elders gaan.”
    En zij, iets vragends op ’t gezicht,
    Als had ze niets van hem verstaan,
    Houdt droef op hem haar oog gericht.
    „Ik moet,” roept Hanne, „uw woning uit;
    ’k Heb t’ huis een meisje, dat mijn bruid
    Moet worden; ’k mag haar niet vergeten;
    Die vogel zong mij in ’t geweten!”
    Zijn meesteres verbleekt en weent,
    Gepijnigd door zoo diepe grief;
    Zij had het goed met hem gemeend,
    Zij had den jongen waarlijk lief.
    Zij spreekt geen woord, geen enkel woord,
    Maar wenkt hem toe: „Ga, ga dan voort!”
    En nu Johan ook werk’lijk gaat,
    Nu zit zij daar, ten einde raad.
    Maar toen hij nog eens ommezag,
    Toen werd het anders toch; toen lag
    Haar hartstocht overmand, gebroken:
    Haar beter ik had weêr gesproken;
    Zij vliegt hem aanstonds achterna,
    Een blos van schaamte op ’t frisch gelaat,
    En spreekt met kalmte: „Nu dan, ga,
    Indien ’t uw plicht is, dat gij gaat;
    Maar, niet met ongenoegen dan!
    Ik wil u mijne vriendschap bieden;
    En, zal het ooit of ooit geschieden,
    Dat ik u hulp verleenen kan,
    Ik doe het vast. Vaarwel, Johan!”
    Johan drukt haar de hand en gaat;
    En lang, nog, o! zoo lang nog, staat
    Het weêuwtje op ’t zelfde plekje, daar,
    En kijkt hem na.—Ja! menig jaar
    Nog na dien dag van zijn vertrek
    Stond zij veelmalen op die plek,
    Alwaar ze ’t laatst hem had gegroet,
    En voelde een weeke en doffe snaar
    Dan trillen in haar vol gemoed,
    Zoo bitterzoet, zoo wonderbaar!

    Wij, menschenkind’ren, zien de plekken
    Wel gaarne weder, waar de gloed
    Der vreugd ons harte mocht doortrekken;
    Maar ook de plekjes, waar ’t gemoed
    Gefolterd werd door tegenspoed,
    Of scheiding smarte ons kwam verwekken:
    Waar onze ziel eens heeft gebloed,—
    Die trekken óók gedurig weder
    Ons op hun kerkhofzoden neder.








17.


    De nachtegaal was heengegaan,
    Nadat hij overtuigd was, dat
    Zijn stem hier invloed had gehad,
    En dat Johan hem had verstaan.
    „Dag, Hanne!” zei hij, „Wees gegroet!”
    En tot het weêuwtje: „Houd maar moed!
    De tijd maakt heel veel dingen goed.”
    En weldra zag hij, dat Johan
    Den weg op ging en henentoog;
    Maar was er ook getuige van,
    Dat, met een echt boosaardig oog,
    De slechte smid, die lui daar lag
    In ’t dicht struweel, naar Hanne zag,
    En fluist’rend sprak: „Ga maar voorbij!
    Eens krijg je nog te doen met mij.
    Mijn toorn is niet zoo gauw te stillen;
    ’k Heb steeds nog om die vechtpartij,
    Een appeltje met jou te schillen.”
    De nachtegaal vliegt, zonder lied,
    Een heel eind verder, met het woord:
    „Voor zulk een kerel zing ik niet!”
    En telkens vliegt hij verder voort,
    En waar, aan d’oever van een vliet
    Een boschje staat, van blaad’ren dicht,
    Of waar een heim’lijk plekje ligt,
    Daar stort zijn zoete tooverfluit
    De zachtste en schoonste tonen uit;
    Maar waar een paartje, stil verrukt,
    In liefde elkaâr de handen drukt,
    Daar is ’t, alsof hij van die beiden
    In eeuwigheid zich niet kan scheiden.
    En, juist als bij den ooievaar,
    Roept elk: „De nachtegaal is daar!
    Nu wordt het hart eerst recht verblijd,
    Nu is ’t eerst de echte lentetijd!”

    De nachtegaal kiest zijn kwartier,
    Waar hij verleden jaar al was.
    De kleine Fiek woont immers hier.
    Dus hier het nest gebouwd!—Alras
    Ziet hij bekenden in dat oord:
    ’t Is Jochem met zijn gemalin;
    Die hupp’len tusschen de erwten voort,
    En nemen ’t noodige er van in.
    „Hier zijn wij goed in ons gedoente,”
    Zegt Jochem; „’k hou van jonge groente.”
    De nachtegaal brengt hun een groet:
    „Hoe is het, vrinden? Gaat het goed?”
    „Wij houden steeds, gelijk gij ziet,”
    Is Jochem’s antwoord, „’t hoofd nog boven.”
    „Och ja,” zegt Lot, maar veel verdriet,—
    Gij zoudt het bijna niet gelooven,
    Zeer veel verdriet was weêr ons deel.
    Men zaam’le ’s zomers nòg zooveel,
    De winter brengt toch steeds weêr nood;
    Wij stierven haast den hongerdood.
    En daarbij plaagde mij de jicht,
    Zoodat ’k geen lid haast kon bewegen;
    Doch nu, dat is een groote zegen,
    Staat weêr de tuindisch aangericht;
    Wij vinden telkens nu ons maal,
    En komen weêr op ons verhaal;
    Maar toch blijft altijd zorg ons hind’ren:
    Wij hebben weder ’t nest vol kind’ren.”
    „Alweder?” vraagt de nachtegaal.
    „Och ja! Alweder! En ditmaal
    Zijn zes door ons weêr uitgebroed;
    Ik weet niet, waar dat henen moet.”
    „Maar, lieve Lotje! denk toch,” sprak
    Nu Jochem, „is er niet een Macht,
    Die steeds den raven voedsel bracht,
    En ook ons, musschen, op het dak?
    ’t Is waar, ja! kind’ren zijn een last;
    Maar, als men op hun vorming past,
    En hen van dankbaarheid vervult,
    Betalen ze op hun beurt hun schuld
    Aan de ouders. Zie! ons beider leven
    Zijn wij verplicht aan onzen Kris,
    Die altijd nog gedachtig is
    De lessen, die ’k hem heb gegeven.
    Hij woont nog steeds bij Fieken in.
    Welnu, vol vromen kinderzin,
    Heeft hij voor de ouders, hem zoo waard,
    Zich ’t eten uit den mond gespaard;
    En wat hij spaarde, wierp hij uit
    Door ’t scheurtje van een vensterruit.”
    „’t Is waar,” zei Lotje, „hij is goed,
    Hij heeft ons liefderijk gevoed:
    Hij is de beste van ons kroost.
    De rest is van ons heengegaan
    En bood ons nimmer hulp of troost;
    Maar Krisje heeft zijn plicht gedaan.”
    „Dat ’s mooi,” hervat de nachtegaal.
    „Maar, lieve vrinden! och, verhaal
    Me eens, een van beiden, hoe het gaat
    Met Fieken.”—„’t Ging haar eerst heel kwaad,”
    Zei Lot; „in ’t eerste halve jaar
    Werd zij niet lief behandeld; zwaar
    Viel haar ook ’t vele werken; maar
    Nu heeft ze ’t beter; ja, wel let
    De bakker schier op ied’ren tred,
    Dien zij maar doet; maar toch, ’t is net,
    Of hij nu meer toch om haar geeft.
    ’t Moet al gebeurd zijn,—want dat heeft
    Ons Krisje ons wel eens aangebracht,—
    Dat hij des avonds, ja! bij nacht,
    Op hare deur kwam tikken.”—„Wat!”
    Roept nu de nachtegaal; „en dat
    Vertel je, of ’t niets bijzonders waar’!
    Je lijkt wel een krankzinnig paar!
    En, Jochem! jij,—ja, waarlijk! jij
    Krabt niet om niet je kop hierbij;—
    Jij, die de wereld toch zoo kent,
    Jij laat dat toe! En van zoo’n vent!
    Jij, die zoo ridderlijk vaak snoeft,
    Dat de onschuld, die een schut behoeft,
    Op jou kan reek’nen, zit hier stil!
    Jij ziet niet, dat die lage bakker
    Haar onheil zoekt, en dat de rakker
    Het lieve kind verleiden wil?”
    „’t Is waar,” zegt Lotje, „de ooievaar
    Zei ’t óók al; en ik óók al; maar
    Dan lachte Jochem om dat blijk
    Van mijn bekomm’ring; want, niet waar?
    De vrouw krijgt altijd ongelijk.”
    „Hm! hm!” zegt Jochem, „’t is wel raar,
    Dat ik daarin geen doorzicht had;
    ’t Kan zijn, dat jijlui ’t beter vat;
    Wats,—nu je ’t zegt,—ja, ’t is zoo; hij
    Vervolgt haar met zijn vleierij,
    Maar altijd ruw en lomp en plat.
    Nog gist’ren deed hij zoo.”—„En zij?”
    Vroeg nu de nachtegaal.—„Zij stiet,
    Toen hij wou streelen om haar kin,
    Hem van zich af; dus, ’t lukte niet;
    Haar blik had angst en afkeer in,
    Gelijk òns oog, wanneer een lid
    Van ’t kattenras nabij ons zit.”
    „Derhalve blijkt uit dit verhaal,”
    Zoo antwoordt nu de nachtegaal,
    „Dat waakzaamheid hier noodig is;
    ’k Beveel u die zeer ernstig aan;
    Pas op dus; goed uw plicht gedaan!—
    Ik ga eens praten nu bij Kris.”
    Toen vloog hij weg, en weldra kwam
    Hij, met zacht fladd’rend wiekgeruisch,
    Aan d’achtermuur van ’t bakkershuis,
    Waar hij een plaats voor ’t venster nam,
    En riep toen met een zoet geluid
    Den braven, kleinen Kris er uit:

    „Kom, Krisje! mijn jongen, zoo lief mij en dier!
    Kom buiten! Ik ben het; je peetoom is hier.
    Kom bij me! Vertel me van dit en van dat;
    Kom, Krisje! mijn jongen! dan geef ik je wat.

    En Krisje komt, maar bevend, ach!
    En zoo vermagerd, zoo armoedig,
    Dat peetoom schrikte, toen hij ’t zag,
    „Wel, kind! wat scheelt je?” vroeg hij goedig,
    „Wat zie je bleek! En zoo bedrukt!
    En heel je staart is uitgerukt!”
    „Dat deed onze oude grijze kat,
    Die haast mij opgevreten had,”
    Zoo zuchtte Kris.—„Wel, wel! Wel, wel!”
    Is ’t antwoord, „Kris! wat is dat naar!”
    „Ja, oom!” hervat hij, „mijn gestel
    Is ondermijnd; en ’k voel heel klaar,
    Dat ik ’t niet lang meer maken kan.”
    „Maar, jongenlief! ik schrik er van;
    Kom meê wat, in den zonneschijn;
    Daar zou je, dunkt me, beter zijn.”
    „Neen, oom! ik ga van hier niet heen;
    Want dan is Fieken zoo alleen.
    Zij heeft altijd aan mij gedacht,
    En me altijd spijs en drank gebracht;
    Zij is zoo lief voor me, en zoo zacht.
    ’k Hou veel van Fieken, innig veel.”
    „Ja, Kris! dat ’s goed; maar als ’t je deel
    Moest worden, om eens door de kat,”— —
    „Die heeft me toch al beet gehad;
    En als me die eens weder vat
    Ja! opeet,—wat beteekent dat?
    Och, ik voor mij, ben ’t leven zat.
    Intusschen, neen! dat vrees ik niet;
    Ginds is,—ik weet niet, of gij ’t ziet,—
    Daar, in dien hoek, een muizengat;
    Daar sluip ik in, wanneer ’k iets hoor,
    En blijf daarin, zoolang mijn oor
    Beweging waarneemt, die verdacht
    Mij is.”—„Maar, jongen! ieder uur,
    Daar, in dat hol, zoo doorgebracht,
    Moet dan wel eind’loos zijn van duur.”
    „Neen, tòch niet. Al te nauw is ’t niet;
    Integendeel, ’t is ruim en wijd;
    En ’k vind daarbinnen, meest altijd,
    Iets, wat mij veel genoegen biedt.
    Gij weet niet, wat ik daar al vond:
    Een jas, mooi bruin; een vest heel bont;
    Den jaszak kruip ik dikwijls in,
    Als ’t koud is; en die is mij zóó
    Een nest, volkomen naar mijn zin.
    En in den zak van ’t vestjen,—o!
    Daar vond ik eens een prachtig ding:
    Een mooien, halven gouden ring,
    Waar ’k menigmalen nog meê speel.”
    Wanneer ik mij somtijds verveel.”
    „Wat,” roept de nachtegaal, „is dit?
    Als daar maar niet wat achter zit!
    Kris-lief! verkondigd deze zaken
    Vooral niet,—hoor je?—van de daken;
    Houd dicht je mond! Houd dicht je mond!
    Dat is een stuk, dat ik terstond
    Aan d’ooievaar bekend moet maken,
    En aan den kievit. Maar vertel
    Jij ’t niemand, hoor! Nu, Kris, vaarwel!
    Groet Fieken van me, en zeg, dat ik
    Eens zingen kom, en van Johan
    De groetenis haar brengen kan;
    Dan is zij zeker in haar schik.”— —

    De Junimaand is aangebroken:
    En Lotje en Jochem letten goed,
    Gelijk ze hadden afgesproken,
    Op alles, wat de bakker doet.
    „Mij dunkt,” zei Jochem op een keer,
    „Ik moet vandaag met haar naar ’t veld;
    Ze is daar zoo ver, en onverzeld;
    Ze moet gaan hooien.”—„Nooit is ’t meer
    Dan heden noodig, dat gij ziet,
    Wat daar met onze Fiek geschiedt,”
    Zegt Lotje. En Fieken,—’t was nog vroeg,—
    Ging uit, naar buiten; en zij droeg
    De rijf en ook wat eten meê.
    Toen ze in de stad nog was, toen deê
    Vrind Jochem, die haar trouw bleef volgen,
    Al hupp’lend over goot en dak,
    Niet anders, dan zeer fel verbolgen,
    Zich uiten: „Zie! zoo’n schobbejak!
    Zoo’n deeg-aap, die wel zou gelooven,
    Dat niemand hem een kool kan stoven!”
    En als daarna Fiek door het veld
    Haar weg neemt, langs het groene koren,
    Doet Jochem zich daar weder hooren,
    En knort en gromt nog steeds en scheldt,
    Op alle menschen, Jood en Christen,
    En vraagt, verstoord, of zij niet wisten,
    Dat, wie ooit Fiek mocht willen deren,
    Het heel onzacht gauw af zou leeren:
    Hun Fieken is ’t; dus niemand doe
    Haar kwaad; zij laten dat niet toe.

    Gekomen op ’t bestemde land,
    Neemt Fiek met vlijt haar werk ter hand.
    De lange en dichte zwaden wendt
    Zij om, van ’t een’ naar ’t andere end;
    En waar geen dauw het land meer net,
    Strooit zij de hoopjes uit elkaâr.
    Terwijl zich Jochem nederzet
    Hoog in een wilgeboom, van waar
    Hij heel den weg kan overzien.
    Intusschen zoekt hij, of die plek
    Geen wormpje of rups hem heeft te biên,
    En hapt in ’t rond met gragen bek,
    Nu naar een vlieg, dan naar een mug.
    Maar dikwijls zijn ze hem te vlug;
    En,—moog’ hij nu en dan iets vangen,
    Toch heeft hij niet veel smaak er van:
    Zijn hart blijft over Fieken hangen
    En voelt zich kwetsen, voelt zich prangen,
    Wanneer hij denkt aan ’s bakkers plan,
    Dat hij vermoedt.—Daar komt hij, daar!
    En nauw wordt Jochem hem gewaar,
    Of ’t gaat, van toorn, zóó in hem branden,
    Dat hij in staat zou zijn geweest
    Een moord te plegen, onbevreesd,
    Ja! zelfs den duivel aan te randen.
    En nu juist snort, met dof gebrom,
    Een bij rondom hem, om en om.
    Hap! zegt hij, en hij pakt het dier:
    „Wat heb jij zoo te brommen hier?”
    Het arme beest maakt veel misbaar,
    En bidt en smeekt: „Och, laat mij maar,
    Laat mij, grootmoedig, maar in ’t leven,
    En wil mijn euveldaad vergeven!
    Och, lieve Jochem! laat mij gaan!
    ’k Heb u toch nimmer kwaad gedaan.”
    „Kanalje! zwijg me daarvan stil!
    Brom jij niet, rekel! op den duur,
    Als ik in ’t rustig middaguur
    Somtijds een beetje slapen wil?”
    „Och, lieve Jochem! Och ontferm
    U over mij, en uit mijn zwerm
    Zal zeker niemand u meer storen.”
    „Welnu, ik wil uw beê verhooren,”
    Zegt Jochem, „mits gij heden doet,
    Wat ik u zeg.” En Jochem fluistert;
    De bij, vol dankb’re vreugde, luistert,
    En antwoordt eindelijk: „’t Is goed!”

    De bakker nadert. Fieken ziet
    Hem komen; maar zij slaat ook heden,
    Als immer, de oogen naar beneden:
    Hem in ’t gezicht zien, durft zij niet.
    Maar hij is minzaam, en hij prijst
    Haar vlijt en arbeid, en hij zegt,
    Dat zij hem grooten dienst bewijst;
    Door haar komt eerst zijn hooi terecht;
    Zij is zoo’n fiksche, lieve meid,
    En hij heeft, uit erkent’lijkheid,—
    Wanneer ze een korten tijd nog wacht,—
    Een hooger loon haar toegedacht,
    Vervolgens wordt hij vroolijk, aardig,
    Maar, zóó gemeen en zóó onwaardig,
    Dat Jochem gruwt en walgt er van,
    En langer ook niet zwijgen kan.
    „Jou smeerpoes!” roept hij, „laat dat staan,
    En tast het schuld’loos kind niet aan!”
    En zij,—wat zij daarbij gevoelt?
    ’t Is, of een koorts haar pols doorwoelt;
    De schaamte schiet een blos haar aan;
    Zij weet niet, waar zij ’t oog zal slaan;
    Ontsteld, verlegen, staat ze daar,— —
    Och! was nu Hanne Nüte er maar!— —
    De lage kerel wordt hoe langer
    Zoo driester; zij wordt immer banger;
    Zij voelt, hoewel ze van den praat,
    Door hem geuit, geen woord verstaat,
    Dat onder schertsen, als hij doet,
    Een groote zonde schuilen moet,
    Gelijk een adder, fel van beet,
    Zich schuilhoudt onder ’t bloemtapeet,
    Zij wil ontvluchten, maar terstond
    Grijpt hij haar aan, en houdt haar vast,
    En wil haar kussen op den mond.
    En Jochem roept: „Gemeene hond!
    Kom, bij! ’t Is tijd; nu opgepast!
    En nu mijn last voltrokken,—kom!
    Daar komt de bij,—Zom, zom, zom, zom;—
    De bakker heeft schier eer hij ’t weet,
    In zijnen neus den steek al beet,
    Springt achteruit, en hem vergaat
    De lust tot kussen.—„Kameraad!”
    Roept Jochem van zijn wilgetak,
    „Hoe smaakt je dat pikant gebak?”








18.


    De herfst,—de trektijd,—is weêr daar.
    De nachtegaal heeft d’ooievaar
    De vreemde ontdekking reeds gemeld,
    Die Krisje deed; maar of hij al
    Bij iedereen voor wijsgeer geldt,
    In dit zoo zonderling geval,
    Komt, hoe hij peinst, voor zijn gezicht
    Geen licht, geen enkel straaltje licht.
    Ten laatste dunkt het beiden goed,
    De zaak den kievit voor te leggen:
    Misschien kan die er meer van zeggen.
    En weldra vliegen zij met spoed
    Naar d’omtrek van Gallin, alwaar
    De kievit, als verleden jaar,
    Nog woont bij ’t bosch. En de ooievaar
    Neemt, bij hunne aankomst, ’t eerst het woord:
    „Dag, vrind!—Wij zijn met iets verlegen;
    Gij woont zoo lang reeds in dit oord,
    En zijt, zoo dachten wij, genegen
    Niet enkel, maar ook wel in staat,
    Ons voort te helpen.” En nu gaat
    Hij verder heel de zaak vertellen.
    De kievit voelt een killen schrik
    Daarbij langs al zijn leden snellen.
    Springt op, en roept vol vuur: „Ja, ik,
    Ik weet daar, waarlijk, alles van:
    Ik zag het, dat zij daar den man
    Vermoordden: ’k zag ook voor mijne oogen
    Zijn jas en vest hem uitgetogen;
    Vervolgens zag ik óók nog, dat
    Zij ’t lijk met aarde en ruigte en blad
    Bedekten, bij die wilgen, dáár:
    Bruin was de jas; het vest was bont;
    De bakker bond ze bij elkaâr!
    Dat is wel ’t goed, dat Krisje vond!”
    „Ja!” roept de nachtegaal, „bepaald!
    Na ’t geen gij daar ons hebt verhaald,
    Is zonder twijfel dit dat goed;—
    En, dat juist Kris dat vinden moet!”
    „Stil!” zegt nu de ooievaar, „weest stil!”
    En zet zich peinzend op één been;—
    Als hij door neev’len staren wil,
    Dan kijkt hij zóó er ’t best door heen;—
    „Laat mij een wijle hier alleen!”
    Ten laatste is hij gereed, en vat
    Een, naar ’t hem voorkomt, wijs besluit.
    Hij slaat nu fluks zijn wieken uit
    En vliegt naar ’t water heen. Daar zat
    De kikker weêr op ’t plompen-blad.
    En langbeen sprak: „Zoo! goeden morgen!
    Mijn vriend! och, kom wat naderbij.”
    „Ik dank je; ’k hoop er voor te zorgen,
    Dit niet te doen,” zegt de and’re; „gij
    Kunt nooit me iets zeggen of iets vragen,
    Dat eenigszins mij kan behagen.”
    „Wat? ’k Ben zeer gunstig u gezind.”
    „Nu,” zegt de kikker, „wie een vrind
    Ooit in verzoeking brengt, doet kwaad;
    ’k Zal hier wel naar u luist’ren; laat
    Mij hooren, wat gij hebt.”—„Voorwaar!
    Hij is niet dom,” denkt de ooievaar.
    „Maar goed; hij is een volgend jaar
    Al weêr veel vetter nog dan nu.”
    „Hoor!” zoo vervolgt hij dan, „’k wil u
    Gaarn’ laten zitten, waar gij zit;
    Wat ik verlang, is enkel dit:
    Kunt gij me ook zeggen, waar de muis
    Zich heeft gevestigd metterwoon?”
    „Ja wel; die houdt daarginder huis.
    Daar op de hoogte, in ’t klavergras.”
    „Welnu, dan is het goed, mijn zoon!
    Alleen de mededeeling was
    Dat, wat ik wenschte. Nu, ik zeg
    U thans vaarwel; ik ga weêr weg.
    Houd u maar goed, en leef gezond,
    En word intusschen vet en rond;
    Ik krijg u dan toch in mijn mond,
    En dan zal ’t lekker zijn.”—„Jou, hond!”
    Zegt nu de kikker, boos; en ras
    Plomt hij naar onder in den plas.
    En de ooievaar ging nu terstond
    Den berg op, om de muis te zoeken,
    En keek in reten en in hoeken,
    Totdat hij werkelijk hem [6] vond.
    Hij grijpt hem, en spreekt zóó hem aan:
    „Ha, ha, kanalje! dat ’s jou werk,
    Niet waar? om zoo op roof te gaan;
    Jij eet je dik en vet en sterk
    Aan ’t geen volstrekt niet jou behoort;
    Noem jij dat zeed’lijk?—Spreek geen woord,
    Of aanstonds daal je, tot je straf,
    Zieltogend in mijn slokdarm af.”
    De muis smeekt jamm’rend om genade,
    En spreekt: „Ja, heer! ’k heb kwaad gedaan;
    Maar, och! mijn kind’ren en mijn gade,
    Die zetten daag’lijks weêr mij aan;
    En ’k denk dan al;—ik, arme ziel,—
    Wat juist zoo voor mijn huisdeur viel,
    Dat zal ’k maar pakken. O, ’t is zeker,
    Ik doe niet goed; ’k ben wetverbreker;
    Maar gij zijt heer, en ik ben knecht,—
    Och, oefen toch genadig recht!”
    „Nu, ditmaal zal ik ’t nog vergeven;
    Maar, voor die redding van uw leven,
    Zult gij ook doen, wat ik u zeg:
    Gij trekt uit dezen omtrek weg,
    En gaat met dochters, vrouw en zonen,
    Je weet wel, bij dien bakker wonen,
    Waar Fiek, de kleine Poedel, dient.
    Daar woont ook Kris, haar jonge vriend;
    En wat die Kris je zeggen zal,
    Dat doe je, altijd en overal.
    Daar is een gat, en in dat gat,
    Daar ligt een jas en nòg al wat,
    Daar ga je wonen; en hoe dàn
    Te doen, daar hoor je later van.
    Maar Krisje mag daar ook verblijven,
    Je zult hem nooit daaruit verdrijven;
    Je zult ook Fiek nooit schrik verwekken,
    Niet kruipen in haar bed, of ’k zal,
    Dat zeg ik je ernstig, eens voor al
    Je ’t vel dan over de ooren trekken.
    Dus, oude schelm! Houd woord! Sta pal!”
    En de ooivaar vliegt nu omhoog;
    De muis ziet met deemoedig oog
    Hem na, en vouwt de handen saâm,
    En zucht: „Welnu in ’s hemels naam!
    In naam ook van den ooievaar!
    Ik zal dan maar gaan wonen daar.
    ’t Beviel mij anders hier ook best;
    ’k Had hier een kostlijk winternest;
    En ’t is al weêr een heele last,
    Met vrouw en kindren op te breken;
    Maar, wil dat eens zoo’n hoogen gast
    Dan moet men maar niet tegenspreken;
    En, bovendien, een bakkershuis
    Is nog zoo slecht niet voor een muis.”
    Hij piept zijn volkje ras bijéén;
    En dra trekt de familie heen.
    En, zie! op ’t pad, waarlangs zij gaan,
    Zien zij toevallig Fieken staan.
    Alleen en treurig stond die daar,
    Al turend naar den ooivaar,
    Die juist daar over kwam gevlogen;
    En tranen stonden in haar oogen;
    Want Fieken had,—juist ook vandaag,—
    Gallin bezocht; zij wou zoo graag
    Haar ouders een en ander zeggen.
    En met hen saâm eens overleggen.
    ’t Was Zondag, maar haar vader zat
    Niet t’ huis; die was juist uitgegaan,
    Voor wien hij veldwerk had gedaan.
    Maar moeder stond het zeer goed aan,
    Dat Fieken kwam: dat gaf haar stof,
    Om recht naar hartelust te praten,
    Van koe en zwijn, van huis en hof;
    Niets, niets werd onvermeld gelaten.
    Maar ’t meiske kon niet langer meer
    Nu zwijgen, en zij ging het wagen
    Aan moeder haren nood te klagen.—
    Maar, ach! daar trof ze geen mooi weêr.
    Want moeder zei: ze had geen plan,
    Haar zondagmiddag te besteden
    Aan ’t luist’ren naar die malligheden,
    Die kinderachtigheid; en dan:
    Zoo iets kwam overal wel voor;
    Fiek maakte er te veel leven van;
    En zij behoefde ook geen gehoor
    Te leenen aan ’t geen leelijk was;
    En, ’t kussen kwam wel niet te pas;
    Maar had zij dan nog niet haar handen,
    Wanneer haar iemand aan wou randen?
    „Och, kind! een mensch komt nooit terecht
    Wanneer hij zich niet weet te voegen,
    En aanstonds klaagt van naar en slecht.
    Al geeft die dienst je geen genoegen.
    Je moet er blijven; laat je raân!
    Hoe zou ’t ook voor de wereld staan,
    Indien ’t bericht hier rond moest gaan:
    Fiek is al uit haar dienst vandaan?
    Wie nam je ook dan terstond weer aan?
    Neen! gist’ren sprak me nog vrouw Snoet
    Van haar Johan; die maakt het goed:
    Die maakt het zóó, dat, waar gebeurt,
    Dat hij vertrekt, men hem betreurt,
    En nooit vertrekt hij, of ’t moet zijn,
    Dat elders meer weêr valt te leeren;—
    Hij is op heden aan den Rijn;—
    Zie! zulk een wandel moet men eeren;
    En zoo moet gij ook doen, altijd.
    Maar, staak nu dat benauwd gekrijt,
    Want blijven moet gij, waar ge zijt.”
    Dat was de troost, dien moeder gaf.
    En Fieken trok verdrietig af;
    En toen ze, op weg, genaderd was
    Aan ’t plekje, waar eens in het gras
    Johan lag,—zag op eens haar oog
    Den ooievaar, die hoog, heel hoog,
    Zich, lustig zwevend, voortbewoog,
    En aan den lichten slag der schachten
    Van dien zoo vrijen ooievaar
    Verbond het arme kind gedachten,
    Die pijnlijk waren, droef en zwaar:

        Gij kunt uw vleug’len strekken,
          Vrij, over zee en land;
        O! kon ik met u trekken,
          Ver, ver van smaad en schand’!

        Omlaag hier, drukken grieven
          Op ’t arme hart, zoo zwaar;
        Kon ik de lucht doorklieven,
          Als gij, lieve ooievaar!

        Wie liefde in zijn gedachten
          En hart draagt, diep en stil,
        Moet maar geduldig wachten,
          Of ’t beter worden wil.

        O! groet toch duizendmalen
          Mijn Hannes, aan den Rijn!
        Want, naar ik hoor verhalen,
          Daar ergens moet hij zijn.

        O! kon ik u verzellen!
          Als gij, gevleugeld zijn!
        En immer verder snellen
          Tot aan den groenen Rijn!








19.


    Bij Keulen ligt, aan d’oeverrand
    Des Rijns, een steenblok in het zand;
    En daarop zit, in diepen rouw,
    Van dag tot dag een Joodsche vrouw.
    Vol rimpels in haar oud gezicht;
    Het matte hoofd naar de aard gericht,
    En aan haar holle en donkere oogen,
    Beschaûwd door witte wenkbrauwbogen,
    Ontschiet een somber flikk’rend licht.
    Steeds tuurt zij naar het oosten heen,
    Met diep gezucht en stil geween;
    Zij weent haar handen nat, die krom
    En lam zijn, door den ouderdom.
    Dáár toog hij heen, haar eenig kind,
    Haar zoon, door haar zoozeer bemind,
    Haar Izaäk, zoo sterk en schoon,
    Haar levensvreugd, haar moederkroon!
    Hier, bij dien steen, op deze plek,
    Hier was de plaats van zijn vertrek;
    Hier had zij hem voor ’t laatst gekust,
    Hier ’t laatst vaarwel hem toegesproken;
    Hier had zij ook den ring gebroken,
    Waarvan de helft nog, met een band
    Omstrikt, op haren boezem rust,
    En de and’re helft— —in moord’naars hand!
    Hier zit ze nu al jaar en dag,
    En klaagt haar eind’loos wee en ach;
    Bij winterkoû en zomergloed
    Blijft steeds één wond in haar gemoed.
    En, gaat zij huiswaarts, vol verdriet
    Lispt dan haar stem: „Hij kwam nog niet;”
    En, legt zij op haar bed zich neder,
    Dan zegt ze: „Morgen ga ik weder.”
    Geen mensch is bij haar. De oude weêuw
    Heeft slechts één huisgenoot: een spreeuw,
    Die langs haar heen en weder sluipt
    En onder kast en kisten kruipt.
    Dat dier had,—’t was al lang geleden,—
    Zich laten vangen, en men had
    Hem toen den tongriem losgesneden.
    Wat hij nu dikwijls hoorde, dat
    Herhaalde hij. Zoo riep hij ’t woord
    Zeer dikwijls uit: „De moord! de moord!
    En klaagde ook somtijds, dof en zwak:
    „Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”
    En riep dan weer, met luid misbaar:
    „Vloek! Driemaal vloek den moordenaar!”
    Dat beest is alles, wat zij heeft,
    En wat die vogel hooren laat,
    Is echo, die steeds wedergeeft
    Wat haar door ’t hoofd en ’t harte gaat.—

    En, naast haar stille en somb’re kamer
    Hanteert Johan den grooten hamer,
    Met ruime borst en forschen arm,
    En werkt zich lustig moe en warm.
    Het zwaarste werk is steeds voor hem;
    En komt er iets, wat niemand kan,
    Dan hoort men dra des meesters stem:
    „Gaat weg maar, jelui!” Roept Johan!
    Doch in de werkplaats niet alleen
    Was hij geacht; maar evenzeer
    Ook in de herberg; steeds, wanneer
    Daar Hanne was, was iedereen
    Recht goed geluimd; men hield er vreê;
    Hij deelde aan allen vreugde meê.
    Alleen als de oude smidsgezel,
    Die booswicht, zich daarbij bevond,
    Dan voelde zich zijn hart niet wèl,
    Dan wou geen liedjen uit zijn mond.

    Eens, toen hij nog wat buiten stond,
    Nadat hij, om dien man te ontwijken
    ’t Gelagvertrek was uitgegaan,
    Kwam wagg’lend een jodin daar aan;
    Oud was ze en scheen haast te bezwijken;
    Aamechtig blijft ze een wijle staan,
    En grijpt een deurpost. Met een lach
    Vol hoon en smaad komt nu de smid,
    De dronken woest’ling, voor den dag,
    Van uit het raam, waarbij hij zit,
    En, met een schor en scherp geluid,
    Jouwt hij haar onbarmhartig uit.
    En de oude vrouw verneemt die stem
    En kijkt naar ’t raam; daar ziet zij hem,
    Hem met dat leelijk, boos gezicht,
    Dat zij al kent, dat op den duur
    Haar voorzweeft, ook in ’t nacht’lijk uur,
    Als ze op haar eenzaam leger ligt.
    Dat is de ellendeling, wiens beeld
    Haar allen zielenvrede ontsteelt,
    Dat is de satan, voor wien zij
    Eenmaal een voetval heeft gedaan,
    Om toch te weten,— — —„ja!” ’t is hij,
    Die eens dien doodslag heeft begaan.
    Gelijk een spook, een graf ontstijgend,
    Richt zij zich voor hem op; en hijgend
    En bleek breidt zij haar handen uit,
    Die nu van zwakte en woede trillen;
    En, op een toon, om van te rillen,
    Vervloekt zij, aak’lig schril en luid,
    Met alles, wat de menschenspraak
    Ooit uitvond, om er vloek en wraak
    En helleweeën meê te noemen,
    Den snoodaard. Maar bij dat verdoemen,
    Door vuur’gen haat haar hart ontlokt,
    Vergaat haar laatste kracht, en stokt
    Haar oude stem; en, diep geschokt,
    Zinkt zij in onmacht neêr, maar toch,
    Een vloek zweeft op haar lippen nog.
    Johan, die alles heeft gezien,
    Schiet toe, om bijstand haar te biên;
    En tilt haar hoofd op, en hij legt
    Het medelijdend in zijn arm.
    Dat ziet de booswicht aan en zegt:
    „Hoe heerlijk, jongenlief! hoe warm
    En innig rust je schatje daar!
    Je bent zoo saâm een aardig paar!”
    En hiermeê slaat hij ’t venster dicht.
    En Hanne, verontwaardigd, richt
    Met luider stem nog ’t woord daarheen:
    „Ja, schurk! Mijn arm zal haar beschermen;
    Als hier geen mensch zich ging erbarmen,
    Er kwam erbarming in een steen!”
    Hij brengt haar bij: en nu, hij wacht
    Een poosje nog, tot weêr haar kracht
    In staat haar stelt, om voort te gaan;
    Biedt op zijn arm een steun haar aan,
    Terwijl hij vriendelijk en zacht
    Haar toespreekt; en zoo gaat hij voort
    Tot ze is, daar waar zij t’huis behoort.—
    Daar had hij lang reeds, af en aan,
    Haar daag’lijks in en uit zien gaan.—
    Bij ’t binnentreden klinkt de schreeuw,
    Zoo droevig-klagend, somber-zwak,
    Hem tegen van den ouden spreeuw:
    „Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”
    Nu legt hij haar op ’t leger neder,
    En aanstonds klinkt het woord daar weder,
    Al krijschend, maar volkomen klaar:
    „Vloek! Driemaal vloek den moordenaar!”
    En de oude slaakt een bang gesteen;
    Een huiv’ring siddert door haar leên;
    De vogel klaagt en scheldt dan weêr;
    En grauw valt de avondscheem’ring neêr,
    En schaduwbeelden, op den duur
    Steeds zwarter, sluipen langs den muur.
    ’t Is Hanne nu, of de oude dingen,
    Die aan de wanden staan, rondom,
    Zich om hem henen samendringen,
    Herschapen tot een spokendrom;
    ’t Is Hanne nu, of voor en na,
    Een deksel hier, en daar een lâ
    Zich opent, zonder menschenhand,
    En of daaruit dan schimmen kijken,
    En rits’lend door de kamer strijken,
    En zwervend dolen langs den wand,—
    Ontstegen aan hun donk’re hoeken,
    Om zuchtend eene daad vol schand’
    En ongerechtigheid te vloeken.
    Maar toch verliest hij niet den moed,
    Verzorgt de grijze trouw en goed,
    En als zij ’t oog soms opwaarts slaat,
    Vraagt hij deelnemend, hoe ’t haar gaat.
    Zij beurt ter helft zich op en legt
    Haar hand hem op het hoofd, en zegt
    Daarbij iets, wat hij niet verstaat;
    Het is een taal, die hij niet kent.
    Maar na dat vreemde momp’len wendt
    Zij andermaal zich heen tot hem,
    En spreekt met goed verstaanb’re stem:
    „Ja, tand om tand, en oog om oog!
    Zoo zeeg’ne God u van omhoog!
    Gij stond mij in mijn jammer bij:
    De God van Vader Abram zij
    Uw schild, en zeeg’ne uw levenslot!
    Zoo doe Jehovah-Zebaoth!”—
    Nu, zegt zij, kan hij henengaan.
    Hij gaat, maar ’t is hem vreemd om ’t hart;
    Het is, als grijpt hem duiz’ling aan;
    Hij heeft vandaag in menschensmart
    Voor ’t eerst een held’ren blik geslagen;
    Voor ’t eerst gezien de hel vol plagen,
    Waar de een den and’re in nederstoot;
    Het is, of een gewicht van lood
    Hem drukt op ’t hart, en of zijne oogen
    Van zware neev’len zijn omtogen;
    Het is, of hij ook zit gesnoerd
    Aan ’t koord van zonde en van ellende,
    Dat hij zóó vroeger nog niet kende,
    En op en neêr wordt meêgevoerd.— —
    En sinds dien dag kwam meer en meer
    Iets sombers in hem; en wanneer
    De rust van d’avond ’t werk verving,
    Bezocht hij de oude, telkens weêr,
    Om te onderzoeken hoe ’t haar ging,
    Hij sprak haar dan vertroostend aan;
    Hij haalde water, hakte hout,
    En al wat zij, zoo zwak en oud,
    Niet kon, dat werd door hem gedaan.
    Zoo kwam hij bij haar alle dagen,
    En wist toch niet, waarom hij ’t deed;
    ’t Was meer dan deernis met haar leed;—
    Die scheen ze ook niet van hem te vragen;—
    ’t Was meer ook dan nieuwsgierigheid:
    Den sluier, op dien moord gespreid,
    Kon zij, zoo min als hij, doen scheuren;—
    Toch trok ’t hem aan, met haar te zijn.
    En met en nevens haar te treuren,
    Met weêrpijn van haar hartepijn.
    ’t Was of een vreemde tooverkracht
    Gedurig weêr hem tot haar bracht.
    En als hij daar niet wezen kon,
    Dan stond hij dikwijls en verzon,
    Of hij toch ’t middel niet kon vinden,
    Om van ’t geheim den knoop te ontbinden.

    Verloopen was het tweede jaar,
    Vertrokken was weêr de ooievaar,
    Vertrokken was de nachtegaal,
    De lijster en een gansche stoet,
    Maar geen had toen voor hem een taal,
    Geen had voor hem een vriendschapsgroet.
    Geen vogel hoort de werkman zingen,
    Die bij den fellen, laaien gloed
    De tang hanteert en zwenkt den hamer;
    En tot de duist’re jodenkamer
    Vermag ook ’t lied niet door te dringen,
    Slechts de ooievaar had hem zien staan,
    Bij ’t overvliegen van den Rijn,
    En was hoofdschuddend voortgegaan,
    En had daarbij toen dit gezegd:
    „Hoe kunt ge zoo kleinmoedig zijn?
    De zaak, die gij zoo overlegt,
    Is ònze zaak, en komt terecht.”
    Maar ook zijn makkers schudden ’t hoofd:
    Hij was gansch anders dan voorheen,
    Hij was van vreugd en fleur beroofd,
    En leefde voor zich zelv’ alleen.
    Zijn arbeid deed hij, als weleer,
    Maar ook niets anders, en niets meer;
    Geen grap, geen scherts, geen jokkernij:
    Dat was voorbij, geheel voorbij
    Zij lieten hem een poos begaan,
    Maar spoedig ving het plagen aan;
    Eerst fiuist’rend nog, maar dra ook luid.
    Kwam toen de dart’le spot er uit.
    Of hij misschien die oude vrouw
    Tot echtvriendin zich kiezen zou,
    Of enkel van haar erven wou.
    En, was eens Hanne niet er bij,
    Dan gaf de booze smidsgezel
    Steeds voedsel aan die spotternij.
    En in de smederij, zoowel,
    Als in de herberg,—allerwegen
    Kwam hem geplaag en schimpscheut tegen.
    Zijn meester spreekt hem ernstig toe:
    „Hoe zijt ge zoo,—ik weet niet hoe,—
    Zoo vreemd, zoo anders dan weleer?
    Gij waart zoo opgeruimd voorheen,
    En hadt ook vreê met iedereen;
    Maar dat is nu al lang niet meer;
    Hoe kwam daar zoo’n verand’ring in?
    Wat hebt gij toch met die Jodin?”
    „Niets heb ik met haar,” zegt Johan;
    „Niets, wat een ander aangaan kan.
    Gij echter, die mij al den tijd,
    Dien ’k bij u heb in dienst gestaan,
    Een trouwe vriend gebleven zijt,
    En immer mij hebt goed gedaan,
    Gij zijt bevoegd, er naar te vragen:
    Die oude vrouw had zware slagen;
    ’k Beklaag het arme mensch; dat is ’t.”—
    „Arm is zij niet; in kast en kist
    Heeft ze,—ieder weet het,—geld en goed
    En kostbaarheên in overvloed.
    Maar zie toch in, dat zij, gewis,
    Voor jou geen goed gezelschap is.
    ’t Verkeer met haar kan slechts je schaden;
    Dus, wees voorzichtig; laat je raden;
    Zoek haar niet meer zoo op; men zegt
    Veel leelijks en veel laags van haar;
    Ga,—dan komt alles weêr terecht,—
    Weêr naar de herberg heen, alwaar
    Gij de oude en u bekende vrinden
    Gedurig weder saâm kunt vinden;
    Doe daar weêr vroolijk met hen meê,
    En wees geen uil meer bij de kraaien;
    Zaai vreugd en gij zult vreugde maaien.”
    Wat hem zijn meester hooren deê,
    Dat bleef, bij ’t heengaan, in zijn ziel.
    Toen hij de werkplaats intrad, viel
    Zijn oog wel op den smidsgezel,
    Die heimlijk-sluipend, maar toch snel,
    Er uit ging; maar dat was wel meer
    Gebeurd, en dus ook dezen keer
    Dacht daar Johan niet verder aan.
    Doch toen hij aan zijn werk wou gaan,
    Zocht hij zijn hamer vruchteloos;
    Den hamer, dien hij nog altoos
    Op ééne plaats leî bij de hand,
    En waar een kruis stond ingebrand,
    Van acht’ren in den steel. Met wrevel
    Rukt hij zich ’t schootsvel af, en zegt;
    „Ik zie den hamer niet; en, evel,
    Ik heb hem gist’ren hier gelegd;
    Nu, goed! Wanneer hier alle zotten
    Het eens zijn, om mij te bedotten,
    Daar ligt de boêl!”—En hij gaat heen.
    Zijn makkers lachen; maar van één
    Dier makkers wordt het woord vernomen:
    „Snoet! gaat gij Maandag-houden heden?
    Wacht even; wij ook zullen komen,
    En dan u leeren, wat den leden
    Van ’t vak betaamt.” En bij dat woord
    Voegt Hanne nog den spreker toe:
    „Wij zullen zien,” en hij gaat voort.
    Maar onderweg bedenkt hij, hoe
    Het was bedoeld. Ja, wel, ’t is waar,
    ’t Is Maandag juist: en de ambachtslieden
    Vergaad’ren heden met elkaâr;
    En voor hetgeen daar moet geschieden
    Staat in de herberg ook reeds klaar
    De kist van ijzer, die den schat
    Der akten van het gild bevat.
    „Dat komt me intijds nog voor den geest,”
    Denkt Hanne; „zou die kerel meenen,
    Dat ’k bang ben? Neen, ik ga er henen;
    Ik ben nog nooit bestraft geweest
    Vanwege ’t gild, en nooit bekeurd;
    ’k Wil wel eens zien, wat nu gebeurt.”








20.


    Hij gaat ter herberg heen. Daar zit
    Van ’t smedengild het oudste lid:
    Twee meesters nemen plaats daarnevens,
    En vier gezellen zetten tevens
    Zich aan diezelfde tafel neêr,
    In ’t midden van een groote zaal.
    En ééns laat de Oudste, en nog een keer,
    En nog eens weer, ten derdenmaal,
    Den hamer op de tafel vallen,
    En richt vervolgens ’t woord tot allen: [7]

„Met uw welnemen, gezellen! stilte!—’t Is heden vier weken geleden, dat
wij voor ’t laatst eene vergadering hebben gehouden. En het is hier bij
’t ambacht het gebruik, dat men, ten minste om de vier weken, in de
herberg samenkomt en rondvrage doet. De meester-gezel zal de kist ter
tafel brengen, overeenkomstig hetgeen bij ’t ambacht gewoon en
gebruikelijk is.”

    Die brengt de kist, maar blijft dan staan,
    En spreekt Bestuur en Leden aan:

„Met uw welnemen, dat ik van mijne plaats afkome en voorwaarts stappe
op dezen vloer van vader, den waard, en moeder, de waardin, en toetrede
tot de tafel van de goedgunstigste meesters en gezellen.”

Daarop zegt de Oudste: „Dat zij u vergund!”

De jongere gezel laat nu de kist los en spreekt:

„Met uw welnemen, dat ik de kist op de tafel der goedgunstige meesters
en gezellen plaatse. Met uw welnemen heb ik aangevat; met uw welnemen
laat ik los.”

    En de Oudste geeft hem te verstaan,
    Dat hij nu weêr terug kan gaan,
    Ontsluit de kist, en haalt er dan
    Dat uit wat noodig wezen kan.
    Voorts teekent hij een dubb’len kring:
    Één dicht, één met een opening,
    Een oop’ning die zijn rechterhand
    Met duim en vinger overspant,
    Ten teeken, dat hem is gegeven
    De bovenhand, en elk behoort
    Wat zijn wil voorschrijft, na te leven.
    Vervolgens neemt hij weder ’t woord:

„Met uw welnemen, zoo heb ik den gezellenkring geteekend; hij zij groot
of klein, ik overspan hem, en schrijf er de gezellen in, die hier in ’t
werk zijn. Schrijf ik te veel of te weinig, zoo komt er wel een rijk
koopman, die straf en boete voor mij betaalt.”

Nu klopt hij driemaal op de tafel en spreekt:

„Met uw welnemen, zoo heb ik macht en gezag, en trek den gezellenkring
toe!”

    En met het krijt, dat vóór hem ligt,
    Trekt hij den open cirkel dicht.

„Met uw welnemen, gezellen! stilte!—Ik heb u ingeschreven; is deze of
gene vergeten geworden, die melde zich aan. Maakt u gereed tot het
storten uwer bijdragen.”

    En nauw’lijks is dat woord verstaan,
    Of al de werkliên treden aan,
    En storten, één voor een hun geld.
    Nu niemand meer wordt aangemeld,
    Nu is ’t de beurt der vreemdelingen.
    En de oudste vangt aldus weêr aan:
    „’t Is ’t recht der overleveringen,
    Waarnaar hier immer is gedaan,
    Dat ied’re smid, die veertien dagen
    Hier werkt, en langer nog wil blijven,
    Zich in ’t genootschap in laat schrijven.
    Wilt gij u ook daarnaar gedragen?
    Zoo raak dan, vreemd’ling, met uw hand
    Den hamer, die mijn vuist omspant.”
    En aanstonds wordt, met welbehagen,
    Zóó door den vreemd’ling ’t woord verpand.

De oudste.

    God geve u vrede en heil, mijn smid!

De vreemdeling.

    Mijn smid! de Heer vergelde u dit!

De oudste.

    Waar hebt gij rondgedoold, mijn smid!
    Uw schoenen zijn van stof gansch wit,
    Uw haren zijn verward, uw baard
    Steekt zijlings uit gelijk een zwaard.
    Die baard, en tevens uw manieren,—
    Die zouden zelfs een meester sieren;—
    Hebt gij ’t tot meester reeds gebracht?
    Of is ’t een graad, dien gij nog wacht?

De vreemdeling.

    Mijn smid! ik trek in ’t rond door ’t land.
    Gelijk een kreeft doet over ’t zand,
    Gelijk een visch doet in de zee,
    En ’k win met eer mijn brood daarmeê.
    Een meester ben ik niet, maar toch,
    ’k Denk altijd dezen titel nòg
    Te krijgen, zij het ginds of hier.
    Een mijl verwijderd van de kringen,
    Waar honden over heggen springen, [8]
    Daar is men meester met plezier.

De oudste.

    Mijn smid! zeg op, hoe moet gij heeten,
    Als ge in de herberg binnengaat,
    Waar de actenkist geopend staat,
    En de gezellen zijn gezeten?

De vreemdeling.

    Mijn naam zal Zilvernagel zijn.
    Gesproten ben ’k uit edel bloed.
    Mijn stam eet goed en drinkt ook goed
    Ook ik ben vriend van vleesch en wijn.
    ’k Heb,—tot op éénen ouden hoed,—
    Verteerd, wat mij mijn vader liet.
    ’t Is waar ook, ja,—mijn smid! ik schiet
    Nog in een lach, als ’k denk daaraan;
    Ik liet dien hoed als pand eens staan
    Ginds, bij een herbergier:—’t zij hij
    Er in zijn schik of boos om zij,
    Ik los dien stellig nimmer in.
    Wilt gij hem lossen? Hebt gij zin?
    Dan leg ik gaarne een stuiver bij.

De oudste.

    Mijn smid! wat van dien hoed ook zij,
    Dien ik voor mij toch niet begeer,
    Uw naam van Zilvernagel klinkt
    Zeer schoon; en ’t is een naam, die blinkt;
    Wij houden zeker dien in eer,
    Hoe komt ge er aan? Er voor gezongen?
    Of voor gewerkt? Of voor gesprongen?

De vreemdeling.

    Mijn smid! o ja, ik kon goed zingen
    En, zeker! ik kon ook goed springen;
    Maar daarmeê lukte ’t mij nog niet.
    Er is veel meer, veel meer geschied,
    ’k Moest werken, zorgen, zwoegen, loopen.
    Om voor mijn werkloon hem te koopen,
    En kon hem zóó nog niet behalen;
    ’k Moest ook met drinkgeld hem betalen.

De oudste.

    En in welk land, in welke stad
    Hebt gij dat groot geluk gehad?

De vreemdeling.

    Te Brambor, [9] waar men veel meer bier
    Verwerkt, dan goud en zilver hier.

De oudste.

    Mijn smid! geef mij drie namen aan
    Van wie,—zoo zijn hier onze wetten,—
    Bereid zijn, voor u in te staan.

De vreemdeling.

    Hier zijn ze; wil er goed op letten:
    Peter smee-’t-ijzer,
    Fiksch voor het blok,
    Vlug met den balg.
    Ik hoop, dat dit voldoende zij:
    Of ’k doe, als vierde van de rij,
    Er Koenraad Zilvernagel bij.

    Nog vroeg hem de Oudste dit en dat;
    En bij de hand en zeer gevat
    Had steeds de vreemd’ling ’t antwoord klaar.
    Als hij zijn bijdraag’ had gegeven
    Werd dan zijn naam ook ingeschreven
    In ’t boek der broederschap aldaar.—
    Vervolgens vangt de rondvraag aan,
    Of iemand ook een twistzaak heeft,
    Of iemand niet heeft nageleefd
    De wet, of tegen ’t vak misdaan.

De Oudste staat op en zegt: Met uw welnemen, gezellen! stilte! ’t Is
heden vier weken geleden, dat wij voor ’t laatst vergaderd waren. Heeft
er in dien tijd iets plaats gehad, wat den een of den ander niet naar
den zin is, zoo moge hij opstaan voor meesters en gezellen en de zaak
in omvraag brengen.

    „Het zal hem wel veroorloofd zijn.
    Elk breng’ zijn zaken voor den dag.
    Gij weet, in ’t huis van vader [10] mag
    Elkeen, die bij zijn bier of wijn
    Gezeten is met zijn gezellen,
    Wat hem op ’t harte ligt, vertellen.
    Men heeft in stegen en op straten,
    Elkander steeds met vreê te laten;
    Geen recht te zoeken onderweg,
    En ook daarbuiten niet te praten
    Van ’t geen tot dezen kring behoort.
    En daarom let op ’t geen ik zeg,
    Houdt u daaraan, en zegt het voort:—
    Die heden zwijgt, moet blijven zwijgen,
    Niet elders,—hier is recht te krijgen.
    Al wie iets weet, hij spreke dan;
    Wij nemen gaarne er kennis van.
    Dit zeg ik eenmaal, andermaal;
    Terwijl ik ’t nog eens weêr herhaal;—
    En, niemand duide ’t mij ten kwade,
    Wanneer ik wijs op boete en straf;
    Elk legge zijn getuig’nis af,
    En ieder wachte zich voor schade.”
    De booze smid nam toen het woord.
    Hij wou, zoo sprak hij, wel eens vragen,
    Of brandhout hakken, water dragen,
    Ook tot het smedenvak behoort,
    En of hij is een waardig smid,
    Die steeds, in plaats van, blij van zinnen,
    ’t Verkeer met kameraads te minnen,
    Bij oude jodenwijven zit.
    En aanstonds sprak ’t gerecht zich uit:
    „Zeg ons, wien gij hebt aangeduid,
    Naardien de man, die zoo misdoet,
    Een dubb’le boete hebben moet.”
    Toen wees hij op Johannes Snoet.
    Nu zoekt zich Hanne te verweren,
    Maar op zijn woord geeft niemand acht;
    ’t Gerecht en de vergaad’ring lacht;
    En ook zijn eigen makkers keeren
    Zich tegen hem met grieve en klacht.
    En wat Johan ook zeggen moog’,
    Hij spreekt geen woord, dat hem bevoordeelt,
    Hij wordt verongelijkt, veroordeeld;
    En, met verkropte woede in ’t oog,
    Legt hij zijn geld, als boete neêr,
    En keert naar zijne zitplaats weêr.
    En de oudste spreekt: „Als niemand meer
    Iets heeft, hoort mij dan aan: wij zullen
    De gelden tellen, en alsdan
    Ons frisch de bekers laten vullen,
    En nemen ons genot er van.
    Wij zullen bier ons laten tappen,
    Waar mooie meisjes met ons snappen,
    En ’t kannedeksel laten klappen.”

Hij telt het geld en sluit de kist. „Zooals ik het slot van onze
gildekist sluit, zoo moet ieder zijn mond sluiten. Met uw welnemen, ik
sluit, krachtens de macht en ’t gezag, mij verleend. Ik steek mijn
zwaard in de scheede. Ik dek mij het hoofd. Met uw welnemen, gezellen,
dekt u!”

    De werkzaamheden zijn gedaan;
    En ieder vat het drinkglas aan.
    En onder ’t luid en blij gejoel
    Zit ook Johan. Maar ’t dof gevoel
    Van wrok woelt diep in zijn gemoed.
    Zijn blik zoekt nog zijn vijand op.
    Maar die is weg; en ’t is ook goed;
    Want als hij nòg er was geweest,
    Dan was hij denk’lijk van dit feest
    Vertrokken met bebloeden kop.
    Daar zit Johan met bitt’re ziel;
    Dat was voor ’t eerst nu in zijn leven,
    Dat hij in boete en straf verviel;
    En onrecht was aan hem bedreven.—
    Rondom hem duurt het joelen voort;
    Luidruchtiger wordt steeds de kring,
    En een uit de vergadering
    Duwt hem een glas toe, met het woord:
    „Wij willen uw gezondheid drinken!
    Wij willen allen op u klinken,
    O, menschenvriend! Johannes Snoet!
    Wie ’t glaasjen uitdrinkt, meent het goed!”
    Johan wil nu niet laten merken,
    Dat hem ’t geval nog grieft en kwelt;
    Hij drinkt,—maar hij vergeet de perken,
    Die hij zich immer heeft gesteld;
    Hij drinkt te veel:—ten laatste gaat
    Hij wagg’lend weg, en op den tast;
    Hij houdt aan muur en post zich vast,
    En komt zoo op de donk’re straat.
    Eerst loopt hij voort; dan staat hij stil,
    Alsof hij zich bezinnen wil,
    Waarheen moet;—als in een droom,
    Zoo loopt hij verder; alles draait;
    Daar is ’t, of boven hem iets waait:
    Hij kijkt omhoog; ja, ’t is een boom.
    Wat boom zou daar wel voor hem staan?
    Hij grijpt hem vast en kijkt hem aan:
    Doch spoedig zakt hij neder, daar,
    En voelt zich, o! zoo ziek, zoo naar,—
    Maar valt in slaap, en slaapt zoo door,
    Tot de allereerste morgengloor
    Een schemerschijn door ’t oosten trekt.
    Dan wordt hij door den vink gewekt,
    Die uit het groen de harde taal
    Hem hooren doet: „Sta op, schandaal!
    Zeg! wat manier van doen is dat?
    Nog slaapt gelukkig heel de stad,
    Zoodat geen mensch er nog van weet;
    Maar ga naar huis en schaam je wat,
    Jij, losbol! over ’t geen je deedt!”
    Hij krabbelt overeind; de kou
    Jaagt hem een bibb’ring over ’t lijf,
    Hij kijkt in ’t rond en denkt: „Hoe zou
    Ik aan dit vreemde nachtverblijf
    Gekomen zijn? Wat is geschied?”
    En nu, zoo peinzend, ja! nu ziet
    Hij voor zijn geest den boozen smid,
    De herberg, alles. En met smarte,
    De scherpe smart der schaamte, in ’t harte,
    Gedenkt hij, hoe de smaad hem tartte,
    Maar voelt; de grootste schande is dit.
    Naar huis! Naar huis!—Verward, ontdaan,
    Sluipt hij nu voort, komt eind’lijk aan
    Bij zijne werkplaats, en hij ziet,
    Terwijl hij ’t slot doet opengaan,
    Nog rond, of niemand hem bespiedt:—Goddank!
    getuigen zijn er niet.
    Maar,—maar,—daar hoort hij toch geluid,
    Gesteun, gekerm;—het zet zich uit;—
    Of is ’t verbeelding slechts van hem?
    Neen! neen! dat is een menschenstem.
    Hij treedt terug, en merkt, het klagen
    Komt uit de kamer der jodin;
    En ruiten zijn daar stukgeslagen.
    Wat mag dat zijn?—Hij tuurt er in:
    Zou ’t mooglijk wezen? Ziet hij goed?
    De oude op den grond! ’t Bed ’t onderst boven!
    Nauw kan hij nog zijn oog gelooven;
    Hij ’t venster in!—God! daar ligt bloed!
    ’t Mensch zwemt in bloed; hij tilt terstond
    Haar hoofd zorgvuldig van den grond,
    Maar weet niet wat hij verder moet.
    Hij legt, terwijl zij keer op keer
    Verschrikk’lijk kermt, op ’t bed haar neêr;
    En wil nu roepen, ’t venster uit,
    Om hulp:—daar ziet hij op de straat
    Zijn meester, die te kijken staat,
    Wat daar geschiedt, wat dat geluid
    En dat gestommel toch beduidt.
    „Wat is dat toch, dat vreemd misbaar?”
    Daar staat Johan, bloed aan zijn handen,
    En aan zijn kleêren; en zijn haar
    Zit wild en ord’loos door elkaâr;
    Zijn lichaam beeft, zijn oogen branden,
    En stott’rend bromt hij door de tanden,
    Dat ook voor hem de gruweldaad
    Een raadsel is; hij had op straat,
    Hij had dien nacht op straat gelegen,
    Hij was pas ’t venster in gestegen.—
    De buurt komt aanstonds op de been;
    Men breekt in haast de deuren open,
    En: „Moord! Een moord!” roept iedereen.—
    Een toon, die aak’lig voort blijft loopen.
    Nu vraagt men: wie? dan vraagt men: hoe?
    En bij dat al doet, af en toe,
    De schorre stem van d’ouden spreeuw
    Zich hooren met den woesten schreeuw:
    „Moord! Moord! Vervloekte moordenaar!”
    En altijd nog staat Hanne daar,
    Zijn hand en kleed bevlekt met bloed,
    En sprekend, hij weet zelf niet goed,
    Hoe en waarvan. Elk ziet hem aan:
    „Zou die het zijn? Heeft die ’t gedaan?”
    „Neen! die vast niet, die was haar vrind;
    Die was haar altijd goed gezind,
    Die droeg haar hout en water aan:
    Neen! neen! die heeft het niet gedaan.”
    „Nu, ja, dat klinkt nu alles goed;
    Maar hoe komt hij dan zoo bebloed?
    Hoe is hij zoo verward van zinnen?
    En hoe kwam hij de kamer binnen?
    ’t Laat, dunkt mij, zich van zelf verstaan,
    Dat hij, geen ander, ’t heeft gedaan.”
    Zoo fluisterde en zoo sprak men daar.
    Maar toen trad uit de dichte schaar
    De baas van Hanne voort en lei
    De hand op hem, terwijl hij zei:
    „Hem ken ik; en hij deed het niet,
    Hij is mijn beste en flinkste knecht;
    Die nooit de baan van eer en recht,
    Van eerlijkheid en trouw, verliet;
    Ook was hij met die vrouw bevrind:
    Ik zal hem, wat men moog’ vertellen,
    En wie zich tegen hem moog’ stellen,
    Beschermen als mijn eigen kind.”
    En juist terwijl dit woord zijn mond
    Verlaat, zien enk’le lieden rond,
    En zoeken nog eens in de kamer,
    En vinden—een bebloeden hamer.
    „Ziet hier! Ziet hier! die hamer lag
    Daar in de bedsteê.” Ieder zag
    In spanning nu den hamer aan,
    En Hanne’s baas zag in den steel
    Het hem bekende teeken staan,—
    En de ademtocht stokte in zijn keel,
    En ’t harte werd hem aangedaan,
    Alsof er ’t onweêr in kwam slaan.
    „O God! mijn hamer!” gilt Johan.
    „Ja! ’t is zijn hamer! ’t Is zijn hamer!”
    Zegt dof en droevig de oude man.
    En ijlings gaat het door de kamer:
    „Hij is ’t! Hij heeft den moord begaan!
    ’t Is klaar, dat hij het heeft gedaan!”
    Toen riep de spreeuw weêr, zacht en zwak:
    „Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”
    En ’t was, als stortte dat geluid
    In Hanne moed en kracht weêr uit;
    Hij hief zijn handen naar omhoog,
    En riep met vurig stralend oog:
    „Al kleeft aan deze handen bloed,
    Zoodat men mij verdenken moet,
    Ik ben onschuldig en bezweer
    Bij mijne ziel, bij God, den Heer!
    Ik heb dit moordwerk niet verricht;
    En, ’k weet, al zwijgt de hemel thans,
    Eens komt de waarheid toch aan ’t licht,
    En doodt den booze met haar glans!”

    De heeren van ’t gerechte komen,
    En artsen ook. Nu wordt Johan
    Terstond in hechtenis genomen.
    En de artsen onderzoeken dan
    De wonden, d’ oude vrouw geslagen,
    En zeggen, als ze hooren vragen,
    Of zij nog beter worden kan,
    Dat dit nog ver van zeker is,
    Maar dat ze, als zij herstelt, gewis,
    Altijd zal blijven zwak van hoofd,
    Zoo niet van haar verstand beroofd.—
    Daarnaast nu in de smederij,
    Waar vroeger scherts en jokkernij
    Steeds t’huis was, en waar steeds zoo blij
    ’t Werk van de hand ging,—is ’t nu stil;
    De lust van ’t leven is voorbij,
    En alles is er dof en kil.
    De baas zit in gepeins verloren
    In zijn vertrek; maar wat hij doe,
    ’t Is, of hem niets meer vlotten wil;
    Hij is zoo droef, zoo droef te moê.—
    O! had hij zóó iets van te voren
    Ooit kunnen weten, kunnen gissen.
    Hij had het beste willen missen,
    Om ’t af te wenden.—„Ach, Johan!
    Gij, gij zoo’n gruweldaad begaan!—
    Maar, ’t kan niet! Waar geloof ik aan?
    En toch,—vanwaar die hamer dan?”
    Zoo denkt hij, en, van schrik vervuld,
    Roept hij op eens: „’t Is mijne schuld!
    Ik heb van ’t vele goed en geld
    Dier oude buurvrouw hem verteld!
    Heeft dat hem niet den stoot gegeven?
    Wierp dat niet in ’t verderf hem neêr?—
    Zoo ja, dan heb ik, heel mijn leven,
    Geen oogenblik van vrede meer.”
    Ook Hanne is eenzaam neêrgezeten,
    In hecht’nis, achter stang en slot.
    O! huiv’ringwekkend was zijn lot!
    ’t Was, of zijn hoofd was opgespleten;
    ’t Was hem zoo vreemd, zoo wee van binnen;
    Verwarring sloeg door al zijn zinnen,
    En bonzend hamerde iedere ader.
    O God! zijn moeder! En zijn vader!
    Zijn Fieken! Ach! En hij nu daar!
    Och of hij dood, begraven waar!—
    En peinzend grabbelt hij in ’t haar:— —
    Hoe is dat?—denkt hij,—neen toch!—maar,—
    Ja,—uit de herberg kwam hij,—ja!—
    En bij dien boom had hij gelegen;
    Toen had hij ’t raam in ’t oog gekregen,
    Dat wijd geopend stond; daarna
    Was hij er met gejaagden spoed,—
    Dat wist hij wel nog,—ingegaan,
    En had bij de oude vrouw gestaan,
    Die op den bodem lag, bebloed.
    Maar toen? Wat was er toen geschied?
    Veel menschen waren in de kamer,
    Waar ook zijn baas zich hooren liet;
    Maar heel veel anders wist hij niet.— —
    Ja, toch! die hamer,— —’t was zijn hamer;
    En daar zat bloed aan;—altijd nog
    Ziet hij dat bloed;—hoe kwam dat toch?
    Hij slaat nu wild den blik naar boven:
    „Mijn God! men zal toch niet gelooven,
    Dat ik,”— —hij klopt en maakt misbaar:
    „Doe open!”—Klop maar, klop jij maar!
    Geen mensch, die acht geeft op je slaan.
    „’t Is leugen! ’k heb het niet gedaan!
    Ik niet!—Bij God! het is niet waar!”
    Men hoort niet, Hanne! klop jij maar.
    „Maar, Heer! die leeft hier en daarboven,
    Men moet, men moet mij toch gelooven;
    Wat waar is, is toch, is toch waar.
    Breng Gij de waarheid dan aan ’t licht!”
    Ja, Hanne! bid maar! bid jij maar!
    De Alziende houdt Zijn lippen dicht.
    Ja, bid maar,—doch, de Hemel zwijgt,
    ’t Kan zijn, dat hij nog deernis krijgt,
    Als lang nog uwe ziel van pijn
    Gekrompen heeft; dan kan ’t nog zijn;
    Licht wordt de waarheid dan nog klaar,—
    Maar zit nu, Hanne! zit jij maar!








21.


    Intusschen woonde reeds de muis,
    Met zijne vrouw, in ’t bakkershuis.
    Hij had, op last van d’ooievaar,
    Zich aangemeld bij Krisje, aldaar,
    En toen die niet heel vriend’lijk was,
    Had hij zoo ernstig en zoo kras
    Zich op ’t bevel, hem voorgeschreven,
    Beroepen, dat dan toch in ’t end
    In ’t hol, aan Krisje alleen bekend,
    Hem vrije toegang werd gegeven.
    De muis, verzeld van zijn gezin,
    Trok vroolijk die verblijfplaats in.
    „Kijk!” sprak hij, „’t is hier waarlijk lief;
    Een mooie plek en vol gerief;
    Alleenlijk zou ik nog begeeren
    ’t Getal der deuren te vermeêren;
    Kom, moeder! met me aan ’t werk gegaan!
    Kom, kindren! ook je best gedaan!”
    Nu, dat was koren op hun molen,
    En onder muur en vloer verscholen,
    Ging de familie fluks aan ’t knagen,
    Aan ’t breken, krabben, schrappen, zagen:
    Een tweede deur kwam in den vloer,
    En, om den wille van het voêr,
    Nog twee ook op den korenzolder.
    Ze werkten flink; het steengruis rolde er
    Al links en rechts door naar beneên.
    En Krisje dacht: „Waar moet dat heen?
    Ik woonde vroeger hier alleen,
    Maar nu, zoo’n troep hier bij elkaâr;
    Mij dunkt, dat geeft nog al bezwaar.”
    De winter komt. Maar de oude muizen,
    En ook de jongen, die daar huizen,
    Zijn al zoo menigmaal verheugd
    Door ’t zoet genot van oudervreugd,
    Dat lang reeds de familiekring
    Den omvang van een staat ontving,
    Maar die van rooven samenhing.
    En de oude muis, ’t hoofd van den stam,
    Was daar bestuurder, en hij nam,
    Tot meer gezag en waardigheid,
    Een titel aan van „Majesteit,”
    Het goed, door Krisjen eens beheerd,
    Werd nu door hem geannexeerd;
    En als de dag gezonken was,
    En Kris zat in de bruine jas,
    Dan werd hij dra door jong en oud
    Daaruit, en uit het gat verdreven;
    Dan zat hij daar, dan was hij koud,
    En onder ’t huiv’ren en het beven,
    Verlangde hij naar ’t lenteweêr.
    En ’s morgens vroeg kwam, keer op keer,
    Zijn vader door de vensterruiten,
    En riep: „Och, Krisje, kom eens hier!
    Uw lieve vader staat hierbuiten:
    Wij hebben weêr geen brood, geen zier;
    Geef mij een stukje, door dien kier;
    Want dankbaarheid is eere en sier
    Der kind’ren: wil die deugd betrachten,
    Wanneer uwe ouders bijstand wachten.”
    „Ach!” zei dan droef de kleine Kris,
    „’k Erken, dat dit betaam’lijk is;
    Maar vaderlief! hoe wil ik geven?
    Zelf weet ik niet, waar ’k van moet leven:
    Dat muizentuig hier, in den grond,
    Neemt mij het brood ook uit den mond.”
    En dan riep Jochem, gansch verwoed:
    „Dat rooversvolk! Dat dievengoed!
    Maar, wacht! is eens de lente daar,
    Dan zien wij weer den ooievaar,
    Die zal de rekels duchtig nijpen,
    Die zich aan and’rer goed vergrijpen.”
    Maar heden hielp dat niet. Het ras
    Der muizen stelde driest zich aan,
    Of ’t liev’ling van den hemel was,
    En zorgeloos zijn gang kon gaan.
    Ze leefden lui, ze maakten pret,
    En sliepen warm in Krisje’s bed;
    Maar Jochem en zijn arme vrouw
    Bedreigde schier de hongerdood;
    En kleine Kris had ook zoo’n nood,
    En leed zoo bitter van de kou.

    Eens zat hij erg zich te vervelen,
    O! had hij thans dien halven ring!
    Dat was zoo’n mooi en glinst’rend ding,
    Zoo aardig, om er mee te spelen.
    Hij sluipt nu naar het muizengat,
    En tuurt, en, zie! wat treft hij dat!
    Geen is er t’huis. Hij kruipt in ’t hol,
    En spoedig brengt hij, vreugdevol,
    Den halven ring er uit, en zit
    Er mee te spelen.—„Wat is dit?”
    Zoo hoort hij nu door vader muis,
    Die in dien tusschentijd weêr t’huis
    Gekomen is, zich vragen.—„Och!”
    Zegt Kris verstoord, „bemoei je toch
    Niet met mijn zaken; ’t is mijn ring.”
    „Jou ring? Heb ’k ooit zoo iets gehoord?
    Hier, zeg ik! toe! geef hier dat ding.”
    Maar Krisje maakt er zich mee voort,
    Vliegt op en zet er zich meê neêr
    Op Fieken’s kist. En Fieken komt.
    De muis keert naar zijn schuilplaats weêr,
    Maar ziet Kris nog eens aan, en bromt:
    „Als zij maar eerst is weggegaan,
    Dan zal ik jou wel nader spreken.”
    En Fiek, ontstemd en aangedaan,
    En vol, alsof haar hart zal breken,
    Zegt weenend,—maar het zacht geluid
    Nog smorend van haar bang geween:—
    „Neen! ’k houd het langer hier niet uit;
    Ik moet, ’k moet naar mijne ouders heen.”
    Ze ontsluit de kist, krijgt haar japon,—
    Haar eenige, die heeten kon
    Een voegzaam kleed;—en, kleine Kris,
    Die weder opgevlogen is,
    Werpt, eer zij ’t deksel vallen doet,
    Den ring de kist in, tusschen ’t goed.
    „Zie zoo! ’k Wil wel aan Fiek hem geven;
    Maar aan de muis nooit van mijn leven!”
    Zoo zegt hij bij zich zelven; maar,
    Dat hij hem had geworpen daar,
    En dat de ring toen naar beneden,
    Tot op den bodem, was gegleden,
    Daarvan werd Fieken niets gewaar.
    Alzoo, zij sloot toen weêr haar kist,
    Terwijl ze van dien ring niet wist,
    En ging,—’t was Zondag,—naar Gallin,
    Om haar familie weêr te zien.—
    „Kijk!” roept vrouw Smidt, „mijn droom komt uit!
    Zeg niet, dat droomen niets beduidt!
    Heb ik van nacht niet liggen droomen,
    Dat Fieken kwam?—Nu zie ’k haar komen!—
    Maar, meidlief! zeg, wat scheelt er aan?
    ’t Gezicht moet niet zoo droevig staan.”
    Smidt zelf heeft ’t werk op zij gelegd,
    En komt nu ook er bij, en zegt,
    Terwijl hij haar in de oogen ziet:
    „Wat is het, Fiek? Je huilt toch niet?”
    „Neen, vader! maar bedrukt, bevreesd,
    Ben ’k al dien tijd al weêr geweest:
    De bakker wil geen rust mij laten,
    En ’k vind zoo iets in al zijn praten...”
    Hier stamelt ze, en een bloedkleur slaat
    Daarbij op eens haar door ’t gelaat.
    „Kom, Fiek! spreek voort!” zegt nu haar vader,
    Zijn voorhoofd fronsend; „kom! je ziet,
    Ik wacht er op; verklaar je nader.”
    „Och!” spreekt zij, „’t is mijn schuld toch niet;
    Maar nog van morgen klopte hij
    Aan mijne deur, en riep hij mij.
    Ik kwam, en wou aan d’arbeid gaan;
    Hij zei: ik moest dat laten staan;
    Hij wou geen bezem in mijn hand
    Meer zien, zoo zei hij; dat was schand’;
    Voor mij was ’t schande, zei hij, want
    Als ik ook wilde wat hij wou,
    Dan kon ’k bevelen daar als vrouw.”
    Zij sloeg de hand zich voor ’t gezicht.
    „Welnu,” roept moeder, „Fiek! wellicht”— —
    „Stil, vrouw!” zegt Smidt: „zwijg stil; aan mij
    Is ’t woord; dus eerst spreek ik, dan jij.
    Nu, kind! wat verder?”—„Wel, hij nam
    Mij meê naar binnen; toen ’k daar kwam,
    Ontsloot hij voor mijn oog een kast,
    Waarin veel geld lag opgetast,
    Verschrikk’lijk veel; hij zei: dat geld,
    En huis en erf en tuin en veld,
    Dat werd op éénmaal alles mijn,
    Indien ik zijne vrouw wou zijn.”
    „En toen? Wat was jou antwoord toen?”
    „Ik zei hem, dat hij wél zou doen,
    Wanneer hij mij met vrede liet;
    Dat deed hij toen ook; maar daarbij
    Sprak hij de woorden: „weiger vrij,
    Eenmaal behoort ge toch aan mij,
    Hoor, Fieken! jij ontgaat mij niet;
    Ik zal eens bij je vader komen.”
    En als nu Smidt dit heeft vernomen,
    Ziet hij zijn dochter aan, maar zwijgt,
    En zet zich neder, en hij krijgt
    Zijn werk weer. Maar zijn vrouw bevroedt,—
    Zij kent haar echtgenoot zoo goed,—
    Dat zij nu verder ’t woord doen moet;
    Daar heeft zij lang reeds op gewacht:
    Nu is zij dan ook in haar kracht:
    „Wel, wat ben jij een domme meid!
    Daar zit je voor ons en je schreit;
    De domste ben je van den troep!
    Als ’k onze Riek of Heintje roep,
    Die zóóveel jonger zijn, en ’k vraag,
    Of zij ’t niet hadden aangenomen,
    ’k Wed, dat ze zeggen: „Nou! wat graag!”
    Hoe kan ’t jou in je hersens komen,
    Om zóó iets, zóó iets, af te slaan?
    Of denk je, dat ze twee, drie keeren,
    Met bakkershuizen voor je staan,
    En vragen: wilt ge er nu soms aan?—
    Gelijk wij koffie presenteeren?—
    Je moet terug, op staanden voet;
    En maken je verzuim weêr goed;
    Niet preutsch zijn, en niet mal verlegen,
    Maar zeggen: „’k Ben er gansch niet tegen,
    En dat ik zoo niet daad’lijk sprak,
    Dat kwam doordien ’t me aan moed ontbrak;”
    En zeggen, dat ik zelf nog heden
    Je na zal komen,—maar, ’t is waar,
    Voor uitstel is volstrekt geen reden,”—
    En aanstonds heeft ze bij elkaâr
    Haar kap en doek;—„zie zoo; ’k ben klaar!”
    „Neen! jij blijft t’huis,” zegt nu de man;
    „’k Moet toch naar ’t bosch nog; dus, ik kan
    Een eind haar brengen.”—Kort en goed,
    Hij haalt zijn jas af en zijn hoed
    En kleedt zich daarmeê op, en doet
    Vervolgens ook zijn wanten aan:
    „Kom, Fieken! ik zal met je gaan.”
    Zoo gaan die beiden samen voort,
    Hij spreekt tot haar geen enkel woord,
    Totdat ze komen dicht bij ’t bosch;
    Daar laat hij toch een woordje los,
    En spreekt op zijn bedaarde wijs:
    „Kijk, Fiek! daar staat mijn bezemrijs;
    De boschbaas heeft mij toegestaan
    Het daar te plaatsen. Nu, vaarwel,
    Mijn kind! Dat God u vergezell’!”
    En Fieken kijkt hem treurig aan.
    „Neen, lieve kind! ’k ben niet in staat,
    Te helpen thans; de nood is groot;
    Wij teren van ons laatste brood.
    Maar neem mijn raad in acht, en laat
    Je van den duivel niet verstrikken;
    Dan zal zich alles nog wel schikken.
    In elk geval, en hoe het ga,
    Gij hebt toch niet te zeggen: „ja!”—
    Hij uit nog eens zijn afscheidsgroet,
    Terwijl hij zijne hand, bewogen,
    Op haren schouder rusten doet:
    „Dag, Fieken! hou mijn raad voor oogen;
    Verdraag, wees sterk, houd moed, blijft goed!”








22.


    Ook hier was heen het tweede jaar,
    En nachtegaal en ooievaar
    En ook al de and’ren keerden weêr,
    Ze streken vaak bij Jochem neêr.
    En vonden altijd groot vermaak
    Bij hem. Maar somtijds was ’t een zaak
    Van ernst, die zij daar zoo, te zamen
    Vergaderd, in behand’ling namen.—
    Zoo liet eens de ooievaar hen hooren,
    Dat hij Johan, nog kort te voren,
    Gezien had in een smederij
    Te Keulen aan den groenen Rijn;
    „Maar,” voegde hij er zuchtend bij,
    „Het mocht met hem wel anders zijn.”
    Hij had van Hanne altijd gedacht,
    Dat veel meer wakkerheid en kracht
    Hem eigen was; maar, neen! geen vuur,
    Geen lust, geen blijheid zat er in;
    Voor omgang had hij ook geen zin;
    Alleen bezocht hij op den duur
    Een bes, en nog wel een Jodin;
    En van den spreeuw, hun wel bekend,
    Lag de oom daar t’ huis, maar deze had
    Voor zich ook de overtuiging, dat
    De zaak zoo nooit een gunstig end
    Kon krijgen.—Nu van Lotje ’t woord:
    „Met Fieken staat het ook al slecht;
    En duurt dat op die wijze voort,
    Dan komt er nooit iets van terecht.
    De bakker maakt haar ’t hoofd op hol,
    Althans, dat poogt hij meer en meer;
    En Krisje zegt: houdt hij dat vol,
    Dan stort zij in ’t verderf ter neêr.”
    „’t Is waar,” zegt Jochem, „’t arme wicht
    Zit droef in haar vertrekje neêr;
    Het hartzeer ligt haar op ’t gezicht,
    De liefde doet haar boezem zeer.
    Ja, was mijn Kris gelijk weleer,
    Gezond, dan kon zijn zingen, spelen
    Haar lust en vreugde mededeelen,
    Maar die is ook in droeven staat;
    En, meester langbeen!—word niet kwaad,—
    Maar dat is uwe schuld: gij laat
    Daar dat gemeene volk der muizen
    Met mijnen jongen samen huizen,
    Die telkens weder hem verjagen,
    En in de barre winterdagen
    Hem lieten bibb’ren;—zelfs de jas,
    Die hij in ’t hol gevonden had,
    Die hem zoo vaak een toevlucht was,
    En waar hij dan zoo warm in zat,
    Behielden zij.”—En de ooievaar
    Hernam: „Ja, Jochem! ’t is wel waar,
    De muis, en zoo zijn heel geslacht,
    Is onbeschoft en ruw; maar, wacht!
    Ik zal hem zijne les eens lezen.”
    „Daar zal gelegenheid voor wezen,”
    Zegt Lotje, „juist op heden; want
    Hij ging van morgen naar het land,
    Om zich een weinigje op te frisschen.
    De kikker had hem daar verzocht;
    Hij deed met vrouw en kroost den tocht;
    Gij vindt hem daar; dat kan niet missen.”
    „Waar dan?”—„Hierachter, bij de sloot,”—
    En aanstonds stapt de purperpoot
    Er statig heen. En als hij dan
    Daar nadert tot den waterkant,
    Dan schrikt er heel ’t gezelschap van;
    En, door hun zielangst overmand,
    Vlucht al wat muis heet, klein en groot,
    En springt de kikker in zijn sloot.
    Maar vader muis kan ’t niet ontkomen,
    Hij voelt zich in den nek genomen,
    Hij wordt geslingerd met geweld,
    En hoort,—voorbeeldeloos ontsteld,—
    Zijn vele zonden opgeteld.
    Hij smeekt, zoodat de gansche weî
    Weêrgalmt van ’t roerend angstgeschrei:
    „Genade! spaar mij! spaar mijn leven!”
    „Wees stil dan,” antwoordt de ooievaar,
    „’k Wil u een blijk van gunst nog geven,
    Schoon gij die lang verbeurd hebt, maar
    Doe dan ook, wat ik u gebied;
    Versta me wel; want, doet ge ’t niet,
    ’k Ben met de bakkerskat bevrind,
    Die heb ’k één woord maar in te fluist’ren,
    Dan vreet ze u op, met vrouw en kind!
    Pas op dus; en, nu moet gij luist’ren:
    Ik heb gemerkt, dat kleine Kris
    Van jullie troep afkeerig is;
    Hij wil dus niet meer met je leven;
    Maar hij verlangt, dat hem de jas,
    Die vroeger steeds zijn slaapsteê was,—
    Zijn eigendom,—word’ weêrgegeven.”
    „Maar,” roept de muis, „dat is te dol!
    Die jas kan nooit door ’t gat van ’t hol.”
    „Wanneer ’t niet kan in zijn geheel,
    Dan maar bij stukken, deel voor deel.
    Zijn eigendom moet hij bekomen,
    ’t Zij, dat je ’t spijtig geeft of graag;
    Krijg ik je nog eens bij den kraag,
    Dan kun je ’t allerergste schromen.”
    Nu laat hij dan den zondaar gaan,
    En vliegt terug.—En op den weg
    Komt wand’lend onze bakker aan.
    En, hoor! uit boom en struik en heg
    Weêrklinkt der voog’len luid geschal:

    „Kijk! Kijk! daar loopt hij! Kijk! hij zal
    Ons Fieken zich ter vrouw gaan vragen;
    Hoe durft zoo’n leelijkerd het wagen?
    Zoo’n bleeke gistklomp! Is hij mal?
      Ons Fieken te streelen,
      Van liefde te kweelen,
      Met lonkjes te spelen,—
      Wat haalt hij toch uit?
    Zij wordt niemand anders dan Hanne tot bruid!”

    „En de onze! roept de koekoek luid;
    Terwijl de duif zich hooren doet:
    „Kous op den kop! Kous op den kop!
    Dat is het, wat hij hebben moet!”
    De bakker geeft geen acht daarop,
    En verder loopt hij;—naar Gallin;
    Naar Fieken’s ouders. Hij wil zien,
    Of hij die niet bepraten kan.
    Hij vindt vrouw Smidt alleen; haar man
    Is uit; hij doet heel mooi zijn woord,
    Een woord dat zij met vreugde hoort,
    Terwijl zij nu en dan eens zegt:
    „O ja!”—„Natuurlijk!”—„Dat is recht,”
    Ook voegde ze er bescheiden bij:
    Haar Fiek was goed; haar man en zij,
    Ze hadden dat altijd gezeid:
    En, leed zij aan neêrslachtigheid,
    Nu, in de laatste dagen,—dat
    Kwam zeker dat de gansche zaak
    Voor haar iets vreemds, iets treffends had.
    „Maar ziet ge? als ik er werk van maak,”
    Zoo ging ze voort, „dan zal ’t wel gaan;
    Ziedaar, ik bied terstond mij aan,
    Om u naar huis te vergezellen;
    En dan zal ik ’t haar wel vertellen.”—
    Zoo deed zij nu ook, en begon,
    Wat voor den bakker pleiten kon,
    Bij Fiek wijdloopig uit te meten:
    Hij was in goeden doen gezeten;
    Had huis en hof, veel goed en geld;
    Al, waar haar hart op was gesteld,
    Dat kon ze hebben; bovendien
    Kon ze ook haar ouders hulpe biên,
    Dat die eens op hun hooge jaren
    Ook veilig en geborgen waren.—
    Maar Fiek zei: „Vraag niet, of ik wil;
    Ik kan niet.” En zij weende stil.
    „Wat?” riep nu driftig en verstoord
    Haar moeder;—„Heb ik wèl gehoord?
    Je kunt niet; ’k heb ’t wel eens gegist,
    Of jij ’t niet met een ander wist;
    Ik heb ’t je vader ook gezegd.”
    „Neen moeder! neen! dat is niet recht!
    Maar, ’k weet niet”—en daar vloog meteen
    Een rilling door haar leden heen,—
    „’k Ben bang, ik gril voor dezen man;
    Neen, moeder! neen! geloof me! ik kan
    Uw zin niet volgen; neen! hij heeft
    Voor mij iets, waar mijn hart van beeft.”
    En weder houdt haar moeder aan,
    En geeft haar weder te verstaan,
    Dat zij dan toch voor haar en vader,—
    Wie had zij op de wereld nader?—
    Een steun kon zijn, hun oudermin
    Vergelden kon: die kinderzin
    Hield toch ook altijd zegen in,
    En Fieken liet met bleeke lippen,
    En zonder zucht en zonder traan,
    Kalm, maar toch innig aangedaan,
    Zich dit als laatste woord ontglippen:
    „Als vader ’t óók wil, neem ik ’t aan—
    Nu moet vrouw Smidt dus huiswaarts gaan,
    Zij gaat; zij ziet een buurvrouw loopen;
    En ’t zwijgen wordt haar vrees’lijk zwaar;
    Te zwaar, te zwaar;—haar mond moet open;
    Ze zei: ’t lag aan haar man nog maar,
    En dan kon Fiek den bakker krijgen;
    Doch ’t beste was, vooreerst te zwijgen.—
    Maar, nauw komt Smidt daarginder aan,
    Om van zijn werk naar huis te gaan,
    Of hem vertelt de gansche straat,
    Dat zijne Fiek op trouwen staat;
    En meester Zuur houdt ook hem staande,
    En spreekt heel deftig: „Mij aangaande,
    Ik hoorde met genoegen, heden,
    Dat Fiek in ’t huw’lijk zal gaan treden.
    Heb ik ’t niet immer u gezegd?
    Die deern komt nog eens goed terecht.
    De bakker is een deftig man,
    En die het heel goed stellen kan;
    En als nu de bedrevenheid
    Van Fiek nog wat wordt uitgebreid
    In zaken van het huisbeleid,
    Wat groeit er dan een vrouwtje van!
    In waarheid, ’k geef er, voor mijn part,
    Mijn zegen op, met heel mijn hart.”
    „’t Is nog zoo ver niet,” is nu ’t woord
    Van Smidt; hij loopt verdrietig voort,
    En treedt zijn need’rig stulpjen in.
    Zijn vrouw maakt daad’lijk een begin
    Met heel de zaak hem voor te stellen,
    Van Fiekens onwil te vertellen,
    En zoo al voort. Hij hoort er naar,
    Maar antwoordt niet. En, als hij daar
    Gezeten heeft een heele poos,
    Zoo min of meer besluiteloos,
    Dan zet hij, zonder iets te zeggen,
    Voor deur, op zijne bank, zich neêr,
    Om nog eens weêr, en nog eens weêr,
    Goed met zich zelven te overleggen.—
    Dicht bij hem was een troepje saâm
    Van kind’ren,—allen nog maar klein,—
    Zijn Lodewijk, en Riekje en Hein,
    En Gustaaf Schult en Jochem Frahm;
    Die praatten, zooals kind’ren.
    „Wij eten morgen ’t gele hoen,”
    Zei Jochem, vol van hoovaardij;
    „Dat mooie gele!—en gort er bij!”
    „Wij niet;—aardappels eten wij,”
    Zei Heintje Smidt, „als ied’ren dag.”
    „Ja,” zei toen Gustaaf, met gezag,
    „Jijlui bent arm; en dus, dat moet;
    Maar wij doen ons aan worst te goed.”
    „Jawel,” hernam de kleine Riek,
    „Maar als mijn groote zuster, Fiek,
    Getrouwd is, zijn wij uit den nood;
    Dan eten we altijd krentenbrood.”
    „Krijg ik dan ook een stukje er van?”
    Vraagt Jochem. „Neen!” zegt Heintje, „dan
    Pas ik wel op, dat ’k jou niet roep;
    Jij geeft ons ook geen kippensoep.”
    „Ja! krentenbrood!” roept Lodewijk,
    „Dat’s dan voor ons; dan zijn wij rijk!”
    En Smidt, die dat heeft aangehoord.
    Staat op, en spreekt het somber woord:
    „Dat brood, waarnaar die kleinen snakken,
    Daar zijn dan tranen in gebakken;
    De tranen van mijn liefste kind!”
    Hij gaat naar binnen. Weêr begint
    Zijn vrouw de zaak hem aan te preeken,
    Maar hoort dan ’t antwoord, streng en hard:
    „’k Wil daar niet meer van hooren spreken;
    Heb jij geen deernis met haar smart?
    Wil jij aan eigen vleesch en bloed
    Je zoo bezondigen? En moet
    Haar onheil ons tot heil verstrekken?
    Neen! uit dien dienst zal zij vertrekken.
    ’k Wil niets meer van dat huw’lijk weten;
    ’k Begeer geen brood der zonde te eten.”—
    En Smidt, toen de and’re dag verscheen,
    Ging stadwaarts, naar den bakker, heen,
    En zei hem toen rondborstig aan,
    Dat Fieken uit zijn dienst zou gaan;
    Op Maartensdag. De groote reden,
    Zoo voegde hij beleefd er bij,
    Was enkel en alleen, dat zij
    Maar niet besluiten kon te treden
    In ’t voorstel, haar door hem gedaan;
    Doch, zag de bakker liever heden
    Haar heengaan,—zij kon met hem gaan.
    „Neen!” zei de bakker, „vóór den tijd
    Ben ’k liever hare hulp niet kwijt.”
    Toen wendde hij met wrok en spijt
    Zich af, en vlammen schoot zijn oog;
    Terwijl hij voor zich henen spoog,
    Alsof hij gif had ingeslikt.
    En nog eens ommeziende, blikt
    Hij vol haat naar Fieken’s vader,
    En bromt: „Wacht, vrind! jou spreek ik nader.”
    Smidt troost nu zijne Fiek; en, o!
    Wat hij haar zegt, verruimt haar zoo;
    Zijn harde hand, met eelt bedekt,
    Is nu zoo zacht, als ooit voor dezen,
    Nu zij haar harte komt genezen,
    Doordien zij uit dat harte trekt
    Den splinter, die haar zoo deed lijden;
    En bron van ’t allergrootst verblijden
    Is haar de boodschap, dat zij al
    Op Maartensdag vertrekken zal.
    Een vreugdevuur, niet uit te blusschen,
    Rijst bij dat woord in haar gemoed;
    Zij had den man,—wat was hij goed!—
    Wel hand en voeten willen kussen.
    Nu laat haar vader haar alleen;
    Zij snelt naar haar vertrekje heen,
    En zendt, voor d’omkeer in haar lot,
    Een hart’lijk dankgebed tot God.
    En Krisje springt haar op den rug,
    Zoo blij, zoo dartel en zoo vlug,
    Als was hij ook om haar verheugd,
    Als deelde hij in hare vreugd.
    „Ja!” sprak ze, „spoedig is ’t gedaan,
    Lief diertje! en jij zult met me gaan;
    Dan is het toch voorbij, Goddank!
    Met onze moeite en ons verdriet.”—
    Zij keert zich om. Maar nu,— —daar ziet
    Ze iets liggen, daar, op deze plank;— —
    Een lap;—bruin goed;—’t is laken;—maar
    ’t Behoort haar niet;—hoe komt dat daar?
    ’t Is vrucht’loos, dat ze raadt en gist;
    Maar, wegdoen, daar heeft niemand aan;
    Ze werpt den lap dus in haar kist.
    Doch nauw’lijks is zij opgestaan,
    Den and’ren morgen vroeg, of daar
    Ligt weêr zoo’n lap;—’t is wonderbaar!
    Zij neemt hem met zich, laat hem zien,
    Maar niemand weet te zeggen, wien
    Dat ding behoort. De bakker spot,
    Vol bitterheid: „Wel, vuile tod!
    Mij dunkt, een prul, als dit is, moet
    Behooren bij jou eigen goed:
    Bij zulk een tod past zulk een vod.”
    Zij hoort dat, zonder iets te zeggen,
    En gaat dien lap bij d’and’re leggen.
    Maar bijna ied’ren morgen vond
    Zij zulke lappen op den grond.
    Zij legde, zonder meer te spreken,
    Ze bij elkaâr: zij kon er wat
    Van maken, als ze er veel van had,
    Al was het maar een lappendeken.








23.


    De kleine, lieve nachtegaal
    Heeft in de tuinhaag veel gezongen,
    En bij dien zang is menigmaal
    Iets zoets in Fieken’s hart gedrongen.
    Maar nu is weêr de trektijd daar,
    En spreekt hij tot den ooievaar:
    „Vaarwel! deez’ late tijd in ’t jaar
    Is koud; vaarwel, mijn vriend! ik ga
    Naar ’t warme land van Afrika!”
    „Ik kom u eerstdaags achterna,”
    Is ’t antwoord;—„’k vind geen adders meer,
    Geen kikkers ook; en, keer op keer
    Met muizenvleesch mijn maal te doen,
    Dat brengt mijn maag uit haar fatsoen.
    Vaarwel! Maar welke weg zal ’t zijn,
    Dien ge uitgaat?—„Ik ga langs den Rijn.”—
    „Zoo doe ik ook; dat komt heel goed;
    ’k Denk, dat ’k u daar nog wel ontmoet.”
    De nachtegaal vliegt op, en trekt
    Al verder, over land en meer;
    En als hij ’t Rijnland heeft ontdekt,
    Strijkt hij een weinig lager neêr,
    En ziet daar twee gezellen wand’len,—
    Een mets’laar en een snijder was ’t;—
    Nieuwsgierig is de kleine gast,
    En wat die beiden daar verhand’len,
    Dat wil hij weten. „Neen!” zegt de een,
    „’k Zeg, dat hij ’t niet gedaan heeft; neen!
    ’k Mag beed’len, al mijn levensdagen,
    Als hij zoozeer zich kon verlagen.”—
    „Wie niet gedaan? Wat niet?” zoo sprak
    De nachtegaal in stilte, en vloog
    Al luist’rend meê, van tak tot tak.—
    „Al werd mijn bochel eens zoo hoog!”
    Zei toen de snijder, gansch in gloed:
    „Ook ik hou vol: in zoo’n gemoed
    Als dat van onzen Hanne Snoet
    Wordt nooit een moordplan uitgebroed.”—
    „Wat is dat hier? Versta ik ’t goed?”
    Denkt nu de nachtegaal, ontsteld;
    „Een moordgeschiedenis! En geldt
    Dat Hanne? Maar hoe kan ’t bestaan?”
    Maar nu,—daar komt een rijtuig aan;
    Een aardig vrouwtje, knap en frisch,
    En met twee oogen vol van geest,
    Zit op de bank daarin. Zij is
    Eens Hanne’s meesteres geweest.
    Zij houdt bij de gezellen stil,
    Daar ze ook iets naders weten wil,
    En vraagt hun: „Spreekt gij niet van Snoet?
    Dat meen ik wel. Kon ’t u behagen.
    Zoo komt dan bij mij in den wagen,
    Als gij denzelfden weg op moet.”
    En door vertellen en door vragen,
    Blijkt nu weldra, dat alle drie
    Van Hanne gaan getuigen, die
    Weêr voor zal komen,—„Neen!” zegt zij,
    Wat mij de krant ook late lezen,
    Hij is het niet; hij kan ’t niet wezen;
    Hij was zoo trouw; zoo goed was hij!
    ’k Wil huis en goed en smederij
    En alles daar wel om verwedden;
    Maar, ’k moet den Mekklenburger redden!”
    En toen zij zoo dan, verder door,
    Den weg op reden samen,—hoor!
    Daar trof op eens een lied hun oor,
    De nachtegaal verhief dat lied;
    Maar ’t was zijn lenteliedje niet,
    Dat voor een mensch een blij verschiet
    Van levenslust en liefde ontsluit;
    Hij haalde een and’ren zangtoon uit;
    Een echo was het, zacht en teêr,
    Die vroeg’re dagen nog eens weêr
    Terug deed komen voor den geest;
    „Hoor, vrouwtje lief! ik ben ’t geweest,
    Die Hanne van u, door mijn zang,
    Verwijderde; o! toen was ’t u bang;
    Toen viel uw lot u vrees’lijk zwaar;
    Maar toch was ’t goed zoo;—is ’t niet waar
    Dat werd u later immers klaar,
    Dat hij niet blijven mocht bij u.
    De booze stond is weggedreven,
    Die anders onheil had gegeven;
    En zoo is ’t beter toch; want nu,
    Nu drong de reine menschenmin
    U zacht, maar diep ten boezem in;—
    God zegene u! Nu is het goed.
    God zeeg’ne u, om uw rein gemoed!”— —
    Nu vliegt hij verder, en hij ziet
    Den spreeuw. „Goên avond! Kunt gij niet
    Mij zeggen, wat hier is geschied?”
    Zoo vraagt hij dezen. Die vertelt,
    Wat door zijn oom hem is gemeld,
    En wat de menschen zoo al zeggen.
    „’k Denk, dat op morgen de ooievaar
    Wel hier zal zijn; ’t is ’t beste maar,
    Dan met uw oom eens te overleggen,”—
    Zoo spreekt de nachtegaal; „dan kan— —”
    „Ja,” valt de spreeuw nu in, „maar, man!
    Mijn oom moet willen; dikwijls wil
    Hij zich niet uiten; houdt zich stil,
    Of heeft de zonderlinge gril,
    Van met der menschen taal te praten.
    Maar, kom! de plek is mij bekend,
    Waarheen hij dag aan dag zich wendt;
    ’t Kan zijn, dat hij zich uit wil laten.”
    Zij gaan dan. In een nauwe gang,
    Vlak naast de kamer der jodin,
    Daar zit hij, mat en dof van zin.
    Hij ziet hen komen; droef en bang
    Blikt hij hen aan, terwijl hij stil
    Zich aan hun oog onttrekken wil.
    Maar als zijn neef vol vriend’lijkheid
    Hem toespreekt en hem streelt en vleit,
    En hij dus niet wel zwijgen kan,
    Vertelt het oude beest hun dan:
    De vrouw, ja, leefde nog, maar had
    ’t Verstand verloren, en zij zat
    Steeds met haar handen om te woelen,
    En àl maar op de plek te voelen,
    Waar eens een halve gouden ring
    Haar op den blooten boezem hing;
    Die ring, al jaren daar verscholen,
    Was door den moord’naar haar ontstolen.
    Zoo sprak hij, en daartusschen in
    Wierp hij gedurig dezen zin,—
    Wild, of hij zelf verbijsterd waar:—
    „Vloek! driemaal vloek den moordenaar!”
    Terwijl nu zoo de spreeuw vertelt,
    Is ’t jonge vrouwtje, vergezeld
    Van snijder en van metselaar,
    Ook in die buurt gekomen, daar,
    Zij zijn bij Hanne’s baas en staan
    Met hem in ’t voorhuis bij elkaâr.
    Een mansgestalte komt daar aan,
    Vervallen, mager, arm en naar.
    Hij strompelt langzaam voort; hij strijkt
    Langs ’t huisje der jodin en kijkt
    In ’t rond, of hem ook iemand ziet.—
    Een drang, die hem geen vrede liet,
    Dreef telkens naar de plek hem heen,
    Alwaar de gruwel was geschied;
    En toch, het was hem, of er een
    Daar telkens dreigend hem verscheen,
    En toeriep: „Gij ontkomt mij niet!”—
    Hij staat en staart, gejaagd en bang,
    Het venster in.—„De moord! De moord!”
    Zoo wordt op schrillen toon gehoord,
    Van achter uit de nauwe gang.
    Dat is die stem, dat is dat woord!
    Dat joeg hem in dien nacht ook voort,
    Toen hij zijn gruwel had verricht.
    Hij staat, alsof een bliksemschicht
    Hem raak’lings is voorbijgegaan;
    Hij strekt de handen voor zich heen,
    En roept: „Wat wilt gij? Laat toch staan
    ’k Nam niets u af,—dan dit alleen.”
    Nu klinkt iets tegen ’t venster aan,
    En dan op straat iets, op een steen.
    „Neem weg! Neem weg! Meer heb ik niet!”
    Zoo gilt hij angstig, en hij schiet
    Terug,—verwild’ring op ’t gelaat,—
    En ijlt dan door de stille straat,
    Terwijl hij steeds nog ’t krijschen hoort:
    „Vloek! Driemaal vloek! De moord! De moord!”—
    Het viertal staat een heele poos
    Bewegingloos en ademloos,
    Tot eindelijk de snijder zegt:
    Hij is ’t,— —de booze, dronken knecht!
    Hij is de dader!”—En zij komen
    Nu aanstonds alle vier naar buiten,
    Ze hebben, alle vier, vernomen,
    Dat daar iets rinkelde op de ruiten,
    En zoeken samen ijvr’ig rond,
    „Hier ergens viel het op den grond.”
    Ja! zie! het jonge weêuwtje vindt
    Een halven vingerring van goud,
    Gebonden aan een zijden lint.
    En als zij ’t in de hoogte houdt,
    Dat lint, waar deze ring aan hing,
    Dan kijkt van uit de gang daarop
    De nachtegaal, en schudt zijn kop,
    En zegt: „’t Is vreemd! Een halve ring!
    En kleine Kris heeft net zoo’n ding.
    Wat kan daar toch wel achter steken?
    Nu, eerstdaags komt hier Langbeen aan;
    Dien moet ik daar eens over spreken.
    Dag, oom! dag spreeuw!—’k moet verder gaan.”
    Hij vliegt in ’t bosch, en zegt: „Goddank!
    Hier is geen jammer en—geen stank!
    De stad zou nooit een woonplaats zijn,
    Geschikt voor mij en mijns gelijken.”— —
    De week daarop, komt aan den Rijn
    Heer Langbeen werk’lijk nederstrijken.
    De nachtegaal had hem zien zweven,
    Hem en de zwaluw; en hij had
    Geroepen: „Wacht jelui eens even!
    Wacht even! Ik geloof haast, dat
    Gij zonder mij op reis zoudt gaan!”
    En toen was de ooievaar gedaald.
    De nachtegaal alzoo verhaalt
    Hem alles, van ’t begin af aan,
    Wat daar in ’t huisje der jodin
    Gebeurd is; en hij vlecht er in,
    Dat juist den laatstverloopen nacht
    De smid in hecht’nis is gebracht,
    Maar dat hij alles loochent, wat
    Men hem ten laste legt, en dat
    Men daardoor, tot nog toe, geen vat
    Op hem kon krijgen;—voorts nog dit,
    Dat Hanne ook nog gevangen zit,
    En dat de spreeuw, op gist’ren nog,
    Bij hem door ’t venster had gestaard;
    Dat hij erg was verbleekt, maar toch
    Er rustig uitzag en bedaard.
    En nu besluit de nachtegaal
    Met deze vraag zijn lang verhaal;
    „Wat nu te doen?”—„Een naar geval!”
    Zegt de and’re; „ik moet me zeer bedroeven
    Om Hanne; hij zou hulp behoeven;
    Dat voel ik wel; maar met dat al,
    Ik kan hier toch niet langer toeven:
    Geen kikker springt hier op of neêr;
    Voor jou is ’t ook de tijd niet meer.
    Maar, wacht,—de zwaluw! Kom eens hier,
    Jij, zwaluw! ’t Is me een groot plezier,
    Wanneer je met ons op den duur
    Wilt reizen; maar voor jou is ’t niet
    Noodzaak’lijk, zie je? de natuur
    Verleende jou bijzond’re gaven:
    Jij kruipt in ’t najaar maar in ’t riet,
    Jij kunt je zelfs in ’t slijk begraven,
    En,—naakt het schoone jaargetij,
    Dan kom je gansch en al weêr bij.
    Vlieg jij nu naar de bakkerij,
    Groet Jochem vriendelijk van mij,
    Vertel hem van den halven ring.
    En zeg hem, dat het net zoo’n ding,
    Precies zóó, als dat andere is,
    Dat in ’t bezit is van zijn Kris.
    Zeg ook, dat als dáár iets geschiedt,
    Hij van hetgeen ’k hem zeggen liet,
    Dan altijd naar bevind van zaken,
    En met verstand gebruik moet maken;
    Zeg tevens, dat ik hem gebied,
    Geen handen in den schoot te leggen:
    Waarbij gij eind’lijk nog kunt zeggen,
    Dat ’k hier ter plaatse drie vertrouwden,
    Specht, mees en d’ouden spreeuw er bij,
    Een oogje zal in ’t zeil doen houden,
    Opdat ons niets te wijten zij.








24.


    De zwaluw ijlt met haren last
    Naar Jochem. Die gaat juist te gast
    In ’t oogstveld. Op een schoof gezeten,
    Is hij met smaak en lust aan ’t eten.
    Hij luistert stil met vollen krop,
    En schudt zoo nu en dan zijn kop,
    Totdat zij alles heeft verteld.
    Maar dan, dan wordt hij boos en scheldt:
    „Zoo’n domkop! Zich te laten pakken,
    En achter ’t slot te laten plakken!
    ’t Is om te springen uit je vel!
    Ik heb van deze zaak al wèl.
    En denkt die ooievaar, dat ik
    Niets heb te doen, dan zulke zaken,
    Die krom zijn, weder recht te maken?
    ’k Ben met die taak niet in mijn schik.
    Elk heeft genoeg aan eigen nood:
    ’k Bracht twee dozijntjes kind’ren groot,
    Dit jaar; en daarbij maakt ook Lot
    Mij met haar drukte ’t hoofd nog zot;
    Ik moet gestaâg op Fieken letten,
    En naar den bakker zien, daarbij;
    Zie! zooveel wenschen, zooveel wetten,
    Vermoeien en vervelen mij.”
    Terwijl ze zoo nog spreken, zien
    Zij iemand naad’ren. Wie zou ’t wezen?
    De bakker. Hij gaat naar Gallin.
    IJskoude blijdschap is te lezen
    Op ’t leelijk bol en bleek gezicht,
    Gelijk die op het wezen ligt
    Des winters, als zijn hand het groen
    Vernielt van veld en van plantsoen.
    „’k Zie wel, daar broeit een onheil,” spreekt
    Nu Jochem; „ga eens met mij meê;
    ’k Wil weten, wat daarachter steekt.”
    En aanstonds volgen hem die twee.
    De bakker komt in ’t dorp. Hij doet
    Smidt’s huis niet aan, maar vraagt naar Snoet.
    En Snoet komt uit zijn smederij.
    De bakker maakt nu een begin,
    En leidt, wat hij wil zeggen, in,
    En heeft daar heel veel omhaal bij:
    Hij kwam belangeloos, maar dacht,
    Niet goed was ’t, dat hier werd gezwegen;
    Hij had vandaag een brief gekregen,
    Die hem een droeve tijding bracht;
    Een brief uit Keulen, aan den Rijn,
    Van zijnen broeder, die aldaar
    Verblijf hield: en die schreef: ’t scheen waar,
    Ja! ’t scheen maar al te waar te zijn,
    Dat daar iets aak’ligs was geschied.
    „O God! wat is ’t? Is Hanne krank?”
    Roept moeder Snoet. „Neen, neen! dat niet.”
    „O zoo! Dat niet! Nu, God zij dank!
    Ik dacht aan erge tijding; en— — —”
    „Ja! ’t is ook erg; daar kunt ge op aan;
    ’t Is de ergste tijding, die ik ken;
    Want wat uw jongen heeft gedaan,
    Komt vast op ’t leven hem te staan.”
    „Heer in den Hemel! spreek toch man!
    Wat is er dan? Wat deed hij dan?”
    Zoo roept zij uit, terwijl de schrik
    Door ’t hart haar spookt en door den blik.
    „O God! mijn kind!” Zoo gilt zij weêr,
    En zakt daarbij doodsbleek ter neêr
    In haren stoel.—„Maar, spreekt toch voort!”
    Zoo roept nu Snoet den bakker toe,
    Die daarop antwoordt, woord voor woord,
    Opdat het goed zijn werking doe:
    „Welnu,—uw zoon,—die zit,—voor moord.”—
    De moeder slaakt een kreet van smart,
    En krimpt en kromt zich als een worm;
    En vader zwijgt, maar in zijn hart
    Ontwaakt een woedend-felle storm:
    Hij kijkt den vent strak in ’t gezicht,
    Waarop, nu hij er goed in ziet,
    Eene, o! zoo helsche vreugde ligt,
    Die als een vlam hem tegenschiet.
    Nu vliegt hij op, en schreeuwt: „Gij zijt,
    Gij zelf, al eens om moord gevat,
    Maar Satan heeft je toen bevrijd;
    En moet ik nu van jou hier dát
    Vernemen, wat mijn kind bekladt,
    En voor mijn arme, brave vrouw
    En doodsteek is?—Er uit met jou!”
    En, als dat woord zijn mond verlaat,
    Smijt hij d’ellend’ling op de straat,
    Nu troost hij zijne vrouw en zegt:
    „Bedaar, bedaar! we doen niet recht
    Met aan dien kerel ons te storen;
    ’t Zijn leugens, die hij ons deed hooren;
    We moesten voor ons kind ons schamen,
    Als we iets er van voor waarheid namen.”
    Zoo spreekt hij met zijn vrouw in d’ arm.
    Intusschen komt er groot alarm
    Voor ’t huis: de bakker is verwoed;
    En zijn onstuimig schelden doet
    De dorpsjeugd om hem henen staan,
    Veel vrouwen ook de straat op gaan,
    Nieuwsgierig, wat daar zal gebeuren,
    Terwijl de mans het gadeslaan,
    Uitkijkend over de onderdeuren.
    Juist komt ook vader Smidt daar aan;
    Hij komt, van zijne vrouw verzeld,
    Terug van d’ arbeid op het veld;
    En gaat, door dat rumoer voorbij,
    Zich niet bekreunend, wat het zij.
    Maar zijne weêrhelft is zoo niet;
    Die vraagt: „Wat is hier toch geschied?”
    Waarop de bakker een verhaal
    Haar doet, doorspekt met vloekentaal,
    Dat haar doet roepen: „Hoor je dit?
    Man! Kind’ren! Hanne Nüte zit!”
    „Och, babbelpraat!” bromt vader Smidt.
    Toch komt de gansche buurt bijéén,
    En dringt zich om den bakker heen,
    En vraagt: „Hij zit?—Waarom?—Hoe dan?
    Een moord’naar? Hij? Johan?—Johan!”
    En ieder zegt, dat dit niet kan.
    „Hij liegt!” zegt Doortje Bung, „die vent!
    De jongen staat voor knap bekend.”
    „Hij liegt!” roept ook de wever Frahm;
    „Hij liegt!” zoo roepen ze al te zaâm.
    En spoedig gaat, van mond tot mond,
    Het somber, dof gemompel rond:
    Een moord? Er was, voor jaar en dag,
    Een moord gepleegd; en goed zou ’t wezen,
    Als elk maar op zich zelven zag;
    En wie dat stuk beging, voor dezen,
    Die zou ’t voor zich wel weten;—maar
    Geen uit hun dorp was tot zoo’n daad
    Van duiv’lenlaagheid ooit in staat;
    Geen uit hun dorp was moordenaar.—
    De bakker beeft van angst en schrik.
    En in dienzelfden oogenblik
    Verheft Kris Snoer,—een jong soldaat,
    Maar met verlof terug,—zijn stem:
    „Weg met dien kerel! Weg met hem!”
    De hartstocht klimt, en bijna slaat
    De troep tot daad’lijkheden over.
    Maar zie! van achter ’t kerkhofloover
    Kwam kalm en stil een grijsaard aan,
    Wiens komst schier allen fluist’ren deê:
    „Stil, jongens! stil! de dominé!”
    En hij bleef voor die schare staan,
    En vroeg: „Wat brengt u hier zoo saâm?”
    Toen trad vooruit de wever Frahm,
    En sprak: „Een woord van dezen man,
    Maar dat geen waarheid wezen kan.”
    En hij vertelde kort en ras
    Wat tijding daar van Hanne was.
    En de oude man keek stil naar de aarde,
    En hoorde zwijgend naar ’t bericht;
    En toen hij in de hoogte staarde,
    Toen lag er op zijn aangezicht
    Een waas van droefheid uitgespreid,
    Als had hij zelf een kind verloren,
    En hij hervatte: „Wilt mij hooren!
    Geen leugens heeft die man verbreid;
    Laat hem met rust, want hij heeft recht:
    Johan zit werk’lijk in den kerker.
    En wordt beschuldigd, als bewerker
    Van daden,—God! zoo gruw’lijk slecht!
    ’t Is van ’t gerecht mij aangezegd.
    Toch zij het ver, zeer ver van mij,
    Dat ik hem schuldig keure; hij
    Was mij bekend reeds in zijn jeugd;
    ’k Heb toen, en later, mij verheugd
    In zijn zoo braaf en rein gemoed;
    En ’k meen, dat wie zóó is, zóó goed,
    Niet eensklaps zulk een misdaad doet;
    En,—ligt de waarheid nog in ’t duister,
    Eens treedt zij op in al haar luister.
    Maar gaat nu huiswaarts, kind’ren! gaat!
    En bidt God, als gij voor Hem staat,
    In ’t heiligdom der eenzaamheid,
    Dat Hij dien ouders troost bereid’,
    Door hen van angst en schrik te ontheffen;
    Want, licht’lijk kunt gij dit beseffen:
    Vooral die ouders lijden zwaar.”
    Nu gaan ze zachtkens uit elkaâr.
    Alleen vrouw Smidt gaat niet, want haar
    Spreekt vriendelijk nog de grijsaard aan:
    „Wilt gij met mij naar binnen gaan,
    Bij Snoet? Want raadzaam dunkt het mij,
    Dat vrouwenhulp aanwezig zij.”
    Zoo doet zij nu; terwijl haar man,
    Met al de diepe en reine smart
    Van ’t medelijden in het hart,
    Zich neerzet voor het huis. Hij kan
    Daar hooren wat er wordt gezegd.
    In ’t eerst verstaat hij wel niet recht
    Nog alles, wat de grijsaard spreekt;
    Maar ’t wordt al klaarder. En nu breekt
    De vrouw in jamm’rend weenen uit,
    En roept met aak’lig klaaggeluid:
    „Johan!—Arm kind!—Mijn zoon!—Johan!”
    Vertroostend spreekt nu de oude man
    Haar toe, maar, ach! haar zielewond
    Gevoelt daar geen verzachting van;
    Te diep, te heftig is haar smart:
    Het troostwoord valt voorbij haar hart,
    Gansch vrucht’loos op den kouden grond.
    En als hij eind’lijk ronduit zegt,
    Dat, door een schrijven van ’t gerecht,
    Onloochenbaar en zeker is,
    Dat Hanne zit in hechtenis,
    Ontstaat in huis daar een gekrijt,
    Dat Smidt het hart als openrijt.
    Snoet zelf heeft zich nog niet geuit,
    Maar barst nu los met kracht en luid:
    „’t Is niet! Hij heeft het niet gedaan!
    Mijn kind kan niet zoo’n daad begaan!
    Mijn kind kan niet om geld of goed
    Zijn hand bezoedelen met bloed;
    En, welke rechters dat beweren,
    En wat getuigen dat bezweren,
    ’k Zeg, dat het laster wezen moet!”
    Hij gaat naar buiten en ziet rond,
    Verward, of hij in vreemde streken,
    En niet voor eigen smidse stond;
    Treedt weêr naar binnen, zonder spreken,
    En kijkt verbijsterd, laag en hoog
    In ’t rond, als heeft hij iets verloren;
    Daar valt zijn schootsvel hem in ’t oog;
    Werktuig’lijk smijt hij langs zijne ooren
    ’t Ding achter zich.—„’t Is vuile logen!
    ’t Is logen, wat ze ook zeggen mogen!”
    Nu treedt hij weêr naar ’t zwart fornuis
    En roert in ’t smeulend kolengruis,
    En spreekt: „Toe, jongen! maak wat voort!”—
    Daar is geen jongen, die hem hoort.
    Maar nu komt zachtkens Smidt naar binnen
    En trekt den balg. En, stomp van zinnen,
    Laat meester Snoet met woest geweld,
    Waarbij de slag steeds wordt versneld,
    Den hamer op het ijzer vallen;
    Een stroom van vonken spat er uit,
    En ’t zwaar en donderend geluid
    Doet alles rink’len, dreunen, knallen;
    Weêr legt hij ’t ijzer in het vuur,
    En peinst en mijmert op den duur,
    En leunt op zijne tang, en zegt:
    „Hier was ’t; hier heb ik mijne handen
    Hem zegenend op ’t hoofd gelegd.”
    Weêr doet hij ’t vuur nog feller branden,
    Weêr trekt hij ’t ijzer van den haard:
    „’t Is logen!” roept hij, „niets dan logen!”
    En weder wordt met wilde vaart
    De hamer op en neêr bewogen,
    Totdat den ouden man op ’t lest
    Geen kracht meer in de spieren rest;
    En hij inéén zijgt.—Bang te moê
    Doet Smidt de deur een weinig toe,
    En Snoet, diep, diep bewogen, slaat
    Zich beide handen voor ’t gelaat,
    En tranen bigg’len langs zijn koon.
    „Mijn kind!—Johan!—Mijn kind!—Mijn zoon!—
    Ach! ’k weet wel, dat het leugens zijn,
    Maar toch,—o God! wat zielepijn!
    Och! dat ik dit nog moest beleven!
    Had God mij maar den dood gegeven!”
    En Smidt, met sprakelooze smart
    Diep in zijn trouw en eerlijk hart,
    Kijkt voor zich neêr, en treedt dan aan,
    Blijft naast den droeven vader staan,
    En legt zijn hand, vereelt van binnen,
    Hem op den schouder. „Houd uw zinnen
    Bijéén! De waarheid zal het winnen!”—
    „Die ure moge spoedig slaan!”
    Zegt Snoet, die weêr is opgestaan;
    En kalm veegt hij den laatsten traan
    Zich uit het oog. „Weg met die tranen!”
    Zoo roept hij; „neen! geen mensch mag wanen,
    Dat ik kan twijf’len aan mijn kind.
    Mijn kind is niet zoo boos gezind.
    Mijn zoon! uw vader blijft u trouw!”
    En nu, nu houdt hij op met weenen,
    Maar mompelt somber voor zich henen:
    „Och, lieve God! mijn oude vrouw!”








25.


    Op ’t steenblok aan den groenen Rijn,
    Bij Keulen, waar die joodsche vrouw
    Placht neêr te zitten met haar rouw,
    En waar, met bitt’re zielepijn,
    Zij, onder zuchten en geklag,
    Gedurig naar het oosten zag,—
    Daar zit de spreeuw met mees en specht
    Van avond samen. En nu zegt
    De mees: „Zal ’t morgen uitspraak wezen?”
    „Ja!” zegt de spreeuw, „en anders zou
    ’t Ook, naar mijn oom zegt, zijn te vreezen,
    Dat bij de rechtbank de arme vrouw
    Niets meer kon doen; haar kracht vliedt heen;
    ’t Mensch is niets meer dan vel en been;
    En men begeert haar te vertoonen
    Johan en dan den boozen knecht.”
    „Dat zal de moeite toch niet loonen,”
    Hervatten nu èn mees èn specht;
    „Ze is zóó verward, dat, wat zij zegt,
    Geen licht zal geven aan ’t gerecht.”
    „Och!” zegt de spreeuw, „dat weet men niet;
    Want somtijds is het wel geschied,
    Dat men de zaak van lieverleê
    Ontdekte en in het eind ’t geweten
    Den moordenaar bekennen deê,
    Wanneer hij zag, wat, naar ik meen,
    Corpus delicti wordt geheeten.”
    „Neen!” spreekt de specht nu, „vrienden! neen.
    Dat geeft niet; maar een duchtig pak
    Van rottingslagen op het jak
    Gaf zeker, dunkt mij, beter baat.”
    De spreeuw hernam: „Dat ’s malle praat;
    Ze weten zonder dat wel raad.
    Ik zal je zeggen, hoe ’k dit weet:
    Een sierlijk lid van ons geslacht,—
    Een, die kanarievogel heet,—
    En aan een raadsheer toebehoort,
    Wordt somtijds buitenshuis gebracht;
    En ik had de eer, al menig woord
    Met hem te wiss’len, als zijn tijd
    Dat toeliet;—nu, die is heel gaar,
    Is, wat men noemt, van zessen klaar,
    En goed in alles ingewijd.
    En die zei mij: „De zaak komt uit;
    Daar ben ’k moreel van overtuigd;—
    Weet jullie wat moreel beduidt?—
    Je zult het zien, de kerel buigt
    Op morgen voor ’t ontwaakt geweten;
    Johan heeft lang genoeg gezeten,
    Maar nu is dan toch ook in ’t end
    De zaak in ’t stadium getreden,—
    Is jullie soms de zin bekend
    Van stadium?”—„Neen!” spreekt de specht.
    „Die advocaten-fraaiigheden,
    Daar kan ik gansch niet meê terecht.”
    „Wel, stadium en dan moreel,
    Bij overtuiging, zegt zooveel,
    Als dat de zaak zoo goed als klaar is,”
    Herneemt de spreeuw; „en als dat waar is,
    En alles neemt een goeden keer,
    Dan heeft Johan zijn vrijheid weêr.”—
    „Maar, stel eens even, dat die vent
    Halsstarrig blijft en niet bekent.”—
    „Och, wat! ze zullen ’t hem wel leeren.”—
    „Maar, als ’t niet lukt?”—„Ja, zie je, dan—
    Dan zullen wij ons moeten weren;
    Want als we ’t niet doen, aan Johan
    Geen bijstand biên, en de ooievaar
    Krijgt daar, in ’t voorjaar, kennis van,
    Hij vreet ons op met huid en haar.
    Maar, ’k moet toch nog met oom eens spreken.”—
    „Kom, wat zal die? Het is gebleken,
    Dat hij half gek is; laat hem maar
    Met rust, hem, met zijn vreemde streken.”
    En hiermeê gaan zij van elkaâr.—

    Den and’ren morgen staat Johan
    Voor zijne rechters. Heel een drom
    Van menschen staat geschaard rondom,
    Zoo dicht gedrongen, als ’t maar kan,
    Die naar de zaal zijn heengesneld,
    Dewijl ’t hier iets bijzonders geldt,
    Het leven van een jongen man.—
    Er heerscht een stilte, dof en zwaar;
    In ernstig zwijgen zitten daar
    Al de gezwoor’nen naast elkaâr,
    En voor hen zit de rechterschaar;
    Iets plechtigs is er, of de baar
    Eens dooden in gereedheid waar’.
    En als dan de aanklacht wordt gelezen,
    Bonst menig hart zoo angstig snel;
    Ook harten, niet gewoon te vreezen,
    Gevoelen d’ angst op heden wel.
    Men vraagt Johan, of hij de daad
    Bekent.—„Onschuldig!” zegt hij zacht;
    En heel zijn houding teekent kracht
    En ernst; hoewel zijn bleek gelaat
    En droeve trek toch ook verraadt,
    Dat hij de zwaarte van ’t gewicht
    Gevoelt, dat op zijn schoud’ren ligt.
    Maar als hij ziet, dat van die schaar
    Alle oogen op hem zijn gericht,
    Zegt hij nog eens, nu luid en klaar,
    En met een blik vol hoogen gloed;
    „Onschuldig ben ik aan dit bloed!”
    En bij die woorden loopt terstond
    Daar, onder ’t volk, ’t gefluister rond:
    „Die niet! Die heeft het niet gedaan!”
    En allen trok ’t verlangen aan,
    Dat hij in vrijheid heen mocht gaan.—
    Nu komen de getuigen; en
    Het tweetal is ook onder hen,
    Dat met hem reisde, hier en daar:
    De snijder en de metselaar.
    De mets’laar roept: „Het is niet waar!
    Die hem beticht, is leugenaar;
    Er mochten duizend moorden wezen,
    Toch zou het wel niet zijn te vreezen,
    Dat ooit of immer één er van
    Gepleegd zou zijn door dezen man.
    Ik ben geboortig van Malchin,
    En ken zijne ouders te Gallin.”
    De rechter houdt met vragen aan;
    Vergeefs; de mets’laar blijft er bij:
    „Hij deed het niet en hij moet vrij!”
    De mets’laar kon naar buiten gaan.
    Niet anders ging het, toen het woord
    Daarop den snijder werd gegeven.
    Hij moest verklaren, in wat oord
    Hij met Johan had omgegaan,
    Hoelang zij hier en elders bleven;
    En wat door hen dan was gedaan;
    Waarom? en hoe?—en zoo al voort.
    „Ik weet,” zoo sprak de bult’naar toen,
    „Dat hij het niet heeft kunnen doen;
    Maar ’k weet ook even goed, wie wel
    Het stuk bedreef; mijn vader zag
    Den broeder van den smidsgezel
    Eens onderweg, op zeek’ren dag”— —
    „Houd stil!” riep hem de rechter toe,
    „Geef op de vragen, die ik doe,
    Uw antwoord, en niets meer. Waarheen
    Zijt gij geweest te zaâm? En hoe?”
    „Dat,” zei de snijder, „heeft, naar ’k meen,
    Hier geen belang; maar van gewicht
    Is ’t, dat die smid hier binnensta;
    Dan zeg ik hem vlak in ’t gezicht,
    Wie ’t moordstuk heeft bedreven,—ja!
    Wie dat alleen heeft kunnen plegen.”
    „Ik zeg nog eens: daarvan gezwegen!”
    Zoo spreekt hem weêr de rechter aan;
    „Alleen geantwoord op mijn vragen!”
    Maar ja! dat kreeg hij niet gedaan.
    „Johan heeft niet die vrouw verslagen!”
    Zoo riep de snijder steeds, met kracht,—
    Tot hij ook buiten werd gebracht.
    Nu kwam, zeer bang en bleek en bevend,
    Het weêuwtje binnen, en zij stond
    Daar schaamrood, kijkend naar den grond,
    En niet dan stott’rend antwoord gevend.
    Zij moet verklaren, hoe en waar
    Zij ’t eerst in kennis kwam met Snoet,
    En wat en wie hij was voor haar.
    Tot in het diepst van haar gemoed
    Geeft deze naam een schok.—Zij zegt,
    Al staam’lend: hij was bij haar knecht,
    En diende haar steeds trouw en goed,
    Zoo eerlijk steeds en zoo oprecht!—
    Nu ziet zij op, maar al het bloed,
    Dat haar door ’t warme hartje vloeit,
    Stijgt naar omhoog; haar voorhoofd gloeit:
    Daar staat Johan haar voor ’t gezicht,
    Die ’t oog vol weemoed op haar richt.
    Zij slaat haar blikken neêr, en vindt,
    Bedeesd, bedremmeld als een kind,
    Geen woorden meer. Zij had haar leven
    Wel voor den jong’ling willen geven,
    Maar voor hem spreken kan zij niet.
    Wat men nog vraag’, zij hoort en ziet
    Alleen Johan, Johan alleen,
    En in verwarring gaat zij heen.
    Helaas! bij haar en zijn twee vrinden
    Was weinig baat voor hem te vinden.—
    Nu komt zijn baas, een ernstig man,
    En rustig; en die antwoordt dan
    Met kalmen toon op al de vragen:
    Hoe zich Johan wel had gedragen;
    Wat hij gezien had in die kamer;
    Wat hij kon zeggen van dien hamer,
    En wat hij zoo van alles wist.
    „Ja, heeren! ja! zijn hamer is ’t”—
    Dit woord zegt veel; en ieder hart,
    Dat vóór hem klopte, beeft met smart
    Terug, nu zich dat woord laat hooren;
    Er is voor Hanne veel verloren.—
    Zijn baas gaat voort: „Zijn hamer is ’t;
    Maar die was reeds door hem gemist,
    En ook gezocht, een dag te voren.
    Dat zullen u al mijn gezellen,
    Als gij het navraagt, ook vertellen.”
    En nu die ’t werk’lijk ook verklaren,
    Nu is het, of een zonnestraal
    Komt glinst’ren in de duist’re zaal;
    En fluist’rend gaat het door de scharen:
    „Hij heeft het dan toch niet gedaan;
    Neen, neen! hij heeft geen schuld er aan.”
    En toen de rechter verder vroeg,
    Of Hanne ook kennis daarvan droeg,
    Hoe ’t met die oude was gesteld,
    Dat zij veel goed bezat en geld,
    Toen sprak zijn baas, maar ’t wou niet recht
    Zijn keel uit: „Ja, dat wist hij wel;
    Ik zelf had hem dat eens gezegd.”
    En door de zaal loopt nu weêr snel
    ’t Gemompel rond: „Hij wist het!—Dan,—
    Ja, dan kan ’t zijn; hij wist daarvan;—
    En ’t geld trekt aan;—die arme jongen!”
    En neêrgedrukt werd meen’ge ziel,
    Die nog zoo even was doordrongen
    Van vreugd. En, ach! zooals ’t nu viel,
    Was ’t, of de taal juist van zijn vrinden
    Hem vaster in het net moest winden,
    Of ieder, die vóór hem wou spreken,
    Zijn heil en hoop juist af moest breken.
    Johan ziet sidd’rend reeds zijn graf,
    Want ook de liefde valt hem af.
    Maar, wild bruist in zijn jeugdig bloed
    Het leven op;—zoo kan ’t niet enden!
    En weder krijgt de hope gloed,—
    Want nu kan alles zich nog wenden,—
    Nu de oude vrouw wordt ingedragen.
    Zij kent hem toch: haar kan men ’t vragen.—
    Maar, ach! het mensch herkent hem niet,
    Zij is verbijsterd en zij ziet
    Met zwervend oog en ongewis
    Rondom zich henen, waar zij is;
    En zakt weêr moê op ’t leger neêr.
    „Ik ben het! Kent gij mij niet meer?”
    Zoo roept Johan. Haar maag’re hand
    Gaat naar haar hals; zij zoekt den band,
    En in verwarring en ontzind
    Ontlaat zij ’t woord: „Mijn kind! Mijn kind!”
    ’t Verandert niet; de wolken blijven
    Haar donker voor het zielsoog drijven,
    En altijd zwarter, altijd dikker
    Wordt steeds zijn wolk ook, waar ’t geflikker
    Van bliksemen uit neder slaat.
    Zijn harte bidt, zijn harte breekt;—
    Er is geen God, die tot hem spreekt.
    Ontroerd, in drift, onstuimig, laat
    Hij zijn gedachten nog eens gaan
    Langs de achter hem gelegen baan:
    „Wil God mij dan het jonge leven
    Nu reeds, nu reeds niet langer geven?
    Mag mijne Fiek mij niet behooren?
    Mijn liefde, en alles dan verloren!”
    Maar, bij dat denken is het hem,
    Als klinkt van verre nog een stem:
    „Hou moed, hou moed, mijn zoon Johan!”
    En ’t harte komt hem weêr in gloed,
    En veêrkracht keert in zijn gemoed:—
    „Volharden, ja! zoolang ’t maar kan!”
    Zoo spreekt hij nu weêr tot zich zelven:
    „Al moet ik ’t onderspit ook delven.”
    Ja! moog’ dan alles hem verlaten,
    Zijn oude moed keert in hem weêr;
    Moog’ liefde of vriendschap hem niet baten,
    Zinkt menschenmacht hier machtloos neer,—
    Er is toch hulp bij God, den Heer!
    De Heere God heeft duizend handen,
    Waardoor Hij hem uit nood en banden
    Kan redden. En, past in Gods plan
    De liefde of vriendschap niet, nu, dàn
    Kan ’t kwade zelf, ten top gestegen,
    De bron nog zijn van heil en zegen.— —
    De smidsgezel wordt voorgeleid,
    En trotschheid en vermetelheid
    Ligt op zijn aangezicht gespreid;
    En welke vragen hij ook hoor,
    Hij heeft er steeds een leugen voor,—
    Den halven ring had hij van Snoet,
    Op diens verlangen, aangenomen;
    Hij had hem juist,—als iets maar moet!
    Bij die Jodin toen uit zien komen;
    En Snoet had hem gevraagd, of hij
    Dat ding een poosje wou bewaren,
    Maar stil voor zijne kameraads,
    Om hem voor hunne plagerij
    En voor hun dart’le scherts te sparen;
    Ze hadden anders zooveel praats,
    Wanneer zij wisten, dat hij ’t ding
    Van de oude joodsche vrouw ontving.
    Hij had dus ingewilligd, maar
    Toen weldra Snoet als moordenaar
    Genoemd werd, was hij na gaan denken;
    Eerst had hij aan de somb’re faam
    Nog geen vertrouwen willen schenken;
    Maar toen de gansche stad den naam
    Van Snoet bleef noemen,—zie! toen had
    De schrik hem in de ziel gevat;
    Die halve ring was in zijn handen,
    Alsof hij gloeiend was, gaan branden;
    En toen, schier zonder zelf te weten,
    Waarheen hij vloog en wat hij deed,
    Had hij den ring naar ’t raam gesmeten.
    Toch was ’t een schuld,—die hij beleed,
    En gaarn’ beleed,—van niet terstond
    De zaak te hebben uitgebracht;
    Maar dit was toch óók waar: hij vond
    Daarvoor zijn straf reeds in den kerker;
    En als de rechtbank nu bedacht,
    Dat immers hij in den bewerker
    Van ’t misdrijf eenen landgenoot,
    Een vriend had, die hem broeder noemde,
    Dan was zijn schuld toch minder groot,
    Ofschoon hij haar niet gansch verbloemde,
    En dan mocht hij vergeving hopen.
    Toen wendde hij zich tot Johan:
    „Kom! doe uw oog eens helder open,
    En kijk me eens in ’t gezicht; en dan,
    Kom! neem dan maar een kloek besluit,
    Beken het feit;—het komt toch uit;—
    En als je ’t eerlijk hebt gezegd,
    Gaat licht genade nog voor recht.”—
    Nu loopt weêr ’t stil gefluister voort:
    „Die kerel spreekt een dapper woord;
    En, flink, dat hij zijn kameraad
    Niet wou verklikken, schoon ’t hèm in schaadt.”—
    En naar Johan ziet ieders blik,
    Maar nu met afkeer en met schrik,
    En ieder werpt, met wrang gevoel
    En diep vergramd op hem den steen.
    Alleen de rechters blijven koel;
    En uit hun midden rijst er een
    Op eenmaal van zijn plaats, en trekt
    Het wijde laken weg, waardoor
    De legersteê was overdekt;
    Van de oude vrouw;—hij zet er voor
    Den smidsgezel, en wijst op haar,
    En vraagt: „Kent gij die oude, daar?”
    Hij staart haar aan, en hij verschrikt,
    Maar houdt zich goed nog en hij blikt
    Weêr driest in ’t rond, en antwoordt dan:
    „Ik ken haar niet: ’k weet niets er van.”
    Hij drukt zijn nagels in zijn handen,
    En knarst zijns ondanks met zijn tanden:
    „Ik ben hier vreemdeling, hoe zou
    Ik kennis hebben aan die vrouw?”—
    „Zaagt gij haar voor de herberg niet,
    Toen ze op de steenen lag, die oude?
    En is het niet eenmaal geschied,
    Dat zij voor u de handen vouwde,
    U smeekend.”— —Bij die vragen liet
    Hij op haar éénen blik weêr vallen,
    En ’t was hem, of de zaal, met allen,
    Die saâm daar waren, draaien ging;
    Een bange huivering beving
    Zijn hart, en ’t koude, klamme zweet
    Stond op zijn voorhoofd. Maar hij deed
    Nog ééne poging. „Satan! red
    Mij ditmaal nog; er zijn hierbij
    Toch geen getuigen tegen mij.”
    Dat is zijn laag en vuil gebed.
    En ééns nog geeft hem Satan moed,
    En giet hem kracht weêr in het bloed.
    En nu spreekt hij nog eenmaal weêr:
    „Ik ken haar niet!” en heft zijn hand
    Ten hoogen, tot den Hemelheer,
    En roept met kracht: „Als ’k in dit land
    Of ergens elders in mijn leven
    Haar zag, mag God een teeken geven:
    Ik zweer ’t bij God en bij Gods woord!”
    En onbeschaamd ziet hij in ’t rond,
    En eensklaps, op dienzelfden stond,
    Wordt daar een rauwe stem gehoord:
    „Den moord’naar vloek! De moord! De moord!”—
    Den voet vooruit, als moest hij voort,
    De handen uitgestrekt, of spoken
    Verschenen, om hem te bestoken;
    Verglaasd van oog, met stopp’lend haar
    De lippen kramperig opéén,—
    Zoo stond de lage booswicht daar,
    Gelijk een aak’lig beeld van steen.
    De bliksem was op hem geschoten,
    Het rijk der dooden was ontsloten,
    En handen zonder vleesch of huid
    Verhieven zich, de graven uit,
    En wenkten hem. Ontroerd, vervaard,
    Heeft hij die stem nog in zijne ooren,
    En,—Satan heeft zijn spel verloren:
    De moord’naar zijgt verplet ter aard.
    „Dat was die stem!” zoo bromt hij uit,
    Terwijl zich nauw zijn mond ontsluit:
    „Dat is ze! Ik weet, wat zij beduidt!
    Laat af! ’k Wil tot bekentenis komen!
    Ik heb ’t gedaan!—En ook heb ik
    Dien Jood het levenslicht benomen.”—
    Zoo was in éénen oogenblik
    De waarheid schitterend gewroken;
    En toen het somb’re woord van moord
    Daar van dien vogel was gehoord,
    Toen had de Heere God gesproken.








26.


    Kris zit voor ’t venster, en hij praat
    Heel levendig met zijn papa.
    „Ja,” zegt hij opgetogen, „ja!
    We zullen, als ’t niet tegenslaat,
    Gelukkig hier vandaan gaan [11], morgen,
    En dan is ’t uit met onze zorgen
    En nooden, en ons Fieken krijgt...”
    Op eenmaal houdt hij op en zwijgt;
    ’t Is, of daar iemand komt;— —ja wel!
    Hij luistert,—’t is zoo!—en heel snel
    Vliegt hij van ’t raam af, en hij zet
    Zich neder onder Fieken’s bed.
    De deur gaat stil en zachtkens open
    De bakker komt er ingeslopen.
    Hij haalt met spoed een sleutel uit,
    Waarmeê hij Fieken’s kist ontsluit;
    Werpt iets, wat blinkt en klinkt, daarin,
    Sluit weêr de kist, en bromt: „’t is klaar!
    Heen wil je? Nu, je krijgt je zin:
    Heentrekken zal je ook, zie je?—maar
    Den weg zal ik je wijzen;—dáár,
    Daarginds, in ’t raadhuis, is een plek,
    Waar jij kunt zitten; een vertrek,
    Waar stilte en tijd je wordt gegund,
    En waar je dus bedenken kunt,
    Waarom je mij dorst tegenstaan.”
    Hij gaat, en als hij is gegaan,
    Komt Kris weêr onder ’t bed vandaan,
    En zegt: „Daar heb ’k geen hoogte van!
    Wat heeft hij in die kist gesmeten?”
    Zijn vader heeft een poos gezeten
    Diep in gedachten, en geeft dan
    Het antwoord: „’k Wil eens overleggen
    Met moeder, wat die wel zal zeggen,
    En of die dat verklaren kan,
    Althans, er eenig licht in heeft,
    Maar dit zeg ik: niet goed kan ’t wezen,
    En ’t ergste is voor een elk te vreezen,
    Wien Satan zilv’ren lepels geeft.”— —

    De burgemeester is aan ’t werk.
    Een groot pak acten is gekomen,
    En „Keulen” staat er op, als merk,
    En als hij ’t heeft uitééngenomen,
    Rolt òòk nog een klein pakje er uit.
    Hij breekt het lak los, en ontsluit
    ’t Papier, en vindt een halven ring.
    „Hé!” zegt hij, „wat beduidt dat ding?”
    Nu neemt hij de acten en vangt aan
    Met lezen; diepe frons’len trekken
    Zich in zijn voorhoofd, en ze gaan
    Al dieper en al vaster staan.
    „Is ’t moog’lijk?” roept hij, „dáár te ontdekken,
    Wat hier voor jaren is gedaan!”
    En weder leest hij verder voort,
    En spreekt: „’t Is vreemd! Na zooveel jaren!
    En hier een moord en daar een moord!
    En juist van hier de moordenaren!
    Hij leest ten einde toe, en legt
    De kin zich peinzend in de hand,
    En denkt zich bijna stomp, en zegt:
    „’t Is vreemd! Een wonderbaar verband!
    Maar hoe is ’t moog’lijk?—Deze man,
    Met wien ik,—hoe ongaarne dan,—
    Zoo goed als daag’lijks zaken had,
    De rijkste burger van de stad,—
    Loopt die zoo lang reeds onvervaard
    Hier rond, met zulk een schuld bezwaard?”
    Er wordt geklopt.—„Doe open maar!”
    De burgemeester ziet, verschrikt,
    Dat daar de bakker is, en blikt
    Hem aan, alsof ’t een adder waar’,
    Die, eer hij ’t wist, reeds giftig beet;
    En, blozend, of hij zelf misdeed,
    Bedekte hij het actenpak
    En stak den ring zich in den zak.—
    „Wat wenscht gij?”—„Ja! ik heb een zaak,
    Die ’k haast maar liever had gezwegen;
    Maar, och! ze komt toch op de spraak,
    Wat ’k doe of niet; wie kan daartegen?
    Mijn meid gaat uit mijn dienst vertrekken,
    En, bij een onderzoek, dat ’k deê,
    Moest ’k tot mijn grooten schrik ontdekken.
    Ik miste zilv’ren lepels,—twee.
    Geef mij, als ’t kan, een dienaar meê,
    En laat die in ’t geheim de hoeken
    Van hare kleêrkist eens doorzoeken,
    Daar in mij de overtuiging leeft,
    Dat zij ze mij ontstolen heeft.”
    Maar de achtb’re heer heeft zich hersteld:
    „Vast! daar dient kennis van genomen,”
    Zoo zegt hij; „maar ik zelf zal komen,
    En van een raadsheer vergezeld.”— —

    Nu, dat gebeurde. En toen ze kwamen,
    Toen stonden Fiek en vader Smidt
    Verlegen en ontsteld te zamen,
    En dachten: „Wat hier achter zit,
    Begrijp ik niet; hij heeft gezeid:
    Niet heengaan!—en nu de overheid!”
    Fiek ziet daarbij haar vader aan,
    Zoo angstig en zoo vreemd te moê.
    De burgemeester spreekt haar toe:
    „Gij hebt uw kist al dichtgedaan,
    Maar meisje! die moet nog eens open.”
    „Mijn kist? Mijn kist? Maar ’k wil toch hopen,
    Dat ik hier niet”— — —en daarop sloot
    Zij zich aan vader, bleek van schrik,
    En stond daar zoo een oogenblik,
    Alsof de bliksem langs haar schoot.
    „Wat nu?” zoo vaart haar vader uit,
    „Ik weet niet, wat dat hier beduidt!
    Wie geeft aan iemand hier het recht,
    Om zulke midd’len aan te wenden?
    Wie is er, die van haar wat zegt?
    Wie is er, die haar naam durft schenden?”
    De bakker kan wat in hem spookt,
    ’t Venijn, dat in hem bruist en kookt,
    Niet meer bedwingen, en hij bijt
    Den vader toe: „Kom, open maar!
    Ik ben mijn zilv’ren lepels kwijt;
    En, ’k weet heel goed, die zitten daar!”
    „Wat! Lepels?” roept nu Smidt verwoed,
    Met beurtelings koud en ziedend bloed.
    „Hier, Fiek! je sleutel!” En hij trekt
    Den sleutel uit haar zak. „Welaan!
    Zoek nu dan maar, of je iets ontdekt,”
    Zegt Smidt, en gaat bij ’t venster staan
    Met Fiek, en kijkt dan door de ruiten,
    Voor de uitkomst niet bevreesd, naar buiten.

    En Jochem zit daar voor het glas,
    in kijkt nieuwsgierig strak naar binnen,
    En roept: „Kom, Krisje, hou je kras!
    Nu zal jou groote taak beginnen;
    Trek nu één lap eerst van de jas
    De kamer in; is dat gemerkt,
    Dan zorg je, dat je een tweede stuk
    Van uit het hol naar buiten werkt.”—
    Inmiddels is men nu al druk
    Aan ’t zoeken, en men woelt en wroet
    Het klein en schamel beetje goed
    Al om en om.—De burgemeester
    Ziet steeds den bakker in ’t gezicht
    Bij deze hand’ling, en hij leest er
    Een blijdschap op, die open ligt,
    Ofschoon zij zich te mask’ren tracht.
    Ook merkt hij, dat de bakker wacht,
    Het oog steeds op één plek gericht.
    En, ja! juist op die plek verscheen
    Het zilver.—„Hier!” zoo roept er een,
    „Hier zijn ze!” En allen staan daar stom;
    En vader Smidt ziet haastig om,
    En vraagt bestorven: „Zijn ze daar?”
    Zijn oogen schieten heen en weêr,
    En, ’t hoofd verward, het harte zwaar,
    Zinkt hij op ’t bed van Fieken neêr,
    En zucht: „Die daad hebt gij begaan!
    Kind! hebt gij dat van ons geleerd?”—
    En zij, van droefheid overheerd,
    Ziet hem zoo bang, zoo smeekend aan
    En roept, terwijl zij nederzakt,
    En snikkend zijne knieën pakt:
    „Neen, vader! ’k heb het niet gedaan!”
    En met een blik vol diepe smart
    Legt zij zijn hand zich op het hart,
    En spreekt: „Leg af dien wreeden waan:
    Ik kan voor u en God bestaan!”
    Maar ziende op zijn gelaat, als steen
    Zoo koud, zoo bleek, wendt zij zich nader
    Nu naar den burgemeester heen,
    En smeekt: „Och! zeg iets tot mijn vader!
    Één woord, mijnheer! één woord alleen!”
    Haar oog staat wild, en zwak en zwakker
    Slaan hare polsen;—en zij ziet
    Verward in ’t rond; zij ziet den bakker,
    En gilt: „Weg! Weg! Die kerel niet!”
    De burgemeester treedt nu nader
    Tot den geschokten, droeven vader,
    En troost hem nog, zoo goed hij kan,
    En beurt Fiek van den grond, en dan
    Geeft hij den oude zijne hand,
    Die nu weêr opzit op den rand
    Van ’t bed.—„Gij zijt een eerlijk man,”
    Zoo spreekt hij vriendelijk hem aan;
    „En met uw kind zal ’t ook wel gaan.”
    Het arme schaap slaat innig teeder
    Haar armen om hem heen, en hij,
    Hij fluistert in zich zelv’ daarbij,
    En fluistert telkens ’t zelfde weder:
    „Neen! neen! zij heeft het niet gedaan!”
    En als zij aan zijn boezem rust,
    En als, terwijl haar mond hem kust,
    Gedurig weêr een heete traan
    Op zijne hand valt van haar koon,
    Zegt hij op vasten, zeek’ren toon:
    „Zij deed het niet! ’t Kan niet bestaan!”

    Terwijl de vader zoo in ’t end
    Zijn kind weêr in heur waarde erkent,
    Heeft nog de assessor rondgevoeld
    En in de lappen omgewoeld.
    „Zie! ’t is opmerk’lijk!” zegt hij; „zie!
    Deez’ lappen hier, en die, en die,
    Zijn van een jas;—dat is heel klaar!—
    Daar heeft de kraag gezeten,—daar;
    Het laken is nog niet gesleten,
    Maar is ten deele stukgereten,
    Deels van de muizen doorgebeten,
    En stoff’rig is ’t;—hoe kreeg zij dit,
    En waar vandaan, in haar bezit?
    Men vraagt het haar. Zij zegt terstond:
    „Ik vond die lappen op den grond.”—
    „Op welke plek is dat geweest?”
    „Alom; maar bij den schoorsteen ’t meest.”—
    De burgemeester ziet haar aan
    En twijfelt: „Wil de waarheid zeggen!
    Waar kwam hier dan dat goed vandaan?
    Wie kwam dat op den vloer hier leggen?”
    Maar, zie! de raadsheer heeft al vast
    De meeste stukken saâmgepast,
    En wijst den kraag ook. „Zulke kragen
    Heeft men vóór twintig jaar gedragen,”
    Zoo spreekt hij:—„die men heden ziet,
    Zijn van de halve grootte niet.”—
    De burgemeester staat verslagen
    Een bruine jas?— —Voor twintig jaar?— —
    Zou ’t moog’lijk zijn?—Maar ’t was toch raar!—
    Zou nu nog licht daarover dagen?—
    Hij ziet den bakker aan; die staat,
    Alsof voor zijn verbijsterde oogen,
    Een zwarte wolk wordt opgetogen,
    En òm hem alles dwarr’len gaat.
    ’t Is aak’lig stil. Geen enkel woord
    Wordt nu van iemand daar gehoord,
    Totdat de burgemeester zegt:
    „Laat alles worden neêrgelegd,
    Wat in de kist is, op den grond.”
    En toen men dat verrichtte, vond
    Een dienaar iets, waarbij hij sprak,
    Terwijl hij ’t in de hoogte stak:
    „Zie hier, mijnheer! een glinst’rend ding!
    De helft is ’t van een gouden ring!”
    De burgemeester nam het aan.
    Hoe is dat toch? Hoe kan ’t bestaan?
    Dat stuk lag t’huis toch, bij zijn acten;
    Wat wond’ren zijn dan hier geschied?
    Hij stond verplet; de handen zakten
    Hem neêr bij ’t lijf.—Op eens, daar ziet
    Hij licht in die geheimenis:
    Dit is de wederhelft gewis!—
    Hij vraagt den bakker: „Kent gij niet
    Dit stuk?”—Die neemt het in zijn hand,
    Maar spreekt, terwijl hij zich vermant:
    „Dat heeft zij vast, ik weet niet hoe,
    Gestolen; maar ’t komt mij niet toe,”
    Nu ondervroeg men Fieken weêr:
    „Hoe komt dat ding in uwe kist?”
    Haar antwoord was, dat zij ’t niet wist;
    Van haar was ’t niet; zij wist niets meer.
    Toen zuchtte zij en weende zeer.
    Hier werd nu alles duist’re nacht,
    Waarin door gissen en door vragen
    Geen licht kon worden aangebracht,
    Maar nu roept Jochem Krisje zacht,
    En spreekt: „Mijn zoon! wil niet vertragen!
    ’t Is tijd nu! Kom! Aan ’t werk met kracht!”
    En Krisje, wakker, vlug en knap,
    Sleept uit het hol een bruinen lap.
    „Kijk!” roept de raadsheer, „wonderbaar!”
    Ziet gij dien bruinen lap weêr daar?
    Dat is een and’re; ja, voorwaar!
    Want hier, hier liggen bij elkaâr,
    Die ’t eerst ons kwamen in de hand;
    En niemand onzer is dien kant
    Ook uit geweest; en—zie eens!— —weêr
    Zoo’n lap daar aan de schoorsteenzij!
    Een vogel trekt hem op en neêr.”
    Hij loopt en komt er dichter bij,
    En bukt, en ziet, dat kleine Kris
    Nu met een derden bezig is.
    „Kijk!” roept hij, „nòg een! Maar ik vat
    Nu niets er van, want ’k zag heel klaar,
    Dat deze kleine vogel daar
    Hem optrok uit dat muizengat.”—
    Verpletterend beroert de schrik
    Den bakker in dit oogenblik;
    Hij moet zich houden aan den wand,
    Hij rilt van koude en klappertandt,
    En toch, ten zelfden tijde staat
    Het paar’lend zweet hem op ’t gelaat
    Geen wolk belet nu meer ’t gezicht,
    Op zijne daad; zij treedt in ’t licht,
    De burgemeester grijpt hem aan
    En vraagt hem: „Wat is hier gedaan?
    Weet gij er van, wat dat beduidt?
    Spreek op! Wat komt hier onderuit?”
    Bang en gejaagd kijkt hij in ’t rond,
    En bromt iets binnen in den mond,
    En wil de deur uit. „Sta daar, man!
    Voegt hem de burgemeester toe;
    „Er uit gaan,—neen! daar komt niet van;”
    En spreekt dan tot den dienaar: „Doe
    Hier aanstonds timmerlieden komen;
    De vloer moet worden opgenomen.”—
    Ze komen.—„Maakt eens los dien grond!
    Het eerst hier, bij dit muizengat.”
    Zoo doen de werklui ook terstond;
    En één van hen zegt: „’t Schijnt wel, dat
    Die planken hier nog wel eens meer
    Zijn los geweest.”—Men breekt al weêr,
    En zie! toen men iets verder was,
    Daar lag een bont en zijden vest,
    En daar benevens ook de rest,
    De helft nog van een bruine jas.
    De burgemeester wendde nu
    Zich af en gaf een hand aan Smidt
    En zei: „We merken al, hoe ’t zit;
    Ik vind geen reden meer, om u
    Te houden; gaat naar huis; en dra
    Komt, denk ik, Fieken u wel na.—
    En gij, kind lief! wees wel te moe;
    Uw hand is rein; goed zal ’t u gaan;
    Ik zeg u mijn bescherming toe,
    En ’k neem in mijnen dienst u aan.”
    En na dat goed en vriend’lijk woord
    Spreekt hij, met somber, streng gelaat,
    Den booswicht toe, die voor hem staat,
    En beeft, en de oogen neder slaat:
    „U neem ’k in hecht’nis wegens moord!”— —








27.


    „Waarheen? Waarheen?”—„Kom meê! kom meê
    Een heele pret vandaag, hoezee!
    Zit hier dan niet en toef hier niet,
    Nu Jochem weêr een doopfeest biedt.”
    „’t Is goed; ik ga niet naar de stad;
    Wat kil en schraal pleizier is dat!
    Op d’eersten Mei, als om ons heen
    Alom het groen verschijnt, dan mag
    De koekoek, voor mijn part, den dag
    Besteden tusschen kalk en steen.”—
    „Jij, malle kievit! domme klant!
    Ze wonen immers weêr op ’t land,
    Weêr aan denzelfden waterzoom,
    En in denzelfden wilgeboom,
    Waar Hanne toen bij nederlag,
    En in den droom zijn Fieken zag.”
    „O! dan is ’t goed!—Kom, nachtegaal,
    En lijster! ’t is een ruim onthaal,
    Dat weêr ons wacht! Kom! alle man!
    Wie dansen en wie zingen kan,
    Zal heden zeker recht verheugd
    Genieten volle lentevreugd.”—
    En al de voog’len, rap van leên,
    Begeven zich naar Jochem heen,
    Die, in zijn schik en weltevreden,
    Met schoone, witte boordjes om,
    Reeds voor zijn woning is getreden,
    En allen toeroept: „Wellekom!”
    Zijn mooi bruin rokje is net en glad,
    Of ’t aan zijn lijf geschilderd zat;
    En ’t geeft hem iets voornaams, zoo goed
    Als ’t knikje, waar hij nu meê groet.
    „Weest welkom!” spreek hij dan; „maar, vrinden,
    ’t Is geen gemakkelijk geval:
    ’k Weet haast geen peters meer te vinden;
    Zes is alweder ons getal.”
    En alles lacht en alles zingt,
    En alles danst en alles springt;
    Zelfs de ooievaar,—zoo’n deftig heer!—
    Staat in ’t geheel niet op één been,
    Maar springt met de and’ren op en neêr,
    En huppelt door hun rijen heen,
    Ja, op de klaver, groen en malsch,
    Danst hij verrukt een Schotsche wals.
    En onze lieve Heer ontsluit
    Zijn venster en kijkt even uit,
    En zegt: „Een zonderling idee!
    De philosofen dansen meê,
    Met hout’rig been en schralen voet,
    Maar toch, die aanblik doet toch goed.”
    In ’t end zijn allen mat en moê;
    En Jochem blaast zich op, en nu
    Spreekt hij aldus zijn gasten toe:
    „Mijn vrienden! ’k heb een woord aan u:
    Gij meent, dat heden ’t doopfeest is;—
    Dat is zoo niet; dat hebt gij mis;
    Een ander feest brengt ons bijéén:
    We kregen, naam’lijk, ’t minnend paar
    Door allen nood en moeite heen;
    Ze zijn nu boven elk bezwaar;—
    Dat is ons feest vandaag, maar weet,
    Dat één,”—hier hield hij even op
    En kreeg een blos en boog den kop,—
    „Dat een van ons het meeste deed,
    Het meeste deed, en ’t meeste ook leed.”—
    En allen kijken rond en vragen:
    „Is ’t de ooievaar? De nachtegaal?”—
    Maar, de oogen schuchter neêrgeslagen,
    Spreekt Jochem deez’ bescheiden taal:
    „Neen! lieve vrienden!—neen!—ik was ’t,
    Ik droeg den allerzwaarsten last,
    Ik heb het meest mij uitgesloofd,
    En ik heb ze aan elkaâr verloofd.”—
    En weêr ziet onze lieve Heer
    Glimlachend naar Zijne aarde neêr,
    En spreekt dan: „Hoor eens, wat gepoch!
    Nu wees maar trotsch op uw gewicht!
    De menschen doen ’t wel erger nog:
    Heeft soms een dwaas iets goeds verricht,
    Doordien ik maakte, dat hij ’t vond,
    En met zijn neus er tegen stond,
    Dan meent hij, dat hij iets beduidt,
    En kakelt eigen knapheid uit!”
    Alsnu neemt Jochem weêr het woord,
    Maar eer schier iets nog is gehoord,
    Verheft de kwikstaart, luid en blij,
    ’t Geroep: „Zij komt! Zij is nabij!”—
    En daar komt Fieken op den weg,
    Van achter kreupelhout en heg;
    En als zij uittreedt uit het hout,
    Omkranst de zon haar als met goud.
    Haar donkere oogen teek’nen kracht,
    En toch, haar blik is lief en zacht;
    Haar leden zijn gevuld en rond,
    Rood is haar wang en frisch haar mond.
    En als zij blij en welgemoed
    Den ouden wilg daar weêr begroet,
    Zet zij zich in de schaduw neder,
    En ziet dan haar verleden weder.
    Voorbij is ’t leed, geheel de wond,
    Voorbij is zorg en druk en nood!—
    Zij vouwt de handen in haar schoot,
    En ziet in ’t lachend landschap rond.
    O! als eens iemand zeggen kon,
    Dat al haar wenschen, al haar droomen,
    Zoo dikwijls in haar opgekomen,
    Eens zouden liggen in de zon,
    Gelijk daar, vóór haar, beek en boomen!—
    Zoo zit ze, en brengt zich alle dingen
    Weêr voor den geest, door niets gestoord.
    En ’t weefsel der herinneringen,—
    Daar werkt de hand der hoop aan voort.
    En om haar heen hoort zij het kweelen
    Der voog’len met hun orgelkelen;
    En boven de and’re tonen uit
    Verneemt zij ’t fijn en zoet geluid
    Der lijster, die daar vroolijk fluit:
    „Hij komt!—Als jong’ling heengetogen,
    Treedt hij als man weêr voor uwe oogen,
    In zijne min nog onbewogen.
    Verblijd u, Fiek! gij wordt zijn bruid.”—
    En, ja, daar komt met vaste schreden
    Een man de boschlaan uitgetreden,
    Met wakk’ren blik en bruin gelaat.
    En, als hij de oogen om zich slaat,
    Dan zegt hij: „’t Is nog als weleer.”
    En, als hij nog wat verder gaat,
    Dan zegt hij: „Dit is ’t plekje weêr,
    Waar ’k eenmaal mijn gelofte deed;—
    Zal ’k trouw zijn aan dien duren eed?”—
    Diep in gedachten treedt hij voort
    Door ’t vroolijk, vriend’lijk-lachende oord,
    Maar merkt op eens een maagdelijn,—
    Dat stil het landschap zit te aanschouwen;
    Heur handen zijn inééngevouwen,
    Heur haar glanst in den zonneschijn.—
    Daar trilt op eens door zijn gemoed
    Een diepe weemoed, maar zoo zoet:—
    Is ’t moog’lijk! Zou dat Fieken zijn?
    „Zij is ’t! Zij is ’t!”—„Ik ben’t! Ik ben ’t!”
    En, eensklaps tot hem heengewend,
    Ligt zijne Fieken, zacht en warm
    Van ziel, in zijn gespierden arm;
    En zacht en warm omvat hij haar,
    En vol van weelde staan ze daar,
    Terwijl hij, juichend en verrukt,
    Een kus haar op de lippen drukt.
    En ook zoo zacht en warm ontschiet
    Aan ’t woud het nachtegalenlied;
    En ’t is nu, of tot haar en hem
    God zelf zich richt met hoorb’re stem:
    Kom Hanne! Fieken! Kom bij mij!
    Al is het veld zoo groen en blij,
    Al schijnt de zon met zooveel pracht,
    Voor zùlk een vreugd is dàt nog nacht;
    Komt! boven ’t hart verheven!
    Ik zelf wil u de bruiloft geven!—

    En toen St-Jan gekomen was,
    Toen was ’t de bruiloft, hier op aarde.
    Blij klonk de vedel en de bas,
    Waaraan de klarinet zich paarde,
    Voor ’t huis van Snoet was alles vreugd;
    De kind’ren waren dol verheugd;
    Daar waren al de spruiten saâm
    Van Smidt, en tevens Jochem Frahm.
    En Gust en and’ren, frisch en kloek;
    En ieder kreeg een krentenkoek;
    Ze hielden die verrukt omhoog,
    En riepen luid en vroolijk uit,
    Met hupp’lend hart en tint’lend oog:
    „Hoera! Ons Fieken is de bruid!”
    En toen de stoet ging naar de kerk,
    Was weêr de klarinet aan ’t werk,
    En, met de klarinet, de fluit.
    En alles drong toen meê naar binnen.
    Nu werd het stil: nu zou ’t beginnen.
    Daar stond weêr Fieken voor ’t altaar;
    Rondom haar stond een dichte schaar;
    De zon speelde in haar krullend haar,
    En schitterde op haar bloesemkrans
    En in haar ziel met zachten glans,
    Zoo heerlijk en zoo wonderbaar!
    En naast haar staat, zoo flink en frisch,
    Hij, die haar één en alles is;
    En met een handdruk, trouw en vast,
    Belooft hij haar: „Ik draag uw last.”
    De leeraar bidt hun zegen toe;
    En Hanne’s moeder, vreemd te moe,
    Laat tranen vallen uit hare oogen
    Op ’t bloementuiltje, dat zij draagt;
    En ook de moeder van de maagd
    Heeft telkens tranen af te drogen;
    En ook de vaders zijn bewogen.
    Die van den bruigom zegt: „Vriend Smidt!
    Kom mee, kom naar mijn werkplaats mede!
    ’k Weet niet, wat me in het harte zit:
    ’t Is vreemd:—is ’t van des leeraars rede?
    Of, is het me in het hart zoo raar
    Om ’t heil van ’t jong en bloeiend paar?
    ’t Zijn onze kind’ren toch die twee;
    Maar, kom!—kom naar mijn smidse meê.”
    Toen ’t jonge paar weer buiten kwam,
    Toen trad de koster toe, en nam
    Aldus het woord op: „Mijnheer Snoet
    En juffrouw Snoet! God moge u beiden
    Veel zegen en veel heil bereiden,
    Al wat u zoet kan zijn en goed!
    Ik ben onnoemelijk verblijd,
    Dat gij zoo, na verloop van tijd,
    Toch tot elkaâr gekomen zijt!”
    Hij keert nu naar Gust Schult zich heen,
    En spreekt: „Jij deugniet; geef wel acht!
    Wat heeft die twee bijééngebracht?
    Dit was het immers, dit alleen:
    Dat zij elkander trouw steeds bleven;
    Zoek zulk een voorbeeld na te streven!
    Maar, och! ’t zal wel niet gaan met jou:
    Jij krijgt vast nooit een goede vrouw!”

    ’t Feest is in gang. „’k Wou wel eens weten,”
    Zegt Jochem, daar op ’t dak gezeten
    Met Lotje, „of ieder zal vergeten,
    Wat diensten door ons zijn gedaan.
    Daar mocht wel eenig loon op staan.
    Ik ruik een lekk’ren geur van koeken;
    Ze mochten òns—” „Och, wat?” spreekt zij,
    „Wij moeten geen belooning zoeken:
    Verblijd u liever maar, met mij,
    Dat Hanne en Fiek elkander vonden,
    En nu door ’t huw’lijk zijn verbonden.—
    En voorts, aan ’t werk! zoek halm en veder,
    Dan bouwen wij te zaam weder
    Een nest; maar hier, hier moet het wezen:
    Wie hier woont, heeft geen kwaad te vreezen;
    Hier drukt geen zorg, hier dreigt geen nood,
    Hier vindt vast elk zijn daag’lijksch brood.
    En, valt de winter ons soms zuur,
    Hier is ons Krisjen onze buur;
    Ja, hier rust zegen op ons nest;—
    Kom, Jochem! werken!—doe je best.”

    En toen het feest was afgedaan,
    Stond in de lucht de volle maan;
    En goot haar licht op berg en dal:
    En uit den groenen nacht der boomen
    Werd af en toe het blij geschal
    Van ’t nachtegalenlied vernomen,
    Dat zong van eenheid tusschen twee,
    Van vreugde zonder scheidingswee,
    Van stil genot aan eigen haard,
    Ja! van een hemel hier op aard.—
    Wat neev’lig ieder hart doorzweeft,
    En diep in elken boezem leeft,
    Maar waar geen taal een woord voor heeft,
    Dat vindt vertolking in de taal
    Der lied’ren van den nachtegaal.—

    En toen de herfsttijd was genaderd,
    En ’t koren in de schuur vergaderd,
    Toen stond, zeer deftig, stijf en strak,
    Vriend ooievaar op Hanne’s dak,
    Wat die verschijning daar beduidt?
    Wat voert daar toch die langbeen uit?
    Hij trekt zijn éénen poot omhoog,—
    Dit scherpt, zoo ’t schijnt, voor hem ’t gezicht,—
    En, in die houding staande, richt
    Hij stil een zeer nieuwsgierig oog
    Door ’t zwarte schoorsteengat naar binnen;—
    Hij schijnt zich even te bezinnen,
    En spreekt dan: „Goed zoo!—Leeft in vreê!
    Als weer de lente zal beginnen,
    Dan breng ik u iets aardigs meê;
    Iets, wat vast allen zal bevallen,
    En grootje Snoet het meest van allen.”








AANTEEKENINGEN


[1] Verbastering van Sebastiaan. Op den dag van St. Sebastiaan treedt,
volgens de volksmeening in Mekklenburg, het sap in de takjes.

[2] Hanne is eene wijziging van Johan, en in Nüte schijnt iets
spotachtigs te liggen, een zekere verbinding van klein en belachelijk.

(Vert.)

[3] Ik gebruik het mannelijk geslacht, omdat, zooals later blijkt,
bepaald de mannetjesmuis wordt bedoeld.

[4] Dit is de in de volkstaal gebruikelijke samentrekking van
Stavenhagen.

[5] Zoo worden de herbergiersters toegesproken.

[6] Zie de noot op bl 647.

[7] Wat in deze vertaling proza is, is het ook in ’t oorspronkelijke.

[8] Dit schijnt, spreekwoordelijk, te willen zeggen: dáár, waar men in
’t geheel geen overlast heeft te lijden en vrij van onaangename
bejegening is.

[9] Brandenburg.

[10] Daarmede wordt de herbergier aangeduid. Vgl. de noot op bl. 662.

[11] In ’t oorspronkelijke staat dynsen, een werkwoord, dat heentrekken
beteekent en met Dionysius samenhangt, want in Mekklenburg verlaten de
dienstboden hun dienst op St. Dionysius-dag (Dynsdag).











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HANNE NÜTE EN DE KLEINE POEDEL ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.