Het onderwijzeresje

By Felicie Jehu

The Project Gutenberg eBook of Het onderwijzeresje
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het onderwijzeresje

Author: Felicie Jehu

Illustrator: Louis Raemaekers


        
Release date: June 9, 2026 [eBook #78835]

Language: Dutch

Original publication: Alkmaar: P. Kluitman, 1908

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78835

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET ONDERWIJZERESJE ***





                                  HET
                            ONDERWIJZERESJE


                                  DOOR
                             FELICIE JEHU.

                           GEÏLLUSTREERD DOOR
                           LOUIS RAEMAEKERS.


                          ALKMAAR—P. KLUITMAN.
                                 1908.








EERSTE HOOFDSTUK.

HET EXAMEN.


Mijnheer van Welderen lag op zijn rustbank in de huiskamer. Zoo lag hij
daar nu al jaren dagelijks, nadat hij, door een noodlottigen val van
zijn paard, zijn rug bezeerd had, welk ongeval een eind gemaakt had aan
zijn carrière als officier. Hij was toen nog jong, nog geen vijf en
veertig jaar, hij stond goed aangeschreven bij zijn superieuren, had
naar alle waarschijnlijkheid een mooie loopbaan voor zich .... en
ineens maakte die val een eind aan alle verwachtingen.

Nu was hij een invalide, een gebrekkig mensch, dat veel pijn leed en
niet dan met de grootste moeite eenige stappen loopen kon.

En dan de zorgen, die als gevolg van dat ongeval hun intrede in zijn
huis gedaan hadden, de geldzorgen vooral.

Hij was getrouwd, had vijf kinderen, waarvan de oudste toen veertien,
de jongste twee jaar was. Die moesten allen nog een opvoeding hebben en
buiten zijn pensioen had hij niet veel. Toen hij in zooverre hersteld
was, als dit, na dien noodlottigen val mogelijk was en hij zijne dagen
weer in den kring der zijnen kon doorbrengen, zij het ook steeds
liggend op zijn rustbank, had hij getracht door het schrijven van
militaire schetsen en door vertalen er iets bij te verdienen, maar heel
dikwijls werd hij gekweld door pijn, die hem het werken belette, zoodat
hij ook daarmee zijne inkomsten maar weinig vermeerderen kon. Toch was
hij niet bepaald ongelukkig. Hij had een moedig, onversaagd karakter en
dat stelde hem in staat tot dulden en verdragen, en hij voelde, dat
daar dikwijls meer moed toe noodig is, dan tot handelen.

Zijn vrouw stond hem dapper ter zijde. Ze was een flinke vrouw, die de
handen uit de mouwen kon steken en haar opgewekt humeur hielp hen
beiden hun lot te dragen.

En dan zijne kinderen!

Wel gaven die hem natuurlijk de grootste zorg, met een klein inkomen
vijf kinderen op te voeden is niet gemakkelijk, maar hij zou ze geen
van allen willen missen, ze maakten immers het geluk en de gezelligheid
van het huis uit.

En het waren zulke goede kinderen. Mathea, zijn oudste, was nu
negentien jaar, een klein, blond ding, een mooi, vroolijk meisje, als
geschapen om het echte jonge meisjesleven te leiden, om onbezorgd te
genieten van haar jeugd. En wat had ze niet gewerkt om maar zoo spoedig
mogelijk haar examen als onderwijzeres te kunnen doen, zijn dapper
meisje, haar doel was zoo spoedig mogelijk geld te verdienen om zijne
zorgen te kunnen verlichten. Ze was geslaagd, in April had ze haar
hulpakte gehaald en nu, nog geen vijf maanden later, wilde ze reeds
trachten haar akte Engelsch te halen, waar ze al voor gestudeerd had,
toen ze nog voor haar akte lager onderwijs werkte.

Vandaag was de groote dag, ieder oogenblik kon ze thuiskomen met goed
of slecht nieuws en in lang had zijn hulpbehoevendheid hem niet zoo
gekweld, als juist heden. Hij was te rusteloos, om zich met iets bezig
te houden, hij trachtte te lezen, maar begreep niet, wat er stond,
werken ging ook niet, hij kon er zijn hoofd niet bij houden. Margerita,
zijn tweede dochter, had wel geen school vanmiddag, maar was haar
zuster gaan afhalen, de dertienjarige Jan maakte van zijn halven vrijen
dag gebruik, om buiten met zijne kameraden te spelen en had de kleine
Nico meegenomen en de tienjarige Bets had op Donderdagmiddag school.

Zoo lag hij daar dan alleen en voelde zich hoe langer hoe ongeduriger
worden.

Gelukkig, daar hoorde hij zijn vrouw aankomen, hij hoopte, dat zij een
oogenblikje bij hem kon blijven.

„Ben je daar, beste,” riep hij.

De deur werd geopend en zijn vrouw trad binnen.

„Riep je, Johan?”

„Ja vrouwtje, toe, blijf even bij me. Vin’ je niet, dat ze laat komt,
het is al half drie.”

Zijn vrouw zette zich naast hem neer.

„Neen,” zei ze, „ik geloof niet, dat ze vóór drie uur hier kan zijn.
Valt de tijd je zoo lang?”

„Ja, jou niet?”

„Ik had nog zooveel te doen, dan gaat de tijd onwillekeurig gauw
voorbij. Ik heb advocaat gemaakt, wat zeg je daarvan?”

„Heerlijk, maar kind, als ze nu eens niet geslaagd is.”

„O, dat zal wel niet, ze heeft zoo hard gewerkt.”

„Het kan toch mis zijn, er zakken er wel meer, die eigenlijk wel
bekwaam genoeg zijn. Ik ben er niet zoo gerust op.”

In haar hart was zijn vrouw dat evenmin, maar ze trachtte opgewekt te
kijken en verzekerde hem, dat ze overtuigd was, van het welslagen van
Thea.

„Het zal zoo heerlijk zijn, als ze er door is,” zei ze vroolijk, „de
lieveling moet dan eens een poosje niets uitvoeren. Ze zag er
smalletjes uit in den laatsten tijd.”

Haar man zuchtte.

„Ja, ze heeft wel een rustig tijdje verdiend. Daarna zal ik blij zijn,
als ze zich weer eens met Nico bemoeien kan, ik ben niet geschikt om
zulke jonge kinderen les te geven, ik weet de methoden niet en
daarenboven, als ik pijn heb, ben ik niet geduldig genoeg. Het is
miserabel, zoo tot niets geschikt te zijn.”

Zijn vrouw boog zich over hem heen en kuste hem.

„Tob daar toch niet over, beste man, je doet immers, wat je kunt. Dat
je met Nico niet goed kunt opschieten, ligt er aan, dat je te knap
bent, om aan zoo’n kleinen jongen les te geven. Thea heeft gezegd, het
dadelijk weer van je te zullen overnemen.”

„Nu ja, zoo dadelijk hoeft dat niet. Laat ze eerst maar eens wat voor
haar genoegen leven.”

„Dat ben ik met je eens. Ze wil hem voorthelpen, totdat ze een
betrekking heeft en dan wil ze van hare verdiensten zijn schoolgeld
betalen. Je ziet, alles komt wel terecht.”

Weer zuchtte mijnheer van Welderen.

„Ze is een beste meid, een ware troost voor haar armen vader. Maar de
gedachte dat zoo’n kind het schoolgeld voor haar broertje moet
verdienen, terwijl ik hier nutteloos neerlig! Als je eens wist, hoe me
dat kwelt.”

Zijn vrouw stond op en streek met haar hand over zijn voorhoofd.

„Weg met die rimpels, vandaag vieren we feest. Ik wou dat ze kwam,”
voegde ze er bij, naar het raam gaande. „Ik begin heusch ook ongeduldig
te worden. Daar komen Jan en Nico aanrennen, zou ze in zicht zijn?”

„Je moet er niet zoo vast op rekenen, dat ze er komt,” mompelde haar
man, maar ze viel hem in de rede:

„Dat doe ik wel, valt het tegen, dan is het nog tijd genoeg om te
treuren. Ik ga de jongens even opendoen.”

Een oogenblik later werd de deur opengegooid en stormden Jan en Nico
naar binnen.

„Dag Vader, ze is er nog niet, hè? We dachten al, dat we te laat
waren,” en Jan veegde met een niet al te schoonen zakdoek zijn bezweet
voorhoofd af.

Zijn vader schudde glimlachend het hoofd.

„Wildebras,” zei hij en toen Nico naar zich toehalend, streek hij hem
zijne krullen uit zijn gezichtje.

„Weet je nu goed, wat je tegen Thea zeggen moet, als ze er door is en
je haar die rozen geeft?”

Nico knikte van ja.

„Wat dan?”

„Dat ik haar feliciteer en dat die bloemen voor haar zijn. Krijg ik nou
weer van Thea les?”

„Ja, vin’ je dat niet prettig?”

„Neen Vader, ik wou liever geen les meer van haar hebben, ik wou veel
liever naar school. Wie heeft er nu les van zijn zus, ajakkes.”

Zijn vader zweeg een oogenblik. Hij wilde het kind niet zeggen, dat het
hem moeilijk viel, het schoolgeld te betalen, omdat de andere kinderen
hem al zooveel kostten.

Toen hervatte hij:

„Later mag je ook naar school, voorloopig krijg je nog les van Thea en
je zult lief zijn en je best doen, niet waar?”

Het kind trok een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat dit
niet naar zijn zin was, maar voor hij iets kon antwoorden, kwam zijn
moeder binnen en ziende, hoe vuil hij zich op straat gemaakt had, nam
ze hem mee, om hem eens flink te wasschen.

Jan zat voor het raam en tuurde naar buiten.

„Zie je nog niets?” vroeg zijn vader.

Jan schudde ontkennend.

Mijnheer van Welderen bewoog zich onrustig.

„Jan,” zei hij weer.

Maar Jan antwoordde niet, met gespannen aandacht keek hij naar twee
gedaanten, die in de verte aankwamen. Het waren twee meisjes, zouden
het de zusjes zijn?

„Jan,” zei nog eens zijn vader.

Doch Jan keek niet om.

„Ja Vader, wacht even,” zei hij en drukte zijn neus plat tegen de
ruiten, om beter in het spionnetje te kunnen zien. Toen schreeuwde hij:

„Ze is het, hoor, ze komen aanvliegen, ze zwaait met een wit papier,
hoezee, ze is er door!” en niet op zijn vader lettend, die zich
zenuwachtig had opgericht, vloog hij de gang in, naar de voordeur,
roepend:

„Moes, Moes, daar is ze, ik geloof zeker, dat ze er door is!”

Mevrouw van Welderen liet Nico met een nat gezichtje staan en vloog ook
naar voren. Toen ze de voordeur opende, waren de meisjes nog maar een
paar huizen ver, kleine, blonde Thea zwaaide vroolijk met een wit
papier, zeker haar akte en de lange, zestienjarige Ita danste
letterlijk naast haar, er zich niet aan storend, dat de menschen naar
haar keken, noch, dat haar vlecht los was gegaan.

Mevrouw van Welderen trok hen in de gang en sloot haastig de deur.

„Goddank,” zei ze, Thea kussend, „goddank, ga gauw naar Vader,” en de
deur der huiskamer openend, duwde ze haar naar binnen. Daar lag haar
vader en stak zijne armen naar haar uit. Zijne oogen waren gevuld met
tranen en de manier, waarop hij tegen haar lachte, bewees, hoe
gespannen zijn zenuwen waren.

Thea vloog in zijne armen en vader en dochter omhelsden elkander
hartelijk.

„Mijn lieveling,” fluisterde hij, „mijn flink, knap meisje, hartelijk
geluk gewenscht, het is haast al te heerlijk.”

Nog een kus en Thea richtte zich op.

„Is het niet zalig!” riep ze opgewonden, „is het niet meer dan
verrukkelijk” en ze vloog weer naar haar moeder en pakte haar eens
flink.

Toen kreeg Jan een beurt en daarna kwam kleine Nico op haar af, met een
mooien bouquet rozen, dien hij haar toestak, terwijl hij zijn snoetje
oprichtte, om gekust te worden.

„En zeg je nu niets?” vroeg zijn vader.

„Wel gefeliciteerd,” zei het kind.

„Dank je hartelijk, vent, ik ben er heel blij mee, ze zijn prachtig.”

Daarna begon Thea druk te vertellen van haar examen, wat ze haar
gevraagd hadden, en hoe aardig de examinator geweest was.

„Het ging heerlijk,” zei ze, „eerst was ik wat zenuwachtig, maar later
niets meer, ik voelde, dat ze tevreden waren. O, ’t is zalig om door je
examen te komen,” en in verrukking sloeg ze haar handen in elkaar.

Moeder had intusschen even de kamer verlaten en kwam weldra terug met
een blad, waarop een karaf advocaat stond, omringd van glazen, benevens
een schaaltje met bisquits.

„Nu gaan we op den goeden uitslag drinken,” zei ze vroolijk.

„Wat een verrassing, Moesje,” riep Thea en Ita maakte van louter
vreugde zoo’n luchtsprong, dat de vaas met bloemen bijna omver viel.

„Maar Ita, pas toch op, niet zoo woest,” waarschuwde haar vader. Tot
antwoord vloog Ita op hem aan en omhelsde hem zoo onstuimig, dat haar
moeder angstig riep: „Ita, Ita, denk er toch aan, dat je niet zoo wild
met Vader moet zijn.”

Haar man lachte en trok zijn woest dochtertje aan haar vlecht.

„Vandaag kan Vader tegen alles, zelfs tegen een omhelzing van zijn
wildeman,” zei hij en toen het glas opnemend, dat zijn vrouw voor hem
had neergezet, stootte hij met Thea aan.

„Op het verdere succes van onze geleerde en dat we nog menigmaal zoo’n
feestje vieren mogen!”

Het was een geklink en een gejuich zonder einde en niemand hoorde, dat
er gebeld werd. Het dagmeisje was al naar huis, en Bets, ongeduldig,
klom tegen den bel op en gaf er nog eens een flinken ruk aan. Ze
brandde van verlangen om te weten, hoe het examen was afgeloopen.

„Hemel, wat een bel,” riep Jan, „’t lijkt wel of er brand is.”

„’t Zal Bets zijn,” zei zijn moeder, „doe haar maar gauw open, ze moet
er ook bij zijn.”

Jan vloog naar de deur en riep al, voor hij het slot had opengemaakt:
„ze is er door.”

„Lekker,” zei Bets, binnenkomend, „nou krijg ik advocaat. Moes heeft ’t
me verteld voor ik naar school ging.”

Ze stapte de kamer binnen en keek een beetje verslagen naar de reeds
geleegde glazen.

„Ben jullie al begonnen?” vroeg ze.

Haar vader schoot in een lach, om haar verslagen gezicht.

„Zou je Thea niet liever eens feliciteeren,” zei hij, „Jan heeft je
toch zeker het goede nieuws verteld?”

„O ja,” en Thea een kus gevend, verklaarde ze, dat ze het wel geweten
had, Thea was immers zoo knap.

Met een tevreden gezichtje zette ze zich met haar glas in een hoekje.

„Ik vind ’t toch wel leuk,” merkte ze op, „je moet weten, ik had het op
school al verteld en ook, dat we advocaat kregen. Als je gezakt was,
was het toch erg gek geweest, hè, dan had ik het morgen weer moeten
tegenspreken en dat was toch vervelend geweest. Nou hoor, ik ben blij,
dat het niet hoeft,” en met een verrukt smakken, lepelde ze haar
glaasje leeg.








TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN KLOEK BESLUIT.


Thea zat met de hand onder haar hoofd te peinzen.

Het was een gure Octoberdag, somber, vochtig en kil, een van die dagen,
die den mensch zijn opgewektheid doen verliezen en kleine bezwaren en
moeielijkheden, die men op een zonnigen dag als bagatellen zou
beschouwd hebben, tot een drukkenden last maken.

Zooals Thea daar zat, zag ze er dan ook alles behalve opgewekt uit,
hare meestal lachende oogen hadden een melancolieke uitdrukking en de
rimpels, op haar voorhoofd zichtbaar, waren in tegenspraak met haar
jong gezichtje.

Naast haar zat Nico, schijnbaar bezig een optelsom te maken, die zijn
zuster hem had opgegeven, maar inderdaad niets uitvoerend, dan wat
krabbels op zijn lei teekenen, die een of ander produkt uit het
dierenrijk moesten voorstellen.

Van tijd tot tijd keek hij eens van terzijde naar zijn zuster, blij,
dat ze niet op hem lette, want hij had een hekel aan sommen maken en
teekende veel liever een beetje.

Thea dacht er over, dat het niet zoo gemakkelijk ging, een
gesalarieerde betrekking te krijgen, als ze gedacht had. Ze had
gehoopt, dat ze met haar twee akten wel spoedig slagen zou, doch nu was
ze bijna twee maanden aan het solliciteeren en tot nog toe was het haar
niet gelukt, een plaats als onderwijzeres machtig te worden.

En toch was het zoo noodig, dat ze geld verdiende!

De winter was op komst, dan was er altijd meer noodig dan zomers, ze
zag, dat hare ouders gedrukt gingen onder de geldzorgen, vaders
toestand was minder goed, dan van den zomer, hij was zoo zenuwachtig en
dat verergerde zijn pijn en Moeder, ach, Moedertje liet den moed nooit
zakken, ze bleef schijnbaar opgewekt, maar wie haar goed kende, zag
toch wel, wat het haar kostte en hoe ook zij onder zware zorgen gebukt
ging.

Eensklaps schrikte ze op door het dichtslaan van de deur en opziende,
zag ze, dat Nico verdwenen was.

Foei, wat had ze zitten suffen, door het tobben over de toekomst en het
nadenken, over wat ze zou willen doen, vergat ze den plicht, die het
naast lag en inplaats van haar broertje bij zijn werk te houden, liet
ze hem maar aan zich zelf over en nu was hij weggeloopen.

Waar zou hij zijn?

Haastig stond ze op en liep de gang in, hopend hem daar te vinden. Ze
zag hem niet, maar hoorde zijn stem in de huiskamer, die zei: „Thea
slaapt, ze merkte er niets van, dat ik wegliep, ziet u wel, dat u me
naar school moet laten gaan, zoo leer ik niks.”

Met een kloppend hart stond Thea voor de deur der huiskamer. Hare
wangen gloeiden van den schrik, wat zou Vader wel van haar denken.

Daar hoorde ze Vaders stem, die antwoordde:

„Wat vertel je nu voor onzin, Nico, dat Thea zit te slapen? Ik geloof
er niets van, je bent zeker weer stout geweest en van de les
weggeloopen.”

Toen Nico’s stem:

„Heusch niet, ik zat zoet te rekenen, maar toen zag ik, dat Thea
heelemaal niet op me lette, als ze niet sliep, dan zat ze te suffen, ze
heeft er echt niks van gemerkt, dat ik wegliep. Mag ik nou naar
school?”

Daarna weer haar vader:

„Je mocht in geen geval wegloopen. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd,
dat je naar Thea luisteren moet en haar net zoo gehoorzaam zijn, als
Moeder en mij. Ga nu dadelijk naar haar terug en vanavond ga je een uur
vroeger naar bed. Begrepen?”

Nico begon te huilen.

„Maar Vader, ik heb niks gedaan, ik kan het toch niet helpen, dat Thea
niet op me let, ik wil niet vroeg naar bed vanavond.”

„Ben je nog niet weg? Hoe is het, wil je soms liever dadelijk naar bed?
Niet? Ga dan oogenblikkelijk naar Thea en vraag haar excuus, omdat je
weggeloopen bent.”

Thea hoorde aan haar vaders stem, dat hij zenuwachtig was, hij had
zeker weer pijn en door haar schuld werd hij lastig gevallen.

Nico had eigenlijk gelijk, hij kon het niet helpen, dat ze zoo weinig
op hem gelet had, hij had dus geen straf verdiend.

Terwijl hare wangen zich nog rooder kleurden, draaide ze den deurknop
om en trad binnen.

Bij het openen der deur, keerde haar vader zich om. „Ben jij het, Thea?
Is Nico weer ondeugend geweest? Ik heb hem gezegd, dat hij vanavond
vroeg naar bed moet.”

Verlegen trad Thea nader en legde haar hand op haar broertjes schouder.

„U moet niet boos op Nico zijn,” zei ze, „hij is eigenlijk niet stout
geweest, hij had wel niet mogen weg loopen, maar....”

Haar vader keek haar aan en zag hoe ze aarzelde, om door te gaan.

„Nico,” zei hij, „ga je werk afmaken, ik moet met Thea iets bespreken.”

Nico, blij, dat hij weg kon, holde de gang in, de deur wijd achter zich
open latend.

Een pijnlijke trek vloog over zijn vaders gezicht.

Hij beet zich op zijne lippen, als om een hevigen pijn te onderdrukken
en bezorgd boog Thea zich over hem heen.

„Heeft u weer pijn?” vroeg ze angstig.

„Bijna altijd in de laatste dagen, let er maar niet op. Kom nu eens bij
me zitten en vertel me, wat er gebeurd is.”

Thea zette zich op het voeteinde van de rustbank en zei zacht:

„Nico heeft de waarheid gezegd, mijne gedachten waren werkelijk zoo
afgedwaald, dat ik pas merkte, dat hij weggeloopen was, door het
dichtslaan der deur.”

Een oogenblik keek haar vader haar zwijgend aan, toen vroeg hij:

„Hoe kwam dat zoo?”

Thea wist niet dadelijk, wat te antwoorden, ze wilde niet zeggen, dat
ze over de toekomst aan het tobben was geweest, het heele gezin toonde
zich altijd zoo opgewekt mogelijk voor Vader, die al zoo veel te dragen
had. Toen knielde ze naast hem neer en met haar hoofd tegen zijn
schouder, zei ze:

„Ik dwaalde af, het lesgeven aan zoo’n kleinen jongen is zoo eentonig,
maar het is natuurlijk verkeerd van me. Het zal niet meer gebeuren, dat
beloof ik u.”

Haar vader streelde hare gloeiende wangen en glimlachte. Hij wist nog
zoo goed, hoe blij hij zelf was geweest, van die lessen af te zijn. Dat
hij ze zoo vervelend gevonden had, was natuurlijk een bewijs, dat hij
geen goed onderwijzer was en hij had gehoopt, dat Thea dat wel zou
blijken te zijn.

„Ik begrijp het wel,” zei hij, „ik weet, dat het moeielijk is een
jongen van dien leeftijd bij zijn werk te houden, maar dat is des te
meer reden om je gedachten niet te laten afdwalen. Ik dacht, dat een
gediplomeerde onderwijzeres wel in staat zou zijn om aan een kleinen
jongen les te geven. Op die manier leert hij werkelijk niet veel en
ofschoon ik het sterk in hem afkeur, dat hij op die wijze van je
afdwalen gebruik maakt, om mij te overtuigen, dat hij naar school moet,
geheel ongelijk heeft hij niet.”

De gevoelige Thea werd getroffen door het verwijt, dat in deze woorden
lag opgesloten. Hare oogen vulden zich met tranen.

„U heeft gelijk, maar Vader, u weet niet, hoe lastig het is, je eigen
broertje les te geven. Vreemde kinderen zouden meer respect voor mij
hebben en dan zou het vanzelf beter gaan.”

Haar vader keek ernstig, hij was altijd een man van strenge
plichtsbetrachting geweest en hij vond, dat Thea in haar plicht te kort
was geschoten, door haar leerling zoo aan zijn lot over te laten, al
was die leerling haar broertje.

„Misschien,” zei hij, „maar je zult nog wel veel moeten leeren, voordat
je een goed onderwijzeres bent.”

Thea begon te schreien.

„Maar kindje, daar moet je nu niet om huilen. Kom, droog die tranen af
en doe je best maar, dan zal het wel losloopen, je moet niet vergeten,
dat je door ondervinding veel leeren zult. Ik zou nu maar eens naar
Nico gaan kijken, wie weet, wat hij uitvoert.”

Thea veegde hare oogen af, gaf haar vader een kus en begaf zich naar
het kamertje, waar ze ’s morgens haar broertje les gaf.

Ze vond hem bezig, papierpropjes over de tafel te schieten, de grond
lag er al mee bezaaid.

„Wat is dat nu weer,” zei ze streng, „wat een rommel heb je gemaakt. Is
je som af?”

Nico keek zijn zuster eens aan, die poogde een strenge uitdrukking aan
haar nog zoo kinderlijk gezichtje te geven. Hij zag dadelijk, dat ze
gehuild had.

„Je hebt zeker een lekker standje van Vader gehad, hè? Net goed, dan
moet je maar niet zitten suffen.”

Nu keek zijn zuster werkelijk boos.

„Hou je mond,” zei ze, „en maak die som af, of ik vraag aan Vader, je
oogenblikkelijk naar bed te sturen.”

Nico zag, dat ze werkelijk boos was en vond het beter, nu maar aan het
werk te gaan, hij wilde Vader er liever niet verder ingehaald zien.
Toch kon hij niet nalaten nog even binnensmonds te mompelen:

„Je hebt toch een lekker standje gehad!”

Thea hoorde wel, wat hij zeide, maar deed maar, alsof zij er niets van
merkte.

„Geef nu zoo’n jongen eens les,” dacht ze, „hoe is dat nu mogelijk.
Vader heeft gemakkelijk praten, als hij zegt, dat een leerling, een
leerling is, broertje of niet, een vreemd kind zou toch zoo niet durven
spreken.” Een poosje had Nico ijverig doorgewerkt, toen toonde hij
triomphant zijn som aan Thea.

„Al af,” zei hij.

„Je mag wel zeggen, al, ik heb je haar een uur geleden opgegeven.”

„Nou ja..... maar nu had ik haar toch gauw af. Zeg Thea, als ik nu
verder goed werk, zou ik dan toch vroeg naar bed moeten vanavond?”

„Ik denk het niet, ik heb Vader gezegd, dat het mijn schuld was, daar
straks.”

Nico vloog op en klom op haar schoot. Zijne armen om haar hals slaande,
zei hij tusschen twee kussen door:

„Heb je dat echt gezegd? Lieverd, je bent een lekkere zus, ik zal nooit
meer wegloopen, al let je heelemaal niet op me, hoor.”

Lachend zette Thea haar onstuimig leerlingetje weer op zijn stoel.

„Goed,” zei ze, „maar ik zal voortaan wel beter oppassen, daar kun je
van op aan. Doe toch je best, jongen, je moet nu eenmaal bij mij leeren
en als het niet gaat, doe je Vader zoo’n verdriet.”

De ochtend ging verder kalm voorbij. Nico scheen zijn onaardig gedrag
goed te willen maken en daar hij een vlug hoofd had en heel goed leeren
kon, als hij maar wilde, ging het nu heel goed en kon Thea niet nalaten
te zeggen, toen de les was afgeloopen:

„Hè Nico, als je nu eens altijd zoo was.”

„Dat zou je wel willen!” riep haar broertje, terwijl hij lachend
wegholde.

Thea keek hem hoofdschuddend na.

„Als hij maar een beetje respect voor me had,” zuchtte ze, zijne boeken
en zijn lei wegbergend.

Toen Thea dien middag op haar kamertje zat te studeeren, voor haar
Fransche akte, kwam het dienstmeisje zeggen, dat mijnheer gevraagd had,
of de juffrouw eens even bij hem wilde komen, hij moest haar over iets
spreken. Verwonderd keek Thea op. Zou Vader nog terugkomen, op hetgeen
er dien morgen gebeurd was? „Ik kom,” zei ze tegen het meisje en haar
boek sluitend, stond ze op en ging naar de huiskamer. Daar vond ze
Vader en Moeder in druk gesprek, doch zij zwegen, toen ze binnentrad.

Haar vader had een open brief voor zich op tafel liggen en vroeg haar,
eens kalm bij hem te gaan zitten.

„Thea,” zei hij, den brief opnemend, „daar heb ik een schrijven
ontvangen, dat vooral voor jou van belang is.”

„Voor mij, Vader?”

„Ja, kind, want in dien brief wordt je een betrekking aangeboden als
gouvernante.”

„Is ’t echt?”

Thea had een kleur gekregen van verrassing.

„Er is een goed salaris aan verbonden. Een oud vriend van me, dien ik
onlangs eens over je geschreven had, heeft je gerecommandeerd bij
kennissen van hem en nu vraagt hij, of je er lust in zoudt hebben.”

Thea bloosde alweer.

„Natuurlijk, als er een goed salaris aan verbonden is, dat zei u
immers?”

Toen eensklaps haar vader angstig aanziende:

„Het is toch extern, niet waar?”

Nu nam haar moeder het woord.

„Neen, kindje, dat is het juist. Anders zou ik er heel blij mee zijn,
maar je zoudt van ons af moeten, het is een interne betrekking.”

„Maar dan toch hier in de stad?”

„Dat ook niet. De familie, waar je komen zoudt, woont in Brussel. Het
is een Hollandsche familie, die daarom graag een gouvernante uit haar
eigen land bij de kinderen wil hebben. Zou je het aandurven?”

Hier viel haar vader in:

„Er zijn vier kinderen, maar de beide oudste meisjes zijn volwassen,
die zouden dus geen les meer van je krijgen. Je zoudt tot leerlingen
hebben, een meisje van tien en een jongen van acht jaar. Het lijkt mij
wel goed, je zoudt, behalve de gewone verpleging, driehonderd gulden
salaris krijgen.”

Thea keek verbaasd.

„Kost en inwoning en driehonderd gulden salaris, dat is mooi,” zei ze.

„Dat dachten we ook. Wij vinden het natuurlijk ook prettig, dat die
familie aan mijn vriend bekend is en wij je dus gerust kunnen laten
gaan. En dan is er nog een voordeel aan verbonden, denk eens hoe goed
het voor je Fransch zal zijn, als je naar Brussel gaat.”

Thea was stil geworden.

Vader had gelijk, het was een mooi aanbod, het zou dwaas van haar zijn,
die gelegenheid tot werken en geldverdienen niet aan te grijpen, maar
toch....

„Moet ik gaan?” vroeg ze met een benauwde stem.

Haar vader schudde zijn hoofd.

„Wij zullen je niet dwingen, wat Moeder en mij betreft, wij geven wel
onze toestemming, maar je moet zelf beslissen.”

Weer zat Thea stil voor zich uit te kijken.

Haar moeder trok haar naar zich toe.

„Zou je er zoo erg tegen opzien, om het huis uit te gaan, beste?” vroeg
ze zacht.

Thea sloeg hare armen om haar moeders hals en verborg haar gezicht aan
haar borst.

„Vreeselijk,” zuchtte ze.

„Wij zouden je natuurlijk ook erg missen, lieveling, heel erg, maar
toch moeten we geen overijld besluit nemen, het is werkelijk een mooi
aanbod. Denk er eens kalm over na.”

„Dat vind ik ook,” zei haar vader, „zoo iets behoeft niet in eens
beslist te worden. Vanavond moet ik antwoorden, tot zoolang kun je er
over nadenken.”

„Ja Vader,” en Thea stond langzaam op om de kamer te verlaten.

Het was zoo’n klein, terneergeslagen persoontje, dat daar naar de deur
liep, dat haar vader haar terugriep.

„Kom nog eens even bij me, kind, ik moet je nog wat zeggen.”

Langzaam keerde Thea zich om, doch het gezicht van haar vader ziende,
waarop liefde en medegevoel zoo duidelijk te lezen stonden, wierp ze
zich eensklaps in zijne armen en snikte het uit.

„Kindje,” suste hij, haar hoofd streelend, „kindje, als je het zoo
vreeselijk vindt, hoef je niet te gaan. Ik dacht, dat het voor ons
aller bestwil zou zijn, maar je moet het niet doen, als je er zoo tegen
opziet. Ik houd natuurlijk mijn oudste meisje liever bij me.”

Thea glimlachte door hare tranen heen.

„Maar Moes vindt beter, dat ik ga.”

Haar moeder maakte een ontkennende beweging.

„Neen kind, je begrijpt me verkeerd. Ik vind het niet verstandig, je
zoo door je gevoel te laten overheerschen. Het lijkt me een goede
betrekking, je hebt al ondervonden, dat die niet opgeschept liggen en
dus vind ik, dat we er wel eens over denken mogen, vóór we zoo’n aanbod
afslaan.”

Thea droogde hare oogen af en richtte zich op.

„U heeft gelijk, ik ben nog een echt flauw kind, ik huil dadelijk, let
er maar niet op. Nu ben ik al weer verstandig, ik was er van
geschrokken, denk ik. Nu zal ik er eens kalm over nadenken en u straks
zeggen, wat ik het liefste wil. Is dat goed?”

Ze schreide nu niet meer, ze trachtte zelfs te glimlachen, maar ach,
het was zoo’n droevig lachje. Toen ze de kamer verlaten had, veegde ook
haar moeder zich de oogen af en haar vader zuchtte: „Arm kind.”

Thea liep regelrecht naar haar kamertje. Ze lette er niet op, dat Nico
haar tegen het lijf liep en haar beschreid gezichtje ziende, mompelde:
„Heeft ze nu al weer een standje gehad.” Ze sloot haastig de deur
achter zich en wierp zich voorover op het bed. Daar liet ze haar tranen
den vrijen loop.

Ze moest van huis, weg van Vader en Moeder en de zusjes en broertjes.
Ze had altijd gehoopt, ja er zeker op gerekend zelfs, dat ze een
betrekking in de stad harer inwoning zou vinden. Ze had wel begrepen,
daar alle begin moeielijk is, dat het haar ook niet dadelijk
gemakkelijk zou vallen, les te geven en de orde te bewaren op een
school, of bij leerlingen aan huis, maar ze had zich getroost met de
gedachte, dat na gedanen arbeid haar een vriendelijk thuis wachtte en
harten, die haar begrepen.

En nu?

Ze moest alleen naar een vreemde stad, onder menschen, die ze niet
kende, waar zelfs een taal gesproken werd, die ze niet goed machtig
was.

En ze voelde zich zoo gauw verlegen, ze was heelemaal geen meisje, dat
durfde, zooals er tegenwoordig zooveel zijn.

Ze rilde bij de gedachte, weg te gaan, alleen onder vreemden en toch
moest het. Ze voelde hoe langer, hoe duidelijker, dat ze niet weigeren
mocht, niet weigeren kon, zonder laf te zijn en ontrouw aan wat ze als
haar eersten plicht beschouwde, te trachten de drukkende zorgen van
hare ouders te verlichten.

Ze mocht dus niet weigeren, ze moest gaan.

Het snikken was nu bedaard.

Thea stond van het bed op en waschte zich de brandende oogen. Toen
kamde ze haar kuif wat op en besloot ineens door den zuren appel heen
te bijten. Ze wilde dadelijk haar besluit aan hare ouders mededeelen,
dan kon ze niet meer terug. Ze zou Vader vragen direct te schrijven, ze
wilde de brug achter zich afbreken en het verder met zichzelven
uitvechten. Vader moest het er voor houden, dat ze geheel met het plan
verzoend was, die goede Vader was in staat zich zelf te verwijten, dat
zij haar eigen brood moest verdienen. Dat mocht niet.

En dan kon Nico naar school. Dat was ook beter, ze was niet tegen hem
opgewassen, met vreemde kinderen zou het gemakkelijker gaan. Ze zou
dadelijk heel streng zijn en laten merken, dat er niet met haar te
spotten viel. Toen keek ze toevallig in den spiegel en moest lachen om
het kleine meisje, dat haar daaruit aankeek en dat zich voornam een
strenge onderwijzeres te worden.

Toen dacht ze, dat ze misschien zou kunnen maken, dat de kinderen heel
veel van haar hielden en dat ze daardoor dan veel invloed op hen zou
kunnen uitoefenen.

Maar Nico hield ook veel van haar en toch....

Enfin, dat was van later zorg, nu maar eerst naar beneden gaan en haar
besluit mededeelen.

Haar moeder kuste haar en zei, dat ze wel geweten had, dat ze
verstandig zou zijn, maar haar vader keek haar bezorgd aan en vroeg:

„Weet je wel zeker, dat dit besluit je niet berouwen zal. Als je
eenmaal je woord gegeven hebt, kun je niet meer terug, kind, bedenk dat
goed.”

Maar Thea antwoordde, dat ze vast besloten was, ze zou gaan, ze zou
haar best doen en alles zou goed terecht komen, moest goed terecht
komen.

Haar vader greep haar hand.

„Dan zal ik vanavond schrijven, dat je graag wilt,” zei hij.

„Doe het liever straks nog,” verzocht ze.

Daarna begon ze druk met haar moeder te bepraten, hoe ze nog alles in
orde zouden krijgen voor haar wintertoilet, want, hoewel er niet
geschreven was, wanneer men haar precies noodig had, kon men toch uit
den brief opmaken, dat men haar al spoedig verwachten zou.








DERDE HOOFDSTUK.

AFSCHEID.


Wat een drukke tijd was dat, die vooraf ging aan Thea’s vertrek naar
Brussel. Er moest nog zooveel in orde gemaakt worden, wilde ze met een
behoorlijk uitzet het ouderlijk huis verlaten. De zusjes en broertjes
hadden er niet weinig van opgekeken, toen hun verteld werd, dat Thea
een plaats als gouvernante in Brussel had aangenomen.

Hun oordeel over dit belangrijke feit was zeer verschillend.

Ita vond het heel interessant voor haar zuster, naar Brussel te gaan en
deed alsof ze haar benijdde, maar in haar hart was ze heel blij, dat
haar dat geluk niet te beurt viel, ze bleef veel liever rustig thuis.
Maar Thea mocht dat niet weten, liet die maar denken dat ze graag in
haar plaats zou zijn, dan kreeg ze er zelf misschien ook pleizier in.

Want Ita geloofde er niets van, dat Thea graag ging, al zei deze dat
ook nog zoo dikwijls, ze waren immers zulke malle huismuschjes.

Jan vond het allemachtig leuk voor Thea, ze bofte, hoor, en Bets voelde
in eens, dat ze respect voor haar had, een dame, die in Brussel ging
wonen, nou, ze blufte er niet weinig op tegen hare vriendinnetjes.

Wat Nico betreft, die was innig gelukkig, omdat hij nu naar school
mocht.

„Vin’ je het heelemaal niet naar, geen les meer van me te krijgen?”
vroeg Thea.

„Heelemaal niet.”

Thea wendde het hoofd af, ze voelde, dat hare oogen zich met tranen
vulden. Ze was zoo bespottelijk gevoelig in de laatste dagen, dat kwam
zeker, doordat ze er aldoor aan denken moest, dat ze wegging en allen,
die ze liefhad, moest achterlaten.

Het was maar goed, dat er nog zooveel te doen was, dan had men geen
tijd tot veel nadenken.

Maar één was er, die door zijn toestand buiten deze drukte stond, één,
die meer dan anders aan zichzelven overgelaten, ruim den tijd tot
nadenken had.

Hoe hij haar missen zou!

Was ze niet jarenlang zijn klein troosteresje geweest, dat,
niettegenstaande ze studeeren moest voor hare examens, toch steeds tijd
gevonden had, even bij hem te komen, om hem met een vroolijk grapje op
te wekken. Alleen haar lief gezichtje te zien, was hem al een troost
geweest.

En nu moest ze hem verlaten! Zeker, hij hield nog veel bij zich, zijn
goede vrouw, flink en opgewekt, doch door den harden levensstrijd zoo
heel praktisch geworden. Het was goed, dat ze zoo was, ware ze anders
geweest, dan was er van het huishouden niet veel terecht gekomen, maar
het vele alleenzijn en het lezen en nadenken, waarmee hij zich den tijd
verdreef, hadden zijn geest een richting gegeven, waar ze hem niet
altijd volgen kon. Zijn kleine Thea, jong als ze was, begreep hem veel
beter, hun vele gesprekken hadden haar in zijne denkbeelden opgevoed.

Dan had hij nog de kinderen, maar die waren nog zoo jong. Ita een lieve
meid, maar een echte robbedoes, Jan, een beste jongen, maar die niet
gemakkelijk leerde en hem daardoor veel zorg gaf, Bets en Nico, een
paar aardige kinderen, maar waaraan hij natuurlijk nog geen gezelschap
had. Ze waren vroolijk en wild en speelden veel liever in een andere
kamer, of buiten, waar ze zooveel leven mochten maken, als ze maar
wilden en waar geen Vader lag, wiens zwakke gezondheid hen noodzaakte,
zich in te houden.

Neen, geen van allen kon hem het gemis van zijn lief meisje vergoeden,
maar dat mocht ze niet weten. Voor haar hield hij zich goed, hij wilde
de laatste gezellige uurtjes, die ze samen konden doorbrengen, niet
bederven. Ze scheen er zich nog al in te kunnen schikken, dat ze hem
verlaten moest, ze kon tenminste heel opgewekt met hem praten en scheen
niet erg tegen haar nieuwe betrekking op te zien.

Zoo speelden ze comedie voor elkander.

Dat Thea dikwijls moeite had, zich goed te houden, als ze zoo bij hem
zat, dat wist hij niet en evenmin hoe ze tegen de heele verandering
opzag.

Dat mocht trouwens niemand weten. Thea vond zichzelve laf, andere
meisjes waren zoo niet, ze wist, zeker, dat er vele waren, die in haar
plaats zouden willen zijn. Ze kende er, die dolgraag eens uit huis
zouden willen en blij zouden zijn, als hun de gelegenheid geboden werd
eens iets anders te zien, dan de stad, waar ze nu al zoovele jaren
gewoond hadden. Ze deed haar best, er ook zoo over te denken, maar ze
kon niet. Werkelijk ze kon niet. Ze was zoo innig gehecht aan haar
thuis, misschien was ze overdreven, ze voelde er zich bezwaard mee, dat
ze zoo weinig flink was, maar ze was nu eenmaal zoo.

Moeder scheen het heel goed te vinden, dat ze ging. Zou Moes haar niet
missen?

Och, ze kon niet in het hart van haar moeder lezen, ze wist niet, hoe
ook deze tegen haar vertrek opzag, maar het haar niet wilde laten
merken, omdat ze haar niet wilde sterken in haar wat al te gevoelige
natuur.

Zoo was de laatste dag van haar thuiszijn aangebroken. ’s Morgens had
ze met behulp van Moeder de laatste hand aan hare koffers gelegd en nu
was er niets meer te doen en kon ze ’s middags bij Vader blijven,
terwijl Moes het druk had in de keuken, waar ze de lievelingskostjes
van Thea klaarmaakte.

Haar vader nam haar hand en keek haar ernstig aan.

„Nu zal het er van komen, kleintje, en daar we vanavond wel niet meer
alleen samen zullen zijn, wilde ik graag een woordje met je spreken.”

Thea’s oogen vulden zich met tranen, vandaag was het haar niet
mogelijk, ze terug te houden. Haar vader zag het wel en trok haar naar
zich toe, om haar een kus te geven.

„Niet schreien, beste, wij moeten ons goed houden. Het is eigenlijk te
gek, zoo sentimenteel als we zijn,” poogde hij te schertsen, „zou men
niet denken, dat je voor minstens eenige jaren wegging en na een maand
of wat kom je al weer eens thuis.”

„Zes maanden, Vadertje, het is juist zoo vreeselijk, dat ik met de
Kerstdagen niet thuis mag komen, waarom kunnen ze dan zelf niet eens op
die kinderen passen.”

„Ja, het is jammer, dat die voorwaarde er aan verbonden was, maar
mevrouw schijnt juist in die feestdagen een vertrouwd persoon bij hare
kinderen te willen hebben, omdat de familie dan veel uit is, of zelf
feesten geeft. Zooals je weet, stond ze er nadrukkelijk op, dat je de
wintermaanden niet naar huis zoudt gaan.”

„Ja,” zuchtte Thea, „ik vind het vreeselijk egoïst.”

Haar vader streelde haar hand.

„Dat is al naar je het neemt, kindje, je kunt het ook zoo beschouwen,
dat het van jou kant egoïst zou zijn, naar huis te gaan, als je daar
noodig bent.”

Thea liet zich op haar knieën zakken en legde haar hoofd naast dat van
haar vader.

„Hier ben ik ook noodig,” fluisterde ze.

Haar vader streelde haar zachtjes over het blonde haar.

„God alleen weet, hoe noodig,” dacht hij, maar zijn stem een opgewekten
klank gevend, zei hij:

„Eén ding moet je niet vergeten, lieveling, juist doordat je in
betrekking gaat en geld verdienen zult, doe je, wat voor ons het best
is. Je kunt altijd troost putten uit de gedachte, dat je nu onze zorgen
helpt verlichten. Je weet trouwens wel, kindje, hoe ik er over denk,
dat ik zelf niet in staat ben, geheel voor jullie te zorgen.”

Thea keek hem aan. Trilde zijn stem, had hij tranen in zijne oogen?

Laf schepsel, dat ze was, hem zoo te doen denken, aan hetgeen hem het
meest verdriet deed in zijn leven.

Ze kuste hem en sprong op.

„U heeft gelijk, ik ben ondankbaar, ik moet heel blij zijn, dat ik in
staat gesteld word, wat te verdienen. Het zal best gaan, laten we nu
verder vroolijk zijn en van dezen middag genieten. Zal ik u wat moois
voorlezen?”

„Graag, kindje.”

Thea nam een boek, dat bij hem lag en begon te lezen.

Na een poosje zei haar vader: „Ik kan het vandaag niet goed volgen,
laten we liever nog wat praten. Er is nog iets, dat ik je zeggen
wilde.”

Thea legde haar boek neer en ging op het voeteinde der rustbank zitten.

„Ja, Vader.”

„Kijk eens, beste, zooals je weet is de familie, waar je komt, heel
rijk. Er zijn daar ook twee jonge meisjes, die als dochters des huizes
natuurlijk een heel ander leven zullen hebben, dan jij, die daar als
ondergeschikte komt.”

„Als ondergeschikte, ik ben van even goede familie,” mompelde Thea.

Haar vader glimlachte, Thea hield haar hoofd opgericht, alsof ze een
prinsesje was.

„Dat ben je ook, maar dat neemt niet weg, dat anderen je toch zullen
beschouwen als de gouvernante, in tegenstelling met de dochters des
huizes.”

Thea’s mondje had nog altijd een trotsche uitdrukking.

„Waarom zegt u dat?” vroeg ze.

„Om je te waarschuwen en je voor te bereiden op dingen, die je
misschien niet prettig zult vinden. Ik wilde je er op wijzen, omdat je
dan op kunt passen, dat geen jaloezie in je hart sluipt, je bent
natuurlijk aan veel meer verleiding tot leelijke gedachten blootgesteld
dan thuis. Juist omdat ik je ken en weet, dat je het hart nogal hoog
draagt, maak ik me ongerust, dat het verschil van omstandigheden en
levenswijzen tusschen die meisjes en jou, je karakter een leelijke
plooi zal geven.”

Thea keek somber voor zich uit.

„Ik ben te trotsch, om jaloersch te zijn,” zei ze.

„Best, dan ben ik gerust. Zoolang je te fier bent, om lage gedachten
toegang te geven tot je hart, zoolang mag je het hoofd zoo hoog houden
als je wilt.”

„Dat wil ik, Vader.”

Weer glimlachte haar vader. Zijn klein, dapper meisje, ze wist nog zoo
weinig van de wereld af, ze dacht nog, dat het maar zoo gemakkelijk en
zonder strijd ging, zich rein te houden van booze invloeden, die van
alle kanten wilden inwerken.

Thea keek hem aan, zag de uitdrukking zijner oogen en eensklaps haar
hoofd buigend, zei ze zacht:

„Ik zal mijn best doen, Vader.”

Weer trok hij haar naar zich toe, om haar een kus te geven.

Daar vloog de deur open en Ita kwam lachend naar binnen.

„Zijn Vader en Theetje een beetje aan het vrijen?” zei ze.

Thea richtte zich op en lachte ook, hoewel flauwtjes.

„Je doet me schrikken, is het al zoo laat? Dan mag ik wel eens gaan
dekken.”

„We smullen vanmiddag,” zei Ita, zich vergenoegd de handen wrijvend.
„Ik zal je even helpen.”

Niet lang daarna zat de familie aan tafel en dank zij Moeders pogingen
om een opgewekt gesprek te voeren, waren allen weldra vroolijk, ja
zelfs opgewonden. Het was tevens Nico’s eerste schooldag geweest, hij
had heel wat te vertellen en vond, dat hij eigenlijk de held van het
feest was en niet Thea, die vandaag niets bijzonders gedaan had. Na het
eten speelde men wat spelletjes met de kinderen en toen die naar bed
waren, zaten Vader, Moeder, Thea en Ita nog een poosje gezellig bij
elkaar. Ze trachtten even opgewekt te blijven, als ze het met de
kinderen geweest waren, maar het lukte niet erg meer, een schaduw had
zich over hun vroolijkheid gelegd en niet lang daarna stelde Moeder
voor naar bed te gaan, morgen was het weer vroeg dag. Thea zou met den
trein van omstreeks half tien vertrekken, dan was ze tegen één uur in
Brussel.

Op hun gemeenschappelijke kamer gekomen, sloeg Thea hare armen om den
hals van haar zuster.

„Zul je lief zijn voor Vader?” vroeg ze.

Ita schudde haar lachend van zich af.

„Natuurlijk, word nu niet sentimenteel. Vertrouw maar op je ouwe
Griet.”

Maar Thea liet zich zoo niet afwijzen.

„Zul je me altijd alles schrijven, niets voor me geheim houden? Ik weet
zeker, dat Vader en Moes alleen vroolijke brieven zullen schrijven,
maar ik wil alles weten, wat hier in huis voorvalt, alles, ook het
minder goede. Beloof je me, niets voor me geheim te houden?”

Ita wreef met een bedenkelijk gezicht haar wijsvinger over haar neus.

„Als ik het beloof, moet ik het doen ook hè? Laat me dan als je ’t
belieft geen belofte afleggen. Stel je voor, alles te moeten schrijven,
wat er hier in huis voorvalt! Hoe Nico zijn zakdoek kwijt is en Bets
haar schort scheurt, hoe Jan altijd met zijn ellebogen op tafel zit en
onze dienstbare dwerg een bord breekt. En dan moet je nog leerling van
de H. B. S. zijn. Neen hoor, bij mijn naam van Griet, dat beloof ik
niet.”

Ze zag er zoo komisch uit, dat Thea hartelijk begon te lachen.

„Zoo mag ik het zien,” riep Ita, „nu vlug in bed, ik zal je instoppen
en dan ga je lekker slapen.”

Thea hoopte, dat haar zusje gelijk had, ze was juist zoo bang, niet te
kunnen slapen. Maar gelukkig, haar vrees werd niet bewaarheid en weldra
hoorde men niet anders dan de rustige ademhaling van de beide zusjes.








VIERDE HOOFDSTUK.

VAN HUIS.


Nog een laatste wuiven, nog een laatste knikken en de trein stoomde
onder de kap van het station uit.

Thea stak haar hoofd uit het raampje en trachtte nog de gestalte van
haar moeder te onderscheiden, maar het ging niet meer en met een niet
te onderdrukken zucht, trok ze haar hoofd terug en zette zich in haar
hoekje neer.

Daar waren ze nu voor langen tijd gescheiden, Moeder en zij, daar
gingen ze nu verschillende richtingen uit, Moeder naar huis, naar Vader
en de kinderen en zij naar een vreemde stad, naar een haar onbekende
familie. De tranen, die zij den geheelen morgen zoo dapper bedwongen
had, wilden zich nu niet langer laten terughouden en druppelden
hardnekkig langs hare wangen, hoe vlug ook afgeveegd. Ze keerde haar
gezicht naar het raampje en alsof daar iets heel bijzonders te zien
was, tuurde ze naar buiten, van tijd tot tijd de lastige tranen
afvegend. Deze vloeiden evenwel hoe langer hoe vlugger langs hare
wangen en eindelijk gaf ze den strijd op en in haar hoekje gedrukt, met
haar zakdoek voor haar gezicht, gaf ze zich aan haar verdriet over.

Tegenover haar zat een dikke, Indische dame met een lief, echt
moederlijk gezicht. Ze keek naar het schreiende meisje en voelde een
innig medelijden met haar. Arm klein ding, wat had ze een verdriet,
kassian toch, zoo’n jong meisje nog! Die dame, die haar weggebracht
had, was zeker haar moeder, die keek ook al zoo bedroefd, kassian.

Het kind moest zeker naar een kostschool in Brussel, ouder dan een jaar
of zeventien gaf ze haar niet.

Waarom hielden ze zoo’n meisje niet thuis, als ze het zoo naar vond om
weg te moeten, het ellendig mondjevol Fransch en de nuffige manieren,
die je op zoo’n kostschool leerde, wogen niet op tegen het verdriet,
dat het schepseltje er van had.

Ze zou graag wat vriendelijks tegen haar zeggen, maar het kind zat maar
met haar zakdoek voor haar gezichtje en keek niet op. Gelukkig, dat er
geen andere reizigers waren in deze coupé, ze moest maar eens
uithuilen, vóór ze in Rotterdam waren, dan kwamen er zeker weer
passagiers bij. Ze zou haar nog een oogenblikje laten uitschreien en
dan eens iets tegen haar zeggen, want ze zouden in Rotterdam zijn, voor
ze het wisten.

Na een paar minuten raakte ze zachtjes Thea’s knie aan.

Thea keek verschrikt op, haar zakdoek nog voor haar mond gedrukt.

„Vin’ je het zoo erg van huis te gaan?” vroeg vriendelijk de dikke dame
tegenover haar.

De toon was zoo gemoedelijk en welwillend, de oogen, die haar aankeken,
zoo vriendelijk en Thea voelde zich zoo eenzaam en had zoo’n behoefte
aan een medevoelend hart, dat ze zonder aarzelen antwoordde:

„O, vreeselijk.”

Toen bedacht ze zich opeens, hoe die dame kon weten, dat ze van huis
moest en ze vroeg, terwijl ze de laatste tranen afdroogde:

„Hoe weet u, dat ik van huis ga, mevrouw?”

De dame begon te lachen.

„Nu, dat kan ik wel raden, als een jong meisje zoo alleen naar Brussel
reist en daarenboven nog zoo verdrietig is, dan is het niet heel
moeielijk om te begrijpen, dat ze naar een kostschool gaat.”

Thea keek haar verbaasd aan.

„Denk u dus, dat ik naar kostschool ga?” vroeg ze.

„Ja, waar anders naar toe. Als je gewoon uit logeeren ging, zou je zoo
bedroefd niet zijn.”

Thea begon te lachen.

Dat die dame haar voor een schoolmeisje aanzag, deed haar een oogenblik
haar verdriet vergeten. Hoe grappig, ze was op weg, zelf kinderen les
te gaan geven en nu dacht haar buurvrouw, dat ze nog naar school moest.

Deze klopte haar eens vriendschappelijk op haar knie en zei:

„Zoo mag ik het zien, lachen past bij de jeugd. Ze zullen wel zoo bar
niet zijn op die school.”

Thea had pret in ’t geval.

Ze wist wel, dat ze er nog heel jong uitzag, ze was ook nog geen
twintig, maar ze had toch niet gedacht, dat ze voor een schoolmeisje
zou worden aangezien.

„Hoe oud denkt u, dat ik ben?” vroeg ze.

„Een jaar of zestien, zeventien misschien.”

„Zoo jong!” en Thea lachte weer vroolijk, „neen, ik ben een beetje
ouder.”

„Achttien dus?”

„Neen, negentien.”

Haar buurvrouw schudde verwonderd het hoofd.

„Al negentien, daar zie je er heelemaal niet naar uit. Maar moet je dan
nu nog naar kostschool?”

„Neen mevrouw, ik ga niet naar kostschool.”

„Niet? Dan toch uit logeeren? Maar waarom dan die tranen?”

„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.”

Haar buurvrouw keek haar aan met oogen, rond van verbazing.

„Als gouvernante, kind, neen maar, dat is gewoon bespottelijk!”

Thea voelde zich beleedigd, ze zou wel eens willen weten, wat daar voor
bespottelijks aan was.

„Vindt u dat zoo gek?” vroeg ze, een beetje stijf.

De dame merkte, dat hare woorden geen aangenamen indruk gemaakt hadden.

„Neem me niet kwalijk,” zei ze goedig, „maar je ziet er nog zoo erg
jong uit, veel meer als een meisje, dat zelf nog leeren moet, dan als
een vrouw, die voor de opvoeding van kinderen moet gaan zorgen. Maar
daarom kan je er toch wel heel geschikt voor zijn, iemand kan wel
anders zijn, dan hij er uitziet.”

Toen haar nogmaals hoofdschuddend aanziende: „Kassian.”

Thea keek stil voor zich.

Haar opgewektheid van daareven was alweer verdwenen, ze voelde zich nu
dubbel bezwaard. Als ze er nog jonger uitzag, dan ze al was, hoe zouden
die kinderen dan respect voor haar kunnen hebben!

Ze zag heel erg tegen hare toekomstige verplichtingen op!

Haar gezichtje stond weer zoo bedroefd, dat haar goedhartige buurvrouw
er verdrietig onder werd. Juist wilde ze haar nog een vriendelijk
woordje toevoegen, toen de trein te Rotterdam stopte. Nu kwamen er
eenige nieuwe reizigers binnen, waaronder een jong mensch, dat zich
naast Thea neerzette.

Toen de trein weer in beweging was, greep het Indisch mevrouwtje Thea’s
hand en fluisterde:

„Binnen twee maanden is het alweer Kerstmis, kind.”

Ze dacht natuurlijk Thea te troosten, met er haar aan te herinneren,
dat de feestdagen zoo spoedig in aantocht waren, maar de uitwerking van
hare woorden was heel anders, dan ze verwachtte. Thea’s lippen begonnen
te beven en hoewel ze haar zakdoek krampachtig tegen haar mond drukte,
ontsnapte haar toch een snik.

Het jongemensch naast haar keek haar eens van terzijde aan.

Daarna haalde hij een fleschje met eau de cologne uit zijn vestzak en
bood het haar aan.

Verlegen bedankte Thea, ze was doodconfuus zoo de aandacht op zich
gevestigd te zien, wat niet verminderde, toen haar overbuur met een
goedgemeend: Kassian, hare medereizigers meewarig aankeek, terwijl ze
haar hoofd schudde.

Al die medelijdende en nieuwsgierige oogen, gaven Thea opeens haar
tegenwoordigheid van geest terug. Ze onderdrukte met kracht hare
tranen, hield hare snikken in, veegde hare oogen af en deed haar
uiterste best onverschillig te kijken.

„Voelt u zich wat beter?” informeerde het jongemensch.

„O ja, dank u,” antwoordde Thea, wie het bloed naar de wangen steeg.
Dat ellendige blozen, het overviel haar dadelijk, ze kon er niets aan
doen, maar wat moest die mijnheer nu wel van haar denken.

Ze draaide haar gezicht zooveel mogelijk naar het raampje en ging
schijnbaar ijverig het landschap bestudeeren, maar voelde de blikken,
die op haar gericht waren, ze zag ze, als ’t ware.

Er ontspon zich een fluisterend gesprek tusschen de dame tegenover haar
en haar buurvrouw. Ze spraken heel zacht en Thea kon niet veel
verstaan, maar ze hoorde toch zoo iets van: zoo’n mooi jong meisje, en
van: zoo’n arm schepseltje, dat nu al haar eigen brood verdienen moest
en de gedachte, dat het jongemensch naast haar die woorden evengoed zou
verstaan, maakte haar boos en verlegen.

Men naderde de grens.

Eensklaps wendde het jongemensch zich tot haar.

„Als ik u straks bij de douanen soms van dienst kan zijn, zal het mij
een genoegen zijn,” zei hij.

Thea wist niet goed, wat te antwoorden, ze was nog nooit over de
grenzen geweest, en wist heelemaal niet, hoe ze handelen moest bij de
douanen, maar kon ze van een haar geheel onbekend jongmensch wel hulp
aannemen?

Terwijl ze even aarzelde, wat te antwoorden, viel haar buurvrouw in:

„Ik heb de juffrouw beloofd, haar behulpzaam te zijn, u wordt dus
bedankt voor uw beleefdheid.”

Thea keek haar verbaasd aan, ze herinnerde zich niets van die belofte,
maar was blij nu zelf geen beslissing te moeten nemen, omtrent het al
of niet aannemen van zijn hulp.

Het dikke mevrouwtje knipoogde eens tegen haar en Thea glimlachte
terug.

Het was toch aardig van die dame, dat ze zich harer zoo aantrok, ze was
nog zoo weinig bereisd en wist nog niet altijd, hoe ze zich houden
moest.

Bij het douanenstation gekomen nam deze haar mee, hielp haar met haar
koffer en toen men weer in de coupé plaats nam, ging ze naast Thea
zitten, in plaats van tegenover haar.

Toen het jongemensch terug kwam en zijn plaats bezet vond, keek hij wat
verwonderd, maar ging zwijgend op een andere plaats zitten.

„U neemt me niet kwalijk, niet waar mijnheer,” zei nu Thea’s
beschermster, „maar ik wilde liever vooruit rijden.”

„Zeker niet, mevrouw,” was het antwoord.

Daarna zich tot zijn buurman overbuigend, fluisterde hij: „vis-à vis
faut mieux qu’ à côté.”

Men naderde Brussel en de reizigers begonnen hun bagage bij elkaar te
zoeken.

Het jongemensch bood nu zijn hulp niet meer aan, maar verliet de coupé
toch niet, voordat hij Thea een specialen groet geschonken had.

Nadat ze afscheid genomen had van haar beschermster, die door familie
afgehaald werd, keek Thea een oogenblik verbijsterd rond. Mevrouw van
Gendringen had haar geschreven, dat ze iemand aan het station zou
vinden, bij haar aankomst, maar ze zag niemand, die uitkeek naar een
verwachte reizigster. Ja toch, daar stond een livreiknecht, zou die
soms haar komen halen? Een oogenblik keken beiden elkander aan, de
knecht scheen te aarzelen, hij keek nog eens rond, of hij niemand
anders zag, die meer aan zijn voorstelling van een gouvernante voldeed
en kwam toen op haar af.

„Mademoiselle van Welderen?” vroeg hij, zijn hoed afnemend.

Op het bevestigend antwoord van Thea vroeg hij haar hem te volgen.
Mocht hij haar bagagebiljet hebben, dan zou hij voor haar koffer
zorgen. Hij bracht haar naar een net coupétje, Thea steeg in en weldra
reed ze door Brussel’s straten.

Wat zou ze onder andere omstandigheden genoten hebben van dat ritje, ze
zat zoo heerlijk in de zachte kussens van het weelderig coupétje en de
straten, die ze doorreed waren zoo breed en zoo druk en vroolijk. Maar
Thea was te veel onder den indruk van de dingen, die komen zouden, om
pleizier in dit alles te kunnen hebben.

Het rijtuig hield stil voor een mooi huis in de Avenue Louise. Hoe
voornaam was hier alles, de ruime marmeren vestibule en de statige
bediende, die de deur geopend had en haar nu verzocht hem te volgen,
mevrouw had bevolen, de juffrouw dadelijk bij haar te brengen.

Thea voelde een rilling door hare leden gaan.

De vestibule was goed verwarmd, maar toch had ze het koud, zeker van
zenuwachtigheid, als op dat oogenblik een goede fee haar een wensch had
toegestaan, dan zou ze plotseling overgeplaatst zijn in de nauwe gang
van haar ouders’ woning en zou ze het volgend oogenblik bij Vader en
Moeder in de gezellige huiskamer geweest zijn, in plaats van in de
deftige salon van mevrouw van Gendringen.

De statige knecht keek eens over zijn schouder, of ze wel volgde, zijn
gladgeschoren gezicht veranderde niet in het minst van uitdrukking, hij
was gewend zijn trekken de strakheid van een masker te geven, maar
daarom werkten zijne gedachten toch wel.

En toen hij nu omkeek en het aardige, kleine meisje zag, dat hem
volgde, kwam de gedachte bij hem op, dat ze een grappig uiterlijk had
voor een gouvernante, ze leek nog wel een kind.

„Arm ding,” dacht hij, „wat kijkt ze benauwd, ik ben benieuwd, hoe
mevrouw zal kijken, als ik haar binnenlaat. De vorige juffrouw had veel
van een grenadier en nu zoo’n pop.”

Maar zijn gezicht verried niets van dit alles, terwijl hij voor haar
uitging, de lange vestibule door en de breede trap op.

Daar hield hij stil, klopte aan een deur, deed deze wijd open en op zij
gaand, om haar te laten passeeren, zei hij:

„Mademoiselle van Welderen.”

Thea trad binnen en de deur werd achter haar gesloten.

In een hoek van het prachtig gemeubileerde vertrek rees een gestalte
op, groot en statig.

Thea trad eenige passen nader en maakte een buiging. Ze had een gevoel,
alsof ze aan het hof was en aan de koningin werd voorgesteld, ze
veronderstelde, dat ze zich dan even weinig op haar gemak zou gevoeld
hebben. Met een nauw merkbaar optrekken der wenkbrauwen keek mevrouw
van Gendringen haar aan, onder een stilzwijgen, dat Thea erg benauwend
vond.

Toen met een handgebaar naar een der stoelen:

„Neemt u plaats.”

Thea ging zitten, ze handelde als in een droom, zoo drukte haar alles,
de deftige omgeving, de statige gestalte met het mooie, koude gezicht
en de stilte rondom haar en als in een droom hoorde ze vragen:

„Heeft u een goede reis gehad?”

Ze moest antwoorden en het was haar, als kon ze geen geluid geven.

„Heel goed, dank u,” zei ze zacht, zonder op te kijken en haar stem
klonk haar als die van een vreemde in de ooren.

„U is mij zeer aanbevolen door vrienden,” ging de stem voort, „zeer
aanbevolen, daarom heb ik u durven engageeren, zonder u vooraf gezien
en gesproken te hebben.”

De stem zweeg, Thea voelde, dat scherpe oogen haar nauwkeurig opnamen.

Zou ze iets moeten antwoorden? Het scheen wel zoo, want mevrouw van
Gendringen bleef zwijgen, haar steeds aankijkend.

„Ja mevrouw,” zei ze dus zachtjes.

„Hoe oud is u eigenlijk? Mijne vrienden zeiden, dat u bijna twintig
jaar was, dat is u immers?”

Weer werden die oogen strak op haar gezicht en Thea kreeg een gevoel,
alsof ze inkromp, ze was zich nog nooit zoo bewust geweest, een klein
tenger persoontje te zijn, als nu.

„Zeker mevrouw,” antwoordde ze, kleurend.

„U ziet er bijzonder jong uit, jonger nog, dan u is. Ik vond negentien
al zeer jong, maar ik heb graag, dat de gouvernante van mijne kinderen
van fatsoendelijke afkomst is en daarom besloot ik het maar met u te
wagen.”

Thea voelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg.

Van fatsoendelijke afkomst, nu nog mooier, ze was van even goede
familie, als haar toekomstige meesteres.

Ze sloeg hare oogen op en keek voor het eerst mevrouw van Gendringen
recht aan.

Deze keek een beetje verwonderd naar het blozende gezichtje. Wat een
mooi kopje, dat was haar niet opgevallen, toen ze straks zoo schuchter
en bleek binnenkwam. Het was een intelligent gezichtje ook, misschien
zou het beter gaan, dan ze dacht. Ze was eerst werkelijk geschrokken
van het bespottelijk jonge uiterlijk van de toekomstige gouvernante
harer kinderen.

„Nu juffrouw,” zei ze een beetje vriendelijker, „we willen er het beste
van hopen. Zooals u weet, zijn uwe leerlingetjes tien en acht jaar,
Constance, de oudste, is nog al een lastig kind, maar Armand, mijn
zoon, is allerliefst. Mijne beide oudste dochters zijn de leerkamer
ontwassen, ze zijn achttien en twintig jaar. De vorige gouvernante
heeft freule Isabella nog tot leerling gehad, maar ze is achttien jaar,
zooals ik al zeide en wordt dus dezen winter gepresenteerd.”

Thea zat vol belangstelling te luisteren, ze voelde zich nu niet zoo
verlegen meer en vond het werkelijk interessant iets naders omtrent de
kinderen te hooren, die voortaan aan haar leiding zouden zijn
toevertrouwd. „Nu zal ik eens om de kinderen bellen,” ging mevrouw van
Gendringen voort, „dan kan ik ze aan u voorstellen en daarna wilt u
zich zeker wel even verfrisschen voor het diner.”

Ze schelde en gaf den binnentredenden huisknecht bevel, de kinderen bij
haar te brengen.

„Armand is zoo’n lief ventje,” zei ze nog tot Thea, „u zult zeker ook
wel met hem ingenomen zijn. Hij is mijn eenige zoon,” voegde ze er
trotsch bij.

Daar ging de deur open en de kinderen kwamen binnen.

Eerst een flinke jongen, met een zeer mooi gezichtje, omringd van
blonde krullen, een echt cherubijnen kopje, Thea begreep dadelijk
volkomen, dat zijn moeder trotsch op hem was.

Achter hem aan kwam een, voor haar leeftijd lang, meisje, blijkbaar te
veel uit hare krachten gegroeid. Ze was niet mooi, haar mager gezichtje
had een norsche uitdrukking en hare oogen keken van terzijde uit
eenigszins schuw naar de nieuwe juffrouw.

„Kom hier, kinderen,” zei hun moeder, „geef de juffrouw een hand.
Constance, houd je hoofd recht, hoe dikwijls moet je dat nog gezegd
worden. U zult zeker wel streng op haar houding letten, nietwaar
juffrouw, dat is hoog noodig, zooals u ziet.”

Thea keek naar het kind en kreeg eensklaps een gevoel van medelijden
met haar.

Ze stak haar hand uit en trok het schuchtere meisje naar zich toe.

„Constance zal wel rechtloopen, als ze er maar aan denkt, niet waar?”
zei ze vriendelijk.

Weer dat bijna onmerkbaar optrekken der wenkbrauwen bij mevrouw van
Gendringen.

„Constance moet er aan denken en als ze het vergeet, hoop ik, dat u er
haar voor straffen zult,” zei ze koel.

Toen Armand’s hand nemend, voerde ze hem naar Thea en zei op een toon,
dien deze nog niet van haar gehoord had, een toon vol teederheid en
liefde:

„En dit is nu mijn zoon, met hem zult u het zeker best kunnen vinden.
Niet waar lieveling, hij zal lief zijn en goed leeren bij de juffrouw.”

Armand gaf haar dadelijk een hand en beloofde met een lief stemmetje,
goed op te passen.

Daarna ging hij naar zijn moeder en drukte zich vleiend tegen haar aan.

„Wat een mooi, aanvallig kind,” dacht Thea.

„Zie zoo,” zei daarop hun moeder, „nu is de kennis gemaakt. De juffrouw
gaat zich nu wat verfrisschen en dan ziet je elkander aan het diner
weer. U eet met de kinderen om twee uur.”

Ze schelde en gaf den knecht de opdracht, Thea naar haar kamer te
brengen.

„U kunt boven blijven, tot de eerste gong gaat,” zei ze nog en zich
daarna tot haar zoontje wendend, begon ze met hem te praten en Thea
verliet de kamer, na nog eens vriendelijk tegen Constance geknikt te
hebben, die haar verwonderd aankeek en niet terugknikte.








VIJFDE HOOFDSTUK.

KENNISMAKING.


Thea knapte zich haastig wat op. Ze wilde nog graag hare japonnen uit
den koffer halen, hoe langer die er in zaten, hoe meer ze kreukelden.
Verder zou ze maar niet gaan, ze wilde het overige graag eens op haar
gemak uitpakken, als ze er meer tijd voor had, bijvoorbeeld vanavond,
als de kinderen naar bed waren. Toen ze hare japonnetjes in de daarvoor
bestemde kast had opgehangen en zich wat verfrischt had, keek ze eens,
hoe laat het was. Al tien minuten vóór half drie? En ze zouden om twee
uur eten. Wacht, daar schoot haar te binnen, dat men in Brussel rekende
naar den greenwichtijd, dus was het hier nu net twee uur.

Daar ging de gong, zoo zou het dus wel zijn.

Thea verliet haar kamer en ging een trap af.

Waar zou ze moeten wezen?

Ze wist nog geen heg of steg in dit huis. Eigenlijk griezelig, zou ze
er ooit wennen?

Gelukkig, daar zag ze een bediende.

„Hierheen, als ’t u belieft,” zei deze beleefd, de deur voor haar
openend.

Ze trad een ruime, frissche kamer binnen, klaarblijkelijk de leerkamer,
ze zag ten minste dadelijk, dat er een boekenkast en een globe stond.
In het midden der kamer was de tafel gedekt, drie stoelen stonden er
rond, maar van kinderen zag ze geen spoor.

Daar ging de deur open en Armand stapte naar binnen, gevolgd door
Constance.

Ze keken beiden verlegen naar de nieuwe juffrouw, die al even weinig op
haar gemak scheen te zijn, als zij.

Thea, haar verlegenheid overwinnend, zei vriendelijk:

„Laten we aan tafel gaan, kinderen.”

Armand ging dadelijk zitten en vroeg de juffrouw zijn servetje vast te
binden. Constance zette zich ook neer, zwijgend de gouvernante van ter
zijde opnemend.

Weer dacht Thea, wat een verschil van kinderen, Armand met zijn mooi,
vroolijk gezichtje en Constance met haar onverschilligen mond en
onvriendelijke oogen. Toch voelde Thea ook nu weer een soort medelijden
met haar, dat kind was niet gelukkig.

De knecht had het eten binnen gebracht en zich toen verwijderd.

Er heerschte een drukkende stilte, Armand begon smakelijk te eten,
zonder iets te zeggen en keek van tijd tot tijd de juffrouw
nieuwsgierig aan.

Constance zat wat met haar eten te knoeien en at bijna niet.

Thea begreep, dat het aan haar was, om het gesprek te openen en om iets
te zeggen, vroeg ze aan Constance:

„Eten jullie altijd om twee uur? Dat is zeker Belgisch gebruik, bij ons
eten we om half zes.”

Voor zijn zusje tijd had te antwoorden, zei Armand:

„Bij ons eten de kinderen en de juf vroeg. Ma en de zusters eten om
half zeven.”

Om het gesprek te vervolgen, hoewel ze het antwoord vooruit wist, vroeg
Thea:

„Je hebt nog twee zusters, niet waar?”

„Ja, twee, Gerardine en Bella. Gerardine is al oud, al twintig, weet u
en Bella is nu achttien, die hoeft ook niet meer te leeren, lekker,
hè?”

Thea begon te lachen.

„Lijkt je dat zoo heerlijk? Kom, daar meen je niets van, je leert wel
graag.”

Armand keek haar eens aan.

„We hoeven bij u niet veel te leeren, wel?” zei hij.

„Hoe kom je daarbij, jongen, of je leeren moet.”

Het mooie kindergezichtje betrok.

„Ajakkes, ik dacht, dat u ook meer van spelen, dan van leeren zou
houden, zoo zag u er net uit.”

Thea beet zich op hare lippen, om niet te lachen en deed haar best heel
ernstig te kijken.

„Dan heb je je vergist.”

Armand keek haar ongeloovig aan en zei: „Kom!”

Thea wist niet zoo dadelijk wat te antwoorden, wat een grappig
familiaar kind was dat. Om zich een houding te geven, wendde ze zich
tot Constance.

„Wat eet je weinig, kind. Heb je geen honger?”

Constance antwoordde onverschillig: „Neen.”

„Kom probeer het eens, anders blijf je altijd zoo mager en wordt je
nooit een flink meisje. Als je een beetje rechter zat, zou het
misschien beter gaan,” en Thea trachtte met haar hand onder de kin van
het meisje, haar hoofd wat op te lichten.

Ruw duwde Constance die hand terug.

Thea kreeg een kleur.

„Maar Constance,” was alles, wat ze op verwijtenden toon zei.

Constance werd ook rood. Toen sloeg ze haar oogen op en keek Thea
uitdagend aan.

„Nou ja, maar u is ook al tegen me opgestookt, wat moest Mama u
dadelijk zeggen, streng tegen me te zijn. Maar ik geef er niets om, u
kunt zoo streng tegen me zijn, als u wilt, het kan me niets schelen,
heelemaal niets.”

Armand zat dit tooneeltje met onverholen genoegen aan te zien.

„Zoo is ze nou altijd,” zei hij, „u weet niet hoe brutaal ze is, bij de
vorige juffrouw had ze altijd straf en ze gaf er niets om.”

Constance was alweer tot haar gewone onverschilligheid teruggekeerd,
maar Thea keek niet heel vriendelijk naar het ventje, dat met zoo’n
blijkbaar genoegen, zijn zusje aanklaagde.

„Hoor eens Armand,” zei ze, „je behoeft me niets te vertellen, ik zal
zelf wel zien, hoe ze is.”

Armand keek een beetje verlegen, hij was misschien niet gewoon, zoo
toegesproken te worden.

Constance sloeg even hare oogen met belangstelling op, maar keek
dadelijk weer voor zich.

Het ventje scheen het niet te kunnen velen, dat de juffrouw niet aardig
over hem dacht, ten minste, hij deed een poging, om zijn woorden van
straks te verklaren.

„Weet u, hoe het komt, juf, Constance is bedorven door Papa, dat zegt
Mama altijd. Paatje is dood, weet u, al lang, al twee jaar, geloof ik.”

Nu kwam er leven in het meisje, ze richtte zich op en snauwde haar
broertje toe:

„Zwijg over Papa.”

Maar Armand liet zich het zwijgen niet opleggen.

„Papa is mijn Papa, zoo goed als de jouwe en ik mag net zoo goed van
hem vertellen, als jij. Maar Maatje is van mij alleen, dat weet je ook
wel.”

Thea zat verbaasd te luisteren, wat praatte dat kind toch. Haar
nieuwsgierigheid deed haar vragen:

„Wat bedoel je toch, Armand?”

„Dat Maatje van mij alleen is en van Gerardine en Bella, maar niet van
Stans.”

„Och kom, je praat onzin, kind.”

„Neen juf, heusch niet. Mama had twee kindertjes, Dina en Bella en die
hadden geen Paatje meer en Papa had een klein kindje, en dat kindje had
geen Ma meer en toen trouwden Maatje en Paatje en toen kochten ze samen
mij. Ziet u nu wel dat Ma niet van Stans en wel van mij is.”

Weer voelde Thea een innig medelijden met haar leerlingetje. Arm kind,
nooit een eigen moeder gekend en nu ook haar vader verloren.
Stiefmoeders kunnen soms innig lief en goed zijn, maar zooveel had Thea
al opgemerkt, dat ze wist, dat mevrouw van Gendringen haar eigen
zoontje bepaald voortrok boven haar stiefdochtertje. Ze had graag iets
vriendelijks tegen haar gezegd, haar eens geliefkoosd, maar vreemd, het
was of ze niet durfde, het kind had zoo iets ongenaakbaars over zich.

Ondertusschen drong Armand op een antwoord aan.

„Heb ik nu geen gelijk?” vroeg hij nog eens.

„Neen,” zei Thea, „je hebt geen gelijk. Toen je pa en ma samen
trouwden, werd jou mama de moeder van Constance.”

Weer kwam er leven in het onverschillige meisjesgezicht.

„Neen juffrouw, dat is niet zoo, want dan zou Mama evenveel van mij
houden als van Armand.”

„Dat zal ze zeker ook wel. Je verbeeldt je maar, dat het anders is.”

Maar nu schudde ook Armand sterk ontkennend het hoofd.

„Neen juf, wat Stans zegt is waar, Mama houdt veel meer van mij.”

Toen eensklaps van het onderwerp afstappend:

„U leest toch geen boeken onder het eten, wel?”

„Lezen onder het eten, kind, natuurlijk niet.”

„Dan zal u wel mogen blijven, de vorige juffrouw las altijd onder het
eten en lette heelemaal niet op ons en toen vertelde ik het aan Mama en
toen moest ze lekker weg, ze was niks aardig, weet u.”

Tevreden keek Armand rond. Hij vond blijkbaar, dat hij daar een
heldendaad verteld had.

Thea keek naar hem en dacht, wat een vreemd kind hij was, zoo innemend,
maar zoo met zich zelf ingenomen, dat hij heelemaal niet inzag, dat hij
dingen zei en deed, die alles behalve lief waren.

Ze zuchtte eens.

Ze wist nu al, dat haar hier geen gemakkelijke taak wachtte, beide
kinderen zouden moeielijk te leiden zijn, dat voelde ze en ze had nog
zoo weinig ervaring.

„Mogen we opstaan?” vroeg Armand.

Thea gaf haar toestemming en dacht: wat nu.

„Nu gaan we wandelen,” zei Armand, alsof hij haar gedachte raadde.

„Doe je dat altijd na het eten?” vroeg Thea.

„Altijd. Zal ik me nu klaar laten maken?”

Thea aarzelde.

„Je mama heeft er niets van gezegd,” zei ze.

„We doen het altijd,” hield Armand vol, maar Constance zei, dat het
beter was, af te wachten, ze kon met de nieuwe juffrouw de
dagverdeeling wel eens veranderd hebben, je was er nooit zeker van, wat
Mama in haar hoofd kreeg.

„Constance,” zei Thea.

„Wat is er, juffrouw?”

„Wat een nare toon, zoo moet je niet over je mama spreken.”

„’k Zie niet in, waarom niet,” bromde het kind, „dan.....” maar
eensklaps hield ze op, de deur was geopend en mevrouw van Gendringen
trad binnen, gevolgd door hare dochters.

Gerardine leek op haar moeder, hetzelfde mooie, maar koude en trotsche
gezicht, maar Isabella, hoewel minder mooi, was veel sympathieker van
uiterlijk. Ze had vroolijke bruine oogen en een lachend mondje met
mooie, witte tanden.

„Mag ik u even aan mijne dochters voorstellen, juffrouw van Welderen,”
zei Mevrouw.

Thea boog.

Zouden die jonge meisjes haar geen hand geven?

Gerardine maakte er geen mine van, Isabella stak eerst haar hand uit,
maar trok die haastig terug, met een blik op haar moeder.

Constance had dit ook opgemerkt en mompelde:

„Bella is ook bang voor Mama.”

„Ik wilde u ook even zeggen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dat u
dagelijks na het diner een uur of anderhalf met de kinderen moet
wandelen in het Bois de la Cambre, ze zullen u den weg wel wijzen. Niet
waar Armand, beste, je weet den weg wel?”

„Natuurlijk Maatje, maar mag ik niet met u mee? Waar gaat u naar toe?”

„Visites maken, ventje, ik kan je dus niet meenemen.”

„Met de zusters? Vin’ je het niet dol, Bella, dat je nu ook mee mag?”

Bella trok een komisch gezichtje.

„Dol om mee visites te gaan maken? O zalig, je hebt maar werk, dat je
wakker blijft en....” Opeens zweeg ze, ze had haar moeder aangekeken en
de even opgetrokken wenkbrauwen schenen haar te waarschuwen, niet door
te gaan.

„Soms vrees ik, Bella, dat je nog in de leerkamer thuis hoort,
niettegenstaande je achttien jaar. De juffrouw zal wel een aardigen
indruk van je krijgen.”

Had Thea gedurfd, dan had ze dit ten volle beaamd, ze vond Bella een
snoesje en Gerardine een trotsch nest. Maar natuurlijk hield ze deze
meening voor zich.

„Nu juffrouw,” hervatte mevrouw van Gendringen, „u gaat dus met de
kinderen wandelen. Vóór half vijf is u weer thuis, dan laat u Constance
een half uur handwerken, terwijl Armand viool studeert. Daarna moet
Constance een uur piano studeeren en mag Armand doen, wat hij graag
wil. Om zes uur gebruikt u met de kinderen het een en ander. Daarna
wilt u ze zeker wel bezighouden tot half acht en dan gaan beiden naar
bed.”

„Beiden te gelijk, mevrouw?”

„Ja, dat is hier het gebruik, vindt u er iets tegen?”

„Och, ik dacht, omdat Constance ouder is....”

„Ze gaan beiden te gelijk naar bed,” herhaalde mevrouw van Gendringen
beslist. „Daarna kunt u den avond besteden, zooals u wilt, hier in huis
natuurlijk. De slaapkamers der kinderen zijn naast de uwe, u zult me
dus verplichten den avond verder op uw kamer door te brengen, dan is u
in hun nabijheid, als ze u eens noodig mochten hebben. Ik zal u vóór
morgen een rooster der lesuren zenden, daar wilt u zich dan wel aan
houden,” en na gegroet te hebben en Armand teeder gekust, verliet ze de
kamer, gevolgd door hare dochters, waarbij Bella, achter haar moeders
rug een knipoogje aan Constance gaf en haar een kushand toezond.

Nu zag Thea het kind voor het eerst lachen, terwijl ze haar zuster een
kushand terug gaf.

Hoe veranderd was nu dat gezichtje! Ze zag er werkelijk lief uit.

Thea boog zich over haar heen en gaf haar een kus.

Verwonderd keek het kind haar aan. Toen met haar hand voor hare oogen,
begon ze te schreien.

„Maar kindje,” zei Thea zacht, haar over het hoofd strijkend.

Dat begon Armand te vervelen, hij werd liever zelf aangehaald. Hij keek
haar boos aan en zei:

„Waarom kust u Stans en mij niet?”

Lachend trok Thea hem naar zich toe en gaf hem ook een kus.

„Ben je jaloersch?” plaagde ze.

Maar de kleine jongen richtte zich op en om zijn mond kwam een
minachtend trekje.

„Jaloersch van Stans, nou nog mooier, jaloersch van Stans!”

Weer wist Thea niet goed, wat te zeggen, ze voelde dat ze hem beknorren
moest, hem onder het oog brengen, dat hij zoo niet spreken mocht, maar
hoe dat aan te leggen, hij had inderdaad geen reden om jaloersch op
zijn zusje te zijn. Ze besloot er maar niets van te zeggen, ze had
eigenlijk ook al te lang gewacht en zei dus maar, dat zij zich klaar
moesten maken voor de wandeling.

Deze verliep nog al genoegelijk, Thea genoot van de voor haar vreemde
omgeving en de kinderen praatten aardig, zelfs Stans kwam nu en dan
los.

Zoo ging de dag verder voorbij en hoewel alles vrij goed ging, was het
toch met een zucht van verlichting, dat Thea dien avond naar haar kamer
ging, na de kinderen goeden nacht gezegd te hebben.

Ze ging een oogenblik in een gemakkelijk stoeltje zitten en dacht na
over alles, wat ze dien dag beleefd had. Natuurlijk dacht ze daarbij
aan haar thuis en aan al de dierbaren, die ze daar had achtergelaten.

Een hevig verlangen naar hen allen overviel haar en voor ze er zich van
bewust was, lag ze met haar hoofd op de tafel te snikken.

Daar ging zachtjes een deur open en een bleek gezichtje met donkere
oogen keek door de reet.

Een oogenblik van aarzeling, toen kwam een kleine, witte gedaante naar
Thea toe, een handje raakte haar aan en een zacht stemmetje vroeg:

„Heeft u ook verdriet, juf?”

Thea keek op en hare betraande oogen ontmoetten een paar andere
kijkers, die ook vochtig waren.

Ze trok het kind op schoot en kuste het.

„Ja liefje, ik heb verdriet, maar dat zal wel weer overgaan.”

„Huilt u, omdat u van huis bent?”

„Ja.”

„Heeft u een pa en een ma thuis?”

„Ja, beste, een lieve, lieve pa en ma en zusjes en broertjes.”

Het kind streelde zachtjes haar hand. „Arme juffie.”

Thea antwoordde niet, ze drukte het kind tegen zich aan, het deed haar
goed een levend wezentje bij zich te hebben, dat met haar meevoelde.

Zoo zaten zij een poosje stil samen, tot het kind opeens zei:

„U hoeft niet zoo bedroefd te zijn, u kunt na een poosje weer naar uw
pa terug gaan, mijn paatje komt nooit weerom.”

Thea’s hart kromp ineen bij den toon, waarop deze woorden werden
uitgesproken.

„En dan zegt men nog, dat kinderen niet diep voelen en gauw vergeten,”
dacht ze.

Ze wilde trachten het kind van die gedachten af te leiden.

„Wil ik je nu weer naar je bedje brengen en je dan eens lekker
instoppen, dan ga je rustig slapen.”

„Mag ik nog niet een beetje bij u blijven, ik kan toch niet slapen. Ma
en de zusters zijn uit dineeren,” voegde ze er bij.

Thea begreep, dat ze daarmee meende, dat ze niet overvallen konden
worden en voelde, dat ze eigenlijk niet toe mocht geven, daar ze
zoodoende Constance zou stijven in de gewoonte, achter haar moeders rug
anders te handelen, dan in haar gezicht, maar toch kon ze het niet over
haar hart verkrijgen, haar zoo weg te sturen.

„Ik ga mijn koffer uitpakken,” zei ze, „blijf dan nog maar een
oogenblikje in dat stoeltje zitten. Heb je het niet koud? Wacht, ik zal
het naast den haard zetten. Zit je zoo lekker?”

„Heerlijk,” en Thea’s hand grijpend, gaf Constance er een kus op.

Thea begon haar koffer uit te pakken. Het eerste wat haar in handen
kwam, was een trommeltje, gevuld met chocolade, haar lievelingskostje.

„O, dat heeft Moedertje er stil ingestopt,” zei ze, het openend, „kijk
eens Constance, hoe heerlijk, wil je een stukje?”

„Als ’t u blieft. Dank u wel.”

Thea ging voort met het uitpakken van haar koffer, niet zonder van tijd
tot tijd een zucht te loozen, bij de gedachte aan wat ze had moeten
verlaten.

Toch gaf de aanwezigheid van het kind haar een gevoel van gezelligheid.

Na een half uurtje echter, zag ze, dat de oogen van haar pupilletje,
slaperig begonnen te staan.

„Kom poes,” zei ze, „nu moet je weer naar bed.”

Gewillig stond het kind op en greep haar hand.

„Stopt u me dan eens lekker in?”

„Zeker, ik zal je er heelemaal onderstoppen, zoodat er niets dan een
puntje van je neus te zien is. Ga maar gauw mee.”

Toen Constance goed en wel in bed lag, trok ze Thea naar zich toe.

„Wat is u lief! Wilt u Conny tegen me zeggen? Zoo noemde Paatje mij
altijd.”








ZESDE HOOFDSTUK.

UIT THEA’S DAGBOEK.


Op raad van Vader wil ik een dagboek aanleggen.

Vadertje, wetend, hoe ik behoefte heb, mijn hart nu en dan eens uit te
storten, zei tegen me, een der laatste dagen dat ik thuis was: „Thea,
laat ik je een goeden raad geven, leg een dagboek aan. Je hebt in
Brussel niemand, met wie je zoo eens echt vertrouwelijk praten kunt en
ik weet, dat mijn meisje daar zoo’n behoefte aan heeft.”

„Dat zal ik doen in mijne brieven naar huis,” antwoordde ik. Maar Vader
kent me, hij weet heel goed, dat ik zooveel mogelijk mijne bezwaren
voor mij zal houden, om hen geen verdriet te doen en het ontvangen van
mijne brieven tot een genoegen voor hen te maken. Hij trok mij dus naar
zich toe en toen ik naast zijn rustbank neergeknield was, zei hij met
zijn lieve stem:

„Ik ben er zeker van, dat mijn meisje mij niet alles schrijven zal, wat
in haar omgaat. Heb ik geen gelijk?”

Ik kuste hem en moest bekennen, dat ik me voorgenomen had, alleen
opgewekte brieven te schrijven.

„Dat wist ik wel,” zei Vader, „daarom lieveling, volg mijn raad en
begin een dagboek, waarin je alles, alles, wat je ondervindt en voelt
kunt neerschrijven. Je zult eens zien, dat de dingen, wanneer je ze in
een bepaalden vorm moet gieten en je er je dus meer rekenschap van
geven moet, dikwijls van aanzien veranderen. Je behoeft dat boek nooit
aan iemand te laten lezen, als je niet wilt.”

Ik beloofde Vader aan zijne woorden te zullen denken, als ik behoefte
gevoelde, mijn hart uit te storten en nu, nadat ik een paar weken hier
ben, weet ik, dat Vader gelijk heeft gehad. Ik heb behoefte, mijne
indrukken weer te geven en misschien zal ik Vader later alles laten
lezen, als ik weer bij hem ben.

Mijn vader, als hij eens wist, hoe ik naar hem verlang, hoe ik dikwijls
’s nachts niet kan slapen van heimwee naar allen thuis, maar vooral
naar hem, mijn besten vriend, mijn trouwen raadsman, die mij zoo geheel
begrijpt. O, wat verlang ik naar zijn lief gezicht, waarop zooveel
lichaamslijden zijn stempel gedrukt heeft, naar zijne oogen, waaruit
zijn niet te onderdrukken geest straalt. En dan zijn stem, die me
troostte, als ik verdriet had, die me opwekte, als ik terneergeslagen
was, die me sterkte als ik zwak was en met me juichte, als ik blij was.

Wat Vader, vooral in den laatsten tijd voor mij geweest is, weet
niemand, dan ik alleen, een held, dien ik bewonder om zijn geduld in
lijden, tegen wien ik op zie en dien ik toch zoo innig liefheb.

Zou ik meer van Vader dan van Moes houden?

Och neen, alleen maar anders.

Moeder is zoo goed voor ons allen, ze zorgt zoo flink voor het
huishouden, zonder haar zouden wij het veel slechter gehad hebben,
neen, ik houd evenveel van Moeder, maar, zooals ik zei, anders. Met
Moes kan ik niet zoo over alles praten, ze begrijpt me niet zoo goed
als Vader. Ze is zoo praktisch, ze beschouwt het leven meer van den
materieelen kant. Ze is tevreden, als je je dagelijksch werk goed doet,
opgewekt bent en de goede stemming niet verstoort, terwijl Vader heel
andere eischen stelt. Vader heeft graag dat je tracht, je geest te
verrijken, door het lezen en bespreken van mooie, ernstige boeken, door
goede muziek te hooren. Vader wil, dat je je boven de beslommeringen
van het dagelijksch leven stelt, dat je naar hoogere dingen streeft en
toch daarbij je dagelijksche plichten stipt vervult. Vader kent geen
genade voor alles, wat laag is, als ik het goed naga, is Vader
eigenlijk strenger dan Moeder en toch.... als ik iets gedaan had, dat
niet goed was, zou ik het gemakkelijker aan Vader, dan aan Moeder
kunnen bekennen.

Ik heb Moedertje wel eens een beetje hard gevonden, maar als ik haar
vergelijk bij de moeder, waarmee ik hier dagelijks in aanraking kom,
dan kom ik daar geheel van terug, dan zie ik, dat Moes alleen maar
praktisch was en niet hard. Neen, sedert ik mevrouw van Gendringen heb
leeren kennen, weet ik pas, wat een harde vrouw is.

Ik geloof niet, dat er iemand in huis is, die niet bang voor haar is,
Armand misschien uitgezonderd. Ze regeert met ijzeren hand. Allen, van
hare kinderen tot hare bedienden, vliegen op haar wenken, ik geloof
niet, dat iemand haar ongehoorzaam zou durven zijn.

Dat zou nu op zichzelf geen kwaad zijn en als ze zich tevens bemind
wist te maken, dan zou ik haar bewonderen, juist om de kracht, die van
haar uitgaat. Maar als ik eerlijk moet zijn, geloof ik, dat niemand
veel van haar houdt, daarvoor zijn we allen te bang voor haar. Armand
zonder ik natuurlijk alweer uit, maar hij is ook de eenige, dien zij
oprecht liefheeft. Ze zal ook wel van hare beide oudste dochters
houden, tenminste, dat veronderstel ik, maar toonen doet ze het niet,
die moeten net zoo goed naar hare pijpen dansen, als de andere
huisgenooten.

Wat de arme Conny betreft, ik vrees dat ze daar geen greintje liefde
voor gevoelt. En het arme kind heeft zoo’n behoefte aan liefde!

Dat is een reden, waarom ik soms blij ben, dat ik hier ben, ik voel,
dat ik haar goed kan doen, een beetje zonneschijn brengen in haar
treurig kinderleven. Veel kan ik ook al niet voor haar doen, want
mevrouw van Gendringen behoort niet tot die dames, die hare kinderen
maar aan de gouvernante overlaten, ze bemoeit zich met alles en ze
heeft me al eens te kennen gegeven, dat ik Constance bederf.

Nu, zij mag wel van bederven spreken, als men nagaat, hoe zij haar
zoontje behandelt. Wat dat kind doet, is goed gedaan, zij ziet in hem
een ideaal, een engel in kindergedaante, en ik zie in hem.... een zeer
bedorven, ondeugend jongentje, ja, wat erger is, een onoprecht ventje,
dat misbruik weet te maken van de afgodische liefde, die zijn moeder
hem toedraagt. Wat heb ik mij bij den eersten aanblik in dat kind
bedrogen.

Hij ziet er zoo lief uit, met zijn mooi gezichtje en heeft zulke
aardige maniertjes. Maar hij valt bitter tegen, als men hem beter leert
kennen, hij is meestal lief tegen mij en tamelijk gehoorzaam, maar ik
vrees, dat hij eigenlijk een klein spionnetje is, steeds er op uit, of
hij ook iets ontdekken kan, dat Mama niet goed zou keuren en dat hij
haar dan vertellen kan.

En daarin stijft zijn moeder hem!

Stel je zoo iets voor, inplaats van zoo’n leelijken karaktertrek met
hand en tand tegen te gaan, vindt ze het goed, dat hij haar alles
vertelt, zoodoende blijft ze op de hoogte van de kleinste zaken, die er
in de leerkamer voorvallen.

Men kan zich denken, wat een aangenaam gevoel mij dat geeft, te meer,
daar ik al gemerkt heb, dat hij het niet al te nauw met de waarheid
neemt. In navolging van zijne moeder, houdt hij niet van Conny en
plaagt haar, waar hij kan.

En altijd krijgt mijn arm meisje ongelijk!

Maar vandaag heb ik haar toch van straf weten te vrijwaren. Armand had
met ballen een ruit gebroken en beweerde toen, dat Conny het gedaan
had. Toevallig had ik gezien, dat hij de schuldige was en toen dan ook
Conny schreiend bij mij kwam, om te vertellen, dat Mama haar naar bed
stuurde, omdat ze zoo wild was geweest en dat Armand toch heusch de
ruit gebroken had, kon ik haar niet onschuldig laten straffen en raapte
ik al mijn moed samen, om naar de gevreesde meesteres des huizes te
gaan en haar op de hoogte te brengen van de zaak.

Toen ik mij bij mevrouw van Gendringen had laten aandienen, ontving ze
me heel beleefd, maar als altijd op een afstand.

„Heeft u me iets te vragen, juffrouw?”

Ik antwoordde, dat ik gehoord had, dat ze Constance gestraft had voor
het breken van die ruit, maar dat ik zeker wist, dat zij het niet
gedaan had.

Haar gelaatsuitdrukking werd nog koeler.

„Ik vrees, dat u zich vergist,” zeide ze op een toon, waarin duidelijk
haar misnoegen te hooren was, dat ik mij met eene zaak, waarin zij
beslist had, durfde bemoeien.

„Ik vergis mij niet,” waagde ik vol te houden, het bedroefde gezichtje
van Conny, dat voor mijn geestesoog verscheen, gaf me moed.

Ze keek eenigszins verbaasd, zeker, omdat ik nog durfde tegenspreken.

„Wat blieft u?” zei ze en keek me aan met een paar oogen, die mij bijna
den moed benamen. Maar eensklaps dacht ik er aan, hoe laf Vader mij zou
vinden, als ik het kind onschuldig liet straffen en met vaster stem dan
daareven herhaalde ik: „Ik vergis me werkelijk niet, mevrouw, ik zag de
ruit breken en Constance deed het niet.”

Een oogenblik van stilte volgde. Mijn hart klopte, ik schaamde me over
mijn lafheid, maar ik was heusch bang voor haar, ze stond daar zoo
groot, zoo imposant, zoo koud, en ik zoo klein en nietig. Toen zei ze:

„Ik zal u op uw woord gelooven, maar wil natuurlijk van u hooren, wie
dan wel de schuldige is.”

Ik zag aan de uitdrukking van haar gezicht, dat ze vreesde, dat ik
Armand zou noemen en las er duidelijk een bedreiging in, indien ik dat
waagde.

Ik kleurde en zei zacht:

„Het was Armand.”

Ze keek me aan, alsof ik daar als schuldige stond, in plaats van als
aanklaagster.

„U moet verkeerd gezien hebben,” zei ze koud, „u kunt gaan.”

Wat moest ik doen? Weggaan en Conny haar straf laten ondergaan, terwijl
Armand vrij rondliep, schuldig, aan iets veel ergers, dan het breken
van een ruit, aan leugen en bedrog. Weer dacht ik aan Vader en hoe die
zich over mij schamen zou, als ik mijn plicht zoo verzaakte. Ik voelde,
dat ik niet alleen Conny tegenover onrechtvaardigheid beschermen moest,
maar ook aan Armand verplicht was, dat ik zijn moeder van zijn
onoprechtheid op de hoogte bracht.

Ik vatte dus al mijn moed samen en in plaats van heen te gaan, bleef ik
staan en hield vol.

„Ik verzeker u, dat Armand de ruit gebroken heeft, ik zag hem den bal
er door gooien, ik moet er op aandringen, dat u de zaak nog eens
onderzoekt.”

Mevrouw van Gendringen ging zitten.

„Natuurlijk is Armand onschuldig,” zei ze, „hij heeft zelf gezien, dat
Constance de ruit gebroken heeft, maar daar ik niet wil, dat u denkt,
dat hij het gedaan heeft en opdat u in zult zien, dat u zich vergist
moet hebben, zal ik hem hier laten komen, dan kunt u uit zijn eigen
mond hooren, dat Constance de schuldige is.”

Ze schelde en beval Armand bij haar te brengen.

Deze kwam vroolijk binnenloopen. Hij huppelde naar zijn moeder toe met
een lachend gezichtje, dat echter eensklaps betrok, toen hij mij zag
staan.

„Armand,” zei zijn moeder, hem naar zich toetrekkend en hem kussend,
„lieveling, vertel nog eens, wie de ruit in de gang gebroken heeft.”

Kreeg het kind een kleur, of verbeeldde ik me dat.

Hij aarzelde even en zei toen: „Stans.”

Ik was hevig verontwaardigd en kon niet nalaten te zeggen:

„Maar Armand, hoe durf je zoo te jokken, ik zag het je zelf doen.”

Armand kreeg het blijkbaar benauwd, hij was gewoon, dat zijn leugentjes
grif geloofd werden, en nu hij merkte dat hij gezien was, werd hij
verlegen.

„Stans deed het toch,” herhaalde hij koppig.

„U hoort het,” zei zijn moeder.

Maar ik wilde het niet opgeven.

„Heb jij dat gezien?” vroeg ik.

„Ja.”

„Je bekent dus, dat je toen ook in de gang was.”

„U heeft me immers gezien, zegt u. Ik speelde er ook.”

„Met je bal?”

„Ja.”

„En gooide Stans toen de ruit stuk met haar eigen bal?”

„Ja natuurlijk, en toen dacht u zeker, dat ik het met mijn bal deed.”

Ik ademde verlicht, nu kon ik zijn leugen bewijzen.

„Mag ik u er even aan herinneren, mevrouw, dat u Constance al twee
dagen geleden haar bal hebt afgenomen, omdat ze er u bij ongeluk mee
raakte, toen u door de gang liep en dat u hem weggesloten hebt.”

Dat kon mevrouw niet ontkennen.

„Hoe zit dat nu, mijn jongen?” vroeg ze, „ik begrijp er niets meer
van.”

Armand voelde zich betrapt, hij zag geen uitweg, werd eerst rood van
verlegenheid, daarna veranderde zijn verlegenheid in drift, hij gooide
zich schreeuwend op me en begon me met zijne kleine vuisten te slaan.

„Valsch mensch, je hebt geklikt om je lieve Stans te helpen, valsch
mensch!”

Ik weerde hem af en zijn moeder trok hem naar zich toe.

„Maar Armandje,” suste ze, „stel je toch zoo niet aan.”

Toen wierp hij zich snikkend in hare armen en zij zocht hem te bedaren
en te troosten.

„Is u overtuigd, mevrouw?” vroeg ik.

Met een trotschen, boozen blik, die voor mij niet veel goeds
voorspelde, zei ze:

„U kunt Constance gaan zeggen, dat haar straf is opgeheven.”

Daarmee had ik tevreden moeten zijn, maar wat me bezielde, weet ik
niet, hoe ik durfde evenmin, maar mijn hand naar Armand uitstekend, zei
ik:

„Zal ik hem meenemen? Ik zal er voor zorgen, dat hij dadelijk naar bed
gaat, of wilt u hem strenger straffen, nu hij nog gejokt heeft ook.”

Mevrouw van Gendringen stond eensklaps op en zette Armand op den grond.

Vernietigend keek ze me aan en beet me toe:

„Bemoei u zich met uw eigen zaken, als ’t u blieft, ik weet zelf wel,
hoe ik mijne kinderen moet opvoeden.”

Toen keerde ze me den rug toe en ik kon het vertrek verlaten, blij, dat
ik Conny de goede tijding kon gaan mededeelen, maar toch niet geheel
voldaan.

Ik heb Armand vandaag niet teruggezien, voordat hij vanavond naar bed
ging, zijn moeder heeft hem verder bij zich gehouden.

Of ze hem zijn leugen heelemaal niet onder het oog gebracht heeft? Ik
denk, dat ze er toch wel iets van gezegd zal hebben, tenminste het kind
heeft mij mijn inmenging niet vergeven. Toen ik hem vanavond, zooals ik
gewoon ben, nog eens kwam instoppen, weerde hij me af met de woorden:
Gaat u maar naar Stans.








ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN MOEIELIJKE TAAK.


Den volgenden morgen werd Thea al vroeg gewekt door leven in de
kinderkamer. Ze hoorde gestommel en geschreeuw, als van vechtende
kinderen en uit bed springend, schoot ze haastig hare pantoffels aan en
liep naar de kamer van Stans, waar ze haar beide leerlingetjes over den
grond zag rollen, elkander met hunne vuisten duchtig bewerkend.

„Kinderen,” riep ze, „wat mankeert je, wil je wel eens dadelijk
uitscheiden met vechten.”

Een gil van Stans was het antwoord. Armand had haar vlecht te pakken en
trok er uit alle macht aan.

Thea kwam tusschenbeiden, greep het stevige vuistje van het driftige
kind en poogde het haar van zijn zusje er tusschen uit te krijgen.

„Laat los,” gebood ze.

„Neen,” schreeuwde Armand, „ik laat niet los, ze is een valsch kind, ze
plaagt me.”

Weer gilde Stans en angstig, dat het leven hun moeder zou wakker maken,
keek Thea naar de deur.

Opeens liet Armand met een harden gil los. Stans had hare nagels in
zijn bloot been geslagen en de hevige pijn deed hem loslaten. Thea
maakte van de gelegenheid gebruik om hen te scheiden.

Op hetzelfde oogenblik werd er geklopt en kwam de kamenier van mevrouw
van Gendringen vragen, wat er toch gebeurde, haar meesteres was door
het spectakel, dat de kinderen maakten, wakker geworden en zond haar nu
om te onderzoeken, wat er de oorzaak van was.

Zenuwachtig verklaarde Thea, dat het niets te beduiden had, de kinderen
waren aan het kibbelen geraakt en dat was in vechten geëindigd.

De kamenier vertrok en Thea trachtte de huilende kinderen te doen
bedaren.

„Schaam jullie je niet, zoo vroeg in den morgen al te vechten. Het is
nog erger, of je twee straatjongens bent.”

„Ze heeft mijn been aan bloed geknepen,” snikte Armand, „dat akelige,
valsche kind, maar ik zal het aan Mama vertellen en dan zal ze eens wat
zien.”

„Hij trok me mijne haren uit het hoofd,” schreide Constance, „die
gemeene jongen, hij wou niet loslaten.”

Met veel moeite gelukte het eindelijk Thea hen een beetje te kalmeeren.

„Vertel me nu eerst eens, waarom jullie zoo aan het vechten bent
gegaan,” zei ze, toen de beide kinderen geëindigd hadden, met elkander
te beschuldigen.

„Stans is begonnen,” zei Armand, „ze zei, dat Mama nu toch eens lekker
wist, dat ik jokte en ze zei het treiterig, dat valsche kind.”

Thea keek Constance ernstig aan.

„Waarom zei je dat?” vroeg ze.

Stans kreeg een kleur, nu haar geliefde gouvernante haar zoo streng
aankeek en stotterde:

„Omdat ik het meende. Ik was gisteren nog veel blijder, dat de leugen
van Armand uitgekomen was, dan omdat ik niet naar bed hoefde.”

Thea zei eerst niets. Het was zeker niet mooi van het kind, zoo blij te
zijn, omdat haar broertje ontmaskerd was, maar in de gegeven
omstandigheden was het zoo heel natuurlijk.

„Is ze nou niet valsch!” riep Armand.

Even aarzelde Thea, ze gaf Conny niet graag ongelijk tegenover Armand
en toch moest ze haar weten te beduiden, dat ze geen pleizier mocht
hebben in een andermans leed.

„Je valt me tegen, Conny,” zei ze, „ik dacht niet, dat je zoo
onedelmoedig was. Men moet een verslagen vijand niet plagen, dat is
niet mooi.”

Constance begon te huilen.

„Het was ook zoo prettig, dat hij nu eens aan de kaak gesteld was, ik
kreeg anders altijd de schuld.”

„Ja maar, kind, dat neemt niet weg, dat het niet lief van je is, Armand
te verwijten, wat er gisteren gebeurd is. Jij bent gerechtvaardigd en
dat moet je genoeg zijn.”

„Armand heeft niet eens straf gehad,” mokte Constance.

„Ik denk, dat het al straf genoeg voor Armand is, dat je mama, die hem
voor zoo oprecht hield, nu weet, dat hij dat niet altijd is. Dat is al
erg genoeg voor hem, laat hem nu verder met rust.”

Dat was voor den verwenden jongen te veel.

Hij werd nog rooder en zei stampvoetend:

„Dat wou u wel, nare juf, maar het kan Maatje niks schelen hoor, niks,
Ma houdt nog net evenveel van me, Maatje vindt me nog net even lief,”
en huilende wierp hij zich op den grond, driftig van zich af schoppend
en aldoor roepend, dat het zijn moeder niets schelen kon en dat ze hem
nog even lief vond. Maar dat was het juist, wat hij heel goed voelde,
zijn moeder had zich zijn jokkentje wel aangetrokken, hij was niet meer
zoo volmaakt in hare oogen, als hij geweest was. Zij had het hem wel
dadelijk vergeven, maar toch gezegd, dat het haar veel verdriet gedaan
had.

Thea vond het beste, hem maar te laten uitrazen en schelde het meisje,
dat de kinderen altijd hielp met aankleeden, waarop ze naar haar kamer
ging, om haar eigen toilet te maken.

Het ontbijt ging heel stil voorbij. De kinderen zeiden niets en zij
zelve had ook geen behoefte aan praten. Daarenboven vond ze het ook
beter, zich wat teruggetrokken te houden, de kinderen moesten merken,
dat ze de scène van dien ochtend nog niet vergeten was.

Ook onder de les heerschte buitengewone rust. Armand deed met een
knorrig gezicht zijn werk, van tijd tot tijd boos naar Thea kijkend,
wat zijn kindergezichtje zoo grappig stond, dat deze moeite had niet te
lachen. Ze hield zich echter goed en deed alsof ze niets merkte van de
ongenade, waarin ze blijkbaar bij hem gevallen was.

Constance was ook stil, maar zag er niet boos, maar verdrietig uit. Dat
haar lieve juf zoo koel en teruggetrokken was, vond ze vreeselijk, ze
had graag een poging tot verzoening gedaan, maar durfde niet goed,
bang, afgewezen te worden en dat zou meer zijn, dan ze op het oogenblik
verdragen kon.

Tegen elf uur kwam de kamenier van mevrouw en zei, dat haar meesteres
de juffrouw liet zeggen, dat ze haar in haar boudoir wachtte, zij zelve
moest zoo lang bij de kinderen blijven.

Thea stond dadelijk op.

Hoe vervelend, dat het bloed haar zoo naar het hoofd steeg, ze keek
naar de kinderen, of die haar zagen kleuren en ontmoette de spottende
oogen van Armand.

Ze haastte zich, de kamer te verlaten. Op het portaal stond ze een
oogenblik stil.

Wat klopte haar hart!

Ze sloot hare oogen en slikte eens.

Mevrouw wilde haar zeker onderhouden over de scène van dien morgen,
natuurlijk zou de schuld op haar gegooid worden, mevrouw zou zeggen,
dat ze de orde op de kinderkamer niet wist te bewaren en toch, wat had
ze er aan kunnen doen.

Kom, ze moest gaan. Wat was ze toch overdreven gevoelig, om daar nu zoo
tegen op te zien.

Ze had precies hetzelfde gevoel, dat ze gehad had als schoolmeisje,
wanneer ze bij de directrice ontboden was en wist een flink standje te
krijgen.

Hetzelfde gevoel en toch anders. Als schoolmeisje wist ze, dat ze het
standje verdiend had en dat de directrice recht had, haar onder handen
te nemen.

En nu wist ze niet, of ze anders had kunnen handelen, dan ze gedaan had
en daarenboven, als mevrouw van Gendringen aanmerking op haar maakte,
had ze altijd een gevoel, alsof haar dat vernederde.

Na nog even geaarzeld te hebben, klopte ze aan de deur van het boudoir.

„Binnen.”

Thea opende zacht de deur en een oogenblik later bevond ze zich in
tegenwoordigheid van de meesteres des huizes.

Met haar gewoon, trotsch gebaar wees ze Thea een stoel.

Deze ging zitten en wenschte, dat ze mijlen ver was.

Na een oogenblik van pijnlijke stilte, een stilte, die mevrouw van
Gendringen meestal aan hare berispingen deed vooraf gaan, om meer
indruk te maken, zei ze:

„U begrijpt zeker wel, waarover ik u wensch te spreken.”

Thea was te oprecht, om dat te ontkennen en zei dus, dat ze
veronderstelde, dat het kibbelen der kinderen mevrouw dien morgen
gehinderd had.

Mevrouw van Gendringen glimlachte minachtend.

„U noemt dat kibbelen, ik geloof dat vechten een beter woord is. Ik ben
hevig geschrokken van de rauwe gillen, die uit de kinderkamer tot mij
doordrongen en mijn kamenier vertelde mij, dat ze de kinderen over den
grond had zien rollen, vechtend, als een paar straatjongens. Was dat de
waarheid of niet?”

Thea moest beamen, dat de kinderen werkelijk handgemeen waren geworden.
Ze voelde ook wel, dat zooiets niet gebeuren moest, maar wat had zij er
aan kunnen doen, ze waren immers al aan den gang, toen ze bij hen kwam.

Mevrouw van Gendringen keek haar steeds aan met die koude, strenge
oogen, ze had wel onder den grond willen kruipen.

„En u stond daarbij en zag toe?”

„Maar, mevrouw, wat had ik anders moeten doen? Ik ben ook van hun
schreeuwen wakker geschrokken en toen dadelijk gaan kijken, wat er was.
Toen ik bij hen kwam, lag Armand boven op Constance en rukte aan haar
vlecht. Ik trachtte zijn hand te openen, maar hij wilde niet loslaten.”

„Een eenvoudig bevel van u had voldoende moeten zijn, om hen te doen
ophouden, nietwaar?”

Thea’s wangen gloeiden, wat keek die vrouw sarkastisch!

En ze had gelijk, ze had geen invloed genoeg op de kinderen.

„Nu, is u dat niet met me eens?”

Het huilen stond Thea nader dan het lachen. Met lippen, die ze
tevergeefs vastheid trachtte te geven, zei ze:

„Jawel mevrouw, maar ik ben nog zoo kort bij hen en Armand is zoo
driftig, als hij eenmaal aan den gang is, is het niet mogelijk hem rede
te doen verstaan.”

„O, is het Armand weer,” merkte mevrouw van Gendringen koel op.
„Constance was zeker heelemaal zonder schuld.”

„Neen mevrouw, niet heelemaal, maar....”

„Maar Armand is nu eenmaal uw wrijfpaal en Constance kan in uw oogen
geen kwaad doen. Ik moet u zeggen, dat ik het geen bewijs vind, van uw
goeden blik op het kinderkarakter, dat u zoo denkt. Armand is een goed
kind, zijn gebreken liggen aan de oppervlakte, terwijl Constance een
ondeugenden aard heeft en een zeer slecht humeur, dat niet streng
genoeg kan worden tegengegaan.”

„U vergist zich werkelijk....”

„Ik vergis me nooit, onthoud dat, als ’t u blieft. Maar om op ons
onderwerp van gesprek terug te komen, ik wilde er u dus opmerkzaam op
maken, dat u vanmorgen in uw plichten is te kort geschoten en dat ik
hoop, dat het niet meer gebeuren zal. Ofschoon u heel jong is, heb ik
u, omdat ik zulke goede recommendaties van u kreeg, de opvoeding van
mijn kinderen toevertrouwd en ik verwacht, dat u zich dat vertrouwen
waardig zult maken. Ik wil voor dezen keer uw fout door de vingers
zien, maar laat zoo iets niet meer gebeuren, dan zou ik het niet meer
kunnen vergeven.”

Ze zweeg en Thea begreep, dat ze gaan kon. Met gebogen hoofd en
knikkende knieën stond ze op en verliet het boudoir.

Op het portaal gekomen, liep ze naar het raam, dat op den tuin uitzag
en leunde tegen de omlijsting.

Haar hart klopte onstuimig en ze beet hare lippen bijna tot bloed om
het niet uit te snikken, ze deed haar uiterste best, zichzelve meester
te worden.

O, die toon, die vreeselijke, vernederende toon, waarop mevrouw van
Gendringen gesproken had! Zoo uit de hoogte, zoo zonder genade.

En dan dat bedekte dreigement van weggezonden te worden!

Ze voelde zich zoo ellendig vernederd.

Zou het maar niet beter zijn, als ze de eer aan zich hield en zei, dat
ze liever wegging?

Maar neen, dat kon niet, ze mocht het niet zoo gauw opgeven, wat zouden
ze daar thuis wel van zeggen?

Vader zou zoo in haar teleurgesteld zijn en Moeder bepaald boos, ze had
nog zooveel nieuws moeten hebben, vóór haar vertrek naar Brussel, dat
moest ze nog terug betalen uit hare verdiensten en Nico, voor wiens
schoolgeld ze beloofd had te zorgen!

Neen, ze kon niet zelf zeggen, dat ze weg wilde, stuurde men haar weg,
dan zou ze het moeten dragen, maar uit zichzelf kon ze haar betrekking
niet opgeven. En ze zou haar best doen beter aan mevrouws verwachtingen
te beantwoorden. Een beetje had mevrouw wel gelijk, alleen behoefde ze
het haar niet op zoo’n toon te zeggen.

Ze had niet veel overwicht op de kinderen, maar het waren ook zulke
moeielijke karakters, en Armand voelde zich sterk tegenover haar door
de protectie van zijn moeder.

Maar komaan, ze gaf den moed niet op!

Ze veegde hare betraande oogen af, loosde een diepen zucht en wilde
zich weer naar de kinderen begeven, toen ze Isabella op zich zag
afkomen.

„O juffie, wat kijkt u benauwd. Zeker een standje gehad van Mama. Dat
ken ik, dat is bij mij dagelijksche kost, trek u er zich maar niets van
aan, Armand is een ondeugende rakker. Om dien te kunnen regeeren is een
dragonder noodig, zooals de vorige gouvernante en niet zoo’n aardig
popje, als u is. De vorige juffrouw was hem wel de baas, maar dat
beviel mijnheer natuurlijk niet en toen heeft hij wel wat weten te
vinden, waardoor ze weg moest. ’t Is een ondeugende aap!” en lachend
verwijderde Isabella zich en Thea ging, een beetje getroost, weer naar
de leerkamer.

Ze zou nu eens toonen, dat ze wel streng kon zijn, mevrouw zou haar dat
niet voor niets gezegd hebben.

In de leerkamer gekomen merkte ze dadelijk, dat de kinderen haar
nieuwsgierig opnamen.

Armand grinnikte, maar Conny keek bepaald medelijdend naar haar. Het
een, noch het ander kon ze op het oogenblik verdragen.

„Laat eens zien, Conny, wat je ondertusschen gedaan hebt.”

Constance reikte, een beetje verlegen, haar schrift aan, waarin ze maar
één regel geschreven had van het taaloefeningetje, dat Thea haar had
opgegeven.

Thea keek boos.

„Is dat alles?” vroeg ze.

„Ja juffrouw.”

„Ik had je gezegd, die oefening te maken, terwijl ik weg was. Je
schijnt liever gespeeld te hebben, goed, dan maak je die oefening
vanavond in je speeltijd. Berg dat schrift op, we gaan nu rekenen.”

Constance keek Thea aan, alsof ze niet goed wist, hoe ze het had. Was
dat haar lieve jufje?

Met een kleur voldeed ze aan het bevel en kwam met een bedrukt gezicht
weer naast Thea zitten. Deze had ondertusschen het schrift genomen van
Armand, waarin hij een som had moeten uitrekenen, in plaats waarvan hij
poppetjes geteekend had.

Thea keek van het schrift naar Armand, die trachtte haar aan het lachen
te maken, door het zelf uit te schateren.

Thea lachte niet en vroeg, waar zijn som was.

„Die heb ik niet gemaakt, ik dacht, dat het niet hoefde, nu u er toch
niet was.”

Thea keek hem strak aan.

„Jok maar niet kind, je wist wel beter. Ook jij maakt vanavond die som
in je vrijen tijd. Nu ga ik met Constance rekenen en moet jij dit
versje van buiten leeren. Pas op, als je het straks niet kent.”

Armand keek haar verbaasd aan. Wat was juf kortaf, anders was ze nooit
zoo.

Met een onverschillig gezicht trok hij zijne schouders op en zei toen
tegen zijn zusje, quasi fluisterend, maar zoo hard, dat Thea het best
hooren kon:

„Je behoeft ook niet te vragen, of ze een standje van Mama gehad
heeft.”

„Armand, hou je toch stil,” en Stans keek van terzijde uit naar Thea,
of die gehoord had, wat haar broertje zei.

Thea had het heel goed gehoord en aarzelde een oogenblik, wat te doen.
Armand had die woorden natuurlijk zoo hard gefluisterd, opdat zij ze
hooren zou. Zou het nu beter zijn, ze toch maar quasi niet verstaan te
hebben, of moest ze er op terug komen en Armand de ongepastheid er van
onder het oog brengen? Maar dan had hij zijn zin, dan begreep hij, dat
ze haar gehinderd hadden.

Neen, ze zou maar liever zwijgen, dat was verstandiger. Ze was
daarenboven zoo moe, zoo geestelijk afgemat, dat ze voor het oogenblik
niet in staat was, een woordenstrijd met het kind te beginnen.

En den geheelen dag moest ze de kinderen nog bezighouden, ze zou geen
oogenblikje hebben, om eens even uit te rusten, alles van zich af te
zetten, vóór de kinderen naar bed waren.

Het scheen dat hare leerlingetjes toch wel onder den indruk waren van
haar strenger optreden. Vooral Constance trok het zich aan, dat haar
lieve jufje boos op haar was. Daar gaf Armand minder om, maar hij was
toch niet zoo druk als anders.

Aan tafel trachtte Stans zich weer met Thea te verzoenen. Ze was
opvallend vriendelijk en deed blijkbaar haar best het gebeurde van dien
dag goed te maken. Armand zag er meer uit, alsof hij de beleedigde was,
hij sprak geen woord en keek van tijd tot tijd Thea alles behalve
vriendelijk aan.

Thea, die vond, dat ze nu lang genoeg haar ongenoegen getoond had en
van oordeel was, dat men bij kinderen niet te lang boos moet zijn, werd
weer vriendelijk, tot groote vreugde van Stans, die herhaaldelijk haar
hand greep, om die te zoenen.

„Wat heeft u toch een prachtigen armband aan,” zei ze, „van wie heeft u
dien gekregen?”

Thea wreef het antieke braceletje, dat ze om haar pols had, met haar
servet wat op en antwoordde:

„Van mijn vader. Ik ben erg aan dat armbandje gehecht, want het is een
familiestuk. De oudste dochter krijgt het altijd bij haar aanneming. Ze
moet het dan later weer aan haar oudste dochter geven, begrijp je? Nu
had Vader enkel jongere broers, zoodat er geen oudste dochter was, en
dus kreeg hij het, om het later weer aan zijn oudste meisje te geven,
indien hij dat had. Zoo kreeg ik het bij mijn aanneming. Dat is de
reden, waarom ik het altijd draag.”

Constance vond het erg interessant, zoo’n armband, die al zoo lang in
dezelfde familie was.

Armand had gretig zitten toeluisteren, maar toen zijn zusje hem vroeg,
of hij het geen beeldig armbandje vond, antwoordde hij onverschillig:

„’t Zal wel, ik kijk niet naar die dingen.”

Wat was Thea dien dag blij, toen ze eindelijk alleen in haar kamer was
en ze hare gedachten verzamelen kon. Het was de dag, waarop ze gewoon
was, naar huis te schrijven, maar ze had er niets geen lust in, ze was
bang, dat men haar gedrukte stemming uit haar brief zou kunnen lezen.
Maar als ze niet schreef, zouden ze thuis ongerust zijn en dat mocht
heelemaal niet. Ze zou het dus toch maar probeeren, een klein briefje,
met verontschuldiging, omdat ze het te druk had met studeeren voor haar
Fransch examen. Dat was trouwens geen onwaarheid.

Ze schreef:


    Liefste Moeder en Vader,

    Dezen keer moet u met een klein briefje tevreden zijn, daar ik
    vanavond nog Fransch werk moet maken. Zooals u weet, heb ik hier
    met toestemming van mevrouw van Gendringen een leeraar gezocht, om
    mij met mijn Fransch voort te helpen, één uur in de week en nu moet
    ik natuurlijk ’s avonds nog al veel werken, om van die les te
    kunnen profiteeren. Ik maak het best en kan met de kinderen wel
    opschieten. Natuurlijk doen zich nog wel moeielijkheden voor zoo nu
    en dan, maar dat is niets, moeielijkheden zijn er, om overwonnen te
    worden, zou Vadertje zeggen. Ik ben hier nu bijna twee maanden, nog
    een groote maand dus en ik kan mijn eerste zelfverdiende geld naar
    huis sturen. Wat zal dat heerlijk zijn! Geld verzoet den arbeid en
    als ik het eens wat moeielijk vind mijn werk te doen, dan wekt de
    gedachte aan mijn honorarium mij wel op. Kijk nu maar niet zoo
    ernstig, Vadertje, ik doe ook heusch wel mijn best uit behoefte
    mijn plicht te doen, maar of ik hier zou blijven, alleen uit lust
    tot mijn werk? Neen, dan vloog ik dadelijk naar huis, stel je voor,
    dat ik vanavond nog bij u allen kon zijn, wat een zalige gedachte!

    Maar dat kan niet en ik heb het hier heusch heel goed. Alleen zie
    ik wat op tegen de komende feestdagen, Kerstmis, Oud- en Nieuwjaar.
    Maar dan krijg ik heerlijke brieven, niet waar, lange, lange
    brieven van allemaal, met ieder klein bijzonderheidje over u allen
    en het huishouden er in verteld, hè, ik verlang er al naar.

    Nu beste lievelingen moet ik uitscheiden, de tijd gaat zoo gauw
    voorbij en ik moet gaan studeeren.

    Vele, vele kussen voor allen van

        Uwe Thea.

    Nu ik mijn brief overlees, vind ik hem een beetje saai, u denkt nu
    misschien, dat ik het hier niet naar mijn zin heb, omdat ik zoo
    over verlangen naar huis schrijf, maar u moet er maar niet op
    letten, ik ben wat moe vanavond en het weer is zoo slecht, de wind
    giert om het huis en de regen klettert tegen de ramen. Dat heeft
    wel invloed op je stemming vindt u niet? Morgen ben ik weer heel
    opgewekt, dat weet ik zeker, ’s avonds ben ik natuurlijk wat moe,
    maar ’s morgens heb ik geen tijd tot schrijven. Enfin, u zult wel
    begrijpen, hoe ik het meen. Dag schatten.


Toen Thea dezen brief sloot, stroomden de tranen langs hare wangen. Den
geheelen dag had ze haar heimwee naar huis opgekropt, nu kon ze niet
meer.

Ze voelde zich zoo innig eenzaam en verlaten.

Zoo schreide ze een poosje en dat deed haar goed. Ze voelde zich weer
minder gedrukt en besloot morgen met nieuwen moed te beginnen.

Maar nu was ze doodop.

Van werken kon vanavond niets meer komen, ze zat te knikkebollen over
hare boeken. Ze zou maar naar bed gaan, morgen hoopte ze weer flink
genoeg te zijn, om hare taak te hervatten.








ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE VERDWENEN ARMBAND.


Hoe vermoeid Thea ook was, toch duurde het een heel poosje, voor zij
den slaap kon vatten, maar toen sliep ze ook heel vast. Zoodoende
merkte ze niet, dat omstreeks zeven uur in den morgen een kleine
gedaante de kamer binnensloop, na zich eerst overtuigd te hebben, dat
zijn zusje nog gerust sliep. Hij ging voorzichtig op zijne teenen
loopend naar Thea’s bed en keek goed, of deze ook nog in slaap was.

Toen Armand daarvan zekerheid had, sloop hij zachtjes naar de tafel,
waarop Thea ’s avonds haar armband, horloge en broche neerlegde en
greep, angstig naar het slapende meisje omkijkend, naar den armband.
Hierbij stootte hij tegen de tafel, schrok en liet den bracelet vallen.

Thea bewoog zich en Armand wilde zich vlug uit de voeten maken met het
in de steek laten van den gevallen armband, maar nog even schuw naar
Thea kijkend, zag hij, dat ze zich alleen bewogen had, en rustig
doorsliep. Toen raapte hij hem op en sloop weg met zijn buit.

Weer in bed klopte zijn hartje zoo hevig, als hij het nog nooit gevoeld
had. Hij was ook zóó geschrokken, als juf eens wakker geworden was en
hem gezien had, wat had hij dan moeten zeggen.

Heerlijk, hij had den armband, nu zou hij dien goed wegstoppen, dan
dacht juf, dat ze hem verloren had en dan had ze verdriet. Dat was het,
wat hij wilde; hij had een hekel aan haar, omdat ze hem bij zijn moeder
had willen zwartmaken en blijkbaar meer van die nare Stans hield, dan
van hem. De vorige juffrouw was ook niet aardig geweest, maar die was
tenminste ook leelijk tegen Stans, terwijl deze altijd vriendelijk
tegen zijn zusje was en haar vreeselijk voortrok in zijn oogen.

Maar nu zou hij haar eens lekker plagen!

Waar zou hij het braceletje laten?

Het beste zou zijn, onder in een groote doos met speelgoed. Daar kwam
niemand aan, dan hij en als hij er niet mee speelde, bleef ze maanden
lang vergeten in de kast staan.

Maar dan moest hij het nu dadelijk doen, terwijl juf en Stans nog
sliepen.

Voorzichtig kroop hij weer uit bed, keek nog eens door de
verbindingsdeur naar Stans, luisterde, of hij ook iets hoorde in de
kamer van juf en kroop daarna op handen en voeten naar de
speelgoedkast, die gelukkig niet in het slot was en stopte het
armbandje in een doos met speelgoed, die hij zich voornam in den loop
van den dag, wat dieper in de kast te bergen. Daarna sprong hij vlug
weer in bed en trok de dekens hoog over zich heen. Hij was innig koud
geworden en voelde zich niets pleizierig. Hij wilde blij zijn, omdat
hij het plannetje, dat sinds gisterenmiddag in zijn hoofdje
rondspookte, had kunnen uitvoeren en in plaats daarvan voelde hij zich
angstig en heel niet op zijn gemak.

Als het eens uitkwam!

Een oogenblik dacht hij er over, het armbandje weer op zijn plaats
terug te leggen, misschien had hij daar nog net tijd voor, hij had nu
eigenlijk spijt, dat hij het gedaan had, en reeds stak hij een been uit
bed, om aan zijn voornemen gevolg te geven, toen hij juf hoorde
opstaan, en zijn been dus haastig weer terug trok.

Het was te laat, hij kon niet meer terug, maar hij troostte zich met de
gedachte, dat het wel nooit uit zou komen, dat hij het gedaan had.

Eenige oogenblikken later verscheen het kindermeisje, om de kinderen te
helpen met aankleeden. Stans had geen lust om op te staan en snauwde
het meisje af, dat de hulp van Thea kwam inroepen, om de jongejuffrouw
te bewegen, uit bed te komen. Schertsend dreigde Thea haar met een
natte spons, om haar wakker te maken en na een klein stoeipartijtje
stond Constance gewillig op, weer heelemaal in haar humeur.

Ook Armand was bijzonder gezeggelijk dien ochtend, zoodat ze aan het
ontbijt bepaald pret samen hadden en Thea niet begrijpen kon, waarom ze
gisterenavond alles zoo bezwaarlijk had ingezien.

Opeens greep Thea naar haar pols.

„Och Conny”, zei ze, „wees eens lief en ga even naar mijn kamer, ik heb
mijn armband vergeten aan te doen, hij ligt op de tafel.”

Dadelijk voldeed Constance aan dit verzoek en Thea schelde om de
ontbijttafel af te nemen en zocht vast de benoodigde schoolboeken bij
elkaar.

Armand was in de vensterbank gekropen en scheen buiten iets heel
interessants te zien, ten minste hij had geen oog van de straat af.

Na een poosje kwam Constance terug en zei, geen armband te kunnen
vinden.

„Kom, je hebt zeker niet goed gezocht,” antwoordde Thea, „hij ligt op
de tafel, dat weet ik zeker.”

„Heusch niet, juf, ook niet op den grond. Annette was al bezig met de
kamer op te ruimen en toen dacht ik, dat ze hem soms van de tafel
geslierd had, maar hij ligt niet op den grond, hij is echt nergens.”

Thea lachte om het ernstige gezichtje, waarmee Stans deze verklaring
deed en zei, zelf wel even te zullen gaan kijken, ze moest bepaald niet
verder gezocht hebben, dan haar neusje lang was.

„Leg de boeken en schriften vast op tafel, Conny,” voegde ze er bij,
„ik ben dadelijk terug.”

Maar ook zij scheen den armband niet te kunnen vinden, tenminste ze
bleef een heel poosje weg en Conny, die juf had willen verrassen door
netjes aan de tafel te gaan zitten en tot haar groote verbazing Armand
daar ook toe overgehaald had, werd ongeduldig en was bang, dat deze weg
zou loopen. Maar hij was vanmorgen bijzonder tam en zoo stil, dat Stans
vroeg, of hij misschien ziek was.

„Neen, waarom?” vroeg het kind, kleurend.

„Omdat je zoo stil bent. O, daar komt juf eindelijk!”

Het was werkelijk Thea, die binnen kwam, maar met een verschrikt
gezicht.

„Ik kan hem niet vinden,” zei ze geagiteerd, „ik begrijp er niets van.
Jullie weet er toch geen van beiden iets van?”

„Wij?” vroeg Stans zoo verbaasd, dat Thea begreep, dat ze eigenlijk een
gekke vraag deed en zenuwachtig verklaarde ze nog eens, er niets van te
begrijpen, ze kon hem onmogelijk verloren hebben, ze had hem
gisterenavond nog afgelegd.

„Weet u dat zeker?” vroeg Stans.

„Ja zeker..... ten minste, ik geloof, dat ik het zeker weet.”

Het was Thea opeens niet duidelijk, of ze den armband gisterenavond
afgedaan had. Ze deed dat alle avonden, zoodat het een machinale
handeling geworden was en gisteren was ze zoo vervuld geweest van haar
verdriet, dat ze zich werkelijk niet goed herinneren kon, of ze bij het
uitkleeden den armband nog bezeten had.

Het viel haar niet op, dat Armand, die anders niet gewoon was te
zwijgen, zich zoo stil hield, ze werd te veel bezig gehouden door de
gedachte, waar ze den armband verloren kon hebben, want dat was toch
eigenlijk de eenige mogelijkheid.

Een oogenblik schoot haar door het hoofd, of Annette hem niet hebben
kon, maar dat denkbeeld wierp ze dadelijk van zich, dat kon ze niet
gelooven. Annette was een eerlijk meisje en een gouden armband stelen
is geen kleinigheid.

Ze moest nu met de lessen beginnen, het was al een half uur over den
tijd en het onderwijs der kinderen mocht er niet onder lijden.

Ze deed haar best, hare gedachten bij de lessen te bepalen, maar het
lukte haar niet erg. Gelukkig waren de kinderen bijzonder gezeggelijk
en als ze niet zoo telkens afgedwaald was, moest het haar bepaald
opgevallen zijn, dat Armand zoo gehoorzaam was, maar nu dacht ze daar
niet over na.

Haar hoofd was vervuld van de gedachte, wat ze doen zou, om den armband
terug te krijgen. Mevrouw met haar verlies in kennis stellen, een
advertentie zetten, een belooning uitloven. Ze zou er alles voor over
hebben, als ze hem maar terug kreeg. Haar hart kromp ineen bij de
gedachte, dat hij voor goed weg kon zijn. Ze zou het Vader en Moeder
niet durven zeggen, wat moesten zij wel van haar denken, nu ze zoo
nonchalant was, zoo’n kostbaar familiestuk te verliezen.

Stans viel de houding van Armand wel op en ze vond het lief van hem,
dat hij het verdriet van de juffrouw niet verergerde door lastig en
ondeugend te zijn. Ze voelde voor het eerst in langen tijd, dat ze toch
wel van hem hield en ze nam zich voor, niet altijd met hem te kibbelen.

Zoodra de lessen waren afgeloopen, doorzocht Thea nog eens haar kamer,
ondervroeg Annette, die verklaarde ook goed gezocht te hebben, maar
niets gevonden en vroeg daarna bij mevrouw van Gendringen belet, om
haar van haar verlies op de hoogte te brengen en haar te vragen, in
welke bladen ze adverteeren zou.

Mevrouw van Gendringen zei het onaangenaam te vinden, dat ze niet wist,
wanneer die armband het laatst in haar bezit was geweest. Hoe was dat
nu mogelijk, om zich niet te herinneren, of men ’s avonds zijn armband
afdeed, of niet.

Had ze soms verdenking op de bedienden?

Maar Thea verklaarde, dat er niemand in haar kamer was geweest, dan
Annette en dat ze niet gelooven kon, dat het meisje oneerlijk was.

„Dat geloof ik ook niet,” verklaarde mevrouw van Gendringen, „maar daar
ze in uw kamer geweest is, vóór u den armband miste, wil ik haar toch
in uw bijzijn ondervragen.”

Ze schelde en beval Annette te roepen.

Eenige oogenblikken later verscheen het meisje, blijkbaar zenuwachtig,
daar ze wel begreep, waarom ze geroepen werd.

„Annette,” zei haar meesteres, „je weet al, dat juffrouw van Welderen
een kostbaren armband mist. Ze beweert die gisterenavond afgedaan en op
tafel gelegd te hebben.”

„Maar dat weet ik niet zeker, mevrouw.”

„U gelooft het toch. Wilt u er aan denken, dat ik op het oogenblik met
Annette spreek.”

Thea voelde, hoe het bloed naar haar hoofd steeg. Hoe taktloos, haar
zoo op haar plaats te zetten, waar het meisje bij was.

Kalm ging mevrouw van Gendringen voort:

„Weet je iets van dien armband af, Annette?”

Het meisje begon te schreien.

„Zeg u liever maar ineens, dat ik den armband gestolen heb,” snikte ze,
„als mijn moeder dat wist, dat haar kind van diefstal beschuldigd werd,
dan zou...”

„Laat je moeder er maar buiten, en stel je niet zoo aan. Niemand
beschuldigt je van diefstal”.

„En u zegt het.”

„Je moet beter luisteren, als ik tot je spreek. Ik vraag je alleen,
weet je iets van dien armband af, ja of neen.”

„Als ik nou toch.....”

„Ja of neen.”

„Mijn moeder zou.....”

„Ja of neen, Annette.”

In eens voelde Thea, dat ze lachen moest, ze kon het niet nalaten. Ze
vergat, dat ze zelf het slachtoffer was en dacht een oogenblik alleen
aan het komische tafereel, dat zich voor hare oogen afspeelde: mevrouw
van Gendringen, rechtop, kalm, streng een volmaakt rechter van
instructie en Annette zenuwachtig huilend, met haar schort voor hare
oogen, telkens er haar moeder bij halend en dan de harde stem van den
rechter van instructie, met zijn kort: ja of neen.

Het was haar te machtig, zij lachte even, heel even, maar mevrouw van
Gendringen had het toch opgemerkt.

Nu richtten de rechterlijke blikken zich op haar.

„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw? U schijnt zich het
verlies van dien armband niet heel erg aan te trekken. Ik begrijp niet,
waarom u er dan zoo’n drukte over maakt.”

Zich toen tot Annette keerend, herhaalde ze:

„Ja of neen, Annette.”

Annette was door de speech tegen de juffrouw wat tot bedaren gekomen en
antwoordde nu:

„Natuurlijk niet, mevrouw, dat weet u zelf best, ik ben een eerlijk
meisje en....”

„Dus neen, goed, je kunt gaan.”

„Ja maar, dat gaat zoo niet, als de juffrouw me van diefstaf
beschuldigt....”

„Maar dat doe ik niet, Annette,” viel Thea in.

„Je kunt gaan, Annette,” herhaalde mevrouw van Gendringen en het meisje
verliet de kamer, met haar schort hare nog vochtige oogen afvegend.

Mevrouw van Gendringen wendde zich nu tot Thea.

„Wilt u de zaak nog verder onderzocht hebben bij de bedienden,
juffrouw?”

„Och neen, mevrouw, ik vind het vreeselijk, iemand van zoo iets te
beschuldigen, wanneer het niet waar is. Er is trouwens niemand in mijn
kamer geweest dan Annette.”

„En die houdt u voor onschuldig?”

„Ja, ik kan onmogelijk denken, dat zij het gedaan heeft.”

„Nu, ik ook niet en daar u zelf de mogelijkheid niet uitsluit, uw
armband verloren te hebben, zal het, dunkt me, het best zijn, eerst in
die richting te werken. Ik zal een paar advertenties voor u plaatsen in
de meest gelezen bladen.”

„Als ’t u blieft,” zei Thea dankbaar.

„Moet ik een belooning uitloven?”

„Zou dat niet het best zijn, mevrouw?”

„Misschien wel. Wij zullen ons best doen, u te helpen, weer in het
bezit van uw armbandje te komen, maar dan wilt u zeker wel trachten, de
zaak voorloopig uit uw hoofd te zetten, daar anders het onderwijs der
kinderen er onder lijden zou. Ik zal een dezer dagen eens een les komen
bijwonen. Overmorgen, denk ik, dat is 24 December, daarna behoeven de
kinderen, zooals u weet, tot en met 1 Januari geen les te hebben,
alleen moeten ze voor hun muziek studeeren. Ik ben gewoon vóór zoo’n
vacantietje mij van hun vorderingen te komen overtuigen. Reken er dus
op, overmorgen.”

Thea verliet de kamer, tot haar eigen verbazing niet vervuld met de
gedachte aan haar verlies, maar aan den dag van overmorgen, wanneer
Mevrouw de les zou komen bijwonen en, daarvan was ze overtuigd,
onbarmhartig kritiseeren.








NEGENDE HOOFDSTUK.

UIT THEA’S DAGBOEK.


                                                        Oudejaarsavond.

Vanavond wil ik wat in mijn dagboek schrijven, misschien voel ik me dan
minder eenzaam en verlaten.

Zoo’n laatste avond van het jaar geeft me altijd een bijzonder gevoel,
dan is het mij, alsof er iets plechtigs in de lucht is, iets, dat me
ernstig stemt, maar tevens een ontzaglijke behoefte aan gezelligheid
bij mij opwekt.

En ik zit hier alleen op mijn kamer, met geen ander gezelschap dan mijn
dagboek en de portretten van Vader, Moeder, zusjes en broertjes, die ik
alle voor mij op tafel gezet heb. Zoodoende zie ik ten minste al die
lieve gezichten en dat maakt, dat ik me niet zoo eenzaam voel, want,
wanneer ik naar hen kijk, weet ik, dat er toch wezens op de wereld
zijn, die ook aan mij denken op dezen avond, die naar mij verlangen,
zooals ik naar hen en die gedachte doet me goed. Hoe ik hier zoo alleen
zit?

Allen zijn naar een feest, door intieme vrienden van mevrouw van
Gendringen gegeven, zelfs Conny en Armand zijn meegevraagd, omdat daar
ook kinderen van dien leeftijd zijn. Ze worden echter om een uur of
tien thuis gebracht, terwijl mevrouw en hare volwassen dochters
oudejaar blijven vieren. Wat waren de kinderen opgewonden, omdat ze mee
mochten. Nu, ik gun hun graag dat pretje, vooral aan Stans, die zoo
zelden iets heeft. Het lieve kind had medelijden met mij, omdat ik
thuis moest blijven, ze had zoo graag gewild, dat ik mee gevraagd was,
tot groote verbazing van Armand, die meer oprecht dan beminnelijk
vroeg, wat ik daar zou moeten doen, de juf werd immers nooit mee
gevraagd.

Het is kleinzielig van me, maar zoo iets hindert me altijd. Ik weet
wel, dat ik er niets minder om ben, al word ik hier beschouwd als een
wezen van een ander soort, dan mevrouw en hare dochters, maar ik heb
nog niet geleerd, mij daarboven te stellen. Zoo’n gezegde doet me pijn,
al komt het uit een kindermond, want het bewijst, hoe men mij hier in
huis beschouwt.

Ik ben alleen maar goed om mijn werk te doen, zoo stipt mogelijk, de
minste afwijking van mijn plicht haalt me een berisping op den hals,
waardoor ik me vernederd voel en die ik dus tracht te voorkomen. Ik doe
mijn best te voldoen, aan wat er van mij verwacht wordt, dat is
trouwens de eenige manier, waarop ik, zonder mijn gevoel van
eigenwaarde te kwetsen, hier in betrekking blijven kan. Want ronduit
gesproken, ik heb een hekel aan mevrouw van Gendringen en ik zou de
gedachte niet kunnen verdragen, dat ik verplichting aan haar had. Ik
wil dus mijn honorarium verdienen, dan zijn wij quitte, zij betaalt dan
de diensten, die ik naar mijn beste weten aan haar bewijs.

Als mevrouw van Gendringen me maar wat sympathieker was, zou ik me niet
zoo ongelukkig gevoelen, want ik heb me al aan de kinderen gehecht en
ik weet, dat ik in Conny’s leventje een beetje zonneschijn gebracht
heb. Het kind hangt me aan en ik houd ook van haar. Niet, dat ze altijd
lief is, ze heeft een slecht humeur, maar och, ze ondervindt zoo weinig
liefde hier in huis. Mevrouw beweert, dat ik haar bederf, misschien ben
ik wel wat toegevend voor haar, maar ik heb medelijden met haar en kan
niet nalaten haar een beetje te vertroetelen.

Wat Armand betreft, soms houd ik wel van hem, hij kan heel lief en
innemend zijn, maar ik ben zoo bang, dat hij niet oprecht is. Ik heb
hem al meer dan eens op een leugentje denken te betrappen, maar hij
weet er zich altijd uit te redden en voelt zich sterk tegenover mij,
door zijn moeders bescherming. Zij kan geen kwaad van hem gelooven,
haar overdreven liefde maakt haar blind.

Neen, een gemakkelijke taak heb ik hier niet, soms denk ik, dat ik
werkelijk te jong ben en te weinig ervaring heb, om twee zulke
moeielijke karakters te helpen vormen. Ik doe mijn best, maar ben wel
eens bang, dat het werk hier te veel voor mij is. Ik zie er niet meer
zoo goed uit, als toen ik hier kwam en voel me soms zoo vreeselijk moe,
lichamelijk en geestelijk. Ik schrijf zoo iets nooit naar huis, maar
Vader schijnt het bij intuïtie te voelen, hij vroeg mij tenminste in
zijn laatsten brief, hem toch vooral de waarheid omtrent mij zelve te
schrijven.

Arm Vadertje, hij zegt, mij zoo te missen. En Moes ook, ze schrijven
steeds zoo hartelijk, tot zelfs kleine Nico met zijn krabbelpootje
zendt mij van tijd tot tijd briefjes.

Hoe zouden ze het nu vanavond thuis hebben?

Heerlijk zeker, ik kan me zoo voorstellen, hoe ze nu allen aan de ronde
tafel in de huiskamer zitten, Vaders rustbank aangeschoven, Moedertje
met een rood gloeiend gezicht van het bakken der oliebollen, Ita vol
grappen, Jan, Bets en Nico uitgelaten, omdat ze op mogen blijven en
spelletjes doen.

Midden op de tafel een groote schaal met Moeders gebak en allen bezig
met smullen. Misschien staat tusschen de bordjes en glazen, die de
tafel vullen, wel mijn portret, zooals ik de hunne voor mij gezet heb
en zeker denken allen wel eens even aan hun Thea. Ik weet zeker, dat ze
hopen, dat ik ook een prettigen avond zal hebben en dat is goed, want
als ze mij hier alleen konden zien zitten, zou het hun pleizier maar
vergallen.

Als het dan wat later wordt, vallen Nico’s oogen toe en ook bij Bets
krijgt de slaap niet lang daarna de overhand. Moes helpt ze naar bed en
als ze weer terug komt, is er iets ernstigs gekomen in de gesprekken,
het middernachtuur nadert, de joligheid van straks heeft plaats gemaakt
voor een afwachten en luisteren, want ieder wil graag de eerste zijn,
die de groote klok in de gang het middernachtuur hoort verkondigen.

Daar klinkt de eerste slag, Moeder buigt zich over Vader en wenscht hem
met tranen in hare oogen een gelukkig jaar toe, daarna volgen de
kinderen en allen voelen meer dan ooit, hoe lief zij elkander hebben en
in ieders hart is het voornemen, het volgend jaar zijn best te doen in
alle opzichten. O, ik zie dat alles voor me en ik smacht er bij te
kunnen zijn, ik ben overweldigd van verlangen naar huis, nog nooit heb
ik een oudejaarsavond buiten mijn familiekring doorgebracht.

               - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Wat was ik daar straks bedroefd, ik kon niet meer doorschrijven en ben
in tranen losgebarsten. Zoo vonden mij de kinderen, toen ze thuiskwamen
en ontsteld vroeg Conny me, of ik ziek was. Ik stelde haar gerust, ik
verzekerde haar, dat het niets was en trachtte vroolijk te informeeren,
of ze pleizier gehad hadden. Armand deed dadelijk een opgewonden
verhaal van al de pret, die hij gehad had, maar Conny was stil en keek
mij van tijd tot tijd ongerust aan. Ik trachtte geruststellend tegen
haar te glimlachen, maar had moeite mij goed te houden, ik was
zenuwachtig geworden door de eenzaamheid en de gedachten, die ze bij me
opgewekt had.

Nu liggen de kinderen in bed en het geeft mij een gevoel van
gezelligheid te denken, dat hunne kamertjes naast de mijne liggen en
dat ze dus dicht bij me zijn. Ik ben nu veel kalmer en ga straks naar
bed. Waarom zou ik nog langer opblijven?

Toch moet me nog één ding van het hart.

Vader, weet u nog, dat u mij gewaarschuwd heeft niet jaloersch te
worden op de meisjes hier?

Nu, ik ben jaloersch op hen geweest, benijdde hen, om hun zorgelooze
jeugd, ik vond het onrechtvaardig, dat zij zulk een vroolijk, onbezorgd
leventje leidden, terwijl ik, die even jong ben, hier werken moest voor
mijn brood, hard werken zelfs.

Het verbitterde mij, als Bella, niets kwaads meenend, mij vroeg haar te
helpen met haar toilet, omdat ik meer smaak had, dan haar kamenier en
ik haar dan moest helpen optooien voor een of ander feestje en daarna
in mijn schooljaponnetje naar de leerkamer terugkeeren en de kinderen
bezighouden.

Ik zou ook zoo dol graag eens uitgaan, ik bedoel naar feestjes,
dinertjes en bals, vroolijk zijn met andere jongelui, eens jong meisje
zijn en niet enkel onderwijzeres. Ik zou mezelve zoo dol graag eens
zien in een licht zijden japonnetje, me dunkt, dat zou me ook wel goed
staan, zoo’n beeldig roze toiletje, als Bella vandaag aan had. Zou het
erg ijdel van me zijn, dat ik zoo denk?

Maar ik kan het niet helpen, ik ben nu eenmaal zoo. Als ik thuis was,
zou ik dat ook niet hebben, natuurlijk niet, evenmin als er sprake zou
zijn van bals en diners, maar dan had ik dat alles niet zoo in mijn
nabijheid, dan hoorde ik er niet over praten en was geen getuige van de
triomphen van andere meisjes. Want Bella heeft de gewoonte, mij zoo van
tijd tot tijd eens te komen vertellen, hoe ze gevierd wordt op die
feestjes, de mooie Gerardine natuurlijk ook, maar die houdt zich niet
op, met tegen mij te praten. Bella is veel liever en eenvoudiger en
denkt me zeker genoegen te doen, met mij zoo het een en ander te
vertellen, ze weet ook niet, dat ik kleingeestig genoeg ben, om
jaloersch op haar te zijn.

Maar nu, op den laatsten avond van het jaar, neem ik mij vast voor, dat
gevoel te onderdrukken, want het heeft geen reden van bestaan. Want als
ik me afvraag, zou ik Bella’s leven willen leiden, maar ook Bella’s
moeder hebben, in plaats van mijne lieve ouders, dan moet ik immers
dadelijk bekennen, dat ik dat niet zou willen.

Welnu dan, zeg ik tot mezelve, waarom dan jaloersch zijn, terwijl ik
niet eens met haar zou willen ruilen!

En toch, ik schaam me om het te moeten bekennen..... heelemaal vrij van
jaloezie ben ik nog niet.








TIENDE HOOFDSTUK.

DE ONTDEKKING.


Twee maanden waren voorbij gegaan en Thea begon de dagen te tellen, die
haar nog van de paaschvacantie scheidden. Nog zes weken ongeveer en ze
zou naar huis gaan. Hoe verlangde ze er naar, allen terug te zien!

Maar één ding was er, dat haar verlangen naar dien tijd temperde en
haar bij tijden zelfs deed opzien tegen dat zoo lang verbeide
terugzien.

Ze had namelijk nooit iets van het verloren armbandje naar huis
geschreven, ze had niet gedurfd, wat zouden ze er wel van zeggen, dat
ze dat kostbare familiestuk verloren had. Ze had steeds gehoopt, dat ze
het vóór de vacantie op een of andere wijze terug zou krijgen en hoewel
die hoop nu nog maar zeer gering was, ja eigenlijk niet meer bestond,
kon ze er toch niet toe komen, haar verlies te bekennen. En toch, het
zelf te moeten vertellen was nog erger. Het zou haar thuiskomst
vergallen, dat zou ellendig zijn, haar thuiskomst, waarop ze zich
verheugd had, al van den eersten dag af aan, dat ze in Brussel was.

Neen, dat mocht niet, beter dan maar eerst er over schrijven, maar toch
wilde ze wachten tot een paar weken voor Paaschen, dat was tijd genoeg
en men kon toch nooit weten, ze wilde alle hoop nog niet opgeven.

Intusschen werd er nooit meer over het verdwenen sieraad gesproken, een
ieder beschouwde het, als op straat verloren en geen der huisgenooten
dacht er meer aan, zelfs Armand vergat, dat hij zich voorgenomen had,
het armbandje na een poosje weer terug te leggen, waar hij het gevonden
had, of het ergens in te stoppen, zoodat Thea het moest opmerken.

Op zekeren dag schoot hem plotseling door het hoofd, dat het braceletje
nog altijd onder in die doos met speelgoed moest liggen en hij besloot,
als de gelegenheid zich voordeed, eens te onderzoeken, of het daar nog
veilig opgeborgen was. Hij zou het nu wel willen terug geven, juf had
verdriet genoeg over het verlies gehad, maar nu het er op aan kwam,
wist hij niet goed, hoe te handelen.

Als hij het stil op tafel neerlegde, zou er toch zeker onderzocht
worden, hoe het daar kwam en men kon nooit weten, hoe het dan uit zou
kunnen komen, dat hij de schuldige was. In lang had hij niet aan de
zaak gedacht, maar nu begon zijn geweten hem eensklaps te plagen en
kreeg hij angst voor ontdekking. Als er geen gevaar voor hem zelf aan
verbonden was geweest, had hij juf het prul, zooals hij het armbandje
minachtend noemde, wel terug willen geven, maar hij geloofde, dat het
voor hemzelf veiliger was, het te laten, waar het was en zijn egoïst
hartje liet hem meestal doen, wat hem zelf het aangenaamste leek. Toch
wilde hij graag weten, of het braceletje nog op zijn plaats lag en op
een middag, dat juf bij het pianostudeeren van Constance zat en hij
doen mocht, wat hij wilde, sloop hij naar zijn kamertje en de doos uit
de verborgen plaats halend, waar hij haar gezet had, begon hij haar uit
te pakken en naar het armbandje te zoeken.

Daar lag het nog net als hij het verstopt had.

Hij nam het er uit en bekeek het met aandacht. Het was van een zeer
eigenaardig maaksel, met een mooi bewerkt familiewapen als slot en
Armand raakte zoo in de beschouwing verdiept, dat hij niet merkte, dat
Thea, die Armand nergens ziende, hem was komen zoeken, eensklaps achter
hem stond.

„Armand!”

Verschrikt keek het kind op, nog steeds met het braceletje in zijn
hand.

En Thea stond daar en keek van het kind naar het armbandje en dan weer
naar het kind en wist niet, wat ze er van denken moest.

Een groote vreugde kwam over haar, daar was de verloren gewaande schat,
haar armbandje, dat ze had gedacht nooit terug te zullen zien.

Ze rukte het Armand uit de hand en keek er naar, terwijl ze zenuwachtig
begon te lachen.

Ze had het terug, maar hoe kwam het kind er aan?

Waar had hij het gevonden?

Ze wilde het hem vragen, maar zich naar hem keerend, zag ze, hoe vreemd
hij er uitzag. Er lag iets angstigs in zijne oogen, hij zat
ineengedoken op den grond, geheel het uiterlijk van een kind, dat iets
heel ondeugends gedaan heeft en nu op heeterdaad betrapt wordt.

In eens vloog het bloed naar hare wangen, een gedachte ging haar door
het hoofd, die haar met schrik en afschuw vervulde. Zou het kind
indertijd het armbandje hebben weggenomen en verstopt, zou dat mogelijk
zijn? Maar waarom?

Een kind van goeden huize steelt geen gouden armband, dat was immers
onzin.

Misschien had hij het weggenomen om haar te plagen, hij hield niet veel
van haar, dat wist ze, hij kon nooit goed verdragen, dat ze Conny
tegenover hem verdedigde.

Maar dat zou schandelijk zijn, te erg haast om te denken.

Ze voelde, dat ze driftig werd, ze moest trachten zichzelve meester te
blijven en hoewel inwendig trillend van opgewondenheid, vroeg ze
schijnbaar bedaard:

„Hoe kom je aan mijn armbandje, Armand?”

Het kind antwoordde niet, maar keek haar van terzijde schuw aan.

„Hoe is het, kun je niet meer praten,” vroeg Thea driftiger.

Nog zweeg Armand, hij wist zoo gauw niet, wat te antwoorden en dacht er
over na, hoe zich uit die moeielijkheid te redden.

Thea schudde hem bij zijn schouder, ze werd hoe langer hoe driftiger.

„Spreek, kind, hoe kom je aan mijn armband?”

Dat schudden scheen meer, dan Armand wilde verdragen.

Hij keek Thea boos aan en zei:

„Blijf van me af, wat kan het u schelen, hoe ik er aan kom, u heeft het
immers terug.”

Dat antwoord overtuigde Thea, dat hij, hoe dan ook, in het geheimzinnig
verdwijnen van haar armband betrokken moest zijn geweest. Als hij geen
schuld had, had hij haar immers eenvoudig geantwoord, waar hij het
gevonden had.

Ze voelde, dat ze haar drift bijna niet meer meester was.

„Zul je zeggen, hoe je er aan komt?”

Intusschen was Stans op het leven komen aanloopen en stond ontsteld toe
te kijken.

Armand duwde de hand, die hem nog steeds vasthield, van zich af en
gilde:

„Ik heb het niet weggenomen, dat is niet waar!”

„Dat heb ik ook niet gezegd, maar ik wil weten, hoe je er aan komt.”

Na een oogenblik aarzelen zei het kind:

„Ik heb het gevonden.”

„Waar?”

„In de kast.”

„Zoo maar in de kast? Dat kan niet, want ik zelf heb verleden week die
kast opgeruimd.”

„In een doos.”

„In een doos? In welke?”

„In die.”

„In die doos met speelgoed, hadt je het daar ingestopt, Armand?”

De jongen begon te huilen.

„Ik heb het er niet in gestopt, dat hebt u zelf gedaan, leelijke juf,
om tegen Maatje te kunnen zeggen, dat ik het gedaan heb, maar Maatje
gelooft er toch niets van!”

Dat was te erg.

Thea ziedde van drift.

Ze kon zich niet langer bedwingen, ze deed iets, dat ze kalm zijnde
nooit gedaan zou hebben: ze gaf Armand een paar gevoelige oorvijgen.

Armand bukte zich onder de klappen en begon vreeselijk te huilen.

Stans huilde mee van de weeromstuit en Thea stond ontsteld de
uitwerking van haar drift gade te slaan. De kinderen maakten een leven
als een oordeel en wonder was het niet, dat hun moeder, die juist
thuisgekomen was, zich naar de kamer haastte, waar ze de kinderen zoo
hoorden aangaan.

Nauwelijks was ze in de deur verschenen, of Armand vloog op haar af en
hevig snikkend vertelde hij, dat de juffrouw hem zoo geslagen had.

„Heeft de juffrouw je geslagen? Is dat waar, juffrouw?”

Thea stond daar en wist geen raad. Ze schaamde zich. Zij, aangesteld om
kinderen op te voeden, was zichzelve geen meester geweest en had zich
door haar drift laten beheerschen.

„Nu juffrouw, is dat waar?”

Thea boog het hoofd en zei:

„Helaas ja, ik was driftig, maar als u weet, dat ik ontdekte, dat
Armand mijn armband gestolen had, dan....”

„Juffrouw!”

„’t Is niet waar, Maatje,” gilde Armand, „ze jokt!”

„Stil jongen, stil. Constance, als je niet op kunt houden met huilen,
ga dan de kamer uit. Heeft de juffrouw jou ook geslagen?”

„Neen, en ’t was Armand zijn eigen schuld, hij....”

Met een gebiedend gebaar wees mevrouw van Gendringen naar de deur.

„Dan heb je er verder niets mee te maken, ga naar de leerkamer.”

Met een ongerusten blik op haar lieve juf verliet Constance de kamer.

„En nu juffrouw, zult u uwe woorden van daareven nader moeten
motiveeren. U heeft mijn zoon van niets minder dan van diefstal
beschuldigd.”

„Ik vond hem spelend met den armband.”

„Dat bewijst niets, hij kan dien gevonden hebben. Hoe kwam je er aan,
Armand?”

Ze was ondertusschen gaan zitten en had haar zoontje op haar schoot
genomen. Ze streelde zachtjes zijne gloeiende wangen en ooren.

„Ik vond hem in de kast,” fluisterde Armand.

„Daareven zei hij, dat hij hem in een doos met speelgoed vond,” waagde
Thea te zeggen.

„Ik ben nu met Armand bezig, juffrouw, laat hem uitspreken, als ’t u
blieft. Vondt je hem zoo maar los in de kast, ventje?”

„Ja.”

„Maar mevrouw....”

„Wanneer Armand?”

„Vanmorgen.”

„En gaf je hem toen aan de juffrouw terug?”

„Ik bekeek hem en toen kwam juf. U gelooft niet, dat ik hem heb
weggenomen, wel Maatje?”

Mevrouw van Gendringen keek hem teeder aan.

„Neen mijn jongen, dat geloof ik niet van je, gelukkig niet. Je
begrijpt wel, dat het mij een vreeselijk verdriet zou doen, zoo iets
van je te moeten denken.”

Armand verborg zijn gezicht tegen zijn moeders japon en begon te
huilen.

„Maar ventje, waarom huil je nu? Je hebt het immers niet gedaan?”

Het kind huilde door.

Zijn moeder keek Thea boos en verwijtend aan.

„U ziet, hoe zenuwachtig u hem gemaakt hebt door uw gebrek aan takt en
zelfbeheersching. Hoe durft u het kind van zoo iets beschuldigen, die
armband is natuurlijk op den grond gerold indertijd en op de een of
andere manier in de kast terecht gekomen, waar hij onopgemerkt is
blijven liggen.”

„Dat is niet mogelijk, mevrouw, ik heb de kast een week geleden
opgeruimd en Armand heeft gezegd, dat hij hem onder in een doos
gevonden heeft, al wil hij dat nu niet bekennen. In die doos kan hij
niet vanzelf gerold zijn.”

„Ja, dat weet ik dan niet, maar ik geloof geen oogenblik, dat hij tot
zooiets in staat zou zijn. Huil maar niet zoo, mijn jongen, Mama kent
je en gelooft je.”

„Dus gelooft u mij niet?”

„U is bevooroordeeld tegenover Armand. Als het Constance geweest was,
zou u zoo iets niet gedacht, veel minder gezegd hebben. Over het
algemeen genomen is uw optreden tegenover de kinderen taktloos. U
bederft Constance, die tegenwoordig veel te veel durft, overtuigd van
uw bescherming.”

Ze zette Armand van haar schoot en hem nogmaals kussend, zei ze hem, nu
wat te gaan spelen, zij wilde nog wat met de juffrouw bespreken.

Thea kreeg het benauwd, ze begreep, dat ze nu onder handen genomen zou
worden, omtrent het voorgevallene.

„Juffrouw,” zei mevrouw van Gendringen op haar gewonen, kalmen toon,
maar met een booze flikkering in hare oogen, „ik wil van deze
gelegenheid gebruik maken, om u te zeggen, dat u werkelijk ongeschikt
is, de opvoeding van mijne kinderen verder te leiden. U is te jong, te
onervaren, te taktloos. U bederft het eene kind, dat juist streng
aangepakt moet worden en u is onrechtvaardig tegenover het andere, dat
een lief, gemakkelijk te leiden karakter heeft.”

Ze hield even op en Thea had een gevoel, alsof de grond onder haar
wegzonk: ze werd haar betrekking opgezegd.

Mevrouw van Gendringen vervolgde:

„Al lang dacht ik, of het wel verstandig van mij was, u als gouvernante
bij mijne kinderen te houden, maar wat er vandaag is voorgevallen,
geeft den doorslag. U heeft mijn zoontje geslagen en voor dief
uitgemaakt. Dat is meer, dan ik dulden kan en mag. U kunt zich met
Paaschen van uwe verplichtingen hier ontslagen achten. Tot zoolang zal
ik uw honorarium uitbetalen, maar ik zou graag willen, dat u zoo
spoedig mogelijk vertrok, daar ik u mijn jongen niet meer kan
toevertrouwen, ik wil niet hebben, dat hij mishandeld wordt.”

„Maar mevrouw,” was alles wat Thea stamelen kon.

„Het spijt me, juffrouw van Welderen, dat het zoo geloopen is, maar het
kan niet anders. U kunt uw verblijf hier natuurlijk nog een paar dagen
rekken, totdat u uwe ouders van uw terugkomst heeft kunnen verwittigen,
maar Armand zal ik zoolang onder mijn persoonlijke leiding houden.
Constance is wat anders, die zal u niet slaan. Ik ben van plan haar
naar een kostschool te sturen, waar de verkeerde invloed, dien u op
haar gehad heeft, wel weer vernietigd zal worden.”

In een oogenblik voelde Thea zich in opstand komen. Haar invloed op
Conny was goed geweest, daarvan was ze overtuigd. En daarenboven was
zij de bestolene, die maanden lang verdriet had gehad door het
verdwijnen van den armband en inplaats, dat ze hier als beschuldigster
stond, werd ze smadelijk weggezonden.

Het bloed steeg haar naar het hoofd.

„Maar mevrouw,” zei ze nogmaals, maar voor ze meer had kunnen zeggen,
was haar meesteres opgestaan en verliet de kamer, zonder verder naar
haar om te zien.

Thea liet zich op een stoel vallen, gebroken door wat ze zooeven
gehoord had.

Ze moest weg.... had door eigen schuld haar betrekking verloren, die nu
wel niet zoo heel prettig was, maar goed gesalarieerd werd.

Nu zou ze niet alleen weer tot last van hare ouders komen, maar ze zou
hen ook niet verder kunnen helpen. Wat was ze gelukkig geweest, toen ze
voor het eerst haar bijdrage in de opvoeding der kinderen naar huis had
kunnen zenden en wat een heerlijke, dankbare brieven had ze toen van
hare ouders gekregen.

Nu zou ze moeten schrijven, dat ze gewogen was en te licht bevonden,
dat ze zich had laten meesleepen door haar drift, die drift, waar
moeder haar zoo dikwijls voor gewaarschuwd had, en dat ze afgedankt
was.

Tot Paaschen zou ze haar honorarium krijgen, maar mocht ze dat wel
aannemen, kon ze dat wel accepteeren van mevrouw van Gendringen, die,
hoe men het ook nam, haar toch allesbehalve mooi behandeld had.

Ze moest er nog eens over denken.

Ach, hoe had ze naar huis verlangd en nu?

Nu zou ze de thuisreis met een bezwaard hart aanvaarden, als iemand,
die te kort was gekomen in zijn plicht.

Ze zat met haar gezicht in hare handen verborgen en schrok eenigszins,
toen ze eensklaps twee armen om haar hals voelde en Stans hoorde
zeggen:

„Lieve jufje, wees niet bedroefd. Is Mama zoo boos geweest? Maar dat is
nu al weer voorbij.”

„Voorbij, kind? Ik moet weg.”

Van schrik liet Stans haar los.

„Weg, moet u weg? Och neen!”

„Ja, ik moet zoo spoedig mogelijk van hier.”

„Voor goed?”

„Ja, voor goed.”

„Maar dat wil ik niet,” en Stans begon te huilen.

Het verdriet van het kind deed Thea goed, het bewees, dat ze zich
tenminste bij iemand bemind had weten te maken.

Ze boog zich over Stans heen en haar eigen verdriet opzij zettend,
begon ze het kind te troosten.

Maar Stans was ontroostbaar.

„Als u weggaat, wou ik, dat ik dood ging.”

„Maar Connylief, zeg zulke dwaze dingen niet. Wie weet, wat een prettig
leventje je nog eens krijgt.”

Stans schudde mistroostig haar hoofdje, de toekomst leek haar heelemaal
niet rooskleurig.

„Zult u me veel schrijven? Lange brieven? Dan doe ik het ook,” zei ze.

Thea beloofde het.

Wat ging het haar aan het hart van dit kind weg te moeten.

„We zullen die laatste daagjes eens prettig samen doorbrengen,” zei ze,
„we zijn dan met ons beidjes, Armand komt niet meer bij ons.”

Constance liet zich langzamerhand troosten, het vooruitzicht eenige
dagen alleen met haar jufje te kunnen zijn, vergoedde veel. Maar Thea
ging dien avond met een bezwaard hart naar bed.

Wat zou de toekomst brengen?








ELFDE HOOFDSTUK.

NAAR HUIS.


Acht dagen later zat Thea in den trein, die haar huiswaarts brengen zou
en ze dacht aan den laatsten keer, dat ze ditzelfde traject had
afgelegd, maar in omgekeerde richting.

Toen had ze Moeder op het perron achter gelaten en nu hoopte ze haar
weldra weer te kunnen omhelzen.

En Vader, Ita, Bets en de jongens!

Over eenige uren zou ze bij allen zijn, hunne lieve gezichten zien,
hunne stemmen hooren.... ze zou thuis zijn.

Weer thuis, wat een heerlijke gedachte!

En toch zag ze een beetje op tegen dat weerzien, eenige maanden geleden
zou ze dat niet mogelijk geacht hebben, maar nu.... werkelijk, haar
vreugde over haar wederkeeren naar haar familie was niet onvermengd. Er
was een bitter droppeltje in, een niet weg te cijferen feit: ze verliet
haar betrekking niet vrijwillig, ze was niettegenstaande alle
moeilijkheden liever gebleven, maar mevrouw van Gendringen wilde haar
niet langer houden.

Hoe zouden Vader en Moeder daarover denken?

Ze was niet bang, dat ze haar niet hartelijk ontvangen zouden, maar ze
was hun toch misschien wel tegengevallen, Vader vooral, die altijd zoo
goed over haar dacht.

Had ze dit kunnen voorkomen?

En voor de zooveelste maal haalde ze zich de scène met Armand voor
oogen en had ze berouw, dat ze zich door haar drift had laten
meesleepen. Ze had hem niet mogen slaan en hem ook niet een dief mogen
noemen. Het kind had niet willen stelen, enkel haar plagen, ze had
moeten begrijpen, dat hij wel heel ondeugend was geweest, maar toch
geen dief, want hij had het armbandje niet willen houden, maar het
weggenomen met het voornemen, het haar eens terug te geven.

Toch scheen mevrouw van Gendringen door dit voorval tot de overtuiging
te zijn gekomen, dat Armand niet het goede kind was, waarvoor ze hem
altijd gehouden had, tenminste, Bella had haar gister bij het
afscheidnemen verteld, dat ook Armand naar kostschool zou gaan.

„Mama zegt, dat Armand zoo ondeugend geworden is, door de verkeerde
opvoeding, die de verschillende gouvernantes hem gegeven hebben,” had
ze er lachend bijgevoegd, „en ze wil het nu niet meer met een nieuwe
gouvernante wagen. Wonder boven wonder, oordeelt Mama het beter voor
hem, dat hij eens meer met andere jongens in aanraking komt.”

„Waarom gaat hij dan niet naar een gewone school?” had Thea gevraagd,
waarop Bella geantwoord had: „Och ziet u, dan zou er toch een juffrouw
moeten komen, om zich buiten de schooluren met hem te bemoeien. Op den
duur kan Mama dat niet doen; ik geloof, dat het haar die laatste week
al mooi begon te vervelen, voortdurend op hem te moeten letten. Ook
geloof ik, dat Mama die armbandquestie veel erger vindt dan ze bekennen
wil en dat ze begint in te zien, dat ze in haar te groote liefde voor
haar eenig zoontje, hem te veel bederft. Mama is voor ons altijd zoo
streng geweest, dat ik nooit begrepen heb, hoe ze voor hem zoo verblind
kon zijn.”

Het had Thea’s gevoel voor rechtvaardigheid goed gedaan, dat mevrouw
van Gendringen blijkbaar inzag, dat Armand een strengere leiding noodig
had en dus erkende, dat het kind leelijke fouten had. Wat Conny betrof,
die zou het op kostschool allicht aangenamer hebben, dan thuis, en voor
haar zou de omgang met andere meisjes uitstekend zijn.

Zoo zou alles ten beste gekeerd zijn, als ze maar een andere betrekking
had. Ze zou dadelijk weer beginnen met solliciteeren en haar best doen,
iets in de stad van haar inwoning te krijgen. Als haar dat eens lukte,
wat zou dat heerlijk zijn!

Ze naderde Rotterdam al, nog een halfuurtje en dan was ze thuis.

Hoe zou Vadertje er uitzien? Ze hoopte maar, dat ze niet aan hem
verloren zou hebben.

Daar stoomde ze het zoo bekende station binnen; ze keek uit, of ze ook
iemand zag.

Ja, daar stond Ita, haar lieve zus, ze zag haar ook, wat wuifde ze
hartelijk.

Ita haastte zich naar den wagon, waar ze Thea voor het raampje had
gezien en een oogenblik later kusten de zusjes elkaar, zooals ze
misschien nog nooit gedaan hadden.

„Alles goed, thuis?” vroeg Thea, toen de eerste verwelkoming voorbij
was.

„Best, Vader heeft weinig pijn in den laatsten tijd, Moes is frisch als
altijd en de kinderen maken het uitstekend.”

„En jij?”

„O, ik, ik ben altijd zoo gezond als een visch, dat weet je.”

„Ik vind niet, dat je er nu juist blozend uitziet.”

„Je moet ook geen onmogelijkheden eischen, een paar bruine, leeren
wangen, kunnen niet met een rozenblosje prijken, je weet, ik munt uit
door afwezigheid van kleur en verdere schoonheid.”

Lachend keek Thea naar haar zusje, dat werkelijk niets moois had, dan
hare oprechte, donkergrijze oogen met de lange oogharen en de fijne
donkere wenkbrauwen er boven. Ze scheen nog gegroeid te zijn en nog
magerder geworden, in den tijd, dat ze haar niet gezien had.

Toen ze in de tram zaten, zei Ita:

„Zeg Theetje, je bent er ook niet dikker op geworden, hoor. Kreeg je
daar niet genoeg te eten?”

Thea lachte en verzekerde, dat ze het materieel heel goed had gehad.

Toen fluisterde ze:

„Wat zeggen Vader en Moes er wel van, dat ik zoo terugkom?”

„Ze zitten met verlangen op je te wachten, daar kun je van op aan.”

„Ja, maar ik bedoel, dat ik mijn betrekking kwijt ben.”

Ita deed kwasi onverschillig.

„O, Moes vond het wel jammer, maar Vader had nooit verwacht, dat je er
lang blijven zou.”

„Niet?” vroeg Thea verrast, „waarom niet?”

„Nou, hij dacht het zoo in je brieven te lezen.”

„In mijne brieven, en ik heb altijd mijn best gedaan, opgewekt te
schrijven.”

„Dat vonden Moes en ik ook, maar Vader zei telkens, ze vindt het er
niet prettig, dat voel ik.”

„Die lieve vader, wat kent hij me, om dat tusschen de regels door te
lezen. O, Iet, als je eens wist, hoe ik soms naar jullie allen verlangd
heb,” en Thea’s oogen vulden zich met tranen.

Verschrikt keek haar zusje haar aan. Zou ze hier in de tram gaan
huilen?

„Pas toch op, daar komt Marie van Leeuwen binnen,” zei ze.

Thea snoot haar neus en veegde ondertusschen hare vochtige oogen af.

Marie van Leeuwen, een vroeger schoolkennisje van haar, ging tegenover
haar zitten en haar aanziende, zei ze verbaasd:

„Jij al hier, Thea, heb je nu al vacantie?”

Verlegen keek Thea haar aan. Marie wist, dat ze in Brussel in een
betrekking was geweest, ze had haar nog niet lang geleden geschreven,
dat ze met Paschen thuis hoopte te komen voor de vacantie. Natuurlijk
was die verwonderd, haar nu al in den Haag terug te zien.

„Ja, zie je”, zei ze, „er is verandering in de plannen gekomen, ik kom
weer thuis.”

„Weer thuis? voor goed?”

„Ja.”

„Waarom? Ik dacht, dat je het in Brussel zoo prettig had.”

Thea wist zoo gauw niet, wat te antwoorden; Marie was geen intieme van
haar, ofschoon ze haar met Nieuwjaar geschreven en zij dien brief
beantwoord had. Ze had geen lust, haar een uitleg van de zaak te geven
en wist niet goed, wat nu te zeggen.

Ita kwam haar te hulp.

„Thea is in den laatsten tijd niet zoo heel lekker,” zei ze, „en het
was een drukke betrekking. Daarom was het beter, dat ze maar weer een
poosje thuis kwam.”

Thea glimlachte, wat redde die Iet er haar netjes uit en dat zonder
jokken, want ze was niet goed in den laatsten tijd en ze had het
vreeselijk druk gehad. Ze gaf haar een verstolen kneepje in de hand,
bij wijze van bedankje en begon naar Marie’s ouders te informeeren,
waardoor het gesprek een andere wending kreeg.

Daar waren ze, waar ze wezen moesten; ze verlieten de tram, na een
handdruk met Marie gewisseld te hebben en een paar minuten later waren
ze in de Columbusstraat.

Drie kinderen renden hen te gemoet, zoodra ze den hoek der straat
omsloegen.

Bets bereikte hen het eerst en zich aan Thea vastklemmend, stak ze haar
snoetje omhoog, om gekust te worden. Toen volgde Nico, die ook gepakt
wilde worden, daarna wat langzamer Jan, die het met een stevigen
handdruk afdeed.

„Allemachtig leuk, dat je weer thuis komt,” zei hij hartelijk.

Nico had zich intusschen van Thea’s reistaschje meester gemaakt en
overwoog druk met Bets, of er ook iets voor hen in zou zitten.

Daar stond Moeder aan de deur en Thea, zich niet storend aan haar
negentien jaren, vloog naar haar toe.

„Moesje!”

„Mijn beste, hoe gaat het? Kom gauw mee naar Vader, hij verlangt zoo
naar je.”

Binnen strekte Vader zijne armen naar haar uit en daar lag ze als
vanouds naast de rustbank geknield en kuste hem en werd gekust en
voelde zich voor het eerst na vele maanden recht gelukkig.

„Ik heb je zoo gemist, mijn meisje,” zei Vader.

„En ik u dan! O, ik wist soms niet, hoe ik het langer uithield, zoo ver
weg.”

„Dat wist ik wel, dat las ik tusschen de regels door. Ik heb zelfs op
het punt gestaan, je te schrijven, maar liever terug te komen, maar
Moeder was verstandiger en vond, dat we het aan jezelf moesten
overlaten.”

„Lieveling,” en Thea kuste zijn hand. Toen in eens week de vroolijkheid
uit hare oogen en zacht zei ze:

„Bent u niet erg in mij teleurgesteld?”

„Neen kindje, dat niet.”

„Maar u vindt toch, dat ik beter mijn best had moeten doen.”

„Daar kan ik niet over oordeelen. Daar spreken wij nog wel eens samen
over.”

„Ik was zoo bang, dat u zoudt vinden, dat ik mijn plicht niet gedaan
had.”

„Je moet er me nog eens alles van vertellen. In elk geval is het goed,
dat je maar weer bij ons bent. Je ziet er maar smalletjes uit.”

„Dat vind ik ook,” zei zijn vrouw, „we zullen haar een beetje moeten
opknappen. Zeg nu even de kinderen goeden dag, Thea, ze moeten naar
school, dan drinken wij gezellig met ons drietjes koffie, we hebben op
je gewacht.”

De kinderen kwamen goeden dag zeggen en Nico kon niet nalaten met een
teleurgesteld gezicht op te merken:

„Heb je nou heelemaal niks voor ons meegebracht?”

„Foei Nico,” riep Ita, „schaam je toch!”

Maar Thea trok hem naar zich toe en fluisterde hem wat in het oor. Het
kind maakte een luchtsprong.

„’t Zit in den grooten koffer, Bets, we krijgen wel wat, lekker!”

„Hè ja,” beaamde Bets, „dolletjes, ik vertel dan vast aan de meisjes,
dat ik wat uit Brussel krijg, leuk hoor!” en weg holde het tweetal,
verheugd door het vooruitzicht, wat uit die vreemde stad te zullen
krijgen.

Daarna namen ook Ita en Jan afscheid en trachtte Moeder, Thea wat te
doen gebruiken, maar ze was zoo opgewonden en zenuwachtig, dat ze haast
niets naar binnen kon krijgen.

„Kom, kindlief,” zei haar moeder, „drink dan ten minste die melk uit.
Waarom eet je niet wat meer, ik heb nog al voor rookvleesch gezorgd,
omdat je daar veel van houdt.”

Opeens barstte Thea in tranen uit. Die vriendelijke, bezorgde ontvangst
was meer, dan ze verdragen kon, zenuwachtig en overspannen, als ze in
den laatsten tijd geweest was.

„Maar Thea, wat scheelt er nu aan?” vroeg haar moeder bezorgd.

„Ik was nog al bang, dat u boos op me zijn zoudt,” snikte ze.

„Boos?”

„Ja, omdat ik zoo slecht opgepast heb. Boos of verdrietig, dat is even
erg.”

Haar vader greep haar hand en trok haar naar zich toe. Hij veegde een
beetje onhandig hare oogen af met haar zakdoekje en zei sussend:

„Bedaar nu eerst eens, niemand is boos of verdrietig. Moeder en ik
begrijpen wel, dat die taak misschien wat zwaar voor je was, een
volgend maal beter, eerst struikelen en vallen en daarna stevig blijven
staan.”

„Maar u kunt het geldelijk voordeel er van niet missen.”

„Och kom,” viel haar moeder in, die zag dat haar man een pijnlijken
trek niet onderdrukken kon en die wist, wat het verdriet van zijn leven
was, „dat komt terecht. Vooreerst heb je nog je honorarium, dat je pas
gekregen hebt en dan vindt je wel weer wat. Moed verloren, al verloren,
je zult zien, alles komt best terecht.”

Thea sloeg haar armen om haar heen en drukte zich tegen haar aan.

„Zoo’n flinke moes en zoo’n flauwe dochter,” zei ze glimlachend door
haar tranen, „maar u heeft gelijk, treuren helpt niets, opnieuw
beginnen en dan trachten het er beter af te brengen.”

„Bravo, dat is als ons dapper meisje gesproken; kom nu eens bij ons
zitten en vertel ons eens alles uitgebreid,” verzocht Vader.

Thea voldeed aan dit verzoek en haar vader had meer medelijden met
Armand, dan met Constance.

„Hè Vader, waarom?”

„Met Constance zal het wel schikken, vooral daar ze nu onder andere
meisjes komt, maar die kleine Armand zal nog menig hard nootje te
kraken hebben, voor hij is, zooals hij worden moet. Het is heel
verstandig van mevrouw van Gendringen hem ook maar het huis uit te
sturen, als ze zich zelf bewust is, dat ze hem bederft.”

„Ja, dat viel me ook in haar mee, ik geloof, dat ze zelf geschrokken is
van die geschiedenis met mijn armbandje,” antwoordde Thea.

Toen met één hand haar vaders, met de andere haar moeders hand
grijpend, zei ze met een zucht van voldoening:

„Wat zitten we hier in-gezellig, hoe zalig, weer thuis te zijn.”








TWAALFDE HOOFDSTUK.

JAN’S RAPPORT.


De volgende dagen hervatte het leven van Thea zijn ouden gang; het was
haar soms, alsof ze niet weg geweest was. Het verschil bestond alleen
daarin, dat ze Nico geen les behoefde te geven en dus meer tijd had, om
zich aan haar vader te wijden en voor haar Fransch te studeeren. Ook
hielp ze haar moeder zoo nu en dan een handje, zoodat de tijd vlug
genoeg voorbij ging en ze een veertien dagen thuis was, voor ze het
wist.

’s Avonds keek ze geregeld de courant na, of er niet een betrekking
aangeboden werd, die geschikt voor haar zou zijn. Een enkele maal had
ze op een advertentie geschreven, ook had ze zelf geadverteerd, maar
beide zonder resultaat, geen enkele brief was er op gekomen.

Zoo naderde de Paaschtijd en met hem de vacantie der kinderen.

Op een der laatste dagen voor de vacantie zouden ze de rapporten van
school krijgen en dat was een gebeurtenis, die niet zonder zorg werd te
gemoet gezien. Vader hechtte zoo heel veel aan die rapporten; zijn
dikwijls gedwongen werkeloosheid bracht mee, dat hij wat tobberig van
aard was, vooral, wanneer het de opvoeding der kinderen betrof. Hij
wist, dat hij hen zoo goed als niets kon nalaten en dat ze dus zelf hun
weg door het leven zouden moeten vinden en zijn voortdurende angst was,
dat hij hun ontvallen zou, vóór ze in staat zouden zijn, voor zichzelf
te zorgen. Ieder jaar was er dus één en de gedachte dat de kinderen op
school zouden blijven zitten en zoodoende een jaar achter komen, maakte
hem zenuwachtig en angstig.

Voor Ita was hij niet bang, die leerde gemakkelijk en zou haar weg wel
vinden, maar Jan gaf hem groote zorg. Het Kerstrapport was maar zoo zoo
geweest; twee onvoldoenden, hij was er van geschrokken, maar Ita had
hem gerust gesteld door te zeggen, dat dit eerste rapport niet zoo heel
veel gewicht in de schaal legde, het Paaschrapport, daar kwam het op
aan. Hij had Jan geen privaatles kunnen laten nemen, dat ging zijn
financiën te boven, maar hij had hem zooveel mogelijk zelf geholpen, ’s
avonds. Maar juist door dat samenwerken had hij gemerkt, dat Jan niet
heel gemakkelijk leerde, het was, alsof hij zijn aandacht niet bij de
dingen houden kon.

En toch, soms verraste hij hem door een snugger antwoord, of een
oplossing, die wel degelijk blijk gaf van goede hersenen. Jan was
overigens zoo’n goede eenvoudige jongen, maar speelsch in de hoogste
mate. Hij was bijna veertien jaar, was met moeite op de Hoogere
Burgerschool gekomen en in plaats van nu alle krachten in te spannen om
den cursus te kunnen volgen, was hij altijd vol gekheid, een zeer
geliefd kameraad en een gezellig huisgenoot, maar een goed leerling was
hij niet.

Als zijn vader hem naar de verkregen cijfers vroeg, was hij nooit goed
op de hoogte, zoodat deze vreesde, dat ze niet al te best waren, enfin,
het Paaschrapport zou het uitmaken.

Op een morgen was Jan stiller dan anders en at bijna niet en toen Thea
hem vroeg, wat er aan scheelde, antwoordde Ita lachend in zijn plaats:

„Het rapport zit hem in zijn maag. Dat krijgt hij vandaag, niet waar
Jan?”

„Best mogelijk,” bromde Jan.

„Neen zeker, ik weet het van je vriend Willem, die jongen zei gisteren,
dat zijne haren ten berge rezen, als hij aan het rapport dacht, dat hij
vandaag krijgen zou. Zijn vader was zoo driftig en hij verwachtte niet
veel goeds. Wij krijgen ons rapport morgen.”

Ita stond op en begon hare boeken bij elkaar te zoeken, maar Thea keek
naar Jan en zag, dat hij niet op zijn gemak leek te zijn. Gelukkig dat
Vader niet met hen samen ontbeet en Moeder juist niet binnen was, als
Jan’s rapport slecht was, zouden ze het altijd nog bijtijds hooren.

„Zeg Jan,” zei Thea, haar arm om zijne schouders leggend, „zou je
rapport nog al goed zijn? Of ben je er bang voor, zooals Ita zegt?”

Jan duwde haar ruw weg.

„Leg nou niet te zaniken,” bromde hij.

„Als die voetzoekergeschiedenis je maar niet opbreekt, Janneman,” zei
Ita.

„Een voetzoekergeschiedenis, wat is dat dan, Iet?” vroeg Thea.

„Hou je mond, Ita,” verzocht Jan.

„Kom, dat mag Thea toch wel weten. Je kent mijnheer van Bergen, den
leeraar in de wiskunde? Nu, daar hebben de jongens in het algemeen een
hekel aan en toen wilden ze hem een poets bakken. Je weet, hij is dik
en heeft de gewoonte, altijd dadelijk te gaan zitten. Nu hebben een
paar jongens knallers onder de pooten van zijn stoel gelegd en toen hij
er zich op liet neervallen, knalden ze los. Je begrijpt, toen was
Leiden in last en de jongens, die dat ondeugende stukje uitgevoerd
hadden, voor goed in ongenade.”

Thea kon niet nalaten te lachen, bij de gedachte aan het knaleffect en
het verschrikte gezicht van den dikken leeraar, maar toen zei ze:

„’t Was brutaal, hoor, wie hadden dat gedaan?”

„Jan en Willem.”

„Maar Jan, hoe durfde je! Ik moest er wel even om lachen, maar mooi
vind ik die soort grappen toch niet.”

„’t Is een lamme vent,” bromde Jan.

„Jawel,” lachte Ita, „dat vinden Willem en jij, omdat jullie niet al te
vlug van begrip bent, in de wiskundige vakken en hij er jullie nog al
eens van langs geeft, maar er zijn ook jongens, die hem graag mogen.”

„Hij is altijd sarkastisch, dat is het beroerde, laat hij je een
standje geven, maar je niet voor den gek houden.”

„En is het ontdekt, wie het gedaan had?” vroeg Thea.

„Natuurlijk, ik heb het zelf gezegd.”

„Dat vind ik nu weer flink van je.”

„’k Kon het niet laten, die arme duivel van een George kreeg er de
schuld van, daar heeft hij ook zoo den pik op en omdat die er heelemaal
niet aan meegedaan had, moest ik wel zeggen, dat ik het was.”

„En Willem?”

„Nou, die zei het toen ook.”

„En toen?”

„We moesten vier vrije middagen terug komen, het was lollig, hoor.”

„En weet Vader daarvan?”

„Wel neen, waarom zou ik het hem verteld hebben, hij zou er maar het
land over gehad hebben. Ik had den streek uitgevoerd en de straf er
voor gekregen, uit was het.”

„Maar heeft Vader dan niet gemerkt, die je die middagen niet thuis
was?”

„’t Was gelukkig altijd mooi weer, hij dacht, dat ik wandelen ging.”

Thea zette een bedenkelijk gezicht.

„Nu, ik weet het niet,” zei ze, „ik ben er altijd voor Vader zooveel
mogelijk te sparen, maar of het wel goed en oprecht was, die heele
geschiedenis voor hem te verzwijgen, daar ben ik nog zoo zeker niet
van.”

Jan bromde zoo iets, van onnoodige drukte maken en greep naar zijn pet.

„Bonjour, ik ga, vooruit Nico,” en het kind een duw gevend, dreef hij
hem de kamer uit. Ze gingen denzelfden weg naar school en dus nam hij
Nico altijd zoover mee.

Toen de jongens de kamer verlaten hadden, zette ook Ita haar hoed op en
haar mantel aantrekkend, zei ze:

„Ik vrees, dat het rapport van Jan nog een boel vervelends met zich zal
brengen. Jan keek erg benauwd en je kent Vader, niets is er, dat hem
zoo zenuwachtig maakt, als een slecht rapport van Jan.”

„’t Is naar, waarom moet dat nu weer slecht zijn. Hou je Jan voor dom?”

„Niet bepaald, maar hij heeft geen grein energie. Adieu, ik moet weg.”

Thea begon de ontbijttafel op te ruimen en niet lang daarna kwam Moeder
terug, die ondertusschen haar man had helpen opstaan.

De morgen ging voorbij als gewoonlijk, Vader was zelfs heel opgewekt en
Thea waagde het niet, over het dien dag te verwachte rapport te
beginnen. Vader scheen niet te weten, dat Jan het juist vandaag kreeg,
Moes ook niet en ze kon het niet over haar hart verkrijgen, hun
opgewektheid te verstoren. Als Jan er mee thuis kwam, zou het tijd
genoeg zijn tot treuren, misschien viel het ook wel mee.

Het werd twaalf uur en Thea voelde, dat ze zenuwachtig werd, als Jan
maar niet al te slecht had opgepast. Een kwartiertje later kwam Ita
thuis en vroeg dadelijk, of Jan er al was.

„Nog niet,” zei haar moeder, „waarom vraag je dat zoo?”

„Och zoo maar. Daar zal je ze hebben!”

Thea ging zelf open doen en Nico stoof naar binnen.

„Is Jan niet bij je?”

„Neen, ik zag hem niet en toen ben ik maar naar huis gekomen.”

„Dat mag je eigenlijk niet, je weet, Moes is zoo bang voor de tram. Ga
maar naar binnen, ik kom dadelijk,” en Thea keek de straat eens af, of
ze Jan ook zag aankomen. Eerst zag ze niemand in de heele straat, dan
een vruchtenkoopman, maar plotseling zag ze hem den hoek omslaan en met
zijne handen in zijne zakken komen aanslenteren. Hij zag er heel
bedrukt uit, het rapport was zeker erg slecht, want Jan vloog
gewoonlijk meer dan hij liep en nu kwam hij aankruipen, alsof hij er
tegenop zag, thuis te komen.

Hij was al dicht bij huis, toen hij Thea zag en hij knikte haar quasi
onverschillig toe.

Thea maakte een gebaar van ongeduld.

„Loop toch wat vlugger,” riep ze hem toe.

„Waarom,” zei Jan, naderkomend.

Thea liet hem binnen en vroeg dadelijk:

„Is het slecht?”

„Ellendig,” zei Jan, met zijn rug tegen den gangmuur leunend.

„Hoeveel onvoldoenden?”

„Vijf.”

„Maar Jan!”

Haar broertje antwoordde niet, hij beet zich op zijn bovenlip en trapte
ongeduldig op den grond.

Thea zuchtte diep en zei:

„Ga nu maar naar binnen.”

Een oogenblik aarzelde Jan, toen duwde hij haar een papier in de hand,
zeggend:

„Geef jij het maar,” waarna hij rechtstreeks naar zijn kamertje liep,
Thea in niet geringe verlegenheid achterlatend.

Ze bekeek de enveloppe, waarin het rapport gesloten was van voren en
van achteren en vond het een koopje, dat Jan het aan haar overliet, met
die slechte tijding naar binnen te gaan.

„Waar blijf je toch, Thea,” hoorde ze Moeders stem, „kom je geen
koffiedrinken? Is Jan nog niet thuis?”

Thea begreep dat ze hier niet kon blijven staan en met loome schreden
ging ze naar de huiskamer. Daar zaten allen aan de koffietafel, behalve
Bets, die overbleef op school en Jan.

„Waar heb je toch gezeten, kind?” vroeg Moeder nog eens en Vader
informeerde, waar Jan bleef, was die nog niet thuis?

Thea ging op haar plaats zitten en antwoordde:

„Jawel Vader, hij is thuis.”

„Waarom komt hij dan geen koffiedrinken?”

„Hij is naar zijn kamertje geloopen, ik denk dat hij liever niet
binnenkomt. Hier is zijn rapport.”

„Zijn rapport?” en Vader richtte zich op en stak zijn hand uit naar de
enveloppe, die Thea nog steeds vasthield.

„Is hij naar zijn kamer geloopen, dan is het zeker slecht,” zei Moeder
en boog zich over haar man, om met hem samen het rapport te lezen.

Deze vouwde het open en werd bleek.

„’t Is schande,” zei hij dof. „Vijf onvoldoenden en dan nog die
aanmerking van den directeur onderaan.”

„Ja, het is te erg,” beaamde zijn vrouw.

„Een aanmerking?” vroeg Thea, „wat staat er dan?”

Haar vader las voor:

„Deze leerling geeft groote reden tot ontevredenheid door zijn gedrag
en zijn onoplettendheid. Ik geef u in overweging, of zijn omgang met
Willem Meyer wel goed voor hem is.”

Thea luisterde zwijgend toe en Ita keek ontsteld naar haar zuster. Daar
hadt je het al, die streek van de klappers had het hem gedaan.

Nu verhief zich Nico’s stem.

„Hij heeft den rekenmeneer in de lucht laten springen.”

„St,” zei Ita boos, maar haar vader wilde weten, wat Nico bedoelde.
Deze vond het interessant, dat hij wat kon vertellen, dat Vader niet
wist.

„Hij heeft den rekenmeneer op een stoel gezet en toen vuurwerk er onder
gelegd en toen is die in de lucht gevlogen.”

Niettegenstaande haar schrik, dat Nico alles van Jan vertellen zou,
moest Ita lachen.

„U hoort, wat een onzin hij praat, Vader, luister toch niet naar hem.”

Maar haar vader was in geen stemming tot gekscheren.

„Hij praat onzin, maar jij zult me beter kunnen inlichten. Als je
blieft, wat weet je er van.”

Ita zweeg; ze wilde liever niet vertellen, wat Jan haar in vertrouwen
had medegedeeld. Het was al erg genoeg, dat ze er vanochtend niet op
gelet had, dat Nico in de kamer was, toen ze Thea die geschiedenis
vertelde.

„Vraag u het liever aan Jan zelf, ik vertel niet graag iets van de
kinderen, Vader.”

Deze fronste zijne wenkbrauwen, maar zei, dat het goed was, hij zou Jan
zelf wel spreken, ze moest hem maar halen.

Ita had er niet veel lust in.

„Toe, ga jij, Thea,” zei ze.

„Waarom ik?”

„Hoe is het?” vroeg Vader ongeduldig, „gaat er haast iemand. Als ik
maar niet aan die bank gebonden was, dan zou ik hem zelf wel gauw
beneden hebben.”

Thea werd angstig, Vader wond zich zoo op en dat was zoo slecht voor
hem.

„Ik zal wel even gaan,” zei Moeder, maar Thea liep al naar de deur,
bang, dat Vader zich driftig zou maken.

Boven gekomen, vond ze de deur van Jan’s kamertje gesloten. Ze rammelde
aan den knop.

„Doe open, Jan.”

Geen antwoord.

„Toe Jan dan, laat me binnen, ik ben het, Thea.”

Ze hoorde voetstappen in de richting van de deur en daarna het slot
omdraaien.

Thea trad binnen.

Jan stond met den rug naar haar toe en mompelde:

„Wat zeggen ze er van?”

Thea sloeg haar arm om zijne schouders.

„Natuurlijk zijn Vader en Moes geschrokken van al die onvoldoenden en
dan die aanmerking van den directeur! Hoe kon je toch zoo slecht
oppassen, Jan?”

Haar broer haalde zijne schouders op.

„Dat weet ik zelf zoo niet, je maakt pret en denkt verder niet veel
na.”

„’t Is jammer, ga nu mee naar beneden, Vader wou je spreken.”

„Laat me maar liever hier.”

„Maar dat kan immers niet. Ga nu gauw mee, Vader is zenuwachtig en
geagiteerd en je weet, hoe slecht dat voor hem is. Je krijgt natuurlijk
een standje, maar dat heb je verdiend, hè?”

„Als ’t maar enkel een standje was.”

„Kom, je mag Vader niet laten wachten, dan voelt hij meer dan ooit zijn
ziekte. Je hebt hem al verdriet genoeg gedaan.”

Jan liet zich de kamer uitduwen en ging toen schoorvoetend naar
beneden.

Hij voelde zich ellendig.

Hij schaamde zich nu werkelijk, dat hij niet beter opgepast had, hij
wist, hoe Vader zich de schoolzaken aantrok, maar Willem verzon altijd
leuke dingen en dan was het hem te machtig, dan moest hij meedoen.
Willem leerde gemakkelijker dan hij en hij hoefde daarom minder voor
zich zelf te werken, om geen al te slecht rapport te hebben. Maar hij
wist heel goed, dat hij zich flink moest inspannen om er te komen en
toch vergat hij dat telkens weer, lette niet op en maakte pret.

Thea opende de deur der huiskamer en Jan ging naar binnen.

Hij stond daar met gebogen hoofd en zweeg.

„Kom wat dichter bij, Jan,” zei zijn vader.

Jan ging een paar passen vooruit.

„Hoe vin’ je dat rapport?”

Jan zweeg.

„Antwoord me.”

„Slecht.”

„Zoo, zie je dat tenminste in. Zeg maar gerust, heel slecht. Dat is
geen rapport om mee over te gaan, wel?”

Jan trok zijn schouders op.

„Met vijf onvoldoenden zal er wel geen sprake zijn van overgaan. Jan,
Jan, wat geef je me een moeite en zorgen, wat doe je Moeder en mij een
verdriet.”

Jan boog nog dieper het hoofd. Dien toon kon hij heelemaal niet
verdragen. Willem’s vader was driftig, die gaf hem misschien een flink
pak slaag, maar dan was het ook uit, terwijl Jan zeker wist, dat Vader
er weken over tobben zou en het hem misschien achteruit zou zetten.

Hij beet zich op de lippen, om zijne tranen in te houden, een jongen
van zijn leeftijd mocht niet staan huilen, als een klein kind, maar hij
had er veel voor over gehad, hier niet zoo te moeten staan.

„Ik kan het nog wel inhalen,” zei hij met bevende lippen.

„Ik weet niet of dat mogelijk is. Dit rapport is misschien van
overwegenden invloed.”

„Neen Vader,” viel Ita in, „als hij op het laatste rapport geen, of een
enkele onvoldoende heeft, gaat hij nog wel over.”

„Dan moeten we ons uiterste best doen, dat hem dat lukt. Ongelukkig kan
ik hem geen privaatles laten geven, dat is te kostbaar.”

„Ik zal hem wel eens helpen,” beloofde Ita, „en u kunt hem met wiskunde
voorthelpen. Tob er maar niet over, wij zullen er hem nog wel brengen.”

Haar vader drukte haar hand.

„Je bent een beste meid. Zou jou rapport goed zijn? Wanneer komt het?”

„Morgen, ik geloof, dat ik geen onvoldoenden heb. Maar u moet niet
vergeten, dat ik gemakkelijker leer, dan Jan.”

Haar vader keek haar aan en dacht, wat een lief meisje ze toch was,
zoo’n echt goed kind.

Zich toen weer tot Jan wendend, zei hij:

„Dus Jan, we zullen alles doen, wat we kunnen, om je noch te redden van
de schande van te blijven zitten. Beloof je me, te doen, wat je kunt?”

Jan beloofde het.

Zijn vader keek hem hoofdschuddend aan.

„Den vorigen keer heb je dat ook beloofd en wat is er van die belofte
geworden.”

Jan kreeg een kleur.

„Ik geef u mijn woord, dat ik beter op zal passen, Vader.”

„Goed, dat neem ik aan. Je zult dus alles doen, wat ik noodig oordeel,
nietwaar? Dan eisch ik in de eerste plaats, dat je voorloopig je omgang
met Willem Meijer afbreekt.”

Jan keek ontsteld op.

„Met Willem?” riep hij uit, „neen, dat kan ik niet, dat doe ik niet.”

„St, hou je bedaard, dat zal toch wel moeten, ik wil het zoo. Vergeet
niet, dat je me je woord gegeven hebt. Tot de groote vacantie laat je
Willem loopen.”

Jan werd driftig. Hij balde zijne handen tot vuisten en drukte de
nagels diep in zijne handpalmen, om zich goed te houden.

„Ik heb u mijn woord gegeven, beter op te passen en dat zal ik ook,
maar dit mag u niet van me vergen. Willem is mijn beste vriend, wij
gaan altijd samen naar school, ik kan niet zonder hem, werkelijk niet,
Vader, ik laat hem niet loopen, ik doe het niet.”

„En als ik dat nu bepaald wil?”

Mijnheer van Welderen had zich wat opgericht en zag er zeer opgewonden
uit. Zijne oogen ontmoetten die van zijn zoon en deze sloeg de zijne
neer.

„Eisch dat niet, Vader, hoe kan dat nu, we zitten in dezelfde klasse,
zelfs in één afdeeling, we zien elkaar dus toch dagelijks.”

„Het zal toch wel moeilijk voor hem zijn, man,” viel mevrouw van
Welderen in, terwijl Ita medelijdend naar Jan keek en Thea Nico
trachtte te bedaren, die bitter huilde, omdat iedereen zoo boos was,
zooals hij zei.

„Dan zal ik den directeur vragen, hem in de andere afdeeling te
plaatsen. Hij waarschuwt me zelf voor Jan’s omgang met Willem.”

Zich toen weer tot Jan wendend:

„Beloof me, dat je tot de groote vacantie geen omgang met Willem zult
hebben, geef me je woord, dat je me zult gehoorzamen.”

Een oogenblik stond Jan bewegingloos, toen keerde hij zich om en rende
de kamer uit, naar boven naar zijn kamertje, waar hij eenige
oogenblikken met zijne opkomende tranen stond te worstelen, slikkend en
met zijne oogen knippend.

„Ik beloof het niet,” dacht hij, „ik doe het niet.”

Daar kwam zijn moeder binnen, die hem gevolgd was.

„Jan,” zei ze zacht en trok hem naar zich toe.

„Ik beloof het niet, Moes, geef u maar geen moeite, ik doe het niet.”

„Jan,” zei ze nog eens, hem in de oogen kijkend, „denk aan Vader.”

Nu barstte Jan los.

„Dat is het ellendige, je moet je altijd onderwerpen, alles maar goed
vinden, omdat Vader geen gewoon man is en omdat je altijd gevaar loopt,
hem zieker te maken. Als Vader een gewone, sterke man was, dan kon je
zooiets volhouden, maar nu zal ik wel weer moeten toegeven, omdat ik
hem anders erger maak. En ik kan het niet beloven, het is
afschuwelijk.”

Zijn moeder duwde hem op een stoel en ging bij hem zitten.

„Wat je daar zegt, Jan, is niet waar. Al was Vader de gezondste man van
de wereld, dan moest je hem nog gehoorzamen, omdat hij je vader is. Dat
weet je zelf ook wel.”

„Ja maar Moes, als Vader sterk was, en tegen een schok kon, dan zou ik
er niet over denken, Willem te laten loopen.”

„In dat geval zou Vader je daar wel toe kunnen dwingen.”

„’t Kan zijn, maar het zou toch iets heel anders wezen. Voelt u dat
niet, Moes?”

Zijn moeder glimlachte. Ze begreep wel, wat hij bedoelde en zag ook in,
dat hij nog te veel kind was, om in te zien, dat het juist mooi was,
dat hij uit liefde en bezorgdheid voor zijn vader zijn verzet brak, in
plaats van uit vrees. Dat hij dit echter instinctmatig zoo voelde,
bewees, dat hij een goeden aard had.

„Dus beloof je Vaders wil te doen, jongen?”

Nog aarzelde Jan. Het was een vreeselijke belofte, die van hem gevraagd
werd. Beloofde hij te gehoorzamen, dan moest hij dat ook doen, het kwam
niet in hem op, zijne ouders achter hun rug te bedriegen, maar zou hij
het kunnen volhouden?

„Als ik maar kan, Moes.”

„Je kunt het, beschouw het, als je wilt als een straf, je hebt toch ook
wel wat verdiend, vin’ je niet? Je zult toch moeten bekennen, dat je
heel slecht hebt opgepast.”

„Nou ja, natuurlijk. Maar denk eens, hoe gek het tegenover de jongens
zal zijn, Willem zal me zeker uitlachen.”

Zijn moeder schudde haar hoofd. Dat was het, wat hem terughield te
doen, wat zijn vader wilde, hij gevoelde valsche schaamte tegenover de
andere jongens.

„Laat Willem eens bij me komen,” zei ze, „dan spreek ik zelf eens met
hem en dan zal hij best begrijpen, dat je niet anders handelen kunt.
Als hij je dan nog uitlacht, is hij niet waard, je vriend te zijn. Maar
hij zal wel inzien, dat het beter zoo is, het is ook maar tot de groote
vacantie.”

„Zou ik hem Zondags ook niet mogen spreken?”

„Ik denk, dat Vader daar het oordeel van den directeur over vragen zal.
Ga nu mee naar beneden en zeg Vader, dat je gehoorzamen zult.”

Jan stond op en volgde zijn moeder. Zijn hart was bezwaard, maar hij
voelde, dat hij niet anders handelen mocht, dan zijn vader zijn belofte
brengen.

„Ik beloof u te doen, zooals u wilt, omtrent Willem.”

Zijn vader drukte hem stevig de hand.

„Dank je vent, voor die belofte. We zullen ons best doen, alles nog
terecht te brengen.”

Ita ging naar Jan toe en gaf hem een flinken klap op zijn schouder.

„Mooi zoo, jongen, je bent een goede kerel, hoor,” en Thea gaf hem een
kus.

Nico keek een beetje verbaasd.

„Ik dacht, dat Jan een slecht rapport had en nu wordt hij gekust,” zei
hij, met zijn hoog stemmetje.

Toen begonnen ze allen te lachen, Jan in zijn zenuwachtige overspanning
het hardst van allemaal en Nico, die er nu niets meer van begreep,
lachte maar mee, ofschoon hij niet wist waarom.








DERTIENDE HOOFDSTUK.

THEA KRIJGT EEN NIEUWE BETREKKING.


Dien middag aan tafel vertelde Bets, dat de juffrouw uit de zesde
klasse ziek was geworden en dat de meisjes uit die klasse toen vrij af
hadden gehad.

„Lekker hè, zoo’n extra vrijen middag,” zei Bets, zoo vergenoegd
kijkend dat men zou denken, dat haar zelf dat buitenkansje te beurt was
gevallen.

„Bets kijkt al glunder, enkel bij het idee van een vrijen middag,” zei
Ita lachend.

„Zoo’n kleine luilak,” plaagde Thea.

„Daarvan is ze zoo dik,” merkte Vader schertsend op.

Maar Moes nam Bets’ partij.

„Ze is niet lui, dat mag je niet zeggen, Thea, ze doet goed haar best
op school, haar rapport is wat goed dezen keer.”

Bets, die niet goed tegen plagen kon en die al lust had gehad, uit haar
humeur te geraken, keek weer vroolijk.

„Bets lijkt op die prent van Jantje huilt en Jantje lacht,” merkte Nico
op.

Dit was zoo waar, het ronde kindergezichtje van Bets veranderde soms
zoo plotseling van vroolijkheid tot huilen, dat de heele familie om
Nico’s gezegde lachen moest.

Bets werd verlegen.

Ze gaf Nico, die naast haar zat, een stomp, dat de vork hem uit de hand
vloog.

Nico stompte dadelijk terug.

„Wat is dat?” zei Vader, „wat krijgen jullie nu in je hoofd, vechten
aan tafel?”

Bets kreeg een kleur.

„Nico is ook zoo flauw,” mompelde ze.

„Maar Bets stompte mij het eerst,” viel Nico ijverig in.

„Nu stil,” beval Moeder, „wie verder lastig is, gaat van tafel.”

Bets keek naar Moeder en zag, dat ze het meende. Ze had dolgraag Nico
nog even gestompt, maar durfde niet. Ze wilde niet graag van tafel
gestuurd worden, dus zat er niets anders op, dan zich stil te houden.

„Wat eet je weinig, Jan,” zei Vader.

Jan, die anders een echten schooljongenshonger had, zat maar zoo wat
met zijn eten te knoeien, hij zag er neerslachtig uit.

„Kom jongen, nu niet langer getreurd. Neem je voor voortaan goed je
best te doen en laat het verleden voorbij zijn.”

„Maar kijk van tijd tot tijd eens naar je rapport, als je speelzucht je
te groot wordt en denk, dat je er over eenige maanden weer een krijgt
en dat het dan beter moet zijn,” raadde Moeder, die bang was, dat hij
het gebeurde wel wat al te gauw vergeten zou. Ze kende dat van Jan,
eerst maar pret maken en niet werken, dan hevig verdriet over de
resultaten daarvan. Na eenige dagen er niet meer aan denken en het oude
leventje weer aanvangen en na een paar maanden dezelfde uitslag.

Thea had al dien tijd over iets zitten nadenken.

„Zeg Bets,” zei ze eensklaps, „is dat niet dezelfde juffrouw, die
altijd zoo met haar keel sukkelt?”

„Ja, ’t is juffrouw Jansen, ze zeggen dat ze haar stem heelemaal kwijt
is en dat ze misschien wel nooit meer voor een klasse mag staan. Ik
hoorde het van onze juffrouw.”

Weer verzonk Thea in gepeins.

„Ik ga er eens heen,” zei ze toen.

„Waarheen?” vroeg Vader.

„Naar juffrouw Lettinga. Ik ken haar nog van vroeger, toen ik zelf bij
haar op school was en nu ga ik eens vragen, of ze een nieuwe
onderwijzeres noodig heeft, als juffrouw Jansen na de vacantie niet
terug kan komen.”

Moeder knikte haar vriendelijk toe.

„Dat is een goed idee, Thea, die juffrouw Jansen zal wel niet in zoo’n
korten tijd herstellen en al nam ze je maar voor een poosje, dan was
dat toch al iets.”

Ook Vader vond het een goed denkbeeld en Ita had al pret bij de
gedachte, dat Thea in hetzelfde lokaal als onderwijzeres zou staan,
waar ze eens leerling geweest was.

Bets had met groote oogen zitten luisteren naar dit gesprek.

„Wou jij bij ons op school komen?” vroeg ze nu op verbaasden toon.

„Ja, vin’ je het soms niet goed?”

„Ik vind het bespottelijk, och neen dat kan immers niet, stel je voor,
je eigen zuster, juffrouw op je eigen school!”

Thea moest lachen om de verontwaardiging, die haar denkbeeld bij Bets
had opgewekt.

„Maar ik kom immers niet in jou klasse, Bets,” troostte ze.

„Neen, gelukkig niet, dat zou nog veel gekker zijn, dan zou ik
heelemaal niet weten, wat ik doen moest.”

„Ik zou het juist leuk vinden,” beweerde Nico, „ik zou alles durven,
stel je voor je eigen zus voor de klasse, wat eenig!”

Nico danste op en neer van pleizier en Moeder redde nog juist bij tijds
zijn bord met eten, dat op zijn servetje stond en groote kans had, van
den tafel getrokken te worden.

Bets keek bedenkelijk.

„’k Weet niet, hoor,” zei ze, „ik zou bij Thea wel durven, maar dan
vertelde ze misschien alles thuis en kreeg ik van Vader en Moes, ik zou
je danken.”

Haar vader, die stil naar het gebabbel der kinderen had zitten
luisteren, nam nu het woord.

„Je ziet de zaak goed in, Bets, en toch ook weer niet goed. Je hebt
gelijk, dat als Thea ons vertelde, dat je ondeugend bij haar was op
school, Moeder en ik daar heel boos over zouden zijn, maar je zoudt
niet stout durven zijn en ook niet willen, als Thea je onderwijzeres
was. Op school zou ze heelemaal vergeten, dat ze je zuster was, en je
net eender behandelen, als de andere meisjes en als je soms denkt, dat
je veel bij Thea zoudt kunnen uitvoeren, dan ken je haar niet,” en
Vader gaf Thea een knipoogje.

Deze lachte eens tegen hem. Die goede vader, hij zorgde nu al, dat ze
haar toekomstig prestige op school niet verloor en ze was er nog niet
eens en zou er misschien nooit komen.

Nico keek naar Thea en dacht er blijkbaar over, of Vaders woorden waar
zouden zijn.

„Bij onzen meneer mag je ook niks doen, die is zoo streng, hij kijkt je
maar aan en dan durf je niks,” zei hij.

„Maar hij is toch wel leuk,” ging hij voort, „laatst praatte Frits en
toen zei meneer, toe Frits, laat ons ook eens hooren, wat je te
vertellen hebt. Frits wou het natuurlijk niet zeggen en toen zei
meneer, kom jij eens hier voor de klasse staan en vertel dan, wat voor
aardigs je daar zei, dat Piet zoo lachen moest. We willen ook wel eens
pret hebben. Frits kon het niet zeggen, want het was een gekheidje over
meneer en toen moest hij het heele uur vóór de klasse blijven staan.”

„Wel, wel,” zei Vader, „ik zie wel dat meneer niet met zich spotten
laat. Willen we nu maar eens opstaan?”

„Zou ik vanavond nog even gaan?” vroeg Thea, „misschien vind ik
juffrouw Lettinga dan wel thuis.”

„Goed, kind, dat deed ik maar,” zei Moeder, „beter te vroeg, dan te
laat.”

Thea maakte zich dus klaar en vertrok.

Ze zag er al weer vreeselijk tegen op, maar daarom juist wilde ze
liefst dadelijk gaan. Als ze het tot morgen uitstelde, zou ze er den
heelen avond aan moeten denken en er misschien niet van kunnen slapen,
ze kende zichzelf. Wat was ze toch flauw, wat was er nu aan, om eens
met juffrouw Lettinga te gaan spreken en toch klopte haar hart
onstuimig van zenuwachtigheid, toen ze op stoep stond en aanbelde.

„Is juffrouw Lettinga thuis?” vroeg ze aan het dienstmeisje, dat de
deur opende.

Op haar toestemmend antwoord ging ze naar binnen en weldra bevond ze
zich in gezelschap van het hoofd der meisjesschool, die ze tot haar
twaalfde jaar bezocht had.

„Dag Thea,” zei de juffrouw, „hoe gaat het? Ben je weer thuis? Ik
dacht, dat je in Brussel in betrekking was.”

Thea kreeg het benauwd. Daar hadt je het al, nu moest ze zeker dadelijk
vertellen, waarom ze niet meer in Brussel was en dan liep ze groote
kans, dat juffrouw Lettinga haar niet zou willen hebben.

Voor ze echter nog antwoorden kon, ging de juffrouw voort:

„Waaraan heb ik het genoegen van je bezoek te danken? Is er iets met
Bets niet in orde?”

„Neen juffrouw, dat niet, ik kom niet voor Bets, maar voor mezelve.”

„Voor jezelve?”

„Ja juffrouw.”

Zou juffrouw Lettinga nu heelemaal niet begrijpen, waar ze heen wilde,
ze wist toch, dat ze een paar examens gedaan had en les gaf.

„Wel?” zei juffrouw Lettinga, vragend.

Thea raapte haar moed samen.

„Ja ziet u, ik hoorde vanmiddag van Bets, dat juffrouw Jansen ziek is.”

„Dat is zoo. En?”

„Nu dacht ik, als ze soms na de vacantie nog niet beter was en u
misschien tijdelijk iemand noodig had.... of voor vast.... u mij
misschien zou kunnen gebruiken.”

Oef, het was er uit.

Juffrouw Lettinga keek haar eens goed aan, door de glazen van haar
bril.

„Zoo, zoo,” was al, wat ze zei.

Een oogenblik van stilte volgde, Thea vond, dat het nu aan de juffrouw
was, om iets te zeggen, of te vragen.

Deze scheen haar genoeg te hebben opgenomen.

„Hoe oud ben je?” vroeg ze.

„Bijna twintig.”

„Hum, dat is nog wel jong en je hebt niet veel uiterlijk.”

En weer verwenschte Thea haar lief figuurtje en fijn gezichtje. Zag ze
er toch maar uit als een grenadier uit den tijd van den grooten Frits,
dan zou ze veel gemakkelijker een betrekking vinden.

„Ik heb twee akten,” zei ze daarop, „lager onderwijs en Engelsch en ik
studeer voor Fransch.”

„Zoo. Je spreekt zeker wel gemakkelijk Fransch, je bent immers een tijd
in Brussel geweest?”

Thea antwoordde maar toestemmend. Ze was eenige maanden in Brussel
geweest, dat was waar, maar veel gelegenheid tot Fransch spreken, had
ze daar niet gehad. Enfin, ze had er in ieder geval wel wat geleerd.

„Waarom ben je niet in Brussel gebleven?”

Daar hadt je het. Wat moest ze nu antwoorden?

„Het was een zeer drukke betrekking,” zei ze, „en de kinderen hadden
moeielijke karakters.”

„Dus het was te zwaar voor je. Was je er op een school?”

„Neen, gouvernante.”

„O, dus privaatonderwijs. Heb je nooit op een school les gegeven?”

Thea moest bekennen van niet.

Juffrouw Lettinga zat in gedachten. Het was heel goed mogelijk, zeer
waarschijnlijk zelfs, dat juffrouw Jansen in langen tijd geen onderwijs
zou mogen geven, maar ze wilde haar, over wie ze altijd tevreden was
geweest, toch niet haar ontslag geven, zoolang er nog kans was, dat ze
haar betrekking weer zou kunnen waarnemen. Ze zou dus zeker een
tijdelijke onderwijzeres noodig hebben en dat wel dadelijk na de
Paaschvacantie.

Thea had zoo goed als drie akten, want Fransch dacht ze ook spoedig te
doen, ze had haar altijd een lief meisje gevonden en een flinke
leerling. Ze geloofde wel, dat ze een energiek persoontje was, maar
haar uiterlijk had ze tegen. In de klasse, waar ze les zou moeten
geven, waren de meisjes van twaalf tot veertien jaar en daarbij waren
er grooter dan zij zelf.

„Ik zou het zoo graag willen probeeren,” brak Thea hare overpeinzingen
af, „zoo heel graag. Ik zal zoo mijn best doen, het is zoo noodig, dat
ik geld verdien,” voegde ze er kleurend bij.

Ja, juffrouw Lettinga wist wel, hoe het zoowat met de familie van
Welderen gesteld was, na dat ongeluk met den vader. Ze moest het maar
met haar wagen, misschien viel het mee, ze zou haar wel wat steunen in
den eersten tijd. Als ze haar nam, was ze voorloopig geholpen en deed
ze meteen een goed werk.

„Hoor eens Thea,” zei ze, „ik wil het dan wel eens met je probeeren.
Het is misschien maar voor een maand, hoewel ik denk dat het voor
langer zal zijn, zoo’n keelquestie geneest zoo gauw niet, te meer daar
juffrouw Jansen haar verwaarloosd heeft en de zaak daardoor veel
verergerd is.”

Thea’s hart klopte wild van vreugde.

„Als ’t u blieft,” zei ze, „ik zal mijn uiterste best doen.”

„Daar reken ik op. Je krijgt nog al een drukke klasse, een beetje
verwaarloosd in den laatsten tijd door de ziekte van juffrouw Jansen,
die zich te onlekker voelde, om flink op te treden. Ik dacht er een
oogenblik over, je een lagere klasse te geven en de onderwijzeres
daarvan naar de zesde te sturen, maar ik houd daar niet van, zoo iets
stoort toch altijd den gang van het onderwijs.”

„Ik kan wel streng zijn,” verzekerde Thea.

Juffrouw Lettinga onderdrukte een glimlach.

„Dat hoop ik, want dat is wel noodig in de zesde. Over het algemeen
zijn het goede kinderen, maar er zitten er een paar in, waarvoor je
moet oppassen. Je weet, het salaris is zeshonderd gulden, omdat je een
taalakte hebt, dus vijftig gulden in de maand.”

Weer kleurde Thea, nu van verrassing. Zooveel had ze niet gedacht, dat
het was.

Juffrouw Lettinga zag haar kleuren en weer glimlachte ze.

„Vin’ je het niet genoeg?” vroeg ze.

„O ja juffrouw, zeker wel, ik vind het een prachtig salaris. Als
juffrouw Jansen soms niet terug mocht kunnen komen, zou u me dan voor
vast nemen, als ik u beviel?”

„Als je me bevalt, natuurlijk, ik heb een hekel aan dikwijls veranderen
van onderwijzerspersoneel. Het komt er maar op aan, of je voldoen
kunt.”

Thea stond op.

„Ik zal mijn best doen,” zei ze nog eens, juffrouw Lettinga’s hand
grijpend, „ik dank u, dat u het met mij probeeren wil, het zal wel
gaan, het moet gaan.”

Lachend schudde de juffrouw haar hand.

„Laten we er het beste van hopen, de wil is goed, dat zie ik wel. Je
moet in de vacantie nog maar eens aankomen, dan vertel ik je het een en
ander, ik ga alleen de feestdagen uit de stad. Dat is dus afgesproken,
groet je ouders van me en tot ziens.”

Toen de voordeur achter Thea dichtgeslagen was, vloog ze naar huis. Ze
rende letterlijk en rustte niet, vóór ze haar woning bereikt had.

Ze rukte aan de bel en vloog Ita, die opendeed, om den hals.

„Aangenomen,” riep ze, „wat zeg je daarvan, aangenomen!”

„Heusch,” juichte Ita, een luchtsprong makend, „Theetje, Theetje, wat
ben je toch een gelukskind.”

Thea ging nu haastig naar binnen, waar ze haar ouders het goede nieuws
mededeelde.

„Het is voorloopig maar voor tijdelijk, voor één maand vast, maar de
juffrouw dacht wel voor langer en misschien wel voor altijd, als
juffrouw Jansen niet terug kan komen.”

Haar vader lachte om haar enthousiasme.

„Kindje, kindje, wat ben je opgewonden, stel je dat nu weer niet te
vast in je hoofd, want dan eindigt het maar in een teleurstelling.
Daarenboven is het voor het meisje zelf te hopen, dat ze terug kan
komen, nietwaar, daar mag je ook wel eens aan denken.”

„O, maar in ieder geval is het een goede aanbeveling, als je les
gegeven hebt bij juffrouw Lettinga, dan krijg je veel gemakkelijker wat
anders. Stel je voor, zeshonderd gulden te verdienen en bij u thuis te
kunnen blijven, het zou te heerlijk zijn.”

„Reken er daarom niet al te vast op, kind,” zei Moeder nu. „Je kunt ook
niet vooruit weten, of je wel tegen zoo’n taak opgewassen bent,
juffrouw Lettinga zei zelf, dat het een lastige klasse was, je zult het
dus niet heel gemakkelijk hebben.”

„Dat is niets,” beweerde Thea, die op het oogenblik alles door een
rooskleurigen bril zag, „moeielijkheden zijn er om overwonnen te
worden, niet waar Vader?”

Deze trok haar naar zich toe en kuste haar.

„Zoo is het, beste, begin maar met te denken, dat alles goed moet gaan,
dan slaag je ook wel. Nu maar geen bezwaren voor den tijd, vrouwtje.”

Jan had tot nog toe niets gezegd, nu kwam hij eensklaps uit den hoek.

„Nou Thea, ik moet zeggen, je bent een kranige meid, hoor, je doet
waarachtig, of het een lolletje is, een troep brutale meisjes te moeten
regeeren.”

Thea lachte maar.

„Waarom moeten ze nu juist brutaal zijn, de juffrouw zei, dat er lieve
meisjes bij waren.”

„’t Kan zijn,” zei Jan bedenkelijk, „maar ik voor mij geloof, dat
meisjes haast nog erger zijn dan jongens. Je mag wel beginnen met ze
dadelijk op haar kop te tikken, als ze gaan opspelen.”

„Ik beloof het je, en als ik niet weet wat te doen, vraag ik jou om
raad, is dat goed?” en lachend kuste ze hem op zijn haar, wat Jan een
scheef gezicht deed trekken.








VEERTIENDE HOOFDSTUK.

EEN VACANTIEDAG.


Op een morgen in de Paaschvacantie vond Moeder een brief op de
ontbijttafel, waarin een vriendin, die ze in jaren niet gesproken had,
haar vroeg, dien dag bij haar in Rotterdam te komen, waar ze op een
doorreis naar het Noorden van het land, één dag dacht te vertoeven, om
enkele zaken te regelen. Ze woonde in de laatste jaren in Frankrijk en
was al dien tijd niet in haar vaderland geweest, zoodat ze haar
vriendin nooit had kunnen bezoeken. Ook nu kon ze door omstandigheden
onmogelijk langer dan één dag van haar reis afnemen en zou dus geen
tijd vinden voor een uitstapje naar den Haag.

Mevrouw van Welderen las en herlas den brief, zuchtte eens en zei:

„Neen, dat gaat niet.”

„Wat is er, Moedertje?” vroeg haar man, „bezwaren?”

Mevrouw van Welderen reikte hem den brief over.

„Hier, lees maar eens; ik zou het dolgraag doen, maar het zal niet
gaan.”

Nieuwsgierig keek Thea naar haar ouders, wat was er gaande?

Ita, Jan, Bets en Nico hadden reeds ontbeten en stoeiden in den gang,
hunne vroolijke stemmen drongen door in de huiskamer.

Mijnheer van Welderen gaf zijn vrouw den brief terug en zei:

„Ik zou niet weten, waarom het niet gaan zou. Moeder kan toch wel een
dagje van huis, niet waar Thea, nu jij en Ita thuis zijn?”

Thea keek verwonderd op, Moes ging nooit een dag uit, maar ze
antwoordde dadelijk:

„Natuurlijk, laat Moes gerust gaan, maar waar moet ze naar toe?”

„Lees maar eens,” zei haar moeder en op haar beurt keek Thea den brief
door.

„U moet het doen, Moesje, vast hoor, het zal zoo aardig voor u zijn,
die goede vriendin van vroeger terug te zien. Waarom zou u niet?”

„Och, ik ga zoo nooit van huis, Vader alleen met jullie vijven te
laten, ik durf het niet goed.”

Thea keek een beetje beleedigd.

„Gut, dat is nu ook wat, ik ben toch geen kind meer en Iet is ook al
een heel mensch.”

„Ja, maar de kinderen zijn nu net thuis moet je denken, als Jan de
kleintjes plaagt en er gekibbel komt, dan is er niemand om hen te
scheiden en daarenboven zullen ze veel te druk zijn voor Vader.”

Haar man greep haar hand en zei lachend:

„Zoo’n sukkel ben ik nu nog niet, dat ik niet tegen een beetje drukte
kan en me dunkt, al ben je thuis, dan maken ze nog leven genoeg, hoor
ze maar eens.”

Inderdaad klonken hooge gillen in de gang en een oogenblik later
stormde Bets naar binnen, gevolgd door Nico, die haar stevig bij haar
schort vasthield.

„Niet klikken,” riep hij, haar schort bijna scheurend, „dat is valsch.”

Bets was van onder tot boven met water bespat en hapte naar adem van
het harde loopen.

„Het kraantje staat open en hij wil het niet dichtdoen,” hijgde ze.

„Welk kraantje?”

„In de gang.”

Thea was al gaan kijken en kwam met een boos gezicht terug.

„Is me dat een boel, dien ze gemaakt hebben, de halve gang is
ondergeloopen.”

Moeder was ondertusschen ook gaan kijken.

„De halve gang nu wel niet, maar ze hebben toch vreeselijk geknoeid.”

Ze vatte Bets bij een arm en schudde haar niet heel zacht.

„Wat zie je er uit, wat heb je uitgevoerd. Waarom was dat kraantje in
de gang open?”

Bets begon te huilen.

„Ik heb het niet gedaan, ik wilde het juist dichtdoen en toen sloeg
Nico met zijn hand tegen het water, zoodat ik kletsnat werd, als ik er
bij kwam en het dus niet dicht kon doen. Ik kwam het juist vertellen en
nu bent u boos op mij.”

Moeder begreep, dat ze in haar eerste opwelling de verkeerde
beschuldigd had en wendde zich nu tot Nico.

„Heb jij dat kraantje geopend?”

„Ja,” knikte Nico.

„Waarom?” vroeg zijn vader.

„Zoo maar.”

„Wou je de gang eens laten onderloopen?”

De jongen begon te lachen.

„Ik weet het niet, ik had in eens zoo’n trek, het kraantje open te
draaien en toen wou Bets het sluiten en toen zijn we gaan kibbelen.”

Vader moest eigenlijk lachen, Nico zag er zoo guitig uit, maar hij
slaagde er in, zijn ernst te bewaren en zei:

„Ga daar maar in dien hoek staan met je gezicht naar den muur en denk
er eens over na, wat de gevolgen geweest zouden zijn, als het kraantje
nog langer open had gestaan.”

Nico deed met een bedrukt gezicht, wat zijn vader zei.

Moeder had ondertusschen Bets haar natte schort afgedaan.

„Wat zie je er uit, je jurk is ook nat.”

Zich toen tot haar man wendend:

„Je ziet nu toch ook wel, dat ik niet weg kan.”

Deze laatste lachte eens witjes.

„Je was nog niet weg, vrouwtje, toen dit gebeurde.”

Nu begon mevrouw van Welderen ook te lachen.

„Neen, dat is waar, ik kan ook niet alles voorkomen. Maar waar zijn Ita
en Jan, waren die niet bij jullie?” vroeg ze toen aan Bets.

„Neen, Moes, die waren samen naar Jan’s kamertje geloopen, waarom weet
ik niet.”

„Kom Moeder, neem een kloek besluit en ga je kleeden. Zet de zorgen nu
maar eens op zij.”

„Ik zou wel willen, maar ik heb de wasch ook te doen, vandaag.”

„Die doe je dan morgen. Je zult me een pleizier doen, als je gaat, je
mag wel eens een afleidinkje hebben. Thea en ik staan er voor in, dat
je ons allen nog heelhuids terugvindt, zonder gebroken ledematen en dat
het dak nog op het huis zal staan.”

„En het eten?”

„Dat komt ook terecht, daar zorg ik voor,” zei Thea.

Mevrouw van Welderen liet zich overhalen, ze had zelf zoo’n lust om te
gaan en nu haar man er zoo op aandrong, kon ze geen weerstand bieden.

Ze ging zich dus kleeden en kwam kort daarop weer binnen met mantel en
hoed, tot niet geringe verbazing van Ita en Jan, die juist beneden
kwamen en niets van de zaak wisten.

„Gaat u uit, Moes? Vanmorgen al?” vroeg Ita.

„Ja, wat zeg je daarvan, en nog wel uit de stad.”

„Uit de stad?” herhaalde Jan.

Moeder uit de stad, maar dat gebeurde immers nooit!

„Vin’ je dat zoo gek, Janneman? Laat Vader of Thea je maar een uitleg
geven, ik moet nu weg, anders kom ik te laat voor den trein. Thealief
zul je zorgen, dat het Vader aan niets ontbreekt? En kinderen, wees
jullie niet te druk, beloof je het me? Mag die kleine zondaar weer uit
den hoek, Vader, als hij belooft zoet te zijn?” en Moeder kuste haar
benjamin, waarop ze nooit lang boos kon zijn.

Vader gaf zijn toestemming en Nico, als van een druk bevrijd, liep
dadelijk naar Bets, met wie hij als de beste maatjes het wonder begon
te bespreken, van Moeder, die uit de stad ging.

Ita had zich intusschen vlug aangekleed.

„Ik breng u weg, Moes,” zei ze.

„Naar de tram dan, graag, verder hoeft niet, ik heb liever, dat je maar
weer vlug naar huis gaat en Thea wat helpt.”

„Best. Hè, ik wou, dat ik mee mocht, zoo’n dagje uit de stad zou ik zoo
leuk vinden.”

Toen Moeder en Ita vertrokken waren, zei Thea:

„Nu moeten jullie eens allemaal luisteren. Zooals je weet, is Moes over
vier weken jarig. Dat is nog wel lang, maar een gelegenheid als
vandaag, komt misschien nooit meer terug.”

Verbaasd keken allen, Vader incluis, haar aan.

„Wat bedoel je, kind?” vroeg hij.

„Dat zal ik u zeggen. Ik wou voor Moeders verjaardag een portret laten
maken van ons allen vijf en nu moeten we vanochtend maar gaan, Moes
merkt er dan niets van en het is juist mooi weer. Mina is er ook nog en
u blijft dus niet alleen in huis. Zou u het niet aardig vinden, zoo’n
portret?”

„Heel aardig, maar beste, het zal nogal wat kosten.”

„Dat weet ik wel, maar ik heb er in Brussel al voor opgespaard, om het
in de vacantie te laten maken. Vindt u dus goed, dat wij vanmorgen
gaan, Vader, wilt u met Mina alleen blijven?”

„Wat mij betreft, ik heb er niets tegen, ik vind het een heel aardig
idee van je.”

„Heerlijk, dan gaan we. Ik zal nu gauw de kleintjes verkleeden, wilt u
dan aan Iet, als ze thuiskomt, alles vertellen en haar vragen, of ze
zich dadelijk wil opknappen?”

Haar vader beloofde het.

Nu stuurde ze Jan ook naar boven en een goed half uur later, was het
vijftal opweg naar den photograaf.

Daar aangekomen werden ze in de wachtkamer gelaten, de photograaf was
met een ander bezig.

Bets en Nico liepen eerst wat rond en amuseerden zich met de
verschillende portretten te bekijken, die hier en daar neergezet waren.
Spoedig echter begonnen ze zich te vervelen en werden lastig.

„Toe Bets, hang zoo niet, je kreukelt je zoo,” vroeg Thea.

Bets ging wat netter zitten en geeuwde.

„Ik verveel me zoo,” zei ze.

„Nu, amuseeren doen we ons geen van allen,” zei Ita, „als je straks
zoo’n gezicht zet, zal het wel lief staan.”

Nico zocht afleiding door Jan te plagen en hem aan zijne ooren te
trekken.

„Schei uit,” zei Jan.

„Wat zit je haar netjes, Jantje,” spotte Ita, „hoe lang heb je voor den
spiegel gestaan?”

„Net zoo lang als jij, denk ik,” zei Jan.

Eensklaps klom Nico achter op Jan’s stoel en zijn vijf vingers door het
haar van zijn broertje halend, plaagde hij:

„Wil ik het nog eens voor je opkammen?”

Dat werd Jan te machtig, hij had werkelijk zijn best gedaan, om zijn
meestal verwarden bol netjes in orde te hebben voor het portret en toen
hij nu voelde, dat Nico de met moeite verkregen scheiding in de war
bracht, werd hij driftig en zich omkeerend, gaf hij Nico een klinkende
oorvijg.

Een paar seconden keek Nico verschrikt, toen begon hij hardop te
huilen.

Thea nam hem bij zich en trachtte hem te doen bedaren, maar Nico was
geschrokken en niet gemakkelijk tot kalmte te brengen, terwijl Ita Jan
een standje maakte, over de scène, die hij verwekt had.

Daar stak de photograaf zijn hoofd door de deur.

„Is er iets gebeurd, dames, is de jongeheer gevallen?”

Met een kleur van verlegenheid verzekerde Thea, dat het niets was, haar
broertje had zich een beetje bezeerd, maar het had niets te beduiden.

„Gelukkig, ik was al bang, dat er een ongeluk had plaats gehad, de
jongeheer gilde zoo. Nog een oogenblikje geduld, dames, ik zal u
dadelijk helpen.”

Het oogenblikje groeide aan tot een kwartier en eindelijk mochten ze
binnen komen. Maar toen de moeite en last, voordat de groep behoorlijk
gevormd was!

Eindelijk zaten ze naar den zin van den photograaf.

„Nu een beetje vriendelijk kijken, als ’t u blieft. De groote jongeheer
ziet er uit, of hij het land heeft, dat mag toch niet op een portret.”

Jan, die zijn boosheid van straks nog niet te boven was, vooral omdat
hij zijn haar niet meer in de plooi had kunnen krijgen en niet wist,
dat hij er nu veel aardiger uitzag, dan met dat stijfgekapte hoofd,
keek nog knorriger.

„’k Kan toch niet grinniken als een idioot,” bromde hij.

„Dat behoeft ook niet, daar u toch zeker geen idioot is,”
veronderstelde de photograaf.

Dit antwoord werd door Nico zoo geestig gevonden, dat hij van louter
pret van houding veranderde en de groep in de war bracht.

Met moeite werd hij weer in de gepaste houding gezet.

„Zoo is het aardig, nu opgepast,” verzocht de photograaf.

Op het oogenblik dat de opname gedaan zou worden grinnikte Bets
zachtjes.

De photograaf begon zijn geduld te verliezen.

„Zoo gaat het niet,” zei hij, „wat is er nu te lachen, jongejuffrouw?”

Bets wou niet zeggen, dat ze had moeten lachen om zijn gewichtig
gezicht, ze zei dus niets, maar daar ze een zenuwachtig kind was, kon
ze niet zoo dadelijk ophouden en lachte door.

Ita werd boos.

„Nu zal ik jullie eens wat zeggen,” zei ze, „wie het waagt nog eens de
groep in de war te sturen, wordt er uit gezet en dan moet maar aan
moeder verteld worden, waarom er een niet op het portret staat.”

„Laat me dan even uitlachen,” verzocht Bets, „daarna zal ik heusch stil
zijn, ik kan het echt niet helpen.”

Een oogenblik later zaten allen weer in positie en werd de opname
eindelijk gedaan.

„Heel goed,” zei, de photograaf, „nu nog eens, als ’t u blieft.”

„Nog eens,” zuchtte Thea, „zou het niet goed zijn, zoo?”

„Ik kan er niets van zeggen, dame, het is veiliger nog een opname te
doen.”

Dezen keer ging het beter en met een verlucht hart stapten Thea en Ita
naar huis, terwijl Bets en Nico druk pratend vooruit liepen. Jan was
naar een vriend gegaan, onder protest van Thea, omdat hij zijn beste
pak aan had.

Thuis gekomen werd er een uitvoerig verslag aan Vader gedaan, die niet
weinig pret in het verhaal had.

„U hadt de woede van Jan moeten zien, toen zijn scheiding in de war
gemaakt werd,” lachte Ita, „en toen die photograaf, die kwam vragen, of
er een ongeluk gebeurd was, het was eenig.”

„Nou lach je, maar toen werd je lekker kwaad,” merkte Bets op.

„Omdat jij zoo flauw was,” antwoordde Ita bits.

„Nu,” zei Vader grappig, „ik denk, dat het wel een vroolijk portret zal
worden, Ita boos, Bets flauw, Jan bars, Nico met een behuild gezicht en
Thea, als gevolg van dat alles, hoogst bezorgd. Ik zie het al voor me.”

Bets sloeg hare armen om zijn hals.

„Lekkere, grappige Paatje, u bent een echte snoes. De meisjes op school
vragen wel eens, of ik het niet vervelend vind, dat u niet loopen kunt
en nooit met ons wandelen of spelen, maar ik zeg altijd, dat u toch
heel lief is. Ze zeggen, dat ze toch liever een gewonen Pa hebben, maar
het kan mij niks schelen, hoor.”

Thea keek bezorgd naar haar vader en Ita verschrikt. Hoe wreed waren de
woorden van het kind en toch meende ze het zoo goed, die kleine Bets,
ze wilde juist haar liefde voor haar vader uiten.

Deze kuste zijn dochtertje, maar zijn oogen hadden weer die intreurige
uitdrukking, die ze altijd kregen, als hij op een of andere wijze
bijzonder aan zijn invaliditeit werd herinnerd.

„Ga nu maar wat spelen, poes,” zei hij, „en neem Nico mee, vóór hij al
de balletjes van de gordijnenfranje heeft afgeplukt.”

Toen de kinderen de kamer verlaten hadden, ging Thea naar haar vader
toe, en boog zich over hem heen. Ze had behoefte, hem iets liefs te
zeggen, iets, dat hem zou opwekken, maar ze wist zoo gauw niet wat.

„Zal ik een paar eieren voor u bakken bij de koffie?” vroeg ze, om toch
wat te zeggen.

Zijne gedachten waren ver weg van koffiedrinken en eieren eten.

„De kinderen lijden er toch wel onder,” zei hij, „je hoort, hoe de
vriendinnetjes van Bets over mij spreken.”

Thea zette zich bij hem neer.

„Maar u hoort ook, hoe ze u boven alles stelt. Als er ooit een vader is
geweest, die goed voor zijn kinderen was, dan bent u het. Denk u soms,
dat niet juist uw leven, zooals het is, een voorbeeld voor ons is, dat
we juist van u leeren, hoe verdriet te dragen en om te zetten in iets
goeds?”

„Als ik maar niet soms zoo ongeduldig kon worden en driftig.”

„U ongeduldig!” viel Ita in, die al dien tijd stil had staan luisteren,
„als ik zoo leven moest als u en ik had maar een tiende van uw geduld,
dan zou ik al blij zijn,” zei ze hartstochtelijk.

Toen, hare vochtige oogen afvegend, veranderde ze eensklaps van toon en
vroeg aan Thea, of ze niet eens voor de koffie zouden gaan zorgen, het
was meer dan tijd.

Zuchtend stond Thea op, die vervelende materieele zorgen, veel liever
had ze nog wat met Vader gepraat en getracht zijn gedachten een andere
richting te geven. Maar het was waar, Jan zou ook dadelijk thuiskomen
en dan moesten de kinderen hunne boterhammen hebben, vooruit dus maar.

Jan kwam thuis en Vader plaagde hem een beetje met zijn fatterigheid.

„Doe zoo meteen je beste pak uit,” voegde hij er bij.

Jan verklaarde niets liever te willen, hij voelde zich veel meer op
zijn gemak in zijn schoolpak en zijn haar wilde hij met genoegen als
een wildeman opstrijken.

„Als je maar niet gephotografeerd hoeft te worden,” plaagde Ita.

Jan trok zijn schouders met een onverschillig gezicht omhoog en stond
op.

„Wat ga je vanmiddag doen?” vroeg Vader.

„Ik heb met Kees afgesproken om te wandelen.”

„En werk je dan vandaag niets?”

Jan keek mistroostig.

„Dat eeuwige werken, een jongen mag toch wel eens vacantie hebben.”

„We hadden afgesproken, dat je iederen dag een paar uur werken zoudt
voor de vakken, waar in je onvoldoende hebt.”

„Nou ja, ’s morgens, maar vanmorgen moest ik voor dat lamme portret
uit.”

„Heel gracieus gezegd tegenover de zuster, die dat portret van jullie
heeft laten maken. Ik vind het beter, dat je nu vanmiddag werkt.”

Jan wierp zich met een knorrig gezicht in een gemakstoel en schopte
ongeduldig met zijn eene been.

„Op die manier heb je een aardige vacantie,” bromde hij, „Kees wacht op
me.”

„Toe Vader,” zei Thea, „laat hem voor vandaag maar gaan. Dat
portretmaken was nu juist niet voor zijn pleizier, vooral niet dat
lange zitten in die wachtkamer. Ik zou hem vanmiddag maar vrij af
geven, het weer is zoo mooi, morgenochtend zal hij dan dubbel flink
werken, niet waar Jan?”

„Enfin, omdat jij zoo voor hem pleit. Voor dezen keer dan Jan, omdat
Thea het voor je vraagt.”

Jan’s gezicht veranderde plotseling van knorrig in opgewekt. Hij sprong
op en liep de kamer uit naar boven, een vroolijk deuntje fluitend.

Thea keek hem lachend na.

„Hij is toch ook nog een kind,” merkte ze op, „het is wel saai voor hem
geen enkelen heelen vacantiedag te hebben.”

„Dat had hij zich vroeger moeten bedenken. Als ik alles maar zoo
onverschillig opneem, komt er nooit iets van zijn werk terecht. Denk je
soms, dat ik het prettig vind, hem zoo te moeten behandelen, veel
liever gunde ik hem een vrije vacantie.”

Ita knikte hem eens toe.

„U heeft groot gelijk, Theetje is een sentimenteele lieverd. Zeg Thea,
weet je wat we doen moesten, vanmiddag samen de wasch doen, dan vindt
Moes die klaar, als ze thuis komt.”

Thea vond het goed. Ze had er wel niets geen lust in, maar vond het
toch een best denkbeeld van Ita, anders moest Moes haar uitstapje met
een dubbel drukken dag betalen.

Zoo gezegd, zoo gedaan. Vader zou Nico wat bezighouden en Bets mocht
helpen bandjes uithalen, wat deze jongejuffrouw een heel gewichtige
bezigheid vond. Ita was in een dolle bui, zooals ze het noemde en vol
gekheid, maar toch kwam de wasch bij tijds klaar, tot niet geringe
verrassing van Moeder, toen die ’s avonds, heel voldaan over haar
uitstapje, thuis kwam.








VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

EEN MOEIELIJK BEGIN.


De zesde klasse van de school van juffrouw Lettinga verkeerde in
spanning: er zou een nieuwe juffrouw komen.

Louise Terlaag, de belhamel der klasse, verheugde er zich bijzonder op.
Ze was vijftien jaar, dus eigenlijk te oud voor deze klasse en dat gaf
haar een zeker overwicht op de andere meisjes. Ongelukkig genoeg,
wendde ze dien invloed niet ten goede aan, integendeel, ze werd door de
onderwijzeressen een beetje als het zwarte schaap van de kudde
beschouwd. De meisjes mochten haar in ’t algemeen wel, omdat ze
vroolijk was en durfde, zoodat ze hare medeleerlingen dikwijls
amuseerde. Toch waren er onder de meisjes ook, die haar wat al te
brutaal vonden en die gevoelden, dat ze de geest in de klasse bedierf,
maar dezen vormden de minderheid en konden er niet veel aan veranderen.

Het was niet heelemaal de schuld van Louise, dat ze zoo was. Ze was een
wees en de menschen, bij wie haar voogd haar in huis gedaan had,
toonden haar niet veel liefde en hartelijkheid. Ze kregen steeds
klachten over haar en daar ze het vermogen misten, dieper te zien dan
de oppervlakte, beschouwden ze haar als een oproerig element, dat
zooveel mogelijk door strengheid moest worden in bedwang gehouden.

De uitwerking van deze methode was, dat Louise hoe langer hoe brutaler
werd, ze hield niet van mevrouw en mijnheer en dus kon het haar weinig
schelen, of ze boos op haar waren. Kreeg ze straf, dan droeg ze die zoo
onverschillig mogelijk, ze beweerde er met genoegen iets voor over te
hebben, als ze maar pret kon maken.

Toch vond ze soms zelf, dat ze te ver ging, haar succes onder de
meisjes, maakte haar overmoedig. Maar als van tijd tot tijd haar
geweten begon te spreken, onderdrukte ze dat gevoel zoo spoedig
mogelijk, wat kon het haar schelen, of ze anderen hinderde en verdriet
deed, niemand hield toch echt van haar, de meisjes vonden haar leuk,
maar niet lief, dat wist ze wel, haar voogd was blij, als hij zich niet
met haar behoefde te bemoeien en mijnheer en mevrouw hadden een hekel
aan haar, dus.... en Louise haalde hare schouders eens op en schudde
het hoofd, alsof ze iets van zich af wilde werpen, maar haar mond
behield nog eenigen tijd den bitteren trek, dien hare gedachten daarom
gegroefd hadden.

Zoo was het invloedrijkste meisje uit de klasse, waaraan Thea voortaan
les zou moeten geven.

„Zeg Lous,” vroeg Meta Verhoog, een klein ding van dertien jaar, „weet
je wel, wie we krijgen?”

„Neen, jij?”

„Ja, verbeeld je, die kleine zuster van Bets van Welderen, je weet wel,
uit de vierde.”

„Och neen!” en Louise schaterde het uit.

„Echt, ik weet het van Rie en die heeft het van Bets zelf.”

„Hoe eenig! Nu zullen we pret hebben. Ik geloof niet, dat ze veel
grooter is dan jij, peuter.”

Meta richtte haar klein figuurtje zoo hoog mogelijk op.

„Peuter, zeg, heb je soms nog iets?”

Toen lachte ze en zei:

„Zóó klein is ze nu niet, je overdrijft en ze heeft een beeld van een
gezichtje.”

„Dat vind ik ook,” viel een ander meisje in, de twaalfjarige Anna
Verloef, „ik heb zoo’n idee, dat ze een lieve juffrouw zal zijn, ze
heeft zulke echt vriendelijke oogen en wat komt het er nu op aan, of ze
groot of klein is.”

Louise streek Anna met een spotachtig gezicht beschermend over het
hoofd.

„Pas jij maar braaf op, heilige Anna, je bent steeds de glorie van onze
klasse geweest en van de onderwijzeressen de teerbeminde leerling.”

Toen zich op haar knieën slaande, schaterde ze het weer uit.

„Dat kleine van Welderentje, ’t is gewoon eenig! Wat zullen we een pret
hebben, jongens, maar denk er aan, dadelijk toonen, wat ze aan ons
heeft. Het is natuurlijk, zij de baas, of wij en ik behoef jullie niet
te zeggen, wat ik verkies. Hoera!”

Anna Verloef trok haar aan haar mouw.

„Je weet, ik doe niet mee, maak het niet al te bont, hè?”

Louise keek haar weer spottend aan.

„Wij zullen het zonder de hulp van onze heilige stellen, maar je blijft
er buiten hoor, pas op, als je ons verraadt.”

„’k Ben geen spion,” zei Anna, „maar die zuster van Bets van Welderen
lijkt me zoo’n zacht meisje, ik vind het gemeen, om het haar dadelijk
lastig te maken.”

„’t Staat je vrij, een eigen opinie te hebben, zanik nou niet langer.”

Daar ging de deur open en op den drempel vertoonden zich juffrouw
Lettinga en Thea.

„Op je plaats, meisjes, zoo dadelijk gaat de bel.”

De meisjes haastten zich te gaan zitten, nieuwsgierig naar Thea
kijkend, die het een vreeselijk gevoel vond, al die meisjesoogen, die
op haar gezicht waren.

Juffrouw Lettinga ging voor de klasse staan.

„Zooals jullie weet, meisjes,” begon ze, „is juffrouw Jansen ziek en is
er zelfs geen kans, dat ze vooreerst weer les zal mogen geven. Dat zal
jullie natuurlijk erg spijten en ik hoop met jullie, dat haar ziekte
haar niet beletten zal, nog eens bij ons terug te komen. Ondertusschen
zal juffrouw van Welderen haar plaats hier innemen en ik hoop en
verwacht, dat je allen je best zult doen, het haar zoo aangenaam
mogelijk te maken. Dat beloven jullie me allen, jij ook, nietwaar
Louise?”

Louise kleurde een beetje, de directrice was zoowat de eenige persoon,
waarvoor ze respect had.

„Nu juffrouw van Welderen,” ging ze voort, zich tot Thea wendend, „zal
ik de klasse maar aan u overlaten, het eerste uur heeft u rekenles,
zooals u weet.”

Nauwelijks had juffrouw Lettinga het lokaal verlaten, of een gegons van
stemmen brak los. In bijna alle banken fluisterden de meisjes tegen
elkaar, terwijl ze naar Thea keken. Deze voelde zich heel verlegen,
maar begreep, dat ze nu eerst stilte moest zien te verkrijgen.

Ze plaatste zich dus midden voor de klasse en zei:

„Stilte nu, als ’t je blieft, we beginnen.”

De meeste meisjes zwegen, maar eenige babbelden door.

„Nu zwijgen, meisjes, de bel is gegaan,” zei Thea en wachtte nog een
oogenblik, tot er werkelijk stilte was.

Daar stak Louise haar vinger op.

„Wou je iets zeggen? Hoe heet je?”

„Ik heet Louise Terlaag, juffrouw,” zei deze op een zoetsappigen toon,
„ik wilde vragen, of ik soms een voetbankje voor u halen wilde, of een
stoof.”

Thea keek vreemd op.

„Waarom Louise, ik ga niet zitten.”

„Neen juffrouw, dat bedoel ik ook niet, ik dacht, dat u er soms op
zoudt willen gaan staan, ik kan u niet goed zien.”

Een algemeen gegichel volgde op deze woorden en Thea voelde, dat ze
heel rood werd.

Een oogenblik bedacht ze, wat te zeggen.

Toen sprak ze, schijnbaar kalm, hoewel ze moeite had, haar stem te
beheerschen.

„Dank je Louise, als je mij niet goed zien kunt, mag je wel wat meer
vooraan komen zitten.”

Bij deze kalme woorden verstomde het gegichel.

Louise was een oogenblik overbluft, toen zei ze:

„Och neen, laat ik het eerst maar zoo eens probeeren.”

„Zooals je wilt,” en Thea begon haar les, met onrustig kloppend hart,
maar voor het uiterlijk bedaard en kalm.

Het eerste kwartier ging rustig voorbij, toen stak, tot haar schrik,
Louise haar vinger weer op.

„Wat is er nu weer, kind?”

Louise zette een heel dom gezicht.

„Juffrouw, ik begrijp niet goed, waarom twee maal twee vier is.”

Dadelijk hadden de meisjes weer pret en Thea, die begreep voor den gek
gehouden te worden, dacht, dat ze het best deed, met niet op dergelijke
flauwe vragen te antwoorden en wilde dus met de les voortgaan.

Maar dat was niet de bedoeling van Louise.

„Toe juffrouw, leg me dat nu eens uit,” hield ze vol.

„Geen gekheden,” zei Thea, „daar kunnen we ons niet mee ophouden.”

„Ik maak geen gekheid, ik weet wel, dat het zoo is, maar waarom?”

Thea beet zich op hare lippen, ze voelde zich zenuwachtig.

„Dan zal je naar de eerste klasse terug moeten, daar leer je de
beginselen.”

Louise trok een hevig verontwaardigd gezicht.

„Als je niet eens meer vragen moogt, wat je niet begrijpt,” zei ze.
Toen Meta, die naast haar zat, aanstootend, fluisterde ze:

„Nou jij.”

Meta stak nu haar vinger op.

„Ik begrijp het ook niet, juffrouw.”

Thea deed, alsof ze geen opgestoken vinger zag en geen vraag hoorde.
Als het niet de eerste dag geweest was, dan zou zij de lastige
vraagster gezegd hebben, dat ze haar na twaalven dat wel zou uitleggen,
maar ze wilde nu nog geen schoolblijfsters hebben, te meer, daar
juffrouw Lettinga haar op het hart gedrukt had, dat ze moest trachten
de orde te bewaren, zonder veel te straffen en voor schoolblijven was
de directrice niet.

Ze ging dus door, hoewel ze hoorde zeggen: ze weet het zelf niet.

Ze keerde zich tot het bord, om eenige getallen op te schrijven en
terwijl ze daar mee bezig was, hoorde ze voetgeschuivel en gegichel en
toen ze omkeek, stond Meta buiten de bank. Ze wilde weer haastig gaan
zitten, maar Thea zei:

„Blijf daar maar staan, Meta, je schijnt genoeg van het zitten te
hebben.”

Op hetzelfde oogenblik zag ze, dat Louise verdwenen was.

„Waar is Louise?” vroeg ze.

Meta lachte.

„Ik weet het niet, juffrouw,” zei ze.

Thea keek de klasse eens rond, of ze niet een gezicht zag, dat ze zou
kunnen vertrouwen.

Haar oog viel op Anna Verloef.

„Weet jij ook, waar Louise is gebleven,” vroeg ze haar.

Anna kreeg een kleur, ze mocht de meisjes niet verraden en ze had
nergens meer hekel aan, dan aan jokken.

Toch fluisterde ze:

„Neen juffrouw.”

Thea keek haar aan en zag haar kleuren.

„Je jokt, kind,” zei ze, „hoe heet je?”

„Anna Verloef.”

„Zoo,” en Thea schreef iets achter dien naam in haar boekje.

Anna’s oogen vulden zich met tranen. Nu zag de juffrouw haar voortaan
voor leugenachtig aan en wat moest ze gedaan hebben, ze kon toch niet
voor klikspaan spelen en zeggen, dat Louise zich onder de bank had
laten glijden.

Thea keerde zich weer naar het bord om haar som verder af te schrijven.

Weer geschuivel en toen ze zich omkeerde, was het eerste, wat ze zag,
Louise, die met een doodonschuldig gezicht in haar bank zat. De meisjes
lachten nu allen, sommige met gebogen hoofden over haar lessenaars,
andere van Thea naar Louise kijkend.

Thea voelde, dat het haar te machtig werd. Ze moest alle krachten
inspannen, om niet driftig te worden.

„Waar ben je geweest, Louise?”

Deze keek heel verbaasd. Meta stikte bijna van het onderdrukte lachen
en begon hevig te hoesten. De meisjes richtten zich op in de banken, om
Louise te zien.

„Blijf zitten, meisjes,” beval Thea kortaf, „Meta, ga in de gang
uithoesten, je maakt een spektakel, dat ik mijne eigen woorden niet
verstaan kan. Nu Louise, waar was je zooeven?”

„Ik, juffrouw, wel hier.”

„Dat is niet waar, ik wil weten, waar je geweest bent. Je zat niet in
je bank.”

Louise trok een nog dommer gezicht, wat een nieuwe proestbui bij hare
medeleerlingen verwekte.

„Ik ben de klasse niet uit geweest, heusch niet, dan hadt u toch wel de
deur hooren openen en dicht gaan.”

Dat was waar, Thea wist zeker, dat de deur noch geopend, noch gesloten
was.

„Zag u me niet meer, straks?” vervolgde Louise, „dat begrijp ik niet.
Waarom vondt u ook niet goed, dat ik een voetenbank voor u haalde.”

Nu barstte de klasse uit in een niet te bedaren lach.

Thea was ten einde raad. Wat moest ze beginnen? Ze wilde den eersten
ochtend de hulp der directrice niet inroepen, door Louise weg te sturen
en toch, hoe moest ze handelen. Daarenboven, ze kon niets bewijzen,
Louise was niet brutaal, deed zich alleen maar heel dom voor.

Na eenige oogenblikken zei ze:

„Ben jullie nu klaar met lachen, meisjes? Het schijnt, dat Louise
gewoon is voor clown te spelen in deze klasse; ze heeft daar zeker het
voornaamste deel van haar schooltijd mee doorgebracht, daarom zit ze nu
nog in de zesde klasse met veel jongere meisjes.”

Een paar meisjes fluisterden: „lekker,” want hoewel ze om Louise
lachten, vonden ze het toch wel aardig, dat ze ook eens getroefd werd.

Louise zelf, die merkte, dat een paar der jongste meisjes haar spottend
aankeken, werd boos. Haar gezicht stond nu niet dom meer en Thea dacht
een oogenblik, dat ze misschien heel onverstandig gehandeld had, met
zich dat meisje tot vijandin te maken. Maar ze kon toch niet met haar
mond vol tanden staan tegenover die plaaggeest, die het er blijkbaar op
toegelegd had, haar bespottelijk te maken.

Een oogenblik keken onderwijzeres en leerling elkander aan, beiden
voelden, dat de strijd tusschen hen ontbrand was, aan wie zou de
overwinning zijn?

Thea verzamelde al hare krachten, tot vier uur moest ze het nog
uithouden en nu was ze al doodop, niet zoo zeer naar het lichaam, dan
wel naar den geest.

Hoe vervelend, dat ze tusschen den middag niet naar huis mocht, maar
een deel harer klasse bleef over en daar moest ze bij blijven. Gelukkig
ging haar kwelgeest naar huis en bleven er een paar lieve meisjes over,
waaronder Anna Verloef.

Deze kwam naar Thea toe, zoodra de niet blijvende meisjes vertrokken
waren.

„Juffrouw,” zei ze, „u moet niet gelooven, dat ik jok.”

Thea keek naar haar oprecht gezichtje en zei:

„Het verwonderde me ook hard, maar Anna, vanmorgen sprak je toch geen
waarheid.”

Anna kleurde weer.

„U moet me zooiets niet vragen, juffrouw, als ’t u belieft, doe dat
niet weer, ik weet dan niet, wat ik antwoorden moet, ik vind het
vreeselijk om te jokken, maar klikken wil ik toch ook niet.”

Thea bedacht zich een oogenblik.

„Toch vind ik niet, dat je neen mag zeggen, als het antwoord ja zou
moeten zijn. Zeg dan ronduit, dat je het liever niet zegt.”

Anna keek haar verrast aan.

„En vindt u dat dan goed?”

„Beter, dan dat je jokt.”

„Juffrouw Jansen zou heel boos geworden zijn, als ik haar dat
geantwoord had, maar als u het goed vindt, ben ik heel blij.”

Thea zuchtte eens, toen Anna zich bij de andere meisjes voegde. Had ze
nu goed gehandeld, met zoo tegen haar te spreken? Ze hoopte het, ze zou
het vanmiddag eens aan Vader vragen, ze had nog zoo weinig ervaring.

De middag ging tamelijk rustig voorbij. Louise scheen beleedigd, ze zat
met een uitdagend gezicht in haar bank, maar hield zich gelukkig kalm
en de andere meisjes, die nu niet telkens wat te lachen hadden, waren
ook stiller. Toch kostte het Thea groote inspanning, de orde te bewaren
en onderwijl goed onderwijs te geven. Ze was dan ook doodmoe, toen ze
thuis kwam, te moe haast, om te praten. Toch moest ze op de
belangstellende vragen van Vader en Moeder antwoorden, terwijl Ita er
ook alles van weten wilde. Ze vertelde maar wat opgewekt en zei enkel,
dat zoo’n eerste dag op een school lesgeven natuurlijk een groote
inspanning voor haar geweest was. Van Louise vertelde ze niet veel,
alleen toen Bets vroeg, of het waar was, dat Louise zoo’n leuk kind
was, antwoordde ze een beetje weemoedig: „Erg leuk, ze amuseert de
meisjes dol.”

Haar vader keek haar eens aan. Zou die Louise haar geplaagd hebben?
Maar als zij er niets van vertelde, wilde hij haar ook niets vragen, ze
moest het moeilijke begin zelf doorvechten, dat was het beste.

Op raad van Moes ging ze dien avond vroeg naar bed. Vóór ze insliep,
dacht ze, hoe graag ze morgen thuis zou blijven en hoe ze er tegenop
zag, weer te moeten beginnen. Ze voelde zich zoo gedrukt en zoo
moedeloos, maar ze was ook zoo moe. Morgen, als ze uitgerust wakker
werd, zou ze de zaken wel anders inzien, dat wist ze bij ondervinding
en met die gedachte sliep ze in.








ZESTIENDE HOOFDSTUK.

EEN OVERWINNING.


Den volgenden morgen ging Thea met goeden moed naar school. Ze had zich
zoo vast voorgenomen, het dezen dag beter te maken, dan gisteren, dat
het, naar ze dacht, niet anders kon, of ze moest daarin slagen.

Nauwelijks was ze evenwel het lokaal binnen gegaan, waar zich al
verscheidene meisjes bevonden, of ze voelde haar moed zakken en graag
had ze rechtsomkeert gemaakt. Het eerste namelijk, waar haar oog op
viel, was een caricatuurteekening op het bord, een heel klein
persoontje voorstellend, dat op een bankje stond.

Zwijgend veegde ze het krabbeltje uit en hing de kaart van Europa over
het bord, want het eerste uur zou ze aardrijkskunde moeten onderwijzen.

Het viel de meisjes blijkbaar niet mee, dat ze totaal geen notitie van
het spotprentje nam en ze begonnen met Louise te fluisteren.

Daar ging de bel. Sommige meisjes namen hunne plaatsen in, maar de
meeste deden, alsof ze niets hoorden.

„Zitten gaan, meisjes,” zei Thea.

Met een overdreven haast vloog Louise de bank in.

„Is de bel al gegaan, juffrouw, gunst, neem me als ’t u belieft niet
kwalijk,” en recht als een kaars met hare handen voor zich op den
lessenaar, zooals de kindertjes in de bewaarschool wel zitten, trok
Louise een heel zoetsappig gezicht.

Natuurlijk gevolg van deze houding: gelach van hare klasgenooten. Thea
had zich voorgenomen, zoo weinig mogelijk op de plagerijen van Louise
te letten, dan zou ze er het eerst uitscheiden, wanneer ze er geen eer
van had, zou het haar wel vervelen.

„Nu opletten, meisjes,” verzocht ze, „Anna wil jij eens beginnen met je
les.”

„Hè juffrouw, mag ik niet beginnen?” zeurde Louise, „ik zat zoo
netjes.”

Thea deed alsof ze de vraag niet gehoord had.

„Kom Anna, begin,” zei ze.

Louise trok een meewarig gezicht.

„Ze is doof ook,” fluisterde ze heel hoorbaar.

„Louise heeft een afkeuring voor praten,” zei Thea.

Een oogenblik keek Louise met opgetrokken wenkbrauwen naar haar, toen
zei ze op een toon van de uiterste verbazing:

„Ze durft.”

Nu werd het Thea te machtig, ze voelde, dat ze bloedrood werd en er
niet aan denkend, dat het pas de tweede dag was, dat ze op deze school
les gaf en dat de directrice het misschien niet goed zou vinden, als ze
nu al een meisje naar haar toe stuurde, zei ze driftig:

„En nu jij er uit, als ’t je blieft, ga dadelijk naar de directrice en
zeg, dat ik je voor den verderen ochtend heb weggestuurd.”

Een oogenblik schrok Louise. Naar de directrice gestuurd te worden was
iets, dat op deze school niet veel voor kwam, daar deze het beter vond,
dat de onderwijzeressen het zelf klaar speelden met hare leerlingen.
Als het een enkelen keer gebeurde, kwam de schuldige er niet
gemakkelijk af. Ze besloot dan ook dadelijk niet te gaan en bleef dus
kalm in haar bank zitten.

Nu was het doodstil in de klasse, ieder wachtte met spanning af, wat er
gebeuren zou.

„Hoor je me niet, Louise?” vroeg Thea.

„Jawel, maar ik ga niet.”

Thea beet zich op hare lippen, haar hand balde zich tot een vuist en ze
drukte hare nagels diep in het vleesch bij de poging, die ze deed, haar
drift meester te blijven.

„Je gaat direct,” zei ze streng.

„Ik ga niet,” en Louise met hare ellebogen op tafel en haar hoofd in
hare handen, keek brutaal rond.

Eenige oogenblikken stond Thea in beraad, wat te doen. Ze kon er haar
toch niet bij een arm uitzetten, daarvoor was ze niet sterk genoeg en
dat wilde ze trouwens ook niet.

Toen zei ze, met moeite haar stem vastheid gevend:

„Je verzet je dus tegen mijn bevel? Heel goed, ik zal na twaalven de
directrice er kennis van geven. Anna, ga nu door met je les.”

De morgen verliep verder bijzonder rustig. Louise, die best begreep,
dat ze te ver gegaan was, zat quasi onverschillig rond te kijken, maar
voelde zich lang niet op haar gemak. Daarenboven verveelde ze zich,
daar Thea absoluut geen notitie van haar nam en net deed, of ze er niet
was. De meeste meisjes waren onder den indruk van het voorgevallene, ze
vonden dat Louise al te brutaal was geweest en voelden medelijden met
Thea, die nu heel bleek zag. Een paar konden niet nalaten te
fluisteren, maar vergeleken bij gisteren was de klasse bijzonder
rustig. Dat viel juffrouw Lettinga bepaald mee, toen ze eens kwam
kijken, hoe het ging en blijkbaar heel tevreden, ging ze weer weg.

Des te meer verwonderd keek ze op, toen Thea na twaalven bij haar kwam
en vertelde, wat er dien morgen was voorgevallen.

„Dat is kras,” zei ze, „zoo brutaal is Louise nog niet geweest. Ik wist
wel, dat ze een moeielijke leerling was, maar bij juffrouw Jansen zou
ze dat toch niet gedurfd hebben.”

Thea had groote lust te schreien en slechts met moeite gelukte het
haar, hare tranen in te houden. Ze zweeg maar, ze wist niets te
antwoorden. De directrice keek een beetje medelijdend naar het kleine
meisjesfiguurtje, dat daar zoo terneergeslagen voor haar stond.

„Ja, lieve kind, alle begin is moeielijk, en je moet je best maar doen.
Je hebt een fout begaan, met Louise naar mij toe te willen sturen, zoo
kort, nadat je in die klasse gekomen waart. Je moet trachten, zelf de
orde te bewaren, dat steunen op mij, dient tot niets. Natuurlijk zal ik
Louise straffen voor haar brutaliteit, misschien zal haar dat
kalmeeren, maar de achting voor je, waardoor je haar meester zou kunnen
worden, moet je zelf veroveren.”

Toen Thea de kamer der directrice verliet, voelde ze zich heel klein.
Ze wist maar al te goed, dat deze gelijk had, wilde ze een blijvenden
invloed op de meisjes uitoefenen, dan moest ze dien door eigen kracht
veroveren.

Wat was de zesde klasse dien middag in spanning, bij den aanvang der
lessen! De meisjes wisten, dat Thea naar de directrice geweest was en
ze begrepen, dat ze daar wel meer van zouden hooren.

Nog vóór de les begonnen was, kwam juffrouw Lettinga binnen en na de
juffrouw en de klasse gegroet te hebben, zei ze tot Louise:

„Ik heb van juffrouw van Welderen gehoord, hoe buitengewoon brutaal je
je dezen morgen gedragen hebt. Ik wil nu niet in bijzonderheden treden,
ik heb je alleen maar te zeggen, dat ik je voor twee dagen naar huis
stuur en je voogd en mijnheer Asser daar beiden kennis van heb gegeven,
zoodat ze weten, dat je de twee volgende dagen niet op school moogt
komen en dus hunne maatregelen kunnen nemen.”

Louise keek heel verslagen. Weggestuurd worden voor twee dagen? Nu
sloot mijnheer Asser, bij wien ze woonde, haar zeker die dagen op, ze
kende dat. En dat hield ze niet uit, alles liever, dan haar vrijheid
missen. Weet je wat, ze ging voorloopig niet naar huis.

Het was, alsof de directrice hare gedachten raadde.

„Maak je klaar,” zei ze, „de conciërge wacht er op, om je naar huis te
brengen.”

Met een ruk richtte Louise zich op.

„Ik kan wel alleen gaan,” zei ze.

„De conciërge brengt je,” herhaalde de directrice, „en ga nu kalm mee
en maak geen onnoodige drukte, want dat verergert de zaak maar.”

Louise zag dat wel in en stond onwillig op. Juffrouw Lettinga moest ze
gehoorzamen, dat voelde ze. En het gekste was, dat van dit alles haar
nog het meest kon schelen, dat die boos op haar was.

Ze ruimde hare boeken dus op en ging gedwee mee.

Nu volgden een paar tamelijk rustige dagen voor Thea. Hoewel alles nog
niet was, zooals het had moeten zijn, bracht ze het toch met veel
inspanning zoo ver, dat er niet al te veel rumoer in de klasse
heerschte. Den derden dag kwam Louise terug. Ze had eerst op bevel van
de directrice Thea excuus moeten vragen voor haar brutaliteit en nu had
ze besloten zich te wreken. Ze zou wel oppassen niets meer te doen,
waardoor ze zoo in den kijker liep, als dien laatsten keer, maar ze was
uitgeslapen in allerlei kleine plagerijen, waardoor de geest in de
klasse bedorven werd, zonder dat men de schuldige kon aanwijzen.

De dagen, die nu volgden, waren misschien wel de vreeselijkste, die
Thea ooit beleefd had. Ze was het slachtoffer van allerlei plagerijen,
de klasse had steeds iets rumoerigs, er was geen rust te verkrijgen,
straffen hielp niets, te meer daar ze nooit met zekerheid wist, wie de
eigenlijke schuldigen waren. Ze wilde de directrice er niet meer
inhalen, bang, dat deze haar ongeschikt zou vinden. Kwam die zoo nu en
dan eens kijken, dan was het dadelijk doodstil, als de meisjes hare
voetstappen op de gang hoorden, zwegen ze als muizen.

De toestand was voor Thea bijna onhoudbaar; ze begreep heel goed, dat
het in de school bekend was, hoe rumoerig haar klasse was, trouwens, ze
had het, tot haar groote vernedering, van Bets gehoord.

En het ergste was, dat er tijding gekomen was, dat juffrouw Jansen haar
betrekking moest opgeven en ze dus een vaste aanstelling had kunnen
krijgen, als ze maar geschikt had gebleken te zijn.

Na een wanhopenden dag vroeg ze ’s avonds Vader eens alleen te mogen
spreken, ze moest zijn raad inwinnen over iets, waarop ze haar laatste
hoop gevestigd had, maar waarvan ze niet zeker wist, of ze er goed mee
handelde.

„Je kunt het probeeren, lieve kind,” zei Vader, nadat hij haar
aangehoord had en hij kuste haar overspannen gezichtje. „Als dat geen
invloed ten goede heeft, dan moet je die betrekking maar opgeven, ze is
waarschijnlijk te zwaar voor je.”

„En dan Vader? Wie zal mij dan willen hebben? Juffrouw Lettinga kan
natuurlijk niets goeds van me zeggen, hoe kom ik dan aan een nieuwe
plaats. O, waarom zijn die meisjes toch zoo wreed, ik wil zoo graag
goed werk leveren, ik doe zoo mijn best, als ze maar een beetje wilden
meewerken, zou alles prachtig gaan, waarom zijn ze toch zoo!”

Thea snikte het nu uit. Haar moeder, die ondertusschen was
binnengekomen, boog zich over haar heen.

„Je moet er maar een eind aan maken, kindje, je zoudt er ziek van
worden.”

Maar Thea schudde ontkennend het hoofd en haar vader zei:

„Ze wil nog een poging wagen, laat haar maar stil haar gang gaan, hoe
moeielijker de strijd, hoe heerlijker de overwinning.”

Den volgenden morgen ging Thea naar school, met nog onrustiger kloppend
hart, dan anders. Hoe zou de dag afloopen, zou ze zich voor goed
onmogelijk maken, of zou ze overwinnen en zich een vaste plaats
veroveren?

Nauwelijks was de les begonnen, of het oude rumoer werd weer gehoord,
er werd met proppen gegooid, steeds van den kant, waar Thea toevallig
niet naar toe keek en er heerschte een geroesemoes van belang.

Thea’s hart begon onstuimig te kloppen, nu moest zij het doen. Ze
slikte eens en nog eens, trachtte het trillen van hare lippen te
bedwingen, tikte met een lineaal op haar tafeltje en zei:

„Meisjes, luistert allen eens, ik heb je wat te zeggen.”

De klank van haar stem had iets in zich, waardoor ze dadelijk de
aandacht op zich vestigde, het rumoer verstomde, zelfs Louise zat stil
en keek vol verwachting naar de juffrouw, benieuwd wat er komen zou.

Thea voelde, dat ze rood werd en daarna bleek, ze slikte nog eens en
toen ving ze aan met spreken.

„Meisjes, wat ik jullie nu ga zeggen, is misschien nog nooit door een
onderwijzeres tot hare leerlingen gezegd en ik geloof, dat dit juist de
reden is, waarom zooveel meisjes zoo ondoordacht handelen en het hun
onderwijzeressen zoo onnoodig moeilijk maken. Ik kan niet gelooven, dat
je allemaal zoo wreed en zonder medegevoel bent, als je er je den
schijn van geeft.”

Haar stem, die eerst een beetje getrild had, was nu vast geworden, hare
wangen gloeiden en onwillekeurig werden allen door haar geboeid en
luisterden gretig.

„Waarom maak je het mij zoo moeilijk. Denk je, dat het voor louter
plezier is, dat ik hier sta, om jullie te onderwijzen? Neen, niet waar,
je begrijpt heel goed, dat zelfs in een lievere klasse dan deze, de
onderwijzeres toch altijd nog een zware taak heeft. Het spreekt
vanzelf, dat wij, met liefde voor het onderwijs vervuld, het prettig
vinden te mogen meewerken tot de ontwikkeling van het opgroeiend
geslacht en dat wij hopen, ook een beetje invloed ten goede te hebben
op de jonge karakters, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. Wij komen
de leerlingen met de meeste welwillendheid en de beste bedoelingen te
gemoet, waarom ons dan tegengewerkt? Je begrijpt toch wel, dat het in
de eerste plaats in je eigen belang is, wanneer er goed gewerkt wordt,
waarom dan de rust verstoord en gemaakt, dat er niets uitgevoerd kan
worden?

„Het behoeft daarom nog geen saaie, vervelende les te worden, wij
kunnen heel goed samen eens een pretje hebben en een vroolijken geest
in de klasse vind ik iets heerlijks. Ik hoop, dat jullie me tot zoover
begrepen hebt, nu wil ik de zaak nog eens van een anderen kant bezien.”

Hier zweeg Thea even, alsof ze het moeielijk vond, door te gaan.

Vol verwachting zagen de meisjes haar aan, wat sprak die kleine
juffrouw goed, je moest naar haar luisteren, of je wilde of niet.

„Zie je, meisjes,” vervolgde ze, „jullie bent oud genoeg om te weten,
dat de meeste menschen hun eigen brood moeten verdienen en als men
onderwijzeres wordt, is dat dus ook bijna altijd, om geld te verdienen
en in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Al heeft men nog zooveel
liefde voor zijn vak, dat komt er toch meestal bij. Wanneer jullie het
me nu onmogelijk maken, hier op school te blijven, heb ik natuurlijk
niet zoo dadelijk een nieuwe betrekking en ben ik dus niet in staat,
niettegenstaande groote werklust, en veel goeden wil, mijn brood te
verdienen. Heb jullie dat wel eens bedacht? Als jullie je verbeeldt,
dolle pret te hebben, door mij met allerlei kleinigheden te plagen, heb
jullie er dan wel eens over nagedacht, hoe wreed je eigenlijk bent?

„Neen, niet waar, zoo heb jullie het niet bedoeld, daar ben ik zeker
van. Je wilde alleen maar wat pret hebben, al was het dan ook een
treurig soort genoegen en ik moest daar het slachtoffer van zijn. Maar
nu doe ik een beroep op je eergevoel, ik verzoek je dringend, mij niet
meer tegen te werken en niet de oorzaak te zijn, dat ik mijn betrekking
zou moeten verliezen. Ik wil hier niets meer bijvoegen, denk eens over
mijn woorden na, ik hoop zoo van harte, dat wij elkander nu beter
zullen begrijpen en nog langen tijd prettig samen zullen werken. Laat
ons nu aan ons werk gaan.”

Zoo rustig was de klasse nog nooit geweest, maar men kon aan menig jong
gezichtje zien, dat de aandacht niet volkomen op het werk gevestigd
was, dat er iets was, dat die jeugdige hoofden bezighield.

Om twaalf uur verlieten al de meisjes de school, daar ze dien middag
vrijaf hadden en er dus niemand over behoefde te blijven.

Op het schoolplein vormden zich weldra groepjes en werd het gebeurde
van dien ochtend druk besproken. Bijna allen waren het er over eens,
dat juffrouw van Welderen gelijk had en namen zich voor, voortaan beter
bij haar op te passen.

„Ze is ook niet gek,” merkte Louise schamper op, „ze weet ook wel wat
ze doet, met haar mooie praatjes over eergevoel, maar bij mij zal het
haar niet veel helpen.”

Nu werden een paar meisjes bepaald boos.

„Hoor eens,” zei er een, „je moet er nu ook mee uitscheiden. Het is
grootendeels jou schuld, dat we ons zoo aangesteld hebben, ik schaamde
me vanochtend geducht en ik vind het wat flink van juffrouw van
Welderen, dat ze zoo ronduit voor de zaak uitkwam.”

„Ik ook,” zei een ander, „ik geloof, dat het eigenlijk een lief mensch
is, we hebben ons schandelijk gedragen, en om je de waarheid te zeggen,
het begon me zelf al te vervelen.”

„Als je daar op komt,” zei een derde, „wij leerden op zoo’n manier
letterlijk niets. En wij hebben gemeen gehandeld, daar had ze gelijk
aan, maar net als ze zei, wij hebben er nooit over nagedacht.”

„Poeh, wat een braafheid, ik word er wee van, adieu, ik ga,” en Louise,
die voelde, dat haar rijk uit was en dat het gedaan was met haar macht,
liep met opgericht hoofd en spottend gezicht weg.

„Laat ze maar gaan,” zei Anna Verloef, „ik ben blij, dat jullie er nu
zoo over denkt en wat haar betreft, als Louise alleen blijft opspelen,
zal ze wel aan het kortste eindje trekken, één meisje zal de juffrouw
best aan kunnen. Wil ik jullie eens wat zeggen, morgen ga ik naar
juffrouw van Welderen toe en beloof haar uit ons aller naam beterschap.
Vin’ jullie dat goed?”

Ze vonden het best en zooals de volksgunst soms plotseling omslaat,
gaat het ook met de gunst van schoolmeisjes. Ze voelden, dat ze
werkelijk schuldig waren geweest en wilden het nu goed maken.

Den volgenden dag beloofde Anna Verloef uit aller naam, dat ze voortaan
goed zouden oppassen en hun best doen en van dien dag af had Thea
weinig moeite meer met haar klasse. Wel trachtte Louise de orde van
tijd tot tijd te verstoren, maar ze vond geen steun meer bij de andere
meisjes, zoodat er voor haar het pleizier ook gauw afging en ze, de
klasse voor een lammen boel verklarend, zich geen moeite meer gaf, om
een troep sufferds, zooals ze het uitdrukte, te amuseeren.

Nu alles zoo goed ging, zag juffrouw Lettinga er geen bezwaar in, Thea
voor vast aan te stellen en zoo kwam de dag, waarop deze vol vreugde
naar huis ging, om haar ouders de goede tijding te brengen van haar
benoeming.








ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

THEA EN LOUISE.


Van toen af begon voor Thea een heel ander leven. De meeste meisjes
hadden diep gevoeld, hoe baldadig, hoe onrechtvaardig, ja hoe wreed ze
geweest waren. Toen de eerste indruk van Thea’s woorden voorbij was,
werden ze wel weer wat drukker en lastiger, maar vergeleken bij
vroeger, was het toch heel rustig in de klasse en Thea, die met hart en
ziel onderwijzeres geworden was, en in het begin van haar loopbaan zoo
bitter teleurgesteld was, voelde zich nu werkelijk gelukkig in haar
werkkring. Wel kostte het volbrengen van haar taak haar voortdurend
groote inspanning, maar daar zag ze niet tegen op, als de resultaten
maar goed waren.

En die waren goed, de meisjes begonnen haar te interesseeren, ze stelde
niet alleen belang in hun leeren, maar ook in de vorming voor hun
karakters, dat laatste zelfs vooral hield haar veel bezig. Het eenige,
werkelijk oproerige element in haar klasse was nog altijd Louise, die
het haar niet vergeven kon, dat ze haar invloed op de meisjes gefnuikt
had en dan ook niet naliet haar te plagen, als de gelegenheid daartoe
zich voordeed.

Thea deed haar best ook dien weerspannigen geest voor zich te winnen,
maar tot nog toe was haar dat niet best gelukt.

Het mooiste van de zaak was, dat Louise van Thea begon te houden, dat
ze inzag, hoe goed haar onderwijzeres het met haar meende en dat ze
voelde, hoe rechtvaardig en welwillend deze steeds was. Maar ze wilde
dat niet bekennen. Het kostte haar soms moeite, Thea door kleinigheden
te plagen, maar de gedachte, wat de meisjes er wel van zeggen zouden,
als ze zich overwonnen verklaarde, hield haar terug te handelen, zooals
haar hart haar ingaf.

Spoedig kwam ook de wrevel weer boven en drong de goede opwelling
terug. Daarenboven kon ze niet uitstaan, dat Thea blijkbaar niet om
hare onaardigheden gaf, als het niet te erg was, nam deze er totaal
geen notitie van, alleen als ze het tegenover de andere meisjes niet
laten kon, strafte ze haar en dan voelde Louise zich vernederd, te
meer, daar geen der meisjes haar partij meer opnam.

In den grond van de zaak had Thea diep medelijden met Louise. Ze zag in
haar één van die moeielijke karakters, die zichzelve in den weg zijn,
die geen liefde weten op te wekken en daardoor weinig liefde
ondervinden.

En het kind had geen ouders meer en geen broers of zusters!

Telkens nam Thea zich voor, haar door vriendelijkheid en welwillendheid
tot zich te trekken, maar telkens stuitte ze op het wantrouwen, dat
zoo’n groote plaats in Louise’s hart innam.

Deze kon niet begrijpen, dat iemand zich, enkel uit belangstelling voor
haar persoon, moeite voor haar zou geven en als Thea vriendelijk tegen
haar was, dacht ze dadelijk, dat het een manier was, om te trachten
haar te temmen en geen last meer van haar te hebben.

Zoo ging de tijd voorbij, zonder dat onderwijzeres en leerling elkander
veel nader kwamen, tot op een dag Louise in de klasse ontbrak.

„Weet iemand ook, waarom Louise er niet is?” vroeg Thea.

„Ja juffrouw,” antwoordde een der meisjes, „ze is ziek.”

„Wat scheelt haar?”

„Ik weet het niet, ze hoestte al lang en nu heeft ze koorts.”

Toen Louise eenige dagen daarna nog steeds afwezend was, besloot Thea
haar eens te gaan opzoeken. Ze dacht er aan, dat het meisje bij
vreemden in huis was en dat ze wel eens gehoord had, dat ze het daar
niet zoo heel prettig had. Misschien kon ze nog wat voor haar doen, arm
kind, zij, die zoo bijzonder aan Vader, Moeder, broertjes en zusjes
gehecht was, had zoo’n medelijden met het weesje, dat hare ouders bijna
niet gekend had.

Dien middag had ze juist vrij van school en tegen een uur of twee
stapte ze naar de straat, waar ze gehoord had, dat Louise woonde. Eerst
ging ze nog even naar een bloemenwinkel, om eenige mooie rozen te
koopen.

Ze zag een beetje tegen dat bezoek op, ze wist niet zeker, of het
Louise aangenaam zou zijn. Ze vreesde zelfs van niet, maar ze zou meer
dan ooit haar best doen, dat hartje te ontdooien, misschien was dit een
gelegenheid en zou ze slagen. In ieder geval wilde ze het probeeren.

Ze schelde aan en op haar verzoek, even bij Louise te mogen gaan, werd
ze in een soort spreekkamertje gelaten. Het meisje, dat haar opengedaan
had, zou eens gaan hooren, of Louise bezoek mocht ontvangen.

Toen ze alleen gelaten was, keek Thea eens rond. Een klein, ongezellig
kamertje, niets dan een tafel en een paar stoelen bevattend, en een
plank, waarop ze Louise’s schoolboeken zag staan. Op tafel een
inktkoker, verder niets.

Het meisje kwam terug en zei, dat mevrouw dadelijk bij haar zou komen,
of ze even wachten wilde.

Eenige oogenblikken later trad een net gekleede, maar stijve dame
binnen, die zich voorstelde als mevrouw Asser.

Thea maakte zich bekend als juffrouw van Welderen, Louise’s
onderwijzeres op school en vroeg wat haar eigenlijk scheelde en hoe het
met haar ging.

„Wat zal ik u zeggen, juffrouw, ze heeft waarschijnlijk kou gevat en
heeft nu koorts en hoest leelijk. Ze is hard ziek, maar het is haar
eigen schuld, ze wil nooit luisteren. Als ik haar aanraad niet op den
tocht te gaan zitten, zal ze het juist doen. U zult ook wel ondervonden
hebben, welk een moeilijk meisje het in den omgang is.”

Thea keek naar het gezicht tegenover haar. Het was wat koud en streng,
maar toch niet geheel onsympathiek en ze dacht, dat hier waarschijnlijk
ook al weer een elkaar niet begrijpen de schuld was van de weinige
hartelijkheid, die blijkbaar tusschen deze vrouw en haar pupil bestond.

„Een moeielijk karakter heeft ze,” beaamde Thea, „vooral moeielijk voor
zichzelve, ik heb een gevoel van medelijden met haar.”

Mevrouw Asser lachte een beetje sarcastisch.

„Medelijden behoeft u niet met haar te hebben, ze heeft het bij ons
heel goed, maar ze is in hooge mate eigenzinnig en brutaal en u
begrijpt, dat mijn man en ik, die voor haar opvoeding moeten zorgen,
dat zooveel mogelijk tegen moeten gaan.”

Thea kreeg een kleur, mevrouw Asser begreep haar niet, ze had niets
willen zeggen, dat deze kwetsen kon.

„Mag ik even bij haar gaan?” vroeg ze, om het gesprek een andere
wending te geven.

„Jawel, als u er lust in heeft. U zult er niet veel aan hebben, want ze
heeft steeds koorts en ligt meestal stil, zonder veel te spreken. Ik
geloof, dat ze liefst alleen is.”

„Ik wil haar toch graag even goeden dag zeggen en haar deze bloemen
brengen.”

„Goed, zooals u wil, mag ik u dan even voorgaan.”

Mevrouw Asser stond op en Thea volgde haar naar boven, naar het
kamertje van Louise.

Ook hier trof Thea de keurige netheid, maar nog meer de groote
ongezelligheid.

Louise lag met haar hoofd afgewend, toen Thea binnentrad en draaide het
niet om, voor deze haar goeden dag zei.

Toen keek ze verrast op.

„U hier?” en hare, van koorts verhitte wangen kleurden zich nog
donkerder.

„Ja beste, ik wilde zelf eens zien, hoe het eigenlijk met je was, ik
mis je al een dag of vijf op school.”

Louise glimlachte een beetje ondeugend.

„U zult het wel rustig gehad hebben, nu uw plaaggeest er niet was.”

Thea liet dit gezegde als ongehoord voorbij gaan en gaf haar de rozen,
die ze voor haar meegebracht had.

Louise’s gezichtje look op.

„Wat prachtige rozen, zijn die voor mij?”

„Ja, ik dacht, dat ze je pleizier zouden doen.”

„En U hebt die voor mij meegebracht?”

„Vin’ je ze zoo mooi? Heb je een vaasje om ze in te zetten?”

Louise scheen deze vraag niet te hooren.

„Juffrouw van Welderen brengt bloemen voor mij mee,” dacht ze, „stel je
voor, zij brengt rozen voor mij mee.”

Daarna keerde ze haar gezicht naar den muur en toen Thea, die bij
gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had, zich weer
tot haar wendde, zag ze, dat ze bitter lag te schreien. Het bed schudde
er van en Thea boog zich niet weinig ontsteld over haar heen.

„Louise, kind, wat doe je nu? Wat scheelt er aan?”

Louise schreide door en niet goed wetend, wat te doen, stond Thea met
haar glas met rozen in de hand bij het bed en zei zoo iets van nu
bedaard zijn en op te houden met schreien, daar ze anders niet bij haar
durfde blijven, bang haar te veel op te winden.

Het snikken verminderde, een van koortshitte gloeiende hand greep de
hare en drukte die stevig.

Thea beantwoordde dien handdruk hartelijk en zei, zoo opgewekt ze kon,
ofschoon ze zelf moeite had, haar aandoening te bedwingen:

„Zal ik het glas met rozen op je nachttafeltje zetten? Kun je ze zoo
goed zien? Wil ik nu nog een oogenblikje bij je blijven praten, of ben
je daar te moe voor?”

Louise, die nu bedaard was, zei heel graag een beetje met haar te
willen praten. Ze verveelde zich zoo, ze sprak niemand dan mijnheer en
mevrouw.

„Zijn die nogal aardig voor je, nu je ziek bent?” vroeg Thea.

„O jawel, mevrouw zorgt goed voor me, maar ze houdt niet van me en
mijnheer ook niet. Ik geloof, dat niemand van me houdt,” en de tranen
begonnen al weer te vloeien.

Thea greep haar hand.

„Ik denk, dat je je daarin vergist, beste, en als het zoo was.... maar
laten wij daar nu niet over praten, als je weer beter bent, moet je mij
eens komen opzoeken, dan bespreken wij dat alles eens samen en dan
ontdekken we misschien wel, dat hier een misverstand aan het werk is.
Heeft geen van de meisjes je eens opgezocht?”

„Neen, nog niet, maar ik ben ook nog pas vijf dagen ziek. Ik heb
niemand gezien, dan mijnheer en mevrouw Asser en den dokter. Dat is een
lieve man.”

„Ja? Wie is je dokter?”

„Dokter Heger.”

„Heger? Ik heb als kind veel met een jongen gespeeld, die Heger heette,
ja, zelfs als schoolmeisje kwam ik nog bij zijne ouders aan huis. Toen
ik zoowat veertien jaar was, zijn ze verhuisd. Is het eene jonge
dokter?”

„Ja, hij is nog jong, hoe oud weet ik natuurlijk niet precies.”

„Het zou best kunnen, dat het dezelfde was, weet je ook, of hij Karel
heet?”

„Dat kan, want hij heeft een K. voor Heger staan. Hoe grappig, dat u
hem gekend hebt. Mag ik het hem vertellen? Het is zoo’n lieve man.”

Daar had Thea niets tegen, want ze wilde wel eens graag weten, of hij
dezelfde was, waar ze als kind mee gespeeld had. Het zou best mogelijk
zijn, want hij was een jaar of zes ouder dan zij.

Na nog een poosje met Louise gepraat te hebben, ging ze weg, maar niet
voordat ze beloofd had, spoedig terug te komen. Louise drong er op aan,
haar den eerst volgenden vrijen middag terug te zien en zoo gebeurde
het, dat Thea tweemaal in de week even naar haar patiëntje ging, om
haar wat afleiding te geven.

De ziekte van Louise duurde veel langer, dan men gedacht had, maanden
lang kwam de koorts bij tusschenpoozen terug, wat haar erg verzwakte,
maar eindelijk bleef die toch weg en toen kwam het er maar op aan, haar
weer op krachten te brengen.

Meermalen ontmoette Thea bij haar ziekbed den dokter, die toch
werkelijk haar vroegere speelkameraad bleek te zijn.

„Vindt u hem ook niet lief?” vroeg Louise eens, toen ze reeds
herstellende was en de dokter hen juist verlaten had met de belofte,
dat ze nu spoedig geheel beter zou zijn.

Thea kleurde een beetje.

„Zeker, een heel aardige dokter, wat is hij altijd vriendelijk voor
je.”

Louise keek haar lachend aan.

„Hij is ook bijzonder vriendelijk tegen u, vindt u niet? Weet u wat zoo
grappig is? Dat hij altijd op de middagen komt, dat u me bezoekt.”

Thea had het opeens druk met het verschikken van een paar bloemen, die
ze voor Louise had meegebracht.

Louise’s woorden omtrent den dokter negeerend, zei ze:

„Nu moet ik je toch eens wat grappigs vertellen, dat vanochtend op
school is voorgevallen. Je moet weten, ik vertelde bij de geschiedenis
van de Egyptenaren van het balsemen der lijken en dat er vele mummies
teruggevonden waren, die nu in musea bewaard werden. Ik zei toen ook,
dat men in Leiden, in het museum van Oudheden verscheidene mummies had
en dat het wel eens interessant was, ze te gaan zien.

„Toen vroeg Coba Stevens, of daar veel menschen naar kwamen kijken en
toen ik zei van ja, merkte ze op, dat het toch niet pleizierig voor de
familie was, dat die lijken daar zoo tentoongesteld werden.”

Louise moest hartelijk lachen en Thea had haar doel bereikt en het
gesprek een andere wending gegeven.

„Ze dacht zeker, dat de familie van Ramses den Groote in den Haag
woonde, hè, juffrouw, wat heb je toch domme kinderen!”

„Meer onnadenkend, als ze nagedacht had, vóór te spreken, zou ze zoo’n
onzin niet gezegd hebben.”

„Vertel u me nog eens iets, van toen u in Brussel was?” vroeg Louise.

Thea had haar namelijk een en ander verteld van hare eerste
leerlingetjes, vooral van Constance, om haar te beduiden, dat er wel
meer meisjes waren, die het niet in alle opzichten naar hun zin hadden.

„Hebt u in lang iets van Stans gehoord?”

„Ja, ik heb juist eergisteren een brief van haar gehad. Ze maakt het
goed en vindt het leven op kostschool wel prettig, nu ze er aan gewend
is. Ze vindt het vooral heerlijk, onder andere meisjes te zijn, eerst
was haar dat wel vreemd, maar nu vindt ze het heel gezellig. Ze voelde
zich thuis zoo eenzaam.”

„Ja, je eenzaam voelen is vreeselijk, dat weet ik bij ondervinding. Ik
kan er tegenop zien, weer beter te zijn, nu ik ziek ben, is iedereen
wel lief voor me, maar als ik beter ben, zal dat natuurlijk weer uit
zijn.”

„Dat behoeft heelemaal niet. Het zal heusch van jezelf afhangen,
mevrouw Asser heeft je toch goed verzorgd en je zegt zelf, dat je niet
gedacht had, dat ze zoo hartelijk kon zijn.”

„Ja, juffrouw, maar als ik in bed lig en me ziek en zwak voel, is er
zoo weinig gelegenheid om in botsing te komen. Ik ben zoo bang, dat ik,
als ik beter ben, weer brutaal en koppig word en dat ze dan weer
allemaal het land aan me krijgen.”

Thea moest even lachen.

„Maar Louise, alsof je brutaal en koppig moet zijn. Malligheid, hoor,
ik weet zeker, dat je heel lief kunt zijn, als je wilt en ik hoop ook,
dat het je voortaan aan den wil niet ontbreken zal. Je zult eens zien,
hoeveel gelukkiger je dan zult zijn.”

Louise antwoordde niet, ze lag stil over de woorden van Thea na te
denken. Daarbij keek ze naar het vriendelijke, lieve gezicht van haar
juffrouw, zooals ze Thea nu in gedachte noemde en ze begreep niet, hoe
ze haar ooit had kunnen plagen.

„Wil u me helpen?” vroeg ze, „het zal heusch heel moeielijk voor me
zijn. Nu ik weer sterker word, voel ik den lust tot weerspannigheid
alweer bij me opkomen. Maar ik zal mijn best doen, ik zal altijd u
hebben op school, om mij te helpen, dat is ten minste één troost.”

Thea kuste haar en zei, dat ze nu moest zien een beetje te slapen. Zij
zelf moest weg, ze had Vader beloofd hem nog wat voor te lezen voor het
eten en het werd al laat. Ze stopte haar eens lekker in en verliet haar
toen.

Op weg naar huis liep ze er over te peinzen, dat het niet voor heel
lang zou zijn, dat ze Louise nog les zou geven. Bij die gedachte
helderde haar gezicht op, als bij iets heerlijks en toch hield ze
bepaald van Louise en wilde niets liever, dan haar helpen.

Maar ze had een zoet geheim, een geheim, dat nu nog alleen Vader,
Moeder en Ita kenden, maar dat over eenige dagen geen geheim meer zijn
zou.

En Karel wilde niet lang wachten met trouwen. Waarom zou hij ook, hij
had een goed bestaan en verlangde haar als zijn vrouwtje in huis te
mogen voeren. Wat een gelukskind was ze toch, maar ze zou haar
beschermelingetje niet vergeten, al was ze getrouwd, zou ze toch de
handen niet van haar aftrekken, ze bleven immers in dezelfde stad
wonen.

Ze was Louise eigenlijk grooten dank verschuldigd, als die niet ziek
was geworden en ze haar niet bezocht had, had ze misschien Karel niet
meer ontmoet en dan....

„Waarom lach je zoo genoegelijk,” hoorde ze eensklaps Ita vragen, die
haar achterop gekomen was, „zeker iemand gezien?”

Thea stak haar arm door dien van haar zuster.

„Zou er wel een gelukkiger mensch op de wereld zijn, dan ik, Iet?”
vroeg ze.

„Een gewichtige vraag,” lachte Ita, „waarop ik maar niet zoo dadelijk
een antwoord kan geven. Vraag er Karel eens naar, misschien weet die er
bescheid op.”








ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

HET ENGAGEMENT.


Karel wist er bescheid op.

Toen een paar dagen later zijn engagement met Thea publiek werd,
verklaarde hij zich ongevraagd voor den gelukkigsten mensch.

„Je legt het af, Theetje,” schertste Ita, „Karel is de gelukkigste, je
hoort het.”

Thea lachte en bloosde.

Karel keek nieuwsgierig. Hij trok zijn meisje naar zich toe en haar
gezichtje wat oplichtend, zoodat ze elkaar in de oogen keken, vroeg
hij:

„Waarmee legt mijn meisje het af?”

Thea bloosde nog sterker.

„Och, flauwigheid, ventje, ’t is heusch niets. Iet wil maar eens aardig
zijn.”

Maar hier was Karel niet mee tevreden.

„En als ik nu die flauwigheid zoo graag weten wil?”

Thea was op het punt, het verlangde antwoord te geven, toen Ita inviel:

„Niks zeggen, Theetje, dan wordt hij pedant, luister nu naar je wijze
en niet verliefde zuster en leer hem bij tijds zijn nieuwsgierigheid
bedwingen.”

Karel was er nu natuurlijk meer dan ooit opgesteld, te weten, waarover
de questie ging en Thea voerde hem mee naar de serre, waar ze hem in
het oor fluisterde, wat Ita vond, dat hij niet weten mocht.

Dat was me een pret voor de jonge leden van het gezin, toen „meneer de
dokter,” zooals Nico hem noemde, dien middag zou blijven eten en aan
hen voorgesteld werd, als hun aanstaande broer.

Nico verklaarde zich dadelijk zeer met de zaak ingenomen.

„Ik vind het leuk,” zei hij, „en als we nou voortaan ziek zijn, kan
meneer de dokter ons beter maken.”

„Dat is het engagement van den praktischen kant beschouwen,” lachte
Ita, „je hoort het Karel, Nico vindt het aangenaam en nuttig een dokter
in de familie te hebben.”

Karel trok Nico zacht aan zijn oor.

„Als ik geen dokter was, zou je dan niet blij zijn, me voor broer te
krijgen?” vroeg hij.

„Natuurlijk wel,” antwoordde Thea in haar broertjes plaats, terwijl ze
haar arm om haar aanstaande heensloeg en liefkoozend tegen hem
aanleunde.

Maar Nico vond, dat hij zelf wel kon antwoorden.

„Wat weet jij daarvan?” vroeg hij snibbig, „neen, ik vind het juist
leuk, omdat hij ons nooit iets zal durven voorschrijven, dat niet
lekker is en als hij het toch deed, zou ik tegen hem zeggen, dat ik het
niet innam en dat zou ik tegen onzen ouden dokter nooit durven.”

Mijnheer van Welderen schudde ontevreden het hoofd.

„Hou je een beetje bedaard, baasje,” zei hij, „sinds wanneer heeft het
jongste jongentje hier het hoogste woord?”

Nico was echter door de groote gebeurtenis zoo opgewonden, dat hij geen
acht sloeg op zijn vaders woorden en er uitflapte:

„Als Thea met Karel getrouwd is, dan krijgen ze kleine jongentjes en
dan ben ik lekker niet meer de jongste.”

Thea liet Karel los en had plotseling iets te verschikken aan de vaas
met bloemen op den schoorsteenmantel.

Karel keek uit het raam en Ita liep de kamer uit, omdat ze niet wilde
laten zien, dat ze lachen moest.

Maar mijnheer van Welderen lachte niet.

„Zou het niet beter zijn, Moeder,” vroeg hij zijn vrouw, die juist
binnenkwam, „dat Nico vanmiddag in de keuken at?”

Mevrouw van Welderen keek verwonderd en Nico werd rood van schrik.

„Moet Nico in de keuken eten vanmiddag, waarom Vader, is hij stout
geweest?”

Vóór haar man had kunnen antwoorden was Nico op haar toegevlogen en
riep, zich aan haar vastklemmend:

„Ik heb niets gedaan, Moesje, heusch niet, ik wil niet in de keuken
eten.”

Zijn moeder weerde hem zacht af.

„Is er iets gebeurd, man? Is hij stout?”

„Och hij is zoo opgewonden, dat je er geen stokje tusschen kunt steken,
als dat zoo voort gaat, zal je nog gekke dingen beleven, vóór we van
tafel gaan.”

Mevrouw van Welderen streek Nico over zijn haar en zei sussend:

„Hij zal wel stil zijn, Vader, als hij belooft, ongevraagd niets te
zeggen, mag hij dan binnen blijven?”

Vader, die het zoo erg niet meende, gaf zijn toestemming en opgewekt
ging het gezin aan tafel.

Bets en Jan hadden zich tot nog toe geen van beiden uitgelaten, over
den indruk, die het groote nieuws op hen gemaakt had. Bets zat haar
nieuwen broer, zooals ze hem in gedachte noemde, maar aan te staren,
zoodat ze er zelfs haar eten door vergat.

„Eet door, Bets,” zei Moeder, „anders ben je niet tegelijk met ons
klaar.”

Bets schrok op uit haar gepeins en opende haar mond om iets te zeggen,
maar er kwam geen geluid uit.

„Wat is er, meiske?” vroeg Vader.

„Mag ik het morgen op school vertellen?” fluisterde ze, kleurend.

Jan lachte hardop.

„Dat is voor Bets natuurlijk het voornaamste van de heele geschiedenis,
of ze het op school mag vertellen.”

Bets keek boos.

„Nou ja, daar hoef jij niet om te lachen,” zei ze snibbig, „natuurlijk
vind ik het leuk, om het aan de meisjes te vertellen. Ik geloof niet,
dat er één in de klasse is, die een geëngageerde zuster heeft,” voegde
ze er vol enthousiasme bij. „Laatst had er één een broertje gekregen,
maar dat was een kleintje, lang zoo echt niet.”

Nu lachte het heele gezin.

„Die Bets!” fluisterde Thea met een paar wangen, als roode roozen.

„Een beste meid,” knikte Karel haar toe, „ze vindt het veel
gemakkelijker in eens een volwassen exemplaar te krijgen. Dat hoeft ze
niet te wiegen en zoet te houden en misschien brengt zoo’n groote broer
wel chocolade voor haar mee, inplaats van muisjes.”

Bets’ oogen glinsterden.

„Echt?” vroeg ze, Karel verlangend aankijkend.

„Echt,” beloofde deze.

„Voor mij ook,” riep Nico, die zich tot nog toe stil gehouden had.

„St,” zei Vader.

„Nou ja, maar hij hoeft niet alleen voor Bets....”

„Nico!” en Vader keek streng.

„Ik lust ook wel chocolade,” mompelde Nico, nauwelijks hoorbaar.

„Je zult ze hebben, hoor vent,” troostte Karel goedig, „een lekkere,
groote plak.”

Nico vergat alle beloften van stil zijn en liet een schreeuw van
plezier.

„Karel, Karel,” lachte zijn aanstaande schoonvader, „begin je nu al met
de kinderen te bederven. Pas maar op, daar kun je nog last van
krijgen.”

„Karel is zoo goed,” en Thea legde zacht haar hand in de zijne.

Nu nam Jan het woord.

„Dat’s te hopen, want als hij niet goed was....”

Verrast keken allen Jan aan, die woorden kwamen er zoo gemeend uit.

„Wat dan, Janbroer?” vroeg Karel schertsend.

Maar Jan zweeg, het leek wel, of die woorden hem ontsnapt waren.

„Wat bedoelde je, Jan? vroeg Thea, „waarom zeg je zoo dreigend: als hij
niet goed was?”

„Och niks.”

„Jawel, toe zeg ’t nou.”

„Dan mocht hij jou niet hebben, nou weet je het,” en Jan dronk zijn
glas uit en begon over wat anders.

Karel keek Jan verrukt aan.

„Hij weet het, Papa en Mama, ik ben het volkomen met hem eens. Ik ben
alleen maar bang, mijn schat niet waard te zijn.”

Thea legde haar handje op zijne lippen.

„Zeg toch zulke dingen niet,” verzocht ze.

Daar tikte haar vader tegen zijn glas.

Allen zwegen.

„Beste kinderen,” begon hij, „naar aanleiding van Jan’s woorden, wil ik
graag even wat zeggen. Hij heeft gelijk, wie onze Thea tot vrouw
krijgt, moet een goed man zijn, wil hij haar verdienen.”

„Maar Vadertje,” fluisterde Thea.

Haar vader liet zich niet storen en ging door:

„Hij krijgt een best vrouwtje, want hij trouwt een meisje, dat altijd
een liefhebbende dochter is geweest. Niemand, dan wij weet, niet waar
Moeder, wat onze oudste dochter steeds voor ons geweest is. Wij staan
haar noode af, maar haar geluk moet vóór gaan en als zij gelukkig is,
zijn wij het ook. Mijn jongen, we geven je een schat in bewaring, wees
altijd goed voor haar, ze verdient het.”

Zijne oogen waren vochtig en bij deze laatste woorden trilde zijn stem
een beetje.

Thea had zich, terwijl haar vader sprak, op hare lippen staan bijten,
om zich goed te houden. Nauwelijks zweeg hij echter, of ze vloog naar
hem toe en verborg schreiend haar gezichtje aan zijn schouder.

„Lief vadertje,” fluisterde ze, „al ben ik nu ook van Karel, ik blijf
toch immers uw eigen dochtertje.”

Hij kuste haar teeder en duwde haar toen, zenuwachtig lachend, weg.

„Nu geen tranen meer, veeg die maar gauw af en laten we allen vroolijk
klinken op ons toekomstig bruidje. Van harte, mijn jongen,” en hij
stootte bij Karel aan.

Deze was niet minder aangedaan, dan zijn meisje.

„Papa, Mama,” zei hij, zijn glas opheffend, „ik dank u voor mijn schat
en ik beloof plechtig, dat ik haar steeds zal weten te waardeeren.”

Daar bromde Jan’s jongensstem:

„Gek, dat er altijd bij zoo iets gehuild moet worden, dat zal je nou
altijd zien.”

Nu maakte de ernst plaats voor vroolijkheid en opgewondenheid. Men
schaterde het uit om Jan’s woorden.

„Lang leve onze Jan!” gilde Ita, haar glas in de hoogte, „laten we hem
plechtig beloven, dat wij, als hij eens geëngageerd is, niet huilen
zullen.”

„Dat beloven we,” riepen allen.

Maar Jan schudde bedenkelijk zijn hoofd.

„Daar zou ik maar geen belofte op doen, dat kun jullie toch niet laten.
Enfin, het is nog zoo ver niet.”

Toen het middagmaal was afgeloopen, vroeg Thea een beetje verlegen, of
het gek zou zijn, als ze met Karel even een straatje omging.

„Gek, poes, natuurlijk niet, waarom?” vroeg haar vader, „heb je er
behoefte aan een luchtje te scheppen?”

Thea antwoordde niet dadelijk, maar keek Karel aan en lachte.

„Weet je wat het is,” riep Iet, „ze wil met hem gearmd loopen op
straat, ze kan niet tot morgen wachten, zoo’n lekkere snoes.”

Thea werd nog verlegener en allen lachten.

„Is het dat, hartje?” fluisterde Karel haar toe.

Ze knikte en zag er zoo snoezig verlegen uit, dat hij haar graag even
gepakt had, maar hij durfde niet goed, zoo omringd van allen.

„Dan gaan we,” zei hij vroolijk. „Toe Iet, haal een hoed en een mantel
voor haar, ze heeft gelijk, we moeten vanavond nog samen gearmd uit.”

Ita vloog weg om het gevraagde te halen en weldra bevond het paartje
zich op straat. Thea vond het eigenlijk maar goed, dat het al wat
donker begon te worden, want ze verbeeldde zich, dat iedereen naar haar
keek.

Dan gaf ze Karel’s arm een zacht drukje, dat deze natuurlijk dadelijk
beantwoordde en dan keken ze elkander eens in de oogen en voelden zich
in den zevenden hemel.

Wat ze echter niet wisten, was, dat Nico en Bets hen op een afstandje
volgden; de groote Bets met den veel kleineren Nico gearmd en trouw
iedere beweging van het voor hen uitgaand paartje nadoend.

Ze waren stilletjes ontsnapt; toen ze hoorden, dat Thea met Karel zou
uitgaan, besloten ze het hunne te hebben van dat eerste wandelingetje.
Nu hadden ze dolle pret.

„Nou drukt ze hem weer op zijn arm,” fluisterde Bets giechelend, „zóó,”
en ze kneep Nico’s arm plat tegen zich aan.

„Au, je doet me pijn,” zei pseudo-Karel, die veel tengerder was, dan
zijn gewaand meisje.

„Hou je mond toch,” fluisterde dit verschrikt, „als ze omkijken en ons
zien, nou....”

„Je moet meer naar me kijken” beweerde Nico, „neen je doet het niet
goed, je moet rood worden en lachen met kuiltjes in je wangen. Dat deed
ze vanmiddag den heelen tijd. Je doet het niks aardig, ajakkes.”

Bets verzekerde hem, dat ze haar best deed, maar ze kon geen kuiltjes
lachen, die had ze nooit en rood zag ze al genoeg.

Op dat oogenblik, in een verlaten straat, waagde Karel het, Thea’s
gezichtje even naar zich toe te halen. Hij had eerst rond gekeken, of
niemand hen zien kon, maar had de kinderen niet ontdekt, die nog juist
tijd gehad hadden, zich achter een vooruitstekenden gevel te verbergen.

„O!” riep Bets, Nico een kneep gevend, „zag je dat?”

„Nou je hoeft me niet zoo te knijpen,” beweerde Nico, vrij hard.

„St,” fluisterde Bets.

Thea keek onrustig om.

„Hoorde je niets?” vroeg ze.

Maar Karel had niets gehoord, hij was te veel verdiept geweest in de
beschouwing van zijn meisje.

Ze liepen door.

Bets en Nico volgden hen.

„Nou moet je me ook kussen,” beweerde Bets, „anders is het niet echt.”

Nico wilde wel, maar hij kon er niet goed bij, Bets was zooveel grooter
dan hij.

„Je moet je bukken, anders kan ik het niet.”

Maar dat vond Bets niet echt, zooals ze zich uitdrukte.

„Weet je wat,” zei ze, „laat ik voor Karel spelen en jij voor Thea, ik
ben de grootste, net als Karel.”

„Dank je lekker, dan moet ik voor meisje spelen, ik ben een jongen, en
ik wil geen meisje zijn. Ik ben Karel.”

Dat was niet naar Bets’ zin.

„Wees nou niet flauw, anders ga ik naar huis.”

„Ga naar huis. Je zult nog al geen standje krijgen, je bent stil
weggeloopen.”

„Jij zeker niet. Je mag blij zijn, als je enkel een standje krijgt.”

„In ieder geval heb jij het verzonnen.”

Dat was Bets te veel.

„Akelige jongen!” riep ze, „wil je dat vertellen, omdat ik alleen straf
zal krijgen, daar....” en driftig gaf ze hem een klap om zijne ooren,
die tamelijk hard aankwam.

Nico gilde het uit.

Hevig verschrikt keken Thea en Karel om.

Ze zagen op een afstandje twee kinderen, die elkaar flink te lijf
gingen met schoppen en trappen.

„Wat een kinderen, ze zullen elkaar bezeeren. Toe Karel, ga ze
scheiden.”

Karel liep hard in de richting van het vechtende tweetal, maar
nauwelijks zag dit hem aankomen, of het koos het hazenpad. Lachend kwam
Karel bij Thea terug.

„Het leken wel Nico en Bets,” zei hij.

„Nico en Bets? Wel neen, dat kan niet, je moet je vergist hebben, hoe
zouden die hier in de straat komen.”

„Op hun beentjes, nog al gemakkelijk, ons nageloopen, begrijp je.”

Thea stond stil van schrik.

„Denk je dat heusch? Denk je dat ze al dien tijd achter ons geloopen
hebben?

„Best mogelijk.”

„Hè neen, zeg dat nu niet. Ik zou het zoo naar vinden, als ze het
geweest waren. Stel je voor, al dien tijd achter ons aan!”

Karel lachte en zei, dat hij zich wel vergist kon hebben. Ze moest er
maar niet verder over denken, ze waren het bepaald niet geweest.

Intusschen zaten de heer en mevrouw van Welderen in grooten angst: de
kleintjes waren nergens te vinden.

„Ze zijn zeker ook nog uitgegaan,” veronderstelde Ita.

„Onmogelijk, zonder het ons te vragen, doen ze dat na het eten nooit,”
beweerde haar moeder.

„Het zal toch wel zoo zijn,” zei haar man, „waar kunnen ze anders
zijn.”

Jan en Ita werden uit gestuurd om hun broertje en zusje te zoeken in de
omliggende straten, maar kwamen onverrichter zaken terug. Men wist
niet, wat te doen en besloot voorloopig nog een half uurtje te wachten.
Waren ze dan nog niet thuis, dan kon men verder zien.

Het half uur verliep en juist beraadslaagde men, of men naar het bureau
van politie zou gaan, toen Ita, die nog eens uitgeloopen was om naar
hen uit te zien, terug kwam, de kleine zondaars voor zich uit duwend.

„Hier zijn ze de deugnieten, ik vond ze in de straat.”

Moeder, in de groote verluchting die hun behouden terugkomst haar gaf,
kuste hen, maar Vader keek heel donker en verzocht zijn vrouw dat niet
te doen.

„Waar zijn jullie geweest?” vroeg hij barsch.

Onder tranen en snikken deden ze hun verhaal, hoe ze Karel en Thea
hadden nageloopen en hoe grappig deze gedaan hadden.

Ita beet haar zakdoek bijna stuk, terwijl Jan het uitbrulde.

„Ga jij zoolang naar je kamer, Jan,” verzocht Vader.

Zich toen tot de kinderen wendend, zei hij hen, oogenblikkelijk naar
bed te gaan.

„En we hadden ter eere van Thea mogen opblijven,” snikte Bets.

„Dat heb je verspeeld. Vooruit, naar bed, gauw en wees blij, dat je er
zoo afkomt.”

Zoo eindigde voor de twee jongste leden van het gezin de dag minder
prettig, dan ze gedacht hadden.








NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

UIT THEA’S DAGBOEK.


De laatste avond, dien ik als jong meisje in mijn ouders huis
doorbreng!

Ik zal morgen mijn liefsten wensch in vervulling zien gaan en toch
drukt de gedachte aan dezen laatsten avond mij neer; want al hoop ik
veel terug te krijgen, ik laat ook heel veel achter.

Als ik er aan denk, hoeveel onbaatzuchtige liefde ik hier ondervonden
heb, hoeveel opofferingen Vadertje en Moes zich steeds voor ons allen
getroost hebben, dan bekruipt mij de vrees, dat ik niet altijd dankbaar
genoeg geweest ben. Ik kwam wel eens in opstand, als andere meisjes
zooveel meer pretjes hadden, dan ik, ik toonde, dat ik ook meer
genoegens verlangde en ik wist toch, dat ze mij die niet verschaffen
konden. Ik was wel eens ongeduldig, driftig, och laat ik maar niet
alles opnoemen, laat ik de laatste bladzijden van dit boek liever
gebruiken, om mijn dankbaarheid te uiten voor alles, wat het leven mij
gegeven heeft. Ik zit hier nu zoo rustig, iedereen slaapt, ik was ook
al in bed, maar de gedachte, dat deze avond mijn jong meisjesleven
afsluit, liet me niet met rust en ik had behoefte uitdrukking te geven
aan verschillende gevoelens, die mij bestormden. Slapen kon ik toch
niet, dus toen maar vlug opgestaan en mijn trouw dagboek voor den dag
gehaald.

In de eerste plaats dus dank ik Vader en Moeder voor alles, alles, hun
liefde, hun zorg, hun heerlijk voorbeeld, dat zeker niet het minst
heeft bijgedragen, tot hetgeen goed in mij is.

En dan de lieve Ita, mijn trouw zusje, dat voor mij altijd zoo’n
heerlijk vertrouwelingetje is geweest. En kleine Bets en de broertjes,
die lieve, goede kinderen. Ik kan me nu niet begrijpen, dat ik soms zoo
driftig kon worden op Nico en zoo boos op Jan, als ik mij verbeeldde,
dat hij zijn best niet deed. Nico is nog zoo jong, zijn
ondeugendheidjes zijn niet erger, dan die van andere jongens en Jan kan
nu eenmaal niet gemakkelijk leeren.

O, ik zal hen allemaal wel missen, als ik alleen met Karel zal zijn.

En toch, wat een heerlijke gedachte, altijd samen, alles voor elkander
kunnen zijn en te weten, dat we elkaars hoogste geluk uitmaken. Zooals
Vadertje laatst zei, terwijl hij Moeders hand greep, elkanders lief en
leed te deelen en daardoor de vreugde grooter en het leed lichter te
doen schijnen.

Want ik weet heel goed, dat mij niet enkel lief, maar ook leed te
wachten staat. In welk menschenleven komt geen verdriet voor? Maar mij
dunkt, dat het niet zwaar te dragen zal zijn, met zoo’n besten man om
je te helpen en ik zal het als een geluk beschouwen zijn leed te mogen
verzachten.

En alle menschenleed!

Wij hebben zulke heerlijke voornemens, wij willen trachten alle smart,
die wij ontmoeten, te lenigen, wegnemen zal niet altijd mogelijk zijn,
maar verminderen, dat zal wel kunnen. Hij komt door zijn beroep met
zooveel ellende in aanraking, dat ik, als zijn trouwe helpster, zeker
in staat zal zijn veel goed te doen.

Het is alleen jammer, dat we niet rijk zullen zijn, en ons dus altijd
in het weldoen zullen moeten beperken, maar Vader zei, toen hij mij dat
hoorde opperen, dat men soms met een vriendelijk woord en waarachtig
medegevoel al veel goed kan doen. De lieveling was zoo dwaas te
beweren, dat het zien van mijn vriendelijk gezichtje al een weldaad was
en natuurlijk werd dat ten volle beaamd door Karel, maar dat zegt
niets, die ziet nu eenmaal enkel goeds in mij.

Als ik hem maar niet tegenval! Maar hij zal wel begrijpen, dat ik ook
maar een mensch ben en ik zal mijn best doen, zooveel mogelijk op het
ideale wezen te lijken, waar hij mij voor houdt, dat neem ik me heilig
voor.

Het eigenaardigste is, dat hij bang is mij tegen te vallen!

Alsof ik niet heel goed weet, dat ik geen heilige trouw, maar enkel een
door en door goed mensch, een schat, wiens kleine gebreken mij nog
liever zijn, dan de deugden van anderen.

Wat zijn allen lief voor mij geweest dezen laatsten tijd, hoe hartelijk
waren de meisjes op school, toen ik afscheid van hen nam en hoe
ongelukkig mijn arme Louise. Wie had kunnen denken, dien eersten zwaren
tijd op school, dat ik met tranen in mijne oogen van diezelfde klasse
afscheid zou nemen, die mij eerst zoo vreeselijk toescheen. Louise moet
maar veel bij me komen, ze doet nu zoo haar best hare ondeugende
opwellingen te bedwingen. Er zit veel goeds in dat meisje, ze heeft een
sterken wil, als we dien maar op het goede kunnen richten, komt alles
in orde.

Ik had mijn trouwen nog wat willen uitstellen, niet omdat ik er niet
naar verlang, Karels vrouwtje te zijn, maar met het oog op de opvoeding
der kinderen. Ik heb Vader natuurlijk veel gekost, voordat ik zelf in
mijn onderhoud kon voorzien en had mij altijd voorgenomen, dat zooveel
mogelijk terug te geven, door de opvoeding der jongste kinderen te
helpen bestrijden. Ik was daar nu juist mee begonnen en ik vond, dat ik
daar nu niet dadelijk mee mocht uitscheiden. Ik wilde les blijven
geven, totdat Ita volwassen was, dan zou die kunnen helpen, maar Karel
was zoo ongelukkig, toen ik dat voorstelde, dat Vader medelijden met
hem had en zei, dat ik hem zijn zin maar moest geven en alle
bekommernis van mij afzetten, hij zou het wel klaarspelen totdat Ita
volwassen was, daarop behoefde ik niet te wachten om gelukkig te
worden.

„Ik ben nu ook gelukkig,” verzekerde ik.

„Zonder mij?” zei Karel verwijtend.

Maar ik lachte hem uit, ik had hem immers nu ook, ik behoefde hem toch
niet af te staan, al trouwden wij niet dadelijk. Vader bleef vinden,
dat Karel zijn zin moest hebben en dat ik mijne zorgen nu van mij af
moest zetten.

„En als Ita nu ook eens trouwen wil?” vroeg ik eensklaps.

„Dan gaat ze haar gang,” lachte Vader, mij naar zich toetrekkend, „mal
kindje, denk je nu, dat ik mijne dochters zou beletten haar bestemming
te volgen, omdat ik door hen onderhouden wil worden, je hebt een aardig
denkbeeld van me, dat moet ik zeggen.”

Ik kuste hem, nu zelf lachend, alsof die beste, onegoïste vader er niet
alles voor zou over hebben, om het geluk van zijne kinderen te
bevorderen. Maar één ding heb ik toch bedongen. Karel en ik blijven
voor Nico’s schoolgeld zorgen, zoolang Vader Ita’s verdere opvoeding
nog bekostigen moet. Het heeft ons veel moeite gekost, dat door te
zetten, maar eindelijk hebben wij alle tegenkanting van Vader
overwonnen en kan ik de gelukkige gedachte hebben, dat mijn huwelijk
daarin ten minste geen verandering brengt.

Ik begin nu toch moe te worden, ik zal moeten eindigen, anders ben ik
morgen niet frisch.

Zoo neem ik dan afscheid van dit dagboek, ik zal er nooit meer in
schrijven. Ik zal nu voortaan altijd iemand bij mij hebben, aan wien ik
mijn hart kan uitstorten, als ik daar behoefte aan heb.

Lief boekje, je hebt me dikwijls geholpen, als het mij te zwaar werd,
alles alleen te dragen, eerst in Brussel en later hier, toen ik Vader
en Moeder niet verontrusten wilde, door hen mijn verdriet te vertellen
en ik toch zoo’n behoefte had mijne gedachten tot klaarheid te brengen.
Nu moet ik glimlachen, als ik er aan denk, hoe onbeduidend toch
eigenlijk alles was, wat ik beleefd heb, vóór ik Karel ontmoette, maar
toen vond ik dat niet. Als wij elkander eens niet gevonden hadden?

Nu, dan was ik ook wel gelukkig geworden op mijn manier, ik had
pleizier in mijn werk en de troostende gedachte, voor mij zelf te
kunnen zorgen. Dat was ook een soort geluk geweest, ik had hem dan niet
gekend, en dus geen vergelijking kunnen maken, tusschen mijn leven,
zooals het dan geweest was en zooals het nu worden zal.

Morgen, dat weet ik, begint voor mij het grootste geluk, dat er op
aarde voor mij is weggelegd, morgen.....








INHOUD.


                                                                 Blz.
  Eerste        Hoofdstuk.   Het examen                             5
  Tweede            ,,       Een kloek besluit                     15
  Derde             ,,       Afscheid                              31
  Vierde            ,,       Van huis                              41
  Vijfde            ,,       Kennismaking                          55
  Zesde             ,,       Uit Thea’s dagboek                    69
  Zevende           ,,       Een moeielijke taak                   79
  Achtste           ,,       De verdwenen armband                  95
  Negende           ,,       Uit Thea’s dagboek                   105
  Tiende            ,,       De ontdekking                        113
  Elfde             ,,       Naar huis                            127
  Twaalfde          ,,       Jan’s rapport                        139
  Dertiende         ,,       Thea krijgt een nieuwe betrekking    157
  Veertiende        ,,       Een vacantiedag                      171
  Vijftiende        ,,       Een moeielijk begin                  187
  Zestiende         ,,       Een overwinning                      199
  Zeventiende       ,,       Thea en Louise                       213
  Achttiende        ,,       Het engagement                       227
  Negentiende       ,,       Uit Thea’s dagboek                   241











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET ONDERWIJZERESJE ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.