Lord Lister No. 0024: De heilige schat van den Siwa

By Blankensee and Matull

The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0024: De heilige schat
van de Siwa, by Kurt Matull

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
will have to check the laws of the country where you are located before
using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0024: De heilige schat van de Siwa

Authors: Kurt Matull
         Theo Blakensee

Release Date: July 8, 2023 [eBook #71147]

Language: Dutch

Credits: The Online Distributed Proofreading Team at
         https://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0024: DE
HEILIGE SCHAT VAN DE SIWA ***




                              LORD LISTER
                            GENAAMD RAFFLES
                          DE GROOTE ONBEKENDE.

                NO. 24   DE HEILIGE SCHAT VAN DEN SIWA.








DE HEILIGE SCHAT VAN DEN SIWA.


EERSTE HOOFDSTUK.

HET GEVECHT MET DEN TIJGER.


„Seradschi!”

De Mohammedaansche herbergier, die te midden van een groep
geloofsgenooten en Indiërs stond, naderde den jongen man, die hem had
geroepen en welke op een Arabier geleek, hoewel zijn gelaat
onmiskenbaar een Engelsch type had.

„Weet je zeker, dat het een tijger was?” vroeg de vreemdeling.

„Ja, Sidi! Ik heb zijn spoor gezien! Het is groot en scherp geteekend.
Het moet dus een wijfje zijn, en Allah moge het vervloeken! Bijna elken
dag verscheurt zij mij een mijner schapen. Ik ben een arme
koffiehuishouder en bezit slechts 22 schapen. Kan zij niet naar iemand
gaan, die het beter kan missen?”

„Waarom maak je haar niet dood?”

„Het wijfje van den gelen tijger dooden? Weet gij niet, dat er een
Scheitan onder haar huid woont en dat die iedereen verscheurt, welke
haar kwaad wil doen?”

De jonge Engelschman keerde zich lachend tot zijn vriend, die naast hem
op een deken lag en in het Engelsch sprak hij tot dezen:

„Wat denk jij er van, Charly, zullen wij den Scheitan eens onschadelijk
maken?”

„Ik ben gaarne bereid, Edward,” antwoordde de gevraagde.

De persoon, die met den naam Charly werd toegesproken, was een jonge
man van misschien vijf-en-twintig jaar. Klaarblijkelijk was hij een
Engelschman, evenals zijn vriend, die een flinke dertiger kon zijn, en
evenals deze, in een witte burnous gehuld, zooals de Arabieren die
dragen.

Beiden rookten uit korte aarden pijpjes en genoten van de voor hen
staande Turksche koffie.

De herberg, waarin dit gesprek werd gevoerd, lag in een dal, dat
omringd was door steile rotswanden. In het oosten bevond zich een nauwe
pas, die naar den karavaanweg geleidde, welke door de woestijn liep.

De Engelschman vatte het gesprek weer op en sprak tot den herbergier,
die voor hem stond:

„Maar als je het wijfje van den tijger niet doodt, dan zal het ten
slotte ook jou verscheuren!”

„Zij zal ver van mijn huis blijven, al vermoordt zij mijn kudde ook.
Wie driemaal per dag bidt, is veilig voor alle wilde dieren.”

„Ik bezit iets, dat machtiger is en dat mij tegen alle vijanden
beschermt.”

„Leer mij, wat het is, o heer!”

„Leeren kan ik het je niet, maar ik wil het je laten zien!”

De Engelschman had zijn geweer ter hand genomen, dat naast hem lag, en
legde het schertsend aan op den Arabier.

Verschrikt sprong deze op zij.

„Vlucht, mannen! De Sidi heeft zijn verstand verloren en wil ons
vermoorden!”

Onder de weinige gasten van het koffiehuis ontstond een groot tumult.
Allen drongen opzij om buiten schot te komen.

Vroolijk riep Lord Lister, want hij was de Engelschman, terwijl hij
zijn geweer neerzette:

„Blijft rustig zitten, mannen. Ik wil niemand van u dooden, maar ik zal
u van den tijger bevrijden. Seradschi, breng mij naar de plek, waar je
schapen zich bevinden.”

„Maar heer, zijt gij dol? Verlangt gij, dat ik nu, in den nacht, met u
naar buiten zal gaan om mij door het ondier te laten verscheuren?”

„Beschrijf mij dan de plaats, waar je schapen zijn.”

„Op nauwelijks honderd pas afstands van hier, in het zuiden, waar al
die steenen liggen.”

Lord Lister was opgestaan en had zijn buks opgenomen. Het mes stak
reeds in zijn gordel.

Ook zijn vriend Charly stond op, zijn geweer opnemende.

Lord Lister vroeg de drie bedienden, die hem vergezelden:

„Wie van u gaat mee?”

Alle drie sprongen op. Vrees stond duidelijk op hun gelaatstrekken te
lezen. De grootste van hen, een Mohammedaan, trad naar voren en sprak,
terwijl hij de armen als afwerend uitstrekte:

„Ik dank Allah, dat ik het leven heb! Gij kunt niet verlangen, heer,
dat ik het aan de wilde dieren geef.”

„Dus je bent bang, Hassan!”

Op de bekende, bloemrijke wijze van alle Oostersche volken, die altijd
in overdrijving vervallen, antwoordde deze:

„O, Sidi, zet mij tegenover honderd vijanden en Hassan vreest niet;
maar met een wild dier vechten, dat nooit!”

„Blijf dan hier.”

„O, heer, ga ook niet, gij zijt een mensch, op wiens vleesch de beesten
verzot zijn. Als gij nu gaat, verscheuren zij u en men zal morgen niets
meer van u vinden dan de zolen uwer schoenen.”

„Wees gerust, Hassan, je zult morgen niet alleen de schoenen zien, maar
ook den man, die ze draagt. Kom, Charly!”

Snel verlieten de beide vrienden het veilige huis en liepen den nauwen
pas door. Nauwkeurig in zuidelijke richting gaande, bemerkten zij ook
spoedig een massa hooge, geweldige rotsblokken.

De omheinde plek, waar zich de schapen bevonden, grensde aan een der
rotswanden. De drie andere zijden waren door palen afgeschoten, die
onderling door touwen verbonden waren.

Het was een heldere nacht, zoodat men gemakkelijk de omtrekken der
rotsmassa’s kon zien.

Tusschen twee dezer rotsen bevond zich op tamelijke hoogte een kloof,
die van boven door neergevallen steenen was bedekt.

Zoodoende aan drie kanten afgesloten, bood deze ruimte een veilige
schuilplaats aan voor jagers.

Beide vrienden hadden, eer zij de herberg verlieten, de witte burnous,
die hun bij het klimmen hinderlijk zouden zijn geweest, eerst afgelegd.
Door niets in hun bewegingen gestoord, klommen zij langs de tamelijk
steile rotswanden naar boven en weldra hadden zij de kloof bereikt.

Lord Lister was de eerste, die deze kloof betrad. Langzaam voorwaarts
gaande, trachtte hij te zien, wat zich in de donkere ruimte bevond.

Charly Brand was zijn vriend gevolgd en daalde juist neer in de grot,
toen hij met een kreet van ontzetting terugdeinsde.

Met een woedend gesis had zich een monsterdier opgericht; in het
volgende oogenblik voelde Charly hoe het zich om zijn rechterbeen wond
en nu naderde de kop van de reuzenslang met uitgestrekte tong het
gelaat van den armen jongen.

Het was een tijgerslang van de grootste soort, die door Charly in haar
zoete rust was gestoord.

Verlamd van schrik bleef de jonge man staan. Achter hem de steile
rotsen, voor hem de zwarte kloof, die misschien nog meer vreeselijks
verborg en dicht bij zijn gelaat de wijdgeopende bek van het
afschuwelijke dier met de dood aanbrengende gifttanden.

Lord Lister had met een enkelen blik gezien in welk vreeselijk gevaar
zijn vriend zich bevond. Elk oogenblik kon zijn laatste zijn, als het
monster beet, was Charly reddeloos verloren.

Bliksemsnel had hij zijn geweer omgekeerd. Met groote kracht suisde de
kolf langs het hoofd van Charly en verpletterde den kop van de slang
tegen den rotswand.

Het lichaam van het reptiel kromde zich in zijn laatste stuiptrekkingen
zoo vast om het been van den jonge man, dat deze elk oogenblik het
kraken zijner beenderen meende te zullen hooren.

De slag was met geweldige kracht aangekomen.

Snel had Lord Lister zijn mes uit den gordel getrokken en met een
enkele snede den half verpletterden kop van den romp der slang
gescheiden.

De stuiptrekkingen hielden op en eenige oogenblikken later viel het
doode lichaam op den grond neer.

Charly kon van ontzetting geen enkel woord spreken; half bewusteloos
leunde hij in de armen van zijn vriend.

„Je hebt mij het leven gered,” sprak Charly eindelijk, geheel uitgeput.

„Maar, beste jongen, dat is het praten niet waard; jij zult hetzelfde
doen als het noodig is. Nu zullen we eerst eens kijken, hoe ons
slachtoffer er uit ziet.”

Bij nadere beschouwing bleek het een tijgerslang van 8 meter lengte te
zijn.

Lord Lister had zijn electrische zaklantaarn te voorschijn gehaald en
liet het licht in de kleine grot vallen om te zien of zich daarin nog
meer slangen bevonden.

Deze vrees was echter ongegrond.

De beide vrienden maakten het zich nu zoo gemakkelijk mogelijk. Met de
geweren in de hand luisterden zij in gespannen aandacht naar elk geluid
in de stille wildernis.

Plotseling ontstond beweging onder de schapen. Zij staken de koppen
bijeen en kropen angstig tegen den rotsmuur aan.

Lord Lister boog zich een beetje voorover om beter te kunnen zien en
hooren. Daar vernam hij boven zich een bijna onhoorbaar sleepend
geluid. Blijkbaar was het dier op de rots geklommen om zijn buit te
bespringen.

Snel trok de Lord zijn hoofd weer terug. Men hoorde duidelijk hoe de
klauwen van den tijger over de rotsen schuurden.

Nu volgde een sprong, een donker lichaam vloog langs de hoofden der
jagers—een korte, blatende doodskreet, die uit het midden der angstig
samenscholende schapen weerklonk, en fier opgericht stond de tijger
tusschen de doodsbeangste beesten; onder zijn rechter voorpoot lag het
gedoode schaap.

Het roofdier hief nu zijn kop op en stiet luide zijn zegekreten uit.

Wie deze klanken ooit heeft gehoord, zal ze nooit vergeten.

De wijd geopende, groenachtig glanzende oogen van het dier boden een
prachtig mikpunt aan. Nog voordat het gebrul was verstomd, knalde een
schot door den stillen nacht.

Met vervaarlijk gebrul vloog het dier in de hoogte en wilde het naar de
rotskloof springen. Voordat het deze echter kon bereiken, viel het op
den bodem neer De kogel was midden in het eene oog gedrongen.

Charly kon zich niet weerhouden zijn vriend een luid „bravo!” toe te
roepen.

Het geheele voorval had zich zoo snel afgespeeld, dat Charly, hoewel
hij zijn geweer gereed had gehouden, geen gelegenheid tot schieten had
gehad.

De luide knal, die den tijger had gedood, had echter een geheel
onverwachte uitwerking.

Plotseling weerklonk in de verte een heesche, woeste kreet, waarop
reeds na zeer korten tijd een woedend gebrul in de nabijheid volgde.

Met groote sprongen naderde een slank, lenig dier, dat dicht bij de
schapen, juist tegenover de jagers, neerhurkte.

Het was blijkbaar de mannelijke tijger, die door den doodskreet van het
wijfje opmerkzaam gemaakt, was komen aansnellen.

Ondanks het slechte licht scheen het beest zijn beide vijanden in de
rotskloof opgemerkt te hebben. Hij hurkte met een woedend geblaas neer,
om zich tot den sprong voor te bereiden.

Dit alles was zoo razend snel gegaan, dat Lord Lister geen tijd had
gehad om zijn buks weer in gereedheid te brengen. Hij had juist opnieuw
geladen, toen het dier als een pijl uit den boog naar de jagers
toesprong.

Beiden schenen nu verloren te zijn. Daar knalde weer een schot en in
dit ondeelbaar korte oogenblik zag men het slanke lichaam van het dier
zich door de lucht bewegen.

Over den kop vliegend viel het met een luiden plof op een
vooruitstekend rotsblok aan de voeten der beide vrienden neer.

Toen Charly begreep in welk gevaar zij verkeerden, had hij, zonder zich
een oogenblik te bedenken, geschoten en zoodoende zich zelf en zijn
vriend voor een zekeren dood bewaard. In zijn opgewondenheid en haast
moest hij echter niet juist gemikt hebben.

De tijger was wel zwaar gewond neergevallen, maar niet dood.

Een ontzettend gebrul weerklonk. Schuim en bloed vloeiden uit den
wijdgeopenden bek van het roofdier en, zich half oprichtend, sloeg het
reusachtige dier de klauwen uit naar zijn vijanden.

Met gespannen aandacht had Lord Lister het tooneel gevolgd. In
koortsachtige haast had hij zijn buks geladen en nu legde hij aan op
den gewonden tijger. Een schot weerklonk, het prachtige beest rolde van
het rotsblok naar beneden en kwam terecht tusschen de schapen, die
angstkreten uitstieten.

Hoewel Lord Lister geen vrees kende, ontsnapte hem toch een zucht van
verlichting, toen hij den geweldigen vijand zag vallen.

Zijn vriend een hand gevend, sprak hij:

„Zie je, Charly, nu heb je mij den kleinen dienst van zooeven reeds
vergolden, want zonder jouw hulp zou die knaap daar beneden hier een
leelijke rol hebben gespeeld.”

De koene jagers laadden hun geweren en klauterden daarop naar beneden.

Beide roofdieren lagen over elkaar heen. Zij waren enorm groot en
vooral het wijf je was zoo zwaar, dat men het slechts met moeite kon
bewegen.

Uit de verte weerklonk het gehuil van den jakhals. Deze lijkenroover
der woestijn had de sporen der tijgers gevolgd en hoopte nu op een
heerlijk maal.

Toen de helden van dit nachtelijk avontuur de herberg weer
binnenkwamen, waren de gasten nog bijeen. Nieuwsgierigheid, gepaard met
angst, hadden hun wakker gehouden.

Het scheen hun ongelooflijk, dat twee menschen het hadden durven wagen
om midden in den nacht op een zoo gevreesd roofdier te gaan jagen. Het
geknal der schoten had hun verteld, dat een gevecht plaats vond;
natuurlijk dachten zij niet anders dan dat de beide overmoedige jagers
het zouden moeten afleggen.

Men staarde nu de binnentredenden als spookverschijningen aan.

„Welkom, heeren!” sprak de waard. „Gij hebt verstandig gedaan. Wij
hebben uw schoten gehoord, dat zal ook de tijgers gedurende dezen nacht
wel op een afstand houden.”

Lord Lister antwoordde:

„Het wijfje van den tijger is met het mannetje gekomen en heeft een van
je schapen gedood. Je moet het dadelijk halen, anders vreet de jakhals
het op, wiens huilen wij reeds hebben gehoord.”

„Allah behoede mij, maar de jakhals mag het opvreten. Ik ga niet naar
buiten, waar de wilde beesten mij zouden verslinden.”

„Je zult niet verscheurd worden, want de beide tijgers zijn dood.”

„Spreekt gij de waarheid, Sidi?”

„Mijn woord is waarheid! Komt, mannen, en helpt om de lichamen der
gedoode dieren naar binnen te halen!”

Bij deze woorden maakte zich een groote opgewondenheid van de
aanwezigen meester.

Niemand wilde gelooven, dat de Engelsche heer waarheid sprak en de
beide vrienden hadden geruimen tijd noodig om hen tot meegaan te
bewegen.

Eindelijk besloot men er toe en ontstak fakkels. Onder aanvoering der
beide helden gingen allen op weg.

De schapen kropen angstig bij elkaar, toen zij de brandende fakkels
zagen.

Het nu volgende tooneel is niet te beschrijven.

Nauwelijks hadden de Arabieren de gedoode beesten gezien, of zij
wierpen zich op de lichamen. Zij sloegen de nu weerlooze beesten met
vuisten, trapten er met hun voeten op en overlaadden ze met alle
mogelijke scheldwoorden, waaraan de Oostersche volken zoo rijk zijn.

Daarop werden de dieren naar de herberg gesleept en stroopte men hun
daar het vel af.

Toen de beide vrienden zich in hun dekens hadden gehuld, sprak Charly:

„Raffles als tijgerjager en slangendooder—dat is nog niet voorgekomen.”

Lord Lister antwoordde slechts met een vroolijk lachje, daarop sliepen
beiden in.








TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN MENSCHELIJK OFFER.


Nadat de kleine karavaan zich in het dal met den meegebrachten voorraad
had gelaafd en verkwikt, gaf Lord Lister bevel om op te breken.

Hij zelf en zijn vriend Charly bereden paarden van het kleine
Barbarijsche ras, beesten die onvermoeid schijnen te zijn. De drie
bedienden zaten op kameelen, die ook de bagage vervoerden.

„Ik geloof niet, dat wij Mangalur heden nog zullen bereiken, Edward.
Het moet al laat zijn.”

De Lord keek op zijn horloge en antwoordde:

„Ja, het is bijna drie uur, maar als wij ons haasten, kunnen wij de
stad nog voor zonsondergang bereiken.”

De rijdieren werden aangespoord en, in een dichte stofwolk gehuld, trok
de karavaan verder.

Na verloop van een half uur had men een zeer dicht bosch bereikt, dat
zich op mijlen afstands scheen uit te strekken.

Deze weg was veel aangenamer, want hier hadden de ruiters niet zoo veel
te lijden van het stof. Daarentegen was het hier alleen mogelijk,
achter elkaar te rijden en zoo bewoog de stoet zich in een kronkelende
lijn voorwaarts.

Aan het hoofd reeds Lord Lister.

Plotseling hield hij zijn paard in, want uit het donkere bosch klonk
een dof geluid en werden eigenaardige, metalen klanken verneembaar. Het
geleek op een concert van menschelijke stemmen en koperen instrumenten,
dat uit de verte weerklonk.

John Raffles gaf de karavaan een teeken om stil te houden. Snel was hij
van zijn paard gesprongen en een oogenblik daarna had hij zich door het
dichte kreupelhout gewerkt. Na eenigen tijd kwam hij terug en sprak:

„Het is een processie van Brahmanen, die naar dezen kant komt. Als het
eenigszins mogelijk is, zullen wij vermijden door hen gezien te
worden.”

Men bracht dadelijk de rijdieren dieper het woud in tot op een open
plek, waar men naar alle berekening niet door de deelnemers aan den
optocht zou worden gezien.

Deze voorzorgsmaatregel was noodzakelijk. Want, waar de Indiërs reeds
in het algemeen wantrouwend en vijandig gezind zijn tegen alle
vreemdelingen, daar kunnen zij tot toomelooze woede worden geprikkeld,
wanneer „ongeloovigen”, zooals zij alle menschen noemen, die niet hun
geloof deelen, hen bij hunne godsdienstige gebruiken bespieden.

Het kwam er nu vooral op aan om te voorkomen, dat de dieren hen zouden
verraden, want elk geluid zou hun het leven kosten.

Bij de kameelen was dit betrekkelijk eenvoudig, daar hun muil steeds,
als zij als rijdieren worden gebruikt, door het toom is dichtgebonden.

Moeilijker was het echter met de paarden. Ieder der ruiters stond
daarom vlak naast zijn rijdier en hield de teugels strak, terwijl hij
geruststellend over den hals van het dier streek.

Intusschen was de optocht der Brahmanen steeds nader gekomen. Het
verwarde rumoer van instrumenten en stemmen werd steeds luider,
eentonig gezang vermengde zich met den klank van cymbalen en trommels.

Nu werd de spits van de processie door de boomen zichtbaar en wel op
een afstand van nauwelijks tweehonderd schreden, zoodat de luisteraars
alles konden zien en hooren.

Vooraan liepen de priesters met de mijters op hun hoofden, gehuld in
lange, geruite kleeren. Zij waren omringd door mannen, vrouwen en
kinderen, die een soort doodenzang schenen uit te galmen. Met
regelmatige tusschenpoozen onderbraken trommel- en cymbaalslagen deze
eentonige melodie.

Op deze groep volgden zebu’s, die buitengewoon rijk waren opgetuigd.
Zij trokken een kar op twee wielen, waarvan het houtwerk was versierd
met griezelige slangenlichamen. Op die kar stond een groote gedaante,
die vier armen had; het was een beeld van de godin Kali, de godin van
de liefde en den dood.

Het lichaam van deze figuur was helrood geverfd. Het haar fladderde
verward langs het hoofd, de tong hing uit den mond. De lippen waren met
verf besmeerd.

Aan den hals der godin Kali hing een sieraad van doodshoofden en om
haar heupen prijkte een gordel van afgehakte handen. Zij stond op het
lichaam van een menschelijken reus, wiens hoofd was afgehouwen.

Rondom deze figuur draaide en krioelde onophoudelijk een schaar oude
fakirs, die zich met okerkleurige strepen hadden beschilderd, alsof zij
zebra’s waren.

De bijna naakte lichamen dezer fanatieken waren bedekt met
kruiselingsche inkervingen, waaruit het bloed voortdurend sijpelde.

Het was een griezelig gezicht. Eenige der fakirs hadden zich kleine
dolken en messen door de spieren hunner armen en beenen gestoken;
sommigen hadden drie of vier korte pijlen in voorhoofd en oorschelpen,
zoodat het bloed vanuit het hoofd langs het geheele lichaam stroomde.

In dezen toestand voerden zij hun regelmatige dansen rondom het
afgodsbeeld uit.

Achter hen sleepten eenige Brahmanen, gekleed in prachtige Oostersche
gewaden, een vrouw, die nauwelijks op de been kon blijven.

Zij was nog jong en van buitengewone schoonheid. Haar hoofd, hals,
schouders, ooren, armen, handen en enkels waren beladen met juweelen,
hals- en armbanden, ringen en kettingen. Een met goud doorweven tunica
van dun neteldoek omhulde haar gestalte.

Achter deze groep droegen wachten met blanke sabels en lange pistolen
in hun gordel, op een baar het lijk van een grijsaard. Het hoofd was
bedekt door den rijk met paarlen bestikten tulband. Het lichaam was
gehuld in een gewaad van zijde en goud, waaromheen een met diamanten
versierde gordel prijkte. In dien gordel staken de prachtige wapens van
een Indischen vorst.

Hierop volgden muziekcorpsen, en het slot van den optocht werd weer
gevormd door fanatieken, die af en toe het lawaai der instrumenten
overschreeuwden.

De lange stoet bewoog zich langzaam voorwaarts onder de boomen en was
weldra in de duisternis van het woud verdwenen.

Hassan, de lange Mohammedaansche bediende van Lord Lister, was naar
dezen toegekomen en sprak nu, met zijn hand wijzend naar de richting
waarin de stoet was verdwenen:

„Een Sutty!”

Hoewel men nog slechts op grooten afstand af en toe de klanken van het
woeste geschreeuw hoorde, durfde de bediende nog niet luid te spreken.

Lord Lister vroeg:

„Wat beteekent het woord: Sutty?”

„Een menschelijk offer, Sidi. De vrouw, die wij zooeven zagen, zal
morgen zoo vroeg mogelijk worden verbrand.”

„En het lijk?”

„Is dat van haar echtgenoot, een onafhankelijken Radja.”

„Wat?” riep Charly vol ontzetting uit, „bestaan die barbaarsche zeden
nog in Indië? Heeft onze regeering daar dan geen eind aan kunnen
maken?”

„Mijn beste Charly,” antwoordde Lord Lister, „in het grootste gedeelte
van Indië hebben deze menschelijke offers niet meer plaats, maar in
deze woeste streken heeft de Engelsche wet geen invloed.”

„O, Sidi,” riep Hassan uit, „de geheele noordelijke rug van het
Windhiagebergte is het tooneel van voortdurende moorden en gruweldaden.
De offerdood, die morgen plaats zal vinden, is ook geen vrijwillige.”

„Waarom denk je dat?”

„De zaak is in deze streek bekend genoeg. Men bedwelmt de offers met
den rook van hennep en opium.”

„Waarheen brengt men die ongelukkige vrouw?”, informeerde Lord Lister
verder.

„Naar de pagode van Nyagrodha, op hoogstens twee mijlen van hier. Daar
moet zij den nacht doorbrengen en het uur van haar dood afwachten.”

„Wanneer zal de offerplechtigheid plaats hebben?”

„Morgen bij het krieken van den dag.”

De reizigers hadden zich naar hun rijdieren begeven om hun weg voort te
zetten. Lord Lister wilde juist in het zadel springen, toen hij
plotseling tot zijn vriend Charly Brand sprak:

„Hoe denk je erover, zullen wij deze vrouw van den marteldood redden?”








DERDE HOOFDSTUK.

DE GEEST VAN DEN RADJA.


De pagode van Nyagrodha grensde aan de achterzijde aan een dicht woud.
Op een groot, open plein, dat zich voor den afgodstempel uitstrekte,
hadden zich de deelnemers aan den optocht, priesters, fakirs, mannen en
kinderen verzameld. In een cirkelvormige, vrij gebleven ruimte voerden
de fakirs hun heilige dansen uit.

De toeschouwer moest denken, zich in een gekkenhuis te bevinden. Onder
woest geschreeuw, dat voor zang moest doorgaan, sprongen, draaiden en
wentelden zich de fakirs door elkaar.

Met scherpe messen in de handen deed ieder zijn best, zijn lichaam
zooveel wonden toe te brengen, als maar mogelijk was; het bloed vloeide
reeds in stroomen.

De priesters hadden „hang” rondgedeeld. Dit is een vloeistof, die
bestaat uit een aftreksel van hennep, vermengd met opium. Het gebruik
van dit duivelsche mengsel veroorzaakt woeste dronkenschap, waarop een
diepe slaap met allerlei fantastische droomen volgt.

De volksmenigte genoot bij het zien van het bloed, dat van de dansende
fakirs droop en deze geestdrift werd door het drinken van de „hang”
opgezweept tot onbeschrijfelijke woestheid.

Allen schreeuwden en tierden als bezetenen. De trommels en cymbalen
werden met groote kracht bewerkt, kortom, het was een helsch spektakel.

Toen de uitwerking van de „hang” merkbaar werd, werd de heksensabbath
steeds doller, om daarna, toen allen behoefte kregen aan rust en slaap,
te verminderen.

Voor het beeld van de godin der liefde en van den dood, die in al haar
afschuwelijkheid op het woeste tooneel neerkeek, was een brandstapel
opgericht. Deze bestond uit kostbaar sandelhout, dat gedrenkt was in
welriekende oliën.

Op dezen brandstapel lag het lijk van den Radja, om bij het aanbreken
van den dag met zijn ongelukkige weduwe verbrand te worden.

Het woeste getier was langzamerhand verstomd. De meeste feestgangers
lagen door elkaar in diepen slaap, die soms door plotselinge kreten
werd onderbroken, als de droomen al te benauwd waren. Een paar fakkels
verlichtten op onvoldoende wijze het plein, dat met de beschonken
slapers een walgelijken aanblik bood.

Het dichte kreupelhout van het bosch, dat grensde aan den
afgodentempel, werd zachtjes bewogen en uit het donker kwam een
gestalte te voorschijn, die, voorzichtig voortsluipend, het gebouw
trachtte te naderen. Vlak daarachter volgde een tweede gedaante.

Het waren Lord Lister en zijn vriend, Charly Brand, die den tempel
naderden.

De donkerkleurige bedienden waren bij de rijdieren achtergebleven,
omdat bij het beraamde plan niet op hen te rekenen viel en ook omdat
zij bezwaar gemaakt zouden hebben om in te grijpen in de heilige
gebruiken van hun eigen stam. En dit was hun niet kwalijk te nemen,
want, indien zij gevangen werden genomen, zou de wraak verschrikkelijk
zijn.

De vrienden hadden afgesproken, een poging te wagen, om in den nacht
den afgodstempel binnen te dringen.

Nadat zij de beschermende duisternis van het woud, hadden verlaten,
lieten zij zich voorzichtig op den grond glijden, langzaam op den buik
voorwaarts kruipende.

Toen zij op deze manier eenigen afstand hadden afgelegd, merkten zij
tot hun spijt, dat de ingang der pagode bewaakt werd door twee
gewapende mannen met het blanke zwaard in de hand. Dit tweetal scheen
niet onder den invloed van de „hang” te verkeeren, want zij liepen,
oogenschijnlijk als de eenige nuchteren van het gezelschap, heen en
weer.

Nadat zij zich een beetje hadden teruggetrokken, overlegden de
vrienden, of zij het zouden durven wagen, de wachthoudende mannen te
overvallen. Weldra echter zagen zij in, dat dit hun niet zou gelukken,
want het zou onmogelijk zonder alarm te maken, kunnen gebeuren. En dat
zou gevaarlijk zijn, want al zouden ook zij, die daar lagen te ronken,
niets hooren, dan werden misschien de priesters, die den ganschen nacht
bij de ten doode gedoemde moesten waken, opmerkzaam gemaakt.

De beide vrienden kwamen nu overeen om van de achterzijde den tempel
binnen te dringen. Het gelukte hun zonder veel moeite, die zijde van
het gebouw te bereiken.

Het ging reeds tegen den morgen, maar alles was nog gehuld in diepe
duisternis. De maan was verscholen achter de wolken, zoodat het gevaar
om gezien te worden, zeer gering was.

Maar nu deed zich een moeilijkheid op.

De muren van den tempel en de steenen boden weerstand aan elken aanval.
Met de grootste inspanning werkten de beide vrienden, want, zoo
overlegden zij, als het hun slechts gelukte, een enkelen steen los te
werken, zouden ook de andere gemakkelijk verwijderd kunnen worden.

Alle moeite was echter tevergeefs. Intusschen werd het steeds later en
het kwam hun voor, alsof op het plein voor den tempel beweging
ontstond.

Het eerste licht van den aanbrekenden dag was reeds zichtbaar. Het zou
zelfmoord zijn, om nog langer daar te blijven.

Mistroostig en teleurgesteld moesten de beide helden dus van hun
reddingswerk afzien. Zij trokken zich terug in het kreupelhout en
snelden daarna weer naar de rustplaats hunner paarden.

Onderweg scheen Lord Lister een besluit te hebben genomen, want hij
liet dadelijk de rijdieren zadelen. Daarna moesten de bedienden de
kameelen naar een open plek brengen.

Hij zelf en Charly Brand echter leidden hun kleine paardjes tot dicht
bij den tempel, waar zij ze aan boomen vastbonden. De bedienden hadden
bevel gekregen, zich elk oogenblik voorbereid te houden op vluchten.

Het was op het plein voor de pagode steeds levendiger geworden. De
slapers werden wakker, tromgeroffel weerklonk, woest geschreeuw en
gezang werd weer vernomen.

Het nachtelijk donker was geweken voor het licht van den komenden dag.
Nu was het uur aangebroken, waarin de ongelukkige vrouw den
vreeselijken marteldood zou sterven.

De deuren van den tempel werden geopend en een helder licht scheen uit
het gebouw. Twee priesters sleepten het slachtoffer naar buiten.

De jonge vrouw was in een toestand van gevoelloosheid geraakt, een
uitwerking van den hennepdrank. Willoos volgde zij haar beulen, die
haar door de rijen der fakirs sleepten.

Deze hadden weer hun dansen aangevangen en pijnigden hun lichamen met
messen en dolken, bijna nog erger dan den vorigen dag. Een
oorverdoovend lawaai en woest geschreeuw weerklonk, terwijl men het
offer in den kring sleurde.

Daar stond een groote bak met gloeiende kolen, waarin groote brokken
ijzer lagen. Een priester naderde, nam er een der witgloeiende stukken
metaal met een groote tang uit en hield het voor de ongelukkige vrouw,
die nu de vuurproef moest doorstaan.

De wreedheid dezer Indiërs is bijna grenzenloos. Op vreeselijke wijze
wordt het arme slachtoffer nog gemarteld, voordat het aan den vuurdood
wordt overgegeven, maar hierbij werkt de bedwelming van den hennepdrank
werkelijk weldadig, want het ongelukkige schepsel weet nauwelijks, wat
er met hem geschiedt.

Zoo was het ook hier. Een tweede priester greep de rechterhand der
jonge weduwe en legde die op het gloeiende ijzer. Een sissend geluid
werd gehoord en de reuk van verbrand vleesch verspreidde zich in de
lucht.

Zonder geluid te geven had de ongelukkige deze vreeselijke kwelling
verdragen, daarna echter zonk zij als bewusteloos in elkaar.

Ruw en brutaal werd zij in de hoogte gesleurd, op den brandstapel
gesleept en naast het lijk van den Radja neergelegd.

Een priester nam een der fakkels, hield die bij het hout van den
brandstapel en heldere vlammen sloegen uit het met olie gedrenkte hout.

Maar— —wat was dat? Een ontzettend geschreeuw weerklonk plotseling. De
fakirs, priesters, soldaten en het volk, allen schreeuwden en wierpen
zich ter aarde, hun oogen met de handen bedekkend, opdat zij, als
aardsche en onwaardige wezens, niet het heilig wonder zouden zien, dat
daar geschiedde.

Was de Radja niet dood?

Men had gezien, dat hij zich plotseling oprichtte en als een spook, met
de jonge vrouw in zijn armen, van den brandstapel verdween.

Lord Lister was tot een wanhopig besluit gekomen. Hij moest de
ongelukkige redden, redden tot elken prijs.

Zoo was hij voorzichtig tot achter den brandstapel geslopen en was aan
die zijde naar boven geklauterd. Niet denkend aan zijn eigen leven,
hurkte hij in elkaar, toen de beide priesters, op eenigen afstand van
hem, het offer hadden neergelegd.

Op het oogenblik, waarin de vlammen uit het hout sloegen, pakte hij met
gespierden arm de bewustelooze vrouw beet en haastte zich met zijn last
naar beneden.

Charly stond dichtbij de paarden. Hij hield zijn geweer gereed om, zoo
noodig, zijn vriend voor dreigende gevaren te kunnen beschermen.

Toen hij den redder met de jonge vrouw in zijn arm door de vlammen naar
beneden zag klimmen, maakte hij snel de touwen der paarden los. Snel
als de bliksem was Lord Lister op zijn Barbarijsch paardje gesprongen
en had de nog steeds bewustelooze weduwe van den Radja voor zich dwars
over het zadel gelegd.

Even handig sprong Charly in zijn zadel en voort ging het in vliegende
vaart.

Dit alles was zeer snel in zijn werk gegaan.

Toen de bijgeloovige vrees der Indiërs was verdwenen, keken zij op en
nu zagen zij in de vlammenzee van den brandstapel duidelijk het lijk
van den Radja liggen. Nu werd het hun duidelijk, dat hier geen sprake
was van een wederopstanding van den doode, maar van het ontvoeren der
weduwe.

Een ontzettend geschreeuw weerklonk. Verwenschingen en vloeken volgden
de vluchtelingen.

De bewustelooze vrouw in zijn armen gekneld, vloog John Raffles,
gevolgd door Charly, voort door de Oostersche oerwouden. (Zie het
titelblad.)

Onder het uitstooten van wilde bedreigingen snelden de priesters het
bosch in, de soldaten volgden hen.

Op grooten afstand zagen zij de roovers nog. De soldaten legden aan en
het geknal der schoten weerklonk door het woud.

Een kogel trof het hoofddeksel van Lord Lister, een bewijs, dat de
Indiërs niet slecht hadden gemikt.

Weldra echter werd de afstand tusschen de vluchtelingen en hun
vervolgers steeds grooter, de kogels en pijlen konden hun doel niet
meer bereiken en de beide dappere helden waren met hun moeilijk
verworven buit uit het oog verdwenen.








VIERDE HOOFDSTUK.

OP DE VLUCHT.


Niet ver van de kust verheft zich het Malabargebergte, dat met zijn
wilde bergspleten en kloven heerlijke en romantische natuurtafereelen
biedt.

In een dezer kloven lagen drie rijkameelen te rusten, terwijl twee
paarden aan boomstammen waren vastgebonden. Twee blanke mannen, drie
kleurlingen, welke de bedienden der beide blanken waren, en een jonge
vrouw hadden hier een rustplaats gezocht.

Het waren de redders, die de jonge weduwe aan den dood hadden ontrukt,
en hun gezellen.

De vluchtelingen hadden den naasten weg naar het gebergte gekozen,
omdat zij hoopten, zich in de rotsspleten beter te kunnen verbergen,
wanneer de vervolgers hun spoor mochten ontdekken.

Het paard van Lord Lister had zich bij de overhaaste vlucht aan den
achterpoot bezeerd en kon daardoor niet langer den dubbelen last
dragen. Men was dus gedwongen geweest, deze rust te nemen, om nieuwe
plannen te maken.

De weduwe van den Radja was reeds gedurende den dollen rit weer
eenigszins tot bewustzijn gekomen en nu was zij de verlammende
uitwerking van den drank geheel te boven.

Lord Lister had haar zwaargewonde hand zorgvuldig en naar den eisch
verbonden.

De geredde vrouw kon eerst haar toestand in het geheel niet begrijpen.
Waar was zij? Wie waren deze mannen? Leefde zij nog? Duizenden van
dergelijke vragen vlogen door haar hersens.

Toen zij eindelijk zekerheid had gekregen van haar redding, kende haar
dankbaarheid geen grenzen. Zij weende heete tranen van vreugde en
ontroering, maar tevens van zorg over haar verder lot.

Op verzoek vertelde zij, dat zij een Hindoemeisje was en de dochter van
een rijken koopman in Puna.

Zij was, toen zij nog zeer jong was, naar Bombay gekomen, waar zij een
goede Engelsche opvoeding had genoten. Dit kon men ook wel aan haar
merken, want naar haar manieren en beschaving had men haar voor een
welopgevoede Engelsche kunnen houden.

Haar naam was Kysagotami. Haar vader, de rijke koopman in Puna, stierf
en zij werd uitgehuwelijkt aan den ouden Radja. Maar na een halfjarig
huwelijk reeds was zij weduwe geworden.

Zij had precies geweten, welk ontzettend lot haar als weduwe wachtte en
was daarom gevlucht. Men had haar echter spoedig gegrepen en de
bloedverwanten van den overledene offerden haar op om te worden
verbrand, omdat dan de groote rijkdommen van den Radja en de niet
onbeduidende bruidsschat, welken de wees mee ten huwelijk had gebracht,
hun deel zouden worden.

Lord Lister vroeg, waar die schatten zich bevonden en Kysagotami
vertelde, dat alle bezittingen van den Radja, al het goud, de
edelsteenen, wapens en kleinoodiën, zooals steeds bij de verbranding,
meegevoerd werden in den wagen, waarop de godin van liefde en dood
troonde.

Die schatten werden dan gebracht in den tempel, waarin het offer den
laatsten nacht moest doorbrengen en gewijd aan den God Siwa.

„Hoe lang blijft de schat daar?”

„Het daglicht moet den schat tweemaal beschijnen, daarna wordt deze in
prachtigen optocht door de priesters afgehaald. Het tiende deel van den
schat valt dan in handen van de priesters van Siwa, de rest is voor de
bloedverwanten.”

„Begrepen. Het zou mij echter een onuitsprekelijk genoegen zijn, de
Siwa-priesters eens op hun neus te laten kijken. Waartoe zouden wij
wachten, tot de schat verdeeld is? Wij zullen hem in zijn geheel gaan
halen! Tweemaal moet het daglicht den schat beschijnen; wij hebben dus
tot morgenavond tijd.”

Kysagotami volgde dit korte gesprek met teekenen van groote vrees. Zij
verstond ieder woord, want zij kende evengoed Engelsch als haar
moedertaal. Toen Lord Lister zweeg, sprak zij met gevouwen handen en op
smeekenden toon:

„Doe dat niet, heer! Gij hebt reeds uw leven gewaagd, toen gij mij hebt
gered, nu wilt gij het voor den tweeden keer op het spel zetten.
Bedenk, dat u, wanneer men u pakt, de wreedste marteldood wacht. Ik ken
die menschen, zij zijn duivelachtig wreed in het uitvinden der
ontzettendste kwellingen.”

Maar Lord Lister antwoordde met vaste stem:

„Maak u over ons niet bezorgd! Geen Brahmapriester, geen fakir, niemand
zal ons een haar krenken. Wij zullen den schat gaan halen en op die
manier de afschuwelijke priesters en de wreede familieleden naar
behooren straffen.”

Kysagotami wierp zich voor Lister op de knieën en bezwoer hem met heete
tranen, van zijn plan af te zien.

Zijn blikken hingen aan de schoone vrouw. Zacht streek hij met zijn
hand over haar hoofd en sprak, terwijl hij de knielende ophief:

„Ik dank u voor uw bezorgdheid om ons leven, Kysagotami, maar wij
zullen den priesters hun schat ontrukken, zonder het leven te
verliezen, want uw gebed zal ons beschermen.”

Met duidelijke woorden deelde Lord Lister zijn bevelen uit. Zijn plan
was om in den loop van den volgenden dag den schat te halen, omdat hij
berekende, dat de lieden, die bezig waren de ontvoerde vrouw te zoeken,
dan ver genoeg van den afgodstempel verwijderd waren, zoodat geen
ontdekking te vreezen zou zijn.

Men zou gedurende den nacht langzaam terugrijden en dan zouden
Kysagotami en de bedienden rust nemen, terwijl Lord Lister en Charly
een poging zouden wagen om den schat te bereiken.

Tot zoover was alles afgesproken. Juist zouden de laatste
toebereidselen tot vertrek worden gemaakt, toen uit de verte verwarde
geluiden werden vernomen.

Dadelijk was alles in het kleine kamp in beweging. Het was allen
duidelijk, dat daar misschien de dood dreigde.

Het geluid werd sterker en sterker, men kon reeds duidelijk enkele
kreten en uitroepen onderscheiden.

Charly had ontdekt, dat het de optocht van priesters, fakirs en volk
was, die naar huis terugtrok en, in de hoop de vluchtelingen te vinden,
het gebergte doorzocht.

Nu was de grootste voorzichtigheid noodzakelijk. Als een enkel geluid
de aanwezigheid der Engelschen verried, waren zij verloren.

Toen men den stoet hoorde naderkomen, hadden de bedienden zich ter
aarde geworpen om hun goden aan te roepen. Het was Lord Lister bijna
onmogelijk om de van angst bijna krankzinnige menschen weer tot bedaren
te brengen. Eindelijk gelukte hem dit echter. Het was trouwens ook hoog
tijd, want de stoet was nu zoo nabij gekomen, dat men de woorden, die
gesproken werden, duidelijk kon verstaan.

Vluchten was onmogelijk. Men moest rustig in de rotskloof wachten en
hopen, niet opgemerkt te zullen worden.

Wat de vluchtelingen moesten aanhooren omtrent het lot, dat hun
wachtte, wanneer zij ontdekt zouden worden, was niet in staat om hen op
te wekken. Natuurlijk liep het gesprek van de massa alleen over den
roof van Kysagotami.

Men schimpte en schold in de bloemrijke Indische taal op de
ongeloovigen, die Brahma moest vervloeken en men dreigde hen met alle
straffen van den hemel en de aarde.

Zoo bewoog de stoet zich op een kronkelpad voort, tamelijk ver beneden
de schuilplaats der kleine karavaan.

Lord Lister had een smalle kloof ontdekt, waardoor hij het pad kon
overzien. Van hier volgde hij elke beweging daar beneden met scherpe
blikken. Hij zag duidelijk, hoe de optocht in tamelijk snel tempo
steeds meer in Westelijke richting trok, om weldra achter de
rotsmassa’s te verdwijnen.

Een zucht van verlichting ontsnapte aan zijn lippen en hij sprak, snel
opstaande:

„Gered! Maar nu moeten wij er op uit om nog heden den schat te gaan
halen!”

Toen het woord „gered” van Listers lippen klonk, had groote vreugde
zich van allen meester gemaakt, maar deze blijdschap werd door hetgeen
de dappere Engelschman erop liet volgen, weer getemperd. Vooral
Kysagotami hief smeekend haar handen op.

Maar Lord Lister sprak met een opgeruimden glimlach:

„Nu wij hebben gezien, dat het terrein veilig is, er is geen enkele
reden, langer te dralen. Dus: Voorwaarts, naar den schat van den Siwa!”








VIJFDE HOOFDSTUK.

DE ROOF VAN DEN SCHAT.


De pagode van Nyagrodha lag in diepe rust. Het was nacht. Het maanlicht
bescheen de grootsche lijnen van den tempel, dezen in reusachtigen
schaduw op den bodem afteekenend.

Uit het dichte oerwoud klonk een geheimzinnig gekraak en geritsel. Dit
werd steeds sterker en eindelijk kwamen twee ruiters uit het
struikgewas te voorschijn. Toen zij het plein voor den tempel hadden
bereikt, stegen zij af en bonden hun paarden aan boomstammen vast.

„Dat is zeer gunstig! Die oude vriend helpt ons bij ons werk,” sprak
Lord Lister, naar de maan wijzend.

Heinde en ver was geen levend wezen te bespeuren. De beide vrienden
liepen daarom, zonder eenige voorzichtigheid in acht te nemen, over het
door de maan beschenen open plein naar den ingang der pagode. De
ervaringen van den vorigen nacht hadden hun geleerd, dat zij slechts
door de deur den tempel konden binnenkomen.

Zij hadden uit hun zadeltasschen allerlei werktuigen meegenomen. Een
breekijzer werd tegen het slot van de deur gezet en doffe slagen
weerklonken.

Op dit oogenblik dook uit de duisternis een witte gedaante op. Het was
een tot aan de tanden gewapende Indiër.

Lenig als een kat sloop hij tot aan den hoek van den tempel, om te
kunnen zien, wat daar gebeurde.

Zijn zwarte oogen vonkelden onder de witte kap van zijn burnous. Het
donkerbruine gezicht was verwrongen van woede; zoodat de witte tanden
tusschen de smalle lippen schitterden.

Hij hurkte tot op den grond neer, en plotseling legde hij zijn geweer
aan dat rijk met paarlemoer en edelsteenen was versierd. Een schot
knalde en rakelings vloog de kogel langs Charly’s hoofd.

Op hetzelfde oogenblik staakten de beide vrienden hun werk, bliksemsnel
hun geweren opnemend.

Lord Lister had den verraderlijken witten burnous gezien en was hem
nagesneld, maar de Indiër was reeds in het donkere struikgewas achter
den tempel gevlucht.

„Hallo! Een vroolijke jacht!” riep Lister tot zijn vriend, en samen
snelden zij den vluchteling na.

De Indiër scheen echter verdwenen te zijn.

Plotseling zag Lord Lister naast een dikken boomstam iets wits
verschijnen. Hij wilde voorwaarts snellen, toen opnieuw een schot
weerklonk. In hetzelfde oogenblik had hij zich plat op den grond
geworpen en de kogel floot over hem heen, zonder schade aan te richten.
Hij snelde voorwaarts, maar daar knalde achter hem een schot.

Een tweede Indiër, die binnen in den tempel had gewaakt, was op het
gerucht naar buiten gekomen en had zijn geweer op den
dichtstbijstaanden Charly afgeschoten. Ook deze kogel miste zijn doel.

Charly keerde zich snel om en zag de gestalte nog in het kreupelhout
verdwijnen. Hij wijdde nu weer zijn geheele aandacht aan zijn vriend en
snelde toe om dezen de behulpzame hand te bieden.

Lord Lister was onbevreesd vooruitgedrongen en had den Indiër, die op
hem had geschoten, gegrepen. Als een ijzeren schroef omklemde zijn
vuist den hals van den kleurling. Deze greep in zijn gordel en haalde
daaruit een lang, Indisch mes te voorschijn om dat zijn vijand in de
borst te stooten.

Het was een vreeselijke worsteling.

De oogen puilden den Indiër uit het hoofd en schuim stond op zijn
lippen. Hij had zijn rechterarm vrij gekregen en wilde toestooten. In
het laatste oogenblik echter gelukte het Lord Lister, de hand, welke
het mes vasthield, beet te pakken. Hij ontwrong het zijn tegenstander
en slingerde het ver weg. Daarop liet hij zijn vuist met vreeselijke
kracht op den schedel van den Indiër neerdalen.

Een doffe kreet en de getroffene viel aan zijn voeten neer.

Intusschen was Charly op het tooneel van den strijd aangekomen en hielp
nu zijn vriend, den bewusteloozen Indiër te binden.

De wapenen, welke deze in den gordel droeg, evenals zijn geweer, namen
zij hem af en daarna sleepten zij den man den tempel binnen.

„Al heeft hij ons ook willen vermoorden, daarmee deed hij eigenlijk
niet meer dan zijn plicht en hij heeft niet verdiend om hier misschien
door wilde dieren te worden verscheurd,” sprak de Lord tot zijn vriend.

„Waar zou de tweede kerel gebleven zijn?” vroeg Charly.

„Die zal zich wel uit de voeten, hebben gemaakt, toen hij zag, dat het
met zijn kameraad slecht afliep.”

„Dat zou onaangename gevolgen voor ons kunnen hebben.”

„Hoe meen je dat?”

„Als hij den geheelen volksstam, en vooral de priesters, ervan in
kennis stelt, zijn wij verloren.”

„Maar Charly, hoe zal hij zoo gauw hulp kunnen doen aanrukken? Als de
menschen komen, zijn wij allang met den schat in veiligheid.”

Beide vrienden hadden intusschen den omtrek van den tempel nog eens
afgezocht, zonder een spoor van den tweeden wachter te kunnen
ontdekken. Daarom keerden zij nu in het gebouw terug om den schat te
zoeken.

De pagode, die boogvormig was opgetrokken, bevatte een zwaar gouden
beeld van den God Siwa. Dit is de derde God van de Indiërs.

Voor dit gouden beeld stond een steenen offeraltaar.

„Drommels! Zou ons werk voor niet zijn geweest? Hier is toch geen schat
verborgen. Dien braven kerel daar, die van massief goud schijnt te zijn
gemaakt, zullen wij nauwelijks van zijn plaats kunnen krijgen, laat
staan, dat wij hem zouden kunnen meenemen.”

„Edward, als wij den bewaker eens vroegen....”

„Dan zou hij ons toch niets verraden,” viel Lord Lister zijn vriend in
de rede.

Onderzoekend keek hij den Indiër, die geboeid op den grond lag, aan. De
man was intusschen weer tot bewustzijn gekomen.

Raffles dacht even na en sprak toen:

„Nu, wij kunnen het probeeren.”

Den geboeide naderend, sprak hij:

„Wil je ons vertellen, waar gij den schat van de weduwe van den Radja
hebt verborgen?”

Een vijandige blik schoot uit de oogen van den geboeide en knarsend
beet hij op zijn tanden.

Charly en Raffles wisselden snel een blik van verstandhouding. De
laatste greep het lange, Indische mes, waarmee de kleurling hem zooeven
bijna had gedood, zette het den gevangene op de borst en sprak:

„Als je mij nu de plek niet noemt, stoot ik toe.”

Het gelaat van den Indiër was verwrongen van woede.

„Hond, stoot toe! Nooit zal je mij een bekentenis ontlokken, die den
heiligen Siwa zou kunnen kwetsen!”

Lister legde het mes neer en sprak in het Engelsch:

„Wij moeten ons zelf helpen, als wij het doel willen bereiken. Kom,
Charly, wij willen eens zien, of deze Oude heer den schat niet bezit.”

Bij die woorden wees hij glimlachend op het zittend godenbeeld.

Samen beproefden zij nu het zware beeld op zij te duwen.

Toen de geboeide Indiër zag wat de beide vrienden gingen doen,
ontsnapte een kreet van woede aan zijn lippen.

„Roovers, wilt gij met uw vervloekte vingers van het heiligdom
afblijven? De groote Siwa zal u straffen!”

„Daarin zou hij gelijk kunnen hebben,” lachte Raffles, „want als dit
gouden heerschap omvalt, zou het ons een paar ribben kunnen kosten.”

De kreet van woede van den Indiër had den beiden vrienden bewezen, dat
zij op het goede spoor waren en dapper zetten zij hun werk voort. Het
beeld was wel buitengewoon zwaar, maar eindelijk gelukte het toch om
het van de plaats te krijgen.

Toen men het afgodsbeeld ongeveer voor een derde van zijn steenen
voetstuk had geschoven, vertoonde zich daarin een klep, die door middel
van een ijzeren ring opgelicht kon worden. Dit was echter onmogelijk,
zoolang het zware beeld, al was het ook gedeeltelijk, er op stond. Er
bleef hun dus niets over dan het geheel te verwijderen.

Het gelukte den beiden vrienden eindelijk met vereende krachten om het
afgodsbeeld van zijn voetstuk te krijgen. Toen het echter vrij in de
lucht zweefde, begon het te wankelen. Charly moest op zij springen en
met een geweldigen plof sloeg het beeld tegen den muur.

Toen de Indiër het beeld van zijn heiligen God Siwa zag neervallen,
stiet hij een kreet van ontzetting uit. Hij dacht, dat nu de toorn van
den God den tempel en de schenders van het heiligdom zou verpletteren.

Maar niets van dien aard geschiedde.

Slechts de uitgestrekte arm van den God was bij den val afgebroken en
op den vloer gevallen.

John Raffles had den afgebroken arm opgeraapt en oplettend bekeken. Hij
zag duidelijk, dat het beeld werkelijk van massief goud was. Lachend
boog hij voor het afgodsbeeld en sprak:

„Wij danken u, groote Siwa, dat gij ons uw gouden arm hebt geschonken.
Het hoofd was ons liever geweest, want dat heeft meer waarde— — —aan
goud! Maar we moeten tevreden zijn.”

Bij die woorden stopte hij den gouden arm in een zak, die was
meegebracht om den schat te vervoeren.

Charly had intusschen het afgodsbeeld nauwkeuriger bekeken en sprak tot
zijn vriend:

„Edward, ik geloof, dat het hoofd van den braven heer niet slechts meer
waarde heeft door den grooteren voorraad goud, maar dat hij ook nog een
kostbaarder schat verbergt. Kijk eens, welke gloed uit dat oog
straalt.”

Raffles liet het licht van zijn zaklantaarn naar boven schijnen en was
verstomd over den heerlijken glans die door het rechteroog van het
afgodsbeeld werd uitgestraald. Dat bestond uit een robijn van
onschatbare waarde en ongekende grootte.

„Je hebt gelijk, Charly, dat is een kleinood van fabelachtige
schoonheid en onmetelijke waarde. Het zou zonde zijn, als wij dat hier
achterlieten en ik denk, dat de oude heer met één oog nog genoeg zal
kunnen zien, want de andere steen schijnt mij het meenemen niet waard
te zijn.”

Met behulp der meegebrachte werktuigen was de steen spoedig losgemaakt.

De woede en angst van den Indiër schenen nu tot het uiterste te
geraken. Zijn oogen werden onnatuurlijk groot, zijn aderen zwollen op
tot dikke koorden bij zijn wanhopige pogingen om zich te bevrijden en
hij jammerde onophoudelijk:

„Heilige Brahma, bescherm ons! Het oog! Het oog!”

Terwijl Raffles nog bezig was, den steen los te maken, had Charly de
klep in het voetstuk opgelicht. Toen de beide vrienden het licht hunner
lantaarns in de opening lieten vallen, vonkelde en schitterde het voor
hun oogen. Millioenen vonken schenen hun tegen te stralen. Het was een
onmetelijke schat aan edelsteenen, gouden en zilveren munten, welke
daar verborgen was.

Bij het plotselinge ontvlammen der electrische lampen schrok de
gevangen Indiër geweldig. Zijn gelaat toonde groote vrees. Hij scheen
deze hem geheel vreemde en onbegrijpelijke inrichting voor een
uitvinding van den duivel te houden en de beide vrienden misschien voor
bondgenooten van dezen.

In korten tijd hadden de indringers den geheelen schat in den
meegebrachten zak en in twee linnen buidels verpakt. Nadat dit werk was
afgeloopen, wierpen zij de klep dicht. Charly keek naar het geschonden
afgodsbeeld en vroeg:

„Zullen wij het beeld niet weer op zijn plaats brengen?”

„Maar, kerel! Wij hebben onze krachten meer noodig, dan dat wij ze op
die manier kunnen verbruiken! Laat dien God daar maar staan. Dan
begrijpen de priesters dadelijk, dat hun erfenis verloren is.”

Lord Lister had zich lachend tot den gevangene gewend en sprak:

„Mijn vriend, laat de tijd je niet al te lang vallen. Voor je eigen
veiligheid moeten wij de deur sluiten en je in donker achterlaten.”

Met blikken vol haat keek de Indiër zijn tegenstander aan en mompelde:

„Gaat nu maar heen, gij Christenhonden, de wraak van Brahma zal u
spoedig treffen. Ik zal juichen, als men uwe ingewanden voor de wilde
dieren zal werpen. Men zal uw vervloekte vingers afhakken, omdat gij
Het wonderdadige oog van den heiligen Siwa hebt gestolen en uw tongen
zal men uittrekken, omdat gij een bewaker bespot.”

De beide vrienden luisterden verder niet naar de dreigementen van den
Indiër en verlieten den tempel, de deur in het slot werpend.

Toen zij de plek naderden, waar zij hun paarden hadden vastgebonden,
wachtte hun een onaangename verrassing.

De kleine, grijze hengst, waarop Raffles had gereden, was verdwenen.
Blijkbaar had de tweede bewaker het dier gestolen, om zoodoende sneller
hulp te kunnen halen.

Nu was groote voorzichtigheid en haast aanbevolen, als de beide
vrienden niet in hachelijke omstandigheden wilden komen.

„Dat is een kwaad geval,” sprak Lord Lister met bewolkt voorhoofd.

Zij begrepen beiden, dat het eene paardje niet twee ruiters en den
zwaren schat kon dragen.

Snel besloten sprak de Lord:

„Vooruit, Charly, op het paard. Ik zal, zoo snel het gaat, er achteraan
loopen.”

Charly wilde tegenspreken, maar Lord Lister vervolgde:

„Het is beter, dat jij het paard eerst berijdt, want jij bent lichter
dan ik. Later kunnen wij immers omwisselen. En nu vooruit, want de tijd
is kostbaar. De Indiër heeft met ons paard veel tijd gewonnen en wij
zullen er zonder veel tijd verliezen. Ik heb echter niet den minsten
lust om af te wachten tot de bedreigingen van onzen vriend
verwezenlijkt zullen worden, want ik wil nog menig goed glas wijn over
mijn tong laten gaan.”

Het onverstoorbaar goede humeur van Lord Lister deed spoedig het
pijnlijke van den toestand vergeten en het kleine paardje, beladen met
de rijke schatten van den Radja, draafde weldra lustig voorwaarts,
terwijl Lord Lister zich inspande, gelijken tred te houden met den
snellen gang van het beest.








ZESDE HOOFDSTUK.

DE SLANGENBEZWEERDER.


Op nauwelijks een halve mijl afstands van den tempel, was de plek, waar
de bedienden van den Lord waren achtergebleven, om met de jonge vrouw
op den afloop der gevaarlijke expeditie te wachten.

Hoewel Lord Lister had beproefd, gelijken tred te houden met het
dravende paard, was er toch meer dan een half uur verloopen, eer zij de
legerplaats bereikten, want het terrein was niet overal effen geweest.

Met luid gejubel werden de beide Engelschen begroet, toen zij bij het
eerste schemerlicht aankwamen.

Vooral Kysagotami kon nauwelijks woorden genoeg vinden om uiting te
geven aan haar vreugde, toen zij haar beide redders, voor wier leven
zij zoozeer had gevreesd, behouden terug zag.

Charly liet de rijke schatten zien. Kysagotami was overgelukkig. Toen
Raffles echter den kostbaren robijn uit zijn portefeuille nam,
verbleekte zij en uitte een kreet van ontzetting. De Indische
bedienden, die ook reikhalzend stonden te kijken naar de schatten,
wierpen zich ter aarde, sloegen met de vuisten op hun borst en schenen
buiten zichzelf te zijn van schrik.

Raffles wist niet, wat hij van dit alles moest begrijpen en vroeg
Kysagotami naar de oorzaak van haar ontsteltenis.

Deze verklaarde hem toen, dat de robijn, het oog van het afgodsbeeld,
een wonderdadige reliquie was, die door de Brahmanen ten diepste werd
vereerd. De diefstal van den schat, zelfs de roof van den gouden arm
was niet zoo erg als het meenemen van deze kostbaarheid, die wegens
haar wonderdadige werking niet te vervangen was.

Kysagotami wilde zich niet laten geruststellen, want zij beweerde, dat
deze steen hun allen ongeluk moest aanbrengen, omdat de priesters niet
zouden rusten, eer zij het wonderdadige oog terug hadden.

Raffles lachte bij die woorden en het gelukte hem ten slotte ook de
Indische op andere gedachten te brengen.

Kysagotami verzocht hem, den geheelen schat te willen behouden.

De groote onbekende antwoordde echter:

„Zeker, ik ben bereid, den schat voor u te bewaren, totdat wij
gelegenheid hebben gevonden om in Bombay of Magalur voor uw toekomst te
zorgen.”

Diepe droefheid lag op het gelaat der jonge weduwe te lezen toen zij
deze woorden hoorde. Zij legde Raffles uit, dat het haar onmogelijk
was, in Indië te blijven.

Met groote overtuiging vertelde zij, terwijl zij verschillende
voorbeelden aanhaalde, dat zij voortaan geen oogenblik meer zeker zou
zijn van haar leven, want zij wist zeker, dat men haar vroeg of laat
toch zou ontvoeren, om haar, na gruwelijke martelingen, aan den
vlammendood prijs te geven.

Met roerende woorden smeekte zij Lister, zich ook verder over haar te
willen ontfermen.

„Goed, Mylady, als gij dat verlangt. Daar wij echter naar Indië zijn
gekomen om een andere zending te vervullen, kan ik alleen dan gevolg
geven aan uw verzoek, als gij bereid zijt, alle tochten mee te maken en
alle gevaren te trotseeren, die ons misschien nog wachten.

„Dat, wat wij hier te doen hebben, betreft het wel of wee van twee
vrouwen in Londen, die eigenlijk, evenals gij, Indisch bloed in de
aderen hebben.

„Is onze zending tot een goed eind gebracht, dan wil ik u gaarne naar
die beide vrouwen brengen, die u zeker met vreugde zullen begroeten en
zich uw lot zullen aantrekken.”

Kysagotami bewilligde gaarne in deze voorwaarden en behoorde van af dat
oogenblik tot de karavaan van den Lord.

De groote onbekende scheen echter niet volkomen tevreden te zijn. Met
een ernstigen trek op het gelaat liep hij heen en weer.

Zijn vriend Charly ging naar hem toe en ondervroeg hem naar de oorzaak
van zijn mismoedige stemming en Lister zette hem die uiteen.

Eerstens was het niet te loochenen, dat het voortzetten der reis niet
bespoedigd zou worden door de tegenwoordigheid van een dame.
Oorspronkelijk had de karavaan slechts drie kameelen en twee paarden
bezeten, zoodat de vermeerdering van het aantal reizigers een
uitbreiding der transportmiddelen vereischte.

Nu was ook nog een der paarden door den wachter van den tempel
gestolen.

Slechts vier rijdieren bij een aantal van zes personen, dat kon
noodlottig voor allen worden, vooral omdat men er rekening mee moest
houden, dat de Brahmanen de roovers van den heiligen schat zouden
achtervolgen en men dus steeds voorbereid moest zijn op een snelle
vlucht. Het was dus noodzakelijk om nieuwe vervoermiddelen te zoeken.

Maar hoe en waar?

Op en neer loopend, was Raffles bij den nauwen ingang van de rotsspleet
gekomen, waar de karavaan haar rustplaats had.

Daar lag met over elkaar gekruiste beenen Nyanatiloka, een der Indische
bedienden van den Lord. Hij had een klein fluitje uit zijn lendeschort
te voorschijn gehaald en begon nu, daaraan vreemde, langgerekte klanken
te ontlokken.

Lord Lister was blijven staan en keek naar het vreemde doen van den
Indiër. Nader tredend vroeg hij:

„Wat doe je daar?”

Nyanatiloka antwoordde niet, maar wees met zijn oogen naar het
struikgewas, dat den ingang der rotskloof omgaf.

Een vreemd geritsel ontstond en plotseling zag Raffles tot zijn grooten
schrik den kop van een reusachtigen cobra te voorschijn komen. Met
kleine schokken volgde ook het lichaam. Het afschuwelijke monster rekte
zich uit en begon zich, op de maat der zwaarmoedige melodie, welke de
Indiër uit zijn instrument te voorschijn haalde, heen en weer te
bewegen.

Raffles had zich nog niet van zijn eersten schrik hersteld, toen een
nieuw geluid aan de andere zijde van het kreupelhout zijn
opmerkzaamheid trok. Het geluid werd sterker en sterker en plotseling
vertoonde zich ook daar de kop van een cobra. Snel volgde het lange
lijf, dat zich op den staart oprichtte en in dezelfde maat met de
andere slang de rhytmische bewegingen uitvoerde.

„Maar Nyanatiloka, ben je dan krankzinnig, om ons die vreeselijke
beesten op den hals te lokken?”

De Indiër antwoordde niets, maar schudde bijna onmerkbaar het hoofd.

De kleine Barbarijsche hengst, dien men achter in het hol had
vastgebonden, scheen de reptielen waar te nemen; hij stijgerde hoog op
met wijd opengesperde neusgaten en zijn angstig gehinnik weerklonk tot
op verren afstand.

Op dit oogenblik kwam Charly van zijn natuurlijken uitkijk, die zich
links bovenop een rotsblok bevond, naar beneden gesneld en riep:

„Om Godswil, Edward, de vervolgers naderen!”

Hij had in de verte een troep tot aan de tanden gewapende Indiërs zien
naderen aan wier spits drie priesters in hun bonte Oostersche gewaden
reden en een bedelmonnik in zijn gele kaftan, die de geheele bende
scheen aan te voeren.

Nyanatiloka had, terwijl hij de fluit met zijn linkerhand vasthield, en
onophoudelijk de vreemde, eentonige melodie spelend, met de rechterhand
zijn bovenkleeren uitgetrokken, Zoodat hij nu nog alleen een
lendenschort en den onontbeerlijken tulband droeg.

Nu stond hij langzaam op, trad eenige schreden naar buiten, hurkte daar
weer neer en dwong zoodoende de reptielen, ook buiten het hol te
blijven.

Het stampen, snuiven en angstige gehinnik van den Barbarijschen hengst
was zoo mogelijk nog sterker geworden; als dol trok het paard aan het
touw, waarmee het was vastgebonden.

Een enkele blik overtuigde Raffles van de oorzaak hiervan.

Een derde reuzenslang was, gelokt door de tonen van den Indiër, uit een
rotsspleet dichtbij de standplaats van het paard te voorschijn gekropen
en naderde met de grootste snelheid den ingang van het hol.

Het paard stijgerde als razend en trachtte met zijn hoeven den
afschuwelijken vijand te verpletteren.

Het was een eigenaardig tooneel, dat zich aan de blikken der ontstelde
toeschouwers vertoonde.

De groote slang scheen niet de minste notitie van haar omgeving te
nemen; haar oogen gloeiden vurig en slechts die eene wensch scheen het
beest te bezielen, zoo snel mogelijk dichter bij de muziek te komen.

Raffles overtuigde zich ervan, dat de troep achtervolgers met razende
snelheid naderde.

De drie kameelen beefden van angst voor de slangen, en waren zonder
geluid te geven in een hoek tegen elkaar aan gekropen.

Hoewel de bediende en Charly zich alle moeite gaven om het paard te
kalmeeren, gelukte dit hun niet.

Raffles zag het groote gevaar duidelijk in. Kwamen de vervolgers zoo
dichtbij, dat zij het trappelen en hinniken van het paard konden
hooren, dan beteekende dit voor hen allen een zekeren dood.

Bliksemsnel doorkruisten die gedachten zijn brein. Er was slechts één
weg tot redding: het paard moest worden opgeofferd.

Hoe zwaar ook dit nieuwe verlies den reizigers viel, er bleef geen
andere keus over. Er mocht ook geen oogenblik langer geaarzeld worden
en zoo besloot Raffles, al was het ook met droevig hart, het dier te
dooden.

Hij zou het liever met een kogel hebben neergeveld, maar de knal zou
ongetwijfeld de vervolgers op het spoor hebben gebracht en zoo bleef
hem niets anders over dan het dier op een geruischlooze wijze te
dooden.

Hij greep het lange Indische mes, dat hij in den nacht den wachter van
den tempel had afgenomen, en stiet dat in den hals van het paard, den
slagader doorsnijdend. Een groote bloedstroom kwam te voorschijn en met
een gerochel zakte het dier ineen.

Door deze snelle daad, die weliswaar de karavaan in nieuwe
moeilijkheden bracht, scheen de kans op redding voor het oogenblik
grooter.

En het was hoog tijd, want reeds bereikten de eerste vervolgers de
kromming in den weg, waar de grot zich bevond. In ademlooze spanning
wachtten allen op het verdere verloop der dingen.

Lord Lister, die dicht bij den uitgang van het hol achter een boschje
verscholen was, zag vlak voor zich een afschuwelijk tooneel.

De derde groote cobra, die het nu gedoode Barbarijsche paardje zoo had
doen schrikken, zat hoog opgericht midden op het pad en bewoog zijn kop
vlak boven het hoofd van den neergehurkten Indiër, zoodat deze nu
omringd was door de drie reusachtige monsters.

De bedelmonnik, die aan de spits van den stoet reed, had den
slangenbezweerder opgemerkt; hij wendde zich tot de anderen en wees
naar de groep.

Men liet de paarden langzamer gaan en onder het algemeen gemompel: „Ah,
een heilige!” bogen allen met ver uitgespreide armen eerbiedig neer op
den rug hunner rijdieren, om daarna in gestrekten draf verder te
rijden, ten einde hun vijanden te achtervolgen.

Eerst nu begreep Raffles, wat de trouwe Nyanatiloka had bedoeld.

De Indiër wist, dat men hem voor een bezweerder van heilige slangen zou
houden en had derhalve de gevaarlijke handeling met de vreeselijke
beesten gewaagd.

Toen de vijanden uit het gezicht waren, stond hij op, wenkte de anderen
om hem niet te volgen en liep langzaam, zonder zijn spel een oogenblik
af te breken, naar een verwijderd boschje.

De slangen, die door de muziek volkomen gehypnotiseerd schenen, volgden
hem met rhytmische bewegingen in hetzelfde tempo.

Charly had van uit zijn schuilplaats het geheele tooneel vol ontzetting
gadegeslagen en wendde zich nu tot Raffles, terwijl hij sprak:

„De trouwe Nyanatiloka heeft zijn leven voor ons gewaagd. Hoe zal hij
zelf zich nu van die gevaarlijke monsters bevrijden; zouden wij hem
niet te hulp moeten komen?”

„Maak je niet bezorgd, beste jongen. Hij zal de slangen nu door middel
van zijn muziek naar een afgelegen plek lokken, zich dan zoo snel
mogelijk verwijderen en de muziek plotseling afbreken. De reptielen
zijn dan nog geheel onder den indruk der klanken en nog gedurende
geruimen tijd onschadelijk.

„Wij moeten nu trachten zoo spoedig mogelijk Mangalur te bereiken. Hoe
dit ons zal gelukken, weet ik nog niet, daar wij voor zes personen, de
bagage en den schat, alleen drie kameelen tot onze beschikking hebben.”

Hassan, de Mohammedaansche bediende van den Lord, naderde zijn meester
en sprak:

„Sidi!—Hassan weet raad!—Toen wij deze schuilplaats toetrokken,
bemerkte Hassan niet ver van hier binnen een omheining een olifant, die
aan een Hindoe behoort; misschien zou Sidi dien kunnen bemachtigen.
Maar hij is kwaadaardig, die olifant, want Hassan zag, dat de Hindoe
hem tot den „Mutsch” voorbereidde.”

John Raffles, wien de beteekenis van dat woord niet duidelijk was,
vroeg daarnaar en Hassan verklaarde hem, dat men olifanten kon
dresseeren voor den oorlog door hun drie maanden lang slechts suiker en
boter als voedsel te geven. Deze wijze van dressuur wordt „Mutsch”
genoemd en sommige Indiërs kweeken de gevangen olifanten op die wijze
op teneinde er een hoogeren prijs voor te ontvangen dan voor de gewone
werkbeesten.

„Vooruit dan maar, Hassan, wij zullen zien, of wij het dier van den
eigenaar kunnen krijgen.”

Hassan schoof zijn tulband op zij en krabde met een verlegen grijnslach
het hoofd.

„Ja—maar, Sidi, wie zal den halfwilden olifant drijven? Hassan kan het
niet.”

Lord Lister, die de juistheid van deze opmerking inzag, wendde zich tot
den derden bediende met de vraag, of hij reeds olifanten had gedreven.

„O ja, heer, Ananda heeft reeds dikwijls op den nek van den geweldige
gezeten om hem te leiden.”

De Lord begaf zich zoo spoedig mogelijk met de beide bedienden op weg
om den eigenaar van den olifant te zoeken.

Deze was echter nergens te vinden en daarom besloot Raffles eenvoudig,
ook zonder toestemming van den eigenaar, om het geweldige rijdier in
bezit te nemen.

Daar het echter in strijd was met het edele karakter van Lord Lister,
een arm mensch iets afhandig te maken, vulde hij een zakje met goud- en
zilverstukken, bevestigde dat aan het eind van een der touwen, waarmee
de olifant vastgebonden was geweest en bedekte het met een laagje zand
om het aan de blikken van onbevoegden te onttrekken.

De olifant was nog jong en daarom, gelukkig voor de reizigers, nog
slechts korten tijd voor de „Mutsch” voorbereid. Hij toonde zich vrij
goedaardig en liet zich door den Indiër, die op den nek van het groote
beest was geklommen, gewillig meevoeren.

Men zette zich spoedig in beweging om de legerplaats te bereiken.

Lord Lister, die naast den olifant liep, keek toevallig achterom en zag
hoe Hassan, die een beetje achter was gebleven, bezig was om het zakje
met den koopprijs voor den olifant uit zijn schuilhoek te voorschijn te
halen.

„Hassan, gauwdief, wat doe je daar? Wil je je dievenvingers weleens
thuis houden?” riep hij hem toe.

Hassan, die hevig schrok bij het hooren van deze woorden, gleed uit op
den vochtigen bodem en sprak, terwijl hij Lord Lister met ongelukkig
gelaat aankeek:

„Hassan wilde maar eens zien, of het mooie geld wel goed verborgen is.”

Raffles lachte hardop om het ongelukkige figuur, dat Hassan sloeg en
riep, goed gehumeurd:

„Ik hoop dat je je er nu van hebt overtuigd, dat je bezorgdheid
overbodig was; nu vooruit!”

Hassan volgde zijn meester met de handen diep in de zakken van zijn
wijden broek, nog een laatsten afscheidsblik werpend op den
onbereikbaren schat.

Op de legerplaats teruggekomen, werden in allerijl toebereidselen
gemaakt voor de verdere vlucht.

Kysagotami en Charly kregen een plaats op den rug van den olifant,
terwijl de Indische drijver op den nek van het dier zat.

Raffles, Hassan en Nyanatiloka, de slangenbezweerder, die ook was
teruggekeerd, bestegen de drie kameelen.

Intusschen waren de laatste schaduwen van den nacht geweken, en in den
helderen zonneschijn snelde de karavaan het woud door.

Raffles was van plan om langs den kortsten weg de buitenhaven van
Mangalur te bereiken, zonder de stad zelf door te gaan.

Geen enkele bijzonderheid deed zich voor en weldra was de kust bereikt.

Een Hindoe, die van zijn nachtelijke vischvangst was teruggekeerd, had
zijn boot vastgelegd aan een vooruitstekend rotsblok van de kust en was
bezig, zijn vangst op een laag karretje over te laden om, vergezeld
door twee naakte, opgeschoten jongens naar de stad te rijden.

John Raffles, die het eerst aankwam, steeg af en zocht naar een
gelegenheid om te kunnen overvaren.

Daar hoorde hij plotseling een luiden kreet achter zich. Het was
Charly, die met zijn scherpe oogen een schare ruiters uit het woud te
voorschijn zag komen.

Er was geen twijfel mogelijk, dit waren de Brahmanen, die hen
achtervolgden, want het heldere morgenlicht bescheen de gele kaftan van
den bedelmonnik.

Vóór hen de bruischende zee, achter hen de bende vijanden, geen enkele
redding scheen mogelijk!

Lord Lister, die bliksemsnel den gevaarlijken toestand overzag, had
reeds zijn plan gemaakt.

De kleine zeilboot van den visscher was de eenige uitweg, die voor hen
openstond.

Er viel niet aan te denken, zich in een strijd met den veel sterkeren
vijand te begeven.

Kalm en duidelijk gaf John Raffles zijn bevelen, De bagage en vóór
alles de rijke schat van den Radja, werd snel in het vaartuig geborgen.

In vliegende vaart waren allen van hun hooge zitplaatsen naar beneden
gekomen. Het was juist bijtijds, want reeds floten de eerste kogels der
vervolgers door de lucht.

Kysagotami, die bijna bewusteloos was van angst en ontzetting, werd het
eerst door Charly in de boot gebracht.

Hassan had het vaartuigje reeds losgemaakt en hield met zijn gespierde
handen den paal vast, opdat hij de boot dadelijk zou kunnen afstooten,
als allen aan boord waren.

Intusschen hadden de beide andere bedienden op bevel van Raffles dunne
takjes bijeengeraapt, die tot een bundel saamgebonden en aan den staart
van den olifant bevestigd. Daarop waren zij in de boot gesprongen.

Zij staken het takkebosje aan.

De olifant, half razend van schrik en pijn, hief een oorverdoovend
gebrul aan en rende in galop de Brahmanen tegemoet.

De drie kameelen hadden verbaasd opgekeken. Toen zij den brandenden
bundel aan den staart van den olifant zagen, stieten zij angstkreten
uit en holden den dikhuid na.

De vier voortsnellende dieren hadden in een paar oogenblikken den stoet
der Brahmanen in volkomen wanorde gebracht. De paarden stijgerden en
verscheiden hunner holden met hun ruiters in galop landwaarts.

De olifant, wiens woede steeds grooter werd, zwaaide zijn slurf heen en
weer, daarbij geluiden makend, die uit de hel schenen te komen.

Eén der paarden van de vervolgers, een grijze Barbarijsche hengst,
stijgerde zóó hoog voor den razenden olifant, dat hij achteroversloeg
en zijn ruiter, een der priesters, onder zich begroef.

De olifant trapte woedend op het neergevallen paard. Den priester nam
hij met zijn reuzentanden op en wierp hem in de hoogte.

Vol ontzetting zagen de anderen, hoe hun makker als een bal in de lucht
werd geslingerd en daarna met groote kracht op den rotsachtigen bodem
neersmakken; er was slechts een vormlooze, bloedige massa van hem
overgebleven.

Alle anderen sloegen nu met oorverdoovend geschreeuw op de vlucht.
Niemand dacht meer aan vervolging en zoo konden de geredden in hun
visschersboot ongehinderd de ruime zee bereiken.








ZEVENDE HOOFDSTUK.

OP HET EENZAME EILAND.


Een tamelijk sterke Zuidoostenwind woei over de Arabische Zee en dreef
het vaartuig der vluchtelingen naar den eilandengroep der Lakediven.

De Indische bedienden, die van schrik en angst bij den overval der
Brahmapriesters en hun gewapenden bijna zinneloos waren geworden,
herademden nu en Kysagotami slaakte een zucht van verlichting.

Charly en de Mohammedaansche bediende Hassan bedienden het
eigenaardige, bijna vierkante zeil, dat zich op de boot van den
visscher bevond.

Raffles, die met vaardige hand stuurde, riep zijn vriend Charly toe:

„Wij moeten trachten in westelijke richting aan te houden! Voor zoover
mij bekend is, bevinden zich ten noorden der eilanden gevaarlijke
riffen en zandbanken. Bovendien geloof ik, dat de wind draait.”

Die opmerking van Raffles was juist. De wind was nu pal zuid en dreef
het vaartuig onmerkbaar in noordelijke richting.

Het viel den dapperen zeilers nu zeer moeilijk, nauwkeurig koers te
houden, daar zij alleen konden beschikken over een zakkompas van Lord
Lister. Eenige andere waardevolle instrumenten, die hun goede diensten
hadden kunnen bewijzen, waren bij de overhaaste vlucht in den zak, die
op den rug van den olifant hing, achtergebleven.

De toestand werd steeds kritieker. Zes personen en de tamelijk
omvangrijke bagage waren reeds te veel voor het kleine bootje; nu
moesten de inzittenden bovendien nog strijden tegen wind en golven.
Daarbij brandde de zon onbarmhartig; en maakte het verblijf in de boot
volstrekt niet aangenamer.

De wind blies in het zeil en joeg het vaartuig voor zich uit. De witte
schuimkoppen, die rechts en links van de boot opspatten, brachten een
weldadige afkoeling.

Zoo hadden zij reeds een paar uur rondgedobberd, toen in de verte
smalle, donkere strepen zichtbaar werden.

„Land!” riep Charly.

Lord Lister haalde echter de schouders op en trachtte met het kleine
kompas de richting vast te stellen, daarna schudde hij nadenkend het
hoofd en meende:

„Ik vrees bijna, dat wij uit den koers zijn geraakt en de Serostresbank
naderen.”

Weldra bleek, dat hij gelijk had. Slechts met inspanning van alle
krachten gelukte het hun, op de gevaarlijke bank vast te loopen.

Dit onaangename voorval had echter iets goeds, want men kon het nu over
de richting eens worden.

Het gelukte vrij spoedig, het vaartuig weer vlot te doen geraken.

Hun weg in Zuidwestelijke richting nemend, bereikten de zeevaarders
spoedig hun doel. De reis van Mangalur tot Tscherbanyani was bijna twee
uur vertraagd, zoodat de zon reeds bijna aan den horizon verdween, toen
men de eilandengroep bereikte.

Naar aanleiding van de aanduiding, die Raffles in den geheimzinnigen
ring had gevonden, moest hij aannemen, dat de schat, dien hij zocht,
zich op het kleine, noordoostelijke eiland bevond.

Het zoo even doorleefde avontuur deed hem ook begrijpen, wat de laatste
teekens op de perkamentstrook beteekenden. Dit was een waarschuwing
voor de Serostresbank.

Hoe klein deze eilandjes ook zijn, zij worden toch bijna alle bewoond.
De groep der Lakediven telt bijna 15,000 inwoners, voornamelijk
Arabieren.

Van het noordoosten komend, had Lord Lister met zijn scherpe oogen een
kleine bocht ontdekt. Hij hield daarop aan en weldra landde het
vaartuig behouden in deze kleine, natuurlijke haven.

Door het avontuur van den vroegen morgen was de visschersboot in de
volle beteekenis van het woord voor de reizigers een reddingsboot
geworden, en zij wisten dit op rechte waarde te schatten. Daar men voor
het oogenblik nog niet kon weten, hoe de terugtocht van het eiland zou
zijn, wijdde men de grootste zorg aan de berging van het vaartuig.

De bedienden trokken het geheel aan den oever, die hier tamelijk vlak
was, twee palen werden in den grond geslagen en de boot daaraan
bevestigd.

Daar men nu sedert verscheiden uren voor het eerst weer vasten grond
onder de voeten had, begon men het allereerst een rustplaats in te
richten.

Pakken bagage werden naar de zijde der zee opgestapeld en dekens
uitgespreid. Zoo maakte men ten minste voor Kysagotami een eenigszins
beschutte legerstede.

De Indiërs hadden intusschen droog hout, twijgen en allerlei brandbare
voorwerpen verzameld en daarvan in een kuil een vuur aangelegd. Van
den meegebrachten voorraad was weldra een avondmaal gereed gemaakt,
dat allen na de inspanningen van den dag uitmuntend smaakte.

Nadat de maaltijd was afgeloopen, maakte Raffles zich gereed om het
inwendige van het eiland te onderzoeken. Hij nam alleen den langen
Hassan met zich mee, terwijl Charly en de twee Indische bedienden ter
bescherming van Kysagotami en de bagage achterbleven.

Raffles had zijn uitstekend geweer omgehangen, revolver en mes in den
gordel gestoken, ook Hassan was van wapens voorzien en beiden liepen
met snelle schreden voort, in de hoop, zoo mogelijk nog voor het vallen
van den nacht een woning te vinden, waarin men zou kunnen overnachten.

Al hun zoeken was echter tevergeefs, het eiland scheen te zijn
uitgestorven. Behalve eenige apen, die vroolijk in de boomen
rondsprongen en nieuwsgierig de beide wandelaars bekeken, liet zich
geen levend wezen zien.

Mistroostig moest Raffles er eindelijk toe besluiten, den terugweg te
aanvaarden. De gedachte aan Kysagotami en de noodzakelijkheid om haar
in de open lucht te moeten laten overnachten, stemde hem somber.

Voor de mannen was een dergelijk gedwongen verblijf in de vrije natuur
niet zoo heel erg, maar Kysagotami leed zichtbaar onder de voortdurende
vermoeienissen en wederwaardigheden; dit was reeds de derde nacht, dat
zij geen rust en geen slaapplaats had.

Toen Raffles haar bij zijn terugkomst mededeelde, dat het niet mogelijk
was geweest, een woning te vinden, sprak zij glimlachend:

„O, maak u over mij maar niet ongerust. Ik wil leven evenals mijn
redders en verlang niets beters.”

Van kisten werd met behulp van een paar korte boomstammen een hut
gebouwd en die door er overgelegde dekens tegen den zeewind beschut.
Hierin zou Kysagotami den nacht doorbrengen.

De bedienden hielden gedurende den nacht om beurten de wacht. Het vuur
werd aangehouden, om wilde dieren, die zich misschien op het eiland
bevonden, op een afstand te houden.

Nadat alles op deze wijze geregeld was, gaven zij zich over aan de
welverdiende rust.








ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE GELOFTE.


Midden in een dicht woud verheft zich een bouwvallig gebouw. Het is een
van die Indische reuzentempels, die reeds gedurende eeuwen dienen om
Boeddha te dienen en waarin de Brahmapriesters hun geheimzinnige
diensten houden, omgeven door orakels en mysteriën, vorsten en volken
regeerend.

De tempel is reeds dikwijls het tooneel geweest van woeste gevechten,
waaronder het uiterlijk van het gebouw wel heeft geleden, maar die het
zijn roep van heiligheid niet hebben ontnomen.

Als een pyramide opgetrokken, bevat het drie verdiepingen. Vijftig
torens, die aan alle vier zijden hetzelfde kolossale gelaat van Boeddha
vertoonen, maken op den toeschouwer een onvergetelijken indruk.

Bij alle Indische tempels spelen trappen een groote rol. Zij bevinden
zich aan de buitenzijde der muren en dragen, behalve allerlei andere
versieringen, een grooten voorraad steenen dieren. De bouwmeesters van
deze geweldige reuzen uit vroeger eeuwen hebben de bedoeling gehad om
de tempels nog hooger te doen schijnen dan zij reeds in werkelijkheid
zijn. Naar boven toe worden de treden van de trappen steeds hooger en
smaller.

De tempel bevat drie poorten, waarboven torengevels prijken, die geen
spits hebben en welke rijk versierd zijn. Daartusschen strekt zich een
250 meter lange galerij uit, die door verscheiden pilaren wordt
gedragen en die het geheele gebouw omgeeft.

De hoofdingang wordt bewaakt door het reusachtige steenen beeld, een
slang met zeven koppen, Naga genoemd, voorstellende.

Niet ver van dit geweldige gebouw ligt, op een weide, de Sala. Zoo heet
het toevluchtshuis voor rondreizende priesters, dat in geen enkel
Boeddhistisch dorp ontbreekt. Vele priesters trekken sinds de
alleroudste tijden predikend en onderwijzend het land door. Als het
noodig is, dient de Sala ook als toevlucht voor andere reizigers,
wanneer deze er mee tevreden zijn, want de Sala is zeer primitief
ingericht.

Op palen rustend, opgetrokken uit riet en palmbladeren, zonder deuren
of vensters, is het eigenlijk niet meer dan een kale wachtkamer.

Dit gebouw was nu herschapen in een hospitaal, want men had er de
lieden neergelegd, die bij de vervolging der roovers waren gewond. Ook
de overblijfselen van den ongelukkigen Boeddhapriester, die door den
olifant van Raffles was verpletterd, was door de anderen in het gele
kleed van den bedelmonnik gewikkeld en daar voorloopig geborgen.

Een heelkundige, dien men snel had gehaald, hield zich met de gewonden
bezig, daarbij geholpen door een Boeddhist.

De anderen begaven zich stilzwijgend, met ernstige, sombere gezichten
naar den tempel. Voorop liepen twee broeders met brandende fakkels,
daarop volgde een bedelmonnik en eindelijk de schaar van priesters en
geleerden. De soldaten, die de vervolgers hadden vergezeld, stelden
zich op vóór den tempel, terwijl de stoet priesters in de groote ruimte
van het gebouw halt hield.

In het midden hiervan staat een beeld van Boeddha van reusachtige
afmetingen. Het geweldige hoofd van het afgodsbeeld reikt bijna tot aan
de tweede galerij en het oppervlak van het voetstuk bedraagt negentig
vierkanten meter.

In de ruimte bevinden zich vier kleine altaren, waaraan de pelgrims
bidden en waarheen het volk uit den omtrek ter bedevaart trekt.

Aan deze altaren werden de fakkels aangestoken en rondom, langs de
zuilen, die de reuzenhal omgeven, eveneens brandende fakkels bevestigd.

Het was een tooneel vol eigenaardige, geheimzinnige bekoring. De in
duisternis gehulde ruimte, in wier midden de geweldige Boeddha troonde,
in het rond de brandende fakkels, welke haar rood, onzeker en
spookachtig licht over de met rijk beeldhouwwerk versierde zuilen
wierpen.

Voor het Boeddhabeeld waren de priesters in een grooten kring
neergehurkt. Zacht mompelden zij hun mantras (tooverspreuken). Een
priester met sneeuwwitte haren en langen, golvenden baard, trad naar
voren en boog driemaal met uitgebreide armen voor het beeld van de
godheid. Daarop richtte hij zich tot de menigte en vertelde aan allen,
hoewel zij de gebeurtenissen nauwkeurig kenden, nogmaals, waaraan de
vreemde indringers—Raffles en Charly—zich hadden schuldig gemaakt.

Toen hij van het wonderdadige oog van den god Siwa sprak, wierpen allen
zich met het gelaat ter aarde, sloegen zich met de vuisten op de borst
en trokken zich de haren uit.

De grijze Boeddhapriester wendde zich nu tot een Brahmaansch geleerde
en vroeg, welke straf de roovers volgens de heilige wetten moesten
ondergaan.

De man was opgestaan, had, volgens het gebruik, driemaal voor het
afgodsbeeld gebogen en sprak toen:

„Den Boeddhisten wordt geleerd jegens alle menschen zonder onderscheid
dezelfde lijdzaamheid, goedheid en broederlijke liefde te betrachten.”

„Leert de heilige niet ook, wie niet in staat is zijn geest verder te
ontwikkelen en nimmer het Nirwana zal bereiken?”

Wederom boog de geleerde en sprak:

„Zoo sprak Boeddha: de moordenaars van vader, moeder en heilige
Arahats, bhikkhoes (bedelmonniken), zij, welke tweedracht stichten,
zij, die Boeddha durven beleedigen en zij, die te zinnelijk zijn,
zullen niet tot het Nirwana worden toegelaten.”

„Kennen wij toestanden van pijn, waarin zij zullen geraken?”

„Ja, wijze vader.”

De priester gaf een wenk en de geleerde ging weer naar zijn plaats
terug.

Zes fakirs vingen nu weer een van hun woeste dansen aan, terwijl zij om
het beeld van Boeddha draaiden, luide kreten uitstieten en hun lichaam
met messen verwondden.

Gedurende deze plechtigheid zaten de anderen volkomen stil,
onophoudelijk tooverspreuken en gebeden mompelend.

Na ongeveer een half uur waren de fakirs zoo uitgeput, dat zij
ineenzakten en nog slechts zachte, klagende geluiden voortbrachten.

Nu stond de grijze priester weer op en sprak tot de menigte:

„Gij weet nu, welke straf den ongeloovigen wacht, die zich hebben
vergrepen aan het allerheiligste. Boeddha kijkt op ons neer en eischt
van ons wraak voor de heiligschennis. Wij zijn uitverkoren om Brahma te
beschermen en wij moeten daarom handelen. Zooals dat voorgeschreven is
in onze heilige leer, zullen wij den schat, het wonderdadige oog van
Siwa, weer moeten heroveren. Wie van u wil zich van deze heilige taak
kwijten?”

Op deze vraag van den priester stonden allen op van hun plaatsen ten
teeken, dat geen van hen wilde achterblijven.

De grijsaard knikte voldaan en koos daarop twee jongere priesters uit,
terwijl hij de leiding aan den bedelmonnik opdroeg.

De drie uitverkorenen moesten zich nu van hun kleeren ontdoen en zich
naakt voor het beeld van Boeddha op den grond werpen. Daarop naderde de
grijze priester en zalfde het hoofd van elk hunner met gewijde olie.
Daarna stonden de mannen op en kruisten de armen. De priester boorde
hun elk in de spieren van den bovenarm drie naalden. De Indiërs
ondergingen dit zonder met de oogen te knippen.

Intusschen waren de fakirs weer gaan dansen, onder luid geschreeuw
rondom de drie uitverkorenen draaiend.

Nu beklom de priester het voetstuk van het Boeddhabeeld en sprak op die
plek een gelofte uit, die door het drietal werd herhaald.

„Heer der wereld, gij ziet in onze harten, want gij zijt de Alwetende.
Wij zweren u, de roovers te zullen volgen door landen en zeeën, over
uwe bergen en afgronden, en niet te zullen rusten, eer wij het
wonderdadige oog van den heiligen Siwa zullen hebben gevonden. Geen
onzer zal ooit zalig worden en uw Nirwana zal voor ons gesloten
blijven, zoolang wij onze gelofte niet zijn nagekomen.”

Nadat alle drie deze woorden hadden nagesproken, daalde de priester
weer van het Boeddhabeeld naar beneden en sprak:

„De koning der waarheid heeft uw gelofte gehoord! Ik weet, dat gij haar
zult houden, want het verlangen naar een leven in den hemel zal u
aansporen en uw schreden leiden, zoodat gij weldra uw heilige roeping
zult hebben vervuld!”

De drie uitverkorenen werden ten tweeden male gezalfd met heilige olie
en eerst nu trok de priester de naalden uit hun armspieren. Nadat zij
hun kleeren weer hadden aangetrokken, namen de mannen plaats in den
kring bij de anderen en opnieuw vingen de fakirs hun godsdienstige,
opwindende, wilde dansen aan.

Toen wierpen allen zich nogmaals neer voor het Boeddhabeeld en de oude
priester mompelde heilige gebeden. Daarmee was de handeling afgeloopen.

In plechtigen optocht, evenals zij waren gekomen, verlieten de
deelnemers den tempel om zich weer in de Sala te begeven.

De gewonden waren intusschen reeds naar het naaste dorp gebracht en de
overblijfselen van den ongelukkigen priester, die door den getergden,
wilden olifant zulk een vreeselijk einde had gevonden, waren eveneens
daarheen gezonden om te worden bijgezet.

Daar het hier een lid van den stam Pali gold, was deze bijzetting van
zeer bijzonderen aard. Het is in Pali verboden, de elementen—vuur,
water, aarde, en lucht—te verontreinigen. Daarom mogen zij hun dooden
niet begraven, noch verbranden, noch in zee werpen.

Daarom hebben zij groote gebouwen opgericht, veel overeenkomst
vertoonend met een oud-Romeinsch amphitheater. Aan vier zijden voorzien
van watertoevoer, bestaat het uit een cirkelvormige ruimte, waarin het
beeld van de godin van den dood staat. Vandaar loopen straalvormig acht
gangen en daartusschen worden de naakte lijken neergelegd.

In den kleinsten cirkel, dichtbij het afgodsbeeld, liggen de
kinderlijkjes, daarop volgen de lijken der vrouwen en jonge meisjes en
eindelijk, aan het eind, de mannenlijken.

In deze open ruimte blijven de lijken liggen totdat de gieren het
vleesch hebben opgevreten en de zon de beenderen heeft verbleekt en tot
stof doen vergaan.

Een dergelijke lijkplechtigheid is voor het geheele dorp altijd een
groot feest, waarvan niemand weg blijft.

Voor de drie uitverkorenen was er dezen keer geen tijd om aan de
plechtigheid mee te doen, want een heilige plicht riep hen.

De bedelmonnik was belast met de leiding der expeditie en hij nam
dadelijk zijn maatregelen omdat er zoo snel mogelijk gehandeld moest
worden.

Men had gezien, dat de vluchtelingen hun koers hadden genomen naar de
eilandengroep der Lakediven. Het was duidelijk, dat zij geen groote
reis zouden kunnen maken in het kleine visschersbootje; men mocht dus
hopen, hen nog in de nabijheid dier eilanden te zullen vinden.

Een aantal flinke mannen werd uit den troep krijgslieden gekozen en
deze moesten het drietal op hun vervolgingstocht vergezellen.

Men waagde het echter niet, in den nacht te reizen en nu trok de
geheele stoet naar de haven van Mangalur om bij het aanbreken van den
dag zee te kiezen.

Het was een schilderachtig tooneel, toen de troep Indiërs bij het
heldere schijnsel der maan zich voortbewoog door de nauwe bergpassen.
Helder blonken in het zachte maanlicht de loopen der geweren, de
lansen, messen en dolken en op de bruine gezichten stond groote
vastberadenheid te lezen om de roovers van den heiligen schat gevangen
te nemen, al ware het ten koste van hun eigen leven!








NEGENDE HOOFDSTUK.

RAFFLES ALS WASCHVROUW.


In het oosten begon de hemel helder te worden. De schaduwen van den
nacht weken voor de zegenrijke stralen der zon en de natuur ontwaakte
uit haar sluimer.

Lord Lister was de eerste, die zijn legerstede verliet, juist toen de
zon boven de zee opging. De ongestoorde nachtrust had hem weer nieuwe
kracht gegeven en met volle teugen ademde hij de frissche, verkwikkende
zeelucht in. Daarop ging hij naar Anunda, die de laatste nachtwaak had
en vroeg hem, of er gedurende den nacht iets bijzonders was geweest.

Anunda antwoordde ontkennend en Raffles begon toebereidselen te maken
voor den onderzoekingstocht op het eiland.

Hij spreidde een kaart voor zich op den grond uit en nam uit zijn
borstzak een kleine reep perkament, waarop de geheimzinnige teekens:


                  70,5°—12,2° Mangalur +++ 13,1


stonden.

Terwijl hij nauwkeurig deze opgaven met de kaart vergeleek, mompelde
hij tevreden:

„Ik kan mij niet vergist hebben. Hier moet ik den schat vinden en
eindelijk het geheim van den ring ontsluieren.”

Charly Brand, die intusschen ook ontwaakt was en zich op eenigen
afstand door een zeebad had verkwikt, kwam naar zijn vriend toe, hem
vroolijk goeden morgen wenschend.

„Charly, ik geloof stellig, dat wij het doel nu spoedig bereikt zullen
hebben. De drie kruisjes voor 13,1 zijn een waarschuwing voor de
Serostresbank en 70,5—12,2 wijst blijkbaar op Tscherbanyani.

„Hier moet de schat te vinden zijn, dien Ellens vader, de Indische
vorst, heeft begraven en dien die schurk van een Blakhorst de arme wees
wilde ontstelen.”

„Ach, Edward, ik zou hartelijk blij zijn, als wij den beiden vrouwen
haar eigendom konden ter hand stellen. Wat zou Blakhorst wel zeggen,
als hij wist, hoe dicht wij bij den schat zijn, waarvoor hij gedurende
een menschenleeftijd misdaad op misdaad heeft gestapeld.”

„Nu, in elk geval zou het hem weinig genoegen doen. Maar geloof niet,
dat hij het niet te weten zal komen. Zoodra wij weer goed en wel in
Londen zijn, deel ik hem mee, dat wij den schat aan de rechtmatige
eigenaars ter hand hebben gesteld.”

„Dat zou ik in jouw plaats niet doen, Edward, want de booswicht zal het
dan stellig de arme vrouwen lastig maken.”

„Laat dat maar aan mij over, ik zal de vrouwen weten te beschermen en
bovendien denk ik den schurk zulk een souvenir te geven, dat elke
gedachte aan wraak hem verre zal blijven. Mijn eerste werk na onze
terugkomst zal zijn, met hem ook de andere menschelijke duivels uit den
weg te ruimen en de maatschappij van die hyena’s te bevrijden.”

Bij de herinnering aan de misdaden, waarvan Raffles de sporen had
ontdekt in de hollen dier vervloekte wezens, overweldigde hem zijn
woede en als een god der wraak stond hij tegenover Charly.

Hassan, de Turksche bediende van Lord Lister, werd gewekt en maakte,
daar hij de plaats eener keukenmeid innam, het ontbijt gereed.

Ook Kysagotami verscheen weldra en eenigen tijd later zat het geheele
gezelschap in de vroolijkste stemming aan de kust van Tscherbanyani,
een prachtig uitzicht hebbende over de Arabische Zee.

Het was een heerlijke morgen, geen wolkje vertoonde zich aan den
horizont. Een zachte zuidwesten wind rimpelde de golven, die van een
prachtig donkerblauw waren. In het zuiden en westen doemden donkere
strepen in de zee op; dat waren de naastbijgelegen eilanden.

Charly Brand, die met zijn rug tegen een vijgenboom leunde, wilde juist
een boterham, belegd met geconserveerd vleesch, naar den mond brengen,
toen hij plotseling een geweldigen stoot tegen zijn rechterarm kreeg.
Het brood viel op den grond en een bruin wezen wierp zich midden
tusschen het gezelschap op het brood.

Kysagotami had een zachten kreet geslaakt en Raffles was opgesprongen.
De beide Indiërs aten echter rustig door en keken met een vroolijken
grijns de anderen aan.

Met een grooten sprong was de bruine indringer met het brood in den bek
tegen den stam van den vijgenboom opgeklauterd en eenige oogenblikken
later reeds tusschen de bladeren verdwenen.

Het was een aap van ongeveer een meter lengte, die waarschijnlijk was
gelokt door de lekkere beetjes en die nu eens wilde zien, welke
kostbaarheden de vreemdelingen daar beneden hadden.

In elk geval scheen de buit hem niet te bevallen, want plotseling kwam
de boterham naar beneden en viel juist in een met chocolade gevuld
kopje, dat Raffles in de hand hield.

Het kopje wankelde en het bruine vocht vloeide over de witte burnous,
welke Raffles droeg, deze met grillige figuren kleurend.

Een vloek klonk van Listers lippen. Het overige gedeelte van het
gezelschap, dat reeds bij den diefstal van het brood in lachen was
uitgebarsten, schaterde nu zoo hartelijk, dat hem niets anders
overbleef dan maar mee in te stemmen.

Hij ging tot daar, waar de golven het strand bespoelden en trachtte de
bruine vlekken met zeewater weg te wasschen.

En nu moest Raffles bekennen dat hij niets wist van de practische
bekwaamheden eener huisvrouw, want het zeewater bereidde hem een
onaangename verrassing. Wel verbleekte de chocoladekleur een beetje,
maar allerlei andere vlekken ontstonden in de witte stof en Raffles zag
vol spijt de helderheid van zijn mooie burnous verdwijnen.

Charly Brand, die van zijn zitplaats naar het werk van zijn vriend
keek, lachte luidkeels en riep:

„Edward, ik zou je willen kieken en een afdrukje met het onderschrift:
„Raffles als waschvrouw” aan onzen goeden inspecteur Baxter in Scotland
Yard zenden.”

Lord Lister had schik in dezen grappigen inval van zijn vriend en gaf
eindelijk zijn pogingen op, waarvan hij het vruchtelooze inzag.

Men maakte zich voor den tocht gereed. Raffles en Charly lieten zich nu
vergezellen door Anunda; terwijl Kysagotami achterbleef, beschermd door
den anderen Indischen bediende en den trouwen Hassan, welke intusschen
het middagmaal gereed zou maken.

De drie wandelaars sloegen een Oostelijke richting in, omdat Raffles
meende, dit uit de opgaven op het perkament te moeten begrijpen.

De plantengroei is zeer weelderig op de eilanden der Arabische zee.

Dichte wouden en uitgestrekte, vruchtbare, velden bedekken het land. De
wandelaars hadden dikwijls moeite, zich een weg te banen door het
dichte kreupelhout.

Plotseling bevonden zij zich bij een kleine open plek, waaromheen de
niagrodhaboomen een bijna gelijkzijdigen driehoek vormden.

„Ik geloof stellig, dat wij de juiste plek bereikt hebben; hier zullen
wij gaan graven.”

Lord Lister, die nauwkeurig had rondgekeken en den stand der boomen met
de geheimzinnige aanduidingen van het briefje had vergeleken, sprak met
groote beslistheid. Het kleine driehoekje op het perkament kon slechts
betrekking hebben op den driehoek, welke door de boomen werd gevormd.

Men wilde juist beginnen den grond met houweelen en spaden, die Anunda
had meegenomen, te bewerken, toen Charly zijn vriend een wenk gaf.

Niet ver van de plek, waar de schatgravers hun heil wilden zoeken,
verhief zich, van boomstammen en loof gebouwd, een kleine hut, die
gedeeltelijk in den bodem scheen te verdwijnen.

Lord Lister liet dadelijk Anunda zijn werk staken en alle drie begaven
zich naar het gebouwtje.

Raffles had den ingang het eerst genaderd. Alles bleef stil, niets
bewoog zich. Daarom besloot hij, door de lage deur de hut binnen te
gaan.

Dit was echter niet ongevaarlijk, want wat zou het huisje bevatten? Was
het bewoond, dan huisde hier misschien een vijand; was het dat niet,
dan scheen het gevaar nog grooter, want het kon de woonplaats van het
een of andere roofdier zijn.

Raffles hield daarom dan ook zijn Browningpistool gereed, terwijl hij
zijn electrische zaklantaarn liet branden.

Door jarenlang gebruik was de bodem trapsgewijze uitgeloopen en Lord
Lister kon zeer gemakkelijk naar beneden gaan. Hij had een paar
schreden afgelegd, toen een zacht gekreun en onverstaanbaar gemompelde
woorden zijn oor bereikten.

Een oogenblik aarzelde hij, daarna echter verder neerdalend, liet hij
het licht in de donkere ruimte vallen, waar hij in een der hoeken een
ineengedoken, bruine gedaante onderscheidde.

Het was een oude fakir, die, alleen bekleed met een lendeschort, in den
donkeren hoek op den vochtigen bodem zat. Het lichaam was tot een
geraamte vermagerd; geen enkel lid bewoog zich en alleen de lippen
prevelden eentonige gebeden en tooverspreuken.

Het heldere licht der electrische lamp verblindde de oogen van den
ouden man; hij sloot ze onwillekeurig, om ze daarna met een verbaasde
uitdrukking op den vreemdeling te richten. Met zachte stem vroeg de
fakir:

„Wat willen de ongeloovigen bij Bimbisara?”

Lord Lister, die wel zag, dat hij hier met een stervende te maken had,
boog zich over den man heen en wilde den krachtelooze wijn laten
drinken uit zijn veldflesch.

De Indiër weigerde echter en sprak:

„Weet gij niet, dat het den geloovigen verboden is om wijn te drinken?
Bimbisara heeft niets noodig. Zijn lichaam zal sterven, maar hij zal in
het Nirwana worden toegelaten.”

Door verder te vragen vernam Raffles, dat de fakir reeds meer dan 50
jaar op het eiland woonde. Hij was door „Simha”—met wien hij blijkbaar
een Indisch vorst bedoelde—als wacht aangesteld bij een schat, dien hij
moest bewaken, totdat de nakomelingen van den vorst hem eenmaal zouden
opeischen.

Deze woorden, welke met moeite werden uitgesproken, werden af en toe
door gebeden onderbroken.

Hij smeekte Boeddha, om hem te verlossen van zijn dienst, daar hij
anders het Nirwana niet binnen ging.

Raffles had met groote belangstelling naar het verwarde verhaal van den
oude geluisterd. Onwillekeurig kwam de gedachte bij hem op, dat er
verband moest bestaan tusschen zijn zending en den stervende en daarom
besloot hij, den ouden man te vertellen, wat hem hierheen had gedreven.

Toen deze de geschiedenis van den ring hoorde, scheen zijn levenslampje
weer op te flikkeren en Lord Lister toonde hem het perkament, terwijl
hij hem de geheimzinnige teekens voorlas.

Nadat hij had uitgesproken, knikte de Indiër met het hoofd en zond een
dankgebed op naar Boeddha. Daarop sprak hij:

„Ik zie, dat uw zending echt en eerlijk is. De Heer heeft uw schreden
naar hier geleid, opdat Bimbisara in vrede terug kan keeren naar het
Nirwana. Breng aan de dochter van mijn vriend Simha wat haar eigendom
is. Duizend schreden van hier naar het westen zult gij een gebroken
zuil vinden. Deze staat voor den ingang van een hol, waarin zich de
schat bevindt.”

Opgewonden vroeg Raffles:

„Spreekt gij de waarheid?”

„Bimbisara is een geloovige. Geloovigen spreken altijd de waarheid.”

De Indiër had zich bij die woorden vol trots opgericht. Nu zakte hij
weer langzaam in elkaar en sprak op zachten toon:

„Luister verder, vreemdeling. Bimbisara heeft den schat daar verborgen.
Opdat geen onbevoegde hem zou kunnen vinden, heeft hij er wachters over
aangesteld, die hem goed bewaken. Dood en verderf loeren daar. Gij
echter, gij zult— — —”

Een schok doortrilde het lichaam van den fakir, het hoofd zonk op de
borst en het hart had opgehouden te kloppen.

De dood had den trouwen bewaker overvallen, nog voordat hij in staat
was geweest, voldoende verklaring te geven.

„Wij zullen den armen kerel hier laten liggen en heengaan.”

Toen het drietal weer in het heldere zonlicht stond, sprak Lord Lister:

„In elk geval moeten wij den dapperen Bimbisara dankbaar zijn, dat hij
ons de moeite van nutteloos zoeken heeft bespaard en ons den weg
gewezen. Jammer, dat hij zijn waarschuwing niet heeft kunnen voleinden.
Wij weten nu echter, dat ons bij de gebroken zuil gevaren wachten en
wij zullen trachten, deze te ontloopen.”

Het drietal zette zijn weg voort om de door den fakir aangeduide plek
op te zoeken.








TIENDE HOOFDSTUK.

IN HET SCHORPIOENENHOL.


Zij hadden nauwelijks zes- of zevenhonderd schreden afgelegd in de
aangeduide richting, toen zij een zuil zagen, waarvan het bovenste
gedeelte was afgebroken. Dit moest reeds langen tijd geleden zijn
geschied, want dicht struikgewas had het afgestorte gedeelte verborgen
en slechts met moeite kon Raffles lezen wat in den steen was gehouwen.

Het was een vers, dat in weinig woorden de leer van Boeddha samenvat en
dat van hem zelf afkomstig heet te zijn.

Raffles vertaalde:

„Het mijden van alle misdaden, Uitoefenen van het goede, Reiniging der
zinnen— Dat is het streven van Boeddha.”

„Mooie gedachten,” sprak Charly nadenkend.

„Zeker, mijn jongen. Als woorden en daden maar niet altijd zoozeer met
elkaar in strijd waren,” antwoordde John Raffles spottend.

Vlak achter de zuil vertoonde zich eene hoogte, afgezet door groote
steenen. Bovenop vormde een soort van krater een smallen ingang,
terwijl zich aan de voorzijde dicht bij de hoogte een gat bevond. Beide
openingen waren nauwelijks groot genoeg om een mensch door te laten.

Raffles bekeek aandachtig het hol. Wat kon dit bevatten? Van welken
aard waren de bewakers, aan wie de fakir den schat had toevertrouwd?
Zouden hier slangen huizen of misschien een tijger?

Charly en de bediende stonden met de wapens gereed op eenigen afstand,
terwijl Raffles behoedzaam de hoogte beklom. Toen hij den top had
bereikt, boog hij zich voorzichtig over de opening en keek naar binnen.
Er was niets te zien of te hooren.

Terwijl hij zijn electrische zaklantaarn te voorschijn haalde en het
licht naar beneden liet vallen, luisterde Raffles met gespannen
aandacht. Een eigenaardig geritsel werd vernomen uit de diepte en met
een kreet van ontzetting snelde Lord Lister achteruit.

Het heldere licht van de lantaarn had de bewoners van het hol in hunne
rust gestoord.

Eenige groote zwarte schorpioenen klauterden langs de rotswanden naar
beneden. Nu kende Raffles het geheim van het hol. Het werd bewoond door
schorpioenen, deze afschuwelijke spinnensoort, wier steek met recht
gevreesd wordt, want hij brengt onherroepelijk den dood.

Inderdaad, beter had de fakir den schat niet kunnen doen bewaken, want
wie zou het ooit wagen, dit hol binnen te dringen?

Snel had Raffles een besluit genomen. Hij wist, dat schorpioenen alleen
des nachts op roof uittrekken en vuur of licht angstig vermijden. Op
die wetenschap bouwde hij zijn plan.

Tezamen met Charly begon hij droog hout, twijgen en andere brandbare
stoffen te verzamelen. Kleine bosjes werden saamgebonden en deze in een
kring om het hol gelegd. Ook op het andere gat, dat als ingang diende,
werd brandbaar materiaal gelegd.

Anunda was teruggezonden naar de legerplaats aan het strand en keerde
juist met olie en vet terug.

Dit goot Raffles op de takkebossen, die een wal rondom den uitgang
vormden, en daarna beklom hij zelf met een groot, in olie gedrenkt
takkebos, den heuvel. Nadat hij dit had aangestoken wierp hij het in de
opening en legde er brandend hout bovenop.

Bijna tegelijkertijd hadden Charly en Anunda den geheelen wal doen
ontvlammen en de rotsgroep was nu door een vuurzee ingesloten.

De uitwerking zou niet lang op zich laten wachten. De schorpioenen, wel
een vijftig- of zestigtal, kwamen uit het hol gesneld. Het licht
verblindde hen en prikkelde hunne woede tot het uiterste.

Zij deden hun best om hunne vijanden te ontdekken om deze door hun
steek te dooden. Maar tevergeefs; waarheen ze zich ook wendden, overal
vuur.

Men zag de dieren radeloos rondloopen. Sommige trachtten met geweld de
brandende gevangenis te ontvluchten, maar zij moesten hun poging met
den vuurdood bekoopen.

Andere keerden, toen ze overal den uitweg versperd zagen, naar het hol
terug, waar de hitte en het licht het minst hinderlijk waren. Hier
draaiden zij nog een paar keer rond en staken zichzelf dan den
vergiftigden stekel in kop of rug.

Lord Lister had gerekend op deze eigenaardigheid van zijn vreeselijken
vijand en het was hem gelukt.

Een kwartier later lagen alle schorpioenen verbrand, of door hun eigen
gift gedood, ter aarde.

Nu was de weg vrij. Snel had men met houweelen en spaden den ingang
verwijd. Dieper naar binnen dringend, vond Raffles eene zachte aardlaag
en weldra kon hij twee ijzeren kistjes te voorschijn halen, die bij
nadere beschouwing een bijna onmetelijken schat aan goud, zilver en
edelsteenen bevatten.

Daar de kisten zeer zwaar waren, nam men uit elk een deel van den
inhoud en legde deze kostbaarheden in een meegenomen zak om op deze
wijze den last voor de drie schatgravers gelijkmatig te verdeelen.

Op den terugweg naar de legerplaats moest men weer voorbij de hut van
den fakir. Raffles stapte nog eenmaal naar binnen. Stil en vredig lag
de doode terneer.

„Arme Bimbisara! Vijftig jaren lang heb je een onmetelijken schat
bewaakt, en nu ben je in ellende gestorven. Een behoorlijke begrafenis
echter zult ge hebben voor we Tscherbanyani verlaten,” mompelde Raffles
en wilde juist de hut verlaten, toen hij op den grond een pakje
ontdekte.

Bij nadere beschouwing bleek, dat het een volledig, costuum bevatte van
een Hindoemeisje. Een lang bovenkleed met tallooze plooien en een met
sluiers omgeven hoofdbedekking.

Waarschijnlijk was een Hindoe-schoone naar den heilig verklaarden fakir
gekomen en had deze haar opgedragen, als boetelinge het land door te
trekken; tegelijkertijd had zij dan waarschijnlijk op deze plaats de
rijke bovenkleeding afgelegd.

Bij de gedachte, dat ook deze kleedij misschien van dienst kon zijn,
bijvoorbeeld voor Kysagotami, nam Raffles het pakje mee en volgde de
anderen naar de legerplaats.








ELFDE HOOFDSTUK.

GELUKKIG ONTKOMEN.


Toen de drie schatgravers in de legerplaats terugkwamen, vonden zij
allen in de grootste opwinding. Vooral Kysagotami beefde van
zenuwachtigheid. Men had twee booten de eilandengroep zien naderen en
Kysagotami beweerde, dat zich daarin stellig de priesters bevonden met
de soldaten, die de vluchtelingen op het spoor waren.

Ook Hassan verklaarde, dat hij in de voorste boot duidelijk de gele
kaftan van den bedelmonnik had gezien.

Om geen opzien te wekken, waren de vluchtelingen rustig in hun
legerplaats gebleven. De boot lag verborgen achter de dikke stammen der
salaboomen en was daardoor niet door de vervolgers opgemerkt.

Hassan was op een kleine hoogte geslopen om eens uit te kijken. Van
daar zag hij, dat de beide booten aan de tegenovergestelde zijde van
het eiland geland waren.

Met koortsachtig ongeduld wachtte men in het kamp op de terugkomst van
Raffles.

Toen deze hoorde, welk nieuw gevaar dreigde, maakte hij op zijn gewone
kalme, verstandige manier dadelijk een plan om te vluchten.

Hij liet de boot weer voor de afvaart gereed maken, want hij begreep,
dat er geen andere uitweg voor hen bestond dan de vrije zee. Daarop
beval hij, alle stukken bagage, en vooral de rijke schatten, zorgvuldig
te bergen.

„Ik zal eens gaan kijken, waar de vijanden zich bevinden en hen, zoo
noodig, tegenhouden, totdat gij tijd hebt gevonden om al mijn bevelen
uit te voeren.”

„Maar, Edward, wat wil je gaan doen? Je zet je leven lichtzinnig op het
spel en brengt ook ons allen in het grootste gevaar, want wat moeten
wij beginnen, als je niet tijdig terugkomt?”

„Laat mij gaan, beste Charly. Jij blijft hier en zorgt ervoor, dat
alles voor het vertrek gereed is, als ik terugkom. Ik vertrouw op mijn
goed gesternte en ben er zeker van, dat het mij ook dezen keer niet zal
verlaten.”

Een glimlach vloog over Lord Listers gelaat en een listige trek kwam om
zijn mond; het scheen, alsof hij plotseling een gelukkige gedachte had
gekregen.

Snel had hij het pakje geopend, dat hij uit de hut van den fakir had
meegebracht en er de kleedingstukken uitgenomen.

Hij hulde zich in het wijde, geplooide gewaad, zette het hoofddeksel op
en verborg handig zijn snorretje met den sluier.

De anderen met de hand groetend, begaf John Raffles zich naar het
binnenste van het eiland en niemand zou het knappe Hindoemeisje hebben
herkend als den schatgraver.

Als de toestand niet zoo ernstig was geweest, dan zouden de
achterblijvenden zeker hartelijk hebben gelachen. Maar nu drong zich
bij allen de vraag op: zal het plan van den dapperen jongen man
gelukken?....

Onder leiding van Charly werden de bevelen van Lord Lister stipt
uitgevoerd. De boot werd te water gelaten en ter afvaart gereed
gemaakt. De bagage en de kisten met kostbaarheden had men in het ruim
geborgen.

Met koortsachtig ongeduld wachtten allen op de terugkomst van Raffles.
Tevergeefs! Het eene kwartier verliep na het andere, maar noch van
Raffles, noch van de vervolgers was een spoor te ontdekken.

Bij dat alles was de wind gedraaid. Uit het zuidoosten woei een flinke
bries over de zee en deed het bootje der vluchtelingen op het water
dansen, zoodat men behalve den ketting, waarmee het vastlag, nog een
touw noodig had.

Aan den horizont had zich reeds sinds eenigen tijd een grauwe wolk
vertoond, die snel in grootte toenam. Nu was zij reeds aangegroeid tot
een zwarten wolkenmuur, die nog steeds grooter werd en met
onrustbarende snelheid naderde.

De wind werd steeds sterker en harde vlagen rukten over het eiland,
soms met zulk een kracht, dat de kruinen der boomen heen en weer
zwiepten.

Met bezorgd gelaat keek Charly nu eens naar het woud, waaruit zijn
vriend moest terugkeeren en dan weer naar het angstig-schoone
schouwspel, dat de zee vertoonde.

De trouwe Hassan stond half in het water bij den paal, waaraan de
ketting der boot was gebonden.

Om hem heen bruischten en kookten de golven, hem geheel doorweekend.
Hij trotseerde ze echter dapper, maar keek toch vol verlangen naar het
donkere woud.

De beide Indische bedienden bevonden zich in de boot, op nadere bevelen
wachtend. Op hun gezichten was zorg en angst te lezen, want zij wisten,
dat allerlei gevaren op hen loerden en dat misschien reeds de volgende
minuut den dood kon brengen.

Kysagotami had midden in de boot plaats genomen. Zij lette er niet op,
dat de hoog opschuimende golven haar kleeren tot op de huid
doorweekten. Haar groote oogen staarden met koortsachtigen glans naar
het eiland, alsof zij de diepe duisternis van het woud wilden
doorboren.

Haar lippen murmelden onophoudelijk vurige gebeden voor het welslagen
van de gevaarlijke onderneming van Lord Lister.

De zenuwachtige spanning was ondraaglijk geworden; Charly kon het niet
langer uithouden. Hij deelde Hassan met een paar woorden zijn plan mee
en snelde het woud in.

De Zuidoostenwind groeide intusschen aan tot een storm. Hij zweepte de
golven hoog op, zoodat deze woedend op het strand beukten, alles met
hun wit schuim bedekkend. Hij schudde de boomen heen en weer, zoodat
deze kraakten en ontelbare takken, door het geweld van den storm
gebroken, in het kreupelhout neervielen.

Charly had misschien driehonderd schreden afgelegd, toen hij tot zijn
vreugde iets wits tusschen de boomen zag schemeren. Het was het lichte
gewaad, dat Raffles als Hindoemeisje droeg.

Zoo snel als hij kon kwam Raffles aangerend en, terwijl zij samen naar
het schip terugkeerden, deelde hij zijn vriend zijn ervaringen mee.

Hij had nog verder moeten doordringen dan de plek, waar de gebroken
zuil stond, voordat hij iets van de vervolgers had ontdekt.

De bedelmonnik, die de leiding van den troep had, merkte het
Hindoemeisje het eerst op. Omdat het woud op die plaats zeer dicht was
en de storm dikke, zwarte wolken met zich mee voerde, was het Raffles
gemakkelijk gevallen, zijn vermomming voor echt te doen doorgaan.

Op de vraag van den bedelmonnik waar zij vandaan kwam, had het
Hindoemeisje verteld, dat zij bij den fakir was geweest, die een
geleerde was; dit geloofde men dadelijk.

John Raffles vertelde nu verder, dat de fakir gestorven was. Daar hij,
op een vraag, die men hem deed, meedeelde, dat hij niets van
vreemdelingen had gemerkt, begaven de vervolgers zich eerst naar de hut
van den fakir, om naar dezen te zien. Dit oogenblik had Raffles
gebruikt om in het duistere woud te verdwijnen, teneinde zijn makkers
weer op te zoeken.

Toen men den verloren gewaande met Charly zag aankomen, kwam een zucht
van verlichting van aller lippen.

De groote onbekende riep reeds van verre:

„Gereed voor de afvaart!”

Maar Hassan wees naar de woeste zee, schudde treurig het hoofd en
sprak:

„Het gaat niet, Sidi! Als wij erop uittrekken, zal de zee ons
verzwelgen.”

„En als wij hier blijven, zullen de vervolgers ons dooden. Op zee
kunnen wij misschien gelukkig ontkomen, hier wacht ons een zekere dood.
Vooruit dus!”

Bij die woorden sprong Raffles in de boot en sneed het touw waarmee het
vaartuig was vastgebonden, door. Hassan had de ketting reeds losgemaakt
en was in de boot gesprongen, die nu als een hinde over de witte golven
huppelde.

De koene zeevaarders hadden een zwaren kamp met storm en golven. Steeds
weer werden zij op het strand teruggeworpen, totdat het hun eindelijk
gelukte, de volle zee te bereiken.

Daar Raffles nu beter in de vaargeulen thuis was dan bij hun komst,
omzeilden zij nu handig de gevaarlijke banken, zich in noordwestelijke
richting begevend.

Hun vlucht was echter op het eiland opgemerkt, want nu zag men
duidelijk, de beide booten der vervolgers van het eiland afvaren.

Nu ving een jacht op leven en dood aan, die des te gevaarlijker werd,
naarmate de storm van minuut tot minuut heviger werd. Pikzwarte wolken
bedekten den hemel, donder en bliksem volgden elkaar op.

Bij zulk weer kon er natuurlijk geen sprake van zijn, koers te houden.
Raffles had het zeil laten inhalen, aan roeien viel ook niet te denken
en zoo dreef het vaartuig, als speelbal der elementen, op zee rond.

Bij het licht van den bliksem zag Raffles nog, dat de beide booten der
vijanden dicht achter elkaar voeren. Een volgende bliksemstraal deed
hem zien, dat de voorste boot geheel op zij lag.

Raffles wist, wat dit beteekende. De vervolgers waren op de zandbank
gestrand. Zij waren dus—althans voor het oogenblik—aan het gevaar
ontkomen om door de fanatieke priesters vermoord te worden. Zouden zij
echter niet een buit worden van de woeste golven?— —

Na verloop van ongeveer twee uur was de storm gaan liggen, de hemel was
opgeklaard en de zon scheen helder.

De wind moest gedraaid zijn, want weldra zagen de koene zeevaarders
land opdoemen. Raffles geloofde, dat zij in de buurt van Mangalur
zouden landen. Toen zij echter ongeveer een uur later een haven
binnenliepen, hoorde hij tot zijn groote verbazing, dat zij zich in de
haven van Karwar bevonden.

Eerst nu kwamen zij tot besef van het groote gevaar, waarin zij hadden
verkeerd. De boot had met razende snelheid den grooten afstand van
Tscherbanyani tot Karwar afgelegd.

In Karwar vond Raffles tot zijn vreugde een stoomboot, die reeds den
volgenden morgen op weg ging naar de Middellandsche zee.

Teen men in Karwar was geland, smeekte Kysagotami Raffles om den
robijn, het wonderdadige oog van den God Siwa, aan zijn eigenaars terug
te zenden.

Zij schilderde met levendige woorden de gevaren, die Raffles in het
leven had geroepen door zich juist dezen steen toe te eigenen. Daar zij
haar landslieden kende, deelde zij hem mee, dat stellig eenige
priesters uitgezonden zouden worden, om hem tot het uiterste te
vervolgen.

Raffles had hier echter geen ooren naar. Hij antwoordde lachend:

„Laat hen met al hun geleerden zoeken; zij zullen den steen niet
vinden. En tot in Londen zullen de Indiërs mij wel niet vervolgen!”

Maar Kysagotami sprak op bezorgden toon:

„Gij kent de volharding van den Indiër niet; gij kent de waarde zijner
eeden niet! Hij zoekt het wonderdadige oog, al zou hij den geheelen
aardbol moeten omtrekken—en hij zal het vinden!—O, als gij maar naar
mijn woorden wildet luisteren!”

Door de angstige woorden der schoone weduwe was ook Charly bevreesd
geworden en hij verzocht zijn vriend, den kostbaren steen achter te
laten.

Lister weigerde echter beslist en sprak:

„Je weet, dat ik dien steen om zijn waarde niet behoud, maar juist
omdat gij denkt, dat hij mij in gevaren kan brengen, behoud ik hem,
want heb je ooit gezien, dat Raffles gevaren vreest?”

Tegenover dit argument was Charly machteloos en hij sprak niet meer
over het wonderdadige oog van den Siwa. Ook Kysagotami zag wel in, dat
zij den Lord niet kon overtuigen en zweeg.

Raffles ontsloeg de beide Indische bedienden met rijke geschenken in
Karwar, terwijl hij met Charly, Kysagotami en Hassan de reis naar het
vaderland aanvaardde.

De geredden brachten den nacht door in een hotel te Karwar, maar eerst
toen den volgenden morgen de stoomboot, die hen naar het vaderland zou
terugbrengen, de ankers lichtte, herademden zij, want eerst nu waren
zij veilig voor de vervolging der Indiërs.

Kysagotami kon echter niet ongedwongen vroolijk zijn, want zij rilde,
als zij aan de wraak der Indische priesters dacht.

Toen het schip reeds de Oostindische kusten naderde, sprak Charly tot
zijn vriend, die op dek naast hem zat:

„Zou vriend Baxter blij zijn, spoedig weder van ons te hooren in
Londen?”

Raffles antwoordde niet, maar een welsprekende glimlach gleed over zijn
gelaat, terwijl hij den rook zijner sigarette in de heldere morgenlucht
blies.








*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0024: DE
HEILIGE SCHAT VAN DE SIWA ***

Updated editions will replace the previous one--the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
United States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.

START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg™ License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
Gutenberg™ electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

  This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
  most other parts of the world at no cost and with almost no
  restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
  under the terms of the Project Gutenberg License included with this
  eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
  United States, you will have to check the laws of the country where
  you are located before using this eBook.

1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg™.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg™ License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg™ website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
provided that:

• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
  the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
  you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
  to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
  agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
  Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
  within 60 days following each date on which you prepare (or are
  legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
  payments should be clearly marked as such and sent to the Project
  Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
  Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
  Literary Archive Foundation.”

• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
  you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
  does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
  License. You must require such a user to return or destroy all
  copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
  all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
  works.

• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
  any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
  electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
  receipt of the work.

• You comply with all other terms of this agreement for free
  distribution of Project Gutenberg™ works.

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you “AS-IS”, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™

Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™'s
goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg™ and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
www.gutenberg.org

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state's laws.

The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation's website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate

Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org

This website includes information about Project Gutenberg™,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.