The Project Gutenberg eBook of De vuurvogel en de grijze wolf
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De vuurvogel en de grijze wolf
Author: Anonymous
Release date: August 2, 2026 [eBook #79258]
Language: Dutch
Original publication: Antwerpen: Uitgeverij "Patria"
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79258
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF ***
DE VUURVOGEL
EN DE
GRIJZE WOLF
GEÏLLUSTREERD
DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF
Lange, lange jaren geleden, leefde in een groot rijk een machtig vorst,
die drie zonen had. De jongste van hen heette Iwan Zarewitsch.
De vorst bezat een tuin zoo schoon, dat geen enkele stad ter wereld kon
bogen op het eigendom van een dergelijken tuin. Bloemen en boomen van
de zeldzaamste soorten groeiden er, terwijl de vreemdste vogels zongen
en zich wiegden op de takken.
Niemand kon zeggen wat er het schoonste was. En daar vond de vorst na
de warme dagen koelte en rust.
Er bevond zich echter een appelboom, waar de heerscher het meest van
hield, want hij droeg gouden appels.
Eens bemerkte hij, dat met den dag de kostbare vruchten in aantal
verminderden. Dat verdroot den vorst zeer, zoo erg zelfs, dat hij wijn
noch drank gebruikte en door het groote verdriet zelfs niet slapen kon.
Eindelijk riep hij zijn drie zonen tot zich en sprak:
—Mijn lieve kinderen, jullie ziet, welk zwaar leed aan mijn hart
knaagt; jullie moet weten, dat iederen nacht een dief in mijn tuin
komt, die de gouden appels steelt, zoodat ik hun aantal met elken dag
zie slinken. Hij, die den dief vangt, schenk ik de helft van mijn rijk
en als ik sterf zal ook de andere helft hem toebehooren.
Toen spraken de zonen:
—Vader, wij zullen alles doen om den dief te snappen!
Daarna bespraken zij met elkaar wat zij zouden doen. Ten slotte werden
zij het eens: ieder van hen zou ’s nachts in den tuin waken.
Den eersten nacht waakte de oudste.
Hij ging onder den boom zitten, en zat er wel een half uur. Hij kreeg
pijn in al zijn ledematen en meende, dat het beter was, indien hij zich
op het zachte gras ging uitstrekken.
Zoo gezegd, zoo gedaan! En terwijl hij er lag en overdacht hoeveel
beter hij nu de zeldzame vruchten kon bewaken, sliep hij door al dat
nadenken in, en ontwaakte pas, toen de helle, lichte zon hem in het
gelaat lachte.
Verwonderd wreef hij zich de oogen, geeuwde herhaaldelijk en stond
eindelijk traag op. Tot zijn vader, den vorst, zeide hij:
—Vannacht is de dief niet gekomen.
Gedurende den volgenden nacht waakte de tweede. Hij ging onder den boom
zitten en wachtte wel een uur. Toen meende hij, dat het beter zou zijn,
indien hij zich in het groene gras neervlijde.
Hij strekte zijn ledematen uit en sliep in. Toen hij weer ontwaakte,
was het reeds lang dag.
Hij rekte zich uit, gaapte herhaaldelijk en deelde den vorst mee:
—Vannacht is de dief niet gekomen.
In den derden nacht waakte Iwan Zarewitsch. Hij ging onder den boom
zitten en verroerde zich niet. Een uur snelde voorbij, en nog een, en
nog een. Maar hij hield de oogen open en werd niet slaperig.
Opeens, het was tegen middernacht, vloog dwars door den donkeren hemel,
vanuit het Oosten, een vlammende ster. Snel als de bliksem schoot zij
op den boom neer, waar prins Iwan onder zat.
De geheele tuin werd verlicht, alsof hij door duizend lichtjes werd
beschenen. Nu zag de prins in den boom een vogel zitten, die gouden
veeren en oogen had. Dicht tegen den stam aangeleund stond Iwan. Zijn
wangen gloeiden, nauwelijks waagde hij het te ademen. De vogel sprong
van tak tot tak, en plukte de gouden appels.
Zacht kroop Iwan nader en greep den dief bij den vleugel. Maar door den
schrik liet deze snel de vruchten vallen, steeg omhoog en vloog door de
lucht weg.
Slechts een veer bleef in Iwan’s handen. Maar uit deze veer stroomde
een licht, waardoor de geheele tuin in vlam scheen te staan.
’s Morgens ging Iwan naar zijn vader, en bracht hem de veer van den
vogel. En toen hij zijn vader de veer overhandigde, verlichtte deze op
zulk een wonderlijke wijze de omgeving, dat het scheen alsof er lichten
in hem waren aangebracht.
Dat verbaasde den vorst niet weinig. Hij sprak:
—Mijn beste zoon, welk zeldzaam ding heb je daar bij je?
Iwan antwoordde:
—Vader, dat is de veer, die de dief als boete moest achterlaten. Want u
moet weten, dat de vuurvogel uit het verre Oosten de dief is, die uw
gouden appels steelt.
En hij vertelde ook hoe alles verliep. Toen omarmde hem zijn vader en
kuste hem innig op het voorhoofd.
Van dezen tijd af kwam de vuurvogel niet terug, zoodat er geen gouden
appels meer werden gestolen. Daardoor kreeg de vorst meer levenslust;
hij vergat de ernstige dagen.
Nogmaals liet hij zijn zonen voor zich verschijnen, en sprak tot hen:
—De tijd is nu aangebroken, dat jullie de wijde wereld in moet trekken,
om jullie geluk te beproeven. Ik geef je mijn zegen en beveel jullie te
vertrekken. Zoekt wat je wilt: roem, eer, avonturen, maar tracht voor
alles den vuurvogel te vinden. Wie hem mij levend brengt, dien schenk
ik, wat ik heb beloofd, de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook
de andere helft voor hem zijn.
Nu koesterden de beide oudste prinsen een diepen haat tegen hun
broeder, omdat het hem was gelukt den vuurvogel een veer te ontrukken.
Om nu te verhinderen, dat Iwan hen voor zou zijn, vertrokken zij in
allerhaast.
Thans trad de jongste voor zijn vader en sprak:
—Vader, geef mij den zegen, opdat ik het voorbeeld mijner broeders
volg. Ik zou ook gaarne mijn geluk beproeven... Het zou mij bovendien
verheugen, indien ik u den vuurvogel mocht brengen.
Maar de koning sprak:
—Mijn innig geliefde zoon! Jij bent nog jong en de tijd, dien je noodig
hebt, is lang. Ik echter snel het einde mijner dagen tegemoet. Ik weet
niet wanneer ik sterven zal. Als jij me ook verlaten hebt, terwijl ik
afscheid van het leven neem, wie zal dan het volk regeeren en het over
mogelijke tweedracht heen helpen?
Maar het gelukte hem niet zijn jongsten zoon van z’n voornemen af te
brengen. Daarom schonk hij hem tenslotte zijn zegen, en beval hem te
vertrekken.
Zonder te vragen of het dichtbij of ver af was, hij vervolgde recht aan
recht toe zijn weg. Tot hij in een breed, groen dal kwam, waar middenin
een wegwijzer stond, die drie armen had.
Op den eersten stond vermeld:
«Hij, die dezen weg betreedt, zal verhongeren en bevriezen.»
Op den rechter arm stond te lezen:
«Hij, die dezen weg betreedt, zal blijven leven, maar zijn paard is ten
doode opgeschreven.»
Den linker arm verkondigde:
«Hij, die dezen weg betreedt, is ten doode opgeschreven; maar zijn
paard zal blijven leven.»
Prins Iwan bedacht zich een poosje. Hij nam den rechter weg, na de
overweging, dat weliswaar zijn paard sterven moest, maar dat hijzelf in
leven bleef. Later zou hij zich wel een ander paard kunnen aanschaffen.
Na een tocht van drie dagen kwam hij in een groot, ondoordringbaar
woud. Maar uit het woud kwam hem een reusachtig groote grijze wolf
tegemoet.
Deze sprak tot prins Iwan:
—Prins Iwan, waarom bereedt gij dezen weg? Want nu moet uw paard
sterven!
En nog voordat de prins zijn zwaard kon trekken, was zijn paard
verscheurd.
Bedroefd trok prins Iwan te voet verder. Hij liep den geheelen dag aan
een stuk door. Toen hij zich tenslotte doodelijk vermoeid neerzette, om
wat uit te rusten, stond nogmaals de grijze wolf voor hem.
Deze sprak:
—Het spijt me erg voor u, prins Iwan, dat ik uw braaf paard heb
verscheurd. Maar het moest! Of hebt gij niet gelezen, wat er achter u
stond geschreven? Vergeet nu echter uw leed; want voortaan zal ik u
dienen. Vooruit! Ga op mijn rug zitten! Ik zal u brengen, waarheen ge
wilt!
Toen vertelde prins Iwan, waarom hij vertrokken was, zoodat hij wel zou
moeten reizen tot aan het einde der wereld. Daarna ging hij op den
grijzen wolf zitten. In vliegende vaart, vlugger dan een vogel, trokken
zij verder. Tot zij tegen middernacht voor een hoogen muur stil
hielden.
Toen zei de grijze wolf:
—Wij zijn er. Achter dezen muur is een tuin, en in den tuin staat een
kooi, waarin de vuurvogel zit. Neem hem nu, maar wees voorzichtig en
raak de gouden kooi niet aan! Als ge deze meeneemt, kunt ge er niet
meer vandaan, en zal men u gevangen nemen.
Prins Iwan klom over den steenen muur in den tuin. Deze was zoo helder
beschenen, alsof de zon haar stralen er in wierp. Dit licht kwam van
den vuurvogel, die in een gouden kooi zat, welke midden in den tuin
stond.
Van verbazing bleef Iwan een oogenblik staan. Zoodra hij tot zichzelf
kwam, loerde hij naar alle kanten, sloop naderbij en nam dan den vogel
uit de kooi.
Maar toen hij overwoog, waar hij den vogel kon bewaren, vergat hij de
vermaning van den grijzen wolf, en nam hij ook de gouden kooi mee.
Opeens weerklonk luid belgerinkel door den geheelen tuin, want van de
kooi uit liepen zilveren draden naar alle kanten. Nu ontwaakten de
bewakers, grepen Iwan met den vuurvogel en brachten den jongen prins
voor koning Dalmat.
Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe:
—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij. Waar gelden zulke gebruiken?
Prins Iwan antwoordde:
—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig
vorst. Deze vogel is de dief, die iederen nacht de gouden appels uit
mijn vaders tuin steelt.
Waarop de koning antwoordde:
—Een prins zijt ge? Maar dan haalt ge geen edele daden uit! Als u mij
er om had verzocht, dan had ik u den vuurvogel vrijwillig gegeven. Nu
verdient ge, dat ik u door het geheele land stuur en bekend maak, hoe
schandelijk gij mij hebt behandeld.
—Luister echter. Als u door driemaal negen landen naar het drie maal
tiende koninkrijk trekt, bij koning Alfons, en ge brengt mij nu het
paard met de gouden manen, zal ik uw wandaad vergeven en u met
eerbewijzen den vuurvogel overhandigen.
Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer en beloofde het paard met de
gouden manen te zullen brengen.
Diep bedroefd keerde hij naar den Grijzen Wolf terug.
—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je
niet naar me geluisterd en toch de gouden kooi aangeraakt?
—Ik ben door jou schuldig, antwoordde prins Iwan, en jij alleen kan het
weer goedmaken! Breng mij naar koning Alfons, bij wien ik het paard met
de gouden manen moet halen.
—Het zij zoo, bromde de wolf, ga op me zitten! Ik zal je brengen waar
je heen wil.
Toen ging prins Iwan weer boven op den Grijzen Wolf zitten, en als een
pijl uit een boog schoten zij vooruit.
Diep in den nacht kwamen zij voor het slot van koning Alfons.
De Grijze Wolf sprak nu tot den prins:
—Ga in den marmeren stal. De knechten slapen nu, zoodat het je niet
moeilijk zal vallen het paard met de gouden manen uit den stal te
brengen. Maar aan den muur hangt een gouden tuig; denk er vooral om dat
niet aan te raken! Wanneer je dit tuig neemt, kan je niet meer weg en
wordt je gevangen genomen.
Iwan ging in den marmeren stal en vond, zooals de Grijze Wolf had
gezegd, de wachters in slaap en het paard met de gouden manen los op
z’n plaats.
Toen hij het echter naar buiten wilde brengen, ontwaarde hij aan den
muur het gouden tuig. Het schitterde zoo mooi, dat hij de waarschuwing
van den Grijzen Wolf vergat en ook het tuig meenam. Maar nauwelijks had
zijn hand het tuig aangeraakt, of door al de stallen weerklonk
klokgelui. Want van het tuig gingen zilverdraden uit naar alle kanten.
De paarden begonnen te trappelen; de wachters werden wakker, grepen den
dief en brachten hem voor koning Alfons.
Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe:
—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij? Waar gelden zulke gebruiken?
Prins Iwan antwoordde:
—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig
vorst.
—Als ge als prins tot mij waart gekomen, dan had ik u het paard met de
gouden manen als eerbewijs ten geschenke gegeven! Nu verdient ge, dat
ik door het geheele land bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt
behandeld!
Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer. Maar de koning begon opnieuw:
—Luister, prins! Als gij door driemaal negen landen trekt, naar het
drie maal tiende koninkrijk, en mij den dienst bewijst de schoone
Helena te halen, dan zal ik u uw wandaad vergeven, en u het paard met
de gouden manen en ook het gouden tuig schenken.
Prins Iwan beloofde de schoone prinses te zullen brengen, waarna hij in
de grootste droefheid naar den Grijzen Wolf terugkeerde.
—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je
niet naar me geluisterd, en nam je het gouden tuig?
—Ach, ik deed er verkeerd aan. Ik moet zonder vrede blijven als jij me
niet helpt!
—Kom, ga op me zitten, vervolgde de Grijze Wolf, dan zal ik je brengen,
waarheen je wilt. Maar nu is het mijn beurt!
Het duurde niet lang of zij waren drie maal negen landen doorgetrokken,
en bevonden zich in het drie maal tiende rijk. Toen kwamen zij in een
breed dal. In het midden daarvan stond een groene eik.
—Stijg af, prins Iwan, sprak de Grijze Wolf, en wacht hier onder dezen
eik op mij!
De prins deed, wat hem was bevolen. Maar de Grijze Wolf liep door tot
hij voor een gouden hek kwam, waarachter zich de tuin bevond der
schoone prinses. De Grijze Wolf sprong over de omheining en verstopte
zich achter kreupelhout.
Tegen den avond, toen de zon reeds in het Westen wegzonk en koele
windjes in den tuin waaiden, begaf de koningsdochter zich met haar
kamermeisjes naar den tuin, waar zij babbelend en schertsend heen en
weer wandelden.
Toen zij echter de plek naderden, waar de Grijze Wolf verscholen zat,
sprong deze plotseling van achter het kreupelhout te voorschijn. Hij
greep de schoone koningsdochter vast en ontvluchtte over het hek heen.
Haar bewaaksters en kamermeisjes, die met haar in den tuin waren,
weenden en snelden naar het paleis terug.
Het geheele hof liep te hoop. De koning zond hardloopers en jagers er
op uit om den Grijzen Wolf in te halen. Maar hoe hard zij ook liepen,
zij konden hem niet inhalen. Zij keerden onverrichterzake tot hun heer
en meester terug.
Intusschen nam Iwan de schoone koningsdochter van den Grijzen Wolf over
en legde haar voorzichtig op het gras. Zij lag er bleek en stil, alsof
zij dood was, zoo hevig had de Grijze Wolf haar doen schrikken.
Spoedig opende zij de mooie oogen, zag den jeugdigen prins en bloosde
diep, wat haar nog schooner maakte dan zij gewoonlijk was. De prins nam
haar vóór zich op den rug van den Grijzen Wolf, die weer als een pijl
uit den boog voortvloog, naar het land van koning Alfons. Maar toen zij
voor diens paleis aankwamen, wilde de prins en de prinses niet meer van
elkaar scheiden. De schoone koningsdochter weende bitter en Iwan was
diep bedroefd.
Nu vroeg de Grijze Wolf:
—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan?
En de prins antwoordde:
—Ik moet wel weenen en treurig zijn! Ik kan onmogelijk van de prinses
scheiden en geef haar niet in ruil voor het paard met de gouden manen.
Maar als ik het niet doe, ben ik voor de geheele wereld onteerd!
—Ik heb je tot nu toe gediend, antwoordde de Grijze Wolf, ik zal je ook
nu dienen.
—Luister, Iwan! Ik zal me omtooveren in een prinses, en als twee
droppels gelijken op de schoone Helena. Jij moet mij naar koning Alfons
brengen, zoodat je dan het paard met de gouden manen in ruil ontvangt.
Heb geen zorg voor mij! Zoodra je aan mij denkt, ben ik weer bij je.
Toen wierp de Grijze Wolf zich op den grond, en opeens stond voor prins
Iwan een prinses, die zoo sprekend op de schoone Helena geleek, dat hij
niet kon onderscheiden wie de echte of de valsche was.
Nu verlangde de prinses geworden Wolf, dat de prins hem zou volgen.
Maar de schoone Helena gebood hij in het woud te wachten.
Toen prins Iwan met de zoogenaamde prinses bij koning Alfons kwam, was
deze zeer verheugd. Hij schonk dus Iwan het paard met de gouden manen.
Iwan wachtte niet lang, sprong op het paard en snelde weg.
Spoedig werden voorbereidselen getroffen voor de bruiloft. Koning
Alfons wilde zijn bruid naar de tafel geleiden. Maar toen hij haar hand
wilde vatten, voelde hij in de zijne een ruigen zwaren poot. En tot
hevigen schrik van al de aanwezige gasten ontwaarden zij, in plaats van
een schoone bruid, een reusachtig grooten grijzen wolf naast den
koning. Maar voordat zij goed en wel beseften wat er juist gebeurde,
was de wolf al de deur uit en verdwenen.
Intusschen reed prins Iwan met de echte prinses steeds verder. Zij
hadden zooveel met elkaar gesproken, dat zij den Grijzen Wolf geheel
vergaten. Maar toen Iwan eens aan hem dacht en sprak:
—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond de Grijze Wolf al voor hem, en
zei:
—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid op het paard met
de gouden manen rijden.
Toen sprong prins Iwan van het paard en nam weer plaats op den rug van
den Grijzen Wolf. En zoo trokken zij naar het rijk van koning Dalmat.
Maar toen het oogenblik was aangebroken, dat hij het paard met de
gouden manen aan koning Dalmat moest overgeven, overviel hem nogmaals
een groote droefheid. Nu vroeg de Grijze Wolf weer:
—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan?
—Ach, antwoordde deze, ik moet wel treurig zijn, want ik moet immers
het paard met de gouden manen afstaan, dat mij zoo trouw heeft gediend.
Maar als ik het niet doe, wordt ik voor de geheele wereld onteerd.
—Hoe dikwijls heb ik je niet tot nog toe gediend!... Ook nu zal ik je
dezen dienst bewijzen, en me omtooveren in het paard met de gouden
manen.
Toen wierp de Grijze Wolf zich op de aarde, en spoedig stond voor prins
Iwan een paard met golvende, gouden manen. Het geleek zooveel op het
andere, dat men niet kon zeggen, welke van beiden het echte was.
Nu sprak de Wolf, die in een paard was veranderd:
—Breng mij naar koning Dalmat, waarna je den vuurvogel zal ontvangen.
En wanneer je maar aan mij denkt, zal ik weer bij je zijn.
Aan de schoone Helena gebood hij voor de stad te wachten.
Toen prins Iwan voor het paleis van koning Dalmat kwam, en deze het
paard met de gouden manen zag, verheugde hij zich er zoozeer over dat
hij zijn vertrekken verliet en zijn gast tegemoet snelde. Hij nam den
prins bij de hand, en bracht hem naar de marmeren zaal. Daar
overhandigde hij hem den vuurvogel met de gouden kooi.
Iwan weifelde niet lang, nam vogel en kooi, en verliet de stad.
Op zekeren dag had koning Dalmat lust op het paard met de gouden manen
ter jacht te gaan. Hij beval het te zadelen en trok met de geheele
hofhouding naar het woud. Er waren geen woorden genoeg om het heerlijke
paard te loven.
Opeens schoot vanonder den koning een grijze wolf weg.
—Houdt hem! Er achterna! riepen allen. Maar niemand was hierop
voorbereid.
Prins Iwan was intusschen met zijn schoone prinses ver op weg naar zijn
vaderland. En toen hij opeens dacht:
—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond deze reeds voor hem en sprak:
—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid echter op het
paard met de gouden manen rijden!
Nu nam Iwan plaats op den Grijzen Wolf, en zoo trokken zij weer verder.
Toen zij op de plek kwamen, waar de Grijze Wolf het paard van den prins
had verscheurd, bleven zij staan. En de Grijze Wolf sprak:
—Welnu, prins Iwan, ga van mijn rug. Ik kan je voortaan niet meer
dienen. En in ’t vervolg moet je jezelf helpen. Maar wees voorzichtig,
en stel geen vertrouwen in je broeders!
Bij deze woorden verdween hij in het woud.
Iwan wachtte nog een lange poos, in de hoop, dat de Grijze Wolf zou
terugkeeren. Toen hij echter bemerkte, dat hij tevergeefs wachtte,
zette hij treurig gestemd met de schoone prinses, het paard met de
gouden manen en den vuurvogel zijn reis voort.
Hij had nog een twintig mijlen af te leggen. In de verte ontwaarde hij
in het groene veld een tent, welke hij tegen den avond bereikte. Wie
beschrijft zijn vreugde, toen hij zijn broeders uit de tent zag komen!
Zij hadden evenals hij de verst verwijderde koninkrijken doortrokken,
maar den vuurvogel hadden zij niet gevonden, en juist terzelfdertijd
keerden zij met leege handen naar hun vaderland terug.
Toen zij nu het paard met de gouden manen zagen en de schoone
koningsdochter er boven op, en den vuurvogel in de gouden kooi, brak
hun haast het hart van naijver. Maar zij veinsden de vreugde van hun
broeder te deelen.
Met vriendelijke woorden noodigden zij hem en de prinses in de tent, en
zetten hen spijzen en drank in overvloed voor.
Iwan, die door den sterken drank verhit en beneveld was, vergat de
waarschuwing van den Grijzen Wolf, en vertelde wat er was gebeurd. In
zijn vreugde bemerkte Iwan niet hoe zijn broeders steeds van
gelaatskleur wisselden.
Het duurde niet lang of Iwan en de prinses, vermoeid door de lange
reis, vielen in diepen slaap. Toen lachte de oudste spottend. Hij trok
zijn zwaard en stak zijn broeder midden in het hart.
Daarna wekten zij de schoone koningsdochter en zeiden haar, dat zij
haar nu naar hun vader zouden brengen met den vuurvogel en het paard
met de gouden manen. Maar toen de prinses zag, dat Iwan was vermoord,
brak zij in bitter geweeklaag uit en klaagde onder tranen:
—Jullie booswichten, wat hebben jullie daarmee gewonnen? Is een slapend
mensch niet als een doode?
Nu zette de oudste, die reeds den broer had overmand, ook haar het
zwaard op het hart en sprak:
—Luister, schoone koningsdochter, je bent in onze macht, en nu moet je
onzen vader zeggen, dat wij je veroverd hebben, en ook den vuurvogel en
het paard met de gouden manen. Maar als jij dit niet wilt zeggen, zal
ik je onmiddellijk om hals brengen!
In haar angst, dat zij sterven moest, beloofde Helena alles te zeggen
wat haar zou worden bevolen.
De beide broeders begonnen nu te loten wie de schoone prinses en wie
het paard met de gouden manen zou krijgen. Den tweede wees het lot de
bruid aan, de oudste bekwam echter het paard met de gouden manen.
De laatste sprong weer op zijn paard en voerde dat met de gouden manen
aan de teugels mee, terwijl de andere broeder de schoone koningsdochter
bij zich hield. Zoo trokken zij naar hun vader, om hem den vuurvogel te
brengen.
Intusschen lag Iwan al drie dagen dood op het veld. Het toeval wilde,
dat de Grijze Wolf in de buurt rondzwierf, en den verslagen jongeling
vond. Hij wilde hem helpen, maar wist niet hoe.
Radeloos sloop hij her en der tot de dag voorbij ging en de zon daalde.
Omstreeks dezen tijd bemerkte hij opeens een raaf met twee jongen, die
boven het lijk heen en weer vlogen, en er op wilden neerstrijken, om
zich aan het vleesch te goed te doen.
Toen verschool de Grijze Wolf zich achter struikgewas, want hij wilde
een raaf vangen. Op het oogenblik, dat de jonge vogels vraatzuchtig
neerstreken, sprong hij te voorschijn, snapte er een en wilde de raaf
verscheuren. Maar de oude raaf riep hem angstig toe:
—Ach, Grijze Wolf, doe mijn jong kind geen pijn, het heeft je toch geen
kwaad gedaan!
De Wolf antwoordde:
—Luister, Raaf, je moet over driemaal negen landen en drie maal tien
koninkrijken vliegen, en mij het water des levens en het water des
doods brengen. Dan eerst zal je kind ongedeerd blijven.
En de raaf antwoordde:
—Ach, Grijze Wolf, ik zal het gaarne halen, maar deer mijn kind niet!
En toen de vogel deze woorden had gesproken, vloog hij weg en verdween
spoedig in de lucht.
Drie dagen later keerde hij weer met twee fleschjes, waarin het water
des levens en het water des doods was.
De Grijze Wolf nam de fleschjes, en toen hij ze had, verscheurde hij de
jonge raaf in tweeën.
Daarna besproeide hij den deerlijk gehavenden vogel met het water des
doods. De raaf groeide weer aan elkaar! Dan nam hij het water des
levens; de kleine raaf richtte zich op en vloog weg.
Nu besproeide de Grijze Wolf den verslagen prins met het water des
doods. Diens lichaam groeide weer aaneen. Toen de Grijze Wolf hem met
het water des levens besprenkelde, stond Iwan op en sprak:
—Ach, waarom heb ik zoolang geslapen?
—Je zou eeuwig hebben geslapen, antwoordde de Grijze Wolf, als ik je
niet hier gevonden had. Want je broeder heeft je neergeveld; de ander
heeft je bruid genomen en zal vandaag met de schoone Helena trouwen.
Als een waanzinnige keek prins Iwan den Grijzen Wolf aan, en dacht
slechts:
—Droom ik, of waak ik?
Maar deze sprak:
—Snel, Iwan, ga op mij zitten, opdat ik je naar je vader zal brengen.
Anders zie je de schoone prinses niet terug!
Nu begreep prins Iwan eerst wat er in dien tusschentijd was gebeurd.
Hij nam op den rug van den Grijzen Wolf plaats, en bevond zich spoedig
voor de stad zijns vaders. Hier nam hij afscheid van den Grijzen Wolf,
waarna hij de stad inging.
Toen hij het kasteel binnentrad, waren er reeds vele gasten verzameld.
Boven aan tafel zaten aan den maaltijd de schoone Helena en zijn
broeders, een aan haar rechter zij en een aan haar linker kant.
Maar toen de bruid, wier gelaat zeer bleek zag, den vreemden gast
ontwaarde, sprong zij op en riep luid:
—Daar is mijn echte bruidegom; deze hier, die met mij aan tafel zat, is
een booswicht!
Zij snelde naar Iwan toe en sloeg haar armen om zijn hals.
Nu verhief de koning zich van zijn zetel en vroeg, geheel in de war van
verbazing, wat dat had te beteekenen. De schoone koningsdochter
vertelde alles: hoe Iwan haar verkreeg; dat het paard met de gouden
manen en den vuurvogel hem toebehoorden; hoe de broeders hem in den
slaap vermoord hadden, en haar dwongen geen woord van het gebeurde te
vertellen.
En Iwan vertelde verder: dat de Grijze Wolf hem tenslotte had gevonden,
hem weer levend had gemaakt en hem hierheen had gebracht, zoodat alles
nog op het laatste oogenblik opgehelderd kon worden.
De koning was nu vreeselijk vertoornd. Hij beval, dat de beide broeders
onmiddellijk in de ketens geklonken moesten worden en in den kerker
geworpen.
Prins Iwan plaatste de koning nog in hetzelfde uur aan het hoofd van
het geheele rijk. En de schoone Helena werd tot koningin uitgeroepen en
leefde in eendracht en liefde naast haar Iwan, die tenslotte verkreeg,
wat hij met zooveel moeite en strijd verworven had.
EINDE
DE EEND MET DE GOUDEN EIEREN
Er was eens een arme boer, die met zijn vrouw en zoon nauwelijks genoeg
had om er van te kunnen leven. Hoezeer zij zich ook inspanden, toch
waren hun inkomsten ontoereikend.
Op zekeren avond was het met ’t gezin zoo erg, dat moeder de vrouw de
haren niet meer kon voorzetten dan een harden korst.
Maar op het oogenblik, dat zij het stuk brood wilde verdeelen, sloop
van achter den oven een heks te voorschijn, rukte den korst uit de
handen der arme vrouw en snelde naar haar schuilhoek terug.
De boer smeekte de heks, dat zij hen toch vooral niet het laatste hapje
voor den mond weg zou rukken. Hij had tranen in de oogen. Geen
kruimeltje was er meer in huis voor hem, zijn vrouw en zijn zoon.
Biddend om haar te vermurwen viel hij voor de heks op de knieën.
Maar het oudje antwoordde, dat zij niet meer teruggeven kon wat zij
eenmaal afgenomen had. Zij wilde hem evenwel ter vergoeding een eend
geven, die eiken dag een gouden ei zou leggen.
—Maar zeg mij, waar ik de eend vinden kan, antwoordde de boer
ongeloovig, dan zullen wij gaarne honger willen lijden tot morgen
ochtend.
De oude heks gaf nu tot bescheid:
—Ga morgen, voordat de zon boven de bergen stijgt naar de stad. Daar
zal je op den vijver, de eend zien zwemmen!
Zoodra zij deze woorden had gesproken, was zij verdwenen. Maar vrouw en
zoon wachtten nog een poos, want zij hoopten, dat het oudje zou
terugkomen; zij kwam echter niet weer.
De vrouw zuchtte en de zoon jammerde luid; troosteloos wierpen zij zich
op bed.
De boer kon den geheelen nacht geen oog dichtdoen. Den volgenden morgen
stond hij vroeg op en ging naar de stad. Daar zag hij werkelijk op den
vijver de eend zwemmen.
Hij bedacht zich niet lang, lokte de eend, die onmiddellijk naar den
oever kwam. Snel pakte hij haar en bracht den vogel naar zijn vrouw.
Deze betastte de eend en zei, dat zij een ei had. Hoe verheugd waren de
drie boerenmenschen. De vrouw zette de eend in een groote kooi en
bedekte haar met een zeef.
Een uur later stelden zij een onderzoek in en bevonden, dat de eend het
ei had gelegd. Nu lieten zij de eend wat rondloopen op den deel, namen
het ei, betastten en bekeken het aan alle kanten, wikten het op de
hand, drukten het aan hart en lippen, streelden het de een na de ander
en gedroegen zich dwaas van vreugde.
Want het was werkelijk en waarlijk een goed, geel-gouden ei. Toen zij
het ten slotte genoeg hadden bewonderd, nam de boer het ei en bracht
het naar de stad, om het te verkoopen. Daar gaf de goudsmid hem een
groote som geld.
Natuurlijk ging de boer nu naar de markt, kocht er brood, vleesch en
allerlei groenten, zooveel hij maar kon dragen en keerde met rijken
buit naar huis terug.
Den volgenden dag legde de eend weer een ei, dat de boer voor den
zelfden prijs aan den goudsmid verkocht.
Zoo ging het iederen dag en niet lang duurde het of de boer werd erg,
erg rijk.
Nu bouwde hij zich een huis, kocht allerlei koopwaren en begon erin te
handelen.
Toen hij eens erop uit getrokken was om nieuwe waren te koopen, kwam er
een vreemde man in zijn huis. Deze ontwaarde de eend, maar wist niet,
dat zij gouden eieren legde. Hij verbaasde zich daarom er niet weinig
over, dat het dier in de kamer verbleef en onder een zeef geborgen was,
terwijl toch andere eenden op den vijver snaterend ronddreven.
Hij vermoedde nu, dat daar een geheim achter schuilen moest. Hij ging
dichterbij en bekeek den vogel nauwkeuriger. Nu ontdekte hij, dat met
gouden letters onder de vleugels stond geschreven:
«Hij, die de eend opeet, zal koning worden.»
Maar van deze ontdekking sprak hij geen woord, verzocht echter de
boerin, dat zij de eend voor hem zou braden. Toen zij het niet wilde
doen, probeerde hij het met vriendelijkheid, smeekte, dreigde en drong
zoo indrukwekkend aan, dat zij bijna aan zijn verlangen voldeed. Maar
zij waagde het niet uit vrees voor haar man.
De onbekende vroeg haar nu, waarom zij zoo’n groot belang had bij het
behoud van die eend. Waarop de boerin antwoordde, dat haar geluk van de
eend afhing, zoodat zij den vogel niet kon of durfde braden.
Maar de jonge man smeekte haar nog inniger en bepraatte haar zoo
vriendelijk, dat de domme vrouw ten slotte de eend slachtte en in den
oven zette.
De onbekende dacht bij zichzelf:
—Als de eend maar alvast is geslacht, dan ligt ze reeds half in mijn
maag.
En hij ging weg, daar hij niet langer blijven kon, maar beloofde tegen
den middag terug te komen.
De vrouw ging evenwel ook naar de stad.
Even later ging de zoon, die zich in den winkel bevond, naar achter.
Hij had grooten honger. De jongen zocht naar wat voedsel om zijn honger
te stillen. Opeens drong vanuit den oven een heerlijke lucht tot hem
door.
Hij vond de gebraden eend, haalde ze voor den dag. De geur was zoo
heerlijk, het vleesch zoo malsch, zijn honger zoo knagend, dat hij de
eend zonder erover na te denken, heelemaal verslond. Hij liet alleen de
beentjes over. En daarna ging hij weer in den winkel.
Niet veel later kwam de onbekende man terug. Hij was niet weinig
verbaasd, dat hij de boerin niet thuis trof. Hij wachtte echter, hoewel
met ongeduld, tot zij weerom kwam.
De man verzocht haar de gebraden eend op te dienen. Hoe groot was de
ontsteltenis, toen de boerin ontdekte, dat de eend er niet meer was!
De vreemdeling werd boos en zeide:
—Je hebt zeker zelf de eend opgegeten?
Slecht geluimd ging hij weer heen.
’s Avonds kwam de boer en met hem ook de zoon thuis. De vader bemerkte
dadelijk, dat de eend er niet meer was. Hij vroeg nu zijn vrouw, waar
de vogel was gebleven. Zij antwoordde hem, dat zij er niet meer van
wist dan hij, daar zij in de stad was geweest.
Nu vertelde de zoon aan zijn vader, dat hij ’s middags, toen zijn
moeder niet thuis was, in den oven een gebraden eend vond, die hij tot
op de beenderen opgegeten had. Maar hij wist niet of het de eend met de
gouden eieren of een andere was geweest.
Toen de vader dat hoorde, werd hij woedend op zijn vrouw en joeg zijn
zoon de deur uit.
De zoon ging heen, zonder te weten of te vragen waar naar toe. Nadat
hij tien dagen en tien nachten had geloopen, kwam hij in een groot,
vreemd land.
Het volk daar was in diepe rouw gedompeld. Want zijn koning was
gestorven; het wist niet wien het op den troon zou roepen.
De wijzen uit het volk beraadslaagden en kwamen tot het volgende
besluit:
«Hij, die den dag na deze vergadering het eerst door de stadspoort
kwam, zou tot koning worden gekroond.»
Juist tegen dien tijd kwam de boerenzoon in de stad. Nu schreeuwde het
geheele volk:
—Hier komt onze koning aan!
De ouderen en wijzen pakten hem bij de armen, brachten hem in de
koninklijke vertrekken, staken hem in kostbare gewaden, zetten hem de
kroon op het hoofd, knielden voor hem en verlangden onderdanig, dat hij
zijn bevelen bekend maakte.
Onze koopmanszoon vertrouwde zijn eigen oogen niet. Hij dacht, dat hij
droomde. Toen zij hem echter verzekerden, dat zij hem werkelijk tot hun
koning hadden gekozen, verheugde hij zich werkelijk.
De boerenzoon werd een wijs en barmhartig heerscher. Zijn volk beminde
hem zeer.
Toen hij eenigen tijd geregeerd had, liet hij zijn ouders komen, die
hij vergaf en die hun ouden dag rustig en vreedzaam sleten.
EINDE
DE DRIE SPINSTERS
Er was eens een lui meisje, dat niet wilde spinnen. Haar moeder mocht
haar nog zoo beknorren en berispen, zij kon het meisje er niet toe
bewegen aan het spinnewiel te gaan.
Ten slotte overmeesterden de moeder op zekeren keer woede en ongeduld,
zoodat zij haar luie dochter een dracht klappen gaf.
Het meisje begon luidkeels te huilen. En juist kwam toen de koningin
voorbij. Bij het hooren van het geweeklaag, liet zij haar koets
stilhouden, stapte uit en ging het huis binnen.
De vorstin vroeg de moeder, waarom zij haar dochter sloeg, zoodat men
buiten het gehuil kon hooren.
De moeder schaamde zich echter de luiheid harer dochter bekend te maken
en antwoordde:
—Ik kan maar niet van haar verkrijgen, dat zij met spinnen ophoudt. Zij
wil maar altijd en eeuwig spinnen. Ik ben arm en kan me geen vlas
aanschaffen.
Daarop antwoordde de koningin:
—Ik hoor niets liever dan spinnen en voel mij nooit aangenamer dan
wanneer ik het gesnor der wielen hoor; geef mij uw dochter mee naar het
paleis. Ik heb vlas genoeg, zoodat zij naar hartelust zal kunnen
spinnen.
Daar was de moeder zeer tevreden mee. Dus nam de koningin het meisje
met zich.
Toen zij in het paleis waren gekomen, bracht de vorstin haar naar drie
kamers, die van onder tot boven vol lagen met het mooiste vlas.
—Nu moet je dit vlas voor mij spinnen, sprak zij. Als je gereed komt
wordt je de gemalin van mijn oudsten zoon. Je bent wel arm, maar daar
let ik niet op. Je onverdroten vlijtigheid is een voldoende bruidschat.
Het meisje schrok, want zij kon het vlas niet spinnen, al was zij
driehonderd jaar oud geworden, al had zij van ’s morgens tot ’s avonds
erbij gezeten.
Toen zij nu alleen was, begon zij te huilen en bleef zonder een vinger
uit te steken, zoo drie dagen zitten.
Den derden dag kwam de koningin. Toen zij zag, dat er nog niets
gesponnen was, verbaasde zij zich erover. Maar het meisje
verontschuldigde zich met de bewering, dat zij door de verwijdering uit
moedershuis zoo bedroefd was, dat zij nog niet kon beginnen. Dit liet
zich de koningin aanleunen.
Bij het vertrek sprak zij echter:
—Morgen moet je beginnen met te werken.
Toen het meisje weer alleen was, wist zij geen raad meer. Bedroefd ging
zij voor het venster staan. Zij zag drie vrouwen aankomen.
De eerste had een breeden platvoet, de tweede had zoo’n groote
onderlip, dat die over haar kin heenhing en de derde had een breeden
duim. Zij bleven voor het raam staan, keken omhoog en vroegen het
meisje, wat haar scheelde.
Zij klaagde bij hen haar nood, waarna de drie vrouwen haar hun hulp
aanboden en spraken:
—Zal je ons op de bruiloft uitnoodigen, je niet over ons schamen,
zeggen, dat wij je tantes zijn, ons ook aan je tafel laten plaats
nemen? Dan zullen wij al het vlas opspinnen en wel in zeer korten tijd.
Het meisje antwoordde:
—Heel graag. Kom maar en begin dadelijk aan het werk! Zij liet de drie
zonderlinge vrouwen binnen, en maakte in de kamer, waar de vrouwen
moesten zitten en spinnen, een bres.
De eene trok aan den draad en trapte het rad in beweging, de andere
breide den draad, de derde draaide hem en sloeg met den vinger op de
tafel. En iederen keer, dat zij sloeg, viel er een getal netten op den
grond. En die waren allerfijnst gesponnen.
Voor de koningin verborg zij de drie spinsters en toonde haar, zoo
dikwijls zij kwam, den stapel gesponnen netten, zoodat haar lofzang
geen einde nam.
Toen de eerste kamer leeg was, werd aan de tweede begonnen en ten
slotte het derde vertrek, dat spoedig opgeruimd was.
Nu namen de drie vrouwen afscheid en zeiden tot het meisje:
—Vergeet niet wat je ons hebt beloofd. Het zal je geluk zijn.
Toen het meisje aan de koningin de leege kamers en de groote hoopen
netten toonde, werden de voorbereidingen tot de bruiloft getroffen. De
prins verheugde zich zeer, dat hij zoo’n handige en vlijtige vrouw
kreeg. Hij prees haar uitermate.
Het meisje sprak nu:
—Ik heb drie tantes. Daar zij mij veel goed hebben gedaan, wil ik hen
in mijn geluk niet vergeten. Veroorloof mij, dat ik hen op de bruiloft
uitnoodig en hen aan den feestdisch laat aanzitten.
De koningin en de prins spraken:
—Waarom zouden wij dit niet toestaan?
Toen het feest begon, traden de drie vrouwen wonderlijk uitgedost
binnen. En nu zei de bruid:
—Weest welkom, lieve tantes!
De bruidegom vroeg:
—Ach, hoe kom je aan zulke vieze vriendinnen?
Hij trad op hen toe en vroeg aan de vrouw met den breeden platvoet:
—Hoe komt u aan zoo’n breeden voet?
—Van het loopen, antwoordde zij; van het loopen.
Daarna ging de bruidegom naar de tweede, die hij vroeg:
—Hoe komt u toch aan die afhangende lip?
—Van het likken, antwoordde zij, van het likken.
En nu vroeg hij aan de derde:
—Hoe komt u aan dien breeden duim?
—Van het draaien der draden, antwoordde zij, van het draaien der
draden.
De koningszoon schrok nu vreeselijk. Hij sprak:
—Dan zal mijn schoone bruid nooit meer een spinnewiel aanraken!
En daarmee was zij van het akelige vlasspinnen voorgoed verlost.
EINDE
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you
are not located in the United States, you will have to check the laws
of the country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
the use of Project Gutenberg works calculated using the method
you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
within 60 days following each date on which you prepare (or are
legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
payments should be clearly marked as such and sent to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
License. You must require such a user to return or destroy all
copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free
distribution of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.