Opa en Ineke

By A. Hubert van Beusekom

The Project Gutenberg eBook of Opa en Ineke
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Opa en Ineke

Author: Anna Hubert van Beusekom

Illustrator: Nans van Leeuwen


        
Release date: April 1, 2026 [eBook #78337]

Language: Dutch

Original publication: Gouda: G. B. van Goor Zonen, 1927

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78337

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OPA EN INEKE ***




                              OPA EN INEKE

                                  DOOR
                        ANNA HUBERT VAN BEUSEKOM
                  SCHRIJFSTER VAN: JANNEKE EN DE KLOK.

                    MET PLATEN VAN NANS VAN LEEUWEN


                              TWEEDE DRUK


                       GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN








INHOUD.


                            Blz.
    Opa en Ineke           5–64
    Uit logeeren          67–80








OPA EN INEKE.


„Ineke, Ineke, schei nu eens uit. ’t Is heusch bedtijd, hoor! Denk er
aan, dat je morgen al zoo vroeg op moet. Kom, kind,” en mevrouw Van
West boog zich over haar dochtertje, dat aan tafel zat te lezen en
legde haar hand liefkoozend op Ineke’s blonde krullen.

„Ja, Moes!” Ineke sloot met een lach en een zucht tegelijk „De
Sprookjes van Andersen”, waarin ze zóó verdiept was geweest, dat ze
alles om zich heen vergat. Niets had ze gehoord van de wilde kreten uit
den tuin, waar Vader met Gijs en Duco aan ’t ravotten was, zóó leefde
ze mee met de geschiedenis van „De kleine Zeemeermin”, die ze wel al
lang kende, maar altijd weer met hetzelfde plezier overlas.

Ze was in den afgeloopen winter ernstig ziek geweest, had daarna langen
tijd moeten liggen en ’t eene verhaal vóór en ’t andere nà gelezen,
telkens weer grijpend naar het boek, dat ze van Opa kreeg en waar niet
alleen zulke mooie sprookjes, maar ook zulke beeldige plaatjes in
stonden. Die goeie, lieve Opa! Wel vier maal was hij overgekomen om
Ineke, z’n eenige kleindochter, op te zoeken en toen hij hoorde, dat de
dokter de frissche buitenlucht het allerbeste geneesmiddel voor haar
vond, had Opa onmiddellijk gezegd: „Weet je wat, Ineke, dan kom je maar
zoo gauw mogelijk bij mij op „Eiken-rode” logeeren. Vacantie of géén
vacantie, je komt maar. Misschien wil meester Hoogstra je dan wel een
poosje op de dorpsschool nemen, dan gaat de geleerdheid niet achteruit
en kan je waarschijnlijk toch wel overgaan naar de vijfde klasse.”

Ineke had bij dit heerlijk vooruitzicht in haar handen geklapt en
juichend uitgeroepen:

„O ja! Dat zou heerlijk zijn, Opa! Nu zult u ’s zien, hoè gauw ik beter
ben,” en van dien tijd af had ze moedig haar leelijk-bittere drankje
geslikt en erg haar best gedaan met eten, zoodat de dokter iederen dag
tevredener werd en al gauw verklaarde „dat ze nu maar de wei inmoest.”

„Eiken-rode”, het gezellig-ouderwetsche buiten, waar Vader en de Ooms
als kleine jongens gewoond hadden, was voor de kleinkinderen het
heerlijkste plekje, dat er bestond en Gijs en Duco, Ineke’s oudere
broertjes, zeiden dan ook telkens, hoewel ze ’t hun zusje, waarvan ze
veel hielden, van harte gunden: „Nou maar Ien, jij treft ’t hoor!”

Duco had zelfs beweerd, dat hij best ook ziek zou willen worden, als
hij daarna bij Opa mocht gaan logeeren. Maar in de groote vacantie,
zouden ze er met z’n allen een poosje gaan doorbrengen. Dan konden de
jongens hun schade inhalen! Fietsen, visschen en zwemmen in de beek, in
hun tuintjes werken, die Andries, tegen hun komst in orde maakte, en
mee gaan hooien en koren halen op ’t land! Zàlig, boven op zoo’n
hoogopgetaste, schommelende kar! En ’s Zondags, als Andries den tijd
had, vliegers oplaten op de hei! Nergens ging dat zóó goed als dààr,
waar je overal de vrije, wije ruimte om je heen hadt, zonder dat je één
oogenblik bang behoefde te zijn, dat je vlieger ergens vast bleef
zitten.

Dien middag, terwijl Moes haar koffer pakte, had ’t Ineke geduizeld van
al de boodschappen, die de broers haar opdroegen: vragen of Andries
vooral zonnebloemen in hun tuintjes zou zetten; of hij ’t vischtuig wou
nazien en er voor zorgen zou, dat de schommel en de ringen van nieuwe
touwen werden voorzien en of hij er aan wou denken, dat ’t roeiboot je
bij tijds in den vijver kwam te liggen, zoodat de naden goed
dichttrokken en er geen water meer inliep.

„’t Is geweldig, Ien, wat jij allemaal te onthouden krijgt. Ik zal ’t
maar voor je opschrijven, anders vergeet je de helft,” en meneer Van
West was zijn dochtertje lachend met papier en potlood te hulp gekomen
en had een heele „boodschappenlijst” voor haar gemaakt, die Ineke had
weggestoken in haar reismandje. Ze beloofde Andries, zoo gauw ze hem
zag, ’t gewichtig papier te overhandigen en Moeder had op haar beurt ’t
een en ander voor juffrouw Doortje, de huishoudster, die al jaren sinds
Oma’s dood, de huishouding op „Eiken-rode” bestuurde, maar vond ’t bij
nader inzien beter, haar maar zelf een brief te schrijven. Juf zou de
zorg voor Ineke grootendeels op zich nemen en daarom had mevrouw Van
West daarin precies verteld, hoe dikwijls per dag Ineke haar drankje
nog nemen moest, hoe lang ze gewoon was te rusten en hoeveel melk ze op
dokters-bevel dronk. Vooral aan ’t laatste moest streng de hand
gehouden worden en Ineke beloofde dan ook, onder ’t naar boven gaan nog
eens aan Moes, dat ze heusch de zes groote glazen drinken zou en dat ze
haar uiterste best zou doen bij meester Hoogstra.

Op school was Ineke volstrekt niet dom, maar ze las liever, dan dat ze
huiswerk maakte en schreef haar thema’s en sommen dikwijls zóó slordig,
dat ze ’t thuis over moest doen en slechte aanteekeningen kreeg. Ook
dàcht ze wel eens, dat ze haar les kende en dan bleek deze er bij ’t
overhooren nog heelemaal niet vast in te zitten. Gauw, gauw even ’t
leerboek inkijken, of de sommen maken en dan lezen tot ze er bijna suf
van werd. Dat was zoo Ineke’s manier van doen, en dat ’t geen goede
manier was, kwam dan aan ’t einde der maand uit, als ze haar rapport
mee naar huis bracht.... Door haar ziek-zijn was ze nu buiten haar
schuld een heel eind achtergeraakt, maar de directrice had gezegd, dat
ze wel geloofde, dat Ineke, als ze een poosje werd bijgewerkt, naar de
vijfde klasse zou kunnen overgaan en omdat ze ’t zelf toch wel akelig
vond te blijven zitten en niet meer met haar vriendinnetjes, Nancy en
Margotje, in dezelfde klasse te zijn, nam ze zich voor, flink haar best
te doen en ijverig te werken. Ze kende meester Hoogstra wel van
aanzien. ’t Was een goedige, oude man met een grooten gouden bril op,
steeds gewapend met een reusachtigen, rooden zakdoek, waarmee hij
gewoon was zich telkens langs ’t gezicht te vegen. Hij was jong
hulp-onderwijzer, toen Ineke’s vader als kleine jongen de dorpsschool
bezocht, werd er later hoofd van en had met de grootste
bereidwilligheid aan de directrice der meisjesschool geschreven om zich
geheel op de hoogte te stellen, hoe ver Ineke zijn moest, om na de
groote vacantie tot een hoogere klasse te worden toegelaten. Na eenig
heen-en-weer-geschrijf was er toen besloten, dat Ineke in de morgenuren
de dorpsschool bezoeken zou en daar in de zesde klasse geplaatst zou
worden, die ongeveer met de vierde der stadsschool gelijk stond. Met
een beetje extra-huiswerk kon ze dan ’s middags thuisblijven, om den
verderen dag te rusten en zooveel mogelijk in de buitenlucht te zijn.
Inplaats van schoonschrijven en handwerken wilde meester Hoogstra haar
zelf Fransche les geven, want Fransch werd er op zijn school niet
onderwezen, en elke drie weken zou haar rapport worden opgezonden, dan
kon de directrice daaruit zien, of haar leerlinge voldoende
vooruitging. Dit alles had meester Hoogstra breedvoerig met Ineke’s
grootvader zitten bepraten en terwijl hij zich met zijn rooden zakdoek
langs ’t voorhoofd streek, had meester Hoogstra gezegd:

„En burgemeester, nou weet u niet hoe aardig ik ’t vind, om les te
geven aan het dochtertje van uw zoon Willem, die indertijd een van mijn
allereerste leerlingen was, toen ik als jong onderwijzer begon. Ik ken
haar wel van aanzien, want in de vacanties komt zij nogal eens in ’t
dorp. Ineke heet ze, nietwaar?”

„Ja zeker. Ze heet naar mijn eenige dochter Ina, die op haar veertiende
jaar gestorven is. Ineke is mijn eenige kleindochter en daarom begrijpt
u zeker wel, dat ik alles wil doen, om ’t mijn kleine meid zoo goed en
zoo prettig mogelijk te maken, als ze hier alleen bij me komt logeeren.
Ze was dezen winter ernstig ziek. O, ik heb me dikwijls zoo angstig
gemaakt; maar nu is ze gelukkig heelemaal beter, alleen wat slapjes
nog, en hier in de gezonde buitenlucht zal ze wel gauw weer de oude
worden, hoop ik.”

„Natuurlijk, natuurlijk, burgemeester. Nu, wat mij betreft, ik zal mijn
best doen, haar zoo weinig mogelijk huiswerk te geven. Als ze niet
moeilijk leert, zal ’t met dat overgaan wel losloopen.”

„O, Ineke is vlug genoeg. Ze kan heel goed als ze wil,” had meneer Van
West gezegd, er maar niet bijvoegend, dat ’t werk van zijn kleindochter
er nu niet altijd zóó netjes uitzag als ’t behoorde en dat de lessen er
wel eens niet zoo héél vast inzaten. Hij hoopte en verwachtte stellig,
dat Ineke op „Eiken-rode”, waar ze zooveel vrijheid genieten zou, haar
uiterste best zou doen en Ineke zelf was dan ook niet anders van plan.

Keurig had ze haar boeken gekaft en met Moes was ze den vorigen dag een
paar nieuwe schriften gaan koopen, een doos pennen en een nieuwen
penhouder, waar ze nu heusch eens niet op zou bijten, zoodat hij er na
een paar dagen als een onooglijk, af gekloven houtje uitzag.... Het
kussen met de kruisjessteken, dat ze voor Vaders verjaardag maakte, lag
ook in den koffer. Daar kon ze op regendagen aan vorderen. Juf zou er
haar wel mee terecht helpen als ze er eens niet alleen aan voort kon.

„O, Moes, ik vind ’t toch zoo dól om te gaan. Ik hou zóóveel van Opa,
dat ik ’t niet zeggen kan,” zei Ineke, toen ze er eindelijk inlag.

„Dan hoef ik zeker niet te vragen, of je zult zorgen, dat Juf en
meester Hoogstra geen klachten over je hebben?”

„Nee, natuurlijk niet, Moes. Ik zal zóó goed oppassen, want ik zou ’t
vreeselijk vinden Opa verdriet te doen. Ik wil u en Vader natuurlijk
ook geen verdriet doen, maar voor Opa vind ik ’t nog.... nog zieliger.
’k Weet zelf niet goed waarom. Misschien wel omdat Opa al zoo oud is.”

„Zóó oud is Opa nog niet. Drie en zestig is hij pas!”

„Denkt u dan, dat Opa wel heel oud zal worden? Tachtig bijvoorbeeld?”

„Lieve kind, hoe kan ik dat nu weten? Opa is flink en krachtig voor
zijn leeftijd. We willen allemaal hopen van wel en nu niet tobben, maar
gauw gaan slapen, hoor. Morgenochtend zal ik je nog wel even helpen met
’t laatste goed in te pakken,” en mevrouw Van West kuste haar
dochtertje, dat ze intusschen lekker had ingestopt, goedennacht.

                                   ⁂

Dat was me een geschiedenis den volgenden ochtend!

De familie Van West zat net aan ’t ontbijt, toen er een telegram
bezorgd werd. Meneer Tielens, een vriend van Ineke’s vader, moest dezen
dienzelfden morgen nog dringend spreken en rekende er op, hem tegen
tien uur op zijn kantoor in de stad aan te treffen, als er geen
tegenbericht kwam. En kwart over tien vertrok de trein, waarmee meneer
Van West zijn dochtertje naar Opa brengen zou....

Daar mevrouw Van West juist twee van haar zusters, die buiten de stad
woonden, op de koffie kreeg, kon zij ook niet van huis om Ineke weg te
brengen, inplaats van haar man.

Goede raad was duur.

„Als we Opa dan maar eens telefoneerden, dat Ineke morgen komt, want
die zaak van meneer Tielens is heel dringend. Er is geen questie van,
dat ik nu uit de stad kan, en Moeder kan de tantes ook niet meer
af-telegrafeeren,” begon meneer Van West.

„Hè, Vàder!” Ineke’s lip trilde vervaarlijk en de tranen schoten haar
in de oogen.

„Maar poesje, is dàt nu zoo erg? Eén dagje later, want morgen breng ik
je zéker!”

„Ja, o ja, ik vind ’t zoo.... zoo vrééselijk jammer. En Opa natuurlijk
ook. Ik h.... had er zoo vast op ge.... gerekend,” snikte Ineke in haar
servetje, en Duco, die medelijden met zijn zusje kreeg, zei: „Kom, laat
Ien dan alleen reizen. Ik ben verleden jaar Paschen, toen ik net zoo
oud was als zij nou, immers ook alleen naar „Eiken-rode” gegaan.”

„Als we ’r hier op den trein zetten en Opa haalt ’r ginds van ’t
station, komt ze d’r immers best. Ze is toch al negen en een half en er
is niks geen kunst aan. Als ze nou nog over moest stappen onderweg!”
viel Gijs ook bij.

„En wat zegt Moeder er van,” vroeg meneer Van West aan z’n vrouw.

„Wel, als jij er niets tegen hebt, vind ik ’t goed, want net als de
jongens zeggen: er is eigenlijk niets aan als ze gebracht en afgehaald
wordt, en bovendien heeft ze dit reisje al zóó dikwijls met ons gedaan,
dat ze ’t langzamerhand wel droomen kan.”

„En wat vindt ons Ineke er zèlf van,” knipoogde haar vader, neerziende
op de kleine snikkende en snuivende gedaante naast zich aan tafel.

„O!” Ineke hief haar behuild gezichtje, nog nat van de tranen, ineens
op uit haar servet en glimlachte: „O, als dàt mag!”

„Nou, dan màg ’t. Maar pas op, als ik dan ook nog één traan zie! Zoo’n
kleine huilebalk! En dàt wil alléén reizen,” plaagde meneer Van West,
zijn dochtertje aan een van haar glanzende krullen trekkend. Maar de
kleine huilebalk had haar tranen gauw gedroogd en voelde zich wat
gewichtig in ’t vooruitzicht alleen te mogen reizen. Hoewel ze niet
veel honger had, at ze toch moedig haar havermout op en toen Gijs en
Duco naar school gingen, omhelsde ze haar broertjes, die ’t zoo aardig
voor haar hadden opgenomen, hartelijk. Ze kusten elkaar anders niet
dikwijls; alleen eigenlijk met verjaardagen, maar dit was toch óók een
bizondere dag, vonden ze alle drie, nu Ien zoo lang weg ging en alléén
reisde!

Hoewel ze ’t voor geen geld ter wereld bekend zou hebben, leek ’t Ineke
toch wel een heel klein beetje griezelig en haar hartje bonsde, toen om
kwart over negen ’t rijtuig voorkwam, haar koffer werd opgeladen en
vader en moeder met haar instapten.

Maar vader, die dit nog net kon waarnemen voor hij op zijn kantoor
meneer Tielens ontving, praatte zóó bedaard over ’t reisje, dat Ineke
’t per slot toch weer heel leuk en gewichtig ging vinden.

Zelf mocht ze aan het loket haar kaartje nemen. Ze ging mee naar ’t
hokje, waar de bagage werd ingeschreven en ’t bewijsje van haar
koffer—’t reçu—stopte ze secuur weg, heelemaal onder in haar beursje.
Ze wist wel, dat ze bij haar aankomst dit papiertje dadelijk aan
Harmen, den besteller, moest geven. Dan zou deze haar koffer wel op
„Eiken-rode” bezorgen. Ook moest ze beloven even naar huis te
telegrafeeren. Hè, wat kwam er nog een boel kijken als je op reis ging.
Maar ’t was toch wel prettig en heel goed om jezelf te leeren redden,
al vond Ineke ’t een heele geruststelling, toen ze eindelijk met haar
reismandje veilig en wel in de coupé zat, met een aardigen ouden heer
en dame tegenover zich, die haar zóó vriendelijk toeknikten, of ze haar
kenden.

Vader en Moeder stonden op ’t perron en Vader kocht van een arm
bloemen-verkoopstertje een mooie, roode roos, die Moeder nog gauw in ’t
knoopsgat van Ineke’s grijze manteltje vaststak. Heerlijk rook die roos
en zoo feestelijk stond het!

„Ik zal ’m dadelijk in ’t water zetten, als ik op „Eiken-rode” kom. Dan
blijft-ie een heele poos goed,” had Ineke nog net tijd om te zeggen.
Toen werden de portieren gesloten en na een schril gefluit zette de
trein zich in beweging.

„Daar ga je, Ien!”

„Goeie reis hoor!” riepen Vader en Moeder en Ineke, voor ’t raampje
staande, wuifde met haar zakdoek, tot ze haar ouders niet meer zien
kon. Toen zette ze zich in een hoekje en ging prettig zitten uitkijken.
Helder scheen de jonge Mei-zon op de frissche, groene weilanden, vol
bloemen. ’t Vee stond er op sommige plekken tot de knieën toe in te
grazen. Jonge veulentjes dartelden elkaar achterna met de dolste
sprongen. In een sloot stond een peinzende reiger doodstil, net of hij
was opgezet, en op ’t dak van een boerenhofstede nestelden ooievaars.
Later kwamen de dennebosschen en de hei aan de beurt, waar de
bremstruiken vol goud-gele vlindertjes zaten. Zoo vroolijk stond dat!
Ineke neuriede zachtjes voor zich heen, terwijl ze naar buiten keek. Af
en toe praatte ze even met haar medereizigers, waarbij nog een dame met
een klein kindje gekomen waren, en ze kreeg ulevellen en chocolade,
waarvoor ze vriendelijk bedankte. De tijd schoot verbazend op, vond ze.
Nog één stationnetje voorbij en dan zou ze er zijn. Ze trok haar
reismandje vast naar zich toe en voelde naar haar beursje en kaartje in
haar mantelzak. Ja hoor, alles in orde! Toen zette ze haar grooten
stroohoed recht, deed haar handschoen aan en rook eens aan de roos, die
er nog heel frisch uitzag en heerlijk geurde. Ze was zoo benieuwd Opa’s
gezicht te zien, als ze daar parmantig alleen uit den trein stapte! Hij
zou er eerst niets van begrijpen. Hij rekende er vast op, dat Vader
haar brengen zou! Daar minderde de trein zijn vaart al. Kijk, daar
had-je den dorpstoren en daar zag je in de verte tusschen de boomen
„Eiken-rode” liggen. Gezellig, ouderwetsch huis toch met die witte
muren en groene latjes-blinden! Ineke wendde zich snel om en knikte
haar medereizigers goedendag, want de trein was ’t kleine station
genaderd. Daar stond Opa al, vlak onder de klok! Hij zag haar dadelijk
en Ineke zwaaide met haar mandje. Open ging ’t portier en met een
juichkreetje sprong ze regelrecht in Opa’s armen.

„Dag Ineke, dag m’n kleine meid! Hoe is ’t er mee? Niet te moe van de
reis? En waar is Vader?” De oude heer Van West, die er niets van
begreep, wierp snel een blik in de coupé, of zijn zoon er soms nog in
was achtergebleven. Ineke verkneukelde zich en lachte:

„Nee, nee, Opa, kijk maar niet! Vader kreeg vanmorgen ineens een
telegram, Meneer Tielens moest hem noodzakelijk spreken en toen mocht
ik alleen reizen!”

„Jongens nog toe, Ineke! Ben je warempel al een jongedame geworden, die
alleen reist? ’t Is niet te gelooven!”

„’t Is toch heuschjes waar,” verzekerde Ineke, terwijl de trein zich
weer in beweging zette. „Kijk, Opa, daar staat mijn koffer op ’t
perron. Zal ik Harmen ’t reçu geven, dat hij hem thuisbezorgt?”

„Ja kindje, dat is best, en dan moeten we toch zeker even naar huis
telegrafeeren, hè?”

„Ja, dat wilden Vader en Moeder wel graag,” zei Ineke, en nadat ze het
telegram: „Goed aangekomen. Veel liefs van Opa en Ineke,” verzonden
hadden, verlieten ze ’t station en sloegen den zonnigen landweg in, die
regelrecht naar „Eiken-rode” voerde. Het was warm, maar er woei toch
een zacht windje. De oude heer Van West nam al gauw zijn hoed af en
liet den wind vrij door zijn grijze haren spelen en Ineke liet dadelijk
op Opa’s voorbeeld haar hoed aan ’t wijde elastiek achterover op haar
rug zakken.

„Dan verbrand ik vast lekker van de zon,” zei ze, vroolijk naast hem
voorthuppelend, en ze vervolgde: „O, Opa, hoe dòl om weer hier bij u te
zijn. En dat ik zóó lang blijven mag! Als ’t op den duur maar niet te
druk voor u is, zegt Moeder.”

„Welnee. Ik vind ’t heerlijk mijn kleine meid weer eens bij me te
hebben. Als je nu maar zorgt, dat je in September met dikke, roode
wangen naar huis gaat, want je bent na je ziek-zijn wel lang en mager
geworden. ’t Is niet heelemáál voor je pleizier, dat je hier komt
logeeren, maar vooral om flink aan te sterken,” plaagde Opa.

„O, maar bij u is àlles prettig,” lachte Ineke.

„Dan zullen we maar hopen, dat ’t hier op de dorpsschool bij meester
Hoogstra ook mee zal vallen, want nietwaar, je zult toch maken, dat je
overgaat na de vacantie?”

„O, maar natuurlijk! Als ik goed mijn best doe, haal ik de schade
stellig in, heeft de directrice gezegd. Kijk ’s Opa,” en Ineke bleef
midden op den weg stilstaan: „dit heele eind heeft Moes mijn jurk
moeten verlengen! Zooveel ben ik gegroeid sinds verleden zomer,” en ze
wees naar den rok van haar rose katoenen jurkje, waar een rand
borduursel van wel een hand-breedte tusschen gezet was.

„’t Is kolossaal,” lachte Opa, z’n kleindochter aan een van haar blonde
krullen trekkend. „Je zult me nog heelemaal over ’t hoofd groeien,
meiske!”

Maar daar was Ineke niet bang voor.

’t Piepend knarsen van een kruiwagen deed hen allebei tegelijk omzien.
Harmen, de besteller, kwam hun met den koffer achterop gereden.

„Dag, burgemeester, dag jongejuffer! Doar kom ik al an met de
pakkoazie! Werm weerke, hé?” De stralen gutsten den goeden man langs ’t
voorhoofd.

„Harmen, jongen, kalm aan maar. Zoo’n haast is er niet bij. Zeg maar
aan Sien, dat ze je zoo-met-een een flinken kop koffie geeft.”

„Asteblief, burgemeester,” en Harmen reed hun na een tikje aan zijn pet
voorbij.

„Kijk, daar heb je Bello en Fokkie! Zouden ze me nog herkennen? Dag
jongens, dag brave honden!” riep Ineke tegen den taks en den kleinen
fox-terrier, die den weg kwamen afgerend en toen als bezetenen om den
baas en ’t kleine meisje heensprongen, blaffend, dat hooren en zien je
verging.

„Bedaard, bedaard toch! We zouden over jullie vallen. Foei, foei, wat
een stof,” beknorde meneer Van West het tweetal, dat zich om strijd
door Ineke liet aanhalen en toen ineens weer op ’t hek van „Eiken-rode”
aanstoof, alsof ’t de komst van grootvader en kleindochter vast wilde
aankondigen. Juffrouw Doortje, of Juf, zooals ze gewoonlijk genoemd
werd, kwam tenminste dadelijk van achter de breede, groene voordeur te
voorschijn en wuifde Ineke met den theedoek een vroolijk welkom toe. En
Ineke zwaaide haar mandje en liep op een drafje naar haar toe:

„Dag Juf, hoe gaat ’t met u? Wat zegt u er wel van: ik ben alleen naar
hier gekomen!”

„Wel, wel, en ik heb juist voor vier personen de koffietafel gedekt. Er
is toch geen zwarigheid bij je thuis, dat Vader niet meekomt?”

„O nee,” en Ineke legde gauw ’t geval uit, terwijl ze voorzichtig de
roos uit haar knoopsgat nam en zich, geholpen door Juf, verder ontdeed
van handschoenen, hoed en mantel in de koele, wit-marmeren vestibule.
„Hè, wat is ’t hier lekker,” zei ze handenwasschend aan ’t fonteintje.

Meneer Van West rekende intusschen met Harmen af, die, uitblazend op ’t
keukenstoepje, zijn kom koffie zat te drinken.

Een oogenblik later zetten ze zich aan tafel in de gezellige eetkamer,
grenzende aan de serre vol bloeiende planten, waarvan de glazen deuren
aan de tuinzijde wijd-open stonden. Een bouquet heerlijk-geurende
lelietjes van dalen prijkte voor Ineke’s bord. Ze stak er de roos
tusschen en rook aan de bloemen en Opa zei: „Die heeft Andries
vanmorgen al voor je gebracht. Een paar er van zijn uit je eigen
tuintje.”

„O, hoe leuk! Heb ik er lelietjes in dit jaar?” juichte Ineke en een
kleur van plezier overtoog haar bleek gezichtje.

„’k Geloof, dat je eigenlijk wel een beetje moe bent, hè,” informeerde
Juf en Ineke bekende:

„’n Klein beetje wel, maar na de koffie moet ik rusten van den dokter.
En als ik gerust heb, trek ik weer heelemaal bij, zegt Moes altijd,” en
Ineke hapte dapper in haar boterham, want ze had toch honger, al voelde
ze zich wat opgewonden en ze moest erg lachen om Bello en Fokkie, die
niet bedelden, maar ieder op hun plaatsje aan weerszijden van ’t groote
eikenhouten buffet, trillend van ongeduld zaten te wachten tot Sien hun
uit de keuken hun eten bracht, waarop ze dadelijk gulzig aanvielen.

„Ik wou, dat jij altijd zoo’n honger hadt,” zei Opa tot Ineke, maar ze
liet zich niet onbetuigd! ’t Smaakte haar best na de reis en ze at vier
dikke boterhammen en een ei en ledigde zonder zuchten haar grooten
melkbeker, waar Juf een klein scheutje koffie door geroerd had.

„En nu een, twee, drie mee naar boven. Ik zal je koffer wel uitpakken,
dan ga jij maar vast op bed liggen. Ik heb ’t balkonkamertje voor je in
orde gemaakt, dat vond Opa gezelliger voor je dan die groote
logeerkamer,” zei Juffrouw Doortje, terwijl ze voor Ineke uit de trap
opging. „Dit is nu, zoolang je hier bent, je eigen kamertje. Ik hoop
dat je er netjes op zijn zult,” en Juf opende de deur van ’t
vriendelijk-zonnige vertrekje met het lichte bloembehangsel, de rieten
meubeltjes en ’t lage, Engelsche ledikant.

Gijs had hier vroeger wel eens geslapen, maar Ineke nog nooit en ze nam
zich dan ook voor, dat ’t er nooit rommelig uit zou zien. Op ’t
balkonnetje, net groot genoeg om er met een stoel en tafeltje te kunnen
zitten, bloeiden rose en witte geraniums in bakken en je hadt er een
prachtig uitzicht over de korenvelden en de eerste schilderachtige,
roodgelakte huisjes van het dorp.

„Hè, wat is ’t hier toch heerlijk! U weet niet, Juf, hoe dòl ik ’t vind
om hier te zijn,” zei Ineke, terwijl ze zich, na haar laarsjes te
hebben uitgedaan, bovenop ’t bed liet ploffen, waarvan Juf eerst
zorgvuldig de sprei had opgevouwen.

„Dan zullen we maar hopen, dat je ’t hier aan ’t eind van de vacantie
nog net zoo prettig vindt als nu,” en juffrouw Doortje bukte zich over
den koffer en begon Ineke’s goed uit te pakken.

„Kijk, Ien, je jurken zal ik in de muurkast ophangen en je ondergoed in
’t kastje onder de waschtafel leggen. Je naaidoosje en leesboeken moet
je straks maar zelf op je tafeltje schikken en je schoolboeken en
schriften leg ik hier zoolang op den stoel bij je bed. Die kan je dan
zelf mee naar beneden nemen en in ’t kastje in ’t spreekkamertje
opbergen. Dan heb je ze altijd bij de hand.”

„Ja, Juf,” antwoordde Ineke flauwtjes, want ze werd opeens heel
slaperig en juffrouw Doortje, die ’t merkte, zei maar niets meer,
bewoog zich muisstil door ’t vertrekje tot alles was opgeborgen.... Nog
voor ze naar beneden ging was Ineke vast in slaap en toen Opa om drie
uur heel zachtjes naar haar ging kijken, sliep ze nog. Hij liet haar
stil liggen en ging zoolang in de serre zitten lezen, tot ze na een
half uurtje, heelemaal opgefrischt, uit zichzelf naar beneden kwam.

„Zoo, braaf opgepast hoor,” prees Opa, toen Ineke met een vuurrood
kleurtje en een schoone schort aan naast hem stond. „Drink nu maar gauw
je melk, dan krijg je van Juf een koekje en dan gaan we saampjes voor
’t eten nog een beetje wandelen,” en Opa en Ineke togen er op uit.

Even werd er een kort bezoek aan ’t tuinmanshuis gebracht, waar Aaltje,
de vrouw van Andries, ijverig zat kousen te stoppen. Andries zelf was
met zijn drie-jarig zoontje in den moestuin bezig. Keesje, een aardig,
blond manneke met een blozend appelen-gezichtje en vervaarlijk kromme
beenen, kroop eerst gauw achter zijn vader weg, maar werd toch al
dadelijk vrijmoediger en Ineke moest van de jonge worteltjes en de
aardbeien uit de bakken proeven en zien hoe mooi de bessen en frambozen
stonden. En Andries vond ’t knap van haar, dat ze nog precies wist, hoe
spinazie en postelein er uitzagen.

„O Andries, nou heb ik de lijst met alles wat de jongens je te vragen
hadden, boven op mijn kamertje laten liggen,” bedacht Ineke zich.

„Da’s niks, kind, die krijg ik dan vanavond of morgen wel. ’k Heb ’t
nou tòch te druk met den tuin, op ’t oogenblik. Ga liever effentjes mee
na’ de kindertuintjes. ’t Jouwe is al heelemaal in orde,” en Andries
rustte niet, voor meneer Van West en Ineke hem volgden heelemaal achter
in den moestuin, waar vlak tegen de heg drie perkjes waren aangelegd.
In het middelste, dat Ineke toebehoorde, bloeiden lelietjes,
margrieten, primula’s en violen en het rozenstruikje in ’t midden droeg
een menigte kleine knopjes. Bij Gijs en Duco was er nog niets bizonders
te zien. Daar had Andries met opzet planten gezaaid, die pas later in
den zomer zouden bloeien, juist als ze met de vacantie over waren.

Ineke, opgetogen over haar tuintje, bedankte Andries hartelijk, plukte
de mooiste viool af, die ze vinden kon, en stak die Opa in zijn
knoopsgat en toen gingen ze samen op weg, achtervolgd door Bello en
Fokkie, die zoo gauw ze den baas en Ineke ’t hek van „Eiken-rode” zagen
uitgaan, hen luid-blaffend achterna stoven. De wandeling leidde naar ’t
dorp, waar Opa even op ’t raadhuis wezen moest en dan zouden ze langs
de mooie, nieuwe villa van dokter Wilminck naar huis terug wandelen. De
familie Wilminck woonde nog niet lang in ’t dorp, maar Ineke wist toch,
dat er een meisje en een jongen van haar leeftijd waren. Freda en Hans
heetten ze, en mevrouw Wilminck had tegen meneer Van West gezegd, dat
ze hoopte, dat hij eens met zijn kleindochtertje aan zou komen. Ineke
zou misschien een goed vriendinnetje voor Freda zijn, die hier in ’t
dorp tot haar groote spijt zoo weinig kennisjes van haar eigen leeftijd
had. Wiesje van den dominé was wel drie jaar ouder en met Greta en
Leentje van den notaris, die een klasse lager zaten bij haar op school,
kon Freda niet al te best overweg.

’t Trof heel toevallig, dat Opa en Ineke, toen ze langs „De Merel”—zoo
heette dokter Wilminck’s villa—kwamen, de doktersfamilie juist in den
voor-tuin op ’t grasveld zagen zitten. Meneer Van West groette en
ineens kwam er een meisje in een rood-katoenen jurk naar ’t hek hollen
en een hoog, schel stemmetje riep:

„Dàg! Zeg, ben jij op „Eiken-rode” gelogeerd? Hè toe, meneer, mag ze
even meekomen, dan kunnen we vast kennismaken!”

En nog voor dat Ineke goed en wel wist, wat er gebeurde, had ’t vreemde
meisje met de groote, donkere oogen en ’t kortgeknipt zwarte haar, haar
meegetroond naar de theedrinkende familie op ’t grasveld. Meneer Van
West volgde glimlachend met Bello en Fokkie achter zich aan en mevrouw
Wilminck liep haar onverwachte gasten tegemoet, duizend
verontschuldigingen makend over het „ongepaste” optreden van haar
dochtertje.

„Maar ziet u, burgemeester, Freda was ook zoo verlangend met uw
kleindochter kennis te maken, want meester Hoogstra heeft verteld, dat
ze bij Freda in de klas komt te zitten. Wel, en hoe heet je?” vroeg
mevrouw Wilminck, zich tot Ineke wendend.

„Ina van West, mevrouw, maar ik wordt meestal Ineke genoemd,” zei
Ineke, mevrouw een hand gevend en vervolgens handen schuddend met den
dokter en met Hans, Freda’s jongere broertje, dat net zulke donkere
oogen had.

„En ik heet eigenlijk Frédérique, maar ze zeggen altijd Freda tegen me.
Ik vind ’t leuk, dat je hier op ’t dorp gelogeerd bent. Den heelen
middag heb ik al naar je zitten uitkijken,” en Freda trok Ineke naast
zich op de witte tuinbank, terwijl de dokter voor meneer Van West een
grooten rieten leunstoel aanschoof en Hans tusschen Bello en Fokkie in
op ’t gras ging zitten, ’n arm om elken hond.

„’t Spijt me, dat ik geen thee meer heb. Als u even geduld hebt, zet ik
nieuwe,” bood mevrouw aan, maar meneer Van West beweerde slechts even
tijd te hebben:

„Dank u wel. ’t Is heel vriendelijk, maar Ineke en ik moeten om zes uur
aan tafel zijn, anders krijgen we brommen van Juffrouw Doortje. We
kunnen maar eventjes. Een ander maal héél graag.”

„Hè, Ma, Mààtje! Toe, laten we dan ineens een dag afspreken, dat Ineke
hier op visite komt,” smeekte Freda, terwijl mevrouw Ineke de
koekjestrommel voorhield.

„Hè ja, dan kunnen we roovertje spelen. Fijn!” viel Hans opgewonden
bij, maar hun vader sprak bedarend:

„Stil nu toch eens jullie allebei! Meneer Van West heeft me verteld,
dat Ineke pas een heelen tijd ziek geweest is, ’s morgens alleen naar
school gaat en ’s middags een paar uur moet rusten, omdat ze zich nog
niet te veel mag vermoeien.”

„Ja, ze is niet voor haar plezier bij me,” plaagde meneer Van West.

„O, maar dan mag ze toch ’s middags wel komen als ze gerust heeft en
bij ons blijven eten. Woensdagmiddag bijvoorbeeld. Wij zorgen er dan
wel voor, dat ze niet te laat thuiskomt, of u komt hier ’s avonds als
’t mooi weer is theedrinken en neemt zelf u kleindochtertje weer mee,”
stelde mevrouw voor.

„Hè ja, hè ja,” juichten Freda en Hans en meneer Van West zei lachend:
„Nu Ien, wat denk je er van? Zullen we dat dan maar aannemen?”

„O, Opa, ik wil wàt graag!” Ineke kreeg een kleurtje van opgetogenheid,
want ze had er dadelijk dolle lust in. Freda en Hans leken haar erg
aardig en hun ouders waren zoo hartelijk en vriendelijk, dat Ineke zich
al heelemaal op haar gemak voelde en toen ze een oogenblik later met
Opa naar huis wandelde, nadat ze zich wel drie maal had omgekeerd om
Freda en Hans, die bij ’t hek stonden, toe te knikken, zei ze tot
meneer Van West:

„’t Is net, of ik ze al veel langer ken!”

„Ja, jullie waren dadelijk op dreef samen en dat doet me veel plezier,
want zoo heelemaal zonder kennissen van je eigen leeftijd zou ’t op
„Eiken-rode” een saaie partij voor je worden op den duur.”

„O, nee, Opa! Dàt moet u niet zeggen. Ik heb u toch. U blijft toch
altijd mijn beste kameraad,” en Ineke’s handje kroop gauw weg in Opa’s
groote hand.

                                   ⁂

Het was half Juni en op een enkelen regendag na altijd mooi weer
geweest, zoolang Ineke op „Eiken-rode” logeerde. Ze zag er dan ook zoo
gezond uit, dat ’t een lust was. Heelemaal bruingebrand door de zon en
daarbij at ze uitstekend, ondanks de zes groote glazen melk, die ze nog
steeds drinken moest van dokter Wilminck. Maar ’t drankje was
afgeschaft en ’t rusten na de koffie tot drie kwartier ingekrompen, tot
Ineke’s groote vreugd. Vader, die den vorigen Zondag overkwam, beweerde
zijn dochtertje bijna niet meer te herkennen, zóó goed zag ze er uit.

„En hoe gaat ’t op school? Is meester Hoogstra tevreden en zou je
overgaan?” was een van zijn eerste vragen.

„O, ja, ’t gaat best. Eerst was ’t natuurlijk nog wat vreemd, maar nu
ben ik heelemaal gewend. Met rekenen had ik in ’t begin wel moeite,
maar met taal en aardrijkskunde was ik vóór en met Fransch ben ik nu
heelemaal gelijk met mijn eigen school. Meester Hoogstra geeft heel
prettig les,” vertelde Ineke en toen ze meester Hoogstra op de
wandeling tegenkwamen had hij Ineke’s vader aangesproken en gezegd, dat
zijn leerlingetje zoo haar best deed en er stellig komen zou, als ze
zoo voortging.

Vader vond ’t prettig, dat hij zulk goed nieuws mee naar huis kon nemen
en als belooning zond Moeder een paar dagen later bij de nieuwe jurk,
die ze met de huisnaaister gemaakt had, een groote doos pralines, die
Ineke met Freda en Hans Wilminck in één enkelen middag soldaat maakte.
Ze zag haar nieuwe vriendjes veel. ’s Woensdags en Zaterdags kwamen ze
geregeld bij elkaar op „De Merel,” of op „Eiken-rode,” hoewel juffrouw
Doortje wel eens zuur keek als de serre en de vestibule vol ingeloopen
zand lagen, de stoelen schots en scheef door de beneden-kamers zwierden
en er telkens glaasjes limonade of kopjes thee omvielen. Mevrouw
Wilminck bleek in dit opzicht gemakkelijker en Ineke was er versteld
van, zooveel vrijheid als Freda en Hans gewend waren. Die mochten nu
letterlijk alles! Klom Freda bijvoorbeeld in een boom en scheurde ze
haar jurk, dan kreeg ze niet eens een standje.

„Je moet ’m tòch dragen,” zei haar moeder alleen en dan werd de scheur
zoo goed mogelijk door de oude kindermeid gestopt en Freda liep weer
vroolijk met haar verstelde jurk rond. ’t Kon haar niets schelen hoe ze
er uitzag. Ze was een echte wildebras en soms vreeselijk ongehoorzaam,
maar toch mochten de meeste menschen haar, omdat ze zoo eerlijk en
goedhartig was. Hans, iets kalmer van aard, hield veel van lezen, net
als Ineke, en kon uren met een boekje in een hoekje zitten. Freda
daarentegen vond alle verhaaltjes en sprookjes „vervelende nonsens,
waar je tòch niets aan hadt,” en maakte liever keukelkunsten aan rek en
ringen. Heel lenig was ze en ze kon harder loopen dan alle jongens uit
haar klasse en hoewel haar vader ’t volstrekt niet hebben wilde,
fietste ze, als ze even haar kans schoon zag, als een bezetene op haar
fiets den dorpsweg af en had een pret van belang, als iedereen
verschrikt voor haar op zij stoof. Ze hield veel van bloemen en dieren
en zat, als ze bij Ineke op visite kwam, geregeld met Fokkie en Bello
op schoot, tot verontwaardiging van juffrouw Doortje, die er maar niets
meer van zei, nadat ze Freda een paar maal gewaarschuwd en tot antwoord
gekregen had: „O, ze mogen best. Mijn jurk kan gewasschen worden!”

De keurige juffrouw Doortje had niet erg met Freda op en liet altijd
duidelijk blijken, dat ze Hans veel aardiger vond, maar Ineke vond
Freda „’t leukste kind, dat ze kende.”

„Ik moet zoo vreeselijk om haar lachen, Opa, en ze is zóó goedig! Alles
geeft ze weg en ze helpt me altijd met mijn sommen. Dat mág ze van
meester Hoogstra. Kijk eens, deze grappige, glazen penhouder met dat
vischje er in heb ik van haar gekregen. ’k Wou ’m eerst heelemaal niet
hebben, maar ik mòest ’m aannemen. Ze zeurde net zoo lang, tot ik ’t
deed en nu heb ik haar bloemen uit mijn tuintje gebracht,” vertelde
Ineke op een avond aan meneer Van West, die ’t kleine, wilde meisje,
met haar groote, donkere oogen graag lijden mocht en altijd partij voor
haar trok, als Juf iets minder aardigs van haar zei. Freda, op haar
beurt, was erg op meneer Van West gesteld, noemde hem soms voor de grap
ook Opa, maar Juf vond ze „een ouwe zeur” en Ineke zat dikwijls in
angst, dat Freda brutaal tegen haar zijn zou. Gelukkig was dat echter
nog niet voorgekomen en beloofde Freda telkens:

„O, wees maar gerust, ik zàl niks zeggen. ’t Heele mensch kan me niks
schelen. ’t Is een spóók! Maar je grootvader wil ik geen verdriet doen
als jij zegt, dat hij ’t naar vindt, als ik onaardig tegen haar ben.
Jou Opa is een snoes van een man. Ik wou, dat ik ook zoo’n grootvader
had.”

En Ineke, die ’t altijd zoo heerlijk vond, als ze merkte, hoeveel de
menschen van hem hielden, had beweerd:

„Opa vind jou ook aardig, hoor, en hij is blij dat ik, nu ik jou hier
heb, niet zooveel meer lees als vroeger. Hij zei altijd, dat ik er een
ronden rug en een suf hoofd van kreeg.”

„Natuurlijk,” lachte Freda, „al dat malle gelees over dingen, die toch
nooit gebeurd zijn!”

Maar daar was Ineke ’t niet mee eens. Ze vond lezen nu eenmaal
heerlijk, doch de twee kleine meisjes, hoe verschillend van aard ook,
waren toch een heele aanwinst voor elkaar. Meneer Van West zei wel
eens, dat een paar zusjes niet beter met elkaar over weg zouden kunnen
dan Ineke en Freda, want ze kibbelden zelden samen en hadden bijna
altijd pret. Misschien wel een beetje te veel! Als Opa geweten had, dat
’t schoolwerk er onder begon te lijden en Ineke in de afgeloopen week
twee maal een les niet kende en van de vijf sommen, die ze voor
huiswerk opkreeg, er maar twee goed maakte, zou hij zijn kleindochter
niet geprezen hebben. Gelukkig, dat hij de laatste dagen meester
Hoogstra niet gesproken had, dacht Ineke, die eigenlijk heelemaal niet
tegen een prijsje kon, want sinds de doos met pralines, die Moeder
stuurde, had ze ’t er met ’t leeren maar zoo’n beetje op aan laten
komen. ’t Ging immers goed en nu zou ’t vanzelf wel zoo blijven gaan.
Maar, o, lieve help, wat viel dàt tegen! Zonder dat ze ’t zichzelf
bekennen wilde, merkte ze wel, dat ze, als ze niet haar uiterste best
deed, dadelijk achter raakte met die halve schooldagen. Ze maakte
zichzelf echter wijs, dat ze een ongelukkige bui had gehad en dat die
wel weer voorbij zou trekken. Iedereen kende wel eens z’n les niet en
die sommen waren ook zoo lastig. Doch ze keek gauw voor zich, toen
meester Hoogstra haar op een morgen over zijn bril heen aanzag en
hoofdschuddend zei, terwijl hij haar sommenschrift teruggaf:

„Ineke, Ineke, je werkt niet meer zoo goed als in ’t begin!”

Nu, met de komende repetitie, zou ze haar schade inhalen, had ze zich
vast voorgenomen. Dan bracht ze toch nog wel een tamelijk goede lijst
mee aan ’t eind van de maand, want anders zou Opa er verdriet van
hebben en Opa verdriet doen, dat wòu Ineke niet. Den heelen
Woensdagmiddag ging ze hard op haar aardrijkskunde leeren en de
moeilijke sommen nog eens overdoen. Dan zou ze er zich Donderdag wel
goed doorheen slaan.

Woensdagmiddag kwam en Ineke zat nog met Opa en Juf aan de koffie, toen
Freda onverwachts binnenstapte:

„Dag meneer, dag Juf, dag Ien! Zeg, ik kwam daarnet op den weg Andries
tegen. Hij gaat hooi halen op ’t land en we mogen mee terug rijden op
de volle kar, als Opa ’t goed vindt.”

„We mogen wel, hé Opa? We zijn gauw weer terug!”

„Ja, kinderen, gaan jullie je gang maar. Maar moet je niet eerst je
aardbeien opeten, Ineke? Zoo gauw zal de kar niet opgetast zijn. Juf,
geeft u Freda ook maar een portie,” zei meneer Van West met een
knipoogje, en nadat ze ieder volop gesmuld hadden van de heerlijke
vruchten, die dat jaar zoo overvloedig in den moestuin groeiden, toog
het tweetal op weg, dwars de velden door naar de weide, waar Andries
aan ’t hooien was. De kar stond nog maar half opgetast, zoodat ze een
poosje in een groote hoop hooi midden in de wei gingen liggen tot ze
geheel was opgeladen. Toen hielp Andries de beide meisjes vlug naar
boven klimmen.

„’t Lijkt wel een bed,” lachte Ineke, terwijl ze zich languit naast
Freda uitstrekte, maar Andries zei:

„Voorzichtig jullie! En je vasthouën an ’t touw, hoor, dat ik er over
gespannen heb, anders zou je d’r wel ’s af kunnen schieten.”

Maar zoo’n vaart liep ’t niet. ’t Oude paard kon de zware vracht
slechts langzaam trekken, zoodat ’t niet veel harder dan stapvoets naar
„Eiken-rode” terug ging. Toch was ’t heerlijk en zouden de
vriendinnetjes er volstrekt geen bezwaar tegen gehad hebben, als de
tocht wat langer geduurd had. Ineke, met de beste plannen voor de
repetitie van den volgenden morgen bezield, stelde bij haar thuiskomst
echter dadelijk voor:

„Zeg, zullen we nu samen de plaatsen aan de groote rivieren repeteeren?
’k Heb mijn atlas in ’t spreekkamertje liggen.”

Maar Freda schudde beslist haar donker hoofdje.

„Kan je begrijpen! Nee, hoor, ’t is veel te warm om te leeren. ’k Zal
’t vanavond of morgenochtend voor ’t ontbijt nog wel ’s nakijken.”

„En weet je de som van die Kilogrammen en Hectogrammen nog goed? Die
vond ik laatst zoo moeilijk,” hield Ineke vol.

„O, daar is niks an. Misschien krijgen we zoo’n soort som heelemaal wel
niet. Zeur niet over die nare repetitie en laten we nu pret hebben.
Dáár is je vrije Woensdagmiddag toch voor,” en ze vervolgde, met een
arm om Ineke’s schouder: „Zeg, Ien, weet je wat we moesten doen?”

„Nou, wat dan?”

„Een leuk tochtje maken! Achter ’t weiland, waar de eikenboschjes
beginnen, maakt de beek ’n groote bocht en een eind verderop weet ik
een plek, die gewoon bláúw ziet van de vergeet-mij-nietjes. In de
boschjes zelf wemelt ’t van de kamperfoelie, ’k heb er een paar dagen
geleden al bossen vandaan gehaald met Hans. Laten we nu met ons beidjes
een reuzenbouquet voor Opa gaan plukken. Hij houdt er dolveel van, want
laatst, toen ik een takje gestoken had op ’t borduursel van m’n jurk,
om eens echt te genieten van de lekkere lucht, zei Opa, dat hij ook
geen enkele bloem wist, die zóó lekker ruikt als kamperfoelie!”

„Maar ’t is al over tweeën en ik wou m’n repetitie graag goed maken,”
aarzelde Ineke.

„Dan kijk je vanavond je boel nog eens na. Heusch, zoo’n repetitie is
zoo erg niet. ’t Is enkel rekenen en aardrijkskunde morgen. Je komt er
best klaar mee, als je dadelijk na ’t eten begint en desnoods sta je
morgen een half uur vroeger op, dan zit ’t er allemaal versch in. Dat
doe ik ook altijd. Kom, ga nou mee!”

En Ineke, die er toch eigenlijk erge lust in had, zwichtte en ging uit
de vestibule haar grooten stroohoed halen. Ze hield er niet van lang
achtereen blootshoofds door de brandende zon te loopen, zooals Freda,
die alleen Zondags een hoed droeg. Juist kwam Juf met een stapel schoon
servetgoed de trap af.

„Zoo, zijn jullie terug? Was ’t prettig? Maar wat is dàt, ga je nu wéér
uit, Ineke, en je hadt toch gezegd, dat je zooveel te leeren hebt voor
morgen!”

„O, dat doe ik vanavond wel,” zei Ineke zoo luchtig mogelijk.

„’t Is pas overmorgen repetitie,” jokte Freda er gauw achter aan.

„Je moet ’t zelf maar weten, maar geen minuut later dan kwart voor acht
is ’t bedtijd vanavond hoor! Je hebt vanmiddag niet gerust na de koffie
en gisteren en eergisteren ook niet. Als je daar ’t handje mee licht,
moet je ’s avonds maar eerder naar bed,” zei juffrouw Doortje streng.

Ineke mompelde iets onverstaanbaars.

„Als je maar zorgt bij tijds thuis te zijn, want Sientje moet naar haar
naaikrans en dan kan er niet later dan kwart voor zes gegeten worden.
Goed begrepen?”

„Ja, Juf,” en Ineke holde Freda achterna, die bij ’t hek op haar stond
te wachten.

De beide meisjes zetten er dadelijk flink den pas in, ondanks de groote
warmte, want des te eerder waren ze op den breeden straatweg, waar ’t
onder de hooge olmen veel koeler was. Toen ze dien voor een gedeelte
gevolgd hadden, sloegen ze af naar de wei, waar heel aan ’t einde de
beek haar bocht maakte.

„Oef, wat is ’t warm, hier,” zuchtte Ineke, met haar hoed op haar neus.
„Freda, hoe houd jij dàt uit, met je bloote hoofd in de zon!”

„O, ’t is maar eventjes. ’k Kan er best tegen. Straks, als we bij de
beek zijn, doen we onze schoenen en kousen uit en gaan lekkertjes door
’t water loopen. Zóó komen we ’t best bij de vergeet-mij-nieten. Hans
en ik doen ’t dikwijls op warme dagen.”

„Hè ja, net als in Scheveningen,” stemde Ineke grif toe, en zoo gauw ze
aan de bocht kwamen, waar ’t beekje de wei verliet en midden tusschen
de lage eiken-boschjes door stroomde, zetten ze zich in ’t gras om hun
schoenen en kousen uit te trekken.

„Zie je, ’t is hier ’t makkelijkste plekje om er in te komen. Verderop
bij de boschjes zijn er zooveel braamstruiken en boomstronken, waar je
je voeten aan bezeert. Leg je kousen en schoenen maar naast de mijne,
dan doen we ze straks hier weer aan en hoeven er niet aldoor mee rond
te sjouwen. Doe’t maar gerust, hoor, er komt toch geen mensch. Ziezoo,
daar ga ik,” en Freda liet zich handig langs den tamelijk steilen oever
in ’t water. „Zalig,” juichte ze, haar rokken hoog opsjorrend, „kom
Ien, geef me maar ’n hand,” en ze hielp Ineke, die ’t toch wel een
beetje ongewoon en griezelig vond, te water. „Ik zal wel voorop gaan!
Ik weet hier precies alle plekjes. Hou daar aan ’t eind van de bocht je
rokken goed hoog op, want daar gaan we er wel tot onze knieën in.
Verderop is ’t weer heel ondiep. Toe, kijk niet zoo angstig! Je zult
niet verdrinken,” plaagde Freda.

„Maar ik bèn heelemaal niet bang. Ik vind ’t juist heerlijk,”
verzekerde Ineke, die na de eerste stappen in de beek geheel op dreef
raakte en vol vertrouwen waadde ze achter Freda aan, door de diepe
plaatsen.

’t Was werkelijk een verrukkelijk tochtje, vooral verderop, waar in de
lage boschjes aan den oever een paar nachtegalen hun hoogste lied
zongen. De een antwoordde telkens den ander. „Je zult ze niet veel meer
horen. Ze scheiden er nu gauw uit met zingen,” fluisterde Freda, en de
beide meisjes bleven even staan om te luisteren. Vlugge waterspinnen
huppelden vroolijk over de oppervlakte van ’t beekje en vluchtten
ijlings naar de kanten als Freda en Ineke plonsend naderden, en een
paar prachtige blauwe libellen dartelden voor hen uit.

Ineens gaf Ineke een schreeuw van verrukking, toen ze tegen een der
oeverkanten een plekje ontdekte, dat vol vergeet-mij-nieten stond.

„Wat ’n boel!” jubelde ze, er met volle handen van plukkend, „en wat
zijn ze groot! Kijk, deze hebben rose knopjes bovenaan.”

„Verderop staan er nog veel meer. Kijk daar eens, daar bloeit
kamperfoelie en daar wilde spirea en valeriaan. Valeriaan heeft ’n naar
luchtje, maar ’t zijn zulke mooie bloemen. Ik doe er toch een paar in
mijn bouquet. De kamperfoelie ruikt zoo sterk, dat je ’t vieze luchtje
haast niet merkt,” beweerde Freda, maar Ineke wilde ze niet hebben.

„Daar zijn genoeg andere bloemen,” zei ze, een paar witte doovenetels
afplukkend, en meteen schrikte ze vreeselijk van een konijntje, dat uit
de struiken boven haar hoofd wegsprong.

Freda lachte dat ze schaterde, en Ineke lachte mee.

„Dat zal nog wel ’s meer gebeuren,” plaagde Freda. „Er zijn hier een
hóóp konijnen en laatst hebben Hans en ik hier in de buurt een egel
gevangen. Hij rolde zich als een bal op en zette al zijn stekels
overeind, toen Hans hem pakken wou, maar toen hebben we ’m heel
voorzichtig in een zakdoek gerold, zoodat hij ons niet steken kon, en
’m zoo mee naar huis genomen. Vader zei, dat egels zooveel van melk
houden en daarom gaven we ’t beest dadelijk een schoteltje vol, maar
hij bleef als een bal liggen en taalde er niet naar, en den volgenden
morgen, toen we ’t zij-hokje van ’t groote kippenhok opendeden, was
meneer verdwenen en ’t schoteltje leeg! We denken, dat hij zich onder
’t hok doorgegraven heeft.”

„Hè, hoe jammer; hadden jullie ’m niet graag willen houden?” vroeg
Ineke, maar Freda beweerde er niet rouwig om te zijn.

„Och, eigenlijk heb je toch niks aan zoo’n beest, dat alleen maar
steken kan en muizen vangen. Misschien was hij op den duur wel tam
geworden, maar buiten in de bosschen hebben ze toch een veel prettiger
leven. Hè, ik wou, dat ik ook altijd in de bosschen kon zijn! Vroeger
toen we nog in de stad woonden, had ik lang niet zoo’n schik in mijn
leven als hier. Alleen had ik dáár vriendinnetjes, maar sinds jij hier
bent, mis ik die niet meer,” en Freda, even stilstaande, schopte naar
een groote spin, zoodat de fonkelende waterdruppels hoog opspatten.

„Kind, je jurk drijft! Pas op, je maakt mij ook nat,” waarschuwde Ineke
verschrikt en lachend tegelijk.

„O, dat droogt in een wip, maar we zullen nu langzamerhand maar
omkeeren, want we moeten dat heele eind nog terug, en eer jij goed en
wel op „Eiken-rode” bent, zal ’t wel vijf uur zijn. Dan kan je je nog
net verkleeden en een beetje leeren,” en met bloemen beladen zochten de
beide meisjes de plaats weer op, waar ze hun kousen en schoenen hadden
achtergelaten.

„Ziezoo, nu leggen we onze bloemen tegen den kant, met de stelen in ’t
water en gaan zelf in ’t gras zitten. Dan laten we de zon op onze
beenen schijnen. Je zult eens zien hoe gauw we droog zijn,” zei Freda
en ze scharrelde ’t water uit tegen den oever op, reikte Ineke een hand
en trok haar op ’t droge. Toen strekten ze zich naast elkaar in ’t gras
uit.

„O, wat is ’t warm, nu we weer uit ’t water zijn,” zei Ineke, haar hoed
over haar oogen trekkend, maar Freda vond ’t heerlijk en liet zich
stoven.

„Als je maar niks hoeft uit te voeren is ’t wàt lekker,” zuchtte ze
lui.

Plotseling klonk er een dof gerommel in de verte.

„Hoor je dat; ’t gaat onweeren,” zei Ineke ongerust en ze kwam dadelijk
overeind, maar Freda antwoordde:

„Geeft niks! We zijn niet zoo ver van ons huis en de bui is nog ver
af.”

Maar toen ’t voor de tweede maal rommelde en kort daarop een felle
bliksemstraal de lucht doorkliefde, haastte ze zich toch, evenals
Ineke, om zoo spoedig mogelijk haar kousen en schoenen aan te krijgen
en op een drafje holden ze met hun bloemen de wei door. Juist toen ze
den straatweg bereikt hadden, vielen de eerste regendruppels. Het werd
een stevige plasbui en hun dunne jurken waren in een oogenblik
doorweekt. Freda’s korte haren hingen in druipende piekjes om haar
hoofd en van Ineke’s hoed gutste het water in stralen omlaag.

„We zien er uit als een paar verdronken katten,” lachte Freda, maar
Ineke keek bedrukt, want ze zag wel op tegen ’t standje van Juf, dat ze
zeker krijgen zou en dan.... de repetitie.

„Ben je mal, je gaat natuurlijk met mij mee. We zijn nu vlak bij „De
Merel” en vóór jij thuis bent, zie je d’r uit, of je heelemaal in ’t
water gelegen hebt. Dan zal je die vervelende zeur van ’n Doortje ’s
hooren,” waarschuwde Freda, toen haar vriendinnetje links inplaats van
rechts wilde afslaan en zuchtend besloot Ineke daarop maar met Freda
mee te gaan. ’t Was ook zóó’n weer.

„Kijk, daar heb je onze vagebonden! Moeder, je mag ze wel dadelijk
droog goed geven,” riep dokter Wilminck tegen zijn vrouw, toen hij van
uit de serre het tweetal zag aankomen.

„Kinderen, kinderen, wat zien jullie er uit! Maar wie had ook gedacht,
dat ’t zóó zou gaan onweeren en regenen! Freda, kind, je lijkt wel een
natte poedel,” lachte mevrouw Wilminck en ze joeg de beide druipende
meisjes voor zich uit naar boven, waar ze op de badkamer ieder een
schoon pak aankregen, na duchtig met ruige handdoeken te zijn
drooggewreven.

Toen ze beneden kwamen hadden dokter Wilminck en Hans juist
gloeiend-heete thee ingeschonken en terwijl Freda en Ineke zich deze
goed lieten smaken en de halve koekjestrommel leeg aten, moesten ze
vertellen van hun tocht door de beek en werden Freda’s bloemen in een
wijde Keulsche kan geschikt, die een eereplaats kreeg op de serretafel.

„Die van Ineke heb ik apart in den gieter gezet. Kijk ze ’s opstijven,”
wees Hans, die ’t jammer vond, dat hij den tocht ook niet had
meegemaakt.

„Hoe laat is ’t al, mevrouw,” informeerde Ineke na een oogenblik en ze
keek bedenkelijk naar buiten, waar ’t nog steeds plasregende.

„Kwart over vijf, kindje. Wat is er, wou je naar huis? Maar ’t is zoo’n
weer! Daar kan je niet door. Weet je wat, je blijft hier eten en ik
telefoneer zoo dadelijk even naar je Grootvader.”

„’t Is erg vriendelijk van u en.... en ik zou ook heel graag blijven,
maar, ziet u.... ik, ik moet mijn aardrijkskunde en een paar moeilijke
sommen nog nazien voor de repetitie van morgen,” stotterde Ineke.

„O, dat kan je hier ook wel doen. Freda heeft immers dezelfde boeken,”
zei dokter Wilminck luchtig en Freda, die Ineke wel erg overdreven
vond, maar zag hoe ze er over in zat, ging goedig haar tasch halen.

„Hier kind, hier heb je alle geleerdheid bij mekaar, behalve mijn
atlas, want die kan er niet in.”

„Leer jij dan aardrijkskunde zónder atlas,” vroeg Ineke verwonderd.

„O ja, haast altijd! Dan zoek ik op school, vóór de les begint nog wel
gauw de voornaamste dingen op.”

„Freda, Freda, dat is weer net iets voor jou. Hoe is ’t mogelijk!”

Mevrouw schudde haar hoofd, maar Freda liep, lachend haar schouders
ophalend, naar de telefoon, die juist belde.

„’t Is meneer Van West. Hij vraagt of Ien hier is. Komt u even,
Moeder,” vroeg ze en mevrouw Wilminck haastte zich naar ’t toestel.

Meneer Van West was blij te hooren, dat zijn kleindochter veilig op „De
Merel” zat en vond ’t uitstekend, dat ze daar bleef eten. Hij zou haar
zelf tegen half acht komen halen, als ’t weer opklaarde en anders werd
Ineke wel met de dokterssjees naar huis gebracht, ofschoon Vera—’t
paard—dien dag nogal een grooten tocht achter den rug had.

En zoo blééf Ineke dus, hoewel ze natuurlijk veel liever naar huis zou
zijn gegaan, om daar op haar gemak te werken. Dadelijk na ’t eten, toen
’t weer opklaarde en Freda en Hans den tuin introkken, kroop ze met
Freda’s boeken en schriften in een hoekje van de serre. Ze sloeg het
aardrijkskundeboekje open, maar ’t wilde niet vlotten.... Zònder atlas
kon zij geen aardrijkskunde leeren. Ze begreep niet hoe Freda dat deed.
’t Beste zou zijn morgenochtend vroeg op te staan, zonder dat Juf ’t
merkte. Anders zou ’t uitkomen, dat ’t die dag repetitie was en niet
pas de volgende, zooals Freda gejokt had, om haar vriendinnetje mee te
krijgen.... Vervelend, dat alles zoo tegenliep. Ineke wou de schade zóó
graag inhalen en met een niet àl te slechte lijst thuiskomen, aan ’t
eind van de volgende week.... Dat nàre onweer ook! Als dat niet gekomen
was, zat ze nu rustig op haar eigen balkon-kamertje. Dan kènde ze alles
al bijna! Die aardrijkskunde was niet eens zoo moeilijk. Kom, nu maar
aan de sommen! Maar Freda had ze zoo raar en slordig in haar schrift
staan, dat ze er niet uit wijs kon, en er haar naar vragen wou Ineke
niet. Freda was met Hans aan ’t stelten-loopen en dus heelemaal niet in
een bui om sommen uit te leggen en Ineke, moe en knorrig op zichzelf,
stopte zuchtend de boeken en schriften weer weg in de tasch en
drentelde lusteloos den tuin in, verlangend naar Opa, die zich niet
lang wachten liet gelukkig.

Meneer Van West vond zijn kleindochtertje stil dien avond, vooral onder
’t naar huis gaan, en maakte zich heusch een weinig ongerust, dat het
tochtje in de beek niet dienstig voor haar geweest was en toen Ineke
eindelijk in bed lag, bleef ze tegen haar gewoonte lang liggen woelen
en tobben en eindelijk ingeslapen, droomde ze heel vermoeiend en
verward van meester Hoogstra, die door de beek wandelde, van
akelig-groote konijnen, die gezichten tegen haar trokken en van een lei
met sommen, die niet wilden uitkomen....

                                   ⁂

Den volgenden ochtend werd ze pas bij zevenen wakker. IJlings vloog ze
overeind en begon zich te wasschen en te kleeden. Haar haar was al
uitgekamd toen Juf haar kwam roepen en ze kon „de plaatsen langs de
groote rivieren in Nederland” gelukkig nog alle opzoeken en zich in ’t
hoofd prenten.... maar de sommen schoten er bij in. Ze hoopte vurig,
dat ze die moeilijke van de Kilo- en Hectogrammen niet zouden krijgen
en dat ’t rekenen mee zou vallen. Dat kòn toch, trachtte Ineke zichzelf
moed in te spreken, maar helaas, toen ze om tien minuten over twaalf
uit school kwam, wist ze zèker, dat ze alles behalve gelukkig geweest
was!.....

Boven op haar kamertje, waar ze zich altijd ging opknappen voor ’t
koffiedrinken, viel ze op een stoel neer en dacht na.

De sommen gingen heelemaal mis.... Van de zes waren er twee goed en het
laatste uur, toen ze voor de kaart moest komen, had ze zich vergist met
de plaatsen aan de Boven- en Beneden-Merwede. Ook had ze Coevorden
inplaats van Meppel aangewezen, maar gelukkig wist ze de plaatsen langs
den Ouden Rijn zonder haperen te liggen. Daardoor was haar
aardrijkskunde-cijfer voldoende geworden. Maar voor rekenen kreeg ze
onvoldoende.... Dat stond als een paal boven water. Meester Hoogstra
had ’t zelf gezegd. Ook vond hij haar taalwerk van de laatste weken
zooveel minder en zoo slordig geschreven. Deze drie-wekelijksche lijst,
hoewel met geen verdere „onvoldoendes” dan rekenen, zou er zéér, zéér
magertjes uitzien.... Ineke durfde haast niet aan den komenden Zaterdag
te denken, als Opa weten zou, hoe ze was achteruit gegaan. Wat zou hij
er een verdriet van hebben en ze had hem juist een pleziertje willen
doen met die bloemen, die frisch en geurig in een tinnen kan op zijn
bureau prijkten. Opa had er haar zóó voor bedankt, maar Ineke wist heel
goed, dat hij veel meer in zijn schik geweest zou zijn met een mooi
rapport.... Trouwens, de bloemen waren volstrekt niet alleen de schuld
van de slechte lijst. ’t Was den laatsten tijd alles maar: gauw, gauw
gegaan om zooveel mogelijk met Freda te zijn. Zelfs ’t lezen was er de
laatste weken bijna bij ingeschoten. Alleen Zondag toen ’t zoo regende,
had ze den heelen middag verdiept gezeten in de sprookjes van Grimm en
Andersen. O, als ze tenminste toen maar in plaats van te lezen, sommen
gemaakt had, dan was die leelijke twee voor rekenen misschien nog een
„min drie” of drie geworden. Doch nu was ’t te laat. Niets, niets viel
er meer aan te doen en Zaterdag, als ze uit school kwam, zou ze Opa,
die ’t in de verste verte niet vermoedde, die onaangename verrassing
moeten bereiden.... Opa, die haar altijd plezier deed.... en thuis
zouden ze ook zoo teleurgesteld zijn en o, als de directrice van haar
school, aan wie de lijst altijd getoond werd, nu maar niet besloot haar
nog een jaar in de vierde klasse te laten. Blijven zitten zou Ineke
vrééselijk vinden.... De tranen sprongen haar in de oogen. Opa, en
Vader en Moeder, alle drie zouden ze verdriet hebben door haar schuld!

Nog één heelen dag hoefde niemand iets te weten. Morgen was ’t pas
Vrijdag, bedacht Ineke en ze zuchtte even van verlichting, wischte de
waterlanders weg en stond op, om haar handen te wasschen en een schoon
schort aan te doen. Ze zou zich voorloopig nog maar heel gewoon houden
en niets zeggen en toen de gong voor ’t koffie drinken door ’t huis
klonk, liep ze op een holletje naar beneden en gedroeg zich, alsof er
geen koudje aan de lucht was.

„Ineke, kind, ik heb een verrassing voor je,” begon meneer Van West,
zoo gauw ze aan tafel zat en hij zag zijn kleindochter lachend aan.

Ineke bloosde tot achter haar ooren.

„Een verrassing, Opa,” vroeg ze flauwtjes.

„Ja, kind! Je wou immers zoo graag een poesje hebben? Nou, bij boer
Staps op de Heikamp is een poes met zes allersnoeperigste kleintjes,
zwarte, gevlekte en grijze. Zelden zag ik zoo’n mooi nest, maar
natuurlijk kan Staps ze niet allemaal houden. Voor vier er van zoekt
hij een baas en als je wilt, mag jij er een van hebben. Wat zou je
zeggen, als we er vanmiddag, als je gerust hebt, eens samen op
uitgingen en er een mee naar huis brachten,” en meneer Van West, niet
anders denkend, dan Ineke, die al zoo lang naar een eigen poesje
verlangde, een groot genoegen te doen, was hoogst verbaasd toen zijn
kleindochter met een heel benepen stemmetje en neergeslagen oogen
antwoordde:

„Heel graag, Opa!”

„Ineke, kind, wat is er? Scheelt er iets aan?”

Juffrouw Doortje zag van achter ’t koffieblad nu ook met bevreemding
naar Ineke, die zich ineens niet meer goed kon houden en in huilen
uitbarstte. ’t Was te veel voor haar: Opa, die weer iets verzonnen had
om haar plezier te doen, terwijl zij hem overmorgen door haar eigen
schuld zóó zou moeten teleurstellen!

Haar tranen stróómden, heesche snikken snoven door de kamer. Heelemaal
over stuur raakte ze.

„Kind, kindje toch! Toe, drink eens.” Juf ook al ongerust, was
opgestaan om haar een glas water in te schenken en Opa’s goedig gezicht
boog bezorgd over Ineke, die maar niet tot bedaren kon komen.

„Kom, ga maar eens mee den tuin in. De lucht zal je goed doen,” en Opa
troonde Ineke zacht mee naar buiten.

Dáár, met kleine stapjes wandelend om ’t rozenperk naast Opa, die haar
als een klein kindje bij de hand hield, bedaarde Ineke en begon, eerst
nog snikkend, al vegend met Opa’s grooten zakdoek over haar behuild
gezicht, maar van lieverlede toch wat kalmer, te vertellen van school
en van de ongeluks-repetitie.

Meneer Van West zei niets, maar luisterde oplettend naar Ineke’s
verhaal, dat er met horten en stooten uitkwam, doch dat hij toch wel
begreep.

„Jongens, Ineke, wat spijt me dat! Wie had dàt nu kunnen denken! Had ’t
me maar eerder verteld. Of zag je ’t eerst zelf niet zoo ernstig in,”
vroeg Opa, toen Ineke zweeg.

„Ik wist allang, dat dit rapport veel minder zou zijn, dan het vorige,
maar.... maar ik had zóó gehoopt, dat ik tenminste voldoende voor alles
zou krijgen.” Ineke’s roodbehuilde oogen zagen Opa smeekend aan en ze
vervolgde: „Toe, Opa, verzin er iets op!”

„Er iets op verzinnen? Als ik maar wist wàt! Ik kan helaas je slechte
cijfers niet mooi maken. De eenige, die dat kan, ben jij zelf. Jij kunt
zorgen, dat je rapport er de volgende maand beter uitziet! Maar weet
je, wat ik doen kan? Ik zal vanmiddag naar meester Hoogstra gaan en
eens met hem praten over de questie. We kunnen dan natuurlijk niet naar
de Heikamp.”

„Nee, en dat woù ik ook liever niet, Opa, want.... want ziet u, ik vind
niet, dat ik het poesje verdiend heb. Ik.... ik moest er juist zoo om
huilen, dat u altijd zoo lief voor mij bent.... en ik....” Ineke bleef
steken en haar lippen begonnen op nieuw verraderlijk te trillen.

„Kom, kindlief, nu niet wéér beginnen. Gauw je boterham opeten! ’t Is
al kwart over een,” en Opa en Ineke traden door de openstaande serre de
eetkamer weer binnen en Ineke, o zoo blij, dat ze nu niet meer met
zoo’n bezwaard hart rond behoefde te loopen, at met smaak haar bord
leeg en ging toen gedwee rusten.

Dien middag tegen etenstijd keerde meneer Van West van zijn bezoek aan
meester Hoogstra terug en Ineke, die met haar rekenboek en
sommenschrift in de serre zat, vloog Opa tegemoet.

„Ja, kindje, meneer Hoogstra was, net als jij me verteld hebt, heel
ontevreden over je, maar ’t viel hem, geloof ik, nogal mee, dat je me
alles eerlijk hebt opgebiecht. We hopen er nu iets op gevonden te
hebben, waardoor je laatste rapport, dat je vijftien Juli met de
vacantie meekrijgt, er weer goed uit zal zien, zoodat je op je eigen
school zult kunnen overgaan. Je bent nu weer sterk en gezond en daarom
vond meester Hoogstra ’t maar ’t best, dat je nu de laatste weken ook
’s middags op school komt. Hij zal je wat extra-huiswerk opgeven en ’s
middags na schooltijd moet je dan maar je drie kwartier rusten. Van
spelen met Freda zal er nu wel niet veel kunnen komen, maar Freda moet
ook harder werken, zegt meester Hoogstra. In de vacantie kunnen jullie
dan je schade inhalen. Wat zeg je van dit plan?”

Nu, Ineke was ’t er heelemaal mee eens en wàt blij, dat de kans om
alles in ’t eind nog goed te maken niet verkeken was. Opa zond een paar
dagen later het slechte rapport met een brief, waarin hij alles
uitlegde, aan Ineke’s ouders....

Heel veel antwoordden die er niet op, maar Ineke snapte toch wel uit de
enkele zinnen, die zij er in hun brief-terug over schreven, dat ze zeer
teleurgesteld waren en dat spoorde haar dubbel aan, op school haar
uiterste best te doen. Ze ging er zelfs die laatste drie weken iets
minder goed uitzien, maar den vijftienden Juli kwam ze stralend van
opgetogenheid met een werkelijk bizonder mooie lijst bij Opa. Voor alle
vakken had ze vieren en vijven en meester Hoogstra had er met
duidelijke letters onder geschreven:


    „Ondergeteekende verklaart, dat zijn leerlinge Ina van West met
    vrucht het onderwijs op zijn school van den 10en Mei tot den 15en
    Juli gevolgd heeft, zoodat er zijns inziens geen enkel bezwaar
    bestaat, haar op haar eigen school tot een hoogere klasse te
    bevorderen.

                                        C. J. P. HOOGSTRA,
                                            Hoofd-onderwijzer.”


„Mooi zoo, Ien! Nu is de schade ingehaald! Nu kan je met hart en ziel
van je vacantie genieten, als morgen Vader en Moeder met de broers
komen,” en Opa omhelsde zijn kleindochter hartelijk.

„Ik ben zóó blij, zóó blij,” juichte Ineke, „vooral omdat Freda ook
overgaat. Ze heeft alleen een taak voor aardrijkskunde, maar dat komt,
omdat ze nooit een atlas gebruikt. Ik zal er haar wel mee terecht
helpen,” en Ineke rende van louter plezier met Bello en Fokkie achter
zich aan den tuin in, overgelukkig dat alles zoo goed was afgeloopen.

Zelf mocht ze naar huis telefoneeren om ’t goede nieuws vast mee te
deelen en nog dienzelfden middag gingen Opa en Ineke naar boer Staps op
de Heikamp, om daar een poesje uit te zoeken, waarvoor juffrouw Doortje
in alle stilte al een grappig, lichtblauw halsbandje met een belletje
er aan gemaakt had.








UIT LOGEEREN.


Hè, wat was dat?

Was ’t nou al morgen?

Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed, rekte zich al geeuwend
uit, beide armen boven haar hoofdje. Helder scheen de zon door een kier
van de gordijnen de kamer in en in een wip was Wiesje ’t bed uit, om op
haar bloote voetjes voor ’t raam uit te kijken in den tuin, waar de
duiven druk en vroolijk zaten te koeren op ’t lage, grijze muurtje.

Kijk, daar vlogen er een paar weg, hoog hóóg de blauwe lucht in!

Wiesje trok de gordijnen wijder open, schoof ’t raam wat meer op en
ging er op haar knieën voor liggen. Een heerlijke geur van versch
gemaaid gras stroomde de kamer in. O, kijk, daar kwam Cobus, de
tuinmansjongen, aan met een mand vol koolblaren. Zeker voor de
konijnen.

Wat was ’t heerlijk hier buiten! Heel anders dan op ’t bovenhuis in ’t
warme, drukke Amsterdam, waar Wiesje woonde. Twee weken zou ze nu hier
mogen blijven bij Oom Willem en Tante Lida! Zalig! Gisteren toen Vader
haar wegbracht, had ’t Wiesje wel lang geleken om veertien heele dagen
en nachten van huis te zijn.... Ze was al een groote meid van tien
jaar, maar nog nooit alleen uit logeeren geweest en toen ze van Moes en
kleinen Broer afscheid nam, had ze wel even een raar, propperig gevoel
in haar keel gehad, net of ze zou gaan huilen....

Maar in den trein was ze ’t gauw vergeten en toen Vader ’s avonds
wegging, voelde Wiesje zich bij Oom en Tante en bij Suus en Dolf en
Bert zóó thuis, dat ze er niet over dacht één traantje te storten. En
ze had Vader bij zijn vertrek nog nageroepen:

„Zeg maar aan Moes, dat ’t hier dól is en dat ik heusch zoet zal zijn.”

En toen de kinderen kort daarop alle vier naar boven moesten—om acht
uur sloeg onverbiddellijk ’t klokje van gehoorzaamheid—en Tante haar
had toegedekt, was ze geen vijf minuten daarna rustig in slaap
gevallen.

Hoe verbazend gauw ging zoo’n nacht voorbij!

’t Was zeker nog heel vroeg, dacht Wies je. Je hoorde nog heelemaal
geen leven in huis. Nee, mis hoor! Daar kwam Suus aan de kamerdeur:

„Zeg, Wies, sta je op, ’t is zeven uur.”

„’k Ben d’r al uit,” riep Wiesje vroolijk.

Suus kwam binnen, ook in haar nachtjaponnetje en van louter plezier
dansten ze toen de kamer door, tot ze allebei buiten adem op een stoel
neerploften.

„Zoo leuk... dat je... hier bent,” hijgde Suus en Wiesje knikte
lachend, niet in staat een woord te zeggen.

„De jongens zijn al bijna klaar. Laten wij ook voortmaken, dan kunnen
we voor ’t ontbijt nog even naar buiten,” stelde Suus voor, zoo gauw ze
wat bekomen waren.

„Goed, wie ’t eerst klaar is,” en Wiesje sprong op, schonk vlug water
in de waschkom en begon dapper te plassen. Een goed kwartiertje later
waren ze beneden. Allebei tegelijk!

In de tuinkamer was Tante Lida al bezig voor ’t ontbijt te zorgen. De
glazen tuindeuren stonden wijd-open en de zon scheen vroolijk naar
binnen en deed den koperen theeketel, die gezellig raasde, blinken of
hij van goud was. Midden op tafel prijkte een vaasje met reseda en
kleine, gele roosjes.

„Die zijn van Dolf. Uit z’n eigen tuintje,” vertelde Tante toen Wiesje,
die heel veel van bloemen hield, er haar wipneusje in begroef om diep
den fijnen geur in te ademen.

„Mogen we nog even den tuin in, Moeke,” vroeg Suus.

„Ja, maar dadelijk komen als er gebeld wordt. Hier is wat oudbakken
brood, strooi dat maar voor de vogels.”

Suus nam ’t bordje met ’t in kleine stukjes gesneden brood aan en
gearmd gingen zij en Wiesje naar buiten, waar de musschen luid sjilpend
kwamen aanvliegen en zich flink te goed deden, totdat een paar
hongerige duiven, die er ook wat van hebben wilden, ze uit elkander
dreven.

De beide meisjes hadden nog net tijd om even naar de konijnen te gaan
kijken; toen luidde de bel voor ’t ontbijt. De anderen waren al binnen.

„Ik heb zoo’n honger,” zei Bert, die vuurrood zag van ’t werken in zijn
tuintje. „’t Onkruid is er allemaal uit. Nou zullen jullie ’s zien hoe
mooi mijn reseda wordt! Moeke, over één weekje krijgt u net zulke mooie
van mij, als u nu van Dolf hebt!”

„Kun je begrijpen. Je hadt al veel eerder moeten wieden,” zei Dolf een
beetje minachtend. „Jij laat alles altijd maar staan.”

„Niet waar! Maandag heb ik er nog een hóóp uitgehaald en mijn violieren
waren toch lekker veel mooier dan de jouwe.”

„Och,” kwam Dolf weer, zijn schouders ophalend, maar Oom, die ineens
van achter zijn courant opdook, maakte een eind aan de opkomende
kibbelpartij door te zeggen:

„Stil jongens! Wat moet Wies wel denken? Die is zulke kemphanen
heelemaal niet gewend, of kibbel jij thuis wel eens met Broer, Wies?”

„Nee,” lachte Wiesje. „Broer is nog veel te klein. Die kan nog niet
eens praten.”

„Nou maar, onze jongens kunnen mekaar geducht in de haren zitten. Ze
meenen ’t wel niet zoo kwaad, maar ’t is toch niet heel aardig om aan
te hooren. Dat zul je wel merken,” zei Oom met een plagend knipoogje
naar Dolf en Bert, die groote happen van hun boterhammen namen en voor
zich keken, want ze schaamden zich wel wat voor hun nichtje.

Maar Wiesje lachte er om en na ’t ontbijt toen Oom zijn zieken ging
bezoeken—hij was dokter op ’t dorp waar ze woonden—gingen ze met hun
viertjes prettig buiten spelen. Ze schoten goed op samen. De jongens
kibbelden wel eens af en toe—dat kónden ze nu eenmaal niet laten—maar
’t duurde nooit lang, of ze verzoenden zich weer met elkaar. De dag was
om voor ze het wisten, en Wies schreef dien avond een langen brief naar
huis, zoodat Vader en Moes den volgenden ochtend al met verheugde
gezichten lazen van al de pret, die hun dochtertje daarginds had.



En nu was ’t de avond van den vijfden dag, dien Wiesje bij Oom Willem
en Tante Lida doorbracht.

Meer dan een half uur geleden had Tante haar ingestopt en nóg kon
Wiesje den slaap maar niet vatten. Telkens keerde ze zich om en om in
’t groote logeerbed.... Zelf wist ze maar al te goed wat er aan
haperde.... Ze had iets heel leelijks gedaan, waar ze nu o, zoo’n spijt
van had en ’t ergste was, dat Cobus de tuinmansjongen, er morgen
waarschijnlijk de schuld van zou krijgen.

Iedereen dacht dat hij ’t gedaan had. O, ’t was verschrikkelijk. Wiesje
wist geen raad....

Zóó was ’t gebeurd.

Ze speelden met hun vieren verstoppertje. Bert „was ’m” en omdat hij
zoo gauw telde, waren Suus en Dolf en zij zoo hard ze konden ieder een
anderen kant uitgehold. Wiesje, die ’t vlugst was, had zich verstopt
achter in den tuin bij ’t schuurtje en Bert kón haar maar niet vinden.
Die zocht alleen op plekjes dicht in de buurt en Wiesje had in zichzelf
een pret van belang. Ze besloot nog een poosje rustig in haar
schuilhoekje te blijven voor ze zich vertoonde, want hoe later je
gevonden werd, hoe meer eer!

Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom, die tegen
den muur van het schuurtje geleid was en waaraan een massa prachtige
perziken zaten. De meeste waren nog niet heel rijp, maar juist onderaan
hingen er een paar heerlijk in ’t zonnetje te stoven. Die zagen er net
zoo rood en donzig uit als Wiesjes eigen wangen....

Ze ging er vlak bij staan, voelde er toen heel voorzichtig met één
vinger aan.... Hè, die twee daar vlak tegen elkaar waren heelemaal warm
van de zon.... Nog even voelen en Wiesje kwam er nog eens aan. Maar, o
wee, daar ploften ze ineens allebei op den grond. Vlak voor Wiesjes
voeten vielen ze in ’t gras. Haar hartje bonsde van schrik en haar
wangen werden nog rooder dan de perziken.

Zóó had ze ’t niet bedoeld, nee waarlijk niet!

Wat zou ze doen? Ze stil in ’t gras laten liggen, of ze gauw naar Tante
Lida brengen en eerlijk vertellen wat er gebeurd was?

Ze raapte ze op, rook er eens aan.... Een had al een gekneusd
plekje.... Het sap liep haar langs de vingers. Kom, er zaten nog
zooveel perziken aan den boom. Ze kon deze eigenlijk best opeten. Een
paar meer of minder gaf niks, niemand zou ’t merken....

Schuw keek ze om zich heen en ineens zette ze haar tanden in de
overrijpe vruchten en at ze gulzig met schil en al op. De pitten,
waarin ze zich bijna verslikte, wierp ze in ’t gras en haar mond en
haar kleverige vingers veegde ze snel aan haar zakdoek af. Toen luidde
de etensbel en ze holde naar huis op de verwonderde vragen: „Waar heb
jij gezeten,” brutaalweg antwoordend:

„Dat zeg ik nou ’s lekkertjes niet!”

Maar aan tafel was ze stil geweest, had ze niet zoo flink gegeten als
anders en de schrik sloeg haar om ’t hart, toen Oom tegen ’t
theedrinken binnenkwam met twee perzikpitten in zijn hand. Je kon hem
aanzien, dat hij heel ontstemd was.

„Heeft iemand van jullie aan de perziken gezeten? Ik wou enkele mooie
rijpe, die onderaan hingen en waar ik alle dagen een oogje op hield
naar vrouw Bos brengen, die zoo ziek is, maar jawel, ze waren er af
toen ik daarnet ging kijken en de pitten vond ik tusschen ’t gras. Er
is dus iemand aan geweest. Een van jullie soms?”

„Nee, Vader,” riepen de kinderen als uit één mond.

„Nee Oom,” zei ook Wiesje.

Ze kreeg een kleur als vuur en trilde op haar beenen, maar ’t begon al
donker te worden en ze stond achter in de kamer. Niemand sloeg bizonder
acht op haar.

„’t Spijt me, dat ik zooiets denken moet, maar dan ben ik bang, dat
Cobus ’t gedaan heeft. Hij deed den laatsten tijd zóó zijn best en ik
vind ’t heel jammer, maar als hij niet van ’t fruit kan afblijven, zal
ik genoodzaakt zijn ernstige maatregelen met hem te nemen.”

„Hè,” zuchtte Tante, „’t zou wel heel ondeugend zijn van een jongen,
die ’t zóó goed bij ons heeft.”

„Nu, we zullen er niet verder op doorgaan voor ’t oogenblik. Cobus is
al naar huis. Ik zal hem morgenochtend wel onder handen nemen,” zei
Oom.

„De kinderen wilden graag wat zingen, is ’t niet,” en Tante ging aan de
piano zitten, terwijl Dolf met de muziek kwam aandragen.

’t Waren aardige, vroolijke liedjes en Wiesje kende er verscheidene
van. Toch was ’t haar niet mogelijk mee te zingen; dan zou ze zeker
zijn gaan huilen. Stil en lusteloos stond ze er bij. Ze dúrfde ’t niet
zeggen, omdat ze zich zoo vreeselijk schaamde. Hoe ze zich den heelen
avond had goedgehouden begreep ze zelf niet. Zelfs toen Tante Lida haar
bij ’t toedekken vroeg: „Zeg, Wies, scheelt er iets aan? Je was zoo
stil,” had ze geantwoord met haar hoofdje naar den muur gewend:

„Nee, niks Tante, ik ben alleen erg moe.”

Toen was Tante na haar een nachtzoen gegeven te hebben heengegaan, bij
zichzelf denkend, dat ’t kind wel vreemd en stil geweest was den heelen
avond en plotseling dacht ze met schrik aan die perziken.... Nee, dat
kón niet zijn. Tot zoo iets was Wies niet in staat. Misschien verlangde
ze naar huis. Ze was vroeger immers nooit alleen uit logeeren geweest.
En toch.... Nu ze zou over een uurtje nog maar eens gaan kijken of
Wiesje sliep en Tante Lida waschte den theeboel om en begon aan haar
verstelwerk.

Intusschen lag Wiesje boven te woelen in ’t groote bed. Van slapen kwam
maar niets; hoe stijf ze haar oogen ook toekneep en hoe dikwijls ze tot
zichzelf zei: „Nou wil ik er niet meer aan denken,” ze moest er aan
denken, ze kón niet anders.

Cobus zou de schuld krijgen van iets wat zij gedaan had. Misschien
moest hij wel weg.... Cobus, die zoo aardig voor haar geweest was en
haar bal tot tweemaal toe voor haar uit de sloot gevischt had, zelf
gevaar loopend van er in te vallen. Ze zag Cobus’ verbaasde en
bedroefde gezicht al, als Oom over de perziken zou beginnen. Oom zou
hem toch niet kunnen gelooven als Cobus zei, dat hij ’t niet gedaan
had.... O, ’t was vreeselijk!

Ze huilde zachtjes met haar hoofd in ’t kussen, begon toen al harder,
zoodat ’t bed schudde en haar sloop nat werd van al de tranen.

Wat moest ze toch doen? O, was Moes maar bij haar. Aan Moes zou ze ’t
wel durven zeggen, maar ze schaamde zich zoo voor Oom en Tante en voor
Suus en de jongens, die ’t natuurlijk ook zouden weten. Nog nooit had
ze zoo’n spijt, zoo’n verdriet gehad, als nu door haar eigen schuld.

Langzamerhand werd ze toch wat kalmer. Ze zag duidelijk in, dat ze ’t
moest gaan vertellen, al zag ze er nog zoo tegenop. Hoe eerder ze ging,
hoe beter en net wou ze ’t dek wegslaan en uit bed komen, toen de deur
geopend werd en Tante Lida zachtjes binnenkwam. Bevend zakte Wiesje
achterover in ’t kussen, maar Tante sprak niet, ging alleen stil op den
rand van ’t bed zitten, zei toen eindelijk heel zacht:

„Wies, ik dacht, dat je me nóu misschien wel iets wilt zeggen.”

En Wiesje, o zoo blij, dat Tante’s stem zoo vriendelijk klonk en dat ze
nu zou kunnen uitspreken wat haar zoo bezwaarde, deed met een heesch
stemmetje ’t heele verhaal.

Tante liet haar vertellen, viel haar geen enkele maal in de rede. Ze
vond ’t heel erg, maar had toch wel medelijden met Wiesje, omdat ’t
kind zoo’n innig berouw toonde.

„Gelukkig dat we ’t nu weten; anders had Oom Cobus morgenochtend onder
handen genomen en hoe vreeselijk zou dat voor den armen jongen geweest
zijn! Ga nu maar liggen, dan zal ik ’t wel vast voor je aan Oom zeggen.
Morgen kan je er dan zelf met hem over praten,” zei Tante, Wiesjes
verwarde haren gladstrijkend en Wiesje, moe van ’t huilen, liet zich
gewillig instoppen en viel spoedig daarop vast in slaap.

Den volgenden ochtend was ze al vroeg bij de hand, vóór de anderen nog
gekleed waren en zoo gauw ze Oom naar beneden hoorde gaan, liep ze hem
achterna, de studeerkamer in.

„Oom,” begon ze bevend met neergeslagen oogen....

Oom nam Wiesjes gezicht tusschen zijn beide groote handen en zag haar
ernstig, maar niet onvriendelijk aan, want hij begreep wel, dat ze heel
veel verdriet had van hetgeen er was voorgevallen. Oplettend luisterde
hij naar alles wat ze te vertellen had. Nee, Wiesje spaarde zichzelf
niet. Ze zag wel in hoe groot haar schuld was en daarom zei hij maar
niet veel en beloofde om ’t voor haar aan de kinderen te zeggen. Die
moesten ’t natuurlijk weten, omdat ze er anders Cobus op aan zouden
zien.

’t Was een moeilijk oogenblik voor Wies toen ze de tuinkamer instapte,
terwijl de anderen, die ’t nu allemaal wisten, al aan tafel zaten.

Onhoorbaar sloop ze naar haar plaats en niemand sprak een woord, totdat
Dolf ruw-goedig ineens zei:

„Wies, ’t was gemeen van je, maar je hebt ’t eerlijk bekend en dat
vinden we flink,” en toen gaven ze haar alle drie een hand.

Verder werd er niet meer over gesproken, maar vergeten kon Wies ’t
natuurlijk niet.

Enkele maanden later, ’t was op Sinterklaas-avond, kwam er een pakje
voor Cobus, heelemaal uit Amsterdam. Er zat een keurig-gebreide
bouffante in, waar hij dolblij mee was, maar hij is er nooit achter
gekomen, wie hem die gestuurd heeft.











*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OPA EN INEKE ***


    

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright
royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
of this license, apply to copying and distributing Project
Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
and may not be used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying royalties for use
of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
copies of this eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project
Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may
do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.


START: FULL LICENSE

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE

PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
Project Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or
destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your
possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound
by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this
agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg
electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in the United
States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting
free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg
works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
Project Gutenberg name associated with the work. You can easily
comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when
you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear
prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work
on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
performed, viewed, copied or distributed:

    This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
    other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
    whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
    of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online
    at www.gutenberg.org. If you
    are not located in the United States, you will have to check the laws
    of the country where you are located before using this eBook.
  
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is
derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
contain a notice indicating that it is posted with permission of the
copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
the United States without paying any fees or charges. If you are
redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works
posted with the permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide access
to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works
provided that:

    • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
        the use of Project Gutenberg works calculated using the method
        you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
        to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has
        agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
        within 60 days following each date on which you prepare (or are
        legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
        payments should be clearly marked as such and sent to the Project
        Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
        Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
        Literary Archive Foundation.”
    
    • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
        you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
        does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
        License. You must require such a user to return or destroy all
        copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
        all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
        works.
    
    • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
        any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
        electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
        receipt of the work.
    
    • You comply with all other terms of this agreement for free
        distribution of Project Gutenberg™ works.
    

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
electronic works, and the medium on which they may be stored, may
contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium
with your written explanation. The person or entity that provided you
with the defective work may elect to provide a replacement copy in
lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
or entity providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of
damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
violates the law of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any
Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg and future
generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website
and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
Gutenberg concept of a library of electronic works that could be
freely shared with anyone. For forty years, he produced and
distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search
facility: www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.